diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 17484-8.txt | 4251 | ||||
| -rw-r--r-- | 17484-8.zip | bin | 0 -> 53371 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
5 files changed, 4267 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/17484-8.txt b/17484-8.txt new file mode 100644 index 0000000..c35653d --- /dev/null +++ b/17484-8.txt @@ -0,0 +1,4251 @@ +The Project Gutenberg EBook of Nieuwe Bloemlezing uit de dichtwerken van +J.J.L ten Kate, by J.J.L. ten Kate + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Nieuwe Bloemlezing uit de dichtwerken van J.J.L ten Kate + +Author: J.J.L. ten Kate + +Release Date: January 9, 2006 [EBook #17484] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NIEUWE BLOEMLEZING *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + + POËZY. + + NIEUWE BLOEMLEZING + UIT DE DICHTWERKEN + VAN + J.J.L. TEN KATE. + + II. + + LEIDEN.--A.W. SIJTHOFF. + + 1880. + + + + + + +ZIGEUNERSLEVEN + + +Wat ruischt er zoo spade + Door 't beukenloof heen? +'t Zijn fluistrende stemmen + En krakende schreên: +Daar flikkren de vlammen + Door 't lommerig bosch, +Daar weemlen gedaanten + In wonderen dosch. + +'t Zijn wilde Zigeuners: + Een rustloze schaar, +Met bliksemende oogen, + Met fladderend hair; +De Nijl heeft het eerste + Hun voeten besproeid, +De hemel van Spanje + Hun voorhoofd verschroeid. + +Hoe vriendelijk knettert + Het vlammende hout! +Daar leegren de mannen, + Bij vroolijken kout: +Daar hurken de vrouwen, + En roosten het maal, +En vullen gestadig + De wijde bokaal. + +En Sagen en zangen + Weêrklinken in 't rond, +Als 't bloeiende Zuiden + Zoo weeldrig en bont. +Hoe luistren de jongen, + Waar 't Bestjen hen leert. +Wat rijmspreuk de slange + Der smarte bezweert! + +Zwartoogige meisjens + Beginnen den dans: +Hoe gloeien de fakkels + Met purperen glans +Hoe ruischen de snaren! + Hoe davert de grond! +Hoe zwieren de paren + Al wilder in 't rond! + +Nu zoeken ze aêmechtig + Een plekjen zich uit, +Waar 't murmelend windtjen + Haar de oogenleên sluit. +Daar voeren de droomen, + Zoo dartel en vlug, +Het harte der kindren + Naar 't Zuiden terug. + +Maar als nu in 't Oosten + Het zonnetjen daagt, +Zijn plotsling de beelden + En droomen verjaagd. +De muildieren trapplen; + 't Woelt alles dooréen-- +De bende is verdwenen! + Wie zegt u waarheen? + + + + + +SLAAPWANDEL BIJ DAG. + + +Door de Afrikaansche lucht gezengd, + Marcheert een oorlogsdrom: +'t Zijn Vreemden, bont dooréen gemengd, + Vergaderd van alom. +Hun lied, in allerhande taal, +Eens rijzend met den morgenstraal, + Werd lang niet meer gehoord: +Eentonig dreunt het rammlend staal-- + Zij trekkend slapend voort. + +De tamboer, met zijn trom bezwaard, + Stapt slapende in de maat; +Den hoofdman, knikkende op zijn paard, + Staan vlammen op 't gelaat. +Zoo sluimert heel dat bataillon, +Door de onverbiddelijke zon + Tot smachtens toe verhit: +Toch, hoe de hette hen verwon, + Blijft alles in 't gelid. + +En wat meest enkel de enge tent + Bij nacht bespieden mag, +Staat nu op elks gelaat geprent + Bij helderlichten dag: +Het droomgordijn is opgehaald, +De waereld, waar hun ziel in dwaalt, + Weêrkaatst haar tooverlicht, +Den glans, die van haar beelden straalt, + Op ieders aangezicht. + +Hoe beeft de ruige wenkbrauwboog! + De mond, schoon zwijgend, spreekt: +Ziet, hoe daar uit het trillend oog + Een groote traandrop breekt! +Zij zien de dagen van weleer, +Hun dierbaar huis, hun vriendlijk meir, + Hun groene lustwarand, +Hun lieve, grijze moeder weêr,-- + 't Verloren Vaderland! + +Daar valt een schot--zij zijn ontwaakt, + En vormen, strijdens reê, +Van plotselingen moed geblaakt, + Hun bliksemend quarré: +De tanden klemmende op elkaâr, +In dubble gramschap staan zij daar, + In stomme razernij.... +Helaas, de Beduïnenschaar + Vliegt als hun droom voorbij! + + + + + +KALIFORNIË. + + +Zij graven goud, en vinden goud; + "_Goud_" heet het tooverwoord! +Dat jaagt de morders, jong en oud, + Van haard en have voort. + +Voor goud verzaakt de vriend zijn vriend, + Verstoot de man zijn bruid: +'t Ziet hunkrend, wat den Mammon dient, + Naar Kalifornië uit. + +Zij laten, dobbrende op een plank, + Hun huisgezin in druk: +De rijkdom wenkt, het goud is blank,-- + De spiegel van 't Geluk! + +Goud is de sleutel tot het Hart, + De ware God der Eeuw; +Het maakt de lijdende Onschuld zwart, + De Misdaad wit als sneeuw. + +Het geeft der Domheid roem en macht, + Der Grijsheid frissche jeugd; +Het maakt Lafhartigheid tot Kracht, + En Schurkerij tot Deugd! + +Dies ziet, door zooveel glans verblind, + Het volk in 't Goud zijn heil, +En heeft er vrede, en vrouw, en kind, + God, en zich-zelf voor veil! + +O, dwaasheid, die het Wezen smaadt + En naar de Schaduw tast, +Die in de verte zoeken gaat + Wat zoo nabij haar wast! + +Uw T'huis is uw Beloofde Land: + Dáar zijt gij waarlijk Vorst! +Delf goud, met ijver en verstand, + Maar--uit uw eigen borst! + +De mannenkracht, de mannenmoed, + Die hooger streeft dan de Aard, +De zin voor 't eeuwig Schoon en Goed, + Zijn wel des zoekens waard! + +Daar schuilt voor u gedegen goud, + Dat van geen roesten weet, +Dat immer zijn gehalte houdt, + Dat _Ware Rijkdom_ heet! + +Zoo 't mannenhart u niet voldoet, + Zoek dan in 't vrouwenhart: +Een goudmijn is haar teêr gemoed + Van vreugde en zoete smart! + +Ziet, hoe dáar, rijker dan uw droom. + De reinste liefde gloeit, +En, als het stofgoud in den stroom, + Door al heur aadren vloeit! + +Versmaadt uw hart dat Tooveroord, + O aarzel dan niet meer! +Trek dan naar 't verre Goudland voort-- + _Gij vindt er de armoê weêr_! + + + + + +DE VLUCHT DES TIJDS. + + +Dát kan mij vaak weemoedig maken, + Dat ons de tijd zóo snel ontvaart, +Dat, eer zij 't Heden recht mocht smaken, + De ziel reeds in 't Verleden staart. + +Het zaligst uur, sinds lange jaren + Verwacht en vurig afgebeên, +Het komt gelijk een klank van snaren: + Hij ruischt, verrukt, en--vliegt daarheen! + + + + + +KLEINE PLAGEN. + + +Neen! een groote, heiige smart + Zal mij nimmermeer vervaren; +Zag zich maar mijn vurig hart + Alledaagsche kwelling sparen! +'k Wil het groote kruis, hoe zwaar, + Dat van God komt, willig dragen; + Maar mijn hart krimpt in elkaâr +Voor die duizend kleine plagen! + + Heil, die met hun heldenbloed +'t Worstelperk der vrijheid verven! + Heil, die in den mutsertgloed +'s Hemels Martelkroon verwerven! +Welk een troost in allen nood, + Welk een roem in alle schande, +Waar we, trouw tot in den dood, + Vallen als eene offerande! + +Maar hoe zelden gunt ons 't lot, + Grootsch te lijden, grootsch te sneven, +Met den gloriepalm tot God + Als een aadlaar op te zweven! +Ach, hoe pijnlijk, dag aan dag + Vaster in den strik gesparteld, +Niet te vallen door één slag, + Maar door naalden doodgemarteld! + + + + + +AAN VADERS, DIE KINDEREN BUITEN HET +HUWELIJK HEBBEN. + + +Gij, die uit wulpschen lust de onnozelheid verraadt + In 't lichtgewaad eens Engels! +Die jaagt door vreemden hof, en zelfs geen blik meer slaat + Op de omgetrapte stengels! +'k Wil uw geweten zijn! 'k wil spreken van uw bloed, + Van 't pleegkroost der ellende, +Dat recht heeft op uw naam, uw liefde, uw overvloed, + Maar--nooit een vader kende! +Rampzaalge kinderen, die, ziekelijk en koud, + In d'Ugolino-toren +Van 't klemmende gebrek, dien gij hun hebt gebouwd, + In schande zijn geboren! +Hebt gij dan nooit voor hen een enklen zucht geslaakt? + Voelt gij hun droeve schimmen +Niet woelen in uw hart, als schijndoôn, die, ontwaakt, + Uit d'engen grafkuil klimmen? +Kunt gij den kinderen, die gij uw kindren heet, + Éen uur van vreugde schenken, +En tevens niet aan al het jarenlange leed + Der ongenoemden denken? +Wanneer ge uw naaste kind ten blijd geboortefeest + Met bloemen ziet versieren, +Staan dan zijn broeders niet verwijtend voor uw geest, + Die nooit hun jaardag vieren; +Die op denzelfden dag misschien den bleeken dood + Ontzind in de armen loopen, +Of--eindloos erger--voor een schaamle handvol brood + Hun kostbre ziel verkoopen?-- +Hoe durft gij spreken, gij, van vaderteederheid + En vaderlijke zorgen, +En zeggen, dat ge uw kroost een vasten stand bereidt, + Uw kindren hebt geborgen, +Als de andren, buiten af, in 's waerelds oceaan, + Op schotsen ijs bevriezen, +En, voortgedreven door den zweependen orkaan, + In d' afgrond zich verliezen?-- +Noemt u geen mannen, gij vreesachtigen! maar bloost, + Als gij die zwakke vrouwen, +Verlaatnen, blijven ziet bij heur verlaten kroost, + En--nog op God vertrouwen! +Noemt u geen vaders, gij die vaders zijt in schijn! + Daar zijn voor de Alziende oogen +Meer kindermoorders dan er moorderessen zijn-- + Wanneer werd God bedrogen? + + + + + +DES ZANGERS VLOEK. + +BALLADE. + + +In overoude tijden + rees voor des pelgrims oog, +Ver boven beemd en bosschen, + een burchslot naar omhoog. +Het lag in bonte gaarden, + als in een bloemenkraus, +Waar springfonteinen speelden + in regenboogenglans. + +Daar had een trotsche Koning + zijn machtig rijk gesticht; +Daar zat hij op zijn zetel + met somber aangezicht. +De dood lag in zijne oogen, + de hel in zijn gemoed, +Want wat hij sprak was geessel, + en wat hij schreef was bloed. + +Naar deze Vorstenwoning + trok eens een Zangrenpaar, +Een jongling, blond van lokken, + Een grijsaard, wit van hair. +De grijsaard, met zijn speeltuig, + berijdt een fier genet; +De jongling gaat er nevens + met vogelvluggen tred. + +Daar sprak de grijze Zanger: + "Houd u bereid, mijn zoon! +Het rijkste lied moet klinken, + en uit den volsten toon. +Verzamel al uw krachten, + de hoogste vreugde en smart: +De Koning moed gegrepen + in 't marmerkoude hart!" + +Reeds treden beî de Zangers + de weidsche Hofzaal in: +Daar throont de norsche Koning, + de schoone Koningin: +De Koning, die in luister + het Noorderlicht gelijkt, +De Koningin, die lieflijk + als 't kuische maanlicht prijkt. + +De grijsaard roert de snaren: + hoe zuiver trillen zij! +Hoe zwelt in stoute akkoorden + de wondre melodij! +Hoe klinkt als die eens Engels + des jonglings stem er door! +Hoe dreunt de bas des ouden + gelijk een geestenchoor! + +Zij zingen van de vreugden, + de deugden van weleer, +Van lente, liefde en vrijheid, + van trouw en riddereer. +Zij zingen van al 't Schoone, + dat 's menschen boezem treft +Zij zingen van al 't Goede, + dat 's menschen hart verheft. + +De dartle hovelingen + verleeren allen spot; +De dreigende oorlogshelden + verneedren zich voor God; +De Koningin, verteederd, + werpt, met een tranenvloed, +De puikroos van heur boezem + den Zangers voor den voet! + +"Gij hebt mijn volk betooverd, + gij hebt mijn vrouw verleid! +Zoo brult op eens de Koning + in wilde grimmigheid: +Hij werpt zijn zwaard, dat vlammend + des jonglings borst doordringt, +Waaruit, voor gouden zangen, + een roode bloedstraal springt. + +Verdwenen zijn de hoorders, + verbroken is het feest; +De jongling geeft al snikkend + in 's meesters arm den geest. +Die windt hem in zijn mantel, + en draagt hem door 't portaal, +En zet den dierbren doode + recht vóor zich in den zaâl. + +Maar voor de poort des Konings, + daar houdt de grijsaard stand, +Daar slingert hij liet speeltuig + uit de opgeheven hand: +En als de harp in splinters + verstrooid ligt op den grond, +Daar dreunt zijn stem ontzettend + door slot en gaarden rond: + +"Wee u, gij trotsche zalen! + geen vriendlijk harpakkoord, +Geen zang worde in uw bogen + in eeuwigheid gehoord! +Daar mogen zuchten klinken + en schuwe slavenschreên, +Tot u de geest der wrake + tot stuivend puin zal treên! + +"Wee u, gij bonte gaarden + in 't gouden zonnelicht! +U toon ik dezes dooden + bestorven aangezicht. +"Het moge uw loof doen dorren, + uw bronnen stil doen staan, +Tot al uw heerlijkheden + in onkruid ondergaan! + +"Wee u, verwaten moorder! + u vloekt wat Zanger heet! +Vergeefs zij al uw woeden, + geen lauwer kroone uw zweet! +Uw rijkdom moog' verroesten, + verderven al uw pracht, +Uw trotsche naam verzinken + in eeuwgen middernacht!" + +De grijsaard heeft gesproken, + de Hemel heeft gehoord: +Vergruizeld zijn de muren, + verzonken is de poort. +Gelijk een schrikgetuige + staat daar éen zuil alléen, +En deze, reeds gebarsten, + stort mooglijk straks in een. + +De gaarden zijn verwilderd, + met distels overgroeid, +Geen struikjen geeft er schaduw, + geen beekjen dat er vloeit. +Des Konings naam verkondigt + geen lied, geen heldenboek; +Verzonken en vergeten! + dat is des Zangers vloek! + + + + + +EEN BEKEND HUIS. + + + Wat wondre weemoed grijpt u aan + Bij 't huis, waar ge eens het oog van vrienden hebt zien blinken, + Wanneer daar andre stemmen klinken, + En vreemden op- en nedergaan! + + Ja, 't is dezelfde deur, 't zijn de oude vensterboogen: + 't Is of de drempel u verlangend naadren ziet: + Maar 't oude welkom groet u niet, + En--gij gaat stil voorbij met neêrgeslagen oogen! + + Of peinst gij voort en toeft gij nog, + Niet lang zal u de droom op gouden vleugels dragen: + Ach, koele blikken, norsche vragen + Verjagen 't laatste zelfbedrog. + + Wat wordt u 't vriendlijk huis? Een handvol koude steenen + Gij wischt, ontroerd, uw tranen af: + Als de oude vrienden zijn verdwenen, + Schijnt hun verlaten huis u leêger dan hun graf! + + + + + +DE WAARDE VAN HET KLEINE. + + +Wil het kleine niet versmaden: + 't Is de bron van groote kracht. +Kan hij de Eeuwigheid gewinnen, + Die het Oogenblik veracht? + +Uit een vonkjen onder de assche + Rijst de blakerende vlam; +Uit het weggeworpen zaadtjen + Kiemt de statige eikenstam. + +Groeiend tot een berglawine, + Rukt de sneeuwvlok rotsen neêr; +En de droppel bij den droppel + Wordt een peilloos Alpenmeir. + +Ja, éene enkele gedachte, + Stralende uit eens Wijzen hoofd, +Kan een kranke waereld redden, + Die er dankbaar aan gelooft! + + + + + +HET LAND DER LIEFDE. + + +Ja, valsch en bedrieglijk, met doornen bezwaard, +Met neevlen omsluierd, is 't leven op aard: +Toch weet ik een hoekjen, dat Eden beschaamt, +Door de Englen HET LAND VAN DE LIEFDE