diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:50:16 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:50:16 -0700 |
| commit | d6436f70cf9b32f8b15a8a4a6ab29c24467b4893 (patch) | |
| tree | 22fe970fd80908005991ee513a709087943e13f9 /17078-h | |
Diffstat (limited to '17078-h')
| -rw-r--r-- | 17078-h/17078-h.htm | 10364 |
1 files changed, 10364 insertions, 0 deletions
diff --git a/17078-h/17078-h.htm b/17078-h/17078-h.htm new file mode 100644 index 0000000..fe8dc98 --- /dev/null +++ b/17078-h/17078-h.htm @@ -0,0 +1,10364 @@ +<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN" + "http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd"> + +<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml"> + <head> + <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=iso-8859-1" /> + <title> + The Project Gutenberg eBook of Over Literatuur, by M.H. Van Campen. + </title> + <style type="text/css"> +/*<![CDATA[ XML blockout */ +<!-- + p { margin-top: .75em; + text-align: justify; + margin-bottom: .75em; + } + h1,h2,h3,h4,h5,h6 { + text-align: center; /* all headings centered */ + clear: both; + } + h1,h2 {color: #800000;} + hr { width: 33%; + margin-top: 2em; + margin-bottom: 2em; + margin-left: auto; + margin-right: auto; + clear: both; + } + + table {margin-left: auto; margin-right: auto;} + + body{margin-left: 10%; + margin-right: 10%; + background: #FAEBD7; + } + + .pagenum { /* uncomment the next line for invisible page numbers */ + /* visibility: hidden; */ + position: absolute; + left: 92%; + font-size: smaller; + text-align: right; + color: #808080; + } /* page numbers */ + + .linenum {position: absolute; top: auto; left: 4%;} /* poetry number */ + .blockquot{margin-left: 5%; margin-right: 10%;} + .sidenote {width: 20%; padding-bottom: .5em; padding-top: .5em; + padding-left: .5em; padding-right: .5em; margin-left: 1em; + float: right; clear: right; margin-top: 1em; + font-size: smaller; color: black; background: #eeeeee; border: dashed 1px;} + + .bb {border-bottom: solid 2px;} + .bl {border-left: solid 2px;} + .bt {border-top: solid 2px;} + .br {border-right: solid 2px;} + .bbox {border: solid 2px;} + + .center {text-align: center;} + .smcap {font-variant: small-caps;} + .u {text-decoration: underline;} + .sup {font-size: 0.9em; color: #808080;} + .caption {font-weight: bold;} + + .figcenter {margin: auto; text-align: center;} + + .figleft {float: left; clear: left; margin-left: 0; margin-bottom: 1em; margin-top: + 1em; margin-right: 1em; padding: 0; text-align: center;} + + .figright {float: right; clear: right; margin-left: 1em; margin-bottom: 1em; + margin-top: 1em; margin-right: 0; padding: 0; text-align: center;} + + .footnotes {border: dashed 1px;} + .footnote {margin-left: 10%; margin-right: 10%; font-size: 0.9em;} + .footnote .label {position: absolute; right: 84%; text-align: right;} + .fnanchor {vertical-align: super; font-size: .8em; text-decoration: none;} + + .poem {margin-left:10%; margin-right:10%; text-align: left;} + .poem br {display: none;} + .poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;} + .poem span.i0 {display: block; margin-left: 0em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;} + .poem span.i2 {display: block; margin-left: 2em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;} + .poem span.i4 {display: block; margin-left: 4em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;} + // --> + /* XML end ]]>*/ + </style> + </head> +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of Over literatuur, by M.H. Van Campen + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Over literatuur + Critisch en didactisch, tweede bundel + +Author: M.H. Van Campen + +Release Date: November 20, 2005 [EBook #17078] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OVER LITERATUUR *** + + + + +Produced by Marc D'Hooghe + + + + + +</pre> + + + + + +<h1>OVER LITERATUUR</h1> + +<h3>Critisch en Didactisch</h3> + +<h4>van</h4> + +<h2>M.H. VAN CAMPEN</h2> + + +<h4>TWEEDE BUNDEL</h4> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<h4>Aan de Nagedachtenis van +Mr. Jacob Nicolaas van Hall</h4> + + + +<hr style='width: 45%;' /> + +<h3>I CRITISCH</h3> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p><span class="pagenum"><a name="p1" id="p1"></a>[p.1]</span></p> +<h3>OUDE EN NIEUWE JOODSCHE DICHTKUNST</h3> + + +<h4>NAAR AANLEIDING VAN EN OVER JACOB ISRAËL DE HAAN'S HET JOODSCHE LIED</h4> + + +<h3>I</h3> + + +<p>Zoo ik nu in den aanhef van dit opstel het <i>Sjir ha-Sjirim</i> van Salomo +de zon aan den hemel van Israëls letterkundig genie heet, dan zult ge +het allicht een slecht omen noemen, dat ik mijn geschrift met een zoo +weinig, want zoo veel, zeggende phrase begin. Ik weet dit en toch ... +wat rest mij anders.... Indien gij den dag van dit volk overschouwt—en +diens uren zijn honderdtallen jaren!—en ge ziet elk licht achter zijner +paleizen vensters en op zijn pleinen verbleeken voor dien gloed, het +licht van den Psalmist in den pas dagenden morgen, als een alleenzame +bidlamp boven het hoofd der in gebed worstelenden en verzonkenen; de +glans der luchters, die een Jesja'ja in den middag ontstak, een telkens +weer schichtdreigende, doch zich ook telkens weer verzachtende en milde +glans, als die van vermanende, maar lievende oogen; de roode vlam-kreten +van Jirmejahoe's waakvuren, tegen den avond ontstoken, schimmend en +schijnselend over de flikkerende speren en zwaarden der naderende +verwoesters en ze al kleurend met bloed vóór het bloed. Als ge dit alles +overheerscht <span class="pagenum"><a name="p2" id="p2"></a>[p.2]</span> ziet door dat hemelwijde licht, hoe zoudt ge dit dan +anders dan een zon kunnen heeten. Maar bovenal, hoe begrijpt ge dan, dat +die overheersching toch alleen mogelijk is, niet slechts omdat het licht +van het Hooglied de hoogste krachtsuitdrukking al dier andere glansen +is, maar ook, en vooral, wijl het tevens van dezelfde natuur en +essentieele samenstelling is. Laat bij beurte al dien glans door het +scheidend prisma van uw critischen geest op den donkeren wand van uw +diepste gevoel vallen en zie: van alles blijkt het hoogst-geestelijk +spectrum één.... Overal is het de hoogere, en een gloedende, lyriek; +overal zijn het de kleuren der stralende metaforen; overal de +lichtbanden eener nergens onderbroken <i>ziels</i>muziek. Maar toch, nergens +zoo rijk, zoo fèl aanwezig als in de afstraling van het Hooglied. Hoe is +hier op verwonderlijk-eenende wijze de zoetste aardsche liefde aan de +mystieke extase gehuwd. Welk een roes der zinnen en welk een +doorgeestelijktheid.... Wat zou het ook anders dan een zon kunnen zijn, +die hièr de bloembedden van Sjaron's geurende rozen en spelemeiende +gelieven verheerlijkt, ginds, en tegelijkertijd, door de boogramen der +aloude tempelgewelven de schemering goudelend komt verrijken, en met "de +kus Zijns Monds", de mystieke aanraking van zijn in sluier van licht +verborgen Oerlicht, de Cheroebiem en de Arke, de voorhangen en de +altaren omgloriet....—Laat ons dit dan begrijpen en vaststellen, dat +dit Lied der Liederen de maatstaf aller Joodsche lyrische kunst moet +zijn, want dat dit Lied, boven alles, de meest wezenlijke bestanddeelen +van het Joodsch, dichterlijk genie omvat. Het antieke Israël bevond zich +toen het werd geschreven, in het zenith zijner grootheid, ongedrukt, +vrij van alle beënging; het kòn zich geven en het gaf zich in de +bloeiende naaktheid eener jeugdige ziel die nog niet de lidteekenen van +schandelijke wonden behoeft te verbergen. Het zong uit in dit lied heel +de zinnelijkheid maar ook heel het extatische godsverlangen van zijn +Oostersch hart; het schiep in dezen zang <i>beelden na beelden</i>, want zijn +jonge ziel was vol liefde en de eenheid der dingen lichtte voor haar; +het dompelde de woorden in een ambrosia van zoetheid en van streeling; +er is een vleien en een lokken, er varen melodieën, <span class="pagenum"><a name="p3" id="p3"></a>[p.3]</span> er zuchten +weggekuste fluisteringen in dit Hebreeuwsch, als ik nooit elders +klank-vereeuwigd heb gevonden. En er is ook een <i>uitbundigheid</i> in, die, +hoog den godenbeker heffend, den deinzenden eenvoud in 't gezicht lacht +... een pralende rijkdom, zóó rijk, dat hij zich zelfs der schamelheid +van een enkelen rhetorischen smuk niet schaamt.<a name="FNanchor_1_1" id="FNanchor_1_1"></a><a href="#Footnote_1_1" class="fnanchor">[1]</a> En als later, in de +diaspora, na de wreede, met stomheid slaande overheersching der Gothen, +de intocht van het Arabische broedervolk in Spanje voor Israël een +gelukkiger tijd laat dagen, dan klinkt wel uit nieuwe monden een nieuw +lied, maar waarin, zij 't meest flauwer, toch weer al de oeroude +eigenschappen der bijbelsche dichtkunst fonkelen. Hoe verscheiden de +twee allergrootsten van dat tijdperk ook mogen zijn, diè eigenschappen +hebben zij gemeen. De eerste van beiden, naar den tijd niet alleen, maar +ook mijns inziens naar de diepte en hoogte zijner bloedende +menschelijkheid gemeten: Aboe-Ajoeb Soleiman ben Jacha Ibn Gabirol, een +worstelaar met de eigen ziel, een diep-in-gespletene, als wijsgeer +hartstochtelijk-<i>strevend</i> naar een religie-vrije onafhankelijkheid van +denken, telkens naderend dan het pantheïsme, telkens echter ook weer +deinzend voor de consequenties daarvan,<a name="FNanchor_2_2" id="FNanchor_2_2"></a><a href="#Footnote_2_2" class="fnanchor">[2]</a> maar als gemoedsmensch <span class="pagenum"><a name="p4" id="p4"></a>[p.4]</span> +en als dichter met hart en ziel Jood<a name="FNanchor_3_3" id="FNanchor_3_3"></a><a href="#Footnote_3_3" class="fnanchor">[3]</a>—hij heeft religieuse zangen +gedicht, zooals het vermaarde <i>Keter Malkoet</i>, waarin een zelfde +beeldenrijkdom, een zelfde gloed en uitbundigheid, een niet mindere +weidschheid van conceptie en voorstelling als die der antieken herleven. +Ja zelfs heeft hij, de hevige hater en hartstochtelijke beminnaar, de +stug in zich-zelf beslotene en van een mateloos zelfgevoel vervulde, +iets van het uit twijfel geboren opstandige van den <i>Kohelet</i> hooger +opgevoerd, en in zijn messcherpe satyre herkent men—o, onloochenbare +rasgemeenschap over een afstand van eeuwen!—den—grooteren!—stamgenoot +van Heinrich Heine<a name="FNanchor_4_4" id="FNanchor_4_4"></a><a href="#Footnote_4_4" class="fnanchor">[4]</a>, terwijl <span class="pagenum"><a name="p5" id="p5"></a>[p.5]</span> de +tweede groote dichter van dat zelfde tijdvak: Aboe-'L-Hassan Jehoeda +ha-Levi, in tegenstelling met zijn voorganger eene uiterst harmonische +natuur, die niet als gene de bittere tweespalt tusschen denken en voelen +kende, in zijn lyriek niet minder het complex van de eigenschappen der +antiek-Joodsche dichtkunst vertoont, zóó zeer, dat sommigen hem, als +dichter en Hebreeuwsch stylist, slechts één meenden te kunnen gelijken, +den onsterfelijken Jesja'ja.<a name="FNanchor_5_5" id="FNanchor_5_5"></a><a href="#Footnote_5_5" class="fnanchor">[5]</a> En <span class="pagenum"><a name="p6" id="p6"></a>[p.6]</span> deze eigenschappen nu, de meest +essentieele en kenmerkende, zoowel der bijbelsche als na-exilische +Joodsche kunst: de <i>uitbundigheid</i>, de <i>pralende beeldenrijkdom</i>, de +<i>zielsmuziek</i>, zij zouden niet gelijk het geval is, in Israëls <i>diepste +volkspsyche</i> moeten wortelen—als trouwens in die van alle Oostersche +volken in tegenstelling met de Westersche, in wier wereldgrooten alleen +zij zich voornamelijk toonen—zoo gij ze niet in die andere harer +hoogste uitingen, in den aard van haar bespiegelend denken terugvondt. +Nochtans, ik vermoed, dat gij er bezwaar tegen hebt, uit den tuin der +lyriek naar de studeercel der wijsbegeerte te worden gevoerd. En ik weet +dit te billijken. Zij het U en mij dan voldoende, zoo ik uwe aandacht +vestige op slechts één feit: het antieke Israël heeft de wijsbegeerte +niet gekend, zijn contemplatie van Godheid, Ik en Wereld uit zich alleen +in de boekstavingen der <i>spreukmatige</i> wijsheid. Dit, men zal het +gemakkelijk inzien, is voor hetgeen ik bewijzen wilde van het grootste +gewicht. Immers de wijsbegeerte, dat is de zich uit axiomata en in +syllogismen <i>geleidelijk ontwikkelende</i> gedachte, verhoudt zich tot de +spreukmatige wijsheid als de zich vrijwillig beperkende tot de eene +alzijdsche vrijheid verkiezende; als de omzichtige en eenvoudige tot de +sierlievende uitbundigheid; als de droogstemmige en koude abstractie +<span class="pagenum"><a name="p7" id="p7"></a>[p.7]</span> tot het zingende en warme concrete. Wel pogen beide den top van +wijsheids bergketen te bereiken, maar de een begaat den tocht als een +wetenschappelijk geschoolde bergbeklimmer, de rugzak vol instrumenten, +de bijl in de hand, waarmee hij voorzichtig trede na trede hakt; de +ander als een gems, huppelend over de rotsblokken, springend over de +afgronden; de een in zijn moeilijk voortschrijden vol van het +bewijstzijn, dat de geringste misstap hem in den afgrond kan doen +vallen, de ander dartelend aan den rand der gevaren en heerlijk-blij in +zijn goudbruine oogen en op zijn tartend gewei, de vonken van Gods zon +te mogen vangen, als de ander zich beklaagt, dat die verblinding hem +hindert en zijn gletschertreden glibberig maakt.—Nóg beteekenisvoller +dan dit lijkt mij het feit, dat ook in den na-exilischen tijd het +Joodsch genie geen oorspronkelijke wijsbegeerte kon produceeren. Schalke +luim van het lot: het volk, dat Athena <i>vol-wassen</i> en <i>krijgswaardig +toegerust</i> uit het hoofd van zijn hoogsten god zag treden—welk een +vleiend symbool voor de <i>spreukmatige wijsheid</i>, welk een negatie van de +zich <i>geleidelijk-ontwikkelende wijsgeerige gedachte</i>!—heeft aan het +volk der <i>Spreuken</i> de <i>wijsbegeerte</i> geleerd! Op de Grieksche +philosophie rust de Joodsche.—Als nu, wat ik heb gezegd, de waarheid +omtrent deze dingen is—en zij is het—; als ook de meer moderne +Hebreeuwsche en Jargon-dichtkunst<a name="FNanchor_6_6" id="FNanchor_6_6"></a><a href="#Footnote_6_6" class="fnanchor">[6]</a> de juistheid daarvan komt +bevestigen; indien wij derhalve gerechtigd zijn te concludeeren, dat de +Westersche lyricus, die gene <i>uitbundigheid</i>, dat rijke <i>metaforisch +vermogen</i> en die <i>ziels-muzikale stem</i> mist, daardoor alleen toont geen +zeer groot dichter te zijn,<a name="FNanchor_7_7" id="FNanchor_7_7"></a><a href="#Footnote_7_7" class="fnanchor">[7]</a> maar dat de Joodsche zanger, wien ze +ontbreken, daardoor <span class="pagenum"><a name="p8" id="p8"></a>[p.8]</span> tevens blijk geeft diepst-psychisch van eigen +ras te zijn vervreemd—hoezeer is het dan niet te betreuren, dat de +eerste Joodsche dichter, die in Nederland zijn kunst aan zijn ras wijdt, +helaas grootendeels deze eigenschappen ontbeert, helaas dus een zoo +ón-Oostersche, een zoo ón-Joodsche <i>kunstenaars</i>-psyche vertoont. +Oostersche uitbundigheid? Zij is hem vreemd, ja, wij mogen wel zeggen, +dat hij haar gering schat, hij is een eenvoudige, wien wij <i>soms</i> niet +dan euphemistisch aldus mogen noemen en voor wien dan de naam schamele, +naar onze meening, beter passen zou. Rijkdom aan beelden, aan metaforen? +Niet één herinner ik mij uit zijn bundel, dat wil dus zeggen: zéker +heeft niet één mij verrukt. Dit vermogen, niet slechts, zooals ik reeds +zei, door alle Oostersche volken bezeten, maar door de allergrootste +dichters van àlle tijden en àlle landen met zooveel liefde als een van +hun hoogste krachten gekweekt—men leze en her-leze bijv. Shelley's +meening daarover èn die van Lord Bacon, d.t.p. door hem +aangehaald<a name="FNanchor_8_8" id="FNanchor_8_8"></a><a href="#Footnote_8_8" class="fnanchor">[8]</a>—hij bezit het niet. Zielsmuziek, dat hooger-melodieuse? +Ja, sòms in zijn allerbeste oogenblikken, maar ach, maar ach, hoeveel +verzen zijn er ook niet van een verbrokkeld en knoeierig metrum, verzen +door een hortend en stootend rhythme tot rijmklankige prozabrokjes +versplinterd. Stel dezen eersten Zionistischen dichter naast den +niet-Zionistischen Querido en nog niet eens naast den schrijver, van +<i>Saul en David</i>, maar naast dien van den Hartjesdag in <i>De Jordaan</i>, en +vraag u af bij wien 't meest de essentieel-Oostersche, de Joodsche +qualiteiten blijken. Stel hem naast Heyermans.... Stel hem naast +Goudsmit en nog niet eens naast dien van het innige Joodsche werk, maar +naast, bijvoorbeeld, den schrijver eener lyrische critiek op Mevr. +Holst's <i>Opstandelingen</i> en vraag u hetzelfde af.... Vergelijk hem met +Canter ... En gij zult gevoelen: of deze vier het wìllen zijn of niet, +naar hun hoogste en naar hun lagere psyche, in hun deugden en hun +gebreken, zijn zij <i>Joden</i>,<a name="FNanchor_9_9" id="FNanchor_9_9"></a><a href="#Footnote_9_9" class="fnanchor">[9]</a> <span class="pagenum"><a name="p9" id="p9"></a>[p.9]</span> en of de Haan het ook met zijn +heele hart en ziel wìl zijn, hij blééf naar zijn hoogste psyche, slechts +<i>een naar het Joodschap verlangende.</i> Te betreuren noemde ik dit, niet +alleen om hemzelf—al ware 't alleen om hem, het zou reden genoeg zijn, +want al het andere reeds genoemde daargelaten, welk een tragische +tweespalt is er hier niet tusschen de lagere, Joodsche, en de hoogere, +de scheppende, niet-Joodsche individualiteit—; ook niet slechts om +zijne Nederlandsche rasgenooten, want ten slotte, wat dezen betreft: een +ras of rasgroep krijgt ook den dichter, dien het verdient—; maar vooral +om het niet-Joodsche Holland. Want ware ik een Arisch instede van een +Semitisch Nederlander, ik zou voorzeker eens het volgende hebben gezegd: +"Joodsch-Hollandsche kunstenaars, mìjn ras, begrijpt het wel, maakt geen +aanspraak op de dankbaarheid van het uwe; het huisbakken grofheidje van +dat gij mijn gast en ik uw gastheer zou zijn, ik dènk er niet aan, het +te herhalen. Uw volk hier te lande, zich uitend door uwe grootsten, een +Israëls, een Heyermans en een Querido, het heeft met daden getoond, den +grond en de hemelen van Holland, zijn volk en zijn zee lief te hebben +met zùlk een liefde als men niet voor het huis eens liefsten gastheers +voelt, maar slechts voor eigen erf. Zoo erken ik, mijn land is uw erf +gelijk 't het mijne is. Maar toch, schoon het mij niet past, hierover +uit te weiden, deze ééne maal zij 't gedaan ... aarzelend ... om uwent- +en mijnszelfs wil: had dit alles ook niet anders kunnen zijn? Waren onze +vaders hier niet eeuwen vóór de uwe? Overvleugelt ons tal niet met +millioenen het uwe? En nochtans ... als eens uw meest-grootsche verleden +U onweerstaanbaar zal roepen en ge weer in 't aloude Kena'an wonen zult, +zal dan uw ras één land van al de landen, waarin het de eeuwen door +heeft gewoond, zoo zonder eenige bitterheid <span class="pagenum"><a name="p10" id="p10"></a>[p.10]</span> kunnen gedenken als +het mijne? Zoo weet ik: uw genegenheid zal ons eeuwig zijn. Welnu, zorg +gij dan, dat ook onze lievende heugenis aan U een eeuwige zij. Hoe? Door +<i>U-zelf,</i> een <i>kind van uw ras</i> te wezen. Als gij dan zult zijn +heengetrokken en mijn Volk zal, in de toekomende eeuwen, op Holland's +hooge dagen, de juweelschrijnen openen van zijn taal, dan zullen geburen +en vrienden vragen: "Wie schonk u deze vreemde sieraden, die toch +voorzeker exotisch zijn, niet-Westersch is ook immers in vele de +mengeling van verheven schoonheid en gebrekkige leelijkheid. Hadde een +Groote, van welk ras hij zij, ze gemaakt, ik zou de laatste missen, doch +hadde een kleiner Wèsterling ze gewrocht, de eerste ware veel geringer." +En het zal antwoorden met een stillen glimlach: "Deze schonk mij een +vriend, die vele jaren bij mij woonde en vele kunstvaardige zonen had; +eendracht zegende onze verscheidenheid; de een overheerschte den ander +niet; hij achtte mij niet gering om mijn koele soberheid en +zelfbeteugeling, ik hem niet om zijn praallievende onstuimigheid. Zoo +werkten wij, ieder naar eigen diepsten aard, en vulden deze schrijnen, +tot ons beider verlustiging. Hij liet ze mij toen hij ging.... Wanneer +ik ze zie, gedenk ik zijner, mijn vriend, die nu onder de palmen en bij +de olijfbosschen woont".—Evenwel, wanneer gij niet een kind van uw ras +zult willen of kunnen zijn; zoo gij met het groot assimilatie-vermogen; +dat gij ongetwijfeld bezit, ons tot in onze scheppende eigenschappen +zult navolgen en met het ontleende het ras-eigene bedekken, of het +ras-eigene niet eens meer bezitten zult en ons nochtans ietwat als zoon +van uw volk zult schenken, zoodat toch een ieder zal weten, dat dit het +geschenk van een Jood, van een Oosterling was, dan zal mijn volk, als +het in de komende eeuwen zijn vrienden en geburen de kleinoodiën toonen +zal, die gij het liet, voorzeker het smartend antwoord hooren: "Deze +goudsmeedkunst is als de uwe! Uw vriend moge een innige en lieve vriend +zijn geweest, een zwak kunstenaar lijkt hij mij zeker; had hij geen +eigen aard? Had hij den aard zijner vaderen verloren, of hebt ge hem +dien verdrukt, of hebt ge hem dien ontvleid?" <span class="pagenum"><a name="p11" id="p11"></a>[p.11]</span> Dan zal mijn volk +zich schamen om U èn zijn onverdienden smaad en het zal pogen, U niet +meer te gedenken. Weet dit en kies dus"....</p> + +<p>Zóó zoude ik gesproken hebben indien ik een Ariër ware. Maar gij schudt +'t hoofd en lacht en, àch, ik begrijp U: dezen eenen keer, dat ge in des +dichters beoordeelaar zijn rasgenoot wildet hooren, verdiept deze zich +zonderlinger wijze in den wonderen droom, dat hij een Ariër is! En +voorwaar, ge hebt gelijk: dèze uitbundigheid loopt niet slechts de +Hollandsche spuigaten, maar zelfs die van Haifa en Jaffa uit!</p> + + + +<hr style='width: 45%;' /> + + + +<h3>II</h3> + + +<p>In alle kunst, ook de hoogste, is de <i>kracht</i> van des scheppers sentimenten +en gedachten de <i>primaire</i> oorzaak van alle schoonheid—hetzij +die kracht zich uite als innigheid, hetzij als heftigheid of als +scherpzinnigheid; zoodra zij een zekeren graad overstijgt, gevoelen +wij hare aanwezigheid als die eener <i>aesthetische</i> waarde—doch in +de lagere kunst is zij de <i>eenige</i> daarvan, daar wordt zij namelijk vaak +een ijverzuchtige godheid die, den tempel der taal met haar aanwezen +vullend, geen ander god naast zich duldt, en dàn: verhindert +zij het verschijnen der hóógste schoonheid daarin. Ik zal later in +dit opstel aantoonen, ten eerste, dat deze scherpe scheidingslijn tusschen +hoogere en lagere kunst in waarheid bestaat en waaruit zij +blijkt; ten tweede, dat de productie van onzen dichter tot heden +<i>grootendeels</i> tot de laatste behoort; maar zoolang ik dat niet zal hebben +gedaan, gelieve de lezer toch wel in 't geheugen te houden, dat +dit mijn meening is, een meening, waarmede de lof dien ik zoo gelukkig +ben dezen kunstenaar te kunnen brengen, nìet in strijd is. Nu +is het wel is waar een feit, dat blijkens diens vroegere, mij bekende +werken, <i>Pathologieën</i> en <i>Libertijnsche Verzen</i>, het zuiver-individueel +sentiment van onzen auteur geen bijzonder hooge mate van kracht +bezat en ofschoon in het eerstgenoemde werk zijn denken die wel +<span class="pagenum"><a name="p12" id="p12"></a>[p.12]</span> bezit—zich uitend in een vaak scherpzinnige redeneerkunst—wordt +het ons toch spoedig duidelijk, dat met de aan van Deyssel's <i>Adriaan</i> +ontleende stijlvormen van dit werk, ook een groot deel van de genereerende +kracht-zelve van dien Meester werd geborgd—een zeer +frequent verschijnsel overigens, in elk geval dat een kleiner kunstenaar +door de aan hem verwante psyche van een grooteren wordt verrukt +—terwijl de <i>Libertijnsche Verzen</i> wel aangenaam-en-curieus-om-te-lezen +maar vlak van een wel wezenlijk doch ònkrachtig en òndiep +sentiment blijken; zoodat, ware in dit alles geen verbetering ingetreden, +zelfs die uitsluitend door de kracht der sentimenten voortgebrachte +schoonheid, ook in dezen bundel niet al te overvloedig +zou zijn aanwezig geweest. Maar die heilzame verandering trad in, +want anders en oneindig beter werd het met den dichter èn prozaïst +gesteld, toen hij zich aan de bron der gemeenschap mocht laven, en +zoowel door het wee der verdrukten en ellendigen ontroerd, als zich +bewust werd van de onverbrekelijke saamhoorigheid met het ras waaruit +hij was voortgekomen. Hierdoor rees zijn sentiment in kracht en +macht ver boven de zuiver-individualistische stemmingssentimentjes +van het meerendeel onzer hedendaagsche, kleinere dichters uit. Want +een stemmingssentiment—tot het bezit van een <i>fundamenteel-individueel</i> +sentiment brengen in <i>dezen</i> tijd de kleineren het zelden of +nooit—dat is maar een geurtje van één knopje aan den menschboom, +het ontstaat in den boom, straks bloeit en geurt er een tweede, +aanstonds weer een derde. Telkens als er een is uitgebloeid en verwelkt, +blijft de boom armer achter ... maar de gemeenschapssentimenten, +dàt zijn de fundamenteele, die ook de kleinere in dezen tijd +bezitten kan, zij ontstaan niet in den boom maar in de aarde, waarin +hij wortelt, zij stijgen in hem op en zich vermengend met zijn wezen +versterken zij dit blijvend. Hoe zou het verbloeien van duizend zijner +bloemen hem kunnen verarmen?... Hij drinkt en voedt zich uit +een onmetelijkheid. Geen andere omstandigheid dan deze is de oorzaak +van de zich telkens weer openbarende verjonging der socialistische +dichters in ons land, een Gorter, een Henriette Roland Holst, een +<span class="pagenum"><a name="p13" id="p13"></a>[p.13]</span> Adama van Scheltema, al bewijst dit—ik geef het +onmiddellijk toe—niets voor het lot der kleineren, want het werk dezer drie behoort +nagenoeg geheel en al tot wat ik de <i>hoogere</i> lyriek heb genoemd.<a name="FNanchor_10_10" id="FNanchor_10_10"></a><a href="#Footnote_10_10" class="fnanchor">[10]</a> +En voorzeker: de opzuigingskracht der wortels en of <i>zij zoo trouw de +moederaarde omklemmen, dat niet elk windstootje uit den hoek van lust +of onlust hen ontwortelen kan</i>—dat zijn ook factoren, waarmede +men rekenen moet. Maar overigens, dit zijn dingen, waarover de criticus +der toekomst spreken mag,—laat mij maar tevreden wezen +met te boekstaven dat nu althans onze dichter best zelf nog weet, +wat de oorzaak is zijner versterking en verrijking:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Ik dwaalde graag door ijdel schoon bekoord,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">IJdel mijn lied tot dat mijn hart verstond</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dat ik Dichter van mijn trotsch volk moet zijn.</span><br /> +</p> + +<p>En het is dan ook niets dan weer een andere vorm van het gemeenschapssentiment, +dat zijn proza van <i>In Russische Gevangenissen</i> +zoover als de hemel boven de aarde boven zijn vroeger proza heeft +verheven. Het is mijn taak niet over dien arbeid te spreken. Slechts +dit eene: om dat kleine werkje vooral heb ik den schrijver liefgekregen. +Al hadde hij niets anders waardevols geschreven, dàt zou zijn naam +voor vergetelheid bewaren. In eere en liefde zal ieder hem er om +gedenken, den moedige, inzichtige en goede. Zijn Hooger-Ik heeft +voor immer daarin de hand naar hem-zelf ook uitgestrekt; zoo hij +steun mocht behoeven, hij kan háár grijpen. En als zijn leven ook +verder moet schrijden door de dorten van leed en berouw—zijn Mozes +sloeg ook voor hem op de steenrots der barbaarschheid, hij drinke het +zuivere water....—Is dus, zoo goed als in dat werk, het gemeenschapsgevoel +ook de oorzaak dat <i>Het Joodsche Lied</i> hoogst waardevolle +arbeid werd, deze omstandigheid had tevens tot gevolg, dat +<span class="pagenum"><a name="p14" id="p14"></a>[p.14]</span> waar, zooals ik reeds heb gezegd, des dichters lagere persoonlijkheid +wel, maar zijn hoogere en scheppende niet het Jood-zijn hervond, +diè verzen voller van kracht en dus schooner moesten worden, welke +de meer concrete gevoelens der <i>lagere</i> persoonlijkheid vertolken—zooals +de herinneringen der jeugdjaren—dan gene, welke de meer +abstracte en meer zuiver-ideëele verwoorden, die eerder tot de sfeer +der hoogere persoonlijkheid behooren, zooals de nationale toekomsthoop +en onpersoonlijke <i>historieele</i> herinnering ze vormen. Op de +schoonheid der eerste wees ik reeds vroeger en waar ik dit nu toch +niet beter zou kunnen zeggen, mogen mijne woorden van toen hier +worden herhaald: "Zijn Joodsche <i>Liederen</i>, in <i>De Gids</i> van 1910 +verschenen, zijn van een zeldzame voortreffelijkheid. Het zijn juweeltjes +van stemming en zich-in-liefde-herinneren. Het zijn verzen-met-geloken-oogen, +in een diep-innerlijken droom verzonken en +er zich niet van bewust dat zij hun droom uitspreken, en gehoord +worden buiten zich." Maar ook wees ik toen reeds aan wat ik van +minder gehalte vond: "Het aan <i>Het Joodsche Nationaalfonds</i> gewijde +gedicht in <i>De Beweging</i> van deze maand<a name="FNanchor_11_11" id="FNanchor_11_11"></a><a href="#Footnote_11_11" class="fnanchor">[11]</a> lijkt mij niet zoo +uitmuntend. Het is dunkt mij te onvrij van min of meer cerebrale, +bedàchte, alledaagsche motieven van nationalen trots en Zionistische +toekomsthoop, <i>die niet in de dichterlijke conceptie en uiting verbijzonderd +en verindividualiseerd zijn</i>." Deze meeningen zijn door het +lezen van des dichters geheele Joodsche werk slechts versterkt. Maar +mede heb ik daardoor het klaarder inzicht in de oorzaak van het +verschil tusschen beide soorten van verzen verkregen, zooals ik dit +hierboven heb uitgezegd. Over de aanwezigheid van dat verschil oordeele +de lezer-zelf, al moet ik mij te dezer plaatse, waar vele dezer +gedichten verschenen, van veel citeeren, zooals van zelf spreekt, +onthouden. Een paar schoonheden dus slechts uit de <i>zeer vele en innige</i> +dezer persoonlijke-herinneringsverzen.</p> + +<p>(Het einde van <i>Groote Verzoendag</i>):</p> + +<p><span class="pagenum"><a name="p15" id="p15"></a>[p.15]</span></p> + +<p> +<span style="margin-left: 3em;">Avond. Met koortsig, huivrend hoofd omhuld.</span><br /> +<span style="margin-left: 3em;">Bad ieder man zijn eigen doodsgebed</span><br /> +<span style="margin-left: 3em;">Stervensbereid. Wie hoort de vale tred</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Des doods komend om onvergeven schuld?</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 2em;">Maar neen. Wij allen onthulden het hoofd</span><br /> +<span style="margin-left: 3em;">Zagen elkanders moede en verblijde oogen.</span><br /> +<span style="margin-left: 3em;">God heeft ons uit den Dood in 't Licht getogen,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">In laatste dank worde zijn Naam geloofd.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 2em;">Naar ons licht huis. De onvaste voeten tasten</span><br /> +<span style="margin-left: 3em;">Wankel in 't gaan. <i>Vader en ik stilzwijgend</i>,</span><br /> +<span style="margin-left: 3em;"><i>Met hart, dat snelt en bitteren mond hijgend</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Maar zielsverrukt door bidden en door vasten</i>.<a name="FNanchor_12_12" id="FNanchor_12_12"></a><a href="#Footnote_12_12" class="fnanchor">[12]</a></span><br /> +</p> + +<p>(Uit <i>Na de Paschen</i>, II:)</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">En elk jaar heugt schooner U de pracht der verleden jaren,</span><br /> +<span style="margin-left: 3em;">Toen ik, jongste, mijn vragen deed,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">En hoorde vader ons den oud gewijden zin verklaren</span><br /> +<span style="margin-left: 3em;">Van Drank en bittre beet.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 2em;">Hij sneed het kroonkruid, <i>wij proefden wortel en blaadren bitter</i></span><br /> +<span style="margin-left: 3em;"><i>Maar aten snel van 't vruchtenzoet</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>En dronken teedren wijn en staarden zalig in 't geschitter</i></span><br /> +<span style="margin-left: 3em;"><i>Van 't licht op feestlijk goed</i>.<a name="FNanchor_13_13" id="FNanchor_13_13"></a><a href="#Footnote_13_13" class="fnanchor">[13]</a></span><br /> +</p> + +<p>En nu van de tweede soort een stukje (uit <i>Verstrooiing</i>):</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Wij waren herders. En wij werden slaven</span><br /> +<span style="margin-left: 3em;">Van een trotsch koning in het wreede Egypte.</span><br /> +<span style="margin-left: 3em;">Pyramiden bouwden wij, sfinxen, krypten</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Doodensteden met hijgend, hongrend draven.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 2em;">Maar toen: met tien Wondren togen wij uit,</span><br /> +<span style="margin-left: 3em;">God lei de zee voor onze voeten droog.</span><br /> +<span style="margin-left: 3em;">En dreef 't snel water der Jordaan omhoog.</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Een land vol melk en honing werd ons buit.</span><br /> +</p> + +<p class="pagenum"><a name="p16" id="p16"></a>[p.16]</p> +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Voor veldslaven hadden wij honderd volken.</span><br /> +<span style="margin-left: 3em;">In steden en dorpen woonden wij rijk.</span><br /> +<span style="margin-left: 3em;">Rustig heerschend. Ons aantal was gelijk</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Aan 't zand der zee en 't water van de wolken.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 2em;">Maar met de weelde kwam het ijdel dwalen</span><br /> +<span style="margin-left: 3em;">Langs wegen, die Mozes niet heeft gekend,</span><br /> +<span style="margin-left: 3em;">Gods Gezicht donkerde, toornend gewend</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Liet hij stormen van doodend onheil dalen.</span><br /> +</p> + +<p>Wel, het spijt mij, maar ik kan van zoo iets niet anders zeggen, +dan dat ik het een heel gebrekkig en gewrongen proza vind, dat vermoedelijk +zoo gebrekkig en verwrongen werd, omdat het rijmen moest +en een vers wilde zijn.... En is het tot hiertoe van historische herinnering +vervuld, nadat deze zich nog in een tweetal strophen van gelijke +onwaarde als de voorgaande heeft vermeid, wendt het gedicht zich +naar de toekomst, spreekt het de nationale hoop uit:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Zullen wij keeren? Vriend, wat is 't verlangen,</span><br /> +<span style="margin-left: 3em;">Naar 't Vaderland, dat ik in uw hart weet,</span><br /> +<span style="margin-left: 3em;">In mijn hart voel, geen enklen dag vergeet,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dat onbedwingbaar zingt in mijne zangen?</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 2em;">Zullen wij keeren? Worden wij landbouwers</span><br /> +<span style="margin-left: 3em;">Op 't eigen veld, van dit wreed zwerven wij?</span><br /> +<span style="margin-left: 3em;">Slaafsheid draagt zwaar. Maar altijd blijven wij</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Op nieuwe Toekomst de vaste vertrouwers.</span><br /> +</p> + +<p>Hiermede is het gedicht afgeloopen. Prachtig hoor: dat doet me goed +aan mijn Joodsch hart, en als dat hart nog traditioneel-geloovig ware, +dan zou het me nòg meer goed doen.... Maar eilieve, waar is nu +eigenlijk het aesthetisch schoon van dit vers en waar zijn de krachtige +en diepe gevoelens, die dit schoon hadden moeten veroorzaken. +Zeker, de dichter zègt, dat "'t verlangen ... onbedwingbaar zingt in +(zijne) zangen," maar maakt het <i>geluid van</i> zijn vers dat ook voor ons +tot werkelijkheid?... Komaan, lezer, neem de proef, neem een goed +<span class="pagenum"><a name="p17" id="p17"></a>[p.17]</span> gedicht van welken grooten of kleinen dichter ge maar verkiest, neem, +om 't u gemakkelijk te maken, de door mij gecursiveerde gedeelten +der zooeven geciteerde jeugd-herinneringsverzen, verander daarin +op zoodanige wijze de woorden, dat ge den groveren zinsinhoud <i>niet +verminkt,</i> maar daarentegen van oorspronkelijk rhythme, van metrum, +rijmklank niets laat overblijven, en—ge zult u over het resultaat +van uw vandalisme ontzetten: nagenoeg alles van wat u verrukte +of bekoorde is wèg. Maar neem nu dìt vers, maak er gewoon +fatsoenlijk proza van.... Welnu! wat verloort ge?... Niets. Ge hàdt +niets te verliezen!</p> + +<p>Intusschen, haalde ik dit vers aan, ik deed het niet, om daardoor +den lezer een denkbeeld te geven van de algemééne waarde dezer +gedichten van de "tweede soort". Als zoodanig voorgesteld, zou dit +niets meer of minder dan een lasterlijke onjuistheid zijn. Ik wilde +alleen zeggen: van de jeugdherinneringsverzen daalt geen van alle +tot dit peil.—Maar overigens: er zijn zeer zeker geslaagde bij, zooals +bijvoorbeeld <i>Bemoediging</i> met dat telkens terugkeerende door +zijn veel-evoqueerend <i>geluid</i> aandoenlijke "Leitmotif":</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Eenmaal zal ons Volk Land en Stad behooren,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Waar David koning is geweest.</span><br /> +</p> + +<p>en nog zooveel innigs. Maar andermaal: háált hun innigheid bij die +in menig van die heerlijk-schoone Sabbathliederen, bij, ten voorbeeld, +dit:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Al jeugd vergaat. Moeder, ik ben verdwaald,</span><br /> +<span style="margin-left: 3em;">Mijn heete handen tasten in het duister.</span><br /> +<span style="margin-left: 3em;">Moeder, ik wil weer terug naar den luister,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Die van onzen heiligen Sabbath straalt.</span><br /> +</p> + +<p>Tenzij—tenzij dat geestelijk-zien der verre toekomstverschieten +zich een enkel maal mag verbinden aan de concrete jeugd-herinneringen +en dááruit beeldende en zingende kracht put, zooals in <span class="pagenum"><a name="p18" id="p18"></a>[p.18]</span> <i>Vreugde +der Wet</i>, dat aanvangt met die als biddend opziende filiale verheerlijking:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;"><i>De handen van mijn Vader waren teeder</i></span><br /> +<span style="margin-left: 3em;"><i>En oud</i>. Hij hief boven 't geheven hoofd</span><br /> +<span style="margin-left: 3em;">Dat schoon symbool: palmentak rankgeloofd</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Met myrtentak, wilgentak en ceder.</span><br /> +</p> + +<p>Dan dit zacht murmelt als een peins-droomend kind, de oogen zien +òp en vèr, terwijl het droom-gebonden spreekt:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Palmentakken, O Vader, in het Oost</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Beven die levend in de lichte zon.</span><br /> +</p> + +<p>Ten slotte zijn warm gevoel ook over het toekomstvisioen laat +gloriën:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Wij zwierven veel. En toch keeren wij weder</span><br /> +<span style="margin-left: 3em;">Naar 't Heilig Land, waar <i>milde honing vloeit</i></span><br /> +<span style="margin-left: 3em;"><i>Uit bonte bloemen. Waar de wijndruif gloeit</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>En gouden appels rijpen aan den ceder.</i><a name="FNanchor_14_14" id="FNanchor_14_14"></a><a href="#Footnote_14_14" class="fnanchor">[14]</a></span><br /> +</p> + + +<p>Er zijn echter nog groote schoonheden van anderen psychischen +oorsprong in dezen bundel. Zij bevinden zich op die plaatsen, waar +de bloeiende en geurende specifiek-Joodsche jeugdherinneringen +doornomrankt, doorndoorboord worden door het algemeen-menschelijk +sentiment van wroeging om begane zonden. Ik geloof niet, +dat één mensch in Holland zich zoo waarachtig, zoo schaamteloos-waarachtig +heeft gegeven—ik bezig natuurlijk dit woord "schaamteloos" +uitsluitend ter kenschetsing der mate van overgave, zonder +daaraan eenige ethische waardebepaling te verbinden—gelijk deze +<span class="pagenum"><a name="p19" id="p19"></a>[p.19]</span> dichter. Bij die hevige wroeging, bij dit brandend berouw, hoe worden +er de ikheidssentimentjes van de meesten onzer decadenten onwezenlijk +en lafjes bij. Hoor dit geluid:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">"Dat iedereen, dien 't hongert, hedenavond binnentrede</span><br /> +<span style="margin-left: 3em;">Neme van 't heilig Feest zijn maat"—</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Mijn voet valt doodsvermoeid, o, kon ik keeren tot dien vrede,</span><br /> +<span style="margin-left: 3em;">Der vromen toeverlaat.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 2em;">Mij walgt van aardschen wijn en eeuwig blijft voor mij gesloten,</span><br /> +<span style="margin-left: 3em;">Weelde van het Hemelsch Gezin.</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Aanvaard uw heilloos lot, ziel, deel met uw minne genooten</span><br /> +<span style="margin-left: 3em;">Uw onheilvolle min.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 2em;">Niet dezen Nacht en niet één Nacht, die volgt van woede of weelde,</span><br /> +<span style="margin-left: 3em;">Stel als een schuldloos kind uw vraag,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Geen antwoord is voor U, die lichtzinnig uw lot verspeelde.</span><br /> +<span style="margin-left: 3em;">Dan 't eigen dof geklaag.</span><br /> +</p> + +<p>Lees ook dat laatste der Sabbathliederen, waar de oude vriend +van des dichters jeugd, de heilige Sabbath-zelve, hem aan het libertijnsch +banket komt manen, tot de idealen en het zuivere leven zijner +jonge jaren weer te keeren. O, mocht ik het citeeren, dit wonder-innige, +dit, schoon ook van diepste smart en martelenden tweestrijd +volle, toch bloeiend-bevallige gedicht.... Doch kan ik er aan denken? +Het zou zeker zes bladzijden van dit maandschrift beslaan!...—Evenwel, +ook in deze soort verzen is een daling te bemerken. Gaat +het niet in dit opzicht met dezen bundel als met het leven der menschen, +een ènkele gelukkige uitgezonderd? De jaren van den aanvang +van een leven, zijn dat niet zijn dichters, en de jaren van den ouderdom +zijn die niet zijn rhetorici? Wat de eerste hebben <i>geprofeteerd</i>, +dat <i>preeken</i> de laatste; wat deze hebben <i>door-leefd,</i> dat door-<i>commentarieeren</i> +de andere; ach, hoe waren deze schóón door kràcht, hoe +werden gene léélijk door zwàkte; zij herhalen en herhalend vergrauwen +zij alle de scherpe, schitterende punten van het "uiterste", waarin +<span class="pagenum"><a name="p20" id="p20"></a>[p.20]</span> de schoonheid straalde. Gaat het niet met de wroegingsverzen in +dezen bundel evenzoo? En uit een zelfde oorzaak. De eerste zijn +machtige en heftige, schoone en echte <i>verzen</i>, de latere naderen +bedenkelijk dicht de rhetorica. Die latere zijn—laat mij exact wezen—vaak +slechts ten deele de uiting van het levend gevoel en ten deele +de preekerige, koudere, soms huilerige herhaling ervan. Het is waar, +als ik aldus van die latere spreek, dan heb ik vooral op het oog een +gedicht als dat <i>Aan Leo V</i>. gewijd, een gedicht van didactische natuur, +en didactiek verleidt licht tot den preektoon. Maar toch—het +is ook vol van een verhulde arrogantie—en het is waarlijk niet het +eenige, dat daardoor wordt ontsierd—en dier aanwezigheid is het +beste bewijs, dat het <i>heftige, levende wroegingsgevoel</i>, zooals dat in de +vroegere verzen aanwezig was, en daar, zooals ook noodwendig is, +van zekeren <i>deemoed</i> werd verzeld, hier niet meer bestond, want: +diè wroeging èn arrogantie ... neen, samen gaan die niet. De preekerige +aanmatiging bestaat hierin, dat de dichter, op grond van het +feit, dat hij door het verlaten der Leer tot "zonde" kwam, een jongeling +meent te moeten vermanen, de Leer trouw te blijven opdat ook +hij niet tot zonde vervalle.<a name="FNanchor_15_15" id="FNanchor_15_15"></a><a href="#Footnote_15_15" class="fnanchor">[15]</a> Wélk een arrogantie is dit en welk een +beschimmeld clericalisme bovendien! Kende onze dichter vrij groote +groepen van het jonge joodsche proletariaat, hoe zou hem zulk een +uiting berouwen.... Die honderden jongelui, met hun aandoenlijk +streven naar ontwikkeling, met hun reinen levenswandel, deze groote +kinderen, van wie het meerendeel geen flauw begrip van Leer of godsdienst +heeft. Begrijp toch <i>Dichter</i>, dat èlk ideaal, mits als zoodanig in +waarheid door den menschengeest gevoeld, hem beveiligt en opheft. +Als de tijd één wrak heeft gemaakt, dan sticht hij een ander. De tijd? +Neen de menschengeest-zelf! Want zooals de levenskiem van den +vogel in het ei, zich vleugels bouwt, zoo bouwt zich de ziel des menschen +<span class="pagenum"><a name="p21" id="p21"></a>[p.21]</span> haar idealen.... Gij, <i>Dichter</i>, die den menschvogel ... een paar +vleùgels ... áánpréékt....—Doch genoeg hiervan, liever wijze ik +nog op een andere schoonheid in dezen bundel, de verzen der <i>Demonen</i>. +Deze oude fantasmen heeft de dichter op zeer gelukkige wijze +weer bezield, door in hun evocatie het element van eigen zinnelijkheid +te vervlechten. Alleen: ik heb niet de reden kunnen ontdekken, +waarom hij dien ouden demon, dien armen <i>Ketef Meriri</i> zóó gruwelijk +heeft verminkt. Want een horendrager te zijn, mij dunkt, dat is +al erg genoeg, doch een enkele horen te wezen!...<a name="FNanchor_16_16" id="FNanchor_16_16"></a><a href="#Footnote_16_16" class="fnanchor">[16]</a></p> + + + +<hr style='width: 45%;' /> + + + +<h3>III</h3> + + +<p>Na nu aldus, naar ik hoop, de plaats en de waarde te hebben aangewezen, +welke dezen verzen mogen worden toegekend op hun eigen +plan, dat dus, enkele gedichten uitgezonderd, dat der lagere poëzie +is, zij het mij vergund de eigenschap te noemen, welke de hoogere lyriek +van deze onderscheidt. Die is dan mijns inziens geen andere, dan +dat de hoogere de kenmerken draagt van te zijn voortgebracht door +een ziel, die triomfantelijk en vrij hare sentimenten en gedachten te +boven rijst, de lagere daarentegen duidelijk doet blijken geboren te +<span class="pagenum"><a name="p22" id="p22"></a>[p.22]</span> zijn uit eene, die in die gedachten en sentimenten bleef bevangen.</p> + +<p>De triomfeerende ziel is als een zon, die boven een wolkenduister +landschap dagend, <i>gulden zoomen van schoonheid aan die wolken +maakt</i>; de onvrije ziel een zon, die, door de wolken verwonnen, onmachtig +blijft: het strijden en jagen van hun duistere gestalten, het +vagen hunner schaduwen over boomen en vaarten is de eenige schoonheid, +die ge ziet: de kracht der sentimenten en gedachten, zij laten +de opkomst der al te <i>zwak-stralende</i> niet toe.</p> + +<p>De eerste is een Cyrano, die vechtend om zijn leven, met de schoonheid +zijner onbevangenheid, de schoonheid van zijn luchtigen lach, +van zijn tartend en dartel woord, van zijn absolute overheersching, +de toeschouwers tot jubel vervoert. Hij strijdt, ja, doch dàt lijkt maar +de bijzaak, tegelijkertijd echter dicht hij een lied, in woorden en—bewegingen, +één rhythme van oppermachtige triomfantelijkheid +doorstroomt àlles, en dàt, dàt schijnt wel voor dien goddelijken schoonheidsdorstige +de hoofdzaak....—De laatste is een log zwaardvechter, +die druipend van bloed en zweet om zijn leven vecht. Zijn eenige +schoonheid is zijn <i>kracht</i>, de massiviteit van zijn lichaam, van zijn +leden en spieren.</p> + +<p>De <i>lagere</i> lyriek, zij wekt ons medegevoel en onze liefde op: wij +lijden en strijden mede met dezen zwaardvechter, wij worden duis-en +bewogen als deze wolken; maar de <i>hoogere</i>—zij alleen <i>overstraalt</i> +en <i>verrukt</i> ons.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Vlei ik mij nu, te hebben doen gevoelen wat het onderscheid is en +waar de grenslijn ligt tusschen de hoogere en lagere dichtkunst, ik +wensch nochtans niet, wat ik heb gezegd in het vage van het bewijslooze +betoog te laten. Zoo kies ik dan, om aan verzen-zelf de bovengenoemde +eigenschap der hoogere lyriek te demonstreeren, één uit +Verwey en een uit Henriette Roland Holst. Met de kleinere zijde +van beider dichterschap toont onze dichter wel eenige verwantschap, +en—die ingetogenheid en eenvoud, waarnaar hij strééft, zijn bij de +laatstgenoemde <i>volmaakt</i> en overtreffen ver de zijne.</p> + +<p><span class="pagenum"><a name="p23" id="p23"></a>[p.23]</span> Verwey's <i>In Memoriam Patris</i>. (Het vers is te lang, om het hier +in zijn geheel te citeeren en ofschoon het ongetwijfeld een ernstige +schennis is, er een deel uit te lichten, mòet dit nu wel. Vergenoege +ik mij dus met het schoone slot.)</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Daar zijn bloemen, mijn bloemen van zang:</span><br /> +<span style="margin-left: 3em;">Zij spreiden een licht om zijn hoofd,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Een schijnsel om lokken en wang,</span><br /> +<span style="margin-left: 3em;">Dat nooit zal worden gedoofd—</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Goeden en grooten begraaft men zoo:</span><br /> +<span style="margin-left: 3em;"><i>Zij zijn licht in hun sarkophagen</i>,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Met een schijnsel van zangen en klagen</i></span><br /> +<span style="margin-left: 3em;"><i>Om het hoofd</i>.</span><br /> +</p> + +<p>Ziet ge: vooral die door mij gecursiveerde regels vormen <i>zulk een +gulden zoom van schoonheid om den donkeren nevel der herdenking.</i></p> + +<p>Henriette van der Schalk. (Uit: <i>Het Gelukzalig Leven van den Vrome</i>).</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Want zijn hart leeft rustig niet onbewogen</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">verheven boven 't armelijk bestaan</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">van wie macht'loos te worden aangedaan</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">voor verwinning aanzien hun onvermogen</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">harten te voelen gespannen als bogen</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">onder des levens geweldige aan-</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">rakingen en hun dorheid een weerstaan</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">noemen der zon waar zij als kracht op bogen.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Maar 't zijne staat, te midden van de dingen</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>niet als een rif, waartegen baren breken</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>maar als een meer, dat berg van vlakte scheidt,</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>de onstuimige wat'ren die 't binnen-dringen</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>herrijzen uit die klare en diepe streken</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>als effene stroomen vol statigheid.</i></span><br /> +</p> + +<p>Ziet ge: deze door mij gecursiveerde terzinen, die zijn <i>die gulden +zoom van schoonheid</i>, om het zwaar gewolkte <i>der contemplatieve gedachte</i>.</p> + +<p><span class="pagenum"><a name="p24" id="p24"></a>[p.24]</span> Welnu, ik kan slechts herhalen: zulk metaforisch schoon wordt +in het werk van onzen dichter gemist.</p> + +<p>Maar den Cyrano wenscht gij te aanschouwen, den man, die spottend +en dichtend om zijn leven vecht; ge wenscht nu die heel vrije, die +zeer koninklijke ziel te zien, die hare <i>lenigheid</i> en <i>vrijheid</i> nóóit verliest; +die te midden van den strijd, van de diepste vertwijfeling, van +de felste opstandigheid, <i>blijft</i> naar de <i>schoonheid</i> tasten èn: haar +grijpt.... Maar laast ge dan nog immer, in die onvolprezen vertaling +van Boutens, Omar Kayyam's <i>Kwatrijnen</i> niet? Scharten's opstel +bracht mij ertoe, U nog niet? Dàn zaagt ge ook niet den oneindig +dieperen, den grootsten Cyrano, dien wellicht ooit de wereld droeg. +Zie dan weer, éven:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Ik ben een slecht slaaf—: waar is Uw genade?</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Mijn hart is nacht—: waar blijft Uw dageraden?</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Uw hemel kan ik winnen door mijn dienst:</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dat's loon—: waar zijn Uw gunst en liefdedaden?</span><br /> +</p> + +<p>Dit is de lenigheid en de triomf van de schoonheid-grijpende ziel +te midden van den hartstocht der opstandigheid....—En dìt, vooral +dìt, de triomf van de lenige en vrije ziel die de schoonheid grijpt te +midden van het vertwijfelen aan den zin en de rechtvaardigheid van +het leven:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">In donkren hoek van levens tuin verschrompeld,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Door 't eenig-welig onkruid overrompeld,—</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">O Hart, gelijk een rozeknop beklemd,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">En als een tulp in eigen bloed gedompeld!</span><br /> +</p> + +<p>Nu begrijpt ge 't: dàn slechts kan men zulk een groot dichter, +zulk een schepper van hoogere lyriek zijn, als niets de ziel weerhouden +kan, overal, op de moeizame steilten en verre hoogten der wereld +bloemen van schoonheid te plukken; het gevaar van den tocht, de <span class="pagenum"><a name="p25" id="p25"></a>[p.25]</span> +gepijnde voeten, het wildkloppende hart, alles een aansporing te +meer om te gaan dáárheen, daar troost, daar loon te vinden. Keert +hij van daar terug—de zeldzame bloemen die hij plukte verhalen +heerlijk van zijn vreeselijken tocht.... En daalde hij ten afgrond, "overdekten +hem machtige wateren", hij greep de parel der schoonheid, +en liet ze niet los; aanschouwt hij weer de zon, hij wordt de louteraar +en de smeder van haar goud....—</p> + +<p>Dat ònze dichter nu, ofschoon hij die lenigheid en die vrijheid niet +kent, ofschoon hij geen triomfeerende maar een bevangen geest is, +toch in zijn beste verzen den <i>zoom</i> van het gebied van zulker hoogere +zielen lyriek heeft mogen betreden, dat heeft hij daaraan te danken, +dat dàn althans één uitgang van zijn kerker openstond, die waarvoor +de muzikale schoonheid den bevrijde wacht: in die beste verzen +leeft het schoon eener <i>zoet-zinnelijke welluidendheid</i>.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Men heeft de meening uitgesproken, dat niet-Joden deze verzen niet +voldoende zouden kunnen waardeeren, omdat zij te subjectief-Joodsch +zouden wezen en dat men althans als Jood moest gebòren zijn, om diep +in hun gevoelssfeer te kunnen doordringen<a name="FNanchor_17_17" id="FNanchor_17_17"></a><a href="#Footnote_17_17" class="fnanchor">[17]</a>. Dit laatste is op zichzelf +zeer juist, doch het lijkt mij tevens een opmerking, die hier weinig +ter zake doet. De vraag is niet of zekere lezers <i>werkelijk</i> diep in de +gevoelssfeer van een zeker werk kunnen dringen, de vraag is of die +lezers door den dichter in de <i>illusie</i> worden gebracht, dat zij het doen; +of die lezers zóó door des dichters scheppend vermogen in verrukking +worden gebracht, dat zij <i>meenen</i> ook diens gevoelsfeer te begrijpen. +Ik heb vroeger in ditzelfde tijdschrift uiteengezet, dat en waarom +wij niet minder kunnen genieten van een werk welks gevoelssfeer +ons vreemd is, dan van zulk een, waarbij dat niet het geval is;<a name="FNanchor_18_18" id="FNanchor_18_18"></a><a href="#Footnote_18_18" class="fnanchor">[18]</a> +ja, ik heb aangetoond, dat dit laatste, het medeleven in die gevoelssfeer, +<span class="pagenum"><a name="p26" id="p26"></a>[p.26]</span> tot zulk een graad kan stijgen, dat het ons juist het aesthetisch +genieten <i>verhindert</i>.<a name="FNanchor_19_19" id="FNanchor_19_19"></a><a href="#Footnote_19_19" class="fnanchor">[19]</a> Ik vrees dan ook, dat àls de niet-Joodsche lezer +tot het bewustzijn mocht komen van zijn onmacht, deze verzen te +doorvoelen, dit niet zal veroorzaakt worden door zijn niet-Jood-zijn, +maar alleen doordat die verzen hem niet hebben <i>verrukt</i>, hem niet +in die dronkenschap van liefde en bewondering hebben gebracht, +waarin hij wel <i>moest</i> gelooven, dat hij ze doorvoelde en begreep. +Want dit konden dan deze verzen niet, doordat zij maar al te zeer +behooren tot wat ik de lagere lyriek heb genoemd. Ik zal mij natuurlijk +wel wachten mijn vroeger betoog te herhalen. Slechts verwees ik +den lezer ernaar, want ongetwijfeld vult dat vroegere aan wat ik thans +ga zeggen. Toen ik namelijk nu opnieuw nadacht over deze zaken en +mij afvroeg, of ik dan wellicht toch destijds een redeneeringsfout +had begaan, toen bood zich mijn inzicht instede van de ontdekking +van een fout, de mogelijkheid om door een minder abstracte redeneering +dan de vroegere, de juistheid mijner beweringen van eene +andere zijde uit te bewijzen. En daarnaar moge ik hier nog trachten.</p> + +<p>Ons geheele actieve zieleleven wordt gevormd door een reeks van +verrichtingen die niet-volledig-begrijpen en niet-volledig-doorvoelen +moeten worden genoemd. Zóó onvolledig, dat het niet-begrepene +en niet-doorvoelde zich meestal tot het begrepene en doorvoelde +verhouden als een onmetelijkheid tot een stip. Doch als datgene, +waarmede onze ziel zich, aldus ten-deele-doorvoelend, bezighoudt, +haar door de majesteit, schoonheid of heerlijkheid zijner verschijning +verrukt, dan worden wij in den <i>waan</i> gebracht, dat we 't <i>volledig</i> +begrijpen: wijl <i>wij ons</i> hebben <i>vol</i>gedronken, meenen we: wij hebben +dit <i>leeg</i>gedronken. Want wij voelen ons dan zóó verzadigd van geluk, +en zóó rijk en zóó machtig, dat het begrip, hoe in die heerlijkheid iets +zou kunnen zijn, dat òns wezen niet kan bevatten, niet tot ons doordringt. +En in deze illusie brengen ons zoowel de groote machten van +het leven als die der kunst.</p> + +<p><span class="pagenum"><a name="p27" id="p27"></a>[p.27]</span> Het leven: als ons met de dronkenschap en de verrukking van haar +aanwezen de liefde vervult, zoo meenen wij haar diepte en hoogte +te kennen. Wij denken en spreken van haar in vervoering en als uit +diepste weten. Zelfs later is de bloote <i>herinnering</i> aan ons machtig +gevoel nog in staat, ons bijwijlen te doen denken, dat wij haar volledig +kenden. Indien ten tijde onzer vervoering iemand tot ons zou zeggen: +"Gij kent de liefde niet, maar slechts een onnoemelijk klein deeltje +harer onmetelijkheid," wij heetten hem een dwaas, en nochtans—vraag +uw rede, wiè hier de dwaas is.... Dat zéér kleine schelpje van +onze ziel, door die oceaan op het strand geworpen, van zóó weinige +harer druppelen volgestort, of weer ledig van haar, weggevoerd of in +haar nabijheid gelaten, houdt het niet op te ruischen van haar.</p> + +<p>En de kunst? Vraag uw rede, of wij kleinen, de liefde en den haat, +het denken en voelen van een Salomo en een Shelley, een Kayyam +en een Dante kunnen dóór-voelen. Zij zegt u duizendmaal: neen, dat +kunt gij niet. Niettemin, zoo wij hen lezen, zoo wij ons begeven in +hun invloedsfeer, dan vervult ons immer weer dezelfde illusie, dezelfde +dronkenschap, en onze van liefde en verrukking verblinde ziel stamelt: +O, Heerlijken, ik zou u niet begrijpen, liever stièrf ik, hier in +mijn hàrt voel ik het, dat ik u niet slechts begrijp, maar dat ik één +met U ben, ge hebt mij tot U genomen, ik leef met U en niet zonder +U, ik kan u nooit meer verlaten....—En nochtans?...</p> + +<p>Als de Miltoniaansche Adam onder de heerlijkheid des Eeuwigen +in den visioenen-vollen sluimer der verrukt-overweldigden zinkt ... +wat kàn hij dan meer hebben gedaan dan <i>zich vol</i>drinken uit die +<i>oneindige</i> Heerlijkheid?.... O, Dichter, wij staan vóór u, wij Ariërs, +wij Semieten, wij alle geslachten der aarde, wij allen zien tot u op, +wij wachten uw woord verlàngende. Maar zie, als ge nu spreken zult +buiten de heerlijkheid der Grooten en slechts met de taal van een +diep-gevoelig mensch, zoo zullen slechts de Ariërs u toejuichen en +liefhebben, als gij over de gevoelens en voorstellingen der Ariërs spreekt, +en de Semieten als gij over dier gevoelens spreekt, en elk ras en elk +volk slechts wanneer uwe zegging zich aan hun zielesfeer verbindt. +<span class="pagenum"><a name="p28" id="p28"></a>[p.28]</span> En uw loon zal gering zijn en uw zege onvolledig en die van een sterveling. +Evenwel, wanneer ge, 'schoon slechts sprekend gelijk ieder +mensch, ook de grootste, uit uw eigen zeer beperkte sfeer, toch in de +heerlijkheid en schoonheid der Grooten tot ons zult spreken, dàn zullen +wij noch Ariërs, noch Semieten, maar van liefde vervoerden, van +verrukking dronkenen zijn; wìj zullen niet dan verheerlijkte <i>menschen</i>, +ùw overwinning onvergankelijk en volledig wezen ... zich +hernieuwend van eeuw tot eeuw.... Dichter wees gij onze Heer, wij +zullen uw Adam zijn....—</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Eindig ik nu en zie ik rond mij in den kring van gevoelens +en gedachten, die na lezing van dit dichtwerk uit mij ontstonden, +dan zie ik menig gelaat, vragend mij aanziend: "Laat +ge mij achter, vergeet gij mij?" En ik antwoord berustend: +Vergeten zal ik u niet, maar u achterlaten, dat zal wel moeten. Want +de literaire criticus als zoodanig valt nimmer den gedachten- en gevoelsinhoud +van den beoordeelde aan, en gij, gedachten die ik achterlaat, +zijt sociologische en wijsgeerige strijders.—Maar al waart gij +geen strijders ... dan nog....—Zoo zag ik, dat de proletarische toon +in deze dichtkunst ontbrak en ik vond er de sociologische verklaring +van, maar wat moet daar de literaire criticus mee aanvangen? Zoo vond +ik tot mijn leedwezen een—soms zelfs opgeschroefd!—chauvinisme +in dezen bundel, een chauvinisme dat ik den grootsten vijand van +gezònd nationaliteitsgevoel acht—wat echter heeft de literaire criticus +daar mee van doen? Neen voorzeker, hìj niets. Maar ìk—zeer +veel! En zoo ik dit alles nu achterlaat, vergeten zal ik het niet maar +het wellicht te zijner tijd uiting geven.—Heb ik veel goeds maar +ook veel kwaads van deze verzen gezegd, het beste bewaarde ik voor +het laatst: Het zal den dichter tot blijvende eere strekken, dat hij +de <i>eerste</i> was, die op grootendeels zuivere en innige wijze in <i>kunst</i> +het <i>verlangen</i> heeft verwerkelijkt, dat in de keur van Holland's Jodendom +leeft, het verlangen: van Joodsche Nederlanders tot Nederlandsche +Joden nu reeds, tot Palestinensische later te worden. Dichter, +<span class="pagenum"><a name="p29" id="p29"></a>[p.29]</span> uw kunst is nu nog slechts de smalle brug over een poel van waan +en bourgeois-satisfaitschap, waarover een kleine groep van Joodsche +idealisten naar de eenheid met hun bewogen-levende, hun smartelijk-lijdende +broeders in andere landen trekt. Moge de Bouwmeester +haar versterken tot eene, zoo breed en monumentaal, dat eens de +tienduizenden van het Hollandsch-Joodsche proletariaat er over +zullen schrijden, blijde en trotsch, de gelederen der Po'alé-Tsion +tegemoet.</p> + +<p>16 Januari '16.</p> + + +<p class="caption">Noten:</p> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_1" id="Footnote_1_1"></a><a href="#FNanchor_1_1"><span class="label">[1]</span></a> Waarschijnlijk hebben wij toch als zoodanig te beschouwen: +"Als een granaatappel-snede zijn uwe wangen tusschen uw vlechten." Want +ware de <i>rimmon</i>, de granaatappel, niet zulk een geliefkoosd +versieringsmotief in de antieke Joodsche versieringskunst, ware hij niet +tevens het symbool van iets zeer edels, waarmede men gaarne wat men +eeren wilde, vergeleek, dan zou de Dichter hier allicht, door het kiezen +eener andere vrucht, zijne vergelijking treffender hebben gemaakt.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_2" id="Footnote_2_2"></a><a href="#FNanchor_2_2"><span class="label">[2]</span></a> Zijn philosophisch werk, oorspronkelijk in 't Arabisch +geschreven en onder den titel <i>Mekor Chajim</i> = Bron des Levens, +fragmentarisch in 't Hebreeuwsch overgezet door Sjemtob ben Jozef Ibn +Falaquera, was reeds eerder onder den titel <i>Fons vitae</i> door Dominicus +Gondisalvi met behulp van een gedoopten Jood, Avendeath, vertaald. In +deze Latijnsche vertaling heeft het <i>grooten opgang in de Christelijke +wereld gemaakt</i> en zoowel de opmerkzaamheid van Scotisten als Thomisten +getrokken. Na aanval op en verdediging van zijn stelsel door de +stichters dier scholen—Thomas van Aquino had het aangevallen, Duns +Scotus zich in menig opzicht een aanhanger betoond—maakten de +volgelingen het tot onderwerp hunner disputen. Het aardige echter van +het geval is, dat men absoluut niet meer wist, dat zijn auteur een Jood +was. Bij de overzetting was de naam Ibn Gabirol of G'ebrol eerst +verbasterd tot Avencebrol, later tot Avicebron en dezen fantastischen +Avicebron hield men voor den een of anderen vromen monnik! Pas in 1846 +werd door den grooten Munk te Parijs de identiteit van Gabirol met +Avicebron onbetwistbaar vastgesteld.</p></div> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_3" id="Footnote_3_3"></a><a href="#FNanchor_3_3"><span class="label">[3]</span></a> En toch ook in zijn productie als zoodanig voelt men een +enkel maal iets pantheïstisch. Zoo in dit kwatrijn—in de vertaling van +Geiger—: +</p> +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Du staunst, dass ich zu Weisheitshöhen kühn</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Den Weg besteige, ebnend mir den Pfad?</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Der selbe Geist, der meinen Leib bewegt,</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Ist ein das All umkreisend Weltenrad</i>.</span><br /> +</p> +<p> +Ik vestig eens voor al de aandacht der lezers er op, dat ik in deze +studie <i>nimmer</i> uit Hebreeuwsch-Joodsche dichters citeer met het doel: +<i>schoonheid</i> te toonen. Dat is ook mijns inziens vrijwel onmogelijk in +Geiger's vertaling, die niet alleen bijna immer volmaakt rhythme- en +geluid-dóód, maar bovendien, naar zijn eigen verklaring trouwens, vaak +een zich naar den modernen lezer voegende <i>omwerking</i> is. Zelf aan een +vertaling van dit of dat Hebreeuwsche gedicht van Gabirol mijne krachten +te beproeven, daartoe ontbreekt mij nu den tijd, dien <i>ik</i> daarvoor +noodig zou hebben, te meer waar de tekst van zijn <i>profane</i> verzen zeer +corrupt is, en niet gebundeld, maar in allerlei oriëntalistische +tijdschriften verspreid.—Nochtans heeft Geiger ook een enkel keer wel +eens gevoelig vertaald, zóó dit van Samuel Nagdilah, dat—zie overigens +volgende noot—indien men aan de gevaren en verzoekingen van 's mans +schitterende maar benijde positie denkt: een traditioneel-Joodsch vizier +onder een Mohammedaansch vorst, zéér aandoenlijk is: +</p> +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Ueber der Zeiten Krümmung</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ewigem Leben zu reit' ich</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Und zu dem Paradiese</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ueber die Hölle schreit' ich....</span><br /> +</p> +</div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_4" id="Footnote_4_4"></a><a href="#FNanchor_4_4"><span class="label">[4]</span></a> Men oordeele: dit kwatrijn,—en het gaat nog wel op den +dichter Samuel Nagdilah, den machtigen vizier, die zijn beschermer en +vriend was, maar met wien hij later in onmin leefde—: +</p> +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Mir war so kalt, mich hat</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ein solcher Frost durchschnitten,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Als hörte ich ein Lied</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Von Samuel den Leviten.</span><br /> +</p> +<p> +Of een ander maal—erger nog: critiek op een <i>Bijbelsch</i> dichter!—; uit +een grooter gedicht: +</p> +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Von Salomo dem Weisen war</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Zu Zeiten wohl der Geist gewichen,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Da hat er einer Lämmerheerde</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Der Zähne Perlenreih' verglichen.</span><br /> +</p> +<p> +En ten slotte dit zelf-getuigenis: +</p> +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Was soll mir's, dem klangreichen Dichter,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Zu singen vor solchem Gelichter?</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ist besser, dass ich sie zu Brei hack'</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Denn meine Zung' ist mein Dreizack.</span><br /> +</p> +</div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_5_5" id="Footnote_5_5"></a><a href="#FNanchor_5_5"><span class="label">[5]</span></a> Deze Jehoeda ha-Levi is dezelfde, die door Heine +zonderlingerwijze Jehuda <i>ben</i> Halevi wordt genoemd, en wien hij in +zijne Hebräische Melodien, o.m. "Eine wunderbare, grosse Feuersäule des +Gesanges" noemt. Ziehier twee voorbeelden van zijn echt-Oostersche +beeldvorming: +</p> +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Die Sonne sinkt, die Nacht erhebt sich</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Der Mond erscheint mit goldnem Rand,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Die Stern' im Meer gleich, irren Wandrern</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Die unstät zich'n in fernem Land</i>.</span><br /> +</p> +<p> +Voeldet ge ook niet het bannelingssentiment van den <i>Jood</i> in deze +laatste regels?—En dit, geschreven na op zijn tragischen pelgrimstocht +naar Palestina, van waar hij nimmer terugkeerde, Tyrus te hebben +bezocht: +</p> +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Heil Tyrus! Deinen Weisen Heil! Sie haben</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">In's Herz mir ihre Namen eingegraben</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Und sich zum Meer ein zweites noch erkieset:</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Mein Auge,das von Thränen uberfliesset</i>.</span><br /> +</p> +<p> +Overigens: hoezeer 't ook geheel eens met hen, die hem als <i>Hebreeuwsch +stylist</i> op één lijn met de groote bijbelsche dichters stellen, geloof +ik, dat hij als <i>dichter</i> onder die Grooten blijft. Hij heeft niet immer +de enorme hartstocht, het werelddragende gebaar van een Jesja'ja. Eerder +nog, dunkt mij, is hem het zoet-idyllische van het <i>Hooglied</i> eigen, aan +welks geluid het zijne ook verwant is. Hij is ook soms—ik spreek nu +alleen van zijn profane verzen—wat klein-speelsch....—Daarbij komt: +ten eerste, dat hij in een doode taal dichtte; ten tweede, dat hij in +een vreemde maatschappij leefde, wier anti- of on-Joodsche richting niet +kan hebben nagelaten, een nadeeligen invloed op zijn +Joodsch-dichterschap te oefenen. +</p> +<p> +Ook een opvallende uiterlijkheid wijst dien invloed aan. Het liefdeleven +van de hem omringende Arabische samenleving was sterk homosexueel +getint, de geringschatting voor de vrouw algemeen, 't geen tot gevolg +had, dat ook een dichter die een liefdesvers tot een vrouw richtte, den +schijn aannam, tot een man te spreken. Welnu, Jehoeda ha-Levi wien, +zonder eenige twijfel alle homosexueele neigingen volkomen vreemd waren, +en die overigens als streng-traditioneel Jood ze ook als helsche zonde +verfoeide, heeft meer dan eens die Arabische dichterlijke mode gevolgd. +("Il faut remarquer" zegt Luzzatto, geciteerd bij Geiger, "que la +pédérastie était en honneur chez les Arabes (comme chez les Grecs), et +que les poètes juifs parlent de leurs amis comme si c'étaient des +amants"). +</p> +<p> +Een dergelijk gedichtje van zijn hand, door mij uit het Hebreeuwsch +vertaald, waarbij <i>ik alle de geliefde als man travesteerende taalvormen +weer in vrouwelijke omzette</i>, moge ten voorbeeld hier volgen: +</p> +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Zij, tot wier losprijs ik mij Gode wijdde,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Heeft dezen nacht bij harp en zang doorwaakt,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">En daar ik dorstig bij den roemer beidde,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Aldus, zoet manende, mijn lust gelaakt:</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">"Drink, Dichter, wijn ten beker mijner lippen</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Vóór Dageraad den zwarten vool laat glippen,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Waarop goudverwig 't maangebloemte blaakt."</span><br /> +</p> +</div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_6_6" id="Footnote_6_6"></a><a href="#FNanchor_6_6"><span class="label">[6]</span></a> Men zie mijn derden "Brief over Literatuur" in <i>Over +Literatuur</i>, eerste bundel, en vooral het daarin geciteerde: <i>La Poesie +lyrique Hébraique Contemporaine</i> van Dr. Slousch, benevens mijn studie +over <i>Die Lieder des Ghetto</i>, in mijn <i>Opstellen</i>.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_7_7" id="Footnote_7_7"></a><a href="#FNanchor_7_7"><span class="label">[7]</span></a> Hoezeer deze kenmerken en niet minder de "omwegen der +voorstelling", welke laatste de heer Scharten meer een specifiek +Oostersche eigenaardigheid in Tagore scheen te achten, inderdaad ook bij +den <i>grooten Westerling</i> aanwezig zijn, daarvan kan zich elk lezer van +bijv. <i>La Vita Nuova</i>—ook, uitgezonderd natuurlijk wat betreft het +oorspronkelijk geluid, in van Suchtelen's voortreffelijke +vertaling—overtuigen.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_8_8" id="Footnote_8_8"></a><a href="#FNanchor_8_8"><span class="label">[8]</span></a> A Defence of Poetry. Part I.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_9_9" id="Footnote_9_9"></a><a href="#FNanchor_9_9"><span class="label">[9]</span></a> Hetgeen ook van v. Collem dient te worden gezegd. Tot mijn +leedwezen bemerkte ik destijds, èven te laat, hem niet als vijfde te +hebben genoemd, schoon ik reeds zeer vroeg in <i>Het Jonge Leven</i> de +aandacht op hem had gevestigd en ook in mijn eersten bundel <i>Over +Literatuur</i>, zijn <i>oorspronkelijkheid</i> roemend, van zijn +"wrang-<i>joodsche</i> schertsdichtjes" spreek. Sinds dien is zijn joodsche +geaardheid nog veel gterker en schooner aan den dag getreden. <i>Noot van +Juli '19.</i> +</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_10_10" id="Footnote_10_10"></a><a href="#FNanchor_10_10"><span class="label">[10]</span></a> Ook van Eeden's telkenmale hervinden van zijn ongerepte +jeugdkrachten,—welk een prachtig blijk daarvan was weer <i>Sirius en +Siderius</i>, die fel- en realistisch-levende vertastbaring van een +allerteersten en hoogen droom—berust m.i. op de omstandigheid, dat hij +zulk een <i>sociaal</i>-voelend kunstenaar en, meer dan dat, een +<i>geboren</i>-"eenheidsstrever" is.—</p></div> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_11_11" id="Footnote_11_11"></a><a href="#FNanchor_11_11"><span class="label">[11]</span></a> Juni 1912.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_12_12" id="Footnote_12_12"></a><a href="#FNanchor_12_12"><span class="label">[12]</span></a> Cursiveeringen van mij.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_13_13" id="Footnote_13_13"></a><a href="#FNanchor_13_13"><span class="label">[13]</span></a> ibid.</p></div> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_14_14" id="Footnote_14_14"></a><a href="#FNanchor_14_14"><span class="label">[14]</span></a> Het is merkwaardig hier te zien, hoe de <i>stemmingen</i> van +het verleden in het geheugen van onzen dichter zuiver bewaard bleven, +maar het <i>feitelijke</i> zich vertroebelde: niet op <i>Vreugde der Wet</i> wordt +bij het gebed de palmtak gebruikt maar op het <i>Loofhuttenfeest</i>.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_15_15" id="Footnote_15_15"></a><a href="#FNanchor_15_15"><span class="label">[15]</span></a> Men begrijpe wel, dat met "zonde", in dit gedicht niet +voornamelijk bedoeld wordt datgene wat de Schrift-alleen als zoodanig +beschouwt, bijv. het werken op Sabbath, het eten van varkensvleesch, +e.d., maar ook zulke, die ook buiten de Schrift, door de "algemeen +geldende moraal" zonde wordt geacht.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_16_16" id="Footnote_16_16"></a><a href="#FNanchor_16_16"><span class="label">[16]</span></a> De dichter zegt: +</p> +<p> +<span style="margin-left: 2.5em;">... "de duistere Ketef dwarrelt</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">In 't schoonste zomeruur, <i>een ossenhoren</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Is zijn gestalte</i>, die sidderend scharrelt.</span><br /> +</p> +<p> +Deze scharrelende ossenhoren, zonder kop, romp en beenen kwam mij +onmiddellijk zeer onwaarschijnlijk voor—al moet men in dit opzicht, +waar 't demonen betreft, niet al te twijfelziek zijn! En toen ben ik +eens in de <i>Midrasjim</i> gaan snuffelen en zoo vond ik in <i>Bamidbar +Rabba</i>, 12, een vrij uitvoerige schildering van dezen demon, waaruit ik +het volgende zinnetje vertaal: "Zijn hoofd gelijkt dat van een kalf en +een horen gaat uit het midden van zijn voorhoofd op ... en hij wentelt +zich als een vat over den grond." Men ziet het: de dichterlijke +guillotine heeft radicaal gewerkt! Nog een andere schoolmeesterlijke +opmerking: Zou de dichter bij een herdruk niet liever als grondslag voor +zijn transcriptie van Hebreeuwsche woorden in Latijnsche letters de +sefardische uitspraak adopteeren, zooals die ook door de niet-Joodsche +Hebraïci wordt gebruikt? En de <i>Ajin</i> waarvan toch niemand meer de +juiste uitspraak kent, inplaats van door <i>ng</i>, door een ' willen +aanduiden? Hoeveel welluidender is Ja'akob Jisraeel, met die fijne +Spaansch-Joodsche e aan het eind, dan Ja<i>ng</i>akauf Jisroijl.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_17_17" id="Footnote_17_17"></a><a href="#FNanchor_17_17"><span class="label">[17]</span></a> Ook Is. Querido in een <i>Letterkundige Kroniek</i>, Algem. +Handelsbl. van 16 Dec. '15.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_18_18" id="Footnote_18_18"></a><a href="#FNanchor_18_18"><span class="label">[18]</span></a> <i>De Gids</i>, 1913, IV, blz. 476—77. En <i>Over Literatuur</i>, +eerste bundel, blz. 104—106.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_19_19" id="Footnote_19_19"></a><a href="#FNanchor_19_19"><span class="label">[19]</span></a> <i>De Gids</i>, 1913, IV, blz. 486. En <i>Over Literatuur</i>, +eerste bundel, blz. 115—116.</p></div> + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<p class="pagenum"><a name="p30" id="p30"></a>[p.30]</p> +<h3>MAURITS SABBE: DE NOOD DER BARISEELE'S</h3> + +<p> +Na dat niet minder kluchtige dan lieflijke, van vogelgefluit, +bloemenkleuren en goeielijk-hartig lachen doorvonkte en doorschalde +werkje <i>De Filosoof van 't Sashuis</i>, dat boekje met precies het tikje +bewùst zóó <i>gearrangeerd</i> zijn; met juist dat wèinigje als houterige +abruptheid in het bewegen der oolijke figuren, dat ook aan de lustige +Jan Klaassen's der Poesjenelle-kelders herinnert; en ook dat fijn-geurige +snuifje van, ik zou zeggen: <i>archaïsche</i>, naïveteit, als genoeg was, om +mij hevig en in een uiterst verheugende openbaring, de <i>verwantschap</i> +van dezen auteur met de groote Spanjaarden—vooral <i>Hurtado de Mendoza</i>, +den beïnvloeder van <i>Brederôo</i>!—te doen voelen; na dit werkje, dat je +lekkertjes glunderen om eigen welgedaanheid ziet, terwijl je voelt 't +dit al even weinig kwalijk te kunnen nemen als aan zekere, uiterst +sympathieke, door geestelijke en lijflijke gezondheid altijd opgeruimde +menschen, gaf Sabbe <i>Een Mei van Vroomheid.</i> En dit beteekende al +dadelijk een enormen vooruitgang, want was er in het eerste boek veel +amusant gekakel en gedoe—om met ons beeld in de landelijk-steedsche +sfeer der beide werken te blijven—van kleurige kippetjes te hooren en +te zien, met daarnaast, hóóger, op 'n boomstam, die oolijke spotlijster +van 'n Sasmeester en dat zoete duifje van 'n Mietje, ook in het tweede +ontbraken in <i>Bazinne Lowijcks</i> en <i>oude Free</i>, het zéér vraatzuchtige +haantje en hennetje niet, máár: te àvond—en welk een plechtig-droeve +avond was dat, na zóó korten dag van jeugd!—zongen daar die van God +gezégende nachtegalen, <i>jonge Free</i> en lieflijke <i>Bethye</i>, hun mystieke +lied, <span class="pagenum"><a name="p31" id="p31"></a>[p.31]</span> waarlijk "fulpen tonen als uit edel metaal geblazen", +zoodat dit werkje niet alleen voortreffelijk was door de prachtige +uitbeelding van twee zoo verschillende levenshoudingen als de +egoïstisch-materialistische en de altruïstisch-mystieke zijn, maar +vooral, omdat het ons de rijke harmonische wijsheid van des schrijvers +ziel deed voelen, welke immers deze beide hevige contrasten zóó kon +beelden, dat zij, in een en 't zelfde werk, dicht naast elkander, zonder +schade voor elkander konden bestaan.—En nu komt Sabbe met een derde +boek en het is zoowaar alweer een genot, den vooruitgang in zijn wezen +en kunnen te zien! Want niet slechts, dat het zich hierin van de vorige +onderscheidt, dat het géén als spròkige werkelijkheid, geen romantiek +is—immers <i>deugdelijke</i> romantiek moet m.i. <i>objectieve</i> beelding van +werkelijk bestaanbare <i>uitzonderingsfiguren</i> zijn—doch zich op een veel +meer algeméén reëel plan beweegt; het verhaalt ook niet, als gene, een +episode slechts uit een leven, maar geeft het gehééle leven, van +nagenoeg twee geslachten zelfs! Dat dit laatste een vooruitgang is, dat +hiervoor een grooter visionnair en episch zoowel als compositorisch +vermogen worden vereischt, zal wel geen betoog behoeven. En hoezeer is +deze schepping geslaagd, welk een òndoorbroken stroom van diepe +menschelijkheid vloeit door dit boek! Daar is allereerst het roerende +drama van de vrouw, die geheel zachtmoedigheid, liefde en dulding, na +een slovige jeugd en een leven naast 'n man die haar wel waardeert en +wel van haar houdt, maar niets van zijn zieleleven uiten kan, juist ten +tijde, dat zij de groote, de éénige vreugde van haar bestaan, het geluk +van haar moeder- en opvoedsterschap zal gaan genieten, sterft, met +kommer en zorg in het hart, om haar beide kleine zoontjes, het +achterlijk jongste vooral, voor wien zij voelt nog onmisbaar te zijn. +Daar is dan, ten tweede, de tragedie van dat achterlijk kind, gehaat +door een feeksige tante, verwaarloosd en getyranniseerd door een stuggen +vader en een ouderen, koud- en egoïstisch-intelligenten broer, in wien +de vader al zijn hoop en genegenheid heeft geplant, voor wien hij zijn +jongste opoffert; daar is dan ook de wanhoop van den vader-zelf, als hij +inziet, hoe harteloos en baatzuchtig <span class="pagenum"><a name="p32" id="p32"></a>[p.32]</span> hij zijn oudsten zoon, bij +wien hij tevergeefs om wat liefde bedelt, heeft gemaakt, hoe +verwaarloosd en geestelijk-vernietigd hij den ander heeft. Dàn wendt hij +zich tot dien. Te laat! De sukkel staart hem onnoozel-lachend aan. En de +ongelukkige oude man heeft nu maar één verlangen, naar zijn vrouw in den +hemel, en een avond komt zij hem uit de bleek-zilveren wolkenpoort van +de stille maan tegemoet, en hij stapt te water en volgt haar.... Dit +alles in het eerste deel. Het tweede behandelt het verder leven, tot hun +dood, der beide zoons, die vrijgezel blijven.... Maar komaan! al wil ik +u nu nog wijzen op dat kostelijke tooneel in de herberg, als de +tyrannieke oudste broer, de dorre notarisklerk, voor 't eerst in z'n +vijf en veertig jarig leven, uit minnekoozen is gegaan, ook omdat ik +hier weer de boven geschetste verwantschap voel, en op dat mooie +figuurtje van Quickelbornée'tje, dat aan de neiging naar het sprokige +van onzen auteur zoo weldoend komt herinneren; al wil ik u zeggen, dat +ook het tikje houterige abruptheid, vooral in het begin van het eerste +deel niet ontbreekt en evenmin de "archaïsche" naïveteit, zooals +bijvoorbeeld, wanneer de schrijver ons nog eens meent te moeten +inlichten omtrent de bedoelingen van de feeksige tante, die wij toch ook +daarzonder, dank zij de uitnemende beelding, door en door kennen—van de +waarlijk bijna ontelbare glansmomenten in dit boek zal ik, uitgezonderd +één, niet meer spreken. Want is het m.i. een voornaam deel van de taak +der critiek, tot het lezen van een boek aan te sporen of daarvan terug +te houden, ik meende in dit geval het eerste beter te kunnen doen door +des schrijvers gehééle figuur even te schetsen dan door van dit zijn +jongste, tweedeelig werk, een analyse te beproeven, die, mij althans, in +zoo kort bestek niet mogelijk ware geweest. Maar dat ééne glans-moment, +wijl het een der diepste levenswaarheden symboliseert, wil ik nièt +verzwijgen: De half-onnoozele zoon kende een oud sprookje, het verhaalde +van een dood moederken, dat wederkeert als de linden bloeien. Hem, wien, +toen hij nog een kindje was, dit zóó heilige waarheid scheen, dat hij, +kort na zijn moeders dood haar sloffen buitenzette, opdat zij die zou +kunnen aantrekken, als zij daarstraks wederkwam—een <span class="pagenum"><a name="p33" id="p33"></a>[p.33]</span> +aanbiddelijk-schoon trekje, niet waar?