summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/17078-h
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:50:16 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:50:16 -0700
commitd6436f70cf9b32f8b15a8a4a6ab29c24467b4893 (patch)
tree22fe970fd80908005991ee513a709087943e13f9 /17078-h
initial commit of ebook 17078HEADmain
Diffstat (limited to '17078-h')
-rw-r--r--17078-h/17078-h.htm10364
1 files changed, 10364 insertions, 0 deletions
diff --git a/17078-h/17078-h.htm b/17078-h/17078-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..fe8dc98
--- /dev/null
+++ b/17078-h/17078-h.htm
@@ -0,0 +1,10364 @@
+<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN"
+ "http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd">
+
+<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml">
+ <head>
+ <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=iso-8859-1" />
+ <title>
+ The Project Gutenberg eBook of Over Literatuur, by M.H. Van Campen.
+ </title>
+ <style type="text/css">
+/*<![CDATA[ XML blockout */
+<!--
+ p { margin-top: .75em;
+ text-align: justify;
+ margin-bottom: .75em;
+ }
+ h1,h2,h3,h4,h5,h6 {
+ text-align: center; /* all headings centered */
+ clear: both;
+ }
+ h1,h2 {color: #800000;}
+ hr { width: 33%;
+ margin-top: 2em;
+ margin-bottom: 2em;
+ margin-left: auto;
+ margin-right: auto;
+ clear: both;
+ }
+
+ table {margin-left: auto; margin-right: auto;}
+
+ body{margin-left: 10%;
+ margin-right: 10%;
+ background: #FAEBD7;
+ }
+
+ .pagenum { /* uncomment the next line for invisible page numbers */
+ /* visibility: hidden; */
+ position: absolute;
+ left: 92%;
+ font-size: smaller;
+ text-align: right;
+ color: #808080;
+ } /* page numbers */
+
+ .linenum {position: absolute; top: auto; left: 4%;} /* poetry number */
+ .blockquot{margin-left: 5%; margin-right: 10%;}
+ .sidenote {width: 20%; padding-bottom: .5em; padding-top: .5em;
+ padding-left: .5em; padding-right: .5em; margin-left: 1em;
+ float: right; clear: right; margin-top: 1em;
+ font-size: smaller; color: black; background: #eeeeee; border: dashed 1px;}
+
+ .bb {border-bottom: solid 2px;}
+ .bl {border-left: solid 2px;}
+ .bt {border-top: solid 2px;}
+ .br {border-right: solid 2px;}
+ .bbox {border: solid 2px;}
+
+ .center {text-align: center;}
+ .smcap {font-variant: small-caps;}
+ .u {text-decoration: underline;}
+ .sup {font-size: 0.9em; color: #808080;}
+ .caption {font-weight: bold;}
+
+ .figcenter {margin: auto; text-align: center;}
+
+ .figleft {float: left; clear: left; margin-left: 0; margin-bottom: 1em; margin-top:
+ 1em; margin-right: 1em; padding: 0; text-align: center;}
+
+ .figright {float: right; clear: right; margin-left: 1em; margin-bottom: 1em;
+ margin-top: 1em; margin-right: 0; padding: 0; text-align: center;}
+
+ .footnotes {border: dashed 1px;}
+ .footnote {margin-left: 10%; margin-right: 10%; font-size: 0.9em;}
+ .footnote .label {position: absolute; right: 84%; text-align: right;}
+ .fnanchor {vertical-align: super; font-size: .8em; text-decoration: none;}
+
+ .poem {margin-left:10%; margin-right:10%; text-align: left;}
+ .poem br {display: none;}
+ .poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;}
+ .poem span.i0 {display: block; margin-left: 0em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;}
+ .poem span.i2 {display: block; margin-left: 2em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;}
+ .poem span.i4 {display: block; margin-left: 4em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;}
+ // -->
+ /* XML end ]]>*/
+ </style>
+ </head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+The Project Gutenberg EBook of Over literatuur, by M.H. Van Campen
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Over literatuur
+ Critisch en didactisch, tweede bundel
+
+Author: M.H. Van Campen
+
+Release Date: November 20, 2005 [EBook #17078]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OVER LITERATUUR ***
+
+
+
+
+Produced by Marc D'Hooghe
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+
+
+
+
+<h1>OVER LITERATUUR</h1>
+
+<h3>Critisch en Didactisch</h3>
+
+<h4>van</h4>
+
+<h2>M.H. VAN CAMPEN</h2>
+
+
+<h4>TWEEDE BUNDEL</h4>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<h4>Aan de Nagedachtenis van
+Mr. Jacob Nicolaas van Hall</h4>
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<h3>I CRITISCH</h3>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p1" id="p1"></a>[p.1]</span></p>
+<h3>OUDE EN NIEUWE JOODSCHE DICHTKUNST</h3>
+
+
+<h4>NAAR AANLEIDING VAN EN OVER JACOB ISRA&Euml;L DE HAAN'S HET JOODSCHE LIED</h4>
+
+
+<h3>I</h3>
+
+
+<p>Zoo ik nu in den aanhef van dit opstel het <i>Sjir ha-Sjirim</i> van Salomo
+de zon aan den hemel van Isra&euml;ls letterkundig genie heet, dan zult ge
+het allicht een slecht omen noemen, dat ik mijn geschrift met een zoo
+weinig, want zoo veel, zeggende phrase begin. Ik weet dit en toch ...
+wat rest mij anders.... Indien gij den dag van dit volk overschouwt&mdash;en
+diens uren zijn honderdtallen jaren!&mdash;en ge ziet elk licht achter zijner
+paleizen vensters en op zijn pleinen verbleeken voor dien gloed, het
+licht van den Psalmist in den pas dagenden morgen, als een alleenzame
+bidlamp boven het hoofd der in gebed worstelenden en verzonkenen; de
+glans der luchters, die een Jesja'ja in den middag ontstak, een telkens
+weer schichtdreigende, doch zich ook telkens weer verzachtende en milde
+glans, als die van vermanende, maar lievende oogen; de roode vlam-kreten
+van Jirmejahoe's waakvuren, tegen den avond ontstoken, schimmend en
+schijnselend over de flikkerende speren en zwaarden der naderende
+verwoesters en ze al kleurend met bloed v&oacute;&oacute;r het bloed. Als ge dit alles
+overheerscht <span class="pagenum"><a name="p2" id="p2"></a>[p.2]</span> ziet door dat hemelwijde licht, hoe zoudt ge dit dan
+anders dan een zon kunnen heeten. Maar bovenal, hoe begrijpt ge dan, dat
+die overheersching toch alleen mogelijk is, niet slechts omdat het licht
+van het Hooglied de hoogste krachtsuitdrukking al dier andere glansen
+is, maar ook, en vooral, wijl het tevens van dezelfde natuur en
+essentieele samenstelling is. Laat bij beurte al dien glans door het
+scheidend prisma van uw critischen geest op den donkeren wand van uw
+diepste gevoel vallen en zie: van alles blijkt het hoogst-geestelijk
+spectrum &eacute;&eacute;n.... Overal is het de hoogere, en een gloedende, lyriek;
+overal zijn het de kleuren der stralende metaforen; overal de
+lichtbanden eener nergens onderbroken <i>ziels</i>muziek. Maar toch, nergens
+zoo rijk, zoo f&egrave;l aanwezig als in de afstraling van het Hooglied. Hoe is
+hier op verwonderlijk-eenende wijze de zoetste aardsche liefde aan de
+mystieke extase gehuwd. Welk een roes der zinnen en welk een
+doorgeestelijktheid.... Wat zou het ook anders dan een zon kunnen zijn,
+die hi&egrave;r de bloembedden van Sjaron's geurende rozen en spelemeiende
+gelieven verheerlijkt, ginds, en tegelijkertijd, door de boogramen der
+aloude tempelgewelven de schemering goudelend komt verrijken, en met "de
+kus Zijns Monds", de mystieke aanraking van zijn in sluier van licht
+verborgen Oerlicht, de Cheroebiem en de Arke, de voorhangen en de
+altaren omgloriet....&mdash;Laat ons dit dan begrijpen en vaststellen, dat
+dit Lied der Liederen de maatstaf aller Joodsche lyrische kunst moet
+zijn, want dat dit Lied, boven alles, de meest wezenlijke bestanddeelen
+van het Joodsch, dichterlijk genie omvat. Het antieke Isra&euml;l bevond zich
+toen het werd geschreven, in het zenith zijner grootheid, ongedrukt,
+vrij van alle be&euml;nging; het k&ograve;n zich geven en het gaf zich in de
+bloeiende naaktheid eener jeugdige ziel die nog niet de lidteekenen van
+schandelijke wonden behoeft te verbergen. Het zong uit in dit lied heel
+de zinnelijkheid maar ook heel het extatische godsverlangen van zijn
+Oostersch hart; het schiep in dezen zang <i>beelden na beelden</i>, want zijn
+jonge ziel was vol liefde en de eenheid der dingen lichtte voor haar;
+het dompelde de woorden in een ambrosia van zoetheid en van streeling;
+er is een vleien en een lokken, er varen melodie&euml;n, <span class="pagenum"><a name="p3" id="p3"></a>[p.3]</span> er zuchten
+weggekuste fluisteringen in dit Hebreeuwsch, als ik nooit elders
+klank-vereeuwigd heb gevonden. En er is ook een <i>uitbundigheid</i> in, die,
+hoog den godenbeker heffend, den deinzenden eenvoud in 't gezicht lacht
+... een pralende rijkdom, z&oacute;&oacute; rijk, dat hij zich zelfs der schamelheid
+van een enkelen rhetorischen smuk niet schaamt.<a name="FNanchor_1_1" id="FNanchor_1_1"></a><a href="#Footnote_1_1" class="fnanchor">[1]</a> En als later, in de
+diaspora, na de wreede, met stomheid slaande overheersching der Gothen,
+de intocht van het Arabische broedervolk in Spanje voor Isra&euml;l een
+gelukkiger tijd laat dagen, dan klinkt wel uit nieuwe monden een nieuw
+lied, maar waarin, zij 't meest flauwer, toch weer al de oeroude
+eigenschappen der bijbelsche dichtkunst fonkelen. Hoe verscheiden de
+twee allergrootsten van dat tijdperk ook mogen zijn, di&egrave; eigenschappen
+hebben zij gemeen. De eerste van beiden, naar den tijd niet alleen, maar
+ook mijns inziens naar de diepte en hoogte zijner bloedende
+menschelijkheid gemeten: Aboe-Ajoeb Soleiman ben Jacha Ibn Gabirol, een
+worstelaar met de eigen ziel, een diep-in-gespletene, als wijsgeer
+hartstochtelijk-<i>strevend</i> naar een religie-vrije onafhankelijkheid van
+denken, telkens naderend dan het panthe&iuml;sme, telkens echter ook weer
+deinzend voor de consequenties daarvan,<a name="FNanchor_2_2" id="FNanchor_2_2"></a><a href="#Footnote_2_2" class="fnanchor">[2]</a> maar als gemoedsmensch <span class="pagenum"><a name="p4" id="p4"></a>[p.4]</span>
+en als dichter met hart en ziel Jood<a name="FNanchor_3_3" id="FNanchor_3_3"></a><a href="#Footnote_3_3" class="fnanchor">[3]</a>&mdash;hij heeft religieuse zangen
+gedicht, zooals het vermaarde <i>Keter Malkoet</i>, waarin een zelfde
+beeldenrijkdom, een zelfde gloed en uitbundigheid, een niet mindere
+weidschheid van conceptie en voorstelling als die der antieken herleven.
+Ja zelfs heeft hij, de hevige hater en hartstochtelijke beminnaar, de
+stug in zich-zelf beslotene en van een mateloos zelfgevoel vervulde,
+iets van het uit twijfel geboren opstandige van den <i>Kohelet</i> hooger
+opgevoerd, en in zijn messcherpe satyre herkent men&mdash;o, onloochenbare
+rasgemeenschap over een afstand van eeuwen!&mdash;den&mdash;grooteren!&mdash;stamgenoot
+van Heinrich Heine<a name="FNanchor_4_4" id="FNanchor_4_4"></a><a href="#Footnote_4_4" class="fnanchor">[4]</a>, terwijl <span class="pagenum"><a name="p5" id="p5"></a>[p.5]</span> de
+tweede groote dichter van dat zelfde tijdvak: Aboe-'L-Hassan Jehoeda
+ha-Levi, in tegenstelling met zijn voorganger eene uiterst harmonische
+natuur, die niet als gene de bittere tweespalt tusschen denken en voelen
+kende, in zijn lyriek niet minder het complex van de eigenschappen der
+antiek-Joodsche dichtkunst vertoont, z&oacute;&oacute; zeer, dat sommigen hem, als
+dichter en Hebreeuwsch stylist, slechts &eacute;&eacute;n meenden te kunnen gelijken,
+den onsterfelijken Jesja'ja.<a name="FNanchor_5_5" id="FNanchor_5_5"></a><a href="#Footnote_5_5" class="fnanchor">[5]</a> En <span class="pagenum"><a name="p6" id="p6"></a>[p.6]</span> deze eigenschappen nu, de meest
+essentieele en kenmerkende, zoowel der bijbelsche als na-exilische
+Joodsche kunst: de <i>uitbundigheid</i>, de <i>pralende beeldenrijkdom</i>, de
+<i>zielsmuziek</i>, zij zouden niet gelijk het geval is, in Isra&euml;ls <i>diepste
+volkspsyche</i> moeten wortelen&mdash;als trouwens in die van alle Oostersche
+volken in tegenstelling met de Westersche, in wier wereldgrooten alleen
+zij zich voornamelijk toonen&mdash;zoo gij ze niet in die andere harer
+hoogste uitingen, in den aard van haar bespiegelend denken terugvondt.
+Nochtans, ik vermoed, dat gij er bezwaar tegen hebt, uit den tuin der
+lyriek naar de studeercel der wijsbegeerte te worden gevoerd. En ik weet
+dit te billijken. Zij het U en mij dan voldoende, zoo ik uwe aandacht
+vestige op slechts &eacute;&eacute;n feit: het antieke Isra&euml;l heeft de wijsbegeerte
+niet gekend, zijn contemplatie van Godheid, Ik en Wereld uit zich alleen
+in de boekstavingen der <i>spreukmatige</i> wijsheid. Dit, men zal het
+gemakkelijk inzien, is voor hetgeen ik bewijzen wilde van het grootste
+gewicht. Immers de wijsbegeerte, dat is de zich uit axiomata en in
+syllogismen <i>geleidelijk ontwikkelende</i> gedachte, verhoudt zich tot de
+spreukmatige wijsheid als de zich vrijwillig beperkende tot de eene
+alzijdsche vrijheid verkiezende; als de omzichtige en eenvoudige tot de
+sierlievende uitbundigheid; als de droogstemmige en koude abstractie
+<span class="pagenum"><a name="p7" id="p7"></a>[p.7]</span> tot het zingende en warme concrete. Wel pogen beide den top van
+wijsheids bergketen te bereiken, maar de een begaat den tocht als een
+wetenschappelijk geschoolde bergbeklimmer, de rugzak vol instrumenten,
+de bijl in de hand, waarmee hij voorzichtig trede na trede hakt; de
+ander als een gems, huppelend over de rotsblokken, springend over de
+afgronden; de een in zijn moeilijk voortschrijden vol van het
+bewijstzijn, dat de geringste misstap hem in den afgrond kan doen
+vallen, de ander dartelend aan den rand der gevaren en heerlijk-blij in
+zijn goudbruine oogen en op zijn tartend gewei, de vonken van Gods zon
+te mogen vangen, als de ander zich beklaagt, dat die verblinding hem
+hindert en zijn gletschertreden glibberig maakt.&mdash;N&oacute;g beteekenisvoller
+dan dit lijkt mij het feit, dat ook in den na-exilischen tijd het
+Joodsch genie geen oorspronkelijke wijsbegeerte kon produceeren. Schalke
+luim van het lot: het volk, dat Athena <i>vol-wassen</i> en <i>krijgswaardig
+toegerust</i> uit het hoofd van zijn hoogsten god zag treden&mdash;welk een
+vleiend symbool voor de <i>spreukmatige wijsheid</i>, welk een negatie van de
+zich <i>geleidelijk-ontwikkelende wijsgeerige gedachte</i>!&mdash;heeft aan het
+volk der <i>Spreuken</i> de <i>wijsbegeerte</i> geleerd! Op de Grieksche
+philosophie rust de Joodsche.&mdash;Als nu, wat ik heb gezegd, de waarheid
+omtrent deze dingen is&mdash;en zij is het&mdash;; als ook de meer moderne
+Hebreeuwsche en Jargon-dichtkunst<a name="FNanchor_6_6" id="FNanchor_6_6"></a><a href="#Footnote_6_6" class="fnanchor">[6]</a> de juistheid daarvan komt
+bevestigen; indien wij derhalve gerechtigd zijn te concludeeren, dat de
+Westersche lyricus, die gene <i>uitbundigheid</i>, dat rijke <i>metaforisch
+vermogen</i> en die <i>ziels-muzikale stem</i> mist, daardoor alleen toont geen
+zeer groot dichter te zijn,<a name="FNanchor_7_7" id="FNanchor_7_7"></a><a href="#Footnote_7_7" class="fnanchor">[7]</a> maar dat de Joodsche zanger, wien ze
+ontbreken, daardoor <span class="pagenum"><a name="p8" id="p8"></a>[p.8]</span> tevens blijk geeft diepst-psychisch van eigen
+ras te zijn vervreemd&mdash;hoezeer is het dan niet te betreuren, dat de
+eerste Joodsche dichter, die in Nederland zijn kunst aan zijn ras wijdt,
+helaas grootendeels deze eigenschappen ontbeert, helaas dus een zoo
+&oacute;n-Oostersche, een zoo &oacute;n-Joodsche <i>kunstenaars</i>-psyche vertoont.
+Oostersche uitbundigheid? Zij is hem vreemd, ja, wij mogen wel zeggen,
+dat hij haar gering schat, hij is een eenvoudige, wien wij <i>soms</i> niet
+dan euphemistisch aldus mogen noemen en voor wien dan de naam schamele,
+naar onze meening, beter passen zou. Rijkdom aan beelden, aan metaforen?
+Niet &eacute;&eacute;n herinner ik mij uit zijn bundel, dat wil dus zeggen: z&eacute;ker
+heeft niet &eacute;&eacute;n mij verrukt. Dit vermogen, niet slechts, zooals ik reeds
+zei, door alle Oostersche volken bezeten, maar door de allergrootste
+dichters van &agrave;lle tijden en &agrave;lle landen met zooveel liefde als een van
+hun hoogste krachten gekweekt&mdash;men leze en her-leze bijv. Shelley's
+meening daarover &egrave;n die van Lord Bacon, d.t.p. door hem
+aangehaald<a name="FNanchor_8_8" id="FNanchor_8_8"></a><a href="#Footnote_8_8" class="fnanchor">[8]</a>&mdash;hij bezit het niet. Zielsmuziek, dat hooger-melodieuse?
+Ja, s&ograve;ms in zijn allerbeste oogenblikken, maar ach, maar ach, hoeveel
+verzen zijn er ook niet van een verbrokkeld en knoeierig metrum, verzen
+door een hortend en stootend rhythme tot rijmklankige prozabrokjes
+versplinterd. Stel dezen eersten Zionistischen dichter naast den
+niet-Zionistischen Querido en nog niet eens naast den schrijver, van
+<i>Saul en David</i>, maar naast dien van den Hartjesdag in <i>De Jordaan</i>, en
+vraag u af bij wien 't meest de essentieel-Oostersche, de Joodsche
+qualiteiten blijken. Stel hem naast Heyermans.... Stel hem naast
+Goudsmit en nog niet eens naast dien van het innige Joodsche werk, maar
+naast, bijvoorbeeld, den schrijver eener lyrische critiek op Mevr.
+Holst's <i>Opstandelingen</i> en vraag u hetzelfde af.... Vergelijk hem met
+Canter ... En gij zult gevoelen: of deze vier het w&igrave;llen zijn of niet,
+naar hun hoogste en naar hun lagere psyche, in hun deugden en hun
+gebreken, zijn zij <i>Joden</i>,<a name="FNanchor_9_9" id="FNanchor_9_9"></a><a href="#Footnote_9_9" class="fnanchor">[9]</a> <span class="pagenum"><a name="p9" id="p9"></a>[p.9]</span> en of de Haan het ook met zijn
+heele hart en ziel w&igrave;l zijn, hij bl&eacute;&eacute;f naar zijn hoogste psyche, slechts
+<i>een naar het Joodschap verlangende.</i> Te betreuren noemde ik dit, niet
+alleen om hemzelf&mdash;al ware 't alleen om hem, het zou reden genoeg zijn,
+want al het andere reeds genoemde daargelaten, welk een tragische
+tweespalt is er hier niet tusschen de lagere, Joodsche, en de hoogere,
+de scheppende, niet-Joodsche individualiteit&mdash;; ook niet slechts om
+zijne Nederlandsche rasgenooten, want ten slotte, wat dezen betreft: een
+ras of rasgroep krijgt ook den dichter, dien het verdient&mdash;; maar vooral
+om het niet-Joodsche Holland. Want ware ik een Arisch instede van een
+Semitisch Nederlander, ik zou voorzeker eens het volgende hebben gezegd:
+"Joodsch-Hollandsche kunstenaars, m&igrave;jn ras, begrijpt het wel, maakt geen
+aanspraak op de dankbaarheid van het uwe; het huisbakken grofheidje van
+dat gij mijn gast en ik uw gastheer zou zijn, ik d&egrave;nk er niet aan, het
+te herhalen. Uw volk hier te lande, zich uitend door uwe grootsten, een
+Isra&euml;ls, een Heyermans en een Querido, het heeft met daden getoond, den
+grond en de hemelen van Holland, zijn volk en zijn zee lief te hebben
+met z&ugrave;lk een liefde als men niet voor het huis eens liefsten gastheers
+voelt, maar slechts voor eigen erf. Zoo erken ik, mijn land is uw erf
+gelijk 't het mijne is. Maar toch, schoon het mij niet past, hierover
+uit te weiden, deze &eacute;&eacute;ne maal zij 't gedaan ... aarzelend ... om uwent-
+en mijnszelfs wil: had dit alles ook niet anders kunnen zijn? Waren onze
+vaders hier niet eeuwen v&oacute;&oacute;r de uwe? Overvleugelt ons tal niet met
+millioenen het uwe? En nochtans ... als eens uw meest-grootsche verleden
+U onweerstaanbaar zal roepen en ge weer in 't aloude Kena'an wonen zult,
+zal dan uw ras &eacute;&eacute;n land van al de landen, waarin het de eeuwen door
+heeft gewoond, zoo zonder eenige bitterheid <span class="pagenum"><a name="p10" id="p10"></a>[p.10]</span> kunnen gedenken als
+het mijne? Zoo weet ik: uw genegenheid zal ons eeuwig zijn. Welnu, zorg
+gij dan, dat ook onze lievende heugenis aan U een eeuwige zij. Hoe? Door
+<i>U-zelf,</i> een <i>kind van uw ras</i> te wezen. Als gij dan zult zijn
+heengetrokken en mijn Volk zal, in de toekomende eeuwen, op Holland's
+hooge dagen, de juweelschrijnen openen van zijn taal, dan zullen geburen
+en vrienden vragen: "Wie schonk u deze vreemde sieraden, die toch
+voorzeker exotisch zijn, niet-Westersch is ook immers in vele de
+mengeling van verheven schoonheid en gebrekkige leelijkheid. Hadde een
+Groote, van welk ras hij zij, ze gemaakt, ik zou de laatste missen, doch
+hadde een kleiner W&egrave;sterling ze gewrocht, de eerste ware veel geringer."
+En het zal antwoorden met een stillen glimlach: "Deze schonk mij een
+vriend, die vele jaren bij mij woonde en vele kunstvaardige zonen had;
+eendracht zegende onze verscheidenheid; de een overheerschte den ander
+niet; hij achtte mij niet gering om mijn koele soberheid en
+zelfbeteugeling, ik hem niet om zijn praallievende onstuimigheid. Zoo
+werkten wij, ieder naar eigen diepsten aard, en vulden deze schrijnen,
+tot ons beider verlustiging. Hij liet ze mij toen hij ging.... Wanneer
+ik ze zie, gedenk ik zijner, mijn vriend, die nu onder de palmen en bij
+de olijfbosschen woont".&mdash;Evenwel, wanneer gij niet een kind van uw ras
+zult willen of kunnen zijn; zoo gij met het groot assimilatie-vermogen;
+dat gij ongetwijfeld bezit, ons tot in onze scheppende eigenschappen
+zult navolgen en met het ontleende het ras-eigene bedekken, of het
+ras-eigene niet eens meer bezitten zult en ons nochtans ietwat als zoon
+van uw volk zult schenken, zoodat toch een ieder zal weten, dat dit het
+geschenk van een Jood, van een Oosterling was, dan zal mijn volk, als
+het in de komende eeuwen zijn vrienden en geburen de kleinoodi&euml;n toonen
+zal, die gij het liet, voorzeker het smartend antwoord hooren: "Deze
+goudsmeedkunst is als de uwe! Uw vriend moge een innige en lieve vriend
+zijn geweest, een zwak kunstenaar lijkt hij mij zeker; had hij geen
+eigen aard? Had hij den aard zijner vaderen verloren, of hebt ge hem
+dien verdrukt, of hebt ge hem dien ontvleid?" <span class="pagenum"><a name="p11" id="p11"></a>[p.11]</span> Dan zal mijn volk
+zich schamen om U &egrave;n zijn onverdienden smaad en het zal pogen, U niet
+meer te gedenken. Weet dit en kies dus"....</p>
+
+<p>Z&oacute;&oacute; zoude ik gesproken hebben indien ik een Ari&euml;r ware. Maar gij schudt
+'t hoofd en lacht en, &agrave;ch, ik begrijp U: dezen eenen keer, dat ge in des
+dichters beoordeelaar zijn rasgenoot wildet hooren, verdiept deze zich
+zonderlinger wijze in den wonderen droom, dat hij een Ari&euml;r is! En
+voorwaar, ge hebt gelijk: d&egrave;ze uitbundigheid loopt niet slechts de
+Hollandsche spuigaten, maar zelfs die van Haifa en Jaffa uit!</p>
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+
+<h3>II</h3>
+
+
+<p>In alle kunst, ook de hoogste, is de <i>kracht</i> van des scheppers sentimenten
+en gedachten de <i>primaire</i> oorzaak van alle schoonheid&mdash;hetzij
+die kracht zich uite als innigheid, hetzij als heftigheid of als
+scherpzinnigheid; zoodra zij een zekeren graad overstijgt, gevoelen
+wij hare aanwezigheid als die eener <i>aesthetische</i> waarde&mdash;doch in
+de lagere kunst is zij de <i>eenige</i> daarvan, daar wordt zij namelijk vaak
+een ijverzuchtige godheid die, den tempel der taal met haar aanwezen
+vullend, geen ander god naast zich duldt, en d&agrave;n: verhindert
+zij het verschijnen der h&oacute;&oacute;gste schoonheid daarin. Ik zal later in
+dit opstel aantoonen, ten eerste, dat deze scherpe scheidingslijn tusschen
+hoogere en lagere kunst in waarheid bestaat en waaruit zij
+blijkt; ten tweede, dat de productie van onzen dichter tot heden
+<i>grootendeels</i> tot de laatste behoort; maar zoolang ik dat niet zal hebben
+gedaan, gelieve de lezer toch wel in 't geheugen te houden, dat
+dit mijn meening is, een meening, waarmede de lof dien ik zoo gelukkig
+ben dezen kunstenaar te kunnen brengen, n&igrave;et in strijd is. Nu
+is het wel is waar een feit, dat blijkens diens vroegere, mij bekende
+werken, <i>Pathologie&euml;n</i> en <i>Libertijnsche Verzen</i>, het zuiver-individueel
+sentiment van onzen auteur geen bijzonder hooge mate van kracht
+bezat en ofschoon in het eerstgenoemde werk zijn denken die wel
+<span class="pagenum"><a name="p12" id="p12"></a>[p.12]</span> bezit&mdash;zich uitend in een vaak scherpzinnige redeneerkunst&mdash;wordt
+het ons toch spoedig duidelijk, dat met de aan van Deyssel's <i>Adriaan</i>
+ontleende stijlvormen van dit werk, ook een groot deel van de genereerende
+kracht-zelve van dien Meester werd geborgd&mdash;een zeer
+frequent verschijnsel overigens, in elk geval dat een kleiner kunstenaar
+door de aan hem verwante psyche van een grooteren wordt verrukt
+&mdash;terwijl de <i>Libertijnsche Verzen</i> wel aangenaam-en-curieus-om-te-lezen
+maar vlak van een wel wezenlijk doch &ograve;nkrachtig en &ograve;ndiep
+sentiment blijken; zoodat, ware in dit alles geen verbetering ingetreden,
+zelfs die uitsluitend door de kracht der sentimenten voortgebrachte
+schoonheid, ook in dezen bundel niet al te overvloedig
+zou zijn aanwezig geweest. Maar die heilzame verandering trad in,
+want anders en oneindig beter werd het met den dichter &egrave;n proza&iuml;st
+gesteld, toen hij zich aan de bron der gemeenschap mocht laven, en
+zoowel door het wee der verdrukten en ellendigen ontroerd, als zich
+bewust werd van de onverbrekelijke saamhoorigheid met het ras waaruit
+hij was voortgekomen. Hierdoor rees zijn sentiment in kracht en
+macht ver boven de zuiver-individualistische stemmingssentimentjes
+van het meerendeel onzer hedendaagsche, kleinere dichters uit. Want
+een stemmingssentiment&mdash;tot het bezit van een <i>fundamenteel-individueel</i>
+sentiment brengen in <i>dezen</i> tijd de kleineren het zelden of
+nooit&mdash;dat is maar een geurtje van &eacute;&eacute;n knopje aan den menschboom,
+het ontstaat in den boom, straks bloeit en geurt er een tweede,
+aanstonds weer een derde. Telkens als er een is uitgebloeid en verwelkt,
+blijft de boom armer achter ... maar de gemeenschapssentimenten,
+d&agrave;t zijn de fundamenteele, die ook de kleinere in dezen tijd
+bezitten kan, zij ontstaan niet in den boom maar in de aarde, waarin
+hij wortelt, zij stijgen in hem op en zich vermengend met zijn wezen
+versterken zij dit blijvend. Hoe zou het verbloeien van duizend zijner
+bloemen hem kunnen verarmen?... Hij drinkt en voedt zich uit
+een onmetelijkheid. Geen andere omstandigheid dan deze is de oorzaak
+van de zich telkens weer openbarende verjonging der socialistische
+dichters in ons land, een Gorter, een Henriette Roland Holst, een
+<span class="pagenum"><a name="p13" id="p13"></a>[p.13]</span> Adama van Scheltema, al bewijst dit&mdash;ik geef het
+onmiddellijk toe&mdash;niets voor het lot der kleineren, want het werk dezer drie behoort
+nagenoeg geheel en al tot wat ik de <i>hoogere</i> lyriek heb genoemd.<a name="FNanchor_10_10" id="FNanchor_10_10"></a><a href="#Footnote_10_10" class="fnanchor">[10]</a>
+En voorzeker: de opzuigingskracht der wortels en of <i>zij zoo trouw de
+moederaarde omklemmen, dat niet elk windstootje uit den hoek van lust
+of onlust hen ontwortelen kan</i>&mdash;dat zijn ook factoren, waarmede
+men rekenen moet. Maar overigens, dit zijn dingen, waarover de criticus
+der toekomst spreken mag,&mdash;laat mij maar tevreden wezen
+met te boekstaven dat nu althans onze dichter best zelf nog weet,
+wat de oorzaak is zijner versterking en verrijking:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Ik dwaalde graag door ijdel schoon bekoord,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">IJdel mijn lied tot dat mijn hart verstond</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dat ik Dichter van mijn trotsch volk moet zijn.</span><br />
+</p>
+
+<p>En het is dan ook niets dan weer een andere vorm van het gemeenschapssentiment,
+dat zijn proza van <i>In Russische Gevangenissen</i>
+zoover als de hemel boven de aarde boven zijn vroeger proza heeft
+verheven. Het is mijn taak niet over dien arbeid te spreken. Slechts
+dit eene: om dat kleine werkje vooral heb ik den schrijver liefgekregen.
+Al hadde hij niets anders waardevols geschreven, d&agrave;t zou zijn naam
+voor vergetelheid bewaren. In eere en liefde zal ieder hem er om
+gedenken, den moedige, inzichtige en goede. Zijn Hooger-Ik heeft
+voor immer daarin de hand naar hem-zelf ook uitgestrekt; zoo hij
+steun mocht behoeven, hij kan h&aacute;&aacute;r grijpen. En als zijn leven ook
+verder moet schrijden door de dorten van leed en berouw&mdash;zijn Mozes
+sloeg ook voor hem op de steenrots der barbaarschheid, hij drinke het
+zuivere water....&mdash;Is dus, zoo goed als in dat werk, het gemeenschapsgevoel
+ook de oorzaak dat <i>Het Joodsche Lied</i> hoogst waardevolle
+arbeid werd, deze omstandigheid had tevens tot gevolg, dat
+<span class="pagenum"><a name="p14" id="p14"></a>[p.14]</span> waar, zooals ik reeds heb gezegd, des dichters lagere persoonlijkheid
+wel, maar zijn hoogere en scheppende niet het Jood-zijn hervond,
+di&egrave; verzen voller van kracht en dus schooner moesten worden, welke
+de meer concrete gevoelens der <i>lagere</i> persoonlijkheid vertolken&mdash;zooals
+de herinneringen der jeugdjaren&mdash;dan gene, welke de meer
+abstracte en meer zuiver-ide&euml;ele verwoorden, die eerder tot de sfeer
+der hoogere persoonlijkheid behooren, zooals de nationale toekomsthoop
+en onpersoonlijke <i>historieele</i> herinnering ze vormen. Op de
+schoonheid der eerste wees ik reeds vroeger en waar ik dit nu toch
+niet beter zou kunnen zeggen, mogen mijne woorden van toen hier
+worden herhaald: "Zijn Joodsche <i>Liederen</i>, in <i>De Gids</i> van 1910
+verschenen, zijn van een zeldzame voortreffelijkheid. Het zijn juweeltjes
+van stemming en zich-in-liefde-herinneren. Het zijn verzen-met-geloken-oogen,
+in een diep-innerlijken droom verzonken en
+er zich niet van bewust dat zij hun droom uitspreken, en gehoord
+worden buiten zich." Maar ook wees ik toen reeds aan wat ik van
+minder gehalte vond: "Het aan <i>Het Joodsche Nationaalfonds</i> gewijde
+gedicht in <i>De Beweging</i> van deze maand<a name="FNanchor_11_11" id="FNanchor_11_11"></a><a href="#Footnote_11_11" class="fnanchor">[11]</a> lijkt mij niet zoo
+uitmuntend. Het is dunkt mij te onvrij van min of meer cerebrale,
+bed&agrave;chte, alledaagsche motieven van nationalen trots en Zionistische
+toekomsthoop, <i>die niet in de dichterlijke conceptie en uiting verbijzonderd
+en verindividualiseerd zijn</i>." Deze meeningen zijn door het
+lezen van des dichters geheele Joodsche werk slechts versterkt. Maar
+mede heb ik daardoor het klaarder inzicht in de oorzaak van het
+verschil tusschen beide soorten van verzen verkregen, zooals ik dit
+hierboven heb uitgezegd. Over de aanwezigheid van dat verschil oordeele
+de lezer-zelf, al moet ik mij te dezer plaatse, waar vele dezer
+gedichten verschenen, van veel citeeren, zooals van zelf spreekt,
+onthouden. Een paar schoonheden dus slechts uit de <i>zeer vele en innige</i>
+dezer persoonlijke-herinneringsverzen.</p>
+
+<p>(Het einde van <i>Groote Verzoendag</i>):</p>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p15" id="p15"></a>[p.15]</span></p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 3em;">Avond. Met koortsig, huivrend hoofd omhuld.</span><br />
+<span style="margin-left: 3em;">Bad ieder man zijn eigen doodsgebed</span><br />
+<span style="margin-left: 3em;">Stervensbereid. Wie hoort de vale tred</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Des doods komend om onvergeven schuld?</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 2em;">Maar neen. Wij allen onthulden het hoofd</span><br />
+<span style="margin-left: 3em;">Zagen elkanders moede en verblijde oogen.</span><br />
+<span style="margin-left: 3em;">God heeft ons uit den Dood in 't Licht getogen,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">In laatste dank worde zijn Naam geloofd.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 2em;">Naar ons licht huis. De onvaste voeten tasten</span><br />
+<span style="margin-left: 3em;">Wankel in 't gaan. <i>Vader en ik stilzwijgend</i>,</span><br />
+<span style="margin-left: 3em;"><i>Met hart, dat snelt en bitteren mond hijgend</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Maar zielsverrukt door bidden en door vasten</i>.<a name="FNanchor_12_12" id="FNanchor_12_12"></a><a href="#Footnote_12_12" class="fnanchor">[12]</a></span><br />
+</p>
+
+<p>(Uit <i>Na de Paschen</i>, II:)</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">En elk jaar heugt schooner U de pracht der verleden jaren,</span><br />
+<span style="margin-left: 3em;">Toen ik, jongste, mijn vragen deed,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">En hoorde vader ons den oud gewijden zin verklaren</span><br />
+<span style="margin-left: 3em;">Van Drank en bittre beet.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 2em;">Hij sneed het kroonkruid, <i>wij proefden wortel en blaadren bitter</i></span><br />
+<span style="margin-left: 3em;"><i>Maar aten snel van 't vruchtenzoet</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>En dronken teedren wijn en staarden zalig in 't geschitter</i></span><br />
+<span style="margin-left: 3em;"><i>Van 't licht op feestlijk goed</i>.<a name="FNanchor_13_13" id="FNanchor_13_13"></a><a href="#Footnote_13_13" class="fnanchor">[13]</a></span><br />
+</p>
+
+<p>En nu van de tweede soort een stukje (uit <i>Verstrooiing</i>):</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Wij waren herders. En wij werden slaven</span><br />
+<span style="margin-left: 3em;">Van een trotsch koning in het wreede Egypte.</span><br />
+<span style="margin-left: 3em;">Pyramiden bouwden wij, sfinxen, krypten</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Doodensteden met hijgend, hongrend draven.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 2em;">Maar toen: met tien Wondren togen wij uit,</span><br />
+<span style="margin-left: 3em;">God lei de zee voor onze voeten droog.</span><br />
+<span style="margin-left: 3em;">En dreef 't snel water der Jordaan omhoog.</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Een land vol melk en honing werd ons buit.</span><br />
+</p>
+
+<p class="pagenum"><a name="p16" id="p16"></a>[p.16]</p>
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Voor veldslaven hadden wij honderd volken.</span><br />
+<span style="margin-left: 3em;">In steden en dorpen woonden wij rijk.</span><br />
+<span style="margin-left: 3em;">Rustig heerschend. Ons aantal was gelijk</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Aan 't zand der zee en 't water van de wolken.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 2em;">Maar met de weelde kwam het ijdel dwalen</span><br />
+<span style="margin-left: 3em;">Langs wegen, die Mozes niet heeft gekend,</span><br />
+<span style="margin-left: 3em;">Gods Gezicht donkerde, toornend gewend</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Liet hij stormen van doodend onheil dalen.</span><br />
+</p>
+
+<p>Wel, het spijt mij, maar ik kan van zoo iets niet anders zeggen,
+dan dat ik het een heel gebrekkig en gewrongen proza vind, dat vermoedelijk
+zoo gebrekkig en verwrongen werd, omdat het rijmen moest
+en een vers wilde zijn.... En is het tot hiertoe van historische herinnering
+vervuld, nadat deze zich nog in een tweetal strophen van gelijke
+onwaarde als de voorgaande heeft vermeid, wendt het gedicht zich
+naar de toekomst, spreekt het de nationale hoop uit:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Zullen wij keeren? Vriend, wat is 't verlangen,</span><br />
+<span style="margin-left: 3em;">Naar 't Vaderland, dat ik in uw hart weet,</span><br />
+<span style="margin-left: 3em;">In mijn hart voel, geen enklen dag vergeet,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dat onbedwingbaar zingt in mijne zangen?</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 2em;">Zullen wij keeren? Worden wij landbouwers</span><br />
+<span style="margin-left: 3em;">Op 't eigen veld, van dit wreed zwerven wij?</span><br />
+<span style="margin-left: 3em;">Slaafsheid draagt zwaar. Maar altijd blijven wij</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Op nieuwe Toekomst de vaste vertrouwers.</span><br />
+</p>
+
+<p>Hiermede is het gedicht afgeloopen. Prachtig hoor: dat doet me goed
+aan mijn Joodsch hart, en als dat hart nog traditioneel-geloovig ware,
+dan zou het me n&ograve;g meer goed doen.... Maar eilieve, waar is nu
+eigenlijk het aesthetisch schoon van dit vers en waar zijn de krachtige
+en diepe gevoelens, die dit schoon hadden moeten veroorzaken.
+Zeker, de dichter z&egrave;gt, dat "'t verlangen ... onbedwingbaar zingt in
+(zijne) zangen," maar maakt het <i>geluid van</i> zijn vers dat ook voor ons
+tot werkelijkheid?... Komaan, lezer, neem de proef, neem een goed
+<span class="pagenum"><a name="p17" id="p17"></a>[p.17]</span> gedicht van welken grooten of kleinen dichter ge maar verkiest, neem,
+om 't u gemakkelijk te maken, de door mij gecursiveerde gedeelten
+der zooeven geciteerde jeugd-herinneringsverzen, verander daarin
+op zoodanige wijze de woorden, dat ge den groveren zinsinhoud <i>niet
+verminkt,</i> maar daarentegen van oorspronkelijk rhythme, van metrum,
+rijmklank niets laat overblijven, en&mdash;ge zult u over het resultaat
+van uw vandalisme ontzetten: nagenoeg alles van wat u verrukte
+of bekoorde is w&egrave;g. Maar neem nu d&igrave;t vers, maak er gewoon
+fatsoenlijk proza van.... Welnu! wat verloort ge?... Niets. Ge h&agrave;dt
+niets te verliezen!</p>
+
+<p>Intusschen, haalde ik dit vers aan, ik deed het niet, om daardoor
+den lezer een denkbeeld te geven van de algem&eacute;&eacute;ne waarde dezer
+gedichten van de "tweede soort". Als zoodanig voorgesteld, zou dit
+niets meer of minder dan een lasterlijke onjuistheid zijn. Ik wilde
+alleen zeggen: van de jeugdherinneringsverzen daalt geen van alle
+tot dit peil.&mdash;Maar overigens: er zijn zeer zeker geslaagde bij, zooals
+bijvoorbeeld <i>Bemoediging</i> met dat telkens terugkeerende door
+zijn veel-evoqueerend <i>geluid</i> aandoenlijke "Leitmotif":</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Eenmaal zal ons Volk Land en Stad behooren,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Waar David koning is geweest.</span><br />
+</p>
+
+<p>en nog zooveel innigs. Maar andermaal: h&aacute;&aacute;lt hun innigheid bij die
+in menig van die heerlijk-schoone Sabbathliederen, bij, ten voorbeeld,
+dit:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Al jeugd vergaat. Moeder, ik ben verdwaald,</span><br />
+<span style="margin-left: 3em;">Mijn heete handen tasten in het duister.</span><br />
+<span style="margin-left: 3em;">Moeder, ik wil weer terug naar den luister,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Die van onzen heiligen Sabbath straalt.</span><br />
+</p>
+
+<p>Tenzij&mdash;tenzij dat geestelijk-zien der verre toekomstverschieten
+zich een enkel maal mag verbinden aan de concrete jeugd-herinneringen
+en d&aacute;&aacute;ruit beeldende en zingende kracht put, zooals in <span class="pagenum"><a name="p18" id="p18"></a>[p.18]</span> <i>Vreugde
+der Wet</i>, dat aanvangt met die als biddend opziende filiale verheerlijking:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;"><i>De handen van mijn Vader waren teeder</i></span><br />
+<span style="margin-left: 3em;"><i>En oud</i>. Hij hief boven 't geheven hoofd</span><br />
+<span style="margin-left: 3em;">Dat schoon symbool: palmentak rankgeloofd</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Met myrtentak, wilgentak en ceder.</span><br />
+</p>
+
+<p>Dan dit zacht murmelt als een peins-droomend kind, de oogen zien
+&ograve;p en v&egrave;r, terwijl het droom-gebonden spreekt:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Palmentakken, O Vader, in het Oost</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Beven die levend in de lichte zon.</span><br />
+</p>
+
+<p>Ten slotte zijn warm gevoel ook over het toekomstvisioen laat
+glori&euml;n:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Wij zwierven veel. En toch keeren wij weder</span><br />
+<span style="margin-left: 3em;">Naar 't Heilig Land, waar <i>milde honing vloeit</i></span><br />
+<span style="margin-left: 3em;"><i>Uit bonte bloemen. Waar de wijndruif gloeit</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>En gouden appels rijpen aan den ceder.</i><a name="FNanchor_14_14" id="FNanchor_14_14"></a><a href="#Footnote_14_14" class="fnanchor">[14]</a></span><br />
+</p>
+
+
+<p>Er zijn echter nog groote schoonheden van anderen psychischen
+oorsprong in dezen bundel. Zij bevinden zich op die plaatsen, waar
+de bloeiende en geurende specifiek-Joodsche jeugdherinneringen
+doornomrankt, doorndoorboord worden door het algemeen-menschelijk
+sentiment van wroeging om begane zonden. Ik geloof niet,
+dat &eacute;&eacute;n mensch in Holland zich zoo waarachtig, zoo schaamteloos-waarachtig
+heeft gegeven&mdash;ik bezig natuurlijk dit woord "schaamteloos"
+uitsluitend ter kenschetsing der mate van overgave, zonder
+daaraan eenige ethische waardebepaling te verbinden&mdash;gelijk deze
+<span class="pagenum"><a name="p19" id="p19"></a>[p.19]</span> dichter. Bij die hevige wroeging, bij dit brandend berouw, hoe worden
+er de ikheidssentimentjes van de meesten onzer decadenten onwezenlijk
+en lafjes bij. Hoor dit geluid:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">"Dat iedereen, dien 't hongert, hedenavond binnentrede</span><br />
+<span style="margin-left: 3em;">Neme van 't heilig Feest zijn maat"&mdash;</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Mijn voet valt doodsvermoeid, o, kon ik keeren tot dien vrede,</span><br />
+<span style="margin-left: 3em;">Der vromen toeverlaat.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 2em;">Mij walgt van aardschen wijn en eeuwig blijft voor mij gesloten,</span><br />
+<span style="margin-left: 3em;">Weelde van het Hemelsch Gezin.</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Aanvaard uw heilloos lot, ziel, deel met uw minne genooten</span><br />
+<span style="margin-left: 3em;">Uw onheilvolle min.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 2em;">Niet dezen Nacht en niet &eacute;&eacute;n Nacht, die volgt van woede of weelde,</span><br />
+<span style="margin-left: 3em;">Stel als een schuldloos kind uw vraag,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Geen antwoord is voor U, die lichtzinnig uw lot verspeelde.</span><br />
+<span style="margin-left: 3em;">Dan 't eigen dof geklaag.</span><br />
+</p>
+
+<p>Lees ook dat laatste der Sabbathliederen, waar de oude vriend
+van des dichters jeugd, de heilige Sabbath-zelve, hem aan het libertijnsch
+banket komt manen, tot de idealen en het zuivere leven zijner
+jonge jaren weer te keeren. O, mocht ik het citeeren, dit wonder-innige,
+dit, schoon ook van diepste smart en martelenden tweestrijd
+volle, toch bloeiend-bevallige gedicht.... Doch kan ik er aan denken?
+Het zou zeker zes bladzijden van dit maandschrift beslaan!...&mdash;Evenwel,
+ook in deze soort verzen is een daling te bemerken. Gaat
+het niet in dit opzicht met dezen bundel als met het leven der menschen,
+een &egrave;nkele gelukkige uitgezonderd? De jaren van den aanvang
+van een leven, zijn dat niet zijn dichters, en de jaren van den ouderdom
+zijn die niet zijn rhetorici? Wat de eerste hebben <i>geprofeteerd</i>,
+dat <i>preeken</i> de laatste; wat deze hebben <i>door-leefd,</i> dat door-<i>commentarieeren</i>
+de andere; ach, hoe waren deze sch&oacute;&oacute;n door kr&agrave;cht, hoe
+werden gene l&eacute;&eacute;lijk door zw&agrave;kte; zij herhalen en herhalend vergrauwen
+zij alle de scherpe, schitterende punten van het "uiterste", waarin
+<span class="pagenum"><a name="p20" id="p20"></a>[p.20]</span> de schoonheid straalde. Gaat het niet met de wroegingsverzen in
+dezen bundel evenzoo? En uit een zelfde oorzaak. De eerste zijn
+machtige en heftige, schoone en echte <i>verzen</i>, de latere naderen
+bedenkelijk dicht de rhetorica. Die latere zijn&mdash;laat mij exact wezen&mdash;vaak
+slechts ten deele de uiting van het levend gevoel en ten deele
+de preekerige, koudere, soms huilerige herhaling ervan. Het is waar,
+als ik aldus van die latere spreek, dan heb ik vooral op het oog een
+gedicht als dat <i>Aan Leo V</i>. gewijd, een gedicht van didactische natuur,
+en didactiek verleidt licht tot den preektoon. Maar toch&mdash;het
+is ook vol van een verhulde arrogantie&mdash;en het is waarlijk niet het
+eenige, dat daardoor wordt ontsierd&mdash;en dier aanwezigheid is het
+beste bewijs, dat het <i>heftige, levende wroegingsgevoel</i>, zooals dat in de
+vroegere verzen aanwezig was, en daar, zooals ook noodwendig is,
+van zekeren <i>deemoed</i> werd verzeld, hier niet meer bestond, want:
+di&egrave; wroeging &egrave;n arrogantie ... neen, samen gaan die niet. De preekerige
+aanmatiging bestaat hierin, dat de dichter, op grond van het
+feit, dat hij door het verlaten der Leer tot "zonde" kwam, een jongeling
+meent te moeten vermanen, de Leer trouw te blijven opdat ook
+hij niet tot zonde vervalle.<a name="FNanchor_15_15" id="FNanchor_15_15"></a><a href="#Footnote_15_15" class="fnanchor">[15]</a> W&eacute;lk een arrogantie is dit en welk een
+beschimmeld clericalisme bovendien! Kende onze dichter vrij groote
+groepen van het jonge joodsche proletariaat, hoe zou hem zulk een
+uiting berouwen.... Die honderden jongelui, met hun aandoenlijk
+streven naar ontwikkeling, met hun reinen levenswandel, deze groote
+kinderen, van wie het meerendeel geen flauw begrip van Leer of godsdienst
+heeft. Begrijp toch <i>Dichter</i>, dat &egrave;lk ideaal, mits als zoodanig in
+waarheid door den menschengeest gevoeld, hem beveiligt en opheft.
+Als de tijd &eacute;&eacute;n wrak heeft gemaakt, dan sticht hij een ander. De tijd?
+Neen de menschengeest-zelf! Want zooals de levenskiem van den
+vogel in het ei, zich vleugels bouwt, zoo bouwt zich de ziel des menschen
+<span class="pagenum"><a name="p21" id="p21"></a>[p.21]</span> haar idealen.... Gij, <i>Dichter</i>, die den menschvogel ... een paar
+vle&ugrave;gels ... &aacute;&aacute;npr&eacute;&eacute;kt....&mdash;Doch genoeg hiervan, liever wijze ik
+nog op een andere schoonheid in dezen bundel, de verzen der <i>Demonen</i>.
+Deze oude fantasmen heeft de dichter op zeer gelukkige wijze
+weer bezield, door in hun evocatie het element van eigen zinnelijkheid
+te vervlechten. Alleen: ik heb niet de reden kunnen ontdekken,
+waarom hij dien ouden demon, dien armen <i>Ketef Meriri</i> z&oacute;&oacute; gruwelijk
+heeft verminkt. Want een horendrager te zijn, mij dunkt, dat is
+al erg genoeg, doch een enkele horen te wezen!...<a name="FNanchor_16_16" id="FNanchor_16_16"></a><a href="#Footnote_16_16" class="fnanchor">[16]</a></p>
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+
+<h3>III</h3>
+
+
+<p>Na nu aldus, naar ik hoop, de plaats en de waarde te hebben aangewezen,
+welke dezen verzen mogen worden toegekend op hun eigen
+plan, dat dus, enkele gedichten uitgezonderd, dat der lagere po&euml;zie
+is, zij het mij vergund de eigenschap te noemen, welke de hoogere lyriek
+van deze onderscheidt. Die is dan mijns inziens geen andere, dan
+dat de hoogere de kenmerken draagt van te zijn voortgebracht door
+een ziel, die triomfantelijk en vrij hare sentimenten en gedachten te
+boven rijst, de lagere daarentegen duidelijk doet blijken geboren te
+<span class="pagenum"><a name="p22" id="p22"></a>[p.22]</span> zijn uit eene, die in die gedachten en sentimenten bleef bevangen.</p>
+
+<p>De triomfeerende ziel is als een zon, die boven een wolkenduister
+landschap dagend, <i>gulden zoomen van schoonheid aan die wolken
+maakt</i>; de onvrije ziel een zon, die, door de wolken verwonnen, onmachtig
+blijft: het strijden en jagen van hun duistere gestalten, het
+vagen hunner schaduwen over boomen en vaarten is de eenige schoonheid,
+die ge ziet: de kracht der sentimenten en gedachten, zij laten
+de opkomst der al te <i>zwak-stralende</i> niet toe.</p>
+
+<p>De eerste is een Cyrano, die vechtend om zijn leven, met de schoonheid
+zijner onbevangenheid, de schoonheid van zijn luchtigen lach,
+van zijn tartend en dartel woord, van zijn absolute overheersching,
+de toeschouwers tot jubel vervoert. Hij strijdt, ja, doch d&agrave;t lijkt maar
+de bijzaak, tegelijkertijd echter dicht hij een lied, in woorden en&mdash;bewegingen,
+&eacute;&eacute;n rhythme van oppermachtige triomfantelijkheid
+doorstroomt &agrave;lles, en d&agrave;t, d&agrave;t schijnt wel voor dien goddelijken schoonheidsdorstige
+de hoofdzaak....&mdash;De laatste is een log zwaardvechter,
+die druipend van bloed en zweet om zijn leven vecht. Zijn eenige
+schoonheid is zijn <i>kracht</i>, de massiviteit van zijn lichaam, van zijn
+leden en spieren.</p>
+
+<p>De <i>lagere</i> lyriek, zij wekt ons medegevoel en onze liefde op: wij
+lijden en strijden mede met dezen zwaardvechter, wij worden duis-en
+bewogen als deze wolken; maar de <i>hoogere</i>&mdash;zij alleen <i>overstraalt</i>
+en <i>verrukt</i> ons.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Vlei ik mij nu, te hebben doen gevoelen wat het onderscheid is en
+waar de grenslijn ligt tusschen de hoogere en lagere dichtkunst, ik
+wensch nochtans niet, wat ik heb gezegd in het vage van het bewijslooze
+betoog te laten. Zoo kies ik dan, om aan verzen-zelf de bovengenoemde
+eigenschap der hoogere lyriek te demonstreeren, &eacute;&eacute;n uit
+Verwey en een uit Henriette Roland Holst. Met de kleinere zijde
+van beider dichterschap toont onze dichter wel eenige verwantschap,
+en&mdash;die ingetogenheid en eenvoud, waarnaar hij str&eacute;&eacute;ft, zijn bij de
+laatstgenoemde <i>volmaakt</i> en overtreffen ver de zijne.</p>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p23" id="p23"></a>[p.23]</span> Verwey's <i>In Memoriam Patris</i>. (Het vers is te lang, om het hier
+in zijn geheel te citeeren en ofschoon het ongetwijfeld een ernstige
+schennis is, er een deel uit te lichten, m&ograve;et dit nu wel. Vergenoege
+ik mij dus met het schoone slot.)</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Daar zijn bloemen, mijn bloemen van zang:</span><br />
+<span style="margin-left: 3em;">Zij spreiden een licht om zijn hoofd,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Een schijnsel om lokken en wang,</span><br />
+<span style="margin-left: 3em;">Dat nooit zal worden gedoofd&mdash;</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Goeden en grooten begraaft men zoo:</span><br />
+<span style="margin-left: 3em;"><i>Zij zijn licht in hun sarkophagen</i>,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Met een schijnsel van zangen en klagen</i></span><br />
+<span style="margin-left: 3em;"><i>Om het hoofd</i>.</span><br />
+</p>
+
+<p>Ziet ge: vooral die door mij gecursiveerde regels vormen <i>zulk een
+gulden zoom van schoonheid om den donkeren nevel der herdenking.</i></p>
+
+<p>Henriette van der Schalk. (Uit: <i>Het Gelukzalig Leven van den Vrome</i>).</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Want zijn hart leeft rustig niet onbewogen</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">verheven boven 't armelijk bestaan</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">van wie macht'loos te worden aangedaan</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">voor verwinning aanzien hun onvermogen</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">harten te voelen gespannen als bogen</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">onder des levens geweldige aan-</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">rakingen en hun dorheid een weerstaan</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">noemen der zon waar zij als kracht op bogen.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Maar 't zijne staat, te midden van de dingen</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>niet als een rif, waartegen baren breken</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>maar als een meer, dat berg van vlakte scheidt,</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>de onstuimige wat'ren die 't binnen-dringen</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>herrijzen uit die klare en diepe streken</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>als effene stroomen vol statigheid.</i></span><br />
+</p>
+
+<p>Ziet ge: deze door mij gecursiveerde terzinen, die zijn <i>die gulden
+zoom van schoonheid</i>, om het zwaar gewolkte <i>der contemplatieve gedachte</i>.</p>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p24" id="p24"></a>[p.24]</span> Welnu, ik kan slechts herhalen: zulk metaforisch schoon wordt
+in het werk van onzen dichter gemist.</p>
+
+<p>Maar den Cyrano wenscht gij te aanschouwen, den man, die spottend
+en dichtend om zijn leven vecht; ge wenscht nu die heel vrije, die
+zeer koninklijke ziel te zien, die hare <i>lenigheid</i> en <i>vrijheid</i> n&oacute;&oacute;it verliest;
+die te midden van den strijd, van de diepste vertwijfeling, van
+de felste opstandigheid, <i>blijft</i> naar de <i>schoonheid</i> tasten &egrave;n: haar
+grijpt.... Maar laast ge dan nog immer, in die onvolprezen vertaling
+van Boutens, Omar Kayyam's <i>Kwatrijnen</i> niet? Scharten's opstel
+bracht mij ertoe, U nog niet? D&agrave;n zaagt ge ook niet den oneindig
+dieperen, den grootsten Cyrano, dien wellicht ooit de wereld droeg.
+Zie dan weer, &eacute;ven:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Ik ben een slecht slaaf&mdash;: waar is Uw genade?</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Mijn hart is nacht&mdash;: waar blijft Uw dageraden?</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Uw hemel kan ik winnen door mijn dienst:</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dat's loon&mdash;: waar zijn Uw gunst en liefdedaden?</span><br />
+</p>
+
+<p>Dit is de lenigheid en de triomf van de schoonheid-grijpende ziel
+te midden van den hartstocht der opstandigheid....&mdash;En d&igrave;t, vooral
+d&igrave;t, de triomf van de lenige en vrije ziel die de schoonheid grijpt te
+midden van het vertwijfelen aan den zin en de rechtvaardigheid van
+het leven:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">In donkren hoek van levens tuin verschrompeld,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Door 't eenig-welig onkruid overrompeld,&mdash;</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">O Hart, gelijk een rozeknop beklemd,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">En als een tulp in eigen bloed gedompeld!</span><br />
+</p>
+
+<p>Nu begrijpt ge 't: d&agrave;n slechts kan men zulk een groot dichter,
+zulk een schepper van hoogere lyriek zijn, als niets de ziel weerhouden
+kan, overal, op de moeizame steilten en verre hoogten der wereld
+bloemen van schoonheid te plukken; het gevaar van den tocht, de <span class="pagenum"><a name="p25" id="p25"></a>[p.25]</span>
+gepijnde voeten, het wildkloppende hart, alles een aansporing te
+meer om te gaan d&aacute;&aacute;rheen, daar troost, daar loon te vinden. Keert
+hij van daar terug&mdash;de zeldzame bloemen die hij plukte verhalen
+heerlijk van zijn vreeselijken tocht.... En daalde hij ten afgrond, "overdekten
+hem machtige wateren", hij greep de parel der schoonheid,
+en liet ze niet los; aanschouwt hij weer de zon, hij wordt de louteraar
+en de smeder van haar goud....&mdash;</p>
+
+<p>Dat &ograve;nze dichter nu, ofschoon hij die lenigheid en die vrijheid niet
+kent, ofschoon hij geen triomfeerende maar een bevangen geest is,
+toch in zijn beste verzen den <i>zoom</i> van het gebied van zulker hoogere
+zielen lyriek heeft mogen betreden, dat heeft hij daaraan te danken,
+dat d&agrave;n althans &eacute;&eacute;n uitgang van zijn kerker openstond, die waarvoor
+de muzikale schoonheid den bevrijde wacht: in die beste verzen
+leeft het schoon eener <i>zoet-zinnelijke welluidendheid</i>.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Men heeft de meening uitgesproken, dat niet-Joden deze verzen niet
+voldoende zouden kunnen waardeeren, omdat zij te subjectief-Joodsch
+zouden wezen en dat men althans als Jood moest geb&ograve;ren zijn, om diep
+in hun gevoelssfeer te kunnen doordringen<a name="FNanchor_17_17" id="FNanchor_17_17"></a><a href="#Footnote_17_17" class="fnanchor">[17]</a>. Dit laatste is op zichzelf
+zeer juist, doch het lijkt mij tevens een opmerking, die hier weinig
+ter zake doet. De vraag is niet of zekere lezers <i>werkelijk</i> diep in de
+gevoelssfeer van een zeker werk kunnen dringen, de vraag is of die
+lezers door den dichter in de <i>illusie</i> worden gebracht, dat zij het doen;
+of die lezers z&oacute;&oacute; door des dichters scheppend vermogen in verrukking
+worden gebracht, dat zij <i>meenen</i> ook diens gevoelsfeer te begrijpen.
+Ik heb vroeger in ditzelfde tijdschrift uiteengezet, dat en waarom
+wij niet minder kunnen genieten van een werk welks gevoelssfeer
+ons vreemd is, dan van zulk een, waarbij dat niet het geval is;<a name="FNanchor_18_18" id="FNanchor_18_18"></a><a href="#Footnote_18_18" class="fnanchor">[18]</a>
+ja, ik heb aangetoond, dat dit laatste, het medeleven in die gevoelssfeer,
+<span class="pagenum"><a name="p26" id="p26"></a>[p.26]</span> tot zulk een graad kan stijgen, dat het ons juist het aesthetisch
+genieten <i>verhindert</i>.<a name="FNanchor_19_19" id="FNanchor_19_19"></a><a href="#Footnote_19_19" class="fnanchor">[19]</a> Ik vrees dan ook, dat &agrave;ls de niet-Joodsche lezer
+tot het bewustzijn mocht komen van zijn onmacht, deze verzen te
+doorvoelen, dit niet zal veroorzaakt worden door zijn niet-Jood-zijn,
+maar alleen doordat die verzen hem niet hebben <i>verrukt</i>, hem niet
+in die dronkenschap van liefde en bewondering hebben gebracht,
+waarin hij wel <i>moest</i> gelooven, dat hij ze doorvoelde en begreep.
+Want dit konden dan deze verzen niet, doordat zij maar al te zeer
+behooren tot wat ik de lagere lyriek heb genoemd. Ik zal mij natuurlijk
+wel wachten mijn vroeger betoog te herhalen. Slechts verwees ik
+den lezer ernaar, want ongetwijfeld vult dat vroegere aan wat ik thans
+ga zeggen. Toen ik namelijk nu opnieuw nadacht over deze zaken en
+mij afvroeg, of ik dan wellicht toch destijds een redeneeringsfout
+had begaan, toen bood zich mijn inzicht instede van de ontdekking
+van een fout, de mogelijkheid om door een minder abstracte redeneering
+dan de vroegere, de juistheid mijner beweringen van eene
+andere zijde uit te bewijzen. En daarnaar moge ik hier nog trachten.</p>
+
+<p>Ons geheele actieve zieleleven wordt gevormd door een reeks van
+verrichtingen die niet-volledig-begrijpen en niet-volledig-doorvoelen
+moeten worden genoemd. Z&oacute;&oacute; onvolledig, dat het niet-begrepene
+en niet-doorvoelde zich meestal tot het begrepene en doorvoelde
+verhouden als een onmetelijkheid tot een stip. Doch als datgene,
+waarmede onze ziel zich, aldus ten-deele-doorvoelend, bezighoudt,
+haar door de majesteit, schoonheid of heerlijkheid zijner verschijning
+verrukt, dan worden wij in den <i>waan</i> gebracht, dat we 't <i>volledig</i>
+begrijpen: wijl <i>wij ons</i> hebben <i>vol</i>gedronken, meenen we: wij hebben
+dit <i>leeg</i>gedronken. Want wij voelen ons dan z&oacute;&oacute; verzadigd van geluk,
+en z&oacute;&oacute; rijk en z&oacute;&oacute; machtig, dat het begrip, hoe in die heerlijkheid iets
+zou kunnen zijn, dat &ograve;ns wezen niet kan bevatten, niet tot ons doordringt.
+En in deze illusie brengen ons zoowel de groote machten van
+het leven als die der kunst.</p>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p27" id="p27"></a>[p.27]</span> Het leven: als ons met de dronkenschap en de verrukking van haar
+aanwezen de liefde vervult, zoo meenen wij haar diepte en hoogte
+te kennen. Wij denken en spreken van haar in vervoering en als uit
+diepste weten. Zelfs later is de bloote <i>herinnering</i> aan ons machtig
+gevoel nog in staat, ons bijwijlen te doen denken, dat wij haar volledig
+kenden. Indien ten tijde onzer vervoering iemand tot ons zou zeggen:
+"Gij kent de liefde niet, maar slechts een onnoemelijk klein deeltje
+harer onmetelijkheid," wij heetten hem een dwaas, en nochtans&mdash;vraag
+uw rede, wi&egrave; hier de dwaas is.... Dat z&eacute;&eacute;r kleine schelpje van
+onze ziel, door die oceaan op het strand geworpen, van z&oacute;&oacute; weinige
+harer druppelen volgestort, of weer ledig van haar, weggevoerd of in
+haar nabijheid gelaten, houdt het niet op te ruischen van haar.</p>
+
+<p>En de kunst? Vraag uw rede, of wij kleinen, de liefde en den haat,
+het denken en voelen van een Salomo en een Shelley, een Kayyam
+en een Dante kunnen d&oacute;&oacute;r-voelen. Zij zegt u duizendmaal: neen, dat
+kunt gij niet. Niettemin, zoo wij hen lezen, zoo wij ons begeven in
+hun invloedsfeer, dan vervult ons immer weer dezelfde illusie, dezelfde
+dronkenschap, en onze van liefde en verrukking verblinde ziel stamelt:
+O, Heerlijken, ik zou u niet begrijpen, liever sti&egrave;rf ik, hier in
+mijn h&agrave;rt voel ik het, dat ik u niet slechts begrijp, maar dat ik &eacute;&eacute;n
+met U ben, ge hebt mij tot U genomen, ik leef met U en niet zonder
+U, ik kan u nooit meer verlaten....&mdash;En nochtans?...</p>
+
+<p>Als de Miltoniaansche Adam onder de heerlijkheid des Eeuwigen
+in den visioenen-vollen sluimer der verrukt-overweldigden zinkt ...
+wat k&agrave;n hij dan meer hebben gedaan dan <i>zich vol</i>drinken uit die
+<i>oneindige</i> Heerlijkheid?.... O, Dichter, wij staan v&oacute;&oacute;r u, wij Ari&euml;rs,
+wij Semieten, wij alle geslachten der aarde, wij allen zien tot u op,
+wij wachten uw woord verl&agrave;ngende. Maar zie, als ge nu spreken zult
+buiten de heerlijkheid der Grooten en slechts met de taal van een
+diep-gevoelig mensch, zoo zullen slechts de Ari&euml;rs u toejuichen en
+liefhebben, als gij over de gevoelens en voorstellingen der Ari&euml;rs spreekt,
+en de Semieten als gij over dier gevoelens spreekt, en elk ras en elk
+volk slechts wanneer uwe zegging zich aan hun zielesfeer verbindt.
+<span class="pagenum"><a name="p28" id="p28"></a>[p.28]</span> En uw loon zal gering zijn en uw zege onvolledig en die van een sterveling.
+Evenwel, wanneer ge, 'schoon slechts sprekend gelijk ieder
+mensch, ook de grootste, uit uw eigen zeer beperkte sfeer, toch in de
+heerlijkheid en schoonheid der Grooten tot ons zult spreken, d&agrave;n zullen
+wij noch Ari&euml;rs, noch Semieten, maar van liefde vervoerden, van
+verrukking dronkenen zijn; w&igrave;j zullen niet dan verheerlijkte <i>menschen</i>,
+&ugrave;w overwinning onvergankelijk en volledig wezen ... zich
+hernieuwend van eeuw tot eeuw.... Dichter wees gij onze Heer, wij
+zullen uw Adam zijn....&mdash;</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Eindig ik nu en zie ik rond mij in den kring van gevoelens
+en gedachten, die na lezing van dit dichtwerk uit mij ontstonden,
+dan zie ik menig gelaat, vragend mij aanziend: "Laat
+ge mij achter, vergeet gij mij?" En ik antwoord berustend:
+Vergeten zal ik u niet, maar u achterlaten, dat zal wel moeten. Want
+de literaire criticus als zoodanig valt nimmer den gedachten- en gevoelsinhoud
+van den beoordeelde aan, en gij, gedachten die ik achterlaat,
+zijt sociologische en wijsgeerige strijders.&mdash;Maar al waart gij
+geen strijders ... dan nog....&mdash;Zoo zag ik, dat de proletarische toon
+in deze dichtkunst ontbrak en ik vond er de sociologische verklaring
+van, maar wat moet daar de literaire criticus mee aanvangen? Zoo vond
+ik tot mijn leedwezen een&mdash;soms zelfs opgeschroefd!&mdash;chauvinisme
+in dezen bundel, een chauvinisme dat ik den grootsten vijand van
+gez&ograve;nd nationaliteitsgevoel acht&mdash;wat echter heeft de literaire criticus
+daar mee van doen? Neen voorzeker, h&igrave;j niets. Maar &igrave;k&mdash;zeer
+veel! En zoo ik dit alles nu achterlaat, vergeten zal ik het niet maar
+het wellicht te zijner tijd uiting geven.&mdash;Heb ik veel goeds maar
+ook veel kwaads van deze verzen gezegd, het beste bewaarde ik voor
+het laatst: Het zal den dichter tot blijvende eere strekken, dat hij
+de <i>eerste</i> was, die op grootendeels zuivere en innige wijze in <i>kunst</i>
+het <i>verlangen</i> heeft verwerkelijkt, dat in de keur van Holland's Jodendom
+leeft, het verlangen: van Joodsche Nederlanders tot Nederlandsche
+Joden nu reeds, tot Palestinensische later te worden. Dichter,
+<span class="pagenum"><a name="p29" id="p29"></a>[p.29]</span> uw kunst is nu nog slechts de smalle brug over een poel van waan
+en bourgeois-satisfaitschap, waarover een kleine groep van Joodsche
+idealisten naar de eenheid met hun bewogen-levende, hun smartelijk-lijdende
+broeders in andere landen trekt. Moge de Bouwmeester
+haar versterken tot eene, zoo breed en monumentaal, dat eens de
+tienduizenden van het Hollandsch-Joodsche proletariaat er over
+zullen schrijden, blijde en trotsch, de gelederen der Po'al&eacute;-Tsion
+tegemoet.</p>
+
+<p>16 Januari '16.</p>
+
+
+<p class="caption">Noten:</p>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_1" id="Footnote_1_1"></a><a href="#FNanchor_1_1"><span class="label">[1]</span></a> Waarschijnlijk hebben wij toch als zoodanig te beschouwen:
+"Als een granaatappel-snede zijn uwe wangen tusschen uw vlechten." Want
+ware de <i>rimmon</i>, de granaatappel, niet zulk een geliefkoosd
+versieringsmotief in de antieke Joodsche versieringskunst, ware hij niet
+tevens het symbool van iets zeer edels, waarmede men gaarne wat men
+eeren wilde, vergeleek, dan zou de Dichter hier allicht, door het kiezen
+eener andere vrucht, zijne vergelijking treffender hebben gemaakt.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_2" id="Footnote_2_2"></a><a href="#FNanchor_2_2"><span class="label">[2]</span></a> Zijn philosophisch werk, oorspronkelijk in 't Arabisch
+geschreven en onder den titel <i>Mekor Chajim</i> = Bron des Levens,
+fragmentarisch in 't Hebreeuwsch overgezet door Sjemtob ben Jozef Ibn
+Falaquera, was reeds eerder onder den titel <i>Fons vitae</i> door Dominicus
+Gondisalvi met behulp van een gedoopten Jood, Avendeath, vertaald. In
+deze Latijnsche vertaling heeft het <i>grooten opgang in de Christelijke
+wereld gemaakt</i> en zoowel de opmerkzaamheid van Scotisten als Thomisten
+getrokken. Na aanval op en verdediging van zijn stelsel door de
+stichters dier scholen&mdash;Thomas van Aquino had het aangevallen, Duns
+Scotus zich in menig opzicht een aanhanger betoond&mdash;maakten de
+volgelingen het tot onderwerp hunner disputen. Het aardige echter van
+het geval is, dat men absoluut niet meer wist, dat zijn auteur een Jood
+was. Bij de overzetting was de naam Ibn Gabirol of G'ebrol eerst
+verbasterd tot Avencebrol, later tot Avicebron en dezen fantastischen
+Avicebron hield men voor den een of anderen vromen monnik! Pas in 1846
+werd door den grooten Munk te Parijs de identiteit van Gabirol met
+Avicebron onbetwistbaar vastgesteld.</p></div>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_3" id="Footnote_3_3"></a><a href="#FNanchor_3_3"><span class="label">[3]</span></a> En toch ook in zijn productie als zoodanig voelt men een
+enkel maal iets panthe&iuml;stisch. Zoo in dit kwatrijn&mdash;in de vertaling van
+Geiger&mdash;:
+</p>
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Du staunst, dass ich zu Weisheitsh&ouml;hen k&uuml;hn</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Den Weg besteige, ebnend mir den Pfad?</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Der selbe Geist, der meinen Leib bewegt,</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Ist ein das&nbsp; All umkreisend Weltenrad</i>.</span><br />
+</p>
+<p>
+Ik vestig eens voor al de aandacht der lezers er op, dat ik in deze
+studie <i>nimmer</i> uit Hebreeuwsch-Joodsche dichters citeer met het doel:
+<i>schoonheid</i> te toonen. Dat is ook mijns inziens vrijwel onmogelijk in
+Geiger's vertaling, die niet alleen bijna immer volmaakt rhythme- en
+geluid-d&oacute;&oacute;d, maar bovendien, naar zijn eigen verklaring trouwens, vaak
+een zich naar den modernen lezer voegende <i>omwerking</i> is. Zelf aan een
+vertaling van dit of dat Hebreeuwsche gedicht van Gabirol mijne krachten
+te beproeven, daartoe ontbreekt mij nu den tijd, dien <i>ik</i> daarvoor
+noodig zou hebben, te meer waar de tekst van zijn <i>profane</i> verzen zeer
+corrupt is, en niet gebundeld, maar in allerlei ori&euml;ntalistische
+tijdschriften verspreid.&mdash;Nochtans heeft Geiger ook een enkel keer wel
+eens gevoelig vertaald, z&oacute;&oacute; dit van Samuel Nagdilah, dat&mdash;zie overigens
+volgende noot&mdash;indien men aan de gevaren en verzoekingen van 's mans
+schitterende maar benijde positie denkt: een traditioneel-Joodsch vizier
+onder een Mohammedaansch vorst, z&eacute;&eacute;r aandoenlijk is:
+</p>
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Ueber der Zeiten Kr&uuml;mmung</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ewigem Leben zu reit' ich</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Und zu dem Paradiese</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ueber die H&ouml;lle schreit' ich....</span><br />
+</p>
+</div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_4" id="Footnote_4_4"></a><a href="#FNanchor_4_4"><span class="label">[4]</span></a> Men oordeele: dit kwatrijn,&mdash;en het gaat nog wel op den
+dichter Samuel Nagdilah, den machtigen vizier, die zijn beschermer en
+vriend was, maar met wien hij later in onmin leefde&mdash;:
+</p>
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Mir war so kalt, mich hat</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ein solcher Frost durchschnitten,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Als h&ouml;rte ich ein Lied</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Von Samuel den Leviten.</span><br />
+</p>
+<p>
+Of een ander maal&mdash;erger nog: critiek op een <i>Bijbelsch</i> dichter!&mdash;; uit
+een grooter gedicht:
+</p>
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Von Salomo dem Weisen war</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Zu Zeiten wohl der Geist gewichen,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Da hat er einer L&auml;mmerheerde</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Der Z&auml;hne Perlenreih' verglichen.</span><br />
+</p>
+<p>
+En ten slotte dit zelf-getuigenis:
+</p>
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Was soll mir's, dem klangreichen Dichter,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Zu singen vor solchem Gelichter?</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ist besser, dass ich sie zu Brei hack'</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Denn meine Zung' ist mein Dreizack.</span><br />
+</p>
+</div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_5_5" id="Footnote_5_5"></a><a href="#FNanchor_5_5"><span class="label">[5]</span></a> Deze Jehoeda ha-Levi is dezelfde, die door Heine
+zonderlingerwijze Jehuda <i>ben</i> Halevi wordt genoemd, en wien hij in
+zijne Hebr&auml;ische Melodien, o.m. "Eine wunderbare, grosse Feuers&auml;ule des
+Gesanges" noemt. Ziehier twee voorbeelden van zijn echt-Oostersche
+beeldvorming:
+</p>
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Die Sonne sinkt, die Nacht erhebt sich</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Der Mond erscheint mit goldnem Rand,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Die Stern' im Meer gleich, irren Wandrern</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Die unst&auml;t zich'n in fernem Land</i>.</span><br />
+</p>
+<p>
+Voeldet ge ook niet het bannelingssentiment van den <i>Jood</i> in deze
+laatste regels?&mdash;En dit, geschreven na op zijn tragischen pelgrimstocht
+naar Palestina, van waar hij nimmer terugkeerde, Tyrus te hebben
+bezocht:
+</p>
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Heil Tyrus! Deinen Weisen Heil! Sie haben</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">In's Herz mir ihre Namen eingegraben</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Und sich zum Meer ein zweites noch erkieset:</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Mein Auge,das von Thr&auml;nen uberfliesset</i>.</span><br />
+</p>
+<p>
+Overigens: hoezeer 't ook geheel eens met hen, die hem als <i>Hebreeuwsch
+stylist</i> op &eacute;&eacute;n lijn met de groote bijbelsche dichters stellen, geloof
+ik, dat hij als <i>dichter</i> onder die Grooten blijft. Hij heeft niet immer
+de enorme hartstocht, het werelddragende gebaar van een Jesja'ja. Eerder
+nog, dunkt mij, is hem het zoet-idyllische van het <i>Hooglied</i> eigen, aan
+welks geluid het zijne ook verwant is. Hij is ook soms&mdash;ik spreek nu
+alleen van zijn profane verzen&mdash;wat klein-speelsch....&mdash;Daarbij komt:
+ten eerste, dat hij in een doode taal dichtte; ten tweede, dat hij in
+een vreemde maatschappij leefde, wier anti- of on-Joodsche richting niet
+kan hebben nagelaten, een nadeeligen invloed op zijn
+Joodsch-dichterschap te oefenen.
+</p>
+<p>
+Ook een opvallende uiterlijkheid wijst dien invloed aan. Het liefdeleven
+van de hem omringende Arabische samenleving was sterk homosexueel
+getint, de geringschatting voor de vrouw algemeen, 't geen tot gevolg
+had, dat ook een dichter die een liefdesvers tot een vrouw richtte, den
+schijn aannam, tot een man te spreken. Welnu, Jehoeda ha-Levi wien,
+zonder eenige twijfel alle homosexueele neigingen volkomen vreemd waren,
+en die overigens als streng-traditioneel Jood ze ook als helsche zonde
+verfoeide, heeft meer dan eens die Arabische dichterlijke mode gevolgd.
+("Il faut remarquer" zegt Luzzatto, geciteerd bij Geiger, "que la
+p&eacute;d&eacute;rastie &eacute;tait en honneur chez les Arabes (comme chez les Grecs), et
+que les po&egrave;tes juifs parlent de leurs amis comme si c'&eacute;taient des
+amants").
+</p>
+<p>
+Een dergelijk gedichtje van zijn hand, door mij uit het Hebreeuwsch
+vertaald, waarbij <i>ik alle de geliefde als man travesteerende taalvormen
+weer in vrouwelijke omzette</i>, moge ten voorbeeld hier volgen:
+</p>
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Zij, tot wier losprijs ik mij Gode wijdde,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Heeft dezen nacht bij harp en zang doorwaakt,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">En daar ik dorstig bij den roemer beidde,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Aldus, zoet manende, mijn lust gelaakt:</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">"Drink, Dichter, wijn ten beker mijner lippen</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">V&oacute;&oacute;r Dageraad den zwarten vool laat glippen,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Waarop goudverwig 't maangebloemte blaakt."</span><br />
+</p>
+</div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_6_6" id="Footnote_6_6"></a><a href="#FNanchor_6_6"><span class="label">[6]</span></a> Men zie mijn derden "Brief over Literatuur" in <i>Over
+Literatuur</i>, eerste bundel, en vooral het daarin geciteerde: <i>La Poesie
+lyrique H&eacute;braique Contemporaine</i> van Dr. Slousch, benevens mijn studie
+over <i>Die Lieder des Ghetto</i>, in mijn <i>Opstellen</i>.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_7_7" id="Footnote_7_7"></a><a href="#FNanchor_7_7"><span class="label">[7]</span></a> Hoezeer deze kenmerken en niet minder de "omwegen der
+voorstelling", welke laatste de heer Scharten meer een specifiek
+Oostersche eigenaardigheid in Tagore scheen te achten, inderdaad ook bij
+den <i>grooten Westerling</i> aanwezig zijn, daarvan kan zich elk lezer van
+bijv. <i>La Vita Nuova</i>&mdash;ook, uitgezonderd natuurlijk wat betreft het
+oorspronkelijk geluid, in van Suchtelen's voortreffelijke
+vertaling&mdash;overtuigen.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_8_8" id="Footnote_8_8"></a><a href="#FNanchor_8_8"><span class="label">[8]</span></a> A Defence of Poetry. Part I.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_9_9" id="Footnote_9_9"></a><a href="#FNanchor_9_9"><span class="label">[9]</span></a> Hetgeen ook van v. Collem dient te worden gezegd. Tot mijn
+leedwezen bemerkte ik destijds, &egrave;ven te laat, hem niet als vijfde te
+hebben genoemd, schoon ik reeds zeer vroeg in <i>Het Jonge Leven</i> de
+aandacht op hem had gevestigd en ook in mijn eersten bundel <i>Over
+Literatuur</i>, zijn <i>oorspronkelijkheid</i> roemend, van zijn
+"wrang-<i>joodsche</i> schertsdichtjes" spreek. Sinds dien is zijn joodsche
+geaardheid nog veel gterker en schooner aan den dag getreden. <i>Noot van
+Juli '19.</i>
+</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_10_10" id="Footnote_10_10"></a><a href="#FNanchor_10_10"><span class="label">[10]</span></a> Ook van Eeden's telkenmale hervinden van zijn ongerepte
+jeugdkrachten,&mdash;welk een prachtig blijk daarvan was weer <i>Sirius en
+Siderius</i>, die fel- en realistisch-levende vertastbaring van een
+allerteersten en hoogen droom&mdash;berust m.i. op de omstandigheid, dat hij
+zulk een <i>sociaal</i>-voelend kunstenaar en, meer dan dat, een
+<i>geboren</i>-"eenheidsstrever" is.&mdash;</p></div>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_11_11" id="Footnote_11_11"></a><a href="#FNanchor_11_11"><span class="label">[11]</span></a> Juni 1912.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_12_12" id="Footnote_12_12"></a><a href="#FNanchor_12_12"><span class="label">[12]</span></a> Cursiveeringen van mij.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_13_13" id="Footnote_13_13"></a><a href="#FNanchor_13_13"><span class="label">[13]</span></a> ibid.</p></div>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_14_14" id="Footnote_14_14"></a><a href="#FNanchor_14_14"><span class="label">[14]</span></a> Het is merkwaardig hier te zien, hoe de <i>stemmingen</i> van
+het verleden in het geheugen van onzen dichter zuiver bewaard bleven,
+maar het <i>feitelijke</i> zich vertroebelde: niet op <i>Vreugde der Wet</i> wordt
+bij het gebed de palmtak gebruikt maar op het <i>Loofhuttenfeest</i>.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_15_15" id="Footnote_15_15"></a><a href="#FNanchor_15_15"><span class="label">[15]</span></a> Men begrijpe wel, dat met "zonde", in dit gedicht niet
+voornamelijk bedoeld wordt datgene wat de Schrift-alleen als zoodanig
+beschouwt, bijv. het werken op Sabbath, het eten van varkensvleesch,
+e.d., maar ook zulke, die ook buiten de Schrift, door de "algemeen
+geldende moraal" zonde wordt geacht.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_16_16" id="Footnote_16_16"></a><a href="#FNanchor_16_16"><span class="label">[16]</span></a> De dichter zegt:
+</p>
+<p>
+<span style="margin-left: 2.5em;">... "de duistere Ketef dwarrelt</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">In 't schoonste zomeruur, <i>een ossenhoren</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Is zijn gestalte</i>, die sidderend scharrelt.</span><br />
+</p>
+<p>
+Deze scharrelende ossenhoren, zonder kop, romp en beenen kwam mij
+onmiddellijk zeer onwaarschijnlijk voor&mdash;al moet men in dit opzicht,
+waar 't demonen betreft, niet al te twijfelziek zijn! En toen ben ik
+eens in de <i>Midrasjim</i> gaan snuffelen en zoo vond ik in <i>Bamidbar
+Rabba</i>, 12, een vrij uitvoerige schildering van dezen demon, waaruit ik
+het volgende zinnetje vertaal: "Zijn hoofd gelijkt dat van een kalf en
+een horen gaat uit het midden van zijn voorhoofd op ... en hij wentelt
+zich als een vat over den grond." Men ziet het: de dichterlijke
+guillotine heeft radicaal gewerkt! Nog een andere schoolmeesterlijke
+opmerking: Zou de dichter bij een herdruk niet liever als grondslag voor
+zijn transcriptie van Hebreeuwsche woorden in Latijnsche letters de
+sefardische uitspraak adopteeren, zooals die ook door de niet-Joodsche
+Hebra&iuml;ci wordt gebruikt? En de <i>Ajin</i> waarvan toch niemand meer de
+juiste uitspraak kent, inplaats van door <i>ng</i>, door een ' willen
+aanduiden? Hoeveel welluidender is Ja'akob Jisraeel, met die fijne
+Spaansch-Joodsche e aan het eind, dan Ja<i>ng</i>akauf Jisroijl.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_17_17" id="Footnote_17_17"></a><a href="#FNanchor_17_17"><span class="label">[17]</span></a> Ook Is. Querido in een <i>Letterkundige Kroniek</i>, Algem.
+Handelsbl. van 16 Dec. '15.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_18_18" id="Footnote_18_18"></a><a href="#FNanchor_18_18"><span class="label">[18]</span></a> <i>De Gids</i>, 1913, IV, blz. 476&mdash;77. En <i>Over Literatuur</i>,
+eerste bundel, blz. 104&mdash;106.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_19_19" id="Footnote_19_19"></a><a href="#FNanchor_19_19"><span class="label">[19]</span></a> <i>De Gids</i>, 1913, IV, blz. 486. En <i>Over Literatuur</i>,
+eerste bundel, blz. 115&mdash;116.</p></div>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<p class="pagenum"><a name="p30" id="p30"></a>[p.30]</p>
+<h3>MAURITS SABBE: DE NOOD DER BARISEELE'S</h3>
+
+<p>
+Na dat niet minder kluchtige dan lieflijke, van vogelgefluit,
+bloemenkleuren en goeielijk-hartig lachen doorvonkte en doorschalde
+werkje <i>De Filosoof van 't Sashuis</i>, dat boekje met precies het tikje
+bew&ugrave;st z&oacute;&oacute; <i>gearrangeerd</i> zijn; met juist dat w&egrave;inigje als houterige
+abruptheid in het bewegen der oolijke figuren, dat ook aan de lustige
+Jan Klaassen's der Poesjenelle-kelders herinnert; en ook dat fijn-geurige
+snuifje van, ik zou zeggen: <i>archa&iuml;sche</i>, na&iuml;veteit, als genoeg was, om
+mij hevig en in een uiterst verheugende openbaring, de <i>verwantschap</i>
+van dezen auteur met de groote Spanjaarden&mdash;vooral <i>Hurtado de Mendoza</i>,
+den be&iuml;nvloeder van <i>Breder&ocirc;o</i>!&mdash;te doen voelen; na dit werkje, dat je
+lekkertjes glunderen om eigen welgedaanheid ziet, terwijl je voelt 't
+dit al even weinig kwalijk te kunnen nemen als aan zekere, uiterst
+sympathieke, door geestelijke en lijflijke gezondheid altijd opgeruimde
+menschen, gaf Sabbe <i>Een Mei van Vroomheid.</i> En dit beteekende al
+dadelijk een enormen vooruitgang, want was er in het eerste boek veel
+amusant gekakel en gedoe&mdash;om met ons beeld in de landelijk-steedsche
+sfeer der beide werken te blijven&mdash;van kleurige kippetjes te hooren en
+te zien, met daarnaast, h&oacute;&oacute;ger, op 'n boomstam, die oolijke spotlijster
+van 'n Sasmeester en dat zoete duifje van 'n Mietje, ook in het tweede
+ontbraken in <i>Bazinne Lowijcks</i> en <i>oude Free</i>, het z&eacute;&eacute;r vraatzuchtige
+haantje en hennetje niet, m&aacute;&aacute;r: te &agrave;vond&mdash;en welk een plechtig-droeve
+avond was dat, na z&oacute;&oacute; korten dag van jeugd!&mdash;zongen daar die van God
+gez&eacute;gende nachtegalen, <i>jonge Free</i> en lieflijke <i>Bethye</i>, hun mystieke
+lied, <span class="pagenum"><a name="p31" id="p31"></a>[p.31]</span> waarlijk "fulpen tonen als uit edel metaal geblazen",
+zoodat dit werkje niet alleen voortreffelijk was door de prachtige
+uitbeelding van twee zoo verschillende levenshoudingen als de
+ego&iuml;stisch-materialistische en de altru&iuml;stisch-mystieke zijn, maar
+vooral, omdat het ons de rijke harmonische wijsheid van des schrijvers
+ziel deed voelen, welke immers deze beide hevige contrasten z&oacute;&oacute; kon
+beelden, dat zij, in een en 't zelfde werk, dicht naast elkander, zonder
+schade voor elkander konden bestaan.&mdash;En nu komt Sabbe met een derde
+boek en het is zoowaar alweer een genot, den vooruitgang in zijn wezen
+en kunnen te zien! Want niet slechts, dat het zich hierin van de vorige
+onderscheidt, dat het g&eacute;&eacute;n als spr&ograve;kige werkelijkheid, geen romantiek
+is&mdash;immers <i>deugdelijke</i> romantiek moet m.i. <i>objectieve</i> beelding van
+werkelijk bestaanbare <i>uitzonderingsfiguren</i> zijn&mdash;doch zich op een veel
+meer algem&eacute;&eacute;n re&euml;el plan beweegt; het verhaalt ook niet, als gene, een
+episode slechts uit een leven, maar geeft het geh&eacute;&eacute;le leven, van
+nagenoeg twee geslachten zelfs! Dat dit laatste een vooruitgang is, dat
+hiervoor een grooter visionnair en episch zoowel als compositorisch
+vermogen worden vereischt, zal wel geen betoog behoeven. En hoezeer is
+deze schepping geslaagd, welk een &ograve;ndoorbroken stroom van diepe
+menschelijkheid vloeit door dit boek! Daar is allereerst het roerende
+drama van de vrouw, die geheel zachtmoedigheid, liefde en dulding, na
+een slovige jeugd en een leven naast 'n man die haar wel waardeert en
+wel van haar houdt, maar niets van zijn zieleleven uiten kan, juist ten
+tijde, dat zij de groote, de &eacute;&eacute;nige vreugde van haar bestaan, het geluk
+van haar moeder- en opvoedsterschap zal gaan genieten, sterft, met
+kommer en zorg in het hart, om haar beide kleine zoontjes, het
+achterlijk jongste vooral, voor wien zij voelt nog onmisbaar te zijn.
+Daar is dan, ten tweede, de tragedie van dat achterlijk kind, gehaat
+door een feeksige tante, verwaarloosd en getyranniseerd door een stuggen
+vader en een ouderen, koud- en ego&iuml;stisch-intelligenten broer, in wien
+de vader al zijn hoop en genegenheid heeft geplant, voor wien hij zijn
+jongste opoffert; daar is dan ook de wanhoop van den vader-zelf, als hij
+inziet, hoe harteloos en baatzuchtig <span class="pagenum"><a name="p32" id="p32"></a>[p.32]</span> hij zijn oudsten zoon, bij
+wien hij tevergeefs om wat liefde bedelt, heeft gemaakt, hoe
+verwaarloosd en geestelijk-vernietigd hij den ander heeft. D&agrave;n wendt hij
+zich tot dien. Te laat! De sukkel staart hem onnoozel-lachend aan. En de
+ongelukkige oude man heeft nu maar &eacute;&eacute;n verlangen, naar zijn vrouw in den
+hemel, en een avond komt zij hem uit de bleek-zilveren wolkenpoort van
+de stille maan tegemoet, en hij stapt te water en volgt haar.... Dit
+alles in het eerste deel. Het tweede behandelt het verder leven, tot hun
+dood, der beide zoons, die vrijgezel blijven.... Maar komaan! al wil ik
+u nu nog wijzen op dat kostelijke tooneel in de herberg, als de
+tyrannieke oudste broer, de dorre notarisklerk, voor 't eerst in z'n
+vijf en veertig jarig leven, uit minnekoozen is gegaan, ook omdat ik
+hier weer de boven geschetste verwantschap voel, en op dat mooie
+figuurtje van Quickelborn&eacute;e'tje, dat aan de neiging naar het sprokige
+van onzen auteur zoo weldoend komt herinneren; al wil ik u zeggen, dat
+ook het tikje houterige abruptheid, vooral in het begin van het eerste
+deel niet ontbreekt en evenmin de "archa&iuml;sche" na&iuml;veteit, zooals
+bijvoorbeeld, wanneer de schrijver ons nog eens meent te moeten
+inlichten omtrent de bedoelingen van de feeksige tante, die wij toch ook
+daarzonder, dank zij de uitnemende beelding, door en door kennen&mdash;van de
+waarlijk bijna ontelbare glansmomenten in dit boek zal ik, uitgezonderd
+&eacute;&eacute;n, niet meer spreken. Want is het m.i. een voornaam deel van de taak
+der critiek, tot het lezen van een boek aan te sporen of daarvan terug
+te houden, ik meende in dit geval het eerste beter te kunnen doen door
+des schrijvers geh&eacute;&eacute;le figuur even te schetsen dan door van dit zijn
+jongste, tweedeelig werk, een analyse te beproeven, die, mij althans, in
+zoo kort bestek niet mogelijk ware geweest. Maar dat &eacute;&eacute;ne glans-moment,
+wijl het een der diepste levenswaarheden symboliseert, wil ik ni&egrave;t
+verzwijgen: De half-onnoozele zoon kende een oud sprookje, het verhaalde
+van een dood moederken, dat wederkeert als de linden bloeien. Hem, wien,
+toen hij nog een kindje was, dit z&oacute;&oacute; heilige waarheid scheen, dat hij,
+kort na zijn moeders dood haar sloffen buitenzette, opdat zij die zou
+kunnen aantrekken, als zij daarstraks wederkwam&mdash;een <span class="pagenum"><a name="p33" id="p33"></a>[p.33]</span>
+aanbiddelijk-schoon trekje, niet waar?&mdash;hem, die zijn moeder altijd
+bleef liefhebben, blijft ook dat sprookje altijd bij, en als nu zijn
+ouderdom gelukkig wordt gemaakt door het petekind van zijn broer, dat
+hij 't eerst bij het bloeien der linden ziet, dan is 't hem, den
+onbewusten kinderlijk-dichterlijke, of zijn moederken uit den dood is
+opgestaan, dan voelt hij, dat h&aacute;&aacute;r liefde en h&aacute;&aacute;r zachtheid hem in dat
+kindje zijn weergekeerd.... Ik geloof lezer, dat de onnoozele gelijk
+had! Ik geloof, dat niets wat groot of goed of liefelijk was verloren
+gaat, maar immer en immer in 't leven wederkeert ... En ik geloof, n&eacute;&eacute;n,
+ik zi&egrave;, lezer, dat ook in Vlaanderenland die wondere linden weer hebben
+gebloeid; dat de Moeder, die de blijmoedigheid was, de Moeder, die de
+lieftallige eenvoud, het hart, de ziel en de liefde was; die oude
+Literatuur die onze harten kende, ons minnelijk berispte en schalk
+belachte en gelukkig maakte als nauwelijks &eacute;&eacute;n ander, herrezen is ...