genaamd. + +Woedt elders de bliksem in blaakrenden gloed, +Versterft ieder bloemtjen in tranen en bloed, +Hier drijven de stormen verschoonend voorbij: +In 't LAND VAN DE EEUWIGE LIEFDE is het eeuwige Mei! + +Het pad dat er heenleidt, is needrig en smal; +In rozen verborgen, geleidt het naar 't dal: +Geen macht en geen kracht en geen goud voert er heen; +'t Geloovige hart is de leidsman alleen! + +In 't LAND VAN DE LIEFDE zijn allen gelijk: +Daar kent men geen stand en geen arm en geen rijk; +En ieder bezit er dien eenigen schat, +Die niet, als al 't aardsche, in een schuimbel verspat! + +Wat ijl ik niet vaak naar dat vriendelijk oord, +Als veel mij ontvalt dat mij eens heeft bekoord! +Steeds keer ik terug in dit leven van smart, +De vreugde in het oog en de vrede in het hart! + + + + + +VERLOREN. + + +Dat eenmaal was, keert nimmer weêr: + De jeugd wordt niet herboren. +Haar zoete droom van liefde en eer +Omzweeft het grijzend hoofd niet meer-- + Verloren is verloren! + +Wel zien we in 't blauwend lichtgebied + De zonne daaglijks gloren: +Maar 't Heden is het Gistren niet: +'t Zijn andre stralen die zij schiet-- + Verloren is verloren! + +Geen bloemtjen, dat in 't najaar sneeft, + Zal lentes wekstem hooren: +En schoon de dorre struik herleeft, +'t Zijn andre bloemen die zij geeft-- + Verloren is verloren! + +Geen golfjen, hupplend langs heur baan, + Wordt door uw lied bezworen: +Wie dwingt het leven ooit tot staan? +'t Vliet als een golf naar d' oceaan-- + Verloren is verloren! + + + + + +EEN PROGRAMMA. + + +Niet steeds wordt voor de grootste heldendaden + Een roemzuil door de zwanenveêr gesticht: +In diepen nacht, aan niemands blik verraden, + Schuilt vaak de stof voor menig Heldendicht. + +En tragischer dan alle treurtooneelen + Is 't leven vaak voor menig menschenziel, +Die onverpoosd heur droeven rol moet spelen, + Tot straks voor goed de bonte voorhang viel. + +De Dichter zing' geen hooggeroemde Helden, + Waarvoor zich de aard afgodiesch nederbuigt! +Zijn Elegie moet zulke strijders gelden, + Waarvan de rol der eeuwen niet getuigt! + +Hij zinge 't hart, in de eenzaamheid gebroken; + Den wrangen traan, te middernacht geschreid; +Het vrije woord, in 't kerkerhol gesproken, + Waar nooit de zon heur lieve stralen spreidt; + +Het vaderhoofd, vergrijsd in zorg en vreeze; + De moederklacht, bij 't sterfbed van een kind; +De worsteling der aangevochten weeze, + Die honger heeft en toch de deugd bemint! + +Van zulk een strijd der zielen zal hij spreken, + En juichen als de zege wordt gevierd, +En zóo het zwijgen der Historie wreken, + Die, vleiend, slechts de Koningen lauwriert! + +Gij, Clio! prijst alleen de hooggezetenen, + Al bracht hun zwaard ook duizenden ten val: +Zoo zinge dan de Dichter de _Vergetenen_, + Die God aanschouwt en--Boven kroonen zal! + + + + + +TROOST IN HET LAND DER VREEMDELINGSCHAP. + +EEN REISLIED VAN DEN ZENDELING NEUMANN. + +(_Uit zijn dagboek, van het Chineesche eiland Putoy, Zondag 2 Mei +1852_). + + +Mist gij hier vrienden en verwanten, + Wat nood, als hier en overal +Een leger blinkende trawanten + Uw eenzaam pad omstuwen zal? + +Wat nood, of hier de dierbren scheiden, + En niet éen pelgrim met u gaat, +Wanneer Gods Englen u geleiden, + En Jezus u ter zijde staat? + +Waarheen zich ook mijn schreden wenden, + Des Heeren voetbank draagt mij nog! +Ben ik omringd van onbekenden, + God, die mijn roem is, kent mij toch! +Mijn Heiland neemt mij in Zijn hoede, + 't Is of mijn ziel Zijn aanschijn ziet, +En 'k hoor Zijn stem: "Wees wel te moede! + "Uw Vader, kind! vergeet u niet!" + + + + + +EEN BLIK VOORUIT. + + +Als eens mijn uurtjen komen zal, + En ik van de aard moet scheiden, +Wil Gij dan in het schaduwdal, + O Jezus! mij geleiden. +'k Beveel in Uwe hand mijn geest, +En volg, o Heer! U onbevreesd + Naar 's Hemels groene weiden! + +Wel zal ik beven op 't gezicht + Van al mijn duizend zonden, +Daar mijn geweten-zelf mij richt + En schuldig heeft bevonden: +Maar denken wil ik aan Uw dood, +O Heer! en vlieden tot Uw schoot, + En schuilen in Uw wonden. + +Ik weet in Wien mijn hart gelooft: + Gij zult mij niet begeven! +Zijn niet Uw leden, Godlijk Hoofd, + Onscheidbaar saamgeweven? +Ja, als ik sterf, dan sterf ik U, +Want, Heer! Uw dood verwerft reeds nu + Mijn ziel een eeuwig leven! + +Nu Gij den dood verwonnen hebt, + Blijf ik in 't graf niet rusten: +Mijn ziel, die reeds de vleugels rept, + Vreest 's waerelds leed noch lusten. +Waar Gij nu zijt zal ik eens zijn!.... +Gegroet dan, eeuwge Zonneschijn, + En blijde Hemelkusten! + +Zoo sterve ik zonder vrees of schrik, + Getroost in Uw erbarmen: +Mijn sluimring duurt éen oogenblik-- + Gij zult mijn stof beschermen. +Straks roept Uw stem: "Ontwaak! Ik klop!" +Dan rijs ik uit de windsels op, + En--werp mij in Uwe armen! + + + + + +'T IS VOLBRACHT. + + +Op den Berg der Jammren, +Herder zonder lammren, + Sprakeloos en koud, +Met gebroken oogen, +'t Heilig hoofd gebogen, + Hangt de Heer aan 't hout. + Welk een throon + Voor 's Vaders Zoon! +Is dan 't gapend graf een woning + Voor den Hemelkoning? + + Ach, wat angsten lijdt Hij! + Ach, wat doodskamp strijdt Hij, + Bloedende overal! + Is van al Zijn vrinden + Dan niet éen te vinden + Die Hem redden zal? + Menschen gaan + Voorbij, en staan +'t Wee, dat de Englen weg doet schrikken. + Grijnzende aan te blikken! + +Brandend van genade, +Sloegt Ge, o Heer! ons gade, + Voeldet Ge onzen nood: +Goddelijken vrede + Bracht Ge, o Heiland! mede + Uit des hemels schoot. + En, Gods licht + Op 't aangezicht, +Sterft Gij nu als offerande + Op 't altaar der schande! + + Gij, de Zoon des Vaders, + Tusschen gruweldaders! + Wat ontzinde waan, + Welk een duivlenwoede, + Eenig Reine en Goede! + Heeft U dàt gedaan? + Ach, een ras + Van stof en asch, +Kaïns zaad, maar tienmaal wreeder. + Sloeg U, Abel! neder. + + Ja, ter Hoofdscheêlplaatse + Bracht u dit melaatsche, + Doodsche zondaarshart. + Ik, in schuld verloorne, + Vlocht de scherpste doorne + Door Uw kroon der smart! + Want de schuld + Die mij vervult, +Wilt Gij in de reine plasschen + Van Uw zoenbloed wasschen! + + 'k Zal het nooit doorgronden, + Hoe Gij, zonder zonden, + "Eli, Eli!" zucht. + 'k Zie den hemel tanen + In een floers van tranen, + En de zonne vlucht! + 'k Zie de doôn + Hun graf ontvloôn; +Van de ellend, die U weêrvaarde, + Brak het hart der aarde! + + Sterke Boeienslaker! + Trouwe Zaligmaker! + Groote Immanuël! + Gij hebt al mijn plagen + Op het hout gedragen, + En versloegt de Hel, + Sta mij bij, + En heilig mij, +Dat ik nimmer iets begeere + Dan uw liefde, o Heere! + + Met uw bloed besproeide! + Doodelijk vermoeide! + Rust hier in de rots! + Uw vervolgers weken, + Half van schrik bezweken, + Bij de teeknen Gods! + Nader spoedt + Uw Jongrenstoet, +En zij zweren, vol van rouwe, + U den eed der trouwe. + + Gij hebt overwonnen! + Woedend aangeschonnen, + Stondt Ge onwrikbaar pal! + Door het Helsche duister, + Door der Heemlen luister, + Door het wijd Heelal, + Klinkt met kracht + Uw: "'t Is volbracht!" +En de palmen der viktorie + Groenen door Uw glorie! + + Als een heldre sterre + Straalt Uw kruis van verre + Allen volkren aan. + 't Is de Boom des Levens: + Vrucht en bloesem tevens + Menglende in zijn blaân! + Wie verrukt + Die vruchten plukt, +Die wordt, rijk en begenadigd, + Eeuwiglijk verzadigd! + + Op den Berg der Vreugde, + Rijker dan U heugde, + Vol der heerschappij, + Vol der zaligheden, + Zit Ge, in 't Eeuwig Eden, + Aan des Vaders zij'! + 's Vaders Zoon! + Dat is Uw throon: +Gods paleizen zijn Uw woning, + Groote Hemelkoning! + + + + + +HEIMWEE. + +(Aan mijnen vriend, den zestienjarigen Dichter J.J.L. ten Kate.) + +--Sevenaer 1836.-- + + +Kent gij den droom vol wondre harmonieën, + Waarin een glans des Hemels ons omzweeft, +Dien zich de jeugd in zoete fantasieën + Uit de eerste smart en de eerste vreugde weeft? +Kent gij hem wel? Ook lange nog na 't scheiden +Blijft trouw zijn beeld door 't leven ons geleiden. + +Als onze geest de teêre vleugels wiegelt, + En worstlend naar een Hooger Schoonheid smacht, +Als in zijn blik een Tooverwaereld spiegelt, + Een Lustwarand, waaruit de vrede lacht, +Dan zou hij gaarne, in namelooze weelde, +Verwerklijken wat zich zijn wensch verbeeldde. + +Toch slaat de geest wel vruchtloos hier beneden + De wieken uit naar reiner lichtgebied: +Zijn jonkheidsdroom van een verloren Eden, + Zijn heimweezucht stilt déze waereld niet: +Totdat hij leerde in stil geloofsvertrouwen +Naar 't Vaderland daar Boven heen te schouwen. + +Wie schonk ook U die zilverzuivre snaren, + Wier windharp-toon den wensch naar Boven voert? +Wie leerde ook U zoo vroeg en diep ervaren, + Wat bitterzoet een Dichtrenhart ontroert? +Moest ook úw hart reeds in zijn lente leeren + Geduldig te verwachten en te ontbeeren?.... + +O, laat het lang en God ter eere bloeien, + Dat Paradijs dat opging in uw ziel! +Laat lang daar 't licht des stillen weemoeds gloeien, + Een straal gelijk die uit den Hemel viel! +De beelden, die daar zeegnende U omzweven, +Zijn diep verwant aan 't innig zielenleven. + +Vaar moedig voort op zuivren toon te zingen! + Vervolg uw weg in 't koele palmgeblaârt! +Wat waereldsch is, kan 't harte niet bedwingen; + Wat hemelsch is, stijgt vrolijk hemelwaart: +De zoete droomen, die hier vroeg verstoven, +Hervinden wij verwezendlijkt daar Boven! + + + + + +EEN LEVENSBEELD. + + +Als zefiers aâm de golfjens krult + En over 't zeevlak huppelt, +Als de avondzon het schuim verguldt, + Dat op zijn oevers druppelt: + +Dan breekt mijn blijdschap uit haar knop + Als 't bloemtjen uit heur blaâren; +Ik klim de geele duinen op, + En volg den loop der baren. + +Dan dansen mijn gedachten meê, + Dan dartlen mijn gepeizen +Met al de golfjens van de zee, + Die altijd verder reizen. + +Maar--als op eens de storm ontsteekt, + En met verwoede slagen +Den kristallijnen spiegel breekt, + En bergen op doet dagen: + +Dan vluchten al mijn droomen heen, + En zinken in de golven, +Als drenkelingen éen voor éen + Verrast en overdolven! + +Dan zie ik naar dat beter Blauw, + Waarin de starren drijven: +En wensch mij boven 't wolkengrauw, + Om eeuwig daar te blijven. + +Doorploeg' wien 't lust den wijden plasch + Met volgetaste barken! +En zeile hij naar 's waerelds as + Met uitgespannen vlerken: + +Ik blijf aan 't strand! Ik zag in 't meir + Zoo menig een begraven; +En zet me aan 's Heeren voeten neêr, + Niet verre van de haven! + + + + + +I KORINTHEN I : 30. + +"Uit Hem zijt gij in Christus Jezus, die ons geworden is wijsheid +van God en rechtvaardigheid en heiligmaking en verlossing." + + +Angstig tastende als de blinden, + Doolde ik onophoudelijk voort: +Zoekend, zonder ooit te vinden, + Vragend, maar niet aangehoord: +Tot ik naar de Bron der waarheid + Jezus volgde, en Hem-alléen, +En in onbewolkte klaarheid + Mij de _Wijsheid_ Gods verscheen + +Troosteloos van éen gereten, + Kwijnde mijn doemschuldig hart; +Maar in 't wroegende geweten + Bleef de prikkel mijner smart: +Tot ik met mijn zielewonden + Naar het kruis van Jezus ging, +En in ruil voor al mijn zonden + Zijn _gerechtigheid_ ontfing! + +'k Zocht de lauwerkrans te plukken, + Die de deugd haar Priestren biedt: +Menig zonde deed ik bukken, + Maar het harte bukte niet: +Tot de valsche lauwren dorden, + Tot de Geest, dien Jezus geeft, +Hier dat nieuwe hart deed worden, + Dat naar _Heiligmaking_ streeft! + +Zielevreugd en boezemprangen + Wisslen ieder oogenblik: +'k Voel een ongestild verlangen + Tot mijn allerjongsten snik. +Maar de Hoop verguldt de zoomen + Van des waerelds nachtgordijn: +Jezus komt eens--en volkomen + Zal dan mijn _Verlossing_ zijn! + + + + + +HET WOORD GODS. + + +Houd u met volstandig harte + Biddende aan uws Heeren Woord! +Onder 's waereld smaad en smarte + Biedt het u een toevluchtsoord. +Schuil in Zijn beloftenissen + Met een stillen kinderzin! +'t Zal uw krank geloof verfrisschen, + 't Stort u licht en leven in. + +Hemelvreugde doet het bloeien + In het hart tot God gekeerd. +Hemelvuurvlam doet het gloeien, + Die verwarmt maar niet verteert. +Kiemen, die verstorven lagen, + Spruiten onverganklijk voort; +Alles zal hèm vruchten dragen, + Die gezaaid heeft met Gods Woord! + +'t Is een straal uit Hooger Sfeeren, + Die des waerelds nacht verblijdt. +'t Is de sterke hand des Heeren, + Die ons vasthoudt in den strijd. +Alle steunsels mogen wijken, + Dit weêrstaat de zwaarste last. +Vreest uw scheepjen voor bezwijken, + Eeuwig houdt dit anker vast. + +Laat des Heeren Woord u laven! + Laat het schijnen voor uw voet! +Zelfs de bange nacht der graven + Wordt verhelderd door zijn gloed. +Blijf aanbidden en gelooven! + Sta uw besten schat niet af! +Laat u 's Waerelds haat niet rooven + Wat u 's Hemels liefde gaf! + +Houd het vast!