diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:51:20 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:51:20 -0700 |
| commit | 34f19063140642c771e039cb577e7b136ad34ebf (patch) | |
| tree | fe08cccd66a680cce567f10e0503d40a93fcdefe /17523-8.txt | |
Diffstat (limited to '17523-8.txt')
| -rw-r--r-- | 17523-8.txt | 7400 |
1 files changed, 7400 insertions, 0 deletions
diff --git a/17523-8.txt b/17523-8.txt new file mode 100644 index 0000000..8a327ff --- /dev/null +++ b/17523-8.txt @@ -0,0 +1,7400 @@ +The Project Gutenberg EBook of Een twaalftal samenspraken, by Erasmus + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Een twaalftal samenspraken + Tot inleiding: Cd. Busken Huet's beschouwing over Erasmus + +Author: Erasmus + +Release Date: January 23, 2006 [EBook #17523] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN TWAALFTAL SAMENSPRAKEN *** + + + + +Produced by Marc D'Hooghe. + + + + +EEN TWAALFTAL SAMENSPRAKEN + +VAN + +DESIDERIUS ERASMUS VAN ROTTERDAM + + +UIT HET LATIJN VERTAALD DOOR N.J. SINGELS + +TOT INLEIDING: Cd. BUSKEN HUET'S BESCHOUWING OVER ERASMUS + + +1912 + + + * * * * * + + +ERASMUS + +door Cd. BUSKEN HUET + + +Mijne lezers mogen niet klagen over dit langdurig vertoeven in de +kraamkamer van ons hooger onderwijs. Maar de opmerking staat hun vrij +dat het eerste beginselen zonder wiekslag geweest zijn. Goede wil, +toewijding, zelfopoffering, niets ontbrak, behalve Erasmus en het genie. + +De rotterdamsche Heilige, als Vondel hem noemen zou, wekt onze +belangstelling inzonderheid als landgenoot en omdat hij, in +onderscheiding der vermaarde oorlogslieden welke na hem de Republiek der +Vereenigde-Provinciën zou voortbrengen, op zoo eervolle wijze den +nederlandschen volksaard in vredestijd vertegenwoordigd heeft: anderen +met het penseel in de hand, hij met de pen. Alleen de omstandigheden +zijn oorzaak geweest dat niet reeds door Erasmus eene zigtbare +noordnederlandsche akademie is kunnen gesticht worden, gelijk van hem en +zijne geschriften de eerste onzigtbare dagteekent. + +Wel is waar zag na zijn vijfentwintigste of dertigste jaar zijn +geboortegrond hem naauwlijks terug, en is hij daarna meer voor Europa +dan voor Nederland gaan leven. Maar, geen Franschman geworden, geen +Engelschman, geen Spanjaard of Italiaan, geen Zwitser zelfs,--ofschoon +hij te Bazel zich meer op zijn gemak gevoelde dan overal elders,--de +sporen zijner afkomst en zijner opvoeding zijn nooit verdwenen. Welke +vlugt daarna zijne studiën mogen genomen hebben, zoodat hij in het +wetenschappelijke den gezigteinder zijner meeste land- en tijdgenooten +ontvoer, het eerste derde deel zijns levens is op zijne verdere vorming, +door de kracht der aantrekking niet minder dan der afstooting, van +beslissenden invloed geweest. Nederland openbaarde hem aan zichzelf, en +zulke indrukken zijn onuitwischbaar. + +Litterarische en theologische vijanden hebben, de eenen bij zijn leven, +de anderen kort na zijn dood, door uit te brengen dat hij de zoon was +van een zuidhollandsch dorpspastoor, in strijd met kerkgeloften bij eene +noord-brabantsche dienstbode of huishoudster gewonnen, een smet op zijne +geboorte meenen te werpen.[1] Uit een maatschappelijk oogpunt teregt, +uit een algemeener en edelmoediger ten onregte. Het strekt den +nederlandschen dienstbodestand en den lageren nederlandschen klerus der +15de eeuw tot eer, zulk een buitengewoon kind het aanzijn gegeven te +hebben. Noem het eene speling der natuur; noem het eene waarschuwing der +Voorzienigheid aan den onwetenden oudnederlandschen adel; eene les aan +den etenden en drinkenden oud-nederlandschen burgerstand; niemand zal +beweren dat er termen waren aan de wetenschappelijke toekomst van een +volk te twijfelen, uit welks onderste lagen, in de ongunstigste +omstandigheden, Erasmus kon voortkomen. + +Het verwekken van dit kind was niet de eerste dergelijke fout des +vaders. Dezelfde huishoudster had hem reeds vroeger een zoontje +geschonken; en naar het schijnt legde de kerkelijke overheid, tot straf +van den recidivist, hem eene bedevaart naar Rome op. Zoo verdween hij +voor eene poos uit de omstreken van Gouda, en de huishoudster ging bij +zijne rotterdamsche bloedverwanten hare bevalling verbeiden.[2] + +Van Erasmus Senior weet men weinig méér dan dat hij, al spoedig in +Nederland en op zijne standplaats teruggekomen, er overleden is toen +zijn jongste zoon twaalf of dertien jaren telde. De moeder stierf een +weinig vroeger, te Deventer, waar zij met den genialen knaap zich +heenbegeven had, om voor zijne gezondheid te waken, terwijl hij er de +lessen van den aantrekkelijken en onvermijdelijken Hegius volgde. Zij +schijnt eene zorgvuldige verpleegster geweest te zijn. Welligt paarde +zij, dochter van een chirurg uit Zevenbergen, aan haar liefhebbend +moederlijk instinkt sommige technische bekwaamheden. Eene boosaardige +deventersche epidemie nam haar in den bloei des levens weg.[3] + +De nederlandsche dorpspastoors der 15de eeuw waren geen suikerlords; en +toen vader en moeder het tijdelijke gezegend hadden, vonden de jonge +Erasmus en zijn broeder eene sobere nalatenschap te deelen. De +zevenbergsche heelmeester, grootvader van moederszijde, ongetwijfeld +tevens baardscheerder van beroep, kan evenmin een man van vermogen +geweest zijn. De rotterdamsche familie van vaderskant, ouders van tien +kinderen, deden om het openhouden van al die monden (vóór de kleine +woning bevond zich eene loofhut) niet onmogelijk een bier- of +wijnhuis.[4] Een voogd, te Gouda, was schoolmeester, was plakmajoor, en +wist de twee jonge weezen, nadat te vergeefs beproefd was den jongste +smaak te doen vinden in een Fraterhuis te 's Hertogenbosch, geen beteren +raad te geven dan in een eigenlijk gezegd klooster den kost voor het +eten te gaan zoeken. + +Gewone geesten zwichten voor zulke omstandigheden, en onderwerpen zich. +Buitengewone, maar van den tweeden rang, gaan de voorregten van rijkdom +en geboorte benijden, en beschouwen carrière-maken weldra als het +hoogste. Het bewonderenswaardige in Erasmus is dat, toen in vervolg van +tijd zijn bestaan eenmaal verzekerd was, de aanbiedingen van koningen, +keizers, en pausen, stelselmatig door hem afgeslagen zijn. Door de +ondervinding geleerd haatte hij eene armoede die tot bedelen doemt, eene +afkomst welke aan het platburgerlijke vermaagschapt. Maar zijn edel hart +en zijn groot verstand behoedden hem voor de dwaling, in de eene of +andere rigting aan het uitwendige meer te hechten dan het waard is. Zij +heeft hem diensten bewezen, de nederlandsche schooijerswereld uit welke +hij voortkwam. Het gemeene klooster-zelf is hem eene weldadige +leerschool geweest. + +Te Gouda letterwijs gemaakt, is het kind naar Utrecht gezonden om het +kerkgezang te leeren, en te zien of hij als koorknaap zijn brood +verdienen kon. Mogelijk oefende hij reeds toen zich in het teekenen of +schilderen; wat hij, evenals de muziek, naderhand voor goed liet +varen.[5] De letteren, niet de kunsten, waren zijne sterkste natuurlijke +neiging; lezen zijn hartstogt. + +Eene midden-nederlandsche litteratuur bestond er voor hem niet, evenmin +als eene middeneeuwsch-europesche in verschillende landstalen. Er zijn +geen blijken dat hij Villehardouin, Joinville, Dante, gekend of bemind +heeft. Naar vaderlandsche auteurs der oudheid, Maerlant, Stoke +(_litterae inamoenae_), zag hij niet om, maar kende op zijn twaalfde +jaar den geheelen Horatius en den geheelen Terentius van buiten. + +Van zijne vorderingen te Deventer, naderhand in Den Bosch, weten wij +alleen dat hijzelf op later leeftijd er een geringen dunk van koesterde. +Ondanks merkbare teekenen van beterschap waren de onderwijsmethoden in +Nederland toen nog niet veel zaaks, vond hij.[6] Het is waar dat eerst +zijn eigen vermaardheid als man, en de zucht der nederlandsche filologen +hem opzijde te streven, eene betere toekomst heeft doen aanbreken. + +Zijn eerste wezenlijk merkwaardige arbeid in latijnsch proza, te zamen +met vrij wat latijnsche verzen (ook de poëzie werd in vervolg van tijd +door hem losgelaten), dagteekent van zijn achttiende jaar of +daaromtrent: zijn proeftijd als augustijner-monnik in het klooster +Emmaüs, te Stein bij Gouda.[7] In tien of elf korte hoofdstukken, vele +jaren daarna vermeerderd met een korrigerend en herroepend twaalfde, is +het een pleidooi ten gunste van het monachale leven, en handelt _Over +het vlieden der wereld_.[8] + +De stijl van dit werkje verschilt zeer van dien der _Imitatio Christi_. +In plaats van uit de hoogte, in naam der nietigheid van het +ondermaansche, een heilig leven te gebieden, zooals Thomas a Kempis +doet, betoogt de jonge Erasmus met tal van redeneringen (de vorm is die +van een brief, door een denkbeeldig oom aan een denkbeeldigen neef +gerigt) dat de belangen van een goed geweten, een onbesproken wandel, +een vredig uiteinde, de belangen ook der vrije, ongestoorde, veelzijdige +studie, het kloosterleven krachtig aanbevelen. Het is reeds eene geheel +andere soort van latijn dan zestig of zeventig jaren te voren Thomas +plag te schrijven en tot het laatst aanhield; meer het klassieke +naderend; beschikkend over een veel grooter aantal woorden en +zegswijzen; getuigend van een veel gemeenzamer omgang met de schriften +der oudheid. Aanhalingen uit den bijbel worden niet gemist, doch zijn +betrekkelijk zeldzaam, en vormen in geen geval den hoofdinhoud, gelijk +bij Thomas het geval is. + +Nogtans wortelt ook Erasmus' geschrift regtstreeks in de mystiek van den +tijd en van het land; en de eene augustijner-monnik geeft, waar het op +verheerlijken der kloostergeloften aankomt, den ander niets toe. Een +geheel hoofdstuk bij Erasmus, langer dan één der vorige, is gewijd aan +het schilderen der godsdienstige geestdrift van een vriendinnetje zijner +kinderjaren, toen een volwassen meisje, dat ondanks de gebeden van vader +en moeder, ondanks de tranen en omhelzingen van broeder en zuster, in +het aannemen van den sluijer volhardde. Hij spreekt over deze Margaretha +als over eene voorbeeldige geloofsheldin, en wijst er met bewondering op +dat in den kring der schreijende ouders, bloedverwanten, en huisvrienden +(hijzelf was bij het tooneel tegenwoordig en noemt het +hartverscheurend), zij de eenige was om wier lippen een rustige glimlach +speelde.[9] + +Zelfzuchtiger, zoo men wil, doch niet minder warm of welgemeend, is +zijne hulde aan de kloostercel als studeerkamer, waar slechts boeken en +nogmaals boeken gevonden worden ja, maar die onder het lezen den jongen +wijze in een paradijs verkeert, een hof van Eden. Anderen mogen aan de +herberg, anderen aan de danszaal de voorkeur geven, hij houdt het met +dit park der letterwereld; met die stroomen, bosschen, weiden, waar, +tusschen het gras, de rozen en de leliën bloeijen of de violen zich +verschuilen. Verlangt de ziel naar goddelijk onderrigt uit de eerste +hand, de jonge kloosterling grijpt naar het Oude of het Nieuwe +Testament. Wenscht hij een kerkvader of een godgeleerde te raadplegen, +hij haalt het boek voor den dag en slaat op zijne knieën het open. Heeft +hij uit de wereld eene oude liefde voor de ongewijde Muze medegebragt, +hij mag in zijne vrije uren, mits het eene platonische genegenheid +blijve, ook aan déze neiging toegeven. Wie gevormd werd in de school van +profeten, apostelen, kommentatoren, en theologen, weet bij de heidensche +wijsgeeren en dichters de medicinale van de giftplanten te +onderscheiden. In zijn litterarischen bloemtuin is hij koningen te rijk, +en trotseert Sardanapalussen.[10] + +Een ander klein prozawerk van Erasmus uit deze periode is zijne lijkrede +op eene goudsche weduwe, moeder van drie huwbare dochters en in de +kracht harer jaren gestorven. Haar echtgenoot of haar vader, schijnt +het, had haar een aanzienlijk vermogen nagelaten, en zij maakte daarvan +een edelmoedig gebruik, zoodat zij als eene weldoenster bekend stond. +Daarbij was zij buitengemeen vroom en eene gulle gastvrouw, die de +kloosterbroeders van Emmaüs geregeld ten eten vroeg. Erasmus, wien zij +meer dan één der andere jongelieden genegen was, bewondert hare +onbegrensde godsdienstigheid, en brengt daarvan voorbeelden bij. Niet +alleen wijdde zij onafgebroken hare zorgen aan een groot hospitaal te +Gouda; maar ieder jaar, op Goeden Vrijdag, noodigde zij te harent +dertien armen, wien zij vóór het aan tafel gaan zelve de voeten waschte. +Eene harer dochters, pas zes weken gehuwd, werd door eene noodlottige +ziekte aangetast. De moeder deed Erasmus hiervan kennis geven; en in de +meening haar doodelijk bedroefd te zullen vinden, snelde hij naar hare +woning. Doch Bertha van Heyen, zoo heette de matrone, zeide tot hem toen +hare dochter den adem had uitgeblazen: "Gij komt mij troosten, als ware +ik gekrenkt in mijne regten of moedwillig geplaagd; maar is niet hij, +die mijne dochter mij ontneemt, dezelfde die haar mij gegeven heeft? Ben +ik tot weeklagen bevoegd? Zij is heengegaan tot straf voor mijne +ongeregtigheden."[11] + + * * * * * + +Het verdient opmerking dat Erasmus, die later de monniken zoo ijverig +nagezeten, zoo geestig en openhartig de jonge meisjes van de wereld +vermaand heeft geen nonnen te worden,[12] met zooveel ingenomenheid over +het offer der Margareta zijner jonge jaren spreekt en over het "hokje" +van Thomas a Kempis. Maar het is óók merkwaardig dat reeds in de hulde +aan Bertha van Heyen uitdrukkingen voorkomen die op een begin van +ontgoocheling wijzen. + +Schier onmiddellijk heeft Erasmus gevoeld dat de meeste hollandsche +monniken zijner dagen onopgevoede lieden waren, en zij in het gezelschap +eener beschaafde vrouw zich niet wisten te gedragen. "Wanneer wij bij +Bertha aan tafel zaten," herinnert hij, "en een onzer zich van +uitdrukkingen bediende die den goeden naam van den medemensen benadeelen +konden, dan maakte zij aan het verderfelijk gepraat terstond een einde, +zeggende: Ik bid u, broeders, laat mij aan mijn disch geen woorden uit +uw mond vernemen waardoor een afwezige beleedigd wordt! Spaart mij ook +het overbrengen van zaken die derden niet tot eer strekken: dit vleit +mijne ooren niet."[13] + +Zulk eene vrouw, gevoelde hij, behoefde den sluijer niet aan te nemen om +eene voortreffelijke christin te mogen heeten. Sprekend van hare jeugd: +"Zij was schoon," zegt hij, "zij was rijk, zij was een toonbeeld van +deugd en godsvrucht; waarom trok zij zich niet uit de wereld terug, en +ging zij niet in een klooster? zult gij vragen. Zeker, dit ware +voorzigtiger geweest. Maar volgens mij is het een verreweg schooner +eeretitel, te midden van de verleidingen der ondeugd een rein en +onschuldig leven te leiden, en met zelfbewustheid zijn eigen weg te +gaan, terwijl de wereld om ons heen jaagt en drijft. Alleen de deugd +stelt daartoe in staat."[14] + +Vroegtijdig heeft Erasmus het klooster bemind; met welgevallen de +tonsuur aanvaard, en door den bisschop van Utrecht zich tot priester +laten wijden. De drang van buiten, welke daarbij gebezigd mag zijn, +heeft minstens voor de helft uit overreding bestaan. Voor méér dan de +helft was het toetreden vrijwillig.[15] + +Doch even vroegtijdig heeft hij gevoeld dat voor het verwezenlijken van +een ideaal als het zijne,--een leven voor de studie, van de studie, om +de studie,--het klooster gemist kon worden, en veeleer den naam van +struikelblok of ergernis dan van hulpmiddel verdiende. Niemand had hem +"in de kap gestoken," gelijk naderhand de minachtende zegswijs luidde. +Uit eigen overtuiging, zoo niet uit eigen beweging, had hij zich den +strop om den hals gehaald. Maar pas was het koord bevestigd of hij +gevoelde dat het een koord was, en zijn bestaan dat van een vogel op een +kruk geleek. + +In die stemming schreef hij te zelfder tijd de _Ode aan een vriend_, +welke zulk een diepe neerslagtigheid ademt, en die bewijst dat het hem +gemakkelijker viel anderen met woorden de kloosterkevie smakelijk te +maken, dan voor de vleugelen van zijn eigen geest zich met zoo weinig +ruimte te vergenoegen: "Wee mij! Door droefheid, wanhoop, en arbeid, +word ik verteerd. Een wreed lot gunt mij geen oogenblik verademing, +brengt niet de geringste verzachting voor mijn leed. Treurige dagen +voor, treurige na! Door welke misdaad heb ik den Hemel beleedigd, dat ik +eene straf moet lijden de martelingen waardig van den Styx? De aarde ten +minste wordt na de zomerhitte door lange dagen vol schaduw en nevelen +verkwikt; de sneeuw komt en verdwijnt, naarmate de velden haar behoeven +of kunnen ontberen. Mij brengen de saizoenen geen stilling van pijn; +onafgebroken vervullen de droefgeestige zorgen mijne ziel; tranen doen +gedurig mijne oogleden zwellen."[16] + +Is het mogelijk een glimlach te onderdrukken wanneer men bedenkt hoe +weinig de jonge man, die onder zijn leed zoo diep gebukt ging, noodig +had om gelukkig te zijn? Welk gering verschil, voor het uitwendige, er +bestond tusschen de kloostercel zijner jeugd, die hij verwenschte, en de +studeercel van zijn manlijken leeftijd, naderhand zijn hemel op aarde? + +Nooit heeft Erasmus naar een huwlijk getaald; nooit het als zijne +roeping beschouwd huisvader te worden; nooit eene openbare betrekking +willen vervullen. Wanneer hij in den vollen bloei der jaren de +zamenspraak van _den Officier en den Karthuizer_ schrijft, dan ontwerpt +hij van den laatste een zoo innemend beeld, dat hijzelf er jaloersch van +schijnt.[17] Maar die geïdealiseerde karthuizer is een monnik op het +geduldig papier; en zoo Erasmus te Stein en in het klooster Emmaüs +gebleven was, dan ware voor het leven zijn lot dat van een monnik der +werkelijkheid geweest. Niet om nieuwe banden of om bandeloosheid was het +hem te doen, maar om vrijheid. Zijn land, gevoelde hij, was grooter dan +zijn klooster, de wereld grooter dan zijn land, en er viel daar buiten +eene even nuttige als roemrijke levenstaak te vervullen. In zijne cel +zelve had de beweging der eeuw hem aangegrepen; uit zijne boeken was de +tegenstelling eener barbaarsche omgeving en van een hoogeren standaard +van beschaving hem openbaar geworden; naar _die_ lucht en _dat_ licht +strekte zijn verlangen zich uit. Zóó ten minste verklaren wij ons zijn +ongeduldig bijten in de staven van zijn tralievenster, tien jaren lang. + +Er is in Erasmus' leven, nadat als geleide van een jongen schotschen +koningszoon gunstiger omstandigheden hem eindelijk naar Rome gevoerd +hadden, en hij in de drukkerij van Aldo Manuzio de proefbladen zijner +herziene _Spreekwoorden_ had mogen korrigeren; er is een tijd gekomen +dat één ding bij hem nog boven Italië ging: Bazel en de vrijheid. Met de +jaren is het hem duidelijk geworden dat eene werkzaamheid als die zijner +droomen, niet gebonden was aan het land of de stad waar het toeval de +beschaving der oudheid, uit het Oosten verdreven, eene vlugthaven had +doen vinden. Onverschillig dat de Italianen hem niet noodig hadden; zij +voor het openbaar onderwijs hem niet gebruiken konden; zijn nederlandsch +accent, bij het latijnspreken, een hinderpaal was.[18] Niet in het +spreken lag zijne grootste kracht, maar in het schrijven. Hij was in de +wieg gelegd voor leermeester van Noord-Europa met de pen. + +Maar in zijne jeugd hunkerde hij slechts naar Italië; en voor de tweede +maal is hij de wanhoop ten prooi wanneer, na een snel vervlogen uitzigt +op welstand en onafhankelijkheid, de vloek der armoede hem op nieuw aan +de plaats bindt. + +Het heeft niet gebaat dat een bisschop van Kamerijk, verlegen om een +bekwaam jong sekretaris, daarover naar Utrecht schreef en op aanbeveling +van den prior van Emmaüs onzen veelbelovenden augustijner in dienst nam. +Het doel waarvoor die prelaat hem wilde gebruiken werd gemist, en het +eenige wat de ex-sekretaris bij zijn wisselen van loopbaan gewonnen had +was, dat hij zich naar Parijs had kunnen verplaatsen. + +Zijne studiën kon hij daar voortzetten ja, en door het geven van +privaatlessen aan een rijken engelschen knaap of jongeling, lord +Mountjoy, er in zijn onderhoud voorzien. Verdiende hij eene kleinigheid +extra, door voor boekverkoopers te werken, dan kon hij zich een +uitstapje naar Zeeland, naar Engeland veroorloven, en oude +kennismakingen gaan vernieuwen of nieuwe aanknoopen. Doch wat gaf dit +voor de bevordering der groote zaak, wanneer hij naging dat hij de volle +dertig reeds achter den rug had, en hij van den eenen dag op den ander +nog altijd voor zijn brood moest vechten? + +Bovendien was Parijs het einddoel zijner wenschen niet. Parijs had +opgehouden het brandpunt der beschaving van den dag te zijn. Het +vrijzinnig Collège de France bestond nog niet. Officieel had aan de +Sorbonne de middeneeuwsche scolastiek nog het hoogste woord. Parijs werd +tijdelijk overschaduwd door Rome. Wie op dat oogenblik naar kennis uit +de eerste hand haakte, had zich naar Italië te begeven. Alleen een in +Italië gehaalde doktorale hoed stempelde toen den man van studie tot +iets meer dan de meesten. + +Wij raken hier aan een maatschappelijken misstand der 16de eeuw, welke +eerst driehonderd jaren later, in sommige groote landen of groote steden +van Europa, weggenomen is. Walter Scott kon, ofschoon hij aanvankelijk +slechts door Engelschen gelezen werd, een fortuin bijeenverzamelen. +Erasmus heeft, in weerwil dat zijn latijn hem den toegang tot de +beschaafde en welvarende kringen van een geheel werelddeel ontsloot, het +nooit verder kunnen brengen dan het vinden van een uitgever. + +Het eenige wat wij zeggen kunnen is dat het in de 15de eeuw nog erger +was. De voortreffelijke Froissart, die als dolend ridder van de pen +eenigszins als een voorlooper van Erasmus beschouwd kan worden; +Froissart, óók van afkomst een burgerjongen, óók opgeleid voor priester, +óók als partikulier sekretaris zijne loopbaan aangevangen, heeft geen +andere keus gehad dan òf zijn talent te begraven, òf een tafelschuimer +te worden.[19] Er was voor zulke geboren auteurs, in onmin met de +kloostercel, niet geschikt voor de routine van het openbaar onderwijs, +in de middeneeuwsche zamenleving geen plaats. Al de dichters van dien +tijd, wanneer zij alleen dichters zijn, zijn schooijers. Al de +prozaschrijvers, wier eenig kapitaal in portefeuille hun proza is, +lijden gebrek. + +Door het vinden der boekdrukkunst is die wanverhouding allengs +uitgesleten. Doch Erasmus was jong in een tijdperk van overgang, toen er +reeds zeer vele boeken gedrukt werden, maar nog in lang niet genoeg om, +behalve het dekken van de kosten der uitgaaf, ook in het levensonderhoud +van den schrijver te voorzien. Onbemiddelde auteurs verbonden zich als +korrektoren aan de drukkerijen en ontvingen daggelden. Van honorarium +voor werken van eigen geest was geen spraak. Het gold zelfs niet voor +eervol, geld aan te nemen van een uitgever.[20] De onbemiddelde zocht +het vermogend patronaat van een man of eene vrouw van de wereld. + +Froissart, die niet studeerde; die met geen ander doel dan het +verzamelen van historische anekdoten uit den mond van tijdgenooten nu +het eene dan het andere land bezocht; die met voorbeeldige vlijt er zich +toe bepaalde zijne reeds voltooide verhalen om- en nogmaals om te +werken,--had genoeg, heden aan de gunst eener henegouwsche prinses, +koningin van Engeland geworden, morgen aan de edelmoedigheid van een +half henegouwschen graaf van Blois. Hij kon zijn werk verrigten zoo maar +zijn bed en zijn disch gespreid waren, en de beschermers niet +onbescheiden veel offers van zijne vrijheid vergden. + +Erasmus in geenen deele. Deze had voor zijne studiën onophoudelijk +nieuwe hulpmiddelen noodig; moest op verschillende plaatsen bibliotheken +gaan raadplegen, of gaan spreken met geleerde mannen; kon er niet komen +zonder het minimum eener eigen boekerij of het diminutief eener eigen +studeerkamer. + +Niet dat hij van het leven of van zijn vak zooveel eischte als vijftig +jaren te voren den italiaanschen filoloog Filelfo in den schoot gevallen +was. Op zijn achttiende jaar was Filelfo hoogleeraar in het grieksch te +Padua geweest. Venetië had hem het eereburgerschap aangeboden, en +daarbij eene zending naar Konstantinopel, waar hij zijne grieksche +studiën naar hartelust kon uitbreiden. Een hertog van Milaan had hem +overvloedig begiftigd; een paus door schitterende aanbiedingen hem naar +Rome gelokt.[21] + +Maar al vlamde Erasmus' eerzucht niet op zulke wijdluftige +onderscheidingen; al zou de herinnering van Filelfo's beklagelijk +uiteinde, het gerucht van Filelfo's ondragelijk humeur, hem eer +waarschuwend afgeschrikt dan aangemoedigd hebben, hij kende zijne +behoeften. Zijne wenschen waren: een mak, maar welgebouwd en welgezadeld +paard voor hemzelf, om naar regts en links zich vrij te kunnen bewegen; +nog een paard voor zijne boeken en schrijfbenoodigdheden; een derde +paard voor een vlug en knap bediende, desnoods in staat uit naam zijns +meesters eene litterarische boodschap te gaan verrigten; eindelijk een +klein vast inkomen, genoeg om in het onderhoud van knaap en dieren +ongestoord te kunnen voorzien, en onverdeeld zich aan zijne studien te +kunnen wijden. Voor het overige niemands knecht, niemands afhankelijke +huisgenoot, niemands loontrekkend dienaar.[22] + +Gedurende den geheelen namiddag van zijn zeventigjarig leven is deze +bescheiden overvloed Erasmus' deel geweest; en hij heeft zijne eenmaal +verworven onafhankelijkheid verdedigd met de angstvallige zorg van +iemand die bij ondervinding den bitteren bijsmaak van het brood der +maatschappelijke ballingschap kende, en hoe zwaar het valt vreemde +trappen te beklimmen. Eene nederlandsche Statenvergadering bood wel wat +laat hem een eervol geschenk in geld aan; engelsche vrienden hielpen hem +aan eene of meer prebenden; keizer Karel V benoemde hem tot staatsraad, +met vrijheid zijn traktement (indien het betaald werd) te verteren op de +plaats zijner keus. + +Jaren lang heeft Erasmus op die wijze, eerst bij afwisseling, daarna +voor goed, onbezorgd te Bazel kunnen leven; heeft naar welgevallen zich +kunnen verplaatsen; te Freiburg zich een huis kunnen doen bouwen; paus +Paulus III voor een kardinaalshoed kunnen bedanken; het zich niet +behoeven aan te trekken, dat de inkomsten van een door dien kerkvoogd +hem toegedacht deventersch prioraat hem ontgingen. + +Hadden de krachten slechts toegereikt, zijn middelen zouden in het +laatste levensjaar hem niet verboden hebben Besançon als woonplaats te +kiezen, en er den bazelschen hervormingsijver te gaan ontwijken. Uit +zijne nalatenschap, die zevenduizend dukaten bedroeg, konden de +algemeene armen te Bazel ruim bedacht worden, en goede vrienden tot een +aandenken een of ander kostbaar voorwerp ontvangen.[23] + +Heeft Shakespeare het zaliger gevonden een huis en een inboedel te +kunnen koopen? Of was Erasmus gelukkiger iets te kunnen nalaten? Een +testament te kunnen dikteren aan een notaris?[24] + +Wie zich eene voorstelling wenscht te vormen van hetgeen, toen het +zonnetje van den betrekkelijken voorspoed nog door moest breken, Erasmus +in zijne jongelingsjaren uitgestaan en geleden heeft, denke zich een man +als onzen voortreffelijken land- en ouderen tijdgenoot Groen van +Prinsterer (sommige portretten van Erasmus en sommige van Groen +vertoonen een zweem van gelijkenis,[25]) en vrage zich hoe het zulk een +fijnbewerktuigden geest in een tenger ligchaam te moede zou geweest +zijn, zoo hij gedurende de eerste veertig levensjaren met eene gemeene +soort van armoede had moeten worstelen? Te moede, ondanks het gunstig +verschil tusschen de maatschappelijke toestanden en hulpmiddelen in de +eerste helft der 19de eeuw en de laatste helft der 15de. Ondanks het +stammen uit een met onderscheiding bekend geslacht, en het niet +schrijnen of knagen van als een stigma beschouwde kloostergeloften. +Enkel onder het dagelijks stuiten van een groot verstand op eene botte +omgeving; van een gevoelig hart op de algemeene onverschilligheid; van +uitgezochte kundigheden op eene onwetendheid van de ruwste soort. Onder +het botsen, in één woord, van een schuw en stil ideaal op het walgelijke +eener werkelijkheid, die, nachtmerrie bij dag, zulk een geest bovenal +van eene lompe en luidruchtige paardemarkt doet droomen. + +Voor alle mannen met buitengewone gaven die als vondelingen in het leven +geworpen worden, is de wereld eene harde leerschool; het hardst voor +mannen met een vrouwelijken aard, op wier genie de tegenspoeden, welke +andere karakters louteren of sterken, de werking van een hagelslag doen. + +Het hangt zamen met het bijzondere in Erasmus dat de teleurstellingen +zijner lange leerjaren niet in staat zijn geweest zijn humeur te +bederven, al prikkelden zij in hooge mate zijn ongeduld. In eene eeuw +toen alle menschen in alle dingen met heftigheid partij kozen, en men +geen goed burger scheen te kunnen zijn zoo men niet wit of zwart, +vierkant vóór of vierkant tegen was, wist hij met ongeëvenaarde +geestkracht zich voor uitersten te hoeden en, gelijk hij tot een +werelddeel het woord rigtte, een werelddeel te staan. De lutheranen +hebben hem verweten onverbeterlijk roomsch, de roomschen meer dan een +halve lutheraan te zijn. Humanisten hebben hem gehavend als een +afvallige, en theologen wegens zijn humanisme hem uitgemaakt voor een +libertijn. Een filoloog heeft hem gescholden wegens zijn berispen eener +ciceroniaansche latiniteit; en zijn roem was latijnsche brieven te +kunnen schrijven, fraaijer dan sedert Cicero iemand in Europa gedaan +had. Een paus aanvaardde de opdragt van zijn Nieuw Testament, en een +pausgezind keizer liet door dienaren der Inquisitie de exemplaren +ophalen en vernietigen. Tijd- en landgenooten van hem zijn levend +verbrand wegens het voorstaan van meeningen die ook de zijne waren; en +hijzelf zou al zijne meeningen verloochend hebben, liever dan één zijner +medemenschen op het schavot te brengen. Geboren Nederlander, was hij +tegelijk een geboren kosmopoliet. Voortgekomen uit het volk, haatte hij +noch het volk, noch de burgers, noch de edelen. Gehoorzaam zoon der +katholieke kerk, was hij onvermoeid in het plagen harer bestuurders. +Onkundige monniken waren het schrikbeeld van den gewezen augustijner; +doch hij vond de luthersche hagepredikers geen aanwinst voor de +beschaving. Gekroonde hoofden vereerden hem met hunne vriendschap; toch +ontsnapten zelfs de dragers eener driedubbele niet altijd aan zijne +kritiek. Hij was misschien de wijste man van zijn tijd, en zou blijven +leven als type van den lofredenaar der dwaasheid. + +Er bestaan van Erasmus, behalve zijn boeken, meer dan achttien honderd +brieven.[26] Geen ander menscheleven der 16de eeuw is in dezelfde mate, +uit duizend bijzonderheden, bekend als het zijne. Doch te vergeefs zal +men iemand zoeken die meer dan hij een man uit één stuk geweest is; +hetgeen de kunstkenners een rok zonder naad, de manskleedermakers onzer +dagen, in de dievetaal der mode, _un complet_ noemen. Al zijne deugden +hebben de daarbij behoorende gebreken tot foelie; al zijne gebreken zijn +de gebreken zijner deugden. + +Of op welke andere wijze te verklaren dat in zijne jeugd, ondanks de +gevoeligheid zijner zenuwen, de armoede gemakkelijker zijn ligchaam dan +zijn geest ten onder zou gebragt hebben; en in de dagen zelf van zijn +verblijf te Parijs of te Orleans, toen een schamel kosthuis de eenige +weelde was die hij zich veroorloven kon, het aandacht schenken aan eene +vechtpartij tusschen zijne hospita en haar dienstmaagd, hem geen +onwaardig tijdverdrijf scheen? + +Ik doel op een der brieven uit het jaar 1500 of daaromtrent, die, in +vakantiedagen uit Nederland aan vrienden in Engeland of Frankrijk, op +werkdagen uit Frankrijk aan vrienden in Nederland gerigt, van Erasmus' +toenmalige stemming, en van het ongemeen karakter dat levenslang het +zijne geweest is, ons zulk een goed denkbeeld geven. + +Een geletterd en welgesteld nederlandsch koopman, van wien wij niets +anders weten dan dat hij Christiaan heette en een jongere broeder door +hem naar Parijs gezonden was om onder Erasmus' leiding zijne studiën te +voltooijen of aan te vangen, bekomt vandaar nu en dan een schrijven. + +"Ik heb," meldt Erasmus hem op een keer, "ik heb het buitengewoon druk +gehad vandaag. Waarmede? zult gij vragen. Antwoord: met het bijwonen +eener tooneel-, eene boeijende tooneelvoorstelling. + +"Was het een blijspel, was het een treurspel? Al naar gij het nemen +wilt. Weet alleen dat geen der spelers dramatisch uitgedost was; het +stuk telde maar één bedrijf; geen fluiten begeleidden het koor; de +vertooners hadden geen hooge schoeisels aan, maar gingen barvoets; er +werd niet gedanst; het tooneel was de vlakke bodem, mijn eetvertrek het +amfitheater. Naarmate zij zich verwikkelde werd de handeling +spraakzamer, en omstreeks de ontknooping was de luidruchtigheid +volkomen. + +"Gij denkt dat ik voor uw amusement eene klucht verzin? Toch niet, +Christiaan, ik ben historieschrijver. De voorstelling waarvan ik getuige +was werd gegeven door mijne huiswaardin, in tweegevecht met hare maarte. +De klaroen had reeds geruimen tijd weerklonken vóór de strijd aanving; +ik bedoel, er ging eene heftige woordenwisseling vooraf. Op dit gebied +stonden zij elkander, en geen van beide partijen behaalde de +overwinning. De handeling geschiedde in den tuin, terwijl ik voor het +venster der eetkamer zwijgend, doch niet schreijend, stond toe te zien. + +"Maar nu de katastrofe! Na afloop van den strijd kwam de gedienstige in +mijne zitkamer de bedden doen, en onder een praatje maakte ik haar mijn +kompliment dat zij wat kraaijen en schelden aanging hare meesteres niets +toegegeven had, doch betuigde tevens mijn leedwezen dat zij dapperder +scheen in het roeren harer tong dan van hare handen. Want de waardin, +een gespierde virago en athletisch gebouwd vrouwspersoon, had de +gewoonte hare knoken te doen nederkomen op het hoofd der arme maarte, +veel kleiner dan zij. Hebt gij geen nagels, vroeg ik haar, dat gij dit +geduldig verdraagt? + +"Lagchend antwoordde zij dat het haar minder aan moed dan aan krachten +haperde.--Denkt gij, vroeg ik, dat het in den oorlog bovenal op krachten +aankomt? In iedere militaire ontmoeting is het plan het voornaamste. +--Zij vroeg welk plan ik haar aan de hand kon doen.--De eerste maal dat +zij weder de handen aan u slaat, zeide ik, moet gij onmiddellijk haar de +muts van het hoofd rukken (want te Parijs hebben de vrouwen van zekeren +leeftijd de zonderlinge hebbelijkheid zwarte mutsen te dragen) en haar +dan in het haar vliegen. + +"Ik dacht in het minst niet dat zij deze scherts ernstig opnemen zou; +maar 's avonds, tegen etenstijd, kwam een der jonge mannen die met uw +broeder en mij in ditzelfde kosthuis wonen, ademloos naar binnen loopen +en riep: Vrienden, zoo gij een bloedige kloppartij wilt zien, komt dan +spoedig!--Wij repten ons wat wij konden, en vonden onze hospita en haar +meid slaags in den tuin. Niet zonder moeite scheidden wij haar. De +stukken getuigden hoe moorddadig de strijd geweest was. Hier eene muts, +daar een sluijer, de bodem bestrooid met vlokken haar; zoo meedogenloos +waren zij elkander te lijf gegaan. + +"Aan tafel verhaalde de waardin, ten zeerste verbolgen, hoe brutaal de +maarte zich gedragen had.--Ik wilde haar teregt zetten, zeide zij (zij +meende: ik wilde haar de kracht mijner vuisten doen gevoelen), toen zij +in een oogwenk mij de muts van het hoofd rukte. (Het werd mij duidelijk +dat ik niet te vergeefs gesproken had). En toen, ging zij voort, toen +smeet de helleveeg mij de muts in het gelaat (dit punt was door mij niet +aangeroerd), en toen, toen trok zij mij hier, en hier, en hier, de haren +uit, ziet! + +"Hemel en aarde nam zij tot getuige, nog nooit zulk een boosaardig klein +ding in hare dienst gehad te hebben. + +Wij vestigden hare aandacht op het menschelijk: _'t Kan verkeeren_, en +op de wisselvalligheid der krijgskansen. Intusschen wenschte ik mijzelf +geluk dat zij mij niet verdacht zijdelings in de zaak betrokken geweest +te zijn, anders zou ik op mijne beurt ondervonden hebben dat zij eene +tong tot hare dienst had."[27] + +Ook bij Dante vindt men ergens zulk een tooneel geschilderd, en zelfs +gaat Dante nog verder; hij deelt de eigen woorden der kijvenden +mede.[28] Doch Erasmus heeft niet, zooals Dante op die plaats, een +litterarisch bijoogmerk. Hij vischt alleen uit den weedom van zijn +knechtsbestaan de vermakelijke anekdote en teekent, met hetzelfde +nederlandsch schilderstalent als zijn toekomstige vriend Quinten Metsys +het in die dagen de antwerpsche woekeraars doet, twee vechtende +parijsche wijven. + + * * * * * + +De vrouwen hebben in het volgend leven van Erasmus zoo weinig plaats +ingenomen, en hoewel de boeken hem nooit van de gezelligheid konden +vervreemden, doet nogtans zijne bekende kamergeleerdheid dit op een +afstand zoo natuurlijk schijnen, dat wij van zijne verpligtingen aan het +zwakkere geslacht, de keeren dat die voor de geschiedenis zijner +ontwikkeling in aanmerking komen, gaarne melding maken. + +Eene nederlandsche vrouw uit het volk, zijne moeder, heeft met liefde +over zijne kinderjaren gewaakt; eene nederlandsche poortersvrouw den +jongen monnik hare vriendschap geschonken, en het eerst hem van zijne +medekloosterlingen onderscheiden; eene nederlandsche edelvrouw het eerst +in zijne toekomst geloofd, en hem ontvangen in haar huis. + +Zij was weduwe en deugdzaam, evenals Bertha van Heyen, maar vele jaren +jonger dan deze; eene vrouw van de groote wereld, min of meer patrones +van wetenschappen en letteren; doordrongen van het besef dat zij hare +kinderen, en in de eerste plaats haar eenigen zoon, eene waardige +opvoeding schuldig was. Had het van haar afgehangen, Erasmus' kansen op +lotsverbetering in de moeijelijke jaren van zijn zwerven tusschen +Engeland en Frankrijk zouden niet enkel kansen gebleven, het uitzigt zou +eene werkelijkheid geworden zijn. + +Door haar huwelijk met een afstammeling uit het Huis van Bourgondië, +zoon eens halven broeders van Karel den Stoute, was Anna van Borssele +eene prinses van den bloede, vermaagschapt, toen Erasmus haar leerde +kennen, aan den spaanschen troonopvolger Filips den Schoone (1478-1506). +Haar moeder was eene Bourbon; haar vader, met of na den abt van +Middelburg, eerste edele van Zeeland; zijzelve, als eenig kind, de +erfgenaam van al haar vaders inkomsten en bezittingen als heer van +Vlissingen, van Veere, van Cortgene, en verdere plaatsen op de zeeuwsche +eilanden. Hare beeldtenis, in half middeneeuwsch-, half +renaissance-gewaad, vult nog heden eene der zeven nissen van het fraaije +veersche raadhuis, voltooid of aangevangen door haar kleinzoon, +Maximiliaan van Bourgondië.[29] + +De geduchte aderlatingen aan welke Karel de Stoute, Maximiliaan van +Oostenrijk, Filips van Spanje, als graven van Holland en Zeeland gewoon +waren hunne zeeuwsche en hollandsche edelen te onderwerpen; heffingen in +geld, in schepen, in troepen, belastingen in den vorm van kostbare +opdragten of gezantschappen; schijnen ten laatste zelfs een zoo +aanzienlijk fortuin als dat van Anna's vader, Wolferd VI van Borssele, +uitgeput te hebben. De schitterende erfdochter aanvaardde eene met +schulden bezwaarde nalatenschap.[30] + +Misschien had een tweede huwelijk, met een man van een groot vermogen, +al ware het van minder rang of meer leeftijd, alles weder in het gelijk +kunnen brengen. Doch de dertigjarige weduwe, die in haar eersten echt +niet op rozen gesluimerd had, wilde daar niet van hooren. Juist in den +tijd harer kennismaking met Erasmus, slechts vier of vijf jaren haar +oudere, had zij hare zinnen op een jonkman van buitengewone schoonheid +maar van middelmatige geboorte en weinig inkomsten gezet, zekeren heer +Lodewijk van Montfoort, berooid Adonis. Het pleit voor hare volharding +dat zij ten slotte den man harer keus, dien zij binnen weinige jaren +verliezen zou, als heer van Veere heeft weten te doen huldigen; doch het +huwlijk mishaagde de bloedverwanten van bourgondische zijde zeer. +Processen en inbeslagnemingen waren het gevolg. De schijnbare +millionaire was inderdaad betrekkelijk arm.[31] + +Had Erasmus dit alles van het begin af geweten, hij zou, toen een zijner +zeeuwsche of noordbrabantsche vrienden gouverneur van prinses Anna's +zoontje geworden was en in brieven naar Parijs hem een- en andermaal den +lof der moeder en van den knaap gezongen had, zich niet verblijd hebben +met eene doode musch. Deze hersenschim was de laatste groote +teleurstelling zijner jeugd. + +Sedert hij gehoor gegeven had aan de uitnoodiging der prinses, haar op +het kasteel Cortgene een bezoek te komen brengen; hij aan haar +voorgesteld was; hij van haar beminlijk karakter, hare degelijkheid, +haar smaak voor de fraaije letteren, den gunstigsten indruk ontvangen +had en verblind was door den schijn van grootheid harer levenswijze, +verbeeldde hij zich dat zij slechts één woord behoefde te spreken om hem +tot het ondernemen der vurig begeerde Italiaansche reis in staat te +stellen. Hare gulle ontvangst; hare beloften in den eersten tijd,--toen +zij zelve nog niet wist hoe vijandig de betrekkingen van haar eersten +man haar gezind waren, en hoe afhankelijk hare nieuwe huwlijksplannen +háár maken zouden,--versterkten hem in dien waan. De herinnering der +goede dagen, op Cortgene doorgebragt, liet hem niet weder los. Eene +vorstin van dien rang, gebiedster over eene halve provincie, nicht van +den souverein, levend op zulk een voet, scheen hem toe zich in goud te +baden. Niemand moest het gemakkelijker vallen, niemand aangenamer zijn +dan haar, een armen augustijner-monnik met een aanleg als den zijnen en +nog zonder betrekking, in de gelegenheid te stellen zijne studiën te +gaan voltooijen. Was het niet eervol voor eene nederlandsche edelvrouw +de erkende beschermster te heeten van een geleerde, die zich voorbestemd +grondlegger der noord-europeesche renaissance gevoelde? + +Een half dozijn brieven, onder den verschen indruk der even snel +verijdelde als opgewekte verwachting uit Nederland en uit Parijs +geschreven, doen ons van dit jongste maatschappelijk stormpje in +Erasmus' binnenste met belangstelling getuigen zijn. Twee of drie zijn +gerigt aan den zeeuwschen gouverneur van den kleinen Adolf van +Bourgondië, Jacobus Battus, vriend van Erasmus' jongelingsjaren, man van +niet gewone bekwaamheden, door den dood weggenomen eer hij zijne volle +maat had kunnen geven.[32] Een voert het adres van den jongen Mountjoy, +Erasmus' engelschen élève te Parijs.[33] Een het adres van prinses Anna +zelve. Het is een lofdicht in proza, geschreven toen de schoone +vooruitzigten nog niet vernietigd waren.[34] + +Moesten wij alleen naar dien laatsten brief oordeelen, wij zouden van +den stand der zaak geen duidelijke voorstelling, en bovendien noch van +Erasmus' goeden smaak, noch van den goeden smaak der prinses, eene +gunstige meening bekomen. Zulke offers aan de tijdsgelegenheid vormen +zelden, na zoovele jaren, eene aangename lektuur. Het is niet natuurlijk +den briefvorm te bezigen ten einde eene dame hare eigen +levensgeschiedenis te verhalen, uit te weiden in hare verdiensten als +vorstin, als vrouw, als jonge moeder, en de lotgevallen van haar +geslacht in herinnering te brengen. Nog stijver is het, indien zij bij +toeval Anna heet, daarbij de zuster van koningin Dido, de moeder der +maagd Maria, en de moeder van den profeet Samuel, om beurten te pas te +doen komen. Erasmus zelf vond dien stijl even slecht als wij, en hij +heeft voor een keer er zich alleen van bediend, omdat hij zich +voorstelde dat het zoo behoorde. + +Zijne eigenlijke meening leeren wij eerst uit de brieven aan Battus +kennen; eenerzijds zijne levendige hoop dat alles nu goed zal gaan, en +tegelijk zeker voorgevoel dat de zaken eene verkeerde wending zullen +nemen. Het treft hem eene zoo beleefde uitnoodiging ontvangen te hebben; +en in zijn schroom is hij maar half zeker, ten huize der prinses eene +goede vertooning te zullen maken. Maar het verwondert hem tevens dat zij +ten behoeve der reis hem een afgeleefd paard zendt, en als reisgeld eene +zoo geringe som dat de kosten daarmede onmogelijk goedgemaakt kunnen +worden. Kan warmte het einde zijn van zulk een koel begin? vraagt hij +zich af. + +Na de persoonlijke kennismaking is hij opgetogen over hare +wellevendheid, hare vriendelijkheid, hare goedhartigheid. Zij belooft +hem een jaargeld van twee honderd gouden franken; en hij twijfelt niet +of Battus zal, opdat hij alvast naar Italië vertrekken kunne, haar weten +te bewegen hem een wissel van dat bedrag op een parijsch huis te doen +zenden. Hij is bezig de eerste uitgaaf zijner _Adagia_ (achthonderd +grieksche en latijnsche spreekwoorden, toepasselijk uitgebreid) voor de +pers gereed te maken. Zijn plan is, dat boek op te dragen aan haar +zoontje Adolf. Hij korrespondeert onderwijl met haar in het fransch; +ongetwijfeld vreezend dat te veel latijn haar afschrikken zal. Maar een +vol jaar verloopt, en hij bekomt niets. + +Zonder afgunst verneemt hij dat Battus intusschen een anderen jongen +Nederlander aan haar voorgesteld, en zij ook dezen minzaam ontvangen +heeft. Die andere, Willem van Gouda, is een voormalig stadgenoot en +mede-kloosterling, een talentvol dichter, een boezemvriend.[35] Het +pleit, erkent Erasmus, voor het oordeel der prinses, behagen in hem te +vinden. Maar het zou hem niettemin leed doen, zoo hijzelf dien ten +gevolge moest achterstaan; en hij is niet overtuigd dat vriend Willem, +die, als dichters zijn, gaarne in gezelschap gaat en een goed glas +drinkt, van hare gaven een even nuttig gebruik zal maken als door hem +gedaan zou zijn. + +Battus schrijft naar Parijs dat de financiën der prinses niet in den +bloeijendsten staat verkeeren; en over niet langen tijd, bij een nieuw +bezoek aan Zeeland, zal Erasmus persoonlijk zich kunnen vergewissen dat +dit helaas geen verzinselen zijn. Hij zal dan bevinden dat hare goederen +op hoog bevel zijn gesequestreerd, haar persoon onder toezicht is +gesteld, en zij veeleer in de termen valt onderstand te ontvangen dan te +verleenen. Doch aanvankelijk, nog onder den indruk van den staat dien +zij voert, houdt hij dit voor praatjes, en schrijft hare verlegenheid +hieraan toe dat zij ter wille van den jongen bruidegom, dien zij +liefheeft, buitensporige verteringen maakt. + +"Zij verdoet," schrijft hij terug, "zij verdoet haar tijd en haar geld +aan haar Lodewijk (_nugatur et lusitat_); en zoo _dit_ haar voorwendsel +is om niets te geven, dan voorzie ik dat zij _nooit_ iets geven zal; +want zulke verontschuldigingen hebben de grooten altijd bij de hand. +Eene fraaije zaak, inderdaad, dat zij niet een paarhonderd franken voor +mij kan afzonderen, waar zulke kapitale sommen in den bodemloozen put +der huishouding verdwijnen! Aan middelen voor het onderhoud van ik weet +niet welke domme priesters heeft zij geen gebrek; maar om de +onafhankelijkheid te verzekeren van een die boeken zou kunnen schrijven, +waardig onsterfelijk te blijven voortleven--houd mij deze grootspraak +ten goede!--daarvoor schiet niet over. Laat het zoo zijn dat zij in +ongelegenheid geraakt is; dit is hare eigen schuld. Waarom legt zij het +aan met dien welgemaakten saletjonker (_bellus ille homunculus_), in +plaats van, zooals hare jaren en de hulpbehoevendheid harer sekse +betamen zou, te hertrouwen met een achtbaar en ingetogen man? Zet zij +zich dit niet uit de kruin, dan voorzie ik dat zij nog in grooter +moeijelijkheden raken zal. En meen niet dat ik zoo spreek uit eenigerlei +vijandige gezindheid! Integendeel, ik heb haar lief; gelijk niet meer +dan mijn pligt is, wanneer ik bedenk hoe voorkomend zij mij ontvangen +heeft. Maar ik bid u, welk verschil zou het maken, voor een fortuin als +het hare, zoo ik tweehonderd franken bekwam? Op mijn woord, zeven uren +daarna zou zij zich naauwlijks herinneren het geld te hebben +weggeschonken!"[36] + +In deze harde verwijten klinkt iets van den toon die weinige jaren later +door Benvenuto Cellini, overigens door zijne opvliegendheid en zijne +ligchaamskracht den zwakken en stillen Erasmus zoo ongelijk, in zijne +gedenkschriften zal aangeslagen worden. Het is de taal der zelfzucht van +het genie dat van zijne toekomst zich bewust is, de wereld cijnspligtig +aan zich acht, en in den prikkelbaren hoogmoed zijner onstoffelijke +waarde het tusschenbeide komen van nietig geldelijke hinderpalen niet +verdragen kan. + +Wij gevoelen dat er in Europa eene nieuwe magt ontstaan is, de magt van +den geest, welke in de binnenkamer, en in vertrouwelijke +gemoedsuitstortingen aan vrienden, op het papier, zich de meerdere van +den rijkdom en den evenknie der geboorte weet. Alleen op zijn talent +laat Erasmus zich voorstaan; niet op deugden waarin hij mag uitmunten, +of op den invloed zijner augustijner orde, of op zijne priesterlijke +wijding. In het ongeduld van zijn hooger verstandelijk gezag, hakend +naar het oogenblik dat wereldlijke en kerkvorsten hem als een gelijke in +hun kring zullen opnemen, verwenscht en vertreedt hij in gedachte de van +wuftheid beschuldigde vrouw, wier nietige bestemming hem bij het +vervullen der zijne, die zooveel gewigtiger is, in den weg staat. + +Een andere brief aan Battus, van wat vroeger of wat later dagteekening, +en waarin hetzelfde thema behandeld wordt, maar schertsend, verzacht +aanmerkelijk dezen indruk. Battus bekomt daar het verzoek, bij het +voordragen van de belangen zijns vriends aan de prinses, den kleinen +Adolf als tusschenpersoon te bezigen. Adolf moet als pleitbezorger van +Erasmus, die zulke fraaije brieven aan zijne moeder schrijft, een van +buiten geleerd vertederend lesje opzeggen. Battus zelf moet de prinses +doen opmerken dat Erasmus te bescheiden is om regtstreeks haar met zijne +wenschen bekend te maken; dat iemand met zulk eene zwakke gezondheid +niet naar Italië reizen kan, zonder veel geld uit te geven; dat de +kloosterbroeders in haren dienst hoogstens in eene of twee kerken den +lof harer deugden weten te verbreiden, terwijl de boeken van Erasmus +gelezen zullen worden door Grieken, door Latijnen, door alle volken der +aarde; dat men zulke ongeletterde theologen als de anderen slechts voor +het grijpen heeft, maar _zijn_ gelijke naauwlijks éénmaal in verscheiden +eeuwen voorkomt. "Tenzij," vervolgt de briefschrijver, "tenzij uw +geweten te naauw is om ten behoeve van een vriend wat noodleugens te +verkoopen."[37] + +Ik ding niets af op het geestige dezer voorstelling. De plaats is +belangrijk als teeken van het voorgevoel eener vermaardheid, wier meeste +onderpanden op dat tijdstip nog geleverd moesten worden. Toen Erasmus +dit schreef bestond er van hem nog geen ander noemenswaardig boek dan de +oudste zeer onvolledige uitgaaf zijner _Spreekwoorden_. Doch het komt +mij voor dat de boozere brief de eeuw en de verhoudingen juister +schildert. + +Het aangenaam verhaal zijner eerste ontmoeting met Anna van Borssele in +een van het kasteel Cortgene gedagteekend schrijven aan lord Mountjoy +(eene overstrooming deed in 1532 dien feodalen burgt in de golven +verdwijnen), is de beste verontschuldiging van Erasmus' daarop gevolgde +onregtvaardige achterdocht. Meer dan twintig jaren heeft hij prinses +Anna overleefd, en lang vóór haar dood hadden zij elkander voor goed uit +het oog verloren. Zijne schuld was het niet dat hij op zijn in +betrekking komen met eene landgenoot van dien rang en die gaven, weleer +verwachtingen bouwde; de hare niet, dat zij hem teleurstellen moest. +Haar onvermogen heeft op den duur _hem_ niet geschaad; en voor hare +welwillende oogmerken heeft in de geschiedenis zijn latere roem _haar_ +met eene plaats beloond, die tegen een paar knorrige uitvallen ten dage +van zijn strijd meer dan opweegt. + +Als schilderij is de brief aan lord Mountjoy, geschreven in de eerste +dagen eener Februarijmaand, onder het invallen van een halven dooi na +lange en felle vorst, een keurig nederlandsch wintergezigt. De +beschrijving vraagt geen andere toelichting dan dat het kasteel Cortgene +vlak tegenover Veere lag, en het vaarwater tusschen Walcheren en +Noord-Beveland tijdelijk eene ijsbaan aanbood. + +"Eindelijk," meldt Erasmus aan lord William, "eindelijk ben ik hier +behouden aangekomen, ik mag zeggen in spijt der vereenigde magten van +hemel en hel. Welk eene verschrikkelijke reis! Spreek niet van Hercules +of Ulysses: voortaan acht ik beiden als kinderen. Iuno, den dichters +steeds ongezind, verklaarde mij den oorlog. Ouder gewoonte stookte zij +Aeolus op; en ware het slechts bij stormen gebleven![38] Alle wapenen +des hemels bragt zij tegen mij in het veld,--vinnige koude, sneeuw, +hagel, regen, mist, één kort begrip der vereenigde vormen van slecht +weêr. Nu zond zij die plagen afzonderlijk, dan te zamen. + +"Den eersten nacht ging het, na een overvloedigen regen, weder fel +vriezen; hetgeen den weg zeer moeijelijk maakte. Voeg daarbij eene +overvloedige hoeveelheid sneeuw, vervolgens hagel, vervolgens nogmaals +regen, die, zoodra hij den bodem of een boomstam raakte, ijs werd. De +weg was over zijne volle breedte één ijskorst; niet effen, maar golvend, +en met eene scherpe punt op den top van iederen kleinen heuvel. De +boomen waren met ijs bekleed, zoo dik en zoo zwaar dat de toppen van +sommigen den grond raakten. Van anderen waren de takken afgescheurd, van +anderen de stammen doormidden gespleten; nog anderen waren geheel +ontworteld. Verschillende landlieden, mannen van jaren, betuigden mij +zulk een schouwspel nog niet beleefd te hebben. Intusschen moesten onze +paarden[39] nu door sneeuwhopen waden, dan zich een weg banen door met +ijs begroeide dorenstruiken, dan sporen volgen, hard als steen door de +vorst en daarna door den ijzel gescherpt, dan over eene bevroren +sneeuwkorst treden die niet stevig genoeg was om hen te dragen, maar wel +om hun de enkels te kwetsen. + +"Hoe denkt gij dat Erasmus in dien stand van zaken te moede was? De +verbazing van zijn paard deelde zich mede aan den berijder. Zoo vaak het +dier de ooren spitste zonk mijn moed, en telkens als het stortte sprong +mijn hart overeind. Het eene oogenblik bekroop mij de vrees getroffen te +zijn door het noodlot van Bellerofon, het andere verwenschte ik mijne +ligtzinnigheid die geleerdheid en leven mij had doen toevertrouwen aan +een redeloos dier. + +"Doch verneem een avontuur dat gij wanen zoudt aan de waarachtige +fabelen van Lucianus ontleend te zijn, ware het niet in levenden lijve +mijzelf overkomen, en ware niet Battus er ooggetuige van geweest.[40] + +"Het kasteel lag vóór ons en eene baan van ijs scheidde er ons van. Het +woei dien dag zoo hevig dat van de andere zijde twee mannen te vergeefs +den overtogt beproefd hadden. De wind had hen omvergeworpen en gedood. +Doch ik, gelukkig, had hem in den rug. Ik ging op den rand van den dijk +zitten en liet mij naar beneden glijden, zeilde de ijsvlakte over, en +bestuurde mijne vaart met een stok die dienst deed als roer. Nieuwe +soort van navigatie! + +"Op de geheele reis naar hier ben ik bijna geen schepsel tegengekomen; +en niemand kwam mij achterop, zoo ongunstig was het weer. Eerst den +vierden dag is de zon zich komen vertoonen, indien het vertoonen heeten +mag. Eén voordeel was voor mij aan het zamentreffen van al die +tegenspoeden verbonden, dat ik minder bang behoefde te zijn voor dieven. +Niettemin _was_ ik bang voor hen, gelijk de pligt is van ieder die eene +gevulde beurs op zak heeft. + +"Ziedaar het verhaal mijner reis. Was zij eene aaneenschakeling van +elenden, hetgeen volgde was louter liefelijkheid. In welstand bereikte +ik het slot van Anna, vrouwe van Veere. Hoe zal ik de beleefdheid, de +vriendelijkheid, de edelmoedigheid dezer dame beschrijven? Rhetorische +bloemen, dit weet ik, zijn verdacht; inzonderheid bij hen die als gij er +slag van hebben ze aan te wenden. Doch in dit geval, geloof mij, maak ik +mij aan geenerlei overdrijving schuldig, en het is veeleer mijne kunst +die te kort schiet bij de werkelijkheid. Eene zediger, verstandiger, +bevalliger of vriendelijker vrouw werd door de natuur nooit gevormd. Van +hare heuschheid heb ik de uitstekendste blijken ontvangen, en zonder dat +ik in de gelegenheid was haar één dienst te bewijzen, heeft zij in de +hoogste mate mij aan zich verpligt."