summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/17523-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:51:20 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:51:20 -0700
commit34f19063140642c771e039cb577e7b136ad34ebf (patch)
treefe08cccd66a680cce567f10e0503d40a93fcdefe /17523-8.txt
initial commit of ebook 17523HEADmain
Diffstat (limited to '17523-8.txt')
-rw-r--r--17523-8.txt7400
1 files changed, 7400 insertions, 0 deletions
diff --git a/17523-8.txt b/17523-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..8a327ff
--- /dev/null
+++ b/17523-8.txt
@@ -0,0 +1,7400 @@
+The Project Gutenberg EBook of Een twaalftal samenspraken, by Erasmus
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Een twaalftal samenspraken
+ Tot inleiding: Cd. Busken Huet's beschouwing over Erasmus
+
+Author: Erasmus
+
+Release Date: January 23, 2006 [EBook #17523]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN TWAALFTAL SAMENSPRAKEN ***
+
+
+
+
+Produced by Marc D'Hooghe.
+
+
+
+
+EEN TWAALFTAL SAMENSPRAKEN
+
+VAN
+
+DESIDERIUS ERASMUS VAN ROTTERDAM
+
+
+UIT HET LATIJN VERTAALD DOOR N.J. SINGELS
+
+TOT INLEIDING: Cd. BUSKEN HUET'S BESCHOUWING OVER ERASMUS
+
+
+1912
+
+
+ * * * * *
+
+
+ERASMUS
+
+door Cd. BUSKEN HUET
+
+
+Mijne lezers mogen niet klagen over dit langdurig vertoeven in de
+kraamkamer van ons hooger onderwijs. Maar de opmerking staat hun vrij
+dat het eerste beginselen zonder wiekslag geweest zijn. Goede wil,
+toewijding, zelfopoffering, niets ontbrak, behalve Erasmus en het genie.
+
+De rotterdamsche Heilige, als Vondel hem noemen zou, wekt onze
+belangstelling inzonderheid als landgenoot en omdat hij, in
+onderscheiding der vermaarde oorlogslieden welke na hem de Republiek der
+Vereenigde-Provinciën zou voortbrengen, op zoo eervolle wijze den
+nederlandschen volksaard in vredestijd vertegenwoordigd heeft: anderen
+met het penseel in de hand, hij met de pen. Alleen de omstandigheden
+zijn oorzaak geweest dat niet reeds door Erasmus eene zigtbare
+noordnederlandsche akademie is kunnen gesticht worden, gelijk van hem en
+zijne geschriften de eerste onzigtbare dagteekent.
+
+Wel is waar zag na zijn vijfentwintigste of dertigste jaar zijn
+geboortegrond hem naauwlijks terug, en is hij daarna meer voor Europa
+dan voor Nederland gaan leven. Maar, geen Franschman geworden, geen
+Engelschman, geen Spanjaard of Italiaan, geen Zwitser zelfs,--ofschoon
+hij te Bazel zich meer op zijn gemak gevoelde dan overal elders,--de
+sporen zijner afkomst en zijner opvoeding zijn nooit verdwenen. Welke
+vlugt daarna zijne studiën mogen genomen hebben, zoodat hij in het
+wetenschappelijke den gezigteinder zijner meeste land- en tijdgenooten
+ontvoer, het eerste derde deel zijns levens is op zijne verdere vorming,
+door de kracht der aantrekking niet minder dan der afstooting, van
+beslissenden invloed geweest. Nederland openbaarde hem aan zichzelf, en
+zulke indrukken zijn onuitwischbaar.
+
+Litterarische en theologische vijanden hebben, de eenen bij zijn leven,
+de anderen kort na zijn dood, door uit te brengen dat hij de zoon was
+van een zuidhollandsch dorpspastoor, in strijd met kerkgeloften bij eene
+noord-brabantsche dienstbode of huishoudster gewonnen, een smet op zijne
+geboorte meenen te werpen.[1] Uit een maatschappelijk oogpunt teregt,
+uit een algemeener en edelmoediger ten onregte. Het strekt den
+nederlandschen dienstbodestand en den lageren nederlandschen klerus der
+15de eeuw tot eer, zulk een buitengewoon kind het aanzijn gegeven te
+hebben. Noem het eene speling der natuur; noem het eene waarschuwing der
+Voorzienigheid aan den onwetenden oudnederlandschen adel; eene les aan
+den etenden en drinkenden oud-nederlandschen burgerstand; niemand zal
+beweren dat er termen waren aan de wetenschappelijke toekomst van een
+volk te twijfelen, uit welks onderste lagen, in de ongunstigste
+omstandigheden, Erasmus kon voortkomen.
+
+Het verwekken van dit kind was niet de eerste dergelijke fout des
+vaders. Dezelfde huishoudster had hem reeds vroeger een zoontje
+geschonken; en naar het schijnt legde de kerkelijke overheid, tot straf
+van den recidivist, hem eene bedevaart naar Rome op. Zoo verdween hij
+voor eene poos uit de omstreken van Gouda, en de huishoudster ging bij
+zijne rotterdamsche bloedverwanten hare bevalling verbeiden.[2]
+
+Van Erasmus Senior weet men weinig méér dan dat hij, al spoedig in
+Nederland en op zijne standplaats teruggekomen, er overleden is toen
+zijn jongste zoon twaalf of dertien jaren telde. De moeder stierf een
+weinig vroeger, te Deventer, waar zij met den genialen knaap zich
+heenbegeven had, om voor zijne gezondheid te waken, terwijl hij er de
+lessen van den aantrekkelijken en onvermijdelijken Hegius volgde. Zij
+schijnt eene zorgvuldige verpleegster geweest te zijn. Welligt paarde
+zij, dochter van een chirurg uit Zevenbergen, aan haar liefhebbend
+moederlijk instinkt sommige technische bekwaamheden. Eene boosaardige
+deventersche epidemie nam haar in den bloei des levens weg.[3]
+
+De nederlandsche dorpspastoors der 15de eeuw waren geen suikerlords; en
+toen vader en moeder het tijdelijke gezegend hadden, vonden de jonge
+Erasmus en zijn broeder eene sobere nalatenschap te deelen. De
+zevenbergsche heelmeester, grootvader van moederszijde, ongetwijfeld
+tevens baardscheerder van beroep, kan evenmin een man van vermogen
+geweest zijn. De rotterdamsche familie van vaderskant, ouders van tien
+kinderen, deden om het openhouden van al die monden (vóór de kleine
+woning bevond zich eene loofhut) niet onmogelijk een bier- of
+wijnhuis.[4] Een voogd, te Gouda, was schoolmeester, was plakmajoor, en
+wist de twee jonge weezen, nadat te vergeefs beproefd was den jongste
+smaak te doen vinden in een Fraterhuis te 's Hertogenbosch, geen beteren
+raad te geven dan in een eigenlijk gezegd klooster den kost voor het
+eten te gaan zoeken.
+
+Gewone geesten zwichten voor zulke omstandigheden, en onderwerpen zich.
+Buitengewone, maar van den tweeden rang, gaan de voorregten van rijkdom
+en geboorte benijden, en beschouwen carrière-maken weldra als het
+hoogste. Het bewonderenswaardige in Erasmus is dat, toen in vervolg van
+tijd zijn bestaan eenmaal verzekerd was, de aanbiedingen van koningen,
+keizers, en pausen, stelselmatig door hem afgeslagen zijn. Door de
+ondervinding geleerd haatte hij eene armoede die tot bedelen doemt, eene
+afkomst welke aan het platburgerlijke vermaagschapt. Maar zijn edel hart
+en zijn groot verstand behoedden hem voor de dwaling, in de eene of
+andere rigting aan het uitwendige meer te hechten dan het waard is. Zij
+heeft hem diensten bewezen, de nederlandsche schooijerswereld uit welke
+hij voortkwam. Het gemeene klooster-zelf is hem eene weldadige
+leerschool geweest.
+
+Te Gouda letterwijs gemaakt, is het kind naar Utrecht gezonden om het
+kerkgezang te leeren, en te zien of hij als koorknaap zijn brood
+verdienen kon. Mogelijk oefende hij reeds toen zich in het teekenen of
+schilderen; wat hij, evenals de muziek, naderhand voor goed liet
+varen.[5] De letteren, niet de kunsten, waren zijne sterkste natuurlijke
+neiging; lezen zijn hartstogt.
+
+Eene midden-nederlandsche litteratuur bestond er voor hem niet, evenmin
+als eene middeneeuwsch-europesche in verschillende landstalen. Er zijn
+geen blijken dat hij Villehardouin, Joinville, Dante, gekend of bemind
+heeft. Naar vaderlandsche auteurs der oudheid, Maerlant, Stoke
+(_litterae inamoenae_), zag hij niet om, maar kende op zijn twaalfde
+jaar den geheelen Horatius en den geheelen Terentius van buiten.
+
+Van zijne vorderingen te Deventer, naderhand in Den Bosch, weten wij
+alleen dat hijzelf op later leeftijd er een geringen dunk van koesterde.
+Ondanks merkbare teekenen van beterschap waren de onderwijsmethoden in
+Nederland toen nog niet veel zaaks, vond hij.[6] Het is waar dat eerst
+zijn eigen vermaardheid als man, en de zucht der nederlandsche filologen
+hem opzijde te streven, eene betere toekomst heeft doen aanbreken.
+
+Zijn eerste wezenlijk merkwaardige arbeid in latijnsch proza, te zamen
+met vrij wat latijnsche verzen (ook de poëzie werd in vervolg van tijd
+door hem losgelaten), dagteekent van zijn achttiende jaar of
+daaromtrent: zijn proeftijd als augustijner-monnik in het klooster
+Emmaüs, te Stein bij Gouda.[7] In tien of elf korte hoofdstukken, vele
+jaren daarna vermeerderd met een korrigerend en herroepend twaalfde, is
+het een pleidooi ten gunste van het monachale leven, en handelt _Over
+het vlieden der wereld_.[8]
+
+De stijl van dit werkje verschilt zeer van dien der _Imitatio Christi_.
+In plaats van uit de hoogte, in naam der nietigheid van het
+ondermaansche, een heilig leven te gebieden, zooals Thomas a Kempis
+doet, betoogt de jonge Erasmus met tal van redeneringen (de vorm is die
+van een brief, door een denkbeeldig oom aan een denkbeeldigen neef
+gerigt) dat de belangen van een goed geweten, een onbesproken wandel,
+een vredig uiteinde, de belangen ook der vrije, ongestoorde, veelzijdige
+studie, het kloosterleven krachtig aanbevelen. Het is reeds eene geheel
+andere soort van latijn dan zestig of zeventig jaren te voren Thomas
+plag te schrijven en tot het laatst aanhield; meer het klassieke
+naderend; beschikkend over een veel grooter aantal woorden en
+zegswijzen; getuigend van een veel gemeenzamer omgang met de schriften
+der oudheid. Aanhalingen uit den bijbel worden niet gemist, doch zijn
+betrekkelijk zeldzaam, en vormen in geen geval den hoofdinhoud, gelijk
+bij Thomas het geval is.
+
+Nogtans wortelt ook Erasmus' geschrift regtstreeks in de mystiek van den
+tijd en van het land; en de eene augustijner-monnik geeft, waar het op
+verheerlijken der kloostergeloften aankomt, den ander niets toe. Een
+geheel hoofdstuk bij Erasmus, langer dan één der vorige, is gewijd aan
+het schilderen der godsdienstige geestdrift van een vriendinnetje zijner
+kinderjaren, toen een volwassen meisje, dat ondanks de gebeden van vader
+en moeder, ondanks de tranen en omhelzingen van broeder en zuster, in
+het aannemen van den sluijer volhardde. Hij spreekt over deze Margaretha
+als over eene voorbeeldige geloofsheldin, en wijst er met bewondering op
+dat in den kring der schreijende ouders, bloedverwanten, en huisvrienden
+(hijzelf was bij het tooneel tegenwoordig en noemt het
+hartverscheurend), zij de eenige was om wier lippen een rustige glimlach
+speelde.[9]
+
+Zelfzuchtiger, zoo men wil, doch niet minder warm of welgemeend, is
+zijne hulde aan de kloostercel als studeerkamer, waar slechts boeken en
+nogmaals boeken gevonden worden ja, maar die onder het lezen den jongen
+wijze in een paradijs verkeert, een hof van Eden. Anderen mogen aan de
+herberg, anderen aan de danszaal de voorkeur geven, hij houdt het met
+dit park der letterwereld; met die stroomen, bosschen, weiden, waar,
+tusschen het gras, de rozen en de leliën bloeijen of de violen zich
+verschuilen. Verlangt de ziel naar goddelijk onderrigt uit de eerste
+hand, de jonge kloosterling grijpt naar het Oude of het Nieuwe
+Testament. Wenscht hij een kerkvader of een godgeleerde te raadplegen,
+hij haalt het boek voor den dag en slaat op zijne knieën het open. Heeft
+hij uit de wereld eene oude liefde voor de ongewijde Muze medegebragt,
+hij mag in zijne vrije uren, mits het eene platonische genegenheid
+blijve, ook aan déze neiging toegeven. Wie gevormd werd in de school van
+profeten, apostelen, kommentatoren, en theologen, weet bij de heidensche
+wijsgeeren en dichters de medicinale van de giftplanten te
+onderscheiden. In zijn litterarischen bloemtuin is hij koningen te rijk,
+en trotseert Sardanapalussen.[10]
+
+Een ander klein prozawerk van Erasmus uit deze periode is zijne lijkrede
+op eene goudsche weduwe, moeder van drie huwbare dochters en in de
+kracht harer jaren gestorven. Haar echtgenoot of haar vader, schijnt
+het, had haar een aanzienlijk vermogen nagelaten, en zij maakte daarvan
+een edelmoedig gebruik, zoodat zij als eene weldoenster bekend stond.
+Daarbij was zij buitengemeen vroom en eene gulle gastvrouw, die de
+kloosterbroeders van Emmaüs geregeld ten eten vroeg. Erasmus, wien zij
+meer dan één der andere jongelieden genegen was, bewondert hare
+onbegrensde godsdienstigheid, en brengt daarvan voorbeelden bij. Niet
+alleen wijdde zij onafgebroken hare zorgen aan een groot hospitaal te
+Gouda; maar ieder jaar, op Goeden Vrijdag, noodigde zij te harent
+dertien armen, wien zij vóór het aan tafel gaan zelve de voeten waschte.
+Eene harer dochters, pas zes weken gehuwd, werd door eene noodlottige
+ziekte aangetast. De moeder deed Erasmus hiervan kennis geven; en in de
+meening haar doodelijk bedroefd te zullen vinden, snelde hij naar hare
+woning. Doch Bertha van Heyen, zoo heette de matrone, zeide tot hem toen
+hare dochter den adem had uitgeblazen: "Gij komt mij troosten, als ware
+ik gekrenkt in mijne regten of moedwillig geplaagd; maar is niet hij,
+die mijne dochter mij ontneemt, dezelfde die haar mij gegeven heeft? Ben
+ik tot weeklagen bevoegd? Zij is heengegaan tot straf voor mijne
+ongeregtigheden."[11]
+
+ * * * * *
+
+Het verdient opmerking dat Erasmus, die later de monniken zoo ijverig
+nagezeten, zoo geestig en openhartig de jonge meisjes van de wereld
+vermaand heeft geen nonnen te worden,[12] met zooveel ingenomenheid over
+het offer der Margareta zijner jonge jaren spreekt en over het "hokje"
+van Thomas a Kempis. Maar het is óók merkwaardig dat reeds in de hulde
+aan Bertha van Heyen uitdrukkingen voorkomen die op een begin van
+ontgoocheling wijzen.
+
+Schier onmiddellijk heeft Erasmus gevoeld dat de meeste hollandsche
+monniken zijner dagen onopgevoede lieden waren, en zij in het gezelschap
+eener beschaafde vrouw zich niet wisten te gedragen. "Wanneer wij bij
+Bertha aan tafel zaten," herinnert hij, "en een onzer zich van
+uitdrukkingen bediende die den goeden naam van den medemensen benadeelen
+konden, dan maakte zij aan het verderfelijk gepraat terstond een einde,
+zeggende: Ik bid u, broeders, laat mij aan mijn disch geen woorden uit
+uw mond vernemen waardoor een afwezige beleedigd wordt! Spaart mij ook
+het overbrengen van zaken die derden niet tot eer strekken: dit vleit
+mijne ooren niet."[13]
+
+Zulk eene vrouw, gevoelde hij, behoefde den sluijer niet aan te nemen om
+eene voortreffelijke christin te mogen heeten. Sprekend van hare jeugd:
+"Zij was schoon," zegt hij, "zij was rijk, zij was een toonbeeld van
+deugd en godsvrucht; waarom trok zij zich niet uit de wereld terug, en
+ging zij niet in een klooster? zult gij vragen. Zeker, dit ware
+voorzigtiger geweest. Maar volgens mij is het een verreweg schooner
+eeretitel, te midden van de verleidingen der ondeugd een rein en
+onschuldig leven te leiden, en met zelfbewustheid zijn eigen weg te
+gaan, terwijl de wereld om ons heen jaagt en drijft. Alleen de deugd
+stelt daartoe in staat."[14]
+
+Vroegtijdig heeft Erasmus het klooster bemind; met welgevallen de
+tonsuur aanvaard, en door den bisschop van Utrecht zich tot priester
+laten wijden. De drang van buiten, welke daarbij gebezigd mag zijn,
+heeft minstens voor de helft uit overreding bestaan. Voor méér dan de
+helft was het toetreden vrijwillig.[15]
+
+Doch even vroegtijdig heeft hij gevoeld dat voor het verwezenlijken van
+een ideaal als het zijne,--een leven voor de studie, van de studie, om
+de studie,--het klooster gemist kon worden, en veeleer den naam van
+struikelblok of ergernis dan van hulpmiddel verdiende. Niemand had hem
+"in de kap gestoken," gelijk naderhand de minachtende zegswijs luidde.
+Uit eigen overtuiging, zoo niet uit eigen beweging, had hij zich den
+strop om den hals gehaald. Maar pas was het koord bevestigd of hij
+gevoelde dat het een koord was, en zijn bestaan dat van een vogel op een
+kruk geleek.
+
+In die stemming schreef hij te zelfder tijd de _Ode aan een vriend_,
+welke zulk een diepe neerslagtigheid ademt, en die bewijst dat het hem
+gemakkelijker viel anderen met woorden de kloosterkevie smakelijk te
+maken, dan voor de vleugelen van zijn eigen geest zich met zoo weinig
+ruimte te vergenoegen: "Wee mij! Door droefheid, wanhoop, en arbeid,
+word ik verteerd. Een wreed lot gunt mij geen oogenblik verademing,
+brengt niet de geringste verzachting voor mijn leed. Treurige dagen
+voor, treurige na! Door welke misdaad heb ik den Hemel beleedigd, dat ik
+eene straf moet lijden de martelingen waardig van den Styx? De aarde ten
+minste wordt na de zomerhitte door lange dagen vol schaduw en nevelen
+verkwikt; de sneeuw komt en verdwijnt, naarmate de velden haar behoeven
+of kunnen ontberen. Mij brengen de saizoenen geen stilling van pijn;
+onafgebroken vervullen de droefgeestige zorgen mijne ziel; tranen doen
+gedurig mijne oogleden zwellen."[16]
+
+Is het mogelijk een glimlach te onderdrukken wanneer men bedenkt hoe
+weinig de jonge man, die onder zijn leed zoo diep gebukt ging, noodig
+had om gelukkig te zijn? Welk gering verschil, voor het uitwendige, er
+bestond tusschen de kloostercel zijner jeugd, die hij verwenschte, en de
+studeercel van zijn manlijken leeftijd, naderhand zijn hemel op aarde?
+
+Nooit heeft Erasmus naar een huwlijk getaald; nooit het als zijne
+roeping beschouwd huisvader te worden; nooit eene openbare betrekking
+willen vervullen. Wanneer hij in den vollen bloei der jaren de
+zamenspraak van _den Officier en den Karthuizer_ schrijft, dan ontwerpt
+hij van den laatste een zoo innemend beeld, dat hijzelf er jaloersch van
+schijnt.[17] Maar die geïdealiseerde karthuizer is een monnik op het
+geduldig papier; en zoo Erasmus te Stein en in het klooster Emmaüs
+gebleven was, dan ware voor het leven zijn lot dat van een monnik der
+werkelijkheid geweest. Niet om nieuwe banden of om bandeloosheid was het
+hem te doen, maar om vrijheid. Zijn land, gevoelde hij, was grooter dan
+zijn klooster, de wereld grooter dan zijn land, en er viel daar buiten
+eene even nuttige als roemrijke levenstaak te vervullen. In zijne cel
+zelve had de beweging der eeuw hem aangegrepen; uit zijne boeken was de
+tegenstelling eener barbaarsche omgeving en van een hoogeren standaard
+van beschaving hem openbaar geworden; naar _die_ lucht en _dat_ licht
+strekte zijn verlangen zich uit. Zóó ten minste verklaren wij ons zijn
+ongeduldig bijten in de staven van zijn tralievenster, tien jaren lang.
+
+Er is in Erasmus' leven, nadat als geleide van een jongen schotschen
+koningszoon gunstiger omstandigheden hem eindelijk naar Rome gevoerd
+hadden, en hij in de drukkerij van Aldo Manuzio de proefbladen zijner
+herziene _Spreekwoorden_ had mogen korrigeren; er is een tijd gekomen
+dat één ding bij hem nog boven Italië ging: Bazel en de vrijheid. Met de
+jaren is het hem duidelijk geworden dat eene werkzaamheid als die zijner
+droomen, niet gebonden was aan het land of de stad waar het toeval de
+beschaving der oudheid, uit het Oosten verdreven, eene vlugthaven had
+doen vinden. Onverschillig dat de Italianen hem niet noodig hadden; zij
+voor het openbaar onderwijs hem niet gebruiken konden; zijn nederlandsch
+accent, bij het latijnspreken, een hinderpaal was.[18] Niet in het
+spreken lag zijne grootste kracht, maar in het schrijven. Hij was in de
+wieg gelegd voor leermeester van Noord-Europa met de pen.
+
+Maar in zijne jeugd hunkerde hij slechts naar Italië; en voor de tweede
+maal is hij de wanhoop ten prooi wanneer, na een snel vervlogen uitzigt
+op welstand en onafhankelijkheid, de vloek der armoede hem op nieuw aan
+de plaats bindt.
+
+Het heeft niet gebaat dat een bisschop van Kamerijk, verlegen om een
+bekwaam jong sekretaris, daarover naar Utrecht schreef en op aanbeveling
+van den prior van Emmaüs onzen veelbelovenden augustijner in dienst nam.
+Het doel waarvoor die prelaat hem wilde gebruiken werd gemist, en het
+eenige wat de ex-sekretaris bij zijn wisselen van loopbaan gewonnen had
+was, dat hij zich naar Parijs had kunnen verplaatsen.
+
+Zijne studiën kon hij daar voortzetten ja, en door het geven van
+privaatlessen aan een rijken engelschen knaap of jongeling, lord
+Mountjoy, er in zijn onderhoud voorzien. Verdiende hij eene kleinigheid
+extra, door voor boekverkoopers te werken, dan kon hij zich een
+uitstapje naar Zeeland, naar Engeland veroorloven, en oude
+kennismakingen gaan vernieuwen of nieuwe aanknoopen. Doch wat gaf dit
+voor de bevordering der groote zaak, wanneer hij naging dat hij de volle
+dertig reeds achter den rug had, en hij van den eenen dag op den ander
+nog altijd voor zijn brood moest vechten?
+
+Bovendien was Parijs het einddoel zijner wenschen niet. Parijs had
+opgehouden het brandpunt der beschaving van den dag te zijn. Het
+vrijzinnig Collège de France bestond nog niet. Officieel had aan de
+Sorbonne de middeneeuwsche scolastiek nog het hoogste woord. Parijs werd
+tijdelijk overschaduwd door Rome. Wie op dat oogenblik naar kennis uit
+de eerste hand haakte, had zich naar Italië te begeven. Alleen een in
+Italië gehaalde doktorale hoed stempelde toen den man van studie tot
+iets meer dan de meesten.
+
+Wij raken hier aan een maatschappelijken misstand der 16de eeuw, welke
+eerst driehonderd jaren later, in sommige groote landen of groote steden
+van Europa, weggenomen is. Walter Scott kon, ofschoon hij aanvankelijk
+slechts door Engelschen gelezen werd, een fortuin bijeenverzamelen.
+Erasmus heeft, in weerwil dat zijn latijn hem den toegang tot de
+beschaafde en welvarende kringen van een geheel werelddeel ontsloot, het
+nooit verder kunnen brengen dan het vinden van een uitgever.
+
+Het eenige wat wij zeggen kunnen is dat het in de 15de eeuw nog erger
+was. De voortreffelijke Froissart, die als dolend ridder van de pen
+eenigszins als een voorlooper van Erasmus beschouwd kan worden;
+Froissart, óók van afkomst een burgerjongen, óók opgeleid voor priester,
+óók als partikulier sekretaris zijne loopbaan aangevangen, heeft geen
+andere keus gehad dan òf zijn talent te begraven, òf een tafelschuimer
+te worden.[19] Er was voor zulke geboren auteurs, in onmin met de
+kloostercel, niet geschikt voor de routine van het openbaar onderwijs,
+in de middeneeuwsche zamenleving geen plaats. Al de dichters van dien
+tijd, wanneer zij alleen dichters zijn, zijn schooijers. Al de
+prozaschrijvers, wier eenig kapitaal in portefeuille hun proza is,
+lijden gebrek.
+
+Door het vinden der boekdrukkunst is die wanverhouding allengs
+uitgesleten. Doch Erasmus was jong in een tijdperk van overgang, toen er
+reeds zeer vele boeken gedrukt werden, maar nog in lang niet genoeg om,
+behalve het dekken van de kosten der uitgaaf, ook in het levensonderhoud
+van den schrijver te voorzien. Onbemiddelde auteurs verbonden zich als
+korrektoren aan de drukkerijen en ontvingen daggelden. Van honorarium
+voor werken van eigen geest was geen spraak. Het gold zelfs niet voor
+eervol, geld aan te nemen van een uitgever.[20] De onbemiddelde zocht
+het vermogend patronaat van een man of eene vrouw van de wereld.
+
+Froissart, die niet studeerde; die met geen ander doel dan het
+verzamelen van historische anekdoten uit den mond van tijdgenooten nu
+het eene dan het andere land bezocht; die met voorbeeldige vlijt er zich
+toe bepaalde zijne reeds voltooide verhalen om- en nogmaals om te
+werken,--had genoeg, heden aan de gunst eener henegouwsche prinses,
+koningin van Engeland geworden, morgen aan de edelmoedigheid van een
+half henegouwschen graaf van Blois. Hij kon zijn werk verrigten zoo maar
+zijn bed en zijn disch gespreid waren, en de beschermers niet
+onbescheiden veel offers van zijne vrijheid vergden.
+
+Erasmus in geenen deele. Deze had voor zijne studiën onophoudelijk
+nieuwe hulpmiddelen noodig; moest op verschillende plaatsen bibliotheken
+gaan raadplegen, of gaan spreken met geleerde mannen; kon er niet komen
+zonder het minimum eener eigen boekerij of het diminutief eener eigen
+studeerkamer.
+
+Niet dat hij van het leven of van zijn vak zooveel eischte als vijftig
+jaren te voren den italiaanschen filoloog Filelfo in den schoot gevallen
+was. Op zijn achttiende jaar was Filelfo hoogleeraar in het grieksch te
+Padua geweest. Venetië had hem het eereburgerschap aangeboden, en
+daarbij eene zending naar Konstantinopel, waar hij zijne grieksche
+studiën naar hartelust kon uitbreiden. Een hertog van Milaan had hem
+overvloedig begiftigd; een paus door schitterende aanbiedingen hem naar
+Rome gelokt.[21]
+
+Maar al vlamde Erasmus' eerzucht niet op zulke wijdluftige
+onderscheidingen; al zou de herinnering van Filelfo's beklagelijk
+uiteinde, het gerucht van Filelfo's ondragelijk humeur, hem eer
+waarschuwend afgeschrikt dan aangemoedigd hebben, hij kende zijne
+behoeften. Zijne wenschen waren: een mak, maar welgebouwd en welgezadeld
+paard voor hemzelf, om naar regts en links zich vrij te kunnen bewegen;
+nog een paard voor zijne boeken en schrijfbenoodigdheden; een derde
+paard voor een vlug en knap bediende, desnoods in staat uit naam zijns
+meesters eene litterarische boodschap te gaan verrigten; eindelijk een
+klein vast inkomen, genoeg om in het onderhoud van knaap en dieren
+ongestoord te kunnen voorzien, en onverdeeld zich aan zijne studien te
+kunnen wijden. Voor het overige niemands knecht, niemands afhankelijke
+huisgenoot, niemands loontrekkend dienaar.[22]
+
+Gedurende den geheelen namiddag van zijn zeventigjarig leven is deze
+bescheiden overvloed Erasmus' deel geweest; en hij heeft zijne eenmaal
+verworven onafhankelijkheid verdedigd met de angstvallige zorg van
+iemand die bij ondervinding den bitteren bijsmaak van het brood der
+maatschappelijke ballingschap kende, en hoe zwaar het valt vreemde
+trappen te beklimmen. Eene nederlandsche Statenvergadering bood wel wat
+laat hem een eervol geschenk in geld aan; engelsche vrienden hielpen hem
+aan eene of meer prebenden; keizer Karel V benoemde hem tot staatsraad,
+met vrijheid zijn traktement (indien het betaald werd) te verteren op de
+plaats zijner keus.
+
+Jaren lang heeft Erasmus op die wijze, eerst bij afwisseling, daarna
+voor goed, onbezorgd te Bazel kunnen leven; heeft naar welgevallen zich
+kunnen verplaatsen; te Freiburg zich een huis kunnen doen bouwen; paus
+Paulus III voor een kardinaalshoed kunnen bedanken; het zich niet
+behoeven aan te trekken, dat de inkomsten van een door dien kerkvoogd
+hem toegedacht deventersch prioraat hem ontgingen.
+
+Hadden de krachten slechts toegereikt, zijn middelen zouden in het
+laatste levensjaar hem niet verboden hebben Besançon als woonplaats te
+kiezen, en er den bazelschen hervormingsijver te gaan ontwijken. Uit
+zijne nalatenschap, die zevenduizend dukaten bedroeg, konden de
+algemeene armen te Bazel ruim bedacht worden, en goede vrienden tot een
+aandenken een of ander kostbaar voorwerp ontvangen.[23]
+
+Heeft Shakespeare het zaliger gevonden een huis en een inboedel te
+kunnen koopen? Of was Erasmus gelukkiger iets te kunnen nalaten? Een
+testament te kunnen dikteren aan een notaris?[24]
+
+Wie zich eene voorstelling wenscht te vormen van hetgeen, toen het
+zonnetje van den betrekkelijken voorspoed nog door moest breken, Erasmus
+in zijne jongelingsjaren uitgestaan en geleden heeft, denke zich een man
+als onzen voortreffelijken land- en ouderen tijdgenoot Groen van
+Prinsterer (sommige portretten van Erasmus en sommige van Groen
+vertoonen een zweem van gelijkenis,[25]) en vrage zich hoe het zulk een
+fijnbewerktuigden geest in een tenger ligchaam te moede zou geweest
+zijn, zoo hij gedurende de eerste veertig levensjaren met eene gemeene
+soort van armoede had moeten worstelen? Te moede, ondanks het gunstig
+verschil tusschen de maatschappelijke toestanden en hulpmiddelen in de
+eerste helft der 19de eeuw en de laatste helft der 15de. Ondanks het
+stammen uit een met onderscheiding bekend geslacht, en het niet
+schrijnen of knagen van als een stigma beschouwde kloostergeloften.
+Enkel onder het dagelijks stuiten van een groot verstand op eene botte
+omgeving; van een gevoelig hart op de algemeene onverschilligheid; van
+uitgezochte kundigheden op eene onwetendheid van de ruwste soort. Onder
+het botsen, in één woord, van een schuw en stil ideaal op het walgelijke
+eener werkelijkheid, die, nachtmerrie bij dag, zulk een geest bovenal
+van eene lompe en luidruchtige paardemarkt doet droomen.
+
+Voor alle mannen met buitengewone gaven die als vondelingen in het leven
+geworpen worden, is de wereld eene harde leerschool; het hardst voor
+mannen met een vrouwelijken aard, op wier genie de tegenspoeden, welke
+andere karakters louteren of sterken, de werking van een hagelslag doen.
+
+Het hangt zamen met het bijzondere in Erasmus dat de teleurstellingen
+zijner lange leerjaren niet in staat zijn geweest zijn humeur te
+bederven, al prikkelden zij in hooge mate zijn ongeduld. In eene eeuw
+toen alle menschen in alle dingen met heftigheid partij kozen, en men
+geen goed burger scheen te kunnen zijn zoo men niet wit of zwart,
+vierkant vóór of vierkant tegen was, wist hij met ongeëvenaarde
+geestkracht zich voor uitersten te hoeden en, gelijk hij tot een
+werelddeel het woord rigtte, een werelddeel te staan. De lutheranen
+hebben hem verweten onverbeterlijk roomsch, de roomschen meer dan een
+halve lutheraan te zijn. Humanisten hebben hem gehavend als een
+afvallige, en theologen wegens zijn humanisme hem uitgemaakt voor een
+libertijn. Een filoloog heeft hem gescholden wegens zijn berispen eener
+ciceroniaansche latiniteit; en zijn roem was latijnsche brieven te
+kunnen schrijven, fraaijer dan sedert Cicero iemand in Europa gedaan
+had. Een paus aanvaardde de opdragt van zijn Nieuw Testament, en een
+pausgezind keizer liet door dienaren der Inquisitie de exemplaren
+ophalen en vernietigen. Tijd- en landgenooten van hem zijn levend
+verbrand wegens het voorstaan van meeningen die ook de zijne waren; en
+hijzelf zou al zijne meeningen verloochend hebben, liever dan één zijner
+medemenschen op het schavot te brengen. Geboren Nederlander, was hij
+tegelijk een geboren kosmopoliet. Voortgekomen uit het volk, haatte hij
+noch het volk, noch de burgers, noch de edelen. Gehoorzaam zoon der
+katholieke kerk, was hij onvermoeid in het plagen harer bestuurders.
+Onkundige monniken waren het schrikbeeld van den gewezen augustijner;
+doch hij vond de luthersche hagepredikers geen aanwinst voor de
+beschaving. Gekroonde hoofden vereerden hem met hunne vriendschap; toch
+ontsnapten zelfs de dragers eener driedubbele niet altijd aan zijne
+kritiek. Hij was misschien de wijste man van zijn tijd, en zou blijven
+leven als type van den lofredenaar der dwaasheid.
+
+Er bestaan van Erasmus, behalve zijn boeken, meer dan achttien honderd
+brieven.[26] Geen ander menscheleven der 16de eeuw is in dezelfde mate,
+uit duizend bijzonderheden, bekend als het zijne. Doch te vergeefs zal
+men iemand zoeken die meer dan hij een man uit één stuk geweest is;
+hetgeen de kunstkenners een rok zonder naad, de manskleedermakers onzer
+dagen, in de dievetaal der mode, _un complet_ noemen. Al zijne deugden
+hebben de daarbij behoorende gebreken tot foelie; al zijne gebreken zijn
+de gebreken zijner deugden.
+
+Of op welke andere wijze te verklaren dat in zijne jeugd, ondanks de
+gevoeligheid zijner zenuwen, de armoede gemakkelijker zijn ligchaam dan
+zijn geest ten onder zou gebragt hebben; en in de dagen zelf van zijn
+verblijf te Parijs of te Orleans, toen een schamel kosthuis de eenige
+weelde was die hij zich veroorloven kon, het aandacht schenken aan eene
+vechtpartij tusschen zijne hospita en haar dienstmaagd, hem geen
+onwaardig tijdverdrijf scheen?
+
+Ik doel op een der brieven uit het jaar 1500 of daaromtrent, die, in
+vakantiedagen uit Nederland aan vrienden in Engeland of Frankrijk, op
+werkdagen uit Frankrijk aan vrienden in Nederland gerigt, van Erasmus'
+toenmalige stemming, en van het ongemeen karakter dat levenslang het
+zijne geweest is, ons zulk een goed denkbeeld geven.
+
+Een geletterd en welgesteld nederlandsch koopman, van wien wij niets
+anders weten dan dat hij Christiaan heette en een jongere broeder door
+hem naar Parijs gezonden was om onder Erasmus' leiding zijne studiën te
+voltooijen of aan te vangen, bekomt vandaar nu en dan een schrijven.
+
+"Ik heb," meldt Erasmus hem op een keer, "ik heb het buitengewoon druk
+gehad vandaag. Waarmede? zult gij vragen. Antwoord: met het bijwonen
+eener tooneel-, eene boeijende tooneelvoorstelling.
+
+"Was het een blijspel, was het een treurspel? Al naar gij het nemen
+wilt. Weet alleen dat geen der spelers dramatisch uitgedost was; het
+stuk telde maar één bedrijf; geen fluiten begeleidden het koor; de
+vertooners hadden geen hooge schoeisels aan, maar gingen barvoets; er
+werd niet gedanst; het tooneel was de vlakke bodem, mijn eetvertrek het
+amfitheater. Naarmate zij zich verwikkelde werd de handeling
+spraakzamer, en omstreeks de ontknooping was de luidruchtigheid
+volkomen.
+
+"Gij denkt dat ik voor uw amusement eene klucht verzin? Toch niet,
+Christiaan, ik ben historieschrijver. De voorstelling waarvan ik getuige
+was werd gegeven door mijne huiswaardin, in tweegevecht met hare maarte.
+De klaroen had reeds geruimen tijd weerklonken vóór de strijd aanving;
+ik bedoel, er ging eene heftige woordenwisseling vooraf. Op dit gebied
+stonden zij elkander, en geen van beide partijen behaalde de
+overwinning. De handeling geschiedde in den tuin, terwijl ik voor het
+venster der eetkamer zwijgend, doch niet schreijend, stond toe te zien.
+
+"Maar nu de katastrofe! Na afloop van den strijd kwam de gedienstige in
+mijne zitkamer de bedden doen, en onder een praatje maakte ik haar mijn
+kompliment dat zij wat kraaijen en schelden aanging hare meesteres niets
+toegegeven had, doch betuigde tevens mijn leedwezen dat zij dapperder
+scheen in het roeren harer tong dan van hare handen. Want de waardin,
+een gespierde virago en athletisch gebouwd vrouwspersoon, had de
+gewoonte hare knoken te doen nederkomen op het hoofd der arme maarte,
+veel kleiner dan zij. Hebt gij geen nagels, vroeg ik haar, dat gij dit
+geduldig verdraagt?
+
+"Lagchend antwoordde zij dat het haar minder aan moed dan aan krachten
+haperde.--Denkt gij, vroeg ik, dat het in den oorlog bovenal op krachten
+aankomt? In iedere militaire ontmoeting is het plan het voornaamste.
+--Zij vroeg welk plan ik haar aan de hand kon doen.--De eerste maal dat
+zij weder de handen aan u slaat, zeide ik, moet gij onmiddellijk haar de
+muts van het hoofd rukken (want te Parijs hebben de vrouwen van zekeren
+leeftijd de zonderlinge hebbelijkheid zwarte mutsen te dragen) en haar
+dan in het haar vliegen.
+
+"Ik dacht in het minst niet dat zij deze scherts ernstig opnemen zou;
+maar 's avonds, tegen etenstijd, kwam een der jonge mannen die met uw
+broeder en mij in ditzelfde kosthuis wonen, ademloos naar binnen loopen
+en riep: Vrienden, zoo gij een bloedige kloppartij wilt zien, komt dan
+spoedig!--Wij repten ons wat wij konden, en vonden onze hospita en haar
+meid slaags in den tuin. Niet zonder moeite scheidden wij haar. De
+stukken getuigden hoe moorddadig de strijd geweest was. Hier eene muts,
+daar een sluijer, de bodem bestrooid met vlokken haar; zoo meedogenloos
+waren zij elkander te lijf gegaan.
+
+"Aan tafel verhaalde de waardin, ten zeerste verbolgen, hoe brutaal de
+maarte zich gedragen had.--Ik wilde haar teregt zetten, zeide zij (zij
+meende: ik wilde haar de kracht mijner vuisten doen gevoelen), toen zij
+in een oogwenk mij de muts van het hoofd rukte. (Het werd mij duidelijk
+dat ik niet te vergeefs gesproken had). En toen, ging zij voort, toen
+smeet de helleveeg mij de muts in het gelaat (dit punt was door mij niet
+aangeroerd), en toen, toen trok zij mij hier, en hier, en hier, de haren
+uit, ziet!
+
+"Hemel en aarde nam zij tot getuige, nog nooit zulk een boosaardig klein
+ding in hare dienst gehad te hebben.
+
+Wij vestigden hare aandacht op het menschelijk: _'t Kan verkeeren_, en
+op de wisselvalligheid der krijgskansen. Intusschen wenschte ik mijzelf
+geluk dat zij mij niet verdacht zijdelings in de zaak betrokken geweest
+te zijn, anders zou ik op mijne beurt ondervonden hebben dat zij eene
+tong tot hare dienst had."[27]
+
+Ook bij Dante vindt men ergens zulk een tooneel geschilderd, en zelfs
+gaat Dante nog verder; hij deelt de eigen woorden der kijvenden
+mede.[28] Doch Erasmus heeft niet, zooals Dante op die plaats, een
+litterarisch bijoogmerk. Hij vischt alleen uit den weedom van zijn
+knechtsbestaan de vermakelijke anekdote en teekent, met hetzelfde
+nederlandsch schilderstalent als zijn toekomstige vriend Quinten Metsys
+het in die dagen de antwerpsche woekeraars doet, twee vechtende
+parijsche wijven.
+
+ * * * * *
+
+De vrouwen hebben in het volgend leven van Erasmus zoo weinig plaats
+ingenomen, en hoewel de boeken hem nooit van de gezelligheid konden
+vervreemden, doet nogtans zijne bekende kamergeleerdheid dit op een
+afstand zoo natuurlijk schijnen, dat wij van zijne verpligtingen aan het
+zwakkere geslacht, de keeren dat die voor de geschiedenis zijner
+ontwikkeling in aanmerking komen, gaarne melding maken.
+
+Eene nederlandsche vrouw uit het volk, zijne moeder, heeft met liefde
+over zijne kinderjaren gewaakt; eene nederlandsche poortersvrouw den
+jongen monnik hare vriendschap geschonken, en het eerst hem van zijne
+medekloosterlingen onderscheiden; eene nederlandsche edelvrouw het eerst
+in zijne toekomst geloofd, en hem ontvangen in haar huis.
+
+Zij was weduwe en deugdzaam, evenals Bertha van Heyen, maar vele jaren
+jonger dan deze; eene vrouw van de groote wereld, min of meer patrones
+van wetenschappen en letteren; doordrongen van het besef dat zij hare
+kinderen, en in de eerste plaats haar eenigen zoon, eene waardige
+opvoeding schuldig was. Had het van haar afgehangen, Erasmus' kansen op
+lotsverbetering in de moeijelijke jaren van zijn zwerven tusschen
+Engeland en Frankrijk zouden niet enkel kansen gebleven, het uitzigt zou
+eene werkelijkheid geworden zijn.
+
+Door haar huwelijk met een afstammeling uit het Huis van Bourgondië,
+zoon eens halven broeders van Karel den Stoute, was Anna van Borssele
+eene prinses van den bloede, vermaagschapt, toen Erasmus haar leerde
+kennen, aan den spaanschen troonopvolger Filips den Schoone (1478-1506).
+Haar moeder was eene Bourbon; haar vader, met of na den abt van
+Middelburg, eerste edele van Zeeland; zijzelve, als eenig kind, de
+erfgenaam van al haar vaders inkomsten en bezittingen als heer van
+Vlissingen, van Veere, van Cortgene, en verdere plaatsen op de zeeuwsche
+eilanden. Hare beeldtenis, in half middeneeuwsch-, half
+renaissance-gewaad, vult nog heden eene der zeven nissen van het fraaije
+veersche raadhuis, voltooid of aangevangen door haar kleinzoon,
+Maximiliaan van Bourgondië.[29]
+
+De geduchte aderlatingen aan welke Karel de Stoute, Maximiliaan van
+Oostenrijk, Filips van Spanje, als graven van Holland en Zeeland gewoon
+waren hunne zeeuwsche en hollandsche edelen te onderwerpen; heffingen in
+geld, in schepen, in troepen, belastingen in den vorm van kostbare
+opdragten of gezantschappen; schijnen ten laatste zelfs een zoo
+aanzienlijk fortuin als dat van Anna's vader, Wolferd VI van Borssele,
+uitgeput te hebben. De schitterende erfdochter aanvaardde eene met
+schulden bezwaarde nalatenschap.[30]
+
+Misschien had een tweede huwelijk, met een man van een groot vermogen,
+al ware het van minder rang of meer leeftijd, alles weder in het gelijk
+kunnen brengen. Doch de dertigjarige weduwe, die in haar eersten echt
+niet op rozen gesluimerd had, wilde daar niet van hooren. Juist in den
+tijd harer kennismaking met Erasmus, slechts vier of vijf jaren haar
+oudere, had zij hare zinnen op een jonkman van buitengewone schoonheid
+maar van middelmatige geboorte en weinig inkomsten gezet, zekeren heer
+Lodewijk van Montfoort, berooid Adonis. Het pleit voor hare volharding
+dat zij ten slotte den man harer keus, dien zij binnen weinige jaren
+verliezen zou, als heer van Veere heeft weten te doen huldigen; doch het
+huwlijk mishaagde de bloedverwanten van bourgondische zijde zeer.
+Processen en inbeslagnemingen waren het gevolg. De schijnbare
+millionaire was inderdaad betrekkelijk arm.[31]
+
+Had Erasmus dit alles van het begin af geweten, hij zou, toen een zijner
+zeeuwsche of noordbrabantsche vrienden gouverneur van prinses Anna's
+zoontje geworden was en in brieven naar Parijs hem een- en andermaal den
+lof der moeder en van den knaap gezongen had, zich niet verblijd hebben
+met eene doode musch. Deze hersenschim was de laatste groote
+teleurstelling zijner jeugd.
+
+Sedert hij gehoor gegeven had aan de uitnoodiging der prinses, haar op
+het kasteel Cortgene een bezoek te komen brengen; hij aan haar
+voorgesteld was; hij van haar beminlijk karakter, hare degelijkheid,
+haar smaak voor de fraaije letteren, den gunstigsten indruk ontvangen
+had en verblind was door den schijn van grootheid harer levenswijze,
+verbeeldde hij zich dat zij slechts één woord behoefde te spreken om hem
+tot het ondernemen der vurig begeerde Italiaansche reis in staat te
+stellen. Hare gulle ontvangst; hare beloften in den eersten tijd,--toen
+zij zelve nog niet wist hoe vijandig de betrekkingen van haar eersten
+man haar gezind waren, en hoe afhankelijk hare nieuwe huwlijksplannen
+háár maken zouden,--versterkten hem in dien waan. De herinnering der
+goede dagen, op Cortgene doorgebragt, liet hem niet weder los. Eene
+vorstin van dien rang, gebiedster over eene halve provincie, nicht van
+den souverein, levend op zulk een voet, scheen hem toe zich in goud te
+baden. Niemand moest het gemakkelijker vallen, niemand aangenamer zijn
+dan haar, een armen augustijner-monnik met een aanleg als den zijnen en
+nog zonder betrekking, in de gelegenheid te stellen zijne studiën te
+gaan voltooijen. Was het niet eervol voor eene nederlandsche edelvrouw
+de erkende beschermster te heeten van een geleerde, die zich voorbestemd
+grondlegger der noord-europeesche renaissance gevoelde?
+
+Een half dozijn brieven, onder den verschen indruk der even snel
+verijdelde als opgewekte verwachting uit Nederland en uit Parijs
+geschreven, doen ons van dit jongste maatschappelijk stormpje in
+Erasmus' binnenste met belangstelling getuigen zijn. Twee of drie zijn
+gerigt aan den zeeuwschen gouverneur van den kleinen Adolf van
+Bourgondië, Jacobus Battus, vriend van Erasmus' jongelingsjaren, man van
+niet gewone bekwaamheden, door den dood weggenomen eer hij zijne volle
+maat had kunnen geven.[32] Een voert het adres van den jongen Mountjoy,
+Erasmus' engelschen élève te Parijs.[33] Een het adres van prinses Anna
+zelve. Het is een lofdicht in proza, geschreven toen de schoone
+vooruitzigten nog niet vernietigd waren.[34]
+
+Moesten wij alleen naar dien laatsten brief oordeelen, wij zouden van
+den stand der zaak geen duidelijke voorstelling, en bovendien noch van
+Erasmus' goeden smaak, noch van den goeden smaak der prinses, eene
+gunstige meening bekomen. Zulke offers aan de tijdsgelegenheid vormen
+zelden, na zoovele jaren, eene aangename lektuur. Het is niet natuurlijk
+den briefvorm te bezigen ten einde eene dame hare eigen
+levensgeschiedenis te verhalen, uit te weiden in hare verdiensten als
+vorstin, als vrouw, als jonge moeder, en de lotgevallen van haar
+geslacht in herinnering te brengen. Nog stijver is het, indien zij bij
+toeval Anna heet, daarbij de zuster van koningin Dido, de moeder der
+maagd Maria, en de moeder van den profeet Samuel, om beurten te pas te
+doen komen. Erasmus zelf vond dien stijl even slecht als wij, en hij
+heeft voor een keer er zich alleen van bediend, omdat hij zich
+voorstelde dat het zoo behoorde.
+
+Zijne eigenlijke meening leeren wij eerst uit de brieven aan Battus
+kennen; eenerzijds zijne levendige hoop dat alles nu goed zal gaan, en
+tegelijk zeker voorgevoel dat de zaken eene verkeerde wending zullen
+nemen. Het treft hem eene zoo beleefde uitnoodiging ontvangen te hebben;
+en in zijn schroom is hij maar half zeker, ten huize der prinses eene
+goede vertooning te zullen maken. Maar het verwondert hem tevens dat zij
+ten behoeve der reis hem een afgeleefd paard zendt, en als reisgeld eene
+zoo geringe som dat de kosten daarmede onmogelijk goedgemaakt kunnen
+worden. Kan warmte het einde zijn van zulk een koel begin? vraagt hij
+zich af.
+
+Na de persoonlijke kennismaking is hij opgetogen over hare
+wellevendheid, hare vriendelijkheid, hare goedhartigheid. Zij belooft
+hem een jaargeld van twee honderd gouden franken; en hij twijfelt niet
+of Battus zal, opdat hij alvast naar Italië vertrekken kunne, haar weten
+te bewegen hem een wissel van dat bedrag op een parijsch huis te doen
+zenden. Hij is bezig de eerste uitgaaf zijner _Adagia_ (achthonderd
+grieksche en latijnsche spreekwoorden, toepasselijk uitgebreid) voor de
+pers gereed te maken. Zijn plan is, dat boek op te dragen aan haar
+zoontje Adolf. Hij korrespondeert onderwijl met haar in het fransch;
+ongetwijfeld vreezend dat te veel latijn haar afschrikken zal. Maar een
+vol jaar verloopt, en hij bekomt niets.
+
+Zonder afgunst verneemt hij dat Battus intusschen een anderen jongen
+Nederlander aan haar voorgesteld, en zij ook dezen minzaam ontvangen
+heeft. Die andere, Willem van Gouda, is een voormalig stadgenoot en
+mede-kloosterling, een talentvol dichter, een boezemvriend.[35] Het
+pleit, erkent Erasmus, voor het oordeel der prinses, behagen in hem te
+vinden. Maar het zou hem niettemin leed doen, zoo hijzelf dien ten
+gevolge moest achterstaan; en hij is niet overtuigd dat vriend Willem,
+die, als dichters zijn, gaarne in gezelschap gaat en een goed glas
+drinkt, van hare gaven een even nuttig gebruik zal maken als door hem
+gedaan zou zijn.
+
+Battus schrijft naar Parijs dat de financiën der prinses niet in den
+bloeijendsten staat verkeeren; en over niet langen tijd, bij een nieuw
+bezoek aan Zeeland, zal Erasmus persoonlijk zich kunnen vergewissen dat
+dit helaas geen verzinselen zijn. Hij zal dan bevinden dat hare goederen
+op hoog bevel zijn gesequestreerd, haar persoon onder toezicht is
+gesteld, en zij veeleer in de termen valt onderstand te ontvangen dan te
+verleenen. Doch aanvankelijk, nog onder den indruk van den staat dien
+zij voert, houdt hij dit voor praatjes, en schrijft hare verlegenheid
+hieraan toe dat zij ter wille van den jongen bruidegom, dien zij
+liefheeft, buitensporige verteringen maakt.
+
+"Zij verdoet," schrijft hij terug, "zij verdoet haar tijd en haar geld
+aan haar Lodewijk (_nugatur et lusitat_); en zoo _dit_ haar voorwendsel
+is om niets te geven, dan voorzie ik dat zij _nooit_ iets geven zal;
+want zulke verontschuldigingen hebben de grooten altijd bij de hand.
+Eene fraaije zaak, inderdaad, dat zij niet een paarhonderd franken voor
+mij kan afzonderen, waar zulke kapitale sommen in den bodemloozen put
+der huishouding verdwijnen! Aan middelen voor het onderhoud van ik weet
+niet welke domme priesters heeft zij geen gebrek; maar om de
+onafhankelijkheid te verzekeren van een die boeken zou kunnen schrijven,
+waardig onsterfelijk te blijven voortleven--houd mij deze grootspraak
+ten goede!--daarvoor schiet niet over. Laat het zoo zijn dat zij in
+ongelegenheid geraakt is; dit is hare eigen schuld. Waarom legt zij het
+aan met dien welgemaakten saletjonker (_bellus ille homunculus_), in
+plaats van, zooals hare jaren en de hulpbehoevendheid harer sekse
+betamen zou, te hertrouwen met een achtbaar en ingetogen man? Zet zij
+zich dit niet uit de kruin, dan voorzie ik dat zij nog in grooter
+moeijelijkheden raken zal. En meen niet dat ik zoo spreek uit eenigerlei
+vijandige gezindheid! Integendeel, ik heb haar lief; gelijk niet meer
+dan mijn pligt is, wanneer ik bedenk hoe voorkomend zij mij ontvangen
+heeft. Maar ik bid u, welk verschil zou het maken, voor een fortuin als
+het hare, zoo ik tweehonderd franken bekwam? Op mijn woord, zeven uren
+daarna zou zij zich naauwlijks herinneren het geld te hebben
+weggeschonken!"[36]
+
+In deze harde verwijten klinkt iets van den toon die weinige jaren later
+door Benvenuto Cellini, overigens door zijne opvliegendheid en zijne
+ligchaamskracht den zwakken en stillen Erasmus zoo ongelijk, in zijne
+gedenkschriften zal aangeslagen worden. Het is de taal der zelfzucht van
+het genie dat van zijne toekomst zich bewust is, de wereld cijnspligtig
+aan zich acht, en in den prikkelbaren hoogmoed zijner onstoffelijke
+waarde het tusschenbeide komen van nietig geldelijke hinderpalen niet
+verdragen kan.
+
+Wij gevoelen dat er in Europa eene nieuwe magt ontstaan is, de magt van
+den geest, welke in de binnenkamer, en in vertrouwelijke
+gemoedsuitstortingen aan vrienden, op het papier, zich de meerdere van
+den rijkdom en den evenknie der geboorte weet. Alleen op zijn talent
+laat Erasmus zich voorstaan; niet op deugden waarin hij mag uitmunten,
+of op den invloed zijner augustijner orde, of op zijne priesterlijke
+wijding. In het ongeduld van zijn hooger verstandelijk gezag, hakend
+naar het oogenblik dat wereldlijke en kerkvorsten hem als een gelijke in
+hun kring zullen opnemen, verwenscht en vertreedt hij in gedachte de van
+wuftheid beschuldigde vrouw, wier nietige bestemming hem bij het
+vervullen der zijne, die zooveel gewigtiger is, in den weg staat.
+
+Een andere brief aan Battus, van wat vroeger of wat later dagteekening,
+en waarin hetzelfde thema behandeld wordt, maar schertsend, verzacht
+aanmerkelijk dezen indruk. Battus bekomt daar het verzoek, bij het
+voordragen van de belangen zijns vriends aan de prinses, den kleinen
+Adolf als tusschenpersoon te bezigen. Adolf moet als pleitbezorger van
+Erasmus, die zulke fraaije brieven aan zijne moeder schrijft, een van
+buiten geleerd vertederend lesje opzeggen. Battus zelf moet de prinses
+doen opmerken dat Erasmus te bescheiden is om regtstreeks haar met zijne
+wenschen bekend te maken; dat iemand met zulk eene zwakke gezondheid
+niet naar Italië reizen kan, zonder veel geld uit te geven; dat de
+kloosterbroeders in haren dienst hoogstens in eene of twee kerken den
+lof harer deugden weten te verbreiden, terwijl de boeken van Erasmus
+gelezen zullen worden door Grieken, door Latijnen, door alle volken der
+aarde; dat men zulke ongeletterde theologen als de anderen slechts voor
+het grijpen heeft, maar _zijn_ gelijke naauwlijks éénmaal in verscheiden
+eeuwen voorkomt. "Tenzij," vervolgt de briefschrijver, "tenzij uw
+geweten te naauw is om ten behoeve van een vriend wat noodleugens te
+verkoopen."[37]
+
+Ik ding niets af op het geestige dezer voorstelling. De plaats is
+belangrijk als teeken van het voorgevoel eener vermaardheid, wier meeste
+onderpanden op dat tijdstip nog geleverd moesten worden. Toen Erasmus
+dit schreef bestond er van hem nog geen ander noemenswaardig boek dan de
+oudste zeer onvolledige uitgaaf zijner _Spreekwoorden_. Doch het komt
+mij voor dat de boozere brief de eeuw en de verhoudingen juister
+schildert.
+
+Het aangenaam verhaal zijner eerste ontmoeting met Anna van Borssele in
+een van het kasteel Cortgene gedagteekend schrijven aan lord Mountjoy
+(eene overstrooming deed in 1532 dien feodalen burgt in de golven
+verdwijnen), is de beste verontschuldiging van Erasmus' daarop gevolgde
+onregtvaardige achterdocht. Meer dan twintig jaren heeft hij prinses
+Anna overleefd, en lang vóór haar dood hadden zij elkander voor goed uit
+het oog verloren. Zijne schuld was het niet dat hij op zijn in
+betrekking komen met eene landgenoot van dien rang en die gaven, weleer
+verwachtingen bouwde; de hare niet, dat zij hem teleurstellen moest.
+Haar onvermogen heeft op den duur _hem_ niet geschaad; en voor hare
+welwillende oogmerken heeft in de geschiedenis zijn latere roem _haar_
+met eene plaats beloond, die tegen een paar knorrige uitvallen ten dage
+van zijn strijd meer dan opweegt.
+
+Als schilderij is de brief aan lord Mountjoy, geschreven in de eerste
+dagen eener Februarijmaand, onder het invallen van een halven dooi na
+lange en felle vorst, een keurig nederlandsch wintergezigt. De
+beschrijving vraagt geen andere toelichting dan dat het kasteel Cortgene
+vlak tegenover Veere lag, en het vaarwater tusschen Walcheren en
+Noord-Beveland tijdelijk eene ijsbaan aanbood.
+
+"Eindelijk," meldt Erasmus aan lord William, "eindelijk ben ik hier
+behouden aangekomen, ik mag zeggen in spijt der vereenigde magten van
+hemel en hel. Welk eene verschrikkelijke reis! Spreek niet van Hercules
+of Ulysses: voortaan acht ik beiden als kinderen. Iuno, den dichters
+steeds ongezind, verklaarde mij den oorlog. Ouder gewoonte stookte zij
+Aeolus op; en ware het slechts bij stormen gebleven![38] Alle wapenen
+des hemels bragt zij tegen mij in het veld,--vinnige koude, sneeuw,
+hagel, regen, mist, één kort begrip der vereenigde vormen van slecht
+weêr. Nu zond zij die plagen afzonderlijk, dan te zamen.
+
+"Den eersten nacht ging het, na een overvloedigen regen, weder fel
+vriezen; hetgeen den weg zeer moeijelijk maakte. Voeg daarbij eene
+overvloedige hoeveelheid sneeuw, vervolgens hagel, vervolgens nogmaals
+regen, die, zoodra hij den bodem of een boomstam raakte, ijs werd. De
+weg was over zijne volle breedte één ijskorst; niet effen, maar golvend,
+en met eene scherpe punt op den top van iederen kleinen heuvel. De
+boomen waren met ijs bekleed, zoo dik en zoo zwaar dat de toppen van
+sommigen den grond raakten. Van anderen waren de takken afgescheurd, van
+anderen de stammen doormidden gespleten; nog anderen waren geheel
+ontworteld. Verschillende landlieden, mannen van jaren, betuigden mij
+zulk een schouwspel nog niet beleefd te hebben. Intusschen moesten onze
+paarden[39] nu door sneeuwhopen waden, dan zich een weg banen door met
+ijs begroeide dorenstruiken, dan sporen volgen, hard als steen door de
+vorst en daarna door den ijzel gescherpt, dan over eene bevroren
+sneeuwkorst treden die niet stevig genoeg was om hen te dragen, maar wel
+om hun de enkels te kwetsen.
+
+"Hoe denkt gij dat Erasmus in dien stand van zaken te moede was? De
+verbazing van zijn paard deelde zich mede aan den berijder. Zoo vaak het
+dier de ooren spitste zonk mijn moed, en telkens als het stortte sprong
+mijn hart overeind. Het eene oogenblik bekroop mij de vrees getroffen te
+zijn door het noodlot van Bellerofon, het andere verwenschte ik mijne
+ligtzinnigheid die geleerdheid en leven mij had doen toevertrouwen aan
+een redeloos dier.
+
+"Doch verneem een avontuur dat gij wanen zoudt aan de waarachtige
+fabelen van Lucianus ontleend te zijn, ware het niet in levenden lijve
+mijzelf overkomen, en ware niet Battus er ooggetuige van geweest.[40]
+
+"Het kasteel lag vóór ons en eene baan van ijs scheidde er ons van. Het
+woei dien dag zoo hevig dat van de andere zijde twee mannen te vergeefs
+den overtogt beproefd hadden. De wind had hen omvergeworpen en gedood.
+Doch ik, gelukkig, had hem in den rug. Ik ging op den rand van den dijk
+zitten en liet mij naar beneden glijden, zeilde de ijsvlakte over, en
+bestuurde mijne vaart met een stok die dienst deed als roer. Nieuwe
+soort van navigatie!
+
+"Op de geheele reis naar hier ben ik bijna geen schepsel tegengekomen;
+en niemand kwam mij achterop, zoo ongunstig was het weer. Eerst den
+vierden dag is de zon zich komen vertoonen, indien het vertoonen heeten
+mag. Eén voordeel was voor mij aan het zamentreffen van al die
+tegenspoeden verbonden, dat ik minder bang behoefde te zijn voor dieven.
+Niettemin _was_ ik bang voor hen, gelijk de pligt is van ieder die eene
+gevulde beurs op zak heeft.
+
+"Ziedaar het verhaal mijner reis. Was zij eene aaneenschakeling van
+elenden, hetgeen volgde was louter liefelijkheid. In welstand bereikte
+ik het slot van Anna, vrouwe van Veere. Hoe zal ik de beleefdheid, de
+vriendelijkheid, de edelmoedigheid dezer dame beschrijven? Rhetorische
+bloemen, dit weet ik, zijn verdacht; inzonderheid bij hen die als gij er
+slag van hebben ze aan te wenden. Doch in dit geval, geloof mij, maak ik
+mij aan geenerlei overdrijving schuldig, en het is veeleer mijne kunst
+die te kort schiet bij de werkelijkheid. Eene zediger, verstandiger,
+bevalliger of vriendelijker vrouw werd door de natuur nooit gevormd. Van
+hare heuschheid heb ik de uitstekendste blijken ontvangen, en zonder dat
+ik in de gelegenheid was haar één dienst te bewijzen, heeft zij in de
+hoogste mate mij aan zich verpligt."[41]
+
+ * * * * *
+
+Hier moeten wij scheiden van Erasmus. Op zijn verderen levensloop, zeide
+ik reeds, is door zijne landgenooten weinig invloed uitgeoefend. Zoo de
+diensten welke nederlandsche vrouwen hem bewezen niet verder zouden
+reiken dan het einde zijner leerjaren, aan de beweging zijner
+wandeljaren bleven de nederlandsche mannen nagenoeg vreemd. Ons bestek
+eischt alleen dat wij, na zulk een ruim gebruik van zijne brieven
+gemaakt te hebben, ook de beteekenis trachten aan te duiden van de twee
+andere werken, die ondanks hun idioom tot heden hem doen voortleven als
+den man van een nieuwen tijd. De kleine wijsgeerige satire, bedoel ik,
+die zijn populairste geschrift blijven zou, en zijne tachtig korter en
+langer dialogen over allerlei onderwerpen van den dag.
+
+Men beweert dat de volgende anekdoten historisch zijn niet alleen, doch
+men noemt met naam en toenaam de noordnederlandsche stad waar de stukjes
+gespeeld zullen hebben.