+Wees wijs als di&eacute; onnoozele en open de deuren van uw huis en uw gemoed,
+om Haar in wijding en hooge vreugde te ontvangen.
+</p>
+<p>
+Nov. 1912.
+</p>
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p class="pagenum"><a name="p34" id="p34"></a>[p.34]</p>
+<h3>R. VAN GENDEREN STORT: IDEALEN EN IRONIE&Euml;N</h3>
+
+<p>
+&mdash;Ziedaar, dacht ik na lezing van <i>Een Roman</i>, het tweede stukje van
+dezen bundel, daar heb je nou het echte type van den beginneling-artist,
+den man, die zijn <i>Werkplannen</i>, zijn "notities" betreffende een
+gevalletje, gefantaseerd of hem ter oore gekomen, goedig en wel en
+geheel argeloos, als geacheveerd, &agrave;f-geb&eacute;&eacute;ld werk laat drukken. Geheel
+argeloos, zeker, want wie anders dan zulk een allerliefst-onschuldige
+zou met het lapje lokkerig vleesch van dezen titel in de hand de
+buldoggen der critiek, die hem anders, een weinig grommend wellicht,
+zouden zijn voorbijgeloopen, als tot den aanval n&oacute;&oacute;digen?! <i>Idealen En
+... Ironie&euml;n</i>!... Als dit geen argeloosheid is, is 't dan bravoure?...
+Maar neen toch, zelfs de groote Griek was met &eacute;&eacute;n Achilleshiel tevreden
+en de heer Van Genderen zou zich, wellicht ten believe der nieuwste
+chirurgische mode, <i>eenige</i> hebben laten aanenten?! ... Trouwens, die
+argeloosheid past zoo w&egrave;l bij dat artistiek-dilettantische van vl&agrave;k
+naast het levensechte, in de levensn&agrave;maak te buitelen, gelijk den
+schrijver in dat stukje <i>Een Roman</i> gebeurd is....&mdash;Toen ik dit alles
+afgefilosofeerd en bij het lezen van <i>Het Bedrog</i> gemeesmuild had: "U
+maakt 't u makkelijk, m'n waarde Heer, met uw bedrogen echtgenoot te
+laten wegloopen"; <i>Zomer</i> een fraai fantasietje had bevonden (alleen dat
+van die "<i>panische communie, waarin zij het teloorgaan in den oerschoot
+des levens mystisch beleefden" ...</i> wel te weten: dit alles gezeid van
+een griekschigen heer en dame die 'n bain mixte nemen ... hoor 'ns even,
+dat kunnen ze in die kunstenaars-<span class="pagenum"><a name="p35" id="p35"></a>[p.35]</span> en high-life-kringen een
+panische communie enz. noemen, maar ik ben maar een burgerman ...) toen
+ik dit alles dus had afgedaan, zeg ik, geraakte ik tot <i>Het Vest</i>.... En
+nu wou ik er wel een lief ding voor geven, als ik den lezer overtuigen
+kon, dat 't me niet om 't maken van 'n flauwe scherts te doen is, neen,
+werkelijk, ik h&egrave;b 't me zi&egrave;n doen: ik heb <i>Het</i>&mdash;z&eacute;&eacute;r dandylike&mdash;<i>Vest</i>
+opengemaakt, b&egrave;rgen vrij onnutte literaturige bagage uit binnen- en
+buitenborstzak gehaald en&mdash;en d&aacute;&aacute;rop wil ik nu maar neerkomen:&mdash;wat
+denkt ge wie z'n breedgewelfde borst d'r onder zat?... "Nu van Van
+Genderen Stort natuurlijk," zegt ge schouderophalend.... Mis!... van
+<i>Falkland</i>!&mdash;Gelijk ook in <i>De Tanden</i>&mdash;zeer gaaf en fraai&mdash;mijn
+anthropologische blik een duidelijke verwantschap ontdekte met het gebit
+van den <i>Homo Handelsbladensis</i>, al is dit scherper....
+</p>
+<p>
+Maar, eindelijk! las ik <i>Tobias Peppel</i>.... En nu, w&egrave;g van hier, narrige
+criticus met je bittere spotternijen! Hier is iets te bewonderen, hier
+iets lief te hebben! Die slungel van 'n <i>Peppel</i> is z&oacute;&oacute; prachtig
+neergezet, in zijn weerzinwekkende lamlendigheid, ten voeten uit....
+Hi&egrave;rin breekt van Genderen's revolutionair gevoel, waarzonder geen
+waarachtig kunstenaar wordt geboren, zijn opstandsgevoel tegen het
+gehate onechte zoo machtig uit.... Och, ik erken het, ik was er soms
+niet ver van af, dezen schrijver voor een dier trieste heeren te houden,
+in schrikwekkend aantal onder de jongeren te voorschijn tredend, die
+zonder noemenswaardig talent, van hun literaire "gedistingeerdheid," hun
+"kalme nuchterheid" en kurk-droog gezond-verstand hun schrijversleven
+moeten rekken; een dier essayisten&mdash;over het leven of over boeken, doet
+er niet toe&mdash;die teemen, teemen, t&eacute;&eacute;men, onmachtig tot &eacute;&eacute;n blijde
+opzwaai van levensvolheid, tot &eacute;&eacute;n moment van dat fonkelend
+zich-zelf-genieten van den geest, dat scheppen is. M&aacute;&aacute;r <i>Tobias Peppel</i>
+v&oacute;&oacute;ral heeft mij gel&ugrave;kkig mijn dwaling doen inzien. De heer Van Genderen
+ontdoe zich van dien jammerlijken verfijningsschijn. Hij late dien aan
+<i>the mob of gentlemen who write</i>, de verdroogde Physalis-kelken der
+literatuur, die met de herfstige blos hunner dorheid in porceleinen
+vaasjes zonder aarde of water kunnen prijken, <span class="pagenum"><a name="p36" id="p36"></a>[p.36]</span> &ograve;mdat zij dood zijn
+en toch zoo knapjes kunnen schudden en rammelend-geluiden alsof er leven
+in hun doode bollen zit. Hij getrooste zich de "viesheid" en zwartheid
+der vochte aarde, die al het levende voedt.&mdash;<i>Van de ijdele gedachte
+tot het stralende beeld</i>, zei eens Verwey, en ziedaar de oorlogskreet
+tegen de veldwinnende neiging dier onmachtigen, om de&mdash;vaak
+gecopi&euml;erde!&mdash;naakte "gedachte" ten troon te heffen!
+</p>
+<p>
+Een <i>kunstenaar</i>, en d&ugrave;s ook de heer Van Genderen Stort, moet <i>beelden</i>.
+</p>
+<p>
+Nov. 1912.
+</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p class="pagenum"><a name="p37" id="p37"></a>[p.37]</p>
+<h3>JOANNES REDDINGIUS: EEN ROMANTISCHE JONGEN</h3>
+
+<p>
+Het boek opent met de mededeeling, dat Jans, de keukenmeid van
+"Karelshoeve", Herman, het romantische jongetje, "met een zoet lijntje
+had meegekregen." Nadat hierover in 'n veertiental regels is uitgeweid,
+wordt ons ten slotte nog in een vijftiende nadrukkelijk bericht, dat
+"Herman en Jans kwamen geloopen van Karelshoeve." Ik vatte dat alles
+natuurlijk op als een uitnoodiging om met hen mee te wandelen en te
+luisteren naar hun gesprek. Maar ai mij! des heeren Reddingius'
+bedoeling was dat klaarblijkelijk <i>niet</i> geweest. Met een zeer onzachten
+ruk wendt hij mij om: "'t Buiten dat zij achter zich gelaten hadden, lag
+in een grooten tuin." Volgt: een beschrijving&mdash;zes bladzijden lang&mdash;der
+ligging van het buiten en van het leven der menschen in het buiten. Deze
+manier van doen nu des heeren R. stemde mij zeer onaangenaam en vond
+ik&mdash;eerlijk gezegd&mdash;buitengewoon onhoffelijk: eerst met Herman en Jans
+den weg opgestuurd te worden en daarna, zonder een schijn van reden,
+weer onmiddellijk ruw-weg naar het "achtergelaten" buiten te worden
+teruggesleept, wel, het was eigenlijk meer dan mijn eigenliefde kon
+verdragen!... Toch, ik ben niet rancuneus en was het heele voorval al
+weer vergeten, toen ik even later hoorde, dat Herman's moeder hem
+verteld had van een kopje met fijne, roode bloemetjes, dat 'n oom
+gekregen had van een man, "die, <i>een langen staart dragend</i>, een
+Chineesch onderkoning geweest was." Kijk, dacht ik verheugd, dat is een
+fijn trekje: de schrijver heeft zich hier heel sterk ingeleefd in het
+kinderlijk denkvoelen, <span class="pagenum"><a name="p38" id="p38"></a>[p.38]</span> want, niet waar, voor de kinderlijke
+fantasie is die <i>lange staart</i> het treffendste en verwonderlijkste....
+Maar o wee, nauwelijks voelde ik mij gelukkig, z&oacute;&oacute;, door de oogen van
+een kind het leven te mogen bekijken, of, zonder eenigen overgang, en
+dus nog altijd meenend dat ik het <i>kinderlijk</i> indrukken-verwerken
+meeleef, verneem ik, dat Grootmoeder tobde over haar zoon, die
+"eereschulden moest afdoen"; dat hij haar dikwijls dreigde, dat hij "een
+kogel door zijn kop zou jagen"; dat hij dan door haar geholpen werd "met
+zoo en zooveel mille".... Wat drommel! zeg ik nu ge&euml;rgerd, wat is dat nu
+weer ... o, geen wonder! daar heb je&mdash;z&oacute;&oacute; zie je me wel, z&oacute;&oacute; zie je me
+niet&mdash;waarachtig meneer Reddingius weer, die me daar pas al van Herman
+en Jans heeft weggesleurd en me nu dat weer lapt ... en dat alles zonder
+eenige waarschuwing, zonder eenige geldige reden....
+</p>
+<p>
+Ik zou natuurlijk niet zoo hebben uitgeweid over die eerste bladzijden,
+indien zij niet een&mdash;helaas zelfs zwak!&mdash;beeld gaven van het rommel- en
+rammelslag-achtige, het pueriel bij elkaar gesleepte, 't zenuwachtig
+van-de-hak-op-de-tak-springerige van het heele boek. De schrijver lijkt
+op 'n zeer nerveus huismoedertje, dat met de kinders op zomervacantie
+trekt. Heeremetijd, weken van te voren, liep 'r hoofd 'r al om. En nou
+de verhuiswagen al twee grachten ver is, ziet ze dat dit vergeten is en
+dat, en worden Pietje en Mietje hem achterop gestuurd, om 'm terug te
+halen en holt zij trap op trap af, gang in, gang uit. En er wordt weer
+opgeladen en afgeladen en vastgeknoopt en losgesjord en dit wordt
+gebroken en dat wordt gebuild en de voerman vloekt en de voerman foetert
+en de straatjongens komen er bij te pas en er is 'n leven als 'n
+&oacute;&oacute;rdeel, dat je h&oacute;&oacute;ren en zi&egrave;n verg&aacute;&aacute;t.&mdash;Want ook: dit boek is als een
+verhuiswagen, de heer R. verhuist ook zijn meest onbeteekenende
+bezittinkjes naar den buiten der publieke aandacht; de heer R. dr&aacute;&aacute;ft
+heen en weer&mdash;'t is werkelijk een <i>pijnlijk</i> gezicht hem zich zoo in 't
+zweet te zien werken&mdash;en hij laadt op, al maar meer en nooit genoeg, en
+'n paar van de aardige dingskes, die in de verhuisboel zijn&mdash;<i>veel</i> zijn
+er <i>niet</i>&mdash;vallen in gruis en de andere, och die kunnen we toch niet
+rustig bekijken, want we houen <span class="pagenum"><a name="p39" id="p39"></a>[p.39]</span> ons hart vast om al de ongelukken,
+die we zien aandreigen, en krijgen hoofdpijn van de herrie; trouwens:
+een verhuiswagen is toch geen salon of museum, niet waar?
+</p>
+<p>
+De heer Reddingius heeft helaas gemeend, <i>alles</i> te moeten geven wat en
+zooals zijn herinnering of observatie&mdash;nuchterder dan hij zelf
+meent!&mdash;hem hot en haar opdrong. Ach, hadde de <i>Verbeelding</i> zich
+tusschen hem en zijn onderwerp tot een tijdelijke verduistering der
+werkelijkheid bewogen. Een verduistering?!... Ja zeker, want immers, ik
+bedoel zulk eene, die der werkelijkheid teederst en meest verborgen
+licht, in w&aacute;&aacute;rheid haar <i>corona</i>, zichtbaar worden laat....
+</p>
+<p>
+Want is het ook niet z&oacute;&oacute; met deze dingen gesteld, dat slechts <i>nadat</i> de
+werkelijkheid &egrave;n was verduisterd &egrave;n stralend werd herboren, de ziel
+zingt, om dat <i>hersteld</i> bezit, als een vogel om den verloren gewaanden
+en z&oacute;&oacute; zonnig herrezen dag?...
+</p>
+<p>
+Febr. 1913.
+</p>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<p class="pagenum"><a name="p40" id="p40"></a>[p.40]</p>
+<h4>JOANNES REDDINGIUS: ZONNEWENDE</h4>
+
+<p>
+Zoo fellen weerzin, als ik tegen 's heeren Reddingius' proza voelde en
+voel&mdash;ik kan nog vaak met genoegen aan mijn wreed-harde <i>Gids</i>-critiek op
+zijn <i>Een Romantische Jongen</i> denken&mdash;zoo hartig bewonder ik zijn
+verzen. Hij is wellicht de zoetstemmigste en meest &ograve;ntcultuurde, in
+kinderlijk-zuiver verkeer met de schoonheid van aarde, zon en hemel
+levende, natuurdichter, dien we bezitten. Ja waarlijk, zoo het de
+schalke bedoeling der rijk-grillige en &agrave;l-vermogende.Natuur zou zijn
+geweest, eens een geest te scheppen, schoon-menschelijk &egrave;n puur eenen
+vogel gelijk, in al zijn gedragingen, zij had voorwaar nooit voller haar
+bedoeling kunnen verwezenlijken, dan toen zij onzen Reddingius
+voortbracht. Gij loopt ievers 'nen schoonen zomeruchtend op de blonde
+wegelkens de velden entlang&mdash;entre paranth&egrave;se ... hoe kom ik plotseling
+zoo vlaamschig te schrijven?... Ach ja ... wel drommels!... dat is die
+lichte Gezelle-invloed, hier en daar, in deze verzen, welke mij die
+onbewuste associatie-parten speelt&mdash;en ge hoort den lieven vogelslag,
+het zuivere merel- en vinkgefluit in de boomen, zoo'n kort
+bekoorlijkheidje als <i>Het liedje dat verloren liep</i>, of zoo'n klein maar
+zuiver zelf-karakteriseerinkje&mdash;vogels zijn daar bazen in: sommige
+fluiten zelfs hun eigen naam!&mdash;als die eerste twee strophen van
+<i>Vrijheid....</i> Het liedje is uit, ge staat stil, ge loopt weer voort, ge
+zoekt den zanger ... h&egrave;, wa's dat?... tik, zeit 't op uw hoed ... hahaha
+...onze dichterlijke vogel laat een stukje proza vallen....&mdash;Neen,
+heusch niet, lezer, niet zoo haastig, lach niet om 't gebeuren noch
+schrei om m'n hoed, en evenmin verontwaardig u over mijn zonderlinge
+wijze van voorstellen of verdenk mij, dat ik het pastorale beeld zou
+willen vervolmaken <span class="pagenum"><a name="p41" id="p41"></a>[p.41]</span> door zelfs oude koeien uit 'n sloot te halen:
+ik l&aacute;&aacute;t thans <i>Een Romantische Jongen</i> onder den niets verklappenden
+waterspiegel r&ugrave;sten. Maar het toeval wilde, dat, toen ik dezer dagen aan
+het lezen van onzen bundel was, langzaam vorderend, juist omdat ik zoo
+kalmpjes en li&egrave;fjes gen&oacute;&oacute;t, dat to&egrave;n juist mij <i>De Nieuwe Gids</i> van deze
+maand in handen kwam en ik daarin een kritiekje over Marie Metz-Koning's
+nieuwe "occulte" boek vond van de hand van onzen dichter&mdash;een brokje
+proza dus. En weer trof het mij hevig&mdash;en nu niet het brokje maar het
+feit:&mdash;hoe men in zijn proza vaak dezelfde elementen, maar ontbonden en
+verworden, hervindt, die in zijn lieve zangen tot bloed en bloeiend
+lichaam, tot stralenden oogenglans en klinkende stem zijn geworden. Onze
+dichter, die niet als Gorter in diens jeugd&mdash;overigens alle vergelijking
+ter zijde!&mdash;een grieksch-heidensch natuurpo&euml;et, maar een panthe&iuml;stisch
+vroom-geaarde met drang naar het mystieke is&mdash;onze dichter heeft in zijn
+verzenbundel deze diepe, heilige vroomheid wel zeer zuiver en innig
+geuit, en al zou ik u wel op bijna &egrave;lk daarin voorkomend gedicht ter
+motiveering van deze mijne meening kunnen wijzen&mdash;en al is, mijns
+waardeerens, <i>De lucht vol roode waden</i> een al z&eacute;&eacute;r bijzonder juweel van
+stemming, schoonheid en wijze vreugde&mdash;in geen enkel toch woont zij zoo
+diep-in en licht zoo zachtkens naar buiten als in het schoone vers
+<i>Guido Gezelle</i>. Nu is, naar ik m&eacute;&eacute;n, in dat gedicht de invloed eener
+bepaalde modern-westersche mystiek, de Blavatzkyaansche theosophie, wel
+zeer duidelijk merkbaar. Zijn "de velden van de Akasha", waarover hier
+de dichter spreekt, niet: de "Akasha-kroniek," het "astrale licht," het
+"geheugen van den Logos," waarin alle aarde-gebeuren vereeuwigd blijft
+en de ingewijde de geschiedenis, ook van de vroegste tijden, kan lezen?
+Welnu, moge dit deeltje uit de theosophische leer feit of fictie
+zijn&mdash;het laat ons hier onverschillig, omdat het hi&egrave;r voor ons in des
+<i>dichters</i> w&egrave;rkelijkheid leeft en d&egrave;ze werkelijkheid ons dan vervult,
+maar hoor n&ugrave; t&egrave;vens eens onzen <i>prozaschrijver</i> in bovengenoemd
+critiekje boomen over Bulwer's <i>Zanoni</i> en over den <i>Wachter van den
+Drempel</i>, alsof deze laatste "intelligentie" een goed
+persoonlijk-bekende&mdash;hij zegt er immers nog <span class="pagenum"><a name="p42" id="p42"></a>[p.42]</span> wel bij "uit eigen
+ervaring"&mdash;van hem is, en dan levert u dit stukje proza alles wat u nog
+mocht hebben ontbroken, om zoo hel een kijk in dezen geest te krijgen,
+als ge maar wenschen kondt. Reddingius dan blijkt een ziel, die slechts
+<i>wazig</i>- en <i>argeloos</i>-voelend scheppen kan. Dwingt hem het vaak
+<i>harde</i>, het <i>denk</i>-arbeid, <i>scherpe analyse</i> en <i>compositie</i>-gave
+eischende proza, te treden uit zijne <i>zacht-zoete</i> verzensfeer, uit zijn
+<i>gevoelsdroomen</i>, uit zijn neveldeinende <i>vaagheid</i>, uit de atmosfeer
+van zijne los van elkaar verschietende stemmingen, dan gaat het mis,
+onherroepelijk mis. D&aacute;&aacute;rom is ook een scherp-beeldende regel als die
+mooie "De sneeuwkop heft zijn hoofd vol wol" zoo uiterst zeldzaam.
+D&aacute;&aacute;rom is hem, &oacute;&oacute;k als dichter, het maatschappij-leven z&oacute;&oacute; volkomen
+vreemd. Evenals een lief boerenmeisje door het aantrekken van
+steedsch-jufferige kleeren in een plomp- en linksdoende belachelijkheid
+kan veranderen, zoo verkeert de kinderlijke natuurziel van dezen dichter
+in een met klatergouden todden behangen pronkerigheid, zoodra zij van
+uit de landelijke zon- en nevel-wazigheid in de daglicht-naakte aula van
+het betoogend proza, in den kleur-schitterenden schouwburgavond van het
+maatschappelijk-beeldend proza treedt. Zijn metaphorisch vermogen is
+niet groot, maar leg eens eene discreet-nauwelijks-uitgesproken en mede
+daarom juist zoo prachtige vergelijking als in <i>De Witte Kerselaren</i>,
+naast dat critiekje alweer, naast: "de moedige vrouw op het witte paard
+(die) moet door de grijze nevelen heen" (alles van Marie Metz-koning,
+wel te verstaan!) en ge ziet duidelijk in, hoe in zijn proza bet zoete
+tot het <i>wee&iuml;ge</i> wordt; de overgave eener enthousiaste ziel, tot de
+<i>lichtgeloovigheid</i> van een elken hechten, verstandelijken steun
+ontberenden onnoozele, en het <i>diep-eigen</i>&mdash;gelijk in sommige prachtige
+Strophen van <i>Als de wereld blij was</i>&mdash;mystiek-aanvoelen tot
+mal-theosophistische <i>napraterij</i>. Want moge hem, ook in zijne verzen,
+zijn licht-ontvlambare en door een ander <i>spoedig overheerschte</i> ziel al
+te vaak en te weerloos aan vreemde invloeden prijsgeven&mdash;men vergelijke
+"Mijn prins van vreugd, mijn onbewuste koning" op blz. 10, met Kloos,
+<i>Verzen</i>, Tweede Druk, blz. 61 en 63&mdash;dat vreemde wordt d&agrave;n toch&mdash;hoe
+anders dan in het proza&mdash;&eacute;&eacute;n <span class="pagenum"><a name="p43" id="p43"></a>[p.43]</span> met, deel van zijn eigenheid. De
+heer Reddingius is&mdash;waarlijk hij mag tevreden wezen&mdash;een zuiver
+natuurdichter, d&ograve;ch: <i>niets</i> anders dan dit: zelfs van <i>Pan, Tritons</i> en
+<i>Echo's</i> moet hij afblijven, dat is alweer te veel cultuur, dat doet hem
+zijn vogel-argeloosheid verliezen, dat worden dichterlijke tooneeldingen
+bij hem: geverfd linnen inste&ecirc; van oud-grieksch marmer. Hij zinge tot
+ons diep verheugen maar lustigjes op z'n tak, m&aacute;&aacute;r ... j&agrave; ... als er d&agrave;t
+... nou ja, u weet wel ... tot zijn w&egrave;lbevinden nu eenmaal bij mo&egrave;t,
+welnu, d&agrave;n vooruit maar ... 'n nieuwe hoed zal me den kop niet kosten.&mdash;
+</p>
+<p>
+April 1918.
+</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p class="pagenum"><a name="p44" id="p44"></a>[p.44]</p>
+<h3>FRANS VERSCHOREN: LANGS KLEINE WEGEN</h3>
+
+<p>
+Langs kleine wegen!... Wel, is 't niet waar, mijn beste lezer, dat 't
+daar h&eacute;&eacute;l liefelijk wandelen kan zijn? Hebben wij niet, gij zoowel als
+ik, langs de spiegelende vaartjes en groene hagen de blijdste en diepste
+uren onzer jeugd ... verwandeld? En ook wel eens&mdash;het groende zoo
+noodend en geheimvol aan den kant van het pad&mdash;"het vinnich stralen van
+de Son ontscholen in 't bosschagie" ... het "bosge" dat niet "clappen
+con"!... Neen, neen, ik wil nat&uacute;&uacute;rlijk niet onbescheiden zijn, maar toch
+... &egrave;ventjes: herinnert ge u het oude boerinnetje, dat ge ontmoette, dat
+zoo glunder en zoo vroolijk keek, of het bejaarde heertje met de
+impertinente spotoogjes achter 't klare brilletje? En, weet ge 't nog,
+ge hadt zoo waar plotseling 'n genegenheid voor hen allebei, juist om
+hun impertinente gekijk, want ge voelde 't zoo wel: ze hielden ook van
+u, omdat ze in u hun eigen jeugd herzagen!... Och lieve spotters, hoe
+overmoedig trotsch en jeugdig-rijk maakte &ograve;ns uw spot, want, wij wisten
+'t: hoeveel van uw weemoed verborg hij....
+</p>
+<p>
+Als z&oacute;&oacute;&mdash;zij 't louter toeval&mdash;de titel van 'n boek reeds kan doen
+droomen, gelukkig en prijzenswaardig dan het boek, dat, gevend wat 't
+beloofde, de droomen wijlen laat. En dat is wel heel zeker met
+Verschoren's werkje het geval. Er is zoo een heel diepe stilte en
+innigheid in dat verhaal van het begijntje, dat verliefd wordt op ouden
+Jaan, er zijn zoo een onschuldige humor en struische levenslust in dat
+stukje <span class="pagenum"><a name="p45" id="p45"></a>[p.45]</span> over die twee oude vogelvangers, 't Is waar: <i>Het oolijk
+Wedervaren van Maruske van Lier</i>, dat zoude ik niet ongaarne uit dezen
+bundel gemist hebben. En ongetwijfeld wijst het niet geslaagd zijn van
+dit &agrave;l te grappig verhaal op een zwakke stee in het talent van onzen
+auteur: het leed, en vooral dat van den geringen man, heeft immer iets
+eerbiedwaardigs en verteederends in zich-zelf; wat ook een minder
+gelukte beschrijving ons ervan mocht onthouden, ons medegevoel vult het
+aan; maar zijn plezier, zijn plat en grof plezier.... O, als de
+uitbeelder daarvan, zich bevlijtigt het grappige zoo grappig mogelijk te
+maken en klucht op klucht te stapelen, en al te weinig daarentegen de
+diepere menschelijkheid en de verborgen tragiek laat voelen, d&agrave;n wordt
+het voor mijn gevoel een clownerie.... Maar overigens heb ik niets dan
+lof. <i>Op het Begijnhof</i>, dat 't boek opent, <i>Het Onverwachte</i>, 't
+uitmuntende kinderverhaal, dat 't sluit&mdash;de heer Verschoren weet wel wat
+hij doet!&mdash;zijn ongetwijfeld het best. Treedt ge door 't oude en bemoste
+poortje van het eerste eerbiedig en met 'n stille verheugenis binnen en
+voelt ge u wellicht dan later nu en dan een <i>ietsje</i> teleurgesteld
+&mdash;wanneer ge uit den lentetuin van het laatste zijt vertrokken, dan zijt
+ge die teleurstelling alweer vergeten en ziet nog menigmaal groetend en
+dankbaar om.
+</p>
+<p>
+Maar wel herinnert ge u nog eens: "Langs kleine wegen" heette het ... en
+ja, zoo was 't ook. 't Waren altemaal figuurtjes van een vergeten,
+platteland, die ge ontmoet hebt, superstitieuse boertjes, drinkers,
+platte grollenmakers, een achterhoeksche bevolking van doode stadjes; de
+paadjes waarlangs ge traadt zijn mijlen ver verwijderd van het ernstig
+en mooi strijdend en strevend leven onzer dagen. Maar, zeg mij, is het
+niet eens goed weer te rusten en langs de wijd-overhemelde, eenzame
+wegen te gaan ... daar het u is of de onzichtbare landwind zichtbaar
+worden zal, zoo neerneigend en opvluchtend speelt dat neuri&euml;nde wezen om
+u, en is immers met u alleen nu, die het wonder niet zult beklappen, op
+dien stillen weg.... En hier is weer de klare vaart en het verre weiland
+aan de overzijde.... En uw stok jaagt zachtkens zand op, gelijk gij uw
+herinneringen....
+</p>
+<p>
+<span class="pagenum"><a name="p46" id="p46"></a>[p.46]</span> Maar ik bidde u: laat &ograve;ns nooit, bij geen enkele ontmoeting, het
+oude heertje met de impertinente spotoogjes achter het klare brilletje
+zijn.... Waarom zouden wij onzen weemoed bed&egrave;kken? Onzen weemoed om het
+verloren jeugdige, struisch-natuurlijke en primitieve van ons zoo
+verwikkeld en streng geworden leven....
+</p>
+<p>
+April '13.
+</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p class="pagenum"><a name="p47" id="p47"></a>[p.47]</p>
+<h3>MAURITS WAGENVOORT: HET STIJFHOOFDIGE BRUIDSPAAR</h3>
+
+<h4>Roman uit den tijd der O.-I. Compagnie.</h4>
+
+<p>
+De schrijver van dit werk heeft nauwlettend zorg gedragen, door zekere
+kleine stijlwendingen, een soort van wellevend, deftig, soms
+gedempt-grappig vragen-en-antwoorden-spel met zijne lezers, zijn boek
+vooral tot een <i>verhaal</i> te maken, een verhaal, gedaan op 'n
+joviaal-hoofschen, hier ietwat peinzend-weemoedigen, daar weer
+oolijk-schertsenden trant. Mij dunkt, hij wenscht zijn lezers v&oacute;&oacute;ral de
+illusie van een <i>persoonlijk contact</i> tusschen hen en zich te
+suggereeren. En voorts meen ik, dat hem niets zoo zeer verdrieten zou
+als te moeten vernemen, dat hij hun dat door hem beschreven verleden van
+de Edele Compagnie tot een waarlijk l&eacute;vend h&eacute;den gemaakt, en hun dus ook
+de daaruit noodwendig voortvloeiende emoties veroorzaakt had. In 's
+hemels naam, zou hij, geloof ik, zeggen, u moet dat allemaal zoo zwaar
+niet opnemen; wat voorbij is, is voorbij, vooral niet te diep er op
+ingaan.... En wellicht nog eventjes, onder het droomerig neerkijken op
+het vuurpuntje van zijn sigaar, er philosopheerend aan toevoegen, dat
+het leven nu eenmaal zoo is, alles ups and downs, h&eacute;, heden ik, morgen
+gij.... Maar onderwijl stiekumpjes-spijtig in zich-zelf denken: wel,
+wel, nou heb ik 't toch nog niet luchtig genoeg gedaan! Want deze
+beminnelijke en fijne verteller had geen andere bedoeling dan zijn
+toehoorders precies z&oacute;&oacute; licht-weemoedig te stemmen en precies z&oacute;&oacute; guitig
+weer op te vroolijken, dat noch weenen, noch heel hartig en
+schuddebuikend lachen hunne spijsvertering zouden <span class="pagenum"><a name="p48" id="p48"></a>[p.48]</span> kunnen schaden.
+En daarmee heeft hij volkomen gelijk, want: mij althans praat 't nu
+niemand uit het hoofd, dat ik bij hem gemiddagmaald heb, dat we daarna
+nog wat hebben zitten schemeren&mdash;o, ik herinner mij duidelijk het
+weemoedig en peins-spelend vertoon der schaduw- en lichtfiguren, die het
+haardvuur den nacht-donkeren wanden liet ontschijnen&mdash;en dat hij mij
+toen dit verhaal deed. Welnu, ik kan getuigen, dat ik dan ook inderdaad
+geen oogenblik door al te diepe emotie uit de genoegelijke
+after-dinnerstemming werd gebracht. Dat de verteller mij het verleden
+tot iets tastbaar-levends gemaakt of zelfs maar verzichtbaard hebben
+zou, ik denk er niet aan hem er van te betichten. Eerlijk gezegd, heb ik
+niemand anders gezien, <i>gezien</i>, begrijpt ge, dan den fijngeestigen
+gastheer zelf, hoe hij daar zijn sigaar zat te rooken, nu en dan een
+teugje uit zijn kopje nam, mij, al verhalend, op den schouder klopte,
+guitig knipoogde, weemoedig een traan wegpinkte, kortweg: alles deed wat
+nu eenmaal des goeden vertellers is. Maar <i>Aboel Hassan Sjah</i> en <i>Carel
+Hartsinck</i> en al die anderen, over wie hij sprak, nee, zi&egrave;n, dat is iets
+anders.... Maar toch ken ik ze wel zoo'n beetje, ze hebben mij wel iets
+gedaan, doch ... de zaak is eigenlijk: de heer W. zelf was z&oacute;&oacute; erg
+levend, dat de anderen wel dood moesten zijn, want nog altijd schijnt de
+natuur er geen vrede mee te hebben, dat menschen van zeg 1600- &egrave;n
+1900-zooveel <i>tegelijkertijd</i> l&eacute;ven.
+</p>
+<p>
+Toen het uit was, en nadat we nog wat zwijgend hadden nagemijmerd,
+waakte ik op, en, mijn gastheer aanziende, wilde ik vragen: "Maar meneer
+Wagenvoort, permitteer me een vraag: u, die een gerenommeerd auteur zijt
+... waarom schrijft u eigenlijk geen boek van dat verhaal?"&mdash;Maar ik heb
+gelukkig net bij tijds een hoestbui gekregen en de vraag niet
+uitgesproken: ik weet, auteurs hebben hun gevoeligheden....
+</p>
+<p>
+Maar eens heb ik nog een anderen indruk van <i>Het Stijfhoofdige
+Bruidspaar</i> gekregen, al was hij aan dezen verwant: toen het als
+<i>Handelsblad-feuilleton</i> verscheen. Destijds wist ik natuurlijk heel
+wel, dat ik <i>las</i>, zoo avond aan avond, h&egrave;. En toch, ook toen was het
+niet <span class="pagenum"><a name="p49" id="p49"></a>[p.49]</span> slechts een opluchting, te midden van al de moord- en
+doodslaggeschiedenissen, detective-slimmigheidjes en wat dies meer zij;
+het was mij als werd ik plotseling in een smokerig bioscoop-zaaltje, met
+allerlei gruwelijke en griezelige dwaasheden op het scherm, door een
+lieven vriend onder den arm genomen en we wandelden naar buiten, in de
+frisch-open straten, en hij vertelde op zijn lieve, kalme, beschaafde
+wijze.... Ik zou den heer Wagenvoort willen vragen: wanneer doet ge dat
+eens weer?... Vooral ik&mdash;maar waarschijnlijk duizenden met mij&mdash;heb er
+zoo'n behoefte aan: bedenk, ik ben geabonneerd op het <i>Handelsblad</i> en
+een booze fee heeft mij bij mijn geboorte be-vloekt, dat ik elken regel
+druks dien ik ontmoet, in een minimum tijds zou moeten verslinden.... En
+zoo lees ik, mo&eacute;t ik lezen, &oacute;&oacute;k alle romanfeuilletons.... God helpe
+mij.... Op 't oogenblik houen we an 'n met coli-bacillen vergiftigd
+waterreservoir. D'r moet 'n jong meisje "uit den weg geruimd worden."
+...Nu weet ge er al alles van.... K&ograve;m, bid ik u, weer eens wat verhalen
+op uw gemoedelijke, beschaafde, logische en vaak zoo veelzeggende
+wijze.... Zoo houd ik 't niet uit.... Die juffrouw met de
+coli-bacillen&mdash;en O! de gedrochten die haar zijn voorafgegaan! en O! die
+na haar zullen komen!...&mdash;zij bezorgt mij een cauchemar!...
+</p>
+<p>
+Mei '13.
+</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p class="pagenum"><a name="p50" id="p50"></a>[p.50]</p>
+<h4>SAM. GOUDSMIT: IN DE GROOTE LEERSCHOOL</h4>
+
+<p>
+Wat is het, dat de jeugdig-bloeiendste, de krachtigst-voortschrijdende,
+de sterkst-bezielde menschelijkheid in dit werk, epileptisch-plotseling
+en -abrupt, met een vergrauwende uitputting bevangt, dat de gestalte als
+levenloos inzinkt, de stralende oogen verglazigen, de jong-roode lippen
+verbleeken, en dan, weer eensklaps wijkend, haar veroorlooft te
+herrijzen, jong-bloeiend gelijk zij was, met oogen, die hun rijke,
+innige glans, wangen en lippen die hun kleur hebben herwonnen. En zij
+staat weer, krachtig, naast u en schijnt zelfs geen herinnering mee te
+dragen aan haar tijdelijken dood.... Maar gij zijt stil en als schuw
+geworden en denkt na. Want ge weet 't wel: wat in <i>kunst</i>-leven gelijkt
+op het ziek-worden en sterven van <i>Natuur</i>-leven, komt voort uit een
+aanval van <i>veronechting</i> alleen.... Maar ge vondt 't toch in zijn
+levende geheelheid zoo innig, ge vondt het toch zoo pr&agrave;chtig waar.... En
+het onecht vinden van een deel, te midden van z&oacute;&oacute;veel overtuigende
+echtheid, dat is iets z&oacute;&oacute; subjectiefs!... Hebt ge u misschien vergist?
+W&agrave;s die inzinking er wel?... En ge scheldt uzelf al een hallucinair
+fantast! Maar terwijl ge dit denkt ... kijk, kijk! daar is 't weer, daar
+verschrompelt 't, daar verbleekt 't weer!... Die veronechting, zij <i>is</i>
+er, uw twijfel sproot daaruit voort, dat zij als oorzaak in verhouding
+tot hare uitwerking en gevolgen iets zoo gerings lijkt ... z&oacute;&oacute; gering
+... maar toch, het blijkt nu, ook z&oacute;&oacute; <i>beteekenisvol</i> als ... ja ...
+<i>als op het gelaat van een goed-gekenden en geliefden mensch, met
+schoone daden en ware woorden, een onbeheerscht trekje, een vluchtig,
+maar telkens zich herhalend, bewegen kunnen zijn, die voor &ugrave;, &egrave;ven, dat
+schoon- en waar-geachte veronechten</i>. Ook dan voelt ge u bekneld
+tusschen <span class="pagenum"><a name="p51" id="p51"></a>[p.51]</span> twee tegenstrijdigheden: ge gelooft vast in uw eigen
+doorvoelingsmacht en niet minder in de beteekenis van het kleine en
+onbeheerschte, <i>juist omdat het kleine en onbeheerschte is</i>.... Maar:
+zijn schoone daden en ware woorden, die ge toch, let wel, met datzelfde
+doorvoelingsvermogen waar en echt hebt bevonden?... En ge gaat zoeken
+naar een oplossing, een verklaring, want ge houdt van dien mensch. Gij
+m&ograve;et u zekerheid verschaffen, gij m&ograve;et de juistheid of onjuistheid uwer
+meening kunnen tasten. Z&oacute;&oacute; ook is het mij gegaan, bij het beschouwen van
+dit boek, z&oacute;&oacute; zal 't ongetwijfeld ook u gaan, lezers van dit
+maandschrift, die hier meer dan eens gelegenheid hadt, het hartige,
+bloedrijke, zoo lustig en jong zich in het leven dompelende talent van
+Goudsmit te waardeeren en lief te krijgen. Welnu, ik geloof u die
+verklaring te kunnen geven. Maar v&oacute;&oacute;r ik u daarvan vertellen ga, dient
+ge u even te ori&euml;nteeren in den bundel: wat is het bloeiendste, het
+sterkst bezielde leven daarin? Ongetwijfeld, meen ik, het joodsche. Zie
+eens aan: Goudsmit is ongetwijfeld vooruitgegaan, &oacute;&oacute;k in de beelding van
+het niet-joodsche leven. De kleine en zeer goede novellen: <i>De
+Onverbeterlijke, De Hengelwedstrijd, Moeder Zijpe's Verjaardag, In de
+Engte</i> zijn daar treffende bewijzen van. Maar toch, het &agrave;llerbeste, het
+&agrave;llerinnigst doorvoelt hij nog slechts Joden. Zijn <i>Joden</i> zijn
+<i>individuen</i>, zijn <i>Christenen</i> vaak niet meer dan <i>typen</i>. De beste
+novellen in dezen bundel acht ik dan ook: <i>Hoe de kleine Sjimmie Neeter
+burger werd</i> en <i>Kinderen</i> (de meest geslaagde van die twee: de
+eerstgenoemde). <i>En juist in deze beide is het veronechtende element het
+sterkst aanwezig</i>. De vraag blijkt nu wel niet slechts meer te zijn:
+<i>wat</i> is het? maar ook: hoe komt het <i>juist daar</i> het <i>hevigst</i> tot
+uiting? En dan ligt schijnbaar het antwoord voor de hand: joodsche en
+socialistische tendenz. Maar dit is niet zoo, men zou het mooie
+werkschreeuwend onrecht doen, door dit te beweren; tendenz is er, maar
+zij is die van het <i>Onbewuste</i> en schaadt daarom niet. Goudsmit's
+<i>bewustheid</i> redeneert niet: komaan, dien socialist en dien jood, die ga
+ik een beetje opsieren, noch heeft zij de gew&oacute;&oacute;nte aangenomen dat werkje
+te doen, maar zijn <i>&ograve;nbewuste scheppende Vermogen</i>, dat bij hem, gelijk
+bij ieder, <span class="pagenum"><a name="p52" id="p52"></a>[p.52]</span> <i>slechts schoonheid en goedheid scheppen kan</i><a name="FNanchor_1_20" id="FNanchor_1_20"></a><a href="#Footnote_1_20" class="fnanchor">[1]</a> is
+doordrongen en doordrenkt van liefde tot het socialisme en het
+Jood-zijn! Ware deze arbeid er eene van <i>bewuste</i> tendenz, ik zou haar
+schoon noch kunst k&ugrave;nnen vinden. Neen, het is: een <i>onbeheerschte trek</i>,
+het is een <i>vluchtig bewegen</i> van het <i>taalgelaat</i>, dat telkens en
+telkens weer, woorden en daden, geheel het van leven tintelende wezen,
+voor &eacute;ven, veronecht. Goudsmit&mdash;om u dan eindelijk mijn meening ter
+overweging te geven&mdash;<i>vertaalt</i> het zich verwoordende <i>denken</i> zijner
+figuren uit hun <i>denk</i>-taal in zijn <i>schrijf</i>-taal! Gij voelt, niet
+waar, de d&ugrave;bbele fout van dit proc&eacute;d&eacute;, de dubbele veronechting? Gij
+voelt, hoe onaangenaam een stemming en wreed een twijfel dit valsche
+trekje op het frisch-open gelaat dezer kunst, bij machte is in den
+aanschouwer te verwekken. Zeker, voor sommige beoordeelaars zal de
+verleiding groot zijn te beweren: zulk een invalide, afgedankte,
+socialistische sjouwers-knecht, die z&oacute;&oacute; wijs en breed denkt, als Chajim
+Neeter bestaat niet, en die Japie in <i>Kinderen</i> is wel een
+uitzonderlijk-hevig en dichterlijk-voelend jongske, gelijk de vader voor
+zoo'n doorgaans sluw-genoeg voddenjoodje al bijster na&iuml;ef en
+onpractisch-fantastisch is; maar ik zeg, dat ik alle deze drie figuren
+onweersprekelijk zeker als echte menschen voel te leven in Goudsmit's
+<i>Scheppende Onbewustheid</i> gelijk &oacute;&oacute;k&mdash;wat er feitelijk niets toe
+doet&mdash;in de dagelijksche levenswerkelijkheid om ons heen. Maar d&agrave;t ik
+hun echtheid voelen kan, dat wordt veroorzaakt door hun daden en
+woorden, de <i>dramatiek</i> in den eigenlijken zin, en de <i>dialoog</i> dus. En
+tegen dat als echt voelen botst dan telkens een als &ograve;necht voelen. En
+dit wordt veroorzaakt door de foutieve, <i>niet</i>-Chajem-achtige,
+<i>niet</i>-Japie-achtige, maar pur et simple <i>Goudsmit'sche</i> uiting van
+Chajem's en Japie's denk-voelen. Summa summarum dus: voel ik ze als
+geh&eacute;&eacute;l-echt te bestaan in des schrijvers <i>Scheppend Vermogen</i>, ik voel
+ze als slechts <i>gedeeltelijk</i> echt in zijn <i>boek</i>. <span class="pagenum"><a name="p53" id="p53"></a>[p.53]</span> En dit is
+jammer voor het prachtig-doorvoelde werk. Het is vooral spijtig, omdat
+zeer zeker die fout geheel vermeden had kunnen worden door dezen
+talentvollen schrijver, die alleen nog meer zelfbeheersching wellicht en
+technische discipline behoeft, om zich, geheel zijner waardig, te kunnen
+uiten. Voelde hij de ondeugdelijkheid niet van zijn proc&eacute;d&eacute;&mdash;'t geen
+ongetwijfeld het meest gewenschte ware geweest&mdash;hij had die toch zeer
+gemakkelijk door nadenken kunnen inzien: Is niet een <i>scheppend</i>
+kunstenaar ook, in zekeren zin, een <i>interpreteerend</i>? Is een
+menschfiguur, gelijk zij verrijst en staat en leeft in de conceptie van
+een schrijver, niet een wezen, dat buiten hem zijn eigen leven leeft,
+ofschoon het, en dit toch slechts tijdelijk, uitsluitend in h&egrave;m leeft?
+Is zij niet een <i>compositie</i>, die <i>vertolkt</i> worden moet, met de meeste
+pi&euml;teit en z&oacute;&oacute; dat het eigen wezen der compositie, de "bedoelingen" van
+den componist, d.i. het <i>Scheppend Onbewuste</i>, tot de volmaaktst
+mogelijke uiting komen? Wat zoudt gij zeggen van een interpreteerend
+musicus, die in een door hem gespeelde compositie van een waarachtig en
+meesterlijk artist, geheele brokken verving door andere tonenreeksen,
+wijl die naar zijn meening dragers van dezelfde gevoelswaarden zijn en
+het voordeel hebben, lichter-begrijpelijk, of uiterlijk-bevalliger, of
+korter van duur te zijn?! Hetzelfde zoudt gij dan wellicht zeggen, niet
+waar, als&mdash;van een schrijver, die het denk-voelen zijner figuren door
+<i>zijn</i> lyrische paraphrase vertolkt, in stede van dat
+denk-voelen-<i>zelf</i>, in de taal-<i>zelf</i> daarvan, zij 't
+resumeerend-gestyleerd, te geven.&mdash;Het deere Goudsmit niet, dat ik
+uitweide over het foutieve in zijn werk, hij voele er mijn achting voor
+zijn gaven, mijn innige waardeering in, en zoo hij er de bedoeling in
+proeve, hem als 't ware theoretisch te onderrichten, dan&mdash;heeft hij
+gelijk. Maar is het doel van ons &agrave;ller leven niet, elkander te
+onderrichten en geest-verhelderend te steunen, en houd ik mij niet
+overtuigd, dat hij mij evenzeer iets zou kunnen leeren, wat ik niet weet
+of inzie, gelijk ik het hem nu denk en hoop te doen. Want ik wensch zoo
+innig, dat zijn volgend werk niet meer met die fout behept zij. Zij
+geeft, zelfs aan het geheel, den schijn van het niet-geacheveerde, het
+onrijpe.
+</p>
+<p>
+<span class="pagenum"><a name="p54" id="p54"></a>[p.54]</span> Die erin gewerkte Goudsmit'sche lyriek, <i>ook in de
+beschrijvingen</i>, zij vloekt tegen het armelijk bestaan der gebeelde
+volksmenschen. Het werk verliest daardoor zijn eigen-tonige,
+warm-toedekkende, levenverwekkende en -behoudende atmosfeer. Het staat
+dan koud en naakt, het bezwijmt en dreigt te sterven.
+</p>
+<p>
+En behalve dat: dit lyrisch proza is vaak op zich-zelf van zeer
+twijfelachtige qualiteit. De z&eacute;&eacute;r talrijke fijnheden in dit werk, de
+soms waarlijk prachtige vondsten van verwoording, zij zijn te vinden in
+de psychologiek van het <i>momentaneele</i> geestbewegen der figuren, <i>niet</i>
+in de <i>resumeerende</i> psychologiek van hun <i>algemeene</i> voel- en
+denk-<i>wijze</i>. <i>En d&aacute;&aacute;r treedt de Goudsmid'sche lyriek op!</i> Zij zijn te
+vinden in de zuiver-<i>plastische</i> beelding der dingen, <i>niet</i> in de
+<i>metaforische</i> weergave van hun aanzien. <i>En d&aacute;&aacute;r treedt de Goudsmidsche
+lyriek op</i>. Zij, die onrijpe lyriek veroorzaakt, dat naast kostbare
+fijnheidjes zich telkens valsche beeldspraak en slordigheid vertoonen.
+Dat zij in de joodsche schetsen het meest op den voorgrond treedt&mdash;ik
+was u nog een verklaring daarvan schuldig&mdash;ligt m.i. onbetwijfelbaar
+daaraan, dat 't joodsche-leven-in-dezen-bundel, het warme, innige,
+hartstochtelijke, veel meer met Goudsmit's eigen aard overeenkomt dan 't
+koelere, grovere leven-der-Christenen-in-dit-boek en dus veel eerder dan
+dit laatste een uitstorting van des schrijvers eigen gevoel kon te weeg
+brengen.
+</p>
+<p>
+Ik kan, met het oog op de beschikbare ruimte, geen bewijzen geven, noch
+van de gegrondheid mijner bewondering noch van die mijner blaam.
+Analysen en citaten, ik moet ze achterwege laten. Maar &eacute;&eacute;n schoonheid
+wil ik met name noemen, een schoonheid, die altijd in mijn geest als een
+kostbaar bezit zal staan: de verrukkelijke&mdash;ik zeg het met nadruk&mdash;de
+<i>verrukkelijke</i> beelding van <i>Chajem</i> en <i>Sjimmie's</i> tocht naar de
+fabriek, van Sjimmie's zielontroerend afscheid van Vader, pr&agrave;chtig van
+echtheid, h&eacute;&eacute;rlijk van de innigste doorvoeling. Hadde Goudsmit nooit
+zijn mooie <i>Zoekenden</i> geschreven, bestond er niets anders van hem dan
+de beelding van dit smartelijk gebeuren, zij maakte het tot plicht hem
+een groot talent te roemen.
+</p>
+<p>
+<span class="pagenum"><a name="p55" id="p55"></a>[p.55]</span> En dan ... ja dan is er toch n&ograve;g iets, waarover ik even m&ograve;et
+spreken. De <i>humor</i> in dit werk, de lagere &egrave;n de hoogere. De lagere:
+goedmoedig-fijne en ingehouden l&agrave;ch all&eacute;&eacute;n, gij vindt hem in <i>De
+Hengelwedstrijd.</i> De hoogere: lach &egrave;n deernis, tot &eacute;&eacute;n zachtkleurige
+schoonheid verteederd, hij leeft in de joodsche schetsen op meer dan
+&eacute;&eacute;ne plaats, maar het diepst, het rijkst in de paar laatste woorden van
+den laatsten zin van <i>Kinderen</i>.
+</p>
+<p>
+"In een paar woorden, in &eacute;&eacute;n zin!" roept ge geringschattend uit, "der
+moeite waard." Maar, lezer, ik vrage u, als die humor, z&oacute;&oacute; broos een
+schepsel van zon en tranen met zijn teere kleuren onze levenslanden
+overboogt, zouden wij dan niet dankbaar zijn voor die stralende omvaming
+van het verspreide, hoe kort zij dure?...
+</p>
+<p>
+Juni '13.
+</p>
+<p class="caption">
+Noot:
+</p>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_20" id="Footnote_1_20"></a><a href="#FNanchor_1_20"><span class="label">[1]</span></a> Deze bewering ziet er uit als een phrase. Ik m&ograve;et daarom
+wel de onbescheidenheid hebben, den lezer te verwijzen naar mijn opstel
+in De Ploeg van Juli&mdash;Aug., 1911: "Over Literaire Kritiek en Is.
+Querido's studi&euml;n", waarin ik die bewering gemotiveerd heb. (Herdrukt in
+mijne <i>Schetsen en Critische Opstellen</i>.)</p></div>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p class="pagenum"><a name="p56" id="p56"></a>[p.56]</p>
+<h3>MR. J. DERMO&Ucirc;T: SINGKEP TIN</h3>
+
+<p>
+Mozes verkondt den stamhoofden van Isra&euml;l, dat zoo hun de beoordeeling
+van 't een of ander verwikkeld geval te zwaar mocht vallen, dit voor hem
+moet worden gebracht, opdat hij 't berechte. De Heer, wien dit trotsche
+woord mishaagt, doet daarop de Tselafgadiaansche moeilijkheden rijzen,
+en ook Mozes weet niet.... De literaire critiek hoogmoedigt sinds jaar
+en dag tot de kunstlievende en beschaafde gemeente&mdash;medici, ingenieurs,
+juristen, enz. enz.&mdash;"Zoo gij met de beoordeeling van eenig literair
+werk geen weg weet, kom tot Mij&mdash;met een hoofdletter&mdash;en Ik zal het
+richten, en," zoo voegt ze er allicht op haar betweterige manier aan
+toe, "als Ik u raden mag, beproef zelfs niet een oordeel te geven, breng
+het Mij, den Eenig-bevoegde", maar ziedaar ... het lot dat de
+hoovaardigen vernedert, doet den heer Dermo&ucirc;t en zijn <i>Oorspronkelijke
+Indische Roman</i> verschijnen, en&mdash;de critiek staat paf en met haar
+grooten mond vol&mdash;tijgerlijke&mdash;tanden. Welk een onverwachte
+vernedering! Een hengelaar, die door zijn prooi te water wordt
+getrokken, een beul, die door de veroordeelden wordt ge&euml;xecuteerd! En
+bleef 't daar nog maar bij, maar o, die gelegenheid tot wraak en
+Schadenfreude, die ik der kunstlievende en beschaafde gemeente <i>niet</i>
+gun. Want helaas, dit weet gij nog niet en nu zal ik 't wel blozend en
+lip-bebijtend moeten erkennen: de residenten, de controleurs, de
+radjahs, de planters, de koeliedrijvers en de indologen en met hen de
+smeden, de timmerlui, de geologen, de geographen, de zeevaarders, de
+water-, de scheeps- en de mijnbouwkundigen, de medici, de machinisten en
+de smokkelaars, benevens <span class="pagenum"><a name="p57" id="p57"></a>[p.57]</span> de ... och, ik raak buiten adem, laat me
+maar zeggen, al de medewerkers van <i>Meyers Grosses
+Konversations-Lexicon,</i> &agrave;llen, zeg ik u, en nog meer, nog v&eacute;&eacute;l m&eacute;&eacute;r,
+zouden de schitterendste, de diepzinnigste, de geestdriftigste, de meest
+eloquente recensies over dezen roman kunnen schrijven, alleen&mdash;de
+letterkundige niet! Want de heer Dermo&ucirc;t en zijn hoofdfiguur <i>Bob</i> zijn
+van &agrave;lle markten thuis en dit prettige werk is een handboek voor &agrave;lle
+ambachten en &agrave;lle wetenschappen, maar alleen d&agrave;t iets, dat nietige
+dingsigheidje waarover een <i>kunstcriticus</i> een oordeel zou kunnen geven,
+dat schijnt onze auteur, al schreef hij dan ook een roman, toevallig of
+wellicht met de wijze bedoeling, de goden door de volmaaktheid zijns
+werks niet te tarten, te hebben overgeslagen. Neen, zooiets staat er
+niet in. En toch ... &agrave;ls ik eens ... die paar psychologische trekjes ...
+maar nee, och nee, daarover kan ik waarachtig toch geen boom gaan
+opzetten.... Komaan, geen onwaardig geschipper, dan maar liever deze
+gulle bekentenis van onmacht, onmacht, m'n hemel, van hem, wiens taak en
+plicht het is hier te spreken, om &eacute;&eacute;n woord te zeggen van een boek,
+waarover de heele wereld wat zeggen kan! Maar mocht dan ook deze
+duldzaam aanvaarde vernedering tot boete voor ons &agrave;ller hoogmoed
+strekken, o, mijne broeders in de critiek, en het vertoornde lot,
+behagen scheppend in de verbrijzeling onzer harten en neigend tot
+genade, den heer Dermo&ucirc;t nog vele, vele handboeken laten
+schrijven&mdash;ikzelf, o d&agrave;nk, d&agrave;nk! heb nu reeds een nieuwe methode van
+diamantkeuring van hem geleerd!&mdash;maar nimmer, o, nimmermeer een
+roman....
+</p>
+<p>
+Juli '13.
+</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p58" id="p58"></a>[p.58]</span></p>
+
+<h3>WALLY MOES: GOOISCHE DORPSVERTELLINGEN</h3>
+
+<p>
+Alle wezenlijke kunstenaars hebben dit gemeen&mdash;gelijk ook zij, die de
+wetenschap om der wille van haar zelve dienen&mdash;dat zij nimmer moede
+worden des Levens Gelaat te beschouwen, en hun geen geluk zoo groot,
+geen arbeid zoo gewichtig is, als die arbeid, die een geluk, dat geluk,
+dat een arbeid is. Zij beschouwen dit Gelaat dan ook niet, &ograve;m van zijn
+lijnenspel en schoonheid te verhalen, maar, omgekeerd, verhalen zij
+ervan, omdat hun contemplatie hen te vol heeft gemaakt van gevoel, dan
+dat zij dat langer alleen zouden kunnen dragen. En daarentegen vertoonen
+alle pseudo-kunstenaars d&egrave;ze overeenkomst, dat zij wel telkens &egrave;ven zien
+naar dat Gelaat, maar op de wijze van iemand, die een nu eenmaal
+noodzakelijk maar vervelend werk heeft te verrichten, dat hem maar zoo
+weinig mogelijk van zijn kostbaren tijd moet kosten. Zoo spoedig
+doenlijk wenden zij zich dan ook af en gaan met den rug er naar toe
+zitten, en om het weinige heen, dat zij werkelijk gezien hebben,
+borduren ze dan veel bed&agrave;chte leugentjes en vertellen van dat weinige
+zoo veel mogelijk: daarom was 't hun immers alleen te doen. Onder de
+eersten behoort ook deze zeer echte kunstenares Wally Moes en het zal
+zeer gemakkelijk zijn, ook haar rang te midden van hen te bepalen,
+indien wij het volgende hebben opgemerkt. Er zijn artisten&mdash;en van de
+grootsten&mdash;wien de blik uit het Levensgelaat, voortdurend brandend in
+hun oogen, als hypnotiseert, zoodat zij als in een droom en onder een
+dwang, hun hand de lijnen van het hun geworden beeld voelen trekken;
+<span class="pagenum"><a name="p59" id="p59"></a>[p.59]</span> hun bewegen faalt niet; hun schepping trilt en beeft van 't
+innigste leven-zelf;&mdash;Jozef Isra&euml;ls, om een schitterend voorbeeld te
+noemen, heeft zich een van hen geweten. Er zijn er anderen, die zi&egrave;nde
+&egrave;n geboeid door het zien, d&agrave;n toch niet verstaan wat zij aanschouwen, en
+de schoonheid en beteekenis ervan pas in het <i>herinneringsbeeld</i>
+doorvoelen. Dier werkwijze is meestal moeielijk en zwaar; het leven
+staat uit een diepe bezonkenheid in hen op, het heeft al zijn
+schoonheid, tinten en geuren, behouden, maar gedempt; doch zoo het al
+aan blijmoedigheid en losse bevalligheid verloor, het heeft aan zuivere
+klaarheid en zachten ernst gewonnen, zooals huizen en boomen aan een
+spiegelend grachtje in 'n stad, waar, tegen den avond, een onweer met
+veel regen alles in een gewasschen helderte heeft gezet. Ook tot hen
+behooren Grooten.&mdash;En dan zijn er nog, die ziende onmiddellijk
+begrijpen, al te n&ugrave;chter vaak begrijpen, en al ziende haastig hun
+<i>notities</i> neerschrijven. Dat zijn de wel zeer echte, maar vaak als
+nonchalant werkende kunstenaars. <i>Zij zien te v&eacute;&eacute;l naar het Levensgelaat
+en te w&egrave;inig naar wat zij schrijven</i>. Onder hen bevindt zich onze Wally
+Moes. Mag het haar gebeuren, dat door een gelukkig toeval het
+essentieele alleen binnen haar gezichtsveld komt, dan beeldt zij slechts
+dat&mdash;zoo bijv. <i>Harpje</i>, waarmede haar bundel opent: een
+<i>meesterstukje</i>!&mdash;; gevalt het daarentegen, dat ze ook het bijkomstige
+ziet, dan schrijft ze zonder genade voor zich-zelf of den lezer ook al
+dat bijkomstige neer, zooals in <i>Het Wondervrouwtje</i>. Niet zelden
+verlaagt zij dan haar werk tot een bijna zakelijke folkloristische essai
+of een bonte collectie anecdoten&mdash;zoo is bijvoorbeeld de zwijgende
+figuur <i>Leendert</i> in <i>Getjilp</i> onverklaard, geen kunst, anecdotisch
+gebleven, terwijl <i>Donker Laren</i> maar al te vaak niet boven het
+zuiver-folkloristische uitkomt&mdash;maar is zij dan tot zoo diep gedaald,
+dan komt ze plots tot bezinning en stijgt weer: in een paar gelukkige
+zinnetjes bewijst zij dan nog, ook veel van het essentieele te hebben
+doorvoeld&mdash;zie het slot van datzelfde <i>Het
+Wondervrouwtje</i>.&mdash;Rasschrijfster als zij is, deinst ze voor niets terug,
+overwint zij alle moeilijkheden tot volle bevrediging van den lezer en
+als spelenderwijs; men behoeft slechts de bedreiging met <span class="pagenum"><a name="p60" id="p60"></a>[p.60]</span> moord
+door den teleurgestelden minnaar en den gevaarvollen tocht der beide
+spieringvisschers op het Zuiderzee-ijs te lezen&mdash;beide in het prachtige
+<i>Harpje</i>&mdash;om er eens voor al diep van overtuigd te worden. In haar puren
+eenvoud, als zonder het te weten, dat zij zoo veelsoortig kostelijks in
+haar werk bergt, is zij zoowel romanticus als realist, vol humor als vol
+weemoed, beeldt zij even voortreffelijk synthetisch als ze prachtig
+psychologisch analyseert&mdash;lees eens, om dat laatste vooral te
+bewonderen, het mooie <i>Zalige Sien</i>, het slotstukje van den bundel!...
+</p>
+<p>
+Zoo schijnt ons dan slechts betrekkelijk weinig te wenschen over
+gebleven, en toch&mdash;is dat weinige wel z&oacute;&oacute; luttel als het schijnt? Een
+w&egrave;inig meer rustige aandacht bij de schrijfster, en des lezers genieten
+van het essentieele wordt niet meer zoo vaak door het bijkomstige
+verlet. Een w&egrave;inig meer eerbied bij de kunstenares voor eigen vermogens
+en voor het eigen wordende werk, en de taal wint aan die liefelijke
+waardigheid, zonder welke een feest van den geest nooit stoorloos
+verloopt....
+</p>
+<p>
+Heeft Wally Moes zich d&agrave;t &eacute;igen gemaakt, ik ben er zeker van, dat zij
+van een goede, een <i>voorname</i> schrijfster zal zijn geworden.
+</p>
+<p>
+April '14.
+</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p class="pagenum"><a name="p61" id="p61"></a>[p.61]</p>
+<h3>G.F. HASPELS: WISSELEND UITZICHT</h3>
+
+<p>
+Het kwam niet, geloof ik, door het zee&iuml;g-zilte, ruig-stoere en
+hel-doorwaaide van Haspels' wijd-open geest, dat ik zoo vaak moest
+denken aan die stedekens rond de Zuiderzee, als ik zijn werk las, want
+mijn verbeelding meende immers hen dan juist z&oacute;&oacute; te zien, gelijk zij
+zijn zullen wanneer eens ons machtigste binnenwater zal zijn gedempt en
+over het nieuwe land nieuw en sterk leven hun doode pleinen en straten,
+hun oude huizen binnentrekken zal. En evenmin kwam het, gelijk menig
+lezer allicht zou denken, door de onderwerpen, welke onze schrijver bij
+voorkeur behandelt. Het onderwerp-an-sich pleegt mij niet zoo te
+obsedeeren, dat het boek mij aan iets frisch doet denken als het
+onderwerp frisch is of ik het bij iets bedompts zou vergelijken, wanneer
+het onderwerp bedompt is. Neen, mij althans doet dit alleen de
+behandeling....&mdash;Maar het werd veroorzaakt, dunkt mij, door de
+half-onbewuste overweging, dat ook de heer Haspels tegelijkertijd z&oacute;&oacute;
+ouwerwetsch &egrave;n modern is als zulk een stadje vermoedelijk in de toekomst
+zijn zal; het wemelt soms van moderne sentimenten en levensaanvoelingen
+bij hem en die wemeling trekt maar, zoo gewoon-weg als hoorde 't niet
+anders, door Potgieteriaansche straten&mdash;nou ja, natuurlijk: d'r zijn ook
+nieuwe buurtjes bijgebouwd!&mdash;en Hildebrandsche geveltjes voorbij. Niet
+dat hij de hoog-aristocratische zwier, de gesoigneerde wellevendheid of
+het onvergelijkelijk stijl-vermogen des eersten bezitten zou&mdash;v&egrave;rre van
+dien! Maar z'n dialogen vooral, natuurlijk niet in zijn schetsen van
+volks- en zeemansleven, doch in zijn meer novellistich gecomponeerde
+verhalen der "betere" standen <span class="pagenum"><a name="p62" id="p62"></a>[p.62]</span>&mdash;verreweg zijn slechtste werk: te
+zeer verstandelijk in elkaar gezet, met allerlei bedoelinkjes en
+toevalligheidjes, zooals het z&eacute;&eacute;r n&agrave;re <i>Vriendschap</i> in dezen
+bundel&mdash;vertoonen van die Potgieteriaansche speelsche en andere
+wendinkjes. En zijn zij al meest van zulk een goedkoope gevatheid als
+dien Groote nooit uit de pen hadde gewild en missen zij immer diens
+hooge voornaamheid, toch laten zij niet den geringsten twijfel over de
+herkomst van den onbewust of bewust onderganen invloed, die in 't
+algemeen hun wording heeft beheerscht. En niet, dat hij den droog-fijnen
+humor van Hildebrand zou bezitten, neen, daar is hij te robust, te
+sterk-, ja laat mij maar gerust zeggen, te groot-levend voor, maar
+vooral en vaak bij het be&euml;indigen van zijn novellen en schetsen doet hij
+mij aan dien denken ... dan heeft hij iets van zijn manier, dan hoor ik
+zijn geluid.... Och ja, ik geloof eigenlijk dat bijna h&eacute;&eacute;l dat oude
+Holland van de middenjaren der vorige eeuw weer in hem tot nieuw leven
+is gekomen, soms tot een ruimer natuurlijker leven, dan het wellicht
+ooit bezat; zich in en door hem aan het moderne heeft verbonden. Zijn
+hecht aan de "<i>onbewuste</i>" natuur, het aarde-, water- en luchtleven
+verknochte aard, neen di&egrave; is allerminst van di&egrave;n tijd, noch specifiek
+van den onze; die, zijn kostbaarste kern, is iets van &agrave;lle tijden,
+waarin nog vrije en zuiver blijmoedige menschen kunnen bestaan; maar
+alles wat in engeren zin tot de litteraire uiting zijner ikheid behoort,
+dat is bijna immer be&iuml;nvloed door die periode en bijna nooit door die
+van '80 of de onze. Tot een visie&mdash;ge herinnert u <i>Onder den
+Brandaris</i>?&mdash;als die der "vier goudgehelmde, goudgepantserde reuzen",
+die van Rembrandtiek licht omgloorde "wandstaanders", kwam men niet in
+Hildebrand's tijd, nog veel minder tot een bijna sensitivistische
+aanvoeling als, terzelfder plaatse, van de "nacht, wind en zee (die)
+stonden daar met groote doode oogen verbaasd rond die lichtbron," op het
+"zwalkend, in eenzame duisternis verloren scheepje". D&agrave;t komt voort uit
+het moderne in Haspels, gelijk ook de z&eacute;&eacute;r ontroerende, pr&agrave;chtig zonder
+&eacute;&eacute;n kreukje in &eacute;&eacute;n stemming gehouden <i>Zaterdagavond-Herinnering</i>, in
+d&eacute;zen bundel. Maar w&egrave;l uit dien verleden tijd, wellicht uit iets van het
+beste daarvan, is het <span class="pagenum"><a name="p63" id="p63"></a>[p.63]</span> gedistingeerde, savant-samengestelde <i>In
+den Staringskoepel op Visite</i>, eene allerliefste causerie, vol van een
+luchtige, elegante eruditie; een gelukkige vervlechting van waarheid en
+droomen&mdash;godlof allerminst Jonathan'sche!&mdash;van natuurbeschrijving en
+mensch-typeering, fijntjes-effleureerende letterkundige appreciatie en
+prettig-aandoende zelfspot. Kom nou eens om z&oacute;&oacute;'n stuk bij den pur sang
+moderne!... Maar <i>De Medeplichtige</i>, dat toch ook een hartig en goed
+stukje is, laat dan weer het zw&agrave;k-ouderwetsche kantje zien. Hier als bij
+Augusta de Wit's <i>Nellis</i>, een strooper, een boer, die der "wrekende
+gerechtigheid" ontvlucht, door een dominee wordt geholpen en in
+veiligheid gebracht, maar hoeveel sterker is hier Augusta de Wit, omdat
+zij modern-koeler voor het geval staat; omdat zij in een speciaal
+moderne onverschilligheid voor het verh&aacute;&aacute;l, geen behoefte heeft gevoeld,
+dit met ouwerwetsche toevalligheidjes op te sieren tot het van een
+schetsje, een tranche de vie, een complete, gecomponeerde novelle zou
+geworden zijn. Overigens is er niet v&eacute;&eacute;l meer van dezen bundel te
+zeggen. <i>De Gouverneur-Generaalsche</i>: een aardig stukje. <i>De Maas voor
+Rotterdam</i> en <i>Op Holland's Breede Wateren</i>, nou ja, dat zijn van die
+goeiige toast-achtige dingetjes, waarvan je, als je in dezelfde
+enthousiaste after-dinner-stemming bent als de spreker,
+m&eacute;&eacute;-wijntraan-in-'t-oog-lacht, en anders maar 'n beetje verlegen je lip
+bebijt. Terwijl <i>Zwakke Kracht</i> en <i>Vriendschap</i> ... over het laatste
+heb ik al even gesproken en welnu: zoo is het eerste ook: beide
+onbeteekenende, door geen enkele qualiteit den schrijver waardige
+verhaaltjes, al opent <i>Vriendschap</i> dan ook met de bijzonder fraaie en
+lieve beelding van een meesje, dat op een zwiependen tak een tuinkamer
+in en uitwiegt. Maar in <i>Een Mensch</i>, daar is de schrijver weer op zijn
+sympathiekst, zijn sterkst en zijn best; daar is hij weer de wijd-opene,
+zoowel voor het klein- als groot-menschlijke zoo diep-ontvankelijke
+begrijper, zoo heelemaal niets in elkaar knutselend, zoo gansch niet
+zich verheven voelend boven zijn klein-menschelijk onderwerp en daardoor
+juist zoo prachtig erboven; zoo ontvangend en gevend het leven in &eacute;&eacute;nen
+tocht.
+</p>
+<p>
+<span class="pagenum"><a name="p64" id="p64"></a>[p.64]</span> Naar de taal in engeren zin, als k&ugrave;nsttaal, als plastisch
+materiaal, als rijkdom van &eacute;&eacute;nig-juist beeldende woorden, d&aacute;&aacute;r moet ge
+bij dezen ouwerwetsch-modeme eigenlijk heelemaal niet naar kijken. Want
+o ho! dan ziet ge wel h&eacute;&eacute;l duidelijk dat toen ten jare '80 dat lustige
+stormzeetje van <i>De Nieuwe Gids</i> Holland zooveel nieuwen rijkdom
+binnenbracht, de stad Haspels aan een l&eacute;&eacute;lijk-verzande haven moet hebben
+gelegen....&mdash;
+</p>
+<p>
+Sept. '14.
+</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p class="pagenum"><a name="p65" id="p65"></a>[p.65]</p>
+<h3>CORNELIS VETH: GIDS VOOR PADVINDERS, PRIKKEL-IDYLLEN VI</h3>
+
+<p>
+De heer Veth heeft door het schrijven zijner <i>Prikkel-Idyllen</i> onze
+literatuur met een bezit verrijkt, waarmede deze deftig-ernstige, dunkt
+mij, wel nimmer zal gedroomd hebben nog eens in haar rechtlijnige,
+streng-gebeeldhouwde hollandsche-kast te mogen pronken.&mdash;Zeker, wij
+hebben meer goedlachsche spotters gehad, maar hoe vaak was, in den
+nieuweren tijd, dan niet alleen het genre, maar ook de geest
+ge&iuml;mporteerd! De heer Veth deed beter: het uitheemsche genre ter
+verrijking van eigen literatuurschat aanvaardend, begreep hij, dat er
+van eenige werkelijke en blijvende winste geen sprake zou kunnen zijn,
+zoo hij het niet herschiep door en in eigen geest. Het geluk begunstigt
+vaak den moedige. Zou het hemzelf niet meegevallen zijn, dat die geest,
+eens aan het werk getogen, z&oacute;&oacute; kostelijk &ograve;n-hollandsch bleek in zijn
+schaterend-mal fantastisch doorslaan, zoo gelukkig in-hollandsch bleek
+in zijn niet aandikken van de geestigheid, in zijn telkens als kleine
+fonkellichtjes de &eacute;crituur &egrave;ven overschijnenden en dan weer bescheiden
+plots henen glimlach? Zoo ik u een bewijs moest geven van de
+aanwezigheid dier uitbundige fantasie, ik zou mij allicht verplicht
+achten u dezen geheelen "Gids voor Padvinders" af te schrijven, want zij
+komt uitteraard slechts bij het beschouwen van het geheel tot haar volle
+recht en is in een klein citaat niet dan zwak en verminkt te geven; maar
+zoo ge dien stillen, nauwelijks merkbaren glimlach mocht wenschen te
+zien, dat &egrave;ven trekken der mondhoeken van den verteller, dat &egrave;ven
+schalk-schuin <span class="pagenum"><a name="p66" id="p66"></a>[p.66]</span> kijken zijner oogen, dan is daaraan gemakkelijk te
+voldoen. Ziehier: "Jammer, dat wij niet kunnen genieten van het
+prachtige uitzicht, dat door gindsche dichte haag pijnboomen aan ons oog
+wordt onttrokken.... Maar hoe wisselvallig hier het climaat is, bewijst
+de ontzettende cycloon die daar plotseling opkomt en op enkele meters
+afstand van ons alles vernielt, eeuwenoude eiken met wortel en al uit
+den grond rukt, de planten mijlen ver wegslingert.... Ons uitzicht is nu
+meteen vrij gekomen en wij vervolgen dankbaar en vol natuurgenot onzen
+weg."
+</p>
+<p>
+Zelden, nietwaar, zal dat vermaarde "droge" van ons overigens zoo natte
+Holland, zich als tegelijkertijd z&oacute;&oacute; sappig en frisch hebben
+geopenbaard. En toch zijn deze prikkel-idyllen van onzen begaafden
+spotter, in al hun heuglijke deugdelijkheid nog slechts een begin; een
+begin, dat dan ook inderdaad noch het verrassende, noch het min of meer
+jeugdig-kleine van bijna elken aanvang van iets zeer
+beteekenisvol-nieuws mist. Dat beteekenisvolle, en voor ons land
+nagenoeg nieuwe, is: de ontwikkeling van den artiest-criticus in <i>diens
+eigen lijn</i> tot scheppend kunstenaar: den schrijver van den <i>Conte en
+marge</i>&mdash;men kent immers de buitengemeen-fraaie, soms zelfs grootsche
+kunstwerkjes van een Lemaitre in dit genre?&mdash;welke het air heeft van je
+zou zoo zeggen g&eacute;&eacute;n critiek te zijn en dit toch, o zoo fijntjes, o zoo
+stimuleerend en verheuglijk is.&mdash;Toen ik indertijd, de aandacht mijner
+Het Jonge Leven-lezers op de <i>Prikkel-Idyllen</i> vestigend, de parodie, om
+hun haar wezen duidelijk te maken, vergeleek bij de sluipwesp, die, haar
+eitjes in de rups leggend, &igrave;n het lichaam van deze &egrave;n door vernietiging
+daarvan, eigen geslacht doet geboren worden en gedijen, was, zoo dunkt
+mij nog altijd, dit beeld niet onjuist, zelfs ook indien meer in 't
+bijzonder in betrekking tot 's heeren Veth's werk beschouwd, voor zoover
+dit er inderdaad nu en dan in slagen mocht, het schadelijk broedsel der
+Schundlektur te knauwen, maar hoe onjuist daarentegen was 't in zijn
+toepassing op dat werk, wanneer men er op let, hoe geheel zonder
+boosheid en venijn het is, hoe gul de lach er in klinkt, hoe open en
+luidruchtig het leeft. En juist nu <span class="pagenum"><a name="p67" id="p67"></a>[p.67]</span> de co&iuml;ncidentie d&egrave;zer feiten:
+dat de parodie op een boek toch in zekeren zin een <i>Conte en marge</i> van
+dat boek kan worden genoemd; dat de <i>Prikkel-Idyllen</i> wel ongetwijfeld
+zeer geprononceerde parodie&euml;n zijn maar ook even zeker kiem-elementen
+van de niet-parodi&euml;erende <i>Conte en marge</i> in zich hebben, &egrave;n dat de
+heer Veth criticus is, doet mij hopen en verwachten, dat 't hem gegeven
+moge zijn, ook dezen schoonen uitlooper van den critischen geest in
+Holland te stekken. Zulk een <i>Conte</i> kan van alles in zich bevatten:
+fijne ironie, diep levensinzicht&mdash;wie zou er zich van kostbaarder
+gehalte wenschen, dan er bijvoorbeeld in Lemaitre's <i>En marge des fables
+de F&eacute;nelon</i> (<i>Le journal du duc de Bourgogne</i>) is&mdash;; sublieme verbeelding
+en liefdevol-fijne critiek&mdash;als in dat prachtige <i>En marge de Don
+Quichotte (Dulcin&eacute;e)</i>, om nu maar een paar te noemen. En het genre dezer
+verhalen lijkt mij des te edeler, omdat zij bijna immer een moedigen
+wedkamp om den prijs der hoogste schoonheid, met het "bekantteekende",
+meestal wereldberoemde, werk bedoelen! Dat ook de verovering dezer
+literatuursoort al evenzeer een diep ingrijpende veredeling van Veth's
+werk als een uiterst beteekenisvolle aanwinst voor onze litteratuur zou
+zijn, lijdt geen twijfel. Maar hetzij deze verwachting al dan niet in
+vervulling moge gaan, reeds nu past het ons, hem voor deze zijne kunst,
+al lijkt die slechts een aanvang vergeleken bij gene, den lof te
+brengen, die zoo min den talentvollen kunstenaar als den schepper van
+een nieuw genre in onze letterkunde vergeet.
+</p>
+<p>
+Nov. '14.
+</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p class="pagenum"><a name="p68" id="p68"></a>[p.68]</p>
+
+<h3>HERMAN ROBBERS: HELENE SERVAES</h3>
+
+<p>
+Misschien, neen zeker, ware het wel wijs &egrave;n betamelijker van mij
+geweest, ni&egrave;t over deze roman te schrijven. Want zoo ik het al immer als
+iets prettigs heb ondervonden, in een beminnelijk "verzoekinkje" te
+worden "geleid", 't zij om mij te mogen vermeien in mijn
+weerstandskracht, 't zij om de lang niet verwerpelijke zoete heugenis
+aan den ten slotte toch beganen p&eacute;ch&eacute; mignon te kunnen wijden door het
+herdenken van deugdzaam voorafgeganen tweestrijd&mdash;helaas! hier was geen
+verzoeking en ik werd nergens in geleid, maar voelde mij onmiddellijk
+vast besloten het misdrijf te plegen, toen ik inzag dat het te plegen
+was.... Of ik dus wel later met een heimelijk-monkelend glimlachje zal
+kunnen terugdenken aan d&egrave;ze zonde? Of ik mij niet schamen zal?...
+Komaan, laat me er maar niet verder over piekeren en mij aan het
+noodlot, dat mijn ijdelheid nu eenmaal over mij heeft uitgesproken met
+die bereidwilligheid en gemoedskalmte onderwerpen, die, verbeeld ik mij,
+den meesten mijner ge&euml;erde collega's in zulk een geval wel niet h&eacute;&eacute;l
+vreemd zullen zijn....&mdash;
+</p>
+<p>
+Toen ik <i>Helene Servaes</i> had gelezen stond het vast bij mij, dat ik met
+mijn kostbaar critisch inzicht zou gaan geuren&mdash;een zonde tegen den bon
+ton? best! maar het niet te doen dan toch weer een beleediging van het
+nieuwe heiligje, Il Santo Egoismo; en als ik dan toch tusschen twee
+zonden kiezen m&ograve;et.... En ziedaar dus: het is nu precies vijf jaar
+geleden, dat ik in mijn studie over Robbers hem "den dichter-proza&iuml;st
+der liefde bij uitnemendheid" onzer literatuur noemde, en, ei, ei! ik
+voelde en voel het nog zoo duidelijk: hoevelen zullen <span class="pagenum"><a name="p69" id="p69"></a>[p.69]</span> toen wel
+niet binnenkamers om die "overdrevenheid" hebben geglimlacht: de Robbers
+van <i>De Roman van een Gezin</i> was juist toen pas zoo een heel andere
+gebleken dan die van <i>Bernard Bandt</i>, van <i>Annie de Boogh</i>; dat
+passievolle kunnen-beelden van het liefdeleven scheen zoo m&egrave;t de eerste
+jeugd verdwenen en plaats te hebben gemaakt voor het koeler vermogen van
+minder romantischen en bezadigden realist, beelder van economisch en
+familiaal groepsleven.... En intusschen! hoe heerlijk heb ik nu toch
+maar gelijk gekregen.... Want <i>Helene Servaes</i> is een sterker beelding
+van de alles-beheerschende liefde, dan Robbers tot nu toe geschreven
+had; van een liefde machtiger dan die van <i>Annie de Boogh</i>, in eene
+figuur grooter dan deze. Zoo ook de laatste wordt gedreven te doen wat
+zij doet, door haar hartstocht voor den beminden man, zij voelt zeer wel
+dat zij aldus slechts naar haar <i>levensgeluk</i> kan gaan en een rampzalig
+toekomstleven onvlucht; zij verlangt dan ook niets liever dan haar
+gevoel gehoorzaam te zijn. De eerste echter weet ten slotte zeer
+bepaald, dat zij door haar liefde voor den getrouwden man Fokkema ia het
+<i>ongeluk</i> wordt gestort en gretig verlangt zij, in volle overgave den
+goeden en lieven Lucas van der Marel te mogen behooren, en desniettemin
+... haar ontzaglijke liefde beheerscht haar en drijft haar naar wanhoop
+en dood. Hier is een tragiek bereikt, die in dat andere passievolle werk
+werd gemist: die van den t&egrave; zwakken mensch in wien een elementaire
+natuurkracht opslaat als een vlam; de tragiek van een mensch, die nu
+eenmaal voorbestemd is, een "levende toorts" op het Nero-wreed
+natuurfeest te zijn.&mdash;Hoezeer dan ook Robbers, met het scheppen van dit
+werk, tot de eigenlijke roeping zijner kunstenaarsnatuur is
+teruggekeerd, blijkt, dunkt mij, overduidelijk uit het feit, dat hij nu,
+ouder geworden, n&agrave; het schrijven van dat koeler boek <i>De Roman van een
+Gezin</i>, niet alleen het geestelijk liefde-doorleven zijner jonge jaren
+verdiept en verinnigd maar zelfs <i>verhevigd</i> herwonnen heeft. Dit valt
+geen ten deel, wien niet, als kunstenaar, de liefde &egrave;n wortel &egrave;n vrucht
+&egrave;n merg des levens is....&mdash;
+</p>
+<p>
+Maar zoo mij een fijngevoelige nu zou vragen of ik, &egrave;indelijk en <span class="pagenum"><a name="p70" id="p70"></a>[p.70]</span>
+gel&ugrave;kkig, hiermee aan het einde mijner zelfverheffing ben geraakt en
+weer een leesbaar want bescheiden en ingetogen recensent wil worden, ik
+zou hem antwoorden: ik denk er nog niet aan! Want vertoont dit werk ook
+niet het begin der verwezenlijking eener andere destijds door mij
+uitgesproken verwachting? De verwachting, dat eens Robbers' "mystieke
+levensbegrijpen zijner jeugd weerkomen zal", dit levensbegrijpen, dat
+zich z&oacute;&oacute; schoon in <i>De Vreemde Plant</i> had geopenbaard en daarna&mdash;uit
+zijn werk verdwenen was.... Want wie die de beschrijving van Luuk's
+gewaarwordingen en liefdevisioen op blz. 184 heeft gelezen, zou niet
+merken, dat het dat mystiek doorvoelen was, waarheen des auteurs geest
+weer schuchter streefde, of wie ontkennen, dat hij, toen hij zoo innig
+dat moment beeldde, waarop Luuk Helene's afscheidsbrief ontvangt, &eacute;ven
+in een van de lagere ingangspoorten der mystiek stond: het sensitivisme?
+</p>
+<p>
+Toch, die nu meenen zou, dat de pochende recensent te diep in het
+glaasje der ijdelheid heeft gekeken, dan dat hij nog helder genoeg zou
+zijn, om de fouten te zien, die hij&mdash;<i>niet</i> heeft voorspeld, kwame
+bedrogen uit. Hij meent althans nog genoegzaam onbeneveld te zijn, om te
+mogen beweren, dat ook uit dit werk weer blijkt, hoe het inbrengen van
+een zwak pathologisch element in eene overigens niet pathologisch
+getinte romanfiguur zelden een voordeel is. Althans ook hier vermindert
+ongetwijfeld de hereditaire dispositie tot zelfmoord in Helene het
+<i>algemeen</i> menschelijke in haar, leidt des lezers aandacht een weinig af
+van haar innigste wezenheid-zelf en maakt zijn zien van haar als een
+ziel, die absoluut door de li&egrave;fde beheerscht wordt, een weinig troebel
+en onzeker&mdash;want nu is niet alleen de liefde Heiene's noodlot gebleken
+maar die neiging tot zelfmoord heeft haar bestemming mee gedetermineerd;
+men denke er zich eens in, hoe in dat wellicht innigste boek-van-liefde
+dat onze literatuur bezit, <i>Geertje</i>, de imposante verschijning der
+liefde ontzaglijk verzwakt zou zijn geworden, indien ook daar een
+dergelijk element ware ingeslopen!&mdash;; en ten leste, daar de figuur van
+Helene&mdash;en ik spreek ook nu niet van de beelding maar van den gebeelden
+mensch&mdash;althans <span class="pagenum"><a name="p71" id="p71"></a>[p.71]</span> in mijn geheugen immer als <i>a thing of beauty</i>
+zal staan, wordt mijn joy for ever daaraan door dat pathologische
+aanmerkelijk geschaad, want <i>niet</i> kan de schoonheid van de <i>beelding</i>
+eens menschen daardoor lijden maar wel en maar al te zeer de schoonheid
+van dien <i>mensch-zelf</i>. Want indien, zooals Helene Servaes, die mensch a
+thing of beauty &igrave;s&mdash;en als w&egrave;lk een aandoenlijk schoon, spiritueel
+figuurtje zie ik haar niet!&mdash;<i>dan is dat pathologische de barst daarin,
+de verminking daarvan</i>....&mdash;En voorts meent de recensent niet minder
+duidelijk te zien, dat door de sterke concentratie van des <i>kunstenaars</i>
+aandacht op de lichtende hoofdfiguur, hij niet gemerkt heeft, dat zijn
+helper, de <i>geroutineerde-schrijver,</i> zich nu en dan al te veel met de
+andere figuren bemoeide. Er is daardoor in de beelding dezer laatste
+hier en daar iets <i>clich&eacute;</i>-achtigs gekomen. De <i>vakman</i> Robbers schrijft
+t&egrave; gemakkelijk, <i>diens</i> stijl is t&eacute; gul-joviaal en ontaardt soms in
+diezelfde routine-gulheid en jovialiteit, die men bijv. ook vaak in het
+optreden van populaire volksleiders kan aantreffen. En mede hieraan is
+het ook te wijten, dat soms de dialoog te weinig
+individueel-genuanceerd, naar den aard der sprekende persoon, is Luuk is
+menigmaal heelemaal <i>Croes</i>-achtig&mdash;de lezer herinnert zich die
+prachtige vaderfiguur in <i>De Roman van een Gezin</i>?&mdash;en ook zijn vrienden
+hebben soms dat zelfde bruyante, haha'&euml;rige en handtastelijk lawaaiende
+als deze. M&aacute;&aacute;r dat minder goede blijft nooit lang. Zooals, dunkt mij,
+een meester-schilder, die zich plotseling herinnert, dat daar in den
+anderen hoek van zijn atelier, zijn leerling misschien iets god-weet-hoe
+staat te bederven, haastig naar deze toeloopt en met een enkelen toets
+een fout verbetert en iets kunst-l&eacute;vends in het werk brengt, z&oacute;&oacute; springt
+dan gauw de kunstenaar Robbers den vakman terzijde, duwt dien even weg,
+en ... kijk nou ereis ... hoe aardig en mooi in eenen ... door dat
+&egrave;nkele kleine trekje.... We genieten weer ...&mdash;Dit alles nader te
+argumenteeren valt natuurlijk buiten het bestek dezer critiek en
+trouwens hoe weinig belang heeft het, vergeleken bij het heuglijke feit,
+dat de schrijver van dit boek er het schoonste en meest eigenlijke van
+zijn kunstenaarsschap, zooals dat uit zijn jeugdwerken bleek, nu op
+verder <span class="pagenum"><a name="p72" id="p72"></a>[p.72]</span> gevorderden leeftijd, versterkt en verinnigd in mocht
+uiten. En ik zou hier dan ook gevoeglijk kunnen eindigen, zoo het
+schrijven over Robbers' herontwaakte mystieke neigingen en over <i>De
+Vreemde Plant</i> mij niet een mijner literaire ergernissen te hevig had
+doen voelen, dan dat ik haar niet luchten zou. Dat die prachtige ook
+door van Deyssel zoozeer geprezen novelle maar in den, naar ik meen
+vrijwel vergeten, bundel van Phocius blijft opgeborgen, ik vind het
+zonde en jammer. Want de twee andere verhalen daarin,... vooral <i>Een
+Kalverliefde</i>.... Het geval doet mij altijd denken aan dat ongelukkige
+meisje, dat niet gescheiden werd van het lijk van het met haar
+saamgegroeide zusje en daardoor zelf sterven moest. Waarom ook hier niet
+resoluut het chirurgisch mes genomen en het levende, mooie kind van 'r
+dooie familie bevrijd?... "Ho, ho, d&agrave;t gaat toch te ver, toch zeker te
+weinig nuchter voor een <i>medisch</i> advies!" hoor ik hier plotseling en
+heftig mijn voorzichtige en fijngevoelige roepen.... Maar och kom, wat
+zou dat! Is dan in vino&mdash;zelfs dien der ijdelheid&mdash;geen veritas?...
+</p>
+<p>
+Mei '15.
+</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p class="pagenum"><a name="p73" id="p73"></a>[p.73]</p>
+<h3>H. VAN LOON: TROUWELOOZEN</h3>
+
+<p>
+Een caleidoscopisch boek. Een wemeling van figuren, gebeurtenissen en
+analysen vermoeit des lezers aandacht en doet hem zich afvragen, of 't
+niet te veel gevergd zou zijn, van dezen jongen, schoon zeker
+talentvollen auteur reeds te verlangen, dat &agrave;l zijn figuren zouden
+werkelijk leven, &agrave;l zijn gebeurtenissen in duidelijk zichtbaar causaal
+verband zouen staan, van &agrave;l zijn analysen niet soms de een de ander zou
+logenstraffen. En inderdaad, hoe klaarder onze kijk wordt op dit werk,
+des te duidelijker blijkt ons, dat we dit alles maar niet moeten
+eischen. Want zouden wij dit wel doen, schipperden we niet wat met onze
+overtuiging, dat wij feitelijk &egrave;lken schrijver zoodanigen eisch mogen
+stellen, onze teleurstelling over de afwijzing ervan, bracht er ons
+allicht toe, uit gemelijkheid den auteur de lof te onthouden, waarop hij
+toch onbetwijfelbaar recht heeft. Overigens, die lof&mdash;zoo beteekenisvol
+hij ook moge zijn&mdash;is spoedig genoeg gezegd: de menschelijkheid van dit
+werk en zijn schrijver is een veel-omvattende en innerlijk-rijke, &egrave;n: de
+uitbeelding is nergens zoo mislukt, dat wij niet overal de aanwezigheid
+dier menschelijkheid zouden kunnen voelen. M&aacute;&aacute;r: die voelend ziet men
+ook onbetwijfelbaar tegelijkertijd in, dat, hadde de auteur nog wat
+gewacht, gewacht namelijk tot hij als kunstenaar de behandelde stof
+volk&ograve;men meester was, het werk aan deugdelijkheid v&eacute;&eacute;l zou hebben
+gewonnen, want nu hij dat niet heeft gedaan, nu hij al te haastig, heel
+z'n mooie bouwdoos bij elkaar gegrist, de literatuurtrap komt opgehold,
+nu ziet moeder Critiek helaas, dat hij de mooie blokjes en beeldjes
+leelijk heeft door elkaar <span class="pagenum"><a name="p74" id="p74"></a>[p.74]</span> gerammeld: daar is een hoekje afgebotst
+en hier een spijltje verbrokkeld en de boel past niet meer precies op
+elkaar....&mdash;En niet alleen dat de logiek van het gebeuren in dit werk en
+de logische continu&iuml;teit der analysen wel eens zoek zijn, maar er is ook
+iets in dezen roman, dat men misschien het best den epischen esprit de
+l'escalier zou kunnen noemen: nog hebben wij sommige figuren niet goed
+aangekeken of daar staan plotseling weer een paar spiksplinternieuwe
+voor ons, en, eindelijk, nadat we die dan een paar bladzijden lang
+hulpeloos en vervreemd hebben aangestaard, komt op z'n elf-en-dertigst
+en in 'n "naschuitje" pas de verklaring aangewiebeld, wat ze daar nu
+eigenlijk te maken hadden.&mdash;Verliest dit boek nu en dan voor een wijle
+zijn karakter van psychologischen roman, geeft het 't leven in handeling
+en dialoog van zijne figuren-zelf, hoe dikwijls, z&egrave;ker, achten wij 't
+ook d&agrave;n z&eacute;&eacute;r gelukt, maar ai! welk een onmacht grijnst ons ook somtijds
+aan. Men behoeft maar in 't begin die sc&egrave;ne te lezen, waarin Lotte Geert
+haar ontrouw bekent, om voor een mislukking te staan, die moeielijk als
+zoodanig kan worden overtroffen. Ook de dialoog is, door het geheele
+werk heen, moge zij slechts zelden slecht kunnen heeten, bijna even
+zelden zoo van leven fonkelend, als men het recht heeft te verlangen. En
+wat toch in den psychologischen roman, wil hij voortreffelijk heeten,
+onontbeerlijk is: een analyse van <i>fijne, diepe</i> vondsten &egrave;n een
+beeldend-analyseerende taal&mdash;zij zijn grootendeels afwezig. Maar in
+weerwil van dit alles, al w&agrave;re niets anders geslaagd dan die ruige,
+tintel-levende figuur van Geert, dan nog zou deze ons duidelijk maken,
+dat wij hier met een schrijversaanleg te doen hebben, die z&oacute;&oacute;veel in
+zich bergt, dat ze zich de wat grootscheepsche weelde mag veroorloven,
+een omvangrijk en gedeeltelijk minder gelukt werk als dit, ons als zeer
+betrouwbare belofte van vele toekomstige volkomen-gelukte en rijpe te
+geven. Bezit en hoop dus ... ten slotte blijkt het niet weinig wat de
+heer Van Loon ons schenkt.