[41] + + * * * * * + +Hier moeten wij scheiden van Erasmus. Op zijn verderen levensloop, zeide +ik reeds, is door zijne landgenooten weinig invloed uitgeoefend. Zoo de +diensten welke nederlandsche vrouwen hem bewezen niet verder zouden +reiken dan het einde zijner leerjaren, aan de beweging zijner +wandeljaren bleven de nederlandsche mannen nagenoeg vreemd. Ons bestek +eischt alleen dat wij, na zulk een ruim gebruik van zijne brieven +gemaakt te hebben, ook de beteekenis trachten aan te duiden van de twee +andere werken, die ondanks hun idioom tot heden hem doen voortleven als +den man van een nieuwen tijd. De kleine wijsgeerige satire, bedoel ik, +die zijn populairste geschrift blijven zou, en zijne tachtig korter en +langer dialogen over allerlei onderwerpen van den dag. + +Men beweert dat de volgende anekdoten historisch zijn niet alleen, doch +men noemt met naam en toenaam de noordnederlandsche stad waar de stukjes +gespeeld zullen hebben. + +Te Dordrecht was een priester die heimelijk eenige levende krabben op +het kerkhof zette, aan wier zijden hij brandende waskaarsjes geplakt +had. Het kruipen dezer dieren tusschen de graven, bij avond, deed de +uitwerking eener schrikbarende spokerij, zoodat de gemeente zich +eerbiedig op een afstand hield. "Als het volk hierover zeer verschrikt +was (gaat de oude dordrechtsche stedebeschrijver voort, aan wiens +zelfbehagelijk antipapistische vertolking eener bladzijde van Erasmus ik +deze plaats ontleen), zoo riep de priester van den stoel dat het zielen +waren van afgestorvenen, dewelke baden door missen en aalmoezen van haar +pijn verlost te zijn. Het bedrog kwam uit, doordat twee of drie krabben, +die de priester vergeten had op te nemen, met de kaarsjes onder de +ruigte gevonden werden. Hij verzon nog een ander stuk werks. Hij woonde +bij een nicht die zeer rijk was; en als 't middernacht was kwam hij in +haar kamer met een wit laken om, gelijk of hij een geest ware geweest, +eenige woorden binnen'smonds mommelende, hopende dat de vrouw een +exorcist zou ontbieden of zelve hem zou aanspreken. Maar zij, een +manlijk hart hebbende, heeft heimelijk een van haar neven gebeden dat +hij zekeren nacht in haar kamer wilde waken. Hij, welgewapend zijnde +tegen spokerij, en wel gedronken hebbende om niet vervaard te zijn, werd +in het bed verborgen. De geest kwam op de gewoonlijke manier, ik weet +niet hoe droevig stenende. De exorcist wordt wakker, springt op, en, nog +niet heel nuchteren, kijkt hem aan. De geest meende, hem met huilen en +gebaar te verschrikken. Maar: _Zijt gij de Duivel_, zeide de dronkaard, +_ik ben zijn Moêr_, en sloeg hem lustig met een stuk houts. Hij zou hem +afgemaakt hebben, ten ware de priester, veranderende van stem, geroepen +hadde: _Hou op, ik ben geen geest, ik ben Heer Jan_. Op die bekende stem +sprong de vrouw uit het bed, en scheidde hen."[42] + +Een man van Erasmus' rang in de wetenschap had in eene andere omgeving +en een anderen tijd niet behoeven af te dalen tot het boekstaven van +zulke grollen. Het verdient opmerking dat Erasmus' strijd tegen de +eigenlijk gezegde monniken, hunne luiheid, hunne onkunde, hun brassen, +hunne losbandigheid, ons niet bijzonder treft. Sedert den _Roman de +Renart_, den _Roman de la Rose_, de vertellingen van Boccaccio, was deze +satire een afgezaagd onderwerp.[43] Dante laat reeds den Heiligen +Benediktus klagen over het snel verwelken der idealen van het +kloosterleven. "In minder tijd dan een eikel behoeft om eik te worden," +zucht bij hem de stichter der benediktijner-orde (eerste helft der 6de +eeuw), "ziet men de verhevenste instellingen in haar eigen tegenbeeld +ontaarden."[44] Reeds de Heilige Bonifacius (eerste helft der 8ste) +hangt in zijne brieven een tafereel van monachale misbruiken op, hetwelk +volgende eeuwen niet donkerder kleuren konden.[45] + +Het eenige nieuwe in Erasmus' strijd tegen de kloosters was dat hij niet +hunne hervorming bedoelde, maar hunne opruiming, als voortaan overbodig +geworden normaal bestanddeel der zamenleving. Als bijzondere +genootschappen tot bevordering van in- en uitwendige zending, als +instellingen van liefdadigheid, als toevlugtsoorden der vrijwillige +wereldverzaking, als brandpunten eener naar den Heiligen Benediktus te +noemen geleerdheid mogten de kloosters zijnentwege blijven. In alle +andere opzigten hadden zij volgens hem voor goed uitgediend.[46] +Werkelijk was aan de universiteiten voor de wetenschap een nieuw +kweekbed ontsloten. Het onderwijzend personeel voor lagere en middelbare +scholen behoefde niet langer uit de kloosters getrokken te worden. Er +was een onderwijzersstand van leeken ontstaan. Later zou die klasse +dagelijks talrijker worden, naarmate het veldwinnend protestantisme +onder het humanisme der lagere rangen meer aanhangers wierf. + +Maar wat regtstreeks Erasmus en zijn tijd kenmerkt is dat partijkiezen +vóór het gezond verstand tegen het bijgeloof, zooals in het ontmaskeren +van dien dordrechtschen boerebedrieger. Dit was iets moderns. Te dezen +aanzien is in den boezem van het katholicisme, wat het onoverwinlijke +van zijn afkeer, de hevigheid zijner satire, het profane of goddelooze +der uitdrukking betreft, Erasmus de Voltaire der 16de eeuw geweest. Hij +moet in de eindelijke zegepraal der rede zeer vast geloofd hebben, dat +hij met een onverdeeld gemoed zoo lustig aan de pijlers der legende +heeft kunnen staan schudden. + +In eene zijner _Zamenspraken_ verhaalt hij van een storm op zee, en van +sommige dwaze kerkgeloften der passagiers, wanneer de schipper heeft +aangekondigd dat het hagchelijk oogenblik van pompen of vergaan gekomen +is. Erasmus is in den loop der jaren uit Frankrijk en Nederland zoo +dikwijls naar Engeland overgestoken, dat wij het tooneel der handeling +die hij beschrijft onwillekeurig op de Noordzee of in het Kanaal zoeken. +"En," laat de verteller zich vragen; na reeds door een en ander +voorbeeld de zonderlinge werking van het gevaar op de eensklaps +ontwakende vroomheid der menschen geschilderd te hebben, kenbaar aan het +inroepen der bescherming van verschillende heiligen; "en was er niemand +die aan den Heiligen Christoffel dacht?--Jawel; en zelfs kon ik mijn +lagchen niet houden toen één hunner, bang dat hij niet verstaan zou +worden, den Christoffel der kathedraal van Parijs, een beeld als een +berg, luidkeels eene waskaars beloofde _zoo groot als hijzelf_. Met +inspanning van al zijne krachten had hij dit een- en andermaal +uitgegalmd, toen een goede kennis nevens hem met den elboog hem aanstiet +en fluisterend tot hem zeide: Bedenk wat gij belooft; al verkocht gij al +uw bezittingen, een waskaars van dat gewigt zoudt gij niet kunnen +betalen. Zwijg, domoor, beet de ander hem toe, nog zachter sprekend, +opdat de Heilige Christoffel het niet hooren zou; denkt gij dat ik het +meen? _Een vetkaars zal hij hebben_, meer niet; zoo ik maar eenmaal +weder aan den wal ben.--De botterik! Dat was zeker een Hollander? +--Neen, maar het was een Zeeuw."[47] + +Landgenooten zoomin als vreemdelingen, leeken zoomin als priesters +worden, wanneer Erasmus dit onderwerp aanroert, door hem gespaard. Aan +alles is merkbaar dat hij met welgevallen een dier tijden beleeft, welke +men daarna in Duitschland met den naam van _Aufklärungsperiode_ zou +aanduiden. Hij vindt het genoegelijk, te velde te trekken tegen de +"betooverde wereld" zijner eeuw. De vrees, met het onkruid ook de tarwe +te zullen uitrukken, kwelt hem niet. Het zou hem een lust zijn, zelfs +schamele lieden, als marskramers en schepelingen, in eene "verlichte +denkwijze" te zien deelen. + +In dit opzigt heeft er in zijn brein, sedert hij het klooster verliet, +eene volstrekte omwenteling plaats gegrepen; en wij kunnen ons +voorstellen dat menig vroom katholiek zijner dagen, over zoovele stoute +spotternijen als hij zich veroorloofde, bedenkelijk het hoofd heeft +geschud. Wat wilde deze Rotterdammer? Aan welk gezag ontleende hij het +regt, op die wijze en in die mate het volksgeloof aan te randen? Zou de +wereld schooner zijn, wanneer hij van hare betoovering haar ontzwaveld +had? + +In den ijver zijner polemiek ziet Erasmus dit alles voorbij, en gaat +alleen met de eischen der beschaving en van het maatschappelijke te +rade. Hij die als jongeling het vriendinnetje bewonderde dat ondanks de +gebeden van vader en moeder den sluijer aannam, verheerlijkt in zijne +dialogen, nu hij een man geworden is, de eerbare vrijerij van een +minnend paar: _de Jongeling en het Meisje_.[48] Wanneer geestelijken of +leeken, die geen hebreeuwsch verstaan, alle hebreeuwsche boeken zouden +willen verbranden en zij de nagedachtenis van Reuchlin, uitgever der +eerste hebreeuwsche spraakleer, zoo veel mogelijk zwart maken, dan +schrijft hij, naar de mode van den tijd Reuchlin's naam in het grieksch +vertalend, de _Hemelvaart van Capnio_, en wijst den verlichten geleerde +in de verblijven der gelukzaligen eene eereplaats aan.[49] + +In de _Bekentenissen van den Soldaat_ komt de onzin van het oorlogvoeren +aan het licht, beoordeeld naar den huurling die niet voor zijn vaderland +of voor een beginsel vecht, maar alleen om uit plunderen te gaan en zich +te verrijken.--"Dat ziet er geleerd uit: Mercurius bij het vertrek, +Vulcanus bij de thuiskomst!--Van welke Vulcanussen en welke +Mercuriussen spreekt gij?--Ik bedoel dat gij, die bij het heengaan +vleugelen aan de voeten scheent te hebben, thans hinkt.--Zoo doet +gewoonlijk die uit den oorlog komt.--En wat dreef u naar den oorlog, +beminnaar van het hazepad?--De hoop op buit had mij courage +gegeven.--Gij keert dus huiswaarts met een som van belang?--Met een +ledigen buidel, ja.--Dit ontheft u van de zorg het gestolene terug te +geven.--Dat deed ik reeds lang geleden. _Alles_ gaf ik terug.--Aan +wie?--Aan Trijntje, aan Wijntje, en aan het verkeerbord." + +Op dien toon gaat de zamenspraak voort, tot ook het plegen van +heiligschennis in de kerken gebiecht wordt--"Ik vrees dat gij naar Rome +zult moeten, om voor zoovele misdaden vergiffenis te bekomen.--Mij is +een kortere weg bekend: ik zal naar de dominikanen gaan en met de +kommissarissen het op een akkoord werpen.--Maar die altaarroof?--Al zou +ik Christus-zelf geplunderd en hem het hoofd van den romp geslagen +hebben, zij bezitten overal aflaten voor; alles wordt door hen +geschikt.--Bekommerde het u niet somtijds wat er van uw ziel worden zou, +indien gij sneuveldet?--Geen oogenblik. Ik was volkomen gerust, want op +een keer had ik mij de Heilige Barbara aanbevolen.--Nam zij u onder haar +bescherming?--Zeker, ik zag haar mij zachtjes toeknikken.--Wanneer +meendet gij dit te zien? Op welk uur van den dag? 's Morgens?--Neen, 's +middags na tafel.--Maar op dat oogenblik, wil ik wedden, zaagt gij ook +de boomen wandelen?--Die man raadt alles!"[50] + +De zamenspraak _Charon_ is tegen de oorlogvoerende vorsten gerigt en +duidt stoutweg, bijna met even zoovele woorden, keizer Karel V en de +koningen Frans I en Hendrik VIII als de voorname menscheslagters van het +tijdvak aan, die in zulke mate de markt der onderwereld overvoeren dat +de oude opgelapte helleschuit te klein en te wrak geworden, en Charon +naar de aarde gekomen is om eene nieuwe en grootere te bestellen. + +Charon is in zijn schik. Hoe meer zielen, is het ook bij hem, maar niet +in de gezellige beteekenis die de levenden aan het spreekwoord hechten, +hoe meer vreugd. Hij vreest alleen dat "zekere polygraaf daarboven" hem +afbreuk doen zal, door te welsprekend tegen den oorlog te schrijven en +den vrede aan te bevelen.--"Maak u niet ongerust," wordt hem geantwoord, +"die man predikt voor doove ooren." + +Behalve om dit ten tooneele voeren van Erasmus door zichzelf, is deze +dialoog ook merkwaardig om eene zinspeling op de meedogenlooze en +bloedige geloofsvervolging in die dagen, teeken van de wassende magt der +ketterij.--"Indien er nu de eene of andere goede God opstaat die de +vorsten met elkander verzoent," klaagt Charon, "dan ben ik een bedorven +man."--"Geen nood," verzekert men hem, "te dien aanzien kunt gij op +beide ooren rustig slapen. In de eerste tien jaren komt er geen vrede. +Alleen de paus van Rome vermaant ijverig tot eendragt; maar hij schuurt +den moriaan. Er zijn ook steden die zuchtend onder zoovele rampen gebukt +gaan; er zijn pruttelende volken die het eene ongeregtigheid noemen dat +ter wille der eerzucht, der bijzondere veeten, van twee of drie personen +de wereld onderstboven gekeerd worde; maar geloof mij, ondanks de +redelijkste vertoogen zal het woord aan de Furiën blijven. Wat ik echter +zeggen wilde: waarom komt gij naar de aarde ten behoeve uwer nieuwe +schuit? Kon Vulcanus u niet helpen?--Nu nog fraaijer! Ik bedank voor een +schip van metaal.--Voor een kleinigheid hadt gij van hier een +scheepstimmerman kunnen ontbieden.--Dat is zoo; maar wij hebben beneden +gebrek aan materiaal.--Hoe nu? En al die bosschen?--Alles gekapt. Zelfs +het hout in de Elysesche Velden.--Mag ik vragen met welk doel?--_Voor +het verbranden van de schimmen der ketters_. Zij komen in zulken getale, +dat wij onlangs steenkolen zijn moeten gaan delven."[51] + +In den _Cykloop-evangeliedrager_ worden de slechte lutheranen +tentoongesteld. Een ridder die Polyfemus heet en die men, om zijn +ongunstig uiterlijk, zoo men hem op zee of in een bosch ontmoette, voor +een struikroover of een boekanier zou aanzien, pocht op het bezit van +een Nieuw Testament (een Nieuw Testament in de latijnsche vertaling van +Erasmus) dat hij zorgvuldig heeft doen binden en met kleuren +versieren.[52]--"Een franciscaner bij ons in de buurt," verhaalt hij, +"voer gestadig tegen het Nieuwe Testament van Erasmus uit. Ik ging hem +spreken onder vier oogen, pakte met de linkerhand hem bij de haren en +deed hem de kracht van mijn regtervuist gevoelen. Zijn gansche bakhuis, +zóó takelde ik hem toe, was één bult. Is dat niet een bewijs dat ik het +evangelie liefheb? Daarna heb ik, bij wijze van absolutie, er hem nog +drie builen mede op den schedel geslagen; een in naam des Vaders, een in +naam des Zoons, een in naam van den Heiligen Geest.--Niet onevangelisch, +inderdaad! Dat noem ik het evangelie verdedigen met het evangelie.--Een +ander franciskaan maakte het nog bonter, en ging in zijn razen tegen +Erasmus iedere maat te buiten. Door evangelischen ijver vervoerd trad ik +dreigend op hem toe, noodzaakte hem geknield vergiffenis te vragen, en +te erkennen dat zijne booze woorden waren ingegeven door den Duivel. Had +hij geaarzeld, mijn hellebaard zou zijn nedergekomen op zijn kruin. Ik +blaakte van strijdlust, en zag er uit als een vertoornde Mars. +Verschillende personen zijn van dit tooneel getuigen geweest.[53]--Het +verwondert mij dat de man niet op de plaats zelve doodgebleven is. Maar +zeg mij, om op ons gesprek van daareven terug te komen, hoe staat het +bij u met de kuischheid?--De jaren zullen mij ingetogenheid leeren, hoop +ik; doch ik weiger niet u in vertrouwen te bekennen dat ik nog geen +model-evangelische ben, enkel een uit den grooten hoop. Wij +evangelischen hebben vier evangeliën, en jagen bovenal vier dingen na: +eene goede tafel, inschikkelijke vrouwen, eenig kapitaal, en alles doen +waar wij lust in hebben. Zijn die ons deel, dan heffen wij den beker en +roepen in geestvervoering: Iö Paean! leve het Evangelie! het rijk van +Christus kome!--Zoo leven epikuristen, niet de evangelie-dragers. +--Toegestemd; maar gij weet dat Christus almagtig is, en hij in een +oogwenk andere menschen van ons maken kan.--Ook zwijnen kan hij van u +maken; gemakkelijker zelfs, daar houd ik het voor, dan brave lieden. Het +wordt tijd dat gij van dit beestachtig leven afscheid neemt.--Ik ontken +dit te minder, daar de profeten onzer dagen het naderend einde der +wereld aankondigen. Ik verbeid de hand van Christus.--Zoo? Nu, dan +moogt gij toezien dat die hand u kneedbaar vinde. En waaruit leiden uwe +profeten af dat het einde der wereld aanstaande is?--Omdat, zeggen zij, +de menschen thans evenzoo leven als in de dagen vóór den Zondvloed. Zij +eten, zij drinken, zij tafelen, zij nemen en geven ten huwelijk, zij +loopen vreemde vrouwen na, zij koopen, zij verkoopen, zij woekeren, zij +bouwen; de koningen voeren oorlog, de priesters peinzen op vermeerdering +van inkomsten, de theologen breijen syllogismen, de monniken dweilen +waar men ga, het volk komt in opstand. Erasmus schrijft zamenspraken; +alle plagen tegelijk zijn over ons uitgestort: honger, dorst, inbraak, +oorlog, pest, beroerten, geldgebrek. Zijn dit geen teekenen dat het +menschelijk geslacht zijn einde nadert?"[54] + +Bij het beoordeelen van deze en dergelijke plaatsen moet men op het +bijzondere niet te veel nadruk leggen. Erasmus kan onder het schetsen +van zijn Evangeliedrager somtijds aan een bepaald persoon gedacht +hebben, doch de meeste trekken van het beeld zijn aan de onwaardige +lutheranen in het algemeen ontleend. Hij leed er onder dat zulke lieden +zich van zijn naam en zijn Nieuw Testament bedienden als schild van +hunne ondeugden, hunne hartstogten, of hun chiliasme. De fijne smaak van +den filoloog gruwde van dit beduimelen zijner denkbeelden door de +schare; en hij wreekte zich in het latijn. + +Verschillende beroemde plaatsen uit Erasmus' _Zamenspraken_, zuivere +kleine genre-schilderijen zonder polemische strekking, kan men overal +aangehaald vinden.[55] Zijne beschrijving van sommige duitsche +logementen, als tegenstelling van sommige fransche, in het hoofdstuk +_Herbergen_.[56] Zijne geschiedenis van den _Paardekooper_ die meende +bedot te hebben en zelf bedot werd.[57] Zijne onschuldige _Tartufferie_: +de ontmoeting van twee litterarische vrienden die zoeken te verbergen +dat het latijnsch proza, waarin zij elkander toespreken, latijnsche +verzen zijn.[58] Zijn _Dichterlijk Gastmaal_, waar eene vrijpostige +dienstmaagd haar onpraktischen meester verwijt slechts verstand te +hebben van konjekturen-smeden, en dat hij beetwortels voor kropsla +aanziet.[59] + +Opmerkelijk is de karakterbeschrijving van een zwitsersch +dorpsherbergier, bij wien twee franciskanen logies en eene plaats aan +tafel komen vragen. Erasmus trekt partij voor die regtschapen monniken, +en de waard zelf dankt hen ten slotte voor hun aangenaam onderhoud. Doch +aanvankelijk is de man uit het volk louter achterdocht en onwil; en +wanneer zijne vrouw een goed woord voor de broeders komt doen, dan +snaauwt hij haar af: + +"Welke diersoort komt daar aan?--Beste vriend, wij zijn knechten Gods, +zoonen van den Heiligen Franciscus.--Ik kan niet beoordeelen of God +schik heeft in zulke knechten; ik voor mij zou er niet gaarne veel van +in huis hebben. Wanneer het op eten en drinken aankomt, dan zijt +gijlieden heel wat mans; maar om te werken hebt gij handen noch voeten. +Och kom! zijt gij zoonen van den Heiligen Franciscus? Gij spreekt altijd +over Franciscus' maagdelijken staat; hoe komt hij dan aan al die +zoonen?--Wij zijn zijne zoonen naar den geest.--Nu, dan beklaag ik uw +vader; want uwlieder geest is uw slechtste deel.--Gij schijnt ons voor +ontaarde leden onzer orde aan te zien; weet dat wij observanten +zijn.[60]--Des te scherper zal ik u observeren, dat gij niets kwaads +uitvoert; uwe observanten zijn mij bij uitnemendheid tegen de borst. +Tanden brengen zij mede, maar geen geld, en zulke gasten kan ik missen. +Ik weet zeer goed dat gijlieden beweert voor ons te arbeiden; maar zal +ik u toonen hoe gij arbeidt? Kijkt eens naar deze prent hier, aan uw +linkerhand. De vos houdt een boetpredikatie; maar op zijn rug, uit de +kap zijner pij, komt een ganzehals te voorschijn. Die wolf, daar, geeft +de absolutie aan een biechteling; maar onder zijn voorkleed, dat gij +ziet zwellen, is een lamsbout verstopt. Gindsche aap in +franciskanergewaad waakt bij een zieke: de eene hand houdt een crucifix +omhoog, de andere grabbelt in 's kranken beurs." + +Nu komt de vrouw tusschenbeide: + +"Man, laat die twee van nacht onder ons dak blijven. Ligt dat gij als +boete voor uw vele zonden dit eene goede werk verrigt. Het zijn brave +mannen. Naderhand zal het u tot voordeel gedijen.--Hoor die +wijfjestaalman! Vast ligt gijlieden onder één dek. Ik haat een vrouw die +andere mannen dan den haren braaf noemt.--Zoo meen ik het niet. Maar +bedenk hoe vaak gij misdreven hebt door dobbelen, drinken, vechten, +ruzie maken. Eén aalmoes voor zooveel zonden zal geen weelde zijn. Werp +deze mannen niet uit. Op uw sterfbed zult gij om hen vragen. Potsemakers +en koordedansers laat gij toe bij de vleet; en hen jaagt gij weg?--Zult +gij uitscheiden met uw gepreek? Voort naar uw keuken!--Ik ga al."[61] + + * * * * * + +Deze toon der _Zamenspraken_; te vaak slechts gedachtewisselingen van +den auteur met zijne lezers, gekleed in vragen en antwoorden welke de +ten tooneele gevoerde personen in den mond gelegd worden; is geheel +dezelfde als van den _Lof der Dwaasheid_. Wie het niet wist zou niet +gelooven dat het kleinere geschrift tien of vijftien jaren vóór het +grootere voltooid werd,--gewigtige jaren in Erasmus' leven, want toen +hij de _Colloquia Familiaria_ uitgaf was hij een beroemd man, terwijl +bij het verschijnen der _Stultitiae Laus_ Europa van zijn bestaan zich +nog naauwlijks bewust was.[62] + +De tijdgenooten hebben in dit boekje bovenal eene satire van de +maatschappelijke en kerkelijke misbruiken der eeuw gezien; en werkelijk +behoeft men het slechts te doorbladeren om zich te vergewissen dat de +auteur zich heeft voorgesteld al schertsend een zwaren slag te slaan. + +Zijn aanval op de verschillende geestelijke orden is geweldig. "Zonder +het zelfbedrog dat zij aan mijn invloed danken," laat hij de Dwaasheid +zeggen, "zouden deze lieden de rampzaligsten der menschen zijn. De +geheele wereld haat hen; zelfs hen toevallig te ontmoeten geldt voor een +boos voorteeken. Niettemin zijn zij met zichzelven ten hoogste +ingenomen, en laten op hunne goede werken zich zooveel voorstaan dat één +hemel hun te klein dunkt voor hunne verdiensten,--niet bedenkend dat +Christus in den oordeelsdag al die kerkgebaren en nietige overleveringen +versmaden, en alleen vragen zal naar het nakomen van zijn liefdegebod. +Een zal dan zijn buik vertoonen, gezwollen van het visch-eten. Een ander +tien mud psalmen uitstorten. Een derde opsommen hoeveel duizend keeren +hij gevast heeft, en dat zijne maagziekte voortkomt uit het veelvuldig +gebruiken van maar één maaltijd daags. Een zal zulk een stapel +ceremonien komen aandragen, dat zeven vrachtschuiten dien naauwlijks +zouden kunnen laden. Een zich beroemen in geen zestig jaren een stuk +geld te hebben aangeraakt, tenzij met dubbel omwoelde vingers. Een zijne +pij laten zien, zoo vies en vet dat geen schipper haar zou willen +aantrekken. Een zal laten klinken dat hij als een spons vijfenvijftig +jaren heeft vastgezeten aan dezelfde plaats; een bewijzen dat hij door +het gestadig metten-zingen heesch, een dat hij door de eenzaamheid +stompzinnig, een dat door het stelselmatig zwijgen zijne tong stijf +geworden is. Waar, zal Christus hen in de rede vallen, vreezend dat zij +anders honderd uit zullen roemen, waar komen deze nieuwe Joden vandaan? +Er is maar één wet die ik voor de mijne erken, en van haar hoor ik niet +reppen. Onverholen en zonder gelijkenissen heb ik weleer het erfdeel +mijns Vaders toegezegd, niet aan pijen, schietgebeden, onthoudingen van +spijs of drank, maar aan werken der barmhartigheid, ik erken niet voor +de mijnen wie zichzelven in die mate overschatten en heiliger willen +schijnen dan ik.--Met welke gezigten zullen zij elkander aanzien, denkt +gij, wanneer zij deze taal vernemen, en bemerken dat zij de minderen +geacht worden van matrozen en koetsiers? Onderwijl zijn zij zalig in +hope, dank zij mijne gunst."[63] + +De lofrede op zichzelve, welke Erasmus de Dwaasheid laat houden, is +gedeeltelijk onopregt, naar men ziet. Eene noodlottige verblinding in +het zedelijke wordt voorgesteld kwanswijs als eene goede gave des +Hemels; voor het minst als eene aangename zwakheid welke men de arme +menschelijke natuur ten goede moet houden. Hoe radeloos ongelukkig +zouden de monniken zijn, indien zij wisten wat Christus eigenlijk van +hen denkt! + +Voor iemand die het wapen der ironie wist te hanteren was dit eene +gelukkige vondst, en Erasmus blijft niet in gebreke de ader te +ontginnen. "Indien een bisschop," gaat de schijnbaar zachtmoedige +Dwaasheid voort, "indien een bisschop overwoog om welke reden hij een +linnen overkleed draagt, blank als sneeuw: zinnebeeld van een smetteloos +leven; wat de verbindingsknoop tusschen de twee hoornen van zijn mijter +beteekent: eene volmaakte kennis van beide Testamenten, het Oude en het +Nieuwe; wat het schoeisel zijner handen: de zuivere en door niets +menschelijks verontreinigde bediening der sakramenten; wat de +herderlijke kromstaf: het zorgvuldig weiden der toevertrouwde kudde; wat +het vooruitgedragen crucifix: de zegepraal over alle menschelijke +hartstogten,--zou hij dan niet een verdrietig en kommervol leven leiden? + +"Indien de opperste kerkvoogden, Christus' stedehouders, het leven van +Christus poogden na te volgen, zijne armoede, zijn zwoegen, zijn leeren, +zijn kruis, zijne doodsverachting: ware er dan op aarde een +droefgeestiger bestaan denkbaar? Wie zou zijn geheele fortuin opofferen +voor het koopen van den pauselijken rang? Wie door het zwaard, door +vergif, door allerlei geweldenarijen, in het bezit van het gekochte zich +willen handhaven? Geen paus met één grein wijsheid, één korrel van het +door Christus geprezen zout, zou dit verlangen. En zoo heeft de wereld +het aan mij te danken dat geen sterveling weelderiger en onbezorgder +leeft dan Hunne Heiligheden, die in voldoende mate Christus het zijne +meenen gegeven te hebben, wanneer zij te midden van symbolische en +schier bij het tooneel geborgde handelingen hun opperbisschopsbedrijf +uitoefenen. Wonderen verrigten, dit ware ouderwetsch; den volke het +evangelie verkondigen, een vermoeijend werk; den bijbel verklaren, +schoolmeesterachtig; bidden, tijdroovend; tranen storten, onwaardig en +verwijfd; armoede lijden, niet fatsoenlijk; geslagen worden, schandelijk +en onbestaanbaar met den rang van personen die te naauwernood de bloem +der koningen tot het kussen hunner gezegende voeten toelaten; sterven, +eindelijk, hoogst verdrietig; gekruisigd worden, een onuitwischbaar +schandmerk. Bouwvallige grijsaards worden er onder hen gevonden die den +krijgsmoed van jongelingen ten toon spreiden,[64] en noch hunne +schatkist vreezen te ledigen, noch tegen veldtogten opzien, noch het als +een schrikbeeld aanmerken de wetten, de godsdienst, den vrede, en alle +menschelijke zaken onderstboven te keeren."[65] + +Bij al de satirieke schrijvers van het tijdvak vindt men deze +invektieven terug; niet het schaarst bij de gewezen monniken onder hen. +Erasmus, Skelton, Luther, Rabelais, allen zijn renegaten van het +klooster- en het priesterleven; allen hebben bij ondervinding den +valschen schijn eener overeengekomen wereldverzaking leeren kennen. +Ongevoelig voor de beschuldiging zich als apostelen des vleesches aan te +stellen, ijveren zij uit alle magt voor het natuurleven, en hameren wat +zij kunnen op het kerkdom. Het eenige wat Erasmus onderscheidt (en na +hem de schrijvers der _Obscuranten-brieven_ onderscheiden zal) is dat +zijn latijn hem ontoegankelijk maakt voor het volk.[66] + +In eene andere reeks plaatsen van den _Lof der Dwaasheid_ heeft deze +opgehouden eene ondeugd te zijn, maar blijft zij nog steeds eene +berispelijke neiging. De mensch vindt behagen in uitspanningen die +vergefelijk potsierlijk waren, indien zij er niet toe bijdroegen hem in +zijne aangeboren woestheid te stijven. Aldus de hartstogt der vorsten en +der groote heeren voor het jagtvermaak. + +Inzonderheid door zijn herhaald logeren op de landgoederen van engelsche +edelen kende Erasmus uit eigen aanschouwen de tragi-komische praktijken, +destijds bij het jagen in gebruik; en zijn jongste engelsche +levensbeschrijver doet hem regt wanneer hij het volgende,--waar men de +antipathie van den eenzijdig ontwikkelden letterkundige namens het +gezond verstand en de zachte zeden tegen de buitensporigheden en de +wreedheid van het _sport_ hoort opkomen,--voor eene persoonlijke +herinnering houdt:[67] + +"Van één soort met de ziende blinden zijn zij voor wie de jagt boven +alles gaat, en wier gemoed, beweren zij, door een niet onder woorden te +brengen gevoel van welbehagen overstroomd wordt, wanneer zij de +verfoeilijke melodie der waldhorens of het bassen der honden vernemen. +Er zijn er, op mijn woord, wier reuk door den drek-zelf der honden +aangenaam wordt geprikkeld, als ware het kaneel. En welk een genot, +wanneer het gevangen dier ontweid ligt te worden! Het gepeupel mag ossen +en schapen slagten: het afmaken van wild is den edelman voorbehouden. +Deze, het hoofd ontbloot, de knie gebogen, trekt een mes dat voor dit +doel bestemd is en voor geen ander gebruikt mag worden. In zekere orde, +met zekere gebaren, snijdt hij plegtstatig zekere stukken uit. Hoewel de +omstanders hetzelfde tooneel ontelbare malen bijgewoond hebben, staan +zij opnieuw eerbiedig-zwijgend toe te zien, niet anders dan of er eene +nog onbekende godsdienstige handeling gevierd werd. Zij wien daarna het +voorregt te beurt valt te mogen proeven van de vangst, stellen dit met +eene bevordering in den adelstand gelijk. Vraagt men of deze jagers, +door hun gestadig nazetten en eten van wild wel iets hoogers bereiken +dan dat zij zelven allengs in weinig minder dan wilde dieren ontaarden? +Neen; maar onderwijl verbeelden zij zich niettemin een koningsleven te +leiden."[68] + +Thans komen de plaatsen waar de dwaasheid begint te zweemen naar eene +deugd; in zulke mate dat wij haar niet geheel kunnen veroordeelen zonder +het gemeenebest van een nuttig steunsel, of het leven der bijzondere +personen van een onschuldig en aangenaam tijdverdrijf te berooven. + +Tot afwisseling ontleen ik eene bladzijde aan eene andere _Stultitiae +Laus_, geschreven door eene jongere tijdgenoot van Erasmus in Frankrijk, +Louise Labé (1525--1565). Sommige trekken zijner vinding zijn door de +schoone lyonesche Cordière in haar _Débat de Folie et d'Amour_ zoo +gelukkig nagevolgd, dat de europesche letterkunde van het tijdvak +misschien geen volmaakter proeve van erasmiaansche renaissancestijl in +de landstaal heeft aan te wijzen.[69] + +Men hoore Mercurius, advokaat van Folie, de merkbare teekenen van +waanzin bij het verliefd jong meisje opsommen. De gedachte en de wending +zijn van Erasmus; maar ons geeft dit oude fransch een betere +voorstelling van den algemeenen toon zijner satire, dan de beste +vertaling in hedendaagsch nederlandsch vermag. "Et dans tous ces actes +de la pauvrette," pleit Mercurius, "quels traits trouvez-vous que de +Folie? Avoir le coeur séparé de soymesme, être maintenant en paix, ores +en guerre, ores en treves; couvrir et cacher sa douleur: changer visage +mille fois le iour: sentir le sang, qui lui rougit la face, y montant: +puis soudein s'enfuit, la laissant palle, ainsi qui honte, espérance, ou +peur, nous gouvernent. Chercher ce qui nous tourmente, feignant le fuir, +et néanmoins avoir crainte de le trouver: n'avoir qu'un petit ris entre +mille soupirs: se tromper soymesme: brusler de loin: geler de près: un +parler interrompu: un silence venant tout à coup: ne sont-ce tous signes +d'une personne aliénée de son bon entendement?"[70] + +Nog een thema van Erasmus wordt door de uitnemende prozaschrijfster, +tevens dichteres, niet minder bevallig uitgewerkt. Het is: dat de +zamenleving groote verpligtingen heeft aan den moed en het blind +zelfvertrouwen van enkele onbesuisden: waaghalzen en dwazen inderdaad, +maar gevierder burgers van hun land somtijds dan de wikkende wijzen en +voorzigtigen. Weder voert Mercurius het woord en konkludeert: "Pour le +dire en un mot, mettez moy au monde un homme totalement sage d'un coté +en un fol de l'autre: et prenez garde lequel sera plus estimé. Monsieur +le sage attendra que l'on le prie, et demeurera avec sagesse tout seul, +sans que l'on l'apelle à gouverner les villes, sans que l'on l'apelle en +conseil; il voudra escouter, aller posément où il sera mandé: et on a +afaire de gens qui soient pronts et diligens, qui faillent plus tot que +demeurer en chemin. _Il aura tout loisir d'aller planter des chous_. Le +fol ira tant en viendra, en donnera tant à tort et à travers, qu'il +rencontrera en fin quelque cerveau pareil au sien qui le poussera: et se +fera estimer grand homme. Le fol se mettra entre dix mille arquebuzades, +et possible en eschapera; il sera estimé, loué, prisé, suivi d'un +chacun. Il dressera quelque entreprise escervelée, de laquelle s'il +retourne il sera mis jusques au Ciel. Et trouverez vray en somme que +pour un homme sage dont on parlera au monde, y en aura dix mille fols +qui seront à la vogue de peuple."[71] + +Het voorname onderscheid tusschen het _Débat de Folie et d'Amour_ en den +_Lof der Dwaasheid_ is, dat onder de vele beteekenissen waarin Erasmus +om beurten zich van hetzelfde woord bedient, ééne allengs en onopgemerkt +de overhand gaat krijgen. Al vroeg had zijne moeijelijke jeugd hem tot +op den bodem der zamenleving leeren zien, en menig ander zou in zijne +plaats misanthroop geworden zijn. Hem daarentegen vermaakt in de +eenzaamheid de gedachte dat alle menschelijke handelingen en drijfveren +hare humoristische zijde hebben. Hij stelt zijne opmerkingen te boek; en +zoo ontstaat, uit zijne eigen levensbeschouwing, zijne satire. Het treft +hem dat elke vader en elke moeder hun uiltje voor een valk aanzien, elk +jong meisje haar minnaar voor een fenix houdt, elke jonge man in de +oogen zijner beminde zich den Hemel ziet ontsluiten. Echtgenooten +verdragen elkander uit blindheid voor elkanders gebreken, bemerkt hij. +Stokpaarden vormen het gewone vervoermiddel van denkers, dichters, en +geleerden. Volken zijn groote kinderen. De scepters der koningen +gelijken somtijds zotskolven. De voortplanting van het menschelijk +geslacht onderstelt lachwekkende gemeenzaamheden. Ieder heeft zijne +eerzucht, en ieders eerzucht haakt naar eene onderscheiding. Eenvoudigen +ontcijferen somtijds raadselen, aan wier oplossing de wijzen en de +verstandigen hunne vlijt en hunne olie verspilden. + +"Zegt niet," vraagt de Dwaasheid, "zegt niet tot lof der Brabanders een +brabantsch spreekwoord: _Hoe ouder hoe gekker_? Hetgeen beteekent dat +dit volk meer dan eenig ander zich door een gezelligen aard +onderscheidt, en door de gebreken van den ouderdom in mindere mate +gekweld wordt. Niet anders mijne Hollanders, door ligging en levenstrant +den Brabanders zoo naauw verwant. En waarom zou ik niet _mijne_ +Hollanders zeggen, daar zij aan hun volharden in mijne dienst hun +bijnaam danken, en zij zich dien zoo weinig schamen, dat zij hem als hun +voornaamsten eeretitel beschouwen? Laat anderen dan de Medea's, de +Circe's, de Venussen, de Aurora's, en weet ik welke tooverbronnen +aangaan! Anderen bij andere godinnen het geheim der bloedvernieuwing +zoeken! _Bij mij alleen vindt men daartoe het vermogen, bij mij de +praktijk_.[72] + +Even diep als Holbein, die in een verloren oogenblik zijn boekje +illustreerde, gevoelt Erasmus dat het leven der menschen met het +uitvoeren van een doodedans gelijkstaat.[73] De onverbiddelijke god +Terminus is hem geen oogenblik uit de gedachten.[74] Doch de herinnering +verbittert hem niet. Over geen onderwerp kan hij nadenken, of altijd +gluurt in zijne verbeelding over den schouder der godinnen van deugd, +waarheid, schoonheid, de glimlagchende met de bellekap, de +alomtegenwoordige Fantasie.[75] Het geloof, de wetenschap, de liefde, de +geestdrift, de zelfopoffering, alles schijnt hem toe slechts tot op +zekere hoogte ernst te zijn, en geen ernst te kunnen blijven, tenzij +door een _grain de folie_ voor bederf bewaard. + +Van eene zijner invallende gedachten, den Hofnar, hebben andere groote +vernuften der 16de eeuw levende wezens weten te maken, even populair +geworden als de algemeene beschaving zelve: Rabelais van Panurge, +Cervantes van Sancho, Shakespeare van Falstaff. Maar allen was hij vóór +met de opmerking dat er een natuurlijk verband bestond tusschen de +vrijpostigheid dier geestige zotten, en het goed humeur waarmede zelfs +ligtgeraakte koningen hunne aanmerkingen verdroegen. Het was een +gelukkig denkbeeld van Erasmus, een van de vele verschijningsvormen der +fantasie op deze wijze aanschouwelijk te maken. + +De misbouwde knaap in dienst van keizer Karel V, dien Antonis Mor +voortreffelijk schilderde,[76] treedt onwillekeurig ons voor den geest, +wanneer de Dwaasheid diepzinnig maar lagchend redeneert: "Kan het +ulieden ontgaan dat zelfs magtige vorsten hun gezelschap op den hoogsten +prijs stellen, zoodat zonder dezen de maaltijd noch de wandeling smaakt, +en zij niet één uur buiten mijne narren kunnen? Fluks geven zij die +dwazen de voorkeur boven hunne stemmige wijzen, hoewel ook dezen +fatsoenshalve door hen nagehouden worden. De reden is niet ver te +zoeken, dunkt mij. De wijzen hebben den vorsten niets dan onaangename +zaken mede te deelen, en, steunend op hunne uitgebreide kennis, ontzien +zij zich niet altijd tedere ooren bijtend te grieven. De narren +daarentegen brengen voort hetgeen waarop de vorsten alom en bovenal +belust zijn: kwinkslagen, geestigheden, dingen die doen schaterlagchen +en zich verkneukelen. Voegt daar het niet te versmaden voorregt bij, dat +_zij_ alleen in hunne eenvoudigheid de zaken bij haar waren naam noemen! +En ik vraag u, wat is loffelijker dan de gulle waarheid? + +"Maar de ooren der vorsten schuwen de waarheid, zal iemand beweren, en +bovenal om die reden mijden zij de wijzen in hunne dienst; vreezend dat +er onder hen een onafhankelijk man gevonden worde, die den moed heeft +meer te letten op hetgeen is dan op hetgeen behaagt. + +"Ik erken dit: den koningen is de waarheid hatelijk. Doch hetgeen ik in +mijne narren bewonder is juist dat niet alleen waarheden, maar +onbewimpelde strafredenen uit hun mond met instemming aangehoord worden; +zoodat dezelfde openhartigheid die een wijze het hoofd zou kosten, in de +hoogste mate welgevallig is indien zij betracht wordt door een dwaas. De +waarheid namelijk bezit, wanneer zij van niets kwetsends vergezeld gaat, +een natuurlijk bekoringsvermogen; maar alleen aan de narren verleenden +de goden die gaaf."[77] + +De heldin van Erasmus heet Moria, en gelooft in hare olympische afkomst. +Met niet minder regt zouden wij haar Love-in-Idleness kunnen doopen; +naar den naam van het bloempje door welks sap, uitgedrukt op de oogleden +zijner sluimerende gade, Oberon in Shakespeare's _Midsummernight's +Dream_ Titania met de dwaasste begoochelingen straft. Moria beroemt er +zich op, tegelijk de ziel der wereld en het levend zelfbedrog te zijn. +Zij is het die bij menschen en onsterfelijken de beminlijke chronische +ziekte der hersenschimmen onderhoudt, en door hunne hersenschimmen hen +gelukkig maakt. "Ik rijd bij de stervelingen veelvuldig over de tong," +is haar eerste woord het beste; "want meent niet dat ik onkundig zij hoe +kwalijk bij de keur der dwazen de dwaasheid aangeschreven staat!" +Nogtans houd ik vol dat mijn genie, en het mijne alleen, goden en +menschen het gemoed verkwikt. Redenaars van beroep slagen te +naauwernood, door lange en langdurig overdachte toespraken, den hoorders +hunne zorgen te doen vergeten: ik, ik behoef mij slechts te vertoonen, +en eene ongekende vrolijkheid verspreidt zich over de aangezigten, eene +onzigtbare hand strijkt de voorhoofden glad, er rijst een vriendelijk, +toejuichend lagchen. Wat mijne herkomst betreft, weet dat ik noch Chaos, +noch Orcus, noch Saturnus, noch Iapetus tot vader heb, of hoe die +afgeleefde en vermolmde goden heeten mogen; maar Plutus, den eenigen +waren aarde- en hemelvader: wat Hesiodus, Homerus, en Iupiter zelf, +beweren mogen. En niet den Plutus van Aristofanes, reeds met één voet in +het graf, reeds van het gezigt beroofd; maar den nog ongedeerden, +tintelend van jongelingsvuur. En niet van jongelingsvuur alleen, maar +ook en vooral van den onversneden nectar dien hij op een keer met volle +teugen aan den godemaaltijd dronk. Mijne moeder was Neotès, aanvalligste +en levenslustigste der nimfen, de beligchaamde jeugd."[78] + +Het toppunt zijner paradoxale stelling wordt door Erasmus bereikt, +wanneer hij in de laatste bladzijden van zijn geschrift, met verwijzing +naar teksten uit het Nieuwe Testament, waar gesproken wordt over de +dwaasheid des Kruises, over de dwaasheid Gods welke wijzer is dan de +menschen, ook van het christendom zelf eene goddelijke komedie en van de +christelijke vroomheid, welke alle aardsche voorregten versmaadt ten +einde den hemel te winnen, eene soort van heiligen waanzin maakt.[79] +"Geeft daarbij wel acht," zegt Moria, "dat het de kinderen zijn, de +grijsaards, de vrouwen, de armen van geest, die door de +godsdienstoefeningen het meest bekoord worden en, slechts natuurkinderen +zijnde, het ijverigst zich om de altaren verdringen. Let er ook op dat +de godsdienststichters in den regel felle vijanden der letteren zijn, en +belijdenis doen van eene verwonderlijke eenvoudigheid." + +Dit scepticisme is het beste bewijs dat men ten onregte Sebastiaan +Brand's _Narrenschiff_, welks oudste druk tot 1494 teruggaat, als een +voorlooper van Erasmus' _Lof der Dwaasheid _pleegt aan te duiden. Er +zijn vele plaatsen in Erasmus' boekje waar hij op hetzelfde aanbeeld +slaat als Brand en, tot regtvaardiging van zijn geloof aan de algemeene +heerschappij van den onzin, evenzoo op tallooze dwazen wijst +(boeke-narren, vrouwe-narren, gouden kalf-narren, wijn- en bier-narren, +gelijk de straatsburgsche burgemeester ze noemt) die het geluk in +allerlei onwezenlijke genoegens of voorregten zoeken. Brand's +boetpredikers-bedoeling echter is Erasmus vreemd; en bij den +Rotterdammer vormt de ééne, door den Straatsburger onveranderlijk +berispte dwaasheid, slechts een incident. De schuit van Brand is een +platbooms vaartuig, hetwelk desverkiezend op rollen gezet, en op +Vastenavond door de straten gevoerd kan worden.[80] Met Erasmus' +schuitje, vlug getuigd, kan men in weerwil van den ranken bouw eene reis +om de wereld doen. Zijne boot schijnt een wimpel van het fosforescerend +vuur te voeren, dat volgens de etymologen zijn naam aan den Heiligen +Erasmus der christelijke oudheid dankt.[81] + +Ondanks het hemelsbreed verschil van taal en omvang komt geen ander +geschrift der 16de eeuw, wat de filosofische strekking betreft, het +boekje van onzen landgenoot nader dan de groote roman van Rabelais, +verschenen van 1533 tot 1554, en insgelijks eene de geheele zamenleving +omvattende satire. Erasmus' _Dwaasheid_ heet bij Rabelais _la Dive +Bouteille_, vertegenwoordigster derzelfde welwillende wijsbegeerte of +levensbeschouwing, die te midden der onzekerheid en dikwijls gemaakte +deftigheid van het ondermaansche, het goed regt van den roes der +vrolijkheid handhaaft.[82] Levendig hebben beiden beseft, Erasmus en +Rabelais, dat de mensch, al spant zijne scherpzinnigheid hare beste +krachten in, toch niet achter het geheim van zijn wezen komen kan; +geloof en eeuwig leven moeten kunnen verdragen, tot het gebied der +fantasie gebragt te worden; en ons bestaan, trots elk onderzoek, een +ondoorgrondelijk mengsel blijft van komisch en tragisch, verheven en +alledaagsch. + +Wat de inkleeding betreft is de _Lof der Dwaasheid_ een offer aan de +mode. De geletterde wereld van Erasmus' dagen had voor het eerst weder +kennis gemaakt met de werken van sommige grieksche sofisten, of met de +sofistische uitspanningen van voorname grieksche redenaars en +schrijvers. Als met eene nieuwigheid vermaakte men zich met den _Lof der +Mug_ door Lucianus, met Lucianus' ironischen _Lof van Phalaris_, den +siciliaanschen tiran. Men herinnerde zich met welgevallen dat Glauco +schertsend den _Lof van het Onregt_, Synesius den _Lof der Kaalheid_, +Favorinus den _Lof van Thersites_, den mismaakten homerischen zwetser, +en den _Lof der Derdendaagsche Koorts_ geschreven had. Die voorbeelden +stonden Erasmus voor den geest; en hij verhoogde meteen het pikante van +het genre, door in den mond der Dwaasheid, die niet uit hare rol mogt +vallen eene lofrede op zichzelve te leggen. Zij, niet hij, is de sofist +die van het begin tot het einde der _declamatio_ het woord voert.[83] + +In de 18e eeuw is Erasmus geestig nagevolgd door Mandeville, wiens +bije-fabel een vermomde _Lof der Ondeugd_ in de maatschappij; door +Holberg, wiens onderaardsche reis van Klaas Klim vaak een _Lof der +Ligtzinnigheid_ in den Staat is.[84] Doch niemand heeft een geheel +zamengesteld, dat in zoo hooge mate, evenals de schrijver zelf, het +karakter van een natuurprodukt bezit. De _Lof der Dwaasheid_ is niet +diepzinnig gelijk een stelsel van metafysica, maar gelijk een artisjok. +De kern der vrucht smaakt zoet, en geeft eene juiste voorstelling van +den bloedzuiverenden invloed der werken van Erasmus in het algemeen. Een +voor een kan men de puntige bladen, die hare kroon vormen, afplukken. +Zelven eene specerij, behoeven zij niet afzonderlijk in olie en azijn +gedoopt, of met zout en peper gekruid te worden. + +Indien onze nederlandsche schilders van den tegenwoordigen tijd te +bewegen waren, voor eene poos zich aan de omhelzing hunner +dorpsvertellingen te ontrukken, dan zouden zij door het behandelen van +een historisch onderwerp roem kunnen behalen: Erasmus te viervoet, +gevolgd door zijn burgerlijken rijknecht, door zijne rijdende +bibliotheek, en opziend uit het schrijfboek waarin hij bezig is +gelukkige invallen voor den _Lof der Dwaasheid_ op te teekenen. + +Werkelijk is het kleine geschrift, dat door de vergankelijkheid nu +weldra sedert vier eeuwen geëerbiedigd werd, op deze wijze zoo niet +voltooid, dan toch aangevangen: in den zadel, gedurende de eerste +terugreis uit Italië in 1509.[85] Erasmus telde op dat tijdstip, naar de +gewone berekening, tweeënveertig jaren; had Rome en Venetië gezien; had +te Turin den dokterstitel gehaald;[86] zou in Engeland bij lord Mountjoy +of bij Thomas Morus gaan logeren, buiten; werd op dat oogenblik door +zorgen noch ziekte gekweld; en was, nog onberoemd, juist in de stemming +een werk der verbeelding te dichten, waarin hij onder den sluijer der +allegorie den vrijen teugel vieren kon aan zijne luim. + + * * * * * + +Betrekkelijk vroegtijdig schijnt Erasmus, hoe jong van harte hij ten +einde toe moge gebleven zijn, vreemden aan een grijsaard te hebben doen +denken; hetgeen, wanneer men zijn zwervend leven en de tien folianten +zijner werken in aanmerking neemt, die lang niet al de weleer door hem +gekorrigeerde drukproeven behelzen, in zichzelf niet buitengewoon te +verwonderen is. Krachtiger ligchamen dan het zijne zouden van zulk een +ingespannen bezig-zijn na verloop van zeker aantal jaren de sporen +vertoond hebben. + +Ik maak deze opmerking naar aanleiding der karaktervolle apostrofe aan +Erasmus in het dagverhaal van Albert Dürer's zuidnederlandsche reis van +1521, toen Dürer zelf de vijftig genaderd was, Erasmus hoogstens zes of +zeven jaren ouder kon zijn. + +Het is bekend dat Erasmus op dat tijdstip te Antwerpen vertoefde, +bevriend met den stads-sekretaris Aegidius en met Quinten Metsys den +schilder, en dat kort na Pinksteren van genoemd jaar er in de stad een +onrustbarend gerucht liep. Maarten Luther, heette het, die op den +rijksdag te Worms zulk eene stoute taal gevoerd had (men begreep niet +dadelijk dat de keurvorst van Saksen hem met voordacht had doen opligten +en op den Wartburg in veiligheid brengen); Luther was in de handen +zijner vijanden gevallen! Ondanks het keizerlijk vrijgeleide hadden zij +hem gevangen! Vermoord misschien! + +Dürer, die in dezelfde dagen te Antwerpen verscheiden openbare personen +portretteerde en onder anderen ook Erasmus uitteekende,[87] kan in de +algemeene dwaling niet lang gedeeld hebben. Bij het eerste vernemen +evenwel maakte de tijding op hem, tevens goed roomsch en goed +hervormingsgezind een verpletterenden indruk. De vereerder van den +onversaagden jongen Luther achtte door dezen slag de zaak der godsdienst +verloren, en teekende, overstelpt door droefheid, in zijn dagboek een +weeklagt in proza op,--bladzijden die voor de geschiedenis te meer +waarde hebben, en van hetgeen destijds omging in de gemoederen, eene te +juister voorstelling geven, omdat hier noch een theoloog, noch een +monnik, noch een letterkundige spreekt, maar een eenvoudig, +welonderwezen burger, slechts buitengewoon als kunstenaar en de +godsdienst enkel om haarzelve liefhebbend, als verhevensten vorm van het +schoone en zuiverste bron der deugd. + +Onder het voortschrijven met bewogen gemoed en ongeoefende pen valt het +Dürer in, dat zoo Luther verloren is Erasmus nog leeft, deze op dat +oogenblik zich in zijne onmiddellijke nabijheid bevindt, en zoolang +Erasmus strijdvaardig blijft de christenheid niet behoeft te wanhopen. +"O, gij alle vrome christenmenschen," is het laatste woord zijner hulde +aan Luther, "helpt mij vlijtig beweenen dezen godgeestigen mensch, en +God bidden dat hij ons een ander verlicht man zende! O Erasme +Roterodame, hoor gij ridder des Heeren Christus: rijd nevens den Heer +Christus voort: bescherm de waarheid: verkrijg der martelaren kroon: +_gij zijt toch reeds een oud manneken_. Ik heb u hooren zeggen dat gij +uzelven nog twee jaren toegegeven hebt, in welke gij nog dacht iets te +doen. Leg dezelve wel aan, het evangelie en het ware christelijk geloof +ten goede, en laat u dan hooren. Dan zullen de poorten der helle, gelijk +Christus zegt, niets tegen u vermogen; en schoon gij hier uw meester +Christus gelijkvormig wierdt, en in dezen tijd schande van de leugenaars +leedt, en daarom een kleinen tijd des te eer stierft, zoo zult gij toch +eer uit den dood in het leven komen en door Christus verheerlijkt +worden. O Erasmus, houd u hier zoo dat God u roeme, gelijk van David +geschreven staat; want gij moogt het doen, en voorwaar gij moogt den +Goliath slaan."[88] + +In hare huiselijkheid vindt ik dit de merkwaardigste voorstelling welke +de tijdgenooten van Erasmus ons van zijn persoon en zijn karakter +gegeven hebben. Altijd wordt uit zijne brieven het gezegde aangehaald: +"Niet allen bezitten kracht genoeg voor het martelaarschap; ik zou bij +het ontstaan van eenig rumoer, vrees ik, het voorbeeld van Petrus +volgen." Altijd het ironische: "Laten anderen het martelaarschap +begeeren, ik acht mij zulk eene eer niet waardig."[89] + +In gewone omstandigheden zou men de braafheid prijzen van den man, die +op het papier durfde stellen hetgeen duizenden niet wagen zichzelf te +bekennen, laat staan aan anderen mede te deelen. Erasmus op het schavot +ware eene even groote tegenstrijdigheid geweest, als in onze dagen het +sneuvelen van een predikant of een pastoor in een tweegevecht zijn zou. +Hem echter heeft het niet gebaat uitdrukkelijk te verzekeren: "Ik ben +bereid te sterven voor Christus, indien hijzelf mij daartoe de kracht +geeft; maar sterven voor Luther, dat doe ik niet."[90] + +De gangbare geschiedenis heeft van die vaste zetten. Wanneer paus Julius +II oorlog voert, dan noemen wij hem een onwaardig stedehouder van den +God der liefde; Zwingli daarentegen, die bij de zwitsersche huurtroepen +van Julius als aalmoezenier diende, hem bewonderen wij wanneer hij in +den slag bij Kappel, aanvoerder van een leger, valt met het zwaard in de +vuist; en niets verhindert ons te erkennen dat die soldaat, gewezen +priester, eene zeer verstandige leer van het Heilig Avondmaal heeft +uitgedacht. Wij nemen het Luther noch Kalvyn kwalijk te zijn gestorven +in hun bed, hoewel beiden onschuldig bloed op het geweten hadden; maar +Erasmus, die nooit eene vlieg kwaad deed, nooit om een ander zwaard dan +zijne pen vroeg, Erasmus noemen wij laf, omdat hij terugdeinsde voor den +brandstapel. Hij alleen had door beulshanden behooren om te komen, +vinden wij. + +Deze ongelijkheid aan onszelf kan slechts hieruit voortkomen dat Luther, +Zwingli, en Kalvyn, ondanks gebreken die zij met voorbeeldigen ootmoed +de eersten waren te belijden, de zaak van den vooruitgang gediend +hebben; Erasmus, ondanks zijne deugden, de zaak van het behoud of der +reaktie; en het van te voren bij ons vaststaat dat wie dit laatste doet +minder diensten aan de zamenleving bewijst. + +De feiten met dat al komen alleen tot hun regt, wanneer wij bij het +beschouwen van Erasmus ons op het medegevoelend standpunt van Albrecht +Dürer plaatsen; die wel is waar hem al vroeg voor een oud manneke, maar +tevens voor een dapperen kleinen David en ridder van den Heer Christus +hield. Het is de schuld van Hendrik de Keyser niet dat de bronzen reus +op de rotterdamsche Markt aan die voorstelling zoo weinig beantwoordt: +op den top eener vendômezuil zou het fraaije beeld beter geplaatst zijn +dan op dat lage voetstuk.[91] De Erasmus van het Louvre-Muzeum, door +Holbein, is eene alles afdoende rechtvaardiging van Dürer's +zienswijze.[92] + +Erasmus leefde in zulk een moeijelijken tijd dat het ons niet betaamt +over het gebruik dat hij van zijne bewonderenswaardige gaven gemaakt +heeft een beslissend oordeel te vellen, en wij er ons bij moeten +nederleggen dat hij, gelijk de bijbel zegt, ten volle verzekerd is +geweest in zijn eigen gemoed. Voorts mag het onze nationale eigenliefde +streelen dat slechts driemalen in de geschiedenis van Europa één vernuft +zulk eene europeesche vermaardheid bezeten, en de beschaving van zijn +tijd in zulke mate beheerscht heeft: Petrarca in de 14de, Erasmus in de +16de, Voltaire in de 18de eeuw. + +Erasmus is een eenzijdig litterarisch genie geweest. Hij heeft noch in +de wiskunde uitgemunt, noch als jurist, noch als geschiedschrijver. In +de leerstellige godgeleerdheid en de bijbelsche uitlegkunde was hij een +dilettant, in de staatkunde een droomer.[93] Zelfs als wetenschappelijk +filoloog liet hij te wenschen over: zijn tekst van het Nieuwe Testament +heeft te langen tijd voor klassiek gegolden.[94] De _Thesaurus linguae +latinae_ van Robert Estienne (1532), vooral de _Thesaurus linguae +graecae_ van Henri Estienne Jr. (1572), waren werken van blijvender +waarde dan de geleerde uitgaven van _zijne_ hand. + +Doch hij was het beligchaamd gezond verstand zijner eeuw, en dankte aan +zijne fabelachtige vaardigheid in het schrijven eener doode taal het +voorregt, in een tijd toen in alle landen van Europa wie maar een glimp +van opvoeding had het latijn even gemakkelijk als de moedertaal +verstond, door het bespelen van één klavier aller aandacht te kunnen +boeijen. + +Ook om die reden hield hij van Bazel, en was een zwitsersch typograaf +een zijner bemindste vrienden. Niet in een hoekje met een boekje wilde +hij wonen, zooals Thomas a Kempis, maar tusschen de bergen met eene +drukpers. Met dien hefboom was hij zich bewust eene wereld te kunnen +vertillen, en zijn schoonste eeretitel is misschien dat hij onder dit +gevaarlijk zelfgevoel vergelijkenderwijs zoo nederig en altijd zoo +eenvoudig gebleven is. + + + * * * * * + + +NOTEN: + +[1] Plaatsen betreffende Erasmus' geboorte, in het woordenboek van +Bayle.--Nieuwe berichten bij Wilhelm Vischer, Erasmiana, Bazel 1876, en +bij R. Fruin in Nijhoff's Bijdragen, N. R., 1878, X 85 vgg.; D. R., +1881, I 55 vg. + +[2] Duifhuis (1531-1581), de voortreffelijke rotterdamsch-utrechtsche +pastoor, had van zijne huishoudster Krijntje Pieters drie kinderen die +in hetzelfde geval als vóór hen Erasmus en zijn broeder verkeerden. +Wiarda, Huibert Duifhuis, 1858, bladz. 8 vgg. + +[3] Leven van Erasmus door Beatus van Rheinau, en leven van Erasmus door +hemzelf, vóór de uitgaaf van Le Clerc. + +[4] Getuigenis van Calvete de Estrella bij R. Fruin, Erasmiana 1878, +bladz. 99.--Geboortehuis van Erasmus naar eene teekening van Kortebrant, +18e eeuw, in Oude Tijd 1869, bladz. 9. + +[5] Als schilder wordt hij in Houbraken's Grooten Schouwburg vermeld I +17 met portret.--De anecdote omtrent de kruisiging door Erasmus, die +Kornelis Musius te Delft zal toebehoord hebben, ook bij Weyerman, +Levensbeschrijvingen, 1729-1769, I 197.--Alles ontleend aan Van +Bleijswijck, Beschrijving van Delft, 1667, bladz. 321, 360. + +[6] Hij spreekt ergens over de "barbaarsche" van Hegius, dien hij +overigens dankbaar herdenkt. Reichling, Murmellius, bladz. 7. + +[7] Over Emmaüs bij Römer, Kloosters en Abdijen, I 384 vgg. + +[8] De contemtu mundi, bij Le Clerc, V 1239-1262. + +[9] "Una hilari Margareta." De contemtu mundi, c. ii. + +[10] De contemtu mundi, c. ii.--Bij R. Fruin, Erasmiana 1878, bladz. 105 +vgg. + +[11] Oratio in Funere Bertae de Heijen Goudanae, bij Le Clerc VIII +551.--Inleiding van Ch. Ruelens tot het fotolitografisch facsimile der +Silva Carminum van 1513, Brussel 1864, bladz. XXXIV vgg. + +[12] Virgo Misogamos, Virgo Poenitens, Ie Deel der Colloquia Familiaria, +bladz. 