diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:50:15 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:50:15 -0700 |
| commit | befdb305b87529e5c7db6445eb933b94c36a415c (patch) | |
| tree | c801f33ffc2c77ffdcfb3385cccd9c644b312dd1 /17072-h | |
Diffstat (limited to '17072-h')
| -rw-r--r-- | 17072-h/17072-h.htm | 5015 |
1 files changed, 5015 insertions, 0 deletions
diff --git a/17072-h/17072-h.htm b/17072-h/17072-h.htm new file mode 100644 index 0000000..fbb38b6 --- /dev/null +++ b/17072-h/17072-h.htm @@ -0,0 +1,5015 @@ +<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN" + "http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd"> + +<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml"> + <head> + <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=iso-8859-1" /> + <title> + The Project Gutenberg eBook of Eene Gekkenwereld!, by Hendrik Conscience. + </title> + <style type="text/css"> +/*<![CDATA[ XML blockout */ +<!-- + p { margin-top: .75em; + text-align: justify; + margin-bottom: .75em; + } + h1,h3,h4,h5,h6 { + text-align: center; /* all headings centered */ + clear: both; + } + + h2 + {text-align: center; /* all headings centered */ + clear: both; font-variant: small-caps; + } + + hr { width: 33%; + margin-top: 2em; + margin-bottom: 2em; + margin-left: auto; + margin-right: auto; + clear: both; + } + + table {margin-left: auto; margin-right: auto;} + + body{margin-left: 10%; + margin-right: 10%; + } + + .pagenum { /* uncomment the next line for invisible page numbers */ + /* visibility: hidden; */ + position: absolute; + left: 92%; + font-size: smaller; + text-align: right; + } /* page numbers */ + + .linenum {position: absolute; top: auto; left: 4%;} /* poetry number */ + .blockquot{margin-left: 5%; margin-right: 10%;} + + + .bb {border-bottom: solid 2px;} + .bl {border-left: solid 2px;} + .bt {border-top: solid 2px;} + .br {border-right: solid 2px;} + .bbox {border: solid 2px;} + + .center {text-align: center;} + .smcap {font-variant: small-caps;} + .u {text-decoration: underline;} + + .caption {font-weight: bold;} + + .figcenter {margin: auto; text-align: center;} + + .figleft {float: left; clear: left; margin-left: 0; margin-bottom: 1em; margin-top: + 1em; margin-right: 1em; padding: 0; text-align: center;} + + .figright {float: right; clear: right; margin-left: 1em; margin-bottom: 1em; + margin-top: 1em; margin-right: 0; padding: 0; text-align: center;} + + .voetnoots {border: dashed 1px;} + .voetnoot {margin-left: 10%; margin-right: 10%; font-size: 0.9em;} + .voetnoot .label {position: absolute; right: 84%; text-align: right;} + .fnanchor {vertical-align: super; font-size: .8em; text-decoration: none;} + + .poem {margin-left:10%; margin-right:10%; text-align: left;} + .poem br {display: none;} + .poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;} + .poem span.i0 {display: block; margin-left: 0em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;} + .poem span.i2 {display: block; margin-left: 2em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;} + .poem span.i4 {display: block; margin-left: 4em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;} + // --> + /* XML end ]]>*/ + </style> + </head> +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of Eene Gekkenwereld!, by Hendrik Conscience + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Eene Gekkenwereld! + +Author: Hendrik Conscience + +Release Date: November 16, 2005 [EBook #17072] +[Last updated: August 27, 2011] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EENE GEKKENWERELD! *** + + + + +Produced by Clare Boothby and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net + + + + + + +</pre> + + + + + +<div> +<br /> +<br /> +<hr style="width: 65%;" /> +<br /> +</div> + +<h1>Eene Gekkenwereld!</h1> +<div> +<br /> +<br /> +</div> + +<h2>Hendrik Conscience</h2> + +<div> +<hr style="width: 65%;" /> +<br /> +<br /> +</div> + +<!-- Autogenerated TOC. Modify or delete as required. --> +<p> +<span style="margin-left: 2em;"><big><b>Inhoud</b></big></span> +<br /> +<br /> +<span style="margin-left: 4em;"><b>Wat Geluk Dat Het Niet Waar Was!