+</p>
+<p>
+Febr. 1916.
+</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p class="pagenum"><a name="p75" id="p75"></a>[p.75]</p>
+<h3>CYRIEL BUYSSE: OORLOGSVISIOENEN</h3>
+
+<p>
+Een zeer vermakelijk &egrave;n diep-aandoenlijk boek. Ziehier in weinig woorden
+de twee ver uiteenloopende eigenschappen van dezen bundel gekenschetst,
+eigenschappen, die maar al te zelden beide in het levenswerk van &eacute;&eacute;n
+auteur worden gevonden, n&ograve;g zeldzamer in &eacute;&eacute;n bo&egrave;k voorhanden zijn. Men
+moet dan ook al een rasepicus, een volbloed romancier als deze groote
+Vlaming zijn, om ze beide in z&oacute;&oacute; kort bestek, verweven in figuren z&oacute;&oacute;
+vol leven en tevens z&oacute;&oacute; luchtig &egrave;n geacheveerd gebeeld, te kunnen geven.
+De satyriek-humoristische verhalen: <i>De heeren Bollekens in oorlogstijd,
+Het oorlogshuwelijk van meneer Calkoen</i> en <i>Rikiki</i> vullen meer dan twee
+derden van den bundel. De uit hun evenwicht geslagen, smulpapige
+rijkaards met "de mooie meid" in de eerste novelle; in de tweede de oude
+scharrelaar, die elke twee jaar een andere dienstmeid neemt, en nu tegen
+'t einde van zijn leven dan toch waarlijk door de toevallen van den
+krijg wordt gedwongen met de laatst bij hem in dienst getredene te
+trouwen; de generaalsfamilie, die door het kleine schoothondje
+getyranniseerd wordt in het derde verhaal&mdash;zij alle <i>vermaken</i>, terwijl
+in <i>Rikiki</i>, in de boeven-sc&egrave;ne, zelfs een Decamerone-achtige atmosfeer
+wordt gevoeld. Ook deze verhalen zijn vol van de inwerkingen en 't
+gebeuren van den tragischen oorlogstijd, maar toch, het eigenlijk bij
+zulk een tijd behoorend groote sentiment liet zich niet dan onderwaardig
+aan hunne half-comische figuren verbinden. Het filtert maar zoo'n beetje
+door de novellen heen. Maar dan doorleven we in drie vlot geschreven,
+anecdotische "niemendalletjes"&mdash;waarvan nochtans het middelste, <span class="pagenum"><a name="p76" id="p76"></a>[p.76]</span>
+<i>In de vuurlinie</i>, een hooger waarde allicht mag hebben als rake
+beelding van den grondvasten Vlaamschen boer&mdash;de overgang naar het
+diep-aandoenlijke. Dit laatste openbaart zich voor 't eerst zeer sterk
+in <i>De Vrijwilliger</i>, den man, die met een bajonetsteek een "vijand"
+doodt, en als hij onder zich in de loopgraaf diens brekende oogen ziet,
+"pardon" stamelt. Vooral hierin is wel de volle en &ograve;nmiddellijk zich
+uitende tragiek van den krijg bereikt, terwijl weer eene prachtig
+visionnair-beeldende kracht het treffendst in <i>De Vlucht</i> is. Zie eens
+dit kleine stukje: "... het scheurde hun door 't hart, maar 't moest,
+het mo&egrave;st, er was geen oogenblik meer te verliezen, zij hoorden de
+vernieling in de verte aanloeien, en zij werden meegenomen in den wilden
+stroom der vluchtelingen, terwijl daar in de diepte de eerste huizen van
+het dorp reeds brandden....
+</p>
+<p>
+"In volle vaart renden zij het roode westen in. Wat zag het vreeselijk
+bloedrood dien avond! De zon was onder, maar hoog en wijd over de kim
+had zij haar langzaam-tanend bloedlicht nagelaten, 't Was als een
+tafereel der wreede, oude tijden. Somber, voorovergebogen in hun vlucht,
+holden, in roodachtige stofwolk, die duizenden en duizenden daar wild op
+in...."
+</p>
+<p>
+En dan bij de lezing van <i>De Moeder</i>, van <i>Singen ... Singen</i> ...! van
+<i>De Terugkeer</i>&mdash;welke criticus, die geen critiek-machine is geworden,
+zou niet zijn wijde aandoeningen van mede-lijden en mede-genieten de
+volle heerschappij over zich hebben gelaten.... Het is dan ook mede
+daaraan, dat de lezer het heeft te wijten, zoo hij hier het sausje
+missen moet, zonder 't welk het gerecht van een Buysse-bespreking door
+een kok van d&egrave;zen tijd, die op z'n goeden naam gesteld is, niet mag
+worden opgediend, het sausje, welks ingredi&euml;nten bestaan uit 'n paar
+lepels vaderlandsliefde van Buysse, liefst opgewogen tegen en goed
+vermengd met die van Streuvels benevens wat droppeltjes g&ograve;eie
+H&ograve;llandsche azijn erover been....&mdash;Helaas, ik arme, ik kan er hem niet
+aan helpen. Maar niettemin verwaardige hij zich dit zeer bescheiden
+schoteltje te proeven.... Het smaakt alleen naar Buyssensche
+<i>menschheids</i>liefde? Ik ontken 't niet, maar zou dat ook niet
+voldoende kunnen <span class="pagenum"><a name="p77" id="p77"></a>[p.77]</span> zijn? ... En komaan, w&egrave;g nu maar met deze
+keukenmeiden-beeldspraak. Ik zegge hem slechts nog kort en goed tot
+besluit, dat als in toekomende tijden naar de qualiteit der
+vaderlandsliefde van deze twee geniale artisten zelfs geen vurigste Coq
+Gaulois meer kraaien zal, nog duizenden hen lievende en in hun werken
+verdiepte lezers zullen getuigen: "Hoe hebben deze twee de <i>menschheid</i>
+liefgehad." En is het niet deze liefde, waarop het voor de
+literatuurcritiek op aankomt? Is het niet deze in tegenstelling met de
+andere, die eene der maatstaven van haar oordeel moet zijn?
+</p>
+<p>
+Febr. 1916.
+</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p class="pagenum"><a name="p78" id="p78"></a>[p.78]</p>
+<h3>VICTOR IDO: DE PAUPERS</h3>
+
+<h4>Roman uit de Indo-Europeesche samenleving</h4>
+
+<p>
+Het Realisme, eindelijk beu van de kosjere keuken, heeft zich breeduit
+aan de Indische rijsttafel gezet. Anders gezeid: het Realisme&mdash;we
+moesten eigenlijk van 'n soort Naturalisme spreken, maar dat tooverwoord
+roept z&oacute;&oacute; machtige geesten op ...&mdash;na jarenlang het leergraag Hollandsch
+publiek onderricht te hebben in wat 'n <i>chochem</i>, 'n <i>sjlemiel</i>, 'n
+<i>souger</i>, enz. enz. is, heeft nu een cursus geopend in <i>Totok</i> en <i>Indo,
+mata glap, rongg&egrave;ng</i>, etc. Ons leeren is spelen, en loopt 't een beetje
+mee, dan kunnen we zonder eenigen twijfel, zooals we vroeger in 'n wip
+de moreinoe hebben gehaald, 't volgend jaar het Indisch
+groot-ambtenaarsexamen doen. <i>De Paupers</i> althans behoort zeer zeker tot
+de buitengemeen prettige leermeesters in al deze wetenswaardigheden,
+want een gewoon-goed boek, een boek van gezonde middelmatigheid is het
+&oacute;&oacute;k. De schrijver slaagde erin, zoowel uitzonderlijk-nobele figuren,
+Tjang Sina en Grootvader Sam Portalis, als die van een zeer zinnelijken
+geweldenaar gelijk Boong Portalis, levenswaar te beelden. Natuurlijk
+ontbreekt ook in dit Indisch boek het occulte element niet. Maar daarmee
+heeft de auteur een beetje geschipperd. Hij heeft de aarzelingen gekend
+wier <i>af</i>wezigheid een stuk als <i>De Vader</i> van Augusta de Wit in de
+gelegenheid stelde zoo sterk-eerlijk te zijn, zoo volledig te slagen. En
+zooals de afwezigheid van dergelijke weifelingen&mdash;gelijk ik destijds
+uiteenzette<a name="FNanchor_1_21" id="FNanchor_1_21"></a><a href="#Footnote_1_21" class="fnanchor">[1]</a>&mdash;soms
+de <span class="pagenum"><a name="p79" id="p79"></a>[p.79]</span> visionnaire kracht eens kunstenaars
+bewijst, zoo toont de aanwezigheid een zekere visionnaire zwakte aan. En
+dit gebrek aan kracht openbaart zich dan ook niet alleen daarin, maar
+tevens, zij het slechts een enkel maal, in een verzwakkende herhaling
+van het reeds gezegde of in een onverwachte vernuchtering, als ware er
+een plotse breuk in het sensitive en visionnaire leven van den auteur
+gekomen en of hij, vreemd, vergeten hadde wat hij pas zoo nadrukkelijk
+zei. Maar ik herhaal het: dit gebeurt slechts uiterst zelden. Overigens:
+niets dan goeds; er leven een paar lieve, jonge vrouwen-figuurtjes in
+het verhaal, Da&iuml; en Nini. Mr. van Vierzen Pel, de president-rechter, is
+in zijn hartstocht voor Da&iuml; zoowel als in zijn immer indachtig-zijn aan
+zijn positie, zeer raak gebeeld, en dat zonder eenig valsch pathos, of
+de geringste mooimakerij. Kortom, om nu maar niet al de welgeslaagde
+figuren gedetailleerd te bespreken, de doorschouwingsinnigheid van den
+schrijver reikt overal diep genoeg, om ons duidelijk te doen gevoelen,
+dat ook deze Indo-Europeesche samen-leving precies als al hare zusteren
+van ons tijdvak, eigenlijk een apart-leving is van in dwaasheid en wanen
+bevangen, elkaar hatende en minachtende coterie'tjes en individuen.
+</p>
+<p>
+Juni '16.
+</p>
+<p class="caption">
+Noot:
+</p>
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_21" id="Footnote_1_21"></a><a href="#FNanchor_1_21"><span class="label">[1]</span></a> Zie<i>De Gids</i> van Juni 1915. Blz. 489 e.v., of mijne
+<i>Nederlandsche Romanci&egrave;res van onzen Tijd</i>, dat in 1920 bij de
+Uitgeefster van dit boek zal verschijnen.</p></div>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p class="pagenum"><a name="p80" id="p80"></a>[p.80]</p>
+<h3>P. RA&Euml;SKIN: PASTOOR HORSMAN</h3>
+
+<p>
+Wie pastoors en dominees louter als novellistische figuren der
+Hollandsche literatuur kent, heeft de dominees zelden anders leeren zien
+dan, om 't vergoelijkend te zeggen, als een ras van saaie pieten, de
+pastoors daarentegen als een groep bruyant-levenslustige menschen, die
+om den hemelschen nectar een goed glas aardschen wijn niet versmaden en,
+Gode den wierook gunnend, voor zich een edele Havana weten te
+waardeeren; vaak ook als na&iuml;eve groote-kinderen, met een rotsvast,
+primitief geloof in hun religie, soms daarbij tyrannieke autocraatjes,
+t&ograve;ch bijna immer beminnelijk en v&oacute;&oacute;ral: <i>menschelijk</i>. De rollen
+schijnen wel waarlijk omgekeerd: aan den eenen kant de dominee, de pater
+familias, die nochtans met een gezicht rondloopt&mdash;wel te verstaan: in
+de literatuur!&mdash;als zuchtte hij onder alle ascetische zelfkwellingen en
+onthoudingen, die er in het brein van een Yogi zouden kunnen opkomen;
+aan den anderen kant de pastoor, die, aan zijn kuischheidsgelofte
+getrouw, w&egrave;rkelijk een zich hevig pijnend asceet mag heeten en nochtans
+de blijmoedigheid en levenslust zelve is. En d&igrave;t is dan ook wel de
+zuiver-mensehelijke charme der literaire pastoorsfiguur, dat zij zich
+nooit op het heel bijzondere harer zelfoverwinning laat voorstaan, ja,
+van de hooge waarde daarvan niet schijnt af te weten, en dit daarentegen
+het afstootelijke der literaire domineesfiguur, dat zij zich een houding
+van onzinnelijk en vergeestelijkt leven geeft, die haar heelemaal niet
+toekomt.&mdash;De heer Ra&euml;skin heeft de dominees de dominees gelaten en zich
+ertoe bepaald de pastoorsliteratuur met een z&eacute;&eacute;r liefdevol en in elk
+opzicht <span class="pagenum"><a name="p81" id="p81"></a>[p.81]</span> uitnemend en zorgzaam geschreven werkje te verrijken. Het
+behandelt de bekeering van een reeds oud en ouderwetsch priester, die
+niets van volksbonden en kinderpatronaten moet hebben, tot een modern
+herder, die, zelfs v&eacute;&eacute;l aan "sociaal werk" doet. Hoe die bekeering zich
+langzamerhand onder den invloed van een jong kapelaan voltrekt en het
+juist en ten slotte de zonde van dien kapelaan is&mdash;hij wordt er door den
+pastoor op betrapt, dat hij een meisje omhelst&mdash;die de aarzelingen van
+den ouden priester overwint en hem, die zijn ontslag reeds wilde vragen,
+aan zijn ambt teruggeeft, het wordt door Ra&euml;skin met zuiver
+psychologisch inzicht, met volkomen ontstentenis van alle mooidoenerij
+en in een zeer fijngevoelig beeldende taal weergegeven. Deze laatste is
+trouwens door het geheele boek heen zoo opmerkelijk, dat ik het niet
+minder als een plicht dan als een genoegen voel er eenige voorbeelden
+van te geven. Van een bisschop: "Hij ... boeide door de <i>verrassing, in
+zijn grootwaardigheidsbestaan menschengrapjes te willen
+kennen</i>."&mdash;"<i>Over den ordelijken aanleg</i> dwarste de zon eigen
+<i>lichtperken, waarin gras en grint te zaam bloeiden</i>."&mdash;De huishoudster
+"vertilde 't verstelgoed van haar schoot naar de <i>avondschoone ruimte</i>
+op de tafel."&mdash;En beluister eens hoe Ra&euml;skin's verhaal-stijl
+mee-rhythmeert met den aard van het gebeuren. De pastoor heeft besloten
+zijn ontslag te vragen en neemt een aanloopje, om dit zijn huishoudster,
+die hem twintig jaar trouw heeft gediend, mede te deelen. De vrouw
+begrijpt hem onmiddellijk. "Ze <i>verstond</i> uit zijn woorden, <i>dat hij
+zijn jaren opgeteld had</i> en weg wilde..." zoo vertelt 't onze schrijver
+en is er aldus in geslaagd, in die weinige door mij gecursiveerde
+woorden van bijbel-plechtige wijding heel de ontroering dier twee oude
+menschen op dit voor hen zoo gewichtige oogenblik te geven&mdash;te geven
+zonder met een woord van die ontroering-zelve te hebben gerept.&mdash;En
+niettemin, naast zoovele deugden heeft dit boek deze groote
+tekortkoming, dat het te ondiep blijft, het hart-innige leven niet
+raakt. Dat het sexueele gevoelsleven der waarlijk-geloovige en kuische
+priesters&mdash;en zulk een is Pastoor Horsman&mdash;een geweldig, schoon soms
+meer latent, maar dan toch straks weer <span class="pagenum"><a name="p82" id="p82"></a>[p.82]</span> te heviger oplaaiend,
+element in hun psychisch complex moet vormen, wie kan het betwijfelen?
+En ook: wie langer nadenkt over den levenslust en de blijmoedigheid
+dezer, zij 't eenzijdige, asceten, zal allicht inzien, als ik, dat die
+levenslust niet slechts niet-strijdig is met dat ascetisme, maar er
+zelfs uit voortvloeit. Het wil mij namelijk toeschijnen, dat zij
+voortkomt uit de zelf gerustheid, de diep-stille tevredenheid van den
+zelfoverwinnaar. Vandaar dan ook deze, ook in dit boek zoo uitstekend
+gebeelde, losheid en snaakschheid in den onderlingen omgang dezer
+geestelijken: het groote offer hunner machtigste hartstochten heft hen
+van zelf boven het pueriel gedoe en den door dat <i>werkelijke</i> offer
+<i>overtollig</i> geworden <i>schijn</i> van "geestelijkheids"-uiterlijkheden uit.
+En welnu, dit geheele gevoelsleven, het sexueele complex van worsteling
+en overwinning of nederlaag, wordt in dit boek helaas niet
+aangeraakt&mdash;het voorvalletje met den kapelaan heeft louter
+compositorische, geen psychologische waarde&mdash;en daardoor wellicht, dunkt
+mij, niet slechts deze, maar ook elke andere wellicht mogelijke
+verklaring van gene blijmoedigheid gemist.&mdash;Vroeg men mij echter wat,
+naast die groote tekortkoming, wel de h&oacute;&oacute;gste deugd van dit werk is, ik
+zou zeggen, dat het trots en in zijn beperking toch z&oacute;&oacute;' l&eacute;&eacute;ft, dat het
+bijna de literatuur voor het leven doet vergeten.... Het doet den lezer
+<i>droomen naar het leven toe</i>, en al diens met het boekonderwerp verwante
+herinneringen roept het op.... O, die tegenstelling tusschen de
+hakkelende <i>Pastoor Jansen's</i> niet alleen&mdash;herinner U dien groot-goeden,
+kinderlijk-zuiveren vriend van lieven <i>Woutertje</i>!&mdash;en de rhetorische
+<i>Dominee Doelaeker's</i>, maar ook tusschen de laatsten en de
+kleiner-menschelijke <i>Pastoor Horsman's</i>&mdash;en nu maar in 's hemels naam:
+w&egrave;l te verstaan: in het <i>leven</i>!&mdash;... Hoe jeuken mij de vingers d&aacute;&aacute;rop
+door te gaan ... Maar zoo ik 't deed, ik viel uit mijn
+literair-critische rol, en het ge&euml;erde publiek fl&oacute;&oacute;t mij het tooneel
+af&mdash;terecht!&mdash;
+</p>
+<p>
+Oct. '16.
+</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p class="pagenum"><a name="p83" id="p83"></a>[p.83]</p>
+<h3>LOUIS COUPERUS: DE KOMEDIANTEN</h3>
+
+<p>
+Het is nu al 'n vijf jaar geleden, dat ik mij 'n weinig vroolijk mocht
+maken om het <i>Antiek Tourisme</i> des heeren Couperus, sindsdien volgde ik
+zijne productie slechts zeer accidenteel ... ontmoette ik 'm eens in
+zijn tijdschrift, het was mij genoeg: ik z&ograve;cht hem niet, hij boezemde
+mij geen belangstelling meer in.... Wat mij interesseert in een eens
+gr&oacute;&oacute;t gebleken kunstenaar, dat is het, zij 't dalend-en-stijgend,
+bewegen van zijn <i>genie</i>, en daar nu de heer Couperus van zijner
+jeugdjaren genie voorgoed verlaten scheen en een "vruchtbaar talent" was
+geworden, een talent met precieuse stijl-versteeninkjes, trucjes,
+maniertjes en routine, werd dit mij weldra een quantit&eacute; n&eacute;gligeable, al
+had ook die quantit&eacute; een zoo geweldigen omvang dat zij alle
+letterkundige bourgeois &eacute;pateerde tot bezwijmens toe. Deze literaire
+zeeslang, die zoo langzamerhand alle de landen "rondom de oude
+wereldzee" met hare kronkels omvatte, mocht voor mij zoo dik en lang
+zijn als ze maar wou en kon, ze mocht heele scheepsvrachten ou&euml;
+Romeinen, Grieken en Aziaten vreten&mdash;sinds ik meende zeker te zijn, dat
+zij toch nooit meer op 't strand mijner verwachting &eacute;&eacute;n w&egrave;rkelijken
+m&egrave;nsch zou werpen, &eacute;&eacute;n naakten mensch, een Jona, maar louter homunculi,
+als uit Dr. Wagner's fleschje, zag ik niet meer naar haar om. Tot plots
+... daar wordt me nu dit boek toegezonden: een werk w&eacute;&eacute;r over de antieke
+wereld, ditmaal hare comedianten; een werk w&eacute;&eacute;r met maniertjes, trucjes
+en zeer kunstmatige verkwijningen en verfijningen, maar tevens een met
+eenige figuren van <i>waarlijk-diepe, ruw-teedere menschelijkheid</i>: de
+dominus-gregis en de gladiator Carpoforus <span class="pagenum"><a name="p84" id="p84"></a>[p.84]</span> vooral. En gaarne erken
+ik ook, dat het boek vol fijne stemmingen is, stemmingen vaak verweven
+in den dan zeer zuiver en schoon gestileerden dialoog. Doch het is
+jammer, schoon niet dan zeer natuurlijk, dat Couperus, sinds hij een
+niet meer door het genie gepossedeerd schrijver is, zich te zeer bew&ugrave;st
+is van wat hij doet, en derhalve als hij merkt iets aardigs te hebben
+gedaan, dit met alle geweld n&ograve;g mooier wil maken, welke bedoeling dan
+natuurlijk steevast de haar tegengestelde uitwerking heeft. Zoo beeldt
+hij heel bevallig en soms aandoenlijk de tweeling-comediantjes in dit
+boek, 'n beetje perverse jongetjes en tevens de begaafdste
+tooneelspelers van hun troep, in al hun verhoudingen van jaloezie en
+liefde tot de anderen en ook in hun diepe aanhankelijkheid tot elkaar,
+in hun onscheidbaar-&eacute;&eacute;n zich voelen: ze worden ziek als ze van elkaar
+gescheiden zijn. En nu is &eacute;&eacute;n van des auteurs manieren, om deze eenheid
+den lezer duidelijk te maken, de beide jongens voortdurend hetzelfde te
+laten zeggen, denken, en den een telkens den zin te laten afmaken, dien
+de ander heeft begonnen. Een aardig vondst<i>je</i>.
+</p>
+<p>
+Maar helaas, dit dient hij ons nu z&oacute;&oacute; vaak en zonder erbarmen toe, dat
+je wel wee mo&egrave;t worden van dit dooreengekakel: dat je de nervositeit
+krijgt van iemand in een benauwend <i>gedrang</i>, doordat het is alsof die
+jongetjes <i>elkaar aldoor op de hielen trappen</i>.
+</p>
+<p>
+Een andere maal, bij die <i>uitstekend-gebeelde</i> openingssc&egrave;ne in Nilus'
+taveerne, laat hij te midden het vertienvoudigde Jan Steen-rumoer
+telkens een ezelskop door een luik komen kijken en zijn I-ha balken.
+M&aacute;&aacute;r eilaci, Couperus-zelf heeft weer eens gezien ho&egrave; aardig dit is, en
+nu wordt hij klaarblijkelijk door zoo een <i>Midsummernight's
+Dream</i>-Titania-verliefdheid op dien ezelskop bevangen, dat hij dien ter
+eere niets beters weet te doen dan bij deze gelegenheid, van zijn proza
+&mdash;let maar op:"... om de volte, de veelte, de vaalte van het
+<i>vage</i>"&mdash;een v-stal te maken. In trouwe: wie begaat nu z&oacute;&oacute; een
+alliteratie-tr&ugrave;cje &egrave;n meent, dat-ie iets moois heeft gedaan, behalve een
+veertienjarig gymnasiast?! Zoo wisselt voortdurend het
+kinderlijkst&mdash;vaak kinderachtigst&mdash;spel met den diep-menschelijken ernst
+af. Hoe uitstekend <span class="pagenum"><a name="p85" id="p85"></a>[p.85]</span> bijv. zijn met weinig trekjes de edele figuren
+van Plinius den Jongeren en Tacitus, de geestige van Martialis gebeeld;
+hoe zuiver-idyllisch van toon is hun tafelend samenzijn. En zoo dan kon
+'t gebeuren, dat ik in mijzelf, al lezend, &egrave;n fel spotte, &egrave;n genietend
+prees.... Ja, laat mij naar waarheid hier boekstaven, dat ik &eacute;&eacute;ns z&oacute;&oacute;
+ontroerde, dat deze mij oude en vertrouwde gedachte jong-heftig uit haar
+sluimer zich hief: hoe schoon is het leven naar alle zijden, de ruwe
+kracht van het volk &egrave;n de decadentie der verfijnden; wanneer zal ik toch
+den Eeuwigen Grond benaderen, waaruit heel die wereld van
+onafzienbaar-ver fonkelende en elkaar vijandige verscheidenheden
+&eacute;&eacute;ndr&agrave;chtig en diepgevoed geboren wordt.
+</p>
+<p>
+Dec. '17.
+</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p class="pagenum"><a name="p86" id="p86"></a>[p.86]</p>
+<h3>FELIX TIMMERMANS: HET KINDEKEN JEZUS IN VLAANDEREN</h3>
+
+<p>
+Was het Timmermans' benijdbare bestemming in zijn verrukkelijk
+<i>Pallieter</i> een menschenkind tot een god te doen worden, een genieter en
+god van het blijde leven&mdash;want in waarheid: wie zou in zulk een
+volkomen-<i>leedlooze</i> een <i>mensch</i> kunnen herkennen?&mdash;In <i>Het Kindeken
+Jezus</i>, dat wonderlijke, droom-vage &egrave;n droom-felle boek, verhaalt hij
+het begin der oude en eeuwig-jonge geschiedenis van den God, die mensch
+werd, eene geschiedenis zoo oud als de wereld, doch die in de evangeli&euml;n
+eens haar onze westersche wereld meest be&iuml;nvloedenden vorm vond. Onze
+schrijver zou ongetwijfeld de tegenstelling-zelve tusschen deze zijne
+beide boeken, tot een magistrale grootheid hebben gevoerd, indien hij na
+den Man der Vreugde nu den Man der Smarte hadde gebeeld. Z&oacute;&oacute; ver en hoog
+echter reikte, reeds blijkens den titel van zijn werk, zijn bedoelen
+niet. De Christus-tragedie heeft een idyllischen aanvang, en tot dien
+aanvang nagenoeg heeft Timmermans zich bepaald: waar zich ook d&aacute;&aacute;rmede
+reeds het gew&egrave;ldig-tragische vermengde, waagde <i>hij-zelf</i>, gelijk we
+zullen zien, zich aan de beelding ni&egrave;t. Moeten wij dit alles betreuren?
+Ik betwijfel het. Het vermaarde boek van Buber <i>Die Legende des
+Baalschem</i>, schoon v&ograve;l van het diep-schouwend geestelijk-zien en de
+exquis-kunstige beeldende-en verhaal-macht, onverbiddelijk van noode
+voor de herschepping van zulk een God-Menschelijk leven, geeft nog
+slechts een <i>vermoeden</i> van de <i>dramatische kracht</i>, voor de
+herschepping der Christus-figuur vereischt. Zou Timmermans dit alles
+hebben bezeten?
+</p>
+<p>
+<span class="pagenum"><a name="p87" id="p87"></a>[p.87]</span> Zouden wij meer hebben gekregen dan de schoonheid, zij het een
+rijke of sober-diepe&mdash;en ik denk hier aan van Schendel's <i>De Mensch van
+Nazareth</i> en &oacute;&oacute;k aan zijn <i>Shakespeare</i>&mdash;eener uiterste <i>subjectivatie</i>
+van het verheven Object, welke tevens diens transpositie naar een
+zooveel lager plan beteekent?... Neen. Want dit boek is niet alleen
+Ernst, het is ook een Spel, en ik geloof niet, dat d&egrave; beelder van Jezus'
+leven tot een dergelijk, zij 't edel, spel nog begeerte zou hebben.
+Reeds in den compositorischen opzet van het werk treedt dit
+ernstig-spelen, deze spelende ernst aan den dag. De Jood is een Vlaming,
+Palestina Vlaanderen geworden, Bethlehem een Vlaamsch dorpje, Nazareth
+ligt aan de Nethe en Gent heet flamingantisch-snedig het Vlaamsch
+Jerusalem, terwijl zelfs de rabbijnen tot pastoors verontbesnijdenist en
+vercelibataird zijn! Spel, nietwaar? Maar de ernst is die der <i>groote
+liefde</i>, welke den Beminde <i>dicht bij zich</i>, in eigen land wilde zien
+leven. En: dat aanschouwelijk wordt gemaakt als zelden te voren, hoe men
+den kern van een zelfde diep-menschelijk gebeuren gelijkelijk beleven
+kan in het eene land als in 't andere, in de eene eeuw als de a&ecirc;r. De
+eeuwen en de landen zien wij heengedragen als een licht-vervangbaar
+d&eacute;cor&mdash;het Goddelijk-menschelijke blijkt het eenige dat is en
+blijft....&mdash;En ernst in de beh&agrave;ndeling van het gegeven&mdash;het boek is er
+vol van, de kinderlijk-reinste en die eener religieuse overgave.&mdash;Met
+welk een kracht is Maria's verrukking, als haar de hemelsche
+verkondiging gewordt, gebeeld; met welk eene innigheid haar
+moederliefde, hare zorgen en angsten en Jozef's toegewijde nederigheid.
+Spel, schoon onvermijdelijk, daarentegen weer: de primitieve
+levenshonger van het oersterke boeren-Vlaanderen walmt als een
+rook-vlammende-en-duisterende toorts er door heen; zijn oude,
+verkreupelde venten met hun kou-verweerde bakkesen dwalen over de wegen;
+men ruikt den geur van kermissen en poffertjeskramen. Maar, helaas &oacute;&oacute;k
+een spel, en ditmaal een <i>zeer overbodig</i> en <i>zeer de stemming brekend</i>,
+is bijna de geheele Herodes-episode: dit is geen beelding van Herodes,
+maar die van een poesjenellenkelder-vertooning zijner figuur! En
+niettemin ook d&aacute;&aacute;rin, schoon slechts &eacute;&eacute;n oogenblik, fel en echt des
+konings wanhoop; <span class="pagenum"><a name="p88" id="p88"></a>[p.88]</span> toch &oacute;&oacute;k daarin dit psychologisch fijnheidje,
+dat Herodes "de schuld schudde op zijne vrouw": hadde zij hem kinderen
+geschonken, hij zou den moord van Bethlehem niet hebben bevolen. Terwijl
+in ditzelfde deel van het boek ons evenzeer treft de weldoende
+zelfkennis van den auteur, die&mdash;ik zinspeelde er reeds op&mdash;zich niet
+wagend aan eene beschrijving van dien moord, en die toch ook niet
+willende missen, haar liet geven door een Kronijkschrijver van Herodes,
+die wreed-onverschillig het gebeuren beziet, en <i>van wien men dus noch
+de epische kracht noch het meegevoel verlangt, die men van onzen
+schrijver zou hebben ge&euml;ischt</i>!&mdash;Vlaanderen, mogen wij met zekerheid na
+<i>Pallieter</i> en dit werk zeggen, is een hoogbegaafd schrijver rijker
+geworden.&mdash;Ook nu staat boven het vertrapte land een ster, die 's volks
+onverwelkte kracht en daarmede zijn Verlosser verkondigt ... zijn
+literatuur.... Zij heeft ook Timmermans' ziel zegen en macht gegeven, en
+doe daartoe....&mdash;
+</p>
+<p>
+Dec. '17.
+</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p class="pagenum"><a name="p89" id="p89"></a>[p.89]</p>
+<h3>M.J. BRUSSE: EEN WORSTELAAR</h3>
+
+<p>
+Wonderlijk! Dat zelfde leven, tegen welks stalen rusting gij, moedige
+lezer, &egrave;n zelfs ik, zoowel in de eerste &eacute;lan der jeugd als in onze
+bedachtzamer jaren, ons zoo menige wonde hebben be-loopen, dat
+&ograve;nvermurwbaar-harde leven is &oacute;&oacute;k&mdash;z&oacute;&oacute; zacht, z&oacute;&oacute; plastisch als was. Die
+stugge tyran schijnt dan wel de meest slaafsche slaaf geworden, die er
+aan zijn hof te vinden is, een slaaf bovendien der oude tijden, die over
+meer geheimen van kunst en Wetenschap beschikte dan alle meesters te
+zamen, en dier begeerten met &eacute;&eacute;n magisch gebaar te stillen wist. Maar
+slechts op &eacute;&eacute;n voorwaarde metamorphoseert zich het harde Leven aldus.
+B&ugrave;igt het zich zelfs niet onder den druk van uw wil&mdash;een sneeuwworp
+gelijk tegen graniet!&mdash;het laat zich daarentegen geheel verv&ograve;rmen door
+uw &agrave;lbeheerschende, <i>ingeboren</i> neiging, zooveel sterker dan uw wil!...
+Wees een <i>geboren</i>-koopman, en 't Leven wordt u een beurs, een kantoor,
+een boekhouder en een brandkast. Wees een <i>geboren</i> wijze: het wordt u
+een sta&acirc;g zich ontvouwend en weer verhullend geheim. Wees een
+<i>geboren</i>-ingenieur en het verkeert niet slechts voor u in zijn
+tegendeel: een machine, maar laat zich zelfs, u ten pleziere, in telkens
+weer nieuwen mechanischen vorm "uitvinden" door u. Dit alles echter,
+niet waar, ge&euml;erde lezer, weten wij reeds lang; we hebben, zoo niet
+Salomo-gelijk, dan toch gelijk Salomo, genoeg jaartjes onder de zon
+geleefd, om dat alles te hebben gezien, m&aacute;&aacute;r&mdash;zooals 't Leven zich
+jegens Brusse houdt, d&agrave;t hebben gij noch ik &oacute;&oacute;it aanschouwd. D&agrave;t is een
+houding van&mdash;ja, het is maar door <span class="pagenum"><a name="p90" id="p90"></a>[p.90]</span> &eacute;&eacute;n woord te
+kenschetsen&mdash;&agrave;llersch&agrave;ndelijkste <i>vertroeteling</i>....&mdash;Er zijn 'n
+paar&mdash;ik heb het meer gezegd&mdash;geb&ograve;ren-kunstenaars in ons land, die
+tevens geb&ograve;ren-journalisten zijn; derhalve dient hen 't Leven,
+tw&eacute;&eacute;voudig door hen bedwongen, zoowel tot te doorspeuren jachtveld, als
+tot een heilig Brahmanen-woud, naar contemplatie en
+innerlijkheids-herschepping noodend. Maar <i>nooit tegelijkertijd</i> wordt
+het hun die beide. Het zegt: "Lieven, v&oacute;&oacute;r ge mijn geheim-bloeiende
+bosschages der kunstenaarsbezinning intreedt, legt uw jachtwapenen af:
+d&aacute;&aacute;r wordt niet gesp&egrave;urd en verm&igrave;nkt, daar wordt aansch&ograve;uwd en gel&igrave;efd."
+Dit nu begreep ik als wijsheid; maar helaas! waar het zijn zoon Brusse
+betrof, heeft deze aller partijdige aartsvaders partijdigste Vader het
+zoo beschikt, dat Hij hem boven zijne andere kinderen bevoorrechten kon.
+Tot h&egrave;m sprak hij aldus: "Zoon, v&eacute;&eacute;l zij u toegestaan.... Zie, Ik word
+een mijn voor u; breek links en rechts zonder erbarmen of verpoozen,
+mijn duurzaamste gesteenten uit, en waar de anderen, met &eacute;en van de v&eacute;le
+die gij delft tevreden, dat slijpen tot een juweel van licht, en er
+gouden sieradi&euml;n omheen ciseleeren, w&egrave;rp gij die sch&agrave;tten als kolen op
+uw wagen, dat de menschen zullen zeggen: wie dolf
+z&oacute;&oacute;veel-en-z&oacute;&oacute;-achteloos als hij!... En n&ograve;g is Mijn genade niet
+uitgeput: Sta nu stil in uw werkdrift, zoon.... Zie! Ik plaats mijn
+scheppende wondermacht in u ... open uw zwarte mijnwerkershand.... W&agrave;t
+ziet ge? W&agrave;t fonkelt daarin ... is het niet een licht-juweel, omzet van
+gouden spangen?... Welnu, w&egrave;rp het mede op uw wagen, en het deere u
+niet. Want weet: het is Mijn wil de menschen te doen vragen: w&aacute;&aacute;r sleep
+hij dien steen, w&aacute;&aacute;r dreef hij dit goud? In de onderaardsche schachten,
+waar hij doorhaast, door de gruismist van aard-afval; bij het beuken der
+houweelen en den donder der diepte-ontploffingen.... Een vluchtende
+schim, die ademloos grijpt en breekt en voortijlt en werpt.... W&aacute;&aacute;r k&ograve;n
+hij dit slijpen, dit drijven?&mdash;Want, zoon, zij weten het nog immer niet,
+dat Ik hetzelfde op oneindig vele wijzen maak, Ik, die het omzichtig
+werk der fijnst-geslepen beitels doe mislukken, en zoo Mij dit behaagt,
+met een houweel mijn teerste beelden drijf.... Gij, <span class="pagenum"><a name="p91" id="p91"></a>[p.91]</span> zoon, zult
+mijn kunstenaar &egrave;n mijnwerker, mijn scherpzichtige jager &egrave;n in u zelf
+gekeerde droomer <i>tegelijkertijd</i> zijn...."
+</p>
+<p>
+Oordeelt nu, lezer, mijne woorden: laat de rommelige levensvolheid van
+dit <i>Een Worstelaar</i> langs u been rumoeren: het ploffende storten der
+brokken levenserts verdooft u.... Dan plots ... ge zi&egrave;t iets ... ge
+grijpt iets van tusschen de ruwe gevaarten.... Een b&eacute;&eacute;ld is 't!
+br&eacute;&eacute;d-visionnair gehouwen, m&agrave;chtig in zijn kleinheid.... En dit, en
+dit?... Die fonkeldingen.... Ongelooflijk! psychologisch <i>filigrein</i>....
+En dit ... &ograve;ndoorzichtige zielskristallen, <i>doorzichtig</i>-geslepen....
+Hiervan dus luid, en nu ten d&ugrave;idelijkste formuleerend, beschuldig ik 't
+Leven: dat Het dezen nieuwen Jozef een <i>voorraadmaker</i>, een
+<i>magazijnmeester</i> &egrave;n een <i>ontraadselaar en koninklijk verwerkelijker van
+vreemde droomen</i>, in &eacute;&eacute;nen, veroorlooft te zijn.... En zoo ik 't kon, ik
+zou deze bevoorrechting verhinderen. Maar ach, wat vermag een menschje
+tegen 't Leven, en dan nog wel een armzalig recensent....
+</p>
+<p>
+Jan. '18.
+</p>
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p class="pagenum"><a name="p92" id="p92"></a>[p.92]</p>
+<h3>EEN ANTISEMITISCH CRITICUS?</h3>
+<p><a name="FNanchor_1_22" id="FNanchor_1_22"></a><a href="#Footnote_1_22" class="fnanchor">[1]</a></p>
+
+<p>
+Ik had het boek geopend en &egrave;ven maar den <i>Inhoud</i> doorgezien.... Dan,
+zachtkens, liet ik 't v&oacute;&oacute;r mij ter tafel neerglijden, en evenals toen
+... in dien machtigen tijd ... to&egrave;n! daar het Westen zich tegen het
+Oosten verhief en krijgsgerucht de luchten, vulde&mdash;al was, gelijk ook in
+dien anderen M&acirc;ha-Bh&acirc;rata, dat gerucht meer van speeches dan van
+wapengekletter afkomstig&mdash;zie ik mijzelf glimlachen, liefdevol
+&egrave;n&mdash;demonisch....&mdash;"De Joden in de Literatuur"!... Daar staat het
+artikel nu weer voor mij en lacht op zijn beurt ... ja waarlijk! ik z&igrave;e
+hoe 't l&aacute;cht, een beetje benepen en verlegen als een aardige,
+verstandige kwant, die wel w&eacute;&eacute;t, alweer een malle boodschap van zijn
+baas over te brengen, maar nu eenmaal gehoorzamen m&ograve;et .... En ik mijmer
+weer weg.... Hoe schoon was dat ... die jong-machtige figuur van
+Ornstein uit de denkverzonkenheid van zijn wetenschappelijken arbeid te
+zien rijzen, en zich te weer stellen ... voor Querido en van Campen?...
+Ach wel neen, w&agrave;t zouden hem die zijn geweest! maar voor dat m&egrave;t zijn
+wetenschappelijken hartstocht hem beheerschend toekomst-visioen: een
+Jodendom, dat vrij, geestelijk en materieel, zich uit kan leven.... En
+hoe schoon ook was, in dien subtielen, kalm-evenwichtigen, polemischen
+stijl van Mevrouw Mr. Ornstein de vrouwelijke charme noch het vaste
+zelfbedwang <span class="pagenum"><a name="p93" id="p93"></a>[p.93]</span> te zien vervluchtigen voor het vuur&mdash;dat de heeren
+Scharten, Wiessing en Abas lichtelijk-<i>roosterend</i> vuur&mdash;van haar
+diep-intu&iuml;tief &egrave;n wetenschappelijk verwerkt, n&oacute;&oacute;it afdwalend
+nationaliteitsbesef.&mdash;Maar dan helaas!...&mdash;o, eerste leelijkheid, die
+mijn mooi genot kwam storen!&mdash;ontwaar ik hoe mijn wenkbrauw-uiteinden
+mephistophelisch omhoogrijzen, voel ik mijn neusvleugels trillen van
+z&agrave;cht-uitgeademde, tr&aacute;&aacute;g-ges&aacute;vo&ugrave;r&eacute;&eacute;rde spotjool.... En ik zie weer Jac.
+Levy, een wel begaafde en energisch-opstrevende proletarier, maar toen
+te jong, zonder ervaring.... Nauwelijks was hij het <i>Mosgroene Heilige
+Bosch</i> ingetreden, om voor de verheven goden, die daar toeven, zijn hart
+uit te storten, of er springt een mr.-wiessing op hem af en <i>hapt 'm een
+stuk uit zijn eerste-eigengebakken offerkoek</i> ... en ah! welkom! welkom!
+d&aacute;&aacute;r is ook weer de heer Abas-van-de-fransche-verzen, welke Querido niet
+beoordeelen wou.... Wraak is k&ograve;stelijk en z&oacute;et, mijn kunstenaarsziel
+bemint de schoone wrekers, en dies lijkt mij dan ook de heer de Rosa,
+toen hij in <i>De Nieuwe Amsterdammer</i> die wraakneming wilde bestraffen,
+en na weigering van zijn stuk er waarachtig ook nog mee naar <i>De
+Joodsche Wachter</i> liep, z&eacute;&eacute;r verw&egrave;rpelijk en z&ugrave;&ugrave;r: had hij niet kunnen
+weten, dat "als de redactie (van de <i>Mosgroene</i> natuurlijk, v.C.) zich
+(tegen opname) verzet, zijn er steeds naar haar meening redenen voor van
+moreelen of intellectueelen aard"? En geb&oacute;&oacute;d dan ook hier inderdaad de
+di&egrave;pst-begrepen <i>moraliteit</i> niet, dat des heeren Abas w&agrave;re
+beweegredenen slechts doorheen&mdash;een putdeksel bleven stinken?... Maar
+och, dat is kleingoed, dat is allemaal kleingoed ... vaarwel Levy,
+w&aacute;&aacute;rlijk-kranige, intelligente jongen, die je zoo mooi-autodidactisch
+uit je diamantslijpers-ellende hebt opgeworsteld tot een schooner
+bestaan; adieu mijnheer Abas, als u je maar vlijtig in het maken van
+fransche verzen blijft oefenen, dan zie ik al in niet te ver verschiet
+den dag genaken, waarop diezelfde de Rosa u, als den <i>Verlaine
+Redivivus</i>, een zijner innigste "Filmpjes" wijdt.... Maar ga nu, ga nu,
+ik hoor Scharten's stap, "the step of the master"....&mdash;D&agrave;g Scharten!...
+Maar n&eacute;&eacute;n toch, n&eacute;&eacute;n.... Verbeelding! bloeiende, <span class="pagenum"><a name="p94" id="p94"></a>[p.94]</span>lokkende,
+verleidelijke, z&oacute;&oacute; volg ik je niet langer, h&igrave;er is de grens; jij zoudt
+wel van mijn denken een dialogische klucht willen maken.... Gij
+vormwisselende-als-water, f&ograve;nkel! maar maak den beker van mijn <i>ernst</i>
+met je fonkeling vol....&mdash;O Scharten, als je destijds had geweten, hoe
+ik je uit mijn verte zat te bezien, demonisch-spottend, jaw&egrave;l, maar toch
+wel waarlijk ook met een verteederd medelijden; als je toen mijn blik,
+en wat die zeggen wilde, had gevoeld, hoeveel reiner en beter zou d&agrave;n je
+boek zijn geworden.... Nu krijt je maar: "ik ben geen antisemiet," en
+tast, geloof ik, als waar 't naar een wapen, naar een papier in je
+zak.... Ah ja, ik ken 't: dat is dat soort dienst-bodengetuigschrift,
+dat Mr. Wiessing je in je nood "verleende": "zoo is het ons bekend, dat
+Scharten absoluut geen antisemiet is." Ach ik vrees, dat helpt niet
+veel, &egrave;n jou, &egrave;n Mr. Wiessing zal men niet gelooven. Maar luister:
+ik&mdash;om meer dan een reden is de tijd daartoe gekomen:&mdash;ik wasch die smet
+van je af in een str&oacute;&oacute;m van argumenten .... m&aacute;&aacute;r bedenk dit wel: <i>wien
+een smet wordt afgewasschen, hij wijte het den wasscher niet, dat de
+huid in haar ware kleur te voorschijn komt</i>....&mdash;
+</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>
+Scharten een antisemiet! Medestanders en vrienden, gij, die hem
+verontwaardigd dus noemde, vergunt mij dat ik u thans klaarder inzicht
+schenk. Overweegt eens allereerst dit: W&agrave;t zou deze hoofsche en elegante
+stylist, deze rijk-ontwikkelde kunstenaar-criticus, die met de roomigste
+melk van veler landen literaturen is doorvoed, wiens <i>waarlijk-nauwgezet
+en gewetensvol</i> onderzoek zijner critiek-objecten de warmste erkenning
+verdient; wat zou d&eacute;ze man hebben gedaan, indien hij waarlijk antisemiet
+ware geweest? Zou hij niet, vrage ik u, het voorwerp zijner afkeer ter
+dege hebben bestudeerd, om het des te zekerder te kunnen treffen. Zou
+hij, <i>hij</i>, zich niet in diens literatuur hebben verdiept, en al wat
+door <i>groote</i> verdedigers en tegenstanders daarover is geschreven, met
+<i>zijn</i> critische loupe hebben bezien? Ja zelfs&mdash;wat hadde dit immers
+uitgemaakt voor dezen begaafden en polyglottischen literator&mdash;zou <i>hij</i>,
+in den loop zijner van <span class="pagenum"><a name="p95" id="p95"></a>[p.95]</span> semitischen aanstoot getourmenteerde
+jaren, niet althans een weinig Hebreeuwsch hebben geleerd, om toch &eacute;&eacute;ns
+ten minste den gehate in diens eigen huis te kunnen bespieden? Gij
+antwoordt bevestigend, natuurlijk. En evenwel, <i>hij deed van dat alles
+niets</i>. En wat deed hij dan <i>wel</i>?...
+</p>
+<p>
+Hij schreef:
+</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Want de schuld der Joden is hun erfelijk ongeloof; hun ongeloof in
+den Christus; hun ongeloof (vertaalt de beschouwer van dezen
+heil-zwangeren onheilstijd) hun ongeloof in de Liefde als de het
+menschdom verlossende kracht,</p></div>
+
+<p>
+Hij schreef:
+</p>
+
+<div class="blockquot"><p>... en voor Christus' heilleer bleek het niet rijp (!!)</p></div>
+
+<p>
+Is deze van alle wetenschap gespeende, is deze schamel-geestelijke
+herkauwer van zoo evidente, een oneindig aantal malen r&eacute;&eacute;ds herkauwde en
+uitgesp&ograve;gen, dwaasheid, is d&eacute;ze onze voortreffelijke kunstenaar? Bij
+mijn ziel: hij lijkt wel een dorpspastoor uit "het donkere Zuiden", die,
+gewaarschuwd dat een gevaarlijk-welsprekend en allicht joodsch
+S.D.A.P.-redenaar een propaganda-speech komt houden, op den
+voorafgaanden Zondag den kansel beklimt, om voor zijn schaapkens de
+Joden als de in haat verzonken, baarlijke duivels "kruisigers van
+Christus", af te malen, en hen te verzekeren, dat ze voor eeuwig m&egrave;t die
+verdoemden in de hel zullen branden, als ze zouden komen te luisteren,
+al ware 't maar &eacute;&eacute;n moment, naar dien verleider, neen erger: dien <i>Jood</i>
+(hu!) dien Satan-zelf thans tot ze zendt!... Hoe kwam dan deze
+voortreffelijke geest z&oacute;&oacute; neergedaald? Het lijkt een moeilijk probleem,
+maar mij is 't er geen. Ik denk mij de oplossing aldus: levend, doordat
+hij zich wellicht verongelijkt voelde&mdash;welken mensch, welken kunstenaar
+vooral, gebeurt dat niet op z'n tijd!&mdash;in een wanen-doorspookt
+halfduister van geestelijke depressie, <i>veralgemeende</i> hij zijne
+zuiver-<i>persoonlijke, bijzondere</i> en nat&ugrave;&ugrave;rlijk nog wel <i>ten deele
+gefantaseerde</i> grieven, en zag eene <i>tijdelijke ontstemming</i> <span class="pagenum"><a name="p96" id="p96"></a>[p.96]</span> voor een
+<i>grondsentiment</i> zijner persoonlijkheid aan. Maar deze psychologie is u
+wat te duister, te abstract? Welnu, laat mij haar dan door een <i>concreet
+voorbeeld</i> verhelderen. Denk u <i>een vorst</i>&mdash;hoe vaak is 't in onze
+tijden gebeurd!&mdash;<i>die zijn troon door een revolutie ziet bedreigd, en
+zijn smartelijken toorn in een pogrom uitviert</i>&mdash;is die man d&aacute;&aacute;rom een
+<i>antisemiet</i>?! Hij &egrave;n anderen denken dat allicht, en niettemin: welk een
+dwaling! Hij is immers niets dan een m&egrave;nsch, die naar de schoone,
+bijna-onbewust werkende, <i>traditie</i> van zijn liefdevol geslacht, aldus
+zijn onbeheerscht en maar vluchtig gevoel uit. Is het revolutie'tje
+overwonnen, is de troon weer bevestigd, d&agrave;n wordt hij allicht weer een
+beste vent, doet zelfs een j&oacute;&oacute;dsche vlieg geen kwaad, ja zegt wellicht
+beminnelijk, dat die schoon is als een vlinder.... Keeren we nu tot
+Scharten terug! Eens in die depressie vervallen, verhinderde hem zijn
+ongeloofelijke <i>na&iuml;veteit</i> zelfs maar een glimp van den waarachtigen
+aard zijns voelens te zien.... Maar hier protesteert gij! Gij gelooft
+inderdaad niet, zegt ge, aan een dergelijke na&iuml;veteit in een immers
+juist zoo voortreffelijk <i>cerebraal</i>-begaafde. Welnu vrienden, ik zal U
+dwingen te gelooven, ik zal U bewijzen wat ik zeg. Hij schreef:
+</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Het "schmeichlen" van het Duitsch heb ik nooit kunnen verdragen,
+evenmin als het zoetige woorden-gespuug van den Joodschen
+marskramer.</p></div>
+
+<p>
+en is zoo <i>na&iuml;ef</i> er niet aan te denken, dat men hem zal toevoegen: maar
+waarde heer, spreekt ge in 't huis van den gehangene niet wat &agrave;l te luid
+over het touw? "Schmeichlen", "<i>zoetig</i> woorden-gespuug"! En dit dan:
+</p>
+
+<div class="blockquot"><p>... is het niet de bedroevende waarheid, dat Holland, zonder "De
+Telegraaf" niet eenmaal aan die heftige oppositie der gansche
+menschheid zou hebben deel gehad? Dat "De Telegraaf" voor een &agrave;l te
+groot part het <i>geweten</i> van Holland heeft moeten zijn? Het is om
+die reden ... dat de uitnoodiging van "De Telegraaf" tot
+medewerking, wel z&eacute;&eacute;r aantrekkelijk voor mij was.</p></div>
+
+<p>
+<span class="pagenum"><a name="p97" id="p97"></a>[p.97]</span> Het slachtoffer, Zionistische medestanders, van &ugrave;w
+antisemietisme-beschuldiging vergeve mij: ik heb zelden van den meest
+ruggebogen <i>duitsch-joodschen</i> commis-voyageur&mdash;d&egrave; vereeniging dus van
+afgrijslijkheden!&mdash;een "<i>schmeichlender"</i> en "zoetiger" toon gehoord!
+Want zelfs al ware "De Telegraaf" een zoo ide&euml;el-geredigeerd dagblad als
+Scharten 't geloofde&mdash;gelooft hij 't nog?!&mdash;welk eene "schmeichlende"
+smakeloosheid blijft het dan niettemin, op den eigen oogenblik, dat men
+een betaalde taak van iemand aanvaardt, dien <i>werkgever</i>&mdash;ja, want al
+leven we ook in nog zoo'n rose Literatuur- en Kunst- en Ideaal-hemel,
+eene andere <i>aardsche</i> verhouding is er hier toch niet&mdash;dien
+<i>werkgever</i>, zeg ik, zoo <i>uitermate-liefelijk</i> te begroeten. Maar och,
+wellicht vergis ik mij; wellicht is dat maar dwaze <i>werkmans</i>-trots van
+mij. Die baaien rok komt wel vaker uit mijn literatuur-mantel kijken!&mdash;
+</p>
+<p>
+Hij schreef:
+</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Het is voor mij geen gemakkelijke zaak, te schrijven over twee
+onzer meest bekende critici, Willem Kloos en Is. Querido. Zoo geel
+ik sedert een tiental jaren de verzen, die ik schrijf, niet meer
+uit, omdat ik ook over verzen schrijf, en de gedachte niet kan
+verdragen, dat men daarnaast mijne eigene verzen voor de modellen
+zou willen aanzien van hoe ik vond dat verzen moesten zijn.</p></div>
+<p>
+Dat, waar&agrave;chtig, schreef hij en is zoo <i>na&iuml;ef</i> er niet aan te denken,
+dat men hem zal vragen: maar waarde heer, ge geeft ook immers novellen
+uit, en zijt ge d&agrave;n plotseling weer ni&egrave;t bang, dat men die voor door U
+omhooggeheven modellen zal aanzien? Komaan, bedenk U eens goed: &agrave;ls,
+bijvoorbeeld, &ugrave;wen verzen eens de "lichte godentred" van die van Boutens
+eigen was, zo&ugrave;dt ge ze dan niet ... nee maar, zoudt ge ze d&agrave;n heusch ...
+he&ugrave;schelijk niet t&ograve;ch maar uitgeven?... O, heilige onschuld, ongerepte
+<i>na&iuml;veteit</i> van een dichter, die zegt, zijne verzen niet uit te geven
+omdat hij verzen <i>critiseert</i> O, heilige onschuld, h&eacute;&eacute;rlijke
+<i>na&iuml;veteit</i> van een dichter, die, <i>opdat</i> zijn <span class="pagenum"><a name="p98" id="p98"></a>[p.98]</span> verzen <i>ni&eacute;t
+gemeten</i> zullen worden, ze onder de koren-<i>maat</i> der critiek versteekt
+en daardoor nat&ugrave;&ugrave;rlijk bewerkt, dat men ze <i>onmiddellijk</i>&mdash;en nu "in
+&eacute;&eacute;n partij"!&mdash;meet. Neen, dan nog maar liever ze in den "ivoren toren"
+van Verwey, dan nog maar liever ze in de "sch&oacute;&oacute;ne vindbaarheid" van
+Boutens verborgen! Onder een korenmaat!... waar een boertje als ik ze
+uit kan halen ... wel foei, dat lijkt me toch de l&eacute;&eacute;lijke vindbaarheid
+van maar een grof verstoppertjesspel....&mdash;En welnu, vrienden, h&egrave;b ik U
+nu niet gedwongen te gelooven; h&egrave;b ik U nu niet getoond, waartoe zulke
+w&aacute;&aacute;nvervulde na&iuml;veteit soms voert? Maar o, ik zie 't al, ge twijfelt
+niet meer. Komaan, dan kunnen we verder gaan.
+</p>
+<hr style='width: 45%;' />
+<p>
+"De Telegraaf" heeft, naast menig kwaads, ook onzen criticus goeds
+gebracht. Tusschen <i>Gids</i> en het "Meestgelezen Dagblad" is w&egrave;l een
+contrast, maar juist de felheid daarvan deed Scharten <i>eenige</i> der hem
+bedreigende gevaren merken en hem <i>die</i> althans ontgaan. En ook: de
+overgang van den een tot den ander heeft immers, in g&ograve;ed-bekeken
+werkelijkheid, veel vaker plaats dan men wellicht denkt: de
+<i>deftig-vrijzinnige kerk</i> u&igrave;t en <i>het luidruchtige marktplein</i> &ograve;p, daar
+is bij onzen stedenbouw immers elk kerkganger op verdacht! Scharten wist
+zich dan ook onmiddellijk in 't rumoer te schikken, al t&egrave; makkelijk, &agrave;l
+te nederig weliswaar, gelijk we helaas hebben gezien. Hij voelde er
+losser te kunnen zijn en hij w&egrave;rd 't. Menig boerinnetje, die daar met 'r
+mandje met niet-onberispelijke groentetjes stond, heeft-ie jolig berispt
+en geprezen.... Die <i>meerdere losheid was zijn winst</i>; maar 'n
+patertje-langs-den-kant met ze dansen, d&agrave;t deed hij toch nooit: daarvoor
+zat de kerksche wijding hem nog te veel in 't bloed. <i>Dat was het behoud
+van zijn distinctie</i>. Hij werd <i>fleuriger</i> dan &oacute;&oacute;it in <i>De Gids</i>. Hoe
+geestig is dat vergelijk van de "zonderlinge geluiden" in Anema's
+po&euml;zie, met het "ontstellend gebrul van de bloemenmeid in <i>Pygmalion</i>".
+Hoe aardig-beeldend weer dit (over het herdenkingsfeest van "De
+Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde") "wat er van zij, eene
+dubbel-en-dwarse herdenking zal het worden, eene herdenking <i>met een <span class="pagenum"><a name="p99" id="p99"></a>[p.99]</span>
+onderkin</i>."<a name="FNanchor_2_23" id="FNanchor_2_23"></a><a href="#Footnote_2_23" class="fnanchor">[2]</a> En zoo zou ik wel voort kunnen gaan!...&mdash;Maar <i>De
+Telegraaf</i> bracht hem ook een andere winst: zij gaf hem meer ruimte: in
+plaats van een vaak krap-toegemeten <i>Gids</i>-overzicht over een menigte
+werken, beschikte hij nu over een feuilleton-ruimte, zoo hij 't wilde
+voor &eacute;&eacute;n boek. Dat kwam zijn lust tot de <i>analyse</i>, zijn sterkste zijde,
+ten goede. Zijne fijne indringingsmacht verfijnde zich nog wellicht.
+Aanmerkt eens hoe dit vermogen, ontwarend het <i>diepste innerlijk</i> in
+eene <i>uiterste uiterlijkheid</i>, zich <i>prachtig</i> hier toont: (Over Geerten
+Gossaert) "<i>Trots</i> is deze ziel als weinige&mdash;<i>het is opmerkelijk, in
+hoevele dezer verzen het statige of het steigerende paard
+verschijnt</i>!"<a name="FNanchor_3_24" id="FNanchor_3_24"></a><a href="#Footnote_3_24" class="fnanchor">[3]</a> En meer nog deed <i>De Telegraaf</i>&mdash;gij zoudt het
+onmogelijk hebben geacht, en toch: zij schonk hem den moed, &eacute;&eacute;ns ten
+minste <i>hartstochtelijk</i> in zijn liefdesuiting te zijn. Want Scharten
+was immer een allerkalmste puntje-op-de-i-zetter, hij d&agrave;cht v&eacute;&eacute;l grooter
+dan hij voelde: hij d&agrave;cht st&egrave;rk en hij v&ograve;elde maar: fijntjes. En als gij
+goed de waarheid dezer bewering wilt inzien, dan moet ge eens de in
+dezen bundel voorkomende unieke gelegenheid benuttigen, waarbij Scharten
+eene <i>onbewuste nabootsing</i> van Van Deyssel heeft geschreven. Ik bedoel
+die passage, welke bovenaan blz. 56 begint, waar onze criticus een
+boekje uit de kast haalt en dat spottend gaat zitten bekijken. Dat is,
+<i>buiten eenigen twijfel, eene reminiscentie</i> van het "snoezig kistje
+sigaren" uit: <i>Over kunst, of eigenlijk over den Meer Henri Borel</i>, nog
+wel een van de <i>koelste</i> stukken van ons aller Meester, den grooten
+Brandende-Voeler. En nu moet ge eens goed zien, hoe snel in het
+laatstgenoemde stuk het zich in zijn eigen tr&egrave;f-zekerheid verkn&eacute;uterende
+sp&egrave;l tot den strak-ingehouden, staal-vlijmen haat-ernst en verachting
+steigert, en daarentegen Scharten's spel, 't spel van een <i>lieven,
+guitigen plaaggeest</i> blijft. Maar, constateerde ik, dat <i>De Telegraaf</i>
+hem ten slotte den moed tot den hartstocht&mdash;waarvan ik u aanstonds het
+blijk hoop te toonen&mdash;heeft geschonken, ik moet erbij voegen, dat zij
+dit geschenk-om-over-te-juichen hem bracht op een
+manier-om-van-te-huilen.
+<span class="pagenum"><a name="p100" id="p100"></a>[p.100]</span> En dat is aldus in zijn werk gegaan. Nauwelijks in de
+<i>Telegraaf</i>-sfeer van maniakale anti-Duitschigheid en pro-Ententerigheid
+opgenomen&mdash;in welker gedachtencomplex Nederland precies zooveel meetelt
+als zijn waarde van m&ograve;gelijk trekpaard voor den Entente-oorlogswagen
+bedraagt&mdash;werd Scharten's wezen tot in zijn diepste gronden bevrucht,
+ontwaakte het tot zijn vurigste kracht. Het wezen van dien Scharten,
+die, schoon van <i>duitsche</i> afstamming, in <i>Nederland</i> geboren, een
+<i>latijnsch-geaard cosmopoliet</i> is met een niet al te warme
+liefde&mdash;waarvan de onbewuste plichtmatigheid hem wellicht tot dan bleef
+verholen&mdash;voor zijn vaderland. Al die gevoelens, welke de
+<i>Gids</i>-atmosfeer verhinderd had, in hem tot bewustzijn zelfs te komen,
+werden hem nu als het uiterst-prijzenswaardige, als het onschatbaarste
+dat in hem was, onthuld. Geringschatting van Holland's
+volkseigen&mdash;prachtig Scharten! juicht <i>De Telegraaf</i>, d&aacute;&aacute;r motte we
+weze.&mdash;Gesputter tegen die overal in Holland opstijgende "lamme
+lauwheid: de Neutraliteit ... die b&oacute;venal beducht bleek voor het
+m&ograve;gelijk uitdagend-schijnen eener ridderlijke houding".... O, snikt <i>De
+Telegraaf</i>, da'k dat heb magge beleve ... gauw! <i>ma</i> lodderein-<i>bo&icirc;te
+francaise,</i> beste Alexander, mijn <i>vieux brave,elle</i> zit <i>dans</i> je
+linker <i>poche</i>....&mdash;"Hoe langer en hoe gruwelijker die waanzin duurt,
+hoe onverwoestbaarder dat Bewijs in het bewustzijn der menschheid zal
+komen te staan. Wie het dus goed met het menschdom meent,&mdash;verlangt
+niet naar een ontijdigen vrede. Stelp niet de koorts, doch laat haar
+uitwoeden." Bravo! Bravo! gilt <i>De Telegraaf</i>, no&ugrave; ben je eerst mijn
+salontijgertje, no&ugrave; ben je eerst net zoo'n held-achter-de-sohrijftafel
+geworden als ik-zelf!&mdash;En dan steken we van wal, hoor, we geven 'm van
+katoen. De Hollanders zijn "lauwe Laodicenzen", en wat "een sl&aacute;&aacute;fsche
+indruk" maakt dat, "al die Duitsche uniformen en petten" op de
+Hollandsche soldatenhoofden, alsof ze zoo bij "het
+driehonderd-zooveelste Pruisische regiment (moesten) worden ingelijfd."
+Tot zelfs eene novelle van een onzer schrijfsters is&mdash;let op het
+maniakale&mdash;<i>Pruisisch</i>-systematisch<a name="FNanchor_4_25" id="FNanchor_4_25"></a><a href="#Footnote_4_25" class="fnanchor">[4]</a> afgewerkt!&mdash;Maar
+dan&mdash;<span class="pagenum"><a name="p101" id="p101"></a>[p.101]</span>b&ograve;ven zijn nederigheid jegens <i>De Telegraaf</i>, b&ograve;ven zijn
+blijdschap &ugrave;it, aan dat ide&euml;ele blad te mogen medewerken, stijgt als een
+leeuwerik uit een drenzig, vies burgertuintje zijn zingende ziel den
+hemel der liefde in. Bij al dat l&eacute;&eacute;lijke heeft hij nu ook van diezelfde
+<i>Telegraaf</i>&mdash;en ziehier nu de vervulling mijner straks gegeven
+belofte&mdash;het sch&oacute;&oacute;ne geschenk van den moed tot den hartstocht ontvangen.
+Het geheele <i>innige</i>, van <i>zoete liefde innige</i> stuk <i>Een avond in
+Florence</i> is niets anders dan het heerlijk-schoon gelaat zijner <i>liefde
+tot Itali&euml;,</i> maar kenden wij dit tot heden als een edel, duurzaam
+marmer, koel als zijns beeldhouwers sentimenten, n&ugrave; is 't overbloosd
+door die nieuwe, die pas ontstoken vlam van den hartstocht. Welk een
+jammer&mdash;voor mij&mdash;dat mijn genot alweer niet onvermengd mocht blijven.
+Want ziehier de storende gedachte, die in mij rees: o <i>na&iuml;eve</i> Scharten,
+zijt <i>gij</i> de man, die den Jood z&oacute;&oacute; <i>smadend</i> zijn <i>vreemdelingschap</i>
+voor de voeten mocht werpen, gij die z&oacute;&oacute; over Holland en z&oacute;&oacute; over Itali&euml;
+k&ugrave;nt spreken; die u gebonden voelt "aan dat heerlijke land, waar gij (u)
+meer dan &eacute;rgens elders <i>thuis</i> ging(t) gevoelen"; gij dien, thans hier
+<i>in Holland</i> levend, nochtans in betrekking tot Itali&euml; het spraakbeeld
+naar de lippen dringt van "het in twee jaren niet terug geziene
+<i>ouderlijke huis"</i>?! Onderzoek u-z&eacute;lf, m&aacute;&aacute;r: uw di&eacute;pste ziel, &egrave;n: hoed u
+ervoor, die onbewust te <i>vereenzelvigen</i>&mdash;schoon-scheppende &eacute;&eacute;nheid als
+gij beiden vaak zijt&mdash;met de psyche uwer wel
+cosmopolitisch-beeldend-<i>geniale</i>, maar naar haar gr&ograve;nd-aard en -wezen
+stoer-<i>hollandsche</i> vrouw ... en n&agrave; dat onderzoek z&eacute;g mij: w&eacute;&eacute;t gij
+u-z&egrave;lf geen "eeuwige vreemdeling" in Holland?... De <i>ziel</i> van Scharten
+en de <i>ziel</i> van <i>De Telegraaf</i>.... Hier Raemaekers! daar is een nieuw
+motief voor een nieuwe prent <i>Soeurs Latines</i>.
+</p>
+<hr style='width: 45%;' />
+<p>
+In dezen bundel van een <i>makkelijk leesbare en zuivere &eacute;criture,</i> welke
+de grondigheid niet tekort doet; in dezen bundel, <i>puur-eerlijk</i> en
+<i>subjectief</i>-juist in wat hij zegt, waar hij zich maar niet tot een
+volmaakt onbevoegd gebeunhaas in rassen-theorie, politieke tinnegieterij
+en ridicuul-oudbakken, <i>quasi</i>-religieus <i>pseudo</i>-fanatisme verdwaast
+<span class="pagenum"><a name="p102" id="p102"></a>[p.102]</span>&mdash;in deze opstellen is nog al wat veranderd! Tegelijk met de
+verdwijning uit <i>Twee Critici</i> van de <i>prachtig</i>-openhartige, warme
+waardeering voor mijn <i>Gids</i>-studie <i>Oude en Nieuwe Joodsche
+Dichtkunst</i>, verzonk ook de belofte "daarop terug te komen" in 't niet.
+Dat begrijp ik.... O&oacute;k mijn "Oostersche kleverigheid" verdween&mdash;helaas
+welk eene boh&eacute;mien-artistieke verspilling in dezen duren en gomloozen
+tijd! Het zij zoo.... Maar wat had beh&oacute;&oacute;ren te verdwijnen: al die
+dwaasheden, waarover ik 't had, di&egrave; zijn gebleven. Hadt ge ze toch, o
+Scharten, ge&euml;limineerd, hoe anders van toon en inhoud ware dit opstel
+geworden, ook al hadt ge, o gel&oacute;&oacute;f me, mijn "Oostersche kleverigheid"
+dan niet afgewischt. D&aacute;n zou ik niet noodig gehad hebben te bewijzen,
+dat gij geen antisemiet waart, gij zelf zoudt 't hebben bewezen. Wie van
+zich afwerpt den ontvreemden mantel en liever onder de barre kou des
+hemels gaat, d&agrave;t is een moedig man; niet hij die z&eacute;gt: "die mantel
+behoort een ander", maar hem t&ograve;ch dr&aacute;&aacute;gt. Wie z&eacute;lf van zich afwascht den
+zij 't l&eacute;&eacute;lijken, maar h&eacute;m toch besch&eacute;rmend-maskeerenden grime-smeur
+staat dichter bij Christus en Zijn J&oacute;&oacute;dsche Liefde, dan wie Zijn door de
+eeuwen verminkte beeld de voeten wascht, o Scharten....&mdash;Destijds zweeg
+ik&mdash;ik voelde mij tot dit zwijgen zedelijk verplicht&mdash;ik wachtte op een
+latere openlichting van inzicht bij je, op eene ruiterlijke erkenning
+van dwaling. Zij zijn niet gekomen. Thans moest ik spreken. Ook tot U
+Zionistische vrienden, aan wie ik, naar mij dunkt, wel iets goed te
+maken heb! Want ik <i>liet</i> u&mdash;ik m&oacute;est u laten&mdash;door mijn <i>zwijgen</i> in
+den waan, dat gij voor het aangevallen Jodendom streedt, en och, ge ziet
+'t nu betreurend: ge verdedigdet slechts twee menschen&mdash;van wel <i>zeer</i>
+ongelijke beteekenis, maar beiden slechts: m&eacute;nschen; ik <i>liet</i> u door
+mijn <i>zwijgen</i> in den waan, dat ge tegen 't antisemitisme streedt,
+helaas, het was tegen: alweer een m&eacute;nsch, wiens impressionabele
+kunstenaarsnatuur mijns inziens door verongelijking tot bezinninglooze
+onbillijkheid werd gedreven. En echter, het valle u licht mij te
+vergeven. <i>Zulk</i> schijn-antisemietisme heeft maar al te vaak het meest
+echte gekweekt, zooals de comedie-dief op de film veel echte <span class="pagenum"><a name="p103" id="p103"></a>[p.103]</span>
+diefjes in de zaal. En was het <i>daarom</i> reeds niet geboden er tegen op
+te treden? Mijn zwijgen heeft dan ook niets en niemand geschaad. Het
+deerde mijn vriend den aanvaller niet, want het g&aacute;f hem integendeel tot
+inkeer en herroeping den tijd, en de geringste straf, die hem kon
+treffen, was toch wel in een <i>vergroote</i> gedaante voor de menschen te
+staan. Het schaadde &ugrave; niet: want wat deerde het de vlam van uw edelmoed,
+wie of wat haar ontstak, nu zij brandde...?&mdash;
+</p>
+<p>
+Jan. '18
+</p>
+<p class="caption">
+Noten:
+</p>
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_22" id="Footnote_1_22"></a><a href="#FNanchor_1_22"><span class="label">[1]</span></a> <i>Carel Scharten: Kroniek der Nederlandsche Letteren 1916</i>.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_23" id="Footnote_2_23"></a><a href="#FNanchor_2_23"><span class="label">[2]</span></a> Cursiveering van mij.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_24" id="Footnote_3_24"></a><a href="#FNanchor_3_24"><span class="label">[3]</span></a> ibid.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_25" id="Footnote_4_25"></a><a href="#FNanchor_4_25"><span class="label">[4]</span></a> Cursiveering van mij.</p></div>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<p class="pagenum"><a name="p104" id="p104"></a>[p.104]</p>
+<h3>C.J.A. VAN BRUGGEN: ALS GE NIET ... DAN! EEN VER-BEELDING</h3>
+
+<p>
+Zoodra ge het eerste hoofdstuk&mdash;het voorwoord, zoo ge wilt&mdash;van
+<i>Het verstoorde Mierennest</i> hebt gelezen, ziet ge den zacht-ironischen,
+den mild-droevigen en koel-vreugdigen, den schuwen, slechts
+in wat losse speelschheid zich uiten willenden geest van den schrijver,
+ten voeten uit, voor U. En in d&igrave;t boek herkent ge hem weer&mdash;hij is
+nu ietwat veranderd, maar dit verbaast U niet: gij hebt die verandering
+v&oacute;&oacute;rvoeld....&mdash;Want ge zaagt ook wel hoe hij kwam aangetreden,
+deze in zich-zelf teruggetrokken mensch, door der jaren kronkelende
+gang, waar nu en dan schamplichten zijn d&agrave;n strak-gehouden
+gelaat belichtten, maar ge in de duisternis een weemoedig spotlachje
+daarop vermoedde&mdash;ge zaagt wel ho&egrave; hij opging tot de zelfopenbaring
+dezer twee boeken. Een journalistenleven het zijne ... neen, erger:
+het bestaan van een kunstcriticus!... Te midden van den grootheidswaan,
+de ijdele zelfverheffing, de intrigetjes, het kemphaantjesgekraai,
+de nerveuse overspanningen van al die Shakespeartjes
+en Bouwmeestertjes, heeft hij dagen &egrave;n avonden doorleefd. Onderwijl
+echter moet hij aldoor stilletjes naar zijn eigen speelsche droomen
+hebben gekeken, hoe daar dingen ontstonden, die toch wel mooi
+&mdash;nee, ni&egrave;t m&oacute;&oacute;i, zal hij op zijn zich-zelf n&eacute;&eacute;rdrukkende wijze hebben
+gemeend, doch &aacute;&aacute;rdig ... toch wel aardig ... waren. Maar
+niet opschrijven, niet opschrijven, kapte hij dan heftig een nauwelijks
+ged&agrave;chte gedachte af.... Wat is er in godsnaam aan gelegen naast
+al het heerlijk-moois, dat de grooten hebben gemaakt ... en kijk 'us
+<span class="pagenum"><a name="p105" id="p105"></a>[p.105]</span> al die mallen, die opgejaagden, die schichtigen....&mdash;Hij moet dien
+d&eacute;go&ucirc;t hebben gehad, welken elk kunstenaar-criticus kent, dien
+d&eacute;go&ucirc;t van den lazaret-dokter aan de vuur-linie ... te v&eacute;&eacute;l wonden,
+te veel verwrongen gezichten, te veel mensch wrakken, om G&ograve;ds wil
+hou &ograve;p! Maar&mdash;de droomen van een wezenlijk-scheppenden geest
+als de zijne, zijn sterker dan diens wil. Zij dwongen hem ten slotte
+zich te bukken onder hun juk.... Hij g&igrave;ng zich uiten.... Maar in
+'s hemels naam, zoo moet zijn wijze deemoed hem in een laatste verweer
+hebben toegefluisterd: zonder iets dat maar op ophef lijkt, &agrave;sjeblieft
+... zorg ervoor, dat ze je niet kunnen zitten aankijken als
+een wonderdier ... gel&ugrave;kkig: jij kunt dit leven niet anders aanvoelen
+dan als een doelloos spel, b&eacute;&eacute;ld 't als zoodanig ... nog een beetje
+achteloozer dan je 't wellicht van zelf al zou hebben gedaan ... &ograve;m
+je maar de vooze gewichtigdoenerij van 't lijf te houden....&mdash;En
+daar kwam dan het eerst dat v&oacute;&oacute;rwoordelijke eerste hoofdstuk van
+<i>Het Verstoorde Mierennest</i>: "Indien de natuur eens meedeed?"....
+"<i>Bedenk eens</i> zulk een gril".... "<i>Laat ons</i> het eindloos getal zulker
+doode werelden met &eacute;&eacute;n vermeerderen"..... "Maar ons <i>sprookje</i>
+gaat verder"<a name="FNanchor_1_26" id="FNanchor_1_26"></a><a href="#Footnote_1_26" class="fnanchor">[1]</a> Dit voorwoord zei den lezers onmiddellijk: vrienden,
+trek jullie asjeblieft je galapak uit, je gaat niet naar een zitting van
+de Staten-Generaal, maar naar de bijeenkomst van een <i>debating-club</i> ...
+begrijpt w&egrave;l: er dw&igrave;ngt ons g&eacute;&eacute;n nijpende w&egrave;rkelijkheid tot
+spreken, noch gaan wij beraden over iets dat <i>is</i>, maar: wij hebben nu
+eenmaal l&ugrave;st tot spreken, en we zullen redeneeren over iets, dat we
+<i>veronderstellen</i> te zijn....&mdash;N&oacute;&oacute;it heeft een werk eene meer discrediteerende
+voorrede meegekregen: de verwezenlijking van het
+gegeven&mdash;<i>het</i> doel van kunst!&mdash;in des aanschouwers geest, scheen
+hier <i>bij voorbaat onmogelijk gemaakt</i>! Temeer, waar zich de sp&egrave;l-natuur,
+de <i>schaakspel</i>-natuur der verbeelding nog in iets anders accentueerde:
+in den &ograve;noorspronkelijken opzet van het verhaal; dien een
+werelddood brengenden komeetstaart vol blauwzuur. Want werd
+<span class="pagenum"><a name="p106" id="p106"></a>[p.106]</span> ons deze opzet niet onmiddellijk voelbaar als een analogon van een
+dier, grootendeels eeuwenoude, "openingen" van het schaakspel, waarmede
+bijna elke partij, &oacute;&oacute;k de oorspronkelijkste, &oacute;&oacute;k de geniaalste,
+begint? Maar dit was dan ook de schoone triomf, zelfs over mij, die
+dit alles toch z&oacute;&oacute; sterk had doorvoeld, dat den lezer dit &aacute;&aacute;rdige <i>spel</i>,
+trots &agrave;lle tekortkomingen, trots &agrave;lle onwaarschijnlijkheden, langzamerhand
+tot bo&egrave;ienden <i>ernst</i> werd!&mdash;En toch&mdash;ik sprak straks van
+eene verandering die te voorvoelen was: in zoo speelsche luim k&ograve;n
+d&eacute;ze scheppende geest niet volharden. Want weet dit wel: het leven
+weerspiegelt zich op drie wijzen in de menschelijke psyche: als doel- en
+wetten-looze toevalligheid; als wet-gebonden spel; als doelmatige
+ernst. En wie nu, als onze schrijver, <i>meenend</i> in de sfeer der hier als
+tw&eacute;&eacute;de genoemde levensbeschouwing te verkeeren, toch reeds blijkens
+de eigenaardige ernst-impressie, welke zijn werk ten sl&ograve;tte maakt,
+in zijn <i>scheppend onbewuste</i> de erkentenis van de d&egrave;rde draagt&mdash;di&egrave;
+stijgt, al scheppend, ook bew&ugrave;st tot deze; die verl&aacute;&aacute;t het sp&egrave;l. Men
+ziet dan ook in dit zijn tweede boek duidelijk de <i>aanvang</i> dezer stijging.
+Het werd er minder &egrave;n meer door. M&igrave;nder: want nu het <i>puur</i>-
+fantastisch gegeven is vervangen door dat eener zeer makkelijk als
+zoodanig te aanvaarden werkelijkheid, storen ons veel onwaarschijnlijkheden
+des te heviger.... En &oacute;&oacute;k minder: omdat de schrijver
+niet immer tot de <i>hart</i>-diepte van zijn soms van-realiteit-nijpend
+onderwerp daalde, en met name zijn daardoor ge&iuml;nspireerde lyriek,
+hoe fraai die ook op sommige plaatsen zij, als geheel nog onrijp
+bleef. Maar m&eacute;&eacute;r: door het sociologisch-bitterder-hekelende van zijn
+oude en zuiver-gebleven socialisten-hart; door de toch steviger levende
+menschelijkheid&mdash;de <i>engelsche professor</i>, de <i>apache</i>, het <i>meisje</i>;&mdash;door
+het <i>prachtig-geestige,</i> dat het werk doortintelt&mdash;<i>de graaf met
+z'n vier Pommeren</i>! dat is onovertrefbaar in zijn soort ... d&agrave;n vloeien
+de meest spiritueele karakteristieken uit zijn pen. Terwijl tusschen
+dat alles nog kleuren, vaag, wonderteere van-glansmist-omdeinde
+visioenen. Naast vrij wat slordigheid in de taal&mdash;soms zeer opmerkelijk
+in het andere uiterste overslaande: eene als uit <i>nerveuse behoedzaamheid</i>
+<span class="pagenum"><a name="p107" id="p107"></a>[p.107]</span> ontstane verstarring, (een taalgevoel dat, onraad snuffelend, plots
+waaksch, op stijve pooten loopt)&mdash;zijn er ook wel eenige vreemde
+stijlinvloeden aan te wijzen: n&agrave;uwelijks &egrave;ven een <i>de Haansch</i> rhythme;
+l&agrave;nger eene <i>Querido&iuml;aansch</i>-beeldende zegging; z&eacute;&eacute;r lang aangehouden
+de t&oacute;&oacute;n der voortreffelijke <i>Prikkelidyllen</i> van <i>Cornelis
+Veth</i>....&mdash;Ik wil nu maar hopen, dat ik onzen ingetogen auteur
+niet te veel lof, naar zijn smaak, heb toegezwaaid, en vooral verzoek
+ik hem mijne allicht-onjuiste psychologische analysen te willen verontschuldigen
+Hij-zelf heeft aan mijne vermetelheid een weinig schuld!
+Schoon spel prikkelt tot medespelen. Jammer slechts dat ik dan een
+zoo onkundig partner was. Maar zie, alreeds sta ik op, en de vrije
+plaats voor het schaakbord aan zijne Scheppende Droomen latend,
+trek ik mij in den kring der verheugde en zwijgende aanschouwers terug.
+</p>
+<p>
+Febr. '18.
+</p>
+<p class="caption">
+Noot:
+</p>
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_26" id="Footnote_1_26"></a><a href="#FNanchor_1_26"><span class="label">[1]</span></a> Alle cursiveeringen van mij.</p></div>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p class="pagenum"><a name="p108" id="p108"></a>[p.108]</p>
+<h3>JOH. DE MEESTER: DE KINDSHEID VAN HARLEKIJNTJE</h3>
+
+<p>
+De j&ograve;ng-geestige, liefdevol-spotlustige verteller, die de Meester
+eenmaal was, de verteller van dat onvergetelijk <i>Avontuur van David
+Zangvogel</i> &egrave;n <i>Petite Reine</i>, benevens de wat
+Hildebrand-achtig-gemoedelijke, novellistische verhandelaar, die hij
+zoowaar &oacute;&oacute;k soms kon blijken&mdash;die beide evenwichtiger wezens bestaan,
+blijkens dezen bundel, nauwelijks meer in hem. Zijn nog altijd jeugdige
+en rappe geest heeft een toch wat o&ugrave;welijk-st&egrave;rker physionomie gekregen
+... van een vr&eacute;&eacute;mde ouwelijkheid, zulk eene als, schoon pl&ograve;ts
+geopenbaard, wel altijd bij het wezen moet hebben behoord, of het jong
+was dan wel oud; die <i>niets</i> met den vorderenden leeftijd heeft te
+maken. Zijn <i>scheppende</i> geest&mdash;d&aacute;&aacute;r ben ik er!&mdash;lijkt mij de, machtiger
+dan vroeger geprononceerde, physionomie van den condor te hebben:
+kaalhoofdig, naakt-scherpe oogen, bits-kromme grijpsnavel. Met zijn
+fel-flikkerenden blik zoekt hij den hemel af en de aarde over....&mdash;Zijn
+nerveus-open ziel reageert op alles dat leefbeweegt binnen zijn
+gezichtsveld. Alles is hem schoonheidsprooi, hij ziet &egrave;n grijpt.... Het
+is verwonderlijk wat hij &ograve;p kan, w&agrave;t hij ver-bijt, w&agrave;t hij verslindt en
+in hoe korten tijd hij 't doet....&mdash;Ziedaar de schrijver des zes, deels
+voortreffelijke, deels goede, maar &agrave;lle: <i>boeiende, Thuiskomsten</i>; van
+het pittige <i>Een geval van Tooneelbescherming</i> en het een beetje, in de
+figuur van den schilder, Emants-getinte <i>Oase</i>. Nog altijd is hij de
+onverminderd-uitmuntende compositeur van het vlotte, korte verhaal, en
+in elk zoo'n verhaal is welhaast een roman saamgedrongen; zij <span class="pagenum"><a name="p109" id="p109"></a>[p.109]</span>
+zijn instantan&eacute;'s, maar niet van een-oogenblik-in-'t-leven, doch van
+het-leven-in-een-oogenblik. Zijn verhalen zijn vol rillende driften:
+h&egrave;rsens v&ograve;l bevende zenuwen, kloppende aderen. Zijn zinsbouw, zijn taal
+zijn incarnatie&mdash;pezig-mager, gloed-droog woordvleesch&mdash;van zijn vurige,
+lijdende, wrang-genietende, het leven een dr&ograve;nk afdw&igrave;ngende ziel. Warmte
+en koude wisselen snel in hem, maar blijvend in hem toch is: iets
+hard-staalachtigs, s&ograve;ms smijdig-vlug als een toestootende degen, maar
+soms ook als onverzettelijk omhooggespeerd onder den duister-broeienden
+hemel van zijn pessimisme. Donkerte en licht wisselbliksemen dan langs
+hem heen, want geen onweer barst in zijn nabijheid los of hij trekt de
+ontlading aan ... dan ziet ge f&egrave;l den staalglans. Als het gevaarlijke
+hemellicht, verraderlijk-snel en wreed, de zich onzichtbaar wanende
+zwoel-heimelijke nachtelijkheden der aarde opendekt, vaart het langs h&egrave;m
+neer, om zich-zelf in den reuk-zwaren grond te begraven. Dit, wat den
+<i>schepper</i> in dit werk betreft. De <i>mensch</i>, die <i>niet</i> tot het
+schepper-zijn kon stijgen, wijl hij er zooeven vermoeid uit neergezegen
+was, spreekt uit het eerste verhaal: <i>De Kindsheid van Harlekijntje</i>.
+D&aacute;&aacute;rin leeft de man, die door de turbulente jacht van scheppende
+bewogenhden &eacute;ven verlaten, zoo graag een h&eacute;&eacute;l gewone mensch, dien korten
+tijd althans, wil zijn. Daar ziet hij zich nu zitten in een gezellige
+kamer, en een anderen mensch tegenover zich.... Heeft die naar hem
+geluisterd, terwijl hij scheppend-verhaler was?... De bewonderingswarme
+blik van dien man schijnt dat wel te zeggen.... Maar wat doet dat ertoe;
+van z&ugrave;lk een verhaler is n&ugrave; niets in hem ... hij voelt als een
+geestelijke koude, een leegte ... hij voelt een behoefte aan
+gew&oacute;&oacute;n-menschelijke vriendschap .... Hij w&eacute;&eacute;t zeker, dat als hij nu in
+zijn weeken weemoed, zijn drang naar wat meegevoel, gaat spreken, hij
+sentimenteel, misschien wel drakig-melodramatisch zal doen; t&ograve;ch kan-ie
+'t niet laten. De oogen ver-starend, vochtig van verlangensglans,
+mijmert hij zachtkens over zijn jeugd, hoe-ie daar in dat oude, kleine
+stadje, waar zijn ouders woonden, een jongetje kende, Harlekijntje ...
+een armzalig, door drank verdwergd jongetje.... En hij vraagt
+vertrouwelijk den man tegenover zich: van die Harlekijntje gesproken:
+"Heette zijn <span class="pagenum"><a name="p110" id="p110"></a>[p.110]</span> moeder niet dronken Fie? Was zij uit een Belgisch
+Seheldedorp".... "Heeft de muziek Fie gelokt naar de stad?"....&mdash;Maar de
+man tegenover hem ziet hem koelverbaasd aan. Die begrijpt niet, dat de
+liefde-<i>gevende</i> schepper plots een liefde-<i>behoevende</i> m&egrave;nsch is
+geworden, en koud antwoordt hij hem: "Vraagt U mij wie of wat Fie
+was!... dat wilde ik juist van U weten.... Wat wilt U toch van mij? Waar
+is Uw prachtige z&egrave;kerheid gebleven?... O, o ... ik zie 't nu.... U zijt
+geen schepper meer als straks.... U zijt 'n m&egrave;nsch als ik geworden. Ik
+herken mijn eigen <i>twijfelen</i> in U helaas, maar &ugrave;we <i>zekerheden</i> herken
+ik niet meer." En de man staat op en gaat h&eacute;&eacute;n....&mdash;O, de Meester, dit
+is het lot van alle scheppenden, als dat vreemde heimwee hen naar het
+gewone mensch-zijn trekt ...&mdash;naar: los te zijn van scheppende droomen;
+los van die over-vreeselijke, pijnende gevoeligheid; los van hun
+onverzadelijke, d&ugrave;istere drift naar een vermoede licht, al maar heller
+begeerd, al maar heller dan zij ooit hebben gekend ... bevrijd te zijn
+van dat dunne, meedeinende, maar nooit wijkende, alles zoo anders
+kleurende <i>waas</i>, dat hen van de anderen scheidt. Want n&oacute;&oacute;it worden zij
+daaraan geheel onttogen en nooit hun de zoete vrede der gewone menschen
+en het 't-zelfde-voelen met dezen gegeven. Blijf daarom je
+nerveus-trillende, je van leven kloppende verhalen schrijven; hoe levend
+en schoon zijn zij ook weer hier, al zijn, gelijk in al het levende,
+doode plekken in hen. Maar mijmer geen Harlekijntjes meer. Wat de mensch
+beminnenswaard zelfs acht in zijn evenbroeder, verwerpt en veroordeelt
+hij nog in hem dien hij als <i>kunstenaar</i> meende te hooren, terwijl toen
+de kunstenaar ni&egrave;t sprak....&mdash;
+</p>
+<p>
+Febr. '18.
+</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p class="pagenum"><a name="p111" id="p111"></a>[p.111]</p>
+<h3>R.J. SPITZ: UIT HOOFT'S LYRIEK</h3>
+
+<p>
+De heer Spitz maakt zich wel zeer verdienstelijk zoowel jegens de oude
+literatuur als jegens den modernen mensch, die hij zich zoozeer beijvert
+tot elkander te brengen. Eerst de overzetting van de <i>Beatrijs</i> uit het
+Middel-Nederlandsch in het hedendaagsch, een werk, dat, er mogen dan ook
+duidelijk-zichtbare vlekjes op zijn aan te wijzen&mdash;ik kom er spoedig
+elders op terug&mdash;toch van een pi&euml;teitvollen moed en een schoonheidsbesef
+getuigt, die den uitvoerder eeren. N&ugrave; deze bescheidener maar niet minder
+gewichtige arbeid van het samenstellen eener korte bloemlezing uit
+Hooft's lyriek, waarbij echter, daargelaten dat het doen eener keuze
+vaak evenzeer een blik gunt in den geest van die haar deed, als een
+vertaling in dien van den vertaler, de bloemlezer kans heeft gezien en
+w&egrave;l gebruikt, om zijn zeer te waardeeren aandeel in het gebodene te
+verhoogen door het schrijven eener beknopte, aangenaam-leesbare, zeer
+concis-gestelde inleiding, welke met een zekere prettig-aandoende,
+vastbesloten flinkheid de dingen bespreekt of noemt, waar 't op aankomt.
+Als ge hem, in den eersten zin reeds, zoo terloops hoort zeggen, dat
+Hooft's vader "een van de besten en zuiversten van een regentensoort
+(was), waarvan de vrijzinnigheid vaak niet meer dan afkeer was van
+predikanten-heerschappij en dat meestal slechts voor een vrijheid voelde
+die de onderdrukking van anderen als grondslag had en ten eigen bate kon
+worden aangewend," dan herkent ge hier onmiddellijk deze uiting als die
+van een man, die, ver over zijn vak-omheininkje heen, den wijden
+horizont ziet, diens spel van <i>in elkander vervloeiende en elkaar
+aanvullende tinten</i> <span class="pagenum"><a name="p112" id="p112"></a>[p.112]</span> begrijpt, en met dat zuiver-eigen begrip
+zijn van anderen ontv&agrave;ngen kennis scheidt, weer samenvoegt, schakeert,
+en aldus tot den vollen &egrave;igendom van zijn geest maakt. Er klopt iets in
+deze zoo <i>aus einem Gusse</i> gegoten inleiding, iets van zoo w&agrave;rme
+overtuiging ook&mdash;men leze bijvoorbeeld die paar regels, waarin de
+schrijver "protesteert" tegen een oordeel, dat Hooft een fijner geest
+dan Vondel noemt&mdash;dat het mij zeer verwonderen zou, indien deze "klop"
+niet eens een v&eacute;&eacute;l verder dragend geluid uit het brons der taal zou
+wekken dan dit, al zal het wel, denk ik, nooit een <i>sch&oacute;&oacute;n carillon</i>,
+maar slechts een <i>zeer nuttige en, wie weet, ook menig rustig slaapje
+storende uur slag zijn</i>. De heer Spitz lijkt mij namelijk niet
+iemand&mdash;het blijkt m.i. duidelijk uit zijn overzetting van de
+<i>Beatrijs</i>&mdash;van noemenswaardige <i>kunstenaarsgaven.</i> Intusschen,
+gewichtiger dan dit alles dunkt mij de vraag, of zelfs een
+voortreffelijk uitgaafje als dit bij machte zal zijn den nieuwen mensch
+tot de oude kunst te brengen. Bloemlezers van oude literatuur, in dezen
+tijd, schijnen mij altijd min of meer op zoo'n oude dame te lijken, die,
+als haar coquet kleindochtertje naar haar eerste bal gaat, uit 'r
+commode, van achter zeven sloten, een kostbaar antiek snoer haalt en
+dit, als in zelf-opofferende innigheid, om het jonge halsje legt. Maar
+het kind helaas, ofschoon ze quasi-opgetogen haar oogen laat schitteren,
+is er heelemaal niet dankbaar voor ... ze zou veel liever een van haar
+moderne snuisterijen dragen, en bovendien: wat zal Albert, dien ze van
+de tien dansen zeven heeft beloofd, er wel van zeggen, dat ze zijn
+medaillonnetje niet aan heeft?!...&mdash;De keus-zelf overigens lijkt mij
+hier bijzonder geslaagd. Och ja, natuurlijk: desiderata blijven er voor
+mij ontevredene nog altijd. Een kort-regelig en kunstig vers, ter
+vertegenwoordiging der soort, als: <i>Ghij suchten heet</i>, mis ik al even
+noode, als, na de opgenomen monoloog van Dorilea, de veel z&agrave;ngeriger
+"zang" van Daifilo. En als pendant van <i>Amaril</i> op blz. 14, had ik het
+geestige en, mij dunkt, den hedendaagschen lezer wel lijkende <i>Amaril,
+had jck hajr wt uw tujtjen</i>, er maar bij genomen. Een bepaalde
+tekortkoming echter acht ik, dat de f&egrave;l-zinnelijke Hooft&mdash;hij had met
+Boccacio niet slechts zijn humanistische <span class="pagenum"><a name="p113" id="p113"></a>[p.113]</span> neigingen &egrave;n voorkeur
+voor de letteren boven den koophandel gemeen!&mdash;niet door een vers als
+<i>Dartelavondt</i> is vertegenwoordigd. Er komt hier, meen ik, een zelfde
+tegenzin van den heer Spits, tegen grover-sensueele passages, als in
+zijn vertaling van de <i>Beatrijs</i> aan het licht. Maar erger dan eene
+tekortkoming: een volstrekt vergrijp vind ik de verminking van <i>Op Liefs
+Afweezen</i>. Niet slechts de <i>vijf laatste</i> coupletten, maar zelfs het
+<i>derde</i>, dus iets uit het midden, uit een gedicht te snijden...! Bloemen
+lezen van een veld en takken afbreken van een boom zijn twee
+verschillende dingen! Gelijk ook bloemen lezen iets zeer liefs kan zijn,
+maar ze slordig te laten vallen als steken van een breikous, iets
+bepaald &ograve;nliefs is. Ik doel op eenige drukfouten, die zin of metrum, een
+enkel maal zelfs beide, storen, al blijkt, in twee gevallen althans, uit
+de noten de juiste lezing wel. In <i>Deuntje</i>: een "won<i>der</i>-ziek geesje"
+in plaats van "<i>wond</i>-ziek." (In hetzelfde gedicht ware 't m.i. beter
+geweest Leendertz' noot bij "Gloorroos" over te nemen: de moderne lezer
+snapt niet zoo dadelijk, dat dit woord het troetelnaampje van een meisje
+is.) Op blz. 26 is zelfs de door Perk opnieuw beroemd geworden regel:
+</p>
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">"En is geen lachje, neen, maer lachens daegheraedt"</span>
+</p>
+<p>
+verminkt door in plaats van <i>maer</i> te laten staan: <i>man</i>; terwijl in den
+regel:
+</p>
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">"Hier streckt de stock het derde been</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">"Den ouden man...."</span><br />
+</p>
+<p>
+door in plaats van <i>streckt</i> te drukken: <i>sterckt</i>, de gezegde oude man
+een kermiswonder-met-drie-beenen is geworden. Ik begrijp dat de
+Errungenschaften op dit gebied van den Grootmeester-aller-Bloemlezers,
+den jongere in de oogen steken! Maar toch zou ik den heer Spitz, waar
+hij voor d&egrave;ze uitmuntendheid veel te&mdash;goed is, willen raden: keer gij
+liever tot de zachtere zeden van het pre-Knutteliaansche tijdvak
+terug....&mdash;
+</p>
+<p>
+April '18.