+
+Te Dordrecht was een priester die heimelijk eenige levende krabben op
+het kerkhof zette, aan wier zijden hij brandende waskaarsjes geplakt
+had. Het kruipen dezer dieren tusschen de graven, bij avond, deed de
+uitwerking eener schrikbarende spokerij, zoodat de gemeente zich
+eerbiedig op een afstand hield. "Als het volk hierover zeer verschrikt
+was (gaat de oude dordrechtsche stedebeschrijver voort, aan wiens
+zelfbehagelijk antipapistische vertolking eener bladzijde van Erasmus ik
+deze plaats ontleen), zoo riep de priester van den stoel dat het zielen
+waren van afgestorvenen, dewelke baden door missen en aalmoezen van haar
+pijn verlost te zijn. Het bedrog kwam uit, doordat twee of drie krabben,
+die de priester vergeten had op te nemen, met de kaarsjes onder de
+ruigte gevonden werden. Hij verzon nog een ander stuk werks. Hij woonde
+bij een nicht die zeer rijk was; en als 't middernacht was kwam hij in
+haar kamer met een wit laken om, gelijk of hij een geest ware geweest,
+eenige woorden binnen'smonds mommelende, hopende dat de vrouw een
+exorcist zou ontbieden of zelve hem zou aanspreken. Maar zij, een
+manlijk hart hebbende, heeft heimelijk een van haar neven gebeden dat
+hij zekeren nacht in haar kamer wilde waken. Hij, welgewapend zijnde
+tegen spokerij, en wel gedronken hebbende om niet vervaard te zijn, werd
+in het bed verborgen. De geest kwam op de gewoonlijke manier, ik weet
+niet hoe droevig stenende. De exorcist wordt wakker, springt op, en, nog
+niet heel nuchteren, kijkt hem aan. De geest meende, hem met huilen en
+gebaar te verschrikken. Maar: _Zijt gij de Duivel_, zeide de dronkaard,
+_ik ben zijn Moêr_, en sloeg hem lustig met een stuk houts. Hij zou hem
+afgemaakt hebben, ten ware de priester, veranderende van stem, geroepen
+hadde: _Hou op, ik ben geen geest, ik ben Heer Jan_. Op die bekende stem
+sprong de vrouw uit het bed, en scheidde hen."[42]
+
+Een man van Erasmus' rang in de wetenschap had in eene andere omgeving
+en een anderen tijd niet behoeven af te dalen tot het boekstaven van
+zulke grollen. Het verdient opmerking dat Erasmus' strijd tegen de
+eigenlijk gezegde monniken, hunne luiheid, hunne onkunde, hun brassen,
+hunne losbandigheid, ons niet bijzonder treft. Sedert den _Roman de
+Renart_, den _Roman de la Rose_, de vertellingen van Boccaccio, was deze
+satire een afgezaagd onderwerp.[43] Dante laat reeds den Heiligen
+Benediktus klagen over het snel verwelken der idealen van het
+kloosterleven. "In minder tijd dan een eikel behoeft om eik te worden,"
+zucht bij hem de stichter der benediktijner-orde (eerste helft der 6de
+eeuw), "ziet men de verhevenste instellingen in haar eigen tegenbeeld
+ontaarden."[44] Reeds de Heilige Bonifacius (eerste helft der 8ste)
+hangt in zijne brieven een tafereel van monachale misbruiken op, hetwelk
+volgende eeuwen niet donkerder kleuren konden.[45]
+
+Het eenige nieuwe in Erasmus' strijd tegen de kloosters was dat hij niet
+hunne hervorming bedoelde, maar hunne opruiming, als voortaan overbodig
+geworden normaal bestanddeel der zamenleving. Als bijzondere
+genootschappen tot bevordering van in- en uitwendige zending, als
+instellingen van liefdadigheid, als toevlugtsoorden der vrijwillige
+wereldverzaking, als brandpunten eener naar den Heiligen Benediktus te
+noemen geleerdheid mogten de kloosters zijnentwege blijven. In alle
+andere opzigten hadden zij volgens hem voor goed uitgediend.[46]
+Werkelijk was aan de universiteiten voor de wetenschap een nieuw
+kweekbed ontsloten. Het onderwijzend personeel voor lagere en middelbare
+scholen behoefde niet langer uit de kloosters getrokken te worden. Er
+was een onderwijzersstand van leeken ontstaan. Later zou die klasse
+dagelijks talrijker worden, naarmate het veldwinnend protestantisme
+onder het humanisme der lagere rangen meer aanhangers wierf.
+
+Maar wat regtstreeks Erasmus en zijn tijd kenmerkt is dat partijkiezen
+vóór het gezond verstand tegen het bijgeloof, zooals in het ontmaskeren
+van dien dordrechtschen boerebedrieger. Dit was iets moderns. Te dezen
+aanzien is in den boezem van het katholicisme, wat het onoverwinlijke
+van zijn afkeer, de hevigheid zijner satire, het profane of goddelooze
+der uitdrukking betreft, Erasmus de Voltaire der 16de eeuw geweest. Hij
+moet in de eindelijke zegepraal der rede zeer vast geloofd hebben, dat
+hij met een onverdeeld gemoed zoo lustig aan de pijlers der legende
+heeft kunnen staan schudden.
+
+In eene zijner _Zamenspraken_ verhaalt hij van een storm op zee, en van
+sommige dwaze kerkgeloften der passagiers, wanneer de schipper heeft
+aangekondigd dat het hagchelijk oogenblik van pompen of vergaan gekomen
+is. Erasmus is in den loop der jaren uit Frankrijk en Nederland zoo
+dikwijls naar Engeland overgestoken, dat wij het tooneel der handeling
+die hij beschrijft onwillekeurig op de Noordzee of in het Kanaal zoeken.
+"En," laat de verteller zich vragen; na reeds door een en ander
+voorbeeld de zonderlinge werking van het gevaar op de eensklaps
+ontwakende vroomheid der menschen geschilderd te hebben, kenbaar aan het
+inroepen der bescherming van verschillende heiligen; "en was er niemand
+die aan den Heiligen Christoffel dacht?--Jawel; en zelfs kon ik mijn
+lagchen niet houden toen één hunner, bang dat hij niet verstaan zou
+worden, den Christoffel der kathedraal van Parijs, een beeld als een
+berg, luidkeels eene waskaars beloofde _zoo groot als hijzelf_. Met
+inspanning van al zijne krachten had hij dit een- en andermaal
+uitgegalmd, toen een goede kennis nevens hem met den elboog hem aanstiet
+en fluisterend tot hem zeide: Bedenk wat gij belooft; al verkocht gij al
+uw bezittingen, een waskaars van dat gewigt zoudt gij niet kunnen
+betalen. Zwijg, domoor, beet de ander hem toe, nog zachter sprekend,
+opdat de Heilige Christoffel het niet hooren zou; denkt gij dat ik het
+meen? _Een vetkaars zal hij hebben_, meer niet; zoo ik maar eenmaal
+weder aan den wal ben.--De botterik! Dat was zeker een Hollander?
+--Neen, maar het was een Zeeuw."[47]
+
+Landgenooten zoomin als vreemdelingen, leeken zoomin als priesters
+worden, wanneer Erasmus dit onderwerp aanroert, door hem gespaard. Aan
+alles is merkbaar dat hij met welgevallen een dier tijden beleeft, welke
+men daarna in Duitschland met den naam van _Aufklärungsperiode_ zou
+aanduiden. Hij vindt het genoegelijk, te velde te trekken tegen de
+"betooverde wereld" zijner eeuw. De vrees, met het onkruid ook de tarwe
+te zullen uitrukken, kwelt hem niet. Het zou hem een lust zijn, zelfs
+schamele lieden, als marskramers en schepelingen, in eene "verlichte
+denkwijze" te zien deelen.
+
+In dit opzigt heeft er in zijn brein, sedert hij het klooster verliet,
+eene volstrekte omwenteling plaats gegrepen; en wij kunnen ons
+voorstellen dat menig vroom katholiek zijner dagen, over zoovele stoute
+spotternijen als hij zich veroorloofde, bedenkelijk het hoofd heeft
+geschud. Wat wilde deze Rotterdammer? Aan welk gezag ontleende hij het
+regt, op die wijze en in die mate het volksgeloof aan te randen? Zou de
+wereld schooner zijn, wanneer hij van hare betoovering haar ontzwaveld
+had?
+
+In den ijver zijner polemiek ziet Erasmus dit alles voorbij, en gaat
+alleen met de eischen der beschaving en van het maatschappelijke te
+rade. Hij die als jongeling het vriendinnetje bewonderde dat ondanks de
+gebeden van vader en moeder den sluijer aannam, verheerlijkt in zijne
+dialogen, nu hij een man geworden is, de eerbare vrijerij van een
+minnend paar: _de Jongeling en het Meisje_.[48] Wanneer geestelijken of
+leeken, die geen hebreeuwsch verstaan, alle hebreeuwsche boeken zouden
+willen verbranden en zij de nagedachtenis van Reuchlin, uitgever der
+eerste hebreeuwsche spraakleer, zoo veel mogelijk zwart maken, dan
+schrijft hij, naar de mode van den tijd Reuchlin's naam in het grieksch
+vertalend, de _Hemelvaart van Capnio_, en wijst den verlichten geleerde
+in de verblijven der gelukzaligen eene eereplaats aan.[49]
+
+In de _Bekentenissen van den Soldaat_ komt de onzin van het oorlogvoeren
+aan het licht, beoordeeld naar den huurling die niet voor zijn vaderland
+of voor een beginsel vecht, maar alleen om uit plunderen te gaan en zich
+te verrijken.--"Dat ziet er geleerd uit: Mercurius bij het vertrek,
+Vulcanus bij de thuiskomst!--Van welke Vulcanussen en welke
+Mercuriussen spreekt gij?--Ik bedoel dat gij, die bij het heengaan
+vleugelen aan de voeten scheent te hebben, thans hinkt.--Zoo doet
+gewoonlijk die uit den oorlog komt.--En wat dreef u naar den oorlog,
+beminnaar van het hazepad?--De hoop op buit had mij courage
+gegeven.--Gij keert dus huiswaarts met een som van belang?--Met een
+ledigen buidel, ja.--Dit ontheft u van de zorg het gestolene terug te
+geven.--Dat deed ik reeds lang geleden. _Alles_ gaf ik terug.--Aan
+wie?--Aan Trijntje, aan Wijntje, en aan het verkeerbord."
+
+Op dien toon gaat de zamenspraak voort, tot ook het plegen van
+heiligschennis in de kerken gebiecht wordt--"Ik vrees dat gij naar Rome
+zult moeten, om voor zoovele misdaden vergiffenis te bekomen.--Mij is
+een kortere weg bekend: ik zal naar de dominikanen gaan en met de
+kommissarissen het op een akkoord werpen.--Maar die altaarroof?--Al zou
+ik Christus-zelf geplunderd en hem het hoofd van den romp geslagen
+hebben, zij bezitten overal aflaten voor; alles wordt door hen
+geschikt.--Bekommerde het u niet somtijds wat er van uw ziel worden zou,
+indien gij sneuveldet?--Geen oogenblik. Ik was volkomen gerust, want op
+een keer had ik mij de Heilige Barbara aanbevolen.--Nam zij u onder haar
+bescherming?--Zeker, ik zag haar mij zachtjes toeknikken.--Wanneer
+meendet gij dit te zien? Op welk uur van den dag? 's Morgens?--Neen, 's
+middags na tafel.--Maar op dat oogenblik, wil ik wedden, zaagt gij ook
+de boomen wandelen?--Die man raadt alles!"[50]
+
+De zamenspraak _Charon_ is tegen de oorlogvoerende vorsten gerigt en
+duidt stoutweg, bijna met even zoovele woorden, keizer Karel V en de
+koningen Frans I en Hendrik VIII als de voorname menscheslagters van het
+tijdvak aan, die in zulke mate de markt der onderwereld overvoeren dat
+de oude opgelapte helleschuit te klein en te wrak geworden, en Charon
+naar de aarde gekomen is om eene nieuwe en grootere te bestellen.
+
+Charon is in zijn schik. Hoe meer zielen, is het ook bij hem, maar niet
+in de gezellige beteekenis die de levenden aan het spreekwoord hechten,
+hoe meer vreugd. Hij vreest alleen dat "zekere polygraaf daarboven" hem
+afbreuk doen zal, door te welsprekend tegen den oorlog te schrijven en
+den vrede aan te bevelen.--"Maak u niet ongerust," wordt hem geantwoord,
+"die man predikt voor doove ooren."
+
+Behalve om dit ten tooneele voeren van Erasmus door zichzelf, is deze
+dialoog ook merkwaardig om eene zinspeling op de meedogenlooze en
+bloedige geloofsvervolging in die dagen, teeken van de wassende magt der
+ketterij.--"Indien er nu de eene of andere goede God opstaat die de
+vorsten met elkander verzoent," klaagt Charon, "dan ben ik een bedorven
+man."--"Geen nood," verzekert men hem, "te dien aanzien kunt gij op
+beide ooren rustig slapen. In de eerste tien jaren komt er geen vrede.
+Alleen de paus van Rome vermaant ijverig tot eendragt; maar hij schuurt
+den moriaan. Er zijn ook steden die zuchtend onder zoovele rampen gebukt
+gaan; er zijn pruttelende volken die het eene ongeregtigheid noemen dat
+ter wille der eerzucht, der bijzondere veeten, van twee of drie personen
+de wereld onderstboven gekeerd worde; maar geloof mij, ondanks de
+redelijkste vertoogen zal het woord aan de Furiën blijven. Wat ik echter
+zeggen wilde: waarom komt gij naar de aarde ten behoeve uwer nieuwe
+schuit? Kon Vulcanus u niet helpen?--Nu nog fraaijer! Ik bedank voor een
+schip van metaal.--Voor een kleinigheid hadt gij van hier een
+scheepstimmerman kunnen ontbieden.--Dat is zoo; maar wij hebben beneden
+gebrek aan materiaal.--Hoe nu? En al die bosschen?--Alles gekapt. Zelfs
+het hout in de Elysesche Velden.--Mag ik vragen met welk doel?--_Voor
+het verbranden van de schimmen der ketters_. Zij komen in zulken getale,
+dat wij onlangs steenkolen zijn moeten gaan delven."[51]
+
+In den _Cykloop-evangeliedrager_ worden de slechte lutheranen
+tentoongesteld. Een ridder die Polyfemus heet en die men, om zijn
+ongunstig uiterlijk, zoo men hem op zee of in een bosch ontmoette, voor
+een struikroover of een boekanier zou aanzien, pocht op het bezit van
+een Nieuw Testament (een Nieuw Testament in de latijnsche vertaling van
+Erasmus) dat hij zorgvuldig heeft doen binden en met kleuren
+versieren.[52]--"Een franciscaner bij ons in de buurt," verhaalt hij,
+"voer gestadig tegen het Nieuwe Testament van Erasmus uit. Ik ging hem
+spreken onder vier oogen, pakte met de linkerhand hem bij de haren en
+deed hem de kracht van mijn regtervuist gevoelen. Zijn gansche bakhuis,
+zóó takelde ik hem toe, was één bult. Is dat niet een bewijs dat ik het
+evangelie liefheb? Daarna heb ik, bij wijze van absolutie, er hem nog
+drie builen mede op den schedel geslagen; een in naam des Vaders, een in
+naam des Zoons, een in naam van den Heiligen Geest.--Niet onevangelisch,
+inderdaad! Dat noem ik het evangelie verdedigen met het evangelie.--Een
+ander franciskaan maakte het nog bonter, en ging in zijn razen tegen
+Erasmus iedere maat te buiten. Door evangelischen ijver vervoerd trad ik
+dreigend op hem toe, noodzaakte hem geknield vergiffenis te vragen, en
+te erkennen dat zijne booze woorden waren ingegeven door den Duivel. Had
+hij geaarzeld, mijn hellebaard zou zijn nedergekomen op zijn kruin. Ik
+blaakte van strijdlust, en zag er uit als een vertoornde Mars.
+Verschillende personen zijn van dit tooneel getuigen geweest.[53]--Het
+verwondert mij dat de man niet op de plaats zelve doodgebleven is. Maar
+zeg mij, om op ons gesprek van daareven terug te komen, hoe staat het
+bij u met de kuischheid?--De jaren zullen mij ingetogenheid leeren, hoop
+ik; doch ik weiger niet u in vertrouwen te bekennen dat ik nog geen
+model-evangelische ben, enkel een uit den grooten hoop. Wij
+evangelischen hebben vier evangeliën, en jagen bovenal vier dingen na:
+eene goede tafel, inschikkelijke vrouwen, eenig kapitaal, en alles doen
+waar wij lust in hebben. Zijn die ons deel, dan heffen wij den beker en
+roepen in geestvervoering: Iö Paean! leve het Evangelie! het rijk van
+Christus kome!--Zoo leven epikuristen, niet de evangelie-dragers.
+--Toegestemd; maar gij weet dat Christus almagtig is, en hij in een
+oogwenk andere menschen van ons maken kan.--Ook zwijnen kan hij van u
+maken; gemakkelijker zelfs, daar houd ik het voor, dan brave lieden. Het
+wordt tijd dat gij van dit beestachtig leven afscheid neemt.--Ik ontken
+dit te minder, daar de profeten onzer dagen het naderend einde der
+wereld aankondigen. Ik verbeid de hand van Christus.--Zoo? Nu, dan
+moogt gij toezien dat die hand u kneedbaar vinde. En waaruit leiden uwe
+profeten af dat het einde der wereld aanstaande is?--Omdat, zeggen zij,
+de menschen thans evenzoo leven als in de dagen vóór den Zondvloed. Zij
+eten, zij drinken, zij tafelen, zij nemen en geven ten huwelijk, zij
+loopen vreemde vrouwen na, zij koopen, zij verkoopen, zij woekeren, zij
+bouwen; de koningen voeren oorlog, de priesters peinzen op vermeerdering
+van inkomsten, de theologen breijen syllogismen, de monniken dweilen
+waar men ga, het volk komt in opstand. Erasmus schrijft zamenspraken;
+alle plagen tegelijk zijn over ons uitgestort: honger, dorst, inbraak,
+oorlog, pest, beroerten, geldgebrek. Zijn dit geen teekenen dat het
+menschelijk geslacht zijn einde nadert?"[54]
+
+Bij het beoordeelen van deze en dergelijke plaatsen moet men op het
+bijzondere niet te veel nadruk leggen. Erasmus kan onder het schetsen
+van zijn Evangeliedrager somtijds aan een bepaald persoon gedacht
+hebben, doch de meeste trekken van het beeld zijn aan de onwaardige
+lutheranen in het algemeen ontleend. Hij leed er onder dat zulke lieden
+zich van zijn naam en zijn Nieuw Testament bedienden als schild van
+hunne ondeugden, hunne hartstogten, of hun chiliasme. De fijne smaak van
+den filoloog gruwde van dit beduimelen zijner denkbeelden door de
+schare; en hij wreekte zich in het latijn.
+
+Verschillende beroemde plaatsen uit Erasmus' _Zamenspraken_, zuivere
+kleine genre-schilderijen zonder polemische strekking, kan men overal
+aangehaald vinden.[55] Zijne beschrijving van sommige duitsche
+logementen, als tegenstelling van sommige fransche, in het hoofdstuk
+_Herbergen_.[56] Zijne geschiedenis van den _Paardekooper_ die meende
+bedot te hebben en zelf bedot werd.[57] Zijne onschuldige _Tartufferie_:
+de ontmoeting van twee litterarische vrienden die zoeken te verbergen
+dat het latijnsch proza, waarin zij elkander toespreken, latijnsche
+verzen zijn.[58] Zijn _Dichterlijk Gastmaal_, waar eene vrijpostige
+dienstmaagd haar onpraktischen meester verwijt slechts verstand te
+hebben van konjekturen-smeden, en dat hij beetwortels voor kropsla
+aanziet.[59]
+
+Opmerkelijk is de karakterbeschrijving van een zwitsersch
+dorpsherbergier, bij wien twee franciskanen logies en eene plaats aan
+tafel komen vragen. Erasmus trekt partij voor die regtschapen monniken,
+en de waard zelf dankt hen ten slotte voor hun aangenaam onderhoud. Doch
+aanvankelijk is de man uit het volk louter achterdocht en onwil; en
+wanneer zijne vrouw een goed woord voor de broeders komt doen, dan
+snaauwt hij haar af:
+
+"Welke diersoort komt daar aan?--Beste vriend, wij zijn knechten Gods,
+zoonen van den Heiligen Franciscus.--Ik kan niet beoordeelen of God
+schik heeft in zulke knechten; ik voor mij zou er niet gaarne veel van
+in huis hebben. Wanneer het op eten en drinken aankomt, dan zijt
+gijlieden heel wat mans; maar om te werken hebt gij handen noch voeten.
+Och kom! zijt gij zoonen van den Heiligen Franciscus? Gij spreekt altijd
+over Franciscus' maagdelijken staat; hoe komt hij dan aan al die
+zoonen?--Wij zijn zijne zoonen naar den geest.--Nu, dan beklaag ik uw
+vader; want uwlieder geest is uw slechtste deel.--Gij schijnt ons voor
+ontaarde leden onzer orde aan te zien; weet dat wij observanten
+zijn.[60]--Des te scherper zal ik u observeren, dat gij niets kwaads
+uitvoert; uwe observanten zijn mij bij uitnemendheid tegen de borst.
+Tanden brengen zij mede, maar geen geld, en zulke gasten kan ik missen.
+Ik weet zeer goed dat gijlieden beweert voor ons te arbeiden; maar zal
+ik u toonen hoe gij arbeidt? Kijkt eens naar deze prent hier, aan uw
+linkerhand. De vos houdt een boetpredikatie; maar op zijn rug, uit de
+kap zijner pij, komt een ganzehals te voorschijn. Die wolf, daar, geeft
+de absolutie aan een biechteling; maar onder zijn voorkleed, dat gij
+ziet zwellen, is een lamsbout verstopt. Gindsche aap in
+franciskanergewaad waakt bij een zieke: de eene hand houdt een crucifix
+omhoog, de andere grabbelt in 's kranken beurs."
+
+Nu komt de vrouw tusschenbeide:
+
+"Man, laat die twee van nacht onder ons dak blijven. Ligt dat gij als
+boete voor uw vele zonden dit eene goede werk verrigt. Het zijn brave
+mannen. Naderhand zal het u tot voordeel gedijen.--Hoor die
+wijfjestaalman! Vast ligt gijlieden onder één dek. Ik haat een vrouw die
+andere mannen dan den haren braaf noemt.--Zoo meen ik het niet. Maar
+bedenk hoe vaak gij misdreven hebt door dobbelen, drinken, vechten,
+ruzie maken. Eén aalmoes voor zooveel zonden zal geen weelde zijn. Werp
+deze mannen niet uit. Op uw sterfbed zult gij om hen vragen. Potsemakers
+en koordedansers laat gij toe bij de vleet; en hen jaagt gij weg?--Zult
+gij uitscheiden met uw gepreek? Voort naar uw keuken!--Ik ga al."[61]
+
+ * * * * *
+
+Deze toon der _Zamenspraken_; te vaak slechts gedachtewisselingen van
+den auteur met zijne lezers, gekleed in vragen en antwoorden welke de
+ten tooneele gevoerde personen in den mond gelegd worden; is geheel
+dezelfde als van den _Lof der Dwaasheid_. Wie het niet wist zou niet
+gelooven dat het kleinere geschrift tien of vijftien jaren vóór het
+grootere voltooid werd,--gewigtige jaren in Erasmus' leven, want toen
+hij de _Colloquia Familiaria_ uitgaf was hij een beroemd man, terwijl
+bij het verschijnen der _Stultitiae Laus_ Europa van zijn bestaan zich
+nog naauwlijks bewust was.[62]
+
+De tijdgenooten hebben in dit boekje bovenal eene satire van de
+maatschappelijke en kerkelijke misbruiken der eeuw gezien; en werkelijk
+behoeft men het slechts te doorbladeren om zich te vergewissen dat de
+auteur zich heeft voorgesteld al schertsend een zwaren slag te slaan.
+
+Zijn aanval op de verschillende geestelijke orden is geweldig. "Zonder
+het zelfbedrog dat zij aan mijn invloed danken," laat hij de Dwaasheid
+zeggen, "zouden deze lieden de rampzaligsten der menschen zijn. De
+geheele wereld haat hen; zelfs hen toevallig te ontmoeten geldt voor een
+boos voorteeken. Niettemin zijn zij met zichzelven ten hoogste
+ingenomen, en laten op hunne goede werken zich zooveel voorstaan dat één
+hemel hun te klein dunkt voor hunne verdiensten,--niet bedenkend dat
+Christus in den oordeelsdag al die kerkgebaren en nietige overleveringen
+versmaden, en alleen vragen zal naar het nakomen van zijn liefdegebod.
+Een zal dan zijn buik vertoonen, gezwollen van het visch-eten. Een ander
+tien mud psalmen uitstorten. Een derde opsommen hoeveel duizend keeren
+hij gevast heeft, en dat zijne maagziekte voortkomt uit het veelvuldig
+gebruiken van maar één maaltijd daags. Een zal zulk een stapel
+ceremonien komen aandragen, dat zeven vrachtschuiten dien naauwlijks
+zouden kunnen laden. Een zich beroemen in geen zestig jaren een stuk
+geld te hebben aangeraakt, tenzij met dubbel omwoelde vingers. Een zijne
+pij laten zien, zoo vies en vet dat geen schipper haar zou willen
+aantrekken. Een zal laten klinken dat hij als een spons vijfenvijftig
+jaren heeft vastgezeten aan dezelfde plaats; een bewijzen dat hij door
+het gestadig metten-zingen heesch, een dat hij door de eenzaamheid
+stompzinnig, een dat door het stelselmatig zwijgen zijne tong stijf
+geworden is. Waar, zal Christus hen in de rede vallen, vreezend dat zij
+anders honderd uit zullen roemen, waar komen deze nieuwe Joden vandaan?
+Er is maar één wet die ik voor de mijne erken, en van haar hoor ik niet
+reppen. Onverholen en zonder gelijkenissen heb ik weleer het erfdeel
+mijns Vaders toegezegd, niet aan pijen, schietgebeden, onthoudingen van
+spijs of drank, maar aan werken der barmhartigheid, ik erken niet voor
+de mijnen wie zichzelven in die mate overschatten en heiliger willen
+schijnen dan ik.--Met welke gezigten zullen zij elkander aanzien, denkt
+gij, wanneer zij deze taal vernemen, en bemerken dat zij de minderen
+geacht worden van matrozen en koetsiers? Onderwijl zijn zij zalig in
+hope, dank zij mijne gunst."[63]
+
+De lofrede op zichzelve, welke Erasmus de Dwaasheid laat houden, is
+gedeeltelijk onopregt, naar men ziet. Eene noodlottige verblinding in
+het zedelijke wordt voorgesteld kwanswijs als eene goede gave des
+Hemels; voor het minst als eene aangename zwakheid welke men de arme
+menschelijke natuur ten goede moet houden. Hoe radeloos ongelukkig
+zouden de monniken zijn, indien zij wisten wat Christus eigenlijk van
+hen denkt!
+
+Voor iemand die het wapen der ironie wist te hanteren was dit eene
+gelukkige vondst, en Erasmus blijft niet in gebreke de ader te
+ontginnen. "Indien een bisschop," gaat de schijnbaar zachtmoedige
+Dwaasheid voort, "indien een bisschop overwoog om welke reden hij een
+linnen overkleed draagt, blank als sneeuw: zinnebeeld van een smetteloos
+leven; wat de verbindingsknoop tusschen de twee hoornen van zijn mijter
+beteekent: eene volmaakte kennis van beide Testamenten, het Oude en het
+Nieuwe; wat het schoeisel zijner handen: de zuivere en door niets
+menschelijks verontreinigde bediening der sakramenten; wat de
+herderlijke kromstaf: het zorgvuldig weiden der toevertrouwde kudde; wat
+het vooruitgedragen crucifix: de zegepraal over alle menschelijke
+hartstogten,--zou hij dan niet een verdrietig en kommervol leven leiden?
+
+"Indien de opperste kerkvoogden, Christus' stedehouders, het leven van
+Christus poogden na te volgen, zijne armoede, zijn zwoegen, zijn leeren,
+zijn kruis, zijne doodsverachting: ware er dan op aarde een
+droefgeestiger bestaan denkbaar? Wie zou zijn geheele fortuin opofferen
+voor het koopen van den pauselijken rang? Wie door het zwaard, door
+vergif, door allerlei geweldenarijen, in het bezit van het gekochte zich
+willen handhaven? Geen paus met één grein wijsheid, één korrel van het
+door Christus geprezen zout, zou dit verlangen. En zoo heeft de wereld
+het aan mij te danken dat geen sterveling weelderiger en onbezorgder
+leeft dan Hunne Heiligheden, die in voldoende mate Christus het zijne
+meenen gegeven te hebben, wanneer zij te midden van symbolische en
+schier bij het tooneel geborgde handelingen hun opperbisschopsbedrijf
+uitoefenen. Wonderen verrigten, dit ware ouderwetsch; den volke het
+evangelie verkondigen, een vermoeijend werk; den bijbel verklaren,
+schoolmeesterachtig; bidden, tijdroovend; tranen storten, onwaardig en
+verwijfd; armoede lijden, niet fatsoenlijk; geslagen worden, schandelijk
+en onbestaanbaar met den rang van personen die te naauwernood de bloem
+der koningen tot het kussen hunner gezegende voeten toelaten; sterven,
+eindelijk, hoogst verdrietig; gekruisigd worden, een onuitwischbaar
+schandmerk. Bouwvallige grijsaards worden er onder hen gevonden die den
+krijgsmoed van jongelingen ten toon spreiden,[64] en noch hunne
+schatkist vreezen te ledigen, noch tegen veldtogten opzien, noch het als
+een schrikbeeld aanmerken de wetten, de godsdienst, den vrede, en alle
+menschelijke zaken onderstboven te keeren."[65]
+
+Bij al de satirieke schrijvers van het tijdvak vindt men deze
+invektieven terug; niet het schaarst bij de gewezen monniken onder hen.
+Erasmus, Skelton, Luther, Rabelais, allen zijn renegaten van het
+klooster- en het priesterleven; allen hebben bij ondervinding den
+valschen schijn eener overeengekomen wereldverzaking leeren kennen.
+Ongevoelig voor de beschuldiging zich als apostelen des vleesches aan te
+stellen, ijveren zij uit alle magt voor het natuurleven, en hameren wat
+zij kunnen op het kerkdom. Het eenige wat Erasmus onderscheidt (en na
+hem de schrijvers der _Obscuranten-brieven_ onderscheiden zal) is dat
+zijn latijn hem ontoegankelijk maakt voor het volk.[66]
+
+In eene andere reeks plaatsen van den _Lof der Dwaasheid_ heeft deze
+opgehouden eene ondeugd te zijn, maar blijft zij nog steeds eene
+berispelijke neiging. De mensch vindt behagen in uitspanningen die
+vergefelijk potsierlijk waren, indien zij er niet toe bijdroegen hem in
+zijne aangeboren woestheid te stijven. Aldus de hartstogt der vorsten en
+der groote heeren voor het jagtvermaak.
+
+Inzonderheid door zijn herhaald logeren op de landgoederen van engelsche
+edelen kende Erasmus uit eigen aanschouwen de tragi-komische praktijken,
+destijds bij het jagen in gebruik; en zijn jongste engelsche
+levensbeschrijver doet hem regt wanneer hij het volgende,--waar men de
+antipathie van den eenzijdig ontwikkelden letterkundige namens het
+gezond verstand en de zachte zeden tegen de buitensporigheden en de
+wreedheid van het _sport_ hoort opkomen,--voor eene persoonlijke
+herinnering houdt:[67]
+
+"Van één soort met de ziende blinden zijn zij voor wie de jagt boven
+alles gaat, en wier gemoed, beweren zij, door een niet onder woorden te
+brengen gevoel van welbehagen overstroomd wordt, wanneer zij de
+verfoeilijke melodie der waldhorens of het bassen der honden vernemen.
+Er zijn er, op mijn woord, wier reuk door den drek-zelf der honden
+aangenaam wordt geprikkeld, als ware het kaneel. En welk een genot,
+wanneer het gevangen dier ontweid ligt te worden! Het gepeupel mag ossen
+en schapen slagten: het afmaken van wild is den edelman voorbehouden.
+Deze, het hoofd ontbloot, de knie gebogen, trekt een mes dat voor dit
+doel bestemd is en voor geen ander gebruikt mag worden. In zekere orde,
+met zekere gebaren, snijdt hij plegtstatig zekere stukken uit. Hoewel de
+omstanders hetzelfde tooneel ontelbare malen bijgewoond hebben, staan
+zij opnieuw eerbiedig-zwijgend toe te zien, niet anders dan of er eene
+nog onbekende godsdienstige handeling gevierd werd. Zij wien daarna het
+voorregt te beurt valt te mogen proeven van de vangst, stellen dit met
+eene bevordering in den adelstand gelijk. Vraagt men of deze jagers,
+door hun gestadig nazetten en eten van wild wel iets hoogers bereiken
+dan dat zij zelven allengs in weinig minder dan wilde dieren ontaarden?
+Neen; maar onderwijl verbeelden zij zich niettemin een koningsleven te
+leiden."[68]
+
+Thans komen de plaatsen waar de dwaasheid begint te zweemen naar eene
+deugd; in zulke mate dat wij haar niet geheel kunnen veroordeelen zonder
+het gemeenebest van een nuttig steunsel, of het leven der bijzondere
+personen van een onschuldig en aangenaam tijdverdrijf te berooven.
+
+Tot afwisseling ontleen ik eene bladzijde aan eene andere _Stultitiae
+Laus_, geschreven door eene jongere tijdgenoot van Erasmus in Frankrijk,
+Louise Labé (1525--1565). Sommige trekken zijner vinding zijn door de
+schoone lyonesche Cordière in haar _Débat de Folie et d'Amour_ zoo
+gelukkig nagevolgd, dat de europesche letterkunde van het tijdvak
+misschien geen volmaakter proeve van erasmiaansche renaissancestijl in
+de landstaal heeft aan te wijzen.[69]
+
+Men hoore Mercurius, advokaat van Folie, de merkbare teekenen van
+waanzin bij het verliefd jong meisje opsommen. De gedachte en de wending
+zijn van Erasmus; maar ons geeft dit oude fransch een betere
+voorstelling van den algemeenen toon zijner satire, dan de beste
+vertaling in hedendaagsch nederlandsch vermag. "Et dans tous ces actes
+de la pauvrette," pleit Mercurius, "quels traits trouvez-vous que de
+Folie? Avoir le coeur séparé de soymesme, être maintenant en paix, ores
+en guerre, ores en treves; couvrir et cacher sa douleur: changer visage
+mille fois le iour: sentir le sang, qui lui rougit la face, y montant:
+puis soudein s'enfuit, la laissant palle, ainsi qui honte, espérance, ou
+peur, nous gouvernent. Chercher ce qui nous tourmente, feignant le fuir,
+et néanmoins avoir crainte de le trouver: n'avoir qu'un petit ris entre
+mille soupirs: se tromper soymesme: brusler de loin: geler de près: un
+parler interrompu: un silence venant tout à coup: ne sont-ce tous signes
+d'une personne aliénée de son bon entendement?"[70]
+
+Nog een thema van Erasmus wordt door de uitnemende prozaschrijfster,
+tevens dichteres, niet minder bevallig uitgewerkt. Het is: dat de
+zamenleving groote verpligtingen heeft aan den moed en het blind
+zelfvertrouwen van enkele onbesuisden: waaghalzen en dwazen inderdaad,
+maar gevierder burgers van hun land somtijds dan de wikkende wijzen en
+voorzigtigen. Weder voert Mercurius het woord en konkludeert: "Pour le
+dire en un mot, mettez moy au monde un homme totalement sage d'un coté
+en un fol de l'autre: et prenez garde lequel sera plus estimé. Monsieur
+le sage attendra que l'on le prie, et demeurera avec sagesse tout seul,
+sans que l'on l'apelle à gouverner les villes, sans que l'on l'apelle en
+conseil; il voudra escouter, aller posément où il sera mandé: et on a
+afaire de gens qui soient pronts et diligens, qui faillent plus tot que
+demeurer en chemin. _Il aura tout loisir d'aller planter des chous_. Le
+fol ira tant en viendra, en donnera tant à tort et à travers, qu'il
+rencontrera en fin quelque cerveau pareil au sien qui le poussera: et se
+fera estimer grand homme. Le fol se mettra entre dix mille arquebuzades,
+et possible en eschapera; il sera estimé, loué, prisé, suivi d'un
+chacun. Il dressera quelque entreprise escervelée, de laquelle s'il
+retourne il sera mis jusques au Ciel. Et trouverez vray en somme que
+pour un homme sage dont on parlera au monde, y en aura dix mille fols
+qui seront à la vogue de peuple."[71]
+
+Het voorname onderscheid tusschen het _Débat de Folie et d'Amour_ en den
+_Lof der Dwaasheid_ is, dat onder de vele beteekenissen waarin Erasmus
+om beurten zich van hetzelfde woord bedient, ééne allengs en onopgemerkt
+de overhand gaat krijgen. Al vroeg had zijne moeijelijke jeugd hem tot
+op den bodem der zamenleving leeren zien, en menig ander zou in zijne
+plaats misanthroop geworden zijn. Hem daarentegen vermaakt in de
+eenzaamheid de gedachte dat alle menschelijke handelingen en drijfveren
+hare humoristische zijde hebben. Hij stelt zijne opmerkingen te boek; en
+zoo ontstaat, uit zijne eigen levensbeschouwing, zijne satire. Het treft
+hem dat elke vader en elke moeder hun uiltje voor een valk aanzien, elk
+jong meisje haar minnaar voor een fenix houdt, elke jonge man in de
+oogen zijner beminde zich den Hemel ziet ontsluiten. Echtgenooten
+verdragen elkander uit blindheid voor elkanders gebreken, bemerkt hij.
+Stokpaarden vormen het gewone vervoermiddel van denkers, dichters, en
+geleerden. Volken zijn groote kinderen. De scepters der koningen
+gelijken somtijds zotskolven. De voortplanting van het menschelijk
+geslacht onderstelt lachwekkende gemeenzaamheden. Ieder heeft zijne
+eerzucht, en ieders eerzucht haakt naar eene onderscheiding. Eenvoudigen
+ontcijferen somtijds raadselen, aan wier oplossing de wijzen en de
+verstandigen hunne vlijt en hunne olie verspilden.
+
+"Zegt niet," vraagt de Dwaasheid, "zegt niet tot lof der Brabanders een
+brabantsch spreekwoord: _Hoe ouder hoe gekker_? Hetgeen beteekent dat
+dit volk meer dan eenig ander zich door een gezelligen aard
+onderscheidt, en door de gebreken van den ouderdom in mindere mate
+gekweld wordt. Niet anders mijne Hollanders, door ligging en levenstrant
+den Brabanders zoo naauw verwant. En waarom zou ik niet _mijne_
+Hollanders zeggen, daar zij aan hun volharden in mijne dienst hun
+bijnaam danken, en zij zich dien zoo weinig schamen, dat zij hem als hun
+voornaamsten eeretitel beschouwen? Laat anderen dan de Medea's, de
+Circe's, de Venussen, de Aurora's, en weet ik welke tooverbronnen
+aangaan! Anderen bij andere godinnen het geheim der bloedvernieuwing
+zoeken! _Bij mij alleen vindt men daartoe het vermogen, bij mij de
+praktijk_.[72]
+
+Even diep als Holbein, die in een verloren oogenblik zijn boekje
+illustreerde, gevoelt Erasmus dat het leven der menschen met het
+uitvoeren van een doodedans gelijkstaat.[73] De onverbiddelijke god
+Terminus is hem geen oogenblik uit de gedachten.[74] Doch de herinnering
+verbittert hem niet. Over geen onderwerp kan hij nadenken, of altijd
+gluurt in zijne verbeelding over den schouder der godinnen van deugd,
+waarheid, schoonheid, de glimlagchende met de bellekap, de
+alomtegenwoordige Fantasie.[75] Het geloof, de wetenschap, de liefde, de
+geestdrift, de zelfopoffering, alles schijnt hem toe slechts tot op
+zekere hoogte ernst te zijn, en geen ernst te kunnen blijven, tenzij
+door een _grain de folie_ voor bederf bewaard.
+
+Van eene zijner invallende gedachten, den Hofnar, hebben andere groote
+vernuften der 16de eeuw levende wezens weten te maken, even populair
+geworden als de algemeene beschaving zelve: Rabelais van Panurge,
+Cervantes van Sancho, Shakespeare van Falstaff. Maar allen was hij vóór
+met de opmerking dat er een natuurlijk verband bestond tusschen de
+vrijpostigheid dier geestige zotten, en het goed humeur waarmede zelfs
+ligtgeraakte koningen hunne aanmerkingen verdroegen. Het was een
+gelukkig denkbeeld van Erasmus, een van de vele verschijningsvormen der
+fantasie op deze wijze aanschouwelijk te maken.
+
+De misbouwde knaap in dienst van keizer Karel V, dien Antonis Mor
+voortreffelijk schilderde,[76] treedt onwillekeurig ons voor den geest,
+wanneer de Dwaasheid diepzinnig maar lagchend redeneert: "Kan het
+ulieden ontgaan dat zelfs magtige vorsten hun gezelschap op den hoogsten
+prijs stellen, zoodat zonder dezen de maaltijd noch de wandeling smaakt,
+en zij niet één uur buiten mijne narren kunnen? Fluks geven zij die
+dwazen de voorkeur boven hunne stemmige wijzen, hoewel ook dezen
+fatsoenshalve door hen nagehouden worden. De reden is niet ver te
+zoeken, dunkt mij. De wijzen hebben den vorsten niets dan onaangename
+zaken mede te deelen, en, steunend op hunne uitgebreide kennis, ontzien
+zij zich niet altijd tedere ooren bijtend te grieven. De narren
+daarentegen brengen voort hetgeen waarop de vorsten alom en bovenal
+belust zijn: kwinkslagen, geestigheden, dingen die doen schaterlagchen
+en zich verkneukelen. Voegt daar het niet te versmaden voorregt bij, dat
+_zij_ alleen in hunne eenvoudigheid de zaken bij haar waren naam noemen!
+En ik vraag u, wat is loffelijker dan de gulle waarheid?
+
+"Maar de ooren der vorsten schuwen de waarheid, zal iemand beweren, en
+bovenal om die reden mijden zij de wijzen in hunne dienst; vreezend dat
+er onder hen een onafhankelijk man gevonden worde, die den moed heeft
+meer te letten op hetgeen is dan op hetgeen behaagt.
+
+"Ik erken dit: den koningen is de waarheid hatelijk. Doch hetgeen ik in
+mijne narren bewonder is juist dat niet alleen waarheden, maar
+onbewimpelde strafredenen uit hun mond met instemming aangehoord worden;
+zoodat dezelfde openhartigheid die een wijze het hoofd zou kosten, in de
+hoogste mate welgevallig is indien zij betracht wordt door een dwaas. De
+waarheid namelijk bezit, wanneer zij van niets kwetsends vergezeld gaat,
+een natuurlijk bekoringsvermogen; maar alleen aan de narren verleenden
+de goden die gaaf."[77]
+
+De heldin van Erasmus heet Moria, en gelooft in hare olympische afkomst.
+Met niet minder regt zouden wij haar Love-in-Idleness kunnen doopen;
+naar den naam van het bloempje door welks sap, uitgedrukt op de oogleden
+zijner sluimerende gade, Oberon in Shakespeare's _Midsummernight's
+Dream_ Titania met de dwaasste begoochelingen straft. Moria beroemt er
+zich op, tegelijk de ziel der wereld en het levend zelfbedrog te zijn.
+Zij is het die bij menschen en onsterfelijken de beminlijke chronische
+ziekte der hersenschimmen onderhoudt, en door hunne hersenschimmen hen
+gelukkig maakt. "Ik rijd bij de stervelingen veelvuldig over de tong,"
+is haar eerste woord het beste; "want meent niet dat ik onkundig zij hoe
+kwalijk bij de keur der dwazen de dwaasheid aangeschreven staat!"
+Nogtans houd ik vol dat mijn genie, en het mijne alleen, goden en
+menschen het gemoed verkwikt. Redenaars van beroep slagen te
+naauwernood, door lange en langdurig overdachte toespraken, den hoorders
+hunne zorgen te doen vergeten: ik, ik behoef mij slechts te vertoonen,
+en eene ongekende vrolijkheid verspreidt zich over de aangezigten, eene
+onzigtbare hand strijkt de voorhoofden glad, er rijst een vriendelijk,
+toejuichend lagchen. Wat mijne herkomst betreft, weet dat ik noch Chaos,
+noch Orcus, noch Saturnus, noch Iapetus tot vader heb, of hoe die
+afgeleefde en vermolmde goden heeten mogen; maar Plutus, den eenigen
+waren aarde- en hemelvader: wat Hesiodus, Homerus, en Iupiter zelf,
+beweren mogen. En niet den Plutus van Aristofanes, reeds met één voet in
+het graf, reeds van het gezigt beroofd; maar den nog ongedeerden,
+tintelend van jongelingsvuur. En niet van jongelingsvuur alleen, maar
+ook en vooral van den onversneden nectar dien hij op een keer met volle
+teugen aan den godemaaltijd dronk. Mijne moeder was Neotès, aanvalligste
+en levenslustigste der nimfen, de beligchaamde jeugd."[78]
+
+Het toppunt zijner paradoxale stelling wordt door Erasmus bereikt,
+wanneer hij in de laatste bladzijden van zijn geschrift, met verwijzing
+naar teksten uit het Nieuwe Testament, waar gesproken wordt over de
+dwaasheid des Kruises, over de dwaasheid Gods welke wijzer is dan de
+menschen, ook van het christendom zelf eene goddelijke komedie en van de
+christelijke vroomheid, welke alle aardsche voorregten versmaadt ten
+einde den hemel te winnen, eene soort van heiligen waanzin maakt.[79]
+"Geeft daarbij wel acht," zegt Moria, "dat het de kinderen zijn, de
+grijsaards, de vrouwen, de armen van geest, die door de
+godsdienstoefeningen het meest bekoord worden en, slechts natuurkinderen
+zijnde, het ijverigst zich om de altaren verdringen. Let er ook op dat
+de godsdienststichters in den regel felle vijanden der letteren zijn, en
+belijdenis doen van eene verwonderlijke eenvoudigheid."
+
+Dit scepticisme is het beste bewijs dat men ten onregte Sebastiaan
+Brand's _Narrenschiff_, welks oudste druk tot 1494 teruggaat, als een
+voorlooper van Erasmus' _Lof der Dwaasheid _pleegt aan te duiden. Er
+zijn vele plaatsen in Erasmus' boekje waar hij op hetzelfde aanbeeld
+slaat als Brand en, tot regtvaardiging van zijn geloof aan de algemeene
+heerschappij van den onzin, evenzoo op tallooze dwazen wijst
+(boeke-narren, vrouwe-narren, gouden kalf-narren, wijn- en bier-narren,
+gelijk de straatsburgsche burgemeester ze noemt) die het geluk in
+allerlei onwezenlijke genoegens of voorregten zoeken. Brand's
+boetpredikers-bedoeling echter is Erasmus vreemd; en bij den
+Rotterdammer vormt de ééne, door den Straatsburger onveranderlijk
+berispte dwaasheid, slechts een incident. De schuit van Brand is een
+platbooms vaartuig, hetwelk desverkiezend op rollen gezet, en op
+Vastenavond door de straten gevoerd kan worden.[80] Met Erasmus'
+schuitje, vlug getuigd, kan men in weerwil van den ranken bouw eene reis
+om de wereld doen. Zijne boot schijnt een wimpel van het fosforescerend
+vuur te voeren, dat volgens de etymologen zijn naam aan den Heiligen
+Erasmus der christelijke oudheid dankt.[81]
+
+Ondanks het hemelsbreed verschil van taal en omvang komt geen ander
+geschrift der 16de eeuw, wat de filosofische strekking betreft, het
+boekje van onzen landgenoot nader dan de groote roman van Rabelais,
+verschenen van 1533 tot 1554, en insgelijks eene de geheele zamenleving
+omvattende satire. Erasmus' _Dwaasheid_ heet bij Rabelais _la Dive
+Bouteille_, vertegenwoordigster derzelfde welwillende wijsbegeerte of
+levensbeschouwing, die te midden der onzekerheid en dikwijls gemaakte
+deftigheid van het ondermaansche, het goed regt van den roes der
+vrolijkheid handhaaft.[82] Levendig hebben beiden beseft, Erasmus en
+Rabelais, dat de mensch, al spant zijne scherpzinnigheid hare beste
+krachten in, toch niet achter het geheim van zijn wezen komen kan;
+geloof en eeuwig leven moeten kunnen verdragen, tot het gebied der
+fantasie gebragt te worden; en ons bestaan, trots elk onderzoek, een
+ondoorgrondelijk mengsel blijft van komisch en tragisch, verheven en
+alledaagsch.
+
+Wat de inkleeding betreft is de _Lof der Dwaasheid_ een offer aan de
+mode. De geletterde wereld van Erasmus' dagen had voor het eerst weder
+kennis gemaakt met de werken van sommige grieksche sofisten, of met de
+sofistische uitspanningen van voorname grieksche redenaars en
+schrijvers. Als met eene nieuwigheid vermaakte men zich met den _Lof der
+Mug_ door Lucianus, met Lucianus' ironischen _Lof van Phalaris_, den
+siciliaanschen tiran. Men herinnerde zich met welgevallen dat Glauco
+schertsend den _Lof van het Onregt_, Synesius den _Lof der Kaalheid_,
+Favorinus den _Lof van Thersites_, den mismaakten homerischen zwetser,
+en den _Lof der Derdendaagsche Koorts_ geschreven had. Die voorbeelden
+stonden Erasmus voor den geest; en hij verhoogde meteen het pikante van
+het genre, door in den mond der Dwaasheid, die niet uit hare rol mogt
+vallen eene lofrede op zichzelve te leggen. Zij, niet hij, is de sofist
+die van het begin tot het einde der _declamatio_ het woord voert.[83]
+
+In de 18e eeuw is Erasmus geestig nagevolgd door Mandeville, wiens
+bije-fabel een vermomde _Lof der Ondeugd_ in de maatschappij; door
+Holberg, wiens onderaardsche reis van Klaas Klim vaak een _Lof der
+Ligtzinnigheid_ in den Staat is.[84] Doch niemand heeft een geheel
+zamengesteld, dat in zoo hooge mate, evenals de schrijver zelf, het
+karakter van een natuurprodukt bezit. De _Lof der Dwaasheid_ is niet
+diepzinnig gelijk een stelsel van metafysica, maar gelijk een artisjok.
+De kern der vrucht smaakt zoet, en geeft eene juiste voorstelling van
+den bloedzuiverenden invloed der werken van Erasmus in het algemeen. Een
+voor een kan men de puntige bladen, die hare kroon vormen, afplukken.
+Zelven eene specerij, behoeven zij niet afzonderlijk in olie en azijn
+gedoopt, of met zout en peper gekruid te worden.
+
+Indien onze nederlandsche schilders van den tegenwoordigen tijd te
+bewegen waren, voor eene poos zich aan de omhelzing hunner
+dorpsvertellingen te ontrukken, dan zouden zij door het behandelen van
+een historisch onderwerp roem kunnen behalen: Erasmus te viervoet,
+gevolgd door zijn burgerlijken rijknecht, door zijne rijdende
+bibliotheek, en opziend uit het schrijfboek waarin hij bezig is
+gelukkige invallen voor den _Lof der Dwaasheid_ op te teekenen.
+
+Werkelijk is het kleine geschrift, dat door de vergankelijkheid nu
+weldra sedert vier eeuwen geëerbiedigd werd, op deze wijze zoo niet
+voltooid, dan toch aangevangen: in den zadel, gedurende de eerste
+terugreis uit Italië in 1509.[85] Erasmus telde op dat tijdstip, naar de
+gewone berekening, tweeënveertig jaren; had Rome en Venetië gezien; had
+te Turin den dokterstitel gehaald;[86] zou in Engeland bij lord Mountjoy
+of bij Thomas Morus gaan logeren, buiten; werd op dat oogenblik door
+zorgen noch ziekte gekweld; en was, nog onberoemd, juist in de stemming
+een werk der verbeelding te dichten, waarin hij onder den sluijer der
+allegorie den vrijen teugel vieren kon aan zijne luim.
+
+ * * * * *
+
+Betrekkelijk vroegtijdig schijnt Erasmus, hoe jong van harte hij ten
+einde toe moge gebleven zijn, vreemden aan een grijsaard te hebben doen
+denken; hetgeen, wanneer men zijn zwervend leven en de tien folianten
+zijner werken in aanmerking neemt, die lang niet al de weleer door hem
+gekorrigeerde drukproeven behelzen, in zichzelf niet buitengewoon te
+verwonderen is. Krachtiger ligchamen dan het zijne zouden van zulk een
+ingespannen bezig-zijn na verloop van zeker aantal jaren de sporen
+vertoond hebben.
+
+Ik maak deze opmerking naar aanleiding der karaktervolle apostrofe aan
+Erasmus in het dagverhaal van Albert Dürer's zuidnederlandsche reis van
+1521, toen Dürer zelf de vijftig genaderd was, Erasmus hoogstens zes of
+zeven jaren ouder kon zijn.
+
+Het is bekend dat Erasmus op dat tijdstip te Antwerpen vertoefde,
+bevriend met den stads-sekretaris Aegidius en met Quinten Metsys den
+schilder, en dat kort na Pinksteren van genoemd jaar er in de stad een
+onrustbarend gerucht liep. Maarten Luther, heette het, die op den
+rijksdag te Worms zulk eene stoute taal gevoerd had (men begreep niet
+dadelijk dat de keurvorst van Saksen hem met voordacht had doen opligten
+en op den Wartburg in veiligheid brengen); Luther was in de handen
+zijner vijanden gevallen! Ondanks het keizerlijk vrijgeleide hadden zij
+hem gevangen! Vermoord misschien!
+
+Dürer, die in dezelfde dagen te Antwerpen verscheiden openbare personen
+portretteerde en onder anderen ook Erasmus uitteekende,[87] kan in de
+algemeene dwaling niet lang gedeeld hebben. Bij het eerste vernemen
+evenwel maakte de tijding op hem, tevens goed roomsch en goed
+hervormingsgezind een verpletterenden indruk. De vereerder van den
+onversaagden jongen Luther achtte door dezen slag de zaak der godsdienst
+verloren, en teekende, overstelpt door droefheid, in zijn dagboek een
+weeklagt in proza op,--bladzijden die voor de geschiedenis te meer
+waarde hebben, en van hetgeen destijds omging in de gemoederen, eene te
+juister voorstelling geven, omdat hier noch een theoloog, noch een
+monnik, noch een letterkundige spreekt, maar een eenvoudig,
+welonderwezen burger, slechts buitengewoon als kunstenaar en de
+godsdienst enkel om haarzelve liefhebbend, als verhevensten vorm van het
+schoone en zuiverste bron der deugd.
+
+Onder het voortschrijven met bewogen gemoed en ongeoefende pen valt het
+Dürer in, dat zoo Luther verloren is Erasmus nog leeft, deze op dat
+oogenblik zich in zijne onmiddellijke nabijheid bevindt, en zoolang
+Erasmus strijdvaardig blijft de christenheid niet behoeft te wanhopen.
+"O, gij alle vrome christenmenschen," is het laatste woord zijner hulde
+aan Luther, "helpt mij vlijtig beweenen dezen godgeestigen mensch, en
+God bidden dat hij ons een ander verlicht man zende! O Erasme
+Roterodame, hoor gij ridder des Heeren Christus: rijd nevens den Heer
+Christus voort: bescherm de waarheid: verkrijg der martelaren kroon:
+_gij zijt toch reeds een oud manneken_. Ik heb u hooren zeggen dat gij
+uzelven nog twee jaren toegegeven hebt, in welke gij nog dacht iets te
+doen. Leg dezelve wel aan, het evangelie en het ware christelijk geloof
+ten goede, en laat u dan hooren. Dan zullen de poorten der helle, gelijk
+Christus zegt, niets tegen u vermogen; en schoon gij hier uw meester
+Christus gelijkvormig wierdt, en in dezen tijd schande van de leugenaars
+leedt, en daarom een kleinen tijd des te eer stierft, zoo zult gij toch
+eer uit den dood in het leven komen en door Christus verheerlijkt
+worden. O Erasmus, houd u hier zoo dat God u roeme, gelijk van David
+geschreven staat; want gij moogt het doen, en voorwaar gij moogt den
+Goliath slaan."[88]
+
+In hare huiselijkheid vindt ik dit de merkwaardigste voorstelling welke
+de tijdgenooten van Erasmus ons van zijn persoon en zijn karakter
+gegeven hebben. Altijd wordt uit zijne brieven het gezegde aangehaald:
+"Niet allen bezitten kracht genoeg voor het martelaarschap; ik zou bij
+het ontstaan van eenig rumoer, vrees ik, het voorbeeld van Petrus
+volgen." Altijd het ironische: "Laten anderen het martelaarschap
+begeeren, ik acht mij zulk eene eer niet waardig."[89]
+
+In gewone omstandigheden zou men de braafheid prijzen van den man, die
+op het papier durfde stellen hetgeen duizenden niet wagen zichzelf te
+bekennen, laat staan aan anderen mede te deelen. Erasmus op het schavot
+ware eene even groote tegenstrijdigheid geweest, als in onze dagen het
+sneuvelen van een predikant of een pastoor in een tweegevecht zijn zou.
+Hem echter heeft het niet gebaat uitdrukkelijk te verzekeren: "Ik ben
+bereid te sterven voor Christus, indien hijzelf mij daartoe de kracht
+geeft; maar sterven voor Luther, dat doe ik niet."[90]
+
+De gangbare geschiedenis heeft van die vaste zetten. Wanneer paus Julius
+II oorlog voert, dan noemen wij hem een onwaardig stedehouder van den
+God der liefde; Zwingli daarentegen, die bij de zwitsersche huurtroepen
+van Julius als aalmoezenier diende, hem bewonderen wij wanneer hij in
+den slag bij Kappel, aanvoerder van een leger, valt met het zwaard in de
+vuist; en niets verhindert ons te erkennen dat die soldaat, gewezen
+priester, eene zeer verstandige leer van het Heilig Avondmaal heeft
+uitgedacht. Wij nemen het Luther noch Kalvyn kwalijk te zijn gestorven
+in hun bed, hoewel beiden onschuldig bloed op het geweten hadden; maar
+Erasmus, die nooit eene vlieg kwaad deed, nooit om een ander zwaard dan
+zijne pen vroeg, Erasmus noemen wij laf, omdat hij terugdeinsde voor den
+brandstapel. Hij alleen had door beulshanden behooren om te komen,
+vinden wij.
+
+Deze ongelijkheid aan onszelf kan slechts hieruit voortkomen dat Luther,
+Zwingli, en Kalvyn, ondanks gebreken die zij met voorbeeldigen ootmoed
+de eersten waren te belijden, de zaak van den vooruitgang gediend
+hebben; Erasmus, ondanks zijne deugden, de zaak van het behoud of der
+reaktie; en het van te voren bij ons vaststaat dat wie dit laatste doet
+minder diensten aan de zamenleving bewijst.
+
+De feiten met dat al komen alleen tot hun regt, wanneer wij bij het
+beschouwen van Erasmus ons op het medegevoelend standpunt van Albrecht
+Dürer plaatsen; die wel is waar hem al vroeg voor een oud manneke, maar
+tevens voor een dapperen kleinen David en ridder van den Heer Christus
+hield. Het is de schuld van Hendrik de Keyser niet dat de bronzen reus
+op de rotterdamsche Markt aan die voorstelling zoo weinig beantwoordt:
+op den top eener vendômezuil zou het fraaije beeld beter geplaatst zijn
+dan op dat lage voetstuk.[91] De Erasmus van het Louvre-Muzeum, door
+Holbein, is eene alles afdoende rechtvaardiging van Dürer's
+zienswijze.[92]
+
+Erasmus leefde in zulk een moeijelijken tijd dat het ons niet betaamt
+over het gebruik dat hij van zijne bewonderenswaardige gaven gemaakt
+heeft een beslissend oordeel te vellen, en wij er ons bij moeten
+nederleggen dat hij, gelijk de bijbel zegt, ten volle verzekerd is
+geweest in zijn eigen gemoed. Voorts mag het onze nationale eigenliefde
+streelen dat slechts driemalen in de geschiedenis van Europa één vernuft
+zulk eene europeesche vermaardheid bezeten, en de beschaving van zijn
+tijd in zulke mate beheerscht heeft: Petrarca in de 14de, Erasmus in de
+16de, Voltaire in de 18de eeuw.
+
+Erasmus is een eenzijdig litterarisch genie geweest. Hij heeft noch in
+de wiskunde uitgemunt, noch als jurist, noch als geschiedschrijver. In
+de leerstellige godgeleerdheid en de bijbelsche uitlegkunde was hij een
+dilettant, in de staatkunde een droomer.[93] Zelfs als wetenschappelijk
+filoloog liet hij te wenschen over: zijn tekst van het Nieuwe Testament
+heeft te langen tijd voor klassiek gegolden.[94] De _Thesaurus linguae
+latinae_ van Robert Estienne (1532), vooral de _Thesaurus linguae
+graecae_ van Henri Estienne Jr. (1572), waren werken van blijvender
+waarde dan de geleerde uitgaven van _zijne_ hand.
+
+Doch hij was het beligchaamd gezond verstand zijner eeuw, en dankte aan
+zijne fabelachtige vaardigheid in het schrijven eener doode taal het
+voorregt, in een tijd toen in alle landen van Europa wie maar een glimp
+van opvoeding had het latijn even gemakkelijk als de moedertaal
+verstond, door het bespelen van één klavier aller aandacht te kunnen
+boeijen.
+
+Ook om die reden hield hij van Bazel, en was een zwitsersch typograaf
+een zijner bemindste vrienden. Niet in een hoekje met een boekje wilde
+hij wonen, zooals Thomas a Kempis, maar tusschen de bergen met eene
+drukpers. Met dien hefboom was hij zich bewust eene wereld te kunnen
+vertillen, en zijn schoonste eeretitel is misschien dat hij onder dit
+gevaarlijk zelfgevoel vergelijkenderwijs zoo nederig en altijd zoo
+eenvoudig gebleven is.
+
+
+ * * * * *
+
+
+NOTEN:
+
+[1] Plaatsen betreffende Erasmus' geboorte, in het woordenboek van
+Bayle.--Nieuwe berichten bij Wilhelm Vischer, Erasmiana, Bazel 1876, en
+bij R. Fruin in Nijhoff's Bijdragen, N. R., 1878, X 85 vgg.; D. R.,
+1881, I 55 vg.
+
+[2] Duifhuis (1531-1581), de voortreffelijke rotterdamsch-utrechtsche
+pastoor, had van zijne huishoudster Krijntje Pieters drie kinderen die
+in hetzelfde geval als vóór hen Erasmus en zijn broeder verkeerden.
+Wiarda, Huibert Duifhuis, 1858, bladz. 8 vgg.
+
+[3] Leven van Erasmus door Beatus van Rheinau, en leven van Erasmus door
+hemzelf, vóór de uitgaaf van Le Clerc.
+
+[4] Getuigenis van Calvete de Estrella bij R. Fruin, Erasmiana 1878,
+bladz. 99.--Geboortehuis van Erasmus naar eene teekening van Kortebrant,
+18e eeuw, in Oude Tijd 1869, bladz. 9.
+
+[5] Als schilder wordt hij in Houbraken's Grooten Schouwburg vermeld I
+17 met portret.--De anecdote omtrent de kruisiging door Erasmus, die
+Kornelis Musius te Delft zal toebehoord hebben, ook bij Weyerman,
+Levensbeschrijvingen, 1729-1769, I 197.--Alles ontleend aan Van
+Bleijswijck, Beschrijving van Delft, 1667, bladz. 321, 360.
+
+[6] Hij spreekt ergens over de "barbaarsche" van Hegius, dien hij
+overigens dankbaar herdenkt. Reichling, Murmellius, bladz. 7.
+
+[7] Over Emmaüs bij Römer, Kloosters en Abdijen, I 384 vgg.
+
+[8] De contemtu mundi, bij Le Clerc, V 1239-1262.
+
+[9] "Una hilari Margareta." De contemtu mundi, c. ii.
+
+[10] De contemtu mundi, c. ii.--Bij R. Fruin, Erasmiana 1878, bladz. 105
+vgg.
+
+[11] Oratio in Funere Bertae de Heijen Goudanae, bij Le Clerc VIII
+551.--Inleiding van Ch. Ruelens tot het fotolitografisch facsimile der
+Silva Carminum van 1513, Brussel 1864, bladz. XXXIV vgg.
+
+[12] Virgo Misogamos, Virgo Poenitens, Ie Deel der Colloquia Familiaria,
+bladz. 158 vgg. en 167 vgg. der Tauchnitz-uitgaaf.
+
+[13] Ch. Ruelens, Silva Carminum, Inleiding bladz. XXXVII.
+
+[14] Ch. Ruelens, Silva Carminum, Inleiding bladz. XXXVI.
+
+[15] R. Fruin, Erasmiana 1878, bladz. 107 vgg.
+
+[16] Ch. Ruelens, Silva Carminum, Inleiding bladz. XLI.
+
+[17] Militis et Carthusiani, in de Colloquia Familiaria, I 184 vgg. der
+Tauchnitz-uitgaaf.
+
+[18] Melanchton, Leven Rudolf Agricola.
+
+[19] Kervyn de Lettenhove, Étude sur les Chroniques de Froissart, 1856.
+
+[20] I.C. Scaliger verweet Erasmus, korrektor geweest te zijn bij Aldo
+Manuzio te Venetië. Erasmus verweet Ulrich von Hutten, zich door een
+boekverkooper te hebben laten honoreeren voor een pamflet.
+
+Plaatsen bij Bayle, op "Erasme," en bij Drummond, II 130 vgg.
+
+[21] Over Filelfo bij Burckhardt I 128 enz., II 172 enz.--Studie door
+Eugène Müntz, Revue des Deux-Mondes, 1 Nov. 1881.
+
+[22] Ontleend aan de hierna te noemen brieven van Erasmus uit de jaren
+1497 en vgg.
+
+[23] D. Nisard, I 25 vgg.; 140 vgg.; 154 vgg.; 168 vgg. Durand de Laur,
+I 634.--Drummond, II 267 vgg.--Feugère, bladz. 101 vgg., 156
+vgg.--Wilhelm Vischer, blz. 8 (Pensio Anglica) bladz. 33 (Pension des
+Herzogs von Cleve), bladz. 34 (Praepositura Daventriensis)--Dumbar, K.
+en W. Deventer, I 329 A en B.
+
+[24] Fotografisch facsimile van Erasmus' testament bij J.B. Kan,
+Erasmiana, Rotterdam 1881.
+
+[25] Portret van Erasmus in het 5e deel van Wagenaar's Vad. Historie;
+portret van Groen van Prinsterer vóór het Handboek, 1870, 5e druk.
+Erasmiana en verzameling portretten van Erasmus, in het Rotterdamsch
+stadsarchief: Rariteiten-kamer.--Craandijk en Schipperus, Wandelingen,
+III 149, 157, 167.
+
+[26] Ook de aan hem gerigte daaronder zijn belangrijk voor de kennis van
+zijn persoon. De verzameling is niet volledig.
+
+[27] Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 19.
+
+[28] Adam van Brescia en Sinon, 30ste Zang der Hel.
+
+[29] Teekening naar het origineel door J.A. Altorffer, in het bezit van
+H.D. Tjeenk Willink.--Oudere teekening in de portefeuilles van het
+Zeeuwsch Genootschap. Lantsheer en Nachtglas, Zelandia Illustrata,
+1866-1880, I 577 vg.--Afbeelding van het Stadhuis te Veere in De Aarde
+en haar Volken, 1875, bladz. 272.--Artikel over Anna v. Borssele in het
+Woordenboek van Bayle.
+
+[30] Gargon, Walchersche Arcadia, 1746, 3e druk, I 279, II 108, en de
+verwijzingen naar Reigersbergh, Boxhorn, en Smallegange.--Reigersbergh
+van Cortgene, schrijver der oudste Zeeuwsche Kronijk (Antwerpen 1551),
+was met het geslacht Bourgondië-Van Borssele persoonlijk bevriend.
+
+[31] Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 6 vgg.--Uittreksels bij
+Drummond, I 31 vgg., 91 vgg.
+
+[32] Over één of twee Battussen, in Van der Aa's Biografisch
+Woordenboek, IIa 175.
+
+[33] Over lord Mountjoy bij Drummond, I 42.
+
+[34] Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 92. Door eene schrijf- of
+eene drukfout, schijnt het, luidt het opschrift: "Clarissimae Annae
+_Bersalae_, principi Verianae."
+
+[35] Over Willem Hermansz van Gouda hiervóór, blz. 298.
+
+[36] Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 52.
+
+[37] Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 94.
+
+[38] Toespelingen op de Odyssea en de Aeneis.