</b></span><br /> +<span style="margin-left: 6em;"><a href="#WAT_GELUK_DAT_HET_NIET_WAAR_WASI"><b>I</b></a></span><br /><br /> +<span style="margin-left: 4em;"><b>Het Wonderei</b></span><br /> +<span style="margin-left: 6em;"><a href="#HET_WONDEREII"><b>I</b></a></span><br /> +<span style="margin-left: 6em;"><a href="#HET_WONDEREIII"><b>II</b></a></span><br /> +<span style="margin-left: 6em;"><a href="#HET_WONDEREIIII"><b>III</b></a></span><br /><br /> +<span style="margin-left: 4em;"><b>Het Paradijs Der Krankzinnigen.</b></span><br /> +<span style="margin-left: 6em;"><a href="#HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGENI"><b>I</b></a></span><br /> +<span style="margin-left: 6em;"><a href="#HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGENII"><b>II</b></a></span><br /> +<span style="margin-left: 6em;"><a href="#HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGENIII"><b>III</b></a></span><br /> +<span style="margin-left: 6em;"><a href="#HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGENIV"><b>IV</b></a></span><br /> +<span style="margin-left: 6em;"><a href="#HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGENV"><b>V</b></a></span><br /> +<span style="margin-left: 6em;"><a href="#HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGENVI"><b>VI</b></a></span><br /> +</p> + + +<div> +<hr style="width: 65%;" /> +</div> + +<h2><a name="WAT_GELUK_DAT_HET_NIET_WAAR_WASI" id="WAT_GELUK_DAT_HET_NIET_WAAR_WASI"></a>Wat Geluk Dat Het Niet Waar Was!</h2> + +<h3>Eerste Schets</h3> + +<h3>I.</h3> + +<p>Ik was verdoold geraakt op de naakte, grenzenlooze heide, waar boom, +heuvel noch dorpstoren mij de goede richting kon aanwijzen.</p> + +<p>Mij bedroefde dit echter niet: het is zoo vermakelijk, verloopen te +loopen, wanneer men eindelijk toch zijnen weg naar huis zal terugvinden.</p> + +<p>Maar geheel anders werd ik te moede, toen de nacht mij in de woestijn +overviel, en het rondom mij allengs zoo ondoorgrondelijk zwart werd, dat +ik soms tastende de hand uitstak, in het denkbeeld, de duisternis te +kunnen voelen.</p> + +<p>Met onverpoosd over de effene vlakte vooruit te gaan, zou ik +ongetwijfeld eerlang eene menschenwoning aantreffen.—Naar welken kant +mij gericht?</p> + +<p>Ha, daar zag ik eensklaps in de verte een lichtje flikkeren!</p> + +<p>Tusschen mij en de plaats waar dit lampken brandde, moesten boomen of +andere hinderpalen staan; want het waggelende licht scheen, volgens +mijne bewegingen, uit te dooven, weder op te vlammen, te dansen of van +den eenen kant naar den anderen te springen.</p> + +<p>Daar moest ik naar toe, daar zou ik menschen vinden, eene herberg voor +den nacht of een dienstwilligen leidsman.</p> + +<p>Allerlei onbekende, angstwekkende geruchten bruisten uit den schoot der +heide op: gesis, gesjirp, geschuivel, gekras, onduidelijk, somber en +doodsch, alsof de aarde wreede pijnen doorstond en aan de loodzware +zomernachtlucht haar lijden klaagde.</p> + +<p>De vervaardheid gaf mij vleugelen; ik draafde met koortsigen stap over +de heide, immer den blik op het pinkend vlammetje gericht.</p> + +<p>Nu en dan verwarden mijne voeten in het houtige heidekruid; ik viel, +stond zuchtend op, wreef mij het scherpe kiezelzand van neus en +voorhoofd, en hervatte mijne blinde vlucht door de duisternis.</p> + +<p>Het is wonderlijk, hoe in den donkeren nacht een verre licht den mensch +over den afstand kan bedriegen! Ik was reeds moede geloopen, en nog +scheen het mij, dat ik het flikkerende lampken geen boogschot was +genaderd.</p> + +<p>Wat ik voor een aardsch licht aanzag, was misschien eene star? Zoo zou +dan mijn gansch leven, al werd ik honderd jaar oud, te kort geweest zijn +om het te bereiken? Mijne vrees was echter ongegrond; er blonk geene +enkele star aan den inktzwarten hemel.</p> + +<p>Hoe lang ik, met het parelende zweet der vermoeidheid op het aangezicht, +had gedraafd, dit weet ik niet: vele uren zeker; want toen ik, geheel +ten einde van krachten, een oogenblik stilhield om wat adem te scheppen, +dacht mij dat aan den verren Oosten een flauwe, witte schijn als een +grijsachtige vlek begon op te dagen. Over de heide heerschte nog het +dikste helleduister; maar de eerste schemer, voorlooper van het komende +licht, was daar!