+</p>
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p class="pagenum"><span class="pagenum"><a name="p114" id="p114"></a>[p.114]</span></p>
+<h3>G. VAN HULZEN: VAN DEN ZELFKANT DER SAMENLEVING. ZIJN KIND</h3>
+
+<p>
+De makers der <i>catena fina</i> werden spoedig blind, vertelt Schopenhauer.
+En het is mij of ik daarin iets van mijn eigen tijd beleef.... Want wat
+dien ouden, Italiaanschen edelsmeden wedervoer, hebben wij dat ook niet
+bij zoo menigeen der tachtigers en hunner epigonen te betreuren? Heeft
+dat turen op de allerfijnste schakels van innerlijk en uiterlijk
+gebeuren, en dat kunstig smeden van gouden woordkettinkjes, sommigen
+hunner ten slotte niet het vermogen om te zien gekost, te zien w&agrave;t ook,
+niet slechts h&ugrave;n verwonderlijk-fijne vlechtwerk, maar ook heel het
+volle, rijke leven?... Zeker: ik geef grif toe: hier vooral kan men van
+wisselwerking spreken. Waren de visie op, de neiging naar dat vollere
+leven, de gave van den echten <i>menschen-schepper</i>, van nature en meet af
+aan, zij het naast hun verbijzonderingsdrang, m&agrave;chtig in hen geweest,
+zouden d&agrave;n hunne oogen en handen zich tot verlammens- en blind-wordens
+toe hebben <i>kunnen</i> bezighouden met hun onder de loupe bewerkt goud?...
+Een ontwikkelingsgang als die van den schrijver van Hulzen wijst mede er
+wel op, hoe volstrekt-ontkennend hier het antwoord moet zijn. Van
+Hulzen, vooral in 't begin van zijn loopbaan,
+tachtiger-epigoon-uit-bewondering en bekoord-zijn, maar <i>allerminst</i> uit
+<i>aanleg</i>, heeft &oacute;&oacute;k wel vroeger "catene fine" gemaakt, minutieusen
+d&eacute;tailarbeid, m&aacute;&aacute;r: op zijn manier: die van den volksman, wien nu
+eenmaal de aristocratische neiging tot zoo fijnen arbeid niet in 't
+bloed zit en die dan ook mede daardoor ciseleerbeiteltjes en fijn-stalen
+hamertjes, allang v&oacute;&oacute;r hij merken <span class="pagenum"><a name="p115" id="p115"></a>[p.115]</span> zou dat zulk werk zijn oogen
+verzwakte, in den steek liet, om met den houten boetseerstok in de vette
+kleiaard te werken. Waren di&egrave; dan ook niet zijn beste boeken, welke,
+zich bezighoudend met het lagere en allerlaagste volksleven,
+tegelijkertijd, in hun grovere en aard-zuivere menschelijkheid,
+afwezigheid van eigenlijke woordkunst en subtiele taalbeheersching,
+bewezen hoe zijn vroegere subtiliteit niets dan een kasbloempje was
+geweest, ontloken in de hooge temperatuur van het epigonen-enthousiasme?
+Ware het daarbij gebleven.... Wie zou er niet blij om zijn, dat een
+sterk-begaafde tot zijn oer-eigen natuur weerkeert! Maar helaas: in dit
+zijn werk schijnt mij die oude epigoon in Van Hulzen zich op vreemde
+wijze om zijn veronachtzaming te hebben gewroken. Hij, die niet langer
+edelsmid kon en mocht zijn; die niet langer gouddraad tot fijne
+kettinkjes mocht vervlechten, werd hier de fabrieksarbeider, die den
+metaaldraad "trekt" en rekt, rekt tot ieder die 't ziet, zichzelf zoo
+"gereckt", zoo gemarteld, als die metaaldraad voelt worden! Want, mijn
+hemel, w&egrave;lke eindel&oacute;&oacute;ze herhalingen in dit boek, geen herhalingen van de
+soort, waarin zich het machtig scheppend beproeven, het evolutionnair
+modifieeren van een zelfde grondtype, der Natuur weerspiegelt, gelijk ik
+dit eens in Querido's werk aanwees, maar integendeel van die welke het
+gevolg is van een onmacht, die zich gaan laat, gaan, tot de monden
+geeuwen, de oogen tranen, de voeten wankelen van die haar moeten
+aanschouwen. Zeker, ook in dat veelszins voortreffelijke boek <i>De Man
+uit de Slop</i> viel zulk een herhalen reeds op, maar verderop beterde dat;
+ik dacht toen: Van Hulzen, als zoovelen, moet zich eerst "inschrijven"
+v&oacute;&oacute;r hij op dreef komt; hi&egrave;r echter wordt 't hoe langer hoe erger, hier
+heeft-ie zich er<i>uit</i>geschreven. W&egrave;l blijkt dit boek een formidabele
+achteruitgang, na het zooeven genoemde werk, na <i>Maria van Dalen</i>
+vooral, met die <i>onvergetelijk-prachtige</i> vrouwefiguur; &oacute;&oacute;k als men
+dankbaar de aanwezigheid van vele stukjes <i>goede en stemmingsvolle
+natuurbeschrijving</i> erkent; &oacute;&oacute;k wanneer men het betreurt aldus over een
+auteur te moeten spreken, wiens erbarmingsvolle en diepe menschelijkheid
+z&oacute;&oacute; nog de klamme en lang-slierende druilmist zijner <span class="pagenum"><a name="p116" id="p116"></a>[p.116]</span> onmacht
+doorlicht, dat men waarlijk nog vaak, trots een hartkwaalachtig gevoel
+van weeheid, in z'n Vrouw Ruffert vooral, een medemensch herkent. Een
+onmacht overigens, die niet alleen in compositorische lamlendigheid en
+een gebrek aan energische zelfcritiek zich uit, maar ook, zooals na al
+het voorgaande wel van zelf spreekt, de taal harkerig maakt &egrave;n
+verslordigt. H&eacute;&eacute;ft de schrijver w&eacute;&eacute;t van dit alles? En is het thans
+wellicht ook tot hem doorgedrongen, hoe walvischachtig een "traan" moet
+zijn, die iets "verwarmt", zelfs een "gemoed"? Zoo ja, dan begrijpt hij
+ook wel waarom ik mij nog liever met een zijner oude "catene fine" zou
+hebben geworgd, dan mij aan d&igrave;t rafelige touw, als een makke, critische
+melkkoe, al heb ik n&ugrave; herkauwen geleerd, ter ... "<i>foire sur la place</i>"
+te laten leiden.
+</p>
+<p>
+Mei '18.
+</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p class="pagenum"><a name="p117" id="p117"></a>[p.117]</p>
+<h3>HERMAN POORT: LITERATUUR</h3>
+
+<p>
+Des avonds, als de winkellichten zijn ontstoken, flaneert zoo'n nijvere
+winkelier 'ns langs zijns gildebroeders &eacute;talage-ruiten. Het is in den
+rust-avond na den werk-dag een langzaam geschuifel in de schemer-gedekte
+straten van menschen, die stil-&aacute;&aacute;n genot willen proeven, het genot van
+het vredige feestje, tusschen den werkdag en den te doorslapen nacht,
+den nacht zonder bewustzijn, die daar al naderhaast over hun hoofden,
+van boven de straten. De oogen der feestelijk-schuifelenden kijken
+dwalerig-vaag, en soms in ongewisse staring, als van menschen aan het
+digereeren van een zwaar diner. Het zijn dan ook de n&agrave;- en de &ograve;p-werking
+van al wat verstand en gevoel dien dag hebben moeten slikken, die zoo
+hun oogen vertroebelen. De nijvere winkelier schuifelt mede, digereert
+mede. Maar jawel, is dat, gelijk van den quasi-slaperigen herdershond
+naast de kudde moe&euml; schapen, niet maar schijn? Kijk!... plots
+&ograve;nttroebelt een felle tinteling zijn oogen.... Een hartklopping
+veroorzakende aanblik heeft zijn pupillen verwijd ... nerveus grijpt de
+hand den kromhakigen stok, die in den schok der ontroering van den arm
+is gegleden ... de tanden bevinnigen een snorpunt.... Wat duivel! Een
+nieuw soort jam, die hij ni&egrave;t heeft ...! Hij verw&igrave;nt zijn emotie. Hij
+strakt den rug. Zijn gezicht maakt hij effen, maar straks&mdash;straks zal
+zijn blik n&ograve;g troebeler zijn, hij heeft iets erbij te digereeren
+gekregen.&mdash;En welnu, in dezen driewerf gelukkigen rustfeest-avond, na
+de vele, vele uren, dat ik de onsjes en half-onsjes mijner meeningen
+<span class="pagenum"><a name="p118" id="p118"></a>[p.118]</span> op de dan blinkende, straks weer verdofte schaal mijns oordeels
+heb afgewogen, flaneer ook ik&mdash;als hij. En ik ben op jacht als hij. Daar
+... daar hei je 't nieuwe winkeltje van Poort. Nou ... no&ugrave;! niet die
+jachthonden-gretigheid in je oogen ... kijken ... j&ugrave;ist: 'n
+v&ograve;lkswinkeltje is 't ... geen gr&oacute;&oacute;te zaak ... nee, en 'n
+Barthold-Schwarz-van-'n-etaleur in zijn dienst heeft-ie ook niet....
+Maar 't is alles proper en netjes, een winkeltje van oud-hollandsche
+heldere zuiverheid en eerlijke waren.... Als Baas de Meester het
+uithangbord had moeten schilderen, had-ie d'r vast <i>In den lieven
+Eenvoud</i> opgezet.... En ik dacht na ... als 'k eens naar binnen ging en
+wat kocht, om 't bij me thuis op m'n gemak na te pluizen.... M'n gezicht
+kennen doet Poort toch niet, en 't zou trouwens al 'n "reuze"-toeval
+wezen, als-ie zelf in dat filiaaltje zat. ,
+</p>
+<p>
+M&aacute;&aacute;r, nom d'une pipe, hij zat d'r w&egrave;l, &egrave;n: dat portret door Pieter de
+Mets.... Maar 't viel erg mee, daar niet van; na twee glaasjes waren we
+al aan 't tutoyeeren: je moet rekenen, we kenden elkaars zaken al
+z&oacute;&oacute;lang, en zoo hebben we tot heel laat, in 't gezellige achterkamertje,
+met de warm-gele zoldering en de je knus omstaande wanden geboomd, en
+het gerinkel van de winkelbel&mdash;die was geen oogenblik in rust&mdash;omklonk
+hem, denk ik, als de muziek der sfeeren. En ik moest maar van alles
+proeven, en dan keek-ie me vragend aan. "Poort, jonge", mocht 'k dan zoo
+kopwiebelen, "als je me nou toch zoo god-vergeten-inquisitorisch zit aan
+te kijken, dan moet ik je maar eerelik verklaren: je <i>Definities</i>
+bevallen me niet; als je mijn nou v&oacute;&oacute;raf had gevraagd ... di&egrave; m&oacute;t je ook
+niet in 'n volkswinkeltje verkoopen, dat m&ograve;t toch Ersatz worden; &agrave;ls je
+ze tenminste voor de prijs, die jou m&eacute;&eacute;ste klanten kunnen besteje,
+leveren wilt.... Daar nou ...! in die pot <i>Poezie</i> heb je toch heelemaal
+geen <i>epiek</i> gedaan, waar of niet?"... Nou, hij k&ograve;n niet nee zeggen,
+want ik likte juist de lepel af. Maar je bonbons &agrave; liqueur esth&eacute;tique,
+die ik daar heb geproefd, wel drommels, daar leken me wel fijne
+dingetjes onder te zitten; je bent toch een kranige kerel, dat je die
+zoo zelf hebt gemengd en gebakken. En je <i>Pallieter</i>-saus&mdash;'n courant
+artikel, h&egrave;, <i>Pallieter</i>? <span class="pagenum"><a name="p119" id="p119"></a>[p.119]</span>&mdash;smaakt naar meer. Ja hoor, ik zie
+wel, 't is hier 'n toffe boel, en m&igrave;jn zegen heb je.
+</p>
+<p>
+"Maar toch ... maar toch", en 'k ging weer kopwiebelen, "zie je, &oacute;&oacute;k
+voor zoo'n klein volkswinkeltje ... ja got, ik weet d'r alles van ...
+val me maar niet in de rede ... z&egrave;k&egrave;r, je wilt zeggen, je Groningsche
+magazijn ... maar och kerel, als iemand 't weet, dan weet ik 't toch
+hoeveel betere dingen je daar hebt ... maar hier, zie je.... Daar hei je
+nou die trommels <i>Letterkundige critiek en essai</i> ... dat is nou toch
+werachies te weinig keus, niet genoeg variatie.... Als ze je nou vragen
+naar het merk <i>Querido</i>, wat zeg je dan? En naar <i>Dirk Coster</i>, ik
+persoonlijk, as je mijn vraagt, hou van dat merk niet zoo erg, m&aacute;&aacute;r,
+daar gaat niks van af, heel puik en fijn &igrave;s 't; en naar Verwey en naar
+Erens ...? Waarom l&agrave;ch je, schalk duivelskind? Ah ja", en ik moest zelf
+lachen&mdash;"je zou wel willen h&egrave;, dat ik nog &eacute;&eacute;n naam noemde, maar nee
+vader, je Humor-mosterd, als je maar die <i>Speenhoff</i>-pickles eruit
+vischt, is misschien het beste wat je hier hebt, en daarin heb je geen
+bijmengseltjes op mijn kosten noodig!" Het was nacht, toen ik naar huis
+ging, maar vreemd toch, ik voelde me heelemaal niet moe. Onvertroebeld
+in m'n harden kop, voelde ik m'n oogen sterk en vast. En ge zult mij
+toestemmen: al was 't dan prettige en lichte kost, ik had toch dien
+avond w&egrave;l wat te digereeren gekregen....
+</p>
+<p>
+Mei '18.
+</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p class="pagenum"><a name="p120" id="p120"></a>[p.120]</p>
+<h3>SALAMON DEMBITZER: EEN ZOMER IN GALICIE</h3>
+
+<h5>Vertaling door Arn. Saalborn</h5>
+
+<p>
+Het schijnt nu eenmaal Hollands lot, zoowel vrij te blijven van de
+grootste verschrikkingen van dezen ontzaglijken tijd, als te worden
+getart en geplaagd door zijn kleinere mis&egrave;res. En waarom ons dus
+boos te maken over dezen bundel juist?... Wat is, bij al de zoetelijk-hooggestemde
+arrogantie van het buitenland jegens ons, de
+arrogantie en de stroopige sentimentaliteit van dezen jongen, ongetwijfeld
+niet onbegaafden schrijver? En naast den voorgewenden
+hoogmoed uit het geknauwd-zijn geboren, welke heel het droeve wereld-leven
+om ons heen kenmerkt, die, zij het uit de vernedering van geslachten
+voortgekomen, geest van blague en ijdele zelfverheffing in
+'n paar vrij onbeteekenende novellettes? Bovendien: aan iederen
+leeftijd&mdash;ook van de ziel&mdash;het zijne; we zouden toch al heel nurksch
+moeten zijn, om dezen jongen man, met een hart vol beminnelijk-jeugdige
+wereldverachting, verliefdhedens, wijsbegeerte en symboliekerigheid,
+niet het genoegen te gunnen, van ons door al deze verhevenheid
+volmaakt-ge&eacute;pateerd te toonen&mdash;het aan den tijd overlatend,
+hem het begrip bij te brengen, dat niet wij de dupe zijner
+zelfverheffing waren, maar hij die van onze welwillende onverschilligheid.
+En bevindt zich dit <i>werk-zelf</i> al ver &ograve;nder het middelmatigste
+der Nederlandsche literatuur; van den geest, die het maakte, mag
+worden getuigd, dat hij zich door een zeker, helaas haat-geboren,
+psychologisch-analytisch vermogen, een decadent-fijne doordringendheid
+en een hartstochtelijke ontvankelijkheid, <i>iet</i>wat b&oacute;ven het middelmatige
+<span class="pagenum"><a name="p121" id="p121"></a>[p.121]</span> verheft. En dus: het voor en tegen wel gewogen: het zal
+geen goed maar ook geen kwaad doen&mdash;laat ons zwijgen. Maar helaas,
+wie zoo redeneert, houdt er geen rekening mee, dat affiniteit en plotseling,
+zij 't door een uitwendige oorzaak, weer actief wordend atavisme
+&mdash;ge hebt 't nog onlangs bij den talentvollen Goudsmit gezien<a name="FNanchor_1_27" id="FNanchor_1_27"></a><a href="#Footnote_1_27" class="fnanchor">[1]</a>
+&mdash;v&eacute;&eacute;l vermogen, en dat onze toekomstige Joodsch-Hollandsche
+auteurs daarvan, in dit geval, zeer makkelijk de dupe zouden kunnen
+worden. "Atavisme?" vraagt ge verwonderd, "zekere affiniteit, dat
+is mij duidelijk, maar waar haalt ge het atavisme vandaan?" Wel,
+is mijn antwoord, dat donker hoekje, waar het ligt verscholen,
+zal ik U wijzen.... De niet minder beminnelijke dan kunstgevoelige
+recensent van "Het Volk", die dit bundeltje verschoonend besprak,
+noemde het "fantasie&euml;n van een <i>Oosterschen</i> droomer". Inderdaad
+<i>Oostersch</i>, waarde vriend, zou ik hem willen zeggen, maar niet van
+het gloeiende, rijk-edele Oosten, waar de klassieke bakermat van het
+semietisch ras ligt, doch van het Europeesche Oosten, waar de hel
+zijner vernedering en verslaving wordt gevonden. Niet de sterke en
+zonbrandende visioenen van het Hebreeuwsch goudelen in dit werk,
+maar de <i>koortsheete en verwilderde</i> schemerdroomen der Ghetti walm-flakkeren
+erdoor. En ook veel van het verwerpelijkste dat in de eerste
+tijden de bevrijding uit het Ghetto bracht,&mdash;het Ghetto, dat ook
+zoo vroom van stille studie-gepeinzen kon wezen&mdash;is erin: de reactie
+op de geleden vernedering; het uitgerekt op stelten loopen nadat
+men zoo lang gebukt is gegaan; de pralende hoogmoed, het zich als
+meer voordoen dan men is; het zich nog overal en altijd de verongelijkte
+en vernederde voelen; de onverzadelijke eerzucht: de begeerte
+naar het eeuwen ontbeerde; het smartvolle beluisteren van alles wat
+over je dierbare zelf wordt gezegd, nu je voor het eerst in het licht
+gaat.&mdash;Neen, niet dien weg moet gij op, jonge Joden van Holland.
+Weest gij geen "Oosterlingen" van Europa, weest gij Oosterlingen
+van Azi&euml;: de ziel vol zon en wonend tusschen de bergen, vroom opziend
+<span class="pagenum"><a name="p122" id="p122"></a>[p.122]</span> naar de hoogten, en kennend U-zelf. Weest als z&ugrave;lk een Oosterling
+weidsch, en, naar uw vrij en eerlijk beleden aard, slijpt de kostbaarste
+steenen van uw vinding, vlecht het filigrain uwer glanzend
+zich wendende dialectiek, tot sieraden op uw taalgewaad. En zoo ge
+zwoel van ziel zijt, met de zwoelheid van de drachtige dag, verheugt
+U daarom; doch mocht gij 't zijn met de zwoelheid der Ghetto-benauwenis
+en zijn ziekenkamers, weest dan h&agrave;rd tegen U-zelf en g&eacute;&eacute;selt het
+&ugrave;it U.... Maar&mdash;ge lacht om mijn vrees...! "Wij, vrije Hollandsche
+Joden, in dezen tijd van Joodsche renaissance, zouden z&oacute;&oacute; zijn?!"
+.... En uw jonge zekerheid str&aacute;&aacute;lt.... W&egrave;ln&ugrave;.... misschien h&egrave;bt
+ge ook wel gelijk, misschien neem ik het wel te tragisch: onze Dembitzer,
+meent ge, lijdt welbeschouwd aan wat men eigenlijk cultureele
+kinderziektetjes moet noemen, en zoo iets is natuurlijk in het volwassen
+Hollandsch gezin, dat die ziektetjes al lang was vergeten, wel een
+beetje storend, doch overigens.... En jawel, zeker, d&agrave;t is waar: als
+we h&egrave;m nu maar beter zien worden en opgroeien in ons midden, en
+gij laat U niet door die waterpokjes en mazeltjes besmetten, nou dan
+was het geval wel 'n beetje lastig voor Holland maar Holland-in-last
+was 't nog niet. Maar nog eens&mdash;en niet boos worden!&mdash;past op,
+dat <i>gij</i> niet.... Want waarachtig, zoo'n h&eacute;&eacute;le kinderkamer, d&agrave;t zou
+niet gaan ... al dergelijk gerei hebben we immers al in '80 aan
+den uitdrager meegegeven.
+</p>
+<p>
+Juni '18.
+</p>
+<p class="caption">
+Noot:
+</p>
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_27" id="Footnote_1_27"></a><a href="#FNanchor_1_27"><span class="label">[1]</span></a> In de critiek op diens <i>Droom en Wereld</i>, niet in dezen bundel opgenomen.</p></div>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p class="pagenum"><a name="p123" id="p123"></a>[p.123]</p>
+<h3>REN&Eacute; DE CLERCQ: HET ROOTLAND</h3>
+
+<p>
+De <i>tooster</i> en de <i>kunstenaar</i> zijn immer elkanders ergernis geweest.
+Als beiden aan 's levens zwaargeladen tafels zitten, schuinoogt de
+eerste in lacherig en g&ograve;eig-spottend misprijzen&mdash;hij is zoo'n
+altijd-joviale, bolwangige, rondbuikige en &aacute;&aacute;rdige kwant&mdash;naar den
+laatste, die saaie piet, die verhevenling, van wie ze, godbetert,
+zeggen, dat-ie zoo'n genie is, maar die nou nooit 'ns zoo'n wat je noemt
+leuken, w&agrave;rmen, h&agrave;rtelijken toost kan slaan. En de laatste kijkt in
+verbazing en afkeer naar dat van wijn en d&ugrave;rende geestdrift en vette
+hartelijkheid zweetende vetblok tegenover zich, die geen oogenblik zijn
+dikke lippen tot een woordloos geheimenis kan adelen; die maar aldoor
+z'n natsmijdigen keellach laat losgrollen uit z'n pralend-machtigen
+schud-romp, en luidop indiscreet-opgetogen opmerkingen over zijn
+tafelgenooten slaakt, en d&agrave;n weer tegen z'n glas tikt&mdash;voor de
+zooveelste maal, eindel&oacute;&oacute;s door!&mdash;en drinkt "op de gezondheid", "op het
+lieve kroost", "op de deugdzaamheid" van onzen dierbaren vriend <i>A</i>. van
+onze lieve vriendin <i>B</i>....&mdash;"En hij is waarachtig daar nog in staat,"
+denkt onderwijl de bleekwordende kunstenaar, z'n woede verbijtend, "om
+op de blanke halzen, de dikke kuiten en de prachtig-gewelfde borsten te
+drinken!" Nee, de kunstenaar en de tooster, die zijn niet voor elkaar
+gemaakt, m&aacute;&aacute;r de criticus, dat koud-groene amphibie, dat, als de kikker
+uit het sprookje, uit het klaar-vloeiend water der kunst, naar den
+koningstafel des levens komt opgekropen, di&egrave; heeft een verkneuterend
+genot aan b&egrave;iden &egrave;n van hun verhouding tot elkaar. En soms&mdash;maar dan
+wordt 't een <span class="pagenum"><a name="p124" id="p124"></a>[p.124]</span> schouwspel voor g&ograve;den, en eigenlijk voor h&egrave;m te
+mooi&mdash;ziet hij beiden bij beurten een-en-denzelfden man ontstijgen, als
+in occulte zelfverdubbeiing, zelfprojectie. En dit nu, vereerde lezers,
+dit schouwspel voor g&ograve;den, is mij, zoo nederig en gering als ik hier
+voor U zit, ten deel gevallen! D&aacute;&aacute;r&mdash;ten feestmale op <i>Het Rootland</i>.
+Och, wat deed die van jovialigheid-glimmende tooster De Clercq druk. Hoe
+vet glimmerde z'n mond bij al die dierbare en opgetogen woorden over z'n
+lieve, heerlijke tafelgenooten; hoe aardig waren al die z&ograve;ete
+tafereeltjes, die hij, na 'n tik aan z'n glas, zoo t&eacute;&eacute;kende met&mdash;zou je
+misschien mogen zeggen als die er spits genoeg voor was:&mdash;z'n mond. Och
+ja, 't was alles zoo m&oacute;&oacute;i, m&oacute;&oacute;i, maar toch nooit mooi genoeg voor dien
+lieven, in-goeien, alles-en-iedereen-aan-z'n-hart-drukkenden man: "Er
+ontbrak slechts wat zonnegoud daarop om dit drietal, als een levende
+beeldengroep ter verheerlijking van landelijke kracht, zorg, levenslust
+en liefde, waardig te omlijsten." Nou, beste kerel, waarom hei je dat
+zonnegoud er dan niet maar bijgeteekend? Als je z&oacute;&oacute; vol zoeten
+levenswijn bent, d&agrave;n mag je d&agrave;t toch &oacute;&oacute;k wel doen?... Eigenlijk, docht
+me toen, is het heele bestel, dat waarom alles draait, van 't feest, 't
+werk van den tooster, want: dat een gezonde boer als die Joost Valke,
+z&oacute;&oacute; krom zou denken, dat hij zichzelf gaat opofferen, om z'n meisje
+&ograve;ngelukkig te maken, nee, hoor.... Maar de tooster, h&eacute;, di&egrave; had die
+"edelmoedigheid", die tranenglibberige smart van noode.... Waarvoor?
+Nou, om er aandoenlijk op te toosten, natuurlijk!... Maar kijk,
+nauwelijks had ik van dat alles 'n weinigje spottig genoten, of de
+jovialige dikkert en wijdgebarende zwaardert was plots verschimd ...
+w&egrave;g, &egrave;n&mdash;daar stond de kunstenaar! Wat of di&egrave; deed? O, dat was z&oacute;&oacute;
+anders.... Die spr&agrave;k: een knoestig uit den zielsgrond gewassen
+woord&mdash;woordconstructies, voor ons Noord-Nederlandsch om van te
+watertanden; die g&agrave;f: hartig-levensware menschscheppingen, teer-schoone,
+soms doorgeestelijkte natuurbeschrijvingen.... Met de natuur bemoeide
+zich de tooster dan ook nooit, en n&agrave; het eerste deel des feestes heb ik
+'m gelukkig heelemaal niet meer gezien. En t&ograve;en voltrok zich dan ook een
+wonderlijke <span class="pagenum"><a name="p125" id="p125"></a>[p.125]</span> verandering&mdash;in mij. Ik zei 't U reeds, dat ik,
+amphibie, als in 't sprookje, uit het water naar den koningstafel was
+opgekropen, maar toen, alweer als in 't sprookje, veranderde ik in 'n
+liefde-vollen prins. En met mijn lievende en prinselijke oogen aanziende
+deze kunstenaarsziel, dacht ik: Ren&eacute; de Clercq, wat zijt gij toch een
+schoone mensch.... Welk 'n fijnheden en innigheden en diepten hebt gij.
+Dat woord van dien door de boeren mishandelden dokter: ""'t Leven is
+aardig," zegde hij in zijn eigen." Hoe subliem. En de stille tragiek van
+Anneken's afscheid.... Het minnarijtje van Rik en Maaike in de van
+bloemenlucht overhuifde avonden.... Hoe nat&uacute;&uacute;r-zoet. Soms ook spreekt ge
+een zinnetje als vlottende muziek. Al het knoestige van uw woord is dan
+w&egrave;g, het zijn geen woordb&oacute;&oacute;men meer, het zijn losse, w&ograve;nderlijke
+klankjes&mdash;g&eacute;&eacute;n melodie&mdash;van een Aeolus-harp in uwe boomen.... En neen,
+ik bedenk mij: waar ge een tooster waart, waart ge toch waarschijnlijk
+geen &egrave;chte.... Uw overdrijven van het sentiment, was het wellicht niet
+anders dan dat van het overvolle volks-kinderlijke hart, dat z&oacute;o
+onleschbare dorst heeft om allen lief te hebben, dat het de menschen
+mooier m&ograve;et maken, s&ograve;ms, om ze te k&ugrave;nnen beminnen? En trouwens, die
+tooster is dan toch, zoo niet r&eacute;&eacute;ds bezweken, toch bezwijkend in u....
+Toen hij op <i>Het Rootland</i> verscheen, dat was in 1911...! Sindsdien....
+"Die Schenker woont in Zijn onnaakbre hallen".... Die Schenker, die ook
+d&agrave;t feest gaf, heeft sedert alsem in den wijn gemengd.... En schonk Hij
+&ugrave; niet <i>De zware Kroon</i> te dragen....? Maar de lippen van den tooster
+zag ik wit worden vanwege de bitterheid en het wrange.... Neen, hij zal
+niet zooveel meer spreken in en naast u.... En eens laat hij u, den
+sterken kunstenaar, alleen....
+</p>
+<p>
+Juni '18.
+</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p class="pagenum"><a name="p126" id="p126"></a>[p.126]</p>
+<h3>J.J.L. GREGORY: HET LIED VAN DE ZONDE</h3>
+
+<p>
+Maandag 10 Juni!... In de grondelooze d&eacute;lices mijner &agrave;ndere analytische
+en zw&aacute;&aacute;r-critische kunst, het verheven diamantklooven, verzonken; mijn
+brandende aandacht gefascineerd door de blanke wereld van een
+flonkerenden octa&euml;der, waarin, gelijk een kwade gedachte in een schoonen
+geest, een dier zwarte vlekken duistert, dewelke men greinen noemt,
+voelt mijn ziel, plots gestoord, zich naar de oppervlakte der
+alledaagschheid zweven.... Een tik op de deur.... Ah! er wordt mij een
+pakje recensie-exemplaren gebracht. D&agrave;n glimlach ik toch; geeuwerig en
+lacherig strek ik mij behaaglijk tegen den rug van mijn leunstoel en
+door mijn onfeilbare instincten geleid, grijp ik naar dit dun en
+diabolisch boekje. Dun: o recensenten-geluk! Diabolisch: waar zou ik
+anders naar grijpen, ik, die den tijd, welken ik mijn voortreffelijken
+werkgevers duur laat betalen, met het lezen van gedichten verdoe en d&agrave;n
+nog klagerig jank om meer loon; ik, die bij het zien van een
+diamantvlekje aan een helsch-zwarte gedachte denk.... En ik ga lezen ...
+ik lees deze onsterfelijke regels: "En Paul schreeuwde: Breng me een
+jong leven, dat ik het verkrachten kan!" Ik lees: hoe Paul een levende
+meeuw de vleugels ontscheurt, en daarmee&mdash;o verrukkelijk visioen!&mdash;een
+heuvel opstormt, en ik knik bewonderend, en denk blij: een Baudelaire't
+je en een Lautr&eacute;amontje.... Maar n&ograve;g duivelscher dan dit duiveltje denk
+ik ook v&egrave;rder en grijns en zie, zie&mdash;hoe deze Gregory, dit onnoozele
+dwaze schaap, een dag grasjes mummelend in zijn vlakke weidje, plots
+dien vuurspuwenden draak, dien Maldoror aan den horizon zag
+&ograve;pgloedwolken en neergolven <span class="pagenum"><a name="p127" id="p127"></a>[p.127]</span> gelijk een lavastroom, en toen
+waterde van angst achter de boomen, als kameelen die den leeuw ruiken;
+maar daarna ziende, dat de Vreeselijke weer verdween, Hem ... ging
+nadoen! buitelend en blazend in zijn malsche vachtje met z'n goei&iuml;g
+snuitje.... Ach, mijn kleine zoon, met wien ik laatst in Artis heb
+gewandeld, deed je ook niet zoo? W&eacute;&eacute;t je 't niet meer of wil je 't niet
+meer weten: de leeuw brulde, ik voelde je handje trillen en je gezichtje
+betrok. Ik zei: ben je bang, jonkie? en je antwoordde, jij kleine
+slimmerd: "nee, maar mijn hoofdje gaat zoo'n pijn doen van dat gebrul."
+Toen zijn we maar stil, mijn heldje, naar buiten gegaan, maar nauwelijks
+waren we thuis, of&mdash;jij werd zoo waar een geweldige leeuw en ik moest
+maar in je leeuwerigheid gelooven en mij l&agrave;ten verscheuren! Kom, weet je
+wat, d&agrave;t is een mooie inval: Pappie gaat nou 'n spelletje bedenken, het
+leeuw-en-duivel-spelletje, en dan mag je volgenden Zondag je vriendje
+Gregory bij je op visite vragen en dat s&agrave;men met 'm spelen gaan.... H&eacute;
+... wat?... ja nat&uacute;&uacute;rlijk, onder de hand chocolade, wat dacht je dan ...
+tw&eacute;&eacute; reepen ieder!...&mdash;Zaterdagavond 15 Juni! De pret is 'r 'n beetje
+voor me af.... Querido vindt 'm reeds een imitatie-Baudelaire en
+-Maldoror. Uit puren lust, mijn originaliteit te demonstreeren, zou ik
+nou wel willen zeggen, dat-ie 'n namaak-Augustinus is! Maar waarachtig,
+het gaat niet.... Baudelaire zou ik me nog kunnen ontgeven, Maldoror
+z&egrave;ker niet. En toch lezer moogt ge daarom volstrekt niet denken, dat ons
+Gregorytje door de Lautr&eacute;amont <i>be&iuml;nvloed</i> zou zijn&mdash;gij zoudt er den
+laatste, dien goddelijk-duivelschen reus al te schandelijk mee
+beleedigen. Tja ... h&ograve;e zal ik u de verhouding tusschen beiden nu
+duidelijk maken.... Kijk, ze is z&oacute;&oacute;.... Op 'n morgen&mdash;het vertelsel is
+wat onsmakelijk, maar het verklaart u alles&mdash;hoorde ik op 'n atelier,
+waar ik werkte, iemand een beruchten smeerpoets vragen: "Zeg, mag 'k
+even je vest zien?" "Waarom?" vraagt de smeerpoets. "Ik wou zoo graag
+weten, wat je gister hebt gegeten," antwoordt de ander droogjes. En ziet
+ge nu lezer, z&igrave;et ge: als ik nu het vestje van den heer Gregory maar
+&egrave;ven bekijk en daarop de gore vlek van zijn "gedicht" ontdek, dan roep
+ik, <span class="pagenum"><a name="p128" id="p128"></a>[p.128]</span> me op de knie&euml;n slaand van pret: O, jij Gregorytje,
+Gregorytje, jij hebt, ontken 't niet, gisteren de Lautr&eacute;amont's Maldoror
+gegeten!... En d&agrave;t nu is de verhouding....&mdash;<i>Les Chants de Maldoror</i>!
+W&egrave;l was het mij een vreugde, toen ik den sindsdien helaas, en hoezeer te
+vroeg, gestorven vertaler van dit wonderwerk, den begaafden kunstenaar
+en arts J. St&auml;rcke, behulpzaam kon zijn bij het vinden van een uitgever.
+Want er moge ongetwijfeld in die liefdevolle overzetting veel
+schoonheid, vooral van de muzikale harmonie&euml;n, verloren zijn gegaan&mdash;en
+bij welke vertaling gebeurt dat niet&mdash;de visioenen vol buiten- maar ook
+b&ograve;ven-menschelijk schoons zijn toch thans aan Holland gebracht. Maar het
+is een duivelsch, het is een vr&eacute;&eacute;selijk boek, werpt ge mij tegen....
+Ach, lieve vriend ... weet ge wat het mij immer was? Ziedaar: <i>het meest
+treffende der panthe&iuml;stische levensbeschouwing in kunst verbeeld</i>, de
+verluchting van Spinoza's sublieme woorden: God schiep het Al gelijk het
+is, "wijl het hem niet aan stof ontbrak om alles van den hoogsten tot
+den laagsten graad van volmaaktheid te scheppen." En aan z&oacute;&oacute; iets raakt
+dit schrijvertje.... Maar wat zou het! Hebben zelfs niet de
+<i>lucifersfabrikanten</i>, bij het benoemen van hun product, zich den
+gevallen Aartsengel ten nutte gemaakt? O Paul-duiveltje van dit <i>Lied
+van de Zonde</i>, wees er zeker van, gij althans bl&eacute;&eacute;ft in uw rol, toen ik
+aan U de leelijke pijp ontstak, die ik hiermee den heer Gregory doe
+rooken....&mdash;
+</p>
+<p>
+Juli '18.
+</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p class="pagenum"><a name="p129" id="p129"></a>[p.129]</p>
+<h3>IS. QUERIDO: VAN VERBEELDING EN WERKELIJKHEID</h3>
+
+<p>
+Deze bundel is&mdash;schoon niet alle opstellen op een zelfde hoogte
+staan&mdash;een prachtig boek, prachtig v&oacute;&oacute;ral om de rijk genuanceerde
+vitaliteit van den mensch, die het schreef; de hartstocht voor h&eacute;&eacute;l
+het leven, die er in nimmer verzadigde begeerte tot menschscheppen;
+in strijdlust; in verlangen om te weten, te doen en te ondergaan, tot
+uiting komt. Gij herinnert u den <i>Woudgeest</i> uit <i>De Verdronken Klok</i>,
+die woeste bewustwording, die nu &ograve;pl&aacute;&aacute;iende, straks weer fijntjes
+vlijm-vlammende personificatie&mdash;dien water-Nickelman brengt
+hij aan en van de kook!&mdash;van den onblusehbaren leefdrang-zelf?
+Ik zie hem weer v&oacute;&oacute;r me&mdash;o, die onvergetelijke Heyermans'sehe
+"Literaire Matin&eacute;e", waar M&ouml;gle hem fel-levend aanzijn gaf!&mdash;nu
+ik dit boek heb gelezen en 't nog eens in gedachte &ograve;verschouw. Vraag
+zoo'n wezen niet, in zijn meest leven-overstelpte oogenblikken, naar
+wat wij menschen "distinctie" noemen&mdash;een h&oacute;&oacute;g-prijselijke eigenschap,
+maar die overigens ook wel, vaker dan men denkt, uit geestelijke
+schamelheid wordt geboren&mdash;; niet naar de ingetogenheid, die
+voorzichtig schrijdt, zeker d&agrave;n wanneer haar tocht een bergtocht is.
+Neen, hij stijgt springend als een gems van de dalen naar de toppen,
+wipt onvoorziens weer van de hoogten in de diepten neer, houdt al
+officieele godzaligheid en "geestelijkheid" voor den gek, keert schalk
+de orde der dingen om, door zelfs een barbier bij den neus te hebben,
+m&aacute;&aacute;r&mdash;als hij verh&aacute;&aacute;lt, h&oacute;&oacute;rt ge in zijn woord het klank-gespr&agrave;nkel
+en de d&ograve;ndering van de klok h&egrave;rgalmen, die hij luidde op z&oacute;&oacute; vreemde
+<span class="pagenum"><a name="p130" id="p130"></a>[p.130]</span> wijs ... door hem van rotspunt tot rotspunt te doen storten! O,
+oude wagen van de taal, hoe onbeschroomd-moedwillig heeft deze
+schrijver je wel eens heftig een van je raderen ontrukt, en je zwijgende
+klok tot zingen gebracht door dat gevaarte als een licht steentje te
+doen huppelen tegen de weerstanden van zijn genialen geest....
+Zoo hoorde de wereld dan wel een wild en toomloos lied, maar dat &oacute;&oacute;k
+was een <i>nieuw</i> geluid, en dat geluid: muziek. En was eindelijk deze als
+voortgezw&eacute;&eacute;pte, deze als demonisch voortgej&aacute;&aacute;gde klok ter diepe
+gevoelsbedding in rust gezonken, d&agrave;n weer ... pl&ograve;ts ... als in den
+n&agrave;droom van het leven, roerde een heel andere: de vrouwelijke teederheid,
+de mijmerende, klagende en herdenkende teederheid van deze
+groote kunstenaarsziel, nog &eacute;&eacute;ns aan de metalen wanden, en de donderaar-in-den-zonnedag
+huiverde nu van uit de donkere diepten een
+licht en melodieus gerucht naar de zachte en weifelende schemers
+van het luisterend hart. Lees maar weer in d&igrave;t boek die schoone bladzijden
+uit <i>Reisbeschrijvingen</i>, vol teerste jeugdherdenking, mij zijn
+d&egrave;ze liever dan die uit <i>Verbeelding en Werkelijkheid</i> in dien anderen
+bundel: <i>Malvina</i>, waarin het sentiment soms door het koesteren van
+de eigen persoonlijkheid werd verzoetelijkt. Of voel de teerheid der
+beeldingen in <i>Herfst</i>, dien rei der jaargetijden, vol van <i>muziekale
+plastiek</i>:" ... de gouden regen fonkelt zijn slanke trossen neer uit
+hoogen hang." "<i>Er twinkelde vogelengerucht door de lucht</i>, en van een
+<i>witten til-kanteel</i><a name="FNanchor_1_28" id="FNanchor_1_28"></a><a href="#Footnote_1_28" class="fnanchor">[1]</a> vloog een zwerm duiven op," met ook die fijne bezinning
+over het herfstelijk ruischen der boomen; en dit z&eacute;&eacute;r fraaie,
+dichterlijk-wijsgeerige aan het slot: "De Herfst in eigen wisselgestalte
+bevestigt den kringgang der dingen, en in zijn praalschoonen dood
+jubelt hij juist van het eeuwige wederkeeren". Maar het wilde en
+toomelooze lied hoort ge bijvoorbeeld in het ge&euml;motionneerde <i>Nietzsche</i>,
+m&egrave;t het kleurig <i>Aquarium</i> werk van romantisch intellect en
+gevoel....&mdash;Intusschen: zeker wanneer ik zoo'n k&ograve;rt stukje als dit
+over Querido's critisch en lyrisch proza schrijf&mdash;en tot het schrijven
+<span class="pagenum"><a name="p131" id="p131"></a>[p.131]</span> van omvangrijker studies ontbreekt mij thans ten eenenmale de tijd&mdash;
+kan ik mijn oordeel, zij het in nieuwe uitingsvormen, slechts <i>herhalen</i>.
+Wat ik in 1911, in mijn <i>Over Literaire Kritiek en Is. Querido's Studi&euml;n</i>
+van hem zei&mdash;men kan de essai in mijn bundel <i>Schetsen en Critische
+Opstellen</i> vinden&mdash;acht ik nog immer <i>volkomen juist</i>: wat ik
+daar schreef over zijn deugden en gebreken; wat ik schreef over de
+voorkeur, die, zeker bij het oordeelen over een groot schrijver als
+deze, het <i>natuurlijkheids</i>gevoel van den criticus, boven zijn <i>schoonheidsgevoel</i>
+als <i>kunstcriterium</i> verdient, en niet minder wat ik schreef
+over zijn metaforen- en menschscheppende macht. Die eigenschappen
+en ook die tekortkomingen, zij zijn in &agrave;l zijn lyriek aanwezig: daar de
+&eacute;&eacute;ne meer, ginds weer de &agrave;ndere. Metaphoren, er zijn er van de schoonste
+in dezen bundel. Menschschepping, Pol de Mont, Streuvels, hun
+<i>prachtige</i> uitbeelding herinnert aan het allerbeste uit de <i>Geschreven
+Portretten.</i> In een geval, waar een <i>schoone metafoor</i> vergezelt de psychologische
+doorgronding van den <i>menschschepper</i>, in een <i>karakteristiek</i>
+van het <i>menschschepper-zijn-zelf</i>&mdash;een heuglijk samentreffen!
+&mdash;zij het mij veroorloofd, u nog even een citaat te geven, (over
+Streuvels): "Hij <i>spreidt zijn stille peinzers-net</i> zoo wijd, van de lage
+aarde naar den hemel, en toch zonder hoovaardij. Want hij <i>verwerkt
+al de zelfgegaarde wijsheid weer in de nederigste zielen</i> en geeft u de
+ontraadseling van een mysterie terug uit een kindermond." Zou men
+met dit laatste ook den schepper-zelf van <i>Huib Kilometerboekje</i> niet
+kunnen kenschetsen? En als ge opmerkt, dat er, op blz. 24, van Pol
+de Mont's "Zeus-achtige stem" wordt gesproken, en pas veel later,
+in de uitmuntende metaforisch-synthetische karakteristiek, die op
+bl. 32 begint, ditzelfde beeld vluchtig-en-fijn wordt uitgewerkt, dan
+ziet ge toch wel, dat ook deze wagen-verwrikkende en klokken-neerstortende
+Natuurgeest &ograve;nder zijn heftige gepassionneerdheid tevens de
+distinctie &igrave;n zich heeft. Want is het wezen der waarlijk-g&eacute;&eacute;stelijke
+distinctie niet: het beschroomd-beproeven, het dan duldzaam wachten,
+en ten slotte het niet-opzichtig uiten van eigen zieleschoon?...
+Hoe gaarne had ik nog over andere opstellen in dit boek geschreven,
+<span class="pagenum"><a name="p132" id="p132"></a>[p.132]</span> zooals over het geestige <i>Dagboekbladen van Twee Kellners</i> en het door
+fijne, korte opmerkinkjes benevens een ontzaglijke belezenheid boeiende
+<i>Rond Jean-Jacques Rousseau</i>, en mij tevens in analysen verdiept
+&mdash;ik moet het laten.... En is het trouwens wel noodig? Is er geen
+Macbethiaansch wonder gebeurd, welsprekender getuigend dan ik
+&oacute;&oacute;it zou kunnen zijn? Ik gebruikte daar straks den term: "een groot
+schrijver." Als ik d&agrave;t eens in 't literair-stormige 1911 had gedaan,
+gelijk hier: zonder uitvoerige ontledingen te geven, bewijzen en nog
+eens bewijzen ...! Maar sindsdien, o literaire vrienden, die destijds
+met mij wel twisttet, gebeurde er iets: hoe verrassend&mdash;en welke
+Macbeth zou d&agrave;t hebben voorzien&mdash;is 't, dat het <i>woud uwer meeningen
+zich is gaan bewegen</i>, en wel in de richting waarin &igrave;k lang tevoor
+was gegaan ... &egrave;n: dat het &egrave;inddoel van dien wuivenden tocht toch
+feitelijk ten slotte bleek&mdash;een kr&ograve;ning!
+</p>
+<p>
+Juli '18.
+</p>
+<p class="caption">
+Noot:
+</p>
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_28" id="Footnote_1_28"></a><a href="#FNanchor_1_28"><span class="label">[1]</span></a> Alle cursiveeringen van mij.</p></div>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p class="pagenum"><a name="p133" id="p133"></a>[p.133]</p>
+<h3>ELLEN: ARIADNE EN DIONYSOS</h3>
+
+<p>
+Als ge 't mij op den man af vraagt, dan, schoon de bekentenis mijn
+wansmaak aan het licht brenge: ik heb immer veel meer van namaak- dan
+van echt-"antiek" gehouden. Een <i>renaissance</i>-, een <i>Queen Anne</i>-, een
+<i>empire</i>-ameublement ... mijn ziel, bezwangerd van vage heugenissen aan
+vroegere incarnaties, voelt zich nauwelijks &egrave;rgens zoo bekoord als te
+midden van zulk een tot tastbaar heden geworden verleden-droom; m&aacute;&aacute;r,
+let wel: slechts d&agrave;n, zoo mijn lichaam niet haar genot met zijn fellen
+weerzin tegen duffigheden en wormstekigheden kunne storen. En
+derhalve&mdash;ik geef de voorkeur aan namaak, mits onberispelijk, boven
+echte antiquiteiten. O hout, dacht ik, hierover peinzend, wel in
+mij-zelven: toen ge in het blijde leven uw eigen droom, in vaderlandsche
+of exotische bosschen droomdet, waart gij zuiver en geurig; waarom dan
+zoudt ge duf en besmet zijn, nu een toovenaar-artist u tot het
+weven-om-mij-heen eens menschelijk-maatschappelijken droom heeft
+gedwongen. Neen, uwe stoer-eiken en uw hoffelijk-mahonie gelaten wensch
+ik in mijn vertrekken niet ontsierd door de putjes der wormstekige
+pokdaligheid te zien.&mdash;En zoo, ge zult het gereedelijk aanvaarden, zou
+ook Ellen, nu zij mij in haar Grieksch salonnetje, voor dit <i>Ariadne</i>-
+en <i>Dionysos-beeldje</i> noodde, mij allicht luiden bijval hebben ontlokt,
+indien dat salonnetje maar van Pander en niet van Scheltema en Holkema,
+en haar antieke groepje <span class="pagenum"><a name="p134" id="p134"></a>[p.134]</span> van hout of steen en niet van woorden
+ware! Want nu dit laatste het geval is, heeft immers mijn vrees voor de
+dufheid of vervallenheid van het echt-antieke en derhalve ook mijn
+voorkeur voor den namaak hier geen zin! Want de heldenzetels van Homeros
+zijn niet wormstekig geworden, de wandtapijten van Sophocles en
+Aischylos rieken niet duf. Tegen hen vermocht zelfs de philologische
+conjectuur-worm niets! W&aacute;&aacute;rtoe dan deze namaak? vraag en vroeg ik mij
+sinds jaren af. En: hoe overbodig en wat belachelijk-precieuse
+knutselarijtjes zijn toch dergelijke dingen, denk ik er nog bovenop!&mdash;O,
+zeker, indien daar een Shelley, of ook een Kloos, of een Gorter voor mij
+leeft, en hij droomt zijn groot-dichterlijk visioen, en de schimmen van
+het verleden zien dien schoonen held, en lokken hem in heete en
+overweldigende liefde zich te eenen met hen, gelijk de gestorven
+geliefde haar lief in Goethe's <i>Die Braut von Korinth</i>, dan, ja dan....
+Als de heilige <i>Noodwendigheid</i>, &egrave;n op den troonwagen zulker verzen
+gezeten, verschijnt, wie kan dan denken aan overbodigheid; wie, mijn
+God! aan knutselwerk; wien maakt dan de ontroering niet tot verheerlijkt
+aanbidder, die zijn ik, met al diens willetjes en oordeeltjes en
+kleinheid, neerw&egrave;rpt, het wit gelaat ter aarde, voor die noodlotsraderen
+in hun wielewenteling van licht! Maar als&mdash;ach vergeef mij, Mevrouw
+Ellen, het is eigenlijk &ugrave;w schuld niet, maar ook evenmin de mijne, dat
+ik U in zulk een vergelijking moet betrekken&mdash;als Ellen, <i>niet gezocht</i>
+en overweldigd door verliefde Grieksche schimmen, maar integendeel <i>hen
+zoekend</i>; in <i>verdienstelijke</i> verzen, die ik hi&egrave;r prijzen en d&aacute;&aacute;r laken
+kan, maar waardoor ik n&igrave;mmer wordt verr&ugrave;kt, haar <i>eeuwig</i>-menschelijk
+voelen van verlaten, smachtende en bevredigde liefde, een
+antiek-schimmig maskertje voorbindt, och ja, dan vind ik <i>wel w&aacute;&aacute;rlijk
+heel wat moois</i> in wat mij aldus te aanschouwen wordt gegeven, en ik zie
+ook wel <i>de diepe oogen en de bloeiende tint der echte menschelijkheid</i>
+flonkeren achter de wazige tulle, maar ... maar ... omdat het heele
+geval mij toch geen oogenblik heeft kunnen doen vergeten, dat ik een
+nuchter, twintigste-eeuwsch Amsterdammer ben, kan ik mij helaas ook niet
+weerhouden te zeggen: Mevrouw <span class="pagenum"><a name="p135" id="p135"></a>[p.135]</span> Ellen, wist gij met uw ontluikend
+talent nu waarlijk in deze emotievolle tijden niets anders te doen, dan
+als op een bal-masqu&eacute; in een pantervel gehuld en den Thyrsus-staf in de
+hand langs 's Heeren literatuur-straten te loopen? D&aacute;&aacute;r! op m'n w&oacute;&oacute;rd:
+ik had U wel zoo lief in 'n moderne liberty-blouse gezien....
+</p>
+<p>
+Juli '18.
+</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p class="pagenum"><a name="p136" id="p136"></a>[p.136]</p>
+<h3>A. VAN COLLEM: LIEDEREN DER GEMEENSCHAP</h3>
+
+<p>
+Een kostbaar boek deze bundel; kostbaar en zwaar van het wijdst-omvamend
+sentiment, dat de ziel beleven kan: het sentiment der panthe&iuml;stische
+levensdoorvoeling. Zij is het die dezen dichter boordevol glans heeft
+gemaakt; zij heeft zijn individualistisch-begrensde wezenheid brandende
+uitgehold en die niet meer dan z&oacute;&oacute;veel klaar-doorzichtige en
+ijl-tintelende beperkte-eigenheid gelaten, als noodig was om de
+vlies-dunne, hel-gestrakte lichtkelk om h&aacute;&aacute;r vlam te zijn. Dat is wel
+het schoonste, z&oacute;&oacute; op de grens tusschen het Al- en persoonlijk-bestaan
+te leven, en niet te breken, niet te vervloeien; nog een wijle te
+duren....&mdash;Z&oacute;&oacute; teer, z&oacute;&oacute; broos geworden te zijn, en dan, triomphante
+lucht- en water-bel, bevracht met der wereld kleurenschatten, op de
+oneindige luchtzee &egrave;ven nog als een aandoenlijke verwonderlijkheid te
+zweven....&mdash;Dat is wel het schoonste, zoo'n grauw en onaanzienlijk
+wolkje te zijn en dan door de Zon tot Zijn drank te worden verkoren.
+Zie: daar buigt de Drinker zich reeds over Zijn dronk, en de Zijn
+goddelijkheid ontstroomende glansen maken het grauw tot een vloeiing van
+levende lichten en kleuren: tot het aan-Zijn-lippen-geheiligde, datgene
+wat Hij drinken kan.... En d&agrave;n.... maken zij het: Hem zelf....&mdash;Het
+wordt wel tijd te zeggen, dat hier een zeer bijzonder dichter is
+opgestaan; het wordt wel tijd om hier over wat schaarsche technische
+gebrekjes heen te zien, en zich blijde op de feestelijk-zonnige stroom
+der zich tot bewondering verbreedende waardeering te laten wegdrijven.
+Want hoe is deze man <span class="pagenum"><a name="p137" id="p137"></a>[p.137]</span> gegroeid, trots weinig erkenning en
+genegenheid, en het laatdunkend-beschermerige van sommige critiek ten
+spijt; hoe is hij geworden wat ook ik niet dacht te mogen verwachten.
+Lees een monumentaal gedicht als <i>De Man met de Spade</i>, voel hoe zuiver
+en rag-teer hiermee een mystieke sensatie werd verwoord, z&ograve;nder het
+beeld der lagere werkelijkheid te doen vervagen, &egrave;n: hoe dat
+voor-eeuwig-Millet'sche beeld, h&igrave;er in die visionnaire sfeer werd
+geheven waar zichtbaar is, dat ook een het meest door slaven- en
+zwoeg-leven afgetobde en verstompte geest niet buiten het reiken der
+weer wekkende en reddende vervoeringen is verworpen....&mdash;Welk een
+verschil met het bundeltje, een van zijn eerste of wellicht het eerste,
+dat ik indertijd in <i>Het Jonge Leven</i> besprak!... Nergens borg het meer
+dan een belofte, en hoe vaak gaf het er g&eacute;&eacute;n. Wat tusschen dat werk en
+het thans besprokene ligt, ik moet helaas biechten het niet te kennen.
+Wel had ik met groote bewondering en liefde eenige zijner Gids-gedichten
+gelezen&mdash;waarvan trouwens in dezen bundel zijn opgenomen&mdash;maar dat was
+al. En nu!&mdash;als ge de <i>vermenschelijking</i> van den <i>god</i> Pallieter wilt
+aanschouwen, zie dan d&egrave;zen mensch....&mdash;Zeker, ook van Collem zou
+voelen, door het eten van "Gods fruit" Hem te verheerlijken, ook hij zou
+den oven opensluiten als waar' die een heiligdom, en het eten van een
+beschuitje met honig zou hij, even juichend, als slot dichten aan een
+psalm. Maar&mdash;voelt van Collem als Pallieter het "bruur boom", Pallieter
+voelt niet als van Collem het "broer mensch". Voelt van Collem zich
+gelijk Pallieter door de vreugde van het eenheidsbewustzijn doordringen,
+Pallieter voelt niet gelijk van Collem de smart, ook die der
+gescheidenheid. De een staat in de durende zegepraal, nu ja, daarvoor is
+hij een god; de ander staat in den strijd, maar v&oacute;&oacute;rvoelt zoo sterk en
+hel het heil der overwinning, dat het hem is <i>alsof</i> hij reeds daarin
+leefde&mdash;en ik zoude hieraan toevoegen: "daarvoor is hij mensch", indien
+daartoe niet m&eacute;&eacute;r dan het gewone menschzijn wierd vereischt, indien men
+daarvoor niet een zeer bijzondere en zeer sch&oacute;&oacute;ne mensch moest
+zijn.&mdash;Het is opmerkelijk, dat een van de zwakkere gedichten in dezen
+bundel&mdash;<span class="pagenum"><a name="p138" id="p138"></a>[p.138]</span> de oude Adam leeft &oacute;&oacute;k nog steeds in van Collem: de nog
+soms onbeheerschte, die, als de po&euml;zie-Eva hem een appel biedt, waarin
+hij ni&egrave;t mag bijten, wel even tegenstribbelt, maar toch eindigt met
+toehappen&mdash;het is opmerkelijk, dat een van de zeer weinige zwakkere
+gedichten: <i>De Aarde</i>, juist een <i>treurzang</i>, om dezen
+volkerenverdervenden tijd, is. Vergelijk ik dit vers met soortgelijke
+van de Haan dan voel ik de laatste als v&eacute;&eacute;l zwaarder en magistraler van
+toon. Dit is droog van klank en aarzelend-tastend van gang. En ik denk:
+zou ook hierin niet weer schuchter schemeren, wat in <i>Pallieter</i> aan den
+laaien dag treedt: dat het menschelijk-onvolgroeide panthe&iuml;stische
+geluksgevoel de <i>overgave</i> aan de sm&agrave;rt uitsluit?...&mdash;Ten slotte: laat
+ik niet vergeten te zeggen, dat menige invloed dit werk doorspeelt, maar
+er tevens in &eacute;&eacute;n adem aan toevoegen, dat, moge dan ook Gorter zijn
+zonnelach op dit water zien tintelen en Henriette Roland Holst's mild
+halflicht uit de diepte donkeren, de stroom-zelf die van des dichters
+eigen rijke, innige en melodieuse ziel is; een stroom, waarop de
+verzengenieter zich v&aacute;&aacute;k zal voelen: Gezelle's "bladtjen op het
+water"....
+</p>
+<p>
+Aug. '18
+</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p class="pagenum"><a name="p139" id="p139"></a>[p.139]</p>
+<h3>C.S. ADAMA VAN SCHELTEMA: ZINGENDE STEMMEN</h3>
+
+<p>
+Werkelijk, wat mij betreft vind ik, dat, om je het ware gevoel voor 'n
+zingende stem te l&agrave;ten, het, 1&deg; geen zomer moet zijn en je niet daardoor
+genoodzaakt, op je werkkamer met wijd-open raam te zitten; 2&deg; je geen
+kroniekje moet hebben te schrijven. Want helaas, nu dit alles w&egrave;l het
+geval is, en mijn geest bijkans bedolven raakt onder de gulle muziekale
+gaven, die Zatermiddags-vroolijke dienstmeisjes en nasaal-galmende
+gramophonen, bij beurte of wel alle tezamen, over hem uitstorten&mdash;n&ugrave;
+voel ik veel meer voor de stem der stilte dan voor die des gezangs. Er
+is&mdash;ik begrijp het plots in de exaltatie der wanhoop&mdash;slechts &eacute;&eacute;n
+redmiddel voor mij: door een moedig-geniale daad de hindernis en het
+gevaar in een hulpmiddel om te tooveren. Zooals ongetwijfeld Buffalo
+Bill van een op hem aanstormenden wilden buffel zou gebruik maken, om,
+door verwondelijk-behendig op diens rug te springen, des te spoediger
+zijn "hacienda" te bereiken, zoo z&agrave;l en m&ograve;et de Pegasus van die
+melodieuse schoonmaakster daar in 't tuintje tegenover me, mij in 't
+berghart van Adama v. Scheltema's Parnassus voeren....&mdash;En ziedaar!
+nauwelijks heb ik dit wilskrachtig gedacht, of het is mij alsof 't
+storende element in haar zang reeds is vervluchtigd, en haar stem en
+wezen, in een mysterieuse vereenzelviging met die van Scheltema, mij h&egrave;m
+des te beter doen verstaan. O, lieve schoonmaakster, gij, die, zoo ge
+niet zingt, de buren v&agrave;n en t&ograve;t elkaar scheldt, hoezeer verheldert gij
+nu plots het inzicht, dat ik tot heden in sommige prozauitingen van
+onzen dichter had. Ook hij als gij, maar ach, maar ach, hoeveel schooner
+is <span class="pagenum"><a name="p140" id="p140"></a>[p.140]</span>hij ... 'n verheven Vesuvius, die, zoo hij geen
+vlammenliederen zingt, enqu&ecirc;te-antwoorden br&aacute;&aacute;kt. Hij ook als gij:
+zingend, en "niet met 'n boekje in 'n hoekje", of decadent-vrindloos
+onder "De Windroos", maar boven de schuimende waschtobbe des levens. Hij
+als gij: altijd fel op en zeker van de "pointe", &egrave;n bij het schelden &egrave;n
+bij het zingen, en v&oacute;&oacute;ral d&aacute;&aacute;rdoor populair! Ja dit laatste&mdash;intusschen,
+o mijn schoonmaaksterlijke Pegasus, gij hebt mij gebracht waar ik wezen
+moest, laat mij thans met mijn dichter alleen&mdash;dit laatste: dat namelijk
+bijna elk zijner dichtjes, de z&eacute;&eacute;r schoone en de minder schoone, een
+"pointe" heeft, welke de naar een plaats-van-eenheid, naar harmonie en
+zekerheid dorstende lezersgevoelens bevredigt: d&agrave;t doet het volk hem
+zoozeer beminnen; en niet slechts en zelfs niet voornamelijk het volk,
+dat men in sociaal-economischen zin zoo heet, maar datgene 't welk men
+ter onderscheiding van de geestelijk-superieuren z&oacute;&oacute; pleegt te noemen.
+Neen, niet voor dat "volk", maar voor die van-geest-superieuren slechts,
+de weelde en het raffinement der <i>&ograve;ngewisheid</i>; de <i>weelde</i>, zeg ik, &egrave;n
+het <i>raffinement</i>; want deze ongewisheid draagt als wellicht diepste en
+oorzakelijke kern in zich: den wil, om de zekerheid niet te vroeg, niet
+te makkelijk te overmeesteren; zij draagt in zich het genotsbewustzijn
+van het <i>uitstellen</i> van het h&oacute;&oacute;gste genot. Aristocratische kat, die de
+muis weer loslaat, en zich afwendt, doende alsof ze niet weet dat ze
+haar heeft gevangen; en haar dan weer wellustig besluipt....&mdash;Voor de
+z&eacute;&eacute;r-superieuren, het proeven van die weelde en dat raffinement in het
+ijl-lichte van de dwaal-ster Boutens, in de wankelingen en mijmeringen
+van Henriette Roland Holst&mdash;al hebben die beiden-zelf en vooral de
+dichteres, dat alles <i>niet</i> als weelde en raffinement gevoeld&mdash;, maar
+voor het volk, voor het "volk": de zekerheid, het gevatte, het rake, de
+"pointe" van Scheltema! Maar men versta nu toch geenszins als mijn
+bedoeling, dat deze eigenschappen zijne verzen, vergeleken bij die van
+de zooeven genoemde dichters, noodzakelijk tot iets minderwaardigs
+zouden moeten neerdrukken. Volstrekt niet. Daar zijn er in dit
+bundeltje, welke ik onder de <i>beste</i> reken, die ik ooit gelezen heb: het
+<span class="pagenum"><a name="p141" id="p141"></a>[p.141]</span> schoone <i>Golven</i>, het prachtige <i>De Uitdragers</i>, het fijne
+<i>Bede</i> en 't Goethe-stille, eenvoudige, en toch in de eerste strophe
+subtiele, <i>Herfstbosch.</i> En daarvan hebben de beide middelste toch zeker
+zoo iets als een "pointe", en het eerste en laatste een h&egrave;ldere
+gewisheid. Merkwaardig is echter dat een enkel maal het
+persoonlijk-rhythme niet in staat is het vers, hoewel steunend op
+"pointe" &egrave;n zekerheid, ten einde toe te dragen; dan zinkt dit, zooals
+<i>Moe</i>, tot een poover niemendalletje in elkaar. Dit <i>Moe</i> heeft mij
+trouwens doen rillen van ontzetting; zoo iets
+desesperant-onsocialistisch, verwijfd-lettr&eacute;-decadent-individualistisch
+en daarbij ook zoo heelemaal anti-<i>Grondslagenistisch</i>.... Jonge, jonge,
+waar gaat dat heen....&mdash;'n Aardig half-Goethiaantje-half-Heiniaantje is
+<i>Le Retour des Hirondelles</i>. Ik wees reeds vroeger op zoo'n beetje
+Heiniaanschen invloed bij onzen dichter, en ik vind de aanwezigheid
+daarvan nu toch wel een tikje jammer, want ten slotte was Heine toch een
+Joodsch kunstenaar, zooals&mdash;Scheltema er "voor geen geld!" een zou
+willen zijn! En, 't blijft toch, dunkt me, ook voor hem
+behartenswaardig, wat de voortreffelijk-geestige <i>Oproerige
+Krabbelaar</i>&mdash;ook 'n man van de "pointe"&mdash;in <i>Het Volk</i> eens zei&mdash;ik
+citeer uit 't hoofd&mdash;: "Mij had men in m'n jeugd geleerd, dat je niet
+lastert van de menschen bij wie je eet, en niet eet bij de menschen, van
+wie je lastert".... Maar dit is tenslotte een zaak van <i>ethiek</i>, en een
+kniesoor is de <i>aestheticus</i>, die zich daaraan stoort. Laat mij dan ook
+maar &ograve;ngerept blij zijn, omdat dit zoo'n mooie bundel is, en omdat de
+dichter op z'n po&euml;ziehuis 'n wel onbehouwen&mdash;maar dat hindert
+niets&mdash;doch dik-stoomen-kunnenden proza-schoorsteen heeft staan, want
+heer-in-den-hemel, als eens al die walm en stank, die nou daar door heen
+een uitweg vindt, in de verzenkamers ware blijven hangen.... En
+trouwens: wat zou ik zonder dien schoorsteen moeten beginnen, als ik,
+bisschoplooze want joodsche zwarte-Piet, eens "onzen" Scheltema met een
+gard verrassen wil?...&mdash;
+</p>
+<p>
+Aug. '18.
+</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p class="pagenum"><a name="p142" id="p142"></a>[p.142]</p>
+<h3>HERMAN POORT: GERBRAND ADRIAENSZOON BREDERO</h3>
+
+<p>
+Indien gij over eenig onderwerp slechts zeer weinig zelfgevoelds, in
+zeker opzicht, hebt te zeggen, en gij doet dit op nagenoeg
+&ograve;npersoonlijke en luchtig-rhetorische wijze&mdash;z&oacute;&oacute; als menig ander dat
+v&oacute;&oacute;r u heeft gedaan&mdash;dan is er veel kans, dat dit <i>rhetorische</i>, bij
+tegenstelling, het <i>zelfgevoelde</i> van dat weinige des te beter zal doen
+merken. Maar doet gij het integendeel met groot vertoon van eigen
+vinding in stijl en woorden, d&agrave;n zal er juist veel kans zijn, dat dit
+vertoon&mdash;dat immers iets kostbaars en gewichtigs doet verwachten&mdash;des te
+heviger het <i>weinig-zijn</i> van het zelfgevoelde zal doen opvallen. De
+gevolgen van het een als van het ander kent men: men applaudisseert in
+een vari&eacute;t&eacute; bij wat men zou uitfluiten op een concert. Het dunkt mij
+goed dit hier te zeggen, wijl het mij waarschijnlijk lijkt, dat het deze
+in zijn onderbewustzijn aanwezige waarheid was, waardoor de fijne
+literatuur-keurder die Poort is, zich bij het schrijven zijner
+evenwichtige, w&egrave;l-gecomponeerde en smaakvolle essai heeft laten leiden.
+Omdat namelijk zijn aanleg niet voornamelijk in de richting van het
+menschenscheppen ligt, had hij voor zoover het een levende en
+dramatisch-bewogen voorstelling der Bredero-figuur betreft, slechts
+weinig aan te bieden. Daar waar hij den <i>persoon</i> Bredero dus poogt
+aanschouwelijk te maken&mdash;waar hij hem <i>optreden</i> laat&mdash;in zijn
+taveerne-leven, op bezoek in het Roemer Visscher-huis, koos hij eene
+thans rhetorisch-geworden wijze van voorstellen&mdash;eene, zooals men
+bijvoorbeeld bij den ouden Thijm vindt&mdash;. En gelukkig: deze
+bescheidenheid, dit zich <span class="pagenum"><a name="p143" id="p143"></a>[p.143]</span> niet als anders of meer willen voordoen
+dan hij is, bracht hier&mdash;zeldzaam staaltje van beloonde deugd en van
+paarden, die hun verdiende haver krijgen&mdash;onmiddellijk het passend loon
+mee. Als gij den u overbekenden toon hebt gehoord van zinnetjes als (ik
+cursiveer): "Zie daar <i>de guiten</i> in" "De Graaf van Meurs" of in de "
+"Handboog-Doelen" .... "<i>Ei zie, hoe hoofsch en vlug in 't nauwe keurs</i>,
+zij gracielijk door d'over-volte zwenkt en elk zijn deel geeft, <i>niet
+slechts van 't koele bier, maar ook van lachjes, groetjes, vriendelijke
+woorden</i>".... "<i>Wie is het</i>, die bij haar gezicht <i>zijn hart het hoogst
+voelt kloppen</i> en zoo <i>raadselachtig snel? Wie tracht er weer, in het
+donker bij de trog, het "soete soch" den arm om 't lijf te slaan</i>?" of
+van die paar lichtelijk-onhandige, imitatieve dialoogbrokjes bij de
+ontvangst in den Roemer Visscherkring&mdash;als gij, zeg ik, den zoetelijken
+toon van zulke antieke-inboedel-phrasetjes hebt beluisterd, d&agrave;n
+waardeert gij des te meer het <i>zelfgevoeld-nuchtere, fijn-opgemerkte en
+doordachte</i> van eene uiting als deze, die Bredero's half onbewusten
+drang naar een rijk huwelijk psychologisch verklaart: "Van Adriaen's
+(des dichters vader, v.C.) beleid en werkkracht tot opwaartsgaan in
+geld-bezit en in maatschappelijk aanzien, had Gerbrand (ik cursiveer
+alweer, v.C.) de <i>vage drang</i> ge&euml;rfd; <i>ze kwam te voorschijn in zijn
+keuze van geliefden, de ernstig beminden, met wie hij trouwen wilde</i> en
+wier namen tot ons kwamen".&mdash;Daar echter waar onze essayist zijne
+beschouwingen en oordeel over het <i>werk</i>, over den <i>geestelijken inhoud</i>
+van de dichterziel uiteenzet&mdash;in d&agrave;t opzicht dus, waarin zich reeds zoo
+menigmaal zijn voortreffelijke aanleg openbaarde&mdash;daar laat hij dan ook
+zijn archa&iuml;stischen stijl geheel los, en schrijft in den
+onvergelijkelijk directer den kern der dingen rakenden modernen. En
+omdat hij dan als uitstekend literatuur-keurder <i>veel zelf</i>-gevoelds te
+zeggen heeft, doet ook hier de vorm&mdash;n&ugrave;: de <i>niet</i>-rhetorische, de
+<i>individueele</i>!&mdash;den inhoud op zijn best verschijnen. Aanmerk maar eens,
+hoe dan&mdash;in het door mij gecursiveerde&mdash;het z&egrave;lfgevoelde in een
+<i>verrassend-fijne</i> wending zijn adaequate uiting vindt: "Het zijn de
+beste kunstenaars niet die slechts het welgelijkend portret van hunnen
+medemensch ons geven; <span class="pagenum"><a name="p144" id="p144"></a>[p.144]</span>&mdash;wie m&eacute;&eacute;r vermag, daalt diep in eigen ziel
+en herschept van daaruit de waargenomen werkelijkheid tot iets anders,
+dat gansch "nieuw en onherkenbaar is;&mdash;z&oacute;&oacute; deed ook Bredero, en wil men
+dus toch gaarne weten waar Jerolimo in waarheid leefde, <i>dan zal het
+d&aacute;&aacute;r zijn, waar geen archieven-snuffelaar nog zocht: in Gerbrands eigen
+hart</i>". Zoo vervlocht zich dan in deze studie het modern- met het
+archa&iuml;stisch-gestyleerde tot een schoone eenheid. Want hoe menigmaal
+leeft in dit opstel niet de zij het oppervlakkige maar geacheveerde
+fijnheid van een <i>precieus-antiek miniatuurtje,</i> zacht maar als
+onverwrikbaar zijn voornamen aard van reliquie uit ver-voorbije dagen
+toonend en handhavend onder het <i>modern-scherpe licht</i>. Het is de
+zelfkennis van den auteur, die voor zijn in kracht z&eacute;&eacute;r verschillende
+vermogens de aan elk ge&euml;venredigde uitingswijze wist te vinden; het is
+de harmonieuse stemming van wijs berusten bij 't erkennen van de grens
+van zijn aanleg, welke de sfeer schiepen, waar, in zacht-glimlachende
+stilte, het beklijvend-beeldje aan den wand antwoordt op de tinteling
+van het licht....&mdash;
+</p>
+<p>
+Oct. '18.
+</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p class="pagenum"><a name="p145" id="p145"></a>[p.145]</p>
+<h3>JO DE WIT: DONKER GELUK</h3>
+
+<p>
+Een boek, dat mij onmiddellijk aan <i>Phil's Amoureuze Perikelen</i>
+deed denken. Ook hier, &eacute;&eacute;n verhaal uitgezonderd, een reeks van "liefdedrama's",
+ook hier, zoo ik mij niet vergis, een eersteling, en ook hier
+van een schrijfster. Maar er is tevens een stevig onderscheid, en wel
+een, dat zich reeds in de titels der werken toont. Het luchtige en een
+beetje gewild-humoristische der "Amoureuze Perikelen" is in "Donker
+Geluk" niet te vinden, en de diepe toon van den laatsten titel allerminst
+in den eersten. En zoo het meest essentieele geluk, dat door het
+lezen van een boek in ons kan worden gewekt, bestaat in het beluisteren
+van de schoone "stem", het individueele-rhythme van den
+auteur, dan geeft de lezing van dit boek inderdaad wel een <i>donker</i>
+geluk. Want het geluid dezer schrijfster is van een diep-sonoor en
+warm clair-obscur, 't welk dat van Emmy van Lokhorst mist. En in
+de gaafheid van den schoonen stijl, in het wel-overwogene van het
+juist-gegrepen woord, treedt een ernstige psyche aan den dag, als
+slechts zelden zich z&oacute;&oacute; in eerste werk vermag te uiten. Sommige verhoudingen
+mogen in deze kleine schetsen&mdash;en dit "kleine" behelst
+tevens de verontschuldiging van het gebrek!&mdash;wat onduidelijk zijn,
+en door hun vaagheid de stoornis van het zich-niet-geheel-bevredigd-voelen
+doen opkomen; aan den anderen kant, en kijk eens hoe opmerkelijk
+dit is, openbaren zich hier een voldragen hartstocht-in-'t-doorleven
+en een trillende nervositeit, die aan De Meester doen denken,
+<i>zonder</i> dat zij als bij deze den stijl laten beven en trappelen op zijn
+fijne rasbeenen en ge diens sehichtende oogen en opgestoken ooren
+<span class="pagenum"><a name="p146" id="p146"></a>[p.146]</span> de dreiging en de weelde van een wereld van gewaarwordingen <i>ziet</i>
+ondergaan. Deze overeenkomst bij dit verschil is vooral in <i>Vreugde</i>
+te bemerken....&mdash;Ik heb dan ook een diepe bewondering, zoowel
+voor de psychologie als voor het beschrijvende deel van dit werk.
+Dat alles is <i>zeer gaaf en rijp</i>. De dialoog kon hier en daar wat beter
+zijn. Geen sprake is er echter van, dat zich hier een lacune in het klaarblijkelijk
+z&eacute;&eacute;r groote talent dezer schrijfster zou vertoonen. Een onbewust
+te sterk styleeren is er slechts oorzaak van. Men zou wellicht
+deze auteur in overweging moeten geven niet t&egrave; zeer naar bevrediging
+van dien styleeringsdrang te streven. Bij verder doorgevoerden wasdom
+van haar kunstenaarsvermogen zou de beeldings-nauwkeurigheid,
+die nu nog ongerept-evenwichtig werkt, in precieusheid kunnen
+ontaarden, 't geen jammer voor den schoonen eenvoud en de stille
+wijsheid ware, die nu zoo teer ook de natuurbeschrijvingen doorschuchteren.
+"Heel even maar ... toen was het stiller dan daar voren, of
+er snaren strakker gespannen werden, of de teederheid rondom angstvalliger
+werd." "Zoo vroom, z&oacute;&oacute; stil was rondom de mijmering, dat
+hij onwillekeurig alleen maar <i>luisterde</i><a name="FNanchor_1_29" id="FNanchor_1_29"></a><a href="#Footnote_1_29" class="fnanchor">[1]</a>. Ook nu hij het hoofd wat neeg
+en naar den grond bleef zien, voelde hij de goedheid dichtbij&mdash;hoorde
+hij in de stilte de innigheidsstem. Ongezien was t&ograve;ch de teederheid
+der sfeer hem duidelijk. Zuiverheid en goedheid, anders was er niet."
+In dergelijke beschrijvingen van uiterlijk-innerlijkheid leeft een psychische
+schoonheid, die wel waard is zoo nauwlettend mogelijk voor
+elke ontluistering te worden behoed.&mdash;De beelding der sexueele
+liefde en haar eigenaardige egocentrische &eacute;&eacute;n-tonigheid&mdash;er is geen
+andere liefde, die het individu, onder den schijn van het zich aan een
+ander te doen geven, z&oacute;&oacute; aan de bekommering der zelf-contemplatie
+houdt geboeid!&mdash;moge op mij ook in dit werk, de reeds meermalen
+hier ter plaatse door mij gekenschetste uitwerking niet hebben gemist,
+laat mij erkennen hoezeer dit tevens voor de juistheid der beelding
+pleit en er ook de opmerkzaamheid op vestigen, dat in het laatste
+<span class="pagenum"><a name="p147" id="p147"></a>[p.147]</span> verhaal, <i>Afscheid</i>, die liefde wordt getoond als aan zichzelve ontgroeid
+en van hooger natuur geworden, terwijl de uitbeelding toch even uitmuntend
+blijft.&mdash;Ook in de herschepping der manlijke psyche is
+onze schrijfster zeer gelukkig. Iets van het gulle, het robust-levensvolle
+van een Ina Boudier-Bakker leeft in haar arbeid dan. En herinnert
+het schetsje <i>Maanavond</i> in zijn fraaie uitbeelding van kinderleven,
+dus op weer andere wijze, niet tevens aan deze voortreffelijke
+kunstenares? Er openbaren zich vele gaven in dit werk, en vele perspectieven
+opent het. En denk ik ook nu weer aan Emmy van Lokhorst,
+dan voel ik mij geneigd twee&euml;rlei te gel&oacute;&oacute;ven. Het eerste: dat Jo de
+Wit&mdash;want wie zou ook bij eene beoordeeling als deze, van eerste
+werk immers, met volle <i>gewisheid</i> durven spreken&mdash;de meest- en
+ernstigst-begaafde van beiden is. Het tweede: dat in het paradijs der
+jongste novellistiek alleen Eva schijnt overgebleven. Adam schijnt
+er te&mdash;<i>onnoozel onschuldig</i> voor! Que veux-tu? Zoo zijn de moderne
+paradijzen: die <i>niet</i> uit volle begeerte van den boom des onderscheids
+van goed en kwaad eet, die ni&egrave;t z&egrave;lf er naar <i>greep</i>, di&egrave; wordt
+eruit gedreven. Ook de engelen worden zu&igrave;verder-critisch. Wat geen
+wonder is. Sinds Scharten in den hoogsten hemel der Christelijke Liefde
+werd opgenomen, kan men elken Zondagmorgen een heele school
+Seraphim en Cherubim aan zijn voeten zien gevlijd, om de heilige
+woorden van het juiste critische inzicht op te vangen. En de lange
+gestalte van den Grooten Leeraar steekt&mdash;geen gering paedagogisch
+voordeel!&mdash;nog zelfs boven de zeshonderd el metende Seraphijnen
+uit. Het is, bij heldere lucht, een schoon en treffend gezicht.
+</p>
+<p>
+Oct. '18.
+</p>
+<p class="caption">
+Noot:
+</p>
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_29" id="Footnote_1_29"></a><a href="#FNanchor_1_29"><span class="label">[1]</span></a> Cursiveering van de schrijfster.</p></div>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p class="pagenum"><a name="p148" id="p148"></a>[p.148]</p>
+<h3>AUGUSTA PEAUX: GEDICHTEN</h3>
+<p>
+Toen ik dezen bundel verzen had gelezen, bevond ik 't noodzakelijk bij
+mij-zelf een gelofte af te leggen. En nu ik aanvang erover te schrijven,
+acht ik 't niet minder noodzakelijk, haar in 't openbaar te herhalen.
+Want de mensch, en vooral de bek&oacute;&oacute;rde mensch, is zwak. En zoo moge ik de
+kracht om mijne gelofte te houden, versterken met de vrees voor de
+schande, die mij, zoo ik haar publiekelijk brak, zou treffen. En w&egrave;l
+gelukkig is 't dan ook, dat ik slechts een literator ben! Ai mij, zoo ik
+eens staatsman ware; w&agrave;t middel had ik dan wel tot zelf steun moeten
+aangrijpen....&mdash;Maar ziehier dus wat ik mijzelf plechtig beloofde: <i>ik
+citeer geen enkel vers</i>. Want ze zelf u te t&oacute;&oacute;nen, en er d&agrave;n een nog
+door het citaat verkleind kroniekje over te verredekavelen, neen, voor
+zoo gering een bejegening zijn deze gedichten te edel en groot. Want v&ograve;l
+zijn zij zoowel van den ernst van een deemoedig en schoon menschenleven
+als van dien eener kunst, die mij van de jeugd af de liefste is geweest:
+de <i>verzinnelijkt-geestelijke</i> der tachtigers .... <i>Een deemoedig en
+schoon menschenleven</i>, zei ik, en waarlijk: als iemand, gelijk deze
+vrouwelijke de H&eacute;r&eacute;dia-in-gewetensvol-geduld, zijn werk een
+menschenleeftijd bewaart, slechts schaars er iets van in de
+tijdschriften publiceert, om 't dan ten slotte in een
+uiterst-pretentieloos uitgegeven bundeltje te doen verschijnen, &egrave;n een
+dergelijke arbeid blijkt zulk een schoonheid als deze te bevatten, dan
+mag dat niet alleen, maar m&ograve;et dat door zijn beoordeelaar worden gezegd.
+Hier niet het eerzuchtig bejag eener ijdele en pralerige
+kunstenaarsnatuur. Hier het zuiver dienen, de stille en roerlooze
+wachting&mdash;het wachten, <span class="pagenum"><a name="p149" id="p149"></a>[p.149]</span> <i>niet</i> op roem en eer, die het talent
+eens wellicht moge brengen, maar op zijn gerijpte kracht. Hier de klare
+en edele, innerlijke rust. O, had ik nu mijn gelofte niet gedaan! Want
+daar is &eacute;&eacute;n gedicht in dezen bundel&mdash;het h&eacute;&eacute;t ook <i>Rust</i>&mdash;waarin deze
+schoone ziel ten volle, juist in haar onverwrikbare, als oud-Indische
+wijsheid stil glimlachende afgewendheid van het ijdele en vergankelijke
+aan den dag treedt....&mdash;En toch&mdash;ik heb het wel goed ingezien: hoe
+weinig zou het citeeren van dat eene dichtje mij dan weer hebben
+bevredigd, en welk een verkeerd want eenzijdig-belicht beeld zou de
+lezer allicht daardoor van dezen levensarbeid hebben ontvangen. Ziehier
+trouwens hoe ik mij troost: ik neem mij stellig voor, dezen bundel
+elders, binnen eenige maanden, op uitvoerig didactische wijze te
+behandelen. Er is reden te over toe, want&mdash;en dit moge hier reeds, zij
+'t dan zonder iets te bewijzen, worden gezegd&mdash;al het schoone, al het
+edel-rijke, dat reeds onze verrukte jeugd in den stijl en het tijdperk
+zag leven, dat wij kortweg <i>Nieuwe-Gids</i> noemden, dat is ook hier in
+eene, wat ik zou willen noemen <i>nederige</i> en <i>essentieele</i>
+bijna-volledigheid aanwezig. In verschillende van de deze volledigheid
+samenstellende elementen hebben de groote tijdgenooten van onze
+dichteres, de een in dit, de aer weer in een ander, ongetwijfeld hooger
+schittering ontstoken en oneindig hartstochtelijker werkdadigheid
+ontplooid&mdash;geen echter heeft in zoo <i>luttelen</i> omvang zoo <i>veel</i>
+vereend. Bij haar zijn &egrave;n de <i>gedachte</i> &egrave;n het <i>gevoel</i> in de hoogere
+eenheid der ver-beelding saamgesmolten. Bij haar is er&mdash;schoon veel
+schaarser: ik zou daarvan slechts een paar voorbeelden kunnen
+noemen&mdash;ook de neuri&euml;nde muziek van het woord, een liedje, lief en puur
+simpel. Als een z&eacute;&eacute;r fraai voorbeeld van een uit gedachte en gevoel
+ontstaan verbeelden, dat tevens muzikaal doorzongen is, mag wel het
+krachtige en zuivere <i>Nieuwe Stad</i> worden genoemd. Bij haar zijn er de
+rijke prachten der van geestelijkheid doorgloeide en verreinde
+sensualiteit en ook dier schemerdiepten van een 'n geheimvol leven
+omhullende wazigheid. Bij haar dan ook de gloeden van Oostersche visies,
+als in 't goudelend nacht-donker van Van Looy. En bij haar de fijne
+wendingen, subtiel, kort <span class="pagenum"><a name="p150" id="p150"></a>[p.150]</span> en vluchtig, als, op een ander plan, in
+critisch proza van Van Deyssel. En gelukkig! h&aacute;&aacute;r ook, trots haar
+"tachtiger"-aard, heeft ten leste ook het maatschappij-leven niet
+onbewogen gelaten: sommige harer beste verzen zijn tijdzangen en uit de
+smart van den oorlog geboren. En voor wie haar werk zou willen
+vergelijken met dat van sommige dichters van de l&aacute;&aacute;tste jaren, moet het
+al zeer onderrichtend zijn, een impressie als <i>Werkpaarden</i> naast
+"instantan&eacute;s" te houden, zooals men ze tegenwoordig in weekbladen en
+tijdschriften tegen het gewiekste lijf loopt, handelsreizigers in
+dichterlijkheid meteen kraakstem en vlugge kneed- en vouwgebaartjes van
+emballeurshandigheid. Zie d&aacute;&aacute;rnaast de edele gestalten d&egrave;zer verzen, hun
+hoog gedrag; beluister hun diep-weerklinkende stem. Zeker, men vindt ook
+hier s&ograve;ms het cerebrale in ongunstigen zin: het gezochte. Somwijlen
+slaagt haar rijp technisch meesterschap erin, dat bijna te verhelen,
+maar een <i>enkel</i> maal heeft het t&egrave; opvallend de gaafheid der beelden
+aangetast, dan dat niet een ieder het merken zou. En ook mist men
+hier&mdash;hetgeen toch een kenmerkende "tachtiger"-eigenschap is&mdash;het
+<i>uitlaaien</i> der passie; m&aacute;&aacute;r het bloeiende leven dezer kleine wereld
+doet u toch wel begrijpen dat het binnengrondsche vuur er is. En&mdash;hebben
+wij dan ook niet aan de onstentenis van dat vulkanisch-tragische
+natuurd&eacute;cor te danken, dat hier tevens een enkel keer de bloemen der
+koelere gronden, de schalkheid en de humor bloeien &egrave;n er niet
+misstaan?...&mdash;Bij haar is ook die vol-doortinteldheid van het vers, dat
+zich-voortvlechten van schoonheid in schoonheid, als schakel in schakel,
+tot het als een gouden band, bezet met meest <i>donker</i>-flonkerende
+steenen, zich om den kl&ograve;ppenden pols uwer feestelijke vreugde
+samensluit; een eigenschap, dit zich voort vlechten, die, in verband met
+den indruk, welken hare gedachten-zwaarte wekt, somwijlen, eventjes en
+van verre, aan de schoone ketenachtige verwikkeldheid van het
+Shakespeariaansch vers doet denken, en die overigens wel vermoedelijk,
+in diepsten zielsgrond, verband zal houden met de <i>vasthoudendheid</i>,
+waarmede deze geest lang een zelfde motief bewaart, en daaraan droomig
+voortspint. Een enkel maal is dit verschijnsel duidelijk aanwijsbaar.
+<span class="pagenum"><a name="p151" id="p151"></a>[p.151]</span> Het motief van: het logenachtige of veinzerige van een stillen
+vijver, komt voor 't eerst in <i>In 't Bosch</i> voor, duikt dan, gelijk een
+stroompje in den grond, neer in 't onderbewuste, vloeit daar
+klaarblijkelijk voort, om plots in <i>Een Vijver</i> weer zichtbaar te
+worden. Hij die, als ik, ook deze eigenschap een uitvloeisel acht van de
+stille en trouwe rust, de onbaatzuchtige en onvertroebelde neiging tot
+nederig wachten, die deze kunstenares zoozeer adelen&mdash;hij zal allicht,
+evenzeer als ik, haar geestelijke figuur zien als een dier beminnelijke
+vrouwen, op wie, in het dadenrijk en aanzienlijk gezin, waartoe zij
+behooren, weinigen aanvankelijk achtten, maar die, na het voortgegleden
+zijn der jaren, als het luide leven der beroemde broers tot zwijgen
+neigt, stil van toon en met heur kalmen glimlach nu iets van haar leven
+en ziel, in heel dien verren en wijden tijd, openbaart, &egrave;n daarmede een
+tot dan t&egrave; achteloos voorbijgeziene schoonheid, nog door stillen deemoed
+verzoet....&mdash;<i>Ik heb zelden z&oacute;&oacute;zeer gehoopt, dat mijn woord eenigen
+invloed moge hebben en velen tot lezen zal bewegen, als ditmaal.</i>&mdash;</p>
+
+<p>Nov. '18.</p>
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<p class="pagenum"><a name="p152" id="p152"></a>[p.152]</p>
+<h3>JAN FEITH: ONZE MEDE-DIEREN</h3>
+
+
+<p>Indien de begaafde auteur van dit boek, die, alhoewel in onze
+<i>Forensische</i> woon<a name="FNanchor_1_30" id="FNanchor_1_30"></a><a href="#Footnote_1_30" class="fnanchor">[1]</a> lid der Overheid en h&oacute;&oacute;g boven mij geplaatst, in
+stad, in die aardige <i>Het-Jonge-Leven-</i>buurt, mijn buur en gelijke is,
+wel eens daar over de schutting, die onze tuintjes scheidt, in het mijne
+heeft getuurd, dan zal hij weten allicht, dat daar een boom staat, een
+boom, dien ik indertijd heb&mdash;opgezet over: <i>De Dieren in de
+Literatuur</i>.... Maar of hij dien kent al dan niet&mdash;ik durf nauwelijks op
+zooveel belangstelling hopen&mdash;m&igrave;j kwam die boom op voor mij-zelf z&eacute;&eacute;r
+ontstellende wijze in de gedachte, toen ik met de lectuur van dit mijns
+buurmans boek tot op blz. 33 gevorderd was.... Want die gedachte was
+niet meer of minder dan moorddadig.... Zij had ongeveer dezen
+<i>Heiniaanschen</i> inhoud: het eenige wat er nog aan mijn tuintje ontbreekt
+is: dat er <i>iemand aan dien boom bengelt ...</i> en met keek ik beulachtig
+naar den hals van&mdash;m'n buurman....&mdash;Ge schrikt, lezer, en begrijpt
+niet, dat ik, onschadelijke, z&oacute;&oacute; iets dacht.... Welnu, laat mij u dan de
+psychologische verklaring geven, en met des te meer vrijmoedigheid,
+omdat, al verder lezend, mijn moordlust plaats maakte voor zoo Warme
+Waardeering, dat ik, z&oacute;&oacute; als ge me hier ziet, reeds &ograve;nder dien zelfden
+boom, waar&aacute;&aacute;n ik hem eerst wilde ...&mdash;-ik d&ugrave;rf 't woord niet uit te
+spreken!&mdash;hem een gezellig zitje heb bereid. Mijn moordlust werd dan
+door deze overwegingen gewekt: Wat de antieke fabeldichters en wat de
+schrijvers van het <span class="pagenum"><a name="p153" id="p153"></a>[p.153]</span> middeleeuwsch dier-epos betreft&mdash;er is voor
+het feit, dat zij het dier slechts als spiegel der menschheid schenen te
+zien, en nauwelijks &oacute;&oacute;it het dier-zelf, een, dunkt mij, afdoende
+verontschuldiging aan te voeren: zooals hun geheele natuurbeschouwing
+geocentrisch was, zoo was hun levensbeschouwing in haar diepste wezen
+van <i>anthropocentrischen</i> aard; maar wat, in Godes naam, moet ik met een
+<i>modern</i> dierbeschrijver beginnen&mdash;een l&agrave;ter-tijdgenoot nog wel van
+bijv. een London, die het dier-<i>zelf</i> en om zijns <i>zelfs</i> wil uitmuntend
+heeft gebeeld&mdash;voor wien dat dier louter als spotspiegel van
+menschelijke eigenschappen waarde schijnt te hebben, en die mij zelfs
+nog al vrij goedkoope aardigheden op een zieke en stervende giraffe niet
+spaart. 't Is waar: hij w&igrave;st 't wel, en hij z&egrave;i 't zelf wel: "Ik mag
+niet opnieuw vervallen in mijn onhebbelijke fout van professie, om elk
+beest door een menschelijk lorgnet te willen bekijken", maar mijn
+beulsgeest antwoordde: "Tenzij ge uw leven blijkt te hebben gebeterd,
+aanvaard ik uwe bekentenis als verzachtende omstandigheid niet ... ge
+ziet dien boom ... en ik verberg u 't touw niet ... ge weet er alles
+van....&mdash;En kijk: het bl&eacute;&eacute;k zoo waar, tot mijn vreugde, gebeterd!