+
+[39] Van hem en van zijn bediende.
+
+[40] Battus was misschien, tot een niet nader aangeduid punt, van
+Cortgene hem tegemoet komen rijden.
+
+[41] Erasmus bij Le Clerc, III No. 6.--Arx Tornehensis of Tornenhensis
+vanwaar deze en nog eenige andere brieven uit denzelfden tijd
+gedagteekend zijn (No. 6, No. 7, No. 9, cf. No. 95 aanhef) is
+vermoedelijk eene schrijf- of eene drukfout voor Cortgenensis of
+Cortchenensis, bijvoegelijk naamwoord gevormd van Cortgene.--Over het
+voormalig kasteel van dien naam bij Gargon, Walchersche Arcadia, II 223;
+bij Lantsheer en Nagtglas, Zelandia Illustrata, II 135.
+
+[42] Balen, Dordrecht, II 809 vg.--Brieven van Erasmus, 22ste Boek der
+oudere uitgaven.
+
+[43] Over de zeden van den roomschen klerus enz. in Nederland, eerste
+vierdedeel der 16e eeuw, bij De Hoop Scheffer, Kerkhervorming, bladz.
+11-13.
+
+[44] Divina Commedia, 22ste Zang van het Paradijs, vs. 85--87.
+
+[45] Brieven en sermoenen van Bonifacius.
+
+[46] De comtemtu mundi, laatste hoofdstuk.
+
+[47] Coll. Fam. Iste deel, bladz. 194 vgg.: Naufragium.
+
+[48] Coll. Fam. Iste Deel, bladz. 148 vgg.: Proci et Puellae.
+
+[49] Coll. Fam. Iste Deel, bladz. 141 vgg.: Apotheosis Capnionis.
+
+[50] Coll. Fam. Iste Deel, bladz. 29 vgg.: Militaria.
+
+[51] Coll. Fam. 2de Deel, bladz. 85 vgg.: Charon.
+
+[52] Facsimilé van Holbein's titelblad voor deze uitgaaf (1519) bij Paul
+Mantz, Hans Holbein, 1879, bladz. 58.
+
+[53] Dit en het vorige ziet op de bejegening, welke van Ulrich von
+Hutten's zijde, in de burgt van Franz von Sickingen, de keulsche
+kettermeester Hoochstraten zal ondervonden hebben.--D.F. Strauss, Ulrich
+von Hutten, 1860, 2de Boek, 10de Hoofdstuk; Drummond, II 110 vgg.
+
+[54] Coll. Fam. 2de Deel, bladz. 108 vgg.: Cyclops-evangeliophorus.
+
+[55] Overzigt bij Drummond II 151-179.--Nieuwe fransche vertaling der
+Colloquia door Victor Develay, 1876, met etsen van Chauvet.--Fragmenten
+bij D. Nisard, Renaissance et Réforme.
+
+[56] Coll. Fam. Iste Deel, bladz. 202 vgg. Diversoria.
+
+[57] Iste Deel bladz. 296 vgg.: Hippoplanus.
+
+[58] Coll. Fam. 2de Deel, blz. 106 vgg.: Impostura.
+
+[59] Iste Deel blz. 213 vgg.: Convivium Poëticum.
+
+[60] Over de minderbroeders-observanten bij Moll, Leven van Brugman, I
+101 vgg.
+
+[61] Coll. Fam. Iste Deel, bladz. 255 vgg.: Ptochoplousioi Franciscani.
+
+[62] Morias Encomium, id est: Stultitiae Laus, Erasmi Roterodami
+declamatio, Parijs 1511. Uitgaaf van C.A. Abbing, Leiden 1839.--Overzigt
+bij Jacobus Scheltema 1819, Mengelwerk II 225 vgg.--Nieuwe fransche
+vertaling van Des Essarts, 1877.--Fragmenten bij D. Nisard, Renaissance
+et Réforme.
+
+[63] Stultitiae Laus, bij Abbing bladz. 103 vgg.
+
+[64] Toespeling op den oorlogzuchtigen paus Julius II, toen nog aan het
+bestuur.--Negende der houtsneden van Albrecht Dürer's "Groote
+Apocalypsis," Cabinet des Estampes te Parijs. Facsimilé door P.W. van de
+Weyer te Utrecht, 1875.
+
+[65] Stultitiae Laus, bij Abbing bladz. 118 vgg.
+
+[66] Over Skelton bij Philarète Chasles, Le drame, les moeurs et la
+religion au 16e siècle, 1851, bladz. 289 vgg., 319 vgg.
+
+[67] Drummond, Life of Erasmus, I 190.
+
+[68] Stultitiae Laus bij Abbing bladz. 61 vg.
+
+[69] Débat de Folie et d'Amour, in de Oeuvres de Louise Labé, parijsche
+uitgaaf van 1871, gedrukt bij Johannes Enschedé en Zoonen.--Studie over
+Louise Labé bij Sainte-Beuve, Nouveaux Lundis IV 289 vgg.
+
+[70] Louise Labé, bladz. 95. Bij Sainte-Beuve, bladz. 308.
+
+[71] Oeuvres de Louise Labé, bladz. 7 vg.
+
+[72] Stultitiae Laus, bij Abbing, bladz. 20 vg.
+
+[73] Facsimilé van Holbein's "Simulachres et historiées faces de la
+Mort, Lyon 1538," bij Paul Mantz, bladz. 82.
+
+[74] Facsimilé van Erasmus' zegel bij Drummond, II 371.--R. Fruin,
+Erasmiana 1878, bladz. 100, noot 4.
+
+[75] Zelfde gedachte bij Goethe: "Meine Göttin," 2de Deel van Cotta's
+uitgaaf der Werken, 1850, bladz. 53 vgg.
+
+[76] Louvre-Muzeum, afdeeling Duitsche, Vlaamsche en Hollandsche
+Scholen, katalogus 1881, No. 343: "Le nain de Charles-Quint."--Houtsnede
+bij Charles Blanc, École Hollandaise, op Antonio Moro.
+
+[77] Stultitiae Laus, bij Abbing, blz. 55-57.
+
+[78] Stultitiae Laus, aanhef. Bij Abbing, bladz. 5 vg., 11 vg.
+
+[79] Stultitiae Laus, bij Abbing, bladz. 131 vgg. tot het einde.--Over
+het christendom, bladz. 148: "Videtur omnino Christiana religio quandam
+habere cum aliqua stultitia cognationem, minimeque cum sapientia
+convenire."--Over het verlangen der vromen naar den hemel, bladz. 154:
+"Si paucis demonstraro summum illud praemium nihil aliud esse quam
+insaniam quandam."
+
+[80] Voorrede van Karl Simrock bij den gemoderniseerden tekst van
+Sebastiaan Brand's "Narrenschiff," met facsimilés der oude platen,
+Berlijn 1872.--Narreschip op rollen in Oude Tijd 1870, blz. 289.
+
+[81] De spaansche en italiaansche matrozen der Middellandsche Zee, wier
+patroon de Heilige Erasmus is (in 304 onder Diocletianus den Marteldood
+gestorven als bisschop van Formiae, thans Mola di Gaëta), verbasterden
+zijn naam tot Eramo, Ermo, Elmo, overgebleven in St. Elmsvuur. Zijn
+leven in de Acta Sanctorum; schilderij van zijn dood, door Dirc Bouts of
+Stuerbout van Haarlem, in de Sint-Pieterskerk te Leuven.
+
+[82] Studie over Rabelais door Albert Réville, Revue des Deux-Mondes van
+15 Oktober 1872.
+
+[83] Stultitiae Laus, Opdragt aan Thomas Morus, en bij Abbing blz. 7 vg.
+
+[84] Overzigt van Mandeville's "Grumbling Hive" bij Quack, Studien op
+sociaal gebied, 1877, blz. 26 vgg.--Plaatsen uit Holberg's "Iter
+Subterraneum" bij Abbing, Inleiding, bladz. VII vgg.
+
+[85] "Superioribus diebes quum me ex Italia in Angliam reciperem cet."
+Opdragt der Stultitiae Laus aan Thomas Morus.--"Diversabor id temporis
+apud Morum meum, ex Italia reversus cet." Brief aan M. Dorpius bij Le
+Clerc, ook bij Abbing, blz. 165.
+
+[86] Opschrift van den gedenksteen, onlangs (4 September 1876) ter
+herinnering van Erasmus' promotie op 4 September 1506 in het
+akademiegebouw te Turin geplaatst, bij Wilhelm Vischer Erasmiana, bladz.
+6.
+
+[87] Facsimilé van Dürer's teekening bij Charles Ephrussi, Albert Dürer
+et ses dessins, 1882.
+
+[88] Hollandsche vertaling van 1780, bladz. 53 vg.
+
+[89] Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 547, No. 583.--Ook bij Groen
+van Prinsterer, Handboek 5de Druk, bladz. 71 vg., en bij Wijnne,
+Geschiedenis van het Vaderland 1879, 5de Druk, bladz. 68.
+
+[90] "Optarem esse Christi martyr, si vires ipse suppeditet; Lutheri
+martyr esse nolim." Uit de Spongia tegen Von Hutten bij Le Clerc, X 1631
+vgg. Bij Drummond, II 142.--Zie ook de plaatsen in den brief van 1523
+aan paus Adriaan VI, bij Le Clerc No. 649, waar Erasmus schrijft
+desnoods "ten koste van zijn leven" de zaak van Christus tegen Luther te
+willen bevorderen; en van de scheuring in de christenheid: Ik zou niet
+aarzelen mijn leven te laten, zoo ik de openbare krankheid daardoor
+heelen kon!"
+
+[91] Geschiedenis van het standbeeld van Erasmus, bij Jacobus Scheltema,
+1817, Mengelwerk Ia 101 vgg., I 258 vg.
+
+[92] Louvre-Muzeum, Salon Carré No. 201.--Gravure naar dit portret bij
+Paul Mantz, Hans Holbein, bladz. 60.
+
+[93] Érasme précurseur de l'abbé de Saint Pierre, bij Durand de Laur, II
+501 vgg.
+
+[94] Geschiedenis dier uitgaaf bij Drummond, I 307 vgg.
+
+
+ * * * * *
+
+
+ERASMUS
+
+SAMENSPRAKEN
+
+
+ * * * * *
+
+
+CHARON
+
+De veerman van de onderwereld.
+
+
+PERSONEN: CHARON EN ALASTOR, DE WREKENDE GENIUS.
+
+ Deze dialoog, waarin wezens uit de Grieksche fabelleer door Erasmus
+ sprekend worden ingevoerd, is geheel geschoeid op de leest van een
+ dialoog van den Griekschen schrijver Lucianus. De knorrige Charon,
+ die de schimmen der dooden over de rivier de Styx naar hun eeuwig
+ verblijf moest voeren, houdt een gesprek met een boozen Genius. Hun
+ samenspraak is een scherpe satire op de heerschzucht en den
+ twistlust der vorsten en machthebbers van dien tijd, die aangehitst
+ door de intriges en 't winstbejag der priesters en monniken overal
+ strijd en oorlog trachtten te verwekken. Erasmus zelf
+ karakteriseert in zijn betoog "Het nut der Samenspraken," deze
+ dialoog met de volgende woorden: "In Charon verfoei en vervloek ik
+ den oorlog tusschen de Christenen."
+
+CHARON: Wat heb jij een geweldige haast, Alastor?--ALASTOR: Dat is net
+goed dat ik je tref, Charon. Ik haastte me juist naar je toe.--CHARON:
+Wat voor nieuws is er?[1]--ALASTOR: Ik breng een bericht dat u en de
+koningin der onderwereld recht veel plezier zal doen.--CHARON: Nu, zeg
+dan op wat je komt brengen, ontlast je!--ALASTOR: De Schrikgodinnen
+hebben even behendig als gelukkig haar taak vervuld: alle deelen van de
+aarde hebben ze met helsche kwellingen bezocht, met tweespalt, oorlogen,
+rooverijen, pestziekten en wel in die mate dat ze zoo goed als kaal
+zijn, nu ze haar slangenlokken hebben verloren en beroofd van haar gif
+rondwandelen, zoekend of er nog ergens iets aan slangen en adders te
+vinden is, daar ze zoo glad zijn als een ei, geen haar meer op haar
+hoofd hebben en in haar borst geen werkzaam gif. Maak gij nu maar dat ge
+uw boot en uw riemen klaar hebt. Want daar zal weldra zóó'n menigte van
+schimmen aankomen, dat ik bang ben dat ge geen voldoende middelen zult
+hebben om ze over den stroom te zetten.--CHARON: Wat gij daar zegt was
+me niet ontgaan.--ALASTOR: Hoe was je dat dan te weten gekomen?--CHARON:
+De Faam had mij dat een paar dagen geleden al overgebracht.--ALASTOR:
+Daar haalt toch niets bij de vlugheid van die Godin! Maar waarom zit je
+hier zoo niets doende neer en hebt ge uw boot in den steek
+gelaten?--CHARON: Ja, dat brachten de omstandigheden zoo mee. Ik ben
+hierheen gekomen om me een stevige schuit te koopen. Want mijn boot die
+van ouderdom rot is en veel water doorlaat, zou voor dat werk niet
+voldoende zijn, wanneer werkelijk waar is, 't geen de Faam heeft
+verteld. Maar, had ik die Faam wel noodig? De omstandigheden dwongen me
+toch al. Want ik heb schipbreuk geleden.--ALASTOR: Ontegenzeggelijk ben
+je druipnat. Ik dacht dat je zóó uit 't bad kwam.--CHARON: Neen, dat
+niet; maar ik kom net uit de rivier de Styx zwemmen.--ALASTOR: En waar
+heb-je dan je schimmen gelaten?--CHARON: Die zwemmen met de kikkers
+rond.--ALASTOR: Maar wat heeft de Faam u verteld?--CHARON: Dat drie
+monarchiën in doodelijken haat op elkaar aangevallen zijn om elkander te
+verdelgen en dat er geen enkel deel van de Christenwereld is waar de
+oorlog niet woedt: want die met hun drieën sleepen de anderen mee om
+samen te vechten. Allen zijn ze zóó gezind dat niemand aan een ander wil
+toegeven. Inmiddels weet ik, dat noch de Denen, noch de Polen, noch de
+Schotten, noch zelfs ook Turkije zich rustig houdt: dat zij allerlei
+vreeslijke maatregelen nemen; dat overal de pest woedt, in Spanje, in
+Engeland, in Italië, in Frankrijk. Dat daarbij een nieuw verderf is
+opgekomen, uit meeningsverschil ontstaan, dat alle menschen zóó heeft
+bedorven, dat er nergens meer ware vriendschap bestaat; dat de eene
+broeder den anderen wantrouwt, dat er tweedracht heerscht tusschen man
+en vrouw. We willen er 't beste van hopen dat ook hieruit nog wel eens
+een heerlijke ellende voor 't menschdom zal voortkomen, wanneer van tong
+en pen de zaak tot handtastelijkheden overgaat.--ALASTOR: Nu, de Faam
+heeft u dat alles volmaakt naar waarheid verteld. Want ik zelf heb met
+mijn eigen oogen nog meer gezien, ik, die de onafscheidelijke gezel en
+helper der Schrikgodinnen ben, die verklaard hebben dat ze haar naam
+nooit meer verdiend hebben dan in dezen tijd.--CHARON: Toch bestaat er
+gevaar dat de een of andere godheid opstaat om plotseling tot vrede aan
+te manen. En de menschen zijn dikwijls zoo veranderlijk. Want naar ik
+hoor leeft daar in de bovenwereld een zekere Veelschrijver[2] die niet
+ophoudt met zijn pen zich tegen den oorlog te verzetten.--ALASTOR: Nu
+ja, maar dat doet hij al lang tevergeefs. Indertijd heeft hij
+geschreven: "Klacht van den Vrede, uitgeworpen en vertrapt bij alle
+volkeren." Nu heeft hij weer uitgegeven een "Grafschrift op den
+overleden Vrede." Maar daar zijn anderen die onze zaak evenzeer helpen
+als de Furiën zelf.--CHARON: Wie dan?--ALASTOR: Wel, dat zijn wezens met
+donkerkleurige en witte mantels, met aschgrauwe onderkleeren, vogels van
+diverse pluimage. Nooit wijken ze van de hoven der vorsten, zij
+druppelen in hunne ooren krijgslust in, drijven voornamen en menschen
+uit 't volk daartoe aan; in hunne bekende godsdienstige bijeenkomsten
+verkondigen ze dat de oorlog rechtvaardig, heilig en vroom is. En opdat
+ge u nog meer over de driestheid van die menschen zoudt verwonderen: ze
+verkondigen hetzelfde van beide zijden. Bij de Franschen roepen ze den
+volke toe: dat God aan den kant der Franschen staat en dat _hij_ niet
+kan overwonnen worden die God als beschermer heeft. Bij de Engelschen en
+de Spanjaarden: dat deze oorlog niet door den Keizer wordt gevoerd, maar
+door God zelf. Als ze zich maar dapper betoonen, dat dan ook de
+overwinning vaststaat. En als iemand soms sneuvelt, zoo iemand sterft
+niet, maar vliegt regelrecht ten hemel, zóó als hij stierf, met wapens
+en al.--CHARON: En gelooft men nu dat alles, wat ge daar
+vertelt?--ALASTOR: Wat vermag geveinsde godsdienst niet? Daarbij komen
+nog jeugd, gebrek aan ondervinding, eerzucht, verbolgenheid en een
+aangeboren neiging om dat, waartoe men geroepen wordt te volbrengen.
+Zulke menschen laten zich gemakkelijk verlokken en een wagen die op een
+hellend vlak in beweging is, heeft geen sterken stoot noodig.--CHARON:
+Nu, ik zou die wezens gaarne eens een pleziertje doen.--ALASTOR: Welnu,
+maak dan maar eens een prachtig feestmaal voor hen gereed. Ge kunt hen
+geen grooter plezier doen.--CHARON: Een diner van malven, boonen en
+prei? Want iets anders oogsten wij bij ons in de onderwereld niet,
+zooals ge weet.--ALASTOR: Neen waarachtig niet: van patrijzen, kapoenen
+en fazanten, ten minste wanneer ge een gastheer wilt zijn wien men
+dankbaar is.--CHARON: Maar wat drijft hen toch aan om den oorlog zoo
+dóór te drijven of wat nut oogsten ze daarvan?--ALASTOR: Omdat ze meer
+voordeel hebben van de dooden dan van de levenden. Dan komen de
+testamenten, begrafenismaaltijden, allerlei vrijdom en vele andere, niet
+te versmaden zoete winstjes. Kortom: ze willen liever in een legerkamp
+verkeeren dan in hunne kloostercellen. Een oorlog maakt velen tot
+bisschoppen, die in vredestijd geen cent waard waren.--CHARON:
+Verstandige menschen!--ALASTOR: Maar waarvoor heb je een schip
+noodig?--CHARON: O, noodig hebben zou ik 't niet, als ik graag eens wéér
+midden in de rivier schipbreuk wilde lijden.--ALASTOR: Door de menigte
+van dooden?--CHARON: Wel natuurlijk.--ALASTOR: Maar je vaart toch maar
+alleen schimmen over, geen lichamen. En wat hebben die schimmen een
+onbeteekenend gewicht!--CHARON: Laten ze zoo licht zijn als mugjes; de
+menigte muggen kan zóó groot zijn dat ze mijn boot zwaar maken. En, dan
+moet ge ook niet vergeten: mijn boot is ook maar de schim van een
+boot.--ALASTOR: Toch herinner ik me wel eens gezien te hebben dat, toen
+er eens een groote troep schimmen was om overgebracht te worden en uw
+boot ze niet allen kon bevatten, er dikwijls aan uw roer een drieduizend
+schimmen hingen terwijl gij er geen gewicht van bespeurdet.--CHARON: Ik
+geef toe dat er zulke schimmen zijn die langzamerhand uit het lichaam
+weken ten gevolge van tering of aanhoudende koorts. Maar de schimmen die
+plotseling uit een goed doorvoed, welgedaan lichaam worden losgerukt,
+die dragen nog veel van de lichaamszwaarte met zich mee. En beroerte,
+keelziekte en pest zenden mij zulke dingen toe, maar voornamelijk de
+oorlog.--ALASTOR: Ik geloof niet dat Franschen of Spanjaarden veel
+gewicht meebrengen.--CHARON: Veel minder dan de overigen maar met dat al
+zijn hunne schimmen toch ook niet altijd zoo licht als een veertje. Maar
+van de Engelschen, van de goed doorvoede Duitschers komen er nog al
+dikwijls die zóó zwaar zijn, dat ik nog onlangs, toen ik er tien
+welgeteld overbracht, gevaar liep schipbreuk te lijden en als ik er niet
+wat van overboord geworpen had, zou ik, met boot en matrozen en veergeld
+en al, omgekomen zijn.--ALASTOR: Geen gering verschil tusschen de ééne
+schim en de andere.--CHARON: En wat denk-je wel dat er gebeurt wanneer
+dikke gouverneurs, fanfarons en ijzervreters aankomen?--ALASTOR: Wel,
+als er één van dezen in een echten oorlog sneuvelt, dan komt er geen een
+bij u. Want naar men zegt vliegen dezen regelrecht ten hemel.--CHARON:
+Waar ze heen vliegen weet ik niet, maar dit alleen weet ik wèl dat, zoo
+dikwijls er oorlog is, er zóóveel gewonden en verminkten tot mij komen
+dat ik me verwonder, hoe er in de bovenwereld nog één enkele over kan
+zijn. En niet alleen komen ze tot mij met haarpijn en met vette
+hangbuiken, maar ook met bullen, met priesterambten en allerlei andere
+zaken.--ALASTOR: Maar dat alles brengen ze toch niet mee bij u; ze komen
+toch naakt hierheen?--CHARON: Daar heb je gelijk in. Maar die zoo pas
+aankomen, brengen toch de droombeelden van al dergelijke dingen
+mee.--ALASTOR: En maken die droombeelden hen dan nog zoo zwaar?--CHARON:
+Ze verzwaren mijn boot. Wat zeg ik: verzwaren? Ze doen haar haast
+zinken. En dan, denkt ge dat zooveel muntstukken[3] geen gewicht
+hebben?--ALASTOR: Nou, dat zou ik denken, als ze kopergeld
+meebrengen.--CHARON: Daarom ben ik dan ook van plan rond te zien naar
+een boot die sterk genoeg is voor zulke vrachtjes.--ALASTOR: Jij
+geluksvogel!--CHARON: Hoe dan? ALASTOR: Wel, omdat je eerstdaags
+schatrijk zult worden.--CHARON: Wegens de menigte van
+schimmen?--ALASTOR: Ja!--CHARON: Dàt zou het geval zijn als ze hun
+bezittingen meebrachten. Maar nu brengen zij die in mijn boot zitten te
+jammeren, dat ze in de bovenwereld hun vorstendommen, hun landvoogdijen,
+hun abdijen, hun schatten aan geld hebben moeten achterlaten, niets mee
+dan hun muntstukje voor 't veergeld. En zoo moet 't geen ik gedurende
+drieduizend jaren bijeengegaard heb, door mij worden uitgegeven voor een
+schuit.--ALASTOR: Je moet een spierinkje uitwerpen om een kabeljauw te
+vangen.--CHARON: De menschen drijven tegenwoordig vrij wat voorspoediger
+handel, daar zij, wanneer Mercurius hen wat begunstigt, binnen drie
+jaren rijk worden.--ALASTOR: Ja, maar ze gaan ook vaak failliet. Uw
+winst is kleiner, maar ook zekerder.--CHARON: Ik weet niet waarom ge zoo
+zegt: zekerder. Als er nu eens een godheid opstond om de zaak tusschen
+de vorsten bij te leggen, dan was mijn heele buitenkansje naar de
+maan.--ALASTOR: Nu, ik geloof dat je, wat dit betreft, heel gerust op
+beide ooren kunt slapen. In tien jaren tijds behoeft men niet voor een
+vrede bang te wezen. Alleen de paus zet ijverig tot vrede aan; maar ...
+'t is boter aan de galg gesmeerd. De burgers in de landen klagen steen
+en been over al de rampen; sommige menschen fluisteren wel zachtjes
+tegen elkaar, terwijl ze beweren dat 't onbillijk is hoe wegens
+persoonlijken wrok of eerzucht van twee of drie menschen alles op de
+wereld 't onderst boven wordt gekeerd: maar, geloof me, de rechtvaardige
+plannen van de Schrikgodinnen zullen 't winnen. Maar waarom vondt ge het
+noodig om ter wille van een nieuw schip naar de bovenwereld te gaan?
+Zijn er dan bij ons in de onderwereld geen handwerklieden? We hebben
+toch Vulcanus.--CHARON: Heel mooi, wanneer ik een metalen schip noodig
+had.--ALASTOR: Voor een kleinigheid zou men er een timmerman kunnen
+ontbieden.--CHARON: Jawel, maar 't ontbreekt ons aan
+timmerhout.--ALASTOR: Wat zeg je? Zijn in de onderwereld dan geen
+bosschen meer?--CHARON: Zelfs de lieflijke bosschen uit de Elyseesche
+velden zijn opgebruikt.--ALASTOR: Waarvoor?--CHARON: Voor het verbranden
+van de schimmen van ketters. Zelfs zóó, dat we onlangs gedwongen zijn
+uit 's aardrijks ingewand kolen op te graven.--ALASTOR: Wat? Kunnen die
+schimmen niet op min kostbare wijze worden gestraft?--CHARON: 't Is
+Rhadamanthus die aldus besloot.--ALASTOR: En als je nu een boot gekocht
+hebt, hoe kom je dan aan de riemen?--CHARON: Mijn taak is 't het roer te
+hanteeren: de schimmen moeten roeien als ze den Styx over
+willen.--ALASTOR: Maar er zijn er toch ook die niet geleerd hebben te
+roeien.--CHARON: Bij mij bestaat voor niemand een uitzondering. Roeien
+moeten alleenheerschers, roeien moeten ook kardinalen op hun beurt, of
+ze 't geleerd hebben al dan niet.--ALASTOR: Nu ik hoop dat ge onder
+bescherming van Mercurius een goeden koop van een boot moogt sluiten. Ik
+zal je niet langer ophouden. Aan de onderwereld ga ik een blijde
+boodschap brengen. Maar Charon, hoor nog eens even!--CHARON: Nu wat is
+er?--ALASTOR: Maak dat je wat gauw terug komt, opdat je niet door de
+menigte van schimmen overstelpt wordt.--CHARON: Ja, je zult er al meer
+dan tweehonderdduizend op den oever van de rivier aantreffen, behalve
+die, welke al in 't water rond zwemmen. Maar 'k zal me haasten zooveel
+ik kan. Zeg hun intusschen dat ik er spoedig zal wezen.
+
+NOTEN:
+
+[1] Erasmus schreef dit ongeveer in den tijd toen keizer Karel V met
+Hendrik VIII, koning van Engeland, oorlog voerde tegen Frans I, koning
+van Frankrijk.
+
+[2] Hiermee duidt Erasmus zich zelven aan, zooals hij dat op meer
+plaatsen in zijn geschriften doet.
+
+[3] Als veergeld werd den dooden een koperstukje in den mond gegeven.
+
+
+ * * * * *
+
+
+DE ONTEVREDEN GEHUWDE OF HET HUWELIJK
+
+
+EULALIE, XANTIPPE.
+
+ Erasmus was een goed kenner der vrouwen. In onderstaand gesprek
+ toont hij te weten, hoe de vrouwen in zijn tijd soms hunne
+ echtgenooten behandelden; óók, hoe die verhouding bij anderen veel
+ beter was. De practische levenswijsheid doet hier menig verstandig
+ voorschrift aan de hand, dat in zijn tijd zeker vaak nut zal hebben
+ gesticht, en waarvoor (al zijn de tijden gelukkig in vele opzichten
+ veranderd) onze eeuw ook nog wel eens de ooren mag openen. "Tracht,
+ o! vrouwen, door zachtheid, wijsheid, beleid, niet door vinnigheid
+ en boosheid uw mannen te verbeteren," dat is de leer hier door
+ Erasmus verkondigd. Een blik wordt hier gegeven in 't burgerlijke
+ leven dier dagen met zijn ruwe zeden en gewoonten, eigenaardig
+ zeker in vergelijking met die van onzen tijd.
+
+EULALIE: Hartelijk gegroet, Xantippe: ik ben heel blij dat ik je
+zie.--XANTIPPE: Net hetzelfde, lieve Eulalie. Je bent veel mooier dan
+gewoonlijk!--EULALIE: Begin je nu met mij met grapjes?--XANTIPPE: Neen
+werkelijk niet: maar ik meen het heusch.--EULALIE: Misschien dat mijn
+nieuwe japon mijn vormen wat beter doen uitkomen?--XANTIPPE: Dat kan wel
+wezen, 'k Heb in langen tijd zoo iets beelderigs niet gezien. Mij dunkt
+'t is Engelsche stof.--EULALIE: Ja 't is Engelsche wol en Venetiaansche
+kleur.--XANTIPPE:--'t Is zachter dan batist. Maar wat een echt mooie
+purperkleur. Waar heb je dat van daan gekregen?--EULALIE: Van wie moeten
+eerbare vrouwen 't krijgen anders dan van hare mannen?--XANTIPPE:
+Gelukskind, als je zoo'n man hebt! 'k Wou liever dat ik een nul getrouwd
+had, toen ik mijn Nicolaas huwde.--EULALIE: Alsjeblieft, wat zeg je
+daar? Is er al zóó gauw een slechte verhouding tusschen
+jelui?--XANTIPPE: Daar zal ook nooit een goede verhouding tusschen ons
+komen. Je ziet hoe haveloos ik er uitzie. Zóó laat hij zijn vrouw
+loopen. 'k Mag doodvallen als ik me niet vaak schaam zóó op straat te
+komen, wanneer ik zie hoe netjes anderen gekleed zijn die met veel armer
+mannen getrouwd zijn.--EULALIE: Het sieraad van een getrouwde vrouw zit
+niet in haar kleeding of in anderen tooi van 't lichaam, zooals de
+Apostel Petrus leert, maar in een kuischen en ingetogen aard en in de
+goede geesteseigenschappen. Dat heb ik dikwijls in de kerk gehoord.
+Lichtekooien sieren zich voor den blik van velen. Wij zijn mooi genoeg
+als we maar aan één man mogen behagen.--XANTIPPE: Maar intusschen brengt
+die goede man van mij, die zoo karig is tegenover zijn vrouw, den
+tamelijk rijken bruidschat dien ik hem meebracht, aardig door.--EULALIE:
+Waarmee?--XANTIPPE: Met dingen waarin hij plezier heeft: met wijntje en
+Trijntje en dobbelen.--EULALIE: 't Is zonde!--XANTIPPE: Maar 't is
+werkelijk zoo. En als hij dan dronken, diep in den nacht thuis komt,
+waar ik hem lang heb zitten wachten, dan snurkt hij den geheelen nacht,
+braakt soms het bed vol, om van de rest maar niet te spreken.--EULALIE:
+Zoo mag je niet spreken; je doet je zelf schande aan, wanneer je je man
+de kroon van het hoofd haalt.--XANTIPPE: 'k Mag sterven wanneer ik niet
+liever een pad bij me heb, dan zóó'n man.--EULALIE: En wacht je hem dan
+niet op met een flink standje?--XANTIPPE: Zooals hij verdient. Hij merkt
+dat ik niet stom ben.--EULALIE: En wat bracht hij daartegen
+in?--XANTIPPE: In 't eerst schreeuwde hij woest, omdat hij dacht dat hij
+me met groote woorden op de vlucht zou jagen.--EULALIE: En is het van
+woorden nooit tot handtastelijkheden gekomen?--XANTIPPE: Als ik het goed
+naga dan is de strijd éénmaal zóó hoog geloopen, dat 't heel weinig
+scheelde of 't liep op vechten uit.--EULALIE: Wat moet ik
+hooren?--XANTIPPE: Hij zwaaide met een knuppel onder woest geschreeuw en
+vreeselijke dreigementen.--EULALIE: Was je toen niet bang?--XANTIPPE:
+Neen, zeker niet! Ik van mijn kant greep een klein bankje, en als hij me
+met een vinger aangeraakt had, zou hij gemerkt hebben dat ik ook handen
+aan mijn lijf heb.--EULALIE: Dat is een nieuw soort van schild. Daarbij
+ontbrak nog maar de stok van 't spinnewiel als lans.--XANTIPPE: Hij zou
+gevoeld hebben dat hij met een manwijf te doen had.--EULALIE: Neen
+Xantippe, dat gaat toch zoo niet.--XANTIPPE: Wat gaat niet? Als hij mij
+niet als zijn vrouw behandelt, ben ik ook niet van plan hem als mijn man
+te beschouwen.--EULALIE: Maar de Apostel Paulus leert toch dat de
+vrouwen haar mannen met allen eerbied onderdanig moeten zijn. En Petrus
+houdt ons het voorbeeld van Sarah voor oogen, die haar man Abraham
+"heer" noemde.--XANTIPPE: Ja, dat heb ik ook wel gehoord. Maar diezelfde
+Paulus leert ook, dat de mannen hunne vrouwen moeten liefhebben, evenals
+Christus Zijn bruid, de Kerk, heeft liefgehad. Laat _hij_ denken aan
+_zijn_ plicht, dan zal _ik_ ook aan den _mijne_ denken.--EULALIE: Maar
+als 't nu eenmaal in dit stadium is gekomen dat er één voor een ander
+moet wijken, dan is 't toch ook niet meer dan billijk dat de vrouw
+toegeeft aan haar echtgenoot.--XANTIPPE: Als _hij_ tenminste werkelijk
+echtgenoot mag heeten, die mij beschouwt als zijn dienstmeid.--EULALIE:
+Maar zeg eens, Xantippe, is je man later opgehouden te dreigen met
+klappen?--XANTIPPE: Ja, en dat is maar goed ook, want hij zou slaag
+gehad hebben.--EULALIE: Maar ben jij toen ook niet opgehouden met
+kijven?--XANTIPPE: Neen en ik ben ook niet van plan er mee op te
+houden.--EULALIE: En wat doet hij dan onderwijl?--XANTIPPE: Wat? Nu,
+soms slaapt hij eens en droomt als een mensch; soms doet hij niets dan
+lachen; dikwijls grijpt hij een muziekinstrument, waarop nog maar drie
+snaren zitten en terwijl hij daarop tokkelt zoo hard hij kan, tracht hij
+mijn woorden te overstemmen.--EULALIE: En dat hindert je dan toch
+zeker?--XANTIPPE: Meer dan ik je zeggen kan. Soms kan ik mijn handen
+maar met moeite thuis houden.--EULALIE: Lieve Xantippe. Permitteer je me
+dat ik eens heel vrijuit met je spreek?--XANTIPPE: Zeker.--EULALIE: Jij
+moogt dat dan over mij ook doen. De omgang dien wij bijkans van de wieg
+af met elkaar gehad hebben, brengt dat mee.--XANTIPPE: Je hebt gelijk;
+geen van mijn vriendinnen had ik ooit meer lief.--EULALIE: Hoe je man
+ook moge wezen, bedenk dit: je hebt niet het recht om te veranderen.
+Vroeger was bij onherstelbare tweespalt de echtscheiding een uiterste
+redmiddel. Dat is nu uit. Tot aan den laatsten levensdag moet een
+echtgenoot ook je man blijven, en gij de vrouw van uw man.--XANTIPPE: Ik
+wou dat God de menschen strafte die ons 't recht om te scheiden hebben
+afgenomen.--EULALIE: Spreek niet zoo, Christus heeft 't zoo
+ingesteld.--XANTIPPE: Dat kan ik haast niet gelooven.--EULALIE: 't Is
+toch zoo. Nu schiet er niets anders over dan dat gij beiden u op
+eendracht toelegt, door u te schikken naar elkanders karakter en
+aard.--XANTIPPE: Maar hoe kan ik mijn man veranderen?--EULALIE: 't Hangt
+heel veel van de vrouwen af, hoe de mannen zijn.--XANTIPPE: Ben _jij_
+dan goed met jouw man?--EULALIE: Nu is alles in orde.--XANTIPPE: Dus was
+er in den beginne ook wel onraad?--EULALIE: Nooit stormde het. Maar toch
+waren er, zooals dat onder menschen wel meer gaat, eenige wolkjes aan
+den horizon, wolkjes die een storm hadden kunnen verwekken, wanneer dat
+niet door kalm overleg was voorkomen. Ieder heeft zoo zijn
+eigenaardigheden, ieder heeft zoo zijn ideeën, en als we de waarheid
+willen zeggen: ieder heeft ook zijn eigen gebreken. En zoo ooit of
+ergens dan moet men die in het huwelijk kennen en niet
+verafschuwen.--XANTIPPE: Wat je daar zegt is waar.--EULALIE: Maar nu
+gebeurt het heel vaak, dat de welwillendheid over en weer tusschen man
+en vrouw reeds zoek is, vóórdat ze elkander eigenlijk goed kennen. En
+daarvoor moet men in de allereerste plaats oppassen. Immers als er
+éénmaal een wrok is ontstaan, dan komt dat heel moeilijk weer in orde,
+vooral wanneer 't eenmaal tot harde woorden gekomen is. Pas gelijmde
+stukken vallen licht van elkander wanneer men er hard tegen stoot, maar
+wanneer ze eenmaal flink aan elkander vast zitten, als de lijm gedroogd
+en hard is, dan is er niets stevigers denkbaar. Daarom moet het in den
+aanvang daarop worden aangelegd, dat de vriendelijke gezindheid tusschen
+man en vrouw samengroeie en bevestigd worde. En dat kan 't best
+geschieden door elkander te dienen en zich aan elkanders
+eigenaardigheden aan te passen. Want een welwillendheid, die alleen maar
+voor den vorm wordt aangenomen, is doorgaans van voorbijgaanden
+aard.--XANTIPPE: Maar vertel me dan toch alsjeblieft door welke middelen
+jij je man tot jouw eigenaardigheden hebt weten te brengen.--EULALIE: 'k
+Wil 't je wèl vertellen, maar alleen op voorwaarde dat je tracht 't na
+te doen.--XANTIPPE: Als ik kan.--EULALIE: Dat zal heel licht gaan als de
+goede wil er maar is. 't Is nog niet te laat. Want hij is nog jong en
+jij bent nog haast een meisje. 'k Geloof dat er nog geen jaar sedert je
+getrouwd bent, verloopen is.--XANTIPPE: Dat 's waar.--EULALIE: Nu dan
+zal ik 't je vertellen, maar: mondje dicht!--XANTIPPE: Goed.--EULALIE:
+Mijn allereerste zorg was: om in alles mijn man ter wille te wezen,
+zoodat er niets was, waaraan hij aanstoot kon nemen. Ik ging nauwkeurig
+zijn lusten en liefhebberijen na, lette goed op alle tijden en
+gelegenheden en wat hij bijzonder graag had, óók, wat hem kon prikkelen,
+net zooals leeuwen- en olifanten-temmers doen met dergelijke dieren die
+men niet met geweld kan behandelen.--XANTIPPE: Zoo'n beest heb ik
+thuis.--EULALIE: Menschen die bij olifanten komen doen geen witte jas
+aan: bij stieren geen roode; omdat men bij ondervinding weet dat die
+kleuren de dieren woest maken. Zoo worden bijv. tijgers door
+bekkenslagen zóó wild, dat ze elkander verscheuren. En menschen die met
+paarden omgaan, hebben hun gewone woordjes, hun geluiden met de tong, 't
+streelen met de hand en allerlei andere gebaren en geluiden waarmee ze
+schichtige paarden kalmeeren. Hoeveel te meer moeten wij dan ook die
+middelen toepassen op onze echtgenooten met wie wij, of we willen of
+niet, ons geheele leven dóór, huis en bed moeten deelen.--XANTIPPE: Nu,
+ga door, je bent zoo mooi begonnen.--EULALIE: Dat in 't oog houdend
+trachtte ik mij naar hem te voegen, terwijl ik zooveel mogelijk oppaste
+dat er geen reden tot aanstoot gegeven werd.--XANTIPPE: Hoe kon je
+dat?--EULALIE: In de allereerste plaats door goed te zorgen voor 't
+huishouden, de eerste en voornaamste taak van een huisvrouw. Ik waakte
+er niet alleen voor dat er niets werd verzuimd, maar ook dat alles naar
+zijn zin uitkwam, zelfs in de kleinste zaken.--XANTIPPE: Welke
+bijvoorbeeld?--EULALIE: Bijv. wanneer je man van dit of van dat kostje
+veel houdt, als een gerecht op deze of die manier klaargemaakt hem
+bijzonder bevalt, als zijn bed op een bijzondere manier wordt
+opgemaakt.--XANTIPPE: Maar hoe was je in staat je naar hem te voegen als
+hij zoo zelden thuis en dan nog dronken was?--EULALIE: Geduld! Dat wilde
+ik juist gaan vertellen. Als mijn man soms eens wat somber scheen en de
+gelegenheid minder gunstig was om hem aan te spreken, dan lachte of
+schertste ik nooit, zooals sommige vrouwen wel eens doen; maar ik zette
+zelf ook een erg bedroefd en bekommerd gezicht. Gelijk een spiegel, als
+hij goed is, altijd 't gezicht van hem die er in kijkt juist weergeeft,
+zoo moet ook de huisvrouw zich weten te voegen naar de gemoedsstemming
+van haar man. Ze moet niet vroolijk zijn, wanneer hij somber gestemd is
+of zich niet blij toonen wanneer er iets is wat hem hindert. En wanneer
+hij dan eens wat opgewonden was, trachtte ik hem met zachte woordjes te
+kalmeeren, of ik liet zijn boosheid maar stilletjes bekoelen tot de
+gelegenheid zich aanbood 't zij voor hem om zijn boosheid kwijt te
+raken, 't zij voor mij om hem eens onder handen te nemen. 't Zelfde
+placht ik te doen wanneer hij thuis kwam, na wat meer wijn gedronken te
+hebben dan wel dienstig was. Dan zei ik niet anders dan vriendelijke
+woordjes tot hem, alleen met een zoet lijntje wist ik hem naar zijn bed
+te krijgen.--XANTIPPE: Je moet me toch toegeven dat de positie van de
+vrouwen heel ongelukkig is, dat ze maar moeten gehoorzamen aan driftige,
+dronken echtgenooten, die alles doen wat ze willen.--EULALIE: Alsof die
+volgzaamheid niet wederkeerig was! Zij zien zich toch ook genoodzaakt
+veel van ónze eigenaardigheden te verdragen. Er komt evenwel een tijd
+wanneer de vrouw de man moet waarschuwen, wanneer er iets van belang
+voorvalt. Bij zaken van minder gewicht is 't beter wat door de vingers
+te zien.--XANTIPPE: Wat dan?--EULALIE: Wanneer hij niet over iets tobt,
+geen muizenissen in 't hoofd heeft, geen reden tot bekommering heeft,
+niet gedronken heeft. Dan kan men hem onder vier oogen eens kapittelen,
+of liever vragen of hij hierin of daarin niet wat meer zorg kon hebben
+voor zijn zaken, voor zijn goeden naam, voor zijn gezondheid. En dan
+moet toch ook nog die waarschuwing met wat grapjes en aardigheden
+gekruid worden. Dikwijls stel ik vooraf als voorwaarde, dat hij niet
+boos op me mag worden, wanneer ik, dwaze vrouw, hem een raad geef die
+kan strekken tot zijn eer, tot zijn gezondheid, tot zijn heil. En als ik
+hem dan de waarschuwing had gegeven die ik bedoelde, dan sneed ik hem de
+woorden af en wendde 't over een anderen, joligen boeg. Want dit is over
+'t algemeen onze fout, lieve Xantippe, dat wij er geen eind aan kunnen
+maken als we eenmaal begonnen zijn te spreken.--XANTIPPE: Ja, dat
+beweren ze wel meer.--EULALIE: Maar in de allereerste plaats paste ik er
+op, met mijn man nooit in tegenwoordigheid van derden te kibbelen en
+niets van onze oneenigheid buiten de deur te brengen. Een breuk wordt
+veel gemakkelijker hersteld, als er iets tusschen twee personen is
+voorgevallen. En wanneer er eens iets gebeurt zóó dat 't onverdragelijk
+is en niet door vermaningen van de vrouw kan worden goedgemaakt, dan is
+'t passender dat de echtgenoote met haar klacht aankomt bij de ouders
+van haar man of bij diens bloedverwanten, dan bij haar eigen familie en
+haar klacht zóó matigt dat ze niet den schijn op zich laadt haar man te
+haten, maar wèl diens fouten. Maar toch moet ze ook weer niet alles
+vertellen, zoodat hij dit opmerkt (ook al zegt hij het niet) en dan de
+vriendelijkheid van zijn vrouw zal moeten waardeeren.--XANTIPPE: De
+vrouw die dat alles wat gij verlangt kan doen, moet wel wijsgeerig
+aangelegd zijn.--EULALIE: Door zulke tegemoetkomingen zullen we onze
+mannen tot gelijke welwillendheid prikkelen.--XANTIPPE: Er zijn er die
+men door geen vriendelijkheid, welke ook, verbetert.--EULALIE: Nu, ik
+geloof dat niet. Maar gesteld eens dat 't zoo was. Bedenk dan dit in de
+eerste plaats: we moeten onze echtgenooten nemen zooals ze zijn. Het
+verdient dan toch nog maar de voorkeur iemand te verdragen, die
+aanvankelijk een zwijn gelijkt, maar langzamerhand wat beter wordt, dan
+iemand die met den dag liederlijker wordt, omdat wij onaangenaam tegen
+hem zijn. Wat zou je er van zeggen wanneer ik eens voorbeelden aanhaalde
+van echtgenooten, die door zoo'n vriendelijke bejegening hunne vrouwen
+hebben verbeterd? Hoeveel te meer moeten wij dan 't zelfde doen
+tegenover onze mannen?--XANTIPPE: Als je dat doet, dan zul je een
+voorbeeld aanhalen geheel anders dan _mijn_ man is.--EULALIE: Ik heb
+kennis aan een heer van adel, geleerd, een man van een
+allerbeminnelijkst karakter. Hij had een jong vrouwtje getrouwd,
+zeventien jaar oud, altijd op 't land, in 't huis van haar ouders
+opgevoed, zooals adellijke heeren graag op 't land wonen om de jacht en
+de vogelvangst. Hij wilde juist graag een ongevormd en onontwikkeld
+meisje huwen om haar des te meer naar zijn zin te kunnen zetten. Hij
+begon haar in letterkunde en muziek te onderrichten en haar
+langzamerhand te gewennen hem 't geen zij in de kerk had gehoord te
+vertellen. Hij begon haar door allerlei wetenswaardigheden te
+ontwikkelen, die haar later van nut zouden kunnen zijn. Daar dit alles
+voor 't jonge ding vreemd was, omdat ze bij zich thuis was opgevoed bij
+nietsdoen en bij de conversatie en scherts van de dienstboden, begon
+haar dit te vervelen. Ze wilde zich tegenover haar man niet volgzaam
+toonen en als hij daarop aandrong dan huilde en pruilde zij zonder
+ophouden. Dikwijls wierp ze zich op den grond, met haar hoofd op den
+vloer bonzend alsof zij wenschte dood te zijn. Toen daaraan geen eind
+wilde komen, kwam haar echtgenoot, die deed nèt alsof hij volstrekt niet
+boos was, met de uitnoodiging dat ze samen voor plezier naar buiten
+zouden gaan, naar 't huis van zijn schoonvader. Nu, daar had zijn vrouw
+wel ooren naar. Toen ze daar waren aangekomen werd de jonge vrouw door
+haar man bij haar moeder en haar zusters gelaten. Hij ging met zijn
+schoonvader op de jacht. Onder vier oogen vertelt hij nu aan dezen dat
+hij gehoopt had een gezellige levensgezellin te krijgen, maar dat hij er
+een gekregen had die niets deed dan huilen en zich kwellen en martelen,
+zonder dat er (op welke manier ook) eenige verbetering aan te brengen
+was. Dat hij hem dus vriendelijk verzocht een handje te willen helpen in
+'t genezen van dat, wat werkelijk een ziekte was bij zijn dochter. De
+schoonvader antwoordt hem dat hij hem eenmaal zijn dochter heeft [png.
+086]afgestaan en wanneer zij niet naar zijn woorden wil hooren, dat hij
+dan maar van zijn recht gebruik moet maken en haar met de karwats moet
+zien te verbeteren. Toen zei de schoonzoon weer, dat hij wel wist
+daartoe 't recht te hebben. "Maar," zei hij, "ik zou ze liever door uw
+overredingskracht of door uw invloed willen genezen, dan dat ik tot 't
+uiterste middel overga." De schoonvader belooft nu dat hij zijn
+maatregelen zal nemen. Na een paar dagen grijpt hij de gelegenheid aan
+toen hij met zijn dochter alleen is. Terwijl hij zijn gelaat in een
+ernstige plooi zette, begon hij er haar op te wijzen dat ze volstrekt
+niet mooi was, maar óók: wat een weinig beminnelijk karakter zij getoond
+had en hoe vaak hij gevreesd had dat ze geen man voor haar zouden kunnen
+vinden. "Met de grootste moeite heb ik eindelijk een man voor je
+gevonden, zooals ieder meisje, zelfs één dat in de meest gunstige
+omstandigheden verkeert, voor zich zou kunnen wenschen. En toch verzet
+jij je tegen hem, zonder dankbaar te erkennen wat ik voor je gedaan heb
+en zonder te willen inzien, dat je een man bezit die, als hij niet
+bovenmate vriendelijk was, je niet waard zou achten tot zijn
+dienstpersoneel te behooren." Om kort te gaan, uit de woorden van den
+vader sprak zóó de gloeiende toorn, dat 't er heel veel van had of hij
+slechts met moeite zijn handen kon bedwingen. Hij is een man van groote
+slimheid, die elke rol kan spelen, zelfs die geheel buiten zijn eigen
+persoon ligt. De jonge vrouw, die bang werd, maar die zich toch ook wel
+bewust was dat haar vader waarheid sprak, viel hem te voet en smeekte
+hem 't verleden te vergeten, dat ze voortaan zou weten te doen wat haar
+plicht was. Haar vader schonk haar vergiffenis en beloofde in 't vervolg
+ook een liefhebbend vader te zullen wezen, als zij maar deed wat ze
+beloofd had.--XANTIPPE: En verder?--EULALIE: De jonge vrouw gaat nà 't
+gesprek met haar vader naar haar kamer, waar ze haar man alleen
+aantreft. Ze valt hem te voet en zei: "Lieve man, tot nog toe heb ik
+noch u, noch mijzelve gekend. In 't vervolg zal-je zien dat ik anders
+geworden ben: vergeet 't vroeger gebeurde." Haar man ving die woorden op
+in een kus en beloofde haar alles wat ze maar wilde, zoo ze bij dat
+goede voornemen bleef.--XANTIPPE: Nu, en is ze er bij
+gebleven?--EULALIE: Tot aan haar laatste uur en er was niets zoo nederig
+of laag dat ze niet gewillig en volgaarne op zich nam, wanneer haar man
+het verlangde. Zulk een groote genegenheid ontstond er tusschen hen en
+zoo werd meer en meer de liefde tusschen hen bevestigd. Na eenige jaren
+wenschte zij zich dubbel en dwars geluk dat ze zoo'n uitstekend
+echtgenoot had mogen huwen. "Als ik dien niet gekregen had, zou ik de
+ongelukkigste vrouw ter wereld zijn geweest."--XANTIPPE: Maar zóó'n man
+is dan ook een witte raaf.--EULALIE: Wanneer je er niets tegen hebt dan
+wil ik je ook nog een voorbeeld aanhalen, omgekeerd, van een echtgenoot
+die door den tact van zijn vrouw in het rechte spoor werd gebracht, wat
+onlangs in deze stad hier is gebeurd.--XANTIPPE: 'k Heb op 't oogenblik
+niets beters te doen en ik zit zoo gezellig naar je gebabbel te
+luisteren.--EULALIE: Daar was een heer van hoogen adel die, zooals dat
+onder dat slag van menschen gewoonte is, veel aan de jacht deed. Op 't
+platte land trof hij een meisje aan, de dochter van een arm vrouwtje en
+ofschoon hij op wat gevorderden leeftijd was, werd hij smoorlijk op 't
+kind verliefd. Terwille van haar bracht hij vaak den nacht buiten de
+echtelijke woning door. De jacht was altijd een welkom voorwendsel. Zijn
+echtgenoote, een vrouw op wie niet 't minste te zeggen viel en van
+onkreukbare rechtschapenheid, kreeg eenigen argwaan en ging in 't geheim
+de wegen van haar man eens na. Toen hij op een keer ergens heen was
+gereisd ging zij naar 't huisje op 't land. Ze vischte de heele zaak
+uit, waar hij sliep, waaruit hij dronk, hoe 't servies was enz. enz.
+Huisraad was er zoo goed als niet: 't was er armoe troef. De dame ging
+heen en keerde weldra terug, terwijl ze een gemakkelijk bed meebracht en
+keukengerei, zelfs eenig zilveren vaatwerk. Ook voegde zij er nog wat
+geld aan toe, met de nadrukkelijke boodschap dat, als de mijnheer weer
+terug kwam, zij hem wat netter moest ontvangen. Zij liet intusschen
+volstrekt niet merken dat zij zijn vrouw was, maar gaf voor zijn zuster
+te zijn. Na eenige dagen komt die echtgenoot daar heimelijk weer terug.
+Hij ziet dat 't huisraad vermeerderd is en dat 't onthaal ruimer is dan
+gewoonlijk. Hij vraagt van waar die ongewone weelde komt. Zij zeggen dat
+een deftige dame die aan hem verwant is, dit alles heeft laten brengen
+en hun heeft opgedragen hem voortaan wat deftiger te ontvangen.
+Onmiddellijk komt 't vermoeden bij hem op, dat 't zijn vrouw is die dit
+heeft gedaan. Hij gaat naar huis en vraagt of zij 't geweest is. Zij
+zegt niet neen. Hij vroeg nu ook, met welke bedoeling zij dat huisraad
+daarheen had gezonden. "Wel manlief," zei ze, "je bent gewoon aan een
+zekere mate van comfort. Ik zag dat je daar minder netjes dan je 't
+gewoon bent, wordt ontvangen. Nu meende ik dat 't mijn plicht was te
+zorgen dat je 't daar wat beter kreegt, omdat ik weet dat je daarop
+gesteld bent."--XANTIPPE: Nu die dame is wel wat al _te_ goed. Ik zou
+liever in plaats van een zacht bed een bundel brandnetels of
+spinaziezaad onder hem gestrooid hebben.--EULALIE: Hoor nu hoe het
+afliep. Toen de man die rechtschapenheid van zijn vrouw had leeren
+kennen en tevens haar vriendelijkheid, is hij nooit meer naar zijn
+bijzit gegaan, maar vond zijn genoegen bij zijn eigen vrouw. Ik meen te
+weten dat je Gilbert uit Holland wel kent?--XANTIPPE: Ja
+zeker.--EULALIE: Hij is getrouwd zooals je weet, ofschoon hij nog jong
+en krachtig is, met een vrouw van wat meer gevorderden leeftijd, al
+zoo'n beetje "op haar retour."--XANTIPPE: Hij heeft haar misschien
+getrouwd "om het gelletje, niet om het velletje" zooals ze dat
+noemen.--EULALIE: Je kon wel eens gelijk hebben. Hij had niet veel schik
+in zijn vrouw en hield veel van een ander vrouwtje dat hij zoo af en toe
+wel eens buitenshuis zag. Zelden gebruikte hij 't ontbijt of het
+middagmaal thuis. Wat zou _jij_ in dat geval doen?--XANTIPPE: Wat _ik_
+zou doen? Ik zou dat liefje in de haren vliegen en wanneer mijn man
+uitging naar haar toe, hem een pot met water over zijn lijf gooien, dat
+hij goed gezalfd naar zijn feestmaal zou stappen.--EULALIE: Wat deed die
+andere dan toch veel verstandiger! Zij noodde 't liefje van haar man
+uit, om bij hem thuis te komen en ontving haar vriendelijk. Zoo hield ze
+haar man ook zonder tooverdranken bij zich thuis. En als hij soms eens
+buitenshuis met haar at, dan zond ze daar een lekkeren schotel heen met
+de boodschap er bij, dat ze 't er maar eens lekkertjes van moesten
+nemen.--XANTIPPE: Nu, _ik_ zou liever dood gaan dan mijn mans
+koppelaarster te wezen.--EULALIE: Maar ga nu intusschen de zaak eens
+goed na. Was dit niet heel wat beter, dan wanneer zij door een
+kwaadaardig optreden haar man geheel en al van zich had vervreemd en
+verder haar geheele leven in twist en onmin had moeten
+doorbrengen?--XANTIPPE: Ik moet toegeven dat er nu minder kwaad is
+gesticht. Maar _ik_ zou het niet kunnen.--EULALIE: 'k Zal er nog één
+voorbeeld aan toevoegen en dan houd ik op. Onze buurman van hiernaast is
+een braaf en rechtschapen man, maar hij is een beetje opvliegend. Op een
+goeden dag had hij zijn vrouw, iemand die algemeen als lief en aardig
+bekend staat, geslagen. Zij ging in de achterkamer en onder tranen en
+snikken verkropte zij daar haar harteleed. Een poosje daarna komt
+toevallig haar man ook in die kamer en vindt er zijn vrouw in tranen.
+"Wat zit je hier te huilen en te snikken, net als kleine kinderen doen?"
+Zij vroeg hem voorzichtig: "Nu, is het niet beter dat ik hier mijn leed
+beween, dan dat ik op straat ga staan schreeuwen, zooals andere vrouwen
+wel doen?" Door deze zoo echt vrouwelijke en innige woorden brak zij den
+toorn van haar man en hij gaf zich gewonnen. Bij handslag beloofde hij
+zijn vrouw, dat hij nooit weer de hand aan haar zou slaan--en, hij heeft
+'t ook nooit weer gedaan.--XANTIPPE: Ik heb 't zelfde van mijn man op
+een andere manier gedaan gekregen.--EULALIE: Maar intusschen is het
+tusschen jelui beiden altijd vechten.--XANTIPPE: Wat zou je dan willen
+dat ik deed?--EULALIE: Vooreerst, zwijgen over alles wat je man verkeerd
+doet en zijn liefde langzamerhand winnen door voorkomendheid,
+vriendelijkheid en toegevendheid. Dan zul je hem eindelijk wel gewillig
+zien of tenminste zul-je hem thuis veel meer naar je hand gezet hebben
+dan hij nu is.--XANTIPPE: Hij is veel te heftig van aard dan dat ik hem
+zou kalmeeren door voorkomendheid.--EULALIE: Zeg dat niet! Daar is zelfs
+geen wild beest zóó woest of 't is door zachtheid te temmen. Daar behoef
+je dus bij een mensch nog minder aan te wanhopen. Probeer 't eens enkele
+maanden. Je mag 't _mij_ wijten, als je bemerkt dat deze raad je niet
+gebaat heeft. Verder zijn er enkele gebreken die je een beetje door de
+vingers moet zien. In de allereerste plaats moet je er voor oppassen
+geen twist in je slaapkamer of in je bed te verwekken. Je moet
+daarentegen zorgen dat 't daar altijd opgewekt en prettig is. Een vrouw
+moet er altijd voor zorgen dat haar man aan niets aanstoot kan nemen;
+zij moet er haar uiterste best voor doen als ze met haar man samen is,
+zich op alle manieren vriendelijk en opgewekt te toonen.--XANTIPPE: Ja,
+voor een man, maar _ik_ heb met een _beest_ te doen.--EULALIE: Houd nu
+op met kwaadspreken. Over 't algemeen zijn de mannen door ónze schuld
+slecht voor ons. Maar om tot ons onderwerp terug te keeren. Zij die
+thuis zijn in de oude verhalen der dichters, vertellen ons dat Venus
+(zoo noemen zij de godin die het huwelijk beschermt) een gordel heeft,
+door de kunstvaardige hand van Vulcanus bewerkt. Daarin moet alles
+gewerkt zijn wat kan dienen om liefde te wekken. Dien gordel doet zij
+aan, zoo dikwijls zij van plan is naar haar man te gaan.--XANTIPPE: Nu
+ja, wat je daar vertelt is een fabeltje.--EULALIE: Daaraan heb je wel
+gelijk, maar luister eens wat de bedoeling is van dat
+fabeltje.--XANTIPPE: Nu, zeg eens op.--EULALIE: 't Leert ons dat een
+vrouw alle moeite moet aanwenden, om als ze met haar man samen is, hem
+ter wille te zijn, om de liefde van haar echtgenoot warm te houden en te
+doen opvlammen en om uit zijn geest te verdrijven al wat hem aanstoot
+kan geven of zijn tegenzin kan wekken.--XANTIPPE: Maar waar halen wij
+zoo'n gordel van daan?--EULALIE: Geen heksenkruiden of
+bezweringsformules hebben wij noodig. Geen betoovering is machtiger dan
+een rechtschapen karakter verbonden met zachtheid.--XANTIPPE: Ik kan
+tegen zoo'n man als de mijne is niet vriendelijk wezen.--EULALIE: En
+toch hangt 't geheel van je zelve af of hij zal ophouden zóó te zijn als
+hij nu is. Als je door de kunsten van een toovenares als Circe je man in
+een zwijn of een beer kon veranderen, zou je het dan doen?--XANTIPPE:
+Dat weet ik niet.--EULALIE: Weet je dat niet? Of zou je liever een zwijn
+tot man hebben dan een mensch?--XANTIPPE: Natuurlijk liever een
+mensch.--EULALIE: Welnu, wanneer je dan door tooverkunsten je man van
+een dronkenlap tot een matig mensch kon maken, van een verkwister tot
+een zuinig persoon, van een leeglooper tot een werkzaam man, zou je dat
+dan niet doen?--XANTIPPE: Ja zeker zou ik dat. Maar hoe kom ik aan die
+door u bedoelde toovermiddelen?--EULALIE: Wel je hebt ze tot je
+beschikking, als je ze maar wilt aanwenden. Hij moet van u zijn, of hij
+wil of niet. Hoe beter je hem maakt, des te beter behartig je je eigen
+belang. Je hebt nu maar altijd je oogen gericht op zijn gebreken en deze
+maken je afkeer van hem steeds grooter. Gij pakt hem altijd juist bij 't
+handvatsel aan waar hij niet bij moet worden beetgepakt. Let liever ook
+op zijn goede zijden, en vat hem daar aan, waar je wèl hoûvast aan hem
+hebt. Vóór ge met hem trouwdet hadt ge tijd om te overwegen welke
+slechte eigenschappen hij bezat. Immers men moet niet alleen met de
+oogen maar ook met de ooren den man dien men koos, leeren liefhebben. Nu
+is de tijd gekomen om fouten te herstellen, niet meer om er een
+beschuldiging van te maken.--XANTIPPE: Welke vrouw heeft ooit haar man
+"met de ooren" genomen?--EULALIE: Ik zou zoo zeggen: een vrouw neemt
+haar man met de _oogen_, wanneer ze op niets anders let dan op zijn
+mooie lichaam; met de _ooren_ daarentegen, wanneer ze nauwkeurig nagaat
+wat er over hem verteld wordt.--XANTIPPE: Een goede waarschuwing, maar
+die wat laat komt.--EULALIE: Een poging om je man te verbeteren, komt
+nooit te laat. En daartoe kan heel veel bijbrengen of je je man ook een
+kindje schenkt.--XANTIPPE: Dat is er al.--EULALIE: Wanneer?--XANTIPPE:
+Al lang.--EULALIE: Hoeveel maanden al?--XANTIPPE: Bijkans
+zeven.--EULALIE: Wat hoor ik! Is 't een jongen?--XANTIPPE: Ja.--EULALIE:
+Nu, die brengt de zaak tusschen je beiden wel weer in orde, als jij je
+zelve maar een beetje inschikkelijk wilt toonen. En hoe spreken anderen,
+de vrienden van je man over hem? Met wie gaat hij buitenshuis
+om?--XANTIPPE: Ze zeggen algemeen dat hij gemakkelijk van karakter is,
+vrijgevig, meegaand, recht hartelijk voor zijn vrienden.--EULALIE: Juist
+al die eigenschappen geven mij goeden moed dat jij hem wel zult krijgen
+zooals je hem hebben wilt.--XANTIPPE: Alleen tegenover mij is hij niet
+zoo.--EULALIE: Maar gedraag jij je nu tegenover hem zooals ik je geraden
+heb. En dan mag je mij een leugenaarster noemen, als hij ook niet zoo
+tegenover u zal wezen. Bedenk ook wel dat hij nog jong is: 'k geloof nog
+niet eens vierentwintig jaar. Hij weet nog niet wat 't zeggen wil
+huisvader te wezen. Je behoeft nog niet over echtscheiding te
+denken.--XANTIPPE: Nou, ik heb er wàt vaak over gedacht.--EULALIE: Als
+je daarover dan wéér gaat denken, overweeg dan eerst eens bij je zelf,
+hoe weinig een gescheiden vrouw in de melk te brokken heeft, 't
+Schoonste sieraad voor een vrouw is: haar man ter wille en gehoorzaam te
+zijn. Zoo heeft de natuur 't ingericht, zoo heeft God het gewild, dat de
+vrouw geheel zou afhangen van den man. Denk er verder aan: 't vermogen
+behoort den man: een ander kan er niet aanraken. En denk dan aan 't
+knaapje dat u beiden toebehoort. Wat zult ge omtrent hem bepalen? Zult
+_gij_ hem bij u houden? dan berooft ge uw man van zijn bezit. Zult ge 't
+ventje bij _hem_ laten? dan berooft gij u zelf van 't dierbaarste wat ge
+hebt. Zeg me ten slotte nog dit: zijn er soms menschen die je een kwaad
+hart toedragen?--XANTIPPE: Ja, ik heb een echte stiefmoeder, en
+bovendien een schoonvader, net zoo erg als zij.--EULALIE: Zijn die je
+zóó kwaadwillig gezind?--XANTIPPE: Ik geloof dat ze mij graag dood
+zouden willen zien.--EULALIE: Welnu denk dan ook eens aan die twee. Kunt
+ge hun wel grooter genoegen doen, dan wanneer zij je gescheiden zien van
+je man; dat je als een weduwe, neen erger dan een weduwe moet leven?
+Want weduwen mogen tenminste nog hertrouwen.--XANTIPPE: Ik vind je raad
+heel goed, maar ik zie op tegen de langdurige moeite.--EULALIE: Maar
+bedenk dan eens hoeveel moeite gij wel hebt moeten doen om dezen
+papegaai enkele menschelijke woorden te leeren praten.--XANTIPPE: Heel
+wat, dat is zeker.--EULALIE: En dan zou je opzien tegen de moeite om je
+man wat te verbeteren om verder met hem een prettig leven te slijten?
+Hoeveel moeite getroosten de menschen zich om een paard naar hun zin te
+krijgen en mogen wij er dan bezwaar tegen hebben om ons best te doen ten
+einde onze echtgenooten meer naar onze hand te zetten?--XANTIPPE: Wat
+moet ik dan doen?--EULALIE: Dat heb ik je al gezegd. Zorg dat in huis
+alles netjes en proper is: dat niets hem aanstoot kan geven, zoodat 't
+hem uit het huis jaagt. Wees vriendelijk tegen hem en tevens met een
+zeker eerbiedsvertoon dat een echtgenoote aan haar man verschuldigd is.