</p> + +<p>Die blijde boodschap schonk mij hoop en moed; ik hernam mijnen gang, +ditmaal echter met stramme, slepende voeten....</p> + +<p>O, hemel, wat is dit! Rol ik niet van eene hoogte in den eeuwigen +afgrond? Gruwelijk! een straal ijs schiet mij door het ruggemerg; geen +einde aan dit duizelig nederdalen. Ik ben dood!</p> + +<p>Neen, nog niet, God zij dank! Daar kom ik terecht op eenen grazigen +bodem, als op een mollig bed. Ik betast mijne leden; niets gebroken, +niets bezeerd!</p> + +<p>Opstaan zal ik, en met meer voorzichtigheid mijne droeve reis +voortzetten; maar mijne pogingen zijn vruchteloos: ik kan mijne beenen +bijna niet meer verroeren, en val krachteloos terug op het gras.</p> + +<p>Daar lag ik nu, uitgeput en als een blaasbalg hijgende. Wat kon ik doen? +Wachten en onderwijl over mijnen pijnlijken, onuitlegbaren toestand +nadenken, totdat de rust nieuw zenuwsap door mijne beenen deed stroomen.</p> + +<p>Maar nadenken, mijmeren werkt als een geestverdoovende slaapdrank op den +vermoeiden mensch.... Ik schoof mijnen linkerarm mij onder het hoofd, en +zonk weg in eenen sluimer, zoo diep en zoo zwoegend, dat mijn ratelend +snorken ongetwijfeld alle kruipend of vliegend ongedierte van mij moest +verwijderd houden.....</p> + +<p>Het was reeds klaar dag toen ik ontwaakte.</p> + +<p>Mij oprichtende, staarde ik roerloos en stom van verbaasdheid, naar alle +zijden uit. In welk land, in welke wereld bevond ik mij?</p> + +<p>Recht voor mij, op een honderdtal stappen, verhief zich een ontzaglijke +muur van groote baksteenen, gescheurd, ingevreten en hier en daar +vooroverhellende, als gereed om in de diepte neer te storten. Deze muur +verlengde zich van wederkante zeer verre, totdat hij, door eene cirkel +vormende ombuiging, zijne uiteinden aan mijn gezicht onttrok.</p> + +<p>Ik was ongetwijfeld in de nabijheid eener stad, of wat vroeger eene stad +moest geweest zijn; want boven den grooten ringmuur zag ik eene menigte +bouwvallige huizen, paleizen en kerken, met verbrokkelde gevels, +ingezakte daken, afgeknotte torens.</p> + +<p>Was het de oorlog, eene aardbeving of eene vermaledijding des Heeren, +die deze stad dus had bedorven en ten gronde gericht? In alle geval +moest de schrikkelijke ramp sedert meer dan eene eeuw haar getroffen +hebben; want de tijd had alle hoeken en kanten afgeknaagd, en in de +scheuren en reten zaden geworpen, welke nu tot heesters en boomen waren +opgegroeid, of als slingerplanten van de gevels nederhingen.</p> + +<p>Over de brokkelige puinen rustte eene sombere, doodsche stilte, als ware +deze slapende stad het graf van een weggestorven menschengeslacht.</p> + +<p>Ik sidderde bij dit akelig beeld van verdelging, eenzaamheid en +troosteloos nietzijn; en keerde het oog er van af. Eenen uitweg zou ik +zoeken om weder de vlakke heide te bereiken; want hier was het mij +zonderling benauwd aan het hart.</p> + +<p>Hoe vermeerderde mijne bekommerdheid, toen ik meende te erkennen, dat +het mij onmogelijk zou zijn, uit de diepte te geraken!</p> + +<p>Inderdaad, achter mij verlengde zich een even hooge muur, en de plaats +waar ik nu stond, was niets anders dan de bodem der oude, uitgedroogde +stadsgracht.</p> + +<p>Langs deze zijde was er geene hoop om den muur te kunnen beklimmen: niet +alleen scheen hij wel dertig voet loodrechte hoogte te hebben; maar, +naar het Noorden gekeerd zijnde, had hij weinig van den tijd geleden, en +nergens bemerkte ik eene kloof of scheur, groot genoeg om mijne handen +of voeten eenen steun tot klimmen te leenen.</p> + +<p>Aan de overzijde der gracht was de muur integendeel zeer bouwvallig, en +ik bespeurde zelfs dat daar, aan den voet van een groot huis, steenen en +aarde in de diepte waren afgezakt, en eene soort van dijk of brug +vormden, langs waar men met gemak, dacht mij, in de verlatene stad kon +geraken.</p> + +<p>Maar hoe den anderen kant der gracht bereikt? De grond was, vooral naar +het midden, moerassig en slijkig. Ik had nog geene tien stappen +beproefd, of ik voelde mijne voeten door den modder zinken, en sprong, +huiverend van schrik, terug.