summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--17484-8.txt4251
-rw-r--r--17484-8.zipbin0 -> 53371 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
5 files changed, 4267 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/17484-8.txt b/17484-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..c35653d
--- /dev/null
+++ b/17484-8.txt
@@ -0,0 +1,4251 @@
+The Project Gutenberg EBook of Nieuwe Bloemlezing uit de dichtwerken van
+J.J.L ten Kate, by J.J.L. ten Kate
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Nieuwe Bloemlezing uit de dichtwerken van J.J.L ten Kate
+
+Author: J.J.L. ten Kate
+
+Release Date: January 9, 2006 [EBook #17484]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NIEUWE BLOEMLEZING ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ POËZY.
+
+ NIEUWE BLOEMLEZING
+ UIT DE DICHTWERKEN
+ VAN
+ J.J.L. TEN KATE.
+
+ II.
+
+ LEIDEN.--A.W. SIJTHOFF.
+
+ 1880.
+
+
+
+
+
+
+ZIGEUNERSLEVEN
+
+
+Wat ruischt er zoo spade
+ Door 't beukenloof heen?
+'t Zijn fluistrende stemmen
+ En krakende schreên:
+Daar flikkren de vlammen
+ Door 't lommerig bosch,
+Daar weemlen gedaanten
+ In wonderen dosch.
+
+'t Zijn wilde Zigeuners:
+ Een rustloze schaar,
+Met bliksemende oogen,
+ Met fladderend hair;
+De Nijl heeft het eerste
+ Hun voeten besproeid,
+De hemel van Spanje
+ Hun voorhoofd verschroeid.
+
+Hoe vriendelijk knettert
+ Het vlammende hout!
+Daar leegren de mannen,
+ Bij vroolijken kout:
+Daar hurken de vrouwen,
+ En roosten het maal,
+En vullen gestadig
+ De wijde bokaal.
+
+En Sagen en zangen
+ Weêrklinken in 't rond,
+Als 't bloeiende Zuiden
+ Zoo weeldrig en bont.
+Hoe luistren de jongen,
+ Waar 't Bestjen hen leert.
+Wat rijmspreuk de slange
+ Der smarte bezweert!
+
+Zwartoogige meisjens
+ Beginnen den dans:
+Hoe gloeien de fakkels
+ Met purperen glans
+Hoe ruischen de snaren!
+ Hoe davert de grond!
+Hoe zwieren de paren
+ Al wilder in 't rond!
+
+Nu zoeken ze aêmechtig
+ Een plekjen zich uit,
+Waar 't murmelend windtjen
+ Haar de oogenleên sluit.
+Daar voeren de droomen,
+ Zoo dartel en vlug,
+Het harte der kindren
+ Naar 't Zuiden terug.
+
+Maar als nu in 't Oosten
+ Het zonnetjen daagt,
+Zijn plotsling de beelden
+ En droomen verjaagd.
+De muildieren trapplen;
+ 't Woelt alles dooréen--
+De bende is verdwenen!
+ Wie zegt u waarheen?
+
+
+
+
+
+SLAAPWANDEL BIJ DAG.
+
+
+Door de Afrikaansche lucht gezengd,
+ Marcheert een oorlogsdrom:
+'t Zijn Vreemden, bont dooréen gemengd,
+ Vergaderd van alom.
+Hun lied, in allerhande taal,
+Eens rijzend met den morgenstraal,
+ Werd lang niet meer gehoord:
+Eentonig dreunt het rammlend staal--
+ Zij trekkend slapend voort.
+
+De tamboer, met zijn trom bezwaard,
+ Stapt slapende in de maat;
+Den hoofdman, knikkende op zijn paard,
+ Staan vlammen op 't gelaat.
+Zoo sluimert heel dat bataillon,
+Door de onverbiddelijke zon
+ Tot smachtens toe verhit:
+Toch, hoe de hette hen verwon,
+ Blijft alles in 't gelid.
+
+En wat meest enkel de enge tent
+ Bij nacht bespieden mag,
+Staat nu op elks gelaat geprent
+ Bij helderlichten dag:
+Het droomgordijn is opgehaald,
+De waereld, waar hun ziel in dwaalt,
+ Weêrkaatst haar tooverlicht,
+Den glans, die van haar beelden straalt,
+ Op ieders aangezicht.
+
+Hoe beeft de ruige wenkbrauwboog!
+ De mond, schoon zwijgend, spreekt:
+Ziet, hoe daar uit het trillend oog
+ Een groote traandrop breekt!
+Zij zien de dagen van weleer,
+Hun dierbaar huis, hun vriendlijk meir,
+ Hun groene lustwarand,
+Hun lieve, grijze moeder weêr,--
+ 't Verloren Vaderland!
+
+Daar valt een schot--zij zijn ontwaakt,
+ En vormen, strijdens reê,
+Van plotselingen moed geblaakt,
+ Hun bliksemend quarré:
+De tanden klemmende op elkaâr,
+In dubble gramschap staan zij daar,
+ In stomme razernij....
+Helaas, de Beduïnenschaar
+ Vliegt als hun droom voorbij!
+
+
+
+
+
+KALIFORNIË.
+
+
+Zij graven goud, en vinden goud;
+ "_Goud_" heet het tooverwoord!
+Dat jaagt de morders, jong en oud,
+ Van haard en have voort.
+
+Voor goud verzaakt de vriend zijn vriend,
+ Verstoot de man zijn bruid:
+'t Ziet hunkrend, wat den Mammon dient,
+ Naar Kalifornië uit.
+
+Zij laten, dobbrende op een plank,
+ Hun huisgezin in druk:
+De rijkdom wenkt, het goud is blank,--
+ De spiegel van 't Geluk!
+
+Goud is de sleutel tot het Hart,
+ De ware God der Eeuw;
+Het maakt de lijdende Onschuld zwart,
+ De Misdaad wit als sneeuw.
+
+Het geeft der Domheid roem en macht,
+ Der Grijsheid frissche jeugd;
+Het maakt Lafhartigheid tot Kracht,
+ En Schurkerij tot Deugd!
+
+Dies ziet, door zooveel glans verblind,
+ Het volk in 't Goud zijn heil,
+En heeft er vrede, en vrouw, en kind,
+ God, en zich-zelf voor veil!
+
+O, dwaasheid, die het Wezen smaadt
+ En naar de Schaduw tast,
+Die in de verte zoeken gaat
+ Wat zoo nabij haar wast!
+
+Uw T'huis is uw Beloofde Land:
+ Dáar zijt gij waarlijk Vorst!
+Delf goud, met ijver en verstand,
+ Maar--uit uw eigen borst!
+
+De mannenkracht, de mannenmoed,
+ Die hooger streeft dan de Aard,
+De zin voor 't eeuwig Schoon en Goed,
+ Zijn wel des zoekens waard!
+
+Daar schuilt voor u gedegen goud,
+ Dat van geen roesten weet,
+Dat immer zijn gehalte houdt,
+ Dat _Ware Rijkdom_ heet!
+
+Zoo 't mannenhart u niet voldoet,
+ Zoek dan in 't vrouwenhart:
+Een goudmijn is haar teêr gemoed
+ Van vreugde en zoete smart!
+
+Ziet, hoe dáar, rijker dan uw droom.
+ De reinste liefde gloeit,
+En, als het stofgoud in den stroom,
+ Door al heur aadren vloeit!
+
+Versmaadt uw hart dat Tooveroord,
+ O aarzel dan niet meer!
+Trek dan naar 't verre Goudland voort--
+ _Gij vindt er de armoê weêr_!
+
+
+
+
+
+DE VLUCHT DES TIJDS.
+
+
+Dát kan mij vaak weemoedig maken,
+ Dat ons de tijd zóo snel ontvaart,
+Dat, eer zij 't Heden recht mocht smaken,
+ De ziel reeds in 't Verleden staart.
+
+Het zaligst uur, sinds lange jaren
+ Verwacht en vurig afgebeên,
+Het komt gelijk een klank van snaren:
+ Hij ruischt, verrukt, en--vliegt daarheen!
+
+
+
+
+
+KLEINE PLAGEN.
+
+
+Neen! een groote, heiige smart
+ Zal mij nimmermeer vervaren;
+Zag zich maar mijn vurig hart
+ Alledaagsche kwelling sparen!
+'k Wil het groote kruis, hoe zwaar,
+ Dat van God komt, willig dragen;
+ Maar mijn hart krimpt in elkaâr
+Voor die duizend kleine plagen!
+
+ Heil, die met hun heldenbloed
+'t Worstelperk der vrijheid verven!
+ Heil, die in den mutsertgloed
+'s Hemels Martelkroon verwerven!
+Welk een troost in allen nood,
+ Welk een roem in alle schande,
+Waar we, trouw tot in den dood,
+ Vallen als eene offerande!
+
+Maar hoe zelden gunt ons 't lot,
+ Grootsch te lijden, grootsch te sneven,
+Met den gloriepalm tot God
+ Als een aadlaar op te zweven!
+Ach, hoe pijnlijk, dag aan dag
+ Vaster in den strik gesparteld,
+Niet te vallen door één slag,
+ Maar door naalden doodgemarteld!
+
+
+
+
+
+AAN VADERS, DIE KINDEREN BUITEN HET
+HUWELIJK HEBBEN.
+
+
+Gij, die uit wulpschen lust de onnozelheid verraadt
+ In 't lichtgewaad eens Engels!
+Die jaagt door vreemden hof, en zelfs geen blik meer slaat
+ Op de omgetrapte stengels!
+'k Wil uw geweten zijn! 'k wil spreken van uw bloed,
+ Van 't pleegkroost der ellende,
+Dat recht heeft op uw naam, uw liefde, uw overvloed,
+ Maar--nooit een vader kende!
+Rampzaalge kinderen, die, ziekelijk en koud,
+ In d'Ugolino-toren
+Van 't klemmende gebrek, dien gij hun hebt gebouwd,
+ In schande zijn geboren!
+Hebt gij dan nooit voor hen een enklen zucht geslaakt?
+ Voelt gij hun droeve schimmen
+Niet woelen in uw hart, als schijndoôn, die, ontwaakt,
+ Uit d'engen grafkuil klimmen?
+Kunt gij den kinderen, die gij uw kindren heet,
+ Éen uur van vreugde schenken,
+En tevens niet aan al het jarenlange leed
+ Der ongenoemden denken?
+Wanneer ge uw naaste kind ten blijd geboortefeest
+ Met bloemen ziet versieren,
+Staan dan zijn broeders niet verwijtend voor uw geest,
+ Die nooit hun jaardag vieren;
+Die op denzelfden dag misschien den bleeken dood
+ Ontzind in de armen loopen,
+Of--eindloos erger--voor een schaamle handvol brood
+ Hun kostbre ziel verkoopen?--
+Hoe durft gij spreken, gij, van vaderteederheid
+ En vaderlijke zorgen,
+En zeggen, dat ge uw kroost een vasten stand bereidt,
+ Uw kindren hebt geborgen,
+Als de andren, buiten af, in 's waerelds oceaan,
+ Op schotsen ijs bevriezen,
+En, voortgedreven door den zweependen orkaan,
+ In d' afgrond zich verliezen?--
+Noemt u geen mannen, gij vreesachtigen! maar bloost,
+ Als gij die zwakke vrouwen,
+Verlaatnen, blijven ziet bij heur verlaten kroost,
+ En--nog op God vertrouwen!
+Noemt u geen vaders, gij die vaders zijt in schijn!
+ Daar zijn voor de Alziende oogen
+Meer kindermoorders dan er moorderessen zijn--
+ Wanneer werd God bedrogen?
+
+
+
+
+
+DES ZANGERS VLOEK.
+
+BALLADE.
+
+
+In overoude tijden
+ rees voor des pelgrims oog,
+Ver boven beemd en bosschen,
+ een burchslot naar omhoog.
+Het lag in bonte gaarden,
+ als in een bloemenkraus,
+Waar springfonteinen speelden
+ in regenboogenglans.
+
+Daar had een trotsche Koning
+ zijn machtig rijk gesticht;
+Daar zat hij op zijn zetel
+ met somber aangezicht.
+De dood lag in zijne oogen,
+ de hel in zijn gemoed,
+Want wat hij sprak was geessel,
+ en wat hij schreef was bloed.
+
+Naar deze Vorstenwoning
+ trok eens een Zangrenpaar,
+Een jongling, blond van lokken,
+ Een grijsaard, wit van hair.
+De grijsaard, met zijn speeltuig,
+ berijdt een fier genet;
+De jongling gaat er nevens
+ met vogelvluggen tred.
+
+Daar sprak de grijze Zanger:
+ "Houd u bereid, mijn zoon!
+Het rijkste lied moet klinken,
+ en uit den volsten toon.
+Verzamel al uw krachten,
+ de hoogste vreugde en smart:
+De Koning moed gegrepen
+ in 't marmerkoude hart!"
+
+Reeds treden beî de Zangers
+ de weidsche Hofzaal in:
+Daar throont de norsche Koning,
+ de schoone Koningin:
+De Koning, die in luister
+ het Noorderlicht gelijkt,
+De Koningin, die lieflijk
+ als 't kuische maanlicht prijkt.
+
+De grijsaard roert de snaren:
+ hoe zuiver trillen zij!
+Hoe zwelt in stoute akkoorden
+ de wondre melodij!
+Hoe klinkt als die eens Engels
+ des jonglings stem er door!
+Hoe dreunt de bas des ouden
+ gelijk een geestenchoor!
+
+Zij zingen van de vreugden,
+ de deugden van weleer,
+Van lente, liefde en vrijheid,
+ van trouw en riddereer.
+Zij zingen van al 't Schoone,
+ dat 's menschen boezem treft
+Zij zingen van al 't Goede,
+ dat 's menschen hart verheft.
+
+De dartle hovelingen
+ verleeren allen spot;
+De dreigende oorlogshelden
+ verneedren zich voor God;
+De Koningin, verteederd,
+ werpt, met een tranenvloed,
+De puikroos van heur boezem
+ den Zangers voor den voet!
+
+"Gij hebt mijn volk betooverd,
+ gij hebt mijn vrouw verleid!
+Zoo brult op eens de Koning
+ in wilde grimmigheid:
+Hij werpt zijn zwaard, dat vlammend
+ des jonglings borst doordringt,
+Waaruit, voor gouden zangen,
+ een roode bloedstraal springt.
+
+Verdwenen zijn de hoorders,
+ verbroken is het feest;
+De jongling geeft al snikkend
+ in 's meesters arm den geest.
+Die windt hem in zijn mantel,
+ en draagt hem door 't portaal,
+En zet den dierbren doode
+ recht vóor zich in den zaâl.
+
+Maar voor de poort des Konings,
+ daar houdt de grijsaard stand,
+Daar slingert hij liet speeltuig
+ uit de opgeheven hand:
+En als de harp in splinters
+ verstrooid ligt op den grond,
+Daar dreunt zijn stem ontzettend
+ door slot en gaarden rond:
+
+"Wee u, gij trotsche zalen!
+ geen vriendlijk harpakkoord,
+Geen zang worde in uw bogen
+ in eeuwigheid gehoord!
+Daar mogen zuchten klinken
+ en schuwe slavenschreên,
+Tot u de geest der wrake
+ tot stuivend puin zal treên!
+
+"Wee u, gij bonte gaarden
+ in 't gouden zonnelicht!
+U toon ik dezes dooden
+ bestorven aangezicht.
+"Het moge uw loof doen dorren,
+ uw bronnen stil doen staan,
+Tot al uw heerlijkheden
+ in onkruid ondergaan!
+
+"Wee u, verwaten moorder!
+ u vloekt wat Zanger heet!
+Vergeefs zij al uw woeden,
+ geen lauwer kroone uw zweet!
+Uw rijkdom moog' verroesten,
+ verderven al uw pracht,
+Uw trotsche naam verzinken
+ in eeuwgen middernacht!"
+
+De grijsaard heeft gesproken,
+ de Hemel heeft gehoord:
+Vergruizeld zijn de muren,
+ verzonken is de poort.
+Gelijk een schrikgetuige
+ staat daar éen zuil alléen,
+En deze, reeds gebarsten,
+ stort mooglijk straks in een.
+
+De gaarden zijn verwilderd,
+ met distels overgroeid,
+Geen struikjen geeft er schaduw,
+ geen beekjen dat er vloeit.
+Des Konings naam verkondigt
+ geen lied, geen heldenboek;
+Verzonken en vergeten!
+ dat is des Zangers vloek!
+
+
+
+
+
+EEN BEKEND HUIS.
+
+
+ Wat wondre weemoed grijpt u aan
+ Bij 't huis, waar ge eens het oog van vrienden hebt zien blinken,
+ Wanneer daar andre stemmen klinken,
+ En vreemden op- en nedergaan!
+
+ Ja, 't is dezelfde deur, 't zijn de oude vensterboogen:
+ 't Is of de drempel u verlangend naadren ziet:
+ Maar 't oude welkom groet u niet,
+ En--gij gaat stil voorbij met neêrgeslagen oogen!
+
+ Of peinst gij voort en toeft gij nog,
+ Niet lang zal u de droom op gouden vleugels dragen:
+ Ach, koele blikken, norsche vragen
+ Verjagen 't laatste zelfbedrog.
+
+ Wat wordt u 't vriendlijk huis? Een handvol koude steenen
+ Gij wischt, ontroerd, uw tranen af:
+ Als de oude vrienden zijn verdwenen,
+ Schijnt hun verlaten huis u leêger dan hun graf!
+
+
+
+
+
+DE WAARDE VAN HET KLEINE.
+
+
+Wil het kleine niet versmaden:
+ 't Is de bron van groote kracht.
+Kan hij de Eeuwigheid gewinnen,
+ Die het Oogenblik veracht?
+
+Uit een vonkjen onder de assche
+ Rijst de blakerende vlam;
+Uit het weggeworpen zaadtjen
+ Kiemt de statige eikenstam.
+
+Groeiend tot een berglawine,
+ Rukt de sneeuwvlok rotsen neêr;
+En de droppel bij den droppel
+ Wordt een peilloos Alpenmeir.
+
+Ja, éene enkele gedachte,
+ Stralende uit eens Wijzen hoofd,
+Kan een kranke waereld redden,
+ Die er dankbaar aan gelooft!
+
+
+
+
+
+HET LAND DER LIEFDE.
+
+
+Ja, valsch en bedrieglijk, met doornen bezwaard,
+Met neevlen omsluierd, is 't leven op aard:
+Toch weet ik een hoekjen, dat Eden beschaamt,
+Door de Englen HET LAND VAN DE LIEFDE genaamd.