+Wees opgewekt, maar niet uitgelaten; wees niet stroef, maar ook niet
+dartel. Thuis moet hij zijn tafel wèlvoorzien vinden. Je kent den smaak
+van je man, kook dus voor hem wat hij 't lekkerst vindt. Toon je ook
+voor zijn vrienden toeschietelijk en welwillend. Noodig hen vaak bij je
+te gast. Maak aan tafel dat alles vol van vroolijkheid en opgewektheid
+is. En wanneer hij dan eindelijk, door den wijn een kleine verheuging
+heeft gekregen en op zijn cither gaat tokkelen, welnu begeleid hem dan
+met uw zang. Zoo zult gij uw man gewennen aan huiselijkheid en zult gij
+tevens zijn uitgaven verminderen. Want ten langen leste moet hij toch
+zóó gaan denken: "Ik ben dan toch wel gek dat ik buitenshuis met groote
+schade voor mijn beurs en voor mijn goeden naam met een liefje leef,
+terwijl ik thuis een vrouwtje heb, veel aardiger en dat dol van mij
+houdt en bij wie ik 't veel netter en royaler kan hebben."--XANTIPPE: En
+denk je dat 't mij gelukken zal wanneer ik 't probeer?--EULALIE: Zie
+maar naar mijn voorbeeld. Richt je naar mij. Intusschen zal ik je man
+wel eens te spreken krijgen en ik zal hem aan zijn plicht
+herinneren.--XANTIPPE: Ik vind dat wel heel vriendelijk van je, maar pas
+op dat hij soms geen lont ruikt: hij zou hemel en aarde
+bewegen.--EULALIE: Maak je niet bezorgd. 'k Zal wel zooveel omwegen
+gebruiken dat hij mij uit zichzelf vertelt wat voor ongenoegen er
+tusschen u beiden is voorgevallen. Wanneer hij dat gedaan heeft dan zal
+ik hem, zooals ik dat gewoonlijk doe, heel vriendelijk onder handen
+nemen en hem voor u, naar ik hoop, veel handelbaarder maken. En zoo ter
+loops zal ik wel eens ter sprake brengen hoe lief jij je over hem hebt
+uitgelaten.--XANTIPPE: 'k Hoop dat Christus onze pogingen zal
+zegenen!--EULALIE: Hij zal je helpen, als jij je zelve wilt helpen.
+
+
+ * * * * *
+
+
+HERBERGEN IN DUITSCHLAND
+
+
+BERTHOLF EN WILLEM.
+
+ Voor de cultuurgeschiedenis is de samenspraak die tot titel voert
+ "Diversoria of Herbergen" hoogst gewichtig. Erasmus heeft veel
+ gereisd en de schildering die hij geeft van de logementen zal er
+ wel een zijn, naar waarheid geteekend, al staan wij ook verbaasd
+ over de mededeelingen van morsigheid, ruwheid, 't gebrek aan alles
+ wat naar comfort lijkt, de afwezigheid, van iets wat naar
+ voorkomendheid zweemt. De beschaving was van de logementen en
+ herbergen nog ver verwijderd: de waarden uit die inrichtingen
+ zullen Erasmus' hekeltaal wel niet gelezen hebben en zich door haar
+ niet hebben verbeterd. Als schildering van zeden uit de 15e eeuw
+ heeft dezer samenspraak groote waarde.
+
+BERTHOLF: Waarom vinden zooveel menschen 't prettig zich twee of drie
+dagen te Lyon op te houden? Als ik eenmaal op reis ben rust ik niet voor
+'k ben waar ik wezen moet.--WILLEM: Neen, omgekeerd! Ik verwonder er mij
+juist over dat iemand zich uit Lyon laat weghalen.--BERTHOLF:
+Hoezoo?--WILLEM: Omdat 't daar een plaats is, als die van waar de
+gezellen van Ulysses niet konden worden losgerukt; omdat daar de Sirenen
+haar verblijf hebben opgeslagen. Niemand wordt in zijn eigen huis beter
+verzorgd dan dáár in een hotel.--BERTHOLF: Hoe komt dat?--WILLEM: Wel,
+aan tafel staat steeds een vrouwspersoon om de gasten door haar grappen
+en geestigheden op te vroolijken. Verder vindt men daar vele vrouwen van
+buitengewone schoonheid. Eerst kwam de vrouw des huizes ons begroeten,
+terwijl ze ons een opgewekt en vroolijk verblijf toewenschte en de hoop
+uitsprak dat wij 't geen ons werd voorgezet ons goed zouden laten
+smaken. Daarna kwam haar dochter binnen, een elegant persoontje, rad van
+tong, levenslustig en gezellig in haar optreden, zoodat ze zelfs een
+brompot als Cato zou kunnen opvroolijken. En ze praatten met haar gasten
+niet als met vreemden, maar als met oude vrienden en
+kennissen.--BERTHOLF: Daaraan zie je weer de beschaving van 't Fransche
+volk.--WILLEM: Maar daar ze toch niet voortdurend bij ons konden blijven
+omdat haar huiselijke bezigheden haar riepen en ook de andere gasten
+door haar begroet moesten worden, stond er aanhoudend een meisje bij
+ons, klaar voor allerlei grapjes. Zij was, in haar eentje best in staat
+om alle geestigheden terug te kaatsen: ze speelde haar rol goed en zette
+'t gesprek voort totdat de dochter des huizes terug zou komen. Want de
+moeder was al een beetje op jaren.--BERTHOLF: Maar hoe was nu eigenlijk
+wel 't eten? Want praatjes vullen de maag niet.--WILLEM:
+Allervoortreffelijkst, zoodat ik er verbaasd over sta, dat zij voor zóó
+weinig geld gasten kunnen opnemen. En na den maaltijd onderhouden zij de
+menschen weer zóó met aardige vertellingen, dat geen verveling hen
+bekruipt. Ik verbeeldde me thuis te wezen en niet in den
+vreemde.--BERTHOLF: En hoe was 't in de slaapkamers?--WILLEM: Daar waren
+overal steeds eenige kamermeisjes, lachebekjes, dartel, speelsch: uit
+zichzelf vroegen ze of we ook vuile kleeren hadden, en die wieschen ze
+dan en brachten ze ons gewasschen terug. Om kort te gaan: we zagen daar
+niets dan meisjes en vrouwen. Behalve in den stal--ofschoon de meisjes
+daar ook dikwijls kwamen binnenstuiven. Bij ons vertrek zoenden ze ons
+en waren bij het afscheid zóó hartelijk alsof wij allen broeders waren
+of ten minste zeer na-verwanten.--BERTHOLF: Nu die gewoonten zijn
+misschien bij de Franschen in eere: ik houd meer van die der Duitschers.
+Die zijn manlijker.--WILLEM: Ik heb Duitschland nog nooit mogen bezoeken
+en daarom zou ik je wel willen verzoeken, als 't je niet te lastig is,
+mij eens te vertellen hoe ze daar een gast ontvangen.--BERTHOLF: Of men
+overal dezelfde behandeling ondervindt, weet ik niet, maar ik zal je
+vertellen wat ik er zag. Bij je aankomst is er niemand die je begroet.
+Dat doen ze om niet den schijn te hebben dat ze je aanhalen. Dat toch
+houden ze voor laag en verachtelijk en de Duitsche strengheid onwaardig.
+Wanneer je nu lang hebt staan roepen, dan komt eindelijk uit een klein
+venstertje van de kamer waar de algemeene haard zich bevindt (want daar
+verblijven ze tot ongeveer den langsten dag) een hoofd steken, net als
+een schildpad haar kop uit haar schaal steekt. Aan dien persoon nu moet
+men vragen of men daar zijn intrek mag nemen. Als hij niet neen zegt,
+dan kun je er op rekenen, dat je een plaatsje gegund wordt. Op je vraag
+waar de stal is, wijst men u dien met een handbeweging. En daar mag je
+dan je paard op je eigen manier behandelen. Geen knecht toch steekt er
+een hand uit. Als de herberg wat druk bezocht is, dan wijst een knecht
+je de stalling en de minst geschikte plaats voor je paard. Want de
+mooiste plaatsen bewaren ze voor hen die nog later komen, vooral voor
+edellieden. En als je eenige bezwaren maakt, dan krijg je dadelijk te
+hooren: "Als 't je niet bevalt zoek dan maar een ander onderkomen." Hooi
+geven ze je in de steden weinig, met mondjesmaat; en je moet dit niet
+heel veel goedkooper dan haver betalen. Als er nu voor je paard gezorgd
+is, dan verhuist ge naar de gelagkamer en je gaat zitten aan den grooten
+haard, met kaplaarzen en bagage, beslikt en wèl. Dat vertrek is voor
+allen gemeenschappelijk bestemd.--WILLEM: In Frankrijk wijzen ze je
+vertrekken aan om je uit te kleeden of je af te boenen, je te verwarmen
+of ook wel uit te rusten als je er lust in hebt.--BERTHOLF: Hier niets
+van dat alles. In de gelagkamer doe-je je laarzen uit, trek-je je
+schoenen aan, schiet-je een ander hemd aan als je daar behoefte aan
+hebt, hang-je naast den haard de door den regen nat geworden kleeren om
+uit te dampen. Je schuift er zelf bij, om te droogen. Daar staat ook
+water klaar als je je handen wilt wasschen, maar dat is meestal zóó
+helder, dat je daarna weer ander water moet vragen om dat sopje af te
+spoelen.--WILLEM: Nu, die mannen, zóó weinig verwijfd, verdienen een
+pluimpje!--BERTHOLF: En bijgeval je in den namiddag te vier uren
+aankomt, eet je toch niet vóór 's avonds negen, soms tien uren.--WILLEM:
+Waarom?--BERTHOLF: Ze maken niets klaar vóór ze gezien hebben hoeveel
+gasten er zijn, om in ééne moeite voor allen gezamenlijk alles gereed te
+maken.--WILLEM: 't Zijn menschen die blijkbaar van beknoptheid
+houden.--BERTHOLF: Daar heb-je het. En zoo zijn er wel eens tachtig of
+negentig gasten, voetreizigers, ruiters, kooplieden, schippers,
+koetsiers, boeren, vrouwen en kinderen, gezonden en zieken bij
+elkander.--WILLEM: Dat lijkt wel een echte broedergemeente.--BERTHOLF:
+De één kamt er zijn haren, een tweede veegt zich het zweet af, een derde
+reinigt er zijn kaplaarzen of zijn slobkousen, een ander weer laat
+allerlei onsmakelijke geluiden hooren. Om kort te gaan: daar is een even
+groote spraak- en persoonsverwarring als indertijd bij den torenbouw van
+Babel. En als ze iemand zien die tot een vreemde natie behoort, die door
+een goed verzorgd uiterlijk zich eenigszins aanzienlijk voordoet, dan is
+aller aandacht op hem gericht en ze zitten hem aan te kijken alsof hij
+een vreemdsoortig wezen is uit Afrika aangebracht, zelfs zóó, dat
+wanneer ze later aan tafel aanzitten, ze hem blijven aankijken, terwijl
+ze naar hem òmzien en hun oogen niet van hem afhouden, terwijl ze hun
+eten vergeten.--WILLEM: Te Rome, te Parijs en te Venetië kijkt niemand
+verwonderd naar iets, wàt ook.--BERTHOLF: Intusschen mag men om _niets_
+vragen. Wanneer de avond een goed eind gevorderd is, en ze geen gasten
+meer verwachten dan komt een oude knecht voor den dag, een kerel met een
+grauwen baard, kort geknipt haar, stuursch gelaat en vuile
+kleeren.--WILLEM: Zulk slag van menschen moesten de kardinalen te Rome
+tot tafelbedienden hebben!--BERTHOLF: Terwijl hij zijn blikken over de
+gasten laat gaan, telt hij zachtjes bij zich zelven hoeveel er in de
+gelagkamer zijn. Hoe meer hij er telt des te harder stookt hij het
+haardvuur onder de schouw op, ook al is 't in den tijd, dat de zon reeds
+lastig is door haar gloed. Bij hen geldt het voor een goede behandeling,
+wanneer allen 't zweet van 't lijf gudst. En als iemand, aan zooveel
+warmte niet gewend, het venster op een kiertje zet om niet te stikken,
+dan hoort hij dadelijk: "Doe dicht!" En als je dan antwoordt: "Ja maar,
+ik kan 't hier niet uithouden!" dan krijg je te hooren: "zoek dan maar
+een andere herberg op."--WILLEM: Maar toch lijkt me niets ongezonder dan
+dat zooveel menschen dezelfde warme stiklucht inademen, en vooral
+wanneer alle kleeren los zijn, alle poriën van 't lichaam openstaan, dat
+men in die atmosfeer gaat zitten eten en daarin eenige uren vertoeft. Ik
+laat nu nog zelfs dáár allerlei onsmakelijke en walgelijke uitlatingen:
+maar er zijn ook velen die aan verborgen ziekten lijden en elke
+krankheid brengt haar eigenaardige besmetting mee. Zeer velen zijn ook
+aangetast door de Spaansche (of zooals sommigen 't noemen: Fransche
+schurft[1]), terwijl ze toch net zoo goed bij alle volkeren voorkomt.
+Intusschen geloof ik dat daarvan even groot gevaar te duchten is, als
+van melaatschen. Ga maar eens na of deze kwaal heel veel verschilt van
+de pestziekte.--BERTHOLF: 't Zijn moedige mannen, ze lachen er wat om
+en--geven er niets om.--WILLEM: Maar ondertusschen zijn ze moedig met
+gevaar voor veel anderen.--BERTHOLF: Wat zul-je er aan doen? Zij zijn 't
+nu éénmaal zoo gewoon. En 't is een kenmerk van een standvastig man om
+niet van zijn eenmaal ingenomen standpunt af te wijken.--WILLEM: Goed,
+maar een vijfentwintig jaren geleden was bij de Brabanders niets meer in
+zwang dan de publieke badstoven: nu zijn ze overal opgeruimd. Die
+vreemde ziekte heeft ons wel geleerd er voor op te passen.--BERTHOLF:
+Maar hoor nu verder. Daarna komt die gebaarde schenker weer terug, en
+legt op tafel zooveel servetten als hij voor 't getal gasten genoeg
+oordeelt. Maar groote goden, wat een grof linnen! Je zoudt zeggen
+zeildoek zóó van den mast afgehaald. Voor elke tafel heeft hij op zijn
+minst acht gasten bestemd. Zij, die weten hoe 's lands wijs is, gaan
+zitten waar ze willen. Daar toch wordt geen onderscheid gemaakt tusschen
+rijk en arm, tusschen heer en knecht.--WILLEM: Daar heb je die
+gelijkheid uit den goeden ouden tijd, die de dwingelandij uit onze
+maatschappij heeft doen verdwijnen. Zoo verkeerde, zou ik denken,
+Christus ook met zijn jongeren.--BERTHOLF: Nu, wanneer allen aan tafel
+zitten dan komt weer die barsche Ganymedes[2] voor den dag en telt
+opnieuw de gasten. Dan komt hij spoedig terug en plaatst voor ieder een
+houten bord en een lepel van 't zelfde kostbaar materiaal, verder een
+glazen drinkbeker en na een poosje wat brood. Tot tijdverdrijf maakt
+ieder voor zich dat glas een beetje schoon, terwijl de brei gekookt
+wordt. En zoo zit men dan dikwijls ongeveer een heel uur te
+wachten.--WILLEM: En is er dan geen van de gasten die intusschen eens om
+eten vraagt?--BERTHOLF: Niemand die weet hoe 't in dit land toegaat.
+Eindelijk wordt de wijn op tafel gezet. Maar kerel! wat is dat een jong
+en schraal wijntje! De Sophisten moesten geen anderen drinken, zóó'n dun
+en scherp kostje is 't. En als een gast vraagt, of hij tegen extra
+betaling niet een beter merk kan krijgen, dan doen ze eerst alsof ze hem
+volstrekt niet begrijpen, maar met een gezicht alsof ze je willen
+vermoorden. Als je aanhoudt, antwoorden ze: "Hier hebben zooveel graven
+en markiezen hun intrek genomen, en nooit heeft er een over mijn wijn
+geklaagd. Als 't u niet bevalt, zoek dan maar een andere herberg op."
+Alleen de edellieden van hun land beschouwen ze als menschen en hunne
+wapens toonen ze overal met ophef.--Eindelijk hebben ze de spijs klaar
+om die aan uw van honger rammelende maag voor te zetten. Weldra worden
+dan ook de schotels met groote praal opgedragen. De eerste schotel
+vertoont doorgaans stukken brood geweekt in bouillon, of, als het
+vastendag is, in groentenat. Verder een andere soep, daarna iets van
+opgestoofd vleesch of een opgewarmde zoutevischschotel. Dan weer eens
+brei, verder wat spijs in vasteren vorm, tot ze aan de behoorlijk
+getemde maag gebraden vleesch of gebakken visch voorzetten, die niet
+geheel en al te versmaden is. Maar ze zijn er zuinig mee en nemen ze
+spoedig weer van de tafel af. Op die manier regelen zij den heelen
+maaltijd, zooals ook tooneelspelers doen die koren invoegen in hunne
+stukken. Zoo voegen zij om den anderen tusschen de spijzen koek en brei.
+Ze zorgen er voor dat het slottooneel 't meest pakkende is.--WILLEM: Dat
+is zooals een goed dichter zijn taak opvat.--BERTHOLF: Het zou een
+doodzonde wezen als iemand onder den maaltijd eens zei: "neem dien
+schotel maar weg. Daar eet toch niemand van." Men moet blijven zitten
+tot den voorgeschreven tijd, dien ze met wateruurwerken, meen ik,
+afmeten. Eindelijk treedt die gebaarde knecht weer op of de herbergier
+zelf, die in kleeding al heel weinig van zijn bedienden verschilt. Hij
+vraagt of men nog iets belieft? En dan komt er een beetje beter soort
+wijn op tafel. Die flink kunnen drinken, mogen zij 't liefst lijden,
+ofschoon hij die de grootste hoeveelheid wijn verzwelgt geen cent meer
+betaalt dan hij die 't minst dronk.--WILLEM: Vreemd volkje!--BERTHOLF:
+Vooral, omdat er wel eens zijn die dubbel zooveel aan wijn verteren, dan
+ze voor hun maal betalen. Maar vóór ik nog van de beschrijving van den
+maaltijd afstap, kan ik er niet genoeg op wijzen, wat een gedruisch en
+gegons van stemmen er ontstaat wanneer allen door den drank een beetje
+verhit geraken. Om kort te gaan: hooren en zien vergaan je. Dikwijls
+mengen zich onder het gezelschap hansworsten en potsenmakers. Ofschoon
+er geen soort menschen is meer verachtelijk dan zij, zou je toch niet
+gelooven hoeveel schik de Duitschers daarin hebben. Zij maken door hun
+gezang, gekakel, lawaai, gespring en gestamp dat de gelagkamer dreigt in
+te storten en men elkaar absoluut niet kan verstaan. Maar dat schijnt
+hun nu eerst een recht aardig leventje toe en men moet er, goedschiks of
+kwaadschiks, wel bij blijven zitten tot diep in den nacht.--WILLEM: Maak
+nu maar een eind aan 't verhaal van dien maaltijd, want ook mij duurt
+hij wat lang en hij begint me te vervelen.--BERTHOLF: Nu goed: ik zal
+eindigen. Nadat de kaas is weggenomen, die ze alleen lekker vinden als
+ze goed rot is en wegloopt van de wurmen, dan komt de baardman weer voor
+den dag met een houten bord in de hand, waarop hij met krijt eenige
+heele of halve cirkels teekent. Dat bord legt hij op tafel neer,
+zwijgend en somber, men zou zeggen dat hij een Charon of zoo iets was.
+Zij die weten wat die teekens beduiden, leggen er geld op: daarop volgt
+een ander, en weer een ander totdat de plank vol is. Hij noteert wie
+geld heeft neergelegd en rekent bij zich zelf na. Als er niets aan
+ontbreekt knikt hij met zijn hoofd dat 't goed is.--WILLEM: En als er
+eens iets te veel is?--BERTHOLF: Misschien zou hij 't dan wel
+teruggeven. En dat gebeurt dan ook wel eens.--WILLEM: En maakt niemand
+een aanmerking over te hooge rekening?--BERTHOLF: Niemand die verstandig
+is. Want dan zou hij dadelijk te hooren krijgen: "Wat ben jij voor een
+mensch? Je zult niets meer betalen dan iemand anders!"--WILLEM: Die
+menschen zijn nog al vrij in hun optreden.--BERTHOLF: En als nu iemand,
+vermoeid van de reis, spoedig na den maaltijd zijn bed wil opzoeken, dan
+zegt men hem om maar te wachten tot ook de anderen gaan slapen.--WILLEM:
+Dat is dunkt mij, zoowat de Staat van Plato.--BERTHOLF: Dan wordt aan
+ieder zijn nestje getoond, en dat is in den waren zin des woords ook
+niets dan een ligplaats. Er zijn alleen maar bedden en verder is er
+niets wat je kunt gebruiken of wat je kunt stelen.--WILLEM: En hoe staat
+'t met de reinheid?--BERTHOLF: Nu, al net als bij 't maal. De lakens
+zijn voor een maand of zes misschien wel eens gewasschen.--WILLEM: En
+hoe gaat 't intusschen met de paarden?--BERTHOLF: Ze worden naar
+denzelfden trant behandeld als de menschen.--WILLEM: Maar ondervindt men
+nu overal een dergelijke behandeling?--BERTHOLF: 't Mag hier eens wat
+schappelijker zijn dan ik verteld heb, dáár nòg wat minder, maar over
+het algemeen is 't toch zoowat hetzelfde.--WILLEM: Als ik je nu eens
+ging vertellen hoe gasten behandeld worden in dat deel van Italië dat ze
+Lombardije noemen en verder in Spanje, in Engeland, in Wales? Want de
+Engelschen hebben deels de gewoonten der Franschen, deels der
+Duitschers, daar ze immers uit een mengsel van die beide volkeren
+gevormd zijn. De bewoners van Wales zeggen dat ze Engelsche inboorlingen
+zijn.--BERTHOLF: Vertel me dat alsjeblieft maar eens. Want ik heb daar
+nooit mogen reizen.--WILLEM: Ja, maar op 't oogenblik heb ik geen tijd.
+De schipper heeft me gezegd dat ik om drie uur aan boord moest wezen als
+ik niet achtergelaten wilde worden en hij heeft mijn bagage. Bij een
+andere gelegenheid zullen we samen wel eens kunnen praten zoolang we
+willen.
+
+
+NOTEN:
+
+[1] Erasmus bedoelt de syphilis die toen haar intrede in Europa had
+gedaan en o.a. ook door den invloed der publieke badstoven,
+onrustbarende uitbreiding had gekregen, zoodat de badgelegenheden dan
+ook weldra, als erkende brandpunten der besmetting, op order der
+overheidspersonen, verboden werden.
+
+[2] De schenker der Grieksche Goden.
+
+
+ * * * * *
+
+
+HET SPOOK OF DE DUIVELBANNING
+
+
+THOMAS EN ANSELMUS.
+
+ Hoe Erasmus reeds ver verheven stond boven de bijgeloovige
+ begrippen van zijn tijd op 't gebied van spoken en duivelbanning,
+ bewijst onderstaande samenspraak. Vinnig spot hij met de kunsten,
+ zelfs door priesters en goed-geloovigen uitgehaald, en 't is niet
+ te verwonderen dat zijn scherptreffende steken en prikken de
+ geestelijkheid zijner dagen sterk tegen hem innamen. Vooral de
+ lagere geestelijkheid was fel op hem gebeten en 't was slechts door
+ hulp van vrienden onder de hoogere machthebbers in de kerk, zelfs
+ te Rome, dat Erasmus de gevolgen van den door hem gewekten haat
+ ontging.
+
+ Dat die haat diep geworteld zat, blijkt wel uit 't verhaal (waar of
+ niet-waar) dat een zeker priester nimmer het portret van Erasmus,
+ dat hij daartoe opzettelijk in zijn woning had opgehangen,
+ voorbijging zonder er tegen te spuwen.
+
+THOMAS: Wat blij nieuws is er dat je zoo vergenoegd bij je zelven lacht,
+alsof je een schat gevonden hadt?--ANSELMUS: Nu, zoo héél ver van de
+waarheid was je met je raden niet verwijderd.--THOMAS: Maar wil-je dan
+aan je vriend niet eens meedeelen wat dat voor goeds is?--ANSELMUS: 't
+Was al lang een hartewensch van me om iemand te hebben aan wiens boezem
+ik mijn vreugde kon uitstorten.--THOMAS: Welnu dan, deel mee.--ANSELMUS:
+'k Heb daareven een allerleukst verhaal gehoord waarvan je zoudt zweren
+dat 't een grappig verzinsel was, als niet plaats, personen en de heele
+zaak mij net zoo goed bekend waren als ik u ken.--THOMAS: Je maakt me
+brandend nieuwsgierig.--ANSELMUS: Je kent Polus, den schoonzoon van
+Faunus?--THOMAS: Heel goed.--ANSELMUS: Nu hij is 't die 't heele stukje
+heeft bedacht en heeft gespeeld.--THOMAS: Ik wil 't graag gelooven. Want
+hij kan zelfs zonder masker of vermomming elke rol spelen.--ANSELMUS:
+Zoo is het. Dan ken-je denk ik ook 't buitentje dat hij niet ver van
+Londen heeft?--THOMAS: Of ik! we hebben daar menigmaal een goed glaasje
+gedronken.--ANSELMUS: Dan kun-je je ook nog wel dien weg voorstellen aan
+beide kanten met boomen op gelijken afstand beplant?--THOMAS: Links van
+het huis een paar pijlschoten ver?--ANSELMUS: Juist. Aan den eenen kant
+van den weg is een drooge sloot, begroeid met kreupelhout en
+doornstruiken. Over een smal bruggetje kom-je van daar in 't open
+veld.--THOMAS: Ja, dat weet ik.--ANSELMUS: Al lang liep het gerucht en
+'t praatje onder de boeren van die plaats, dat bij dit bruggetje een
+spook werd opgemerkt, waarvan men zoo nu en dan de klagende jammerkreten
+kon vernemen. Men vermoedde dat 't de ziel van den een of ander was die
+door vreeslijke pijnigingen werd gekweld.--THOMAS: En van wien ging dat
+praatje uit?--ANSELMUS: Wel, van wien anders dan van Polus? Dat was het
+voorspel van zijn stuk.--THOMAS: Hoe kwam hij er zoo op om dat alles te
+verzinnen?--ANSELMUS: Weet ik? Of 't moet zijn omdat 't een
+eigenaardigheid van hem is. Hij houdt er van met de domheid van 't volk
+door zulke spelletjes den spot te drijven. Laat ik je eens vertellen wat
+van dien aard hij onlangs heeft uitgedacht. Gezamenlijk reden wij in nog
+al grooten getale te paard naar Richmond. Daar waren er onder, die je
+kloeke mannen zoudt kunnen noemen. Het was een prachtige, heldere hemel,
+door geen wolkje verduisterd. Terwijl aller oogen naar den hemel gericht
+waren sloeg Polus over zijn voorhoofd en zijn borst een kruis en terwijl
+zich op zijn gezicht schrik afteekende, sprak hij half luid in zich
+zelf: "God Almachtig, wat zie ik daar?" En aan zijn gezellen die 't
+dichtst bij hem reden en hem vroegen wat hij zag, zei hij terwijl hij
+nog grooter kruisteekens maakte: "Moge de genadige God dit teeken
+afwenden." Toen allen aandrongen om toch te weten te komen wat er was,
+zei hij met star op den hemel gevestigde blikken en terwijl hij met zijn
+vinger een plek aan den hemel wees: "Ziet ge daar dan niet dien
+ontzaglijken draak met vurige horens gewapend en met zijn staart in een
+kring gedraaid?" Toen allen zeiden dat ze niets zagen en hij zei dat ze
+dan toch hun oogen goed moesten inspannen en hij hun intusschen de plek
+bleef aanwijzen zei eindelijk één dat hij 't óók zag, om niet den schijn
+te hebben dat hij slechte oogen had. Een tweede volgde hem na en nog
+weer een. Want deze schaamde zich niet te zien wat voor anderen zóó
+duidelijk scheen te zijn. Om kort te gaan: binnen een drietal dagen was
+'t gerucht als een loopend vuurtje door geheel Engeland verspreid, dat
+zich zulk een verschijning had vertoond. Verwonderlijk evenwel is het,
+hoeveel er in den mond van 't volk niet bijgekomen was. Ook waren er die
+in vollen ernst gingen uitleggen wat 't wonderteeken eigenlijk moest
+beduiden. Natuurlijk had hij die 't geheele stuk in elkaar gezet had
+ontzaglijk veel schik in de domheid der menschen.--THOMAS: O, 't is
+precies een bedenksel voor hèm. Maar om tot je spook terug te
+keeren.--ANSELMUS: Intusschen komt juist bij Polus een zekere priester
+Faunus logeeren, één van die orde voor wie 't niet genoeg is dat ze met
+den latijnschen naam Regulieren worden genoemd, maar die er ook nog
+graag den griekschen naam kanunnik aan zien toegevoegd: kortom, een
+parochie-priester uit 't een of ander dorp in de buurt, een man die zich
+verbeeldde, vooral van zaken van den heiligen dienst nog al heel wat
+verstand te hebben.--THOMAS: Ik begrijp 't. Nu hebben we de acteurs in
+het stuk bij elkaar.--ANSELMUS: Aan den maaltijd werd gesproken over de
+praatjes aangaande het spook. Toen Polus bespeurde dat Faunus niet
+alleen 't gerucht vernomen had, maar 't ook geloofde, begon hij den man
+te bezweren dat hij, zoo'n geleerd en vroom man, de arme ziel, die zoo
+schriklijke plagen moest verduren, te hulp zou komen. "En," zei hij,
+"als ge soms twijfelt, onderzoek dan de zaak, wandel tegen een uur of
+tien eens langs dat bruggetje en dan zul-je 't droevig gejammer hooren.
+Neem maar mee wien je wilt om je te vergezellen. Dan zul-je veiliger
+hooren en tevens zekerder."--THOMAS: Nu, en verder?--ANSELMUS: Na 't
+eten gaat Polus, zooals gewoonlijk, weg om te jagen of op de
+vogelvangst. Terwijl Faunus oploopt naar 't bruggetje, toen 't al zoo
+donker was geworden dat men de omgeving niet duidelijk meer kon
+waarnemen, hoort hij eindelijk een klagend gezucht. Polus wist dat
+geluid allernatuurlijkst na te bootsen, terwijl hij verborgen zat in een
+boschje met een aarden kruik bij zich, waardoor zijn stem, die door de
+holte werd weerkaatst, nog ijslijker klonk.--THOMAS: Dit komediestuk
+overtreft nog 't spookstuk van den dichter Menander.[1]--ANSELMUS: Je
+zult dat nog met meer recht zeggen, wanneer je 't geheel hoort. Faunus
+keert naar huis terug, vol begeerte om te vertellen wat hij gehoord had.
+Polus was langs een korteren weg al eerder thuis gekomen. Daar vertelt
+Faunus aan Polus wat er gebeurd was en dikt het nog wat aan om 't nog
+verwonderlijker te maken.--THOMAS: Kon Polus intusschen zijn lach
+bedwingen?--ANSELMUS: Hij? Hij heeft zijn gelaatsspieren geheel in zijn
+macht. Men zou er op gezworen hebben dat 't een hoogst ernstige zaak
+gold. Eindelijk neemt Faunus, op sterk aandringen van Polus de taak van
+de duivelbanning op zich en brengt dien ganschen nacht in slapeloosheid
+door, terwijl hij overlegt hoe hij op veilige wijze de zaak zal
+aanpakken. Want hij was voor zijn eigen hachje leelijk bang. Eerst
+werden dus de meest uitwerkende duivelbanningsformulieren
+bijeengebracht, en hij voegde er nog eenige nieuwe bij, bijv. één: "bij
+de ingewanden der zalige Maagd Maria," een ander: "bij het gebeente van
+de Heilige Werenfrieda." Vervolgens wordt er een plaats uitgezocht in 't
+open veld, dicht bij 't struikgewas waaruit de stem placht gehoord te
+worden: daaromheen was een tamelijk wijde cirkel getrokken, waarin
+verscheiden kruisteekens en andere figuren stonden. En dat alles
+geschiedde onder 't uitspreken van allerlei formulieren. Daarbij werd
+een groote bak geplaatst vol wijwater. Ook hing zich de duivelbanner een
+heilige stool om den hals, waarvan een perkament afhing dat 't begin
+bevatte van 't Evangelie naar Johannes. In een tasch droeg hij bij zich
+een wassenbeeldje, zulk een, als waarover de Paus jaarlijks zijn zegen
+uitspreekt en die men doorgaans "het Lam Gods" noemt. Met deze wapens
+beschermde men zich oudtijds tegen booze geesten, vóórdat de monnikspij
+van den Heiligen Franciscus van Assisi hun schrik had aangejaagd. Al
+deze voorzorgsmaatregelen waren genomen om te verhoeden dat de geest,
+als 't soms een booze was, op den duivelbanner een aanval zou doen. Maar
+hij durfde zich toch niet alleen toevertrouwen aan zijn cirkel. Men
+besloot er nog een tweeden priester bij te nemen. Nu werd Polus bang
+dat, als er een slimmerd bijgenomen werd, 't geheim van zijn komedie zou
+worden verraden, en hij gaf hem tot helper een pastoor uit de buurt, aan
+wien hij de geheele toedracht verhaald had. Dat toch eischte de geheele
+opzet van 't stuk en 't was iemand die van zoo'n stukje in 't geheel
+geen afkeer had. Toen op den volgenden dag alles behoorlijk gereed
+gemaakt was, stapt tegen tien uur Faunus met den pastoor zijn gewijden
+kring binnen. Polus, die vooruitgegaan was, heft uit het boschje zijn
+geweeklaag aan en Faunus begon nu 't banningswerk. Onderwijl sloop Polus
+heimelijk naar een naastbijzijnde boerderij. Vandaar brengt hij een
+nieuwen persoon mee voor zijn komedie, want die kon alleen gespeeld
+worden met behulp van velen.--THOMAS: Wat doen ze?--ANSELMUS: Ze
+bestijgen zwarte paarden en dragen brandende lantaarns bij zich, maar
+zóó dat ze die verborgen houden onder hun mantels. Toen ze niet ver van
+den kring af waren, hielden ze dit licht voor zich uit om Faunus bang te
+maken en uit zijn cirkel te verdrijven.--THOMAS: Wat een moeite deed die
+Polus toch om den ander te foppen!--ANSELMUS: Ja, zoo is hij. Maar dat
+zaakje was bijkans leelijk voor hem uitgekomen.--THOMAS: Hoe
+dan?--ANSELMUS: Wel, 't scheelde weinig of de paarden, verschrikt door
+dat zoo plotseling vertoonde licht, waren neergestort met hun berijders
+en al. Dat is nu 't eerste bedrijf van 't stuk. Toen ze daarop later op
+den avond weer bij elkander kwamen en in gesprek geraakten, vroeg Polus
+(alsof hij van niets afwist) wat er gebeurd was. Toen vertelt Faunus dat
+hij twee afschuwelijke, booze geesten aanschouwd had, uit hun neus vuur
+blazende, die geprobeerd hadden den cirkel te betreden, maar er door
+zijn krachtige tooverwoorden leelijk waren afgekomen. Toen hierdoor bij
+Faunus de moed toegenomen was, keerde hij op den volgenden dag met
+grooter praal weer terug in zijn afgesloten kring en nadat hij met
+machtige bezweringen 't spook opnieuw had opgeroepen, vertoonde Polus
+zich weer met zijn makker in de verte op hun zwarte paarden, met
+angstwekkend gesnuif, doende alsof zij binnen den kring wilden
+dringen.--THOMAS: Hadden ze hun lantaarns weer bij zich?--ANSELMUS:
+Neen: want dat was hun niet goed bevallen. Maar 'k zal je een ander
+verzinsel van hen vertellen. Ze brachten een lang touw met zich mee. Dat
+lieten ze zachtjes over den grond sleepen en terwijl ze beiden aan
+weerskanten voortreden alsof ze door de tooverspreuken van Faunus werden
+voortgejaagd, sloegen ze de beide pastoors tegelijk met den pot dien ze
+met wijwater gevuld bij zich hadden, tegen den grond.--THOMAS: Kreeg de
+arme kapelaan dàt nu als belooning voor zijn medewerking?--ANSELMUS: Ja:
+en hij wilde dat liever dulden dan zich aan de eenmaal begonnen komedie
+te onttrekken. Toen ze hierna weer bij elkaar kwamen en aan 't praten
+gingen, pochte Faunus er tegenover Polus op, in welk een groot gevaar
+hij had verkeerd en hoe flink hij door zijn tooverspreuken de beide
+booze geesten op den loop had gejaagd. Hij was innig overtuigd dat er
+geen geest zóó schadelijk of onbeschaamd kon wezen die binnen den door
+hem afgebakenden kring zou durven komen.--THOMAS: Die Faunus heeft heel
+veel van een grooten malloot.--ANSELMUS: Stil; je hebt eigenlijk nog
+niets gehoord. De komedie was nu zoover gevorderd, toen, juist van pas,
+de schoonzoon van Polus er bij kwam. Hij is n.l. met diens oudste
+dochter getrouwd. 't Is, zooals je weet, een echt vroolijke
+snaak.--THOMAS: Dat weet ik: van zulke grapjes heeft hij geen
+afkeer.--ANSELMUS: Een afkeer...? Hij zou elken borg in den steek laten,
+als hij zoo'n stukje kon zien vertoonen of er in mee mocht spelen. Zijn
+schoonvader vertelt hem de geheele toedracht en draagt hem de rol op, om
+voor de ziel te spelen. Hij neemt een vermomming aan en met wàt een
+plezier! Hij wikkelt zich in een laken, in zulk een als waarin bij ons
+de lijken worden afgelegd: hij neemt een aangeglommen kool in een test
+bij zich, die, door 't laken heen, een gloeienden weerschijn gaf. Tegen
+den tijd dat 't donker werd gingen ze naar de plaats waar de komedie
+werd afgespeeld. Men hoorde er een vreemd gezucht. Faunus komt met al
+zijn tooverformulieren voor den dag. Eindelijk vertoonde zich de schim
+tusschen het struikgewas, zoo nu en dan zijn vuur toonend en jammerlijk
+zuchtend. Toen Faunus hem bezwoer te zeggen wie hij toch was, sprong
+plotseling uit 't struikgewas Polus in de vermomming van den boozen
+geest voor den dag en riep met huilende stem: "ge hebt geen recht op
+deze schim: ze is van mij," en hij liep verscheidene malen tot aan den
+rand van den tooverkring, als wilde hij op den duivelbanner aanvliegen.
+Maar dadelijk teruggeschrikt door de woorden van het tooverformulier en
+door de krachtige werking van het wijwater, dat de ander in groote
+hoeveelheid had gesprenkeld, trok ze zich terug. Eindelijk was de booze
+geest verdreven die zich als beschermer van de ziel had opgedaan en er
+ontspon zich een gesprek tusschen Faunus en de ziel. Op de nadrukkelijke
+vraag van Faunus antwoordde de verschijning dat zij de ziel was van een
+Christen. Op de vraag hoe hij heette, was het antwoord: "Faunus."
+"Faunus, zoo heet ik óók." En thans trok hij zich de zaak nog meer aan,
+nu het een naamgenoot gold. Hij, Faunus, moest toch den anderen Faunus
+verlossen. Terwijl Faunus nu met allerlei vragen aankwam, pakte de schim
+zijn biezen, omdat hij bang werd dat het rekken van het onderhoud 't
+bedrog soms aan den dag zou brengen. Hij zei dat hij niet langer praten
+mocht, omdat het hoog tijd was daarheen terug te keeren, waarheen zijn
+kwelgeest hem dreef. Maar hij beloofde op den volgenden dag, als 't
+mocht, terug te keeren. Weer komt men ten huize van Polus bijeen, den
+regisseur van de komedie. Daar vertelt de duivelbanner wat er gebeurd
+is, er nog 't een en ander bijbordurend, maar waarvan hij zelf geloofde
+dat het waar was. Zóó werkte hij het in de hand dat hem die poets
+gebakken werd. Zóóveel wist men nu dat het de ziel was van een Christen
+die door een alleronbarmhartigsten kwelgeest op de gruwelijkste wijze
+werd gepijnigd. In die richting wordt dus gewerkt. Maar bij de volgende
+duivelbanning gebeurt iets lachwekkends.--THOMAS: Zeg eens, wat
+dan?--ANSELMUS: Toen Faunus de schim had opgeroepen, springt Polus, die
+de rol van den kwelgeest speelde, vooruit alsof hij in den kring wil
+binnendringen: en toen Faunus zich daartegen met zijn banspreuken
+verzette en een massa wijwater sprenkelde, riep eindelijk de kwelgeest
+uit, dat hij om dat alles geen cent gaf. "Je hebt," riep hij uit,
+"verboden omgang gehad met een meisje, en nu ben je in mijn macht."
+Terwijl Polus dit slechts uit de grap zei, bleek het dat hij toevalliger
+wijze de waarheid had gezegd. Want op den duivelbanner maakte dit
+grooten indruk en hij trok zich binnen in zijn tooverkring terug en
+fluisterde den kapelaan iets in het oor. Polus ging, toen hij dit
+merkte, een weinig achteruit, om niet af te luisteren wat hij niet mocht
+hooren.--THOMAS: Polus speelde de rol van kwelgeest op vrome en
+bescheiden wijze.--ANSELMUS: Ja zeker. Want zijn handelwijze had berispt
+kunnen worden, in zooverre dat hij de betamelijkheid wat uit het oog
+verloren had. Hij hoorde intusschen de stem van den pastoor die zei dat
+Polus eenige boete moest doen.--THOMAS: Welke boete?--ANSELMUS: Dat hij
+drie maal 't Onze-Vader moest bidden, waaruit hij opmaakte dat Polus in
+dien eigen nacht drie malen 't meisje gezoend had.--THOMAS: Dat was een
+ordebroeder buiten de orde!--ANSELMUS: Och, 't zijn óók menschen en een
+mensch kan struikelen!--THOMAS: Nu, en verder?--ANSELMUS: Faunus keert
+weldra nog woedender naar den rand van den kring terug en daagt den
+kwelgeest uit. Maar gene tracht, allengs weer schuw geworden, steeds
+terug te wijken. "Gij hebt mij verschalkt," zeide hij; "als ik
+verstandig geweest was, had ik u niet moeten waarschuwen." Ge weet dat
+veel menschen meenen dat 't geen men éénmaal aan een priester heeft
+gebiecht, geheel uit 't geheugen van den duivel is uitgewischt, zoodat
+deze er nooit meer gebruik van kan maken.--THOMAS: Een kostelijke
+grap!--ANSELMUS: Maar om nu eindelijk 't verhaal te besluiten: gedurende
+eenige dagen werden op die manier met de schim gesprekken gehouden. Ten
+slotte kwam het hierop neer: de geestenbezweerder, die vroeg of de schim
+op de een of andere manier van zijn kwellingen kon worden verlost, kreeg
+van deze ten antwoord, dat dit wel kon wanneer 't door bedrog verworven
+geld, dat hij ergens op een plaats verborgen had achtergelaten, werd
+teruggegeven. Waarop Faunus vroeg: "als 't nu eens door rechtschapen,
+vrome mannen tot goede doeleinden werd aangewend?" "Dat zou ook al
+voldoende wezen," antwoordde de schim. Verheugd over dit antwoord vroeg
+onze duivelbanner met groote nauwkeurigheid hoeveel de som bedroeg. De
+ander noemde een groote som, zooveel als hem goed dacht. Hij wees ook
+een plaats aan, maar nog al veraf gelegen, waar die schat begraven zou
+zijn. Hij gaf voorschriften, tot welke doeleinden hij wilde dat het geld
+zou worden besteed.--THOMAS: Waartoe moest dat?--ANSELMUS: Dat drie
+menschen elk een bedevaart moesten doen: één naar den zetel van Petrus,
+een ander om den heiligen Jacobus te Compostella te gaan begroeten en de
+derde moest de kam van Jezus gaan kussen, die te Trier bewaard wordt.
+Verder moest in verschillende kloosters een groote menigte psalmen
+gezongen en missen gelezen worden. En wat er overschoot van het geld
+mocht Faunus naar eigen believen besteden. Onze Faunus was met al zijn
+denken bij dien schat: hij had hem in zijn gedachten al
+verslonden.--THOMAS: Ja, dat is een algemeene kwaal, ofschoon in 't
+bijzonder de priesters in dat opzicht een kwaden naam hebben.--ANSELMUS:
+Toen alles op het punt van het geld geregeld was, begon de
+duivelbezweerder, daartoe door Polus aangezet, de schim te ondervragen
+over zeldzame en geheime kunsten, over goudmakerij en tooverkunst. Ook
+hierop antwoordde de schim 't een en ander voor de omstandigheden
+passend, maar met de belofte dat hij nog meer aanwijzingen zou geven
+zoodra hij door zijn toedoen van zijn kwelgeest bevrijd zou zijn. Dat
+mag je nu, als je wilt, het derde bedrijf van de komedie noemen. In het
+vierde bedrijf begon Faunus overal in vollen ernst de verwonderlijke
+zaak uit te bazuinen: hij klapte over niets anders in zijn gesprekken en
+aan maaltijden; hij beloofde aan kloosters prachtige geschenken, wist
+heelemaal niet meer van bescheidenheid in zijn spreken. Ook ging hij
+naar de plaats waar de schat begraven moest liggen; vond de aangewezen
+teekens, maar durfde toch niet naar den schat te graven, omdat de geest
+hem bang gemaakt had, dat 't met groot gevaar voor hem verbonden zou
+zijn, wanneer de schat werd aangeraakt vóór de vereischte missen waren
+gelezen. Veel menschen die wat fijner neus hadden dan hij, begonnen al
+lont te ruiken. Maar toen hij overal en bij elke gelegenheid zijn dom
+bijgeloof uitkraamde, kreeg hij van zijn vrienden en vooral ook van den
+abt van zijn klooster een wenk, om zijn goeden naam als verstandig man,
+dien hij tot nog toe bij de menschen had gedragen, niet te grabbelen te
+gooien. Maar hij was niet voor rede vatbaar en bleef de zaak als ernstig
+beschouwen. Zóózeer had de verbeelding in 't gemoed van den man post
+gevat, dat hij over niets anders sprak dan over spoken en booze geesten
+en van niets anders droomde. Die gemoedsgesteldheid was zelfs op zijn
+gezicht te lezen, dat zóó bleek was en zóó vervallen, dat hij wel een
+schim geleek, geen mensch. Om kort te gaan, hij zou zeker spoedig
+krankzinnig zijn geworden, als men hem niet met een snel toegepast
+middel te hulp ware gekomen.--THOMAS: Nu komt zeker het laatste bedrijf
+van het stuk.--ANSELMUS: 'k Zal 't je vertellen. Polus en zijn
+schoonzoon bedachten den volgenden streek. Zij verzonnen een brief, met
+vreemde letters geschreven en dat wel op niet gewoon papier, maar op
+zulk papier, waarin de goudfiligraanwerkers hun fijne plaatjes goud
+leggen, zooals je wel weet, van zoo'n roodbruine kleur. De inhoud van
+den brief was als volgt: "Faunus, die lang gevangen werd gehouden, maar
+nu vrij is, zendt zijn eeuwigen groet aan zijn edelen bevrijder Faunus.
+Er is geen reden, Faunus, om u langer te mijnen behoeve te kwellen. God
+heeft den goeden wil van uw gemoed gezien en mij daarom, terwille van de
+verdiensten uwer ziel, ontslagen. Thans leef ik gelukkig onder de
+engelen. U staat een verblijf bij den Heiligen Augustinus te wachten,
+die zich 't dichtst bevindt bij de rij der Apostelen. Wanneer gij tot
+ons komt, zal ik u persoonlijk dankzeggen. Leef gij intusschen maar
+behagelijk voort. Geschreven in den Hemel, op den 13en September van 't
+jaar 1498, met 't zegel van mijn zegelring." Deze brief werd heimelijk
+op 't altaar gelegd waarop Faunus de mis zou gaan bedienen. Toen de
+dienst was afgeloopen kwam er iemand die daartoe was aangezocht, hem
+opmerkzaam maken op den brief, als had hij dien bij toeval gevonden. Hij
+draagt nu den brief met zich rond en toont dien als een heilig iets. Hij
+gelooft vast en zeker dat die brief door een engel uit den hemel is
+aangebracht.--THOMAS: Maar wat je daar vertelt dat is niet een mensch
+van waanzin bevrijden, maar alleen den aard van waanzin
+veranderen.--ANSELMUS: Ja zoo is het: alleen met dit onderscheid dat
+zijn waanzin nu wat aangenamer is.--THOMAS: Vroeger hechtte ik
+gewoonlijk niet veel aan verhaaltjes over spoken, maar voortaan zal ik
+er nog veel minder om geven. Ik vermoed toch dat door goedgeloovige
+menschen, lieden zooals Faunus, veel als waar wordt te boek gesteld, wat
+met dezelfde kunstgrepen in elkaar is gezet.--ANSELMUS: Nu, ik geloof
+dat 't meerendeel van dien aard is.
+
+
+NOOT:
+
+[1] Grieksche comediedichter wiens stuk: het Spook, door den latijnschen
+blijspeldichter Plautus bewerkt is, onder den titel van: Aulularia, het
+Spookhuis.
+
+
+ * * * * *
+
+
+GOUDMAKERIJ
+
+
+PHILECOUS EN LALUS.[1]
+
+ Den dwaas, die tracht den steen der wijzen te vinden en die goud
+ tracht te vervaardigen, schildert Erasmus ons in onderstaande
+ samenspraak. Dat zulk een maniac door slimme vogels wordt
+ geëxploiteerd, spreekt wel van zelf. De geheele geschiedenis
+ teekent weer 't verlicht verstand van onzen geleerden landgenoot,
+ die de onnoozelheid brandmerkt van zijne dikwijls lang niet domme
+ tijdgenooten, welke zich van de alchemisterij wonderen voorstelden.
+
+PHILECOUS: Wat voor nieuws zou er wezen dat Lalus zoo bij zich zelven
+grinnikt en bijna in lachen uitbarst, terwijl hij zoo nu en dan een
+kruisje slaat? Ik zal den man in zijn gelukzalige stemming eens
+aanspreken. Hartelijk gegroet, mijn waarde Lalus. Je lijkt wel in den
+zevenden hemel van gelukzaligheid te verkeeren.--LALUS: En toch zal ik
+nog gelukkiger wezen wanneer ik u deelgenoot van mijn vreugd gemaakt
+heb.--PHILECOUS: Maak mij dan zoo spoedig mogelijk gelukkig!--LALUS:
+Ken-je Balbinus?--PHILECOUS: Dien geleerden ouden man, van wien iedereen
+niets dan goed weet te vertellen?--LALUS: Juist, zooals je zegt; maar
+geen sterveling is ten allen tijde verstandig of niemand is in alle
+opzichten volmaakt. Bij zijn vele voortreffelijke gaven heeft de man één
+klein gebrek: hij is reeds lang razend verzot op de kunst die ze
+Alchemie noemen.--PHILECOUS: Wat je daar noemt is geen klein kwaaltje:
+'t is een flinke ziekte.--LALUS: Hoe 't ook moge zijn--ofschoon hij door
+dat slag van menschen zoo dikwijls bedrogen is, heeft hij zich toch
+eindelijk op een verwonderlijke manier laten beetnemen.--PHILECOUS:
+Hoe?--LALUS: Daar komt op een goeden dag een zekere priester tot hem.
+Deze groette hem met den hoogsten eerbied. Daarop begon hij: "Gij zult
+er u misschien over verwonderen, allergeleerdste Balbinus, dat ik, een u
+onbekende, u zoo durf aanspreken, terwijl ik toch moet weten dat gij
+altijd zoo in de heiligste studiën verdiept zijt." Balbinus knikt
+toestemmend, zooals zijn gewoonte is, want hij is met woorden uiterst
+spaarzaam.--PHILECOUS: Dat is een bewijs van voorzichtigheid.--LALUS:
+Maar de ander was nog voorzichtiger en zei: "Ge zult mij toch, hoop ik,
+wel vergeven dat ik u last veroorzaak, wanneer gij de reden verneemt
+waarom ik tot u ben gekomen." "Spreek op," zei Balbinus, "maar als gij
+kunt, maakt het kort." "Nu ik zal het," zei de ander, "zoo beknopt
+mogelijk vertellen. Ge weet, geleerdste van alle menschen, dat het lot
+van de stervelingen verschillend is: ik weet niet onder welke helft ik
+mij moet rangschikken, onder de gelukkigen of onder de ongelukkigen.
+Immers als ik mijn lot van de ééne zijde beschouw, dan lijk ik me zelf
+heel gelukkig; van den anderen kant diep rampzalig." En toen Balbinus op
+bekorting aandrong, zeide hij: "goed, ik zal er een eind aan maken,
+hooggeleerde Balbinus. En dat zal mij gemakkelijker vallen bij een man,
+die van de geheele zaak zóó op de hoogte is, dat niemand ze beter
+kent."--PHILECOUS: Je schildert me daar een redenaar af, geen
+alchemist.--LALUS: Spoedig zult ge van den goudzoeker hooren. "Van jongs
+af aan," zei hij, "mocht ik het geluk smaken de meest gezochte kunst van
+alle kunsten te leeren, het merg van de heele wijsbegeerte: de
+alchemie." Bij 't hooren van dit woord werd Balbinus recht wakker; hij
+toonde dit tenminste door zijn gebaren. Al zuchtend vroeg hij hem door
+te gaan. De ander ging voort: "Rampzalige die ik ben, dat ik niet
+terechtgekomen ben op den weg dien ik had moeten inslaan." Toen Balbinus
+hem vroeg, welke wegen hij toch bedoelde, zei hij: "Ge weet opperbest
+(wat toch weet gij niet, Balbinus, gij, een man op elk gebied zoo
+hooggeleerd?) dat er twee wegen in die kunst bestaan: de eene die men
+_verlenging_ noemt; de andere die _verkorting_ heet. En nu heeft 't
+ongeluk gewild dat ik terecht gekomen ben bij de verlenging." Toen
+Balbinus vroeg wat voor verschil er was tusschen die twee wegen, zei de
+ander: "hoe onbedachtzaam van mij om daar bij u over te spreken, van
+wien ik moest weten dat dit alles hem meer dan aan iemand anders bekend
+is. Daarom ben ik als smeekeling tot u gekomen, dat gij uit medelijden
+met mij u zoudt verwaardigen, ons dien heilzamen weg der verkorting mee
+te deelen. Hoe meer ge van die kunst weet, des te minder moeite zal het
+u kosten ze aan mij mee te deelen. Verberg dus die gave Gods niet voor
+een broeder die van droefheid dreigt te sterven. Zoo waar moge Jezus
+Christus u steeds rijker maken met grootere gaven." En toen hij niet
+ophield met smeeken, moest Balbinus eindelijk wel bekennen, dat hij
+heelemaal niets wist van verlenging of verkorting. Hij vroeg dus of hij
+hem de beteekenis van die woorden eens wilde uitleggen. Daarop zei de
+priester: "Hoewel ik weet dat ik tot iemand spreek die er meer verstand
+van heeft dan ik, zal ik het toch doen, omdat gij 't mij vraagt.
+Menschen die hun geheele leven aan deze heilige kunst hebben besteed,
+doen op tweeërlei wijze de gedaante der stoffen veranderen: de eene is
+de kortste manier, maar is ook een klein beetje gevaarlijk; de andere is
+wel de langste, maar is daarentegen veel veiliger. Nu noem ik mij
+ongelukkig, omdat ik tot nog toe alle moeite heb gedaan op een manier
+die mij tegen de borst stuit, en ik heb tot nog toe niemand kunnen
+vinden, die mij den tweeden weg kon wijzen, dien ik zoo zielsgraag zou
+inslaan. Eindelijk gaf God mij de gedachte in, mij tot u te wenden, een
+man even geleerd als vroom. Geleerdheid staat u ten dienste om zonder
+bezwaren te geven wat ik van u vraag: uw vroomheid zal u wel aandrijven
+om een broeder te helpen wiens redding gij in uw hand hebt." Om kort te
+gaan: toen de oude slimmerd door dergelijke praatjes elke gedachte aan
+bedrog van zich had afgewend en bij Balbinus 't vertrouwen had gewekt,
+dat hij dien éénen weg op zijn duimpje kende, popelde Balbinus' hart
+reeds geruimen tijd van verlangen. Eindelijk hield hij zich niet in en
+zei: "Laat die verkorting, waarvan ik zelfs den naam nooit gehoord heb,
+laat staan dat ik ze ken, naar den drommel loopen! Zeg me, op uw
+eerewoord: verstaat ge de kunst van die verlenging ten volle?" "Nou,"
+zei de ander, "op mijn duimpje: maar die lange duur verveelt me danig."
+En toen Balbinus vroeg hoeveel tijd er wel voor noodig was, kreeg hij
+ten antwoord: "Heel wat: bijkans wel een vol jaar. Maar intusschen is 't
+de meest veilige manier." "Heb maar geen bezwaar," zei Balbinus; "ook al
+waren er twee jaren mee gemoeid. Als je maar op je kunst vertrouwt." Om
+nu de zaak in enkele woorden samen te vatten: ze kwamen overeen dat zij
+de zaak in het geheim in 't huis van Balbinus zouden aanpakken, op deze
+voorwaarde: dat de één het werk zou doen, terwijl Balbinus de kosten zou
+dragen. De winst zou eerlijk verdeeld worden, ofschoon de bedrieger
+kwanswijs in alle bescheidenheid zeide, al het voordeel aan Balbinus te
+willen overlaten. Van beide kanten deed men een eed dat men de zaak stil
+zou houden, zooals zij altijd doen die in geheime plechtigheden worden
+ingewijd. Nu wordt onmiddellijk 't geld uitbetaald om daarvan de potten,
+glazen, houtskool en al het andere te koopen, wat moest dienen om de
+werkplaats in te richten. Dat geld bracht onze goudzoeker lekkertjes
+zoek met wijntje en Trijntje en dobbelspel.--PHILECOUS: Dat is de rechte
+manier om de gedaante der dingen te veranderen.--LALUS: Toen Balbinus er
+op aandrong om het zaakje nu eens flink aan te pakken, zei de ander:
+"Ken je het spreekwoord niet: een goed begin is 't halve werk? 't Heeft
+heel wat voeten in de aarde om zijn stof goed voor te bereiden."
+Eindelijk begon hij het fornuis gereed te maken. Maar nu was er weer
+opnieuw goud noodig, als een lokvink voor 't goud dat komen moest.
+Immers, evenmin als men visch vangt zonder aas, zoo komt ook geen goud
+bij de alchemisten voor den dag, zonder dat er eerst een deel goud bij
+gedaan wordt. Intusschen ging Balbinus geheel op in zijn berekeningen.
+Hij rekende uit, als één ons goud vijftien onsen opbracht, hoeveel winst
+er dan wel komen moest van tweeduizend onsen. Zooveel toch had hij
+besloten in de zaak te steken. Toen de goudmaker ook dit geld er had
+dóórgelapt en al een paar maanden voor de leus druk bezig was geweest
+met blaasbalgen en houtskool, hield hij, op een vraag van Balbinus of 't
+zaakje wat vorderde, eerst zijn mond. Toen de ander aanhield antwoordde
+hij eindelijk: "Zooals het steeds gaat met gewichtige zaken: 't begin is
+daarbij altijd moeilijk." Hij voegde er als verklarende reden bij, dat
+hij zich vergist had in 't koopen van houtskool. Hij had houtskool van
+eikenblokken gekocht en ze had van dennenhout moeten wezen of van
+hazelaarshout. Daarmee waren nu honderd goudstukken naar de maan en hij
+had er des te lustiger op losgedobbeld. Opnieuw werd er geld gegeven: de
+kolen werden verwisseld. En nu werd de zaak met grooteren ijver
+aangepakt dan te voren. Het ging onzen goudzoekers als soldaten in den
+oorlog, die wanneer 't hun tegenloopt, door grootere dapperheid hun
+tegenspoed trachten te herstellen. Toen nu in de werkplaats eenige
+maanden achtereen gestookt was, de geboorte van het goud met den dag
+werd verwacht en er geen greintje goud meer in de retorten te bespeuren
+was (want dat had onze alchemist alles doorgebracht) moest er weer een
+andere uitvlucht worden uitgedacht. Het heette nu: de glazen die hij
+gebruikt had waren niet zóó van pas geweest als ze wezen moesten. Want,
+zooals niet elk hout timmerhout is, zoo maakt men ook geen goud in 't
+eerste 't beste glas. Maar, hoe meer men had uitgegeven, des te minder
+mocht men ophouden.--PHILECOUS: Zoo gaat 't altijd met spelers: alsof 't
+niet veel verkieslijker ware slechts weinig te verliezen dan
+alles.--LALUS: Zoo is het. De goudzoeker zwoer bij al wat heilig was,
+dat hij nooit zóó bedrogen was. Maar nu de fout eenmaal ontdekt was, zou
+alles nu verder wel goed gaan en hij zou deze uitgaaf met grooten woeker
+vergoeden. De glazen worden geruild en ten derden male wordt de
+werkplaats ingericht. De alchemist gaf een aanwijzing dat de zaak beter
+zou lukken, wanneer men aan de Heilige Moeder die (zooals u bekend is)
+aan de Zeestad vereerd wordt, eenige goudstukken ten geschenke zond. Dat
+'t immers een heilige kunst was en dat de zaak niet goed kon afloopen
+zonder de begunstiging der goden. Dien raad vond Balbinus uitstekend,
+zoo'n vroom man, die geen dag liet voorbijgaan zonder zijn
+godsdienstplichten te vervullen. De goudmaker nam de bedevaart op zich,
+wel te verstaan naar een nabijgelegen stadje waar hij 't geld, als offer
+bestemd voor 't vrome doel, verbraste in allerlei slechte huizen.
+Teruggekeerd verklaart hij dat er nu gegronde hoop is om de zaak naar
+wensch te doen afloopen: zóó duidelijk had de Heilige Maagd hare
+goedkeuring aan hun plannen te kennen gegeven. Men arbeidde nu een
+geruimen tijd naarstig in de werkplaats, maar er kwam geen schijntje
+goud Voor den dag. Balbinus kreeg op zijn vraag hoe 't er toch mee
+stond, van den alchemist ten antwoord, dat hem in zijn heele leven nog
+nooit iets dergelijks was overkomen, terwijl hij toch zooveel
+ondervinding van de kunst had. En evenmin kon hij met eenige zekerheid
+gissen, wat de reden toch wel kon zijn. Toen zij lang hadden geraden,
+schoot aan Balbinus eindelijk _dit_ in de gedachte, of de ander soms op
+dien dag de mis had verzuimd, of de zoogenaamde uren-gebeden had
+vergeten te bidden: want als men deze overslaat, dan kan niets gelukken.
+De bedrieger riep toen uit: "daar heb-je het al! Je hebt gelijk! Ik
+domoor, heb een paar malen uit onachtzaamheid dat verzuim begaan, en nog
+kort geleden ben ik van een diner dat wat lang geduurd had, opgestaan,
+zonder 't Ave Maria te bidden." Balbinus zei 't dan ook heel natuurlijk
+te vinden dat de zaak geen succes had. De goudmaker nam nu op zich, voor
+de twee verzuimde missen, er twaalf te gaan hooren en voor 't nagelaten
+Ave Maria er tien op te zeggen. Maar, onze alchemist, die heel wat geld
+aan kon, was weer eens platzak. Redenen om van Balbinus een voorschot te
+vragen waren er niet. Nu nam hij het volgende kunstje te baat. Geheel
+buiten adem komt hij het huis van Balbinus binnen loopen en roept met
+jammerende stem: "Balbinus ik ben een verloren man! Geheel verloren! 't
+Is gedaan met mij!" Balbinus stond verstomd en verlangde de oorzaak van
+zoo'n groot ongeluk te weten. "De heeren van het hof hebben er lucht van
+gekregen wat we gedaan hebben en ik verwacht niet anders dan dat ik
+spoedig naar de gevangenis zal worden gebracht." Ook Balbinus werd nu in
+ernst bleek van schrik. Want gij weet dat 't bij ons een halsmisdaad is,
+als iemand zich afgeeft met alchemie zonder uitdrukkelijke toestemming
+van den vorst. De ander gaat voort en zegt: "Ik vrees nu wel niet den
+dood; ik wilde zelfs dat mij die trof! Maar ik ben bang voor iets
+ergers." Op de vraag: wat dat dan wel was, antwoordde hij: "Ik zal
+ergens naar een vesting gesleept worden. Daar zal ik mijn geheele leven
+dwangarbeid moeten verrichten voor menschen, voor wie ik dat niet doen
+wil. Is niet elke dood boven zulk een leven te verkiezen?" Nu werd er
+over de zaak gesproken en gepraat en beraadslaagd en ze werd van alle
+kanten bekeken. Balbinus die in de loopjes van de rhetorica doorkneed
+was, ging alle zoogenaamde geschilstaten door, om te zien of hij 't
+gevaar kon ontkomen. "Kunt ge," zoo vroeg hij, 't misdrijf niet
+loochenen?" "Volstrekt niet. De zaak is bekend onder de hovelingen van
+den koning en ze hebben bewijzen die niet ontzenuwd kunnen worden." 't
+Feit kon zelfs niet verdedigd worden omdat de wet op dit punt klaar en
+duidelijk was. Toen er veel in 't midden was gebracht en nergens eenig
+hoû-vast te vinden was, zei eindelijk de alchemist die onmiddellijk geld
+noodig had: "Balbinus, wij zitten hier nu plannen te beramen en maken
+geen voortgang. En toch eischt de zaak een oogenblikkelijke afdoening.
+Over enkele minuten zullen de gerechtsdienaren hier zijn om mij weg te
+sleepen." Toen Balbinus geen uitredding kon verzinnen, zei eindelijk de
+alchemist: "Er wil mij ook niets te binnen schieten. Ik geloof niet dat
+mij iets rest dan dat ik manmoedig sneef. Of we moesten bijgeval
+besluiten tot 't eenige redmiddel dat ik nog zie, meer afdoende dan
+eervol, waarvoor de eenige verontschuldiging is dat nood wet breekt. Ge
+weet: dat slag van menschen is tuk op geld en laat zich vrij gemakkelijk
+omkoopen om te zwijgen. Al is het ook nog zoo hard aan zulk gespuis geld
+te geven om dat weer gauw te verbrassen, zoo zie ik toch voor het
+oogenblik geen betere uitkomst." Balbinus was van dezelfde gedachte en
+hij telde dertig goudstukken neer om daarvoor het verlangde stilzwijgen
+te koopen.--PHILECOUS: Nu wat ge me daar vertelt geeft mij wel een groot
+denkbeeld van de scheutigheid van Balbinus.--LALUS: Daarentegen zou je
+hem, wanneer 't een fatsoenlijke zaak gold, eerder een tand uit zijn
+mond geslagen hebben dan geld uit zijn beurs. Zoo werd er voor den
+goudzoeker gezorgd, die geen ander gevaar had geloopen dan dat hij geen
+geld had voor zijn liefje.--PHILECOUS: Ik vind 't verwonderlijk dat
+Balbinus 't niet in de gaten kreeg.--LALUS: Ja op dit punt mist hij, als
+men 't goed beschouwt, elk waarnemingsvermogen, hij die anders zoo'n
+scherpen neus heeft. Weer wordt met een nieuwe bijdrage de oven
+gestookt, maar eerst een schietgebedje tot de Heilige Maagd opgezonden
+dat Zij hun pogingen zou willen begunstigen. Bijkans een heel jaar was
+reeds voorbijgegaan en nu eens onder dit, dan eens onder dat voorwendsel
+werd de moeite verspeeld en gingen de kosten verloren. Intusschen viel
+er iets kluchtigs voor.--PHILECOUS: Wat dan?--LALUS: De goudmaker had
+verboden omgang met de vrouw van één der heeren van het hof. Haar
+echtgenoot, die argwaan had gekregen, begon onzen vriend na te gaan.