</p> + +<p>Ik richtte den blik naar alle zijden om een uitkomen te ontdekken. +Niets! geen ander middel dan over de gracht te gaan.</p> + +<p>Het hoofd schuddende en zuchten slakende, staarde ik roerloos op de +groene vlekken van het poelgras, die hier en daar uit het drabbige +turfmoer zich verhieven, en op het ijzerachtig water, dat met zijne +gele, roode tinten als eene vale slang door het midden der gracht +kronkelend voortzijpelde.</p> + +<p>Mij klopte het hart wel angstig in den boezem. Het was echter geene +eigenlijke verschriktheid die mij ontstelde; want ik begreep niet welk +gevaar mij hier kon bedreigen, en de lange zomerdag, die nu eerst had +aangevangen, liet mij tijds genoeg om naar een redmiddel uit te zien; +maar mijne verlegenheid was zeer groot, en ik gevoelde mij als beschaamd +over mijnen neteligen toestand.</p> + +<p>Wat zou ik beginnen? Vooruitgaan langs den boord der gracht en zoo den +voet van den buitenmuur volgen, tot zelfs achter zijne ombuiging? +Waarschijnlijk zou ik toch eene plaats vinden, die mij toeliet uit de +diepte te geraken.... Maar indien deze hoop werd teleurgesteld? Zou ik +dan eeuwig rondloopen in eenen cirkel zonder einde? Beproeven moest ik +het evenwel.</p> + +<p>Ik stapte dus voort over de waggelende zode, nu en dan terugtredende, om +mijne voeten op vasteren bodem te zetten.</p> + +<p>Wonderlijke streek! Geen gerucht, geen klank, geen leven. Zelfs het +loover aan kruid en boomen hing hier stil en doodsch, als had er de wind +geenen adem....</p> + +<p>Ha, ik ben gered! Daar ontwaar ik een voetpad.... Misschien het +nachtelijk spoor van verslindende dieren, welke hunne krochten binnen de +bouwvallen hebben gekozen? Neen, menschen hebben dien wegel gebaand; +beesten zouden toch het verstand niet hebben, steenen aan te brengen om +den moerassigen grond vastigheid te geven?</p> + +<p>En zie ik niet dat zulke steenen, soms ontzaglijk zwaar, als eene brug +dwars over den bodem der gracht zijn gelegd? Ten einde van den wegel is +zelfs eene poort, of ten minste een gat, in den muur van een reusachtig +gebouw. Dit is ongetwijfeld de ingang tot de stad, welke ondanks hare +bouwvalligheid door redelijke wezens, door menschen moet bewoond zijn.</p> + +<p>Deze ontdekking vervulde mij met blijdschap; ik volgde het steenen pad, +bereikte zonder hinder de overzijde der gracht en stapte door het gat +van den muur, met de zekerheid dat ik op eene straat der stad zou +uitkomen.</p> + +<p>Maar ik zag mij in deze verwachting bedrogen; want ik bevond mij in eene +lange, overwelfde gaanderij, gesteund op eene dubbele reeks pijlers van +arduinsteen: misschien een voormalig klooster?</p> + +<p>Eene andere opening dan degene langs waar ik was binnengetreden, kon ik +niet ontdekken, zelfs niet toen ik het einde der gaanderij had bereikt. +Hier stiet ik op eenen hoogen, blinden muur en werd gedwongen, terug te +keeren om eenen anderen uitweg te zoeken. Waarschijnlijk was het gat in +den muur van dit gebouw de ware ingang der stad niet. Mij bleef niets +over dan weder door dit gat uit te gaan....</p> + +<p>Hoe ik echter met verbaasdheid de oogen opensperde, ik kon de opening +niet meer terugvinden,—en nogtans was ik overtuigd en zeker, dat ik ter +juiste plaats stond waar ik was binnengekomen. Ik herkende deze aan +eenen omgevallen pijler, waarover ik bij mijne intrede had moeten +heenstappen.</p> + +<p>Wat beduidde dit? Had men op zoo korten tijd het gat toegemetseld? Er +was geen spoor van zulken arbeid te ontwaren.... Tooverij? Kom, kom, dat +is een kinderachtig verdenken. Maar wat dan? Ik zal mij misgrepen +hebben: ongetwijfeld bestaat het gat verder....</p> + +<p>Het is om zinneloos te worden: ik heb tweehonderd stappen meer door de +gaanderij gedaan, en geene opening te bespeuren! Van tooverij ben ik +niet vervaard, en evenwel is mijne ademing lastig en klopt het hart mij +geweldig. Waar ben ik hier en hoe geraak ik uit deze hachelijke +verlegenheid?