158 vgg. en 167 vgg. der Tauchnitz-uitgaaf. + +[13] Ch. Ruelens, Silva Carminum, Inleiding bladz. XXXVII. + +[14] Ch. Ruelens, Silva Carminum, Inleiding bladz. XXXVI. + +[15] R. Fruin, Erasmiana 1878, bladz. 107 vgg. + +[16] Ch. Ruelens, Silva Carminum, Inleiding bladz. XLI. + +[17] Militis et Carthusiani, in de Colloquia Familiaria, I 184 vgg. der +Tauchnitz-uitgaaf. + +[18] Melanchton, Leven Rudolf Agricola. + +[19] Kervyn de Lettenhove, Étude sur les Chroniques de Froissart, 1856. + +[20] I.C. Scaliger verweet Erasmus, korrektor geweest te zijn bij Aldo +Manuzio te Venetië. Erasmus verweet Ulrich von Hutten, zich door een +boekverkooper te hebben laten honoreeren voor een pamflet. + +Plaatsen bij Bayle, op "Erasme," en bij Drummond, II 130 vgg. + +[21] Over Filelfo bij Burckhardt I 128 enz., II 172 enz.--Studie door +Eugène Müntz, Revue des Deux-Mondes, 1 Nov. 1881. + +[22] Ontleend aan de hierna te noemen brieven van Erasmus uit de jaren +1497 en vgg. + +[23] D. Nisard, I 25 vgg.; 140 vgg.; 154 vgg.; 168 vgg. Durand de Laur, +I 634.--Drummond, II 267 vgg.--Feugère, bladz. 101 vgg., 156 +vgg.--Wilhelm Vischer, blz. 8 (Pensio Anglica) bladz. 33 (Pension des +Herzogs von Cleve), bladz. 34 (Praepositura Daventriensis)--Dumbar, K. +en W. Deventer, I 329 A en B. + +[24] Fotografisch facsimile van Erasmus' testament bij J.B. Kan, +Erasmiana, Rotterdam 1881. + +[25] Portret van Erasmus in het 5e deel van Wagenaar's Vad. Historie; +portret van Groen van Prinsterer vóór het Handboek, 1870, 5e druk. +Erasmiana en verzameling portretten van Erasmus, in het Rotterdamsch +stadsarchief: Rariteiten-kamer.--Craandijk en Schipperus, Wandelingen, +III 149, 157, 167. + +[26] Ook de aan hem gerigte daaronder zijn belangrijk voor de kennis van +zijn persoon. De verzameling is niet volledig. + +[27] Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 19. + +[28] Adam van Brescia en Sinon, 30ste Zang der Hel. + +[29] Teekening naar het origineel door J.A. Altorffer, in het bezit van +H.D. Tjeenk Willink.--Oudere teekening in de portefeuilles van het +Zeeuwsch Genootschap. Lantsheer en Nachtglas, Zelandia Illustrata, +1866-1880, I 577 vg.--Afbeelding van het Stadhuis te Veere in De Aarde +en haar Volken, 1875, bladz. 272.--Artikel over Anna v. Borssele in het +Woordenboek van Bayle. + +[30] Gargon, Walchersche Arcadia, 1746, 3e druk, I 279, II 108, en de +verwijzingen naar Reigersbergh, Boxhorn, en Smallegange.--Reigersbergh +van Cortgene, schrijver der oudste Zeeuwsche Kronijk (Antwerpen 1551), +was met het geslacht Bourgondië-Van Borssele persoonlijk bevriend. + +[31] Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 6 vgg.--Uittreksels bij +Drummond, I 31 vgg., 91 vgg. + +[32] Over één of twee Battussen, in Van der Aa's Biografisch +Woordenboek, IIa 175. + +[33] Over lord Mountjoy bij Drummond, I 42. + +[34] Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 92. Door eene schrijf- of +eene drukfout, schijnt het, luidt het opschrift: "Clarissimae Annae +_Bersalae_, principi Verianae." + +[35] Over Willem Hermansz van Gouda hiervóór, blz. 298. + +[36] Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 52. + +[37] Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 94. + +[38] Toespelingen op de Odyssea en de Aeneis. + +[39] Van hem en van zijn bediende. + +[40] Battus was misschien, tot een niet nader aangeduid punt, van +Cortgene hem tegemoet komen rijden. + +[41] Erasmus bij Le Clerc, III No. 6.--Arx Tornehensis of Tornenhensis +vanwaar deze en nog eenige andere brieven uit denzelfden tijd +gedagteekend zijn (No. 6, No. 7, No. 9, cf. No. 95 aanhef) is +vermoedelijk eene schrijf- of eene drukfout voor Cortgenensis of +Cortchenensis, bijvoegelijk naamwoord gevormd van Cortgene.--Over het +voormalig kasteel van dien naam bij Gargon, Walchersche Arcadia, II 223; +bij Lantsheer en Nagtglas, Zelandia Illustrata, II 135. + +[42] Balen, Dordrecht, II 809 vg.--Brieven van Erasmus, 22ste Boek der +oudere uitgaven. + +[43] Over de zeden van den roomschen klerus enz. in Nederland, eerste +vierdedeel der 16e eeuw, bij De Hoop Scheffer, Kerkhervorming, bladz. +11-13. + +[44] Divina Commedia, 22ste Zang van het Paradijs, vs. 85--87. + +[45] Brieven en sermoenen van Bonifacius. + +[46] De comtemtu mundi, laatste hoofdstuk. + +[47] Coll. Fam. Iste deel, bladz. 194 vgg.: Naufragium. + +[48] Coll. Fam. Iste Deel, bladz. 148 vgg.: Proci et Puellae. + +[49] Coll. Fam. Iste Deel, bladz. 141 vgg.: Apotheosis Capnionis. + +[50] Coll. Fam. Iste Deel, bladz. 29 vgg.: Militaria. + +[51] Coll. Fam. 2de Deel, bladz. 85 vgg.: Charon. + +[52] Facsimilé van Holbein's titelblad voor deze uitgaaf (1519) bij Paul +Mantz, Hans Holbein, 1879, bladz. 58. + +[53] Dit en het vorige ziet op de bejegening, welke van Ulrich von +Hutten's zijde, in de burgt van Franz von Sickingen, de keulsche +kettermeester Hoochstraten zal ondervonden hebben.--D.F. Strauss, Ulrich +von Hutten, 1860, 2de Boek, 10de Hoofdstuk; Drummond, II 110 vgg. + +[54] Coll. Fam. 2de Deel, bladz. 108 vgg.: Cyclops-evangeliophorus. + +[55] Overzigt bij Drummond II 151-179.--Nieuwe fransche vertaling der +Colloquia door Victor Develay, 1876, met etsen van Chauvet.--Fragmenten +bij D. Nisard, Renaissance et Réforme. + +[56] Coll. Fam. Iste Deel, bladz. 202 vgg. Diversoria. + +[57] Iste Deel bladz. 296 vgg.: Hippoplanus. + +[58] Coll. Fam. 2de Deel, blz. 106 vgg.: Impostura. + +[59] Iste Deel blz. 213 vgg.: Convivium Poëticum. + +[60] Over de minderbroeders-observanten bij Moll, Leven van Brugman, I +101 vgg. + +[61] Coll. Fam. Iste Deel, bladz. 255 vgg.: Ptochoplousioi Franciscani. + +[62] Morias Encomium, id est: Stultitiae Laus, Erasmi Roterodami +declamatio, Parijs 1511. Uitgaaf van C.A. Abbing, Leiden 1839.--Overzigt +bij Jacobus Scheltema 1819, Mengelwerk II 225 vgg.--Nieuwe fransche +vertaling van Des Essarts, 1877.--Fragmenten bij D. Nisard, Renaissance +et Réforme. + +[63] Stultitiae Laus, bij Abbing bladz. 103 vgg. + +[64] Toespeling op den oorlogzuchtigen paus Julius II, toen nog aan het +bestuur.--Negende der houtsneden van Albrecht Dürer's "Groote +Apocalypsis," Cabinet des Estampes te Parijs. Facsimilé door P.W. van de +Weyer te Utrecht, 1875. + +[65] Stultitiae Laus, bij Abbing bladz. 118 vgg. + +[66] Over Skelton bij Philarète Chasles, Le drame, les moeurs et la +religion au 16e siècle, 1851, bladz. 289 vgg., 319 vgg. + +[67] Drummond, Life of Erasmus, I 190. + +[68] Stultitiae Laus bij Abbing bladz. 61 vg. + +[69] Débat de Folie et d'Amour, in de Oeuvres de Louise Labé, parijsche +uitgaaf van 1871, gedrukt bij Johannes Enschedé en Zoonen.--Studie over +Louise Labé bij Sainte-Beuve, Nouveaux Lundis IV 289 vgg. + +[70] Louise Labé, bladz. 95. Bij Sainte-Beuve, bladz. 308. + +[71] Oeuvres de Louise Labé, bladz. 7 vg. + +[72] Stultitiae Laus, bij Abbing, bladz. 20 vg. + +[73] Facsimilé van Holbein's "Simulachres et historiées faces de la +Mort, Lyon 1538," bij Paul Mantz, bladz. 82. + +[74] Facsimilé van Erasmus' zegel bij Drummond, II 371.--R. Fruin, +Erasmiana 1878, bladz. 100, noot 4. + +[75] Zelfde gedachte bij Goethe: "Meine Göttin," 2de Deel van Cotta's +uitgaaf der Werken, 1850, bladz. 53 vgg. + +[76] Louvre-Muzeum, afdeeling Duitsche, Vlaamsche en Hollandsche +Scholen, katalogus 1881, No. 343: "Le nain de Charles-Quint."--Houtsnede +bij Charles Blanc, École Hollandaise, op Antonio Moro. + +[77] Stultitiae Laus, bij Abbing, blz. 55-57. + +[78] Stultitiae Laus, aanhef. Bij Abbing, bladz. 5 vg., 11 vg. + +[79] Stultitiae Laus, bij Abbing, bladz. 131 vgg. tot het einde.--Over +het christendom, bladz. 148: "Videtur omnino Christiana religio quandam +habere cum aliqua stultitia cognationem, minimeque cum sapientia +convenire."--Over het verlangen der vromen naar den hemel, bladz. 154: +"Si paucis demonstraro summum illud praemium nihil aliud esse quam +insaniam quandam." + +[80] Voorrede van Karl Simrock bij den gemoderniseerden tekst van +Sebastiaan Brand's "Narrenschiff," met facsimilés der oude platen, +Berlijn 1872.--Narreschip op rollen in Oude Tijd 1870, blz. 289. + +[81] De spaansche en italiaansche matrozen der Middellandsche Zee, wier +patroon de Heilige Erasmus is (in 304 onder Diocletianus den Marteldood +gestorven als bisschop van Formiae, thans Mola di Gaëta), verbasterden +zijn naam tot Eramo, Ermo, Elmo, overgebleven in St. Elmsvuur. Zijn +leven in de Acta Sanctorum; schilderij van zijn dood, door Dirc Bouts of +Stuerbout van Haarlem, in de Sint-Pieterskerk te Leuven. + +[82] Studie over Rabelais door Albert Réville, Revue des Deux-Mondes van +15 Oktober 1872. + +[83] Stultitiae Laus, Opdragt aan Thomas Morus, en bij Abbing blz. 7 vg. + +[84] Overzigt van Mandeville's "Grumbling Hive" bij Quack, Studien op +sociaal gebied, 1877, blz. 26 vgg.--Plaatsen uit Holberg's "Iter +Subterraneum" bij Abbing, Inleiding, bladz. VII vgg. + +[85] "Superioribus diebes quum me ex Italia in Angliam reciperem cet." +Opdragt der Stultitiae Laus aan Thomas Morus.--"Diversabor id temporis +apud Morum meum, ex Italia reversus cet." Brief aan M. Dorpius bij Le +Clerc, ook bij Abbing, blz. 165. + +[86] Opschrift van den gedenksteen, onlangs (4 September 1876) ter +herinnering van Erasmus' promotie op 4 September 1506 in het +akademiegebouw te Turin geplaatst, bij Wilhelm Vischer Erasmiana, bladz. +6. + +[87] Facsimilé van Dürer's teekening bij Charles Ephrussi, Albert Dürer +et ses dessins, 1882. + +[88] Hollandsche vertaling van 1780, bladz. 53 vg. + +[89] Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 547, No. 583.--Ook bij Groen +van Prinsterer, Handboek 5de Druk, bladz. 71 vg., en bij Wijnne, +Geschiedenis van het Vaderland 1879, 5de Druk, bladz. 68. + +[90] "Optarem esse Christi martyr, si vires ipse suppeditet; Lutheri +martyr esse nolim." Uit de Spongia tegen Von Hutten bij Le Clerc, X 1631 +vgg. Bij Drummond, II 142.--Zie ook de plaatsen in den brief van 1523 +aan paus Adriaan VI, bij Le Clerc No. 649, waar Erasmus schrijft +desnoods "ten koste van zijn leven" de zaak van Christus tegen Luther te +willen bevorderen; en van de scheuring in de christenheid: Ik zou niet +aarzelen mijn leven te laten, zoo ik de openbare krankheid daardoor +heelen kon!" + +[91] Geschiedenis van het standbeeld van Erasmus, bij Jacobus Scheltema, +1817, Mengelwerk Ia 101 vgg., I 258 vg. + +[92] Louvre-Muzeum, Salon Carré No. 201.--Gravure naar dit portret bij +Paul Mantz, Hans Holbein, bladz. 60. + +[93] Érasme précurseur de l'abbé de Saint Pierre, bij Durand de Laur, II +501 vgg. + +[94] Geschiedenis dier uitgaaf bij Drummond, I 307 vgg. + + + * * * * * + + +ERASMUS + +SAMENSPRAKEN + + + * * * * * + + +CHARON + +De veerman van de onderwereld. + + +PERSONEN: CHARON EN ALASTOR, DE WREKENDE GENIUS. + + Deze dialoog, waarin wezens uit de Grieksche fabelleer door Erasmus + sprekend worden ingevoerd, is geheel geschoeid op de leest van een + dialoog van den Griekschen schrijver Lucianus. De knorrige Charon, + die de schimmen der dooden over de rivier de Styx naar hun eeuwig + verblijf moest voeren, houdt een gesprek met een boozen Genius. Hun + samenspraak is een scherpe satire op de heerschzucht en den + twistlust der vorsten en machthebbers van dien tijd, die aangehitst + door de intriges en 't winstbejag der priesters en monniken overal + strijd en oorlog trachtten te verwekken. Erasmus zelf + karakteriseert in zijn betoog "Het nut der Samenspraken," deze + dialoog met de volgende woorden: "In Charon verfoei en vervloek ik + den oorlog tusschen de Christenen." + +CHARON: Wat heb jij een geweldige haast, Alastor?--ALASTOR: Dat is net +goed dat ik je tref, Charon. Ik haastte me juist naar je toe.--CHARON: +Wat voor nieuws is er?[1]--ALASTOR: Ik breng een bericht dat u en de +koningin der onderwereld recht veel plezier zal doen.--CHARON: Nu, zeg +dan op wat je komt brengen, ontlast je!--ALASTOR: De Schrikgodinnen +hebben even behendig als gelukkig haar taak vervuld: alle deelen van de +aarde hebben ze met helsche kwellingen bezocht, met tweespalt, oorlogen, +rooverijen, pestziekten en wel in die mate dat ze zoo goed als kaal +zijn, nu ze haar slangenlokken hebben verloren en beroofd van haar gif +rondwandelen, zoekend of er nog ergens iets aan slangen en adders te +vinden is, daar ze zoo glad zijn als een ei, geen haar meer op haar +hoofd hebben en in haar borst geen werkzaam gif. Maak gij nu maar dat ge +uw boot en uw riemen klaar hebt. Want daar zal weldra zóó'n menigte van +schimmen aankomen, dat ik bang ben dat ge geen voldoende middelen zult +hebben om ze over den stroom te zetten.--CHARON: Wat gij daar zegt was +me niet ontgaan.--ALASTOR: Hoe was je dat dan te weten gekomen?--CHARON: +De Faam had mij dat een paar dagen geleden al overgebracht.--ALASTOR: +Daar haalt toch niets bij de vlugheid van die Godin! Maar waarom zit je +hier zoo niets doende neer en hebt ge uw boot in den steek +gelaten?--CHARON: Ja, dat brachten de omstandigheden zoo mee. Ik ben +hierheen gekomen om me een stevige schuit te koopen. Want mijn boot die +van ouderdom rot is en veel water doorlaat, zou voor dat werk niet +voldoende zijn, wanneer werkelijk waar is, 't geen de Faam heeft +verteld. Maar, had ik die Faam wel noodig? De omstandigheden dwongen me +toch al. Want ik heb schipbreuk geleden.--ALASTOR: Ontegenzeggelijk ben +je druipnat. Ik dacht dat je zóó uit 't bad kwam.--CHARON: Neen, dat +niet; maar ik kom net uit de rivier de Styx zwemmen.--ALASTOR: En waar +heb-je dan je schimmen gelaten?--CHARON: Die zwemmen met de kikkers +rond.--ALASTOR: Maar wat heeft de Faam u verteld?--CHARON: Dat drie +monarchiën in doodelijken haat op elkaar aangevallen zijn om elkander te +verdelgen en dat er geen enkel deel van de Christenwereld is waar de +oorlog niet woedt: want die met hun drieën sleepen de anderen mee om +samen te vechten. Allen zijn ze zóó gezind dat niemand aan een ander wil +toegeven. Inmiddels weet ik, dat noch de Denen, noch de Polen, noch de +Schotten, noch zelfs ook Turkije zich rustig houdt: dat zij allerlei +vreeslijke maatregelen nemen; dat overal de pest woedt, in Spanje, in +Engeland, in Italië, in Frankrijk. Dat daarbij een nieuw verderf is +opgekomen, uit meeningsverschil ontstaan, dat alle menschen zóó heeft +bedorven, dat er nergens meer ware vriendschap bestaat; dat de eene +broeder den anderen wantrouwt, dat er tweedracht heerscht tusschen man +en vrouw. We willen er 't beste van hopen dat ook hieruit nog wel eens +een heerlijke ellende voor 't menschdom zal voortkomen, wanneer van tong +en pen de zaak tot handtastelijkheden overgaat.--ALASTOR: Nu, de Faam +heeft u dat alles volmaakt naar waarheid verteld. Want ik zelf heb met +mijn eigen oogen nog meer gezien, ik, die de onafscheidelijke gezel en +helper der Schrikgodinnen ben, die verklaard hebben dat ze haar naam +nooit meer verdiend hebben dan in dezen tijd.--CHARON: Toch bestaat er +gevaar dat de een of andere godheid opstaat om plotseling tot vrede aan +te manen. En de menschen zijn dikwijls zoo veranderlijk. Want naar ik +hoor leeft daar in de bovenwereld een zekere Veelschrijver[2] die niet +ophoudt met zijn pen zich tegen den oorlog te verzetten.--ALASTOR: Nu +ja, maar dat doet hij al lang tevergeefs. Indertijd heeft hij +geschreven: "Klacht van den Vrede, uitgeworpen en vertrapt bij alle +volkeren." Nu heeft hij weer uitgegeven een "Grafschrift op den +overleden Vrede." Maar daar zijn anderen die onze zaak evenzeer helpen +als de Furiën zelf.--CHARON: Wie dan?--ALASTOR: Wel, dat zijn wezens met +donkerkleurige en witte mantels, met aschgrauwe onderkleeren, vogels van +diverse pluimage. Nooit wijken ze van de hoven der vorsten, zij +druppelen in hunne ooren krijgslust in, drijven voornamen en menschen +uit 't volk daartoe aan; in hunne bekende godsdienstige bijeenkomsten +verkondigen ze dat de oorlog rechtvaardig, heilig en vroom is. En opdat +ge u nog meer over de driestheid van die menschen zoudt verwonderen: ze +verkondigen hetzelfde van beide zijden. Bij de Franschen roepen ze den +volke toe: dat God aan den kant der Franschen staat en dat _hij_ niet +kan overwonnen worden die God als beschermer heeft. Bij de Engelschen en +de Spanjaarden: dat deze oorlog niet door den Keizer wordt gevoerd, maar +door God zelf. Als ze zich maar dapper betoonen, dat dan ook de +overwinning vaststaat. En als iemand soms sneuvelt, zoo iemand sterft +niet, maar vliegt regelrecht ten hemel, zóó als hij stierf, met wapens +en al.--CHARON: En gelooft men nu dat alles, wat ge daar +vertelt?--ALASTOR: Wat vermag geveinsde godsdienst niet? Daarbij komen +nog jeugd, gebrek aan ondervinding, eerzucht, verbolgenheid en een +aangeboren neiging om dat, waartoe men geroepen wordt te volbrengen. +Zulke menschen laten zich gemakkelijk verlokken en een wagen die op een +hellend vlak in beweging is, heeft geen sterken stoot noodig.--CHARON: +Nu, ik zou die wezens gaarne eens een pleziertje doen.--ALASTOR: Welnu, +maak dan maar eens een prachtig feestmaal voor hen gereed. Ge kunt hen +geen grooter plezier doen.--CHARON: Een diner van malven, boonen en +prei? Want iets anders oogsten wij bij ons in de onderwereld niet, +zooals ge weet.--ALASTOR: Neen waarachtig niet: van patrijzen, kapoenen +en fazanten, ten minste wanneer ge een gastheer wilt zijn wien men +dankbaar is.--CHARON: Maar wat drijft hen toch aan om den oorlog zoo +dóór te drijven of wat nut oogsten ze daarvan?--ALASTOR: Omdat ze meer +voordeel hebben van de dooden dan van de levenden. Dan komen de +testamenten, begrafenismaaltijden, allerlei vrijdom en vele andere, niet +te versmaden zoete winstjes. Kortom: ze willen liever in een legerkamp +verkeeren dan in hunne kloostercellen. Een oorlog maakt velen tot +bisschoppen, die in vredestijd geen cent waard waren.--CHARON: +Verstandige menschen!--ALASTOR: Maar waarvoor heb je een schip +noodig?--CHARON: O, noodig hebben zou ik 't niet, als ik graag eens wéér +midden in de rivier schipbreuk wilde lijden.--ALASTOR: Door de menigte +van dooden?--CHARON: Wel natuurlijk.--ALASTOR: Maar je vaart toch maar +alleen schimmen over, geen lichamen. En wat hebben die schimmen een +onbeteekenend gewicht!--CHARON: Laten ze zoo licht zijn als mugjes; de +menigte muggen kan zóó groot zijn dat ze mijn boot zwaar maken. En, dan +moet ge ook niet vergeten: mijn boot is ook maar de schim van een +boot.--ALASTOR: Toch herinner ik me wel eens gezien te hebben dat, toen +er eens een groote troep schimmen was om overgebracht te worden en uw +boot ze niet allen kon bevatten, er dikwijls aan uw roer een drieduizend +schimmen hingen terwijl gij er geen gewicht van bespeurdet.--CHARON: Ik +geef toe dat er zulke schimmen zijn die langzamerhand uit het lichaam +weken ten gevolge van tering of aanhoudende koorts. Maar de schimmen die +plotseling uit een goed doorvoed, welgedaan lichaam worden losgerukt, +die dragen nog veel van de lichaamszwaarte met zich mee. En beroerte, +keelziekte en pest zenden mij zulke dingen toe, maar voornamelijk de +oorlog.--ALASTOR: Ik geloof niet dat Franschen of Spanjaarden veel +gewicht meebrengen.--CHARON: Veel minder dan de overigen maar met dat al +zijn hunne schimmen toch ook niet altijd zoo licht als een veertje. Maar +van de Engelschen, van de goed doorvoede Duitschers komen er nog al +dikwijls die zóó zwaar zijn, dat ik nog onlangs, toen ik er tien +welgeteld overbracht, gevaar liep schipbreuk te lijden en als ik er niet +wat van overboord geworpen had, zou ik, met boot en matrozen en veergeld +en al, omgekomen zijn.--ALASTOR: Geen gering verschil tusschen de ééne +schim en de andere.--CHARON: En wat denk-je wel dat er gebeurt wanneer +dikke gouverneurs, fanfarons en ijzervreters aankomen?--ALASTOR: Wel, +als er één van dezen in een echten oorlog sneuvelt, dan komt er geen een +bij u. Want naar men zegt vliegen dezen regelrecht ten hemel.--CHARON: +Waar ze heen vliegen weet ik niet, maar dit alleen weet ik wèl dat, zoo +dikwijls er oorlog is, er zóóveel gewonden en verminkten tot mij komen +dat ik me verwonder, hoe er in de bovenwereld nog één enkele over kan +zijn. En niet alleen komen ze tot mij met haarpijn en met vette +hangbuiken, maar ook met bullen, met priesterambten en allerlei andere +zaken.--ALASTOR: Maar dat alles brengen ze toch niet mee bij u; ze komen +toch naakt hierheen?--CHARON: Daar heb je gelijk in. Maar die zoo pas +aankomen, brengen toch de droombeelden van al dergelijke dingen +mee.--ALASTOR: En maken die droombeelden hen dan nog zoo zwaar?--CHARON: +Ze verzwaren mijn boot. Wat zeg ik: verzwaren? Ze doen haar haast +zinken. En dan, denkt ge dat zooveel muntstukken[3] geen gewicht +hebben?--ALASTOR: Nou, dat zou ik denken, als ze kopergeld +meebrengen.--CHARON: Daarom ben ik dan ook van plan rond te zien naar +een boot die sterk genoeg is voor zulke vrachtjes.--ALASTOR: Jij +geluksvogel!--CHARON: Hoe dan? ALASTOR: Wel, omdat je eerstdaags +schatrijk zult worden.--CHARON: Wegens de menigte van +schimmen?--ALASTOR: Ja!--CHARON: Dàt zou het geval zijn als ze hun +bezittingen meebrachten. Maar nu brengen zij die in mijn boot zitten te +jammeren, dat ze in de bovenwereld hun vorstendommen, hun landvoogdijen, +hun abdijen, hun schatten aan geld hebben moeten achterlaten, niets mee +dan hun muntstukje voor 't veergeld. En zoo moet 't geen ik gedurende +drieduizend jaren bijeengegaard heb, door mij worden uitgegeven voor een +schuit.--ALASTOR: Je moet een spierinkje uitwerpen om een kabeljauw te +vangen.--CHARON: De menschen drijven tegenwoordig vrij wat voorspoediger +handel, daar zij, wanneer Mercurius hen wat begunstigt, binnen drie +jaren rijk worden.--ALASTOR: Ja, maar ze gaan ook vaak failliet. Uw +winst is kleiner, maar ook zekerder.--CHARON: Ik weet niet waarom ge zoo +zegt: zekerder. Als er nu eens een godheid opstond om de zaak tusschen +de vorsten bij te leggen, dan was mijn heele buitenkansje naar de +maan.--ALASTOR: Nu, ik geloof dat je, wat dit betreft, heel gerust op +beide ooren kunt slapen. In tien jaren tijds behoeft men niet voor een +vrede bang te wezen. Alleen de paus zet ijverig tot vrede aan; maar ... +'t is boter aan de galg gesmeerd. De burgers in de landen klagen steen +en been over al de rampen; sommige menschen fluisteren wel zachtjes +tegen elkaar, terwijl ze beweren dat 't onbillijk is hoe wegens +persoonlijken wrok of eerzucht van twee of drie menschen alles op de +wereld 't onderst boven wordt gekeerd: maar, geloof me, de rechtvaardige +plannen van de Schrikgodinnen zullen 't winnen. Maar waarom vondt ge het +noodig om ter wille van een nieuw schip naar de bovenwereld te gaan? +Zijn er dan bij ons in de onderwereld geen handwerklieden? We hebben +toch Vulcanus.--CHARON: Heel mooi, wanneer ik een metalen schip noodig +had.--ALASTOR: Voor een kleinigheid zou men er een timmerman kunnen +ontbieden.--CHARON: Jawel, maar 't ontbreekt ons aan +timmerhout.--ALASTOR: Wat zeg je? Zijn in de onderwereld dan geen +bosschen meer?--CHARON: Zelfs de lieflijke bosschen uit de Elyseesche +velden zijn opgebruikt.--ALASTOR: Waarvoor?--CHARON: Voor het verbranden +van de schimmen van ketters. Zelfs zóó, dat we onlangs gedwongen zijn +uit 's aardrijks ingewand kolen op te graven.--ALASTOR: Wat? Kunnen die +schimmen niet op min kostbare wijze worden gestraft?--CHARON: 't Is +Rhadamanthus die aldus besloot.--ALASTOR: En als je nu een boot gekocht +hebt, hoe kom je dan aan de riemen?--CHARON: Mijn taak is 't het roer te +hanteeren: de schimmen moeten roeien als ze den Styx over +willen.--ALASTOR: Maar er zijn er toch ook die niet geleerd hebben te +roeien.--CHARON: Bij mij bestaat voor niemand een uitzondering. Roeien +moeten alleenheerschers, roeien moeten ook kardinalen op hun beurt, of +ze 't geleerd hebben al dan niet.--ALASTOR: Nu ik hoop dat ge onder +bescherming van Mercurius een goeden koop van een boot moogt sluiten. Ik +zal je niet langer ophouden. Aan de onderwereld ga ik een blijde +boodschap brengen. Maar Charon, hoor nog eens even!--CHARON: Nu wat is +er?--ALASTOR: Maak dat je wat gauw terug komt, opdat je niet door de +menigte van schimmen overstelpt wordt.--CHARON: Ja, je zult er al meer +dan tweehonderdduizend op den oever van de rivier aantreffen, behalve +die, welke al in 't water rond zwemmen. Maar 'k zal me haasten zooveel +ik kan. Zeg hun intusschen dat ik er spoedig zal wezen. + +NOTEN: + +[1] Erasmus schreef dit ongeveer in den tijd toen keizer Karel V met +Hendrik VIII, koning van Engeland, oorlog voerde tegen Frans I, koning +van Frankrijk. + +[2] Hiermee duidt Erasmus zich zelven aan, zooals hij dat op meer +plaatsen in zijn geschriften doet. + +[3] Als veergeld werd den dooden een koperstukje in den mond gegeven. + + + * * * * * + + +DE ONTEVREDEN GEHUWDE OF HET HUWELIJK + + +EULALIE, XANTIPPE. + + Erasmus was een goed kenner der vrouwen. In onderstaand gesprek + toont hij te weten, hoe de vrouwen in zijn tijd soms hunne + echtgenooten behandelden; óók, hoe die verhouding bij anderen veel + beter was. De practische levenswijsheid doet hier menig verstandig + voorschrift aan de hand, dat in zijn tijd zeker vaak nut zal hebben + gesticht, en waarvoor (al zijn de tijden gelukkig in vele opzichten + veranderd) onze eeuw ook nog wel eens de ooren mag openen. "Tracht, + o! vrouwen, door zachtheid, wijsheid, beleid, niet door vinnigheid + en boosheid uw mannen te verbeteren," dat is de leer hier door + Erasmus verkondigd. Een blik wordt hier gegeven in 't burgerlijke + leven dier dagen met zijn ruwe zeden en gewoonten, eigenaardig + zeker in vergelijking met die van onzen tijd. + +EULALIE: Hartelijk gegroet, Xantippe: ik ben heel blij dat ik je +zie.--XANTIPPE: Net hetzelfde, lieve Eulalie. Je bent veel mooier dan +gewoonlijk!--EULALIE: Begin je nu met mij met grapjes?--XANTIPPE: Neen +werkelijk niet: maar ik meen het heusch.--EULALIE: Misschien dat mijn +nieuwe japon mijn vormen wat beter doen uitkomen?--XANTIPPE: Dat kan wel +wezen, 'k Heb in langen tijd zoo iets beelderigs niet gezien. Mij dunkt +'t is Engelsche stof.--EULALIE: Ja 't is Engelsche wol en Venetiaansche +kleur.--XANTIPPE:--'t Is zachter dan batist. Maar wat een echt mooie +purperkleur. Waar heb je dat van daan gekregen?--EULALIE: Van wie moeten +eerbare vrouwen 't krijgen anders dan van hare mannen?--XANTIPPE: +Gelukskind, als je zoo'n man hebt! 'k Wou liever dat ik een nul getrouwd +had, toen ik mijn Nicolaas huwde.--EULALIE: Alsjeblieft, wat zeg je +daar? Is er al zóó gauw een slechte verhouding tusschen +jelui?--XANTIPPE: Daar zal ook nooit een goede verhouding tusschen ons +komen. Je ziet hoe haveloos ik er uitzie. Zóó laat hij zijn vrouw +loopen. 'k Mag doodvallen als ik me niet vaak schaam zóó op straat te +komen, wanneer ik zie hoe netjes anderen gekleed zijn die met veel armer +mannen getrouwd zijn.--EULALIE: Het sieraad van een getrouwde vrouw zit +niet in haar kleeding of in anderen tooi van 't lichaam, zooals de +Apostel Petrus leert, maar in een kuischen en ingetogen aard en in de +goede geesteseigenschappen. Dat heb ik dikwijls in de kerk gehoord. +Lichtekooien sieren zich voor den blik van velen. Wij zijn mooi genoeg +als we maar aan één man mogen behagen.--XANTIPPE: Maar intusschen brengt +die goede man van mij, die zoo karig is tegenover zijn vrouw, den +tamelijk rijken bruidschat dien ik hem meebracht, aardig door.--EULALIE: +Waarmee?--XANTIPPE: Met dingen waarin hij plezier heeft: met wijntje en +Trijntje en dobbelen.--EULALIE: 't Is zonde!--XANTIPPE: Maar 't is +werkelijk zoo. En als hij dan dronken, diep in den nacht thuis komt, +waar ik hem lang heb zitten wachten, dan snurkt hij den geheelen nacht, +braakt soms het bed vol, om van de rest maar niet te spreken.--EULALIE: +Zoo mag je niet spreken; je doet je zelf schande aan, wanneer je je man +de kroon van het hoofd haalt.--XANTIPPE: 'k Mag sterven wanneer ik niet +liever een pad bij me heb, dan zóó'n man.--EULALIE: En wacht je hem dan +niet op met een flink standje?--XANTIPPE: Zooals hij verdient. Hij merkt +dat ik niet stom ben.--EULALIE: En wat bracht hij daartegen +in?--XANTIPPE: In 't eerst schreeuwde hij woest, omdat hij dacht dat hij +me met groote woorden op de vlucht zou jagen.--EULALIE: En is het van +woorden nooit tot handtastelijkheden gekomen?--XANTIPPE: Als ik het goed +naga dan is de strijd éénmaal zóó hoog geloopen, dat 't heel weinig +scheelde of 't liep op vechten uit.--EULALIE: Wat moet ik +hooren?--XANTIPPE: Hij zwaaide met een knuppel onder woest geschreeuw en +vreeselijke dreigementen.--EULALIE: Was je toen niet bang?--XANTIPPE: +Neen, zeker niet! Ik van mijn kant greep een klein bankje, en als hij me +met een vinger aangeraakt had, zou hij gemerkt hebben dat ik ook handen +aan mijn lijf heb.--EULALIE: Dat is een nieuw soort van schild. Daarbij +ontbrak nog maar de stok van 't spinnewiel als lans.--XANTIPPE: Hij zou +gevoeld hebben dat hij met een manwijf te doen had.--EULALIE: Neen +Xantippe, dat gaat toch zoo niet.--XANTIPPE: Wat gaat niet? Als hij mij +niet als zijn vrouw behandelt, ben ik ook niet van plan hem als mijn man +te beschouwen.--EULALIE: Maar de Apostel Paulus leert toch dat de +vrouwen haar mannen met allen eerbied onderdanig moeten zijn. En Petrus +houdt ons het voorbeeld van Sarah voor oogen, die haar man Abraham +"heer" noemde.--XANTIPPE: Ja, dat heb ik ook wel gehoord. Maar diezelfde +Paulus leert ook, dat de mannen hunne vrouwen moeten liefhebben, evenals +Christus Zijn bruid, de Kerk, heeft liefgehad. Laat _hij_ denken aan +_zijn_ plicht, dan zal _ik_ ook aan den _mijne_ denken.--EULALIE: Maar +als 't nu eenmaal in dit stadium is gekomen dat er één voor een ander +moet wijken, dan is 't toch ook niet meer dan billijk dat de vrouw +toegeeft aan haar echtgenoot.--XANTIPPE: Als _hij_ tenminste werkelijk +echtgenoot mag heeten, die mij beschouwt als zijn dienstmeid.--EULALIE: +Maar zeg eens, Xantippe, is je man later opgehouden te dreigen met +klappen?--XANTIPPE: Ja, en dat is maar goed ook, want hij zou slaag +gehad hebben.--EULALIE: Maar ben jij toen ook niet opgehouden met +kijven?--XANTIPPE: Neen en ik ben ook niet van plan er mee op te +houden.--EULALIE: En wat doet hij dan onderwijl?--XANTIPPE: Wat? Nu, +soms slaapt hij eens en droomt als een mensch; soms doet hij niets dan +lachen; dikwijls grijpt hij een muziekinstrument, waarop nog maar drie +snaren zitten en terwijl hij daarop tokkelt zoo hard hij kan, tracht hij +mijn woorden te overstemmen.--EULALIE: En dat hindert je dan toch +zeker?--XANTIPPE: Meer dan ik je zeggen kan. Soms kan ik mijn handen +maar met moeite thuis houden.--EULALIE: Lieve Xantippe. Permitteer je me +dat ik eens heel vrijuit met je spreek?--XANTIPPE: Zeker.--EULALIE: Jij +moogt dat dan over mij ook doen. De omgang dien wij bijkans van de wieg +af met elkaar gehad hebben, brengt dat mee.--XANTIPPE: Je hebt gelijk; +geen van mijn vriendinnen had ik ooit meer lief.--EULALIE: Hoe je man +ook moge wezen, bedenk dit: je hebt niet het recht om te veranderen. +Vroeger was bij onherstelbare tweespalt de echtscheiding een uiterste +redmiddel. Dat is nu uit. Tot aan den laatsten levensdag moet een +echtgenoot ook je man blijven, en gij de vrouw van uw man.--XANTIPPE: Ik +wou dat God de menschen strafte die ons 't recht om te scheiden hebben +afgenomen.--EULALIE: Spreek niet zoo, Christus heeft 't zoo +ingesteld.--XANTIPPE: Dat kan ik haast niet gelooven.--EULALIE: 't Is +toch zoo. Nu schiet er niets anders over dan dat gij beiden u op +eendracht toelegt, door u te schikken naar elkanders karakter en +aard.--XANTIPPE: Maar hoe kan ik mijn man veranderen?--EULALIE: 't Hangt +heel veel van de vrouwen af, hoe de mannen zijn.--XANTIPPE: Ben _jij_ +dan goed met jouw man?--EULALIE: Nu is alles in orde.--XANTIPPE: Dus was +er in den beginne ook wel onraad?--EULALIE: Nooit stormde het. Maar toch +waren er, zooals dat onder menschen wel meer gaat, eenige wolkjes aan +den horizon, wolkjes die een storm hadden kunnen verwekken, wanneer dat +niet door kalm overleg was voorkomen. Ieder heeft zoo zijn +eigenaardigheden, ieder heeft zoo zijn ideeën, en als we de waarheid +willen zeggen: ieder heeft ook zijn eigen gebreken. En zoo ooit of +ergens dan moet men die in het huwelijk kennen en niet +verafschuwen.--XANTIPPE: Wat je daar zegt is waar.--EULALIE: Maar nu +gebeurt het heel vaak, dat de welwillendheid over en weer tusschen man +en vrouw reeds zoek is, vóórdat ze elkander eigenlijk goed kennen. En +daarvoor moet men in de allereerste plaats oppassen. Immers als er +éénmaal een wrok is ontstaan, dan komt dat heel moeilijk weer in orde, +vooral wanneer 't eenmaal tot harde woorden gekomen is. Pas gelijmde +stukken vallen licht van elkander wanneer men er hard tegen stoot, maar +wanneer ze eenmaal flink aan elkander vast zitten, als de lijm gedroogd +en hard is, dan is er niets stevigers denkbaar. Daarom moet het in den +aanvang daarop worden aangelegd, dat de vriendelijke gezindheid tusschen +man en vrouw samengroeie en bevestigd worde. En dat kan 't best +geschieden door elkander te dienen en zich aan elkanders +eigenaardigheden aan te passen. Want een welwillendheid, die alleen maar +voor den vorm wordt aangenomen, is doorgaans van voorbijgaanden +aard.--XANTIPPE: Maar vertel me dan toch alsjeblieft door welke middelen +jij je man tot jouw eigenaardigheden hebt weten te brengen.--EULALIE: 'k +Wil 't je wèl vertellen, maar alleen op voorwaarde dat je tracht 't na +te doen.--XANTIPPE: Als ik kan.--EULALIE: Dat zal heel licht gaan als de +goede wil er maar is. 't Is nog niet te laat. Want hij is nog jong en +jij bent nog haast een meisje. 'k Geloof dat er nog geen jaar sedert je +getrouwd bent, verloopen is.--XANTIPPE: Dat 's waar.--EULALIE: Nu dan +zal ik 't je vertellen, maar: mondje dicht!--XANTIPPE: Goed.--EULALIE: +Mijn allereerste zorg was: om in alles mijn man ter wille te wezen, +zoodat er niets was, waaraan hij aanstoot kon nemen. Ik ging nauwkeurig +zijn lusten en liefhebberijen na, lette goed op alle tijden en +gelegenheden en wat hij bijzonder graag had, óók, wat hem kon prikkelen, +net zooals leeuwen- en olifanten-temmers doen met dergelijke dieren die +men niet met geweld kan behandelen.--XANTIPPE: Zoo'n beest heb ik +thuis.--EULALIE: Menschen die bij olifanten komen doen geen witte jas +aan: bij stieren geen roode; omdat men bij ondervinding weet dat die +kleuren de dieren woest maken. Zoo worden bijv. tijgers door +bekkenslagen zóó wild, dat ze elkander verscheuren. En menschen die met +paarden omgaan, hebben hun gewone woordjes, hun geluiden met de tong, 't +streelen met de hand en allerlei andere gebaren en geluiden waarmee ze +schichtige paarden kalmeeren. Hoeveel te meer moeten wij dan ook die +middelen toepassen op onze echtgenooten met wie wij, of we willen of +niet, ons geheele leven dóór, huis en bed moeten deelen.--XANTIPPE: Nu, +ga door, je bent zoo mooi begonnen.--EULALIE: Dat in 't oog houdend +trachtte ik mij naar hem te voegen, terwijl ik zooveel mogelijk oppaste +dat er geen reden tot aanstoot gegeven werd.--XANTIPPE: Hoe kon je +dat?--EULALIE: In de allereerste plaats door goed te zorgen voor 't +huishouden, de eerste en voornaamste taak van een huisvrouw. Ik waakte +er niet alleen voor dat er niets werd verzuimd, maar ook dat alles naar +zijn zin uitkwam, zelfs in de kleinste zaken.--XANTIPPE: Welke +bijvoorbeeld?--EULALIE: Bijv. wanneer je man van dit of van dat kostje +veel houdt, als een gerecht op deze of die manier klaargemaakt hem +bijzonder bevalt, als zijn bed op een bijzondere manier wordt +opgemaakt.--XANTIPPE: Maar hoe was je in staat je naar hem te voegen als +hij zoo zelden thuis en dan nog dronken was?--EULALIE: Geduld! Dat wilde +ik juist gaan vertellen. Als mijn man soms eens wat somber scheen en de +gelegenheid minder gunstig was om hem aan te spreken, dan lachte of +schertste ik nooit, zooals sommige vrouwen wel eens doen; maar ik zette +zelf ook een erg bedroefd en bekommerd gezicht. Gelijk een spiegel, als +hij goed is, altijd 't gezicht van hem die er in kijkt juist weergeeft, +zoo moet ook de huisvrouw zich weten te voegen naar de gemoedsstemming +van haar man. Ze moet niet vroolijk zijn, wanneer hij somber gestemd is +of zich niet blij toonen wanneer er iets is wat hem hindert. En wanneer +hij dan eens wat opgewonden was, trachtte ik hem met zachte woordjes te +kalmeeren, of ik liet zijn boosheid maar stilletjes bekoelen tot de +gelegenheid zich aanbood 't zij voor hem om zijn boosheid kwijt te +raken, 't zij voor mij om hem eens onder handen te nemen. 't Zelfde +placht ik te doen wanneer hij thuis kwam, na wat meer wijn gedronken te +hebben dan wel dienstig was. Dan zei ik niet anders dan vriendelijke +woordjes tot hem, alleen met een zoet lijntje wist ik hem naar zijn bed +te krijgen.--XANTIPPE: Je moet me toch toegeven dat de positie van de +vrouwen heel ongelukkig is, dat ze maar moeten gehoorzamen aan driftige, +dronken echtgenooten, die alles doen wat ze willen.--EULALIE: Alsof die +volgzaamheid niet wederkeerig was! Zij zien zich toch ook genoodzaakt +veel van ónze eigenaardigheden te verdragen. Er komt evenwel een tijd +wanneer de vrouw de man moet waarschuwen, wanneer er iets van belang +voorvalt. Bij zaken van minder gewicht is 't beter wat door de vingers +te zien.--XANTIPPE: Wat dan?--EULALIE: Wanneer hij niet over iets tobt, +geen muizenissen in 't hoofd heeft, geen reden tot bekommering heeft, +niet gedronken heeft. Dan kan men hem onder vier oogen eens kapittelen, +of liever vragen of hij hierin of daarin niet wat meer zorg kon hebben +voor zijn zaken, voor zijn goeden naam, voor zijn gezondheid. En dan +moet toch ook nog die waarschuwing met wat grapjes en aardigheden +gekruid worden. Dikwijls stel ik vooraf als voorwaarde, dat hij niet +boos op me mag worden, wanneer ik, dwaze vrouw, hem een raad geef die +kan strekken tot zijn eer, tot zijn gezondheid, tot zijn heil. En als ik +hem dan de waarschuwing had gegeven die ik bedoelde, dan sneed ik hem de +woorden af en wendde 't over een anderen, joligen boeg. Want dit is over +'t algemeen onze fout, lieve Xantippe, dat wij er geen eind aan kunnen +maken als we eenmaal begonnen zijn te spreken.--XANTIPPE: Ja, dat +beweren ze wel meer.--EULALIE: Maar in de allereerste plaats paste ik er +op, met mijn man nooit in tegenwoordigheid van derden te kibbelen en +niets van onze oneenigheid buiten de deur te brengen. Een breuk wordt +veel gemakkelijker hersteld, als er iets tusschen twee personen is +voorgevallen. En wanneer er eens iets gebeurt zóó dat 't onverdragelijk +is en niet door vermaningen van de vrouw kan worden goedgemaakt, dan is +'t passender dat de echtgenoote met haar klacht aankomt bij de ouders +van haar man of bij diens bloedverwanten, dan bij haar eigen familie en +haar klacht zóó matigt dat ze niet den schijn op zich laadt haar man te +haten, maar wèl diens fouten. Maar toch moet ze ook weer niet alles +vertellen, zoodat hij dit opmerkt (ook al zegt hij het niet) en dan de +vriendelijkheid van zijn vrouw zal moeten waardeeren.--XANTIPPE: De +vrouw die dat alles wat gij verlangt kan doen, moet wel wijsgeerig +aangelegd zijn.--EULALIE: Door zulke tegemoetkomingen zullen we onze +mannen tot gelijke welwillendheid prikkelen.--XANTIPPE: Er zijn er die +men door geen vriendelijkheid, welke ook, verbetert.--EULALIE: Nu, ik +geloof dat niet. Maar gesteld eens dat 't zoo was. Bedenk dan dit in de +eerste plaats: we moeten onze echtgenooten nemen zooals ze zijn. Het +verdient dan toch nog maar de voorkeur iemand te verdragen, die +aanvankelijk een zwijn gelijkt, maar langzamerhand wat beter wordt, dan +iemand die met den dag liederlijker wordt, omdat wij onaangenaam tegen +hem zijn. Wat zou je er van zeggen wanneer ik eens voorbeelden aanhaalde +van echtgenooten, die door zoo'n vriendelijke bejegening hunne vrouwen +hebben verbeterd? Hoeveel te meer moeten wij dan 't zelfde doen +tegenover onze mannen?--XANTIPPE: Als je dat doet, dan zul je een +voorbeeld aanhalen geheel anders dan _mijn_ man is.--EULALIE: Ik heb +kennis aan een heer van adel, geleerd, een man van een +allerbeminnelijkst karakter. Hij had een jong vrouwtje getrouwd, +zeventien jaar oud, altijd op 't land, in 't huis van haar ouders +opgevoed, zooals adellijke heeren graag op 't land wonen om de jacht en +de vogelvangst. Hij wilde juist graag een ongevormd en onontwikkeld +meisje huwen om haar des te meer naar zijn zin te kunnen zetten. Hij +begon haar in letterkunde en muziek te onderrichten en haar +langzamerhand te gewennen hem 't geen zij in de kerk had gehoord te +vertellen. Hij begon haar door allerlei wetenswaardigheden te +ontwikkelen, die haar later van nut zouden kunnen zijn. Daar dit alles +voor 't jonge ding vreemd was, omdat ze bij zich thuis was opgevoed bij +nietsdoen en bij de conversatie en scherts van de dienstboden, begon +haar dit te vervelen. Ze wilde zich tegenover haar man niet volgzaam +toonen en als hij daarop aandrong dan huilde en pruilde zij zonder +ophouden. Dikwijls wierp ze zich op den grond, met haar hoofd op den +vloer bonzend alsof zij wenschte dood te zijn. Toen daaraan geen eind +wilde komen, kwam haar echtgenoot, die deed nèt alsof hij volstrekt niet +boos was, met de uitnoodiging dat ze samen voor plezier naar buiten +zouden gaan, naar 't huis van zijn schoonvader. Nu, daar had zijn vrouw +wel ooren naar. Toen ze daar waren aangekomen werd de jonge vrouw door +haar man bij haar moeder en haar zusters gelaten. Hij ging met zijn +schoonvader op de jacht. Onder vier oogen vertelt hij nu aan dezen dat +hij gehoopt had een gezellige levensgezellin te krijgen, maar dat hij er +een gekregen had die niets deed dan huilen en zich kwellen en martelen, +zonder dat er (op welke manier ook) eenige verbetering aan te brengen +was. Dat hij hem dus vriendelijk verzocht een handje te willen helpen in +'t genezen van dat, wat werkelijk een ziekte was bij zijn dochter. De +schoonvader antwoordt hem dat hij hem eenmaal zijn dochter heeft [png. +086]afgestaan en wanneer zij niet naar zijn woorden wil hooren, dat hij +dan maar van zijn recht gebruik moet maken en haar met de karwats moet +zien te verbeteren. Toen zei de schoonzoon weer, dat hij wel wist +daartoe 't recht te hebben. "Maar," zei hij, "ik zou ze liever door uw +overredingskracht of door uw invloed willen genezen, dan dat ik tot 't +uiterste middel overga." De schoonvader belooft nu dat hij zijn +maatregelen zal nemen. Na een paar dagen grijpt hij de gelegenheid aan +toen hij met zijn dochter alleen is. Terwijl hij zijn gelaat in een +ernstige plooi zette, begon hij er haar op te wijzen dat ze volstrekt +niet mooi was, maar óók: wat een weinig beminnelijk karakter zij getoond +had en hoe vaak hij gevreesd had dat ze geen man voor haar zouden kunnen +vinden. "Met de grootste moeite heb ik eindelijk een man voor je +gevonden, zooals ieder meisje, zelfs één dat in de meest gunstige +omstandigheden verkeert, voor zich zou kunnen wenschen. En toch verzet +jij je tegen hem, zonder dankbaar te erkennen wat ik voor je gedaan heb +en zonder te willen inzien, dat je een man bezit die, als hij niet +bovenmate vriendelijk was, je niet waard zou achten tot zijn +dienstpersoneel te behooren." Om kort te gaan, uit de woorden van den +vader sprak zóó de gloeiende toorn, dat 't er heel veel van had of hij +slechts met moeite zijn handen kon bedwingen. Hij is een man van groote +slimheid, die elke rol kan spelen, zelfs die geheel buiten zijn eigen +persoon ligt. De jonge vrouw, die bang werd, maar die zich toch ook wel +bewust was dat haar vader waarheid sprak, viel hem te voet en smeekte +hem 't verleden te vergeten, dat ze voortaan zou weten te doen wat haar +plicht was. Haar vader schonk haar vergiffenis en beloofde in 't vervolg +ook een liefhebbend vader te zullen wezen, als zij maar deed wat ze +beloofd had.--XANTIPPE: En verder?--EULALIE: De jonge vrouw gaat nà 't +gesprek met haar vader naar haar kamer, waar ze haar man alleen +aantreft. Ze valt hem te voet en zei: "Lieve man, tot nog toe heb ik +noch u, noch mijzelve gekend. In 't vervolg zal-je zien dat ik anders +geworden ben: vergeet 't vroeger gebeurde." Haar man ving die woorden op +in een kus en beloofde haar alles wat ze maar wilde, zoo ze bij dat +goede voornemen bleef.--XANTIPPE: Nu, en is ze er bij +gebleven?--EULALIE: Tot aan haar laatste uur en er was niets zoo nederig +of laag dat ze niet gewillig en volgaarne op zich nam, wanneer haar man +het verlangde. Zulk een groote genegenheid ontstond er tusschen hen en +zoo werd meer en meer de liefde tusschen hen bevestigd. Na eenige jaren +wenschte zij zich dubbel en dwars geluk dat ze zoo'n uitstekend +echtgenoot had mogen huwen. "Als ik dien niet gekregen had, zou ik de +ongelukkigste vrouw ter wereld zijn geweest."--XANTIPPE: Maar zóó'n man +is dan ook een witte raaf.--EULALIE: Wanneer je er niets tegen hebt dan +wil ik je ook nog een voorbeeld aanhalen, omgekeerd, van een echtgenoot +die door den tact van zijn vrouw in het rechte spoor werd gebracht, wat +onlangs in deze stad hier is gebeurd.--XANTIPPE: 'k Heb op 't oogenblik +niets beters te doen en ik zit zoo gezellig naar je gebabbel te +luisteren.--EULALIE: Daar was een heer van hoogen adel die, zooals dat +onder dat slag van menschen gewoonte is, veel aan de jacht deed. Op 't +platte land trof hij een meisje aan, de dochter van een arm vrouwtje en +ofschoon hij op wat gevorderden leeftijd was, werd hij smoorlijk op 't +kind verliefd. Terwille van haar bracht hij vaak den nacht buiten de +echtelijke woning door. De jacht was altijd een welkom voorwendsel. Zijn +echtgenoote, een vrouw op wie niet 't minste te zeggen viel en van +onkreukbare rechtschapenheid, kreeg eenigen argwaan en ging in 't geheim +de wegen van haar man eens na. Toen hij op een keer ergens heen was +gereisd ging zij naar 't huisje op 't land. Ze vischte de heele zaak +uit, waar hij sliep, waaruit hij dronk, hoe 't servies was enz. enz. +Huisraad was er zoo goed als niet: 't was er armoe troef. De dame ging +heen en keerde weldra terug, terwijl ze een gemakkelijk bed meebracht en +keukengerei, zelfs eenig zilveren vaatwerk. Ook voegde zij er nog wat +geld aan toe, met de nadrukkelijke boodschap dat, als de mijnheer weer +terug kwam, zij hem wat netter moest ontvangen. Zij liet intusschen +volstrekt niet merken dat zij zijn vrouw was, maar gaf voor zijn zuster +te zijn. Na eenige dagen komt die echtgenoot daar heimelijk weer terug. +Hij ziet dat 't huisraad vermeerderd is en dat 't onthaal ruimer is dan +gewoonlijk. Hij vraagt van waar die ongewone weelde komt. Zij zeggen dat +een deftige dame die aan hem verwant is, dit alles heeft laten brengen +en hun heeft opgedragen hem voortaan wat deftiger te ontvangen. +Onmiddellijk komt 't vermoeden bij hem op, dat 't zijn vrouw is die dit +heeft gedaan. Hij gaat naar huis en vraagt of zij 't geweest is. Zij +zegt niet neen. Hij vroeg nu ook, met welke bedoeling zij dat huisraad +daarheen had gezonden. "Wel manlief," zei ze, "je bent gewoon aan een +zekere mate van comfort. Ik zag dat je daar minder netjes dan je 't +gewoon bent, wordt ontvangen. Nu meende ik dat 't mijn plicht was te +zorgen dat je 't daar wat beter kreegt, omdat ik weet dat je daarop +gesteld bent."--XANTIPPE: Nu die dame is wel wat al _te_ goed. Ik zou +liever in plaats van een zacht bed een bundel brandnetels of +spinaziezaad onder hem gestrooid hebben.--EULALIE: Hoor nu hoe het +afliep. Toen de man die rechtschapenheid van zijn vrouw had leeren +kennen en tevens haar vriendelijkheid, is hij nooit meer naar zijn +bijzit gegaan, maar vond zijn genoegen bij zijn eigen vrouw. Ik meen te +weten dat je Gilbert uit Holland wel kent?--XANTIPPE: Ja +zeker.--EULALIE: Hij is getrouwd zooals je weet, ofschoon hij nog jong +en krachtig is, met een vrouw van wat meer gevorderden leeftijd, al +zoo'n beetje "op haar retour."--XANTIPPE: Hij heeft haar misschien +getrouwd "om het gelletje, niet om het velletje" zooals ze dat +noemen.--EULALIE: Je kon wel eens gelijk hebben. Hij had niet veel schik +in zijn vrouw en hield veel van een ander vrouwtje dat hij zoo af en toe +wel eens buitenshuis zag. Zelden gebruikte hij 't ontbijt of het +middagmaal thuis. Wat zou _jij_ in dat geval doen?--XANTIPPE: Wat _ik_ +zou doen? Ik zou dat liefje in de haren vliegen en wanneer mijn man +uitging naar haar toe, hem een pot met water over zijn lijf gooien, dat +hij goed gezalfd naar zijn feestmaal zou stappen.--EULALIE: Wat deed die +andere dan toch veel verstandiger! Zij noodde 't liefje van haar man +uit, om bij hem thuis te komen en ontving haar vriendelijk. Zoo hield ze +haar man ook zonder tooverdranken bij zich thuis. En als hij soms eens +buitenshuis met haar at, dan zond ze daar een lekkeren schotel heen met +de boodschap er bij, dat ze 't er maar eens lekkertjes van moesten +nemen.--XANTIPPE: Nu, _ik_ zou liever dood gaan dan mijn mans +koppelaarster te wezen.--EULALIE: Maar ga nu intusschen de zaak eens +goed na. Was dit niet heel wat beter, dan wanneer zij door een +kwaadaardig optreden haar man geheel en al van zich had vervreemd en +verder haar geheele leven in twist en onmin had moeten +doorbrengen?--XANTIPPE: Ik moet toegeven dat er nu minder kwaad is +gesticht. Maar _ik_ zou het niet kunnen.--EULALIE: 'k Zal er nog één +voorbeeld aan toevoegen en dan houd ik op. Onze buurman van hiernaast is +een braaf en rechtschapen man, maar hij is een beetje opvliegend. Op een +goeden dag had hij zijn vrouw, iemand die algemeen als lief en aardig +bekend staat, geslagen. Zij ging in de achterkamer en onder tranen en +snikken verkropte zij daar haar harteleed. Een poosje daarna komt +toevallig haar man ook in die kamer en vindt er zijn vrouw in tranen. +"Wat zit je hier te huilen en te snikken, net als kleine kinderen doen?" +Zij vroeg hem voorzichtig: "Nu, is het niet beter dat ik hier mijn leed +beween, dan dat ik op straat ga staan schreeuwen, zooals andere vrouwen +wel doen?" Door deze zoo echt vrouwelijke en innige woorden brak zij den +toorn van haar man en hij gaf zich gewonnen. Bij handslag beloofde hij +zijn vrouw, dat hij nooit weer de hand aan haar zou slaan--en, hij heeft +'t ook nooit weer gedaan.--XANTIPPE: Ik heb 't zelfde van mijn man op +een andere manier gedaan gekregen.--EULALIE: Maar intusschen is het +tusschen jelui beiden altijd vechten.--XANTIPPE: Wat zou je dan willen +dat ik deed?--EULALIE: Vooreerst, zwijgen over alles wat je man verkeerd +doet en zijn liefde langzamerhand winnen door voorkomendheid, +vriendelijkheid en toegevendheid. Dan zul je hem eindelijk wel gewillig +zien of tenminste zul-je hem thuis veel meer naar je hand gezet hebben +dan hij nu is.--XANTIPPE: Hij is veel te heftig van aard dan dat ik hem +zou kalmeeren door voorkomendheid.--EULALIE: Zeg dat niet! Daar is zelfs +geen wild beest zóó woest of 't is door zachtheid te temmen. Daar behoef +je dus bij een mensch nog minder aan te wanhopen. Probeer 't eens enkele +maanden. Je mag 't _mij_ wijten, als je bemerkt dat deze raad je niet +gebaat heeft. Verder zijn er enkele gebreken die je een beetje door de +vingers moet zien. In de allereerste plaats moet je er voor oppassen +geen twist in je slaapkamer of in je bed te verwekken. Je moet +daarentegen zorgen dat 't daar altijd opgewekt en prettig is. Een vrouw +moet er altijd voor zorgen dat haar man aan niets aanstoot kan nemen; +zij moet er haar uiterste best voor doen als ze met haar man samen is, +zich op alle manieren vriendelijk en opgewekt te toonen.--XANTIPPE: Ja, +voor een man, maar _ik_ heb met een _beest_ te doen.--EULALIE: Houd nu +op met kwaadspreken. Over 't algemeen zijn de mannen door ónze schuld +slecht voor ons. Maar om tot ons onderwerp terug te keeren. Zij die +thuis zijn in de oude verhalen der dichters, vertellen ons dat Venus +(zoo noemen zij de godin die het huwelijk beschermt) een gordel heeft, +door de kunstvaardige hand van Vulcanus bewerkt. Daarin moet alles +gewerkt zijn wat kan dienen om liefde te wekken. Dien gordel doet zij +aan, zoo dikwijls zij van plan is naar haar man te gaan.--XANTIPPE: Nu +ja, wat je daar vertelt is een fabeltje.--EULALIE: Daaraan heb je wel +gelijk, maar luister eens wat de bedoeling is van dat +fabeltje.--XANTIPPE: Nu, zeg eens op.--EULALIE: 't Leert ons dat een +vrouw alle moeite moet aanwenden, om als ze met haar man samen is, hem +ter wille te zijn, om de liefde van haar echtgenoot warm te houden en te +doen opvlammen en om uit zijn geest te verdrijven al wat hem aanstoot +kan geven of zijn tegenzin kan wekken.--XANTIPPE: Maar waar halen wij +zoo'n gordel van daan?--EULALIE: Geen heksenkruiden of +bezweringsformules hebben wij noodig. Geen betoovering is machtiger dan +een rechtschapen karakter verbonden met zachtheid.--XANTIPPE: Ik kan +tegen zoo'n man als de mijne is niet vriendelijk wezen.--EULALIE: En +toch hangt 't geheel van je zelve af of hij zal ophouden zóó te zijn als +hij nu is. Als je door de kunsten van een toovenares als Circe je man in +een zwijn of een beer kon veranderen, zou je het dan doen?--XANTIPPE: +Dat weet ik niet.--EULALIE: Weet je dat niet? Of zou je liever een zwijn +tot man hebben dan een mensch?--XANTIPPE: Natuurlijk liever een +mensch.--EULALIE: Welnu, wanneer je dan door tooverkunsten je man van +een dronkenlap tot een matig mensch kon maken, van een verkwister tot +een zuinig persoon, van een leeglooper tot een werkzaam man, zou je dat +dan niet doen?--XANTIPPE: Ja zeker zou ik dat. Maar hoe kom ik aan die +door u bedoelde toovermiddelen?--EULALIE: Wel je hebt ze tot je +beschikking, als je ze maar wilt aanwenden. Hij moet van u zijn, of hij +wil of niet. Hoe beter je hem maakt, des te beter behartig je je eigen +belang. Je hebt nu maar altijd je oogen gericht op zijn gebreken en deze +maken je afkeer van hem steeds grooter. Gij pakt hem altijd juist bij 't +handvatsel aan waar hij niet bij moet worden beetgepakt. Let liever ook +op zijn goede zijden, en vat hem daar aan, waar je wèl hoûvast aan hem +hebt. Vóór ge met hem trouwdet hadt ge tijd om te overwegen welke +slechte eigenschappen hij bezat. Immers men moet niet alleen met de +oogen maar ook met de ooren den man dien men koos, leeren liefhebben. Nu +is de tijd gekomen om fouten te herstellen, niet meer om er een +beschuldiging van te maken.--XANTIPPE: Welke vrouw heeft ooit haar man +"met de ooren" genomen?--EULALIE: Ik zou zoo zeggen: een vrouw neemt +haar man met de _oogen_, wanneer ze op niets anders let dan op zijn +mooie lichaam; met de _ooren_ daarentegen, wanneer ze nauwkeurig nagaat +wat er over hem verteld wordt.--XANTIPPE: Een goede waarschuwing, maar +die wat laat komt.--EULALIE: Een poging om je man te verbeteren, komt +nooit te laat. En daartoe kan heel veel bijbrengen of je je man ook een +kindje schenkt.--XANTIPPE: Dat is er al.--EULALIE: Wanneer?--XANTIPPE: +Al lang.--EULALIE: Hoeveel maanden al?--XANTIPPE: Bijkans +zeven.--EULALIE: Wat hoor ik! Is 't een jongen?--XANTIPPE: Ja.--EULALIE: +Nu, die brengt de zaak tusschen je beiden wel weer in orde, als jij je +zelve maar een beetje inschikkelijk wilt toonen. En hoe spreken anderen, +de vrienden van je man over hem? Met wie gaat hij buitenshuis +om?--XANTIPPE: Ze zeggen algemeen dat hij gemakkelijk van karakter is, +vrijgevig, meegaand, recht hartelijk voor zijn vrienden.--EULALIE: Juist +al die eigenschappen geven mij goeden moed dat jij hem wel zult krijgen +zooals je hem hebben wilt.--XANTIPPE: Alleen tegenover mij is hij niet +zoo.--EULALIE: Maar gedraag jij je nu tegenover hem zooals ik je geraden +heb. En dan mag je mij een leugenaarster noemen, als hij ook niet zoo +tegenover u zal wezen. Bedenk ook wel dat hij nog jong is: 'k geloof nog +niet eens vierentwintig jaar. Hij weet nog niet wat 't zeggen wil +huisvader te wezen. Je behoeft nog niet over echtscheiding te +denken.--XANTIPPE: Nou, ik heb er wàt vaak over gedacht.--EULALIE: Als +je daarover dan wéér gaat denken, overweeg dan eerst eens bij je zelf, +hoe weinig een gescheiden vrouw in de melk te brokken heeft, 't +Schoonste sieraad voor een vrouw is: haar man ter wille en gehoorzaam te +zijn. Zoo heeft de natuur 't ingericht, zoo heeft God het gewild, dat de +vrouw geheel zou afhangen van den man. Denk er verder aan: 't vermogen +behoort den man: een ander kan er niet aanraken. En denk dan aan 't +knaapje dat u beiden toebehoort. Wat zult ge omtrent hem bepalen? Zult +_gij_ hem bij u houden? dan berooft ge uw man van zijn bezit. Zult ge 't +ventje bij _hem_ laten? dan berooft gij u zelf van 't dierbaarste wat ge +hebt. Zeg me ten slotte nog dit: zijn er soms menschen die je een kwaad +hart toedragen?