--Ach, hier beneden + Is al 't andre wind en waan, +IJdelheid en ijdelheden, + Pas ontloken of vergaan! +Bloesems, die het oog verkwikken, + Dorren in des plukkers hand: +Alles duurt hier oogenblikken-- + 's Heeren Woord houdt eeuwig stand! + +Altijd rijker vloeit het leven + Uit die Levensbron u toe: +Zij wordt nimmer moê te geven,-- + Wordt gij 't nemen nimmer moê! +Onderzoek met stille bede, + Dat des Heeren Geest u leid'! +Dan geniet ge in 's Heeren vrede + 't Voorgevoel der zaligheid! + + + + + +HET ONTWAKEN. + + +ZIJ. + +Die sluimering deed u goed? + +HIJ. + + Uitnemend goed. +'k Herinner mij zelfs uit mijn vroege jeugd +Geen slaap zoo vast, zoo hartverkwikkend zoet. +Onze oude goede vader--of u 't heugt-- +Wanneer hij 's morgens in de kamer trad, +Placht op de vraag, "hoe hij geslapen had," +Te zeggen: "Als een zalige!" Welnu, +Dat zelfde vroolijk antwoord geef ik u. +Ook ik sliep als een zalige, of veeleer +Ontwaakte ik als een zalige! Overal +Voel ik nieuw leven, of ik nimmermeer +Vermoeienis noch slaap meer kennen zal. +Een frissche kracht vloeit door mijn aadren heer +Daar is een wondre vlugheid in mijn leên, +Als droegen mij onzichtbre vleuglen voort +Waarheen ik wil... + +ZIJ + + Wat dunkt u van dit oord? + +HIJ + +Zie, wij genoten menig lieflijk uur +Te midden van den Lusthof der Natuur: +Maar nooit begroette mijn bewondrend oog +Een plekjen gronds, zoo onuitspreeklijk rijk. +Ha, welke boomen! Waarlijk, hemelhoog! +Zij dragen vrucht en bloesem te gelijk. +Ik hoor den wind, die door de twijgen ruischt, +En 't klinkt daarbij zoo lieflijk uit hun top, +Als ware er heel een zangrig choor gehuisd. +En achter hen, daar rijzen bergen op, +Klaar afgeteekend tegen 's hemels trans, +Somtijds bezocht door wolken, waar de glans +Van morgenrood en avondzonnegoud +Zich mengelt tot een wisslend licht en bruin. +En door den blanken nevel op hun kruin +Weêrblinkt een Stad, uit kristallijn gebouwd, +Met torens en paleizen, heerlijk schoon. +En van die hoogte vloeit een water neêr, +Geen stortvloed maar een zachtbewogen meir: +Niet bruischend, maar met zoeten zilvertoon +Gelijk muziek voortgolvend naar beneên. +Zie, 't spat een dauw van droppels om zich heen +Die trillend op geboomte en bloemen blinkt, +En heel de lucht een koelheid mededeelt, +Die 't dorstig hart met lange teugen drinkt. +En dan dit vriendlijk veld! Wij zijn omringd +Van bloemen, waar een kleurengloed op speelt, +Zoo als ik nooit aanschouwde; en als wij gaan, +Buigt zelfs geen grasjen neêr voor onzen voet. +Elk ander plekjen biedt een overvloed +Van nieuwe en heerlijker tooneelen aan. +De blik verdwaalt van 't eene vergezicht +In 't andere, en de blauwe kimmen vliên +Al verder weg, als smolten zij tot licht. + +ZIJ. + +Hebt gij dit heerlijk oord reeds meer gezien, +Of zijt gij hier voor d'allereersten keer? + +HIJ. + +'t Schijnt alles mij, waarheen ik de oogen wend, +Zoo onbegrijplijk-vriendlijk, zoo bekend, +En echter--neen, ik was hier nimmermeer. + +ZIJ. + +En zijt ge niet verwonderd, dat ge mij +Weêr bij u ziet? + +HIJ. + + Wel, waart gij 't niet altoos? + +ZIJ. + +Nu ja; maar toch, ik was een lange poos +Afwezig. Eens verdween ik van uw zij'. + +HIJ. + +Daar duikt op eens uit mijn herinnering +Iets als een nevel op, die lang verging: +'t Is menig droeve dag en menig nacht +In tranen--maar waarom toch?--doorgebracht. +'t Is vreemd, maar waar, 't is of dit zelfde hart, +Dat anders zulk een teeder aandeel neemt +In alles, nu verstompt is voor de smart: +Het verst gevoel van lijden werd mij vreemd. + +ZIJ. + +Herinner u den zeventienden Maart. + +HIJ. + +Nu is op eens de nevel opgeklaard: +'t Was avond--juist!--een treurige avondstond. +Vier lange dagen waart gij krank geweest. +Ja, 'k weet het nog: wij hadden veel gevreesd, +Maar hoopten nog. 'k Zat bij uw veege spond. +Daar greep op eens een groote zwakte u aan. +Uw hoofd leunde op mijn borst--het gleed op zij'. +Een diepe zucht--en alles was gedaan.... +Gij stierft. Gewis, gij zijt gestorven, gij! + +ZIJ. + +Ik ben gestorven, en gij ziet, ik leef. + +HIJ. + +Als gij gestorven zijt en 'k u mag zien, +Dan is het wel een droom, waarin ik zweef? + +ZIJ. + +Gij droomt niet, want gij waakt. + +HIJ. + + O, dan misschien +Zond God op aarde u uit den hemel neêr, +Ach, voor een uur! en jaren achtereen +Blijf ik met al mijn tranen straks alleen! + +ZIJ. + +Neen, zeker niet: nu scheiden wij niet meer. +Gezonden werd ik wel, maar niet op aard. +Zie toch eens rond en zeg, zaagt ge ooit weleer +Zulke oorden, zulke bloemen, zulk een gaard? +En zie u-zelven eens! Gij gingt gebukt +Van ouderdom: nu zijt gij jong--gij leeft +Een nieuw, frisch leven, dat uw hart verrukt: +Gij gaat niet maar: gij zegt het zelf, gij zweeft. +Uw oogen zien niet enkel: sluit ze toe, +Nog zien ze, tot in 't eindeloos verschiet. +Keer in u-zelf! Voelt ge uw herschepping niet, +Of was u ooit op aarde als thands te moê? + +HIJ. + +Mijn hart is als een bodemlooze zee: +Bewogen, maar toch kalm, vol diepen vreê. +Ja, als ik rond mij zie, mij-zelv' herken, +Mijn hart doorvorsch, uw hand zoo teeder druk, +Vervult mij zulk een waereld van geluk, +Alsof ik zalig in den Hemel ben! + +ZIJ. + +Gij zijt het! + +HIJ. + + 'k Moest dan eerst gestorven zijn... + +ZIJ. + +Gij zijt het! Hebt gij dan niet lang gesmacht +Op 't ziekbed, in mijn laatste kamerkijn, +Waar ge op uw eigen wensch wordt heengebracht? +Heeft niet uw lieve zoon u dag en nacht +Zoo trouw verpleegd, zoo zorgelijk behoed, +Terwijl hij u geen oogenblik verliet? +Zaagt gij dan nacht en dag den teedren groet +Dier oogen van uw lieve dochter niet, +Verdronken in een heeten tranenvloed, +Maar nooit geloken? Voer een zachte schok +Niet eensklaps als een huivring door uw leên? +En zeeg daar niet een nachtfloers om u heen, +Dat d'aanblik uwer kindren u onttrok? + +HIJ. + +Ik stierf!.... O Heer van levenden en doôn. +Ik dank U op mijn knieën, dat ge aan mij +Uw wonder hebt volbracht, zoo groot, zoo schoon, +Dat ik, ook ik--O Heer! hoe goed zijt Gij!-- +Niet sterven slechts, maar zálig sterven mocht! +Gij weet, o Heer! hoe menigmalen ik +Gepeinsd heb aan dat uiterst oogenblik, +En in 't gebed Uw aanschijn heb gezocht, +U smeekend, dat Gij-zelf--ik kon het niet-- +Mij zóo mocht voorbereiden, dat de dood +Mij eenmaal zacht en zalig de oogen sloot! +Nu, Heer! Gij, die geen biddend hart verstiet! +Die beê, gelijk al de andren, werd bekroond. +Ook hier, als immer, hebt Ge U groot getoond +En heerlijk, vol van liefde en medelij'! +Wat eenmaal vóor mij stond, is nu voorbij. +Ik stierf, eer ik mijn sterven heb vermoed: +Ik ondervond slechts dit: de Dood is zoet! +Gelijk een Moeder 't ingesluimerd wicht +Uit de enge wieg in 't lieve lentelicht +Ter nederzet: zóo hebt Ge mij al zacht +Van de Aarde naar den Hemel heengebracht.-- +En nu, mijn lieve! laat mij gaan.... + +ZIJ. + + Waarheen? + +HIJ. + +Gij vraagt het nog? Tot wien dan Hem-alleen? +'t Is alles hier zoo heerlijk: dat geboomt', +Die bloemenhof, dat blauwe luchtgewelf, +Dat water, dat verkwikkend nederstroomt, +Die morgenwind, zoo balsemvol, gij-zelf, +Gij, die ik steeds in 't weenend harte droeg, +En nu, na zooveel smarts, de mijne weêr!-- +En echter is dit alles niet genoeg. +Hém moet ik zien, mijn Heiland en mijn Heer! +Hoe feestlijk Hij zijn blijden Hemel tooit, +De Hemel-zelf vergoedt Zijn afzijn nooit. +Hij maakte mooglijk wat onmooglijk was: +Hij ging niet heen eer Hij mijn hart verwon, +Hij liet niet af eer Hij mijn ziel genas, +Hij maakte dat ik zalig sterven kon! +Eer ik geboren werd, nam Hij mij aan.... +Waar is nu de Aard? Daar draait ze, een kleine ster +In welk een nacht gewikkeld, en hoe ver! +Ik zou niet gaarne op nieuw naar de Aarde gaan. +Hij daalde er neêr--Hij deelde er onzen nood: +Hem heeft in 't stof gehongerd en gedorst, +Hij ving er in de Goddelijke borst +Alle angsten, alle pijlen van den dood! +O, scherpte Hij mijne oogen, dat ik toch +De diepten van Zijn lijden méer doorzag'! +Mij kocht Hij op dien grooten stervensdag; +En wetend, hoe de zonde met bedrog +Hem 't Zijne zoekt te ontstelen, bleef Hij mij +Van de allervroegste kindschheid af nabij. +Van alles wat Zijn liefde voor mij deed, +Erkende ik daar beneden veel, maar nu +Erken ik toch al meerder; en ik weet, +Nog meer zal ik erkennen: want met u +Wil 'k alles overleggen--naderhand, +Thands niet!--ik ben ontroerd--mijn harte brandt-- +Ik heb geen rust of duur eer ik Hem vond: +Ik wil Hem zien, Hem danken, als mijn mond +Nog danken kan, wanneer Hij vóor mij staat, +En dit mijn hoofd zal buigen aan zijn voet.... +Hem danken, als maar niet in d' overvloed +Der vreugde ook zelfs 't gevoel van dank vergaat!... + +ZIJ. + +Gij zult Hem zien: maar als Hij komt; niet eer. +Tot zoolang zij uw ziel daar binnen stil. +Hij zond mij uit de hoogte tot u neêr, +Opdat gij weten zoudt dat Hij het wil. + +HIJ. + +Nu blijkt het, ja, 'k moet in den Hemel zijn: +Want immers, zonder worsteling of pijn +Voegt naar _Zijn_ wil de _mijne_ zich terstond! +Ik had gedacht, als ik mijn Heer niet vond, +'t Zou me onverdraaglijk zijn; en niet alleen +Verdraag ik dat, maar gaarne: zóo is 't goed, +_Hij_ wil het, _ik_ wil 't ook. Het zal, het moet: +Zou daar iets anders mooglijk wezen? Neen! +Ziet, zoo gemaklijk ging het niet op Aard.-- +Maar zond Hij u, dan spraakt gij ook met Hem, +Dan hoordet gij wel menigmaal Zijn stem? + +ZIJ. + +Wel menigmaal. + +HIJ. + + O, hoe benijdenswaard! +Gij, waarlijk zalige!.... Ach, hoe was u toch, +Toen gij Hem 't eerste hoordet? Weet gij 't nog? + +ZIJ. + +Mij was te moê--als iedren laatsten maal. +Ik spreek nu nog met u in aardsche taal: +Dáarin beschrijft men zoo iets niet! + +HIJ. + + Wist gij +Bij de allereerste ontmoeting: "dat is Hij?" + +ZIJ. + +Bij de allereerste ontmoeting. + +HIJ. + + Door een gloed +Van stralen, die alle Englen scheemren doet? + +ZIJ. + +Hij heeft geen glans van nooden: buitendien +Herkent men Hem. + +HIJ. + + Wat dunkt u, zal ook ik +Hem kennen bij den allereersten blik? + +ZIJ. + +Uw hart zal Hem herkennen: Hem te zien, +Is Hem herkennen. + +HIJ. + + En Zijn eerste woord, +Hoe zal het zijn? zachtmoedig, of--verstoord? +Beneden, als ik worstelde in 't gebed, +Heeft meer dan eens Zijn strengheid mij verplet. + +ZIJ. + +Hij wist wat wij behoeven, en Hij bond +Wel menigmaal Zijn volle teêrheid in: +Hier stroomt ze vrij.--Zijn liefde heeft begin +Noch eind: daar ginds heeft niemand haar doorgrond, +En eigenlijk hier Boven, evenmin! + +HIJ. + +Bestaat hier dan misschien nog onderscheid, +Een meer of min van vreugde en heerlijkheid? + +ZIJ. + +Voorzeker. Maar de Meesten hier omhoog +Zijn ook de needrigsten en sluiten steeds +Zich bij de Minsten aan. En dat misprees +Hij nooit, die, zelf de Grootste in aller oog, +In aller oog de needrigste is. Zoo wijkt +Weêr 't onderscheid, waar ieder Hem gelijkt, +En in Hem allen éen zijn. + +HIJ. + + 'k Dacht op aard +Zoo vaak: als ik den Hemel maar begroet, +Als maar de groote ellend mij wordt gespaard, +Dat ik met 's Heeren haatren leven moet! +Ontsluit zich maar des Hemels lichtgordijn, +Ik wil er gaarne een dorpelwachter zijn. +Mij dacht, gij zoudt in eindloos hooger sfeer +Vertoeven; en de kindren ook, als zij +Onze aard verlieten; en ik wenschte er bij, +U allen, ware 't ook éen enklen keer +Na honderd jaar, te ontmoeten; en den Heer +Al ware 't éenmaal om de duizend jaar.... +'k Sloeg nog de handen dankende in elkaâr! + +ZIJ. + +Wees wel te moê. Met eere neemt Hij aan +Al wie Hij aanneemt. Heeft Zijn dierbaar Woord +Die waarheid ons niet heerlijk doen verstaan? + +HIJ. + +Zij leeft voor immer in mijn binnenst' voort: +En 'k zie aan u wat groote heerlijkheid +En eere Hij den Zijnen heeft bereid. +O, tusschen 't beeld dier kranke, dat ik thans +Weêr voor mij zie, en dezen hemelglans, +O, tusschen de arme bloem, die uitgebloeid +Den steel ontzonk, en deze Hemelroos, +Wat onderscheid! Neen, 't blosjen, dat daar gloeit, +Verwelkt niet meer door d' ademtocht des doods. +Nooit sterft het licht, dat uit die oogen schijnt; +Die leest wordt door geen jaren ondermijnd! +Zóo zult gij altijd wandlen aan mijn zij', +Zóo voert gij mij de Vaderwoning door; +En ook--tot hen die ik op aard verloor, +Tot al mijn lieve dooden leidt gij mij! + +ZIJ. + +Gij zult hen zien, als ge eerst uw Heiland zaagt. + +HIJ. + +Dat was een feest, wanneer wij vader dan +Bezochten op zijn dorp! Die brave man, +Hoe werd er 't allereerst naar hèm gevraagd, +Hoe zochten we, als de wagen stil bleef staan +En allen ons begroetten om het zeerst, +Zijn eerbiedwaardig aangezicht het eerst! +Hoe zoet was dan die stille vreugdetraan.... +Hoe zoeter nog zal hier het weêrzien zijn!-- +Hij, die zoo blijd de minste vreugd genoot, +Wien 't kleinste bloemtje' een heerlijk schouwspel bood, +Wiens hart ontlook in elken zonneschijn; +Hij, die zoo gaarne en vaak naar buiten trad, +De starren groette aan 't eindloos heiligdom, +En de Almacht, die de starren schiep, aanbad-- +Hoe zal hij _hier_ genieten, waar alom +Hem 't Heilige der Heilgen opengaat, +Waar hij de hóogste wondren gadeslaat! +Hij, wien de minste gunst zoo innig trof, +Hij, die den Heer zoo vurig danken kon +Voor elken druppel uit Zijn liefdebron, +Hoe zal hij hier versmelten in Zijn lof, +Waar hij mag drinken uit alle' overvloed! +"Tot weêrziens!" klonk zijn allerlaatste groet +Bij d'afscheidskus: "Tot wederziens, mijn zoon! +Dat zal een danken wezen voor Gods throon!" + +ZIJ. + +Ras ziet gij hem, ras ziet ge uw moeder weêr. + +HIJ. + +Mijn moeder! ach, die reine, teedre ziel, +Wat is zij vroeg verreisd naar beter sfeer! +Ik telde geen drie jaar, toen zij me ontviel. +"Ach," snikte ze in den laatsten worstelstrijd, +(Ik had het hoofdtjen op haar schoot gevlijd) +"Mijn kind, dat ik zoo innig heb bemind, +"Wat wordt er van mijn kind!".... O vrouw, zie neêr! +Al wat een mensch kan worden, werd uw kind: +Een Godskind, een verloste van den Heer! +Dat is genâ, dat deed de Alzegenaar, +Maar ook op uw gebed!