+Aanvankelijk blijft hij nog wel in zijn anthropocentrisch denken geheel
+bevangen, maar het wordt van edeler natuur: de giraffen-<i>idylle</i>
+verhoudt zich tot dat andere stuk over de <i>stervende</i> giraffe, zooals de
+<i>beminnelijke glimlach</i> van den man, die een <i>diep-erbarmingsvol</i> en
+<i>teer gevoel</i> wil verbergen, zich verhoudt tot de <i>grijns</i> van het
+<i>gebrek</i>-aan-meegevoel. Maar dan plots stijgt onze schrijver&mdash;en
+gelukkig, op hoe andere wijze dan ik hem eerst had toegedacht!&mdash;tot een
+veel hooger niveau: hij verg&egrave;&egrave;t den <i>mensch</i>, zijn <i>onderwerp</i>
+absorbeert hem, en d&agrave;&agrave;r leeft hij in weg. Welk een buitengemeen
+bekoorlijk en sterk-beeldende kracht bezittend stuk is <i>Verliefde
+Visschen</i> daardoor geworden: die hartstocht-vaart der verliefde zalmen,
+de zee uit, de rivieren op, omhoog naar de Alpen-beken, herinnerde mij,
+zij 't van verre, niet alleen door 't onderwerp, maar wel degelijk ook
+door den &eacute;lan, aan niets minder dan Omeya's <i>De Kameelruiter</i>!<a name="FNanchor_2_31" id="FNanchor_2_31"></a><a href="#Footnote_2_31" class="fnanchor">[2]</a> En dan
+dat liefdesfestijn <span class="pagenum"><a name="p154" id="p154"></a>[p.154]</span> der haringen.... Waarlijk, er leeft hier in
+de beschrijving-zelve iets van de blanke teerheid van die zilverwolk,
+afschijning tot b&ograve;ven de zee van die parende, verheerlijkt-stralende
+wezentjes, zooals ze, opeengedromd, door roofgedierte en visschers
+worden gedood ... de stille lichtschijn der liefde, te boven stijgend al
+bewogenheid en zelfs de tragiek van den dood....&mdash;</p>
+
+<p>Het is, zooals de schrandere lezer allicht reeds heeft begrepen, niet
+anders dan natuurlijk, dat juist de aanschouwing van het visschen-leven
+den schrijver aan hem-zelf onttoog: dat wat het <i>minst</i> op ons lijkt,
+het <i>minst</i> aan ons is verwant, doet ons het <i>vaakst</i> en het
+<i>makkelijkst</i> ons-zelf en onze verwantschap vergeten, en boeit op 't
+sterkst, zij 't <i>vluchtig</i>, onze aandacht aan zich. En hoe waar dit is,
+kunt ge alweer aan het fraaie stuk <i>Plastiek</i>, eene uitmuntende beelding
+van reptielenleven, merken. Want zie maar: datgene wat den blik van
+onzen <i>geest</i> ons geheele leven fascineert, omdat het ons, bewegelijken,
+driftigen, haastigen, z&oacute;&oacute; vreemd is; d&agrave;tzelfde, nu verstoffelijkt,
+boeit, thans ook onze lichamelijke oogen, bij den aanblik d&egrave;zer dieren
+opnieuw: de <i>roerlooze wacht</i> van het <i>Noodlot</i>, de <i>onverbiddelijke
+greep</i> van het <i>Noodlot</i>, het <i>ijzige geduld</i> der <i>Eeuwigheid</i>. Maar
+vond zoowel mijn wijsgeerig als artistiek denk-voelen in stukken als de
+laatstgenoemde alles te prijzen, gelijk in &eacute;&eacute;n hierboven genoemd alles
+te laken, men denke daarom geenszins, dat ook mijn <i>artistiek</i> besef
+nimmer de anthropocentrische dierbeschrijving zou kunnen waardeeren.
+Z&egrave;ker kan het dat: als de schrijver maar, hoewel door zijn
+<i>menschelijkheid</i> nog steeds bevangen, <i>zich-zelf</i> ten grootsten
+deele&mdash;zijn lager-persoonlijke <i>bewuste bedoelingen</i> vooral&mdash;maar
+vergeet! Hoezeer bewonder ik dan ook de allergeestigste typeering van
+<i>Mijn Maraboe</i> en het ongedwongen-aardige van "<i>Pak de Leuning</i>". De
+zaak is, dat de zich den schrijver <i>opdringende</i> jeugdherinneringen hem
+in d&egrave;ze stukjes <i>dwongen</i> anthropocentrisch te schrijven en dit
+geenszins het gevolg was van den <i>bewusten wil</i> om geestig of aardig te
+zijn. Het is de <i>overgave</i>, die alles bepaalt, of het de overgave aan
+eene herinnering of w&agrave;t anders ook zij. Ik zou mij nog zeer lang met dit
+gevoelig werk <span class="pagenum"><a name="p155" id="p155"></a>[p.155]</span> kunnen en willen bezighouden, en zoowel nog op
+zeer vele schoonheden de aandacht vestigen&mdash;zooals dat
+innig-ontfermingsvolle '<i>t Skryverke in Stad</i>&mdash;als bijv. aantoonen, dat
+het te-lang-gerekte van sommige overigens voortreffelijke geestigheden
+in niets dan het aanvankelijk feuilletonnistiseh verschijnen van dezen
+arbeid zijn oorsprong vindt.</p>
+
+<p>E&eacute;n ding moet mij nog van het hart: het boek toont &eacute;&eacute;n verwonderlijke
+leemte, te verwonderlijker, waar de auteur het <i>vischleven</i> zoo schoon
+beschreef: w&aacute;&aacute;r in Godes naam is zijn appreciatie van de collectie
+<i>bakvisch</i> en haar mannelijk complement gebleven, de schoonste en
+rijkste collectie, die <i>Artis</i> bezit? Die vrij h&eacute;&eacute;tbloedige vischjes,
+die coquette, die flirtende, die vrijende, die lieve.... Meneer Feith,
+meneer Feith, ge bleeft toch maar een vreemdeling in Jeruzalem, &egrave;n: uw
+deskundige "leiders waren misleiders", zij hebben u het sch&oacute;&oacute;nste niet
+getoond.... Had m&igrave;j maar geinterviewd. Niet dat <i>ik....</i>
+godbeware-me!... Maar ik ken iemand die v&eacute;&eacute;l studie van die collectie
+heeft gemaakt.... Vorbei ... vorbei.... ein <i>tr&uuml;bes</i> Wort.... Ik doel
+hier betreurend, het zij ten overvloede gezegd, op het voorbije der
+gelegenheid mij te interviewen ... niet op iets anders!...</p>
+
+<p>April '18.</p>
+
+
+<p class="caption">Noten:</p>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_30" id="Footnote_1_30"></a><a href="#FNanchor_1_30"><span class="label">[1]</span></a> <i>De Forens</i>: Het "Weekblad voor Stad en Land".</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_31" id="Footnote_2_31"></a><a href="#FNanchor_2_31"><span class="label">[2]</span></a> Zie: Van Vloten: <i>Oostersche schetsen en verhalen</i>.&mdash;</p></div>
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<p class="pagenum"><a name="p156" id="p156"></a>[p.156]</p>
+<h3>HET HELDEN- EN LEERDICHT VAN DEN WERELDOORLOG.</h3>
+<p><a name="FNanchor_1_32" id="FNanchor_1_32"></a><a href="#Footnote_1_32" class="fnanchor">[1]</a></p>
+
+
+<h3>I.</h3>
+
+<p>Sinds de groote Florentijn zijn hel- en hemelvaart had voleindigd, en de
+koortsende droomen van demonen-vrees en godsliefde der middeleeuwsche
+wereld in den greep van zijn onverwrikbaren wil getemd en tot in
+schoonheid geordende tafereelen had omgeschapen; sinds hij ze had
+volgezongen met zijn ziel&mdash;beelden, gemaakt van geluid, en muziek uit
+aanschouwing geboren&mdash;; sinds dien heeft hij het lieflijke maar vooral
+het gruwelijke der wereld met zijn naam en macht overheerscht.
+<i>Dantesk</i>, bovenal, was het gruwzame duister, van de schicht-naderende
+dreigingen doorrossigd der dood- en lijdens-verbeeldingen; <i>Dantesk</i> was
+al wat 'schoon zinnelijk, de vermoede afgrijselijke majesteit der
+demonische b&ograve;venzinnelijkheid droeg; <i>Dantesk</i> waren die statige vaste
+rhythmen der groote, als wonderen van smeedkunst dooreengestrengelde en
+bebloemde po&euml;men, die het geluid-geworden begrip: <i>wereldheerschappij</i>
+zijn; en <i>Dantesk</i> was wel ook het lieflijke, doch mits het door een
+goddelijk-hooge tragiek was omstormd en als lekend nevellicht van de
+bleeke gelaten der Francesca's en Paolo's afscheen. Maar w&agrave;t hem ook
+ben&agrave;derde, in literatuur of in leven, <i>bereiken</i> deed het hem niet. Eens
+had de menschheid zich de ontzettende fantasmen van een satanisch
+hiernamaals gedroomd, <span class="pagenum"><a name="p157" id="p157"></a>[p.157]</span> een wereld door een demon instede van een
+God geregeerd: een hel die oneindig was, pijn die respijtloos duurde en
+martelde tot in eeuwigheid, zonden voor immer zonder vergeven, boete
+zonder hoop. Toen had hij dat menschelijk-tasten, dat deel van
+Menschheids droom aan haar zelve geopenbaard&mdash;voor zoover z&igrave;j kon
+begrijpen. En, de bestemming volgend der half-bewusten, gedreven door
+den duisteren drang, haar droomen te kennen, ze te zien leven in den
+werkelijken dag, ze te <i>verwerkelijken</i>; gedreven door de donkere
+krachten van haar onderbewustzijn in hun stuwing naar het licht; stortte
+zij zich in de extatische zelfmartelingen der gekloosterde asketen;
+wierp zij zich in den wellust der paring, vereend met dien van moord en
+foltering; ja, slaagde zij er zelfs in een de Retz te scheppen, dat
+onsterfelijk erotisch monster; en niettemin: <i>n&ograve;g bereikte zij de diepte
+van haar droom en Dante's beeldingen niet</i>. Zij bracht haar
+Conquistadores voort, die, uitmoordend de volkeren, de beenderen der
+oude beschavingen verbrijzelden, en, in hun extasen van tot dan
+onvermoede weeldegenietingen en machtswellust, van bloed en goud de
+glanzende worgring wisten te gieten, die glorie heet. Zij verzon de
+inquisitie, met haar brandstapels, haar rad, haar pijnbanken; zij bouwde
+de slachtplaatsen der industrie, waar zelfs het kinderlichaam door den
+arbeid werd verteerd, de kinderziel vertrapt: de fabrieken waar haar
+w&agrave;re roem en lieflijkste bloem werden ontluisterd. En toch: <i>zij
+bereikte de diepte van haar droom en Dante's beeldingen niet</i>. Zij was
+als een groot schepper, als de Goethe van den <i>Werther</i>, die schrijft,
+om een geestelijke ziekte die hij in zich draagt, buiten zich, van zich
+&agrave;f te werpen; die schrijft om zijn eigen onzuiver ik v&oacute;&oacute;r zich te kunnen
+zien, om het te kunnen genezen. Maar h&agrave;re letters waren d&agrave;den, letters
+van bloed en vuur, op de gemartelde maar onvernietigbare bladzijden der
+jaren, in de zich openende en langzaam &iuml;n hun dreun-zware kanteling weer
+sluitende boeken der eeuwen. En toch, zij mocht kreunen van angst en van
+verlangen, en rusten van haar vreeselijk werk dag noch nacht,&mdash;haar doel
+bereikte zij niet, zij bereikte 't niet. <i>Dat was haar droom nog niet.
+Iets was nog daarachter</i>, een opperste <span class="pagenum"><a name="p158" id="p158"></a>[p.158]</span> ontzetting, ver en diep
+verholen, die zich verwerkelijken moest. T&ograve;t het uur volliep, en ze in
+geweldigste inspanning en verscheurende wee&euml;n den wereldoorlog baarde.
+T&eacute;n ... uit de verste afgronden van haar wezen rezen de verholen
+droom-schimmen op, verschijningen van afschuw en verbijsterende
+ontzetting, en verwerkelijkten zich en traden onder het wijkend licht.
+En terwijl hun torenhooge, afgrijselijke vlamgestalten als in een
+hemelverbloeding de zon verduisteren, de aarde schreeuwt onder hun gaan,
+en de ontwaakte Menschheid zich schijnt gereed te maken den arbeid aan
+hare vergoddelijking bewust te beginnen en voort te schrijden op haar
+evolutionnaire baan&mdash;wenkte de Noodwendigheid, de onfeilbare, die niets
+vergeet, die het kleine &eacute;n het groote als het <i>eene</i> kent; die het
+gewicht van den dood eens worms en van dien van armee&euml;n even nauwlettend
+weegt, om der wille van hun beider majesteit van noodzakelijkheden; en
+uit de verbijstering en den nood, uit het walgelijk knekelhuis der
+loopgraven, in de volle nederigheid van zijn groote en reine ziel,
+bereid tot overgave aan Menschheids dienst; v&agrave;st staand in zijn
+wezenheid, toegerust met macht om zijn verheven werk te doen; onder zijn
+lompen en achter 't verwoest gelaat veilig en in rust de vruchtbare
+rijkdom van zijn geest geborgen, die straks naar buiten zou lichten&mdash;z&oacute;&oacute;
+trad een man.... En gelijk eens Dante was geroepen om de infernale
+verschrikkingen en hemelsche glanzen van den <i>droom</i> te openbaren, in
+beelden blijvend voor altijd, z&oacute;&oacute; was deze verkoren, om dit de gruwbare
+ontzetting en heilbrengende beduidenis van het van-droom-tot
+<i>werkelijkheid</i>-gegroeide te doen. Verreweg kleiner dichter dan zijn
+feilloos-geweldige voorganger&mdash;hetgeen hier niet schaadt, daar de
+dichter der werkelijkheid niet de gaven van dien des drooms behoeft<a name="FNanchor_2_33" id="FNanchor_2_33"></a><a href="#Footnote_2_33" class="fnanchor">[2]</a>
+&mdash;maar van een welhaast onvergelijkelijk hooge en zuivere
+menschelijkheid, een ziel als een spiegelend meer van liefde waarin het
+menschbeeld <i>naast</i> dat der sterren straalt, heeft hij zijn werk
+verricht. En terwijl <span class="pagenum"><a name="p159" id="p159"></a>[p.159]</span> wij vol wederliefde in hem zien en al de
+schoone en fijne bewegingen van zijn geest met onze innigheid bestreden,
+beseffen wij slechts geleidelijk w&agrave;t zijn woord ons heeft gedaan. Het
+heeft het onrein vat van onzen geest met brandenden toorn en afschuw vol
+gegoten. En nadat dit &eacute;&eacute;nigermate was gezuiverd van de stofvergoding,
+van de ikzucht, van het huichelachtig meegevoel, van het
+ijdel-phraseerend denken, waarmee ons leven het de jaren lang had
+gevuld, deed hij wat droppels, die waren als een balsem &eacute;n een dauw er
+in leken. Want gelijk de eerste, heelend het geschroeide en gebetene,
+vo&egrave;lde ze onze geest, en gelijk de laatste f&ograve;nkelen ze hem tegen met in
+hun rondingen het licht van een nieuwen dag.... Deze zuivere en schoone
+mensch, deze hooge en begaafde broeder van den dichter der <i>Hel</i>, dat is
+Henri Barbusse; en zijn werk, het <i>beeld</i> van de <i>verwerkelijking</i> van
+den Helle-<i>droom</i> heet: Het Vuur.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Hier, bij dezen Dante der werkelijkheid, zijn weer de in slijkpoelen
+verzonkenen van Alighieri's zevenden zang; de, als een schildpad in zijn
+schild, in modder geharnasten, de "gekroonden met drek." Hier zijn weer
+de in gloeiende graven gemartelden, van den zesden hellekring: de
+slavenden bij de nachtelijke korvee&euml;n, zich plat-drukkend op den onder
+den granatenstorm en den spattenden vuurregen golvenden en brandenden
+grond, te halver diepte pas ter dekking ingegraven. Hier weer de
+badenden in het kokende bloed, van den vijftienden zang: de man verkoold
+in granaatvlammen, terwijl een brandende plas van bloed-goud op zijn
+lichaam knettert. Hier stuift en kuilt de zandzee, waarop de vuurregen
+daalt en <i>waarheen</i> de verdoemden genoopt worden te vluchten: de
+zinlooze stormloop onder het spervuur, in de gierende orkaan en
+fonteinende vuurstroomen der granaten. Hier wankelen weer de "van
+vlammen omhulden": als de ontploffingen de kapotjassen in brand steken.
+Hier zijn weer de verdoemden van den twintigsten zang, wien de dood het
+hoofd omdraaide op den romp, rugwaarts het lichaam omvouwde, en de
+beenen, gelijk bij een zittende onder den buik, omhoog onder de aars.
+Hier is weer <span class="pagenum"><a name="p160" id="p160"></a>[p.160]</span> de "schreeuwende menschboom" van den twaalfden
+zang: een verstijfd lijk met krijsch-gezicht, wortelend in den top van
+een heuvel, deinend en schuddend in den wind. Hier zijn zij van den acht
+en twintigsten zang, wie de dood doorhakte "van de kin tot den bilnaad,
+dat hun de ingewanden tusschen de beenen hingen." Hier zijn de beknelden
+in de storm-gezweepte en ijskoude stroomen van den Coeytus, die Dante
+als vezels in het ijs zag, tegen wier hoofden zijn voeten botsten, wier
+boven de beknelling uitstekende haarlokken hij kon grijpen. Hier
+stierven weer zijn Branca d'Oria's, maar onschuldige, "wier haren," zegt
+Barbusse, "rechtop in het water staan als aquariumplanten." Hier zijn
+zij wie de dood aan elkander bond, de lijken elkaar omklemd houdend als
+in vereeuwigde strijdwoede, en zij die hij, bij de wegweekende
+overstrooming der loopgraven, vereende als in goddelijke toewijding tot
+elkaar: "twee mannen, die op elkaar steunen om te slapen. Daar zij zich
+niet op den wegvlietenden grond, die over hen heen zou golven, konden
+uitstrekken, bogen zij zich over elkaar heen, elkaar bij de schouders
+vattend en sliepen in, tot aan hun knie&euml;n in het veld weggezakt." Hier
+sidderen ook weer de van de hoogste tragiek omstormde Danteske teerheid
+en liefelijkheden. O, kleine, bleeke Eudore, met je teere lichaam en nog
+teederder hart, die met verlof gingt, om na vijftien maanden je jonge
+vrouw weer te zien.... De passen blijken niet in orde, zij kan niet tot
+hem komen, hij niet tot haar, dan alleen in den voornacht van zijn
+verlofeinde.... Maar dan&mdash;de regen verdrinkt de aarde&mdash;ontmoet hij
+andere verlofgangers, die niet weten waar onder dak te komen ... de
+beide gelieven, die slechts dien enkelen nacht hebben om gelukkig te
+zijn, offeren zich op en deelen hun eene kamer met hen ... de kostbare
+nacht, die een liefdefeest voor hen had kunnen zijn, gaat somber te
+midden der geeuwende soldaten voorbij.... Zij scheiden onder
+hartstochtelijke omhelzingen.... Hij komt weer in de loopgraven terug.
+"En wanneer zal ik haar nou weerzien? En z&agrave;l ik haar wel terugzien,"
+zucht hij tot de kameraden. Hij ziet haar niet weer terug. Een nacht
+wordt hij m&eacute;t drie makkers door het mitraille doorzeefd.... En dan
+<span class="pagenum"><a name="p161" id="p161"></a>[p.161]</span> die beide andere gelieven, Farfadet en Eudoxie!... Farfadet, die
+nog van haar aanbiddelijke schoonheid als levend en hem toebehoorend
+droomt; die zich zeker voelt van een gelukkig leven met haar na den
+oorlog, terwijl reeds lang haar lijk wegrottend en afzichtelijk
+beschimmeld in een mijngroef tusschen de linies is gevonden....&mdash;Of het
+ontroerend gesprek tusschen de twee legionnairs&mdash;ja, ja, ge weet wel,
+dat zijn twee van die "uitvaagsels," van die
+"maatschappelijk-verworpenen," van het "vreemden-legioen"!&mdash;Barbusse,
+uitgeput in den onderaardschen hulppost dicht naast hen neerzittend,
+beluistert hen zonder het te willen. De een, doodelijk gekwetst, vraagt
+den ander, of die wel weet, dat-ie heel wat op z'n kerfstok heeft en
+dat-ie wel heel moeilijk ooit weer in de burger-maatschappij een bestaan
+zal kunnen vinden. De ander, woest, zegt: "Hou je smoel! wat kan jou dat
+verdomme'?" En de doodelijk-gekwetste antwoordt, dat, daar hij nu toch
+gaat sterven, hij van zakboekjes met den ander wil ruilen, dan kan die
+onder een nieuwen en eerlijken naam verder leven en heeft een betere
+toekomst voor zich! Maar aan Louise, zijn lief, zal-ie 't toch in zijn
+afscheidsbrief schrijven, "dan vindt ze dat ik goed gedaan heb en zal ze
+beter an me denken." Maar neen, "met iets als een verheven inspanning"
+schudt hij dan 't hoofd: "Nee, h&aacute;&aacute;r zal ik 't zelfs niet zeggen! Ik weet
+wel dat zij het is, maar de vrouwe' zijn zoo praatzuchtig!"&mdash;Of ook de
+<i>Idylle</i>: Paradijs de coquette schoentjes poetsend van een vijftienjarig
+kind; een verheerlijkende glimlach licht over zijn gelaat, en nog in
+zijn uitputtingsslaap blijft die stralen. O, hier, hier vooral, laat ons
+zacht en voorzichtig treden en met onze gansch liefdevolle en
+aandachtige oogen naar de laagte zien. Hi&egrave;r heft de menschelijke adeldom
+zijn schoonste bloemen, terwijl hij nochtans als een kruipplant over een
+slijkerigen bodem wart....&mdash;</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Maar deze Dante der werkelijkheid, die bij het zuchten zijner
+Francesca's en Paolo's <i>niet</i> bezwijmde; die de volle heerschappij over
+al zijn krachten zelfs onder de vuurregens en midden de slachtingen
+behield, en als <i>meer</i> dan een &ograve;ngebroken man: als een schepper, als
+<span class="pagenum"><a name="p162" id="p162"></a>[p.162]</span> een glanzend wezen, uit de loopgraven trad; deze Dante, door de
+beukende realiteit tot verhevener deemoed geleid dan de ander door den
+droom, vertoont op wat men een parallelplaats van eene in Alighieri's
+werk zou kunnen noemen, eene <i>ontroerender schoonheid</i> dan daar aanwezig
+is. En waarlijk, het is mij een rijk geluk, haar, verholen als zij is,
+voor u te mogen opdelven en 'r u te toonen. Toen ik haar ontdekte in het
+licht mijner verdere lezing van het werk, bleef het eerste hoofdstuk,
+waarin zij zich bevindt, niet slechts een schoone uiting van <i>bewuste</i>
+genialiteit voor mij, maar w&egrave;rd een wonder van den schrijver <i>on</i>bewust
+gebleven en toch zich openbarende inspiratie. Dit hoofdstuk heet <i>Het
+Visioen</i> en beeldt niet anders dan een Zwitsersch sanatorium, waar aan
+den overkant der bergen, op een galerij de tuberculose-lijders liggen.
+Het teekent kort het schuchter en als ingehouden leven dier
+ongelukkigen. De courant wordt rondgebracht, en de eerste die haar
+leest, zegt: "Het is geschied, de oorlog is verklaard." Deze "peinzers,"
+zooals Barbusse dan zegt, "op den drempel der wereld verwijlend,
+gelouterd van partijhartstochten, bevrijd van opgedane begrippen, van
+verblinding, van de greep der traditi&euml;n, zij beseffen schuchter nog den
+eenvoud der dingen en de wijd-sperrende mogelijkheden." En in het
+gebeuren midden dat woeste bergen-d&eacute;cor, het opstijgen en speurend
+kringen der adelaars, het neerbliksemen van het onweder, de schemers
+gelijk watervloeden vol vage vormen van verdronkenen op de velden,
+aanschouwen zij in een kort visoen heel de ontzaglijke rij der
+toekomstige afgrijselijke oorlogsbeelden. Dit nu kan men, gelijk ik zei,
+een parallelplaats, in beperkten zin, van Dante's vierden zang, noemen,
+omdat: hier evenals daar het storm-stille "<i>Voorportaal</i>" van de <i>Hel</i>
+is; omdat hier evenzeer als daar wel <i>geen geluk</i> is, maar ook hier
+zoowel als daar geen <i>lijden</i>, vergeleken <i>met hetgeen daarna komt</i>. En
+ook hier zoowel als daar is er dus de doorlichtende tegenstelling
+tusschen het stille, rustige, beveiligde en <i>nog te dragen</i> leed van het
+<i>Voorportaal</i>, en de woeste, de vlijmende, de hulpeloos voortgejaagde,
+de ondragelijke smart van de <i>Hel</i>. Maar d&agrave;n ziet men ook zich daaruit
+een andere en nog beteekenisvoller tegenstelling <span class="pagenum"><a name="p163" id="p163"></a>[p.163]</span> ontwikkelen,
+die de hoogere schoonheid, waarvan ik sprak, brengt. Dante, in het
+kasteel van de Homerische dichtergroep gekomen, waar de groote denkers
+en po&euml;ten der Oudheid verblijven, verkondigt <i>zelf</i> volkomen bewust en
+luide zijn ontzaglijke grootheid: <i>Homeros begroet hem als den zesde in
+zijn verheven kring</i>. Maar in het "Voorportaal" van d&eacute;ze hel, in dit
+eerste hoofdstuk van <i>Barbusse's</i> werk, wordt w&egrave;l evenzeer des
+schrijvers grootheid verkondigd, m&aacute;&aacute;r: <i>niet door hem,</i> doch <i>hem
+ondanks</i>: door het van h&egrave;m <i>niet</i> reppend <i>voorgestelde</i>! Den kunstenaar
+<i>on</i>bewust, en <i>on</i>afhankelijk van zijn wil, vrij dus van met trots
+verbonden zelfkennis, verheft zich hier de <i>in hem levende Inspiratie</i>
+en zegt ons: zie toch, zie, dit geheele tafereel is de <i>symbolische
+veruiterlijking</i> van <i>zijn</i> innerlijkst&mdash;en nog wel
+<i>verkleinde</i>!&mdash;wezen, en zegt <i>zijn</i> grootheid. En hij de deemoedige
+wist het niet! Want gelijk die "peinzers, op den drempel der wereld
+verwijlend, gelouterd van partijhartstochten, bevrijd van opgedane
+begrippen, van verblinding, van den greep der traditi&euml;n," <i>z&oacute;&oacute; is ook
+hij</i>; en gelijk die eenzamen want in-zichzelf gekeerden, maar
+verzorgden, las ook hij in 't omfloerste wereldgebeuren de verholen
+beteekenis, de <i>waarheid</i> &igrave;n wat hij zag, de naar geboorte worstelende
+kern; m&aacute;&aacute;r bedenkt dit wel: <i>Hij</i> was niet slechts aldus in het
+voorportaal, maar <i>midden</i> den storm, <i>in</i> de hel.... Beseft dan gij
+allen de grootheid, de ongeschoktheid, de reine onbaatzuchtigheid van
+dezen mensch, hoe volkomen onbekommerd om eigen lot, in welk een
+zelf-ontruktheid, in welk een zelfvergetelheid hij m&ograve;et hebben geleefd;
+en hebt hem lief, hebt hem oneindig lief....&mdash;</p>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<h3>II</h3>
+
+<p>Het kan allicht zijn nut hebben, ook hier <i>iets</i> te t&oacute;&oacute;nen van de wijze
+waarop, benevens een <i>weinig</i> van de kern-waarheid, welke hij zag. De
+wijze van zien is die van een z&eacute;&eacute;r groot epicus, met veel wijsgeerige en
+sociaal-politische bezinning, beheerschte lyrische kracht, machtig
+<span class="pagenum"><a name="p164" id="p164"></a>[p.164]</span> beeldend vermogen, en zooals na dit alles vanzelf spreekt,
+groote psychologische intu&iuml;tie. In die bezinning en in het vooral den
+subtielen Franschen geest karakteriseerende van het <i>laisser entrevoir
+sa pens&eacute;e</i>, lijkt hij mij sterk aan Balzac verwant; in de manier van
+dialoog-aanwending als beeldend en karakteriseerend hulpmiddel aan onzen
+Querido, en het is dan ook d&aacute;&aacute;rom&mdash;al mag men er ook, hier en daar, uit
+anderen hoofde bezwaar tegen hebben&mdash;een voortreffelijke daad van den
+door zijn liefde voor beiden en zuivere kunstzinnigheid geleiden
+vertaler geweest, dat hij ter overzetting dier dialogen, uit het
+"vocabulaire der Burk's" putte, want aldus doende, werd hij een
+vruchtenplukker gelijk, die immers meer medeneemt, dan de geplukte
+vruchten: ook hij nam <i>den geur van den boomgaard</i> mede, hij vergoedde
+het allicht onontkoombare verlies van 't in de dialogen levend episch
+flu&iuml;de van den grooten Franschman door dat van den aan hem verwanten
+grooten Hollander. Het is trouwens niet daarin alleen, dat Barbusse aan
+den schrijver van <i>Menschenwee</i> en de beide <i>De Jordaan's</i> doet denken,
+het is ook in de wijze, waarop hij de menschen <i>buiten</i> de dialoog
+beeldt, in zijn groot-epische heftig van kleur en mouvement doorstormde
+visies, gelijk in het verschrikkelijke hoofdstuk <i>Het Vuur</i>, in de
+hartverkillende atmospherische stemmingen van <i>De Korvee</i>, in de
+chaotische volten van <i>Opbreken</i>. Een ander maal, zooals in <i>Lucifers</i>,
+waarin de vier Franschen, op jacht naar vuur, om vleesch te kunnen
+braden, in de loopgrapen verdwalen, en in de "Internationale gang" een
+Duitsch officier dooden en met diens lucifers terugkomen, is er voor mij
+in het beeldend geluid, in het aspect der figuren-plastiek, in het
+bonkig trago-komische en in het lacherig-vreeselijke, iets, om ons tot
+de modernen te bepalen, van de Maupassant. Dan weer zie ik duidelijk, de
+paar malen dat hij natuurleven beschrijft, plots onzen Van Looy voor
+mij, zooals in <i>Gewend Geraakt</i>, die prachtige observaties in den
+hoenderhof, waar hij in sober-beeldende woorden&mdash;elk woordje om zoo te
+zeggen een vondst, een levende kleur, een reuk, een beweging&mdash;het
+verinnerlijkt-geziene schildert. De zaak is, dat, gelijk naar occulte
+leering de zielen van veel volmaakt</p>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p165" id="p165"></a>[p.165]</span> geworden menschen in die eens gods versmelten, in de genialiteit
+van Barbusse veel van het beste van veler tijden en landen literaire
+kracht is saamgekomen. Er is een menigte van schoone geesten in hem,
+maar die zijn toch &eacute;&eacute;n, die zijn toch z&igrave;jn geest geworden.&mdash;Zooveel
+mogelijk nu die gedeelten uitkiezend, welke ik kan citeeren, zonder te
+zeer den omvang van dit opstel te vergrooten, en mij bij andere slechts
+tot enkele vermelding bepalend, zal ik u een weinigje aanwijzen van al
+dat schoons. Als voorbeeld van zijn wijsgeerige bezinning vol diepe
+psychologie, hier in een subtiel aphoristischen vorm:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Zij zijn allen, de een als de ander: er is niet &eacute;&eacute;n, die niet zegt:
+"Ik ben ni&egrave;t als de anderen."</p>
+
+<p>Het spel is voor kinderen een ernstige bezigheid. Alleen volwassen
+menschen spelen.</p></div>
+
+<p>En dit van zijn Danteske visies, voor zoover die vooral het kenmerk van
+een den mythos, historie en leven omvattenden geest dragen: (over den
+verliefden Lamuse, den "osmensch," door Eudoxie afgewezen)</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Hij laat zijn groot, dik hoofd hangen. In de meedoogenlooze klaarte
+van de herboren lente, gelijkt hij de arme cycloop, die langs de
+oude oevers van Sicili&euml; doolde, bespot en getemd door de
+helstralende kracht van een kind, als een monsterlijk speeltuig, in
+den aanvang der tijden.</p></div>
+
+<p>Of dit nog dieper geziene: (Over een soldaat, die, in de loopgraven, een
+koperen ring voor zijn vrouw vijlt)</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Hij arbeidt vol vuur. <i>Het is zijn hart dat zich zoo goed mogelijk
+wil uitspreken en zich inspant als voor een stuk schoonschrift</i>.<a name="FNanchor_3_34" id="FNanchor_3_34"></a><a href="#Footnote_3_34" class="fnanchor">[3]</a>
+In deze ontredderde gaten van de aarde verkrijgen onze mannen, zich
+vol ontzag buigend over de lichte, allereenvoudigste sierselen, zoo
+klein dat de grove hand ze moeilijk vasthoudt en makkelijk
+ontglippen laat, een nog woester, primitiever, menschelijker
+aanzien dan onder welke omstandigheid ook. Men denkt aan den
+eersten uitvinder, den vader der kunstenaars, die aan blijvende
+voorwerpen den vorm van wat hij zag en de ziel van wat hij
+onderging, trachtte te geven.</p></div>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p166" id="p166"></a>[p.166]</span> Het zijn de Dantesk-<i>picturale</i> visies, waarbij ik mij helaas
+tot nauwelijks meer dan bloote vermelding moet bepalen. Zoo van het
+voorbijtrekken der helsch-caricaturale "straatvegers der loopgraven";
+van het trekken door het krijtland, waar een witte stuiving de soldaten
+in grijsaards vermomt, en zij, stilstaand op een halte, in elkander
+"pleisterbeelden meenen te zien."</p>
+
+<p>Aan de beelding van het barbaarsch-Oostersch voorbijschrijden der
+kleurlingen ontleen ik dit:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Onder deze kerels van geel, brons of ebbenhout, zijn enkele
+ernstigen; hun gezichten zijn beangstigend, stil, <i>als zichtbare
+valstrikken</i>. Anderen lachen; hun lach schatert als de klank der
+vreemde muziek van uitheemsche instrumenten en laat hun tanden
+zien.</p></div>
+
+<p>Soms bereikt zijn visionnairisme een louter-geestelijke helderziendheid,
+zooals in die <i>heilige</i>, str&agrave;lende regels&mdash;blz. 224&mdash;225, te veel voor
+een citaat!&mdash;waarin hij de ziel van den <i>burger</i>-soldaat, op dat opperst
+moment v&oacute;&oacute;r den stormloop en waarschijnlijken dood, klaar doorschouwt.
+Of gelijk hier: (over het voortschrijden onder sper-vuur, van soldaten
+op een open vlakte)</p>
+
+<div class="blockquot"><p><i>Het is bijna niet te gelooven</i>, dat elk dezer kleine vlekken een
+wezen van rillend en teer vleesch is, geheel ongewapend in de
+ruimte, vol diepe gedachten, vol innige herinneringen en beelden:
+het is ontstellend, dit gestuif van menschen, even klein als de
+sterren aan den hemel.</p>
+
+<p>Arme naasten, arme onbekenden, het is nu uw beurt te offeren! Een
+ander keer zal het de onze zijn. Wij zullen morgen wellicht den
+hemel boven onze hoofden hooren vaneenrijten of voelen hoe de aarde
+zich onder onze voeten opent, of aangevallen worden door het
+wondere leger van projectielen en weggevaagd door orkaanstuwingen,
+honderd duizendmaal krachtiger dan de orkaan zelf.</p></div>
+
+<p>Z&oacute;&oacute; is het. Zoodra men de wezens en dingen in h&ugrave;n w&aacute;&aacute;rheid en de
+waarheid hunner verhoudingen ziet, dan is <i>het inderdaad niet te
+gelooven</i>, wat er met hun stoffelijke wezenheid gebeurt. En ook het
+omgekeerde <span class="pagenum"><a name="p167" id="p167"></a>[p.167]</span> is waar, zooals&mdash;Barbusse-zelf, de op dat moment
+ontluisterde en verduisterde Barbusse het in zijn eigen Godsontkenning
+&eacute;&eacute;ns f&eacute;l demonstreert!...&mdash;</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Hoogst gewichtig ook voor het juist begrip van de gr&oacute;&oacute;theid en den aard
+zijner genialiteit, zijn die kleine zinnetjes, die enkele woorden soms,
+met, in zulk een enkel woord, een rijkdom van beeldende kracht; woorden
+en zinnen, vluchtig en snel, als flitsen, die midden de algemeene
+verwoesting, de ongereptheid van het edele landschap van zijn geest, in
+een witschitterend licht doen dagen. Zoo over korporaal Bertrand&mdash;een
+<i>prachtige</i> menschschepping. (Het is na den stormloop door het spervuur,
+na de verovering der vijandelijke loopgraven, dat dit gesprek, waarvan
+ik een stukje citeer, door de twee helden wordt gevoerd):</p>
+
+<div class="blockquot"><p>"En toch, vervolgde Bertrand, kijk! Er is &eacute;&eacute;n figuur, die zich
+boven den grooten oorlog verhief en die door de schoonheid en
+belangwekkendheid van zijn moed...."</p>
+
+<p>Op een stok geleund, over hem been gebogen, luisterde ik, het
+geluid van deze stem opvangend, die, in de stilte der schemering,
+uit een bijna altijd zwijgenden mond kwam. Met heldere stem riep
+hij:</p>
+
+<p>"Liebknecht!"</p>
+
+<p>Hij stond op, de armen steeds gekruist. Zijn schoon gelaat, <i>even
+diep en rustig als dat van een beeld</i>, viel weer op zijn borst
+neer. Maar nogmaals verbrak hij zijn <i>marmeren</i> zwijgen, om te
+herhalen....</p></div>
+
+<p>Zoo ook deze plechtig ontroerende metaphoor. (Over een soldaat opduikend
+uit zijn slaaphol in de loopgraven):</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Hij komt te voorschijn; zijn grauwe klompige lichaam verschijnt,
+<i>als de nacht in den avond</i>.</p></div>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p168" id="p168"></a>[p.168]</span> Ongetwijfeld, er zijn ook zekere tekortkomingen in dit
+ontzaglijk werk te bemerken en het waar' nutteloos hier van de liefde te
+vorderen ze te verhullen. Want de alles doordringende luister van het
+geslaagde, overgroote deel, zou toch ook deze verwrongenheden aan ieders
+oog openbaren. Daar is allereerst het <i>toevallige</i>. Het doet als
+toevallig aan, dat juist weinige uren, ja weinige oogenblikken v&oacute;&oacute;r
+Poterloo, "in de vlam van een granaat wegvliegt," hij, in een gesprek
+met Barbusse, als zijn vaste verzekerdheid te kennen geeft, dat hij den
+oorlog zal overleven. En het is de schuld van den schrijver, dat wij
+dien indruk van toevalligheid krijgen. Want, bij den opmarsch n&agrave; het
+gesprek, in den avond, veroorlooft de auteur den lezer geen oogenblik,
+zijn aandacht van Poterloo af te wenden: de auteur spreekt voortdurend
+met dezen zijn wapenbroeder, roept hem telkens aan, vraagt hem hoe 't
+hem gaat. <i>Hierdoor</i> voelen wij al, dat het ni&egrave;t goed <i>zal</i> gaan, dat er
+iets noodlottigs met dien man daar dadelijk zal gebeuren; wij voelen een
+zekeren <i>toeleg</i> bij den schrijver. Die toeleg, zoo raden wij al, is:
+<i>de tragiek van het naderend gebeuren te onderstreepen</i>, en zoodra wij
+nu zien dat ons vermoeden juist was, verschijnt ons natuurlijk dit
+gebeuren als een "gewilde" toevalligheid en wordt de tragiek juist
+<i>verzwakt</i>.&mdash;<i>Toevallig</i> is ook dat juist Lamuse, die niet tot de genie
+behoort, zich aanbiedt als vrijwilliger om de sappeurs bij het maken van
+een mijngroef behulpzaam te zijn, en&mdash;daarin het beschimmelde lijk van
+de door hem geliefde Eudoxie vindt; en <i>nog toevalliger</i>: dat even te
+voren een voorval uit Gauchin wordt verhaalt&mdash;<i>Gauchin, waar Lamuse
+Eudoxie zijn liefde had bekend en was afgewezen</i>&mdash;&egrave;n dat Farfadet (<i>de
+minnaar van Eudoxie</i>) na de opmerking van iemand, dat je "van niks iets
+zeggen kan," peinzend "<i>alsof een aanbiddelijk gezicht hem tegenlachte</i>"
+mompelt: "Toch zijn er dingen waar je zeker van kunt zijn." Ja, het mag
+niet verzwegen: hier blijkt wel h&eacute;&eacute;l duidelijk een "Absicht", die
+"verstimmt." Deze toevalligheden&mdash;de welwillende lezer vergeve mij het
+zoo veelvuldig gebruik van een zelfde woord!&mdash;zijn dan ook allerminst
+... toevallig! <i>Zij spruiten voort uit de hybridische natuur van het
+boek</i>. Eenerzijds was het de <span class="pagenum"><a name="p169" id="p169"></a>[p.169]</span> bedoeling van den auteur een
+waarheidgetrouw relaas van feitelijke gebeurtenissen te geven,
+anderzijds <i>dwong</i> hem zijn krachtige kunstenaarsaanleg een <i>kunstwerk</i>
+te scheppen. Maar als iets omtrent den aard van een kunstwerk vaststaat,
+dan is het wel dit, dat het een <i>verbeeldingswerk</i> moet zijn. En ziedaar
+nu de oorzaak van stoornis en botsing: in een toevalligheid uit een
+feiten-relaas berusten wij, zij <i>kan niet</i> onecht en "gewild" zijn,
+immers zij is&mdash;een feit. Maar bij die in een kunstwerk berusten wij
+niet, d&aacute;&aacute;r zijn wij slechts tevree met wat ons als <i>noodwendigheid</i>
+verschijnt. En omgekeerd: een geval dat wij in een feiten-relaas als
+van-zelf-sprekend aannemen en dat derhalve <i>geen afzonderlijke
+vermelding</i> door den auteur voor ons behoeft, zal soms, als het in een
+kunstwerk voorkomt, ons juist het <i>ontbreken</i> eener afzonderlijke
+vermelding als een hiaat en een slordigheid doen voelen. Z&oacute;&oacute; het
+geval-Farfadet: op blz. 82 staat het vast, dat "hij is opgeroepen achter
+het front bij den generalen staf" om kantoorwerk te doen. Voor hem is de
+oorlog&mdash;het gevaar&mdash;voorbij. Maar jawel! tot het eind van het boek zien
+wij hem <i>gewoon soldaat blijven,</i> zonder dat er een woord over die
+tegenstrijdigheid wordt gekikt, en tenslotte wordt hij zelfs aan beide
+oogen gewond! En ziehier dus weer de botsing van het hybridische: omdat
+in den schrijver &oacute;&oacute;k de bedoeling en het <i>bewustzijn</i> leefden, een
+relaas van feitelijke gebeurtenissen te geven, deelde hij ons niet mede,
+bijvoorbeeld dat de oproeping van Farfadet naar achter het front was
+ingetrokken. Voor <i>zijn</i> gevoel, van feitelijkheden-vermelder, sprak dat
+van zelf, maar voor &ograve;ns gevoel, dat in dit werk, nevens zijn aard van
+feiten-relaas, ook en <i>vooral</i> een <i>kunstvolle herschepping</i> der
+realiteit ziet, voor ons spreekt dat allerminst van zelf. Want wij zijn
+nu eenmaal gewend, als wij in een kunstwerk een dergelijke achteloosheid
+ontmoeten, te zeggen: h&eacute;, hier was de auteur klaarblijkelijk vergeten,
+wat hij vroeger had verhaald!&mdash;Er is meer. Het schijnt mij toe, dat men
+ook een enkel maal in de dialogiseering dat hybridische kan herkennen.
+Het staat een kunstenaar vrij zijn dialoog te styleeren, dan wel bloot
+realistischen&mdash;mits <i>innerlijk gehoorden</i>&mdash;dialoog te geven. In beide
+<span class="pagenum"><a name="p170" id="p170"></a>[p.170]</span> is het groote te bereiken. Maar het staat hem, dunkt mij, <i>niet</i>
+vrij, door een zelfden spreker, ja in een zelfde gesprek nog wel, een
+mengvorm van beide te scheppen. Want dan <i>veronechten</i> die
+ongelijksoortige factoren elkaar. Het is volmaakt in orde, dat Poterloo
+in het innig gesprek met zijn vriend zegt: "... ten slotte hebbe' ze een
+luizedoosie voor me opgesnord dat groot genoeg was om d'r mijn kop in te
+bergen." En het zou ook volkomen in orde kunnen zijn, dat hij in zulk
+een gesprek zegt: "ze glimlachte en boog liefelijk haar hoofdje met het
+lijstje van blonde haar, waarin de lamp gou&euml; straaltjes scheen." Maar
+het is niet in orde, dat dezelfde man allebei zegt. Gestyleerde dialoog
+is en blijft voor den <i>lezer: vertolking</i> van realistischen dialoog,
+maar omdat ook de gestyleerde door den scheppenden <i>schrijver</i> innerlijk
+en als het ongekunsteld-oorspronkelijke werd gehoord, zal hij op den
+lezer denzelfden <i>indruk</i> van <i>innerlijke waarachtigheid</i> als de
+realistische maken. Maar nochtans&mdash;nog daargelaten, dat bijvoorbeeld dit
+zinnetje van Poterloo <i>niet</i> juist gestyleerd is&mdash;is het niet raadzaam
+een valsche roos, in wat roes van scheppende illusie ook gevormd en
+getint, n&aacute;&aacute;st een echte te leggen, want dan spot-fluistert in haar geur-
+en kleuren-taal die echte allicht: "Dat is mijn zuster niet."&mdash;Men
+begrijpe mij niet verkeerd, ik heb er niets op tegen, dat deze soldaat
+zoo innig denkt over zijn vrouw&mdash;wat potsierlijke dwaasheid zou d&agrave;t
+wezen! Waarom zou die prachtige mensch niet zoo kunnen denken&mdash;ik heb
+er slechts op tegen, dat hij z&oacute;&oacute; zijn gedachten <i>verwoordt</i>. <i>Dat</i> kan
+hij niet. De soldaat Marthereau&mdash;voddenraper in het burgerlijk
+leven&mdash;zegt: "De wind heit de suiker opgelikt." Dat is <i>prachtig</i>. Maar
+gesteld eens, dat hij had gezegd iets dergelijks als: "De wind <i>heeft de
+sneeuwbonbons verorberd</i>." Dat ware <i>afschuwelijk</i> geweest! En niettemin
+geloof ik, dat al is en blijft er te dezen opzichte iets te laken, dit
+voor onze Hollandsche ooren waarschijnlijk erger klinkt dan het is. Want
+dat den lageren klassen der Latijnsche volken in onderscheiding met de
+onze, in diepere gevoelsmomenten van zelf een edeler en schooner taal
+naar de lippen dringt, dan hun dagelijksch argot, lijkt mij bij hun
+algemeen veel hooger ontwikkeld kunstgevoel <span class="pagenum"><a name="p171" id="p171"></a>[p.171]</span> en aangeboren
+literair begrip wel aannemelijk. Wat den <i>waarlijk-meesterlijken</i>
+vertaler betreft, zoo er hier al schuld bij hem is, dan is die toch
+minimaal en komt slechts hierop neer, dat hij de bezwaren, waarvan ik
+reeds sprak, die het gebruik van het "vocabulaire der Burk's" aankleven,
+wel ietwat heeft onderschat, en daardoor hier en daar onnoodig de
+tegenstelling tusschen de eene soort dialoog en de andere heeft
+verscherpt....&mdash;Berusten wij derhalve in de erkenning, dat op den zege-
+en zonne-wagen van zijn genie gezeten, waarmee hij zich uit den nacht
+van den oorlog verhief, Barbusse van zijn ongelijkrassige paarden
+ongetwijfeld wel een enkel maal de toomen heeft laten glippen. Maar wat
+nood, hij heeft zijn tocht voleind, en uit den afgrond tot ver boven
+onze hoofden uitstralend, ons het licht zijner liefde gebracht.</p>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<h3>III</h3>
+
+<p>En voorzeker, met den glans van zijn zien-en-begrijpen heeft hij dan ook
+van veel de kern en de waarheid beschenen, en ons gedwongen die te zien.
+Zijn epos is ook een leerdicht geworden. Een zeer kleine greep uit het
+overrijk bewijsmateriaal kan er u reeds van overtuigen. Hij heeft
+gezien: hoe het proletariaat niet alleen steeds de winstmijn, maar ook
+het kijkspel der bourgeoisie is geweest; haar diergaarde, welks bewoners
+met de zweep geregeerd, maar ook met klontjes suiker liefjes verwend
+mochten worden en zelfs, ja zelfs bestreeld met hoogst-eigenhandige
+kopaai&iuml;ngen, waaraan men dan ook zoowel zijn joviale genegenheid als
+zijn he&ugrave;sch-d&ugrave;rvigen moed demonstreerde. Men heeft er maar dat sc&egrave;netje
+van het bezoek der journalisten in de loopgraven op aan te kijken, om te
+beseffen, met wat inborend sentiment deze liefdevolle d&agrave;t h&aacute;&aacute;t. Merk hoe
+dan de spot een oogenblik het beheerschte gelaat zijner objectiviteit
+vervinnigt.&mdash;Hij heeft gezien: hoe achter den rug der strijdende legers,
+die menigten van martelaren, de groote en de kleine bourgeoisie&mdash;allen
+die bezitten en graaien om dat bezit te vergrooten&mdash;haar weeldebestaan
+en winstmakerij voortzetten. <span class="pagenum"><a name="p172" id="p172"></a>[p.172]</span> Daar schrijnt, in <i>Uitstapje</i>, 't
+verhaal hoe hij met eenige makkers zijner escouade het verlof in een
+groote stad doorbrengt, een vernederingsleed om den zedelijken val der
+<i>heerschenden</i>, meer nog dan om het lot der beheerschten; omdat z&oacute;&oacute;
+verlept en nietswaardig der eersten gevoel, z&oacute;&oacute; ijzingwekkend hun
+onwetendheid, zoo bijna l&agrave;chwekkend-onnoozel somwijlen hunne
+onbeschaamdheid is. En in een overstelping van liefde, meer dan van
+medelijden, heeft hij de vernedering zijner arme, eenvoudige
+metgezellen, onder de tooneelkijker-blikken en schennende woorden dier
+weeldezwelgers gevoeld. Hij heeft gezien: hoe zij zich vetmesten, die
+"van hun buik hun god maken"; al diegenen, die roepen van achter hun
+toonbanken, hun bankierskantoren, hun redactietafels: "wij" moeten
+volhouden, "wij" zullen nog meer offers brengen als het moet!&mdash;Ja, en
+hij heeft ook wel gezien hoe er nog ander dan Pruisisch militairisme
+bestaat. <i>Argoval</i>! Het geval-Cajart! de soldaat, die na reeds twee jaar
+blaamloos zijn plicht te hebben gedaan, voor een gering vergrijp wordt
+gefusilleerd. Hij had zich bij het einde der rustpoos in het
+cantonnement schuilgehouden. Als de schrijver terugkeert van de plek,
+waar ze den armen kerel, in knielhouding aan een paaltje gebonden,
+hebben doodgeschoten, dan ziet hij zijn escouade-genoot Volpatte midden
+een groep makkers "<i>een nieuw vertelseltje verhalen van zijn reis bij de
+gelukkige achterblijvers."</i> D&agrave;t zijn die "achterbakschen"; nietsnutters
+met machtige protectie, die men niet doodschiet als Cajart, maar
+integendeel later in de salons, als "helden die in het vuur zijn
+geweest" zal bewonderen! Nog ander dan Pruisisch militairisme: lees hoe
+meneer de brigade-generaal de soldaten in 't <i>ontspannings-kantonnement</i>
+slechts drie avonduren in 't etmaal veroorlooft uit te gaan. Hij wil ze
+niet op straat zien! Zoodat ze zich in hun doorregende en tochtige
+loodsen zitten te verkniezen.... Ah, hoe heeft zijn heilig sarcasme dat
+alles gestriemd; zijn <i>episch</i> sarcasme, dat het <i>gebeuren-zelf</i> de
+zweep doet hanteeren, die op de ruggen dezer wisselaars neerklettert;
+deze wisselaars, die alles betalen met <i>schijn</i>: een schijn van plicht,
+van verstand, een schijn van geestdrift. Hij zelf blijft altijd
+objectief, en <span class="pagenum"><a name="p173" id="p173"></a>[p.173]</span> niet slechts met de objectiviteit van den
+naturalistischen kunstenaar, maar met die van den
+goddelijk-zachtmoedige. Geen enkele zijde van eenige zaak ontsnapt zijn
+blik, en geen enkele bedekt hij moedwillig. De poilus mogen bij dat
+journalisten-bezoek aan de loopgraven fel-raak spotten en hekelen; dan
+plots vraagt zacht-lachend de prachtige korporaal Bertrand: Zijn die lui
+dan ook niet noodig? Zijn jelui er niet het eerst bij, om als de
+krantenman voorbijkomt, te schreeuwen "Ik! Ik!"&mdash;<i>Maar het is dan ook
+juist deze objectieve wijsheid, die plots ook onze eigen geestelijke
+kwetsuren en een nijpend gevaar opendekt.</i> Want ach, hoe weet zelfs ik
+'t van mijn beveiligde zelf in dit gelukkig nog gespaarde landje, dat
+dit alles z&oacute;&oacute; is. Lees ik niet met een gemoed van verontwaardiging
+overkropt, ten eenen avond, dat het <i>zoo geanimeerd tafelen bij den
+Generaal von Eichhorn</i> was, en ten anderen avond, dat de Generaal
+Gouraud <i>zoo'n gezellige werkkamer</i> heeft en een derde maal, dat, <i>trots
+den oorlog</i>, zoo <i>heerlijk van de wonderschoone Krim</i> en zijn <i>wijnen</i>
+was <i>genoten</i>? En niettemin, keer ik, arme voddenraper, niet elken dag
+weerom, om de bakken der buitenlandsche correspondenties uit te
+schudden, graaiend naar mijn heet verlangd lapje nieuws van den
+wereldkrijg? Het is dit journalisme, dat geen schaamte meer kent. En het
+kent geen schaamte omdat het geen volledig menschelijk bewustzijn meer
+bezit. Het lijkt wel of sommige der gewichtigste centra van z&ugrave;lk een
+bewustzijn hebben opgehouden te functionneeren bij deze "petits &ecirc;tres
+incomplets" en vervangen zijn door instincten en vermogens, waarvan men
+het geh&eacute;&eacute;le complex tot nu toe alleen bij zekere groepen van <i>insecten</i>
+Waarnam. Want niet alleen dat dit soort journalisten een merkwaardig
+vermogen heeft, naar kleur en lijn met zijn omgeving saam te vloeien,
+doch ook hun "stijl" kent geen vlucht maar slechts gefladder; en, de
+voelsprietjes als in aanbidding omhoog, kruipen zij genottelijk tegen de
+voor hen torenhooge militaire laarzen op. Dat Foch zooveel pijpen
+krijgt, hoe aandoenlijk. Dat hij st&aacute;&aacute;t op zijn zooveel-uur slaap, hoe
+buitengemeen-geniaal &eacute;n correct! Maar toch: vergat de journalist, die
+dit berichtte, niet, dat 's maarschalks soldaten als verontschuldiging
+voor hun gemis aan <span class="pagenum"><a name="p174" id="p174"></a>[p.174]</span> stiptheid in deze, de enorme kans kunnen doen
+gelden, dat de granaten hen wel in staat zullen stellen hun
+sluimer-tekort met woeker in te halen?... En neen! och natuurlijk niet,
+het is niet het feit zelf, dat mij hier hindert&mdash;een man in de positie
+van Foch heeft tot <i>plicht</i>, zijn brein klaar en onvermoeid te
+houden&mdash;maar het is de botte onkieschheid, de seniele pueriliteit zulker
+vermeldingen, die mij doen walgen. Het zijn deze journalisten die den
+geest vergiftigen. Zij scheppen fetischen en roepen tot afgodsdienst op.
+Er loopt geen generaal over hun rug, of zij kennen hem "een doorborenden
+blik" toe, "strengheid voor zichzelf en rechtvaardigheid voor anderen."
+"Volkomen rustig"&mdash;waarom hij tientallen kilometers achter het front
+ni&egrave;t rustig zou zijn, weet niemand, behalve <i>ik</i>, maar dat heeft dan ook
+zijn z&eacute;&eacute;r bijzondere reden&mdash;drinkt hij zijn wijn "waaraan men niet zou
+zeggen, dat 't oorlog is," rookt genoegelijk zijn sigaar. Neen,
+waarlijk, arme groote Hans, ge zoudt <i>niet</i> rustig zijn, zoo ge wist wat
+ik weet: dat de meesten van deze uwe waardige bezoekers <i>twee</i>
+voorwerpen in hun valies hebben, en beide voor uw hoofd bestemd: een
+lauwerkrans zoolang ge succes hebt, doch zoo ge valt: een.... Maar neen,
+dat te zeggen: van dat "ignobles Geschirr", blijve Heine's recht voor
+altijd! Dit journalisme verleidt het gedupeerde volk tot lief te hebben
+wat geen liefde waard is, tot bewonderen van wat het niet beoordeelen
+kan. Het is als besmette lucht, die men nu eenmaal inademen moet, maar
+waartegen men dan ook als verweer zijn lichaam sterk moet maken. Daarom:
+sterk en zuiver zij de geest van den proletari&euml;r, <i>niet moede wordend</i>
+zich in de smart zijner broeders in te leven, <i>niet weekelijk</i> de oogen
+sluitend voor der gruwelen schrik. En er bestaat geen boek, dat hem z&oacute;&oacute;
+zal leeren: te eten de bittere vrucht "van den boom van groot verdriet
+en de pit tusschen zijn sterke tanden te vermalen" als Barbusse's boek.
+Wel mocht de Voorzitter van den A.N.D.B., onlangs in het <i>Weekblad</i> van
+dien bond, in zijn diepgevoeld, aan werk, auteur en vertaler gewijd,
+stukje schrijven, dat <i>Het Vuur</i> door een ieder moest worden gekocht.
+Maar mij dunkt, in hoopvolle afwachting van het gehoorzamen aan dit
+vermaan, dient er ook iets anders te gebeuren. <span class="pagenum"><a name="p175" id="p175"></a>[p.175]</span> <i>Niet een paar,
+maar tientallen exemplaren moeten in de uitleen-bibliotheken der
+vakvereenigingen ter beschikking staan. En str&oacute;&oacute;men moeten de leden
+daarheen.</i> Gelezen, geliefd en diep begrepen moet het worden in al hun
+gezinnen. Want dit is een leerdicht, voor <i>hen</i> geschreven, aan <i>hen</i>
+gegeven, de boet- en vertroostings-profetie van een g&eacute;&eacute;n god- maar
+m&eacute;nsch-scheppend profeet! Gelijk hier de leering, op een berghoogte en
+in een wereld-historisch moment, in de steenen tafelen der ongevoeligste
+harten wordt gegrift, gebeurde het niet sinds Mozes. Hier leert het nog
+waan-omvangen volk, om het nooit te vergeten, de voosheid van het
+chauvinisme, den leugen der verleidelijke militaire schetterphrasen, de
+ijdelheid der geraffineerde glorie-beloften. De roem van den soldaat...!
+Daar &igrave;s geen roem voor hem. Gelijk hun lichamen in het massa-graf, zoo
+worden hun namen in de vergetelheid tezamen bedolven. De roem is voor de
+generaals in de gezellige kamers, na de weldoende slaap, voor de
+redevoerende staatslieden aan de weeldebanketten. "De liefde van het
+vaderland voor zijn dappere verdedigers." Haha! leest g&igrave;j maar de
+uitbuiting der poilus in de kantonnementen! "Heel het volk staat
+vastbesloten achter hen," fanfaronneeren de kranten. En ongetwijfeld,
+een deel ervan st&aacute;&aacute;t <i>achter</i> hen, en vastbesloten bovendien: <i>om hun de
+zakken te rollen</i>.</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Alles, wat voor den soldaat gefabriceerd wordt, is grof, leelijk en
+van slechte kwaliteit, vanaf hun schoenen van uitgesneden carton,
+door een netwerk van slechte draden bijeengestrikt, tot hun slechte
+gestreepte, slecht in elkaar gezette, slecht genaaide, slecht
+geverfde kleeren....</p></div>
+
+<p>Wel, voor den duivel, waarom zou het anders zijn? <i>Waarom zou men de
+balen, waarin de goedkoopste grondstof voor de oorlogsindustrie: waarin</i>
+<b>de soldaat verpakt</b> <i>is, beter maken?</i> Valt dat te rijmen met een
+zakelijk beheer? En wat zouden wel de "economische strijders" daarvan
+zeggen, zij die beweren (zie blz. 278) "<i>net zoo goed te strijden</i>" als
+de poilus?... Hoe zou het "Nationaal Vermogen" kreunen!... O, gij
+grootsche visionnair, hoe hebt gij, de ziende midden de al-verblinding,
+ook de sociale waarheid aanschouwd!</p>
+
+<p class="pagenum"><a name="p176" id="p176"></a>[p.176]</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">"De chauvinisten zijn ongedierte."</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">"De oorlog moet gedood, de oorlog!"</span><br />
+</p>
+
+<p>Hoe waart gij een <i>mensch</i>; zooveel meer dan enkel een Franschman,
+een Oostenrijker, een Duitscher.</p>
+
+<div class="blockquot"><p>.... Vandaag heet het militairisme Duitschland".
+"Ja; <i>hoe maar zal het morgen heeten?</i>"</p>
+
+<p>"Deze oorlog is als de Fransche revolutie die voortgaat."
+"Dus we zouden eveneens voor de Pruisen arbeiden?"
+"Maar," zegt een der ongelukkigen uit het veld, "<i>dat is te hopen</i>."</p>
+
+<p>"... Overwinnaars te zijn in dezen oorlog ... is dat geen resultaat?"</p>
+
+<p>Met hun beiden antwoordden zij hem gelijktijdig: "Neen!"</p>
+
+<p>Twee legers die strijden zijn als &eacute;&eacute;n groot leger dat zelfmoord pleegt.</p></div>
+
+<p>Mijn hart is te vol van verrukking en van smart, ik zal niet verder
+vruchteloos pogen, het te bevrijden. En ook&mdash;leeft er een twijfel in
+mij, die mij wel niet verschrikt, want ik weet te vast de eindigheid van
+alle ellende, maar toch: nu deert hij me. En het lijkt mij goed, dat hij
+ook anderen deren zal. W&agrave;s die lichtstreep, die Barbusse tusschen de
+wolken zag, wel reeds het licht van de zon, was het niet de glanzende
+voor, die hij zelf in het duister had getrokken? En zou, zo&ugrave; wel de
+helle-droom na deze zijn <i>eerste volkomen</i> verwezenlijking verdwijnen en
+vrij laten de menschheid, haar hemelsche reis te <i>beginnen</i>? Zou daar
+geen Louteringsberg tusschen beide zijn, een Louteringsberg, die geen
+ziel zich van hem laat bevrijden zonder de schokkende verschrikking
+zijner aardbevingen? "Geen oorlog meer na deze." O, treurige held, die
+dat riept op het verdronken veld! Ook al bestond er nog een geringe kans
+dat de komende vrede een verzoenmgsvrede zou worden, wat dan? En de
+wijde mogelijkheden, in den geest en toekomst der overheerschte rassen;
+en de nog vage dreiging van het <span class="pagenum"><a name="p177" id="p177"></a>[p.177]</span> verre Oosten, in de onedele
+omkanteling zijner oude en edele cultuur naar het wanbegrip van het
+Westen?... "Geen oorlog meer"? <i>Zoo de huidige Mensch reeds wist, wat</i>
+<b>in</b> <i>hem leeft, dan wist hij ook dit; n&ugrave; niet</i>....</p>
+
+<p>&mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash;</p>
+
+<p>De heer de Rosa vergeve mij, dat ik hem in dit opstel nauwelijks heb
+ge&euml;erd of dank gebracht voor wat hij ons schonk. Maar gesteld, dat men
+mij naar de Niagara had geleid, en ik, verrukt en ontzet door den
+aanblik van dien waterval, door zijn glinster-bliksems en zijn
+donderslagen, verzonken in het visioen en mijn ontroering, niet had
+gedacht aan mijn gids, zou deze, zoo hij wijs is, dan niet in
+zich-zelven zeggen: "In zijn bewondering en geslagenheid lag zijn dank"?
+Hoe veel te eer dan zal de heer de Rosa dit begrijpen. Hij die niet
+slechts onze gids naar dit Groote, maar een <i>ge&iuml;nspireerd herschepper</i>
+daarvan bleek.</p>
+
+<p>27 Oct. '18.</p>
+
+
+<p class="caption">Noten:</p>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_32" id="Footnote_1_32"></a><a href="#FNanchor_1_32"><span class="label">[1]</span></a> <i>Het Vuur</i>, door Henri Barbusse, vert. door Andries de
+Rosa.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_33" id="Footnote_2_33"></a><a href="#FNanchor_2_33"><span class="label">[2]</span></a> Men zie voor de motiveering dezer stelling mijn <i>Over
+Literatuur, Eerste Bundel</i> blz. 153&mdash;154.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_34" id="Footnote_3_34"></a><a href="#FNanchor_3_34"><span class="label">[3]</span></a> <i>Alle</i> cursiveeringen zijn van mij.</p></div>
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<p class="pagenum"><a name="p178" id="p178"></a>[p.178]</p>
+<h3>SLAGVELD-MIS&Egrave;RE</h3>
+<p><a name="FNanchor_1_35" id="FNanchor_1_35"></a><a href="#Footnote_1_35" class="fnanchor">[1]</a></p>
+
+
+<p>Vriendelijke lezers van dit blad, voor wier welbevinden ook ik mij toch
+een weinig verantwoordelijk voel, vergunt mij u een goeden en zeer
+actueelen raad te geven: begeeft u in de nabijheid der slagvelden niet.
+Verdun, Vimy, De Nieuwe Amsterdammer, de Yzer, al die wereldvermaarde
+namen, zij zijn die van streken, welke, zoo uw leven u lief is, ge
+onvoorwaardelijk te mijden hebt. Waar de troepen van Foch en Scharten,
+Hindenburg en Wiessing hun heldenstrijd hebben gestreden, daar groeit in
+tachtig jaar op den verdorven grond geen blaadje meer dan giftig onkruid
+alleen; daar liggen verholen in bodemgaten onontplofte bommen als
+slapende duivels. E&eacute;n schop er tegen ... en vuuroogen vlammen open, een
+donderstem mokert de lucht, en&mdash;ge zijt niet meer. W&eacute;l is 't een
+godvergeten schande, dat ze d&aacute;&aacute;r kinderen laten graven; in al den
+onschuld van hun hart wroeten die het helsche tuig op, spelen oorlogje,
+en.... Ik spreek helaas en helaas uit ervaring. Zie mij aan!... Ge hebt
+me eens gekend, niet waar, als den onberispelijken dandy, bij wien zelfs
+Couperus, uitgedoscht voor een voordrachtavond, niet h&agrave;len kon.... En
+n&ugrave;!... mijn kleeren verscheurd en met een hoop slijkmodder overdekt, als
+ware ik door tien faecali&euml;n-wagens bespoten.... En d&agrave;t is nog het ergste
+niet. Jassen zijn er nog bij de vleet, al zijn ze tegenwoordig duur;
+d&aacute;&aacute;r zijn trouwens m'n bentgenooten goed voor, die verlaten me n&oacute;&oacute;it;
+maar dat de arme jongen, dien ik het eene oogenblik nog glunder en
+goedig lachend de gasbom naar mij zag mikken, mij in 't volgend <span class="pagenum"><a name="p179" id="p179"></a>[p.179]</span>
+oogenblik al niet meer herkende, en tot heden toe verwezen v&oacute;&oacute;r zich
+staart en zinlooze stamelwoorden mummelt, dat is z&oacute;&oacute; vreeselijk ... dat
+ik ... dat ik....</p>
+
+<p>Victor E. van Vriesland, die naam, welke van nu af aan helaas in de
+psychiatrische annalen een van de zeldzaamste gevallen van
+plotseling-optredende verstandsverbijstering ten gevolge van
+granaatschok zal aanduiden, hoe lief was-ie mij, als die van een
+aardigen knaap, dien ik goed heb gekend. Als de dag van vandaag herinner
+ik 't me, hoe-ie mij, toen-ie 't over "De cultureele noodtoestand van
+het Joodsche Volk" had, op de bovenste plank der Joodsch-Hollandsche
+realistische auteurs zette; als de dag van vandaag: hoe-ie geen literair
+traantje of zuchtje kon laten of hij stuurde ze mij in een
+overdrukpapiertje naar huis. En nu ... n&ugrave; zegt de arme kerel waarachtig,
+dat ik&mdash;<i>ik</i> vertaal <i>nauwkeurig</i> uit <i>zijn</i> argot&mdash;zooveel als ... een
+schoelje ben....&mdash;Vorder niet van mij lezer, dat ik, een tragische
+heldenpose aannemend, mijn rapier trek.... Ah bah, dat zoudt ook gij
+immers in dit geval niet doen....&mdash;Daar was in heel die zestien jaren,
+dat ik critieken schrijf, niet &eacute;&eacute;n mijner tegenstanders, ook de felste
+niet&mdash;en een recensent heeft er zoo eenige!&mdash;die mijn eerlijkheid
+betwijfelde, ja er was zelfs niet een, die haar niet uitdrukkelijk
+erkende. En d&agrave;n zou ik boos zijn, omdat deze malle jongen...? W&aacute;&aacute;rlijk,
+zoo ge thans een glimlach in mijn woord ziet, weet: er is een nog betere
+lach in mijn denken....&mdash;Het is w&egrave;l, het is volmaakt in orde, dat deze
+jonge man dat 't eerste zei. Aan elke lente, ook de droevigste, haar
+primeurs; daarvoor is zij immers de lente. En indien bij de
+krankzinnig-geworden Ophelia's de obscene liedjes behooren, waarom dan
+bij de mal geworden Victor's de zinnelooze scheldwoorden niet?...&mdash;En
+dit is dan ook de p&ugrave;re en r&ugrave;stige waarheid: dat er twee elementen zijn
+in dezen aanval op mijn naam van eerlijk man, die mij ten volle
+ontwapenen, en van mij, als polemist toch waarlijk geen makkelijk heer,
+een l&agrave;m hebben gemaakt; het eene is: het <i>onbetaalbare, heerlijk-dwaze
+element van jongensachtigheid</i>, en het andere: het <span class="pagenum"><a name="p180" id="p180"></a>[p.180]</span>
+<i>pathologische</i>. Nauwelijk hebt ge, uw lach verbijtend, om een
+politieagent voor den al te brutalen kwajongen geroepen, of het woord
+besterft u op de lippen en ge roept ontsteld om een arts. W&agrave;cht: ik zal
+u beide elementen doen z&igrave;en en t&agrave;sten.&mdash;</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Het <i>jongensachtige</i>. Dat uit zich in een alleraardigst, ongegeneerd
+omspringen met groote namen en zich manhaftig bezighouden met personen
+en verhoudingen, die v&egrave;r boven eens jongens apperceptie uitgaan. Het is
+zoo iets als de straatbengels, die holden door het revolutie-Berlijn en
+gilden: "Der Kaiser soll abtreten". Het loopt zoo ongeveer parallel met
+iets als een A. en S.-raad op een gymnasium. Verreweg het aardigste
+heeft-ie daarin gepresteerd, toen-ie <i>Heijermans</i> plaatste in de kliek
+van <i>Stad en Land</i>, welks leden "elkander de hand boven 't hoofd
+houden". Uit het artikel van mijn vriend Querido&mdash;ik zeg hem hartelijk
+dank voor de spontane verdediging van mijn eerlijken naam&mdash;zag ik wel
+hoe ook hij daarvan heeft genoten, maar neen, zooals ik...! D&agrave;t kon ook
+niet, want hij zag 't uit een meer algemeenen, en ik uit een gansch
+persoonlijken gezichtshoek. Ik heb met Heijermans geen tien woorden in
+m'n leven gewisseld: &egrave;ven 'ns in den foyer van zijn schouwburg, en &egrave;ven
+op de constitueerende vergadering der <i>Vereeniging van Letterkundigen</i>,
+in 1905. M&aacute;&aacute;r.... Victor E. van Vriesland! Dichter! Proza&iuml;st! Criticus!
+Moet g&igrave;j dan werkelijk met een <i>kunstenaar</i> bittertjes&mdash;ah pardon:
+Fransche absinth&mdash;hebben gedronken, en sigaren&mdash;neen, neen, sigaretten
+van de R&eacute;gie&mdash;hebben gerookt, om hem te k&eacute;nnen? Is dat glanzend en
+veelbewogen gelaat zijner <i>werken</i>, waarin eens kunstenaars ziel
+str&aacute;&aacute;lt, u niet voldoende? Is 't u niet m&eacute;&eacute;r dan zijn gezicht van
+vl&eacute;&eacute;sch, dat snel-vergankelijke masker? Dat ge z&oacute;&oacute; bot waart, om z&oacute;&oacute;
+onbedoeld en dol een klucht neer te schrijven. Sch&aacute;&aacute;m u ... maar neen,
+ach neen hoor, gij hoeft u niet meer te schamen, ge zijt immers daarna,
+helaas, een "pathologisch geval" geworden....&mdash;Zoodra ik dat gelezen
+<span class="pagenum"><a name="p181" id="p181"></a>[p.181]</span> had, sloeg ik, ofschoon ik alleen was, in een gewoontegebaar van
+'n proestlach in te houden, de hand voor den mond. En mijn blij
+opgewekte verbeelding <i>zag</i> Heijermans zitten, in zijn werkkamer; de
+<i>Mosgroene</i> ligt v&oacute;&oacute;r 'm en het "nicotine-smeu&iuml;g" sigarenpijpje is uit
+z'n hand op het blad gerold. En terwijl-ie hulpeloos voor zich
+uitstaart, denkt-ie: "Hei je nou toch ooit van je leven ... &igrave;k heb het
+tooneel van mijn land gemaakt, &igrave;k ben 't die een bijna zevenvoudige
+Decamerone uit mijn mouw heb geschud ... en daar komt me die aap van 'n
+jonge en vertelt, dat ik 'n kliekgenoot ben van die van Campen, van die
+lettr&eacute; met z'n veertien schetsen en novellen en z'n bundels critieken;
+die over boeken kletst in plaats van 't over 't leven te hebben en zich
+warm maakt over "aesthetische kwesties," in plaats van menschen te
+scheppen, en scheppend te beuken op z'n rotte maatschappij.... En <i>die</i>
+houdt <i>mij</i> de h&agrave;nd boven 't h&oacute;&oacute;fd!"... Toen opende een glimlach zijn
+gezicht en ik zag duidelijk en helder, dat hij goedig lachte, als een,
+die voor een open venster zit en ziet een jong, stralend
+straatjongensgezicht, dat hem een hoonwoord toekeilt en dan weer weg is,
+in z'n onbezonnen en mooie jeugd. Maar ik lachte nog eens, en nu
+stiller, omdat ik: in z&oacute;&oacute; vredige erkenning om dit alles lachen k&ograve;n....</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Het flapuiterig-jongensachtige komt ook treffend uit&mdash;al bereikt het
+daar, inste&ecirc; van een hoogte van kluchtigheid, een laagte van gemeenheid
+&mdash;in zijn beschuldiging, dat ik "<i>in hetzelfde artikel</i>" (cursiveering
+van v. V.) waarin ik Scharten verweet, dat hij "de Telegraaf" "in 't
+gevlei kwam", Querido "kritiekloos had opgehemeld", Querido, "die
+redacteur van <i>Stad en Land</i> is". Welnu, de lezer oordeele: na mij zoo
+ongeveer een ongeluk te hebben gezocht, heb ik in genoemd artikel dit
+zinnetje gevonden (iets anders over Q. st&aacute;&aacute;t er eenvoudig niet, d&agrave;t moet
+'t dus zijn): "Ge (de Zionisten) verdedigdet slechts twee menschen&mdash;van
+wel <i>zeer</i> ongelijke beteekenis, maar beiden slechts menschen." Waarmede
+ik dus onder meer zeggen wilde, dat ik Querido boven mij zelf plaatste.
+Er prijs op stellend&mdash;wie zou zich na zoo'n afstraffing <span class="pagenum"><a name="p182" id="p182"></a>[p.182]</span> niet
+beteren!&mdash;zoo "eerlijk als een scheerspiegel" te zijn, zeg ik, ofschoon
+nu mijzelf "ophemelend", even onverstoorbaar en koel als waarmee ik al
+'t andere zeg, nu d&igrave;t: als <i>criticus</i> en <i>stylist</i> beschouw ik mij
+geenszins als de mindere van Is. Querido, m&aacute;&aacute;r: hoeveel keer zou ik wel
+aan "granaatschok" moeten hebben geleden, om z&oacute;&oacute; stapeldol te worden,
+dat ik niet zou inzien, als <i>menschenschepper</i> en <i>episch verbeelder</i>
+zoo oneindig ver beneden hem te staan, dat zelfs dit te verkl&agrave;ren reeds
+belachelijk ware, omdat eenvoudig &egrave;lke vergelijking onmogelijk blijkt?
+En wanneer ik dan <i>deze</i> "ophemeling" op zoo weinig ophemelende wijze
+"debiteer", als ik in 't boven geciteerde zinnetje heb gedaan, dan komt
+dit ongegeneerde bengeltje en vergelijkt mij met Scharten, die bij zijn
+allereerste optreden in <i>De Telegraaf</i> dat blad "het <i>geweten</i> van
+Holland" noemde&mdash;&egrave;n ziet dus (o wonder!) trots zijn eigen <i>kleinheid</i>
+dit <i>groote</i> feit &ograve;ver 't hoofd, dat: Scharten pas tot de ontdekking van
+der Telegraaf voortreffelijkheid kwam, op <i>den eigen oogenblik, dat hij
+medewerker werd aan dat blad</i>, en ik daarentegen tot de ontdekking van
+Querido's hooge waarde als scheppend kunstenaar was gekomen &egrave;n die had
+kenbaar gemaakt, <i>lange, lange jaren</i> v&oacute;&oacute;r zelfs van het <i>bestaan</i> van
+<i>Stad en Land</i> sprake was. Komaan, vrienden, een stukje
+literatuurgeschiedenis en 'n paar data voor de variatie. Querido heeft
+over mij zijn eerste critiek in 1908 geschreven&mdash;men kan haar herdrukt
+vinden in zijn tweeden bundel <i>Letterkundig Leven</i>&mdash;. Daarna nog twee,
+niet gebundelde, over mijn latere boeken. Alle drie verschenen in het
+<i>Handelsblad</i>. En alle drie behooren tot het innigst-liefdevolle, het
+zoetst-lyrische, en het waarachtigst-bewonderende dat hij ooit
+geschreven heeft, terwijl vooral de eerste&mdash;over mijn eersten
+critischen bundel&mdash;altijd voor mij &eacute;&eacute;n schittering van <i>synthetische
+mensch-doorgronding</i> en <i>-herschepping,</i> &egrave;n scherp-ontledend&mdash;bijv.
+invloedend-aanwijzend&mdash;<i>critisch oordeel</i> is gebleven. Onnoodig te
+zeggen, dat hij in geen enkel opzicht van mij afhankelijk was!! Onnoodig
+reeds, omdat voor ieder, die innerlijk zien en hooren kan, deze stukken
+str&agrave;len en luiden van echtheid. Dit wat h&egrave;m betreft; nu wat m&igrave;j aangaat.
+Mijn eerste studie over hem <span class="pagenum"><a name="p183" id="p183"></a>[p.183]</span> verscheen in 1911 in <i>De Ploeg</i>. Zij
+werd mij in de pen gegeven, zoowel door een heftige verontwaardiging,
+over de wijze waarop deze man in <i>De Telegraaf</i> was verguisd, als door
+een diepe bewondering voor zijn gaven als criticus, in welke
+hoedanigheid hij immers juist was aangevallen. Er leek toen toch
+waarlijk weinig voordeel aan, om zijn verdediging op te nemen! Wie
+stortte toen niet zijn gallige "geestigheid" over hem uit.&mdash;Daarna
+schreef ik over hem in <i>De Gids</i>, over een critischen bundel; in <i>De
+Boekzaal</i> over "De Jordaan".&mdash;<i>Tijd en plaats hebben nimmer mijn
+critisch oordeel be&iuml;nvloed</i>. Ook mijn bew&ograve;ndering heb ik <i>niet</i>
+getemperd, omdat ik in d&igrave;t blad schreef, zoo min als mijn afkeuring, in
+een ander; en ook het omgekeerde heb ik niet gedaan. Het <i>boek</i> en het
+boek <i>alleen</i>, &ograve;nafhankelijk van de plaats mijner critiek, bepaalde
+mijne afkeuring en bewondering, &egrave;n hunne <i>mate</i>. En het zou mij al z&eacute;&eacute;r
+makkelijk vallen dit te bewijzen, zoowel met mijn Querido-besprekingen
+in "Stad en Land" als met die daarbuiten.&mdash;Genoeg. Het is duidelijk na
+dit alles, niet waar, dat ik in. 19<i>11</i> Is. Querido "ophemelde", omdat
+ik in 19<b><i>17</i></b> medewerker werd van <i>Stad en Land</i>. En het is even
+duidelijk, dat dit hetzelfde is als toen Scharten in <i>Maart</i> 19<i>16</i> "De
+Telegraaf" "het <i>geweten</i> van Holland" noemde, terwijl hij in ...
+<i>Maart</i> 19<i>16</i> medewerker werd van dat blad! Sch&agrave;&agrave;m U, meneer van
+Vriesland, om d&egrave;ze clowneske zotheid vooral, als ge het schamen nog niet
+hebt verleerd. Gij moogt dan nog wel den geest van een knaap bezitten:
+als ge den leeftijd hebt van een jongen man, stelt men U in het
+maatschappelijk leven verantwoordelijk als een man....&mdash;Maar mijn God
+... h&ograve;e kon ik d&agrave;t zeggen ... ik ellendeling! Hij &igrave;s immers niet meer
+verantwoordelijk n&agrave; dat ongeluk met die bom.... Al wat ik daar schreef,
+is immers maar een verhandeling over het jongensachtige, dat <i>w&agrave;s</i>....</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Het jongensachtige dat w&agrave;s, en nog zoo echt wild en onbesuisd aan den
+dag trad: ook in de bestrijding van den lof, dien ik den vertaler van
+<i>Le Feu</i> toekende. In dat
+de-klok-hooren-luiden-en-niet-weten-waar-de-klepel-hangt. In dat
+dooreenhaspelen van verschillend-soortige <span class="pagenum"><a name="p184" id="p184"></a>[p.184]</span> waarden en het
+verwarren van ten eenenmale verschillende plans van beschouwing met
+elkaar. Een boek kan linguistisch-accuraat vertaald zijn en de vertaling
+kan, aesthetisch-critisch gesproken, een prul zijn. En omgekeerd: een
+boek kan linguistisch <i>niet</i> z&eacute;&eacute;r nauwkeurig zijn overgezet, en de
+vertaling kan een meesterstuk wezen. Mij, <i>kunst</i>-critisch beoordeelaar,
+raakt de linguistische juistheid der overzetting precies in die mate,
+niet minder maar ook niet meer, als zij de <i>kunst</i>-waarde be&iuml;nvloed
+heeft. Heeft zij die kunstwaarde benadeeld, dan laak ik haar; is dat
+niet het geval, dan laat zij mij volmaakt onverschillig. Ik <i>ontken ten
+nadrukkelijkste</i>, dat de door van Vriesland aangewezen onnauwkeurigheden
+de <i>kunst</i>waarde van de Rosa's vertaling hebben geschaad. En <i>ik blijf
+als mijn meening handhaven</i>, dat hij zijn kunstenaarsaanleg en
+meesterschap-als-vertaler prachtig heeft getoond door: zijn
+voortreffelijke transpositie uit het Fransch, van <i>stemmingen</i> en het
+<i>dialogistisch leven</i>; door: het geven ook, telkens en telkens weer, van
+aequivalenten in onze taal, juist voor die scherp-beeldende woorden&mdash;ik
+heb een enkel voorbeeld in mijn critiek gegeven&mdash;in het vinden waarvan
+Barbusse zoo heeft uitgemunt. Dat ik overigens met mijne bepaling van de
+<i>betrekkelijke</i> waarde der linguistische accuratesse niet alleen sta,
+wordt wel door niets beter dan door de houding van de Meester jegens
+deze overzetting, bewezen. <i>Hij</i> zegt: "Wij voor ons hebben den vertaler
+bewonderd". <i>Hij</i> noemt de Roza "een uitmuntend kenner ook van het
+spreek-Fransch". En terwijl toch volkomen uitgesloten is, dat h&igrave;j,
+ongetwijfeld een van de beste Franschkenners in ons land, die
+onnauwkeurigheden niet zou hebben bemerkt. Maar ook hij,
+<i>kunst</i>beoordeelaar evenals ik, zal die foutjes volmaakt onbelangrijk
+voor de bepaling van de kunstwaarde der vertaling hebben geacht, en die
+derhalve, alweer als ik&mdash;<i>zooals van zelf spreekt: hun bestaan daarmee
+volstrekt niet ontkennend</i>&mdash;aan de als linguisten poseerende
+vlooienzoekers ter apige vondst en oppeuzeling hebben overgelaten.&mdash;En
+nu ... zou ik mij nu, na zooveel zelfbedwang te hebben getoond, nog boos
+maken, omdat onze overigens zoo l&ograve;slippige kwant ook 'ns voor de
+verandering de lippen <span class="pagenum"><a name="p185" id="p185"></a>[p.185]</span> st&igrave;jf op elkaar hield geklemd toen-ie ze
+had behooren te openen om te vertellen, dat ik niet slechts op de
+voordeelen maar tevens op de nadeelen van "het gebruik van 't
+vocabulaire der Burks" heb gewezen? Ja ... gij lezers houdt wel van zoo
+iets, maar gij hebt makkelijk praten ... g&ograve;tbewareme.... En als 'k 'm
+nou in m'n drift 'ns 'n ongelukkige slag gaf? Wat dan?... Dan zou ik
+immers m'n heele leven 't gevoel houden, dat Herodes na den kindermoord
+van Bethlehem moet hebben gehad....</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>En nu het pathologische? vraagt ge. Jawel, dat komt. Maar ik had nu toch
+wel veel liever een medisch hoogleeraar in plaats van een schrijver
+willen wezen. Dan had ik den ongelukkige, v&oacute;or ik mijn college aanving,
+met een verpleger de zaal uitgestuurd. Want &agrave;ls-ie nou 'ns begrijpt wat
+ik zeg, dan moet dat toch averechts op zijn&mdash;hoewel trouwens
+onwaarschijnlijke&mdash;genezing inwerken. Maar in Godes naam, vooruit maar,
+het belang der gemeenschap gaat nu eenmaal boven dat van het individu.
+Daar zijn wij 't, bij uitzondering, in d&egrave;zen tijd toch wel allemaal over
+eens, niet waar....&mdash;Onze pati&euml;nt dan heeft het volgende zinnetje
+neergeschreven: "Ik bedoel van Campen (die, o jammer, in dit beschaafd
+gezelschapsspelletje zijn kunstproza opgaf om kritieken te leveren".)
+Nou ... wie doet je wat!... Het "beschaafd gezelschapsspelletje" waarvan
+hier sprake is, dat is <i>Stad en Land</i>, en <i>daarin</i>&mdash;zoo meent onze
+pati&euml;nt&mdash;heb ik dus mijn kunstproza opgegeven, om kritieken te leveren!
+Welnu, luister: ik schrijf niet pas kritieken, sinds ik medewerker werd
+aan <i>Stad en Land,</i> ik schrijf er <i>sinds</i> 1903! En ik heb het schrijven
+van mijn "kunstproza" niet opgegeven in 1917 maar in 1908...! En ziehier
+nu, kort en bondig, de bladen en tijdschriften, waarin ik gedurende al
+die jaren critische opstellen en essais heb gepubliceerd: <i>De Kroniek</i>
+(van Tak), <i>De Amsterdammer, Het Volk, De Boekzaal, De Ploeg, De Gids</i>
+en <i>De Nieuwe Gids</i>. Dat zijn, niet waar, nu niet bepaald obscure
+blaadjes? En ofschoon heel het literair ontwikkeld publiek dus <i>moet</i>
+weten, dat ik sedert jaren aan critiek-schrijven doe, deze dichter,
+prozaist en <span class="pagenum"><a name="p186" id="p186"></a>[p.186]</span> collega in de critiek weet het dus <i>niet</i>. Let wel:
+hij <i>weet</i> 't niet. Maar ach, maar ach, hij <i>wist</i> 't natuurlijk wel.
+Alleen: de granaatschok heeft klaarblijkelijk zijn geheugen vrijwel
+volkomen vernietigd. Gij zult het mij wel willen toestemmen: deze
+omstandigheid maakt hem reeds tot een interessant psychiatrisch geval,
+maar als een psychiatrisch <i>unicum</i> schat gij hem pas zoodra ge 't
+volgende verneemt. Onze pati&euml;nt had tot vriend en leeraar een reeds
+ietwat bedaagd en hoogst eerbiedwaardig geleerde en kunstenaar. Nu
+geviel het eene keer, dat deze man een boek schreef en ik dat vrij
+uitvoerig recenseerde. En toen nu mijne kritieken weer eens werden
+gebundeld, nam ik ook die erin op. Onze pati&euml;nt&mdash;die, gelijk ik U reeds
+zei, in zijn helderen tijd een aardige jongen was&mdash;bracht, naar ik later
+vernam, mijn bundel naar zijn geliefden leeraar en vriend, en deze, die
+mijn critiek op zijn werk nooit gelezen had, was daar toen buitengemeen
+mede verheugd, en hoogstaand man als hij is, aanvaardde hij naast mijn
+lof ook mijn in de critiek vervatte, niet geringe blaam en noemde mij
+den <i>besten</i> criticus des tijds &eacute;n: een man <i>van hooge eerlijkheid</i>. En
+dat nu d&igrave;t gebeuren, waarin hij zelf een rol speelde, en dat op zijn
+jeugdig gemoed toch een diepen indruk moet hebben gemaakt, thans z&oacute;&oacute;
+sp&oacute;&oacute;rloos uit het brein van dezen beklagenswaardigen lijder blijkt
+vervluchtigd, zoodat hij 1&deg; niet meer wist, hoe ik reeds lang geleden
+critieken heb geschreven, en 2&deg; trots de hem bekende meening zijns
+geliefden leeraars, mijn <i>eerlijkheid</i> heeft aangerand, d&agrave;t, nietwaar,
+stempelt zijn geval tot een, waarvan men hoogstens de weerga in dat van
+die geleerde Russische dame kan vinden, die op een morgen ontwakend, tot
+zelfs haar moedertaal vergeten was, en die men voortaan als ware ze een
+kind, in <i>alles</i> behulpzaam moest zijn. Helaas, ook in dit laatste ziet
+gij maar al te wel de treffende overeenkomst der symptomen. Heb ik ook
+dezen jongen man reeds thans niet meer dan eens op het kinderstoeltje
+gezet?...&mdash;</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Maar "pathologisch" of "jongensachtig", dat zijn maar de
+onderscheidingen der analyse. Stijgt nu langs het pad van mijn
+geestelijk <span class="pagenum"><a name="p187" id="p187"></a>[p.187]</span> gehoor en gezicht tot de hoogte der stralende
+synthese op. Onderken in zijn wezen de <i>&eacute;&eacute;ne</i> zielshouding, in zijn
+uiting de <i>&eacute;&eacute;ne</i> zielskreet.... Toen hij geknield lag voor den
+Mosgroenen Troon.... Beluister wat hij toen zeide: "O, opperst en
+onvolprezen Heer der Nieuwe Groene, ik heb mij ganschelijk U gegeven. Ik
+heb mij vernederd tot er niets meer aan mij te vernederen was. Ik heb
+mij ijlings tot Uw dienst gespoed, en eens de gelegenheid mij door Uwe
+genade gegeven, Uw heiligen dienaar Scharten de voeten gezalfd, maar van
+Campen, den booze, vernietigd. Neem dit in welbehagen aan. Het is waar:
+ik heb het verbod van het afleggen van valsch getuigenis overtreden,
+toen ik het voorstelde, alsof deze verworpene zijn arbeid uit kliekgeest
+had verricht, want van de honderden regels, waaruit dat opstel bestaat,
+spreken slechts een tiental over den vertaler, maar nochtans bedenk wel,
+o Heer der Groene Scharen, de nietigheid van dit verbod: is het niet
+slechts uitgegaan van den God der "Joodsche querulanten"?... Ja, ik heb
+mij zoo gebogen in 't stof en gedompeld in 't slijk, dat ik, mijn zij 't
+kort verledentje als een verrotte en leege huls achter mij werpend, in
+een <i>hetzerig</i> zinnetje het heb doen voorkomen, alsof deze "kliek"
+slechts uit een nat&uacute;&uacute;rlijk "het Uilenburgsch idioom" sprekend kringetje
+Ghettojoden bestond. Mocht Gij dan ook Uwe ooren niet sluiten, mijn God,
+voor mijn Haarlemmerdijksch-antisemietische grap en vergeet haar
+verdienste niet: Jo<i>zep</i> Loopuit heb ik hem genoemd... bah! zoo'n
+<i>Jiddische</i> naam ... Jo<i>zep</i>, "Uilenburgsch"-dik, heb ik 'm nagesmoust
+uit m'n kelder ... Heer, ik heb mij zelf gebr&ograve;ken in Uw dienst; nu kan
+ik niet meer, laat het genoeg zijn. Mag Uw knecht thans ingaan tot uw
+vrede?"...</p>
+
+<p>En z&igrave;e, z&igrave;e n&ugrave; ook, hoe zich het troostend wonder voltrok. De
+duister-dreigende, ondoorvorschbare nacht-gewelven boven den troon&mdash;herziet
+ge 't wel?&mdash;werden van uchtendlicht doorschoten. Als een
+bloemige dageraad verscheen de borst des gods, en gelijk het aanschijn
+eens halsketens, gelijk het aanschijn van <i>Charivari</i> daaraan hangende,
+beukelaar helm en zwaard en inktkoker en vergrootglas, straalde het in
+vurige gedaanten, en de verschijning des <i>Charivari's,</i> dreigend <span class="pagenum"><a name="p188" id="p188"></a>[p.188]</span>
+gebliksemd hebbende, verwisselde hare gestaltenis, veranderend
+genaderijk in gouden engelenkopjes, liefde-hartjes en strikjes. T&oacute;en
+sprak een Stem van boven de stralingen: "Nademaal, Mijn Zoon, gij U om
+mijnentwil zoozeer bevuild hebt, wasch Ik U af. Nademaal gij U-zelf hebt
+verworpen, richt Ik U op. G&igrave;j hebt veel geleden, M&igrave;jn vertroosting zal
+rijkelijk zijn. Zie, Ik geef U naam en macht in Mijn Huis. Elke tw&eacute;&eacute;
+maanden zult gij op het Perkament der Zaligen &eacute;&eacute;n h&eacute;&eacute;l stukkie mogen
+schrijven van &frac34; kolom, en het zal velen tot gerief en uitkomst in hun
+meest benauwde oogenblikken verstrekken, en de zegeningen van Psalm 150,
+dewelke ook genaamd wordt Koef-Noen, zullen uw loon zijn. Maar weet,
+Mijn zoon, en verkondig het alomme, het einde der dagen van <i>De Nieuwe
+Groene</i> is nabij, ja het is haastiglijk te komen. En het zal te dien
+tijde geschieden als Mijne vijanden den mond wijd zullen opensperren en
+uitbreken in gejuich, dat Ik een nieuwe <i>Tent-van-Wiessing</i> maken zal,
+hoedanig geen Kleerekoper ooit heeft aanschouwd noch een Hahn geteekend.