+Toen hem eindelijk eens werd bericht dat de priester zich in de
+slaapkamer van zijn vrouw bevond, keert hij onverwacht naar huis terug
+en klopt aan de deur.--PHILECOUS: Wat wilde hij den kerel doen?--LALUS:
+Nou, niet veel vriendelijks! Hem dooden of hem voor goed onschadelijk
+maken en de gelegenheid benemen ooit weer zijn streken uit te halen.
+Toen de echtgenoot nadrukkelijk dreigde dat hij de deur zou intrappen
+als zijn vrouw niet opendeed, liep de priester angstig heen en weer, en
+keek rond naar een redmiddel dat hem voor 't oogenblik zou kunnen
+helpen. Maar er was niets te doen, dan hetgeen de gelegenheid op dat pas
+aanbood. Hij trok zijn kleeren uit en sprong door een nauw venster naar
+beneden, wat nog al gevaarlijk was en hem lichaamsletsel bezorgde: maar
+hij wist te ontkomen. Nu, ge weet zulke histories gaan onmiddellijk als
+een loopend vuurtje rond. En zoo komt 't dan ook Balbinus ter oore. Onze
+kunstenaar was daarop ook wel voorbereid.--PHILECOUS: Ha, nu zit onze
+slimmerd toch in de klem.--LALUS: Mis! Hij komt hier nog beter vandaan
+dan uit 't slaapvertrek van de dame. Hoor eens naar de streken van den
+guit. Balbinus vroeg hem nergens naar, maar zijn strak gezicht toonde
+genoegzaam aan, dat hij wist wat er onder de menschen werd verteld. De
+ander wist dat Balbinus een vroom man was, in sommige opzichten zelfs
+bijgeloovig. En menschen van dien aard schenken licht aan een schuldige
+die om vergiffenis vraagt, vergeving, al is hun zonde ook nog zoo groot.
+Met opzet begon hij er dus over te spreken hoe 't met de goudmakerij
+ging, terwijl hij er over klaagde dat de zaak niet zóóveel succes had
+als hij wel gewoon was of als hij wel wilde. Hij voegde er tevens aan
+toe dat hij er verwonderd over was, wat er toch eigenlijk aan haperde.
+Nu wordt Balbinus die anders 't stilzwijgen had willen bewaren, boos--en
+dat werd hij nog al licht--: "'t Ligt volstrekt niet in het duister wat
+er in den weg staat: de zonden werken ons tegen en verhinderen dat we
+een goeden uitslag krijgen bij dat, wat alleen door reinen rein mag
+worden ter hand genomen." Bij dezen uitval viel de goudmaker op zijn
+knieën, terwijl hij zich op de borst sloeg. Met tranen op 't gelaat en
+tranen in zijn stem sprak hij: "Balbinus: 't is alles waarheid wat je
+daar zegt: 't zijn zonden die een belemmering zijn, maar niet uwe
+zonden, maar de mijnen. Ik schaam er mij niet voor bij u schuld te
+belijden, als bij een heilig priester. De zwakheid des vleezes had mij
+overwonnen, en de Duivel had mij in zijn netten verstrikt. Wee mij, van
+priester ben ik een overspeler geworden! Maar de gave die wij aan de
+Heilige Maagd gezonden hebben is toch niet geheel te vergeefs geweest.
+Ik zou zeker geheel verloren zijn, als Zij mij niet te hulp was gekomen.
+De door mij bedrogen echtgenoot bonsde al op de deur, en 't venster was
+te nauw dan dat ik daardoor kon ontsnappen. In dat oogenblik van
+dreigend gevaar dacht ik aan de Heilige Maagd. Ik viel op mijn knieën,
+ik smeekte Haar mij te helpen, als onze gave Haar welgevallig was
+geweest. Na enkele oogenblikken ga ik weer naar 't venster (de nood
+drong; ik _moest_ wel) en ... ik vond het venster ruim genoeg om mij
+door te laten."--PHILECOUS: En geloofde Balbinus dat alles?--LALUS: Of
+hij het geloofde? Ja zelfs schonk hij hem vergiffenis en drukte hem op
+'t hart dat hij zich vroom moest gedragen en zich niet ondankbaar moest
+betoonen tegenover de Heilige Maagd. En wéér is hem geld uitbetaald,
+toen hij beloofd had, dat hij voortaan het heilige werk op reine wijze
+zou volbrengen.--PHILECOUS: Nu, en 't slot?--LALUS: O, 't verhaaltje is
+nog lang niet uit; maar ik zal 't kort maken. Toen hij met dergelijke
+verzinsels den man lang om den tuin had geleid en een aardige som gelds
+van hem had losgekregen, kwam eindelijk iemand op de proppen die den
+praatjesmaker van jongs af had gekend. Hij kon gemakkelijk gissen dat de
+kerel bij Balbinus 't zelfde spelletje speelde dat hij ook elders had
+gespeeld. Hij gaat dus in stilte naar Balbinus en licht hem in wat voor
+snaak hij in zijn huis koesterde. Hij raadt hem aan den kerel zoo
+spoedig mogelijk de deur te wijzen, wanneer hij soms niet wilde dat hij
+hem eens zou zien verdwijnen, na zijn kas geplunderd te
+hebben.--PHILECOUS: En wat deed Balbinus? Hij liet toch natuurlijk den
+spitsboef in de gevangenis opsluiten?--LALUS: In de gevangenis? Ja, dat
+kun-je begrijpen! Hij betaalde hem nog een reisgeld uit en bezwoer hem
+bij al wat heilig is, dat hij niet zou vertellen wat er gebeurd was. En
+mijns inziens deed hij daaraan verstandig, liever dan dat hij een
+onderwerp werd van praatjes in kroegen en op straat en misschien nog
+groot gevaar zou loopen zwaar beboet te worden. Want de bedrieger liep
+in het geheel geen gevaar. Hij wist niets meer van de goudmakerskunst
+dan iedere ezel. De bedriegerij is daarbij nogal in een voordeelige
+positie. Als Balbinus hem van diefstal had willen beschuldigen, dan zou
+zijn priesterzalving hem tegen doodstraf door ophanging hebben beschermd
+en niemand wil graag zoo'n doodvreter langen tijd in de gevangenis den
+kost geven.--PHILECOUS: Ik zou medelijden met Balbinus hebben, wanneer
+hij niet zelf gewild had bedrogen te worden.--LALUS: Maar nu moet ik
+naar het Hof. Bij een andere gelegenheid zal ik je wel eens
+geschiedenisjes vertellen die nog zotter zijn dan deze.--PHILECOUS: Heb
+ik tijd, dan zal ik er graag naar luisteren en je er een historie voor
+in ruil vertellen.
+
+
+NOOT:
+
+[1] Namen, zooals Erasmus ze gaarne bezigt, beteekenend: Hoorgraag en
+Praatgraag.
+
+
+ * * * * *
+
+
+DE PAARDENKOOPER
+
+
+AULUS EN PHAEDRUS.
+
+ Dat paardenkoopers, óók in Erasmus' tijd, reeds in niet al te
+ goeden naam van eerlijkheid stonden, bewijst de volgende
+ samenspraak. Nadere verklaring heeft de inhoud niet noodig: de zaak
+ is oud en hoog-modern.
+
+ Naar Erasmus' eigen woorden heeft hij deze samenspraak geschreven,
+ om de jongelieden van zijn tijd te laten zien, dat men een modern
+ onderwerp, van alledaagschen aard ook in het deftige latijn, los,
+ luchtig en opgewekt kan behandelen.
+
+AULUS: Heere bewaar me! wat kijkt onze Phaedrus ernstig. Zoo nu en dan
+slaat hij zijn oogen hemelwaarts. 'k Zal hem eens aanklampen. Wat voor
+nieuws is er, Phaedrus?--PHAEDRUS: Waarom vraag je mij dat zoo,
+Aulus?--AULUS: Omdat het er veel van heeft of je van een vroolijken
+Phaedrus tot een strengen Cato bent geworden. Zóó strak staat je
+gelaat.--PHAEDRUS: Nu, daar is reden voor: ik heb juist mijn zonden
+gebiecht.--AULUS: O! dan verwonder ik mij niet meer. Maar vertel me
+eens: heb je alles te goeder trouw gebiecht?--PHAEDRUS: Ten minste alles
+wat me in den zin kwam. Eén ding slechts uitgezonderd.--AULUS: En waarom
+verzweeg je dat ééne?--PHAEDRUS: Omdat ik 't toch eigenlijk zelf nog
+niet zoo héél slecht kan vinden.--AULUS: Dan moet dat wel een prettige
+zonde zijn geweest. PHAEDRUS: Of het een zonde is, weet ik niet: maar
+als je een poosje tijd hebt, mag je het wel hooren.--AULUS: Ik wil heel
+graag luisteren.--PHAEDRUS: Je weet hoeveel er onder paardenhandelaars,
+koopers en verkoopers, bedrogen wordt.--AULUS: Ja, meer dan me lief is,
+want ik ben er zelf dikwijls de dupe van geweest.--PHAEDRUS: Onlangs
+moest ik een tamelijk lange reis doen, maar die ook vrij veel spoed
+vereischte. Ik ga naar één van de paardenverhuurders, lang niet één van
+de slechtsten van dat soort; zelfs was ik met dien man eenigermate
+bevriend. Ik vertel hem dat ik een gewichtige opdracht heb, dat ik een
+flink en stevig paard noodig heb. Als hij zich ooit jegens mij
+verdienstelijk had gemaakt, dat hij 't dan _nu_ moest doen. Hij beloofde
+dat hij met mij zou handelen zooals hij dat met zijn liefsten broer zou
+doen.--AULUS: Misschien was hij ook wel van plan zijn broer te
+bedriegen.--PHAEDRUS: Hij brengt me in zijn stal en zegt dat ik maar uit
+al zijn paarden moet kiezen welk ik wil. Eindelijk was er één dat mij
+meer dan alle andere beviel. Hij prijst mijn keuze, terwijl hij er een
+eed op doet, dat juist dàt paard dikwijls door velen gevraagd is: dat
+hij 't liever had willen bewaren voor een particulieren vriend, dan 't
+aan onbekenden af te staan. We werden het eens over den prijs. De
+betaling geschiedt tegen contant geld. Ik stijg te paard. Bij 't naar
+buiten rijden was 't paard opgewekt en buitengewoon geanimeerd. Men zou
+haast zeggen dat 't een beetje wild was: 't zag er vet en rond en
+welgedaan uit. Maar toen ik zoowat een anderhalf uur gereden had, begon
+ik te bemerken dat 't reeds geheel en al moe was en dat ik er zelfs met
+de sporen geen voortgang in kon krijgen. Nu had ik wel eens gehoord dat
+door paardenkoopers dikwijls zulke dieren om te bedriegen op stal
+gehouden worden, paarden die men op 't oog voor uitstekend zou houden,
+maar die tegen vermoeienis volstrekt niet bestand zijn. Dadelijk dacht
+ik bij mij zelf: "je bent beet genomen! Komaan, zoodra je thuis komt,
+betaal je hem met gelijke munt."--AULUS: En wat ving je nu onderweg aan,
+jij ruiter zonder paard?--PHAEDRUS: Wat de loop der dingen mij aan de
+hand deed. Ik sloeg den weg in naar 't naaste dorp. Daar stalde ik
+stilletjes bij een bekende van me het paard en ik huurde een ander. Ik
+reed naar de plaats van mijn bestemming, keerde terug, lever mijn
+huurpaard in, tref mijn koopje aan, vetjes en wel, en flink uitgerust
+van de eerste vermoeienis. Ik rijd daarop naar mijn bedrieger en vraag
+hem of hij 't in zijn stal eenige dagen wil bewaren en voederen tot ik
+het weer kom opeischen. Hij vraagt me hoe het beestje 't gemaakt heeft.
+Ik zweer hem nu bij al wat heilig is, dat ik nooit van mijn leven een
+voortreffelijker dier bestegen had, dat 't eerder vloog dan liep, dat 't
+heelemaal geen vermoeienis had gekend niettegenstaande den langen tocht
+en dat het geen haartje magerder was geworden van 't zware werk. Toen ik
+hem wijs gemaakt had dat dit werkelijk zoo was, dacht hij zoo stilletjes
+bij zich zelven, dat 't paard dan toch wel anders moest zijn dan hij
+gedacht had. Vóór ik dus wegging, vroeg hij me of 't paard ook te koop
+was. Ik zei eerst van neen. Als ik weer eens een reis moest doen, dat 't
+dan niet gemakkelijk zou wezen een dergelijk paard te krijgen. Maar dat
+aan den anderen kant niets mij zóó dierbaar was of 't was wel voor een
+flinken prijs van mij te koop, ook al zou iemand mij zelven in levenden
+lijve willen koopen.--AULUS: Je speelde daar mooi de rol van bedrieger
+tegenover den bedrieger.--PHAEDRUS: Om kort te gaan, hij liet me niet
+vertrekken zonder dat ik een prijs voor het paard had vastgesteld. Ik
+gaf dien heel wat hooger op dan waarvoor ik 't beest van hem gekocht
+had. Toen ik van den man weggegaan was, neem ik dadelijk iemand in den
+arm om mee een rol te spelen in deze komedie. Ik zeg hem duidelijk wat
+er aan de hand is en breng hem goed op de hoogte. Hij gaat naar 't huis
+van den stalhouder en vraagt dezen te spreken. Hij zegt hem dat hij een
+mooi paard noodig heeft, dat goed tegen veel vermoeienissen bestand is.
+De koopman laat hem verschillende paarden zien en prijst de slechtste 't
+meest aan. Alleen 't paard dat hij mij had verkocht, biedt hij niet aan,
+omdat hij dacht dat 't werkelijk zoo uitstekend was als ik had gezegd.
+Maar de ander vraagt hem onmiddellijk of dat paard ook soms te koop is,
+want ik had hem beschreven hoe 't paard er uit zag en hem de plaats
+aangeduid waar het stond. Eerst hield de paardenkooper zijn mond en
+prees al de andere paarden uitbundig. Maar omdat de kooper steeds op dat
+ééne paard terugkwam, terwijl hij de overige paarden voor de leus nog
+wel wat prees, zei eindelijk de paardenkooper bij zich zelven: "ik moet
+mij dan toch wel in dat paard vergist hebben, als ten minste deze
+vreemdeling het zoo dadelijk onder alle paarden uitpikt." Toen de kooper
+aandrong, zeide hij eindelijk: "'t Is te koop, maar misschien zult ge u
+wel door den prijs laten afschrikken." "Geen prijs is te hoog," zei hij,
+"wanneer die overeenkomt met de waarde van de zaak. Zeg maar op." Hij
+gaf nu een prijs op vrij wat hooger, dan ik hem had genoemd, ook nog
+naar _die_ winst begeerig. Eindelijk werden ze het over de koopsom eens.
+Er werd een tamelijk groot handgeld gegeven, n.l. een goudstuk, om geen
+vermoeden te wekken dat 't maar een schijnkoop was. De kooper liet 't
+paard goed haver geven en zei dat hij gauw zou terugkomen om 't paard
+mee te nemen. De stalknecht krijgt een halven gulden fooi. Zoodra ik
+hoorde dat de koop goed en wel gesloten was, zóó dat hij niet meer kon
+worden verbroken, keer ik gelaarsd en gespoord naar den
+paardenverhuurder terug: buiten adem roep ik om hem. Hij komt te
+voorschijn en vraagt wat ik verlang. "Laat dadelijk mijn paard
+optuigen," zei ik, "want ik moet onmiddellijk voor een gewichtige
+zending op reis." "En onlangs," antwoordde hij, "droeg-je me op het
+paard eenige dagen te stallen en te voederen." "Ja, dat is waar," zei
+ik, "maar daar is me nu plotseling, zonder dat ik er op gerekend had,
+een taak opgedragen en dat nog wel van koningswege, die geen uitstel
+gedoogt." Toen hij weer: "Kies maar uit alle paarden welke je wilt: 't
+uwe kunt ge evenwel niet krijgen." Ik vraag natuurlijk: "waarom niet?"
+"Omdat het verkocht is," ontvang ik ten antwoord. Met geveinsden schrik
+riep ik uit: "De hemel verhoede dat 't waar is, wat gij zegt. Nu mij die
+opdracht wordt gegeven, zou ik mijn paard niet willen verkoopen al was
+het ook voor viermaal den prijs." Ik begin te schelden en te kijven en
+noem me een verloren man. Eindelijk wordt hij ook boos. "Wat hebben we
+met dat getwist te maken? _Gij_ hebt een prijs bepaald voor 't paard,
+_ik_ heb 't verkocht. Als ik u den prijs uitbetaal dan hebt ge met mij
+niets meer te maken. Er zijn nog rechters hier in de stad. Ge kunt me
+niet dwingen u het paard te leveren." Terwijl ik er nog lang op aandrong
+dat hij mij 't paard zou afgeven of mij den kooper zou aanwijzen,
+betaalde hij me eindelijk den prijs uit. Ik had 't voor vijftien
+goudstukken gekocht en het later geschat op zes-en-twintig. Hij had 't
+op twee-en-dertig gesteld. Hij redeneerde zóó bij zich zelf: 't is
+voordeeliger dit zoete winstje te maken dan 't paard terug te geven. Ik
+ga heen, voorgevend erg boos te zijn en slechts noode gekalmeerd door 't
+ontvangen geld. De paardenkooper vroeg of ik 't hem niet kwalijk wilde
+nemen: dat hij mijn schade wel op andere manieren zou trachten te
+vergoeden. En zoo werd de bedrieger bedrogen. Hij zit nu met een paard
+dat niets waard is, en wacht maar steeds dat de man die hem 't handgeld
+heeft gegeven zal komen om hem den bedongen prijs uit te betalen. Maar
+er komt niemand en er zal ook nooit iemand komen.--AULUS: En heeft hij
+er u intusschen nooit over gesproken?--PHAEDRUS: Wat zou dat voor een
+brutaliteit zijn en met welk recht zou hij dat doen? Hij heeft me nog
+wel eens een paar malen ontmoet en mij zijn beklag gemaakt over de kwade
+trouw van den kooper. Maar ik heb hem van mijn kant dadelijk den mantel
+uitgeveegd en gezegd dat hij die leelijke behandeling waard was, omdat
+hij mij door een overhaasten verkoop van zoo'n goed paard had beroofd.
+Dat is nu een zonde zóó juist van pas begaan, naar mijn idee, dat ik 't
+niet over mij kon verkrijgen om ze te biechten.--AULUS: Ik zou voor mij
+zelven een standbeeld vragen als ik zoo iets had verzonnen: zóó ver is
+het er van af dat ik 't als zonde zou biechten.--PHAEDRUS: Of ge dit van
+harte meent, weet ik niet, maar bij mij wekt ge den lust en den moed op,
+om zulke menschen bij gelegenheid óók eens zoo'n poets te bakken.
+
+
+ * * * * *
+
+
+DE PAARDLOOZE RIDDER OF DE VERDICHTE ADEL
+
+
+HARPALUS. NESTORIUS.
+
+ Erasmus zegt in zijn "Nut der Samenspraken" over den onderstaanden
+ dialoog het volgende:
+
+ "In den verdichten adel schilder ik dat slag van menschen, die,
+ onder het bedriegelijk voorwendsel van edellieden te zijn, alles
+ meenen te mogen doen en die één der voornaamste rampen zijn
+ waaronder Duitschland lijdt."
+
+HARPALUS. Zou je mij eens kunnen raden? Je zult merken dat ik niet
+vergeetachtig en niet ondankbaar ben.--NESTORIUS: Nu, ik wil je wel 't
+middel aan de hand doen om te komen waar je wezen wilt.--HARPALUS: Maar
+wij hebben 't niet in onze hand om van adel geboren te zijn.--NESTORIUS:
+Als je 't niet bent, moet ge door uw voortreflijke daden maken dat uw
+adeldom bij u een aanvang neemt.--HARPALUS: Dat duurt zoo
+lang.--NESTORIUS: Tegen een flinke som verkoopt de keizer ook wel een
+adelbrief.--HARPALUS: Om dien gekochten adel wordt over het algemeen
+gelachen.--NESTORIUS: Als ge dan niets belachelijkers kent dan gelogen
+adel, waarom streeft ge dan naar den adellijken titel?--HARPALUS: Om
+verschillende redenen, en gewichtige ook. Ik heb geen bezwaar je die te
+vertellen, als gij mij de manieren wilt meedeelen waarop ik den menschen
+het idee kan geven dat ik een edelman ben.--NESTORIUS: Dus alleen maar
+den naam wil je bezitten, zonder de werkelijkheid?--HARPALUS: Ja, waar
+de werkelijkheid niet aanwezig is, daar nadert de schijn er toch 't
+dichtst bij. Maar kom, geef nu eens raad, Nestorius. Wanneer gij mijn
+beweegredenen hoort, dan zult ge moeten zeggen dat het de moeite waard
+is.--NESTORIUS: Nu, als je 't dan wilt, dan zal ik 't je zeggen. In de
+allereerste plaats moet je uit je vaderland weggaan.--HARPALUS: Dat weet
+ik.--NESTORIUS: Je moet je begeven in gezelschap van jongelieden van
+werkelijk adellijken bloede.--HARPALUS: Dat begrijp ik.--NESTORIUS:
+Tengevolge daarvan zal men gaan denken, dat gij ook tot die menschen
+behoort met wie gij omgaat.--HARPALUS: Zoo is het.--NESTORIUS: Zorg dat
+ge niets aan u hebt of niets doet wat burgerlijk is.--HARPALUS: Wat
+bijvoorbeeld?--NESTORIUS: Ik bedoel uw kleeding; uw kostuum mag niet van
+wol zijn, maar wèl van zijde of, als je het geld ontbreekt om die te
+koopen, dan een kamelotten buis, ten slotte nog liever een van linnen
+dan van laken.--HARPALUS: Goed zoo.--NESTORIUS: Pas ook op, dat ge niets
+gaafs aan uw lijf hebt: heb kerven en scheuren in je hoed, je wambuis,
+je laarzen, je schoenen, in je nagels als je kunt. Zorg er ook voor dat
+je nooit over iets wat laag bij den grond is, spreekt. Als er een
+vreemdeling uit Spanje komt, vraag dan hoe 't tegenwoordig tusschen den
+Keizer en den Paus staat: hoe uw bloedverwant, de Graaf van Nassau het
+maakt: hoe 't met uw andere kameraden gaat.--HARPALUS: Dat zal ik
+doen.--NESTORIUS: Aan uw ringvinger moet ge een ring dragen met een
+gesneden steen er in.--HARPALUS: Als ten minste mijn beurs het
+toelaat.--NESTORIUS: Een vergulde ring met een nagemaakten steen kost
+niet zooveel. Maar er moet een wapenschild bij.--HARPALUS: Wat raad je
+me aan te kiezen?--NESTORIUS: Twee melkemmers zoo je wilt, en een
+bierpul.--HARPALUS: Kom, je houdt me voor 't lapje: spreek liever in
+ernst.--NESTORIUS: Ben-je nooit in den krijg geweest?--HARPALUS: 'k Heb
+er nooit een gezien.--NESTORIUS: Maar, tusschen twee haakjes, je hebt
+denk ik, wel eens aan ganzen en kapoenen bij de boeren den kop
+afgeslagen?--HARPALUS: Heel dikwijls, en wàt dapper ook.--NESTORIUS: Nu,
+neem dan een zilveren mes op je wapenschild en drie gouden
+ganzenkoppen.--HARPALUS: Op wat voor een veld? NESTORIUS: Op welk veld?
+Natuurlijk op een bloedrood! Een herinnering aan 't zoo dapper vergoten
+bloed.[1]--HARPALUS: Wel ja, waarom niet? Ganzenbloed is net zoo rood
+als menschenbloed. Maar ga dóór als 't je belieft.--NESTORIUS: Dat
+schild nu, moet je aan de deuren van alle herbergen waar je je intrek
+neemt, laten vastspijkeren.--HARPALUS: Wat moet er voor een helm op
+geplaatst worden?--NESTORIUS: 't Is goed dat je daaraan denkt. Dien moet
+je met opgeslagen vizier nemen.--HARPALUS: Waarom dat?--NESTORIUS: Ten
+eerste om goed te kunnen ademhalen en verder om hem met je kleedij in
+overeenstemming te brengen. Wat moet er boven den helm
+uitsteken?--HARPALUS: Daarnaar ben ik erg verlangend.--NESTORIUS: Een
+hondenkop met hangooren.--HARPALUS: Dat is zoo algemeen.--NESTORIUS:
+Voeg er dan een paar horens bij. Dat is zeldzaam en vreemd.--HARPALUS:
+Dat bevalt me. Maar nu de schilddragers?--NESTORIUS: Herten, honden,
+draken, grijpen hebben de vorsten en prinsen al ingepalmd: zet jij er nu
+twee harpijen naast.--HARPALUS: Dat is een uitstekende raad.--NESTORIUS:
+Nu schiet nog alleen maar over een bijnaam te verzinnen. Hierbij moet je
+in de allereerste plaats oppassen dat je je niet op heel platte manier
+"Harpalus den Comenser" laat noemen, maar "Harpalus van Como": dit
+laatste doen de adellijke heeren, 't eerste doen arme
+theologen.--HARPALUS: Dat weet ik.--NESTORIUS: Hebt ge ergens een plekje
+waarvan ge u heer en meester kunt noemen?--HARPALUS: Geen varkenshok
+zelfs.--NESTORIUS: Ben-je in een bekende stad geboren?--HARPALUS: In een
+onbekend dorp. Ik moet 't u wel zeggen. Want liegen mogen we niet
+tegenover een dokter die ons moet genezen.--NESTORIUS: Is er niet de een
+of andere berg in de buurt van dat dorp?--HARPALUS: Jawel.--NESTORIUS:
+En heeft die berg ook ergens een in 't oog vallende of bekende
+rotspunt?--HARPALUS: En een wàt steile ook.--NESTORIUS: Welnu, dan heet
+je "Harpalus, ridder van de Gulden Rots."--HARPALUS: Ja maar, 't is de
+gewoonte van groote heeren, dat ieder een mooi klinkende spreuk voegt
+bij zijn wapen: zooals bijv. Maximiliaan had: "Houd maat"; Philips: "Wie
+maar wil"; Keizer Karel: "Verder"; en zoo de één dit, de ander
+dat.--NESTORIUS: Neem jij dan: "Er op of er onder."--HARPALUS: Je raad
+is probaat en past uitstekend bij mijn toestand.--NESTORIUS: En om de
+menschen nog meer vertrouwen in uw persoon in te boezemen, moet ge
+voorgeven dat allerlei groote heeren u brieven geschreven hebben, waarin
+ge ook als Hoog-Edelgeboren Ridder wordt betiteld: daarin moet gesproken
+worden van groote bedrijven, van leengoederen, van burchten, van veel
+duizenden guldens, van gouverneurschappen, van een rijk huwelijk. Dan
+moet ge zorgen, dat dergelijke brieven u als 't ware bij ongeluk uit den
+zak vallen of dat ge ze bij toeval vergeet en dat ze zoo in handen van
+anderen komen.--HARPALUS: O, dat zal me niet veel moeite kosten. Want ik
+kan niet alleen goed schrijven, maar ook heb ik 't door gestadige
+oefening zóóver gebracht dat ik ieders hand gemakkelijk kan
+namaken.--NESTORIUS: Naai de brieven in je wambuis of laat ze in je zak
+zitten, zoodat de kleermakers aan wie je je kleeren geeft om ze te
+lappen, ze vinden. Die zullen hun mond niet houden, en als je 't te
+weten komt, zet dan je gezicht in een plooi van boosheid of
+ontstemdheid, alsof je over het geval erg het land hadt.--HARPALUS: Ook
+daarop heb ik reeds lang gestudeerd, om mijn gezicht te kunnen
+veranderen als een masker.--NESTORIUS: Dan zal 't gevolg zijn dat men
+geen lucht krijgt van het bedrog en dat men je zaak met goed vertrouwen
+aanziet.--HARPALUS: Ik zal er goed mijn best toe doen.--NESTORIUS:
+Verder moet ge eenige makkers kiezen of je ook eenige bedienden
+aanschaffen, die voor u buigen en uitwijken en u in tegenwoordigheid van
+anderen "Jonker" noemen. Je behoeft niet bang te zijn dat je dit iets
+zal kosten. Er zijn heel veel jongelieden die graag zelfs voor niets die
+rol willen spelen. Hierbij komt nog dat dit land vol is van half
+geleerde jonge menschen, bezield met een bijzonderen schrijflust, om
+niet te zeggen schrijfwoede. Ook ontbreekt 't niet aan hongerige
+boekdrukkers, die alles aandurven wanneer de hoop op een zoet winstje
+hun toelacht. Eenigen van dezen moet gij omkoopen, dat ze u in hunne
+geschriften prijzen als een der Grooten van hun vaderland, en dit zoo nu
+en dan eens met vette letters te herhalen. Op die manier zullen ze u,
+tot zelfs in Bohemen toe, als een groot man in uw vaderland ophemelen.
+Want sneller en over een grooter uitgestrektheid doen die geschriften de
+rondte, dan praatjes van bedienden, al zijn ze ook nòg zulke
+babbelaars.--HARPALUS: Die manier bevalt mij wel. Maar, bedienden moet
+men den kost geven.--NESTORIUS: Dat is waar, maar ge moet er geen
+bedienden op na houden die geen handen aan hun lijf hebben en daarom
+onhandig zijn. Ze moeten hier- en daarheen worden uitgestuurd, en dan
+vinden ze wel wat. Je weet wel dat er allerlei gelegenheden voor zoo
+iets zijn.--HARPALUS: Houd maar op: ik begrijp het al.--NESTORIUS: Nu
+moet ik nog spreken van uw bekwaamheden.--HARPALUS: Daar ben ik
+nieuwsgierig naar.--NESTORIUS: Als je geen goed dobbelaar bent, geen
+flink kaartspeler, geen schandelijke meisjesgek, geen fameus drinker,
+geen brutaal verkwister, geen bankroetier en geen schuldenmaker, als je
+niet behebt bent met de zoogenaamde Gallische schurft[2], zal niemand je
+voor een man van adel houden.--HARPALUS: In dat alles heb ik me al lang
+geoefend. Maar waar moet het geld van daan komen?--NESTORIUS: Kalm! daar
+wilde ik net op komen. Heb-je geld van je vader geërfd?--HARPALUS: Een
+klein beetje.--NESTORIUS: Wanneer nu bij velen de dunk omtrent je adel
+gevestigd is, dan zul-je licht gekken vinden die geloof slaan aan je
+beweringen. Sommigen zullen zich schamen neen te zeggen, sommigen zelfs
+zullen bang zijn dit te doen. Om je schuldeischers bij den neus te nemen
+zijn er allerlei kunstjes.--HARPALUS: Daar ben ik al redelijk bedreven
+in. Maar eindelijk zullen ze 't mij toch te benauwd maken, als ze
+bemerken dat ik hen alleen maar met mooie woorden paai.--NESTORIUS:
+Integendeel, daar is geen gemakkelijker weg om te heerschen dan juist
+aan zooveel mogelijk menschen iets schuldig te wezen.--HARPALUS: Hoe dat
+zoo?--NESTORIUS: Wel, vooreerst beschouwt de schuldeischer het zóó,
+alsof hij door een groote verplichting aan u verbonden was en is hij
+bang een aanleiding te geven tot 't verlies van zijn geld. Iemands
+dienaren kunnen niet enger aan hem verknocht zijn, dan de schuldeischers
+aan hunne schuldenaars. Als men hun van tijd tot tijd eens wat
+terugbetaalt, dan is dat nog meer welkom dan dat men geschenken
+geeft.--HARPALUS: Dat heb ik wel eens gemerkt.--NESTORIUS: Maar pas
+hierop, dat ge u onderwijl niet met arme drommels inlaat. Want deze
+maken dikwijls om een onbeduidend sommetje geld een groot kabaal. Meer
+handelbaar zijn menschen die goed geld om handen hebben. Hen weerhoudt
+hun schaamtegevoel, de hoop doet hen leven, de vrees schrikt hen af: zij
+weten wat adellijke heeren soms vermogen. Ten slotte, wanneer de
+schuldenlast u overstelpt, dan moet ge onder allerlei voorwendsels
+elders heen verhuizen en dan vervolgens wéér ergens anders heen. Er is
+geen reden om je daarvoor te schamen. Niemand is meer met schulden
+beladen dan juist de vorsten. Als een boer u het vuur wat na aan de
+schenen legt, doe 't dan voorkomen alsof je door zijn onbeschaamdheid
+diep beleedigd bent. Geef evenwel zoo nu en dan eens wat terug, maar
+niet de geheele som en ook niet aan allen. Daarvoor moet gij overal en
+altijd zorgen dat niemand 't in den neus krijgt, dat je kas geheel leeg
+is. Je moet altijd grootdoen.--HARPALUS: Hoe kan iemand groot-doen die
+niets heeft?--NESTORIUS: Als een vriend je tijdelijk iets van waarde
+heeft toevertrouwd, dan moet je 't doen voorkomen alsof 't van je zelf
+is. Maar je moet alle gekunsteldheid vermijden: 't moet alles als bij
+toeval gaan. Neem daartoe soms eens wat geld op, met 't plan om 't heel
+spoedig terug te geven. Bewaar in je beurs, die uitpuilt van kopergeld,
+twee goudstukken en haal er die zoo nu en dan eens uit. En meer
+dergelijke verzinsels moet je zelf maar bedenken.--HARPALUS: Dat snap
+ik. Maar ik moet dan toch eindelijk wel tot over de ooren in de schuld
+zitten.--NESTORIUS: Houd daarom geen luie, onverschillige, onhandige
+bedienden of neem anders bloedverwanten bij je, die je tòch den kost
+zoudt moeten geven. Ze zullen wel eens een koopman tegenkomen dien ze
+kunnen berooven. Ze zullen wel eens wat vinden in herbergen, of in een
+huis, of in een schip, iets dat onbewaakt ligt. Vat-je? Ze moeten er aan
+denken dat de mensch niet te vergeefs vingers gekregen heeft.--HARPALUS:
+Als 't ten minste op een veilige manier kan gebeuren.--NESTORIUS: Je
+moet je bedienden netjes gekleed doen gaan, vooral met
+onderscheidingsteekens. Geef hun valsche brieven aan hooge personages in
+handen. Als ze dan eens iets hebben weggenomen en betrapt worden, zal
+niemand hen durven beschuldigen. Ook al vermoedt men iets, dan zal men
+toch bang zijn voor hun meester die van adel is. En wanneer ze
+gewelddadig een buit hebben veroverd dan heet dat: oorlogsrecht. Zulke
+vóór-oefeningen vormen het voorspel van den oorlog.--HARPALUS: Dat is
+een goede raad!--NESTORIUS: Verder moet ge steeds dezen stelregel van
+den adel handhaven: het is zijn recht den reiziger van burger-afkomst
+van zijn geld te ontlasten. Wat toch moet grooter verontwaardiging
+wekken, dan dat een koopman niet van adel, overvloed van geld heeft,
+terwijl intusschen een ridder geen cent heeft om aan de vrouwen en het
+spel uit te geven? Voeg je steeds bij de grooten of liever dring u bij
+hen in. Met een stalen gezicht, zonder blikken of blozen. Maar vooral
+bij vreemden. En daarom is 't ook verkieslijk dat ge u ophoudt in een
+nog al drukke stad, bijv. in badplaatsen, in druk bezochte
+herbergen.--HARPALUS: Dat was ik juist van plan.--NESTORIUS: In zulke
+plaatsen biedt 't geluk nog al eens vaak een kansje.--HARPALUS: Hoe,
+bijvoorbeeld?--NESTORIUS: Wel, de een of ander heeft zijn beurs laten
+liggen, of heeft bij vergissing den sleutel in 't slot van zijn lâ laten
+steken. Nu, de rest vat je wel.--HARPALUS: Maar...?--NESTORIUS: Waarvoor
+ben je bang? Wie zou eenig kwaad vermoeden durven koesteren tegen zoo'n
+beschaafd man, tegen iemand die altijd den mond vol heeft van zulke
+groote dingen, tegen den "Ridder van de Gulden Rots?" En zoo er al zoo'n
+onbeschaamde rekel gevonden werd, wie zou dan nog zoo driest zijn om u
+voor 't gerecht te dagen? Intusschen wordt de verdenking afgeleid op één
+van de gasten die gisteren zijn vertrokken. De bedienden en de
+herbergier zullen in rep en roer gebracht worden. Doch ga gij maar
+rustig uw gang. Als zoo iets aan een bescheiden en flink man overkomt,
+zal hij zijn mond houden, om niet tegelijk met zijn geldelijk verlies
+ook nog tot zijn schande bekend te doen worden, dat hij zóó nalatig op
+zijn zaken is.--HARPALUS: Wat je daar zegt is nog zoo gek niet. Je kent
+denk ik wel den Graaf van den Witten Gier?--NESTORIUS: Zou ik hem niet
+kennen?--HARPALUS: Bij hem had eens zijn intrek genomen, naar ik me heb
+laten vertellen, een zekere Spanjaard, een man van een net uiterlijk en
+echt fijne beschaving. Deze kaapte zeshonderd gulden; maar de graaf
+heeft nooit durven klagen. Zóó respectabel zag de man er
+uit.--NESTORIUS: Nu, daar heb-je een voorbeeld. Tusschen-beiden moet je
+eens één van je bedienden de wijde wereld inzenden; ten oorlog
+natuurlijk. Deze zal terugkeeren, beladen met buit in den krijg gemaakt,
+na kerken geplunderd en kloosters beroofd te hebben.--HARPALUS: Dat is
+zeker een hoogst veilige manier.--NESTORIUS: Daar is nog een andere
+manier om geld bij elkaar te krijgen.--HARPALUS: Zeg op,
+alsjeblieft.--NESTORIUS: Verzin voorwendsels om boos te worden tegen
+menschen die goed in hun contanten zitten, vooral tegen monniken of
+priesters, die nu zoowat bij iedereen in een kwaden naam staan. Deze
+heeft om uw wapenschild gelachen of er op gespuwd: gene heeft iets
+geschreven wat wel tot laster kan worden verdraaid. Aan zulke menschen
+moet ge een oorlog op leven en dood verklaren. Laat gruwelijke
+bedreigingen hooren, uitroeiing, moord en doodslag, louter algeheele
+verdelging. Vol schrik en angst zullen ze dan tot u komen om den strijd
+bij te leggen. Houd dan uw waardigheid hoog, dat wil zeggen: overvraag
+goed, dan krijgt ge wat ge hebben wilt. Als je drieduizend goudstukken
+vraagt, dan schamen ze er zich voor om minder dan tweehonderd aan te
+bieden.--HARPALUS: Anders zal ik dreigen hen gerechtelijk te
+vervolgen.--NESTORIUS: Dat gaat al weer wat meer op chantage gelijken;
+doch 't kan ook soms te pas komen. Maar zeg eens Harpalus, daar was me
+bijna ontgaan wat ik eigenlijk wel in de allereerste plaats had mogen
+zeggen; je moet 't een of ander meisje dat een aardigen spaarpot heeft
+in 't huwelijksnet zien te verstrikken. Je hebt een toovermiddel in je
+bezit, je bent jong, je ziet er niet onknap uit, je bent een aardige
+grappenmaker, je kunt aanstekelijk lachen. Strooi 't gerucht rond, dat
+je onder mooie beloften naar 't hof van den keizer bent geroepen.
+Meisjes houden er wel van heeren van het hof te trouwen.--HARPALUS: Ik
+ken er, aan wie dat voortreflijk gelukt is. Maar als 't bedrog nu
+eindelijk eens uitlekt en van alle kanten de schuldeischers op me
+afspringen? Dan zal iedereen den ontmaskerden ridder uitlachen. Want
+zoo'n komedie vinden ze erger dan wanneer men tempelroof
+pleegt.--NESTORIUS: Dan is juist 't oogenblik gekomen om te denken aan
+'t stalen gezicht. En dat te meer omdat nooit ter wereld brutaliteit
+meer in de plaats van wijs beleid is getreden, dan tegenwoordig. Dan
+moet je maar de een of andere uitvlucht verzinnen. Verder zullen er
+altijd eenvoudige zielen gevonden worden die uw historietje gelooven;
+anderen zullen uit burgerlijke beleefdheid doen net alsof zij 't bedrog
+dat ze doorzien hebben, niet hebben bemerkt. En ten slotte, als er geen
+ander redmiddel is, dan maar naar elders toevlucht genomen, in een
+oorlog, in 't krijgsgewoel. Zooals Euripides zegt dat de zee alle
+ongerechtigheden der menschen afwascht, zoo bedekt ook de oorlog al het
+grondsop en uitvaagsel van alle schurkerijen. Niemand wordt tegenwoordig
+voor een goed officier in den oorlog gehouden, als hij er niet toe
+gekomen is na een voorbereiding in zulk een recrutenschool. Dat is dus
+uw uiterste redmiddel wanneer alles verkeerd loopt. Maar ge moet den
+ondersten steen boven keeren dat 't niet zoo ver komt. Laat je vooral
+niet door zorgeloosheid foppen. Ontwijk kleine stadjes, waar je geen
+vinger in de asch kunt steken of de wereld weet 't. In groote en drukke
+steden heb je meer vrijheid of--ze moesten soms zijn als Marseille, waar
+alles zoo uiterst stijf en eerbaar toegaat. Tracht dus ongemerkt
+uittevisschen wat men van u zegt. Wanneer je merkt dat men zoo in dezen
+zin over je praat: "Wat doet hij toch; waarom blijft hij zoo lang hier;
+waarom gaat hij niet terug naar zijn land? Waarom laat hij zijn kasteel
+in den steek? Uit welke familie stamt hij toch? Waar haalt hij toch 't
+geld vandaan voor zijn groote verteringen?"--wanneer dergelijke praatjes
+langzamerhand beginnen te loopen, dan moet je er intijds op bedacht zijn
+om de plaat te poetsen: maar 't moet de retraite van een leeuw zijn,
+niet een hazenvlucht. Wend vóór: dat je voor groote dingen geroepen
+wordt naar 't keizerlijk hof, dat je binnenkort met een compagnie
+soldaten zult terugkomen. In je afwezigheid zullen ze niet tegen je
+durven kikken, omdat ze bang zijn te verliezen wat ze van je te eischen
+hebben. Maar vooral geloof ik, dat je op je hoede moet zijn tegen dat
+slag van menschen dat 't hoofd vol heeft van dichterlijke plannen,
+lichtgeraakt volkje. Als iets hun niet bevalt, smeren ze dadelijk papier
+vol en wat ze hebben opgeklad gaat terstond de wereld door.--HARPALUS:
+'k Mag doodvallen zoo je raad mij niet bij uitstek aannemelijk voorkomt.
+'k Beloof je: ik zal maken dat je in mij een leerzaam scholier en een
+niet ondankbaar jongmensch vindt. Het eerste het beste paard dat ik in
+mijn weiden vind en dat waard is je te dragen, zal ik je ten geschenke
+zenden.--NESTORIUS: Nu moet je op _jouw_ beurt ook doen wat je begonnen
+bent _mij_ te beloven. Waarom heb je zoo'n bijzonderen trek om den
+edelman te spelen als je 't niet bent?--HARPALUS: Om geen andere reden
+dan omdat adellijke heeren alles ongestraft mogen doen wat ze maar
+willen. Vind-je dat zoo'n kleinigheid?--NESTORIUS: Al loopt 't verkeerd
+uit, we zijn allen onzen tol aan de natuur door den dood verschuldigd,
+al leefde men ook in een Karthuizerklooster. En men sterft gemakkelijker
+op 't rad, dan aan 't graveel, aan jicht of aan een beroerte. Een goed
+soldaat moet gelooven dat er van den mensch na den dood niets
+overblijft, behalve zijn lijk.--HARPALUS: Daar ben ik het ook mee eens.
+
+
+NOTEN:
+
+[1] Dwaze raad, van onkunde getuigend in de heraldiek, die metaal op
+metaal verbiedt.
+
+[2] Erasmus bedoelt de syphilis die toen haar intrede in Europa had
+gedaan en o.a. ook door den invloed der publieke badstoven,
+onrustbarende uitbreiding had gekregen, zoodat de badgelegenheden dan
+ook weldra, als erkende brandpunten der besmetting, op order der
+overheidspersonen, verboden werden.
+
+
+ * * * * *
+
+
+DE VROUWENRAAD
+
+
+CORNELIA, MARGARETHA, PEROTTA, JULIA, CATMARINA.
+
+ "Emancipatie," wie zou ze in Erasmus' tijd reeds gezocht hebben? Of
+ ja--vinden we niet reeds in de komedies der oude Grieken sporen van
+ den wil der vrouwen om zich tegenover de mannen meer te doen
+ gelden? Zoo ook in den "Vrouwenraad," waarin de draak wordt
+ gestoken met de onmondigheid van het vrouwelijk geslacht en eenige
+ dames maatregelen beramen om zich aan den dwang en de heerschappij
+ der mannen te ontworstelen. De dwaasheden, de onrechtmatigheden, de
+ heerschzucht der mannen worden op de kaak gesteld; maar ook weet
+ Erasmus den vrouwen menigen steek te geven over hare praatzucht,
+ haar gebrek aan schaamtegevoel, haar pronkzucht.
+
+ De dialoog, ook voor de geschiedenis der cultuur van belang, doet
+ zien dat Erasmus zijn tijd ver vooruit was, dat hij op de
+ wondeplekken zijner maatschappij zeer juist den vinger wist te
+ leggen.
+
+CORNELIA: Al wat goed, gelukkig en voordeelig is voor dezen onzen stand
+en den ganschen vrouwenstaat, dat wenschen wij u toe! Gij zijt heden in
+grooten getale en opgewekt samengekomen, en op grond hiervan meen ik de
+meest vaste hoop te kunnen koesteren dat God genadig aan ieder onzer
+ingeve, wat kan strekken tot ons aller gemeenschappelijk heil, aanzien
+en nut. Gij weet (dunkt mij) allen hoeveel schade wij aan onze belangen
+hebben geleden daar wij, terwijl onze mannen hùnne belangen in hunne
+dagelijksche bijeenkomsten behartigen, onze zaken in den steek moeten
+laten, omdat we aan spinnewiel en weefgetouw moeten zitten. En dus is 't
+dan zoover gekomen dat er geen geregelde tucht onder ons bestaat, dat de
+mannen ons alleen maar zoowat als hun speeltuig beschouwen en ons
+nauwlijks den naam van mensch waardig keuren. En als wij doorgaan zooals
+we begonnen zijn, gaat dan zelf maar eens na waar het op zal uitloopen.
+Ik schroom woorden te gebruiken die een slechte vóórbeteekenis kunnen
+hebben. En, zoo we ook al onze waardigheid te grabbelen gooien, dan moet
+toch onze ongerepte naam ons ter harte gaan. De wijze koning Salomo
+heeft in de Spreuken geschreven: "Wie naar raad hoort is wijs."[1] De
+bisschoppen hebben hunne Synoden, de monnikorden hebben hunne
+vergaderingen, soldaten hunne lokalen waar ze bijeenkomen, dieren hunne
+bijeenkomsten, zelfs de mierenkolonie heeft haar plaats waar ze
+vergadert. Van alle levende wezens zijn de vrouwen de eenige die dat
+nooit doen.--MARGARETHA: Nu, vaker dan wel past.--CORNELIA: Op 't
+oogenblik is 't nog geen tijd om tusschen mijn woorden in te praten.
+Laat ik eerst uitspreken. Ieder krijgt op haar beurt gelegenheid om wat
+te zeggen. 't Is niets nieuws wat we hier doen. We hernieuwen eenvoudig
+een oud gebruik. Vóór ongeveer, als ik me niet vergis, dertienhonderd
+jaren heeft de hooggeprezen Keizer Heliogabalus....--PEROTTA: Wat,
+hooggeprezen? Een kerel dien ze aan een haak in 't riool gesleurd
+hebben?--CORNELIA: Daar word ik al weer in de rede gevallen. Als we
+iemand op die manier prijzen of misprijzen, dan kunnen we ook wel kwaad
+zeggen van Christus omdat hij gekruisigd is, en van den vromen Domitius
+omdat hij in zijn huis is gestorven. En toch wordt aan Heliogabalus
+niets ergers verweten dan dat hij het heilige vuur, dat door de
+Vestaalsche maagden werd verzorgd, op den grond heeft geworpen, en dat
+hij in zijn paleis in een kapel Mozes vereerde nevens Christus, dien zij
+uit smaad "Chrestus," d.i. "Nutsman" noemden. Die Heliogabalus nu, heeft
+ingesteld dat, evenals de Keizer met zijn raadslieden een vergadering
+hield, om over gemeenschappelijke belangen te spreken, zoo ook zijn
+moeder Augusta háár raad zou hebben, waar gesproken moest worden over de
+belangen van het vrouwelijk geslacht: een vergadering die de mannen, 't
+zij uit spot, 't zij om een onderscheid te maken: "gemeenteraadje"
+noemden. Dit voorbeeld van zooveel eeuwen geleden te hernieuwen, wordt
+ons van zelf door de omstandigheden reeds lang aan de hand gedaan. En ik
+hoop dat niemand uwer zich zal laten afschrikken door 't feit, dat de
+Apostel Paulus een vrouw verbiedt te spreken in een bijeenkomst, die hij
+den naam van "uitgelezen vergadering" geeft.[2] Hij bedoelt natuurlijk
+een bijeenkomst van vrouwen, terwijl dit een meeting is van vrouwen.
+Want als vrouwen altijd maar moesten zwijgen, waartoe zou dan de natuur
+ons de tong gegeven hebben, die toch niet minder vaardig is dan die der
+mannen, en een stem, die niet minder klankvol is dan de hunne? Evenwel,
+hun geluid klinkt veel meer rauw en schor dan het onze en het gelijkt
+veel meer op het balken van ezels. Maar daarvoor moeten wij allen steeds
+zorgen, dat wij deze zaak met zulk een ernst behandelen, dat ze ons
+nooit meer "gemeenteraadje" noemen of dat ze misschien nog een
+smadelijker naam uitdenken, zooals ze gewoonlijk grappig zijn ten onzen
+koste. Hoewel--wanneer wij hunne bijeenkomsten eens naar haar innerlijke
+waarde wilden schatten, dan zou blijken dat die zeer onbeteekenend zijn.
+We zien dat de vorsten al in zooveel jaren niets anders doen dan
+oorlogvoeren; onder godgeleerden, priesters, bisschoppen en 't publiek
+heerscht absoluut geen overeenstemming. Zooveel hoofden, zooveel zinnen.
+En onder hen allen heerscht meer dan vrouwelijke veranderlijkheid. Geen
+staat leeft met een anderen staat in eensgezindheid, geen buurman met
+zijn nabuur. Als ons de teugels van het bewind maar eens in handen
+gegeven werden, dan zou de toestand van 't menschdom, (ik ben er zeker
+van) heel wat draaglijker zijn. 't Is misschien niet overeen te brengen
+met de schuchterheid aan vrouwen eigen om aan zulke groote en voorname
+mannen een brevet van dwaasheid uit te reiken,--maar wèl mogen we, dunkt
+me, aanhalen wat Salomo in het dertiende hoofdstuk van zijn Spreuken
+zegt: "Door hoovaardij maakt men niet dan gekijf, maar bij de beradenen
+is wijsheid." Maar om u thans niet langer met mijn inleiding bezig te
+houden, moet er eerst, opdat alles in geregelde volgorde kunne
+geschieden, zooals 't past, en zonder verwarring, besloten worden, wie
+bij de beraadslagingen tegenwoordig zullen wezen, wie de zaal moeten
+verlaten. Want een buitensporig aantal aanwezigen zou men eerder een
+janboel kunnen noemen dan een vergadering: daarentegen heeft een comité
+van enkelen iets tyrannieks. Volgens mijn meening moet hierbij geen
+enkele ongetrouwde vrouw worden toegelaten, en wel om deze reden: dat er
+veel dingen zullen voorkomen, die 't geen pas geeft dat zij
+hooren.--JULIA: Maar waaraan kan men onderscheiden dat ze nog maagden
+zijn? Of zullen zij maar als maagd beschouwd worden, die nog een kransje
+dragen?--CORNELIA: Neen, daar ben ik 't niet mee eens. Mij dunkt we
+moeten alleen getrouwde vrouwen opnemen.--JULIA: Als we niet anders
+uitsluiten dan maagden, dan zal er een verbazend groote menigte blijven
+en zal er niet veel vermindering te bespeuren zijn.--CORNELIA: Ook
+moeten worden uitgesloten die meer dan driemaal getrouwd zijn.--JULIA:
+Waarom dat?--CORNELIA: Daar zij om zoo te zeggen hun tijd hebben
+uitgediend en gepensionneerd mogen worden. 't Zelfde dunkt me, moet ook
+gebeuren met de vrouwen boven de zeventig jaren. Verder moet er bepaald
+worden dat niemand over haar man, hem bij name noemend, oneerbiedig mag
+spreken. Tegen het geheele mannengeslacht mag het, maar met deze
+beperking: niet al _te_ veel.--CATHARINA: Waarom zou 't niet vrij staan
+hier vrijuit over de mannen te spreken, daar zij zelf het altijd over
+óns hebben? Als mijn Titus een vroolijk tafelgenoot wil zijn, dan
+vertelt hij alles wat ik gedaan heb, en dikwijls verzint hij er nog 't
+een en ander bij.--CORNELIA: Als wij de waarheid maar eens wilden
+bekennen: of _wij_ in tel zijn hangt van de mannen af. Als wij hen
+overleveren aan de publieke verachting, dan rooven wij ons zelf ook de
+kroon van het hoofd. Maar we hebben werkelijk eenige rechtmatige reden
+tot klagen. Gaan we evenwel de som van alles na, dan heeft onze positie
+toch nog veel vóór boven de hunne. Terwijl zij zorgen voor de inkomsten,
+moeten ze over landen en zeeën vliegen, dikwijls met groot gevaar voor
+hun leven. Als er een oorlog uitbreekt worden zij door de trompet
+opgejaagd. Geharnast moeten zij in het gelid staan, terwijl wij veilig
+thuis zitten. Als zij iets tegen de wet misdoen, straft men hen streng:
+onze sekse spaart men. Om kort te gaan, 't ligt grootendeels aan ons
+zelven om onze mannen te hebben zooals wij ze graag willen. Ten slotte
+moet er nog gesproken worden over de volgorde waarin we zitting zullen
+nemen, opdat bij ons niet gebeure wat zoo dikwijls geschiedt bij
+beraadslagingen van koningen, prinsen en kerkvorsten, die in hunne
+bijeenkomsten soms drie heele maanden twisten vóór de zitting kan
+beginnen. En dan dunkt mij dat het eerst aan de beurt komen om zitting
+te nemen, de vrouwen van adel en bij deze hebben weer den voorrang die
+met vier kwartieren, vervolgens die met één kwartier en ten laatste die
+met een gehalveerd kwartier. En bij elken tak zal de rang naar gelang
+van den ouderdom van de familie worden aangewezen. Bastaarden krijgen,
+elk in haar familie, de laatste plaats. In de tweede plaats nemen
+zitting de vrouwen van de burgerklasse. Hier nemen zij de eerste plaats
+in, die 't grootst aantal kinderen ter wereld hebben gebracht. Bij
+gelijke rechten zal de leeftijd beslissen. Ten derde komen zij die geen
+kinderen gehad hebben.--CATHARINA: En waar plaats je de
+weduwen?--CORNELIA: O, 't is goed dat je mij daaraan herinnert. Die
+krijgen haar plaats onder de getrouwde vrouwen, als ze ten minste
+kinderen hebben of gehad hebben. Dan moeten wij vaststellen, hoe een
+raadsbesluit zal worden genomen, met stembriefjes of stemsteentjes, of
+bij hoofdelijke stemming, of door 't opsteken der handen, of door uit
+elkander te gaan staan.--CATHARINA: Met steentjes kan licht bedrog
+gepleegd worden, net als met stembriefjes. Als we willen stemmen, door
+naar verschillende kanten uiteen te gaan, zullen we te veel stof
+opjagen, omdat wij sleepjaponnen dragen. 't Beste is dus maar, dat
+iedere vrouw mondeling zegt hoe zij over een zaak denkt.--CORNELIA: Maar
+'t is moeilijk de stemmen te tellen. En dan moet er wèl opgepast worden
+dat 't in plaats van een vrouwen_raad_ geen vrouwen_praat_
+wordt.--CATHARINA: Zonder 't houden van notulen zal 't niet gaan, er mag
+niets verloren gaan.--CORNELIA: Nu zoo zijn er dan maatregelen genomen
+omtrent 't aantal deelnemers. Maar hoe zullen we 't getwist en gekijf er
+buiten houden?--CATHARINA: Laat niemand spreken die daartoe niet is
+uitgenoodigd en dan alleen maar op haar beurt. Wie zich daaraan niet
+houdt, wordt uit den raad verwijderd. En verder, als er één is die 't
+geen hier besproken wordt verklapt, die zal gestraft worden met een
+gedwongen zwijgen van drie dagen.--CORNELIA: Goed. Zoo ver dus over de
+manier waarop we de zaak zullen aanpakken. Hoort nu, wàt we zullen
+behandelen. Vooreerst moeten we zorg dragen voor ons aanzien en
+prestige. En dat ligt voornamelijk in onze uiterlijke verschijning. Die
+wordt heden ten dage zóó verwaarloosd, dat men nauwlijks een onderscheid
+kan zien tusschen een dame van adel en een vrouw uit het volk, een
+getrouwde vrouw, een meisje, en een weduwe, tusschen een fatsoenlijke
+gehuwde vrouw en een lichtekooi. Alle gevoel van schaamte is zoo ver de
+wereld uit, dat iedere vrouw zich maar aanmatigt, wat ze maar wil. Men
+kan tegenwoordig vrouwen uit de burgerklasse, ja zelfs uit heel lagen
+stand zien, die zich kleeden in zijde, in sleepjaponnen, bebloemd,
+gestreept, van fijn lijnwaad, met goud- en zilverdraad doorweven, ja met
+sabelbont, terwijl intusschen hun mannen thuis schoenen zitten te
+lappen. Haar vingers hebben ze beladen met smaragden en diamanten (want
+paarlen zijn nu bij 't groote publiek in minachting), om over barnsteen,
+koralen en goudleeren schoentjes maar niet eens te spreken. Vroeger was
+'t voldoende voor eenvoudige vrouwen, ter eere van hare kunne, zijden
+ceintuurs te gebruiken en de gespen van haar japon met een zijden
+borduurseltje te versieren. Thans is 't kwaad dubbel. Vooreerst moet 's
+mans vermogen er aan gelooven en in de tweede plaats gaat 't verschil
+van stand verloren, wat toch maar de waarborg is dat ieder krijgt wat
+hij waard is. Zoo vrouwen uit het volk mogen rijden in mooie wagens en
+zich in draagstoelen met ivoor versierd en met fijn linnen gedekt kunnen
+laten dragen, wat schiet er dan nog over voor dames van adel en aanzien?
+En als een vrouw gehuwd met iemand die amper-aan Ridder is, reeds een
+sleep draagt van vijftien el, wat moet dan de vrouw van een Hertog of
+Graaf doen? En dit is des te ondraaglijker, omdat wij zoo nu en dan met
+verwonderlijke onberedeneerdheid onze kleederdracht veranderen. Eertijds
+hingen van de punten die uitsteken van den top onzer hoofdbedekking,
+linten af. Door dat versiersel onderscheidden zich de voorname dames van
+de vrouwen uit lageren stand. Om nu de gelijkheid weer weg te nemen
+namen de eerstgenoemden hoeden aan, die van buiten wit bont toonden met
+zwarte staartjes bezet. Onmiddellijk nam 't lage volk het over. Weer
+veranderden de dames van onzen stand en gingen een zwarten mantel dragen
+van linnen. De vrouwen van de lagere standen durfden dat niet alleen
+nadoen, maar voegden er nog gouden franje aan toe, ja, ten slotte zelfs
+edelsteenen. Oudtijds was het een voorrecht van edelvrouwen zich de
+haren van 't voorhoofd en de slapen uit te trekken en de haren op de
+kruin in een wrong te binden. Lang duurde 't niet of de eerste de beste
+volgde dat na. Eindelijk gingen zij het haar dragen zóó dat het op 't
+voorhoofd neerhing; ook de vrouwen uit het volk deden dit onmiddellijk
+na. Alleen adellijke dames hadden eertijds pages en lakeien en onder
+deze één bevoorrechten, die haar de hand moest reiken wanneer ze van
+haar zitplaats ging opstaan, die haar linkerhand bij 't loopen met zijn
+rechterhand mocht steunen. En die eer werd alleen maar toegestaan aan
+knapen van edele geboorte. En nu de getrouwde vrouwen dit overal doen,
+nemen ze ook maar ieder die wil tot dat dienstbetoon aan, bijv. tot de
+taak van sleepdragers. Zoo groetten vroeger alleen maar adellijke dames
+met een kus. En lang niet iedereen ontvingen ze daarmee, ja zelfs
+reikten ze niet aan iedereen de hand tot den handkus. Nu schieten zelfs
+zij, die naar leer stinken op een dame af, om haar een kus te geven,
+zelfs al is het een dame met een adellijk wapenschild. Ook bij 't
+sluiten van huwlijken, let men zelfs niet meer op aanzien en stand.
+Vrouwen van adel huwen mannen uit 't volk, burgervrouwen met edellieden.
+En zoo krijgen wij tot kinderen een halfslachtig kroost. En geen is er
+van zóó lage geboorte, die er tegen op ziet al de kunstmiddeltjes der
+edelvrouwen aan te wenden. Terwijl 't vrouwen uit 't volk voldoende
+moest geweest zijn, schuim van jong bier of frisch aftreksel van
+boombast te gebruiken of andere dingen, die men voor lagen prijs kan
+koopen, hadden zij karmijn en blanketsel en andere fijne verfstoffen
+moeten overlaten aan de voornamere dames. Hoe weinig orde is er nu bij
+diners of wanneer zij zich in 't openbaar vertoonen! Dikwijls gebeurt
+'t, dat de vrouw van een koopman niet verkiest te wijken voor een vrouw,
+wier beide ouders van adel zijn. 't Is al lang een eisch van den tijd
+dat we eens wat vaste regels hieromtrent vaststellen. En dat zullen wij
+gemakkelijk onder elkander kunnen doen, omdat ze alleen de vrouwelijke
+sekse aangaan. Maar, we hebben ook een appeltje te schillen met de
+mannen, die ons van alle eerbetoon buitensluiten, en ons alleen maar
+voor waschvrouw en kookster houden, terwijl zij alles naar hun eigen
+goedvinden inrichten. Wij zullen hun dus graag hunne ambten overlaten en
+de zorg voor de militaire zaken. Maar wie zou het kunnen dulden dat op
+'t schild het wapen van de vrouw altijd aan den linkerkant staat, ook al
+overtreft zij 's mans adel met drie maal zooveel kwartieren als de
+zijnen? Verder is 't toch ook niet meer dan billijk dat de moeder een
+woordje heeft mee te spreken in 't geven van een positie aan de
+kinderen? En misschien zullen we ook dit nog eens gedaan krijgen, dat
+wij op ónze beurt ook de openbare ambten bekleeden: ten minste die
+ambten welke binnen de muren en zonder wapens te dragen, kunnen worden
+bekleed.
+
+Dames, dat is in hoofdzaak wat me de moeite waard schijnt om er over te
+beraadslagen. Laat ieder hierover eens bij zich zelve nadenken opdat er
+raadsbesluiten over elk punt kunnen genomen worden, en als aan iemand
+uwer soms nog iets in de gedachte komt, laat ze er dan morgen mee in de
+vergadering voor den dag komen. We zullen immers iederen dag bijeenkomen
+totdat wij de zitting ten einde hebben gebracht. Er moeten vier
+secretaressen worden aangesteld om al wat er gesproken wordt op te
+teekenen. Bovendien twee voorzitsters om 't woord te geven of te
+ontnemen.
+
+Zoo hoop ik dan dat deze bijeenkomst moge welslagen onder begunstiging
+van Godes genadige bescherming.
+
+
+NOTEN:
+
+[1] Salomo. Spreuken 12.
+
+[2] Corinth. XIV. 34. Taceat mulier in ecclesia.
+
+
+ * * * * *
+
+
+DE BEDEVAART
+
+
+MENEDEMUS, OGYGIUS.
+
+ Door Erasmus werden de _misbruiken_ in de kerk aangetast. Niet de
+ kerk zelve in haar geloof, doch de kwade praktijken (maar al te
+ veelvuldig in zwang) moesten zijn geeselstriemen voelen. En Erasmus
+ stond in zijn ergernis over de verfoeielijke misbruiken niet
+ alleen. Vele weldenkenden waren het met onzen Rotterdammer eens,
+ dat de door hem gehekelde vergrijpen tegen 't gezond verstand en
+ den reinen godsdienstzin ten volle verdienden belachelijk gemaakt
+ te worden.
+
+ "In de Bedevaart" (zoo zegt Erasmus in 't Nut der Samenspraken)
+ "vaar ik uit tegen diegenen, die stormenderhand de beelden uit de
+ kerken hebben geworpen; verder tegen hen, die dol gesteld zijn op
+ reizen, onder voorwendsel van godsdienstzin ondernomen en waaruit
+ thans geheele broederschappen ontstaan zijn. Die naar Jeruzalem
+ geweest zijn, heeten Gulden Ridders. Zij noemen elkander broeders
+ en vieren op Palmzondag in allen ernst een belachelijk feest, daar
+ ze dan een houten ezel aan een touw voorttrekken, terwijl er
+ tusschen hen en den ezel niet veel onderscheid is. Dit is ook
+ nagevolgd door de bedevaartgangers, die naar St. Jacob van
+ Compostella in Gallicië geweest zijn. Men gunne hun die
+ liefhebberijen, maar men dulde niet dat zij zich die als daden van
+ godsvrucht toerekenen. Ook hen teeken ik met zwarte kool, die
+ relieken van onzekeren oorsprong voor echte en heilige
+ overblijfselen verkoopen of er meer kracht aan toekennen dan
+ billijk is, en ik haal hen over den hekel die uit zulke relieken
+ een bron van vuige winst maken."