+
+Woedt elders de bliksem in blaakrenden gloed,
+Versterft ieder bloemtjen in tranen en bloed,
+Hier drijven de stormen verschoonend voorbij:
+In 't LAND VAN DE EEUWIGE LIEFDE is het eeuwige Mei!
+
+Het pad dat er heenleidt, is needrig en smal;
+In rozen verborgen, geleidt het naar 't dal:
+Geen macht en geen kracht en geen goud voert er heen;
+'t Geloovige hart is de leidsman alleen!
+
+In 't LAND VAN DE LIEFDE zijn allen gelijk:
+Daar kent men geen stand en geen arm en geen rijk;
+En ieder bezit er dien eenigen schat,
+Die niet, als al 't aardsche, in een schuimbel verspat!
+
+Wat ijl ik niet vaak naar dat vriendelijk oord,
+Als veel mij ontvalt dat mij eens heeft bekoord!
+Steeds keer ik terug in dit leven van smart,
+De vreugde in het oog en de vrede in het hart!
+
+
+
+
+
+VERLOREN.
+
+
+Dat eenmaal was, keert nimmer weêr:
+ De jeugd wordt niet herboren.
+Haar zoete droom van liefde en eer
+Omzweeft het grijzend hoofd niet meer--
+ Verloren is verloren!
+
+Wel zien we in 't blauwend lichtgebied
+ De zonne daaglijks gloren:
+Maar 't Heden is het Gistren niet:
+'t Zijn andre stralen die zij schiet--
+ Verloren is verloren!
+
+Geen bloemtjen, dat in 't najaar sneeft,
+ Zal lentes wekstem hooren:
+En schoon de dorre struik herleeft,
+'t Zijn andre bloemen die zij geeft--
+ Verloren is verloren!
+
+Geen golfjen, hupplend langs heur baan,
+ Wordt door uw lied bezworen:
+Wie dwingt het leven ooit tot staan?
+'t Vliet als een golf naar d' oceaan--
+ Verloren is verloren!
+
+
+
+
+
+EEN PROGRAMMA.
+
+
+Niet steeds wordt voor de grootste heldendaden
+ Een roemzuil door de zwanenveêr gesticht:
+In diepen nacht, aan niemands blik verraden,
+ Schuilt vaak de stof voor menig Heldendicht.
+
+En tragischer dan alle treurtooneelen
+ Is 't leven vaak voor menig menschenziel,
+Die onverpoosd heur droeven rol moet spelen,
+ Tot straks voor goed de bonte voorhang viel.
+
+De Dichter zing' geen hooggeroemde Helden,
+ Waarvoor zich de aard afgodiesch nederbuigt!
+Zijn Elegie moet zulke strijders gelden,
+ Waarvan de rol der eeuwen niet getuigt!
+
+Hij zinge 't hart, in de eenzaamheid gebroken;
+ Den wrangen traan, te middernacht geschreid;
+Het vrije woord, in 't kerkerhol gesproken,
+ Waar nooit de zon heur lieve stralen spreidt;
+
+Het vaderhoofd, vergrijsd in zorg en vreeze;
+ De moederklacht, bij 't sterfbed van een kind;
+De worsteling der aangevochten weeze,
+ Die honger heeft en toch de deugd bemint!
+
+Van zulk een strijd der zielen zal hij spreken,
+ En juichen als de zege wordt gevierd,
+En zóo het zwijgen der Historie wreken,
+ Die, vleiend, slechts de Koningen lauwriert!
+
+Gij, Clio! prijst alleen de hooggezetenen,
+ Al bracht hun zwaard ook duizenden ten val:
+Zoo zinge dan de Dichter de _Vergetenen_,
+ Die God aanschouwt en--Boven kroonen zal!
+
+
+
+
+
+TROOST IN HET LAND DER VREEMDELINGSCHAP.
+
+EEN REISLIED VAN DEN ZENDELING NEUMANN.
+
+(_Uit zijn dagboek, van het Chineesche eiland Putoy, Zondag 2 Mei
+1852_).
+
+
+Mist gij hier vrienden en verwanten,
+ Wat nood, als hier en overal
+Een leger blinkende trawanten
+ Uw eenzaam pad omstuwen zal?
+
+Wat nood, of hier de dierbren scheiden,
+ En niet éen pelgrim met u gaat,
+Wanneer Gods Englen u geleiden,
+ En Jezus u ter zijde staat?
+
+Waarheen zich ook mijn schreden wenden,
+ Des Heeren voetbank draagt mij nog!
+Ben ik omringd van onbekenden,
+ God, die mijn roem is, kent mij toch!
+Mijn Heiland neemt mij in Zijn hoede,
+ 't Is of mijn ziel Zijn aanschijn ziet,
+En 'k hoor Zijn stem: "Wees wel te moede!
+ "Uw Vader, kind! vergeet u niet!"
+
+
+
+
+
+EEN BLIK VOORUIT.
+
+
+Als eens mijn uurtjen komen zal,
+ En ik van de aard moet scheiden,
+Wil Gij dan in het schaduwdal,
+ O Jezus! mij geleiden.
+'k Beveel in Uwe hand mijn geest,
+En volg, o Heer! U onbevreesd
+ Naar 's Hemels groene weiden!
+
+Wel zal ik beven op 't gezicht
+ Van al mijn duizend zonden,
+Daar mijn geweten-zelf mij richt
+ En schuldig heeft bevonden:
+Maar denken wil ik aan Uw dood,
+O Heer! en vlieden tot Uw schoot,
+ En schuilen in Uw wonden.
+
+Ik weet in Wien mijn hart gelooft:
+ Gij zult mij niet begeven!
+Zijn niet Uw leden, Godlijk Hoofd,
+ Onscheidbaar saamgeweven?
+Ja, als ik sterf, dan sterf ik U,
+Want, Heer! Uw dood verwerft reeds nu
+ Mijn ziel een eeuwig leven!
+
+Nu Gij den dood verwonnen hebt,
+ Blijf ik in 't graf niet rusten:
+Mijn ziel, die reeds de vleugels rept,
+ Vreest 's waerelds leed noch lusten.
+Waar Gij nu zijt zal ik eens zijn!....
+Gegroet dan, eeuwge Zonneschijn,
+ En blijde Hemelkusten!
+
+Zoo sterve ik zonder vrees of schrik,
+ Getroost in Uw erbarmen:
+Mijn sluimring duurt éen oogenblik--
+ Gij zult mijn stof beschermen.
+Straks roept Uw stem: "Ontwaak! Ik klop!"
+Dan rijs ik uit de windsels op,
+ En--werp mij in Uwe armen!
+
+
+
+
+
+'T IS VOLBRACHT.
+
+
+Op den Berg der Jammren,
+Herder zonder lammren,
+ Sprakeloos en koud,
+Met gebroken oogen,
+'t Heilig hoofd gebogen,
+ Hangt de Heer aan 't hout.
+ Welk een throon
+ Voor 's Vaders Zoon!
+Is dan 't gapend graf een woning
+ Voor den Hemelkoning?
+
+ Ach, wat angsten lijdt Hij!
+ Ach, wat doodskamp strijdt Hij,
+ Bloedende overal!
+ Is van al Zijn vrinden
+ Dan niet éen te vinden
+ Die Hem redden zal?
+ Menschen gaan
+ Voorbij, en staan
+'t Wee, dat de Englen weg doet schrikken.
+ Grijnzende aan te blikken!
+
+Brandend van genade,
+Sloegt Ge, o Heer! ons gade,
+ Voeldet Ge onzen nood:
+Goddelijken vrede
+ Bracht Ge, o Heiland! mede
+ Uit des hemels schoot.
+ En, Gods licht
+ Op 't aangezicht,
+Sterft Gij nu als offerande
+ Op 't altaar der schande!
+
+ Gij, de Zoon des Vaders,
+ Tusschen gruweldaders!
+ Wat ontzinde waan,
+ Welk een duivlenwoede,
+ Eenig Reine en Goede!
+ Heeft U dàt gedaan?
+ Ach, een ras
+ Van stof en asch,
+Kaïns zaad, maar tienmaal wreeder.
+ Sloeg U, Abel! neder.
+
+ Ja, ter Hoofdscheêlplaatse
+ Bracht u dit melaatsche,
+ Doodsche zondaarshart.
+ Ik, in schuld verloorne,
+ Vlocht de scherpste doorne
+ Door Uw kroon der smart!
+ Want de schuld
+ Die mij vervult,
+Wilt Gij in de reine plasschen
+ Van Uw zoenbloed wasschen!
+
+ 'k Zal het nooit doorgronden,
+ Hoe Gij, zonder zonden,
+ "Eli, Eli!" zucht.
+ 'k Zie den hemel tanen
+ In een floers van tranen,
+ En de zonne vlucht!
+ 'k Zie de doôn
+ Hun graf ontvloôn;
+Van de ellend, die U weêrvaarde,
+ Brak het hart der aarde!
+
+ Sterke Boeienslaker!
+ Trouwe Zaligmaker!
+ Groote Immanuël!
+ Gij hebt al mijn plagen
+ Op het hout gedragen,
+ En versloegt de Hel,
+ Sta mij bij,
+ En heilig mij,
+Dat ik nimmer iets begeere
+ Dan uw liefde, o Heere!
+
+ Met uw bloed besproeide!
+ Doodelijk vermoeide!
+ Rust hier in de rots!
+ Uw vervolgers weken,
+ Half van schrik bezweken,
+ Bij de teeknen Gods!
+ Nader spoedt
+ Uw Jongrenstoet,
+En zij zweren, vol van rouwe,
+ U den eed der trouwe.
+
+ Gij hebt overwonnen!
+ Woedend aangeschonnen,
+ Stondt Ge onwrikbaar pal!
+ Door het Helsche duister,
+ Door der Heemlen luister,
+ Door het wijd Heelal,
+ Klinkt met kracht
+ Uw: "'t Is volbracht!"
+En de palmen der viktorie
+ Groenen door Uw glorie!
+
+ Als een heldre sterre
+ Straalt Uw kruis van verre
+ Allen volkren aan.
+ 't Is de Boom des Levens:
+ Vrucht en bloesem tevens
+ Menglende in zijn blaân!
+ Wie verrukt
+ Die vruchten plukt,
+Die wordt, rijk en begenadigd,
+ Eeuwiglijk verzadigd!
+
+ Op den Berg der Vreugde,
+ Rijker dan U heugde,
+ Vol der heerschappij,
+ Vol der zaligheden,
+ Zit Ge, in 't Eeuwig Eden,
+ Aan des Vaders zij'!
+ 's Vaders Zoon!
+ Dat is Uw throon:
+Gods paleizen zijn Uw woning,
+ Groote Hemelkoning!
+
+
+
+
+
+HEIMWEE.
+
+(Aan mijnen vriend, den zestienjarigen Dichter J.J.L. ten Kate.)
+
+--Sevenaer 1836.--
+
+
+Kent gij den droom vol wondre harmonieën,
+ Waarin een glans des Hemels ons omzweeft,
+Dien zich de jeugd in zoete fantasieën
+ Uit de eerste smart en de eerste vreugde weeft?
+Kent gij hem wel? Ook lange nog na 't scheiden
+Blijft trouw zijn beeld door 't leven ons geleiden.
+
+Als onze geest de teêre vleugels wiegelt,
+ En worstlend naar een Hooger Schoonheid smacht,
+Als in zijn blik een Tooverwaereld spiegelt,
+ Een Lustwarand, waaruit de vrede lacht,
+Dan zou hij gaarne, in namelooze weelde,
+Verwerklijken wat zich zijn wensch verbeeldde.
+
+Toch slaat de geest wel vruchtloos hier beneden
+ De wieken uit naar reiner lichtgebied:
+Zijn jonkheidsdroom van een verloren Eden,
+ Zijn heimweezucht stilt déze waereld niet:
+Totdat hij leerde in stil geloofsvertrouwen
+Naar 't Vaderland daar Boven heen te schouwen.
+
+Wie schonk ook U die zilverzuivre snaren,
+ Wier windharp-toon den wensch naar Boven voert?
+Wie leerde ook U zoo vroeg en diep ervaren,
+ Wat bitterzoet een Dichtrenhart ontroert?
+Moest ook úw hart reeds in zijn lente leeren
+ Geduldig te verwachten en te ontbeeren?....
+
+O, laat het lang en God ter eere bloeien,
+ Dat Paradijs dat opging in uw ziel!
+Laat lang daar 't licht des stillen weemoeds gloeien,
+ Een straal gelijk die uit den Hemel viel!
+De beelden, die daar zeegnende U omzweven,
+Zijn diep verwant aan 't innig zielenleven.
+
+Vaar moedig voort op zuivren toon te zingen!
+ Vervolg uw weg in 't koele palmgeblaârt!
+Wat waereldsch is, kan 't harte niet bedwingen;
+ Wat hemelsch is, stijgt vrolijk hemelwaart:
+De zoete droomen, die hier vroeg verstoven,
+Hervinden wij verwezendlijkt daar Boven!
+
+
+
+
+
+EEN LEVENSBEELD.
+
+
+Als zefiers aâm de golfjens krult
+ En over 't zeevlak huppelt,
+Als de avondzon het schuim verguldt,
+ Dat op zijn oevers druppelt:
+
+Dan breekt mijn blijdschap uit haar knop
+ Als 't bloemtjen uit heur blaâren;
+Ik klim de geele duinen op,
+ En volg den loop der baren.
+
+Dan dansen mijn gedachten meê,
+ Dan dartlen mijn gepeizen
+Met al de golfjens van de zee,
+ Die altijd verder reizen.
+
+Maar--als op eens de storm ontsteekt,
+ En met verwoede slagen
+Den kristallijnen spiegel breekt,
+ En bergen op doet dagen:
+
+Dan vluchten al mijn droomen heen,
+ En zinken in de golven,
+Als drenkelingen éen voor éen
+ Verrast en overdolven!
+
+Dan zie ik naar dat beter Blauw,
+ Waarin de starren drijven:
+En wensch mij boven 't wolkengrauw,
+ Om eeuwig daar te blijven.
+
+Doorploeg' wien 't lust den wijden plasch
+ Met volgetaste barken!
+En zeile hij naar 's waerelds as
+ Met uitgespannen vlerken:
+
+Ik blijf aan 't strand! Ik zag in 't meir
+ Zoo menig een begraven;
+En zet me aan 's Heeren voeten neêr,
+ Niet verre van de haven!
+
+
+
+
+
+I KORINTHEN I : 30.
+
+"Uit Hem zijt gij in Christus Jezus, die ons geworden is wijsheid
+van God en rechtvaardigheid en heiligmaking en verlossing."
+
+
+Angstig tastende als de blinden,
+ Doolde ik onophoudelijk voort:
+Zoekend, zonder ooit te vinden,
+ Vragend, maar niet aangehoord:
+Tot ik naar de Bron der waarheid
+ Jezus volgde, en Hem-alléen,
+En in onbewolkte klaarheid
+ Mij de _Wijsheid_ Gods verscheen
+
+Troosteloos van éen gereten,
+ Kwijnde mijn doemschuldig hart;
+Maar in 't wroegende geweten
+ Bleef de prikkel mijner smart:
+Tot ik met mijn zielewonden
+ Naar het kruis van Jezus ging,
+En in ruil voor al mijn zonden
+ Zijn _gerechtigheid_ ontfing!
+
+'k Zocht de lauwerkrans te plukken,
+ Die de deugd haar Priestren biedt:
+Menig zonde deed ik bukken,
+ Maar het harte bukte niet:
+Tot de valsche lauwren dorden,
+ Tot de Geest, dien Jezus geeft,
+Hier dat nieuwe hart deed worden,
+ Dat naar _Heiligmaking_ streeft!
+
+Zielevreugd en boezemprangen
+ Wisslen ieder oogenblik:
+'k Voel een ongestild verlangen
+ Tot mijn allerjongsten snik.
+Maar de Hoop verguldt de zoomen
+ Van des waerelds nachtgordijn:
+Jezus komt eens--en volkomen
+ Zal dan mijn _Verlossing_ zijn!
+
+
+
+
+
+HET WOORD GODS.
+
+
+Houd u met volstandig harte
+ Biddende aan uws Heeren Woord!
+Onder 's waereld smaad en smarte
+ Biedt het u een toevluchtsoord.
+Schuil in Zijn beloftenissen
+ Met een stillen kinderzin!
+'t Zal uw krank geloof verfrisschen,
+ 't Stort u licht en leven in.
+
+Hemelvreugde doet het bloeien
+ In het hart tot God gekeerd.
+Hemelvuurvlam doet het gloeien,
+ Die verwarmt maar niet verteert.
+Kiemen, die verstorven lagen,
+ Spruiten onverganklijk voort;
+Alles zal hèm vruchten dragen,
+ Die gezaaid heeft met Gods Woord!
+
+'t Is een straal uit Hooger Sfeeren,
+ Die des waerelds nacht verblijdt.
+'t Is de sterke hand des Heeren,
+ Die ons vasthoudt in den strijd.
+Alle steunsels mogen wijken,
+ Dit weêrstaat de zwaarste last.
+Vreest uw scheepjen voor bezwijken,
+ Eeuwig houdt dit anker vast.
+
+Laat des Heeren Woord u laven!
+ Laat het schijnen voor uw voet!
+Zelfs de bange nacht der graven
+ Wordt verhelderd door zijn gloed.
+Blijf aanbidden en gelooven!
+ Sta uw besten schat niet af!
+Laat u 's Waerelds haat niet rooven
+ Wat u 's Hemels liefde gaf!
+
+Houd het vast!--Ach, hier beneden
+ Is al 't andre wind en waan,
+IJdelheid en ijdelheden,
+ Pas ontloken of vergaan!
+Bloesems, die het oog verkwikken,
+ Dorren in des plukkers hand:
+Alles duurt hier oogenblikken--
+ 's Heeren Woord houdt eeuwig stand!
+
+Altijd rijker vloeit het leven
+ Uit die Levensbron u toe:
+Zij wordt nimmer moê te geven,--
+ Wordt gij 't nemen nimmer moê!
+Onderzoek met stille bede,
+ Dat des Heeren Geest u leid'!
+Dan geniet ge in 's Heeren vrede
+ 't Voorgevoel der zaligheid!
+
+
+
+
+
+HET ONTWAKEN.
+
+
+ZIJ.
+
+Die sluimering deed u goed?
+
+HIJ.
+
+ Uitnemend goed.
+'k Herinner mij zelfs uit mijn vroege jeugd
+Geen slaap zoo vast, zoo hartverkwikkend zoet.
+Onze oude goede vader--of u 't heugt--
+Wanneer hij 's morgens in de kamer trad,
+Placht op de vraag, "hoe hij geslapen had,"
+Te zeggen: "Als een zalige!" Welnu,
+Dat zelfde vroolijk antwoord geef ik u.