+En Ik zal de Salon-Bolsjewieken roepen, mitsgaders de
+"Bleeke-Broeder-Fransje's" en zij zullen Stad en Land omkeeren te vuur
+en te zwaard en ook van de paleizen der van Hamels en van Eedens geen
+steen op den anderen laten. En Ik zal roepen tot den lande Blaricum,
+Mijn Woon, en het graf zal de Heilige Aestheten teruggeven, die daar
+hebben geleefd en gewerkt; zij die de nimmer gekamde haren tot over den
+van extase-vuur gebruinden nek hebben gedragen; en zij die met bloote
+beenen liepen vanwege de dreiging des gaten-vallens in de kousen, bij
+den zevenvuldigen knieval voor Mijner Muzen troon, en om de moeiten des
+stoppens; en zij die van wege hun bezworen onthouding in vijf en twintig
+jaar geen druppel water op hun lijf hebben gehad. En ik zal ook tot mij
+vergaderen de verfijnden, hen die met welriekende geuren zijn overdauwd,
+die in de Lichtstad hebben gewoond, en daar tot de Zuivere Inzichten
+zijnde gekomen, voor eeuwig de Onvergankelijke Waarheid hebben
+bevestigd, dat niet, gelijk de Vijand de Rosa lasterde, een <i>cocotte</i>
+een <i>ketel</i> is, maar dat <i>cocottes</i> (lieve) <i>kippetjes</i> zijn. En zie, ik
+zal de Salon-Bolsjewieken doen neerzitten bij de
+"Bleeke-Broeder-Fransje's", maar de Ongewasschen Stinkers zal ik
+scheiden van de Geurenden, opdat niet hunne neuzen hun een verderf der
+zaligheid zullen zijn. Edoch, gezamenlijk zullen zij juichen voor Mijn
+Aangezicht. En gij, mijn Knecht, gij nu-droevig-in-uw-hemd-staande, hul
+U thans in de lichtglanzen van dit Mijn heerlijk woord: <i>In deze
+Nieuwe-Tent-van-Wiessing zult gij een der &oacute;pperste onsterfelijken en
+zaligen zijn</i>...."&mdash;</p>
+
+<p>&mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash;
+ &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash;
+&mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; </p>
+
+
+<p>Mijne vrienden, het doet mij leed, U zoo te hebben moeten teleurstellen,
+gij hadt natuurlijk op zoo'n ouwerwetsch "scherp" polemiekje van mij
+gehoopt. Het spijt mij, ik k&oacute;n niet hard zijn tegen mijn gevoel in. Bant
+mij deswege niet uit deez' knusse kliek. Een andermaal beter, ik bel&oacute;&oacute;f
+'t: als 't gaat tegen een geestelijk-volwassene, &egrave;n die bij zijn volle
+verstand is.</p>
+
+<p>30 Nov.&mdash;1 Dec. '18.</p>
+
+
+<p class="caption">Noot:</p>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_35" id="Footnote_1_35"></a><a href="#FNanchor_1_35"><span class="label">[1]</span></a>Polemiek naar aanleiding van een in <i>De Nieuwe
+Amsterdammer</i> gepubliceerden aanval op de critische eerlijkheid van mijn
+opstel: <i>Het Helden- en Leerdicht van den Wereldoorlog</i>.&mdash;</p></div>
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<p class="pagenum"><a name="p190" id="p190"></a>[p.190]</p>
+<h3>CARRY VAN BRUGGEN: OM DE KINDEREN</h3>
+
+
+<p>Jodin in de diepste gronden van haar wezen&mdash;'t geen allerminst zeggen
+wil: in haar bewustzijn&mdash;; een kind van het ras, dat, zeker in zijn
+eigen taal en bloeitijdperk, geen bladzijde literaire kunst heeft
+geschapen, welke niet leeraarde of vermaande, niet aanviel of
+verdedigde; een ras van lyrici bovenal&mdash;is Mevr. van Bruggen een van de
+<i>meest-begaafde</i> en <i>zielvolste</i> schrijfsters van ons land gebleken, &egrave;n
+kon zij er nochtans niet in slagen, een roman te maken, welke met het
+beste werk harer kunstzusters op &eacute;&eacute;n lijn kan worden gesteld. Een geest
+t&egrave; rijk, een hart t&egrave; groot, omdat zijn zelfbeheersching te gering is.
+Een ziel te hartstochtelijk, om zich onder discipline te bukken, en die
+daarom ook zienderoogen verarmde, afkoelend-inkromp, zich niet meer
+geven kon in &agrave;l haar schoonheid, toen eens gelouterder kunstbegrip en
+vaster wil, zich in haar openbarend, haar die discipline opdrongen. Een
+menigte van begaafdheden is 't in haar; begaafdheden die, in 't
+elkaar-verdringen voor de poorten van het woord, elkander verminken. Het
+rusteloos <i>betoogen</i> der <i>essayiste</i> gunt vaak der <i>romanci&egrave;re</i> de
+bezinningsstilte voor het <i>beelden</i> niet. De haat en de liefde van de
+opstandige rooft telkens de epische auteur de rust, die boven opstand &egrave;n
+berusting beide is. D&agrave;n gaat de geesteshouding van den epicus in die van
+de opstandige, van den apostel teloor. De eerste <i>leeft mede</i> met <i>zijn</i>
+schepselen, de laatsten <i>worden</i> geleefd m&egrave;t hunne <i>mede</i>-creaturen.
+D&agrave;n, in z&ugrave;lk strijdrumoer, door z&ugrave;lke vlagen van den strijdbaren,
+d&oacute;&oacute;rdrijvenden wil, worden de deuren der diepste onbewustheid als door
+een storm dichtgeslagen: het schoonste woord <span class="pagenum"><a name="p191" id="p191"></a>[p.191]</span> blijft ongezegd, de
+schoonste verschijning in 't ongekende donker gevangen. Dit haar boek is
+zeer wel in twee gedeelten te splitsen. Het eene: waarin <i>het
+persoonlijk-rhythme van den vrede en harmonie heerscht:</i> het is dat deel
+waar de figuren verblijven, die de schrijfster liefheeft; of waarin de
+natuur wordt gebeeld, ja zelfs waarin al datgene leeft, waarvoor zij
+noch persoonlijke liefde noch afkeer heeft. <i>Dat deel is schoon en zoet</i>
+En om even het wellicht allerbeste daaruit te noemen: Emilie's
+droom&mdash;dat bezit een voortreffelijkheid, waarvoor ik de diepste
+bewondering heb. Maar dan is daar helaas ook dat andere deel: het bagno
+der gehaten, waarin <i>het persoonlijk-rhythme van den innerlijken onvrede
+en der disharmonie overheerscht</i>&mdash;daar wordt het werk een ruzie-, een
+kijf- en een roddel-boek. Het is het noodlot&mdash;maar het zeer wel
+ontkoombare&mdash;van de joodsche profeten- of apostelen-natuur, die een
+<i>roman</i> schrijft. Want: het is het noodlot van hem, die van het
+onpersoonlijke <i>toornen</i> tegen idee&euml;n, zeden, en volkeren tot het
+<i>boos-zijn</i> op <i>individuen</i> vervalt. En de romanschrijver lokt den
+profeet en apostel voortdurend in dien strik, want het is de levenstaak
+van den romanschrijver zich met het scheppen van <i>individuen</i> en der
+zich vervlechtende kleine, <i>individueele</i> lotgevallen bezig te houden.
+Maar dat, in 't algemeen gesproken, aan dit noodlot, aan dien strik, te
+ontkomen valt, is buiten kijf. Te vaak is dit ook door werk in onze taal
+bewezen, dan dat hieraan zelfs een schijn van twijfel zou kunnen
+bestaan. En zoo nu Mevr. van Bruggen er ni&egrave;t aan ontkomt, dan mag dat
+wel allerminst een reden zijn om het v&egrave;le en z&egrave;er schoone in haar arbeid
+te miskennen, maar het mag ons zeker w&egrave;l aanleiding geven een opmerking
+te maken, die er zich nochtans, in het bewustzijn dat prikkels een
+sterke &aacute;&aacute;ntrekkingskracht voor verzenen hebben, wel voor wenscht te
+hoeden een raad te zijn. Het is deze: het geven van veel <i>meditatie</i> der
+figuren&mdash;en welke eindel&oacute;&oacute;ze meditaties geeft deze schrijfster!&mdash;en van
+psychologische ontleding, versterkt natuurlijk de <i>analytische</i>
+vermogens, en dat zijn in hun diepste wezen de middelen van strijd en de
+krachten van ontbinding; het plasticeerend-beelden der figuren
+daarentegen versterkt de <i>synthetiseerende</i> <span class="pagenum"><a name="p192" id="p192"></a>[p.192]</span> vermogens, en dat
+zijn de krachten van het vredige, het harmonische en het
+in-stand-houdende. Het zou derhalve voor de hand liggen, dat een
+schrijfster als mevr. v. B., wier werk lijdt onder een tekort van de
+laatste en een te veel van de eerste, en die bovendien <i>zulk een
+prachtigen aanleg voor het plasticeerend beelden</i> heeft, zou pogen aan
+di&egrave;n aanleg h&eacute;&eacute;l haar psychisch wezen tot vrediger sfeer en
+zuiver-stille aandacht omhoog te heffen.... Nochtans, hoever is zij
+daarvan in dit werk verwijderd! Onder den drang van haar hekellust,
+wordt zij soms op het moment-zelf dat zij dien aanleg gehoorzaamt, hem
+reeds ontrouw. Dezelfde kunstenares, die buitengemeen-fraaie
+natuurbeschrijvingen geeft; die de liefdevolle beelding van een Ard
+Hettema vormde, schrijft in hetzelfde boek dit
+stuiversblad-novellezinnetje: "een bejaard, kort heertje, <i>bestaande
+uit</i>[1] zomersch lichtgrijs ruitjespak, grijzend puntbaardje en
+glanzende bruine schoenen". En niettemin zoudt ge u vergissen, als ge
+hier ook den "humor" van het stuiversblad achter vermoedde&mdash;deze
+schrijfster is er verre van, dergelijke geestelooze flauwiteiten neer te
+kladden&mdash;neen, het is niet anders dan de haat tegen, de hekellust ten
+opzichte van het haar antipathieke type: meneer Scheffelaar, dien zij
+hier uitviert. Indi&egrave;n die drang en zijn gevolgen eens kwamen te
+vervallen, wel, laat mij ook dit er van zeggen, we zouden er misschi&egrave;n
+ook iets bij verliezen. Allereerst: zeer geestige spot; dan: zekere
+uitmuntend-venijnige analysen in figuren-meditaties en daarbuiten. Maar
+toch, n&eacute;&eacute;n, we zouden immers dit alles niet ho&egrave;ven te missen, het zou
+hoogstwaarschijnlijk niet verdwijnen maar wel van een hooger en fijner
+natuur worden. Nu zijn toch, in de analysen en meditaties, de
+<i>heel-subtiele,</i> de <i>opperst-fijne</i> plaatsen zeldzaam&mdash;ik kon er slechts
+een vier of vijftal noteeren&mdash;n&ugrave; is de schrijfster zelfs nog niet allen
+vreemden invloed te boven: er zijn bijna-"sensitivistische" gedeelten in
+de beschrijving van Frans' wandeling, die mij duidelijk op van Deyssel
+ge&iuml;nspireerd lijken en ook iets van zijn eigenaardige geserreerdheid
+vertoonen. <span class="pagenum"><a name="p193" id="p193"></a>[p.193]</span> D&agrave;n echter, in die stiller en zuiverder atmosfeer,
+zou dat heel-subtiele, dat opperst-fijne vaker openbloeien; d&agrave;n, in die
+rustige en zielsdiepe bezinning geen vreemde invloed ongezien meer
+kunnen binnensluipen; en dan zou het ook, bij deze rijk-scheppende
+natuur, allicht wemelen gaan van waarachtig-dichterlijke schoonheden als
+deze: "sleepte hij zijn stok bij den greep achter zich aan, <i>een spoor
+van zij&iuml;ge ritselingen, als volgden hem vogels op den voet</i>." En hoeveel
+beter zou de beelding van het kinderleven ook worden, een genre,
+waarvoor onze schrijfster reeks zoo menigmaal aanleg heeft getoond&mdash;het
+kinderleven dat in <i>dit</i> boek niet in de sch&agrave;duw zelfs, van bijv. Ina
+Boudier's scheppingen kan staan. Want waar het <i>beelding</i> is, <i>levend
+bewegen,</i> is 't meestal z&oacute;&oacute; "humor"-rijk, z&oacute;&oacute;
+vettig-van-'n-traan-en-'n-lach.... "De twee kleine meisjes
+<i>protesteerden tegen dit stellen van een premie op valsch zingen</i>".
+Foei, foei, Mevrouw, U die hier <i>in</i> de sfeer van het kinderleven
+behoorde te zijn. U die hier <i>in</i> hun ziel moest leven, en <i>daaruit</i>
+spreken, &ugrave; schrijft hi&egrave;r van: "protesteeren" en "het stellen van een
+premie"? Zoo zouden <i>wij</i>, <i>niet</i>-scheppenden, dat zacht-grappig
+vertellen, <i>wij</i>, die deze sfeer <i>van buiten-af</i> liefjes waardeeren of
+beminnen....&mdash;En hoeveel te eer zouden dan ook de toevalligheden in de
+compositie verdwijnen.... Komaan, hopen wij dat, in de toekomst, de
+opstandelinge niet meer der romanci&egrave;re dien innerlijken vrede en
+harmonische rust zal rooven, waarz&ograve;nder het werk der laatste, trotsch al
+hare gaven, toch immer slechts tweederangs blijven zou.&mdash;</p>
+
+<p>Dec. '18.</p>
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<p class="pagenum"><a name="p194" id="p194"></a>[p.194]</p>
+<h3>A.B. KLEEREKOPER: OPROERIGE KRABBELS</h3>
+
+
+<p>Men zou, hing dat uitsluitend van de waarde van dit werkje-zelf af, met
+vrij groote zekerheid hebben kunnen voorspellen, dat met de publicatie
+daarvan een nieuwe aera in onze vaderlandsche journalistiek zal
+aanbreken&mdash;een aera, waarin geestigheid, distinctie en populariteit
+elkander ni&egrave;t dooden. Maar helaas, wij weten 't nu allen wel, dat er
+deeg is, waartegen &egrave;lke gist onmachtig blijkt. En fijngemalen
+slaapbollen zijn in dit opzicht ietwat n&ograve;g onoverwinnelijker dan zelfs
+Posthuma's rijstemeel. Bovendien: in dit land van commodelaadjes,
+vakjes, etiquetjes, secten en specialiteiten, druischt het ongetwijfeld
+tegen de eerbiedwaardigste separatistische tradities in, dat een
+bijzonder geestig journalist tevens een distinctievol stylist is.
+Moresco, dien ik mij als de schrijver van "Rustpunten" in <i>De Nieuwe
+Courant</i> herinner, was, v&oacute;&oacute;r Kleerekoper, de eenige, die dien gruwel van
+overdaad bedreef, en zelfs Barbarossa, gelukkig bezitter van een
+natuurlijk-wellende en rijke geestigheid, is dan ook zoo bescheiden niet
+de geringste nuance van stylistische schoonheid of distinctie te
+vertoonen. En zoo zullen wij maar goed doen met alle gedachten aan een
+Kleerekoperiaansch journalistiek tijdvak uit ons te bannen, en
+integendeel te verklaren: dit werk is niet alleen een unicum in zijn
+vereeniging van spiritueele losheid met compositorische hechtheid en
+distinctievollen stijl, maar helaas, het zal dit ook blijven. En: een
+unicum niet slechts in de journalistiek, maar ook in de literatuur. Het
+ware dan ook 't schromelijk <span class="pagenum"><a name="p195" id="p195"></a>[p.195]</span> onrecht doen, indien ik, ter oorzake
+van het feit, dat zijn inhoud voor 't eerst als vluchtig dagbladwerk
+verscheen, er de hoogere <i>literaire</i> qualiteiten in zou miskennen. Ai,
+welk een fanatiek sektari&euml;r zou ik zelf dan moeten zijn! Veeleer dient
+met nadruk gezegd, dat de allerbeste uit deze selectie van in <i>Het Volk</i>
+verschenen <i>Oproerige Krabbels</i> een nieuw soort prazagedichtjes vormen:
+prozagedichtjes van satyriek vernuft en niet zelden ook van meer
+liefde-doordrenkte sentimenten. Acht ge, met van Deyssel, die
+eigenaardige, van vreugde om de eigen vermogens schitterende, psychische
+zekerheid, een onmiskenbaar blijk van de aanwezigheid van literaire
+kunst, welnu, doorlees dan maar het heele werkje, en erken, dat ge maar
+uiterst weinig hebt kunnen vinden, waarin die zekerheid en vreugde
+<i>niet</i> waren. Of vraagt ge naar scheppende verbeelding, bewonder dan
+eens <i>Klokkepraat</i>&mdash;zie eens in wat luttelen omvang, hier een aan zin en
+beeld rijk sociaal sprookje werd neergeschreven. Wenscht ge
+compositie&mdash;ach, spreekt het niet van zelf, dat bij dezen "man van de
+pointe", zooals ik hem onlangs te dezer plaatse noemde<a name="FNanchor_1_36" id="FNanchor_1_36"></a><a href="#Footnote_1_36" class="fnanchor">[1]</a>; bij dezen
+man, die zijn stralendst-openvonkelende uitmuntendheden tot &eacute;en
+verrassing in de laatste regels bewaart, de compositie meestal volmaakt
+is? Let eens goed op dat onvolprezen <i>V&oacute;&oacute;r de tent van Wiessing</i>, of op
+het prachtige <i>Steven-Mulders-buurtje: hoe dat in elkaar zit</i>; hoe ge
+dat alles uit des auteurs geest <i>zi&eacute;t opgroeien</i> en in bloei staan,
+<i>snel, zeker, en rijp,</i> als het wonderplantje van een Indischen fakir.
+Maar kijk, daar hebt ge 't nu al&mdash;ik m&agrave;g mij feitelijk niet laten
+verleiden, enkele stukjes te noemen; want hoe vele, niet minder
+uitmuntend dan deze, sla ik dan over en wek daardoor den schijn, als
+waren de genoemde min of meer uitzondering. En daar is geen kwestie van!
+Onthoud dat maar, want straks doe ik 't natuurlijk t&ograve;ch weer!...&mdash;Doch
+wat de geestigheid betreft, die kostbare, gansch-natuurlijke,
+overal-bloeiende, ja d&aacute;&aacute;rvan is waarachtig "het eind niet te zien";
+d&aacute;&aacute;rbij zou het pure dwaasheid zijn iets anders dan h&eacute;&eacute;l het werk als
+voorbeeld te <span class="pagenum"><a name="p_196" id="p_196"></a>[p.196]</span> noemen. W&ograve;nderen van geest heb ik in de <i>Krabbels</i>
+gevonden. Hier is datzelfde, zij 't op zooveel nederiger plan, dat
+Julius Campe in Heine opmerkte: het bliksemvlug omscheppen van een
+waargenomen ding tot een spiritueel-kleurige fonkeling van de eigen
+ziel; het vooral slagvaardig, maar ook liefdevurig reageeren, op het
+leven, op &agrave;l het gebeuren om hem heen. Hier uitte zich dan ook een
+geest, die nauw verwant is aan Heine, en voor wien deze <i>geen</i> voorbeeld
+ter min of meer onoorspronkelijke navolging, maar w&egrave;l zeer duidelijk een
+soort van fontaine de jouvence blijkt te zijn, waaraan hij, diep
+teugend, zich telkenmale mag verjongen. En ook de stem van dien anderen
+verwant, van Multatuli, maar in een andere sfeer dan die der satyre,
+meent ge nu en dan te hooren. Er is meer dan een stukje&mdash;bijv. ook dat
+fraaie <i>De opdracht van den H. Antonius</i>&mdash;waarin, tot vaagheid
+verruischend in de wegduisterend-diepe gangen van stemmingen en gevoel,
+ge een stembuiging van den verteller van het zeeziekte-verhaal in de
+<i>Idee&euml;n</i> gelooft te herkennen. Want waarlijk, niet slechts waar de
+satyre het grondsentiment zijner stukjes vormt, munt de <i>Krabbelaar</i>
+uit. En zou al de dagelijksche lezer van zijn werk in <i>Het Volk</i> niet
+zonder grond kunnen beweren, dat hij over het algemeen veel beter slaagt
+in zijn hekelend werk dan in dat, waarin hij sentimenten van bewondering
+en liefde heeft te verwoorden&mdash;dan immers wordt hij wel eens, door het
+te bewust aanzetten en opschroeven van het gevoel, zoetelijk en raakt
+"ernaast"&mdash;er is &eacute;&eacute;n sfeer, waar hij ook di&egrave; sentimenten feilloos in hun
+ongesmukte waarachtigheid en derhalve waarachtige schoonheid weet te
+uiten. <i>Dat is de sfeer van het kind</i>. Waar en hoe ook het kind in zijn
+werk verschijnt, wordt dat laatste <i>verinnigd</i> en <i>geheiligd</i>.
+F&eacute;&eacute;stelijk wordt het bijna immer, ook al is het treurig; blond wordt 't,
+al is het donker; er is dan niets, dat niet zacht-warm is&mdash;de zon is
+opgegaan! Tot zelfs het koud-flitsende staal van zijn scherpsten spot
+geeft dan een af schijn als ware 't blond en warm goud; o zeker, het is
+ook dan nog wel een degen, maar het is tot een kostbaren sp&egrave;ldegen, een
+si&egrave;rdegentje gemaakt, om 't z'n jongen prinsjes aan den gordelriem te
+gespen. Want niets is goed genoeg voor hen. <span class="pagenum"><a name="p197" id="p197"></a>[p.197]</span> D&agrave;n is deze
+schrijver het aller-&agrave;llerechtst; het kind is de goede genius van zijn
+menschelijkheid en scheppende kracht en het gevoel voor h&egrave;n is de bron
+van zijn innigste en meest ware leven. Bijna altijd voert het hem naar
+een climax zijner vermogens, nu van dit, straks van een ander. S&ograve;ms is
+het zijn <i>psychische zekerheid</i> en <i>zelfgevoel</i>, welke door dat
+sentiment hun climax bereiken: lees <i>Den Boozen Schook</i>, waarin, na die
+voortreffelijke mengeling van beheerscht-joligen spot en vreugdige
+kinderliefde, hij in een verrassend-geestige wending eindigt met: "und
+nennt man die besten Namen, So wird auch der Meine genannt." Een ander
+maal maakt het hem tot een gemarteld ziener en beelder van obsedeerende
+verschrikking: <i>De Eeuw van het Kind</i>. Dan weer&mdash;<i>De Zonden der
+Ouders</i>&mdash;doet het zijn vonkend-donkere teederheid tot het witte licht
+van het hartstochtelijk-innige openstralen. De <i>Jiddische</i> innigheid,
+die de <i>Hebreeuwsch-strenge</i> ijveraars-ziel der Joden in het lijden der
+diaspora won; die zoeter straling der oogen, die glans van meegevoel op
+het beeld-strenge oude heldengelaat&mdash;ook in z&igrave;jn schriftuur leeft zij
+naast het vaak Bijbelsch-statige. Maar genoeg&mdash;'schoon ik u over nog
+zooveel moois zou kunnen spreken, laat dit voldoende zijn. Want de
+vriend des schrijvers, die voor de keuze dezer stukjes op 'n paar
+uitzonderingen na verantwoordelijk is en dat kiezen uit zooveel schoonen
+overvloed een boeiend en prettig werk vond, meent zich thans zeker niet
+te mogen onttrekken aan het minder prettige van het ondergaan eener
+metamorphose in: "den vriend die feilen toont", en heeft de thans nog
+beschikbare ruimte daarvoor noodig. Gelukkig intusschen, dat het maar
+&eacute;&eacute;n feil is! Beste Oproerling, zoo zou ik hem dan kort en bondig willen
+zeggen, wees zoo oproerig als je wilt, maar: betreed niet, de
+Opperhoogheid van Ons, Literaire Critici, aanrandend, Ons Gebied! Je
+oordeel, dat je Marcellus Emants, dien "Meester van de Hollandsche
+psychologische roman", gelijk, herinner ik mij wel, Scharten hem noemde,
+&egrave;n m&eacute;&eacute;r dan dat: dien baanbreker nog v&oacute;&oacute;r de tachtigers, deed
+plaatsen&mdash;in <i>De tent van Wiessing</i>&mdash;onder een
+mediocriteiten-allegaartje, dat oordeel getuigt meer van vrijmoedigheid
+dan van juisten blik. En nu l&ograve;s <span class="pagenum"><a name="p198" id="p198"></a>[p.198]</span> van dit geval gesproken&mdash;want
+als literair-critische faux pas staat 't w&egrave;l in je bundel, maar niet in
+je <i>Het Volk</i>-krabbels alleen&mdash;: als je in een kunstenaar den politieken
+tegenstander bestrijd, blijf dan van zijn kunstenaarsschap &agrave;f. De
+literaire critiek is een schoone zaak, en de politiek eveneens, maar het
+gebeurde thans waarlijk niet voor de eerste maal, dat de verbinding van
+twee sch&oacute;&oacute;ne zaken &eacute;&eacute;n l&eacute;&eacute;lijke te voorschijn bracht.&mdash;</p>
+
+<p>Jan. '19.</p>
+
+
+<p class="caption">Noot:</p>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_36" id="Footnote_1_36"></a><a href="#FNanchor_1_36"><span class="label">[1]</span></a> Zie blz. 141.</p></div>
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<p class="pagenum"><a name="p199" id="p199"></a>[p.199]</p>
+<h3>JOOST MENDES: HET GESLACHT DER SANTELJANO'S</h3>
+
+<h5>Eerste deel: De Verweerde Jaren</h5>
+
+
+<p>Ziehier nu eens een werk, waaraan, in elk geval, de gerechtvaardigheid
+van Scharten's uiting: dat hij den genialen Querido geen enkelen
+niet-genialen navolger toewenschte, ware te toetsen. Want het moge een
+van den voorafgeganen storm onafhankelijk windje uit denzelfden hoek
+zijn, dan wel het na-zuchten van den storm; het moge niet dan het gevolg
+van een zelfde milieu, engere verwantschap, of wel degelijk ondergane
+invloed wezen&mdash;zeker is, dat ge hier op menige plaats veel van Querido's
+eigenaardigheden zonder Querido's grootheid ontmoet. Deze eigenschap
+maakt het boek niet ongenietelijk, noch zelfs stemt zij den lezer
+kregel, maar ze wekt een gevoel van spijtigheid in hem. Spijtigheid om
+het feit, dat het den auteur, die zich klaarblijkelijk van wat hier
+dreigde w&egrave;l bewust was, toch niet mocht gelukken, zijn zelf-controle z&oacute;&oacute;
+streng, zijn handhaven van het &ograve;nverwant, of &ograve;nbe&iuml;nvloed-individueele
+z&oacute;&oacute; krachtig te maken, dat mocht het al onvermijdelijk zijn, dat ge hier
+telkens een Echo hoort, ge toch evenzeer merkt, dat de Narcis der
+zelfstandige schoonheid haar versmaadt! Het gevolg dier verwantschap of
+van dien invloed&mdash;&igrave;k geloof: b&egrave;ide zijn oorzaak,&mdash;toont zich vooral in
+de taal. Hier een overmaat en vooral een heftigheid, <i>schoon volstrekt
+niet in die mate</i> dan toch van <span class="pagenum"><a name="p200" id="p200"></a>[p.200]</span> dezelfde soort, als in de
+vroegere werken van Querido, maar zonder dat, gelijk daar, de
+natuurlijke noodzakelijkheid ons duidelijk wordt. Het lijkt mij hier, op
+sommige momenten, meer een laten glippen uit zwakte, dan een opstapelen
+uit kracht, en ik zou dan ook n&ugrave; het verschijnsel geenszins op dezelfde
+wijze kunnen verklaren als ik het destijds, over Querido schrijvend, heb
+gedaan<a name="FNanchor_1_37" id="FNanchor_1_37"></a><a href="#Footnote_1_37" class="fnanchor">[1]</a>, noch in dezen schrijver zekere loslippigheden mogen
+verontschuldigen, die men een grooten, nu eenmaal door zijn
+scheppingsdrang respijtloos voortgedreven menschenschepper vergeeft.
+Bovendien: in die vroegere werken, waarvan ik zooeven sprak, heeft zeer
+zeker Querido muren, duistere, blinde muren van woorden opgestapeld,
+zoodat ge u wel eens weg-verloren afvroegt: Wat voor 'n bouwsel is dat?
+Waar sta, waarheen ga ik in dit donker? T&ograve;t&mdash;daar bloeide plots een
+lamplicht, hoog en vast aan ijzeren arm uit den steen zich heffend en
+warm goudelend over het duister vlak: &eacute;&eacute;n beeldend woord z&oacute;&oacute; licht, dat
+het de zwartheid der anderen verblondde. Maar helaas, waar hi&egrave;r de muur
+er is&mdash;het is gelukkig allerminst een Chineesche, die heel het rijk
+omsluit&mdash;daar is ze ook lantarenl&oacute;&oacute;s. Het dunkt mij vreemd, dat deze
+schrijver dit niet heeft kunnen vermijden; hij lijkt mij toch allerminst
+een geniaal-voortgestootene, doch veeleer een zich beheerschend
+talentvolle en bezonnene van nature te zijn, die de dingen omendeom
+bekijkt, en dan, hij moge verrukt zijn of afkeerig, waarlijk wel
+zelfbeheersching genoeg heeft, en zich in voldoende mate haasteloos
+voelt, om ze zonder harden smak op hun plaats te zetten. Reeds in den
+aanvang van dit boekje voelt men di&egrave; natuur. Hoe systematisch&mdash;de
+compositie mede is voortreffelijk door die systematiek&mdash;is <i>De Stad</i>
+bekeken. Tot daar plots het <i>geluid</i>-van-dat-geordend-sobere op blz. 16
+breekt: "Maar kakelend roddelen konde ze", enz. De &agrave;ndere Mendes maakt
+reeds even zijn opwachting.&mdash;Het verheuglijke en voortreffelijke echter
+in het boek is, dat juist daar waar het &ograve;verwant- en
+&ograve;nbe&iuml;nvloed-individueele aan den dag treedt, het zoo goed blijkt. Dat
+bewijst <span class="pagenum"><a name="p_201" id="p_201"></a>[p. 201]</span> onloochenbaar een sterke en vaste kern van eigen
+aanleg. Toonen de talrijke <i>psychologische fijnheden van een zeldzame
+doordringingskracht</i> dit aan, ook in vele beschrijvingen, en vooral <i>in
+de uitmuntende dialogisatie</i> komt het uit, terwijl ook wel degelijk tot
+dien eigen &ograve;nbe&iuml;nvloede kern het zeer concis en scherp op 't leven
+betrappend beelden van houdingen en bewegingen behoort: hoe
+voortreffelijk is mede daardoor het hoofdstuk <i>Het Hooge Feest</i>
+geworden, hoe uitstekend de ruzie-sc&egrave;ne in <i>De Kelder</i> met die figuren
+van Jonas, de grootmoeder-heerscheres, Mordechai, Sam Piza. En dan
+daarneven het stille, bijna-onbewuste, als in poppig-glazige
+zwak-verwonderde staring doorgebrachte leven van het moedertje Lea! Hoe
+uitmuntend is dat alles voelbaar en zichtbaar gemaakt. Een
+uitmuntendheid, waarin allicht ook de figuren van Daan, Ko en Lot zouden
+hebben gedeeld, indien zich niet vaak d&aacute;&aacute;r een eigenaardige zoetelijke
+woordenstreeling, een knuffelende vertroeteling door den auteur, in de
+plaats van een "objectief"-scherpe beelding hadde gesteld. Zoo werd dan
+dit eerste deeltje van een klaarblijkelijk nogal uitgebreiden arbeid
+belangrijk, niet slechts door wat het belooft, maar reeds aan rijpe
+kunst ons schenkt. En het zou wijs van auteur en uitgever beiden zijn
+geweest, indien zij, indachtig aan het feit, dat men onvermijdelijk door
+heel de geaardheid van het werk-zelf tot een vergelijking met Querido's
+machtig genie zou worden gedwongen, daarnevens niet nog den lezer, als
+'t ware met alle geweld, tot een vergelijking met een buitenlandschen
+groote op den koop toe hadden genoodzaakt! De geheele wijze van uitgeven
+toch, in acht "deelen",&mdash;dit aan het adres van den uitgever die tevens
+de uitgever van "Jean-Christophe" is&mdash;maar bovenal de "dichterlijke" en
+allegorische titels&mdash;dit aan het adres van den auteur&mdash;waarbij ons zelfs
+een duidelijke vingerwijzing naar "La R&eacute;volte": "De Revolte dagen",
+(welk een opzettelijk want overigens onmogelijk jargon!) niet werd
+gespaard, kunnen slechts een herinnering aan Rolland's meesterwerk, ook
+en vooral aan de eerste prachtige deelen, wakker roepen, die dit boekje
+ten eenenmale doet vergrauwen. Hetgeen men moet betreuren, want de
+groote deugden <span class="pagenum"><a name="p202" id="p202"></a>[p.202]</span> welke het in zijn soort eigen zijn, geven
+aanleiding tot een aesthetisch genot en een warme waardeering, waarvan
+het jammer is, dat zij door althans gansch onnoodig veroorzaakt
+vergelijken en herinneren worden gedrukt.<a name="FNanchor_2_38" id="FNanchor_2_38"></a><a href="#Footnote_2_38" class="fnanchor">[2]</a></p>
+
+<p>Maart '19.</p>
+
+
+<p class="caption">Noten:</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_37" id="Footnote_1_37"></a><a href="#FNanchor_1_37"><span class="label">[1]</span></a> <i>Schetsen en Critische Opstellen</i>, blz. 178.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_38" id="Footnote_2_38"></a><a href="#FNanchor_2_38"><span class="label">[2]</span></a> Nadat het werk, hetzij grootendeels, hetzij geheel, zal
+zijn verschenen, hoop ik er uitvoeriger op terug te komen.</p></div>
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+
+<h3>II DIDACTISCH</h3>
+<p><a name="FNanchor_0_39" id="FNanchor_0_39"></a><a href="#Footnote_0_39" class="fnanchor">[0]</a></p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p class="pagenum"><a name="p205" id="p205"></a>[p.205]</p>
+
+<h3>PIT-TAH, DE GRIJZE WOLF</h3>
+<p><a name="FNanchor_1_40" id="FNanchor_1_40"></a><a href="#Footnote_1_40" class="fnanchor">[1]</a></p>
+
+
+<h3>I</h3>
+
+<h4><i>Inleiding</i></h4>
+
+
+<p>Niets is wellicht beter in staat ons van het bestaan van een feilen,
+schoon vaak onbewusten hoogmoed in ons menschen te overtuigen, dan na te
+gaan hoe in den loop der eeuwen de menschheid de dieren heeft gezien en
+vooral hoe die visie op de dierenwereld zich in literaire kunst heeft
+geuit. Van het Pancatantra, het oeroud Indisch Sanskrit-werk af, tot,
+over den Griek Aesopus&mdash;die zelf, naar de geleerden zeggen, een fabel
+is!&mdash;, de verschillende oude behandelingen van de Reinaert-sage&mdash;waarbij
+zich sedert kort de voortreffelijke bewerking door Streuvels heeft
+gevoegd&mdash;, tot ook, eenige eeuwen later den genialen en gracieusen
+Franschman La Fontaine, om nu maar de allerberoemdsten, werken en
+schrijvers, te noemen, is de dierenwereld nimmer om zich-zelfs-wil in
+literaire kunst gebeeld. Zeer zeker ging al dezen schrijvers het
+eigenaardige van het dier-leven niet onopgemerkt voorbij, maar dat leven
+zagen zij niet als een schoon en stroom, machtig, diep en hunner
+aandacht ten volle waardig, ook al hadden zij er nooit de <i>spiegeling</i>
+van der <i>menschheid</i> gelaat in gezien, maar zij achtten dien integendeel
+juist d&aacute;&aacute;rom all&eacute;&eacute;n hunne bestudeering waard, <span class="pagenum"><a name="p_206" id="p_206"></a>[p. 206]</span> &ograve;mdat zij tot de
+menschen konden zeggen: Buig u over dezen stroom en ge zult er &agrave;l uwe
+bewegingen, uw gelaat en al zijn wisselingen in weerkaatst zien: de
+oogenglans uwer vreugde, de wringing en de hette uwer hartstochten; de
+deemoedige plooi uwer huichelachtigheid; het brandend staren uwer
+wanhoop; ja zelfs een enkel maal de vervoering uwer ziel, uw adeldom.
+Het dier had dus alleen belang voor hen, voor zoover het als acteur te
+gebruiken viel, wien een <i>menschelijke</i> rol kon worden toebedeeld. Hun
+<i>dier-psychologie,</i> zoo er al een enkel maal sprake is van iets, dat
+dien naam verdient, zou men met den naam van handboeken-psychologie
+kunnen bestempelen, d.w.z. een psychologie van algemeen-vaststaande en
+aangenomen normen, waaraan elk waarlijk levend inzicht van den
+individueelen kunstenaar ontbreekt, waarin bijvoorbeeld de leeuw nu
+eenmaal voor goed de moedige en toch ietwat dupeachtige koning en de vos
+de onverbeterlijke en buitengewoon sluwe misdadiger is. De dieren van
+het dierenepos en den dierenfabel zijn dan ook, voor zoover tenminste
+nog die handboeken-psychologie in toepassing is gebracht, te vergelijken
+met de figuren van het schaakspel: zooals die figuren hunne eens en voor
+altijd onwrikbaar vaststaande krachten en eigenschappen hebben, die
+hunne handelingen bepalen: de koning slechts &eacute;&eacute;n pas naar alle
+richtingen mag gaan, het paard den driesprong maakt en de wijsheid des
+raadsheers hem voor eeuwig overtuigd heeft, dat schuinsmarcheeren het
+beste voor hem is,&mdash;z&oacute;&oacute; ook hebben al die dieren, en vooral de
+hoofdpersonen, 'n paar ruw getraceerde en als 't ware wisselinglooze en
+versteende eigenschappen, die van zulk een aard zijn, dat zij hen
+geschikt maken, symbolen van het <i>menschelijke</i> te zijn.</p>
+
+<p>En evenzeer nu als door het samen- en tegenspel der schaakstukken
+geheelen van schoonheid kunnen ontstaan, die noch overtroffen worden
+door de schoonste gewrochten der schilderkunst noch door die der muziek
+of der literatuur, zoo zijn ook door spel en tegenspel dezer als 't ware
+psychologisch-<i>kunstmatige</i> en <i>niet</i> naar de doorgronde-werkelijkheid
+gebeelde dierfiguren, tafereelen van tot schoonheid gestegen schalkheid,
+satyre, wijsgeerig en <i>mensch-</i>kundig <span class="pagenum"><a name="p207" id="p207"></a>[p.207]</span> inzicht ontstaan, die voor
+geen andere werken van letterkunde onder hebben te doen. Maar toch kan
+men, althans ik, bij het beschouwen van zulken arbeid het gevoel niet
+onderdrukken, alsof hier een of andere tekortkoming schuilt, eenig
+onrecht is geschied, eenig misbruik is gemaakt. Want heeft men bij het
+schaakspel met niets anders dan doodhouten klossen te doen, die geen
+enkele geestelijke eigenschap uit zich-zelf bezitten, en in de handen
+van den speler slechts tot symbolen van schoonheid kunnen worden,
+doordat eens de uitvinder van het spel hun zekere eigenschappen heeft
+toegedacht&mdash;bij het dier-epos en den fabel heeft men met levende
+<i>wezens</i> te doen, die als elk natuurwezen krachten en eigenschappen van
+zich-zelf bezitten welke een zooveel mogelijk <i>objectieve</i> en <i>getrouwe
+afbeelding</i> overwaard zijn; wezens die het allerminst verdienen slechts
+als kapstok van de <i>menschelijke</i> deugden en ondeugden te worden
+gebruikt! En iets anders hebben de bovengenoemde schrijvers, gelijk ik
+reeds zooeven deed opmerken, toch feitelijk niet gedaan. Het was reeds
+mooi, als ze van zulk een handboeken-psychologie gebruik maakten.
+Meestal schijnen ze de dieren als 'n soort van ledepoppen te hebben
+beschouwd, wien men geheel willekeurig elken stand kon laten aannemen,
+elke beweging kon laten maken, die men verkoos, zoodat ze dan ook fabels
+dichtten, waarin van het dier waarlijk niets anders dan de <i>naam</i>
+aanwezig is.<a name="FNanchor_2_41" id="FNanchor_2_41"></a><a href="#Footnote_2_41" class="fnanchor">[2]</a> Ongetwijfeld is echter in de fabelen van <i>La Fontaine</i>
+de liefde tot de natuur en het dier-zelf in veel grootere mate aanwezig
+dan in de zooeven genoemde. Het wemelt in zijn werk van ware juweelen.
+Zijn gracieuse verzen in een heerlijk Fransch, zijn fijne feestigheid
+ook, hebben in niet weinig gevallen den oorspronkelijken fabel, aan
+Aesopus en andere bronnen ontleend, verfraaid en tot &eacute;&eacute;ne ongerepte
+zuiverheid en flonkering van beminnelijke en dikwijls allergeestigste,
+dan weer diepgevoelde wijsheid gemaakt, maar het zijn natuurlijk fabelen
+en leerdichten <span class="pagenum"><a name="p208" id="p208"></a>[p.208]</span> gebleven&mdash;het dierleven is er uitsluitend als
+spiegel der menschheid. En ook met het dierenepos, met de Reinaertsage
+is het niet anders. En als Dr. Doorenbos dan ook zegt: "Bij de gewone
+fabel is de les, die men uit de dierenwereld trekken kan, de hoofdzaak;
+zij is een bijzondere vorm van de didactische po&euml;zie. In de Germaansche
+dieren-sage is het verhaal zelve de hoofdzaak. De sprookjes zelve zijn
+vermakelijk, de dieren spelen er de eerste rol in, de menschen staan er
+op den achtergrond. Wil men er lessen uit trekken, wil men er een satire
+in vinden, dat is het voornaamste niet. Het gedicht moet om den inhoud
+zelven belang inboezemen",&mdash;dan kan ik wel toegeven, dat dit alles naar
+den letter juist is, maar ik moet daarbij voegen: naar den geest
+<i>allerminst</i>. Want: de dieren spelen er wel de eerste rol in, maar die
+dieren denken en handelen met <i>menschelijk</i> verstand, die dieren zijn
+<i>verkapte menschen</i>, zijn <i>menschen in een dierenhuid gestoken</i>, gelijk
+in Rostand's <i>Chantecler</i>&mdash;Zoo was het dan aan onzen tijd voorbehouden,
+een dierenepos, een dierenroman als dit voortreffelijk <i>Pittah</i> voort te
+brengen, waarin waarlijk het <i>dier</i> met liefde om <i>zijns-zelfswil</i> wordt
+beschouwd; een dierenverhaal, dat ons den schrijver doet zien, z&oacute;&oacute;
+verzonken in de contemplatie van het <i>dier</i>leven, dat <i>dit</i> op het
+allereerste plan van het werk staat, en de <i>menschen</i> er slechts in
+optreden voor zoover zij invloed hebben op geest of lichaam van het
+<i>dier</i>.&mdash;Zich zekerheid te verschaffen omtrent de oorzaken van het feit,
+dat dergelijk werk niet v&oacute;&oacute;r onze dagen geboren werd, ware dunkt mij
+moeilijk. Was het wellicht juist de re&iuml;ncarnatie- en evolutieleer van
+het oude Indi&euml;, die trots den daaruit voortspruitenden eerbied voor het
+leven van het dier, dit toch beschouwde als een in 'n te laag stadium
+van ontwikkeling verkeerend wezen, dan dat het om zijns zelfs wil der
+volle kunstenaarsaandacht waardig kon zijn? Maakte ook in het Westen, en
+nog wel op veel minder edele wijze, de religieuse wereldbeschouwing den
+afstand tusschen mensch en dier daartoe te groot? Of was het aan den
+anderen kant wellicht de desolate toestand van de huidige maatschappij,
+die den klaarblijkelijk kinderlijk-na&iuml;even, reinen en uiterst gevoeligen
+geest van 'n Jack London zich deed keeren <span class="pagenum"><a name="p209" id="p209"></a>[p.209]</span> naar het dier? Wie zal
+op dit alles een z&egrave;ker antwoord kunnen geven.... Mij zij het voldoende
+hier het feit te hebben geconstateerd en op zijn belangrijkheid te
+hebben gewezen. Want als wij hier vaststellen dat met een werk als dat
+van Jack London een nieuwe aera in het <i>dier-epos</i> aanbrak, dan stellen
+wij tevens dit belangrijke feit vast: dat voor den <i>mensch</i> een nieuwe
+mogelijkheid van <i>zeer verrijkend</i> geestelijk genieten, een nieuwe
+mogelijkheid ook van groei van het <i>heilig eenheidsgevoel</i> werd
+geboren.&mdash;</p>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<h3>II</h3>
+
+
+<p>Als oud globe-trotter in de literatuurwereld geloof ik, dat het beste
+wat ge nu kunt doen, v&oacute;&oacute;r ge dit z&eacute;&eacute;r vreemde hoogland gaat bereizen,
+is, schoon ge niet zonder gids zult zijn, U een weinigje op de kaart te
+ori&euml;nteeren: laat mij U iets van den inhoud van ons boek vertellen. In
+Alaska, in den wintertijd, een noordpoolwereld vol van de
+verschrikkingen van ijs, sneeuwstormen en duisternis, zijn twee mannen
+op reis in een hondenslede. Zij vervoeren een reeds gekist lijk van een
+overleden kameraad naar Fort M'Gurry. Door de wolven achtervolgd, zien
+zij den eenen trekhond na den anderen, door een wolvin verlokt,
+verdwijnen, of liever: zij zien des morgens, dat hij 's nachts verdwenen
+is. Ten einde raad besluit een der mannen, op het oogenblik, dat hij
+weer een hond, nu nog wel bij dag, door de wolvin ziet weglokken naar de
+hongerige wolventroep, gewapend met zijn geweer de slede te verlaten, om
+den hond, die niet naar zijn roep hoort, terug te halen. Maar het is te
+laat: die is reeds door de wolven omringd, en hij zelf, als hij, in een
+uiterste poging om het dier te bevrijden, zich onder de uitgevaste bende
+waagt, wordt, nadat hij zijn munitie heeft verschoten, door het
+roofgedierte verslonden. De andere man blijft nu in een hopeloozen
+toestand, ten slotte van al zijn honden beroofd, alleen achter. Maar
+ziedaar: op het punt van zich nu maar moedeloos gewonnen te geven&mdash;hij
+kan zich onmogelijk langer op de been houden van <span class="pagenum"><a name="p210" id="p210"></a>[p.210]</span> de slaap&mdash;met
+niets dan een smeulend en uitgaand vuur tusschen de wolven en zich zelf,
+wordt hij door een over de bevroren rivier naderend reisgezelschap
+ontdekt en bevrijd. Het was waarlijk hoog tijd: het laatste wat hij zag,
+v&oacute;&oacute;r hij in slaap viel, was de wolvin, die, vlak bij hem, hem
+droefgeestig met een van honger kwijlende bek begeerig zat te bestaren,
+als ware hij een brok voedsel, dat wel van haar hoorde, maar dat zij om
+de eene of andere reden toch nog niet kon gaan eten!&mdash;Dit is de&mdash;zeer
+verkort weergegeven&mdash;inhoud van het <i>Eerste Deel.</i> Die der volgende
+wordt gevormd door het verhaal, hoe de nu met de troepgenooten
+weggevluchte wolvin, die, eigenlijk evenzeer hond als wolvin van
+afstamming, een uit 'n Indianenkamp weggeloopen trekdier is, wordt
+bevrucht, en Pittah den wolf-hondelijken held van het boek ter wereld
+brengt; hoe diens leven, vol van wreede avonturen, verloopt en hij ten
+slotte, na door bestiale woestelingen tot een duivel van haat en
+ontembare wildheid te zijn gemaakt, onder den invloed van een edelen
+meester allengskens een wezen van hartstochtelijke liefde en
+onwankelbare trouw wordt.&mdash;De lezer zal allicht hebben opgemerkt, dat ik
+den inhoud van het eerste boek, hoe verkort ook, toch veel uitvoeriger
+heb weergegeven dan die van het geheele overige werk. Ik deed dit, omdat
+ik die eerste hoofdstukken natuurlijk het eerst zal behandelen &egrave;n er nog
+al veel over te vertellen valt....&mdash;Of ge n&ugrave; al de h&eacute;&eacute;le kaart afkijkt
+en U al de d&eacute;tails van heel de te doortrekken streek in het hoofd prent,
+dat geeft niets, ge zoudt het dan toch later nog eens willen overdoen.
+Zoodat ... nu steek ik de kaart weer in mijn zak en word de
+oppermachtige berggids!... Vrienden, reikt mij dan het koord van uw
+aandacht, laat mij jelui aan mij vastbinden ....&mdash;</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<h5><i>Leelijkheid en Schoonheid in het "Eerste Deel"</i></h5>
+
+<p>Er zijn van die critici, die, evenals de vrijgrage jongelui op 'n bal,
+alleen de schoonheden ten enthousiasten dans voeren en de leelijkerds
+maar laten zitten achteraf, maar ik behoor niet tot hen: ik vraag de
+<span class="pagenum"><a name="p211" id="p211"></a>[p.211]</span> muurbloemen ook! Uit 'n soort van vrienden-welwillendheid of
+zuiver-menschelijk medelijden, denkt ge? Helaas, helaas, hoe kent ge
+mij, boosaardig monster, dan slecht! Ik vraag ze, ik vr&aacute;&aacute;g ze, deze
+leelijkerds op de feestbals der literatuur&mdash;maar ik durf het bijna niet
+te biechten!&mdash;uit de geniepige overweging: Jullie zijt zoo zot geweest
+hier te komen, welnu, dan ook vooruit met je onder het volle licht der
+kronen!...&mdash;</p>
+
+<p>En vrienden, laat mij 't maar bekennen: er zit in deze scherts meer
+ernst dan een scherts wellicht te herbergen betaamt. Ik h&aacute;&aacute;t het
+leelijke en &agrave;ls ik het naar voren breng, geschiedt dat waarlijk niet ter
+verzachting der geringschatting, die het verdient, maar om die des te
+scherper te doen treffen....&mdash;Als men buitenlanders onze letterkunde wel
+eens met de hunne hoort vergelijken, dan blijkt wel d&igrave;t hun grootste
+bezwaar tegen &ograve;nze literatuur, dat het in h&agrave;re werken gebeelde leven zoo
+weinig-beteekenend, zoo grauw-alledaagsch, zoo klein-burgerlijk, zoo
+weinig-bewogen is. Ik herinner mij levendig, dat eenige jaren geleden
+een mij onbekende Russische taalleeraar en journalist mij om een
+onderhoud verzocht. Hij noodigde mij uit hem eenige Hollandsche romans
+en novellenbundels te noemen, die hij met gegronde hoop op succes in 't
+Russisch zou kunnen vertalen. Ik noemde hem wat ik te noemen wist. Maar
+hij kende dat alles reeds, vond het echter allemaal, te pueriel, te
+zeurderig, te alledaagsch en vooral te <i>klein</i>. Er is daar iets van aan.
+Maar hoe zou het anders? Hoe kan uit een klein en burgerlijk
+maatschappijtje als het onze, een hero&iuml;sche literatuur, vooral van
+maatschappelijk-hoogeren aard, ontstaan?<a name="FNanchor_3_42" id="FNanchor_3_42"></a><a href="#Footnote_3_42" class="fnanchor">[3]</a> Slechts met Querido, zei
+mijn Rus weer, met dien ware voor zijn doel iets te beginnen, maar och,
+dat kon ook niet, want die was weer te locaal!...&mdash;Er is daar iets van
+aan, zei ik zooeven, jawel, maar van iets anders is nog veel meer aan:
+onze letterkunde moge in onze samenleving slechts een armen
+voedingsbodem bezitten, zij wist en weet te woekeren met dat <span class="pagenum"><a name="p212" id="p212"></a>[p.212]</span>
+armelijk bezit. Onze hedendaagsche literatuur streeft, <i>in 't algemeen
+genomen,</i> in <i>verfijning en nauwkeurigheid van beeldende
+woordaanwending</i> de buitenlandsche op zij en meestal te boven.&mdash;Neem nu
+dit boek van een <i>in zijn soort</i> toch eersterangs schrijver als Jack
+London. In dit <i>Eerste Deel</i>, alleen reeds op de 3 eerste bladzijden:
+"Donkere pijnboomen <i>grijnsden</i> aan weerszijden van de bevroren rivier."
+Een "grijnzenden afgrond" is al een ondeugdelijk en ongevoeld
+spraakbeeld, maar het is oud en versleten en juist omdat deze
+uitdrukking oud en versleten is van het overmatig gebruik, glijdt onze
+geest er zoo makkelijk In en neemt genoegen met het gatige vod, zooals
+een slecht zittende oude jas ons veelal nog behagelijker is dan een
+prachtig getailleerde nieuwe. Maar wat nou zoo iets kersversch als "een
+<i>grijnzend pijnwoud</i>" voor een ding is, in d&agrave;t begrip daar komt onze
+geest, althans de mijne, ni&egrave;t in en zal er wel evenmin ooit in
+komen....&mdash;"Maar niettemin waren zij mannen, die dit land van
+eenzaamheid en stilte doortrokken, nietige avonturiers op kolossaal
+avontuur uit, hun krachten metend met een wereld even verwijderd en
+vreemd en levenloos als de eeuwige ruimte." Is het mij al een raadsel,
+hoe men iets materieels "<i>verwijderd</i>" kan noemen, terwijl men <i>erin</i>
+is, al evenmin werd mij geopenbaard, hoe men, "zijn krachten kan meten
+met een wereld die <i>levenloos</i> is." Immers "zijn krachten meten met"
+beteekent altijd: "<i>een strijd aangaan met</i>" en nu is er misschien wel
+niets in de heele wereld, waarvan men niet zeggen kan, dat men er een
+strijd mee wil aangaan, behalve juist het <i>levenlooze</i>! Want iemand, die
+zegt tegen iets te strijden, moet zich noodzakelijk dat iets als
+<i>levend</i> in eenigen letterlijken of overdrachtelijken zin hebben
+voorgesteld, en niet als leven<i>loos</i>. Aan het leven<i>looze</i> kan men
+slechts "zijn krachten beproeven", dat wil zeggen door eenige <i>erop te
+verrichten handeling</i>, niet: door strijd ertegen. Natuurlijk, wij
+begrijpen wel wat hier wordt <i>bedoeld</i>. "Verwijderd" is hier onzin
+geworden, alleen doordat er elke nadere bepaling aan ontbreekt, bijv.:
+"verwijderd van de bewoonde wereld," en als ge door "levenloos" heen
+"passief" leest, dan is de zaak in orde al is de volzin dan vreeselijk
+leelijk en wordt het beeld van die "eeuwige ruimte" nog <span class="pagenum"><a name="p213" id="p213"></a>[p.213]</span>
+beroerder dan het nu is. En bovendien: "&agrave;ls d&igrave;t" en "&agrave;ls d&agrave;t," jawel!
+maar literatuur behoort geen ruimte te laten voor dergelijke "alsen."
+<i>Zij</i> juist moet weten te zeggen, <i>precies</i> te zeggen w&agrave;t zij
+bedoelt.&mdash;"....toen een flauwe, verre kreet zich in de stille lucht
+verhief.... Hij had een kermende, verdoemde geest kunnen geweest
+zijn...."&mdash;Een kreet, die een geest had kunnen geweest zijn? Arme
+Satan, wat een nieuwe last bij al z'n oude moeiten: ik zie hem al alle
+kreten, die zijn heetgestookten hel ontstijgen, wantrouwend
+achternaloopen: of ze geen ontsnappende zielen zijn; een gevallen
+aartsengel tot een smokkelaarsspeurenden grenswachter geworden....
+Ajai!&mdash;Maar komaan, genoeg hiervan, ge denkt nu al, dat ik "vlooien
+zoek" en&mdash;ge hebt gelijk, m&aacute;&aacute;r: het zijn vlooien van de springerigste
+soort en juist omdat ze zoo klein zijn, de gevaarlijkste dragers van de
+taalverknoei&iuml;ngspest. Ik vang ze, om jullie voor die barre ziekte te
+bewaren. En dus, bedillers!...</p>
+
+<p>Laat mij intusschen dit stukje niet be&euml;indigen, zonder nog dit te hebben
+gezegd: ik ben er vrij zeker van, al las ik het oorspronkelijke werk
+niet, dat men deze en dergelijke slordigheden <i>niet</i> der <i>vertaling</i> mag
+verwijten. Een <i>Hollandsche</i> vertaalster, die <i>zoo voortreffelijk
+dialoog en stemming weet te geven</i>, wie dus klaarblijkelijk de hoogere
+gevoeligheid niet ontbreekt, di&egrave;, dunkt mij, zal toch ook wel niet
+geheel gesloten zijn gebleven voor de lessen der hervormers van '80.
+Maar integendeel, zoo mogen wij zonder al te groote vrijmoedigheid
+vermoeden, zijn 't fouten van het origineel-zelf, want juist zulke
+fouten als een man van veel-produceerende genialiteit gelijk <i>London</i> ze
+maakt. Het valt zoo licht te begrijpen: de scheppingsdrang drijft hem
+voort, hij ziet visioen na visioen ... hij heeft zoo geen tijd ... in
+Amerika zal hij er zelden om op de vingers getikt zijn ... en zoo
+gebeuren dan die dingsigheden. Het is trouwens een verschijnsel, dat men
+bij veel grooten&mdash;en veel-grooteren dan London!&mdash;kan waarnemen en uit
+gedeeltelijk dezelfde oorzaak verklaren: het hevige voortstuwen van den
+scheppingsdrang. En&mdash;nu genoeg van het leelijke, keeren we ons tot de
+schoonheid.&mdash;</p>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p214" id="p214"></a>[p.214]</span> Zie eens allereerst dit:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>V&oacute;&oacute;r de honden zwoegde een man op sneeuwschoenen. Achter de slede
+hijgde een tweede man. Op de slede, in de kist, lag een derde man,
+wiens werktijd voorbij was&mdash;een man dien de wildernis had
+overwonnen en neergeveld, tot hij zich nooit meer kon bewegen of
+verzetten. De wildernis <i>houdt</i><a name="FNanchor_4_43" id="FNanchor_4_43"></a><a href="#Footnote_4_43" class="fnanchor">[4]</a> niet van beweging. Leven
+beleedigt haar, want leven is beweging; en de wildernis tracht
+iedere beweging te dooden. Zij doet het water bevriezen om het te
+beletten naar de zee te loopen. Zij jaagt het sap uit de boomen tot
+zij in hun krachtig merg zijn bevroren. En woester en vreeselijker
+dan alle vervolgt en bedwingt zij den mensch&mdash;den mensch, die het
+meest rustelooze in het leven is, die zich altijd verzet tegen de
+bewering, dat alle beweging ten slotte moet komen tot <i>ophouden</i><a name="FNanchor_5_44" id="FNanchor_5_44"></a><a href="#Footnote_5_44" class="fnanchor">[5]</a>
+van beweging.</p></div>
+
+<p>De schoonheid is hier niet alleen aanwezig als schoon van treffende
+bespiegeling, zij is het ook&mdash;en hier gemoeten wij de eigenlijke
+<i>kunst</i>-schoonheid&mdash;als zekere levendigheid van den geest, die er, op
+bijzondere wijze, in geslaagd is, de begrippen dier treffende
+bespiegeling te <i>vertastbaren</i> en <i>aanschouwelijk</i> te maken. Op
+<i>bijzondere</i> wijze: louter, door <i>contrasteering</i>; door bij middel van
+het <i>bewegelijke</i> der <i>beschrijving</i> des te feller het
+<i>aan-beweging-vijandige</i> van het <i>beschrevene</i> te doen gevoelen, en door
+de <i>levendigheid</i> der <i>beelding</i> de <i>doodschheid</i> van het <i>gebeelde</i>.
+Deze beschrijvingsmethode is ongetwijfeld niet die van bijv. den
+objectieven naturalist, want onvermijdelijk dringt zij den auteur-zelf
+min of meer op het tooneel zijner schepping, en in plaats dat de lezer,
+gelijk in naturalistisch werk, slechts de <i>dingen-zelf,</i> zooals zij door
+den kunstenaar werden gezien, te aanschouwen krijgt, worden hem hier, in
+de allereerste plaats, de <i>overwegingen</i> getoond, die <i>door</i> de dingen
+in den auteursgeest werden gaande gemaakt, en als 't ware <i>door die
+overwegingen heen</i> aanschouwt hij pas de dingen-zelf. Het valt niet zoo
+makkelijk te zeggen als het lijkt, welke van de twee richtingen de
+voorkeur verdient&mdash;de "objectieve" of de
+<i>binnen-zekere-grenzen</i>-subjectieve. Dat de laatste vooral door het
+<i>knoeiwerk van tallooze beunhazen in onverdiend discrediet is gebracht</i>,
+en men mede daardoor <span class="pagenum"><a name="p215" id="p215"></a>[p.215]</span> de, nog wel verkeerd want al te volstrekt
+opgevatte, "objectiviteits"-leer der naturalisten ten onrechte als de
+alleen-zaligmakende heeft aanvaard, lijkt mij onbetwistbaar, al moet men
+toegeven, dat de meer subjectieve beschrijvingsmethode&mdash;zooals ook een
+London ze, naar zijn aard gevari&euml;erd, toepast&mdash;<i>uiteraard</i> en dus ook in
+haar <i>allerbeste</i> applicaties, hare nadeelen heeft. Als de voornaamste
+daarvan kan men noemen: 1&deg; de geringere sterkte van sommige in den lezer
+gewekte <i>stemmings</i>aandoeningen, die door het aanschouwen der louter in
+en met hun eigen atmosfeer gebeelde dingen veel eerder ontstaan en
+stoorloozer zich ontwikkelen en beklijven dan door het zien dier dingen,
+wanneer zij door de min of meer stormige luchten van eens schrijvers
+geestig of gevoelig spreken staan ombuid. 2&deg; De onvermijdelijke
+splitsing van 's lezers aandacht. Heen en weer geslingerd tusschen het
+aanschouwen der dingen en het aanhooren van den auteur, wordt hij een
+onrust gewaar, die hij weliswaar, mits zijn temperament hem daartoe in
+staat stelt, eerder prikkelend en amusant dan vervelend zal vinden, maar
+die hij toch, al naar mate zijn geest evenwichtiger is&mdash;een deugd!&mdash;wel
+degelijk ten slotte als <i>onrust</i>, d.i. iets onaangenaams zal voelen.
+Maar aan den anderen kant: de niet geringe voordeelen zijn allicht: een
+geestig kunstenaar te hooren tegelijkertijd <i>beeldend</i>- &egrave;n
+<i>bespiegelend</i>-spreken en vooral: als 't ware den schepper <i>in zijn
+werkplaats</i> te zien. Vast staat in elk geval, dat de Engelsche
+Grootmeester Charles Dickens met deze subjectief-realistische methode,
+wonderen van kunst-heerlijkheid heeft gewrocht. En al reikt London
+ongetwijfeld niet tot diens knie&euml;n, het valt op, dat de Amerikaan zijn
+rasverwantschap zoowel met den grooten Engelschen romancier als met
+andere Engelsche schrijvers toont in het bezit van die soort
+specifiek-Engelsche geestigheid, die men wellicht als een mengsel van
+"drogen" &egrave;n gevoeligen humor zou kunnen kenschetsen, waaraan zich dan
+helaas soms bij eenige auteurs een min of meer blufferige gewikstheid
+paart, die voor een groot deel niets anders dan het grove prat-gaan is
+op diezelfde koele zelfbeheersching, welke, in zuiveren staat, wellicht
+het meest sympathieke bestanddeel van den Britschen humor <span class="pagenum"><a name="p216" id="p216"></a>[p.216]</span> vormt.
+D&igrave;ckens h&agrave;d dien zuiveren "drogen" en gevoeligen&mdash;schoon soms ietwat
+sentimenteelen&mdash;humor, en dan nog onvergelijkelijk rijk omgloeid door
+verrukkelijke stemmingsatmosfeeren van goudelende duisternissen, een
+clairobscur van sterrig vonkelenden avondhemel. Kipling heeft, hoewel
+oneindig zwakker, dien humor eveneens, m&aacute;&aacute;r&mdash;met een dosis en een soort
+van pocherige gewikstheid in sommige zijner producten, welke die voor
+een niet-imperialistischen en niet-chauvinistischen lezer al te zwaar
+verteerbaar maakt; in G.K. Chesterton heeft diezelfde humor, zich
+verfijnend, zijn hoogtepunt bereikt in het vuurwerk-knetterend en
+vonkenspattend <i>paradoxale,</i> en onze London eindelijk heeft iets van
+alle drie: het blufferig-gewikste uit zich bij hem langs een omweg op
+eene beminnelijke, kinderlijk-na&iuml;eve manier, <i>waarover ik in het
+volgende artikel zal spreken</i>; de naar het <i>paradoxale</i> neigende
+geestigheid doet zich kond, zoowel in een drang om zijn beeldingen een
+<i>woord-puntig</i> en met het gebeelde <i>contrasteerend</i> karakter te geven,
+als ook wellicht in een schoone, zuiver-artistieke "voorliefde voor het
+verduidelijken zijner voorstellingen door inconventioneele, of althans
+zelf-h&eacute;rvonden, en in den nieuwen samenhang inconventioneel w&ograve;rdende
+vergelijkingen; en den "drogen" humor, uit de koele Engelsche
+zelfbeheersching geboren, toont hij vooral in den <i>toon</i> zijner
+dialogen.</p>
+
+<p>Ziehier een staaltje van zijn "beeldvorming," zijn scheppen van
+vergelijkingen:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Zij trokken voort zonder spreken, hun adem sparend voor het werk
+hunner lichamen. Aan alle kanten drukte de stilte op hen als een
+tastbare tegenwoordigheid. Zij werkte op hun geest, <i>zooals de vele
+atmosfeeren in diep water drukken op het lichaam van den duiker</i>.
+Zij verpletterde hen onder het gewicht van haar oneindige
+uitgestrektheid en onveranderlijke eenvormigheid. Zij verpletterde
+hen tot in de diepste diepten van hun gemoed, en perste uit
+hen&mdash;<i>als sap uit de druiven</i>&mdash;al het <i>vuur en de opgewondenheid,
+al de zelfoverschatting der menschelijke ziel, tot zij begrepen hoe
+oneindig klein en onbeteekenend zij waren, stippen en atomen, zich
+met weinig sluwheid en gering verstand bewegend, temidden van het
+spel der groote, blinde elementen en natuurkrachten</i>.</p></div>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p217" id="p217"></a>[p.217]</span> Hier bevinden zich na elkaar in &eacute;&eacute;n klein stukje een
+inconventioneel en een vrijwel "afgezaagd" beeld. Het inconventioneele
+en z&eacute;&eacute;r treffende beeld is dat van de "vele atmosfeeren"; het afgezaagde
+dat van "als sap uit de druiven." Van den wijn uit di&eacute; druiven geperst,
+is Noach al dronken geworden! Maar oud als de vergelijking is, vinden
+wij haar toch schoon, omdat zij&mdash;zie het <i>derde</i> cursief&mdash;in eene
+lentekleurigheid van frissche gedachten uitrankt, want inderdaad: zulk
+een vergelijking is wel als een heel oude stam, maar tevens als zulk een
+waaraan de scheppende ziel van een nieuwe lente groenende knoppen doet
+botten. Met een <i>echt-rethorisch</i> beeld is dat n&oacute;&oacute;it het geval; <i>daar
+bloesemt niets uit</i>; dat is maar het droge hout, dat een auteur zelf
+levert, om er de doodkist voor zijn werk van te timmeren....&mdash;</p>
+
+<p>Ten slotte nu een kort voorbeeld van den "drogen"-humorrijken dialoog.
+(Nadat in vorige nachten reeds een paar honden door een wolvin zijn
+weggelokt, heeft Bill ze nu zoodanig aan stokken en riemen vastgelegd,
+dat ze niet kunnen wegloopen, en daarbij met nadruk verzekerd, dat hij
+den volgenden dag geen koffie zou drinken, zoo er toch een verdwenen zou
+zijn.)</p>
+
+<div class="blockquot"><p>'s Morgens porde Henri het vuur op en maakte het ontbijt gereed,
+begeleid door het gesnurk van zijn kameraad.</p>
+
+<p>"Je sliep zoo lekker," vertelde Henri hem, toen hij hem wekte voor
+het ontbijt. "Ik had niet den moed je te roepen."</p>
+
+<p>Bill begon slaperig te eten. Hij zag dat zijn kopje leeg was en
+stak zijn arm uit naar de koffiekan. Maar de kan stond buiten zijn
+bereik naast Henri.</p>
+
+<p>"Zeg Henri," zei hij vriendelijk, "heb je niet iets vergeten?"</p>
+
+<p>Henri keek met de grootste aandacht om zich heen en schudde het
+hoofd. Bill hield zijn leeg kopje in de hoogte.</p>
+
+<p>"Je krijgt geen koffie, Bill."</p>
+
+<p>"Heb je niet meer?" vroeg Bill haastig.</p>
+
+<p>"Ja."</p>
+
+<p>"Ben je bang dat ze niet goed is voor mijn spijsvertering?"</p>
+
+<p>"Neen."</p>
+
+<p>Een kleur van drift kwam in Bills gezicht.</p>
+
+<p>"Dan zou ik wel eens willen weten...."</p>
+
+<p>"Spanker is weg."</p></div>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p218" id="p218"></a>[p.218]</span> Mij dunkt, zelfs in dit kleine stukje zult ge hebben gemerkt,
+wat ik bedoelde met dien drogen humor in den toon van den dialoog. En nu
+eindigen wij meteen voor dezen keer. De volgende maal over: het
+compositorisch-zonderlinge van het <i>Eerste Deel</i> in het geheel van het
+werk en de oorzaak daarvan, in verband met zekere karaktertrekken van
+London's schrijversfiguur.&mdash;</p>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<h3>III</h3>
+
+<h5><i>Het compositorisch-zonderlinge van het "Eerste Deel", in verband met
+zekere karaktertrekken van London's schrijversfiguur</i>.</h5>
+
+
+<p>Sluit de oogen en verbeeld je eens fel en heftig, dat ge Sancho Panza
+zijt. Het zal je, dunkt mij, niet moeielijk vallen, want, ten eerste,
+hebt ge ongetwijfeld wel eens den onsterfelijken <i>Don Quichot</i>, het
+meesterwerk van Cervantes, gelezen, en ten tweede: als ik niet zeker
+wist, dat ge de schildknaap eens edelen en drakenbekampenden ridders
+zijt, dan sprak ik niet eens tot je, want ik vond je geen knip voor den
+neus waard! Je kijkt me verbaasd aan: "ik de schildknaap eens
+drakenbekampenden ridders?" Maar ik antwoord je kalmpjes weder: ja
+zeker, jongelief, want <i>dien je dan soms het socialisme niet</i>? Dat je
+met zwarte handen en gezicht alle dagen voor de schijf zit, dat is maar
+nietswaardige en onwerkelijke schijn, zooals ook de dwaasheid en de
+"droevige figuur" van Don Quichot maar voorbijgaande schijn waren; maar
+dat je ziel in rood en hemelsblauw gekleed gaat gelijk het een
+schildknaap van den Dagenden Tijd betaamt, dat is, mag ik vertrouwen, de
+werkelijkheid, zooals ook de adeldom en de haat tegen onderdrukking,
+gemeenheid en roof, in Don Quichot de werkelijkheid waren.&mdash;Sluit de
+oogen, herhaal ik dus met hypnotischen nadruk; ik z&egrave;g je, je b&egrave;nt Sancho
+Panza, je zit voor den rijkgedekten tafel op het door je-zelf
+bestadhouderd eiland, je tast toe ... ai! wat is dat?! Nauwelijks heb je
+'n hapje gegeten, nauwelijks heb je gedacht: wat <span class="pagenum"><a name="p219" id="p219"></a>[p.219]</span> smaakt dat eten
+heerlijk, of de schotel wordt je uit de handen gegrist ....&mdash;Open nu
+weer je oogen, beveel ik, en ga <i>Pittah</i> lezen; je hebt de eerste drie
+hoofdstukken van het boek genoten&mdash;&eacute;&eacute;n hapje van den schotel gegeten&mdash;je
+vind ze prettig, gezellig en boeiend, en ... ziedaar ... w&egrave;g is plots
+het verhaal van Harry en Fort M'Gurry! Je vork, gretig omlaag prikkend,
+vindt een heel ander gerecht....&mdash;Welnu, beste vrienden, met deze
+modernisatie van Sancho's spijtig avontuur is meteen het
+compositorisch-zonderlinge van <i>Pittah's</i> "Eerste Deel" aangewezen, de
+<i>diepe breuk</i> in de samenstelling van het boek blootgelegd. Laat mij
+pogen dit alles nu even door bewijsvoering te verduidelijken. De eerste
+drie hoofdstukken verhalen van de lotgevallen en de daden van menschen
+en dieren, en vele van de latere hoofdstukken doen hetzelfde, maar de
+eerste drie doen het op een <i>heel andere manier</i> dan de latere. In de
+eerste drie is de verhaaltrant z&oacute;&oacute;, dat wij, zooals we tot nu toe bij de
+lezing van alle mogelijke werken gewend waren, nagenoeg heel onze
+belangstelling m&ograve;esten concentreeren op de menschen en slechts een klein
+overschotje dier belangstelling op de dieren; in de latere is precies
+het tegenovergestelde het geval. <i>Aanvankelijk</i> denken wij een verhaal
+over zekere <i>menschen</i> te gaan lezen, waarin, gelijk in zoovele boeken,
+die reisbeschrijvingen of jachtverhalen bevatten, de <i>dieren</i> wel een
+<i>vrij gewichtige</i> rol vervullen, maar de <i>hoofdrol allerminst</i>; hebben
+wij echter het "<i>Eerste Deel</i>" achter den rug, dan merken we plots dat
+"de rollen zijn omgekeerd." Of sterker en nog meer naar waarheid gezegd:
+eerst zijn de dieren het decor en de menschen de spelers, later zijn de
+dieren de spelers en de menschen het decor. En met zulk eene
+geringschatting wordt van dan af het menschelijk materiaal door den
+auteur beschouwd, dat hij de menschfiguren ook daar waar zij als
+<i>spelers</i> optraden, <i>achteraf</i> als <i>d&eacute;cor</i> behandelt, zoodat je tot je
+hevige verwondering&mdash;die dan ook helaas de lezing van het boek overleeft
+en als iets hinderlijks met je schoonste herinneringen er aan blijft
+vermengd&mdash;nooit meer &eacute;&eacute;n syllabe hoort van Harry of de mannen, die hem
+redden. Ah! denk je spijtig en gekwetst: voor het verdere verloop van
+het spel is het kasteel <span class="pagenum"><a name="p220" id="p220"></a>[p.220]</span> Weedon-Scott<a name="FNanchor_6_45" id="FNanchor_6_45"></a><a href="#Footnote_6_45" class="fnanchor">[6]</a> noodig, nu wordt in de
+pauze de brug-Harry door de tooneelknechts op rollen weggeschoven en
+achter de coulissen gebracht ....&mdash;En het gezicht dezer plots
+openscheurende breuk tusschen het "<i>Eerste Deel</i>" en de latere
+hoofdstukken schokt den aanschouwer zoo hevig, dat onze hongerige Sancho
+Panza nauwelijks meer verbaasd en ontstemd kan zijn geweest, toen hem
+voor zijn neus zijn bord werd weggekaapt. Maar deze &eacute;&eacute;ne oorzaak van
+ontstemming in den lezer is in werkelijkheid door drie factoren gevormd.
+Ten eerste: het gevoel, alsof men drie hoofdstukken lang voor de mal is
+gehouden, 't geen niet zoo heel kort voor een "gijntje" is! Ten tweede:
+de omstandigheid dat breuklooze eenheid in den voedingsbodem elk
+aesthetisch genotsgevoel zijn voornaamste voedsel en kracht geeft,
+verbrokkeling daarentegen van dien bodem het verschrompelen doet. Ten
+derde: dat de <i>mensch</i> in den lezer het nooit verdraagt, de
+<i>menschelijkheid</i> in een boek <i>achteruitgeschoven</i> te zien voor iets
+anders. <i>Desnoods</i> heeft hij er vrede mee, dat zij van den <i>aanvang</i> af,
+v&oacute;&oacute;r zijn aandacht in het geding kwam, aan iets anders ondergeschikt
+werd gemaakt, mits dat andere hem dan maar hevig boeit; maar hare
+vernedering onder <i>zijne oogen</i>, in <i>zijn bijzijn</i> duldt hij niet. Eens
+zijne belangstelling gewekt door menschelijkheid op een zeker plan van
+het werk, eischt hij onverbiddelijk, dat die menschelijkheid minstens op
+d&agrave;t plan gehandhaafd blijft en zeker vergeeft hij niet, dat, zooals hier
+met Harry e.s. gebeurt, zij wordt weggebezemd en weggespoeld naar een
+ondergrondsch gootje. Want gebeurt dit wel, dan vindt hij den schrijver
+ook een beetje <i>kinderachtig</i>, dat is: niet ernstig en met slechts
+weinig verantwoordelijkheidsgevoel, en tevens acht hij zijn daad een
+gevolg van een tekortkoming in zijn talent. Waarmee hij gelijk heeft,
+ook hier. En daarmede ben ik van zelf aan het punt gekomen, waarop het
+mij mogelijk is, te doen wat ik in mijn vorig artikel beloofde: te
+spreken over "zekere karaktertrekken van London's schrijversfiguur" en
+over <span class="pagenum"><a name="p221" id="p221"></a>[p.221]</span> de "beminnelijke, kinderlijk-na&iuml;eve manier," waarop zich
+bij hem "het blufferig-gewikste langs een omweg uit." Welnu: London
+is&mdash;te oordeelen ook naar andere werken, die ik van hem las, <i>De
+Zeewolf</i> en <i>Elam Harnish</i><a name="FNanchor_7_46" id="FNanchor_7_46"></a><a href="#Footnote_7_46" class="fnanchor">[7]</a>&mdash;nooit een werkelijk en groot
+<i>menschenschepper</i> geweest. En houdt men dit in het oog, dan begrijpt
+men tevens, hoe hij tot zoo zonderlinge en foutieve compositie als de
+door mij gewraakte kwam. Want ware hij waarlijk een groot
+menschenschepper geweest, dan had hij ook die wijd-omvattende,
+onpersoonlijke <i>menschheidsliefde</i> moeten bezitten, die voor zulk een
+volstrekt onmisbaar is, en h&agrave;dde hij die liefde bezeten, dan zou hij ook
+<i>nooit</i> het element <i>menschelijkheid</i> in zijn werk op zoo
+onbewust-<i>geringschattende</i> wijze hebben kunnen behandelen als hij
+deed.&mdash;Maar na dit te hebben gezegd, zie ik wel aan jelui jong-open
+schildknapen-gezichten, dat je 't nog heelemaal niet met mij eens zijt
+en in je zelf denkt: "En die prachtig-machtige figuren van <i>Wolf Larsen</i>
+en <i>Elam Harnish</i>, die u-zelf daar noemde, meneer v.C?" En ik antwoord:
+beste vrienden, juist aan <i>die twee figuren zie ik, dat hij geen
+menschenschepper is</i>; dat hij niet zoo zeer een beminnaar van
+<i>menschelijkheid</i> is als wel een beminnaar van &eacute;&eacute;ne menschelijke
+eigenschap, die der <i>kracht</i>, der <i>geestelijke en lichamelijke</i> kracht.
+Hij schept geen grooten <i>mensch</i>, maar hij <i>personifieert</i> groote
+<i>kracht</i>, zulk eene die zoo groot is, dat zij <i>hero&iuml;sche</i> afmetingen
+heeft aangenomen. De capaciteit aldus eene eigenschap te personifieeren,
+is geen geringe; zij vooronderstelt in den bezitter-zelf hero&iuml;sche
+kracht. Alleen: het is de kracht van den grooten menschenschepper niet,
+want deze doet met alle of vele eigenschappen der menschelijke ziel, wat
+gene slechts met een enkele doet. De menschenschepper van hero&iuml;eken
+aanleg schept een <i>Mensch</i>, die toch een mensch is, d.w.z. een
+<i>veel</i>-zijdigen Mensch, gelijk ook elke wiensch immers voor <span class="pagenum"><a name="p222" id="p222"></a>[p.222]</span> den
+liefdevollen begrijper veelzijdig zal blijken; een geniaal schrijver van
+hero&iuml;eken aanleg, die echter geen menschenschepper is, als London,
+schept daarentegen een eewzijdige personificatie. Een Balzac schept
+Menschen, een London <i>goden</i>&mdash;goden, dat wil immers ook zeggen:
+volstrekt- of relatief-<i>eenzijdige personificaties</i> van menschelijke of
+natuur-krachten&mdash;en wat het aardige en <i>kenschetsende</i> is: onmiddellijk,
+van hun geboorte af, worden die goden z&igrave;jn afgoden tevens! En ziedaar:
+nu heeft ons meteen ons eigen pad naar het "omwegje" geleid, waarop "het
+blufferig-gewikste zich op beminnelijke en na&iuml;eve wijze bij London uit."
+Na&iuml;ef en beminnelijk&mdash;zeker: London is, niet zoo grof, voor eigen
+persoonlijke kracht te knielen; evenmin zoo dwaas, de kracht,
+gewikstheid en onoverwinnelijkheid en al dergelijk fraais juist het
+volk, waarvan hij een zoon is, bij uitsluiting van alle andere naties
+toe te kennen. Neen, hij heeft de <i>beminnelijke en kinderlijke
+na&iuml;veteit</i> van den <i>primitieven</i> en <b>godenscheppenden</b> <i>mensch</i>. Hij
+vindt kracht en <i>ietwat blufferig vertoon ervan</i> nu eenmaal
+verrukkelijk&mdash;ook in het booze, en hij schept zich een waarlijk
+vorstelijken <i>Duivel</i>: Wolf Larsen, en knielt voor hem. Hij vindt
+kracht, gepaard aan een soort van <i>hero&iuml;sche, bovenmenschelijke
+gewikstheid</i> nu eenmaal pr&agrave;chtig&mdash;ook in het goede, en hij schept zich
+een snelvoetigen handelsgod, een <i>Mercurius</i>, met de vuisten en de
+gewelddadigheid van een <i>Mars</i>&mdash;maar hoe deze twee dan ook in
+werkelijkheid &eacute;&eacute;n zijn, heeft ons niets zoo goed als d&egrave;ze tijd
+geleerd!&mdash;: <i>Elam Harnish</i>. Hij vindt kracht mooi&mdash;ook in der dieren
+sfeer, en ziedaar: hij schept Pit-tah, den <i>Heroischen Hond</i>! Maar zoo
+werd wat <i>zijn zwakheid in dit boek is</i> tevens <i>zijn sterkte erin</i>: wijl
+hij geen groot en werkelijk menschenschepper is, was hij in staat z&oacute;&oacute;
+beslist en voor zoo langen tijd zijn blik van <i>de menschen af te
+wenden</i>, en omdat hij een verheerlijker van de kracht is, spoorde dit
+mede hem aan zoo liefdevol het dier te bezien, dat hij gevoelde tot
+<i>haar</i> levend Beeld te kunnen maken.&mdash;En nu ten slotte: dat hij knielt
+voor alle drie, &egrave;n voor <i>Larsen</i> &egrave;n voor <i>Harnish</i>, &egrave;n voor <i>Pittah</i>
+niet minder, en ze bewonderend zit te bekijken dag na dag en van den
+ochtend tot den avond, d&aacute;&aacute;rin kunt <span class="pagenum"><a name="p223" id="p223"></a>[p.223]</span> ge een bewijs te meer zien,
+zoo ge dit nog behoeft, dat zijn eigenlijke aard niet die eens
+menschenscheppers is. Die is minnaar maar tevens <i>beheerscher</i> van zijn
+wereld. Hij leeft wel <i>er in</i>, maar tevens <i>er boven.</i> Ook London heeft
+zijn wereld lief en leeft erin, maar haar <i>beheerscher</i> voelt hij zich
+<i>niet</i>. Hij is er niet "tevens <i>boven</i>," maar integendeel: er tevens
+<i>beneden</i>: hij kijkt er tegen <i>op</i>.&mdash;Hiermede meen ik nu mijn
+tweevoudige belofte te hebben vervuld. En een echt "verkwistende
+diamantbewerker" als ik nu eenmaal ben, ga ik, na mijn eenen schuld te
+hebben afgelost, onmiddellijk een tweeden aan: in nog een of twee
+artikelen zullen wij het nu verder onverdeeld-prachtige Pittah, naar ik
+mag hopen weder genietend bezien.</p>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<h3>IV</h3>
+
+<h5><i>De soort en hoedanigheden der psychologie. De dramatiek</i>.</h5>
+
+
+<p>Gelijk London als schepper van eenzijdige personificaties als ware 't
+een overgangsvorm vertegenwoordigt tusschen den van allen
+figuur-scheppenden aanleg ontblooten schrijveren den grooten
+menschenschepper, zoo blijkt ook in verreweg het grootste deel van zijn
+zielkundigen arbeid in ons boek, zijne psychologie tot wat men eene
+tusschensoort zou kunnen noemen te behooren. Men kan namelijk m.i. alle
+in literair figuurscheppend kunstwerk voorkomende psychologie naar hare
+herkomst in drie groepen verdeelen; met andere woorden: er blijkt ons,
+dat psychologisch begrijpen op drie hoofdwijzen mogelijk is. Die, welke
+wij de eerste wijze zullen heeten, omdat zij de schoonste en machtigste
+want meest omvattende is, is de <i>intu&iuml;tieve</i>: het begrijpen uit het
+onbewuste; het begrijpen zonder bewuste poging daartoe; de <i>ontvangenis</i>
+van het <i>inzicht</i> als een <i>geschonken</i> openbaring. Deze wijze van
+psychologisch doorgronden, zij moge als <i>intermitteerende</i> gave ook geen
+enkelen der kleinere kunstenaars onbekend zijn, is toch, als eene
+<i>geheel</i> het werk karakteriseerende eigenschap, slechts bij de
+allergrootsten te vinden. Zoo mocht dan ook Balzac haar de zijne noemen,
+en ik <span class="pagenum"><a name="p224" id="p224"></a>[p.224]</span> spreek u juist van hem, eerder dan van een zijner
+evenknie&euml;n, omdat niet alleen uit zijn w&egrave;rk blijkt, dat bij op d&egrave;ze
+wijze psychologisch-begreep, maar hij ook heeft medegedeeld, dat en hoe
+hij 't vermogen daartoe bezat. Ik doel hier op eenige weinige, maar veel
+van hetgeen ik hier zei practisch toelichtende woorden uit zijn <i>Facino
+Cane</i>, en 't zij mij veroorloofd de vertaling daarvan even uit mijn
+eersten bundel <i>Over Literatuur</i> over te schrijven:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Bij mij was het <i>opmerken intu&iuml;tief geworden</i>,<a name="FNanchor_8_47" id="FNanchor_8_47"></a><a href="#Footnote_8_47" class="fnanchor">[8]</a> het drong door
+tot in de ziel zonder het lichaam te verwaarloozen, of beter
+gezegd: het doorgrondde zoo goed de uiterlijke d&eacute;tails, dat het ook
+onmiddellijk hun keerzijde begreep; het gaf mij het vermogen zelf
+het leven van het individu te leven, met wien het zich bezighield,
+door mij te veroorloven mij in zijn plaats te stellen, zooals de
+derwisch der Duizend en een Nacht lichaam en ziel aannam der
+personen over wie hij zijn tooverformulier uitsprak.</p></div>
+
+<p>Noemde ik deze wijze de schoonste en machtigste, de daaraan
+tegengestelde is niet slechts haar contrast, omdat zij de minst machtige
+van de drie is, maar vooral wijl zij die van het <i>bewust</i>-begrijpen is,
+het <i>eindelijk-bereiken</i> van het inzicht na vele <i>wel-bewuste pogingen</i>
+daartoe, en dus <i>niet</i> de <i>ontvangenis</i> van het inzicht maar de
+<i>verovering</i> ervan. Bij de eerste is zien en begrijpen &eacute;&eacute;n&mdash;hoe goed
+teekent Balzac het <i>plotse</i> en <i>wonderlijke</i> gebeuren ervan als hij
+zegt: "zooals de derwisch <i>lichaam en ziel</i> aannam der personen over wie
+hij <i>zijn tooverformulier uitsprak"</i>&mdash;bij de tweede ontstaat het
+begrijpen pas uit een min of meer langdurig denkproces; bij de eerste
+<i>wordt</i> de psycholoog degeen dien hij begrijpt: hij begrijpt dien ander
+uit dien <i>ander</i>-zelf; bij de laatste <i>vergelijkt</i> de psycholoog
+dengeen, dien hij wil begrijpen, met zichzelf en begrijpt dien
+ander&mdash;natuurlijk veel minder volkomen&mdash;uit <i>zich</i>-zelf. En nu is het
+zeer opmerkelijk te zien, hoe ook hier weer de wijze, welke tusschen
+deze beide ligt, die van London is: hij doet als eerste van een zekere
+reeks psychologische inzichten vaak eene <i>intu&iuml;tieve</i> vondst, maar dan
+houdt weer voor een wijl alle intu&iuml;tie bij hem op <span class="pagenum"><a name="p225" id="p225"></a>[p.225]</span> en op dien
+eenen intu&iuml;tieven grondslag bouwt hij dan vervolgens, aldoor
+klaarblijkelijk puttend uit vergelijking met eigen psychische werkingen
+en uit wat hem van elders uit de zielkundige behandeling van een
+<i>soortgelijk</i> onderwerp bekend is, zijne verdere inzichten op, en dat
+soms in een betoogachtigen trant, die levendig herinnert aan de
+werkwijze der wijsgeerige logica: <i>daar</i> als premisse: het axioma;
+<i>hier</i> als premisse: het intu&iuml;tieve inzicht.&mdash;</p>
+
+<p>Zoo is het psychologisch doorgronden, dat het jonge wolfje den ingang
+van het hol als "een <i>muur</i> van witheid" ziet,<a name="FNanchor_9_48" id="FNanchor_9_48"></a><a href="#Footnote_9_48" class="fnanchor">[9]</a> een geniale en
+intu&iuml;tieve vondst, maar bijna al het overige wat, in verband daarmede en
+buiten dat verband, over het zich ontwikkelende bewustzijn van het jonge
+wolfje wordt vert&egrave;ld, is een naar de sfeer van het <i>dierleven
+overgebracht</i> stuk psychisch <i>menschen</i>leven, zooals men zich dat altijd
+heeft voorgesteld te zijn in de allereerste maanden, de
+zuigelingmaanden, der ontwikkeling. Er treft hier niets als een geniale
+vondst, die je een schok van bewondering zou geven, maar men wordt eene
+koele schoonheid van geleidelijke ontplooiing gewaar, waarin men zich
+kalm vermeit. En zoodra men terdege zijne gevoelens ontleedt, dan merkt
+men, dat men wel bij eene vondst, als die van den "muur van witheid,"
+het trillende en emotionneerende mooi der <i>intu&iuml;tieve psychologie</i> heeft
+ontmoet&mdash;bewonderenswaardig &egrave;n door haar adelaargelijke, bliksemsnelle
+<i>manier</i> van ontdekken &egrave;n door <i>wat</i> zij ontdekt&mdash;maar bij al dat andere
+niet anders heeft genoten dan de strakke schoonheid van het <i>logisch
+denken</i>, en wel die bepaalde soort ervan, welke men het logisch
+h&egrave;r-denken zou kunnen noemen, dat niet schoon is door het vreemde, het
+nieuwe, het bijzondere van wat het vindt, maar louter door zijn <i>wezen</i>
+van logisch-denken-<i>zelf</i>; zooals voor een dalbewoner, die met een
+verrekijker gewapend, een bergbestijger naoogt, die bergbestijger niet
+schoon is door de schoonheid van den berg dien hij bestijgt, maar door
+het menschelijk mooi van moed, lenigheid, spierkracht, en zekerheid, dat
+tot zijn wezen behoort en zich toont in zijn <i>gang</i> en <i>houding</i>. En als
+<span class="pagenum"><a name="p226" id="p226"></a>[p.226]</span> ge nu eens goed en duidelijk het onderscheid wilt voelen&mdash;ik
+h&oacute;&oacute;p althans, dat ge 't zult k&ugrave;nnen&mdash;tusschen het schokkende,
+overstelpende schoon der <i>intu&iuml;tief</i>-psychologische <i>vondst</i> en het
+kalme, zich geleidelijk ontplooiende mooi der <i>logische redenatie</i>, die
+een <i>psychologisch verhandelinkje</i> ten beste geeft, dan moet ge even het
+einde van blz. 48 en het begin van 49 lezen. Ziehier (het wolfje
+staat&mdash;op het punt van in zijns moeders afwezigheid het hol te
+verlaten&mdash;in den "muur van witheid", in den uitgang):</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Een groote vrees bekroop hem. Dat was nog meer van het vreeselijke
+onbekende. Hij hurkte neer op het uiterste randje van het hol en
+keek de wereld in. Hij was erg bang. Omdat het hem vreemd was, leek
+het hem een gevaar. Daarom stond zijn haar op zijn rug overeind en
+trok hij zijn lippen op in een poging tot een woest en
+vreesaanjagend gegrom. <i>Uit kleinheid en angst daagde hij de heele,
+wijde wereld dreigend uit</i>.</p></div>
+
+<p>Hebt ge goed op dit stukje, hebt ge vooral goed op den door mij
+gecursiveerden zin gelet? Op dat levende en levendige psychologisch
+besef &egrave;n besef van verhouding? <i>Trof</i> u niet die laatste zin vooral, als
+eene schitterende vondst, &egrave;n in doorgronding &egrave;n in zegging...?&mdash;Lees
+nu even verder, een enkelen regel maar:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Er gebeurde niets.</p>
+
+
+<p>Hij bleef kijken en in zijn belangstelling vergat hij te grommen.
+Hij vergat ook bang te zijn. <i>Vrees was tegelijk door Groei
+overwonnen, terwijl Groei den vorm van Nieuwsgierigheid had
+aangenomen.</i><a name="FNanchor_10_49" id="FNanchor_10_49"></a><a href="#Footnote_10_49" class="fnanchor">[10]</a></p></div>
+
+<p>Dit laatste, niet waar, is louter het koeler mooi van het scherpzinnig
+logisch-psychologisch verhandelen; de toon is interessant-doceerend en
+gij-zelf komt in een staat van leerling-gewillig mooi-vinden. Deze
+regels zijn dan ook voortzetting en slot van het een bladzij vroeger
+gehouden betoogje: hoe "instinct en wet gehoorzaamheid van hem eischen,"
+maar "de Groei, ongehoorzaamheid," zijn moeder en Vrees hem terughouden
+<span class="pagenum"><a name="p227" id="p227"></a>[p.227]</span> van den "witten muur" en Groei daarentegen hem erheen drijft. En toch,
+door uw koeler mooivinden heen voelt ge een warmer genot aanluwen: ja,
+ziet ge, zooals ik reeds zei, ge hebt wel die ontleding der eerste
+ontwikkelingsverschijnselen van het bewustzijn al zoo dikwijls gehoord,
+maar wat ge nooit hadt gehoord of gelezen, is wat de schrijver hier
+ermee doet: die ontleding toepassen op het bewustzijn van het <i>dier</i>.
+Dit nieuwe, dit gewaagde en geslaagde nieuwe is het dat er die warmer,
+die inniger bekoring aan geeft. Onze kunstenaar modelleert hier het
+kostbare en zware kleed van oude logische schoonheid tot het
+verrukkelijk past om de statuur van een nieuwen drager: een nieuw
+<i>gegeven</i>....&mdash;Anders gezegd: de <i>belichtende</i> zon is helaas niet uit
+zijn scheppershanden gekomen, maar de nieuwe vruchtvari&euml;teit, die ge
+ziet rijpen in 't licht, dankt wel degelijk aan zijn hovenierschap haar
+ontstaan....&mdash;</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Maar dan: heel dat koel docent- en verhandelaarsachtige verliest London,
+zoodra hij gelegenheid krijgt zijne waarlijk-geweldige <i>dramatische</i>
+kracht in 't spel te brengen; dan vergeet hij alles wat door anderen
+geleerd is omtrent mensch- of dier-psychologie. Hij wordt de <i>geniale
+ontdekker</i> en de <i>stralend-levende</i> beelder. Zie hem de <i>sexueele</i>
+liefde dramatisch behandelen: het gevecht tusschen de drie
+mannetjes-wolven om het wijfje. Hoe is hier alles leven en
+waarachtigheid, in dien hoogen zin, dat het leven er zich in een nieuwer
+en smetteloozer glans van waarheid ont-dekt; hoe krijgt hier het
+vluchtig, hartstochtelijk en spannend moment een aspect van statig
+eeuwigheidsleven, doordat de diepste grond der sentimenten wordt gezien.