+
+MENEDEMUS: Wat is dàt voor vreemds? Zie ik daar niet mijn buurman
+Ogygius, die al zes maanden lang voor iedereen onzichtbaar was? Men
+vertelde dat hij dood was. Ja waarachtig, hij is 't in eigen persoon of
+ik lijd aan hallucinaties. 'k Zal naar hem toegaan en hem aanspreken.
+Goeden dag, Ogygius.--OGYGIUS: 't Zelfde, Menedemus.--MENEDEMUS: Uit
+welke streek ben je nu heelhuids teruggekeerd? Want de droeve mare had
+zich hier verbreid dat je naar de onderwereld verzeild geraakt
+waart.--OGYGIUS: Neen, God zij dank! in dien tusschentijd was ik zóó
+gezond als ik vroeger zelden of nooit geweest ben.--MENEDEMUS: Nu ik
+hoop dat je steeds dergelijke praatjes op dezelfde manier kunt
+weerleggen. Maar wat zie je er vreemd versierd uit? Bekranst ben je met
+aaneengeregen schelpjes, aan alle kanten zit je vol met tinnen en looden
+beeldjes en je bent omhangen met halsketens van gevlochten stroo en aan
+je pols bungelt een rozenkrans, net een sliert slangeneieren.--OGYGIUS:
+Ik ben bij Sint Jacob van Compostella geweest. Toen ik van daar was
+teruggekeerd, ging ik naar de Heilige Maagd aan zee, die zoo in eere is
+bij de Engelschen. Of liever: ik heb haar weer opnieuw bezocht, want
+voor drie jaren was ik er ook al geweest.--MENEDEMUS: Zeker terwille van
+je zieleheil?--OGYGIUS: Neen, met godsdienstige oogmerken.--MENEDEMUS:
+Dan heeft zeker de Grieksche litteratuur die godsdienstige ideeën bij je
+gewekt?--OGYGIUS: Neen, mijn schoonmoeder had een gelofte gedaan dat als
+haar dochter een zoon ter wereld bracht, ik in eigen persoon aan Sint
+Jacob van Compostella onzen dank zou gaan betuigen, een bewijs van onze
+dankbaarheid zou gaan geven.--MENEDEMUS: En toen ben je den Heilige gaan
+begroeten alleen maar uit je eigen naam en dien van je
+schoonmoeder?--OGYGIUS: Neen, uit naam van onze gansche
+familie.--MENEDEMUS: Nu, ik denk dat je familie even welvarend zou
+geweest zijn als je den Heiligen Jacob van Compostella _niet_ was gaan
+begroeten. Maar zeg eens op, wat antwoordde hij toen je hem kwaamt
+danken?--OGYGIUS: Niets. Alleen verbeeldde ik me dat hij me toelachte en
+eventjes met 't hoofd knikte, toen ik hem mijn gave bracht en tegelijk
+liet hij me dit snoer van schelpen overreiken.--MENEDEMUS: Waarom geeft
+hij je dat bij voorkeur?--OGYGIUS: Wel, daarvan heeft hij een grooten
+voorraad, omdat de zee in de buurt hem die aan de hand doet.--MENEDEMUS:
+Wat een vriendelijke Heilige, die kraamvrouwen bijstaat en voor zijn
+bezoekers ook nog wat over heeft! Maar wat is dat voor een vreemde
+manier van geloften doen, dat men zelf rustig thuis blijft en door een
+ander de moeite laat doen, zooals uw schoonmoeder deed? Als _jij_ nu een
+gelofte gedaan hadt, dat _ik_ (als 't een of ander wat je ondernomen
+hadt, gelukkig zou uitkomen) tweemaal in een week zou vasten, denk je
+dan dat _ik_ zou doen wat _jij_ beloofd hadt?--OGYGIUS: Neen, ik denk
+van niet, zelfs al had-je uit je eigen naam die gelofte gedaan. Want jij
+maakt er een spelletje van om de Heiligen te bedotten. Maar in _mijn_
+geval was 't mijn schoonmoeder; ik moest haar zin wel doen. Je weet hoe
+'t met vrouwen gesteld is als ze zich eens iets in het hoofd gehaald
+hebben. En bovendien--'t ging _mij_ toch óók aan.--MENEDEMUS: Wat voor
+gevaar liep je, wanneer je nu de gelofte eens niet hadt
+vervuld?--OGYGIUS: 't Is waar, de Heilige kon me niet voor 't gerecht
+dagen, maar hij zou in 't vervolg doof kunnen zijn voor mijn gebeden of
+stil een ongeluk over mijn familie kunnen brengen. Je weet: hoe 't met
+groote heeren gaat!--MENEDEMUS: Zeg me eens, hoe gaat 't met de zaken
+daar bij dien goeden Jacob?--OGYGIUS: Vrij wat minder florissant dan
+vroeger.--MENEDEMUS: Hoe dat zoo? Wordt hij oud?--OGYGIUS: Och, jij
+grappenmaker. Je weet wel dat Heiligen niet oud worden. Maar die nieuwe
+leer, die zich zoo over de wereld, verspreidt, maakt dat men hem niet
+meer zoo druk komt begroeten als vroeger wel de gewoonte was. En áls de
+menschen nog komen, dan komen ze alleen maar met een begroeting.
+Geschenken brengen ze niet mee, of 't zijn heel geringe, omdat ze
+beweren dat men het geld beter kan besteden voor de armen.--MENEDEMUS:
+Wat een goddelooze leer!--OGYGIUS: En zoo staat daar nu die machtige
+Apostel die altijd placht te blinken en schitteren van edelsteenen en
+goud, als een houten pop, ternauwernood met een enkel
+vetkaarsje.--MENEDEMUS: Nu, wanneer 't waar is wat ik hoor vertellen,
+dan loopen ook de andere Heiligen groot gevaar dat hun 't zelfde
+gebeurt.--OGYGIUS: Er is zelfs een brief in omloop die eigenhandig
+daarover door de Heilige Maagd Maria geschreven is.--MENEDEMUS: Welke
+Maria?--OGYGIUS: Maria bijgenaamd "Van Steen."--MENEDEMUS: Je bedoelt
+Maria uit 't land bij Bazel?--OGYGIUS: Juist, die.--MENEDEMUS: Je
+spreekt me daar dus van een steenen Heilige. Maar aan wien heeft ze
+geschreven?--OGYGIUS: De naam staat in den brief zelf.--MENEDEMUS: Door
+wien is de brief bezorgd?--OGYGIUS: Zeker door een engel, die den brief
+had neergelegd op den preekstoel van den prediker aan wien de brief
+geadresseerd is. En opdat je niet 't minste bedrog zoudt kunnen
+vermoeden, zul-je den eigenhandig geschreven brief zelf
+zien.--MENEDEMUS: Kent ge dan de hand van den engel die particulier
+secretaris van de Heilige Maagd is?--OGYGIUS: Zeer zeker.--MENEDEMUS: En
+op welken grond wel?--OGYGIUS: 'k Heb het grafschrift van Beda gelezen,
+waarvan men zegt dat 't ook door engelen is ingebeiteld. De vorm van de
+letters in dat grafschrift komen geheel met die van den brief overeen.
+Ik heb ook het briefje gelezen dat aan den Heiligen Egidius gezonden
+was. Ook die gelijken precies op de anderen. Is dat alles geen duidelijk
+bewijs?--MENEDEMUS: Zou ik den brief eens mogen inzien?--OGYGIUS: 't Mag
+wanneer je er een eed op doet dat je er over zult zwijgen.--MENEDEMUS:
+'k Zal zwijgen als een mof.--OGYGIUS: Ja, maar er zijn ook wel moffen,
+ja zelfs in de geschiedenis zijn zelfs steenen bekend, die op dit punt
+in kwaden naam staan, omdat ze niets kunnen stilhouden.--MENEDEMUS:
+Beschouw me dan maar als een stomme, als je een mof zoo weinig
+vertrouwt.--OGYGIUS: Nu, op die voorwaarde wil ik je den brief
+voorlezen: spits je beide ooren!--MENEDEMUS: Ze zijn gespitst.--"Maria
+de Moeder van Jezus groet den priester Donkerschat. Dat gij, in
+navolging van Luther, de menschen tracht te overtuigen dat het overbodig
+is de Heiligen aan te roepen, daarvoor ben ik u in zeker opzicht grooten
+dank verschuldigd. Want vroeger werd ik door de onbeschaamde gebeden der
+menschen tot vervelens toe gekweld. Zij vroegen van mij alleen alles,
+alsof mijn Zoon nog eeuwig een kind bleef, omdat hij altijd zoo wordt
+afgebeeld en afgeschilderd op mijn schoot, alsof hij nog van de genade
+van zijn moeder afhing en niets aan iemand die hem wat vroeg zou kunnen
+weigeren, natuurlijk uit vrees, dat ik hem dan wederkeerig de borst zou
+weigeren als hij zou willen zuigen. Somtijds vraagt men mij, die toch
+een maagd ben, dingen welke een ingetogen jongman ternauwernood van een
+gemeene koppelaarster zou durven vragen en welke ik niet waag neer te
+schrijven. Soms komt een koopman die voor handelszaken naar Spanje op
+reis gaat, mij de kuischheid van zijn bijzit aanbevelen. Dan weer komt
+een nonnetje, die vluchten wil uit 't klooster en den sluier wil
+afwerpen mij vragen, of ik haar ongerepten naam wil beschermen dien ze
+zelve te grabbelen gaat gooien. Een brutaal soldaat die gehuurd is ter
+slachting, roept uit: "Heilige Maagd geef me een rijken buit." Een
+dobbelaar roept: "Begunstig mij, Heilige Maagd: gij zult de winst met
+mij deelen." En wanneer de dobbelsteen dan geen gunstigen uitslag geeft,
+dan overladen ze mij met scheldwoorden en moet ik allerlei
+verwenschingen hooren omdat ik geen schurken wil helpen. De lichtekooi,
+die met haar lichaam den kost wint, roept mij aan en zegt: "Geef mij een
+ruime verdienste." En als ik iets weiger, dan moet ik dadelijk hooren:
+"Dan ben je ook geen Moeder der barmhartigheid!" De beden van anderen
+weer zijn niet zoo zeer slecht dan wel laf. Een ongehuwde juffrouw bidt:
+"Maria geef me een rijken en mooien bruigom." Een getrouwde vrouw:
+"Schenk mij mooie kinderen." Een zwangere vrouw: "Maak mij mijn
+bevalling licht." Een oude vrouw: "Maak dat ik lang mag leven zonder
+hoest en zonder dorst." Een oude malle gek: "Geef dat ik weer jong mag
+worden." Een wijsgeer roept uit: "Maak dat ik onontwarbare
+wetenschappelijke knoopen kan leggen." Een priester vraagt: "Geef mij
+een mooie priesterplaats." Een Bisschop vraagt: "Bescherm mijn Kerk." De
+zeeman: "Verleen mij een veilige vaart." Een gouverneur zegt: "Laat mij
+uw Zoon zien vóór ik sterf." Een hoveling: "Doe mij in mijn stervensuur
+eerlijk en naar waarheid mijn zonden biechten." Een boer bidt: "Geef mij
+regen op tijd." Een boerin: "Bewaar ons klein en groot vee in
+gezondheid."--Weiger ik iets, dan heet ik dadelijk onbarmhartig. Zoo ik
+hen naar mijn Zoon verwijs, dan moet ik hooren: "_Hij_ wil alles wat
+_gij_ wilt." Moet _ik_ in mijn eentje, die maar een vrouw en nog al een
+maagd ben, hulp verleenen aan varenslieden, krijgers, handelaars,
+spelers, trouwende paren, zwangere vrouwen, gouverneurs, vorsten en
+boeren? Maar alles wat ik daar gezegd heb, is nog maar een klein deel
+van 't geen ik te doorstaan heb. Van dat alles heb ik tegenwoordig veel
+minder last dan vroeger, en daarom zou ik u van harte dank zeggen, ware
+het niet dat dit voordeel een veel grooter nadeel met zich meesleepte.
+Ik heb nu wel veel meer vrijen tijd, maar minder eerbewijzen en minder
+inkomsten. Vroeger werd ik begroet als "Hemelskoningin," "Meesteres der
+Wereld," nu hoor ik ternauwernood uit den mond van enkelen een "Ave
+Maria." Vroeger behing men mij met kostbare steenen en goud, kreeg ik
+fraaie kleedingstukken in overvloed, werden mij giften in goud en
+edelsteenen gebracht, tegenwoordig krijg ik ternauwernood een klein
+manteltje en dat nog wel een waaraan de muizen geknabbeld hebben. De
+jaarlijksche inkomsten zijn zóó gering geworden, dat ik er ternauwernood
+een armzaligen kerkdienaar van kan onderhouden om een lampje of een
+vetkaars voor mij aan te steken. En dat alles zou nog te dragen zijn,
+wanneer men niet vertelde dat gij nog grooter plannen koestert. Men zegt
+dat gij 't daarop aanstuurt: alle Heiligen uit de kerken te jagen.
+Bedenk echter wèl wat gij gaat doen. Den anderen Heiligen ontbreekt 't
+niet aan de macht om zich te wreken over 't onrecht hun aangedaan.
+Wanneer ge Petrus uit de kerk werpt, dan kan hij voor u op zijn beurt de
+deur van den hemel sluiten. Paulus heeft zijn zwaard. Bartholomeus is
+met een mes gewapend. Wilhelmus heeft onder zijn monnikspij een volledig
+harnas en draagt daarbij een flinke lans. En wat wilt ge tegen den
+Heiligen Joris uitrichten, die te paard zit en geheel geharnast is,
+schrikwekkend door speer en zwaard? Antonius is ook niet ongewapend: hij
+heeft zijn heilig vuur. En ook de overigen hebben hun wapens of hun
+kwalen, die ze toezenden aan wien ze willen. Maar mij, ongewapend als ik
+ben, zul je er niet uitwerpen of 't moest wezen tegelijk met mijn Zoon,
+dien ik op mijn arm draag. Van hem laat ik me niet scheiden. Ge moet hem
+met mij uitstooten, of ge moet ons beiden met rust laten, of ge moest
+soms liever een kerk hebben zonder Christus. Dat wilde ik u even doen
+weten. Bedenk wat ge mij meent te moeten antwoorden. Want de zaak ligt
+mij na aan 't harte.--Geschreven uit onze Kerk van Steen den 1en
+Augustus van het jaar van 't lijden mijns Zoons 1524. Door mij, maagd
+van Steen eigenhandig onderteekend."--MENEDEMUS: Wel, die brief klinkt
+dreigend en schrikaanjagend. Pastoor Donkerschat zal dunkt me wel
+oppassen.--OGYGIUS: Als hij ten minste verstandig is.--MENEDEMUS: Waarom
+heeft die goede Sint Jacob hem óók niet over dezelfde aangelegenheid
+geschreven?--OGYGIUS: Dat weet ik niet; misschien omdat hij wat ver af
+woont en tegenwoordig alle brieven onderschept worden.--MENEDEMUS: Welke
+goede hoogere Macht heeft je naar Engeland gebracht?--OGYGIUS: Een
+bijzonder gunstige wind lokte mij er heen en ik had ook zoowat half
+beloofd aan de Heilige Moedermaagd aan de Zee dat ik haar na twee jaren
+wéér zou komen bezoeken.--MENEDEMUS: Wat was je van plan haar te
+vragen?--OGYGIUS: Och, niets bijzonders. Alleen maar die gewone dingen:
+dat mijn familie gezond mocht blijven, vermeerdering van mijn vermogen,
+een lang en gelukkig leven hier op aarde en altijddurende gelukzaligheid
+in 't toekomende.--MENEDEMUS: Kon de Heilige Moeder Gods bij ons u dat
+dan niet geven? Zij heeft te Antwerpen een vrij wat mooier kerk dan die
+in Engeland is, aan de zee.--OGYGIUS: 'k Zal niet zeggen dat ik 't niet
+kàn, maar de Heilige Maagd schenkt hier dit en daar dàt, hetzij dat 't
+haar nu eens zoo in den zin komt, hetzij dat ze zich naar onze neigingen
+en verlangens schikt, welwillend als ze is. Van Sint Jacob van
+Compostella heb ik dikwijls gehoord: maar vertel me eens iets, als je
+wilt, van 't rijk van die Heilige Maagd aan de Zee.--OGYGIUS: Goed, ik
+zal 't zoo beknopt doen als ik kan. Het is een Heilige die in geheel
+Engeland geëerd wordt en men zal op dat eiland niet licht iemand vinden
+die hoopt dat 't hem goed zal gaan of hij komt haar jaarlijks met een
+kleine gave naar gelang van zijn fortuin begiftigen.--MENEDEMUS: Waar
+huist ze?--OGYGIUS: Aan den uithoek van Engeland, in het Noordwesten,
+niet ver van de zee, ongeveer drie mijlen. Het is een dorpje dat
+nauwelijks van iets anders bestaat dan van de talrijke pelgrims. Er is
+een college van Kanunniken, die den latijnschen bijnaam van Regulieren
+dragen. 't Is een midden-slag geestelijken tusschen monniken en
+kanunniken die men "wereldlijke" noemt.--MENEDEMUS: Zoo'n soort van
+amphibieën dus, zooiets als de bevers.--OGYGIUS: Ja, en ook de
+krokodillen. Maar, alle gekheid ter zijde. In drie woorden kan ik zeggen
+wat ge wilt weten. Kanunniken zijn gehaat, monniken staan in de
+gunst.--MENEDEMUS: Je spreekt nòg in orakeltaal.--OGYGIUS: Laat ik er
+dan een wiskundige verklaring bijvoegen. Als de Paus te Rome eens alle
+monniken met zijn banbliksem trof, dan zouden dezen hier zich als
+Kanunniken beschouwen en niet als monniken. En als diezelfde Paus alle
+monniken toestond een vrouw te nemen, dan zouden ze verklaren monniken
+te zijn.--MENEDEMUS: 'k Wou dat ze bij die gelegenheid mijn vrouw
+meenamen!--OGYGIUS: Maar, om op ons onderwerp terug te komen: dit
+college heeft eigenlijk geen andere inkomsten dan die welke de
+goedgunstige beschikking van de Heilige Maagd hun toestaat. De grootere
+kerkgeschenken worden bewaard. Maar wat er aan geld binnenkomt of aan
+zaken van minder waarde, dat wordt gestort in de kas om er de Orde en
+haar hoofd van te onderhouden. Deze heet bij hen Prior.--MENEDEMUS: Zijn
+'t menschen van goeden levenswandel?--OGYGIUS: Daar hoort men niet over
+praten. Ze zijn rijker in vroomheid dan in jaarlijksche inkomsten. Het
+is een aardige en smaakvolle kerk. Maar de Heilige Maagd woont daarin
+niet, eershalve heeft ze die aan haar Zoon afgestaan. De Heilige Maagd
+heeft haar eigen kerk, om rechts van haar Zoon te
+verblijven.--MENEDEMUS: Rechts? Waar ziet haar Zoon dan heen?--OGYGIUS:
+Goed opgemerkt! Als hij naar 't westen ziet, dan heeft hij zijn moeder
+rechts; wendt hij zich naar 't oosten, dan bevindt zij zich links. Maar
+zij woont daar niet. Haar kerk is nog niet gereed: de wind kan er nog
+overal doorheen spelen omdat deuren en vensters nog openstaan: en de zee
+waarop alle winden ontstaan, ligt vlak bij.--MENEDEMUS: Dat is hard.
+Waar woont ze dan?--OGYGIUS: Wel in de kerk, waarvan ik vertelde dat ze
+nog niet af is, bevindt zich een kapelletje, van planken in elkaar
+gezet, waarin aan weerskanten door een nauw deurtje de bezoekers worden
+toegelaten. Er is slechts weinig licht en alleen maar van waskaarsen en
+het riekt er heerlijk.--MENEDEMUS: Dat behoort alles zoowat bij de
+uitoefening van den godsdienst.--OGYGIUS: Ja, wanneer je naar binnen
+ziet, Menedemus, dan zou je zeggen: dat is een verblijfplaats voor
+Heiligen, zoo schittert alles van edelsteenen, goud en
+zilver.--MENEDEMUS: Je doet me van verlangen branden om er ook eens heen
+te gaan.--OGYGIUS: Nu, je zult geen berouw hebben van de genomen
+moeite.--MENEDEMUS: Is daar ook niet de een of andere heilige olie te
+krijgen?--OGYGIUS: Dommerik! Die wordt immers alleen maar door de graven
+van enkele Heiligen uitgezweet, bijv. van Andreas en Catharina. Maria is
+immers niet begraven.--MENEDEMUS: Je hebt gelijk, ik vergiste me. Maar
+maak je verhaal af.--OGYGIUS: Om de vereering meer en meer te bevorderen
+wordt op de eene plaats dit, op de andere dat getoond.--MENEDEMUS: En
+misschien ook wel om de goedgeefschheid te bevorderen, volgens 't zeggen
+van den latijnschen dichter Ovidius:
+
+ "Veel handen geven rijken buit,
+ Strekt veler hand zich beedlend uit."
+
+OGYGIUS: Overal staan dan ook "gidsen door de heilige plaatsen" den
+bezoeker ten dienste.--MENEDEMUS: Van de Kanunniken?--OGYGIUS: Neen! Die
+neemt men daarvoor niet. En wel hierom: men wil niet dat zij ten gevolge
+van den godsdienst van hun godsdienst vervreemden en terwijl ze de
+Heilige Maagd dienen, hun eigen maagdelijkheid te grabbelen gooien.
+Alleen bevindt zich in de kapel, waarin ik zei dat de Heilige Maagd
+vertoeft, bij het altaar een kanunnik.--MENEDEMUS: Waartoe?--OGYGIUS: Om
+de gaven in ontvangst te nemen en te bewaren.--MENEDEMUS: Is men
+verplicht te geven of men wil of niet?--OGYGIUS: Neen, volstrekt niet.
+Maar sommige bezoekers brengt een soort van vrome schaamte er toe om te
+geven, wanneer er iemand bij staat, terwijl ze niets zouden geven als er
+niemand bij was. Of ook wel: ze geven heel wat meer dan ze anders zouden
+geven.--MENEDEMUS: Je noemt daar een echt menschelijk zwak dat ik bij
+ondervinding ken.--OGYGIUS: Er zijn er die zóó verknocht zijn aan de
+Heilige Maagd dat ze onder den schijn van een gave op 't altaar te
+leggen met een bewonderenswaardige handigheid wegstelen wat een
+voorganger er had neergelegd.--MENEDEMUS: En als er nu eens niemand
+stond, zou dan de Heilige Maagd zulke schurken niet onmiddellijk met
+haar bliksem treffen?--OGYGIUS: Waarom zou de Heilige Maagd dit eerder
+doen dan God in den Hemel, voor wien sommige menschen zóó weinig eerbied
+hebben dat ze hem van zijn kerksieraden durven berooven, zelfs zóó, dat
+ze door de muren van de kerk heen breken?--MENEDEMUS: Ik ben 't nog niet
+met mij zelven eens waarover ik meer verwonderd moet zijn: over de
+verregaande onbeschaamdheid van die heiligschenners of over Gods
+lankmoedigheid.--OGYGIUS: Nu dan. Aan de noordzijde is een poortje, niet
+van de kerk (je mocht je soms eens vergissen) maar van de omheining
+waarmee 't geheele terrein bij de kerk behoorend wordt omsloten. Die
+poort heeft weer een klein deurtje zooals wij die in de groote dubbele
+deuren van de adellijke kasteelen zien. Ieder die wil binnentreden,
+loopt eerst gevaar zijn scheenbeen te schaven en ziet zich daarna
+gedwongen flink te bukken om zijn hoofd niet te stooten.--MENEDEMUS: 't
+Is maar veiliger om door zoo'n deurtje 't huis van je vijand niet binnen
+te gaan.--OGYGIUS: Dat is een goede opmerking. De "gids door 't
+Heiligdom" vertelde dat indertijd een Ridder te paard door dat deurtje
+aan een hem vervolgenden vijand ontsnapt was, die hem op de hielen zat.
+De ongelukkige die reeds wanhoopte aan redding had door een plotselinge
+ingeving zijn leven aanbevolen aan de Heilige Maagd die in de buurt was.
+Want hij was van plan om tot Haar altaar te vluchten als de groote poort
+openstond. En hoor nu eens het ongehoorde wonder! Eensklaps stond de
+ruiter met paard en al binnen de omheining van het kerkhof, terwijl zijn
+vervolger tevergeefs buiten voor de poort stond te razen en te
+tieren.--MENEDEMUS: En wist de gids je dit verhaal aannemelijk te
+maken?--OGYGIUS: Ja zeker.--MENEDEMUS: Dat ging bij zoo'n wijsgeer als
+jij bent, toch zeker zoo héél gemakkelijk niet.--OGYGIUS: Hij wees mij
+op de deur een koperen plaat met spijkers er op vastgehecht, waarop een
+afbeelding van den geredden ridder stond in de kleedij die het Engelsche
+volk toen placht te dragen, zooals wij die ook op schilderijen van ouden
+datum zien weergegeven. Als die niet liegen, dan hadden de barbiers van
+die dagen weinig te doen, evenals de lakenververs en
+lakenwevers.--MENEDEMUS: Hoe dat zoo?--OGYGIUS: Omdat de man een baard
+had als een geit en omdat er geen enkele plooi zat in zijn
+kleedingstukken, die zóó weinig ruimer waren dan zijn lichaam, dat dit
+er nauw door was ingesnoerd. Daar was ook nog een andere plaat die de
+afbeelding en de grootte van de kapel voorstelde.--MENEDEMUS: Ja, dan
+màg men niet meer twijfelen.--OGYGIUS: Onder aan het deurtje was een
+ijzeren vlechtwerk, om alleen voetgangers door te laten. Het paste toch
+niet dat een ander paard weer de plaats zou betreden, vroeger door dien
+Ridder aan de Heilige Maagd gewijd.--MENEDEMUS: En te recht!--OGYGIUS:
+Als men nu van hier oostwaarts gaat, komt men aan een kapel vol van
+allerlei heilige overblijfselen. Daar ga ik heen. Een andere tempelgids
+neemt er de leiding over. Wij prevelen eerst eenige gebeden. Nu wordt
+ons een lid van een menschenvinger getoond, en wel van een middelvinger.
+Ik kuste dien en vroeg van wien die relikwieën waren. Hij zei: van Sint
+Pieter. Toch niet van den Apostel? Hij beweerde van ja. Terwijl ik
+daarop de lengte van 't vingerlid aandachtig bekeek, dat wel een aan
+reus kon hebben toebehoord, zei ik: "St. Pieter moet wel een man van
+buitengewoon groote lichaamsgestalte geweest zijn." Bij die woorden
+schoot één van de omstanders in een luiden schaterlach. Dat kon ik niet
+uitstaan. Als hij zich stilgehouden had zou de kerkbewaarder ons al de
+andere relikwieën getoond hebben. Wij brachten hem zoo goed en zoo kwaad
+als het ging weer in zijn humeur door hem eenige geldstukjes te geven.
+Vóór de kapel bevond zich een afdakje waarvan hij verzekerde dat het op
+een winterdag, toen de sneeuw alles bedekt had, plotseling daarheen van
+een verre plaats was aangebracht. Onder dat afdak heeft men twee putten
+tot den rand toe vol. De bronwel daarvan is naar men zegt aan de Heilige
+Maagd gewijd. Het water is bijzonder koud en werkt heilzaam naar men
+zegt voor hoofd- en maagpijn.--MENEDEMUS: Als koud water hoofd- en
+maagpijn geneest, dan zal later ook nog wel eens olie dienen om een
+brand te blusschen.--OGYGIUS: Maar mijn waarde: 't is immers juist een
+wonder dat ik vertel. Wat zou 't anders voor een wonder wezen als koud
+water dorst leschte?--MENEDEMUS: Dit is nu zeker 't ééne deel van 't
+historietje.--OGYGIUS: Ze verzekerden dat die bron plotseling was
+ontsprongen op bevel van de Heilige Maagd. Ik bekeek alles in het rond
+nauwkeurig en vroeg: hoeveel eeuwen er verloopen waren sedert die luifel
+daar was aangebracht. Hij zei: "Al verscheidene." "De muren van de kapel
+zien er anders niet erg oud uit," zei ik. Hij ontkende dat niet. "Zelfs
+niet die houten kolommen." Hij ontkende dan ook niet dat ze daar onlangs
+neergezet waren en trouwens men kon dat ook duidelijk zien. "En verder,"
+zei ik, "lijken dat dak en stroo nog al van nieuwe bouwstof te wezen."
+Hij moest dat toegeven. "En zelfs die dwarsbalken en de schuine balken
+waarop 't riet en 't stroo steunen, schijnen me nog niet zoo héél lang
+daar te liggen." Hij knikte van ja. En toen ik dus merkte dat er geen
+stuk meer van de hut uit den ouden tijd overbleef, zei ik: "maar hoe kan
+men dan met zooveel zekerheid zeggen dat dit afdak van verre is
+aangebracht?"--MENEDEMUS: Hoe heeft zich die tempel-rot daaruit weten
+los te praten?--OGYGIUS: Nu, eerst toonde hij ons een zeer oude
+beerenhuid die van den balk afhing en hij lachte bijkans om onze
+onverschilligheid, dat wij voor zulk een bewijsgrond geen oogen hadden.
+Zóó werden we dan overtuigd en terwijl we vergiffenis vroegen voor onze
+traagheid van begrip, gingen wij over tot 't bezichtigen van de
+hemelsche melk der Heilige Maagd.--MENEDEMUS: Wat lijkt die Moeder op
+Haar Zoon! Hij heeft ons zooveel van Zijn bloed op aarde gelaten,
+terwijl Zij ons zooveel van Haar melk schonk, dat het nauwelijks te
+gelooven is dat één vrouw met één kind zooveel voedsel zou hebben gehad,
+ook al had het kindeke er niets van gedronken.--OGYGIUS: Met diezelfde
+bezwaren komen ze ook aandragen tegen 't Kruis van onzen Heiland,
+waarvan 't hout op zooveel plaatsen, particuliere en publieke, wordt
+getoond, dat als de brokstukken ervan bij elkander werden gebracht, men
+een scheepslading bijeen zou hebben. Intusschen heeft onze Heer en
+Heiland dat kruis toch alléén gedragen.--MENEDEMUS: Nu, komen u al die
+stukken van het kruis ook niet verwonderlijk voor?--OGYGIUS: Vreemd mag
+'t misschien genoemd worden, maar ongeloofelijk volstrekt niet, daar
+immers de Heer, die dit naar Zijn welbehagen kan vermeerderen, almachtig
+is.--MENEDEMUS: Gij legt dit nu wel op een vrome wijze uit, maar ik zou
+bang zijn dat veel van dergelijke verhalen worden verzonnen om er een
+zoet winstje mee te behalen.--OGYGIUS: Ik geloof niet dat God het zal
+gedoogen, wanneer men hem op die manier wil bedotten.--MENEDEMUS: Ja
+maar, wanneer door kerkeschenners roof gepleegd wordt, dan verroert noch
+de Heilige Moeder Gods, noch Haar Zoon, noch de Vader of de Heilige
+Geest zich ook maar in 't minst, of verschrikt 't zij door een knik, 't
+zij door een geluid den schuldige. Zóó groot is Hunne
+lankmoedigheid.--OGYGIUS: Ja, het _is_ zoo. Maar hoor nu verder. De melk
+waarvan ik sprak, wordt op het hoogaltaar bewaard. Midden daarop staat
+een Christusbeeld met de Moeder Gods eershalve aan Zijn rechterzijde. De
+melk toch stelt de Moeder voor.--MENEDEMUS: Kan men dan de melk
+zien?--OGYGIUS: Natuurlijk, in een kristallen omhulsel.--MENEDEMUS: Dus
+vloeibaar.--OGYGIUS: Wat wou je nu praten van _vloeibaar_, terwijl de
+melk meer dan vijftienhonderd jaren geleden uit de borst gekomen is.
+Neen, de melk is samengeronnen: men zou haast zeggen fijn gewreven krijt
+met wit van een ei vermengd.--MENEDEMUS: Waarom toont men ze dan niet
+onbedekt?--OGYGIUS: Wel natuurlijk dat de melk van de Maagd niet
+bezoedeld zal worden door de kussen van mannen.--MENEDEMUS: Dat laat
+zich hooren. Want er zijn, dunkt me, mannen, die er een niet reinen en
+niet maagdelijken mond zouden aanzetten.--OGYGIUS: Zoodra de kerkegids
+ons in 't oog kreeg liep hij op ons toe, schoot een linnen gewaad aan,
+voegde er een priesterlijke stool over zijn schouders aan toe, knielde
+eerbiedig neer en lag in aanbidding. Daarna reikte hij ons de Heilige
+Melk toe om die te kussen. Toen knielden ook wij op de onderste trap van
+het altaar eerbiedig neer. Na eerst Christus gegroet te hebben, sprak ik
+tot de Heilige Maagd het volgend gebed uit dat ik juist hiervoor had
+opgesteld: "Moedermaagd, Gij die waardig gekeurd zijt met Uwe
+maagdelijke borsten den Heer van Hemel en aarde, Uwen Zoon Jezus te
+laven, wij spreken de bede uit dat wij, door Zijn bloed gereinigd, mogen
+toenemen in braafheid en dat wij mogen bereiken die gelukkige jeugd van
+duivenonschuld welke, onbekend met slechtheid, bedrog en list, bij
+voortduring dorst naar de melk van de wetenschap van het Evangelie,
+totdat die kindsche staat opgegroeid zij tot volmaakten mannelijken
+leeftijd, naar de mate van de volheid van Christus, wiens zalige
+gemeenschap gij ten eeuwigen dage moogt genieten met den Vader en den
+Heiligen Geest. Amen!"--MENEDEMUS: Nu, dat is een vroom gebed. En wat
+deed de Heilige Maagd?--OGYGIUS: Wel 't scheen me toe dat Zij beiden,
+Zij en Haar Zoon, mij toeknikten, als ik me ten minste niet heelemaal
+vergis. Ik verbeeldde mij dat die Heilige Melk een weinig opsprong en 't
+scheen mij toe alsof de avondmaalskelk wat glanzender blonk dan te
+voren. Intusschen kwam de tempelgids weer op ons af, wel zonder een
+woord te zeggen, maar terwijl hij ons een bordje voorhield, zooals bij
+ons de menschen dat hebben, die bruggetolgeld innen.--MENEDEMUS: Ja 'k
+heb wat dikwijls die bedelbordjes verwenscht, toen ik in Duitschland
+reisde.--OGYGIUS: We gaven eenige muntstukken, die hij de Heilige Maagd
+aanbood. Hierop liet ik hem door bemiddeling van een jongen man, die de
+taal goed verstond en die heel aardig praten kon (ik geloof dat hij
+Robert Aldrisius heette) zoo beleefd mogelijk vragen, welke bewijzen hij
+er voor had, dat dit werkelijk melk van de Heilige Maagd was. Ik was uit
+echt vrome belangstelling nieuwsgierig dit te weten, om enkele
+ongeloovigen, die gewoonlijk met al dergelijke dingen den spot drijven,
+den mond te kunnen snoeren. Eerst fronsde de kerkegids zijn voorhoofd en
+zweeg stil. Ik liet mijn tolk nader aandringen, en hij deed dit dan ook
+heel vriendelijk: en wel zóó, dat als hij de Heilige, pas bevallen van
+Haar kindje, zóó had aangesproken, Zij hem dit niet kwalijk zou hebben
+genomen. Maar de kerkegids, als door een hoogere macht bezield, keek ons
+met verschrikte oogen aan, alsof hij met een gevoel van afschuw onze
+godslasterlijke taal vervloekte. "Wat behoeft ge daarnaar te vragen,"
+zei hij, "daar er toch een authentiek stuk van aanwezig is?" En 't had
+er heel veel van dat hij ons als ketters wilde wegjagen, iets wat zeker
+gebeurd zou zijn, als we hem niet door 't geven van wat geld een beetje
+zachter hadden gestemd.--MENEDEMUS: En wat deedt jelui
+intusschen?--OGYGIUS: Wij? Ja, dat kun je denken! Wij dropen af alsof we
+een pak slaag gekregen hadden of door den bliksem getroffen waren,
+terwijl we onderdanig om vergiffenis vroegen voor onze drieste vraag.
+Zoo behoort 't in zaken die 't heilige raken. Van daar gingen we nu naar
+'t kapelletje, de eigenlijke verblijfplaats van de Heilige Maagd. Toen
+we daarheen stapten, vertoonde zich een monnik van de orde der
+Minderbroeders. Vorschend keek hij mij aan. Even daarna een tweede, die
+mij óók weer van hoofd tot voeten opnam. Daarna nog een
+derde.--MENEDEMUS: Ze wilden misschien je portret maken.--OGYGIUS: Nu,
+ik had een heel ander vermoeden.--MENEDEMUS: Wat dan?--OGYGIUS: Dat de
+een of andere tempelroover iets uit 't kostbare kapelletje van de
+Heilige Maagd gestolen had en dat 't vermoeden op mij gevallen was. Toen
+ik dus de kapel was binnengetreden stortte ik het volgend gebed uit voor
+de Heilige Moeder Gods: "O Gij, de Eénige onder alle vrouwen die moeder
+zijt en maagd, zaligste Moeder, reinste Maagd: wij, onrein en bezoedeld
+komen tot U, Reine, met onzen groet, om U, hoe we dan ook mogen zijn,
+met onze geschenken te eeren. Moge Uw Zoon ons de genade verleenen dat
+wij, Uwen vlekkeloozen wandel navolgende, ons waardig maken, dat ook
+wij, door de gunst van den Heiligen Geest op een geestelijke wijze,
+Jezus ontvangen in ons binnenste binnenste en wanneer wij hem éénmaal
+hebben opgenomen, hem nimmer weer verliezen. Amen!" Terwijl ik het
+altaar kuste, legde ik wat geld neer en verwijderde mij.--MENEDEMUS: En
+wat deed daarop de Heilige Maagd? Gaf ze door geen enkelen wenk te
+kennen dat ze uw gebed verhoord had?--OGYGIUS: Het was er, zooals ik je
+al zei, slechts twijfelachtig licht en Zij stond daar in 't duister aan
+de rechterzijde van het altaar. Ook hadden mij de woorden van den
+vorigen kerkegids zóó uit 't veld geslagen dat ik mijn oogen eigenlijk
+niet vrij durfde opslaan.--MENEDEMUS: De afloop van dien tocht was dus
+niet zoo héél vroolijk?--OGYGIUS: Integendeel,
+allerprettigst.--MENEDEMUS: Je geeft mij weer moed. Want mijn moed was
+me in de schoenen gezonken, zooals uw dichter Homerus dat zegt.[1] Na
+iets genuttigd te hebben gaan we weer naar de kerk.--MENEDEMUS: Durfde
+je dat, jij die van tempelroof verdacht waart?--OGYGIUS: Misschien
+dachten anderen dat van mij; maar ik wist mij zelf onschuldig. Iemand
+die zich van geen kwaad bewust is, kent geen vrees. Ik voelde me sterk
+aangetrokken tot de oorkonde, waarnaar de bewaarder ons verwezen had. Na
+lang zoeken vonden we die eindelijk: maar zij was ergens in de hoogte
+opgehangen, zoodat ze maar niet door een ieders oogen kon worden
+gelezen. Mijn oogen zijn zóó dat 't wel geen oogen zijn als van een
+lynx, maar dat ik toch ook niet kippig ben. Toen dus Aldrisius ons het
+stuk voorlas, volgde ik de woorden met mijn oogen, daar ik hem in zoo'n
+gewichtige zaak niet in allen deele vertrouwde.--MENEDEMUS: En is alle
+twijfel bij je weggenomen?--OGYGIUS: Ja, ik schaamde me over mijzelven,
+dat ik ook maar één oogenblik had kunnen twijfelen, zóó duidelijk werd
+hier alles voor oogen gesteld: de naam, de plaats, de gebeurtenis,
+precies zooals 't geschied was, in korte woorden en toch zonder iets
+over te slaan. Er wordt n.l. verteld dat er een man was, met name
+Willem, te Parijs geboren, een man vroom ook in andere opzichten, als
+wel voornamelijk vol godsdienstijver in 't opsporen van heilige
+relikwieën over de heele wereld. Na veel streken doorreisd te hebben, na
+overal kloosters en kerken te hebben doorsnuffeld, kwam hij ook
+eindelijk te Constantinopel aan. Een broer van gezegden Willem was daar
+Bisschop. Toen hij zich al gereed maakte voor zijn vertrek, wees zijn
+broer er hem op dat daar een non was die melk van de Moedermaagd bezat;
+dat hij overgelukkig zou zijn wanneer hij voor geld of goede woorden of
+zelfs op slinksche manier een deel van die melk machtig kon worden. Want
+dat alle andere relikwieën die hij tot nog toe verzameld had, niets
+beteekenden in vergelijking met die heilige melk. Willem rustte toen
+niet vóór hij door bidden en smeeken de helft van die melk had gekregen.
+In het bezit van dien kostbaren schat rekende hij zich rijker dan
+Croesus.--MENEDEMUS: Nou, dat wil ik gelooven en dat nog wel boven
+verwachting.--OGYGIUS: Regelrecht reist hij naar huis. Onderweg wordt
+hij ziek.--MENEDEMUS: Hoe kortstondig is toch 't geluk van de menschen
+en hoe weinig is men in alle opzichten voorspoedig!--OGYGIUS: Toen hij
+begreep dat hij in levensgevaar verkeerde liet hij heimelijk den
+Franschman bij zich komen, die hem trouw op zijn reis had vergezeld.
+Onder eede liet hij zich geheimhouding beloven. Hij vertrouwt hem de
+melk toe op voorwaarde dat hij den schat, als hij ongedeerd naar huis
+terug keert, op 't altaar van de Heilige Maagd zal neerleggen, die te
+Parijs in de heerlijke kerk wordt aangebeden, waar de Seine aan twee
+kanten omheen stroomt. Het is alsof de rivier uit eerbied voor de
+Heilige Maagd uit den weg gaat. Om de zaak nu in 't kort samen te
+vatten: Willem sterft en wordt begraven, de ander reist verder en wordt
+óók ziek. Toen ook hij geen hoop meer had op beterschap vertrouwt hij
+aan een Engelschen graaf de melk toe, terwijl ook _hij_ hèm onder
+heilige eeden laat beloven, dat deze zal doen wat _hij_ anders zou
+gedaan hebben. De Franschman komt te overlijden. De Engelsche graaf
+neemt de melk mee en deponeert die op 't altaar in de Notre Dame in
+tegenwoordigheid van de Kanunniken dáár, die toen nog Regulieren
+heetten, zooals ze dit nòg zijn van de kerk der Heilige Genoveva.[2] Van
+die Kanunniken kreeg hij de helft der melk ten geschenke. Hij bracht ze
+naar Engeland over en wijdde ze aan de kerk van de Maagd aan Zee
+waarheen hij door een goddelijke bestiering werd gedreven.--MENEDEMUS:
+Dat verhaal staat zeker goed op pooten.--OGYGIUS: En opdat er geen
+twijfel zou kunnen overblijven waren de namen van de stemgerechtigde
+Bisschoppen er bij geschreven, die aan de bezoekers van de melk, welke
+met een niet al te klein geschenk komen, zóóveel aflaat van zonden
+schenken, als ze naar het hun[3] verleende vermogen kunnen
+geven.--MENEDEMUS: En hoeveel bedraagt die?--OGYGIUS: Die aflaat duurt
+veertig dagen.--MENEDEMUS: Telt men dan in de onderwereld ook bij dagen?
+OGYGIUS: Daar is ten minste ook een tijdrekening. Maar als die
+bisschoppen nu eenmaal 't hun geschonken aflaat-vermogen hebben
+weggegeven, hebben ze dan niets meer over om weg te schenken?--OGYGIUS:
+Ja, zeker wel! Daar borrelt nog wel weer wat zoo wat van onderen op om
+weg te schenken en hier gebeurt zoo precies 't tegenovergestelde van 't
+geen er met 't vat der Danaïden geschiedde. Terwijl dat telkens gevuld
+werd, liep 't altijd maar leeg; uit dit vat daarentegen kan men
+voortdurend putten, zonder dat er daarom iets minder in
+overblijft.--MENEDEMUS: Als nu eens bijv. aan honderdduizend menschen
+veertig dagen aflaat wordt gegeven, heeft dan ieder afzonderlijk veertig
+dagen voor zich?--OGYGIUS: Ja.--MENEDEMUS: En zoo nu enkelen vóór het
+middageten om veertig dagen gevraagd hebben en ze komen tegen het
+avondeten nog eens weer om veertig, zijn er dan altijd maar weer
+voorhanden om ze hun te geven?--OGYGIUS: Ja zeker, ook al vroegen ze
+tienmaal in hetzelfde uur.--MENEDEMUS: Och, had ik thuis zóó'n
+geldkistje; ik zou er maar enkele schellingen in wenschen, mits ze
+steeds maar zoo op nieuw weer opborrelden.--OGYGIUS: Waarom wensch je
+niet om héélemaal van goud te worden, want ten gevolge van je wensch
+krijg je dat toch gedaan. Maar ik keer tot mijn verhaal terug. Men
+voerde voor de heiligheid van de melk ook nog dit bewijs van echt vromen
+zin aan, dat de melk der Moedermaagd elders vertoond, wel de vereering
+waardig was, maar dat deze dáárom meer eer verdiende, omdat die andere
+melk van de rotsen was afgeschrapt, deze daarentegen zoo uit de borsten
+der Heilige Maagd was gevloeid.--MENEDEMUS: Hoe wist men dat zoo vast en
+zeker?--OGYGIUS: Wel, dat nonnetje te Constantinopel had dat gezegd, die
+de melk had gegeven.--MENEDEMUS: En haar had de Heilige Bernard 't zeker
+bericht?--OGYGIUS: Ja, dat denk ik wel.--MENEDEMUS: Toen deze al
+volwassen was viel hem de eer te beurt melk te mogen proeven uit
+dezelfde borst waaraan 't Kindeke Jezus gezoogd was. Daarom verwondert
+'t mij dat men Hem niet liever "zoo zoetvloeiend als melk" dan met zijn
+gewonen bijnaam "zoet als honig" noemt. Maar hoe kan men bij die andere
+melk spreken van melk van de Heilige Maagd, als ze niet uit Haar borsten
+gevloeid is?--OGYGIUS: Die melk is óók wel uit Haar borst gekomen, maar
+op een rots, waarop zij toevallig zat toen ze 't Kindje de borst gaf,
+gevallen en gestold. Verder is die melk door een goddelijke bestiering
+zoo vermeerderd.--MENEDEMUS: Zoo zal 't wezen. Ga door!--OGYGIUS:
+Terwijl wij ons hierna tot de reis gereed maken en nog zoowat heen en
+weer drentelen en rondkijken of er ook nog iets is, de moeite waard om
+bezien te worden, staan daar de kerkegidsen weer vóór ons, zien ons van
+ter zijde aan, wijzen met de vingers naar ons, komen aanloopen, gaan
+weer heen, komen weer terug, wenken en 't scheen wel of ze ons wilden
+aanspreken als ze maar durf genoeg hadden.--MENEDEMUS: En was je toen
+niet bang?--OGYGIUS: Wel neen, ik draaide mijn gelaat juist naar hen
+toe, hen toelachend en hen aankijkend alsof ik hen wilde uitlokken om
+mij aan te spreken. Eén van hen slechts komt naar mij toe en vraagt hoe
+ik heet. Ik zeg mijn naam. "Of ik het was die een paar jaar geleden dat
+votief-tafeltje had opgehangen met een Hebreeuwsch opschrift." Ik zei
+van ja.--MENEDEMUS: Kun-je dan Hebreeuwsch schrijven?--OGYGIUS: Wel
+neen, maar wat zij niet begrijpen, dat noemen die kerels Hebreeuwsch.
+Door den een of ander gehaald (zoo vermoed ik) komt de Eerst-laatste van
+'t klooster aanloopen.[4]--MENEDEMUS: Wat is dàt voor een waardigheid?
+Hebben ze daar dan geen abt?--OGYGIUS: Neen.--MENEDEMUS: Hoe dat
+zoo?--OGYGIUS: Omdat ze geen Hebreeuwsch verstaan, waaruit abt is
+afgeleid.--MENEDEMUS: En geen bisschop ook?--OGYGIUS: Ook al
+niet.--MENEDEMUS: Waarom dat?--OGYGIUS: Omdat de Heilige Maagd daar te
+arm is om een bisschopsstaf en een mijter te koopen, die veel te duur
+zijn.--MENEDEMUS: Ook misschien geen Hoofd?--OGYGIUS: Ook dàt
+niet.--MENEDEMUS: Welk beletsel is daartegen?--OGYGIUS: Omdat Hoofd een
+titel is voor een waardigheid, niet een titel van vroomheid. Om die
+reden verwerpen ook de kapittels der Kanunniken den titel van abt, maar
+nemen ze dien van Eerst-laatste graag aan.--MENEDEMUS: Maar ik had toch
+dien naam van Prior (in _dien_ zin) nooit te voren gehoord.--OGYGIUS:
+Ja, maar je bent op 't gebied van de grammatica ook tamelijk slecht
+thuis.--MENEDEMUS: Nu ja in 't taalgebruik ken ik wel een figuur
+"eerst-laatst" geheeten.[5]--OGYGIUS: Precies. Hij die hier 't naast is
+na den Prior van 't klooster, is de Prior die volgt.--MENEDEMUS: Ge
+bedoelt dus eigenlijk den Onder-prior?--OGYGIUS: Deze groette mij nog al
+beleefd. Hij vertelt mij hoeveel moeite 't den monniken gekost had, die
+regels van mij te lezen: hoeveel brillen er vergeefs op waren afgeveegd.
+Zoo dikwijls de een of andere oude doctor in de godgeleerdheid of in de
+rechten bij hen was gekomen, was hij vóór de votieftafel gebracht: de
+een zei dat 't arabische letters waren, de ander verklaarde: "'t zijn
+maar verzonnen letters." Eindelijk was er een gevonden die het opschrift
+had kunnen lezen. Dit was geschreven met latijnsche woorden en
+latijnsche letters; maar ... met hoofdletters. De Grieksche verzen waren
+met Grieksche hoofdletters geschreven die op het eerste gezicht op
+latijnsche hoofdletters gelijken. Op zijn verzoek schreef ik den zin van
+de versregels in 't Latijn er onder, ze woord voor woord vertalend. Ik
+weigerde nadrukkelijk voor deze geringe moeite een cadeautje aan te
+nemen dat men mij aanbood, terwijl ik verzekerde dat mij nooit iets te
+bezwaarlijk zou zijn, dat ik niet ter wille van de allerheiligste Moeder
+Gods met bereidwilligheid zou doen, ja al gaf Ze mij ook een brief van
+hier naar Jeruzalem te brengen.--MENEDEMUS: Och kom! waarvoor zou Zij u
+als brievenbesteller noodig hebben, daar Zij immers zooveel engelen als
+lijfbedienden tot Haar dienst heeft?--OGYGIUS: Hij haalde uit zijn tasch
+een stukje hout voor den dag, afgezaagd van een balk waarop men de
+Heilige Maagd had zien staan. Een verwonderlijk sterke lucht duidde
+onmiddellijk aan dat 't iets bijzonder heiligs was. Ik boog mij diep
+neer en kuste met den grootsten eerbied met ontbloot hoofd het kostelijk
+geschenk dat ik in mijn tasch stak.--MENEDEMUS: Mag ik het eens
+zien?--OGYGIUS: Wat mij betreft, graag. Maar als je niet nuchter bent,
+of als je in den afgeloopen nacht intiem met je vrouw geweest bent, dan
+zou ik je niet raden om 't te bekijken.--MENEDEMUS: Laat maar zien, er
+is geen gevaar.--OGYGIUS: Nu, daar dan.--MENEDEMUS: Wat ben jij een
+geluksvogel met zóó'n geschenk!--OGYGIUS: Ja, Menedemus, ik wil 't je
+wel bekennen: ik zou dat kleine stukje hout niet willen ruilen voor al
+het goud van den Taag. Ik zal het in goud laten vatten, maar zóó, dat
+men 't door een glazen deksel heen, kan zien. Toen de Onder-prior nu zag
+dat ik zoo van godsdienstigen eerbied voor dit geschenk vervuld was,
+dacht hij zeker dat ik iemand was die wel verdiende in nog gewichtiger
+dingen ingewijd te worden. Hij vroeg mij dus of ik soms 't meer
+verborgene der Heilige Maagd al gezien had. Die woorden maakten diepen
+indruk op mij. Ik durfde evenwel niet vragen welke verborgenheden hij
+bedoelde. Immers in zulke heilige zaken kan zelfs de minste verspreking
+al kwaad stichten. Ik zei dus van neen, maar dat ik bijzonder verlangend
+was het te zien. Nu werd ik als een door God bezielde, binnengeleid. Een
+paar waskaarsen worden aangestoken. Ze toonen me een beeldje, dat noch
+door grootte, noch door de stof waarvan 't gemaakt was, noch door
+kunstschoon iets merkwaardigs had, maar dat groote kracht scheen te
+bezitten door zijn heerlijke eigenschappen.--MENEDEMUS: De grootte doet
+er weinig toe, waar het geldt de kracht om wonderen te doen. Te Parijs
+heb ik den Heiligen Christoffel gezien: groot en reusachtig was hij als
+een bakbeest, neen als een echte berg, maar voor zoo ver ik heb kunnen
+vernemen heelemaal niet beroemd door wonderen die hij deed.--OGYGIUS:
+Aan de voeten van de Heilige Maagd ligt een edelsteen waarvoor bij
+Grieken en Romeinen nog geen naam bestaat. De Franschen hebben hem een
+naam gegeven naar 't woord "padde" omdat hij zóó precies op een pad
+lijkt, dat men hem met alle kunstvaardigheid niet zoo zou kunnen
+namaken. Om het wonder nog grooter te maken is de steen maar heel klein.
+De figuur van de padde steekt er niet boven uit, maar ligt als 't ware
+doorschijnend in den steen opgesloten.--MENEDEMUS: Misschien verbeeldt
+men zich wel de figuur van een padde te zien, zooals men zich wel
+voorstelt in een doorgeslagen keisteen den vorm van een arend te zien en
+zooals kinderen God weet wat voor voorstellingen in de wolken uitvinden:
+vuurspuwende draken, gloeiende vulkanen, strijdende legers.--OGYGIUS:
+Neen, neen, ik stel er prijs op dat je 't weet: geen levende pad lijkt
+meer op een pad dan deze die hierin is afgedrukt.--MENEDEMUS: Zeg eens,
+tot nog toe heb ik je verhaaltjes geduldig aangehoord, maar zoek nu in
+'t vervolg een ander om hem wat wijs te maken van je padden.--OGYGIUS:
+'t Is volstrekt geen wonder, Menedemus, dat je ongeduldig wordt. Ook
+_ik_ zou 't me niet hebben laten wijsmaken, al was de heele theologische
+faculteit 't mij komen aanpraten, maar ik heb 't met mijn eigen oogen,
+_mijn eigen oogen_, zeg ik, gezien, bekeken, aanschouwd, als waarheid
+bevonden. Maar intusschen dunkt me dat je niet erg veel hart hebt voor
+de natuurlijke historie.--MENEDEMUS: Hoe dat zoo? Omdat ik niet wil
+gelooven dat ezels kunnen vliegen?--OGYGIUS: Maar zie je dan niet, hoe
+kunstig de natuur haar spel speelt met kleuren en allerlei gestalten en
+vormen, zoowel in andere substanties als voornamelijk in de edele
+steenen? Verder, welk een bewonderenswaardige krachten zij heeft gelegd
+in die steenen, haast ongeloofelijk, wanneer niet de ondervinding ze ons
+van nabij bevestigde? Zeg eens: zou je 't gelooven, dat 't ijzer door de
+magneet wordt aangetrokken, ook al wordt het nog niet eens aangeraakt en
+dat het ook door 't ijzer, zonder aanraking wordt afgestooten, als je 't
+niet met je eigen oogen hadt gezien?--MENEDEMUS: Neen nooit, al hadden
+ook tien Aristotelessen 't mij bezworen.--OGYGIUS: Dan moet je ook niet
+dadelijk voor een verzinsel uitschelden, wat je hoort en wat je nog niet
+bij ondervinding kent. In den dondersteen zien wij den weerschijn van
+den bliksem; in de Boheemsche granaat flikkeren vurige vlammen; in den
+zoogenaamden hagelsteen de gedaante en de hardheid van den hagelkorrel
+ook al werp je hem midden in het vuur. In den smaragd ziet men het diepe
+en doorschijnende zeewater. De kreeftsteen lijkt in kleur veel op de
+zeekreeft, het katteoog is precies 't oog van een poes, en zoo zijn er
+weer andere steenen die veel hebben van varkensoogen, van menschenoogen,
+van wolfsoogen in vier kleuren; sommige gelijken op hout, andere op
+boombladen, andere geven een erwt te zien. En zoo op onnoemlijk veel
+manieren. Waartoe zou ik doorgaan met de opsomming? Er is geen voorwerp
+in de natuur, 't zij in de elementen, 't zij onder de bezielde wezens,
+'t zij in de planten, dat de natuur niet spelenderwijze in de
+edelgesteenten heeft nagebootst. En zul-je er nu nog verwonderd over
+wezen dat zich in dien steen de afbeelding van een padde
+vertoont?--MENEDEMUS: Het komt mij alleen maar vreemd voor, dat de
+natuur zóóveel vrijen tijd heeft om uit de grap allerlei voorwerpen na
+te bootsen.--OGYGIUS: Wel, ze wilde de weetgierigheid van de menschen
+opwekken en ons zóó van niets-doen afhouden. En toch, alsof er niets
+ware waarmee wij onzen tijd konden dooden, zijn we dol verzot op
+hansworsten, dobbelsteenen en goochelaars.--MENEDEMUS: Je hebt groot
+gelijk.--OGYGIUS: Sommige goed betrouwbare menschen willen beweren dat
+als je op dit soort van steenen azijn giet, ze daarin gaan zwemmen en
+zelfs de pooten bewegen.--MENEDEMUS: En waarom brengen ze nu juist een
+padde bij de Heilige Maagd te pas?--OGYGIUS: Omdat Zij alle vuilheid en
+giftigheid, alle laatdunkendheid en hebzucht, al wat er verder aan
+begeerlijkheden des vleezes te vinden is, heeft overwonnen, onder den
+voet heeft getreden, heeft uitgedoofd.--MENEDEMUS: Wee ons! dat wij
+zooveel padden in ons binnenste dragen.--OGYGIUS: Rein zullen we worden,
+wanneer wij volijverig de Heilige Maagd eeren.--MENEDEMUS: Hoe wordt zij
+het liefst geëerd?--OGYGIUS: Ge zult Haar de schoonste hulde brengen,
+wanneer gij Haar in 't goede nastreeft.--MENEDEMUS: Ge zegt dat zoo kort
+en krachtig, maar het is hoogst moeilijk.--OGYGIUS: Zeker _is_ het dat.
+Maar tevens is het zeer schoon.--MENEDEMUS: Kom ga nu weer verder met je
+verhaal.--OGYGIUS: Verder liet hij mij gouden en zilveren beeldjes zien.
+Van 't ééne zei hij, dat 't van massief goud was, van 't andere van
+verguld zilver; hij vertelde er ook bij van elk stuk het gewicht, de
+waarde, den naam van den schenker. Toen ik bij ieder stuk mijn
+bewondering toonend de Heilige Maagd om haar grooten rijkdom geluk
+wenschte, zei mijn geleider: "Ik zie dat gij een vroom bewonderaar zijt
+en daarom reken ik het mij tot plicht niets voor u verborgen te houden.
+Ik zal u het allergeheimste laten zien wat de Heilige Maagd bezit. En
+tegelijk haalde hij van binnen uit 't altaar zelf een schat van
+bewonderenswaardige zaken voor den dag. Als ik ze alle één voor één
+wilde gaan opnoemen dan zou een dag niet genoeg zijn om ze op te tellen.
+Zoo liep dus die bedevaart voor mij al heel gelukkig af. Ik heb naar
+hartelust mijn oogen kunnen verzadigen aan 't zien van allerlei moois en
+ik breng bovendien deze onschatbare gift mee naar huis, een pand mij
+door de Heilige Maagd zelve geschonken.--MENEDEMUS: Heb je nog niet eens
+geprobeerd hoe groot de wonderkracht is van je stuk hout?--OGYGIUS:
+Zeker heb ik dat. Een dag of drie geleden trof ik in een herberg een
+krankzinnige aan, die men reeds de boeien wilde aanleggen. Zonder dat
+hij 't merkte hebben we hem dit stuk hout onder zijn hoofdkussen gelegd.
+Hij viel in een diepen en langdurigen slaap: den volgenden morgen stond
+hij op, geheel genezen, geheel bij zijn verstand.--MENEDEMUS: Dan zal 't
+geen krankzinnigheid geweest zijn, maar een gewone roes. Voor die ziekte
+is slaap 't beste geneesmiddel.--OGYGIUS: Als je wilt schertsen,
+Menedemus, dan moet je dit over andere dingen doen. Den draak te steken
+met de Heiligen is goddeloos en gewaagd. 'k Zal je nog meer zeggen! De
+man zelf vertelde dat hem in den droom een vrouw van verwonderlijke
+schoonheid was verschenen die hem een beker voorhield.--MENEDEMUS: Met
+nieskruid zeker.--OGYGIUS: Dat weet ik niet. Maar wèl weet ik, dat de
+man weer geheel bij zijn zinnen was.--MENEDEMUS: Heb-je Thomas, den
+Aartsbisschop van Canterburry geen bezoek gebracht?--OGYGIUS: Wel zeker.
+Geen bedevaart deed ik met grooter nauwgezetheid.--MENEDEMUS: Nu, dat
+zou ik graag eens willen hooren, als 't je niet te lastig is.--OGYGIUS:
+Zeker niet: ik vind het juist prettig als je er naar hooren wilt. Kent
+is dat deel van Engeland dat tegenover Frankrijk en Vlaanderen ligt.
+Canterburry is er de hoofdstad van. Daar bevinden zich twee kloosters in
+de stad zoowat naast elkaar gelegen: in beide wonen Benedictijner
+monniken. 't Klooster dat naar den Heiligen Augustinus heet is 't
+oudste. 't Andere dat aan Sint Thomas gewijd is, schijnt de zetel van
+den Aartsbisschop geweest te zijn, waar hij in gezelschap van enkele
+monniken zijn leven sleet, zooals ook nu nog de Superieuren van 't
+klooster een huis hebben, wel grenzend aan 't klooster, maar toch
+afgescheiden van de huizen der overige Kanunniken. Oudtijds toch leidden
+zoowel bisschoppen als ook Kanunniken zoowat een monnikenleven.
+Duidelijke sporen zijn daarvan nog te zien. De kerk aan Sint Thomas
+gewijd, verheft zich zóó majestueus ten hemel, dat ze, ook al zien we
+haar maar van verre, toch al grooten indruk maakt. En ziet men ze van
+dichtbij, dan worden onze oogen door haar glans en luister verblind en
+ze verdonkert om zoo te zeggen alles, wat zich in die van oudsher
+zoozeer vereerde plaats bevindt. De Kerk heeft twee hooge torens, die
+als het ware uit de verte de vreemdelingen groeten en het prachtig
+gegalm van haar bronzen klokken wijd en zijd in den omtrek doen
+weerklinken. In het vóórportaal van de kerk, dat op 't Oosten ligt,
+staan in steen gehouwen, drie gewapende mannen, die met misdadige hand
+den allerheiligsten bisschop ombrachten. De namen van hun geslacht zijn
+er bij gevoegd: Tuscus, Fuscus en Berry.--MENEDEMUS: Waarom wordt aan
+die schurken zooveel eer bewezen?--OGYGIUS: Hun wordt natuurlijk
+dezelfde eer bewezen als aan Judas, Pilatus, Caiaphas en aan de bende
+hunner booswichten van soldaten die men overal mooi gebeeldhouwd op de
+vergulde altaren kan zien. Hun namen staan er bij vermeld, om te maken
+dat nooit iemand die namen voortaan eershalve zal dragen. Hun beelden
+worden hier onder de oogen van het publiek gebracht, opdat geen hoveling
+ooit meer de handen sla aan een bisschop of aan de bezittingen der kerk.
+Want die drie trawanten zijn na 't volbrengen van het schelmstuk
+krankzinnig geworden en ze hebben hun verstand slechts teruggekregen op
+voorbede van Sint Thomas.--MENEDEMUS: Wat zijn die martelaren toch
+oneindig in hun goedmoedigheid!--OGYGIUS: Bij 't binnentreden vertoont
+zich de ruimte van de kerk in al haar machtige werking. Dat voorste deel
+is toegankelijk voor iedereen.--MENEDEMUS: Is daar niets te
+zien?--OGYGIUS: Niets dan den omvang van den bouw en enkele boeken die
+aan de kolommen vastliggen met het Evangelie van Nicodemus en verder 't
+graf van den een of ander.--MENEDEMUS: En wat verder?--OGYGIUS: Dan
+heeft men er een ijzeren hekwerk dat wel den toegang afsluit, maar toch
+den doorkijk toelaat op de ruimte, welke tusschen 't achterste gedeelte
+van de kerk en 't zoogenaamde koor ligt. Daarheen klimt men langs
+verscheidene treden op, onder welke een soort van koepelgewelf den
+toegang geeft tot den noordelijken vleugel van de kerk. Men toont er een
+houten altaar aan de Heilige Maagd gewijd, klein en om geen andere reden
+bezienswaardig dan om zijn ouderdom--als een protest tegen de weelde van
+dezen tijd. Dáár (zegt men) heeft de vrome man zijn afscheidsgroet aan
+de Heilige Maagd gebracht, toen de dood hem zou treffen. Op 't altaar
+bevindt zich de punt van het zwaard waarmee de schedel van den braven
+kerkvoogd is verbrijzeld en zijn hersens zijn verpletterd, om den dood
+des te meer te bespoedigen. De heilige roestplekken op dit staal hebben
+we uit liefde voor den Martelaar eerbiedig gekust. Van daar betraden wij
+de onderaardsche kerk of krypt. Ook dáár vindt men weer geleiders: men
+ziet er in de allereerste plaats den gekloofden schedel van den
+Martelaar. De geheele schedel is bedekt met zilver, uitgezonderd 't
+bovenste deel van de kruin, die opengelaten is, om ze te kunnen kussen.