--Niet waar? + +ZIJ. + + 't Is waar. +'k Heb dikwerf met onze ouders u herdacht. + +HIJ. + +Is X. hier? + +ZIJ. + + Ja. + +HIJ. + + Dat had ik niet verwacht. +Foei, dat was slecht: ben ik dan ook hier niet? +Maar nu, die dierbren die ik achterliet, +Ontfang ik kennis van hun lot op aard, +Of blijft dat voor het wederzien bewaard? + +ZIJ. + +Gij zelf bezit het andwoord op die vraag: +Gij weet waar de Aarde ligt: blik naar omlaag! + +HIJ. + +Ik doe het, maar zie niets dan duisternis. + +ZIJ. + +Houd vol, en wil zien. Ziet ge nu? + +HIJ. + + Gewis! +En duidlijk ook! De plaats is mij bekend: +Het kerkhof is 't, waar ik uw dierbaar lijk +Ter rust bracht in de stille doodenwijk. +Daar heb ik vaak mijn schreden heengewend: +Ik noemde 't mijn groen plekjen der woestijn, +Ik knielde er neêr met tranen en gebeên. +En sloeg er de oogen naar den Hemel heen, +Den Hemel, ach! waar wij nu beide zijn! +Zie, dacht ik dan, nu wandelt ze in den Hof +Des Levens, tusschen bloemen en geboomt', +Zoo zij dan ook de rustplaats van haar stof +Met groene boomen en gebloemte omzoomd! +Zoo rees daar dan een boschje, een bloemengaard, +En 't schoonste wat elk jaargetijde gaf, +Bloeide als een krans der liefde bij uw graf. + +ZIJ. + +Ik wist het wel. Zie verder nederwaarts: +Wat ziet gij nu? + +HIJ. + + Een tweede graf, zoo pas +Gedolven naast het uwe in 't groene gras. +De kerkhofdeur draait op heur hengsels rond, +Een lijkkist, zie! mijn kindren volgen haar.... +Wat weent gij toch zoo bitter bij die baar, +Mijn kindren! Och, of ge ons aanschouwen kondt +Gelijk wij u aanschouwen--neen, geen traan +Zou vloeien, dan van stille vreugde in God. +De kist daalt in de groeve--'k zie haar staan: +Een schop vol aard rolt neder--'t is gedaan. +Nu sluit men 't graf, nu rust mijn overschot +Bij 't uwe. Keert, geliefden! keert in vreê, +En draagt van 't heil, dat ons de Heer verleent, +Een hemelsch voorgevoel in 't harte meê! +Keert dikwerf weêr! bezoekt het grafgesteent' +Der ouderen! Als gij daar bidt en weent, +Dan zullen ze u nabij zijn met den troost +Des Heeren. O, blijft wandlen aan Zijn hand: +Hij weet den waren weg naar 't Vaderland. +Dat hebben we ondervonden, dierbaar kroost! +Dáar brengt Hij, na de korte scheidenspijn, +Ons eeuwig saam! + +ZIJ. + + Ja, Amen! Zoo zal 't zijn. + +HIJ. + +Hebt gij die andre klanken daar gehoord? +Als vele waatren ruischen ze ons voorbij, +Maar ondermengd met luit- en harpakkoord! +Zij stroomen door den gantschen Hemel voort. +En hoor! nu ruischt het van eene andre zij' +Weêr anders, maar met de eigen harmony! +Dat is verrukkend! dat is wonderbaar! +Wat mag dat zijn? + +ZIJ. + + 't Zijn Englen, die elkaâr +Toezingen uit de verten. + +HIJ. + + En wat dan +Bezinge zij? + +ZIJ. + + Hem, altijd Hem, Wiens eer +Geene eeuwigheid naar eisch volzingen kan! + +HIJ. + +Ginds wandelt een gestalte al op en neêr. + +ZIJ. + +Beschouw haar goed: wien denkt ge, dat gij ziet? + +HIJ. + +Gij weigert mij, die de aarde pas verliet, +Eene aardsche, een zwakke vergelijking niet?-- +Bij 't huis, waar ik geboren ben--gij waart +Toen ik het weêr betrok, niet meer op aard, +Maar weet het toch--had ik een tuin geplant. +Kwam dan de lent', dan trad ik door 't plantsoen, +Om na te gaan of alles wat mijn hand +Gepoot had, leefde en tierig stond en groen. +Daar waren boomen, struiken, overal, +En leliën en rozen zonder tal; +Toch kende ik ieder struikjen even goed; +Ik had het zelf voor wind en weêr behoed, +Gedrenkt en opgebonden en besproeid. +Als ik dan oud en jong in nieuwe jeugd +Ontwikkeld zag en heerlijk opgebloeid,-- +Dan klopte mij het hart van zoete vreugd. +Zóo schijnt mij die daar ginds zijn schreden wendt, +De hovenier uit deze Hemelgaard! +Hij wandelt rond, zoo rustig, zoo bedaard, +Toch merkt men wel hoe goed hij alles kent. +Tevreden blikken slaat hij wijd en zijd; +Niets schijnt er aan zijn vriendlijk oog te ontgaan. +'t Is of die schepping hier hem recht verblijdt-- +Maar hoe, wat wondere aandrift grijpt mij aan? +'t Was alles zacht en kalm wat ik ervoer: +Waar is mijn rust gebleven? Ik ontroer. +Wat stormt er zoo door borst en aadren heen? +Een nevel ligt op alles uitgespreid: +De Hemel-zelf in al zijn majesteit +Deinst uit mijn oog:--'k zie hem en hem-alleen! +Het is mij bijna weêr als voelde ik smart, +Maar in die smart ligt hooger zaligheid! +Een wonderbaar verlangen trekt mijn hart +Tot hem: ik ken hem en ik ken hem niet. +'k Weet, dat mijn oog hem nu voor 't eerste ziet, +Toch is het mij als zag ik--maar wanneer? +Misschien wel in een droom?--die trekken meer. +Nu nadert hij. Hij ziet van verre ons aan. +'t Is of hij zich verblijdt op ons gezicht. +Zie, in die oogen, enkel liefde en licht, +Weêrblinkt iets als een stille vreugdetraan. +Ik kan mij niet weêrhouden. Neen, ik moet +Nabij hem zijn, hem zeggen, duizend keer +Herhalen, dat mijn ziel hem liefheeft, meer +Dan al wat ze ooit met liefde heeft begroet. +Hij hoort ons: zie, hij lacht ons minzaam toe: +Hij strekt de handen naar ons uit--maar hoe! +Likteekens in die handen! en een gloed, +Die uit die teekens straalt! O Heerlijkheid! +Ja, 't is wel zóo, dat zijn die handen nu, +Doorgraven eens, thands zeegnende uitgebreid! +Hij zegent ons. O diep gevoel ik u, +Gij, eerste zegen hier omhoog! want ja, +Nu weet ik het, de Hemel is nabij, +De Hemel is hier binnen! Dat is Hij, +Nu weet ik het! Hij is 't! + +ZIJ. + + Hij roept u: ga! + + + + + +DE VIER WINDEN. + +INDIAANSCHE LEGENDE. + +(Uit: "The Song of Hiawatha.") + + +"Eeuwige eer zij Mudjekeewis!" +Riepen oorlogsliên en grijzen, +Toen hij met den wampumgordel +Zegevierend huiswaarts keerde +Uit de Noordenwindkontreiën, +Uit het koninkrijk Wabasso, +'t Vaderland van 't wit konijntjen. + Dáar stal hij den wampumgordel +Van den nek van Mishe-Mokwa, +D' ongelikten beer der bergen, +Uren ver den schrik der volken, +Als hij met zijn volle zwaarte +Slapend neêrlag op den bergtop, +Als een rots met mosch bewassen, +Rosschig bruin en grijsgespikkeld. + Zachtkens sloop hij naar hem henen, +Tot hem 's monsters roode nagels +Haast beroerden, haast verschrikten, +Tot de wasem van zijn neusgat +Mudjekeewis' handen warmde, +Die den wampumgordel heentrok +Over de ooren, die niet hoorden, +Over de oogen, die niet zagen, +Langs de zwarte snoet en 't neusgat, +Dat, met heeten adem hijgend, +Mudjekeewis' handen warmde. +En verheugd den strijdaxt zwaaiend, +Onder 't juichen van een krijgskreet, +Trof hij plotsling Mishe-Mokwa, +Trof hij hem op 't ruige voorhoofd, +Juist in 't midden, tusschen de oogen. + Door den rouwen slag verbitterd, +Rees de groote beer der bergen; +Maar zijn logge knieën beefden, +En hij jammerde als een meisjen, +Als hij stromplend voorwaarts wankte, +Als hij op zijn schenkels hurkte. +En de sterke Mudjekeewis, +Zonder vreeze voor hem staande, +Hoonde hem met luiden spotlach, +Dus verachtend hem begroetend:-- + "Hoor, gij beer! gij zijt een flauwert, +"En geen held, zooals gij voorgeeft, +"Anders zoudt gij niet zoo krijten, +"Niet zoo jammren als een meisjen! +"Beer! gij weet het, onze stammen +"Zijn elkander lang vijandig, +"Lang reeds krijgden wij te samen; +"Wij, nu merkt gij 't, zijn de sterksten, +"Daarom deinst gij naar de bosschen, +"En verschuilt ge u in de bergen! +"Waarlijk, hadt ge mij verwonnen, +"Zucht noch kreun hadt gij vernomen; +"Maar daar zit gij, beer! en jammert, +"En onteert uw stam door klagen, +"Als een slechte Shaugodayn, +"Als een best van honderd jaren!" + Weêr deed hij den strijdaxt gonzen, +Nog eens trof hij Mishe-Mokwa +Midden op het ruige voorhoofd, +En vergruisde hem den schedel, +Even als de tred des visschers +In den winter ijs vergruizelt. +Zoo bezweek dan Mishe-Mokwa, +De ongelikte beer der bergen, +Uren ver de schrik der volken! + "Eeuwige eer zij Mudjekeewis!" +Juicht het volk met duizend stemmen: +"Eeuwige eer zij Mudjekeewis!" +"Westenwind, dat zal hij wezen, +"En na dezen en voor immer +"Zal hij heerschappije voeren +"Over al des hemels winden! +"Noem hem niet meer Mudjekeewis, +"Maar den Westenwind, Kabeyun!" + Alzoo werd nu Mudjekeewis +Vader aller hemelwinden. +'t West behield hij voor zich-zelven, +De andren gaf hij aan zijn kindren, +D' Oostenwind gaf hij aan Wabun, +'t Zuid' gaf hij aan Shawondasee; +En den Noordenwind, den ruwen +Grimmigen Kabibonokka. + Jong en lieflijk schoon was Wabun; +Hij was 't, die den morgen wekte, +Hij, wiens zilvren vleugelpijlen +'t Donker voor zich henenjoegen; +Hij, wiens zachte wangen gloeiden +Van de hoogste purperblosjens, +Hij, wiens stem de dorpsjeugd wekte, +'t Boschhert opriep, en den jager. + Eenzaam zat hij aan den hemel: +Of de vogels vroolijk zongen, +Of de bloemtjens van de weiden +Hem de lucht met geuren vulden, +Of de bosschen en de stroomen +Bij zijn naadring juichend zongen, +Altijd treurig sloeg hem 't harte, +Want hij was alléen daarboven. + Maar op zeekren vroegen morgen, +Als het dorpjen lag te slapen, +En de mist daarhenen rolde +Als een geest bij 't ochtendkrieken, +Ziet! daar zag hij, nederblikkend, +In een weide een jonkvrouw wandlen, +Die er eenzaam lelies plukte +Bij een beekjen in de weide. + Elken morgen, nederblikkend, +Was het eerst wat hij aanschouwde +Altijd weêr heur blauwende oogen, +Hem verwachtend, hem begroetend, +Blauwe meiren tusschen 't biesbosch. +En hij minde 't eenzaam meisjen, +Dat daar steeds zijn komst verwachtte; +Want zij waren beiden eenzaam, +Zij beneden, hij daarboven. + En hij maakte 't hof haar kozend +Met zijn zoetste zonnelachjens, +Met zijn zachtste fluisterwoordtjens, +Met zijn zuchtjens en zijn zangen, +Met zijn fluistren in de twijgen, +Met zijn toontjens, met zijn geurtjens; +Tot hij haar in de armen drukte, +In zijn purperkleed haar hulde, +En veranderde in een starre, +Eeuwig trillende aan zijn boezem; +En nu ziet men ze aan den hemel +Immer en te samen wandlen, +Wabun en de Wabun-Annung, +Wabun en de Morgensterre! + Maar het Noord, Kabibonokka, +Woonde tusschen ijsgebergten, +In een eindloos sneeuwgedwarrel, +In het koninkrijk Wabasso, +In het land van 't wit konijntjen. +Hij was 't, hij, wiens hand des najaars +Al de boomen vuurrood kleurde, +Rood en geel de blaâren plekte; +Hij was 't, die de vlokken strooide, +Sissend, fluitend door de bosschen; +Die rivier en meir versteende, +Die de meeuw naar 't Zuiden heendreef, +En den zeeraaf en den reiger +Naar hun nest van riet en zeegras, +Op 't gebied van Shawondasee. + Eens, daar trad Kabibonokka +Grimmig uit zijn warrlend sneeuwhuis, +Uit zijn huivrige ijsbergtente; +En zijn hair, met sneeuw besprenkeld, +Vloog hem na in zwarte golven, +Als de wilde winterbeeken, +Toen hij huilend Zuidwaards jaagde +Over ijszee en moerassen. + Daar, omringd van riet en biezen, +Vond hij Shinbegis, den duiker, +Snoeren aangeregen visschen +Na zich sleepend over d' ijsvloer, +Langs bevrozen veen en moerland, +Waar hij enkel nog vertoefde; +Want zijn stam was lang vertrokken +Naar het Land van Shawondasee. + Toornig riep Kabibonokka: +"Wie vermeet zich mij te tarten? +"Wie durft in mijn rijk vertoeven, +"Als de Wawaas zijn verdwenen, +"Als de gans naar 't Zuiden klepte, +"En de reiger, de Shuh-shuh-gah, +"Lang alreê vertrok naar 't Zuiden? +"'k Zal zijn wigwam binnentreden, +"En zijn smeulend vuur wel dooven!" + 's Nachts, daar trad Kabibonokka +Barsch en dreigend naar de woning, +Hoopte sneeuw op rond de wanden, +Dreef dan rook weêr in de schouwe, +Schudde' deurpost en gebindten, +Deed de tochtgordijnen waaien. +Shingebis, de duiker, hoorde 't, +'t Was hem altemaal om 't even: +Want hij had vier groote blokken, +Om zijn haardsteê meê te warmen: +Elk een brandstof voor vier weken; +En de visch was hem tot spijze. +Zoo dan zat hij bij de vlammen, +Warm en prettig, etend, lachend, +Zingend: "O Kabibonokka, +"Toch zijt gij mijn medestervling!" + Woedend trad Kabibonokka +Nu de hut des duikers binnen. +Shingebis, de duiker, voelde 't, +Voelde 't aan de groote koude, +Aan dien adem, kil en ijzig. +Toch hield hij niet op met zingen, +Toch hield hij niet op met lachen; +Maar hij keerde 't blok eens omme, +Liet de vlam wat hooger flikkren, +Liet een rosschen vonkenregen +Gonzend door de schouwe vliegen. + Van Kabibonokkaas voorhoofd, +Van zijn witbesneeuwde hairen, +Droop het zweet bij stralen neder, +Kuilen in den aschhoop borend, +Even als de sneeuw in 't voorjaar +Smeltend druppelt langs de goten +En de groene sparrenstekels, +Gaten in het sneeuwkleed halend. + Eindlijk was hij overwonnen, +Onverdraaglijk was de hitte, +Was hem 't lachen, was hem 't zingen. +IJlings sprong hij op naar buiten, +Waar hij stampend op de sneeuwkorst, +Op rivier en zeeham stampend, +De opgehoopte sneeuw nog harder, +'t IJskristal nog dikker maakte, +Waar hij Shingebis, den duiker, +Uitdaagde om met hem te worstlen, +Naakt en wapenloos te worstlen, +Op bevrozen veen en moerland. + Nu begon de stoute duiker, +Onverbleekt naar buiten tredend', +Met den Noordenwind te worstlen; +Heel den nacht, naakt, zonder wapens, +Streed hij met Kabibonokka, +Tot zijns vijands adem stokte, +Tot zijn kille vuist verlamde, +Tot hij huilend rugwaarts rolde, +En verneêrd, verslagen deinsde +Naar het koninkrijk Wabasso, +Naar het land van 't wit konijntjen, +Steeds vervolgd door 't schaterlachen, +Steeds vervolgd door 't lied des duikers, +Als hij zong: "Kabibonokka, +Toch zijt gij mijn medestervling!" + Shawondasee, log en langzaam, +Had zijn woning ver in 't Zuiden, +In het slaaprig zonneschijntjen, +In den eindeloozen zomer. +Hij was 't, die de vogels uitzond, +D'Opechee of 't roodeborstjen, +'t Blauwe vogeltjen, d' Owaissa, +Met de Shawshaw of de zwaluw, +En de wilde gans, de Wawa; +Hij, die naar het verre Noorden +'t Nikotiaansche kruid, meloenen, +En de purpren druiven opzond. + Uit zijn pijp, in blauwe wolkjens, +Steeg de zwoele damp ten hemel, +Heel de warme lucht doorstroomend +Met een droomerige zachtheid, +Alle waatren lieflijk tintend, +Alle scherpe heuvels rondend. +Alzoo zond hij heinde en verre +De Indiaansche zomerweelde, +In de maand der schoonste nachten, +Als in 't Noord de sneeuwjacht dwarrelt. + Zorgloos droomde Shawondasee! +Toch lag op zijn pad éen schaduw, +En éen kommer in zijn harte. +Eens, als hij naar 't Noorden blikte, +Zag hij in een verre weide +Een volschoone maagd, een ranke +Slanke jonkvrouw, eenzaam staande +Midden in een verre weide; +Schittrend groen was haar kleedije, +En heur hair was als de zonne. + Daaglijks zag hij op haar neder, +Daaglijks zag hij neêr en zuchtte; +Daaglijks gloeide 't hart hem feller +Van verliefdheid en verlangen, +Voor de goudgelokte jonkvrouw. +Maar hij was te log en langzaam +Om haar vroolijk 't hof te maken, +Al te traag en al te vadzig +Om haar vriendlijk toe te spreken. +Zoo dan bleef hij staren, staren, +Zitten, zuchten en verlangen +Naar de jonkvrouw in de weide. + Maar op zekren vroegen morgen, +Als hij weêr naar 't Noorden blikte, +Zag hij 't goud der schoone lokken +Fluks veranderd, zilverglinstrig, +Overstrooid niet witte vlokken. +"O, mijn broeder uit het Noorden, +"Uit het koninkrijk Wabasso, +"Uit het land van 't wit konijntjen! +"Gij hebt mij de maagd ontstolen: +"Op haar stralend Englenkopjen +"Legdet gij de