+Ook ik sliep als een zalige, of veeleer
+Ontwaakte ik als een zalige! Overal
+Voel ik nieuw leven, of ik nimmermeer
+Vermoeienis noch slaap meer kennen zal.
+Een frissche kracht vloeit door mijn aadren heer
+Daar is een wondre vlugheid in mijn leên,
+Als droegen mij onzichtbre vleuglen voort
+Waarheen ik wil...
+
+ZIJ
+
+ Wat dunkt u van dit oord?
+
+HIJ
+
+Zie, wij genoten menig lieflijk uur
+Te midden van den Lusthof der Natuur:
+Maar nooit begroette mijn bewondrend oog
+Een plekjen gronds, zoo onuitspreeklijk rijk.
+Ha, welke boomen! Waarlijk, hemelhoog!
+Zij dragen vrucht en bloesem te gelijk.
+Ik hoor den wind, die door de twijgen ruischt,
+En 't klinkt daarbij zoo lieflijk uit hun top,
+Als ware er heel een zangrig choor gehuisd.
+En achter hen, daar rijzen bergen op,
+Klaar afgeteekend tegen 's hemels trans,
+Somtijds bezocht door wolken, waar de glans
+Van morgenrood en avondzonnegoud
+Zich mengelt tot een wisslend licht en bruin.
+En door den blanken nevel op hun kruin
+Weêrblinkt een Stad, uit kristallijn gebouwd,
+Met torens en paleizen, heerlijk schoon.
+En van die hoogte vloeit een water neêr,
+Geen stortvloed maar een zachtbewogen meir:
+Niet bruischend, maar met zoeten zilvertoon
+Gelijk muziek voortgolvend naar beneên.
+Zie, 't spat een dauw van droppels om zich heen
+Die trillend op geboomte en bloemen blinkt,
+En heel de lucht een koelheid mededeelt,
+Die 't dorstig hart met lange teugen drinkt.
+En dan dit vriendlijk veld! Wij zijn omringd
+Van bloemen, waar een kleurengloed op speelt,
+Zoo als ik nooit aanschouwde; en als wij gaan,
+Buigt zelfs geen grasjen neêr voor onzen voet.
+Elk ander plekjen biedt een overvloed
+Van nieuwe en heerlijker tooneelen aan.
+De blik verdwaalt van 't eene vergezicht
+In 't andere, en de blauwe kimmen vliên
+Al verder weg, als smolten zij tot licht.
+
+ZIJ.
+
+Hebt gij dit heerlijk oord reeds meer gezien,
+Of zijt gij hier voor d'allereersten keer?
+
+HIJ.
+
+'t Schijnt alles mij, waarheen ik de oogen wend,
+Zoo onbegrijplijk-vriendlijk, zoo bekend,
+En echter--neen, ik was hier nimmermeer.
+
+ZIJ.
+
+En zijt ge niet verwonderd, dat ge mij
+Weêr bij u ziet?
+
+HIJ.
+
+ Wel, waart gij 't niet altoos?
+
+ZIJ.
+
+Nu ja; maar toch, ik was een lange poos
+Afwezig. Eens verdween ik van uw zij'.
+
+HIJ.
+
+Daar duikt op eens uit mijn herinnering
+Iets als een nevel op, die lang verging:
+'t Is menig droeve dag en menig nacht
+In tranen--maar waarom toch?--doorgebracht.
+'t Is vreemd, maar waar, 't is of dit zelfde hart,
+Dat anders zulk een teeder aandeel neemt
+In alles, nu verstompt is voor de smart:
+Het verst gevoel van lijden werd mij vreemd.
+
+ZIJ.
+
+Herinner u den zeventienden Maart.
+
+HIJ.
+
+Nu is op eens de nevel opgeklaard:
+'t Was avond--juist!--een treurige avondstond.
+Vier lange dagen waart gij krank geweest.
+Ja, 'k weet het nog: wij hadden veel gevreesd,
+Maar hoopten nog. 'k Zat bij uw veege spond.
+Daar greep op eens een groote zwakte u aan.
+Uw hoofd leunde op mijn borst--het gleed op zij'.
+Een diepe zucht--en alles was gedaan....
+Gij stierft. Gewis, gij zijt gestorven, gij!
+
+ZIJ.
+
+Ik ben gestorven, en gij ziet, ik leef.
+
+HIJ.
+
+Als gij gestorven zijt en 'k u mag zien,
+Dan is het wel een droom, waarin ik zweef?
+
+ZIJ.
+
+Gij droomt niet, want gij waakt.
+
+HIJ.
+
+ O, dan misschien
+Zond God op aarde u uit den hemel neêr,
+Ach, voor een uur! en jaren achtereen
+Blijf ik met al mijn tranen straks alleen!
+
+ZIJ.
+
+Neen, zeker niet: nu scheiden wij niet meer.
+Gezonden werd ik wel, maar niet op aard.
+Zie toch eens rond en zeg, zaagt ge ooit weleer
+Zulke oorden, zulke bloemen, zulk een gaard?
+En zie u-zelven eens! Gij gingt gebukt
+Van ouderdom: nu zijt gij jong--gij leeft
+Een nieuw, frisch leven, dat uw hart verrukt:
+Gij gaat niet maar: gij zegt het zelf, gij zweeft.
+Uw oogen zien niet enkel: sluit ze toe,
+Nog zien ze, tot in 't eindeloos verschiet.
+Keer in u-zelf! Voelt ge uw herschepping niet,
+Of was u ooit op aarde als thands te moê?
+
+HIJ.
+
+Mijn hart is als een bodemlooze zee:
+Bewogen, maar toch kalm, vol diepen vreê.
+Ja, als ik rond mij zie, mij-zelv' herken,
+Mijn hart doorvorsch, uw hand zoo teeder druk,
+Vervult mij zulk een waereld van geluk,
+Alsof ik zalig in den Hemel ben!
+
+ZIJ.
+
+Gij zijt het!
+
+HIJ.
+
+ 'k Moest dan eerst gestorven zijn...
+
+ZIJ.
+
+Gij zijt het! Hebt gij dan niet lang gesmacht
+Op 't ziekbed, in mijn laatste kamerkijn,
+Waar ge op uw eigen wensch wordt heengebracht?
+Heeft niet uw lieve zoon u dag en nacht
+Zoo trouw verpleegd, zoo zorgelijk behoed,
+Terwijl hij u geen oogenblik verliet?
+Zaagt gij dan nacht en dag den teedren groet
+Dier oogen van uw lieve dochter niet,
+Verdronken in een heeten tranenvloed,
+Maar nooit geloken? Voer een zachte schok
+Niet eensklaps als een huivring door uw leên?
+En zeeg daar niet een nachtfloers om u heen,
+Dat d'aanblik uwer kindren u onttrok?
+
+HIJ.
+
+Ik stierf!.... O Heer van levenden en doôn.
+Ik dank U op mijn knieën, dat ge aan mij
+Uw wonder hebt volbracht, zoo groot, zoo schoon,
+Dat ik, ook ik--O Heer! hoe goed zijt Gij!--
+Niet sterven slechts, maar zálig sterven mocht!
+Gij weet, o Heer! hoe menigmalen ik
+Gepeinsd heb aan dat uiterst oogenblik,
+En in 't gebed Uw aanschijn heb gezocht,
+U smeekend, dat Gij-zelf--ik kon het niet--
+Mij zóo mocht voorbereiden, dat de dood
+Mij eenmaal zacht en zalig de oogen sloot!
+Nu, Heer! Gij, die geen biddend hart verstiet!
+Die beê, gelijk al de andren, werd bekroond.
+Ook hier, als immer, hebt Ge U groot getoond
+En heerlijk, vol van liefde en medelij'!
+Wat eenmaal vóor mij stond, is nu voorbij.
+Ik stierf, eer ik mijn sterven heb vermoed:
+Ik ondervond slechts dit: de Dood is zoet!
+Gelijk een Moeder 't ingesluimerd wicht
+Uit de enge wieg in 't lieve lentelicht
+Ter nederzet: zóo hebt Ge mij al zacht
+Van de Aarde naar den Hemel heengebracht.--
+En nu, mijn lieve! laat mij gaan....
+
+ZIJ.
+
+ Waarheen?
+
+HIJ.
+
+Gij vraagt het nog? Tot wien dan Hem-alleen?
+'t Is alles hier zoo heerlijk: dat geboomt',
+Die bloemenhof, dat blauwe luchtgewelf,
+Dat water, dat verkwikkend nederstroomt,
+Die morgenwind, zoo balsemvol, gij-zelf,
+Gij, die ik steeds in 't weenend harte droeg,
+En nu, na zooveel smarts, de mijne weêr!--
+En echter is dit alles niet genoeg.
+Hém moet ik zien, mijn Heiland en mijn Heer!
+Hoe feestlijk Hij zijn blijden Hemel tooit,
+De Hemel-zelf vergoedt Zijn afzijn nooit.
+Hij maakte mooglijk wat onmooglijk was:
+Hij ging niet heen eer Hij mijn hart verwon,
+Hij liet niet af eer Hij mijn ziel genas,
+Hij maakte dat ik zalig sterven kon!
+Eer ik geboren werd, nam Hij mij aan....
+Waar is nu de Aard? Daar draait ze, een kleine ster
+In welk een nacht gewikkeld, en hoe ver!
+Ik zou niet gaarne op nieuw naar de Aarde gaan.
+Hij daalde er neêr--Hij deelde er onzen nood:
+Hem heeft in 't stof gehongerd en gedorst,
+Hij ving er in de Goddelijke borst
+Alle angsten, alle pijlen van den dood!
+O, scherpte Hij mijne oogen, dat ik toch
+De diepten van Zijn lijden méer doorzag'!
+Mij kocht Hij op dien grooten stervensdag;
+En wetend, hoe de zonde met bedrog
+Hem 't Zijne zoekt te ontstelen, bleef Hij mij
+Van de allervroegste kindschheid af nabij.
+Van alles wat Zijn liefde voor mij deed,
+Erkende ik daar beneden veel, maar nu
+Erken ik toch al meerder; en ik weet,
+Nog meer zal ik erkennen: want met u
+Wil 'k alles overleggen--naderhand,
+Thands niet!--ik ben ontroerd--mijn harte brandt--
+Ik heb geen rust of duur eer ik Hem vond:
+Ik wil Hem zien, Hem danken, als mijn mond
+Nog danken kan, wanneer Hij vóor mij staat,
+En dit mijn hoofd zal buigen aan zijn voet....
+Hem danken, als maar niet in d' overvloed
+Der vreugde ook zelfs 't gevoel van dank vergaat!...
+
+ZIJ.
+
+Gij zult Hem zien: maar als Hij komt; niet eer.
+Tot zoolang zij uw ziel daar binnen stil.
+Hij zond mij uit de hoogte tot u neêr,
+Opdat gij weten zoudt dat Hij het wil.
+
+HIJ.
+
+Nu blijkt het, ja, 'k moet in den Hemel zijn:
+Want immers, zonder worsteling of pijn
+Voegt naar _Zijn_ wil de _mijne_ zich terstond!
+Ik had gedacht, als ik mijn Heer niet vond,
+'t Zou me onverdraaglijk zijn; en niet alleen
+Verdraag ik dat, maar gaarne: zóo is 't goed,
+_Hij_ wil het, _ik_ wil 't ook. Het zal, het moet:
+Zou daar iets anders mooglijk wezen? Neen!
+Ziet, zoo gemaklijk ging het niet op Aard.--
+Maar zond Hij u, dan spraakt gij ook met Hem,
+Dan hoordet gij wel menigmaal Zijn stem?
+
+ZIJ.
+
+Wel menigmaal.
+
+HIJ.
+
+ O, hoe benijdenswaard!
+Gij, waarlijk zalige!.... Ach, hoe was u toch,
+Toen gij Hem 't eerste hoordet? Weet gij 't nog?
+
+ZIJ.
+
+Mij was te moê--als iedren laatsten maal.
+Ik spreek nu nog met u in aardsche taal:
+Dáarin beschrijft men zoo iets niet!
+
+HIJ.
+
+ Wist gij
+Bij de allereerste ontmoeting: "dat is Hij?"
+
+ZIJ.
+
+Bij de allereerste ontmoeting.
+
+HIJ.
+
+ Door een gloed
+Van stralen, die alle Englen scheemren doet?
+
+ZIJ.
+
+Hij heeft geen glans van nooden: buitendien
+Herkent men Hem.
+
+HIJ.
+
+ Wat dunkt u, zal ook ik
+Hem kennen bij den allereersten blik?
+
+ZIJ.
+
+Uw hart zal Hem herkennen: Hem te zien,
+Is Hem herkennen.
+
+HIJ.
+
+ En Zijn eerste woord,
+Hoe zal het zijn? zachtmoedig, of--verstoord?
+Beneden, als ik worstelde in 't gebed,
+Heeft meer dan eens Zijn strengheid mij verplet.
+
+ZIJ.
+
+Hij wist wat wij behoeven, en Hij bond
+Wel menigmaal Zijn volle teêrheid in:
+Hier stroomt ze vrij.--Zijn liefde heeft begin
+Noch eind: daar ginds heeft niemand haar doorgrond,
+En eigenlijk hier Boven, evenmin!
+
+HIJ.
+
+Bestaat hier dan misschien nog onderscheid,
+Een meer of min van vreugde en heerlijkheid?
+
+ZIJ.
+
+Voorzeker. Maar de Meesten hier omhoog
+Zijn ook de needrigsten en sluiten steeds
+Zich bij de Minsten aan. En dat misprees
+Hij nooit, die, zelf de Grootste in aller oog,
+In aller oog de needrigste is. Zoo wijkt
+Weêr 't onderscheid, waar ieder Hem gelijkt,
+En in Hem allen éen zijn.
+
+HIJ.
+
+ 'k Dacht op aard
+Zoo vaak: als ik den Hemel maar begroet,
+Als maar de groote ellend mij wordt gespaard,
+Dat ik met 's Heeren haatren leven moet!
+Ontsluit zich maar des Hemels lichtgordijn,
+Ik wil er gaarne een dorpelwachter zijn.
+Mij dacht, gij zoudt in eindloos hooger sfeer
+Vertoeven; en de kindren ook, als zij
+Onze aard verlieten; en ik wenschte er bij,
+U allen, ware 't ook éen enklen keer
+Na honderd jaar, te ontmoeten; en den Heer
+Al ware 't éenmaal om de duizend jaar....
+'k Sloeg nog de handen dankende in elkaâr!
+
+ZIJ.
+
+Wees wel te moê. Met eere neemt Hij aan
+Al wie Hij aanneemt. Heeft Zijn dierbaar Woord
+Die waarheid ons niet heerlijk doen verstaan?
+
+HIJ.
+
+Zij leeft voor immer in mijn binnenst' voort:
+En 'k zie aan u wat groote heerlijkheid
+En eere Hij den Zijnen heeft bereid.
+O, tusschen 't beeld dier kranke, dat ik thans
+Weêr voor mij zie, en dezen hemelglans,
+O, tusschen de arme bloem, die uitgebloeid
+Den steel ontzonk, en deze Hemelroos,
+Wat onderscheid! Neen, 't blosjen, dat daar gloeit,
+Verwelkt niet meer door d' ademtocht des doods.
+Nooit sterft het licht, dat uit die oogen schijnt;
+Die leest wordt door geen jaren ondermijnd!
+Zóo zult gij altijd wandlen aan mijn zij',
+Zóo voert gij mij de Vaderwoning door;
+En ook--tot hen die ik op aard verloor,
+Tot al mijn lieve dooden leidt gij mij!
+
+ZIJ.
+
+Gij zult hen zien, als ge eerst uw Heiland zaagt.
+
+HIJ.
+
+Dat was een feest, wanneer wij vader dan
+Bezochten op zijn dorp! Die brave man,
+Hoe werd er 't allereerst naar hèm gevraagd,
+Hoe zochten we, als de wagen stil bleef staan
+En allen ons begroetten om het zeerst,
+Zijn eerbiedwaardig aangezicht het eerst!
+Hoe zoet was dan die stille vreugdetraan....
+Hoe zoeter nog zal hier het weêrzien zijn!--
+Hij, die zoo blijd de minste vreugd genoot,
+Wien 't kleinste bloemtje' een heerlijk schouwspel bood,
+Wiens hart ontlook in elken zonneschijn;
+Hij, die zoo gaarne en vaak naar buiten trad,
+De starren groette aan 't eindloos heiligdom,
+En de Almacht, die de starren schiep, aanbad--
+Hoe zal hij _hier_ genieten, waar alom
+Hem 't Heilige der Heilgen opengaat,
+Waar hij de hóogste wondren gadeslaat!
+Hij, wien de minste gunst zoo innig trof,
+Hij, die den Heer zoo vurig danken kon
+Voor elken druppel uit Zijn liefdebron,
+Hoe zal hij hier versmelten in Zijn lof,
+Waar hij mag drinken uit alle' overvloed!
+"Tot weêrziens!" klonk zijn allerlaatste groet
+Bij d'afscheidskus: "Tot wederziens, mijn zoon!
+Dat zal een danken wezen voor Gods throon!"
+
+ZIJ.
+
+Ras ziet gij hem, ras ziet ge uw moeder weêr.
+
+HIJ.
+
+Mijn moeder! ach, die reine, teedre ziel,
+Wat is zij vroeg verreisd naar beter sfeer!
+Ik telde geen drie jaar, toen zij me ontviel.
+"Ach," snikte ze in den laatsten worstelstrijd,
+(Ik had het hoofdtjen op haar schoot gevlijd)
+"Mijn kind, dat ik zoo innig heb bemind,
+"Wat wordt er van mijn kind!".... O vrouw, zie neêr!
+Al wat een mensch kan worden, werd uw kind:
+Een Godskind, een verloste van den Heer!
+Dat is genâ, dat deed de Alzegenaar,
+Maar ook op uw gebed!--Niet waar?
+
+ZIJ.
+
+ 't Is waar.
+'k Heb dikwerf met onze ouders u herdacht.
+
+HIJ.
+
+Is X. hier?
+
+ZIJ.
+
+ Ja.
+
+HIJ.
+
+ Dat had ik niet verwacht.
+Foei, dat was slecht: ben ik dan ook hier niet?
+Maar nu, die dierbren die ik achterliet,
+Ontfang ik kennis van hun lot op aard,
+Of blijft dat voor het wederzien bewaard?
+
+ZIJ.
+
+Gij zelf bezit het andwoord op die vraag:
+Gij weet waar de Aarde ligt: blik naar omlaag!
+
+HIJ.
+
+Ik doe het, maar zie niets dan duisternis.
+
+ZIJ.