—hem, die zijn moeder altijd +bleef liefhebben, blijft ook dat sprookje altijd bij, en als nu zijn +ouderdom gelukkig wordt gemaakt door het petekind van zijn broer, dat +hij 't eerst bij het bloeien der linden ziet, dan is 't hem, den +onbewusten kinderlijk-dichterlijke, of zijn moederken uit den dood is +opgestaan, dan voelt hij, dat háár liefde en háár zachtheid hem in dat +kindje zijn weergekeerd.... Ik geloof lezer, dat de onnoozele gelijk +had! Ik geloof, dat niets wat groot of goed of liefelijk was verloren +gaat, maar immer en immer in 't leven wederkeert ... En ik geloof, néén, +ik ziè, lezer, dat ook in Vlaanderenland die wondere linden weer hebben +gebloeid; dat de Moeder, die de blijmoedigheid was, de Moeder, die de +lieftallige eenvoud, het hart, de ziel en de liefde was; die oude +Literatuur die onze harten kende, ons minnelijk berispte en schalk +belachte en gelukkig maakte als nauwelijks één ander, herrezen is ... +Wees wijs als dié onnoozele en open de deuren van uw huis en uw gemoed, +om Haar in wijding en hooge vreugde te ontvangen. +</p> +<p> +Nov. 1912. +</p> +<hr style='width: 45%;' /> + +<p class="pagenum"><a name="p34" id="p34"></a>[p.34]</p> +<h3>R. VAN GENDEREN STORT: IDEALEN EN IRONIEËN</h3> + +<p> +—Ziedaar, dacht ik na lezing van <i>Een Roman</i>, het tweede stukje van +dezen bundel, daar heb je nou het echte type van den beginneling-artist, +den man, die zijn <i>Werkplannen</i>, zijn "notities" betreffende een +gevalletje, gefantaseerd of hem ter oore gekomen, goedig en wel en +geheel argeloos, als geacheveerd, àf-gebééld werk laat drukken. Geheel +argeloos, zeker, want wie anders dan zulk een allerliefst-onschuldige +zou met het lapje lokkerig vleesch van dezen titel in de hand de +buldoggen der critiek, die hem anders, een weinig grommend wellicht, +zouden zijn voorbijgeloopen, als tot den aanval nóódigen?! <i>Idealen En +... Ironieën</i>!... Als dit geen argeloosheid is, is 't dan bravoure?... +Maar neen toch, zelfs de groote Griek was met één Achilleshiel tevreden +en de heer Van Genderen zou zich, wellicht ten believe der nieuwste +chirurgische mode, <i>eenige</i> hebben laten aanenten?! ... Trouwens, die +argeloosheid past zoo wèl bij dat artistiek-dilettantische van vlàk +naast het levensechte, in de levensnàmaak te buitelen, gelijk den +schrijver in dat stukje <i>Een Roman</i> gebeurd is....—Toen ik dit alles +afgefilosofeerd en bij het lezen van <i>Het Bedrog</i> gemeesmuild had: "U +maakt 't u makkelijk, m'n waarde Heer, met uw bedrogen echtgenoot te +laten wegloopen"; <i>Zomer</i> een fraai fantasietje had bevonden (alleen dat +van die "<i>panische communie, waarin zij het teloorgaan in den oerschoot +des levens mystisch beleefden" ...</i> wel te weten: dit alles gezeid van +een griekschigen heer en dame die 'n bain mixte nemen ... hoor 'ns even, +dat kunnen ze in die kunstenaars-<span class="pagenum"><a name="p35" id="p35"></a>[p.35]</span> en high-life-kringen een +panische communie enz. noemen, maar ik ben maar een burgerman ...) toen +ik dit alles dus had afgedaan, zeg ik, geraakte ik tot <i>Het Vest</i>.... En +nu wou ik er wel een lief ding voor geven, als ik den lezer overtuigen +kon, dat 't me niet om 't maken van 'n flauwe scherts te doen is, neen, +werkelijk, ik hèb 't me zièn doen: ik heb <i>Het</i>—zéér dandylike—<i>Vest</i> +opengemaakt, bèrgen vrij onnutte literaturige bagage uit binnen- en +buitenborstzak gehaald en—en dáárop wil ik nu maar neerkomen:—wat +denkt ge wie z'n breedgewelfde borst d'r onder zat?... "Nu van Van +Genderen Stort natuurlijk," zegt ge schouderophalend.... Mis!... van +<i>Falkland</i>!—Gelijk ook in <i>De Tanden</i>—zeer gaaf en fraai—mijn +anthropologische blik een duidelijke verwantschap ontdekte met het gebit +van den <i>Homo Handelsbladensis</i>, al is dit scherper.... +</p> +<p> +Maar, eindelijk! las ik <i>Tobias Peppel</i>.... En nu, wèg van hier, narrige +criticus met je bittere spotternijen! Hier is iets te bewonderen, hier +iets lief te hebben! Die slungel van 'n <i>Peppel</i> is zóó prachtig +neergezet, in zijn weerzinwekkende lamlendigheid, ten voeten uit.... +Hièrin breekt van Genderen's revolutionair gevoel, waarzonder geen +waarachtig kunstenaar wordt geboren, zijn opstandsgevoel tegen het +gehate onechte zoo machtig uit.... Och, ik erken het, ik was er soms +niet ver van af, dezen schrijver voor een dier trieste heeren te houden, +in schrikwekkend aantal onder de jongeren te voorschijn tredend, die +zonder noemenswaardig talent, van hun literaire "gedistingeerdheid," hun +"kalme nuchterheid" en kurk-droog gezond-verstand hun schrijversleven +moeten rekken; een dier essayisten—over het leven of over boeken, doet +er niet toe—die teemen, teemen, téémen, onmachtig tot één blijde +opzwaai van levensvolheid, tot één moment van dat fonkelend +zich-zelf-genieten van den geest, dat scheppen is. Máár <i>Tobias Peppel</i> +vóóral heeft mij gelùkkig mijn dwaling doen inzien. De heer Van Genderen +ontdoe zich van dien jammerlijken verfijningsschijn. Hij late dien aan +<i>the mob of gentlemen who write</i>, de verdroogde Physalis-kelken der +literatuur, die met de herfstige blos hunner dorheid in porceleinen +vaasjes zonder aarde of water kunnen prijken, <span class="pagenum"><a name="p36" id="p36"></a>[p.36]</span> òmdat zij dood zijn +en toch zoo knapjes kunnen schudden en rammelend-geluiden alsof er leven +in hun doode bollen zit. Hij getrooste zich de "viesheid" en zwartheid +der vochte aarde, die al het levende voedt.—<i>Van de ijdele gedachte +tot het stralende beeld</i>, zei eens Verwey, en ziedaar de oorlogskreet +tegen de veldwinnende neiging dier onmachtigen, om de—vaak +gecopiëerde!—naakte "gedachte" ten troon te heffen! +</p> +<p> +Een <i>kunstenaar</i>, en dùs ook de heer Van Genderen Stort, moet <i>beelden</i>. +</p> +<p> +Nov. 1912. +</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p class="pagenum"><a name="p37" id="p37"></a>[p.37]</p> +<h3>JOANNES REDDINGIUS: EEN ROMANTISCHE JONGEN</h3> + +<p> +Het boek opent met de mededeeling, dat Jans, de keukenmeid van +"Karelshoeve", Herman, het romantische jongetje, "met een zoet lijntje +had meegekregen." Nadat hierover in 'n veertiental regels is uitgeweid, +wordt ons ten slotte nog in een vijftiende nadrukkelijk bericht, dat +"Herman en Jans kwamen geloopen van Karelshoeve." Ik vatte dat alles +natuurlijk op als een uitnoodiging om met hen mee te wandelen en te +luisteren naar hun gesprek. Maar ai mij! des heeren Reddingius' +bedoeling was dat klaarblijkelijk <i>niet</i> geweest. Met een zeer onzachten +ruk wendt hij mij om: "'t Buiten dat zij achter zich gelaten hadden, lag +in een grooten tuin." Volgt: een beschrijving—zes bladzijden lang—der +ligging van het buiten en van het leven der menschen in het buiten. Deze +manier van doen nu des heeren R. stemde mij zeer onaangenaam en vond +ik—eerlijk gezegd—buitengewoon onhoffelijk: eerst met Herman en Jans +den weg opgestuurd te worden en daarna, zonder een schijn van reden, +weer onmiddellijk ruw-weg naar het "achtergelaten" buiten te worden +teruggesleept, wel, het was eigenlijk meer dan mijn eigenliefde kon +verdragen!... Toch, ik ben niet rancuneus en was het heele voorval al +weer vergeten, toen ik even later hoorde, dat Herman's moeder hem +verteld had van een kopje met fijne, roode bloemetjes, dat 'n oom +gekregen had van een man, "die, <i>een langen staart dragend</i>, een +Chineesch onderkoning geweest was." Kijk, dacht ik verheugd, dat is een +fijn trekje: de schrijver heeft zich hier heel sterk ingeleefd in het +kinderlijk denkvoelen, <span class="pagenum"><a name="p38" id="p38"></a>[p.38]</span> want, niet waar, voor de kinderlijke +fantasie is die <i>lange staart</i> het treffendste en verwonderlijkste.... +Maar o wee, nauwelijks voelde ik mij gelukkig, zóó, door de oogen van +een kind het leven te mogen bekijken, of, zonder eenigen overgang, en +dus nog altijd meenend dat ik het <i>kinderlijk</i> indrukken-verwerken +meeleef, verneem ik, dat Grootmoeder tobde over haar zoon, die +"eereschulden moest afdoen"; dat hij haar dikwijls dreigde, dat hij "een +kogel door zijn kop zou jagen"; dat hij dan door haar geholpen werd "met +zoo en zooveel mille".... Wat drommel! zeg ik nu geërgerd, wat is dat nu +weer ... o, geen wonder! daar heb je—zóó zie je me wel, zóó zie je me +niet—waarachtig meneer Reddingius weer, die me daar pas al van Herman +en Jans heeft weggesleurd en me nu dat weer lapt ... en dat alles zonder +eenige waarschuwing, zonder eenige geldige reden.... +</p> +<p> +Ik zou natuurlijk niet zoo hebben uitgeweid over die eerste bladzijden, +indien zij niet een—helaas zelfs zwak!—beeld gaven van het rommel- en +rammelslag-achtige, het pueriel bij elkaar gesleepte, 't zenuwachtig +van-de-hak-op-de-tak-springerige van het heele boek. De schrijver lijkt +op 'n zeer nerveus huismoedertje, dat met de kinders op zomervacantie +trekt. Heeremetijd, weken van te voren, liep 'r hoofd 'r al om. En nou +de verhuiswagen al twee grachten ver is, ziet ze dat dit vergeten is en +dat, en worden Pietje en Mietje hem achterop gestuurd, om 'm terug te +halen en holt zij trap op trap af, gang in, gang uit. En er wordt weer +opgeladen en afgeladen en vastgeknoopt en losgesjord en dit wordt +gebroken en dat wordt gebuild en de voerman vloekt en de voerman foetert +en de straatjongens komen er bij te pas en er is 'n leven als 'n +óórdeel, dat je hóóren en zièn vergáát.—Want ook: dit boek is als een +verhuiswagen, de heer R. verhuist ook zijn meest onbeteekenende +bezittinkjes naar den buiten der publieke aandacht; de heer R. drááft +heen en weer—'t is werkelijk een <i>pijnlijk</i> gezicht hem zich zoo in 't +zweet te zien werken—en hij laadt op, al maar meer en nooit genoeg, en +'n paar van de aardige dingskes, die in de verhuisboel zijn—<i>veel</i> zijn +er <i>niet</i>—vallen in gruis en de andere, och die kunnen we toch niet +rustig bekijken, want we houen <span class="pagenum"><a name="p39" id="p39"></a>[p.39]</span> ons hart vast om al de ongelukken, +die we zien aandreigen, en krijgen hoofdpijn van de herrie; trouwens: +een verhuiswagen is toch geen salon of museum, niet waar? +</p> +<p> +De heer Reddingius heeft helaas gemeend, <i>alles</i> te moeten geven wat en +zooals zijn herinnering of observatie—nuchterder dan hij zelf +meent!—hem hot en haar opdrong. Ach, hadde de <i>Verbeelding</i> zich +tusschen hem en zijn onderwerp tot een tijdelijke verduistering der +werkelijkheid bewogen. Een verduistering?!... Ja zeker, want immers, ik +bedoel zulk eene, die der werkelijkheid teederst en meest verborgen +licht, in wáárheid haar <i>corona</i>, zichtbaar worden laat.... +</p> +<p> +Want is het ook niet zóó met deze dingen gesteld, dat slechts <i>nadat</i> de +werkelijkheid èn was verduisterd èn stralend werd herboren, de ziel +zingt, om dat <i>hersteld</i> bezit, als een vogel om den verloren gewaanden +en zóó zonnig herrezen dag?... +</p> +<p> +Febr. 1913. +</p> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<p class="pagenum"><a name="p40" id="p40"></a>[p.40]</p> +<h4>JOANNES REDDINGIUS: ZONNEWENDE</h4> + +<p> +Zoo fellen weerzin, als ik tegen 's heeren Reddingius' proza voelde en +voel—ik kan nog vaak met genoegen aan mijn wreed-harde <i>Gids</i>-critiek op +zijn <i>Een Romantische Jongen</i> denken—zoo hartig bewonder ik zijn +verzen. Hij is wellicht de zoetstemmigste en meest òntcultuurde, in +kinderlijk-zuiver verkeer met de schoonheid van aarde, zon en hemel +levende, natuurdichter, dien we bezitten. Ja waarlijk, zoo het de +schalke bedoeling der rijk-grillige en àl-vermogende.Natuur zou zijn +geweest, eens een geest te scheppen, schoon-menschelijk èn puur eenen +vogel gelijk, in al zijn gedragingen, zij had voorwaar nooit voller haar +bedoeling kunnen verwezenlijken, dan toen zij onzen Reddingius +voortbracht. Gij loopt ievers 'nen schoonen zomeruchtend op de blonde +wegelkens de velden entlang—entre paranthèse ... hoe kom ik plotseling +zoo vlaamschig te schrijven?... Ach ja ... wel drommels!... dat is die +lichte Gezelle-invloed, hier en daar, in deze verzen, welke mij die +onbewuste associatie-parten speelt—en ge hoort den lieven vogelslag, +het zuivere merel- en vinkgefluit in de boomen, zoo'n kort +bekoorlijkheidje als <i>Het liedje dat verloren liep</i>, of zoo'n klein maar +zuiver zelf-karakteriseerinkje—vogels zijn daar bazen in: sommige +fluiten zelfs hun eigen naam!—als die eerste twee strophen van +<i>Vrijheid....</i> Het liedje is uit, ge staat stil, ge loopt weer voort, ge +zoekt den zanger ... hè, wa's dat?... tik, zeit 't op uw hoed ... hahaha +...onze dichterlijke vogel laat een stukje proza vallen....—Neen, +heusch niet, lezer, niet zoo haastig, lach niet om 't gebeuren noch +schrei om m'n hoed, en evenmin verontwaardig u over mijn zonderlinge +wijze van voorstellen of verdenk mij, dat ik het pastorale beeld zou +willen vervolmaken <span class="pagenum"><a name="p41" id="p41"></a>[p.41]</span> door zelfs oude koeien uit 'n sloot te halen: +ik láát thans <i>Een Romantische Jongen</i> onder den niets verklappenden +waterspiegel rùsten. Maar het toeval wilde, dat, toen ik dezer dagen aan +het lezen van onzen bundel was, langzaam vorderend, juist omdat ik zoo +kalmpjes en lièfjes genóót, dat toèn juist mij <i>De Nieuwe Gids</i> van deze +maand in handen kwam en ik daarin een kritiekje over Marie Metz-Koning's +nieuwe "occulte" boek vond van de hand van onzen dichter—een brokje +proza dus. En weer trof het mij hevig—en nu niet het brokje maar het +feit:—hoe men in zijn proza vaak dezelfde elementen, maar ontbonden en +verworden, hervindt, die in zijn lieve zangen tot bloed en bloeiend +lichaam, tot stralenden oogenglans en klinkende stem zijn geworden. Onze +dichter, die niet als Gorter in diens jeugd—overigens alle vergelijking +ter zijde!—een grieksch-heidensch natuurpoëet, maar een pantheïstisch +vroom-geaarde met drang naar het mystieke is—onze dichter heeft in zijn +verzenbundel deze diepe, heilige vroomheid wel zeer zuiver en innig +geuit, en al zou ik u wel op bijna èlk daarin voorkomend gedicht ter +motiveering van deze mijne meening kunnen wijzen—en al is, mijns +waardeerens, <i>De lucht vol roode waden</i> een al zéér bijzonder juweel van +stemming, schoonheid en wijze vreugde—in geen enkel toch woont zij zoo +diep-in en licht zoo zachtkens naar buiten als in het schoone vers +<i>Guido Gezelle</i>. Nu is, naar ik méén, in dat gedicht de invloed eener +bepaalde modern-westersche mystiek, de Blavatzkyaansche theosophie, wel +zeer duidelijk merkbaar. Zijn "de velden van de Akasha", waarover hier +de dichter spreekt, niet: de "Akasha-kroniek," het "astrale licht," het +"geheugen van den Logos," waarin alle aarde-gebeuren vereeuwigd blijft +en de ingewijde de geschiedenis, ook van de vroegste tijden, kan lezen? +Welnu, moge dit deeltje uit de theosophische leer feit of fictie +zijn—het laat ons hier onverschillig, omdat het hièr voor ons in des +<i>dichters</i> wèrkelijkheid leeft en dèze werkelijkheid ons dan vervult, +maar hoor nù tèvens eens onzen <i>prozaschrijver</i> in bovengenoemd +critiekje boomen over Bulwer's <i>Zanoni</i> en over den <i>Wachter van den +Drempel</i>, alsof deze laatste "intelligentie" een goed +persoonlijk-bekende—hij zegt er immers nog <span class="pagenum"><a name="p42" id="p42"></a>[p.42]</span> wel bij "uit eigen +ervaring"—van hem is, en dan levert u dit stukje proza alles wat u nog +mocht hebben ontbroken, om zoo hel een kijk in dezen geest te krijgen, +als ge maar wenschen kondt. Reddingius dan blijkt een ziel, die slechts +<i>wazig</i>- en <i>argeloos</i>-voelend scheppen kan. Dwingt hem het vaak +<i>harde</i>, het <i>denk</i>-arbeid, <i>scherpe analyse</i> en <i>compositie</i>-gave +eischende proza, te treden uit zijne <i>zacht-zoete</i> verzensfeer, uit zijn +<i>gevoelsdroomen</i>, uit zijn neveldeinende <i>vaagheid</i>, uit de atmosfeer +van zijne los van elkaar verschietende stemmingen, dan gaat het mis, +onherroepelijk mis. Dáárom is ook een scherp-beeldende regel als die +mooie "De sneeuwkop heft zijn hoofd vol wol" zoo uiterst zeldzaam. +Dáárom is hem, óók als dichter, het maatschappij-leven zóó volkomen +vreemd. Evenals een lief boerenmeisje door het aantrekken van +steedsch-jufferige kleeren in een plomp- en linksdoende belachelijkheid +kan veranderen, zoo verkeert de kinderlijke natuurziel van dezen dichter +in een met klatergouden todden behangen pronkerigheid, zoodra zij van +uit de landelijke zon- en nevel-wazigheid in de daglicht-naakte aula van +het betoogend proza, in den kleur-schitterenden schouwburgavond van het +maatschappelijk-beeldend proza treedt. Zijn metaphorisch vermogen is +niet groot, maar leg eens eene discreet-nauwelijks-uitgesproken en mede +daarom juist zoo prachtige vergelijking als in <i>De Witte Kerselaren</i>, +naast dat critiekje alweer, naast: "de moedige vrouw op het witte paard +(die) moet door de grijze nevelen heen" (alles van Marie Metz-koning, +wel te verstaan!) en ge ziet duidelijk in, hoe in zijn proza bet zoete +tot het <i>weeïge</i> wordt; de overgave eener enthousiaste ziel, tot de +<i>lichtgeloovigheid</i> van een elken hechten, verstandelijken steun +ontberenden onnoozele, en het <i>diep-eigen</i>—gelijk in sommige prachtige +Strophen van <i>Als de wereld blij was</i>—mystiek-aanvoelen tot +mal-theosophistische <i>napraterij</i>. Want moge hem, ook in zijne verzen, +zijn licht-ontvlambare en door een ander <i>spoedig overheerschte</i> ziel al +te vaak en te weerloos aan vreemde invloeden prijsgeven—men vergelijke +"Mijn prins van vreugd, mijn onbewuste koning" op blz. 10, met Kloos, +<i>Verzen</i>, Tweede Druk, blz. 61 en 63—dat vreemde wordt dàn toch—hoe +anders dan in het proza—één <span class="pagenum"><a name="p43" id="p43"></a>[p.43]</span> met, deel van zijn eigenheid. De +heer Reddingius is—waarlijk hij mag tevreden wezen—een zuiver +natuurdichter, dòch: <i>niets</i> anders dan dit: zelfs van <i>Pan, Tritons</i> en +<i>Echo's</i> moet hij afblijven, dat is alweer te veel cultuur, dat doet hem +zijn vogel-argeloosheid verliezen, dat worden dichterlijke tooneeldingen +bij hem: geverfd linnen insteê van oud-grieksch marmer. Hij zinge tot +ons diep verheugen maar lustigjes op z'n tak, máár ... jà ... als er dàt +... nou ja, u weet wel ... tot zijn wèlbevinden nu eenmaal bij moèt, +welnu, dàn vooruit maar ... 'n nieuwe hoed zal me den kop niet kosten.— +</p> +<p> +April 1918. +</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p class="pagenum"><a name="p44" id="p44"></a>[p.44]</p> +<h3>FRANS VERSCHOREN: LANGS KLEINE WEGEN</h3> + +<p> +Langs kleine wegen!... Wel, is 't niet waar, mijn beste lezer, dat 't +daar héél liefelijk wandelen kan zijn? Hebben wij niet, gij zoowel als +ik, langs de spiegelende vaartjes en groene hagen de blijdste en diepste +uren onzer jeugd ... verwandeld? En ook wel eens—het groende zoo +noodend en geheimvol aan den kant van het pad—"het vinnich stralen van +de Son ontscholen in 't bosschagie" ... het "bosge" dat niet "clappen +con"!... Neen, neen, ik wil natúúrlijk niet onbescheiden zijn, maar toch +... èventjes: herinnert ge u het oude boerinnetje, dat ge ontmoette, dat +zoo glunder en zoo vroolijk keek, of het bejaarde heertje met de +impertinente spotoogjes achter 't klare brilletje? En, weet ge 't nog, +ge hadt zoo waar plotseling 'n genegenheid voor hen allebei, juist om +hun impertinente gekijk, want ge voelde 't zoo wel: ze hielden ook van +u, omdat ze in u hun eigen jeugd herzagen!... Och lieve spotters, hoe +overmoedig trotsch en jeugdig-rijk maakte òns uw spot, want, wij wisten +'t: hoeveel van uw weemoed verborg hij.... +</p> +<p> +Als zóó—zij 't louter toeval—de titel van 'n boek reeds kan doen +droomen, gelukkig en prijzenswaardig dan het boek, dat, gevend wat 't +beloofde, de droomen wijlen laat. En dat is wel heel zeker met +Verschoren's werkje het geval. Er is zoo een heel diepe stilte en +innigheid in dat verhaal van het begijntje, dat verliefd wordt op ouden +Jaan, er zijn zoo een onschuldige humor en struische levenslust in dat +stukje <span class="pagenum"><a name="p45" id="p45"></a>[p.45]</span> over die twee oude vogelvangers, 't Is waar: <i>Het oolijk +Wedervaren van Maruske van Lier</i>, dat zoude ik niet ongaarne uit dezen +bundel gemist hebben. En ongetwijfeld wijst het niet geslaagd zijn van +dit àl te grappig verhaal op een zwakke stee in het talent van onzen +auteur: het leed, en vooral dat van den geringen man, heeft immer iets +eerbiedwaardigs en verteederends in zich-zelf; wat ook een minder +gelukte beschrijving ons ervan mocht onthouden, ons medegevoel vult het +aan; maar zijn plezier, zijn plat en grof plezier.... O, als de +uitbeelder daarvan, zich bevlijtigt het grappige zoo grappig mogelijk te +maken en klucht op klucht te stapelen, en al te weinig daarentegen de +diepere menschelijkheid en de verborgen tragiek laat voelen, dàn wordt +het voor mijn gevoel een clownerie.... Maar overigens heb ik niets dan +lof. <i>Op het Begijnhof</i>, dat 't boek opent, <i>Het Onverwachte</i>, 't +uitmuntende kinderverhaal, dat 't sluit—de heer Verschoren weet wel wat +hij doet!—zijn ongetwijfeld het best. Treedt ge door 't oude en bemoste +poortje van het eerste eerbiedig en met 'n stille verheugenis binnen en +voelt ge u wellicht dan later nu en dan een <i>ietsje</i> teleurgesteld +—wanneer ge uit den lentetuin van het laatste zijt vertrokken, dan zijt +ge die teleurstelling alweer vergeten en ziet nog menigmaal groetend en +dankbaar om. +</p> +<p> +Maar wel herinnert ge u nog eens: "Langs kleine wegen" heette het ... en +ja, zoo was 't ook. 't Waren altemaal figuurtjes van een vergeten, +platteland, die ge ontmoet hebt, superstitieuse boertjes, drinkers, +platte grollenmakers, een achterhoeksche bevolking van doode stadjes; de +paadjes waarlangs ge traadt zijn mijlen ver verwijderd van het ernstig +en mooi strijdend en strevend leven onzer dagen. Maar, zeg mij, is het +niet eens goed weer te rusten en langs de wijd-overhemelde, eenzame +wegen te gaan ... daar het u is of de onzichtbare landwind zichtbaar +worden zal, zoo neerneigend en opvluchtend speelt dat neuriënde wezen om +u, en is immers met u alleen nu, die het wonder niet zult beklappen, op +dien stillen weg.... En hier is weer de klare vaart en het verre weiland +aan de overzijde.... En uw stok jaagt zachtkens zand op, gelijk gij uw +herinneringen.... +</p> +<p> +<span class="pagenum"><a name="p46" id="p46"></a>[p.46]</span> Maar ik bidde u: laat òns nooit, bij geen enkele ontmoeting, het +oude heertje met de impertinente spotoogjes achter het klare brilletje +zijn.... Waarom zouden wij onzen weemoed bedèkken? Onzen weemoed om het +verloren jeugdige, struisch-natuurlijke en primitieve van ons zoo +verwikkeld en streng geworden leven.... +</p> +<p> +April '13. +</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p class="pagenum"><a name="p47" id="p47"></a>[p.47]</p> +<h3>MAURITS WAGENVOORT: HET STIJFHOOFDIGE BRUIDSPAAR</h3> + +<h4>Roman uit den tijd der O.-I. Compagnie.</h4> + +<p> +De schrijver van dit werk heeft nauwlettend zorg gedragen, door zekere +kleine stijlwendingen, een soort van wellevend, deftig, soms +gedempt-grappig vragen-en-antwoorden-spel met zijne lezers, zijn boek +vooral tot een <i>verhaal</i> te maken, een verhaal, gedaan op 'n +joviaal-hoofschen, hier ietwat peinzend-weemoedigen, daar weer +oolijk-schertsenden trant. Mij dunkt, hij wenscht zijn lezers vóóral de +illusie van een <i>persoonlijk contact</i> tusschen hen en zich te +suggereeren. En voorts meen ik, dat hem niets zoo zeer verdrieten zou +als te moeten vernemen, dat hij hun dat door hem beschreven verleden van +de Edele Compagnie tot een waarlijk lévend héden gemaakt, en hun dus ook +de daaruit noodwendig voortvloeiende emoties veroorzaakt had. In 's +hemels naam, zou hij, geloof ik, zeggen, u moet dat allemaal zoo zwaar +niet opnemen; wat voorbij is, is voorbij, vooral niet te diep er op +ingaan.... En wellicht nog eventjes, onder het droomerig neerkijken op +het vuurpuntje van zijn sigaar, er philosopheerend aan toevoegen, dat +het leven nu eenmaal zoo is, alles ups and downs, hé, heden ik, morgen +gij.... Maar onderwijl stiekumpjes-spijtig in zich-zelf denken: wel, +wel, nou heb ik 't toch nog niet luchtig genoeg gedaan! Want deze +beminnelijke en fijne verteller had geen andere bedoeling dan zijn +toehoorders precies zóó licht-weemoedig te stemmen en precies zóó guitig +weer op te vroolijken, dat noch weenen, noch heel hartig en +schuddebuikend lachen hunne spijsvertering zouden <span class="pagenum"><a name="p48" id="p48"></a>[p.48]</span> kunnen schaden. +En daarmee heeft hij volkomen gelijk, want: mij althans praat 't nu +niemand uit het hoofd, dat ik bij hem gemiddagmaald heb, dat we daarna +nog wat hebben zitten schemeren—o, ik herinner mij duidelijk het +weemoedig en peins-spelend vertoon der schaduw- en lichtfiguren, die het +haardvuur den nacht-donkeren wanden liet ontschijnen—en dat hij mij +toen dit verhaal deed. Welnu, ik kan getuigen, dat ik dan ook inderdaad +geen oogenblik door al te diepe emotie uit de genoegelijke +after-dinnerstemming werd gebracht. Dat de verteller mij het verleden +tot iets tastbaar-levends gemaakt of zelfs maar verzichtbaard hebben +zou, ik denk er niet aan hem er van te betichten. Eerlijk gezegd, heb ik +niemand anders gezien, <i>gezien</i>, begrijpt ge, dan den fijngeestigen +gastheer zelf, hoe hij daar zijn sigaar zat te rooken, nu en dan een +teugje uit zijn kopje nam, mij, al verhalend, op den schouder klopte, +guitig knipoogde, weemoedig een traan wegpinkte, kortweg: alles deed wat +nu eenmaal des goeden vertellers is. Maar <i>Aboel Hassan Sjah</i> en <i>Carel +Hartsinck</i> en al die anderen, over wie hij sprak, nee, zièn, dat is iets +anders.... Maar toch ken ik ze wel zoo'n beetje, ze hebben mij wel iets +gedaan, doch ... de zaak is eigenlijk: de heer W. zelf was zóó erg +levend, dat de anderen wel dood moesten zijn, want nog altijd schijnt de +natuur er geen vrede mee te hebben, dat menschen van zeg 1600- èn +1900-zooveel <i>tegelijkertijd</i> léven. +</p> +<p> +Toen het uit was, en nadat we nog wat zwijgend hadden nagemijmerd, +waakte ik op, en, mijn gastheer aanziende, wilde ik vragen: "Maar meneer +Wagenvoort, permitteer me een vraag: u, die een gerenommeerd auteur zijt +... waarom schrijft u eigenlijk geen boek van dat verhaal?"—Maar ik heb +gelukkig net bij tijds een hoestbui gekregen en de vraag niet +uitgesproken: ik weet, auteurs hebben hun gevoeligheden.... +</p> +<p> +Maar eens heb ik nog een anderen indruk van <i>Het Stijfhoofdige +Bruidspaar</i> gekregen, al was hij aan dezen verwant: toen het als +<i>Handelsblad-feuilleton</i> verscheen. Destijds wist ik natuurlijk heel +wel, dat ik <i>las</i>, zoo avond aan avond, hè. En toch, ook toen was het +niet <span class="pagenum"><a name="p49" id="p49"></a>[p.49]</span> slechts een opluchting, te midden van al de moord- en +doodslaggeschiedenissen, detective-slimmigheidjes en wat dies meer zij; +het was mij als werd ik plotseling in een smokerig bioscoop-zaaltje, met +allerlei gruwelijke en griezelige dwaasheden op het scherm, door een +lieven vriend onder den arm genomen en we wandelden naar buiten, in de +frisch-open straten, en hij vertelde op zijn lieve, kalme, beschaafde +wijze.... Ik zou den heer Wagenvoort willen vragen: wanneer doet ge dat +eens weer?... Vooral ik—maar waarschijnlijk duizenden met mij—heb er +zoo'n behoefte aan: bedenk, ik ben geabonneerd op het <i>Handelsblad</i> en +een booze fee heeft mij bij mijn geboorte be-vloekt, dat ik elken regel +druks dien ik ontmoet, in een minimum tijds zou moeten verslinden.... En +zoo lees ik, moét ik lezen, óók alle romanfeuilletons.... God helpe +mij.... Op 't oogenblik houen we an 'n met coli-bacillen vergiftigd +waterreservoir. D'r moet 'n jong meisje "uit den weg geruimd worden." +...Nu weet ge er al alles van.... Kòm, bid ik u, weer eens wat verhalen +op uw gemoedelijke, beschaafde, logische en vaak zoo veelzeggende +wijze.... Zoo houd ik 't niet uit.... Die juffrouw met de +coli-bacillen—en O! de gedrochten die haar zijn voorafgegaan! en O! die +na haar zullen komen!...—zij bezorgt mij een cauchemar!... +</p> +<p> +Mei '13. +</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p class="pagenum"><a name="p50" id="p50"></a>[p.50]</p> +<h4>SAM. GOUDSMIT: IN DE GROOTE LEERSCHOOL</h4> + +<p> +Wat is het, dat de jeugdig-bloeiendste, de krachtigst-voortschrijdende, +de sterkst-bezielde menschelijkheid in dit werk, epileptisch-plotseling +en -abrupt, met een vergrauwende uitputting bevangt, dat de gestalte als +levenloos inzinkt, de stralende oogen verglazigen, de jong-roode lippen +verbleeken, en dan, weer eensklaps wijkend, haar veroorlooft te +herrijzen, jong-bloeiend gelijk zij was, met oogen, die hun rijke, +innige glans, wangen en lippen die hun kleur hebben herwonnen. En zij +staat weer, krachtig, naast u en schijnt zelfs geen herinnering mee te +dragen aan haar tijdelijken dood.... Maar gij zijt stil en als schuw +geworden en denkt na. Want ge weet 't wel: wat in <i>kunst</i>-leven gelijkt +op het ziek-worden en sterven van <i>Natuur</i>-leven, komt voort uit een +aanval van <i>veronechting</i> alleen.... Maar ge vondt 't toch in zijn +levende geheelheid zoo innig, ge vondt het toch zoo pràchtig waar.... En +het onecht vinden van een deel, te midden van zóóveel overtuigende +echtheid, dat is iets zóó subjectiefs!... Hebt ge u misschien vergist? +Wàs die inzinking er wel?... En ge scheldt uzelf al een hallucinair +fantast! Maar terwijl ge dit denkt ... kijk, kijk! daar is 't weer, daar +verschrompelt 't, daar verbleekt 't weer!... Die veronechting, zij <i>is</i> +er, uw twijfel sproot daaruit voort, dat zij als oorzaak in verhouding +tot hare uitwerking en gevolgen iets zoo gerings lijkt ... zóó gering +... maar toch, het blijkt nu, ook zóó <i>beteekenisvol</i> als ... ja ... +<i>als op het gelaat van een goed-gekenden en geliefden mensch, met +schoone daden en ware woorden, een onbeheerscht trekje, een vluchtig, +maar telkens zich herhalend, bewegen kunnen zijn, die voor ù, èven, dat +schoon- en waar-geachte veronechten</i>. Ook dan voelt ge u bekneld +tusschen <span class="pagenum"><a name="p51" id="p51"></a>[p.51]</span> twee tegenstrijdigheden: ge gelooft vast in uw eigen +doorvoelingsmacht en niet minder in de beteekenis van het kleine en +onbeheerschte, <i>juist omdat het kleine en onbeheerschte is</i>.... Maar: +zijn schoone daden en ware woorden, die ge toch, let wel, met datzelfde +doorvoelingsvermogen waar en echt hebt bevonden?... En ge gaat zoeken +naar een oplossing, een verklaring, want ge houdt van dien mensch. Gij +mòet u zekerheid verschaffen, gij mòet de juistheid of onjuistheid uwer +meening kunnen tasten. Zóó ook is het mij gegaan, bij het beschouwen van +dit boek, zóó zal 't ongetwijfeld ook u gaan, lezers van dit +maandschrift, die hier meer dan eens gelegenheid hadt, het hartige, +bloedrijke, zoo lustig en jong zich in het leven dompelende talent van +Goudsmit te waardeeren en lief te krijgen. Welnu, ik geloof u die +verklaring te kunnen geven. Maar vóór ik u daarvan vertellen ga, dient +ge u even te oriënteeren in den bundel: wat is het bloeiendste, het +sterkst bezielde leven daarin? Ongetwijfeld, meen ik, het joodsche. Zie +eens aan: Goudsmit is ongetwijfeld vooruitgegaan, óók in de beelding van +het niet-joodsche leven. De kleine en zeer goede novellen: <i>De +Onverbeterlijke, De Hengelwedstrijd, Moeder Zijpe's Verjaardag, In de +Engte</i> zijn daar treffende bewijzen van. Maar toch, het àllerbeste, het +àllerinnigst doorvoelt hij nog slechts Joden. Zijn <i>Joden</i> zijn +<i>individuen</i>, zijn <i>Christenen</i> vaak niet meer dan <i>typen</i>. De beste +novellen in dezen bundel acht ik dan ook: <i>Hoe de kleine Sjimmie Neeter +burger werd</i> en <i>Kinderen</i> (de meest geslaagde van die twee: de +eerstgenoemde). <i>En juist in deze beide is het veronechtende element het +sterkst aanwezig</i>. De vraag blijkt nu wel niet slechts meer te zijn: +<i>wat</i> is het? maar ook: hoe komt het <i>juist daar</i> het <i>hevigst</i> tot +uiting? En dan ligt schijnbaar het antwoord voor de hand: joodsche en +socialistische tendenz. Maar dit is niet zoo, men zou het mooie +werkschreeuwend onrecht doen, door dit te beweren; tendenz is er, maar +zij is die van het <i>Onbewuste</i> en schaadt daarom niet. Goudsmit's +<i>bewustheid</i> redeneert niet: komaan, dien socialist en dien jood, die ga +ik een beetje opsieren, noch heeft zij de gewóónte aangenomen dat werkje +te doen, maar zijn <i>ònbewuste scheppende Vermogen</i>, dat bij hem, gelijk +bij ieder, <span class="pagenum"><a name="p52" id="p52"></a>[p.52]</span> <i>slechts schoonheid en goedheid scheppen kan</i><a name="FNanchor_1_20" id="FNanchor_1_20"></a><a href="#Footnote_1_20" class="fnanchor">[1]</a> is +doordrongen en doordrenkt van liefde tot het socialisme en het +Jood-zijn! Ware deze arbeid er eene van <i>bewuste</i> tendenz, ik zou haar +schoon noch kunst kùnnen vinden. Neen, het is: een <i>onbeheerschte trek</i>, +het is een <i>vluchtig bewegen</i> van het <i>taalgelaat</i>, dat telkens en +telkens weer, woorden en daden, geheel het van leven tintelende wezen, +voor éven, veronecht. Goudsmit—om u dan eindelijk mijn meening ter +overweging te geven—<i>vertaalt</i> het zich verwoordende <i>denken</i> zijner +figuren uit hun <i>denk</i>-taal in zijn <i>schrijf</i>-taal! Gij voelt, niet +waar, de dùbbele fout van dit procédé, de dubbele veronechting? Gij +voelt, hoe onaangenaam een stemming en wreed een twijfel dit valsche +trekje op het frisch-open gelaat dezer kunst, bij machte is in den +aanschouwer te verwekken. Zeker, voor sommige beoordeelaars zal de +verleiding groot zijn te beweren: zulk een invalide, afgedankte, +socialistische sjouwers-knecht, die zóó wijs en breed denkt, als Chajim +Neeter bestaat niet, en die Japie in <i>Kinderen</i> is wel een +uitzonderlijk-hevig en dichterlijk-voelend jongske, gelijk de vader voor +zoo'n doorgaans sluw-genoeg voddenjoodje al bijster naïef en +onpractisch-fantastisch is; maar ik zeg, dat ik alle deze drie figuren +onweersprekelijk zeker als echte menschen voel te leven in Goudsmit's +<i>Scheppende Onbewustheid</i> gelijk óók—wat er feitelijk niets toe +doet—in de dagelijksche levenswerkelijkheid om ons heen. Maar dàt ik +hun echtheid voelen kan, dat wordt veroorzaakt door hun daden en +woorden, de <i>dramatiek</i> in den eigenlijken zin, en de <i>dialoog</i> dus. En +tegen dat als echt voelen botst dan telkens een als ònecht voelen. En +dit wordt veroorzaakt door de foutieve, <i>niet</i>-Chajem-achtige, +<i>niet</i>-Japie-achtige, maar pur et simple <i>Goudsmit'sche</i> uiting van +Chajem's en Japie's denk-voelen. Summa summarum dus: voel ik ze als +gehéél-echt te bestaan in des schrijvers <i>Scheppend Vermogen</i>, ik voel +ze als slechts <i>gedeeltelijk</i> echt in zijn <i>boek</i>. <span class="pagenum"><a name="p53" id="p53"></a>[p.53]</span> En dit is +jammer voor het prachtig-doorvoelde werk. Het is vooral spijtig, omdat +zeer zeker die fout geheel vermeden had kunnen worden door dezen +talentvollen schrijver, die alleen nog meer zelfbeheersching wellicht en +technische discipline behoeft, om zich, geheel zijner waardig, te kunnen +uiten. Voelde hij de ondeugdelijkheid niet van zijn procédé—'t geen +ongetwijfeld het meest gewenschte ware geweest—hij had die toch zeer +gemakkelijk door nadenken kunnen inzien: Is niet een <i>scheppend</i> +kunstenaar ook, in zekeren zin, een <i>interpreteerend</i>? Is een +menschfiguur, gelijk zij verrijst en staat en leeft in de conceptie van +een schrijver, niet een wezen, dat buiten hem zijn eigen leven leeft, +ofschoon het, en dit toch slechts tijdelijk, uitsluitend in hèm leeft? +Is zij niet een <i>compositie</i>, die <i>vertolkt</i> worden moet, met de meeste +piëteit en zóó dat het eigen wezen der compositie, de "bedoelingen" van +den componist, d.i. het <i>Scheppend Onbewuste</i>, tot de volmaaktst +mogelijke uiting komen? Wat zoudt gij zeggen van een interpreteerend +musicus, die in een door hem gespeelde compositie van een waarachtig en +meesterlijk artist, geheele brokken verving door andere tonenreeksen, +wijl die naar zijn meening dragers van dezelfde gevoelswaarden zijn en +het voordeel hebben, lichter-begrijpelijk, of uiterlijk-bevalliger, of +korter van duur te zijn?! Hetzelfde zoudt gij dan wellicht zeggen, niet +waar, als—van een schrijver, die het denk-voelen zijner figuren door +<i>zijn</i> lyrische paraphrase vertolkt, in stede van dat +denk-voelen-<i>zelf</i>, in de taal-<i>zelf</i> daarvan, zij 't +resumeerend-gestyleerd, te geven.—Het deere Goudsmit niet, dat ik +uitweide over het foutieve in zijn werk, hij voele er mijn achting voor +zijn gaven, mijn innige waardeering in, en zoo hij er de bedoeling in +proeve, hem als 't ware theoretisch te onderrichten, dan—heeft hij +gelijk. Maar is het doel van ons àller leven niet, elkander te +onderrichten en geest-verhelderend te steunen, en houd ik mij niet +overtuigd, dat hij mij evenzeer iets zou kunnen leeren, wat ik niet weet +of inzie, gelijk ik het hem nu denk en hoop te doen. Want ik wensch zoo +innig, dat zijn volgend werk niet meer met die fout behept zij. Zij +geeft, zelfs aan het geheel, den schijn van het niet-geacheveerde, het +onrijpe. +</p> +<p> +<span class="pagenum"><a name="p54" id="p54"></a>[p.54]</span> Die erin gewerkte Goudsmit'sche lyriek, <i>ook in de +beschrijvingen</i>, zij vloekt tegen het armelijk bestaan der gebeelde +volksmenschen. Het werk verliest daardoor zijn eigen-tonige, +warm-toedekkende, levenverwekkende en -behoudende atmosfeer. Het staat +dan koud en naakt, het bezwijmt en dreigt te sterven. +</p> +<p> +En behalve dat: dit lyrisch proza is vaak op zich-zelf van zeer +twijfelachtige qualiteit. De zéér talrijke fijnheden in dit werk, de +soms waarlijk prachtige vondsten van verwoording, zij zijn te vinden in +de psychologiek van het <i>momentaneele</i> geestbewegen der figuren, <i>niet</i> +in de <i>resumeerende</i> psychologiek van hun <i>algemeene</i> voel- en +denk-<i>wijze</i>. <i>En dáár treedt de Goudsmid'sche lyriek op!</i> Zij zijn te +vinden in de zuiver-<i>plastische</i> beelding der dingen, <i>niet</i> in de +<i>metaforische</i> weergave van hun aanzien. <i>En dáár treedt de Goudsmidsche +lyriek op</i>. Zij, die onrijpe lyriek veroorzaakt, dat naast kostbare +fijnheidjes zich telkens valsche beeldspraak en slordigheid vertoonen. +Dat zij in de joodsche schetsen het meest op den voorgrond treedt—ik +was u nog een verklaring daarvan schuldig—ligt m.i. onbetwijfelbaar +daaraan, dat 't joodsche-leven-in-dezen-bundel, het warme, innige, +hartstochtelijke, veel meer met Goudsmit's eigen aard overeenkomt dan 't +koelere, grovere leven-der-Christenen-in-dit-boek en dus veel eerder dan +dit laatste een uitstorting van des schrijvers eigen gevoel kon te weeg +brengen. +</p> +<p> +Ik kan, met het oog op de beschikbare ruimte, geen bewijzen geven, noch +van de gegrondheid mijner bewondering noch van die mijner blaam. +Analysen en citaten, ik moet ze achterwege laten. Maar één schoonheid +wil ik met name noemen, een schoonheid, die altijd in mijn geest als een +kostbaar bezit zal staan: de verrukkelijke—ik zeg het met nadruk—de +<i>verrukkelijke</i> beelding van <i>Chajem</i> en <i>Sjimmie's</i> tocht naar de +fabriek, van Sjimmie's zielontroerend afscheid van Vader, pràchtig van +echtheid, héérlijk van de innigste doorvoeling. Hadde Goudsmit nooit +zijn mooie <i>Zoekenden</i> geschreven, bestond er niets anders van hem dan +de beelding van dit smartelijk gebeuren, zij maakte het tot plicht hem +een groot talent te roemen. +</p> +<p> +<span class="pagenum"><a name="p55" id="p55"></a>[p.55]</span> En dan ... ja dan is er toch nòg iets, waarover ik even mòet +spreken. De <i>humor</i> in dit werk, de lagere èn de hoogere. De lagere: +goedmoedig-fijne en ingehouden làch alléén, gij vindt hem in <i>De +Hengelwedstrijd.</i> De hoogere: lach èn deernis, tot één zachtkleurige +schoonheid verteederd, hij leeft in de joodsche schetsen op meer dan +ééne plaats, maar het diepst, het rijkst in de paar laatste woorden van +den laatsten zin van <i>Kinderen</i>. +</p> +<p> +"In een paar woorden, in één zin!" roept ge geringschattend uit, "der +moeite waard." Maar, lezer, ik vrage u, als die humor, zóó broos een +schepsel van zon en tranen met zijn teere kleuren onze levenslanden +overboogt, zouden wij dan niet dankbaar zijn voor die stralende omvaming +van het verspreide, hoe kort zij dure?... +</p> +<p> +Juni '13. +</p> +<p class="caption"> +Noot: +</p> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_20" id="Footnote_1_20"></a><a href="#FNanchor_1_20"><span class="label">[1]</span></a> Deze bewering ziet er uit als een phrase. Ik mòet daarom +wel de onbescheidenheid hebben, den lezer te verwijzen naar mijn opstel +in De Ploeg van Juli—Aug., 1911: "Over Literaire Kritiek en Is. +Querido's studiën", waarin ik die bewering gemotiveerd heb. (Herdrukt in +mijne <i>Schetsen en Critische Opstellen</i>.)</p></div> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p class="pagenum"><a name="p56" id="p56"></a>[p.56]</p> +<h3>MR. J. DERMOÛT: SINGKEP TIN</h3> + +<p> +Mozes verkondt den stamhoofden van Israël, dat zoo hun de beoordeeling +van 't een of ander verwikkeld geval te zwaar mocht vallen, dit voor hem +moet worden gebracht, opdat hij 't berechte. De Heer, wien dit trotsche +woord mishaagt, doet daarop de Tselafgadiaansche moeilijkheden rijzen, +en ook Mozes weet niet.... De literaire critiek hoogmoedigt sinds jaar +en dag tot de kunstlievende en beschaafde gemeente—medici, ingenieurs, +juristen, enz. enz.—"Zoo gij met de beoordeeling van eenig literair +werk geen weg weet, kom tot Mij—met een hoofdletter—en Ik zal het +richten, en," zoo voegt ze er allicht op haar betweterige manier aan +toe, "als Ik u raden mag, beproef zelfs niet een oordeel te geven, breng +het Mij, den Eenig-bevoegde", maar ziedaar ... het lot dat de +hoovaardigen vernedert, doet den heer Dermoût en zijn <i>Oorspronkelijke +Indische Roman</i> verschijnen, en—de critiek staat paf en met haar +grooten mond vol—tijgerlijke—tanden. Welk een onverwachte +vernedering! Een hengelaar, die door zijn prooi te water wordt +getrokken, een beul, die door de veroordeelden wordt geëxecuteerd! En +bleef 't daar nog maar bij, maar o, die gelegenheid tot wraak en +Schadenfreude, die ik der kunstlievende en beschaafde gemeente <i>niet</i> +gun. Want helaas, dit weet gij nog niet en nu zal ik 't wel blozend en +lip-bebijtend moeten erkennen: de residenten, de controleurs, de +radjahs, de planters, de koeliedrijvers en de indologen en met hen de +smeden, de timmerlui, de geologen, de geographen, de zeevaarders, de +water-, de scheeps- en de mijnbouwkundigen, de medici, de machinisten en +de smokkelaars, benevens <span class="pagenum"><a name="p57" id="p57"></a>[p.57]</span> de ... och, ik raak buiten adem, laat me +maar zeggen, al de medewerkers van <i>Meyers Grosses +Konversations-Lexicon,</i> àllen, zeg ik u, en nog meer, nog véél méér, +zouden de schitterendste, de diepzinnigste, de geestdriftigste, de meest +eloquente recensies over dezen roman kunnen schrijven, alleen—de +letterkundige niet! Want de heer Dermoût en zijn hoofdfiguur <i>Bob</i> zijn +van àlle markten thuis en dit prettige werk is een handboek voor àlle +ambachten en àlle wetenschappen, maar alleen dàt iets, dat nietige +dingsigheidje waarover een <i>kunstcriticus</i> een oordeel zou kunnen geven, +dat schijnt onze auteur, al schreef hij dan ook een roman, toevallig of +wellicht met de wijze bedoeling, de goden door de volmaaktheid zijns +werks niet te tarten, te hebben overgeslagen. Neen, zooiets staat er +niet in. En toch ... àls ik eens ... die paar psychologische trekjes ... +maar nee, och nee, daarover kan ik waarachtig toch geen boom gaan +opzetten.... Komaan, geen onwaardig geschipper, dan maar liever deze +gulle bekentenis van onmacht, onmacht, m'n hemel, van hem, wiens taak en +plicht het is hier te spreken, om één woord te zeggen van een boek, +waarover de heele wereld wat zeggen kan! Maar mocht dan ook deze +duldzaam aanvaarde vernedering tot boete voor ons àller hoogmoed +strekken, o, mijne broeders in de critiek, en het vertoornde lot, +behagen scheppend in de verbrijzeling onzer harten en neigend tot +genade, den heer Dermoût nog vele, vele handboeken laten +schrijven—ikzelf, o dànk, dànk! heb nu reeds een nieuwe methode van +diamantkeuring van hem geleerd!—maar nimmer, o, nimmermeer een +roman.... +</p> +<p> +Juli '13. +</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p><span class="pagenum"><a name="p58" id="p58"></a>[p.58]</span></p> + +<h3>WALLY MOES: GOOISCHE DORPSVERTELLINGEN</h3> + +<p> +Alle wezenlijke kunstenaars hebben dit gemeen—gelijk ook zij, die de +wetenschap om der wille van haar zelve dienen—dat zij nimmer moede +worden des Levens Gelaat te beschouwen, en hun geen geluk zoo groot, +geen arbeid zoo gewichtig is, als die arbeid, die een geluk, dat geluk, +dat een arbeid is. Zij beschouwen dit Gelaat dan ook niet, òm van zijn +lijnenspel en schoonheid te verhalen, maar, omgekeerd, verhalen zij +ervan, omdat hun contemplatie hen te vol heeft gemaakt van gevoel, dan +dat zij dat langer alleen zouden kunnen dragen. En daarentegen vertoonen +alle pseudo-kunstenaars dèze overeenkomst, dat zij wel telkens èven zien +naar dat Gelaat, maar op de wijze van iemand, die een nu eenmaal +noodzakelijk maar vervelend werk heeft te verrichten, dat hem maar zoo +weinig mogelijk van zijn kostbaren tijd moet kosten. Zoo spoedig +doenlijk wenden zij zich dan ook af en gaan met den rug er naar toe +zitten, en om het weinige heen, dat zij werkelijk gezien hebben, +borduren ze dan veel bedàchte leugentjes en vertellen van dat weinige +zoo veel mogelijk: daarom was 't hun immers alleen te doen. Onder de +eersten behoort ook deze zeer echte kunstenares Wally Moes en het zal +zeer gemakkelijk zijn, ook haar rang te midden van hen te bepalen, +indien wij het volgende hebben opgemerkt. Er zijn artisten—en van de +grootsten—wien de blik uit het Levensgelaat, voortdurend brandend in +hun oogen, als hypnotiseert, zoodat zij als in een droom en onder een +dwang, hun hand de lijnen van het hun geworden beeld voelen trekken; +<span class="pagenum"><a name="p59" id="p59"></a>[p.59]</span> hun bewegen faalt niet; hun schepping trilt en beeft van 't +innigste leven-zelf;—Jozef Israëls, om een schitterend voorbeeld te +noemen, heeft zich een van hen geweten. Er zijn er anderen, die ziènde +èn geboeid door het zien, dàn toch niet verstaan wat zij aanschouwen, en +de schoonheid en beteekenis ervan pas in het <i>herinneringsbeeld</i> +doorvoelen. Dier werkwijze is meestal moeielijk en zwaar; het leven +staat uit een diepe bezonkenheid in hen op, het heeft al zijn +schoonheid, tinten en geuren, behouden, maar gedempt; doch zoo het al +aan blijmoedigheid en losse bevalligheid verloor, het heeft aan zuivere +klaarheid en zachten ernst gewonnen, zooals huizen en boomen aan een +spiegelend grachtje in 'n stad, waar, tegen den avond, een onweer met +veel regen alles in een gewasschen helderte heeft gezet. Ook tot hen +behooren Grooten.—En dan zijn er nog, die ziende onmiddellijk +begrijpen, al te nùchter vaak begrijpen, en al ziende haastig hun +<i>notities</i> neerschrijven. Dat zijn de wel zeer echte, maar vaak als +nonchalant werkende kunstenaars. <i>Zij zien te véél naar het Levensgelaat +en te wèinig naar wat zij schrijven</i>. Onder hen bevindt zich onze Wally +Moes. Mag het haar gebeuren, dat door een gelukkig toeval het +essentieele alleen binnen haar gezichtsveld komt, dan beeldt zij slechts +dat—zoo bijv. <i>Harpje</i>, waarmede haar bundel opent: een +<i>meesterstukje</i>!—; gevalt het daarentegen, dat ze ook het bijkomstige +ziet, dan schrijft ze zonder genade voor zich-zelf of den lezer ook al +dat bijkomstige neer, zooals in <i>Het Wondervrouwtje</i>. Niet zelden +verlaagt zij dan haar werk tot een bijna zakelijke folkloristische essai +of een bonte collectie anecdoten—zoo is bijvoorbeeld de zwijgende +figuur <i>Leendert</i> in <i>Getjilp</i> onverklaard, geen kunst, anecdotisch +gebleven, terwijl <i>Donker Laren</i> maar al te vaak niet boven het +zuiver-folkloristische uitkomt—maar is zij dan tot zoo diep gedaald, +dan komt ze plots tot bezinning en stijgt weer: in een paar gelukkige +zinnetjes bewijst zij dan nog, ook veel van het essentieele te hebben +doorvoeld—zie het slot van datzelfde <i>Het +Wondervrouwtje</i>.—Rasschrijfster als zij is, deinst ze voor niets terug, +overwint zij alle moeilijkheden tot volle bevrediging van den lezer en +als spelenderwijs; men behoeft slechts de bedreiging met <span class="pagenum"><a name="p60" id="p60"></a>[p.60]</span> moord +door den teleurgestelden minnaar en den gevaarvollen tocht der beide +spieringvisschers op het Zuiderzee-ijs te lezen—beide in het prachtige +<i>Harpje</i>—om er eens voor al diep van overtuigd te worden. In haar puren +eenvoud, als zonder het te weten, dat zij zoo veelsoortig kostelijks in +haar werk bergt, is zij zoowel romanticus als realist, vol humor als vol +weemoed, beeldt zij even voortreffelijk synthetisch als ze prachtig +psychologisch analyseert—lees eens, om dat laatste vooral te +bewonderen, het mooie <i>Zalige Sien</i>, het slotstukje van den bundel!... +</p> +<p> +Zoo schijnt ons dan slechts betrekkelijk weinig te wenschen over +gebleven, en toch—is dat weinige wel zóó luttel als het schijnt? Een +wèinig meer rustige aandacht bij de schrijfster, en des lezers genieten +van het essentieele wordt niet meer zoo vaak door het bijkomstige +verlet. Een wèinig meer eerbied bij de kunstenares voor eigen vermogens +en voor het eigen wordende werk, en de taal wint aan die liefelijke +waardigheid, zonder welke een feest van den geest nooit stoorloos +verloopt.... +</p> +<p> +Heeft Wally Moes zich dàt éigen gemaakt, ik ben er zeker van, dat zij +van een goede, een <i>voorname</i> schrijfster zal zijn geworden. +</p> +<p> +April '14. +</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p class="pagenum"><a name="p61" id="p61"></a>[p.61]</p> +<h3>G.F. HASPELS: WISSELEND UITZICHT</h3> + +<p> +Het kwam niet, geloof ik, door het zeeïg-zilte, ruig-stoere en +hel-doorwaaide van Haspels' wijd-open geest, dat ik zoo vaak moest +denken aan die stedekens rond de Zuiderzee, als ik zijn werk las, want +mijn verbeelding meende immers hen dan juist zóó te zien, gelijk zij +zijn zullen wanneer eens ons machtigste binnenwater zal zijn gedempt en +over het nieuwe land nieuw en sterk leven hun doode pleinen en straten, +hun oude huizen binnentrekken zal. En evenmin kwam het, gelijk menig +lezer allicht zou denken, door de onderwerpen, welke onze schrijver bij +voorkeur behandelt. Het onderwerp-an-sich pleegt mij niet zoo te +obsedeeren, dat het boek mij aan iets frisch doet denken als het +onderwerp frisch is of ik het bij iets bedompts zou vergelijken, wanneer +het onderwerp bedompt is. Neen, mij althans doet dit alleen de +behandeling....—Maar het werd veroorzaakt, dunkt mij, door de +half-onbewuste overweging, dat ook de heer Haspels tegelijkertijd zóó +ouwerwetsch èn modern is als zulk een stadje vermoedelijk in de toekomst +zijn zal; het wemelt soms van moderne sentimenten en levensaanvoelingen +bij hem en die wemeling trekt maar, zoo gewoon-weg als hoorde 't niet +anders, door Potgieteriaansche straten—nou ja, natuurlijk: d'r zijn ook +nieuwe buurtjes bijgebouwd!—en Hildebrandsche geveltjes voorbij. Niet +dat hij de hoog-aristocratische zwier, de gesoigneerde wellevendheid of +het onvergelijkelijk stijl-vermogen des eersten bezitten zou—vèrre van +dien! Maar z'n dialogen vooral, natuurlijk niet in zijn schetsen van +volks- en zeemansleven, doch in zijn meer novellistich gecomponeerde +verhalen der "betere" standen <span class="pagenum"><a name="p62" id="p62"></a>[p.62]</span>—verreweg zijn slechtste werk: te +zeer verstandelijk in elkaar gezet, met allerlei bedoelinkjes en +toevalligheidjes, zooals het zéér nàre <i>Vriendschap</i> in dezen +bundel—vertoonen van die Potgieteriaansche speelsche en andere +wendinkjes. En zijn zij al meest van zulk een goedkoope gevatheid als +dien Groote nooit uit de pen hadde gewild en missen zij immer diens +hooge voornaamheid, toch laten zij niet den geringsten twijfel over de +herkomst van den onbewust of bewust onderganen invloed, die in 't +algemeen hun wording heeft beheerscht. En niet, dat hij den droog-fijnen +humor van Hildebrand zou bezitten, neen, daar is hij te robust, te +sterk-, ja laat mij maar gerust zeggen, te groot-levend voor, maar +vooral en vaak bij het beëindigen van zijn novellen en schetsen doet hij +mij aan dien denken ... dan heeft hij iets van zijn manier, dan hoor ik +zijn geluid.... Och ja, ik geloof eigenlijk dat bijna héél dat oude +Holland van de middenjaren der vorige eeuw weer in hem tot nieuw leven +is gekomen, soms tot een ruimer natuurlijker leven, dan het wellicht +ooit bezat; zich in en door hem aan het moderne heeft verbonden. Zijn +hecht aan de "<i>onbewuste</i>" natuur, het aarde-, water- en luchtleven +verknochte aard, neen diè is allerminst van dièn tijd, noch specifiek +van den onze; die, zijn kostbaarste kern, is iets van àlle tijden, +waarin nog vrije en zuiver blijmoedige menschen kunnen bestaan; maar +alles wat in engeren zin tot de litteraire uiting zijner ikheid behoort, +dat is bijna immer beïnvloed door die periode en bijna nooit door die +van '80 of de onze. Tot een visie—ge herinnert u <i>Onder den +Brandaris</i>?—als die der "vier goudgehelmde, goudgepantserde reuzen", +die van Rembrandtiek licht omgloorde "wandstaanders", kwam men niet in +Hildebrand's tijd, nog veel minder tot een bijna sensitivistische +aanvoeling als, terzelfder plaatse, van de "nacht, wind en zee (die) +stonden daar met groote doode oogen verbaasd rond die lichtbron," op het +"zwalkend, in eenzame duisternis verloren scheepje". Dàt komt voort uit +het moderne in Haspels, gelijk ook de zéér ontroerende, pràchtig zonder +één kreukje in één stemming gehouden <i>Zaterdagavond-Herinnering</i>, in +dézen bundel. Maar wèl uit dien verleden tijd, wellicht uit iets van het +beste daarvan, is het <span class="pagenum"><a name="p63" id="p63"></a>[p.63]</span> gedistingeerde, savant-samengestelde <i>In +den Staringskoepel op Visite</i>, eene allerliefste causerie, vol van een +luchtige, elegante eruditie; een gelukkige vervlechting van waarheid en +droomen—godlof allerminst Jonathan'sche!—van natuurbeschrijving en +mensch-typeering, fijntjes-effleureerende letterkundige appreciatie en +prettig-aandoende zelfspot. Kom nou eens om zóó'n stuk bij den pur sang +moderne!... Maar <i>De Medeplichtige</i>, dat toch ook een hartig en goed +stukje is, laat dan weer het zwàk-ouderwetsche kantje zien. Hier als bij +Augusta de Wit's <i>Nellis</i>, een strooper, een boer, die der "wrekende +gerechtigheid" ontvlucht, door een dominee wordt geholpen en in +veiligheid gebracht, maar hoeveel sterker is hier Augusta de Wit, omdat +zij modern-koeler voor het geval staat; omdat zij in een speciaal +moderne onverschilligheid voor het verháál, geen behoefte heeft gevoeld, +dit met ouwerwetsche toevalligheidjes op te sieren tot het van een +schetsje, een tranche de vie, een complete, gecomponeerde novelle zou +geworden zijn. Overigens is er niet véél meer van dezen bundel te +zeggen. <i>De Gouverneur-Generaalsche</i>: een aardig stukje. <i>De Maas voor +Rotterdam</i> en <i>Op Holland's Breede Wateren</i>, nou ja, dat zijn van die +goeiige toast-achtige dingetjes, waarvan je, als je in dezelfde +enthousiaste after-dinner-stemming bent als de spreker, +méé-wijntraan-in-'t-oog-lacht, en anders maar 'n beetje verlegen je lip +bebijt. Terwijl <i>Zwakke Kracht</i> en <i>Vriendschap</i> ... over het laatste +heb ik al even gesproken en welnu: zoo is het eerste ook: beide +onbeteekenende, door geen enkele qualiteit den schrijver waardige +verhaaltjes, al opent <i>Vriendschap</i> dan ook met de bijzonder fraaie en +lieve beelding van een meesje, dat op een zwiependen tak een tuinkamer +in en uitwiegt. Maar in <i>Een Mensch</i>, daar is de schrijver weer op zijn +sympathiekst, zijn sterkst en zijn best; daar is hij weer de wijd-opene, +zoowel voor het klein- als groot-menschlijke zoo diep-ontvankelijke +begrijper, zoo heelemaal niets in elkaar knutselend, zoo gansch niet +zich verheven voelend boven zijn klein-menschelijk onderwerp en daardoor +juist zoo prachtig erboven; zoo ontvangend en gevend het leven in éénen +tocht. +</p> +<p> +<span class="pagenum"><a name="p64" id="p64"></a>[p.64]</span> Naar de taal in engeren zin, als kùnsttaal, als plastisch +materiaal, als rijkdom van éénig-juist beeldende woorden, dáár moet ge +bij dezen ouwerwetsch-modeme eigenlijk heelemaal niet naar kijken. Want +o ho! dan ziet ge wel héél duidelijk dat toen ten jare '80 dat lustige +stormzeetje van <i>De Nieuwe Gids</i> Holland zooveel nieuwen rijkdom +binnenbracht, de stad Haspels aan een léélijk-verzande haven moet hebben +gelegen....— +</p> +<p> +Sept. '14. +</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p class="pagenum"><a name="p65" id="p65"></a>[p.65]</p> +<h3>CORNELIS VETH: GIDS VOOR PADVINDERS, PRIKKEL-IDYLLEN VI</h3> + +<p> +De heer Veth heeft door het schrijven zijner <i>Prikkel-Idyllen</i> onze +literatuur met een bezit verrijkt, waarmede deze deftig-ernstige, dunkt +mij, wel nimmer zal gedroomd hebben nog eens in haar rechtlijnige, +streng-gebeeldhouwde hollandsche-kast te mogen pronken.—Zeker, wij +hebben meer goedlachsche spotters gehad, maar hoe vaak was, in den +nieuweren tijd, dan niet alleen het genre, maar ook de geest +geïmporteerd! De heer Veth deed beter: het uitheemsche genre ter +verrijking van eigen literatuurschat aanvaardend, begreep hij, dat er +van eenige werkelijke en blijvende winste geen sprake zou kunnen zijn, +zoo hij het niet herschiep door en in eigen geest. Het geluk begunstigt +vaak den moedige. Zou het hemzelf niet meegevallen zijn, dat die geest, +eens aan het werk getogen, zóó kostelijk òn-hollandsch bleek in zijn +schaterend-mal fantastisch doorslaan, zoo gelukkig in-hollandsch bleek +in zijn niet aandikken van de geestigheid, in zijn telkens als kleine +fonkellichtjes de écrituur èven overschijnenden en dan weer bescheiden +plots henen glimlach? Zoo ik u een bewijs moest geven van de +aanwezigheid dier uitbundige fantasie, ik zou mij allicht verplicht +achten u dezen geheelen "Gids voor Padvinders" af te schrijven, want zij +komt uitteraard slechts bij het beschouwen van het geheel tot haar volle +recht en is in een klein citaat niet dan zwak en verminkt te geven; maar +zoo ge dien stillen, nauwelijks merkbaren glimlach mocht wenschen te +zien, dat èven trekken der mondhoeken van den verteller, dat èven +schalk-schuin <span class="pagenum"><a name="p66" id="p66"></a>[p.66]</span> kijken zijner oogen, dan is daaraan gemakkelijk te +voldoen. Ziehier: "Jammer, dat wij niet kunnen genieten van het +prachtige uitzicht, dat door gindsche dichte haag pijnboomen aan ons oog +wordt onttrokken.... Maar hoe wisselvallig hier het climaat is, bewijst +de ontzettende cycloon die daar plotseling opkomt en op enkele meters +afstand van ons alles vernielt, eeuwenoude eiken met wortel en al uit +den grond rukt, de planten mijlen ver wegslingert.... Ons uitzicht is nu +meteen vrij gekomen en wij vervolgen dankbaar en vol natuurgenot onzen +weg." +</p> +<p> +Zelden, nietwaar, zal dat vermaarde "droge" van ons overigens zoo natte +Holland, zich als tegelijkertijd zóó sappig en frisch hebben +geopenbaard. En toch zijn deze prikkel-idyllen van onzen begaafden +spotter, in al hun heuglijke deugdelijkheid nog slechts een begin; een +begin, dat dan ook inderdaad noch het verrassende, noch het min of meer +jeugdig-kleine van bijna elken aanvang van iets zeer +beteekenisvol-nieuws mist. Dat beteekenisvolle, en voor ons land +nagenoeg nieuwe, is: de ontwikkeling van den artiest-criticus in <i>diens +eigen lijn</i> tot scheppend kunstenaar: den schrijver van den <i>Conte en +marge</i>—men kent immers de buitengemeen-fraaie, soms zelfs grootsche +kunstwerkjes van een Lemaitre in dit genre?—welke het air heeft van je +zou zoo zeggen géén critiek te zijn en dit toch, o zoo fijntjes, o zoo +stimuleerend en verheuglijk is.—Toen ik indertijd, de aandacht mijner +Het Jonge Leven-lezers op de <i>Prikkel-Idyllen</i> vestigend, de parodie, om +hun haar wezen duidelijk te maken, vergeleek bij de sluipwesp, die, haar +eitjes in de rups leggend, ìn het lichaam van deze èn door vernietiging +daarvan, eigen geslacht doet geboren worden en gedijen, was, zoo dunkt +mij nog altijd, dit beeld niet onjuist, zelfs ook indien meer in 't +bijzonder in betrekking tot 's heeren Veth's werk beschouwd, voor zoover +dit er inderdaad nu en dan in slagen mocht, het schadelijk broedsel der +Schundlektur te knauwen, maar hoe onjuist daarentegen was 't in zijn +toepassing op dat werk, wanneer men er op let, hoe geheel zonder +boosheid en venijn het is, hoe gul de lach er in klinkt, hoe open en +luidruchtig het leeft. En juist nu <span class="pagenum"><a name="p67" id="p67"></a>[p.67]</span> de coïncidentie dèzer feiten: +dat de parodie op een boek toch in zekeren zin een <i>Conte en marge</i> van +dat boek kan worden genoemd; dat de <i>Prikkel-Idyllen</i> wel ongetwijfeld +zeer geprononceerde parodieën zijn maar ook even zeker kiem-elementen +van de niet-parodiëerende <i>Conte en marge</i> in zich hebben, èn dat de +heer Veth criticus is, doet mij hopen en verwachten, dat 't hem gegeven +moge zijn, ook dezen schoonen uitlooper van den critischen geest in +Holland te stekken. Zulk een <i>Conte</i> kan van alles in zich bevatten: +fijne ironie, diep levensinzicht—wie zou er zich van kostbaarder +gehalte wenschen, dan er bijvoorbeeld in Lemaitre's <i>En marge des fables +de Fénelon</i> (<i>Le journal du duc de Bourgogne</i>) is—; sublieme verbeelding +en liefdevol-fijne critiek—als in dat prachtige <i>En marge de Don +Quichotte (Dulcinée)</i>, om nu maar een paar te noemen. En het genre dezer +verhalen lijkt mij des te edeler, omdat zij bijna immer een moedigen +wedkamp om den prijs der hoogste schoonheid, met het "bekantteekende", +meestal wereldberoemde, werk bedoelen! Dat ook de verovering dezer +literatuursoort al evenzeer een diep ingrijpende veredeling van Veth's +werk als een uiterst beteekenisvolle aanwinst voor onze litteratuur zou +zijn, lijdt geen twijfel. Maar hetzij deze verwachting al dan niet in +vervulling moge gaan, reeds nu past het ons, hem voor deze zijne kunst, +al lijkt die slechts een aanvang vergeleken bij gene, den lof te +brengen, die zoo min den talentvollen kunstenaar als den schepper van +een nieuw genre in onze letterkunde vergeet. +</p> +<p> +Nov. '14. +</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p class="pagenum"><a name="p68" id="p68"></a>[p.68]</p> + +<h3>HERMAN ROBBERS: HELENE SERVAES</h3> + +<p> +Misschien, neen zeker, ware het wel wijs èn betamelijker van mij +geweest, nièt over deze roman te schrijven. Want zoo ik het al immer als +iets prettigs heb ondervonden, in een beminnelijk "verzoekinkje" te +worden "geleid", 't zij om mij te mogen vermeien in mijn +weerstandskracht, 't zij om de lang niet verwerpelijke zoete heugenis +aan den ten slotte toch beganen péché mignon te kunnen wijden door het +herdenken van deugdzaam voorafgeganen tweestrijd—helaas! hier was geen +verzoeking en ik werd nergens in geleid, maar voelde mij onmiddellijk +vast besloten het misdrijf te plegen, toen ik inzag dat het te plegen +was.... Of ik dus wel later met een heimelijk-monkelend glimlachje zal +kunnen terugdenken aan dèze zonde? Of ik mij niet schamen zal?... +Komaan, laat me er maar niet verder over piekeren en mij aan het +noodlot, dat mijn ijdelheid nu eenmaal over mij heeft uitgesproken met +die bereidwilligheid en gemoedskalmte onderwerpen, die, verbeeld ik mij, +den meesten mijner geëerde collega's in zulk een geval wel niet héél +vreemd zullen zijn....— +</p> +<p> +Toen ik <i>Helene Servaes</i> had gelezen stond het vast bij mij, dat ik met +mijn kostbaar critisch inzicht zou gaan geuren—een zonde tegen den bon +ton? best! maar het niet te doen dan toch weer een beleediging van het +nieuwe heiligje, Il Santo Egoismo; en als ik dan toch tusschen twee +zonden kiezen mòet.... En ziedaar dus: het is nu precies vijf jaar +geleden, dat ik in mijn studie over Robbers hem "den dichter-prozaïst +der liefde bij uitnemendheid" onzer literatuur noemde, en, ei, ei! ik +voelde en voel het nog zoo duidelijk: hoevelen zullen <span class="pagenum"><a name="p69" id="p69"></a>[p.69]</span> toen wel +niet binnenkamers om die "overdrevenheid" hebben geglimlacht: de Robbers +van <i>De Roman van een Gezin</i> was juist toen pas zoo een heel andere +gebleken dan die van <i>Bernard Bandt</i>, van <i>Annie de Boogh</i>; dat +passievolle kunnen-beelden van het liefdeleven scheen zoo mèt de eerste +jeugd verdwenen en plaats te hebben gemaakt voor het koeler vermogen van +minder romantischen en bezadigden realist, beelder van economisch en +familiaal groepsleven.... En intusschen! hoe heerlijk heb ik nu toch +maar gelijk gekregen.... Want <i>Helene Servaes</i> is een sterker beelding +van de alles-beheerschende liefde, dan Robbers tot nu toe geschreven +had; van een liefde machtiger dan die van <i>Annie de Boogh</i>, in eene +figuur grooter dan deze. Zoo ook de laatste wordt gedreven te doen wat +zij doet, door haar hartstocht voor den beminden man, zij voelt zeer wel +dat zij aldus slechts naar haar <i>levensgeluk</i> kan gaan en een rampzalig +toekomstleven onvlucht; zij verlangt dan ook niets liever dan haar +gevoel gehoorzaam te zijn. De eerste echter weet ten slotte zeer +bepaald, dat zij door haar liefde voor den getrouwden man Fokkema ia het +<i>ongeluk</i> wordt gestort en gretig verlangt zij, in volle overgave den +goeden en lieven Lucas van der Marel te mogen behooren, en desniettemin +... haar ontzaglijke liefde beheerscht haar en drijft haar naar wanhoop +en dood. Hier is een tragiek bereikt, die in dat andere passievolle werk +werd gemist: die van den tè zwakken mensch in wien een elementaire +natuurkracht opslaat als een vlam; de tragiek van een mensch, die nu +eenmaal voorbestemd is, een "levende toorts" op het Nero-wreed +natuurfeest te zijn.—Hoezeer dan ook Robbers, met het scheppen van dit +werk, tot de eigenlijke roeping zijner kunstenaarsnatuur is +teruggekeerd, blijkt, dunkt mij, overduidelijk uit het feit, dat hij nu, +ouder geworden, nà het schrijven van dat koeler boek <i>De Roman van een +Gezin</i>, niet alleen het geestelijk liefde-doorleven zijner jonge jaren +verdiept en verinnigd maar zelfs <i>verhevigd</i> herwonnen heeft. Dit valt +geen ten deel, wien niet, als kunstenaar, de liefde èn wortel èn vrucht +èn merg des levens is....— +</p> +<p> +Maar zoo mij een fijngevoelige nu zou vragen of ik, èindelijk en <span class="pagenum"><a name="p70" id="p70"></a>[p.70]</span> +gelùkkig, hiermee aan het einde mijner zelfverheffing ben geraakt en +weer een leesbaar want bescheiden en ingetogen recensent wil worden, ik +zou hem antwoorden: ik denk er nog niet aan! Want vertoont dit werk ook +niet het begin der verwezenlijking eener andere destijds door mij +uitgesproken verwachting? De verwachting, dat eens Robbers' "mystieke +levensbegrijpen zijner jeugd weerkomen zal", dit levensbegrijpen, dat +zich zóó schoon in <i>De Vreemde Plant</i> had geopenbaard en daarna—uit +zijn werk verdwenen was.... Want wie die de beschrijving van Luuk's +gewaarwordingen en liefdevisioen op blz. 184 heeft gelezen, zou niet +merken, dat het dat mystiek doorvoelen was, waarheen des auteurs geest +weer schuchter streefde, of wie ontkennen, dat hij, toen hij zoo innig +dat moment beeldde, waarop Luuk Helene's afscheidsbrief ontvangt, éven +in een van de lagere ingangspoorten der mystiek stond: het sensitivisme? +</p> +<p> +Toch, die nu meenen zou, dat de pochende recensent te diep in het +glaasje der ijdelheid heeft gekeken, dan dat hij nog helder genoeg zou +zijn, om de fouten te zien, die hij—<i>niet</i> heeft voorspeld, kwame +bedrogen uit. Hij meent althans nog genoegzaam onbeneveld te zijn, om te +mogen beweren, dat ook uit dit werk weer blijkt, hoe het inbrengen van +een zwak pathologisch element in eene overigens niet pathologisch +getinte romanfiguur zelden een voordeel is. Althans ook hier vermindert +ongetwijfeld de hereditaire dispositie tot zelfmoord in Helene het +<i>algemeen</i> menschelijke in haar, leidt des lezers aandacht een weinig af +van haar innigste wezenheid-zelf en maakt zijn zien van haar als een +ziel, die absoluut door de lièfde beheerscht wordt, een weinig troebel +en onzeker—want nu is niet alleen de liefde Heiene's noodlot gebleken +maar die neiging tot zelfmoord heeft haar bestemming mee gedetermineerd; +men denke er zich eens in, hoe in dat wellicht innigste boek-van-liefde +dat onze literatuur bezit, <i>Geertje</i>, de imposante verschijning der +liefde ontzaglijk verzwakt zou zijn geworden, indien ook daar een +dergelijk element ware ingeslopen!—; en ten leste, daar de figuur van +Helene—en ik spreek ook nu niet van de beelding maar van den gebeelden +mensch—althans <span class="pagenum"><a name="p71" id="p71"></a>[p.71]</span> in mijn geheugen immer als <i>a thing of beauty</i> +zal staan, wordt mijn joy for ever daaraan door dat pathologische +aanmerkelijk geschaad, want <i>niet</i> kan de schoonheid van de <i>beelding</i> +eens menschen daardoor lijden maar wel en maar al te zeer de schoonheid +van dien <i>mensch-zelf</i>. Want indien, zooals Helene Servaes, die mensch a +thing of beauty ìs—en als wèlk een aandoenlijk schoon, spiritueel +figuurtje zie ik haar niet!—<i>dan is dat pathologische de barst daarin, +de verminking daarvan</i>....—En voorts meent de recensent niet minder +duidelijk te zien, dat door de sterke concentratie van des <i>kunstenaars</i> +aandacht op de lichtende hoofdfiguur, hij niet gemerkt heeft, dat zijn +helper, de <i>geroutineerde-schrijver,</i> zich nu en dan al te veel met de +andere figuren bemoeide. Er is daardoor in de beelding dezer laatste +hier en daar iets <i>cliché</i>-achtigs gekomen. De <i>vakman</i> Robbers schrijft +tè gemakkelijk, <i>diens</i> stijl is té gul-joviaal en ontaardt soms in +diezelfde routine-gulheid en jovialiteit, die men bijv. ook vaak in het +optreden van populaire volksleiders kan aantreffen. En mede hieraan is +het ook te wijten, dat soms de dialoog te weinig +individueel-genuanceerd, naar den aard der sprekende persoon, is Luuk is +menigmaal heelemaal <i>Croes</i>-achtig—de lezer herinnert zich die +prachtige vaderfiguur in <i>De Roman van een Gezin</i>?—en ook zijn vrienden +hebben soms dat zelfde bruyante, haha'ërige en handtastelijk lawaaiende +als deze. Máár dat minder goede blijft nooit lang. Zooals, dunkt mij, +een meester-schilder, die zich plotseling herinnert, dat daar in den +anderen hoek van zijn atelier, zijn leerling misschien iets god-weet-hoe +staat te bederven, haastig naar deze toeloopt en met een enkelen toets +een fout verbetert en iets kunst-lévends in het werk brengt, zóó springt +dan gauw de kunstenaar Robbers den vakman terzijde, duwt dien even weg, +en ... kijk nou ereis ... hoe aardig en mooi in eenen ... door dat +ènkele kleine trekje.... We genieten weer ...—Dit alles nader te +argumenteeren valt natuurlijk buiten het bestek dezer critiek en +trouwens hoe weinig belang heeft het, vergeleken bij het heuglijke feit, +dat de schrijver van dit boek er het schoonste en meest eigenlijke van +zijn kunstenaarsschap, zooals dat uit zijn jeugdwerken bleek, nu op +verder <span class="pagenum"><a name="p72" id="p72"></a>[p.72]</span> gevorderden leeftijd, versterkt en verinnigd in mocht +uiten. En ik zou hier dan ook gevoeglijk kunnen eindigen, zoo het +schrijven over Robbers' herontwaakte mystieke neigingen en over <i>De +Vreemde Plant</i> mij niet een mijner literaire ergernissen te hevig had +doen voelen, dan dat ik haar niet luchten zou. Dat die prachtige ook +door van Deyssel zoozeer geprezen novelle maar in den, naar ik meen +vrijwel vergeten, bundel van Phocius blijft opgeborgen, ik vind het +zonde en jammer. Want de twee andere verhalen daarin,... vooral <i>Een +Kalverliefde</i>.... Het geval doet mij altijd denken aan dat ongelukkige +meisje, dat niet gescheiden werd van het lijk van het met haar +saamgegroeide zusje en daardoor zelf sterven moest. Waarom ook hier niet +resoluut het chirurgisch mes genomen en het levende, mooie kind van 'r +dooie familie bevrijd?... "Ho, ho, dàt gaat toch te ver, toch zeker te +weinig nuchter voor een <i>medisch</i> advies!" hoor ik hier plotseling en +heftig mijn voorzichtige en fijngevoelige roepen.... Maar och kom, wat +zou dat! Is dan in vino—zelfs dien der ijdelheid—geen veritas?... +</p> +<p> +Mei '15. +</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p class="pagenum"><a name="p73" id="p73"></a>[p.73]</p> +<h3>H. VAN LOON: TROUWELOOZEN</h3> + +<p> +Een caleidoscopisch boek. Een wemeling van figuren, gebeurtenissen en +analysen vermoeit des lezers aandacht en doet hem zich afvragen, of 't +niet te veel gevergd zou zijn, van dezen jongen, schoon zeker +talentvollen auteur reeds te verlangen, dat àl zijn figuren zouden +werkelijk leven, àl zijn gebeurtenissen in duidelijk zichtbaar causaal +verband zouen staan, van àl zijn analysen niet soms de een de ander zou +logenstraffen. En inderdaad, hoe klaarder onze kijk wordt op dit werk, +des te duidelijker blijkt ons, dat we dit alles maar niet moeten +eischen. Want zouden wij dit wel doen, schipperden we niet wat met onze +overtuiging, dat wij feitelijk èlken schrijver zoodanigen eisch mogen +stellen, onze teleurstelling over de afwijzing ervan, bracht er ons +allicht toe, uit gemelijkheid den auteur de lof te onthouden, waarop hij +toch onbetwijfelbaar recht heeft. Overigens, die lof—zoo beteekenisvol +hij ook moge zijn—is spoedig genoeg gezegd: de menschelijkheid van dit +werk en zijn schrijver is een veel-omvattende en innerlijk-rijke, èn: de +uitbeelding is nergens zoo mislukt, dat wij niet overal de aanwezigheid +dier menschelijkheid zouden kunnen voelen. Máár: die voelend ziet men +ook onbetwijfelbaar tegelijkertijd in, dat, hadde de auteur nog wat +gewacht, gewacht namelijk tot hij als kunstenaar de behandelde stof +volkòmen meester was, het werk aan deugdelijkheid véél zou hebben +gewonnen, want nu hij dat niet heeft gedaan, nu hij al te haastig, heel +z'n mooie bouwdoos bij elkaar gegrist, de literatuurtrap komt opgehold, +nu ziet moeder Critiek helaas, dat hij de mooie blokjes en beeldjes +leelijk heeft door elkaar <span class="pagenum"><a name="p74" id="p74"></a>[p.74]</span> gerammeld: daar is een hoekje afgebotst +en hier een spijltje verbrokkeld en de boel past niet meer precies op +elkaar....—En niet alleen dat de logiek van het gebeuren in dit werk en +de logische continuïteit der analysen wel eens zoek zijn, maar er is ook +iets in dezen roman, dat men misschien het best den epischen esprit de +l'escalier zou kunnen noemen: nog hebben wij sommige figuren niet goed +aangekeken of daar staan plotseling weer een paar spiksplinternieuwe +voor ons, en, eindelijk, nadat we die dan een paar bladzijden lang +hulpeloos en vervreemd hebben aangestaard, komt op z'n elf-en-dertigst +en in 'n "naschuitje" pas de verklaring aangewiebeld, wat ze daar nu +eigenlijk te maken hadden.—Verliest dit boek nu en dan voor een wijle +zijn karakter van psychologischen roman, geeft het 't leven in handeling +en dialoog van zijne figuren-zelf, hoe dikwijls, zèker, achten wij 't +ook dàn zéér gelukt, maar ai! welk een onmacht grijnst ons ook somtijds +aan. Men behoeft maar in 't begin die scène te lezen, waarin Lotte Geert +haar ontrouw bekent, om voor een mislukking te staan, die moeielijk als +zoodanig kan worden overtroffen. Ook de dialoog is, door het geheele +werk heen, moge zij slechts zelden slecht kunnen heeten, bijna even +zelden zoo van leven fonkelend, als men het recht heeft te verlangen. En +wat toch in den psychologischen roman, wil hij voortreffelijk heeten, +onontbeerlijk is: een analyse van <i>fijne, diepe</i> vondsten èn een +beeldend-analyseerende taal—zij zijn grootendeels afwezig. Maar in +weerwil van dit alles, al wàre niets anders geslaagd dan die ruige, +tintel-levende figuur van Geert, dan nog zou deze ons duidelijk maken, +dat wij hier met een schrijversaanleg te doen hebben, die zóóveel in +zich bergt, dat ze zich de wat grootscheepsche weelde mag veroorloven, +een omvangrijk en gedeeltelijk minder gelukt werk als dit, ons als zeer +betrouwbare belofte van vele toekomstige volkomen-gelukte en rijpe te +geven. Bezit en hoop dus ... ten slotte blijkt het niet weinig wat de +heer Van Loon ons schenkt. +</p> +<p> +Febr. 1916. +</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p class="pagenum"><a name="p75" id="p75"></a>[p.75]</p> +<h3>CYRIEL BUYSSE: OORLOGSVISIOENEN</h3> + +<p> +Een zeer vermakelijk èn diep-aandoenlijk boek. Ziehier in weinig woorden +de twee ver uiteenloopende eigenschappen van dezen bundel gekenschetst, +eigenschappen, die maar al te zelden beide in het levenswerk van één +auteur worden gevonden, nòg zeldzamer in één boèk voorhanden zijn. Men +moet dan ook al een rasepicus, een volbloed romancier als deze groote +Vlaming zijn, om ze beide in zóó kort bestek, verweven in figuren zóó +vol leven en tevens zóó luchtig èn geacheveerd gebeeld, te kunnen geven. +De satyriek-humoristische verhalen: <i>De heeren Bollekens in oorlogstijd, +Het oorlogshuwelijk van meneer Calkoen</i> en <i>Rikiki</i> vullen meer dan twee +derden van den bundel. De uit hun evenwicht geslagen, smulpapige +rijkaards met "de mooie meid" in de eerste novelle; in de tweede de oude +scharrelaar, die elke twee jaar een andere dienstmeid neemt, en nu tegen +'t einde van zijn leven dan toch waarlijk door de toevallen van den +krijg wordt gedwongen met de laatst bij hem in dienst getredene te +trouwen; de generaalsfamilie, die door het kleine schoothondje +getyranniseerd wordt in het derde verhaal—zij alle <i>vermaken</i>, terwijl +in <i>Rikiki</i>, in de boeven-scène, zelfs een Decamerone-achtige atmosfeer +wordt gevoeld. Ook deze verhalen zijn vol van de inwerkingen en 't +gebeuren van den tragischen oorlogstijd, maar toch, het eigenlijk bij +zulk een tijd behoorend groote sentiment liet zich niet dan onderwaardig +aan hunne half-comische figuren verbinden. Het filtert maar zoo'n beetje +door de novellen heen. Maar dan doorleven we in drie vlot geschreven, +anecdotische "niemendalletjes"—waarvan nochtans het middelste, <span class="pagenum"><a name="p76" id="p76"></a>[p.76]</span> +<i>In de vuurlinie</i>, een hooger waarde allicht mag hebben als rake +beelding van den grondvasten Vlaamschen boer—de overgang naar het +diep-aandoenlijke. Dit laatste openbaart zich voor 't eerst zeer sterk +in <i>De Vrijwilliger</i>, den man, die met een bajonetsteek een "vijand" +doodt, en als hij onder zich in de loopgraaf diens brekende oogen ziet, +"pardon" stamelt. Vooral hierin is wel de volle en ònmiddellijk zich +uitende tragiek van den krijg bereikt, terwijl weer eene prachtig +visionnair-beeldende kracht het treffendst in <i>De Vlucht</i> is. Zie eens +dit kleine stukje: "... het scheurde hun door 't hart, maar 't moest, +het moèst, er was geen oogenblik meer te verliezen, zij hoorden de +vernieling in de verte aanloeien, en zij werden meegenomen in den wilden +stroom der vluchtelingen, terwijl daar in de diepte de eerste huizen van +het dorp reeds brandden.... +</p> +<p> +"In volle vaart renden zij het roode westen in. Wat zag het vreeselijk +bloedrood dien avond! De zon was onder, maar hoog en wijd over de kim +had zij haar langzaam-tanend bloedlicht nagelaten, 't Was als een +tafereel der wreede, oude tijden. Somber, voorovergebogen in hun vlucht, +holden, in roodachtige stofwolk, die duizenden en duizenden daar wild op +in...." +</p> +<p> +En dan bij de lezing van <i>De Moeder</i>, van <i>Singen ... Singen</i> ...! van +<i>De Terugkeer</i>—welke criticus, die geen critiek-machine is geworden, +zou niet zijn wijde aandoeningen van mede-lijden en mede-genieten de +volle heerschappij over zich hebben gelaten.... Het is dan ook mede +daaraan, dat de lezer het heeft te wijten, zoo hij hier het sausje +missen moet, zonder 't welk het gerecht van een Buysse-bespreking door +een kok van dèzen tijd, die op z'n goeden naam gesteld is, niet mag +worden opgediend, het sausje, welks ingrediënten bestaan uit 'n paar +lepels vaderlandsliefde van Buysse, liefst opgewogen tegen en goed +vermengd met die van Streuvels benevens wat droppeltjes gòeie +Hòllandsche azijn erover been....—Helaas, ik arme, ik kan er hem niet +aan helpen. Maar niettemin verwaardige hij zich dit zeer bescheiden +schoteltje te proeven.... Het smaakt alleen naar Buyssensche +<i>menschheids</i>liefde? Ik ontken 't niet, maar zou dat ook niet +voldoende kunnen <span class="pagenum"><a name="p77" id="p77"></a>[p.77]</span> zijn? ... En komaan, wèg nu maar met deze +keukenmeiden-beeldspraak. Ik zegge hem slechts nog kort en goed tot +besluit, dat als in toekomende tijden naar de qualiteit der +vaderlandsliefde van deze twee geniale artisten zelfs geen vurigste Coq +Gaulois meer kraaien zal, nog duizenden hen lievende en in hun werken +verdiepte lezers zullen getuigen: "Hoe hebben deze twee de <i>menschheid</i> +liefgehad." En is het niet deze liefde, waarop het voor de +literatuurcritiek op aankomt? Is het niet deze in tegenstelling met de +andere, die eene der maatstaven van haar oordeel moet zijn? +</p> +<p> +Febr. 1916. +</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p class="pagenum"><a name="p78" id="p78"></a>[p.78]</p> +<h3>VICTOR IDO: DE PAUPERS</h3> + +<h4>Roman uit de Indo-Europeesche samenleving</h4> + +<p> +Het Realisme, eindelijk beu van de kosjere keuken, heeft zich breeduit +aan de Indische rijsttafel gezet. Anders gezeid: het Realisme—we +moesten eigenlijk van 'n soort Naturalisme spreken, maar dat tooverwoord +roept zóó machtige geesten op ...