</p> + +<p>Goede hemel! bedrieg ik mij niet? Hoor ik niet, achter den binnenmuur, +eene menschenstem hergalmen? Ja, de zanger moet dicht omtrent mij zijn; +want zijne stem klinkt voor mij verstaanbaar. Ik ken dit gezang; het is +een lied van Theodoor Van Rijswijck:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Wie graag eens een reisje door Holland wil doen,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Hij zal het zich nimmer beklagen.</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">De morgenstond komt er, als hier, vóor den noen;</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Er zijn zomersche en wintersche dagen.</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">En is er de luchtstreek wat koud,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Zijn er geen bronnen noch mijnen van goud,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Men is er zoo zalig gezeten</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Te midden van Schiedam en kaas en tabak,</span><br /> +<span style="margin-left: 4em;">Ducaten en poëten.</span><br /> +</p> + +<p>Ha, ha, dommerik die ik ben! Waar men zoo vroolijk zingt, kan verdriet +noch lijden heerschen... en ik, die reeds schrikte, in de verwachting +der vervaarlijkste dingen!</p> + +<p>Gerustgesteld door het trippelend lied, keek ik uit naar eenen weg om +bij den zanger te geraken; ik ontdekte na lang zoeken eenen duisteren, +kronkeligen gang, dien ik ten allen gevalle intrad en eene wijl +twijfelend volgde. Eindelijk zag ik in de verte het daglicht schemeren, +en welhaast bevond ik mij bij de opene deur eener overwelfde zaal, +onzindelijk en somber als eene krocht.</p> + +<p>Ik bleef in de halve duisternis staan, met den verbaasden blik gericht +op een zonderling wezen, dat nu uit volle keel de laatste strofe van Van +Rijswijcks lied herhaalde.</p> + +<p>Dit wezen,—een slag van mensch evenwel,—was eene gekleede ton, breed +en rond als een dubbel biervat; en daar bovenuit stak een dik +mannenhoofd, glimmend en zoodanig opgezwollen, dat men nauwelijks de +oogen in hunne diepe holen kon ontwaren.</p> + +<p>Aan de ton zag ik armen noch beenen; zij rustte met den bodem op een +kussen,—een lederen stroozak ongetwijfeld ... en dit monsterachtig +menschenhoofd lachte, zong en scheen uitgelaten vroolijk!</p> + +<p>Deze krocht, welke haar licht ontving door drie hooge, punt-bogige +vensters, was schier naakt. Aan de ziltige muren hingen drie of vier +groote messen, eene breede handzaag en een zwaard, dat door den rossen +roest bevlekt scheen met gestold bloed. In eenen hoek was eene alkoof of +diepe slaapstede, met zwarte gordijnen gesloten, en daarnevens rustte op +den grond een grof speeltuig met dikke snaren, als eene soort van harp. +Onder een der vensters stond eene lange, zware tafel. Vier of vijf +stoelen, uit ruwe boomtakken getimmerd, en eene bank langs den wand +vormden het overige huisraad.</p> + +<p>Van het wezen in de ton,—klaarblijkend onbekwaam om zich te +bewegen,—had ik niets te vreezen, dacht mij; ik trad, hoewel schuchter +en aarzelende, in de krocht.</p> + +<p>Hoe stond ik verbluft, toen dit stuk mensch mijnen naam noemde en met +een schaterlach mij toeriep:</p> + +<p>"Wel, wel, wie zou zich daaraan verwacht hebben! Gij, gij, hier, mijn +achtbare vriend? Zie dan, gij herkent mij niet? Hoe dikwijls nogtans heb +ik u de hand gedrukt!"</p> + +<p>"Neen, mijnheer, ik heb de eer niet u te kennen," was mijn stamelend +antwoord. "Mij dunkt niet, dat ik u ooit ergens heb ontmoet."</p> + +<p>"Zeker, meer dan twintigmaal: in het Zwarte Paard, op de Paddengracht, +waar wij zoo dikwijls den avond met den geestigen Door Van Rijswijck +sleten."</p> + +<p>"Ik herinner het mij niet."</p> + +<p>"Het is omdat ik, sedert toen, zoo onmenschelijk vet ben geworden. Gij +weet wel: Jacobus Loris, de kleermaker uit de Lange Nieuwstraat?"</p> + +<p>"Jacobus Loris!" herhaalde ik, buiten mij zelven van verwondering. "Ja, +nu bemerk ik inderdaad eene zekere gelijkenis. Gij, gij zijt Jacobus +Loris? En wat doet gij in die ton?"</p> + +<p>"In welke ton?"</p> + +<p>"De ton waarin uw lichaam is verborgen."</p> + +<p>"Wel, die ton ben ik zelf. Had ik mijne armen nog, om mijn vest los te +knoopen, ik zou u overtuigen...."