+
+Houd vol, en wil zien. Ziet ge nu?
+
+HIJ.
+
+ Gewis!
+En duidlijk ook! De plaats is mij bekend:
+Het kerkhof is 't, waar ik uw dierbaar lijk
+Ter rust bracht in de stille doodenwijk.
+Daar heb ik vaak mijn schreden heengewend:
+Ik noemde 't mijn groen plekjen der woestijn,
+Ik knielde er neêr met tranen en gebeên.
+En sloeg er de oogen naar den Hemel heen,
+Den Hemel, ach! waar wij nu beide zijn!
+Zie, dacht ik dan, nu wandelt ze in den Hof
+Des Levens, tusschen bloemen en geboomt',
+Zoo zij dan ook de rustplaats van haar stof
+Met groene boomen en gebloemte omzoomd!
+Zoo rees daar dan een boschje, een bloemengaard,
+En 't schoonste wat elk jaargetijde gaf,
+Bloeide als een krans der liefde bij uw graf.
+
+ZIJ.
+
+Ik wist het wel. Zie verder nederwaarts:
+Wat ziet gij nu?
+
+HIJ.
+
+ Een tweede graf, zoo pas
+Gedolven naast het uwe in 't groene gras.
+De kerkhofdeur draait op heur hengsels rond,
+Een lijkkist, zie! mijn kindren volgen haar....
+Wat weent gij toch zoo bitter bij die baar,
+Mijn kindren! Och, of ge ons aanschouwen kondt
+Gelijk wij u aanschouwen--neen, geen traan
+Zou vloeien, dan van stille vreugde in God.
+De kist daalt in de groeve--'k zie haar staan:
+Een schop vol aard rolt neder--'t is gedaan.
+Nu sluit men 't graf, nu rust mijn overschot
+Bij 't uwe. Keert, geliefden! keert in vreê,
+En draagt van 't heil, dat ons de Heer verleent,
+Een hemelsch voorgevoel in 't harte meê!
+Keert dikwerf weêr! bezoekt het grafgesteent'
+Der ouderen! Als gij daar bidt en weent,
+Dan zullen ze u nabij zijn met den troost
+Des Heeren. O, blijft wandlen aan Zijn hand:
+Hij weet den waren weg naar 't Vaderland.
+Dat hebben we ondervonden, dierbaar kroost!
+Dáar brengt Hij, na de korte scheidenspijn,
+Ons eeuwig saam!
+
+ZIJ.
+
+ Ja, Amen! Zoo zal 't zijn.
+
+HIJ.
+
+Hebt gij die andre klanken daar gehoord?
+Als vele waatren ruischen ze ons voorbij,
+Maar ondermengd met luit- en harpakkoord!
+Zij stroomen door den gantschen Hemel voort.
+En hoor! nu ruischt het van eene andre zij'
+Weêr anders, maar met de eigen harmony!
+Dat is verrukkend! dat is wonderbaar!
+Wat mag dat zijn?
+
+ZIJ.
+
+ 't Zijn Englen, die elkaâr
+Toezingen uit de verten.
+
+HIJ.
+
+ En wat dan
+Bezinge zij?
+
+ZIJ.
+
+ Hem, altijd Hem, Wiens eer
+Geene eeuwigheid naar eisch volzingen kan!
+
+HIJ.
+
+Ginds wandelt een gestalte al op en neêr.
+
+ZIJ.
+
+Beschouw haar goed: wien denkt ge, dat gij ziet?
+
+HIJ.
+
+Gij weigert mij, die de aarde pas verliet,
+Eene aardsche, een zwakke vergelijking niet?--
+Bij 't huis, waar ik geboren ben--gij waart
+Toen ik het weêr betrok, niet meer op aard,
+Maar weet het toch--had ik een tuin geplant.
+Kwam dan de lent', dan trad ik door 't plantsoen,
+Om na te gaan of alles wat mijn hand
+Gepoot had, leefde en tierig stond en groen.
+Daar waren boomen, struiken, overal,
+En leliën en rozen zonder tal;
+Toch kende ik ieder struikjen even goed;
+Ik had het zelf voor wind en weêr behoed,
+Gedrenkt en opgebonden en besproeid.
+Als ik dan oud en jong in nieuwe jeugd
+Ontwikkeld zag en heerlijk opgebloeid,--
+Dan klopte mij het hart van zoete vreugd.
+Zóo schijnt mij die daar ginds zijn schreden wendt,
+De hovenier uit deze Hemelgaard!
+Hij wandelt rond, zoo rustig, zoo bedaard,
+Toch merkt men wel hoe goed hij alles kent.
+Tevreden blikken slaat hij wijd en zijd;
+Niets schijnt er aan zijn vriendlijk oog te ontgaan.
+'t Is of die schepping hier hem recht verblijdt--
+Maar hoe, wat wondere aandrift grijpt mij aan?
+'t Was alles zacht en kalm wat ik ervoer:
+Waar is mijn rust gebleven? Ik ontroer.
+Wat stormt er zoo door borst en aadren heen?
+Een nevel ligt op alles uitgespreid:
+De Hemel-zelf in al zijn majesteit
+Deinst uit mijn oog:--'k zie hem en hem-alleen!
+Het is mij bijna weêr als voelde ik smart,
+Maar in die smart ligt hooger zaligheid!
+Een wonderbaar verlangen trekt mijn hart
+Tot hem: ik ken hem en ik ken hem niet.
+'k Weet, dat mijn oog hem nu voor 't eerste ziet,
+Toch is het mij als zag ik--maar wanneer?
+Misschien wel in een droom?--die trekken meer.
+Nu nadert hij. Hij ziet van verre ons aan.
+'t Is of hij zich verblijdt op ons gezicht.
+Zie, in die oogen, enkel liefde en licht,
+Weêrblinkt iets als een stille vreugdetraan.
+Ik kan mij niet weêrhouden. Neen, ik moet
+Nabij hem zijn, hem zeggen, duizend keer
+Herhalen, dat mijn ziel hem liefheeft, meer
+Dan al wat ze ooit met liefde heeft begroet.
+Hij hoort ons: zie, hij lacht ons minzaam toe:
+Hij strekt de handen naar ons uit--maar hoe!
+Likteekens in die handen! en een gloed,
+Die uit die teekens straalt! O Heerlijkheid!
+Ja, 't is wel zóo, dat zijn die handen nu,
+Doorgraven eens, thands zeegnende uitgebreid!
+Hij zegent ons. O diep gevoel ik u,
+Gij, eerste zegen hier omhoog! want ja,
+Nu weet ik het, de Hemel is nabij,
+De Hemel is hier binnen! Dat is Hij,
+Nu weet ik het! Hij is 't!
+
+ZIJ.
+
+ Hij roept u: ga!
+
+
+
+
+
+DE VIER WINDEN.
+
+INDIAANSCHE LEGENDE.
+
+(Uit: "The Song of Hiawatha.")
+
+
+"Eeuwige eer zij Mudjekeewis!"
+Riepen oorlogsliên en grijzen,
+Toen hij met den wampumgordel
+Zegevierend huiswaarts keerde
+Uit de Noordenwindkontreiën,
+Uit het koninkrijk Wabasso,
+'t Vaderland van 't wit konijntjen.
+ Dáar stal hij den wampumgordel
+Van den nek van Mishe-Mokwa,
+D' ongelikten beer der bergen,
+Uren ver den schrik der volken,
+Als hij met zijn volle zwaarte
+Slapend neêrlag op den bergtop,
+Als een rots met mosch bewassen,
+Rosschig bruin en grijsgespikkeld.
+ Zachtkens sloop hij naar hem henen,
+Tot hem 's monsters roode nagels
+Haast beroerden, haast verschrikten,
+Tot de wasem van zijn neusgat
+Mudjekeewis' handen warmde,
+Die den wampumgordel heentrok
+Over de ooren, die niet hoorden,
+Over de oogen, die niet zagen,
+Langs de zwarte snoet en 't neusgat,
+Dat, met heeten adem hijgend,
+Mudjekeewis' handen warmde.
+En verheugd den strijdaxt zwaaiend,
+Onder 't juichen van een krijgskreet,
+Trof hij plotsling Mishe-Mokwa,
+Trof hij hem op 't ruige voorhoofd,
+Juist in 't midden, tusschen de oogen.
+ Door den rouwen slag verbitterd,
+Rees de groote beer der bergen;
+Maar zijn logge knieën beefden,
+En hij jammerde als een meisjen,
+Als hij stromplend voorwaarts wankte,
+Als hij op zijn schenkels hurkte.
+En de sterke Mudjekeewis,
+Zonder vreeze voor hem staande,
+Hoonde hem met luiden spotlach,
+Dus verachtend hem begroetend:--
+ "Hoor, gij beer! gij zijt een flauwert,
+"En geen held, zooals gij voorgeeft,
+"Anders zoudt gij niet zoo krijten,
+"Niet zoo jammren als een meisjen!
+"Beer! gij weet het, onze stammen
+"Zijn elkander lang vijandig,
+"Lang reeds krijgden wij te samen;
+"Wij, nu merkt gij 't, zijn de sterksten,
+"Daarom deinst gij naar de bosschen,
+"En verschuilt ge u in de bergen!
+"Waarlijk, hadt ge mij verwonnen,
+"Zucht noch kreun hadt gij vernomen;
+"Maar daar zit gij, beer! en jammert,
+"En onteert uw stam door klagen,
+"Als een slechte Shaugodayn,
+"Als een best van honderd jaren!"
+ Weêr deed hij den strijdaxt gonzen,
+Nog eens trof hij Mishe-Mokwa
+Midden op het ruige voorhoofd,
+En vergruisde hem den schedel,
+Even als de tred des visschers
+In den winter ijs vergruizelt.
+Zoo bezweek dan Mishe-Mokwa,
+De ongelikte beer der bergen,
+Uren ver de schrik der volken!
+ "Eeuwige eer zij Mudjekeewis!"
+Juicht het volk met duizend stemmen:
+"Eeuwige eer zij Mudjekeewis!"
+"Westenwind, dat zal hij wezen,
+"En na dezen en voor immer
+"Zal hij heerschappije voeren
+"Over al des hemels winden!
+"Noem hem niet meer Mudjekeewis,
+"Maar den Westenwind, Kabeyun!"
+ Alzoo werd nu Mudjekeewis
+Vader aller hemelwinden.
+'t West behield hij voor zich-zelven,
+De andren gaf hij aan zijn kindren,
+D' Oostenwind gaf hij aan Wabun,
+'t Zuid' gaf hij aan Shawondasee;
+En den Noordenwind, den ruwen
+Grimmigen Kabibonokka.
+ Jong en lieflijk schoon was Wabun;
+Hij was 't, die den morgen wekte,
+Hij, wiens zilvren vleugelpijlen
+'t Donker voor zich henenjoegen;
+Hij, wiens zachte wangen gloeiden
+Van de hoogste purperblosjens,
+Hij, wiens stem de dorpsjeugd wekte,
+'t Boschhert opriep, en den jager.
+ Eenzaam zat hij aan den hemel:
+Of de vogels vroolijk zongen,
+Of de bloemtjens van de weiden
+Hem de lucht met geuren vulden,
+Of de bosschen en de stroomen
+Bij zijn naadring juichend zongen,
+Altijd treurig sloeg hem 't harte,
+Want hij was alléen daarboven.
+ Maar op zeekren vroegen morgen,
+Als het dorpjen lag te slapen,
+En de mist daarhenen rolde
+Als een geest bij 't ochtendkrieken,
+Ziet! daar zag hij, nederblikkend,
+In een weide een jonkvrouw wandlen,
+Die er eenzaam lelies plukte
+Bij een beekjen in de weide.
+ Elken morgen, nederblikkend,
+Was het eerst wat hij aanschouwde
+Altijd weêr heur blauwende oogen,
+Hem verwachtend, hem begroetend,
+Blauwe meiren tusschen 't biesbosch.
+En hij minde 't eenzaam meisjen,
+Dat daar steeds zijn komst verwachtte;
+Want zij waren beiden eenzaam,
+Zij beneden, hij daarboven.
+ En hij maakte 't hof haar kozend
+Met zijn zoetste zonnelachjens,
+Met zijn zachtste fluisterwoordtjens,
+Met zijn zuchtjens en zijn zangen,
+Met zijn fluistren in de twijgen,
+Met zijn toontjens, met zijn geurtjens;
+Tot hij haar in de armen drukte,
+In zijn purperkleed haar hulde,
+En veranderde in een starre,
+Eeuwig trillende aan zijn boezem;
+En nu ziet men ze aan den hemel
+Immer en te samen wandlen,
+Wabun en de Wabun-Annung,
+Wabun en de Morgensterre!
+ Maar het Noord, Kabibonokka,
+Woonde tusschen ijsgebergten,
+In een eindloos sneeuwgedwarrel,
+In het koninkrijk Wabasso,
+In het land van 't wit konijntjen.
+Hij was 't, hij, wiens hand des najaars
+Al de boomen vuurrood kleurde,
+Rood en geel de blaâren plekte;
+Hij was 't, die de vlokken strooide,
+Sissend, fluitend door de bosschen;
+Die rivier en meir versteende,
+Die de meeuw naar 't Zuiden heendreef,
+En den zeeraaf en den reiger
+Naar hun nest van riet en zeegras,
+Op 't gebied van Shawondasee.
+ Eens, daar trad Kabibonokka
+Grimmig uit zijn warrlend sneeuwhuis,
+Uit zijn huivrige ijsbergtente;
+En zijn hair, met sneeuw besprenkeld,
+Vloog hem na in zwarte golven,
+Als de wilde winterbeeken,
+Toen hij huilend Zuidwaards jaagde
+Over ijszee en moerassen.
+ Daar, omringd van riet en biezen,
+Vond hij Shinbegis, den duiker,
+Snoeren aangeregen visschen
+Na zich sleepend over d' ijsvloer,
+Langs bevrozen veen en moerland,
+Waar hij enkel nog vertoefde;
+Want zijn stam was lang vertrokken
+Naar het Land van Shawondasee.
+ Toornig riep Kabibonokka:
+"Wie vermeet zich mij te tarten?
+"Wie durft in mijn rijk vertoeven,
+"Als de Wawaas zijn verdwenen,
+"Als de gans naar 't Zuiden klepte,
+"En de reiger, de Shuh-shuh-gah,
+"Lang alreê vertrok naar 't Zuiden?
+"'k Zal zijn wigwam binnentreden,
+"En zijn smeulend vuur wel dooven!"
+ 's Nachts, daar trad Kabibonokka
+Barsch en dreigend naar de woning,
+Hoopte sneeuw op rond de wanden,
+Dreef dan rook weêr in de schouwe,
+Schudde' deurpost en gebindten,
+Deed de tochtgordijnen waaien.
+Shingebis, de duiker, hoorde 't,
+'t Was hem altemaal om 't even:
+Want hij had vier groote blokken,
+Om zijn haardsteê meê te warmen:
+Elk een brandstof voor vier weken;
+En de visch was hem tot spijze.
+Zoo dan zat hij bij de vlammen,
+Warm en prettig, etend, lachend,
+Zingend: "O Kabibonokka,
+"Toch zijt gij mijn medestervling!"
+ Woedend trad Kabibonokka
+Nu de hut des duikers binnen.
+Shingebis, de duiker, voelde 't,
+Voelde 't aan de groote koude,
+Aan dien adem, kil en ijzig.
+Toch hield hij niet op met zingen,
+Toch hield hij niet op met lachen;
+Maar hij keerde 't blok eens omme,
+Liet de vlam wat hooger flikkren,
+Liet een rosschen vonkenregen
+Gonzend door de schouwe vliegen.
+ Van Kabibonokkaas voorhoofd,
+Van zijn witbesneeuwde hairen,
+Droop het zweet bij stralen neder,
+Kuilen in den aschhoop borend,
+Even als de sneeuw in 't voorjaar
+Smeltend druppelt langs de goten
+En de groene sparrenstekels,
+Gaten in het sneeuwkleed halend.
+ Eindlijk was hij overwonnen,
+Onverdraaglijk was de hitte,
+Was hem 't lachen, was hem 't zingen.
+IJlings sprong hij op naar buiten,
+Waar hij stampend op de sneeuwkorst,
+Op rivier en zeeham stampend,
+De opgehoopte sneeuw nog harder,
+'t IJskristal nog dikker maakte,
+Waar hij Shingebis, den duiker,
+Uitdaagde om met hem te worstlen,
+Naakt en wapenloos te worstlen,
+Op bevrozen veen en moerland.
+ Nu begon de stoute duiker,
+Onverbleekt naar buiten tredend',
+Met den Noordenwind te worstlen;
+Heel den nacht, naakt, zonder wapens,
+Streed hij met Kabibonokka,
+Tot zijns vijands adem stokte,
+Tot zijn kille vuist verlamde,
+Tot hij huilend rugwaarts rolde,
+En verneêrd, verslagen deinsde
+Naar het koninkrijk Wabasso,
+Naar het land van 't wit konijntjen,
+Steeds vervolgd door 't schaterlachen,
+Steeds vervolgd door 't lied des duikers,
+Als hij zong: "Kabibonokka,
+Toch zijt gij mijn medestervling!"
+ Shawondasee, log en langzaam,
+Had zijn woning ver in 't Zuiden,
+In het slaaprig zonneschijntjen,
+In den eindeloozen zomer.
+Hij was 't, die de vogels uitzond,
+D'Opechee of 't roodeborstjen,
+'t Blauwe vogeltjen, d' Owaissa,
+Met de Shawshaw of de zwaluw,
+En de wilde gans, de Wawa;
+Hij, die naar het verre Noorden
+'t Nikotiaansche kruid, meloenen,
+En de purpren druiven opzond.
+ Uit zijn pijp, in blauwe wolkjens,
+Steeg de zwoele damp ten hemel,
+Heel de warme lucht doorstroomend
+Met een droomerige zachtheid,
+Alle waatren lieflijk tintend,
+Alle scherpe heuvels rondend.
+Alzoo zond hij heinde en verre
+De Indiaansche zomerweelde,
+In de maand der schoonste nachten,
+Als in 't Noord de sneeuwjacht dwarrelt.
+ Zorgloos droomde Shawondasee!
+Toch lag op zijn pad éen schaduw,
+En éen kommer in zijn harte.
+Eens, als hij naar 't Noorden blikte,
+Zag hij in een verre weide
+Een volschoone maagd, een ranke
+Slanke jonkvrouw, eenzaam staande
+Midden in een verre weide;
+Schittrend groen was haar kleedije,
+En heur hair was als de zonne.
+ Daaglijks zag hij op haar neder,
+Daaglijks zag hij neêr en zuchtte;
+Daaglijks gloeide 't hart hem feller
+Van verliefdheid en verlangen,
+Voor de goudgelokte jonkvrouw.