hand ter neder, +"Gij ontvrijdet mij mijn meisjen +"Met de faablen van uw Noordland." + Alzoo klaagde Shawondasee +Aan de lucht zijn bittre smarte, +En de vlugge wind van 't Zuiden, +Warm van Shawondasees zuchten, +Zweefde door de verre weide, +Tot de lucht van vlokken vol scheen, +En de wei van distelpluimen; +Tot de goudgelokte jonkvrouw +Hem voor immer was ontvloden. +Nimmer meer zag Shawondasee +'t Zonnig Englenkopjen weder. + O, bedrogen Shawondasee! +'t Was geen jonkvrouw, waar ge op staardet, +'t Was geen maagd, waarom gij zuchttet: + 't Was de Leeuwentand [1] der weide. +Daarop zaagt gij heel den zomer +Met dat zielsverlangen neder, +En gij bliest haar met uw zuchten +Van den stengel af in vlokken-- +O, bedrogen Shawondasee! + + Zoo verdeelden zich de winden: +Mudjekeewis' wakkre zonen +Hadden dus hun vaste zetels +Aan de hoeken van den hemel; +Mudjekeewis hield het westen, +Enkel 't westen, voor zich-zelven. + + + + + +HET PENNINGSKEN DER WEDUWE. + + +Uit zijn overvloed te geven, + Foei, wie daar nog loon voor hoopt! +'t Is het reinst genot van 't leven, + Dat men voor wat zilver koopt. + +Rijke! roemt ge uwe "offeranden"? + Wat niets kost, is weinig waard: +Geeft ge ooit d' arbeid uwer handen? + Hebt ge uit eigen mond gespaard?.... + +In baatzuchtige miskenning + Weegt de mensch--het blinkend slijk. +Arme Weeûw! een enkle penning + Geldt bij God een Koninkrijk! + + + + + +DES NEGERS KLACHT. + + +Ver van mijn huis en erve, + Geslingerd op de zee, +Om vreemden rijk te maken, + Nam mij de dwingland meê. +Voor wat armzalig zilver + Kocht en verkocht men mij-- +Maar, klemt de slavenketen, + De zielen blijven vrij! + +De onbandige gedachte + Zoekt, Blanken! naar het recht, +Waarmeê ge uws Meesters doornen + Ons om de slapen vlecht. +Heeft mij als u geen moeder + Gedragen onder 't hart? +En vraagt misschien de Liefde + Als gij naar wit of zwart? + +Waartoe de plant geschapen, + Waarvoor ik zwoegen moet? +Verschroeit haar, o mijn tranen! + Verstik haar, o mijn bloed! +Ach, dacht gij 't in, gij meester! + Hoe duur uw feestvreugde is, +Wat schouders zijn verbrijzeld, + Voor 't zoete van uw disch! + +Regeert er Éen daarboven, + Wiens vonnis ons verwees? +Heeft Hij bevel gegeven + Te handlen in ons vleesch? +Heeft Hij de zweep gevlochten, + Den boei zoo vast geschroefd, +Die onze kranke leden + Tot op 't gebeente groeft? + +Hij andwoordt--in de stormen, + Die schepen doen vergaan, +Die steden en plantaadjes + Tot gruizels nederslaan; +Hij ziet vergramd Zijn kindren + In 't martelbloed vertreên, +En dondrende op uw daken, + Spreekt Hij Zijn heilig: "_NEEN_!" + +O, bij ons bloed, vergoten + In wilde menschenjacht,-- +Bij 't lijden en de ellende, + Waarmeê ge uw vloot bevracht,-- +Bij 't stijgen van den jammer, + Die op uw markten gilt,-- +Bij 't harte, dat verbroken + In duizend boezems trilt,-- + +Niet langer dus Gods schepsel + Beneden 't dier verlaagd, +Alleen omdat zijn voorhoofd + Uw bleeken tint niet draagt! +Gij slaven van uw zilver, + Die 't recht der menschheid schent, +Toont menschlijke gevoelens + Eer gij ze in ons ontkent! + + + + + +O ZOETE SLUIMERING. + + Sic juvat perire. + + + O zoete sluimring in der graven schoot, +Wanneer 't geloof de peluwe mag spreien! +Hoe heerlijk is het sterven voor die schreien, + Die schreien en verlangen naar den dood! + + Ziet gij dat bed, waar duizend bloemtjens staan, +Die geurend biddend, fluistrend Amen zeggen? +Dáar wenschte ik 't moede hoofd ter rust te leggen, + Dáar, de afgebeden grafrust in te gaan! + + O, dat geen traan mijn zerk besproeien moog', +Geen dan de dauwdrup, die er 's avonds glore! +O, dat geen zuchtjen er de stilte store, + Geen dan het suizend windtjen van omhoog! + + + + + +AAN WALTER SCOTT. + +Op zijn vijftiende jaar. + + +Klinkt reeds de toon zoo zoet, uw vroege jeugd ontschoten, + Waarin verbeelding nog in 't licht der waarheid gloeit, +Ontroeren ons reeds thands uw goddelijke noten, + Waarmeê, in zoete smart, uw ziel te samenvloeit: +O, wat bewondering zal dan uw deel niet wezen, + Wanneer de wetenschap uw rijken geest beschijnt, + Uw smaak veredelt en verfijnt, +En uw ontwaakt Genie, in vlammen opgerezen, + In al zijn kracht verschijnt!-- + +Ga, dierbre Jongling, ga! Blijf op het pad volharden, + Dat, u ten heil, natuur met rozenbloesems tooit! + Smeek groeikracht voor het zaad, zoo kwistig uitgestrooid! +En rukk' geen wervelwind de jonge loot aan flarden, + Die eens dat zaad ontspruit en 't jeugdig blad ontplooit! + Ga, moge u moed noch kracht ontbreken, +En wil, met de almacht van de Dichtkunst toegerust, + De boezems niet in weelde en dartle drift ontsteken, + Maar in 't gewijde vuur van reine hemellust! +Wees gij gelukkiger in Vriendschap en in Liefde + Dan al te vaak, helaas! de Dichter wezen mag! +En blink' de roem, wiens straal nu de uchtendwolkjens kliefde, + Eenmaal voor U in vollen dag! + + Veracht den Hoogmoed en 't Vooroordeel! + Sta Rede en Waarheid U ter zij! + Blijv' stille Needrigheid op al uw schreên U bij, +En wacht alleen van Deugd en zuivre Oprechtheid voordeel! + Zoo smaak dan voorspoed, vrede en roem! +Zoo blijv' de zoetste vreugd u op uw weg bejeegnen! + En o! pluk méer op aard dan huldes morgenbloem-- +God zal uw levensloop en Keith uw liedren zeegnen! + + + + + +BIJ DE ZEE. + + + Mijn geest is vol van schoonheid, en mijn hart +Van vreugde? Neen: 't is zacht, maar diep bewogen: + Een wisseling van zaligheid en smart +Lokt, bitterzoet, de tranen mij naar de oogen. + Geur zachtkens voort, gij frissche bloemenzoom! + Uw kalmte sust mijn wilden gloriedroom: +Mijn trots versmelt, 'k Zou thands niet kunnen haten.... +Och, of die zucht mij nimmer mocht verlaten! + + Gij heldre vliet, die tusschen rozen glijdt, +Wat rept ge u dus om de open zee te ontmoeten? +Gij zult (te laat!) die ijdele onrust boeten: + Want u verwacht een waereld vol van strijd. +Blijf hier; behoud uw weelderige dalen, + Het ruischend lied, waarmeê uw golfjen springt, + Dat dag en nacht de lieve zon bezingt, +Het maantjen en de starren, die in 't dwalen +U volgen, en u kussen met haar stralen! + O de oceaan.... gij kent den wilde niet: +Hij schuimbekt.... hoor, hoe daar zijn kreten loeien! +De reus rijst op, en schudt de onzichtbre boeien, + En brult, of hij zijn kerker openstiet; +Hij woelt en tobt, als om, met ijzren vingren, +Wat ademt in zijn diepte neêr te slingren. + + Gij spiegel van d' Oneindige! mijn oog +Zoekt vruchteloos op uw onmeetbre stroomen + Een plekjen waar het eindlijk rusten moog': +Zij weemlen voort, wijd, boômloos, zonder zoomen,-- + Tot mijn gedachte in doffe duizeling + Ter nederzinkt. Toch houdt uw tooverkring +Haar vast. Ze ontwaakt en zweeft weêr op uw baren, + En stroomt met die al verder, en daar blauwt + Geen grenspaal op. Gij, waatren! gij zijt oud +Gelijk gij sterk zijt. Want onheugbre jaren + Rolt gij daarheên. Gij jammerdet een klacht, +Eer nog een oor uw stem heeft mogen hooren. + Gij, weeprofeet van een aanstaand geslacht, + Gij, levend graf, wachtte in den langen nacht +Uw arbeid af, eer iemand was geboren. + De stonde sloeg: heraute van den Dood, + Verzwolgt ge heel de waereld in uw schoot. +En weder klonk, bij 't somber golfgewemel, +Uw kreet alleen door d'uitgestorven hemel! + + En schoon het drooge is weêrgekeerd, o Zee! +Wat met u gaat is droef en neêrgeslagen: + De schuwe zeemeeuw deelt uw eigen wee, +Uw eigen geest, in snerpend jammerklagen. + Het hooge klif ziet uit zijn grauwe sfeer + Zwaarmoedig op uw witte branding neêr; + +En ruischend staan aan d' oever uwer golven + De dennen daar, en mengelen hun stem + Als monniken ten somber Requiem +Voor al de dooden, in uw schoot bedolven! + + + + + +LENTEZUCHT. + + +Weêr ontwaakt gij, bloeiende Aard'!-- +Door geen boeien meer bezwaard, + Doet ge uw lofzang schaatren; +En, glimlachende in de zon, +Die de vrijheid hun herwon, + Vloeien thands uw waatren. + +Weêr ontwaakt gij, bloeiende Aard!-- +Wie zou suffen bij den haard, + Daar uw jonkheid keerde? +Tooi en plooi uw loovertent, +Als toen de allereerste lent' + 't Paradijs regeerde! +Schalle uw vogel 't uit van vreugd, +Met den toongalm die hem heugt + Sints uw morgenstralen-- +Ach, maar éens groent onze jeugd, + De uwe, duizend malen! + +Weêr ontwaakt gij, bloeiende Aard!-- +Als toen 't blauwend wolkgevaart + D' eerstlingknop deed geuren.... +O, mijn neêrgebogen hart, +Zeg, nu alles levend werd, + Zult gij langer treuren? + +Al te lang suste u de Min +Met haar kranke droomen in, + In gewaand genuchte: +Slaapt ge voort, in wangevoel, +Zonder werking, zonder doel, + Schoon uw jeugd ontvluchtte? +Neen, waak op! Het bloeiend pad +Lokt u, of ge voorwaarts tradt + Roept u tot viktorie! +Op! en, eer u, moede en mat, +De arm des bleeken doods omvat, +Pluk u nog een enkel blad + Uit den krans der glorie! + + + + + +EDWARD EN EMMA. + +ROMANCE. + + + Daar waar Caraöns zilvren vloed +'t Bekrompen heuvelvlak dooradert, + Verhief, in grijsverleden tijd, +Een rieten stulp zich in 't gebladert'. + Verwijderd van het stadsgewoel, +Slechts starende op den Albehoeder, + Bloeide Emma hier in stille rust, +In de armen van de beste moeder. + + Auroor' gelijk, wanneer ze in 't rond +De lentezangren doet ontwaken, + Zoo bloeide ook Emma de ochtendblos +Des levens op albasten kaken. + + Elk meisjen wist ze in ijverzucht, +Elk jongeling in min te ontgloeien: + Zoo zien wij, bij den dageraad, +Het roosjen op heur stengel bloeien. + + De jeugdige Edward, weêrgekeerd +Uit Schotlands overzeesche stranden, + Gevoelde alras zich 't hart voor haar +In onverdoofbre min ontbranden. + + En zij, zij minde ook Edward weer, +Als hij ontgloeid in echte liefde, + En gaf de zaalge drift gehoor, +Die haar het hart zoo teeder griefde. + + Maar even als een schaduwbeeld, +Dat vluchtig wegdrijft voor de winden, + Zoo moest al spoedig hun genot, +Hun zoete mijmerij verzwinden. + + Zijn zuster, 't vloekbaar beeld des Nijds, +Wien Cerberus aan d' afgrond teelde, + Nam tandenknarsend list bij list +Te baat tot storing hunner weelde. + + De vader--maar wat woekeraar +Kan deernis of gevoel bevatten?-- + Zijn leven was--zijn goudtresoor, +Zijn wellust--snoodverkregen schatten. + + Nog nauw bemerkt hij 't vuur der min, +Dat Edward in het harte gloorde, + Als plotseling zijn dwangbevel +Des jonglings vreugdedroom verstoorde. + + Hoe gruwzaam worstlen Liefde en Plicht +Thands in zijn boezem met elkandren: + Natuur ('t kan zijn) behoudt heur recht, +Maar--kan de oprechte Min verandren? + + Vaak blijft hij, 's vaders oog ontvlucht, +In 't overhangend groen der blaâren, + Op 't dierbaar meisjen van zijn hart +Met tranen in zijne oogen staren. + + Vaak dwaalt hij, bij het licht der maan, +De barre wildernis in 't ronde, + En daar slaat hopelooze min +Hem 't brekend harte wond bij wonde. + + Des jonglings kaak, zoo schoon weleer, +Is thands van 't bleek des doods betogen, + Gelijk de siddrende uchtendknop, +Door de onweêrsvlagen neêrgebogen. + + Ten laatsten kan geen enkle traan +Hem meer het stervend oog ontwellen, + En daaglijks smeekt hij d' Opperheer +Een eindpaal aan zijn smart te stellen. + + De vader prest, van angst vermast, +Zijn dierbren telg aan 't bloedend harte; + 't Geweten, in zijn borst ontwaakt, +Kwelt hem met namelooze smarte. + + Vergeefs zijgt hij al snikkend neêr +En smeekt, bij zijn besneeuwde hairen, + Den God van al wat adem heeft, +Om hem 't zieltogend kind te sparen. + + "Ik sterf!" zucht hem de jongling toe, +"Maar zoo uw hart zich kan ontfermen, + Voer haar dan, die ik eeuwig min, +Voor 't laatst in dees mijn trillende armen!' + + Zij komt en zinkt hem aan het hart, +Maar ach! zij blijft in tranen stikken: + Die tranen zijn den dauw gelijk, +Die 't stervend bloemtjen komt verkwikken. + + De jongling, worstlend met den dood, +Ontsluit nog flauw de brekende oogen; + "Vaarwel, mijn Emma!" barst hij uit, +En--de adem is zijn borst ontvlogen. + + Zij keert terug langs 't kerkhofpad, +Geen ster bleef aan de kimmen gloren; + De nachtuil stemde in 't stormgegrom, +En deed haar 't somber lijklied hooren. + + Verwilderd hoort zij Edwards zucht +In elk geritsel door de bladeren, + En telkens waant ze, dat ze in 't loof +Zijn bleekbestorven schim ziet naderen. + + Zij heeft nog nauw heur stulp bereikt, +Of de angst doet plotsling haar verstommen; + Op eenmaal hoort ze op 't kerkhofpad +De doodsklok haar in de ooren brommen. + + Heur boezem weigert d' ademtocht, +Al hijgend stort ze in 't stulpjen neder: + "O moeder!" gilt zij siddrende uit, +"Neen, nimmer zie ik Edward weder! + + "Ik volg hem in het rustig graf: +'k Voel mij 't geschokte harte breken!" + Het hoofd zinkt op heur boezem neêr, +En geest en adem zijn ontweken. + + + + + +DE VLINDER EN DE VROUW. + + +Gelijk, wanneer de lente bloost, +De vlinderkoningin van 't Oost, +Op purpren wieken uitgesneld, +Het knaapjen lokt in 't geurig veld, +Hem uren lang met vluggen voet +Van bloem tot bloem haar volgen doet, + Dan wegsnelt en hem achterlaat +Met hijgend hart en schreiende oogen: + Zóo lokt, in 's levens dageraad, +Op de eigen wieken uitgevlogen, + De Schoonheid ook 't volwassen kind-- +Een ijdle jacht van hoop en vreezen, +Wier droevig eind een traan zal wezen, + Gelijk zij met een lach begint! + Bezit men haar, ach! de eigen rouw + Wacht dan den vlinder en de vrouw: + Zij kwijnen weg, hun lust verteert, + Door 't spel des kinds, de luim des mans: + De dierbre buit, zoo wild begeerd, + Derft, eens gevangen, al haar glans. + De zelfde hand, die straks haar ving, +Vernielt allengs haar schoonste kleuren, + Tot ze als een bleeke zwerveling +In de eenzaamheid zich dood kan treuren. + Het hart verscheurd, de wiek gewond, +Ach, wat kan d' offers ruste geven? + Kan 't vlindertje, als in d' ochtendstond, +Nog over tulp en rozen zweven? +Of Schoonheid tot genot herleven, + Als de onschuld met heur schoon verzwond? + Geen vlinder treurt er in den hof, + Al zijgt een andre neêr in 't stof; + Vergeeflijk klopt het