—na jarenlang het leergraag Hollandsch +publiek onderricht te hebben in wat 'n <i>chochem</i>, 'n <i>sjlemiel</i>, 'n +<i>souger</i>, enz. enz. is, heeft nu een cursus geopend in <i>Totok</i> en <i>Indo, +mata glap, ronggèng</i>, etc. Ons leeren is spelen, en loopt 't een beetje +mee, dan kunnen we zonder eenigen twijfel, zooals we vroeger in 'n wip +de moreinoe hebben gehaald, 't volgend jaar het Indisch +groot-ambtenaarsexamen doen. <i>De Paupers</i> althans behoort zeer zeker tot +de buitengemeen prettige leermeesters in al deze wetenswaardigheden, +want een gewoon-goed boek, een boek van gezonde middelmatigheid is het +óók. De schrijver slaagde erin, zoowel uitzonderlijk-nobele figuren, +Tjang Sina en Grootvader Sam Portalis, als die van een zeer zinnelijken +geweldenaar gelijk Boong Portalis, levenswaar te beelden. Natuurlijk +ontbreekt ook in dit Indisch boek het occulte element niet. Maar daarmee +heeft de auteur een beetje geschipperd. Hij heeft de aarzelingen gekend +wier <i>af</i>wezigheid een stuk als <i>De Vader</i> van Augusta de Wit in de +gelegenheid stelde zoo sterk-eerlijk te zijn, zoo volledig te slagen. En +zooals de afwezigheid van dergelijke weifelingen—gelijk ik destijds +uiteenzette<a name="FNanchor_1_21" id="FNanchor_1_21"></a><a href="#Footnote_1_21" class="fnanchor">[1]</a>—soms +de <span class="pagenum"><a name="p79" id="p79"></a>[p.79]</span> visionnaire kracht eens kunstenaars +bewijst, zoo toont de aanwezigheid een zekere visionnaire zwakte aan. En +dit gebrek aan kracht openbaart zich dan ook niet alleen daarin, maar +tevens, zij het slechts een enkel maal, in een verzwakkende herhaling +van het reeds gezegde of in een onverwachte vernuchtering, als ware er +een plotse breuk in het sensitive en visionnaire leven van den auteur +gekomen en of hij, vreemd, vergeten hadde wat hij pas zoo nadrukkelijk +zei. Maar ik herhaal het: dit gebeurt slechts uiterst zelden. Overigens: +niets dan goeds; er leven een paar lieve, jonge vrouwen-figuurtjes in +het verhaal, Daï en Nini. Mr. van Vierzen Pel, de president-rechter, is +in zijn hartstocht voor Daï zoowel als in zijn immer indachtig-zijn aan +zijn positie, zeer raak gebeeld, en dat zonder eenig valsch pathos, of +de geringste mooimakerij. Kortom, om nu maar niet al de welgeslaagde +figuren gedetailleerd te bespreken, de doorschouwingsinnigheid van den +schrijver reikt overal diep genoeg, om ons duidelijk te doen gevoelen, +dat ook deze Indo-Europeesche samen-leving precies als al hare zusteren +van ons tijdvak, eigenlijk een apart-leving is van in dwaasheid en wanen +bevangen, elkaar hatende en minachtende coterie'tjes en individuen. +</p> +<p> +Juni '16. +</p> +<p class="caption"> +Noot: +</p> +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_21" id="Footnote_1_21"></a><a href="#FNanchor_1_21"><span class="label">[1]</span></a> Zie<i>De Gids</i> van Juni 1915. Blz. 489 e.v., of mijne +<i>Nederlandsche Romancières van onzen Tijd</i>, dat in 1920 bij de +Uitgeefster van dit boek zal verschijnen.</p></div> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p class="pagenum"><a name="p80" id="p80"></a>[p.80]</p> +<h3>P. RAËSKIN: PASTOOR HORSMAN</h3> + +<p> +Wie pastoors en dominees louter als novellistische figuren der +Hollandsche literatuur kent, heeft de dominees zelden anders leeren zien +dan, om 't vergoelijkend te zeggen, als een ras van saaie pieten, de +pastoors daarentegen als een groep bruyant-levenslustige menschen, die +om den hemelschen nectar een goed glas aardschen wijn niet versmaden en, +Gode den wierook gunnend, voor zich een edele Havana weten te +waardeeren; vaak ook als naïeve groote-kinderen, met een rotsvast, +primitief geloof in hun religie, soms daarbij tyrannieke autocraatjes, +tòch bijna immer beminnelijk en vóóral: <i>menschelijk</i>. De rollen +schijnen wel waarlijk omgekeerd: aan den eenen kant de dominee, de pater +familias, die nochtans met een gezicht rondloopt—wel te verstaan: in +de literatuur!—als zuchtte hij onder alle ascetische zelfkwellingen en +onthoudingen, die er in het brein van een Yogi zouden kunnen opkomen; +aan den anderen kant de pastoor, die, aan zijn kuischheidsgelofte +getrouw, wèrkelijk een zich hevig pijnend asceet mag heeten en nochtans +de blijmoedigheid en levenslust zelve is. En dìt is dan ook wel de +zuiver-mensehelijke charme der literaire pastoorsfiguur, dat zij zich +nooit op het heel bijzondere harer zelfoverwinning laat voorstaan, ja, +van de hooge waarde daarvan niet schijnt af te weten, en dit daarentegen +het afstootelijke der literaire domineesfiguur, dat zij zich een houding +van onzinnelijk en vergeestelijkt leven geeft, die haar heelemaal niet +toekomt.—De heer Raëskin heeft de dominees de dominees gelaten en zich +ertoe bepaald de pastoorsliteratuur met een zéér liefdevol en in elk +opzicht <span class="pagenum"><a name="p81" id="p81"></a>[p.81]</span> uitnemend en zorgzaam geschreven werkje te verrijken. Het +behandelt de bekeering van een reeds oud en ouderwetsch priester, die +niets van volksbonden en kinderpatronaten moet hebben, tot een modern +herder, die, zelfs véél aan "sociaal werk" doet. Hoe die bekeering zich +langzamerhand onder den invloed van een jong kapelaan voltrekt en het +juist en ten slotte de zonde van dien kapelaan is—hij wordt er door den +pastoor op betrapt, dat hij een meisje omhelst—die de aarzelingen van +den ouden priester overwint en hem, die zijn ontslag reeds wilde vragen, +aan zijn ambt teruggeeft, het wordt door Raëskin met zuiver +psychologisch inzicht, met volkomen ontstentenis van alle mooidoenerij +en in een zeer fijngevoelig beeldende taal weergegeven. Deze laatste is +trouwens door het geheele boek heen zoo opmerkelijk, dat ik het niet +minder als een plicht dan als een genoegen voel er eenige voorbeelden +van te geven. Van een bisschop: "Hij ... boeide door de <i>verrassing, in +zijn grootwaardigheidsbestaan menschengrapjes te willen +kennen</i>."—"<i>Over den ordelijken aanleg</i> dwarste de zon eigen +<i>lichtperken, waarin gras en grint te zaam bloeiden</i>."—De huishoudster +"vertilde 't verstelgoed van haar schoot naar de <i>avondschoone ruimte</i> +op de tafel."—En beluister eens hoe Raëskin's verhaal-stijl +mee-rhythmeert met den aard van het gebeuren. De pastoor heeft besloten +zijn ontslag te vragen en neemt een aanloopje, om dit zijn huishoudster, +die hem twintig jaar trouw heeft gediend, mede te deelen. De vrouw +begrijpt hem onmiddellijk. "Ze <i>verstond</i> uit zijn woorden, <i>dat hij +zijn jaren opgeteld had</i> en weg wilde..." zoo vertelt 't onze schrijver +en is er aldus in geslaagd, in die weinige door mij gecursiveerde +woorden van bijbel-plechtige wijding heel de ontroering dier twee oude +menschen op dit voor hen zoo gewichtige oogenblik te geven—te geven +zonder met een woord van die ontroering-zelve te hebben gerept.—En +niettemin, naast zoovele deugden heeft dit boek deze groote +tekortkoming, dat het te ondiep blijft, het hart-innige leven niet +raakt. Dat het sexueele gevoelsleven der waarlijk-geloovige en kuische +priesters—en zulk een is Pastoor Horsman—een geweldig, schoon soms +meer latent, maar dan toch straks weer <span class="pagenum"><a name="p82" id="p82"></a>[p.82]</span> te heviger oplaaiend, +element in hun psychisch complex moet vormen, wie kan het betwijfelen? +En ook: wie langer nadenkt over den levenslust en de blijmoedigheid +dezer, zij 't eenzijdige, asceten, zal allicht inzien, als ik, dat die +levenslust niet slechts niet-strijdig is met dat ascetisme, maar er +zelfs uit voortvloeit. Het wil mij namelijk toeschijnen, dat zij +voortkomt uit de zelf gerustheid, de diep-stille tevredenheid van den +zelfoverwinnaar. Vandaar dan ook deze, ook in dit boek zoo uitstekend +gebeelde, losheid en snaakschheid in den onderlingen omgang dezer +geestelijken: het groote offer hunner machtigste hartstochten heft hen +van zelf boven het pueriel gedoe en den door dat <i>werkelijke</i> offer +<i>overtollig</i> geworden <i>schijn</i> van "geestelijkheids"-uiterlijkheden uit. +En welnu, dit geheele gevoelsleven, het sexueele complex van worsteling +en overwinning of nederlaag, wordt in dit boek helaas niet +aangeraakt—het voorvalletje met den kapelaan heeft louter +compositorische, geen psychologische waarde—en daardoor wellicht, dunkt +mij, niet slechts deze, maar ook elke andere wellicht mogelijke +verklaring van gene blijmoedigheid gemist.—Vroeg men mij echter wat, +naast die groote tekortkoming, wel de hóógste deugd van dit werk is, ik +zou zeggen, dat het trots en in zijn beperking toch zóó' lééft, dat het +bijna de literatuur voor het leven doet vergeten.... Het doet den lezer +<i>droomen naar het leven toe</i>, en al diens met het boekonderwerp verwante +herinneringen roept het op.... O, die tegenstelling tusschen de +hakkelende <i>Pastoor Jansen's</i> niet alleen—herinner U dien groot-goeden, +kinderlijk-zuiveren vriend van lieven <i>Woutertje</i>!—en de rhetorische +<i>Dominee Doelaeker's</i>, maar ook tusschen de laatsten en de +kleiner-menschelijke <i>Pastoor Horsman's</i>—en nu maar in 's hemels naam: +wèl te verstaan: in het <i>leven</i>!—... Hoe jeuken mij de vingers dáárop +door te gaan ... Maar zoo ik 't deed, ik viel uit mijn +literair-critische rol, en het geëerde publiek flóót mij het tooneel +af—terecht!— +</p> +<p> +Oct. '16. +</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p class="pagenum"><a name="p83" id="p83"></a>[p.83]</p> +<h3>LOUIS COUPERUS: DE KOMEDIANTEN</h3> + +<p> +Het is nu al 'n vijf jaar geleden, dat ik mij 'n weinig vroolijk mocht +maken om het <i>Antiek Tourisme</i> des heeren Couperus, sindsdien volgde ik +zijne productie slechts zeer accidenteel ... ontmoette ik 'm eens in +zijn tijdschrift, het was mij genoeg: ik zòcht hem niet, hij boezemde +mij geen belangstelling meer in.... Wat mij interesseert in een eens +gróót gebleken kunstenaar, dat is het, zij 't dalend-en-stijgend, +bewegen van zijn <i>genie</i>, en daar nu de heer Couperus van zijner +jeugdjaren genie voorgoed verlaten scheen en een "vruchtbaar talent" was +geworden, een talent met precieuse stijl-versteeninkjes, trucjes, +maniertjes en routine, werd dit mij weldra een quantité négligeable, al +had ook die quantité een zoo geweldigen omvang dat zij alle +letterkundige bourgeois épateerde tot bezwijmens toe. Deze literaire +zeeslang, die zoo langzamerhand alle de landen "rondom de oude +wereldzee" met hare kronkels omvatte, mocht voor mij zoo dik en lang +zijn als ze maar wou en kon, ze mocht heele scheepsvrachten ouë +Romeinen, Grieken en Aziaten vreten—sinds ik meende zeker te zijn, dat +zij toch nooit meer op 't strand mijner verwachting één wèrkelijken +mènsch zou werpen, één naakten mensch, een Jona, maar louter homunculi, +als uit Dr. Wagner's fleschje, zag ik niet meer naar haar om. Tot plots +... daar wordt me nu dit boek toegezonden: een werk wéér over de antieke +wereld, ditmaal hare comedianten; een werk wéér met maniertjes, trucjes +en zeer kunstmatige verkwijningen en verfijningen, maar tevens een met +eenige figuren van <i>waarlijk-diepe, ruw-teedere menschelijkheid</i>: de +dominus-gregis en de gladiator Carpoforus <span class="pagenum"><a name="p84" id="p84"></a>[p.84]</span> vooral. En gaarne erken +ik ook, dat het boek vol fijne stemmingen is, stemmingen vaak verweven +in den dan zeer zuiver en schoon gestileerden dialoog. Doch het is +jammer, schoon niet dan zeer natuurlijk, dat Couperus, sinds hij een +niet meer door het genie gepossedeerd schrijver is, zich te zeer bewùst +is van wat hij doet, en derhalve als hij merkt iets aardigs te hebben +gedaan, dit met alle geweld nòg mooier wil maken, welke bedoeling dan +natuurlijk steevast de haar tegengestelde uitwerking heeft. Zoo beeldt +hij heel bevallig en soms aandoenlijk de tweeling-comediantjes in dit +boek, 'n beetje perverse jongetjes en tevens de begaafdste +tooneelspelers van hun troep, in al hun verhoudingen van jaloezie en +liefde tot de anderen en ook in hun diepe aanhankelijkheid tot elkaar, +in hun onscheidbaar-één zich voelen: ze worden ziek als ze van elkaar +gescheiden zijn. En nu is één van des auteurs manieren, om deze eenheid +den lezer duidelijk te maken, de beide jongens voortdurend hetzelfde te +laten zeggen, denken, en den een telkens den zin te laten afmaken, dien +de ander heeft begonnen. Een aardig vondst<i>je</i>. +</p> +<p> +Maar helaas, dit dient hij ons nu zóó vaak en zonder erbarmen toe, dat +je wel wee moèt worden van dit dooreengekakel: dat je de nervositeit +krijgt van iemand in een benauwend <i>gedrang</i>, doordat het is alsof die +jongetjes <i>elkaar aldoor op de hielen trappen</i>. +</p> +<p> +Een andere maal, bij die <i>uitstekend-gebeelde</i> openingsscène in Nilus' +taveerne, laat hij te midden het vertienvoudigde Jan Steen-rumoer +telkens een ezelskop door een luik komen kijken en zijn I-ha balken. +Máár eilaci, Couperus-zelf heeft weer eens gezien hoè aardig dit is, en +nu wordt hij klaarblijkelijk door zoo een <i>Midsummernight's +Dream</i>-Titania-verliefdheid op dien ezelskop bevangen, dat hij dien ter +eere niets beters weet te doen dan bij deze gelegenheid, van zijn proza +—let maar op:"... om de volte, de veelte, de vaalte van het +<i>vage</i>"—een v-stal te maken. In trouwe: wie begaat nu zóó een +alliteratie-trùcje èn meent, dat-ie iets moois heeft gedaan, behalve een +veertienjarig gymnasiast?! Zoo wisselt voortdurend het +kinderlijkst—vaak kinderachtigst—spel met den diep-menschelijken ernst +af. Hoe uitstekend <span class="pagenum"><a name="p85" id="p85"></a>[p.85]</span> bijv. zijn met weinig trekjes de edele figuren +van Plinius den Jongeren en Tacitus, de geestige van Martialis gebeeld; +hoe zuiver-idyllisch van toon is hun tafelend samenzijn. En zoo dan kon +'t gebeuren, dat ik in mijzelf, al lezend, èn fel spotte, èn genietend +prees.... Ja, laat mij naar waarheid hier boekstaven, dat ik ééns zóó +ontroerde, dat deze mij oude en vertrouwde gedachte jong-heftig uit haar +sluimer zich hief: hoe schoon is het leven naar alle zijden, de ruwe +kracht van het volk èn de decadentie der verfijnden; wanneer zal ik toch +den Eeuwigen Grond benaderen, waaruit heel die wereld van +onafzienbaar-ver fonkelende en elkaar vijandige verscheidenheden +ééndràchtig en diepgevoed geboren wordt. +</p> +<p> +Dec. '17. +</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p class="pagenum"><a name="p86" id="p86"></a>[p.86]</p> +<h3>FELIX TIMMERMANS: HET KINDEKEN JEZUS IN VLAANDEREN</h3> + +<p> +Was het Timmermans' benijdbare bestemming in zijn verrukkelijk +<i>Pallieter</i> een menschenkind tot een god te doen worden, een genieter en +god van het blijde leven—want in waarheid: wie zou in zulk een +volkomen-<i>leedlooze</i> een <i>mensch</i> kunnen herkennen?—In <i>Het Kindeken +Jezus</i>, dat wonderlijke, droom-vage èn droom-felle boek, verhaalt hij +het begin der oude en eeuwig-jonge geschiedenis van den God, die mensch +werd, eene geschiedenis zoo oud als de wereld, doch die in de evangeliën +eens haar onze westersche wereld meest beïnvloedenden vorm vond. Onze +schrijver zou ongetwijfeld de tegenstelling-zelve tusschen deze zijne +beide boeken, tot een magistrale grootheid hebben gevoerd, indien hij na +den Man der Vreugde nu den Man der Smarte hadde gebeeld. Zóó ver en hoog +echter reikte, reeds blijkens den titel van zijn werk, zijn bedoelen +niet. De Christus-tragedie heeft een idyllischen aanvang, en tot dien +aanvang nagenoeg heeft Timmermans zich bepaald: waar zich ook dáármede +reeds het gewèldig-tragische vermengde, waagde <i>hij-zelf</i>, gelijk we +zullen zien, zich aan de beelding nièt. Moeten wij dit alles betreuren? +Ik betwijfel het. Het vermaarde boek van Buber <i>Die Legende des +Baalschem</i>, schoon vòl van het diep-schouwend geestelijk-zien en de +exquis-kunstige beeldende-en verhaal-macht, onverbiddelijk van noode +voor de herschepping van zulk een God-Menschelijk leven, geeft nog +slechts een <i>vermoeden</i> van de <i>dramatische kracht</i>, voor de +herschepping der Christus-figuur vereischt. Zou Timmermans dit alles +hebben bezeten? +</p> +<p> +<span class="pagenum"><a name="p87" id="p87"></a>[p.87]</span> Zouden wij meer hebben gekregen dan de schoonheid, zij het een +rijke of sober-diepe—en ik denk hier aan van Schendel's <i>De Mensch van +Nazareth</i> en óók aan zijn <i>Shakespeare</i>—eener uiterste <i>subjectivatie</i> +van het verheven Object, welke tevens diens transpositie naar een +zooveel lager plan beteekent?... Neen. Want dit boek is niet alleen +Ernst, het is ook een Spel, en ik geloof niet, dat dè beelder van Jezus' +leven tot een dergelijk, zij 't edel, spel nog begeerte zou hebben. +Reeds in den compositorischen opzet van het werk treedt dit +ernstig-spelen, deze spelende ernst aan den dag. De Jood is een Vlaming, +Palestina Vlaanderen geworden, Bethlehem een Vlaamsch dorpje, Nazareth +ligt aan de Nethe en Gent heet flamingantisch-snedig het Vlaamsch +Jerusalem, terwijl zelfs de rabbijnen tot pastoors verontbesnijdenist en +vercelibataird zijn! Spel, nietwaar? Maar de ernst is die der <i>groote +liefde</i>, welke den Beminde <i>dicht bij zich</i>, in eigen land wilde zien +leven. En: dat aanschouwelijk wordt gemaakt als zelden te voren, hoe men +den kern van een zelfde diep-menschelijk gebeuren gelijkelijk beleven +kan in het eene land als in 't andere, in de eene eeuw als de aêr. De +eeuwen en de landen zien wij heengedragen als een licht-vervangbaar +décor—het Goddelijk-menschelijke blijkt het eenige dat is en +blijft....—En ernst in de behàndeling van het gegeven—het boek is er +vol van, de kinderlijk-reinste en die eener religieuse overgave.—Met +welk een kracht is Maria's verrukking, als haar de hemelsche +verkondiging gewordt, gebeeld; met welk eene innigheid haar +moederliefde, hare zorgen en angsten en Jozef's toegewijde nederigheid. +Spel, schoon onvermijdelijk, daarentegen weer: de primitieve +levenshonger van het oersterke boeren-Vlaanderen walmt als een +rook-vlammende-en-duisterende toorts er door heen; zijn oude, +verkreupelde venten met hun kou-verweerde bakkesen dwalen over de wegen; +men ruikt den geur van kermissen en poffertjeskramen. Maar, helaas óók +een spel, en ditmaal een <i>zeer overbodig</i> en <i>zeer de stemming brekend</i>, +is bijna de geheele Herodes-episode: dit is geen beelding van Herodes, +maar die van een poesjenellenkelder-vertooning zijner figuur! En +niettemin ook dáárin, schoon slechts één oogenblik, fel en echt des +konings wanhoop; <span class="pagenum"><a name="p88" id="p88"></a>[p.88]</span> toch óók daarin dit psychologisch fijnheidje, +dat Herodes "de schuld schudde op zijne vrouw": hadde zij hem kinderen +geschonken, hij zou den moord van Bethlehem niet hebben bevolen. Terwijl +in ditzelfde deel van het boek ons evenzeer treft de weldoende +zelfkennis van den auteur, die—ik zinspeelde er reeds op—zich niet +wagend aan eene beschrijving van dien moord, en die toch ook niet +willende missen, haar liet geven door een Kronijkschrijver van Herodes, +die wreed-onverschillig het gebeuren beziet, en <i>van wien men dus noch +de epische kracht noch het meegevoel verlangt, die men van onzen +schrijver zou hebben geëischt</i>!—Vlaanderen, mogen wij met zekerheid na +<i>Pallieter</i> en dit werk zeggen, is een hoogbegaafd schrijver rijker +geworden.—Ook nu staat boven het vertrapte land een ster, die 's volks +onverwelkte kracht en daarmede zijn Verlosser verkondigt ... zijn +literatuur.... Zij heeft ook Timmermans' ziel zegen en macht gegeven, en +doe daartoe....— +</p> +<p> +Dec. '17. +</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p class="pagenum"><a name="p89" id="p89"></a>[p.89]</p> +<h3>M.J. BRUSSE: EEN WORSTELAAR</h3> + +<p> +Wonderlijk! Dat zelfde leven, tegen welks stalen rusting gij, moedige +lezer, èn zelfs ik, zoowel in de eerste élan der jeugd als in onze +bedachtzamer jaren, ons zoo menige wonde hebben be-loopen, dat +ònvermurwbaar-harde leven is óók—zóó zacht, zóó plastisch als was. Die +stugge tyran schijnt dan wel de meest slaafsche slaaf geworden, die er +aan zijn hof te vinden is, een slaaf bovendien der oude tijden, die over +meer geheimen van kunst en Wetenschap beschikte dan alle meesters te +zamen, en dier begeerten met één magisch gebaar te stillen wist. Maar +slechts op één voorwaarde metamorphoseert zich het harde Leven aldus. +Bùigt het zich zelfs niet onder den druk van uw wil—een sneeuwworp +gelijk tegen graniet!—het laat zich daarentegen geheel vervòrmen door +uw àlbeheerschende, <i>ingeboren</i> neiging, zooveel sterker dan uw wil!... +Wees een <i>geboren</i>-koopman, en 't Leven wordt u een beurs, een kantoor, +een boekhouder en een brandkast. Wees een <i>geboren</i> wijze: het wordt u +een staâg zich ontvouwend en weer verhullend geheim. Wees een +<i>geboren</i>-ingenieur en het verkeert niet slechts voor u in zijn +tegendeel: een machine, maar laat zich zelfs, u ten pleziere, in telkens +weer nieuwen mechanischen vorm "uitvinden" door u. Dit alles echter, +niet waar, geëerde lezer, weten wij reeds lang; we hebben, zoo niet +Salomo-gelijk, dan toch gelijk Salomo, genoeg jaartjes onder de zon +geleefd, om dat alles te hebben gezien, máár—zooals 't Leven zich +jegens Brusse houdt, dàt hebben gij noch ik óóit aanschouwd. Dàt is een +houding van—ja, het is maar door <span class="pagenum"><a name="p90" id="p90"></a>[p.90]</span> één woord te +kenschetsen—àllerschàndelijkste <i>vertroeteling</i>....—Er zijn 'n +paar—ik heb het meer gezegd—gebòren-kunstenaars in ons land, die +tevens gebòren-journalisten zijn; derhalve dient hen 't Leven, +twéévoudig door hen bedwongen, zoowel tot te doorspeuren jachtveld, als +tot een heilig Brahmanen-woud, naar contemplatie en +innerlijkheids-herschepping noodend. Maar <i>nooit tegelijkertijd</i> wordt +het hun die beide. Het zegt: "Lieven, vóór ge mijn geheim-bloeiende +bosschages der kunstenaarsbezinning intreedt, legt uw jachtwapenen af: +dáár wordt niet gespèurd en vermìnkt, daar wordt aanschòuwd en gelìefd." +Dit nu begreep ik als wijsheid; maar helaas! waar het zijn zoon Brusse +betrof, heeft deze aller partijdige aartsvaders partijdigste Vader het +zoo beschikt, dat Hij hem boven zijne andere kinderen bevoorrechten kon. +Tot hèm sprak hij aldus: "Zoon, véél zij u toegestaan.... Zie, Ik word +een mijn voor u; breek links en rechts zonder erbarmen of verpoozen, +mijn duurzaamste gesteenten uit, en waar de anderen, met éen van de véle +die gij delft tevreden, dat slijpen tot een juweel van licht, en er +gouden sieradiën omheen ciseleeren, wèrp gij die schàtten als kolen op +uw wagen, dat de menschen zullen zeggen: wie dolf +zóóveel-en-zóó-achteloos als hij!... En nòg is Mijn genade niet +uitgeput: Sta nu stil in uw werkdrift, zoon.... Zie! Ik plaats mijn +scheppende wondermacht in u ... open uw zwarte mijnwerkershand.... Wàt +ziet ge? Wàt fonkelt daarin ... is het niet een licht-juweel, omzet van +gouden spangen?... Welnu, wèrp het mede op uw wagen, en het deere u +niet. Want weet: het is Mijn wil de menschen te doen vragen: wáár sleep +hij dien steen, wáár dreef hij dit goud? In de onderaardsche schachten, +waar hij doorhaast, door de gruismist van aard-afval; bij het beuken der +houweelen en den donder der diepte-ontploffingen.... Een vluchtende +schim, die ademloos grijpt en breekt en voortijlt en werpt.... Wáár kòn +hij dit slijpen, dit drijven?—Want, zoon, zij weten het nog immer niet, +dat Ik hetzelfde op oneindig vele wijzen maak, Ik, die het omzichtig +werk der fijnst-geslepen beitels doe mislukken, en zoo Mij dit behaagt, +met een houweel mijn teerste beelden drijf.... Gij, <span class="pagenum"><a name="p91" id="p91"></a>[p.91]</span> zoon, zult +mijn kunstenaar èn mijnwerker, mijn scherpzichtige jager èn in u zelf +gekeerde droomer <i>tegelijkertijd</i> zijn...." +</p> +<p> +Oordeelt nu, lezer, mijne woorden: laat de rommelige levensvolheid van +dit <i>Een Worstelaar</i> langs u been rumoeren: het ploffende storten der +brokken levenserts verdooft u.... Dan plots ... ge zièt iets ... ge +grijpt iets van tusschen de ruwe gevaarten.... Een bééld is 't! +brééd-visionnair gehouwen, màchtig in zijn kleinheid.... En dit, en +dit?... Die fonkeldingen.... Ongelooflijk! psychologisch <i>filigrein</i>.... +En dit ... òndoorzichtige zielskristallen, <i>doorzichtig</i>-geslepen.... +Hiervan dus luid, en nu ten dùidelijkste formuleerend, beschuldig ik 't +Leven: dat Het dezen nieuwen Jozef een <i>voorraadmaker</i>, een +<i>magazijnmeester</i> èn een <i>ontraadselaar en koninklijk verwerkelijker van +vreemde droomen</i>, in éénen, veroorlooft te zijn.... En zoo ik 't kon, ik +zou deze bevoorrechting verhinderen. Maar ach, wat vermag een menschje +tegen 't Leven, en dan nog wel een armzalig recensent.... +</p> +<p> +Jan. '18. +</p> +<hr style='width: 45%;' /> + +<p class="pagenum"><a name="p92" id="p92"></a>[p.92]</p> +<h3>EEN ANTISEMITISCH CRITICUS?</h3> +<p><a name="FNanchor_1_22" id="FNanchor_1_22"></a><a href="#Footnote_1_22" class="fnanchor">[1]</a></p> + +<p> +Ik had het boek geopend en èven maar den <i>Inhoud</i> doorgezien.... Dan, +zachtkens, liet ik 't vóór mij ter tafel neerglijden, en evenals toen +... in dien machtigen tijd ... toèn! daar het Westen zich tegen het +Oosten verhief en krijgsgerucht de luchten, vulde—al was, gelijk ook in +dien anderen Mâha-Bhârata, dat gerucht meer van speeches dan van +wapengekletter afkomstig—zie ik mijzelf glimlachen, liefdevol +èn—demonisch....—"De Joden in de Literatuur"!... Daar staat het +artikel nu weer voor mij en lacht op zijn beurt ... ja waarlijk! ik zìe +hoe 't lácht, een beetje benepen en verlegen als een aardige, +verstandige kwant, die wel wéét, alweer een malle boodschap van zijn +baas over te brengen, maar nu eenmaal gehoorzamen mòet .... En ik mijmer +weer weg.... Hoe schoon was dat ... die jong-machtige figuur van +Ornstein uit de denkverzonkenheid van zijn wetenschappelijken arbeid te +zien rijzen, en zich te weer stellen ... voor Querido en van Campen?... +Ach wel neen, wàt zouden hem die zijn geweest! maar voor dat mèt zijn +wetenschappelijken hartstocht hem beheerschend toekomst-visioen: een +Jodendom, dat vrij, geestelijk en materieel, zich uit kan leven.... En +hoe schoon ook was, in dien subtielen, kalm-evenwichtigen, polemischen +stijl van Mevrouw Mr. Ornstein de vrouwelijke charme noch het vaste +zelfbedwang <span class="pagenum"><a name="p93" id="p93"></a>[p.93]</span> te zien vervluchtigen voor het vuur—dat de heeren +Scharten, Wiessing en Abas lichtelijk-<i>roosterend</i> vuur—van haar +diep-intuïtief èn wetenschappelijk verwerkt, nóóit afdwalend +nationaliteitsbesef.—Maar dan helaas!...—o, eerste leelijkheid, die +mijn mooi genot kwam storen!—ontwaar ik hoe mijn wenkbrauw-uiteinden +mephistophelisch omhoogrijzen, voel ik mijn neusvleugels trillen van +zàcht-uitgeademde, tráág-gesávoùréérde spotjool.... En ik zie weer Jac. +Levy, een wel begaafde en energisch-opstrevende proletarier, maar toen +te jong, zonder ervaring.... Nauwelijks was hij het <i>Mosgroene Heilige +Bosch</i> ingetreden, om voor de verheven goden, die daar toeven, zijn hart +uit te storten, of er springt een mr.-wiessing op hem af en <i>hapt 'm een +stuk uit zijn eerste-eigengebakken offerkoek</i> ... en ah! welkom! welkom! +dáár is ook weer de heer Abas-van-de-fransche-verzen, welke Querido niet +beoordeelen wou.... Wraak is kòstelijk en zóet, mijn kunstenaarsziel +bemint de schoone wrekers, en dies lijkt mij dan ook de heer de Rosa, +toen hij in <i>De Nieuwe Amsterdammer</i> die wraakneming wilde bestraffen, +en na weigering van zijn stuk er waarachtig ook nog mee naar <i>De +Joodsche Wachter</i> liep, zéér verwèrpelijk en zùùr: had hij niet kunnen +weten, dat "als de redactie (van de <i>Mosgroene</i> natuurlijk, v.C.) zich +(tegen opname) verzet, zijn er steeds naar haar meening redenen voor van +moreelen of intellectueelen aard"? En gebóód dan ook hier inderdaad de +dièpst-begrepen <i>moraliteit</i> niet, dat des heeren Abas wàre +beweegredenen slechts doorheen—een putdeksel bleven stinken?... Maar +och, dat is kleingoed, dat is allemaal kleingoed ... vaarwel Levy, +wáárlijk-kranige, intelligente jongen, die je zoo mooi-autodidactisch +uit je diamantslijpers-ellende hebt opgeworsteld tot een schooner +bestaan; adieu mijnheer Abas, als u je maar vlijtig in het maken van +fransche verzen blijft oefenen, dan zie ik al in niet te ver verschiet +den dag genaken, waarop diezelfde de Rosa u, als den <i>Verlaine +Redivivus</i>, een zijner innigste "Filmpjes" wijdt.... Maar ga nu, ga nu, +ik hoor Scharten's stap, "the step of the master"....—Dàg Scharten!... +Maar néén toch, néén.... Verbeelding! bloeiende, <span class="pagenum"><a name="p94" id="p94"></a>[p.94]</span>lokkende, +verleidelijke, zóó volg ik je niet langer, hìer is de grens; jij zoudt +wel van mijn denken een dialogische klucht willen maken.... Gij +vormwisselende-als-water, fònkel! maar maak den beker van mijn <i>ernst</i> +met je fonkeling vol....—O Scharten, als je destijds had geweten, hoe +ik je uit mijn verte zat te bezien, demonisch-spottend, jawèl, maar toch +wel waarlijk ook met een verteederd medelijden; als je toen mijn blik, +en wat die zeggen wilde, had gevoeld, hoeveel reiner en beter zou dàn je +boek zijn geworden.... Nu krijt je maar: "ik ben geen antisemiet," en +tast, geloof ik, als waar 't naar een wapen, naar een papier in je +zak.... Ah ja, ik ken 't: dat is dat soort dienst-bodengetuigschrift, +dat Mr. Wiessing je in je nood "verleende": "zoo is het ons bekend, dat +Scharten absoluut geen antisemiet is." Ach ik vrees, dat helpt niet +veel, èn jou, èn Mr. Wiessing zal men niet gelooven. Maar luister: +ik—om meer dan een reden is de tijd daartoe gekomen:—ik wasch die smet +van je af in een stróóm van argumenten .... máár bedenk dit wel: <i>wien +een smet wordt afgewasschen, hij wijte het den wasscher niet, dat de +huid in haar ware kleur te voorschijn komt</i>....— +</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p> +Scharten een antisemiet! Medestanders en vrienden, gij, die hem +verontwaardigd dus noemde, vergunt mij dat ik u thans klaarder inzicht +schenk. Overweegt eens allereerst dit: Wàt zou deze hoofsche en elegante +stylist, deze rijk-ontwikkelde kunstenaar-criticus, die met de roomigste +melk van veler landen literaturen is doorvoed, wiens <i>waarlijk-nauwgezet +en gewetensvol</i> onderzoek zijner critiek-objecten de warmste erkenning +verdient; wat zou déze man hebben gedaan, indien hij waarlijk antisemiet +ware geweest? Zou hij niet, vrage ik u, het voorwerp zijner afkeer ter +dege hebben bestudeerd, om het des te zekerder te kunnen treffen. Zou +hij, <i>hij</i>, zich niet in diens literatuur hebben verdiept, en al wat +door <i>groote</i> verdedigers en tegenstanders daarover is geschreven, met +<i>zijn</i> critische loupe hebben bezien? Ja zelfs—wat hadde dit immers +uitgemaakt voor dezen begaafden en polyglottischen literator—zou <i>hij</i>, +in den loop zijner van <span class="pagenum"><a name="p95" id="p95"></a>[p.95]</span> semitischen aanstoot getourmenteerde +jaren, niet althans een weinig Hebreeuwsch hebben geleerd, om toch ééns +ten minste den gehate in diens eigen huis te kunnen bespieden? Gij +antwoordt bevestigend, natuurlijk. En evenwel, <i>hij deed van dat alles +niets</i>. En wat deed hij dan <i>wel</i>?... +</p> +<p> +Hij schreef: +</p> + +<div class="blockquot"><p>Want de schuld der Joden is hun erfelijk ongeloof; hun ongeloof in +den Christus; hun ongeloof (vertaalt de beschouwer van dezen +heil-zwangeren onheilstijd) hun ongeloof in de Liefde als de het +menschdom verlossende kracht,</p></div> + +<p> +Hij schreef: +</p> + +<div class="blockquot"><p>... en voor Christus' heilleer bleek het niet rijp (!!)</p></div> + +<p> +Is deze van alle wetenschap gespeende, is deze schamel-geestelijke +herkauwer van zoo evidente, een oneindig aantal malen rééds herkauwde en +uitgespògen, dwaasheid, is déze onze voortreffelijke kunstenaar? Bij +mijn ziel: hij lijkt wel een dorpspastoor uit "het donkere Zuiden", die, +gewaarschuwd dat een gevaarlijk-welsprekend en allicht joodsch +S.D.A.P.-redenaar een propaganda-speech komt houden, op den +voorafgaanden Zondag den kansel beklimt, om voor zijn schaapkens de +Joden als de in haat verzonken, baarlijke duivels "kruisigers van +Christus", af te malen, en hen te verzekeren, dat ze voor eeuwig mèt die +verdoemden in de hel zullen branden, als ze zouden komen te luisteren, +al ware 't maar één moment, naar dien verleider, neen erger: dien <i>Jood</i> +(hu!) dien Satan-zelf thans tot ze zendt!... Hoe kwam dan deze +voortreffelijke geest zóó neergedaald? Het lijkt een moeilijk probleem, +maar mij is 't er geen. Ik denk mij de oplossing aldus: levend, doordat +hij zich wellicht verongelijkt voelde—welken mensch, welken kunstenaar +vooral, gebeurt dat niet op z'n tijd!—in een wanen-doorspookt +halfduister van geestelijke depressie, <i>veralgemeende</i> hij zijne +zuiver-<i>persoonlijke, bijzondere</i> en natùùrlijk nog wel <i>ten deele +gefantaseerde</i> grieven, en zag eene <i>tijdelijke ontstemming</i> <span class="pagenum"><a name="p96" id="p96"></a>[p.96]</span> voor een +<i>grondsentiment</i> zijner persoonlijkheid aan. Maar deze psychologie is u +wat te duister, te abstract? Welnu, laat mij haar dan door een <i>concreet +voorbeeld</i> verhelderen. Denk u <i>een vorst</i>—hoe vaak is 't in onze +tijden gebeurd!—<i>die zijn troon door een revolutie ziet bedreigd, en +zijn smartelijken toorn in een pogrom uitviert</i>—is die man dáárom een +<i>antisemiet</i>?! Hij èn anderen denken dat allicht, en niettemin: welk een +dwaling! Hij is immers niets dan een mènsch, die naar de schoone, +bijna-onbewust werkende, <i>traditie</i> van zijn liefdevol geslacht, aldus +zijn onbeheerscht en maar vluchtig gevoel uit. Is het revolutie'tje +overwonnen, is de troon weer bevestigd, dàn wordt hij allicht weer een +beste vent, doet zelfs een jóódsche vlieg geen kwaad, ja zegt wellicht +beminnelijk, dat die schoon is als een vlinder.... Keeren we nu tot +Scharten terug! Eens in die depressie vervallen, verhinderde hem zijn +ongeloofelijke <i>naïveteit</i> zelfs maar een glimp van den waarachtigen +aard zijns voelens te zien.... Maar hier protesteert gij! Gij gelooft +inderdaad niet, zegt ge, aan een dergelijke naïveteit in een immers +juist zoo voortreffelijk <i>cerebraal</i>-begaafde. Welnu vrienden, ik zal U +dwingen te gelooven, ik zal U bewijzen wat ik zeg. Hij schreef: +</p> + +<div class="blockquot"><p>Het "schmeichlen" van het Duitsch heb ik nooit kunnen verdragen, +evenmin als het zoetige woorden-gespuug van den Joodschen +marskramer.</p></div> + +<p> +en is zoo <i>naïef</i> er niet aan te denken, dat men hem zal toevoegen: maar +waarde heer, spreekt ge in 't huis van den gehangene niet wat àl te luid +over het touw? "Schmeichlen", "<i>zoetig</i> woorden-gespuug"! En dit dan: +</p> + +<div class="blockquot"><p>... is het niet de bedroevende waarheid, dat Holland, zonder "De +Telegraaf" niet eenmaal aan die heftige oppositie der gansche +menschheid zou hebben deel gehad? Dat "De Telegraaf" voor een àl te +groot part het <i>geweten</i> van Holland heeft moeten zijn? Het is om +die reden ... dat de uitnoodiging van "De Telegraaf" tot +medewerking, wel zéér aantrekkelijk voor mij was.</p></div> + +<p> +<span class="pagenum"><a name="p97" id="p97"></a>[p.97]</span> Het slachtoffer, Zionistische medestanders, van ùw +antisemietisme-beschuldiging vergeve mij: ik heb zelden van den meest +ruggebogen <i>duitsch-joodschen</i> commis-voyageur—dè vereeniging dus van +afgrijslijkheden!—een "<i>schmeichlender"</i> en "zoetiger" toon gehoord! +Want zelfs al ware "De Telegraaf" een zoo ideëel-geredigeerd dagblad als +Scharten 't geloofde—gelooft hij 't nog?!—welk eene "schmeichlende" +smakeloosheid blijft het dan niettemin, op den eigen oogenblik, dat men +een betaalde taak van iemand aanvaardt, dien <i>werkgever</i>—ja, want al +leven we ook in nog zoo'n rose Literatuur- en Kunst- en Ideaal-hemel, +eene andere <i>aardsche</i> verhouding is er hier toch niet—dien +<i>werkgever</i>, zeg ik, zoo <i>uitermate-liefelijk</i> te begroeten. Maar och, +wellicht vergis ik mij; wellicht is dat maar dwaze <i>werkmans</i>-trots van +mij. Die baaien rok komt wel vaker uit mijn literatuur-mantel kijken!— +</p> +<p> +Hij schreef: +</p> + +<div class="blockquot"><p>Het is voor mij geen gemakkelijke zaak, te schrijven over twee +onzer meest bekende critici, Willem Kloos en Is. Querido. Zoo geel +ik sedert een tiental jaren de verzen, die ik schrijf, niet meer +uit, omdat ik ook over verzen schrijf, en de gedachte niet kan +verdragen, dat men daarnaast mijne eigene verzen voor de modellen +zou willen aanzien van hoe ik vond dat verzen moesten zijn.</p></div> +<p> +Dat, waaràchtig, schreef hij en is zoo <i>naïef</i> er niet aan te denken, +dat men hem zal vragen: maar waarde heer, ge geeft ook immers novellen +uit, en zijt ge dàn plotseling weer nièt bang, dat men die voor door U +omhooggeheven modellen zal aanzien? Komaan, bedenk U eens goed: àls, +bijvoorbeeld, ùwen verzen eens de "lichte godentred" van die van Boutens +eigen was, zoùdt ge ze dan niet ... nee maar, zoudt ge ze dàn heusch ... +heùschelijk niet tòch maar uitgeven?... O, heilige onschuld, ongerepte +<i>naïveteit</i> van een dichter, die zegt, zijne verzen niet uit te geven +omdat hij verzen <i>critiseert</i> O, heilige onschuld, héérlijke +<i>naïveteit</i> van een dichter, die, <i>opdat</i> zijn <span class="pagenum"><a name="p98" id="p98"></a>[p.98]</span> verzen <i>niét +gemeten</i> zullen worden, ze onder de koren-<i>maat</i> der critiek versteekt +en daardoor natùùrlijk bewerkt, dat men ze <i>onmiddellijk</i>—en nu "in +één partij"!—meet. Neen, dan nog maar liever ze in den "ivoren toren" +van Verwey, dan nog maar liever ze in de "schóóne vindbaarheid" van +Boutens verborgen! Onder een korenmaat!... waar een boertje als ik ze +uit kan halen ... wel foei, dat lijkt me toch de léélijke vindbaarheid +van maar een grof verstoppertjesspel....—En welnu, vrienden, hèb ik U +nu niet gedwongen te gelooven; hèb ik U nu niet getoond, waartoe zulke +wáánvervulde naïveteit soms voert? Maar o, ik zie 't al, ge twijfelt +niet meer. Komaan, dan kunnen we verder gaan. +</p> +<hr style='width: 45%;' /> +<p> +"De Telegraaf" heeft, naast menig kwaads, ook onzen criticus goeds +gebracht. Tusschen <i>Gids</i> en het "Meestgelezen Dagblad" is wèl een +contrast, maar juist de felheid daarvan deed Scharten <i>eenige</i> der hem +bedreigende gevaren merken en hem <i>die</i> althans ontgaan. En ook: de +overgang van den een tot den ander heeft immers, in gòed-bekeken +werkelijkheid, veel vaker plaats dan men wellicht denkt: de +<i>deftig-vrijzinnige kerk</i> uìt en <i>het luidruchtige marktplein</i> òp, daar +is bij onzen stedenbouw immers elk kerkganger op verdacht! Scharten wist +zich dan ook onmiddellijk in 't rumoer te schikken, al tè makkelijk, àl +te nederig weliswaar, gelijk we helaas hebben gezien. Hij voelde er +losser te kunnen zijn en hij wèrd 't. Menig boerinnetje, die daar met 'r +mandje met niet-onberispelijke groentetjes stond, heeft-ie jolig berispt +en geprezen.... Die <i>meerdere losheid was zijn winst</i>; maar 'n +patertje-langs-den-kant met ze dansen, dàt deed hij toch nooit: daarvoor +zat de kerksche wijding hem nog te veel in 't bloed. <i>Dat was het behoud +van zijn distinctie</i>. Hij werd <i>fleuriger</i> dan óóit in <i>De Gids</i>. Hoe +geestig is dat vergelijk van de "zonderlinge geluiden" in Anema's +poëzie, met het "ontstellend gebrul van de bloemenmeid in <i>Pygmalion</i>". +Hoe aardig-beeldend weer dit (over het herdenkingsfeest van "De +Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde") "wat er van zij, eene +dubbel-en-dwarse herdenking zal het worden, eene herdenking <i>met een <span class="pagenum"><a name="p99" id="p99"></a>[p.99]</span> +onderkin</i>."<a name="FNanchor_2_23" id="FNanchor_2_23"></a><a href="#Footnote_2_23" class="fnanchor">[2]</a> En zoo zou ik wel voort kunnen gaan!...—Maar <i>De +Telegraaf</i> bracht hem ook een andere winst: zij gaf hem meer ruimte: in +plaats van een vaak krap-toegemeten <i>Gids</i>-overzicht over een menigte +werken, beschikte hij nu over een feuilleton-ruimte, zoo hij 't wilde +voor één boek. Dat kwam zijn lust tot de <i>analyse</i>, zijn sterkste zijde, +ten goede. Zijne fijne indringingsmacht verfijnde zich nog wellicht. +Aanmerkt eens hoe dit vermogen, ontwarend het <i>diepste innerlijk</i> in +eene <i>uiterste uiterlijkheid</i>, zich <i>prachtig</i> hier toont: (Over Geerten +Gossaert) "<i>Trots</i> is deze ziel als weinige—<i>het is opmerkelijk, in +hoevele dezer verzen het statige of het steigerende paard +verschijnt</i>!"<a name="FNanchor_3_24" id="FNanchor_3_24"></a><a href="#Footnote_3_24" class="fnanchor">[3]</a> En meer nog deed <i>De Telegraaf</i>—gij zoudt het +onmogelijk hebben geacht, en toch: zij schonk hem den moed, ééns ten +minste <i>hartstochtelijk</i> in zijn liefdesuiting te zijn. Want Scharten +was immer een allerkalmste puntje-op-de-i-zetter, hij dàcht véél grooter +dan hij voelde: hij dàcht stèrk en hij vòelde maar: fijntjes. En als gij +goed de waarheid dezer bewering wilt inzien, dan moet ge eens de in +dezen bundel voorkomende unieke gelegenheid benuttigen, waarbij Scharten +eene <i>onbewuste nabootsing</i> van Van Deyssel heeft geschreven. Ik bedoel +die passage, welke bovenaan blz. 56 begint, waar onze criticus een +boekje uit de kast haalt en dat spottend gaat zitten bekijken. Dat is, +<i>buiten eenigen twijfel, eene reminiscentie</i> van het "snoezig kistje +sigaren" uit: <i>Over kunst, of eigenlijk over den Meer Henri Borel</i>, nog +wel een van de <i>koelste</i> stukken van ons aller Meester, den grooten +Brandende-Voeler. En nu moet ge eens goed zien, hoe snel in het +laatstgenoemde stuk het zich in zijn eigen trèf-zekerheid verknéuterende +spèl tot den strak-ingehouden, staal-vlijmen haat-ernst en verachting +steigert, en daarentegen Scharten's spel, 't spel van een <i>lieven, +guitigen plaaggeest</i> blijft. Maar, constateerde ik, dat <i>De Telegraaf</i> +hem ten slotte den moed tot den hartstocht—waarvan ik u aanstonds het +blijk hoop te toonen—heeft geschonken, ik moet erbij voegen, dat zij +dit geschenk-om-over-te-juichen hem bracht op een +manier-om-van-te-huilen. +<span class="pagenum"><a name="p100" id="p100"></a>[p.100]</span> En dat is aldus in zijn werk gegaan. Nauwelijks in de +<i>Telegraaf</i>-sfeer van maniakale anti-Duitschigheid en pro-Ententerigheid +opgenomen—in welker gedachtencomplex Nederland precies zooveel meetelt +als zijn waarde van mògelijk trekpaard voor den Entente-oorlogswagen +bedraagt—werd Scharten's wezen tot in zijn diepste gronden bevrucht, +ontwaakte het tot zijn vurigste kracht. Het wezen van dien Scharten, +die, schoon van <i>duitsche</i> afstamming, in <i>Nederland</i> geboren, een +<i>latijnsch-geaard cosmopoliet</i> is met een niet al te warme +liefde—waarvan de onbewuste plichtmatigheid hem wellicht tot dan bleef +verholen—voor zijn vaderland. Al die gevoelens, welke de +<i>Gids</i>-atmosfeer verhinderd had, in hem tot bewustzijn zelfs te komen, +werden hem nu als het uiterst-prijzenswaardige, als het onschatbaarste +dat in hem was, onthuld. Geringschatting van Holland's +volkseigen—prachtig Scharten! juicht <i>De Telegraaf</i>, dáár motte we +weze.—Gesputter tegen die overal in Holland opstijgende "lamme +lauwheid: de Neutraliteit ... die bóvenal beducht bleek voor het +mògelijk uitdagend-schijnen eener ridderlijke houding".... O, snikt <i>De +Telegraaf</i>, da'k dat heb magge beleve ... gauw! <i>ma</i> lodderein-<i>boîte +francaise,</i> beste Alexander, mijn <i>vieux brave,elle</i> zit <i>dans</i> je +linker <i>poche</i>....—"Hoe langer en hoe gruwelijker die waanzin duurt, +hoe onverwoestbaarder dat Bewijs in het bewustzijn der menschheid zal +komen te staan. Wie het dus goed met het menschdom meent,—verlangt +niet naar een ontijdigen vrede. Stelp niet de koorts, doch laat haar +uitwoeden." Bravo! Bravo! gilt <i>De Telegraaf</i>, noù ben je eerst mijn +salontijgertje, noù ben je eerst net zoo'n held-achter-de-sohrijftafel +geworden als ik-zelf!—En dan steken we van wal, hoor, we geven 'm van +katoen. De Hollanders zijn "lauwe Laodicenzen", en wat "een slááfsche +indruk" maakt dat, "al die Duitsche uniformen en petten" op de +Hollandsche soldatenhoofden, alsof ze zoo bij "het +driehonderd-zooveelste Pruisische regiment (moesten) worden ingelijfd." +Tot zelfs eene novelle van een onzer schrijfsters is—let op het +maniakale—<i>Pruisisch</i>-systematisch<a name="FNanchor_4_25" id="FNanchor_4_25"></a><a href="#Footnote_4_25" class="fnanchor">[4]</a> afgewerkt!—Maar +dan—<span class="pagenum"><a name="p101" id="p101"></a>[p.101]</span>bòven zijn nederigheid jegens <i>De Telegraaf</i>, bòven zijn +blijdschap ùit, aan dat ideëele blad te mogen medewerken, stijgt als een +leeuwerik uit een drenzig, vies burgertuintje zijn zingende ziel den +hemel der liefde in. Bij al dat léélijke heeft hij nu ook van diezelfde +<i>Telegraaf</i>—en ziehier nu de vervulling mijner straks gegeven +belofte—het schóóne geschenk van den moed tot den hartstocht ontvangen. +Het geheele <i>innige</i>, van <i>zoete liefde innige</i> stuk <i>Een avond in +Florence</i> is niets anders dan het heerlijk-schoon gelaat zijner <i>liefde +tot Italië,</i> maar kenden wij dit tot heden als een edel, duurzaam +marmer, koel als zijns beeldhouwers sentimenten, nù is 't overbloosd +door die nieuwe, die pas ontstoken vlam van den hartstocht. Welk een +jammer—voor mij—dat mijn genot alweer niet onvermengd mocht blijven. +Want ziehier de storende gedachte, die in mij rees: o <i>naïeve</i> Scharten, +zijt <i>gij</i> de man, die den Jood zóó <i>smadend</i> zijn <i>vreemdelingschap</i> +voor de voeten mocht werpen, gij die zóó over Holland en zóó over Italië +kùnt spreken; die u gebonden voelt "aan dat heerlijke land, waar gij (u) +meer dan érgens elders <i>thuis</i> ging(t) gevoelen"; gij dien, thans hier +<i>in Holland</i> levend, nochtans in betrekking tot Italië het spraakbeeld +naar de lippen dringt van "het in twee jaren niet terug geziene +<i>ouderlijke huis"</i>?! Onderzoek u-zélf, máár: uw diépste ziel, èn: hoed u +ervoor, die onbewust te <i>vereenzelvigen</i>—schoon-scheppende éénheid als +gij beiden vaak zijt—met de psyche uwer wel +cosmopolitisch-beeldend-<i>geniale</i>, maar naar haar grònd-aard en -wezen +stoer-<i>hollandsche</i> vrouw ... en nà dat onderzoek zég mij: wéét gij +u-zèlf geen "eeuwige vreemdeling" in Holland?... De <i>ziel</i> van Scharten +en de <i>ziel</i> van <i>De Telegraaf</i>.... Hier Raemaekers! daar is een nieuw +motief voor een nieuwe prent <i>Soeurs Latines</i>. +</p> +<hr style='width: 45%;' /> +<p> +In dezen bundel van een <i>makkelijk leesbare en zuivere écriture,</i> welke +de grondigheid niet tekort doet; in dezen bundel, <i>puur-eerlijk</i> en +<i>subjectief</i>-juist in wat hij zegt, waar hij zich maar niet tot een +volmaakt onbevoegd gebeunhaas in rassen-theorie, politieke tinnegieterij +en ridicuul-oudbakken, <i>quasi</i>-religieus <i>pseudo</i>-fanatisme verdwaast +<span class="pagenum"><a name="p102" id="p102"></a>[p.102]</span>—in deze opstellen is nog al wat veranderd! Tegelijk met de +verdwijning uit <i>Twee Critici</i> van de <i>prachtig</i>-openhartige, warme +waardeering voor mijn <i>Gids</i>-studie <i>Oude en Nieuwe Joodsche +Dichtkunst</i>, verzonk ook de belofte "daarop terug te komen" in 't niet. +Dat begrijp ik.... Oók mijn "Oostersche kleverigheid" verdween—helaas +welk eene bohémien-artistieke verspilling in dezen duren en gomloozen +tijd! Het zij zoo.... Maar wat had behóóren te verdwijnen: al die +dwaasheden, waarover ik 't had, diè zijn gebleven. Hadt ge ze toch, o +Scharten, geëlimineerd, hoe anders van toon en inhoud ware dit opstel +geworden, ook al hadt ge, o gelóóf me, mijn "Oostersche kleverigheid" +dan niet afgewischt. Dán zou ik niet noodig gehad hebben te bewijzen, +dat gij geen antisemiet waart, gij zelf zoudt 't hebben bewezen. Wie van +zich afwerpt den ontvreemden mantel en liever onder de barre kou des +hemels gaat, dàt is een moedig man; niet hij die zégt: "die mantel +behoort een ander", maar hem tòch dráágt. Wie zélf van zich afwascht den +zij 't léélijken, maar hém toch beschérmend-maskeerenden grime-smeur +staat dichter bij Christus en Zijn Jóódsche Liefde, dan wie Zijn door de +eeuwen verminkte beeld de voeten wascht, o Scharten....—Destijds zweeg +ik—ik voelde mij tot dit zwijgen zedelijk verplicht—ik wachtte op een +latere openlichting van inzicht bij je, op eene ruiterlijke erkenning +van dwaling. Zij zijn niet gekomen. Thans moest ik spreken. Ook tot U +Zionistische vrienden, aan wie ik, naar mij dunkt, wel iets goed te +maken heb! Want ik <i>liet</i> u—ik móest u laten—door mijn <i>zwijgen</i> in +den waan, dat gij voor het aangevallen Jodendom streedt, en och, ge ziet +'t nu betreurend: ge verdedigdet slechts twee menschen—van wel <i>zeer</i> +ongelijke beteekenis, maar beiden slechts: ménschen; ik <i>liet</i> u door +mijn <i>zwijgen</i> in den waan, dat ge tegen 't antisemitisme streedt, +helaas, het was tegen: alweer een ménsch, wiens impressionabele +kunstenaarsnatuur mijns inziens door verongelijking tot bezinninglooze +onbillijkheid werd gedreven. En echter, het valle u licht mij te +vergeven. <i>Zulk</i> schijn-antisemietisme heeft maar al te vaak het meest +echte gekweekt, zooals de comedie-dief op de film veel echte <span class="pagenum"><a name="p103" id="p103"></a>[p.103]</span> +diefjes in de zaal. En was het <i>daarom</i> reeds niet geboden er tegen op +te treden? Mijn zwijgen heeft dan ook niets en niemand geschaad. Het +deerde mijn vriend den aanvaller niet, want het gáf hem integendeel tot +inkeer en herroeping den tijd, en de geringste straf, die hem kon +treffen, was toch wel in een <i>vergroote</i> gedaante voor de menschen te +staan. Het schaadde ù niet: want wat deerde het de vlam van uw edelmoed, +wie of wat haar ontstak, nu zij brandde...?— +</p> +<p> +Jan. '18 +</p> +<p class="caption"> +Noten: +</p> +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_22" id="Footnote_1_22"></a><a href="#FNanchor_1_22"><span class="label">[1]</span></a> <i>Carel Scharten: Kroniek der Nederlandsche Letteren 1916</i>.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_23" id="Footnote_2_23"></a><a href="#FNanchor_2_23"><span class="label">[2]</span></a> Cursiveering van mij.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_24" id="Footnote_3_24"></a><a href="#FNanchor_3_24"><span class="label">[3]</span></a> ibid.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_25" id="Footnote_4_25"></a><a href="#FNanchor_4_25"><span class="label">[4]</span></a> Cursiveering van mij.</p></div> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<p class="pagenum"><a name="p104" id="p104"></a>[p.104]</p> +<h3>C.J.A. VAN BRUGGEN: ALS GE NIET ... DAN! EEN VER-BEELDING</h3> + +<p> +Zoodra ge het eerste hoofdstuk—het voorwoord, zoo ge wilt—van +<i>Het verstoorde Mierennest</i> hebt gelezen, ziet ge den zacht-ironischen, +den mild-droevigen en koel-vreugdigen, den schuwen, slechts +in wat losse speelschheid zich uiten willenden geest van den schrijver, +ten voeten uit, voor U. En in dìt boek herkent ge hem weer—hij is +nu ietwat veranderd, maar dit verbaast U niet: gij hebt die verandering +vóórvoeld....—Want ge zaagt ook wel hoe hij kwam aangetreden, +deze in zich-zelf teruggetrokken mensch, door der jaren kronkelende +gang, waar nu en dan schamplichten zijn dàn strak-gehouden +gelaat belichtten, maar ge in de duisternis een weemoedig spotlachje +daarop vermoedde—ge zaagt wel hoè hij opging tot de zelfopenbaring +dezer twee boeken. Een journalistenleven het zijne ... neen, erger: +het bestaan van een kunstcriticus!... Te midden van den grootheidswaan, +de ijdele zelfverheffing, de intrigetjes, het kemphaantjesgekraai, +de nerveuse overspanningen van al die Shakespeartjes +en Bouwmeestertjes, heeft hij dagen èn avonden doorleefd. Onderwijl +echter moet hij aldoor stilletjes naar zijn eigen speelsche droomen +hebben gekeken, hoe daar dingen ontstonden, die toch wel mooi +—nee, nièt móói, zal hij op zijn zich-zelf néérdrukkende wijze hebben +gemeend, doch áárdig ... toch wel aardig ... waren. Maar +niet opschrijven, niet opschrijven, kapte hij dan heftig een nauwelijks +gedàchte gedachte af.... Wat is er in godsnaam aan gelegen naast +al het heerlijk-moois, dat de grooten hebben gemaakt ... en kijk 'us +<span class="pagenum"><a name="p105" id="p105"></a>[p.105]</span> al die mallen, die opgejaagden, die schichtigen....—Hij moet dien +dégoût hebben gehad, welken elk kunstenaar-criticus kent, dien +dégoût van den lazaret-dokter aan de vuur-linie ... te véél wonden, +te veel verwrongen gezichten, te veel mensch wrakken, om Gòds wil +hou òp! Maar—de droomen van een wezenlijk-scheppenden geest +als de zijne, zijn sterker dan diens wil. Zij dwongen hem ten slotte +zich te bukken onder hun juk.... Hij gìng zich uiten.... Maar in +'s hemels naam, zoo moet zijn wijze deemoed hem in een laatste verweer +hebben toegefluisterd: zonder iets dat maar op ophef lijkt, àsjeblieft +... zorg ervoor, dat ze je niet kunnen zitten aankijken als +een wonderdier ... gelùkkig: jij kunt dit leven niet anders aanvoelen +dan als een doelloos spel, bééld 't als zoodanig ... nog een beetje +achteloozer dan je 't wellicht van zelf al zou hebben gedaan ... òm +je maar de vooze gewichtigdoenerij van 't lijf te houden....—En +daar kwam dan het eerst dat vóórwoordelijke eerste hoofdstuk van +<i>Het Verstoorde Mierennest</i>: "Indien de natuur eens meedeed?".... +"<i>Bedenk eens</i> zulk een gril".... "<i>Laat ons</i> het eindloos getal zulker +doode werelden met één vermeerderen"..... "Maar ons <i>sprookje</i> +gaat verder"<a name="FNanchor_1_26" id="FNanchor_1_26"></a><a href="#Footnote_1_26" class="fnanchor">[1]</a> Dit voorwoord zei den lezers onmiddellijk: vrienden, +trek jullie asjeblieft je galapak uit, je gaat niet naar een zitting van +de Staten-Generaal, maar naar de bijeenkomst van een <i>debating-club</i> ... +begrijpt wèl: er dwìngt ons géén nijpende wèrkelijkheid tot +spreken, noch gaan wij beraden over iets dat <i>is</i>, maar: wij hebben nu +eenmaal lùst tot spreken, en we zullen redeneeren over iets, dat we +<i>veronderstellen</i> te zijn....—Nóóit heeft een werk eene meer discrediteerende +voorrede meegekregen: de verwezenlijking van het +gegeven—<i>het</i> doel van kunst!—in des aanschouwers geest, scheen +hier <i>bij voorbaat onmogelijk gemaakt</i>! Temeer, waar zich de spèl-natuur, +de <i>schaakspel</i>-natuur der verbeelding nog in iets anders accentueerde: +in den ònoorspronkelijken opzet van het verhaal; dien een +werelddood brengenden komeetstaart vol blauwzuur. Want werd +<span class="pagenum"><a name="p106" id="p106"></a>[p.106]</span> ons deze opzet niet onmiddellijk voelbaar als een analogon van een +dier, grootendeels eeuwenoude, "openingen" van het schaakspel, waarmede +bijna elke partij, óók de oorspronkelijkste, óók de geniaalste, +begint? Maar dit was dan ook de schoone triomf, zelfs over mij, die +dit alles toch zóó sterk had doorvoeld, dat den lezer dit áárdige <i>spel</i>, +trots àlle tekortkomingen, trots àlle onwaarschijnlijkheden, langzamerhand +tot boèienden <i>ernst</i> werd!—En toch—ik sprak straks van +eene verandering die te voorvoelen was: in zoo speelsche luim kòn +déze scheppende geest niet volharden. Want weet dit wel: het leven +weerspiegelt zich op drie wijzen in de menschelijke psyche: als doel- en +wetten-looze toevalligheid; als wet-gebonden spel; als doelmatige +ernst. En wie nu, als onze schrijver, <i>meenend</i> in de sfeer der hier als +twééde genoemde levensbeschouwing te verkeeren, toch reeds blijkens +de eigenaardige ernst-impressie, welke zijn werk ten slòtte maakt, +in zijn <i>scheppend onbewuste</i> de erkentenis van de dèrde draagt—diè +stijgt, al scheppend, ook bewùst tot deze; die verláát het spèl. Men +ziet dan ook in dit zijn tweede boek duidelijk de <i>aanvang</i> dezer stijging. +Het werd er minder èn meer door. Mìnder: want nu het <i>puur</i>- +fantastisch gegeven is vervangen door dat eener zeer makkelijk als +zoodanig te aanvaarden werkelijkheid, storen ons veel onwaarschijnlijkheden +des te heviger.... En óók minder: omdat de schrijver +niet immer tot de <i>hart</i>-diepte van zijn soms van-realiteit-nijpend +onderwerp daalde, en met name zijn daardoor geïnspireerde lyriek, +hoe fraai die ook op sommige plaatsen zij, als geheel nog onrijp +bleef. Maar méér: door het sociologisch-bitterder-hekelende van zijn +oude en zuiver-gebleven socialisten-hart; door de toch steviger levende +menschelijkheid—de <i>engelsche professor</i>, de <i>apache</i>, het <i>meisje</i>;—door +het <i>prachtig-geestige,</i> dat het werk doortintelt—<i>de graaf met +z'n vier Pommeren</i>! dat is onovertrefbaar in zijn soort ... dàn vloeien +de meest spiritueele karakteristieken uit zijn pen. Terwijl tusschen +dat alles nog kleuren, vaag, wonderteere van-glansmist-omdeinde +visioenen. Naast vrij wat slordigheid in de taal—soms zeer opmerkelijk +in het andere uiterste overslaande: eene als uit <i>nerveuse behoedzaamheid</i> +<span class="pagenum"><a name="p107" id="p107"></a>[p.107]</span> ontstane verstarring, (een taalgevoel dat, onraad snuffelend, plots +waaksch, op stijve pooten loopt)—zijn er ook wel eenige vreemde +stijlinvloeden aan te wijzen: nàuwelijks èven een <i>de Haansch</i> rhythme; +lànger eene <i>Queridoïaansch</i>-beeldende zegging; zéér lang aangehouden +de tóón der voortreffelijke <i>Prikkelidyllen</i> van <i>Cornelis +Veth</i>....—Ik wil nu maar hopen, dat ik onzen ingetogen auteur +niet te veel lof, naar zijn smaak, heb toegezwaaid, en vooral verzoek +ik hem mijne allicht-onjuiste psychologische analysen te willen verontschuldigen +Hij-zelf heeft aan mijne vermetelheid een weinig schuld! +Schoon spel prikkelt tot medespelen. Jammer slechts dat ik dan een +zoo onkundig partner was. Maar zie, alreeds sta ik op, en de vrije +plaats voor het schaakbord aan zijne Scheppende Droomen latend, +trek ik mij in den kring der verheugde en zwijgende aanschouwers terug. +</p> +<p> +Febr. '18. +</p> +<p class="caption"> +Noot: +</p> +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_26" id="Footnote_1_26"></a><a href="#FNanchor_1_26"><span class="label">[1]</span></a> Alle cursiveeringen van mij.</p></div> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p class="pagenum"><a name="p108" id="p108"></a>[p.108]</p> +<h3>JOH. DE MEESTER: DE KINDSHEID VAN HARLEKIJNTJE</h3> + +<p> +De jòng-geestige, liefdevol-spotlustige verteller, die de Meester +eenmaal was, de verteller van dat onvergetelijk <i>Avontuur van David +Zangvogel</i> èn <i>Petite Reine</i>, benevens de wat +Hildebrand-achtig-gemoedelijke, novellistische verhandelaar, die hij +zoowaar óók soms kon blijken—die beide evenwichtiger wezens bestaan, +blijkens dezen bundel, nauwelijks meer in hem. Zijn nog altijd jeugdige +en rappe geest heeft een toch wat oùwelijk-stèrker physionomie gekregen +... van een vréémde ouwelijkheid, zulk eene als, schoon plòts +geopenbaard, wel altijd bij het wezen moet hebben behoord, of het jong +was dan wel oud; die <i>niets</i> met den vorderenden leeftijd heeft te +maken. Zijn <i>scheppende</i> geest—dáár ben ik er!—lijkt mij de, machtiger +dan vroeger geprononceerde, physionomie van den condor te hebben: +kaalhoofdig, naakt-scherpe oogen, bits-kromme grijpsnavel. Met zijn +fel-flikkerenden blik zoekt hij den hemel af en de aarde over....—Zijn +nerveus-open ziel reageert op alles dat leefbeweegt binnen zijn +gezichtsveld. Alles is hem schoonheidsprooi, hij ziet èn grijpt.... Het +is verwonderlijk wat hij òp kan, wàt hij ver-bijt, wàt hij verslindt en +in hoe korten tijd hij 't doet....—Ziedaar de schrijver des zes, deels +voortreffelijke, deels goede, maar àlle: <i>boeiende, Thuiskomsten</i>; van +het pittige <i>Een geval van Tooneelbescherming</i> en het een beetje, in de +figuur van den schilder, Emants-getinte <i>Oase</i>. Nog altijd is hij de +onverminderd-uitmuntende compositeur van het vlotte, korte verhaal, en +in elk zoo'n verhaal is welhaast een roman saamgedrongen; zij <span class="pagenum"><a name="p109" id="p109"></a>[p.109]</span> +zijn instantané's, maar niet van een-oogenblik-in-'t-leven, doch van +het-leven-in-een-oogenblik. Zijn verhalen zijn vol rillende driften: +hèrsens vòl bevende zenuwen, kloppende aderen. Zijn zinsbouw, zijn taal +zijn incarnatie—pezig-mager, gloed-droog woordvleesch—van zijn vurige, +lijdende, wrang-genietende, het leven een drònk afdwìngende ziel. Warmte +en koude wisselen snel in hem, maar blijvend in hem toch is: iets +hard-staalachtigs, sòms smijdig-vlug als een toestootende degen, maar +soms ook als onverzettelijk omhooggespeerd onder den duister-broeienden +hemel van zijn pessimisme. Donkerte en licht wisselbliksemen dan langs +hem heen, want geen onweer barst in zijn nabijheid los of hij trekt de +ontlading aan ... dan ziet ge fèl den staalglans. Als het gevaarlijke +hemellicht, verraderlijk-snel en wreed, de zich onzichtbaar wanende +zwoel-heimelijke nachtelijkheden der aarde opendekt, vaart het langs hèm +neer, om zich-zelf in den reuk-zwaren grond te begraven. Dit, wat den +<i>schepper</i> in dit werk betreft. De <i>mensch</i>, die <i>niet</i> tot het +schepper-zijn kon stijgen, wijl hij er zooeven vermoeid uit neergezegen +was, spreekt uit het eerste verhaal: <i>De Kindsheid van Harlekijntje</i>. +Dáárin leeft de man, die door de turbulente jacht van scheppende +bewogenhden éven verlaten, zoo graag een héél gewone mensch, dien korten +tijd althans, wil zijn. Daar ziet hij zich nu zitten in een gezellige +kamer, en een anderen mensch tegenover zich.... Heeft die naar hem +geluisterd, terwijl hij scheppend-verhaler was?... De bewonderingswarme +blik van dien man schijnt dat wel te zeggen.... Maar wat doet dat ertoe; +van zùlk een verhaler is nù niets in hem ... hij voelt als een +geestelijke koude, een leegte ... hij voelt een behoefte aan +gewóón-menschelijke vriendschap .... Hij wéét zeker, dat als hij nu in +zijn weeken weemoed, zijn drang naar wat meegevoel, gaat spreken, hij +sentimenteel, misschien wel drakig-melodramatisch zal doen; tòch kan-ie +'t niet laten. De oogen ver-starend, vochtig van verlangensglans, +mijmert hij zachtkens over zijn jeugd, hoe-ie daar in dat oude, kleine +stadje, waar zijn ouders woonden, een jongetje kende, Harlekijntje ... +een armzalig, door drank verdwergd jongetje.... En hij vraagt +vertrouwelijk den man tegenover zich: van die Harlekijntje gesproken: +"Heette zijn <span class="pagenum"><a name="p110" id="p110"></a>[p.110]</span> moeder niet dronken Fie? Was zij uit een Belgisch +Seheldedorp".... "Heeft de muziek Fie gelokt naar de stad?"....—Maar de +man tegenover hem ziet hem koelverbaasd aan. Die begrijpt niet, dat de +liefde-<i>gevende</i> schepper plots een liefde-<i>behoevende</i> mènsch is +geworden, en koud antwoordt hij hem: "Vraagt U mij wie of wat Fie +was!... dat wilde ik juist van U weten.... Wat wilt U toch van mij? Waar +is Uw prachtige zèkerheid gebleven?... O, o ... ik zie 't nu.... U zijt +geen schepper meer als straks.... U zijt 'n mènsch als ik geworden. Ik +herken mijn eigen <i>twijfelen</i> in U helaas, maar ùwe <i>zekerheden</i> herken +ik niet meer." En de man staat op en gaat héén....—O, de Meester, dit +is het lot van alle scheppenden, als dat vreemde heimwee hen naar het +gewone mensch-zijn trekt ...—naar: los te zijn van scheppende droomen; +los van die over-vreeselijke, pijnende gevoeligheid; los van hun +onverzadelijke, dùistere drift naar een vermoede licht, al maar heller +begeerd, al maar heller dan zij ooit hebben gekend ... bevrijd te zijn +van dat dunne, meedeinende, maar nooit wijkende, alles zoo anders +kleurende <i>waas</i>, dat hen van de anderen scheidt. Want nóóit worden zij +daaraan geheel onttogen en nooit hun de zoete vrede der gewone menschen +en het 't-zelfde-voelen met dezen gegeven. Blijf daarom je +nerveus-trillende, je van leven kloppende verhalen schrijven; hoe levend +en schoon zijn zij ook weer hier, al zijn, gelijk in al het levende, +doode plekken in hen. Maar mijmer geen Harlekijntjes meer. Wat de mensch +beminnenswaard zelfs acht in zijn evenbroeder, verwerpt en veroordeelt +hij nog in hem dien hij als <i>kunstenaar</i> meende te hooren, terwijl toen +de kunstenaar nièt sprak....— +</p> +<p> +Febr. '18. +</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p class="pagenum"><a name="p111" id="p111"></a>[p.111]</p> +<h3>R.J. SPITZ: UIT HOOFT'S LYRIEK</h3> + +<p> +De heer Spitz maakt zich wel zeer verdienstelijk zoowel jegens de oude +literatuur als jegens den modernen mensch, die hij zich zoozeer beijvert +tot elkander te brengen. Eerst de overzetting van de <i>Beatrijs</i> uit het +Middel-Nederlandsch in het hedendaagsch, een werk, dat, er mogen dan ook +duidelijk-zichtbare vlekjes op zijn aan te wijzen—ik kom er spoedig +elders op terug—toch van een piëteitvollen moed en een schoonheidsbesef +getuigt, die den uitvoerder eeren. Nù deze bescheidener maar niet minder +gewichtige arbeid van het samenstellen eener korte bloemlezing uit +Hooft's lyriek, waarbij echter, daargelaten dat het doen eener keuze +vaak evenzeer een blik gunt in den geest van die haar deed, als een +vertaling in dien van den vertaler, de bloemlezer kans heeft gezien en +wèl gebruikt, om zijn zeer te waardeeren aandeel in het gebodene te +verhoogen door het schrijven eener beknopte, aangenaam-leesbare, zeer +concis-gestelde inleiding, welke met een zekere prettig-aandoende, +vastbesloten flinkheid de dingen bespreekt of noemt, waar 't op aankomt. +Als ge hem, in den eersten zin reeds, zoo terloops hoort zeggen, dat +Hooft's vader "een van de besten en zuiversten van een regentensoort +(was), waarvan de vrijzinnigheid vaak niet meer dan afkeer was van +predikanten-heerschappij en dat meestal slechts voor een vrijheid voelde +die de onderdrukking van anderen als grondslag had en ten eigen bate kon +worden aangewend," dan herkent ge hier onmiddellijk deze uiting als die +van een man, die, ver over zijn vak-omheininkje heen, den wijden +horizont ziet, diens spel van <i>in elkander vervloeiende en elkaar +aanvullende tinten</i> <span class="pagenum"><a name="p112" id="p112"></a>[p.112]</span> begrijpt, en met dat zuiver-eigen begrip +zijn van anderen ontvàngen kennis scheidt, weer samenvoegt, schakeert, +en aldus tot den vollen èigendom van zijn geest maakt. Er klopt iets in +deze zoo <i>aus einem Gusse</i> gegoten inleiding, iets van zoo wàrme +overtuiging ook—men leze bijvoorbeeld die paar regels, waarin de +schrijver "protesteert" tegen een oordeel, dat Hooft een fijner geest +dan Vondel noemt—dat het mij zeer verwonderen zou, indien deze "klop" +niet eens een véél verder dragend geluid uit het brons der taal zou +wekken dan dit, al zal het wel, denk ik, nooit een <i>schóón carillon</i>, +maar slechts een <i>zeer nuttige en, wie weet, ook menig rustig slaapje +storende uur slag zijn</i>. De heer Spitz lijkt mij namelijk niet +iemand—het blijkt m.i. duidelijk uit zijn overzetting van de +<i>Beatrijs</i>—van noemenswaardige <i>kunstenaarsgaven.</i> Intusschen, +gewichtiger dan dit alles dunkt mij de vraag, of zelfs een +voortreffelijk uitgaafje als dit bij machte zal zijn den nieuwen mensch +tot de oude kunst te brengen. Bloemlezers van oude literatuur, in dezen +tijd, schijnen mij altijd min of meer op zoo'n oude dame te lijken, die, +als haar coquet kleindochtertje naar haar eerste bal gaat, uit 'r +commode, van achter zeven sloten, een kostbaar antiek snoer haalt en +dit, als in zelf-opofferende innigheid, om het jonge halsje legt. Maar +het kind helaas, ofschoon ze quasi-opgetogen haar oogen laat schitteren, +is er heelemaal niet dankbaar voor ... ze zou veel liever een van haar +moderne snuisterijen dragen, en bovendien: wat zal Albert, dien ze van +de tien dansen zeven heeft beloofd, er wel van zeggen, dat ze zijn +medaillonnetje niet aan heeft?!...—De keus-zelf overigens lijkt mij +hier bijzonder geslaagd. Och ja, natuurlijk: desiderata blijven er voor +mij ontevredene nog altijd. Een kort-regelig en kunstig vers, ter +vertegenwoordiging der soort, als: <i>Ghij suchten heet</i>, mis ik al even +noode, als, na de opgenomen monoloog van Dorilea, de veel zàngeriger +"zang" van Daifilo. En als pendant van <i>Amaril</i> op blz. 14, had ik het +geestige en, mij dunkt, den hedendaagschen lezer wel lijkende <i>Amaril, +had jck hajr wt uw tujtjen</i>, er maar bij genomen. Een bepaalde +tekortkoming echter acht ik, dat de fèl-zinnelijke Hooft—hij had met +Boccacio niet slechts zijn humanistische <span class="pagenum"><a name="p113" id="p113"></a>[p.113]</span> neigingen èn voorkeur +voor de letteren boven den koophandel gemeen!—niet door een vers als +<i>Dartelavondt</i> is vertegenwoordigd. Er komt hier, meen ik, een zelfde +tegenzin van den heer Spits, tegen grover-sensueele passages, als in +zijn vertaling van de <i>Beatrijs</i> aan het licht. Maar erger dan eene +tekortkoming: een volstrekt vergrijp vind ik de verminking van <i>Op Liefs +Afweezen</i>. Niet slechts de <i>vijf laatste</i> coupletten, maar zelfs het +<i>derde</i>, dus iets uit het midden, uit een gedicht te snijden...! Bloemen +lezen van een veld en takken afbreken van een boom zijn twee +verschillende dingen! Gelijk ook bloemen lezen iets zeer liefs kan zijn, +maar ze slordig te laten vallen als steken van een breikous, iets +bepaald ònliefs is. Ik doel op eenige drukfouten, die zin of metrum, een +enkel maal zelfs beide, storen, al blijkt, in twee gevallen althans, uit +de noten de juiste lezing wel. In <i>Deuntje</i>: een "won<i>der</i>-ziek geesje" +in plaats van "<i>wond</i>-ziek." (In hetzelfde gedicht ware 't m.i. beter +geweest Leendertz' noot bij "Gloorroos" over te nemen: de moderne lezer +snapt niet zoo dadelijk, dat dit woord het troetelnaampje van een meisje +is.) Op blz. 26 is zelfs de door Perk opnieuw beroemd geworden regel: +</p> +<p> +<span style="margin-left: 2em;">"En is geen lachje, neen, maer lachens daegheraedt"</span> +</p> +<p> +verminkt door in plaats van <i>maer</i> te laten staan: <i>man</i>; terwijl in den +regel: +</p> +<p> +<span style="margin-left: 2em;">"Hier streckt de stock het derde been</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">"Den ouden man...."</span><br /> +</p> +<p> +door in plaats van <i>streckt</i> te drukken: <i>sterckt</i>, de gezegde oude man +een kermiswonder-met-drie-beenen is geworden. Ik begrijp dat de +Errungenschaften op dit gebied van den Grootmeester-aller-Bloemlezers, +den jongere in de oogen steken! Maar toch zou ik den heer Spitz, waar +hij voor dèze uitmuntendheid veel te—goed is, willen raden: keer gij +liever tot de zachtere zeden van het pre-Knutteliaansche tijdvak +terug....— +</p> +<p> +April '18. +</p> +<hr style='width: 45%;' /> + +<p class="pagenum"><span class="pagenum"><a name="p114" id="p114"></a>[p.114]</span></p> +<h3>G. VAN HULZEN: VAN DEN ZELFKANT DER SAMENLEVING. ZIJN KIND</h3> + +<p> +De makers der <i>catena fina</i> werden spoedig blind, vertelt Schopenhauer. +En het is mij of ik daarin iets van mijn eigen tijd beleef.... Want wat +dien ouden, Italiaanschen edelsmeden wedervoer, hebben wij dat ook niet +bij zoo menigeen der tachtigers en hunner epigonen te betreuren? Heeft +dat turen op de allerfijnste schakels van innerlijk en uiterlijk +gebeuren, en dat kunstig smeden van gouden woordkettinkjes, sommigen +hunner ten slotte niet het vermogen om te zien gekost, te zien wàt ook, +niet slechts hùn verwonderlijk-fijne vlechtwerk, maar ook heel het +volle, rijke leven?... Zeker: ik geef grif toe: hier vooral kan men van +wisselwerking spreken. Waren de visie op, de neiging naar dat vollere +leven, de gave van den echten <i>menschen-schepper</i>, van nature en meet af +aan, zij het naast hun verbijzonderingsdrang, màchtig in hen geweest, +zouden dàn hunne oogen en handen zich tot verlammens- en blind-wordens +toe hebben <i>kunnen</i> bezighouden met hun onder de loupe bewerkt goud?... +Een ontwikkelingsgang als die van den schrijver van Hulzen wijst mede er +wel op, hoe volstrekt-ontkennend hier het antwoord moet zijn. Van +Hulzen, vooral in 't begin van zijn loopbaan, +tachtiger-epigoon-uit-bewondering en bekoord-zijn, maar <i>allerminst</i> uit +<i>aanleg</i>, heeft óók wel vroeger "catene fine" gemaakt, minutieusen +détailarbeid, máár: op zijn manier: die van den volksman, wien nu +eenmaal de aristocratische neiging tot zoo fijnen arbeid niet in 't +bloed zit en die dan ook mede daardoor ciseleerbeiteltjes en fijn-stalen +hamertjes, allang vóór hij merken <span class="pagenum"><a name="p115" id="p115"></a>[p.115]</span> zou dat zulk werk zijn oogen +verzwakte, in den steek liet, om met den houten boetseerstok in de vette +kleiaard te werken. Waren diè dan ook niet zijn beste boeken, welke, +zich bezighoudend met het lagere en allerlaagste volksleven, +tegelijkertijd, in hun grovere en aard-zuivere menschelijkheid, +afwezigheid van eigenlijke woordkunst en subtiele taalbeheersching, +bewezen hoe zijn vroegere subtiliteit niets dan een kasbloempje was +geweest, ontloken in de hooge temperatuur van het epigonen-enthousiasme? +Ware het daarbij gebleven.... Wie zou er niet blij om zijn, dat een +sterk-begaafde tot zijn oer-eigen natuur weerkeert! Maar helaas: in dit +zijn werk schijnt mij die oude epigoon in Van Hulzen zich op vreemde +wijze om zijn veronachtzaming te hebben gewroken. Hij, die niet langer +edelsmid kon en mocht zijn; die niet langer gouddraad tot fijne +kettinkjes mocht vervlechten, werd hier de fabrieksarbeider, die den +metaaldraad "trekt" en rekt, rekt tot ieder die 't ziet, zichzelf zoo +"gereckt", zoo gemarteld, als die metaaldraad voelt worden! Want, mijn +hemel, wèlke eindelóóze herhalingen in dit boek, geen herhalingen van de +soort, waarin zich het machtig scheppend beproeven, het evolutionnair +modifieeren van een zelfde grondtype, der Natuur weerspiegelt, gelijk ik +dit eens in Querido's werk aanwees, maar integendeel van die welke het +gevolg is van een onmacht, die zich gaan laat, gaan, tot de monden +geeuwen, de oogen tranen, de voeten wankelen van die haar moeten +aanschouwen. Zeker, ook in dat veelszins voortreffelijke boek <i>De Man +uit de Slop</i> viel zulk een herhalen reeds op, maar verderop beterde dat; +ik dacht toen: Van Hulzen, als zoovelen, moet zich eerst "inschrijven" +vóór hij op dreef komt; hièr echter wordt 't hoe langer hoe erger, hier +heeft-ie zich er<i>uit</i>geschreven. Wèl blijkt dit boek een formidabele +achteruitgang, na het zooeven genoemde werk, na <i>Maria van Dalen</i> +vooral, met die <i>onvergetelijk-prachtige</i> vrouwefiguur; óók als men +dankbaar de aanwezigheid van vele stukjes <i>goede en stemmingsvolle +natuurbeschrijving</i> erkent; óók wanneer men het betreurt aldus over een +auteur te moeten spreken, wiens erbarmingsvolle en diepe menschelijkheid +zóó nog de klamme en lang-slierende druilmist zijner <span class="pagenum"><a name="p116" id="p116"></a>[p.116]</span> onmacht +doorlicht, dat men waarlijk nog vaak, trots een hartkwaalachtig gevoel +van weeheid, in z'n Vrouw Ruffert vooral, een medemensch herkent. Een +onmacht overigens, die niet alleen in compositorische lamlendigheid en +een gebrek aan energische zelfcritiek zich uit, maar ook, zooals na al +het voorgaande wel van zelf spreekt, de taal harkerig maakt èn +verslordigt. Hééft de schrijver wéét van dit alles? En is het thans +wellicht ook tot hem doorgedrongen, hoe walvischachtig een "traan" moet +zijn, die iets "verwarmt", zelfs een "gemoed"? Zoo ja, dan begrijpt hij +ook wel waarom ik mij nog liever met een zijner oude "catene fine" zou +hebben geworgd, dan mij aan dìt rafelige touw, als een makke, critische +melkkoe, al heb ik nù herkauwen geleerd, ter ... "<i>foire sur la place</i>" +te laten leiden. +</p> +<p> +Mei '18. +</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p class="pagenum"><a name="p117" id="p117"></a>[p.117]</p> +<h3>HERMAN POORT: LITERATUUR</h3> + +<p> +Des avonds, als de winkellichten zijn ontstoken, flaneert zoo'n nijvere +winkelier 'ns langs zijns gildebroeders étalage-ruiten. Het is in den +rust-avond na den werk-dag een langzaam geschuifel in de schemer-gedekte +straten van menschen, die stil-áán genot willen proeven, het genot van +het vredige feestje, tusschen den werkdag en den te doorslapen nacht, +den nacht zonder bewustzijn, die daar al naderhaast over hun hoofden, +van boven de straten. De oogen der feestelijk-schuifelenden kijken +dwalerig-vaag, en soms in ongewisse staring, als van menschen aan het +digereeren van een zwaar diner. Het zijn dan ook de nà- en de òp-werking +van al wat verstand en gevoel dien dag hebben moeten slikken, die zoo +hun oogen vertroebelen. De nijvere winkelier schuifelt mede, digereert +mede. Maar jawel, is dat, gelijk van den quasi-slaperigen herdershond +naast de kudde moeë schapen, niet maar schijn? Kijk!... plots +ònttroebelt een felle tinteling zijn oogen.... Een hartklopping +veroorzakende aanblik heeft zijn pupillen verwijd ... nerveus grijpt de +hand den kromhakigen stok, die in den schok der ontroering van den arm +is gegleden ... de tanden bevinnigen een snorpunt.... Wat duivel! Een +nieuw soort jam, die hij nièt heeft ...! Hij verwìnt zijn emotie. Hij +strakt den rug. Zijn gezicht maakt hij effen, maar straks—straks zal +zijn blik nòg troebeler zijn, hij heeft iets erbij te digereeren +gekregen.—En welnu, in dezen driewerf gelukkigen rustfeest-avond, na +de vele, vele uren, dat ik de onsjes en half-onsjes mijner meeningen +<span class="pagenum"><a name="p118" id="p118"></a>[p.118]</span> op de dan blinkende, straks weer verdofte schaal mijns oordeels +heb afgewogen, flaneer ook ik—als hij. En ik ben op jacht als hij. Daar +... daar hei je 't nieuwe winkeltje van Poort. Nou ... noù! niet die +jachthonden-gretigheid in je oogen ... kijken ... jùist: 'n +vòlkswinkeltje is 't ... geen gróóte zaak ... nee, en 'n +Barthold-Schwarz-van-'n-etaleur in zijn dienst heeft-ie ook niet.... +Maar 't is alles proper en netjes, een winkeltje van oud-hollandsche +heldere zuiverheid en eerlijke waren.... Als Baas de Meester het +uithangbord had moeten schilderen, had-ie d'r vast <i>In den lieven +Eenvoud</i> opgezet.... En ik dacht na ... als 'k eens naar binnen ging en +wat kocht, om 't bij me thuis op m'n gemak na te pluizen.... M'n gezicht +kennen doet Poort toch niet, en 't zou trouwens al 'n "reuze"-toeval +wezen, als-ie zelf in dat filiaaltje zat. , +</p> +<p> +Máár, nom d'une pipe, hij zat d'r wèl, èn: dat portret door Pieter de +Mets.... Maar 't viel erg mee, daar niet van; na twee glaasjes waren we +al aan 't tutoyeeren: je moet rekenen, we kenden elkaars zaken al +zóólang, en zoo hebben we tot heel laat, in 't gezellige achterkamertje, +met de warm-gele zoldering en de je knus omstaande wanden geboomd, en +het gerinkel van de winkelbel—die was geen oogenblik in rust—omklonk +hem, denk ik, als de muziek der sfeeren. En ik moest maar van alles +proeven, en dan keek-ie me vragend aan. "Poort, jonge", mocht 'k dan zoo +kopwiebelen, "als je me nou toch zoo god-vergeten-inquisitorisch zit aan +te kijken, dan moet ik je maar eerelik verklaren: je <i>Definities</i> +bevallen me niet; als je mijn nou vóóraf had gevraagd ... diè mót je ook +niet in 'n volkswinkeltje verkoopen, dat mòt toch Ersatz worden; àls je +ze tenminste voor de prijs, die jou mééste klanten kunnen besteje, +leveren wilt.... Daar nou ...! in die pot <i>Poezie</i> heb je toch heelemaal +geen <i>epiek</i> gedaan, waar of niet?"... Nou, hij kòn niet nee zeggen, +want ik likte juist de lepel af. Maar je bonbons à liqueur esthétique, +die ik daar heb geproefd, wel drommels, daar leken me wel fijne +dingetjes onder te zitten; je bent toch een kranige kerel, dat je die +zoo zelf hebt gemengd en gebakken. En je <i>Pallieter</i>-saus—'n courant +artikel, hè, <i>Pallieter</i>? <span class="pagenum"><a name="p119" id="p119"></a>[p.119]</span>—smaakt naar meer. Ja hoor, ik zie +wel, 't is hier 'n toffe boel, en mìjn zegen heb je. +</p> +<p> +"Maar toch ... maar toch", en 'k ging weer kopwiebelen, "zie je, óók +voor zoo'n klein volkswinkeltje ... ja got, ik weet d'r alles van ... +val me maar niet in de rede ... zèkèr, je wilt zeggen, je Groningsche +magazijn ... maar och kerel, als iemand 't weet, dan weet ik 't toch +hoeveel betere dingen je daar hebt ... maar hier, zie je.... Daar hei je +nou die trommels <i>Letterkundige critiek en essai</i> ... dat is nou toch +werachies te weinig keus, niet genoeg variatie.... Als ze je nou vragen +naar het merk <i>Querido</i>, wat zeg je dan? En naar <i>Dirk Coster</i>, ik +persoonlijk, as je mijn vraagt, hou van dat merk niet zoo erg, máár, +daar gaat niks van af, heel puik en fijn ìs 't; en naar Verwey en naar +Erens ...? Waarom làch je, schalk duivelskind? Ah ja", en ik moest zelf +lachen—"je zou wel willen hè, dat ik nog één naam noemde, maar nee +vader, je Humor-mosterd, als je maar die <i>Speenhoff</i>-pickles eruit +vischt, is misschien het beste wat je hier hebt, en daarin heb je geen +bijmengseltjes op mijn kosten noodig!" Het was nacht, toen ik naar huis +ging, maar vreemd toch, ik voelde me heelemaal niet moe. Onvertroebeld +in m'n harden kop, voelde ik m'n oogen sterk en vast. En ge zult mij +toestemmen: al was 't dan prettige en lichte kost, ik had toch dien +avond wèl wat te digereeren gekregen.... +</p> +<p> +Mei '18. +</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p class="pagenum"><a name="p120" id="p120"></a>[p.120]</p> +<h3>SALAMON DEMBITZER: EEN ZOMER IN GALICIE</h3> + +<h5>Vertaling door Arn. Saalborn</h5> + +<p> +Het schijnt nu eenmaal Hollands lot, zoowel vrij te blijven van de +grootste verschrikkingen van dezen ontzaglijken tijd, als te worden +getart en geplaagd door zijn kleinere misères. En waarom ons dus +boos te maken over dezen bundel juist?... Wat is, bij al de zoetelijk-hooggestemde +arrogantie van het buitenland jegens ons, de +arrogantie en de stroopige sentimentaliteit van dezen jongen, ongetwijfeld +niet onbegaafden schrijver? En naast den voorgewenden +hoogmoed uit het geknauwd-zijn geboren, welke heel het droeve wereld-leven +om ons heen kenmerkt, die, zij het uit de vernedering van geslachten +voortgekomen, geest van blague en ijdele zelfverheffing in +'n paar vrij onbeteekenende novellettes? Bovendien: aan iederen +leeftijd—ook van de ziel—het zijne; we zouden toch al heel nurksch +moeten zijn, om dezen jongen man, met een hart vol beminnelijk-jeugdige +wereldverachting, verliefdhedens, wijsbegeerte en symboliekerigheid, +niet het genoegen te gunnen, van ons door al deze verhevenheid +volmaakt-geépateerd te toonen—het aan den tijd overlatend, +hem het begrip bij te brengen, dat niet wij de dupe zijner +zelfverheffing waren, maar hij die van onze welwillende onverschilligheid. +En bevindt zich dit <i>werk-zelf</i> al ver ònder het middelmatigste +der Nederlandsche literatuur; van den geest, die het maakte, mag +worden getuigd, dat hij zich door een zeker, helaas haat-geboren, +psychologisch-analytisch vermogen, een decadent-fijne doordringendheid +en een hartstochtelijke ontvankelijkheid, <i>iet</i>wat bóven het middelmatige +<span class="pagenum"><a name="p121" id="p121"></a>[p.121]</span> verheft. En dus: het voor en tegen wel gewogen: het zal +geen goed maar ook geen kwaad doen—laat ons zwijgen. Maar helaas, +wie zoo redeneert, houdt er geen rekening mee, dat affiniteit en plotseling, +zij 't door een uitwendige oorzaak, weer actief wordend atavisme +—ge hebt 't nog onlangs bij den talentvollen Goudsmit gezien<a name="FNanchor_1_27" id="FNanchor_1_27"></a><a href="#Footnote_1_27" class="fnanchor">[1]</a> +—véél vermogen, en dat onze toekomstige Joodsch-Hollandsche +auteurs daarvan, in dit geval, zeer makkelijk de dupe zouden kunnen +worden. "Atavisme?" vraagt ge verwonderd, "zekere affiniteit, dat +is mij duidelijk, maar waar haalt ge het atavisme vandaan?" Wel, +is mijn antwoord, dat donker hoekje, waar het ligt verscholen, +zal ik U wijzen.... De niet minder beminnelijke dan kunstgevoelige +recensent van "Het Volk", die dit bundeltje verschoonend besprak, +noemde het "fantasieën van een <i>Oosterschen</i> droomer". Inderdaad +<i>Oostersch</i>, waarde vriend, zou ik hem willen zeggen, maar niet van +het gloeiende, rijk-edele Oosten, waar de klassieke bakermat van het +semietisch ras ligt, doch van het Europeesche Oosten, waar de hel +zijner vernedering en verslaving wordt gevonden. Niet de sterke en +zonbrandende visioenen van het Hebreeuwsch goudelen in dit werk, +maar de <i>koortsheete en verwilderde</i> schemerdroomen der Ghetti walm-flakkeren +erdoor. En ook veel van het verwerpelijkste dat in de eerste +tijden de bevrijding uit het Ghetto bracht,—het Ghetto, dat ook +zoo vroom van stille studie-gepeinzen kon wezen—is erin: de reactie +op de geleden vernedering; het uitgerekt op stelten loopen nadat +men zoo lang gebukt is gegaan; de pralende hoogmoed, het zich als +meer voordoen dan men is; het zich nog overal en altijd de verongelijkte +en vernederde voelen; de onverzadelijke eerzucht: de begeerte +naar het eeuwen ontbeerde; het smartvolle beluisteren van alles wat +over je dierbare zelf wordt gezegd, nu je voor het eerst in het licht +gaat.