+Maar hij was te log en langzaam
+Om haar vroolijk 't hof te maken,
+Al te traag en al te vadzig
+Om haar vriendlijk toe te spreken.
+Zoo dan bleef hij staren, staren,
+Zitten, zuchten en verlangen
+Naar de jonkvrouw in de weide.
+ Maar op zekren vroegen morgen,
+Als hij weêr naar 't Noorden blikte,
+Zag hij 't goud der schoone lokken
+Fluks veranderd, zilverglinstrig,
+Overstrooid niet witte vlokken.
+"O, mijn broeder uit het Noorden,
+"Uit het koninkrijk Wabasso,
+"Uit het land van 't wit konijntjen!
+"Gij hebt mij de maagd ontstolen:
+"Op haar stralend Englenkopjen
+"Legdet gij de hand ter neder,
+"Gij ontvrijdet mij mijn meisjen
+"Met de faablen van uw Noordland."
+ Alzoo klaagde Shawondasee
+Aan de lucht zijn bittre smarte,
+En de vlugge wind van 't Zuiden,
+Warm van Shawondasees zuchten,
+Zweefde door de verre weide,
+Tot de lucht van vlokken vol scheen,
+En de wei van distelpluimen;
+Tot de goudgelokte jonkvrouw
+Hem voor immer was ontvloden.
+Nimmer meer zag Shawondasee
+'t Zonnig Englenkopjen weder.
+ O, bedrogen Shawondasee!
+'t Was geen jonkvrouw, waar ge op staardet,
+'t Was geen maagd, waarom gij zuchttet:
+ 't Was de Leeuwentand [1] der weide.
+Daarop zaagt gij heel den zomer
+Met dat zielsverlangen neder,
+En gij bliest haar met uw zuchten
+Van den stengel af in vlokken--
+O, bedrogen Shawondasee!
+
+ Zoo verdeelden zich de winden:
+Mudjekeewis' wakkre zonen
+Hadden dus hun vaste zetels
+Aan de hoeken van den hemel;
+Mudjekeewis hield het westen,
+Enkel 't westen, voor zich-zelven.
+
+
+
+
+
+HET PENNINGSKEN DER WEDUWE.
+
+
+Uit zijn overvloed te geven,
+ Foei, wie daar nog loon voor hoopt!
+'t Is het reinst genot van 't leven,
+ Dat men voor wat zilver koopt.
+
+Rijke! roemt ge uwe "offeranden"?
+ Wat niets kost, is weinig waard:
+Geeft ge ooit d' arbeid uwer handen?
+ Hebt ge uit eigen mond gespaard?....
+
+In baatzuchtige miskenning
+ Weegt de mensch--het blinkend slijk.
+Arme Weeûw! een enkle penning
+ Geldt bij God een Koninkrijk!
+
+
+
+
+
+DES NEGERS KLACHT.
+
+
+Ver van mijn huis en erve,
+ Geslingerd op de zee,
+Om vreemden rijk te maken,
+ Nam mij de dwingland meê.
+Voor wat armzalig zilver
+ Kocht en verkocht men mij--
+Maar, klemt de slavenketen,
+ De zielen blijven vrij!
+
+De onbandige gedachte
+ Zoekt, Blanken! naar het recht,
+Waarmeê ge uws Meesters doornen
+ Ons om de slapen vlecht.
+Heeft mij als u geen moeder
+ Gedragen onder 't hart?
+En vraagt misschien de Liefde
+ Als gij naar wit of zwart?
+
+Waartoe de plant geschapen,
+ Waarvoor ik zwoegen moet?
+Verschroeit haar, o mijn tranen!
+ Verstik haar, o mijn bloed!
+Ach, dacht gij 't in, gij meester!
+ Hoe duur uw feestvreugde is,
+Wat schouders zijn verbrijzeld,
+ Voor 't zoete van uw disch!
+
+Regeert er Éen daarboven,
+ Wiens vonnis ons verwees?
+Heeft Hij bevel gegeven
+ Te handlen in ons vleesch?
+Heeft Hij de zweep gevlochten,
+ Den boei zoo vast geschroefd,
+Die onze kranke leden
+ Tot op 't gebeente groeft?
+
+Hij andwoordt--in de stormen,
+ Die schepen doen vergaan,
+Die steden en plantaadjes
+ Tot gruizels nederslaan;
+Hij ziet vergramd Zijn kindren
+ In 't martelbloed vertreên,
+En dondrende op uw daken,
+ Spreekt Hij Zijn heilig: "_NEEN_!"
+
+O, bij ons bloed, vergoten
+ In wilde menschenjacht,--
+Bij 't lijden en de ellende,
+ Waarmeê ge uw vloot bevracht,--
+Bij 't stijgen van den jammer,
+ Die op uw markten gilt,--
+Bij 't harte, dat verbroken
+ In duizend boezems trilt,--
+
+Niet langer dus Gods schepsel
+ Beneden 't dier verlaagd,
+Alleen omdat zijn voorhoofd
+ Uw bleeken tint niet draagt!
+Gij slaven van uw zilver,
+ Die 't recht der menschheid schent,
+Toont menschlijke gevoelens
+ Eer gij ze in ons ontkent!
+
+
+
+
+
+O ZOETE SLUIMERING.
+
+ Sic juvat perire.
+
+
+ O zoete sluimring in der graven schoot,
+Wanneer 't geloof de peluwe mag spreien!
+Hoe heerlijk is het sterven voor die schreien,
+ Die schreien en verlangen naar den dood!
+
+ Ziet gij dat bed, waar duizend bloemtjens staan,
+Die geurend biddend, fluistrend Amen zeggen?
+Dáar wenschte ik 't moede hoofd ter rust te leggen,
+ Dáar, de afgebeden grafrust in te gaan!
+
+ O, dat geen traan mijn zerk besproeien moog',
+Geen dan de dauwdrup, die er 's avonds glore!
+O, dat geen zuchtjen er de stilte store,
+ Geen dan het suizend windtjen van omhoog!
+
+
+
+
+
+AAN WALTER SCOTT.
+
+Op zijn vijftiende jaar.
+
+
+Klinkt reeds de toon zoo zoet, uw vroege jeugd ontschoten,
+ Waarin verbeelding nog in 't licht der waarheid gloeit,
+Ontroeren ons reeds thands uw goddelijke noten,
+ Waarmeê, in zoete smart, uw ziel te samenvloeit:
+O, wat bewondering zal dan uw deel niet wezen,
+ Wanneer de wetenschap uw rijken geest beschijnt,
+ Uw smaak veredelt en verfijnt,
+En uw ontwaakt Genie, in vlammen opgerezen,
+ In al zijn kracht verschijnt!--
+
+Ga, dierbre Jongling, ga! Blijf op het pad volharden,
+ Dat, u ten heil, natuur met rozenbloesems tooit!
+ Smeek groeikracht voor het zaad, zoo kwistig uitgestrooid!
+En rukk' geen wervelwind de jonge loot aan flarden,
+ Die eens dat zaad ontspruit en 't jeugdig blad ontplooit!
+ Ga, moge u moed noch kracht ontbreken,
+En wil, met de almacht van de Dichtkunst toegerust,
+ De boezems niet in weelde en dartle drift ontsteken,
+ Maar in 't gewijde vuur van reine hemellust!
+Wees gij gelukkiger in Vriendschap en in Liefde
+ Dan al te vaak, helaas! de Dichter wezen mag!
+En blink' de roem, wiens straal nu de uchtendwolkjens kliefde,
+ Eenmaal voor U in vollen dag!
+
+ Veracht den Hoogmoed en 't Vooroordeel!
+ Sta Rede en Waarheid U ter zij!
+ Blijv' stille Needrigheid op al uw schreên U bij,
+En wacht alleen van Deugd en zuivre Oprechtheid voordeel!
+ Zoo smaak dan voorspoed, vrede en roem!
+Zoo blijv' de zoetste vreugd u op uw weg bejeegnen!
+ En o! pluk méer op aard dan huldes morgenbloem--
+God zal uw levensloop en Keith uw liedren zeegnen!
+
+
+
+
+
+BIJ DE ZEE.
+
+
+ Mijn geest is vol van schoonheid, en mijn hart
+Van vreugde? Neen: 't is zacht, maar diep bewogen:
+ Een wisseling van zaligheid en smart
+Lokt, bitterzoet, de tranen mij naar de oogen.
+ Geur zachtkens voort, gij frissche bloemenzoom!
+ Uw kalmte sust mijn wilden gloriedroom:
+Mijn trots versmelt, 'k Zou thands niet kunnen haten....
+Och, of die zucht mij nimmer mocht verlaten!
+
+ Gij heldre vliet, die tusschen rozen glijdt,
+Wat rept ge u dus om de open zee te ontmoeten?
+Gij zult (te laat!) die ijdele onrust boeten:
+ Want u verwacht een waereld vol van strijd.
+Blijf hier; behoud uw weelderige dalen,
+ Het ruischend lied, waarmeê uw golfjen springt,
+ Dat dag en nacht de lieve zon bezingt,
+Het maantjen en de starren, die in 't dwalen
+U volgen, en u kussen met haar stralen!
+ O de oceaan.... gij kent den wilde niet:
+Hij schuimbekt.... hoor, hoe daar zijn kreten loeien!
+De reus rijst op, en schudt de onzichtbre boeien,
+ En brult, of hij zijn kerker openstiet;
+Hij woelt en tobt, als om, met ijzren vingren,
+Wat ademt in zijn diepte neêr te slingren.
+
+ Gij spiegel van d' Oneindige! mijn oog
+Zoekt vruchteloos op uw onmeetbre stroomen
+ Een plekjen waar het eindlijk rusten moog':
+Zij weemlen voort, wijd, boômloos, zonder zoomen,--
+ Tot mijn gedachte in doffe duizeling
+ Ter nederzinkt. Toch houdt uw tooverkring
+Haar vast. Ze ontwaakt en zweeft weêr op uw baren,
+ En stroomt met die al verder, en daar blauwt
+ Geen grenspaal op. Gij, waatren! gij zijt oud
+Gelijk gij sterk zijt. Want onheugbre jaren
+ Rolt gij daarheên. Gij jammerdet een klacht,
+Eer nog een oor uw stem heeft mogen hooren.
+ Gij, weeprofeet van een aanstaand geslacht,
+ Gij, levend graf, wachtte in den langen nacht
+Uw arbeid af, eer iemand was geboren.
+ De stonde sloeg: heraute van den Dood,
+ Verzwolgt ge heel de waereld in uw schoot.
+En weder klonk, bij 't somber golfgewemel,
+Uw kreet alleen door d'uitgestorven hemel!
+
+ En schoon het drooge is weêrgekeerd, o Zee!
+Wat met u gaat is droef en neêrgeslagen:
+ De schuwe zeemeeuw deelt uw eigen wee,
+Uw eigen geest, in snerpend jammerklagen.
+ Het hooge klif ziet uit zijn grauwe sfeer
+ Zwaarmoedig op uw witte branding neêr;
+
+En ruischend staan aan d' oever uwer golven
+ De dennen daar, en mengelen hun stem
+ Als monniken ten somber Requiem
+Voor al de dooden, in uw schoot bedolven!
+
+
+
+
+
+LENTEZUCHT.
+
+
+Weêr ontwaakt gij, bloeiende Aard'!--
+Door geen boeien meer bezwaard,
+ Doet ge uw lofzang schaatren;
+En, glimlachende in de zon,
+Die de vrijheid hun herwon,
+ Vloeien thands uw waatren.
+
+Weêr ontwaakt gij, bloeiende Aard!--
+Wie zou suffen bij den haard,
+ Daar uw jonkheid keerde?
+Tooi en plooi uw loovertent,
+Als toen de allereerste lent'
+ 't Paradijs regeerde!
+Schalle uw vogel 't uit van vreugd,
+Met den toongalm die hem heugt
+ Sints uw morgenstralen--
+Ach, maar éens groent onze jeugd,
+ De uwe, duizend malen!
+
+Weêr ontwaakt gij, bloeiende Aard!--
+Als toen 't blauwend wolkgevaart
+ D' eerstlingknop deed geuren....
+O, mijn neêrgebogen hart,
+Zeg, nu alles levend werd,
+ Zult gij langer treuren?
+
+Al te lang suste u de Min
+Met haar kranke droomen in,
+ In gewaand genuchte:
+Slaapt ge voort, in wangevoel,
+Zonder werking, zonder doel,
+ Schoon uw jeugd ontvluchtte?
+Neen, waak op! Het bloeiend pad
+Lokt u, of ge voorwaarts tradt
+ Roept u tot viktorie!
+Op! en, eer u, moede en mat,
+De arm des bleeken doods omvat,
+Pluk u nog een enkel blad
+ Uit den krans der glorie!
+
+
+
+
+
+EDWARD EN EMMA.
+
+ROMANCE.
+
+
+ Daar waar Caraöns zilvren vloed
+'t Bekrompen heuvelvlak dooradert,
+ Verhief, in grijsverleden tijd,
+Een rieten stulp zich in 't gebladert'.
+ Verwijderd van het stadsgewoel,
+Slechts starende op den Albehoeder,
+ Bloeide Emma hier in stille rust,
+In de armen van de beste moeder.
+
+ Auroor' gelijk, wanneer ze in 't rond
+De lentezangren doet ontwaken,
+ Zoo bloeide ook Emma de ochtendblos
+Des levens op albasten kaken.
+
+ Elk meisjen wist ze in ijverzucht,
+Elk jongeling in min te ontgloeien:
+ Zoo zien wij, bij den dageraad,
+Het roosjen op heur stengel bloeien.
+
+ De jeugdige Edward, weêrgekeerd
+Uit Schotlands overzeesche stranden,
+ Gevoelde alras zich 't hart voor haar
+In onverdoofbre min ontbranden.
+
+ En zij, zij minde ook Edward weer,
+Als hij ontgloeid in echte liefde,
+ En gaf de zaalge drift gehoor,
+Die haar het hart zoo teeder griefde.
+
+ Maar even als een schaduwbeeld,
+Dat vluchtig wegdrijft voor de winden,
+ Zoo moest al spoedig hun genot,
+Hun zoete mijmerij verzwinden.
+
+ Zijn zuster, 't vloekbaar beeld des Nijds,
+Wien Cerberus aan d' afgrond teelde,
+ Nam tandenknarsend list bij list
+Te baat tot storing hunner weelde.
+
+ De vader--maar wat woekeraar
+Kan deernis of gevoel bevatten?--
+ Zijn leven was--zijn goudtresoor,
+Zijn wellust--snoodverkregen schatten.
+
+ Nog nauw bemerkt hij 't vuur der min,
+Dat Edward in het harte gloorde,
+ Als plotseling zijn dwangbevel
+Des jonglings vreugdedroom verstoorde.
+
+ Hoe gruwzaam worstlen Liefde en Plicht
+Thands in zijn boezem met elkandren:
+ Natuur ('t kan zijn) behoudt heur recht,
+Maar--kan de oprechte Min verandren?
+
+ Vaak blijft hij, 's vaders oog ontvlucht,
+In 't overhangend groen der blaâren,
+ Op 't dierbaar meisjen van zijn hart
+Met tranen in zijne oogen staren.
+
+ Vaak dwaalt hij, bij het licht der maan,
+De barre wildernis in 't ronde,
+ En daar slaat hopelooze min
+Hem 't brekend harte wond bij wonde.
+
+ Des jonglings kaak, zoo schoon weleer,
+Is thands van 't bleek des doods betogen,
+ Gelijk de siddrende uchtendknop,
+Door de onweêrsvlagen neêrgebogen.
+
+ Ten laatsten kan geen enkle traan
+Hem meer het stervend oog ontwellen,
+ En daaglijks smeekt hij d' Opperheer
+Een eindpaal aan zijn smart te stellen.
+
+ De vader prest, van angst vermast,
+Zijn dierbren telg aan 't bloedend harte;
+ 't Geweten, in zijn borst ontwaakt,
+Kwelt hem met namelooze smarte.
+
+ Vergeefs zijgt hij al snikkend neêr
+En smeekt, bij zijn besneeuwde hairen,
+ Den God van al wat adem heeft,
+Om hem 't zieltogend kind te sparen.
+
+ "Ik sterf!" zucht hem de jongling toe,
+"Maar zoo uw hart zich kan ontfermen,
+ Voer haar dan, die ik eeuwig min,
+Voor 't laatst in dees mijn trillende armen!'
+
+ Zij komt en zinkt hem aan het hart,
+Maar ach! zij blijft in tranen stikken:
+ Die tranen zijn den dauw gelijk,
+Die 't stervend bloemtjen komt verkwikken.
+
+ De jongling, worstlend met den dood,
+Ontsluit nog flauw de brekende oogen;
+ "Vaarwel, mijn Emma!" barst hij uit,
+En--de adem is zijn borst ontvlogen.
+
+ Zij keert terug langs 't kerkhofpad,
+Geen ster bleef aan de kimmen gloren;
+ De nachtuil stemde in 't stormgegrom,
+En deed haar 't somber lijklied hooren.
+
+ Verwilderd hoort zij Edwards zucht
+In elk geritsel door de bladeren,
+ En telkens waant ze, dat ze in 't loof
+Zijn bleekbestorven schim ziet naderen.
+
+ Zij heeft nog nauw heur stulp bereikt,
+Of de angst doet plotsling haar verstommen;
+ Op eenmaal hoort ze op 't kerkhofpad
+De doodsklok haar in de ooren brommen.
+
+ Heur boezem weigert d' ademtocht,
+Al hijgend stort ze in 't stulpjen neder:
+ "O moeder!" gilt zij siddrende uit,
+"Neen, nimmer zie ik Edward weder!
+
+ "Ik volg hem in het rustig graf:
+'k Voel mij 't geschokte harte breken!"
+ Het hoofd zinkt op heur boezem neêr,
+En geest en adem zijn ontweken.
+
+
+
+
+
+DE VLINDER EN DE VROUW.
+
+
+Gelijk, wanneer de lente bloost,
+De vlinderkoningin van 't Oost,
+Op purpren wieken uitgesneld,
+Het knaapjen lokt in 't geurig veld,
+Hem uren lang met vluggen voet
+Van bloem tot bloem haar volgen doet,
+ Dan wegsnelt en hem achterlaat
+Met hijgend hart en schreiende oogen:
+ Zóo lokt, in 's levens dageraad,
+Op de eigen wieken uitgevlogen,
+ De Schoonheid ook 't volwassen kind--
+Een ijdle jacht van hoop en vreezen,
+Wier droevig eind een traan zal wezen,
+ Gelijk zij met een lach begint!