</p> + +<p>"Maar waar zijn toch uwe armen en beenen gebleven?" riep ik.</p> + +<p>"Mijne armen en beenen? Waar ze gebleven zijn? Dit zou ik u waarlijk +niet kunnen zeggen; maar wat ik al te goed weet, is dat ze zijn +opgegeten."</p> + +<p>"Gij hebt uwe eigene leden opgegeten?" gromde ik met afschuw.</p> + +<p>"Ik? Bijlange niet."</p> + +<p>"Wie dan?"</p> + +<p>"Ja, hoe dit hellebroedsel moet gedoopt worden, dit mag de Nikker zelf u +zeggen. Het is toch niet noodig. Ha, ha, ha, gij zult al spoedig kennis +met de monscheneters maken, en uwe armen en boenen denzelfden weg zien +ingaan als de mijne!"</p> + +<p>En hij lachte zoo dwaas, dat ik niet twijfelde of de ongelukkige moest +krankzinnig zijn; maar hoe hij, dien ik waarlijk als een flinke +man,—zeer mager, doch rap en vroolijk,—had gekend, in zulken +beklagenswaardigen toestand was geraakt, dit raadsel tergde mij den +geest.</p> + +<p>"Neem eenen stoel en zit neder," zeide hij. "Wij hebben tijd om wat van +Antwerpen en de vrienden te kouten. De meesters dezer krocht zijn +uitgegaan en zullen slechts binnen een paar uren wederkeeren: zoo is het +elken morgen.... Hoe vaart die goede Theodoor? Altoos levenslustig en +geestig? Komt hij nog dikwijls in het Zwarte Paard, met Blommaert Gevers +en De Wolf? Ho, wat zou hij zeggen, indien hij mij zoo zag zitten, +zonder armen noch beenen, als eene monster-pompoen op den toog van eenen +fruitwinkel!"</p> + +<p>Ik antwoordde hem niet, en richtte in gedachte hem zelf deze vraag toe:</p> + +<p>"Maar, mijnheer Jacobus, ik kan mijne oogen niet gelooven. Het is nu een +paar maanden geleden, dat gij eensklaps, in gezelschap van uwen vriend, +den bakker Mathijs, uit onze stad zijt verdwenen. Iedereen gelooft, dat +gij beiden naar Amerika zijt gevlucht, uit hoofde van tegenspoed in uwe +zaken. Men heeft zelfs alles ten uwen huize openbaar verkocht om uwe +schuldeischers te voldoen...."</p> + +<p>"Dit kan mij nu bitter weinig meer schelen," viel hij in mijne rede. +"Dezen middag reeds zal ik mijne rekeningen daarboven aan den oppersten +schuldeischer overgegeven hebben; en dewijl ik hier, in dezen +moordenaarskuil, veel heb betaald, twijfel ik niet of de hemelpoort zal +voor mij wagenwijd openstaan."</p> + +<p>"In alle geval," hervatte ik, "zijt gij niet naar Amerika gegaan? Hoe +kwaamt gij hier?"</p> + +<p>"Op eene zeer eenvoudige, doch tevens volstrekt onbegrijpelijke wijs. +Mijn vriend Mathijs en ik hadden sedert lang een ontwerp gevormd, om het +klooster der Trappisten, bij Westmalle, eens te bezoeken. Een zekeren +vroegen morgen, vertrokken wij met de diligence Van Gend & Co., stapten +af bij het klooster, bezichtigden het op ons gemak, en gingen verder +naar het dorp Westmalle, om er eens goed te middagmalen. Wij bleven lang +aan tafel,—veel te lang voor ons geluk,—en dronken er zoo menige +flesch wijn, dat de diligence Van Gend, die ons terug naar Antwerpen +moest voeren, reeds lang voorbij was, eer wij er aan dachten dat het +tijd was om te vertrekken.... Vijf uren te voet afleggen, dit was geen +troostend vooruitzicht, bovenal langs eenen rechten, eentonigen +steenweg. Dan kwamen wij op de gedachte over de vlakke heide achter het +klooster der Trappisten om te gaan. Wij dronken nog eene flesch, zongen +eenige liederen, en stapten dan welgemoed de heide op. Wij liepen +verloren; de duisternis verraste ons, en wij beklaagden te laat onze +onvoorzichtigheid,—maar daar zagen wij eensklaps in de verte een licht +schitteren...."</p> + +<p>"Juist hetzelfde als met mij!" mompelde ik.</p> + +<p>"Gij hebt insgelijks achter het vermaledijd stallichtje geloopen?"</p> + +<p>"Den geheelen nacht."</p> + +<p>"Maar dan hoef ik u niet te vertellen, wat gij, evenals wij, hebt +ondervonden."</p> + +<p>"Hoe meent gij het?"</p> + +<p>"Gij zijt na lang dolen gevallen, niet waar?"</p> + +<p>"Ja."</p> + +<p>"Beneden eene oude stadsvest?"</p> + +<p>"Inderdaad."</p> + +<p>"Een steenen voetpad bracht u over de gracht, en gij zijt, door een gat +in den muur, hier binnen gekomen?"</p> + +<p>"Maar hoe kunt gij dit alles weten?"