+Tevens toont men er een looden plaatje, waarop de naam is gegraveerd van
+Thomas uit Acra. In 't duister hangen daar de haren hemden, de gordels
+en de onderkleeren waarmee de Bisschop zijn lichaam kwelde en kastijdde
+en bij wier aanschouwen men reeds een rilling voelt opkomen, terwijl ze
+ons onze tegenwoordige verwijfdheid en weelde verwijten.--MENEDEMUS:
+Misschien mogen de monniken dat óók wel doen.--OGYGIUS: Dat waag ik niet
+te beslissen: 't gaat mij trouwens ook niet aan.--MENEDEMUS: Je hebt
+gelijk.--OGYGIUS: Van daar keerden wij terug naar 't koor. Aan den
+noordkant heeft men de relikwieën opgeborgen. Hemel! Wat een gebeente
+wordt dáár voor den dag gebracht! Schedels, kinnebakken, tanden, handen,
+vingers, heele armen. Aan allen brachten wij onze eerbiedige hulde en
+kusten ze. Er zou geen eind aan gekomen zijn, wanneer niet mijn
+reisgezel die voor zoo'n pelgrimstocht een weinig geschikt personage
+was, een spaak in 't wiel had gestoken bij dien overgrooten ijver om met
+relikwieën te pronken.--MENEDEMUS: Wie was dat?--OGYGIUS: Een
+Engelschman, Grafianus Pullus, een ontwikkeld en vroom man, maar op 't
+punt van godsdienst wat minder gevoelig dan ik wel zou gewild
+hebben.--MENEDEMUS: Misschien wel een aanhanger van John
+Wicleff?--OGYGIUS: Neen, dat geloof ik niet. Hij had diens boeken wel
+gelezen, maar waarvandaan hij die had, weet ik niet.--MENEDEMUS: En
+beleedigde hij jelui geleider?--OGYGIUS: Er werd een arm voor den dag
+gehaald waaraan nog een stuk bloedig vleesch zat. Hij toonde zijn
+afgrijzen om dien arm te kussen en op zijn gezicht was duidelijk afkeer
+te lezen. De geleider bergde dan ook zijn zaakjes spoedig op. Verder
+bezagen wij 't altaarblad en de sieraden en alles wat onder het altaar
+werd bewaard, alles even prachtig. Als je die macht van goud en zilver
+hadt gezien, dan zou je zeggen dat Midas en Croesus daarbij vergeleken
+bedelaars waren.--MENEDEMUS: Viel daar niets te kussen?--OGYGIUS: Neen,
+maar een ander soort van godsdienstige verzuchting uitte ik daar: n.l.
+dat ik bij mij thuis geen enkele van dergelijke relikwieën
+bezat.--MENEDEMUS: Een goddelooze verzuchting.--OGYGIUS: Ik moet
+bekennen dat je gelijk hebt en ik heb dan ook God om vergiffenis
+gevraagd vóór ik mijn voeten uit de kerk gelicht had. Daarna kwamen we
+in de sacristij. Goede God! wat een pracht van zijden kleeren, wat een
+kostbare gouden luchters! Daar zagen we ook den bisschopsstaf van den
+Heiligen Thomas. Het leek wel een riet met zilveren plaatjes beslagen:
+hij was heel licht, er was in 't geheel geen kunst aan te zien, hij kwam
+mij niet hooger dan tot aan den gordelriem.--MENEDEMUS: Was er geen
+kruis bij?--OGYGIUS: Ik heb er ten minste geen kruis aan gezien. Wel
+werd ons een mantel van hem getoond, geheel van zijde, maar grof van
+draad, zonder eenig versiersel van goud of kostbare steenen. Ze lieten
+er ook een zakdoek zien met nog duidelijk zichtbare sporen van het zweet
+aan den hals afgeveegd, zelfs met bloeddruppels er bij. Die
+herinneringen aan ouden eenvoud kusten wij van harte gaarne.--MENEDEMUS:
+Wordt dat alles niet aan ieder die 't maar zien wil, getoond?--OGYGIUS:
+Neen, waarachtig niet, waarde heer!--MENEDEMUS: Hoe kwam 't dan dat men
+in u zóóveel vertrouwen stelde, dat men voor u niets geheim
+hield?--OGYGIUS: Wel, ik had kennis aan den eerwaarden vader, den
+Aartsbisschop Willem Warham. Deze had mij met een enkel woord
+aanbevolen.--MENEDEMUS: Van verscheidene personen heb ik gehoord dat hij
+een man is van buitengemeene wellevendheid.--OGYGIUS: Zeg liever dat hij
+de beleefdheid in eigen persoon is, als je hem goed kent. Hij is zóó
+geleerd, zóó eenvoudig van karakter, zóó echt vroom van levenswandel,
+dat hij al de eigenschappen bezit van een waar kerkvorst. Door hem nu
+werden we naar 't hooger gelegen deel van de kerk gebracht. Want achter
+het altaar klimt men weer als tot een tweede kerk op. Daar wordt in een
+kapelletje 't geheele gelaat van den Heiligen Thomas, verguld en met
+veel steenen versierd, getoond. Maar een onverwacht toeval vergalde
+bijkans al ons genoegen.--MENEDEMUS: Ik ben nieuwsgierig te hooren wat
+voor een ongeluk je ons vertellen zult.--OGYGIUS: Mijn reismakker
+Gratianus werd er niet heel vriendelijk om aangezien en aangesproken. Na
+een kort gebed vroeg hij den kerkedienaar die er bij zat: "Och,
+eerwaarde vader, is 't waar wat ik hoor, dat de Heilige Thomas bij zijn
+leven zoo hoogst weldadig was jegens de armen?" "Ja zeker is dat waar,"
+antwoordde de man en hij begon veel van die weldaden te vertellen jegens
+de menschen die 't niet ruim hadden. Toen zei Gratianus: "Ik denk niet
+dat die gezindheid bij hem veranderd is, of 't moest zijn, nog meer ten
+goede." De kerkedienaar stemde dat gaarne toe. Mijn vriend zei daarop:
+"Wanneer dan de heilige man zoo vrijgevig was tegenover behoeftigen toen
+hij nog arm was en zelf ondersteuning in geld noodig had voor de
+nooddruft van zijn lichaam, denkt ge dan niet dat het zijn goedkeuring
+zeker zou wegdragen, wanneer, nu hij zoo rijk is en niets meer noodig
+heeft, een arm vrouwtje met een troep hongerige kinderen thuis, of
+meisjes die uit armoede gevaar loopen haar kuischheid te verliezen, of
+een man die ziek neerligt van alle hulp verstoken; wanneer, zeg ik, zoo
+iemand, na den Heilige om vergiffenis gevraagd te hebben, van dien
+grooten rijkdom een enkel stukje wegnam om haar gezin te helpen en dit
+beschouwde als iets wat ze van iemand kreeg, die 't haar ten geschenke
+of te leen aanbood?" Toen de bewaker van 't gouden hoofd daar niets op
+antwoordde, zei Gratianus, die een beetje heftig en driftig is
+uitgevallen: "Ik ben er in mijn ziel van overtuigd dat de Heilige man
+zich zelfs zou verheugen dat hij ook na zijn dood nog de bezwaren der
+armen kon verlichten." Toen fronste de bewaker 't voorhoofd, stak zijn
+lippen minachtend vooruit en keek ons met flikkerende en boosaardige
+oogen aan. Ik twijfel er geen oogenblik aan of hij zou ons in 't gezicht
+hebben gespogen en onder een vloed van scheldwoorden uit de kerk gejaagd
+hebben, als hij niet geweten had dat we een aanbeveling van den
+aartsbisschop hadden. Ik trachtte zoo goed ik kon met vriendelijke
+woorden den toorn van den man tot bedaren te brengen. Ik zei dat mijn
+vriend Gratianus het niet zoo meende, maar dat hij zoo'n beetje
+gekscherenderwijze gesproken had, zooals hij dat wel meer deed. Tegelijk
+legde ik een paar schellingen neer, als een pleister op de
+wonde.--MENEDEMUS: Ik kan geen woorden genoeg vinden om je godsvrucht te
+prijzen. Maar als ik er zoo nu en dan eens ernstig over nadenk, dan
+vraag ik mij wel eens af, hoe de menschen 't met hun geweten kunnen
+overeenbrengen, wanneer ze zooveel schatten zoekbrengen met 't bouwen
+van kerken, met 't bovenmatig versieren en verrijken er van. Ik wil
+graag toegeven dat de kerk in haar plechtgewaden en haar vaatwerk bij
+den heiligen dienst een passende waardigheid moet ten toon spreiden. Ook
+moet het kerkgebouw een passende statigheid bezitten. Maar waarvoor zijn
+zooveel doopvonten, zooveel luchters, zooveel gouden beelden noodig?
+Waartoe die buitensporige kosten aan die zoogenaamde orgels? En dan zijn
+we daarmee nog niet eens tevreden. Waarom al dat muziek-getjingel dat
+met groote kosten moet betaald worden, terwijl intusschen onze broeders
+en zusters, die allen de levende kerk van Christus uitmaken, van honger
+en dorst verkwijnen?--OGYGIUS: Ieder vroom en verstandig mensch zal
+daaraan gaarne paal en perk gesteld zien. Maar omdat dit euvel
+voortvloeit uit een soort van vroomheid die geen maat kent, zou 't
+eenige aanmoediging verdienen, vooral wanneer men bedenkt dat er
+tegenwoordig sommige menschen zijn, die geheel tegenovergesteld van zin,
+de kerken van al haar schatten willen berooven. Die kostbaarheden worden
+doorgaans gegeven door machtige heeren en vorsten en dat is toch beter
+dan dat ze in spel of oorlog worden verkwist. En als men iets daarvan
+vervreemdt, dan wordt dit in de eerste plaats als heiligschennis
+beschouwd; verder openen zij die gewoon waren te geven, niet zoo licht
+meer de milde hand en worden bovendien gelokt om zelf ook te gaan
+rooven. Ten slotte zie ik liever een kerk die weelderig versierd is met
+rijke benoodigdheden voor den heiligen dienst, dan, zooals er sommige
+zijn, naakt en slordig, die meer hebben van paardenstallen dan van
+kerken.--MENEDEMUS: Ja, maar we hebben toch wel eens gelezen dat
+oudtijds bisschoppen hoog geprezen werden, die heilig vaatwerk overal
+heen verkochten, om met 't geld daarvoor verkregen de armen tegemoet te
+komen.--OGYGIUS: Men prijst die menschen tegenwoordig nòg. Maar
+navolgen: dat mag men niet en mij dunkt, dat _wil_ men ook
+niet.--MENEDEMUS: Maar kom aan: ik houd u maar op in uw verhaal. Ik zie
+verlangend uit naar 't slotbedrijf van uw avontuur.--OGYGIUS: Luister
+maar: ik zal 't in enkele woorden afmaken. Terwijl onze woordenwisseling
+daar plaats greep kwam het hoofd van die kerkegidsen bij
+ons.--MENEDEMUS: Wie is dat? De abt van het gesticht?--OGYGIUS: Hij
+draagt een mijter en heeft de inkomsten van een abt. Alleen draagt hij
+niet den naam: hij wordt Prior genoemd, omdat de Aartsbisschop zelf als
+Abt fungeert. Vroeger was iedere Aartsbisschop van die streek tevens ook
+monnik.--MENEDEMUS: Voor mijn part mogen ze mij "kameel" noemen, als ik
+een inkomen krijg als dat van een abt.--OGYGIUS: 't Leek mij een vroom
+en tevens schrander man te zijn en vrij goed op de hoogte van de
+theologie van Scotus.[6] Hij maakte voor ons een doos open waarin men
+zegt dat de rest van 't gebeente van den Heiligen Thomas wordt
+bewaard.--MENEDEMUS: Kon je 't zien?--OGYGIUS: Neen, dat mag niet en 't
+zou ook alleen maar kunnen met behulp van ladders. Maar de houten doos
+bevat weer een gouden kistje en toen dit met touwen naar boven was
+getrokken liet hij ons onschatbare dingen zien.--MENEDEMUS: Wat
+zeg-je?--OGYGIUS: 't Minste van alles was nog maar 't goud. Alles
+flonkerde van zeldzame en bijzonder groote steenen; alles schitterde en
+glinsterde. Sommige steenen waren grooter dan ganzeneieren. In diepen
+eerbied stonden daar eenige monniken omheen; toen het deksel er
+afgenomen werd stonden wij allen in biddende houding. Met een witten
+staf wees de Prior ons de edelgesteenten elk afzonderlijk aan, terwijl
+hij er den naam in 't Fransch bijvoegde en tevens hoeveel de steen waard
+was en wie hem geschonken had. Want de voornaamste steenen waren door
+vorsten ten geschenke gegeven.--MENEDEMUS: Die Prior moet wel goed van
+memorie wezen.--OGYGIUS: Dat moet hij. Maar, oefening doet er ook veel
+toe! Hij heeft dat zoo vaak bij de hand gehad. Van hier brengt hij ons
+weer in een ander gewelf. Daar heeft de Heilige Moeder Gods haar
+verblijf. Maar 't is er een beetje donker en ze is door een paar
+traliehekken afgesloten.--MENEDEMUS: Waarvoor is ze bang?--OGYGIUS: Ik
+denk alleen maar voor dieven. Nooit zag ik ergens meer rijkdom
+opeengestapeld.--MENEDEMUS: Wat je me daar vertelt is met recht een
+blinde rijkdom.--OGYGIUS: Er werden lantaarns bijgehouden en toen zagen
+we een meer dan koninklijk schouwspel.--MENEDEMUS: Is de Heilige Maagd
+hier dan nòg rijker dan Die aan de zee?--OGYGIUS: Voor zoo ver het
+uiterlijk aangaat overtreft deze de andere verre: 't verborgene kent Zij
+zelf 't best. Dit wordt alleen maar aan groote heeren getoond en aan
+bevoorrechte vrienden. Eindelijk komen we weer in de sacristij terug.
+Daar ontdoen ze een kistje, met zwart leer bedekt van 't omhulsel en
+zetten 't op tafel neer. 't Gaat open en we buigen ons neer op onze
+knieën.--MENEDEMUS: Wat was er in?--OGYGIUS: Gescheurde linnen lappen,
+waarvan de meesten nog sporen van snot en slijm droegen. Met die doeken
+wischte zich, naar men zeide, de vrome man 't zweet van zijn gezicht en
+zijn hals; daarin snoot hij zijn neus of dergelijke vuiligheden meer,
+waarvan 't menschelijk lichaam niet vrij is. Mijn goede vriend Gratianus
+oogstte daar ook al weer niet den allerbesten dank in. Hem bood de
+Prior, als Engelschman, als bekende en als man van veel invloed,
+welwillend een der doeken ten geschenke aan, denkend dat hij hem een
+hoogst welkom cadeau aanbood. Maar Gratianus toonde zich hiervoor alles
+behalve dankbaar, vatte den doek met zijn vingers aan met een tamelijk
+minachtend gebaar, en legde hem weinig eerbiedig weer neer, terwijl hij
+de lippen vooruit stak als wilde hij gaan fluiten. Dat was zoo zijn
+gewoonte, als hem iets overkwam, waarover hij zijn minachting meende te
+moeten uiten. Ik schaamde mij dood en hield mijn hart vast hoe dit zou
+afloopen. De Prior deed alsof hij niets merkte van 't geen gebeurd was,
+nam beleefd afscheid en liet ons vertrekken, na ons eerst een glas wijn
+te hebben geschonken. Toen we naar Londen terugkeerden....--MENEDEMUS:
+Waartoe was dat noodig, daar je nu niet ver van je vaderlandsche kust af
+waart?--OGYGIUS: 't Is zoo. Maar ik wilde liefst die slecht ter naam en
+faam bekend staande kust vermijden, slecht befaamd om de rooverijen en
+knevelarijen, erger dan die bij kaap Malea in de Oudheid tegenover
+schipbreukelingen werden gepleegd. Ik zal je eens vertellen wat ik bij
+mijn laatsten overtocht van Frankrijk naar Engeland heb gezien. We
+voeren, verscheidene reizigers in getal, van de kust bij Calais in een
+sloep naar ons schip, dat op de ree lag. Onder de medereizigers bevond
+zich ook een jong Franschman, arm en berooid in zijn plunje. Ze vroegen
+hem een halven frank veergeld. Zóóveel zetten ze iemand af voor dat
+kleine eindje overvaren. Hij verontschuldigde zich dat hij arm was. Als
+in scherts gingen ze hem onderzoeken en toen ze zelfs tot zijn schoenen
+toe hadden uitgetrokken, vonden ze tusschen een paar dubbele zolen tien
+of twaalf franken. Die ontnamen ze hem zonder complimenten, lachend,
+terwijl ze hem nog met schimpwoorden een schavuit van een Franschman
+noemden.--MENEDEMUS: En hoe hield zich de jonge man?--OGYGIUS: Hoe zou
+hij zich houden? De tranen stonden hem in de oogen.--MENEDEMUS: Maar
+hadden zij het recht om zoo te handelen?--OGYGIUS: 't Zelfde recht
+waarmee die bandieten de bagage van reizigers rooven, waarmee ze aan
+dezen de beurs afnemen als zij hun kans schoon zien.--MENEDEMUS: 't Is
+toch verwonderlijk dat zij zulk een boevenstreek durven uitrichten in
+tegenwoordigheid van zooveel getuigen.--OGYGIUS: Ze zijn er zóó aan
+gewend dat ze werkelijk meenen dat 't hun recht is. Een aantal
+passagiers uit 't groote schip zag 't aan, in onze sloep bevonden zich
+eenige Engelsche kooplieden die vruchteloos tegenpruttelden. Alsof 't
+een grapje gold beroemden de schurken er zich op, dien schavuit van een
+Franschman zoo lekker gesnapt te hebben.--MENEDEMUS: Ik zou zulke
+zeeschuimers wel eens voor de grap aan de galg willen zien
+bungelen.--OGYGIUS: En toch krioelt 't aan de kusten aan weerskanten van
+dat volk. Ga nu maar eens na of de versregel van Vergilius hier niet van
+toepassing moet wezen: "Wat moeten wel de groote heeren kunnen doen,
+wanneer de gemeene dieven zoo iets durven wagen!"[7] Zoo komt 't dan ook
+dat ik later liever den grootsten omweg maak, dan ooit dien korteren weg
+weer te nemen. Daarbij komt nog dat, evenals de gang náár de onderwereld
+door denzelfde dichter Vergilius heel gemakkelijk werd genoemd, de
+terugkeer evenwel zeer moeilijk[8], zoo ook langs deze kust de toegang
+heel licht, het weggaan daarentegen heel bezwaarlijk is. Te Londen
+vertoefden juist eenige Antwerpsche kooplieden: ik besloot mij met hen
+aan de zee toe te vertrouwen.--MENEDEMUS: Heeft dan die streek zulke
+heilige varenslieden?--OGYGIUS: Nu, ik moet bekennen: evenals een aap
+altijd een aap blijft, zoo blijft een schipper altijd een schipper.[9]
+Maar wanneer je ze gaat vergelijken met dat andere geboefte, dat geleerd
+heeft van roof te leven, dan zijn het engelen.--MENEDEMUS: Nu, ik zal er
+aan denken wanneer ik soms eens lust mocht krijgen dat eiland te gaan
+bezoeken. Maar keer weer terug op den weg waarvan ik je heb
+afgebracht.--OGYGIUS: Toen wij nu naar Londen terugkeerden kwamen wij
+niet ver van 't door ons verlaten Canterburry in een weg die hol en
+tevens eng was. Bovendien liep de weg sterk af en aan weerskanten was de
+wal zóó steil dat men er niet uit kon. Een anderen weg nemen, kan men
+niet. Links van den weg stond een bedelhuisje waarin zich eenige arme
+oude sukkels ophielden. Een van dezen gaat naar buiten, zoodra ze merken
+dat er een ruiter aankomt: hij besprenkelt hem met wijwater en toont dan
+'t bovenstuk van een schoen waarom een metalen band zit. Hierop zit een
+stuk glas dat een edelsteen moet voorstellen. Dat kust men en de
+bedelaar krijgt een geldstuk.--MENEDEMUS: In zoo'n hollen weg zou ik
+liever een oude bedelaarskolonie zien, dan een troep flinke
+struikroovers.--OGYGIUS: Gratianus reed te paard naast mij links, 't
+dichtst bij den bedelaar. Hij wordt besprenkeld, hetgeen hij zoo goed en
+zoo kwaad als 't ging verdroeg. Toen hem nu de schoen voorgehouden werd,
+vroeg hij wat dat moest beteekenen. De bedelaar zei dat 't de schoen was
+van den Heiligen Thomas. Gratianus werd wit van boosheid en terwijl hij
+zich tot mij wendde zei hij: "Wat verbeeldt zich dat vee wel, dat we de
+oude schoenen van alle goede menschen zullen kussen? Waarom houden ze
+ons niet wat speeksel of eenig ander uitwerpsel van een heilig lichaam
+voor?" Ik had medelijden met den ouden stakkerd en ik troostte hem met
+een fooitje.--MENEDEMUS: Ik moet zeggen dat ik de boosheid van Gratianus
+wel eenigszins kan begrijpen. Als schoenen en sandalen bewaard werden
+als een aandenken aan de vroegere levenswijze, dan zou ik daar niets
+tegen hebben. Maar onbeschaamd lijkt 't mij den menschen sandalen en
+schoenen en ondergoed onder den neus te duwen, om dat alles te laten
+kussen. Als iemand dat uit eigen beweging, uit een soort van
+vroomheids-aandrift wil doen, nu, laat hij het doen.--OGYGIUS: 'k Wil
+niet ontkennen dat 't beter was het niet te doen: maar aan al wat zich
+niet zoo onmiddellijk laat veranderen pleeg ik de goede zijde op te
+merken, als die er ten minste is. Zoo maakte ik nu bij mij zelven de
+opmerking, dat een goed mensch veel heeft van een schaap, een slecht
+mensch van een schadelijk dier. Als een adder bijv. dood is, kan hij wel
+niet meer bijten, maar hij kan door den stank en den zwadder den omtrek
+nog wel verpesten. Zoolang een schaap leeft, geeft het ons voedsel door
+zijn melk, kleeding door zijn wol en verrijkt het ons met de lammetjes.
+Na zijn dood geeft 't ons het zoo nuttige leer en dient het ons tot
+spijs. Zoo zijn ook hartstochtelijke menschen, die de slaven zijn van
+hun lusten, bij hun leven allen tot last. Na hun dood hinderen zij de
+levenden door het klokgelui en door al de drukte die bij hun begrafenis
+wordt gemaakt, dikwijls ook door de zoogenaamde inwijdingskosten, n.l.
+door de uitgaven voor hunne opvolgers. Goede menschen verschaffen in elk
+opzicht groot nut. Bijvoorbeeld nu deze Heilige Thomas: hij spoorde door
+voorbeeld, geleerdheid, vermaningen, allen tot vroomheid aan; hij
+troostte de verlatenen, hielp de behoeftigen en--na zijn dood doet hij
+haast nog méér nut. Hij heeft gemaakt dat deze rijke kerk gesticht is,
+hij heeft in geheel Engeland aan 't priesterdom een groot aanzien
+gegeven. Dat stukje oude schoen geeft onderhoud aan een geheele
+bedelaarskolonie.--MENEDEMUS: Ja, dat is nu wel een heel vrome
+beschouwing van de zaak, maar ik verwonder er mij over dat jij, als je
+er zóó over denkt, nooit de spelonk van den Heiligen Patrick[10] hebt
+bezocht, waarover men algemeen verbazingwekkende mirakels vertelt. Mij
+komen ze, onder ons gezegd, niet erg waarschijnlijk voor.--OGYGIUS:
+Waarschijnlijk? Er kan niets zoo wonderbaarlijk verteld worden of 't
+geen men werkelijk ziet, overtreft 't nog.--MENEDEMUS: Ben je dan ook al
+tot die spelonk doorgedrongen?--OGYGIUS: Ik heb den echten stroom van
+den Styx bevaren; ik ben in den muil van den Avernus afgedaald. Ik heb
+gezien hoe 't in de onderwereld toegaat.--MENEDEMUS: Je zult me een
+groot plezier doen als je daarvan 't verhaal niet voor je
+houdt.--OGYGIUS: Mij dunkt, de inleiding van ons gesprek is al lang
+genoeg. Ik ga naar huis om te zeggen dat ze mijn avondeten moeten
+klaarmaken: want ik heb van middag nog niet gegeten.--MENEDEMUS: Niet
+gegeten? Waarom niet? Uit godsdienstige bezwaren?--OGYGIUS: Volstrekt
+niet. Ik deed het uit haat en nijd.--MENEDEMUS: Ben je dan afgunstig op
+je eigen maag?--OGYGIUS: Neen, maar wèl op die inhalige herbergiers,
+die, niettegenstaande ze hun gasten geen fatsoenlijk maal willen
+voorzetten, er toch geen bezwaar in zien een onbillijke rekening in te
+dienen. Ik sar hen op die manier. Als ik kans heb op een lekker
+avondbroodje bij een goeden vriend of bij een herbergier die wat minder
+karig is, dan heb ik maagpijn net tegen etenstijd. Brengt 't geluk me 's
+middags echter ergens een lekker maal, dan krijg ik die maagpijn tegen
+'t avondeten.--MENEDEMUS: Maar ben je dan niet bang dat ze je aanzien
+voor gierig en schriel?--OGYGIUS: Menedemus, hoor eens. Die zich over
+zoo iets schamen, zetten hun kapitaal van schaamte op lagen interest
+uit. Ik voor mij heb mijn schaamte wel voor wat beters leeren
+bewaren.--MENEDEMUS: Nu ik brand van verlangen naar de rest van je
+bevindingen. Daarom inviteer ik mij zelf bij u aan tafel als gast. Daar
+kun je 't mij dan op je gemak vertellen.--OGYGIUS: Ik vind 't heel
+aardig dat je je zelven als gast aanbiedt, omdat er velen zijn die
+blijven bedanken, ook al worden ze nog zoo dringend uitgenoodigd. Maar
+je zult me nog driemaal meer plezier doen, wanneer je thuis wildet
+blijven soupeeren. Ik wil dezen avond in den huiselijken kring
+doorbrengen. Maar ik heb een plannetje dat voor ons beiden geschikter
+is. Laat morgen voor mij en mijn vrouw bij jou thuis een lekker maaltje
+klaarmaken. Dan kunnen wij tot 't avondeten toe blijven doorpraten, tot
+je zelf zegt dat je er genoeg van hebt en als je wilt dan zullen we ook
+nog bij je blijven soupeeren. Waarom krab je je hoofd? Maak jij 't maar
+klaar: wij beloven plechtig op tijd te komen.--MENEDEMUS: Ik zou liever
+hooren vertellen zonder dat 't mij wat kostte. Maar komaan! Een dinertje
+zal worden gegeven, doch 't zal vervelend en laf zijn als gij 't niet
+met goede vertellingen weet te kruiden.--OGYGIUS: Maar zeg eens. Jeukt
+'t je niet en tintel je niet van lust om ook zulke pelgrimstochten te
+gaan doen?--MENEDEMUS: Misschien krijg ik die tinteling als je
+uitverteld hebt. Zooals ik nu gestemd ben, heb ik genoeg aan mijn
+Roomsche Staties.--OGYGIUS: Hoe, Roomsche? En ge zijt nooit te Rome
+geweest.--MENEDEMUS: Ik zal je zeggen wat ik bedoel. Die toeren met
+pleisterplaatsen maak ik thuis. Eerst ga ik de huiskamer binnen en zorg
+ik dat mijn dochters geen kwaad kunnen aan haar kuischheid en ordelijk
+van gedrag zijn. Dan ga ik naar de werkplaats; ik ga na, wat de
+dienstboden, meiden zoowel als knechts, verrichten. Daarna ga ik naar de
+keuken, rondziende of er ook iets te ordonneeren valt. Verder trek ik
+dan hierheen, dan daarheen, terwijl ik naga hoe mijn kinderen 't maken
+en mijn vrouw, om te zorgen dat alles op zijn plicht past. Dat zijn mijn
+Roomsche Staties of bedevaarten naar Rome.--OGYGIUS: Ja, maar daar zou
+in uw plaats Sint Jacob wel voor zorgen.--MENEDEMUS: De Heilige Schrift
+schrijft mij voor dat zelf te doen. Dat ik 't aan de Heiligen mag
+overlaten heb ik nog nergens gelezen.
+
+
+NOTEN:
+
+[1] Ilias. XV 279. (Vosmaer).
+
+ Doch weer ziende dat Hektor de schaar zijner dapperen rondging,
+ Viel hun de schrik op het lijf, ontzonk hun de moed voor de voeten.
+
+[2] De kerk gewijd aan de Heilige Genoveva, gebouwd in 499 op hare
+aansporing, waarin de Heilige in het jaar 521 begraven is.
+
+[3] Door den Paus n.l.
+
+[4] Zoo noemt Erasmus den monnik, die in rangorde 't dichtst bij den
+Prior staat.
+
+[5] Men noemt zoo een opsomming van feiten in een volgorde, die de
+omgekeerde is van hetgeen in werkelijkheid plaats vindt. Bijv. bij
+Vergilius, Aeneïs I 179. "Zij maken zich gereed het graan op 't vuur te
+bakken en 't op den steen stuk te stooten;" in werkelijkheid gaat het
+stukstooten vooraf aan het bakken.
+
+[6] Duns Scotus, één der invloedrijkste scholastici uit de 14e eeuw, die
+de Onbevlekte Ontvangenis van Maria in tweehonderd bewijzen tegenover
+Thomas van Aquino verdedigde, waardoor hij veel bijdroeg dat dit een
+leerstuk der R.C. kerk werd. Zijn spitsvondige dialectiek bezorgde hem
+dan naam van Doctor Subtilis.
+
+[7] Verg. Ecloga III 16. Quid domini faciant, ausint quum talia fures?
+
+[8] Verg. Aeneïs VI. 126.
+
+ Facilis descensus Averno
+ Sed revocare gradum, superasque evadere ad auras,
+ Hoc opus, hic labor est
+
+[9] Toespeling op het Grieksche spreekwoord: een aap blijft een aap, ook
+al draagt hij gouden sandalen. Vergelijk Vader Cats:
+
+ Al draagt de aap een gouden ring
+ Hij is en blijft een morsig ding.
+
+
+[10] Patricius, St. Patrick, wordt de Iersche Apostel genoemd omdat hij,
+in 433 door Paus Celestinus naar Ierland gezonden, daar vele
+bekeerlingen maakte.
+
+
+ * * * * *
+
+
+HET SPROOKJESMAAL
+
+
+Personen: Eenige makkers aan tafel.
+
+JAN, HENDRIK, WILLEM, KAREL, PIETER, REINT, FLIP, KOOS EN FRITS.
+
+
+ Onder de samenspraken van Erasmus vindt men een viertal die ten
+ titel voeren "Maaltijd." (Eéne heet 't _dichterlijk_ maal, een
+ tweede 't _godsdienstig_, een derde 't _wereldsch_ en een vierde
+ het _Sprookjes_maal.) De eerste drie bevatten gesprekken over
+ godsdienstige onderwerpen, plaatsen uit den Bijbel, over
+ spraakkunst en litteratuur. De laatste, het Sprookjesmaal dat
+ hieronder volgt, is een aaneenschakeling van anecdotes, ook
+ geschiedkundige, waarmee eenige gasten elkander den maaltijd
+ opvroolijken.
+
+
+JAN: Zooals geen welingerichte staat kan bestaan zonder wetten en zonder
+hoofd, zoo mag ook dit gastmaal niet zonder president en zonder
+reglement zijn.--HENDRIK: Uitstekend! Uit naam van ons allen durf ik wel
+verzekeren dat wij 't allen daarmee eens zijn.--JAN: Heidaar, bediende,
+breng de dobbelsteenen eens hier! Die moeten beslissen, wien Jupiter zóó
+heeft begunstigd dat hij hem tot tafelpresident maakt. Mooi zoo! De
+hemel is gunstig geweest aan Willem. 't Lot _is_ toch niet blind.
+Onmogelijk kon een geschikter persoon gekozen worden, ook al had er
+hoofdelijke stemming plaats gehad. Doorgaans schermt men met een
+spreekwoord dat wel waarheid bevat, maar eigenlijk geen Latijn is:
+"novus rex nova lex;" nieuwe heeren nieuwe wetten: zeg ons dus, o vorst!
+uwe wetten.--WILLEM: Allen bij dezen maaltijd aangezeten: heil!
+Vooreerst doe ik bij dezen als mijn wil kennen, dat niemand hier iets
+anders vertelle dan lachwekkende verhalen. Wie geen vertelseltje kent,
+wordt met een halven gulden beboet. Dat geld worde voor wijn gebruikt.
+Onder de wettig erkende verhalen zullen wij ook die rekenen welke voor
+de vuist weg verteld worden, mits slechts de maat van 't waarschijnlijke
+en betamelijke niet overschreden worde. Als er niemand is die met een
+vertelsel in gebreke is gebleven, dan zullen twee 't gelag van den wijn
+betalen, nl. de een die 't aardigste, de ander die 't flauwste verhaal
+heeft ten beste gegeven. De gastheer moet vrijgesteld blijven van een
+bijdrage in de kosten van den wijn. Hij heeft alleen te zorgen voor de
+spijzen. Mocht hierover soms eenig geschil ontstaan, dan moet Hendrik
+als scheidsrechter optreden. Indien ieder dit gehoord heeft en niemand
+er tegen is, dan heeft dit kracht van wet. Wie aan die wet niet wil
+gehoorzamen, ga heen, maar met dien verstande dat hij morgen bij ons
+drinkgelag mag terugkomen.--HENDRIK: We willen dat de wet door onzen
+voorzitter gegeven bij acclamatie van kracht worde verklaard. Maar bij
+wien begint de kring van onze vertellingen?--WILLEM: Bij wien anders dan
+bij den gastheer?--KAREL: Voorzitter, een paar woordjes als ik
+mag.--WILLEM: Denk je soms dat we hier stommetje moeten spelen?--KAREL:
+De rechtsgeleerden zeggen dat een onbillijke wet geen wet is.--WILLEM:
+Dat geef ik toe.--KAREL: Maar toch stelt uw verordening 't beste
+verhaaltje gelijk met het slechtste.--WILLEM: Waar het te doen is om ons
+te vermaken, daar heeft hij die 't leelijkst gesproken heeft niet minder
+lof verdiend dan hij die heel goed sprak, en wel om deze reden: dat de
+een niet minder tot 't genoegen bijdroeg dan de ander. Zoo is het onder
+zangers bijvoorbeeld ook: niemand schenkt genot, dan wie bij uitstek
+goed zingt of bijzonder leelijk. Wordt er niet meer gelachen, wanneer
+men den koekoek hoort dan bij 't hooren van de nachtegaal?
+Middelmatigheid vindt hierbij geen lof.--KAREL: Maar waarom worden zij
+gestraft die een prijs verdienen?--WILLEM: Om te maken dat niet hun al
+te groot geluk een wraakgodin oproepe, wanneer ze èn den prijs èn
+straffeloosheid verwierven.--KAREL: Bij Bacchus! Minos, de
+rechtvaardigste wetgever[1] die er ooit is geweest, heeft nooit een
+billijker wetsbepaling gemaakt.--PIETER: En zult gij geen voorschriften
+geven welke regels bij 't drinken in acht moeten worden
+genomen?--WILLEM: Na rijp beraad zal ik het voorbeeld volgen van den
+Spartaanschen koning Agesilaos.--PIETER: Wat deed die?--WILLEM: Toen hij
+eens bij keuze van 't lot tot tafelpresident was gekozen en de
+hofmeester hem vroeg hoeveel wijn hij bij elken gast moest plaatsen,
+antwoordde hij dezen: "Als gij tamelijk veel wijn in voorraad hebt, geef
+dan aan ieder zooveel hij vraagt; als de voorraad wat minder rijk is,
+verdeel dien dan gelijkelijk onder allen."--PIETER: Wat bedoelde de
+Spartaan met die woorden?--WILLEM: Hij had er dit mee op het oog: om het
+maal niet tot een dronkemanspartij te maken, maar ook niet tot een
+aanleiding om te mopperen.--PIETER: Hoe dat zoo?--WILLEM: Omdat er zijn
+die graag veel drinken, maar ook anderen die 't liever wat kalm-aan
+doen. Er worden ook menschen gevonden die geheel-onthouders zijn, zooals
+men zegt dat koning Romulus is geweest. Als er dus aan niemand wijn
+gegeven wordt of hij moet er om vragen, dan wordt vooreerst niemand
+gedwongen om te drinken en toch behoeven zij die van een flink glas wijn
+houden, er niet minder om te drinken. Zoo komt 't, dat dan iedereen
+vroolijk is aan tafel. En omgekeerd, wanneer met schriele hand de wijn
+in gelijke porties wordt rondgedeeld aan iederen gast afzonderlijk, dan
+krijgen zij die wat matig drinken genoeg; terwijl ook niemand bij een
+gelijke uitdeeling murmureeren kan, wanneer hij ziet dat iemand, die van
+plan was het er eens goed van te nemen, zich kalm moet schikken naar
+matigheid. Als u dus het voorbeeld van den Spartaanschen koning bevalt
+dat ik daar aanhaalde, dan zullen wij dat volgen. Immers wij willen dat
+het maal gezellig worde door de vertellingen, niet door den invloed van
+veel wijn.--PIETER: Wat dronk Romulus dan?--WILLEM: Wat de hondjes ook
+drinken.--PIETER: Is dat een koning niet onwaardig?--WILLEM: Volstrekt
+niet meer onwaardig, dan wanneer koningen lucht inademen die ze ook met
+de honden deelen. Alleen met dit onderscheid: de koning drinkt niet
+hetzelfde water dat de hond drinkt, maar de lucht die de koning heeft
+uitgeademd, die ademt de hond in en op zijn beurt ademt de koning ook
+weer de lucht in, die de hond heeft uitgeademd. Alexander de Groote zou
+vrij wat beroemder zijn als hij zich met den hondendrank had tevreden
+gesteld. Niets toch is voor een koning die voor zooveel drinkende
+menschen moet zorgen, gevaarlijker dan dronkenschap. Maar dat Romulus
+geheel-onthouder is geweest, blijkt uit een niet onaardige uiting van
+hem. Toen eens iemand die zag dat hij geen wijn dronk, gezegd had: "wat
+zal de wijn goedkoop worden, wanneer allen dien drinken zooals hij,"
+toen antwoordde hij: "Neen juist niet; ik denk dat hij heel duur zou
+worden, wanneer allen dien dronken zooals ik. Want ik drink juist
+zooveel als ik wil."--HENDRIK: Ik woû wel dat onze vriend de kanunnik
+Johannis Botzemus uit Constanz hier was, om ons een levend voorbeeld van
+dien Romulus voor oogen te stellen. Want hij _is_ werkelijk een even
+groot wijnvijand, als men _zegt_ dat hij 't is en toch is hij een
+gezellig kameraad en een vroolijk dischgenoot.--JAN: Kom-aan, wanneer
+gij niet tegelijk kunt slurpen en blazen (wat Plautus zegt dat zoo
+moeilijk is) maar eten en hooren, wat heel gemakkelijk is, dan wil ik
+onder goede voorteekenen wel een begin maken met vertellen. Al ge soms
+'t verhaaltje niet heel geestig vindt, weet dan dat 't een Hollandsche
+mop is. Verscheidene onder u zullen den naam van een zekeren Maccus wel
+eens gehoord hebben.--HENDRIK: Niet lang geleden is hij gestorven.--JAN:
+Toen de man te Leiden aankwam en zich daar als vreemdeling door een grap
+bekend wilde maken (want dat was zijn "fort") ging hij een
+schoenenwinkel binnen en groette beleefd. De schoenmaker die graag wat
+van zijn waar kwijt wilde wezen, vroeg hem wat er van zijn dienst was.
+Toen Maccus zijn oogen liet vallen op een paar kappen van laarzen die
+daar hingen, vroeg hij of zijn nieuwe klant soms kappen verlangde,
+Maccus zei van ja en de baas ging een paar uitzoeken dat voor de beenen
+van zijn cliënt geschikt was. Toen hij ze gevonden had, haalde hij ze
+voor den dag en (zooals schoenmakers dat gewoonlijk doen) gespt ze hem
+aan. Toen nu Maccus keurig netjes met zijn kuiten in de kappen zat, zei
+hij: "Wat zou daar een paar schoenen met dubbele zolen netjes bij
+staan." Op de vraag van den koopman of hij ook schoenen wilde, knikte
+hij van ja. Die worden opgezocht en aan de voeten getrokken. Maccus
+prees de kappen, hij roemde de schoenen. De schoenmaker, inwendig blij,
+zong 't lofliedje met hem mee, hopend op een hoogeren prijs wanneer den
+klant de koop zóó goed beviel. Zoo waren ze reeds met elkander op een
+vrij gemeenzamen voet geraakt. Daarop zei Maccus: "Zeg ereis eerlijk: is
+'t je nooit gebeurd dat, wanneer je iemand zóó met kappen en laarzen
+voor een tocht hadt uitgerust, zooals gij 't mij nu gedaan hebt, dat hij
+er dan van door ging, zonder je te betalen?" "Nooit," was 't antwoord.
+"Maar als 't nu soms eens gebeurde, wat zou je dan doen?" "'k Zou hem
+hard achterna loopen," zei de schoenmaker. Toen zei Maccus: "Zeg je dat
+in ernst of in scherts?" "In vollen ernst," zei de ander, "en ik zou 't
+ook werkelijk doen." "Ik wil 't eens probeeren," zei Maccus. "Kijk ik
+loop weg: 't gaat om de schoenen! Zet mij nu na!" En tegelijk zette hij
+'t op een loopen. De schoenmaker hem achterna zoo hard hij kon, al
+roepend: "houdt den dief, houdt den dief!" Toen op dat geroep de burgers
+overal uit hun woningen voor den dag kwamen, wist Maccus hen door 't
+volgend leugentje te beletten hem tegen te houden. Hij riep hun namelijk
+toe: "Niemand mag ons in onzen loop tegenhouden: we loopen om 't hardst
+om een ton bier." En zoo keken de burgers bij den wedloop toe, zonder
+dien te storen. Ze vermoedden echter dat de schoenmaker zijn roep
+aanhief uit list, om daardoor een kansje te krijgen 't van den ander te
+winnen. Eindelijk moest onze schoenmaker het opgeven; bezweet en buiten
+adem keerde hij naar huis terug. Maccus had den prijs
+gewonnen.--HENDRIK: Die Maccus is wel den schoenmaker ontloopen, maar
+niet den dief.--JAN: Hoe zoo?--HENDRIK: Omdat hij den dief in zijn eigen
+persoon bij zich hield.--JAN: Misschien had hij op dat oogenblik geen
+contanten en heeft hij 't geld later wel betaald.--HENDRIK: Maar daar
+was toch grond om een gerechtelijken eisch tegen hem in te
+stellen.--JAN: Die _is_ ook later ingesteld. Maar toen had Maccus al
+eenige kennissen onder de overheden.--HENDRIK: En waarmee kwam Maccus
+voor den dag?--JAN: Waarmee? Vraag je dat nog? in een zaak zoo licht te
+winnen? De eischer liep grooter gevaar dan de beschuldigde.--HENDRIK:
+Hoe dat zoo?--JAN: Omdat hij hem van laster beschuldigde en de wet op
+hem wilde toepassen die voorschrijft, dat iemand die een ander iets
+aanwrijft wat hij niet bewijzen kan, dezelfde straf moet lijden die de
+beschuldigde zou gekregen hebben wanneer het van hem bewezen was. Maccus
+verklaarde dat hij geen stuk had aangeraakt tegen den wil van den
+eigenaar. Dat deze daarentegen met alles uit eigen beweging was komen
+aandragen, dat er van een prijs niet gesproken was. Dat hij den
+schoenmaker tot den wedloop had uitgedaagd en dat de man die uitdaging
+had aangenomen. Reden tot klagen had hij niet; hij had 't in den wedloop
+eerlijk verloren.--HENDRIK: Dit geding heeft wel wat van dat bekende
+proces om de schaduw van den ezel. En hoe liep 't af?--JAN: Toen er
+genoeg gelachen was, noodigde één der rechters Maccus bij zich te eten
+en aan den schoenmaker werd 't geld uitbetaald. Iets dergelijks is in
+mijn jongensjaren ook te Deventer gebeurd. 't Was in den vastentijd,
+waarin (naar het spreekwoord zegt) de visschers 't heft in handen hebben
+en de slagers ledig rondloopen. Er stond iemand bij de uitstalling van
+een fruitvrouw, een verbazend dik wijf; met gespannen blikken keek hij
+naar alles wat te koop lag uitgestald. Als gewoonlijk vroeg ze of
+mijnheer iets noodig had. En toen zij zag hoe hij zijn oogen op de
+vijgen gevestigd hield vroeg ze: "Wilt u vijgen? Ze zijn overheerlijk."
+Toen hij geknikt had van ja, vroeg ze hoeveel pond hij verlangde. "Wil u
+vijf pond?" Op zijn toestemmenden knik schudde ze hem dat gewicht in een
+slip van zijn kleed. Terwijl zij haar weegschaal opbergt, gaat de kooper
+heen, niet hard wegloopend, maar kalm en bedaard. Toen de koopvrouw weer
+terugkwam om 't geld in ontvangst te nemen zag ze den kooper rustig
+wegwandelen. Zij zette hem na, meer met haar stem dan met haar beenen.
+Hij deed net als of hij 't niet merkte en ging door. Eindelijk bleef hij
+staan, toen veel menschen op 't geschreeuw van de koopvrouw kwamen
+aanloopen. Nu wordt te midden van 't volk de zaak behandeld. Algemeen
+gelach! De kooper zegt dat hij niet gekocht heeft, maar alleen dankbaar
+aangenomen wat hem beleefd werd aangeboden. Als ze hem voor 't gerecht
+wilde dagen, dat hij dan zou verschijnen.--HENDRIK: Kom aan. Ik zal ook
+een verhaaltje ten beste geven dat misschien wel eenigszins gelijk is
+aan 't uwe, maar toch niet minder aardig is. Alleen is de hoofdpersoon
+niet zoo beroemd als uw Maccus. De wijsgeer Pythagoras verdeelde de
+geheele markt in drie klassen van menschen: de eene groep komt om te
+verkoopen, de andere om te koopen en deze beide soorten van menschen,
+zei hij, hebben 't hoofd vol zorgen en zijn dus niet gelukkig. Anderen
+komen alleen maar op de markt om te zien wat er te koop geboden wordt of
+wat er omgaat: dat zijn alleen de gelukkigen, omdat ze vrij zijn van
+zorg en pret hebben die hun niets kost. "En zóó," zei de wijsgeer, "gaat
+'t ook in de wereld toe; dáár in 't groot, zooals bij den handel op de
+markt in 't klein." Op de plaatsen waar bij ons handel gedreven wordt,
+op de markt en de beurs, loopt gewoonlijk nog een vierde soort van
+menschen rond die niet koopen, niet verkoopen en ook geen toekijkers
+zijn, maar die overal op den loer liggen of ze soms iets kunnen stelen.
+En onder dat slag van volk treft men er die weergaasch handig zijn: men
+zou zeggen dat ze ter wereld waren gekomen onder bescherming van den
+dievengod Mercurius. Onze gastheer heeft een verhaaltje ten beste
+gegeven met een aanhangsel; ik zal er nu een geven waarvan ik de
+voorafspraak reeds gehouden heb. Hoort dan verder wat onlangs in
+Antwerpen is gebeurd. Een priester had er een aardig sommetje geld
+gebeurd, en wel in zilvergeld. Een bedrieger had dit bemerkt. Hij klampt
+den priester aan, die in zijn gordel de beurs droeg, gespannen van de
+geldstukken. Hij groet hem beleefd. Hij vertelt hem dat hem door zijn
+mede-parochianen is opgedragen, voor hun kapelaan een nieuw
+priesterkleed te koopen, zooals de geestelijken dat dragen wanneer zij
+de mis bedienen. Hij vraagt dus beleefd of hij hem met zijn raad wel zou
+willen bijstaan, of hij met hem wilde meegaan naar een winkel waar zulke
+kleedingstukken te koop zijn. "Ik zou dan naar de maat van uw lichaam
+een kleed kunnen nemen wat grooter of wat kleiner; want mij dunkt dat
+uwe gestalte vrijwel overeenkomt met die van onzen kapelaan." Nu, dezen
+dienst, die van zoo weinig beteekenis scheen, wilde de geestelijke hem
+graag bewijzen. Ze gaan een winkel binnen. Een priesterkleed wordt voor
+den dag gehaald: de geestelijke trekt 't aan; de koopman zegt dat 't
+prachtig past. Nadat de gauwdief den priester nu eens van voren, dan van
+achteren had aangezien, vindt hij het kleedingstuk niet kwaad, maar hij
+maakt toch de opmerking, dat 't kleed van voren korter is dan eigenlijk
+wel mag. Toen zei de verkooper, daar hij bang was dat de koop niet zou
+doorgaan, dat dit niet de schuld was van het gewaad, maar dat de
+goedgevulde beurs de oorzaak was dat 't opschortte en dat het daardoor
+te kort scheen. Om kort te gaan: de priester legt zijn beurs af, opnieuw
+bekijken zij 't kleedingstuk. Toen de priester zich even omdraait,
+grijpt de gauwdief de beurs en maakt er zich mee uit de voeten. De
+priester zet hem achterna, zóóals hij daar stond, met zijn priesterkleed
+aan, en achter den priester de kleerenkoop. De priester roept: "houdt
+den dief;" de koopman gilt: "pakt dien priester;" de gauwdief roept:
+"Houdt dien priester vast, hij is dol!" en men wilde dat graag gelooven,
+toen ze hem zoo opgesierd op straat zagen hollen. En terwijl dus de een
+den ander tegenhield kon de gauwdief ontsnappen.--WILLEM: 't Is er een
+die verdient dubbel gehangen te worden, zoo'n slimmerd!--HENDRIK: Als
+hij al niet lang hangt!--WILLEM: 'k Hoop dat hij niet alleen hangt, maar
+met hem de lieden, die dergelijke schurken tot nadeel van 't groote
+publiek begunstigen.--HENDRIK: Ze begunstigen hen niet voor niets. Het
+is, volgens Homerus' dichtregel, een keten die neerhangt op aarde, maar
+van boven met Jupiter in aanraking is.--WILLEM: Laten we tot onze
+anecdotes terugkeeren.--KAREL: De beurt is aan u, zoo 't ten minste geen
+heiligschennis is den koning zelven tot de orde te roepen.--WILLEM: Ik
+behoef niet geroepen te worden. Integendeel, ik keer gaarne uit me
+zelven tot de orde terug. Anders zou ik een tyran zijn, geen koning,
+wanneer ik bezwaren maakte mij te onderwerpen aan de wetten die ik aan
+anderen voorschrijf.--KAREL: En toch zeggen ze dat een vorst boven de
+wet staat.--WILLEM: Heelemaal verkeerd is dat niet gezegd, wanneer men
+althans onder vorst wil verstaan den vorst, dien ze toen Keizer noemden.
+En verder, wanneer jij 't zóó uitlegt: dat hij uit eigen beweging veel
+royaler datgene doet, wat anderen, hoe dan ook, gedwongen doen. Immers,
+wat de ziel is voor het lichaam, dat is een goed vorst voor den staat.
+Waartoe behoeven wij er evenwel bij te voegen "goed;" daar toch een
+slecht vorst geen vorst is, evenmin als een onreine ziel, die zich in
+een menschenlichaam genesteld heeft, een ziel van dat lichaam is. Maar
+kom aan! Het verhaal zou komen. Mij dunkt 't is goed van pas, wanneer ik
+als koning van dit maal, ook een verhaal met een koning er in, vertel.
+Toen Koning Lodewijk de Elfde, omdat in zijn rijk de boel in 't honderd
+liep, rondzwierf bij de Bourgondiërs, maakte hij bij gelegenheid van een
+jacht kennis met een zekeren Conon, een eenvoudigen boer, maar een man
+met een trouwhartig en eerlijk gemoed. Vorsten hebben dikwijls veel op
+met zulk slag van menschen. Na de jacht kwam de koning dikwijls in de
+hofstee van dien man eenige oogenblikken binnen en zooals groote heeren
+vaak schik hebben in plebeïsche genoegens, zoo smulde hij dikwijls bij
+hem aan rapen. Toen Lodewijk korten tijd daarna op zijn troon hersteld,
+de heerschappij over Frankrijk weer in handen had, werd Conon door zijn
+vrouw aangespoord om den koning toch eens te herinneren aan de vroeger
+bij hen genotene gastvrijheid. Conon maakte zwarigheden: 't zou toch
+maar verloren moeite wezen, vorsten toch denken niet aan zulke diensten.
+Maar de vrouw zette door en kreeg haar zin. Conon zoekt eenige bijzonder
+mooie rapen uit en maakt zich voor de reis gereed. Maar onderweg laat
+hij zich door 't aanlokkelijke van de spijs verleiden en peuzelt ze
+achtereenvolgens allen op, behalve één: een bijzonder grooten knol. Toen
+Conon tot 't binnenplein had weten door te sluipen, waarlangs de koning
+moest komen, herkende deze hem terstond en liet hem bij zich komen.
+Conon haast zich den koning de raap aan te bieden: de koning neemt die
+met nog grootere bereidwilligheid aan, terwijl hij aan iemand uit zijn
+omgeving opdraagt, het voorwerp zorgvuldig neer te leggen bij de dingen
+die hem het liefst zijn. Hij noodigt Conon bij zich aan tafel en toen
+deze weer naar zijn boerderij terug wilde gaan liet hij hem voor zijn
+knol duizend gouden kronen uitbetalen. Toen 't gerucht hiervan, zooals
+dat gaat, spoedig onder 's konings hofstoet verbreid was, gaf één der
+hovelingen den koning een mooi paard ten geschenke. De koning begreep
+heel goed, dat zijn hoveling zich had laten verlokken door de
+vrijgevigheid die jegens Conon was betoond, en dat de man hoopte op een
+rijke belooning. Maar hij nam met een bijzonder opgewekt gelaat 't
+geschenk aan; riep zijn rijksgrooten bijeen en legde hun de vraag voor,
+met welk een geschenk hij dat prachtige en kostbare paard wel zou kunnen
+vergelden. Intusschen koesterde hij, die 't paard geschonken had, de
+grootste verwachtingen. Hij redeneerde zóó bij zichzelven: "Als hij een
+raap door een boer gegeven zóó royaal beloont, hoeveel rijkelijker zal
+hij dan zoo'n prachtpaard, door een hoveling aangeboden, wel vergelden?"
+Toen de koning bij zijn rondvraag over deze zaak van den één dit, van
+den ander dàt antwoord kreeg en de inhalige winstjager lang door ijdele
+hoop in spanning was gehouden, sprak ten slotte de koning: "Daar schiet
+mij iets te binnen wat ik hem kan geven." Hij riep één der hovelingen
+tot zich, fluisterde hem in 't oor dat hij naar zijn slaapkamer moest
+gaan en van daar van een plaats die hij hem aanduidde, moest halen wat
+hij daar, zorgvuldig in een zijden doek gewikkeld, zou vinden. Wat
+brengt hij, goed ingepakt mee terug? De raap van den boer! De koning
+reikte eigenhandig den hoveling het pak over, terwijl hij er bijvoegde:
+dat naar zijn meening met een kleinood, betaald met duizend goudstukken,
+'t paard rijkelijk beloond was. De hoveling gaat ter zijde, knoopt den
+doek los en vindt in plaats van een verwachten schat wel geen
+"houtskool" zooals 't spreekwoord zegt, maar een half verdroogde
+koolraap.[2] De gefopte winstjager werd algemeen uitgelachen.--KAREL:
+Als gij 't toestaat, o koning, dat ik, als man uit het volk over
+koninklijke dingen spreek, zal ik over dienzelfden Lodewijk een
+verhaaltje doen dat mij nu te binnen schiet. Zoo lokt 't ééne verhaaltje
+'t andere uit. Een bediende zag eens op 's konings rok een luis kruipen:
+hij boog zich voor den koning op de knieën en gaf door zijn hand op te
+heffen te kennen dat hij den vorst den een of anderen dienst wilde
+bewijzen. Lodewijk zei dat hij zijn gang kon gaan, de man nam de luis op
+en wierp die heimelijk weg. Toen de koning vroeg wat 't was, schaamde
+hij zich 't te zeggen. Op 't aandringen van den koning, kwam 't hooge
+woord er uit: dat 't een luis was geweest. "Dat is een goed teeken," zei
+de koning, "'t Bewijst dat ik een mensch ben, daar dat soort van
+ongedierte speciaal bij den mensch huist, voornamelijk bij jonge
+menschen." En hij liet den man voor zijn dienstbetoon veertig goudkronen
+uitbetalen. Na eenige dagen kwam een ander die had gezien, hoe aan den
+eerste dat bewijzen van een nederigen dienst geen windeieren had gelegd
+en die niet begreep dat 't er heel wat toe doet, of men zoo iets van
+harte dan wel met bijbedoelingen verricht, na eenige dagen dan, kwam een
+ander met een dergelijk gebaar tot den koning. Deze liet hem ook weer
+begaan en hij deed alsof hij iets van 's konings mantel af nam dat hij
+onmiddellijk wegwierp. Toen de koning hem zag aarzelen en er op aandrong
+te weten, wat 't geweest was, antwoordde hij eindelijk met geveinsde
+schaamte dat 't een vloo was. "Wat?" zei de koning, die 't bedrog
+doorzag, "zie je mij voor een hond aan?" Hij liet den man beetpakken en
+in plaats van veertig goudstukken, veertig slagen toedienen.--REINIER:
+Mij dunkt 't is niet geraden met koningen grapjes uit te halen. Leeuwen
+laten zich wel eens kalm streelen, maar als ze willen, zijn 't ook weer
+eensklaps leeuwen en ... hij die met hen speelde ligt op den grond. Zoo
+is 't ook met koningen in hun goeden luim. Maar ik zal nu een verhaaltje
+vertellen dat met het daareven vertelde groote overeenkomst heeft. We
+stappen intusschen nog niet af van Lodewijk, die er steeds een groot
+vermaak in vond happige en inhalige hovelingen teleur te stellen. Hij
+had van den een of ander tienduizend goudstukken ten geschenke
+ontvangen. Zoo dikwijls vorsten een voorraad geld krijgen azen alle
+ambtenaren daarop en hopen een stukje van den buit deelachtig te worden.
+Ook Lodewijk wist dit heel goed. Toen dus dit geld op de tafel lag
+uitgeteld, om allen nog meer in hun groote verwachtingen te prikkelen,
+sprak hij tot de omstanders: "Wat zeg-jelui er van? Vind-je niet dat ik
+een rijk koning ben? Hoe zullen we zoo'n groote som beleggen? Maar, 't
+is gegeven geld, 't moet ook weer weggegeven worden. Waar zijn nu de
+vrienden aan wie ik verplichtingen heb voor mij bewezen diensten? Ze
+moeten zich melden voordat de geldstroom is opgedroogd." Op die roepstem
+komen velen aanloopen. Ieder meent voor zich zelven op iets te mogen
+rekenen. Toen de koning er één zag, die met bijzonder begeerige oogen
+naar 't geld stond te kijken, wendde hij zich tot hem en zei: "Nou
+vriendje, wat heb jij te vertellen?" De man deelde nu mee dat hij
+geruimen tijd 's konings valken had gevoederd, met nauwgezette zorg en
+met groote kosten: en zoo bracht de één dit, de ander dat te berde.
+Ieder vijzelde, zooveel hij kon, 't geen hij verricht had op, en daar
+liep menige leugen onder. De koning hoorde hen allen welwillend aan en
+gaf na ieders mededeelingen zijn goedkeuring te kennen. De beraadslaging
+werd opzettelijk door hem gerekt om ze allen des te langer in de
+pijnlijke onzekerheid te laten. Onder de aanwezigen bevond zich ook de
+Rijkskanselier, dien de koning mede had laten ontbieden. Deze was
+voorzichtiger dan de anderen, prees zijn verdienstelijke daden niet aan
+en gedroeg zich als lijdelijk toeschouwer. De koning wendde zich tot hem
+met de vraag: "En wat zegt mijn Kanselier? Hij is de eenige die niets
+vraagt en zijn daden niet ophemelt?" De Kanselier antwoordde: "Ik heb
+meer bewijzen van uw koninklijke welwillendheid ontvangen dan ik wel
+verdiend had en mijn grootste zorg is hoe ik die weldadigheid jegens mij
+zal kunnen vergelden. Zóó ver is 't er van af, dat ik nog meer zou
+willen vragen." En toen de koning vroeg: "Zijt gij dan de eenige onder
+allen die geen geld noodig hebt?" luidde het antwoord: "Uw royaliteit
+heeft gemaakt dat ik 't niet noodig heb." De koning wendde zich toen tot
+de anderen en sprak: "Waarlijk, ik ben wel de grootmachtigste van alle
+koningen dat ik zóó'n rijken Kanselier heb." Aller hoop werd
+verlevendigd daar ze dachten dat 't geld onder de anderen zou verdeeld
+worden, nu deze op niets aanspraak maakte. Toen de koning nu lang genoeg
+met hen gespeeld had, liet hij den Kanselier de geheele som naar zijn
+huis meenemen en zei daarop, de overigen aansprekend: "Jelui moet nu
+maar eens een andere gelegenheid afwachten."--REINIER: Het verhaaltje
+dat ik nu ga vertellen zult ge misschien minder aardig vinden, maar ik
+begin dadelijk u te verzoeken mij niet te verdenken van kwade trouw of
+booze streken, alsof ik met opzet zou pogen mij aan mijn verplichting te
+onttrekken. Zeker iemand kwam tot denzelfden Lodewijk met het verzoek,
+hem met een post die toevallig in 't dorp waar hij woonde, open was, te
+willen begunstigen. Zoodra de koning 't verzoek gehoord had zei hij
+onverwijld: "Uw verzoek zal niets uitwerken," waarmee hij onmiddellijk
+bij den man alle hoop afsneed om gedaan te krijgen wat hij vroeg. De
+sollicitant ging, met een dankbetuiging aan den koning dadelijk heen. De
+koning die aan zijn gezicht wel kon zien dat hij te doen had met een
+alles behalve onhandigen man liet hem terug roepen, daar hij vermoedde
+dat de man niet precies begrepen had, wat hij bedoeld had. De man komt
+terug. Toen zei de koning: "Had je begrepen wat ik je geantwoord had?"
+"Ja zeker, Sire." "Wat heb ik dan gezegd?" "Dat ik met mijn verzoek
+niets zou uitrichten." "En waarom bedankte je mij daarvoor?" "Omdat ik
+thuis heel wat te doen heb. Ik zou hier dus tot mijn groot nadeel een
+twijfelachtige hoop hebben nagejaagd. Nu reken ik het als een gunst van
+uwe zijde dat ge me dadelijk het gevraagde geweigerd hebt. Ik beschouw
+als winst wat ik verloren zou hebben, wanneer ik mij lang met een ijdele
+hoop had moeten vleien." Uit dat antwoord meende de koning te mogen
+opmaken, dat hij met een alles behalven laksen man te doen had, en na
+enkele vragen zei hij: "Je zult hebben wat je vraagt: dan kun je mij
+dubbel bedanken." Tevens wendde hij zich tot de hofbeambten en beval hun
+onmiddellijk 't bewijs van aanstelling gereed te maken om den man niet
+langer op te houden en hem tijdverlies te besparen.--FLIP: 'k Zou ook
+nog wel wat over dien zelfden Lodewijk kunnen vertellen, maar ik wil nu
+liever iets zeggen over onzen Keizer Maximiliaan. Evenmin als deze
+gewoon was zijn geld te begraven, even milddadig was hij tegenover hen
+die hun geld hadden verspeeld, mits ze maar een adellijken titel
+voerden. Toen hij eens een jongmensch van dat slag wilde helpen, gaf hij
+hem de opdracht, in een zekere stad onder het een of ander voorwendsel,
+honderdduizend gulden te gaan innen. Nu, de rechtsgrond was van dien
+aard dat, als de afgevaardigde door handigheid iets kon los krijgen, dit
+als winst kon worden beschouwd. De man wist vijftigduizend gulden te
+bemachtigen en droeg aan den Keizer dertigduizend af. De Keizer was blij
+met zijn ongehoopt voordeeltje: hij liet zijn gezant gaan zonder verder
+eenige navraag te doen. Intusschen kregen de ontvangers en de leden van
+de rekenkamer er de lucht van, dat er meer was geïnd dan er was
+afgedragen. Zij dringen er dus bij den Keizer op aan, dat hij den man
+zou laten roepen. Hij werd ontboden en komt onmiddellijk. Maximiliaan
+zei: "Ik hoor ge hebt vijftig duizend goudguldens ontvangen." "Ja,
+Sire." "En ge hebt mij maar dertig duizend uitgekeerd." Ook hierop moest
+hij ja zeggen. "Leg dan rekening en verantwoording af van de rest." Hij
+beloofde dat te zullen doen en ging heen. Doch van de rekening en
+verantwoording kwam niets en op aandringen van de finantiëele beambten
+werd de jonge man weer ontboden. Toen zei de Keizer: "Onlangs heb ik u
+gezegd rekening en verantwoording af te leggen." "Dat weet ik zeer
+goed," zei de ander, "en ik ben er juist druk mee bezig." De Keizer
+vermoedde dat de rekening nog niet geheel was opgemaakt en liet hem dus
+vertrekken. Toen hij zoo met hen speelde, drongen de beambten bij den
+Keizer meer en meer aan: ze verklaarden dat 't toch niet aanging dat de
+Keizer zóó openlijk voor den gek werd gehouden. Ze wilden dus
+Maximiliaan overhalen, dat de jonge man zou worden ontboden en in hunne
+tegenwoordigheid verantwoording zou afleggen. De Keizer gaf zijn
+toestemming. Ontboden kwam hij op staanden voet, zonder eenig bezwaar te
+maken. "Hebt ge mij niet beloofd verantwoording af te leggen?" "Zeker
+heb ik dat, o vorst." "Nu," zei de Keizer, "die moeten wij terstond
+hebben: daar zitten de personen die ze van u zullen overnemen. Langer
+uitstel komt niet meer te pas." De finantiëele beambten zaten daar, met
+de boeken voor 't doel geopend. Zeer handig zei toen de jonge man: "Ik
+onttrek mij, Sire, volstrekt niet aan de rekening en verantwoording.
+Maar in zulk soort van rekening ben ik niet heel knap, daar ik 't nooit
+heb behoeven te doen. De heeren die daar zitten zijn daarentegen hoogst
+bedreven in die kunst. Als ik maar eenmaal gezien heb hoe zij een
+dergelijke rekening opmaken, dan kan ik het licht nadoen. Ik verzoek u
+dus onderdanig hun te bevelen mij een voorbeeld te geven. Ze zullen aan
+mij als leerling eer beleven." De Keizer begreep den steek van den
+jongen man zeer goed, ofschoon zij, tegen wie hij gemunt was, dien niet
+voelden en hij zei lachend: "Je hebt gelijk en wat je vraagt is niet
+meer dan billijk." Met deze woorden liet hij den jonker vertrekken. Deze
+had den Keizer bedekt willen te kennen geven dat zij aan hun meester
+juist zóó'n rekening en verantwoording aflegden als _hij_ 't gedaan had,
+met dien verstande dat een goed deel van 't geld bij hen zelf was
+gebleven.--KOOS: 't Wordt nu tijd dat we "van den os op den ezel komen"
+zooals 't spreekwoord zegt, wel te verstaan van vorsten op den
+Leuvenschen pastoor Antonius, die bij Filips den Goeden van Bourgondië
+zoo in blakende gunst stond. Van dien persoon worden veel aardige zetten
+en veel grappige streken verteld, ofschoon de meeste wel een beetje
+schuin zijn. Want 't grootste deel van zijn aardigheden placht hij te
+kruiden met een zeker soort peper waaraan een leelijk luchtje is. Een
+van de minst stuitende wil ik wel vertellen. Hij had eens een paar mooie
+salonjonkers die hij onderweg ontmoet had, bij zich aan tafel genoodigd.