+ Bezit men haar, ach! de eigen rouw
+ Wacht dan den vlinder en de vrouw:
+ Zij kwijnen weg, hun lust verteert,
+ Door 't spel des kinds, de luim des mans:
+ De dierbre buit, zoo wild begeerd,
+ Derft, eens gevangen, al haar glans.
+ De zelfde hand, die straks haar ving,
+Vernielt allengs haar schoonste kleuren,
+ Tot ze als een bleeke zwerveling
+In de eenzaamheid zich dood kan treuren.
+ Het hart verscheurd, de wiek gewond,
+Ach, wat kan d' offers ruste geven?
+ Kan 't vlindertje, als in d' ochtendstond,
+Nog over tulp en rozen zweven?
+Of Schoonheid tot genot herleven,
+ Als de onschuld met heur schoon verzwond?
+ Geen vlinder treurt er in den hof,
+ Al zijgt een andre neêr in 't stof;
+ Vergeeflijk klopt het vrouwenhart--
+Alleenlijk niet voor vrouwenzonden;
+Het heeft een traan voor ieders wonden--
+ Slechts voor geen zusters schande en smart!
+
+
+
+
+
+ZALIG DIE TREUREN, WANT ZIJ ZULLEN VERTROOST WORDEN.
+
+
+Niet hun-alleen die juichen mogen,
+ Heeft God Zijn zegen weggeleid:
+ Zijn troostende barmhartigheid
+Verschijnt ook slaaploos-schreiende' oogen.
+
+ De blik, die nu door neevlen ziet,
+Wordt ras glimlachende opgeslagen;
+Want pijnlijke uren, dorre dagen,
+ Zijn heilbeloften voor 't verschiet!
+
+Daar is een dag van licht en vrede
+ Voor elken zwarten, bangen nacht;
+ En houdt de Droefheid te avond wacht,
+De morgen brengt de Vreugde mede.
+
+ O gij wier oog, de jaren door,
+Met bittre dropplen 't graf beparelt!
+O, wendt het naar die Beter Waereld,
+ Die 't eerst hergeeft wie 't vroegst verloor!
+
+Gelooft! al bracht u de oogst van 't leven
+ De leêge halmenschoof der smart!
+ Hebt lief en hoopt! en brak u 't hart,
+Dit zij uw psalm: "Daar staat geschreven!"
+
+ God telde elk traantjen dat er dreef;
+Uw winter wacht Zijn lange lente,
+En de Eeuwigheid betaalt met rente,
+ Wat hier de Tijd u schuldig bleef!
+
+
+
+
+
+WIJ SCHEIDDEN IN DROEFHEID.
+
+
+Wij scheidden in droefheid, maar zwegen van scheiden;
+ Ons hart gaf zich op aan den drang van 't verstand.
+Ik durfde niet _zien_ of heur oogjens ook schreiden:
+ Ik _voelde_ den traan op heur siddrende hand.
+Wij wisten, 't verleden was redloos verloren;
+ Wij wisten, 't verschiet had geen hoop op herstel.
+Zij bloedde aan de wond, die mijn borst moest doorboren,
+ _Ik_ deinsde terug voor het eeuwig Vaarwel!
+
+De jaren vervlogen! Steeds lachte de lente,
+ Als toen zij voor 't eerst onze liefde bescheen.
+De jaren vervlogen! De troost bracht zijn rente,
+ Maar geen enkle herinnring van 't afscheid verdween!
+Het lied van den vogel, die 't lover doorhuppelt,
+ Herroept _haar_ den droom die al zingende ontvlood:
+En de dauw, die des avonds de bloesems bedruppelt,
+ Spreekt _mij_ van den traan, dien de ontwaking vergoot!
+
+
+
+
+
+ONDERGAANDE ZON.
+
+
+ Die avondwolk, die bleeke straal,
+ Die purpertint aâmt jubeltaal,
+Die d' Ongeschapen' tracht te prijzen.
+ Doe hij dan, die zoo ras vergaat,
+ Wiens aanzijn slechts een span beslaat,
+De mensch, tot Hem zijn danktoon rijzen!
+
+ Hoe vaak bewondren wij den trans,
+ Als wij den deinende' avondglans
+De blauwe wolken langs zien stroomen!
+ Hoe zelden is ons oog gericht
+ Op Hem, die haar Zijn hemellicht
+Schonk, tot borduursel van haar zoomen!
+
+
+
+
+
+MILTON OP ZIJN DRIE-EN-TWINTIGSTEN VERJAARDAG.
+
+
+ De dief der jeugd, de vlugge tijd, ontstal
+Mij op zijn wiek mijn drie-en-twintig jaren.
+ Mijn dagen vliên--'k zocht vruchtloos overal:
+Mijn spade lent' doet bloem noch knop ontwaren.
+
+Mijn uiterlijk misleidt: 'k zal haast mij scharen
+ Bij 't mannenkoor, naar mijner jaren tal;
+ Maar heb ik ook die geestes-rijpheid al,
+Die vroegontwikkelden bij zich ervaren?
+
+ 't Zij schittrend of gering, 't zij vroeg of laat,
+ Mijn krachten ook vervullen eens heur maat,
+En doen mij 't pad van mijn bestemming loopen,
+
+ Waarheen de tijd en 's hemels wil mij drijft.
+ Blijf ik mijn roeping trouw--Gods Trouw ook blijft:
+Mijn toekomst ligt voor 's Meesters oogen open.
+
+
+
+
+EEN PSALM DES LEVENS.
+
+Wat het hart van den jongeling tot den psalmist zeide.
+
+
+Zing niet jammrend, dat het leven
+ Als een leêge droom verdwijnt!
+Dood is elke ziel die sluimert;
+ 't Leven is niet wat het schijnt.
+
+Ernst is 't leven! 't Weert de leugen,
+ Die in 't graf den grenspaal ziet.
+"Stof zijt ge om tot stof te keeren,"
+ Geldt van 's menschen ziele niet.
+
+Niet maar lijden of verblijden,
+ Is de roeping van Gods kind;
+Neen, maar handlen, dat elk Morgen
+ Verder ons dan 't Heden vind'!
+
+Zeker is de Kunst oneindig,
+ Maar de Tijd vliegt spoedig om:
+'t Harte slaat zijn eigen lijkmarsch
+ Als een overfloerste trom.
+
+Wees in 't bont bivak der waereld,
+ Wees in 's levens worstelperk,
+Niet als slachtvee, dom en weêrloos,
+ Maar als helden, fier en sterk!
+
+Bouw niet op de schoone Toekomst:
+ 't Dood verleên begraav' zijn doôn!
+Zwoeg en ploeg in 't levend Heden,
+ En verwacht van God de kroon!
+
+'t Leven onzer groote mannen
+ Leert ons hoe men heerlijk strijdt,
+Hoe men eens een voetspoor nalaat
+ In den zandzoom van den Tijd:
+
+Voetspoor, dat misschien een ander,
+ Die op 's levens golven zweeft,
+Of aan 't strand wordt neêrgesmeten,
+ Als hij 't ziet, den moed hergeeft!
+
+Zoo dan laat ons waken, werken,
+ En, op ieder lot bereid,
+Rustloos voortgaan en voltooien,
+ In des Heeren mogendheid!
+
+
+
+
+PAVO, DE FIN.
+
+
+In een hoog moerasland van Saarjärvis,
+Op een schrale hoeve, woonde Pavo.
+Onvermoeibaar ploegde hij zijn akker,
+Maar van God verwachtte hij den zegen.
+
+Met zijn gade en zestal lieve kleenen
+Deelde hij zijn brood van zoete rogge.--
+Vroolijk wierp hij 't zaad weêr in de voren;
+Maar de lente kwam, en smolt de sneeuwlaag,
+'t Land werd slijk, en half het zaad verrotte.
+Met den zomer woedden hagelstormen,
+Die de vroegrijpe airen half verwoestten;
+'t Najaar kwam met zijn bevriezende' adem,
+En--het luttel overschot verwelkte!
+
+Pavoos gade ontrukte zich de hairen:
+"Pavo!" kreet ze, "ellendigste aller menschen
+Grijp uw staf! wij zijn van God verlaten!
+Hard is beedlen, harder nog verhongren!"
+
+Pavo nam bedaard heur hand, en zeide:
+"God verlaat niet, maar beproeft de zijnen!
+Brood, half graan, half boomschors, is voldoende.
+'k Zal de voren tweemaal dieper graven,
+Maar van God-alleen den zegen wachten!"
+En zij kneedde brood van graan en boomschors;
+Zwoegend trok hij dubbel diep zijn voren.
+Hij verkocht zijn schapen en kocht rogge,
+Die hij biddend de aarde toevertrouwde!
+Weder kwam de lente en smolt de sneeuwlaag,
+'t Land werd slijk en half het zaad verrotte.
+Met den zomer woedden hagelstormen,
+Die de vroegrijpe airen half verwoestten,
+'t Najaar kwam met zijn bevriezende' adem,
+En het luttel overschot verwelkte!
+
+Pavoos gade sloeg zich op de borsten:
+"Pavo!" kreet ze, "ellendigste aller menschen!
+Laat ons sterven! God heeft ons verlaten!
+'t Sterven is wel hard, maar harder 't leven!"
+
+Pavo nam bedaard heur hand, en zeide:
+"God verlaat niet, maar beproeft de zijnen!
+Brood, half graan, half boomschors, is voldoende.
+'k Zal de voren driemaal dieper graven,
+Maar op nieuw van God den zegen wachten!"
+En zij kneedde brood van graan en boomschors,
+Zwoegend trok hij driemaal diep zijn voren,
+Hij verkocht zijn rundren en kocht rogge,
+Die hij biddend de aarde toevertrouwde.
+Weder kwam de lente en smolt de sneeuwlaag,
+Maar het land werd droog, het zaad bleef leven.
+Lieflijk was de zomer, zonder hagel,
+En de vroegrijpe airen tierden welig;
+'t Najaar kwam, maar zijn getemperde adem
+Liet de halmen vol en ongeschonden,
+En--zij ruischten voort als gouden golven!
+
+Toen boog Pavo dankend neêr, en zeide:
+"God heeft ons beproefd, maar niet verlaten!"
+Dankend boog de vrouw ter neêr, en zeide:
+"God heeft ons beproefd, maar niet verlaten!"
+Toen riep ze in verrukking tot haar gade:
+"Pavo! Pavo! grijp met vreugd den sikkel!
+Nu zal de overvloed ons hart verkwikken!
+Nu behoeft geen boomschors ons te voeden,
+'k Zal nu brood van louter rogge kneeden!"
+
+Pavo nam bedaard heur hand, en zeide:
+"Vrouw! o vrouw! de Heer wil ons beproeven;
+Laat ons dan der armen ons ontfermen!
+Meng uw meel met boomschors als te voren:
+De oogst van onzen buurman is verijdeld!"
+
+
+
+
+
+OJAN PAVOOS UITDAGING.
+
+
+Ver uit Tavartland kwam Ojan-Pavo,
+Breed en krachtig onder Finlands zonen,
+Stout en vlug, geweldig als een stormwind.
+Met zijn vuist kon hij een eik ontwortlen,
+Met zijn hand een wilden beer verworgen,
+'t Strijdros tillen over 't hoog staketsel,
+Als een bies den moedigste doen buigen.
+Daar nu stond de onwrikbare Ojan-Pavo,
+Trotsch en krachtig in de volksvergaâring.
+Op het plein, daar stond hij onder de andren,
+Als een hooge pijnboom onder struiken.
+En hij hief zijn stem op, en trotseerde:
+
+ "Is hier iemand, van een vrouw geboren,
+Die mij van het plekjen, waar ik beide,
+Ook éen enklen duimbreed kan doen wijken?
+'k Wil hem heel mijn rijke hoeve geven,
+Hij ontfangt mijn zilver ten geschenke,
+Hij wordt meester over al mijn kudden:
+'k Word zijn slaaf naar lichaam en naar ziele!"
+
+ Tot het volk sprak aldus Ojan-Pavo,
+Maar de landjeugd deinsde met ontzetting;
+Doodlijk zwijgen was het eenigst andwoord:
+Niemand die het waagstuk dorst beproeven.
+
+ Maar verliefd en met bewondrende oogen,
+Staarden al de meisjens op den dappre,
+Die zoo heerlijk uitstak boven de andren,
+Als een hooge pijnboom boven struiken,
+De oogen schittrend met den glans der starren,
+En het voorhoofd wolkloos als de hemel,
+En de lokken golvende om zijn schouders,
+Als een stroomval in de zonnestralen!
+
+ Uit de bonte vrouwenrei trad Anna,
+Zij, de jongste en schoonste van de schare,
+Lieflijk als een blonde lentemorgen.
+Haastig treedt zij voort naar Ojan-Pavo,
+En zij strengelt om zijn hals heur armen,
+Drukt heur teederkloppend hart aan 't zijne,
+Kust zijn mond met frissche rozenlippen,
+Bidt hem smeekend van de plek te wijken,
+Maar de held stond roerloos, schoon--verwonnen!
+
+ En nu week hij van de plek en juichte:
+"Anna! Anna! 'k heb den strijd verloren!
+U moet ik mijn rijke hoeve geven,
+Gij ontfangt mijn zilver ten geschenke,
+Al mijn kudden zullen u behooren:
+'k Ben uw slaaf naar lichaam en naar ziele!"
+
+
+
+
+
+IERSCHE MELODIEN.
+
+
+I.
+
+VERGEET MIJ NIET
+
+
+Spoed u ter viktorie,
+Maar al strooit de glorie
+ Palmen in 't verschiet;
+Wordt door alle tongen
+U de lof gezongen,
+ O vergeet mij niet!
+Moogt ge uw hart verbinden
+Aan geliefde vrinden,
+Rijker vreugde vinden
+ Dan mijn hand u biedt:
+Toch, in 't dichtst gewemel
+Van uw aardschen hemel,
+ O vergeet mij niet!
+Dwaalt gij heinde en verre
+Bij uw lievlings-sterre,
+ Spieglende in den vliet,
+Denk hoe vaak ze ons beide
+Vriendlijk huiswaarts leidde,
+ En--vergeet mij niet!
+Als uw blikken pozen
+Bij 't aanminning blozen
+Van de laatste rozen,
+ Eens zoo graag bespied,
+Denk wie ze eens u strooide,
+Met heur krans u tooide,
+ En--vergeet mij niet!
+
+Als de stormen varen
+Door de najaarsblaâren
+ En ge 't flikkren ziet
+Van het haardsteêvuurtjen,
+Dan, in 't schemeruurtjen,
+ O vergeet mij niet!
+Als uw ziel blijft hangen
+Aan muziek en zangen,
+En in zoet verlangen
+ U een traan ontschiet,
+Denk dan wie te voren
+U dit lied deed hooren,
+ En--vergeet mij niet!
+
+
+
+
+II
+
+TROUW
+
+
+Al moest ik het zien, dat uw blosjen verdween,
+ Nu weêrschittrend van jonkheid en min,
+Al smolt in mijn arm al uw schoonheid daarheen,
+ Als de gift eener Toovergodin:
+Geloof me, ik beminde u zoo vurig als thans;
+ En ware ook haar tempel geslecht,
+Elke wensch van mijn hart werd een groenende krans,
+ Aan den bouwval der Schoonheid gehecht!
+
+Neen, 't is niet ten dage uwer bloeiende lent,
+ Nu geen traan nog uw oogjens ontwijdt,
+Dat de gloed en de trouw eener ziel wordt gekend,
+ Wie ge al dierbaarder wordt met den tijd.
+O, die waarlijk bemint, hij bemint onbepaald,
+ En volhardt met ondoofbaren gloed,
+Als de zonnebloem ginds, die haar God, wen hij daalt,
+ Even teêr als bij d' opgang begroet!
+
+
+
+
+III.
+
+MUZIEK
+
+
+Als wij niets van 't leven hopen,
+ Na 't verlies van 's levens vreugd,
+O, hoe gaat dan 't hart ons open
+ Bij een feestklank uit der jeugd!
+In de ziele, diep bewogen,
+ Rijzen de oude droomen weêr,
+En uit moêgekreten oogen
+ Straalt een lachjen van weleer!
+
+Zwevende over rozelaren,
+ Streelt ons 't windtjen hemelzoet:
+Dús de toon uit blijder jaren,
+ Die ons onverwachts ontmoet,
+'t Windtjen geurt nog om ons henen,
+ Als de rozenblos verschiet:
+Zóo, al is de vreugd verdwenen,
+ Leeft zij voort in d' aâm van 't lied!
+
+O Muziek! bij uwe akkoorden
+ Wordt de spraak zoo koud en schraal.
+Waarom zoekt de ziel naar woorden?
+ Gij slechts zijt haar moedertaal!
+Liefde en vriendschap kunnen vleien,
+ Daar bedrog de lippen plooit:
+Maar, Muziek! Uw melodijen
+ Streelen, maar bedriegen nooit!
+
+
+
+
+IV.
+
+MIJMERING.
+
+
+ O, hoe vaak in den nacht,
+ Eer de sluimring al zacht
+Aan mijn eenzame sponde mij kluistert,
+ Rijst in vriendelijk licht
+ Mij 't verleên voor 't gezicht
+En de stem der Herinnering fluistert:
+ Van de smart en de vreugd
+ Eener zalige jeugd;
+Van de liefde, half schaamrood ontloken;
+ Van de lipjens zoo rood,
+ Nu verbleekt door den dood,
+En de harten, voor immer gebroken!
+ Dus, in 't uur van den nacht,
+ Eer de sluimring al zacht
+Aan mijn eenzame sponde mij kluistert,
+ Rijst in vriendelijk licht
+ Mij 't verleên voor 't gezicht,
+En--de stem der Herinnering fluistert!
+
+2.
+
+ Als ik denk aan den kring,
+ Die me als broeder ontfing,
+Aan de schaar mijner bloeiende vrinden,
+ Nu ter ruste geleid,
+ Of verwelkt en verspreid,
+Als het najaarsgeblaârt op de winden:
+ O, dan is 't of ik dwaal
+ Door de feestlijke zaal,
+Nog zoo straks door de vreugde beschenen,
+ Waar geen luchter meer blinkt,
+ Waar geen beker meer klinkt,
+En de gasten, op mij na, verdwenen!
+ Dus, in 't uur van den nacht,
+ Eer de sluimring al zacht
+Aan mijn eenzame sponde mij kluistert,
+ Rijst in vriendelijk licht
+ Mij 't verleên voor 't gezicht,
+En--de stem der Herinnering fluistert!
+
+
+
+
+V.
+
+OP ZEE.
+
+
+1.
+
+ Liefste, ga meê,
+ Over de zee!
+ Volg, waar ge wilt, mij naar heuvel en dal!