</p> + +<p>"Wel, het stallichtje, het voetpad en de opening in den muur zijn niets +dan listen en strikken, door deze onmenschen aangewend om reizigers te +vangen."</p> + +<p>"En wat doen zij met de reizigers?" vroeg ik, huiverend van angstig +voorgevoel.</p> + +<p>"Wat zouden zij er mede doen? Ze vet maken, indien ze te mager vallen; +zijn ze integendeel goed in 't vleesch, dan ze maar seffens opeten."</p> + +<p>"Kom, gij drijft den spot met mij," riep ik uit. "Zoo iets is +onmogelijk!"</p> + +<p>"Onmogelijk? Was mijn vriend Mathijs nog hier, hij zou u kunnen +vertellen hoe dit gaat...."</p> + +<p>"Ha, uw vriend is ontsnapt?"</p> + +<p>"Ja, langs de broodstraat... Gij begrijpt mij niet? Hij is mijne armen +en beenen voorafgegaan door de keel van dit helsch gespuis. Hij was vet +genoeg."</p> + +<p>"Hoe, zij hebben den armen bakker Mathijs verslonden?"</p> + +<p>"En er zelfs geen het minste graatje van overgelaten. De zak, waarop ik +te zelfder tijd sta en zit, is zijne huid; de snaren, daar aan dit slag +van harp, zijn zijne darmen."</p> + +<p>"Welke gruwelijke dingen!" gilde ik verbleekende. "Gij droomt voorzeker +of neemt een wreed vermaak in mij schrik aan te jagen."</p> + +<p>"Waar meent gij dan, dat mijne armen en beenen zouden gebleven zijn?" +wedersprak hij. "Men heeft ze onder mijne eigene oogen verslonden, dat +het een vermaak was om aan te zien."</p> + +<p>"Ongelukkige vriend, ik heb medelijden met uw droevig lot," gromde ik. +"Het scheelt u zeker in de hersens, gij zijt krankzinnig; maar het +schijnt mij evenwel hier niet goed voor eenen Christen mensch, en +wat ik nu allereerst ga doen, is dezen kuil te ontloopen."</p> + +<p>"Ha, ha, ontloopen?" lachte bij. "Er is geen ontloopen meer aan. Kijk +slechts naar de opening langs waar gij zijt binnengekomen."</p> + +<p>"O, hemel, waar is die opening?" gilde ik in de grootste verslagenheid. +"Verdwenen? Niets meer dan den effen, naakten muur!"</p> + +<p>En, voortgezweept door de akelige overtuiging, van het doodsgevaar dat +mij bedreigde, liep ik naar den tegenovergestelden kant der krocht, +scharrelde langs den muur, bukte ten gronde en sprong in de hoogte naar +de vensters.... Eilaas, alles was vruchteloos!</p> + +<p>"Ontsnappen kan men uit dezen kuil niet," schertste Jacobus. "Ja, ja, +loop in het ronde, zoek, snuffel in alle hoeken: gij zult geene opening +vinden, breed genoeg om er uwe hand door te steken. Zoo gaat het hier. +Kom, gij moet van den nood eene deugd maken; er is niets aan te doen. U +zullen ze toch niet seffens opeten, alhoewel gij anders niet bijzonder +mager zijt; maar ik ben oneindig vetter dan gij. Eerst mijne beurt.... +Nu, vermoei u niet nutteloos en zit neder. Nog meer dan een uur voordat +ze terugkeeren. Laat ons liever kouten. Wat hebben de vrienden in het +Zwart Paard zoo al van mij gezegd, toen ze vernamen dat ik was +verdwenen?"</p> + +<p>Hopeloos, verpletterd en in al mijne leden sidderende, viel ik op den +stoel en legde mij de handen voor het aangezicht.</p> + +<p>"Gij beeft, gij zijt vervaard?" zeide hij. "Gij meent dat het buitenmate +pijnlijk moet zijn, wanneer men u de armen of beenen afsnijdt? Daarin +bedriegt gij u geheel. Deze lieden of, om beter te zeggen, deze duivels +hebben eene wonderbare zalf; zij stelpt niet alleen het bloed, maar doet +u tevens als een gevoel van welzijn en genot door de aderen vloeien.... +Ik lag daar, op die tafel; de groote Saloc,—dit is de vader,—sneed mij +de beide beenen af en reikte ze zijn hongerig huisgezin toe. Wel met +tien vielen ze er op aan, sloegen hunne tanden er in en sleurden +vechtend het nog trillende vleesch er af. Gij gelooft dat ik weende of +beefde? Integendeel, het vreemd en koddig schouwspel der kinderen, die +elkander het haar uitrukten om de laatste vezels mijner beenen te +krijgen, deed mij in zulken koortsigen lach uitbarsten, dat ik mij den +buik moest vasthouden om niet te stikken. Toen had ik nog mijne +armen...."</p> + +<p>"Het is afschuwelijk!" kreet ik. "Hoe gij ziet uwe lidmaten onder uw oog +verslinden en gij kunt lachen? De dood, de afgrijselijkste dood wacht u, +en gij zijt vroolijk!"