—Neen, niet dien weg moet gij op, jonge Joden van Holland. +Weest gij geen "Oosterlingen" van Europa, weest gij Oosterlingen +van Azië: de ziel vol zon en wonend tusschen de bergen, vroom opziend +<span class="pagenum"><a name="p122" id="p122"></a>[p.122]</span> naar de hoogten, en kennend U-zelf. Weest als zùlk een Oosterling +weidsch, en, naar uw vrij en eerlijk beleden aard, slijpt de kostbaarste +steenen van uw vinding, vlecht het filigrain uwer glanzend +zich wendende dialectiek, tot sieraden op uw taalgewaad. En zoo ge +zwoel van ziel zijt, met de zwoelheid van de drachtige dag, verheugt +U daarom; doch mocht gij 't zijn met de zwoelheid der Ghetto-benauwenis +en zijn ziekenkamers, weest dan hàrd tegen U-zelf en gééselt het +ùit U.... Maar—ge lacht om mijn vrees...! "Wij, vrije Hollandsche +Joden, in dezen tijd van Joodsche renaissance, zouden zóó zijn?!" +.... En uw jonge zekerheid stráált.... Wèlnù.... misschien hèbt +ge ook wel gelijk, misschien neem ik het wel te tragisch: onze Dembitzer, +meent ge, lijdt welbeschouwd aan wat men eigenlijk cultureele +kinderziektetjes moet noemen, en zoo iets is natuurlijk in het volwassen +Hollandsch gezin, dat die ziektetjes al lang was vergeten, wel een +beetje storend, doch overigens.... En jawel, zeker, dàt is waar: als +we hèm nu maar beter zien worden en opgroeien in ons midden, en +gij laat U niet door die waterpokjes en mazeltjes besmetten, nou dan +was het geval wel 'n beetje lastig voor Holland maar Holland-in-last +was 't nog niet. Maar nog eens—en niet boos worden!—past op, +dat <i>gij</i> niet.... Want waarachtig, zoo'n hééle kinderkamer, dàt zou +niet gaan ... al dergelijk gerei hebben we immers al in '80 aan +den uitdrager meegegeven. +</p> +<p> +Juni '18. +</p> +<p class="caption"> +Noot: +</p> +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_27" id="Footnote_1_27"></a><a href="#FNanchor_1_27"><span class="label">[1]</span></a> In de critiek op diens <i>Droom en Wereld</i>, niet in dezen bundel opgenomen.</p></div> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p class="pagenum"><a name="p123" id="p123"></a>[p.123]</p> +<h3>RENÉ DE CLERCQ: HET ROOTLAND</h3> + +<p> +De <i>tooster</i> en de <i>kunstenaar</i> zijn immer elkanders ergernis geweest. +Als beiden aan 's levens zwaargeladen tafels zitten, schuinoogt de +eerste in lacherig en gòeig-spottend misprijzen—hij is zoo'n +altijd-joviale, bolwangige, rondbuikige en áárdige kwant—naar den +laatste, die saaie piet, die verhevenling, van wie ze, godbetert, +zeggen, dat-ie zoo'n genie is, maar die nou nooit 'ns zoo'n wat je noemt +leuken, wàrmen, hàrtelijken toost kan slaan. En de laatste kijkt in +verbazing en afkeer naar dat van wijn en dùrende geestdrift en vette +hartelijkheid zweetende vetblok tegenover zich, die geen oogenblik zijn +dikke lippen tot een woordloos geheimenis kan adelen; die maar aldoor +z'n natsmijdigen keellach laat losgrollen uit z'n pralend-machtigen +schud-romp, en luidop indiscreet-opgetogen opmerkingen over zijn +tafelgenooten slaakt, en dàn weer tegen z'n glas tikt—voor de +zooveelste maal, eindelóós door!—en drinkt "op de gezondheid", "op het +lieve kroost", "op de deugdzaamheid" van onzen dierbaren vriend <i>A</i>. van +onze lieve vriendin <i>B</i>....—"En hij is waarachtig daar nog in staat," +denkt onderwijl de bleekwordende kunstenaar, z'n woede verbijtend, "om +op de blanke halzen, de dikke kuiten en de prachtig-gewelfde borsten te +drinken!" Nee, de kunstenaar en de tooster, die zijn niet voor elkaar +gemaakt, máár de criticus, dat koud-groene amphibie, dat, als de kikker +uit het sprookje, uit het klaar-vloeiend water der kunst, naar den +koningstafel des levens komt opgekropen, diè heeft een verkneuterend +genot aan bèiden èn van hun verhouding tot elkaar. En soms—maar dan +wordt 't een <span class="pagenum"><a name="p124" id="p124"></a>[p.124]</span> schouwspel voor gòden, en eigenlijk voor hèm te +mooi—ziet hij beiden bij beurten een-en-denzelfden man ontstijgen, als +in occulte zelfverdubbeiing, zelfprojectie. En dit nu, vereerde lezers, +dit schouwspel voor gòden, is mij, zoo nederig en gering als ik hier +voor U zit, ten deel gevallen! Dáár—ten feestmale op <i>Het Rootland</i>. +Och, wat deed die van jovialigheid-glimmende tooster De Clercq druk. Hoe +vet glimmerde z'n mond bij al die dierbare en opgetogen woorden over z'n +lieve, heerlijke tafelgenooten; hoe aardig waren al die zòete +tafereeltjes, die hij, na 'n tik aan z'n glas, zoo téékende met—zou je +misschien mogen zeggen als die er spits genoeg voor was:—z'n mond. Och +ja, 't was alles zoo móói, móói, maar toch nooit mooi genoeg voor dien +lieven, in-goeien, alles-en-iedereen-aan-z'n-hart-drukkenden man: "Er +ontbrak slechts wat zonnegoud daarop om dit drietal, als een levende +beeldengroep ter verheerlijking van landelijke kracht, zorg, levenslust +en liefde, waardig te omlijsten." Nou, beste kerel, waarom hei je dat +zonnegoud er dan niet maar bijgeteekend? Als je zóó vol zoeten +levenswijn bent, dàn mag je dàt toch óók wel doen?... Eigenlijk, docht +me toen, is het heele bestel, dat waarom alles draait, van 't feest, 't +werk van den tooster, want: dat een gezonde boer als die Joost Valke, +zóó krom zou denken, dat hij zichzelf gaat opofferen, om z'n meisje +òngelukkig te maken, nee, hoor.... Maar de tooster, hé, diè had die +"edelmoedigheid", die tranenglibberige smart van noode.... Waarvoor? +Nou, om er aandoenlijk op te toosten, natuurlijk!... Maar kijk, +nauwelijks had ik van dat alles 'n weinigje spottig genoten, of de +jovialige dikkert en wijdgebarende zwaardert was plots verschimd ... +wèg, èn—daar stond de kunstenaar! Wat of diè deed? O, dat was zóó +anders.... Die spràk: een knoestig uit den zielsgrond gewassen +woord—woordconstructies, voor ons Noord-Nederlandsch om van te +watertanden; die gàf: hartig-levensware menschscheppingen, teer-schoone, +soms doorgeestelijkte natuurbeschrijvingen.... Met de natuur bemoeide +zich de tooster dan ook nooit, en nà het eerste deel des feestes heb ik +'m gelukkig heelemaal niet meer gezien. En tòen voltrok zich dan ook een +wonderlijke <span class="pagenum"><a name="p125" id="p125"></a>[p.125]</span> verandering—in mij. Ik zei 't U reeds, dat ik, +amphibie, als in 't sprookje, uit het water naar den koningstafel was +opgekropen, maar toen, alweer als in 't sprookje, veranderde ik in 'n +liefde-vollen prins. En met mijn lievende en prinselijke oogen aanziende +deze kunstenaarsziel, dacht ik: René de Clercq, wat zijt gij toch een +schoone mensch.... Welk 'n fijnheden en innigheden en diepten hebt gij. +Dat woord van dien door de boeren mishandelden dokter: ""'t Leven is +aardig," zegde hij in zijn eigen." Hoe subliem. En de stille tragiek van +Anneken's afscheid.... Het minnarijtje van Rik en Maaike in de van +bloemenlucht overhuifde avonden.... Hoe natúúr-zoet. Soms ook spreekt ge +een zinnetje als vlottende muziek. Al het knoestige van uw woord is dan +wèg, het zijn geen woordbóómen meer, het zijn losse, wònderlijke +klankjes—géén melodie—van een Aeolus-harp in uwe boomen.... En neen, +ik bedenk mij: waar ge een tooster waart, waart ge toch waarschijnlijk +geen èchte.... Uw overdrijven van het sentiment, was het wellicht niet +anders dan dat van het overvolle volks-kinderlijke hart, dat zóo +onleschbare dorst heeft om allen lief te hebben, dat het de menschen +mooier mòet maken, sòms, om ze te kùnnen beminnen? En trouwens, die +tooster is dan toch, zoo niet rééds bezweken, toch bezwijkend in u.... +Toen hij op <i>Het Rootland</i> verscheen, dat was in 1911...! Sindsdien.... +"Die Schenker woont in Zijn onnaakbre hallen".... Die Schenker, die ook +dàt feest gaf, heeft sedert alsem in den wijn gemengd.... En schonk Hij +ù niet <i>De zware Kroon</i> te dragen....? Maar de lippen van den tooster +zag ik wit worden vanwege de bitterheid en het wrange.... Neen, hij zal +niet zooveel meer spreken in en naast u.... En eens laat hij u, den +sterken kunstenaar, alleen.... +</p> +<p> +Juni '18. +</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p class="pagenum"><a name="p126" id="p126"></a>[p.126]</p> +<h3>J.J.L. GREGORY: HET LIED VAN DE ZONDE</h3> + +<p> +Maandag 10 Juni!... In de grondelooze délices mijner àndere analytische +en zwáár-critische kunst, het verheven diamantklooven, verzonken; mijn +brandende aandacht gefascineerd door de blanke wereld van een +flonkerenden octaëder, waarin, gelijk een kwade gedachte in een schoonen +geest, een dier zwarte vlekken duistert, dewelke men greinen noemt, +voelt mijn ziel, plots gestoord, zich naar de oppervlakte der +alledaagschheid zweven.... Een tik op de deur.... Ah! er wordt mij een +pakje recensie-exemplaren gebracht. Dàn glimlach ik toch; geeuwerig en +lacherig strek ik mij behaaglijk tegen den rug van mijn leunstoel en +door mijn onfeilbare instincten geleid, grijp ik naar dit dun en +diabolisch boekje. Dun: o recensenten-geluk! Diabolisch: waar zou ik +anders naar grijpen, ik, die den tijd, welken ik mijn voortreffelijken +werkgevers duur laat betalen, met het lezen van gedichten verdoe en dàn +nog klagerig jank om meer loon; ik, die bij het zien van een +diamantvlekje aan een helsch-zwarte gedachte denk.... En ik ga lezen ... +ik lees deze onsterfelijke regels: "En Paul schreeuwde: Breng me een +jong leven, dat ik het verkrachten kan!" Ik lees: hoe Paul een levende +meeuw de vleugels ontscheurt, en daarmee—o verrukkelijk visioen!—een +heuvel opstormt, en ik knik bewonderend, en denk blij: een Baudelaire't +je en een Lautréamontje.... Maar nòg duivelscher dan dit duiveltje denk +ik ook vèrder en grijns en zie, zie—hoe deze Gregory, dit onnoozele +dwaze schaap, een dag grasjes mummelend in zijn vlakke weidje, plots +dien vuurspuwenden draak, dien Maldoror aan den horizon zag +òpgloedwolken en neergolven <span class="pagenum"><a name="p127" id="p127"></a>[p.127]</span> gelijk een lavastroom, en toen +waterde van angst achter de boomen, als kameelen die den leeuw ruiken; +maar daarna ziende, dat de Vreeselijke weer verdween, Hem ... ging +nadoen! buitelend en blazend in zijn malsche vachtje met z'n goeiïg +snuitje.... Ach, mijn kleine zoon, met wien ik laatst in Artis heb +gewandeld, deed je ook niet zoo? Wéét je 't niet meer of wil je 't niet +meer weten: de leeuw brulde, ik voelde je handje trillen en je gezichtje +betrok. Ik zei: ben je bang, jonkie? en je antwoordde, jij kleine +slimmerd: "nee, maar mijn hoofdje gaat zoo'n pijn doen van dat gebrul." +Toen zijn we maar stil, mijn heldje, naar buiten gegaan, maar nauwelijks +waren we thuis, of—jij werd zoo waar een geweldige leeuw en ik moest +maar in je leeuwerigheid gelooven en mij làten verscheuren! Kom, weet je +wat, dàt is een mooie inval: Pappie gaat nou 'n spelletje bedenken, het +leeuw-en-duivel-spelletje, en dan mag je volgenden Zondag je vriendje +Gregory bij je op visite vragen en dat sàmen met 'm spelen gaan.... Hé +... wat?... ja natúúrlijk, onder de hand chocolade, wat dacht je dan ... +twéé reepen ieder!...—Zaterdagavond 15 Juni! De pret is 'r 'n beetje +voor me af.... Querido vindt 'm reeds een imitatie-Baudelaire en +-Maldoror. Uit puren lust, mijn originaliteit te demonstreeren, zou ik +nou wel willen zeggen, dat-ie 'n namaak-Augustinus is! Maar waarachtig, +het gaat niet.... Baudelaire zou ik me nog kunnen ontgeven, Maldoror +zèker niet. En toch lezer moogt ge daarom volstrekt niet denken, dat ons +Gregorytje door de Lautréamont <i>beïnvloed</i> zou zijn—gij zoudt er den +laatste, dien goddelijk-duivelschen reus al te schandelijk mee +beleedigen. Tja ... hòe zal ik u de verhouding tusschen beiden nu +duidelijk maken.... Kijk, ze is zóó.... Op 'n morgen—het vertelsel is +wat onsmakelijk, maar het verklaart u alles—hoorde ik op 'n atelier, +waar ik werkte, iemand een beruchten smeerpoets vragen: "Zeg, mag 'k +even je vest zien?" "Waarom?" vraagt de smeerpoets. "Ik wou zoo graag +weten, wat je gister hebt gegeten," antwoordt de ander droogjes. En ziet +ge nu lezer, zìet ge: als ik nu het vestje van den heer Gregory maar +èven bekijk en daarop de gore vlek van zijn "gedicht" ontdek, dan roep +ik, <span class="pagenum"><a name="p128" id="p128"></a>[p.128]</span> me op de knieën slaand van pret: O, jij Gregorytje, +Gregorytje, jij hebt, ontken 't niet, gisteren de Lautréamont's Maldoror +gegeten!... En dàt nu is de verhouding....—<i>Les Chants de Maldoror</i>! +Wèl was het mij een vreugde, toen ik den sindsdien helaas, en hoezeer te +vroeg, gestorven vertaler van dit wonderwerk, den begaafden kunstenaar +en arts J. Stärcke, behulpzaam kon zijn bij het vinden van een uitgever. +Want er moge ongetwijfeld in die liefdevolle overzetting veel +schoonheid, vooral van de muzikale harmonieën, verloren zijn gegaan—en +bij welke vertaling gebeurt dat niet—de visioenen vol buiten- maar ook +bòven-menschelijk schoons zijn toch thans aan Holland gebracht. Maar het +is een duivelsch, het is een vrééselijk boek, werpt ge mij tegen.... +Ach, lieve vriend ... weet ge wat het mij immer was? Ziedaar: <i>het meest +treffende der pantheïstische levensbeschouwing in kunst verbeeld</i>, de +verluchting van Spinoza's sublieme woorden: God schiep het Al gelijk het +is, "wijl het hem niet aan stof ontbrak om alles van den hoogsten tot +den laagsten graad van volmaaktheid te scheppen." En aan zóó iets raakt +dit schrijvertje.... Maar wat zou het! Hebben zelfs niet de +<i>lucifersfabrikanten</i>, bij het benoemen van hun product, zich den +gevallen Aartsengel ten nutte gemaakt? O Paul-duiveltje van dit <i>Lied +van de Zonde</i>, wees er zeker van, gij althans blééft in uw rol, toen ik +aan U de leelijke pijp ontstak, die ik hiermee den heer Gregory doe +rooken....— +</p> +<p> +Juli '18. +</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p class="pagenum"><a name="p129" id="p129"></a>[p.129]</p> +<h3>IS. QUERIDO: VAN VERBEELDING EN WERKELIJKHEID</h3> + +<p> +Deze bundel is—schoon niet alle opstellen op een zelfde hoogte +staan—een prachtig boek, prachtig vóóral om de rijk genuanceerde +vitaliteit van den mensch, die het schreef; de hartstocht voor héél +het leven, die er in nimmer verzadigde begeerte tot menschscheppen; +in strijdlust; in verlangen om te weten, te doen en te ondergaan, tot +uiting komt. Gij herinnert u den <i>Woudgeest</i> uit <i>De Verdronken Klok</i>, +die woeste bewustwording, die nu òplááiende, straks weer fijntjes +vlijm-vlammende personificatie—dien water-Nickelman brengt +hij aan en van de kook!—van den onblusehbaren leefdrang-zelf? +Ik zie hem weer vóór me—o, die onvergetelijke Heyermans'sehe +"Literaire Matinée", waar Mögle hem fel-levend aanzijn gaf!—nu +ik dit boek heb gelezen en 't nog eens in gedachte òverschouw. Vraag +zoo'n wezen niet, in zijn meest leven-overstelpte oogenblikken, naar +wat wij menschen "distinctie" noemen—een hóóg-prijselijke eigenschap, +maar die overigens ook wel, vaker dan men denkt, uit geestelijke +schamelheid wordt geboren—; niet naar de ingetogenheid, die +voorzichtig schrijdt, zeker dàn wanneer haar tocht een bergtocht is. +Neen, hij stijgt springend als een gems van de dalen naar de toppen, +wipt onvoorziens weer van de hoogten in de diepten neer, houdt al +officieele godzaligheid en "geestelijkheid" voor den gek, keert schalk +de orde der dingen om, door zelfs een barbier bij den neus te hebben, +máár—als hij verháált, hóórt ge in zijn woord het klank-gesprànkel +en de dòndering van de klok hèrgalmen, die hij luidde op zóó vreemde +<span class="pagenum"><a name="p130" id="p130"></a>[p.130]</span> wijs ... door hem van rotspunt tot rotspunt te doen storten! O, +oude wagen van de taal, hoe onbeschroomd-moedwillig heeft deze +schrijver je wel eens heftig een van je raderen ontrukt, en je zwijgende +klok tot zingen gebracht door dat gevaarte als een licht steentje te +doen huppelen tegen de weerstanden van zijn genialen geest.... +Zoo hoorde de wereld dan wel een wild en toomloos lied, maar dat óók +was een <i>nieuw</i> geluid, en dat geluid: muziek. En was eindelijk deze als +voortgezwéépte, deze als demonisch voortgejáágde klok ter diepe +gevoelsbedding in rust gezonken, dàn weer ... plòts ... als in den +nàdroom van het leven, roerde een heel andere: de vrouwelijke teederheid, +de mijmerende, klagende en herdenkende teederheid van deze +groote kunstenaarsziel, nog ééns aan de metalen wanden, en de donderaar-in-den-zonnedag +huiverde nu van uit de donkere diepten een +licht en melodieus gerucht naar de zachte en weifelende schemers +van het luisterend hart. Lees maar weer in dìt boek die schoone bladzijden +uit <i>Reisbeschrijvingen</i>, vol teerste jeugdherdenking, mij zijn +dèze liever dan die uit <i>Verbeelding en Werkelijkheid</i> in dien anderen +bundel: <i>Malvina</i>, waarin het sentiment soms door het koesteren van +de eigen persoonlijkheid werd verzoetelijkt. Of voel de teerheid der +beeldingen in <i>Herfst</i>, dien rei der jaargetijden, vol van <i>muziekale +plastiek</i>:" ... de gouden regen fonkelt zijn slanke trossen neer uit +hoogen hang." "<i>Er twinkelde vogelengerucht door de lucht</i>, en van een +<i>witten til-kanteel</i><a name="FNanchor_1_28" id="FNanchor_1_28"></a><a href="#Footnote_1_28" class="fnanchor">[1]</a> vloog een zwerm duiven op," met ook die fijne bezinning +over het herfstelijk ruischen der boomen; en dit zéér fraaie, +dichterlijk-wijsgeerige aan het slot: "De Herfst in eigen wisselgestalte +bevestigt den kringgang der dingen, en in zijn praalschoonen dood +jubelt hij juist van het eeuwige wederkeeren". Maar het wilde en +toomelooze lied hoort ge bijvoorbeeld in het geëmotionneerde <i>Nietzsche</i>, +mèt het kleurig <i>Aquarium</i> werk van romantisch intellect en +gevoel....—Intusschen: zeker wanneer ik zoo'n kòrt stukje als dit +over Querido's critisch en lyrisch proza schrijf—en tot het schrijven +<span class="pagenum"><a name="p131" id="p131"></a>[p.131]</span> van omvangrijker studies ontbreekt mij thans ten eenenmale de tijd— +kan ik mijn oordeel, zij het in nieuwe uitingsvormen, slechts <i>herhalen</i>. +Wat ik in 1911, in mijn <i>Over Literaire Kritiek en Is. Querido's Studiën</i> +van hem zei—men kan de essai in mijn bundel <i>Schetsen en Critische +Opstellen</i> vinden—acht ik nog immer <i>volkomen juist</i>: wat ik +daar schreef over zijn deugden en gebreken; wat ik schreef over de +voorkeur, die, zeker bij het oordeelen over een groot schrijver als +deze, het <i>natuurlijkheids</i>gevoel van den criticus, boven zijn <i>schoonheidsgevoel</i> +als <i>kunstcriterium</i> verdient, en niet minder wat ik schreef +over zijn metaforen- en menschscheppende macht. Die eigenschappen +en ook die tekortkomingen, zij zijn in àl zijn lyriek aanwezig: daar de +ééne meer, ginds weer de àndere. Metaphoren, er zijn er van de schoonste +in dezen bundel. Menschschepping, Pol de Mont, Streuvels, hun +<i>prachtige</i> uitbeelding herinnert aan het allerbeste uit de <i>Geschreven +Portretten.</i> In een geval, waar een <i>schoone metafoor</i> vergezelt de psychologische +doorgronding van den <i>menschschepper</i>, in een <i>karakteristiek</i> +van het <i>menschschepper-zijn-zelf</i>—een heuglijk samentreffen! +—zij het mij veroorloofd, u nog even een citaat te geven, (over +Streuvels): "Hij <i>spreidt zijn stille peinzers-net</i> zoo wijd, van de lage +aarde naar den hemel, en toch zonder hoovaardij. Want hij <i>verwerkt +al de zelfgegaarde wijsheid weer in de nederigste zielen</i> en geeft u de +ontraadseling van een mysterie terug uit een kindermond." Zou men +met dit laatste ook den schepper-zelf van <i>Huib Kilometerboekje</i> niet +kunnen kenschetsen? En als ge opmerkt, dat er, op blz. 24, van Pol +de Mont's "Zeus-achtige stem" wordt gesproken, en pas veel later, +in de uitmuntende metaforisch-synthetische karakteristiek, die op +bl. 32 begint, ditzelfde beeld vluchtig-en-fijn wordt uitgewerkt, dan +ziet ge toch wel, dat ook deze wagen-verwrikkende en klokken-neerstortende +Natuurgeest ònder zijn heftige gepassionneerdheid tevens de +distinctie ìn zich heeft. Want is het wezen der waarlijk-gééstelijke +distinctie niet: het beschroomd-beproeven, het dan duldzaam wachten, +en ten slotte het niet-opzichtig uiten van eigen zieleschoon?... +Hoe gaarne had ik nog over andere opstellen in dit boek geschreven, +<span class="pagenum"><a name="p132" id="p132"></a>[p.132]</span> zooals over het geestige <i>Dagboekbladen van Twee Kellners</i> en het door +fijne, korte opmerkinkjes benevens een ontzaglijke belezenheid boeiende +<i>Rond Jean-Jacques Rousseau</i>, en mij tevens in analysen verdiept +—ik moet het laten.... En is het trouwens wel noodig? Is er geen +Macbethiaansch wonder gebeurd, welsprekender getuigend dan ik +óóit zou kunnen zijn? Ik gebruikte daar straks den term: "een groot +schrijver." Als ik dàt eens in 't literair-stormige 1911 had gedaan, +gelijk hier: zonder uitvoerige ontledingen te geven, bewijzen en nog +eens bewijzen ...! Maar sindsdien, o literaire vrienden, die destijds +met mij wel twisttet, gebeurde er iets: hoe verrassend—en welke +Macbeth zou dàt hebben voorzien—is 't, dat het <i>woud uwer meeningen +zich is gaan bewegen</i>, en wel in de richting waarin ìk lang tevoor +was gegaan ... èn: dat het èinddoel van dien wuivenden tocht toch +feitelijk ten slotte bleek—een kròning! +</p> +<p> +Juli '18. +</p> +<p class="caption"> +Noot: +</p> +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_28" id="Footnote_1_28"></a><a href="#FNanchor_1_28"><span class="label">[1]</span></a> Alle cursiveeringen van mij.</p></div> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p class="pagenum"><a name="p133" id="p133"></a>[p.133]</p> +<h3>ELLEN: ARIADNE EN DIONYSOS</h3> + +<p> +Als ge 't mij op den man af vraagt, dan, schoon de bekentenis mijn +wansmaak aan het licht brenge: ik heb immer veel meer van namaak- dan +van echt-"antiek" gehouden. Een <i>renaissance</i>-, een <i>Queen Anne</i>-, een +<i>empire</i>-ameublement ... mijn ziel, bezwangerd van vage heugenissen aan +vroegere incarnaties, voelt zich nauwelijks èrgens zoo bekoord als te +midden van zulk een tot tastbaar heden geworden verleden-droom; máár, +let wel: slechts dàn, zoo mijn lichaam niet haar genot met zijn fellen +weerzin tegen duffigheden en wormstekigheden kunne storen. En +derhalve—ik geef de voorkeur aan namaak, mits onberispelijk, boven +echte antiquiteiten. O hout, dacht ik, hierover peinzend, wel in +mij-zelven: toen ge in het blijde leven uw eigen droom, in vaderlandsche +of exotische bosschen droomdet, waart gij zuiver en geurig; waarom dan +zoudt ge duf en besmet zijn, nu een toovenaar-artist u tot het +weven-om-mij-heen eens menschelijk-maatschappelijken droom heeft +gedwongen. Neen, uwe stoer-eiken en uw hoffelijk-mahonie gelaten wensch +ik in mijn vertrekken niet ontsierd door de putjes der wormstekige +pokdaligheid te zien.—En zoo, ge zult het gereedelijk aanvaarden, zou +ook Ellen, nu zij mij in haar Grieksch salonnetje, voor dit <i>Ariadne</i>- +en <i>Dionysos-beeldje</i> noodde, mij allicht luiden bijval hebben ontlokt, +indien dat salonnetje maar van Pander en niet van Scheltema en Holkema, +en haar antieke groepje <span class="pagenum"><a name="p134" id="p134"></a>[p.134]</span> van hout of steen en niet van woorden +ware! Want nu dit laatste het geval is, heeft immers mijn vrees voor de +dufheid of vervallenheid van het echt-antieke en derhalve ook mijn +voorkeur voor den namaak hier geen zin! Want de heldenzetels van Homeros +zijn niet wormstekig geworden, de wandtapijten van Sophocles en +Aischylos rieken niet duf. Tegen hen vermocht zelfs de philologische +conjectuur-worm niets! Wáártoe dan deze namaak? vraag en vroeg ik mij +sinds jaren af. En: hoe overbodig en wat belachelijk-precieuse +knutselarijtjes zijn toch dergelijke dingen, denk ik er nog bovenop!—O, +zeker, indien daar een Shelley, of ook een Kloos, of een Gorter voor mij +leeft, en hij droomt zijn groot-dichterlijk visioen, en de schimmen van +het verleden zien dien schoonen held, en lokken hem in heete en +overweldigende liefde zich te eenen met hen, gelijk de gestorven +geliefde haar lief in Goethe's <i>Die Braut von Korinth</i>, dan, ja dan.... +Als de heilige <i>Noodwendigheid</i>, èn op den troonwagen zulker verzen +gezeten, verschijnt, wie kan dan denken aan overbodigheid; wie, mijn +God! aan knutselwerk; wien maakt dan de ontroering niet tot verheerlijkt +aanbidder, die zijn ik, met al diens willetjes en oordeeltjes en +kleinheid, neerwèrpt, het wit gelaat ter aarde, voor die noodlotsraderen +in hun wielewenteling van licht! Maar als—ach vergeef mij, Mevrouw +Ellen, het is eigenlijk ùw schuld niet, maar ook evenmin de mijne, dat +ik U in zulk een vergelijking moet betrekken—als Ellen, <i>niet gezocht</i> +en overweldigd door verliefde Grieksche schimmen, maar integendeel <i>hen +zoekend</i>; in <i>verdienstelijke</i> verzen, die ik hièr prijzen en dáár laken +kan, maar waardoor ik nìmmer wordt verrùkt, haar <i>eeuwig</i>-menschelijk +voelen van verlaten, smachtende en bevredigde liefde, een +antiek-schimmig maskertje voorbindt, och ja, dan vind ik <i>wel wáárlijk +heel wat moois</i> in wat mij aldus te aanschouwen wordt gegeven, en ik zie +ook wel <i>de diepe oogen en de bloeiende tint der echte menschelijkheid</i> +flonkeren achter de wazige tulle, maar ... maar ... omdat het heele +geval mij toch geen oogenblik heeft kunnen doen vergeten, dat ik een +nuchter, twintigste-eeuwsch Amsterdammer ben, kan ik mij helaas ook niet +weerhouden te zeggen: Mevrouw <span class="pagenum"><a name="p135" id="p135"></a>[p.135]</span> Ellen, wist gij met uw ontluikend +talent nu waarlijk in deze emotievolle tijden niets anders te doen, dan +als op een bal-masqué in een pantervel gehuld en den Thyrsus-staf in de +hand langs 's Heeren literatuur-straten te loopen? Dáár! op m'n wóórd: +ik had U wel zoo lief in 'n moderne liberty-blouse gezien.... +</p> +<p> +Juli '18. +</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p class="pagenum"><a name="p136" id="p136"></a>[p.136]</p> +<h3>A. VAN COLLEM: LIEDEREN DER GEMEENSCHAP</h3> + +<p> +Een kostbaar boek deze bundel; kostbaar en zwaar van het wijdst-omvamend +sentiment, dat de ziel beleven kan: het sentiment der pantheïstische +levensdoorvoeling. Zij is het die dezen dichter boordevol glans heeft +gemaakt; zij heeft zijn individualistisch-begrensde wezenheid brandende +uitgehold en die niet meer dan zóóveel klaar-doorzichtige en +ijl-tintelende beperkte-eigenheid gelaten, als noodig was om de +vlies-dunne, hel-gestrakte lichtkelk om háár vlam te zijn. Dat is wel +het schoonste, zóó op de grens tusschen het Al- en persoonlijk-bestaan +te leven, en niet te breken, niet te vervloeien; nog een wijle te +duren....—Zóó teer, zóó broos geworden te zijn, en dan, triomphante +lucht- en water-bel, bevracht met der wereld kleurenschatten, op de +oneindige luchtzee èven nog als een aandoenlijke verwonderlijkheid te +zweven....—Dat is wel het schoonste, zoo'n grauw en onaanzienlijk +wolkje te zijn en dan door de Zon tot Zijn drank te worden verkoren. +Zie: daar buigt de Drinker zich reeds over Zijn dronk, en de Zijn +goddelijkheid ontstroomende glansen maken het grauw tot een vloeiing van +levende lichten en kleuren: tot het aan-Zijn-lippen-geheiligde, datgene +wat Hij drinken kan.... En dàn.... maken zij het: Hem zelf....—Het +wordt wel tijd te zeggen, dat hier een zeer bijzonder dichter is +opgestaan; het wordt wel tijd om hier over wat schaarsche technische +gebrekjes heen te zien, en zich blijde op de feestelijk-zonnige stroom +der zich tot bewondering verbreedende waardeering te laten wegdrijven. +Want hoe is deze man <span class="pagenum"><a name="p137" id="p137"></a>[p.137]</span> gegroeid, trots weinig erkenning en +genegenheid, en het laatdunkend-beschermerige van sommige critiek ten +spijt; hoe is hij geworden wat ook ik niet dacht te mogen verwachten. +Lees een monumentaal gedicht als <i>De Man met de Spade</i>, voel hoe zuiver +en rag-teer hiermee een mystieke sensatie werd verwoord, zònder het +beeld der lagere werkelijkheid te doen vervagen, èn: hoe dat +voor-eeuwig-Millet'sche beeld, hìer in die visionnaire sfeer werd +geheven waar zichtbaar is, dat ook een het meest door slaven- en +zwoeg-leven afgetobde en verstompte geest niet buiten het reiken der +weer wekkende en reddende vervoeringen is verworpen....—Welk een +verschil met het bundeltje, een van zijn eerste of wellicht het eerste, +dat ik indertijd in <i>Het Jonge Leven</i> besprak!... Nergens borg het meer +dan een belofte, en hoe vaak gaf het er géén. Wat tusschen dat werk en +het thans besprokene ligt, ik moet helaas biechten het niet te kennen. +Wel had ik met groote bewondering en liefde eenige zijner Gids-gedichten +gelezen—waarvan trouwens in dezen bundel zijn opgenomen—maar dat was +al. En nu!—als ge de <i>vermenschelijking</i> van den <i>god</i> Pallieter wilt +aanschouwen, zie dan dèzen mensch....—Zeker, ook van Collem zou +voelen, door het eten van "Gods fruit" Hem te verheerlijken, ook hij zou +den oven opensluiten als waar' die een heiligdom, en het eten van een +beschuitje met honig zou hij, even juichend, als slot dichten aan een +psalm. Maar—voelt van Collem als Pallieter het "bruur boom", Pallieter +voelt niet als van Collem het "broer mensch". Voelt van Collem zich +gelijk Pallieter door de vreugde van het eenheidsbewustzijn doordringen, +Pallieter voelt niet gelijk van Collem de smart, ook die der +gescheidenheid. De een staat in de durende zegepraal, nu ja, daarvoor is +hij een god; de ander staat in den strijd, maar vóórvoelt zoo sterk en +hel het heil der overwinning, dat het hem is <i>alsof</i> hij reeds daarin +leefde—en ik zoude hieraan toevoegen: "daarvoor is hij mensch", indien +daartoe niet méér dan het gewone menschzijn wierd vereischt, indien men +daarvoor niet een zeer bijzondere en zeer schóóne mensch moest +zijn.—Het is opmerkelijk, dat een van de zwakkere gedichten in dezen +bundel—<span class="pagenum"><a name="p138" id="p138"></a>[p.138]</span> de oude Adam leeft óók nog steeds in van Collem: de nog +soms onbeheerschte, die, als de poëzie-Eva hem een appel biedt, waarin +hij nièt mag bijten, wel even tegenstribbelt, maar toch eindigt met +toehappen—het is opmerkelijk, dat een van de zeer weinige zwakkere +gedichten: <i>De Aarde</i>, juist een <i>treurzang</i>, om dezen +volkerenverdervenden tijd, is. Vergelijk ik dit vers met soortgelijke +van de Haan dan voel ik de laatste als véél zwaarder en magistraler van +toon. Dit is droog van klank en aarzelend-tastend van gang. En ik denk: +zou ook hierin niet weer schuchter schemeren, wat in <i>Pallieter</i> aan den +laaien dag treedt: dat het menschelijk-onvolgroeide pantheïstische +geluksgevoel de <i>overgave</i> aan de smàrt uitsluit?...—Ten slotte: laat +ik niet vergeten te zeggen, dat menige invloed dit werk doorspeelt, maar +er tevens in één adem aan toevoegen, dat, moge dan ook Gorter zijn +zonnelach op dit water zien tintelen en Henriette Roland Holst's mild +halflicht uit de diepte donkeren, de stroom-zelf die van des dichters +eigen rijke, innige en melodieuse ziel is; een stroom, waarop de +verzengenieter zich váák zal voelen: Gezelle's "bladtjen op het +water".... +</p> +<p> +Aug. '18 +</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p class="pagenum"><a name="p139" id="p139"></a>[p.139]</p> +<h3>C.S. ADAMA VAN SCHELTEMA: ZINGENDE STEMMEN</h3> + +<p> +Werkelijk, wat mij betreft vind ik, dat, om je het ware gevoel voor 'n +zingende stem te làten, het, 1° geen zomer moet zijn en je niet daardoor +genoodzaakt, op je werkkamer met wijd-open raam te zitten; 2° je geen +kroniekje moet hebben te schrijven. Want helaas, nu dit alles wèl het +geval is, en mijn geest bijkans bedolven raakt onder de gulle muziekale +gaven, die Zatermiddags-vroolijke dienstmeisjes en nasaal-galmende +gramophonen, bij beurte of wel alle tezamen, over hem uitstorten—nù +voel ik veel meer voor de stem der stilte dan voor die des gezangs. Er +is—ik begrijp het plots in de exaltatie der wanhoop—slechts één +redmiddel voor mij: door een moedig-geniale daad de hindernis en het +gevaar in een hulpmiddel om te tooveren. Zooals ongetwijfeld Buffalo +Bill van een op hem aanstormenden wilden buffel zou gebruik maken, om, +door verwondelijk-behendig op diens rug te springen, des te spoediger +zijn "hacienda" te bereiken, zoo zàl en mòet de Pegasus van die +melodieuse schoonmaakster daar in 't tuintje tegenover me, mij in 't +berghart van Adama v. Scheltema's Parnassus voeren....—En ziedaar! +nauwelijks heb ik dit wilskrachtig gedacht, of het is mij alsof 't +storende element in haar zang reeds is vervluchtigd, en haar stem en +wezen, in een mysterieuse vereenzelviging met die van Scheltema, mij hèm +des te beter doen verstaan. O, lieve schoonmaakster, gij, die, zoo ge +niet zingt, de buren vàn en tòt elkaar scheldt, hoezeer verheldert gij +nu plots het inzicht, dat ik tot heden in sommige prozauitingen van +onzen dichter had. Ook hij als gij, maar ach, maar ach, hoeveel schooner +is <span class="pagenum"><a name="p140" id="p140"></a>[p.140]</span>hij ... 'n verheven Vesuvius, die, zoo hij geen +vlammenliederen zingt, enquête-antwoorden bráákt. Hij ook als gij: +zingend, en "niet met 'n boekje in 'n hoekje", of decadent-vrindloos +onder "De Windroos", maar boven de schuimende waschtobbe des levens. Hij +als gij: altijd fel op en zeker van de "pointe", èn bij het schelden èn +bij het zingen, en vóóral dáárdoor populair! Ja dit laatste—intusschen, +o mijn schoonmaaksterlijke Pegasus, gij hebt mij gebracht waar ik wezen +moest, laat mij thans met mijn dichter alleen—dit laatste: dat namelijk +bijna elk zijner dichtjes, de zéér schoone en de minder schoone, een +"pointe" heeft, welke de naar een plaats-van-eenheid, naar harmonie en +zekerheid dorstende lezersgevoelens bevredigt: dàt doet het volk hem +zoozeer beminnen; en niet slechts en zelfs niet voornamelijk het volk, +dat men in sociaal-economischen zin zoo heet, maar datgene 't welk men +ter onderscheiding van de geestelijk-superieuren zóó pleegt te noemen. +Neen, niet voor dat "volk", maar voor die van-geest-superieuren slechts, +de weelde en het raffinement der <i>òngewisheid</i>; de <i>weelde</i>, zeg ik, èn +het <i>raffinement</i>; want deze ongewisheid draagt als wellicht diepste en +oorzakelijke kern in zich: den wil, om de zekerheid niet te vroeg, niet +te makkelijk te overmeesteren; zij draagt in zich het genotsbewustzijn +van het <i>uitstellen</i> van het hóógste genot. Aristocratische kat, die de +muis weer loslaat, en zich afwendt, doende alsof ze niet weet dat ze +haar heeft gevangen; en haar dan weer wellustig besluipt....—Voor de +zéér-superieuren, het proeven van die weelde en dat raffinement in het +ijl-lichte van de dwaal-ster Boutens, in de wankelingen en mijmeringen +van Henriette Roland Holst—al hebben die beiden-zelf en vooral de +dichteres, dat alles <i>niet</i> als weelde en raffinement gevoeld—, maar +voor het volk, voor het "volk": de zekerheid, het gevatte, het rake, de +"pointe" van Scheltema! Maar men versta nu toch geenszins als mijn +bedoeling, dat deze eigenschappen zijne verzen, vergeleken bij die van +de zooeven genoemde dichters, noodzakelijk tot iets minderwaardigs +zouden moeten neerdrukken. Volstrekt niet. Daar zijn er in dit +bundeltje, welke ik onder de <i>beste</i> reken, die ik ooit gelezen heb: het +<span class="pagenum"><a name="p141" id="p141"></a>[p.141]</span> schoone <i>Golven</i>, het prachtige <i>De Uitdragers</i>, het fijne +<i>Bede</i> en 't Goethe-stille, eenvoudige, en toch in de eerste strophe +subtiele, <i>Herfstbosch.</i> En daarvan hebben de beide middelste toch zeker +zoo iets als een "pointe", en het eerste en laatste een hèldere +gewisheid. Merkwaardig is echter dat een enkel maal het +persoonlijk-rhythme niet in staat is het vers, hoewel steunend op +"pointe" èn zekerheid, ten einde toe te dragen; dan zinkt dit, zooals +<i>Moe</i>, tot een poover niemendalletje in elkaar. Dit <i>Moe</i> heeft mij +trouwens doen rillen van ontzetting; zoo iets +desesperant-onsocialistisch, verwijfd-lettré-decadent-individualistisch +en daarbij ook zoo heelemaal anti-<i>Grondslagenistisch</i>.... Jonge, jonge, +waar gaat dat heen....—'n Aardig half-Goethiaantje-half-Heiniaantje is +<i>Le Retour des Hirondelles</i>. Ik wees reeds vroeger op zoo'n beetje +Heiniaanschen invloed bij onzen dichter, en ik vind de aanwezigheid +daarvan nu toch wel een tikje jammer, want ten slotte was Heine toch een +Joodsch kunstenaar, zooals—Scheltema er "voor geen geld!" een zou +willen zijn! En, 't blijft toch, dunkt me, ook voor hem +behartenswaardig, wat de voortreffelijk-geestige <i>Oproerige +Krabbelaar</i>—ook 'n man van de "pointe"—in <i>Het Volk</i> eens zei—ik +citeer uit 't hoofd—: "Mij had men in m'n jeugd geleerd, dat je niet +lastert van de menschen bij wie je eet, en niet eet bij de menschen, van +wie je lastert".... Maar dit is tenslotte een zaak van <i>ethiek</i>, en een +kniesoor is de <i>aestheticus</i>, die zich daaraan stoort. Laat mij dan ook +maar òngerept blij zijn, omdat dit zoo'n mooie bundel is, en omdat de +dichter op z'n poëziehuis 'n wel onbehouwen—maar dat hindert +niets—doch dik-stoomen-kunnenden proza-schoorsteen heeft staan, want +heer-in-den-hemel, als eens al die walm en stank, die nou daar door heen +een uitweg vindt, in de verzenkamers ware blijven hangen.... En +trouwens: wat zou ik zonder dien schoorsteen moeten beginnen, als ik, +bisschoplooze want joodsche zwarte-Piet, eens "onzen" Scheltema met een +gard verrassen wil?...— +</p> +<p> +Aug. '18. +</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p class="pagenum"><a name="p142" id="p142"></a>[p.142]</p> +<h3>HERMAN POORT: GERBRAND ADRIAENSZOON BREDERO</h3> + +<p> +Indien gij over eenig onderwerp slechts zeer weinig zelfgevoelds, in +zeker opzicht, hebt te zeggen, en gij doet dit op nagenoeg +ònpersoonlijke en luchtig-rhetorische wijze—zóó als menig ander dat +vóór u heeft gedaan—dan is er veel kans, dat dit <i>rhetorische</i>, bij +tegenstelling, het <i>zelfgevoelde</i> van dat weinige des te beter zal doen +merken. Maar doet gij het integendeel met groot vertoon van eigen +vinding in stijl en woorden, dàn zal er juist veel kans zijn, dat dit +vertoon—dat immers iets kostbaars en gewichtigs doet verwachten—des te +heviger het <i>weinig-zijn</i> van het zelfgevoelde zal doen opvallen. De +gevolgen van het een als van het ander kent men: men applaudisseert in +een variété bij wat men zou uitfluiten op een concert. Het dunkt mij +goed dit hier te zeggen, wijl het mij waarschijnlijk lijkt, dat het deze +in zijn onderbewustzijn aanwezige waarheid was, waardoor de fijne +literatuur-keurder die Poort is, zich bij het schrijven zijner +evenwichtige, wèl-gecomponeerde en smaakvolle essai heeft laten leiden. +Omdat namelijk zijn aanleg niet voornamelijk in de richting van het +menschenscheppen ligt, had hij voor zoover het een levende en +dramatisch-bewogen voorstelling der Bredero-figuur betreft, slechts +weinig aan te bieden. Daar waar hij den <i>persoon</i> Bredero dus poogt +aanschouwelijk te maken—waar hij hem <i>optreden</i> laat—in zijn +taveerne-leven, op bezoek in het Roemer Visscher-huis, koos hij eene +thans rhetorisch-geworden wijze van voorstellen—eene, zooals men +bijvoorbeeld bij den ouden Thijm vindt—. En gelukkig: deze +bescheidenheid, dit zich <span class="pagenum"><a name="p143" id="p143"></a>[p.143]</span> niet als anders of meer willen voordoen +dan hij is, bracht hier—zeldzaam staaltje van beloonde deugd en van +paarden, die hun verdiende haver krijgen—onmiddellijk het passend loon +mee. Als gij den u overbekenden toon hebt gehoord van zinnetjes als (ik +cursiveer): "Zie daar <i>de guiten</i> in" "De Graaf van Meurs" of in de " +"Handboog-Doelen" .... "<i>Ei zie, hoe hoofsch en vlug in 't nauwe keurs</i>, +zij gracielijk door d'over-volte zwenkt en elk zijn deel geeft, <i>niet +slechts van 't koele bier, maar ook van lachjes, groetjes, vriendelijke +woorden</i>".... "<i>Wie is het</i>, die bij haar gezicht <i>zijn hart het hoogst +voelt kloppen</i> en zoo <i>raadselachtig snel? Wie tracht er weer, in het +donker bij de trog, het "soete soch" den arm om 't lijf te slaan</i>?" of +van die paar lichtelijk-onhandige, imitatieve dialoogbrokjes bij de +ontvangst in den Roemer Visscherkring—als gij, zeg ik, den zoetelijken +toon van zulke antieke-inboedel-phrasetjes hebt beluisterd, dàn +waardeert gij des te meer het <i>zelfgevoeld-nuchtere, fijn-opgemerkte en +doordachte</i> van eene uiting als deze, die Bredero's half onbewusten +drang naar een rijk huwelijk psychologisch verklaart: "Van Adriaen's +(des dichters vader, v.C.) beleid en werkkracht tot opwaartsgaan in +geld-bezit en in maatschappelijk aanzien, had Gerbrand (ik cursiveer +alweer, v.C.) de <i>vage drang</i> geërfd; <i>ze kwam te voorschijn in zijn +keuze van geliefden, de ernstig beminden, met wie hij trouwen wilde</i> en +wier namen tot ons kwamen".—Daar echter waar onze essayist zijne +beschouwingen en oordeel over het <i>werk</i>, over den <i>geestelijken inhoud</i> +van de dichterziel uiteenzet—in dàt opzicht dus, waarin zich reeds zoo +menigmaal zijn voortreffelijke aanleg openbaarde—daar laat hij dan ook +zijn archaïstischen stijl geheel los, en schrijft in den +onvergelijkelijk directer den kern der dingen rakenden modernen. En +omdat hij dan als uitstekend literatuur-keurder <i>veel zelf</i>-gevoelds te +zeggen heeft, doet ook hier de vorm—nù: de <i>niet</i>-rhetorische, de +<i>individueele</i>!—den inhoud op zijn best verschijnen. Aanmerk maar eens, +hoe dan—in het door mij gecursiveerde—het zèlfgevoelde in een +<i>verrassend-fijne</i> wending zijn adaequate uiting vindt: "Het zijn de +beste kunstenaars niet die slechts het welgelijkend portret van hunnen +medemensch ons geven; <span class="pagenum"><a name="p144" id="p144"></a>[p.144]</span>—wie méér vermag, daalt diep in eigen ziel +en herschept van daaruit de waargenomen werkelijkheid tot iets anders, +dat gansch "nieuw en onherkenbaar is;—zóó deed ook Bredero, en wil men +dus toch gaarne weten waar Jerolimo in waarheid leefde, <i>dan zal het +dáár zijn, waar geen archieven-snuffelaar nog zocht: in Gerbrands eigen +hart</i>". Zoo vervlocht zich dan in deze studie het modern- met het +archaïstisch-gestyleerde tot een schoone eenheid. Want hoe menigmaal +leeft in dit opstel niet de zij het oppervlakkige maar geacheveerde +fijnheid van een <i>precieus-antiek miniatuurtje,</i> zacht maar als +onverwrikbaar zijn voornamen aard van reliquie uit ver-voorbije dagen +toonend en handhavend onder het <i>modern-scherpe licht</i>. Het is de +zelfkennis van den auteur, die voor zijn in kracht zéér verschillende +vermogens de aan elk geëvenredigde uitingswijze wist te vinden; het is +de harmonieuse stemming van wijs berusten bij 't erkennen van de grens +van zijn aanleg, welke de sfeer schiepen, waar, in zacht-glimlachende +stilte, het beklijvend-beeldje aan den wand antwoordt op de tinteling +van het licht....— +</p> +<p> +Oct. '18. +</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p class="pagenum"><a name="p145" id="p145"></a>[p.145]</p> +<h3>JO DE WIT: DONKER GELUK</h3> + +<p> +Een boek, dat mij onmiddellijk aan <i>Phil's Amoureuze Perikelen</i> +deed denken. Ook hier, één verhaal uitgezonderd, een reeks van "liefdedrama's", +ook hier, zoo ik mij niet vergis, een eersteling, en ook hier +van een schrijfster. Maar er is tevens een stevig onderscheid, en wel +een, dat zich reeds in de titels der werken toont. Het luchtige en een +beetje gewild-humoristische der "Amoureuze Perikelen" is in "Donker +Geluk" niet te vinden, en de diepe toon van den laatsten titel allerminst +in den eersten. En zoo het meest essentieele geluk, dat door het +lezen van een boek in ons kan worden gewekt, bestaat in het beluisteren +van de schoone "stem", het individueele-rhythme van den +auteur, dan geeft de lezing van dit boek inderdaad wel een <i>donker</i> +geluk. Want het geluid dezer schrijfster is van een diep-sonoor en +warm clair-obscur, 't welk dat van Emmy van Lokhorst mist. En in +de gaafheid van den schoonen stijl, in het wel-overwogene van het +juist-gegrepen woord, treedt een ernstige psyche aan den dag, als +slechts zelden zich zóó in eerste werk vermag te uiten. Sommige verhoudingen +mogen in deze kleine schetsen—en dit "kleine" behelst +tevens de verontschuldiging van het gebrek!—wat onduidelijk zijn, +en door hun vaagheid de stoornis van het zich-niet-geheel-bevredigd-voelen +doen opkomen; aan den anderen kant, en kijk eens hoe opmerkelijk +dit is, openbaren zich hier een voldragen hartstocht-in-'t-doorleven +en een trillende nervositeit, die aan De Meester doen denken, +<i>zonder</i> dat zij als bij deze den stijl laten beven en trappelen op zijn +fijne rasbeenen en ge diens sehichtende oogen en opgestoken ooren +<span class="pagenum"><a name="p146" id="p146"></a>[p.146]</span> de dreiging en de weelde van een wereld van gewaarwordingen <i>ziet</i> +ondergaan. Deze overeenkomst bij dit verschil is vooral in <i>Vreugde</i> +te bemerken....—Ik heb dan ook een diepe bewondering, zoowel +voor de psychologie als voor het beschrijvende deel van dit werk. +Dat alles is <i>zeer gaaf en rijp</i>. De dialoog kon hier en daar wat beter +zijn. Geen sprake is er echter van, dat zich hier een lacune in het klaarblijkelijk +zéér groote talent dezer schrijfster zou vertoonen. Een onbewust +te sterk styleeren is er slechts oorzaak van. Men zou wellicht +deze auteur in overweging moeten geven niet tè zeer naar bevrediging +van dien styleeringsdrang te streven. Bij verder doorgevoerden wasdom +van haar kunstenaarsvermogen zou de beeldings-nauwkeurigheid, +die nu nog ongerept-evenwichtig werkt, in precieusheid kunnen +ontaarden, 't geen jammer voor den schoonen eenvoud en de stille +wijsheid ware, die nu zoo teer ook de natuurbeschrijvingen doorschuchteren. +"Heel even maar ... toen was het stiller dan daar voren, of +er snaren strakker gespannen werden, of de teederheid rondom angstvalliger +werd." "Zoo vroom, zóó stil was rondom de mijmering, dat +hij onwillekeurig alleen maar <i>luisterde</i><a name="FNanchor_1_29" id="FNanchor_1_29"></a><a href="#Footnote_1_29" class="fnanchor">[1]</a>. Ook nu hij het hoofd wat neeg +en naar den grond bleef zien, voelde hij de goedheid dichtbij—hoorde +hij in de stilte de innigheidsstem. Ongezien was tòch de teederheid +der sfeer hem duidelijk. Zuiverheid en goedheid, anders was er niet." +In dergelijke beschrijvingen van uiterlijk-innerlijkheid leeft een psychische +schoonheid, die wel waard is zoo nauwlettend mogelijk voor +elke ontluistering te worden behoed.—De beelding der sexueele +liefde en haar eigenaardige egocentrische één-tonigheid—er is geen +andere liefde, die het individu, onder den schijn van het zich aan een +ander te doen geven, zóó aan de bekommering der zelf-contemplatie +houdt geboeid!—moge op mij ook in dit werk, de reeds meermalen +hier ter plaatse door mij gekenschetste uitwerking niet hebben gemist, +laat mij erkennen hoezeer dit tevens voor de juistheid der beelding +pleit en er ook de opmerkzaamheid op vestigen, dat in het laatste +<span class="pagenum"><a name="p147" id="p147"></a>[p.147]</span> verhaal, <i>Afscheid</i>, die liefde wordt getoond als aan zichzelve ontgroeid +en van hooger natuur geworden, terwijl de uitbeelding toch even uitmuntend +blijft.—Ook in de herschepping der manlijke psyche is +onze schrijfster zeer gelukkig. Iets van het gulle, het robust-levensvolle +van een Ina Boudier-Bakker leeft in haar arbeid dan. En herinnert +het schetsje <i>Maanavond</i> in zijn fraaie uitbeelding van kinderleven, +dus op weer andere wijze, niet tevens aan deze voortreffelijke +kunstenares? Er openbaren zich vele gaven in dit werk, en vele perspectieven +opent het. En denk ik ook nu weer aan Emmy van Lokhorst, +dan voel ik mij geneigd tweeërlei te gelóóven. Het eerste: dat Jo de +Wit—want wie zou ook bij eene beoordeeling als deze, van eerste +werk immers, met volle <i>gewisheid</i> durven spreken—de meest- en +ernstigst-begaafde van beiden is. Het tweede: dat in het paradijs der +jongste novellistiek alleen Eva schijnt overgebleven. Adam schijnt +er te—<i>onnoozel onschuldig</i> voor! Que veux-tu? Zoo zijn de moderne +paradijzen: die <i>niet</i> uit volle begeerte van den boom des onderscheids +van goed en kwaad eet, die nièt zèlf er naar <i>greep</i>, diè wordt +eruit gedreven. Ook de engelen worden zuìverder-critisch. Wat geen +wonder is. Sinds Scharten in den hoogsten hemel der Christelijke Liefde +werd opgenomen, kan men elken Zondagmorgen een heele school +Seraphim en Cherubim aan zijn voeten zien gevlijd, om de heilige +woorden van het juiste critische inzicht op te vangen. En de lange +gestalte van den Grooten Leeraar steekt—geen gering paedagogisch +voordeel!—nog zelfs boven de zeshonderd el metende Seraphijnen +uit. Het is, bij heldere lucht, een schoon en treffend gezicht. +</p> +<p> +Oct. '18. +</p> +<p class="caption"> +Noot: +</p> +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_29" id="Footnote_1_29"></a><a href="#FNanchor_1_29"><span class="label">[1]</span></a> Cursiveering van de schrijfster.</p></div> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p class="pagenum"><a name="p148" id="p148"></a>[p.148]</p> +<h3>AUGUSTA PEAUX: GEDICHTEN</h3> +<p> +Toen ik dezen bundel verzen had gelezen, bevond ik 't noodzakelijk bij +mij-zelf een gelofte af te leggen. En nu ik aanvang erover te schrijven, +acht ik 't niet minder noodzakelijk, haar in 't openbaar te herhalen. +Want de mensch, en vooral de bekóórde mensch, is zwak. En zoo moge ik de +kracht om mijne gelofte te houden, versterken met de vrees voor de +schande, die mij, zoo ik haar publiekelijk brak, zou treffen. En wèl +gelukkig is 't dan ook, dat ik slechts een literator ben! Ai mij, zoo ik +eens staatsman ware; wàt middel had ik dan wel tot zelf steun moeten +aangrijpen....—Maar ziehier dus wat ik mijzelf plechtig beloofde: <i>ik +citeer geen enkel vers</i>. Want ze zelf u te tóónen, en er dàn een nog +door het citaat verkleind kroniekje over te verredekavelen, neen, voor +zoo gering een bejegening zijn deze gedichten te edel en groot. Want vòl +zijn zij zoowel van den ernst van een deemoedig en schoon menschenleven +als van dien eener kunst, die mij van de jeugd af de liefste is geweest: +de <i>verzinnelijkt-geestelijke</i> der tachtigers .... <i>Een deemoedig en +schoon menschenleven</i>, zei ik, en waarlijk: als iemand, gelijk deze +vrouwelijke de Hérédia-in-gewetensvol-geduld, zijn werk een +menschenleeftijd bewaart, slechts schaars er iets van in de +tijdschriften publiceert, om 't dan ten slotte in een +uiterst-pretentieloos uitgegeven bundeltje te doen verschijnen, èn een +dergelijke arbeid blijkt zulk een schoonheid als deze te bevatten, dan +mag dat niet alleen, maar mòet dat door zijn beoordeelaar worden gezegd. +Hier niet het eerzuchtig bejag eener ijdele en pralerige +kunstenaarsnatuur. Hier het zuiver dienen, de stille en roerlooze +wachting—het wachten, <span class="pagenum"><a name="p149" id="p149"></a>[p.149]</span> <i>niet</i> op roem en eer, die het talent +eens wellicht moge brengen, maar op zijn gerijpte kracht. Hier de klare +en edele, innerlijke rust. O, had ik nu mijn gelofte niet gedaan! Want +daar is één gedicht in dezen bundel—het héét ook <i>Rust</i>—waarin deze +schoone ziel ten volle, juist in haar onverwrikbare, als oud-Indische +wijsheid stil glimlachende afgewendheid van het ijdele en vergankelijke +aan den dag treedt....—En toch—ik heb het wel goed ingezien: hoe +weinig zou het citeeren van dat eene dichtje mij dan weer hebben +bevredigd, en welk een verkeerd want eenzijdig-belicht beeld zou de +lezer allicht daardoor van dezen levensarbeid hebben ontvangen. Ziehier +trouwens hoe ik mij troost: ik neem mij stellig voor, dezen bundel +elders, binnen eenige maanden, op uitvoerig didactische wijze te +behandelen. Er is reden te over toe, want—en dit moge hier reeds, zij +'t dan zonder iets te bewijzen, worden gezegd—al het schoone, al het +edel-rijke, dat reeds onze verrukte jeugd in den stijl en het tijdperk +zag leven, dat wij kortweg <i>Nieuwe-Gids</i> noemden, dat is ook hier in +eene, wat ik zou willen noemen <i>nederige</i> en <i>essentieele</i> +bijna-volledigheid aanwezig. In verschillende van de deze volledigheid +samenstellende elementen hebben de groote tijdgenooten van onze +dichteres, de een in dit, de aer weer in een ander, ongetwijfeld hooger +schittering ontstoken en oneindig hartstochtelijker werkdadigheid +ontplooid—geen echter heeft in zoo <i>luttelen</i> omvang zoo <i>veel</i> +vereend. Bij haar zijn èn de <i>gedachte</i> èn het <i>gevoel</i> in de hoogere +eenheid der ver-beelding saamgesmolten. Bij haar is er—schoon veel +schaarser: ik zou daarvan slechts een paar voorbeelden kunnen +noemen—ook de neuriënde muziek van het woord, een liedje, lief en puur +simpel. Als een zéér fraai voorbeeld van een uit gedachte en gevoel +ontstaan verbeelden, dat tevens muzikaal doorzongen is, mag wel het +krachtige en zuivere <i>Nieuwe Stad</i> worden genoemd. Bij haar zijn er de +rijke prachten der van geestelijkheid doorgloeide en verreinde +sensualiteit en ook dier schemerdiepten van een 'n geheimvol leven +omhullende wazigheid. Bij haar dan ook de gloeden van Oostersche visies, +als in 't goudelend nacht-donker van Van Looy. En bij haar de fijne +wendingen, subtiel, kort <span class="pagenum"><a name="p150" id="p150"></a>[p.150]</span> en vluchtig, als, op een ander plan, in +critisch proza van Van Deyssel. En gelukkig! háár ook, trots haar +"tachtiger"-aard, heeft ten leste ook het maatschappij-leven niet +onbewogen gelaten: sommige harer beste verzen zijn tijdzangen en uit de +smart van den oorlog geboren. En voor wie haar werk zou willen +vergelijken met dat van sommige dichters van de láátste jaren, moet het +al zeer onderrichtend zijn, een impressie als <i>Werkpaarden</i> naast +"instantanés" te houden, zooals men ze tegenwoordig in weekbladen en +tijdschriften tegen het gewiekste lijf loopt, handelsreizigers in +dichterlijkheid meteen kraakstem en vlugge kneed- en vouwgebaartjes van +emballeurshandigheid. Zie dáárnaast de edele gestalten dèzer verzen, hun +hoog gedrag; beluister hun diep-weerklinkende stem. Zeker, men vindt ook +hier sòms het cerebrale in ongunstigen zin: het gezochte. Somwijlen +slaagt haar rijp technisch meesterschap erin, dat bijna te verhelen, +maar een <i>enkel</i> maal heeft het tè opvallend de gaafheid der beelden +aangetast, dan dat niet een ieder het merken zou. En ook mist men +hier—hetgeen toch een kenmerkende "tachtiger"-eigenschap is—het +<i>uitlaaien</i> der passie; máár het bloeiende leven dezer kleine wereld +doet u toch wel begrijpen dat het binnengrondsche vuur er is. En—hebben +wij dan ook niet aan de onstentenis van dat vulkanisch-tragische +natuurdécor te danken, dat hier tevens een enkel keer de bloemen der +koelere gronden, de schalkheid en de humor bloeien èn er niet +misstaan?...—Bij haar is ook die vol-doortinteldheid van het vers, dat +zich-voortvlechten van schoonheid in schoonheid, als schakel in schakel, +tot het als een gouden band, bezet met meest <i>donker</i>-flonkerende +steenen, zich om den klòppenden pols uwer feestelijke vreugde +samensluit; een eigenschap, dit zich voort vlechten, die, in verband met +den indruk, welken hare gedachten-zwaarte wekt, somwijlen, eventjes en +van verre, aan de schoone ketenachtige verwikkeldheid van het +Shakespeariaansch vers doet denken, en die overigens wel vermoedelijk, +in diepsten zielsgrond, verband zal houden met de <i>vasthoudendheid</i>, +waarmede deze geest lang een zelfde motief bewaart, en daaraan droomig +voortspint. Een enkel maal is dit verschijnsel duidelijk aanwijsbaar. +<span class="pagenum"><a name="p151" id="p151"></a>[p.151]</span> Het motief van: het logenachtige of veinzerige van een stillen +vijver, komt voor 't eerst in <i>In 't Bosch</i> voor, duikt dan, gelijk een +stroompje in den grond, neer in 't onderbewuste, vloeit daar +klaarblijkelijk voort, om plots in <i>Een Vijver</i> weer zichtbaar te +worden. Hij die, als ik, ook deze eigenschap een uitvloeisel acht van de +stille en trouwe rust, de onbaatzuchtige en onvertroebelde neiging tot +nederig wachten, die deze kunstenares zoozeer adelen—hij zal allicht, +evenzeer als ik, haar geestelijke figuur zien als een dier beminnelijke +vrouwen, op wie, in het dadenrijk en aanzienlijk gezin, waartoe zij +behooren, weinigen aanvankelijk achtten, maar die, na het voortgegleden +zijn der jaren, als het luide leven der beroemde broers tot zwijgen +neigt, stil van toon en met heur kalmen glimlach nu iets van haar leven +en ziel, in heel dien verren en wijden tijd, openbaart, èn daarmede een +tot dan tè achteloos voorbijgeziene schoonheid, nog door stillen deemoed +verzoet....—<i>Ik heb zelden zóózeer gehoopt, dat mijn woord eenigen +invloed moge hebben en velen tot lezen zal bewegen, als ditmaal.</i>—</p> + +<p>Nov. '18.</p> + + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<p class="pagenum"><a name="p152" id="p152"></a>[p.152]</p> +<h3>JAN FEITH: ONZE MEDE-DIEREN</h3> + + +<p>Indien de begaafde auteur van dit boek, die, alhoewel in onze +<i>Forensische</i> woon<a name="FNanchor_1_30" id="FNanchor_1_30"></a><a href="#Footnote_1_30" class="fnanchor">[1]</a> lid der Overheid en hóóg boven mij geplaatst, in +stad, in die aardige <i>Het-Jonge-Leven-</i>buurt, mijn buur en gelijke is, +wel eens daar over de schutting, die onze tuintjes scheidt, in het mijne +heeft getuurd, dan zal hij weten allicht, dat daar een boom staat, een +boom, dien ik indertijd heb—opgezet over: <i>De Dieren in de +Literatuur</i>.... Maar of hij dien kent al dan niet—ik durf nauwelijks op +zooveel belangstelling hopen—mìj kwam die boom op voor mij-zelf zéér +ontstellende wijze in de gedachte, toen ik met de lectuur van dit mijns +buurmans boek tot op blz. 33 gevorderd was.... Want die gedachte was +niet meer of minder dan moorddadig.... Zij had ongeveer dezen +<i>Heiniaanschen</i> inhoud: het eenige wat er nog aan mijn tuintje ontbreekt +is: dat er <i>iemand aan dien boom bengelt ...</i> en met keek ik beulachtig +naar den hals van—m'n buurman....—Ge schrikt, lezer, en begrijpt +niet, dat ik, onschadelijke, zóó iets dacht.... Welnu, laat mij u dan de +psychologische verklaring geven, en met des te meer vrijmoedigheid, +omdat, al verder lezend, mijn moordlust plaats maakte voor zoo Warme +Waardeering, dat ik, zóó als ge me hier ziet, reeds ònder dien zelfden +boom, waaráán ik hem eerst wilde ...—-ik dùrf 't woord niet uit te +spreken!—hem een gezellig zitje heb bereid. Mijn moordlust werd dan +door deze overwegingen gewekt: Wat de antieke fabeldichters en wat de +schrijvers van het <span class="pagenum"><a name="p153" id="p153"></a>[p.153]</span> middeleeuwsch dier-epos betreft—er is voor +het feit, dat zij het dier slechts als spiegel der menschheid schenen te +zien, en nauwelijks óóit het dier-zelf, een, dunkt mij, afdoende +verontschuldiging aan te voeren: zooals hun geheele natuurbeschouwing +geocentrisch was, zoo was hun levensbeschouwing in haar diepste wezen +van <i>anthropocentrischen</i> aard; maar wat, in Godes naam, moet ik met een +<i>modern</i> dierbeschrijver beginnen—een làter-tijdgenoot nog wel van +bijv. een London, die het dier-<i>zelf</i> en om zijns <i>zelfs</i> wil uitmuntend +heeft gebeeld—voor wien dat dier louter als spotspiegel van +menschelijke eigenschappen waarde schijnt te hebben, en die mij zelfs +nog al vrij goedkoope aardigheden op een zieke en stervende giraffe niet +spaart. 't Is waar: hij wìst 't wel, en hij zèi 't zelf wel: "Ik mag +niet opnieuw vervallen in mijn onhebbelijke fout van professie, om elk +beest door een menschelijk lorgnet te willen bekijken", maar mijn +beulsgeest antwoordde: "Tenzij ge uw leven blijkt te hebben gebeterd, +aanvaard ik uwe bekentenis als verzachtende omstandigheid niet ... ge +ziet dien boom ... en ik verberg u 't touw niet ... ge weet er alles +van....—En kijk: het bléék zoo waar, tot mijn vreugde, gebeterd! +Aanvankelijk blijft hij nog wel in zijn anthropocentrisch denken geheel +bevangen, maar het wordt van edeler natuur: de giraffen-<i>idylle</i> +verhoudt zich tot dat andere stuk over de <i>stervende</i> giraffe, zooals de +<i>beminnelijke glimlach</i> van den man, die een <i>diep-erbarmingsvol</i> en +<i>teer gevoel</i> wil verbergen, zich verhoudt tot de <i>grijns</i> van het +<i>gebrek</i>-aan-meegevoel. Maar dan plots stijgt onze schrijver—en +gelukkig, op hoe andere wijze dan ik hem eerst had toegedacht!—tot een +veel hooger niveau: hij vergèèt den <i>mensch</i>, zijn <i>onderwerp</i> +absorbeert hem, en dààr leeft hij in weg. Welk een buitengemeen +bekoorlijk en sterk-beeldende kracht bezittend stuk is <i>Verliefde +Visschen</i> daardoor geworden: die hartstocht-vaart der verliefde zalmen, +de zee uit, de rivieren op, omhoog naar de Alpen-beken, herinnerde mij, +zij 't van verre, niet alleen door 't onderwerp, maar wel degelijk ook +door den élan, aan niets minder dan Omeya's <i>De Kameelruiter</i>!<a name="FNanchor_2_31" id="FNanchor_2_31"></a><a href="#Footnote_2_31" class="fnanchor">[2]</a> En dan +dat liefdesfestijn <span class="pagenum"><a name="p154" id="p154"></a>[p.154]</span> der haringen.... Waarlijk, er leeft hier in +de beschrijving-zelve iets van de blanke teerheid van die zilverwolk, +afschijning tot bòven de zee van die parende, verheerlijkt-stralende +wezentjes, zooals ze, opeengedromd, door roofgedierte en visschers +worden gedood ... de stille lichtschijn der liefde, te boven stijgend al +bewogenheid en zelfs de tragiek van den dood....—</p> + +<p>Het is, zooals de schrandere lezer allicht reeds heeft begrepen, niet +anders dan natuurlijk, dat juist de aanschouwing van het visschen-leven +den schrijver aan hem-zelf onttoog: dat wat het <i>minst</i> op ons lijkt, +het <i>minst</i> aan ons is verwant, doet ons het <i>vaakst</i> en het +<i>makkelijkst</i> ons-zelf en onze verwantschap vergeten, en boeit op 't +sterkst, zij 't <i>vluchtig</i>, onze aandacht aan zich. En hoe waar dit is, +kunt ge alweer aan het fraaie stuk <i>Plastiek</i>, eene uitmuntende beelding +van reptielenleven, merken. Want zie maar: datgene wat den blik van +onzen <i>geest</i> ons geheele leven fascineert, omdat het ons, bewegelijken, +driftigen, haastigen, zóó vreemd is; dàtzelfde, nu verstoffelijkt, +boeit, thans ook onze lichamelijke oogen, bij den aanblik dèzer dieren +opnieuw: de <i>roerlooze wacht</i> van het <i>Noodlot</i>, de <i>onverbiddelijke +greep</i> van het <i>Noodlot</i>, het <i>ijzige geduld</i> der <i>Eeuwigheid</i>. Maar +vond zoowel mijn wijsgeerig als artistiek denk-voelen in stukken als de +laatstgenoemde alles te prijzen, gelijk in één hierboven genoemd alles +te laken, men denke daarom geenszins, dat ook mijn <i>artistiek</i> besef +nimmer de anthropocentrische dierbeschrijving zou kunnen waardeeren. +Zèker kan het dat: als de schrijver maar, hoewel door zijn +<i>menschelijkheid</i> nog steeds bevangen, <i>zich-zelf</i> ten grootsten +deele—zijn lager-persoonlijke <i>bewuste bedoelingen</i> vooral—maar +vergeet! Hoezeer bewonder ik dan ook de allergeestigste typeering van +<i>Mijn Maraboe</i> en het ongedwongen-aardige van "<i>Pak de Leuning</i>". De +zaak is, dat de zich den schrijver <i>opdringende</i> jeugdherinneringen hem +in dèze stukjes <i>dwongen</i> anthropocentrisch te schrijven en dit +geenszins het gevolg was van den <i>bewusten wil</i> om geestig of aardig te +zijn. Het is de <i>overgave</i>, die alles bepaalt, of het de overgave aan +eene herinnering of wàt anders ook zij. Ik zou mij nog zeer lang met dit +gevoelig werk <span class="pagenum"><a name="p155" id="p155"></a>[p.155]</span> kunnen en willen bezighouden, en zoowel nog op +zeer vele schoonheden de aandacht vestigen—zooals dat +innig-ontfermingsvolle '<i>t Skryverke in Stad</i>—als bijv. aantoonen, dat +het te-lang-gerekte van sommige overigens voortreffelijke geestigheden +in niets dan het aanvankelijk feuilletonnistiseh verschijnen van dezen +arbeid zijn oorsprong vindt.</p> + +<p>Eén ding moet mij nog van het hart: het boek toont één verwonderlijke +leemte, te verwonderlijker, waar de auteur het <i>vischleven</i> zoo schoon +beschreef: wáár in Godes naam is zijn appreciatie van de collectie +<i>bakvisch</i> en haar mannelijk complement gebleven, de schoonste en +rijkste collectie, die <i>Artis</i> bezit? Die vrij héétbloedige vischjes, +die coquette, die flirtende, die vrijende, die lieve.... Meneer Feith, +meneer Feith, ge bleeft toch maar een vreemdeling in Jeruzalem, èn: uw +deskundige "leiders waren misleiders", zij hebben u het schóónste niet +getoond.... Had mìj maar geinterviewd. Niet dat <i>ik....</i> +godbeware-me!... Maar ik ken iemand die véél studie van die collectie +heeft gemaakt.... Vorbei ... vorbei.... ein <i>trübes</i> Wort.... Ik doel +hier betreurend, het zij ten overvloede gezegd, op het voorbije der +gelegenheid mij te interviewen ... niet op iets anders!...</p> + +<p>April '18.</p> + + +<p class="caption">Noten:</p> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_30" id="Footnote_1_30"></a><a href="#FNanchor_1_30"><span class="label">[1]</span></a> <i>De Forens</i>: Het "Weekblad voor Stad en Land".</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_31" id="Footnote_2_31"></a><a href="#FNanchor_2_31"><span class="label">[2]</span></a> Zie: Van Vloten: <i>Oostersche schetsen en verhalen</i>.—</p></div> + + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<p class="pagenum"><a name="p156" id="p156"></a>[p.156]</p> +<h3>HET HELDEN- EN LEERDICHT VAN DEN WERELDOORLOG.</h3> +<p><a name="FNanchor_1_32" id="FNanchor_1_32"></a><a href="#Footnote_1_32" class="fnanchor">[1]</a></p> + + +<h3>I.</h3> + +<p>Sinds de groote Florentijn zijn hel- en hemelvaart had voleindigd, en de +koortsende droomen van demonen-vrees en godsliefde der middeleeuwsche +wereld in den greep van zijn onverwrikbaren wil getemd en tot in +schoonheid geordende tafereelen had omgeschapen; sinds hij ze had +volgezongen met zijn ziel—beelden, gemaakt van geluid, en muziek uit +aanschouwing geboren—; sinds dien heeft hij het lieflijke maar vooral +het gruwelijke der wereld met zijn naam en macht overheerscht. +<i>Dantesk</i>, bovenal, was het gruwzame duister, van de schicht-naderende +dreigingen doorrossigd der dood- en lijdens-verbeeldingen; <i>Dantesk</i> was +al wat 'schoon zinnelijk, de vermoede afgrijselijke majesteit der +demonische bòvenzinnelijkheid droeg; <i>Dantesk</i> waren die statige vaste +rhythmen der groote, als wonderen van smeedkunst dooreengestrengelde en +bebloemde poëmen, die het geluid-geworden begrip: <i>wereldheerschappij</i> +zijn; en <i>Dantesk</i> was wel ook het lieflijke, doch mits het door een +goddelijk-hooge tragiek was omstormd en als lekend nevellicht van de +bleeke gelaten der Francesca's en Paolo's afscheen. Maar wàt hem ook +benàderde, in literatuur of in leven, <i>bereiken</i> deed het hem niet. Eens +had de menschheid zich de ontzettende fantasmen van een satanisch +hiernamaals gedroomd, <span class="pagenum"><a name="p157" id="p157"></a>[p.157]</span> een wereld door een demon instede van een +God geregeerd: een hel die oneindig was, pijn die respijtloos duurde en +martelde tot in eeuwigheid, zonden voor immer zonder vergeven, boete +zonder hoop. Toen had hij dat menschelijk-tasten, dat deel van +Menschheids droom aan haar zelve geopenbaard—voor zoover zìj kon +begrijpen. En, de bestemming volgend der half-bewusten, gedreven door +den duisteren drang, haar droomen te kennen, ze te zien leven in den +werkelijken dag, ze te <i>verwerkelijken</i>; gedreven door de donkere +krachten van haar onderbewustzijn in hun stuwing naar het licht; stortte +zij zich in de extatische zelfmartelingen der gekloosterde asketen; +wierp zij zich in den wellust der paring, vereend met dien van moord en +foltering; ja, slaagde zij er zelfs in een de Retz te scheppen, dat +onsterfelijk erotisch monster; en niettemin: <i>nòg bereikte zij de diepte +van haar droom en Dante's beeldingen niet</i>. Zij bracht haar +Conquistadores voort, die, uitmoordend de volkeren, de beenderen der +oude beschavingen verbrijzelden, en, in hun extasen van tot dan +onvermoede weeldegenietingen en machtswellust, van bloed en goud de +glanzende worgring wisten te gieten, die glorie heet. Zij verzon de +inquisitie, met haar brandstapels, haar rad, haar pijnbanken; zij bouwde +de slachtplaatsen der industrie, waar zelfs het kinderlichaam door den +arbeid werd verteerd, de kinderziel vertrapt: de fabrieken waar haar +wàre roem en lieflijkste bloem werden ontluisterd. En toch: <i>zij +bereikte de diepte van haar droom en Dante's beeldingen niet</i>. Zij was +als een groot schepper, als de Goethe van den <i>Werther</i>, die schrijft, +om een geestelijke ziekte die hij in zich draagt, buiten zich, van zich +àf te werpen; die schrijft om zijn eigen onzuiver ik vóór zich te kunnen +zien, om het te kunnen genezen. Maar hàre letters waren dàden, letters +van bloed en vuur, op de gemartelde maar onvernietigbare bladzijden der +jaren, in de zich openende en langzaam ïn hun dreun-zware kanteling weer +sluitende boeken der eeuwen. En toch, zij mocht kreunen van angst en van +verlangen, en rusten van haar vreeselijk werk dag noch nacht,—haar doel +bereikte zij niet, zij bereikte 't niet. <i>Dat was haar droom nog niet. +Iets was nog daarachter</i>, een opperste <span class="pagenum"><a name="p158" id="p158"></a>[p.158]</span> ontzetting, ver en diep +verholen, die zich verwerkelijken moest. Tòt het uur volliep, en ze in +geweldigste inspanning en verscheurende weeën den wereldoorlog baarde. +Tén ... uit de verste afgronden van haar wezen rezen de verholen +droom-schimmen op, verschijningen van afschuw en verbijsterende +ontzetting, en verwerkelijkten zich en traden onder het wijkend licht. +En terwijl hun torenhooge, afgrijselijke vlamgestalten als in een +hemelverbloeding de zon verduisteren, de aarde schreeuwt onder hun gaan, +en de ontwaakte Menschheid zich schijnt gereed te maken den arbeid aan +hare vergoddelijking bewust te beginnen en voort te schrijden op haar +evolutionnaire baan—wenkte de Noodwendigheid, de onfeilbare, die niets +vergeet, die het kleine én het groote als het <i>eene</i> kent; die het +gewicht van den dood eens worms en van dien van armeeën even nauwlettend +weegt, om der wille van hun beider majesteit van noodzakelijkheden; en +uit de verbijstering en den nood, uit het walgelijk knekelhuis der +loopgraven, in de volle nederigheid van zijn groote en reine ziel, +bereid tot overgave aan Menschheids dienst; vàst staand in zijn +wezenheid, toegerust met macht om zijn verheven werk te doen; onder zijn +lompen en achter 't verwoest gelaat veilig en in rust de vruchtbare +rijkdom van zijn geest geborgen, die straks naar buiten zou lichten—zóó +trad een man.... En gelijk eens Dante was geroepen om de infernale +verschrikkingen en hemelsche glanzen van den <i>droom</i> te openbaren, in +beelden blijvend voor altijd, zóó was deze verkoren, om dit de gruwbare +ontzetting en heilbrengende beduidenis van het van-droom-tot +<i>werkelijkheid</i>-gegroeide te doen. Verreweg kleiner dichter dan zijn +feilloos-geweldige voorganger—hetgeen hier niet schaadt, daar de +dichter der werkelijkheid niet de gaven van dien des drooms behoeft<a name="FNanchor_2_33" id="FNanchor_2_33"></a><a href="#Footnote_2_33" class="fnanchor">[2]</a> +—maar van een welhaast onvergelijkelijk hooge en zuivere +menschelijkheid, een ziel als een spiegelend meer van liefde waarin het +menschbeeld <i>naast</i> dat der sterren straalt, heeft hij zijn werk +verricht. En terwijl <span class="pagenum"><a name="p159" id="p159"></a>[p.159]</span> wij vol wederliefde in hem zien en al de +schoone en fijne bewegingen van zijn geest met onze innigheid bestreden, +beseffen wij slechts geleidelijk wàt zijn woord ons heeft gedaan. Het +heeft het onrein vat van onzen geest met brandenden toorn en afschuw vol +gegoten. En nadat dit éénigermate was gezuiverd van de stofvergoding, +van de ikzucht, van het huichelachtig meegevoel, van het +ijdel-phraseerend denken, waarmee ons leven het de jaren lang had +gevuld, deed hij wat droppels, die waren als een balsem én een dauw er +in leken. Want gelijk de eerste, heelend het geschroeide en gebetene, +voèlde ze onze geest, en gelijk de laatste fònkelen ze hem tegen met in +hun rondingen het licht van een nieuwen dag.... Deze zuivere en schoone +mensch, deze hooge en begaafde broeder van den dichter der <i>Hel</i>, dat is +Henri Barbusse; en zijn werk, het <i>beeld</i> van de <i>verwerkelijking</i> van +den Helle-<i>droom</i> heet: Het Vuur.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Hier, bij dezen Dante der werkelijkheid, zijn weer de in slijkpoelen +verzonkenen van Alighieri's zevenden zang; de, als een schildpad in zijn +schild, in modder geharnasten, de "gekroonden met drek." Hier zijn weer +de in gloeiende graven gemartelden, van den zesden hellekring: de +slavenden bij de nachtelijke korveeën, zich plat-drukkend op den onder +den granatenstorm en den spattenden vuurregen golvenden en brandenden +grond, te halver diepte pas ter dekking ingegraven. Hier weer de +badenden in het kokende bloed, van den vijftienden zang: de man verkoold +in granaatvlammen, terwijl een brandende plas van bloed-goud op zijn +lichaam knettert. Hier stuift en kuilt de zandzee, waarop de vuurregen +daalt en <i>waarheen</i> de verdoemden genoopt worden te vluchten: de +zinlooze stormloop onder het spervuur, in de gierende orkaan en +fonteinende vuurstroomen der granaten. Hier wankelen weer de "van +vlammen omhulden": als de ontploffingen de kapotjassen in brand steken. +Hier zijn weer de verdoemden van den twintigsten zang, wien de dood het +hoofd omdraaide op den romp, rugwaarts het lichaam omvouwde, en de +beenen, gelijk bij een zittende onder den buik, omhoog onder de aars. +Hier is weer <span class="pagenum"><a name="p160" id="p160"></a>[p.160]</span> de "schreeuwende menschboom" van den twaalfden +zang: een verstijfd lijk met krijsch-gezicht, wortelend in den top van +een heuvel, deinend en schuddend in den wind. Hier zijn zij van den acht +en twintigsten zang, wie de dood doorhakte "van de kin tot den bilnaad, +dat hun de ingewanden tusschen de beenen hingen." Hier zijn de beknelden +in de storm-gezweepte en ijskoude stroomen van den Coeytus, die Dante +als vezels in het ijs zag, tegen wier hoofden zijn voeten botsten, wier +boven de beknelling uitstekende haarlokken hij kon grijpen. Hier +stierven weer zijn Branca d'Oria's, maar onschuldige, "wier haren," zegt +Barbusse, "rechtop in het water staan als aquariumplanten." Hier zijn +zij wie de dood aan elkander bond, de lijken elkaar omklemd houdend als +in vereeuwigde strijdwoede, en zij die hij, bij de wegweekende +overstrooming der loopgraven, vereende als in goddelijke toewijding tot +elkaar: "twee mannen, die op elkaar steunen om te slapen. Daar zij zich +niet op den wegvlietenden grond, die over hen heen zou golven, konden +uitstrekken, bogen zij zich over elkaar heen, elkaar bij de schouders +vattend en sliepen in, tot aan hun knieën in het veld weggezakt." Hier +sidderen ook weer de van de hoogste tragiek omstormde Danteske teerheid +en liefelijkheden. O, kleine, bleeke Eudore, met je teere lichaam en nog +teederder hart, die met verlof gingt, om na vijftien maanden je jonge +vrouw weer te zien.... De passen blijken niet in orde, zij kan niet tot +hem komen, hij niet tot haar, dan alleen in den voornacht van zijn +verlofeinde.... Maar dan—de regen verdrinkt de aarde—ontmoet hij +andere verlofgangers, die niet weten waar onder dak te komen ... de +beide gelieven, die slechts dien enkelen nacht hebben om gelukkig te +zijn, offeren zich op en deelen hun eene kamer met hen ... de kostbare +nacht, die een liefdefeest voor hen had kunnen zijn, gaat somber te +midden der geeuwende soldaten voorbij.... Zij scheiden onder +hartstochtelijke omhelzingen.... Hij komt weer in de loopgraven terug. +"En wanneer zal ik haar nou weerzien? En zàl ik haar wel terugzien," +zucht hij tot de kameraden. Hij ziet haar niet weer terug. Een nacht +wordt hij mét drie makkers door het mitraille doorzeefd.... En dan +<span class="pagenum"><a name="p161" id="p161"></a>[p.161]</span> die beide andere gelieven, Farfadet en Eudoxie!... Farfadet, die +nog van haar aanbiddelijke schoonheid als levend en hem toebehoorend +droomt; die zich zeker voelt van een gelukkig leven met haar na den +oorlog, terwijl reeds lang haar lijk wegrottend en afzichtelijk +beschimmeld in een mijngroef tusschen de linies is gevonden....—Of het +ontroerend gesprek tusschen de twee legionnairs—ja, ja, ge weet wel, +dat zijn twee van die "uitvaagsels," van die +"maatschappelijk-verworpenen," van het "vreemden-legioen"!—Barbusse, +uitgeput in den onderaardschen hulppost dicht naast hen neerzittend, +beluistert hen zonder het te willen. De een, doodelijk gekwetst, vraagt +den ander, of die wel weet, dat-ie heel wat op z'n kerfstok heeft en +dat-ie wel heel moeilijk ooit weer in de burger-maatschappij een bestaan +zal kunnen vinden. De ander, woest, zegt: "Hou je smoel! wat kan jou dat +verdomme'?" En de doodelijk-gekwetste antwoordt, dat, daar hij nu toch +gaat sterven, hij van zakboekjes met den ander wil ruilen, dan kan die +onder een nieuwen en eerlijken naam verder leven en heeft een betere +toekomst voor zich! Maar aan Louise, zijn lief, zal-ie 't toch in zijn +afscheidsbrief schrijven, "dan vindt ze dat ik goed gedaan heb en zal ze +beter an me denken." Maar neen, "met iets als een verheven inspanning" +schudt hij dan 't hoofd: "Nee, háár zal ik 't zelfs niet zeggen! Ik weet +wel dat zij het is, maar de vrouwe' zijn zoo praatzuchtig!"—Of ook de +<i>Idylle</i>: Paradijs de coquette schoentjes poetsend van een vijftienjarig +kind; een verheerlijkende glimlach licht over zijn gelaat, en nog in +zijn uitputtingsslaap blijft die stralen. O, hier, hier vooral, laat ons +zacht en voorzichtig treden en met onze gansch liefdevolle en +aandachtige oogen naar de laagte zien. Hièr heft de menschelijke adeldom +zijn schoonste bloemen, terwijl hij nochtans als een kruipplant over een +slijkerigen bodem wart....—</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Maar deze Dante der werkelijkheid, die bij het zuchten zijner +Francesca's en Paolo's <i>niet</i> bezwijmde; die de volle heerschappij over +al zijn krachten zelfs onder de vuurregens en midden de slachtingen +behield, en als <i>meer</i> dan een òngebroken man: als een schepper, als +<span class="pagenum"><a name="p162" id="p162"></a>[p.162]</span> een glanzend wezen, uit de loopgraven trad; deze Dante, door de +beukende realiteit tot verhevener deemoed geleid dan de ander door den +droom, vertoont op wat men een parallelplaats van eene in Alighieri's +werk zou kunnen noemen, eene <i>ontroerender schoonheid</i> dan daar aanwezig +is. En waarlijk, het is mij een rijk geluk, haar, verholen als zij is, +voor u te mogen opdelven en 'r u te toonen. Toen ik haar ontdekte in het +licht mijner verdere lezing van het werk, bleef het eerste hoofdstuk, +waarin zij zich bevindt, niet slechts een schoone uiting van <i>bewuste</i> +genialiteit voor mij, maar wèrd een wonder van den schrijver <i>on</i>bewust +gebleven en toch zich openbarende inspiratie. Dit hoofdstuk heet <i>Het +Visioen</i> en beeldt niet anders dan een Zwitsersch sanatorium, waar aan +den overkant der bergen, op een galerij de tuberculose-lijders liggen. +Het teekent kort het schuchter en als ingehouden leven dier +ongelukkigen. De courant wordt rondgebracht, en de eerste die haar +leest, zegt: "Het is geschied, de oorlog is verklaard." Deze "peinzers," +zooals Barbusse dan zegt, "op den drempel der wereld verwijlend, +gelouterd van partijhartstochten, bevrijd van opgedane begrippen, van +verblinding, van de greep der traditiën, zij beseffen schuchter nog den +eenvoud der dingen en de wijd-sperrende mogelijkheden." En in het +gebeuren midden dat woeste bergen-décor, het opstijgen en speurend +kringen der adelaars, het neerbliksemen van het onweder, de schemers +gelijk watervloeden vol vage vormen van verdronkenen op de velden, +aanschouwen zij in een kort visoen heel de ontzaglijke rij der +toekomstige afgrijselijke oorlogsbeelden. Dit nu kan men, gelijk ik zei, +een parallelplaats, in beperkten zin, van Dante's vierden zang, noemen, +omdat: hier evenals daar het storm-stille "<i>Voorportaal</i>" van de <i>Hel</i> +is; omdat hier evenzeer als daar wel <i>geen geluk</i> is, maar ook hier +zoowel als daar geen <i>lijden</i>, vergeleken <i>met hetgeen daarna komt</i>. En +ook hier zoowel als daar is er dus de doorlichtende tegenstelling +tusschen het stille, rustige, beveiligde en <i>nog te dragen</i> leed van het +<i>Voorportaal</i>, en de woeste, de vlijmende, de hulpeloos voortgejaagde, +de ondragelijke smart van de <i>Hel</i>. Maar dàn ziet men ook zich daaruit +een andere en nog beteekenisvoller tegenstelling <span class="pagenum"><a name="p163" id="p163"></a>[p.163]</span> ontwikkelen, +die de hoogere schoonheid, waarvan ik sprak, brengt. Dante, in het +kasteel van de Homerische dichtergroep gekomen, waar de groote denkers +en poëten der Oudheid verblijven, verkondigt <i>zelf</i> volkomen bewust en +luide zijn ontzaglijke grootheid: <i>Homeros begroet hem als den zesde in +zijn verheven kring</i>. Maar in het "Voorportaal" van déze hel, in dit +eerste hoofdstuk van <i>Barbusse's</i> werk, wordt wèl evenzeer des +schrijvers grootheid verkondigd, máár: <i>niet door hem,</i> doch <i>hem +ondanks</i>: door het van hèm <i>niet</i> reppend <i>voorgestelde</i>! Den kunstenaar +<i>on</i>bewust, en <i>on</i>afhankelijk van zijn wil, vrij dus van met trots +verbonden zelfkennis, verheft zich hier de <i>in hem levende Inspiratie</i> +en zegt ons: zie toch, zie, dit geheele tafereel is de <i>symbolische +veruiterlijking</i> van <i>zijn</i> innerlijkst—en nog wel +<i>verkleinde</i>!—wezen, en zegt <i>zijn</i> grootheid. En hij de deemoedige +wist het niet! Want gelijk die "peinzers, op den drempel der wereld +verwijlend, gelouterd van partijhartstochten, bevrijd van opgedane +begrippen, van verblinding, van den greep der traditiën," <i>zóó is ook +hij</i>; en gelijk die eenzamen want in-zichzelf gekeerden, maar +verzorgden, las ook hij in 't omfloerste wereldgebeuren de verholen +beteekenis, de <i>waarheid</i> ìn wat hij zag, de naar geboorte worstelende +kern; máár bedenkt dit wel: <i>Hij</i> was niet slechts aldus in het +voorportaal, maar <i>midden</i> den storm, <i>in</i> de hel.... Beseft dan gij +allen de grootheid, de ongeschoktheid, de reine onbaatzuchtigheid van +dezen mensch, hoe volkomen onbekommerd om eigen lot, in welk een +zelf-ontruktheid, in welk een zelfvergetelheid hij mòet hebben geleefd; +en hebt hem lief, hebt hem oneindig lief....