vrouwenhart-- +Alleenlijk niet voor vrouwenzonden; +Het heeft een traan voor ieders wonden-- + Slechts voor geen zusters schande en smart! + + + + + +ZALIG DIE TREUREN, WANT ZIJ ZULLEN VERTROOST WORDEN. + + +Niet hun-alleen die juichen mogen, + Heeft God Zijn zegen weggeleid: + Zijn troostende barmhartigheid +Verschijnt ook slaaploos-schreiende' oogen. + + De blik, die nu door neevlen ziet, +Wordt ras glimlachende opgeslagen; +Want pijnlijke uren, dorre dagen, + Zijn heilbeloften voor 't verschiet! + +Daar is een dag van licht en vrede + Voor elken zwarten, bangen nacht; + En houdt de Droefheid te avond wacht, +De morgen brengt de Vreugde mede. + + O gij wier oog, de jaren door, +Met bittre dropplen 't graf beparelt! +O, wendt het naar die Beter Waereld, + Die 't eerst hergeeft wie 't vroegst verloor! + +Gelooft! al bracht u de oogst van 't leven + De leêge halmenschoof der smart! + Hebt lief en hoopt! en brak u 't hart, +Dit zij uw psalm: "Daar staat geschreven!" + + God telde elk traantjen dat er dreef; +Uw winter wacht Zijn lange lente, +En de Eeuwigheid betaalt met rente, + Wat hier de Tijd u schuldig bleef! + + + + + +WIJ SCHEIDDEN IN DROEFHEID. + + +Wij scheidden in droefheid, maar zwegen van scheiden; + Ons hart gaf zich op aan den drang van 't verstand. +Ik durfde niet _zien_ of heur oogjens ook schreiden: + Ik _voelde_ den traan op heur siddrende hand. +Wij wisten, 't verleden was redloos verloren; + Wij wisten, 't verschiet had geen hoop op herstel. +Zij bloedde aan de wond, die mijn borst moest doorboren, + _Ik_ deinsde terug voor het eeuwig Vaarwel! + +De jaren vervlogen! Steeds lachte de lente, + Als toen zij voor 't eerst onze liefde bescheen. +De jaren vervlogen! De troost bracht zijn rente, + Maar geen enkle herinnring van 't afscheid verdween! +Het lied van den vogel, die 't lover doorhuppelt, + Herroept _haar_ den droom die al zingende ontvlood: +En de dauw, die des avonds de bloesems bedruppelt, + Spreekt _mij_ van den traan, dien de ontwaking vergoot! + + + + + +ONDERGAANDE ZON. + + + Die avondwolk, die bleeke straal, + Die purpertint aâmt jubeltaal, +Die d' Ongeschapen' tracht te prijzen. + Doe hij dan, die zoo ras vergaat, + Wiens aanzijn slechts een span beslaat, +De mensch, tot Hem zijn danktoon rijzen! + + Hoe vaak bewondren wij den trans, + Als wij den deinende' avondglans +De blauwe wolken langs zien stroomen! + Hoe zelden is ons oog gericht + Op Hem, die haar Zijn hemellicht +Schonk, tot borduursel van haar zoomen! + + + + + +MILTON OP ZIJN DRIE-EN-TWINTIGSTEN VERJAARDAG. + + + De dief der jeugd, de vlugge tijd, ontstal +Mij op zijn wiek mijn drie-en-twintig jaren. + Mijn dagen vliên--'k zocht vruchtloos overal: +Mijn spade lent' doet bloem noch knop ontwaren. + +Mijn uiterlijk misleidt: 'k zal haast mij scharen + Bij 't mannenkoor, naar mijner jaren tal; + Maar heb ik ook die geestes-rijpheid al, +Die vroegontwikkelden bij zich ervaren? + + 't Zij schittrend of gering, 't zij vroeg of laat, + Mijn krachten ook vervullen eens heur maat, +En doen mij 't pad van mijn bestemming loopen, + + Waarheen de tijd en 's hemels wil mij drijft. + Blijf ik mijn roeping trouw--Gods Trouw ook blijft: +Mijn toekomst ligt voor 's Meesters oogen open. + + + + +EEN PSALM DES LEVENS. + +Wat het hart van den jongeling tot den psalmist zeide. + + +Zing niet jammrend, dat het leven + Als een leêge droom verdwijnt! +Dood is elke ziel die sluimert; + 't Leven is niet wat het schijnt. + +Ernst is 't leven! 't Weert de leugen, + Die in 't graf den grenspaal ziet. +"Stof zijt ge om tot stof te keeren," + Geldt van 's menschen ziele niet. + +Niet maar lijden of verblijden, + Is de roeping van Gods kind; +Neen, maar handlen, dat elk Morgen + Verder ons dan 't Heden vind'! + +Zeker is de Kunst oneindig, + Maar de Tijd vliegt spoedig om: +'t Harte slaat zijn eigen lijkmarsch + Als een overfloerste trom. + +Wees in 't bont bivak der waereld, + Wees in 's levens worstelperk, +Niet als slachtvee, dom en weêrloos, + Maar als helden, fier en sterk! + +Bouw niet op de schoone Toekomst: + 't Dood verleên begraav' zijn doôn! +Zwoeg en ploeg in 't levend Heden, + En verwacht van God de kroon! + +'t Leven onzer groote mannen + Leert ons hoe men heerlijk strijdt, +Hoe men eens een voetspoor nalaat + In den zandzoom van den Tijd: + +Voetspoor, dat misschien een ander, + Die op 's levens golven zweeft, +Of aan 't strand wordt neêrgesmeten, + Als hij 't ziet, den moed hergeeft! + +Zoo dan laat ons waken, werken, + En, op ieder lot bereid, +Rustloos voortgaan en voltooien, + In des Heeren mogendheid! + + + + +PAVO, DE FIN. + + +In een hoog moerasland van Saarjärvis, +Op een schrale hoeve, woonde Pavo. +Onvermoeibaar ploegde hij zijn akker, +Maar van God verwachtte hij den zegen. + +Met zijn gade en zestal lieve kleenen +Deelde hij zijn brood van zoete rogge.-- +Vroolijk wierp hij 't zaad weêr in de voren; +Maar de lente kwam, en smolt de sneeuwlaag, +'t Land werd slijk, en half het zaad verrotte. +Met den zomer woedden hagelstormen, +Die de vroegrijpe airen half verwoestten; +'t Najaar kwam met zijn bevriezende' adem, +En--het luttel overschot verwelkte! + +Pavoos gade ontrukte zich de hairen: +"Pavo!" kreet ze, "ellendigste aller menschen +Grijp uw staf! wij zijn van God verlaten! +Hard is beedlen, harder nog verhongren!" + +Pavo nam bedaard heur hand, en zeide: +"God verlaat niet, maar beproeft de zijnen! +Brood, half graan, half boomschors, is voldoende. +'k Zal de voren tweemaal dieper graven, +Maar van God-alleen den zegen wachten!" +En zij kneedde brood van graan en boomschors; +Zwoegend trok hij dubbel diep zijn voren. +Hij verkocht zijn schapen en kocht rogge, +Die hij biddend de aarde toevertrouwde! +Weder kwam de lente en smolt de sneeuwlaag, +'t Land werd slijk en half het zaad verrotte. +Met den zomer woedden hagelstormen, +Die de vroegrijpe airen half verwoestten, +'t Najaar kwam met zijn bevriezende' adem, +En het luttel overschot verwelkte! + +Pavoos gade sloeg zich op de borsten: +"Pavo!" kreet ze, "ellendigste aller menschen! +Laat ons sterven! God heeft ons verlaten! +'t Sterven is wel hard, maar harder 't leven!" + +Pavo nam bedaard heur hand, en zeide: +"God verlaat niet, maar beproeft de zijnen! +Brood, half graan, half boomschors, is voldoende. +'k Zal de voren driemaal dieper graven, +Maar op nieuw van God den zegen wachten!" +En zij kneedde brood van graan en boomschors, +Zwoegend trok hij driemaal diep zijn voren, +Hij verkocht zijn rundren en kocht rogge, +Die hij biddend de aarde toevertrouwde. +Weder kwam de lente en smolt de sneeuwlaag, +Maar het land werd droog, het zaad bleef leven. +Lieflijk was de zomer, zonder hagel, +En de vroegrijpe airen tierden welig; +'t Najaar kwam, maar zijn getemperde adem +Liet de halmen vol en ongeschonden, +En--zij ruischten voort als gouden golven! + +Toen boog Pavo dankend neêr, en zeide: +"God heeft ons beproefd, maar niet verlaten!" +Dankend boog de vrouw ter neêr, en zeide: +"God heeft ons beproefd, maar niet verlaten!" +Toen riep ze in verrukking tot haar gade: +"Pavo! Pavo! grijp met vreugd den sikkel! +Nu zal de overvloed ons hart verkwikken! +Nu behoeft geen boomschors ons te voeden, +'k Zal nu brood van louter rogge kneeden!" + +Pavo nam bedaard heur hand, en zeide: +"Vrouw! o vrouw! de Heer wil ons beproeven; +Laat ons dan der armen ons ontfermen! +Meng uw meel met boomschors als te voren: +De oogst van onzen buurman is verijdeld!" + + + + + +OJAN PAVOOS UITDAGING. + + +Ver uit Tavartland kwam Ojan-Pavo, +Breed en krachtig onder Finlands zonen, +Stout en vlug, geweldig als een stormwind. +Met zijn vuist kon hij een eik ontwortlen, +Met zijn hand een wilden beer verworgen, +'t Strijdros tillen over 't hoog staketsel, +Als een bies den moedigste doen buigen. +Daar nu stond de onwrikbare Ojan-Pavo, +Trotsch en krachtig in de volksvergaâring. +Op het plein, daar stond hij onder de andren, +Als een hooge pijnboom onder struiken. +En hij hief zijn stem op, en trotseerde: + + "Is hier iemand, van een vrouw geboren, +Die mij van het plekjen, waar ik beide, +Ook éen enklen duimbreed kan doen wijken? +'k Wil hem heel mijn rijke hoeve geven, +Hij ontfangt mijn zilver ten geschenke, +Hij wordt meester over al mijn kudden: +'k Word zijn slaaf naar lichaam en naar ziele!" + + Tot het volk sprak aldus Ojan-Pavo, +Maar de landjeugd deinsde met ontzetting; +Doodlijk zwijgen was het eenigst andwoord: +Niemand die het waagstuk dorst beproeven. + + Maar verliefd en met bewondrende oogen, +Staarden al de meisjens op den dappre, +Die zoo heerlijk uitstak boven de andren, +Als een hooge pijnboom boven struiken, +De oogen schittrend met den glans der starren, +En het voorhoofd wolkloos als de hemel, +En de lokken golvende om zijn schouders, +Als een stroomval in de zonnestralen! + + Uit de bonte vrouwenrei trad Anna, +Zij, de jongste en schoonste van de schare, +Lieflijk als een blonde lentemorgen. +Haastig treedt zij voort naar Ojan-Pavo, +En zij strengelt om zijn hals heur armen, +Drukt heur teederkloppend hart aan 't zijne, +Kust zijn mond met frissche rozenlippen, +Bidt hem smeekend van de plek te wijken, +Maar de held stond roerloos, schoon--verwonnen! + + En nu week hij van de plek en juichte: +"Anna! Anna! 'k heb den strijd verloren! +U moet ik mijn rijke hoeve geven, +Gij ontfangt mijn zilver ten geschenke, +Al mijn kudden zullen u behooren: +'k Ben uw slaaf naar lichaam en naar ziele!" + + + + + +IERSCHE MELODIEN. + + +I. + +VERGEET MIJ NIET + + +Spoed u ter viktorie, +Maar al strooit de glorie + Palmen in 't verschiet; +Wordt door alle tongen +U de lof gezongen, + O vergeet mij niet! +Moogt ge uw hart verbinden +Aan geliefde vrinden, +Rijker vreugde vinden + Dan mijn hand u biedt: +Toch, in 't dichtst gewemel +Van uw aardschen hemel, + O vergeet mij niet! +Dwaalt gij heinde en verre +Bij uw lievlings-sterre, + Spieglende in den vliet, +Denk hoe vaak ze ons beide +Vriendlijk huiswaarts leidde, + En--vergeet mij niet! +Als uw blikken pozen +Bij 't aanminning blozen +Van de laatste rozen, + Eens zoo graag bespied, +Denk wie ze eens u strooide, +Met heur krans u tooide, + En--vergeet mij niet! + +Als de stormen varen +Door de najaarsblaâren + En ge 't flikkren ziet +Van het haardsteêvuurtjen, +Dan, in 't schemeruurtjen, + O vergeet mij niet! +Als uw ziel blijft hangen +Aan muziek en zangen, +En in zoet verlangen + U een traan ontschiet, +Denk dan wie te voren +U dit lied deed hooren, + En--vergeet mij niet! + + + + +II + +TROUW + + +Al moest ik het zien, dat uw blosjen verdween, + Nu weêrschittrend van jonkheid en min, +Al smolt in mijn arm al uw schoonheid daarheen, + Als de gift eener Toovergodin: +Geloof me, ik beminde u zoo vurig als thans; + En ware ook haar tempel geslecht, +Elke wensch van mijn hart werd een groenende krans, + Aan den bouwval der Schoonheid gehecht! + +Neen, 't is niet ten dage uwer bloeiende lent, + Nu geen traan nog uw oogjens ontwijdt, +Dat de gloed en de trouw eener ziel wordt gekend, + Wie ge al dierbaarder wordt met den tijd. +O, die waarlijk bemint, hij bemint onbepaald, + En volhardt met ondoofbaren gloed, +Als de zonnebloem ginds, die haar God, wen hij daalt, + Even teêr als bij d' opgang begroet! + + + + +III. + +MUZIEK + + +Als wij niets van 't leven hopen, + Na 't verlies van 's levens vreugd, +O, hoe gaat dan 't hart ons open + Bij een feestklank uit der jeugd! +In de ziele, diep bewogen, + Rijzen de oude droomen weêr, +En uit moêgekreten oogen + Straalt een lachjen van weleer! + +Zwevende over rozelaren, + Streelt ons 't windtjen hemelzoet: +Dús de toon uit blijder jaren, + Die ons onverwachts ontmoet, +'t Windtjen geurt nog om ons henen, + Als de rozenblos verschiet: +Zóo, al is de vreugd verdwenen, + Leeft zij voort in d' aâm van 't lied! + +O Muziek! bij uwe akkoorden + Wordt de spraak zoo koud en schraal. +Waarom zoekt de ziel naar woorden? + Gij slechts zijt haar moedertaal! +Liefde en vriendschap kunnen vleien, + Daar bedrog de lippen plooit: +Maar, Muziek! Uw melodijen + Streelen, maar bedriegen nooit! + + + + +IV. + +MIJMERING. + + + O, hoe vaak in den nacht, + Eer de sluimring al zacht +Aan mijn eenzame sponde mij kluistert, + Rijst in vriendelijk licht + Mij 't verleên voor 't gezicht +En de stem der Herinnering fluistert: + Van de smart en de vreugd + Eener zalige jeugd; +Van de liefde, half schaamrood ontloken; + Van de lipjens zoo rood, + Nu verbleekt door den dood, +En de harten, voor immer gebroken! + Dus, in 't uur van den nacht, + Eer de sluimring al zacht +Aan mijn eenzame sponde mij kluistert, + Rijst in vriendelijk licht + Mij 't verleên voor 't gezicht, +En--de stem der Herinnering fluistert! + +2. + + Als ik denk aan den kring, + Die me als broeder ontfing, +Aan de schaar mijner bloeiende vrinden, + Nu ter ruste geleid, + Of verwelkt en verspreid, +Als het najaarsgeblaârt op de winden: + O, dan is 't of ik dwaal + Door de feestlijke zaal, +Nog zoo straks door de vreugde beschenen, + Waar geen luchter meer blinkt, + Waar geen beker meer klinkt, +En de gasten, op mij na, verdwenen! + Dus, in 't uur van den nacht, + Eer de sluimring al zacht +Aan mijn eenzame sponde mij kluistert, + Rijst in vriendelijk licht + Mij 't verleên voor 't gezicht, +En--de stem der Herinnering fluistert! + + + + +V. + +OP ZEE. + + +1. + + Liefste, ga meê, + Over de zee! + Volg, waar ge wilt, mij naar heuvel en dal! + Wissle de wind, + Hij die bemint, + Kent geen saizoenen, en mint overal. +Bedreigt ons de waereld, we ontvluchten haar erf; +Gij zijt er: ik leef; gij verdwijnt: en ik sterf. + Kom, ga dan meê, + Liefste, over zee! + Meê, waar het golfjen ons wiegelen zal! + Wissle de wind, + Hij die bemint, + Kent geen saizoenen, en mint overal. + + +2. + + Woont niet op zee + Vrijheid en vreê? + Dreigen niet onrust en boeien aan land? + Slaaf zijn we dáar: + Maar op de baar + Lacht onze liefde met teugel en band. +Geen oog dat ons ziet, en geen tong die ons wondt; +De waereld verdwijnt, en 't wordt hemel in 't rond! + Kom, ga dan meê, + Liefste, over zee! + Volg, waar ge wilt, mij naar heuvel en dal! + Wissle de wind, + Hij die bemint, + Kent geen saizoenen en mint overal! + + + + +VI. + +GRAFBEZOEK. + + +O fluister zijn naam niet!