+Toen hij thuis kwam vond hij 't keukenfornuis koud en geen cent in zijn
+kas. Nu, dat kwam dikwijls bij hem voor. Hier moest goede raad geschaft
+worden. Hij sluipt stil zijn huis uit, gaat in de keuken van zijn
+buurman, den geldschieter met wien hij op goeden voet stond, omdat hij
+vaak zaken met hem deed en terwijl de meid een oogenblik weg was, kaapt
+hij één van de koperen braadpannen, mèt 't vleesch dat er in te braden
+stond, weg en draagt 't, onder zijn pastoorsjas verborgen, naar zijn
+huis. Hij geeft 't aan zijn keukenmeid en zegt haar dadelijk 't vleesch
+en de saus in een andere, aarden, pan over te storten en onmiddellijk de
+koperen braadpan van den geldschieter te poetsen tot ze blonk als een
+spiegel. Hierna zendt hij een jongen uit naar den geldschieter, om van
+dezen, tegen onderpand van den mooien koperen pot, een paar halve
+guldens te leenen. Maar de jongen kreeg de boodschap mee, dat hij van
+den geldschieter een bewijsje moest vragen, waarop hij verklaarde zoo'n
+braadpan te hebben ontvangen. De geldschieter herkende zijn braadpan
+niet: zij zag er zoo mooi gepoetst en glimmend uit! Hij neemt dus 't
+onderpand in ontvangst, geeft 't beleeningsbriefje en telt 't geld uit.
+Voor dat geld koopt de jongen wijn. Zoo werd er voor 't maal gezorgd.
+Toen voor den geldschieter de maaltijd zou worden opgediend, ontbrak de
+pot met vleesch. Een standje natuurlijk aan 't adres van de keukenmeid.
+En zij hield daarentegen bij kris en kras vol, dat niemand op dien
+morgen in haar keuken was geweest dan de pastoor. 't Leek toch wel wat
+al te erg een geestelijke van diefstal te verdenken! Eindelijk besluit
+de geldschieter naar hem toe te gaan: hij vroeg of de braadpan soms ook
+bij hem was. Er was geen schijn of schaduw van een pan te bekennen. Om
+kort te gaan, men vorderde in ernst de braadpan van hem terug, omdat hij
+de eenige was dien men in de keuken had gezien vóór 't oogenblik dat ze
+vermist werd. De pastoor bekende wel dat hij een pan te leen had
+genomen, maar hij had die ook weer teruggezonden aan den persoon van
+wien hij ze geleend had. En toen de anderen dit ontkenden en de
+woordenstrijd hoog liep zei Antonius, in 't bijzijn van eenige getuigen:
+"Nu kan men eens zien hoe gevaarlijk het is met menschen van den
+tegenwoordigen tijd te doen te hebben, wanneer men geen schriftelijk
+bewijs heeft. Men zou hier bijkans een aanklacht van diefstal tegen mij
+inbrengen, als ik niet een eigenhandige verklaring van den woekeraar
+had." En hij haalt 't beleeningsbriefje voor den dag. Nu begreep men de
+list. Om 't verhaal werd gelachen en 't ging rond in de geheele streek:
+dat de braadpan beleend was bij den eigenaar zelven. Zulk soort van
+streken mogen de menschen graag, wanneer ze tegen gehate personen worden
+uitgehaald, voornamelijk tegen lieden die er hun werk van maken anderen
+te bedotten.--FRITS: Nu, niet 't noemen van den naam van pastoor
+Antonius heb-je ons een zee van anecdoten ontsloten! Maar één wil ik er
+nog vertellen en wel een korte, die ik onlangs heb gehoord. Eenige losse
+snaken wier leventje eigenlijk niets is dan één groote pretmakerij,
+hadden gezamenlijk een gezellig diner. Onder anderen was Antonius daar
+óók bij en nòg een ander, die in dergelijke grappen en kluchten een
+grooten naam heeft: bijkans een mededinger van Antonius. Op dezelfde
+manier als dit bij wijsgeeren het geval is, wanneer zij hunne
+bijeenkomsten houden, dat er strijdvragen worden gesteld, over alles wat
+op de natuur betrekking heeft, zoo kwam ook hier de kwestie ter sprake
+wat wel het waardigste deel van 't menschelijk lichaam was. De één
+raadde de oogen, een ander 't hart; de een noemde dit, de ander dat.
+Ieder gaf de reden op van zijn bewering. Toen Antonius moest zeggen wat
+hij er van dacht, gaf hij als zijn meening te kennen dat de mond 't
+waardigste deel van 't lichaam is, en hij voegde er ook een bewijs aan
+toe. Hierop zei die andere snaak, alleen om maar van Antonius te
+verschillen, dat hem het zitdeel 't waardigste leek. Alle anderen vonden
+dit ongerijmd; maar hij gaf als verklaring 't volgende op. De meest
+waardige wordt doorgaans hij genoemd, die 't eerst gaat zitten en die
+rol nu komt juist toe aan dat deel dat ik genoemd heb. Dit gevoelen vond
+bijval en men lachte er braaf om. De bedoelde grappenmaker was op zijn
+fijnen zet heel trotsch en Antonius scheen 't onderspit te hebben
+gedolven. Antonius deed maar net alsof hij er niets om gaf, daar hij
+juist aan den mond den voorrang had toegekend, omdat hij wel wist dat
+zijn mededinger dan een ander deel zou noemen. Toen zij beiden na enkele
+dagen weer in hetzelfde gezelschap werden genoodigd, trof Antonius bij
+'t binnentreden zijn mededinger aan, in gesprek met eenige anderen,
+terwijl de tafel nog gereed gemaakt werd. Hij draait zich om en laat
+plotseling een zeer onfatsoenlijke uiting hooren vlak voor 't gezicht
+van den ander. Innig verontwaardigd zei deze: "Jouw onbeschaamde rekel.
+Waar heb-je dergelijke manieren geleerd?" Antonius vroeg evenwel heel
+bedaard: "Word-je nog boos ook? Als ik je met mijn mond begroet had, zou
+je mij teruggegroet hebben. Nu begroet ik je met het lichaamsdeel, dat
+volgens je eigen verklaring als 't meest geëerde moet worden beschouwd
+en noem je mij een onbeschaamden rekel." Zoo won pastoor Antonius den
+vroeger verloren roem terug. Thans hebben we allen ons historietje
+verteld. Nu moet alleen nog maar de rechter uitspraak doen.--HENDRIK:
+Dat zal ik wel doen, maar ieder moet eerst zijn glas leegdrinken.
+Komaan, ik begin. Maar ... als je van den duivel spreekt, dan zie je
+zijn staart. Daar heb je Lieven Goedhart!--JAN: Lieven Goedhart brengt
+een gunstig voorteeken met zijn naam mee.--LIEVEN GOEDHART: Wat is er te
+doen onder deze oolijke gasten?--JAN: Wel, wat anders dan dat we een
+wedstrijd hielden met vertelseltjes, tot jij juist als de wolf tusschen
+de schaapjes kwam.--LIEVEN GOEDHART: Dan ben ik dus hier om de maat van
+uwe verhalen vol te meten. Nu goed: kom dan allen morgen middag bij mij
+eten aan een theologisch gastmaal.--HENDRIK: Dat belooft een somber
+maal!--LIEVEN GOEDHART: Nous verrons! Ik wil graag aan mijn tafel
+"poenitets" en "ad fundums" drinken, als gij niet zult moeten bekennen
+dat mijn maal nog veel vroolijker is dan uw sprookjesmaal. Er is toch
+niets aardigers denkbaar, dan dat men beuzelingen met den grootsten
+ernst behandelt.
+
+
+NOTEN:
+
+[1] Minos, koning van Creta, om zijn rechtsgevoel als beoordeelaar over
+de schimmen in de onderwereld aangesteld.
+
+[2] Volgens het Latijnsch spreekwoord: "Ik heb in plaats van een schat
+houtskool gevonden: d.i. een pot met houtskool in plaats van een pot met
+geldstukken.
+
+
+ * * * * *
+
+
+SCHIPBREUK
+
+
+ANTOON EN ADOLF.
+
+ Een der vlijmendste en scherpste samenspraken van Erasmus, waarin
+ hij de bijgeloovigheden zijner tijden geeselt en striemt. In
+ levendige trekken schildert de schrijver een schipbreuk en bespot
+ daarbij de dwaasheid der menschen, die, in plaats van in de bange
+ ure van den dood op God te vertrouwen, hun toevlucht nemen tot
+ allerlei Heiligen, geloften afleggen, die ze toch niet van plan
+ zijn te houden. Het is een meesterlijk volgehouden ironie; bijkans
+ elke regel is een zweepslag, een striem, een duw tegen de
+ schijnvroomheid en het bijgeloof van Erasmus' tijd: het geheel een
+ eerepalm voor het verlichte genie en den waren godsdienstzin van
+ onzen Erasmus.
+
+ANTOON: Wat je daar vertelt is vreeselijk. Is dàt varen? God verhoede
+dat mij ooit zóó iets in de gedachte kome.--ADOLF: Neen, maar wat ik je
+tot hiertoe heb verteld is nog niets vergeleken bij 't geen je nu zult
+vernemen.--ANTOON: 'k Heb al meer dan genoeg narigheid gehoord. Ik ril
+bij je verhaal alsof ik er zelf bij ben.--ADOLF: Na gedanen arbeid is
+het zoet rusten. In dien nacht gebeurde er iets wat bijna alle hoop op
+redding aan den kapitein benam.--ANTOON: Wat dan?--ADOLF: 't Was een
+half donkere nacht en hoog in den mast stond een van de matrozen op den
+uitkijk. Hij keek rond of hij ook land zag. Een soort van vuurbol vormde
+zich om hem heen. Dat is voor zeelui een heel slecht Voorteeken als 't
+maar één kring is: zijn het er twee, dan is 't gunstig. In de oudheid
+hield men die beide vuurkringen voor de verschijning van de halfgoden
+Castor en Pollux.--ANTOON: Wat hebben die met 't zeevolk te maken, daar
+de één ruiter en andere vuistvechter was?--ADOLF: Ja, dat is nu zoo'n
+uitvinding van de dichters. De man aan het roer riep: "Maat," (want met
+dien naam spreken zeelieden elkander aan), "zie je wel wat voor
+gezelschap je daar aan je zijde hebt?" "Ik zie 't," zei de ander, "en ik
+hoop dat 't geluk zal brengen." Dadelijk daarop gleed de vuurbol langs
+'t touwwerk naar beneden en viel vlak voor de voeten van den stuurman
+neer.--ANTOON: En die was zeker half dood van den schrik?--ADOLF: Och,
+zeelui zijn aan buitengewone dingen gewend. Een oogenblik bleef de bal
+daar liggen en rolde toen langs de gangboorden van 't schip, gleed door
+één van de openingen heen en verdween. Tegen den middag begon 't hoe
+langer zoo meer te spoken. Heb je de Alpen wel eens gezien?--ANTOON:
+Ja.--ADOLF: Nu, die bergen zijn maar wratten, vergeleken bij de golven
+van de zee. Zoo vaak we omhoog getild werden, hadden we de maan met
+onzen vinger kunnen aanraken; zoo dikwijls we in de diepte gesleurd
+werden had 't er veel van, alsof we door de gespleten aarde regelrecht
+naar de onderwereld gingen.--ANTOON: Wat zijn de menschen toch dwaas die
+zich aan de gevaren van de zee blootstellen!--ADOLF: Terwijl de matrozen
+tevergeefs tegen den storm trachten op te tornen, komt de kapitein,
+bleek als een doode, bij ons.--ANTOON: Die bleekheid voorspelt een groot
+ongeluk.--ADOLF: "Vrienden," zegt hij, "ik ben 't stuur over mijn schip
+kwijt: de wind is mij de baas. Er schiet niets over dan dat wij onze
+hoop op God stellen en dat iedereen zich op 't uiterste
+voorbereidt."--ANTOON: Dat is krasse taal.--ADOLF: "In de allereerste
+plaats moet 't schip ontlast worden: 't _moet_; al is 't een hard
+middel. Maar 't is beter voor ons leven te zorgen door verlies van 't
+een en ander, dan tegelijk met dit laatste ook zelf om-koud te gaan."
+Wij begrepen dat hij waarheid sprak en tal van balen en kisten met
+kostbare koopwaar werden overboord geworpen.--ANTOON: Dat was met recht
+een _kwade worp_.--ADOLF: Er was ook een Italiaan bij ons gezelschap die
+een gezantschap had vervuld bij den koning van Schotland. Hij had een
+kist bij zich vol met zilverwerk, ringen, lakens en zijden
+stoffen.--ANTOON: En wilde de Italiaan die niet aan de zee
+afstaan?--ADOLF: Neen, hij wilde met zijn dierbare schatten naar den
+kelder gaan of mèt hen gered worden. En zoo verweerde hij zich.--ANTOON:
+Wat deed de kapitein?--ADOLF: Die zei: "Voor mijn part mag je met den
+heelen rommel verdrinken; maar 't gaat toch niet aan dat wij allen
+terwille van die kist kans loopen ons leven te verliezen? Weet dus wat
+je doet: anders werpen wij je mèt je kist in zee."--ANTOON: Dat is
+flinke zeemanstaal.--ADOLF: De Italiaan moest dus evengoed zijn
+kostbaarheden missen, al vloekte hij ook tegen hemel en hel dat hij zijn
+leven aan zoo'n barbaarsch element had toevertrouwd.--ANTOON: Aan dat
+woord _barbaarsch_ herken ik weer den Italiaan.--ADOLF: Kort daarop
+scheurden de winden, die door onze geschenken niet in 't minst zachter
+gestemd waren, het touwwerk, het want en de zeilen aan stukken en
+flarden.--ANTOON: Genadige hemel!--ADOLF: Daar komt de kapitein wéér
+aan.--ANTOON: Wéér om een woord te spreken?--ADOLF: Hij nam zijn muts af
+en sprak: "Vrienden, 't is tijd dat ieder zich aan God aanbeveelt en
+zich tot den dood voorbereidt." Op de vraag van eenigen die van de
+zeevaartkunst iets afwisten, hoeveel uren ongeveer hij meende 't schip
+nog te kunnen houden, zei hij niets te kunnen beloven, maar dat 't zeker
+niet langer zou kunnen zijn dan drie uren.--ANTOON: Die taal klonk nog
+harder dan de vorige.--ADOLF: Toen hij dit gezegd had liet hij alle
+touwen kappen, den mast tot aan den ontvangkoker waarin hij past,
+afzagen, en vervolgens met ra's en al in zee werpen.--ANTOON: Waarom
+dat?--ADOLF: Omdat hij toch maar tot last was en niet tot nut als de
+zeilen waren weggenomen of verscheurd. Alle hoop was nu nog op 't roer
+gevestigd.--ANTOON: Wat deden intusschen de matrozen?--ADOLF: Daar zou
+je eens een jammerlijken toestand gezien hebben. Matrozen zongen
+luidkeels: 't "Wees gegroet, Hemelskoningin" en riepen den bijstand in
+van de Heilige Maagd, terwijl ze haar allerlei namen gaven van: "Star
+der zee, Heerscheres der wereld, Haven des heils," en allerlei andere
+vleiende titels die de Heilige Schrift haar nergens toekent.--ANTOON:
+Wat ter wereld heeft Zij met de zee te maken die toch nooit op zee
+gevaren heeft, voor zoover ik weet?--ADOLF: In den ouden tijd waren de
+zeelieden toevertrouwd aan de zorg van Venus, omdat men geloofde dat
+deze uit de zee geboren was. Maar sedert zij ophield er zich mee te
+bemoeien, is de Moedermaagd in de plaats getreden van de moeder die geen
+maagd was.--ANTOON: Spotter die je bent!--ADOLF: Sommigen lagen geknield
+op het dek en baden tot de zee, terwijl ze al wat er aan olie aan boord
+was op de golven uitgoten, evenzoo vriendelijk en vleiend smeekend als
+men gewoonlijk tot een vertoornden grooten heer spreekt.--ANTOON: Wat
+zeiden ze dan?--ADOLF: "O allergoedertierenste zee! o grootmoedige zee!
+o rijke zee! o allerschoonste zee! Word kalm. Red ons." Tal van
+dergelijke uitingen lieten zij de zee aan haar doove ooren
+hooren.--ANTOON: Wat een dwaas bijgeloof. En de overigen?--ADOLF:
+Sommige passagiers waren maar altijd zeeziek: de meeste deden allerlei
+geloften. Er was een Engelschman bij, die gouden bergen beloofde aan de
+Heilige Maagd van Walsingham, wanneer hij heelhuids den vasten grond
+mocht bereiken. Anderen beloofden veel aan 't Heilige Kruishout te
+zullen geven dat zich op deze of gene plaats bevindt. 't Zelfde
+geschiedde met de Heilige Maagd die op verschillende plaatsen wordt
+vereerd, en ze houden de gelofte voor ongeldig, als men er niet precies
+de plaats bij noemt.--ANTOON: Dat is toch belachelijk. Alsof de Heiligen
+niet in den hemel hun verblijfplaats hebben!--ADOLF: Daar waren er zelfs
+bij, die beloofden dat ze Karthuizer monnik zouden worden. Eén beloofde
+een bedevaart te zullen doen naar Sint Jacob van Compostella en wel
+barrevoets, blootshoofds, 't lichaam slechts bedekt met een stalen
+harnas, den kost verdienend met bedelen.--ANTOON: Dacht niemand aan Sint
+Christoffel?--ADOLF: Ik hoorde er een, (en ik deed dat niet zonder
+lachen) die met luider stemme, om toch vooral goed verhoord te worden,
+aan Sint Christoffel die te Parijs in de Kathedraal staat, (een beeld
+zoo groot als een berg) een waskaars beloofde, zoo groot als 't beeld
+zelf is. Terwijl hij dit met luid geschreeuw zoo hard hij kon
+uitbulderde, stootte zijn buurman die naast hem stond en een goede
+kennis van hem was, hem met den elleboog aan en zei waarschuwend tot
+hem: "Weet wel wat je belooft? Al houd je ook een verkoop van al wat je
+bezit dan kun-je 't nog niet betalen." Toen zei de ander op gedempten
+toon (natuurlijk mocht Sint Christoffel dit niet hooren): "Houd je mond,
+malloot! Denk je dat ik meen wat ik zeg? Als ik maar éénmaal vasten
+grond onder de voeten heb, dan krijgt hij niet anders dan een
+vetkaars."--ANTOON: Wat een stommerik! Dat zal wel een Hollander geweest
+zijn.--ADOLF: Neen, 't was een Zeeuw.--ANTOON: Het verwondert me dat
+niemand dacht aan den Apostel Paulus, die zelf ook een zeetocht heeft
+gedaan en zich uit de schipbreuk aan land redde. Paulus kende die rampen
+bij ondervinding en had geleerd ongelukkige lotgenooten behulpzaam te
+zijn.--ADOLF: Aan Paulus werd niet gedacht.--ANTOON: Baden ze intusschen
+ook?--ADOLF: Ja: de één al vuriger dan de ander. De één zong 't "Salve
+Regina," een ander zei op: "Ik geloof in God den Vader." Er waren ook
+enkelen die bijzondere schietgebedjes hadden, niet ongelijk aan
+tooverformules tegen gevaren.--ADOLF: Wat maakt droefheid de menschen
+toch vroom! Als iemand in voorspoed is dan denkt hij aan God noch
+Heiligen. Maar wat deed jij intusschen? Deed jij geen geloften aan één
+der Heiligen?--ADOLF: Ik dacht er niet over.--ANTOON: Waarom
+niet?--ADOLF: Omdat ik er niet van houd 't met de Heiligen op een
+accoordje te gooien. Is het eigenlijk wel iets anders dan een echt
+contract volgens de rechtsformule: "_Ik_ geef, als _gij_ 't óók doet,"
+of: "_Ik_ zal het doen zoo _gij_ het doet." "Ik zal een waskaars geven
+als ik niet verdrink; ik zal naar Rome een bedevaart doen als gij mij
+redt."--ANTOON: Maar riep je de hulp in van den een of anderen
+Heilige?--ADOLF: Zelfs dat niet.--ANTOON: Waarom toch niet?--ADOLF:
+Omdat de hemel zoo ontzaglijk groot is. Als ik aan den een of anderen
+Heilige mijn ziel aanbeveel, stel bijv. aan Sint Pieter, die mij
+misschien 't eerst zou hooren omdat hij aan de deur staat, dan ben ik al
+dood vóórdat hij nog bij God is gekomen en vóórdat hij dezen de zaak
+heeft uiteengezet.--ANTOON: Wat deed-jij dan?--ADOLF: Wel, ik wendde mij
+rechtstreeks tot God zelf, zeggende: "Onze Vader die in den hemel zijt."
+Geen der Heiligen verhoort sneller dan Hij of geeft met meer
+bereidwilligheid wat van Hem gevraagd wordt.--ANTOON: Maar had je
+intusschen niet wat gewetenswroeging? Zag je er niet tegen op Hem
+"Vader" te noemen, dien je zoo dikwijls aanstoot had gegeven door
+verkeerde daden?--ADOLF: Nu, om je de waarheid te zeggen, mijn geweten
+maakte mij wel ietwat bang. Maar ik vatte weldra moed, terwijl ik zóó
+bij mij zelf redeneerde: "Er is geen vader zoo vertoornd op zijn zoon of
+hij zou hem, wanneer hij hem in een maalstroom of in een meer in gevaar
+ziet, bij de haren grijpen en hem op den oever trekken. Onder allen die
+aan boord waren hield zich niemand kalmer dan een vrouw met een kindje
+aan de borst dat zij zoogde.--ANTOON: Wat deed die vrouw dan?--ADOLF:
+Zij was de eenige die niet schreeuwde, die niet schreide, die geen
+geloften deed, terwijl ze haar kindje in de armen gekneld hield, bad zij
+in stilte. Intusschen stiet 't schip op een bank en de kapitein liet er,
+uit vrees dat 't geheele schip uit elkander zou stooten, aan den
+voorsteven en aan den achtersteven kabels om heen slaan.--ANTOON: Een
+treurig hulpmiddel!--ADOLF: In dien tusschentijd komt een oude priester,
+een zestiger ongeveer, in ons midden. Hij heette Adam. Hij deed zijn
+kappen van zijn beenen, trok zijn schoenen uit, ontkleedde zich tot op
+zijn hemd en zei dat we allen 't zelfde moesten doen, om ons gereed te
+maken door zwemmen ons leven te redden. En zoo stond hij daar midden op
+'t schip, terwijl hij ons uit den een of anderen ouden theologischen
+schrijver over de vijf waarheden van het nut van de biecht een preek
+hield. Zoo spoorde hij ons allen aan om ons op leven en dood vóór te
+bereiden. Ook was er een Dominikaner bij. Wie wilde kon bij hen te
+biecht gaan.--ANTOON: En jij?--ADOLF: Toen ik alles zoo in 't ongereede
+zag biechtte ik God in stilte, terwijl ik bij hem mijn slechtheid
+bekende en van hem erbarming inriep.--ANTOON: Waarheen zou je gegaan
+zijn als je eens zóó verongelukt waart?--ADOLF: Dat liet ik aan God,
+mijn Rechter, over om te beslissen. Immers ik wilde mijn eigen rechter
+niet wezen. Maar ik voedde intusschen in mijn hart nog wel eenige hoop.
+Onderwijl keerde de kapitein met tranen in de oogen tot ons terug.
+"Ieder houde zich bereid. Het schip houdt 't geen kwartier meer uit." Op
+sommige plaatsen had 't reeds zware lekken, waardoor het veel water
+binnen kreeg. Even daarna komt de kapitein ons zeggen, dat hij in de
+verte een kerktoren zag en dat ieder de hulp moest inroepen van den
+Heilige, wie 't dan ook was, aan wien die kerk gewijd was. Ze vallen
+allen op hun knieën en roepen den onbekenden Heilige aan.--ANTOON: Als
+je hem bij zijn naam hadt aangeroepen had hij je misschien wel
+verhoord.--ADOLF: Maar den naam wisten wij juist niet. Onderwijl stuurde
+de kapitein in de richting van dien kerktoren zoo goed als 't ging, het
+gehavende schip, dat veel water in kreeg en zeker uit elkander zou
+gevallen zijn als 't niet door de kabels omwonden was geweest.--ANTOON:
+Wat een toestand!--ADOLF: Daar dreven wij dan heen zoodat de bewoners
+van die plaats ons uit de verte in 't oog kregen en zagen in welk een
+gevaar wij verkeerden. Zij liepen te hoop naar den zoom van het strand,
+wuifden met hun kleedingstukken, wenkten ons met hoeden, op stokken
+gestoken, naar zich toe en gaven ons met omhoog geheven armen te kennen
+dat zij ons lot bejammerden.--ANTOON: Ik ben nieuwsgierig te vernemen
+hoe dat afliep.--ADOLF: Het water stond reeds overal in het schip,
+zoodat we aan boord even groot gevaar liepen te verdrinken als in
+zee.--ANTOON: Nu had men zijn toevlucht moeten nemen tot 't gewijde
+anker.--ADOLF: 't Mocht wat! Neen! De matrozen hoozen 't water uit de
+sloep en laten deze te water. Allen wilden zich tegelijk daarin werpen,
+terwijl de matrozen riepen, dat de sloep zooveel menschen niet kon
+bevatten en dat ieder maar moest grijpen wat hij grijpen kon en zoo naar
+land moest zwemmen. Lange bedenktijd was er niet. De een greep een
+roeiriem, de ander een boomstok, een derde een trog, weer een ander een
+waterkuip, een ander een plank en zoo gaf men zich, vol goed vertrouwen
+op 't geen men gegrepen had, aan de golven over.--ANTOON: En wat
+gebeurde er intusschen met die vrouw, de eenige die niet
+jammerde?--ADOLF: Zij landde 't eerst van allen aan de kust.--ANTOON:
+Hoe kwam dat zoo?--ADOLF: Wij hadden haar op een breede plank geplaatst
+en zóó vastgebonden dat ze er niet licht kon afglijden. We gaven haar
+een plank in de hand om die bij wijze van roeiriem te gebruiken en onder
+onze beste wenschen stieten wij haar in de golven, haar een zetje
+gevende met een boomstok; want ze mocht niet dicht bij 't schip blijven:
+dat was gevaarlijk. In haar linkerarm hield zij haar kindje gekneld, met
+haar rechterhand roeide zij.--ANTOON: Dat was een manhaftige
+vrouw!--ADOLF: Toen er niets meer te grijpen viel, rukte nog iemand ten
+laatste 't houten beeld der Heilige Maagd los, dat vermolmd en uitgehold
+was door muizen. Met dit beeld in zijn arm begon hij te
+zwemmen.--ANTOON: Kwam de boot goed en wel aan land?--ADOLF: Niets van
+dat alles ging eerder naar den kelder. Er hadden zich wel dertig
+menschen ingeworpen.--ANTOON: Hoe kwam 't dat ze zoo jammerlijk
+verging?--ADOLF: Nog vóórdat men de boot van 't schip had kunnen
+losmaken sloeg ze door 't slingeren om.--ANTOON: Hoe vreeslijk! En
+verder?--ADOLF: Nu, terwijl ik anderen hielp, had ik er bijkans 't
+loodje bij gelegd.--ANTOON: Hoe zoo?--ADOLF: Omdat er niets meer over
+was waaraan ik mij onder 't zwemmen kon vasthouden.--ANTOON: Daar zou
+een kurken zwemgordel goed geholpen hebben.--ADOLF: Nu, 'k wil je wel
+verzekeren dat ik op dat oogenblik meer om een zwemgordel zou gegeven
+hebben dan om een zwaren, gouden luchter. Toen ik overal rondkeek viel
+mijn aandacht eindelijk op 't onderste gedeelte van den mast. Maar ik
+kon dat niet alleen loskrijgen en ik roep dus de hulp van een ander in.
+Ons vastklampend aan dat stuk mast werpen we ons in de golven, _ik_ aan
+den rechter kant, hij links. Terwijl we zoo ronddobberen werpt zich die
+priester, die aan boord de preek gehouden had, midden tusschen ons in.
+'t Was iemand groot van stuk. Wij riepen: "wie is die derde man? Die zal
+ons allen te zamen doen verdrinken." Bedaard gaf hij ten antwoord:
+"Houdt maar goeden moed: daar is ruimte genoeg: God zal ons wel
+helpen."--ANTOON: Hoe kwam hij er toe pas zoo laat te water te
+gaan?--ADOLF: Wel, hij zou mee in de boot zijn gegaan tegelijk met den
+Dominikaner: want allen gunden hem de eer. Maar ofschoon zij over en
+weer elkaar in de biecht hadden genomen, gingen zij, naar 't schijnt
+iets vergeten hebbende, opnieuw bij elkander te biecht en legde de een
+den ander de hand op 't hoofd. De boot sloeg intusschen om, zoo vertelde
+mij priester Adam.--ANTOON: En hoe ging 't met den Dominikaner?--ADOLF:
+Onder aanroeping van de hulp der Heiligen ging hij na al zijn kleeren te
+hebben uitgetrokken naakt te water.--ANTOON: Welke Heiligen riep hij
+aan?--ADOLF: Dominicus, Thomas, Vincentius en den een of anderen Petrus,
+maar voornamelijk had hij zijn hoop gebouwd op Sinte Katrijn van
+Siëna.--ANTOON: Dacht hij niet aan Christus?--ADOLF: Ik vertel wat de
+priester mij verteld heeft.--ANTOON: Hij zou eerder uit 't water gered
+zijn als hij zijn monnikspij had aangehouden. Hoe kon Sinte Katrijn van
+Siëna hem nu herkennen, daar hij die had afgelegd? Maar vertel nu verder
+over je zelven.--ADOLF: Terwijl wij nog in de buurt van 't schip
+dobberen, dat als een speelbal van de golven heen en weer slingert,
+verplettert het roer waar we tegen aan slaan het dijbeen van mijn
+kameraad, die aan den linkerkant op den mastbalk zat. Zoo werd hij er
+afgesleurd: de priester bad hem een eeuwige rust toe en kroop op zijn
+plaats. Hij drukte mij op het hart moedig mijn hoek vast te houden en
+flink met mijn voeten te trappen. We kregen intusschen heel wat zout
+water in. Zoo had Neptunus ons niet alleen een zout bad maar ook een
+zouten drank bereid. De priester bedacht daartegen een
+middeltje.--ANTOON: Welk?--ADOLF: Zoo vaak een golf tegen ons opkwam
+draaide hij er 't achterhoofd tegen in terwijl hij zijn mond gesloten
+hield.--ANTOON: Die bejaarde man was toch per slot van rekening een
+flinke kerel.--ADOLF: Toen we een poos zoo rondgedreven hadden en al een
+eindje gevorderd waren zei de priester, die nog al flink uit de kluiten
+gewassen was: "Vat moed: ik voel grond." Ik durfde op zooveel geluk niet
+hopen en zei: "We zijn nog veel te ver van de kust dan dat we al grond
+kunnen verwachten." "Neen," zei hij, "ik voel grond met mijn voeten."
+"'t Is misschien," zei ik weer, "één van de kisten die de zee hier heen
+heeft gewenteld." "Neen, aan 't schuren van mijn teenen voel ik
+duidelijk den zandbodem." Toen we nòg een poosje hadden rondgedobberd en
+hij weer grond voelde zei hij: "Doe jij wat je 't beste toeschijnt: ik
+laat je den mast geheel over en waag me in 't ondiepe water." Hij
+wachtte even tot de golven weer afstroomden en liep op zijn voeten zoo
+hard hij kon in 't water voort. En toen de branding weer kwam aanrollen
+zette hij zijn beide handen op de knieën en zette zich schrap tegen de
+golven in, terwijl hij onder 't water dook zooals duikervogels en eenden
+dat doen: toen de golfslag weer terugzoog, stak hij 't hoofd omhoog en
+liep opnieuw hard vooruit. Daar ik zag dat hem dit goed gelukte volgde
+ik zijn voorbeeld. Op het strand stonden mannen die, met zeer lange
+stokken op een rij elkander steunend, zich tegen 't geweld der golven
+staande hielden. 't Waren pootige kerels, gewend aan 't water. De
+voorste van hen reikte aan den naastbijzijnden zwemmer een stok toe. Als
+de schipbreukeling dien maar éénmaal beet had, werd hij veilig op 't
+droge getrokken, wanneer de mannen achteruit gingen op 't strand. Zoo
+werden er verscheidene passagiers van 't schip gered: wel zeven; maar
+twee zijn toen ze bij 't vuur gelegd werden, bezweken.--ANTOON: En met
+je hoevelen was je op het schip?--ADOLF: Achtenvijftig koppen.--ANTOON:
+Wat is die zee toch wreed! Was ze ten minste maar tevreden met een
+tiende--daarmee is de geestelijkheid zelfs tevreden. Om van zulk een
+aantal maar zóó weinig in 't leven te laten, dat is hard.--ADOLF: Toen
+hebben wij de haast ongelooflijke menschlievendheid ondervonden van dat
+volkje aan zee, dat ons alles met de grootste bereidwilligheid
+verschafte: huisvesting, verwarming, eten, kleeren, reisgeld.--ANTOON:
+Wat voor landslui waren 't?--ADOLF: Hollanders.--ANTOON: Ja, die zijn de
+gepersonifiëerde menschlievendheid, al zijn ze ook omringd door halve
+barbaren. Maar 'k denk dat je nu wel genoeg hebt van de zee en Neptunus
+niet weer zult gaan opzoeken?--ADOLF: Neen, waarlijk niet, als God mij
+ten minste mijn gezond verstand laat behouden.--ANTOON: Nu, ik hoor ook
+liever van dergelijke ongevallen _vertellen_ dan dat ik ze _beleef_.
+
+
+ * * * * *
+
+
+VREKKIGE RIJKDOM
+
+
+JACOB EN GILBERT.
+
+ Waar de onmogelijke vrek woonde (ergens in Italië wellicht?) bij
+ wien onze vriend Gilbert in den kost was--wie zal 't zeggen? Maar
+ dat hij 't er slecht had, is zeker. Nòg zekerder, dat Gilbert een
+ dwaas was, dat hij het er zóó lang uithield. Hoe het zij: Erasmus
+ geeft in deze samenspraak uiting aan zijn afkeer van schraapzucht
+ en schrielheid op spottende wijze. De aartsgierigaard wordt
+ belachelijk gemaakt--maar tevens toch ook aan de menschen de
+ matigheid aangeprezen; want al is Erasmus 't niet eens met hen, die
+ beweren dat men nooit te weinig kan eten, hij geeft toch wèl den
+ raad: eet niet te veel; men kan 't over het algemeen met minder
+ voedsel af, dan wij doorgaans tot ons nemen.
+
+ In zoover is zijn raad zeker zeer verstandig, al is de schilderij
+ van den vrek niet van overdrijving vrij te pleiten.
+
+JACOB: Waar kom jij vandaan, zóó verdord en vermagerd alsof je met de
+krekeltjes een tijdlang van dauw alleen geleefd hadt? Je lijkt wel een
+schim van een mensch, in plaats van een mensch.--GILBERT: De schimmen in
+de onderwereld kregen ten minste nog uien en prei te eten; maar ik heb
+tien maanden op een plaats doorgebracht waar men dat zelfs niet
+kreeg.--JACOB: Waar was dat? Was je naar de galeien gesleept?--GILBERT:
+Volstrekt niet: 'k was in Synodium.--JACOB: Wat, in zoo'n rijke stad,
+heb je dáár zoo van den geeuwhonger geleden?--GILBERT: Nou, òf
+ik.--JACOB: Hoe kwam dat? Had je geldgebrek?--GILBERT: Noch gebrek aan
+geld, noch aan vrienden.--JACOB: Wat was er dan aan de hand?--GILBERT:
+Ik was in huis en in den kost bij Antronius.--JACOB: Bij dien
+rijkaard?--GILBERT: Ja, maar hij is niet rijk alleen, maar óók
+brandgierig.--JACOB: Kom, daar sta ik van te kijken.--GILBERT: Dat
+behoeft volstrekt niet. Want zoo gaat 't met menschen die van doodarm
+plotseling schatrijk worden.--JACOB: Hoe had je er ook plezier in
+zooveel maanden achtereen bij zoo'n gastheer verblijf te
+houden?--GILBERT: Er was 't een en ander wat me daar bond en bovendien
+ik had er nu eenmaal lust in.--JACOB: Maar vertel me eens, hoe leeft die
+man dan wel?--GILBERT: 'k Zal het je vertellen, omdat de herinnering aan
+geleden leed ook zijn aangename zijde heeft.--JACOB: Voor mij zeker in
+dit geval.--GILBERT: Toen ik daar vertoefde kwam bij al 't andere ook
+nog dit ongemak, en wel van den kant des Hemels, dat drie maanden lang
+een felle noordenwind blies, terwijl die wind er anders nooit dan een
+dag of acht blaast.--JACOB: En hoe dan nu drie maanden?--GILBERT: Tegen
+den achtsten dag draaide de wind alsof 't afgesproken was, maar na acht
+uren uit den tegenovergestelden hoek gewaaid te hebben, keerde hij weer
+naar zijn vroegeren hoek terug.--JACOB: Dan had-je voor je arme lijf wel
+een lekker vuurtje noodig.--GILBERT: De haard was groot genoeg als er
+maar voldoende voorraad brandhout was geweest. Om daaraan evenwel niets
+uit te geven, ging onze vriend Antronius op onder water staande plekken
+gronds boomwortels uitgraven, die anderen hadden laten zitten en dat
+deed hij nog wel liefst 's nachts. Van die brokken nat hout stapelde hij
+een haardvuur op, waaraan rook natuurlijk niet, maar vuur wèl onbrak: je
+kon er je niet aan warmen, maar 't moest daartoe dienen dat men niet met
+grond van waarheid kon zeggen, dat er in 't geheel geen vuur was. Een
+enkel vuur van dien aard duurde dan ook den geheelen dag, zóó zuinig
+brandde het.--JACOB: Dat was een harde overwintering!--GILBERT: Neen,
+nog veel harder er een zomer door te brengen.--JACOB: Hoe zoo?--GILBERT:
+Omdat in huis zóóveel vlooien en ander ongedierte waren, dat men niet
+alleen overdag er niet rustig kon zitten, maar 's nachts den slaap niet
+kon vatten.--JACOB: Wat een droeve rijkdom!--GILBERT: Vooral bij zulk
+vee.--JACOB: De vrouwen moeten daar wel lui zijn.--GILBERT: Men krijgt
+ze niet te zien. Ze verkeeren niet met de mannen. Zoo komt 't dan ook,
+dat de vrouwen daar niets zijn dan louter _vrouwen_ en dat de mannen die
+diensten missen, welke gewoonlijk door de vrouwelijke sekse worden
+verricht.--JACOB: Maar schaamde Antronius zich niet over zulk een
+behandeling?--GILBERT: Hij is in zulk een armoedige omgeving opgevoed en
+kent geen ander genot dan geld winnen. Nergens was hij minder te vinden
+dan in zijn huis; hij schacherde in alles en nog wat. Je weet: de plaats
+van zijn inwoning is vóór alles een koopstad. De beroemde Grieksche
+schilder Apelles bejammerde het, wanneer hij een dag had laten
+voorbijgaan, zonder dat hij een penseelstreek op het doek had gezet;
+Antronius jammerde nog veel meer, wanneer er een dag voorbij gegaan was
+zonder dat hij een winstje had gemaakt. En als dat eens gebeurde, dan
+zocht hij thuis zijn winst te halen.--JACOB: Wat deed hij dan?--GILBERT:
+Hij had in zijn woning, naar het gebruik in die stad, een regenbak.
+Daaruit putte hij eenige emmertjes water en goot die in zijn wijnvaten
+leeg. Daar zat zeker winst op.--JACOB: De wijn was misschien wat al te
+koppig.--GILBERT: 't Mocht wat! 't Was niet veel meer dan verschaald
+bocht. Want hij kocht altijd wijn op waaraan iets mankeerde, om dien
+voor een koopje in te slaan. Opdat er niets verloren zou gaan, vermengde
+hij af en toe het grondsop van tien jaren, alles goed door elkander
+roerend en mengend, opdat 't wat zou lijken op jongen wijn, want hij zou
+'t niet hebben kunnen dulden, dat er ook maar een vingerhoed droesem
+verloren ging.--JACOB: Maar als je de doktoren mag gelooven dan krijg je
+van zulken wijn den steen in de blaas.--GILBERT: Daar kunnen de doktoren
+wel gelijk aan hebben, want in dat huis ging er geen jaar voorbij of
+daar stierf iemand aan 't graveel. Toch was Antronius niet bang voor een
+huis waarin de dood zoo rondspookte.--JACOB: Niet?--GILBERT: Ook de
+dooden moesten bij hem tol betalen en hij versmaadde zelfs niet 't
+kleinste winstje.--JACOB: Wat je daar zegt is diefstal.--GILBERT:
+Kooplui noemen 't winst.--JACOB: En wat dronk Antronius zelf?--GILBERT:
+Wel, denzelfden Godendrank.--JACOB: En ondervond hij niet de kwade
+gevolgen?--GILBERT: 't Is een kerel zóó gehard dat hij wel hooi zou
+kunnen eten en (zooals ik zei) hij was van jongs af aan bij zulke
+lekkernijen opgevoed. Geen winst beschouwde hij als vaster dan dat
+profijt op den wijn.--JACOB: Hoe dat zoo?--GILBERT: Wel, als je optelt:
+zijn vrouw, zijn zoons, zijn dochter, zijn schoonzoon, zijn knechts en
+meiden: hij had drieëndertig monden den kost te geven. Nu, hoe meer de
+wijn met water werd verdund, des te minder werd er van gedronken, en des
+te langer duurde de voorraad. Ga maar eens na! Als men er elken dag een
+emmer water bij doet, wat een niet te versmaden sommetje bedraagt dit in
+een jaar!--JACOB: Wat een vrekkigheid!--GILBERT: Maar niet minder werd
+er op 't brood uitgezuinigd.--JACOB: Hoe ging dat?--GILBERT: Hij kocht
+bedorven graan dat een ander niet had willen koopen. Daar had hij al
+dadelijk een winstje, omdat hij 't voor minder kocht. Maar verder wist
+hij wat daaraan bedorven was te verhelpen door kunstmiddeltjes.--JACOB:
+Waarmee?--GILBERT: Er bestaat een soort van klei die wel wat van deeg
+heeft, waarvan we zien dat de paarden wel houden, wanneer ze knabbelen
+aan de muren daarmee bestreken en wanneer ze met graagte drinken uit
+poelen, troebel van die klei. Onder het brood mengde hij een derde deel
+kleiaarde.--JACOB: Noem je dat "gebreken verhelpen?"--GILBERT: Nu, men
+proefde ten minste 't bedorven meel minder. Houd-je dat ook niet voor
+een niet te versmaden voordeel? Voeg hierbij nog een andere looze
+vondst. Hij liet 't brood bij zich thuis kneden en bakken, en niet
+vaker, zelfs in den zomer, dan twee malen 's maands.--JACOB: Dat noem ik
+iemand steenen vóórzetten in plaats van brood.--GILBERT: Als 't kàn, nog
+harder dan steen. Maar ook aan dat kwaad kon men tegemoet komen.--JACOB:
+Op welke manier?--GILBERT: Men doopte zijn stuk brood in den beker met
+wijn en liet 't zóó wat weeken.--JACOB: Het ééne paste daar goed bij 't
+andere. Maar lieten de dienstboden zich zulk een behandeling
+aanleunen?--GILBERT: Eerst zal ik je eens vertellen hoe 't met eten bij
+de hoofden van 't gezin zelf toeging, en daaruit kun-je dan zelf
+afleiden hoe het dienstpersoneel werd behandeld.--JACOB: 'k Ben benieuwd
+dat te hooren.--GILBERT: Van ontbijten was geen sprake: het eerste maal
+werd meestal verschoven tot één uur na den middag.--JACOB: Waarom
+dat?--GILBERT: Men moest op den heer des huizes Antronius wachten. 't
+Souper vond soms pas om tien uur 's avonds plaats.--JACOB: En dat voor
+jou, die gewoonlijk nooit zooveel van lang vasten hieldt!--GILBERT: Ja,
+daarom riep ik dan ook dikwijls tot Antronius' schoonzoon Orthrogonus,
+(we deelden samen één kamer): "Zeg eens, Orthrogonus, wordt er van avond
+hier in de stad niet gesoupeerd?" Dan antwoordde hij net van pas: "dat
+Antronius zeker dadelijk wel thuis zou komen." En wanneer ik dan nog
+geen aanstalten zag maken en mijn maag van den honger rammelde, dan zei
+ik: "Zeg eens Orthrogonus, moeten we vandaag van den honger omkomen?"
+Dan had hij een uitvlucht dat 't nog zoo laat niet was of iets
+dergelijks. En wanneer ik 't niet langer kon uithouden, dan klampte ik
+hem nòg eens aan onder zijn werk en zei: "Hoe staat 't er nu mee, moeten
+we nu werkelijk den hongerdood sterven?" Dan ging Orthrogonus, wanneer
+hij geen kans meer zag op uitstel, naar de bedienden en liet de tafel
+dekken. En wanneer Antronius dan maar steeds niet thuis kwam en er óók
+niet werd opgediend, dan liet Orthrogonus zich eindelijk door mijn aan-
+en opmerkingen bewegen om naar beneden te gaan naar zijn vrouw en zijn
+schoonmoeder en zijn kinderen en riep dat ze toch maar moesten
+opdoen.--JACOB: Nu zul je dan toch eindelijk aan tafel gaan.--GILBERT:
+Haast je maar niet! Een manke knecht komt voor den dag, die met de taak
+van 't tafeldienen belast is (hij had wel iets van Vulcanus met zijn
+kreupelen voet) en hij spreidt een servet over de tafel uit.--JACOB: Dat
+is ten minste 't eerste teeken dat hoop geeft op een maal.--GILBERT: Na
+lang geroep en geschreeuw worden er karaffen gebracht met werkelijk goed
+helder water.--JACOB: Alweer een sprankje hoop op een souper!--GILBERT:
+Haast je maar niet, zei ik straks. Wéér, na veel drukte komt men met een
+flesch aandragen van dat meergenoemde dikke drab.--JACOB:
+Heerlijk!--GILBERT: Maar--'t brood is er nog niet. Gevaar is er dus niet
+dat iemand te veel zal drinken; want niemand zal met een hongerige maag
+zóó'n wijntje aandurven. Dan gaan ze weer aan 't schreeuwen, zoodat ze
+er heesch van worden. Eindelijk wordt 't brood op tafel gezet, zóó hard
+dat een beer 't nauwelijks met zijn tanden zou kunnen
+vermorselen.--JACOB: Nu is er ten minste gezorgd dat je niet van den
+honger omkomt.--GILBERT: Heel laat in den avond komt eindelijk Antronius
+thuis, met 't zeggen (en dat is een onheilspellend voorteeken!) dat hij
+erge maagpijn heeft.--JACOB: Waarom is dat een slecht
+voorteeken?--GILBERT: Omdat er dan niets te eten valt: wat toch kun-je
+verwachten, wanneer de huisheer niet wel is?--JACOB: En had hij dan
+werkelijk maagpijn?--GILBERT: Zóó erg, dat hij alleen wel drie kapoenen
+zou hebben verslonden, als iemand ze hem voor niets had gegeven.--JACOB:
+Vertel me nu eens hoe 't met het maal ging.--GILBERT: Allereerst werd
+aan den huisheer een schotel met boonenmeel voorgezet: dat is een kost
+die in gindsche stad gewoonlijk aan 't lage volkje wordt verkocht. Hij
+beweerde dat hij ze gebruikte als een middeltje tegen allerlei
+kwalen.--JACOB: Met je hoevelen zat-je aan tafel?--GILBERT: Soms acht of
+negen; o.a. ook de bekende geleerde Verpius dien je wel kent en dan de
+oudste zoon des huizes.--JACOB: Wat kregen die te eten?--GILBERT: Hoe?
+Hebben dan matige menschen niet genoeg aan hetgeen Melchisedek aan
+Abraham voorzette toen deze vijf koningen verslagen had?--JACOB: Dus:
+brood alleen? Kwam er dan geen toespijs?--GILBERT: Ja wel
+_iets_.--JACOB: Wat?--GILBERT: Ik meen, als ik me goed herinner, dat wij
+negen monden aan tafel waren en voor die negen monden telde ik zeven
+blaadjes sla die in een schotel met azijn dreven, zonder olie wel te
+verstaan.--JACOB: En verorberde Antronius alleen zijn
+boonenpap?--GILBERT: Ja. Want hij had die voor een kleinigheidje
+gekocht. Hij verbood echter niet dat iemand die in zijn buurt zat eens
+met hem mee proefde. Maar 't scheen wel wat onbeleefd den armen
+uitgehongerden man van de voor hem bestemde spijs te berooven.--JACOB:
+En werden die zeven slablaadjes nog gesneden, zooals in 't verhaaltje
+van dien vrek die de komijnkorreltjes in stukken sneed?--GILBERT: Neen:
+maar toen zij die 't eerst aan de beurt waren om zich te bedienen de
+slablaadjes hadden opgemaakt, doopten de anderen hun brood in den
+azijn.--JACOB: Wat kwam er nog na de zeven blaadjes?--GILBERT: Wat zou
+er nog anders komen dan kaas, het besluit van elken maaltijd?--JACOB: En
+was dat nu zoo dagelijks het diner?--GILBERT: Dat scheelt niet veel,
+behalve dat 't maal wel eens _iets_ royaler was, wanneer Mercurius hem
+op een dag eens wat gunstig gezind was geweest.--JACOB: Wat kwam er
+dan?--GILBERT: Dan liet hij wel eens voor eenige centen een paar trossen
+versche druiven koopen. Daarmee maakte hij dan 't geheele gezin
+blij.--JACOB: Dat kan haast wel niet anders.--GILBERT: Ja, maar wel te
+verstaan alleen in den tijd dat de druiven 't goedkoopst zijn.--JACOB:
+Dus buiten den herfsttijd was hij zoo verkwistend niet?--GILBERT: Ja
+zeker wel. Er zijn daar in die stad varenslui die een soort van kleine
+mosselen opvisschen, voornamelijk bij de riolen. Onder een eigenaardig
+geroep venten ze hun waar rond. Soms liet hij van deze kooplui wel eens
+voor een dubbeltje mosselen koopen. Dan zou je gezegd hebben dat er in
+dat huis een bruiloftsfeest gevierd werd; want er moest vuur aangemaakt
+worden om de mosselen te koken,--al moest 't dan ook heel snel in zijn
+werk gaan. En die schotel diende dan na de kaas als dessert.--JACOB: Een
+vreemd soort van nagerecht! Maar kwam er nooit vleesch of visch op
+tafel?--GILBERT: Ten gevolge van mijn klachten en aanmerkingen werd 't
+een beetje royaler. Maar als hij eens echt den smuller wilde uithangen,
+dan was de volgorde der gerechten ongeveer deze.--JACOB: Daar ben ik
+benieuwd naar.--GILBERT: In de eerste plaats werd er dan een soepje
+gegeven dat ze dáár, 'k weet niet waarom, een "meidensoepje"
+noemen.--JACOB: 't Zal zeker een heel krachtige soep wezen.--GILBERT:
+Met de volgende ingrediënten toebereid: een pot vol water wordt op 't
+vuur gezet; daarin worden eenige brokken koeienkaas gegooid, zoo hard
+als steen, want je hebt een bijl noodig om ze klein te krijgen. Wanneer
+die stukken door de warmte van het water langzamerhand oplossen, geven
+ze aan het water een kleurtje, zoodat 't niet meer zuiver water kan
+heeten: dat soepje dient om de maag te praepareeren.--JACOB: 't Lijkt
+wel varkenskost.--GILBERT: In de tweede plaats komt op tafel een stukje
+vleesch van den buik van een oude koe, al een veertien dagen geleden
+gebraden.--JACOB: Erg frisch ruikt dat zeker niet meer.--GILBERT: Dat
+kun-je denken. Maar daar is wel een middeltje tegen.--JACOB:
+Welk?--GILBERT: Ik wil 't je wel zeggen, maar ik ben bang dat je 't zult
+gaan navolgen.--JACOB: Natuurlijk.--GILBERT: Ze klutsen een ei in warm
+water. Met dat sopje begieten zij het vleesch. En zóó foppen ze ten
+minste de oogen, al kan men de reukorganen niet misleiden, want de
+onfrissche lucht dringt door alles heen. Wanneer 't een vastendag is,
+die visch in plaats van vleesch vereischt, dan worden soms een stuk of
+drie goudkarpertjes, niet eens zoo heel groot, op tafel gezet, ofschoon
+er zeven of acht eters zijn.--JACOB: En verder niets?--GILBERT: Niets
+dan die steenharde kaas.--JACOB: Een vreemd soort van Lucullus, van wien
+je me daar vertelt. Maar hoe is 't mogelijk dat zoo'n schraal maal voor
+zóó veel gasten voldoende kon wezen, vooral wanneer ze niet ontbeten
+hadden?--GILBERT: Neen, erger nog! je weet niet dat met de kliekjes van
+dat maal ook nog schoonmoeder, schoondochter, de jongste zoon, een
+dienstmeisje en eenige kleine kinderen moesten gespijzigd
+worden.--JACOB: Je vergroot mijn verwondering in plaats van ze weg te
+nemen.--GILBERT: Ik kan 't je ook moeilijk uitleggen, als ik niet eerst
+beschrijf hoe we aan tafel zaten.--JACOB: Nu, doe dat dan.--GILBERT:
+Antronius had de hoofdplaats, terwijl ik als buitengewoon gast aan zijn
+rechterhand zat. Recht tegenover Antronius zat Orthrogonus, naast dezen
+Verpius, en nevens Verpius een zekere Strategos, een Griek van geboorte.
+Links van Antronius zat zijn oudste zoon. Kwam er soms nog een andere
+gast bij, dan kreeg die een plaats naar zijn rang en waardigheid.
+Aanvankelijk was er niet 't minste gevaar of onderscheid in 't recht van
+zich te bedienen, behalve dat er in de soepborden van de voornamere
+gasten brokken van die koeiekaas dreven. Maar met vier wijnflesschen en
+waterkaraffen werd er doorgaans een soort van omheining gevormd, zoodat
+niemand 't geen op tafel stond kon aanraken (behalve misschien de drie
+personen voor wie de schotel juist geplaatst was) of hij had zoo
+onbeschaamd moeten wezen om over die omheining heen te wippen. Maar die
+soepterrine bleef ook niet eens lang op tafel staan; spoedig werd die
+weggehaald, want er moest wat overblijven voor de andere leden van het
+gezin.--JACOB: Wat at de rest van het gezelschap dan?--GILBERT: Die? ze
+smulden op hun manier.--JACOB: Hoe dan?--GILBERT: Ze weekten hun
+klei-brood in dien wijn van ouden droesem.--JACOB: Zoo'n maaltijd kan
+niet heel lang duren.--GILBERT: O, dikwijls meer dan een uur.--JACOB:
+Hoe is dat in vredesnaam mogelijk?--GILBERT: Wanneer, zooals ik je
+daareven vertelde, alles was weggenomen wat gevaar liep opgegeten te
+worden, dan werd de kaas gebracht, waarvan men niet bang behoefde te
+wezen dat iemand met een gewoon tafelmes er iets zou kunnen afschrappen.
+Verder bleef die heerlijke wijnmoer staan en ieder hield zijn brood. En
+aan dat dessert werden dan allerlei vertelseltjes opgedischt. In dien
+tusschentijd zat de vrouwenvergadering te eten.--JACOB: En het
+dienstpersoneel?--GILBERT: Dat had niets met ons te maken. Die
+gebruikten hun middagmaal en hun avondeten op de voor hen bestemde uren.
+Maar op een geheelen dag brachten zij daarmee nauwelijks een half uur
+zoek.--JACOB: Maar hoe was hùn eten?--GILBERT: Nou, dat kun-je zelf wel
+raden.--JACOB: Wat gaat dat bij de Duitschers toch anders! Die hebben
+nauwelijks genoeg aan een uur voor hun ontbijt; net zoo veel voor hun
+twaalf-uurtje; anderhalf uur voor hun middagmaal; twee uren voor hun
+hoofdmaal 's avonds. En wanneer ze zich niet goed kunnen volladen met
+lekkeren wijn, met voedzaam vleesch en smakelijke visch, dan loopen ze
+weg bij hun meester en worden soldaat.--GILBERT: 's Lands wijs, 's lands
+eer!--JACOB: De Italianen hebben weinig zorg voor hun keelgat. Ze hebben
+liever geld dan lekker eten, en ze zijn sober van natuur ook, niet
+alleen uit gewoonte.--JACOB: Nu verwondert 't mij niets meer dat je zoo
+mager en schraal hierheen teruggekeerd bent. Eer moet ik me verwonderen,
+dat wij je nog levend terug zien, vooral omdat je vroeger zoo gewend
+waart aan kapoenen, patrijzen, duifjes en fazanten.--GILBERT: Nu, ik
+geloof werkelijk dat ik er 't leven bij ingeschoten zou hebben, wanneer
+ik niet een middeltje had bedacht.--JACOB: 't Ziet er slecht uit wanneer
+men tot zulke middeltjes zijn toevlucht moet nemen.--GILBERT: Ik wist
+gedaan te krijgen dat mij, toen ik er slecht begon uit te zien, bij elk
+maal een vierde part van een gebraden kip werd voorgezet.--JACOB: Nu zul
+je weer gaan opleven.--GILBERT: Niet zoo heel erg. Daar werd een heel
+klein kippetje gekocht om vooral niet te veel uit te geven, een kippetje
+waarvan er zes niet genoeg zouden zijn, om een Pool met een goede maag
+voor zijn ontbijt te dienen. En als ze dat diertje gekocht hadden, gaven
+ze 't ook niet eens te eten om geen kosten te maken en zoo werd er van
+dat magere en schrale beestje een vleugel of een boutje gekookt, terwijl
+'t kippenlevertje aan 't jongste zoontje van Orthrogonus werd gegeven.
+Den bouillon dronken de vrouwen er een paar malen van af, nadat er
+telkens weer opnieuw water op gegoten werd. En zoo kwam dan 't boutje
+drooger dan puimsteen vóór mij te staan en smakeloozer dan een vermolmd
+stuk hout. De bouillon was niet meer dan louter water.--JACOB: En toch
+heb ik wel gehoord dat 't gevogelte in die streek heel overvloedig is en
+lekker en goedkoop ook.--GILBERT: Dat is zoo; maar 't geld is zoo'n man
+als Antronius nog liever.--JACOB: Door zoo'n leventje zou je genoeg
+gestraft zijn als je de ergste zonde hadt bedreven: bijv. den Paus hadt
+gedood of 't graf van St. Pieter hadt ontwijd.--GILBERT: Maar luister nu
+naar de rest van mijn verhaal. Je weet er zijn in elke week vijf dagen
+waarop vleesch mag gegeten worden.--JACOB: 'k Weet 't maar al te
+goed.--GILBERT: Nu, dan kochten ze in de week twee kuikens. Donderdags
+gaven ze vóór, dat ze vergeten hadden ze te koopen, om niet op dien dag
+een geheele kip op tafel te moeten zetten of om iets te moeten
+overlaten.--JACOB: Die Antronius heeft veel van den vrek Harpargo uit 't
+blijspel van Plautus! Maar op vastendagen, wat voor een middeltje had je
+dan om in 't leven te blijven?--GILBERT: Dan had ik aan één mijner
+vrienden opgedragen om voor mijn geld op elk dier dagen drie eieren te
+koopen, twee voor den maaltijd midden op den dag, één voor 't avondeten.
+Maar nu gaven mij de vrouwen in plaats van de duur gekochte versche
+eieren onfrissche eieren in ruil, zoodat ik nog dankbaar mocht wezen
+wanneer één van de drie eieren eetbaar was. Eindelijk had ik mij voor
+mijn eigen geld ook een vaatje wijn van wat betere qualiteit
+aangeschaft: maar de vrouwen braken 't vaatje open en zogen er binnen
+enkele dagen een deel van leeg, waarover Antronius erg boos was.--JACOB:
+Zoo was er toch iemand die medelijden met je had.--GILBERT: Medelijden?
+Neen waarachtig niet! Ze hielden mij voor een veelvraat en vreetzak,
+omdat ik in mijn ééntje zóóveel spijs kon verslinden. Daarom waarschuwde
+Orthrogonus mij ook zoo nu en dan, dat ik rekening moest houden met 't
+klimaat en voor mijn gezondheid moest zorgen en vertelde mij van eenigen
+onzer landslieden, aan wie een al te groote eetlust òf den dood, òf een
+zware ziekte had bezorgd. Toen hij zag dat ik mijn lichaam dat èn door
+hard werken èn door gebrek aan eten en óók door ziekelijkheid verzwakt
+was, door eenige versnaperingen die de apothekers daar vervaardigen uit
+pitten van pijnappels of van pompoenen en meloenen, trachtte aan te
+sterken, stookte hij een geneesheer die onder zijn kennissen behoorde
+op, om mij een matigen levensregel voor te schrijven. Deze deed 't met
+groote nauwgezetheid. Maar ik merkte spoedig dat hij opgestookt was. Ik
+liet 't hem evenwel aanvankelijk niet bemerken. Toen hij al meer en meer
+bij mij aandrong en er geen einde kwam aan zijn opmerkingen, zei ik
+eindelijk: "Hoor eens, mijn waarde, wat je daar zegt, is dat ernst of
+gekheid?" "Ernst," zei hij. "Wat raad je mij dus te doen?" "Eet 's
+avonds in 't geheel niet en doe ten minste de helft water bij je wijn."
+Ik lachte over dien prachtigen raad. "Als je mij dood wilt hebben, dan
+zou het voor mijn zwak, mager en uitgeput lichaam reeds de dood zijn als
+ik éénmaal 't avondeten oversloeg. Ik heb dat al zóó dikwijls
+proefondervindelijk gezien, dat ik 't niet nog eens begeer te probeeren.
+Wat moet er volgens uw idee wel gebeuren, wanneer ik mij van avondeten
+onthoud na een zóó schraal middagmaal genoten te hebben? En wou je dat
+ik zóó'n schraal wijntje nog met water ging aanlengen? Alsof 't niet
+veel beter ware zuiver water te drinken dan water met wijndroesem. Ik
+ben er zeker van dat Orthrogonus je heeft opgestookt mij dit te gaan
+zeggen." Hij lachte zoo'n beetje en bond zich wat in. "Ik bedoel nu
+juist niet, zeer geleerde Gilbert, dat ge u 's avonds geheel en al van
+eten moet onthouden. Je mag wel een eitje proeven en een glaasje wijn
+drinken. Zoo leef _ik_ ook. Men kookt voor mij een ei bij 't avondmaal.
+Daarvan neem ik de helft van 't dooier voor mij zelf, de andere helft
+geef ik aan mijn zoontje; daarna drink ik een halven roemer wijn en
+studeer ik tot diep in den nacht."--JACOB: En was 't waar wat die
+medicus vertelde?--GILBERT: Zonder eenige bedenking nam ik 't aan. Eens
+kwam ik bij toeval, van de mis komende, door de straat waar, zooals een
+mij vergezellende kennis zeide, die dokter woonde. Ik wilde zijn
+interieur eens zien. Het was juist een Zondag. Ik klopte aan: de deur
+ging open: ik klim de trap op en vind den dokter met zijn zoon die
+tevens voor knecht speelde, aan zijn maal. Al wat er op tafel was
+opgediend, waren een paar eieren, niets anders.--JACOB: Bleeke menschen
+zeker?--GILBERT: Volstrekt niet. Ze zagen er allebei welgedaan uit, ze
+hadden een frissche, gezonde kleur, levendige oogen.--JACOB: Haast
+ongeloofelijk.--GILBERT: 'k Vertel je wat ik met eigen oogen gezien heb.
+En niet alleen leeft hij op die manier, maar verscheidene anderen, van
+voorname familie en in goeden doen. Geloof me: veel eten en drinken is
+een kwestie van gewoonte, niet van natuur. Omgekeerd, als iemand er zich
+langzamerhand aan gewent, zal hij 't zóó ver brengen om 't zelfde te
+doen wat de Grieksche worstelaar Milo deed, die op één dag een heel rund
+verzwolg.--JACOB: Goede God, als men met zóó weinig zijn gezondheid kan
+bewaren, wat maken dan de Duitschers, de Engelschen, de Denen en de
+Polen een nuttelooze onkosten!--GILBERT: Heel wat, en dat nog wel met
+groote schade aan hun gezondheid en aan hun geest.--JACOB: Maar wat was
+dan toch de reden dat jij _niet_ genoeg hadt aan dat beetje
+eten?--GILBERT: Omdat ik me aan een heel anderen levensregel had gewend
+en 't voor mij te laat was om mijn levensregel te veranderen. Maar
+overigens hinderde mij minder 't te-weinig der spijzen, dan wel dat ze
+bedorven waren. Twee eieren zouden voldoende wezen, als 't maar versch
+gelegde waren: één roemer wijn zou genoeg zijn, als er in plaats van
+wijn maar geen verschaald bocht geschonken werd. De helft van 't brood
+zou kunnen volstaan, als er in plaats van brood maar geen gebakken klei
+werd voorgezet.--JACOB: En dat die Antronius zóó gierig was, terwijl hij
+er zoo warmpjes in zat!--GILBERT: Ik denk dat hij wel een kapitaal van
+tachtigduizend dukaten zal hebben bezeten. En er ging geen jaar voorbij
+waarin er niet een overwinst van wel duizend dukaten bij kwam, om 't
+minste maar te noemen.--JACOB: En zijn zoons, voor wie dat geld werd
+opgepot, waren die óók zoo zuinig?--GILBERT: Ja, thuis ten minste. Maar
+buitenshuis werd 't geld er doorgebracht met Wijntje en Trijntje en
+dobbelspel. En terwijl hun vader er bezwaar tegen maakte van zelfs voor
+de deftigste gasten een kleinigheid uit te geven, verloren de jongelui
+soms in één nacht zestig dukaten met spelen.--JACOB: Zoo wordt vaak zoek
+gebracht, wat met schrapen is bijeen geraapt. Maar zeg me, waar ga je
+thans heen, nu je uit zulke gevaren ongedeerd bent gered?--GILBERT: Naar
+de gezellige eettafel van die Fransche heeren, om daar de schade die ik
+ginds geleden heb, wat in te halen.
+
+
+ * * * * *
+
+
+INHOUD
+
+
+Erasmus door Cd. Busken Huet
+
+ 1. Charon, de veerman van de onderwereld
+
+ 2. De ontevreden-gehuwde of het huwelijk
+
+ 3. Herbergen in Duitschland
+
+ 4. Het spook of de duivelbanning
+
+ 5. Goudmakerij
+
+ 6. De paardenkooper
+
+ 7. De paardlooze ridder of verdichte adel
+
+ 8. De vrouwenraad
+
+ 9. De bedevaart
+
+10. Het sprookjesmaal
+
+11. Schipbreuk
+
+12. Vrekkige rijkdom
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Een twaalftal samenspraken, by Erasmus
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN TWAALFTAL SAMENSPRAKEN ***
+
+***** This file should be named 17523-8.txt or 17523-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/7/5/2/17523/
+
+Produced by Marc D'Hooghe, marcdh@pandora.be.
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.