—</p> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<h3>II</h3> + +<p>Het kan allicht zijn nut hebben, ook hier <i>iets</i> te tóónen van de wijze +waarop, benevens een <i>weinig</i> van de kern-waarheid, welke hij zag. De +wijze van zien is die van een zéér groot epicus, met veel wijsgeerige en +sociaal-politische bezinning, beheerschte lyrische kracht, machtig +<span class="pagenum"><a name="p164" id="p164"></a>[p.164]</span> beeldend vermogen, en zooals na dit alles vanzelf spreekt, +groote psychologische intuïtie. In die bezinning en in het vooral den +subtielen Franschen geest karakteriseerende van het <i>laisser entrevoir +sa pensée</i>, lijkt hij mij sterk aan Balzac verwant; in de manier van +dialoog-aanwending als beeldend en karakteriseerend hulpmiddel aan onzen +Querido, en het is dan ook dáárom—al mag men er ook, hier en daar, uit +anderen hoofde bezwaar tegen hebben—een voortreffelijke daad van den +door zijn liefde voor beiden en zuivere kunstzinnigheid geleiden +vertaler geweest, dat hij ter overzetting dier dialogen, uit het +"vocabulaire der Burk's" putte, want aldus doende, werd hij een +vruchtenplukker gelijk, die immers meer medeneemt, dan de geplukte +vruchten: ook hij nam <i>den geur van den boomgaard</i> mede, hij vergoedde +het allicht onontkoombare verlies van 't in de dialogen levend episch +fluïde van den grooten Franschman door dat van den aan hem verwanten +grooten Hollander. Het is trouwens niet daarin alleen, dat Barbusse aan +den schrijver van <i>Menschenwee</i> en de beide <i>De Jordaan's</i> doet denken, +het is ook in de wijze, waarop hij de menschen <i>buiten</i> de dialoog +beeldt, in zijn groot-epische heftig van kleur en mouvement doorstormde +visies, gelijk in het verschrikkelijke hoofdstuk <i>Het Vuur</i>, in de +hartverkillende atmospherische stemmingen van <i>De Korvee</i>, in de +chaotische volten van <i>Opbreken</i>. Een ander maal, zooals in <i>Lucifers</i>, +waarin de vier Franschen, op jacht naar vuur, om vleesch te kunnen +braden, in de loopgrapen verdwalen, en in de "Internationale gang" een +Duitsch officier dooden en met diens lucifers terugkomen, is er voor mij +in het beeldend geluid, in het aspect der figuren-plastiek, in het +bonkig trago-komische en in het lacherig-vreeselijke, iets, om ons tot +de modernen te bepalen, van de Maupassant. Dan weer zie ik duidelijk, de +paar malen dat hij natuurleven beschrijft, plots onzen Van Looy voor +mij, zooals in <i>Gewend Geraakt</i>, die prachtige observaties in den +hoenderhof, waar hij in sober-beeldende woorden—elk woordje om zoo te +zeggen een vondst, een levende kleur, een reuk, een beweging—het +verinnerlijkt-geziene schildert. De zaak is, dat, gelijk naar occulte +leering de zielen van veel volmaakt</p> + +<p><span class="pagenum"><a name="p165" id="p165"></a>[p.165]</span> geworden menschen in die eens gods versmelten, in de genialiteit +van Barbusse veel van het beste van veler tijden en landen literaire +kracht is saamgekomen. Er is een menigte van schoone geesten in hem, +maar die zijn toch één, die zijn toch zìjn geest geworden.—Zooveel +mogelijk nu die gedeelten uitkiezend, welke ik kan citeeren, zonder te +zeer den omvang van dit opstel te vergrooten, en mij bij andere slechts +tot enkele vermelding bepalend, zal ik u een weinigje aanwijzen van al +dat schoons. Als voorbeeld van zijn wijsgeerige bezinning vol diepe +psychologie, hier in een subtiel aphoristischen vorm:</p> + +<div class="blockquot"><p>Zij zijn allen, de een als de ander: er is niet één, die niet zegt: +"Ik ben nièt als de anderen."</p> + +<p>Het spel is voor kinderen een ernstige bezigheid. Alleen volwassen +menschen spelen.</p></div> + +<p>En dit van zijn Danteske visies, voor zoover die vooral het kenmerk van +een den mythos, historie en leven omvattenden geest dragen: (over den +verliefden Lamuse, den "osmensch," door Eudoxie afgewezen)</p> + +<div class="blockquot"><p>Hij laat zijn groot, dik hoofd hangen. In de meedoogenlooze klaarte +van de herboren lente, gelijkt hij de arme cycloop, die langs de +oude oevers van Sicilië doolde, bespot en getemd door de +helstralende kracht van een kind, als een monsterlijk speeltuig, in +den aanvang der tijden.</p></div> + +<p>Of dit nog dieper geziene: (Over een soldaat, die, in de loopgraven, een +koperen ring voor zijn vrouw vijlt)</p> + +<div class="blockquot"><p>Hij arbeidt vol vuur. <i>Het is zijn hart dat zich zoo goed mogelijk +wil uitspreken en zich inspant als voor een stuk schoonschrift</i>.<a name="FNanchor_3_34" id="FNanchor_3_34"></a><a href="#Footnote_3_34" class="fnanchor">[3]</a> +In deze ontredderde gaten van de aarde verkrijgen onze mannen, zich +vol ontzag buigend over de lichte, allereenvoudigste sierselen, zoo +klein dat de grove hand ze moeilijk vasthoudt en makkelijk +ontglippen laat, een nog woester, primitiever, menschelijker +aanzien dan onder welke omstandigheid ook. Men denkt aan den +eersten uitvinder, den vader der kunstenaars, die aan blijvende +voorwerpen den vorm van wat hij zag en de ziel van wat hij +onderging, trachtte te geven.</p></div> + +<p><span class="pagenum"><a name="p166" id="p166"></a>[p.166]</span> Het zijn de Dantesk-<i>picturale</i> visies, waarbij ik mij helaas +tot nauwelijks meer dan bloote vermelding moet bepalen. Zoo van het +voorbijtrekken der helsch-caricaturale "straatvegers der loopgraven"; +van het trekken door het krijtland, waar een witte stuiving de soldaten +in grijsaards vermomt, en zij, stilstaand op een halte, in elkander +"pleisterbeelden meenen te zien."</p> + +<p>Aan de beelding van het barbaarsch-Oostersch voorbijschrijden der +kleurlingen ontleen ik dit:</p> + +<div class="blockquot"><p>Onder deze kerels van geel, brons of ebbenhout, zijn enkele +ernstigen; hun gezichten zijn beangstigend, stil, <i>als zichtbare +valstrikken</i>. Anderen lachen; hun lach schatert als de klank der +vreemde muziek van uitheemsche instrumenten en laat hun tanden +zien.</p></div> + +<p>Soms bereikt zijn visionnairisme een louter-geestelijke helderziendheid, +zooals in die <i>heilige</i>, stràlende regels—blz. 224—225, te veel voor +een citaat!—waarin hij de ziel van den <i>burger</i>-soldaat, op dat opperst +moment vóór den stormloop en waarschijnlijken dood, klaar doorschouwt. +Of gelijk hier: (over het voortschrijden onder sper-vuur, van soldaten +op een open vlakte)</p> + +<div class="blockquot"><p><i>Het is bijna niet te gelooven</i>, dat elk dezer kleine vlekken een +wezen van rillend en teer vleesch is, geheel ongewapend in de +ruimte, vol diepe gedachten, vol innige herinneringen en beelden: +het is ontstellend, dit gestuif van menschen, even klein als de +sterren aan den hemel.</p> + +<p>Arme naasten, arme onbekenden, het is nu uw beurt te offeren! Een +ander keer zal het de onze zijn. Wij zullen morgen wellicht den +hemel boven onze hoofden hooren vaneenrijten of voelen hoe de aarde +zich onder onze voeten opent, of aangevallen worden door het +wondere leger van projectielen en weggevaagd door orkaanstuwingen, +honderd duizendmaal krachtiger dan de orkaan zelf.</p></div> + +<p>Zóó is het. Zoodra men de wezens en dingen in hùn wáárheid en de +waarheid hunner verhoudingen ziet, dan is <i>het inderdaad niet te +gelooven</i>, wat er met hun stoffelijke wezenheid gebeurt. En ook het +omgekeerde <span class="pagenum"><a name="p167" id="p167"></a>[p.167]</span> is waar, zooals—Barbusse-zelf, de op dat moment +ontluisterde en verduisterde Barbusse het in zijn eigen Godsontkenning +ééns fél demonstreert!...—</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Hoogst gewichtig ook voor het juist begrip van de gróótheid en den aard +zijner genialiteit, zijn die kleine zinnetjes, die enkele woorden soms, +met, in zulk een enkel woord, een rijkdom van beeldende kracht; woorden +en zinnen, vluchtig en snel, als flitsen, die midden de algemeene +verwoesting, de ongereptheid van het edele landschap van zijn geest, in +een witschitterend licht doen dagen. Zoo over korporaal Bertrand—een +<i>prachtige</i> menschschepping. (Het is na den stormloop door het spervuur, +na de verovering der vijandelijke loopgraven, dat dit gesprek, waarvan +ik een stukje citeer, door de twee helden wordt gevoerd):</p> + +<div class="blockquot"><p>"En toch, vervolgde Bertrand, kijk! Er is één figuur, die zich +boven den grooten oorlog verhief en die door de schoonheid en +belangwekkendheid van zijn moed...."</p> + +<p>Op een stok geleund, over hem been gebogen, luisterde ik, het +geluid van deze stem opvangend, die, in de stilte der schemering, +uit een bijna altijd zwijgenden mond kwam. Met heldere stem riep +hij:</p> + +<p>"Liebknecht!"</p> + +<p>Hij stond op, de armen steeds gekruist. Zijn schoon gelaat, <i>even +diep en rustig als dat van een beeld</i>, viel weer op zijn borst +neer. Maar nogmaals verbrak hij zijn <i>marmeren</i> zwijgen, om te +herhalen....</p></div> + +<p>Zoo ook deze plechtig ontroerende metaphoor. (Over een soldaat opduikend +uit zijn slaaphol in de loopgraven):</p> + +<div class="blockquot"><p>Hij komt te voorschijn; zijn grauwe klompige lichaam verschijnt, +<i>als de nacht in den avond</i>.</p></div> + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<p><span class="pagenum"><a name="p168" id="p168"></a>[p.168]</span> Ongetwijfeld, er zijn ook zekere tekortkomingen in dit +ontzaglijk werk te bemerken en het waar' nutteloos hier van de liefde te +vorderen ze te verhullen. Want de alles doordringende luister van het +geslaagde, overgroote deel, zou toch ook deze verwrongenheden aan ieders +oog openbaren. Daar is allereerst het <i>toevallige</i>. Het doet als +toevallig aan, dat juist weinige uren, ja weinige oogenblikken vóór +Poterloo, "in de vlam van een granaat wegvliegt," hij, in een gesprek +met Barbusse, als zijn vaste verzekerdheid te kennen geeft, dat hij den +oorlog zal overleven. En het is de schuld van den schrijver, dat wij +dien indruk van toevalligheid krijgen. Want, bij den opmarsch nà het +gesprek, in den avond, veroorlooft de auteur den lezer geen oogenblik, +zijn aandacht van Poterloo af te wenden: de auteur spreekt voortdurend +met dezen zijn wapenbroeder, roept hem telkens aan, vraagt hem hoe 't +hem gaat. <i>Hierdoor</i> voelen wij al, dat het nièt goed <i>zal</i> gaan, dat er +iets noodlottigs met dien man daar dadelijk zal gebeuren; wij voelen een +zekeren <i>toeleg</i> bij den schrijver. Die toeleg, zoo raden wij al, is: +<i>de tragiek van het naderend gebeuren te onderstreepen</i>, en zoodra wij +nu zien dat ons vermoeden juist was, verschijnt ons natuurlijk dit +gebeuren als een "gewilde" toevalligheid en wordt de tragiek juist +<i>verzwakt</i>.—<i>Toevallig</i> is ook dat juist Lamuse, die niet tot de genie +behoort, zich aanbiedt als vrijwilliger om de sappeurs bij het maken van +een mijngroef behulpzaam te zijn, en—daarin het beschimmelde lijk van +de door hem geliefde Eudoxie vindt; en <i>nog toevalliger</i>: dat even te +voren een voorval uit Gauchin wordt verhaalt—<i>Gauchin, waar Lamuse +Eudoxie zijn liefde had bekend en was afgewezen</i>—èn dat Farfadet (<i>de +minnaar van Eudoxie</i>) na de opmerking van iemand, dat je "van niks iets +zeggen kan," peinzend "<i>alsof een aanbiddelijk gezicht hem tegenlachte</i>" +mompelt: "Toch zijn er dingen waar je zeker van kunt zijn." Ja, het mag +niet verzwegen: hier blijkt wel héél duidelijk een "Absicht", die +"verstimmt." Deze toevalligheden—de welwillende lezer vergeve mij het +zoo veelvuldig gebruik van een zelfde woord!—zijn dan ook allerminst +... toevallig! <i>Zij spruiten voort uit de hybridische natuur van het +boek</i>. Eenerzijds was het de <span class="pagenum"><a name="p169" id="p169"></a>[p.169]</span> bedoeling van den auteur een +waarheidgetrouw relaas van feitelijke gebeurtenissen te geven, +anderzijds <i>dwong</i> hem zijn krachtige kunstenaarsaanleg een <i>kunstwerk</i> +te scheppen. Maar als iets omtrent den aard van een kunstwerk vaststaat, +dan is het wel dit, dat het een <i>verbeeldingswerk</i> moet zijn. En ziedaar +nu de oorzaak van stoornis en botsing: in een toevalligheid uit een +feiten-relaas berusten wij, zij <i>kan niet</i> onecht en "gewild" zijn, +immers zij is—een feit. Maar bij die in een kunstwerk berusten wij +niet, dáár zijn wij slechts tevree met wat ons als <i>noodwendigheid</i> +verschijnt. En omgekeerd: een geval dat wij in een feiten-relaas als +van-zelf-sprekend aannemen en dat derhalve <i>geen afzonderlijke +vermelding</i> door den auteur voor ons behoeft, zal soms, als het in een +kunstwerk voorkomt, ons juist het <i>ontbreken</i> eener afzonderlijke +vermelding als een hiaat en een slordigheid doen voelen. Zóó het +geval-Farfadet: op blz. 82 staat het vast, dat "hij is opgeroepen achter +het front bij den generalen staf" om kantoorwerk te doen. Voor hem is de +oorlog—het gevaar—voorbij. Maar jawel! tot het eind van het boek zien +wij hem <i>gewoon soldaat blijven,</i> zonder dat er een woord over die +tegenstrijdigheid wordt gekikt, en tenslotte wordt hij zelfs aan beide +oogen gewond! En ziehier dus weer de botsing van het hybridische: omdat +in den schrijver óók de bedoeling en het <i>bewustzijn</i> leefden, een +relaas van feitelijke gebeurtenissen te geven, deelde hij ons niet mede, +bijvoorbeeld dat de oproeping van Farfadet naar achter het front was +ingetrokken. Voor <i>zijn</i> gevoel, van feitelijkheden-vermelder, sprak dat +van zelf, maar voor òns gevoel, dat in dit werk, nevens zijn aard van +feiten-relaas, ook en <i>vooral</i> een <i>kunstvolle herschepping</i> der +realiteit ziet, voor ons spreekt dat allerminst van zelf. Want wij zijn +nu eenmaal gewend, als wij in een kunstwerk een dergelijke achteloosheid +ontmoeten, te zeggen: hé, hier was de auteur klaarblijkelijk vergeten, +wat hij vroeger had verhaald!—Er is meer. Het schijnt mij toe, dat men +ook een enkel maal in de dialogiseering dat hybridische kan herkennen. +Het staat een kunstenaar vrij zijn dialoog te styleeren, dan wel bloot +realistischen—mits <i>innerlijk gehoorden</i>—dialoog te geven. In beide +<span class="pagenum"><a name="p170" id="p170"></a>[p.170]</span> is het groote te bereiken. Maar het staat hem, dunkt mij, <i>niet</i> +vrij, door een zelfden spreker, ja in een zelfde gesprek nog wel, een +mengvorm van beide te scheppen. Want dan <i>veronechten</i> die +ongelijksoortige factoren elkaar. Het is volmaakt in orde, dat Poterloo +in het innig gesprek met zijn vriend zegt: "... ten slotte hebbe' ze een +luizedoosie voor me opgesnord dat groot genoeg was om d'r mijn kop in te +bergen." En het zou ook volkomen in orde kunnen zijn, dat hij in zulk +een gesprek zegt: "ze glimlachte en boog liefelijk haar hoofdje met het +lijstje van blonde haar, waarin de lamp gouë straaltjes scheen." Maar +het is niet in orde, dat dezelfde man allebei zegt. Gestyleerde dialoog +is en blijft voor den <i>lezer: vertolking</i> van realistischen dialoog, +maar omdat ook de gestyleerde door den scheppenden <i>schrijver</i> innerlijk +en als het ongekunsteld-oorspronkelijke werd gehoord, zal hij op den +lezer denzelfden <i>indruk</i> van <i>innerlijke waarachtigheid</i> als de +realistische maken. Maar nochtans—nog daargelaten, dat bijvoorbeeld dit +zinnetje van Poterloo <i>niet</i> juist gestyleerd is—is het niet raadzaam +een valsche roos, in wat roes van scheppende illusie ook gevormd en +getint, náást een echte te leggen, want dan spot-fluistert in haar geur- +en kleuren-taal die echte allicht: "Dat is mijn zuster niet."—Men +begrijpe mij niet verkeerd, ik heb er niets op tegen, dat deze soldaat +zoo innig denkt over zijn vrouw—wat potsierlijke dwaasheid zou dàt +wezen! Waarom zou die prachtige mensch niet zoo kunnen denken—ik heb +er slechts op tegen, dat hij zóó zijn gedachten <i>verwoordt</i>. <i>Dat</i> kan +hij niet. De soldaat Marthereau—voddenraper in het burgerlijk +leven—zegt: "De wind heit de suiker opgelikt." Dat is <i>prachtig</i>. Maar +gesteld eens, dat hij had gezegd iets dergelijks als: "De wind <i>heeft de +sneeuwbonbons verorberd</i>." Dat ware <i>afschuwelijk</i> geweest! En niettemin +geloof ik, dat al is en blijft er te dezen opzichte iets te laken, dit +voor onze Hollandsche ooren waarschijnlijk erger klinkt dan het is. Want +dat den lageren klassen der Latijnsche volken in onderscheiding met de +onze, in diepere gevoelsmomenten van zelf een edeler en schooner taal +naar de lippen dringt, dan hun dagelijksch argot, lijkt mij bij hun +algemeen veel hooger ontwikkeld kunstgevoel <span class="pagenum"><a name="p171" id="p171"></a>[p.171]</span> en aangeboren +literair begrip wel aannemelijk. Wat den <i>waarlijk-meesterlijken</i> +vertaler betreft, zoo er hier al schuld bij hem is, dan is die toch +minimaal en komt slechts hierop neer, dat hij de bezwaren, waarvan ik +reeds sprak, die het gebruik van het "vocabulaire der Burk's" aankleven, +wel ietwat heeft onderschat, en daardoor hier en daar onnoodig de +tegenstelling tusschen de eene soort dialoog en de andere heeft +verscherpt....—Berusten wij derhalve in de erkenning, dat op den zege- +en zonne-wagen van zijn genie gezeten, waarmee hij zich uit den nacht +van den oorlog verhief, Barbusse van zijn ongelijkrassige paarden +ongetwijfeld wel een enkel maal de toomen heeft laten glippen. Maar wat +nood, hij heeft zijn tocht voleind, en uit den afgrond tot ver boven +onze hoofden uitstralend, ons het licht zijner liefde gebracht.</p> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<h3>III</h3> + +<p>En voorzeker, met den glans van zijn zien-en-begrijpen heeft hij dan ook +van veel de kern en de waarheid beschenen, en ons gedwongen die te zien. +Zijn epos is ook een leerdicht geworden. Een zeer kleine greep uit het +overrijk bewijsmateriaal kan er u reeds van overtuigen. Hij heeft +gezien: hoe het proletariaat niet alleen steeds de winstmijn, maar ook +het kijkspel der bourgeoisie is geweest; haar diergaarde, welks bewoners +met de zweep geregeerd, maar ook met klontjes suiker liefjes verwend +mochten worden en zelfs, ja zelfs bestreeld met hoogst-eigenhandige +kopaaiïngen, waaraan men dan ook zoowel zijn joviale genegenheid als +zijn heùsch-dùrvigen moed demonstreerde. Men heeft er maar dat scènetje +van het bezoek der journalisten in de loopgraven op aan te kijken, om te +beseffen, met wat inborend sentiment deze liefdevolle dàt háát. Merk hoe +dan de spot een oogenblik het beheerschte gelaat zijner objectiviteit +vervinnigt.—Hij heeft gezien: hoe achter den rug der strijdende legers, +die menigten van martelaren, de groote en de kleine bourgeoisie—allen +die bezitten en graaien om dat bezit te vergrooten—haar weeldebestaan +en winstmakerij voortzetten. <span class="pagenum"><a name="p172" id="p172"></a>[p.172]</span> Daar schrijnt, in <i>Uitstapje</i>, 't +verhaal hoe hij met eenige makkers zijner escouade het verlof in een +groote stad doorbrengt, een vernederingsleed om den zedelijken val der +<i>heerschenden</i>, meer nog dan om het lot der beheerschten; omdat zóó +verlept en nietswaardig der eersten gevoel, zóó ijzingwekkend hun +onwetendheid, zoo bijna làchwekkend-onnoozel somwijlen hunne +onbeschaamdheid is. En in een overstelping van liefde, meer dan van +medelijden, heeft hij de vernedering zijner arme, eenvoudige +metgezellen, onder de tooneelkijker-blikken en schennende woorden dier +weeldezwelgers gevoeld. Hij heeft gezien: hoe zij zich vetmesten, die +"van hun buik hun god maken"; al diegenen, die roepen van achter hun +toonbanken, hun bankierskantoren, hun redactietafels: "wij" moeten +volhouden, "wij" zullen nog meer offers brengen als het moet!—Ja, en +hij heeft ook wel gezien hoe er nog ander dan Pruisisch militairisme +bestaat. <i>Argoval</i>! Het geval-Cajart! de soldaat, die na reeds twee jaar +blaamloos zijn plicht te hebben gedaan, voor een gering vergrijp wordt +gefusilleerd. Hij had zich bij het einde der rustpoos in het +cantonnement schuilgehouden. Als de schrijver terugkeert van de plek, +waar ze den armen kerel, in knielhouding aan een paaltje gebonden, +hebben doodgeschoten, dan ziet hij zijn escouade-genoot Volpatte midden +een groep makkers "<i>een nieuw vertelseltje verhalen van zijn reis bij de +gelukkige achterblijvers."</i> Dàt zijn die "achterbakschen"; nietsnutters +met machtige protectie, die men niet doodschiet als Cajart, maar +integendeel later in de salons, als "helden die in het vuur zijn +geweest" zal bewonderen! Nog ander dan Pruisisch militairisme: lees hoe +meneer de brigade-generaal de soldaten in 't <i>ontspannings-kantonnement</i> +slechts drie avonduren in 't etmaal veroorlooft uit te gaan. Hij wil ze +niet op straat zien! Zoodat ze zich in hun doorregende en tochtige +loodsen zitten te verkniezen.... Ah, hoe heeft zijn heilig sarcasme dat +alles gestriemd; zijn <i>episch</i> sarcasme, dat het <i>gebeuren-zelf</i> de +zweep doet hanteeren, die op de ruggen dezer wisselaars neerklettert; +deze wisselaars, die alles betalen met <i>schijn</i>: een schijn van plicht, +van verstand, een schijn van geestdrift. Hij zelf blijft altijd +objectief, en <span class="pagenum"><a name="p173" id="p173"></a>[p.173]</span> niet slechts met de objectiviteit van den +naturalistischen kunstenaar, maar met die van den +goddelijk-zachtmoedige. Geen enkele zijde van eenige zaak ontsnapt zijn +blik, en geen enkele bedekt hij moedwillig. De poilus mogen bij dat +journalisten-bezoek aan de loopgraven fel-raak spotten en hekelen; dan +plots vraagt zacht-lachend de prachtige korporaal Bertrand: Zijn die lui +dan ook niet noodig? Zijn jelui er niet het eerst bij, om als de +krantenman voorbijkomt, te schreeuwen "Ik! Ik!"—<i>Maar het is dan ook +juist deze objectieve wijsheid, die plots ook onze eigen geestelijke +kwetsuren en een nijpend gevaar opendekt.</i> Want ach, hoe weet zelfs ik +'t van mijn beveiligde zelf in dit gelukkig nog gespaarde landje, dat +dit alles zóó is. Lees ik niet met een gemoed van verontwaardiging +overkropt, ten eenen avond, dat het <i>zoo geanimeerd tafelen bij den +Generaal von Eichhorn</i> was, en ten anderen avond, dat de Generaal +Gouraud <i>zoo'n gezellige werkkamer</i> heeft en een derde maal, dat, <i>trots +den oorlog</i>, zoo <i>heerlijk van de wonderschoone Krim</i> en zijn <i>wijnen</i> +was <i>genoten</i>? En niettemin, keer ik, arme voddenraper, niet elken dag +weerom, om de bakken der buitenlandsche correspondenties uit te +schudden, graaiend naar mijn heet verlangd lapje nieuws van den +wereldkrijg? Het is dit journalisme, dat geen schaamte meer kent. En het +kent geen schaamte omdat het geen volledig menschelijk bewustzijn meer +bezit. Het lijkt wel of sommige der gewichtigste centra van zùlk een +bewustzijn hebben opgehouden te functionneeren bij deze "petits êtres +incomplets" en vervangen zijn door instincten en vermogens, waarvan men +het gehééle complex tot nu toe alleen bij zekere groepen van <i>insecten</i> +Waarnam. Want niet alleen dat dit soort journalisten een merkwaardig +vermogen heeft, naar kleur en lijn met zijn omgeving saam te vloeien, +doch ook hun "stijl" kent geen vlucht maar slechts gefladder; en, de +voelsprietjes als in aanbidding omhoog, kruipen zij genottelijk tegen de +voor hen torenhooge militaire laarzen op. Dat Foch zooveel pijpen +krijgt, hoe aandoenlijk. Dat hij stáát op zijn zooveel-uur slaap, hoe +buitengemeen-geniaal én correct! Maar toch: vergat de journalist, die +dit berichtte, niet, dat 's maarschalks soldaten als verontschuldiging +voor hun gemis aan <span class="pagenum"><a name="p174" id="p174"></a>[p.174]</span> stiptheid in deze, de enorme kans kunnen doen +gelden, dat de granaten hen wel in staat zullen stellen hun +sluimer-tekort met woeker in te halen?... En neen! och natuurlijk niet, +het is niet het feit zelf, dat mij hier hindert—een man in de positie +van Foch heeft tot <i>plicht</i>, zijn brein klaar en onvermoeid te +houden—maar het is de botte onkieschheid, de seniele pueriliteit zulker +vermeldingen, die mij doen walgen. Het zijn deze journalisten die den +geest vergiftigen. Zij scheppen fetischen en roepen tot afgodsdienst op. +Er loopt geen generaal over hun rug, of zij kennen hem "een doorborenden +blik" toe, "strengheid voor zichzelf en rechtvaardigheid voor anderen." +"Volkomen rustig"—waarom hij tientallen kilometers achter het front +nièt rustig zou zijn, weet niemand, behalve <i>ik</i>, maar dat heeft dan ook +zijn zéér bijzondere reden—drinkt hij zijn wijn "waaraan men niet zou +zeggen, dat 't oorlog is," rookt genoegelijk zijn sigaar. Neen, +waarlijk, arme groote Hans, ge zoudt <i>niet</i> rustig zijn, zoo ge wist wat +ik weet: dat de meesten van deze uwe waardige bezoekers <i>twee</i> +voorwerpen in hun valies hebben, en beide voor uw hoofd bestemd: een +lauwerkrans zoolang ge succes hebt, doch zoo ge valt: een.... Maar neen, +dat te zeggen: van dat "ignobles Geschirr", blijve Heine's recht voor +altijd! Dit journalisme verleidt het gedupeerde volk tot lief te hebben +wat geen liefde waard is, tot bewonderen van wat het niet beoordeelen +kan. Het is als besmette lucht, die men nu eenmaal inademen moet, maar +waartegen men dan ook als verweer zijn lichaam sterk moet maken. Daarom: +sterk en zuiver zij de geest van den proletariër, <i>niet moede wordend</i> +zich in de smart zijner broeders in te leven, <i>niet weekelijk</i> de oogen +sluitend voor der gruwelen schrik. En er bestaat geen boek, dat hem zóó +zal leeren: te eten de bittere vrucht "van den boom van groot verdriet +en de pit tusschen zijn sterke tanden te vermalen" als Barbusse's boek. +Wel mocht de Voorzitter van den A.N.D.B., onlangs in het <i>Weekblad</i> van +dien bond, in zijn diepgevoeld, aan werk, auteur en vertaler gewijd, +stukje schrijven, dat <i>Het Vuur</i> door een ieder moest worden gekocht. +Maar mij dunkt, in hoopvolle afwachting van het gehoorzamen aan dit +vermaan, dient er ook iets anders te gebeuren. <span class="pagenum"><a name="p175" id="p175"></a>[p.175]</span> <i>Niet een paar, +maar tientallen exemplaren moeten in de uitleen-bibliotheken der +vakvereenigingen ter beschikking staan. En stróómen moeten de leden +daarheen.</i> Gelezen, geliefd en diep begrepen moet het worden in al hun +gezinnen. Want dit is een leerdicht, voor <i>hen</i> geschreven, aan <i>hen</i> +gegeven, de boet- en vertroostings-profetie van een géén god- maar +ménsch-scheppend profeet! Gelijk hier de leering, op een berghoogte en +in een wereld-historisch moment, in de steenen tafelen der ongevoeligste +harten wordt gegrift, gebeurde het niet sinds Mozes. Hier leert het nog +waan-omvangen volk, om het nooit te vergeten, de voosheid van het +chauvinisme, den leugen der verleidelijke militaire schetterphrasen, de +ijdelheid der geraffineerde glorie-beloften. De roem van den soldaat...! +Daar ìs geen roem voor hem. Gelijk hun lichamen in het massa-graf, zoo +worden hun namen in de vergetelheid tezamen bedolven. De roem is voor de +generaals in de gezellige kamers, na de weldoende slaap, voor de +redevoerende staatslieden aan de weeldebanketten. "De liefde van het +vaderland voor zijn dappere verdedigers." Haha! leest gìj maar de +uitbuiting der poilus in de kantonnementen! "Heel het volk staat +vastbesloten achter hen," fanfaronneeren de kranten. En ongetwijfeld, +een deel ervan stáát <i>achter</i> hen, en vastbesloten bovendien: <i>om hun de +zakken te rollen</i>.</p> + +<div class="blockquot"><p>Alles, wat voor den soldaat gefabriceerd wordt, is grof, leelijk en +van slechte kwaliteit, vanaf hun schoenen van uitgesneden carton, +door een netwerk van slechte draden bijeengestrikt, tot hun slechte +gestreepte, slecht in elkaar gezette, slecht genaaide, slecht +geverfde kleeren....</p></div> + +<p>Wel, voor den duivel, waarom zou het anders zijn? <i>Waarom zou men de +balen, waarin de goedkoopste grondstof voor de oorlogsindustrie: waarin</i> +<b>de soldaat verpakt</b> <i>is, beter maken?</i> Valt dat te rijmen met een +zakelijk beheer? En wat zouden wel de "economische strijders" daarvan +zeggen, zij die beweren (zie blz. 278) "<i>net zoo goed te strijden</i>" als +de poilus?... Hoe zou het "Nationaal Vermogen" kreunen!... O, gij +grootsche visionnair, hoe hebt gij, de ziende midden de al-verblinding, +ook de sociale waarheid aanschouwd!</p> + +<p class="pagenum"><a name="p176" id="p176"></a>[p.176]</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">"De chauvinisten zijn ongedierte."</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">"De oorlog moet gedood, de oorlog!"</span><br /> +</p> + +<p>Hoe waart gij een <i>mensch</i>; zooveel meer dan enkel een Franschman, +een Oostenrijker, een Duitscher.</p> + +<div class="blockquot"><p>.... Vandaag heet het militairisme Duitschland". +"Ja; <i>hoe maar zal het morgen heeten?</i>"</p> + +<p>"Deze oorlog is als de Fransche revolutie die voortgaat." +"Dus we zouden eveneens voor de Pruisen arbeiden?" +"Maar," zegt een der ongelukkigen uit het veld, "<i>dat is te hopen</i>."</p> + +<p>"... Overwinnaars te zijn in dezen oorlog ... is dat geen resultaat?"</p> + +<p>Met hun beiden antwoordden zij hem gelijktijdig: "Neen!"</p> + +<p>Twee legers die strijden zijn als één groot leger dat zelfmoord pleegt.</p></div> + +<p>Mijn hart is te vol van verrukking en van smart, ik zal niet verder +vruchteloos pogen, het te bevrijden. En ook—leeft er een twijfel in +mij, die mij wel niet verschrikt, want ik weet te vast de eindigheid van +alle ellende, maar toch: nu deert hij me. En het lijkt mij goed, dat hij +ook anderen deren zal. Wàs die lichtstreep, die Barbusse tusschen de +wolken zag, wel reeds het licht van de zon, was het niet de glanzende +voor, die hij zelf in het duister had getrokken? En zou, zoù wel de +helle-droom na deze zijn <i>eerste volkomen</i> verwezenlijking verdwijnen en +vrij laten de menschheid, haar hemelsche reis te <i>beginnen</i>? Zou daar +geen Louteringsberg tusschen beide zijn, een Louteringsberg, die geen +ziel zich van hem laat bevrijden zonder de schokkende verschrikking +zijner aardbevingen? "Geen oorlog meer na deze." O, treurige held, die +dat riept op het verdronken veld! Ook al bestond er nog een geringe kans +dat de komende vrede een verzoenmgsvrede zou worden, wat dan? En de +wijde mogelijkheden, in den geest en toekomst der overheerschte rassen; +en de nog vage dreiging van het <span class="pagenum"><a name="p177" id="p177"></a>[p.177]</span> verre Oosten, in de onedele +omkanteling zijner oude en edele cultuur naar het wanbegrip van het +Westen?... "Geen oorlog meer"? <i>Zoo de huidige Mensch reeds wist, wat</i> +<b>in</b> <i>hem leeft, dan wist hij ook dit; nù niet</i>....</p> + +<p>— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —</p> + +<p>De heer de Rosa vergeve mij, dat ik hem in dit opstel nauwelijks heb +geëerd of dank gebracht voor wat hij ons schonk. Maar gesteld, dat men +mij naar de Niagara had geleid, en ik, verrukt en ontzet door den +aanblik van dien waterval, door zijn glinster-bliksems en zijn +donderslagen, verzonken in het visioen en mijn ontroering, niet had +gedacht aan mijn gids, zou deze, zoo hij wijs is, dan niet in +zich-zelven zeggen: "In zijn bewondering en geslagenheid lag zijn dank"? +Hoe veel te eer dan zal de heer de Rosa dit begrijpen. Hij die niet +slechts onze gids naar dit Groote, maar een <i>geïnspireerd herschepper</i> +daarvan bleek.</p> + +<p>27 Oct. '18.</p> + + +<p class="caption">Noten:</p> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_32" id="Footnote_1_32"></a><a href="#FNanchor_1_32"><span class="label">[1]</span></a> <i>Het Vuur</i>, door Henri Barbusse, vert. door Andries de +Rosa.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_33" id="Footnote_2_33"></a><a href="#FNanchor_2_33"><span class="label">[2]</span></a> Men zie voor de motiveering dezer stelling mijn <i>Over +Literatuur, Eerste Bundel</i> blz. 153—154.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_34" id="Footnote_3_34"></a><a href="#FNanchor_3_34"><span class="label">[3]</span></a> <i>Alle</i> cursiveeringen zijn van mij.</p></div> + + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<p class="pagenum"><a name="p178" id="p178"></a>[p.178]</p> +<h3>SLAGVELD-MISÈRE</h3> +<p><a name="FNanchor_1_35" id="FNanchor_1_35"></a><a href="#Footnote_1_35" class="fnanchor">[1]</a></p> + + +<p>Vriendelijke lezers van dit blad, voor wier welbevinden ook ik mij toch +een weinig verantwoordelijk voel, vergunt mij u een goeden en zeer +actueelen raad te geven: begeeft u in de nabijheid der slagvelden niet. +Verdun, Vimy, De Nieuwe Amsterdammer, de Yzer, al die wereldvermaarde +namen, zij zijn die van streken, welke, zoo uw leven u lief is, ge +onvoorwaardelijk te mijden hebt. Waar de troepen van Foch en Scharten, +Hindenburg en Wiessing hun heldenstrijd hebben gestreden, daar groeit in +tachtig jaar op den verdorven grond geen blaadje meer dan giftig onkruid +alleen; daar liggen verholen in bodemgaten onontplofte bommen als +slapende duivels. Eén schop er tegen ... en vuuroogen vlammen open, een +donderstem mokert de lucht, en—ge zijt niet meer. Wél is 't een +godvergeten schande, dat ze dáár kinderen laten graven; in al den +onschuld van hun hart wroeten die het helsche tuig op, spelen oorlogje, +en.... Ik spreek helaas en helaas uit ervaring. Zie mij aan!... Ge hebt +me eens gekend, niet waar, als den onberispelijken dandy, bij wien zelfs +Couperus, uitgedoscht voor een voordrachtavond, niet hàlen kon.... En +nù!... mijn kleeren verscheurd en met een hoop slijkmodder overdekt, als +ware ik door tien faecaliën-wagens bespoten.... En dàt is nog het ergste +niet. Jassen zijn er nog bij de vleet, al zijn ze tegenwoordig duur; +dáár zijn trouwens m'n bentgenooten goed voor, die verlaten me nóóit; +maar dat de arme jongen, dien ik het eene oogenblik nog glunder en +goedig lachend de gasbom naar mij zag mikken, mij in 't volgend <span class="pagenum"><a name="p179" id="p179"></a>[p.179]</span> +oogenblik al niet meer herkende, en tot heden toe verwezen vóór zich +staart en zinlooze stamelwoorden mummelt, dat is zóó vreeselijk ... dat +ik ... dat ik....</p> + +<p>Victor E. van Vriesland, die naam, welke van nu af aan helaas in de +psychiatrische annalen een van de zeldzaamste gevallen van +plotseling-optredende verstandsverbijstering ten gevolge van +granaatschok zal aanduiden, hoe lief was-ie mij, als die van een +aardigen knaap, dien ik goed heb gekend. Als de dag van vandaag herinner +ik 't me, hoe-ie mij, toen-ie 't over "De cultureele noodtoestand van +het Joodsche Volk" had, op de bovenste plank der Joodsch-Hollandsche +realistische auteurs zette; als de dag van vandaag: hoe-ie geen literair +traantje of zuchtje kon laten of hij stuurde ze mij in een +overdrukpapiertje naar huis. En nu ... nù zegt de arme kerel waarachtig, +dat ik—<i>ik</i> vertaal <i>nauwkeurig</i> uit <i>zijn</i> argot—zooveel als ... een +schoelje ben....—Vorder niet van mij lezer, dat ik, een tragische +heldenpose aannemend, mijn rapier trek.... Ah bah, dat zoudt ook gij +immers in dit geval niet doen....—Daar was in heel die zestien jaren, +dat ik critieken schrijf, niet één mijner tegenstanders, ook de felste +niet—en een recensent heeft er zoo eenige!—die mijn eerlijkheid +betwijfelde, ja er was zelfs niet een, die haar niet uitdrukkelijk +erkende. En dàn zou ik boos zijn, omdat deze malle jongen...? Wáárlijk, +zoo ge thans een glimlach in mijn woord ziet, weet: er is een nog betere +lach in mijn denken....—Het is wèl, het is volmaakt in orde, dat deze +jonge man dat 't eerste zei. Aan elke lente, ook de droevigste, haar +primeurs; daarvoor is zij immers de lente. En indien bij de +krankzinnig-geworden Ophelia's de obscene liedjes behooren, waarom dan +bij de mal geworden Victor's de zinnelooze scheldwoorden niet?...—En +dit is dan ook de pùre en rùstige waarheid: dat er twee elementen zijn +in dezen aanval op mijn naam van eerlijk man, die mij ten volle +ontwapenen, en van mij, als polemist toch waarlijk geen makkelijk heer, +een làm hebben gemaakt; het eene is: het <i>onbetaalbare, heerlijk-dwaze +element van jongensachtigheid</i>, en het andere: het <span class="pagenum"><a name="p180" id="p180"></a>[p.180]</span> +<i>pathologische</i>. Nauwelijk hebt ge, uw lach verbijtend, om een +politieagent voor den al te brutalen kwajongen geroepen, of het woord +besterft u op de lippen en ge roept ontsteld om een arts. Wàcht: ik zal +u beide elementen doen zìen en tàsten.—</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Het <i>jongensachtige</i>. Dat uit zich in een alleraardigst, ongegeneerd +omspringen met groote namen en zich manhaftig bezighouden met personen +en verhoudingen, die vèr boven eens jongens apperceptie uitgaan. Het is +zoo iets als de straatbengels, die holden door het revolutie-Berlijn en +gilden: "Der Kaiser soll abtreten". Het loopt zoo ongeveer parallel met +iets als een A. en S.-raad op een gymnasium. Verreweg het aardigste +heeft-ie daarin gepresteerd, toen-ie <i>Heijermans</i> plaatste in de kliek +van <i>Stad en Land</i>, welks leden "elkander de hand boven 't hoofd +houden". Uit het artikel van mijn vriend Querido—ik zeg hem hartelijk +dank voor de spontane verdediging van mijn eerlijken naam—zag ik wel +hoe ook hij daarvan heeft genoten, maar neen, zooals ik...! Dàt kon ook +niet, want hij zag 't uit een meer algemeenen, en ik uit een gansch +persoonlijken gezichtshoek. Ik heb met Heijermans geen tien woorden in +m'n leven gewisseld: èven 'ns in den foyer van zijn schouwburg, en èven +op de constitueerende vergadering der <i>Vereeniging van Letterkundigen</i>, +in 1905. Máár.... Victor E. van Vriesland! Dichter! Prozaïst! Criticus! +Moet gìj dan werkelijk met een <i>kunstenaar</i> bittertjes—ah pardon: +Fransche absinth—hebben gedronken, en sigaren—neen, neen, sigaretten +van de Régie—hebben gerookt, om hem te kénnen? Is dat glanzend en +veelbewogen gelaat zijner <i>werken</i>, waarin eens kunstenaars ziel +stráált, u niet voldoende? Is 't u niet méér dan zijn gezicht van +vléésch, dat snel-vergankelijke masker? Dat ge zóó bot waart, om zóó +onbedoeld en dol een klucht neer te schrijven. Scháám u ... maar neen, +ach neen hoor, gij hoeft u niet meer te schamen, ge zijt immers daarna, +helaas, een "pathologisch geval" geworden....—Zoodra ik dat gelezen +<span class="pagenum"><a name="p181" id="p181"></a>[p.181]</span> had, sloeg ik, ofschoon ik alleen was, in een gewoontegebaar van +'n proestlach in te houden, de hand voor den mond. En mijn blij +opgewekte verbeelding <i>zag</i> Heijermans zitten, in zijn werkkamer; de +<i>Mosgroene</i> ligt vóór 'm en het "nicotine-smeuïg" sigarenpijpje is uit +z'n hand op het blad gerold. En terwijl-ie hulpeloos voor zich +uitstaart, denkt-ie: "Hei je nou toch ooit van je leven ... ìk heb het +tooneel van mijn land gemaakt, ìk ben 't die een bijna zevenvoudige +Decamerone uit mijn mouw heb geschud ... en daar komt me die aap van 'n +jonge en vertelt, dat ik 'n kliekgenoot ben van die van Campen, van die +lettré met z'n veertien schetsen en novellen en z'n bundels critieken; +die over boeken kletst in plaats van 't over 't leven te hebben en zich +warm maakt over "aesthetische kwesties," in plaats van menschen te +scheppen, en scheppend te beuken op z'n rotte maatschappij.... En <i>die</i> +houdt <i>mij</i> de hànd boven 't hóófd!"... Toen opende een glimlach zijn +gezicht en ik zag duidelijk en helder, dat hij goedig lachte, als een, +die voor een open venster zit en ziet een jong, stralend +straatjongensgezicht, dat hem een hoonwoord toekeilt en dan weer weg is, +in z'n onbezonnen en mooie jeugd. Maar ik lachte nog eens, en nu +stiller, omdat ik: in zóó vredige erkenning om dit alles lachen kòn....</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Het flapuiterig-jongensachtige komt ook treffend uit—al bereikt het +daar, insteê van een hoogte van kluchtigheid, een laagte van gemeenheid +—in zijn beschuldiging, dat ik "<i>in hetzelfde artikel</i>" (cursiveering +van v. V.) waarin ik Scharten verweet, dat hij "de Telegraaf" "in 't +gevlei kwam", Querido "kritiekloos had opgehemeld", Querido, "die +redacteur van <i>Stad en Land</i> is". Welnu, de lezer oordeele: na mij zoo +ongeveer een ongeluk te hebben gezocht, heb ik in genoemd artikel dit +zinnetje gevonden (iets anders over Q. stáát er eenvoudig niet, dàt moet +'t dus zijn): "Ge (de Zionisten) verdedigdet slechts twee menschen—van +wel <i>zeer</i> ongelijke beteekenis, maar beiden slechts menschen." Waarmede +ik dus onder meer zeggen wilde, dat ik Querido boven mij zelf plaatste. +Er prijs op stellend—wie zou zich na zoo'n afstraffing <span class="pagenum"><a name="p182" id="p182"></a>[p.182]</span> niet +beteren!—zoo "eerlijk als een scheerspiegel" te zijn, zeg ik, ofschoon +nu mijzelf "ophemelend", even onverstoorbaar en koel als waarmee ik al +'t andere zeg, nu dìt: als <i>criticus</i> en <i>stylist</i> beschouw ik mij +geenszins als de mindere van Is. Querido, máár: hoeveel keer zou ik wel +aan "granaatschok" moeten hebben geleden, om zóó stapeldol te worden, +dat ik niet zou inzien, als <i>menschenschepper</i> en <i>episch verbeelder</i> +zoo oneindig ver beneden hem te staan, dat zelfs dit te verklàren reeds +belachelijk ware, omdat eenvoudig èlke vergelijking onmogelijk blijkt? +En wanneer ik dan <i>deze</i> "ophemeling" op zoo weinig ophemelende wijze +"debiteer", als ik in 't boven geciteerde zinnetje heb gedaan, dan komt +dit ongegeneerde bengeltje en vergelijkt mij met Scharten, die bij zijn +allereerste optreden in <i>De Telegraaf</i> dat blad "het <i>geweten</i> van +Holland" noemde—èn ziet dus (o wonder!) trots zijn eigen <i>kleinheid</i> +dit <i>groote</i> feit òver 't hoofd, dat: Scharten pas tot de ontdekking van +der Telegraaf voortreffelijkheid kwam, op <i>den eigen oogenblik, dat hij +medewerker werd aan dat blad</i>, en ik daarentegen tot de ontdekking van +Querido's hooge waarde als scheppend kunstenaar was gekomen èn die had +kenbaar gemaakt, <i>lange, lange jaren</i> vóór zelfs van het <i>bestaan</i> van +<i>Stad en Land</i> sprake was. Komaan, vrienden, een stukje +literatuurgeschiedenis en 'n paar data voor de variatie. Querido heeft +over mij zijn eerste critiek in 1908 geschreven—men kan haar herdrukt +vinden in zijn tweeden bundel <i>Letterkundig Leven</i>—. Daarna nog twee, +niet gebundelde, over mijn latere boeken. Alle drie verschenen in het +<i>Handelsblad</i>. En alle drie behooren tot het innigst-liefdevolle, het +zoetst-lyrische, en het waarachtigst-bewonderende dat hij ooit +geschreven heeft, terwijl vooral de eerste—over mijn eersten +critischen bundel—altijd voor mij één schittering van <i>synthetische +mensch-doorgronding</i> en <i>-herschepping,</i> èn scherp-ontledend—bijv. +invloedend-aanwijzend—<i>critisch oordeel</i> is gebleven. Onnoodig te +zeggen, dat hij in geen enkel opzicht van mij afhankelijk was!! Onnoodig +reeds, omdat voor ieder, die innerlijk zien en hooren kan, deze stukken +stràlen en luiden van echtheid. Dit wat hèm betreft; nu wat mìj aangaat. +Mijn eerste studie over hem <span class="pagenum"><a name="p183" id="p183"></a>[p.183]</span> verscheen in 1911 in <i>De Ploeg</i>. Zij +werd mij in de pen gegeven, zoowel door een heftige verontwaardiging, +over de wijze waarop deze man in <i>De Telegraaf</i> was verguisd, als door +een diepe bewondering voor zijn gaven als criticus, in welke +hoedanigheid hij immers juist was aangevallen. Er leek toen toch +waarlijk weinig voordeel aan, om zijn verdediging op te nemen! Wie +stortte toen niet zijn gallige "geestigheid" over hem uit.—Daarna +schreef ik over hem in <i>De Gids</i>, over een critischen bundel; in <i>De +Boekzaal</i> over "De Jordaan".—<i>Tijd en plaats hebben nimmer mijn +critisch oordeel beïnvloed</i>. Ook mijn bewòndering heb ik <i>niet</i> +getemperd, omdat ik in dìt blad schreef, zoo min als mijn afkeuring, in +een ander; en ook het omgekeerde heb ik niet gedaan. Het <i>boek</i> en het +boek <i>alleen</i>, ònafhankelijk van de plaats mijner critiek, bepaalde +mijne afkeuring en bewondering, èn hunne <i>mate</i>. En het zou mij al zéér +makkelijk vallen dit te bewijzen, zoowel met mijn Querido-besprekingen +in "Stad en Land" als met die daarbuiten.—Genoeg. Het is duidelijk na +dit alles, niet waar, dat ik in. 19<i>11</i> Is. Querido "ophemelde", omdat +ik in 19<b><i>17</i></b> medewerker werd van <i>Stad en Land</i>. En het is even +duidelijk, dat dit hetzelfde is als toen Scharten in <i>Maart</i> 19<i>16</i> "De +Telegraaf" "het <i>geweten</i> van Holland" noemde, terwijl hij in ... +<i>Maart</i> 19<i>16</i> medewerker werd van dat blad! Schààm U, meneer van +Vriesland, om dèze clowneske zotheid vooral, als ge het schamen nog niet +hebt verleerd. Gij moogt dan nog wel den geest van een knaap bezitten: +als ge den leeftijd hebt van een jongen man, stelt men U in het +maatschappelijk leven verantwoordelijk als een man....—Maar mijn God +... hòe kon ik dàt zeggen ... ik ellendeling! Hij ìs immers niet meer +verantwoordelijk nà dat ongeluk met die bom.... Al wat ik daar schreef, +is immers maar een verhandeling over het jongensachtige, dat <i>wàs</i>....</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Het jongensachtige dat wàs, en nog zoo echt wild en onbesuisd aan den +dag trad: ook in de bestrijding van den lof, dien ik den vertaler van +<i>Le Feu</i> toekende. In dat +de-klok-hooren-luiden-en-niet-weten-waar-de-klepel-hangt. In dat +dooreenhaspelen van verschillend-soortige <span class="pagenum"><a name="p184" id="p184"></a>[p.184]</span> waarden en het +verwarren van ten eenenmale verschillende plans van beschouwing met +elkaar. Een boek kan linguistisch-accuraat vertaald zijn en de vertaling +kan, aesthetisch-critisch gesproken, een prul zijn. En omgekeerd: een +boek kan linguistisch <i>niet</i> zéér nauwkeurig zijn overgezet, en de +vertaling kan een meesterstuk wezen. Mij, <i>kunst</i>-critisch beoordeelaar, +raakt de linguistische juistheid der overzetting precies in die mate, +niet minder maar ook niet meer, als zij de <i>kunst</i>-waarde beïnvloed +heeft. Heeft zij die kunstwaarde benadeeld, dan laak ik haar; is dat +niet het geval, dan laat zij mij volmaakt onverschillig. Ik <i>ontken ten +nadrukkelijkste</i>, dat de door van Vriesland aangewezen onnauwkeurigheden +de <i>kunst</i>waarde van de Rosa's vertaling hebben geschaad. En <i>ik blijf +als mijn meening handhaven</i>, dat hij zijn kunstenaarsaanleg en +meesterschap-als-vertaler prachtig heeft getoond door: zijn +voortreffelijke transpositie uit het Fransch, van <i>stemmingen</i> en het +<i>dialogistisch leven</i>; door: het geven ook, telkens en telkens weer, van +aequivalenten in onze taal, juist voor die scherp-beeldende woorden—ik +heb een enkel voorbeeld in mijn critiek gegeven—in het vinden waarvan +Barbusse zoo heeft uitgemunt. Dat ik overigens met mijne bepaling van de +<i>betrekkelijke</i> waarde der linguistische accuratesse niet alleen sta, +wordt wel door niets beter dan door de houding van de Meester jegens +deze overzetting, bewezen. <i>Hij</i> zegt: "Wij voor ons hebben den vertaler +bewonderd". <i>Hij</i> noemt de Roza "een uitmuntend kenner ook van het +spreek-Fransch". En terwijl toch volkomen uitgesloten is, dat hìj, +ongetwijfeld een van de beste Franschkenners in ons land, die +onnauwkeurigheden niet zou hebben bemerkt. Maar ook hij, +<i>kunst</i>beoordeelaar evenals ik, zal die foutjes volmaakt onbelangrijk +voor de bepaling van de kunstwaarde der vertaling hebben geacht, en die +derhalve, alweer als ik—<i>zooals van zelf spreekt: hun bestaan daarmee +volstrekt niet ontkennend</i>—aan de als linguisten poseerende +vlooienzoekers ter apige vondst en oppeuzeling hebben overgelaten.—En +nu ... zou ik mij nu, na zooveel zelfbedwang te hebben getoond, nog boos +maken, omdat onze overigens zoo lòslippige kwant ook 'ns voor de +verandering de lippen <span class="pagenum"><a name="p185" id="p185"></a>[p.185]</span> stìjf op elkaar hield geklemd toen-ie ze +had behooren te openen om te vertellen, dat ik niet slechts op de +voordeelen maar tevens op de nadeelen van "het gebruik van 't +vocabulaire der Burks" heb gewezen? Ja ... gij lezers houdt wel van zoo +iets, maar gij hebt makkelijk praten ... gòtbewareme.... En als 'k 'm +nou in m'n drift 'ns 'n ongelukkige slag gaf? Wat dan?... Dan zou ik +immers m'n heele leven 't gevoel houden, dat Herodes na den kindermoord +van Bethlehem moet hebben gehad....</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>En nu het pathologische? vraagt ge. Jawel, dat komt. Maar ik had nu toch +wel veel liever een medisch hoogleeraar in plaats van een schrijver +willen wezen. Dan had ik den ongelukkige, vóor ik mijn college aanving, +met een verpleger de zaal uitgestuurd. Want àls-ie nou 'ns begrijpt wat +ik zeg, dan moet dat toch averechts op zijn—hoewel trouwens +onwaarschijnlijke—genezing inwerken. Maar in Godes naam, vooruit maar, +het belang der gemeenschap gaat nu eenmaal boven dat van het individu. +Daar zijn wij 't, bij uitzondering, in dèzen tijd toch wel allemaal over +eens, niet waar....—Onze patiënt dan heeft het volgende zinnetje +neergeschreven: "Ik bedoel van Campen (die, o jammer, in dit beschaafd +gezelschapsspelletje zijn kunstproza opgaf om kritieken te leveren".) +Nou ... wie doet je wat!... Het "beschaafd gezelschapsspelletje" waarvan +hier sprake is, dat is <i>Stad en Land</i>, en <i>daarin</i>—zoo meent onze +patiënt—heb ik dus mijn kunstproza opgegeven, om kritieken te leveren! +Welnu, luister: ik schrijf niet pas kritieken, sinds ik medewerker werd +aan <i>Stad en Land,</i> ik schrijf er <i>sinds</i> 1903! En ik heb het schrijven +van mijn "kunstproza" niet opgegeven in 1917 maar in 1908...! En ziehier +nu, kort en bondig, de bladen en tijdschriften, waarin ik gedurende al +die jaren critische opstellen en essais heb gepubliceerd: <i>De Kroniek</i> +(van Tak), <i>De Amsterdammer, Het Volk, De Boekzaal, De Ploeg, De Gids</i> +en <i>De Nieuwe Gids</i>. Dat zijn, niet waar, nu niet bepaald obscure +blaadjes? En ofschoon heel het literair ontwikkeld publiek dus <i>moet</i> +weten, dat ik sedert jaren aan critiek-schrijven doe, deze dichter, +prozaist en <span class="pagenum"><a name="p186" id="p186"></a>[p.186]</span> collega in de critiek weet het dus <i>niet</i>. Let wel: +hij <i>weet</i> 't niet. Maar ach, maar ach, hij <i>wist</i> 't natuurlijk wel. +Alleen: de granaatschok heeft klaarblijkelijk zijn geheugen vrijwel +volkomen vernietigd. Gij zult het mij wel willen toestemmen: deze +omstandigheid maakt hem reeds tot een interessant psychiatrisch geval, +maar als een psychiatrisch <i>unicum</i> schat gij hem pas zoodra ge 't +volgende verneemt. Onze patiënt had tot vriend en leeraar een reeds +ietwat bedaagd en hoogst eerbiedwaardig geleerde en kunstenaar. Nu +geviel het eene keer, dat deze man een boek schreef en ik dat vrij +uitvoerig recenseerde. En toen nu mijne kritieken weer eens werden +gebundeld, nam ik ook die erin op. Onze patiënt—die, gelijk ik U reeds +zei, in zijn helderen tijd een aardige jongen was—bracht, naar ik later +vernam, mijn bundel naar zijn geliefden leeraar en vriend, en deze, die +mijn critiek op zijn werk nooit gelezen had, was daar toen buitengemeen +mede verheugd, en hoogstaand man als hij is, aanvaardde hij naast mijn +lof ook mijn in de critiek vervatte, niet geringe blaam en noemde mij +den <i>besten</i> criticus des tijds én: een man <i>van hooge eerlijkheid</i>. En +dat nu dìt gebeuren, waarin hij zelf een rol speelde, en dat op zijn +jeugdig gemoed toch een diepen indruk moet hebben gemaakt, thans zóó +spóórloos uit het brein van dezen beklagenswaardigen lijder blijkt +vervluchtigd, zoodat hij 1° niet meer wist, hoe ik reeds lang geleden +critieken heb geschreven, en 2° trots de hem bekende meening zijns +geliefden leeraars, mijn <i>eerlijkheid</i> heeft aangerand, dàt, nietwaar, +stempelt zijn geval tot een, waarvan men hoogstens de weerga in dat van +die geleerde Russische dame kan vinden, die op een morgen ontwakend, tot +zelfs haar moedertaal vergeten was, en die men voortaan als ware ze een +kind, in <i>alles</i> behulpzaam moest zijn. Helaas, ook in dit laatste ziet +gij maar al te wel de treffende overeenkomst der symptomen. Heb ik ook +dezen jongen man reeds thans niet meer dan eens op het kinderstoeltje +gezet?...—</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Maar "pathologisch" of "jongensachtig", dat zijn maar de +onderscheidingen der analyse. Stijgt nu langs het pad van mijn +geestelijk <span class="pagenum"><a name="p187" id="p187"></a>[p.187]</span> gehoor en gezicht tot de hoogte der stralende +synthese op. Onderken in zijn wezen de <i>ééne</i> zielshouding, in zijn +uiting de <i>ééne</i> zielskreet.... Toen hij geknield lag voor den +Mosgroenen Troon.... Beluister wat hij toen zeide: "O, opperst en +onvolprezen Heer der Nieuwe Groene, ik heb mij ganschelijk U gegeven. Ik +heb mij vernederd tot er niets meer aan mij te vernederen was. Ik heb +mij ijlings tot Uw dienst gespoed, en eens de gelegenheid mij door Uwe +genade gegeven, Uw heiligen dienaar Scharten de voeten gezalfd, maar van +Campen, den booze, vernietigd. Neem dit in welbehagen aan. Het is waar: +ik heb het verbod van het afleggen van valsch getuigenis overtreden, +toen ik het voorstelde, alsof deze verworpene zijn arbeid uit kliekgeest +had verricht, want van de honderden regels, waaruit dat opstel bestaat, +spreken slechts een tiental over den vertaler, maar nochtans bedenk wel, +o Heer der Groene Scharen, de nietigheid van dit verbod: is het niet +slechts uitgegaan van den God der "Joodsche querulanten"?... Ja, ik heb +mij zoo gebogen in 't stof en gedompeld in 't slijk, dat ik, mijn zij 't +kort verledentje als een verrotte en leege huls achter mij werpend, in +een <i>hetzerig</i> zinnetje het heb doen voorkomen, alsof deze "kliek" +slechts uit een natúúrlijk "het Uilenburgsch idioom" sprekend kringetje +Ghettojoden bestond. Mocht Gij dan ook Uwe ooren niet sluiten, mijn God, +voor mijn Haarlemmerdijksch-antisemietische grap en vergeet haar +verdienste niet: Jo<i>zep</i> Loopuit heb ik hem genoemd... bah! zoo'n +<i>Jiddische</i> naam ... Jo<i>zep</i>, "Uilenburgsch"-dik, heb ik 'm nagesmoust +uit m'n kelder ... Heer, ik heb mij zelf gebròken in Uw dienst; nu kan +ik niet meer, laat het genoeg zijn. Mag Uw knecht thans ingaan tot uw +vrede?"...</p> + +<p>En zìe, zìe nù ook, hoe zich het troostend wonder voltrok. De +duister-dreigende, ondoorvorschbare nacht-gewelven boven den troon—herziet +ge 't wel?—werden van uchtendlicht doorschoten. Als een +bloemige dageraad verscheen de borst des gods, en gelijk het aanschijn +eens halsketens, gelijk het aanschijn van <i>Charivari</i> daaraan hangende, +beukelaar helm en zwaard en inktkoker en vergrootglas, straalde het in +vurige gedaanten, en de verschijning des <i>Charivari's,</i> dreigend <span class="pagenum"><a name="p188" id="p188"></a>[p.188]</span> +gebliksemd hebbende, verwisselde hare gestaltenis, veranderend +genaderijk in gouden engelenkopjes, liefde-hartjes en strikjes. Tóen +sprak een Stem van boven de stralingen: "Nademaal, Mijn Zoon, gij U om +mijnentwil zoozeer bevuild hebt, wasch Ik U af. Nademaal gij U-zelf hebt +verworpen, richt Ik U op. Gìj hebt veel geleden, Mìjn vertroosting zal +rijkelijk zijn. Zie, Ik geef U naam en macht in Mijn Huis. Elke twéé +maanden zult gij op het Perkament der Zaligen één héél stukkie mogen +schrijven van ¾ kolom, en het zal velen tot gerief en uitkomst in hun +meest benauwde oogenblikken verstrekken, en de zegeningen van Psalm 150, +dewelke ook genaamd wordt Koef-Noen, zullen uw loon zijn. Maar weet, +Mijn zoon, en verkondig het alomme, het einde der dagen van <i>De Nieuwe +Groene</i> is nabij, ja het is haastiglijk te komen. En het zal te dien +tijde geschieden als Mijne vijanden den mond wijd zullen opensperren en +uitbreken in gejuich, dat Ik een nieuwe <i>Tent-van-Wiessing</i> maken zal, +hoedanig geen Kleerekoper ooit heeft aanschouwd noch een Hahn geteekend. +En Ik zal de Salon-Bolsjewieken roepen, mitsgaders de +"Bleeke-Broeder-Fransje's" en zij zullen Stad en Land omkeeren te vuur +en te zwaard en ook van de paleizen der van Hamels en van Eedens geen +steen op den anderen laten. En Ik zal roepen tot den lande Blaricum, +Mijn Woon, en het graf zal de Heilige Aestheten teruggeven, die daar +hebben geleefd en gewerkt; zij die de nimmer gekamde haren tot over den +van extase-vuur gebruinden nek hebben gedragen; en zij die met bloote +beenen liepen vanwege de dreiging des gaten-vallens in de kousen, bij +den zevenvuldigen knieval voor Mijner Muzen troon, en om de moeiten des +stoppens; en zij die van wege hun bezworen onthouding in vijf en twintig +jaar geen druppel water op hun lijf hebben gehad. En ik zal ook tot mij +vergaderen de verfijnden, hen die met welriekende geuren zijn overdauwd, +die in de Lichtstad hebben gewoond, en daar tot de Zuivere Inzichten +zijnde gekomen, voor eeuwig de Onvergankelijke Waarheid hebben +bevestigd, dat niet, gelijk de Vijand de Rosa lasterde, een <i>cocotte</i> +een <i>ketel</i> is, maar dat <i>cocottes</i> (lieve) <i>kippetjes</i> zijn. En zie, ik +zal de Salon-Bolsjewieken doen neerzitten bij de +"Bleeke-Broeder-Fransje's", maar de Ongewasschen Stinkers zal ik +scheiden van de Geurenden, opdat niet hunne neuzen hun een verderf der +zaligheid zullen zijn. Edoch, gezamenlijk zullen zij juichen voor Mijn +Aangezicht. En gij, mijn Knecht, gij nu-droevig-in-uw-hemd-staande, hul +U thans in de lichtglanzen van dit Mijn heerlijk woord: <i>In deze +Nieuwe-Tent-van-Wiessing zult gij een der ópperste onsterfelijken en +zaligen zijn</i>...."—</p> + +<p>— — — — — — — — — — — — — — — — — + — — — — — — — — — — — — — — — — — — +— — — — — </p> + + +<p>Mijne vrienden, het doet mij leed, U zoo te hebben moeten teleurstellen, +gij hadt natuurlijk op zoo'n ouwerwetsch "scherp" polemiekje van mij +gehoopt. Het spijt mij, ik kón niet hard zijn tegen mijn gevoel in. Bant +mij deswege niet uit deez' knusse kliek. Een andermaal beter, ik belóóf +'t: als 't gaat tegen een geestelijk-volwassene, èn die bij zijn volle +verstand is.</p> + +<p>30 Nov.—1 Dec. '18.</p> + + +<p class="caption">Noot:</p> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_35" id="Footnote_1_35"></a><a href="#FNanchor_1_35"><span class="label">[1]</span></a>Polemiek naar aanleiding van een in <i>De Nieuwe +Amsterdammer</i> gepubliceerden aanval op de critische eerlijkheid van mijn +opstel: <i>Het Helden- en Leerdicht van den Wereldoorlog</i>.—</p></div> + + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<p class="pagenum"><a name="p190" id="p190"></a>[p.190]</p> +<h3>CARRY VAN BRUGGEN: OM DE KINDEREN</h3> + + +<p>Jodin in de diepste gronden van haar wezen—'t geen allerminst zeggen +wil: in haar bewustzijn—; een kind van het ras, dat, zeker in zijn +eigen taal en bloeitijdperk, geen bladzijde literaire kunst heeft +geschapen, welke niet leeraarde of vermaande, niet aanviel of +verdedigde; een ras van lyrici bovenal—is Mevr. van Bruggen een van de +<i>meest-begaafde</i> en <i>zielvolste</i> schrijfsters van ons land gebleken, èn +kon zij er nochtans niet in slagen, een roman te maken, welke met het +beste werk harer kunstzusters op één lijn kan worden gesteld. Een geest +tè rijk, een hart tè groot, omdat zijn zelfbeheersching te gering is. +Een ziel te hartstochtelijk, om zich onder discipline te bukken, en die +daarom ook zienderoogen verarmde, afkoelend-inkromp, zich niet meer +geven kon in àl haar schoonheid, toen eens gelouterder kunstbegrip en +vaster wil, zich in haar openbarend, haar die discipline opdrongen. Een +menigte van begaafdheden is 't in haar; begaafdheden die, in 't +elkaar-verdringen voor de poorten van het woord, elkander verminken. Het +rusteloos <i>betoogen</i> der <i>essayiste</i> gunt vaak der <i>romancière</i> de +bezinningsstilte voor het <i>beelden</i> niet. De haat en de liefde van de +opstandige rooft telkens de epische auteur de rust, die boven opstand èn +berusting beide is. Dàn gaat de geesteshouding van den epicus in die van +de opstandige, van den apostel teloor. De eerste <i>leeft mede</i> met <i>zijn</i> +schepselen, de laatsten <i>worden</i> geleefd mèt hunne <i>mede</i>-creaturen. +Dàn, in zùlk strijdrumoer, door zùlke vlagen van den strijdbaren, +dóórdrijvenden wil, worden de deuren der diepste onbewustheid als door +een storm dichtgeslagen: het schoonste woord <span class="pagenum"><a name="p191" id="p191"></a>[p.191]</span> blijft ongezegd, de +schoonste verschijning in 't ongekende donker gevangen. Dit haar boek is +zeer wel in twee gedeelten te splitsen. Het eene: waarin <i>het +persoonlijk-rhythme van den vrede en harmonie heerscht:</i> het is dat deel +waar de figuren verblijven, die de schrijfster liefheeft; of waarin de +natuur wordt gebeeld, ja zelfs waarin al datgene leeft, waarvoor zij +noch persoonlijke liefde noch afkeer heeft. <i>Dat deel is schoon en zoet</i> +En om even het wellicht allerbeste daaruit te noemen: Emilie's +droom—dat bezit een voortreffelijkheid, waarvoor ik de diepste +bewondering heb. Maar dan is daar helaas ook dat andere deel: het bagno +der gehaten, waarin <i>het persoonlijk-rhythme van den innerlijken onvrede +en der disharmonie overheerscht</i>—daar wordt het werk een ruzie-, een +kijf- en een roddel-boek. Het is het noodlot—maar het zeer wel +ontkoombare—van de joodsche profeten- of apostelen-natuur, die een +<i>roman</i> schrijft. Want: het is het noodlot van hem, die van het +onpersoonlijke <i>toornen</i> tegen ideeën, zeden, en volkeren tot het +<i>boos-zijn</i> op <i>individuen</i> vervalt. En de romanschrijver lokt den +profeet en apostel voortdurend in dien strik, want het is de levenstaak +van den romanschrijver zich met het scheppen van <i>individuen</i> en der +zich vervlechtende kleine, <i>individueele</i> lotgevallen bezig te houden. +Maar dat, in 't algemeen gesproken, aan dit noodlot, aan dien strik, te +ontkomen valt, is buiten kijf. Te vaak is dit ook door werk in onze taal +bewezen, dan dat hieraan zelfs een schijn van twijfel zou kunnen +bestaan. En zoo nu Mevr. van Bruggen er nièt aan ontkomt, dan mag dat +wel allerminst een reden zijn om het vèle en zèer schoone in haar arbeid +te miskennen, maar het mag ons zeker wèl aanleiding geven een opmerking +te maken, die er zich nochtans, in het bewustzijn dat prikkels een +sterke áántrekkingskracht voor verzenen hebben, wel voor wenscht te +hoeden een raad te zijn. Het is deze: het geven van veel <i>meditatie</i> der +figuren—en welke eindelóóze meditaties geeft deze schrijfster!—en van +psychologische ontleding, versterkt natuurlijk de <i>analytische</i> +vermogens, en dat zijn in hun diepste wezen de middelen van strijd en de +krachten van ontbinding; het plasticeerend-beelden der figuren +daarentegen versterkt de <i>synthetiseerende</i> <span class="pagenum"><a name="p192" id="p192"></a>[p.192]</span> vermogens, en dat +zijn de krachten van het vredige, het harmonische en het +in-stand-houdende. Het zou derhalve voor de hand liggen, dat een +schrijfster als mevr. v. B., wier werk lijdt onder een tekort van de +laatste en een te veel van de eerste, en die bovendien <i>zulk een +prachtigen aanleg voor het plasticeerend beelden</i> heeft, zou pogen aan +dièn aanleg héél haar psychisch wezen tot vrediger sfeer en +zuiver-stille aandacht omhoog te heffen.... Nochtans, hoever is zij +daarvan in dit werk verwijderd! Onder den drang van haar hekellust, +wordt zij soms op het moment-zelf dat zij dien aanleg gehoorzaamt, hem +reeds ontrouw. Dezelfde kunstenares, die buitengemeen-fraaie +natuurbeschrijvingen geeft; die de liefdevolle beelding van een Ard +Hettema vormde, schrijft in hetzelfde boek dit +stuiversblad-novellezinnetje: "een bejaard, kort heertje, <i>bestaande +uit</i>[1] zomersch lichtgrijs ruitjespak, grijzend puntbaardje en +glanzende bruine schoenen". En niettemin zoudt ge u vergissen, als ge +hier ook den "humor" van het stuiversblad achter vermoedde—deze +schrijfster is er verre van, dergelijke geestelooze flauwiteiten neer te +kladden—neen, het is niet anders dan de haat tegen, de hekellust ten +opzichte van het haar antipathieke type: meneer Scheffelaar, dien zij +hier uitviert. Indièn die drang en zijn gevolgen eens kwamen te +vervallen, wel, laat mij ook dit er van zeggen, we zouden er misschièn +ook iets bij verliezen. Allereerst: zeer geestige spot; dan: zekere +uitmuntend-venijnige analysen in figuren-meditaties en daarbuiten. Maar +toch, néén, we zouden immers dit alles niet hoèven te missen, het zou +hoogstwaarschijnlijk niet verdwijnen maar wel van een hooger en fijner +natuur worden. Nu zijn toch, in de analysen en meditaties, de +<i>heel-subtiele,</i> de <i>opperst-fijne</i> plaatsen zeldzaam—ik kon er slechts +een vier of vijftal noteeren—nù is de schrijfster zelfs nog niet allen +vreemden invloed te boven: er zijn bijna-"sensitivistische" gedeelten in +de beschrijving van Frans' wandeling, die mij duidelijk op van Deyssel +geïnspireerd lijken en ook iets van zijn eigenaardige geserreerdheid +vertoonen. <span class="pagenum"><a name="p193" id="p193"></a>[p.193]</span> Dàn echter, in die stiller en zuiverder atmosfeer, +zou dat heel-subtiele, dat opperst-fijne vaker openbloeien; dàn, in die +rustige en zielsdiepe bezinning geen vreemde invloed ongezien meer +kunnen binnensluipen; en dan zou het ook, bij deze rijk-scheppende +natuur, allicht wemelen gaan van waarachtig-dichterlijke schoonheden als +deze: "sleepte hij zijn stok bij den greep achter zich aan, <i>een spoor +van zijïge ritselingen, als volgden hem vogels op den voet</i>." En hoeveel +beter zou de beelding van het kinderleven ook worden, een genre, +waarvoor onze schrijfster reeks zoo menigmaal aanleg heeft getoond—het +kinderleven dat in <i>dit</i> boek niet in de schàduw zelfs, van bijv. Ina +Boudier's scheppingen kan staan. Want waar het <i>beelding</i> is, <i>levend +bewegen,</i> is 't meestal zóó "humor"-rijk, zóó +vettig-van-'n-traan-en-'n-lach.... "De twee kleine meisjes +<i>protesteerden tegen dit stellen van een premie op valsch zingen</i>". +Foei, foei, Mevrouw, U die hier <i>in</i> de sfeer van het kinderleven +behoorde te zijn. U die hier <i>in</i> hun ziel moest leven, en <i>daaruit</i> +spreken, ù schrijft hièr van: "protesteeren" en "het stellen van een +premie"? Zoo zouden <i>wij</i>, <i>niet</i>-scheppenden, dat zacht-grappig +vertellen, <i>wij</i>, die deze sfeer <i>van buiten-af</i> liefjes waardeeren of +beminnen....—En hoeveel te eer zouden dan ook de toevalligheden in de +compositie verdwijnen.... Komaan, hopen wij dat, in de toekomst, de +opstandelinge niet meer der romancière dien innerlijken vrede en +harmonische rust zal rooven, waarzònder het werk der laatste, trotsch al +hare gaven, toch immer slechts tweederangs blijven zou.—</p> + +<p>Dec. '18.</p> + + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<p class="pagenum"><a name="p194" id="p194"></a>[p.194]</p> +<h3>A.B. KLEEREKOPER: OPROERIGE KRABBELS</h3> + + +<p>Men zou, hing dat uitsluitend van de waarde van dit werkje-zelf af, met +vrij groote zekerheid hebben kunnen voorspellen, dat met de publicatie +daarvan een nieuwe aera in onze vaderlandsche journalistiek zal +aanbreken—een aera, waarin geestigheid, distinctie en populariteit +elkander nièt dooden. Maar helaas, wij weten 't nu allen wel, dat er +deeg is, waartegen èlke gist onmachtig blijkt. En fijngemalen +slaapbollen zijn in dit opzicht ietwat nòg onoverwinnelijker dan zelfs +Posthuma's rijstemeel. Bovendien: in dit land van commodelaadjes, +vakjes, etiquetjes, secten en specialiteiten, druischt het ongetwijfeld +tegen de eerbiedwaardigste separatistische tradities in, dat een +bijzonder geestig journalist tevens een distinctievol stylist is. +Moresco, dien ik mij als de schrijver van "Rustpunten" in <i>De Nieuwe +Courant</i> herinner, was, vóór Kleerekoper, de eenige, die dien gruwel van +overdaad bedreef, en zelfs Barbarossa, gelukkig bezitter van een +natuurlijk-wellende en rijke geestigheid, is dan ook zoo bescheiden niet +de geringste nuance van stylistische schoonheid of distinctie te +vertoonen. En zoo zullen wij maar goed doen met alle gedachten aan een +Kleerekoperiaansch journalistiek tijdvak uit ons te bannen, en +integendeel te verklaren: dit werk is niet alleen een unicum in zijn +vereeniging van spiritueele losheid met compositorische hechtheid en +distinctievollen stijl, maar helaas, het zal dit ook blijven. En: een +unicum niet slechts in de journalistiek, maar ook in de literatuur. Het +ware dan ook 't schromelijk <span class="pagenum"><a name="p195" id="p195"></a>[p.195]</span> onrecht doen, indien ik, ter oorzake +van het feit, dat zijn inhoud voor 't eerst als vluchtig dagbladwerk +verscheen, er de hoogere <i>literaire</i> qualiteiten in zou miskennen. Ai, +welk een fanatiek sektariër zou ik zelf dan moeten zijn! Veeleer dient +met nadruk gezegd, dat de allerbeste uit deze selectie van in <i>Het Volk</i> +verschenen <i>Oproerige Krabbels</i> een nieuw soort prazagedichtjes vormen: +prozagedichtjes van satyriek vernuft en niet zelden ook van meer +liefde-doordrenkte sentimenten. Acht ge, met van Deyssel, die +eigenaardige, van vreugde om de eigen vermogens schitterende, psychische +zekerheid, een onmiskenbaar blijk van de aanwezigheid van literaire +kunst, welnu, doorlees dan maar het heele werkje, en erken, dat ge maar +uiterst weinig hebt kunnen vinden, waarin die zekerheid en vreugde +<i>niet</i> waren. Of vraagt ge naar scheppende verbeelding, bewonder dan +eens <i>Klokkepraat</i>—zie eens in wat luttelen omvang, hier een aan zin en +beeld rijk sociaal sprookje werd neergeschreven. Wenscht ge +compositie—ach, spreekt het niet van zelf, dat bij dezen "man van de +pointe", zooals ik hem onlangs te dezer plaatse noemde<a name="FNanchor_1_36" id="FNanchor_1_36"></a><a href="#Footnote_1_36" class="fnanchor">[1]</a>; bij dezen +man, die zijn stralendst-openvonkelende uitmuntendheden tot éen +verrassing in de laatste regels bewaart, de compositie meestal volmaakt +is? Let eens goed op dat onvolprezen <i>Vóór de tent van Wiessing</i>, of op +het prachtige <i>Steven-Mulders-buurtje: hoe dat in elkaar zit</i>; hoe ge +dat alles uit des auteurs geest <i>ziét opgroeien</i> en in bloei staan, +<i>snel, zeker, en rijp,</i> als het wonderplantje van een Indischen fakir. +Maar kijk, daar hebt ge 't nu al—ik màg mij feitelijk niet laten +verleiden, enkele stukjes te noemen; want hoe vele, niet minder +uitmuntend dan deze, sla ik dan over en wek daardoor den schijn, als +waren de genoemde min of meer uitzondering. En daar is geen kwestie van! +Onthoud dat maar, want straks doe ik 't natuurlijk tòch weer!...—Doch +wat de geestigheid betreft, die kostbare, gansch-natuurlijke, +overal-bloeiende, ja dáárvan is waarachtig "het eind niet te zien"; +dáárbij zou het pure dwaasheid zijn iets anders dan héél het werk als +voorbeeld te <span class="pagenum"><a name="p_196" id="p_196"></a>[p.196]</span> noemen. Wònderen van geest heb ik in de <i>Krabbels</i> +gevonden. Hier is datzelfde, zij 't op zooveel nederiger plan, dat +Julius Campe in Heine opmerkte: het bliksemvlug omscheppen van een +waargenomen ding tot een spiritueel-kleurige fonkeling van de eigen +ziel; het vooral slagvaardig, maar ook liefdevurig reageeren, op het +leven, op àl het gebeuren om hem heen. Hier uitte zich dan ook een +geest, die nauw verwant is aan Heine, en voor wien deze <i>geen</i> voorbeeld +ter min of meer onoorspronkelijke navolging, maar wèl zeer duidelijk een +soort van fontaine de jouvence blijkt te zijn, waaraan hij, diep +teugend, zich telkenmale mag verjongen. En ook de stem van dien anderen +verwant, van Multatuli, maar in een andere sfeer dan die der satyre, +meent ge nu en dan te hooren. Er is meer dan een stukje—bijv. ook dat +fraaie <i>De opdracht van den H. Antonius</i>—waarin, tot vaagheid +verruischend in de wegduisterend-diepe gangen van stemmingen en gevoel, +ge een stembuiging van den verteller van het zeeziekte-verhaal in de +<i>Ideeën</i> gelooft te herkennen. Want waarlijk, niet slechts waar de +satyre het grondsentiment zijner stukjes vormt, munt de <i>Krabbelaar</i> +uit. En zou al de dagelijksche lezer van zijn werk in <i>Het Volk</i> niet +zonder grond kunnen beweren, dat hij over het algemeen veel beter slaagt +in zijn hekelend werk dan in dat, waarin hij sentimenten van bewondering +en liefde heeft te verwoorden—dan immers wordt hij wel eens, door het +te bewust aanzetten en opschroeven van het gevoel, zoetelijk en raakt +"ernaast"—er is één sfeer, waar hij ook diè sentimenten feilloos in hun +ongesmukte waarachtigheid en derhalve waarachtige schoonheid weet te +uiten. <i>Dat is de sfeer van het kind</i>. Waar en hoe ook het kind in zijn +werk verschijnt, wordt dat laatste <i>verinnigd</i> en <i>geheiligd</i>. +Fééstelijk wordt het bijna immer, ook al is het treurig; blond wordt 't, +al is het donker; er is dan niets, dat niet zacht-warm is—de zon is +opgegaan! Tot zelfs het koud-flitsende staal van zijn scherpsten spot +geeft dan een af schijn als ware 't blond en warm goud; o zeker, het is +ook dan nog wel een degen, maar het is tot een kostbaren spèldegen, een +sièrdegentje gemaakt, om 't z'n jongen prinsjes aan den gordelriem te +gespen. Want niets is goed genoeg voor hen. <span class="pagenum"><a name="p197" id="p197"></a>[p.197]</span> Dàn is deze +schrijver het aller-àllerechtst; het kind is de goede genius van zijn +menschelijkheid en scheppende kracht en het gevoel voor hèn is de bron +van zijn innigste en meest ware leven. Bijna altijd voert het hem naar +een climax zijner vermogens, nu van dit, straks van een ander. Sòms is +het zijn <i>psychische zekerheid</i> en <i>zelfgevoel</i>, welke door dat +sentiment hun climax bereiken: lees <i>Den Boozen Schook</i>, waarin, na die +voortreffelijke mengeling van beheerscht-joligen spot en vreugdige +kinderliefde, hij in een verrassend-geestige wending eindigt met: "und +nennt man die besten Namen, So wird auch der Meine genannt." Een ander +maal maakt het hem tot een gemarteld ziener en beelder van obsedeerende +verschrikking: <i>De Eeuw van het Kind</i>. Dan weer—<i>De Zonden der +Ouders</i>—doet het zijn vonkend-donkere teederheid tot het witte licht +van het hartstochtelijk-innige openstralen. De <i>Jiddische</i> innigheid, +die de <i>Hebreeuwsch-strenge</i> ijveraars-ziel der Joden in het lijden der +diaspora won; die zoeter straling der oogen, die glans van meegevoel op +het beeld-strenge oude heldengelaat—ook in zìjn schriftuur leeft zij +naast het vaak Bijbelsch-statige. Maar genoeg—'schoon ik u over nog +zooveel moois zou kunnen spreken, laat dit voldoende zijn. Want de +vriend des schrijvers, die voor de keuze dezer stukjes op 'n paar +uitzonderingen na verantwoordelijk is en dat kiezen uit zooveel schoonen +overvloed een boeiend en prettig werk vond, meent zich thans zeker niet +te mogen onttrekken aan het minder prettige van het ondergaan eener +metamorphose in: "den vriend die feilen toont", en heeft de thans nog +beschikbare ruimte daarvoor noodig. Gelukkig intusschen, dat het maar +één feil is! Beste Oproerling, zoo zou ik hem dan kort en bondig willen +zeggen, wees zoo oproerig als je wilt, maar: betreed niet, de +Opperhoogheid van Ons, Literaire Critici, aanrandend, Ons Gebied! Je +oordeel, dat je Marcellus Emants, dien "Meester van de Hollandsche +psychologische roman", gelijk, herinner ik mij wel, Scharten hem noemde, +èn méér dan dat: dien baanbreker nog vóór de tachtigers, deed +plaatsen—in <i>De tent van Wiessing</i>—onder een +mediocriteiten-allegaartje, dat oordeel getuigt meer van vrijmoedigheid +dan van juisten blik. En nu lòs <span class="pagenum"><a name="p198" id="p198"></a>[p.198]</span> van dit geval gesproken—want +als literair-critische faux pas staat 't wèl in je bundel, maar niet in +je <i>Het Volk</i>-krabbels alleen—: als je in een kunstenaar den politieken +tegenstander bestrijd, blijf dan van zijn kunstenaarsschap àf. De +literaire critiek is een schoone zaak, en de politiek eveneens, maar het +gebeurde thans waarlijk niet voor de eerste maal, dat de verbinding van +twee schóóne zaken één léélijke te voorschijn bracht.—</p> + +<p>Jan. '19.</p> + + +<p class="caption">Noot:</p> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_36" id="Footnote_1_36"></a><a href="#FNanchor_1_36"><span class="label">[1]</span></a> Zie blz. 141.</p></div> + + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<p class="pagenum"><a name="p199" id="p199"></a>[p.199]</p> +<h3>JOOST MENDES: HET GESLACHT DER SANTELJANO'S</h3> + +<h5>Eerste deel: De Verweerde Jaren</h5> + + +<p>Ziehier nu eens een werk, waaraan, in elk geval, de gerechtvaardigheid +van Scharten's uiting: dat hij den genialen Querido geen enkelen +niet-genialen navolger toewenschte, ware te toetsen. Want het moge een +van den voorafgeganen storm onafhankelijk windje uit denzelfden hoek +zijn, dan wel het na-zuchten van den storm; het moge niet dan het gevolg +van een zelfde milieu, engere verwantschap, of wel degelijk ondergane +invloed wezen—zeker is, dat ge hier op menige plaats veel van Querido's +eigenaardigheden zonder Querido's grootheid ontmoet. Deze eigenschap +maakt het boek niet ongenietelijk, noch zelfs stemt zij den lezer +kregel, maar ze wekt een gevoel van spijtigheid in hem. Spijtigheid om +het feit, dat het den auteur, die zich klaarblijkelijk van wat hier +dreigde wèl bewust was, toch niet mocht gelukken, zijn zelf-controle zóó +streng, zijn handhaven van het ònverwant, of ònbeïnvloed-individueele +zóó krachtig te maken, dat mocht het al onvermijdelijk zijn, dat ge hier +telkens een Echo hoort, ge toch evenzeer merkt, dat de Narcis der +zelfstandige schoonheid haar versmaadt! Het gevolg dier verwantschap of +van dien invloed—ìk geloof: bèide zijn oorzaak,—toont zich vooral in +de taal. Hier een overmaat en vooral een heftigheid, <i>schoon volstrekt +niet in die mate</i> dan toch van <span class="pagenum"><a name="p200" id="p200"></a>[p.200]</span> dezelfde soort, als in de +vroegere werken van Querido, maar zonder dat, gelijk daar, de +natuurlijke noodzakelijkheid ons duidelijk wordt. Het lijkt mij hier, op +sommige momenten, meer een laten glippen uit zwakte, dan een opstapelen +uit kracht, en ik zou dan ook nù het verschijnsel geenszins op dezelfde +wijze kunnen verklaren als ik het destijds, over Querido schrijvend, heb +gedaan<a name="FNanchor_1_37" id="FNanchor_1_37"></a><a href="#Footnote_1_37" class="fnanchor">[1]</a>, noch in dezen schrijver zekere loslippigheden mogen +verontschuldigen, die men een grooten, nu eenmaal door zijn +scheppingsdrang respijtloos voortgedreven menschenschepper vergeeft. +Bovendien: in die vroegere werken, waarvan ik zooeven sprak, heeft zeer +zeker Querido muren, duistere, blinde muren van woorden opgestapeld, +zoodat ge u wel eens weg-verloren afvroegt: Wat voor 'n bouwsel is dat? +Waar sta, waarheen ga ik in dit donker? Tòt—daar bloeide plots een +lamplicht, hoog en vast aan ijzeren arm uit den steen zich heffend en +warm goudelend over het duister vlak: één beeldend woord zóó licht, dat +het de zwartheid der anderen verblondde. Maar helaas, waar hièr de muur +er is—het is gelukkig allerminst een Chineesche, die heel het rijk +omsluit—daar is ze ook lantarenlóós. Het dunkt mij vreemd, dat deze +schrijver dit niet heeft kunnen vermijden; hij lijkt mij toch allerminst +een geniaal-voortgestootene, doch veeleer een zich beheerschend +talentvolle en bezonnene van nature te zijn, die de dingen omendeom +bekijkt, en dan, hij moge verrukt zijn of afkeerig, waarlijk wel +zelfbeheersching genoeg heeft, en zich in voldoende mate haasteloos +voelt, om ze zonder harden smak op hun plaats te zetten. Reeds in den +aanvang van dit boekje voelt men diè natuur. Hoe systematisch—de +compositie mede is voortreffelijk door die systematiek—is <i>De Stad</i> +bekeken. Tot daar plots het <i>geluid</i>-van-dat-geordend-sobere op blz. 16 +breekt: "Maar kakelend roddelen konde ze", enz. De àndere Mendes maakt +reeds even zijn opwachting.—Het verheuglijke en voortreffelijke echter +in het boek is, dat juist daar waar het òverwant- en +ònbeïnvloed-individueele aan den dag treedt, het zoo goed blijkt. Dat +bewijst <span class="pagenum"><a name="p_201" id="p_201"></a>[p. 201]</span> onloochenbaar een sterke en vaste kern van eigen +aanleg. Toonen de talrijke <i>psychologische fijnheden van een zeldzame +doordringingskracht</i> dit aan, ook in vele beschrijvingen, en vooral <i>in +de uitmuntende dialogisatie</i> komt het uit, terwijl ook wel degelijk tot +dien eigen ònbeïnvloede kern het zeer concis en scherp op 't leven +betrappend beelden van houdingen en bewegingen behoort: hoe +voortreffelijk is mede daardoor het hoofdstuk <i>Het Hooge Feest</i> +geworden, hoe uitstekend de ruzie-scène in <i>De Kelder</i> met die figuren +van Jonas, de grootmoeder-heerscheres, Mordechai, Sam Piza. En dan +daarneven het stille, bijna-onbewuste, als in poppig-glazige +zwak-verwonderde staring doorgebrachte leven van het moedertje Lea! Hoe +uitmuntend is dat alles voelbaar en zichtbaar gemaakt. Een +uitmuntendheid, waarin allicht ook de figuren van Daan, Ko en Lot zouden +hebben gedeeld, indien zich niet vaak dáár een eigenaardige zoetelijke +woordenstreeling, een knuffelende vertroeteling door den auteur, in de +plaats van een "objectief"-scherpe beelding hadde gesteld. Zoo werd dan +dit eerste deeltje van een klaarblijkelijk nogal uitgebreiden arbeid +belangrijk, niet slechts door wat het belooft, maar reeds aan rijpe +kunst ons schenkt. En het zou wijs van auteur en uitgever beiden zijn +geweest, indien zij, indachtig aan het feit, dat men onvermijdelijk door +heel de geaardheid van het werk-zelf tot een vergelijking met Querido's +machtig genie zou worden gedwongen, daarnevens niet nog den lezer, als +'t ware met alle geweld, tot een vergelijking met een buitenlandschen +groote op den koop toe hadden genoodzaakt! De geheele wijze van uitgeven +toch, in acht "deelen",—dit aan het adres van den uitgever die tevens +de uitgever van "Jean-Christophe" is—maar bovenal de "dichterlijke" en +allegorische titels—dit aan het adres van den auteur—waarbij ons zelfs +een duidelijke vingerwijzing naar "La Révolte": "De Revolte dagen", +(welk een opzettelijk want overigens onmogelijk jargon!) niet werd +gespaard, kunnen slechts een herinnering aan Rolland's meesterwerk, ook +en vooral aan de eerste prachtige deelen, wakker roepen, die dit boekje +ten eenenmale doet vergrauwen. Hetgeen men moet betreuren, want de +groote deugden <span class="pagenum"><a name="p202" id="p202"></a>[p.202]</span> welke het in zijn soort eigen zijn, geven +aanleiding tot een aesthetisch genot en een warme waardeering, waarvan +het jammer is, dat zij door althans gansch onnoodig veroorzaakt +vergelijken en herinneren worden gedrukt.<a name="FNanchor_2_38" id="FNanchor_2_38"></a><a href="#Footnote_2_38" class="fnanchor">[2]</a></p> + +<p>Maart '19.</p> + + +<p class="caption">Noten:</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_37" id="Footnote_1_37"></a><a href="#FNanchor_1_37"><span class="label">[1]</span></a> <i>Schetsen en Critische Opstellen</i>, blz. 178.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_38" id="Footnote_2_38"></a><a href="#FNanchor_2_38"><span class="label">[2]</span></a> Nadat het werk, hetzij grootendeels, hetzij geheel, zal +zijn verschenen, hoop ik er uitvoeriger op terug te komen.