--Hij rust' bij 't gebeent' + In schaduw der eenzame zode! +Weemoedig en stil zij de traan dien ge er weent, + Als de nachtdauw op 't graf van den doode! + +Maar de dauw, die in stilte de zode besprengt, + Zal het gras des te frisscher doen groeien; +En de traan onzer smart, hoe verholen geplengd, + Doet in 't hart zijn gedachtenis bloeien. + + + + +VII. + +NA DEN VELDSLAG. + + +De nacht heeft den loop der verwinnaars gestremd; + Een handvol, der neêrlaag ontkomen, +Staat eenzaam, de vuist aan de sabel geklemd, + En zonder het ergste te schromen. +Ach, 't ergste is geschied! Want de hoop ligt geveld, + Vertrapt in de bloedige voren. +Reeds dit brengt de dood in het hart van een held: + "Op de eer na, is alles verloren!" + +De droom hunner vrijheid ging vóor in het graf: + Hunne asch zal haar lauwer niet erven! +Nu wachten zij spraakloos den morgenstond af, + Om eervol bij 't daglicht te sterven. +Omhoog is een waereld, daar dwingt geen tyran, + Daar ziet ge u de vrijheid hergeven! +En als nu de dood haar ontgrendelen kan, + Wie zou hier als slaaf willen leven? + + + + +VIII. + +WARE DROEFHEID. + + +Neen, voorwaar! 't is de traan niet, die thands ons ontvloeit, + Als wij 't gapende graf nog aanschouwen, +Die het meldt hoe ons hart voor den vriend heeft gegloeid, + Of hoe diep we in de ziel om hem rouwen. +'t Is het blijvend gevoel, dat hij immer ontbreekt, + 't Is de traan, dien wij levenslang weenen, +'t Is de droeve herinnring, zoo teeder gekweekt, + Als alle andere smarten verdwenen! + +Alzóo treuren ook wij! en met hemelsche kracht + Zoekt ons hart naar zijn voorbeeld te streven, +Want de Deugd wordt te schooner, waar hij wordt herdacht, + Die alleen voor haar dienst scheen te leven +En gelijk soms der Heiligen begraven gebeent' + Een geur door den tempel mag spreiden, +Zóo wordt door ons hart nog een balsem ontleend + Aan het beeld dat hij naliet bij 't scheiden! + + + + +IX. + +WARE LIEFDE. + + +In des levens morgenkrieken, + Als men 's levens zorg niet kent, +Maar de vreugde, op rozenwieken, + Zich betoovrend tot ons wendt +Als wij in een waereld leven, + Die de fantazy zich droomt, +En het licht, waarin wij zweven, + Uit ons eigen harte stroomt:-- +Dan, wanneer, met ziel en zinnen, + Zich de jeugd der blijdschap wijdt, +Kunnen wij zoo teêr niet minnen + Als in minder blijden tijd. +Duizend wenschen, 's levens eerste! + Mogen in den bloesem staan, +O, de Liefde is 't allerteêrste, + Waar die allen zijn vergaan! + +Wen de jeugd met de eerste droomen + Immer verder van ons vliedt, +Als een blaadtjen op de stroomen, + Dat ge nimmer keeren ziet: +Als de feestkelk, leêggedronken + Onder scherts en snarenklank, +Onverwachts wordt volgeschonken + Met des lijdens alsemdrank: +Dan eerst kan de Liefde ontwaken + Met een volheid en een gloed, +In den zwijmel der vermaken + Door het hart niet eens vermoed. +Dartle Liefde gaat verloren + Bij een eerste winterkoû, +Maar de Liefde, uit smart geboren, + Is gelijk de smart getrouw! + +'t Land der zonne legt de bloemen + Glans en gloed op ieder blad, +Maar zij kunnen weinig roemen + Op een milden geurenschat. +Wolken, nevels, als daar grijzen + Aan ons waterachtig zwerk, +Doen eerst recht de geuren rijzen + Uit het vochtig bloemenperk. +Zóo leent ook de vreugd der aarde + 't Oog een wilden hartstochtsgloed, +Maar de Liefde toont heur waarde + Heerlijkst in den tegenspoed. +Schuchter moog' ze in 't blosjen bloeien + Op het blij gelaat der bruid, +Eerst wanneer de tranen vloeien, + Stort zij al heur zoetheid uit! + + + + +X. + +EERSTE LIEFDE. + + +Ach, de tijd is lang verleden, + Toen ik schoonheids boeien droeg, +En voor alle heerlijkheden + Slechts een weinig Liefde vroeg. +Kalmer dagen mochten rijzen, +Later wenschen verder wijzen + Op een schittrender gewin-- +Niets is half zoo zoet te prijzen + Als de droom der eerste Min! + +Jaag' de Bard naar rijker kronen + Dan de wufte jeugd hem gaf, +Dwing' hij door zijn toovertonen + Zelfs den wijze een glimlach af: +Nooit, hoe fier zijn lauwren kraken, +Zal hij weêr de weelde smaken, + Die zijn eerste Lied hem schonk, +Toen het roosje op _haar_ kaken, + In _hare_ oogen 't traantjen blonk! + +'t Beeld van haar, die, 't eerst gekozen, + Uw goede Engel scheen te zijn, +Blijft op 't groenste plekjen poozen + Van Herinrings zandwoestijn. +'t Was een bloem, die de avond maaide, +'t Was een geur, die ras verwaaide, + 't Was een reine hemelgloed, +Die maar éens zijn starren zaaide + Over 's levens zwarten vloed! + + + + +XI. + +EENE UIT VELEN. + + +In betere dagen ontvloog mij de tijd +In 't bonte gewemel, der vreugde gewijd; +Ik werd op mijn wenken gevierd en gediend; +De vroolijkste gast was de dierbaarste vriend.... +Hoe alles verandert in dagen van rouw: +Van al die mij vleiden, wie bleven getrouw? + +De feestdisch trekt aan: hoe stroomt alles er heen! +Het ziekbed stoot af: gij verkwijnt er alléen! +Al vlecht u de waereld heur krans om de kruin, +Heur gunst duurt zóolang als de gunst der Fortuin: +Het klokjen gelijk, dat in 't zonnelicht bloeit, +Maar plotsling verwelkt, als de dag is vergloeid! + +Doch Gij bleeft in kommer en krankte mij bij: +Was ik ook veranderd, dezelfde bleeft gij! +Bij mij zijn de feesten der vreugde vergaan: +Toch straalt uit uw oog nog de vreugde mij aan: +De waschbloem gelijk, die bij 't grauwen der nacht +Het kelkjen ontplooit in welriekende pracht! + + + + +XII. + +VAARWEL. + + +Als de vriend van uw hart niets meer naliet op aard + Dan den naam van zijn schuld en zijn lijden, +Zeg, zult ge, als de wraakzucht zijn lauwren ontblaârt, + Hem een traan der erkentenis wijden? +Ja, ween! En hoe diep mij mijn vijand misken', + Uw traan zal den smet doen verbleeken: +Want, voorwaar! heeft mijn drift zich vergrepen aan hen, + Al te zeer is mijn trouw u gebleken! + +Gij-alléen waart mijn hoop en mijn doel en mijn kroon, + Gij, de droom mijner jeugdige jaren! +In mijn laatste gebed voor des Eeuwigen throon + Zal uw naam met den mijnen zich paren. +O, gezegend de vrienden, die eens in den gloor + Van uw rijzenden roem zullen leven: +Maar de dierbaarste zegen, dien God mij beschoor, + Is--het voorrecht voor u dus te sneven! + + + + +XIII. + +DE LAATSTE ZOMERROOS. + + +'t Is 't laatste der roosjens, + Dat bloeiend bleef staan: +Heur lieflijke zustren + Zijn lang reeds vergaan. +Geen bloem van heur maagschap, + Geen knopje' onder 't mosch, +Herhaalt meer heur zuchtjens, + Weêrkaatst meer heur blos. + +Neen! 'k ga niet hardvochtig + Uw stengel voorbij: +Zijn ze allen ontslapen, + Ontslaap dan als zij! +Zoo strooi ik uw blaadtjens + Al zachtkens daarheen, +En meng ze met de assche + Der uwen dooreen! + +Zoo ras moge ik volgen, + Als me alles begaf, +Als Vriendschap en Liefde + Me ontzonken in 't graf. +Als al wat ons lief was, + In 't stof ligt vergaârd, +Wie bleef dan nog gaarne + Verlaten op aard'? + + + + + +ENGELEN. + + +Als de dag zijn uren telde, + En de stemmen van den nacht +'t Beter Ik daarbinnen wekken + Tot een vreugde, rein en zacht: + +Als de luchters nog niet branden, + En het flikkrend haardsteêvuur +Wondre schaduwen doet dansen + Op den halfverlichten muur: + +O, dan glippen dierbre schimmen + Binnen door de ontsloten deur! +Dan bezoeken mij de dooden, + Die ik reeds zoo lang betreur! + +Zij, de jeugdigen en sterken, + Hunkrend naar een eedlen strijd, +Maar op d' eersten marsch bezweken, + Ver nog van het worstelkrijt: + +Zij, de heiligen en zwakken, + Met des lijdens kruis belaân, +Eindlijk met gevouwen handen, + Bleek en spraakloos heengegaan; + +En dan, 't wonder lieflijk wezen, + 't Bloemtjen in mijn wildernis, +Die mij boven alles minde + En nu ginds een Engel is! + +Zachtkens zet zij aan mijn zijde + Op den leêgen stoel zich neêr; +En zij drukt mijn koude vingers + Met een handdruk, naamloos teêr. + +En zij zit mij aan te blikken + Met dat diep en vriendlijk oog, +Kalm en heilig als de sterren + Aan den blauwen hemelboog. + +'t Is mij als versta ik alles + Wat zij mij te zeggen heeft, +Tot ze, na een teêr vermanen, + Spraakloos mij heur zegen geeft. + +O, hoe eenzaam en verlaten, + Ik gevoel geen angst of nood, +Mag ik maar in stilte peinzen + Aan hun leven, aan hun dood! + + + + + +L'ALLEGRO. + + + Van hier, van hier, Naargeestigheid! +Gij kind uit Cerberus en Middernacht geboren, + Waar de Acheron zijn schaduw spreidt, +Bij aaklig spookgebroed en doodsche geestenkooren! + Ga, zoek een rotskloof die u past, +Waar nooit een leeuwrik zingt bij 't vriendlijk morgenkrieken, + Maar onverpoosd de rave krast, +En eeuwig Duister broedt op vale vleêrmuiswieken! + Zit daar in grauwe nevels neêr, + Omringd van wilde steenrotsbrokken, +Gegroefd als uw gelaat, verward gelijk uw lokken, + En steiger uit dien poel niet meer! + + Maar breng Gij met vlugge schreden + Ons de gulle vreugde meê, + Heilbodesse, Euphrosiné! + Derde der Bevalligheden, + Wie de schoone Min-- +--Godin, + Tot een lust en licht der aarde, + T' éener dracht heur Bacchus baarde! + Of, misschien wel zijt gij 't kind + Van den dartlen Lentewind, + Die zich met Aurore paarde + Op een Meischen Morgenstond, + Als hij haar met vriendlijk blozen + Tusschen rozen + Slapen vond! + Tooveresse, daal ter neder! + Immer blijde, maak ons blij! + Geef ons scherts en spotlust weder, + Breng ons jool en jokkernij, + Knikjens, + Blikjens, + Vol van leven, + Kortswijl uit des harten grond, + Gulle lachjens, als daar zweven + Over Hebees rozenmond-- + Tot de rimpels zijn verdreven, + En de schaterlach in 't rond, + Vroolijke! uw triomf verkondt. + Huppel, trippel, zachtjens, zoetjens, + Op uw luchte feënvoetjens! + Voer de Nymf der bergwarand, + Voer de Vrijheid, aan de hand! + En, zoo ik u waardig eere, + Gun dat ik uw stoet vermeêre! + Geef dat ik met u en haar + Heel mijn leven lang verkeere, + Priester bij uw bloemaltaar! + 'k Hoor dan vroeg den leeuwrik zingen + Op zijn hooge sterrenwacht, + Tot hij uit den schoot der Nacht + Eindlijk d' Ochtend op doet springen; + 'k Buig, de trage scheemring moê, + Uit mijn venster mij voorover, + 'k Roep, door roze- en wingertlover, + De Aard mijn: "goede morgen!" toe: + Middlerwijl, met kam en sporen + Prijkende, onder fieren tred, + 't Haantjen, dat de kim ziet gloren, + 't Laatste donker wegtrompet, + Om zijn hongrende sultanen + Naar de schuur een weg te banen. + 'k Vang van ver den horenschal, + 'k Hoor de vlugge brakken bassen, + Die in 't boschrijk heuveldal + 't Opgeschrikte wild verrasschen. + Somtijds dwaal ik, voet voor voet, +Langs de bonte meidoornhagen, +Door twee oogjens gâgeslagen, + De Oosterpoorte te gemoet, + Waar de zon, in purpergloed +Tusschen bontgekleurde wolken, +Opvaart uit de glazen kolken. + En de veldman, vroeg ter hand, + Fluit zijn liedtje en ploegt het land; +Melkerts rappe vingers eischen + 't Zuivelvee zijn schatting af; +En de maaier wet zijn zeissen, + En de scheper [2] zwaait zijn staf. +Diepe dalen, grauwe heiden, +Waar de witte lammren weiden; + Akkers, vol van goudgeel graan, + Bieden duizend schoonheên aan. +Hooge bergen zie ik rijzen, + Op wier schouder 't wolkjen slaapt, + Aan wier voeten de afgrond gaapt, +Tusschen groene paradijzen, + Waar de landjeugd bloemen raapt, +En de beekjens onder 't stoeien +Tot rivieren samenvloeien. + Van zoo menig steenrotstop + Rijst een aadlijk burchtslot op, +Wuivend met banier en vendel, + Waar het schoonste maagdelijn, + Waard een Koningin te zijn, +Wegkwijnt achter bout en grendel. + Daar beneden tusschen 't hout, + Waar de dunne rookwolk blauwt, +Onder rozen en violen, +Ligt de rieten stulp verscholen: + Daar zit Thyrsis, jong en teêr, + Naast heur Corydon ter neêr: +'t Middaguurtjen heeft geslagen, + 't Nedrig maal, + Op reine schaal, +Wordt door Phyllis opgedragen; + Die nog pas heur taak volbracht, +Of zij gaat heur Damon vinden, + Die op 't stoppelveld haar wacht, +Om de garven saam te binden: + Menig air + Van 't welig koren, +Leest ze, als Ruth, uit greb en voren, + Voor heur moeder bij elkaâr. +Somtijds wordt de streng getrokken, + Die den hoogtijklepel luidt, +En de klingelende klokken + Nooden tot een dansvreugd uit. + Nu vergaâren + Blijde paren, + Hupplende op de fiedelmaat, +Daar de strijkstok langs de snaren + Rustloos op en neder gaat; +Tot het maantjen door de blaâren + Heengluurt met jaloersch gelaat. +Of de Landheer geeft aan allen, + Oud en jonk, een vrijen dag, +Dien het hart naar welgevallen + Aan de vreugde wijden mag: +'s Avonds mag de hoppe kralen + In den gladgeschuurden nap; + Elk, in onverpoosd gesnap, +Weet zijn sprookjen te verhalen: + Hoe de tooveresse Mab +Bij den een aan 't baksel knaagde, + Maar de korstjens overliet; +D' andren in zijn droomen plaagde, + Neep, en in de zijde stiet; +Of van lichtjens, die er waren, +Witte wiven, nickermaren; + Van een kobold, die vol kracht +Meerder koren dan tien mannen +In tien schoften dorschen, wannen, + Dorschte en wande in éenen nacht! +Eindlijk zwijgen alle tongen; + En, na de ernstige avondbeê, + Zoekt nu elk zijn legersteê, +Straks door 't windtje' in slaap gezongen. + + Dan weêr trekt de Stad ons meê, +Met haar torens en haar wallen, +En 't gewoel der duizendtallen,-- + De eindelooze menschenzee! +Eedle ridders en baroenen + Stroomen in hun feestdosch aan; + Lauwerblaân + En palmen groenen, + Prijken, schittren in de zon: +En de blanke hand der schoonen + Zal hem kroonen, + + Die door moed of geest verwon. +Daar moog' Hymen intocht houên + Bij den glans + Der feestflambouwen, + Bij muziek en zang en dans, +Bij het rustloos gaan en komen + Van een maskeradestoet, +Bont en grillig als de droomen + Van een dichterlijk gemoed! +En zoo vaak de zorgen rijzen, + Huwe een zoete melody, +Een der Lydiaansche wijzen, + Zich aan 't woord der Poëzy, +Dat zij heel mijn ziel doordringe, + Met een gloed van hemellust, +Dat zij Orpheus wakker zinge, + Die aan de Elyzeesche kust + Op een bed van rozen rust, +En hem zulk een lied doe hooren + Als geen Pluto had' veracht, +Maar dat zeker de uitverkoren' +--Nu, helaas! op nieuw verloren!