+Hier wordt niet geredeneerd, niet verhandeld; elke observatie van den
+auteur is raak, want <i>intu&iuml;tief</i> en bliksem-hel door hem zelf gezien,
+z&oacute;&oacute; gezien, dat in het uiterlijkheidsleven het innerlijk ligt onthuld.
+Het is de waarlijk-l&egrave;vende, sch&egrave;ppende psychologie, die geen <i>spraak</i>
+behoeft, omdat zij zichzelf <i>beeldt</i>; die geen logische denkmanier heeft
+van noode, omdat zij de spontane logica, de logiek van het
+natuurleven-z&egrave;lf is....</p>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p228" id="p228"></a>[p.228]</span> Zie eens den ouden wolf in zijn <i>ervaringswijsheid</i> gebruik
+maken van het oogenblik, dat zijn nog overgebleven jonge mededinger hem
+onachtzaam de onbeschermde bocht van zijn hals toewendt, om in &eacute;&eacute;n
+scheurenden ruk den grooten slagader door te bijten; zie de wolvin,
+<i>gevleid</i> door het haar huldigende doodelijke minnespel "<i>lachend</i>"
+zitten toekijken op het besneeuwde veld.... En is het u niet bij die en
+de vele dergelijke tooneelen of op de u woest voorbij gezwaaide toorts
+der <i>dramatiek</i> nu waarlijk de <i>vlam</i> der <i>psychologie</i> de verre
+duisters doorschicht?</p>
+
+<p>Let ook op de dramatiek der ouder- en kinder-liefde: de moeder roovend
+de jongen uit het hol van de lynx, om in den tijd van hongersnood haar
+nog overlevend wolfje te voeden; het gevecht met de lynx; of Pittah na
+'n jaar zijn moeder weer ontmoetend: hij springt haar vroolijk tegemoet,
+zij&mdash;een wolfmoeder vergeet haar jongen van een vorig jaar&mdash;herkent hem
+niet meer en haalt hem vinnig den kop open. Lees, bij het allereerste
+ontstaan van het jacht-instinct bij het jonge wolfje, zijn avonturen op
+den eersten dag: na en nog midden-in al het docentachtige, geleerde
+verhandelen over de eerste ontwikkelingsgang in het diertje, wordt door
+de <i>dramatische spanning</i> van het door den <i>kunstenaar</i> London gebeelde
+gebeuren, ook de kunstenaar in den <i>psycholoog</i> London gewekt: het vecht
+en moord-genot in volle hevigheid van trillend leven in de ziel van het
+wolfje voelt ge na: als hij het nest met de jonge vogels vindt, ze
+verslindt en daarna den kamp met het moeder-sneeuwhoen onderstaat; zijn
+schrik en zijn begrijpen van wat dit ook hem te leeren heeft, als hij
+een "gevederde pijl", een havik, ziet neerschieten, het sneeuwhoen
+grijpen en met het angstkrijschende dier in de klauwen opwaarts vliegen;
+met nog op het einde dier magnifieke eerste-dag-episode, die sc&egrave;ne van
+moederliefde, als de wolvin haar kind, dat dreigt door een wezel te
+worden doodgebeten, nog net bijtijds redt.&mdash;Bedenk ook wat een
+prachtig-gave dramatiek en dus ook <i>dramatisch</i> zich uiten de
+<i>psychologie</i> aan den dag treedt in dat tooneel tusschen den ouden wolf
+E&eacute;noog, verscholen achter pijnboomen, de lynx en het stekelvarken:</p>
+
+<div class="blockquot"><p><span class="pagenum"><a name="p229" id="p229"></a>[p.229]</span> Een half uur verliep&mdash;een uur&mdash;en er gebeurde niets. De
+stekelbal had, wat onbewegelijkheid betreft, best van steen kunnen
+zijn, de lynx van marmer; en de oude E&eacute;noog had een dood dier
+kunnen wezen. En toch waren de drie dieren vol intense spanning en
+nooit waren zij meer levend geweest dan toen zij dood schenen.</p>
+
+<p>E&eacute;noog bewoog zich eventjes en staarde met toenemende spanning. Er
+gebeurde iets. Het stekelvarken had eindelijk geloofd dat zijn
+vijand was weggegaan. Langzaam, voorzichtig ontrolde het zijn
+ondoordringbare wapenrusting&mdash;geen kwaad vermoedende.</p></div>
+
+<p>Of let eens op heel dat hartstocht- en conflict-volle leven van Pittah
+te midden der hem vijandige jonge honden in het Indianenkamp, en later
+onder de tyrannie van den half-krankzinnigen, gedegenereerden "Mooien
+Smit." Het is geen toeval dat juist de dramatiek in dit boek den
+<i>levenden</i> en <i>oorspronkelijken</i> dierpsycholoog London pas in zijn
+<i>volle</i> kracht doet verschijnen. <i>Handeling</i> van het dier lijkt ons
+immers wel de eenige toegangspoort, waardoor wij tot zijn ziel kunnen
+geraken, en wanneer die handeling culmineert in het <i>conflict</i>, staat
+die poort wel het wijdst open. En dus, zoodra we dit bedenken, vergeven
+we onzen schrijver graag, dat waar de felle, aan conflicten rijke
+handeling nog ontbreekt, hij meer logische redeneeringspsychologie dan
+levende, intu&iuml;tieve zielkunde geeft. We vergeven hem, maar&mdash;vergeten
+daarom nog niet, dat <i>de m&egrave;&egrave;st geniale intu&iuml;tie geenerlei toegangspoort
+van noode heeft</i>....&mdash;.</p>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<h3>V</h3>
+
+<h5><i>De "groote lijn" in het werk</i>.</h5>
+
+
+<p>Is London's verdienste als psycholoog en dramatisch beelder van het
+dierleven dus groot, hij zou er geen aanspraak op kunnen maken, de
+grondlegger, en naast St. Mars, Chisholm e.a. een der meest beteekenende
+schrijvers van het moderne dier-epos te zijn, indien hij niet <span class="pagenum"><a name="p230" id="p230"></a>[p.230]</span>
+waarlijk in <i>Pit-tah</i> een dier-<i>epos</i> hadde gegeven; indien hij niet
+naast en doorheen de d&eacute;tails, ook de groote lijn in het oog hadde
+gehouden en, niet tevreden met losse en, zooals de Engelschman ze noemt:
+thrilling sketches uit het dierleven, een weloverwogen en, die eene fout
+welke wij vroeger hebben opgemerkt daargelaten, uitstekend gecomponeerd
+geheel had geschapen, dat opgang, middaghoogte en neergang van een leven
+omsluit; een geheel, dat ook&mdash;en dit bedoel ik vooral met "de <i>groote</i>
+lijn"&mdash;de geboorte, de stijging en den climax eener bepaalde gedachten-
+en voorstellingengroep bevat. De gedachten-en voorstellingengroep
+namelijk: hoe een natuurlijk-woest maar toch ook met liefdevollen aanleg
+begiftigd dier, door de mishandeling der menschen en omstandigheden tot
+een wezen van &ograve;nnatuurlijken en duivelschen haat vergroeit en hoe dan
+weer de psychische verwrongenheid van datzelfde dier zich effent, recht
+en opbloeit, onder den weldoenden invloed van goede menschen en gunstige
+omstandigheden. Hierdoor heeft het boek een dieperen geestelijken
+achtergrond gekregen, en men zal nimmermeer in verbeelding de vele
+kleurige en boeiende tooneelen kunnen herzien, die zich afspelen v&oacute;&oacute;r
+dien achtergrond, zonder zich dien zelf als het allerschoonste te
+herinneren. Want daar was, achter al dat wisselend en fel gebeur, een in
+den aanvang nog ijl-wazig en vaag vertoonen, een vertoonen, dat zich
+verduidelijkte al meer en meer, zoo dat het was, of elk tooneel, elke
+figuur, als in bevallig spel, v&oacute;&oacute;r te verdwijnen een lichtje neerzette
+en achter liet, tot op het eind dat ijl-wazige en vage in den glans van
+al die lichtjes hel-verklaard stond, en wij opgetogen begrepen wat het
+ons wilde zeggen, neen wat het ons meer dan gez&egrave;gd, wat het ons in en
+door al die tooneelen had <i>gebeeld</i>: zich-zelf; want d&oacute;&oacute;r heel dat
+gebeuren bleek het nu voor onze oogen stillekens te zijn gegroeid, in
+heel dat gebeuren zich langzamerhand te hebben <i>verwerkelijkt</i>, zoodat
+wij eindelijk zagen w&agrave;t het is: de voorstelling, <i>hoe en waardoor de
+liefde ook in het meest hatende wezen dringt, hoe en waardoor zij dit
+vervormt tot iets van zich-zelf, en het daarmee meteen al het hoogst
+voor hem bereikbare geluk brengt</i>.&mdash;</p>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p231" id="p231"></a>[p.231]</span> Dit karakter van ons boek: een verhaal van <b>de overwinning der
+liefde</b> te zijn, staat weliswaar in niet-prettige tegenstelling tot het,
+betrekkelijkerwijs gesproken, kleine menschscheppend talent en den
+geringen ernst, waarmede de figuur is gebeeld&mdash;de mijn-expert Weedon
+Scott&mdash;die voor Pittah de personificatie dier zijn haat overwinnende
+liefde is. Het is dan ook misschien wel het moeilijkste dat er bestaat:
+de liefde, zelfs maar eenigszins, te personifieeren, zonder een tikje
+<i>zoetelijk te worden</i>&mdash;de figuur van "Mooien Smit," den duivel van
+Pittah's hel, is dan ook beter geslaagd&mdash;maar omdat deze minder gelukte
+menschbeelding voorkomt in een dierverhaal, en het dier- en
+natuur-verhaal in onze meer-onbewuste verbeelding aan het <i>sprookje</i> is
+verwant, waarin wij, zooals van zelf spreekt, 't nooit <i>zoo nauw met de
+levenswaarheid der menschkarakters hebben genomen</i>, oefent deze
+omstandigheid zoo min als de slecht-romantische toevalligheid van de Jim
+Hall-episode op het einde, een bepaald-storenden invloed uit; en op stuk
+van zaak verh&oacute;&oacute;gen d&eacute;ze tekortkomingen misschien nog wel de bekoring van
+het verhaal, die immers over 't algemeen aan het <i>kinderlijk-aanvallige
+der na&iuml;veteit</i> niet vreemd is.&mdash;En hiermee zij dan de behandeling van
+<i>Pittah de grijze Wolf</i> be&euml;indigd.</p>
+
+
+<p class="caption">Noten:</p>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_0_39" id="Footnote_0_39"></a><a href="#FNanchor_0_39"><span class="label">[0]</span></a>: Men zie het <i>Voorwoord</i> bij het didactisch gedeelte van
+mijn eersten bundel <i>Over Literatuur</i>, mede ter verklaring van den
+gemeenzamen stijl en de moraliseerende uitweidingen in de volgende
+artikelen.&mdash;</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_40" id="Footnote_1_40"></a><a href="#FNanchor_1_40"><span class="label">[1]</span></a> Pittah, De Grijze Wolf, door Jack London, naar het Engelsen
+door S.J. Barentz-Sch&ouml;nberg.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_41" id="Footnote_2_41"></a><a href="#FNanchor_2_41"><span class="label">[2]</span></a> Een en ander heb ik indertijd in <i>Het Jonge Leven</i> aan &eacute;&eacute;n
+fabel uit het Pancatantra en &eacute;&eacute;n uit Aesopus gedemonstreerd. De
+beschikbare ruimte liet mij echter niet toe, ook hier beide verhalen te
+citeeren.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_42" id="Footnote_3_42"></a><a href="#FNanchor_3_42"><span class="label">[3]</span></a> Men zie hierover Herman Gorter's vermaarde essai: <i>Kritiek
+op de Literaire Beweging van</i> '80 <i>in Rolland</i>.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_43" id="Footnote_4_43"></a><a href="#FNanchor_4_43"><span class="label">[4]</span></a> Cursiveering van den schrijver.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_5_44" id="Footnote_5_44"></a><a href="#FNanchor_5_44"><span class="label">[5]</span></a> ibidem.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_6_45" id="Footnote_6_45"></a><a href="#FNanchor_6_45"><span class="label">[6]</span></a> De laatste meester van <i>Pittah</i>, een ingenieur, die een
+liefdevol dier van hem maakt.&mdash;</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_7_46" id="Footnote_7_46"></a><a href="#FNanchor_7_46"><span class="label">[7]</span></a> Uitsluitend in <i>Het Volk</i>, dus in vertaling, maar kon ik
+derhalve, zooals ik op blz. 213 zei, niet met <i>afdoende</i> zekerheid
+beslissen aan wien, schrijver of vertaalster, de toen gesignaleerde
+beeld- en taalmalligheden waren te wijten, het is duidelyk, dat de thans
+aangewezen schrijverseigenaardigheden onmogelijk die der vertaalster
+zouden kunnen zijn.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_8_47" id="Footnote_8_47"></a><a href="#FNanchor_8_47"><span class="label">[8]</span></a> Cursiveering ran mij.&mdash;</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_9_48" id="Footnote_9_48"></a><a href="#FNanchor_9_48"><span class="label">[9]</span></a> Cursiveering van mij.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_10_49" id="Footnote_10_49"></a><a href="#FNanchor_10_49"><span class="label">[10]</span></a> Cursiveering van mij.</p></div>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<p class="pagenum"><a name="p232" id="p232"></a>[p.232]</p>
+<h3>BEATRIJS</h3>
+<p><a name="FNanchor_1_50" id="FNanchor_1_50"></a><a href="#Footnote_1_50" class="fnanchor">[1]</a></p>
+
+
+<h4>Inleiding</h4>
+
+<h3>I</h3>
+
+
+<p>Welk een enorme sprong! Van <i>Pittah, de grijze Wolf</i>, naar&mdash;de sproke
+van <i>Beatrijs</i>.... Van den modernen Amerikaan uit het land van
+fabelachtige weelde en den ongebreidelden levenshonger der felle
+<i>aarde</i>-genieters, naar den middeleeuwschen smachter-naar-God, den
+<i>hemel</i>-verwachter en -verlanger, den sobere van zeden en behoeften; van
+den dichter van het <i>dier</i>-epos naar dien van het <i>God</i>-verheerlijkend
+dicht. De afstand moge hem het grootst lijken, die gewend is de dingen
+louter naar hun uiterlijk te waardeeren, toch: wat 'n sprong! En ik wil
+je allen wel zeggen, dat ik hem 'n twintig jaar geleden niet zou hebben
+gewaagd, bevreesd als ik zou zijn geweest, dat ik, na mijne heldendaad
+mij omwendend, mijn heele mij zoo dierbare gezelschap van volgelingen
+zou hebben gezien, zich wringend van 't lachen aan de overzijde van den
+oversprongen afgrond, en, in stede van mij te volgen, mij uitjouwend om
+mijn malle daad. "Wie heette jou te springen, jij nar," zoo zouden mijne
+geliefde vakbroeders en -zusters mij ongetwijfeld achterna-gehoond
+hebben, "wie heette jou te springen <span class="pagenum"><a name="p233" id="p233"></a>[p.233]</span> van uit ons moderne
+goed-beloopbaar landje, &ograve;ns
+landje-van-Multatuli-B&uuml;chner-kracht-en-stof-Dageraads-athe&iuml;sme, enz.
+enz. enz., naar dat ongelukkige strookje drijfzand van middeleeuwsch
+bijgeloof, waar je je dood om kan gieren als je 'r alleen maar 'an
+denkt; dien dommen tijd, toen ze zoo niks wisten en aan God en den
+duivel, aan spoken en heksen geloofden. Dag! We groeten je, veramuseer
+je in je eentje!" ....&mdash;En n&ograve;g, n&ugrave;, n&agrave; die twintig jaar, en terwijl het
+pl&agrave;t- en st&ograve;m-materialistisch getij zoo heerlijk aan het verloopen is,
+n&ograve;g zou ik geaarzeld hebben; want, moge er al eene enorme verbetering
+zijn ontstaan, woont niet nog altijd de arbeider aan den zelfkant van
+het geestelijk leven? Welk een storm moet niet zelfs heden ten dage in
+het centrum opsteken, wil hij daar aan dien uitersten zoom, een vleugje
+voelen tegen het hoofd! Maar, lieve vrienden en vriendinnen, schoon ik
+derhalve wel weet, dat velen uwer nog altijd veel te vol van eene
+zonderlinge levens<i>zekerheid</i> zijn; dat het leven hen nog immer al te
+raadsel<i>loos</i> is, en dat hunne zekerheid &ograve;f door eene na&iuml;eve
+onwetendheid wordt gedragen, &ograve;f door de, overigens natuurlijke, pratheid
+op het jonge bezit van wat uitsluitend practisch-maatschappelijke kennis
+wordt gestut, wat kennis, die vaak&mdash;en hoe kan 't anders na zoo
+zorgelijke jeugd!&mdash;zoo weinig om het lijf heeft, dat ze zich heel het
+leven precies zoo naakt, zoo open en duidelijk denkt als
+zichzelf&mdash;ofschoon ik dit alles wel weet ... daar werd me een boekje
+gezonden met de vraag: "Zou je dat niet eens willen behandelen in <i>Het
+Jonge Leven</i>?" Ik bekeek het boekje en toen, onmiddellijk, werd mij de
+verzoeking al te groot: &ograve;f ik 't wilde, en hoe graag! En bovendien: ik
+bekeek ook den breeden rug van den zender en bedacht plots met gnuivend
+genoegen, dat die best de helft zou kunnen dragen van mijne misdaad, te
+spreken over mystiek, middeleeuwsch godsgeloof en een middelnederlandsch
+gedicht. En zoo besloot ik, u met dit alles&mdash;schoon niet dan
+betrekkelijk vluchtig&mdash;op het lijf te vallen. Hoe het boekje heette, ja
+dat weet ge nu al; uw nieuwsgierig gezicht geldt natuurlijk den breeden
+rug.... Welnu ... maar sjt! hoor ... die rug was van Henri Polak....&mdash;</p>
+
+
+<p class="caption">Noot:</p>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_50" id="Footnote_1_50"></a><a href="#FNanchor_1_50"><span class="label">[1]</span></a> <i>Naar aanleiding van: "Beatrijs, Het Middelnederlandsch
+Gedicht in Proza naverteld" door B.J. Spitz. "De Zonnebloem" Apeldoorn</i>,
+1916.</p></div>
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<p class="pagenum"><a name="p234" id="p234"></a>[p.234]</p>
+<h3>II</h3>
+
+
+<p>Bijna immer wanneer de menschelijke geest een van zijne hoogste en
+felste <i>helderziendheden</i> bereikt, ontkomt hij niet aan eene
+<i>verblinding</i>. Die verblinding en helderziendheid bestaan dan
+gelijktijdig met elkaar. Hij is als een hemel die blind wordt aan zijn
+zonneoog als zijn sterren-oogen gaan glanzen. Men spreekt van de
+eenzijdigheid sommiger genie&euml;n; over de zedeloosheid, het heenloopen
+over, en vertreden van alles&mdash;behalve hun kunst&mdash;van sommige groote
+kunstenaars; maar dat eenzijdige en die zede- en gewetenloosheid, zij
+zijn van niets anders het gevolg dan van die verblinding welke hunne
+helderziendheid begeleidt. Men bewondert de groote mannen, van wie men
+zegt, dat zij hun gansche leven lang heel hun wilskracht, heel hun
+kunnen op &eacute;&eacute;n machtig doel concentreerden en door niets daarbuiten zich
+lieten afleiden, m&aacute;&aacute;r&mdash;denkt men dan werkelijk, dat iets hen had k&ugrave;nnen
+afleiden? Begrijpt men dan niet, dat deze helderzienden van, en daardoor
+<i>geboeiden</i> door, dit &eacute;&eacute;ne, <i>blind</i> waren voor al 't andere? En ook elke
+tijd&mdash;voor zoover hij niet middelmatig was&mdash;vertoont, als
+complex-van-geestelijkheid beschouwd, die
+helderziendheid-&egrave;n-verblinding. De negentiende eeuw, die eeuw van
+wetenschappelijke stofvergoding, die tijd van weergalooze ontdekkingen
+op het gebied der exacte wetenschappen en techniek: h&agrave;re helderziendheid
+in de analyse werd vergezeld van blindheid voor de allerhoogste
+synthese: al te gelukkig slagend in de ontleding&mdash;en niettemin voor hoe
+klein een deel zelfs daar!&mdash;van het stoffelijk samenstel der wereld, had
+zij bijna volkomen het innerlijk en innig-ziend gezicht op den Eenenden
+Grond van 't Al verloren. Vandaar indertijd&mdash;als drab van toch heel
+kostbaren wijn&mdash;uw vergoding van sommige Multatulianismen, &ugrave;w ontkenning
+van alles wat ge niet stoffelijk zaagt bestaan.&mdash;Anders, neen juist het
+tegenovergestelde, de middeleeuwen, waarheen ons huidig onderwerp ons
+voert. Daar bestond juist de <i>helderziendheid</i> in het onderkennen van
+den <i>Eenenden Gr&ograve;nd</i>, die tevens de innerlijke <span class="pagenum"><a name="p235" id="p235"></a>[p.235]</span> <i>H&egrave;mel</i> van de
+menschenziel is, en de <i>blindheid</i> openbaarde zich, in de
+geringschatting van, ja de minachting voor het aardsche-als-zoodanig,
+het uiterlijke en vooral: het innerlijk-aardsche. Groote daden vlamden
+op uit dien tijd, die het kenmerk van d&egrave;ze helderziendheid-en-blindheid
+droegen: de kruistochten, trots al hunne ontaarding; de kruistochten,
+&ograve;nzaliger maar toch wel degelijk ook zaliger nagedachtenis, mengsel van
+afgrijselijke bestialiteit en duivelsche wreedheid, maar ook van een in
+onzen tijd bijna ondenkbare godsliefde als zij waren. En zoete gedachten
+bloeiden op uit dien tijd ... ach neen, het zijn geen ged&agrave;chten, het is
+een voelen, dat zwijmelt van liefde; het is een wierook, die maar &eacute;&eacute;n
+vat ontstijgen kan: de reinste ziel. De groote Jan van Ruusbroec bouwt
+er zijn cathedralen van proza, zijne tuinen van
+proza&mdash;vergoddelijkt-geziene natuurbeelden&mdash;v&agrave;n &eacute;n er om heen, en de
+"hemellawerke" Hildewijch weeft er droomig en vurig-in-haar-droom, haar
+zoete, stil-gestemde, wazig-glorende zangen van, ziet er, als scherp
+omlijnde vlamfiguren uit een wemelend vuur, ook haar visioenen aan
+ontstijgen.<a name="FNanchor_2_51" id="FNanchor_2_51"></a><a href="#Footnote_2_51" class="fnanchor">[2]</a> Beiden spreken van, leven in en voor de "minne"; voor
+beiden is het leven: liefde: tot God; liefde, die vaak door vreeselijken
+strijd&mdash;als is dit niet bij Ruusbroec het geval&mdash;en uitputtende
+worstelingen heen, God als 't ware noopt zich in de Hem lievende ziel te
+verwerkelijken, zoodat zij &eacute;&eacute;n wordt met Hem, zoo niet "in naturen" dan
+toch "in minnen"<a name="FNanchor_3_52" id="FNanchor_3_52"></a><a href="#Footnote_3_52" class="fnanchor">[3]</a>; beiden spreken dezelfde taal, het woord dier zoete
+erkentenis van 's menschen wordende goddelijkheid, waarvan alle volken
+eens de waarachtigheid hebben gevoeld. Het is &eacute;&eacute;n <span class="pagenum"><a name="p236" id="p236"></a>[p.236]</span> gevoel, dat
+van de Indische G&icirc;ta, van den Hebreeuwschen Sjirha-Sjirim, van Ruusbroec
+en van Hildewijch. <i>Het is het gevoel der mystiek in zijn hoogste
+potentie</i>. Hoe begrijpt men dan ook, dat deze twee Grooten en Schoonen
+juist door den Sjirha-Sjirim, het <i>Lied-der-Liederen,</i> zoo werden
+verrukt.&mdash;</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Het is het levensgevoel der mystiek, wat deze allen gemeen hebben, zei
+ik. En tevens duidde ik vluchtig aan, ho&egrave; dat levensgevoel zich aan de
+voelers-zelve en door hun werken aan ons openbaarde. Maar zoo ge mij
+zoudt zeggen, dat ge daaraan niet genoeg hebt en eene zuivere en
+scherp-omlijnde definitie begeert, wel dan zou ik U moeten antwoorden,
+dat ge een dwaas verlangen uit en ik wel een heel erg ijdele poseur en
+droogstoppel zou moeten wezen, om aan dat verlangen toe te geven. Een
+dergelijke definitie zou slechts den naam, niet het wezen definieeren,
+en zij heeft groote kans, juist omdat hier het wezen zoo hoog en ver aan
+zijn naam is ontgroeid, den weetgierige op een dwaalspoor te brengen.
+Ja, zelfs al de etymologie van het woord, die terugvoert naar een
+Grieksch, dat zooveel als ingewijde in een geheim-symbolischen
+gods-dienst beteekent, zou u onmiddellijk aan de-hemel-mag-weten welken
+hokuspokus en toovenaarachtige rituali&euml;n doen denken. En nochtans&mdash;hoe
+ver is de mystiek, waarvan we hier spreken, van dergelijke dingen
+verwijderd. Indien ik al met nog i&egrave;ts mijn woorden van zooeven op dezen
+oogenblik kan verduidelijken, dan, dunkt mij, kan het alleen dit zijn:
+de mystieke levensstaat is: te leven in zulk een allerzuiverste en
+allerinnigste liefde tot God, dat de aldus in volle overgave lievende
+mensch zieh zijn eigen wezen voelt ontglippen en verloren gaan in het
+wezen Gods, en, in stede dus van zich-zelf langer te voelen of te
+kennen, God kent. Dit is <i>de</i> Mystiek, dit is de mystiek van het
+<i>Lied-der-Liederen,</i> van Ruusbroec en van Hildewijch.... En voor thans
+zij er hier genoeg van gezegd. Want konden ook deze weinige woorden
+moeielijk gemist <span class="pagenum"><a name="p237" id="p237"></a>[p.237]</span> worden ter inleiding van de bespreking en het
+begrijpelijk maken van het religieus gevoel, waaruit de wonder-teere en
+zoete sproke van Beatrijs is opgebloeid, toch zijn di&egrave; mystiek en dat
+religieus voelen, ofschoon men, en terecht, ook dat van mystischen aard
+acht, <i>niet</i> &eacute;&eacute;n. Maar de eerste verhoudt zich hier tot het laatste,
+zooals een <i>ding</i> zich tot <i>het vermogen om dat ding te beelden</i>
+verhoudt, of een <i>daad</i> tot het <i>vermogen om van die daad</i> te
+<i>verhalen</i>. Immers: de <i>beelder van een ding</i> en de <i>verhaler van een
+daad</i>, moeten wel, verondersteld dat hunne beelding en hun verhaal goed
+zijn, een zeer diep en klaar inzicht in de natuur van dat ding en die
+daad hebben, maar daarom bezitten zij-zelf de eigenschappen van dat ding
+nog niet, en daarom zijn zijzelf nog niet in staat die daad te doen. En
+zoo nu, dunkt mij precies, de verhouding tusschen Ruusbroec en
+Hildewijch eenerzijds en den onbekenden dichter der <i>Beatrijs</i>
+anderzijds. De eersten <i>zijn</i> mystieken en hun werk <i>is</i>, in zijn hoogst
+bereiken, een mystiek-gebeuren&mdash;dat is dus eene versmelting in liefde
+van de menschenziel in God&mdash;; de laatste is een <i>aanschouwer en
+doorproever</i> van een mystiek gebeuren en zijn werk is een <i>beelding</i>
+daarvan, en goed beschouwd is het zelfs dit niet zuiver, maar beeldt het
+<i>voornamelijk</i> een <i>gevolg</i> van een in een mensch ten deele zelfs
+<i>verleden</i> en <i>verwelkte</i> mystieke liefde, zij het een allerschoonst en
+heerlijk gevolg: een "mirakel," waarin een incarnatie van het
+Goddelijke, de "soete en suivere Maghet" voor een zwak geworden en in
+haar Godsliefde te kort schietende non, den last opneemt en het werk
+verricht, door haar van zich geworpen en verlaten ....&mdash;Maar dan ook
+juist daarom: omdat dit dicht&mdash;dat tot de schoonste nalatenschap der
+middeleeuwen behoort&mdash;niet uit het allerhoogste mystieke
+levensgevoel-zelf is geschreven, doch er niet meer dan een reine
+n&agrave;-klank van is, leek het mij ook als uw eerste in-leiding in die meest
+verheven sfeer der middeleeuwsche letterkunde niet al te zwaar. Waarbij
+nog d&igrave;t komt: in de <i>Beatrijs</i> wordt vooral d&agrave;t moment in het mystieke
+gebeuren gebeeld, waarop, zooals ik reeds zooeven aanduidde, <i>de liefde
+van een mensch tot het Goddelijke verflauwt, en het Goddelijke, in
+overgroote genade, uit eigen onbegrensde</i> <span class="pagenum"><a name="p238" id="p238"></a>[p.238]</span> <i>liefdeschat de
+ontstane leegte vult</i>, en welnu: d&agrave;t moment juist vindt zoo diepen
+weerklank in het hart van <i>ons: moderne menschen</i>. De pure en
+standvastige zielen van Ruusbroec en Hildewijch staan ver van ons ...
+maar het vallen-en-opstaan van Beatrijs, het vallen-en-opstaan, d&agrave;t is
+het &ograve;nze. In Beatrijs ontmoeten de heilige en zondaar elkaar ... in wien
+onzer doen zij dit niet? Het is dan ook daarom een algemeen menschelijk
+verhaal, deze vertelling van de non, die heimelijk haar klooster
+verlaat, om de stem harer aardsche liefde te volgen; die later in de
+laagste ontucht leven zal en voor wie in hare afwezigheid de "Fonteyne
+boven alle wiven" Maria, in de gedaante der ontrouwe, veertien jaar lang
+dier dagelijksche taak waarneemt, zoodat hare zonde "bedekt wordt voor
+der menschen oogen" en zij later, zat van aardsche vreugde en leed,
+weer, onverdacht van elke smet, tot haar oude klooster inkeeren kan en
+een heilig leven hervatten. Het is een verhaal van h&aacute;&aacute;r, maar &oacute;&oacute;k&mdash;van u
+en mij; van h&aacute;&aacute;r tijd maar ook van de &ograve;nze. Het is een &eacute;&eacute;uwig
+verhaal....&mdash;Luister! luister even, hoe het als ware 't de schoonst
+denkbare verluchting is van dat troostrijk woord, dat vier eeuwen later
+de groote Milton neerschreef:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">. . . . . . . . . . . . . . . . .</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Or, if virtue feeble were,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Heaven itself would stoop to her.</span><br />
+</p>
+
+<p>Dat is toch ook onze hoop, niet waar, of we 't ons willen bekennen of
+niet, en w&agrave;t ons ook de hemel lijkt en wie ook onze God is: in onze
+onvermijdbare zwakheid toch z&oacute;&oacute; sterk te blijven, dat we 't gesch&eacute;nk van
+m&eacute;&eacute;rdere kracht niet onwaardig zijn. In onze onontkoombare slechtheid
+toch zoo naar-'t-goede-strevend te blijven, dat we de ontkieming in ons
+van zuiverder goedheid niet onwaardig zijn&mdash;gelijk in haar zwakte
+Beatrijs streefde en bleef. Laat ons dan diep en geduldig in dezen
+spiegel zien, vrienden.... De volgende maal zal ik een aanvang maken met
+het verhaal-zelf te bespreken om dan vervolgens de Middel-Nederlandsche
+<i>Beatrijs</i> met deze <i>Navertelling</i> en de <i>Beatrijs</i> van Boutens critisch
+te vergelijken, en wellicht zult ge dit dan toch niet geheel
+ongenietelijk vinden.</p>
+
+
+<p class="caption">Noten:</p>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_51" id="Footnote_2_51"></a><a href="#FNanchor_2_51"><span class="label">[2]</span></a> Men kan ze vertaald vinden in <i>De Beweging</i>, Juni en Juli
+'17, door Albert Verwey. Bij het lezen harer "Geestelijke Liederen" kan
+de dissertatie van Dr. Johanna Snellen van groote waarde zijn, en de
+daarbij gevoegde woordenlijst doet zeker het eventueel gemis van een
+Middelnederlandsch woordenboek minder gevoelen.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_52" id="Footnote_3_52"></a><a href="#FNanchor_3_52"><span class="label">[3]</span></a> Terloops zij hier even opgemerkt, dat met deze beperking:
+niet "in naturen", Ruusbroec de opgaande lijn zijner mystiek breekt en
+haar verhindert den top te bereiken, waarheen de groote mystiek van heel
+de wereld altijd heeft gestreefd. Of zijn rede hem hiertoe bewoog,
+zooals Prof. Kalff zegt, en niet veeleer de Roomsche kerkleer?...</p></div>
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<p class="pagenum"><a name="p239" id="p239"></a>[p.239]
+</p>
+<h3>III</h3>
+<h4>De Middelnederlandsche Beatrijs</h4>
+
+
+<p>Ik ga dus thans allereerst van de Middelnederlandsche Beatrijs verhalen.
+Zal ik s&ograve;ms den inhoud wat kort moeten samenvatten, een ander maal zal
+ik weer wat uitvoeriger kunnen zijn. Citaten zullen mijn verhaal
+verlevendigen en om het verstaan dier Middel-Nederlandsche aanhalingen
+te vergemakkelijken, zal ik <i>naast</i> den aangehaalden tekstregel, die
+geheel of gedeeltelijk verklaring of vertaling behoeft,
+<i>woordverklaringen</i> plaatsen. Vermeden wordt immers hiermede het lastig
+en storend gekijk naar den voet der kolommen, waar anders soortgelijke
+toelichtingen staan. Een cijfertje <i>achter</i> het te vertalen woord of den
+geheelen regel, hetzelfde cijfer <i>voor</i> de vertaling of verklaring, op,
+voor zoover althans typographisch mogelijk, dezelfde linie, en wij zijn
+op 't makkelijkst geholpen.&mdash;Het spreekt vanzelf, dat, indien ge belang
+mocht stellen in zekere bijzonderheden, die de herkomst van ons
+verhalend dicht betreffen, zooals, bijvoorbeeld: w&egrave;lke naar alle
+waarschijnlijkheid de boeken waren, waarvan, zooals ge onmiddellijk zien
+zult, in den aanvang van het verhaal sprake is, ik volstaan kan met U
+naar literatuurhistorici als Te Winkel en Kalff te verwijzen, of naar de
+tekstuitgave, met toelichting en woordenlijst, van Jonckbloet. Hunne
+desbetreffende mededeelingen hier over te schrijven, zou ruimte kosten
+en heeft niet den minsten zin, daar zij uw begrijpen en genieten van het
+aloude gedicht-zelf in geen enkel opzicht zouden kunnen versterken, en
+juist dat begrijpend-genieten het eenige is, waarom het mij, th&agrave;ns als
+immer, te doen is. Welaan dan, luistert!</p>
+
+<p>Na eene korte vermelding van de redenen, die hem tot dichten nopen,
+verklaart de schrijver het mirakel van Beatrijs gehoord te hebben van
+een "out ghedaghet man," die het verhaal in zijne boeken <span class="pagenum"><a name="p240" id="p240"></a>[p.240]</span> had
+gevonden. Beatrijs dan was "hovesch (beschaafd, welgemanierd) ende
+subtyl (fijn) van seden," en de dichter meent, dat men haars-gelijke
+tevergeefs zou zoeken. Nochtans dunkt het hem niet voegzaam over hare
+lijfelijke schoonheid uit te weiden; liever vertelt hij van hare
+dagelijksche taak in 't klooster. Na dit gedaan te hebben vaart hij
+voort:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Dese joffrouwe en was niet sonder</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Der minnen<span class="sup"><sup>1</sup>)</span>, die groot wonder <span class="sup">[<sup>1</sup>) de liefde]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Pleecht te werken achter<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> lande.<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <span class="sup">[<sup>1</sup>) <sup>1</sup>) overal]</span>.</span><br />
+</p>
+
+<p>en schildert welsprekend de onweerstaanbare macht en dwang der liefde.
+En, zegt hij, als men daaraan denkt, dan zal men wel inzien, dat:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Hier omne en darfmen niet veronnen<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <span class="sup">[<sup>1</sup>) Men hierom niet mag hard vallen]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Der nonnen, dat si ne conste ontgaen<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) de non, dat zij niet kon ontkomen aan]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Der minnen, diese hilt<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> gevaen;<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) hield gevangen]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Want die duvel altoes begheert</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Den mensch te becorne<span class="sup"><sup>1</sup>)</span>, ende niet en cesseert,<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) te verleiden. <sup>2</sup>) en houdt niet op]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dagh ende nacht, spade ende vroe,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Hine doetersine macht toe.<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Doet hij er zijn best voor]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Met quader liste, als hi wel conde,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) zoo goed hij kon)</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Becordise<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> met <i>vleescheliker sonden</i>, <span class="sup">[<sup>1</sup>) bracht hij haar in verzoeking]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Die nonne, dat si sterven waende.</span><br />
+</p>
+
+<p>Ik heb twee woorden in den voorlaatsten versregel gecursiveerd: ge ziet,
+onze dichter windt er geen doekjes om. Het is dan ook een der schoonste
+eigenschappen van dit middeleeuwsche gedicht, dat het <i>allerminst zijne
+verhevenheid ontleent aan de wegdoezeling van de nooden en zorgen der
+nederigste menschelijkheid en van het dagelijksche leven.</i> Het laat het
+licht van zijn mirakel schijnen over den gansch <i>niet vermooiden</i> bodem
+der maatschappelijke en gewoon-menschelijke <span class="pagenum"><a name="p241" id="p241"></a>[p.241]</span> realiteit. En schoon
+deze eigenschap, gelijk nog zooveel anders, U wel <i>het duidelijkst zal
+opvallen,</i> wanneer wij <i>er aan toe zijn, deze Middelnederlandsche met
+Bouten's Beatrijs te vergelijken</i>, wilde ik er toch reeds thans uwe
+aandacht op vestigen en zal ook daarmede voortgaan.</p>
+
+<p>Afgestreden, voelt Beatrijs nu, niet langer in het klooster te kunnen
+blijven:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Ic moet leiden een ander leven,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dit abyt<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> moet ic begheven.<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) kloosterkleed. <sup>2</sup>) afleggen]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Nu hort hoeter<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> na verghinc: <span class="sup">[<sup>1</sup>) hoe het haar]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Si sende om den jonghelinc,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Daer si toe hadde grote lieve,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ootmoedelyc met enen brieve,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dat hi saen<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> te hare quame, <span class="sup">[<sup>1</sup>) spoedig]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Daer laghe are sine vrame<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Daaraan zou ook hem veel gelegen zyn.]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Die bode ghinc daer de jonghelinc was.</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Hi nam den brief ende las,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Die hem sende sijn vriendinne.</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Hoe was hi blide in sinen sinne!</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Hi haeste hem<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> te comen daer. <span class="sup">[<sup>1</sup>) zich]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Sint dat si out waren .XII. jaer</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Dwanc</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>die minne</i><span class="sup"><sup>2</sup>)</span> <i>dese twee</i>, <span class="sup">[<sup>1</sup>) Dwong, <sup>2</sup>) <i>liefde</i>]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dat si dogheden<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> menech wee, <span class="sup">[<sup>1</sup>) leden]</span></span><br />
+</p>
+
+<p>Ook hier weer&mdash;in mijn cursief&mdash;de <i>onverbloemde menschelijkheid:</i> met
+eene <i>aardsche en onverwonnen liefde in 't hart</i>, is Beatrijs het
+kloosterleven <i>ingetreden</i>, en zij heeft Jezus dus wel met den mond maar
+niet met het hart tot Bruidegom verkoren....&mdash;Niet alleen, dat de mensch
+ons hierdoor des te menschelijker wordt, maar het mirakel wordt er een
+van des te g&ograve;ddelijker genade.</p>
+
+<p>De jongeling is dus haastig kloosterwaarts gereden. Daar zeggen zij
+elkander, hij v&oacute;&oacute;r het getralied venster, zij erachter, onder heftige
+bewogenheid hunne durende liefde. Hij stelt haar voor, haar mede te
+voeren uit het klooster: wil zij hem den tijd zeggen, dat hij daartoe
+wederkome, dan zal hij middelerwijl te haren behoeve allerhande fraaie
+kleeren en het schoonste reisgerief koopen. Hij belooft, haar <span class="pagenum"><a name="p242" id="p242"></a>[p.242]</span>
+nooit te zullen verlaten, wat hun beiden in de toekomst ook moge
+overkomen. Het antwoord is wat ge denken kunt; maar om de kunst,
+waarmede ook in dit antwoord alle <i>vooze overspanning</i> verre gehouden
+is, en om de erin h&eacute;&eacute;rschende <i>reine kalmte eener ook kuische en sterke
+liefde,</i> welke in hare meest supreeme oogenblikken het <i>contact met het
+gewone dagelijksche leven</i> en hare <i>zorgelijke voorzienigheid</i> niet
+verliest, noch, trots hare overgave, eene <i>maagdelijk-schroomvolle
+terughoudendheid</i>, zal ik het even voor u afschrijven. De verzen waaruit
+dat alles blijkt, cursiveer ik&mdash;in het laatste cursief vindt ge die
+maagdelijke schroom vol teederheid&mdash;.</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">"Vercorne vrient," sprac die joncvrouwe,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">"Die<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> willic gherne van U ontfaen<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) Het pand zijner trouw, <sup>2</sup>) ontvangen]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ende met U soe verre gaen,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dat niemen wete in dit covent<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) klooster]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Werwaert dat wi syn bewent.<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) heengegaan]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Van tavont over .VIII. nachte</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Comt ende nemt mijns wachte<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) wacht mij]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Daer buten in den vergier<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) boomgaard]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Onder enen eglentier.</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Wacht daar mijns, <i>ic come uut</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Endewille wesen uwe bruut</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Te varene<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> daer ghi begheert <span class="sup">[<sup>1</sup>) te gaan]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>En si</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>dat mi siecheit</i><span class="sup"><sup>2)</sup>)</span> <i>deert</i>, <span class="sup">[<sup>1</sup>) tenzij, <sup>2</sup>) ziekte]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Ocht</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>sake die mi si te swaer,</i> <span class="sup">[<sup>1</sup>) of]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ic come sekerlike daer,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ende ic begheer van U sere</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dat ghi daer comt, <i>lieve jonchere</i>."</span><br />
+</p>
+
+<p>De jongeling gaat been, koopt de schoone kleederen en geschenken,
+voorziet zich ook van vijf honderd pond zilver, rijdt op den afgesproken
+tijd 's nachts weer naar het klooster en wacht daar Beatrijs in den
+boomgaard.&mdash;De dichter zegt nu van hem te zullen zwijgen en te willen
+verhalen, wat zij tezelfder tijd deed. Nadat zij hare gewone taak had
+verricht en heel het klooster te ruste was gegaan,</p>
+
+<p class="pagenum"><a name="p243" id="p243"></a>[p.243]</p>
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Bleef si inden coer<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> alleene, <span class="sup">[<sup>1</sup>) hof]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ende si sprac haer ghebede,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Alsi te voren dicke<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> dede. <span class="sup">[<sup>1</sup>) dikwijls]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Si cnielde vorden outaer<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) altaar]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ende sprac met groten vaer:<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) vrees]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">"Maria, moeder, soete name,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Nu en mach mine lichame</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Niet langer in dabijt<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> gheduren<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) het kloosterkleed. <sup>2</sup>) rustig blijven]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ghi kint wel in allen uren</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Smenschen herte ende syn wesen:</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Ic hebbe ghevast ende gelesen</i>,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Ende genomen discipline</i><span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) en mij gekastijd.]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Hets</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>al om niet dat ick pine</i><span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) Het is. <sup>2</sup>) mij pjjnig.]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Minne worpt<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> mi onder den voet, <span class="sup">[<sup>1</sup>) De liefde werpt mij]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dat ic der wereld dienen moet.</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Alsoo waerlike als ghi, here lieve</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Wort gehangen tusschen .IJ.<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> dieven, <span class="sup">[<sup>1</sup>) twee.]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ende aent cruce<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> wort gerecket,<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) kruis. <sup>2</sup>) uitgerekt, gemarteld]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ende ghi Lazaruse verwecket,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Daer hi lach<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> in den grave doet,<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) lag. <sup>2</sup>) dood]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Soe moetti<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> kinnen minen noet,<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) moet Gij. <sup>2</sup>) nood.]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ende mine mesdaet mi vergheven;</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ic moet in swaren sonden sneven!"</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 2em;">Na desen ghinc si uten core</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Tenen<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> beelde, daer si vore <span class="sup">[<sup>1</sup>) naar een]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Cnielde, ende sprac hare ghebede,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Daer Maria stont ter stede.</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Si riep: "Maria," onversaghet,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">"<i>Ic hebbe u nachtende dag geclaghet</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Ontfermelike mijn vernoy</i>,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) verdriet, ongeluk.]</span>.</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ende mi nes niet te bat een hoy!<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) en het heeft my niets geholpen]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ic werde mijns sins te male quijt<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Ik zou mijn verstand geheel verliezen]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Blivic<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> langher in dit abijt<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) Bleef ik. <sup>2</sup>) Kloosterkleed]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Die covel<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> toech si ute al daer <span class="sup">[<sup>1</sup>) kloosterlingen-hoofdkap]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ende leidse op onse vrouwen outaer.<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) altaar]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Doe dede si ute hare scoen.</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Nu hort watsi sal doen.</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Die slotele vander sacristien</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Hinc si vor dat beelde Marien;....</span><br />
+</p>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p244" id="p244"></a>[p.244]</span>In mijn cursieven vindt ge&mdash;en gelieve daar ter dege op te
+letten&mdash;den heftigen strijd tegen de aardsche liefde in Beatrijs. Hier,
+zooals ik u reeds zei, worstelen de <i>heilige met den zondaar</i> ... de
+arme hartstocht-gezweepte mensch, die zoo gaarne heilig en onbevlekt zou
+willen zijn en het niet kan!....&mdash;Slechts met een schamel onderkleed
+aan, treedt zij nu ten klooster uit, en vindt haar lief in den
+boomgaard;&mdash;hij geeft haar de medegebrachte kleederen en sieraden, zij
+verkleedt zich, dan rijden zij heen. Aanschouw nu even die heenvaart,
+beluister de overdenkingen, die zij wekt in Beatrijs, zooals zij gebeeld
+en gezegd worden in het hier geheel door een gedempt-flonkerenden gloed
+van oude schoonheid overwaasde, en zoet-melodieuse, bijbelsch-na&iuml;eve
+verhaal van onzen dichter:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Doe<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> cussese die jhonghelinc <span class="sup">[<sup>1</sup> Toen]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Vriendelike aen haren mout.</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Hem dochte, daer si voer hem stont,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dat die dach verclaerde.</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Haestelic ghinc hi tsinen<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> paerde. <span class="sup">[<sup>1</sup>) naar zijn]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Hi settese<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> vor hem int ghereide.<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) zette haar. <sup>2</sup>) zadel]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dus voren si henen beide</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Soe verre, dat begon te daghen,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dat si hen nyemen<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> volghen saghen. <span class="sup">[<sup>1</sup>) niemand]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Doet<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> began te lichtene int oest<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) Toen het. <sup>2</sup>) oosten]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Si seide: "<i>God, alder werelt troest</i>,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) troost]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Nu moeti</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>ons bewaren</i>, <span class="sup">[<sup>1</sup>) moet Gij]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Ic sie den dach verclaren!</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Waric met U niet comen uut,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ic soude prime<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> hebben gheluut,<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) priemtijd. <sup>2</sup>) geluid]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Als ic wilen</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>was ghewone</i> <span class="sup">[<sup>1</sup>) vroeger]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Inden cloestere van religione</i>.<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) In het Godgewijde klooster]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ic duchte mi<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> die vaert sal rouwen; <span class="sup">[<sup>1</sup>) Ik vrees]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Die werelt hout soe cleine trouwe</i>,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) de trouw der wereld is zoo gering]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Al hebbic mi ghekeert daer an;<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) al heb ook ik mij tot haar gekeerd]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Si slacht <i>den losen</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>coman</i><span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) sluwen. <sup>2</sup>) koopman]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Die vingherline</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>van formine</i><span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) ringen. <sup>2</sup>) waardeloos metaal]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Vercoept voer guldine</i>."<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) goudene]</span></span><br />
+</p>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p245" id="p245"></a>[p.245]</span> Gij ziet hier weer&mdash;. in mijn <i>eerste</i> cursief&mdash;hoe Beatrijs
+zich tot God wendt. Zij is niet als die dwazen, die zeggen: ik heb te
+zwaar gezondigd, ik kan nooit weer terugkeeren; doch niet alleen dat zij
+voelt, dat eene zonde, die een mensch voor altijd van den Grond der
+Wereld zou kunnen scheiden, <i>niet bestaat</i>, maar sterk in het
+bewustzijn, dat zij met alle kracht heeft gestreden, doch nu eenmaal
+door de liefde m&ograve;est overwonnen worden, vraagt zij God haar zelfs op den
+z&ograve;ndigen tocht te beschermen! Dit is diep Godsvertrouwen en diepe
+wijsheid meteenen, en als wij ons dit later herinneren, dan zullen wij
+ook des te makkelijker begrijpen, waarom juist Beatrijs <i>de redding door
+een mirakel had verdiend</i>, hetgeen tevens zeggen wil,&mdash;<i>en d&aacute;&aacute;rom vestig
+ik, uw letterkundig onderrichter, uw aandacht op dit alles</i>&mdash;dat wij dan
+ook verstaan, welk <i>een sterk compositeur</i> en <i>psychologisch bouwer</i>
+onze dichter is. De <i>plechtige muziek</i> der twee gecursiveerde regels,
+beginnend met "Nu moeti"&mdash;wat deze betreft: ik kan u slechts waarschuwen
+dat zij er is ... verder sta ik machteloos ... men hoort dat of men
+hoort dat niet. En zoo is 't ook gesteld met de beide regels van mijn
+tweede cursief; ik weet niet welk een donkere weemoed van betreurend
+terugzien hen ontstijgt en zich breidt over hen.... Is het de
+sonoor-diepe klank der beide <i>O</i>'s, vergalmend in de wegduisterende
+uit-gang van het vrouwelijk rijm?... Is het 't archaistisch
+in-het-<i>verleden-verlorene</i> van het woord "religione"? Ik weet niet,
+maar wat ik wel weet is, dat de beelden, de muziek en het weergeven van
+Beatrijs' betreurenden twijfel&mdash;let op mijn <i>derde</i> en <i>vierde</i>
+cursief&mdash;volmaakt zijn.&mdash;Intusschen, Beatrijs heeft natuurlijk niets
+liever, dan van haar twijfel en angst te worden bevrijd, en daar zorgt
+haar minnaar dan ook wel voor. Hij werpt de in hare woorden besloten
+verdenking verre van zich: zij kan er zeker van zijn, dat niets hen zal
+scheiden dan de dood; ware hij eene keizerin waardig, sinds hij Beatrijs
+lief heeft, zou hij zelfs zulk een hooge Vrouwe niet begeerd hebben. Zij
+zullen ook nooit gebrek behoeven te lijden: de "V<sup>c</sup> pont wit
+selverijn", (de vijf honderd pond blank zilver) die hij heeft
+meegenomen, zijn haar eigendom. (Merk ook hier <span class="pagenum"><a name="p246" id="p246"></a>[p.246]</span> weer, hoe het
+verhaal zich, in de beelding van het menschelijk gebeuren, <i>op den bodem
+der werkelijkheid blijft handhaven</i>). De gelieven komen nu op hun rit
+schoone landen en bosschen voorbij, en, <i>alweer zuiver menschelijk</i> door
+den dichter gezien: den jongeling wordt zijn verlangen te sterk:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Die jonghelinc sach op die suverlike<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) zuivere, kuische maagd]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Daer hi gestade minne toedroech;</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Hi seide: "Lief, waert U ghevoeh<span class="sup">,<sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) welgevallig]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Wi souden beten<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> ende bloemen lesen: <span class="sup">[<sup>1</sup>) afstijgen]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Het dinct mi hier scone wesen;</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Laet ons spelen der minnen spel.<span class="sup">"<sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) het spel der liefde]</span></span><br />
+</p>
+
+<p>Waarop Beatrijs hem dit verontwaardigd antwoordt:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">"Wat segdi", sprac si, "dorper fel<span class="sup"><sup>1</sup>), [<sup>1</sup>) onbeschaamde, lompe kerel]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">"<i>Soudic beten</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>op dat velt</i>, <span class="sup">[<sup>1</sup>) Zou ik afstijgen]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Ghelijc enen wive die wint gelt</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Dorperlyc</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>met haren lichame</i>, <span class="sup">[<sup>1</sup>) <i>snoodelijk</i>]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Seker soe haddic cleine scame</i>!</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dit en ware U niet ghesciet<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Dat zoudt ge mij niet hebben voorgesteld]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Waerdi van dorpers aerde niet.<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Indien ge niet de aard van een boersch-ruwen kerel hadt]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ic mach mi bedinken onsochte,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Mij grieft die gedachte]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Godsat hebdi diet sochte!<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Ge verdiendet dat God's haat U trof]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Swighet meer deser tale,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Houd voortaan zulke taal voor u]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ende hort die voghele inden dale,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Hoe si singen ende hem vervroyen,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) zich verheugen]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Die tijt sal U te min vernoyen.<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) De tijd (dat ge nog wachten moet) zal U dan minder verdrieten]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Alsic bi U ben al naect</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Op een bedde wel ghemaect</i>,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Soe</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>doet al dat U ghenoecht</i>,<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) Dan. <sup>1)2</sup>) aangenaam is]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Ende dat uwer herten voeght</i>;<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) En dat U lust]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Ic hebs in mine herte toren</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Dat ghijt mi heden leit te voren</i>.</span><br />
+</p>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p247" id="p247"></a>[p.247]</span> Zie nu eens, vrienden, hoe zuiver-mooi dit alles is: in weinig
+trekjes, louter <i>in de woorden door Beatrijs-zelve gesproken</i>, slaagt
+onze dichter, <i>zonder eenige toelichting zijnerzijds</i>, erin, haar
+geheele reine innerlijk ons te doen zien. Hij sprak van "vleescheliker
+zonde" zooeven&mdash;wij verstaan nu, dat dit "vleeschelike" in haar, <i>niet</i>
+sexueele lust beteekent, m&aacute;&aacute;r: <i>lichamelijk</i> verlangen, <i>gewekt</i> door de
+geestelijk-menschelijke <i>liefde</i> tot haar lief! Sla nog eens op, hetzij
+in mijn eersten bundel <i>Over Literatuur</i>, hetzij in <i>Het Jonge Leven</i>,
+wat ik indertijd over <i>Geertje</i> schreef! En zie het onderscheid tusschen
+<i>sexueele lust</i> en <i>sexueele liefde</i>. Zijn <i>Geertje</i> en <i>Beatrijs</i> geen
+zusters? "Zondigen" zij beiden uit <i>overgroote liefde</i> niet. Vereenigen
+zich hier over den afgrond der eeuwen de beide zuster zielen niet? Bij
+beiden spreidt de heilige-in-hen over de zondares-in-hen &eacute;&eacute;n
+waardigheid.... Dit wat het eerste cursief betreft. Wat het tweede
+aangaat: dit is grof en plat, nietwaar?... Ja, het is bijna even grof en
+plat&mdash;schoon op geheel andere wijze en in oneindig edeler
+sfeer-van-gebeuren&mdash;als die mededeeling van Dante in zijn <i>Hel</i>, dat de
+Overste der duivelen het sein voor zijne trawanten om op te trekken gaf,
+doordat hij "van zijn achterste een trompet maakte." Onze dichter had
+Beatrijs ditzelfde anders kunnen doen zeggen en Dante had ditzelfde
+anders kunnen zeggen. Zij deden het niet. Waarom? Om deze eenvoudige
+reden, denk ik: Als men iets weergeeft of afbeeldt, moet men dat op zoo
+<i>eenvoudige</i> &egrave;n <i>sterke</i> wijze doen als maar mogelijk is, want mede
+d&aacute;&aacute;rdoor zal de <i>uiting</i> het best bij de <i>geconcipi&euml;erde waarheid</i>
+passen. De groote dichter, de groote schrijver <i>handelt aldus van zelf;
+moet</i> aldus handelen. Waarom zou hij trouwens pogen het <i>niet</i> te doen?
+Uit <i>ethische</i> overwegingen? Maar dat k&agrave;n toch niet: hij, die immers op
+dien oogenblik de dingen op het verheven plan van <i>noodwendigheid,
+waarheid en schoonheid</i> ziet, <i>kan</i> toch <i>geen onreinheid bemerken</i>,
+daar <i>op dat plan er geen onreinheid in wat ook aanwezig is</i>. Ik sprak
+van Dante in dit verband, maar had zeker met niet minder recht van den
+Bijbel en &agrave;lle geweldig-groote literatuur kunnen spreken.&mdash;Keeren we tot
+het verhaal terug. De jongeling schaamt zich en zweert, dat <span class="pagenum"><a name="p248" id="p248"></a>[p.248]</span> hij
+hiervan nooit meer spreken zal. Zij vergeeft het hem gaarne: al zou de
+schoone Absalom nog bestaan, en zij er zeker van zijn, duizend jaren
+gelukkig met hem te leven, zij zou voor hem haar lief niet laten. Ja,
+zegt ze:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">"Waric<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> in hemelrike gheseten, <span class="sup">[<sup>1</sup>) Ware ik]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ende ghi in ertrike<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Op 't aarderijk]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ic quame tot U sekerlike.</span><br />
+</p>
+
+<p>Om dan voort te gaan met deze <i>psychologisch-prachtig</i> door den dichter
+aangebrachte wroegingswending:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Ay God, latet onghewroken</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dat ic dullyc<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> hebbe gesproken <span class="sup">[<sup>1</sup>) dwaselijk]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Der minster vroude<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> in hemelrike <span class="sup">[<sup>1</sup>) de minste vreugde]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">En es hier ghene vroude ghelike;<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Daaraan is nier geen vreugde gelijk.]</span></span><br />
+</p>
+
+<p>Waarna zij, na de hemelsche vreugde in nog eenige regelen geprezen te
+hebben, in de innige, door mij gecursiveerde, vol van overvloeienden
+weemoed en teederheid zich weer, als aanvlijend, tot haar lief keert:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">"Diere om pinen die syn vroet:<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Die er voor zwoegen (om den hemel te verwerven) die zijn verstandig]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Al eest</i><span class="sup"><sup>1</sup></span> <i>dat ie dolen moet</i> <span class="sup">[<sup>1</sup>) is het]</span>.</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Endemi te</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>groten sonden keren</i> <span class="sup">[<sup>1</sup>) tot]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Dore U, lieve scone jonchere</i>."</span><br />
+</p>
+
+<p>Terwijl nu het gesprek-der-verliefden tusschen hen heen en weder gaat,
+vordert hun reis, en, zoo verhaalt nu de dichter kortelijk, komen zij
+aan een stad, die schoon gelegen in een dal was. Zij bleven daar zeven
+jaar en leidden er een weelderig leven. Maar eindelijk raakte het
+medegenomen geld op, zoodat ze al hunne kostbaarheden moesten verpanden
+of voor de halve waarde verkoopen, en toen ook dit alles was opgeteerd
+wisten zij niet meer waarvan te leven. Zij verstond geen enkel
+ambacht&mdash;<i>teekenend is hier, hoe de dichter klaarblijkelijk</i> <span class="pagenum"><a name="p249" id="p249"></a>[p.249]</span>
+<i>als van zelf sprekend aanneemt dat de lezer wel zal begrijpen, dat de
+rijke minnaar geen loonende bekwaamheden bezat!</i>&mdash;en tot overmaat van
+ramp, dreef schaarschte de prijzen der levensmiddelen omhoog. Hun trots
+verbood hen, anderen om brood te vragen. En het weer zeer <i>natuurlijke
+en gewoon-menschelijke gevolg</i> van dit alles was, dat:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Die aermoede maecte een ghesceet<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) scheiding]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Tusschen hen beiden, al waest hen leet.</span><br />
+</p>
+
+<p>(Een waarheid, die ook in den nieuweren tijd, blijkens het spreekwoord
+"Leege kisten maken twisten" niet onbekend is). En to&eacute;n bleek dat de man
+niet die trouw en standvastigheid van ziel bezat, welke hij zich-zelf
+had toegekend. Hij reisde terug naar zijn land en liet haar, in het
+nijpendst gebrek, met "Twee uter maten scone kinder" achter.&mdash;En nu, o
+mijne proletarische erfgenamen van dit schat-rijke legaat der
+Middeleeuwen, vergunt, dat uw ietwat droge, boedelbeschrijvende notaris
+hier zijn ceel onderbreke voor ditmaal!... Waarmede ik, in andere
+woorden, zeggen wil, dat, schoon ik het betreur, middenin de behandeling
+der middelnederlandsche Beatrijs te moeten pauseeren, dit nu eenmaal
+niet anders kan, omdat ik al ver mijn ruimte heb overschreden.</p>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<h3>IIIa</h3>
+
+
+<p>Vrienden! even een waarschuwing en een raad vooraf! De&mdash;ondiplomatieke
+&mdash;waarschuwing is: dit artikel is wat moeielijk! De raad: lees je-zelf
+de "moeielijke" plaatsen v&oacute;&oacute;r, met <i>strikte inachtneming</i> mijner
+<i>accenten</i> en <i>cursiveeringen</i>. Dan hoor je ongeveer, wat ook ik,
+innerlijk, heb gehoord. Dan zal het net zijn, of de schrijver-zelf of
+een ander, die het stuk volkomen verstaat, het je voorleest, en je zult
+zien: het gaat open voor je. Maak den <i>geschreven</i> inhoud tot een
+<i>j&ugrave;ist-gesprokenen</i> en&mdash;ge begrijpt hem! Hoe ervaar ik dat op den
+leesclub-cursus! (Maar het is trouwens een vaak
+proefondervindelijk-<span class="pagenum"><a name="p250" id="p250"></a>[p.250]</span> bewezen feit). Door de <i>juiste intonatie</i>,
+waarmede ik&mdash;overigens afgrijselijk leelijk&mdash;een moeilijk maar schoon
+vers voorlees, wordt dit ook door hen begrepen, die er daarzonder
+allicht niet veel van zouden hebben gevoeld. En ofschoon bij u dat
+met-de-juiste-uitdrukking-lezen, <i>aanvankelijk</i> niet anders dan een
+<i>als-machinaal volgen</i> mijner accenten en cursiveeringen kan zijn&mdash;let
+op mijn woorden: het <i>wordt</i> dra een <i>begrijpen</i>! Maar komaan, nu
+beginnen we:</p>
+
+<p>Thans door haar minnaar verlaten, vervalt Beatrijs tot de diepste
+ellende en vernedering. Eerst <i>willens</i> gezondigd hebbende, wordt zij n&ugrave;
+<i>gedwongen</i> dat zondige te doen. Wat <i>genot</i> w&agrave;s, wordt nu de <i>straf</i>
+van het genot. Noodbezwaard, verlaagt zij zich thans tot een publieke
+vrouw, die van de opbrengst harer ontucht leeft. Die straf echter zoude
+geen delgende en weldoende straf zijn geweest, indien ten eerste,
+<i>zij-zelf</i> die niet als zoodanig hadde gevoeld, en, ten tweede, niet de
+<i>samenhang</i> ervan met <i>hare daden</i>, d.w.z. de <i>rechtvaardigheid</i> ervan,
+hadde beseft. Want hoe zoudt ge kunnen worden <i>gelouterd</i> door een
+straf, die niet dan wrokgedachten in U wekt? <i>Derhalve</i>&mdash;en alweer zei
+ik u dit alles slechts om de nu volgende literair-critische opmerking te
+maken:&mdash;indien dus <i>de dichter niet ervoor had gezorgd, dat Beatrijs &egrave;n
+het een &egrave;n het ander begreep</i>, dan zou hij een slecht en onwaarachtig
+dichter zijn geweest, want in plaats van een figuur te scheppen, die
+<i>heilige</i> en <i>zondares</i> is, zooals hij bedoelde, zou hij er slechts eene
+hebben geschapen, die alleen <i>zondares</i> is en dat blijft; en niet alleen
+dat die figuur dan niet zou hebben <i>geleefd</i> voor ons, in de sfeer van
+het verhaal waarin zij geplaatst is, maar <i>ook</i>&mdash;en ik wees u reeds de
+vorige maal op iets dergelijks&mdash;<i>de begenadiging van haar met een
+mirakel</i> zou ons <i>volkomen onverstaanbaar</i> zijn geworden. En al naar
+onzen aard zouden wij hebben gedacht, &ograve;f: dit alles is
+quasi-dichterlijke malligheid, &ograve;f dit is een van die <i>goddelijke
+willekeuren</i>, die geenerlei weerklank in mijn <i>menschelijk</i> gemoed
+wekken. Doch luister nu maar even, hoe onze zuivere dichter daar w&egrave;l
+voor gezorgd heeft, onze dichter, die, hoe vreemd de moderne term
+toegepast op dezen na&iuml;even middeleeuwer ook moge klinken, tevens een
+<i>waarachtig menschenschepper</i> was.</p>
+
+<p class="pagenum"><a name="p251" id="p251"></a>[p.251]</p>
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Si sprac: "Hets<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> mi comen toe,<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) Het is <sup>2</sup>) mij overkomen]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Dat ic duchte spade ende vroe</i><span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) laat en vroeg = altijd]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ic ben in vele doghens<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> bleven:<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) lijden <sup>2</sup>) achtergebleven]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Die ghene heeft mi begheven,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Daar ic mi in trouwen toe verliet.</i><span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Spitz vertaalt uitmuntend: "hy, op wien ik in volkomen overgave vertrouwd heb"]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Maria, vrouwe, oft ghi ghebiet,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) indien het u behaagt]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Bidt vore mi ende mine jonghere<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>)kinderen]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dat wi niet en sterven van honghere.</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Wat salic<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> doen elendech wijf? <span class="sup">[<sup>1</sup>) zal ik]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ic moet beide siele ende lijf</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Bevlecken met <i>sondeghen daden.</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Maria, Vrouwe, staet mi in staden!<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Sta mij bij]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Al constic<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> enen roc<span class="sup"><sup>2</sup>) spinnen<sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) kon ik <sup>2</sup>) aan het spinrokken werken]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ic en mochter niet met<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> winnen <span class="sup">[<sup>1</sup>) ik zou er niet mede kunnen]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">In tween weken een broet,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) brood]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ic moet gaan <i>dorden</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>noet</i><span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) door den <sup>2</sup>) nood (gedwongen)]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Winnen buiten stat op toelt</i><span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) buiten de stad op het veld]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Met minen lichame ghelt</i>,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Daer ik met mach copen spise,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Waarmee ik voedsel kan koopen]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Ic en mach in ghere wise</i><span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) in geen geval]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Mine kinder niet begheven</i>."<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) hulpeloos laten]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dus ghinc si in een sondech leven;</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Want men seit ons over waer,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dat si langhe seven jaer,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ghemene wijf ter werelt ghinc,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ende meneghe sonde ontfinc,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Dat haer wel was onbequame</i>,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) onaangenaam]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Die si dede metten lichame</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Daer si cleine gheneuchte<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> hadde in</i>, <span class="sup">[<sup>1</sup>) weinig genot, d.i.: in verband met het vorige "onbequame": <i>geen</i> genot]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Al dede sijt<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> om een cranc<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> ghewin, <span class="sup">[<sup>1</sup>) Zij het <sup>2</sup>) gering]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Daer<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> si haer kinder met<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> onthelt.<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) <sup>1</sup>) Waarmee ... onderhield]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Wat holpt al vertelt,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Waartoe dient het te vertellen]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Die scamelike sonden swaer<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Schaamtewekkende en zware zonden]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Daer si in was .XIIII. jaer?</span><br />
+</p>
+
+<p>En ongetwijfeld, de dichter ziet het weer zeer juist in: hij hoeft ons
+dat alles niet te vertellen en hij <i>mag</i> het zelfs niet, want d&agrave;n zou
+<span class="pagenum"><a name="p252" id="p252"></a>[p.252]</span> dit zoet-teere, heilige mirakel-verhaal <i>al</i> te zeer <i>vergroofd</i>
+worden en daarmede onze zachte stemming van <i>niet-smarteloos</i> en &oacute;&oacute;k
+<i>niet-vreugdeloos</i> meeleven worden gedeerd. Wij moeten namelijk, zoo wil
+de dichter het natuurlijk, wel <i>menschen</i> blijven, maar toch menschen,
+zoo <i>weinig hartstochtelijk-geschokt,</i> dat we den uit zijn
+mirakelverhaal neerdauwenden goddelijken <i>vrede</i> kunnen genieten!
+Intusschen, ge hebt nu in de cursieven van mijn citaat de juistheid
+kunnen ontdekken van al wat ik tevoren had gezegd. Beatrijs begrijpt de
+<i>samenhang</i> van het haar treffende leed met hare daden, zij&mdash;iemand van
+hare levensbeschouwing&mdash;begrijpt het dus als <i>rechtvaardige straf</i>. Zij
+voelt: ze heeft niet alleen haar kuischheidseed gebroken, maar ook&mdash;zij,
+de religieuse!&mdash;te zeer op een m&egrave;nsch vertrouwd. Tevens zegt ons de
+dichter, hoezeer zij haar leven als leed en straf voelt. Zij schept er
+geenerlei behagen in. Dat alles kunt gij vinden in mijne cursieven. Maar
+in &eacute;&eacute;n dezer is n&ograve;g een voorname schoonheid, waarop ik u wel
+afzonderlijk behoor te wijzen: doordat onze dichter Beatrijs beeldt als
+eene, die de <i>zwaarste zonde</i> pleegt <i>ter wille van haar kinderen</i>,
+slaagt hij er in, hier zulk eene <i>allerinnigste</i> versmelting van
+<i>heilige</i> en <i>zondaar</i> te bereiken, als hij tot dan nog niet had
+bereikt.&mdash;</p>
+
+<p>En d&agrave;n komt de wondere keer in haar leven:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Als die .XIIIJ. jaer waren ghedaen</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Sinde</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>haer God int herte saen</i><span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) Zond <sup>2</sup>) spoedig]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Berouwenesse alsoe groet</i><span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) groot]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dat si met enen swerde<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> al bloet<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) zwaard <sup>2</sup>) bloot]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Liever liete haer hoet<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> afslaen <span class="sup">[<sup>1</sup>) hoofd)</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dan si meer sonden hadde ghedaen</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Met haren lichame, alsi<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> plach<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) <sup>1</sup>) Zooals zij gewoon was]</span></span><br />
+</p>
+
+<p>Gij hebt dus nu deze twee dingen o.a., in ons gedicht zien gebeuren, die
+ge, <i>zoo ge u in het denkleven van onzen vromen dichter verplaatst,</i>
+aldus begrijpt: Beatrijs heeft <i>genietend</i> kwaad gedaan, en door
+datzelfde kwaad wordt haar tot straf nu <i>leed</i> veroorzaakt. Beatrijs
+heeft veel goeds bedreven&mdash;gebeden tot Maria; uit <i>liefde</i> gezondigd;
+zich voor <span class="pagenum"><a name="p253" id="p253"></a>[p.253]</span> hare kinderen opgeofferd; haar hart kuisch
+gehouden&mdash;en <i>daarom</i> wordt haar dit sterke berouw in 't hart gezonden.
+Welnu, wat ge hier gezien hebt, is: een van de <i>diepe</i> begrippen der
+godsdiensten, in een <i>naief-schoon beeld</i> belijfd. Het is het begrip dat
+alles wat den mensch treft, tot hem wordt <i>aangetrokken</i> door zijn
+<i>eigen gesteldheid</i> en zelfs iets van het <i>aan-hem-zelf-ontstegene</i> moet
+zijn. Vergunt mij de poging, u dit alles duidelijk te maken door d&igrave;t
+beeld: de regen, die op de aarde neerkomt, wordt <i>aangetrokken</i> door
+haar; de regen, die op het <i>dorstige</i> land neerkomt, was ten deele eerst
+<i>dit land-zelf</i> ontstegen, terwijl het dorren <i>ging</i> en <i>onmachtig</i>
+werd. En toch, en niettemin, hoe schoon en diep eene gedachte dit zij:
+in de denksfeer van sommige dierzelfde godsdiensten, welke, zich
+veredelend, tot in het hart-zelve der Eeuwigheid schenen te dringen, is
+er een veel zuiverder begrepenheid, in welks glans, de begrippen
+<i>"zonde", "straf"</i> en <i>"belooning"</i> vale uiterlijkheden worden, een
+vergane kleedij. En v&oacute;&oacute;r het eind van dit artikel wil ik u toch ook
+d&aacute;&aacute;rtoe iets nader brengen. Vervolgen we thans eerst nog ons verhaal.
+Beatrijs bidt nu herhaaldelijk en vele dagen lang tot Maria en verlaat
+daarop de stad van haar geluk en haar ellende.</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Si nam een kint in elke hant</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ende ghincker<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> met<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> dor dat lant <span class="sup">[<sup>1</sup>) <sup>1</sup>) ging er mee]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">In armoede, van stede te stede,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ende levede bider beden<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) En leefde van aalmoezen]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Soe langhe dolede<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> si achter<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> lant, <span class="sup">[<sup>1</sup>) doolde <sup>2</sup>) door het]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dat si den cloester weder vant<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) vond]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Daer si hadde gheweest nonne;</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ende quam daer savons na der sonne</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">In ere<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> weduwen huus, spade<span class="sup"><sup>2</sup>): [<sup>1</sup>) eener <sup>2</sup>) laat]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Daer bat si herberghe dor ghenade</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dat si daer snachts mochte bliven.</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">"Ic mocht U qualyc verdriven,"<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <span class="sup">[<sup>1</sup>) Het zou mij slecht passen, U weg te jagen]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Sprac die vrouwe, "met uwen kinderkinen;</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Mi dunckt dat si moede scinen,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) blijken]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Rust U, ende sit neder,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ic sal U deilen weder<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Ik zal met u deelen]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><span class="pagenum"><a name="p254" id="p254"></a>[p.254]</span>Dat mi verleent onse here,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Doer siene lieven moeder ere.<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Zijn lieve Moeder ter eer]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dus bleef si met haren kinden,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ende soude gheerne<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> ondervinden<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) gaarne <sup>2</sup>) te weten komen]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Hoet inden cloester stoet<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Hoe het met het klooster ging]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">&mdash;"Segt mi," seitsi,<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> "vrouwe goet, <span class="sup">[<sup>1</sup>) sprak zij]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Es dit covent van joffrouwen?"<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Is dat een nonnenklooster?]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">"Jaet,"<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> seitsi "bi miere trouwen<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) Dat is het <sup>2</sup>) en ik geloof zeker]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dat verweent es<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> ende rike <span class="sup">[<sup>1</sup>) Dat er zeer ruim wordt geleefd]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Men weet niewer<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> sijns ghelike: <span class="sup">[<sup>1</sup>) nergens]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Die nonnen diere<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> abijt<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> in draghen, <span class="sup">[<sup>1</sup>) die er <sup>2</sup>) kloosterkleed]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ic hoerde nye<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> ghewaghen<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) nooit <sup>2</sup>) gewag maken]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Van hen negheen gherochte<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) eenig (kwaad) gerucht]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dies<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> si blame<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> hebben mochten <span class="sup">[<sup>1</sup>) waarvan <sup>2</sup>) blaam]</span></span><br />
+</p>
+
+<p>Beatrijs verwondert zich natuurlijk grootelijks over deze mededeeling.
+<i>Zij denkt immers, dat hare schande: ter wille van een man het klooster
+te hebben verlaten, wijd en zijd is bekend geworden</i>, en
+behoedzaam&mdash;merk hoe <i>natuurlijk-levendig</i> ook hier de dialoog is, en
+<i>overeenkomstig de situatie</i>&mdash;poogt zij door <i>tegenspraak</i> eenige
+opheldering van haar gastvrouw te krijgen. Zij had toch gehoord, zegt
+ze, dat veertien jaar geleden een non, die kosteres was, heimelijk het
+klooster verliet en men nooit vernam, in welk land zij leefde of
+gestorven was. Maar nauwelijks heeft zij dit gezegd, of haar gastvrouw
+wordt zeer boos en zegt, dat Beatrijs haar wel voor krankzinnig moet
+houden, dat zij tegenover h&aacute;&aacute;r z&oacute;&oacute; durft lasteren: juist die kosteres,
+van wie ze zoo schandelijk spreekt, is de deugdzaamste en
+geestelijkst-levende non van alle kloosters, die maar tusschen de Elbe
+en Gironde staan. Als Beatrijs het nog &eacute;&eacute;nmaal mocht wagen, zoo iets te
+zeggen, zal ze haar de deur wijzen. Beatrijs, hier voor 'n voor haar
+onoplosbaar raadsel staande, verzoekt haar gastvrouw, haar de namen van
+vader en moeder dier voortreffelijke kosteres te noemen. En d&agrave;n hoort
+zij&mdash;<i>die van hare eigen ouders!</i>&mdash;Dien nacht eenzaam op haar kamer,
+versmelt zij in tranen en gebed, en midden haar bidden door slaap
+overvallen ziet zij een visioen, en een stem spreekt,tot haar:</p>
+
+<p class="pagenum"><a name="p255" id="p255"></a>[p.255]</p>
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">"Mensche, du heves<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> soe langhe gecarmt<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) ge hebt <sup>2</sup>) gekermd, gesmeekt]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dat Maria dijns<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> ontfarmt; <span class="sup">[<sup>1</sup>) zich over U]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Want si heeft di verbeden<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Zy heeft vergiffenis voor U afgebeden]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ganc<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> in den cloester met haestecheden: <span class="sup">[<sup>1</sup>) Ga]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Du vints<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> die doren<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> openwide, <span class="sup">[<sup>1</sup>) Gij vindt <sup>2</sup>) de deuren]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Daer du uut ginges ten selven tide</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Met dinen lieve, den jhonghelinc,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Die di inder noet ave ghinc.<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Die U in den nood verliet]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Al dijn abijt<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> vinstu<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> weder <span class="sup">[<sup>1</sup>) Kleederen <sup>2</sup>) vindt ge]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ligghen opden<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> outaer<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> neder: <span class="sup">[<sup>1</sup>) <sup>1</sup>) op het altaar]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Wile,<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> covele<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> ende scoen <span class="sup">[<sup>1</sup>) Sluier <sup>2</sup>) hoofdkap]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Moeghedi<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> coenlyc<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> ane doen. <span class="sup">[<sup>1</sup>) kunt gij <sup>2</sup>) moedig, rustig]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Des<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> danc hoeghelike<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> Marien, <span class="sup">[<sup>1</sup>) Daarvoor <sup>2</sup>) hoogelijk]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Die slotele<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> van den sacristien, <span class="sup">[<sup>1</sup>) Sleutels]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Die du vor tbeelde<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> hincs<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Het beeld hingt]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Snachs, doe<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> du ute ghincs, <span class="sup">[<sup>1</sup>) toen]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Die heeft si soe<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> doen bewaren, <span class="sup">[<sup>1</sup>) zoo]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dat men binnen .XIIII. jaren</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dijns nye en ghemiste,<span class="sup"><sup>1)</sup> [<sup>1</sup>) U nooit miste]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Soe dat yemen daer af wiste.<span class="sup"><sup>1)</sup> [<sup>1</sup>) Zoodat niemand er iets van wist]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Maria es soe wel dijn vrient,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Si heeft altoes vor die ghedient</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Min no meer na dijn ghelike,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Geheel in uwe gedaante]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dat heeft de vrouwe van hemelrike,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Sonderse<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> dor<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> di ghedaen. <span class="sup">[<sup>1</sup>) Zondares <sup>2</sup>) voor]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Si heet<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> di inden cloester gaen; <span class="sup">[<sup>1</sup>) beveelt]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Du en vints nyeman<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> op dijn bedde <span class="sup">[<sup>1</sup>) Gij vindt niemand]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Hets<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> van Gode dat ic di quedde<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) Het is <sup>2</sup>) aanspreek]</span></span><br />
+</p>
+
+<p>Beatrijs, ontwaakt, twijfelt eraan, of het niet de duivel was, die haar
+met bedrieglijk-hemelsche stem heeft toegesproken, om haar daardoor des
+te dieper in het verderf te storten. Zij smeekt daarom God, dat indien
+die stem waarlijk van Zijnentwege en ten goede tot haar kwam, zij zich
+andermaal en ten derden male haar doe hooren. Dit gebeurt, weer verneemt
+zij het troostend bevel, maar zij durft nog niet, zij kan het nog niet
+wagen: de zaligheid en het wonder zijn haar te groot. Ten derden nacht
+blijft zij nu w&agrave;ken, en dan, terwijl <span class="pagenum"><a name="p256" id="p256"></a>[p.256]</span> zich de nu veel dringender
+bevelende stem weer doet hooren, wordt tevens de kamer van een geweldig
+licht vervuld. Nu twijfelt zij niet langer, en dan schrijft de
+eenvoudig-zuivere dichter dit stukje, waarvan ik u het schoonste en
+diepst-ontroerende cursiveeren zal.</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Si seide: "Nu en darf mi<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> niet twien<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) Nu mag niet ik meer <sup>2</sup>) twijfelen]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dese stemme comt van Gode,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ende es<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> der maghet Marien bode, <span class="sup">[<sup>1</sup>) is]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dat wetic<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> nu sonder hone; <span class="sup">[<sup>1</sup>) weet ik]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Si comt met lichte soe scone.</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Nu en willic<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> des niet laten: <span class="sup">[<sup>1</sup>) wil ik]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ic wille mi inden cloester maken;</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ic saelt<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> oec<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> doen, in goeden trouwen, <span class="sup">[<sup>1</sup>) zal het <sup>2</sup>) ook]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Opten troest<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> van onser vrouwen<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) Met volkomen betrouwen op <sup>2</sup> Onze Lieve Vrouwe]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ende wille mijn kinder beide gader</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Bevelen Gode onsen Vader:</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Hi salse wel bewaeren."</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Doe toeeh si ute</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>al sonder sparen</i><span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) Toen trok zij uit <sup>2</sup>) dralen]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Haer cleder, daer sise met decte</i><span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) waarmee zij hen dekte]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Liselike</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>dat sise niet en wede</i>. <span class="sup">[<sup>1</sup>) Zachtjes]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Si cussesse</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>beide aen</i><span class="sup"><sup>2</sup>)</span> <i>haren</i><span class="sup"><sup>2</sup>)</span> <i>mont</i>; <span class="sup">[<sup>1</sup>) kuste hen <sup>2</sup>) <sup>2</sup>) op hun]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Si seide: "Kinder, blijft ghesont:</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Op den troest van onser vrouwen<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Mij verlatend op onze Lieve Vrouwe]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Latic<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> U hier in goeder trouwen; <span class="sup">[<sup>1</sup>) Laat ik]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>En hadde si mi niet verbeden</i>,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Hadde zij het mij niet zoo overredend bevolen]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Ic en hadde u niet begheven</i><span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) niet verlaten]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Om al tgoet</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>dat Rome heeft</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>binnen.</i>"<span class="sup"><sup>2</sup>)[<sup>1</sup>) den rijkdom <sup>2</sup>) bezit]</span>.</span><br />
+</p>
+
+<p>De dichter, zien wij dus, is er in geslaagd, op zijne <i>eenvoudige</i> en
+<i>na&iuml;eve wijze</i>, de moederliefde, in <i>beeld en handeling</i>, zoowel te
+midden van leed en vernedering, als te midden der overweldigende glans
+eener goddelijke en miraculeuse redding, voor ons te doen <i>leven. Zijn
+opge-togenheid over de g&ograve;ddelijke liefde heeft hem de smartelijke
+vreugde noch den adeldom van de m&egrave;nschelijke doen vergeten</i>. Er is geen
+grooter lof voor een dichter noch een mensch....&mdash;</p>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p257" id="p257"></a>[p.257]</span> De volgende maal zullen wij de behandeling dezer Beatrijs ten
+einde brengen&mdash;er volgt nog veel schoons&mdash;laat mij thans nog even
+beproeven te doen wat ik straks beloofde. Ik zei: er is een religieuse
+denksfeer in de hoogst-veredelde godsdiensten, waar de begrippen
+"zonde", "straf" en "belooning" vale uiterlijkheden worden, een vergane
+kleedij. En ik zou pogen U tot dit alles iets nader te brengen.&mdash;Welnu:
+beproeft eens alles wat bestaat als uw <i>gelijken</i> te zien; poogt eens
+U-zelf, gedurende weinige oogenblikken, van uw <i>eerbied</i> voor uwe
+leiders en geestelijk-meerderen te <i>ontdoen</i>; poogt U-zelf van uwe
+<i>geringschatting</i> voor uw minderen te <i>ontdoen</i>; denk aan <i>niets, niets</i>
+anders, dan dat zij <i>leven</i> als gij, <i>onderhevig aan ziekte zijn</i> als
+gij, <i>speelballen van het lot</i> zijn als gij; zie dan buiten den
+geweldigen ring der menschheid naar de nog talrijker wezens, de dieren
+en de planten die haar, &ograve;pstijgend en zich rekkend naar de levenszon,
+omringen: weer ziet ge hetzelfde, zij leven als gij, zij sterven als
+gij. Wat ziet ge dus als datgene, waarin zij alle <i>samenkomen</i>? Het
+<i>leven,</i> de <i>dood</i> en de <i>afhankelijkheid</i>, niet waar? En wat ziet gij
+als hunne onderlinge <i>verschillen</i>? Een, grovere of fijnere,
+<i>gradueering</i> van hunne vermogens niet waar? Den een&mdash;bepalen we ons nu
+tot de menschheid&mdash;noemt gij dwaas; den ander verstandig; een derde
+wijs. Maar allen bij elkaar, de machtigen en de geringen, trots al hunne
+onderlinge verschillen, ziet ge nu toch niet anders dan als heel kleine
+kinderen, in de armen van dien &eacute;&eacute;nen, oneindigen God-Vader, het Leven.
+Denkt U nu eens, dat dit Goddelijke Leven de altijd door werkende
+evolutionnaire tendenz heeft: van den dwaas een verstandige, van den
+verstandige een wijze te maken; dat het Leven daartoe allerlei middelen
+aanwendt, die &ograve;ns <i>aangenaam</i> of <i>om</i>aangenaam aandoen; ja dat het
+<i>Leven-zelf</i> met dat doel h&eacute;&eacute;l ons <i>actief-zijn</i> en heel ons
+<i>passief-zijn</i> onverwrikbaar <i>predestineert</i>. En dan ziet ge plots en
+duidelijk, dat wat wij "straf" noemden, slechts een van die &ograve;ns
+onaangename <i>middelen</i> ter <i>opvoeding</i>, ter <i>verhooging</i>, en ni&egrave;ts
+&agrave;nders, is, en wat wij "belooning" noemden: een van die &ograve;ns <i>aangename</i>
+middelen, evenzeer ter opvoeding en verhooging en tot ni&egrave;ts &agrave;nders. En
+hieruit begrijpt ge tevens <span class="pagenum"><a name="p258" id="p258"></a>[p.258]</span> dat de termen "straf" en "belooning",
+voor zoover men ze niet afgescheiden van het begrip "vergelden" kan
+denken, hier &ograve;njuiste termen zijn: het Leven <i>vergeldt niet</i>, dat doet
+slechts de wraakgierige, of gevleide, of dankbare <i>mensch</i>. Het Leven
+kent ook geen "zonden" en "deugden." Het k&egrave;nt niet anders dan <i>graden
+van ontwikkeling</i>, die in <i>hoogere</i> graden moeten <i>overgaan</i>; het wil
+niet anders dan: <i>groei</i>.</p>
+
+<p>Ongetwijfeld, ge bemerkt 't allicht nu reeds: hier rijzen tallooze
+vragen, hier doemen tallooze moeielijkheden op. Welnu, ik wensch U,
+moogt gij spoedig zoozeer groeien, dat gij U met hart en ziel aan het
+vinden van een antwoord-voor-Uzelf wijden <i>wilt</i>.&mdash;Allicht zult ge nu
+intusschen hebben begrepen&mdash;wat kan ik voor U zijn, als ge mij niet
+kent?&mdash;dat wanneer ik, een aanhanger van deze religieuse en wijsgeerige
+denkwijze, mij in de verhoudingen van: "straf", "belooning", "zonde" en
+"genade" verdiep, ik dat alleen doe, om het wezen van een ander te
+begrijpen, zooals hier dat van onzen middeleeuwschen dichter, maar dat
+voor mij deze begrippen hebben <i>afgedaan</i>.</p>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<h3>IIIb</h3>
+
+
+<p>"Hoort wes (wat) si sal beghinnen," zegt nu onze dichter, na te hebben
+verhaald, hoe Beatrijs hare kinderen verlaat, om zich naar het klooster
+te begeven. En plots glimlachte mijne Verbeelding, en ik antwoordde den
+dichter: "<i>Ik</i> hoor, maar&mdash;ik kan er u niet voor instaan, dat ook al die
+vrienden, die &ugrave; ten deele door m&igrave;j heen hooren, nog naar U luisteren.
+Gij moet namelijk wel weten, lieve Meester, dat zij&mdash;droevig gezwegen
+van het vele andere, dat hen van U scheidt!&mdash;nog wel wat anders te
+overdenken hebben in dezen treurigen tijd dan een schoon gedicht. Gij
+k&ugrave;nt er geen flauw begrip van hebben, o Zeer Zuivere, die allicht reeds
+eeuwen in de stralende stilte van uw hemelschen droom aan de voeten van
+Ruusbroec zit en naar zijne geheimenissen-onderrichtende stem hoort&mdash;gij
+kunt er geen fla&ugrave;w begrip van hebben in welk eene troebele
+verwarring-der-duisternis wij leven.... "Welnu," onderbreekt gij,
+onverfijnde-verfijnde, mij eensklaps schalk, <span class="pagenum"><a name="p259" id="p259"></a>[p.259]</span> "den luister van
+mijn licht ontbreekt 't dan althans aan donkeren achtergrond niet!" Ach,
+lieve Meester, is mijn wederwoord, nu het U behaagt te schertsen, zie ik
+U wel waarlijk als een, die te lang reeds in den hemel leeft, dan dat
+hem de nooden der aarde, hoe goed hij ze vroeger ook kende, niet verre
+en vreemde zouden geworden zijn. Niet elk licht brengt verlichting in de
+aardsche sfeer.... En zoudt gij U dat niet herinneren?... Denk eens aan
+de machtige kathedralen van uw tijd.... Als het er avondde en, gelijk
+oogleden over slapensreede oogen, de nacht er over het lichten der
+kleuren, het juweel- en goud-spiegelen der beelden en altaren was
+gedaald, hoe zwak alhoewel schoon, hoe onmachtig en toch licht, blonken
+dan al die teer-gele vlammetjes in hunne kleine heiligen-aureolen....
+Gedenk dat, lieve dichter, en aanzie dan, hoe een schoon en
+teer-wiegelend droomlichtje als het uwe nu <i>eenzaam</i> brandt in de
+volksziel van mijn tijd ... een ziel die een kathedraal is, vol
+droomende en wakende kleuren, kleuren van winter- en lente-hemels, van
+stille en storm-zee&euml;n; vol zinrijke beelden, juweel-bestarde altaren,
+nissen vol geheimenis, pilaren vol kracht ... terwijl toch, door de
+duisternis, waarmee reeds overlangen tijd de maatschappij-nacht dit
+alles overdekt, niemand haar volle schoonheid en weidschheid kent, haar
+biddende spitsbogen noch haar wondere vensters, die van het zonlicht,
+zoo hen dat maar kon bestreden, een eigen schoon-spelende kleurenbrand
+zouden maken.... Ja erger: zij zelve vangt nauw aan zich te kennen, en
+dacht zich&mdash;<i>zie</i> deze tragedie, dichter&mdash;tot v&oacute;&oacute;r geringen tijd een
+werkplaats, gebouwd om dag en nacht te dreunen van het zwoegen.... en
+n&ograve;g kent zij haar <i>aangeboren-gebedgestalte</i> niet en al de <i>opstrevende
+hemelbestormende</i> houdingen van haar lichaam, haar hemel-indringende
+hoogte en blanke spits.... De klare droomen van haar vensterbeelden zijn
+haar tot chimaera's geworden.... En d&aacute;&aacute;rin, in dat donkere paleis, staat
+Gij nu teer te branden in uw heiligen-aureool.... Dichter, ik zeg U: ik
+weet niet of de zielen mijner vrienden naar U hooren, want die alle zijn
+deeltjes, sch&oacute;&oacute;ne deeltjes van die kathedraal, doch kennen van wege den
+nacht hun waarde en schoonheid niet.... Maar ga Gij maar onverdroten
+<span class="pagenum"><a name="p260" id="p260"></a>[p.260]</span> verdroten voort ook d&aacute;&aacute;r te branden ... wellicht, wellicht ...
+wie weet ... komen er eenigen tot een aanvang van zelfkennis bij uw
+eenzaam lichtje ... ik zal wel uw glans-blije kandelaar zijn ... ja, was
+dit mijn gesprek met U niet, als dat wat de vlam en de blaker samen
+voeren in de been en weer bevende sprankeling tusschen het
+glim-beschenen koper en het stralende licht?...&mdash;</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Dit was mijn gesprek met den dichter, gij waart het onderwerp, vrienden,
+zooals ge ziet. Beloon het met nog een weinig aandacht voor zijn
+slotwoord....&mdash;</p>
+
+<p>Beatrijs is nu moederziel alleen in den stillen nacht kloosterwaarts
+getogen. Zij komt aan in denzelfden boomgaard, waar ze haar wereldschen
+tocht begon. Zoodra zij zich binnen de muren bevindt&mdash;de poort vond zij
+geopend&mdash;dankt zij Maria innig. Zij vindt alles op zijn plaats, haar
+kleeren en schoenen; de sleutels van de sacristie vindt zij terug voor
+het Onze-Lieve-Vrouwe-beeld, waar zij ze veertien jaar geleden had
+gehangen; zij ziet hoe alles wel verzorgd is, de lampen branden overal
+in de kerk; en nadat ze nu de gebedenboeken elk op zijn plaats heeft
+gelegd, bidt zij nog tot Maria, of Die haar en hare kinderen, die zij in
+zoo zwaar verdriet in het huis van een vreemde moest achterlaten, voor
+alle kwaad mocht behoeden. En ... maar neen, het volgende is te
+stemmingsvol in het oorspronkelijk dicht, dan dat ik 't U niet weer even
+zou overschrijven:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Bin dien<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> was die nacht tegaen <span class="sup">[<sup>1</sup>) Intusschen]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dat dorloy<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> begonste slaen, <span class="sup">[<sup>1</sup>) uurwerk]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Daermen middernacht bi kinde<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) kende]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Si nam dat clocseel<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> biden<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> inde<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) <sup>1</sup>) <sup>1</sup>) het klokketouw bij het eind]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ende luude<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> metten so wel te tide,<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) luidde de metten <sup>2</sup>) op den juisten tijd]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dat sijt<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> hoerden in allen siden.<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) zij het <sup>2</sup>) overal]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Die boven opten<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> dormter<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> laghen <span class="sup">[<sup>1</sup>) op de <sup>2</sup>) slaapzaal]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Die quamen alle sonder traghen<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) te talmen]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Van den dormter ghemene.<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) te zamen]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Sine<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> wisten hier af groot no<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> clene. <span class="sup">[<sup>1</sup>) Zij <sup>2</sup>) noch]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><span class="pagenum"><a name="p261" id="p261"></a>[p.261]</span> Si bleef inden cloester haren tijt</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Sonder lachter<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> ende verwijt; <span class="sup">[<sup>1</sup>) schande]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Maria hadde ghedient voer<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> hare <span class="sup">[<sup>1</sup>) voor]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ghelijc of sijt<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> selve ware. <span class="sup">[<sup>1</sup>) zij het]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dus was die sonderse<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> bekeert <span class="sup">[<sup>1</sup>) zondares]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Maria te love, die men eert,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Der maghet<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> van hemelrike, <span class="sup">[<sup>1</sup>) maagd]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Die altoes ghetrouwelike</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Haren vrient staet<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> in<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> staden<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) <sup>1</sup>) <sup>1</sup>) bijstaat]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Alsi<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> in node<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> sijn verladen.<span class="sup"><sup>3</sup>) [<sup>1</sup>) Als die <sup>2</sup>) door nood <sup>3</sup>) zijn bezwaard]</span></span><br />
+</p>
+
+<p>En let nu eens op, hoe verrukkelijk eenvoudig, hoe schoon na&iuml;ef, onze
+dichter, in mijn eerste cursief, nu verder vertelt:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Deze joffrouwe, daer</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>ik af las</i><span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) <sup>1</sup>) waarvan ik vertelde]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Es</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>nonne alsi te voren was</i>. <span class="sup">[<sup>1</sup>) Is]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Nu en willic vergheten niet</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Haer tweer<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> kindere, die sie liet <span class="sup">[<sup>1</sup>) twee]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ter weduwenhuus<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> in groter noet<span class="sup"><sup>2</sup>). [) In het huis der weduwe <sup>2</sup>) nood]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Si en hadden ghelt noch broet.<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) brood]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ic en can U niet vermonden,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) verhalen]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Doe<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> si haer<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> moeder niet en vonden, <span class="sup">[<sup>1</sup>) Toen <sup>2</sup>) hun]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Wat groter rouwe datsi dreven.</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Die weduwe ghincker<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> sitten<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> neven<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) <sup>1</sup>) <sup>1</sup>) ging naast ze zitten]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Si hadder op ontfermenisse<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Zy had medelijden met hen]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Si seide: "Ic wille toter<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> abdisse<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) <sup>1</sup>) naar de abdis]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Gaen met desen .ij.<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> kinden, <span class="sup">[<sup>1</sup>) twee]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">God sal hare int<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> herte sinden <span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) in het <sup>1</sup>) zenden,&nbsp; d.w.z.: God zal de gedachte in haar opwekken.]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dat si hen goet sal doen."</span><br />
+</p>
+
+<p>De brave vrouw, in het klooster gekomen, vindt inderdaad de abdis
+onmiddellijk bereid, naar het verhaal van haar zonderling wedervaren te
+luisteren: hoe deze kinderen door een onbekende vrouw die met hen 's
+nachts bij haar onderdak had gevonden, verlaten zijn. De abdis belooft
+haar voor hen te zullen zorgen: de vrouw moet ze maar in haar huis
+houden, maar kan alles wat zij noodig hebben, dagelijks van het klooster
+laten halen. Beatrijs, die, zooals van zelf spreekt, dit alles <span class="pagenum"><a name="p262" id="p262"></a>[p.262]</span>
+verneemt, voelt zich gelukkig, dat ook dit ten goede is geschikt en zij
+niet langer met zorg en angst aan hare kinderen hoeft te denken.