</p></div> + + + +<hr style='width: 45%;' /> + + + +<h3>II DIDACTISCH</h3> +<p><a name="FNanchor_0_39" id="FNanchor_0_39"></a><a href="#Footnote_0_39" class="fnanchor">[0]</a></p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p class="pagenum"><a name="p205" id="p205"></a>[p.205]</p> + +<h3>PIT-TAH, DE GRIJZE WOLF</h3> +<p><a name="FNanchor_1_40" id="FNanchor_1_40"></a><a href="#Footnote_1_40" class="fnanchor">[1]</a></p> + + +<h3>I</h3> + +<h4><i>Inleiding</i></h4> + + +<p>Niets is wellicht beter in staat ons van het bestaan van een feilen, +schoon vaak onbewusten hoogmoed in ons menschen te overtuigen, dan na te +gaan hoe in den loop der eeuwen de menschheid de dieren heeft gezien en +vooral hoe die visie op de dierenwereld zich in literaire kunst heeft +geuit. Van het Pancatantra, het oeroud Indisch Sanskrit-werk af, tot, +over den Griek Aesopus—die zelf, naar de geleerden zeggen, een fabel +is!—, de verschillende oude behandelingen van de Reinaert-sage—waarbij +zich sedert kort de voortreffelijke bewerking door Streuvels heeft +gevoegd—, tot ook, eenige eeuwen later den genialen en gracieusen +Franschman La Fontaine, om nu maar de allerberoemdsten, werken en +schrijvers, te noemen, is de dierenwereld nimmer om zich-zelfs-wil in +literaire kunst gebeeld. Zeer zeker ging al dezen schrijvers het +eigenaardige van het dier-leven niet onopgemerkt voorbij, maar dat leven +zagen zij niet als een schoon en stroom, machtig, diep en hunner +aandacht ten volle waardig, ook al hadden zij er nooit de <i>spiegeling</i> +van der <i>menschheid</i> gelaat in gezien, maar zij achtten dien integendeel +juist dáárom alléén hunne bestudeering waard, <span class="pagenum"><a name="p_206" id="p_206"></a>[p. 206]</span> òmdat zij tot de +menschen konden zeggen: Buig u over dezen stroom en ge zult er àl uwe +bewegingen, uw gelaat en al zijn wisselingen in weerkaatst zien: de +oogenglans uwer vreugde, de wringing en de hette uwer hartstochten; de +deemoedige plooi uwer huichelachtigheid; het brandend staren uwer +wanhoop; ja zelfs een enkel maal de vervoering uwer ziel, uw adeldom. +Het dier had dus alleen belang voor hen, voor zoover het als acteur te +gebruiken viel, wien een <i>menschelijke</i> rol kon worden toebedeeld. Hun +<i>dier-psychologie,</i> zoo er al een enkel maal sprake is van iets, dat +dien naam verdient, zou men met den naam van handboeken-psychologie +kunnen bestempelen, d.w.z. een psychologie van algemeen-vaststaande en +aangenomen normen, waaraan elk waarlijk levend inzicht van den +individueelen kunstenaar ontbreekt, waarin bijvoorbeeld de leeuw nu +eenmaal voor goed de moedige en toch ietwat dupeachtige koning en de vos +de onverbeterlijke en buitengewoon sluwe misdadiger is. De dieren van +het dierenepos en den dierenfabel zijn dan ook, voor zoover tenminste +nog die handboeken-psychologie in toepassing is gebracht, te vergelijken +met de figuren van het schaakspel: zooals die figuren hunne eens en voor +altijd onwrikbaar vaststaande krachten en eigenschappen hebben, die +hunne handelingen bepalen: de koning slechts één pas naar alle +richtingen mag gaan, het paard den driesprong maakt en de wijsheid des +raadsheers hem voor eeuwig overtuigd heeft, dat schuinsmarcheeren het +beste voor hem is,—zóó ook hebben al die dieren, en vooral de +hoofdpersonen, 'n paar ruw getraceerde en als 't ware wisselinglooze en +versteende eigenschappen, die van zulk een aard zijn, dat zij hen +geschikt maken, symbolen van het <i>menschelijke</i> te zijn.</p> + +<p>En evenzeer nu als door het samen- en tegenspel der schaakstukken +geheelen van schoonheid kunnen ontstaan, die noch overtroffen worden +door de schoonste gewrochten der schilderkunst noch door die der muziek +of der literatuur, zoo zijn ook door spel en tegenspel dezer als 't ware +psychologisch-<i>kunstmatige</i> en <i>niet</i> naar de doorgronde-werkelijkheid +gebeelde dierfiguren, tafereelen van tot schoonheid gestegen schalkheid, +satyre, wijsgeerig en <i>mensch-</i>kundig <span class="pagenum"><a name="p207" id="p207"></a>[p.207]</span> inzicht ontstaan, die voor +geen andere werken van letterkunde onder hebben te doen. Maar toch kan +men, althans ik, bij het beschouwen van zulken arbeid het gevoel niet +onderdrukken, alsof hier een of andere tekortkoming schuilt, eenig +onrecht is geschied, eenig misbruik is gemaakt. Want heeft men bij het +schaakspel met niets anders dan doodhouten klossen te doen, die geen +enkele geestelijke eigenschap uit zich-zelf bezitten, en in de handen +van den speler slechts tot symbolen van schoonheid kunnen worden, +doordat eens de uitvinder van het spel hun zekere eigenschappen heeft +toegedacht—bij het dier-epos en den fabel heeft men met levende +<i>wezens</i> te doen, die als elk natuurwezen krachten en eigenschappen van +zich-zelf bezitten welke een zooveel mogelijk <i>objectieve</i> en <i>getrouwe +afbeelding</i> overwaard zijn; wezens die het allerminst verdienen slechts +als kapstok van de <i>menschelijke</i> deugden en ondeugden te worden +gebruikt! En iets anders hebben de bovengenoemde schrijvers, gelijk ik +reeds zooeven deed opmerken, toch feitelijk niet gedaan. Het was reeds +mooi, als ze van zulk een handboeken-psychologie gebruik maakten. +Meestal schijnen ze de dieren als 'n soort van ledepoppen te hebben +beschouwd, wien men geheel willekeurig elken stand kon laten aannemen, +elke beweging kon laten maken, die men verkoos, zoodat ze dan ook fabels +dichtten, waarin van het dier waarlijk niets anders dan de <i>naam</i> +aanwezig is.<a name="FNanchor_2_41" id="FNanchor_2_41"></a><a href="#Footnote_2_41" class="fnanchor">[2]</a> Ongetwijfeld is echter in de fabelen van <i>La Fontaine</i> +de liefde tot de natuur en het dier-zelf in veel grootere mate aanwezig +dan in de zooeven genoemde. Het wemelt in zijn werk van ware juweelen. +Zijn gracieuse verzen in een heerlijk Fransch, zijn fijne feestigheid +ook, hebben in niet weinig gevallen den oorspronkelijken fabel, aan +Aesopus en andere bronnen ontleend, verfraaid en tot ééne ongerepte +zuiverheid en flonkering van beminnelijke en dikwijls allergeestigste, +dan weer diepgevoelde wijsheid gemaakt, maar het zijn natuurlijk fabelen +en leerdichten <span class="pagenum"><a name="p208" id="p208"></a>[p.208]</span> gebleven—het dierleven is er uitsluitend als +spiegel der menschheid. En ook met het dierenepos, met de Reinaertsage +is het niet anders. En als Dr. Doorenbos dan ook zegt: "Bij de gewone +fabel is de les, die men uit de dierenwereld trekken kan, de hoofdzaak; +zij is een bijzondere vorm van de didactische poëzie. In de Germaansche +dieren-sage is het verhaal zelve de hoofdzaak. De sprookjes zelve zijn +vermakelijk, de dieren spelen er de eerste rol in, de menschen staan er +op den achtergrond. Wil men er lessen uit trekken, wil men er een satire +in vinden, dat is het voornaamste niet. Het gedicht moet om den inhoud +zelven belang inboezemen",—dan kan ik wel toegeven, dat dit alles naar +den letter juist is, maar ik moet daarbij voegen: naar den geest +<i>allerminst</i>. Want: de dieren spelen er wel de eerste rol in, maar die +dieren denken en handelen met <i>menschelijk</i> verstand, die dieren zijn +<i>verkapte menschen</i>, zijn <i>menschen in een dierenhuid gestoken</i>, gelijk +in Rostand's <i>Chantecler</i>—Zoo was het dan aan onzen tijd voorbehouden, +een dierenepos, een dierenroman als dit voortreffelijk <i>Pittah</i> voort te +brengen, waarin waarlijk het <i>dier</i> met liefde om <i>zijns-zelfswil</i> wordt +beschouwd; een dierenverhaal, dat ons den schrijver doet zien, zóó +verzonken in de contemplatie van het <i>dier</i>leven, dat <i>dit</i> op het +allereerste plan van het werk staat, en de <i>menschen</i> er slechts in +optreden voor zoover zij invloed hebben op geest of lichaam van het +<i>dier</i>.—Zich zekerheid te verschaffen omtrent de oorzaken van het feit, +dat dergelijk werk niet vóór onze dagen geboren werd, ware dunkt mij +moeilijk. Was het wellicht juist de reïncarnatie- en evolutieleer van +het oude Indië, die trots den daaruit voortspruitenden eerbied voor het +leven van het dier, dit toch beschouwde als een in 'n te laag stadium +van ontwikkeling verkeerend wezen, dan dat het om zijns zelfs wil der +volle kunstenaarsaandacht waardig kon zijn? Maakte ook in het Westen, en +nog wel op veel minder edele wijze, de religieuse wereldbeschouwing den +afstand tusschen mensch en dier daartoe te groot? Of was het aan den +anderen kant wellicht de desolate toestand van de huidige maatschappij, +die den klaarblijkelijk kinderlijk-naïeven, reinen en uiterst gevoeligen +geest van 'n Jack London zich deed keeren <span class="pagenum"><a name="p209" id="p209"></a>[p.209]</span> naar het dier? Wie zal +op dit alles een zèker antwoord kunnen geven.... Mij zij het voldoende +hier het feit te hebben geconstateerd en op zijn belangrijkheid te +hebben gewezen. Want als wij hier vaststellen dat met een werk als dat +van Jack London een nieuwe aera in het <i>dier-epos</i> aanbrak, dan stellen +wij tevens dit belangrijke feit vast: dat voor den <i>mensch</i> een nieuwe +mogelijkheid van <i>zeer verrijkend</i> geestelijk genieten, een nieuwe +mogelijkheid ook van groei van het <i>heilig eenheidsgevoel</i> werd +geboren.—</p> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<h3>II</h3> + + +<p>Als oud globe-trotter in de literatuurwereld geloof ik, dat het beste +wat ge nu kunt doen, vóór ge dit zéér vreemde hoogland gaat bereizen, +is, schoon ge niet zonder gids zult zijn, U een weinigje op de kaart te +oriënteeren: laat mij U iets van den inhoud van ons boek vertellen. In +Alaska, in den wintertijd, een noordpoolwereld vol van de +verschrikkingen van ijs, sneeuwstormen en duisternis, zijn twee mannen +op reis in een hondenslede. Zij vervoeren een reeds gekist lijk van een +overleden kameraad naar Fort M'Gurry. Door de wolven achtervolgd, zien +zij den eenen trekhond na den anderen, door een wolvin verlokt, +verdwijnen, of liever: zij zien des morgens, dat hij 's nachts verdwenen +is. Ten einde raad besluit een der mannen, op het oogenblik, dat hij +weer een hond, nu nog wel bij dag, door de wolvin ziet weglokken naar de +hongerige wolventroep, gewapend met zijn geweer de slede te verlaten, om +den hond, die niet naar zijn roep hoort, terug te halen. Maar het is te +laat: die is reeds door de wolven omringd, en hij zelf, als hij, in een +uiterste poging om het dier te bevrijden, zich onder de uitgevaste bende +waagt, wordt, nadat hij zijn munitie heeft verschoten, door het +roofgedierte verslonden. De andere man blijft nu in een hopeloozen +toestand, ten slotte van al zijn honden beroofd, alleen achter. Maar +ziedaar: op het punt van zich nu maar moedeloos gewonnen te geven—hij +kan zich onmogelijk langer op de been houden van <span class="pagenum"><a name="p210" id="p210"></a>[p.210]</span> de slaap—met +niets dan een smeulend en uitgaand vuur tusschen de wolven en zich zelf, +wordt hij door een over de bevroren rivier naderend reisgezelschap +ontdekt en bevrijd. Het was waarlijk hoog tijd: het laatste wat hij zag, +vóór hij in slaap viel, was de wolvin, die, vlak bij hem, hem +droefgeestig met een van honger kwijlende bek begeerig zat te bestaren, +als ware hij een brok voedsel, dat wel van haar hoorde, maar dat zij om +de eene of andere reden toch nog niet kon gaan eten!—Dit is de—zeer +verkort weergegeven—inhoud van het <i>Eerste Deel.</i> Die der volgende +wordt gevormd door het verhaal, hoe de nu met de troepgenooten +weggevluchte wolvin, die, eigenlijk evenzeer hond als wolvin van +afstamming, een uit 'n Indianenkamp weggeloopen trekdier is, wordt +bevrucht, en Pittah den wolf-hondelijken held van het boek ter wereld +brengt; hoe diens leven, vol van wreede avonturen, verloopt en hij ten +slotte, na door bestiale woestelingen tot een duivel van haat en +ontembare wildheid te zijn gemaakt, onder den invloed van een edelen +meester allengskens een wezen van hartstochtelijke liefde en +onwankelbare trouw wordt.—De lezer zal allicht hebben opgemerkt, dat ik +den inhoud van het eerste boek, hoe verkort ook, toch veel uitvoeriger +heb weergegeven dan die van het geheele overige werk. Ik deed dit, omdat +ik die eerste hoofdstukken natuurlijk het eerst zal behandelen èn er nog +al veel over te vertellen valt....—Of ge nù al de hééle kaart afkijkt +en U al de détails van heel de te doortrekken streek in het hoofd prent, +dat geeft niets, ge zoudt het dan toch later nog eens willen overdoen. +Zoodat ... nu steek ik de kaart weer in mijn zak en word de +oppermachtige berggids!... Vrienden, reikt mij dan het koord van uw +aandacht, laat mij jelui aan mij vastbinden ....—</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<h5><i>Leelijkheid en Schoonheid in het "Eerste Deel"</i></h5> + +<p>Er zijn van die critici, die, evenals de vrijgrage jongelui op 'n bal, +alleen de schoonheden ten enthousiasten dans voeren en de leelijkerds +maar laten zitten achteraf, maar ik behoor niet tot hen: ik vraag de +<span class="pagenum"><a name="p211" id="p211"></a>[p.211]</span> muurbloemen ook! Uit 'n soort van vrienden-welwillendheid of +zuiver-menschelijk medelijden, denkt ge? Helaas, helaas, hoe kent ge +mij, boosaardig monster, dan slecht! Ik vraag ze, ik vráág ze, deze +leelijkerds op de feestbals der literatuur—maar ik durf het bijna niet +te biechten!—uit de geniepige overweging: Jullie zijt zoo zot geweest +hier te komen, welnu, dan ook vooruit met je onder het volle licht der +kronen!...—</p> + +<p>En vrienden, laat mij 't maar bekennen: er zit in deze scherts meer +ernst dan een scherts wellicht te herbergen betaamt. Ik háát het +leelijke en àls ik het naar voren breng, geschiedt dat waarlijk niet ter +verzachting der geringschatting, die het verdient, maar om die des te +scherper te doen treffen....—Als men buitenlanders onze letterkunde wel +eens met de hunne hoort vergelijken, dan blijkt wel dìt hun grootste +bezwaar tegen ònze literatuur, dat het in hàre werken gebeelde leven zoo +weinig-beteekenend, zoo grauw-alledaagsch, zoo klein-burgerlijk, zoo +weinig-bewogen is. Ik herinner mij levendig, dat eenige jaren geleden +een mij onbekende Russische taalleeraar en journalist mij om een +onderhoud verzocht. Hij noodigde mij uit hem eenige Hollandsche romans +en novellenbundels te noemen, die hij met gegronde hoop op succes in 't +Russisch zou kunnen vertalen. Ik noemde hem wat ik te noemen wist. Maar +hij kende dat alles reeds, vond het echter allemaal, te pueriel, te +zeurderig, te alledaagsch en vooral te <i>klein</i>. Er is daar iets van aan. +Maar hoe zou het anders? Hoe kan uit een klein en burgerlijk +maatschappijtje als het onze, een heroïsche literatuur, vooral van +maatschappelijk-hoogeren aard, ontstaan?<a name="FNanchor_3_42" id="FNanchor_3_42"></a><a href="#Footnote_3_42" class="fnanchor">[3]</a> Slechts met Querido, zei +mijn Rus weer, met dien ware voor zijn doel iets te beginnen, maar och, +dat kon ook niet, want die was weer te locaal!...—Er is daar iets van +aan, zei ik zooeven, jawel, maar van iets anders is nog veel meer aan: +onze letterkunde moge in onze samenleving slechts een armen +voedingsbodem bezitten, zij wist en weet te woekeren met dat <span class="pagenum"><a name="p212" id="p212"></a>[p.212]</span> +armelijk bezit. Onze hedendaagsche literatuur streeft, <i>in 't algemeen +genomen,</i> in <i>verfijning en nauwkeurigheid van beeldende +woordaanwending</i> de buitenlandsche op zij en meestal te boven.—Neem nu +dit boek van een <i>in zijn soort</i> toch eersterangs schrijver als Jack +London. In dit <i>Eerste Deel</i>, alleen reeds op de 3 eerste bladzijden: +"Donkere pijnboomen <i>grijnsden</i> aan weerszijden van de bevroren rivier." +Een "grijnzenden afgrond" is al een ondeugdelijk en ongevoeld +spraakbeeld, maar het is oud en versleten en juist omdat deze +uitdrukking oud en versleten is van het overmatig gebruik, glijdt onze +geest er zoo makkelijk In en neemt genoegen met het gatige vod, zooals +een slecht zittende oude jas ons veelal nog behagelijker is dan een +prachtig getailleerde nieuwe. Maar wat nou zoo iets kersversch als "een +<i>grijnzend pijnwoud</i>" voor een ding is, in dàt begrip daar komt onze +geest, althans de mijne, nièt in en zal er wel evenmin ooit in +komen....—"Maar niettemin waren zij mannen, die dit land van +eenzaamheid en stilte doortrokken, nietige avonturiers op kolossaal +avontuur uit, hun krachten metend met een wereld even verwijderd en +vreemd en levenloos als de eeuwige ruimte." Is het mij al een raadsel, +hoe men iets materieels "<i>verwijderd</i>" kan noemen, terwijl men <i>erin</i> +is, al evenmin werd mij geopenbaard, hoe men, "zijn krachten kan meten +met een wereld die <i>levenloos</i> is." Immers "zijn krachten meten met" +beteekent altijd: "<i>een strijd aangaan met</i>" en nu is er misschien wel +niets in de heele wereld, waarvan men niet zeggen kan, dat men er een +strijd mee wil aangaan, behalve juist het <i>levenlooze</i>! Want iemand, die +zegt tegen iets te strijden, moet zich noodzakelijk dat iets als +<i>levend</i> in eenigen letterlijken of overdrachtelijken zin hebben +voorgesteld, en niet als leven<i>loos</i>. Aan het leven<i>looze</i> kan men +slechts "zijn krachten beproeven", dat wil zeggen door eenige <i>erop te +verrichten handeling</i>, niet: door strijd ertegen. Natuurlijk, wij +begrijpen wel wat hier wordt <i>bedoeld</i>. "Verwijderd" is hier onzin +geworden, alleen doordat er elke nadere bepaling aan ontbreekt, bijv.: +"verwijderd van de bewoonde wereld," en als ge door "levenloos" heen +"passief" leest, dan is de zaak in orde al is de volzin dan vreeselijk +leelijk en wordt het beeld van die "eeuwige ruimte" nog <span class="pagenum"><a name="p213" id="p213"></a>[p.213]</span> +beroerder dan het nu is. En bovendien: "àls dìt" en "àls dàt," jawel! +maar literatuur behoort geen ruimte te laten voor dergelijke "alsen." +<i>Zij</i> juist moet weten te zeggen, <i>precies</i> te zeggen wàt zij +bedoelt.—"....toen een flauwe, verre kreet zich in de stille lucht +verhief.... Hij had een kermende, verdoemde geest kunnen geweest +zijn...."—Een kreet, die een geest had kunnen geweest zijn? Arme +Satan, wat een nieuwe last bij al z'n oude moeiten: ik zie hem al alle +kreten, die zijn heetgestookten hel ontstijgen, wantrouwend +achternaloopen: of ze geen ontsnappende zielen zijn; een gevallen +aartsengel tot een smokkelaarsspeurenden grenswachter geworden.... +Ajai!—Maar komaan, genoeg hiervan, ge denkt nu al, dat ik "vlooien +zoek" en—ge hebt gelijk, máár: het zijn vlooien van de springerigste +soort en juist omdat ze zoo klein zijn, de gevaarlijkste dragers van de +taalverknoeiïngspest. Ik vang ze, om jullie voor die barre ziekte te +bewaren. En dus, bedillers!...</p> + +<p>Laat mij intusschen dit stukje niet beëindigen, zonder nog dit te hebben +gezegd: ik ben er vrij zeker van, al las ik het oorspronkelijke werk +niet, dat men deze en dergelijke slordigheden <i>niet</i> der <i>vertaling</i> mag +verwijten. Een <i>Hollandsche</i> vertaalster, die <i>zoo voortreffelijk +dialoog en stemming weet te geven</i>, wie dus klaarblijkelijk de hoogere +gevoeligheid niet ontbreekt, diè, dunkt mij, zal toch ook wel niet +geheel gesloten zijn gebleven voor de lessen der hervormers van '80. +Maar integendeel, zoo mogen wij zonder al te groote vrijmoedigheid +vermoeden, zijn 't fouten van het origineel-zelf, want juist zulke +fouten als een man van veel-produceerende genialiteit gelijk <i>London</i> ze +maakt. Het valt zoo licht te begrijpen: de scheppingsdrang drijft hem +voort, hij ziet visioen na visioen ... hij heeft zoo geen tijd ... in +Amerika zal hij er zelden om op de vingers getikt zijn ... en zoo +gebeuren dan die dingsigheden. Het is trouwens een verschijnsel, dat men +bij veel grooten—en veel-grooteren dan London!—kan waarnemen en uit +gedeeltelijk dezelfde oorzaak verklaren: het hevige voortstuwen van den +scheppingsdrang. En—nu genoeg van het leelijke, keeren we ons tot de +schoonheid.—</p> + +<p><span class="pagenum"><a name="p214" id="p214"></a>[p.214]</span> Zie eens allereerst dit:</p> + +<div class="blockquot"><p>Vóór de honden zwoegde een man op sneeuwschoenen. Achter de slede +hijgde een tweede man. Op de slede, in de kist, lag een derde man, +wiens werktijd voorbij was—een man dien de wildernis had +overwonnen en neergeveld, tot hij zich nooit meer kon bewegen of +verzetten. De wildernis <i>houdt</i><a name="FNanchor_4_43" id="FNanchor_4_43"></a><a href="#Footnote_4_43" class="fnanchor">[4]</a> niet van beweging. Leven +beleedigt haar, want leven is beweging; en de wildernis tracht +iedere beweging te dooden. Zij doet het water bevriezen om het te +beletten naar de zee te loopen. Zij jaagt het sap uit de boomen tot +zij in hun krachtig merg zijn bevroren. En woester en vreeselijker +dan alle vervolgt en bedwingt zij den mensch—den mensch, die het +meest rustelooze in het leven is, die zich altijd verzet tegen de +bewering, dat alle beweging ten slotte moet komen tot <i>ophouden</i><a name="FNanchor_5_44" id="FNanchor_5_44"></a><a href="#Footnote_5_44" class="fnanchor">[5]</a> +van beweging.</p></div> + +<p>De schoonheid is hier niet alleen aanwezig als schoon van treffende +bespiegeling, zij is het ook—en hier gemoeten wij de eigenlijke +<i>kunst</i>-schoonheid—als zekere levendigheid van den geest, die er, op +bijzondere wijze, in geslaagd is, de begrippen dier treffende +bespiegeling te <i>vertastbaren</i> en <i>aanschouwelijk</i> te maken. Op +<i>bijzondere</i> wijze: louter, door <i>contrasteering</i>; door bij middel van +het <i>bewegelijke</i> der <i>beschrijving</i> des te feller het +<i>aan-beweging-vijandige</i> van het <i>beschrevene</i> te doen gevoelen, en door +de <i>levendigheid</i> der <i>beelding</i> de <i>doodschheid</i> van het <i>gebeelde</i>. +Deze beschrijvingsmethode is ongetwijfeld niet die van bijv. den +objectieven naturalist, want onvermijdelijk dringt zij den auteur-zelf +min of meer op het tooneel zijner schepping, en in plaats dat de lezer, +gelijk in naturalistisch werk, slechts de <i>dingen-zelf,</i> zooals zij door +den kunstenaar werden gezien, te aanschouwen krijgt, worden hem hier, in +de allereerste plaats, de <i>overwegingen</i> getoond, die <i>door</i> de dingen +in den auteursgeest werden gaande gemaakt, en als 't ware <i>door die +overwegingen heen</i> aanschouwt hij pas de dingen-zelf. Het valt niet zoo +makkelijk te zeggen als het lijkt, welke van de twee richtingen de +voorkeur verdient—de "objectieve" of de +<i>binnen-zekere-grenzen</i>-subjectieve. Dat de laatste vooral door het +<i>knoeiwerk van tallooze beunhazen in onverdiend discrediet is gebracht</i>, +en men mede daardoor <span class="pagenum"><a name="p215" id="p215"></a>[p.215]</span> de, nog wel verkeerd want al te volstrekt +opgevatte, "objectiviteits"-leer der naturalisten ten onrechte als de +alleen-zaligmakende heeft aanvaard, lijkt mij onbetwistbaar, al moet men +toegeven, dat de meer subjectieve beschrijvingsmethode—zooals ook een +London ze, naar zijn aard gevariëerd, toepast—<i>uiteraard</i> en dus ook in +haar <i>allerbeste</i> applicaties, hare nadeelen heeft. Als de voornaamste +daarvan kan men noemen: 1° de geringere sterkte van sommige in den lezer +gewekte <i>stemmings</i>aandoeningen, die door het aanschouwen der louter in +en met hun eigen atmosfeer gebeelde dingen veel eerder ontstaan en +stoorloozer zich ontwikkelen en beklijven dan door het zien dier dingen, +wanneer zij door de min of meer stormige luchten van eens schrijvers +geestig of gevoelig spreken staan ombuid. 2° De onvermijdelijke +splitsing van 's lezers aandacht. Heen en weer geslingerd tusschen het +aanschouwen der dingen en het aanhooren van den auteur, wordt hij een +onrust gewaar, die hij weliswaar, mits zijn temperament hem daartoe in +staat stelt, eerder prikkelend en amusant dan vervelend zal vinden, maar +die hij toch, al naar mate zijn geest evenwichtiger is—een deugd!—wel +degelijk ten slotte als <i>onrust</i>, d.i. iets onaangenaams zal voelen. +Maar aan den anderen kant: de niet geringe voordeelen zijn allicht: een +geestig kunstenaar te hooren tegelijkertijd <i>beeldend</i>- èn +<i>bespiegelend</i>-spreken en vooral: als 't ware den schepper <i>in zijn +werkplaats</i> te zien. Vast staat in elk geval, dat de Engelsche +Grootmeester Charles Dickens met deze subjectief-realistische methode, +wonderen van kunst-heerlijkheid heeft gewrocht. En al reikt London +ongetwijfeld niet tot diens knieën, het valt op, dat de Amerikaan zijn +rasverwantschap zoowel met den grooten Engelschen romancier als met +andere Engelsche schrijvers toont in het bezit van die soort +specifiek-Engelsche geestigheid, die men wellicht als een mengsel van +"drogen" èn gevoeligen humor zou kunnen kenschetsen, waaraan zich dan +helaas soms bij eenige auteurs een min of meer blufferige gewikstheid +paart, die voor een groot deel niets anders dan het grove prat-gaan is +op diezelfde koele zelfbeheersching, welke, in zuiveren staat, wellicht +het meest sympathieke bestanddeel van den Britschen humor <span class="pagenum"><a name="p216" id="p216"></a>[p.216]</span> vormt. +Dìckens hàd dien zuiveren "drogen" en gevoeligen—schoon soms ietwat +sentimenteelen—humor, en dan nog onvergelijkelijk rijk omgloeid door +verrukkelijke stemmingsatmosfeeren van goudelende duisternissen, een +clairobscur van sterrig vonkelenden avondhemel. Kipling heeft, hoewel +oneindig zwakker, dien humor eveneens, máár—met een dosis en een soort +van pocherige gewikstheid in sommige zijner producten, welke die voor +een niet-imperialistischen en niet-chauvinistischen lezer al te zwaar +verteerbaar maakt; in G.K. Chesterton heeft diezelfde humor, zich +verfijnend, zijn hoogtepunt bereikt in het vuurwerk-knetterend en +vonkenspattend <i>paradoxale,</i> en onze London eindelijk heeft iets van +alle drie: het blufferig-gewikste uit zich bij hem langs een omweg op +eene beminnelijke, kinderlijk-naïeve manier, <i>waarover ik in het +volgende artikel zal spreken</i>; de naar het <i>paradoxale</i> neigende +geestigheid doet zich kond, zoowel in een drang om zijn beeldingen een +<i>woord-puntig</i> en met het gebeelde <i>contrasteerend</i> karakter te geven, +als ook wellicht in een schoone, zuiver-artistieke "voorliefde voor het +verduidelijken zijner voorstellingen door inconventioneele, of althans +zelf-hérvonden, en in den nieuwen samenhang inconventioneel wòrdende +vergelijkingen; en den "drogen" humor, uit de koele Engelsche +zelfbeheersching geboren, toont hij vooral in den <i>toon</i> zijner +dialogen.</p> + +<p>Ziehier een staaltje van zijn "beeldvorming," zijn scheppen van +vergelijkingen:</p> + +<div class="blockquot"><p>Zij trokken voort zonder spreken, hun adem sparend voor het werk +hunner lichamen. Aan alle kanten drukte de stilte op hen als een +tastbare tegenwoordigheid. Zij werkte op hun geest, <i>zooals de vele +atmosfeeren in diep water drukken op het lichaam van den duiker</i>. +Zij verpletterde hen onder het gewicht van haar oneindige +uitgestrektheid en onveranderlijke eenvormigheid. Zij verpletterde +hen tot in de diepste diepten van hun gemoed, en perste uit +hen—<i>als sap uit de druiven</i>—al het <i>vuur en de opgewondenheid, +al de zelfoverschatting der menschelijke ziel, tot zij begrepen hoe +oneindig klein en onbeteekenend zij waren, stippen en atomen, zich +met weinig sluwheid en gering verstand bewegend, temidden van het +spel der groote, blinde elementen en natuurkrachten</i>.</p></div> + +<p><span class="pagenum"><a name="p217" id="p217"></a>[p.217]</span> Hier bevinden zich na elkaar in één klein stukje een +inconventioneel en een vrijwel "afgezaagd" beeld. Het inconventioneele +en zéér treffende beeld is dat van de "vele atmosfeeren"; het afgezaagde +dat van "als sap uit de druiven." Van den wijn uit dié druiven geperst, +is Noach al dronken geworden! Maar oud als de vergelijking is, vinden +wij haar toch schoon, omdat zij—zie het <i>derde</i> cursief—in eene +lentekleurigheid van frissche gedachten uitrankt, want inderdaad: zulk +een vergelijking is wel als een heel oude stam, maar tevens als zulk een +waaraan de scheppende ziel van een nieuwe lente groenende knoppen doet +botten. Met een <i>echt-rethorisch</i> beeld is dat nóóit het geval; <i>daar +bloesemt niets uit</i>; dat is maar het droge hout, dat een auteur zelf +levert, om er de doodkist voor zijn werk van te timmeren....—</p> + +<p>Ten slotte nu een kort voorbeeld van den "drogen"-humorrijken dialoog. +(Nadat in vorige nachten reeds een paar honden door een wolvin zijn +weggelokt, heeft Bill ze nu zoodanig aan stokken en riemen vastgelegd, +dat ze niet kunnen wegloopen, en daarbij met nadruk verzekerd, dat hij +den volgenden dag geen koffie zou drinken, zoo er toch een verdwenen zou +zijn.)</p> + +<div class="blockquot"><p>'s Morgens porde Henri het vuur op en maakte het ontbijt gereed, +begeleid door het gesnurk van zijn kameraad.</p> + +<p>"Je sliep zoo lekker," vertelde Henri hem, toen hij hem wekte voor +het ontbijt. "Ik had niet den moed je te roepen."</p> + +<p>Bill begon slaperig te eten. Hij zag dat zijn kopje leeg was en +stak zijn arm uit naar de koffiekan. Maar de kan stond buiten zijn +bereik naast Henri.</p> + +<p>"Zeg Henri," zei hij vriendelijk, "heb je niet iets vergeten?"</p> + +<p>Henri keek met de grootste aandacht om zich heen en schudde het +hoofd. Bill hield zijn leeg kopje in de hoogte.</p> + +<p>"Je krijgt geen koffie, Bill."</p> + +<p>"Heb je niet meer?" vroeg Bill haastig.</p> + +<p>"Ja."</p> + +<p>"Ben je bang dat ze niet goed is voor mijn spijsvertering?"</p> + +<p>"Neen."</p> + +<p>Een kleur van drift kwam in Bills gezicht.</p> + +<p>"Dan zou ik wel eens willen weten...."</p> + +<p>"Spanker is weg."</p></div> + +<p><span class="pagenum"><a name="p218" id="p218"></a>[p.218]</span> Mij dunkt, zelfs in dit kleine stukje zult ge hebben gemerkt, +wat ik bedoelde met dien drogen humor in den toon van den dialoog. En nu +eindigen wij meteen voor dezen keer. De volgende maal over: het +compositorisch-zonderlinge van het <i>Eerste Deel</i> in het geheel van het +werk en de oorzaak daarvan, in verband met zekere karaktertrekken van +London's schrijversfiguur.—</p> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<h3>III</h3> + +<h5><i>Het compositorisch-zonderlinge van het "Eerste Deel", in verband met +zekere karaktertrekken van London's schrijversfiguur</i>.</h5> + + +<p>Sluit de oogen en verbeeld je eens fel en heftig, dat ge Sancho Panza +zijt. Het zal je, dunkt mij, niet moeielijk vallen, want, ten eerste, +hebt ge ongetwijfeld wel eens den onsterfelijken <i>Don Quichot</i>, het +meesterwerk van Cervantes, gelezen, en ten tweede: als ik niet zeker +wist, dat ge de schildknaap eens edelen en drakenbekampenden ridders +zijt, dan sprak ik niet eens tot je, want ik vond je geen knip voor den +neus waard! Je kijkt me verbaasd aan: "ik de schildknaap eens +drakenbekampenden ridders?" Maar ik antwoord je kalmpjes weder: ja +zeker, jongelief, want <i>dien je dan soms het socialisme niet</i>? Dat je +met zwarte handen en gezicht alle dagen voor de schijf zit, dat is maar +nietswaardige en onwerkelijke schijn, zooals ook de dwaasheid en de +"droevige figuur" van Don Quichot maar voorbijgaande schijn waren; maar +dat je ziel in rood en hemelsblauw gekleed gaat gelijk het een +schildknaap van den Dagenden Tijd betaamt, dat is, mag ik vertrouwen, de +werkelijkheid, zooals ook de adeldom en de haat tegen onderdrukking, +gemeenheid en roof, in Don Quichot de werkelijkheid waren.—Sluit de +oogen, herhaal ik dus met hypnotischen nadruk; ik zèg je, je bènt Sancho +Panza, je zit voor den rijkgedekten tafel op het door je-zelf +bestadhouderd eiland, je tast toe ... ai! wat is dat?! Nauwelijks heb je +'n hapje gegeten, nauwelijks heb je gedacht: wat <span class="pagenum"><a name="p219" id="p219"></a>[p.219]</span> smaakt dat eten +heerlijk, of de schotel wordt je uit de handen gegrist ....—Open nu +weer je oogen, beveel ik, en ga <i>Pittah</i> lezen; je hebt de eerste drie +hoofdstukken van het boek genoten—één hapje van den schotel gegeten—je +vind ze prettig, gezellig en boeiend, en ... ziedaar ... wèg is plots +het verhaal van Harry en Fort M'Gurry! Je vork, gretig omlaag prikkend, +vindt een heel ander gerecht....—Welnu, beste vrienden, met deze +modernisatie van Sancho's spijtig avontuur is meteen het +compositorisch-zonderlinge van <i>Pittah's</i> "Eerste Deel" aangewezen, de +<i>diepe breuk</i> in de samenstelling van het boek blootgelegd. Laat mij +pogen dit alles nu even door bewijsvoering te verduidelijken. De eerste +drie hoofdstukken verhalen van de lotgevallen en de daden van menschen +en dieren, en vele van de latere hoofdstukken doen hetzelfde, maar de +eerste drie doen het op een <i>heel andere manier</i> dan de latere. In de +eerste drie is de verhaaltrant zóó, dat wij, zooals we tot nu toe bij de +lezing van alle mogelijke werken gewend waren, nagenoeg heel onze +belangstelling mòesten concentreeren op de menschen en slechts een klein +overschotje dier belangstelling op de dieren; in de latere is precies +het tegenovergestelde het geval. <i>Aanvankelijk</i> denken wij een verhaal +over zekere <i>menschen</i> te gaan lezen, waarin, gelijk in zoovele boeken, +die reisbeschrijvingen of jachtverhalen bevatten, de <i>dieren</i> wel een +<i>vrij gewichtige</i> rol vervullen, maar de <i>hoofdrol allerminst</i>; hebben +wij echter het "<i>Eerste Deel</i>" achter den rug, dan merken we plots dat +"de rollen zijn omgekeerd." Of sterker en nog meer naar waarheid gezegd: +eerst zijn de dieren het decor en de menschen de spelers, later zijn de +dieren de spelers en de menschen het decor. En met zulk eene +geringschatting wordt van dan af het menschelijk materiaal door den +auteur beschouwd, dat hij de menschfiguren ook daar waar zij als +<i>spelers</i> optraden, <i>achteraf</i> als <i>décor</i> behandelt, zoodat je tot je +hevige verwondering—die dan ook helaas de lezing van het boek overleeft +en als iets hinderlijks met je schoonste herinneringen er aan blijft +vermengd—nooit meer één syllabe hoort van Harry of de mannen, die hem +redden. Ah! denk je spijtig en gekwetst: voor het verdere verloop van +het spel is het kasteel <span class="pagenum"><a name="p220" id="p220"></a>[p.220]</span> Weedon-Scott<a name="FNanchor_6_45" id="FNanchor_6_45"></a><a href="#Footnote_6_45" class="fnanchor">[6]</a> noodig, nu wordt in de +pauze de brug-Harry door de tooneelknechts op rollen weggeschoven en +achter de coulissen gebracht ....—En het gezicht dezer plots +openscheurende breuk tusschen het "<i>Eerste Deel</i>" en de latere +hoofdstukken schokt den aanschouwer zoo hevig, dat onze hongerige Sancho +Panza nauwelijks meer verbaasd en ontstemd kan zijn geweest, toen hem +voor zijn neus zijn bord werd weggekaapt. Maar deze ééne oorzaak van +ontstemming in den lezer is in werkelijkheid door drie factoren gevormd. +Ten eerste: het gevoel, alsof men drie hoofdstukken lang voor de mal is +gehouden, 't geen niet zoo heel kort voor een "gijntje" is! Ten tweede: +de omstandigheid dat breuklooze eenheid in den voedingsbodem elk +aesthetisch genotsgevoel zijn voornaamste voedsel en kracht geeft, +verbrokkeling daarentegen van dien bodem het verschrompelen doet. Ten +derde: dat de <i>mensch</i> in den lezer het nooit verdraagt, de +<i>menschelijkheid</i> in een boek <i>achteruitgeschoven</i> te zien voor iets +anders. <i>Desnoods</i> heeft hij er vrede mee, dat zij van den <i>aanvang</i> af, +vóór zijn aandacht in het geding kwam, aan iets anders ondergeschikt +werd gemaakt, mits dat andere hem dan maar hevig boeit; maar hare +vernedering onder <i>zijne oogen</i>, in <i>zijn bijzijn</i> duldt hij niet. Eens +zijne belangstelling gewekt door menschelijkheid op een zeker plan van +het werk, eischt hij onverbiddelijk, dat die menschelijkheid minstens op +dàt plan gehandhaafd blijft en zeker vergeeft hij niet, dat, zooals hier +met Harry e.s. gebeurt, zij wordt weggebezemd en weggespoeld naar een +ondergrondsch gootje. Want gebeurt dit wel, dan vindt hij den schrijver +ook een beetje <i>kinderachtig</i>, dat is: niet ernstig en met slechts +weinig verantwoordelijkheidsgevoel, en tevens acht hij zijn daad een +gevolg van een tekortkoming in zijn talent. Waarmee hij gelijk heeft, +ook hier. En daarmede ben ik van zelf aan het punt gekomen, waarop het +mij mogelijk is, te doen wat ik in mijn vorig artikel beloofde: te +spreken over "zekere karaktertrekken van London's schrijversfiguur" en +over <span class="pagenum"><a name="p221" id="p221"></a>[p.221]</span> de "beminnelijke, kinderlijk-naïeve manier," waarop zich +bij hem "het blufferig-gewikste langs een omweg uit." Welnu: London +is—te oordeelen ook naar andere werken, die ik van hem las, <i>De +Zeewolf</i> en <i>Elam Harnish</i><a name="FNanchor_7_46" id="FNanchor_7_46"></a><a href="#Footnote_7_46" class="fnanchor">[7]</a>—nooit een werkelijk en groot +<i>menschenschepper</i> geweest. En houdt men dit in het oog, dan begrijpt +men tevens, hoe hij tot zoo zonderlinge en foutieve compositie als de +door mij gewraakte kwam. Want ware hij waarlijk een groot +menschenschepper geweest, dan had hij ook die wijd-omvattende, +onpersoonlijke <i>menschheidsliefde</i> moeten bezitten, die voor zulk een +volstrekt onmisbaar is, en hàdde hij die liefde bezeten, dan zou hij ook +<i>nooit</i> het element <i>menschelijkheid</i> in zijn werk op zoo +onbewust-<i>geringschattende</i> wijze hebben kunnen behandelen als hij +deed.—Maar na dit te hebben gezegd, zie ik wel aan jelui jong-open +schildknapen-gezichten, dat je 't nog heelemaal niet met mij eens zijt +en in je zelf denkt: "En die prachtig-machtige figuren van <i>Wolf Larsen</i> +en <i>Elam Harnish</i>, die u-zelf daar noemde, meneer v.C?" En ik antwoord: +beste vrienden, juist aan <i>die twee figuren zie ik, dat hij geen +menschenschepper is</i>; dat hij niet zoo zeer een beminnaar van +<i>menschelijkheid</i> is als wel een beminnaar van ééne menschelijke +eigenschap, die der <i>kracht</i>, der <i>geestelijke en lichamelijke</i> kracht. +Hij schept geen grooten <i>mensch</i>, maar hij <i>personifieert</i> groote +<i>kracht</i>, zulk eene die zoo groot is, dat zij <i>heroïsche</i> afmetingen +heeft aangenomen. De capaciteit aldus eene eigenschap te personifieeren, +is geen geringe; zij vooronderstelt in den bezitter-zelf heroïsche +kracht. Alleen: het is de kracht van den grooten menschenschepper niet, +want deze doet met alle of vele eigenschappen der menschelijke ziel, wat +gene slechts met een enkele doet. De menschenschepper van heroïeken +aanleg schept een <i>Mensch</i>, die toch een mensch is, d.w.z. een +<i>veel</i>-zijdigen Mensch, gelijk ook elke wiensch immers voor <span class="pagenum"><a name="p222" id="p222"></a>[p.222]</span> den +liefdevollen begrijper veelzijdig zal blijken; een geniaal schrijver van +heroïeken aanleg, die echter geen menschenschepper is, als London, +schept daarentegen een eewzijdige personificatie. Een Balzac schept +Menschen, een London <i>goden</i>—goden, dat wil immers ook zeggen: +volstrekt- of relatief-<i>eenzijdige personificaties</i> van menschelijke of +natuur-krachten—en wat het aardige en <i>kenschetsende</i> is: onmiddellijk, +van hun geboorte af, worden die goden zìjn afgoden tevens! En ziedaar: +nu heeft ons meteen ons eigen pad naar het "omwegje" geleid, waarop "het +blufferig-gewikste zich op beminnelijke en naïeve wijze bij London uit." +Naïef en beminnelijk—zeker: London is, niet zoo grof, voor eigen +persoonlijke kracht te knielen; evenmin zoo dwaas, de kracht, +gewikstheid en onoverwinnelijkheid en al dergelijk fraais juist het +volk, waarvan hij een zoon is, bij uitsluiting van alle andere naties +toe te kennen. Neen, hij heeft de <i>beminnelijke en kinderlijke +naïveteit</i> van den <i>primitieven</i> en <b>godenscheppenden</b> <i>mensch</i>. Hij +vindt kracht en <i>ietwat blufferig vertoon ervan</i> nu eenmaal +verrukkelijk—ook in het booze, en hij schept zich een waarlijk +vorstelijken <i>Duivel</i>: Wolf Larsen, en knielt voor hem. Hij vindt +kracht, gepaard aan een soort van <i>heroïsche, bovenmenschelijke +gewikstheid</i> nu eenmaal pràchtig—ook in het goede, en hij schept zich +een snelvoetigen handelsgod, een <i>Mercurius</i>, met de vuisten en de +gewelddadigheid van een <i>Mars</i>—maar hoe deze twee dan ook in +werkelijkheid één zijn, heeft ons niets zoo goed als dèze tijd +geleerd!—: <i>Elam Harnish</i>. Hij vindt kracht mooi—ook in der dieren +sfeer, en ziedaar: hij schept Pit-tah, den <i>Heroischen Hond</i>! Maar zoo +werd wat <i>zijn zwakheid in dit boek is</i> tevens <i>zijn sterkte erin</i>: wijl +hij geen groot en werkelijk menschenschepper is, was hij in staat zóó +beslist en voor zoo langen tijd zijn blik van <i>de menschen af te +wenden</i>, en omdat hij een verheerlijker van de kracht is, spoorde dit +mede hem aan zoo liefdevol het dier te bezien, dat hij gevoelde tot +<i>haar</i> levend Beeld te kunnen maken.—En nu ten slotte: dat hij knielt +voor alle drie, èn voor <i>Larsen</i> èn voor <i>Harnish</i>, èn voor <i>Pittah</i> +niet minder, en ze bewonderend zit te bekijken dag na dag en van den +ochtend tot den avond, dáárin kunt <span class="pagenum"><a name="p223" id="p223"></a>[p.223]</span> ge een bewijs te meer zien, +zoo ge dit nog behoeft, dat zijn eigenlijke aard niet die eens +menschenscheppers is. Die is minnaar maar tevens <i>beheerscher</i> van zijn +wereld. Hij leeft wel <i>er in</i>, maar tevens <i>er boven.</i> Ook London heeft +zijn wereld lief en leeft erin, maar haar <i>beheerscher</i> voelt hij zich +<i>niet</i>. Hij is er niet "tevens <i>boven</i>," maar integendeel: er tevens +<i>beneden</i>: hij kijkt er tegen <i>op</i>.—Hiermede meen ik nu mijn +tweevoudige belofte te hebben vervuld. En een echt "verkwistende +diamantbewerker" als ik nu eenmaal ben, ga ik, na mijn eenen schuld te +hebben afgelost, onmiddellijk een tweeden aan: in nog een of twee +artikelen zullen wij het nu verder onverdeeld-prachtige Pittah, naar ik +mag hopen weder genietend bezien.</p> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<h3>IV</h3> + +<h5><i>De soort en hoedanigheden der psychologie. De dramatiek</i>.</h5> + + +<p>Gelijk London als schepper van eenzijdige personificaties als ware 't +een overgangsvorm vertegenwoordigt tusschen den van allen +figuur-scheppenden aanleg ontblooten schrijveren den grooten +menschenschepper, zoo blijkt ook in verreweg het grootste deel van zijn +zielkundigen arbeid in ons boek, zijne psychologie tot wat men eene +tusschensoort zou kunnen noemen te behooren. Men kan namelijk m.i. alle +in literair figuurscheppend kunstwerk voorkomende psychologie naar hare +herkomst in drie groepen verdeelen; met andere woorden: er blijkt ons, +dat psychologisch begrijpen op drie hoofdwijzen mogelijk is. Die, welke +wij de eerste wijze zullen heeten, omdat zij de schoonste en machtigste +want meest omvattende is, is de <i>intuïtieve</i>: het begrijpen uit het +onbewuste; het begrijpen zonder bewuste poging daartoe; de <i>ontvangenis</i> +van het <i>inzicht</i> als een <i>geschonken</i> openbaring. Deze wijze van +psychologisch doorgronden, zij moge als <i>intermitteerende</i> gave ook geen +enkelen der kleinere kunstenaars onbekend zijn, is toch, als eene +<i>geheel</i> het werk karakteriseerende eigenschap, slechts bij de +allergrootsten te vinden. Zoo mocht dan ook Balzac haar de zijne noemen, +en ik <span class="pagenum"><a name="p224" id="p224"></a>[p.224]</span> spreek u juist van hem, eerder dan van een zijner +evenknieën, omdat niet alleen uit zijn wèrk blijkt, dat bij op dèze +wijze psychologisch-begreep, maar hij ook heeft medegedeeld, dat en hoe +hij 't vermogen daartoe bezat. Ik doel hier op eenige weinige, maar veel +van hetgeen ik hier zei practisch toelichtende woorden uit zijn <i>Facino +Cane</i>, en 't zij mij veroorloofd de vertaling daarvan even uit mijn +eersten bundel <i>Over Literatuur</i> over te schrijven:</p> + +<div class="blockquot"><p>Bij mij was het <i>opmerken intuïtief geworden</i>,<a name="FNanchor_8_47" id="FNanchor_8_47"></a><a href="#Footnote_8_47" class="fnanchor">[8]</a> het drong door +tot in de ziel zonder het lichaam te verwaarloozen, of beter +gezegd: het doorgrondde zoo goed de uiterlijke détails, dat het ook +onmiddellijk hun keerzijde begreep; het gaf mij het vermogen zelf +het leven van het individu te leven, met wien het zich bezighield, +door mij te veroorloven mij in zijn plaats te stellen, zooals de +derwisch der Duizend en een Nacht lichaam en ziel aannam der +personen over wie hij zijn tooverformulier uitsprak.</p></div> + +<p>Noemde ik deze wijze de schoonste en machtigste, de daaraan +tegengestelde is niet slechts haar contrast, omdat zij de minst machtige +van de drie is, maar vooral wijl zij die van het <i>bewust</i>-begrijpen is, +het <i>eindelijk-bereiken</i> van het inzicht na vele <i>wel-bewuste pogingen</i> +daartoe, en dus <i>niet</i> de <i>ontvangenis</i> van het inzicht maar de +<i>verovering</i> ervan. Bij de eerste is zien en begrijpen één—hoe goed +teekent Balzac het <i>plotse</i> en <i>wonderlijke</i> gebeuren ervan als hij +zegt: "zooals de derwisch <i>lichaam en ziel</i> aannam der personen over wie +hij <i>zijn tooverformulier uitsprak"</i>—bij de tweede ontstaat het +begrijpen pas uit een min of meer langdurig denkproces; bij de eerste +<i>wordt</i> de psycholoog degeen dien hij begrijpt: hij begrijpt dien ander +uit dien <i>ander</i>-zelf; bij de laatste <i>vergelijkt</i> de psycholoog +dengeen, dien hij wil begrijpen, met zichzelf en begrijpt dien +ander—natuurlijk veel minder volkomen—uit <i>zich</i>-zelf. En nu is het +zeer opmerkelijk te zien, hoe ook hier weer de wijze, welke tusschen +deze beide ligt, die van London is: hij doet als eerste van een zekere +reeks psychologische inzichten vaak eene <i>intuïtieve</i> vondst, maar dan +houdt weer voor een wijl alle intuïtie bij hem op <span class="pagenum"><a name="p225" id="p225"></a>[p.225]</span> en op dien +eenen intuïtieven grondslag bouwt hij dan vervolgens, aldoor +klaarblijkelijk puttend uit vergelijking met eigen psychische werkingen +en uit wat hem van elders uit de zielkundige behandeling van een +<i>soortgelijk</i> onderwerp bekend is, zijne verdere inzichten op, en dat +soms in een betoogachtigen trant, die levendig herinnert aan de +werkwijze der wijsgeerige logica: <i>daar</i> als premisse: het axioma; +<i>hier</i> als premisse: het intuïtieve inzicht.—</p> + +<p>Zoo is het psychologisch doorgronden, dat het jonge wolfje den ingang +van het hol als "een <i>muur</i> van witheid" ziet,<a name="FNanchor_9_48" id="FNanchor_9_48"></a><a href="#Footnote_9_48" class="fnanchor">[9]</a> een geniale en +intuïtieve vondst, maar bijna al het overige wat, in verband daarmede en +buiten dat verband, over het zich ontwikkelende bewustzijn van het jonge +wolfje wordt vertèld, is een naar de sfeer van het <i>dierleven +overgebracht</i> stuk psychisch <i>menschen</i>leven, zooals men zich dat altijd +heeft voorgesteld te zijn in de allereerste maanden, de +zuigelingmaanden, der ontwikkeling. Er treft hier niets als een geniale +vondst, die je een schok van bewondering zou geven, maar men wordt eene +koele schoonheid van geleidelijke ontplooiing gewaar, waarin men zich +kalm vermeit. En zoodra men terdege zijne gevoelens ontleedt, dan merkt +men, dat men wel bij eene vondst, als die van den "muur van witheid," +het trillende en emotionneerende mooi der <i>intuïtieve psychologie</i> heeft +ontmoet—bewonderenswaardig èn door haar adelaargelijke, bliksemsnelle +<i>manier</i> van ontdekken èn door <i>wat</i> zij ontdekt—maar bij al dat andere +niet anders heeft genoten dan de strakke schoonheid van het <i>logisch +denken</i>, en wel die bepaalde soort ervan, welke men het logisch +hèr-denken zou kunnen noemen, dat niet schoon is door het vreemde, het +nieuwe, het bijzondere van wat het vindt, maar louter door zijn <i>wezen</i> +van logisch-denken-<i>zelf</i>; zooals voor een dalbewoner, die met een +verrekijker gewapend, een bergbestijger naoogt, die bergbestijger niet +schoon is door de schoonheid van den berg dien hij bestijgt, maar door +het menschelijk mooi van moed, lenigheid, spierkracht, en zekerheid, dat +tot zijn wezen behoort en zich toont in zijn <i>gang</i> en <i>houding</i>. En als +<span class="pagenum"><a name="p226" id="p226"></a>[p.226]</span> ge nu eens goed en duidelijk het onderscheid wilt voelen—ik +hóóp althans, dat ge 't zult kùnnen—tusschen het schokkende, +overstelpende schoon der <i>intuïtief</i>-psychologische <i>vondst</i> en het +kalme, zich geleidelijk ontplooiende mooi der <i>logische redenatie</i>, die +een <i>psychologisch verhandelinkje</i> ten beste geeft, dan moet ge even het +einde van blz. 48 en het begin van 49 lezen. Ziehier (het wolfje +staat—op het punt van in zijns moeders afwezigheid het hol te +verlaten—in den "muur van witheid", in den uitgang):</p> + +<div class="blockquot"><p>Een groote vrees bekroop hem. Dat was nog meer van het vreeselijke +onbekende. Hij hurkte neer op het uiterste randje van het hol en +keek de wereld in. Hij was erg bang. Omdat het hem vreemd was, leek +het hem een gevaar. Daarom stond zijn haar op zijn rug overeind en +trok hij zijn lippen op in een poging tot een woest en +vreesaanjagend gegrom. <i>Uit kleinheid en angst daagde hij de heele, +wijde wereld dreigend uit</i>.</p></div> + +<p>Hebt ge goed op dit stukje, hebt ge vooral goed op den door mij +gecursiveerden zin gelet? Op dat levende en levendige psychologisch +besef èn besef van verhouding? <i>Trof</i> u niet die laatste zin vooral, als +eene schitterende vondst, èn in doorgronding èn in zegging...?—Lees +nu even verder, een enkelen regel maar:</p> + +<div class="blockquot"><p>Er gebeurde niets.</p> + + +<p>Hij bleef kijken en in zijn belangstelling vergat hij te grommen. +Hij vergat ook bang te zijn. <i>Vrees was tegelijk door Groei +overwonnen, terwijl Groei den vorm van Nieuwsgierigheid had +aangenomen.</i><a name="FNanchor_10_49" id="FNanchor_10_49"></a><a href="#Footnote_10_49" class="fnanchor">[10]</a></p></div> + +<p>Dit laatste, niet waar, is louter het koeler mooi van het scherpzinnig +logisch-psychologisch verhandelen; de toon is interessant-doceerend en +gij-zelf komt in een staat van leerling-gewillig mooi-vinden. Deze +regels zijn dan ook voortzetting en slot van het een bladzij vroeger +gehouden betoogje: hoe "instinct en wet gehoorzaamheid van hem eischen," +maar "de Groei, ongehoorzaamheid," zijn moeder en Vrees hem terughouden +<span class="pagenum"><a name="p227" id="p227"></a>[p.227]</span> van den "witten muur" en Groei daarentegen hem erheen drijft. En toch, +door uw koeler mooivinden heen voelt ge een warmer genot aanluwen: ja, +ziet ge, zooals ik reeds zei, ge hebt wel die ontleding der eerste +ontwikkelingsverschijnselen van het bewustzijn al zoo dikwijls gehoord, +maar wat ge nooit hadt gehoord of gelezen, is wat de schrijver hier +ermee doet: die ontleding toepassen op het bewustzijn van het <i>dier</i>. +Dit nieuwe, dit gewaagde en geslaagde nieuwe is het dat er die warmer, +die inniger bekoring aan geeft. Onze kunstenaar modelleert hier het +kostbare en zware kleed van oude logische schoonheid tot het +verrukkelijk past om de statuur van een nieuwen drager: een nieuw +<i>gegeven</i>....—Anders gezegd: de <i>belichtende</i> zon is helaas niet uit +zijn scheppershanden gekomen, maar de nieuwe vruchtvariëteit, die ge +ziet rijpen in 't licht, dankt wel degelijk aan zijn hovenierschap haar +ontstaan....—</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Maar dan: heel dat koel docent- en verhandelaarsachtige verliest London, +zoodra hij gelegenheid krijgt zijne waarlijk-geweldige <i>dramatische</i> +kracht in 't spel te brengen; dan vergeet hij alles wat door anderen +geleerd is omtrent mensch- of dier-psychologie. Hij wordt de <i>geniale +ontdekker</i> en de <i>stralend-levende</i> beelder. Zie hem de <i>sexueele</i> +liefde dramatisch behandelen: het gevecht tusschen de drie +mannetjes-wolven om het wijfje. Hoe is hier alles leven en +waarachtigheid, in dien hoogen zin, dat het leven er zich in een nieuwer +en smetteloozer glans van waarheid ont-dekt; hoe krijgt hier het +vluchtig, hartstochtelijk en spannend moment een aspect van statig +eeuwigheidsleven, doordat de diepste grond der sentimenten wordt gezien. +Hier wordt niet geredeneerd, niet verhandeld; elke observatie van den +auteur is raak, want <i>intuïtief</i> en bliksem-hel door hem zelf gezien, +zóó gezien, dat in het uiterlijkheidsleven het innerlijk ligt onthuld. +Het is de waarlijk-lèvende, schèppende psychologie, die geen <i>spraak</i> +behoeft, omdat zij zichzelf <i>beeldt</i>; die geen logische denkmanier heeft +van noode, omdat zij de spontane logica, de logiek van het +natuurleven-zèlf is....</p> + +<p><span class="pagenum"><a name="p228" id="p228"></a>[p.228]</span> Zie eens den ouden wolf in zijn <i>ervaringswijsheid</i> gebruik +maken van het oogenblik, dat zijn nog overgebleven jonge mededinger hem +onachtzaam de onbeschermde bocht van zijn hals toewendt, om in één +scheurenden ruk den grooten slagader door te bijten; zie de wolvin, +<i>gevleid</i> door het haar huldigende doodelijke minnespel "<i>lachend</i>" +zitten toekijken op het besneeuwde veld.... En is het u niet bij die en +de vele dergelijke tooneelen of op de u woest voorbij gezwaaide toorts +der <i>dramatiek</i> nu waarlijk de <i>vlam</i> der <i>psychologie</i> de verre +duisters doorschicht?</p> + +<p>Let ook op de dramatiek der ouder- en kinder-liefde: de moeder roovend +de jongen uit het hol van de lynx, om in den tijd van hongersnood haar +nog overlevend wolfje te voeden; het gevecht met de lynx; of Pittah na +'n jaar zijn moeder weer ontmoetend: hij springt haar vroolijk tegemoet, +zij—een wolfmoeder vergeet haar jongen van een vorig jaar—herkent hem +niet meer en haalt hem vinnig den kop open. Lees, bij het allereerste +ontstaan van het jacht-instinct bij het jonge wolfje, zijn avonturen op +den eersten dag: na en nog midden-in al het docentachtige, geleerde +verhandelen over de eerste ontwikkelingsgang in het diertje, wordt door +de <i>dramatische spanning</i> van het door den <i>kunstenaar</i> London gebeelde +gebeuren, ook de kunstenaar in den <i>psycholoog</i> London gewekt: het vecht +en moord-genot in volle hevigheid van trillend leven in de ziel van het +wolfje voelt ge na: als hij het nest met de jonge vogels vindt, ze +verslindt en daarna den kamp met het moeder-sneeuwhoen onderstaat; zijn +schrik en zijn begrijpen van wat dit ook hem te leeren heeft, als hij +een "gevederde pijl", een havik, ziet neerschieten, het sneeuwhoen +grijpen en met het angstkrijschende dier in de klauwen opwaarts vliegen; +met nog op het einde dier magnifieke eerste-dag-episode, die scène van +moederliefde, als de wolvin haar kind, dat dreigt door een wezel te +worden doodgebeten, nog net bijtijds redt.—Bedenk ook wat een +prachtig-gave dramatiek en dus ook <i>dramatisch</i> zich uiten de +<i>psychologie</i> aan den dag treedt in dat tooneel tusschen den ouden wolf +Eénoog, verscholen achter pijnboomen, de lynx en het stekelvarken:</p> + +<div class="blockquot"><p><span class="pagenum"><a name="p229" id="p229"></a>[p.229]</span> Een half uur verliep—een uur—en er gebeurde niets. De +stekelbal had, wat onbewegelijkheid betreft, best van steen kunnen +zijn, de lynx van marmer; en de oude Eénoog had een dood dier +kunnen wezen. En toch waren de drie dieren vol intense spanning en +nooit waren zij meer levend geweest dan toen zij dood schenen.</p> + +<p>Eénoog bewoog zich eventjes en staarde met toenemende spanning. Er +gebeurde iets. Het stekelvarken had eindelijk geloofd dat zijn +vijand was weggegaan. Langzaam, voorzichtig ontrolde het zijn +ondoordringbare wapenrusting—geen kwaad vermoedende.</p></div> + +<p>Of let eens op heel dat hartstocht- en conflict-volle leven van Pittah +te midden der hem vijandige jonge honden in het Indianenkamp, en later +onder de tyrannie van den half-krankzinnigen, gedegenereerden "Mooien +Smit." Het is geen toeval dat juist de dramatiek in dit boek den +<i>levenden</i> en <i>oorspronkelijken</i> dierpsycholoog London pas in zijn +<i>volle</i> kracht doet verschijnen. <i>Handeling</i> van het dier lijkt ons +immers wel de eenige toegangspoort, waardoor wij tot zijn ziel kunnen +geraken, en wanneer die handeling culmineert in het <i>conflict</i>, staat +die poort wel het wijdst open. En dus, zoodra we dit bedenken, vergeven +we onzen schrijver graag, dat waar de felle, aan conflicten rijke +handeling nog ontbreekt, hij meer logische redeneeringspsychologie dan +levende, intuïtieve zielkunde geeft. We vergeven hem, maar—vergeten +daarom nog niet, dat <i>de mèèst geniale intuïtie geenerlei toegangspoort +van noode heeft</i>....—.</p> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<h3>V</h3> + +<h5><i>De "groote lijn" in het werk</i>.</h5> + + +<p>Is London's verdienste als psycholoog en dramatisch beelder van het +dierleven dus groot, hij zou er geen aanspraak op kunnen maken, de +grondlegger, en naast St. Mars, Chisholm e.a. een der meest beteekenende +schrijvers van het moderne dier-epos te zijn, indien hij niet <span class="pagenum"><a name="p230" id="p230"></a>[p.230]</span> +waarlijk in <i>Pit-tah</i> een dier-<i>epos</i> hadde gegeven; indien hij niet +naast en doorheen de détails, ook de groote lijn in het oog hadde +gehouden en, niet tevreden met losse en, zooals de Engelschman ze noemt: +thrilling sketches uit het dierleven, een weloverwogen en, die eene fout +welke wij vroeger hebben opgemerkt daargelaten, uitstekend gecomponeerd +geheel had geschapen, dat opgang, middaghoogte en neergang van een leven +omsluit; een geheel, dat ook—en dit bedoel ik vooral met "de <i>groote</i> +lijn"—de geboorte, de stijging en den climax eener bepaalde gedachten- +en voorstellingengroep bevat. De gedachten-en voorstellingengroep +namelijk: hoe een natuurlijk-woest maar toch ook met liefdevollen aanleg +begiftigd dier, door de mishandeling der menschen en omstandigheden tot +een wezen van ònnatuurlijken en duivelschen haat vergroeit en hoe dan +weer de psychische verwrongenheid van datzelfde dier zich effent, recht +en opbloeit, onder den weldoenden invloed van goede menschen en gunstige +omstandigheden. Hierdoor heeft het boek een dieperen geestelijken +achtergrond gekregen, en men zal nimmermeer in verbeelding de vele +kleurige en boeiende tooneelen kunnen herzien, die zich afspelen vóór +dien achtergrond, zonder zich dien zelf als het allerschoonste te +herinneren. Want daar was, achter al dat wisselend en fel gebeur, een in +den aanvang nog ijl-wazig en vaag vertoonen, een vertoonen, dat zich +verduidelijkte al meer en meer, zoo dat het was, of elk tooneel, elke +figuur, als in bevallig spel, vóór te verdwijnen een lichtje neerzette +en achter liet, tot op het eind dat ijl-wazige en vage in den glans van +al die lichtjes hel-verklaard stond, en wij opgetogen begrepen wat het +ons wilde zeggen, neen wat het ons meer dan gezègd, wat het ons in en +door al die tooneelen had <i>gebeeld</i>: zich-zelf; want dóór heel dat +gebeuren bleek het nu voor onze oogen stillekens te zijn gegroeid, in +heel dat gebeuren zich langzamerhand te hebben <i>verwerkelijkt</i>, zoodat +wij eindelijk zagen wàt het is: de voorstelling, <i>hoe en waardoor de +liefde ook in het meest hatende wezen dringt, hoe en waardoor zij dit +vervormt tot iets van zich-zelf, en het daarmee meteen al het hoogst +voor hem bereikbare geluk brengt</i>.—</p> + +<p><span class="pagenum"><a name="p231" id="p231"></a>[p.231]</span> Dit karakter van ons boek: een verhaal van <b>de overwinning der +liefde</b> te zijn, staat weliswaar in niet-prettige tegenstelling tot het, +betrekkelijkerwijs gesproken, kleine menschscheppend talent en den +geringen ernst, waarmede de figuur is gebeeld—de mijn-expert Weedon +Scott—die voor Pittah de personificatie dier zijn haat overwinnende +liefde is. Het is dan ook misschien wel het moeilijkste dat er bestaat: +de liefde, zelfs maar eenigszins, te personifieeren, zonder een tikje +<i>zoetelijk te worden</i>—de figuur van "Mooien Smit," den duivel van +Pittah's hel, is dan ook beter geslaagd—maar omdat deze minder gelukte +menschbeelding voorkomt in een dierverhaal, en het dier- en +natuur-verhaal in onze meer-onbewuste verbeelding aan het <i>sprookje</i> is +verwant, waarin wij, zooals van zelf spreekt, 't nooit <i>zoo nauw met de +levenswaarheid der menschkarakters hebben genomen</i>, oefent deze +omstandigheid zoo min als de slecht-romantische toevalligheid van de Jim +Hall-episode op het einde, een bepaald-storenden invloed uit; en op stuk +van zaak verhóógen déze tekortkomingen misschien nog wel de bekoring van +het verhaal, die immers over 't algemeen aan het <i>kinderlijk-aanvallige +der naïveteit</i> niet vreemd is.—En hiermee zij dan de behandeling van +<i>Pittah de grijze Wolf</i> beëindigd.</p> + + +<p class="caption">Noten:</p> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_0_39" id="Footnote_0_39"></a><a href="#FNanchor_0_39"><span class="label">[0]</span></a>: Men zie het <i>Voorwoord</i> bij het didactisch gedeelte van +mijn eersten bundel <i>Over Literatuur</i>, mede ter verklaring van den +gemeenzamen stijl en de moraliseerende uitweidingen in de volgende +artikelen.—</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_40" id="Footnote_1_40"></a><a href="#FNanchor_1_40"><span class="label">[1]</span></a> Pittah, De Grijze Wolf, door Jack London, naar het Engelsen +door S.J. Barentz-Schönberg.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_41" id="Footnote_2_41"></a><a href="#FNanchor_2_41"><span class="label">[2]</span></a> Een en ander heb ik indertijd in <i>Het Jonge Leven</i> aan één +fabel uit het Pancatantra en één uit Aesopus gedemonstreerd. De +beschikbare ruimte liet mij echter niet toe, ook hier beide verhalen te +citeeren.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_42" id="Footnote_3_42"></a><a href="#FNanchor_3_42"><span class="label">[3]</span></a> Men zie hierover Herman Gorter's vermaarde essai: <i>Kritiek +op de Literaire Beweging van</i> '80 <i>in Rolland</i>.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_43" id="Footnote_4_43"></a><a href="#FNanchor_4_43"><span class="label">[4]</span></a> Cursiveering van den schrijver.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_5_44" id="Footnote_5_44"></a><a href="#FNanchor_5_44"><span class="label">[5]</span></a> ibidem.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_6_45" id="Footnote_6_45"></a><a href="#FNanchor_6_45"><span class="label">[6]</span></a> De laatste meester van <i>Pittah</i>, een ingenieur, die een +liefdevol dier van hem maakt.—</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_7_46" id="Footnote_7_46"></a><a href="#FNanchor_7_46"><span class="label">[7]</span></a> Uitsluitend in <i>Het Volk</i>, dus in vertaling, maar kon ik +derhalve, zooals ik op blz. 213 zei, niet met <i>afdoende</i> zekerheid +beslissen aan wien, schrijver of vertaalster, de toen gesignaleerde +beeld- en taalmalligheden waren te wijten, het is duidelyk, dat de thans +aangewezen schrijverseigenaardigheden onmogelijk die der vertaalster +zouden kunnen zijn.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_8_47" id="Footnote_8_47"></a><a href="#FNanchor_8_47"><span class="label">[8]</span></a> Cursiveering ran mij.—</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_9_48" id="Footnote_9_48"></a><a href="#FNanchor_9_48"><span class="label">[9]</span></a> Cursiveering van mij.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_10_49" id="Footnote_10_49"></a><a href="#FNanchor_10_49"><span class="label">[10]</span></a> Cursiveering van mij.</p></div> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<p class="pagenum"><a name="p232" id="p232"></a>[p.232]</p> +<h3>BEATRIJS</h3> +<p><a name="FNanchor_1_50" id="FNanchor_1_50"></a><a href="#Footnote_1_50" class="fnanchor">[1]</a></p> + + +<h4>Inleiding</h4> + +<h3>I</h3> + + +<p>Welk een enorme sprong! Van <i>Pittah, de grijze Wolf</i>, naar—de sproke +van <i>Beatrijs</i>.... Van den modernen Amerikaan uit het land van +fabelachtige weelde en den ongebreidelden levenshonger der felle +<i>aarde</i>-genieters, naar den middeleeuwschen smachter-naar-God, den +<i>hemel</i>-verwachter en -verlanger, den sobere van zeden en behoeften; van +den dichter van het <i>dier</i>-epos naar dien van het <i>God</i>-verheerlijkend +dicht. De afstand moge hem het grootst lijken, die gewend is de dingen +louter naar hun uiterlijk te waardeeren, toch: wat 'n sprong! En ik wil +je allen wel zeggen, dat ik hem 'n twintig jaar geleden niet zou hebben +gewaagd, bevreesd als ik zou zijn geweest, dat ik, na mijne heldendaad +mij omwendend, mijn heele mij zoo dierbare gezelschap van volgelingen +zou hebben gezien, zich wringend van 't lachen aan de overzijde van den +oversprongen afgrond, en, in stede van mij te volgen, mij uitjouwend om +mijn malle daad. "Wie heette jou te springen, jij nar," zoo zouden mijne +geliefde vakbroeders en -zusters mij ongetwijfeld achterna-gehoond +hebben, "wie heette jou te springen <span class="pagenum"><a name="p233" id="p233"></a>[p.233]</span> van uit ons moderne +goed-beloopbaar landje, òns +landje-van-Multatuli-Büchner-kracht-en-stof-Dageraads-atheïsme, enz. +enz. enz., naar dat ongelukkige strookje drijfzand van middeleeuwsch +bijgeloof, waar je je dood om kan gieren als je 'r alleen maar 'an +denkt; dien dommen tijd, toen ze zoo niks wisten en aan God en den +duivel, aan spoken en heksen geloofden. Dag! We groeten je, veramuseer +je in je eentje!" ....—En nòg, nù, nà die twintig jaar, en terwijl het +plàt- en stòm-materialistisch getij zoo heerlijk aan het verloopen is, +nòg zou ik geaarzeld hebben; want, moge er al eene enorme verbetering +zijn ontstaan, woont niet nog altijd de arbeider aan den zelfkant van +het geestelijk leven? Welk een storm moet niet zelfs heden ten dage in +het centrum opsteken, wil hij daar aan dien uitersten zoom, een vleugje +voelen tegen het hoofd! Maar, lieve vrienden en vriendinnen, schoon ik +derhalve wel weet, dat velen uwer nog altijd veel te vol van eene +zonderlinge levens<i>zekerheid</i> zijn; dat het leven hen nog immer al te +raadsel<i>loos</i> is, en dat hunne zekerheid òf door eene naïeve +onwetendheid wordt gedragen, òf door de, overigens natuurlijke, pratheid +op het jonge bezit van wat uitsluitend practisch-maatschappelijke kennis +wordt gestut, wat kennis, die vaak—en hoe kan 't anders na zoo +zorgelijke jeugd!—zoo weinig om het lijf heeft, dat ze zich heel het +leven precies zoo naakt, zoo open en duidelijk denkt als +zichzelf—ofschoon ik dit alles wel weet ... daar werd me een boekje +gezonden met de vraag: "Zou je dat niet eens willen behandelen in <i>Het +Jonge Leven</i>?" Ik bekeek het boekje en toen, onmiddellijk, werd mij de +verzoeking al te groot: òf ik 't wilde, en hoe graag! En bovendien: ik +bekeek ook den breeden rug van den zender en bedacht plots met gnuivend +genoegen, dat die best de helft zou kunnen dragen van mijne misdaad, te +spreken over mystiek, middeleeuwsch godsgeloof en een middelnederlandsch +gedicht. En zoo besloot ik, u met dit alles—schoon niet dan +betrekkelijk vluchtig—op het lijf te vallen. Hoe het boekje heette, ja +dat weet ge nu al; uw nieuwsgierig gezicht geldt natuurlijk den breeden +rug.... Welnu ... maar sjt! hoor ... die rug was van Henri Polak....—</p> + + +<p class="caption">Noot:</p> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_50" id="Footnote_1_50"></a><a href="#FNanchor_1_50"><span class="label">[1]</span></a> <i>Naar aanleiding van: "Beatrijs, Het Middelnederlandsch +Gedicht in Proza naverteld" door B.J. Spitz. "De Zonnebloem" Apeldoorn</i>, +1916.</p></div> + + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<p class="pagenum"><a name="p234" id="p234"></a>[p.234]</p> +<h3>II</h3> + + +<p>Bijna immer wanneer de menschelijke geest een van zijne hoogste en +felste <i>helderziendheden</i> bereikt, ontkomt hij niet aan eene +<i>verblinding</i>. Die verblinding en helderziendheid bestaan dan +gelijktijdig met elkaar. Hij is als een hemel die blind wordt aan zijn +zonneoog als zijn sterren-oogen gaan glanzen. Men spreekt van de +eenzijdigheid sommiger genieën; over de zedeloosheid, het heenloopen +over, en vertreden van alles—behalve hun kunst—van sommige groote +kunstenaars; maar dat eenzijdige en die zede- en gewetenloosheid, zij +zijn van niets anders het gevolg dan van die verblinding welke hunne +helderziendheid begeleidt. Men bewondert de groote mannen, van wie men +zegt, dat zij hun gansche leven lang heel hun wilskracht, heel hun +kunnen op één machtig doel concentreerden en door niets daarbuiten zich +lieten afleiden, máár—denkt men dan werkelijk, dat iets hen had kùnnen +afleiden? Begrijpt men dan niet, dat deze helderzienden van, en daardoor +<i>geboeiden</i> door, dit ééne, <i>blind</i> waren voor al 't andere? En ook elke +tijd—voor zoover hij niet middelmatig was—vertoont, als +complex-van-geestelijkheid beschouwd, die +helderziendheid-èn-verblinding. De negentiende eeuw, die eeuw van +wetenschappelijke stofvergoding, die tijd van weergalooze ontdekkingen +op het gebied der exacte wetenschappen en techniek: hàre helderziendheid +in de analyse werd vergezeld van blindheid voor de allerhoogste +synthese: al te gelukkig slagend in de ontleding—en niettemin voor hoe +klein een deel zelfs daar!—van het stoffelijk samenstel der wereld, had +zij bijna volkomen het innerlijk en innig-ziend gezicht op den Eenenden +Grond van 't Al verloren. Vandaar indertijd—als drab van toch heel +kostbaren wijn—uw vergoding van sommige Multatulianismen, ùw ontkenning +van alles wat ge niet stoffelijk zaagt bestaan.—Anders, neen juist het +tegenovergestelde, de middeleeuwen, waarheen ons huidig onderwerp ons +voert. Daar bestond juist de <i>helderziendheid</i> in het onderkennen van +den <i>Eenenden Grònd</i>, die tevens de innerlijke <span class="pagenum"><a name="p235" id="p235"></a>[p.235]</span> <i>Hèmel</i> van de +menschenziel is, en de <i>blindheid</i> openbaarde zich, in de +geringschatting van, ja de minachting voor het aardsche-als-zoodanig, +het uiterlijke en vooral: het innerlijk-aardsche. Groote daden vlamden +op uit dien tijd, die het kenmerk van dèze helderziendheid-en-blindheid +droegen: de kruistochten, trots al hunne ontaarding; de kruistochten, +ònzaliger maar toch wel degelijk ook zaliger nagedachtenis, mengsel van +afgrijselijke bestialiteit en duivelsche wreedheid, maar ook van een in +onzen tijd bijna ondenkbare godsliefde als zij waren. En zoete gedachten +bloeiden op uit dien tijd ... ach neen, het zijn geen gedàchten, het is +een voelen, dat zwijmelt van liefde; het is een wierook, die maar één +vat ontstijgen kan: de reinste ziel. De groote Jan van Ruusbroec bouwt +er zijn cathedralen van proza, zijne tuinen van +proza—vergoddelijkt-geziene natuurbeelden—vàn én er om heen, en de +"hemellawerke" Hildewijch weeft er droomig en vurig-in-haar-droom, haar +zoete, stil-gestemde, wazig-glorende zangen van, ziet er, als scherp +omlijnde vlamfiguren uit een wemelend vuur, ook haar visioenen aan +ontstijgen.<a name="FNanchor_2_51" id="FNanchor_2_51"></a><a href="#Footnote_2_51" class="fnanchor">[2]</a> Beiden spreken van, leven in en voor de "minne"; voor +beiden is het leven: liefde: tot God; liefde, die vaak door vreeselijken +strijd—als is dit niet bij Ruusbroec het geval—en uitputtende +worstelingen heen, God als 't ware noopt zich in de Hem lievende ziel te +verwerkelijken, zoodat zij één wordt met Hem, zoo niet "in naturen" dan +toch "in minnen"<a name="FNanchor_3_52" id="FNanchor_3_52"></a><a href="#Footnote_3_52" class="fnanchor">[3]</a>; beiden spreken dezelfde taal, het woord dier zoete +erkentenis van 's menschen wordende goddelijkheid, waarvan alle volken +eens de waarachtigheid hebben gevoeld. Het is één <span class="pagenum"><a name="p236" id="p236"></a>[p.236]</span> gevoel, dat +van de Indische Gîta, van den Hebreeuwschen Sjirha-Sjirim, van Ruusbroec +en van Hildewijch. <i>Het is het gevoel der mystiek in zijn hoogste +potentie</i>. Hoe begrijpt men dan ook, dat deze twee Grooten en Schoonen +juist door den Sjirha-Sjirim, het <i>Lied-der-Liederen,</i> zoo werden +verrukt.—</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Het is het levensgevoel der mystiek, wat deze allen gemeen hebben, zei +ik. En tevens duidde ik vluchtig aan, hoè dat levensgevoel zich aan de +voelers-zelve en door hun werken aan ons openbaarde. Maar zoo ge mij +zoudt zeggen, dat ge daaraan niet genoeg hebt en eene zuivere en +scherp-omlijnde definitie begeert, wel dan zou ik U moeten antwoorden, +dat ge een dwaas verlangen uit en ik wel een heel erg ijdele poseur en +droogstoppel zou moeten wezen, om aan dat verlangen toe te geven. Een +dergelijke definitie zou slechts den naam, niet het wezen definieeren, +en zij heeft groote kans, juist omdat hier het wezen zoo hoog en ver aan +zijn naam is ontgroeid, den weetgierige op een dwaalspoor te brengen. +Ja, zelfs al de etymologie van het woord, die terugvoert naar een +Grieksch, dat zooveel als ingewijde in een geheim-symbolischen +gods-dienst beteekent, zou u onmiddellijk aan de-hemel-mag-weten welken +hokuspokus en toovenaarachtige ritualiën doen denken. En nochtans—hoe +ver is de mystiek, waarvan we hier spreken, van dergelijke dingen +verwijderd. Indien ik al met nog ièts mijn woorden van zooeven op dezen +oogenblik kan verduidelijken, dan, dunkt mij, kan het alleen dit zijn: +de mystieke levensstaat is: te leven in zulk een allerzuiverste en +allerinnigste liefde tot God, dat de aldus in volle overgave lievende +mensch zieh zijn eigen wezen voelt ontglippen en verloren gaan in het +wezen Gods, en, in stede dus van zich-zelf langer te voelen of te +kennen, God kent. Dit is <i>de</i> Mystiek, dit is de mystiek van het +<i>Lied-der-Liederen,</i> van Ruusbroec en van Hildewijch.... En voor thans +zij er hier genoeg van gezegd. Want konden ook deze weinige woorden +moeielijk gemist <span class="pagenum"><a name="p237" id="p237"></a>[p.237]</span> worden ter inleiding van de bespreking en het +begrijpelijk maken van het religieus gevoel, waaruit de wonder-teere en +zoete sproke van Beatrijs is opgebloeid, toch zijn diè mystiek en dat +religieus voelen, ofschoon men, en terecht, ook dat van mystischen aard +acht, <i>niet</i> één. Maar de eerste verhoudt zich hier tot het laatste, +zooals een <i>ding</i> zich tot <i>het vermogen om dat ding te beelden</i> +verhoudt, of een <i>daad</i> tot het <i>vermogen om van die daad</i> te +<i>verhalen</i>. Immers: de <i>beelder van een ding</i> en de <i>verhaler van een +daad</i>, moeten wel, verondersteld dat hunne beelding en hun verhaal goed +zijn, een zeer diep en klaar inzicht in de natuur van dat ding en die +daad hebben, maar daarom bezitten zij-zelf de eigenschappen van dat ding +nog niet, en daarom zijn zijzelf nog niet in staat die daad te doen. En +zoo nu, dunkt mij precies, de verhouding tusschen Ruusbroec en +Hildewijch eenerzijds en den onbekenden dichter der <i>Beatrijs</i> +anderzijds. De eersten <i>zijn</i> mystieken en hun werk <i>is</i>, in zijn hoogst +bereiken, een mystiek-gebeuren—dat is dus eene versmelting in liefde +van de menschenziel in God—; de laatste is een <i>aanschouwer en +doorproever</i> van een mystiek gebeuren en zijn werk is een <i>beelding</i> +daarvan, en goed beschouwd is het zelfs dit niet zuiver, maar beeldt het +<i>voornamelijk</i> een <i>gevolg</i> van een in een mensch ten deele zelfs +<i>verleden</i> en <i>verwelkte</i> mystieke liefde, zij het een allerschoonst en +heerlijk gevolg: een "mirakel," waarin een incarnatie van het +Goddelijke, de "soete en suivere Maghet" voor een zwak geworden en in +haar Godsliefde te kort schietende non, den last opneemt en het werk +verricht, door haar van zich geworpen en verlaten ....—Maar dan ook +juist daarom: omdat dit dicht—dat tot de schoonste nalatenschap der +middeleeuwen behoort—niet uit het allerhoogste mystieke +levensgevoel-zelf is geschreven, doch er niet meer dan een reine +nà-klank van is, leek het mij ook als uw eerste in-leiding in die meest +verheven sfeer der middeleeuwsche letterkunde niet al te zwaar. Waarbij +nog dìt komt: in de <i>Beatrijs</i> wordt vooral dàt moment in het mystieke +gebeuren gebeeld, waarop, zooals ik reeds zooeven aanduidde, <i>de liefde +van een mensch tot het Goddelijke verflauwt, en het Goddelijke, in +overgroote genade, uit eigen onbegrensde</i> <span class="pagenum"><a name="p238" id="p238"></a>[p.238]</span> <i>liefdeschat de +ontstane leegte vult</i>, en welnu: dàt moment juist vindt zoo diepen +weerklank in het hart van <i>ons: moderne menschen</i>. De pure en +standvastige zielen van Ruusbroec en Hildewijch staan ver van ons ... +maar het vallen-en-opstaan van Beatrijs, het vallen-en-opstaan, dàt is +het ònze. In Beatrijs ontmoeten de heilige en zondaar elkaar ... in wien +onzer doen zij dit niet? Het is dan ook daarom een algemeen menschelijk +verhaal, deze vertelling van de non, die heimelijk haar klooster +verlaat, om de stem harer aardsche liefde te volgen; die later in de +laagste ontucht leven zal en voor wie in hare afwezigheid de "Fonteyne +boven alle wiven" Maria, in de gedaante der ontrouwe, veertien jaar lang +dier dagelijksche taak waarneemt, zoodat hare zonde "bedekt wordt voor +der menschen oogen" en zij later, zat van aardsche vreugde en leed, +weer, onverdacht van elke smet, tot haar oude klooster inkeeren kan en +een heilig leven hervatten. Het is een verhaal van háár, maar óók—van u +en mij; van háár tijd maar ook van de ònze. Het is een ééuwig +verhaal....—Luister! luister even, hoe het als ware 't de schoonst +denkbare verluchting is van dat troostrijk woord, dat vier eeuwen later +de groote Milton neerschreef:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">. . . . . . . . . . . . . . . . .</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Or, if virtue feeble were,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Heaven itself would stoop to her.</span><br /> +</p> + +<p>Dat is toch ook onze hoop, niet waar, of we 't ons willen bekennen of +niet, en wàt ons ook de hemel lijkt en wie ook onze God is: in onze +onvermijdbare zwakheid toch zóó sterk te blijven, dat we 't geschénk van +méérdere kracht niet onwaardig zijn. In onze onontkoombare slechtheid +toch zoo naar-'t-goede-strevend te blijven, dat we de ontkieming in ons +van zuiverder goedheid niet onwaardig zijn—gelijk in haar zwakte +Beatrijs streefde en bleef. Laat ons dan diep en geduldig in dezen +spiegel zien, vrienden.... De volgende maal zal ik een aanvang maken met +het verhaal-zelf te bespreken om dan vervolgens de Middel-Nederlandsche +<i>Beatrijs</i> met deze <i>Navertelling</i> en de <i>Beatrijs</i> van Boutens critisch +te vergelijken, en wellicht zult ge dit dan toch niet geheel +ongenietelijk vinden.</p> + + +<p class="caption">Noten:</p> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_51" id="Footnote_2_51"></a><a href="#FNanchor_2_51"><span class="label">[2]</span></a> Men kan ze vertaald vinden in <i>De Beweging</i>, Juni en Juli +'17, door Albert Verwey. Bij het lezen harer "Geestelijke Liederen" kan +de dissertatie van Dr. Johanna Snellen van groote waarde zijn, en de +daarbij gevoegde woordenlijst doet zeker het eventueel gemis van een +Middelnederlandsch woordenboek minder gevoelen.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_52" id="Footnote_3_52"></a><a href="#FNanchor_3_52"><span class="label">[3]</span></a> Terloops zij hier even opgemerkt, dat met deze beperking: +niet "in naturen", Ruusbroec de opgaande lijn zijner mystiek breekt en +haar verhindert den top te bereiken, waarheen de groote mystiek van heel +de wereld altijd heeft gestreefd. Of zijn rede hem hiertoe bewoog, +zooals Prof. Kalff zegt, en niet veeleer de Roomsche kerkleer?...</p></div> + + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<p class="pagenum"><a name="p239" id="p239"></a>[p.239] +</p> +<h3>III</h3> +<h4>De Middelnederlandsche Beatrijs</h4> + + +<p>Ik ga dus thans allereerst van de Middelnederlandsche Beatrijs verhalen. +Zal ik sòms den inhoud wat kort moeten samenvatten, een ander maal zal +ik weer wat uitvoeriger kunnen zijn. Citaten zullen mijn verhaal +verlevendigen en om het verstaan dier Middel-Nederlandsche aanhalingen +te vergemakkelijken, zal ik <i>naast</i> den aangehaalden tekstregel, die +geheel of gedeeltelijk verklaring of vertaling behoeft, +<i>woordverklaringen</i> plaatsen. Vermeden wordt immers hiermede het lastig +en storend gekijk naar den voet der kolommen, waar anders soortgelijke +toelichtingen staan. Een cijfertje <i>achter</i> het te vertalen woord of den +geheelen regel, hetzelfde cijfer <i>voor</i> de vertaling of verklaring, op, +voor zoover althans typographisch mogelijk, dezelfde linie, en wij zijn +op 't makkelijkst geholpen.—Het spreekt vanzelf, dat, indien ge belang +mocht stellen in zekere bijzonderheden, die de herkomst van ons +verhalend dicht betreffen, zooals, bijvoorbeeld: wèlke naar alle +waarschijnlijkheid de boeken waren, waarvan, zooals ge onmiddellijk zien +zult, in den aanvang van het verhaal sprake is, ik volstaan kan met U +naar literatuurhistorici als Te Winkel en Kalff te verwijzen, of naar de +tekstuitgave, met toelichting en woordenlijst, van Jonckbloet. Hunne +desbetreffende mededeelingen hier over te schrijven, zou ruimte kosten +en heeft niet den minsten zin, daar zij uw begrijpen en genieten van het +aloude gedicht-zelf in geen enkel opzicht zouden kunnen versterken, en +juist dat begrijpend-genieten het eenige is, waarom het mij, thàns als +immer, te doen is. Welaan dan, luistert!</p> + +<p>Na eene korte vermelding van de redenen, die hem tot dichten nopen, +verklaart de schrijver het mirakel van Beatrijs gehoord te hebben van +een "out ghedaghet man," die het verhaal in zijne boeken <span class="pagenum"><a name="p240" id="p240"></a>[p.240]</span> had +gevonden. Beatrijs dan was "hovesch (beschaafd, welgemanierd) ende +subtyl (fijn) van seden," en de dichter meent, dat men haars-gelijke +tevergeefs zou zoeken. Nochtans dunkt het hem niet voegzaam over hare +lijfelijke schoonheid uit te weiden; liever vertelt hij van hare +dagelijksche taak in 't klooster. Na dit gedaan te hebben vaart hij +voort:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Dese joffrouwe en was niet sonder</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Der minnen<span class="sup"><sup>1</sup>)</span>, die groot wonder <span class="sup">[<sup>1</sup>) de liefde]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Pleecht te werken achter<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> lande.<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <span class="sup">[<sup>1</sup>) <sup>1</sup>) overal]</span>.</span><br /> +</p> + +<p>en schildert welsprekend de onweerstaanbare macht en dwang der liefde. +En, zegt hij, als men daaraan denkt, dan zal men wel inzien, dat:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Hier omne en darfmen niet veronnen<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <span class="sup">[<sup>1</sup>) Men hierom niet mag hard vallen]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Der nonnen, dat si ne conste ontgaen<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) de non, dat zij niet kon ontkomen aan]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Der minnen, diese hilt<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> gevaen;<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) hield gevangen]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Want die duvel altoes begheert</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Den mensch te becorne<span class="sup"><sup>1</sup>)</span>, ende niet en cesseert,<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) te verleiden. <sup>2</sup>) en houdt niet op]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dagh ende nacht, spade ende vroe,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Hine doetersine macht toe.