+ Wissle de wind,
+ Hij die bemint,
+ Kent geen saizoenen, en mint overal.
+Bedreigt ons de waereld, we ontvluchten haar erf;
+Gij zijt er: ik leef; gij verdwijnt: en ik sterf.
+ Kom, ga dan meê,
+ Liefste, over zee!
+ Meê, waar het golfjen ons wiegelen zal!
+ Wissle de wind,
+ Hij die bemint,
+ Kent geen saizoenen, en mint overal.
+
+
+2.
+
+ Woont niet op zee
+ Vrijheid en vreê?
+ Dreigen niet onrust en boeien aan land?
+ Slaaf zijn we dáar:
+ Maar op de baar
+ Lacht onze liefde met teugel en band.
+Geen oog dat ons ziet, en geen tong die ons wondt;
+De waereld verdwijnt, en 't wordt hemel in 't rond!
+ Kom, ga dan meê,
+ Liefste, over zee!
+ Volg, waar ge wilt, mij naar heuvel en dal!
+ Wissle de wind,
+ Hij die bemint,
+ Kent geen saizoenen en mint overal!
+
+
+
+
+VI.
+
+GRAFBEZOEK.
+
+
+O fluister zijn naam niet!--Hij rust' bij 't gebeent'
+ In schaduw der eenzame zode!
+Weemoedig en stil zij de traan dien ge er weent,
+ Als de nachtdauw op 't graf van den doode!
+
+Maar de dauw, die in stilte de zode besprengt,
+ Zal het gras des te frisscher doen groeien;
+En de traan onzer smart, hoe verholen geplengd,
+ Doet in 't hart zijn gedachtenis bloeien.
+
+
+
+
+VII.
+
+NA DEN VELDSLAG.
+
+
+De nacht heeft den loop der verwinnaars gestremd;
+ Een handvol, der neêrlaag ontkomen,
+Staat eenzaam, de vuist aan de sabel geklemd,
+ En zonder het ergste te schromen.
+Ach, 't ergste is geschied! Want de hoop ligt geveld,
+ Vertrapt in de bloedige voren.
+Reeds dit brengt de dood in het hart van een held:
+ "Op de eer na, is alles verloren!"
+
+De droom hunner vrijheid ging vóor in het graf:
+ Hunne asch zal haar lauwer niet erven!
+Nu wachten zij spraakloos den morgenstond af,
+ Om eervol bij 't daglicht te sterven.
+Omhoog is een waereld, daar dwingt geen tyran,
+ Daar ziet ge u de vrijheid hergeven!
+En als nu de dood haar ontgrendelen kan,
+ Wie zou hier als slaaf willen leven?
+
+
+
+
+VIII.
+
+WARE DROEFHEID.
+
+
+Neen, voorwaar! 't is de traan niet, die thands ons ontvloeit,
+ Als wij 't gapende graf nog aanschouwen,
+Die het meldt hoe ons hart voor den vriend heeft gegloeid,
+ Of hoe diep we in de ziel om hem rouwen.
+'t Is het blijvend gevoel, dat hij immer ontbreekt,
+ 't Is de traan, dien wij levenslang weenen,
+'t Is de droeve herinnring, zoo teeder gekweekt,
+ Als alle andere smarten verdwenen!
+
+Alzóo treuren ook wij! en met hemelsche kracht
+ Zoekt ons hart naar zijn voorbeeld te streven,
+Want de Deugd wordt te schooner, waar hij wordt herdacht,
+ Die alleen voor haar dienst scheen te leven
+En gelijk soms der Heiligen begraven gebeent'
+ Een geur door den tempel mag spreiden,
+Zóo wordt door ons hart nog een balsem ontleend
+ Aan het beeld dat hij naliet bij 't scheiden!
+
+
+
+
+IX.
+
+WARE LIEFDE.
+
+
+In des levens morgenkrieken,
+ Als men 's levens zorg niet kent,
+Maar de vreugde, op rozenwieken,
+ Zich betoovrend tot ons wendt
+Als wij in een waereld leven,
+ Die de fantazy zich droomt,
+En het licht, waarin wij zweven,
+ Uit ons eigen harte stroomt:--
+Dan, wanneer, met ziel en zinnen,
+ Zich de jeugd der blijdschap wijdt,
+Kunnen wij zoo teêr niet minnen
+ Als in minder blijden tijd.
+Duizend wenschen, 's levens eerste!
+ Mogen in den bloesem staan,
+O, de Liefde is 't allerteêrste,
+ Waar die allen zijn vergaan!
+
+Wen de jeugd met de eerste droomen
+ Immer verder van ons vliedt,
+Als een blaadtjen op de stroomen,
+ Dat ge nimmer keeren ziet:
+Als de feestkelk, leêggedronken
+ Onder scherts en snarenklank,
+Onverwachts wordt volgeschonken
+ Met des lijdens alsemdrank:
+Dan eerst kan de Liefde ontwaken
+ Met een volheid en een gloed,
+In den zwijmel der vermaken
+ Door het hart niet eens vermoed.
+Dartle Liefde gaat verloren
+ Bij een eerste winterkoû,
+Maar de Liefde, uit smart geboren,
+ Is gelijk de smart getrouw!
+
+'t Land der zonne legt de bloemen
+ Glans en gloed op ieder blad,
+Maar zij kunnen weinig roemen
+ Op een milden geurenschat.
+Wolken, nevels, als daar grijzen
+ Aan ons waterachtig zwerk,
+Doen eerst recht de geuren rijzen
+ Uit het vochtig bloemenperk.
+Zóo leent ook de vreugd der aarde
+ 't Oog een wilden hartstochtsgloed,
+Maar de Liefde toont heur waarde
+ Heerlijkst in den tegenspoed.
+Schuchter moog' ze in 't blosjen bloeien
+ Op het blij gelaat der bruid,
+Eerst wanneer de tranen vloeien,
+ Stort zij al heur zoetheid uit!
+
+
+
+
+X.
+
+EERSTE LIEFDE.
+
+
+Ach, de tijd is lang verleden,
+ Toen ik schoonheids boeien droeg,
+En voor alle heerlijkheden
+ Slechts een weinig Liefde vroeg.
+Kalmer dagen mochten rijzen,
+Later wenschen verder wijzen
+ Op een schittrender gewin--
+Niets is half zoo zoet te prijzen
+ Als de droom der eerste Min!
+
+Jaag' de Bard naar rijker kronen
+ Dan de wufte jeugd hem gaf,
+Dwing' hij door zijn toovertonen
+ Zelfs den wijze een glimlach af:
+Nooit, hoe fier zijn lauwren kraken,
+Zal hij weêr de weelde smaken,
+ Die zijn eerste Lied hem schonk,
+Toen het roosje op _haar_ kaken,
+ In _hare_ oogen 't traantjen blonk!
+
+'t Beeld van haar, die, 't eerst gekozen,
+ Uw goede Engel scheen te zijn,
+Blijft op 't groenste plekjen poozen
+ Van Herinrings zandwoestijn.
+'t Was een bloem, die de avond maaide,
+'t Was een geur, die ras verwaaide,
+ 't Was een reine hemelgloed,
+Die maar éens zijn starren zaaide
+ Over 's levens zwarten vloed!
+
+
+
+
+XI.
+
+EENE UIT VELEN.
+
+
+In betere dagen ontvloog mij de tijd
+In 't bonte gewemel, der vreugde gewijd;
+Ik werd op mijn wenken gevierd en gediend;
+De vroolijkste gast was de dierbaarste vriend....
+Hoe alles verandert in dagen van rouw:
+Van al die mij vleiden, wie bleven getrouw?
+
+De feestdisch trekt aan: hoe stroomt alles er heen!
+Het ziekbed stoot af: gij verkwijnt er alléen!
+Al vlecht u de waereld heur krans om de kruin,
+Heur gunst duurt zóolang als de gunst der Fortuin:
+Het klokjen gelijk, dat in 't zonnelicht bloeit,
+Maar plotsling verwelkt, als de dag is vergloeid!
+
+Doch Gij bleeft in kommer en krankte mij bij:
+Was ik ook veranderd, dezelfde bleeft gij!
+Bij mij zijn de feesten der vreugde vergaan:
+Toch straalt uit uw oog nog de vreugde mij aan:
+De waschbloem gelijk, die bij 't grauwen der nacht
+Het kelkjen ontplooit in welriekende pracht!
+
+
+
+
+XII.
+
+VAARWEL.
+
+
+Als de vriend van uw hart niets meer naliet op aard
+ Dan den naam van zijn schuld en zijn lijden,
+Zeg, zult ge, als de wraakzucht zijn lauwren ontblaârt,
+ Hem een traan der erkentenis wijden?
+Ja, ween! En hoe diep mij mijn vijand misken',
+ Uw traan zal den smet doen verbleeken:
+Want, voorwaar! heeft mijn drift zich vergrepen aan hen,
+ Al te zeer is mijn trouw u gebleken!
+
+Gij-alléen waart mijn hoop en mijn doel en mijn kroon,
+ Gij, de droom mijner jeugdige jaren!
+In mijn laatste gebed voor des Eeuwigen throon
+ Zal uw naam met den mijnen zich paren.
+O, gezegend de vrienden, die eens in den gloor
+ Van uw rijzenden roem zullen leven:
+Maar de dierbaarste zegen, dien God mij beschoor,
+ Is--het voorrecht voor u dus te sneven!
+
+
+
+
+XIII.
+
+DE LAATSTE ZOMERROOS.
+
+
+'t Is 't laatste der roosjens,
+ Dat bloeiend bleef staan:
+Heur lieflijke zustren
+ Zijn lang reeds vergaan.
+Geen bloem van heur maagschap,
+ Geen knopje' onder 't mosch,
+Herhaalt meer heur zuchtjens,
+ Weêrkaatst meer heur blos.
+
+Neen! 'k ga niet hardvochtig
+ Uw stengel voorbij:
+Zijn ze allen ontslapen,
+ Ontslaap dan als zij!
+Zoo strooi ik uw blaadtjens
+ Al zachtkens daarheen,
+En meng ze met de assche
+ Der uwen dooreen!
+
+Zoo ras moge ik volgen,
+ Als me alles begaf,
+Als Vriendschap en Liefde
+ Me ontzonken in 't graf.
+Als al wat ons lief was,
+ In 't stof ligt vergaârd,
+Wie bleef dan nog gaarne
+ Verlaten op aard'?
+
+
+
+
+
+ENGELEN.
+
+
+Als de dag zijn uren telde,
+ En de stemmen van den nacht
+'t Beter Ik daarbinnen wekken
+ Tot een vreugde, rein en zacht:
+
+Als de luchters nog niet branden,
+ En het flikkrend haardsteêvuur
+Wondre schaduwen doet dansen
+ Op den halfverlichten muur:
+
+O, dan glippen dierbre schimmen
+ Binnen door de ontsloten deur!
+Dan bezoeken mij de dooden,
+ Die ik reeds zoo lang betreur!
+
+Zij, de jeugdigen en sterken,
+ Hunkrend naar een eedlen strijd,
+Maar op d' eersten marsch bezweken,
+ Ver nog van het worstelkrijt:
+
+Zij, de heiligen en zwakken,
+ Met des lijdens kruis belaân,
+Eindlijk met gevouwen handen,
+ Bleek en spraakloos heengegaan;
+
+En dan, 't wonder lieflijk wezen,
+ 't Bloemtjen in mijn wildernis,
+Die mij boven alles minde
+ En nu ginds een Engel is!
+
+Zachtkens zet zij aan mijn zijde
+ Op den leêgen stoel zich neêr;
+En zij drukt mijn koude vingers
+ Met een handdruk, naamloos teêr.
+
+En zij zit mij aan te blikken
+ Met dat diep en vriendlijk oog,
+Kalm en heilig als de sterren
+ Aan den blauwen hemelboog.
+
+'t Is mij als versta ik alles
+ Wat zij mij te zeggen heeft,
+Tot ze, na een teêr vermanen,
+ Spraakloos mij heur zegen geeft.
+
+O, hoe eenzaam en verlaten,
+ Ik gevoel geen angst of nood,
+Mag ik maar in stilte peinzen
+ Aan hun leven, aan hun dood!
+
+
+
+
+
+L'ALLEGRO.
+
+
+ Van hier, van hier, Naargeestigheid!
+Gij kind uit Cerberus en Middernacht geboren,
+ Waar de Acheron zijn schaduw spreidt,
+Bij aaklig spookgebroed en doodsche geestenkooren!
+ Ga, zoek een rotskloof die u past,
+Waar nooit een leeuwrik zingt bij 't vriendlijk morgenkrieken,
+ Maar onverpoosd de rave krast,
+En eeuwig Duister broedt op vale vleêrmuiswieken!
+ Zit daar in grauwe nevels neêr,
+ Omringd van wilde steenrotsbrokken,
+Gegroefd als uw gelaat, verward gelijk uw lokken,
+ En steiger uit dien poel niet meer!
+
+ Maar breng Gij met vlugge schreden
+ Ons de gulle vreugde meê,
+ Heilbodesse, Euphrosiné!
+ Derde der Bevalligheden,
+ Wie de schoone Min--
+--Godin,
+ Tot een lust en licht der aarde,
+ T' éener dracht heur Bacchus baarde!
+ Of, misschien wel zijt gij 't kind
+ Van den dartlen Lentewind,
+ Die zich met Aurore paarde
+ Op een Meischen Morgenstond,
+ Als hij haar met vriendlijk blozen
+ Tusschen rozen
+ Slapen vond!
+ Tooveresse, daal ter neder!
+ Immer blijde, maak ons blij!
+ Geef ons scherts en spotlust weder,
+ Breng ons jool en jokkernij,
+ Knikjens,
+ Blikjens,
+ Vol van leven,
+ Kortswijl uit des harten grond,
+ Gulle lachjens, als daar zweven
+ Over Hebees rozenmond--
+ Tot de rimpels zijn verdreven,
+ En de schaterlach in 't rond,
+ Vroolijke! uw triomf verkondt.
+ Huppel, trippel, zachtjens, zoetjens,
+ Op uw luchte feënvoetjens!
+ Voer de Nymf der bergwarand,
+ Voer de Vrijheid, aan de hand!
+ En, zoo ik u waardig eere,
+ Gun dat ik uw stoet vermeêre!
+ Geef dat ik met u en haar
+ Heel mijn leven lang verkeere,
+ Priester bij uw bloemaltaar!
+ 'k Hoor dan vroeg den leeuwrik zingen
+ Op zijn hooge sterrenwacht,
+ Tot hij uit den schoot der Nacht
+ Eindlijk d' Ochtend op doet springen;
+ 'k Buig, de trage scheemring moê,
+ Uit mijn venster mij voorover,
+ 'k Roep, door roze- en wingertlover,
+ De Aard mijn: "goede morgen!" toe:
+ Middlerwijl, met kam en sporen
+ Prijkende, onder fieren tred,
+ 't Haantjen, dat de kim ziet gloren,
+ 't Laatste donker wegtrompet,
+ Om zijn hongrende sultanen
+ Naar de schuur een weg te banen.
+ 'k Vang van ver den horenschal,
+ 'k Hoor de vlugge brakken bassen,
+ Die in 't boschrijk heuveldal
+ 't Opgeschrikte wild verrasschen.
+ Somtijds dwaal ik, voet voor voet,
+Langs de bonte meidoornhagen,
+Door twee oogjens gâgeslagen,
+ De Oosterpoorte te gemoet,
+ Waar de zon, in purpergloed
+Tusschen bontgekleurde wolken,
+Opvaart uit de glazen kolken.
+ En de veldman, vroeg ter hand,
+ Fluit zijn liedtje en ploegt het land;
+Melkerts rappe vingers eischen
+ 't Zuivelvee zijn schatting af;
+En de maaier wet zijn zeissen,
+ En de scheper [2] zwaait zijn staf.
+Diepe dalen, grauwe heiden,
+Waar de witte lammren weiden;
+ Akkers, vol van goudgeel graan,
+ Bieden duizend schoonheên aan.
+Hooge bergen zie ik rijzen,
+ Op wier schouder 't wolkjen slaapt,
+ Aan wier voeten de afgrond gaapt,
+Tusschen groene paradijzen,
+ Waar de landjeugd bloemen raapt,
+En de beekjens onder 't stoeien
+Tot rivieren samenvloeien.
+ Van zoo menig steenrotstop
+ Rijst een aadlijk burchtslot op,
+Wuivend met banier en vendel,
+ Waar het schoonste maagdelijn,
+ Waard een Koningin te zijn,
+Wegkwijnt achter bout en grendel.
+ Daar beneden tusschen 't hout,
+ Waar de dunne rookwolk blauwt,
+Onder rozen en violen,
+Ligt de rieten stulp verscholen:
+ Daar zit Thyrsis, jong en teêr,
+ Naast heur Corydon ter neêr:
+'t Middaguurtjen heeft geslagen,
+ 't Nedrig maal,
+ Op reine schaal,
+Wordt door Phyllis opgedragen;
+ Die nog pas heur taak volbracht,
+Of zij gaat heur Damon vinden,
+ Die op 't stoppelveld haar wacht,
+Om de garven saam te binden:
+ Menig air
+ Van 't welig koren,
+Leest ze, als Ruth, uit greb en voren,
+ Voor heur moeder bij elkaâr.
+Somtijds wordt de streng getrokken,
+ Die den hoogtijklepel luidt,
+En de klingelende klokken
+ Nooden tot een dansvreugd uit.
+ Nu vergaâren
+ Blijde paren,
+ Hupplende op de fiedelmaat,
+Daar de strijkstok langs de snaren
+ Rustloos op en neder gaat;
+Tot het maantjen door de blaâren
+ Heengluurt met jaloersch gelaat.
+Of de Landheer geeft aan allen,
+ Oud en jonk, een vrijen dag,
+Dien het hart naar welgevallen
+ Aan de vreugde wijden mag:
+'s Avonds mag de hoppe kralen
+ In den gladgeschuurden nap;
+ Elk, in onverpoosd gesnap,
+Weet zijn sprookjen te verhalen:
+ Hoe de tooveresse Mab
+Bij den een aan 't baksel knaagde,
+ Maar de korstjens overliet;
+D' andren in zijn droomen plaagde,
+ Neep, en in de zijde stiet;
+Of van lichtjens, die er waren,
+Witte wiven, nickermaren;
+ Van een kobold, die vol kracht
+Meerder koren dan tien mannen
+In tien schoften dorschen, wannen,
+ Dorschte en wande in éenen nacht!
+Eindlijk zwijgen alle tongen;
+ En, na de ernstige avondbeê,
+ Zoekt nu elk zijn legersteê,
+Straks door 't windtje' in slaap gezongen.