--XANTIPPE: Ja, ik heb een echte stiefmoeder, en +bovendien een schoonvader, net zoo erg als zij.--EULALIE: Zijn die je +zóó kwaadwillig gezind?--XANTIPPE: Ik geloof dat ze mij graag dood +zouden willen zien.--EULALIE: Welnu denk dan ook eens aan die twee. Kunt +ge hun wel grooter genoegen doen, dan wanneer zij je gescheiden zien van +je man; dat je als een weduwe, neen erger dan een weduwe moet leven? +Want weduwen mogen tenminste nog hertrouwen.--XANTIPPE: Ik vind je raad +heel goed, maar ik zie op tegen de langdurige moeite.--EULALIE: Maar +bedenk dan eens hoeveel moeite gij wel hebt moeten doen om dezen +papegaai enkele menschelijke woorden te leeren praten.--XANTIPPE: Heel +wat, dat is zeker.--EULALIE: En dan zou je opzien tegen de moeite om je +man wat te verbeteren om verder met hem een prettig leven te slijten? +Hoeveel moeite getroosten de menschen zich om een paard naar hun zin te +krijgen en mogen wij er dan bezwaar tegen hebben om ons best te doen ten +einde onze echtgenooten meer naar onze hand te zetten?--XANTIPPE: Wat +moet ik dan doen?--EULALIE: Dat heb ik je al gezegd. Zorg dat in huis +alles netjes en proper is: dat niets hem aanstoot kan geven, zoodat 't +hem uit het huis jaagt. Wees vriendelijk tegen hem en tevens met een +zeker eerbiedsvertoon dat een echtgenoote aan haar man verschuldigd is. +Wees opgewekt, maar niet uitgelaten; wees niet stroef, maar ook niet +dartel. Thuis moet hij zijn tafel wèlvoorzien vinden. Je kent den smaak +van je man, kook dus voor hem wat hij 't lekkerst vindt. Toon je ook +voor zijn vrienden toeschietelijk en welwillend. Noodig hen vaak bij je +te gast. Maak aan tafel dat alles vol van vroolijkheid en opgewektheid +is. En wanneer hij dan eindelijk, door den wijn een kleine verheuging +heeft gekregen en op zijn cither gaat tokkelen, welnu begeleid hem dan +met uw zang. Zoo zult gij uw man gewennen aan huiselijkheid en zult gij +tevens zijn uitgaven verminderen. Want ten langen leste moet hij toch +zóó gaan denken: "Ik ben dan toch wel gek dat ik buitenshuis met groote +schade voor mijn beurs en voor mijn goeden naam met een liefje leef, +terwijl ik thuis een vrouwtje heb, veel aardiger en dat dol van mij +houdt en bij wie ik 't veel netter en royaler kan hebben."--XANTIPPE: En +denk je dat 't mij gelukken zal wanneer ik 't probeer?--EULALIE: Zie +maar naar mijn voorbeeld. Richt je naar mij. Intusschen zal ik je man +wel eens te spreken krijgen en ik zal hem aan zijn plicht +herinneren.--XANTIPPE: Ik vind dat wel heel vriendelijk van je, maar pas +op dat hij soms geen lont ruikt: hij zou hemel en aarde +bewegen.--EULALIE: Maak je niet bezorgd. 'k Zal wel zooveel omwegen +gebruiken dat hij mij uit zichzelf vertelt wat voor ongenoegen er +tusschen u beiden is voorgevallen. Wanneer hij dat gedaan heeft dan zal +ik hem, zooals ik dat gewoonlijk doe, heel vriendelijk onder handen +nemen en hem voor u, naar ik hoop, veel handelbaarder maken. En zoo ter +loops zal ik wel eens ter sprake brengen hoe lief jij je over hem hebt +uitgelaten.--XANTIPPE: 'k Hoop dat Christus onze pogingen zal +zegenen!--EULALIE: Hij zal je helpen, als jij je zelve wilt helpen. + + + * * * * * + + +HERBERGEN IN DUITSCHLAND + + +BERTHOLF EN WILLEM. + + Voor de cultuurgeschiedenis is de samenspraak die tot titel voert + "Diversoria of Herbergen" hoogst gewichtig. Erasmus heeft veel + gereisd en de schildering die hij geeft van de logementen zal er + wel een zijn, naar waarheid geteekend, al staan wij ook verbaasd + over de mededeelingen van morsigheid, ruwheid, 't gebrek aan alles + wat naar comfort lijkt, de afwezigheid, van iets wat naar + voorkomendheid zweemt. De beschaving was van de logementen en + herbergen nog ver verwijderd: de waarden uit die inrichtingen + zullen Erasmus' hekeltaal wel niet gelezen hebben en zich door haar + niet hebben verbeterd. Als schildering van zeden uit de 15e eeuw + heeft dezer samenspraak groote waarde. + +BERTHOLF: Waarom vinden zooveel menschen 't prettig zich twee of drie +dagen te Lyon op te houden? Als ik eenmaal op reis ben rust ik niet voor +'k ben waar ik wezen moet.--WILLEM: Neen, omgekeerd! Ik verwonder er mij +juist over dat iemand zich uit Lyon laat weghalen.--BERTHOLF: +Hoezoo?--WILLEM: Omdat 't daar een plaats is, als die van waar de +gezellen van Ulysses niet konden worden losgerukt; omdat daar de Sirenen +haar verblijf hebben opgeslagen. Niemand wordt in zijn eigen huis beter +verzorgd dan dáár in een hotel.--BERTHOLF: Hoe komt dat?--WILLEM: Wel, +aan tafel staat steeds een vrouwspersoon om de gasten door haar grappen +en geestigheden op te vroolijken. Verder vindt men daar vele vrouwen van +buitengewone schoonheid. Eerst kwam de vrouw des huizes ons begroeten, +terwijl ze ons een opgewekt en vroolijk verblijf toewenschte en de hoop +uitsprak dat wij 't geen ons werd voorgezet ons goed zouden laten +smaken. Daarna kwam haar dochter binnen, een elegant persoontje, rad van +tong, levenslustig en gezellig in haar optreden, zoodat ze zelfs een +brompot als Cato zou kunnen opvroolijken. En ze praatten met haar gasten +niet als met vreemden, maar als met oude vrienden en +kennissen.--BERTHOLF: Daaraan zie je weer de beschaving van 't Fransche +volk.--WILLEM: Maar daar ze toch niet voortdurend bij ons konden blijven +omdat haar huiselijke bezigheden haar riepen en ook de andere gasten +door haar begroet moesten worden, stond er aanhoudend een meisje bij +ons, klaar voor allerlei grapjes. Zij was, in haar eentje best in staat +om alle geestigheden terug te kaatsen: ze speelde haar rol goed en zette +'t gesprek voort totdat de dochter des huizes terug zou komen. Want de +moeder was al een beetje op jaren.--BERTHOLF: Maar hoe was nu eigenlijk +wel 't eten? Want praatjes vullen de maag niet.--WILLEM: +Allervoortreffelijkst, zoodat ik er verbaasd over sta, dat zij voor zóó +weinig geld gasten kunnen opnemen. En na den maaltijd onderhouden zij de +menschen weer zóó met aardige vertellingen, dat geen verveling hen +bekruipt. Ik verbeeldde me thuis te wezen en niet in den +vreemde.--BERTHOLF: En hoe was 't in de slaapkamers?--WILLEM: Daar waren +overal steeds eenige kamermeisjes, lachebekjes, dartel, speelsch: uit +zichzelf vroegen ze of we ook vuile kleeren hadden, en die wieschen ze +dan en brachten ze ons gewasschen terug. Om kort te gaan: we zagen daar +niets dan meisjes en vrouwen. Behalve in den stal--ofschoon de meisjes +daar ook dikwijls kwamen binnenstuiven. Bij ons vertrek zoenden ze ons +en waren bij het afscheid zóó hartelijk alsof wij allen broeders waren +of ten minste zeer na-verwanten.--BERTHOLF: Nu die gewoonten zijn +misschien bij de Franschen in eere: ik houd meer van die der Duitschers. +Die zijn manlijker.--WILLEM: Ik heb Duitschland nog nooit mogen bezoeken +en daarom zou ik je wel willen verzoeken, als 't je niet te lastig is, +mij eens te vertellen hoe ze daar een gast ontvangen.--BERTHOLF: Of men +overal dezelfde behandeling ondervindt, weet ik niet, maar ik zal je +vertellen wat ik er zag. Bij je aankomst is er niemand die je begroet. +Dat doen ze om niet den schijn te hebben dat ze je aanhalen. Dat toch +houden ze voor laag en verachtelijk en de Duitsche strengheid onwaardig. +Wanneer je nu lang hebt staan roepen, dan komt eindelijk uit een klein +venstertje van de kamer waar de algemeene haard zich bevindt (want daar +verblijven ze tot ongeveer den langsten dag) een hoofd steken, net als +een schildpad haar kop uit haar schaal steekt. Aan dien persoon nu moet +men vragen of men daar zijn intrek mag nemen. Als hij niet neen zegt, +dan kun je er op rekenen, dat je een plaatsje gegund wordt. Op je vraag +waar de stal is, wijst men u dien met een handbeweging. En daar mag je +dan je paard op je eigen manier behandelen. Geen knecht toch steekt er +een hand uit. Als de herberg wat druk bezocht is, dan wijst een knecht +je de stalling en de minst geschikte plaats voor je paard. Want de +mooiste plaatsen bewaren ze voor hen die nog later komen, vooral voor +edellieden. En als je eenige bezwaren maakt, dan krijg je dadelijk te +hooren: "Als 't je niet bevalt zoek dan maar een ander onderkomen." Hooi +geven ze je in de steden weinig, met mondjesmaat; en je moet dit niet +heel veel goedkooper dan haver betalen. Als er nu voor je paard gezorgd +is, dan verhuist ge naar de gelagkamer en je gaat zitten aan den grooten +haard, met kaplaarzen en bagage, beslikt en wèl. Dat vertrek is voor +allen gemeenschappelijk bestemd.--WILLEM: In Frankrijk wijzen ze je +vertrekken aan om je uit te kleeden of je af te boenen, je te verwarmen +of ook wel uit te rusten als je er lust in hebt.--BERTHOLF: Hier niets +van dat alles. In de gelagkamer doe-je je laarzen uit, trek-je je +schoenen aan, schiet-je een ander hemd aan als je daar behoefte aan +hebt, hang-je naast den haard de door den regen nat geworden kleeren om +uit te dampen. Je schuift er zelf bij, om te droogen. Daar staat ook +water klaar als je je handen wilt wasschen, maar dat is meestal zóó +helder, dat je daarna weer ander water moet vragen om dat sopje af te +spoelen.--WILLEM: Nu, die mannen, zóó weinig verwijfd, verdienen een +pluimpje!--BERTHOLF: En bijgeval je in den namiddag te vier uren +aankomt, eet je toch niet vóór 's avonds negen, soms tien uren.--WILLEM: +Waarom?--BERTHOLF: Ze maken niets klaar vóór ze gezien hebben hoeveel +gasten er zijn, om in ééne moeite voor allen gezamenlijk alles gereed te +maken.--WILLEM: 't Zijn menschen die blijkbaar van beknoptheid +houden.--BERTHOLF: Daar heb-je het. En zoo zijn er wel eens tachtig of +negentig gasten, voetreizigers, ruiters, kooplieden, schippers, +koetsiers, boeren, vrouwen en kinderen, gezonden en zieken bij +elkander.--WILLEM: Dat lijkt wel een echte broedergemeente.--BERTHOLF: +De één kamt er zijn haren, een tweede veegt zich het zweet af, een derde +reinigt er zijn kaplaarzen of zijn slobkousen, een ander weer laat +allerlei onsmakelijke geluiden hooren. Om kort te gaan: daar is een even +groote spraak- en persoonsverwarring als indertijd bij den torenbouw van +Babel. En als ze iemand zien die tot een vreemde natie behoort, die door +een goed verzorgd uiterlijk zich eenigszins aanzienlijk voordoet, dan is +aller aandacht op hem gericht en ze zitten hem aan te kijken alsof hij +een vreemdsoortig wezen is uit Afrika aangebracht, zelfs zóó, dat +wanneer ze later aan tafel aanzitten, ze hem blijven aankijken, terwijl +ze naar hem òmzien en hun oogen niet van hem afhouden, terwijl ze hun +eten vergeten.--WILLEM: Te Rome, te Parijs en te Venetië kijkt niemand +verwonderd naar iets, wàt ook.--BERTHOLF: Intusschen mag men om _niets_ +vragen. Wanneer de avond een goed eind gevorderd is, en ze geen gasten +meer verwachten dan komt een oude knecht voor den dag, een kerel met een +grauwen baard, kort geknipt haar, stuursch gelaat en vuile +kleeren.--WILLEM: Zulk slag van menschen moesten de kardinalen te Rome +tot tafelbedienden hebben!--BERTHOLF: Terwijl hij zijn blikken over de +gasten laat gaan, telt hij zachtjes bij zich zelven hoeveel er in de +gelagkamer zijn. Hoe meer hij er telt des te harder stookt hij het +haardvuur onder de schouw op, ook al is 't in den tijd, dat de zon reeds +lastig is door haar gloed. Bij hen geldt het voor een goede behandeling, +wanneer allen 't zweet van 't lijf gudst. En als iemand, aan zooveel +warmte niet gewend, het venster op een kiertje zet om niet te stikken, +dan hoort hij dadelijk: "Doe dicht!" En als je dan antwoordt: "Ja maar, +ik kan 't hier niet uithouden!" dan krijg je te hooren: "zoek dan maar +een andere herberg op."--WILLEM: Maar toch lijkt me niets ongezonder dan +dat zooveel menschen dezelfde warme stiklucht inademen, en vooral +wanneer alle kleeren los zijn, alle poriën van 't lichaam openstaan, dat +men in die atmosfeer gaat zitten eten en daarin eenige uren vertoeft. Ik +laat nu nog zelfs dáár allerlei onsmakelijke en walgelijke uitlatingen: +maar er zijn ook velen die aan verborgen ziekten lijden en elke +krankheid brengt haar eigenaardige besmetting mee. Zeer velen zijn ook +aangetast door de Spaansche (of zooals sommigen 't noemen: Fransche +schurft[1]), terwijl ze toch net zoo goed bij alle volkeren voorkomt. +Intusschen geloof ik dat daarvan even groot gevaar te duchten is, als +van melaatschen. Ga maar eens na of deze kwaal heel veel verschilt van +de pestziekte.--BERTHOLF: 't Zijn moedige mannen, ze lachen er wat om +en--geven er niets om.--WILLEM: Maar ondertusschen zijn ze moedig met +gevaar voor veel anderen.--BERTHOLF: Wat zul-je er aan doen? Zij zijn 't +nu éénmaal zoo gewoon. En 't is een kenmerk van een standvastig man om +niet van zijn eenmaal ingenomen standpunt af te wijken.--WILLEM: Goed, +maar een vijfentwintig jaren geleden was bij de Brabanders niets meer in +zwang dan de publieke badstoven: nu zijn ze overal opgeruimd. Die +vreemde ziekte heeft ons wel geleerd er voor op te passen.--BERTHOLF: +Maar hoor nu verder. Daarna komt die gebaarde schenker weer terug, en +legt op tafel zooveel servetten als hij voor 't getal gasten genoeg +oordeelt. Maar groote goden, wat een grof linnen! Je zoudt zeggen +zeildoek zóó van den mast afgehaald. Voor elke tafel heeft hij op zijn +minst acht gasten bestemd. Zij, die weten hoe 's lands wijs is, gaan +zitten waar ze willen. Daar toch wordt geen onderscheid gemaakt tusschen +rijk en arm, tusschen heer en knecht.--WILLEM: Daar heb je die +gelijkheid uit den goeden ouden tijd, die de dwingelandij uit onze +maatschappij heeft doen verdwijnen. Zoo verkeerde, zou ik denken, +Christus ook met zijn jongeren.--BERTHOLF: Nu, wanneer allen aan tafel +zitten dan komt weer die barsche Ganymedes[2] voor den dag en telt +opnieuw de gasten. Dan komt hij spoedig terug en plaatst voor ieder een +houten bord en een lepel van 't zelfde kostbaar materiaal, verder een +glazen drinkbeker en na een poosje wat brood. Tot tijdverdrijf maakt +ieder voor zich dat glas een beetje schoon, terwijl de brei gekookt +wordt. En zoo zit men dan dikwijls ongeveer een heel uur te +wachten.--WILLEM: En is er dan geen van de gasten die intusschen eens om +eten vraagt?--BERTHOLF: Niemand die weet hoe 't in dit land toegaat. +Eindelijk wordt de wijn op tafel gezet. Maar kerel! wat is dat een jong +en schraal wijntje! De Sophisten moesten geen anderen drinken, zóó'n dun +en scherp kostje is 't. En als een gast vraagt, of hij tegen extra +betaling niet een beter merk kan krijgen, dan doen ze eerst alsof ze hem +volstrekt niet begrijpen, maar met een gezicht alsof ze je willen +vermoorden. Als je aanhoudt, antwoorden ze: "Hier hebben zooveel graven +en markiezen hun intrek genomen, en nooit heeft er een over mijn wijn +geklaagd. Als 't u niet bevalt, zoek dan maar een andere herberg op." +Alleen de edellieden van hun land beschouwen ze als menschen en hunne +wapens toonen ze overal met ophef.--Eindelijk hebben ze de spijs klaar +om die aan uw van honger rammelende maag voor te zetten. Weldra worden +dan ook de schotels met groote praal opgedragen. De eerste schotel +vertoont doorgaans stukken brood geweekt in bouillon, of, als het +vastendag is, in groentenat. Verder een andere soep, daarna iets van +opgestoofd vleesch of een opgewarmde zoutevischschotel. Dan weer eens +brei, verder wat spijs in vasteren vorm, tot ze aan de behoorlijk +getemde maag gebraden vleesch of gebakken visch voorzetten, die niet +geheel en al te versmaden is. Maar ze zijn er zuinig mee en nemen ze +spoedig weer van de tafel af. Op die manier regelen zij den heelen +maaltijd, zooals ook tooneelspelers doen die koren invoegen in hunne +stukken. Zoo voegen zij om den anderen tusschen de spijzen koek en brei. +Ze zorgen er voor dat het slottooneel 't meest pakkende is.--WILLEM: Dat +is zooals een goed dichter zijn taak opvat.--BERTHOLF: Het zou een +doodzonde wezen als iemand onder den maaltijd eens zei: "neem dien +schotel maar weg. Daar eet toch niemand van." Men moet blijven zitten +tot den voorgeschreven tijd, dien ze met wateruurwerken, meen ik, +afmeten. Eindelijk treedt die gebaarde knecht weer op of de herbergier +zelf, die in kleeding al heel weinig van zijn bedienden verschilt. Hij +vraagt of men nog iets belieft? En dan komt er een beetje beter soort +wijn op tafel. Die flink kunnen drinken, mogen zij 't liefst lijden, +ofschoon hij die de grootste hoeveelheid wijn verzwelgt geen cent meer +betaalt dan hij die 't minst dronk.--WILLEM: Vreemd volkje!--BERTHOLF: +Vooral, omdat er wel eens zijn die dubbel zooveel aan wijn verteren, dan +ze voor hun maal betalen. Maar vóór ik nog van de beschrijving van den +maaltijd afstap, kan ik er niet genoeg op wijzen, wat een gedruisch en +gegons van stemmen er ontstaat wanneer allen door den drank een beetje +verhit geraken. Om kort te gaan: hooren en zien vergaan je. Dikwijls +mengen zich onder het gezelschap hansworsten en potsenmakers. Ofschoon +er geen soort menschen is meer verachtelijk dan zij, zou je toch niet +gelooven hoeveel schik de Duitschers daarin hebben. Zij maken door hun +gezang, gekakel, lawaai, gespring en gestamp dat de gelagkamer dreigt in +te storten en men elkaar absoluut niet kan verstaan. Maar dat schijnt +hun nu eerst een recht aardig leventje toe en men moet er, goedschiks of +kwaadschiks, wel bij blijven zitten tot diep in den nacht.--WILLEM: Maak +nu maar een eind aan 't verhaal van dien maaltijd, want ook mij duurt +hij wat lang en hij begint me te vervelen.--BERTHOLF: Nu goed: ik zal +eindigen. Nadat de kaas is weggenomen, die ze alleen lekker vinden als +ze goed rot is en wegloopt van de wurmen, dan komt de baardman weer voor +den dag met een houten bord in de hand, waarop hij met krijt eenige +heele of halve cirkels teekent. Dat bord legt hij op tafel neer, +zwijgend en somber, men zou zeggen dat hij een Charon of zoo iets was. +Zij die weten wat die teekens beduiden, leggen er geld op: daarop volgt +een ander, en weer een ander totdat de plank vol is. Hij noteert wie +geld heeft neergelegd en rekent bij zich zelf na. Als er niets aan +ontbreekt knikt hij met zijn hoofd dat 't goed is.--WILLEM: En als er +eens iets te veel is?--BERTHOLF: Misschien zou hij 't dan wel +teruggeven. En dat gebeurt dan ook wel eens.--WILLEM: En maakt niemand +een aanmerking over te hooge rekening?--BERTHOLF: Niemand die verstandig +is. Want dan zou hij dadelijk te hooren krijgen: "Wat ben jij voor een +mensch? Je zult niets meer betalen dan iemand anders!"--WILLEM: Die +menschen zijn nog al vrij in hun optreden.--BERTHOLF: En als nu iemand, +vermoeid van de reis, spoedig na den maaltijd zijn bed wil opzoeken, dan +zegt men hem om maar te wachten tot ook de anderen gaan slapen.--WILLEM: +Dat is dunkt mij, zoowat de Staat van Plato.--BERTHOLF: Dan wordt aan +ieder zijn nestje getoond, en dat is in den waren zin des woords ook +niets dan een ligplaats. Er zijn alleen maar bedden en verder is er +niets wat je kunt gebruiken of wat je kunt stelen.--WILLEM: En hoe staat +'t met de reinheid?--BERTHOLF: Nu, al net als bij 't maal. De lakens +zijn voor een maand of zes misschien wel eens gewasschen.--WILLEM: En +hoe gaat 't intusschen met de paarden?--BERTHOLF: Ze worden naar +denzelfden trant behandeld als de menschen.--WILLEM: Maar ondervindt men +nu overal een dergelijke behandeling?--BERTHOLF: 't Mag hier eens wat +schappelijker zijn dan ik verteld heb, dáár nòg wat minder, maar over +het algemeen is 't toch zoowat hetzelfde.--WILLEM: Als ik je nu eens +ging vertellen hoe gasten behandeld worden in dat deel van Italië dat ze +Lombardije noemen en verder in Spanje, in Engeland, in Wales? Want de +Engelschen hebben deels de gewoonten der Franschen, deels der +Duitschers, daar ze immers uit een mengsel van die beide volkeren +gevormd zijn. De bewoners van Wales zeggen dat ze Engelsche inboorlingen +zijn.--BERTHOLF: Vertel me dat alsjeblieft maar eens. Want ik heb daar +nooit mogen reizen.--WILLEM: Ja, maar op 't oogenblik heb ik geen tijd. +De schipper heeft me gezegd dat ik om drie uur aan boord moest wezen als +ik niet achtergelaten wilde worden en hij heeft mijn bagage. Bij een +andere gelegenheid zullen we samen wel eens kunnen praten zoolang we +willen. + + +NOTEN: + +[1] Erasmus bedoelt de syphilis die toen haar intrede in Europa had +gedaan en o.a. ook door den invloed der publieke badstoven, +onrustbarende uitbreiding had gekregen, zoodat de badgelegenheden dan +ook weldra, als erkende brandpunten der besmetting, op order der +overheidspersonen, verboden werden. + +[2] De schenker der Grieksche Goden. + + + * * * * * + + +HET SPOOK OF DE DUIVELBANNING + + +THOMAS EN ANSELMUS. + + Hoe Erasmus reeds ver verheven stond boven de bijgeloovige + begrippen van zijn tijd op 't gebied van spoken en duivelbanning, + bewijst onderstaande samenspraak. Vinnig spot hij met de kunsten, + zelfs door priesters en goed-geloovigen uitgehaald, en 't is niet + te verwonderen dat zijn scherptreffende steken en prikken de + geestelijkheid zijner dagen sterk tegen hem innamen. Vooral de + lagere geestelijkheid was fel op hem gebeten en 't was slechts door + hulp van vrienden onder de hoogere machthebbers in de kerk, zelfs + te Rome, dat Erasmus de gevolgen van den door hem gewekten haat + ontging. + + Dat die haat diep geworteld zat, blijkt wel uit 't verhaal (waar of + niet-waar) dat een zeker priester nimmer het portret van Erasmus, + dat hij daartoe opzettelijk in zijn woning had opgehangen, + voorbijging zonder er tegen te spuwen. + +THOMAS: Wat blij nieuws is er dat je zoo vergenoegd bij je zelven lacht, +alsof je een schat gevonden hadt?--ANSELMUS: Nu, zoo héél ver van de +waarheid was je met je raden niet verwijderd.--THOMAS: Maar wil-je dan +aan je vriend niet eens meedeelen wat dat voor goeds is?--ANSELMUS: 't +Was al lang een hartewensch van me om iemand te hebben aan wiens boezem +ik mijn vreugde kon uitstorten.--THOMAS: Welnu dan, deel mee.--ANSELMUS: +'k Heb daareven een allerleukst verhaal gehoord waarvan je zoudt zweren +dat 't een grappig verzinsel was, als niet plaats, personen en de heele +zaak mij net zoo goed bekend waren als ik u ken.--THOMAS: Je maakt me +brandend nieuwsgierig.--ANSELMUS: Je kent Polus, den schoonzoon van +Faunus?--THOMAS: Heel goed.--ANSELMUS: Nu hij is 't die 't heele stukje +heeft bedacht en heeft gespeeld.--THOMAS: Ik wil 't graag gelooven. Want +hij kan zelfs zonder masker of vermomming elke rol spelen.--ANSELMUS: +Zoo is het. Dan ken-je denk ik ook 't buitentje dat hij niet ver van +Londen heeft?--THOMAS: Of ik! we hebben daar menigmaal een goed glaasje +gedronken.--ANSELMUS: Dan kun-je je ook nog wel dien weg voorstellen aan +beide kanten met boomen op gelijken afstand beplant?--THOMAS: Links van +het huis een paar pijlschoten ver?--ANSELMUS: Juist. Aan den eenen kant +van den weg is een drooge sloot, begroeid met kreupelhout en +doornstruiken. Over een smal bruggetje kom-je van daar in 't open +veld.--THOMAS: Ja, dat weet ik.--ANSELMUS: Al lang liep het gerucht en +'t praatje onder de boeren van die plaats, dat bij dit bruggetje een +spook werd opgemerkt, waarvan men zoo nu en dan de klagende jammerkreten +kon vernemen. Men vermoedde dat 't de ziel van den een of ander was die +door vreeslijke pijnigingen werd gekweld.--THOMAS: En van wien ging dat +praatje uit?--ANSELMUS: Wel, van wien anders dan van Polus? Dat was het +voorspel van zijn stuk.--THOMAS: Hoe kwam hij er zoo op om dat alles te +verzinnen?--ANSELMUS: Weet ik? Of 't moet zijn omdat 't een +eigenaardigheid van hem is. Hij houdt er van met de domheid van 't volk +door zulke spelletjes den spot te drijven. Laat ik je eens vertellen wat +van dien aard hij onlangs heeft uitgedacht. Gezamenlijk reden wij in nog +al grooten getale te paard naar Richmond. Daar waren er onder, die je +kloeke mannen zoudt kunnen noemen. Het was een prachtige, heldere hemel, +door geen wolkje verduisterd. Terwijl aller oogen naar den hemel gericht +waren sloeg Polus over zijn voorhoofd en zijn borst een kruis en terwijl +zich op zijn gezicht schrik afteekende, sprak hij half luid in zich +zelf: "God Almachtig, wat zie ik daar?" En aan zijn gezellen die 't +dichtst bij hem reden en hem vroegen wat hij zag, zei hij terwijl hij +nog grooter kruisteekens maakte: "Moge de genadige God dit teeken +afwenden." Toen allen aandrongen om toch te weten te komen wat er was, +zei hij met star op den hemel gevestigde blikken en terwijl hij met zijn +vinger een plek aan den hemel wees: "Ziet ge daar dan niet dien +ontzaglijken draak met vurige horens gewapend en met zijn staart in een +kring gedraaid?" Toen allen zeiden dat ze niets zagen en hij zei dat ze +dan toch hun oogen goed moesten inspannen en hij hun intusschen de plek +bleef aanwijzen zei eindelijk één dat hij 't óók zag, om niet den schijn +te hebben dat hij slechte oogen had. Een tweede volgde hem na en nog +weer een. Want deze schaamde zich niet te zien wat voor anderen zóó +duidelijk scheen te zijn. Om kort te gaan: binnen een drietal dagen was +'t gerucht als een loopend vuurtje door geheel Engeland verspreid, dat +zich zulk een verschijning had vertoond. Verwonderlijk evenwel is het, +hoeveel er in den mond van 't volk niet bijgekomen was. Ook waren er die +in vollen ernst gingen uitleggen wat 't wonderteeken eigenlijk moest +beduiden. Natuurlijk had hij die 't geheele stuk in elkaar gezet had +ontzaglijk veel schik in de domheid der menschen.--THOMAS: O, 't is +precies een bedenksel voor hèm. Maar om tot je spook terug te +keeren.--ANSELMUS: Intusschen komt juist bij Polus een zekere priester +Faunus logeeren, één van die orde voor wie 't niet genoeg is dat ze met +den latijnschen naam Regulieren worden genoemd, maar die er ook nog +graag den griekschen naam kanunnik aan zien toegevoegd: kortom, een +parochie-priester uit 't een of ander dorp in de buurt, een man die zich +verbeeldde, vooral van zaken van den heiligen dienst nog al heel wat +verstand te hebben.--THOMAS: Ik begrijp 't. Nu hebben we de acteurs in +het stuk bij elkaar.--ANSELMUS: Aan den maaltijd werd gesproken over de +praatjes aangaande het spook. Toen Polus bespeurde dat Faunus niet +alleen 't gerucht vernomen had, maar 't ook geloofde, begon hij den man +te bezweren dat hij, zoo'n geleerd en vroom man, de arme ziel, die zoo +schriklijke plagen moest verduren, te hulp zou komen. "En," zei hij, +"als ge soms twijfelt, onderzoek dan de zaak, wandel tegen een uur of +tien eens langs dat bruggetje en dan zul-je 't droevig gejammer hooren. +Neem maar mee wien je wilt om je te vergezellen. Dan zul-je veiliger +hooren en tevens zekerder."--THOMAS: Nu, en verder?--ANSELMUS: Na 't +eten gaat Polus, zooals gewoonlijk, weg om te jagen of op de +vogelvangst. Terwijl Faunus oploopt naar 't bruggetje, toen 't al zoo +donker was geworden dat men de omgeving niet duidelijk meer kon +waarnemen, hoort hij eindelijk een klagend gezucht. Polus wist dat +geluid allernatuurlijkst na te bootsen, terwijl hij verborgen zat in een +boschje met een aarden kruik bij zich, waardoor zijn stem, die door de +holte werd weerkaatst, nog ijslijker klonk.--THOMAS: Dit komediestuk +overtreft nog 't spookstuk van den dichter Menander.[1]--ANSELMUS: Je +zult dat nog met meer recht zeggen, wanneer je 't geheel hoort. Faunus +keert naar huis terug, vol begeerte om te vertellen wat hij gehoord had. +Polus was langs een korteren weg al eerder thuis gekomen. Daar vertelt +Faunus aan Polus wat er gebeurd was en dikt het nog wat aan om 't nog +verwonderlijker te maken.--THOMAS: Kon Polus intusschen zijn lach +bedwingen?--ANSELMUS: Hij? Hij heeft zijn gelaatsspieren geheel in zijn +macht. Men zou er op gezworen hebben dat 't een hoogst ernstige zaak +gold. Eindelijk neemt Faunus, op sterk aandringen van Polus de taak van +de duivelbanning op zich en brengt dien ganschen nacht in slapeloosheid +door, terwijl hij overlegt hoe hij op veilige wijze de zaak zal +aanpakken. Want hij was voor zijn eigen hachje leelijk bang. Eerst +werden dus de meest uitwerkende duivelbanningsformulieren +bijeengebracht, en hij voegde er nog eenige nieuwe bij, bijv. één: "bij +de ingewanden der zalige Maagd Maria," een ander: "bij het gebeente van +de Heilige Werenfrieda." Vervolgens wordt er een plaats uitgezocht in 't +open veld, dicht bij 't struikgewas waaruit de stem placht gehoord te +worden: daaromheen was een tamelijk wijde cirkel getrokken, waarin +verscheiden kruisteekens en andere figuren stonden. En dat alles +geschiedde onder 't uitspreken van allerlei formulieren. Daarbij werd +een groote bak geplaatst vol wijwater. Ook hing zich de duivelbanner een +heilige stool om den hals, waarvan een perkament afhing dat 't begin +bevatte van 't Evangelie naar Johannes. In een tasch droeg hij bij zich +een wassenbeeldje, zulk een, als waarover de Paus jaarlijks zijn zegen +uitspreekt en die men doorgaans "het Lam Gods" noemt. Met deze wapens +beschermde men zich oudtijds tegen booze geesten, vóórdat de monnikspij +van den Heiligen Franciscus van Assisi hun schrik had aangejaagd. Al +deze voorzorgsmaatregelen waren genomen om te verhoeden dat de geest, +als 't soms een booze was, op den duivelbanner een aanval zou doen. Maar +hij durfde zich toch niet alleen toevertrouwen aan zijn cirkel. Men +besloot er nog een tweeden priester bij te nemen. Nu werd Polus bang +dat, als er een slimmerd bijgenomen werd, 't geheim van zijn komedie zou +worden verraden, en hij gaf hem tot helper een pastoor uit de buurt, aan +wien hij de geheele toedracht verhaald had. Dat toch eischte de geheele +opzet van 't stuk en 't was iemand die van zoo'n stukje in 't geheel +geen afkeer had. Toen op den volgenden dag alles behoorlijk gereed +gemaakt was, stapt tegen tien uur Faunus met den pastoor zijn gewijden +kring binnen. Polus, die vooruitgegaan was, heft uit het boschje zijn +geweeklaag aan en Faunus begon nu 't banningswerk. Onderwijl sloop Polus +heimelijk naar een naastbijzijnde boerderij. Vandaar brengt hij een +nieuwen persoon mee voor zijn komedie, want die kon alleen gespeeld +worden met behulp van velen.--THOMAS: Wat doen ze?--ANSELMUS: Ze +bestijgen zwarte paarden en dragen brandende lantaarns bij zich, maar +zóó dat ze die verborgen houden onder hun mantels. Toen ze niet ver van +den kring af waren, hielden ze dit licht voor zich uit om Faunus bang te +maken en uit zijn cirkel te verdrijven.--THOMAS: Wat een moeite deed die +Polus toch om den ander te foppen!--ANSELMUS: Ja, zoo is hij. Maar dat +zaakje was bijkans leelijk voor hem uitgekomen.--THOMAS: Hoe +dan?--ANSELMUS: Wel, 't scheelde weinig of de paarden, verschrikt door +dat zoo plotseling vertoonde licht, waren neergestort met hun berijders +en al. Dat is nu 't eerste bedrijf van 't stuk. Toen ze daarop later op +den avond weer bij elkander kwamen en in gesprek geraakten, vroeg Polus +(alsof hij van niets afwist) wat er gebeurd was. Toen vertelt Faunus dat +hij twee afschuwelijke, booze geesten aanschouwd had, uit hun neus vuur +blazende, die geprobeerd hadden den cirkel te betreden, maar er door +zijn krachtige tooverwoorden leelijk waren afgekomen. Toen hierdoor bij +Faunus de moed toegenomen was, keerde hij op den volgenden dag met +grooter praal weer terug in zijn afgesloten kring en nadat hij met +machtige bezweringen 't spook opnieuw had opgeroepen, vertoonde Polus +zich weer met zijn makker in de verte op hun zwarte paarden, met +angstwekkend gesnuif, doende alsof zij binnen den kring wilden +dringen.--THOMAS: Hadden ze hun lantaarns weer bij zich?--ANSELMUS: +Neen: want dat was hun niet goed bevallen. Maar 'k zal je een ander +verzinsel van hen vertellen. Ze brachten een lang touw met zich mee. Dat +lieten ze zachtjes over den grond sleepen en terwijl ze beiden aan +weerskanten voortreden alsof ze door de tooverspreuken van Faunus werden +voortgejaagd, sloegen ze de beide pastoors tegelijk met den pot dien ze +met wijwater gevuld bij zich hadden, tegen den grond.--THOMAS: Kreeg de +arme kapelaan dàt nu als belooning voor zijn medewerking?--ANSELMUS: Ja: +en hij wilde dat liever dulden dan zich aan de eenmaal begonnen komedie +te onttrekken. Toen ze hierna weer bij elkaar kwamen en aan 't praten +gingen, pochte Faunus er tegenover Polus op, in welk een groot gevaar +hij had verkeerd en hoe flink hij door zijn tooverspreuken de beide +booze geesten op den loop had gejaagd. Hij was innig overtuigd dat er +geen geest zóó schadelijk of onbeschaamd kon wezen die binnen den door +hem afgebakenden kring zou durven komen.--THOMAS: Die Faunus heeft heel +veel van een grooten malloot.--ANSELMUS: Stil; je hebt eigenlijk nog +niets gehoord. De komedie was nu zoover gevorderd, toen, juist van pas, +de schoonzoon van Polus er bij kwam. Hij is n.l. met diens oudste +dochter getrouwd. 't Is, zooals je weet, een echt vroolijke +snaak.--THOMAS: Dat weet ik: van zulke grapjes heeft hij geen +afkeer.--ANSELMUS: Een afkeer...? Hij zou elken borg in den steek laten, +als hij zoo'n stukje kon zien vertoonen of er in mee mocht spelen. Zijn +schoonvader vertelt hem de geheele toedracht en draagt hem de rol op, om +voor de ziel te spelen. Hij neemt een vermomming aan en met wàt een +plezier! Hij wikkelt zich in een laken, in zulk een als waarin bij ons +de lijken worden afgelegd: hij neemt een aangeglommen kool in een test +bij zich, die, door 't laken heen, een gloeienden weerschijn gaf. Tegen +den tijd dat 't donker werd gingen ze naar de plaats waar de komedie +werd afgespeeld. Men hoorde er een vreemd gezucht. Faunus komt met al +zijn tooverformulieren voor den dag. Eindelijk vertoonde zich de schim +tusschen het struikgewas, zoo nu en dan zijn vuur toonend en jammerlijk +zuchtend. Toen Faunus hem bezwoer te zeggen wie hij toch was, sprong +plotseling uit 't struikgewas Polus in de vermomming van den boozen +geest voor den dag en riep met huilende stem: "ge hebt geen recht op +deze schim: ze is van mij," en hij liep verscheidene malen tot aan den +rand van den tooverkring, als wilde hij op den duivelbanner aanvliegen. +Maar dadelijk teruggeschrikt door de woorden van het tooverformulier en +door de krachtige werking van het wijwater, dat de ander in groote +hoeveelheid had gesprenkeld, trok ze zich terug. Eindelijk was de booze +geest verdreven die zich als beschermer van de ziel had opgedaan en er +ontspon zich een gesprek tusschen Faunus en de ziel. Op de nadrukkelijke +vraag van Faunus antwoordde de verschijning dat zij de ziel was van een +Christen. Op de vraag hoe hij heette, was het antwoord: "Faunus." +"Faunus, zoo heet ik óók." En thans trok hij zich de zaak nog meer aan, +nu het een naamgenoot gold. Hij, Faunus, moest toch den anderen Faunus +verlossen. Terwijl Faunus nu met allerlei vragen aankwam, pakte de schim +zijn biezen, omdat hij bang werd dat het rekken van het onderhoud 't +bedrog soms aan den dag zou brengen. Hij zei dat hij niet langer praten +mocht, omdat het hoog tijd was daarheen terug te keeren, waarheen zijn +kwelgeest hem dreef. Maar hij beloofde op den volgenden dag, als 't +mocht, terug te keeren. Weer komt men ten huize van Polus bijeen, den +regisseur van de komedie. Daar vertelt de duivelbanner wat er gebeurd +is, er nog 't een en ander bijbordurend, maar waarvan hij zelf geloofde +dat het waar was. Zóó werkte hij het in de hand dat hem die poets +gebakken werd. Zóóveel wist men nu dat het de ziel was van een Christen +die door een alleronbarmhartigsten kwelgeest op de gruwelijkste wijze +werd gepijnigd. In die richting wordt dus gewerkt. Maar bij de volgende +duivelbanning gebeurt iets lachwekkends.--THOMAS: Zeg eens, wat +dan?--ANSELMUS: Toen Faunus de schim had opgeroepen, springt Polus, die +de rol van den kwelgeest speelde, vooruit alsof hij in den kring wil +binnendringen: en toen Faunus zich daartegen met zijn banspreuken +verzette en een massa wijwater sprenkelde, riep eindelijk de kwelgeest +uit, dat hij om dat alles geen cent gaf. "Je hebt," riep hij uit, +"verboden omgang gehad met een meisje, en nu ben je in mijn macht." +Terwijl Polus dit slechts uit de grap zei, bleek het dat hij toevalliger +wijze de waarheid had gezegd. Want op den duivelbanner maakte dit +grooten indruk en hij trok zich binnen in zijn tooverkring terug en +fluisterde den kapelaan iets in het oor. Polus ging, toen hij dit +merkte, een weinig achteruit, om niet af te luisteren wat hij niet mocht +hooren.--THOMAS: Polus speelde de rol van kwelgeest op vrome en +bescheiden wijze.--ANSELMUS: Ja zeker. Want zijn handelwijze had berispt +kunnen worden, in zooverre dat hij de betamelijkheid wat uit het oog +verloren had. Hij hoorde intusschen de stem van den pastoor die zei dat +Polus eenige boete moest doen.--THOMAS: Welke boete?--ANSELMUS: Dat hij +drie maal 't Onze-Vader moest bidden, waaruit hij opmaakte dat Polus in +dien eigen nacht drie malen 't meisje gezoend had.--THOMAS: Dat was een +ordebroeder buiten de orde!--ANSELMUS: Och, 't zijn óók menschen en een +mensch kan struikelen!--THOMAS: Nu, en verder?--ANSELMUS: Faunus keert +weldra nog woedender naar den rand van den kring terug en daagt den +kwelgeest uit. Maar gene tracht, allengs weer schuw geworden, steeds +terug te wijken. "Gij hebt mij verschalkt," zeide hij; "als ik +verstandig geweest was, had ik u niet moeten waarschuwen." Ge weet dat +veel menschen meenen dat 't geen men éénmaal aan een priester heeft +gebiecht, geheel uit 't geheugen van den duivel is uitgewischt, zoodat +deze er nooit meer gebruik van kan maken.--THOMAS: Een kostelijke +grap!--ANSELMUS: Maar om nu eindelijk 't verhaal te besluiten: gedurende +eenige dagen werden op die manier met de schim gesprekken gehouden. Ten +slotte kwam het hierop neer: de geestenbezweerder, die vroeg of de schim +op de een of andere manier van zijn kwellingen kon worden verlost, kreeg +van deze ten antwoord, dat dit wel kon wanneer 't door bedrog verworven +geld, dat hij ergens op een plaats verborgen had achtergelaten, werd +teruggegeven. Waarop Faunus vroeg: "als 't nu eens door rechtschapen, +vrome mannen tot goede doeleinden werd aangewend?" "Dat zou ook al +voldoende wezen," antwoordde de schim. Verheugd over dit antwoord vroeg +onze duivelbanner met groote nauwkeurigheid hoeveel de som bedroeg. De +ander noemde een groote som, zooveel als hem goed dacht. Hij wees ook +een plaats aan, maar nog al veraf gelegen, waar die schat begraven zou +zijn. Hij gaf voorschriften, tot welke doeleinden hij wilde dat het geld +zou worden besteed.--THOMAS: Waartoe moest dat?--ANSELMUS: Dat drie +menschen elk een bedevaart moesten doen: één naar den zetel van Petrus, +een ander om den heiligen Jacobus te Compostella te gaan begroeten en de +derde moest de kam van Jezus gaan kussen, die te Trier bewaard wordt. +Verder moest in verschillende kloosters een groote menigte psalmen +gezongen en missen gelezen worden. En wat er overschoot van het geld +mocht Faunus naar eigen believen besteden. Onze Faunus was met al zijn +denken bij dien schat: hij had hem in zijn gedachten al +verslonden.--THOMAS: Ja, dat is een algemeene kwaal, ofschoon in 't +bijzonder de priesters in dat opzicht een kwaden naam hebben.--ANSELMUS: +Toen alles op het punt van het geld geregeld was, begon de +duivelbezweerder, daartoe door Polus aangezet, de schim te ondervragen +over zeldzame en geheime kunsten, over goudmakerij en tooverkunst. Ook +hierop antwoordde de schim 't een en ander voor de omstandigheden +passend, maar met de belofte dat hij nog meer aanwijzingen zou geven +zoodra hij door zijn toedoen van zijn kwelgeest bevrijd zou zijn. Dat +mag je nu, als je wilt, het derde bedrijf van de komedie noemen. In het +vierde bedrijf begon Faunus overal in vollen ernst de verwonderlijke +zaak uit te bazuinen: hij klapte over niets anders in zijn gesprekken en +aan maaltijden; hij beloofde aan kloosters prachtige geschenken, wist +heelemaal niet meer van bescheidenheid in zijn spreken. Ook ging hij +naar de plaats waar de schat begraven moest liggen; vond de aangewezen +teekens, maar durfde toch niet naar den schat te graven, omdat de geest +hem bang gemaakt had, dat 't met groot gevaar voor hem verbonden zou +zijn, wanneer de schat werd aangeraakt vóór de vereischte missen waren +gelezen. Veel menschen die wat fijner neus hadden dan hij, begonnen al +lont te ruiken. Maar toen hij overal en bij elke gelegenheid zijn dom +bijgeloof uitkraamde, kreeg hij van zijn vrienden en vooral ook van den +abt van zijn klooster een wenk, om zijn goeden naam als verstandig man, +dien hij tot nog toe bij de menschen had gedragen, niet te grabbelen te +gooien. Maar hij was niet voor rede vatbaar en bleef de zaak als ernstig +beschouwen. Zóózeer had de verbeelding in 't gemoed van den man post +gevat, dat hij over niets anders sprak dan over spoken en booze geesten +en van niets anders droomde. Die gemoedsgesteldheid was zelfs op zijn +gezicht te lezen, dat zóó bleek was en zóó vervallen, dat hij wel een +schim geleek, geen mensch. Om kort te gaan, hij zou zeker spoedig +krankzinnig zijn geworden, als men hem niet met een snel toegepast +middel te hulp ware gekomen.--THOMAS: Nu komt zeker het laatste bedrijf +van het stuk.--ANSELMUS: 'k Zal 't je vertellen. Polus en zijn +schoonzoon bedachten den volgenden streek. Zij verzonnen een brief, met +vreemde letters geschreven en dat wel op niet gewoon papier, maar op +zulk papier, waarin de goudfiligraanwerkers hun fijne plaatjes goud +leggen, zooals je wel weet, van zoo'n roodbruine kleur. De inhoud van +den brief was als volgt: "Faunus, die lang gevangen werd gehouden, maar +nu vrij is, zendt zijn eeuwigen groet aan zijn edelen bevrijder Faunus. +Er is geen reden, Faunus, om u langer te mijnen behoeve te kwellen. God +heeft den goeden wil van uw gemoed gezien en mij daarom, terwille van de +verdiensten uwer ziel, ontslagen. Thans leef ik gelukkig onder de +engelen. U staat een verblijf bij den Heiligen Augustinus te wachten, +die zich 't dichtst bevindt bij de rij der Apostelen. Wanneer gij tot +ons komt, zal ik u persoonlijk dankzeggen. Leef gij intusschen maar +behagelijk voort. Geschreven in den Hemel, op den 13en September van 't +jaar 1498, met 't zegel van mijn zegelring." Deze brief werd heimelijk +op 't altaar gelegd waarop Faunus de mis zou gaan bedienen. Toen de +dienst was afgeloopen kwam er iemand die daartoe was aangezocht, hem +opmerkzaam maken op den brief, als had hij dien bij toeval gevonden. Hij +draagt nu den brief met zich rond en toont dien als een heilig iets. Hij +gelooft vast en zeker dat die brief door een engel uit den hemel is +aangebracht.--THOMAS: Maar wat je daar vertelt dat is niet een mensch +van waanzin bevrijden, maar alleen den aard van waanzin +veranderen.--ANSELMUS: Ja zoo is het: alleen met dit onderscheid dat +zijn waanzin nu wat aangenamer is.--THOMAS: Vroeger hechtte ik +gewoonlijk niet veel aan verhaaltjes over spoken, maar voortaan zal ik +er nog veel minder om geven. Ik vermoed toch dat door goedgeloovige +menschen, lieden zooals Faunus, veel als waar wordt te boek gesteld, wat +met dezelfde kunstgrepen in elkaar is gezet.--ANSELMUS: Nu, ik geloof +dat 't meerendeel van dien aard is. + + +NOOT: + +[1] Grieksche comediedichter wiens stuk: het Spook, door den latijnschen +blijspeldichter Plautus bewerkt is, onder den titel van: Aulularia, het +Spookhuis. + + + * * * * * + + +GOUDMAKERIJ + + +PHILECOUS EN LALUS.[1] + + Den dwaas, die tracht den steen der wijzen te vinden en die goud + tracht te vervaardigen, schildert Erasmus ons in onderstaande + samenspraak. Dat zulk een maniac door slimme vogels wordt + geëxploiteerd, spreekt wel van zelf. De geheele geschiedenis + teekent weer 't verlicht verstand van onzen geleerden landgenoot, + die de onnoozelheid brandmerkt van zijne dikwijls lang niet domme + tijdgenooten, welke zich van de alchemisterij wonderen voorstelden. + +PHILECOUS: Wat voor nieuws zou er wezen dat Lalus zoo bij zich zelven +grinnikt en bijna in lachen uitbarst, terwijl hij zoo nu en dan een +kruisje slaat? Ik zal den man in zijn gelukzalige stemming eens +aanspreken. Hartelijk gegroet, mijn waarde Lalus. Je lijkt wel in den +zevenden hemel van gelukzaligheid te verkeeren.--LALUS: En toch zal ik +nog gelukkiger wezen wanneer ik u deelgenoot van mijn vreugd gemaakt +heb.--PHILECOUS: Maak mij dan zoo spoedig mogelijk gelukkig!--LALUS: +Ken-je Balbinus?--PHILECOUS: Dien geleerden ouden man, van wien iedereen +niets dan goed weet te vertellen?--LALUS: Juist, zooals je zegt; maar +geen sterveling is ten allen tijde verstandig of niemand is in alle +opzichten volmaakt. Bij zijn vele voortreffelijke gaven heeft de man één +klein gebrek: hij is reeds lang razend verzot op de kunst die ze +Alchemie noemen.--PHILECOUS: Wat je daar noemt is geen klein kwaaltje: +'t is een flinke ziekte.--LALUS: Hoe 't ook moge zijn--ofschoon hij door +dat slag van menschen zoo dikwijls bedrogen is, heeft hij zich toch +eindelijk op een verwonderlijke manier laten beetnemen.--PHILECOUS: +Hoe?--LALUS: Daar komt op een goeden dag een zekere priester tot hem. +Deze groette hem met den hoogsten eerbied. Daarop begon hij: "Gij zult +er u misschien over verwonderen, allergeleerdste Balbinus, dat ik, een u +onbekende, u zoo durf aanspreken, terwijl ik toch moet weten dat gij +altijd zoo in de heiligste studiën verdiept zijt." Balbinus knikt +toestemmend, zooals zijn gewoonte is, want hij is met woorden uiterst +spaarzaam.--PHILECOUS: Dat is een bewijs van voorzichtigheid.--LALUS: +Maar de ander was nog voorzichtiger en zei: "Ge zult mij toch, hoop ik, +wel vergeven dat ik u last veroorzaak, wanneer gij de reden verneemt +waarom ik tot u ben gekomen." "Spreek op," zei Balbinus, "maar als gij +kunt, maakt het kort." "Nu ik zal het," zei de ander, "zoo beknopt +mogelijk vertellen. Ge weet, geleerdste van alle menschen, dat het lot +van de stervelingen verschillend is: ik weet niet onder welke helft ik +mij moet rangschikken, onder de gelukkigen of onder de ongelukkigen. +Immers als ik mijn lot van de ééne zijde beschouw, dan lijk ik me zelf +heel gelukkig; van den anderen kant diep rampzalig." En toen Balbinus op +bekorting aandrong, zeide hij: "goed, ik zal er een eind aan maken, +hooggeleerde Balbinus. En dat zal mij gemakkelijker vallen bij een man, +die van de geheele zaak zóó op de hoogte is, dat niemand ze beter +kent."--PHILECOUS: Je schildert me daar een redenaar af, geen +alchemist.--LALUS: Spoedig zult ge van den goudzoeker hooren. "Van jongs +af aan," zei hij, "mocht ik het geluk smaken de meest gezochte kunst van +alle kunsten te leeren, het merg van de heele wijsbegeerte: de +alchemie." Bij 't hooren van dit woord werd Balbinus recht wakker; hij +toonde dit tenminste door zijn gebaren. Al zuchtend vroeg hij hem door +te gaan. De ander ging voort: "Rampzalige die ik ben, dat ik niet +terechtgekomen ben op den weg dien ik had moeten inslaan." Toen Balbinus +hem vroeg, welke wegen hij toch bedoelde, zei hij: "Ge weet opperbest +(wat toch weet gij niet, Balbinus, gij, een man op elk gebied zoo +hooggeleerd?) dat er twee wegen in die kunst bestaan: de eene die men +_verlenging_ noemt; de andere die _verkorting_ heet. En nu heeft 't +ongeluk gewild dat ik terecht gekomen ben bij de verlenging." Toen +Balbinus vroeg wat voor verschil er was tusschen die twee wegen, zei de +ander: "hoe onbedachtzaam van mij om daar bij u over te spreken, van +wien ik moest weten dat dit alles hem meer dan aan iemand anders bekend +is. Daarom ben ik als smeekeling tot u gekomen, dat gij uit medelijden +met mij u zoudt verwaardigen, ons dien heilzamen weg der verkorting mee +te deelen. Hoe meer ge van die kunst weet, des te minder moeite zal het +u kosten ze aan mij mee te deelen. Verberg dus die gave Gods niet voor +een broeder die van droefheid dreigt te sterven. Zoo waar moge Jezus +Christus u steeds rijker maken met grootere gaven." En toen hij niet +ophield met smeeken, moest Balbinus eindelijk wel bekennen, dat hij +heelemaal niets wist van verlenging of verkorting. Hij vroeg dus of hij +hem de beteekenis van die woorden eens wilde uitleggen. Daarop zei de +priester: "Hoewel ik weet dat ik tot iemand spreek die er meer verstand +van heeft dan ik, zal ik het toch doen, omdat gij 't mij vraagt. +Menschen die hun geheele leven aan deze heilige kunst hebben besteed, +doen op tweeërlei wijze de gedaante der stoffen veranderen: de eene is +de kortste manier, maar is ook een klein beetje gevaarlijk; de andere is +wel de langste, maar is daarentegen veel veiliger. Nu noem ik mij +ongelukkig, omdat ik tot nog toe alle moeite heb gedaan op een manier +die mij tegen de borst stuit, en ik heb tot nog toe niemand kunnen +vinden, die mij den tweeden weg kon wijzen, dien ik zoo zielsgraag zou +inslaan. Eindelijk gaf God mij de gedachte in, mij tot u te wenden, een +man even geleerd als vroom. Geleerdheid staat u ten dienste om zonder +bezwaren te geven wat ik van u vraag: uw vroomheid zal u wel aandrijven +om een broeder te helpen wiens redding gij in uw hand hebt." Om kort te +gaan: toen de oude slimmerd door dergelijke praatjes elke gedachte aan +bedrog van zich had afgewend en bij Balbinus 't vertrouwen had gewekt, +dat hij dien éénen weg op zijn duimpje kende, popelde Balbinus' hart +reeds geruimen tijd van verlangen. Eindelijk hield hij zich niet in en +zei: "Laat die verkorting, waarvan ik zelfs den naam nooit gehoord heb, +laat staan dat ik ze ken, naar den drommel loopen! Zeg me, op uw +eerewoord: verstaat ge de kunst van die verlenging ten volle?" "Nou," +zei de ander, "op mijn duimpje: maar die lange duur verveelt me danig." +En toen Balbinus vroeg hoeveel tijd er wel voor noodig was, kreeg hij +ten antwoord: "Heel wat: bijkans wel een vol jaar. Maar intusschen is 't +de meest veilige manier." "Heb maar geen bezwaar," zei Balbinus; "ook al +waren er twee jaren mee gemoeid. Als je maar op je kunst vertrouwt." Om +nu de zaak in enkele woorden samen te vatten: ze kwamen overeen dat zij +de zaak in het geheim in 't huis van Balbinus zouden aanpakken, op deze +voorwaarde: dat de één het werk zou doen, terwijl Balbinus de kosten zou +dragen. De winst zou eerlijk verdeeld worden, ofschoon de bedrieger +kwanswijs in alle bescheidenheid zeide, al het voordeel aan Balbinus te +willen overlaten. Van beide kanten deed men een eed dat men de zaak stil +zou houden, zooals zij altijd doen die in geheime plechtigheden worden +ingewijd. Nu wordt onmiddellijk 't geld uitbetaald om daarvan de potten, +glazen, houtskool en al het andere te koopen, wat moest dienen om de +werkplaats in te richten. Dat geld bracht onze goudzoeker lekkertjes +zoek met wijntje en Trijntje en dobbelspel.--PHILECOUS: Dat is de rechte +manier om de gedaante der dingen te veranderen.--LALUS: Toen Balbinus er +op aandrong om het zaakje nu eens flink aan te pakken, zei de ander: +"Ken je het spreekwoord niet: een goed begin is 't halve werk? 't Heeft +heel wat voeten in de aarde om zijn stof goed voor te bereiden." +Eindelijk begon hij het fornuis gereed te maken. Maar nu was er weer +opnieuw goud noodig, als een lokvink voor 't goud dat komen moest. +Immers, evenmin als men visch vangt zonder aas, zoo komt ook geen goud +bij de alchemisten voor den dag, zonder dat er eerst een deel goud bij +gedaan wordt. Intusschen ging Balbinus geheel op in zijn berekeningen. +Hij rekende uit, als één ons goud vijftien onsen opbracht, hoeveel winst +er dan wel komen moest van tweeduizend onsen. Zooveel toch had hij +besloten in de zaak te steken. Toen de goudmaker ook dit geld er had +dóórgelapt en al een paar maanden voor de leus druk bezig was geweest +met blaasbalgen en houtskool, hield hij, op een vraag van Balbinus of 't +zaakje wat vorderde, eerst zijn mond. Toen de ander aanhield antwoordde +hij eindelijk: "Zooals het steeds gaat met gewichtige zaken: 't begin is +daarbij altijd moeilijk." Hij voegde er als verklarende reden bij, dat +hij zich vergist had in 't koopen van houtskool. Hij had houtskool van +eikenblokken gekocht en ze had van dennenhout moeten wezen of van +hazelaarshout. Daarmee waren nu honderd goudstukken naar de maan en hij +had er des te lustiger op losgedobbeld. Opnieuw werd er geld gegeven: de +kolen werden verwisseld. En nu werd de zaak met grooteren ijver +aangepakt dan te voren. Het ging onzen goudzoekers als soldaten in den +oorlog, die wanneer 't hun tegenloopt, door grootere dapperheid hun +tegenspoed trachten te herstellen. Toen nu in de werkplaats eenige +maanden achtereen gestookt was, de geboorte van het goud met den dag +werd verwacht en er geen greintje goud meer in de retorten te bespeuren +was (want dat had onze alchemist alles doorgebracht) moest er weer een +andere uitvlucht worden uitgedacht. Het heette nu: de glazen die hij +gebruikt had waren niet zóó van pas geweest als ze wezen moesten. Want, +zooals niet elk hout timmerhout is, zoo maakt men ook geen goud in 't +eerste 't beste glas. Maar, hoe meer men had uitgegeven, des te minder +mocht men ophouden.--PHILECOUS: Zoo gaat 't altijd met spelers: alsof 't +niet veel verkieslijker ware slechts weinig te verliezen dan +alles.--LALUS: Zoo is het. De goudzoeker zwoer bij al wat heilig was, +dat hij nooit zóó bedrogen was. Maar nu de fout eenmaal ontdekt was, zou +alles nu verder wel goed gaan en hij zou deze uitgaaf met grooten woeker +vergoeden. De glazen worden geruild en ten derden male wordt de +werkplaats ingericht. De alchemist gaf een aanwijzing dat de zaak beter +zou lukken, wanneer men aan de Heilige Moeder die (zooals u bekend is) +aan de Zeestad vereerd wordt, eenige goudstukken ten geschenke zond. Dat +'t immers een heilige kunst was en dat de zaak niet goed kon afloopen +zonder de begunstiging der goden. Dien raad vond Balbinus uitstekend, +zoo'n vroom man, die geen dag liet voorbijgaan zonder zijn +godsdienstplichten te vervullen. De goudmaker nam de bedevaart op zich, +wel te verstaan naar een nabijgelegen stadje waar hij 't geld, als offer +bestemd voor 't vrome doel, verbraste in allerlei slechte huizen. +Teruggekeerd verklaart hij dat er nu gegronde hoop is om de zaak naar +wensch te doen afloopen: zóó duidelijk had de Heilige Maagd hare +goedkeuring aan hun plannen te kennen gegeven. Men arbeidde nu een +geruimen tijd naarstig in de werkplaats, maar er kwam geen schijntje +goud Voor den dag. Balbinus kreeg op zijn vraag hoe 't er toch mee +stond, van den alchemist ten antwoord, dat hem in zijn heele leven nog +nooit iets dergelijks was overkomen, terwijl hij toch zooveel +ondervinding van de kunst had. En evenmin kon hij met eenige zekerheid +gissen, wat de reden toch wel kon zijn. Toen zij lang hadden geraden, +schoot aan Balbinus eindelijk _dit_ in de gedachte, of de ander soms op +dien dag de mis had verzuimd, of de zoogenaamde uren-gebeden had +vergeten te bidden: want als men deze overslaat, dan kan niets gelukken. +De bedrieger riep toen uit: "daar heb-je het al! Je hebt gelijk! Ik +domoor, heb een paar malen uit onachtzaamheid dat verzuim begaan, en nog +kort geleden ben ik van een diner dat wat lang geduurd had, opgestaan, +zonder 't Ave Maria te bidden." Balbinus zei 't dan ook heel natuurlijk +te vinden dat de zaak geen succes had. De goudmaker nam nu op zich, voor +de twee verzuimde missen, er twaalf te gaan hooren en voor 't nagelaten +Ave Maria er tien op te zeggen. Maar, onze alchemist, die heel wat geld +aan kon, was weer eens platzak. Redenen om van Balbinus een voorschot te +vragen waren er niet. Nu nam hij het volgende kunstje te baat. Geheel +buiten adem komt hij het huis van Balbinus binnen loopen en roept met +jammerende stem: "Balbinus ik ben een verloren man! Geheel verloren! 't +Is gedaan met mij!" Balbinus stond verstomd en verlangde de oorzaak van +zoo'n groot ongeluk te weten. "De heeren van het hof hebben er lucht van +gekregen wat we gedaan hebben en ik verwacht niet anders dan dat ik +spoedig naar de gevangenis zal worden gebracht." Ook Balbinus werd nu in +ernst bleek van schrik. Want gij weet dat 't bij ons een halsmisdaad is, +als iemand zich afgeeft met alchemie zonder uitdrukkelijke toestemming +van den vorst. De ander gaat voort en zegt: "Ik vrees nu wel niet den +dood; ik wilde zelfs dat mij die trof! Maar ik ben bang voor iets +ergers." Op de vraag: wat dat dan wel was, antwoordde hij: "Ik zal +ergens naar een vesting gesleept worden. Daar zal ik mijn geheele leven +dwangarbeid moeten verrichten voor menschen, voor wie ik dat niet doen +wil. Is niet elke dood boven zulk een leven te verkiezen?" Nu werd er +over de zaak gesproken en gepraat en beraadslaagd en ze werd van alle +kanten bekeken. Balbinus die in de loopjes van de rhetorica doorkneed +was, ging alle zoogenaamde geschilstaten door, om te zien of hij 't +gevaar kon ontkomen. "Kunt ge," zoo vroeg hij, 't misdrijf niet +loochenen?" "Volstrekt niet. De zaak is bekend onder de hovelingen van +den koning en ze hebben bewijzen die niet ontzenuwd kunnen worden." 