-- + Gansch en al had' weêrgebracht + Uit den Acheronschen nacht! +Kunt gij zulke weelden geven, + Zeegnende Blijhartigheid! + 'k Ben bereid + Met u te leven. + + + + + +BYRONS ZWANENZANG. + +(Missolonghi, 22 Januari 1824). + + +O, sprak in 't eind dit hart niet meer, +Nu toch geen hart zich 't mijne wijdt! +Maar toch, al mint mij niemand meer, + Ik min altijd. + +Mijn dagen zijn in 't najaarsgrauw, +Der liefde bloem en vrucht verdween; +De worm, de kanker en de rouw + Zijn mijne alleen! + +Een eiland werd mijn dor gemoed, +Een rots, met lava in den schoot; +Geen toorts ontsteekt men aan zijn gloed: + Zijn vuurvlam doodt! + +De hoop, de vrees, de zoete smart, +'t Is al voorbij als droombedrog: +Slechts klinkt aan mijn gestorven hart + De keten nog! + +Maar 't is niet _hier_, en 't is niet _thans_, +Dat zulk gevoel mij schokken moet, +Waar Glorie met onwelkbren krans + Heur helden groet! + +Hier blinkt het zwaard, hier wuift de vaan, +De roem omringt me op Hellas' grond. +Op 't schild getorscht, zag geen Spartaan + Ooit vrijer rond! + +Ontwaak! (niet Hellas--'t is ontwaakt!) +Ontwaak, mijn hart! Bedenk _waarvoor_ +Ge uw dierste banden hebt geslaakt-- + Voleind uw spoor! + +Nu moet uw oude gloed vergaan: +Die driften zijn den man onwaard! +De roos der schoonheid is voortaan + Voor u ontblaârd. + +Betreurt ge uw jeugd? waarom _geleefd_? +De dood der eere baart geen schrik: +Die hem begeert, trekt uit en--geeft + Den jongsten snik! + +Zoek--wat men vaak eer vond dan zocht-- +Een heldengraf aan vreemde kust! +Kies u een plek, met roem gekocht, + En--neem uw rust! + + + + + +DE PRAIRIËN. + + +I. + + + Gij gaarden, door de woestenij gekweekt, + Gij weiden, onbegrensd en ongeschoren, + Wier naam aan Englands trotsche taal ontbreekt! + Prairiën, neen! ik zag u nooit te voren; + En nu, terwijl mijn oog u overziet, + Hoe bruisend stroomt op eens mij 't bloed door de aâren! + Gij strekt u uit naar 't eindeloos verschiet, + Gelijk een staande zee, wier groene baren + Voor eeuwig onbeweeglijk zijn. Maar neen! + Op eens herneemt gij de oude vrijheid weder. + Gevleugeld trekt de wolkenschaduw heen; + De vlakte ontwaakt en wiegt zich op en neder; + De lichte hoogten buigen om en om, + De donkre diepten golven. Dartel stoeien + De windtjens met de bloemen, die alom + Als uitgestrooide zonnevonken gloeien; + En roerloos zeilt de valk der woestenij + Hoog in de lucht op breede wiek voorbij. + Gij dartle windtjens! kustet Texas druiven, + Gij deedt de Mexikaansche palmen wuiven, + Gij volgdet door de Zuider-lustwarand + De beekjens, die, Sonoraas klare wellen + Ontsprongen, even lustig zeewaards snellen; + Maar hebt gij ooit een schooner wonderland + Dan dit doorwaaid? 't Heeft niets aan Menschlijk pogen + Te danken: 't Is Gods werk! Dezelfde hand, + Die ginds den bouw voltrok der hemelbogen, + Schiep ook die zee van gras, andre oceaan, + Waar eeuw aan eeuw de groene golven gaan, + En woud aan woud als eilanden verrijzen, + Een archipel van frissche Paradijzen! + Die bodem is den hemeltempel waard, + En bootst de starren van zijn koepelwelven + Met mozaïk van bloemen na!.... Schoone Aard, + Hoe lokt gij hier den hoogen hemel-zelven + Ter neder, tot hij altijd teêrder blauwt, +En eindlijk wegsmelt in uw levend emeraud! + + + +II. + + + Als ik mijn klepper prikkel met de sporen, + Die tot de heupen voortwaadt door het gras, + Klinkt mij 't eentonig hoefgestamp in de ooren, + Ja, bijna of het heiligschennis was. + Wie weet? als we eens der graven rust ontwijdden? + Slaapt hier misschien een volk uit vroeger tijden, + En is dit stof wellicht der dooden asch, + Eens tintelend van leven?--Dat vermelden + Die muren, rijzend boven 't eikenwoud, + Heenblikkende over de eindloosheid der velden! + 't Geslacht, dat eens dit bolwerk heeft gebouwd, + Is lang reeds van de moederaard verdwenen. + 't Was jong en sterk, en stapelde zijn steenen + Reusachtig op, terwijl de westerzon + In Griekenland misschien de rots bestraalde, + Het voetstuk van het heerlijk Parthenon! + Hier droeg de grond hun welig graan; hier dwaalde + Hun grazend vee; hier liet de buffelstier + Den stuggen nek in 't juk des ploegers klemmen; + Hier klonken eens de honderdduizend stemmen + Van levenslust en arbeid en vertier. + Hier zwierven menigmaal verliefde paren + In 't eenzaam rond bij d' avondzonnestraal, + Geloften wisslend in vergeten taal, + En klanken--wie zal zeggen uit wat snaren + Getokkeld, of uit welk welluidend riet + Geblazen?--met hun teeder minnelied + Meêgevend met de winden!.... Maar daar daagde + De Roodhuid op: het oud geslacht verdween, + Dat deze muren bouwde. 't Was als vaagde + De storm hen weg, en eeuwen achtereen + Mocht de Eenzaamheid alreeds hun plaats bekleeden. + De wolf zoekt in de wildernis naar buit; + De schildpad holt den leêgen bodem uit, + Eens overdekt met dichtbevolkte steden. + 't Is alles weg--alleen de heuvlen niet, + Waar 't oud geslacht zijn beendren achterliet; + De hoogten niet, waar ze op de groene zooden + Zich bogen voor hunne onbekende goden; + De wallen niet, ten bolwerk saamgeprest + Voor 's vijands woên: tot straks de Wilde er brulde, + De schansen overrompelde, en de vest + Met lijkenheuvels van verslaagnen vulde. + De gieren schoten in al dichter kring + Ter neder op de doôn: wie zou hen storen + In 't gruwzaam maal?--Een enkle vluchteling + Doordwaalde 't woud, op 't glibbrig pad verloren, + Tot de eenzaamheid hem wreeder scheen dan 't graf, + En hij zich in des vijands handen gaf. + Niet alle vonken van 't gevoel verdoofden: + Hij vindt een plaats in schaûw des rieten daks; + De onbandige overwinnaars gunnen straks + Hem, meerbeschaafde, een zetel bij hun Hoofden. + Nu kiest hij uit hun dochtren zich een bruid; + Vergeten schijnt wat nimmer werd vergeten, + Zijn eerste liefde en menig dierbre spruit, + Met heel zijn ras vermoord, in 't slijk versmeten +Door 't eigen volk, dat nu de broederhand ontsluit! + + + +III. + + + Zoo wisselt alles hier! + Éen wenk des Heeren, + En ziet! geslachten, heerlijk, jong en frisch, + Verrijzen, bloeien, om tot stof te keeren!.... + De Roodhuid ook verliet de wildernis, + Wier paden hij heeft platgetreên, wier boomen + Hij telde--om nu, op 't hoog gebergt' verstrooid, + Een rijker jagersbuit op 't spoor te komen. + Niet langer huist de bever aan dees stroomen: + Ver aan de vrije waatren, die nog nooit + Een blank gelaat weêrkaatsten, aan de zoomen + Van d' Oregon, die trotsch en eenzaam vloeit, + Bouwt hij zijn klein Venetië.--Hier loeit + Geen buffel meer: nog tweemaal twintig mijlen + Van 't plekjen waar de lichte rookkolom + Verkondigt dat de verste jagers wijlen, + Dwaalt hij in wilde kudden zorgloos om; + Dáar steekt hij fier de horens op, dáar kneden +Zijn reuzenhoeven de aard, die davert bij zijn schreden! + + + +IV. + + + Toch leeft altijd de oneindige woestijn. + Wie zal haar duizenden bij namen noemen? + Insekten, die, niet minder dan de bloemen, + Met licht en kleuren overgoten zijn; + En vogels, die ter nauwernood nog weten + Wat vrees voor menschen is; een slanggebroed, + Voortschuivend als een dichtgeschubde keten, + Afgrijslijk schoon, in goud en purpergloed! + De ranke hinde is schuw naar 't woud gevlogen; + Ginds briescht het paard, nog maagd van toom en trens; + De bij, veel stouter planter dan de mensch, + Met wien zij uit het Oost is meêgetogen, + Doorgonst op vliezen vlerkjens wijd en zijd + De zonnige _savanne_ en zoekt heur woning: + Een eik, als in den gouden fabeltijd, + Bergt in zijn hollen stam haar schat van honing. + Ik luister lang naar 't welbekend geluid: + 't Is of ik reeds de scharen aan zie zweven, + Die de eenzaamheid bezielen met nieuw leven. + Hoort! dartelende kinderen schaatren 't uit! + Daar ruischen meisjensstemmen! Tonen galmen, + Als noodde een sabbatsklok tot bede en psalmen! + Ik zie de lammren door de klaver gaan; + Het schelletjen der hamels doet zich hooren; + De boogert kraakt; welluidend ruischt het koren.... + Daar waait op eens een frissche wind mij aan, + Mij wekkend uit mijn liefelijken waan-- +En 'k sta weêr eenzaam in de wildernis verloren! + + + + + +HET BEEKJEN. + + +Gij, beekjen! welt met zacht geluid +Onopgemerkt uw woudbron uit; +Gij vormt een kleinen waterval, +Terwijl gij nederspringt in 't dal; +Dan effent gij uw golfjens weêr, +En zoekt de schaduw als weleer. +Hoe dikwerf, in mijn jonge jeugd, +Hebt gij mijn speelziek hart verheugd! +Als dan de lente, lang verwacht, +Verscheen in de eerste bloemenpracht, +Als 't gras, fluweelig uitgespreid, +Doorvloeid was van welriekendheid: +Dan vlood de knaap de doffe kluis, +En voelde eerst aan uw zoom zich thuis! +Dáar hoorde hij den kwartel slaan, +Dáar lachte hem 't viooltjen aan, +Zoo jong en frisch, zoo frisch en blijd, +Als gij, mijn beekjen! zelve zijt. + +En toen ik opwies en de dorst +Naar glorie tintelde in mijn borst, +Beproefde ik bij uw stillen vliet +In de eenzaamheid mijn eerste Lied! +Het leven schitterde, als de dag, +Die duizendkleurig voor mij lag; +Ik droomde van mijn vleugelros, +En schreef--'k herdenk het met een blos-- +Mijn naam met zooveel fierheid neêr, +Als blonk hij reeds van eeuwige eer! + +Gij, beekjen! kent geen ouderdom; +Uw hooge ahornen staan rondsom +Wel groen en krachtig nog te prijk, +Maar achtbren grijsaards nu gelijk. +Zij leeren mij maar al te goed, +Hoe snel de tijd is weggespoed, +Sints ik, niet zonder huivering, +Voor 't eerst mij neêrzette in hun kring. +Maar gij, mijn beekjen! vloeit maar toe, +En wordt des rennens nimmer moê. +Nog altijd huppelt ongestoord +Uw golfjen over keizels voort. + +Gij volgt uw eigen klokslag, gij! +En kent geen jaren zoo als wij. +Welluidend ruischt uw zacht geplasch, +Als toen ik nog een knaapjen was. +Nog zijt gij blank als kristallijn; +Nog vonkelt ge in den zonneschijn; +Nog tooit uw oeverriet zijn pluim +Met vlokken van uw zilverschuim; +Nog siert u, even teêr en blauw, +'t Viooltjen in den morgendauw; +Nog dobbert ginder, groen en versch, +Schier wortelloos, de waterkers; +En vroolijk kweelt de vooglenschaar, +Nog even als voor twintig jaar! + +Gij, beekjen! zijt dezelfde steeds; +Maar ik--ach, hoe veranderd reeds! +Gij ziet het knaapjen van weleer +Nu als een man, een vreemdling, weêr. +Aanschouw mijn trekken! gij hervindt +Geen enklen zweem van 't zorgloos kind, +Dat eenmaal dartelde aan uw zoom. +Vervlogen is der jonkheid droom, +Dien 't hart uit gouden draden spon, +Te schoon dan dat hij duren kon. +'k Heb de echte waereld nu bespied, +Maar die ik droomde, ging te niet. +Een bleef getrouw tot op dit uur, +Al heur beloften hield--Natuur! +Want immer schittert voor mijn oog +Het groene veld, de blauwe boog, +Zoo jong, zoo vol van heerlijkheên, +Als eer mijn eigen lent verdween! + +Nog weinig jaren en daar treedt, +Gebukt, vergrijsd in lief en leed, +Uw speelnoot aan met wanklen voet, +Mijn beekje'! en--brengt u d' afscheidsgroet. +Mijn doffe blik zal dan misschien +Uw glinstring door een nevel zien, +En mooglijk dringt dan tot mijn oor +Uw vroolijk murmlen niet meer door. + +Dan sterf ik--Maar onaangedaan +Ziet gij des waerelds wissling aan. +Een nieuw en jong geslacht verschijnt, +Groeit op, veroudert en--verdwijnt. +Maar schoon ook jaar aan jaar ontvliedt, +Gij speelt uw spel en zingt uw lied, +Gij kust de rozen aan uw zoom, +En droomt altijd uw jonkheidsdroom. +Soms wel--wie weet het?--fluistert gij: +"Wat gaat de Mensch toch ras voorbij!" + + + + +DE NATUUR. + + +Gij, beurtlings zacht en teêr, of vol van majesteit, +Natuur! wat zijt gij schoon in uw verscheidenheid! +_Nu_ streelt gij 't juichend hart door hemelzoete ontroering, +_Dan_ heft gij 't naar omhoog in stoute geestvervoering, +Of slaat het met den schrik des Heeren!--Gij betreedt +De frissche dalen, en--het groene moschtapeet +Ontluikt; de vruchtbre dauw drupt uit uw mantelzoomen; +Uw vinger strooit alom de kleuren: 't groen der boomen, +'t Sneeuwwit der lelie, 't blauw des hemels!--Alles leeft +En knopt en bloesemt en draagt vruchten, waar gij zweeft. +Elk zonnestraaltjen is een glimlach uwer oogen, +Elk balsemluchtjen, dat ons aanwaait uit den hoogen, +Uw vriendlijke ademtocht! En wat er klinkt en zingt, +De luide waterval, die van de rotsen springt, +Het beekjen, ritslend door de velden, 't kwinkeleeren +Der duizend zangers, die met wapperende veêren +Het bosch doorkruisen of zich heffen naar 't azuur, +'t Zijn klanken uwer stem, welluidende Natuur! +Maar trotscher wordt uw blik, als gij de bergwoestijnen +Doorzwerft, de wolken plooit tot zwarte tentgordijnen, +En zetelt op uw throon van onverganklijk ijs. +Dan sneeuwt het vliegend zwerk uw blonde lokken grijs, +Dan vlamt uw grimmig oog van rosse bliksemstralen, +Dan schudt gij de Alpen, scheurt hun lenden, dreigt de dalen +Met uw lawinen; loeit in aardschok en orkaan +En donderslagen, en--jaagt de Aard den doodschrik aan! + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Zeker bloemtjen. + +[2] Schaapherder. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Nieuwe Bloemlezing uit de dichtwerken +van J.J.L ten Kate, by J.J.L. ten Kate + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NIEUWE BLOEMLEZING *** + +***** This file should be named 17484-8.txt or 17484-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/1/7/4/8/17484/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/17484-8.zip b/17484-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..bcf06f5 --- /dev/null +++ b/17484-8.zip diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..2e1e10f --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #17484 (https://www.gutenberg.org/ebooks/17484) |