<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Doet hij er zijn best voor]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Met quader liste, als hi wel conde,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) zoo goed hij kon)</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Becordise<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> met <i>vleescheliker sonden</i>, <span class="sup">[<sup>1</sup>) bracht hij haar in verzoeking]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Die nonne, dat si sterven waende.</span><br /> +</p> + +<p>Ik heb twee woorden in den voorlaatsten versregel gecursiveerd: ge ziet, +onze dichter windt er geen doekjes om. Het is dan ook een der schoonste +eigenschappen van dit middeleeuwsche gedicht, dat het <i>allerminst zijne +verhevenheid ontleent aan de wegdoezeling van de nooden en zorgen der +nederigste menschelijkheid en van het dagelijksche leven.</i> Het laat het +licht van zijn mirakel schijnen over den gansch <i>niet vermooiden</i> bodem +der maatschappelijke en gewoon-menschelijke <span class="pagenum"><a name="p241" id="p241"></a>[p.241]</span> realiteit. En schoon +deze eigenschap, gelijk nog zooveel anders, U wel <i>het duidelijkst zal +opvallen,</i> wanneer wij <i>er aan toe zijn, deze Middelnederlandsche met +Bouten's Beatrijs te vergelijken</i>, wilde ik er toch reeds thans uwe +aandacht op vestigen en zal ook daarmede voortgaan.</p> + +<p>Afgestreden, voelt Beatrijs nu, niet langer in het klooster te kunnen +blijven:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Ic moet leiden een ander leven,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dit abyt<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> moet ic begheven.<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) kloosterkleed. <sup>2</sup>) afleggen]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Nu hort hoeter<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> na verghinc: <span class="sup">[<sup>1</sup>) hoe het haar]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Si sende om den jonghelinc,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Daer si toe hadde grote lieve,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ootmoedelyc met enen brieve,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dat hi saen<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> te hare quame, <span class="sup">[<sup>1</sup>) spoedig]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Daer laghe are sine vrame<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Daaraan zou ook hem veel gelegen zyn.]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Die bode ghinc daer de jonghelinc was.</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Hi nam den brief ende las,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Die hem sende sijn vriendinne.</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Hoe was hi blide in sinen sinne!</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Hi haeste hem<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> te comen daer. <span class="sup">[<sup>1</sup>) zich]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Sint dat si out waren .XII. jaer</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Dwanc</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>die minne</i><span class="sup"><sup>2</sup>)</span> <i>dese twee</i>, <span class="sup">[<sup>1</sup>) Dwong, <sup>2</sup>) <i>liefde</i>]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dat si dogheden<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> menech wee, <span class="sup">[<sup>1</sup>) leden]</span></span><br /> +</p> + +<p>Ook hier weer—in mijn cursief—de <i>onverbloemde menschelijkheid:</i> met +eene <i>aardsche en onverwonnen liefde in 't hart</i>, is Beatrijs het +kloosterleven <i>ingetreden</i>, en zij heeft Jezus dus wel met den mond maar +niet met het hart tot Bruidegom verkoren....—Niet alleen, dat de mensch +ons hierdoor des te menschelijker wordt, maar het mirakel wordt er een +van des te gòddelijker genade.</p> + +<p>De jongeling is dus haastig kloosterwaarts gereden. Daar zeggen zij +elkander, hij vóór het getralied venster, zij erachter, onder heftige +bewogenheid hunne durende liefde. Hij stelt haar voor, haar mede te +voeren uit het klooster: wil zij hem den tijd zeggen, dat hij daartoe +wederkome, dan zal hij middelerwijl te haren behoeve allerhande fraaie +kleeren en het schoonste reisgerief koopen. Hij belooft, haar <span class="pagenum"><a name="p242" id="p242"></a>[p.242]</span> +nooit te zullen verlaten, wat hun beiden in de toekomst ook moge +overkomen. Het antwoord is wat ge denken kunt; maar om de kunst, +waarmede ook in dit antwoord alle <i>vooze overspanning</i> verre gehouden +is, en om de erin héérschende <i>reine kalmte eener ook kuische en sterke +liefde,</i> welke in hare meest supreeme oogenblikken het <i>contact met het +gewone dagelijksche leven</i> en hare <i>zorgelijke voorzienigheid</i> niet +verliest, noch, trots hare overgave, eene <i>maagdelijk-schroomvolle +terughoudendheid</i>, zal ik het even voor u afschrijven. De verzen waaruit +dat alles blijkt, cursiveer ik—in het laatste cursief vindt ge die +maagdelijke schroom vol teederheid—.</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">"Vercorne vrient," sprac die joncvrouwe,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">"Die<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> willic gherne van U ontfaen<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) Het pand zijner trouw, <sup>2</sup>) ontvangen]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ende met U soe verre gaen,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dat niemen wete in dit covent<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) klooster]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Werwaert dat wi syn bewent.<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) heengegaan]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Van tavont over .VIII. nachte</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Comt ende nemt mijns wachte<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) wacht mij]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Daer buten in den vergier<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) boomgaard]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Onder enen eglentier.</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Wacht daar mijns, <i>ic come uut</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Endewille wesen uwe bruut</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Te varene<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> daer ghi begheert <span class="sup">[<sup>1</sup>) te gaan]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>En si</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>dat mi siecheit</i><span class="sup"><sup>2)</sup>)</span> <i>deert</i>, <span class="sup">[<sup>1</sup>) tenzij, <sup>2</sup>) ziekte]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Ocht</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>sake die mi si te swaer,</i> <span class="sup">[<sup>1</sup>) of]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ic come sekerlike daer,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ende ic begheer van U sere</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dat ghi daer comt, <i>lieve jonchere</i>."</span><br /> +</p> + +<p>De jongeling gaat been, koopt de schoone kleederen en geschenken, +voorziet zich ook van vijf honderd pond zilver, rijdt op den afgesproken +tijd 's nachts weer naar het klooster en wacht daar Beatrijs in den +boomgaard.—De dichter zegt nu van hem te zullen zwijgen en te willen +verhalen, wat zij tezelfder tijd deed. Nadat zij hare gewone taak had +verricht en heel het klooster te ruste was gegaan,</p> + +<p class="pagenum"><a name="p243" id="p243"></a>[p.243]</p> +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Bleef si inden coer<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> alleene, <span class="sup">[<sup>1</sup>) hof]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ende si sprac haer ghebede,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Alsi te voren dicke<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> dede. <span class="sup">[<sup>1</sup>) dikwijls]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Si cnielde vorden outaer<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) altaar]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ende sprac met groten vaer:<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) vrees]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">"Maria, moeder, soete name,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Nu en mach mine lichame</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Niet langer in dabijt<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> gheduren<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) het kloosterkleed. <sup>2</sup>) rustig blijven]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ghi kint wel in allen uren</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Smenschen herte ende syn wesen:</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Ic hebbe ghevast ende gelesen</i>,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Ende genomen discipline</i><span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) en mij gekastijd.]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Hets</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>al om niet dat ick pine</i><span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) Het is. <sup>2</sup>) mij pjjnig.]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Minne worpt<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> mi onder den voet, <span class="sup">[<sup>1</sup>) De liefde werpt mij]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dat ic der wereld dienen moet.</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Alsoo waerlike als ghi, here lieve</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Wort gehangen tusschen .IJ.<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> dieven, <span class="sup">[<sup>1</sup>) twee.]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ende aent cruce<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> wort gerecket,<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) kruis. <sup>2</sup>) uitgerekt, gemarteld]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ende ghi Lazaruse verwecket,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Daer hi lach<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> in den grave doet,<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) lag. <sup>2</sup>) dood]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Soe moetti<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> kinnen minen noet,<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) moet Gij. <sup>2</sup>) nood.]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ende mine mesdaet mi vergheven;</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ic moet in swaren sonden sneven!"</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 2em;">Na desen ghinc si uten core</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Tenen<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> beelde, daer si vore <span class="sup">[<sup>1</sup>) naar een]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Cnielde, ende sprac hare ghebede,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Daer Maria stont ter stede.</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Si riep: "Maria," onversaghet,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">"<i>Ic hebbe u nachtende dag geclaghet</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Ontfermelike mijn vernoy</i>,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) verdriet, ongeluk.]</span>.</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ende mi nes niet te bat een hoy!<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) en het heeft my niets geholpen]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ic werde mijns sins te male quijt<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Ik zou mijn verstand geheel verliezen]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Blivic<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> langher in dit abijt<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) Bleef ik. <sup>2</sup>) Kloosterkleed]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Die covel<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> toech si ute al daer <span class="sup">[<sup>1</sup>) kloosterlingen-hoofdkap]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ende leidse op onse vrouwen outaer.<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) altaar]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Doe dede si ute hare scoen.</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Nu hort watsi sal doen.</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Die slotele vander sacristien</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Hinc si vor dat beelde Marien;....</span><br /> +</p> + +<p><span class="pagenum"><a name="p244" id="p244"></a>[p.244]</span>In mijn cursieven vindt ge—en gelieve daar ter dege op te +letten—den heftigen strijd tegen de aardsche liefde in Beatrijs. Hier, +zooals ik u reeds zei, worstelen de <i>heilige met den zondaar</i> ... de +arme hartstocht-gezweepte mensch, die zoo gaarne heilig en onbevlekt zou +willen zijn en het niet kan!....—Slechts met een schamel onderkleed +aan, treedt zij nu ten klooster uit, en vindt haar lief in den +boomgaard;—hij geeft haar de medegebrachte kleederen en sieraden, zij +verkleedt zich, dan rijden zij heen. Aanschouw nu even die heenvaart, +beluister de overdenkingen, die zij wekt in Beatrijs, zooals zij gebeeld +en gezegd worden in het hier geheel door een gedempt-flonkerenden gloed +van oude schoonheid overwaasde, en zoet-melodieuse, bijbelsch-naïeve +verhaal van onzen dichter:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Doe<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> cussese die jhonghelinc <span class="sup">[<sup>1</sup> Toen]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Vriendelike aen haren mout.</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Hem dochte, daer si voer hem stont,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dat die dach verclaerde.</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Haestelic ghinc hi tsinen<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> paerde. <span class="sup">[<sup>1</sup>) naar zijn]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Hi settese<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> vor hem int ghereide.<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) zette haar. <sup>2</sup>) zadel]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dus voren si henen beide</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Soe verre, dat begon te daghen,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dat si hen nyemen<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> volghen saghen. <span class="sup">[<sup>1</sup>) niemand]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Doet<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> began te lichtene int oest<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) Toen het. <sup>2</sup>) oosten]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Si seide: "<i>God, alder werelt troest</i>,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) troost]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Nu moeti</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>ons bewaren</i>, <span class="sup">[<sup>1</sup>) moet Gij]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Ic sie den dach verclaren!</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Waric met U niet comen uut,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ic soude prime<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> hebben gheluut,<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) priemtijd. <sup>2</sup>) geluid]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Als ic wilen</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>was ghewone</i> <span class="sup">[<sup>1</sup>) vroeger]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Inden cloestere van religione</i>.<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) In het Godgewijde klooster]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ic duchte mi<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> die vaert sal rouwen; <span class="sup">[<sup>1</sup>) Ik vrees]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Die werelt hout soe cleine trouwe</i>,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) de trouw der wereld is zoo gering]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Al hebbic mi ghekeert daer an;<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) al heb ook ik mij tot haar gekeerd]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Si slacht <i>den losen</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>coman</i><span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) sluwen. <sup>2</sup>) koopman]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Die vingherline</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>van formine</i><span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) ringen. <sup>2</sup>) waardeloos metaal]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Vercoept voer guldine</i>."<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) goudene]</span></span><br /> +</p> + +<p><span class="pagenum"><a name="p245" id="p245"></a>[p.245]</span> Gij ziet hier weer—. in mijn <i>eerste</i> cursief—hoe Beatrijs +zich tot God wendt. Zij is niet als die dwazen, die zeggen: ik heb te +zwaar gezondigd, ik kan nooit weer terugkeeren; doch niet alleen dat zij +voelt, dat eene zonde, die een mensch voor altijd van den Grond der +Wereld zou kunnen scheiden, <i>niet bestaat</i>, maar sterk in het +bewustzijn, dat zij met alle kracht heeft gestreden, doch nu eenmaal +door de liefde mòest overwonnen worden, vraagt zij God haar zelfs op den +zòndigen tocht te beschermen! Dit is diep Godsvertrouwen en diepe +wijsheid meteenen, en als wij ons dit later herinneren, dan zullen wij +ook des te makkelijker begrijpen, waarom juist Beatrijs <i>de redding door +een mirakel had verdiend</i>, hetgeen tevens zeggen wil,—<i>en dáárom vestig +ik, uw letterkundig onderrichter, uw aandacht op dit alles</i>—dat wij dan +ook verstaan, welk <i>een sterk compositeur</i> en <i>psychologisch bouwer</i> +onze dichter is. De <i>plechtige muziek</i> der twee gecursiveerde regels, +beginnend met "Nu moeti"—wat deze betreft: ik kan u slechts waarschuwen +dat zij er is ... verder sta ik machteloos ... men hoort dat of men +hoort dat niet. En zoo is 't ook gesteld met de beide regels van mijn +tweede cursief; ik weet niet welk een donkere weemoed van betreurend +terugzien hen ontstijgt en zich breidt over hen.... Is het de +sonoor-diepe klank der beide <i>O</i>'s, vergalmend in de wegduisterende +uit-gang van het vrouwelijk rijm?... Is het 't archaistisch +in-het-<i>verleden-verlorene</i> van het woord "religione"? Ik weet niet, +maar wat ik wel weet is, dat de beelden, de muziek en het weergeven van +Beatrijs' betreurenden twijfel—let op mijn <i>derde</i> en <i>vierde</i> +cursief—volmaakt zijn.—Intusschen, Beatrijs heeft natuurlijk niets +liever, dan van haar twijfel en angst te worden bevrijd, en daar zorgt +haar minnaar dan ook wel voor. Hij werpt de in hare woorden besloten +verdenking verre van zich: zij kan er zeker van zijn, dat niets hen zal +scheiden dan de dood; ware hij eene keizerin waardig, sinds hij Beatrijs +lief heeft, zou hij zelfs zulk een hooge Vrouwe niet begeerd hebben. Zij +zullen ook nooit gebrek behoeven te lijden: de "V<sup>c</sup> pont wit +selverijn", (de vijf honderd pond blank zilver) die hij heeft +meegenomen, zijn haar eigendom. (Merk ook hier <span class="pagenum"><a name="p246" id="p246"></a>[p.246]</span> weer, hoe het +verhaal zich, in de beelding van het menschelijk gebeuren, <i>op den bodem +der werkelijkheid blijft handhaven</i>). De gelieven komen nu op hun rit +schoone landen en bosschen voorbij, en, <i>alweer zuiver menschelijk</i> door +den dichter gezien: den jongeling wordt zijn verlangen te sterk:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Die jonghelinc sach op die suverlike<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) zuivere, kuische maagd]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Daer hi gestade minne toedroech;</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Hi seide: "Lief, waert U ghevoeh<span class="sup">,<sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) welgevallig]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Wi souden beten<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> ende bloemen lesen: <span class="sup">[<sup>1</sup>) afstijgen]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Het dinct mi hier scone wesen;</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Laet ons spelen der minnen spel.<span class="sup">"<sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) het spel der liefde]</span></span><br /> +</p> + +<p>Waarop Beatrijs hem dit verontwaardigd antwoordt:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">"Wat segdi", sprac si, "dorper fel<span class="sup"><sup>1</sup>), [<sup>1</sup>) onbeschaamde, lompe kerel]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">"<i>Soudic beten</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>op dat velt</i>, <span class="sup">[<sup>1</sup>) Zou ik afstijgen]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Ghelijc enen wive die wint gelt</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Dorperlyc</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>met haren lichame</i>, <span class="sup">[<sup>1</sup>) <i>snoodelijk</i>]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Seker soe haddic cleine scame</i>!</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dit en ware U niet ghesciet<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Dat zoudt ge mij niet hebben voorgesteld]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Waerdi van dorpers aerde niet.<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Indien ge niet de aard van een boersch-ruwen kerel hadt]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ic mach mi bedinken onsochte,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Mij grieft die gedachte]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Godsat hebdi diet sochte!<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Ge verdiendet dat God's haat U trof]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Swighet meer deser tale,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Houd voortaan zulke taal voor u]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ende hort die voghele inden dale,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Hoe si singen ende hem vervroyen,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) zich verheugen]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Die tijt sal U te min vernoyen.<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) De tijd (dat ge nog wachten moet) zal U dan minder verdrieten]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Alsic bi U ben al naect</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Op een bedde wel ghemaect</i>,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Soe</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>doet al dat U ghenoecht</i>,<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) Dan. <sup>1)2</sup>) aangenaam is]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Ende dat uwer herten voeght</i>;<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) En dat U lust]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Ic hebs in mine herte toren</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Dat ghijt mi heden leit te voren</i>.</span><br /> +</p> + +<p><span class="pagenum"><a name="p247" id="p247"></a>[p.247]</span> Zie nu eens, vrienden, hoe zuiver-mooi dit alles is: in weinig +trekjes, louter <i>in de woorden door Beatrijs-zelve gesproken</i>, slaagt +onze dichter, <i>zonder eenige toelichting zijnerzijds</i>, erin, haar +geheele reine innerlijk ons te doen zien. Hij sprak van "vleescheliker +zonde" zooeven—wij verstaan nu, dat dit "vleeschelike" in haar, <i>niet</i> +sexueele lust beteekent, máár: <i>lichamelijk</i> verlangen, <i>gewekt</i> door de +geestelijk-menschelijke <i>liefde</i> tot haar lief! Sla nog eens op, hetzij +in mijn eersten bundel <i>Over Literatuur</i>, hetzij in <i>Het Jonge Leven</i>, +wat ik indertijd over <i>Geertje</i> schreef! En zie het onderscheid tusschen +<i>sexueele lust</i> en <i>sexueele liefde</i>. Zijn <i>Geertje</i> en <i>Beatrijs</i> geen +zusters? "Zondigen" zij beiden uit <i>overgroote liefde</i> niet. Vereenigen +zich hier over den afgrond der eeuwen de beide zuster zielen niet? Bij +beiden spreidt de heilige-in-hen over de zondares-in-hen één +waardigheid.... Dit wat het eerste cursief betreft. Wat het tweede +aangaat: dit is grof en plat, nietwaar?... Ja, het is bijna even grof en +plat—schoon op geheel andere wijze en in oneindig edeler +sfeer-van-gebeuren—als die mededeeling van Dante in zijn <i>Hel</i>, dat de +Overste der duivelen het sein voor zijne trawanten om op te trekken gaf, +doordat hij "van zijn achterste een trompet maakte." Onze dichter had +Beatrijs ditzelfde anders kunnen doen zeggen en Dante had ditzelfde +anders kunnen zeggen. Zij deden het niet. Waarom? Om deze eenvoudige +reden, denk ik: Als men iets weergeeft of afbeeldt, moet men dat op zoo +<i>eenvoudige</i> èn <i>sterke</i> wijze doen als maar mogelijk is, want mede +dáárdoor zal de <i>uiting</i> het best bij de <i>geconcipiëerde waarheid</i> +passen. De groote dichter, de groote schrijver <i>handelt aldus van zelf; +moet</i> aldus handelen. Waarom zou hij trouwens pogen het <i>niet</i> te doen? +Uit <i>ethische</i> overwegingen? Maar dat kàn toch niet: hij, die immers op +dien oogenblik de dingen op het verheven plan van <i>noodwendigheid, +waarheid en schoonheid</i> ziet, <i>kan</i> toch <i>geen onreinheid bemerken</i>, +daar <i>op dat plan er geen onreinheid in wat ook aanwezig is</i>. Ik sprak +van Dante in dit verband, maar had zeker met niet minder recht van den +Bijbel en àlle geweldig-groote literatuur kunnen spreken.—Keeren we tot +het verhaal terug. De jongeling schaamt zich en zweert, dat <span class="pagenum"><a name="p248" id="p248"></a>[p.248]</span> hij +hiervan nooit meer spreken zal. Zij vergeeft het hem gaarne: al zou de +schoone Absalom nog bestaan, en zij er zeker van zijn, duizend jaren +gelukkig met hem te leven, zij zou voor hem haar lief niet laten. Ja, +zegt ze:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">"Waric<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> in hemelrike gheseten, <span class="sup">[<sup>1</sup>) Ware ik]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ende ghi in ertrike<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Op 't aarderijk]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ic quame tot U sekerlike.</span><br /> +</p> + +<p>Om dan voort te gaan met deze <i>psychologisch-prachtig</i> door den dichter +aangebrachte wroegingswending:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Ay God, latet onghewroken</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dat ic dullyc<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> hebbe gesproken <span class="sup">[<sup>1</sup>) dwaselijk]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Der minster vroude<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> in hemelrike <span class="sup">[<sup>1</sup>) de minste vreugde]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">En es hier ghene vroude ghelike;<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Daaraan is nier geen vreugde gelijk.]</span></span><br /> +</p> + +<p>Waarna zij, na de hemelsche vreugde in nog eenige regelen geprezen te +hebben, in de innige, door mij gecursiveerde, vol van overvloeienden +weemoed en teederheid zich weer, als aanvlijend, tot haar lief keert:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">"Diere om pinen die syn vroet:<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Die er voor zwoegen (om den hemel te verwerven) die zijn verstandig]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Al eest</i><span class="sup"><sup>1</sup></span> <i>dat ie dolen moet</i> <span class="sup">[<sup>1</sup>) is het]</span>.</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Endemi te</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>groten sonden keren</i> <span class="sup">[<sup>1</sup>) tot]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Dore U, lieve scone jonchere</i>."</span><br /> +</p> + +<p>Terwijl nu het gesprek-der-verliefden tusschen hen heen en weder gaat, +vordert hun reis, en, zoo verhaalt nu de dichter kortelijk, komen zij +aan een stad, die schoon gelegen in een dal was. Zij bleven daar zeven +jaar en leidden er een weelderig leven. Maar eindelijk raakte het +medegenomen geld op, zoodat ze al hunne kostbaarheden moesten verpanden +of voor de halve waarde verkoopen, en toen ook dit alles was opgeteerd +wisten zij niet meer waarvan te leven. Zij verstond geen enkel +ambacht—<i>teekenend is hier, hoe de dichter klaarblijkelijk</i> <span class="pagenum"><a name="p249" id="p249"></a>[p.249]</span> +<i>als van zelf sprekend aanneemt dat de lezer wel zal begrijpen, dat de +rijke minnaar geen loonende bekwaamheden bezat!</i>—en tot overmaat van +ramp, dreef schaarschte de prijzen der levensmiddelen omhoog. Hun trots +verbood hen, anderen om brood te vragen. En het weer zeer <i>natuurlijke +en gewoon-menschelijke gevolg</i> van dit alles was, dat:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Die aermoede maecte een ghesceet<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) scheiding]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Tusschen hen beiden, al waest hen leet.</span><br /> +</p> + +<p>(Een waarheid, die ook in den nieuweren tijd, blijkens het spreekwoord +"Leege kisten maken twisten" niet onbekend is). En toén bleek dat de man +niet die trouw en standvastigheid van ziel bezat, welke hij zich-zelf +had toegekend. Hij reisde terug naar zijn land en liet haar, in het +nijpendst gebrek, met "Twee uter maten scone kinder" achter.—En nu, o +mijne proletarische erfgenamen van dit schat-rijke legaat der +Middeleeuwen, vergunt, dat uw ietwat droge, boedelbeschrijvende notaris +hier zijn ceel onderbreke voor ditmaal!... Waarmede ik, in andere +woorden, zeggen wil, dat, schoon ik het betreur, middenin de behandeling +der middelnederlandsche Beatrijs te moeten pauseeren, dit nu eenmaal +niet anders kan, omdat ik al ver mijn ruimte heb overschreden.</p> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<h3>IIIa</h3> + + +<p>Vrienden! even een waarschuwing en een raad vooraf! De—ondiplomatieke +—waarschuwing is: dit artikel is wat moeielijk! De raad: lees je-zelf +de "moeielijke" plaatsen vóór, met <i>strikte inachtneming</i> mijner +<i>accenten</i> en <i>cursiveeringen</i>. Dan hoor je ongeveer, wat ook ik, +innerlijk, heb gehoord. Dan zal het net zijn, of de schrijver-zelf of +een ander, die het stuk volkomen verstaat, het je voorleest, en je zult +zien: het gaat open voor je. Maak den <i>geschreven</i> inhoud tot een +<i>jùist-gesprokenen</i> en—ge begrijpt hem! Hoe ervaar ik dat op den +leesclub-cursus! (Maar het is trouwens een vaak +proefondervindelijk-<span class="pagenum"><a name="p250" id="p250"></a>[p.250]</span> bewezen feit). Door de <i>juiste intonatie</i>, +waarmede ik—overigens afgrijselijk leelijk—een moeilijk maar schoon +vers voorlees, wordt dit ook door hen begrepen, die er daarzonder +allicht niet veel van zouden hebben gevoeld. En ofschoon bij u dat +met-de-juiste-uitdrukking-lezen, <i>aanvankelijk</i> niet anders dan een +<i>als-machinaal volgen</i> mijner accenten en cursiveeringen kan zijn—let +op mijn woorden: het <i>wordt</i> dra een <i>begrijpen</i>! Maar komaan, nu +beginnen we:</p> + +<p>Thans door haar minnaar verlaten, vervalt Beatrijs tot de diepste +ellende en vernedering. Eerst <i>willens</i> gezondigd hebbende, wordt zij nù +<i>gedwongen</i> dat zondige te doen. Wat <i>genot</i> wàs, wordt nu de <i>straf</i> +van het genot. Noodbezwaard, verlaagt zij zich thans tot een publieke +vrouw, die van de opbrengst harer ontucht leeft. Die straf echter zoude +geen delgende en weldoende straf zijn geweest, indien ten eerste, +<i>zij-zelf</i> die niet als zoodanig hadde gevoeld, en, ten tweede, niet de +<i>samenhang</i> ervan met <i>hare daden</i>, d.w.z. de <i>rechtvaardigheid</i> ervan, +hadde beseft. Want hoe zoudt ge kunnen worden <i>gelouterd</i> door een +straf, die niet dan wrokgedachten in U wekt? <i>Derhalve</i>—en alweer zei +ik u dit alles slechts om de nu volgende literair-critische opmerking te +maken:—indien dus <i>de dichter niet ervoor had gezorgd, dat Beatrijs èn +het een èn het ander begreep</i>, dan zou hij een slecht en onwaarachtig +dichter zijn geweest, want in plaats van een figuur te scheppen, die +<i>heilige</i> en <i>zondares</i> is, zooals hij bedoelde, zou hij er slechts eene +hebben geschapen, die alleen <i>zondares</i> is en dat blijft; en niet alleen +dat die figuur dan niet zou hebben <i>geleefd</i> voor ons, in de sfeer van +het verhaal waarin zij geplaatst is, maar <i>ook</i>—en ik wees u reeds de +vorige maal op iets dergelijks—<i>de begenadiging van haar met een +mirakel</i> zou ons <i>volkomen onverstaanbaar</i> zijn geworden. En al naar +onzen aard zouden wij hebben gedacht, òf: dit alles is +quasi-dichterlijke malligheid, òf dit is een van die <i>goddelijke +willekeuren</i>, die geenerlei weerklank in mijn <i>menschelijk</i> gemoed +wekken. Doch luister nu maar even, hoe onze zuivere dichter daar wèl +voor gezorgd heeft, onze dichter, die, hoe vreemd de moderne term +toegepast op dezen naïeven middeleeuwer ook moge klinken, tevens een +<i>waarachtig menschenschepper</i> was.</p> + +<p class="pagenum"><a name="p251" id="p251"></a>[p.251]</p> +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Si sprac: "Hets<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> mi comen toe,<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) Het is <sup>2</sup>) mij overkomen]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Dat ic duchte spade ende vroe</i><span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) laat en vroeg = altijd]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ic ben in vele doghens<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> bleven:<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) lijden <sup>2</sup>) achtergebleven]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Die ghene heeft mi begheven,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Daar ic mi in trouwen toe verliet.</i><span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Spitz vertaalt uitmuntend: "hy, op wien ik in volkomen overgave vertrouwd heb"]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Maria, vrouwe, oft ghi ghebiet,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) indien het u behaagt]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Bidt vore mi ende mine jonghere<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>)kinderen]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dat wi niet en sterven van honghere.</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Wat salic<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> doen elendech wijf? <span class="sup">[<sup>1</sup>) zal ik]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ic moet beide siele ende lijf</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Bevlecken met <i>sondeghen daden.</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Maria, Vrouwe, staet mi in staden!<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Sta mij bij]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Al constic<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> enen roc<span class="sup"><sup>2</sup>) spinnen<sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) kon ik <sup>2</sup>) aan het spinrokken werken]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ic en mochter niet met<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> winnen <span class="sup">[<sup>1</sup>) ik zou er niet mede kunnen]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">In tween weken een broet,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) brood]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ic moet gaan <i>dorden</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>noet</i><span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) door den <sup>2</sup>) nood (gedwongen)]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Winnen buiten stat op toelt</i><span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) buiten de stad op het veld]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Met minen lichame ghelt</i>,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Daer ik met mach copen spise,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Waarmee ik voedsel kan koopen]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Ic en mach in ghere wise</i><span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) in geen geval]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Mine kinder niet begheven</i>."<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) hulpeloos laten]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dus ghinc si in een sondech leven;</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Want men seit ons over waer,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dat si langhe seven jaer,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ghemene wijf ter werelt ghinc,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ende meneghe sonde ontfinc,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Dat haer wel was onbequame</i>,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) onaangenaam]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Die si dede metten lichame</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Daer si cleine gheneuchte<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> hadde in</i>, <span class="sup">[<sup>1</sup>) weinig genot, d.i.: in verband met het vorige "onbequame": <i>geen</i> genot]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Al dede sijt<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> om een cranc<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> ghewin, <span class="sup">[<sup>1</sup>) Zij het <sup>2</sup>) gering]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Daer<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> si haer kinder met<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> onthelt.<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) <sup>1</sup>) Waarmee ... onderhield]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Wat holpt al vertelt,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Waartoe dient het te vertellen]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Die scamelike sonden swaer<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Schaamtewekkende en zware zonden]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Daer si in was .XIIII. jaer?</span><br /> +</p> + +<p>En ongetwijfeld, de dichter ziet het weer zeer juist in: hij hoeft ons +dat alles niet te vertellen en hij <i>mag</i> het zelfs niet, want dàn zou +<span class="pagenum"><a name="p252" id="p252"></a>[p.252]</span> dit zoet-teere, heilige mirakel-verhaal <i>al</i> te zeer <i>vergroofd</i> +worden en daarmede onze zachte stemming van <i>niet-smarteloos</i> en óók +<i>niet-vreugdeloos</i> meeleven worden gedeerd. Wij moeten namelijk, zoo wil +de dichter het natuurlijk, wel <i>menschen</i> blijven, maar toch menschen, +zoo <i>weinig hartstochtelijk-geschokt,</i> dat we den uit zijn +mirakelverhaal neerdauwenden goddelijken <i>vrede</i> kunnen genieten! +Intusschen, ge hebt nu in de cursieven van mijn citaat de juistheid +kunnen ontdekken van al wat ik tevoren had gezegd. Beatrijs begrijpt de +<i>samenhang</i> van het haar treffende leed met hare daden, zij—iemand van +hare levensbeschouwing—begrijpt het dus als <i>rechtvaardige straf</i>. Zij +voelt: ze heeft niet alleen haar kuischheidseed gebroken, maar ook—zij, +de religieuse!—te zeer op een mènsch vertrouwd. Tevens zegt ons de +dichter, hoezeer zij haar leven als leed en straf voelt. Zij schept er +geenerlei behagen in. Dat alles kunt gij vinden in mijne cursieven. Maar +in één dezer is nòg een voorname schoonheid, waarop ik u wel +afzonderlijk behoor te wijzen: doordat onze dichter Beatrijs beeldt als +eene, die de <i>zwaarste zonde</i> pleegt <i>ter wille van haar kinderen</i>, +slaagt hij er in, hier zulk eene <i>allerinnigste</i> versmelting van +<i>heilige</i> en <i>zondaar</i> te bereiken, als hij tot dan nog niet had +bereikt.—</p> + +<p>En dàn komt de wondere keer in haar leven:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Als die .XIIIJ. jaer waren ghedaen</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Sinde</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>haer God int herte saen</i><span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) Zond <sup>2</sup>) spoedig]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Berouwenesse alsoe groet</i><span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) groot]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dat si met enen swerde<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> al bloet<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) zwaard <sup>2</sup>) bloot]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Liever liete haer hoet<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> afslaen <span class="sup">[<sup>1</sup>) hoofd)</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dan si meer sonden hadde ghedaen</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Met haren lichame, alsi<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> plach<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) <sup>1</sup>) Zooals zij gewoon was]</span></span><br /> +</p> + +<p>Gij hebt dus nu deze twee dingen o.a., in ons gedicht zien gebeuren, die +ge, <i>zoo ge u in het denkleven van onzen vromen dichter verplaatst,</i> +aldus begrijpt: Beatrijs heeft <i>genietend</i> kwaad gedaan, en door +datzelfde kwaad wordt haar tot straf nu <i>leed</i> veroorzaakt. Beatrijs +heeft veel goeds bedreven—gebeden tot Maria; uit <i>liefde</i> gezondigd; +zich voor <span class="pagenum"><a name="p253" id="p253"></a>[p.253]</span> hare kinderen opgeofferd; haar hart kuisch +gehouden—en <i>daarom</i> wordt haar dit sterke berouw in 't hart gezonden. +Welnu, wat ge hier gezien hebt, is: een van de <i>diepe</i> begrippen der +godsdiensten, in een <i>naief-schoon beeld</i> belijfd. Het is het begrip dat +alles wat den mensch treft, tot hem wordt <i>aangetrokken</i> door zijn +<i>eigen gesteldheid</i> en zelfs iets van het <i>aan-hem-zelf-ontstegene</i> moet +zijn. Vergunt mij de poging, u dit alles duidelijk te maken door dìt +beeld: de regen, die op de aarde neerkomt, wordt <i>aangetrokken</i> door +haar; de regen, die op het <i>dorstige</i> land neerkomt, was ten deele eerst +<i>dit land-zelf</i> ontstegen, terwijl het dorren <i>ging</i> en <i>onmachtig</i> +werd. En toch, en niettemin, hoe schoon en diep eene gedachte dit zij: +in de denksfeer van sommige dierzelfde godsdiensten, welke, zich +veredelend, tot in het hart-zelve der Eeuwigheid schenen te dringen, is +er een veel zuiverder begrepenheid, in welks glans, de begrippen +<i>"zonde", "straf"</i> en <i>"belooning"</i> vale uiterlijkheden worden, een +vergane kleedij. En vóór het eind van dit artikel wil ik u toch ook +dáártoe iets nader brengen. Vervolgen we thans eerst nog ons verhaal. +Beatrijs bidt nu herhaaldelijk en vele dagen lang tot Maria en verlaat +daarop de stad van haar geluk en haar ellende.</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Si nam een kint in elke hant</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ende ghincker<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> met<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> dor dat lant <span class="sup">[<sup>1</sup>) <sup>1</sup>) ging er mee]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">In armoede, van stede te stede,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ende levede bider beden<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) En leefde van aalmoezen]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Soe langhe dolede<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> si achter<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> lant, <span class="sup">[<sup>1</sup>) doolde <sup>2</sup>) door het]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dat si den cloester weder vant<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) vond]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Daer si hadde gheweest nonne;</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ende quam daer savons na der sonne</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">In ere<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> weduwen huus, spade<span class="sup"><sup>2</sup>): [<sup>1</sup>) eener <sup>2</sup>) laat]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Daer bat si herberghe dor ghenade</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dat si daer snachts mochte bliven.</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">"Ic mocht U qualyc verdriven,"<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <span class="sup">[<sup>1</sup>) Het zou mij slecht passen, U weg te jagen]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Sprac die vrouwe, "met uwen kinderkinen;</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Mi dunckt dat si moede scinen,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) blijken]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Rust U, ende sit neder,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ic sal U deilen weder<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Ik zal met u deelen]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><span class="pagenum"><a name="p254" id="p254"></a>[p.254]</span>Dat mi verleent onse here,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Doer siene lieven moeder ere.<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Zijn lieve Moeder ter eer]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dus bleef si met haren kinden,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ende soude gheerne<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> ondervinden<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) gaarne <sup>2</sup>) te weten komen]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Hoet inden cloester stoet<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Hoe het met het klooster ging]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">—"Segt mi," seitsi,<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> "vrouwe goet, <span class="sup">[<sup>1</sup>) sprak zij]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Es dit covent van joffrouwen?"<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Is dat een nonnenklooster?]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">"Jaet,"<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> seitsi "bi miere trouwen<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) Dat is het <sup>2</sup>) en ik geloof zeker]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dat verweent es<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> ende rike <span class="sup">[<sup>1</sup>) Dat er zeer ruim wordt geleefd]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Men weet niewer<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> sijns ghelike: <span class="sup">[<sup>1</sup>) nergens]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Die nonnen diere<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> abijt<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> in draghen, <span class="sup">[<sup>1</sup>) die er <sup>2</sup>) kloosterkleed]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ic hoerde nye<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> ghewaghen<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) nooit <sup>2</sup>) gewag maken]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Van hen negheen gherochte<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) eenig (kwaad) gerucht]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dies<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> si blame<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> hebben mochten <span class="sup">[<sup>1</sup>) waarvan <sup>2</sup>) blaam]</span></span><br /> +</p> + +<p>Beatrijs verwondert zich natuurlijk grootelijks over deze mededeeling. +<i>Zij denkt immers, dat hare schande: ter wille van een man het klooster +te hebben verlaten, wijd en zijd is bekend geworden</i>, en +behoedzaam—merk hoe <i>natuurlijk-levendig</i> ook hier de dialoog is, en +<i>overeenkomstig de situatie</i>—poogt zij door <i>tegenspraak</i> eenige +opheldering van haar gastvrouw te krijgen. Zij had toch gehoord, zegt +ze, dat veertien jaar geleden een non, die kosteres was, heimelijk het +klooster verliet en men nooit vernam, in welk land zij leefde of +gestorven was. Maar nauwelijks heeft zij dit gezegd, of haar gastvrouw +wordt zeer boos en zegt, dat Beatrijs haar wel voor krankzinnig moet +houden, dat zij tegenover háár zóó durft lasteren: juist die kosteres, +van wie ze zoo schandelijk spreekt, is de deugdzaamste en +geestelijkst-levende non van alle kloosters, die maar tusschen de Elbe +en Gironde staan. Als Beatrijs het nog éénmaal mocht wagen, zoo iets te +zeggen, zal ze haar de deur wijzen. Beatrijs, hier voor 'n voor haar +onoplosbaar raadsel staande, verzoekt haar gastvrouw, haar de namen van +vader en moeder dier voortreffelijke kosteres te noemen. En dàn hoort +zij—<i>die van hare eigen ouders!</i>—Dien nacht eenzaam op haar kamer, +versmelt zij in tranen en gebed, en midden haar bidden door slaap +overvallen ziet zij een visioen, en een stem spreekt,tot haar:</p> + +<p class="pagenum"><a name="p255" id="p255"></a>[p.255]</p> +<p> +<span style="margin-left: 2em;">"Mensche, du heves<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> soe langhe gecarmt<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) ge hebt <sup>2</sup>) gekermd, gesmeekt]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dat Maria dijns<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> ontfarmt; <span class="sup">[<sup>1</sup>) zich over U]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Want si heeft di verbeden<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Zy heeft vergiffenis voor U afgebeden]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ganc<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> in den cloester met haestecheden: <span class="sup">[<sup>1</sup>) Ga]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Du vints<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> die doren<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> openwide, <span class="sup">[<sup>1</sup>) Gij vindt <sup>2</sup>) de deuren]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Daer du uut ginges ten selven tide</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Met dinen lieve, den jhonghelinc,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Die di inder noet ave ghinc.<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Die U in den nood verliet]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Al dijn abijt<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> vinstu<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> weder <span class="sup">[<sup>1</sup>) Kleederen <sup>2</sup>) vindt ge]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ligghen opden<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> outaer<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> neder: <span class="sup">[<sup>1</sup>) <sup>1</sup>) op het altaar]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Wile,<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> covele<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> ende scoen <span class="sup">[<sup>1</sup>) Sluier <sup>2</sup>) hoofdkap]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Moeghedi<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> coenlyc<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> ane doen. <span class="sup">[<sup>1</sup>) kunt gij <sup>2</sup>) moedig, rustig]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Des<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> danc hoeghelike<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> Marien, <span class="sup">[<sup>1</sup>) Daarvoor <sup>2</sup>) hoogelijk]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Die slotele<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> van den sacristien, <span class="sup">[<sup>1</sup>) Sleutels]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Die du vor tbeelde<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> hincs<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Het beeld hingt]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Snachs, doe<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> du ute ghincs, <span class="sup">[<sup>1</sup>) toen]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Die heeft si soe<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> doen bewaren, <span class="sup">[<sup>1</sup>) zoo]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dat men binnen .XIIII. jaren</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dijns nye en ghemiste,<span class="sup"><sup>1)</sup> [<sup>1</sup>) U nooit miste]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Soe dat yemen daer af wiste.<span class="sup"><sup>1)</sup> [<sup>1</sup>) Zoodat niemand er iets van wist]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Maria es soe wel dijn vrient,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Si heeft altoes vor die ghedient</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Min no meer na dijn ghelike,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Geheel in uwe gedaante]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dat heeft de vrouwe van hemelrike,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Sonderse<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> dor<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> di ghedaen. <span class="sup">[<sup>1</sup>) Zondares <sup>2</sup>) voor]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Si heet<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> di inden cloester gaen; <span class="sup">[<sup>1</sup>) beveelt]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Du en vints nyeman<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> op dijn bedde <span class="sup">[<sup>1</sup>) Gij vindt niemand]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Hets<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> van Gode dat ic di quedde<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) Het is <sup>2</sup>) aanspreek]</span></span><br /> +</p> + +<p>Beatrijs, ontwaakt, twijfelt eraan, of het niet de duivel was, die haar +met bedrieglijk-hemelsche stem heeft toegesproken, om haar daardoor des +te dieper in het verderf te storten. Zij smeekt daarom God, dat indien +die stem waarlijk van Zijnentwege en ten goede tot haar kwam, zij zich +andermaal en ten derden male haar doe hooren. Dit gebeurt, weer verneemt +zij het troostend bevel, maar zij durft nog niet, zij kan het nog niet +wagen: de zaligheid en het wonder zijn haar te groot. Ten derden nacht +blijft zij nu wàken, en dan, terwijl <span class="pagenum"><a name="p256" id="p256"></a>[p.256]</span> zich de nu veel dringender +bevelende stem weer doet hooren, wordt tevens de kamer van een geweldig +licht vervuld. Nu twijfelt zij niet langer, en dan schrijft de +eenvoudig-zuivere dichter dit stukje, waarvan ik u het schoonste en +diepst-ontroerende cursiveeren zal.</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Si seide: "Nu en darf mi<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> niet twien<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) Nu mag niet ik meer <sup>2</sup>) twijfelen]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dese stemme comt van Gode,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ende es<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> der maghet Marien bode, <span class="sup">[<sup>1</sup>) is]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dat wetic<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> nu sonder hone; <span class="sup">[<sup>1</sup>) weet ik]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Si comt met lichte soe scone.</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Nu en willic<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> des niet laten: <span class="sup">[<sup>1</sup>) wil ik]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ic wille mi inden cloester maken;</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ic saelt<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> oec<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> doen, in goeden trouwen, <span class="sup">[<sup>1</sup>) zal het <sup>2</sup>) ook]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Opten troest<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> van onser vrouwen<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) Met volkomen betrouwen op <sup>2</sup> Onze Lieve Vrouwe]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ende wille mijn kinder beide gader</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Bevelen Gode onsen Vader:</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Hi salse wel bewaeren."</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Doe toeeh si ute</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>al sonder sparen</i><span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) Toen trok zij uit <sup>2</sup>) dralen]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Haer cleder, daer sise met decte</i><span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) waarmee zij hen dekte]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Liselike</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>dat sise niet en wede</i>. <span class="sup">[<sup>1</sup>) Zachtjes]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Si cussesse</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>beide aen</i><span class="sup"><sup>2</sup>)</span> <i>haren</i><span class="sup"><sup>2</sup>)</span> <i>mont</i>; <span class="sup">[<sup>1</sup>) kuste hen <sup>2</sup>) <sup>2</sup>) op hun]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Si seide: "Kinder, blijft ghesont:</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Op den troest van onser vrouwen<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Mij verlatend op onze Lieve Vrouwe]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Latic<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> U hier in goeder trouwen; <span class="sup">[<sup>1</sup>) Laat ik]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>En hadde si mi niet verbeden</i>,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Hadde zij het mij niet zoo overredend bevolen]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Ic en hadde u niet begheven</i><span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) niet verlaten]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Om al tgoet</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>dat Rome heeft</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>binnen.</i>"<span class="sup"><sup>2</sup>)[<sup>1</sup>) den rijkdom <sup>2</sup>) bezit]</span>.</span><br /> +</p> + +<p>De dichter, zien wij dus, is er in geslaagd, op zijne <i>eenvoudige</i> en +<i>naïeve wijze</i>, de moederliefde, in <i>beeld en handeling</i>, zoowel te +midden van leed en vernedering, als te midden der overweldigende glans +eener goddelijke en miraculeuse redding, voor ons te doen <i>leven. Zijn +opge-togenheid over de gòddelijke liefde heeft hem de smartelijke +vreugde noch den adeldom van de mènschelijke doen vergeten</i>. Er is geen +grooter lof voor een dichter noch een mensch....—</p> + +<p><span class="pagenum"><a name="p257" id="p257"></a>[p.257]</span> De volgende maal zullen wij de behandeling dezer Beatrijs ten +einde brengen—er volgt nog veel schoons—laat mij thans nog even +beproeven te doen wat ik straks beloofde. Ik zei: er is een religieuse +denksfeer in de hoogst-veredelde godsdiensten, waar de begrippen +"zonde", "straf" en "belooning" vale uiterlijkheden worden, een vergane +kleedij. En ik zou pogen U tot dit alles iets nader te brengen.—Welnu: +beproeft eens alles wat bestaat als uw <i>gelijken</i> te zien; poogt eens +U-zelf, gedurende weinige oogenblikken, van uw <i>eerbied</i> voor uwe +leiders en geestelijk-meerderen te <i>ontdoen</i>; poogt U-zelf van uwe +<i>geringschatting</i> voor uw minderen te <i>ontdoen</i>; denk aan <i>niets, niets</i> +anders, dan dat zij <i>leven</i> als gij, <i>onderhevig aan ziekte zijn</i> als +gij, <i>speelballen van het lot</i> zijn als gij; zie dan buiten den +geweldigen ring der menschheid naar de nog talrijker wezens, de dieren +en de planten die haar, òpstijgend en zich rekkend naar de levenszon, +omringen: weer ziet ge hetzelfde, zij leven als gij, zij sterven als +gij. Wat ziet ge dus als datgene, waarin zij alle <i>samenkomen</i>? Het +<i>leven,</i> de <i>dood</i> en de <i>afhankelijkheid</i>, niet waar? En wat ziet gij +als hunne onderlinge <i>verschillen</i>? Een, grovere of fijnere, +<i>gradueering</i> van hunne vermogens niet waar? Den een—bepalen we ons nu +tot de menschheid—noemt gij dwaas; den ander verstandig; een derde +wijs. Maar allen bij elkaar, de machtigen en de geringen, trots al hunne +onderlinge verschillen, ziet ge nu toch niet anders dan als heel kleine +kinderen, in de armen van dien éénen, oneindigen God-Vader, het Leven. +Denkt U nu eens, dat dit Goddelijke Leven de altijd door werkende +evolutionnaire tendenz heeft: van den dwaas een verstandige, van den +verstandige een wijze te maken; dat het Leven daartoe allerlei middelen +aanwendt, die òns <i>aangenaam</i> of <i>om</i>aangenaam aandoen; ja dat het +<i>Leven-zelf</i> met dat doel héél ons <i>actief-zijn</i> en heel ons +<i>passief-zijn</i> onverwrikbaar <i>predestineert</i>. En dan ziet ge plots en +duidelijk, dat wat wij "straf" noemden, slechts een van die òns +onaangename <i>middelen</i> ter <i>opvoeding</i>, ter <i>verhooging</i>, en nièts +ànders, is, en wat wij "belooning" noemden: een van die òns <i>aangename</i> +middelen, evenzeer ter opvoeding en verhooging en tot nièts ànders. En +hieruit begrijpt ge tevens <span class="pagenum"><a name="p258" id="p258"></a>[p.258]</span> dat de termen "straf" en "belooning", +voor zoover men ze niet afgescheiden van het begrip "vergelden" kan +denken, hier ònjuiste termen zijn: het Leven <i>vergeldt niet</i>, dat doet +slechts de wraakgierige, of gevleide, of dankbare <i>mensch</i>. Het Leven +kent ook geen "zonden" en "deugden." Het kènt niet anders dan <i>graden +van ontwikkeling</i>, die in <i>hoogere</i> graden moeten <i>overgaan</i>; het wil +niet anders dan: <i>groei</i>.</p> + +<p>Ongetwijfeld, ge bemerkt 't allicht nu reeds: hier rijzen tallooze +vragen, hier doemen tallooze moeielijkheden op. Welnu, ik wensch U, +moogt gij spoedig zoozeer groeien, dat gij U met hart en ziel aan het +vinden van een antwoord-voor-Uzelf wijden <i>wilt</i>.—Allicht zult ge nu +intusschen hebben begrepen—wat kan ik voor U zijn, als ge mij niet +kent?—dat wanneer ik, een aanhanger van deze religieuse en wijsgeerige +denkwijze, mij in de verhoudingen van: "straf", "belooning", "zonde" en +"genade" verdiep, ik dat alleen doe, om het wezen van een ander te +begrijpen, zooals hier dat van onzen middeleeuwschen dichter, maar dat +voor mij deze begrippen hebben <i>afgedaan</i>.</p> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<h3>IIIb</h3> + + +<p>"Hoort wes (wat) si sal beghinnen," zegt nu onze dichter, na te hebben +verhaald, hoe Beatrijs hare kinderen verlaat, om zich naar het klooster +te begeven. En plots glimlachte mijne Verbeelding, en ik antwoordde den +dichter: "<i>Ik</i> hoor, maar—ik kan er u niet voor instaan, dat ook al die +vrienden, die ù ten deele door mìj heen hooren, nog naar U luisteren. +Gij moet namelijk wel weten, lieve Meester, dat zij—droevig gezwegen +van het vele andere, dat hen van U scheidt!—nog wel wat anders te +overdenken hebben in dezen treurigen tijd dan een schoon gedicht. Gij +kùnt er geen flauw begrip van hebben, o Zeer Zuivere, die allicht reeds +eeuwen in de stralende stilte van uw hemelschen droom aan de voeten van +Ruusbroec zit en naar zijne geheimenissen-onderrichtende stem hoort—gij +kunt er geen flaùw begrip van hebben in welk eene troebele +verwarring-der-duisternis wij leven.... "Welnu," onderbreekt gij, +onverfijnde-verfijnde, mij eensklaps schalk, <span class="pagenum"><a name="p259" id="p259"></a>[p.259]</span> "den luister van +mijn licht ontbreekt 't dan althans aan donkeren achtergrond niet!" Ach, +lieve Meester, is mijn wederwoord, nu het U behaagt te schertsen, zie ik +U wel waarlijk als een, die te lang reeds in den hemel leeft, dan dat +hem de nooden der aarde, hoe goed hij ze vroeger ook kende, niet verre +en vreemde zouden geworden zijn. Niet elk licht brengt verlichting in de +aardsche sfeer.... En zoudt gij U dat niet herinneren?... Denk eens aan +de machtige kathedralen van uw tijd.... Als het er avondde en, gelijk +oogleden over slapensreede oogen, de nacht er over het lichten der +kleuren, het juweel- en goud-spiegelen der beelden en altaren was +gedaald, hoe zwak alhoewel schoon, hoe onmachtig en toch licht, blonken +dan al die teer-gele vlammetjes in hunne kleine heiligen-aureolen.... +Gedenk dat, lieve dichter, en aanzie dan, hoe een schoon en +teer-wiegelend droomlichtje als het uwe nu <i>eenzaam</i> brandt in de +volksziel van mijn tijd ... een ziel die een kathedraal is, vol +droomende en wakende kleuren, kleuren van winter- en lente-hemels, van +stille en storm-zeeën; vol zinrijke beelden, juweel-bestarde altaren, +nissen vol geheimenis, pilaren vol kracht ... terwijl toch, door de +duisternis, waarmee reeds overlangen tijd de maatschappij-nacht dit +alles overdekt, niemand haar volle schoonheid en weidschheid kent, haar +biddende spitsbogen noch haar wondere vensters, die van het zonlicht, +zoo hen dat maar kon bestreden, een eigen schoon-spelende kleurenbrand +zouden maken.... Ja erger: zij zelve vangt nauw aan zich te kennen, en +dacht zich—<i>zie</i> deze tragedie, dichter—tot vóór geringen tijd een +werkplaats, gebouwd om dag en nacht te dreunen van het zwoegen.... en +nòg kent zij haar <i>aangeboren-gebedgestalte</i> niet en al de <i>opstrevende +hemelbestormende</i> houdingen van haar lichaam, haar hemel-indringende +hoogte en blanke spits.... De klare droomen van haar vensterbeelden zijn +haar tot chimaera's geworden.... En dáárin, in dat donkere paleis, staat +Gij nu teer te branden in uw heiligen-aureool.... Dichter, ik zeg U: ik +weet niet of de zielen mijner vrienden naar U hooren, want die alle zijn +deeltjes, schóóne deeltjes van die kathedraal, doch kennen van wege den +nacht hun waarde en schoonheid niet.... Maar ga Gij maar onverdroten +<span class="pagenum"><a name="p260" id="p260"></a>[p.260]</span> verdroten voort ook dáár te branden ... wellicht, wellicht ... +wie weet ... komen er eenigen tot een aanvang van zelfkennis bij uw +eenzaam lichtje ... ik zal wel uw glans-blije kandelaar zijn ... ja, was +dit mijn gesprek met U niet, als dat wat de vlam en de blaker samen +voeren in de been en weer bevende sprankeling tusschen het +glim-beschenen koper en het stralende licht?...—</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Dit was mijn gesprek met den dichter, gij waart het onderwerp, vrienden, +zooals ge ziet. Beloon het met nog een weinig aandacht voor zijn +slotwoord....—</p> + +<p>Beatrijs is nu moederziel alleen in den stillen nacht kloosterwaarts +getogen. Zij komt aan in denzelfden boomgaard, waar ze haar wereldschen +tocht begon. Zoodra zij zich binnen de muren bevindt—de poort vond zij +geopend—dankt zij Maria innig. Zij vindt alles op zijn plaats, haar +kleeren en schoenen; de sleutels van de sacristie vindt zij terug voor +het Onze-Lieve-Vrouwe-beeld, waar zij ze veertien jaar geleden had +gehangen; zij ziet hoe alles wel verzorgd is, de lampen branden overal +in de kerk; en nadat ze nu de gebedenboeken elk op zijn plaats heeft +gelegd, bidt zij nog tot Maria, of Die haar en hare kinderen, die zij in +zoo zwaar verdriet in het huis van een vreemde moest achterlaten, voor +alle kwaad mocht behoeden. En ... maar neen, het volgende is te +stemmingsvol in het oorspronkelijk dicht, dan dat ik 't U niet weer even +zou overschrijven:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Bin dien<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> was die nacht tegaen <span class="sup">[<sup>1</sup>) Intusschen]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dat dorloy<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> begonste slaen, <span class="sup">[<sup>1</sup>) uurwerk]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Daermen middernacht bi kinde<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) kende]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Si nam dat clocseel<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> biden<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> inde<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) <sup>1</sup>) <sup>1</sup>) het klokketouw bij het eind]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ende luude<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> metten so wel te tide,<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) luidde de metten <sup>2</sup>) op den juisten tijd]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dat sijt<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> hoerden in allen siden.<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) zij het <sup>2</sup>) overal]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Die boven opten<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> dormter<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> laghen <span class="sup">[<sup>1</sup>) op de <sup>2</sup>) slaapzaal]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Die quamen alle sonder traghen<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) te talmen]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Van den dormter ghemene.<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) te zamen]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Sine<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> wisten hier af groot no<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> clene. <span class="sup">[<sup>1</sup>) Zij <sup>2</sup>) noch]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><span class="pagenum"><a name="p261" id="p261"></a>[p.261]</span> Si bleef inden cloester haren tijt</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Sonder lachter<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> ende verwijt; <span class="sup">[<sup>1</sup>) schande]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Maria hadde ghedient voer<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> hare <span class="sup">[<sup>1</sup>) voor]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ghelijc of sijt<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> selve ware. <span class="sup">[<sup>1</sup>) zij het]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dus was die sonderse<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> bekeert <span class="sup">[<sup>1</sup>) zondares]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Maria te love, die men eert,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Der maghet<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> van hemelrike, <span class="sup">[<sup>1</sup>) maagd]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Die altoes ghetrouwelike</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Haren vrient staet<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> in<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> staden<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) <sup>1</sup>) <sup>1</sup>) bijstaat]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Alsi<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> in node<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> sijn verladen.<span class="sup"><sup>3</sup>) [<sup>1</sup>) Als die <sup>2</sup>) door nood <sup>3</sup>) zijn bezwaard]</span></span><br /> +</p> + +<p>En let nu eens op, hoe verrukkelijk eenvoudig, hoe schoon naïef, onze +dichter, in mijn eerste cursief, nu verder vertelt:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Deze joffrouwe, daer</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>ik af las</i><span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) <sup>1</sup>) waarvan ik vertelde]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Es</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>nonne alsi te voren was</i>. <span class="sup">[<sup>1</sup>) Is]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Nu en willic vergheten niet</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Haer tweer<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> kindere, die sie liet <span class="sup">[<sup>1</sup>) twee]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ter weduwenhuus<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> in groter noet<span class="sup"><sup>2</sup>). [) In het huis der weduwe <sup>2</sup>) nood]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Si en hadden ghelt noch broet.<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) brood]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ic en can U niet vermonden,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) verhalen]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Doe<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> si haer<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> moeder niet en vonden, <span class="sup">[<sup>1</sup>) Toen <sup>2</sup>) hun]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Wat groter rouwe datsi dreven.</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Die weduwe ghincker<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> sitten<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> neven<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) <sup>1</sup>) <sup>1</sup>) ging naast ze zitten]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Si hadder op ontfermenisse<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Zy had medelijden met hen]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Si seide: "Ic wille toter<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> abdisse<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) <sup>1</sup>) naar de abdis]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Gaen met desen .ij.<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> kinden, <span class="sup">[<sup>1</sup>) twee]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">God sal hare int<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> herte sinden <span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) in het <sup>1</sup>) zenden, d.w.z.: God zal de gedachte in haar opwekken.]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dat si hen goet sal doen."</span><br /> +</p> + +<p>De brave vrouw, in het klooster gekomen, vindt inderdaad de abdis +onmiddellijk bereid, naar het verhaal van haar zonderling wedervaren te +luisteren: hoe deze kinderen door een onbekende vrouw die met hen 's +nachts bij haar onderdak had gevonden, verlaten zijn. De abdis belooft +haar voor hen te zullen zorgen: de vrouw moet ze maar in haar huis +houden, maar kan alles wat zij noodig hebben, dagelijks van het klooster +laten halen. Beatrijs, die, zooals van zelf spreekt, dit alles <span class="pagenum"><a name="p262" id="p262"></a>[p.262]</span> +verneemt, voelt zich gelukkig, dat ook dit ten goede is geschikt en zij +niet langer met zorg en angst aan hare kinderen hoeft te denken. +Maar—<i>zij lijdt zeer hevig onder iets anders</i>:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Menech suchten ende beven</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Hadsi<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> nacht ende dach; <span class="sup">[<sup>1</sup>) had zij]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Want haer die rouwe<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> int herte<span class="sup"><sup>2</sup>)</span>, lach<span class="sup"><sup>3</sup>) [<sup>1</sup>) berouw <sup>2</sup>) in het hart <sup>3</sup>) lag]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Van haren quaden sonden,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Die si niet en dorste<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> vermonden<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) durfde <sup>2</sup>) vertellen, <i>mondeling</i> openbaren]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ghenen mensche, no<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> ontdecken, <span class="sup">[<sup>1</sup>) noch]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">No in dichten<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> oeck vertrecken.<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) <sup>1</sup>) Noch op <i>schrift</i> te openbaren]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">No in dichten<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> oeck vertrecken.<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) <sup>1</sup>) Noch op <i>schrift</i> te openbaren]</span></span><br /> +<br /></p> +<p> +Het is ongetwijfeld waar, dat, naar men heeft gezegd, de dichter, reeds +door zoo zwaren nadruk te leggen op de behoefte van Beatrijs om een +ander deelgenoot van haar geestelijken nood te maken, de onmisbaarheid +van de <i>biecht</i> heeft willen aantoonen, en, daar in zijn tijd de +biechtverplichting door de geloovigen niet bijster stipt zou zijn +nagekomen, de menschen heeft willen aansporen, vooral door het geen +verder in zijn gedicht volgt, dat wel te doen. Maar daarom schijnt het +mij ook niet overbodig, hieraan toe te voegen, dat deze "tendentieuze" +invoeging niet alleen zijn dichtwerk <i>niet</i> heeft geschaad, maar het +zelfs aanmerkelijk <i>ten goede</i> is gekomen—<i>waarvan zoo dadelijk het +bewijs </i>—'t geen dan ook <i>niet anders kon</i>. Indien—om 't zeer kort te +zeggen en hier geen literair-aestetische theorieën aan te snijden, welke +al te zwaar verteerbaar zouden kunnen blijken—indien een zekere +levensbeschouwing zoo door een mensch is <i>doorleefd</i> en +<i>geasssimileerd,</i> dat zij als 't ware <i>tot vleesch en bloed van zijn +wezen</i> is geworden, dan vloeit het belijden, het <i>verdedigen</i> en dus in +zekeren zin: <i>propageeren</i> daarvan, <i>van zelf</i> en <i>natuurlijk</i> uit zijn +wezen voort; dan is dat voor dien mensch niets anders, dan <i>zelf</i>verweer +en <i>zelf</i>bestendiging, en doet het zich, zoo hij kunstenaar is, even +<i>van zelf</i> en <i>vaak</i> onbewuster wijze in zijn werk gelden, als de +rhythmiek van zijn ademhaling, als, kortom, àl zijne eigenschappen van +geest en gemoed, die sterk genoeg <span class="pagenum"><a name="p263" id="p263"></a>[p.263]</span> zijn, om hunne scheppende +aequivalenten aan te kunnen trekken. En niet het <i>uitvieren</i> maar juist +het <i>onderdrukken</i> van den daarmede verbonden scheppenden drang zou dan +een kunst<i>bedervende</i> tendenz, van de lagere persoonlijkheid, in het +werk brengen!—Een dergelijke <i>tot bloed en vleesch geworden +levensbeschouwing nu was voor onzen dichter ongetwijfeld de +religieus-katholieke,</i> en derhalve een pleidooi voor het instituut van +de biecht eene even zuiver natuurlijke uiting van zijn wezen, als zijn +ademhaling. Gelijk die ademhaling in de <i>persoonlijke-rhythmiek</i> der +<i>verzen</i>, kwam die levensbeschouwing in de <i>scheppende groepeering der +verhaal-feiten</i> en de psycholiek voor den dag! En: daar diezelfde +levensbeschouwing zoo een bijzonder-<i>sterk</i> en <i>diep</i>-wortelend deel van +zijn wezen was, kwam haar zich-naar-voren-dringen zelfs het werk ten +gòede, gelijk ik zei; verwekte zij die eigenaardige vurig-scherpe +doordringings- en verbeeldings-macht, die een schepper hooger schoon dan +ooit doet baren. Ik zei: "<i>waarvan zoo dadelijk het bewijs."</i> Ziehier: +</p> +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Hierna quam op enen dach</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Een abt, diese te visenteerne<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> plach<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) <sup>1</sup>) gewoon was te bezoeken]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Eenwerf <span class="sup"><sup>1</sup>)</span> binnen den jare, <span class="sup">[<sup>1</sup>) een maal]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Om te vernemene oft daer ware</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Enech lachterlike gherochte,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Een schandelijk gerucht]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Daersi blame af hebben mochten.<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Dat hen in opspraak zou kunnen brengen]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Sdages<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> als hire<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> comen was <span class="sup">[<sup>1</sup>) Den dag <sup>2</sup>) dat hij]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Lach<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> die sonderse<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> ende las <span class="sup">[<sup>1</sup>) Lag <sup>2</sup>) de zondares]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Inden coer<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> haer ghebet, <span class="sup">[<sup>1</sup>) Koor]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>In groter twivelingen</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>met</i>.