't +Feit kon zelfs niet verdedigd worden omdat de wet op dit punt klaar en +duidelijk was. Toen er veel in 't midden was gebracht en nergens eenig +hoû-vast te vinden was, zei eindelijk de alchemist die onmiddellijk geld +noodig had: "Balbinus, wij zitten hier nu plannen te beramen en maken +geen voortgang. En toch eischt de zaak een oogenblikkelijke afdoening. +Over enkele minuten zullen de gerechtsdienaren hier zijn om mij weg te +sleepen." Toen Balbinus geen uitredding kon verzinnen, zei eindelijk de +alchemist: "Er wil mij ook niets te binnen schieten. Ik geloof niet dat +mij iets rest dan dat ik manmoedig sneef. Of we moesten bijgeval +besluiten tot 't eenige redmiddel dat ik nog zie, meer afdoende dan +eervol, waarvoor de eenige verontschuldiging is dat nood wet breekt. Ge +weet: dat slag van menschen is tuk op geld en laat zich vrij gemakkelijk +omkoopen om te zwijgen. Al is het ook nog zoo hard aan zulk gespuis geld +te geven om dat weer gauw te verbrassen, zoo zie ik toch voor het +oogenblik geen betere uitkomst." Balbinus was van dezelfde gedachte en +hij telde dertig goudstukken neer om daarvoor het verlangde stilzwijgen +te koopen.--PHILECOUS: Nu wat ge me daar vertelt geeft mij wel een groot +denkbeeld van de scheutigheid van Balbinus.--LALUS: Daarentegen zou je +hem, wanneer 't een fatsoenlijke zaak gold, eerder een tand uit zijn +mond geslagen hebben dan geld uit zijn beurs. Zoo werd er voor den +goudzoeker gezorgd, die geen ander gevaar had geloopen dan dat hij geen +geld had voor zijn liefje.--PHILECOUS: Ik vind 't verwonderlijk dat +Balbinus 't niet in de gaten kreeg.--LALUS: Ja op dit punt mist hij, als +men 't goed beschouwt, elk waarnemingsvermogen, hij die anders zoo'n +scherpen neus heeft. Weer wordt met een nieuwe bijdrage de oven +gestookt, maar eerst een schietgebedje tot de Heilige Maagd opgezonden +dat Zij hun pogingen zou willen begunstigen. Bijkans een heel jaar was +reeds voorbijgegaan en nu eens onder dit, dan eens onder dat voorwendsel +werd de moeite verspeeld en gingen de kosten verloren. Intusschen viel +er iets kluchtigs voor.--PHILECOUS: Wat dan?--LALUS: De goudmaker had +verboden omgang met de vrouw van één der heeren van het hof. Haar +echtgenoot, die argwaan had gekregen, begon onzen vriend na te gaan. +Toen hem eindelijk eens werd bericht dat de priester zich in de +slaapkamer van zijn vrouw bevond, keert hij onverwacht naar huis terug +en klopt aan de deur.--PHILECOUS: Wat wilde hij den kerel doen?--LALUS: +Nou, niet veel vriendelijks! Hem dooden of hem voor goed onschadelijk +maken en de gelegenheid benemen ooit weer zijn streken uit te halen. +Toen de echtgenoot nadrukkelijk dreigde dat hij de deur zou intrappen +als zijn vrouw niet opendeed, liep de priester angstig heen en weer, en +keek rond naar een redmiddel dat hem voor 't oogenblik zou kunnen +helpen. Maar er was niets te doen, dan hetgeen de gelegenheid op dat pas +aanbood. Hij trok zijn kleeren uit en sprong door een nauw venster naar +beneden, wat nog al gevaarlijk was en hem lichaamsletsel bezorgde: maar +hij wist te ontkomen. Nu, ge weet zulke histories gaan onmiddellijk als +een loopend vuurtje rond. En zoo komt 't dan ook Balbinus ter oore. Onze +kunstenaar was daarop ook wel voorbereid.--PHILECOUS: Ha, nu zit onze +slimmerd toch in de klem.--LALUS: Mis! Hij komt hier nog beter vandaan +dan uit 't slaapvertrek van de dame. Hoor eens naar de streken van den +guit. Balbinus vroeg hem nergens naar, maar zijn strak gezicht toonde +genoegzaam aan, dat hij wist wat er onder de menschen werd verteld. De +ander wist dat Balbinus een vroom man was, in sommige opzichten zelfs +bijgeloovig. En menschen van dien aard schenken licht aan een schuldige +die om vergiffenis vraagt, vergeving, al is hun zonde ook nog zoo groot. +Met opzet begon hij er dus over te spreken hoe 't met de goudmakerij +ging, terwijl hij er over klaagde dat de zaak niet zóóveel succes had +als hij wel gewoon was of als hij wel wilde. Hij voegde er tevens aan +toe dat hij er verwonderd over was, wat er toch eigenlijk aan haperde. +Nu wordt Balbinus die anders 't stilzwijgen had willen bewaren, boos--en +dat werd hij nog al licht--: "'t Ligt volstrekt niet in het duister wat +er in den weg staat: de zonden werken ons tegen en verhinderen dat we +een goeden uitslag krijgen bij dat, wat alleen door reinen rein mag +worden ter hand genomen." Bij dezen uitval viel de goudmaker op zijn +knieën, terwijl hij zich op de borst sloeg. Met tranen op 't gelaat en +tranen in zijn stem sprak hij: "Balbinus: 't is alles waarheid wat je +daar zegt: 't zijn zonden die een belemmering zijn, maar niet uwe +zonden, maar de mijnen. Ik schaam er mij niet voor bij u schuld te +belijden, als bij een heilig priester. De zwakheid des vleezes had mij +overwonnen, en de Duivel had mij in zijn netten verstrikt. Wee mij, van +priester ben ik een overspeler geworden! Maar de gave die wij aan de +Heilige Maagd gezonden hebben is toch niet geheel te vergeefs geweest. +Ik zou zeker geheel verloren zijn, als Zij mij niet te hulp was gekomen. +De door mij bedrogen echtgenoot bonsde al op de deur, en 't venster was +te nauw dan dat ik daardoor kon ontsnappen. In dat oogenblik van +dreigend gevaar dacht ik aan de Heilige Maagd. Ik viel op mijn knieën, +ik smeekte Haar mij te helpen, als onze gave Haar welgevallig was +geweest. Na enkele oogenblikken ga ik weer naar 't venster (de nood +drong; ik _moest_ wel) en ... ik vond het venster ruim genoeg om mij +door te laten."--PHILECOUS: En geloofde Balbinus dat alles?--LALUS: Of +hij het geloofde? Ja zelfs schonk hij hem vergiffenis en drukte hem op +'t hart dat hij zich vroom moest gedragen en zich niet ondankbaar moest +betoonen tegenover de Heilige Maagd. En wéér is hem geld uitbetaald, +toen hij beloofd had, dat hij voortaan het heilige werk op reine wijze +zou volbrengen.--PHILECOUS: Nu, en 't slot?--LALUS: O, 't verhaaltje is +nog lang niet uit; maar ik zal 't kort maken. Toen hij met dergelijke +verzinsels den man lang om den tuin had geleid en een aardige som gelds +van hem had losgekregen, kwam eindelijk iemand op de proppen die den +praatjesmaker van jongs af had gekend. Hij kon gemakkelijk gissen dat de +kerel bij Balbinus 't zelfde spelletje speelde dat hij ook elders had +gespeeld. Hij gaat dus in stilte naar Balbinus en licht hem in wat voor +snaak hij in zijn huis koesterde. Hij raadt hem aan den kerel zoo +spoedig mogelijk de deur te wijzen, wanneer hij soms niet wilde dat hij +hem eens zou zien verdwijnen, na zijn kas geplunderd te +hebben.--PHILECOUS: En wat deed Balbinus? Hij liet toch natuurlijk den +spitsboef in de gevangenis opsluiten?--LALUS: In de gevangenis? Ja, dat +kun-je begrijpen! Hij betaalde hem nog een reisgeld uit en bezwoer hem +bij al wat heilig is, dat hij niet zou vertellen wat er gebeurd was. En +mijns inziens deed hij daaraan verstandig, liever dan dat hij een +onderwerp werd van praatjes in kroegen en op straat en misschien nog +groot gevaar zou loopen zwaar beboet te worden. Want de bedrieger liep +in het geheel geen gevaar. Hij wist niets meer van de goudmakerskunst +dan iedere ezel. De bedriegerij is daarbij nogal in een voordeelige +positie. Als Balbinus hem van diefstal had willen beschuldigen, dan zou +zijn priesterzalving hem tegen doodstraf door ophanging hebben beschermd +en niemand wil graag zoo'n doodvreter langen tijd in de gevangenis den +kost geven.--PHILECOUS: Ik zou medelijden met Balbinus hebben, wanneer +hij niet zelf gewild had bedrogen te worden.--LALUS: Maar nu moet ik +naar het Hof. Bij een andere gelegenheid zal ik je wel eens +geschiedenisjes vertellen die nog zotter zijn dan deze.--PHILECOUS: Heb +ik tijd, dan zal ik er graag naar luisteren en je er een historie voor +in ruil vertellen. + + +NOOT: + +[1] Namen, zooals Erasmus ze gaarne bezigt, beteekenend: Hoorgraag en +Praatgraag. + + + * * * * * + + +DE PAARDENKOOPER + + +AULUS EN PHAEDRUS. + + Dat paardenkoopers, óók in Erasmus' tijd, reeds in niet al te + goeden naam van eerlijkheid stonden, bewijst de volgende + samenspraak. Nadere verklaring heeft de inhoud niet noodig: de zaak + is oud en hoog-modern. + + Naar Erasmus' eigen woorden heeft hij deze samenspraak geschreven, + om de jongelieden van zijn tijd te laten zien, dat men een modern + onderwerp, van alledaagschen aard ook in het deftige latijn, los, + luchtig en opgewekt kan behandelen. + +AULUS: Heere bewaar me! wat kijkt onze Phaedrus ernstig. Zoo nu en dan +slaat hij zijn oogen hemelwaarts. 'k Zal hem eens aanklampen. Wat voor +nieuws is er, Phaedrus?--PHAEDRUS: Waarom vraag je mij dat zoo, +Aulus?--AULUS: Omdat het er veel van heeft of je van een vroolijken +Phaedrus tot een strengen Cato bent geworden. Zóó strak staat je +gelaat.--PHAEDRUS: Nu, daar is reden voor: ik heb juist mijn zonden +gebiecht.--AULUS: O! dan verwonder ik mij niet meer. Maar vertel me +eens: heb je alles te goeder trouw gebiecht?--PHAEDRUS: Ten minste alles +wat me in den zin kwam. Eén ding slechts uitgezonderd.--AULUS: En waarom +verzweeg je dat ééne?--PHAEDRUS: Omdat ik 't toch eigenlijk zelf nog +niet zoo héél slecht kan vinden.--AULUS: Dan moet dat wel een prettige +zonde zijn geweest. PHAEDRUS: Of het een zonde is, weet ik niet: maar +als je een poosje tijd hebt, mag je het wel hooren.--AULUS: Ik wil heel +graag luisteren.--PHAEDRUS: Je weet hoeveel er onder paardenhandelaars, +koopers en verkoopers, bedrogen wordt.--AULUS: Ja, meer dan me lief is, +want ik ben er zelf dikwijls de dupe van geweest.--PHAEDRUS: Onlangs +moest ik een tamelijk lange reis doen, maar die ook vrij veel spoed +vereischte. Ik ga naar één van de paardenverhuurders, lang niet één van +de slechtsten van dat soort; zelfs was ik met dien man eenigermate +bevriend. Ik vertel hem dat ik een gewichtige opdracht heb, dat ik een +flink en stevig paard noodig heb. Als hij zich ooit jegens mij +verdienstelijk had gemaakt, dat hij 't dan _nu_ moest doen. Hij beloofde +dat hij met mij zou handelen zooals hij dat met zijn liefsten broer zou +doen.--AULUS: Misschien was hij ook wel van plan zijn broer te +bedriegen.--PHAEDRUS: Hij brengt me in zijn stal en zegt dat ik maar uit +al zijn paarden moet kiezen welk ik wil. Eindelijk was er één dat mij +meer dan alle andere beviel. Hij prijst mijn keuze, terwijl hij er een +eed op doet, dat juist dàt paard dikwijls door velen gevraagd is: dat +hij 't liever had willen bewaren voor een particulieren vriend, dan 't +aan onbekenden af te staan. We werden het eens over den prijs. De +betaling geschiedt tegen contant geld. Ik stijg te paard. Bij 't naar +buiten rijden was 't paard opgewekt en buitengewoon geanimeerd. Men zou +haast zeggen dat 't een beetje wild was: 't zag er vet en rond en +welgedaan uit. Maar toen ik zoowat een anderhalf uur gereden had, begon +ik te bemerken dat 't reeds geheel en al moe was en dat ik er zelfs met +de sporen geen voortgang in kon krijgen. Nu had ik wel eens gehoord dat +door paardenkoopers dikwijls zulke dieren om te bedriegen op stal +gehouden worden, paarden die men op 't oog voor uitstekend zou houden, +maar die tegen vermoeienis volstrekt niet bestand zijn. Dadelijk dacht +ik bij mij zelf: "je bent beet genomen! Komaan, zoodra je thuis komt, +betaal je hem met gelijke munt."--AULUS: En wat ving je nu onderweg aan, +jij ruiter zonder paard?--PHAEDRUS: Wat de loop der dingen mij aan de +hand deed. Ik sloeg den weg in naar 't naaste dorp. Daar stalde ik +stilletjes bij een bekende van me het paard en ik huurde een ander. Ik +reed naar de plaats van mijn bestemming, keerde terug, lever mijn +huurpaard in, tref mijn koopje aan, vetjes en wel, en flink uitgerust +van de eerste vermoeienis. Ik rijd daarop naar mijn bedrieger en vraag +hem of hij 't in zijn stal eenige dagen wil bewaren en voederen tot ik +het weer kom opeischen. Hij vraagt me hoe het beestje 't gemaakt heeft. +Ik zweer hem nu bij al wat heilig is, dat ik nooit van mijn leven een +voortreffelijker dier bestegen had, dat 't eerder vloog dan liep, dat 't +heelemaal geen vermoeienis had gekend niettegenstaande den langen tocht +en dat het geen haartje magerder was geworden van 't zware werk. Toen ik +hem wijs gemaakt had dat dit werkelijk zoo was, dacht hij zoo stilletjes +bij zich zelven, dat 't paard dan toch wel anders moest zijn dan hij +gedacht had. Vóór ik dus wegging, vroeg hij me of 't paard ook te koop +was. Ik zei eerst van neen. Als ik weer eens een reis moest doen, dat 't +dan niet gemakkelijk zou wezen een dergelijk paard te krijgen. Maar dat +aan den anderen kant niets mij zóó dierbaar was of 't was wel voor een +flinken prijs van mij te koop, ook al zou iemand mij zelven in levenden +lijve willen koopen.--AULUS: Je speelde daar mooi de rol van bedrieger +tegenover den bedrieger.--PHAEDRUS: Om kort te gaan, hij liet me niet +vertrekken zonder dat ik een prijs voor het paard had vastgesteld. Ik +gaf dien heel wat hooger op dan waarvoor ik 't beest van hem gekocht +had. Toen ik van den man weggegaan was, neem ik dadelijk iemand in den +arm om mee een rol te spelen in deze komedie. Ik zeg hem duidelijk wat +er aan de hand is en breng hem goed op de hoogte. Hij gaat naar 't huis +van den stalhouder en vraagt dezen te spreken. Hij zegt hem dat hij een +mooi paard noodig heeft, dat goed tegen veel vermoeienissen bestand is. +De koopman laat hem verschillende paarden zien en prijst de slechtste 't +meest aan. Alleen 't paard dat hij mij had verkocht, biedt hij niet aan, +omdat hij dacht dat 't werkelijk zoo uitstekend was als ik had gezegd. +Maar de ander vraagt hem onmiddellijk of dat paard ook soms te koop is, +want ik had hem beschreven hoe 't paard er uit zag en hem de plaats +aangeduid waar het stond. Eerst hield de paardenkooper zijn mond en +prees al de andere paarden uitbundig. Maar omdat de kooper steeds op dat +ééne paard terugkwam, terwijl hij de overige paarden voor de leus nog +wel wat prees, zei eindelijk de paardenkooper bij zich zelven: "ik moet +mij dan toch wel in dat paard vergist hebben, als ten minste deze +vreemdeling het zoo dadelijk onder alle paarden uitpikt." Toen de kooper +aandrong, zeide hij eindelijk: "'t Is te koop, maar misschien zult ge u +wel door den prijs laten afschrikken." "Geen prijs is te hoog," zei hij, +"wanneer die overeenkomt met de waarde van de zaak. Zeg maar op." Hij +gaf nu een prijs op vrij wat hooger, dan ik hem had genoemd, ook nog +naar _die_ winst begeerig. Eindelijk werden ze het over de koopsom eens. +Er werd een tamelijk groot handgeld gegeven, n.l. een goudstuk, om geen +vermoeden te wekken dat 't maar een schijnkoop was. De kooper liet 't +paard goed haver geven en zei dat hij gauw zou terugkomen om 't paard +mee te nemen. De stalknecht krijgt een halven gulden fooi. Zoodra ik +hoorde dat de koop goed en wel gesloten was, zóó dat hij niet meer kon +worden verbroken, keer ik gelaarsd en gespoord naar den +paardenverhuurder terug: buiten adem roep ik om hem. Hij komt te +voorschijn en vraagt wat ik verlang. "Laat dadelijk mijn paard +optuigen," zei ik, "want ik moet onmiddellijk voor een gewichtige +zending op reis." "En onlangs," antwoordde hij, "droeg-je me op het +paard eenige dagen te stallen en te voederen." "Ja, dat is waar," zei +ik, "maar daar is me nu plotseling, zonder dat ik er op gerekend had, +een taak opgedragen en dat nog wel van koningswege, die geen uitstel +gedoogt." Toen hij weer: "Kies maar uit alle paarden welke je wilt: 't +uwe kunt ge evenwel niet krijgen." Ik vraag natuurlijk: "waarom niet?" +"Omdat het verkocht is," ontvang ik ten antwoord. Met geveinsden schrik +riep ik uit: "De hemel verhoede dat 't waar is, wat gij zegt. Nu mij die +opdracht wordt gegeven, zou ik mijn paard niet willen verkoopen al was +het ook voor viermaal den prijs." Ik begin te schelden en te kijven en +noem me een verloren man. Eindelijk wordt hij ook boos. "Wat hebben we +met dat getwist te maken? _Gij_ hebt een prijs bepaald voor 't paard, +_ik_ heb 't verkocht. Als ik u den prijs uitbetaal dan hebt ge met mij +niets meer te maken. Er zijn nog rechters hier in de stad. Ge kunt me +niet dwingen u het paard te leveren." Terwijl ik er nog lang op aandrong +dat hij mij 't paard zou afgeven of mij den kooper zou aanwijzen, +betaalde hij me eindelijk den prijs uit. Ik had 't voor vijftien +goudstukken gekocht en het later geschat op zes-en-twintig. Hij had 't +op twee-en-dertig gesteld. Hij redeneerde zóó bij zich zelf: 't is +voordeeliger dit zoete winstje te maken dan 't paard terug te geven. Ik +ga heen, voorgevend erg boos te zijn en slechts noode gekalmeerd door 't +ontvangen geld. De paardenkooper vroeg of ik 't hem niet kwalijk wilde +nemen: dat hij mijn schade wel op andere manieren zou trachten te +vergoeden. En zoo werd de bedrieger bedrogen. Hij zit nu met een paard +dat niets waard is, en wacht maar steeds dat de man die hem 't handgeld +heeft gegeven zal komen om hem den bedongen prijs uit te betalen. Maar +er komt niemand en er zal ook nooit iemand komen.--AULUS: En heeft hij +er u intusschen nooit over gesproken?--PHAEDRUS: Wat zou dat voor een +brutaliteit zijn en met welk recht zou hij dat doen? Hij heeft me nog +wel eens een paar malen ontmoet en mij zijn beklag gemaakt over de kwade +trouw van den kooper. Maar ik heb hem van mijn kant dadelijk den mantel +uitgeveegd en gezegd dat hij die leelijke behandeling waard was, omdat +hij mij door een overhaasten verkoop van zoo'n goed paard had beroofd. +Dat is nu een zonde zóó juist van pas begaan, naar mijn idee, dat ik 't +niet over mij kon verkrijgen om ze te biechten.--AULUS: Ik zou voor mij +zelven een standbeeld vragen als ik zoo iets had verzonnen: zóó ver is +het er van af dat ik 't als zonde zou biechten.--PHAEDRUS: Of ge dit van +harte meent, weet ik niet, maar bij mij wekt ge den lust en den moed op, +om zulke menschen bij gelegenheid óók eens zoo'n poets te bakken. + + + * * * * * + + +DE PAARDLOOZE RIDDER OF DE VERDICHTE ADEL + + +HARPALUS. NESTORIUS. + + Erasmus zegt in zijn "Nut der Samenspraken" over den onderstaanden + dialoog het volgende: + + "In den verdichten adel schilder ik dat slag van menschen, die, + onder het bedriegelijk voorwendsel van edellieden te zijn, alles + meenen te mogen doen en die één der voornaamste rampen zijn + waaronder Duitschland lijdt." + +HARPALUS. Zou je mij eens kunnen raden? Je zult merken dat ik niet +vergeetachtig en niet ondankbaar ben.--NESTORIUS: Nu, ik wil je wel 't +middel aan de hand doen om te komen waar je wezen wilt.--HARPALUS: Maar +wij hebben 't niet in onze hand om van adel geboren te zijn.--NESTORIUS: +Als je 't niet bent, moet ge door uw voortreflijke daden maken dat uw +adeldom bij u een aanvang neemt.--HARPALUS: Dat duurt zoo +lang.--NESTORIUS: Tegen een flinke som verkoopt de keizer ook wel een +adelbrief.--HARPALUS: Om dien gekochten adel wordt over het algemeen +gelachen.--NESTORIUS: Als ge dan niets belachelijkers kent dan gelogen +adel, waarom streeft ge dan naar den adellijken titel?--HARPALUS: Om +verschillende redenen, en gewichtige ook. Ik heb geen bezwaar je die te +vertellen, als gij mij de manieren wilt meedeelen waarop ik den menschen +het idee kan geven dat ik een edelman ben.--NESTORIUS: Dus alleen maar +den naam wil je bezitten, zonder de werkelijkheid?--HARPALUS: Ja, waar +de werkelijkheid niet aanwezig is, daar nadert de schijn er toch 't +dichtst bij. Maar kom, geef nu eens raad, Nestorius. Wanneer gij mijn +beweegredenen hoort, dan zult ge moeten zeggen dat het de moeite waard +is.--NESTORIUS: Nu, als je 't dan wilt, dan zal ik 't je zeggen. In de +allereerste plaats moet je uit je vaderland weggaan.--HARPALUS: Dat weet +ik.--NESTORIUS: Je moet je begeven in gezelschap van jongelieden van +werkelijk adellijken bloede.--HARPALUS: Dat begrijp ik.--NESTORIUS: +Tengevolge daarvan zal men gaan denken, dat gij ook tot die menschen +behoort met wie gij omgaat.--HARPALUS: Zoo is het.--NESTORIUS: Zorg dat +ge niets aan u hebt of niets doet wat burgerlijk is.--HARPALUS: Wat +bijvoorbeeld?--NESTORIUS: Ik bedoel uw kleeding; uw kostuum mag niet van +wol zijn, maar wèl van zijde of, als je het geld ontbreekt om die te +koopen, dan een kamelotten buis, ten slotte nog liever een van linnen +dan van laken.--HARPALUS: Goed zoo.--NESTORIUS: Pas ook op, dat ge niets +gaafs aan uw lijf hebt: heb kerven en scheuren in je hoed, je wambuis, +je laarzen, je schoenen, in je nagels als je kunt. Zorg er ook voor dat +je nooit over iets wat laag bij den grond is, spreekt. Als er een +vreemdeling uit Spanje komt, vraag dan hoe 't tegenwoordig tusschen den +Keizer en den Paus staat: hoe uw bloedverwant, de Graaf van Nassau het +maakt: hoe 't met uw andere kameraden gaat.--HARPALUS: Dat zal ik +doen.--NESTORIUS: Aan uw ringvinger moet ge een ring dragen met een +gesneden steen er in.--HARPALUS: Als ten minste mijn beurs het +toelaat.--NESTORIUS: Een vergulde ring met een nagemaakten steen kost +niet zooveel. Maar er moet een wapenschild bij.--HARPALUS: Wat raad je +me aan te kiezen?--NESTORIUS: Twee melkemmers zoo je wilt, en een +bierpul.--HARPALUS: Kom, je houdt me voor 't lapje: spreek liever in +ernst.--NESTORIUS: Ben-je nooit in den krijg geweest?--HARPALUS: 'k Heb +er nooit een gezien.--NESTORIUS: Maar, tusschen twee haakjes, je hebt +denk ik, wel eens aan ganzen en kapoenen bij de boeren den kop +afgeslagen?--HARPALUS: Heel dikwijls, en wàt dapper ook.--NESTORIUS: Nu, +neem dan een zilveren mes op je wapenschild en drie gouden +ganzenkoppen.--HARPALUS: Op wat voor een veld? NESTORIUS: Op welk veld? +Natuurlijk op een bloedrood! Een herinnering aan 't zoo dapper vergoten +bloed.[1]--HARPALUS: Wel ja, waarom niet? Ganzenbloed is net zoo rood +als menschenbloed. Maar ga dóór als 't je belieft.--NESTORIUS: Dat +schild nu, moet je aan de deuren van alle herbergen waar je je intrek +neemt, laten vastspijkeren.--HARPALUS: Wat moet er voor een helm op +geplaatst worden?--NESTORIUS: 't Is goed dat je daaraan denkt. Dien moet +je met opgeslagen vizier nemen.--HARPALUS: Waarom dat?--NESTORIUS: Ten +eerste om goed te kunnen ademhalen en verder om hem met je kleedij in +overeenstemming te brengen. Wat moet er boven den helm +uitsteken?--HARPALUS: Daarnaar ben ik erg verlangend.--NESTORIUS: Een +hondenkop met hangooren.--HARPALUS: Dat is zoo algemeen.--NESTORIUS: +Voeg er dan een paar horens bij. Dat is zeldzaam en vreemd.--HARPALUS: +Dat bevalt me. Maar nu de schilddragers?--NESTORIUS: Herten, honden, +draken, grijpen hebben de vorsten en prinsen al ingepalmd: zet jij er nu +twee harpijen naast.--HARPALUS: Dat is een uitstekende raad.--NESTORIUS: +Nu schiet nog alleen maar over een bijnaam te verzinnen. Hierbij moet je +in de allereerste plaats oppassen dat je je niet op heel platte manier +"Harpalus den Comenser" laat noemen, maar "Harpalus van Como": dit +laatste doen de adellijke heeren, 't eerste doen arme +theologen.--HARPALUS: Dat weet ik.--NESTORIUS: Hebt ge ergens een plekje +waarvan ge u heer en meester kunt noemen?--HARPALUS: Geen varkenshok +zelfs.--NESTORIUS: Ben-je in een bekende stad geboren?--HARPALUS: In een +onbekend dorp. Ik moet 't u wel zeggen. Want liegen mogen we niet +tegenover een dokter die ons moet genezen.--NESTORIUS: Is er niet de een +of andere berg in de buurt van dat dorp?--HARPALUS: Jawel.--NESTORIUS: +En heeft die berg ook ergens een in 't oog vallende of bekende +rotspunt?--HARPALUS: En een wàt steile ook.--NESTORIUS: Welnu, dan heet +je "Harpalus, ridder van de Gulden Rots."--HARPALUS: Ja maar, 't is de +gewoonte van groote heeren, dat ieder een mooi klinkende spreuk voegt +bij zijn wapen: zooals bijv. Maximiliaan had: "Houd maat"; Philips: "Wie +maar wil"; Keizer Karel: "Verder"; en zoo de één dit, de ander +dat.--NESTORIUS: Neem jij dan: "Er op of er onder."--HARPALUS: Je raad +is probaat en past uitstekend bij mijn toestand.--NESTORIUS: En om de +menschen nog meer vertrouwen in uw persoon in te boezemen, moet ge +voorgeven dat allerlei groote heeren u brieven geschreven hebben, waarin +ge ook als Hoog-Edelgeboren Ridder wordt betiteld: daarin moet gesproken +worden van groote bedrijven, van leengoederen, van burchten, van veel +duizenden guldens, van gouverneurschappen, van een rijk huwelijk. Dan +moet ge zorgen, dat dergelijke brieven u als 't ware bij ongeluk uit den +zak vallen of dat ge ze bij toeval vergeet en dat ze zoo in handen van +anderen komen.--HARPALUS: O, dat zal me niet veel moeite kosten. Want ik +kan niet alleen goed schrijven, maar ook heb ik 't door gestadige +oefening zóóver gebracht dat ik ieders hand gemakkelijk kan +namaken.--NESTORIUS: Naai de brieven in je wambuis of laat ze in je zak +zitten, zoodat de kleermakers aan wie je je kleeren geeft om ze te +lappen, ze vinden. Die zullen hun mond niet houden, en als je 't te +weten komt, zet dan je gezicht in een plooi van boosheid of +ontstemdheid, alsof je over het geval erg het land hadt.--HARPALUS: Ook +daarop heb ik reeds lang gestudeerd, om mijn gezicht te kunnen +veranderen als een masker.--NESTORIUS: Dan zal 't gevolg zijn dat men +geen lucht krijgt van het bedrog en dat men je zaak met goed vertrouwen +aanziet.--HARPALUS: Ik zal er goed mijn best toe doen.--NESTORIUS: +Verder moet ge eenige makkers kiezen of je ook eenige bedienden +aanschaffen, die voor u buigen en uitwijken en u in tegenwoordigheid van +anderen "Jonker" noemen. Je behoeft niet bang te zijn dat je dit iets +zal kosten. Er zijn heel veel jongelieden die graag zelfs voor niets die +rol willen spelen. Hierbij komt nog dat dit land vol is van half +geleerde jonge menschen, bezield met een bijzonderen schrijflust, om +niet te zeggen schrijfwoede. Ook ontbreekt 't niet aan hongerige +boekdrukkers, die alles aandurven wanneer de hoop op een zoet winstje +hun toelacht. Eenigen van dezen moet gij omkoopen, dat ze u in hunne +geschriften prijzen als een der Grooten van hun vaderland, en dit zoo nu +en dan eens met vette letters te herhalen. Op die manier zullen ze u, +tot zelfs in Bohemen toe, als een groot man in uw vaderland ophemelen. +Want sneller en over een grooter uitgestrektheid doen die geschriften de +rondte, dan praatjes van bedienden, al zijn ze ook nòg zulke +babbelaars.--HARPALUS: Die manier bevalt mij wel. Maar, bedienden moet +men den kost geven.--NESTORIUS: Dat is waar, maar ge moet er geen +bedienden op na houden die geen handen aan hun lijf hebben en daarom +onhandig zijn. Ze moeten hier- en daarheen worden uitgestuurd, en dan +vinden ze wel wat. Je weet wel dat er allerlei gelegenheden voor zoo +iets zijn.--HARPALUS: Houd maar op: ik begrijp het al.--NESTORIUS: Nu +moet ik nog spreken van uw bekwaamheden.--HARPALUS: Daar ben ik +nieuwsgierig naar.--NESTORIUS: Als je geen goed dobbelaar bent, geen +flink kaartspeler, geen schandelijke meisjesgek, geen fameus drinker, +geen brutaal verkwister, geen bankroetier en geen schuldenmaker, als je +niet behebt bent met de zoogenaamde Gallische schurft[2], zal niemand je +voor een man van adel houden.--HARPALUS: In dat alles heb ik me al lang +geoefend. Maar waar moet het geld van daan komen?--NESTORIUS: Kalm! daar +wilde ik net op komen. Heb-je geld van je vader geërfd?--HARPALUS: Een +klein beetje.--NESTORIUS: Wanneer nu bij velen de dunk omtrent je adel +gevestigd is, dan zul-je licht gekken vinden die geloof slaan aan je +beweringen. Sommigen zullen zich schamen neen te zeggen, sommigen zelfs +zullen bang zijn dit te doen. Om je schuldeischers bij den neus te nemen +zijn er allerlei kunstjes.--HARPALUS: Daar ben ik al redelijk bedreven +in. Maar eindelijk zullen ze 't mij toch te benauwd maken, als ze +bemerken dat ik hen alleen maar met mooie woorden paai.--NESTORIUS: +Integendeel, daar is geen gemakkelijker weg om te heerschen dan juist +aan zooveel mogelijk menschen iets schuldig te wezen.--HARPALUS: Hoe dat +zoo?--NESTORIUS: Wel, vooreerst beschouwt de schuldeischer het zóó, +alsof hij door een groote verplichting aan u verbonden was en is hij +bang een aanleiding te geven tot 't verlies van zijn geld. Iemands +dienaren kunnen niet enger aan hem verknocht zijn, dan de schuldeischers +aan hunne schuldenaars. Als men hun van tijd tot tijd eens wat +terugbetaalt, dan is dat nog meer welkom dan dat men geschenken +geeft.--HARPALUS: Dat heb ik wel eens gemerkt.--NESTORIUS: Maar pas +hierop, dat ge u onderwijl niet met arme drommels inlaat. Want deze +maken dikwijls om een onbeduidend sommetje geld een groot kabaal. Meer +handelbaar zijn menschen die goed geld om handen hebben. Hen weerhoudt +hun schaamtegevoel, de hoop doet hen leven, de vrees schrikt hen af: zij +weten wat adellijke heeren soms vermogen. Ten slotte, wanneer de +schuldenlast u overstelpt, dan moet ge onder allerlei voorwendsels +elders heen verhuizen en dan vervolgens wéér ergens anders heen. Er is +geen reden om je daarvoor te schamen. Niemand is meer met schulden +beladen dan juist de vorsten. Als een boer u het vuur wat na aan de +schenen legt, doe 't dan voorkomen alsof je door zijn onbeschaamdheid +diep beleedigd bent. Geef evenwel zoo nu en dan eens wat terug, maar +niet de geheele som en ook niet aan allen. Daarvoor moet gij overal en +altijd zorgen dat niemand 't in den neus krijgt, dat je kas geheel leeg +is. Je moet altijd grootdoen.--HARPALUS: Hoe kan iemand groot-doen die +niets heeft?--NESTORIUS: Als een vriend je tijdelijk iets van waarde +heeft toevertrouwd, dan moet je 't doen voorkomen alsof 't van je zelf +is. Maar je moet alle gekunsteldheid vermijden: 't moet alles als bij +toeval gaan. Neem daartoe soms eens wat geld op, met 't plan om 't heel +spoedig terug te geven. Bewaar in je beurs, die uitpuilt van kopergeld, +twee goudstukken en haal er die zoo nu en dan eens uit. En meer +dergelijke verzinsels moet je zelf maar bedenken.--HARPALUS: Dat snap +ik. Maar ik moet dan toch eindelijk wel tot over de ooren in de schuld +zitten.--NESTORIUS: Houd daarom geen luie, onverschillige, onhandige +bedienden of neem anders bloedverwanten bij je, die je tòch den kost +zoudt moeten geven. Ze zullen wel eens een koopman tegenkomen dien ze +kunnen berooven. Ze zullen wel eens wat vinden in herbergen, of in een +huis, of in een schip, iets dat onbewaakt ligt. Vat-je? Ze moeten er aan +denken dat de mensch niet te vergeefs vingers gekregen heeft.--HARPALUS: +Als 't ten minste op een veilige manier kan gebeuren.--NESTORIUS: Je +moet je bedienden netjes gekleed doen gaan, vooral met +onderscheidingsteekens. Geef hun valsche brieven aan hooge personages in +handen. Als ze dan eens iets hebben weggenomen en betrapt worden, zal +niemand hen durven beschuldigen. Ook al vermoedt men iets, dan zal men +toch bang zijn voor hun meester die van adel is. En wanneer ze +gewelddadig een buit hebben veroverd dan heet dat: oorlogsrecht. Zulke +vóór-oefeningen vormen het voorspel van den oorlog.--HARPALUS: Dat is +een goede raad!--NESTORIUS: Verder moet ge steeds dezen stelregel van +den adel handhaven: het is zijn recht den reiziger van burger-afkomst +van zijn geld te ontlasten. Wat toch moet grooter verontwaardiging +wekken, dan dat een koopman niet van adel, overvloed van geld heeft, +terwijl intusschen een ridder geen cent heeft om aan de vrouwen en het +spel uit te geven? Voeg je steeds bij de grooten of liever dring u bij +hen in. Met een stalen gezicht, zonder blikken of blozen. Maar vooral +bij vreemden. En daarom is 't ook verkieslijk dat ge u ophoudt in een +nog al drukke stad, bijv. in badplaatsen, in druk bezochte +herbergen.--HARPALUS: Dat was ik juist van plan.--NESTORIUS: In zulke +plaatsen biedt 't geluk nog al eens vaak een kansje.--HARPALUS: Hoe, +bijvoorbeeld?--NESTORIUS: Wel, de een of ander heeft zijn beurs laten +liggen, of heeft bij vergissing den sleutel in 't slot van zijn lâ laten +steken. Nu, de rest vat je wel.--HARPALUS: Maar...?--NESTORIUS: Waarvoor +ben je bang? Wie zou eenig kwaad vermoeden durven koesteren tegen zoo'n +beschaafd man, tegen iemand die altijd den mond vol heeft van zulke +groote dingen, tegen den "Ridder van de Gulden Rots?" En zoo er al zoo'n +onbeschaamde rekel gevonden werd, wie zou dan nog zoo driest zijn om u +voor 't gerecht te dagen? Intusschen wordt de verdenking afgeleid op één +van de gasten die gisteren zijn vertrokken. De bedienden en de +herbergier zullen in rep en roer gebracht worden. Doch ga gij maar +rustig uw gang. Als zoo iets aan een bescheiden en flink man overkomt, +zal hij zijn mond houden, om niet tegelijk met zijn geldelijk verlies +ook nog tot zijn schande bekend te doen worden, dat hij zóó nalatig op +zijn zaken is.--HARPALUS: Wat je daar zegt is nog zoo gek niet. Je kent +denk ik wel den Graaf van den Witten Gier?--NESTORIUS: Zou ik hem niet +kennen?--HARPALUS: Bij hem had eens zijn intrek genomen, naar ik me heb +laten vertellen, een zekere Spanjaard, een man van een net uiterlijk en +echt fijne beschaving. Deze kaapte zeshonderd gulden; maar de graaf +heeft nooit durven klagen. Zóó respectabel zag de man er +uit.--NESTORIUS: Nu, daar heb-je een voorbeeld. Tusschen-beiden moet je +eens één van je bedienden de wijde wereld inzenden; ten oorlog +natuurlijk. Deze zal terugkeeren, beladen met buit in den krijg gemaakt, +na kerken geplunderd en kloosters beroofd te hebben.--HARPALUS: Dat is +zeker een hoogst veilige manier.--NESTORIUS: Daar is nog een andere +manier om geld bij elkaar te krijgen.--HARPALUS: Zeg op, +alsjeblieft.--NESTORIUS: Verzin voorwendsels om boos te worden tegen +menschen die goed in hun contanten zitten, vooral tegen monniken of +priesters, die nu zoowat bij iedereen in een kwaden naam staan. Deze +heeft om uw wapenschild gelachen of er op gespuwd: gene heeft iets +geschreven wat wel tot laster kan worden verdraaid. Aan zulke menschen +moet ge een oorlog op leven en dood verklaren. Laat gruwelijke +bedreigingen hooren, uitroeiing, moord en doodslag, louter algeheele +verdelging. Vol schrik en angst zullen ze dan tot u komen om den strijd +bij te leggen. Houd dan uw waardigheid hoog, dat wil zeggen: overvraag +goed, dan krijgt ge wat ge hebben wilt. Als je drieduizend goudstukken +vraagt, dan schamen ze er zich voor om minder dan tweehonderd aan te +bieden.--HARPALUS: Anders zal ik dreigen hen gerechtelijk te +vervolgen.--NESTORIUS: Dat gaat al weer wat meer op chantage gelijken; +doch 't kan ook soms te pas komen. Maar zeg eens Harpalus, daar was me +bijna ontgaan wat ik eigenlijk wel in de allereerste plaats had mogen +zeggen; je moet 't een of ander meisje dat een aardigen spaarpot heeft +in 't huwelijksnet zien te verstrikken. Je hebt een toovermiddel in je +bezit, je bent jong, je ziet er niet onknap uit, je bent een aardige +grappenmaker, je kunt aanstekelijk lachen. Strooi 't gerucht rond, dat +je onder mooie beloften naar 't hof van den keizer bent geroepen. +Meisjes houden er wel van heeren van het hof te trouwen.--HARPALUS: Ik +ken er, aan wie dat voortreflijk gelukt is. Maar als 't bedrog nu +eindelijk eens uitlekt en van alle kanten de schuldeischers op me +afspringen? Dan zal iedereen den ontmaskerden ridder uitlachen. Want +zoo'n komedie vinden ze erger dan wanneer men tempelroof +pleegt.--NESTORIUS: Dan is juist 't oogenblik gekomen om te denken aan +'t stalen gezicht. En dat te meer omdat nooit ter wereld brutaliteit +meer in de plaats van wijs beleid is getreden, dan tegenwoordig. Dan +moet je maar de een of andere uitvlucht verzinnen. Verder zullen er +altijd eenvoudige zielen gevonden worden die uw historietje gelooven; +anderen zullen uit burgerlijke beleefdheid doen net alsof zij 't bedrog +dat ze doorzien hebben, niet hebben bemerkt. En ten slotte, als er geen +ander redmiddel is, dan maar naar elders toevlucht genomen, in een +oorlog, in 't krijgsgewoel. Zooals Euripides zegt dat de zee alle +ongerechtigheden der menschen afwascht, zoo bedekt ook de oorlog al het +grondsop en uitvaagsel van alle schurkerijen. Niemand wordt tegenwoordig +voor een goed officier in den oorlog gehouden, als hij er niet toe +gekomen is na een voorbereiding in zulk een recrutenschool. Dat is dus +uw uiterste redmiddel wanneer alles verkeerd loopt. Maar ge moet den +ondersten steen boven keeren dat 't niet zoo ver komt. Laat je vooral +niet door zorgeloosheid foppen. Ontwijk kleine stadjes, waar je geen +vinger in de asch kunt steken of de wereld weet 't. In groote en drukke +steden heb je meer vrijheid of--ze moesten soms zijn als Marseille, waar +alles zoo uiterst stijf en eerbaar toegaat. Tracht dus ongemerkt +uittevisschen wat men van u zegt. Wanneer je merkt dat men zoo in dezen +zin over je praat: "Wat doet hij toch; waarom blijft hij zoo lang hier; +waarom gaat hij niet terug naar zijn land? Waarom laat hij zijn kasteel +in den steek? Uit welke familie stamt hij toch? Waar haalt hij toch 't +geld vandaan voor zijn groote verteringen?"--wanneer dergelijke praatjes +langzamerhand beginnen te loopen, dan moet je er intijds op bedacht zijn +om de plaat te poetsen: maar 't moet de retraite van een leeuw zijn, +niet een hazenvlucht. Wend vóór: dat je voor groote dingen geroepen +wordt naar 't keizerlijk hof, dat je binnenkort met een compagnie +soldaten zult terugkomen. In je afwezigheid zullen ze niet tegen je +durven kikken, omdat ze bang zijn te verliezen wat ze van je te eischen +hebben. Maar vooral geloof ik, dat je op je hoede moet zijn tegen dat +slag van menschen dat 't hoofd vol heeft van dichterlijke plannen, +lichtgeraakt volkje. Als iets hun niet bevalt, smeren ze dadelijk papier +vol en wat ze hebben opgeklad gaat terstond de wereld door.--HARPALUS: +'k Mag doodvallen zoo je raad mij niet bij uitstek aannemelijk voorkomt. +'k Beloof je: ik zal maken dat je in mij een leerzaam scholier en een +niet ondankbaar jongmensch vindt. Het eerste het beste paard dat ik in +mijn weiden vind en dat waard is je te dragen, zal ik je ten geschenke +zenden.--NESTORIUS: Nu moet je op _jouw_ beurt ook doen wat je begonnen +bent _mij_ te beloven. Waarom heb je zoo'n bijzonderen trek om den +edelman te spelen als je 't niet bent?--HARPALUS: Om geen andere reden +dan omdat adellijke heeren alles ongestraft mogen doen wat ze maar +willen. Vind-je dat zoo'n kleinigheid?--NESTORIUS: Al loopt 't verkeerd +uit, we zijn allen onzen tol aan de natuur door den dood verschuldigd, +al leefde men ook in een Karthuizerklooster. En men sterft gemakkelijker +op 't rad, dan aan 't graveel, aan jicht of aan een beroerte. Een goed +soldaat moet gelooven dat er van den mensch na den dood niets +overblijft, behalve zijn lijk.--HARPALUS: Daar ben ik het ook mee eens. + + +NOTEN: + +[1] Dwaze raad, van onkunde getuigend in de heraldiek, die metaal op +metaal verbiedt. + +[2] Erasmus bedoelt de syphilis die toen haar intrede in Europa had +gedaan en o.a. ook door den invloed der publieke badstoven, +onrustbarende uitbreiding had gekregen, zoodat de badgelegenheden dan +ook weldra, als erkende brandpunten der besmetting, op order der +overheidspersonen, verboden werden. + + + * * * * * + + +DE VROUWENRAAD + + +CORNELIA, MARGARETHA, PEROTTA, JULIA, CATMARINA. + + "Emancipatie," wie zou ze in Erasmus' tijd reeds gezocht hebben? Of + ja--vinden we niet reeds in de komedies der oude Grieken sporen van + den wil der vrouwen om zich tegenover de mannen meer te doen + gelden? Zoo ook in den "Vrouwenraad," waarin de draak wordt + gestoken met de onmondigheid van het vrouwelijk geslacht en eenige + dames maatregelen beramen om zich aan den dwang en de heerschappij + der mannen te ontworstelen. De dwaasheden, de onrechtmatigheden, de + heerschzucht der mannen worden op de kaak gesteld; maar ook weet + Erasmus den vrouwen menigen steek te geven over hare praatzucht, + haar gebrek aan schaamtegevoel, haar pronkzucht. + + De dialoog, ook voor de geschiedenis der cultuur van belang, doet + zien dat Erasmus zijn tijd ver vooruit was, dat hij op de + wondeplekken zijner maatschappij zeer juist den vinger wist te + leggen. + +CORNELIA: Al wat goed, gelukkig en voordeelig is voor dezen onzen stand +en den ganschen vrouwenstaat, dat wenschen wij u toe! Gij zijt heden in +grooten getale en opgewekt samengekomen, en op grond hiervan meen ik de +meest vaste hoop te kunnen koesteren dat God genadig aan ieder onzer +ingeve, wat kan strekken tot ons aller gemeenschappelijk heil, aanzien +en nut. Gij weet (dunkt mij) allen hoeveel schade wij aan onze belangen +hebben geleden daar wij, terwijl onze mannen hùnne belangen in hunne +dagelijksche bijeenkomsten behartigen, onze zaken in den steek moeten +laten, omdat we aan spinnewiel en weefgetouw moeten zitten. En dus is 't +dan zoover gekomen dat er geen geregelde tucht onder ons bestaat, dat de +mannen ons alleen maar zoowat als hun speeltuig beschouwen en ons +nauwlijks den naam van mensch waardig keuren. En als wij doorgaan zooals +we begonnen zijn, gaat dan zelf maar eens na waar het op zal uitloopen. +Ik schroom woorden te gebruiken die een slechte vóórbeteekenis kunnen +hebben. En, zoo we ook al onze waardigheid te grabbelen gooien, dan moet +toch onze ongerepte naam ons ter harte gaan. De wijze koning Salomo +heeft in de Spreuken geschreven: "Wie naar raad hoort is wijs."[1] De +bisschoppen hebben hunne Synoden, de monnikorden hebben hunne +vergaderingen, soldaten hunne lokalen waar ze bijeenkomen, dieren hunne +bijeenkomsten, zelfs de mierenkolonie heeft haar plaats waar ze +vergadert. Van alle levende wezens zijn de vrouwen de eenige die dat +nooit doen.--MARGARETHA: Nu, vaker dan wel past.--CORNELIA: Op 't +oogenblik is 't nog geen tijd om tusschen mijn woorden in te praten. +Laat ik eerst uitspreken. Ieder krijgt op haar beurt gelegenheid om wat +te zeggen. 't Is niets nieuws wat we hier doen. We hernieuwen eenvoudig +een oud gebruik. Vóór ongeveer, als ik me niet vergis, dertienhonderd +jaren heeft de hooggeprezen Keizer Heliogabalus....--PEROTTA: Wat, +hooggeprezen? Een kerel dien ze aan een haak in 't riool gesleurd +hebben?--CORNELIA: Daar word ik al weer in de rede gevallen. Als we +iemand op die manier prijzen of misprijzen, dan kunnen we ook wel kwaad +zeggen van Christus omdat hij gekruisigd is, en van den vromen Domitius +omdat hij in zijn huis is gestorven. En toch wordt aan Heliogabalus +niets ergers verweten dan dat hij het heilige vuur, dat door de +Vestaalsche maagden werd verzorgd, op den grond heeft geworpen, en dat +hij in zijn paleis in een kapel Mozes vereerde nevens Christus, dien zij +uit smaad "Chrestus," d.i. "Nutsman" noemden. Die Heliogabalus nu, heeft +ingesteld dat, evenals de Keizer met zijn raadslieden een vergadering +hield, om over gemeenschappelijke belangen te spreken, zoo ook zijn +moeder Augusta háár raad zou hebben, waar gesproken moest worden over de +belangen van het vrouwelijk geslacht: een vergadering die de mannen, 't +zij uit spot, 't zij om een onderscheid te maken: "gemeenteraadje" +noemden. Dit voorbeeld van zooveel eeuwen geleden te hernieuwen, wordt +ons van zelf door de omstandigheden reeds lang aan de hand gedaan. En ik +hoop dat niemand uwer zich zal laten afschrikken door 't feit, dat de +Apostel Paulus een vrouw verbiedt te spreken in een bijeenkomst, die hij +den naam van "uitgelezen vergadering" geeft.[2] Hij bedoelt natuurlijk +een bijeenkomst van vrouwen, terwijl dit een meeting is van vrouwen. +Want als vrouwen altijd maar moesten zwijgen, waartoe zou dan de natuur +ons de tong gegeven hebben, die toch niet minder vaardig is dan die der +mannen, en een stem, die niet minder klankvol is dan de hunne? Evenwel, +hun geluid klinkt veel meer rauw en schor dan het onze en het gelijkt +veel meer op het balken van ezels. Maar daarvoor moeten wij allen steeds +zorgen, dat wij deze zaak met zulk een ernst behandelen, dat ze ons +nooit meer "gemeenteraadje" noemen of dat ze misschien nog een +smadelijker naam uitdenken, zooals ze gewoonlijk grappig zijn ten onzen +koste. Hoewel--wanneer wij hunne bijeenkomsten eens naar haar innerlijke +waarde wilden schatten, dan zou blijken dat die zeer onbeteekenend zijn. +We zien dat de vorsten al in zooveel jaren niets anders doen dan +oorlogvoeren; onder godgeleerden, priesters, bisschoppen en 't publiek +heerscht absoluut geen overeenstemming. Zooveel hoofden, zooveel zinnen. +En onder hen allen heerscht meer dan vrouwelijke veranderlijkheid. Geen +staat leeft met een anderen staat in eensgezindheid, geen buurman met +zijn nabuur. Als ons de teugels van het bewind maar eens in handen +gegeven werden, dan zou de toestand van 't menschdom, (ik ben er zeker +van) heel wat draaglijker zijn. 't Is misschien niet overeen te brengen +met de schuchterheid aan vrouwen eigen om aan zulke groote en voorname +mannen een brevet van dwaasheid uit te reiken,--maar wèl mogen we, dunkt +me, aanhalen wat Salomo in het dertiende hoofdstuk van zijn Spreuken +zegt: "Door hoovaardij maakt men niet dan gekijf, maar bij de beradenen +is wijsheid." Maar om u thans niet langer met mijn inleiding bezig te +houden, moet er eerst, opdat alles in geregelde volgorde kunne +geschieden, zooals 't past, en zonder verwarring, besloten worden, wie +bij de beraadslagingen tegenwoordig zullen wezen, wie de zaal moeten +verlaten. Want een buitensporig aantal aanwezigen zou men eerder een +janboel kunnen noemen dan een vergadering: daarentegen heeft een comité +van enkelen iets tyrannieks. Volgens mijn meening moet hierbij geen +enkele ongetrouwde vrouw worden toegelaten, en wel om deze reden: dat er +veel dingen zullen voorkomen, die 't geen pas geeft dat zij +hooren.--JULIA: Maar waaraan kan men onderscheiden dat ze nog maagden +zijn? Of zullen zij maar als maagd beschouwd worden, die nog een kransje +dragen?--CORNELIA: Neen, daar ben ik 't niet mee eens. Mij dunkt we +moeten alleen getrouwde vrouwen opnemen.--JULIA: Als we niet anders +uitsluiten dan maagden, dan zal er een verbazend groote menigte blijven +en zal er niet veel vermindering te bespeuren zijn.--CORNELIA: Ook +moeten worden uitgesloten die meer dan driemaal getrouwd zijn.--JULIA: +Waarom dat?--CORNELIA: Daar zij om zoo te zeggen hun tijd hebben +uitgediend en gepensionneerd mogen worden. 't Zelfde dunkt me, moet ook +gebeuren met de vrouwen boven de zeventig jaren. Verder moet er bepaald +worden dat niemand over haar man, hem bij name noemend, oneerbiedig mag +spreken. Tegen het geheele mannengeslacht mag het, maar met deze +beperking: niet al _te_ veel.--CATHARINA: Waarom zou 't niet vrij staan +hier vrijuit over de mannen te spreken, daar zij zelf het altijd over +óns hebben? Als mijn Titus een vroolijk tafelgenoot wil zijn, dan +vertelt hij alles wat ik gedaan heb, en dikwijls verzint hij er nog 't +een en ander bij.--CORNELIA: Als wij de waarheid maar eens wilden +bekennen: of _wij_ in tel zijn hangt van de mannen af. Als wij hen +overleveren aan de publieke verachting, dan rooven wij ons zelf ook de +kroon van het hoofd. Maar we hebben werkelijk eenige rechtmatige reden +tot klagen. Gaan we evenwel de som van alles na, dan heeft onze positie +toch nog veel vóór boven de hunne. Terwijl zij zorgen voor de inkomsten, +moeten ze over landen en zeeën vliegen, dikwijls met groot gevaar voor +hun leven. Als er een oorlog uitbreekt worden zij door de trompet +opgejaagd. Geharnast moeten zij in het gelid staan, terwijl wij veilig +thuis zitten. Als zij iets tegen de wet misdoen, straft men hen streng: +onze sekse spaart men. Om kort te gaan, 't ligt grootendeels aan ons +zelven om onze mannen te hebben zooals wij ze graag willen. Ten slotte +moet er nog gesproken worden over de volgorde waarin we zitting zullen +nemen, opdat bij ons niet gebeure wat zoo dikwijls geschiedt bij +beraadslagingen van koningen, prinsen en kerkvorsten, die in hunne +bijeenkomsten soms drie heele maanden twisten vóór de zitting kan +beginnen. En dan dunkt mij dat het eerst aan de beurt komen om zitting +te nemen, de vrouwen van adel en bij deze hebben weer den voorrang die +met vier kwartieren, vervolgens die met één kwartier en ten laatste die +met een gehalveerd kwartier. En bij elken tak zal de rang naar gelang +van den ouderdom van de familie worden aangewezen. Bastaarden krijgen, +elk in haar familie, de laatste plaats. In de tweede plaats nemen +zitting de vrouwen van de burgerklasse. Hier nemen zij de eerste plaats +in, die 't grootst aantal kinderen ter wereld hebben gebracht. Bij +gelijke rechten zal de leeftijd beslissen. Ten derde komen zij die geen +kinderen gehad hebben.--CATHARINA: En waar plaats je de +weduwen?--CORNELIA: O, 't is goed dat je mij daaraan herinnert. Die +krijgen haar plaats onder de getrouwde vrouwen, als ze ten minste +kinderen hebben of gehad hebben. Dan moeten wij vaststellen, hoe een +raadsbesluit zal worden genomen, met stembriefjes of stemsteentjes, of +bij hoofdelijke stemming, of door 't opsteken der handen, of door uit +elkander te gaan staan.--CATHARINA: Met steentjes kan licht bedrog +gepleegd worden, net als met stembriefjes. Als we willen stemmen, door +naar verschillende kanten uiteen te gaan, zullen we te veel stof +opjagen, omdat wij sleepjaponnen dragen. 't Beste is dus maar, dat +iedere vrouw mondeling zegt hoe zij over een zaak denkt.--CORNELIA: Maar +'t is moeilijk de stemmen te tellen. En dan moet er wèl opgepast worden +dat 't in plaats van een vrouwen_raad_ geen vrouwen_praat_ +wordt.--CATHARINA: Zonder 't houden van notulen zal 't niet gaan, er mag +niets verloren gaan.--CORNELIA: Nu zoo zijn er dan maatregelen genomen +omtrent 't aantal deelnemers. Maar hoe zullen we 't getwist en gekijf er +buiten houden?--CATHARINA: Laat niemand spreken die daartoe niet is +uitgenoodigd en dan alleen maar op haar beurt. Wie zich daaraan niet +houdt, wordt uit den raad verwijderd. En verder, als er één is die 't +geen hier besproken wordt verklapt, die zal gestraft worden met een +gedwongen zwijgen van drie dagen.--CORNELIA: Goed. Zoo ver dus over de +manier waarop we de zaak zullen aanpakken. Hoort nu, wàt we zullen +behandelen. Vooreerst moeten we zorg dragen voor ons aanzien en +prestige. En dat ligt voornamelijk in onze uiterlijke verschijning. Die +wordt heden ten dage zóó verwaarloosd, dat men nauwlijks een onderscheid +kan zien tusschen een dame van adel en een vrouw uit het volk, een +getrouwde vrouw, een meisje, en een weduwe, tusschen een fatsoenlijke +gehuwde vrouw en een lichtekooi. Alle gevoel van schaamte is zoo ver de +wereld uit, dat iedere vrouw zich maar aanmatigt, wat ze maar wil. Men +kan tegenwoordig vrouwen uit de burgerklasse, ja zelfs uit heel lagen +stand zien, die zich kleeden in zijde, in sleepjaponnen, bebloemd, +gestreept, van fijn lijnwaad, met goud- en zilverdraad doorweven, ja met +sabelbont, terwijl intusschen hun mannen thuis schoenen zitten te +lappen. Haar vingers hebben ze beladen met smaragden en diamanten (want +paarlen zijn nu bij 't groote publiek in minachting), om over barnsteen, +koralen en goudleeren schoentjes maar niet eens te spreken. Vroeger was +'t voldoende voor eenvoudige vrouwen, ter eere van hare kunne, zijden +ceintuurs te gebruiken en de gespen van haar japon met een zijden +borduurseltje te versieren. Thans is 't kwaad dubbel. Vooreerst moet 's +mans vermogen er aan gelooven en in de tweede plaats gaat 't verschil +van stand verloren, wat toch maar de waarborg is dat ieder krijgt wat +hij waard is. Zoo vrouwen uit het volk mogen rijden in mooie wagens en +zich in draagstoelen met ivoor versierd en met fijn linnen gedekt kunnen +laten dragen, wat schiet er dan nog over voor dames van adel en aanzien? +En als een vrouw gehuwd met iemand die amper-aan Ridder is, reeds een +sleep draagt van vijftien el, wat moet dan de vrouw van een Hertog of +Graaf doen? En dit is des te ondraaglijker, omdat wij zoo nu en dan met +verwonderlijke onberedeneerdheid onze kleederdracht veranderen. Eertijds +hingen van de punten die uitsteken van den top onzer hoofdbedekking, +linten af. Door dat versiersel onderscheidden zich de voorname dames van +de vrouwen uit lageren stand. Om nu de gelijkheid weer weg te nemen +namen de eerstgenoemden hoeden aan, die van buiten wit bont toonden met +zwarte staartjes bezet. Onmiddellijk nam 't lage volk het over. Weer +veranderden de dames van onzen stand en gingen een zwarten mantel dragen +van linnen. De vrouwen van de lagere standen durfden dat niet alleen +nadoen, maar voegden er nog gouden franje aan toe, ja, ten slotte zelfs +edelsteenen. Oudtijds was het een voorrecht van edelvrouwen zich de +haren van 't voorhoofd en de slapen uit te trekken en de haren op de +kruin in een wrong te binden. Lang duurde 't niet of de eerste de beste +volgde dat na. Eindelijk gingen zij het haar dragen zóó dat het op 't +voorhoofd neerhing; ook de vrouwen uit het volk deden dit onmiddellijk +na. Alleen adellijke dames hadden eertijds pages en lakeien en onder +deze één bevoorrechten, die haar de hand moest reiken wanneer ze van +haar zitplaats ging opstaan, die haar linkerhand bij 't loopen met zijn +rechterhand mocht steunen. En die eer werd alleen maar toegestaan aan +knapen van edele geboorte. En nu de getrouwde vrouwen dit overal doen, +nemen ze ook maar ieder die wil tot dat dienstbetoon aan, bijv. tot de +taak van sleepdragers. Zoo groetten vroeger alleen maar adellijke dames +met een kus. En lang niet iedereen ontvingen ze daarmee, ja zelfs +reikten ze niet aan iedereen de hand tot den handkus. Nu schieten zelfs +zij, die naar leer stinken op een dame af, om haar een kus te geven, +zelfs al is het een dame met een adellijk wapenschild. Ook bij 't +sluiten van huwlijken, let men zelfs niet meer op aanzien en stand. +Vrouwen van adel huwen mannen uit 't volk, burgervrouwen met edellieden. +En zoo krijgen wij tot kinderen een halfslachtig kroost. En geen is er +van zóó lage geboorte, die er tegen op ziet al de kunstmiddeltjes der +edelvrouwen aan te wenden. Terwijl 't vrouwen uit 't volk voldoende +moest geweest zijn, schuim van jong bier of frisch aftreksel van +boombast te gebruiken of andere dingen, die men voor lagen prijs kan +koopen, hadden zij karmijn en blanketsel en andere fijne verfstoffen +moeten overlaten aan de voornamere dames. Hoe weinig orde is er nu bij +diners of wanneer zij zich in 't openbaar vertoonen! Dikwijls gebeurt +'t, dat de vrouw van een koopman niet verkiest te wijken voor een vrouw, +wier beide ouders van adel zijn. 't Is al lang een eisch van den tijd +dat we eens wat vaste regels hieromtrent vaststellen. En dat zullen wij +gemakkelijk onder elkander kunnen doen, omdat ze alleen de vrouwelijke +sekse aangaan. Maar, we hebben ook een appeltje te schillen met de +mannen, die ons van alle eerbetoon buitensluiten, en ons alleen maar +voor waschvrouw en kookster houden, terwijl zij alles naar hun eigen +goedvinden inrichten. Wij zullen hun dus graag hunne ambten overlaten en +de zorg voor de militaire zaken. Maar wie zou het kunnen dulden dat op +'t schild het wapen van de vrouw altijd aan den linkerkant staat, ook al +overtreft zij 's mans adel met drie maal zooveel kwartieren als de +zijnen? Verder is 't toch ook niet meer dan billijk dat de moeder een +woordje heeft mee te spreken in 't geven van een positie aan de +kinderen? En misschien zullen we ook dit nog eens gedaan krijgen, dat +wij op ónze beurt ook de openbare ambten bekleeden: ten minste die +ambten welke binnen de muren en zonder wapens te dragen, kunnen worden +bekleed. + +Dames, dat is in hoofdzaak wat me de moeite waard schijnt om er over te +beraadslagen. Laat ieder hierover eens bij zich zelve nadenken opdat er +raadsbesluiten over elk punt kunnen genomen worden, en als aan iemand +uwer soms nog iets in de gedachte komt, laat ze er dan morgen mee in de +vergadering voor den dag komen. We zullen immers iederen dag bijeenkomen +totdat wij de zitting ten einde hebben gebracht. Er moeten vier +secretaressen worden aangesteld om al wat er gesproken wordt op te +teekenen. Bovendien twee voorzitsters om 't woord te geven of te +ontnemen. + +Zoo hoop ik dan dat deze bijeenkomst moge welslagen onder begunstiging +van Godes genadige bescherming. + + +NOTEN: + +[1] Salomo. Spreuken 12. + +[2] Corinth. XIV. 34. Taceat mulier in ecclesia. + + + * * * * * + + +DE BEDEVAART + + +MENEDEMUS, OGYGIUS. + + Door Erasmus werden de _misbruiken_ in de kerk aangetast. Niet de + kerk zelve in haar geloof, doch de kwade praktijken (maar al te + veelvuldig in zwang) moesten zijn geeselstriemen voelen. En Erasmus + stond in zijn ergernis over de verfoeielijke misbruiken niet + alleen. Vele weldenkenden waren het met onzen Rotterdammer eens, + dat de door hem gehekelde vergrijpen tegen 't gezond verstand en + den reinen godsdienstzin ten volle verdienden belachelijk gemaakt + te worden. + + "In de Bedevaart" (zoo zegt Erasmus in 't Nut der Samenspraken) + "vaar ik uit tegen diegenen, die stormenderhand de beelden uit de + kerken hebben geworpen; verder tegen hen, die dol gesteld zijn op + reizen, onder voorwendsel van godsdienstzin ondernomen en waaruit + thans geheele broederschappen ontstaan zijn. Die naar Jeruzalem + geweest zijn, heeten Gulden Ridders. Zij noemen elkander broeders + en vieren op Palmzondag in allen ernst een belachelijk feest, daar + ze dan een houten ezel aan een touw voorttrekken, terwijl er + tusschen hen en den ezel niet veel onderscheid is. Dit is ook + nagevolgd door de bedevaartgangers, die naar St. Jacob van + Compostella in Gallicië geweest zijn. Men gunne hun die + liefhebberijen, maar men dulde niet dat zij zich die als daden van + godsvrucht toerekenen. Ook hen teeken ik met zwarte kool, die + relieken van onzekeren oorsprong voor echte en heilige + overblijfselen verkoopen of er meer kracht aan toekennen dan + billijk is, en ik haal hen over den hekel die uit zulke relieken + een bron van vuige winst maken." + +MENEDEMUS: Wat is dàt voor vreemds? Zie ik daar niet mijn buurman +Ogygius, die al zes maanden lang voor iedereen onzichtbaar was? Men +vertelde dat hij dood was. Ja waarachtig, hij is 't in eigen persoon of +ik lijd aan hallucinaties. 