+
+ Dan weêr trekt de Stad ons meê,
+Met haar torens en haar wallen,
+En 't gewoel der duizendtallen,--
+ De eindelooze menschenzee!
+Eedle ridders en baroenen
+ Stroomen in hun feestdosch aan;
+ Lauwerblaân
+ En palmen groenen,
+ Prijken, schittren in de zon:
+En de blanke hand der schoonen
+ Zal hem kroonen,
+
+ Die door moed of geest verwon.
+Daar moog' Hymen intocht houên
+ Bij den glans
+ Der feestflambouwen,
+ Bij muziek en zang en dans,
+Bij het rustloos gaan en komen
+ Van een maskeradestoet,
+Bont en grillig als de droomen
+ Van een dichterlijk gemoed!
+En zoo vaak de zorgen rijzen,
+ Huwe een zoete melody,
+Een der Lydiaansche wijzen,
+ Zich aan 't woord der Poëzy,
+Dat zij heel mijn ziel doordringe,
+ Met een gloed van hemellust,
+Dat zij Orpheus wakker zinge,
+ Die aan de Elyzeesche kust
+ Op een bed van rozen rust,
+En hem zulk een lied doe hooren
+ Als geen Pluto had' veracht,
+Maar dat zeker de uitverkoren'
+--Nu, helaas! op nieuw verloren!--
+ Gansch en al had' weêrgebracht
+ Uit den Acheronschen nacht!
+Kunt gij zulke weelden geven,
+ Zeegnende Blijhartigheid!
+ 'k Ben bereid
+ Met u te leven.
+
+
+
+
+
+BYRONS ZWANENZANG.
+
+(Missolonghi, 22 Januari 1824).
+
+
+O, sprak in 't eind dit hart niet meer,
+Nu toch geen hart zich 't mijne wijdt!
+Maar toch, al mint mij niemand meer,
+ Ik min altijd.
+
+Mijn dagen zijn in 't najaarsgrauw,
+Der liefde bloem en vrucht verdween;
+De worm, de kanker en de rouw
+ Zijn mijne alleen!
+
+Een eiland werd mijn dor gemoed,
+Een rots, met lava in den schoot;
+Geen toorts ontsteekt men aan zijn gloed:
+ Zijn vuurvlam doodt!
+
+De hoop, de vrees, de zoete smart,
+'t Is al voorbij als droombedrog:
+Slechts klinkt aan mijn gestorven hart
+ De keten nog!
+
+Maar 't is niet _hier_, en 't is niet _thans_,
+Dat zulk gevoel mij schokken moet,
+Waar Glorie met onwelkbren krans
+ Heur helden groet!
+
+Hier blinkt het zwaard, hier wuift de vaan,
+De roem omringt me op Hellas' grond.
+Op 't schild getorscht, zag geen Spartaan
+ Ooit vrijer rond!
+
+Ontwaak! (niet Hellas--'t is ontwaakt!)
+Ontwaak, mijn hart! Bedenk _waarvoor_
+Ge uw dierste banden hebt geslaakt--
+ Voleind uw spoor!
+
+Nu moet uw oude gloed vergaan:
+Die driften zijn den man onwaard!
+De roos der schoonheid is voortaan
+ Voor u ontblaârd.
+
+Betreurt ge uw jeugd? waarom _geleefd_?
+De dood der eere baart geen schrik:
+Die hem begeert, trekt uit en--geeft
+ Den jongsten snik!
+
+Zoek--wat men vaak eer vond dan zocht--
+Een heldengraf aan vreemde kust!
+Kies u een plek, met roem gekocht,
+ En--neem uw rust!
+
+
+
+
+
+DE PRAIRIËN.
+
+
+I.
+
+
+ Gij gaarden, door de woestenij gekweekt,
+ Gij weiden, onbegrensd en ongeschoren,
+ Wier naam aan Englands trotsche taal ontbreekt!
+ Prairiën, neen! ik zag u nooit te voren;
+ En nu, terwijl mijn oog u overziet,
+ Hoe bruisend stroomt op eens mij 't bloed door de aâren!
+ Gij strekt u uit naar 't eindeloos verschiet,
+ Gelijk een staande zee, wier groene baren
+ Voor eeuwig onbeweeglijk zijn. Maar neen!
+ Op eens herneemt gij de oude vrijheid weder.
+ Gevleugeld trekt de wolkenschaduw heen;
+ De vlakte ontwaakt en wiegt zich op en neder;
+ De lichte hoogten buigen om en om,
+ De donkre diepten golven. Dartel stoeien
+ De windtjens met de bloemen, die alom
+ Als uitgestrooide zonnevonken gloeien;
+ En roerloos zeilt de valk der woestenij
+ Hoog in de lucht op breede wiek voorbij.
+ Gij dartle windtjens! kustet Texas druiven,
+ Gij deedt de Mexikaansche palmen wuiven,
+ Gij volgdet door de Zuider-lustwarand
+ De beekjens, die, Sonoraas klare wellen
+ Ontsprongen, even lustig zeewaards snellen;
+ Maar hebt gij ooit een schooner wonderland
+ Dan dit doorwaaid? 't Heeft niets aan Menschlijk pogen
+ Te danken: 't Is Gods werk! Dezelfde hand,
+ Die ginds den bouw voltrok der hemelbogen,
+ Schiep ook die zee van gras, andre oceaan,
+ Waar eeuw aan eeuw de groene golven gaan,
+ En woud aan woud als eilanden verrijzen,
+ Een archipel van frissche Paradijzen!
+ Die bodem is den hemeltempel waard,
+ En bootst de starren van zijn koepelwelven
+ Met mozaïk van bloemen na!.... Schoone Aard,
+ Hoe lokt gij hier den hoogen hemel-zelven
+ Ter neder, tot hij altijd teêrder blauwt,
+En eindlijk wegsmelt in uw levend emeraud!
+
+
+
+II.
+
+
+ Als ik mijn klepper prikkel met de sporen,
+ Die tot de heupen voortwaadt door het gras,
+ Klinkt mij 't eentonig hoefgestamp in de ooren,
+ Ja, bijna of het heiligschennis was.
+ Wie weet? als we eens der graven rust ontwijdden?
+ Slaapt hier misschien een volk uit vroeger tijden,
+ En is dit stof wellicht der dooden asch,
+ Eens tintelend van leven?--Dat vermelden
+ Die muren, rijzend boven 't eikenwoud,
+ Heenblikkende over de eindloosheid der velden!
+ 't Geslacht, dat eens dit bolwerk heeft gebouwd,
+ Is lang reeds van de moederaard verdwenen.
+ 't Was jong en sterk, en stapelde zijn steenen
+ Reusachtig op, terwijl de westerzon
+ In Griekenland misschien de rots bestraalde,
+ Het voetstuk van het heerlijk Parthenon!
+ Hier droeg de grond hun welig graan; hier dwaalde
+ Hun grazend vee; hier liet de buffelstier
+ Den stuggen nek in 't juk des ploegers klemmen;
+ Hier klonken eens de honderdduizend stemmen
+ Van levenslust en arbeid en vertier.
+ Hier zwierven menigmaal verliefde paren
+ In 't eenzaam rond bij d' avondzonnestraal,
+ Geloften wisslend in vergeten taal,
+ En klanken--wie zal zeggen uit wat snaren
+ Getokkeld, of uit welk welluidend riet
+ Geblazen?--met hun teeder minnelied
+ Meêgevend met de winden!.... Maar daar daagde
+ De Roodhuid op: het oud geslacht verdween,
+ Dat deze muren bouwde. 't Was als vaagde
+ De storm hen weg, en eeuwen achtereen
+ Mocht de Eenzaamheid alreeds hun plaats bekleeden.
+ De wolf zoekt in de wildernis naar buit;
+ De schildpad holt den leêgen bodem uit,
+ Eens overdekt met dichtbevolkte steden.
+ 't Is alles weg--alleen de heuvlen niet,
+ Waar 't oud geslacht zijn beendren achterliet;
+ De hoogten niet, waar ze op de groene zooden
+ Zich bogen voor hunne onbekende goden;
+ De wallen niet, ten bolwerk saamgeprest
+ Voor 's vijands woên: tot straks de Wilde er brulde,
+ De schansen overrompelde, en de vest
+ Met lijkenheuvels van verslaagnen vulde.
+ De gieren schoten in al dichter kring
+ Ter neder op de doôn: wie zou hen storen
+ In 't gruwzaam maal?--Een enkle vluchteling
+ Doordwaalde 't woud, op 't glibbrig pad verloren,
+ Tot de eenzaamheid hem wreeder scheen dan 't graf,
+ En hij zich in des vijands handen gaf.
+ Niet alle vonken van 't gevoel verdoofden:
+ Hij vindt een plaats in schaûw des rieten daks;
+ De onbandige overwinnaars gunnen straks
+ Hem, meerbeschaafde, een zetel bij hun Hoofden.
+ Nu kiest hij uit hun dochtren zich een bruid;
+ Vergeten schijnt wat nimmer werd vergeten,
+ Zijn eerste liefde en menig dierbre spruit,
+ Met heel zijn ras vermoord, in 't slijk versmeten
+Door 't eigen volk, dat nu de broederhand ontsluit!
+
+
+
+III.
+
+
+ Zoo wisselt alles hier!
+ Éen wenk des Heeren,
+ En ziet! geslachten, heerlijk, jong en frisch,
+ Verrijzen, bloeien, om tot stof te keeren!....
+ De Roodhuid ook verliet de wildernis,
+ Wier paden hij heeft platgetreên, wier boomen
+ Hij telde--om nu, op 't hoog gebergt' verstrooid,
+ Een rijker jagersbuit op 't spoor te komen.
+ Niet langer huist de bever aan dees stroomen:
+ Ver aan de vrije waatren, die nog nooit
+ Een blank gelaat weêrkaatsten, aan de zoomen
+ Van d' Oregon, die trotsch en eenzaam vloeit,
+ Bouwt hij zijn klein Venetië.--Hier loeit
+ Geen buffel meer: nog tweemaal twintig mijlen
+ Van 't plekjen waar de lichte rookkolom
+ Verkondigt dat de verste jagers wijlen,
+ Dwaalt hij in wilde kudden zorgloos om;
+ Dáar steekt hij fier de horens op, dáar kneden
+Zijn reuzenhoeven de aard, die davert bij zijn schreden!
+
+
+
+IV.
+
+
+ Toch leeft altijd de oneindige woestijn.
+ Wie zal haar duizenden bij namen noemen?
+ Insekten, die, niet minder dan de bloemen,
+ Met licht en kleuren overgoten zijn;
+ En vogels, die ter nauwernood nog weten
+ Wat vrees voor menschen is; een slanggebroed,
+ Voortschuivend als een dichtgeschubde keten,
+ Afgrijslijk schoon, in goud en purpergloed!
+ De ranke hinde is schuw naar 't woud gevlogen;
+ Ginds briescht het paard, nog maagd van toom en trens;
+ De bij, veel stouter planter dan de mensch,
+ Met wien zij uit het Oost is meêgetogen,
+ Doorgonst op vliezen vlerkjens wijd en zijd
+ De zonnige _savanne_ en zoekt heur woning:
+ Een eik, als in den gouden fabeltijd,
+ Bergt in zijn hollen stam haar schat van honing.
+ Ik luister lang naar 't welbekend geluid:
+ 't Is of ik reeds de scharen aan zie zweven,
+ Die de eenzaamheid bezielen met nieuw leven.
+ Hoort! dartelende kinderen schaatren 't uit!
+ Daar ruischen meisjensstemmen! Tonen galmen,
+ Als noodde een sabbatsklok tot bede en psalmen!
+ Ik zie de lammren door de klaver gaan;
+ Het schelletjen der hamels doet zich hooren;
+ De boogert kraakt; welluidend ruischt het koren....
+ Daar waait op eens een frissche wind mij aan,
+ Mij wekkend uit mijn liefelijken waan--
+En 'k sta weêr eenzaam in de wildernis verloren!
+
+
+
+
+
+HET BEEKJEN.
+
+
+Gij, beekjen! welt met zacht geluid
+Onopgemerkt uw woudbron uit;
+Gij vormt een kleinen waterval,
+Terwijl gij nederspringt in 't dal;
+Dan effent gij uw golfjens weêr,
+En zoekt de schaduw als weleer.
+Hoe dikwerf, in mijn jonge jeugd,
+Hebt gij mijn speelziek hart verheugd!
+Als dan de lente, lang verwacht,
+Verscheen in de eerste bloemenpracht,
+Als 't gras, fluweelig uitgespreid,
+Doorvloeid was van welriekendheid:
+Dan vlood de knaap de doffe kluis,
+En voelde eerst aan uw zoom zich thuis!
+Dáar hoorde hij den kwartel slaan,
+Dáar lachte hem 't viooltjen aan,
+Zoo jong en frisch, zoo frisch en blijd,
+Als gij, mijn beekjen! zelve zijt.
+
+En toen ik opwies en de dorst
+Naar glorie tintelde in mijn borst,
+Beproefde ik bij uw stillen vliet
+In de eenzaamheid mijn eerste Lied!
+Het leven schitterde, als de dag,
+Die duizendkleurig voor mij lag;
+Ik droomde van mijn vleugelros,
+En schreef--'k herdenk het met een blos--
+Mijn naam met zooveel fierheid neêr,
+Als blonk hij reeds van eeuwige eer!
+
+Gij, beekjen! kent geen ouderdom;
+Uw hooge ahornen staan rondsom
+Wel groen en krachtig nog te prijk,
+Maar achtbren grijsaards nu gelijk.
+Zij leeren mij maar al te goed,
+Hoe snel de tijd is weggespoed,
+Sints ik, niet zonder huivering,
+Voor 't eerst mij neêrzette in hun kring.
+Maar gij, mijn beekjen! vloeit maar toe,
+En wordt des rennens nimmer moê.
+Nog altijd huppelt ongestoord
+Uw golfjen over keizels voort.
+
+Gij volgt uw eigen klokslag, gij!
+En kent geen jaren zoo als wij.
+Welluidend ruischt uw zacht geplasch,
+Als toen ik nog een knaapjen was.
+Nog zijt gij blank als kristallijn;
+Nog vonkelt ge in den zonneschijn;
+Nog tooit uw oeverriet zijn pluim
+Met vlokken van uw zilverschuim;
+Nog siert u, even teêr en blauw,
+'t Viooltjen in den morgendauw;
+Nog dobbert ginder, groen en versch,
+Schier wortelloos, de waterkers;
+En vroolijk kweelt de vooglenschaar,
+Nog even als voor twintig jaar!
+
+Gij, beekjen! zijt dezelfde steeds;
+Maar ik--ach, hoe veranderd reeds!
+Gij ziet het knaapjen van weleer
+Nu als een man, een vreemdling, weêr.
+Aanschouw mijn trekken! gij hervindt
+Geen enklen zweem van 't zorgloos kind,
+Dat eenmaal dartelde aan uw zoom.
+Vervlogen is der jonkheid droom,
+Dien 't hart uit gouden draden spon,
+Te schoon dan dat hij duren kon.
+'k Heb de echte waereld nu bespied,
+Maar die ik droomde, ging te niet.
+Een bleef getrouw tot op dit uur,
+Al heur beloften hield--Natuur!
+Want immer schittert voor mijn oog
+Het groene veld, de blauwe boog,
+Zoo jong, zoo vol van heerlijkheên,
+Als eer mijn eigen lent verdween!
+
+Nog weinig jaren en daar treedt,
+Gebukt, vergrijsd in lief en leed,
+Uw speelnoot aan met wanklen voet,
+Mijn beekje'! en--brengt u d' afscheidsgroet.
+Mijn doffe blik zal dan misschien
+Uw glinstring door een nevel zien,
+En mooglijk dringt dan tot mijn oor
+Uw vroolijk murmlen niet meer door.
+
+Dan sterf ik--Maar onaangedaan
+Ziet gij des waerelds wissling aan.
+Een nieuw en jong geslacht verschijnt,
+Groeit op, veroudert en--verdwijnt.
+Maar schoon ook jaar aan jaar ontvliedt,
+Gij speelt uw spel en zingt uw lied,
+Gij kust de rozen aan uw zoom,
+En droomt altijd uw jonkheidsdroom.
+Soms wel--wie weet het?--fluistert gij:
+"Wat gaat de Mensch toch ras voorbij!"
+
+
+
+
+DE NATUUR.
+
+
+Gij, beurtlings zacht en teêr, of vol van majesteit,
+Natuur! wat zijt gij schoon in uw verscheidenheid!
+_Nu_ streelt gij 't juichend hart door hemelzoete ontroering,
+_Dan_ heft gij 't naar omhoog in stoute geestvervoering,
+Of slaat het met den schrik des Heeren!--Gij betreedt
+De frissche dalen, en--het groene moschtapeet
+Ontluikt; de vruchtbre dauw drupt uit uw mantelzoomen;
+Uw vinger strooit alom de kleuren: 't groen der boomen,
+'t Sneeuwwit der lelie, 't blauw des hemels!--Alles leeft
+En knopt en bloesemt en draagt vruchten, waar gij zweeft.
+Elk zonnestraaltjen is een glimlach uwer oogen,
+Elk balsemluchtjen, dat ons aanwaait uit den hoogen,
+Uw vriendlijke ademtocht! En wat er klinkt en zingt,
+De luide waterval, die van de rotsen springt,
+Het beekjen, ritslend door de velden, 't kwinkeleeren
+Der duizend zangers, die met wapperende veêren
+Het bosch doorkruisen of zich heffen naar 't azuur,
+'t Zijn klanken uwer stem, welluidende Natuur!
+Maar trotscher wordt uw blik, als gij de bergwoestijnen
+Doorzwerft, de wolken plooit tot zwarte tentgordijnen,
+En zetelt op uw throon van onverganklijk ijs.
+Dan sneeuwt het vliegend zwerk uw blonde lokken grijs,
+Dan vlamt uw grimmig oog van rosse bliksemstralen,
+Dan schudt gij de Alpen, scheurt hun lenden, dreigt de dalen
+Met uw lawinen; loeit in aardschok en orkaan
+En donderslagen, en--jaagt de Aard den doodschrik aan!
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Zeker bloemtjen.
+
+[2] Schaapherder.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Nieuwe Bloemlezing uit de dichtwerken
+van J.J.L ten Kate, by J.J.L. ten Kate
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NIEUWE BLOEMLEZING ***
+
+***** This file should be named 17484-8.txt or 17484-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/1/7/4/8/17484/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/17484-8.zip b/17484-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..bcf06f5
--- /dev/null
+++ b/17484-8.zip
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..2e1e10f
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #17484 (https://www.gutenberg.org/ebooks/17484)