<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) Tweestrijd <sup>2</sup>) mede, bovendien]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Die duvel becorese</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>metter scame</i> <span class="sup">[<sup>1</sup>) bracht haar in verzoeking]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Dat si haer sondelike</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> blame <span class="sup">[<sup>1</sup>) zondige]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Vore den abt niet en soudebringen.</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Alsi lach<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> inder bedinghen<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) lag <sup>2</sup>) gebed]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Sach</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>si hoe dat neven haer leet</i><span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) zag <sup>2</sup>) voorbijging]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Een jonghelinc met witten ghecleet</i>;</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Hi droech in sinen arm al bloet</i><span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) bloot]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Een kint, dat dochte</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>haar wesen</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>doet</i>,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) <sup>1</sup>) <sup>1</sup>) naar zy dacht, dood was]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><span class="pagenum"><a name="p264" id="p264"></a>[p.264]</span> <i>Die jonghelinc warp<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> op ende neder</i> <span class="sup">[<sup>1</sup>) wierp]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Enen appel ende vinken</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>weder</i> <span class="sup">[<sup>1</sup>) ving hem]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Vor tkint, ende maecte spel.</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dit versach die nonne wel,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Daer si in haer ghebede lach,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) lag]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Si seide: "Vrient, oft wesen mach</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ende of ghi comen sijt van Gode,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Soe<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> manic<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> U bi sinen gheboden <span class="sup">[<sup>1</sup>) Zoo <sup>2</sup>) bezweer ik]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dat ghi mi segt ende niet en heelt<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) verheelt]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Waerom ghi voer dat kint speelt</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Metten sconen appel roet<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) rood]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ende het leit in uwen arm doet:<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) dood]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">U spel en helpt hem niet een<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> haer."<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) <sup>1</sup>) geen zier]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">—"<i>Seker, nonne ghi segt waer:</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>En weet niet van minen spele,</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Weder</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>luttel nochte</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>vele</i>: <span class="sup">[<sup>1</sup>) Noch <sup>1</sup>) noch]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Hets</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>doet</i><span class="sup"><sup>2</sup>)</span> <i>en hoert</i><span class="sup"><sup>3</sup>)</span> <i>no</i><span class="sup"><sup>4)</sup></span> <i>en siet</i>. <span class="sup">[<sup>1</sup>) Het is <sup>2</sup>)dood <sup>3</sup>) hoort <sup>4</sup>) noch]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Al des ghelike</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>en weet God niet</i> <span class="sup">[<sup>1</sup>) Welnu evenmin]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Dat ghi leest</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>ende vast</i>; <span class="sup">[<sup>1</sup>) bidt]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Dat en helpt U niet een bast</i><span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Dat alles is van volstrekt geen waarde]</span>.</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Mets al verloren pine</i><span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) moeite]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Dat ghi neemt discipline</i><span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Dat ge U kastijdt]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Ghi sijt in sonden soe</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>versmoert</i><span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) zoo versmoord]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Dat God U beden niet en hoert</i><span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) hoort]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Boven in sijn rike</i>.</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ic rade U: haestelike<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) haastiglijk]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Gaet ten abt uwen vader</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ende verteelt hem algader</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">U sonden al sonder lieghen.</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Laet U den duvel niet bedrieghen.</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Die abt sal U absolveeren<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) absolutie geven]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Van den sonden die U deren;</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Eest<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> dat ghise<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> niet en wilt spreken <span class="sup">[<sup>1</sup>) Mocht het zijn <sup>2</sup>) gij ze]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">God salse swaerlike an U wreken."</span><br /> +</p> + +<p>De vier regels van mijn <i>eerste</i> cursief heb ik aldus laten zetten, om U +opmerkzaam te maken tegelijkertijd èn op de aansporing tot nakoming der +biechtverplichting, die daarin ligt, èn op de voortreffelijke +psychologiek van onzen dichter, maar het tweede cursief bedoelt uw +<span class="pagenum"><a name="p265" id="p265"></a>[p.265]</span> aandacht te trekken naar die prachtige allegorische voorstelling +van <i>den jongeling, die voor een in zijn armen liggend dood kind met een +appel speelt.</i> Die voorstelling is ook plastisch zoo voortreffelijk—en +met hoe <i>eenvoudige</i> middelen is dit bereikt—dat ik het gelijk een van +ouderdom kleur-verdiept schilderij voor mij zie. Het is overigens een +<i>echt-middeleeuwsch, ingewikkeld-symbolisch</i> tafereel. Voel eens de +tijdsverwantschap ervan—in de laatste cursieven van het volgend +citaat—met een sonnet van den wereldgrooten en nog heden ten dage in de +ziel zijns volks levenden Dante Alighieri. (In de voortreffelijke +vertaling van Van Suchtelen—uit <i>Het Nieuwe Leven</i>—):</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Elk edel hart, <i>dat juist der liefde gloed</i>,<a name="FNanchor_4_53" id="FNanchor_4_53"></a><a href="#Footnote_4_53" class="fnanchor">[4]</a></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Tot voor welks aanschijn deze woorden dwalen—</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Opdat het mij zijn meening moog verhalen—</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">In naam van Amor, zijnen Heer, mijn groet!</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 2em;">Reeds henen was dra 't derde deel gespoed</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Der uren waarin alle sterren stralen,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Toen plotseling Amor tot mij neer kwam dalen,</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Zoo, dat herinnering nog mij beven doet</i>.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Vol vreugde scheen hij me eerst terwijl zijn handen</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Droegen mijn hart, en in zijn armen had</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Hij mijn Meestres, sluimrend in lichtrood kleed</i>;</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Toen riep hij haar; en van mijn hart dat brandde,</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Zag ic hoe zij schuchter, schoon gehoorzaam, at....</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>En klagend vlood hij als in bitter leed</i>.</span><br /> +</p> + +<p>In mijn <i>derde</i> cursief—in het <i>Beatrijs-citaat</i>, wel te +verstaan—vindt ge de verklaring van de symbolische voorstelling. Het is +alles niet dan zuiver schoon en zuiver natuurlijk: Beatrijs is een arm +ongelukkig menschenkind, dat de wroegende herinnering aan hare zonde een +ander openbaren <i>moet</i>. En de jongeling, de engel ... wel wat zou +<span class="pagenum"><a name="p266" id="p266"></a>[p.266]</span> wel <i>natuurlijker</i> voor een engel uit den <i>katholieken</i> hemel +kùnnen zijn, dan een dergelijke ongelukkige op de biecht te wijzen: niet +minder eene werkelijke verlossing dan een verplichting voor +haar?—Beatrijs overwint dan haar schaamte en biecht den abt haar +misdrijf en miraculeuze redding; deze geeft haar absolutie en zegt dan +(en let <i>nu eens op</i> hoe <i>voortreffelijk-compositorisch</i> ook, dit +gedicht is opgebouwd!):</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Hi seide: "Ic sal in een sermoen<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) preek]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">U biechte openbare seggen,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ende dat soe<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> wiselike<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> beleggen,<span class="sup"><sup>3</sup>) [<sup>1</sup>) Zoo <sup>2</sup>) wijselijk <sup>3</sup>) daarheen leiden]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dat ghi ende U kinder mede</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Nemmermeer<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> te ghere stede<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) nooit <sup>2</sup>) in geen enkel opzicht]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ghen lachter<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> en selt<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> ghecrigen,<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) schande <sup>2</sup>) <sup>2</sup>) zult oploopen]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Het ware onrecht soudement<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> swigen</i>, <span class="sup">[<sup>1</sup>) zou men het]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Die scone miracle, die ons here</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Dede doer siere moeder ere</i>.<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Deed ter eere zijner Moeder]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Ic saelt</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>orconden</i><span class="sup"><sup>2</sup>)</span> <i>over al</i>; <span class="sup">[<sup>1</sup>) zal het <sup>2</sup>) verkondigen]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Ic hope datter nog bi sal</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Menech sondare bekeren</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Ende onserlieven vrouwen eren</i>."</span><br /> +</p> + +<p>Ik heette U erop te letten, hoe in mijn citaat iets +voortreffelijk-compositorisch voor den dag zou treden. En +natuurlijk—gij zaagt het reeds in mijn cursief. De vraag zoude immers +geblèven zijn—een <i>gewichtige</i> vraag voor onzen dichter, voor wien het +schrijven van dit gedicht, niet "slechts" het scheppen van een kunstwerk +was, maar veel meer dan dat: het verheerlijken der heilige +Moeder-Maagd—hoe werd dit mirakel ooit bekend aan anderen, hoe kòn 't +aan anderen bekend zijn geworden, waar het toch juist uitteraard een +geheim tusschen de Goddelijke en de begenadigde vrouw was? En ziedaar de +oplossing: de psychologische en religieuze noodzakelijkheid van de +biecht voor Beatrijs, èn een biechtvader, die het zóó weet te plooien, +dat hij, zonder het biechtgeheim te schenden, toch der wereld de +troostende en stichtende wetenschap van het mirakel schenken kan. Mooier +het-een-uit-het-ander-<i>gegroeid</i> had het waarlijk niet gekund!—het +naïef schoone slot:</p> + +<p class="pagenum"><a name="p267" id="p267"></a>[p.267]</p> +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Hi—de abt, v.C.—deet verstaan den covende,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) klooster]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Eer hi thuuswaert<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> weder wende, <span class="sup">[<sup>1</sup> huiswaarts]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Hoe<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> ere<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> nonnen was gesciet; <span class="sup">[<sup>1</sup>) wat eene]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Maer sine wisten niet</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Wie si was; het bleef verholen.</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Die abt voer<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> Gode volen<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) reed heen <sup>2</sup>) God bevolen]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Der nonnen kinder nam hi beide</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ende vorese<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> in sein gheleide. <span class="sup">[<sup>1</sup>) voerde hen mede]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Grau abijt<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> dedi hen an, <span class="sup">[<sup>1</sup>) Het grauwe kleed]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ende si werden goede man.</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Haer moeder hiet Beatrijs.</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Loef Gode ende prijs,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ende Maria, die God soghede<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) zoogde]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ende dese scone miracle toghede.<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) toonde, d.i.: deed gebeuren]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Si halp<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> haer uut alre<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> noet.<sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) hielp <sup>2</sup>) <sup>2</sup>) al haar nood]</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Nu bidden wi alle, cleine ende groet</i>,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) groot]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Die dese miracle horen lesen,</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Dat Maria moete wesen</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Ons vorsprake int soete dal</i>,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Daer God die werelt doemen</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>sal</i> <span class="sup">[<sup>1</sup>) oordeelen]</span></span><br /> +<span style="margin-left: 14em;">Amen.</span><br /> +</p> + +<p>Prachtig niet waar, dat door mij gecursiveerde: in de <i>eerste</i> twee +regels: de evocatie van dien biddenden kring, "klein en groot"—ziè +jelui 't wel?—als zoo'n prentje, een miniatuurtje van een primitieve in +een antiek brevier? En hóórt ge wel, die berustende <i>donkere,</i> als +<i>knielend-afwachtende</i> orgelmuziek der drie laatste regels?...—Welnu, +loonde het genot de moeite niet?... Ja, zoo gaat 't nu eenmaal: nù spijt +'t U allicht dat de duikklok, waarin wij ter diepte der tijdzee +onderdoken, reeds wordt opgehaald.... Wij naderen de oppervlakte weer, +de lucht van ònzen tijd zullen wij daar onmiddellijk inademen .... Maar +in elk geval, onze kostbare parelen en vreemde planten hebben wij toch +uit de diepte meegevoerd....—En terwijl wij <i>Boutens</i>' "Beatrijs" gaan +lezen, zullen wij zien ... nu en dan, en vergelijkend ... naar die +parelen en naar die planten....—</p> + + +<p class="caption">Noot:</p> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_53" id="Footnote_4_53"></a><a href="#FNanchor_4_53"><span class="label">[4]</span></a> Hier is de vertaling duister. Het oorspronkelijke heeft: <i>A +ciascun'alma presa e gentil core</i> hetgeen beteekent: <i>Aan elke verliefde +ziel en edel hart</i>.</p></div> + + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p class="pagenum"><a name="p268" id="p268"></a>[p.268]</p> +<h3>IV</h3> + +<h4>P.C. Boutens' Beatrijs</h4> + + +<p>Als een mensch zich-zelven moe wordt; als hij een afkeer van zichzelf +krijgt; als al datgene wat tot dan zijn trots, zijn geluk, zijn hoogste +doel was, hem plots een ledigheid, een grauwte, een vertwijfeling en een +doellóósheid blijkt; als al datgene wat hem als zijn leven-zelf was, hem +als hèt levenlooze verschijnt—dàn, indien hij sterk en jong is en nog +niet het passieve van den uitgeleefde en welhaast-stervende heeft, dan +wendt hij zich meerendeels om troost, om een <i>nieuw ideaal,</i> tot het +<i>tegengestelde</i> van het oude, van alles wat hij vroeger zoo diep heeft +liefgehad. En gelijk de menschen, zóó de tijd, ja: méér dan de menschen +aldus de tijd, want betrekkelijk zelden schijnt deze—ofschoon ook dat +wel eens gebeurt—te <i>sterven</i>, d.w.z.: breekt <i>abrupt</i> af en wordt +<i>opgevolgd</i> door een, die een ander is dan hij, met als uitvaart-en +geboortklok-bronzen-donder een stormend luien als van de Fransche +revolutie tusschen beide in. En als zulk een tijd, zooals ik reeds zei: +schìjnt te sterven, welnu en inderdaad, dan is 't ook niet meer dan +<i>schijn</i>. Het was maar dat geweldig klokken-gebimbam, dat die illusie +bij ons wekte. Is dat verklonken, is de revolutie voorbij, dan blijkt +wel de tijd toch <i>niet</i> te zijn <i>opgevolgd door een ander</i>, maar hij +zelf is 't, die voortleeft, hij de onder een nieuwen schijn nog in zoo +òverveel òude, hij die is gegroeid, opgebloeid, òf als gekrompen, als +verminkt—hij dezèlfde. Ons geloof in revoluties, als—versta wel:—het +<i>als-bij-tooverslag-alles-veranderende,</i> is mede, dunkt mij, in ons +ontstaan, door ons onbewust verwarren van wat in ons-zelf noodzakelijk +en goed is met dat wat voor de menschheid het goede mag heeten. De +menschenziel heeft, als al het individueele leven, dat zij om zich heen +ziet, den dood noodig, voor haar eigen ontwikkeling—en zoo zij dit nog +niet inziet, dan begrijpt zij toch: voor de ontwikkeling van haar +soort—den dood: dat is <i>haar revolutie</i>, en derhalve concludeeren +<span class="pagenum"><a name="p269" id="p269"></a>[p.269]</span> wij onbewust: ook dat sociaal en cultureel geheel, dat we "een +tijd" noemen, heeft dien dood: die revolutie van noode. Maar zooals ik +reeds zei: óók zelfs die <i>schijn</i>-dood ontbreekt bij den tijd bijna +geheel, en als hij zich-zelf moe geworden is, als hij een afkeer van +zich-zelf krijgt, dan wendt ook hij zich om troost en verheffing naar +een nieuw ideaal, en al de niet-uitgeleefden, al de niet welhaast +stervenden, allen, die werkelijk geestelijk leven in zich hebben, wenden +zich en zoeken mèt hem.... Op de wijde levenszee wapperen en keeren dan +al die duizenden kleinere en grootere vaantjes, in dien dwingenden +wentelstorm des tijds, waarvan te nauwer nood één opperst-wijs en +veelwetend menschenkind kan berekenen, waaruit hij ontstond en waaròm +hij juist dàn opstak.... En evenwel, al die menschen, die zich wenden +mèt de wending des tijds, doen dat niet met het zelfde verlangen, +dezelfde hoop. Zij hebben vaak één schoonheid gemeen—anders dan het +enkele individu, van persóónlijke onlust bevangen—: dat hunne zielen, +<i>niet</i>-egoistisch, open stonden voor de nooden van den tijd, dat die de +hunne zijn geworden; diè schoonheid hebben zij gemeen, maar niet +hetzelfde inzicht in: hòe die nooden zijn te verhelpen. De proletariërs, +hatend het oude, dat hun niets dan druk en ellende heeft gebracht, +waarin zij geen schoonheid kunnen ontdekken, omdat het hùn nooit als +zacht en schoon verscheen, en de anderen er zich wel ter dege voor +hebben behoed den misdeelden te zeggen, hoe schoon het voor de +gelukkigen was—de Proletariers willen liefst volkomen afrekening +daarmede, zij keeren zich tot een visioen, <i>dat is zooals nog niets +was</i>. Hing het van hun wil alleen af, zij namen slechts dàt mee van het +oude, waarvan zij voelen, dat het 't oude-zelf vijandig is. Zoo werd +datzelfde beunhazig, Multatuliaansch filosofisch-materialisme, waarover +ik vroeger sprak, intuïtief door hen zoo geestdriftig omhelsd, omdat het +een <i>machtig vijand</i> van den <i>kerk-dwang</i> en de <i>kerk-verdomming</i> was, +den dwang en verdomming, die het <i>taaist</i>, het <i>huichelachtigst</i> en het +<i>langst</i> het proletariaat zullen pogen te knechten. <i>Intuïtief</i> namen +zij het mede, geestdriftig als ware dat-zelf hun <i>doel</i>; maar +langzamerhand, als zij <i>verstandelijk</i> gaan begrijpen, als zij logisch +<span class="pagenum"><a name="p270" id="p270"></a>[p.270]</span> gaan dènken, dan blijkt dit "doel" hun maar een <i>middel</i> tot het +echte doel te zijn, ja: slechts een middel<i>tje</i>, een dat op de koop toe +zóó, zonder verbetering, niet is te gebruiken. En ook die verbetering, +die veredeling waren wij zoo gelukkig zich te zien voltrekken: in den +geest van de <i>besten</i> hunner verandert die onbekookte "filosofie" in een +drang, om <i>nauwkeurig met de werkelijkheidsfeiten rekening te houden,</i> +om <i>empirisch</i> te werk te gaan—de phrase, het geschetter verachten zij. +Groote winst ongetwijfeld, al blijft hun vaak en lang het nadeel van een +onoverwinnelijken weerzin tegen alle speculatieve en zich met het +bovenzinnelijke moeiende ideologieën. Hun geluksvisioen toetsen zij aan +de werkelijkheid, voortdurend, dag aan dag en uur aan uur, en als zij +iets hebben gemaakt, dat op een deeltje van hun ideaal wel <i>lijkt</i>, maar +het niet <i>is</i>, dan zeggen ze: "neen 't is het niet, het deugt niet." Al +dwingt hun de werkelijkheid het minst-kwade van twee kwaden te +kiezen—zij hèbben een klaren blik gewonnen en die heeft hun geleerd een +hekel aan surrogaten te hebben.—Anders de bourgeoisie in den +kenterenden tijd: diegenen onder haar—op enkele zéér sterk-geestelijke, +met het proletariaat medetrekkenden na—die van het heden àf willen, +omdat het hen onbevredigd laat, omdat zij er zich door voelen besmeurd; +hun verlangen gaat, nu zij <i>iets anders</i> willen, <i>niet</i> naar iets +<i>geheel</i>-nieuws—daarvoor zijn zij aan dat oude, <i>dat hun zooveel geluk +en schoonheid heeft gebracht</i>, te zeer verknocht—maar het gaat naar het +goede en schoone van het oude (het liefst zéér oude: vèr vóór hun +heden), 't welk ze, uit het oude geheel gesneden, tot iets nieuws willen +fatsoeneeren, dat de distinctievolle bekoring van het voorbije toch niet +mist. Hun geest, door afstamming en cultuur vaak, bewust of onbewust, +reactionnair en retrogade, acht het <i>heden,</i> dat hem niet bevredigt, +niet een <i>verdere ontwikkeling</i> zooals zij gaan <i>moest</i>, van het +<i>verleden</i>, en waarvan de nadeelen en gebreken wéér door een verdere +ontwikkeling in de <i>toekomst</i> zullen moeten opgeheven worden, maar hij +acht dat heden een <i>verbastering</i> van dat verleden en wil dáárheen +terug. Zien de socioloog en de politicus de uitwerking dezer +geestesgesteldheid in het economisch en staatkundig leven, de <span class="pagenum"><a name="p271" id="p271"></a>[p.271]</span> +letterkundige ziet haar niet minder sterk in de literatuur, maar het +niet geringe voordeel, dat den laatstgenoemde boven de eersten te beurt +valt is dat hij vaak een toch zeer zeker <i>schoone</i> uitwerking ziet, en +de socioloog en politicus zelden of nooit iets anders dan een +<i>leelijke</i>. En van dat wedervaren van den literator, ga ik u nu een +voorbeeld geven, want de geest van <i>Boutens</i> als dichter van de +<i>Beatrijs</i>, is een van die retrogade en naar het héél oude verleden +tastende geesten, en als zoodanig heeft zijn aard zich volledig èn ook +in <i>zeer treffende schoonheid</i> in dit zijn werk geuit. Duidelijk +aantoonbaar, ziet men hem in dit gedicht naar het oude grijpen, en een +<i>schoon, hem passend deel</i> daaruit snijden en tot <i>iets nieuws +fatsoeneeren</i>. Immers aldus zit de zaak in elkaar—<i>en nu moet ge eens +extra goed opletten</i>, want ik geef u nu als 't ware het <i>program</i> voor, +de <i>samenvatting</i> der vergelijkende analyse, welke volgen zal—: de +middeleeuwsche mirakelenverzameling, waarvan de <i>Beatrijs</i>-legende deel +uitmaakt, was een compilatie van verhalen aan wier historische +waarachtigheid de schrijver-zelf zoowel als het overgroote meerendeel +zijner middeleeuwsche lezers even zeker geloofden, als gij, +bijvoorbeeld, aan het bestaan van uw lichaam. En onder hen, die onze +legende hoorden of lazen, behoorde ook de dichter van de <i>Sproke van +Beatrijs</i>, waarmede gij in mijn vorige artikelen hebt kennis gemaakt. En +zooals nu al zijn tijdgenooten, die het verhaal hadden gelezen, er vast +in geloofden en er hun godsvrucht door voelden gesterkt en geheven, <i>zóó +precies, zóó en niet anders</i> geloofde ook hij en voelde er zijn +godsvrucht door gesterkt; maar: omdat <i>hij</i> een <i>dichter</i> van nature +was, gebeurde in hem nog iets meerders: uit zijn gestegen religieus +gevoel voelde hij een schoon dichtwerk opzingen en hij schreef die zang +op, <i>wellicht</i> in vreugde om de schoonheid-zelf, die hij voelde te +geven, maar <i>zeker</i> verheugd, omdat hij dit reine offer op het altaar +van zijn God kon leggen. Anders Boutens—ik voel mij er zeker van: als +men Boutens zou vragen: "Gelooft gij er waarlijk aan, dat een houten +beeld door de Moeder Gods in een haar tijdelijk dienend lichaam werd +veranderd (zóó is de in <i>zijn</i> Beatrijs op zich-zelf <i>zeer +schoon-gevonden</i> voorstelling), om <span class="pagenum"><a name="p272" id="p272"></a>[p.272]</span> voor een het klooster +ontweken non de dagelijksche taak waar te nemen?" hij zou moeten +antwoorden: "Daar geloof ik niets van", en zelfs: "Van de historiciteit +van het heele mirakel geloof ik niets." En dat, als men hem dan opnieuw +zou vragen: "Wat gelooft ge dan daaromtrent eigenlijk wel, want uw fraai +gedicht blijkt mij toch zekerlijk in religieus gevoel gedrenkt en er +gansch van doortrokken?" hij allicht dit wederwoord zou geven: "Als ge +mij dat zóó vraagt, kan ik u niet antwoorden; mijn religieus gevoel is +wel diep, maar zal, omdat het toch mijn hééle zijn niet vult—het +verband ervan met mijn <i>rede</i> bijvoorbeeld is uiterst los—den schijn +van een uiterste en vervluchtigende vaagheid niet kunnen ontkomen, +zoodra ik het in preciese, redelijke begripstermen, in plaats van in +beeldende voorstellingen, zou willen kenbaar maken. Ik denk eigenlijk, +dat mijn algemeen religieus geloof meer een soort van neo-katholiek, +vaag mysticisme, een hijgen-naar-geloof is, dan geloof-zelf.... Deze +tijd, ziet ge, stoot mij af; nu strek ik mijn verlangende handen uit +naar de middeleeuwen, en naar het kostbaarste en allerheerlijkste dat +deze bezaten: hun eerlijk, eenvoudig, kinderlijk en hart-diep, +onwrikbaar Godsgeloof en ik zeg mij: de bijzondere vorm van hun +godsgeloof, die kinderlijke vorm, kan de mijne niet zijn, maar het +daarin brandende sentiment moet toch wel sterk verwant, ja gelijksoortig +aan het mijne zijn, en dàt mòet ik nu eenmaal, ook als dichter, uiten +... dàt is mijn lèven.... O, kon ik, zoo sprak ik tot mijzelf, al ware +'t maar één hunner oude vormen van mijn sentiment vol maken en doen +blozen, want om gansch nieuwe vormen, niet vage maar tastbare, te +scheppen, daarvoor schijnt, helaas en helaas, mijn religieus sentiment +weer niet stèrk genoeg te zijn...."—Zóó, denk ik, zou Dr. Boutens +kunnen antwoorden, en dat ik goede redenen heb, aldus te denken, hoop ik +u zoo aanstonds door mijn analyse te bewijzen. Nu eerst dit nog: wat, +dit alles nu eenmaal zoo zijnde, gebeuren moest, gebeurde. Vorm en +inhoud in de kunst, als in de natuur, zijn één. En precies zóó +<i>stevig-tastbaar</i> of <i>onwezenlijk-vaag</i> zal de vorm zijn, als de ziel, +het sentiment, dat zich erin belichaamt, <span class="pagenum"><a name="p273" id="p273"></a>[p.273]</span> stevig-tastbaar of +onwezenlijk-vaag is. Zoo concreet-stevig, zoo tastbaar als het +religieuse sentiment van onzen <i>middeleeuwer</i> was, zoo concreet-stevig, +zoo <i>aarde-leven-vol</i> werd zijn <i>Sproke</i>, en zoo abstract-vaag als het +religieus sentiment van <i>Boutens</i> is, zoo abstract-vaag, zoo +<i>buiten-het-aarde-leven-staande</i> werd zijn <i>Beatrijs</i>.—<i>Daar was in de +middeleeuwen een zuiver-blanke, maar grove schotel van gering aardewerk; +daarop lag het Brood-des-Levens; die schotel ging den kring rond, en die +van het Brood aten, vonden ook, in hun verheerlijkende ziening, den +schòtel schoon. Maar onder hen zat een kunstenaar aan, en zijn hart +drong hem, om dien schotel, die zóó heiligen last droeg, met zijn +innigste kunst te versieren. En de etenden vonden den nu versierden +schotel wel schooner dan hij was, maar toch: onvergelijkelijk schooner +en beter en heerlijker nog: het Brood-des-Levens dat hij +droeg</i>....—<i>Zes eeuwen later staat weder een kunstenaar op; hij vindt +de antieke schaal, dier kleuren en beelden schijnen onder het licht van +dezen tijd verwelkt. Toch verstáát hij het sentiment van hem, die eens +ze schilderde. Welnu, ook zijn hart dringt hem bij dezen schoonen +aanblik: hij zal een dergelijke maken en beschilderen die met zijne +verbeelding der zelfde tafereelen.... Nu is zij gereed.... Maar waar is +het Brood-des-Levens, dat op de oude lag?.... Hij bezit 't niet.... Waar +trouwens de kring der etenden, die het onder innerlijk gebed in heilig +genieten zouden nuttigen?.... In deze tijden eet men niet dit Brood. Men +vréét het brood der schamelheid en der rampen, of het brood der rotte +weelde, uit de gore hondenhokken en van de decadent-broze +"eierschaal"-bordjes van het kapitalisme. In deze tijden ìs ook zùlk een +schotel geen gebruiksvoorwerp meer.... die is, ofschoon van modern +maaksel, tè antiek, haha, die is tè snoepig-mooi.... dat is 'n +wàndbord,dat hangt men aan den muur.... En zóó kwàm hij dan ook te +hangen; in het literaire salonnetje van meneer A., in 't geurig +boudoirtje van Mevrouw B., en overal in de doddige werkkamertjes van de +hoogere-burgertjes en gymnasiastjes Dela, Rie en Loes, waar-ie 't zoo +verrukkelijk "doet" naast 't portret van dien dirigent met den +interessànten kop, op wien nu lètterlijk iedereen verliefd +is</i>....—Helaas ... armoede-in-rijkdom van een groot <span class="pagenum"><a name="p274" id="p274"></a>[p.274]</span> dichter, te +zwak voor zìjn tijd, te zwak voor een vroègeren, en alleen sterk in zijn +dróóm.... Nu neem ik dat wandbord in mijn hand, want ik wil het met u +van nabij bekijken; ik wil pogen waar te maken, wat ik heb beweerd.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Aldus is het verhaal in Boutens' <i>Beatrijs</i>: Een zeer reine en volmaakt +aan God en Maria overgegeven non leidt in een klooster een begenadigd +leven. Ze is een ideëele figuur van zieleschoonheid, welke, als in haar +volmaakt-natuurlijken vorm, zich in lichaamsschoon heeft gehuld. Zij is +een dier van God-gezegenden, voor wie de menschenharten zich dadelijk +openen, door wier aanblik de vreugde hooger bloeit, het leed al wordt +gelenigd, terwijl zij-zelf, als ze anderer smart verlicht, door die mede +te helpen dragen in haar liefderijke zorgen, dit uit zóó puur-ingeboren, +natuurlijke aandrift doet, dat die in haar gekomen smart haar niet drùkt +en vertroebelt. Voelen de andere nonnen te leven in een "donkre dal van +smart" en bidden zij Maria, dat Zij daarin een glimp van genade moge +zenden, bij haar is 't anders.... Maar kom, maak gij zelf nu maar eens +kennis met de zuivere, stille verzen van dezen dichter, met zijn +<i>waarlijk-verrukkelijke</i> stem:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Maar of zij vastte of zong of bad,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Haar was of heur leven zelf bewoog</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">In de straten van Gods lichte stad</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">En onder Moeders oog.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 2em;">Zoo was haar doen één zuivre vreugd:</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Een orgel dat speelt zacht en ver</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Zijn hymnen aan Maria's deugd:</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">O Hemels Deur, o Morgenster!</span><br /> +</p> + +<p>Maar helaas, het klare vijvervlak dier blije ziel blìjft niet zoo +rimpelloos en onbewogen. Eens op een ochtend uitgegaan, om pijn te +verzachten, een ongelukkige te troosten—de dichter verhaalt dit op deze +schoone wijze, waarvan ik het meest opmerkelijke cursiveer:</p> + +<p class="pagenum"><a name="p275" id="p275"></a>[p.275]</p> +<p> +<span style="margin-left: 2em;">En eens op een ochtend in den Mei</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Ging ze uit waar smart haar blijdschap riep,</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Langs akker en blanke huizenrij,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Toen alles sliep.</span><br /> +</p> + +<p>—eens alzoo op een ochtend uitgegaan:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">En buiten het dorp aan der wegen sprong</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Kwam door den morgen haar temoet</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Een stem die met den leeuwrik zong.</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Een ridder goed.</span><br /> +</p> + +<p>Bij het eerste hooren, bij de eerste aanschouwing, treft die stem haar +reeds zoo diep in 't hart, overstelpt die aanblik haar zoozeer, dat:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Zij kon niet hooren wat hij sprak—</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Was het een vraag, was het een groet?—</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Het was als zong de wind door den tak:</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ik min u goed.</span><br /> +</p> + +<p>Niets dan dit vervulde haar gewaarworden. En daar zij hem aanzag, zag +zij ook niet zijn schóónheid, maar slechts:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">......in oogen brandend klaar</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Smart die zij niet verstond.</span><br /> +</p> + +<p>In het klooster weergekeerd, hóórt zij niets dan diezelfde zoete stem, +niet anders dan diezelfde onverstane woorden-als-een-lied; vòelt zij +niet anders dan dien "gouden pijn," één zoete foltering. En echter—maar +let tevens eens op het diepe wijsheidsschoon van de door mij +gecursiveerde regels—:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Geen van haar zustren speurde haar leed,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Geen van haar zustren sprak ze ervan,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Omdat die zelve ziet en weet</i>,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Alleen vertroosten kan</i>.</span><br /> +</p> + +<p>Dit is, tot het einde, de korte inhoud van wat men den "eersten zang" +van het gedicht zou kunnen noemen.</p> + +<p><span class="pagenum"><a name="p276" id="p276"></a>[p.276]</span> En verder gaat nu het klare verhaal aldus:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">In de stille hal aan den witten wand</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Stond een aloude Lieve-Vrouw</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">In strakke plooi en steilen stand</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Van donker-eiken rouw.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 2em;">Die was de vertrouwde van Beatrijs,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">En alles wat zij deed en dacht,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Verhaalde zij haar in woord en gepeis</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Voor iedren nacht.</span><br /> +</p> + +<p>Als zij de poort 's avonds heeft gesloten, heeft zij het gevoel, of ze, +voor het beeld van Maria staande, als een kind aan moeders schoot staat +en Moeder voor zich alleen heeft. Het strak-houten beeld schijnt voor +haar een heimelijk en teeder leven te krijgen. Den avond na dien dag, +waarop zij den ridder heeft ontmoet, blijft zij zeer lang aan "Moeders +voet" geknield, maar zoo zegt, vooral in het door mij gecursiveerde +gedeelte zeer fraai, de dichter:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Wel laafde gebed zich uit liefdes stroom,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Maar haar diepste hart bleef ongerust,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Als het hart van het kind dat in den droom</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Zijn doode moeder kust</i>.</span><br /> +</p> + +<p>Zij staat op, treedt naar de poort, maar sluit die niet en gaat den +buitennacht in, om in de donker-overhuivende eenzaamheid omtrent +zich-zelf tot klaarheid te komen....</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Toen door haar wondzeer harte sneed,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Als een pijl die door de klaarte schoot,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Van een verdoolde meeuw de kreet?</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Van ziel in nood?</i></span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 2em;">Smartelijk sloot haar zachte mond;</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Zij week door d'engen duistren kier</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Terug tot waar Maria stond:</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Moeder, ik moet van hier</i>.</span><br /> +</p> + +<p><span class="pagenum"><a name="p277" id="p277"></a>[p.277]</span> Ik heb in elk dezer beide strophen een regel gecursiveerd, om op +tweeërlei verschil in opvatting tusschen Boutens en den middeleeuwschen +dichter al vast de aandacht te vestigen. Zooals Beatrijs bij de eerste +ontmoeting met den ridder reeds, "zag in oogen brandend klaar <i>smart</i> +die zij niet verstond," zoo meent zij nu de kreet van een "ziel in +<i>nood</i>" te hooren. Hier niet de frissche, geestelijke-èn-zinnelijke +liefde van de middeleeuwsche non, die, door "den duvel" met +"vleescheliker sonde becord", haren, even als zij +hartstochtelijk-verliefden, minnaar toch zich roept; maar hier het +romantische bleeke-plaatjes-nonnetje; hier het <i>decadent-moderne</i> +vrouwtje, dat dóór het <i>medelijden</i> met het <i>leed</i> van den zoo smachtend +op haar verliefde, pas tot de lièfde komt: de +minnares-in-verpleegsterscostuum! Hier ook niet de <i>langzame +ontwikkeling</i> van het gevoel, de jaren door, tot het 't overheerschende +alvermogende wordt, maar hier de verliefdheid-op-'t-eerste-gezicht, +zoodat dan ook hier "de zoete Beatrijs" tegelijkertijd kinderlijker, +heilig naïef èn in oneindig mindere mate martelares èn zondares is, dan +die van den middeleeuwschen dichter, die, nog afgezien van al het +andere, al vast het kloosterleven is ingetreden met een aardsche en +<i>on</i>verwonnen liefde in 't hart, waartegen zij zelfpijnigend heeft +gestreden. En dat in oneindig mindere mate martelares- en +zondares-zijn—waardoor zij voor ons tevens heel wat aan mede voelbare +<i>menschelijkheid</i> inboet!—accentueert zich ook in het verschil tusschen +de beide soorten zekerheid ten opzichte van de te plegen zondige +liefdedaad, welke beiden <i>Beatrijs</i>-figuren respectievelijk eigen is. De +zekerheid van de middeleeuwsche Beatrijs is die van eene die er gewis +van is hare zedelijke <i>nederlaag</i> te moeten erkennen; die er <i>zeker</i> van +is, haar <i>hartstocht</i> te mòeten <i>gehoorzamen</i> en haar <i>heiligsten +plicht</i> te moeten <i>verzaken</i>; de zekerheid daarentegen van Bouten's +Beatrijs is die van eene die voelt dat een afschijning van de zuivere +caritas: het hooger-menschelijke medegevoel met hem die lijdt, haar +lager-menschelijke liefde heiligt. Háár zekerheid is die van eene, wie +de onoverwinnelijke drang tot het vervullen van een làgeren plicht, de +verzaking van een hóógeren oplegt. <i>Niet</i> de <i>hartstocht</i> trekt haar dus +van den <i>plicht</i> en <span class="pagenum"><a name="p278" id="p278"></a>[p.278]</span> de <i>deugd</i> af, maar de <i>plicht van den +plicht</i> en de <i>làgere deugd</i> van de <i>hóógere deugd</i>. De middeleeuwsche +Beatrijs zegt met dezelfde vastbesloten zekerheid:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Ic moet leiden een ander leven,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dit abijt moetic begheven.</span><br /> +</p> + +<p>als de moderne Beatrijs zegt:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Moeder, ik moet van hier.</span><br /> +</p> + +<p>maar de middeleeuwsche voelt 't heel zeker tevens:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Dat mi die <i>crancheit</i> sal doen <i>dolen</i>.<a name="FNanchor_5_54" id="FNanchor_5_54"></a><a href="#Footnote_5_54" class="fnanchor">[5]</a></span><br /> +</p> + +<p>en bidt tot Maria:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Soe moetie kinnen minen <i>noet</i>, (nood)</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ende mine <i>mesdaet</i> mi vergheven;</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ic moet in <i>swaren sonden sneven</i>!</span><br /> +</p> + +<p>terwijl de moderne Beatrijs in haar diepste hart er wel degelijk zeer +verzekerd van is, dat ook Maria wel het <i>edele</i> in hare zonde zal +erkennen en haar nimmer voor goed verwerpen en uit hare genade en +goddelijke liefde verbannen zal, weshalve zij dan ook, op het punt van +het klooster heimelijk te verlaten en na haar nonnengewaad te hebben +uitgetrokken, rustig kan zijn en zeggen:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">En als een kind dat troost, zoo teer,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Glimlachte</i> zij beslist: Ik moet—</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>ik kom weêr</i>.</span><br /> +</p> + +<p>Zoodat de dichter dan ook met het volste recht mag verhalen:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Zoo toog die zoete Beatrijs,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Rustig en recht</i> als een die weet,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Haar nachtelijke onzeekre reis</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Naar 't hart dat <i>om haar leed</i>.</span><br /> +</p> + +<p><span class="pagenum"><a name="p279" id="p279"></a>[p.279]</span> Kort samengevat kan men derhalve de <i>moderne Beatrijs</i>—vooral +als men let op het laatst door mij geciteerde couplet—karakteriseeren +als de in een soort van <i>trance</i> verkeerende heilige, wier aardsche +liefde <i>geen treden uit</i> het gebied harer goddelijke liefde beteekent, +maar slechts een grover-verstoffelijkte incarnatie van de laatste is: +vandaar haar stil-blije "<i>glimlach</i>"; vandaar haar gansch niet wijkend +gevoel van <i>eenheid en betrekkelijke gelijkheid</i> met Maria, die +zij—waarlijk in overheerlijke en verrukkelijke naïveteit, <i>voor welker +beelding onze dichter den hoogsten lof verdient</i>—vóór haar vertrek nog +meent te moeten troosten, als een kind dat zijne moeder verlaat! Vandaar +haar rustige en "wetende" zekerheid, als die van een, die <i>door God-zelf +wordt geleid</i>; eene innerlijke verzekerdheid, zóó groot, dat bij haar +vertrek: (let op het <i>eerste</i> cursief):</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Zij zag niet om</i>, een vlotte schijn</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Verdween zij in de <i>duistre pracht</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Van 't diep en goudelend gordijn</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Der verre nacht.</span><br /> +</p> + +<p>En vandaar eveneens, bij het afscheid, haar aldus-zien van Onze-Lieve-Vrouwe:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">En bijna blij</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 2em;">Stond zij nog eens aan Moeders voet:</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Vaarwel, Maria gebenedijd—</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Maria keek bezorgden groet</i>,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Maar geen verwijt</i>.</span><br /> +</p> + +<p>Doch hebt gij nu al ongetwijfeld mede mogen opmerken in de citaten, dat +sommige schoonheden—zooals bijv. die in de twee laatst-aangehaalde +coupletten gecursiveerde—van den <i>allereersten rang</i> zijn, dit neemt +toch niet weg, dat, gelijk ik reeds aanduidde, voor onze +diepst-medevoelende <i>menschelijkheid</i> de middeleeuwsche dichter reeds nu +het pleit heeft gewonnen: zijn <i>vertwijfelende</i>, door +<i>liefde-hartstocht</i> <span class="pagenum"><a name="p280" id="p280"></a>[p.280]</span> gezweepte, zijn <i>den hemel voor de aarde +verlatende</i> Beatrijs is een mensch als wij, <i>volop een zuster van ons</i>; +maar Boutens' Beatrijs is als een zuster, zij het weliswaar een +<i>nederiger</i>, nièt van òns maar van die heilige vrouw, die op haar tocht, +ondernomen om Jezus te aanschouwen, aan een water komt, en als de +veerlieden haar weigeren over te zetten zoo ze hen niet met haar lichaam +ter wille is, daarin toestemt, omdat naast haar begeerte Jezus, die +incarnatie der Godheid, te aanschouwen, en naast haar eigen +diep-innerlijke geestelijke reinheid, die ontwijding van haar lichaam +haar iets uiterst gerings lijkt. Want evenals die heilige vrouw <i>midden +die aardsche ontwijding</i> en langs een <i>slijkerigen aardschen weg</i> toch +<i>van uit den hemel tot den hemel ging:</i> van den Jezus-in-haar-ziel tot +den stoffelijken Jezus, en dien in werkelijkheid geen oogenblik verliet, +zóó ook Beatrijs; haar drang tot <i>vertroosting der lijdende</i> +menschelijke liefde houdt klaarblijkelijk voor haar gevoel geen +oogenblik op, een dienen der <i>goddelijke</i> liefde te zijn, en haar lichte +smart bij het vertrek is vertwijfeling noch zonde-besef, het is slechts +de blije smart van de <i>zich-opofferende,</i> die weet een hoogen luister, +zij 't tijdelijk, met een minderen te verruilen. Maar schoon dit alles +en zijn ware beteekenis ten volle erkennend, mag men toch al evenmin +Boutens óók den lof onthouden, dat de beelding van de +<i>kinderlijk-naieve,</i> en <i>heilige</i> Beatrijs klaarblijkelijk met groot +meesterschap en <i>overeenkomstig zijn oorspronkelijke conceptie</i> is +doorgevoerd en volgehouden. En ook de aard van een <i>mirakel-verhaal</i> +heeft zijn gedicht tot hiertoe behouden—al is de vertroosting voor den +gewonen <i>mensch</i>, welke van de middeleeuwsche versie uitging, vrij +volledig verloren gegaan. Want dat een zoo <i>zuivere</i> en <i>heilige</i> wordt +begenadigd—welke troost brengt dit feit aan een armzalig <i>zondig +menschenkind</i>? En overigens: "<i>tot hiertoe</i>" zei ik—zooals wij later +zullen zien, komt er verderop meer dan één trek in voor, die zijn +gedicht tot het peil van de, zij het verfijnde en dichterlijk-schoone, +<i>edelaardig-romantische ballade</i> heeft neergedrukt..—</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p><span class="pagenum"><a name="p281" id="p281"></a>[p.281]</span> De volgende zang opent dan met deze schitterende vondst:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Ineens, <i>als viel een ster, zoo</i> stond</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">De donkre hal vol van <i>verlichten geur</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Maria's oog en wang en mond</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Won gloed en kleur!</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 2em;">Zij zette '<i>t kindeke van haar arm,</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Zij sloeg den mantel van om haar leên;</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Als een menschkind zoo bloot en arm</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Stond zij op 't kille steen</i>.</span><br /> +</p> + +<p>Ik zal er wel niet op behoeven te wijzen hoè bekoorlijk van +sprookjes-schoonheid, dit veranderen van het houten beeld in de levende +Maria is; noch hoe schoon de vergelijkingen zijn: "als viel een ster"; +"<i>verlichte geur</i>"; of hoe suggestief-beeldend dat 't +kindeken-van-haar-arm-afzetten is; dan wel hoe breed en wijd, in die +eenvoudige woorden: dat "Maria als een <i>menschkind zoo bloot en arm</i> op +'t kille steen stond," heel de Christus-tragiek zelve: menschwording, +lijden, eenzaamheid en armoede, ter wille der menschheid, voor ons +opdoemt.—En waar ik mij overigens toch zooveel mogelijk met aanhalen +dien te beperken—<i>gij moet dan ook vooral zèlf het zeer makkelijk +leesbare gedicht lezen</i>—zal ik maar even navertellen dat de verdere +inhoud van het begin dezer zang is, dat de Heilige Maagd nu de gedaante +van Beatrijs aanneemt, haar kleeren aantrekt en haar dienst aanvaardt. +Maar na dit gedaan te hebben, moet ik u alweer onmiddellijk doen +opmerken, dat zoo schoon als deze vondst van onzen dichter nu ook zij, +en in hoe zuivere verzen verwerkt, toch ditzelfde gedeelte tevens een +aanmerkelijke compositorische zwakte van het gedicht aan het licht +brengt. Zooals mét het elimineeren van het bewust <i>zondares-zijn</i> uit de +Beatrijs-figuur, tevens noodwendig het sterkste dramatische conflict, +dat "tusschen den zondaar en den heilige," zooals ik 't noemde, uit het +gedicht moest verdwijnen; zóó verdwijnt ook hier, nu de lezer, +onmiddellijk reeds bij het vertrek van Beatrijs weet, hoezeer Maria haar +genadig is en wàt Zij voor haar doen gaat, elke benieuwdheid <span class="pagenum"><a name="p282" id="p282"></a>[p.282]</span> +naar haar verder lot of naar waarin het mirakel nu eigenlijk bestaat! +Terwijl wij door den middeleeuwschen dichter langzaam, door de +donker-kronkelende gangen van Beatrijs' smartelijk leven, naar de plots +openlichtende klaarte van het reddende wonder worden geleid, en wij +daardoor mede-lijden met haar leed, en haar eindelijk heil niet kennen, +vóór zij zelve het kent, weten wij dit laatste bij Boutens nog vóór +zij-zelve 't weet!—Ongetwijfeld: er komen nog zeer veel fraaie détails, +waarvan ik nu slechts noem, dat er den volgenden ochtend schrik en +droefenis in het klooster zijn, omdat het eiken beeld van Maria is +verdwenen, 't geen de dichter—let vooral op het zeer-lieve der beide +laatste door mij gecursiveerde regels—aldus vertelt:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Heur hooge nis in de hal stond blind,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Heur voetstuk leeg;</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Alleen het kleine Christus-kind</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Zat daar en zweeg</i>.</span><br /> +</p> + +<p>Maar al dergelijke kostbaarheidjes kunnen het feit niet doen vergeten, +dat de opzet van het gedicht: Beatrijs als een min of meer in trance +verkeerende heilige voor te stellen, in plaats van als een zondig +menschenkind, alle diepere en fellere menschelijkheid heeft doen teloor +gaan, en er dan ook onvermijdelijk oorzaak van moest worden, dat het +mirakel verhaal veranderde in een romantische ballade, waarin alle zin +voor de werkelijkheid ten eenenmale zoek is. <i>Van den tijd, verhopen +tusschen vertrek uit en terugkomst van Beatrijs in het klooster,</i> +waarvan de middeleeuwsche dichter ons zoo veel en zoo warm-menschelijk +wist te verhalen, <i>vinden wij in dit gedicht niets</i>: alles blijft in +dezelfde vage <i>trance-sfeer.</i> Op een goeden dag komt Beatrijs, zooals +zij eerst tot de innerlijke zekerheid kwam, dat ze 't klooster verlàten +moest, nu tot de zekerheid, dat zij er weer in moet terùgkeeren. <i>Dat is +alles</i>.—Die terugkomst op zich-zelve is weer wonderschoon van beelding. +Laat mij een paar van die prachtige verzen voor u aanhalen:</p> + +<p class="pagenum"><a name="p283" id="p283"></a>[p.283]</p> +<p> +<span style="margin-left: 2em;">De sombre poort week open wijd</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Bij d'eersten klop. Daar stond</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Beatrijs roereloos gewijd</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Met bleeken mond.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 2em;">Want de hal hing vol van wonder licht</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Als rozegeur in puren brand,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dat straalde van Moeders aangezicht</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Op zoldering en wand.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 2em;">Want de hal was vervuld van licht geluid</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Als veler waatren ver gerucht.</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Zij hoorde den klank van veêl en luit</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Op de doorzongen lucht.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 2em;">Zoo stond onnoozele Beatrijs</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Verheerlijkt met Maria mee.</span><br /> +<span style="margin-left: 3em;">Eén ademtocht. Der heemlen wijs</span><br /> +<span style="margin-left: 3em;">Verging in 't lied der zee.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 2em;">Zij zag hoe Moeder beurde en leid',</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Eer licht en lied verzwond,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Heur vingeren gebenedijd</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Aan benedijden mond.</span><br /> +</p> + +<p>Ja, dit alles is voorzeker <i>verrukkelijk</i> mooi. Maar als de dichter ons +dan verder verhaalt, dat, na nog wat jaren levens, Beatrijs</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">.... doofde en stierf: in stille kerk</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Sliep ze in Maria's tijdlijk kleed.</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Een andere zuster deed het werk</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dat eens Maria deed.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 2em;">Doch weinig zonnen stegen, en</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Daar kwam een pelgrim, moede en grijs,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Die vroeg den laatsten zegen en</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Zijn graf naast Beatrijs.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 2em;">Hij deed zijn sober kort verhaal</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dat telde de jaren van Mei tot Mei,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Voor al de zustren in de zaal.</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">En toen verstonden zij.</span><br /> +</p> + +<p><span class="pagenum"><a name="p284" id="p284"></a>[p.284]</span> Als de dichter, zeg ik, dàt verhaalt, dan waardeeren wij wel +weer den fraaien vondst, waardoor hij het biechten van Beatrijs verving, +maar wij voelen tevens, dat wij nu ook met dien "pelgrim, moede en +grijs," eerst recht midden in de <i>edelaardig-romantische ballade</i> zijn +aangeland, hetgeen dan ook onafwendbaar was, want zooals de +middeleeuwsche dichter ons door zijn van leven-blakende realistische +beschrijvingen langzaam voerde naar zìjne oplossing, puur-menschelijk in +het kader van zijn tijd, en ons den man niet spaarde, die zijn lief in +den steek laat; de verlaten vrouw niet, die van ontucht leven moet; en +over al dat aardsche de heerlijkheid van het wonder en Beatrijs' +visioenen liet stralen; zóó moesten wij ook wel na het <i>vage sprookje</i> +van Boutens, en na in plaats van den <i>mensch</i> Beatrijs de +<i>kinderlijk</i>-pure en <i>heilige</i> Beatrijs te hebben gevonden, belanden bij +den vromen, grijzen en moeden pelgrim van alle edelaardig-romantische +ballades. Dat ten slotte Boutens' Beatrijs, ongelijk de middeleeuwsche, +geen kinderen heeft, is dan ook volkomen in den haak: niet alleen reeds +dat rechtgeaarde ballade-minnaressen nóóit kinderen krijgen, maar ik ben +er zeker van, dat ook het <i>decadent moderne</i> vrouwtje, 't geen zooals ik +reeds opmerkte, Beatrijs óók is, en dat uit des dichters ziel in haar +figuur is overgefladderd, tegen kinderen-krijgen ernstig bezwaar zou +hebben gehad!...—Maar, zal ongetwijfeld menigeen zeggen: <i>is</i> het feit, +dat dit verhaal <i>ex voto</i> is geschreven en aan "Charlie en Elsje" +opgedragen, niet voldoende verklaring en—zoo ge die noodig mocht +achten—verontschuldiging voor zijn <i>gemis aan werkelijkheidszin</i>; voor +zijn <i>gebrek aan menschelijkheid</i>; voor zijn <i>ontstentenis van bijna +alles</i> waarin de middeleeuwsche dichter zoozeer heeft uitgemunt; voor, +ten slotte: zijn <i>herabwürdigung</i> van het <i>mirakelverhaal</i> tot een +<i>sprookje</i>?—Daarop behoort dan echter m.i. met de meeste beslistheid +een ontkennend antwoord te worden gegeven. Men houde niet wat slechts +<i>gevolg</i> is voor oorzaak. Niet omdat hij kinderen nu eenmaal beloofd +had, dit gedicht voor ze te schrijven, werd des dichters geest zóó, dat +hij dat kòn; maar omdat zijn geest zóó was, dat hij 't zóó kon en mòest +schrijven, kon hij dat ook dien <span class="pagenum"><a name="p285" id="p285"></a>[p.285]</span> kinderen beloven. Zeer wel +denkbaar is het geval, dat hij slechts een <i>Beatrijs</i> van deze <i>soort</i> +ware gaan schrijven, <i>omdat</i> hij 't nu eenmaal kinderen had beloofd, en +'t dus <i>daarom</i> in zekeren voor kinderen verstaanbaren stijl moest +dichten, maar dàn ware zijn gedicht onherroepelijk een prul geworden. +Dat 't dit <i>niet</i> werd, en integendeel een <i>fraai kunstwerk</i>, bewijst +dat zijn belofte en zijn voor-kinderen-schrijven <i>overeenkwamen</i> met +waartoe zijn <i>scheppende kracht hier in staat was</i> en waartoe <i>zij was +geaard</i>, zoodat dan ook dit "ex voto" en de opdracht "Voor Charlie en +Elsje", van de meest volslagen onwaarde ter verklaring of +"verontschuldiging" zijn.—En hiermede zij nu de bespreking van Bouten's +<i>Beatrijs</i> beëindigd. Immers, ik meen, naast veel anders, ook te hebben +<i>aangetoond</i>, van hoe een <i>buiten-het-aarde-leven-staande</i> sprokige +vaagheid dit gedicht is; maar wat deze eigenschap op haar beurt weer +bewijst, dat kunt gij in mijn vorig opstel vinden. Thans nog een enkel +artikel over de <i>Navertelling</i> van R.J. Spitz.</p> + + +<p class="caption">Noot:</p> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_5_54" id="Footnote_5_54"></a><a href="#FNanchor_5_54"><span class="label">[5]</span></a> Alle cursiveeringen zijn van mij.</p></div> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<h3>V.</h3> + +<h4>Beatrijs, naverteld door R.J. Spitz</h4> + + +<p>De heer Spitz heeft ongetwijfeld een voortreffelijk werk gedaan, met de +Middelnederlandsche <i>Beatrijs</i> "na te vertellen," d.w.z.: behoudens +enkele uitlatingen en wijzigingen, waarop ik zoo dadelijk zal terugkomen +—te <i>vertalen</i>. Maar die voortreffelijkheid zie ik vooral daarin, dat +zijn arbeid wellicht menigeen zal aansporen het <i>oorspronkelijke</i> te +gaan lezen, <i>met behulp</i> van <i>zijn</i> overzetting, waardoor het voor +ongeoefenden zoo lastige en vervelende naslaan van een woordenboek kan +worden vermeden. Want—en hierop lette men wel:—zoude zijn werk sommige +lezers er toe brengen zich met dat werk alléén tevreden te stellen, dan +is m.i. de verdienste van dezen vertaler in een schuld, en geen +geringen, verkeerd. Een schuld, <i>niet</i> jegens die lezers, die allicht +toch nooit op de gedachte zouden zijn gekomen, het oorspronkelijke te +lezen, maar jegens den ouden dichter, wiens werk zulke <span class="pagenum"><a name="p286" id="p286"></a>[p.286]</span> lezers +zich nu misschien verbeelden zóó te hebben leeren kennen, dat zij het in +zijn ware en diepste wezen konden beluisteren, terwijl dit absoluut niet +het geval is. De vertaling is, in den min of meer luchtigen zin, waarin +journalistische critiek zulk eene qualificatie pleegt cadeau te doen, +een goède vertaling; maar de literaire kunst-critiek, of hij die hàre +middelen gebruikt, om nog onervarenen wat kunstgevoel bij te brengen, en +hetgeen zij daarvan bezitten zuiver te houden—diè kan zulk eene +overzetting eenige ernstige bedenkingen niet sparen. Wat mij betreft: +vooral deze twee dingen vielen mij in de vertaling en in den vertaler +op: 1 °. dat zij geen kunstwerk is en hij geen noemenswaardige +kunstenaarsgaven bezit; 2°. dat zij beiden te fatsoenlijk zijn. En zij +het, dat men mijne bevoegdheid van literair criticus in twijfel zou +mogen trekken, wel niemand zal mij het recht ontzeggen, te beoordeelen +waar het "te" der fatsoenlijkheid begint, want bedenkt: heb ik niet meer +dan een kwarteeuw op klooverswinkels gewerkt en vormden diè niet immer +de hoogeschool van het fatsoen?... Zoodat ik dan ook dáármee begin!</p> + +<p>De eerste maal dan, dat de heer Spitz, bij het maken zijner vertaling +een aanval van te-groote-fatsoenlijkheid kreeg, was bij de passage, +waar, terwijl Beatrijs en haar minnaar, den morgen na de nachtelijke +vlucht uit het klooster, het bosch en bloemenveld voorbij rijden, de +minnaar aan het woord is. Dan luidt de vertaling aldus:</p> + +<div class="blockquot"><p>"Lief," zeide hij, "ware 't U gevallig, we zouden van het paard +kunnen stijgen en bloemen plukken. Ik denk dat het hier heerlijk +zijn zal."</p></div> + +<p>Hier heeft nml. de heer Spitz het vers:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Laet ons spelen der minnen spel</span><br /> +</p> + +<p>verdonkeremaand.</p> + +<p>En de tweede aanval overviel hem—en als literair arts <i>fluister</i> ik ù, +die 't toch weten moét, in: twéé zulke aanvallen, zóó kort na elkaar ... +dat is bepaald gevaarlijk ...—als Beatrijs antwoordt. Dan aldus de +vertaling:</p> + +<p class="pagenum"><a name="p287" id="p287"></a>[p.287]</p> +<div class="blockquot"><p>"Wàt zegt ge," antwoordde ze toornig, "onbeschaamde dorper, zou ik +neerzitten op het veld, 'lijk een vrouw, die geld wint met haar +lichaam, waarlijk, ik zou weinig schaamte moeten kennen. Dit zoudt +ge niet gezegd hebben, hadt ge niet den aard eens dorpers! 't Mag +mij wel rouwen, dat ik met u ben gegaan; God's straf verdient ge, +door mij zoo iets te durven voorstellen. Houd voortaan zulke taal +voor u en luister naar de vogels, hoe ze zingen en hoe blij ze +zijn, dan zal de tijd u niet zoo lang vallen. <i>Als we eenmaal in de +eenzaamheid van het echtelijk slaapvertrek bijeen zijn, dan moogt +ge doen wat ge nu verlangt</i>. Er is groote droefheid in mij om wat +ge van mij gevraagd hebt.</p></div> + +<p>Hier is het door mij gecursiveerde gedeelte een verfatsoenlijking van:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Alsic bi u ben al naect</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Op een bedde wel ghemaeckt</i>,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Soe doet al dat u ghenoecht</i>,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Endedat uwer herten voeght</i>;...</span><br /> +</p> + +<p>De heer Spitz heeft, toen hij aan deze beide flauwten, die +tegelijkertijd flauwiteiten waren, toegaf, en zich niet als een kerel op +de been hield, verscheidene dingen uit het oog verloren, welke hij beter +erin hadde gehouden.</p> + +<p>1°. Door dien eenen versregel uit het voorstel van den minnaar te laten +vervallen en toch Beatrijs haar bulder-antwoord te laten geven, wordt +het vóórstel, in zijn <i>juisten</i> zin, pas verstaanbaar door de weigering +ervan! En zal het tevens gebeuren, dat de <i>lezer</i> verontwaardigd +uitroept: "Wel, dat is me 'n lieve zus, dat onschuldige nonnetje, diè +het 't achter de mouwen; die snapt werachies nog eerder wat die jongen +van haar wou dan ik 't deed!", zoodat: de heer Spits wel erg fatsoenlijk +is gebleven, máár: <i>Beatrijs ònfatsoenlijk heeft gemaakt</i>!</p> + +<p>2°. Dat een ontvluchte non—en dan nog wel eene met het gevoel en het +bewustzijn van Beatrijs!—tot haar minnaar spreekt van "het <i>echtelijk</i> +slaapvertrek," dat hen zou wachten, is een onbetaalbare zotheid. Maar +bovendien: men vergelijke eens vooral de beide laatste regels in het +citaat uit het origineel, met dat: "dan moogt ge doen <span class="pagenum"><a name="p288" id="p288"></a>[p.288]</span> wat ge nu +verlangt." In de eerste voelt ge de levenswarme kuischheid van de vrouw, +die, zelve véél meer liefdevol dan zinnelijk, uit liefde den man het +te-veel aan zinnelijkheid in zijn liefde vergeeft, omdat zij begrijpt: +dat is nu eenmaal des mans—en hem toegeeflijk-belovend berustigt; in de +woorden der vertaling daarentegen voelt ge: de +pruimenmondjes-preutschheid van de <i>woord</i>-kuische. Dit laatste wordt +namelijk veroorzaakt doordat de regel: "Ende dat uwer <i>herten</i> voeght" +niet juist is overgezet, waardoor de voorstelling der +<i>gemoeds</i>liefde—opluwend in het origineel uit het woord <i>herten</i>—hier +heelemaal niet bij Beatrijs schijnt te bestaan en zij alléén de +aanstaande grof-<i>zinnelijke daad</i> schijnt te zien, waarmee ze dan tevens +natuurlijk het overheerschend-zinnelijke van haar eigen voelen verraadt! +En overigens: had de heer Spitz niet kunnen en moeten begrijpen, dat +hij, door dat "middeleeuwsch-ruwe" moderniseerend te "beschaven," iets +van het tijd-eigenaardige uit het gedicht wegsneed en hiermede allicht +zijn levensduur bekortte, want dit is toch wel één van de oorzaken—zij +het een zeer bijkomstige—van het voortleven van een kunstwerk uit +vroeger tijd: dat de begeerte naar de allerfijnst-intieme èn +psychologische kennis van dien tijd er door bevredigd kàn worden, soms, +als nergens anders?... Ach, wij menschen!... wij klagen over "den tand +des tijds," en laten ons-zelf als valsche tanden—en hòe valsch!—in +zijn kaken zetten, om zijn knaagvermogen te verhoogen!...</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>"Maar," werpt ge mij tegen, "behoort dàt allemaal onder de rubriek "te +fatsoenlijk" thuis; kan men het niet evengoed onder het hoofd: "Tekort +aan kunstenaarschap" rangschikken?" En inderdaad, mijne geachte jonge +vrienden, die tot mijn matelooze verrassing nog niet door deze +verhandeling in-slaap-verveeld zijt—als ge mìj vraagt: ik weet 't zelf +niet.... Daar zijn van die grensgevallen.... Maar komaan, laat ons niet +twisten over een naam! Ziehier nog zoo'n grensgeval: de heer Spitz +schijnt nu eenmaal een onuitroeibaren haat tegen "zoogen" <span class="pagenum"><a name="p289" id="p289"></a>[p.289]</span> te +hebben. Waar hier met geen mogelijkheid eenig fatsoenlijkheids-begrip in +'t spel kan zijn, ben ik geneigd te vragen: heeft hij een agentuur van +zuigflesschen, of de vertegenwoordiging van 't een of ander kindermeel, +dat hij met het wóórd "zoogen" wellicht ook de dààd uit de wereld wil +helpen? Het blijft gissen. Maar ongetwijfeld is 't een ònschuldig +genoegen, dat men zich verschaft, wanneer men "die God soghede" met +"Gods Moeder" vertaalt. Edoch, deze "zoogen"-haat wordt een bepaald +duivelskwaad, als men "diene soghede" overzet met: "die hem de +moederborst reikte." Hier is het geen grensgeval meer; hier zijn we +zèker en middenin bij het gebrek aan fijn taalgevoel, bij het +tekort-aan-artisticiteit aangeland. Het is natuurlijk een goedkoope +aardigheid, om den vertaler te vragen, of dat "aanreiken" hier, waar het +toch een god gold, op een zilver dan wel een goud presenteerblaadje +geschiedde; maar die goedkoope aardigheid welt dan ook vanzelf naar de +lippen, als weerslag op de àllergoedkoopste want tot den laatsten draad +toe afgedragen en nietswaardige rhetoriek der vertaling, hier. "Muziek +lokt van een ziel muziek weer los," zong Gorter. En hier hei-je daarvan +nou 'ns 'n verrukkelijk voorbeeld!—Is het ook niet evenzeer rhetorisch, +als men dit stuk, met dien <i>prachtigen</i> door mij gecursiveerden regel:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;"><i>Daar die voghele hadden feest.</i></span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Si maeckten soe groot gescal,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Dat ment hoerde overal ...</span><br /> +</p> + +<p>vertaalt met: "waar de vogels luide en jubelend hun lied zongen"? +(daarbij op den koop toe—ik zei toch: rhetorica is niet duur!—den +<i>mooisten</i> regel totaal verdonkeremanend!) Neen, onze vertaler heeft +nergene het fijne gevoel eens kunstenaars gehad, noch waar hij liet +vervallen, noch waar hij toevoegde. Ai, zou ik den heer Spitz willen +zeggen, het "gij zult er niet aan toevoegen en er niet van afnemen," dat +is ook voor de vertalers van de groote dichters geschreven!—Nòg een +voorbeeld van "eraf nemen." Als de heer Spitz schrijft:</p> + +<p class="pagenum"><a name="p290" id="p290"></a>[p.290]</p> +<div class="blockquot"><p>Ze zond den jongeling, tot wien ze zoo groote liefde droeg een +brief, waarin ze hem verzocht, dat hij zeer spoedig tot haar komen +moest; ook hem zou daaraan veel gelegen zijn. De jongeling las den +brief, dien zijn vriendin hem zond en in zijn hart was vreugde. +Snel maakte hij zich op om tot haar te gaan.</p></div> + +<p>dan kapt hij tusschen: "veel gelegen zijn" en: "De jongeling las" dezen +versregel weg:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Die bode ghinc daer de jonghelinc was</span><br /> +</p> + +<p>en ook vóór: "las" de woorden: "Hi nam." En dat alles had hij volstrekt +nièt mogen doen. Hij heeft waarschijnlijk gedacht: die oude dichter had +te veel den tijd, wat is-ie breedsprakig. Mis, waarde Heer. Met dat +in-stukken-hakken-der-handeling, in dat verlangzaamde tempo—dat uit die +"breedsprakigheid" is ontstaan—is <i>de plechtigheid</i> en het <i>gewicht</i> +van dit voor Beatrijs <i>supreeme levensmoment</i>, dat over heel haar +toekomst beslist, <i>gebeeld</i>: tot <i>plasticeerenden klank</i> en <i>rhythme</i> +geworden!</p> + +<p>En nu een toevoeging. De dichter zegt:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Nu gaet si met groten weene</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Ten cloester waert moeder eene.</span><br /> +</p> + +<p>De vertaler schrijft:</p> + +<div class="blockquot"><p>In diepe droefheid gaat ze naar het klooster—moederziel alleen +—<i>door de stille geheimenis van den nacht</i>.</p></div> + +<p>Van het door mij gecursiveerde is in den origineelen tekst niets te +vinden. De heer Spitz heeft hier vermoedelijk gedacht: ik zal dat nou +'ns op z'n "modern-stemmingvols" móói maken. Maar ach, waarde Heer, ge +hebt het leelijk gemaakt, want er kon ons waarlijk niets ergers +gebeuren, dan dat het "stemmingvolle" gezicht van het moderne hier om +dit eeuwenoude kerkhoekje kwam kijken....—<span class="pagenum"><a name="p291" id="p291"></a>[p.291]</span> En dan: een waarlijk +kunstenaar-vertaler vertaalt niet slap, ten minste niet zóó slap. Als +hij in een door hem te vertalen gedicht een schàt ontmoet als deze:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Goet berou mach als (kan alles) <i>ghewouden</i></span><br /> +</p> + +<p>(een <i>schat</i>: omdat in dat ééne woord <i>ghewouden</i> = <i>overweldigen, macht +krijgen over</i> iets, de mystieke <i>strijd</i> van den zondaar met de zich nog +<i>terughoudende</i> genade Gods is <i>geheeld</i>), dan weet hij niet hoè +spoedig, en niettemin met hoè voorzichtige en teeder-aanrakende handen, +hij die zal bergen in zijne overzetting; en hij dènkt er eenvoudig niet +aan, zóó iets sterks en groots met het slappe: "welgemeend berouw +<i>brengt immer vergeving</i>" te vertalen. Maar ook, en ten slotte: al +zouden deze voorbeelden ons niet het tekort aan kunstenaarsgaven van den +vertaler hebben bewezen, dan nog zouden wij dit hebben bemerkt aan het +feit, dat in dit proza geen "stem" klinkt, er geen <i>persoonlijk +rhythme</i>, als eene alles dragende flonkerende, of grijze, doffe stroom, +door vloeit, dat ons het in de vertaling natuurlijk verdwenen rhythme +van den ouden dichter althans éénigszins zou kunnen vergoeden. De heer +Spitz zal hier wellicht brommen: waartoe dit verwijt, heb ik mij dan +ooit voor kunstenaar uitgegeven? Neen, antwoord ik dan, maar men heeft +het recht te verwachten, dat gij het in voldoende mate zult blijken te +zijn, indien gij een werk als dit onderneemt. Gij hebt—de fout van +zoovelen—het waarachtige, maar niet genoegzaam sterke schoonheidsbesef, +dat ge u eigen wist; de piëteitvolle liefde, die ge voelde—en wier +beider wezen men dan ook wel degelijk in uwe vertaling bespeurt—met de +macht verward, die als <i>schoonheid-herscheppende</i> waarden te doen +gelden.... Neen, dit is uw werk niet, het is uw werk nòg niet, althans. +Het is arbeid voor een Boutens, een Van Suchtelen, een Verwey. En zoo +nauw luistert dit, dat ik zelfs denk, dat het wellicht ook geen werk zou +zijn voor bijv. onzen grooten en genialen Meester Jacobus van Looy, +omdat diens stijl allicht weer te zwaar en te verwikkeld voor zóó +naïeven eenvoud <span class="pagenum"><span class="pagenum"><a name="p292" id="p292"></a>[p.292]</span></span> zou blijken. Met uw <i>Uit Hooft's Lyriek</i>, +dáármee waart ge op den goeden weg: die kranige voorrede, daar zat iets +<i>mooi</i>-eigens in. Frank en fleurig droegt ge uw eigen gedachten voor, op +eigen toon. Doch dit vreemde was u te groot, en daarom kwam uw goede en +nog pas ontluikende eigenheid niet boven, maar daarentegen een nièt +goede, een als <i>linksche</i>, als <i>hakkelende</i> eigenheid, gelijk bij een +kind, dat uit schroom zich dommer toont dan het is, als het staat voor +den meester, dien gróóten, gewèldigen man. Hetgeen alles niet wegneemt, +dat ge, zooals ik reeds zei, een uitmuntend werk hebt gedaan, omdat ge +op iets kostelijks, het grootste deel van het lezend publiek nagenoeg +onbekend, weer de aandacht hebt gevestigd en dat gedaan hebt met ernst +en toewijding, want: met het volle talent, waarover gij +beschikte....—Doch over het algemeen ben ik van oordeel, dat men eerst +met het publiceeren van bewerkingen of vertalingen van andermans werk +mag beginnen, indien men reeds een zeker meesterschap verworven heeft. +Waarom?... Toen ik het diamantklooven leerde, sloeg ik menig kostbaar +steentje van m'n goeien leerbaas kapot, máár—mijn ouders hadden hem dan +ook een niet onaanzienlijk leergeld betaald.... Wàt echter zoudt gij een +dichter betalen, als ge zijn diamanten vergruizeld hadt?... Maar m'n +hemel, daar heb ik, maar pratend met den heer Spitz, heelemaal niet meer +tot m'n jonge vrienden gesproken. En waarachtig, statig zijn ze al aan +'t knikkebollen. Heidaar!... Hola! wordt 'ns wakker.... Ik heb 'n goeie +tijding voor jullie.... Hoera! Hoera! die ouwerwetsche <i>Beatrijs</i> is +uit!... Kijk, daar stommelen ze al, zich de oogen bewrijvend, met blije +gezichten de banken uit....—</p> + + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<p><a name="p293" id="p293"></a>[p.293]</p> +<h3>VERTALINGEN</h3> + +<p>Blz. <a href="#p4">4</a> <i>Du staunst</i>: Gij verwondert U dat ik, mij een pad banend, moedig +den weg naar de hoogten der Wijsheid bestijg? Dezelfde geest die mijn +lichaam beweegt, is een het Al omcirkelend Wereldrad.—</p> + +<p>Blz. <a href="#p4">4</a> <i>Ueber der Zeiten</i>: Over der tijden bultigen weg rijd ik naar het +Eeuwige Leven en ik schrijd tot het Paradijs over de hel.—</p> + +<p>Blz. <a href="#p4">4</a> <i>Mir war so kalt</i>: Mij doorsneed zulk een huiverkoude, alsof ik +een lied van Samuel den Leviet hoorde.—</p> + +<p>Blz. <a href="#p5">5</a> <i>Von Salomo</i>: Van Salomo den Wijze was eens de Geest geweken: +toen vergeleek hij der tanden parelenrij met een lammerkudde.—</p> + +<p>Blz. <a href="#p5">5</a> <i>Was soll mir's</i>: Waartoe zou ik, de klankrijke dichter, zingen +voor zulk gespuis? Waar mijn tong toch ook mijn drietand kan zijn, is +het beter haar te gebruiken, om hen tot brij te hakken.—</p> + +<p>Blz. <a href="#p5">5</a> <i>Eine wunderbare</i>: Een wonderbare, groote vuurzuil des gezangs.—</p> + +<p>Blz. <a href="#p5">5</a> <i>Die Sonne sinkt</i>: De zon gaat onder, de nacht rijst op en met +goud omrand verschijnt de maan; in zee bewegen de sterren, gelijk +verdwaalde reizigers, rusteloos door verre landen trekkend.</p> + +<p>Blz. <a href="#p5">5</a> <i>Heil Tyrus!</i>: Heil U Tyrus! Uwen Wijzen heil. Hun naam hebben zy +mij in 't hart gedolven. <i>En bij hun zee zich een tweede verworven: mijn +oog dat van tranen overvloeit</i>.—</p> + +<p>Blz. <a href="#p6">6</a> "<i>Il faut remarquer</i>": "Men moet niet uit 't oog verliezen", zegt +Luzzatto, geciteerd bij Geiger, "dat de pederastie bij de Arabieren +(evenals bij de Grieken) in hoog aanzien stond, en de Joodsche dichters +van hun vrienden spreken alsof dezen hun minnaars waren.</p> + +<p>Blz. <a href="#p164">164</a> <i>laisser entrevoir sa pensée</i>: het laten doorschemeren van zijn +gedachte.</p> + +<p>Blz. <a href="#p168">168</a> "<i>Absicht</i>", die "<i>verstimmt</i>": bedoeling die ontstemt.</p> + +<p>Blz. <a href="#p197">197</a> <i>Und nennt man</i>: En noemt men de beste namen, dan wordt ook de +mijne genoemd.</p> + +<p>Blz. <a href="#p238">238</a> <i>Or, if virtue</i>: Of, zoo de Deugd te zwak ware (om ten Hemel te +stijgen) dan zou de Hemel nederdalen tot haar.—</p> + + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p><a name="p294" id="p294"></a>[p.294]</p> +<h3>BIBLIOGRAPHISCHE NOTITIE</h3> + + +<p>De artikelen uit de jaren tot en met '16 zijn verschenen in <i>De Gids</i>.</p> + +<p>De andere in het <i>Weekblad voor Stad en Land</i>.</p> + +<p>De artikelen in het didactisch deel, in <i>Het Jonge Leven</i>.</p> + + + +<hr style='width: 45%;' /> + + + +<p class="caption"><a name="INHOUD" id="INHOUD"></a>INHOUD</p> + + +<p class="caption">I</p> + +<p class="caption">CRITISCH</p> + + +<p>Oude en Nieuwe Joodsche Dichtkunst. (Naar aanleiding van en over +Jacob Israël de Haan's <i>Het Joodsche Lied</i>)—pag. <a href="#p1">1</a></p> + +<p>Maurits Sabbe: <i>De Nood der Bariseele's</i>—pag. <a href="#p30">30</a></p> + +<p>R. van Genderen Stort: <i>Idealen en Ironieën</i>—pag. <a href="#p34">34</a></p> + +<p>Joannes Reddingius: <i>Een Romantische Jongen</i>—pag. <a href="#p37">37</a></p> + +<p>Joannes Reddingius: <i>Zonnewende</i>—pag. <a href="#p40">40</a></p> + +<p>Frans Verschoren: <i>Langs kleine Wegen</i>—pag. <a href="#p44">44</a></p> + +<p>Maurits Wagenvoort: <i>Het stijfhoofdige Bruidspaar</i>—pag. <a href="#p47">47</a></p> + +<p>Samuel Goudsmit: <i>In de Groote Leerschool</i>—pag. <a href="#p50">50</a></p> + +<p>Mr. J. Dermoût: <i>Singkep Tin</i>—pag. <a href="#p56">56</a></p> + +<p>Wally Moes: <i>Gooische Dorpsvertellingen</i>—pag. <a href="#p58">58</a></p> + +<p>G.F. Haspels: <i>Wisselend Uitzicht</i>—pag. <a href="#p61">61</a></p> + +<p>Cornelis Veth: <i>Gids voor Padvinders, Prikkel-Idyllen VI</i>—pag. <a href="#p65">65</a></p> + +<p>Herman Robbers: <i>Helene Servaes</i>—pag. <a href="#p68">68</a></p> + +<p>H. van Loon: <i>Trouweloozen</i>—pag. <a href="#p73">73</a></p> + +<p>Cyriel Buysse: <i>Oorlogsvisioenen</i>—pag. <a href="#p75">75</a></p> + +<p>Victor Ido: <i>De Paupers</i>—pag. <a href="#p78">78</a></p> + +<p>P.A. Raëskin: <i>Pastoor Horsman</i> <a href="#p80">80</a></p> + +<p>Louis Couperus: <i>De Comedianten</i>—pag. <a href="#p83">83</a></p> + +<p>Felix Timmermans: <i>Het Kindeken Jezus in Vlaanderen</i>—pag. <a href="#p86">86</a></p> + +<p>M.J. Brusse: <i>Een worstelaar</i>—pag. <a href="#p89">89</a></p> + +<p><i>Een Antisemietisch Criticus?</i> (Carel Scharten: <i>Kroniek der Nederlandsche +Letteren</i>, 1916)—pag. <a href="#p92">92</a></p> + +<p>G.J.A. van Bruggen: <i>Als ge niet ... Dan! Een ver-beelding</i>—pag. <a href="#p104">104</a></p> + +<p>Joh. de Meester: De <i>kindsheid van Harlekijntje</i>—pag. <a href="#p108">108</a></p> + +<p>R.J. Spitz: <i>Uit Hooft's Lyriek</i>—pag. <a href="#p111">111</a></p> + +<p>G. van Hulzen: <i>Van den Zelfkant der Samenleving. Zijn kind</i>—pag. <a href="#p114">114</a></p> + +<p>Herman Poort: <i>Literatuur</i>—pag. <a href="#p117">117</a></p> + +<p>Salamon Dembitzer: <i>Een Zomer in Galicië. Vertaling door</i> Arn. Saalborn—pag. <a href="#p120">120</a></p> + +<p>René de Clercq: <i>Het Rootland</i>—pag. <a href="#p123">123</a></p> + +<p>J.L. Gregory: <i>Het Lied van de Zonde</i>—pag. <a href="#p126">126</a></p> + +<p>Is. Querido: <i>Van verbeelding en werkelijkheid</i>—pag. <a href="#p129">129</a></p> + +<p>Ellen: <i>Ariadne en Dionysos</i>—pag. <a href="#p133">133</a></p> + +<p>A. van Collem: <i>Liederen der Gemeenschap, Tweede Deel</i>—pag. <a href="#p136">136</a></p> + +<p>G.S. Adama van Scheltema: <i>Zingende Stemmen</i>—pag. <a href="#p139">139</a></p> + +<p>Herman Poort: <i>Gerbrand Adriaenszoon Bredero</i>—pag. <a href="#p142">142</a></p> + +<p>Jo de Wit: <i>Donker Geluk</i>—pag. <a href="#p145">145</a></p> + +<p>Augusta Peaux: <i>Gedichten</i>—pag. <a href="#p148">148</a></p> + +<p>Jan Feith: <i>Onze Mededieren</i>—pag. <a href="#p152">152</a></p> + +<p><i>Het Helden- en Leerdicht van den Wereldoorlog</i>. (<i>Het Vuur</i> door Henri +Barbusse. Vert. door Andries de Rosa)—pag. <a href="#p156">156</a></p> + +<p><i>Slagveld-Misère,</i> Polemiek—pag. <a href="#p178">178</a></p> + +<p>Carry van Bruggen: <i>Om de Kinderen</i>—pag. <a href="#p190">190</a></p> + +<p>A.B. Kleerekoper: <i>Oproerige Krabbels</i>—pag. <a href="#p194">194</a></p> + +<p>Joost Mendes: De Santeljano's. Eerste deel; <i>De Verweerde Jaren</i>—pag. <a href="#p199">199</a></p> + + + +<p class="caption">II</p> + +<p class="caption">DIDACTISCH</p> + +<p>Jack London: <i>Pit-tah, de grijze wolf</i>. Vert. door S. Barentz-Schönberg.—pag. <a href="#p205">205</a></p> + +<p><i>Beatrijs</i> (de Middelnederlandsche)—pag. <a href="#p232">232</a></p> + +<p><i>Beatrijs</i> (door P.C. Boutens)—pag. <a href="#p268">268</a></p> + +<p><i>Beatrijs</i> (naverteld door R.J. Spitz)—pag. <a href="#p285">285</a></p> + +<p><i>Vertalingen</i>—pag. <a href="#p293">293</a></p> + +<p>Bibliographische Notitie—pag. <a href="#p294">294</a></p> + + + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Over literatuur, by M.H. Van Campen + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OVER LITERATUUR *** + +***** This file should be named 17078-h.htm or 17078-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/7/0/7/17078/ + +Produced by Marc D'Hooghe + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> |