'k Zal naar hem toegaan en hem aanspreken. +Goeden dag, Ogygius.--OGYGIUS: 't Zelfde, Menedemus.--MENEDEMUS: Uit +welke streek ben je nu heelhuids teruggekeerd? Want de droeve mare had +zich hier verbreid dat je naar de onderwereld verzeild geraakt +waart.--OGYGIUS: Neen, God zij dank! in dien tusschentijd was ik zóó +gezond als ik vroeger zelden of nooit geweest ben.--MENEDEMUS: Nu ik +hoop dat je steeds dergelijke praatjes op dezelfde manier kunt +weerleggen. Maar wat zie je er vreemd versierd uit? Bekranst ben je met +aaneengeregen schelpjes, aan alle kanten zit je vol met tinnen en looden +beeldjes en je bent omhangen met halsketens van gevlochten stroo en aan +je pols bungelt een rozenkrans, net een sliert slangeneieren.--OGYGIUS: +Ik ben bij Sint Jacob van Compostella geweest. Toen ik van daar was +teruggekeerd, ging ik naar de Heilige Maagd aan zee, die zoo in eere is +bij de Engelschen. Of liever: ik heb haar weer opnieuw bezocht, want +voor drie jaren was ik er ook al geweest.--MENEDEMUS: Zeker terwille van +je zieleheil?--OGYGIUS: Neen, met godsdienstige oogmerken.--MENEDEMUS: +Dan heeft zeker de Grieksche litteratuur die godsdienstige ideeën bij je +gewekt?--OGYGIUS: Neen, mijn schoonmoeder had een gelofte gedaan dat als +haar dochter een zoon ter wereld bracht, ik in eigen persoon aan Sint +Jacob van Compostella onzen dank zou gaan betuigen, een bewijs van onze +dankbaarheid zou gaan geven.--MENEDEMUS: En toen ben je den Heilige gaan +begroeten alleen maar uit je eigen naam en dien van je +schoonmoeder?--OGYGIUS: Neen, uit naam van onze gansche +familie.--MENEDEMUS: Nu, ik denk dat je familie even welvarend zou +geweest zijn als je den Heiligen Jacob van Compostella _niet_ was gaan +begroeten. Maar zeg eens op, wat antwoordde hij toen je hem kwaamt +danken?--OGYGIUS: Niets. Alleen verbeeldde ik me dat hij me toelachte en +eventjes met 't hoofd knikte, toen ik hem mijn gave bracht en tegelijk +liet hij me dit snoer van schelpen overreiken.--MENEDEMUS: Waarom geeft +hij je dat bij voorkeur?--OGYGIUS: Wel, daarvan heeft hij een grooten +voorraad, omdat de zee in de buurt hem die aan de hand doet.--MENEDEMUS: +Wat een vriendelijke Heilige, die kraamvrouwen bijstaat en voor zijn +bezoekers ook nog wat over heeft! Maar wat is dat voor een vreemde +manier van geloften doen, dat men zelf rustig thuis blijft en door een +ander de moeite laat doen, zooals uw schoonmoeder deed? Als _jij_ nu een +gelofte gedaan hadt, dat _ik_ (als 't een of ander wat je ondernomen +hadt, gelukkig zou uitkomen) tweemaal in een week zou vasten, denk je +dan dat _ik_ zou doen wat _jij_ beloofd hadt?--OGYGIUS: Neen, ik denk +van niet, zelfs al had-je uit je eigen naam die gelofte gedaan. Want jij +maakt er een spelletje van om de Heiligen te bedotten. Maar in _mijn_ +geval was 't mijn schoonmoeder; ik moest haar zin wel doen. Je weet hoe +'t met vrouwen gesteld is als ze zich eens iets in het hoofd gehaald +hebben. En bovendien--'t ging _mij_ toch óók aan.--MENEDEMUS: Wat voor +gevaar liep je, wanneer je nu de gelofte eens niet hadt +vervuld?--OGYGIUS: 't Is waar, de Heilige kon me niet voor 't gerecht +dagen, maar hij zou in 't vervolg doof kunnen zijn voor mijn gebeden of +stil een ongeluk over mijn familie kunnen brengen. Je weet: hoe 't met +groote heeren gaat!--MENEDEMUS: Zeg me eens, hoe gaat 't met de zaken +daar bij dien goeden Jacob?--OGYGIUS: Vrij wat minder florissant dan +vroeger.--MENEDEMUS: Hoe dat zoo? Wordt hij oud?--OGYGIUS: Och, jij +grappenmaker. Je weet wel dat Heiligen niet oud worden. Maar die nieuwe +leer, die zich zoo over de wereld, verspreidt, maakt dat men hem niet +meer zoo druk komt begroeten als vroeger wel de gewoonte was. En áls de +menschen nog komen, dan komen ze alleen maar met een begroeting. +Geschenken brengen ze niet mee, of 't zijn heel geringe, omdat ze +beweren dat men het geld beter kan besteden voor de armen.--MENEDEMUS: +Wat een goddelooze leer!--OGYGIUS: En zoo staat daar nu die machtige +Apostel die altijd placht te blinken en schitteren van edelsteenen en +goud, als een houten pop, ternauwernood met een enkel +vetkaarsje.--MENEDEMUS: Nu, wanneer 't waar is wat ik hoor vertellen, +dan loopen ook de andere Heiligen groot gevaar dat hun 't zelfde +gebeurt.--OGYGIUS: Er is zelfs een brief in omloop die eigenhandig +daarover door de Heilige Maagd Maria geschreven is.--MENEDEMUS: Welke +Maria?--OGYGIUS: Maria bijgenaamd "Van Steen."--MENEDEMUS: Je bedoelt +Maria uit 't land bij Bazel?--OGYGIUS: Juist, die.--MENEDEMUS: Je +spreekt me daar dus van een steenen Heilige. Maar aan wien heeft ze +geschreven?--OGYGIUS: De naam staat in den brief zelf.--MENEDEMUS: Door +wien is de brief bezorgd?--OGYGIUS: Zeker door een engel, die den brief +had neergelegd op den preekstoel van den prediker aan wien de brief +geadresseerd is. En opdat je niet 't minste bedrog zoudt kunnen +vermoeden, zul-je den eigenhandig geschreven brief zelf +zien.--MENEDEMUS: Kent ge dan de hand van den engel die particulier +secretaris van de Heilige Maagd is?--OGYGIUS: Zeer zeker.--MENEDEMUS: En +op welken grond wel?--OGYGIUS: 'k Heb het grafschrift van Beda gelezen, +waarvan men zegt dat 't ook door engelen is ingebeiteld. De vorm van de +letters in dat grafschrift komen geheel met die van den brief overeen. +Ik heb ook het briefje gelezen dat aan den Heiligen Egidius gezonden +was. Ook die gelijken precies op de anderen. Is dat alles geen duidelijk +bewijs?--MENEDEMUS: Zou ik den brief eens mogen inzien?--OGYGIUS: 't Mag +wanneer je er een eed op doet dat je er over zult zwijgen.--MENEDEMUS: +'k Zal zwijgen als een mof.--OGYGIUS: Ja, maar er zijn ook wel moffen, +ja zelfs in de geschiedenis zijn zelfs steenen bekend, die op dit punt +in kwaden naam staan, omdat ze niets kunnen stilhouden.--MENEDEMUS: +Beschouw me dan maar als een stomme, als je een mof zoo weinig +vertrouwt.--OGYGIUS: Nu, op die voorwaarde wil ik je den brief +voorlezen: spits je beide ooren!--MENEDEMUS: Ze zijn gespitst.--"Maria +de Moeder van Jezus groet den priester Donkerschat. Dat gij, in +navolging van Luther, de menschen tracht te overtuigen dat het overbodig +is de Heiligen aan te roepen, daarvoor ben ik u in zeker opzicht grooten +dank verschuldigd. Want vroeger werd ik door de onbeschaamde gebeden der +menschen tot vervelens toe gekweld. Zij vroegen van mij alleen alles, +alsof mijn Zoon nog eeuwig een kind bleef, omdat hij altijd zoo wordt +afgebeeld en afgeschilderd op mijn schoot, alsof hij nog van de genade +van zijn moeder afhing en niets aan iemand die hem wat vroeg zou kunnen +weigeren, natuurlijk uit vrees, dat ik hem dan wederkeerig de borst zou +weigeren als hij zou willen zuigen. Somtijds vraagt men mij, die toch +een maagd ben, dingen welke een ingetogen jongman ternauwernood van een +gemeene koppelaarster zou durven vragen en welke ik niet waag neer te +schrijven. Soms komt een koopman die voor handelszaken naar Spanje op +reis gaat, mij de kuischheid van zijn bijzit aanbevelen. Dan weer komt +een nonnetje, die vluchten wil uit 't klooster en den sluier wil +afwerpen mij vragen, of ik haar ongerepten naam wil beschermen dien ze +zelve te grabbelen gaat gooien. Een brutaal soldaat die gehuurd is ter +slachting, roept uit: "Heilige Maagd geef me een rijken buit." Een +dobbelaar roept: "Begunstig mij, Heilige Maagd: gij zult de winst met +mij deelen." En wanneer de dobbelsteen dan geen gunstigen uitslag geeft, +dan overladen ze mij met scheldwoorden en moet ik allerlei +verwenschingen hooren omdat ik geen schurken wil helpen. De lichtekooi, +die met haar lichaam den kost wint, roept mij aan en zegt: "Geef mij een +ruime verdienste." En als ik iets weiger, dan moet ik dadelijk hooren: +"Dan ben je ook geen Moeder der barmhartigheid!" De beden van anderen +weer zijn niet zoo zeer slecht dan wel laf. Een ongehuwde juffrouw bidt: +"Maria geef me een rijken en mooien bruigom." Een getrouwde vrouw: +"Schenk mij mooie kinderen." Een zwangere vrouw: "Maak mij mijn +bevalling licht." Een oude vrouw: "Maak dat ik lang mag leven zonder +hoest en zonder dorst." Een oude malle gek: "Geef dat ik weer jong mag +worden." Een wijsgeer roept uit: "Maak dat ik onontwarbare +wetenschappelijke knoopen kan leggen." Een priester vraagt: "Geef mij +een mooie priesterplaats." Een Bisschop vraagt: "Bescherm mijn Kerk." De +zeeman: "Verleen mij een veilige vaart." Een gouverneur zegt: "Laat mij +uw Zoon zien vóór ik sterf." Een hoveling: "Doe mij in mijn stervensuur +eerlijk en naar waarheid mijn zonden biechten." Een boer bidt: "Geef mij +regen op tijd." Een boerin: "Bewaar ons klein en groot vee in +gezondheid."--Weiger ik iets, dan heet ik dadelijk onbarmhartig. Zoo ik +hen naar mijn Zoon verwijs, dan moet ik hooren: "_Hij_ wil alles wat +_gij_ wilt." Moet _ik_ in mijn eentje, die maar een vrouw en nog al een +maagd ben, hulp verleenen aan varenslieden, krijgers, handelaars, +spelers, trouwende paren, zwangere vrouwen, gouverneurs, vorsten en +boeren? Maar alles wat ik daar gezegd heb, is nog maar een klein deel +van 't geen ik te doorstaan heb. Van dat alles heb ik tegenwoordig veel +minder last dan vroeger, en daarom zou ik u van harte dank zeggen, ware +het niet dat dit voordeel een veel grooter nadeel met zich meesleepte. +Ik heb nu wel veel meer vrijen tijd, maar minder eerbewijzen en minder +inkomsten. Vroeger werd ik begroet als "Hemelskoningin," "Meesteres der +Wereld," nu hoor ik ternauwernood uit den mond van enkelen een "Ave +Maria." Vroeger behing men mij met kostbare steenen en goud, kreeg ik +fraaie kleedingstukken in overvloed, werden mij giften in goud en +edelsteenen gebracht, tegenwoordig krijg ik ternauwernood een klein +manteltje en dat nog wel een waaraan de muizen geknabbeld hebben. De +jaarlijksche inkomsten zijn zóó gering geworden, dat ik er ternauwernood +een armzaligen kerkdienaar van kan onderhouden om een lampje of een +vetkaars voor mij aan te steken. En dat alles zou nog te dragen zijn, +wanneer men niet vertelde dat gij nog grooter plannen koestert. Men zegt +dat gij 't daarop aanstuurt: alle Heiligen uit de kerken te jagen. +Bedenk echter wèl wat gij gaat doen. Den anderen Heiligen ontbreekt 't +niet aan de macht om zich te wreken over 't onrecht hun aangedaan. +Wanneer ge Petrus uit de kerk werpt, dan kan hij voor u op zijn beurt de +deur van den hemel sluiten. Paulus heeft zijn zwaard. Bartholomeus is +met een mes gewapend. Wilhelmus heeft onder zijn monnikspij een volledig +harnas en draagt daarbij een flinke lans. En wat wilt ge tegen den +Heiligen Joris uitrichten, die te paard zit en geheel geharnast is, +schrikwekkend door speer en zwaard? Antonius is ook niet ongewapend: hij +heeft zijn heilig vuur. En ook de overigen hebben hun wapens of hun +kwalen, die ze toezenden aan wien ze willen. Maar mij, ongewapend als ik +ben, zul je er niet uitwerpen of 't moest wezen tegelijk met mijn Zoon, +dien ik op mijn arm draag. Van hem laat ik me niet scheiden. Ge moet hem +met mij uitstooten, of ge moet ons beiden met rust laten, of ge moest +soms liever een kerk hebben zonder Christus. Dat wilde ik u even doen +weten. Bedenk wat ge mij meent te moeten antwoorden. Want de zaak ligt +mij na aan 't harte.--Geschreven uit onze Kerk van Steen den 1en +Augustus van het jaar van 't lijden mijns Zoons 1524. Door mij, maagd +van Steen eigenhandig onderteekend."--MENEDEMUS: Wel, die brief klinkt +dreigend en schrikaanjagend. Pastoor Donkerschat zal dunkt me wel +oppassen.--OGYGIUS: Als hij ten minste verstandig is.--MENEDEMUS: Waarom +heeft die goede Sint Jacob hem óók niet over dezelfde aangelegenheid +geschreven?--OGYGIUS: Dat weet ik niet; misschien omdat hij wat ver af +woont en tegenwoordig alle brieven onderschept worden.--MENEDEMUS: Welke +goede hoogere Macht heeft je naar Engeland gebracht?--OGYGIUS: Een +bijzonder gunstige wind lokte mij er heen en ik had ook zoowat half +beloofd aan de Heilige Moedermaagd aan de Zee dat ik haar na twee jaren +wéér zou komen bezoeken.--MENEDEMUS: Wat was je van plan haar te +vragen?--OGYGIUS: Och, niets bijzonders. Alleen maar die gewone dingen: +dat mijn familie gezond mocht blijven, vermeerdering van mijn vermogen, +een lang en gelukkig leven hier op aarde en altijddurende gelukzaligheid +in 't toekomende.--MENEDEMUS: Kon de Heilige Moeder Gods bij ons u dat +dan niet geven? Zij heeft te Antwerpen een vrij wat mooier kerk dan die +in Engeland is, aan de zee.--OGYGIUS: 'k Zal niet zeggen dat ik 't niet +kàn, maar de Heilige Maagd schenkt hier dit en daar dàt, hetzij dat 't +haar nu eens zoo in den zin komt, hetzij dat ze zich naar onze neigingen +en verlangens schikt, welwillend als ze is. Van Sint Jacob van +Compostella heb ik dikwijls gehoord: maar vertel me eens iets, als je +wilt, van 't rijk van die Heilige Maagd aan de Zee.--OGYGIUS: Goed, ik +zal 't zoo beknopt doen als ik kan. Het is een Heilige die in geheel +Engeland geëerd wordt en men zal op dat eiland niet licht iemand vinden +die hoopt dat 't hem goed zal gaan of hij komt haar jaarlijks met een +kleine gave naar gelang van zijn fortuin begiftigen.--MENEDEMUS: Waar +huist ze?--OGYGIUS: Aan den uithoek van Engeland, in het Noordwesten, +niet ver van de zee, ongeveer drie mijlen. Het is een dorpje dat +nauwelijks van iets anders bestaat dan van de talrijke pelgrims. Er is +een college van Kanunniken, die den latijnschen bijnaam van Regulieren +dragen. 't Is een midden-slag geestelijken tusschen monniken en +kanunniken die men "wereldlijke" noemt.--MENEDEMUS: Zoo'n soort van +amphibieën dus, zooiets als de bevers.--OGYGIUS: Ja, en ook de +krokodillen. Maar, alle gekheid ter zijde. In drie woorden kan ik zeggen +wat ge wilt weten. Kanunniken zijn gehaat, monniken staan in de +gunst.--MENEDEMUS: Je spreekt nòg in orakeltaal.--OGYGIUS: Laat ik er +dan een wiskundige verklaring bijvoegen. Als de Paus te Rome eens alle +monniken met zijn banbliksem trof, dan zouden dezen hier zich als +Kanunniken beschouwen en niet als monniken. En als diezelfde Paus alle +monniken toestond een vrouw te nemen, dan zouden ze verklaren monniken +te zijn.--MENEDEMUS: 'k Wou dat ze bij die gelegenheid mijn vrouw +meenamen!--OGYGIUS: Maar, om op ons onderwerp terug te komen: dit +college heeft eigenlijk geen andere inkomsten dan die welke de +goedgunstige beschikking van de Heilige Maagd hun toestaat. De grootere +kerkgeschenken worden bewaard. Maar wat er aan geld binnenkomt of aan +zaken van minder waarde, dat wordt gestort in de kas om er de Orde en +haar hoofd van te onderhouden. Deze heet bij hen Prior.--MENEDEMUS: Zijn +'t menschen van goeden levenswandel?--OGYGIUS: Daar hoort men niet over +praten. Ze zijn rijker in vroomheid dan in jaarlijksche inkomsten. Het +is een aardige en smaakvolle kerk. Maar de Heilige Maagd woont daarin +niet, eershalve heeft ze die aan haar Zoon afgestaan. De Heilige Maagd +heeft haar eigen kerk, om rechts van haar Zoon te +verblijven.--MENEDEMUS: Rechts? Waar ziet haar Zoon dan heen?--OGYGIUS: +Goed opgemerkt! Als hij naar 't westen ziet, dan heeft hij zijn moeder +rechts; wendt hij zich naar 't oosten, dan bevindt zij zich links. Maar +zij woont daar niet. Haar kerk is nog niet gereed: de wind kan er nog +overal doorheen spelen omdat deuren en vensters nog openstaan: en de zee +waarop alle winden ontstaan, ligt vlak bij.--MENEDEMUS: Dat is hard. +Waar woont ze dan?--OGYGIUS: Wel in de kerk, waarvan ik vertelde dat ze +nog niet af is, bevindt zich een kapelletje, van planken in elkaar +gezet, waarin aan weerskanten door een nauw deurtje de bezoekers worden +toegelaten. Er is slechts weinig licht en alleen maar van waskaarsen en +het riekt er heerlijk.--MENEDEMUS: Dat behoort alles zoowat bij de +uitoefening van den godsdienst.--OGYGIUS: Ja, wanneer je naar binnen +ziet, Menedemus, dan zou je zeggen: dat is een verblijfplaats voor +Heiligen, zoo schittert alles van edelsteenen, goud en +zilver.--MENEDEMUS: Je doet me van verlangen branden om er ook eens heen +te gaan.--OGYGIUS: Nu, je zult geen berouw hebben van de genomen +moeite.--MENEDEMUS: Is daar ook niet de een of andere heilige olie te +krijgen?--OGYGIUS: Dommerik! Die wordt immers alleen maar door de graven +van enkele Heiligen uitgezweet, bijv. van Andreas en Catharina. Maria is +immers niet begraven.--MENEDEMUS: Je hebt gelijk, ik vergiste me. Maar +maak je verhaal af.--OGYGIUS: Om de vereering meer en meer te bevorderen +wordt op de eene plaats dit, op de andere dat getoond.--MENEDEMUS: En +misschien ook wel om de goedgeefschheid te bevorderen, volgens 't zeggen +van den latijnschen dichter Ovidius: + + "Veel handen geven rijken buit, + Strekt veler hand zich beedlend uit." + +OGYGIUS: Overal staan dan ook "gidsen door de heilige plaatsen" den +bezoeker ten dienste.--MENEDEMUS: Van de Kanunniken?--OGYGIUS: Neen! Die +neemt men daarvoor niet. En wel hierom: men wil niet dat zij ten gevolge +van den godsdienst van hun godsdienst vervreemden en terwijl ze de +Heilige Maagd dienen, hun eigen maagdelijkheid te grabbelen gooien. +Alleen bevindt zich in de kapel, waarin ik zei dat de Heilige Maagd +vertoeft, bij het altaar een kanunnik.--MENEDEMUS: Waartoe?--OGYGIUS: Om +de gaven in ontvangst te nemen en te bewaren.--MENEDEMUS: Is men +verplicht te geven of men wil of niet?--OGYGIUS: Neen, volstrekt niet. +Maar sommige bezoekers brengt een soort van vrome schaamte er toe om te +geven, wanneer er iemand bij staat, terwijl ze niets zouden geven als er +niemand bij was. Of ook wel: ze geven heel wat meer dan ze anders zouden +geven.--MENEDEMUS: Je noemt daar een echt menschelijk zwak dat ik bij +ondervinding ken.--OGYGIUS: Er zijn er die zóó verknocht zijn aan de +Heilige Maagd dat ze onder den schijn van een gave op 't altaar te +leggen met een bewonderenswaardige handigheid wegstelen wat een +voorganger er had neergelegd.--MENEDEMUS: En als er nu eens niemand +stond, zou dan de Heilige Maagd zulke schurken niet onmiddellijk met +haar bliksem treffen?--OGYGIUS: Waarom zou de Heilige Maagd dit eerder +doen dan God in den Hemel, voor wien sommige menschen zóó weinig eerbied +hebben dat ze hem van zijn kerksieraden durven berooven, zelfs zóó, dat +ze door de muren van de kerk heen breken?--MENEDEMUS: Ik ben 't nog niet +met mij zelven eens waarover ik meer verwonderd moet zijn: over de +verregaande onbeschaamdheid van die heiligschenners of over Gods +lankmoedigheid.--OGYGIUS: Nu dan. Aan de noordzijde is een poortje, niet +van de kerk (je mocht je soms eens vergissen) maar van de omheining +waarmee 't geheele terrein bij de kerk behoorend wordt omsloten. Die +poort heeft weer een klein deurtje zooals wij die in de groote dubbele +deuren van de adellijke kasteelen zien. Ieder die wil binnentreden, +loopt eerst gevaar zijn scheenbeen te schaven en ziet zich daarna +gedwongen flink te bukken om zijn hoofd niet te stooten.--MENEDEMUS: 't +Is maar veiliger om door zoo'n deurtje 't huis van je vijand niet binnen +te gaan.--OGYGIUS: Dat is een goede opmerking. De "gids door 't +Heiligdom" vertelde dat indertijd een Ridder te paard door dat deurtje +aan een hem vervolgenden vijand ontsnapt was, die hem op de hielen zat. +De ongelukkige die reeds wanhoopte aan redding had door een plotselinge +ingeving zijn leven aanbevolen aan de Heilige Maagd die in de buurt was. +Want hij was van plan om tot Haar altaar te vluchten als de groote poort +openstond. En hoor nu eens het ongehoorde wonder! Eensklaps stond de +ruiter met paard en al binnen de omheining van het kerkhof, terwijl zijn +vervolger tevergeefs buiten voor de poort stond te razen en te +tieren.--MENEDEMUS: En wist de gids je dit verhaal aannemelijk te +maken?--OGYGIUS: Ja zeker.--MENEDEMUS: Dat ging bij zoo'n wijsgeer als +jij bent, toch zeker zoo héél gemakkelijk niet.--OGYGIUS: Hij wees mij +op de deur een koperen plaat met spijkers er op vastgehecht, waarop een +afbeelding van den geredden ridder stond in de kleedij die het Engelsche +volk toen placht te dragen, zooals wij die ook op schilderijen van ouden +datum zien weergegeven. Als die niet liegen, dan hadden de barbiers van +die dagen weinig te doen, evenals de lakenververs en +lakenwevers.--MENEDEMUS: Hoe dat zoo?--OGYGIUS: Omdat de man een baard +had als een geit en omdat er geen enkele plooi zat in zijn +kleedingstukken, die zóó weinig ruimer waren dan zijn lichaam, dat dit +er nauw door was ingesnoerd. Daar was ook nog een andere plaat die de +afbeelding en de grootte van de kapel voorstelde.--MENEDEMUS: Ja, dan +màg men niet meer twijfelen.--OGYGIUS: Onder aan het deurtje was een +ijzeren vlechtwerk, om alleen voetgangers door te laten. Het paste toch +niet dat een ander paard weer de plaats zou betreden, vroeger door dien +Ridder aan de Heilige Maagd gewijd.--MENEDEMUS: En te recht!--OGYGIUS: +Als men nu van hier oostwaarts gaat, komt men aan een kapel vol van +allerlei heilige overblijfselen. Daar ga ik heen. Een andere tempelgids +neemt er de leiding over. Wij prevelen eerst eenige gebeden. Nu wordt +ons een lid van een menschenvinger getoond, en wel van een middelvinger. +Ik kuste dien en vroeg van wien die relikwieën waren. Hij zei: van Sint +Pieter. Toch niet van den Apostel? Hij beweerde van ja. Terwijl ik +daarop de lengte van 't vingerlid aandachtig bekeek, dat wel een aan +reus kon hebben toebehoord, zei ik: "St. Pieter moet wel een man van +buitengewoon groote lichaamsgestalte geweest zijn." Bij die woorden +schoot één van de omstanders in een luiden schaterlach. Dat kon ik niet +uitstaan. Als hij zich stilgehouden had zou de kerkbewaarder ons al de +andere relikwieën getoond hebben. Wij brachten hem zoo goed en zoo kwaad +als het ging weer in zijn humeur door hem eenige geldstukjes te geven. +Vóór de kapel bevond zich een afdakje waarvan hij verzekerde dat het op +een winterdag, toen de sneeuw alles bedekt had, plotseling daarheen van +een verre plaats was aangebracht. Onder dat afdak heeft men twee putten +tot den rand toe vol. De bronwel daarvan is naar men zegt aan de Heilige +Maagd gewijd. Het water is bijzonder koud en werkt heilzaam naar men +zegt voor hoofd- en maagpijn.--MENEDEMUS: Als koud water hoofd- en +maagpijn geneest, dan zal later ook nog wel eens olie dienen om een +brand te blusschen.--OGYGIUS: Maar mijn waarde: 't is immers juist een +wonder dat ik vertel. Wat zou 't anders voor een wonder wezen als koud +water dorst leschte?--MENEDEMUS: Dit is nu zeker 't ééne deel van 't +historietje.--OGYGIUS: Ze verzekerden dat die bron plotseling was +ontsprongen op bevel van de Heilige Maagd. Ik bekeek alles in het rond +nauwkeurig en vroeg: hoeveel eeuwen er verloopen waren sedert die luifel +daar was aangebracht. Hij zei: "Al verscheidene." "De muren van de kapel +zien er anders niet erg oud uit," zei ik. Hij ontkende dat niet. "Zelfs +niet die houten kolommen." Hij ontkende dan ook niet dat ze daar onlangs +neergezet waren en trouwens men kon dat ook duidelijk zien. "En verder," +zei ik, "lijken dat dak en stroo nog al van nieuwe bouwstof te wezen." +Hij moest dat toegeven. "En zelfs die dwarsbalken en de schuine balken +waarop 't riet en 't stroo steunen, schijnen me nog niet zoo héél lang +daar te liggen." Hij knikte van ja. En toen ik dus merkte dat er geen +stuk meer van de hut uit den ouden tijd overbleef, zei ik: "maar hoe kan +men dan met zooveel zekerheid zeggen dat dit afdak van verre is +aangebracht?"--MENEDEMUS: Hoe heeft zich die tempel-rot daaruit weten +los te praten?--OGYGIUS: Nu, eerst toonde hij ons een zeer oude +beerenhuid die van den balk afhing en hij lachte bijkans om onze +onverschilligheid, dat wij voor zulk een bewijsgrond geen oogen hadden. +Zóó werden we dan overtuigd en terwijl we vergiffenis vroegen voor onze +traagheid van begrip, gingen wij over tot 't bezichtigen van de +hemelsche melk der Heilige Maagd.--MENEDEMUS: Wat lijkt die Moeder op +Haar Zoon! Hij heeft ons zooveel van Zijn bloed op aarde gelaten, +terwijl Zij ons zooveel van Haar melk schonk, dat het nauwelijks te +gelooven is dat één vrouw met één kind zooveel voedsel zou hebben gehad, +ook al had het kindeke er niets van gedronken.--OGYGIUS: Met diezelfde +bezwaren komen ze ook aandragen tegen 't Kruis van onzen Heiland, +waarvan 't hout op zooveel plaatsen, particuliere en publieke, wordt +getoond, dat als de brokstukken ervan bij elkander werden gebracht, men +een scheepslading bijeen zou hebben. Intusschen heeft onze Heer en +Heiland dat kruis toch alléén gedragen.--MENEDEMUS: Nu, komen u al die +stukken van het kruis ook niet verwonderlijk voor?--OGYGIUS: Vreemd mag +'t misschien genoemd worden, maar ongeloofelijk volstrekt niet, daar +immers de Heer, die dit naar Zijn welbehagen kan vermeerderen, almachtig +is.--MENEDEMUS: Gij legt dit nu wel op een vrome wijze uit, maar ik zou +bang zijn dat veel van dergelijke verhalen worden verzonnen om er een +zoet winstje mee te behalen.--OGYGIUS: Ik geloof niet dat God het zal +gedoogen, wanneer men hem op die manier wil bedotten.--MENEDEMUS: Ja +maar, wanneer door kerkeschenners roof gepleegd wordt, dan verroert noch +de Heilige Moeder Gods, noch Haar Zoon, noch de Vader of de Heilige +Geest zich ook maar in 't minst, of verschrikt 't zij door een knik, 't +zij door een geluid den schuldige. Zóó groot is Hunne +lankmoedigheid.--OGYGIUS: Ja, het _is_ zoo. Maar hoor nu verder. De melk +waarvan ik sprak, wordt op het hoogaltaar bewaard. Midden daarop staat +een Christusbeeld met de Moeder Gods eershalve aan Zijn rechterzijde. De +melk toch stelt de Moeder voor.--MENEDEMUS: Kan men dan de melk +zien?--OGYGIUS: Natuurlijk, in een kristallen omhulsel.--MENEDEMUS: Dus +vloeibaar.--OGYGIUS: Wat wou je nu praten van _vloeibaar_, terwijl de +melk meer dan vijftienhonderd jaren geleden uit de borst gekomen is. +Neen, de melk is samengeronnen: men zou haast zeggen fijn gewreven krijt +met wit van een ei vermengd.--MENEDEMUS: Waarom toont men ze dan niet +onbedekt?--OGYGIUS: Wel natuurlijk dat de melk van de Maagd niet +bezoedeld zal worden door de kussen van mannen.--MENEDEMUS: Dat laat +zich hooren. Want er zijn, dunkt me, mannen, die er een niet reinen en +niet maagdelijken mond zouden aanzetten.--OGYGIUS: Zoodra de kerkegids +ons in 't oog kreeg liep hij op ons toe, schoot een linnen gewaad aan, +voegde er een priesterlijke stool over zijn schouders aan toe, knielde +eerbiedig neer en lag in aanbidding. Daarna reikte hij ons de Heilige +Melk toe om die te kussen. Toen knielden ook wij op de onderste trap van +het altaar eerbiedig neer. Na eerst Christus gegroet te hebben, sprak ik +tot de Heilige Maagd het volgend gebed uit dat ik juist hiervoor had +opgesteld: "Moedermaagd, Gij die waardig gekeurd zijt met Uwe +maagdelijke borsten den Heer van Hemel en aarde, Uwen Zoon Jezus te +laven, wij spreken de bede uit dat wij, door Zijn bloed gereinigd, mogen +toenemen in braafheid en dat wij mogen bereiken die gelukkige jeugd van +duivenonschuld welke, onbekend met slechtheid, bedrog en list, bij +voortduring dorst naar de melk van de wetenschap van het Evangelie, +totdat die kindsche staat opgegroeid zij tot volmaakten mannelijken +leeftijd, naar de mate van de volheid van Christus, wiens zalige +gemeenschap gij ten eeuwigen dage moogt genieten met den Vader en den +Heiligen Geest. Amen!"--MENEDEMUS: Nu, dat is een vroom gebed. En wat +deed de Heilige Maagd?--OGYGIUS: Wel 't scheen me toe dat Zij beiden, +Zij en Haar Zoon, mij toeknikten, als ik me ten minste niet heelemaal +vergis. Ik verbeeldde mij dat die Heilige Melk een weinig opsprong en 't +scheen mij toe alsof de avondmaalskelk wat glanzender blonk dan te +voren. Intusschen kwam de tempelgids weer op ons af, wel zonder een +woord te zeggen, maar terwijl hij ons een bordje voorhield, zooals bij +ons de menschen dat hebben, die bruggetolgeld innen.--MENEDEMUS: Ja 'k +heb wat dikwijls die bedelbordjes verwenscht, toen ik in Duitschland +reisde.--OGYGIUS: We gaven eenige muntstukken, die hij de Heilige Maagd +aanbood. Hierop liet ik hem door bemiddeling van een jongen man, die de +taal goed verstond en die heel aardig praten kon (ik geloof dat hij +Robert Aldrisius heette) zoo beleefd mogelijk vragen, welke bewijzen hij +er voor had, dat dit werkelijk melk van de Heilige Maagd was. Ik was uit +echt vrome belangstelling nieuwsgierig dit te weten, om enkele +ongeloovigen, die gewoonlijk met al dergelijke dingen den spot drijven, +den mond te kunnen snoeren. Eerst fronsde de kerkegids zijn voorhoofd en +zweeg stil. Ik liet mijn tolk nader aandringen, en hij deed dit dan ook +heel vriendelijk: en wel zóó, dat als hij de Heilige, pas bevallen van +Haar kindje, zóó had aangesproken, Zij hem dit niet kwalijk zou hebben +genomen. Maar de kerkegids, als door een hoogere macht bezield, keek ons +met verschrikte oogen aan, alsof hij met een gevoel van afschuw onze +godslasterlijke taal vervloekte. "Wat behoeft ge daarnaar te vragen," +zei hij, "daar er toch een authentiek stuk van aanwezig is?" En 't had +er heel veel van dat hij ons als ketters wilde wegjagen, iets wat zeker +gebeurd zou zijn, als we hem niet door 't geven van wat geld een beetje +zachter hadden gestemd.--MENEDEMUS: En wat deedt jelui +intusschen?--OGYGIUS: Wij? Ja, dat kun je denken! Wij dropen af alsof we +een pak slaag gekregen hadden of door den bliksem getroffen waren, +terwijl we onderdanig om vergiffenis vroegen voor onze drieste vraag. +Zoo behoort 't in zaken die 't heilige raken. Van daar gingen we nu naar +'t kapelletje, de eigenlijke verblijfplaats van de Heilige Maagd. Toen +we daarheen stapten, vertoonde zich een monnik van de orde der +Minderbroeders. Vorschend keek hij mij aan. Even daarna een tweede, die +mij óók weer van hoofd tot voeten opnam. Daarna nog een +derde.--MENEDEMUS: Ze wilden misschien je portret maken.--OGYGIUS: Nu, +ik had een heel ander vermoeden.--MENEDEMUS: Wat dan?--OGYGIUS: Dat de +een of andere tempelroover iets uit 't kostbare kapelletje van de +Heilige Maagd gestolen had en dat 't vermoeden op mij gevallen was. Toen +ik dus de kapel was binnengetreden stortte ik het volgend gebed uit voor +de Heilige Moeder Gods: "O Gij, de Eénige onder alle vrouwen die moeder +zijt en maagd, zaligste Moeder, reinste Maagd: wij, onrein en bezoedeld +komen tot U, Reine, met onzen groet, om U, hoe we dan ook mogen zijn, +met onze geschenken te eeren. Moge Uw Zoon ons de genade verleenen dat +wij, Uwen vlekkeloozen wandel navolgende, ons waardig maken, dat ook +wij, door de gunst van den Heiligen Geest op een geestelijke wijze, +Jezus ontvangen in ons binnenste binnenste en wanneer wij hem éénmaal +hebben opgenomen, hem nimmer weer verliezen. Amen!" Terwijl ik het +altaar kuste, legde ik wat geld neer en verwijderde mij.--MENEDEMUS: En +wat deed daarop de Heilige Maagd? Gaf ze door geen enkelen wenk te +kennen dat ze uw gebed verhoord had?--OGYGIUS: Het was er, zooals ik je +al zei, slechts twijfelachtig licht en Zij stond daar in 't duister aan +de rechterzijde van het altaar. Ook hadden mij de woorden van den +vorigen kerkegids zóó uit 't veld geslagen dat ik mijn oogen eigenlijk +niet vrij durfde opslaan.--MENEDEMUS: De afloop van dien tocht was dus +niet zoo héél vroolijk?--OGYGIUS: Integendeel, +allerprettigst.--MENEDEMUS: Je geeft mij weer moed. Want mijn moed was +me in de schoenen gezonken, zooals uw dichter Homerus dat zegt.[1] Na +iets genuttigd te hebben gaan we weer naar de kerk.--MENEDEMUS: Durfde +je dat, jij die van tempelroof verdacht waart?--OGYGIUS: Misschien +dachten anderen dat van mij; maar ik wist mij zelf onschuldig. Iemand +die zich van geen kwaad bewust is, kent geen vrees. Ik voelde me sterk +aangetrokken tot de oorkonde, waarnaar de bewaarder ons verwezen had. Na +lang zoeken vonden we die eindelijk: maar zij was ergens in de hoogte +opgehangen, zoodat ze maar niet door een ieders oogen kon worden +gelezen. Mijn oogen zijn zóó dat 't wel geen oogen zijn als van een +lynx, maar dat ik toch ook niet kippig ben. Toen dus Aldrisius ons het +stuk voorlas, volgde ik de woorden met mijn oogen, daar ik hem in zoo'n +gewichtige zaak niet in allen deele vertrouwde.--MENEDEMUS: En is alle +twijfel bij je weggenomen?--OGYGIUS: Ja, ik schaamde me over mijzelven, +dat ik ook maar één oogenblik had kunnen twijfelen, zóó duidelijk werd +hier alles voor oogen gesteld: de naam, de plaats, de gebeurtenis, +precies zooals 't geschied was, in korte woorden en toch zonder iets +over te slaan. Er wordt n.l. verteld dat er een man was, met name +Willem, te Parijs geboren, een man vroom ook in andere opzichten, als +wel voornamelijk vol godsdienstijver in 't opsporen van heilige +relikwieën over de heele wereld. Na veel streken doorreisd te hebben, na +overal kloosters en kerken te hebben doorsnuffeld, kwam hij ook +eindelijk te Constantinopel aan. Een broer van gezegden Willem was daar +Bisschop. Toen hij zich al gereed maakte voor zijn vertrek, wees zijn +broer er hem op dat daar een non was die melk van de Moedermaagd bezat; +dat hij overgelukkig zou zijn wanneer hij voor geld of goede woorden of +zelfs op slinksche manier een deel van die melk machtig kon worden. Want +dat alle andere relikwieën die hij tot nog toe verzameld had, niets +beteekenden in vergelijking met die heilige melk. Willem rustte toen +niet vóór hij door bidden en smeeken de helft van die melk had gekregen. +In het bezit van dien kostbaren schat rekende hij zich rijker dan +Croesus.--MENEDEMUS: Nou, dat wil ik gelooven en dat nog wel boven +verwachting.--OGYGIUS: Regelrecht reist hij naar huis. Onderweg wordt +hij ziek.--MENEDEMUS: Hoe kortstondig is toch 't geluk van de menschen +en hoe weinig is men in alle opzichten voorspoedig!--OGYGIUS: Toen hij +begreep dat hij in levensgevaar verkeerde liet hij heimelijk den +Franschman bij zich komen, die hem trouw op zijn reis had vergezeld. +Onder eede liet hij zich geheimhouding beloven. Hij vertrouwt hem de +melk toe op voorwaarde dat hij den schat, als hij ongedeerd naar huis +terug keert, op 't altaar van de Heilige Maagd zal neerleggen, die te +Parijs in de heerlijke kerk wordt aangebeden, waar de Seine aan twee +kanten omheen stroomt. Het is alsof de rivier uit eerbied voor de +Heilige Maagd uit den weg gaat. Om de zaak nu in 't kort samen te +vatten: Willem sterft en wordt begraven, de ander reist verder en wordt +óók ziek. Toen ook hij geen hoop meer had op beterschap vertrouwt hij +aan een Engelschen graaf de melk toe, terwijl ook _hij_ hèm onder +heilige eeden laat beloven, dat deze zal doen wat _hij_ anders zou +gedaan hebben. De Franschman komt te overlijden. De Engelsche graaf +neemt de melk mee en deponeert die op 't altaar in de Notre Dame in +tegenwoordigheid van de Kanunniken dáár, die toen nog Regulieren +heetten, zooals ze dit nòg zijn van de kerk der Heilige Genoveva.[2] Van +die Kanunniken kreeg hij de helft der melk ten geschenke. Hij bracht ze +naar Engeland over en wijdde ze aan de kerk van de Maagd aan Zee +waarheen hij door een goddelijke bestiering werd gedreven.--MENEDEMUS: +Dat verhaal staat zeker goed op pooten.--OGYGIUS: En opdat er geen +twijfel zou kunnen overblijven waren de namen van de stemgerechtigde +Bisschoppen er bij geschreven, die aan de bezoekers van de melk, welke +met een niet al te klein geschenk komen, zóóveel aflaat van zonden +schenken, als ze naar het hun[3] verleende vermogen kunnen +geven.--MENEDEMUS: En hoeveel bedraagt die?--OGYGIUS: Die aflaat duurt +veertig dagen.--MENEDEMUS: Telt men dan in de onderwereld ook bij dagen? +OGYGIUS: Daar is ten minste ook een tijdrekening. Maar als die +bisschoppen nu eenmaal 't hun geschonken aflaat-vermogen hebben +weggegeven, hebben ze dan niets meer over om weg te schenken?--OGYGIUS: +Ja, zeker wel! Daar borrelt nog wel weer wat zoo wat van onderen op om +weg te schenken en hier gebeurt zoo precies 't tegenovergestelde van 't +geen er met 't vat der Danaïden geschiedde. Terwijl dat telkens gevuld +werd, liep 't altijd maar leeg; uit dit vat daarentegen kan men +voortdurend putten, zonder dat er daarom iets minder in +overblijft.--MENEDEMUS: Als nu eens bijv. aan honderdduizend menschen +veertig dagen aflaat wordt gegeven, heeft dan ieder afzonderlijk veertig +dagen voor zich?--OGYGIUS: Ja.--MENEDEMUS: En zoo nu enkelen vóór het +middageten om veertig dagen gevraagd hebben en ze komen tegen het +avondeten nog eens weer om veertig, zijn er dan altijd maar weer +voorhanden om ze hun te geven?--OGYGIUS: Ja zeker, ook al vroegen ze +tienmaal in hetzelfde uur.--MENEDEMUS: Och, had ik thuis zóó'n +geldkistje; ik zou er maar enkele schellingen in wenschen, mits ze +steeds maar zoo op nieuw weer opborrelden.--OGYGIUS: Waarom wensch je +niet om héélemaal van goud te worden, want ten gevolge van je wensch +krijg je dat toch gedaan. Maar ik keer tot mijn verhaal terug. Men +voerde voor de heiligheid van de melk ook nog dit bewijs van echt vromen +zin aan, dat de melk der Moedermaagd elders vertoond, wel de vereering +waardig was, maar dat deze dáárom meer eer verdiende, omdat die andere +melk van de rotsen was afgeschrapt, deze daarentegen zoo uit de borsten +der Heilige Maagd was gevloeid.--MENEDEMUS: Hoe wist men dat zoo vast en +zeker?--OGYGIUS: Wel, dat nonnetje te Constantinopel had dat gezegd, die +de melk had gegeven.--MENEDEMUS: En haar had de Heilige Bernard 't zeker +bericht?--OGYGIUS: Ja, dat denk ik wel.--MENEDEMUS: Toen deze al +volwassen was viel hem de eer te beurt melk te mogen proeven uit +dezelfde borst waaraan 't Kindeke Jezus gezoogd was. Daarom verwondert +'t mij dat men Hem niet liever "zoo zoetvloeiend als melk" dan met zijn +gewonen bijnaam "zoet als honig" noemt. Maar hoe kan men bij die andere +melk spreken van melk van de Heilige Maagd, als ze niet uit Haar borsten +gevloeid is?--OGYGIUS: Die melk is óók wel uit Haar borst gekomen, maar +op een rots, waarop zij toevallig zat toen ze 't Kindje de borst gaf, +gevallen en gestold. Verder is die melk door een goddelijke bestiering +zoo vermeerderd.--MENEDEMUS: Zoo zal 't wezen. Ga door!--OGYGIUS: +Terwijl wij ons hierna tot de reis gereed maken en nog zoowat heen en +weer drentelen en rondkijken of er ook nog iets is, de moeite waard om +bezien te worden, staan daar de kerkegidsen weer vóór ons, zien ons van +ter zijde aan, wijzen met de vingers naar ons, komen aanloopen, gaan +weer heen, komen weer terug, wenken en 't scheen wel of ze ons wilden +aanspreken als ze maar durf genoeg hadden.--MENEDEMUS: En was je toen +niet bang?--OGYGIUS: Wel neen, ik draaide mijn gelaat juist naar hen +toe, hen toelachend en hen aankijkend alsof ik hen wilde uitlokken om +mij aan te spreken. Eén van hen slechts komt naar mij toe en vraagt hoe +ik heet. Ik zeg mijn naam. "Of ik het was die een paar jaar geleden dat +votief-tafeltje had opgehangen met een Hebreeuwsch opschrift." Ik zei +van ja.--MENEDEMUS: Kun-je dan Hebreeuwsch schrijven?--OGYGIUS: Wel +neen, maar wat zij niet begrijpen, dat noemen die kerels Hebreeuwsch. +Door den een of ander gehaald (zoo vermoed ik) komt de Eerst-laatste van +'t klooster aanloopen.[4]--MENEDEMUS: Wat is dàt voor een waardigheid? +Hebben ze daar dan geen abt?--OGYGIUS: Neen.--MENEDEMUS: Hoe dat +zoo?--OGYGIUS: Omdat ze geen Hebreeuwsch verstaan, waaruit abt is +afgeleid.--MENEDEMUS: En geen bisschop ook?--OGYGIUS: Ook al +niet.--MENEDEMUS: Waarom dat?--OGYGIUS: Omdat de Heilige Maagd daar te +arm is om een bisschopsstaf en een mijter te koopen, die veel te duur +zijn.--MENEDEMUS: Ook misschien geen Hoofd?--OGYGIUS: Ook dàt +niet.--MENEDEMUS: Welk beletsel is daartegen?--OGYGIUS: Omdat Hoofd een +titel is voor een waardigheid, niet een titel van vroomheid. Om die +reden verwerpen ook de kapittels der Kanunniken den titel van abt, maar +nemen ze dien van Eerst-laatste graag aan.--MENEDEMUS: Maar ik had toch +dien naam van Prior (in _dien_ zin) nooit te voren gehoord.--OGYGIUS: +Ja, maar je bent op 't gebied van de grammatica ook tamelijk slecht +thuis.--MENEDEMUS: Nu ja in 't taalgebruik ken ik wel een figuur +"eerst-laatst" geheeten.[5]--OGYGIUS: Precies. Hij die hier 't naast is +na den Prior van 't klooster, is de Prior die volgt.--MENEDEMUS: Ge +bedoelt dus eigenlijk den Onder-prior?--OGYGIUS: Deze groette mij nog al +beleefd. Hij vertelt mij hoeveel moeite 't den monniken gekost had, die +regels van mij te lezen: hoeveel brillen er vergeefs op waren afgeveegd. +Zoo dikwijls de een of andere oude doctor in de godgeleerdheid of in de +rechten bij hen was gekomen, was hij vóór de votieftafel gebracht: de +een zei dat 't arabische letters waren, de ander verklaarde: "'t zijn +maar verzonnen letters." Eindelijk was er een gevonden die het opschrift +had kunnen lezen. Dit was geschreven met latijnsche woorden en +latijnsche letters; maar ... met hoofdletters. De Grieksche verzen waren +met Grieksche hoofdletters geschreven die op het eerste gezicht op +latijnsche hoofdletters gelijken. Op zijn verzoek schreef ik den zin van +de versregels in 't Latijn er onder, ze woord voor woord vertalend. Ik +weigerde nadrukkelijk voor deze geringe moeite een cadeautje aan te +nemen dat men mij aanbood, terwijl ik verzekerde dat mij nooit iets te +bezwaarlijk zou zijn, dat ik niet ter wille van de allerheiligste Moeder +Gods met bereidwilligheid zou doen, ja al gaf Ze mij ook een brief van +hier naar Jeruzalem te brengen.--MENEDEMUS: Och kom! waarvoor zou Zij u +als brievenbesteller noodig hebben, daar Zij immers zooveel engelen als +lijfbedienden tot Haar dienst heeft?--OGYGIUS: Hij haalde uit zijn tasch +een stukje hout voor den dag, afgezaagd van een balk waarop men de +Heilige Maagd had zien staan. Een verwonderlijk sterke lucht duidde +onmiddellijk aan dat 't iets bijzonder heiligs was. Ik boog mij diep +neer en kuste met den grootsten eerbied met ontbloot hoofd het kostelijk +geschenk dat ik in mijn tasch stak.--MENEDEMUS: Mag ik het eens +zien?--OGYGIUS: Wat mij betreft, graag. Maar als je niet nuchter bent, +of als je in den afgeloopen nacht intiem met je vrouw geweest bent, dan +zou ik je niet raden om 't te bekijken.--MENEDEMUS: Laat maar zien, er +is geen gevaar.--OGYGIUS: Nu, daar dan.--MENEDEMUS: Wat ben jij een +geluksvogel met zóó'n geschenk!--OGYGIUS: Ja, Menedemus, ik wil 't je +wel bekennen: ik zou dat kleine stukje hout niet willen ruilen voor al +het goud van den Taag. Ik zal het in goud laten vatten, maar zóó, dat +men 't door een glazen deksel heen, kan zien. Toen de Onder-prior nu zag +dat ik zoo van godsdienstigen eerbied voor dit geschenk vervuld was, +dacht hij zeker dat ik iemand was die wel verdiende in nog gewichtiger +dingen ingewijd te worden. Hij vroeg mij dus of ik soms 't meer +verborgene der Heilige Maagd al gezien had. Die woorden maakten diepen +indruk op mij. Ik durfde evenwel niet vragen welke verborgenheden hij +bedoelde. Immers in zulke heilige zaken kan zelfs de minste verspreking +al kwaad stichten. Ik zei dus van neen, maar dat ik bijzonder verlangend +was het te zien. Nu werd ik als een door God bezielde, binnengeleid. Een +paar waskaarsen worden aangestoken. Ze toonen me een beeldje, dat noch +door grootte, noch door de stof waarvan 't gemaakt was, noch door +kunstschoon iets merkwaardigs had, maar dat groote kracht scheen te +bezitten door zijn heerlijke eigenschappen.--MENEDEMUS: De grootte doet +er weinig toe, waar het geldt de kracht om wonderen te doen. Te Parijs +heb ik den Heiligen Christoffel gezien: groot en reusachtig was hij als +een bakbeest, neen als een echte berg, maar voor zoo ver ik heb kunnen +vernemen heelemaal niet beroemd door wonderen die hij deed.--OGYGIUS: +Aan de voeten van de Heilige Maagd ligt een edelsteen waarvoor bij +Grieken en Romeinen nog geen naam bestaat. De Franschen hebben hem een +naam gegeven naar 't woord "padde" omdat hij zóó precies op een pad +lijkt, dat men hem met alle kunstvaardigheid niet zoo zou kunnen +namaken. Om het wonder nog grooter te maken is de steen maar heel klein. +De figuur van de padde steekt er niet boven uit, maar ligt als 't ware +doorschijnend in den steen opgesloten.--MENEDEMUS: Misschien verbeeldt +men zich wel de figuur van een padde te zien, zooals men zich wel +voorstelt in een doorgeslagen keisteen den vorm van een arend te zien en +zooals kinderen God weet wat voor voorstellingen in de wolken uitvinden: +vuurspuwende draken, gloeiende vulkanen, strijdende legers.--OGYGIUS: +Neen, neen, ik stel er prijs op dat je 't weet: geen levende pad lijkt +meer op een pad dan deze die hierin is afgedrukt.--MENEDEMUS: Zeg eens, +tot nog toe heb ik je verhaaltjes geduldig aangehoord, maar zoek nu in +'t vervolg een ander om hem wat wijs te maken van je padden.--OGYGIUS: +'t Is volstrekt geen wonder, Menedemus, dat je ongeduldig wordt. Ook +_ik_ zou 't me niet hebben laten wijsmaken, al was de heele theologische +faculteit 't mij komen aanpraten, maar ik heb 't met mijn eigen oogen, +_mijn eigen oogen_, zeg ik, gezien, bekeken, aanschouwd, als waarheid +bevonden. Maar intusschen dunkt me dat je niet erg veel hart hebt voor +de natuurlijke historie.--MENEDEMUS: Hoe dat zoo? Omdat ik niet wil +gelooven dat ezels kunnen vliegen?--OGYGIUS: Maar zie je dan niet, hoe +kunstig de natuur haar spel speelt met kleuren en allerlei gestalten en +vormen, zoowel in andere substanties als voornamelijk in de edele +steenen? Verder, welk een bewonderenswaardige krachten zij heeft gelegd +in die steenen, haast ongeloofelijk, wanneer niet de ondervinding ze ons +van nabij bevestigde? Zeg eens: zou je 't gelooven, dat 't ijzer door de +magneet wordt aangetrokken, ook al wordt het nog niet eens aangeraakt en +dat het ook door 't ijzer, zonder aanraking wordt afgestooten, als je 't +niet met je eigen oogen hadt gezien?--MENEDEMUS: Neen nooit, al hadden +ook tien Aristotelessen 't mij bezworen.--OGYGIUS: Dan moet je ook niet +dadelijk voor een verzinsel uitschelden, wat je hoort en wat je nog niet +bij ondervinding kent. In den dondersteen zien wij den weerschijn van +den bliksem; in de Boheemsche granaat flikkeren vurige vlammen; in den +zoogenaamden hagelsteen de gedaante en de hardheid van den hagelkorrel +ook al werp je hem midden in het vuur. In den smaragd ziet men het diepe +en doorschijnende zeewater. De kreeftsteen lijkt in kleur veel op de +zeekreeft, het katteoog is precies 't oog van een poes, en zoo zijn er +weer andere steenen die veel hebben van varkensoogen, van menschenoogen, +van wolfsoogen in vier kleuren; sommige gelijken op hout, andere op +boombladen, andere geven een erwt te zien. En zoo op onnoemlijk veel +manieren. Waartoe zou ik doorgaan met de opsomming? Er is geen voorwerp +in de natuur, 't zij in de elementen, 't zij onder de bezielde wezens, +'t zij in de planten, dat de natuur niet spelenderwijze in de +edelgesteenten heeft nagebootst. En zul-je er nu nog verwonderd over +wezen dat zich in dien steen de afbeelding van een padde +vertoont?--MENEDEMUS: Het komt mij alleen maar vreemd voor, dat de +natuur zóóveel vrijen tijd heeft om uit de grap allerlei voorwerpen na +te bootsen.--OGYGIUS: Wel, ze wilde de weetgierigheid van de menschen +opwekken en ons zóó van niets-doen afhouden. En toch, alsof er niets +ware waarmee wij onzen tijd konden dooden, zijn we dol verzot op +hansworsten, dobbelsteenen en goochelaars.--MENEDEMUS: Je hebt groot +gelijk.--OGYGIUS: Sommige goed betrouwbare menschen willen beweren dat +als je op dit soort van steenen azijn giet, ze daarin gaan zwemmen en +zelfs de pooten bewegen.--MENEDEMUS: En waarom brengen ze nu juist een +padde bij de Heilige Maagd te pas?--OGYGIUS: Omdat Zij alle vuilheid en +giftigheid, alle laatdunkendheid en hebzucht, al wat er verder aan +begeerlijkheden des vleezes te vinden is, heeft overwonnen, onder den +voet heeft getreden, heeft uitgedoofd.--MENEDEMUS: Wee ons! dat wij +zooveel padden in ons binnenste dragen.--OGYGIUS: Rein zullen we worden, +wanneer wij volijverig de Heilige Maagd eeren.--MENEDEMUS: Hoe wordt zij +het liefst geëerd?--OGYGIUS: Ge zult Haar de schoonste hulde brengen, +wanneer gij Haar in 't goede nastreeft.--MENEDEMUS: Ge zegt dat zoo kort +en krachtig, maar het is hoogst moeilijk.--OGYGIUS: Zeker _is_ het dat. +Maar tevens is het zeer schoon.--MENEDEMUS: Kom ga nu weer verder met je +verhaal.--OGYGIUS: Verder liet hij mij gouden en zilveren beeldjes zien. +Van 't ééne zei hij, dat 't van massief goud was, van 't andere van +verguld zilver; hij vertelde er ook bij van elk stuk het gewicht, de +waarde, den naam van den schenker. Toen ik bij ieder stuk mijn +bewondering toonend de Heilige Maagd om haar grooten rijkdom geluk +wenschte, zei mijn geleider: "Ik zie dat gij een vroom bewonderaar zijt +en daarom reken ik het mij tot plicht niets voor u verborgen te houden. +Ik zal u het allergeheimste laten zien wat de Heilige Maagd bezit. En +tegelijk haalde hij van binnen uit 't altaar zelf een schat van +bewonderenswaardige zaken voor den dag. Als ik ze alle één voor één +wilde gaan opnoemen dan zou een dag niet genoeg zijn om ze op te tellen. +Zoo liep dus die bedevaart voor mij al heel gelukkig af. Ik heb naar +hartelust mijn oogen kunnen verzadigen aan 't zien van allerlei moois en +ik breng bovendien deze onschatbare gift mee naar huis, een pand mij +door de Heilige Maagd zelve geschonken.--MENEDEMUS: Heb je nog niet eens +geprobeerd hoe groot de wonderkracht is van je stuk hout?--OGYGIUS: +Zeker heb ik dat. Een dag of drie geleden trof ik in een herberg een +krankzinnige aan, die men reeds de boeien wilde aanleggen. Zonder dat +hij 't merkte hebben we hem dit stuk hout onder zijn hoofdkussen gelegd. +Hij viel in een diepen en langdurigen slaap: den volgenden morgen stond +hij op, geheel genezen, geheel bij zijn verstand.--MENEDEMUS: Dan zal 't +geen krankzinnigheid geweest zijn, maar een gewone roes. Voor die ziekte +is slaap 't beste geneesmiddel.--OGYGIUS: Als je wilt schertsen, +Menedemus, dan moet je dit over andere dingen doen. Den draak te steken +met de Heiligen is goddeloos en gewaagd. 'k Zal je nog meer zeggen! De +man zelf vertelde dat hem in den droom een vrouw van verwonderlijke +schoonheid was verschenen die hem een beker voorhield.--MENEDEMUS: Met +nieskruid zeker.--OGYGIUS: Dat weet ik niet. Maar wèl weet ik, dat de +man weer geheel bij zijn zinnen was.--MENEDEMUS: Heb-je Thomas, den +Aartsbisschop van Canterburry geen bezoek gebracht?--OGYGIUS: Wel zeker. +Geen bedevaart deed ik met grooter nauwgezetheid.--MENEDEMUS: Nu, dat +zou ik graag eens willen hooren, als 't je niet te lastig is.--OGYGIUS: +Zeker niet: ik vind het juist prettig als je er naar hooren wilt. Kent +is dat deel van Engeland dat tegenover Frankrijk en Vlaanderen ligt. +Canterburry is er de hoofdstad van. Daar bevinden zich twee kloosters in +de stad zoowat naast elkaar gelegen: in beide wonen Benedictijner +monniken. 't Klooster dat naar den Heiligen Augustinus heet is 't +oudste. 't Andere dat aan Sint Thomas gewijd is, schijnt de zetel van +den Aartsbisschop geweest te zijn, waar hij in gezelschap van enkele +monniken zijn leven sleet, zooals ook nu nog de Superieuren van 't +klooster een huis hebben, wel grenzend aan 't klooster, maar toch +afgescheiden van de huizen der overige Kanunniken. Oudtijds toch leidden +zoowel bisschoppen als ook Kanunniken zoowat een monnikenleven. +Duidelijke sporen zijn daarvan nog te zien. De kerk aan Sint Thomas +gewijd, verheft zich zóó majestueus ten hemel, dat ze, ook al zien we +haar maar van verre, toch al grooten indruk maakt. En ziet men ze van +dichtbij, dan worden onze oogen door haar glans en luister verblind en +ze verdonkert om zoo te zeggen alles, wat zich in die van oudsher +zoozeer vereerde plaats bevindt. De Kerk heeft twee hooge torens, die +als het ware uit de verte de vreemdelingen groeten en het prachtig +gegalm van haar bronzen klokken wijd en zijd in den omtrek doen +weerklinken. In het vóórportaal van de kerk, dat op 't Oosten ligt, +staan in steen gehouwen, drie gewapende mannen, die met misdadige hand +den allerheiligsten bisschop ombrachten. De namen van hun geslacht zijn +er bij gevoegd: Tuscus, Fuscus en Berry.--MENEDEMUS: Waarom wordt aan +die schurken zooveel eer bewezen?--OGYGIUS: Hun wordt natuurlijk +dezelfde eer bewezen als aan Judas, Pilatus, Caiaphas en aan de bende +hunner booswichten van soldaten die men overal mooi gebeeldhouwd op de +vergulde altaren kan zien. Hun namen staan er bij vermeld, om te maken +dat nooit iemand die namen voortaan eershalve zal dragen. Hun beelden +worden hier onder de oogen van het publiek gebracht, opdat geen hoveling +ooit meer de handen sla aan een bisschop of aan de bezittingen der kerk. +Want die drie trawanten zijn na 't volbrengen van het schelmstuk +krankzinnig geworden en ze hebben hun verstand slechts teruggekregen op +voorbede van Sint Thomas.--MENEDEMUS: Wat zijn die martelaren toch +oneindig in hun goedmoedigheid!--OGYGIUS: Bij 't binnentreden vertoont +zich de ruimte van de kerk in al haar machtige werking. Dat voorste deel +is toegankelijk voor iedereen.--MENEDEMUS: Is daar niets te +zien?--OGYGIUS: Niets dan den omvang van den bouw en enkele boeken die +aan de kolommen vastliggen met het Evangelie van Nicodemus en verder 't +graf van den een of ander.--MENEDEMUS: En wat verder?--OGYGIUS: Dan +heeft men er een ijzeren hekwerk dat wel den toegang afsluit, maar toch +den doorkijk toelaat op de ruimte, welke tusschen 't achterste gedeelte +van de kerk en 't zoogenaamde koor ligt. Daarheen klimt men langs +verscheidene treden op, onder welke een soort van koepelgewelf den +toegang geeft tot den noordelijken vleugel van de kerk. Men toont er een +houten altaar aan de Heilige Maagd gewijd, klein en om geen andere reden +bezienswaardig dan om zijn ouderdom--als een protest tegen de weelde van +dezen tijd. Dáár (zegt men) heeft de vrome man zijn afscheidsgroet aan +de Heilige Maagd gebracht, toen de dood hem zou treffen. Op 't altaar +bevindt zich de punt van het zwaard waarmee de schedel van den braven +kerkvoogd is verbrijzeld en zijn hersens zijn verpletterd, om den dood +des te meer te bespoedigen. De heilige roestplekken op dit staal hebben +we uit liefde voor den Martelaar eerbiedig gekust. Van daar betraden wij +de onderaardsche kerk of krypt. Ook dáár vindt men weer geleiders: men +ziet er in de allereerste plaats den gekloofden schedel van den +Martelaar. De geheele schedel is bedekt met zilver, uitgezonderd 't +bovenste deel van de kruin, die opengelaten is, om ze te kunnen kussen. +Tevens toont men er een looden plaatje, waarop de naam is gegraveerd van +Thomas uit Acra. In 't duister hangen daar de haren hemden, de gordels +en de onderkleeren waarmee de Bisschop zijn lichaam kwelde en kastijdde +en bij wier aanschouwen men reeds een rilling voelt opkomen, terwijl ze +ons onze tegenwoordige verwijfdheid en weelde verwijten.--MENEDEMUS: +Misschien mogen de monniken dat óók wel doen.--OGYGIUS: Dat waag ik niet +te beslissen: 't gaat mij trouwens ook niet aan.--MENEDEMUS: Je hebt +gelijk.