+Maar&mdash;<i>zij lijdt zeer hevig onder iets anders</i>:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Menech suchten ende beven</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Hadsi<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> nacht ende dach; <span class="sup">[<sup>1</sup>) had zij]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Want haer die rouwe<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> int herte<span class="sup"><sup>2</sup>)</span>, lach<span class="sup"><sup>3</sup>) [<sup>1</sup>) berouw <sup>2</sup>) in het hart <sup>3</sup>) lag]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Van haren quaden sonden,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Die si niet en dorste<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> vermonden<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) durfde <sup>2</sup>) vertellen, <i>mondeling</i> openbaren]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ghenen mensche, no<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> ontdecken, <span class="sup">[<sup>1</sup>) noch]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">No in dichten<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> oeck vertrecken.<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) <sup>1</sup>) Noch op <i>schrift</i> te openbaren]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">No in dichten<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> oeck vertrecken.<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) <sup>1</sup>) Noch op <i>schrift</i> te openbaren]</span></span><br />
+<br /></p>
+<p>
+Het is ongetwijfeld waar, dat, naar men heeft gezegd, de dichter, reeds
+door zoo zwaren nadruk te leggen op de behoefte van Beatrijs om een
+ander deelgenoot van haar geestelijken nood te maken, de onmisbaarheid
+van de <i>biecht</i> heeft willen aantoonen, en, daar in zijn tijd de
+biechtverplichting door de geloovigen niet bijster stipt zou zijn
+nagekomen, de menschen heeft willen aansporen, vooral door het geen
+verder in zijn gedicht volgt, dat wel te doen. Maar daarom schijnt het
+mij ook niet overbodig, hieraan toe te voegen, dat deze "tendentieuze"
+invoeging niet alleen zijn dichtwerk <i>niet</i> heeft geschaad, maar het
+zelfs aanmerkelijk <i>ten goede</i> is gekomen&mdash;<i>waarvan zoo dadelijk het
+bewijs </i>&mdash;'t geen dan ook <i>niet anders kon</i>. Indien&mdash;om 't zeer kort te
+zeggen en hier geen literair-aestetische theorie&euml;n aan te snijden, welke
+al te zwaar verteerbaar zouden kunnen blijken&mdash;indien een zekere
+levensbeschouwing zoo door een mensch is <i>doorleefd</i> en
+<i>geasssimileerd,</i> dat zij als 't ware <i>tot vleesch en bloed van zijn
+wezen</i> is geworden, dan vloeit het belijden, het <i>verdedigen</i> en dus in
+zekeren zin: <i>propageeren</i> daarvan, <i>van zelf</i> en <i>natuurlijk</i> uit zijn
+wezen voort; dan is dat voor dien mensch niets anders, dan <i>zelf</i>verweer
+en <i>zelf</i>bestendiging, en doet het zich, zoo hij kunstenaar is, even
+<i>van zelf</i> en <i>vaak</i> onbewuster wijze in zijn werk gelden, als de
+rhythmiek van zijn ademhaling, als, kortom, &agrave;l zijne eigenschappen van
+geest en gemoed, die sterk genoeg <span class="pagenum"><a name="p263" id="p263"></a>[p.263]</span> zijn, om hunne scheppende
+aequivalenten aan te kunnen trekken. En niet het <i>uitvieren</i> maar juist
+het <i>onderdrukken</i> van den daarmede verbonden scheppenden drang zou dan
+een kunst<i>bedervende</i> tendenz, van de lagere persoonlijkheid, in het
+werk brengen!&mdash;Een dergelijke <i>tot bloed en vleesch geworden
+levensbeschouwing nu was voor onzen dichter ongetwijfeld de
+religieus-katholieke,</i> en derhalve een pleidooi voor het instituut van
+de biecht eene even zuiver natuurlijke uiting van zijn wezen, als zijn
+ademhaling. Gelijk die ademhaling in de <i>persoonlijke-rhythmiek</i> der
+<i>verzen</i>, kwam die levensbeschouwing in de <i>scheppende groepeering der
+verhaal-feiten</i> en de psycholiek voor den dag! En: daar diezelfde
+levensbeschouwing zoo een bijzonder-<i>sterk</i> en <i>diep</i>-wortelend deel van
+zijn wezen was, kwam haar zich-naar-voren-dringen zelfs het werk ten
+g&ograve;ede, gelijk ik zei; verwekte zij die eigenaardige vurig-scherpe
+doordringings- en verbeeldings-macht, die een schepper hooger schoon dan
+ooit doet baren. Ik zei: "<i>waarvan zoo dadelijk het bewijs."</i> Ziehier:
+</p>
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Hierna quam op enen dach</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Een abt, diese te visenteerne<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> plach<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) <sup>1</sup>) gewoon was te bezoeken]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Eenwerf <span class="sup"><sup>1</sup>)</span> binnen den jare, <span class="sup">[<sup>1</sup>) een maal]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Om te vernemene oft daer ware</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Enech lachterlike gherochte,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Een schandelijk gerucht]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Daersi blame af hebben mochten.<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Dat hen in opspraak zou kunnen brengen]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Sdages<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> als hire<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> comen was <span class="sup">[<sup>1</sup>) Den dag <sup>2</sup>) dat hij]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Lach<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> die sonderse<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> ende las <span class="sup">[<sup>1</sup>) Lag <sup>2</sup>) de zondares]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Inden coer<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> haer ghebet, <span class="sup">[<sup>1</sup>) Koor]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>In groter twivelingen</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>met</i>.<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) Tweestrijd <sup>2</sup>) mede, bovendien]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Die duvel becorese</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>metter scame</i> <span class="sup">[<sup>1</sup>) bracht haar in verzoeking]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Dat si haer sondelike</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> blame <span class="sup">[<sup>1</sup>) zondige]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Vore den abt niet en soudebringen.</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Alsi lach<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> inder bedinghen<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) lag <sup>2</sup>) gebed]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Sach</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>si hoe dat neven haer leet</i><span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) zag <sup>2</sup>) voorbijging]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Een jonghelinc met witten ghecleet</i>;</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Hi droech in sinen arm al bloet</i><span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) bloot]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Een kint, dat dochte</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>haar wesen</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>doet</i>,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) <sup>1</sup>) <sup>1</sup>) naar zy dacht, dood was]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><span class="pagenum"><a name="p264" id="p264"></a>[p.264]</span> <i>Die jonghelinc warp<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> op ende neder</i> <span class="sup">[<sup>1</sup>) wierp]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Enen appel ende vinken</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>weder</i> <span class="sup">[<sup>1</sup>) ving hem]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Vor tkint, ende maecte spel.</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dit versach die nonne wel,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Daer si in haer ghebede lach,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) lag]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Si seide: "Vrient, oft wesen mach</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ende of ghi comen sijt van Gode,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Soe<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> manic<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> U bi sinen gheboden <span class="sup">[<sup>1</sup>) Zoo <sup>2</sup>) bezweer ik]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dat ghi mi segt ende niet en heelt<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) verheelt]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Waerom ghi voer dat kint speelt</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Metten sconen appel roet<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) rood]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ende het leit in uwen arm doet:<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) dood]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">U spel en helpt hem niet een<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> haer."<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) <sup>1</sup>) geen zier]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">&mdash;"<i>Seker, nonne ghi segt waer:</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>En weet niet van minen spele,</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Weder</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>luttel nochte</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>vele</i>: <span class="sup">[<sup>1</sup>) Noch <sup>1</sup>) noch]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Hets</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>doet</i><span class="sup"><sup>2</sup>)</span> <i>en hoert</i><span class="sup"><sup>3</sup>)</span> <i>no</i><span class="sup"><sup>4)</sup></span> <i>en siet</i>. <span class="sup">[<sup>1</sup>) Het is <sup>2</sup>)dood <sup>3</sup>) hoort <sup>4</sup>) noch]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Al des ghelike</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>en weet God niet</i> <span class="sup">[<sup>1</sup>) Welnu evenmin]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Dat ghi leest</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>ende vast</i>; <span class="sup">[<sup>1</sup>) bidt]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Dat en helpt U niet een bast</i><span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Dat alles is van volstrekt geen waarde]</span>.</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Mets al verloren pine</i><span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) moeite]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Dat ghi neemt discipline</i><span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Dat ge U kastijdt]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Ghi sijt in sonden soe</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>versmoert</i><span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) zoo versmoord]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Dat God U beden niet en hoert</i><span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) hoort]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Boven in sijn rike</i>.</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ic rade U: haestelike<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) haastiglijk]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Gaet ten abt uwen vader</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ende verteelt hem algader</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">U sonden al sonder lieghen.</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Laet U den duvel niet bedrieghen.</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Die abt sal U absolveeren<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) absolutie geven]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Van den sonden die U deren;</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Eest<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> dat ghise<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> niet en wilt spreken <span class="sup">[<sup>1</sup>) Mocht het zijn <sup>2</sup>) gij ze]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">God salse swaerlike an U wreken."</span><br />
+</p>
+
+<p>De vier regels van mijn <i>eerste</i> cursief heb ik aldus laten zetten, om U
+opmerkzaam te maken tegelijkertijd &egrave;n op de aansporing tot nakoming der
+biechtverplichting, die daarin ligt, &egrave;n op de voortreffelijke
+psychologiek van onzen dichter, maar het tweede cursief bedoelt uw
+<span class="pagenum"><a name="p265" id="p265"></a>[p.265]</span> aandacht te trekken naar die prachtige allegorische voorstelling
+van <i>den jongeling, die voor een in zijn armen liggend dood kind met een
+appel speelt.</i> Die voorstelling is ook plastisch zoo voortreffelijk&mdash;en
+met hoe <i>eenvoudige</i> middelen is dit bereikt&mdash;dat ik het gelijk een van
+ouderdom kleur-verdiept schilderij voor mij zie. Het is overigens een
+<i>echt-middeleeuwsch, ingewikkeld-symbolisch</i> tafereel. Voel eens de
+tijdsverwantschap ervan&mdash;in de laatste cursieven van het volgend
+citaat&mdash;met een sonnet van den wereldgrooten en nog heden ten dage in de
+ziel zijns volks levenden Dante Alighieri. (In de voortreffelijke
+vertaling van Van Suchtelen&mdash;uit <i>Het Nieuwe Leven</i>&mdash;):</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Elk edel hart, <i>dat juist der liefde gloed</i>,<a name="FNanchor_4_53" id="FNanchor_4_53"></a><a href="#Footnote_4_53" class="fnanchor">[4]</a></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Tot voor welks aanschijn deze woorden dwalen&mdash;</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Opdat het mij zijn meening moog verhalen&mdash;</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">In naam van Amor, zijnen Heer, mijn groet!</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 2em;">Reeds henen was dra 't derde deel gespoed</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Der uren waarin alle sterren stralen,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Toen plotseling Amor tot mij neer kwam dalen,</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Zoo, dat herinnering nog mij beven doet</i>.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Vol vreugde scheen hij me eerst terwijl zijn handen</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Droegen mijn hart, en in zijn armen had</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Hij mijn Meestres, sluimrend in lichtrood kleed</i>;</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Toen riep hij haar; en van mijn hart dat brandde,</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Zag ic hoe zij schuchter, schoon gehoorzaam, at....</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>En klagend vlood hij als in bitter leed</i>.</span><br />
+</p>
+
+<p>In mijn <i>derde</i> cursief&mdash;in het <i>Beatrijs-citaat</i>, wel te
+verstaan&mdash;vindt ge de verklaring van de symbolische voorstelling. Het is
+alles niet dan zuiver schoon en zuiver natuurlijk: Beatrijs is een arm
+ongelukkig menschenkind, dat de wroegende herinnering aan hare zonde een
+ander openbaren <i>moet</i>. En de jongeling, de engel ... wel wat zou
+<span class="pagenum"><a name="p266" id="p266"></a>[p.266]</span> wel <i>natuurlijker</i> voor een engel uit den <i>katholieken</i> hemel
+k&ugrave;nnen zijn, dan een dergelijke ongelukkige op de biecht te wijzen: niet
+minder eene werkelijke verlossing dan een verplichting voor
+haar?&mdash;Beatrijs overwint dan haar schaamte en biecht den abt haar
+misdrijf en miraculeuze redding; deze geeft haar absolutie en zegt dan
+(en let <i>nu eens op</i> hoe <i>voortreffelijk-compositorisch</i> ook, dit
+gedicht is opgebouwd!):</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Hi seide: "Ic sal in een sermoen<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) preek]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">U biechte openbare seggen,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ende dat soe<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> wiselike<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> beleggen,<span class="sup"><sup>3</sup>) [<sup>1</sup>) Zoo <sup>2</sup>) wijselijk <sup>3</sup>) daarheen leiden]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dat ghi ende U kinder mede</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Nemmermeer<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> te ghere stede<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) nooit <sup>2</sup>) in geen enkel opzicht]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ghen lachter<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> en selt<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> ghecrigen,<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) schande <sup>2</sup>) <sup>2</sup>) zult oploopen]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Het ware onrecht soudement<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> swigen</i>, <span class="sup">[<sup>1</sup>) zou men het]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Die scone miracle, die ons here</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Dede doer siere moeder ere</i>.<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) Deed ter eere zijner Moeder]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Ic saelt</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>orconden</i><span class="sup"><sup>2</sup>)</span> <i>over al</i>; <span class="sup">[<sup>1</sup>) zal het <sup>2</sup>) verkondigen]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Ic hope datter nog bi sal</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Menech sondare bekeren</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Ende onserlieven vrouwen eren</i>."</span><br />
+</p>
+
+<p>Ik heette U erop te letten, hoe in mijn citaat iets
+voortreffelijk-compositorisch voor den dag zou treden. En
+natuurlijk&mdash;gij zaagt het reeds in mijn cursief. De vraag zoude immers
+gebl&egrave;ven zijn&mdash;een <i>gewichtige</i> vraag voor onzen dichter, voor wien het
+schrijven van dit gedicht, niet "slechts" het scheppen van een kunstwerk
+was, maar veel meer dan dat: het verheerlijken der heilige
+Moeder-Maagd&mdash;hoe werd dit mirakel ooit bekend aan anderen, hoe k&ograve;n 't
+aan anderen bekend zijn geworden, waar het toch juist uitteraard een
+geheim tusschen de Goddelijke en de begenadigde vrouw was? En ziedaar de
+oplossing: de psychologische en religieuze noodzakelijkheid van de
+biecht voor Beatrijs, &egrave;n een biechtvader, die het z&oacute;&oacute; weet te plooien,
+dat hij, zonder het biechtgeheim te schenden, toch der wereld de
+troostende en stichtende wetenschap van het mirakel schenken kan. Mooier
+het-een-uit-het-ander-<i>gegroeid</i> had het waarlijk niet gekund!&mdash;het
+na&iuml;ef schoone slot:</p>
+
+<p class="pagenum"><a name="p267" id="p267"></a>[p.267]</p>
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Hi&mdash;de abt, v.C.&mdash;deet verstaan den covende,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) klooster]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Eer hi thuuswaert<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> weder wende, <span class="sup">[<sup>1</sup> huiswaarts]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Hoe<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> ere<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> nonnen was gesciet; <span class="sup">[<sup>1</sup>) wat eene]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Maer sine wisten niet</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Wie si was; het bleef verholen.</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Die abt voer<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> Gode volen<span class="sup"><sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) reed heen <sup>2</sup>) God bevolen]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Der nonnen kinder nam hi beide</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ende vorese<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> in sein gheleide. <span class="sup">[<sup>1</sup>) voerde hen mede]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Grau abijt<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> dedi hen an, <span class="sup">[<sup>1</sup>) Het grauwe kleed]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ende si werden goede man.</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Haer moeder hiet Beatrijs.</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Loef Gode ende prijs,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ende Maria, die God soghede<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) zoogde]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ende dese scone miracle toghede.<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) toonde, d.i.: deed gebeuren]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Si halp<span class="sup"><sup>1</sup>)</span> haer uut alre<span class="sup"><sup>2</sup>)</span> noet.<sup>2</sup>) [<sup>1</sup>) hielp <sup>2</sup>) <sup>2</sup>) al haar nood]</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Nu bidden wi alle, cleine ende groet</i>,<span class="sup"><sup>1</sup>) [<sup>1</sup>) groot]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Die dese miracle horen lesen,</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Dat Maria moete wesen</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Ons vorsprake int soete dal</i>,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Daer God die werelt doemen</i><span class="sup"><sup>1</sup>)</span> <i>sal</i> <span class="sup">[<sup>1</sup>) oordeelen]</span></span><br />
+<span style="margin-left: 14em;">Amen.</span><br />
+</p>
+
+<p>Prachtig niet waar, dat door mij gecursiveerde: in de <i>eerste</i> twee
+regels: de evocatie van dien biddenden kring, "klein en groot"&mdash;zi&egrave;
+jelui 't wel?&mdash;als zoo'n prentje, een miniatuurtje van een primitieve in
+een antiek brevier? En h&oacute;&oacute;rt ge wel, die berustende <i>donkere,</i> als
+<i>knielend-afwachtende</i> orgelmuziek der drie laatste regels?...&mdash;Welnu,
+loonde het genot de moeite niet?... Ja, zoo gaat 't nu eenmaal: n&ugrave; spijt
+'t U allicht dat de duikklok, waarin wij ter diepte der tijdzee
+onderdoken, reeds wordt opgehaald.... Wij naderen de oppervlakte weer,
+de lucht van &ograve;nzen tijd zullen wij daar onmiddellijk inademen .... Maar
+in elk geval, onze kostbare parelen en vreemde planten hebben wij toch
+uit de diepte meegevoerd....&mdash;En terwijl wij <i>Boutens</i>' "Beatrijs" gaan
+lezen, zullen wij zien ... nu en dan, en vergelijkend ... naar die
+parelen en naar die planten....&mdash;</p>
+
+
+<p class="caption">Noot:</p>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_53" id="Footnote_4_53"></a><a href="#FNanchor_4_53"><span class="label">[4]</span></a> Hier is de vertaling duister. Het oorspronkelijke heeft: <i>A
+ciascun'alma presa e gentil core</i> hetgeen beteekent: <i>Aan elke verliefde
+ziel en edel hart</i>.</p></div>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p class="pagenum"><a name="p268" id="p268"></a>[p.268]</p>
+<h3>IV</h3>
+
+<h4>P.C. Boutens' Beatrijs</h4>
+
+
+<p>Als een mensch zich-zelven moe wordt; als hij een afkeer van zichzelf
+krijgt; als al datgene wat tot dan zijn trots, zijn geluk, zijn hoogste
+doel was, hem plots een ledigheid, een grauwte, een vertwijfeling en een
+doell&oacute;&oacute;sheid blijkt; als al datgene wat hem als zijn leven-zelf was, hem
+als h&egrave;t levenlooze verschijnt&mdash;d&agrave;n, indien hij sterk en jong is en nog
+niet het passieve van den uitgeleefde en welhaast-stervende heeft, dan
+wendt hij zich meerendeels om troost, om een <i>nieuw ideaal,</i> tot het
+<i>tegengestelde</i> van het oude, van alles wat hij vroeger zoo diep heeft
+liefgehad. En gelijk de menschen, z&oacute;&oacute; de tijd, ja: m&eacute;&eacute;r dan de menschen
+aldus de tijd, want betrekkelijk zelden schijnt deze&mdash;ofschoon ook dat
+wel eens gebeurt&mdash;te <i>sterven</i>, d.w.z.: breekt <i>abrupt</i> af en wordt
+<i>opgevolgd</i> door een, die een ander is dan hij, met als uitvaart-en
+geboortklok-bronzen-donder een stormend luien als van de Fransche
+revolutie tusschen beide in. En als zulk een tijd, zooals ik reeds zei:
+sch&igrave;jnt te sterven, welnu en inderdaad, dan is 't ook niet meer dan
+<i>schijn</i>. Het was maar dat geweldig klokken-gebimbam, dat die illusie
+bij ons wekte. Is dat verklonken, is de revolutie voorbij, dan blijkt
+wel de tijd toch <i>niet</i> te zijn <i>opgevolgd door een ander</i>, maar hij
+zelf is 't, die voortleeft, hij de onder een nieuwen schijn nog in zoo
+&ograve;verveel &ograve;ude, hij die is gegroeid, opgebloeid, &ograve;f als gekrompen, als
+verminkt&mdash;hij dez&egrave;lfde. Ons geloof in revoluties, als&mdash;versta wel:&mdash;het
+<i>als-bij-tooverslag-alles-veranderende,</i> is mede, dunkt mij, in ons
+ontstaan, door ons onbewust verwarren van wat in ons-zelf noodzakelijk
+en goed is met dat wat voor de menschheid het goede mag heeten. De
+menschenziel heeft, als al het individueele leven, dat zij om zich heen
+ziet, den dood noodig, voor haar eigen ontwikkeling&mdash;en zoo zij dit nog
+niet inziet, dan begrijpt zij toch: voor de ontwikkeling van haar
+soort&mdash;den dood: dat is <i>haar revolutie</i>, en derhalve concludeeren
+<span class="pagenum"><a name="p269" id="p269"></a>[p.269]</span> wij onbewust: ook dat sociaal en cultureel geheel, dat we "een
+tijd" noemen, heeft dien dood: die revolutie van noode. Maar zooals ik
+reeds zei: &oacute;&oacute;k zelfs die <i>schijn</i>-dood ontbreekt bij den tijd bijna
+geheel, en als hij zich-zelf moe geworden is, als hij een afkeer van
+zich-zelf krijgt, dan wendt ook hij zich om troost en verheffing naar
+een nieuw ideaal, en al de niet-uitgeleefden, al de niet welhaast
+stervenden, allen, die werkelijk geestelijk leven in zich hebben, wenden
+zich en zoeken m&egrave;t hem.... Op de wijde levenszee wapperen en keeren dan
+al die duizenden kleinere en grootere vaantjes, in dien dwingenden
+wentelstorm des tijds, waarvan te nauwer nood &eacute;&eacute;n opperst-wijs en
+veelwetend menschenkind kan berekenen, waaruit hij ontstond en waar&ograve;m
+hij juist d&agrave;n opstak.... En evenwel, al die menschen, die zich wenden
+m&egrave;t de wending des tijds, doen dat niet met het zelfde verlangen,
+dezelfde hoop. Zij hebben vaak &eacute;&eacute;n schoonheid gemeen&mdash;anders dan het
+enkele individu, van pers&oacute;&oacute;nlijke onlust bevangen&mdash;: dat hunne zielen,
+<i>niet</i>-egoistisch, open stonden voor de nooden van den tijd, dat die de
+hunne zijn geworden; di&egrave; schoonheid hebben zij gemeen, maar niet
+hetzelfde inzicht in: h&ograve;e die nooden zijn te verhelpen. De proletari&euml;rs,
+hatend het oude, dat hun niets dan druk en ellende heeft gebracht,
+waarin zij geen schoonheid kunnen ontdekken, omdat het h&ugrave;n nooit als
+zacht en schoon verscheen, en de anderen er zich wel ter dege voor
+hebben behoed den misdeelden te zeggen, hoe schoon het voor de
+gelukkigen was&mdash;de Proletariers willen liefst volkomen afrekening
+daarmede, zij keeren zich tot een visioen, <i>dat is zooals nog niets
+was</i>. Hing het van hun wil alleen af, zij namen slechts d&agrave;t mee van het
+oude, waarvan zij voelen, dat het 't oude-zelf vijandig is. Zoo werd
+datzelfde beunhazig, Multatuliaansch filosofisch-materialisme, waarover
+ik vroeger sprak, intu&iuml;tief door hen zoo geestdriftig omhelsd, omdat het
+een <i>machtig vijand</i> van den <i>kerk-dwang</i> en de <i>kerk-verdomming</i> was,
+den dwang en verdomming, die het <i>taaist</i>, het <i>huichelachtigst</i> en het
+<i>langst</i> het proletariaat zullen pogen te knechten. <i>Intu&iuml;tief</i> namen
+zij het mede, geestdriftig als ware dat-zelf hun <i>doel</i>; maar
+langzamerhand, als zij <i>verstandelijk</i> gaan begrijpen, als zij logisch
+<span class="pagenum"><a name="p270" id="p270"></a>[p.270]</span> gaan d&egrave;nken, dan blijkt dit "doel" hun maar een <i>middel</i> tot het
+echte doel te zijn, ja: slechts een middel<i>tje</i>, een dat op de koop toe
+z&oacute;&oacute;, zonder verbetering, niet is te gebruiken. En ook die verbetering,
+die veredeling waren wij zoo gelukkig zich te zien voltrekken: in den
+geest van de <i>besten</i> hunner verandert die onbekookte "filosofie" in een
+drang, om <i>nauwkeurig met de werkelijkheidsfeiten rekening te houden,</i>
+om <i>empirisch</i> te werk te gaan&mdash;de phrase, het geschetter verachten zij.
+Groote winst ongetwijfeld, al blijft hun vaak en lang het nadeel van een
+onoverwinnelijken weerzin tegen alle speculatieve en zich met het
+bovenzinnelijke moeiende ideologie&euml;n. Hun geluksvisioen toetsen zij aan
+de werkelijkheid, voortdurend, dag aan dag en uur aan uur, en als zij
+iets hebben gemaakt, dat op een deeltje van hun ideaal wel <i>lijkt</i>, maar
+het niet <i>is</i>, dan zeggen ze: "neen 't is het niet, het deugt niet." Al
+dwingt hun de werkelijkheid het minst-kwade van twee kwaden te
+kiezen&mdash;zij h&egrave;bben een klaren blik gewonnen en die heeft hun geleerd een
+hekel aan surrogaten te hebben.&mdash;Anders de bourgeoisie in den
+kenterenden tijd: diegenen onder haar&mdash;op enkele z&eacute;&eacute;r sterk-geestelijke,
+met het proletariaat medetrekkenden na&mdash;die van het heden &agrave;f willen,
+omdat het hen onbevredigd laat, omdat zij er zich door voelen besmeurd;
+hun verlangen gaat, nu zij <i>iets anders</i> willen, <i>niet</i> naar iets
+<i>geheel</i>-nieuws&mdash;daarvoor zijn zij aan dat oude, <i>dat hun zooveel geluk
+en schoonheid heeft gebracht</i>, te zeer verknocht&mdash;maar het gaat naar het
+goede en schoone van het oude (het liefst z&eacute;&eacute;r oude: v&egrave;r v&oacute;&oacute;r hun
+heden), 't welk ze, uit het oude geheel gesneden, tot iets nieuws willen
+fatsoeneeren, dat de distinctievolle bekoring van het voorbije toch niet
+mist. Hun geest, door afstamming en cultuur vaak, bewust of onbewust,
+reactionnair en retrogade, acht het <i>heden,</i> dat hem niet bevredigt,
+niet een <i>verdere ontwikkeling</i> zooals zij gaan <i>moest</i>, van het
+<i>verleden</i>, en waarvan de nadeelen en gebreken w&eacute;&eacute;r door een verdere
+ontwikkeling in de <i>toekomst</i> zullen moeten opgeheven worden, maar hij
+acht dat heden een <i>verbastering</i> van dat verleden en wil d&aacute;&aacute;rheen
+terug. Zien de socioloog en de politicus de uitwerking dezer
+geestesgesteldheid in het economisch en staatkundig leven, de <span class="pagenum"><a name="p271" id="p271"></a>[p.271]</span>
+letterkundige ziet haar niet minder sterk in de literatuur, maar het
+niet geringe voordeel, dat den laatstgenoemde boven de eersten te beurt
+valt is dat hij vaak een toch zeer zeker <i>schoone</i> uitwerking ziet, en
+de socioloog en politicus zelden of nooit iets anders dan een
+<i>leelijke</i>. En van dat wedervaren van den literator, ga ik u nu een
+voorbeeld geven, want de geest van <i>Boutens</i> als dichter van de
+<i>Beatrijs</i>, is een van die retrogade en naar het h&eacute;&eacute;l oude verleden
+tastende geesten, en als zoodanig heeft zijn aard zich volledig &egrave;n ook
+in <i>zeer treffende schoonheid</i> in dit zijn werk geuit. Duidelijk
+aantoonbaar, ziet men hem in dit gedicht naar het oude grijpen, en een
+<i>schoon, hem passend deel</i> daaruit snijden en tot <i>iets nieuws
+fatsoeneeren</i>. Immers aldus zit de zaak in elkaar&mdash;<i>en nu moet ge eens
+extra goed opletten</i>, want ik geef u nu als 't ware het <i>program</i> voor,
+de <i>samenvatting</i> der vergelijkende analyse, welke volgen zal&mdash;: de
+middeleeuwsche mirakelenverzameling, waarvan de <i>Beatrijs</i>-legende deel
+uitmaakt, was een compilatie van verhalen aan wier historische
+waarachtigheid de schrijver-zelf zoowel als het overgroote meerendeel
+zijner middeleeuwsche lezers even zeker geloofden, als gij,
+bijvoorbeeld, aan het bestaan van uw lichaam. En onder hen, die onze
+legende hoorden of lazen, behoorde ook de dichter van de <i>Sproke van
+Beatrijs</i>, waarmede gij in mijn vorige artikelen hebt kennis gemaakt. En
+zooals nu al zijn tijdgenooten, die het verhaal hadden gelezen, er vast
+in geloofden en er hun godsvrucht door voelden gesterkt en geheven, <i>z&oacute;&oacute;
+precies, z&oacute;&oacute; en niet anders</i> geloofde ook hij en voelde er zijn
+godsvrucht door gesterkt; maar: omdat <i>hij</i> een <i>dichter</i> van nature
+was, gebeurde in hem nog iets meerders: uit zijn gestegen religieus
+gevoel voelde hij een schoon dichtwerk opzingen en hij schreef die zang
+op, <i>wellicht</i> in vreugde om de schoonheid-zelf, die hij voelde te
+geven, maar <i>zeker</i> verheugd, omdat hij dit reine offer op het altaar
+van zijn God kon leggen. Anders Boutens&mdash;ik voel mij er zeker van: als
+men Boutens zou vragen: "Gelooft gij er waarlijk aan, dat een houten
+beeld door de Moeder Gods in een haar tijdelijk dienend lichaam werd
+veranderd (z&oacute;&oacute; is de in <i>zijn</i> Beatrijs op zich-zelf <i>zeer
+schoon-gevonden</i> voorstelling), om <span class="pagenum"><a name="p272" id="p272"></a>[p.272]</span> voor een het klooster
+ontweken non de dagelijksche taak waar te nemen?" hij zou moeten
+antwoorden: "Daar geloof ik niets van", en zelfs: "Van de historiciteit
+van het heele mirakel geloof ik niets." En dat, als men hem dan opnieuw
+zou vragen: "Wat gelooft ge dan daaromtrent eigenlijk wel, want uw fraai
+gedicht blijkt mij toch zekerlijk in religieus gevoel gedrenkt en er
+gansch van doortrokken?" hij allicht dit wederwoord zou geven: "Als ge
+mij dat z&oacute;&oacute; vraagt, kan ik u niet antwoorden; mijn religieus gevoel is
+wel diep, maar zal, omdat het toch mijn h&eacute;&eacute;le zijn niet vult&mdash;het
+verband ervan met mijn <i>rede</i> bijvoorbeeld is uiterst los&mdash;den schijn
+van een uiterste en vervluchtigende vaagheid niet kunnen ontkomen,
+zoodra ik het in preciese, redelijke begripstermen, in plaats van in
+beeldende voorstellingen, zou willen kenbaar maken. Ik denk eigenlijk,
+dat mijn algemeen religieus geloof meer een soort van neo-katholiek,
+vaag mysticisme, een hijgen-naar-geloof is, dan geloof-zelf.... Deze
+tijd, ziet ge, stoot mij af; nu strek ik mijn verlangende handen uit
+naar de middeleeuwen, en naar het kostbaarste en allerheerlijkste dat
+deze bezaten: hun eerlijk, eenvoudig, kinderlijk en hart-diep,
+onwrikbaar Godsgeloof en ik zeg mij: de bijzondere vorm van hun
+godsgeloof, die kinderlijke vorm, kan de mijne niet zijn, maar het
+daarin brandende sentiment moet toch wel sterk verwant, ja gelijksoortig
+aan het mijne zijn, en d&agrave;t m&ograve;et ik nu eenmaal, ook als dichter, uiten
+... d&agrave;t is mijn l&egrave;ven.... O, kon ik, zoo sprak ik tot mijzelf, al ware
+'t maar &eacute;&eacute;n hunner oude vormen van mijn sentiment vol maken en doen
+blozen, want om gansch nieuwe vormen, niet vage maar tastbare, te
+scheppen, daarvoor schijnt, helaas en helaas, mijn religieus sentiment
+weer niet st&egrave;rk genoeg te zijn...."&mdash;Z&oacute;&oacute;, denk ik, zou Dr. Boutens
+kunnen antwoorden, en dat ik goede redenen heb, aldus te denken, hoop ik
+u zoo aanstonds door mijn analyse te bewijzen. Nu eerst dit nog: wat,
+dit alles nu eenmaal zoo zijnde, gebeuren moest, gebeurde. Vorm en
+inhoud in de kunst, als in de natuur, zijn &eacute;&eacute;n. En precies z&oacute;&oacute;
+<i>stevig-tastbaar</i> of <i>onwezenlijk-vaag</i> zal de vorm zijn, als de ziel,
+het sentiment, dat zich erin belichaamt, <span class="pagenum"><a name="p273" id="p273"></a>[p.273]</span> stevig-tastbaar of
+onwezenlijk-vaag is. Zoo concreet-stevig, zoo tastbaar als het
+religieuse sentiment van onzen <i>middeleeuwer</i> was, zoo concreet-stevig,
+zoo <i>aarde-leven-vol</i> werd zijn <i>Sproke</i>, en zoo abstract-vaag als het
+religieus sentiment van <i>Boutens</i> is, zoo abstract-vaag, zoo
+<i>buiten-het-aarde-leven-staande</i> werd zijn <i>Beatrijs</i>.&mdash;<i>Daar was in de
+middeleeuwen een zuiver-blanke, maar grove schotel van gering aardewerk;
+daarop lag het Brood-des-Levens; die schotel ging den kring rond, en die
+van het Brood aten, vonden ook, in hun verheerlijkende ziening, den
+sch&ograve;tel schoon. Maar onder hen zat een kunstenaar aan, en zijn hart
+drong hem, om dien schotel, die z&oacute;&oacute; heiligen last droeg, met zijn
+innigste kunst te versieren. En de etenden vonden den nu versierden
+schotel wel schooner dan hij was, maar toch: onvergelijkelijk schooner
+en beter en heerlijker nog: het Brood-des-Levens dat hij
+droeg</i>....&mdash;<i>Zes eeuwen later staat weder een kunstenaar op; hij vindt
+de antieke schaal, dier kleuren en beelden schijnen onder het licht van
+dezen tijd verwelkt. Toch verst&aacute;&aacute;t hij het sentiment van hem, die eens
+ze schilderde. Welnu, ook zijn hart dringt hem bij dezen schoonen
+aanblik: hij zal een dergelijke maken en beschilderen die met zijne
+verbeelding der zelfde tafereelen.... Nu is zij gereed.... Maar waar is
+het Brood-des-Levens, dat op de oude lag?.... Hij bezit 't niet.... Waar
+trouwens de kring der etenden, die het onder innerlijk gebed in heilig
+genieten zouden nuttigen?.... In deze tijden eet men niet dit Brood. Men
+vr&eacute;&eacute;t het brood der schamelheid en der rampen, of het brood der rotte
+weelde, uit de gore hondenhokken en van de decadent-broze
+"eierschaal"-bordjes van het kapitalisme. In deze tijden &igrave;s ook z&ugrave;lk een
+schotel geen gebruiksvoorwerp meer.... die is, ofschoon van modern
+maaksel, t&egrave; antiek, haha, die is t&egrave; snoepig-mooi.... dat is 'n
+w&agrave;ndbord,dat hangt men aan den muur.... En z&oacute;&oacute; kw&agrave;m hij dan ook te
+hangen; in het literaire salonnetje van meneer A., in 't geurig
+boudoirtje van Mevrouw B., en overal in de doddige werkkamertjes van de
+hoogere-burgertjes en gymnasiastjes Dela, Rie en Loes, waar-ie 't zoo
+verrukkelijk "doet" naast 't portret van dien dirigent met den
+interess&agrave;nten kop, op wien nu l&egrave;tterlijk iedereen verliefd
+is</i>....&mdash;Helaas ... armoede-in-rijkdom van een groot <span class="pagenum"><a name="p274" id="p274"></a>[p.274]</span> dichter, te
+zwak voor z&igrave;jn tijd, te zwak voor een vro&egrave;geren, en alleen sterk in zijn
+dr&oacute;&oacute;m.... Nu neem ik dat wandbord in mijn hand, want ik wil het met u
+van nabij bekijken; ik wil pogen waar te maken, wat ik heb beweerd.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Aldus is het verhaal in Boutens' <i>Beatrijs</i>: Een zeer reine en volmaakt
+aan God en Maria overgegeven non leidt in een klooster een begenadigd
+leven. Ze is een ide&euml;ele figuur van zieleschoonheid, welke, als in haar
+volmaakt-natuurlijken vorm, zich in lichaamsschoon heeft gehuld. Zij is
+een dier van God-gezegenden, voor wie de menschenharten zich dadelijk
+openen, door wier aanblik de vreugde hooger bloeit, het leed al wordt
+gelenigd, terwijl zij-zelf, als ze anderer smart verlicht, door die mede
+te helpen dragen in haar liefderijke zorgen, dit uit z&oacute;&oacute; puur-ingeboren,
+natuurlijke aandrift doet, dat die in haar gekomen smart haar niet dr&ugrave;kt
+en vertroebelt. Voelen de andere nonnen te leven in een "donkre dal van
+smart" en bidden zij Maria, dat Zij daarin een glimp van genade moge
+zenden, bij haar is 't anders.... Maar kom, maak gij zelf nu maar eens
+kennis met de zuivere, stille verzen van dezen dichter, met zijn
+<i>waarlijk-verrukkelijke</i> stem:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Maar of zij vastte of zong of bad,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Haar was of heur leven zelf bewoog</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">In de straten van Gods lichte stad</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">En onder Moeders oog.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 2em;">Zoo was haar doen &eacute;&eacute;n zuivre vreugd:</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Een orgel dat speelt zacht en ver</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Zijn hymnen aan Maria's deugd:</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">O Hemels Deur, o Morgenster!</span><br />
+</p>
+
+<p>Maar helaas, het klare vijvervlak dier blije ziel bl&igrave;jft niet zoo
+rimpelloos en onbewogen. Eens op een ochtend uitgegaan, om pijn te
+verzachten, een ongelukkige te troosten&mdash;de dichter verhaalt dit op deze
+schoone wijze, waarvan ik het meest opmerkelijke cursiveer:</p>
+
+<p class="pagenum"><a name="p275" id="p275"></a>[p.275]</p>
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">En eens op een ochtend in den Mei</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Ging ze uit waar smart haar blijdschap riep,</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Langs akker en blanke huizenrij,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Toen alles sliep.</span><br />
+</p>
+
+<p>&mdash;eens alzoo op een ochtend uitgegaan:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">En buiten het dorp aan der wegen sprong</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Kwam door den morgen haar temoet</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Een stem die met den leeuwrik zong.</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Een ridder goed.</span><br />
+</p>
+
+<p>Bij het eerste hooren, bij de eerste aanschouwing, treft die stem haar
+reeds zoo diep in 't hart, overstelpt die aanblik haar zoozeer, dat:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Zij kon niet hooren wat hij sprak&mdash;</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Was het een vraag, was het een groet?&mdash;</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Het was als zong de wind door den tak:</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ik min u goed.</span><br />
+</p>
+
+<p>Niets dan dit vervulde haar gewaarworden. En daar zij hem aanzag, zag
+zij ook niet zijn sch&oacute;&oacute;nheid, maar slechts:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">......in oogen brandend klaar</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Smart die zij niet verstond.</span><br />
+</p>
+
+<p>In het klooster weergekeerd, h&oacute;&oacute;rt zij niets dan diezelfde zoete stem,
+niet anders dan diezelfde onverstane woorden-als-een-lied; v&ograve;elt zij
+niet anders dan dien "gouden pijn," &eacute;&eacute;n zoete foltering. En echter&mdash;maar
+let tevens eens op het diepe wijsheidsschoon van de door mij
+gecursiveerde regels&mdash;:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Geen van haar zustren speurde haar leed,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Geen van haar zustren sprak ze ervan,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Omdat die zelve ziet en weet</i>,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Alleen vertroosten kan</i>.</span><br />
+</p>
+
+<p>Dit is, tot het einde, de korte inhoud van wat men den "eersten zang"
+van het gedicht zou kunnen noemen.</p>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p276" id="p276"></a>[p.276]</span> En verder gaat nu het klare verhaal aldus:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">In de stille hal aan den witten wand</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Stond een aloude Lieve-Vrouw</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">In strakke plooi en steilen stand</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Van donker-eiken rouw.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 2em;">Die was de vertrouwde van Beatrijs,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">En alles wat zij deed en dacht,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Verhaalde zij haar in woord en gepeis</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Voor iedren nacht.</span><br />
+</p>
+
+<p>Als zij de poort 's avonds heeft gesloten, heeft zij het gevoel, of ze,
+voor het beeld van Maria staande, als een kind aan moeders schoot staat
+en Moeder voor zich alleen heeft. Het strak-houten beeld schijnt voor
+haar een heimelijk en teeder leven te krijgen. Den avond na dien dag,
+waarop zij den ridder heeft ontmoet, blijft zij zeer lang aan "Moeders
+voet" geknield, maar zoo zegt, vooral in het door mij gecursiveerde
+gedeelte zeer fraai, de dichter:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Wel laafde gebed zich uit liefdes stroom,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Maar haar diepste hart bleef ongerust,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Als het hart van het kind dat in den droom</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Zijn doode moeder kust</i>.</span><br />
+</p>
+
+<p>Zij staat op, treedt naar de poort, maar sluit die niet en gaat den
+buitennacht in, om in de donker-overhuivende eenzaamheid omtrent
+zich-zelf tot klaarheid te komen....</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Toen door haar wondzeer harte sneed,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Als een pijl die door de klaarte schoot,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Van een verdoolde meeuw de kreet?</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Van ziel in nood?</i></span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 2em;">Smartelijk sloot haar zachte mond;</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Zij week door d'engen duistren kier</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Terug tot waar Maria stond:</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Moeder, ik moet van hier</i>.</span><br />
+</p>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p277" id="p277"></a>[p.277]</span> Ik heb in elk dezer beide strophen een regel gecursiveerd, om op
+twee&euml;rlei verschil in opvatting tusschen Boutens en den middeleeuwschen
+dichter al vast de aandacht te vestigen. Zooals Beatrijs bij de eerste
+ontmoeting met den ridder reeds, "zag in oogen brandend klaar <i>smart</i>
+die zij niet verstond," zoo meent zij nu de kreet van een "ziel in
+<i>nood</i>" te hooren. Hier niet de frissche, geestelijke-&egrave;n-zinnelijke
+liefde van de middeleeuwsche non, die, door "den duvel" met
+"vleescheliker sonde becord", haren, even als zij
+hartstochtelijk-verliefden, minnaar toch zich roept; maar hier het
+romantische bleeke-plaatjes-nonnetje; hier het <i>decadent-moderne</i>
+vrouwtje, dat d&oacute;&oacute;r het <i>medelijden</i> met het <i>leed</i> van den zoo smachtend
+op haar verliefde, pas tot de li&egrave;fde komt: de
+minnares-in-verpleegsterscostuum! Hier ook niet de <i>langzame
+ontwikkeling</i> van het gevoel, de jaren door, tot het 't overheerschende
+alvermogende wordt, maar hier de verliefdheid-op-'t-eerste-gezicht,
+zoodat dan ook hier "de zoete Beatrijs" tegelijkertijd kinderlijker,
+heilig na&iuml;ef &egrave;n in oneindig mindere mate martelares &egrave;n zondares is, dan
+die van den middeleeuwschen dichter, die, nog afgezien van al het
+andere, al vast het kloosterleven is ingetreden met een aardsche en
+<i>on</i>verwonnen liefde in 't hart, waartegen zij zelfpijnigend heeft
+gestreden. En dat in oneindig mindere mate martelares- en
+zondares-zijn&mdash;waardoor zij voor ons tevens heel wat aan mede voelbare
+<i>menschelijkheid</i> inboet!&mdash;accentueert zich ook in het verschil tusschen
+de beide soorten zekerheid ten opzichte van de te plegen zondige
+liefdedaad, welke beiden <i>Beatrijs</i>-figuren respectievelijk eigen is. De
+zekerheid van de middeleeuwsche Beatrijs is die van eene die er gewis
+van is hare zedelijke <i>nederlaag</i> te moeten erkennen; die er <i>zeker</i> van
+is, haar <i>hartstocht</i> te m&ograve;eten <i>gehoorzamen</i> en haar <i>heiligsten
+plicht</i> te moeten <i>verzaken</i>; de zekerheid daarentegen van Bouten's
+Beatrijs is die van eene die voelt dat een afschijning van de zuivere
+caritas: het hooger-menschelijke medegevoel met hem die lijdt, haar
+lager-menschelijke liefde heiligt. H&aacute;&aacute;r zekerheid is die van eene, wie
+de onoverwinnelijke drang tot het vervullen van een l&agrave;geren plicht, de
+verzaking van een h&oacute;&oacute;geren oplegt. <i>Niet</i> de <i>hartstocht</i> trekt haar dus
+van den <i>plicht</i> en <span class="pagenum"><a name="p278" id="p278"></a>[p.278]</span> de <i>deugd</i> af, maar de <i>plicht van den
+plicht</i> en de <i>l&agrave;gere deugd</i> van de <i>h&oacute;&oacute;gere deugd</i>. De middeleeuwsche
+Beatrijs zegt met dezelfde vastbesloten zekerheid:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Ic moet leiden een ander leven,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dit abijt moetic begheven.</span><br />
+</p>
+
+<p>als de moderne Beatrijs zegt:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Moeder, ik moet van hier.</span><br />
+</p>
+
+<p>maar de middeleeuwsche voelt 't heel zeker tevens:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Dat mi die <i>crancheit</i> sal doen <i>dolen</i>.<a name="FNanchor_5_54" id="FNanchor_5_54"></a><a href="#Footnote_5_54" class="fnanchor">[5]</a></span><br />
+</p>
+
+<p>en bidt tot Maria:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Soe moetie kinnen minen <i>noet</i>, (nood)</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ende mine <i>mesdaet</i> mi vergheven;</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ic moet in <i>swaren sonden sneven</i>!</span><br />
+</p>
+
+<p>terwijl de moderne Beatrijs in haar diepste hart er wel degelijk zeer
+verzekerd van is, dat ook Maria wel het <i>edele</i> in hare zonde zal
+erkennen en haar nimmer voor goed verwerpen en uit hare genade en
+goddelijke liefde verbannen zal, weshalve zij dan ook, op het punt van
+het klooster heimelijk te verlaten en na haar nonnengewaad te hebben
+uitgetrokken, rustig kan zijn en zeggen:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">En als een kind dat troost, zoo teer,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Glimlachte</i> zij beslist: Ik moet&mdash;</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>ik kom we&ecirc;r</i>.</span><br />
+</p>
+
+<p>Zoodat de dichter dan ook met het volste recht mag verhalen:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Zoo toog die zoete Beatrijs,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Rustig en recht</i> als een die weet,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Haar nachtelijke onzeekre reis</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Naar 't hart dat <i>om haar leed</i>.</span><br />
+</p>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p279" id="p279"></a>[p.279]</span> Kort samengevat kan men derhalve de <i>moderne Beatrijs</i>&mdash;vooral
+als men let op het laatst door mij geciteerde couplet&mdash;karakteriseeren
+als de in een soort van <i>trance</i> verkeerende heilige, wier aardsche
+liefde <i>geen treden uit</i> het gebied harer goddelijke liefde beteekent,
+maar slechts een grover-verstoffelijkte incarnatie van de laatste is:
+vandaar haar stil-blije "<i>glimlach</i>"; vandaar haar gansch niet wijkend
+gevoel van <i>eenheid en betrekkelijke gelijkheid</i> met Maria, die
+zij&mdash;waarlijk in overheerlijke en verrukkelijke na&iuml;veteit, <i>voor welker
+beelding onze dichter den hoogsten lof verdient</i>&mdash;v&oacute;&oacute;r haar vertrek nog
+meent te moeten troosten, als een kind dat zijne moeder verlaat! Vandaar
+haar rustige en "wetende" zekerheid, als die van een, die <i>door God-zelf
+wordt geleid</i>; eene innerlijke verzekerdheid, z&oacute;&oacute; groot, dat bij haar
+vertrek: (let op het <i>eerste</i> cursief):</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Zij zag niet om</i>, een vlotte schijn</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Verdween zij in de <i>duistre pracht</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Van 't diep en goudelend gordijn</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Der verre nacht.</span><br />
+</p>
+
+<p>En vandaar eveneens, bij het afscheid, haar aldus-zien van Onze-Lieve-Vrouwe:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">En bijna blij</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 2em;">Stond zij nog eens aan Moeders voet:</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Vaarwel, Maria gebenedijd&mdash;</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Maria keek bezorgden groet</i>,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Maar geen verwijt</i>.</span><br />
+</p>
+
+<p>Doch hebt gij nu al ongetwijfeld mede mogen opmerken in de citaten, dat
+sommige schoonheden&mdash;zooals bijv. die in de twee laatst-aangehaalde
+coupletten gecursiveerde&mdash;van den <i>allereersten rang</i> zijn, dit neemt
+toch niet weg, dat, gelijk ik reeds aanduidde, voor onze
+diepst-medevoelende <i>menschelijkheid</i> de middeleeuwsche dichter reeds nu
+het pleit heeft gewonnen: zijn <i>vertwijfelende</i>, door
+<i>liefde-hartstocht</i> <span class="pagenum"><a name="p280" id="p280"></a>[p.280]</span> gezweepte, zijn <i>den hemel voor de aarde
+verlatende</i> Beatrijs is een mensch als wij, <i>volop een zuster van ons</i>;
+maar Boutens' Beatrijs is als een zuster, zij het weliswaar een
+<i>nederiger</i>, ni&egrave;t van &ograve;ns maar van die heilige vrouw, die op haar tocht,
+ondernomen om Jezus te aanschouwen, aan een water komt, en als de
+veerlieden haar weigeren over te zetten zoo ze hen niet met haar lichaam
+ter wille is, daarin toestemt, omdat naast haar begeerte Jezus, die
+incarnatie der Godheid, te aanschouwen, en naast haar eigen
+diep-innerlijke geestelijke reinheid, die ontwijding van haar lichaam
+haar iets uiterst gerings lijkt. Want evenals die heilige vrouw <i>midden
+die aardsche ontwijding</i> en langs een <i>slijkerigen aardschen weg</i> toch
+<i>van uit den hemel tot den hemel ging:</i> van den Jezus-in-haar-ziel tot
+den stoffelijken Jezus, en dien in werkelijkheid geen oogenblik verliet,
+z&oacute;&oacute; ook Beatrijs; haar drang tot <i>vertroosting der lijdende</i>
+menschelijke liefde houdt klaarblijkelijk voor haar gevoel geen
+oogenblik op, een dienen der <i>goddelijke</i> liefde te zijn, en haar lichte
+smart bij het vertrek is vertwijfeling noch zonde-besef, het is slechts
+de blije smart van de <i>zich-opofferende,</i> die weet een hoogen luister,
+zij 't tijdelijk, met een minderen te verruilen. Maar schoon dit alles
+en zijn ware beteekenis ten volle erkennend, mag men toch al evenmin
+Boutens &oacute;&oacute;k den lof onthouden, dat de beelding van de
+<i>kinderlijk-naieve,</i> en <i>heilige</i> Beatrijs klaarblijkelijk met groot
+meesterschap en <i>overeenkomstig zijn oorspronkelijke conceptie</i> is
+doorgevoerd en volgehouden. En ook de aard van een <i>mirakel-verhaal</i>
+heeft zijn gedicht tot hiertoe behouden&mdash;al is de vertroosting voor den
+gewonen <i>mensch</i>, welke van de middeleeuwsche versie uitging, vrij
+volledig verloren gegaan. Want dat een zoo <i>zuivere</i> en <i>heilige</i> wordt
+begenadigd&mdash;welke troost brengt dit feit aan een armzalig <i>zondig
+menschenkind</i>? En overigens: "<i>tot hiertoe</i>" zei ik&mdash;zooals wij later
+zullen zien, komt er verderop meer dan &eacute;&eacute;n trek in voor, die zijn
+gedicht tot het peil van de, zij het verfijnde en dichterlijk-schoone,
+<i>edelaardig-romantische ballade</i> heeft neergedrukt..&mdash;</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p281" id="p281"></a>[p.281]</span> De volgende zang opent dan met deze schitterende vondst:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Ineens, <i>als viel een ster, zoo</i> stond</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">De donkre hal vol van <i>verlichten geur</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Maria's oog en wang en mond</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Won gloed en kleur!</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 2em;">Zij zette '<i>t kindeke van haar arm,</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Zij sloeg den mantel van om haar le&ecirc;n;</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Als een menschkind zoo bloot en arm</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Stond zij op 't kille steen</i>.</span><br />
+</p>
+
+<p>Ik zal er wel niet op behoeven te wijzen ho&egrave; bekoorlijk van
+sprookjes-schoonheid, dit veranderen van het houten beeld in de levende
+Maria is; noch hoe schoon de vergelijkingen zijn: "als viel een ster";
+"<i>verlichte geur</i>"; of hoe suggestief-beeldend dat 't
+kindeken-van-haar-arm-afzetten is; dan wel hoe breed en wijd, in die
+eenvoudige woorden: dat "Maria als een <i>menschkind zoo bloot en arm</i> op
+'t kille steen stond," heel de Christus-tragiek zelve: menschwording,
+lijden, eenzaamheid en armoede, ter wille der menschheid, voor ons
+opdoemt.&mdash;En waar ik mij overigens toch zooveel mogelijk met aanhalen
+dien te beperken&mdash;<i>gij moet dan ook vooral z&egrave;lf het zeer makkelijk
+leesbare gedicht lezen</i>&mdash;zal ik maar even navertellen dat de verdere
+inhoud van het begin dezer zang is, dat de Heilige Maagd nu de gedaante
+van Beatrijs aanneemt, haar kleeren aantrekt en haar dienst aanvaardt.
+Maar na dit gedaan te hebben, moet ik u alweer onmiddellijk doen
+opmerken, dat zoo schoon als deze vondst van onzen dichter nu ook zij,
+en in hoe zuivere verzen verwerkt, toch ditzelfde gedeelte tevens een
+aanmerkelijke compositorische zwakte van het gedicht aan het licht
+brengt. Zooals m&eacute;t het elimineeren van het bewust <i>zondares-zijn</i> uit de
+Beatrijs-figuur, tevens noodwendig het sterkste dramatische conflict,
+dat "tusschen den zondaar en den heilige," zooals ik 't noemde, uit het
+gedicht moest verdwijnen; z&oacute;&oacute; verdwijnt ook hier, nu de lezer,
+onmiddellijk reeds bij het vertrek van Beatrijs weet, hoezeer Maria haar
+genadig is en w&agrave;t Zij voor haar doen gaat, elke benieuwdheid <span class="pagenum"><a name="p282" id="p282"></a>[p.282]</span>
+naar haar verder lot of naar waarin het mirakel nu eigenlijk bestaat!
+Terwijl wij door den middeleeuwschen dichter langzaam, door de
+donker-kronkelende gangen van Beatrijs' smartelijk leven, naar de plots
+openlichtende klaarte van het reddende wonder worden geleid, en wij
+daardoor mede-lijden met haar leed, en haar eindelijk heil niet kennen,
+v&oacute;&oacute;r zij zelve het kent, weten wij dit laatste bij Boutens nog v&oacute;&oacute;r
+zij-zelve 't weet!&mdash;Ongetwijfeld: er komen nog zeer veel fraaie d&eacute;tails,
+waarvan ik nu slechts noem, dat er den volgenden ochtend schrik en
+droefenis in het klooster zijn, omdat het eiken beeld van Maria is
+verdwenen, 't geen de dichter&mdash;let vooral op het zeer-lieve der beide
+laatste door mij gecursiveerde regels&mdash;aldus vertelt:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Heur hooge nis in de hal stond blind,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Heur voetstuk leeg;</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Alleen het kleine Christus-kind</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Zat daar en zweeg</i>.</span><br />
+</p>
+
+<p>Maar al dergelijke kostbaarheidjes kunnen het feit niet doen vergeten,
+dat de opzet van het gedicht: Beatrijs als een min of meer in trance
+verkeerende heilige voor te stellen, in plaats van als een zondig
+menschenkind, alle diepere en fellere menschelijkheid heeft doen teloor
+gaan, en er dan ook onvermijdelijk oorzaak van moest worden, dat het
+mirakel verhaal veranderde in een romantische ballade, waarin alle zin
+voor de werkelijkheid ten eenenmale zoek is. <i>Van den tijd, verhopen
+tusschen vertrek uit en terugkomst van Beatrijs in het klooster,</i>
+waarvan de middeleeuwsche dichter ons zoo veel en zoo warm-menschelijk
+wist te verhalen, <i>vinden wij in dit gedicht niets</i>: alles blijft in
+dezelfde vage <i>trance-sfeer.</i> Op een goeden dag komt Beatrijs, zooals
+zij eerst tot de innerlijke zekerheid kwam, dat ze 't klooster verl&agrave;ten
+moest, nu tot de zekerheid, dat zij er weer in moet ter&ugrave;gkeeren. <i>Dat is
+alles</i>.&mdash;Die terugkomst op zich-zelve is weer wonderschoon van beelding.
+Laat mij een paar van die prachtige verzen voor u aanhalen:</p>
+
+<p class="pagenum"><a name="p283" id="p283"></a>[p.283]</p>
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">De sombre poort week open wijd</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Bij d'eersten klop. Daar stond</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Beatrijs roereloos gewijd</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Met bleeken mond.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 2em;">Want de hal hing vol van wonder licht</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Als rozegeur in puren brand,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dat straalde van Moeders aangezicht</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Op zoldering en wand.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 2em;">Want de hal was vervuld van licht geluid</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Als veler waatren ver gerucht.</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Zij hoorde den klank van ve&ecirc;l en luit</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Op de doorzongen lucht.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 2em;">Zoo stond onnoozele Beatrijs</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Verheerlijkt met Maria mee.</span><br />
+<span style="margin-left: 3em;">E&eacute;n ademtocht. Der heemlen wijs</span><br />
+<span style="margin-left: 3em;">Verging in 't lied der zee.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 2em;">Zij zag hoe Moeder beurde en leid',</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Eer licht en lied verzwond,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Heur vingeren gebenedijd</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Aan benedijden mond.</span><br />
+</p>
+
+<p>Ja, dit alles is voorzeker <i>verrukkelijk</i> mooi. Maar als de dichter ons
+dan verder verhaalt, dat, na nog wat jaren levens, Beatrijs</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">.... doofde en stierf: in stille kerk</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Sliep ze in Maria's tijdlijk kleed.</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Een andere zuster deed het werk</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dat eens Maria deed.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 2em;">Doch weinig zonnen stegen, en</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Daar kwam een pelgrim, moede en grijs,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Die vroeg den laatsten zegen en</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Zijn graf naast Beatrijs.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 2em;">Hij deed zijn sober kort verhaal</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dat telde de jaren van Mei tot Mei,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Voor al de zustren in de zaal.</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">En toen verstonden zij.</span><br />
+</p>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p284" id="p284"></a>[p.284]</span> Als de dichter, zeg ik, d&agrave;t verhaalt, dan waardeeren wij wel
+weer den fraaien vondst, waardoor hij het biechten van Beatrijs verving,
+maar wij voelen tevens, dat wij nu ook met dien "pelgrim, moede en
+grijs," eerst recht midden in de <i>edelaardig-romantische ballade</i> zijn
+aangeland, hetgeen dan ook onafwendbaar was, want zooals de
+middeleeuwsche dichter ons door zijn van leven-blakende realistische
+beschrijvingen langzaam voerde naar z&igrave;jne oplossing, puur-menschelijk in
+het kader van zijn tijd, en ons den man niet spaarde, die zijn lief in
+den steek laat; de verlaten vrouw niet, die van ontucht leven moet; en
+over al dat aardsche de heerlijkheid van het wonder en Beatrijs'
+visioenen liet stralen; z&oacute;&oacute; moesten wij ook wel na het <i>vage sprookje</i>
+van Boutens, en na in plaats van den <i>mensch</i> Beatrijs de
+<i>kinderlijk</i>-pure en <i>heilige</i> Beatrijs te hebben gevonden, belanden bij
+den vromen, grijzen en moeden pelgrim van alle edelaardig-romantische
+ballades. Dat ten slotte Boutens' Beatrijs, ongelijk de middeleeuwsche,
+geen kinderen heeft, is dan ook volkomen in den haak: niet alleen reeds
+dat rechtgeaarde ballade-minnaressen n&oacute;&oacute;it kinderen krijgen, maar ik ben
+er zeker van, dat ook het <i>decadent moderne</i> vrouwtje, 't geen zooals ik
+reeds opmerkte, Beatrijs &oacute;&oacute;k is, en dat uit des dichters ziel in haar
+figuur is overgefladderd, tegen kinderen-krijgen ernstig bezwaar zou
+hebben gehad!...&mdash;Maar, zal ongetwijfeld menigeen zeggen: <i>is</i> het feit,
+dat dit verhaal <i>ex voto</i> is geschreven en aan "Charlie en Elsje"
+opgedragen, niet voldoende verklaring en&mdash;zoo ge die noodig mocht
+achten&mdash;verontschuldiging voor zijn <i>gemis aan werkelijkheidszin</i>; voor
+zijn <i>gebrek aan menschelijkheid</i>; voor zijn <i>ontstentenis van bijna
+alles</i> waarin de middeleeuwsche dichter zoozeer heeft uitgemunt; voor,
+ten slotte: zijn <i>herabw&uuml;rdigung</i> van het <i>mirakelverhaal</i> tot een
+<i>sprookje</i>?&mdash;Daarop behoort dan echter m.i. met de meeste beslistheid
+een ontkennend antwoord te worden gegeven. Men houde niet wat slechts
+<i>gevolg</i> is voor oorzaak. Niet omdat hij kinderen nu eenmaal beloofd
+had, dit gedicht voor ze te schrijven, werd des dichters geest z&oacute;&oacute;, dat
+hij dat k&ograve;n; maar omdat zijn geest z&oacute;&oacute; was, dat hij 't z&oacute;&oacute; kon en m&ograve;est
+schrijven, kon hij dat ook dien <span class="pagenum"><a name="p285" id="p285"></a>[p.285]</span> kinderen beloven. Zeer wel
+denkbaar is het geval, dat hij slechts een <i>Beatrijs</i> van deze <i>soort</i>
+ware gaan schrijven, <i>omdat</i> hij 't nu eenmaal kinderen had beloofd, en
+'t dus <i>daarom</i> in zekeren voor kinderen verstaanbaren stijl moest
+dichten, maar d&agrave;n ware zijn gedicht onherroepelijk een prul geworden.
+Dat 't dit <i>niet</i> werd, en integendeel een <i>fraai kunstwerk</i>, bewijst
+dat zijn belofte en zijn voor-kinderen-schrijven <i>overeenkwamen</i> met
+waartoe zijn <i>scheppende kracht hier in staat was</i> en waartoe <i>zij was
+geaard</i>, zoodat dan ook dit "ex voto" en de opdracht "Voor Charlie en
+Elsje", van de meest volslagen onwaarde ter verklaring of
+"verontschuldiging" zijn.&mdash;En hiermede zij nu de bespreking van Bouten's
+<i>Beatrijs</i> be&euml;indigd. Immers, ik meen, naast veel anders, ook te hebben
+<i>aangetoond</i>, van hoe een <i>buiten-het-aarde-leven-staande</i> sprokige
+vaagheid dit gedicht is; maar wat deze eigenschap op haar beurt weer
+bewijst, dat kunt gij in mijn vorig opstel vinden. Thans nog een enkel
+artikel over de <i>Navertelling</i> van R.J. Spitz.</p>
+
+
+<p class="caption">Noot:</p>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_5_54" id="Footnote_5_54"></a><a href="#FNanchor_5_54"><span class="label">[5]</span></a> Alle cursiveeringen zijn van mij.</p></div>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<h3>V.</h3>
+
+<h4>Beatrijs, naverteld door R.J. Spitz</h4>
+
+
+<p>De heer Spitz heeft ongetwijfeld een voortreffelijk werk gedaan, met de
+Middelnederlandsche <i>Beatrijs</i> "na te vertellen," d.w.z.: behoudens
+enkele uitlatingen en wijzigingen, waarop ik zoo dadelijk zal terugkomen
+&mdash;te <i>vertalen</i>. Maar die voortreffelijkheid zie ik vooral daarin, dat
+zijn arbeid wellicht menigeen zal aansporen het <i>oorspronkelijke</i> te
+gaan lezen, <i>met behulp</i> van <i>zijn</i> overzetting, waardoor het voor
+ongeoefenden zoo lastige en vervelende naslaan van een woordenboek kan
+worden vermeden. Want&mdash;en hierop lette men wel:&mdash;zoude zijn werk sommige
+lezers er toe brengen zich met dat werk all&eacute;&eacute;n tevreden te stellen, dan
+is m.i. de verdienste van dezen vertaler in een schuld, en geen
+geringen, verkeerd. Een schuld, <i>niet</i> jegens die lezers, die allicht
+toch nooit op de gedachte zouden zijn gekomen, het oorspronkelijke te
+lezen, maar jegens den ouden dichter, wiens werk zulke <span class="pagenum"><a name="p286" id="p286"></a>[p.286]</span> lezers
+zich nu misschien verbeelden z&oacute;&oacute; te hebben leeren kennen, dat zij het in
+zijn ware en diepste wezen konden beluisteren, terwijl dit absoluut niet
+het geval is. De vertaling is, in den min of meer luchtigen zin, waarin
+journalistische critiek zulk eene qualificatie pleegt cadeau te doen,
+een go&egrave;de vertaling; maar de literaire kunst-critiek, of hij die h&agrave;re
+middelen gebruikt, om nog onervarenen wat kunstgevoel bij te brengen, en
+hetgeen zij daarvan bezitten zuiver te houden&mdash;di&egrave; kan zulk eene
+overzetting eenige ernstige bedenkingen niet sparen. Wat mij betreft:
+vooral deze twee dingen vielen mij in de vertaling en in den vertaler
+op: 1 &deg;. dat zij geen kunstwerk is en hij geen noemenswaardige
+kunstenaarsgaven bezit; 2&deg;. dat zij beiden te fatsoenlijk zijn. En zij
+het, dat men mijne bevoegdheid van literair criticus in twijfel zou
+mogen trekken, wel niemand zal mij het recht ontzeggen, te beoordeelen
+waar het "te" der fatsoenlijkheid begint, want bedenkt: heb ik niet meer
+dan een kwarteeuw op klooverswinkels gewerkt en vormden di&egrave; niet immer
+de hoogeschool van het fatsoen?... Zoodat ik dan ook d&aacute;&aacute;rmee begin!</p>
+
+<p>De eerste maal dan, dat de heer Spitz, bij het maken zijner vertaling
+een aanval van te-groote-fatsoenlijkheid kreeg, was bij de passage,
+waar, terwijl Beatrijs en haar minnaar, den morgen na de nachtelijke
+vlucht uit het klooster, het bosch en bloemenveld voorbij rijden, de
+minnaar aan het woord is. Dan luidt de vertaling aldus:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>"Lief," zeide hij, "ware 't U gevallig, we zouden van het paard
+kunnen stijgen en bloemen plukken. Ik denk dat het hier heerlijk
+zijn zal."</p></div>
+
+<p>Hier heeft nml. de heer Spitz het vers:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Laet ons spelen der minnen spel</span><br />
+</p>
+
+<p>verdonkeremaand.</p>
+
+<p>En de tweede aanval overviel hem&mdash;en als literair arts <i>fluister</i> ik &ugrave;,
+die 't toch weten mo&eacute;t, in: tw&eacute;&eacute; zulke aanvallen, z&oacute;&oacute; kort na elkaar ...
+dat is bepaald gevaarlijk ...&mdash;als Beatrijs antwoordt. Dan aldus de
+vertaling:</p>
+
+<p class="pagenum"><a name="p287" id="p287"></a>[p.287]</p>
+<div class="blockquot"><p>"W&agrave;t zegt ge," antwoordde ze toornig, "onbeschaamde dorper, zou ik
+neerzitten op het veld, 'lijk een vrouw, die geld wint met haar
+lichaam, waarlijk, ik zou weinig schaamte moeten kennen. Dit zoudt
+ge niet gezegd hebben, hadt ge niet den aard eens dorpers! 't Mag
+mij wel rouwen, dat ik met u ben gegaan; God's straf verdient ge,
+door mij zoo iets te durven voorstellen. Houd voortaan zulke taal
+voor u en luister naar de vogels, hoe ze zingen en hoe blij ze
+zijn, dan zal de tijd u niet zoo lang vallen. <i>Als we eenmaal in de
+eenzaamheid van het echtelijk slaapvertrek bijeen zijn, dan moogt
+ge doen wat ge nu verlangt</i>. Er is groote droefheid in mij om wat
+ge van mij gevraagd hebt.</p></div>
+
+<p>Hier is het door mij gecursiveerde gedeelte een verfatsoenlijking van:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Alsic bi u ben al naect</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Op een bedde wel ghemaeckt</i>,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Soe doet al dat u ghenoecht</i>,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Endedat uwer herten voeght</i>;...</span><br />
+</p>
+
+<p>De heer Spitz heeft, toen hij aan deze beide flauwten, die
+tegelijkertijd flauwiteiten waren, toegaf, en zich niet als een kerel op
+de been hield, verscheidene dingen uit het oog verloren, welke hij beter
+erin hadde gehouden.</p>
+
+<p>1&deg;. Door dien eenen versregel uit het voorstel van den minnaar te laten
+vervallen en toch Beatrijs haar bulder-antwoord te laten geven, wordt
+het v&oacute;&oacute;rstel, in zijn <i>juisten</i> zin, pas verstaanbaar door de weigering
+ervan! En zal het tevens gebeuren, dat de <i>lezer</i> verontwaardigd
+uitroept: "Wel, dat is me 'n lieve zus, dat onschuldige nonnetje, di&egrave;
+het 't achter de mouwen; die snapt werachies nog eerder wat die jongen
+van haar wou dan ik 't deed!", zoodat: de heer Spits wel erg fatsoenlijk
+is gebleven, m&aacute;&aacute;r: <i>Beatrijs &ograve;nfatsoenlijk heeft gemaakt</i>!</p>
+
+<p>2&deg;. Dat een ontvluchte non&mdash;en dan nog wel eene met het gevoel en het
+bewustzijn van Beatrijs!&mdash;tot haar minnaar spreekt van "het <i>echtelijk</i>
+slaapvertrek," dat hen zou wachten, is een onbetaalbare zotheid. Maar
+bovendien: men vergelijke eens vooral de beide laatste regels in het
+citaat uit het origineel, met dat: "dan moogt ge doen <span class="pagenum"><a name="p288" id="p288"></a>[p.288]</span> wat ge nu
+verlangt." In de eerste voelt ge de levenswarme kuischheid van de vrouw,
+die, zelve v&eacute;&eacute;l meer liefdevol dan zinnelijk, uit liefde den man het
+te-veel aan zinnelijkheid in zijn liefde vergeeft, omdat zij begrijpt:
+dat is nu eenmaal des mans&mdash;en hem toegeeflijk-belovend berustigt; in de
+woorden der vertaling daarentegen voelt ge: de
+pruimenmondjes-preutschheid van de <i>woord</i>-kuische. Dit laatste wordt
+namelijk veroorzaakt doordat de regel: "Ende dat uwer <i>herten</i> voeght"
+niet juist is overgezet, waardoor de voorstelling der
+<i>gemoeds</i>liefde&mdash;opluwend in het origineel uit het woord <i>herten</i>&mdash;hier
+heelemaal niet bij Beatrijs schijnt te bestaan en zij all&eacute;&eacute;n de
+aanstaande grof-<i>zinnelijke daad</i> schijnt te zien, waarmee ze dan tevens
+natuurlijk het overheerschend-zinnelijke van haar eigen voelen verraadt!
+En overigens: had de heer Spitz niet kunnen en moeten begrijpen, dat
+hij, door dat "middeleeuwsch-ruwe" moderniseerend te "beschaven," iets
+van het tijd-eigenaardige uit het gedicht wegsneed en hiermede allicht
+zijn levensduur bekortte, want dit is toch wel &eacute;&eacute;n van de oorzaken&mdash;zij
+het een zeer bijkomstige&mdash;van het voortleven van een kunstwerk uit
+vroeger tijd: dat de begeerte naar de allerfijnst-intieme &egrave;n
+psychologische kennis van dien tijd er door bevredigd k&agrave;n worden, soms,
+als nergens anders?... Ach, wij menschen!... wij klagen over "den tand
+des tijds," en laten ons-zelf als valsche tanden&mdash;en h&ograve;e valsch!&mdash;in
+zijn kaken zetten, om zijn knaagvermogen te verhoogen!...</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>"Maar," werpt ge mij tegen, "behoort d&agrave;t allemaal onder de rubriek "te
+fatsoenlijk" thuis; kan men het niet evengoed onder het hoofd: "Tekort
+aan kunstenaarschap" rangschikken?" En inderdaad, mijne geachte jonge
+vrienden, die tot mijn matelooze verrassing nog niet door deze
+verhandeling in-slaap-verveeld zijt&mdash;als ge m&igrave;j vraagt: ik weet 't zelf
+niet.... Daar zijn van die grensgevallen.... Maar komaan, laat ons niet
+twisten over een naam! Ziehier nog zoo'n grensgeval: de heer Spitz
+schijnt nu eenmaal een onuitroeibaren haat tegen "zoogen" <span class="pagenum"><a name="p289" id="p289"></a>[p.289]</span> te
+hebben. Waar hier met geen mogelijkheid eenig fatsoenlijkheids-begrip in
+'t spel kan zijn, ben ik geneigd te vragen: heeft hij een agentuur van
+zuigflesschen, of de vertegenwoordiging van 't een of ander kindermeel,
+dat hij met het w&oacute;&oacute;rd "zoogen" wellicht ook de d&agrave;&agrave;d uit de wereld wil
+helpen? Het blijft gissen. Maar ongetwijfeld is 't een &ograve;nschuldig
+genoegen, dat men zich verschaft, wanneer men "die God soghede" met
+"Gods Moeder" vertaalt. Edoch, deze "zoogen"-haat wordt een bepaald
+duivelskwaad, als men "diene soghede" overzet met: "die hem de
+moederborst reikte." Hier is het geen grensgeval meer; hier zijn we
+z&egrave;ker en middenin bij het gebrek aan fijn taalgevoel, bij het
+tekort-aan-artisticiteit aangeland. Het is natuurlijk een goedkoope
+aardigheid, om den vertaler te vragen, of dat "aanreiken" hier, waar het
+toch een god gold, op een zilver dan wel een goud presenteerblaadje
+geschiedde; maar die goedkoope aardigheid welt dan ook vanzelf naar de
+lippen, als weerslag op de &agrave;llergoedkoopste want tot den laatsten draad
+toe afgedragen en nietswaardige rhetoriek der vertaling, hier. "Muziek
+lokt van een ziel muziek weer los," zong Gorter. En hier hei-je daarvan
+nou 'ns 'n verrukkelijk voorbeeld!&mdash;Is het ook niet evenzeer rhetorisch,
+als men dit stuk, met dien <i>prachtigen</i> door mij gecursiveerden regel:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Daar die voghele hadden feest.</i></span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Si maeckten soe groot gescal,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Dat ment hoerde overal ...</span><br />
+</p>
+
+<p>vertaalt met: "waar de vogels luide en jubelend hun lied zongen"?
+(daarbij op den koop toe&mdash;ik zei toch: rhetorica is niet duur!&mdash;den
+<i>mooisten</i> regel totaal verdonkeremanend!) Neen, onze vertaler heeft
+nergene het fijne gevoel eens kunstenaars gehad, noch waar hij liet
+vervallen, noch waar hij toevoegde. Ai, zou ik den heer Spitz willen
+zeggen, het "gij zult er niet aan toevoegen en er niet van afnemen," dat
+is ook voor de vertalers van de groote dichters geschreven!&mdash;N&ograve;g een
+voorbeeld van "eraf nemen." Als de heer Spitz schrijft:</p>
+
+<p class="pagenum"><a name="p290" id="p290"></a>[p.290]</p>
+<div class="blockquot"><p>Ze zond den jongeling, tot wien ze zoo groote liefde droeg een
+brief, waarin ze hem verzocht, dat hij zeer spoedig tot haar komen
+moest; ook hem zou daaraan veel gelegen zijn. De jongeling las den
+brief, dien zijn vriendin hem zond en in zijn hart was vreugde.
+Snel maakte hij zich op om tot haar te gaan.</p></div>
+
+<p>dan kapt hij tusschen: "veel gelegen zijn" en: "De jongeling las" dezen
+versregel weg:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Die bode ghinc daer de jonghelinc was</span><br />
+</p>
+
+<p>en ook v&oacute;&oacute;r: "las" de woorden: "Hi nam." En dat alles had hij volstrekt
+ni&egrave;t mogen doen. Hij heeft waarschijnlijk gedacht: die oude dichter had
+te veel den tijd, wat is-ie breedsprakig. Mis, waarde Heer. Met dat
+in-stukken-hakken-der-handeling, in dat verlangzaamde tempo&mdash;dat uit die
+"breedsprakigheid" is ontstaan&mdash;is <i>de plechtigheid</i> en het <i>gewicht</i>
+van dit voor Beatrijs <i>supreeme levensmoment</i>, dat over heel haar
+toekomst beslist, <i>gebeeld</i>: tot <i>plasticeerenden klank</i> en <i>rhythme</i>
+geworden!</p>
+
+<p>En nu een toevoeging. De dichter zegt:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Nu gaet si met groten weene</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Ten cloester waert moeder eene.</span><br />
+</p>
+
+<p>De vertaler schrijft:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>In diepe droefheid gaat ze naar het klooster&mdash;moederziel alleen
+&mdash;<i>door de stille geheimenis van den nacht</i>.</p></div>
+
+<p>Van het door mij gecursiveerde is in den origineelen tekst niets te
+vinden. De heer Spitz heeft hier vermoedelijk gedacht: ik zal dat nou
+'ns op z'n "modern-stemmingvols" m&oacute;&oacute;i maken. Maar ach, waarde Heer, ge
+hebt het leelijk gemaakt, want er kon ons waarlijk niets ergers
+gebeuren, dan dat het "stemmingvolle" gezicht van het moderne hier om
+dit eeuwenoude kerkhoekje kwam kijken....&mdash;<span class="pagenum"><a name="p291" id="p291"></a>[p.291]</span> En dan: een waarlijk
+kunstenaar-vertaler vertaalt niet slap, ten minste niet z&oacute;&oacute; slap. Als
+hij in een door hem te vertalen gedicht een sch&agrave;t ontmoet als deze:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Goet berou mach als (kan alles) <i>ghewouden</i></span><br />
+</p>
+
+<p>(een <i>schat</i>: omdat in dat &eacute;&eacute;ne woord <i>ghewouden</i> = <i>overweldigen, macht
+krijgen over</i> iets, de mystieke <i>strijd</i> van den zondaar met de zich nog
+<i>terughoudende</i> genade Gods is <i>geheeld</i>), dan weet hij niet ho&egrave;
+spoedig, en niettemin met ho&egrave; voorzichtige en teeder-aanrakende handen,
+hij die zal bergen in zijne overzetting; en hij d&egrave;nkt er eenvoudig niet
+aan, z&oacute;&oacute; iets sterks en groots met het slappe: "welgemeend berouw
+<i>brengt immer vergeving</i>" te vertalen. Maar ook, en ten slotte: al
+zouden deze voorbeelden ons niet het tekort aan kunstenaarsgaven van den
+vertaler hebben bewezen, dan nog zouden wij dit hebben bemerkt aan het
+feit, dat in dit proza geen "stem" klinkt, er geen <i>persoonlijk
+rhythme</i>, als eene alles dragende flonkerende, of grijze, doffe stroom,
+door vloeit, dat ons het in de vertaling natuurlijk verdwenen rhythme
+van den ouden dichter althans &eacute;&eacute;nigszins zou kunnen vergoeden. De heer
+Spitz zal hier wellicht brommen: waartoe dit verwijt, heb ik mij dan
+ooit voor kunstenaar uitgegeven? Neen, antwoord ik dan, maar men heeft
+het recht te verwachten, dat gij het in voldoende mate zult blijken te
+zijn, indien gij een werk als dit onderneemt. Gij hebt&mdash;de fout van
+zoovelen&mdash;het waarachtige, maar niet genoegzaam sterke schoonheidsbesef,
+dat ge u eigen wist; de pi&euml;teitvolle liefde, die ge voelde&mdash;en wier
+beider wezen men dan ook wel degelijk in uwe vertaling bespeurt&mdash;met de
+macht verward, die als <i>schoonheid-herscheppende</i> waarden te doen
+gelden.... Neen, dit is uw werk niet, het is uw werk n&ograve;g niet, althans.
+Het is arbeid voor een Boutens, een Van Suchtelen, een Verwey. En zoo
+nauw luistert dit, dat ik zelfs denk, dat het wellicht ook geen werk zou
+zijn voor bijv. onzen grooten en genialen Meester Jacobus van Looy,
+omdat diens stijl allicht weer te zwaar en te verwikkeld voor z&oacute;&oacute;
+na&iuml;even eenvoud <span class="pagenum"><span class="pagenum"><a name="p292" id="p292"></a>[p.292]</span></span> zou blijken. Met uw <i>Uit Hooft's Lyriek</i>,
+d&aacute;&aacute;rmee waart ge op den goeden weg: die kranige voorrede, daar zat iets
+<i>mooi</i>-eigens in. Frank en fleurig droegt ge uw eigen gedachten voor, op
+eigen toon. Doch dit vreemde was u te groot, en daarom kwam uw goede en
+nog pas ontluikende eigenheid niet boven, maar daarentegen een ni&egrave;t
+goede, een als <i>linksche</i>, als <i>hakkelende</i> eigenheid, gelijk bij een
+kind, dat uit schroom zich dommer toont dan het is, als het staat voor
+den meester, dien gr&oacute;&oacute;ten, gew&egrave;ldigen man. Hetgeen alles niet wegneemt,
+dat ge, zooals ik reeds zei, een uitmuntend werk hebt gedaan, omdat ge
+op iets kostelijks, het grootste deel van het lezend publiek nagenoeg
+onbekend, weer de aandacht hebt gevestigd en dat gedaan hebt met ernst
+en toewijding, want: met het volle talent, waarover gij
+beschikte....&mdash;Doch over het algemeen ben ik van oordeel, dat men eerst
+met het publiceeren van bewerkingen of vertalingen van andermans werk
+mag beginnen, indien men reeds een zeker meesterschap verworven heeft.
+Waarom?... Toen ik het diamantklooven leerde, sloeg ik menig kostbaar
+steentje van m'n goeien leerbaas kapot, m&aacute;&aacute;r&mdash;mijn ouders hadden hem dan
+ook een niet onaanzienlijk leergeld betaald.... W&agrave;t echter zoudt gij een
+dichter betalen, als ge zijn diamanten vergruizeld hadt?... Maar m'n
+hemel, daar heb ik, maar pratend met den heer Spitz, heelemaal niet meer
+tot m'n jonge vrienden gesproken. En waarachtig, statig zijn ze al aan
+'t knikkebollen. Heidaar!... Hola! wordt 'ns wakker.... Ik heb 'n goeie
+tijding voor jullie.... Hoera! Hoera! die ouwerwetsche <i>Beatrijs</i> is
+uit!... Kijk, daar stommelen ze al, zich de oogen bewrijvend, met blije
+gezichten de banken uit....&mdash;</p>
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<p><a name="p293" id="p293"></a>[p.293]</p>
+<h3>VERTALINGEN</h3>
+
+<p>Blz. <a href="#p4">4</a> <i>Du staunst</i>: Gij verwondert U dat ik, mij een pad banend, moedig
+den weg naar de hoogten der Wijsheid bestijg? Dezelfde geest die mijn
+lichaam beweegt, is een het Al omcirkelend Wereldrad.&mdash;</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p4">4</a> <i>Ueber der Zeiten</i>: Over der tijden bultigen weg rijd ik naar het
+Eeuwige Leven en ik schrijd tot het Paradijs over de hel.&mdash;</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p4">4</a> <i>Mir war so kalt</i>: Mij doorsneed zulk een huiverkoude, alsof ik
+een lied van Samuel den Leviet hoorde.&mdash;</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p5">5</a> <i>Von Salomo</i>: Van Salomo den Wijze was eens de Geest geweken:
+toen vergeleek hij der tanden parelenrij met een lammerkudde.&mdash;</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p5">5</a> <i>Was soll mir's</i>: Waartoe zou ik, de klankrijke dichter, zingen
+voor zulk gespuis? Waar mijn tong toch ook mijn drietand kan zijn, is
+het beter haar te gebruiken, om hen tot brij te hakken.&mdash;</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p5">5</a> <i>Eine wunderbare</i>: Een wonderbare, groote vuurzuil des gezangs.&mdash;</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p5">5</a> <i>Die Sonne sinkt</i>: De zon gaat onder, de nacht rijst op en met
+goud omrand verschijnt de maan; in zee bewegen de sterren, gelijk
+verdwaalde reizigers, rusteloos door verre landen trekkend.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p5">5</a> <i>Heil Tyrus!</i>: Heil U Tyrus! Uwen Wijzen heil. Hun naam hebben zy
+mij in 't hart gedolven. <i>En bij hun zee zich een tweede verworven: mijn
+oog dat van tranen overvloeit</i>.&mdash;</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p6">6</a> "<i>Il faut remarquer</i>": "Men moet niet uit 't oog verliezen", zegt
+Luzzatto, geciteerd bij Geiger, "dat de pederastie bij de Arabieren
+(evenals bij de Grieken) in hoog aanzien stond, en de Joodsche dichters
+van hun vrienden spreken alsof dezen hun minnaars waren.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p164">164</a> <i>laisser entrevoir sa pens&eacute;e</i>: het laten doorschemeren van zijn
+gedachte.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p168">168</a> "<i>Absicht</i>", die "<i>verstimmt</i>": bedoeling die ontstemt.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p197">197</a> <i>Und nennt man</i>: En noemt men de beste namen, dan wordt ook de
+mijne genoemd.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p238">238</a> <i>Or, if virtue</i>: Of, zoo de Deugd te zwak ware (om ten Hemel te
+stijgen) dan zou de Hemel nederdalen tot haar.&mdash;</p>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p><a name="p294" id="p294"></a>[p.294]</p>
+<h3>BIBLIOGRAPHISCHE NOTITIE</h3>
+
+
+<p>De artikelen uit de jaren tot en met '16 zijn verschenen in <i>De Gids</i>.</p>
+
+<p>De andere in het <i>Weekblad voor Stad en Land</i>.</p>
+
+<p>De artikelen in het didactisch deel, in <i>Het Jonge Leven</i>.</p>
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+
+<p class="caption"><a name="INHOUD" id="INHOUD"></a>INHOUD</p>
+
+
+<p class="caption">I</p>
+
+<p class="caption">CRITISCH</p>
+
+
+<p>Oude en Nieuwe Joodsche Dichtkunst. (Naar aanleiding van en over
+Jacob Isra&euml;l de Haan's <i>Het Joodsche Lied</i>)&mdash;pag. <a href="#p1">1</a></p>
+
+<p>Maurits Sabbe: <i>De Nood der Bariseele's</i>&mdash;pag. <a href="#p30">30</a></p>
+
+<p>R. van Genderen Stort: <i>Idealen en Ironie&euml;n</i>&mdash;pag. <a href="#p34">34</a></p>
+
+<p>Joannes Reddingius: <i>Een Romantische Jongen</i>&mdash;pag. <a href="#p37">37</a></p>
+
+<p>Joannes Reddingius: <i>Zonnewende</i>&mdash;pag. <a href="#p40">40</a></p>
+
+<p>Frans Verschoren: <i>Langs kleine Wegen</i>&mdash;pag. <a href="#p44">44</a></p>
+
+<p>Maurits Wagenvoort: <i>Het stijfhoofdige Bruidspaar</i>&mdash;pag. <a href="#p47">47</a></p>
+
+<p>Samuel Goudsmit: <i>In de Groote Leerschool</i>&mdash;pag. <a href="#p50">50</a></p>
+
+<p>Mr. J. Dermo&ucirc;t: <i>Singkep Tin</i>&mdash;pag. <a href="#p56">56</a></p>
+
+<p>Wally Moes: <i>Gooische Dorpsvertellingen</i>&mdash;pag. <a href="#p58">58</a></p>
+
+<p>G.F. Haspels: <i>Wisselend Uitzicht</i>&mdash;pag. <a href="#p61">61</a></p>
+
+<p>Cornelis Veth: <i>Gids voor Padvinders, Prikkel-Idyllen VI</i>&mdash;pag. <a href="#p65">65</a></p>
+
+<p>Herman Robbers: <i>Helene Servaes</i>&mdash;pag. <a href="#p68">68</a></p>
+
+<p>H. van Loon: <i>Trouweloozen</i>&mdash;pag. <a href="#p73">73</a></p>
+
+<p>Cyriel Buysse: <i>Oorlogsvisioenen</i>&mdash;pag. <a href="#p75">75</a></p>
+
+<p>Victor Ido: <i>De Paupers</i>&mdash;pag. <a href="#p78">78</a></p>
+
+<p>P.A. Ra&euml;skin: <i>Pastoor Horsman</i> <a href="#p80">80</a></p>
+
+<p>Louis Couperus: <i>De Comedianten</i>&mdash;pag. <a href="#p83">83</a></p>
+
+<p>Felix Timmermans: <i>Het Kindeken Jezus in Vlaanderen</i>&mdash;pag. <a href="#p86">86</a></p>
+
+<p>M.J. Brusse: <i>Een worstelaar</i>&mdash;pag. <a href="#p89">89</a></p>
+
+<p><i>Een Antisemietisch Criticus?</i> (Carel Scharten: <i>Kroniek der Nederlandsche
+Letteren</i>, 1916)&mdash;pag. <a href="#p92">92</a></p>
+
+<p>G.J.A. van Bruggen: <i>Als ge niet ... Dan! Een ver-beelding</i>&mdash;pag. <a href="#p104">104</a></p>
+
+<p>Joh. de Meester: De <i>kindsheid van Harlekijntje</i>&mdash;pag. <a href="#p108">108</a></p>
+
+<p>R.J. Spitz: <i>Uit Hooft's Lyriek</i>&mdash;pag. <a href="#p111">111</a></p>
+
+<p>G. van Hulzen: <i>Van den Zelfkant der Samenleving. Zijn kind</i>&mdash;pag. <a href="#p114">114</a></p>
+
+<p>Herman Poort: <i>Literatuur</i>&mdash;pag. <a href="#p117">117</a></p>
+
+<p>Salamon Dembitzer: <i>Een Zomer in Galici&euml;. Vertaling door</i> Arn. Saalborn&mdash;pag. <a href="#p120">120</a></p>
+
+<p>Ren&eacute; de Clercq: <i>Het Rootland</i>&mdash;pag. <a href="#p123">123</a></p>
+
+<p>J.L. Gregory: <i>Het Lied van de Zonde</i>&mdash;pag. <a href="#p126">126</a></p>
+
+<p>Is. Querido: <i>Van verbeelding en werkelijkheid</i>&mdash;pag. <a href="#p129">129</a></p>
+
+<p>Ellen: <i>Ariadne en Dionysos</i>&mdash;pag. <a href="#p133">133</a></p>
+
+<p>A. van Collem: <i>Liederen der Gemeenschap, Tweede Deel</i>&mdash;pag. <a href="#p136">136</a></p>
+
+<p>G.S. Adama van Scheltema: <i>Zingende Stemmen</i>&mdash;pag. <a href="#p139">139</a></p>
+
+<p>Herman Poort: <i>Gerbrand Adriaenszoon Bredero</i>&mdash;pag. <a href="#p142">142</a></p>
+
+<p>Jo de Wit: <i>Donker Geluk</i>&mdash;pag. <a href="#p145">145</a></p>
+
+<p>Augusta Peaux: <i>Gedichten</i>&mdash;pag. <a href="#p148">148</a></p>
+
+<p>Jan Feith: <i>Onze Mededieren</i>&mdash;pag. <a href="#p152">152</a></p>
+
+<p><i>Het Helden- en Leerdicht van den Wereldoorlog</i>. (<i>Het Vuur</i> door Henri
+Barbusse. Vert. door Andries de Rosa)&mdash;pag. <a href="#p156">156</a></p>
+
+<p><i>Slagveld-Mis&egrave;re,</i> Polemiek&mdash;pag. <a href="#p178">178</a></p>
+
+<p>Carry van Bruggen: <i>Om de Kinderen</i>&mdash;pag. <a href="#p190">190</a></p>
+
+<p>A.B. Kleerekoper: <i>Oproerige Krabbels</i>&mdash;pag. <a href="#p194">194</a></p>
+
+<p>Joost Mendes: De Santeljano's. Eerste deel; <i>De Verweerde Jaren</i>&mdash;pag. <a href="#p199">199</a></p>
+
+
+
+<p class="caption">II</p>
+
+<p class="caption">DIDACTISCH</p>
+
+<p>Jack London: <i>Pit-tah, de grijze wolf</i>. Vert. door S. Barentz-Sch&ouml;nberg.&mdash;pag. <a href="#p205">205</a></p>
+
+<p><i>Beatrijs</i> (de Middelnederlandsche)&mdash;pag. <a href="#p232">232</a></p>
+
+<p><i>Beatrijs</i> (door P.C. Boutens)&mdash;pag. <a href="#p268">268</a></p>
+
+<p><i>Beatrijs</i> (naverteld door R.J. Spitz)&mdash;pag. <a href="#p285">285</a></p>
+
+<p><i>Vertalingen</i>&mdash;pag. <a href="#p293">293</a></p>
+
+<p>Bibliographische Notitie&mdash;pag. <a href="#p294">294</a></p>
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Over literatuur, by M.H. Van Campen
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OVER LITERATUUR ***
+
+***** This file should be named 17078-h.htm or 17078-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/7/0/7/17078/
+
+Produced by Marc D'Hooghe
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>