--OGYGIUS: Van daar keerden wij terug naar 't koor. Aan den +noordkant heeft men de relikwieën opgeborgen. Hemel! Wat een gebeente +wordt dáár voor den dag gebracht! Schedels, kinnebakken, tanden, handen, +vingers, heele armen. Aan allen brachten wij onze eerbiedige hulde en +kusten ze. Er zou geen eind aan gekomen zijn, wanneer niet mijn +reisgezel die voor zoo'n pelgrimstocht een weinig geschikt personage +was, een spaak in 't wiel had gestoken bij dien overgrooten ijver om met +relikwieën te pronken.--MENEDEMUS: Wie was dat?--OGYGIUS: Een +Engelschman, Grafianus Pullus, een ontwikkeld en vroom man, maar op 't +punt van godsdienst wat minder gevoelig dan ik wel zou gewild +hebben.--MENEDEMUS: Misschien wel een aanhanger van John +Wicleff?--OGYGIUS: Neen, dat geloof ik niet. Hij had diens boeken wel +gelezen, maar waarvandaan hij die had, weet ik niet.--MENEDEMUS: En +beleedigde hij jelui geleider?--OGYGIUS: Er werd een arm voor den dag +gehaald waaraan nog een stuk bloedig vleesch zat. Hij toonde zijn +afgrijzen om dien arm te kussen en op zijn gezicht was duidelijk afkeer +te lezen. De geleider bergde dan ook zijn zaakjes spoedig op. Verder +bezagen wij 't altaarblad en de sieraden en alles wat onder het altaar +werd bewaard, alles even prachtig. Als je die macht van goud en zilver +hadt gezien, dan zou je zeggen dat Midas en Croesus daarbij vergeleken +bedelaars waren.--MENEDEMUS: Viel daar niets te kussen?--OGYGIUS: Neen, +maar een ander soort van godsdienstige verzuchting uitte ik daar: n.l. +dat ik bij mij thuis geen enkele van dergelijke relikwieën +bezat.--MENEDEMUS: Een goddelooze verzuchting.--OGYGIUS: Ik moet +bekennen dat je gelijk hebt en ik heb dan ook God om vergiffenis +gevraagd vóór ik mijn voeten uit de kerk gelicht had. Daarna kwamen we +in de sacristij. Goede God! wat een pracht van zijden kleeren, wat een +kostbare gouden luchters! Daar zagen we ook den bisschopsstaf van den +Heiligen Thomas. Het leek wel een riet met zilveren plaatjes beslagen: +hij was heel licht, er was in 't geheel geen kunst aan te zien, hij kwam +mij niet hooger dan tot aan den gordelriem.--MENEDEMUS: Was er geen +kruis bij?--OGYGIUS: Ik heb er ten minste geen kruis aan gezien. Wel +werd ons een mantel van hem getoond, geheel van zijde, maar grof van +draad, zonder eenig versiersel van goud of kostbare steenen. Ze lieten +er ook een zakdoek zien met nog duidelijk zichtbare sporen van het zweet +aan den hals afgeveegd, zelfs met bloeddruppels er bij. Die +herinneringen aan ouden eenvoud kusten wij van harte gaarne.--MENEDEMUS: +Wordt dat alles niet aan ieder die 't maar zien wil, getoond?--OGYGIUS: +Neen, waarachtig niet, waarde heer!--MENEDEMUS: Hoe kwam 't dan dat men +in u zóóveel vertrouwen stelde, dat men voor u niets geheim +hield?--OGYGIUS: Wel, ik had kennis aan den eerwaarden vader, den +Aartsbisschop Willem Warham. Deze had mij met een enkel woord +aanbevolen.--MENEDEMUS: Van verscheidene personen heb ik gehoord dat hij +een man is van buitengemeene wellevendheid.--OGYGIUS: Zeg liever dat hij +de beleefdheid in eigen persoon is, als je hem goed kent. Hij is zóó +geleerd, zóó eenvoudig van karakter, zóó echt vroom van levenswandel, +dat hij al de eigenschappen bezit van een waar kerkvorst. Door hem nu +werden we naar 't hooger gelegen deel van de kerk gebracht. Want achter +het altaar klimt men weer als tot een tweede kerk op. Daar wordt in een +kapelletje 't geheele gelaat van den Heiligen Thomas, verguld en met +veel steenen versierd, getoond. Maar een onverwacht toeval vergalde +bijkans al ons genoegen.--MENEDEMUS: Ik ben nieuwsgierig te hooren wat +voor een ongeluk je ons vertellen zult.--OGYGIUS: Mijn reismakker +Gratianus werd er niet heel vriendelijk om aangezien en aangesproken. Na +een kort gebed vroeg hij den kerkedienaar die er bij zat: "Och, +eerwaarde vader, is 't waar wat ik hoor, dat de Heilige Thomas bij zijn +leven zoo hoogst weldadig was jegens de armen?" "Ja zeker is dat waar," +antwoordde de man en hij begon veel van die weldaden te vertellen jegens +de menschen die 't niet ruim hadden. Toen zei Gratianus: "Ik denk niet +dat die gezindheid bij hem veranderd is, of 't moest zijn, nog meer ten +goede." De kerkedienaar stemde dat gaarne toe. Mijn vriend zei daarop: +"Wanneer dan de heilige man zoo vrijgevig was tegenover behoeftigen toen +hij nog arm was en zelf ondersteuning in geld noodig had voor de +nooddruft van zijn lichaam, denkt ge dan niet dat het zijn goedkeuring +zeker zou wegdragen, wanneer, nu hij zoo rijk is en niets meer noodig +heeft, een arm vrouwtje met een troep hongerige kinderen thuis, of +meisjes die uit armoede gevaar loopen haar kuischheid te verliezen, of +een man die ziek neerligt van alle hulp verstoken; wanneer, zeg ik, zoo +iemand, na den Heilige om vergiffenis gevraagd te hebben, van dien +grooten rijkdom een enkel stukje wegnam om haar gezin te helpen en dit +beschouwde als iets wat ze van iemand kreeg, die 't haar ten geschenke +of te leen aanbood?" Toen de bewaker van 't gouden hoofd daar niets op +antwoordde, zei Gratianus, die een beetje heftig en driftig is +uitgevallen: "Ik ben er in mijn ziel van overtuigd dat de Heilige man +zich zelfs zou verheugen dat hij ook na zijn dood nog de bezwaren der +armen kon verlichten." Toen fronste de bewaker 't voorhoofd, stak zijn +lippen minachtend vooruit en keek ons met flikkerende en boosaardige +oogen aan. Ik twijfel er geen oogenblik aan of hij zou ons in 't gezicht +hebben gespogen en onder een vloed van scheldwoorden uit de kerk gejaagd +hebben, als hij niet geweten had dat we een aanbeveling van den +aartsbisschop hadden. Ik trachtte zoo goed ik kon met vriendelijke +woorden den toorn van den man tot bedaren te brengen. Ik zei dat mijn +vriend Gratianus het niet zoo meende, maar dat hij zoo'n beetje +gekscherenderwijze gesproken had, zooals hij dat wel meer deed. Tegelijk +legde ik een paar schellingen neer, als een pleister op de +wonde.--MENEDEMUS: Ik kan geen woorden genoeg vinden om je godsvrucht te +prijzen. Maar als ik er zoo nu en dan eens ernstig over nadenk, dan +vraag ik mij wel eens af, hoe de menschen 't met hun geweten kunnen +overeenbrengen, wanneer ze zooveel schatten zoekbrengen met 't bouwen +van kerken, met 't bovenmatig versieren en verrijken er van. Ik wil +graag toegeven dat de kerk in haar plechtgewaden en haar vaatwerk bij +den heiligen dienst een passende waardigheid moet ten toon spreiden. Ook +moet het kerkgebouw een passende statigheid bezitten. Maar waarvoor zijn +zooveel doopvonten, zooveel luchters, zooveel gouden beelden noodig? +Waartoe die buitensporige kosten aan die zoogenaamde orgels? En dan zijn +we daarmee nog niet eens tevreden. Waarom al dat muziek-getjingel dat +met groote kosten moet betaald worden, terwijl intusschen onze broeders +en zusters, die allen de levende kerk van Christus uitmaken, van honger +en dorst verkwijnen?--OGYGIUS: Ieder vroom en verstandig mensch zal +daaraan gaarne paal en perk gesteld zien. Maar omdat dit euvel +voortvloeit uit een soort van vroomheid die geen maat kent, zou 't +eenige aanmoediging verdienen, vooral wanneer men bedenkt dat er +tegenwoordig sommige menschen zijn, die geheel tegenovergesteld van zin, +de kerken van al haar schatten willen berooven. Die kostbaarheden worden +doorgaans gegeven door machtige heeren en vorsten en dat is toch beter +dan dat ze in spel of oorlog worden verkwist. En als men iets daarvan +vervreemdt, dan wordt dit in de eerste plaats als heiligschennis +beschouwd; verder openen zij die gewoon waren te geven, niet zoo licht +meer de milde hand en worden bovendien gelokt om zelf ook te gaan +rooven. Ten slotte zie ik liever een kerk die weelderig versierd is met +rijke benoodigdheden voor den heiligen dienst, dan, zooals er sommige +zijn, naakt en slordig, die meer hebben van paardenstallen dan van +kerken.--MENEDEMUS: Ja, maar we hebben toch wel eens gelezen dat +oudtijds bisschoppen hoog geprezen werden, die heilig vaatwerk overal +heen verkochten, om met 't geld daarvoor verkregen de armen tegemoet te +komen.--OGYGIUS: Men prijst die menschen tegenwoordig nòg. Maar +navolgen: dat mag men niet en mij dunkt, dat _wil_ men ook +niet.--MENEDEMUS: Maar kom aan: ik houd u maar op in uw verhaal. Ik zie +verlangend uit naar 't slotbedrijf van uw avontuur.--OGYGIUS: Luister +maar: ik zal 't in enkele woorden afmaken. Terwijl onze woordenwisseling +daar plaats greep kwam het hoofd van die kerkegidsen bij +ons.--MENEDEMUS: Wie is dat? De abt van het gesticht?--OGYGIUS: Hij +draagt een mijter en heeft de inkomsten van een abt. Alleen draagt hij +niet den naam: hij wordt Prior genoemd, omdat de Aartsbisschop zelf als +Abt fungeert. Vroeger was iedere Aartsbisschop van die streek tevens ook +monnik.--MENEDEMUS: Voor mijn part mogen ze mij "kameel" noemen, als ik +een inkomen krijg als dat van een abt.--OGYGIUS: 't Leek mij een vroom +en tevens schrander man te zijn en vrij goed op de hoogte van de +theologie van Scotus.[6] Hij maakte voor ons een doos open waarin men +zegt dat de rest van 't gebeente van den Heiligen Thomas wordt +bewaard.--MENEDEMUS: Kon je 't zien?--OGYGIUS: Neen, dat mag niet en 't +zou ook alleen maar kunnen met behulp van ladders. Maar de houten doos +bevat weer een gouden kistje en toen dit met touwen naar boven was +getrokken liet hij ons onschatbare dingen zien.--MENEDEMUS: Wat +zeg-je?--OGYGIUS: 't Minste van alles was nog maar 't goud. Alles +flonkerde van zeldzame en bijzonder groote steenen; alles schitterde en +glinsterde. Sommige steenen waren grooter dan ganzeneieren. In diepen +eerbied stonden daar eenige monniken omheen; toen het deksel er +afgenomen werd stonden wij allen in biddende houding. Met een witten +staf wees de Prior ons de edelgesteenten elk afzonderlijk aan, terwijl +hij er den naam in 't Fransch bijvoegde en tevens hoeveel de steen waard +was en wie hem geschonken had. Want de voornaamste steenen waren door +vorsten ten geschenke gegeven.--MENEDEMUS: Die Prior moet wel goed van +memorie wezen.--OGYGIUS: Dat moet hij. Maar, oefening doet er ook veel +toe! Hij heeft dat zoo vaak bij de hand gehad. Van hier brengt hij ons +weer in een ander gewelf. Daar heeft de Heilige Moeder Gods haar +verblijf. Maar 't is er een beetje donker en ze is door een paar +traliehekken afgesloten.--MENEDEMUS: Waarvoor is ze bang?--OGYGIUS: Ik +denk alleen maar voor dieven. Nooit zag ik ergens meer rijkdom +opeengestapeld.--MENEDEMUS: Wat je me daar vertelt is met recht een +blinde rijkdom.--OGYGIUS: Er werden lantaarns bijgehouden en toen zagen +we een meer dan koninklijk schouwspel.--MENEDEMUS: Is de Heilige Maagd +hier dan nòg rijker dan Die aan de zee?--OGYGIUS: Voor zoo ver het +uiterlijk aangaat overtreft deze de andere verre: 't verborgene kent Zij +zelf 't best. Dit wordt alleen maar aan groote heeren getoond en aan +bevoorrechte vrienden. Eindelijk komen we weer in de sacristij terug. +Daar ontdoen ze een kistje, met zwart leer bedekt van 't omhulsel en +zetten 't op tafel neer. 't Gaat open en we buigen ons neer op onze +knieën.--MENEDEMUS: Wat was er in?--OGYGIUS: Gescheurde linnen lappen, +waarvan de meesten nog sporen van snot en slijm droegen. Met die doeken +wischte zich, naar men zeide, de vrome man 't zweet van zijn gezicht en +zijn hals; daarin snoot hij zijn neus of dergelijke vuiligheden meer, +waarvan 't menschelijk lichaam niet vrij is. Mijn goede vriend Gratianus +oogstte daar ook al weer niet den allerbesten dank in. Hem bood de +Prior, als Engelschman, als bekende en als man van veel invloed, +welwillend een der doeken ten geschenke aan, denkend dat hij hem een +hoogst welkom cadeau aanbood. Maar Gratianus toonde zich hiervoor alles +behalve dankbaar, vatte den doek met zijn vingers aan met een tamelijk +minachtend gebaar, en legde hem weinig eerbiedig weer neer, terwijl hij +de lippen vooruit stak als wilde hij gaan fluiten. Dat was zoo zijn +gewoonte, als hem iets overkwam, waarover hij zijn minachting meende te +moeten uiten. Ik schaamde mij dood en hield mijn hart vast hoe dit zou +afloopen. De Prior deed alsof hij niets merkte van 't geen gebeurd was, +nam beleefd afscheid en liet ons vertrekken, na ons eerst een glas wijn +te hebben geschonken. Toen we naar Londen terugkeerden....--MENEDEMUS: +Waartoe was dat noodig, daar je nu niet ver van je vaderlandsche kust af +waart?--OGYGIUS: 't Is zoo. Maar ik wilde liefst die slecht ter naam en +faam bekend staande kust vermijden, slecht befaamd om de rooverijen en +knevelarijen, erger dan die bij kaap Malea in de Oudheid tegenover +schipbreukelingen werden gepleegd. Ik zal je eens vertellen wat ik bij +mijn laatsten overtocht van Frankrijk naar Engeland heb gezien. We +voeren, verscheidene reizigers in getal, van de kust bij Calais in een +sloep naar ons schip, dat op de ree lag. Onder de medereizigers bevond +zich ook een jong Franschman, arm en berooid in zijn plunje. Ze vroegen +hem een halven frank veergeld. Zóóveel zetten ze iemand af voor dat +kleine eindje overvaren. Hij verontschuldigde zich dat hij arm was. Als +in scherts gingen ze hem onderzoeken en toen ze zelfs tot zijn schoenen +toe hadden uitgetrokken, vonden ze tusschen een paar dubbele zolen tien +of twaalf franken. Die ontnamen ze hem zonder complimenten, lachend, +terwijl ze hem nog met schimpwoorden een schavuit van een Franschman +noemden.--MENEDEMUS: En hoe hield zich de jonge man?--OGYGIUS: Hoe zou +hij zich houden? De tranen stonden hem in de oogen.--MENEDEMUS: Maar +hadden zij het recht om zoo te handelen?--OGYGIUS: 't Zelfde recht +waarmee die bandieten de bagage van reizigers rooven, waarmee ze aan +dezen de beurs afnemen als zij hun kans schoon zien.--MENEDEMUS: 't Is +toch verwonderlijk dat zij zulk een boevenstreek durven uitrichten in +tegenwoordigheid van zooveel getuigen.--OGYGIUS: Ze zijn er zóó aan +gewend dat ze werkelijk meenen dat 't hun recht is. Een aantal +passagiers uit 't groote schip zag 't aan, in onze sloep bevonden zich +eenige Engelsche kooplieden die vruchteloos tegenpruttelden. Alsof 't +een grapje gold beroemden de schurken er zich op, dien schavuit van een +Franschman zoo lekker gesnapt te hebben.--MENEDEMUS: Ik zou zulke +zeeschuimers wel eens voor de grap aan de galg willen zien +bungelen.--OGYGIUS: En toch krioelt 't aan de kusten aan weerskanten van +dat volk. Ga nu maar eens na of de versregel van Vergilius hier niet van +toepassing moet wezen: "Wat moeten wel de groote heeren kunnen doen, +wanneer de gemeene dieven zoo iets durven wagen!"[7] Zoo komt 't dan ook +dat ik later liever den grootsten omweg maak, dan ooit dien korteren weg +weer te nemen. Daarbij komt nog dat, evenals de gang náár de onderwereld +door denzelfde dichter Vergilius heel gemakkelijk werd genoemd, de +terugkeer evenwel zeer moeilijk[8], zoo ook langs deze kust de toegang +heel licht, het weggaan daarentegen heel bezwaarlijk is. Te Londen +vertoefden juist eenige Antwerpsche kooplieden: ik besloot mij met hen +aan de zee toe te vertrouwen.--MENEDEMUS: Heeft dan die streek zulke +heilige varenslieden?--OGYGIUS: Nu, ik moet bekennen: evenals een aap +altijd een aap blijft, zoo blijft een schipper altijd een schipper.[9] +Maar wanneer je ze gaat vergelijken met dat andere geboefte, dat geleerd +heeft van roof te leven, dan zijn het engelen.--MENEDEMUS: Nu, ik zal er +aan denken wanneer ik soms eens lust mocht krijgen dat eiland te gaan +bezoeken. Maar keer weer terug op den weg waarvan ik je heb +afgebracht.--OGYGIUS: Toen wij nu naar Londen terugkeerden kwamen wij +niet ver van 't door ons verlaten Canterburry in een weg die hol en +tevens eng was. Bovendien liep de weg sterk af en aan weerskanten was de +wal zóó steil dat men er niet uit kon. Een anderen weg nemen, kan men +niet. Links van den weg stond een bedelhuisje waarin zich eenige arme +oude sukkels ophielden. Een van dezen gaat naar buiten, zoodra ze merken +dat er een ruiter aankomt: hij besprenkelt hem met wijwater en toont dan +'t bovenstuk van een schoen waarom een metalen band zit. Hierop zit een +stuk glas dat een edelsteen moet voorstellen. Dat kust men en de +bedelaar krijgt een geldstuk.--MENEDEMUS: In zoo'n hollen weg zou ik +liever een oude bedelaarskolonie zien, dan een troep flinke +struikroovers.--OGYGIUS: Gratianus reed te paard naast mij links, 't +dichtst bij den bedelaar. Hij wordt besprenkeld, hetgeen hij zoo goed en +zoo kwaad als 't ging verdroeg. Toen hem nu de schoen voorgehouden werd, +vroeg hij wat dat moest beteekenen. De bedelaar zei dat 't de schoen was +van den Heiligen Thomas. Gratianus werd wit van boosheid en terwijl hij +zich tot mij wendde zei hij: "Wat verbeeldt zich dat vee wel, dat we de +oude schoenen van alle goede menschen zullen kussen? Waarom houden ze +ons niet wat speeksel of eenig ander uitwerpsel van een heilig lichaam +voor?" Ik had medelijden met den ouden stakkerd en ik troostte hem met +een fooitje.--MENEDEMUS: Ik moet zeggen dat ik de boosheid van Gratianus +wel eenigszins kan begrijpen. Als schoenen en sandalen bewaard werden +als een aandenken aan de vroegere levenswijze, dan zou ik daar niets +tegen hebben. Maar onbeschaamd lijkt 't mij den menschen sandalen en +schoenen en ondergoed onder den neus te duwen, om dat alles te laten +kussen. Als iemand dat uit eigen beweging, uit een soort van +vroomheids-aandrift wil doen, nu, laat hij het doen.--OGYGIUS: 'k Wil +niet ontkennen dat 't beter was het niet te doen: maar aan al wat zich +niet zoo onmiddellijk laat veranderen pleeg ik de goede zijde op te +merken, als die er ten minste is. Zoo maakte ik nu bij mij zelven de +opmerking, dat een goed mensch veel heeft van een schaap, een slecht +mensch van een schadelijk dier. Als een adder bijv. dood is, kan hij wel +niet meer bijten, maar hij kan door den stank en den zwadder den omtrek +nog wel verpesten. Zoolang een schaap leeft, geeft het ons voedsel door +zijn melk, kleeding door zijn wol en verrijkt het ons met de lammetjes. +Na zijn dood geeft 't ons het zoo nuttige leer en dient het ons tot +spijs. Zoo zijn ook hartstochtelijke menschen, die de slaven zijn van +hun lusten, bij hun leven allen tot last. Na hun dood hinderen zij de +levenden door het klokgelui en door al de drukte die bij hun begrafenis +wordt gemaakt, dikwijls ook door de zoogenaamde inwijdingskosten, n.l. +door de uitgaven voor hunne opvolgers. Goede menschen verschaffen in elk +opzicht groot nut. Bijvoorbeeld nu deze Heilige Thomas: hij spoorde door +voorbeeld, geleerdheid, vermaningen, allen tot vroomheid aan; hij +troostte de verlatenen, hielp de behoeftigen en--na zijn dood doet hij +haast nog méér nut. Hij heeft gemaakt dat deze rijke kerk gesticht is, +hij heeft in geheel Engeland aan 't priesterdom een groot aanzien +gegeven. Dat stukje oude schoen geeft onderhoud aan een geheele +bedelaarskolonie.--MENEDEMUS: Ja, dat is nu wel een heel vrome +beschouwing van de zaak, maar ik verwonder er mij over dat jij, als je +er zóó over denkt, nooit de spelonk van den Heiligen Patrick[10] hebt +bezocht, waarover men algemeen verbazingwekkende mirakels vertelt. Mij +komen ze, onder ons gezegd, niet erg waarschijnlijk voor.--OGYGIUS: +Waarschijnlijk? Er kan niets zoo wonderbaarlijk verteld worden of 't +geen men werkelijk ziet, overtreft 't nog.--MENEDEMUS: Ben je dan ook al +tot die spelonk doorgedrongen?--OGYGIUS: Ik heb den echten stroom van +den Styx bevaren; ik ben in den muil van den Avernus afgedaald. Ik heb +gezien hoe 't in de onderwereld toegaat.--MENEDEMUS: Je zult me een +groot plezier doen als je daarvan 't verhaal niet voor je +houdt.--OGYGIUS: Mij dunkt, de inleiding van ons gesprek is al lang +genoeg. Ik ga naar huis om te zeggen dat ze mijn avondeten moeten +klaarmaken: want ik heb van middag nog niet gegeten.--MENEDEMUS: Niet +gegeten? Waarom niet? Uit godsdienstige bezwaren?--OGYGIUS: Volstrekt +niet. Ik deed het uit haat en nijd.--MENEDEMUS: Ben je dan afgunstig op +je eigen maag?--OGYGIUS: Neen, maar wèl op die inhalige herbergiers, +die, niettegenstaande ze hun gasten geen fatsoenlijk maal willen +voorzetten, er toch geen bezwaar in zien een onbillijke rekening in te +dienen. Ik sar hen op die manier. Als ik kans heb op een lekker +avondbroodje bij een goeden vriend of bij een herbergier die wat minder +karig is, dan heb ik maagpijn net tegen etenstijd. Brengt 't geluk me 's +middags echter ergens een lekker maal, dan krijg ik die maagpijn tegen +'t avondeten.--MENEDEMUS: Maar ben je dan niet bang dat ze je aanzien +voor gierig en schriel?--OGYGIUS: Menedemus, hoor eens. Die zich over +zoo iets schamen, zetten hun kapitaal van schaamte op lagen interest +uit. Ik voor mij heb mijn schaamte wel voor wat beters leeren +bewaren.--MENEDEMUS: Nu ik brand van verlangen naar de rest van je +bevindingen. Daarom inviteer ik mij zelf bij u aan tafel als gast. Daar +kun je 't mij dan op je gemak vertellen.--OGYGIUS: Ik vind 't heel +aardig dat je je zelven als gast aanbiedt, omdat er velen zijn die +blijven bedanken, ook al worden ze nog zoo dringend uitgenoodigd. Maar +je zult me nog driemaal meer plezier doen, wanneer je thuis wildet +blijven soupeeren. Ik wil dezen avond in den huiselijken kring +doorbrengen. Maar ik heb een plannetje dat voor ons beiden geschikter +is. Laat morgen voor mij en mijn vrouw bij jou thuis een lekker maaltje +klaarmaken. Dan kunnen wij tot 't avondeten toe blijven doorpraten, tot +je zelf zegt dat je er genoeg van hebt en als je wilt dan zullen we ook +nog bij je blijven soupeeren. Waarom krab je je hoofd? Maak jij 't maar +klaar: wij beloven plechtig op tijd te komen.--MENEDEMUS: Ik zou liever +hooren vertellen zonder dat 't mij wat kostte. Maar komaan! Een dinertje +zal worden gegeven, doch 't zal vervelend en laf zijn als gij 't niet +met goede vertellingen weet te kruiden.--OGYGIUS: Maar zeg eens. Jeukt +'t je niet en tintel je niet van lust om ook zulke pelgrimstochten te +gaan doen?--MENEDEMUS: Misschien krijg ik die tinteling als je +uitverteld hebt. Zooals ik nu gestemd ben, heb ik genoeg aan mijn +Roomsche Staties.--OGYGIUS: Hoe, Roomsche? En ge zijt nooit te Rome +geweest.--MENEDEMUS: Ik zal je zeggen wat ik bedoel. Die toeren met +pleisterplaatsen maak ik thuis. Eerst ga ik de huiskamer binnen en zorg +ik dat mijn dochters geen kwaad kunnen aan haar kuischheid en ordelijk +van gedrag zijn. Dan ga ik naar de werkplaats; ik ga na, wat de +dienstboden, meiden zoowel als knechts, verrichten. Daarna ga ik naar de +keuken, rondziende of er ook iets te ordonneeren valt. Verder trek ik +dan hierheen, dan daarheen, terwijl ik naga hoe mijn kinderen 't maken +en mijn vrouw, om te zorgen dat alles op zijn plicht past. Dat zijn mijn +Roomsche Staties of bedevaarten naar Rome.--OGYGIUS: Ja, maar daar zou +in uw plaats Sint Jacob wel voor zorgen.--MENEDEMUS: De Heilige Schrift +schrijft mij voor dat zelf te doen. Dat ik 't aan de Heiligen mag +overlaten heb ik nog nergens gelezen. + + +NOTEN: + +[1] Ilias. XV 279. (Vosmaer). + + Doch weer ziende dat Hektor de schaar zijner dapperen rondging, + Viel hun de schrik op het lijf, ontzonk hun de moed voor de voeten. + +[2] De kerk gewijd aan de Heilige Genoveva, gebouwd in 499 op hare +aansporing, waarin de Heilige in het jaar 521 begraven is. + +[3] Door den Paus n.l. + +[4] Zoo noemt Erasmus den monnik, die in rangorde 't dichtst bij den +Prior staat. + +[5] Men noemt zoo een opsomming van feiten in een volgorde, die de +omgekeerde is van hetgeen in werkelijkheid plaats vindt. Bijv. bij +Vergilius, Aeneïs I 179. "Zij maken zich gereed het graan op 't vuur te +bakken en 't op den steen stuk te stooten;" in werkelijkheid gaat het +stukstooten vooraf aan het bakken. + +[6] Duns Scotus, één der invloedrijkste scholastici uit de 14e eeuw, die +de Onbevlekte Ontvangenis van Maria in tweehonderd bewijzen tegenover +Thomas van Aquino verdedigde, waardoor hij veel bijdroeg dat dit een +leerstuk der R.C. kerk werd. Zijn spitsvondige dialectiek bezorgde hem +dan naam van Doctor Subtilis. + +[7] Verg. Ecloga III 16. Quid domini faciant, ausint quum talia fures? + +[8] Verg. Aeneïs VI. 126. + + Facilis descensus Averno + Sed revocare gradum, superasque evadere ad auras, + Hoc opus, hic labor est + +[9] Toespeling op het Grieksche spreekwoord: een aap blijft een aap, ook +al draagt hij gouden sandalen. Vergelijk Vader Cats: + + Al draagt de aap een gouden ring + Hij is en blijft een morsig ding. + + +[10] Patricius, St. Patrick, wordt de Iersche Apostel genoemd omdat hij, +in 433 door Paus Celestinus naar Ierland gezonden, daar vele +bekeerlingen maakte. + + + * * * * * + + +HET SPROOKJESMAAL + + +Personen: Eenige makkers aan tafel. + +JAN, HENDRIK, WILLEM, KAREL, PIETER, REINT, FLIP, KOOS EN FRITS. + + + Onder de samenspraken van Erasmus vindt men een viertal die ten + titel voeren "Maaltijd." (Eéne heet 't _dichterlijk_ maal, een + tweede 't _godsdienstig_, een derde 't _wereldsch_ en een vierde + het _Sprookjes_maal.) De eerste drie bevatten gesprekken over + godsdienstige onderwerpen, plaatsen uit den Bijbel, over + spraakkunst en litteratuur. De laatste, het Sprookjesmaal dat + hieronder volgt, is een aaneenschakeling van anecdotes, ook + geschiedkundige, waarmee eenige gasten elkander den maaltijd + opvroolijken. + + +JAN: Zooals geen welingerichte staat kan bestaan zonder wetten en zonder +hoofd, zoo mag ook dit gastmaal niet zonder president en zonder +reglement zijn.--HENDRIK: Uitstekend! Uit naam van ons allen durf ik wel +verzekeren dat wij 't allen daarmee eens zijn.--JAN: Heidaar, bediende, +breng de dobbelsteenen eens hier! Die moeten beslissen, wien Jupiter zóó +heeft begunstigd dat hij hem tot tafelpresident maakt. Mooi zoo! De +hemel is gunstig geweest aan Willem. 't Lot _is_ toch niet blind. +Onmogelijk kon een geschikter persoon gekozen worden, ook al had er +hoofdelijke stemming plaats gehad. Doorgaans schermt men met een +spreekwoord dat wel waarheid bevat, maar eigenlijk geen Latijn is: +"novus rex nova lex;" nieuwe heeren nieuwe wetten: zeg ons dus, o vorst! +uwe wetten.--WILLEM: Allen bij dezen maaltijd aangezeten: heil! +Vooreerst doe ik bij dezen als mijn wil kennen, dat niemand hier iets +anders vertelle dan lachwekkende verhalen. Wie geen vertelseltje kent, +wordt met een halven gulden beboet. Dat geld worde voor wijn gebruikt. +Onder de wettig erkende verhalen zullen wij ook die rekenen welke voor +de vuist weg verteld worden, mits slechts de maat van 't waarschijnlijke +en betamelijke niet overschreden worde. Als er niemand is die met een +vertelsel in gebreke is gebleven, dan zullen twee 't gelag van den wijn +betalen, nl. de een die 't aardigste, de ander die 't flauwste verhaal +heeft ten beste gegeven. De gastheer moet vrijgesteld blijven van een +bijdrage in de kosten van den wijn. Hij heeft alleen te zorgen voor de +spijzen. Mocht hierover soms eenig geschil ontstaan, dan moet Hendrik +als scheidsrechter optreden. Indien ieder dit gehoord heeft en niemand +er tegen is, dan heeft dit kracht van wet. Wie aan die wet niet wil +gehoorzamen, ga heen, maar met dien verstande dat hij morgen bij ons +drinkgelag mag terugkomen.--HENDRIK: We willen dat de wet door onzen +voorzitter gegeven bij acclamatie van kracht worde verklaard. Maar bij +wien begint de kring van onze vertellingen?--WILLEM: Bij wien anders dan +bij den gastheer?--KAREL: Voorzitter, een paar woordjes als ik +mag.--WILLEM: Denk je soms dat we hier stommetje moeten spelen?--KAREL: +De rechtsgeleerden zeggen dat een onbillijke wet geen wet is.--WILLEM: +Dat geef ik toe.--KAREL: Maar toch stelt uw verordening 't beste +verhaaltje gelijk met het slechtste.--WILLEM: Waar het te doen is om ons +te vermaken, daar heeft hij die 't leelijkst gesproken heeft niet minder +lof verdiend dan hij die heel goed sprak, en wel om deze reden: dat de +een niet minder tot 't genoegen bijdroeg dan de ander. Zoo is het onder +zangers bijvoorbeeld ook: niemand schenkt genot, dan wie bij uitstek +goed zingt of bijzonder leelijk. Wordt er niet meer gelachen, wanneer +men den koekoek hoort dan bij 't hooren van de nachtegaal? +Middelmatigheid vindt hierbij geen lof.--KAREL: Maar waarom worden zij +gestraft die een prijs verdienen?--WILLEM: Om te maken dat niet hun al +te groot geluk een wraakgodin oproepe, wanneer ze èn den prijs èn +straffeloosheid verwierven.--KAREL: Bij Bacchus! Minos, de +rechtvaardigste wetgever[1] die er ooit is geweest, heeft nooit een +billijker wetsbepaling gemaakt.--PIETER: En zult gij geen voorschriften +geven welke regels bij 't drinken in acht moeten worden +genomen?--WILLEM: Na rijp beraad zal ik het voorbeeld volgen van den +Spartaanschen koning Agesilaos.--PIETER: Wat deed die?--WILLEM: Toen hij +eens bij keuze van 't lot tot tafelpresident was gekozen en de +hofmeester hem vroeg hoeveel wijn hij bij elken gast moest plaatsen, +antwoordde hij dezen: "Als gij tamelijk veel wijn in voorraad hebt, geef +dan aan ieder zooveel hij vraagt; als de voorraad wat minder rijk is, +verdeel dien dan gelijkelijk onder allen."--PIETER: Wat bedoelde de +Spartaan met die woorden?--WILLEM: Hij had er dit mee op het oog: om het +maal niet tot een dronkemanspartij te maken, maar ook niet tot een +aanleiding om te mopperen.--PIETER: Hoe dat zoo?--WILLEM: Omdat er zijn +die graag veel drinken, maar ook anderen die 't liever wat kalm-aan +doen. Er worden ook menschen gevonden die geheel-onthouders zijn, zooals +men zegt dat koning Romulus is geweest. Als er dus aan niemand wijn +gegeven wordt of hij moet er om vragen, dan wordt vooreerst niemand +gedwongen om te drinken en toch behoeven zij die van een flink glas wijn +houden, er niet minder om te drinken. Zoo komt 't, dat dan iedereen +vroolijk is aan tafel. En omgekeerd, wanneer met schriele hand de wijn +in gelijke porties wordt rondgedeeld aan iederen gast afzonderlijk, dan +krijgen zij die wat matig drinken genoeg; terwijl ook niemand bij een +gelijke uitdeeling murmureeren kan, wanneer hij ziet dat iemand, die van +plan was het er eens goed van te nemen, zich kalm moet schikken naar +matigheid. Als u dus het voorbeeld van den Spartaanschen koning bevalt +dat ik daar aanhaalde, dan zullen wij dat volgen. Immers wij willen dat +het maal gezellig worde door de vertellingen, niet door den invloed van +veel wijn.--PIETER: Wat dronk Romulus dan?--WILLEM: Wat de hondjes ook +drinken.--PIETER: Is dat een koning niet onwaardig?--WILLEM: Volstrekt +niet meer onwaardig, dan wanneer koningen lucht inademen die ze ook met +de honden deelen. Alleen met dit onderscheid: de koning drinkt niet +hetzelfde water dat de hond drinkt, maar de lucht die de koning heeft +uitgeademd, die ademt de hond in en op zijn beurt ademt de koning ook +weer de lucht in, die de hond heeft uitgeademd. Alexander de Groote zou +vrij wat beroemder zijn als hij zich met den hondendrank had tevreden +gesteld. Niets toch is voor een koning die voor zooveel drinkende +menschen moet zorgen, gevaarlijker dan dronkenschap. Maar dat Romulus +geheel-onthouder is geweest, blijkt uit een niet onaardige uiting van +hem. Toen eens iemand die zag dat hij geen wijn dronk, gezegd had: "wat +zal de wijn goedkoop worden, wanneer allen dien drinken zooals hij," +toen antwoordde hij: "Neen juist niet; ik denk dat hij heel duur zou +worden, wanneer allen dien dronken zooals ik. Want ik drink juist +zooveel als ik wil."--HENDRIK: Ik woû wel dat onze vriend de kanunnik +Johannis Botzemus uit Constanz hier was, om ons een levend voorbeeld van +dien Romulus voor oogen te stellen. Want hij _is_ werkelijk een even +groot wijnvijand, als men _zegt_ dat hij 't is en toch is hij een +gezellig kameraad en een vroolijk dischgenoot.--JAN: Kom-aan, wanneer +gij niet tegelijk kunt slurpen en blazen (wat Plautus zegt dat zoo +moeilijk is) maar eten en hooren, wat heel gemakkelijk is, dan wil ik +onder goede voorteekenen wel een begin maken met vertellen. Al ge soms +'t verhaaltje niet heel geestig vindt, weet dan dat 't een Hollandsche +mop is. Verscheidene onder u zullen den naam van een zekeren Maccus wel +eens gehoord hebben.--HENDRIK: Niet lang geleden is hij gestorven.--JAN: +Toen de man te Leiden aankwam en zich daar als vreemdeling door een grap +bekend wilde maken (want dat was zijn "fort") ging hij een +schoenenwinkel binnen en groette beleefd. De schoenmaker die graag wat +van zijn waar kwijt wilde wezen, vroeg hem wat er van zijn dienst was. +Toen Maccus zijn oogen liet vallen op een paar kappen van laarzen die +daar hingen, vroeg hij of zijn nieuwe klant soms kappen verlangde, +Maccus zei van ja en de baas ging een paar uitzoeken dat voor de beenen +van zijn cliënt geschikt was. Toen hij ze gevonden had, haalde hij ze +voor den dag en (zooals schoenmakers dat gewoonlijk doen) gespt ze hem +aan. Toen nu Maccus keurig netjes met zijn kuiten in de kappen zat, zei +hij: "Wat zou daar een paar schoenen met dubbele zolen netjes bij +staan." Op de vraag van den koopman of hij ook schoenen wilde, knikte +hij van ja. Die worden opgezocht en aan de voeten getrokken. Maccus +prees de kappen, hij roemde de schoenen. De schoenmaker, inwendig blij, +zong 't lofliedje met hem mee, hopend op een hoogeren prijs wanneer den +klant de koop zóó goed beviel. Zoo waren ze reeds met elkander op een +vrij gemeenzamen voet geraakt. Daarop zei Maccus: "Zeg ereis eerlijk: is +'t je nooit gebeurd dat, wanneer je iemand zóó met kappen en laarzen +voor een tocht hadt uitgerust, zooals gij 't mij nu gedaan hebt, dat hij +er dan van door ging, zonder je te betalen?" "Nooit," was 't antwoord. +"Maar als 't nu soms eens gebeurde, wat zou je dan doen?" "'k Zou hem +hard achterna loopen," zei de schoenmaker. Toen zei Maccus: "Zeg je dat +in ernst of in scherts?" "In vollen ernst," zei de ander, "en ik zou 't +ook werkelijk doen." "Ik wil 't eens probeeren," zei Maccus. "Kijk ik +loop weg: 't gaat om de schoenen! Zet mij nu na!" En tegelijk zette hij +'t op een loopen. De schoenmaker hem achterna zoo hard hij kon, al +roepend: "houdt den dief, houdt den dief!" Toen op dat geroep de burgers +overal uit hun woningen voor den dag kwamen, wist Maccus hen door 't +volgend leugentje te beletten hem tegen te houden. Hij riep hun namelijk +toe: "Niemand mag ons in onzen loop tegenhouden: we loopen om 't hardst +om een ton bier." En zoo keken de burgers bij den wedloop toe, zonder +dien te storen. Ze vermoedden echter dat de schoenmaker zijn roep +aanhief uit list, om daardoor een kansje te krijgen 't van den ander te +winnen. Eindelijk moest onze schoenmaker het opgeven; bezweet en buiten +adem keerde hij naar huis terug. Maccus had den prijs +gewonnen.--HENDRIK: Die Maccus is wel den schoenmaker ontloopen, maar +niet den dief.--JAN: Hoe zoo?--HENDRIK: Omdat hij den dief in zijn eigen +persoon bij zich hield.--JAN: Misschien had hij op dat oogenblik geen +contanten en heeft hij 't geld later wel betaald.--HENDRIK: Maar daar +was toch grond om een gerechtelijken eisch tegen hem in te +stellen.--JAN: Die _is_ ook later ingesteld. Maar toen had Maccus al +eenige kennissen onder de overheden.--HENDRIK: En waarmee kwam Maccus +voor den dag?--JAN: Waarmee? Vraag je dat nog? in een zaak zoo licht te +winnen? De eischer liep grooter gevaar dan de beschuldigde.--HENDRIK: +Hoe dat zoo?--JAN: Omdat hij hem van laster beschuldigde en de wet op +hem wilde toepassen die voorschrijft, dat iemand die een ander iets +aanwrijft wat hij niet bewijzen kan, dezelfde straf moet lijden die de +beschuldigde zou gekregen hebben wanneer het van hem bewezen was. Maccus +verklaarde dat hij geen stuk had aangeraakt tegen den wil van den +eigenaar. Dat deze daarentegen met alles uit eigen beweging was komen +aandragen, dat er van een prijs niet gesproken was. Dat hij den +schoenmaker tot den wedloop had uitgedaagd en dat de man die uitdaging +had aangenomen. Reden tot klagen had hij niet; hij had 't in den wedloop +eerlijk verloren.--HENDRIK: Dit geding heeft wel wat van dat bekende +proces om de schaduw van den ezel. En hoe liep 't af?--JAN: Toen er +genoeg gelachen was, noodigde één der rechters Maccus bij zich te eten +en aan den schoenmaker werd 't geld uitbetaald. Iets dergelijks is in +mijn jongensjaren ook te Deventer gebeurd. 't Was in den vastentijd, +waarin (naar het spreekwoord zegt) de visschers 't heft in handen hebben +en de slagers ledig rondloopen. Er stond iemand bij de uitstalling van +een fruitvrouw, een verbazend dik wijf; met gespannen blikken keek hij +naar alles wat te koop lag uitgestald. Als gewoonlijk vroeg ze of +mijnheer iets noodig had. En toen zij zag hoe hij zijn oogen op de +vijgen gevestigd hield vroeg ze: "Wilt u vijgen? Ze zijn overheerlijk." +Toen hij geknikt had van ja, vroeg ze hoeveel pond hij verlangde. "Wil u +vijf pond?" Op zijn toestemmenden knik schudde ze hem dat gewicht in een +slip van zijn kleed. Terwijl zij haar weegschaal opbergt, gaat de kooper +heen, niet hard wegloopend, maar kalm en bedaard. Toen de koopvrouw weer +terugkwam om 't geld in ontvangst te nemen zag ze den kooper rustig +wegwandelen. Zij zette hem na, meer met haar stem dan met haar beenen. +Hij deed net als of hij 't niet merkte en ging door. Eindelijk bleef hij +staan, toen veel menschen op 't geschreeuw van de koopvrouw kwamen +aanloopen. Nu wordt te midden van 't volk de zaak behandeld. Algemeen +gelach! De kooper zegt dat hij niet gekocht heeft, maar alleen dankbaar +aangenomen wat hem beleefd werd aangeboden. Als ze hem voor 't gerecht +wilde dagen, dat hij dan zou verschijnen.--HENDRIK: Kom aan. Ik zal ook +een verhaaltje ten beste geven dat misschien wel eenigszins gelijk is +aan 't uwe, maar toch niet minder aardig is. Alleen is de hoofdpersoon +niet zoo beroemd als uw Maccus. De wijsgeer Pythagoras verdeelde de +geheele markt in drie klassen van menschen: de eene groep komt om te +verkoopen, de andere om te koopen en deze beide soorten van menschen, +zei hij, hebben 't hoofd vol zorgen en zijn dus niet gelukkig. Anderen +komen alleen maar op de markt om te zien wat er te koop geboden wordt of +wat er omgaat: dat zijn alleen de gelukkigen, omdat ze vrij zijn van +zorg en pret hebben die hun niets kost. "En zóó," zei de wijsgeer, "gaat +'t ook in de wereld toe; dáár in 't groot, zooals bij den handel op de +markt in 't klein." Op de plaatsen waar bij ons handel gedreven wordt, +op de markt en de beurs, loopt gewoonlijk nog een vierde soort van +menschen rond die niet koopen, niet verkoopen en ook geen toekijkers +zijn, maar die overal op den loer liggen of ze soms iets kunnen stelen. +En onder dat slag van volk treft men er die weergaasch handig zijn: men +zou zeggen dat ze ter wereld waren gekomen onder bescherming van den +dievengod Mercurius. Onze gastheer heeft een verhaaltje ten beste +gegeven met een aanhangsel; ik zal er nu een geven waarvan ik de +voorafspraak reeds gehouden heb. Hoort dan verder wat onlangs in +Antwerpen is gebeurd. Een priester had er een aardig sommetje geld +gebeurd, en wel in zilvergeld. Een bedrieger had dit bemerkt. Hij klampt +den priester aan, die in zijn gordel de beurs droeg, gespannen van de +geldstukken. Hij groet hem beleefd. Hij vertelt hem dat hem door zijn +mede-parochianen is opgedragen, voor hun kapelaan een nieuw +priesterkleed te koopen, zooals de geestelijken dat dragen wanneer zij +de mis bedienen. Hij vraagt dus beleefd of hij hem met zijn raad wel zou +willen bijstaan, of hij met hem wilde meegaan naar een winkel waar zulke +kleedingstukken te koop zijn. "Ik zou dan naar de maat van uw lichaam +een kleed kunnen nemen wat grooter of wat kleiner; want mij dunkt dat +uwe gestalte vrijwel overeenkomt met die van onzen kapelaan." Nu, dezen +dienst, die van zoo weinig beteekenis scheen, wilde de geestelijke hem +graag bewijzen. Ze gaan een winkel binnen. Een priesterkleed wordt voor +den dag gehaald: de geestelijke trekt 't aan; de koopman zegt dat 't +prachtig past. Nadat de gauwdief den priester nu eens van voren, dan van +achteren had aangezien, vindt hij het kleedingstuk niet kwaad, maar hij +maakt toch de opmerking, dat 't kleed van voren korter is dan eigenlijk +wel mag. Toen zei de verkooper, daar hij bang was dat de koop niet zou +doorgaan, dat dit niet de schuld was van het gewaad, maar dat de +goedgevulde beurs de oorzaak was dat 't opschortte en dat het daardoor +te kort scheen. Om kort te gaan: de priester legt zijn beurs af, opnieuw +bekijken zij 't kleedingstuk. Toen de priester zich even omdraait, +grijpt de gauwdief de beurs en maakt er zich mee uit de voeten. De +priester zet hem achterna, zóóals hij daar stond, met zijn priesterkleed +aan, en achter den priester de kleerenkoop. De priester roept: "houdt +den dief;" de koopman gilt: "pakt dien priester;" de gauwdief roept: +"Houdt dien priester vast, hij is dol!" en men wilde dat graag gelooven, +toen ze hem zoo opgesierd op straat zagen hollen. En terwijl dus de een +den ander tegenhield kon de gauwdief ontsnappen.--WILLEM: 't Is er een +die verdient dubbel gehangen te worden, zoo'n slimmerd!--HENDRIK: Als +hij al niet lang hangt!--WILLEM: 'k Hoop dat hij niet alleen hangt, maar +met hem de lieden, die dergelijke schurken tot nadeel van 't groote +publiek begunstigen.--HENDRIK: Ze begunstigen hen niet voor niets. Het +is, volgens Homerus' dichtregel, een keten die neerhangt op aarde, maar +van boven met Jupiter in aanraking is.--WILLEM: Laten we tot onze +anecdotes terugkeeren.--KAREL: De beurt is aan u, zoo 't ten minste geen +heiligschennis is den koning zelven tot de orde te roepen.--WILLEM: Ik +behoef niet geroepen te worden. Integendeel, ik keer gaarne uit me +zelven tot de orde terug. Anders zou ik een tyran zijn, geen koning, +wanneer ik bezwaren maakte mij te onderwerpen aan de wetten die ik aan +anderen voorschrijf.--KAREL: En toch zeggen ze dat een vorst boven de +wet staat.--WILLEM: Heelemaal verkeerd is dat niet gezegd, wanneer men +althans onder vorst wil verstaan den vorst, dien ze toen Keizer noemden. +En verder, wanneer jij 't zóó uitlegt: dat hij uit eigen beweging veel +royaler datgene doet, wat anderen, hoe dan ook, gedwongen doen. Immers, +wat de ziel is voor het lichaam, dat is een goed vorst voor den staat. +Waartoe behoeven wij er evenwel bij te voegen "goed;" daar toch een +slecht vorst geen vorst is, evenmin als een onreine ziel, die zich in +een menschenlichaam genesteld heeft, een ziel van dat lichaam is. Maar +kom aan! Het verhaal zou komen. Mij dunkt 't is goed van pas, wanneer ik +als koning van dit maal, ook een verhaal met een koning er in, vertel. +Toen Koning Lodewijk de Elfde, omdat in zijn rijk de boel in 't honderd +liep, rondzwierf bij de Bourgondiërs, maakte hij bij gelegenheid van een +jacht kennis met een zekeren Conon, een eenvoudigen boer, maar een man +met een trouwhartig en eerlijk gemoed. Vorsten hebben dikwijls veel op +met zulk slag van menschen. Na de jacht kwam de koning dikwijls in de +hofstee van dien man eenige oogenblikken binnen en zooals groote heeren +vaak schik hebben in plebeïsche genoegens, zoo smulde hij dikwijls bij +hem aan rapen. Toen Lodewijk korten tijd daarna op zijn troon hersteld, +de heerschappij over Frankrijk weer in handen had, werd Conon door zijn +vrouw aangespoord om den koning toch eens te herinneren aan de vroeger +bij hen genotene gastvrijheid. Conon maakte zwarigheden: 't zou toch +maar verloren moeite wezen, vorsten toch denken niet aan zulke diensten. +Maar de vrouw zette door en kreeg haar zin. Conon zoekt eenige bijzonder +mooie rapen uit en maakt zich voor de reis gereed. Maar onderweg laat +hij zich door 't aanlokkelijke van de spijs verleiden en peuzelt ze +achtereenvolgens allen op, behalve één: een bijzonder grooten knol. Toen +Conon tot 't binnenplein had weten door te sluipen, waarlangs de koning +moest komen, herkende deze hem terstond en liet hem bij zich komen. +Conon haast zich den koning de raap aan te bieden: de koning neemt die +met nog grootere bereidwilligheid aan, terwijl hij aan iemand uit zijn +omgeving opdraagt, het voorwerp zorgvuldig neer te leggen bij de dingen +die hem het liefst zijn. Hij noodigt Conon bij zich aan tafel en toen +deze weer naar zijn boerderij terug wilde gaan liet hij hem voor zijn +knol duizend gouden kronen uitbetalen. Toen 't gerucht hiervan, zooals +dat gaat, spoedig onder 's konings hofstoet verbreid was, gaf één der +hovelingen den koning een mooi paard ten geschenke. De koning begreep +heel goed, dat zijn hoveling zich had laten verlokken door de +vrijgevigheid die jegens Conon was betoond, en dat de man hoopte op een +rijke belooning. Maar hij nam met een bijzonder opgewekt gelaat 't +geschenk aan; riep zijn rijksgrooten bijeen en legde hun de vraag voor, +met welk een geschenk hij dat prachtige en kostbare paard wel zou kunnen +vergelden. Intusschen koesterde hij, die 't paard geschonken had, de +grootste verwachtingen. Hij redeneerde zóó bij zichzelven: "Als hij een +raap door een boer gegeven zóó royaal beloont, hoeveel rijkelijker zal +hij dan zoo'n prachtpaard, door een hoveling aangeboden, wel vergelden?" +Toen de koning bij zijn rondvraag over deze zaak van den één dit, van +den ander dàt antwoord kreeg en de inhalige winstjager lang door ijdele +hoop in spanning was gehouden, sprak ten slotte de koning: "Daar schiet +mij iets te binnen wat ik hem kan geven." Hij riep één der hovelingen +tot zich, fluisterde hem in 't oor dat hij naar zijn slaapkamer moest +gaan en van daar van een plaats die hij hem aanduidde, moest halen wat +hij daar, zorgvuldig in een zijden doek gewikkeld, zou vinden. Wat +brengt hij, goed ingepakt mee terug? De raap van den boer! De koning +reikte eigenhandig den hoveling het pak over, terwijl hij er bijvoegde: +dat naar zijn meening met een kleinood, betaald met duizend goudstukken, +'t paard rijkelijk beloond was. De hoveling gaat ter zijde, knoopt den +doek los en vindt in plaats van een verwachten schat wel geen +"houtskool" zooals 't spreekwoord zegt, maar een half verdroogde +koolraap.[2] De gefopte winstjager werd algemeen uitgelachen.--KAREL: +Als gij 't toestaat, o koning, dat ik, als man uit het volk over +koninklijke dingen spreek, zal ik over dienzelfden Lodewijk een +verhaaltje doen dat mij nu te binnen schiet. Zoo lokt 't ééne verhaaltje +'t andere uit. Een bediende zag eens op 's konings rok een luis kruipen: +hij boog zich voor den koning op de knieën en gaf door zijn hand op te +heffen te kennen dat hij den vorst den een of anderen dienst wilde +bewijzen. Lodewijk zei dat hij zijn gang kon gaan, de man nam de luis op +en wierp die heimelijk weg. Toen de koning vroeg wat 't was, schaamde +hij zich 't te zeggen. Op 't aandringen van den koning, kwam 't hooge +woord er uit: dat 't een luis was geweest. "Dat is een goed teeken," zei +de koning, "'t Bewijst dat ik een mensch ben, daar dat soort van +ongedierte speciaal bij den mensch huist, voornamelijk bij jonge +menschen." En hij liet den man voor zijn dienstbetoon veertig goudkronen +uitbetalen. Na eenige dagen kwam een ander die had gezien, hoe aan den +eerste dat bewijzen van een nederigen dienst geen windeieren had gelegd +en die niet begreep dat 't er heel wat toe doet, of men zoo iets van +harte dan wel met bijbedoelingen verricht, na eenige dagen dan, kwam een +ander met een dergelijk gebaar tot den koning. Deze liet hem ook weer +begaan en hij deed alsof hij iets van 's konings mantel af nam dat hij +onmiddellijk wegwierp. Toen de koning hem zag aarzelen en er op aandrong +te weten, wat 't geweest was, antwoordde hij eindelijk met geveinsde +schaamte dat 't een vloo was. "Wat?" zei de koning, die 't bedrog +doorzag, "zie je mij voor een hond aan?" Hij liet den man beetpakken en +in plaats van veertig goudstukken, veertig slagen toedienen.--REINIER: +Mij dunkt 't is niet geraden met koningen grapjes uit te halen. Leeuwen +laten zich wel eens kalm streelen, maar als ze willen, zijn 't ook weer +eensklaps leeuwen en ... hij die met hen speelde ligt op den grond. Zoo +is 't ook met koningen in hun goeden luim. Maar ik zal nu een verhaaltje +vertellen dat met het daareven vertelde groote overeenkomst heeft. We +stappen intusschen nog niet af van Lodewijk, die er steeds een groot +vermaak in vond happige en inhalige hovelingen teleur te stellen. Hij +had van den een of ander tienduizend goudstukken ten geschenke +ontvangen. Zoo dikwijls vorsten een voorraad geld krijgen azen alle +ambtenaren daarop en hopen een stukje van den buit deelachtig te worden. +Ook Lodewijk wist dit heel goed. Toen dus dit geld op de tafel lag +uitgeteld, om allen nog meer in hun groote verwachtingen te prikkelen, +sprak hij tot de omstanders: "Wat zeg-jelui er van? Vind-je niet dat ik +een rijk koning ben? Hoe zullen we zoo'n groote som beleggen? Maar, 't +is gegeven geld, 't moet ook weer weggegeven worden. Waar zijn nu de +vrienden aan wie ik verplichtingen heb voor mij bewezen diensten? Ze +moeten zich melden voordat de geldstroom is opgedroogd." Op die roepstem +komen velen aanloopen. Ieder meent voor zich zelven op iets te mogen +rekenen. Toen de koning er één zag, die met bijzonder begeerige oogen +naar 't geld stond te kijken, wendde hij zich tot hem en zei: "Nou +vriendje, wat heb jij te vertellen?" De man deelde nu mee dat hij +geruimen tijd 's konings valken had gevoederd, met nauwgezette zorg en +met groote kosten: en zoo bracht de één dit, de ander dat te berde. +Ieder vijzelde, zooveel hij kon, 't geen hij verricht had op, en daar +liep menige leugen onder. De koning hoorde hen allen welwillend aan en +gaf na ieders mededeelingen zijn goedkeuring te kennen. De beraadslaging +werd opzettelijk door hem gerekt om ze allen des te langer in de +pijnlijke onzekerheid te laten. Onder de aanwezigen bevond zich ook de +Rijkskanselier, dien de koning mede had laten ontbieden. Deze was +voorzichtiger dan de anderen, prees zijn verdienstelijke daden niet aan +en gedroeg zich als lijdelijk toeschouwer. De koning wendde zich tot hem +met de vraag: "En wat zegt mijn Kanselier? Hij is de eenige die niets +vraagt en zijn daden niet ophemelt?" De Kanselier antwoordde: "Ik heb +meer bewijzen van uw koninklijke welwillendheid ontvangen dan ik wel +verdiend had en mijn grootste zorg is hoe ik die weldadigheid jegens mij +zal kunnen vergelden. Zóó ver is 't er van af, dat ik nog meer zou +willen vragen." En toen de koning vroeg: "Zijt gij dan de eenige onder +allen die geen geld noodig hebt?" luidde het antwoord: "Uw royaliteit +heeft gemaakt dat ik 't niet noodig heb." De koning wendde zich toen tot +de anderen en sprak: "Waarlijk, ik ben wel de grootmachtigste van alle +koningen dat ik zóó'n rijken Kanselier heb." Aller hoop werd +verlevendigd daar ze dachten dat 't geld onder de anderen zou verdeeld +worden, nu deze op niets aanspraak maakte. Toen de koning nu lang genoeg +met hen gespeeld had, liet hij den Kanselier de geheele som naar zijn +huis meenemen en zei daarop, de overigen aansprekend: "Jelui moet nu +maar eens een andere gelegenheid afwachten."--REINIER: Het verhaaltje +dat ik nu ga vertellen zult ge misschien minder aardig vinden, maar ik +begin dadelijk u te verzoeken mij niet te verdenken van kwade trouw of +booze streken, alsof ik met opzet zou pogen mij aan mijn verplichting te +onttrekken. Zeker iemand kwam tot denzelfden Lodewijk met het verzoek, +hem met een post die toevallig in 't dorp waar hij woonde, open was, te +willen begunstigen. Zoodra de koning 't verzoek gehoord had zei hij +onverwijld: "Uw verzoek zal niets uitwerken," waarmee hij onmiddellijk +bij den man alle hoop afsneed om gedaan te krijgen wat hij vroeg. De +sollicitant ging, met een dankbetuiging aan den koning dadelijk heen. De +koning die aan zijn gezicht wel kon zien dat hij te doen had met een +alles behalve onhandigen man liet hem terug roepen, daar hij vermoedde +dat de man niet precies begrepen had, wat hij bedoeld had. De man komt +terug. Toen zei de koning: "Had je begrepen wat ik je geantwoord had?" +"Ja zeker, Sire." "Wat heb ik dan gezegd?" "Dat ik met mijn verzoek +niets zou uitrichten." "En waarom bedankte je mij daarvoor?" "Omdat ik +thuis heel wat te doen heb. Ik zou hier dus tot mijn groot nadeel een +twijfelachtige hoop hebben nagejaagd. Nu reken ik het als een gunst van +uwe zijde dat ge me dadelijk het gevraagde geweigerd hebt. Ik beschouw +als winst wat ik verloren zou hebben, wanneer ik mij lang met een ijdele +hoop had moeten vleien." Uit dat antwoord meende de koning te mogen +opmaken, dat hij met een alles behalven laksen man te doen had, en na +enkele vragen zei hij: "Je zult hebben wat je vraagt: dan kun je mij +dubbel bedanken." Tevens wendde hij zich tot de hofbeambten en beval hun +onmiddellijk 't bewijs van aanstelling gereed te maken om den man niet +langer op te houden en hem tijdverlies te besparen.--FLIP: 'k Zou ook +nog wel wat over dien zelfden Lodewijk kunnen vertellen, maar ik wil nu +liever iets zeggen over onzen Keizer Maximiliaan. Evenmin als deze +gewoon was zijn geld te begraven, even milddadig was hij tegenover hen +die hun geld hadden verspeeld, mits ze maar een adellijken titel +voerden. Toen hij eens een jongmensch van dat slag wilde helpen, gaf hij +hem de opdracht, in een zekere stad onder het een of ander voorwendsel, +honderdduizend gulden te gaan innen. Nu, de rechtsgrond was van dien +aard dat, als de afgevaardigde door handigheid iets kon los krijgen, dit +als winst kon worden beschouwd. De man wist vijftigduizend gulden te +bemachtigen en droeg aan den Keizer dertigduizend af. De Keizer was blij +met zijn ongehoopt voordeeltje: hij liet zijn gezant gaan zonder verder +eenige navraag te doen. Intusschen kregen de ontvangers en de leden van +de rekenkamer er de lucht van, dat er meer was geïnd dan er was +afgedragen. Zij dringen er dus bij den Keizer op aan, dat hij den man +zou laten roepen. Hij werd ontboden en komt onmiddellijk. Maximiliaan +zei: "Ik hoor ge hebt vijftig duizend goudguldens ontvangen." "Ja, +Sire." "En ge hebt mij maar dertig duizend uitgekeerd." Ook hierop moest +hij ja zeggen. "Leg dan rekening en verantwoording af van de rest." Hij +beloofde dat te zullen doen en ging heen. Doch van de rekening en +verantwoording kwam niets en op aandringen van de finantiëele beambten +werd de jonge man weer ontboden. Toen zei de Keizer: "Onlangs heb ik u +gezegd rekening en verantwoording af te leggen." "Dat weet ik zeer +goed," zei de ander, "en ik ben er juist druk mee bezig." De Keizer +vermoedde dat de rekening nog niet geheel was opgemaakt en liet hem dus +vertrekken. Toen hij zoo met hen speelde, drongen de beambten bij den +Keizer meer en meer aan: ze verklaarden dat 't toch niet aanging dat de +Keizer zóó openlijk voor den gek werd gehouden. Ze wilden dus +Maximiliaan overhalen, dat de jonge man zou worden ontboden en in hunne +tegenwoordigheid verantwoording zou afleggen. De Keizer gaf zijn +toestemming. Ontboden kwam hij op staanden voet, zonder eenig bezwaar te +maken. "Hebt ge mij niet beloofd verantwoording af te leggen?" "Zeker +heb ik dat, o vorst." "Nu," zei de Keizer, "die moeten wij terstond +hebben: daar zitten de personen die ze van u zullen overnemen. Langer +uitstel komt niet meer te pas." De finantiëele beambten zaten daar, met +de boeken voor 't doel geopend. Zeer handig zei toen de jonge man: "Ik +onttrek mij, Sire, volstrekt niet aan de rekening en verantwoording. +Maar in zulk soort van rekening ben ik niet heel knap, daar ik 't nooit +heb behoeven te doen. De heeren die daar zitten zijn daarentegen hoogst +bedreven in die kunst. Als ik maar eenmaal gezien heb hoe zij een +dergelijke rekening opmaken, dan kan ik het licht nadoen. Ik verzoek u +dus onderdanig hun te bevelen mij een voorbeeld te geven. Ze zullen aan +mij als leerling eer beleven." De Keizer begreep den steek van den +jongen man zeer goed, ofschoon zij, tegen wie hij gemunt was, dien niet +voelden en hij zei lachend: "Je hebt gelijk en wat je vraagt is niet +meer dan billijk." Met deze woorden liet hij den jonker vertrekken. Deze +had den Keizer bedekt willen te kennen geven dat zij aan hun meester +juist zóó'n rekening en verantwoording aflegden als _hij_ 't gedaan had, +met dien verstande dat een goed deel van 't geld bij hen zelf was +gebleven.--KOOS: 't Wordt nu tijd dat we "van den os op den ezel komen" +zooals 't spreekwoord zegt, wel te verstaan van vorsten op den +Leuvenschen pastoor Antonius, die bij Filips den Goeden van Bourgondië +zoo in blakende gunst stond. Van dien persoon worden veel aardige zetten +en veel grappige streken verteld, ofschoon de meeste wel een beetje +schuin zijn. Want 't grootste deel van zijn aardigheden placht hij te +kruiden met een zeker soort peper waaraan een leelijk luchtje is. Een +van de minst stuitende wil ik wel vertellen. Hij had eens een paar mooie +salonjonkers die hij onderweg ontmoet had, bij zich aan tafel genoodigd. +Toen hij thuis kwam vond hij 't keukenfornuis koud en geen cent in zijn +kas. Nu, dat kwam dikwijls bij hem voor. Hier moest goede raad geschaft +worden. Hij sluipt stil zijn huis uit, gaat in de keuken van zijn +buurman, den geldschieter met wien hij op goeden voet stond, omdat hij +vaak zaken met hem deed en terwijl de meid een oogenblik weg was, kaapt +hij één van de koperen braadpannen, mèt 't vleesch dat er in te braden +stond, weg en draagt 't, onder zijn pastoorsjas verborgen, naar zijn +huis. Hij geeft 't aan zijn keukenmeid en zegt haar dadelijk 't vleesch +en de saus in een andere, aarden, pan over te storten en onmiddellijk de +koperen braadpan van den geldschieter te poetsen tot ze blonk als een +spiegel. Hierna zendt hij een jongen uit naar den geldschieter, om van +dezen, tegen onderpand van den mooien koperen pot, een paar halve +guldens te leenen. Maar de jongen kreeg de boodschap mee, dat hij van +den geldschieter een bewijsje moest vragen, waarop hij verklaarde zoo'n +braadpan te hebben ontvangen. De geldschieter herkende zijn braadpan +niet: zij zag er zoo mooi gepoetst en glimmend uit! Hij neemt dus 't +onderpand in ontvangst, geeft 't beleeningsbriefje en telt 't geld uit. +Voor dat geld koopt de jongen wijn. Zoo werd er voor 't maal gezorgd. +Toen voor den geldschieter de maaltijd zou worden opgediend, ontbrak de +pot met vleesch. Een standje natuurlijk aan 't adres van de keukenmeid. +En zij hield daarentegen bij kris en kras vol, dat niemand op dien +morgen in haar keuken was geweest dan de pastoor. 't Leek toch wel wat +al te erg een geestelijke van diefstal te verdenken! Eindelijk besluit +de geldschieter naar hem toe te gaan: hij vroeg of de braadpan soms ook +bij hem was. Er was geen schijn of schaduw van een pan te bekennen. Om +kort te gaan, men vorderde in ernst de braadpan van hem terug, omdat hij +de eenige was dien men in de keuken had gezien vóór 't oogenblik dat ze +vermist werd. De pastoor bekende wel dat hij een pan te leen had +genomen, maar hij had die ook weer teruggezonden aan den persoon van +wien hij ze geleend had. En toen de anderen dit ontkenden en de +woordenstrijd hoog liep zei Antonius, in 't bijzijn van eenige getuigen: +"Nu kan men eens zien hoe gevaarlijk het is met menschen van den +tegenwoordigen tijd te doen te hebben, wanneer men geen schriftelijk +bewijs heeft. Men zou hier bijkans een aanklacht van diefstal tegen mij +inbrengen, als ik niet een eigenhandige verklaring van den woekeraar +had." En hij haalt 't beleeningsbriefje voor den dag. Nu begreep men de +list. Om 't verhaal werd gelachen en 't ging rond in de geheele streek: +dat de braadpan beleend was bij den eigenaar zelven. Zulk soort van +streken mogen de menschen graag, wanneer ze tegen gehate personen worden +uitgehaald, voornamelijk tegen lieden die er hun werk van maken anderen +te bedotten.--FRITS: Nu, niet 't noemen van den naam van pastoor +Antonius heb-je ons een zee van anecdoten ontsloten! Maar één wil ik er +nog vertellen en wel een korte, die ik onlangs heb gehoord. Eenige losse +snaken wier leventje eigenlijk niets is dan één groote pretmakerij, +hadden gezamenlijk een gezellig diner. Onder anderen was Antonius daar +óók bij en nòg een ander, die in dergelijke grappen en kluchten een +grooten naam heeft: bijkans een mededinger van Antonius. Op dezelfde +manier als dit bij wijsgeeren het geval is, wanneer zij hunne +bijeenkomsten houden, dat er strijdvragen worden gesteld, over alles wat +op de natuur betrekking heeft, zoo kwam ook hier de kwestie ter sprake +wat wel het waardigste deel van 't menschelijk lichaam was. De één +raadde de oogen, een ander 't hart; de een noemde dit, de ander dat. +Ieder gaf de reden op van zijn bewering. Toen Antonius moest zeggen wat +hij er van dacht, gaf hij als zijn meening te kennen dat de mond 't +waardigste deel van 't lichaam is, en hij voegde er ook een bewijs aan +toe. Hierop zei die andere snaak, alleen om maar van Antonius te +verschillen, dat hem het zitdeel 't waardigste leek. Alle anderen vonden +dit ongerijmd; maar hij gaf als verklaring 't volgende op. De meest +waardige wordt doorgaans hij genoemd, die 't eerst gaat zitten en die +rol nu komt juist toe aan dat deel dat ik genoemd heb. Dit gevoelen vond +bijval en men lachte er braaf om. De bedoelde grappenmaker was op zijn +fijnen zet heel trotsch en Antonius scheen 't onderspit te hebben +gedolven. Antonius deed maar net alsof hij er niets om gaf, daar hij +juist aan den mond den voorrang had toegekend, omdat hij wel wist dat +zijn mededinger dan een ander deel zou noemen. Toen zij beiden na enkele +dagen weer in hetzelfde gezelschap werden genoodigd, trof Antonius bij +'t binnentreden zijn mededinger aan, in gesprek met eenige anderen, +terwijl de tafel nog gereed gemaakt werd. Hij draait zich om en laat +plotseling een zeer onfatsoenlijke uiting hooren vlak voor 't gezicht +van den ander. Innig verontwaardigd zei deze: "Jouw onbeschaamde rekel. +Waar heb-je dergelijke manieren geleerd?" Antonius vroeg evenwel heel +bedaard: "Word-je nog boos ook? Als ik je met mijn mond begroet had, zou +je mij teruggegroet hebben. Nu begroet ik je met het lichaamsdeel, dat +volgens je eigen verklaring als 't meest geëerde moet worden beschouwd +en noem je mij een onbeschaamden rekel." Zoo won pastoor Antonius den +vroeger verloren roem terug. Thans hebben we allen ons historietje +verteld. Nu moet alleen nog maar de rechter uitspraak doen.--HENDRIK: +Dat zal ik wel doen, maar ieder moet eerst zijn glas leegdrinken. +Komaan, ik begin. Maar ... als je van den duivel spreekt, dan zie je +zijn staart. Daar heb je Lieven Goedhart!--JAN: Lieven Goedhart brengt +een gunstig voorteeken met zijn naam mee.--LIEVEN GOEDHART: Wat is er te +doen onder deze oolijke gasten?--JAN: Wel, wat anders dan dat we een +wedstrijd hielden met vertelseltjes, tot jij juist als de wolf tusschen +de schaapjes kwam.--LIEVEN GOEDHART: Dan ben ik dus hier om de maat van +uwe verhalen vol te meten. Nu goed: kom dan allen morgen middag bij mij +eten aan een theologisch gastmaal.--HENDRIK: Dat belooft een somber +maal!--LIEVEN GOEDHART: Nous verrons! Ik wil graag aan mijn tafel +"poenitets" en "ad fundums" drinken, als gij niet zult moeten bekennen +dat mijn maal nog veel vroolijker is dan uw sprookjesmaal. Er is toch +niets aardigers denkbaar, dan dat men beuzelingen met den grootsten +ernst behandelt. + + +NOTEN: + +[1] Minos, koning van Creta, om zijn rechtsgevoel als beoordeelaar over +de schimmen in de onderwereld aangesteld. + +[2] Volgens het Latijnsch spreekwoord: "Ik heb in plaats van een schat +houtskool gevonden: d.i. een pot met houtskool in plaats van een pot met +geldstukken. + + + * * * * * + + +SCHIPBREUK + + +ANTOON EN ADOLF. + + Een der vlijmendste en scherpste samenspraken van Erasmus, waarin + hij de bijgeloovigheden zijner tijden geeselt en striemt. In + levendige trekken schildert de schrijver een schipbreuk en bespot + daarbij de dwaasheid der menschen, die, in plaats van in de bange + ure van den dood op God te vertrouwen, hun toevlucht nemen tot + allerlei Heiligen, geloften afleggen, die ze toch niet van plan + zijn te houden. Het is een meesterlijk volgehouden ironie; bijkans + elke regel is een zweepslag, een striem, een duw tegen de + schijnvroomheid en het bijgeloof van Erasmus' tijd: het geheel een + eerepalm voor het verlichte genie en den waren godsdienstzin van + onzen Erasmus. + +ANTOON: Wat je daar vertelt is vreeselijk. Is dàt varen? God verhoede +dat mij ooit zóó iets in de gedachte kome.--ADOLF: Neen, maar wat ik je +tot hiertoe heb verteld is nog niets vergeleken bij 't geen je nu zult +vernemen.--ANTOON: 'k Heb al meer dan genoeg narigheid gehoord. Ik ril +bij je verhaal alsof ik er zelf bij ben.--ADOLF: Na gedanen arbeid is +het zoet rusten. In dien nacht gebeurde er iets wat bijna alle hoop op +redding aan den kapitein benam.--ANTOON: Wat dan?--ADOLF: 't Was een +half donkere nacht en hoog in den mast stond een van de matrozen op den +uitkijk. Hij keek rond of hij ook land zag. Een soort van vuurbol vormde +zich om hem heen. Dat is voor zeelui een heel slecht Voorteeken als 't +maar één kring is: zijn het er twee, dan is 't gunstig. In de oudheid +hield men die beide vuurkringen voor de verschijning van de halfgoden +Castor en Pollux.--ANTOON: Wat hebben die met 't zeevolk te maken, daar +de één ruiter en andere vuistvechter was?--ADOLF: Ja, dat is nu zoo'n +uitvinding van de dichters. De man aan het roer riep: "Maat," (want met +dien naam spreken zeelieden elkander aan), "zie je wel wat voor +gezelschap je daar aan je zijde hebt?" "Ik zie 't," zei de ander, "en ik +hoop dat 't geluk zal brengen." Dadelijk daarop gleed de vuurbol langs +'t touwwerk naar beneden en viel vlak voor de voeten van den stuurman +neer.--ANTOON: En die was zeker half dood van den schrik?--ADOLF: Och, +zeelui zijn aan buitengewone dingen gewend. Een oogenblik bleef de bal +daar liggen en rolde toen langs de gangboorden van 't schip, gleed door +één van de openingen heen en verdween. Tegen den middag begon 't hoe +langer zoo meer te spoken. Heb je de Alpen wel eens gezien?--ANTOON: +Ja.--ADOLF: Nu, die bergen zijn maar wratten, vergeleken bij de golven +van de zee. Zoo vaak we omhoog getild werden, hadden we de maan met +onzen vinger kunnen aanraken; zoo dikwijls we in de diepte gesleurd +werden had 't er veel van, alsof we door de gespleten aarde regelrecht +naar de onderwereld gingen.--ANTOON: Wat zijn de menschen toch dwaas die +zich aan de gevaren van de zee blootstellen!--ADOLF: Terwijl de matrozen +tevergeefs tegen den storm trachten op te tornen, komt de kapitein, +bleek als een doode, bij ons.--ANTOON: Die bleekheid voorspelt een groot +ongeluk.--ADOLF: "Vrienden," zegt hij, "ik ben 't stuur over mijn schip +kwijt: de wind is mij de baas. Er schiet niets over dan dat wij onze +hoop op God stellen en dat iedereen zich op 't uiterste +voorbereidt."--ANTOON: Dat is krasse taal.--ADOLF: "In de allereerste +plaats moet 't schip ontlast worden: 't _moet_; al is 't een hard +middel. Maar 't is beter voor ons leven te zorgen door verlies van 't +een en ander, dan tegelijk met dit laatste ook zelf om-koud te gaan." +Wij begrepen dat hij waarheid sprak en tal van balen en kisten met +kostbare koopwaar werden overboord geworpen.--ANTOON: Dat was met recht +een _kwade worp_.--ADOLF: Er was ook een Italiaan bij ons gezelschap die +een gezantschap had vervuld bij den koning van Schotland. Hij had een +kist bij zich vol met zilverwerk, ringen, lakens en zijden +stoffen.--ANTOON: En wilde de Italiaan die niet aan de zee +afstaan?--ADOLF: Neen, hij wilde met zijn dierbare schatten naar den +kelder gaan of mèt hen gered worden. En zoo verweerde hij zich.--ANTOON: +Wat deed de kapitein?--ADOLF: Die zei: "Voor mijn part mag je met den +heelen rommel verdrinken; maar 't gaat toch niet aan dat wij allen +terwille van die kist kans loopen ons leven te verliezen? Weet dus wat +je doet: anders werpen wij je mèt je kist in zee."--ANTOON: Dat is +flinke zeemanstaal.--ADOLF: De Italiaan moest dus evengoed zijn +kostbaarheden missen, al vloekte hij ook tegen hemel en hel dat hij zijn +leven aan zoo'n barbaarsch element had toevertrouwd.--ANTOON: Aan dat +woord _barbaarsch_ herken ik weer den Italiaan.--ADOLF: Kort daarop +scheurden de winden, die door onze geschenken niet in 't minst zachter +gestemd waren, het touwwerk, het want en de zeilen aan stukken en +flarden.--ANTOON: Genadige hemel!--ADOLF: Daar komt de kapitein wéér +aan.--ANTOON: Wéér om een woord te spreken?--ADOLF: Hij nam zijn muts af +en sprak: "Vrienden, 't is tijd dat ieder zich aan God aanbeveelt en +zich tot den dood voorbereidt." Op de vraag van eenigen die van de +zeevaartkunst iets afwisten, hoeveel uren ongeveer hij meende 't schip +nog te kunnen houden, zei hij niets te kunnen beloven, maar dat 't zeker +niet langer zou kunnen zijn dan drie uren.--ANTOON: Die taal klonk nog +harder dan de vorige.--ADOLF: Toen hij dit gezegd had liet hij alle +touwen kappen, den mast tot aan den ontvangkoker waarin hij past, +afzagen, en vervolgens met ra's en al in zee werpen.--ANTOON: Waarom +dat?--ADOLF: Omdat hij toch maar tot last was en niet tot nut als de +zeilen waren weggenomen of verscheurd. Alle hoop was nu nog op 't roer +gevestigd.--ANTOON: Wat deden intusschen de matrozen?--ADOLF: Daar zou +je eens een jammerlijken toestand gezien hebben. Matrozen zongen +luidkeels: 't "Wees gegroet, Hemelskoningin" en riepen den bijstand in +van de Heilige Maagd, terwijl ze haar allerlei namen gaven van: "Star +der zee, Heerscheres der wereld, Haven des heils," en allerlei andere +vleiende titels die de Heilige Schrift haar nergens toekent.--ANTOON: +Wat ter wereld heeft Zij met de zee te maken die toch nooit op zee +gevaren heeft, voor zoover ik weet?--ADOLF: In den ouden tijd waren de +zeelieden toevertrouwd aan de zorg van Venus, omdat men geloofde dat +deze uit de zee geboren was. Maar sedert zij ophield er zich mee te +bemoeien, is de Moedermaagd in de plaats getreden van de moeder die geen +maagd was.--ANTOON: Spotter die je bent!--ADOLF: Sommigen lagen geknield +op het dek en baden tot de zee, terwijl ze al wat er aan olie aan boord +was op de golven uitgoten, evenzoo vriendelijk en vleiend smeekend als +men gewoonlijk tot een vertoornden grooten heer spreekt.--ANTOON: Wat +zeiden ze dan?--ADOLF: "O allergoedertierenste zee! o grootmoedige zee! +o rijke zee! o allerschoonste zee! Word kalm. Red ons." Tal van +dergelijke uitingen lieten zij de zee aan haar doove ooren +hooren.--ANTOON: Wat een dwaas bijgeloof. En de overigen?--ADOLF: +Sommige passagiers waren maar altijd zeeziek: de meeste deden allerlei +geloften. Er was een Engelschman bij, die gouden bergen beloofde aan de +Heilige Maagd van Walsingham, wanneer hij heelhuids den vasten grond +mocht bereiken. Anderen beloofden veel aan 't Heilige Kruishout te +zullen geven dat zich op deze of gene plaats bevindt. 't Zelfde +geschiedde met de Heilige Maagd die op verschillende plaatsen wordt +vereerd, en ze houden de gelofte voor ongeldig, als men er niet precies +de plaats bij noemt.--ANTOON: Dat is toch belachelijk. Alsof de Heiligen +niet in den hemel hun verblijfplaats hebben!--ADOLF: Daar waren er zelfs +bij, die beloofden dat ze Karthuizer monnik zouden worden. Eén beloofde +een bedevaart te zullen doen naar Sint Jacob van Compostella en wel +barrevoets, blootshoofds, 't lichaam slechts bedekt met een stalen +harnas, den kost verdienend met bedelen.--ANTOON: Dacht niemand aan Sint +Christoffel?--ADOLF: Ik hoorde er een, (en ik deed dat niet zonder +lachen) die met luider stemme, om toch vooral goed verhoord te worden, +aan Sint Christoffel die te Parijs in de Kathedraal staat, (een beeld +zoo groot als een berg) een waskaars beloofde, zoo groot als 't beeld +zelf is. Terwijl hij dit met luid geschreeuw zoo hard hij kon +uitbulderde, stootte zijn buurman die naast hem stond en een goede +kennis van hem was, hem met den elleboog aan en zei waarschuwend tot +hem: "Weet wel wat je belooft? Al houd je ook een verkoop van al wat je +bezit dan kun-je 't nog niet betalen." Toen zei de ander op gedempten +toon (natuurlijk mocht Sint Christoffel dit niet hooren): "Houd je mond, +malloot! Denk je dat ik meen wat ik zeg? Als ik maar éénmaal vasten +grond onder de voeten heb, dan krijgt hij niet anders dan een +vetkaars."--ANTOON: Wat een stommerik! Dat zal wel een Hollander geweest +zijn.--ADOLF: Neen, 't was een Zeeuw.--ANTOON: Het verwondert me dat +niemand dacht aan den Apostel Paulus, die zelf ook een zeetocht heeft +gedaan en zich uit de schipbreuk aan land redde. Paulus kende die rampen +bij ondervinding en had geleerd ongelukkige lotgenooten behulpzaam te +zijn.--ADOLF: Aan Paulus werd niet gedacht.--ANTOON: Baden ze intusschen +ook?--ADOLF: Ja: de één al vuriger dan de ander. De één zong 't "Salve +Regina," een ander zei op: "Ik geloof in God den Vader." Er waren ook +enkelen die bijzondere schietgebedjes hadden, niet ongelijk aan +tooverformules tegen gevaren.--ADOLF: Wat maakt droefheid de menschen +toch vroom! Als iemand in voorspoed is dan denkt hij aan God noch +Heiligen. Maar wat deed jij intusschen? Deed jij geen geloften aan één +der Heiligen?--ADOLF: Ik dacht er niet over.--ANTOON: Waarom +niet?--ADOLF: Omdat ik er niet van houd 't met de Heiligen op een +accoordje te gooien. Is het eigenlijk wel iets anders dan een echt +contract volgens de rechtsformule: "_Ik_ geef, als _gij_ 't óók doet," +of: "_Ik_ zal het doen zoo _gij_ het doet." "Ik zal een waskaars geven +als ik niet verdrink; ik zal naar Rome een bedevaart doen als gij mij +redt."--ANTOON: Maar riep je de hulp in van den een of anderen +Heilige?--ADOLF: Zelfs dat niet.--ANTOON: Waarom toch niet?--ADOLF: +Omdat de hemel zoo ontzaglijk groot is. Als ik aan den een of anderen +Heilige mijn ziel aanbeveel, stel bijv. aan Sint Pieter, die mij +misschien 't eerst zou hooren omdat hij aan de deur staat, dan ben ik al +dood vóórdat hij nog bij God is gekomen en vóórdat hij dezen de zaak +heeft uiteengezet.--ANTOON: Wat deed-jij dan?--ADOLF: Wel, ik wendde mij +rechtstreeks tot God zelf, zeggende: "Onze Vader die in den hemel zijt." +Geen der Heiligen verhoort sneller dan Hij of geeft met meer +bereidwilligheid wat van Hem gevraagd wordt.--ANTOON: Maar had je +intusschen niet wat gewetenswroeging? Zag je er niet tegen op Hem +"Vader" te noemen, dien je zoo dikwijls aanstoot had gegeven door +verkeerde daden?--ADOLF: Nu, om je de waarheid te zeggen, mijn geweten +maakte mij wel ietwat bang. Maar ik vatte weldra moed, terwijl ik zóó +bij mij zelf redeneerde: "Er is geen vader zoo vertoornd op zijn zoon of +hij zou hem, wanneer hij hem in een maalstroom of in een meer in gevaar +ziet, bij de haren grijpen en hem op den oever trekken. Onder allen die +aan boord waren hield zich niemand kalmer dan een vrouw met een kindje +aan de borst dat zij zoogde.--ANTOON: Wat deed die vrouw dan?--ADOLF: +Zij was de eenige die niet schreeuwde, die niet schreide, die geen +geloften deed, terwijl ze haar kindje in de armen gekneld hield, bad zij +in stilte. Intusschen stiet 't schip op een bank en de kapitein liet er, +uit vrees dat 't geheele schip uit elkander zou stooten, aan den +voorsteven en aan den achtersteven kabels om heen slaan.--ANTOON: Een +treurig hulpmiddel!--ADOLF: In dien tusschentijd komt een oude priester, +een zestiger ongeveer, in ons midden. Hij heette Adam. Hij deed zijn +kappen van zijn beenen, trok zijn schoenen uit, ontkleedde zich tot op +zijn hemd en zei dat we allen 't zelfde moesten doen, om ons gereed te +maken door zwemmen ons leven te redden. En zoo stond hij daar midden op +'t schip, terwijl hij ons uit den een of anderen ouden theologischen +schrijver over de vijf waarheden van het nut van de biecht een preek +hield. Zoo spoorde hij ons allen aan om ons op leven en dood vóór te +bereiden. Ook was er een Dominikaner bij. Wie wilde kon bij hen te +biecht gaan.--ANTOON: En jij?--ADOLF: Toen ik alles zoo in 't ongereede +zag biechtte ik God in stilte, terwijl ik bij hem mijn slechtheid +bekende en van hem erbarming inriep.--ANTOON: Waarheen zou je gegaan +zijn als je eens zóó verongelukt waart?--ADOLF: Dat liet ik aan God, +mijn Rechter, over om te beslissen. Immers ik wilde mijn eigen rechter +niet wezen. Maar ik voedde intusschen in mijn hart nog wel eenige hoop. +Onderwijl keerde de kapitein met tranen in de oogen tot ons terug. +"Ieder houde zich bereid. Het schip houdt 't geen kwartier meer uit." Op +sommige plaatsen had 't reeds zware lekken, waardoor het veel water +binnen kreeg. Even daarna komt de kapitein ons zeggen, dat hij in de +verte een kerktoren zag en dat ieder de hulp moest inroepen van den +Heilige, wie 't dan ook was, aan wien die kerk gewijd was. Ze vallen +allen op hun knieën en roepen den onbekenden Heilige aan.--ANTOON: Als +je hem bij zijn naam hadt aangeroepen had hij je misschien wel +verhoord.--ADOLF: Maar den naam wisten wij juist niet. Onderwijl stuurde +de kapitein in de richting van dien kerktoren zoo goed als 't ging, het +gehavende schip, dat veel water in kreeg en zeker uit elkander zou +gevallen zijn als 't niet door de kabels omwonden was geweest.--ANTOON: +Wat een toestand!--ADOLF: Daar dreven wij dan heen zoodat de bewoners +van die plaats ons uit de verte in 't oog kregen en zagen in welk een +gevaar wij verkeerden. Zij liepen te hoop naar den zoom van het strand, +wuifden met hun kleedingstukken, wenkten ons met hoeden, op stokken +gestoken, naar zich toe en gaven ons met omhoog geheven armen te kennen +dat zij ons lot bejammerden.--ANTOON: Ik ben nieuwsgierig te vernemen +hoe dat afliep.--ADOLF: Het water stond reeds overal in het schip, +zoodat we aan boord even groot gevaar liepen te verdrinken als in +zee.--ANTOON: Nu had men zijn toevlucht moeten nemen tot 't gewijde +anker.--ADOLF: 't Mocht wat! Neen! De matrozen hoozen 't water uit de +sloep en laten deze te water. Allen wilden zich tegelijk daarin werpen, +terwijl de matrozen riepen, dat de sloep zooveel menschen niet kon +bevatten en dat ieder maar moest grijpen wat hij grijpen kon en zoo naar +land moest zwemmen. Lange bedenktijd was er niet. De een greep een +roeiriem, de ander een boomstok, een derde een trog, weer een ander een +waterkuip, een ander een plank en zoo gaf men zich, vol goed vertrouwen +op 't geen men gegrepen had, aan de golven over.--ANTOON: En wat +gebeurde er intusschen met die vrouw, de eenige die niet +jammerde?--ADOLF: Zij landde 't eerst van allen aan de kust.--ANTOON: +Hoe kwam dat zoo?--ADOLF: Wij hadden haar op een breede plank geplaatst +en zóó vastgebonden dat ze er niet licht kon afglijden. We gaven haar +een plank in de hand om die bij wijze van roeiriem te gebruiken en onder +onze beste wenschen stieten wij haar in de golven, haar een zetje +gevende met een boomstok; want ze mocht niet dicht bij 't schip blijven: +dat was gevaarlijk. In haar linkerarm hield zij haar kindje gekneld, met +haar rechterhand roeide zij.--ANTOON: Dat was een manhaftige +vrouw!--ADOLF: Toen er niets meer te grijpen viel, rukte nog iemand ten +laatste 't houten beeld der Heilige Maagd los, dat vermolmd en uitgehold +was door muizen. Met dit beeld in zijn arm begon hij te +zwemmen.--ANTOON: Kwam de boot goed en wel aan land?--ADOLF: Niets van +dat alles ging eerder naar den kelder. Er hadden zich wel dertig +menschen ingeworpen.--ANTOON: Hoe kwam 't dat ze zoo jammerlijk +verging?--ADOLF: Nog vóórdat men de boot van 't schip had kunnen +losmaken sloeg ze door 't slingeren om.--ANTOON: Hoe vreeslijk! En +verder?--ADOLF: Nu, terwijl ik anderen hielp, had ik er bijkans 't +loodje bij gelegd.--ANTOON: Hoe zoo?--ADOLF: Omdat er niets meer over +was waaraan ik mij onder 't zwemmen kon vasthouden.--ANTOON: Daar zou +een kurken zwemgordel goed geholpen hebben.--ADOLF: Nu, 'k wil je wel +verzekeren dat ik op dat oogenblik meer om een zwemgordel zou gegeven +hebben dan om een zwaren, gouden luchter. Toen ik overal rondkeek viel +mijn aandacht eindelijk op 't onderste gedeelte van den mast. Maar ik +kon dat niet alleen loskrijgen en ik roep dus de hulp van een ander in. +Ons vastklampend aan dat stuk mast werpen we ons in de golven, _ik_ aan +den rechter kant, hij links. Terwijl we zoo ronddobberen werpt zich die +priester, die aan boord de preek gehouden had, midden tusschen ons in. +'t Was iemand groot van stuk. Wij riepen: "wie is die derde man? Die zal +ons allen te zamen doen verdrinken." Bedaard gaf hij ten antwoord: +"Houdt maar goeden moed: daar is ruimte genoeg: God zal ons wel +helpen."--ANTOON: Hoe kwam hij er toe pas zoo laat te water te +gaan?--ADOLF: Wel, hij zou mee in de boot zijn gegaan tegelijk met den +Dominikaner: want allen gunden hem de eer. Maar ofschoon zij over en +weer elkaar in de biecht hadden genomen, gingen zij, naar 't schijnt +iets vergeten hebbende, opnieuw bij elkander te biecht en legde de een +den ander de hand op 't hoofd. De boot sloeg intusschen om, zoo vertelde +mij priester Adam.--ANTOON: En hoe ging 't met den Dominikaner?--ADOLF: +Onder aanroeping van de hulp der Heiligen ging hij na al zijn kleeren te +hebben uitgetrokken naakt te water.--ANTOON: Welke Heiligen riep hij +aan?--ADOLF: Dominicus, Thomas, Vincentius en den een of anderen Petrus, +maar voornamelijk had hij zijn hoop gebouwd op Sinte Katrijn van +Siëna.--ANTOON: Dacht hij niet aan Christus?--ADOLF: Ik vertel wat de +priester mij verteld heeft.--ANTOON: Hij zou eerder uit 't water gered +zijn als hij zijn monnikspij had aangehouden. Hoe kon Sinte Katrijn van +Siëna hem nu herkennen, daar hij die had afgelegd? Maar vertel nu verder +over je zelven.--ADOLF: Terwijl wij nog in de buurt van 't schip +dobberen, dat als een speelbal van de golven heen en weer slingert, +verplettert het roer waar we tegen aan slaan het dijbeen van mijn +kameraad, die aan den linkerkant op den mastbalk zat. Zoo werd hij er +afgesleurd: de priester bad hem een eeuwige rust toe en kroop op zijn +plaats. Hij drukte mij op het hart moedig mijn hoek vast te houden en +flink met mijn voeten te trappen. We kregen intusschen heel wat zout +water in. Zoo had Neptunus ons niet alleen een zout bad maar ook een +zouten drank bereid. De priester bedacht daartegen een +middeltje.--ANTOON: Welk?--ADOLF: Zoo vaak een golf tegen ons opkwam +draaide hij er 't achterhoofd tegen in terwijl hij zijn mond gesloten +hield.--ANTOON: Die bejaarde man was toch per slot van rekening een +flinke kerel.--ADOLF: Toen we een poos zoo rondgedreven hadden en al een +eindje gevorderd waren zei de priester, die nog al flink uit de kluiten +gewassen was: "Vat moed: ik voel grond." Ik durfde op zooveel geluk niet +hopen en zei: "We zijn nog veel te ver van de kust dan dat we al grond +kunnen verwachten." "Neen," zei hij, "ik voel grond met mijn voeten." +"'t Is misschien," zei ik weer, "één van de kisten die de zee hier heen +heeft gewenteld." "Neen, aan 't schuren van mijn teenen voel ik +duidelijk den zandbodem." Toen we nòg een poosje hadden rondgedobberd en +hij weer grond voelde zei hij: "Doe jij wat je 't beste toeschijnt: ik +laat je den mast geheel over en waag me in 't ondiepe water." Hij +wachtte even tot de golven weer afstroomden en liep op zijn voeten zoo +hard hij kon in 't water voort. En toen de branding weer kwam aanrollen +zette hij zijn beide handen op de knieën en zette zich schrap tegen de +golven in, terwijl hij onder 't water dook zooals duikervogels en eenden +dat doen: toen de golfslag weer terugzoog, stak hij 't hoofd omhoog en +liep opnieuw hard vooruit. Daar ik zag dat hem dit goed gelukte volgde +ik zijn voorbeeld. Op het strand stonden mannen die, met zeer lange +stokken op een rij elkander steunend, zich tegen 't geweld der golven +staande hielden. 't Waren pootige kerels, gewend aan 't water. De +voorste van hen reikte aan den naastbijzijnden zwemmer een stok toe. Als +de schipbreukeling dien maar éénmaal beet had, werd hij veilig op 't +droge getrokken, wanneer de mannen achteruit gingen op 't strand. Zoo +werden er verscheidene passagiers van 't schip gered: wel zeven; maar +twee zijn toen ze bij 't vuur gelegd werden, bezweken.--ANTOON: En met +je hoevelen was je op het schip?--ADOLF: Achtenvijftig koppen.--ANTOON: +Wat is die zee toch wreed! Was ze ten minste maar tevreden met een +tiende--daarmee is de geestelijkheid zelfs tevreden. Om van zulk een +aantal maar zóó weinig in 't leven te laten, dat is hard.--ADOLF: Toen +hebben wij de haast ongelooflijke menschlievendheid ondervonden van dat +volkje aan zee, dat ons alles met de grootste bereidwilligheid +verschafte: huisvesting, verwarming, eten, kleeren, reisgeld.--ANTOON: +Wat voor landslui waren 't?--ADOLF: Hollanders.--ANTOON: Ja, die zijn de +gepersonifiëerde menschlievendheid, al zijn ze ook omringd door halve +barbaren. Maar 'k denk dat je nu wel genoeg hebt van de zee en Neptunus +niet weer zult gaan opzoeken?--ADOLF: Neen, waarlijk niet, als God mij +ten minste mijn gezond verstand laat behouden.--ANTOON: Nu, ik hoor ook +liever van dergelijke ongevallen _vertellen_ dan dat ik ze _beleef_. + + + * * * * * + + +VREKKIGE RIJKDOM + + +JACOB EN GILBERT. + + Waar de onmogelijke vrek woonde (ergens in Italië wellicht?) bij + wien onze vriend Gilbert in den kost was--wie zal 't zeggen? Maar + dat hij 't er slecht had, is zeker. Nòg zekerder, dat Gilbert een + dwaas was, dat hij het er zóó lang uithield. Hoe het zij: Erasmus + geeft in deze samenspraak uiting aan zijn afkeer van schraapzucht + en schrielheid op spottende wijze. De aartsgierigaard wordt + belachelijk gemaakt--maar tevens toch ook aan de menschen de + matigheid aangeprezen; want al is Erasmus 't niet eens met hen, die + beweren dat men nooit te weinig kan eten, hij geeft toch wèl den + raad: eet niet te veel; men kan 't over het algemeen met minder + voedsel af, dan wij doorgaans tot ons nemen. + + In zoover is zijn raad zeker zeer verstandig, al is de schilderij + van den vrek niet van overdrijving vrij te pleiten. + +JACOB: Waar kom jij vandaan, zóó verdord en vermagerd alsof je met de +krekeltjes een tijdlang van dauw alleen geleefd hadt? Je lijkt wel een +schim van een mensch, in plaats van een mensch.--GILBERT: De schimmen in +de onderwereld kregen ten minste nog uien en prei te eten; maar ik heb +tien maanden op een plaats doorgebracht waar men dat zelfs niet +kreeg.--JACOB: Waar was dat? Was je naar de galeien gesleept?--GILBERT: +Volstrekt niet: 'k was in Synodium.--JACOB: Wat, in zoo'n rijke stad, +heb je dáár zoo van den geeuwhonger geleden?--GILBERT: Nou, òf +ik.--JACOB: Hoe kwam dat? Had je geldgebrek?--GILBERT: Noch gebrek aan +geld, noch aan vrienden.--JACOB: Wat was er dan aan de hand?--GILBERT: +Ik was in huis en in den kost bij Antronius.--JACOB: Bij dien +rijkaard?--GILBERT: Ja, maar hij is niet rijk alleen, maar óók +brandgierig.--JACOB: Kom, daar sta ik van te kijken.--GILBERT: Dat +behoeft volstrekt niet. Want zoo gaat 't met menschen die van doodarm +plotseling schatrijk worden.--JACOB: Hoe had je er ook plezier in +zooveel maanden achtereen bij zoo'n gastheer verblijf te +houden?--GILBERT: Er was 't een en ander wat me daar bond en bovendien +ik had er nu eenmaal lust in.--JACOB: Maar vertel me eens, hoe leeft die +man dan wel?--GILBERT: 'k Zal het je vertellen, omdat de herinnering aan +geleden leed ook zijn aangename zijde heeft.--JACOB: Voor mij zeker in +dit geval.--GILBERT: Toen ik daar vertoefde kwam bij al 't andere ook +nog dit ongemak, en wel van den kant des Hemels, dat drie maanden lang +een felle noordenwind blies, terwijl die wind er anders nooit dan een +dag of acht blaast.--JACOB: En hoe dan nu drie maanden?--GILBERT: Tegen +den achtsten dag draaide de wind alsof 't afgesproken was, maar na acht +uren uit den tegenovergestelden hoek gewaaid te hebben, keerde hij weer +naar zijn vroegeren hoek terug.--JACOB: Dan had-je voor je arme lijf wel +een lekker vuurtje noodig.--GILBERT: De haard was groot genoeg als er +maar voldoende voorraad brandhout was geweest. Om daaraan evenwel niets +uit te geven, ging onze vriend Antronius op onder water staande plekken +gronds boomwortels uitgraven, die anderen hadden laten zitten en dat +deed hij nog wel liefst 's nachts. Van die brokken nat hout stapelde hij +een haardvuur op, waaraan rook natuurlijk niet, maar vuur wèl onbrak: je +kon er je niet aan warmen, maar 't moest daartoe dienen dat men niet met +grond van waarheid kon zeggen, dat er in 't geheel geen vuur was. Een +enkel vuur van dien aard duurde dan ook den geheelen dag, zóó zuinig +brandde het.--JACOB: Dat was een harde overwintering!--GILBERT: Neen, +nog veel harder er een zomer door te brengen.--JACOB: Hoe zoo?--GILBERT: +Omdat in huis zóóveel vlooien en ander ongedierte waren, dat men niet +alleen overdag er niet rustig kon zitten, maar 's nachts den slaap niet +kon vatten.--JACOB: Wat een droeve rijkdom!--GILBERT: Vooral bij zulk +vee.--JACOB: De vrouwen moeten daar wel lui zijn.--GILBERT: Men krijgt +ze niet te zien. Ze verkeeren niet met de mannen. Zoo komt 't dan ook, +dat de vrouwen daar niets zijn dan louter _vrouwen_ en dat de mannen die +diensten missen, welke gewoonlijk door de vrouwelijke sekse worden +verricht.--JACOB: Maar schaamde Antronius zich niet over zulk een +behandeling?--GILBERT: Hij is in zulk een armoedige omgeving opgevoed en +kent geen ander genot dan geld winnen. Nergens was hij minder te vinden +dan in zijn huis; hij schacherde in alles en nog wat. Je weet: de plaats +van zijn inwoning is vóór alles een koopstad. De beroemde Grieksche +schilder Apelles bejammerde het, wanneer hij een dag had laten +voorbijgaan, zonder dat hij een penseelstreek op het doek had gezet; +Antronius jammerde nog veel meer, wanneer er een dag voorbij gegaan was +zonder dat hij een winstje had gemaakt. En als dat eens gebeurde, dan +zocht hij thuis zijn winst te halen.--JACOB: Wat deed hij dan?--GILBERT: +Hij had in zijn woning, naar het gebruik in die stad, een regenbak. +Daaruit putte hij eenige emmertjes water en goot die in zijn wijnvaten +leeg. Daar zat zeker winst op.--JACOB: De wijn was misschien wat al te +koppig.--GILBERT: 't Mocht wat! 't Was niet veel meer dan verschaald +bocht. Want hij kocht altijd wijn op waaraan iets mankeerde, om dien +voor een koopje in te slaan. Opdat er niets verloren zou gaan, vermengde +hij af en toe het grondsop van tien jaren, alles goed door elkander +roerend en mengend, opdat 't wat zou lijken op jongen wijn, want hij zou +'t niet hebben kunnen dulden, dat er ook maar een vingerhoed droesem +verloren ging.--JACOB: Maar als je de doktoren mag gelooven dan krijg je +van zulken wijn den steen in de blaas.--GILBERT: Daar kunnen de doktoren +wel gelijk aan hebben, want in dat huis ging er geen jaar voorbij of +daar stierf iemand aan 't graveel. Toch was Antronius niet bang voor een +huis waarin de dood zoo rondspookte.--JACOB: Niet?--GILBERT: Ook de +dooden moesten bij hem tol betalen en hij versmaadde zelfs niet 't +kleinste winstje.--JACOB: Wat je daar zegt is diefstal.--GILBERT: +Kooplui noemen 't winst.--JACOB: En wat dronk Antronius zelf?--GILBERT: +Wel, denzelfden Godendrank.--JACOB: En ondervond hij niet de kwade +gevolgen?--GILBERT: 't Is een kerel zóó gehard dat hij wel hooi zou +kunnen eten en (zooals ik zei) hij was van jongs af aan bij zulke +lekkernijen opgevoed. Geen winst beschouwde hij als vaster dan dat +profijt op den wijn.--JACOB: Hoe dat zoo?--GILBERT: Wel, als je optelt: +zijn vrouw, zijn zoons, zijn dochter, zijn schoonzoon, zijn knechts en +meiden: hij had drieëndertig monden den kost te geven. Nu, hoe meer de +wijn met water werd verdund, des te minder werd er van gedronken, en des +te langer duurde de voorraad. Ga maar eens na! Als men er elken dag een +emmer water bij doet, wat een niet te versmaden sommetje bedraagt dit in +een jaar!--JACOB: Wat een vrekkigheid!--GILBERT: Maar niet minder werd +er op 't brood uitgezuinigd.--JACOB: Hoe ging dat?--GILBERT: Hij kocht +bedorven graan dat een ander niet had willen koopen. Daar had hij al +dadelijk een winstje, omdat hij 't voor minder kocht. Maar verder wist +hij wat daaraan bedorven was te verhelpen door kunstmiddeltjes.--JACOB: +Waarmee?--GILBERT: Er bestaat een soort van klei die wel wat van deeg +heeft, waarvan we zien dat de paarden wel houden, wanneer ze knabbelen +aan de muren daarmee bestreken en wanneer ze met graagte drinken uit +poelen, troebel van die klei. Onder het brood mengde hij een derde deel +kleiaarde.--JACOB: Noem je dat "gebreken verhelpen?"--GILBERT: Nu, men +proefde ten minste 't bedorven meel minder. Houd-je dat ook niet voor +een niet te versmaden voordeel? Voeg hierbij nog een andere looze +vondst. Hij liet 't brood bij zich thuis kneden en bakken, en niet +vaker, zelfs in den zomer, dan twee malen 's maands.--JACOB: Dat noem ik +iemand steenen vóórzetten in plaats van brood.--GILBERT: Als 't kàn, nog +harder dan steen. Maar ook aan dat kwaad kon men tegemoet komen.--JACOB: +Op welke manier?--GILBERT: Men doopte zijn stuk brood in den beker met +wijn en liet 't zóó wat weeken.--JACOB: Het ééne paste daar goed bij 't +andere. Maar lieten de dienstboden zich zulk een behandeling +aanleunen?--GILBERT: Eerst zal ik je eens vertellen hoe 't met eten bij +de hoofden van 't gezin zelf toeging, en daaruit kun-je dan zelf +afleiden hoe het dienstpersoneel werd behandeld.--JACOB: 'k Ben benieuwd +dat te hooren.--GILBERT: Van ontbijten was geen sprake: het eerste maal +werd meestal verschoven tot één uur na den middag.--JACOB: Waarom +dat?--GILBERT: Men moest op den heer des huizes Antronius wachten. 't +Souper vond soms pas om tien uur 's avonds plaats.--JACOB: En dat voor +jou, die gewoonlijk nooit zooveel van lang vasten hieldt!--GILBERT: Ja, +daarom riep ik dan ook dikwijls tot Antronius' schoonzoon Orthrogonus, +(we deelden samen één kamer): "Zeg eens, Orthrogonus, wordt er van avond +hier in de stad niet gesoupeerd?" Dan antwoordde hij net van pas: "dat +Antronius zeker dadelijk wel thuis zou komen." En wanneer ik dan nog +geen aanstalten zag maken en mijn maag van den honger rammelde, dan zei +ik: "Zeg eens Orthrogonus, moeten we vandaag van den honger omkomen?" +Dan had hij een uitvlucht dat 't nog zoo laat niet was of iets +dergelijks. En wanneer ik 't niet langer kon uithouden, dan klampte ik +hem nòg eens aan onder zijn werk en zei: "Hoe staat 't er nu mee, moeten +we nu werkelijk den hongerdood sterven?" Dan ging Orthrogonus, wanneer +hij geen kans meer zag op uitstel, naar de bedienden en liet de tafel +dekken. En wanneer Antronius dan maar steeds niet thuis kwam en er óók +niet werd opgediend, dan liet Orthrogonus zich eindelijk door mijn aan- +en opmerkingen bewegen om naar beneden te gaan naar zijn vrouw en zijn +schoonmoeder en zijn kinderen en riep dat ze toch maar moesten +opdoen.--JACOB: Nu zul je dan toch eindelijk aan tafel gaan.--GILBERT: +Haast je maar niet! Een manke knecht komt voor den dag, die met de taak +van 't tafeldienen belast is (hij had wel iets van Vulcanus met zijn +kreupelen voet) en hij spreidt een servet over de tafel uit.--JACOB: Dat +is ten minste 't eerste teeken dat hoop geeft op een maal.--GILBERT: Na +lang geroep en geschreeuw worden er karaffen gebracht met werkelijk goed +helder water.--JACOB: Alweer een sprankje hoop op een souper!--GILBERT: +Haast je maar niet, zei ik straks. Wéér, na veel drukte komt men met een +flesch aandragen van dat meergenoemde dikke drab.--JACOB: +Heerlijk!--GILBERT: Maar--'t brood is er nog niet. Gevaar is er dus niet +dat iemand te veel zal drinken; want niemand zal met een hongerige maag +zóó'n wijntje aandurven. Dan gaan ze weer aan 't schreeuwen, zoodat ze +er heesch van worden. Eindelijk wordt 't brood op tafel gezet, zóó hard +dat een beer 't nauwelijks met zijn tanden zou kunnen +vermorselen.--JACOB: Nu is er ten minste gezorgd dat je niet van den +honger omkomt.--GILBERT: Heel laat in den avond komt eindelijk Antronius +thuis, met 't zeggen (en dat is een onheilspellend voorteeken!) dat hij +erge maagpijn heeft.--JACOB: Waarom is dat een slecht +voorteeken?--GILBERT: Omdat er dan niets te eten valt: wat toch kun-je +verwachten, wanneer de huisheer niet wel is?--JACOB: En had hij dan +werkelijk maagpijn?--GILBERT: Zóó erg, dat hij alleen wel drie kapoenen +zou hebben verslonden, als iemand ze hem voor niets had gegeven.--JACOB: +Vertel me nu eens hoe 't met het maal ging.--GILBERT: Allereerst werd +aan den huisheer een schotel met boonenmeel voorgezet: dat is een kost +die in gindsche stad gewoonlijk aan 't lage volkje wordt verkocht. Hij +beweerde dat hij ze gebruikte als een middeltje tegen allerlei +kwalen.--JACOB: Met je hoevelen zat-je aan tafel?--GILBERT: Soms acht of +negen; o.a. ook de bekende geleerde Verpius dien je wel kent en dan de +oudste zoon des huizes.--JACOB: Wat kregen die te eten?--GILBERT: Hoe? +Hebben dan matige menschen niet genoeg aan hetgeen Melchisedek aan +Abraham voorzette toen deze vijf koningen verslagen had?--JACOB: Dus: +brood alleen? Kwam er dan geen toespijs?--GILBERT: Ja wel +_iets_.--JACOB: Wat?--GILBERT: Ik meen, als ik me goed herinner, dat wij +negen monden aan tafel waren en voor die negen monden telde ik zeven +blaadjes sla die in een schotel met azijn dreven, zonder olie wel te +verstaan.--JACOB: En verorberde Antronius alleen zijn +boonenpap?--GILBERT: Ja. Want hij had die voor een kleinigheidje +gekocht. Hij verbood echter niet dat iemand die in zijn buurt zat eens +met hem mee proefde. Maar 't scheen wel wat onbeleefd den armen +uitgehongerden man van de voor hem bestemde spijs te berooven.--JACOB: +En werden die zeven slablaadjes nog gesneden, zooals in 't verhaaltje +van dien vrek die de komijnkorreltjes in stukken sneed?--GILBERT: Neen: +maar toen zij die 't eerst aan de beurt waren om zich te bedienen de +slablaadjes hadden opgemaakt, doopten de anderen hun brood in den +azijn.--JACOB: Wat kwam er nog na de zeven blaadjes?--GILBERT: Wat zou +er nog anders komen dan kaas, het besluit van elken maaltijd?--JACOB: En +was dat nu zoo dagelijks het diner?--GILBERT: Dat scheelt niet veel, +behalve dat 't maal wel eens _iets_ royaler was, wanneer Mercurius hem +op een dag eens wat gunstig gezind was geweest.--JACOB: Wat kwam er +dan?--GILBERT: Dan liet hij wel eens voor eenige centen een paar trossen +versche druiven koopen. Daarmee maakte hij dan 't geheele gezin +blij.--JACOB: Dat kan haast wel niet anders.--GILBERT: Ja, maar wel te +verstaan alleen in den tijd dat de druiven 't goedkoopst zijn.--JACOB: +Dus buiten den herfsttijd was hij zoo verkwistend niet?--GILBERT: Ja +zeker wel. Er zijn daar in die stad varenslui die een soort van kleine +mosselen opvisschen, voornamelijk bij de riolen. Onder een eigenaardig +geroep venten ze hun waar rond. Soms liet hij van deze kooplui wel eens +voor een dubbeltje mosselen koopen. Dan zou je gezegd hebben dat er in +dat huis een bruiloftsfeest gevierd werd; want er moest vuur aangemaakt +worden om de mosselen te koken,--al moest 't dan ook heel snel in zijn +werk gaan. En die schotel diende dan na de kaas als dessert.--JACOB: Een +vreemd soort van nagerecht! Maar kwam er nooit vleesch of visch op +tafel?--GILBERT: Ten gevolge van mijn klachten en aanmerkingen werd 't +een beetje royaler. Maar als hij eens echt den smuller wilde uithangen, +dan was de volgorde der gerechten ongeveer deze.--JACOB: Daar ben ik +benieuwd naar.--GILBERT: In de eerste plaats werd er dan een soepje +gegeven dat ze dáár, 'k weet niet waarom, een "meidensoepje" +noemen.--JACOB: 't Zal zeker een heel krachtige soep wezen.--GILBERT: +Met de volgende ingrediënten toebereid: een pot vol water wordt op 't +vuur gezet; daarin worden eenige brokken koeienkaas gegooid, zoo hard +als steen, want je hebt een bijl noodig om ze klein te krijgen. Wanneer +die stukken door de warmte van het water langzamerhand oplossen, geven +ze aan het water een kleurtje, zoodat 't niet meer zuiver water kan +heeten: dat soepje dient om de maag te praepareeren.--JACOB: 't Lijkt +wel varkenskost.--GILBERT: In de tweede plaats komt op tafel een stukje +vleesch van den buik van een oude koe, al een veertien dagen geleden +gebraden.--JACOB: Erg frisch ruikt dat zeker niet meer.--GILBERT: Dat +kun-je denken. Maar daar is wel een middeltje tegen.--JACOB: +Welk?--GILBERT: Ik wil 't je wel zeggen, maar ik ben bang dat je 't zult +gaan navolgen.--JACOB: Natuurlijk.--GILBERT: Ze klutsen een ei in warm +water. Met dat sopje begieten zij het vleesch. En zóó foppen ze ten +minste de oogen, al kan men de reukorganen niet misleiden, want de +onfrissche lucht dringt door alles heen. Wanneer 't een vastendag is, +die visch in plaats van vleesch vereischt, dan worden soms een stuk of +drie goudkarpertjes, niet eens zoo heel groot, op tafel gezet, ofschoon +er zeven of acht eters zijn.--JACOB: En verder niets?--GILBERT: Niets +dan die steenharde kaas.--JACOB: Een vreemd soort van Lucullus, van wien +je me daar vertelt. Maar hoe is 't mogelijk dat zoo'n schraal maal voor +zóó veel gasten voldoende kon wezen, vooral wanneer ze niet ontbeten +hadden?--GILBERT: Neen, erger nog! je weet niet dat met de kliekjes van +dat maal ook nog schoonmoeder, schoondochter, de jongste zoon, een +dienstmeisje en eenige kleine kinderen moesten gespijzigd +worden.--JACOB: Je vergroot mijn verwondering in plaats van ze weg te +nemen.--GILBERT: Ik kan 't je ook moeilijk uitleggen, als ik niet eerst +beschrijf hoe we aan tafel zaten.--JACOB: Nu, doe dat dan.--GILBERT: +Antronius had de hoofdplaats, terwijl ik als buitengewoon gast aan zijn +rechterhand zat. Recht tegenover Antronius zat Orthrogonus, naast dezen +Verpius, en nevens Verpius een zekere Strategos, een Griek van geboorte. +Links van Antronius zat zijn oudste zoon. Kwam er soms nog een andere +gast bij, dan kreeg die een plaats naar zijn rang en waardigheid. +Aanvankelijk was er niet 't minste gevaar of onderscheid in 't recht van +zich te bedienen, behalve dat er in de soepborden van de voornamere +gasten brokken van die koeiekaas dreven. Maar met vier wijnflesschen en +waterkaraffen werd er doorgaans een soort van omheining gevormd, zoodat +niemand 't geen op tafel stond kon aanraken (behalve misschien de drie +personen voor wie de schotel juist geplaatst was) of hij had zoo +onbeschaamd moeten wezen om over die omheining heen te wippen. Maar die +soepterrine bleef ook niet eens lang op tafel staan; spoedig werd die +weggehaald, want er moest wat overblijven voor de andere leden van het +gezin.--JACOB: Wat at de rest van het gezelschap dan?--GILBERT: Die? ze +smulden op hun manier.--JACOB: Hoe dan?--GILBERT: Ze weekten hun +klei-brood in dien wijn van ouden droesem.--JACOB: Zoo'n maaltijd kan +niet heel lang duren.--GILBERT: O, dikwijls meer dan een uur.--JACOB: +Hoe is dat in vredesnaam mogelijk?--GILBERT: Wanneer, zooals ik je +daareven vertelde, alles was weggenomen wat gevaar liep opgegeten te +worden, dan werd de kaas gebracht, waarvan men niet bang behoefde te +wezen dat iemand met een gewoon tafelmes er iets zou kunnen afschrappen. +Verder bleef die heerlijke wijnmoer staan en ieder hield zijn brood. En +aan dat dessert werden dan allerlei vertelseltjes opgedischt. In dien +tusschentijd zat de vrouwenvergadering te eten.--JACOB: En het +dienstpersoneel?--GILBERT: Dat had niets met ons te maken. Die +gebruikten hun middagmaal en hun avondeten op de voor hen bestemde uren. +Maar op een geheelen dag brachten zij daarmee nauwelijks een half uur +zoek.--JACOB: Maar hoe was hùn eten?--GILBERT: Nou, dat kun-je zelf wel +raden.--JACOB: Wat gaat dat bij de Duitschers toch anders! Die hebben +nauwelijks genoeg aan een uur voor hun ontbijt; net zoo veel voor hun +twaalf-uurtje; anderhalf uur voor hun middagmaal; twee uren voor hun +hoofdmaal 's avonds. En wanneer ze zich niet goed kunnen volladen met +lekkeren wijn, met voedzaam vleesch en smakelijke visch, dan loopen ze +weg bij hun meester en worden soldaat.--GILBERT: 's Lands wijs, 's lands +eer!--JACOB: De Italianen hebben weinig zorg voor hun keelgat. Ze hebben +liever geld dan lekker eten, en ze zijn sober van natuur ook, niet +alleen uit gewoonte.--JACOB: Nu verwondert 't mij niets meer dat je zoo +mager en schraal hierheen teruggekeerd bent. Eer moet ik me verwonderen, +dat wij je nog levend terug zien, vooral omdat je vroeger zoo gewend +waart aan kapoenen, patrijzen, duifjes en fazanten.--GILBERT: Nu, ik +geloof werkelijk dat ik er 't leven bij ingeschoten zou hebben, wanneer +ik niet een middeltje had bedacht.--JACOB: 't Ziet er slecht uit wanneer +men tot zulke middeltjes zijn toevlucht moet nemen.--GILBERT: Ik wist +gedaan te krijgen dat mij, toen ik er slecht begon uit te zien, bij elk +maal een vierde part van een gebraden kip werd voorgezet.--JACOB: Nu zul +je weer gaan opleven.--GILBERT: Niet zoo heel erg. Daar werd een heel +klein kippetje gekocht om vooral niet te veel uit te geven, een kippetje +waarvan er zes niet genoeg zouden zijn, om een Pool met een goede maag +voor zijn ontbijt te dienen. En als ze dat diertje gekocht hadden, gaven +ze 't ook niet eens te eten om geen kosten te maken en zoo werd er van +dat magere en schrale beestje een vleugel of een boutje gekookt, terwijl +'t kippenlevertje aan 't jongste zoontje van Orthrogonus werd gegeven. +Den bouillon dronken de vrouwen er een paar malen van af, nadat er +telkens weer opnieuw water op gegoten werd. En zoo kwam dan 't boutje +drooger dan puimsteen vóór mij te staan en smakeloozer dan een vermolmd +stuk hout. De bouillon was niet meer dan louter water.--JACOB: En toch +heb ik wel gehoord dat 't gevogelte in die streek heel overvloedig is en +lekker en goedkoop ook.--GILBERT: Dat is zoo; maar 't geld is zoo'n man +als Antronius nog liever.--JACOB: Door zoo'n leventje zou je genoeg +gestraft zijn als je de ergste zonde hadt bedreven: bijv. den Paus hadt +gedood of 't graf van St. Pieter hadt ontwijd.--GILBERT: Maar luister nu +naar de rest van mijn verhaal. Je weet er zijn in elke week vijf dagen +waarop vleesch mag gegeten worden.--JACOB: 'k Weet 't maar al te +goed.--GILBERT: Nu, dan kochten ze in de week twee kuikens. Donderdags +gaven ze vóór, dat ze vergeten hadden ze te koopen, om niet op dien dag +een geheele kip op tafel te moeten zetten of om iets te moeten +overlaten.--JACOB: Die Antronius heeft veel van den vrek Harpargo uit 't +blijspel van Plautus! Maar op vastendagen, wat voor een middeltje had je +dan om in 't leven te blijven?--GILBERT: Dan had ik aan één mijner +vrienden opgedragen om voor mijn geld op elk dier dagen drie eieren te +koopen, twee voor den maaltijd midden op den dag, één voor 't avondeten. +Maar nu gaven mij de vrouwen in plaats van de duur gekochte versche +eieren onfrissche eieren in ruil, zoodat ik nog dankbaar mocht wezen +wanneer één van de drie eieren eetbaar was. Eindelijk had ik mij voor +mijn eigen geld ook een vaatje wijn van wat betere qualiteit +aangeschaft: maar de vrouwen braken 't vaatje open en zogen er binnen +enkele dagen een deel van leeg, waarover Antronius erg boos was.--JACOB: +Zoo was er toch iemand die medelijden met je had.--GILBERT: Medelijden? +Neen waarachtig niet! Ze hielden mij voor een veelvraat en vreetzak, +omdat ik in mijn ééntje zóóveel spijs kon verslinden. Daarom waarschuwde +Orthrogonus mij ook zoo nu en dan, dat ik rekening moest houden met 't +klimaat en voor mijn gezondheid moest zorgen en vertelde mij van eenigen +onzer landslieden, aan wie een al te groote eetlust òf den dood, òf een +zware ziekte had bezorgd. Toen hij zag dat ik mijn lichaam dat èn door +hard werken èn door gebrek aan eten en óók door ziekelijkheid verzwakt +was, door eenige versnaperingen die de apothekers daar vervaardigen uit +pitten van pijnappels of van pompoenen en meloenen, trachtte aan te +sterken, stookte hij een geneesheer die onder zijn kennissen behoorde +op, om mij een matigen levensregel voor te schrijven. Deze deed 't met +groote nauwgezetheid. Maar ik merkte spoedig dat hij opgestookt was. Ik +liet 't hem evenwel aanvankelijk niet bemerken. Toen hij al meer en meer +bij mij aandrong en er geen einde kwam aan zijn opmerkingen, zei ik +eindelijk: "Hoor eens, mijn waarde, wat je daar zegt, is dat ernst of +gekheid?" "Ernst," zei hij. "Wat raad je mij dus te doen?" "Eet 's +avonds in 't geheel niet en doe ten minste de helft water bij je wijn." +Ik lachte over dien prachtigen raad. "Als je mij dood wilt hebben, dan +zou het voor mijn zwak, mager en uitgeput lichaam reeds de dood zijn als +ik éénmaal 't avondeten oversloeg. Ik heb dat al zóó dikwijls +proefondervindelijk gezien, dat ik 't niet nog eens begeer te probeeren. +Wat moet er volgens uw idee wel gebeuren, wanneer ik mij van avondeten +onthoud na een zóó schraal middagmaal genoten te hebben? En wou je dat +ik zóó'n schraal wijntje nog met water ging aanlengen? Alsof 't niet +veel beter ware zuiver water te drinken dan water met wijndroesem. Ik +ben er zeker van dat Orthrogonus je heeft opgestookt mij dit te gaan +zeggen." Hij lachte zoo'n beetje en bond zich wat in. "Ik bedoel nu +juist niet, zeer geleerde Gilbert, dat ge u 's avonds geheel en al van +eten moet onthouden. Je mag wel een eitje proeven en een glaasje wijn +drinken. Zoo leef _ik_ ook. Men kookt voor mij een ei bij 't avondmaal. +Daarvan neem ik de helft van 't dooier voor mij zelf, de andere helft +geef ik aan mijn zoontje; daarna drink ik een halven roemer wijn en +studeer ik tot diep in den nacht."--JACOB: En was 't waar wat die +medicus vertelde?--GILBERT: Zonder eenige bedenking nam ik 't aan. Eens +kwam ik bij toeval, van de mis komende, door de straat waar, zooals een +mij vergezellende kennis zeide, die dokter woonde. Ik wilde zijn +interieur eens zien. Het was juist een Zondag. Ik klopte aan: de deur +ging open: ik klim de trap op en vind den dokter met zijn zoon die +tevens voor knecht speelde, aan zijn maal. Al wat er op tafel was +opgediend, waren een paar eieren, niets anders.--JACOB: Bleeke menschen +zeker?--GILBERT: Volstrekt niet. Ze zagen er allebei welgedaan uit, ze +hadden een frissche, gezonde kleur, levendige oogen.--JACOB: Haast +ongeloofelijk.--GILBERT: 'k Vertel je wat ik met eigen oogen gezien heb. +En niet alleen leeft hij op die manier, maar verscheidene anderen, van +voorname familie en in goeden doen. Geloof me: veel eten en drinken is +een kwestie van gewoonte, niet van natuur. Omgekeerd, als iemand er zich +langzamerhand aan gewent, zal hij 't zóó ver brengen om 't zelfde te +doen wat de Grieksche worstelaar Milo deed, die op één dag een heel rund +verzwolg.--JACOB: Goede God, als men met zóó weinig zijn gezondheid kan +bewaren, wat maken dan de Duitschers, de Engelschen, de Denen en de +Polen een nuttelooze onkosten!--GILBERT: Heel wat, en dat nog wel met +groote schade aan hun gezondheid en aan hun geest.--JACOB: Maar wat was +dan toch de reden dat jij _niet_ genoeg hadt aan dat beetje +eten?--GILBERT: Omdat ik me aan een heel anderen levensregel had gewend +en 't voor mij te laat was om mijn levensregel te veranderen. Maar +overigens hinderde mij minder 't te-weinig der spijzen, dan wel dat ze +bedorven waren. Twee eieren zouden voldoende wezen, als 't maar versch +gelegde waren: één roemer wijn zou genoeg zijn, als er in plaats van +wijn maar geen verschaald bocht geschonken werd. De helft van 't brood +zou kunnen volstaan, als er in plaats van brood maar geen gebakken klei +werd voorgezet.--JACOB: En dat die Antronius zóó gierig was, terwijl hij +er zoo warmpjes in zat!--GILBERT: Ik denk dat hij wel een kapitaal van +tachtigduizend dukaten zal hebben bezeten. En er ging geen jaar voorbij +waarin er niet een overwinst van wel duizend dukaten bij kwam, om 't +minste maar te noemen.--JACOB: En zijn zoons, voor wie dat geld werd +opgepot, waren die óók zoo zuinig?--GILBERT: Ja, thuis ten minste. Maar +buitenshuis werd 't geld er doorgebracht met Wijntje en Trijntje en +dobbelspel. En terwijl hun vader er bezwaar tegen maakte van zelfs voor +de deftigste gasten een kleinigheid uit te geven, verloren de jongelui +soms in één nacht zestig dukaten met spelen.--JACOB: Zoo wordt vaak zoek +gebracht, wat met schrapen is bijeen geraapt. Maar zeg me, waar ga je +thans heen, nu je uit zulke gevaren ongedeerd bent gered?--GILBERT: Naar +de gezellige eettafel van die Fransche heeren, om daar de schade die ik +ginds geleden heb, wat in te halen. + + + * * * * * + + +INHOUD + + +Erasmus door Cd. Busken Huet + + 1. Charon, de veerman van de onderwereld + + 2. De ontevreden-gehuwde of het huwelijk + + 3. Herbergen in Duitschland + + 4. Het spook of de duivelbanning + + 5. Goudmakerij + + 6. De paardenkooper + + 7. De paardlooze ridder of verdichte adel + + 8. De vrouwenraad + + 9. De bedevaart + +10. Het sprookjesmaal + +11. Schipbreuk + +12. Vrekkige rijkdom + + + * * * * * + + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Een twaalftal samenspraken, by Erasmus + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN TWAALFTAL SAMENSPRAKEN *** + +***** This file should be named 17523-8.txt or 17523-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/7/5/2/17523/ + +Produced by Marc D'Hooghe, marcdh@pandora.be. + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