</p> + +<p>"Ja, ik ben blijde, uitgelaten van vreugde," juichte hij, "omdat ik +heden zal sterven. Dunkt het u dan zoo vermakelijk, het leven dat ik +sedert twee maanden hier doorsta, rustend op de huid van mijnen vriend +Mathijs en verplicht de zielfolterende muziek aan te hooren, welke deze +goddelooze booswichten uit zijne darmen lokken? Maar dit is het ergste +niet: om mij vet te maken, duwen en stompen ze mij viermaal daags eenen +walgelijken deeg in den mond. Dit lekker kostje bevat onder andere: +vorschenbroed, paddenkwijl, addervet.... Ik heb er genoeg van.—Hoe +vindt gij die kluchtigaards? Ze noemen mij hun Ortolaan, omdat ik van +dien hatelijken brei zoo dik ben geworden. Heden is het de dag van +hunnen Oboch of huisduivel. Het zal hier kermis zijn; mij heeft men voor +de smulpartij zoolang gespaard. In den dood lacht mij de verlossing +toe.... Maar wat hoor ik? Is het niet de stem van Norica? Luister, zij +zingt het eeuwige, het eenige lied dat men hier kent:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Eten, eten, eten.</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Nog eten, altoos eten!</span><br /> +</p> + +<p>Ik was rechtgesprongen en vroeg, bleek van angst:</p> + +<p>"Norica, zegt gij. Wie is dat?"</p> + +<p>"De oudste dochter van den Saloc. Dat meisje heeft eenen mond.... en +tanden! Ik heb haar met eenen enkelen beet mijne knieschijf zien kraken +als eene hazelnoot."</p> + +<p>"Hemel, gaan ze komen? De menscheneters?"</p> + +<p>"Ja, maar blijf toch gezeten; u zullen ze nog geen kwaad doen: ze hebben +genoeg aan mij.... Tenzij nogtans, dat ze u een been of eenen arm +afsneden om te beproeven hoe uw vleesch smaakt."</p> + +<p>Een kreet van afschuw en verschriktheid ontsnapte mijnen beklemden +boezem; ik liep als een krankzinnige rondom de krocht, zoekende naar +eene plaats om te ontvluchten of mij te verbergen.</p> + +<p>Wat ijselijke toestand! Niets: geene opening, geen schuilhoek.... en ik +hoorde de menscheneters meer en meer naderen!</p> + +<p>Eindelijk! mijn oog viel op de geslotene gordijnen der alkoof.</p> + +<p>"O, ik bid u, Jacobus, heb medelijden, verraad mij niet!" smeekte ik met +saamgevoegde handen.</p> + +<p>"Voor wien ziet gij mij aan?" was zijn antwoord. "Wat gij doet is wel +nutteloos, maar verraden zal ik u niet."</p> + +<p>Ik lag reeds in de alkoof, en had metterhaast de gordijnen zoo dicht +mogelijk toegetrokken. Ondanks mijne koortsige inspanning, bleef er +echter eene smalle spleet, juist voor mijne oogen, zoo dat ik,—of ik er +lust toe had of niet,—gedwongen was te zien wat er in de krocht zou +gebeuren. Binnen de alkoof was het donker als in een graf.</p> + +<p>Daar opende men, recht over mij, eene deur welke ik niet had opgemerkt: +het was als scheidde de muur door tooverij van een. Een tiental kinderen +van allen ouderdom, een afzichtelijk oud wijf en eene jonge vrouw +stormden de krocht binnen, en begonnen vóór den lachenden Jacobus te +dansen, terwijl ze, knarsetandende en zich de lippen lekkende, hun +gruwelijk lied herhaalden:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 4em;">Eten, eten, eten;</span><br /> +<span style="margin-left: 4em;">Nog eten, altoos eten!</span><br /> +</p> + +<p>Zonderling ras van menschen! Dikke hoofden, dikke lijven, korte dikke +beenen, handen als arendsklauwen, monden tot onder de ooren gespleten, +tanden als domino-steenen, een verwarde rosse haarbos, in kleverige +lokken hun om de kaken waggelende, oogen gloeiend als vurige kolen en +fonkelend van begeerlijkheid.</p> + +<p>En hunne kleeding? Vuile, gescheurde lappen van onbekende stof, vroeger +hoog van kleur: rood, geel, blauw; en boven die smerige lompen een +manteltje van grijs leder, dat op hunnen rechterschouder met een +pikkelbeentje was vastgehecht. IJselijkheid der ijselijkheden! elk dezer +mantels was eene menschenhuid; op hunnen schouder kon ik, aan vier +gaten:—neus, mond en oogen,—het masker der slachtoffers hunner snoode +wraakzucht herkennen!</p> + +<p>Door de openstaande deur traden nu twee bejaarde mannen binnen. De +eerste, die eene zware knots in de hand hield, moest de Saloc of vader +zijn, want hij riep gebiedend uit:</p> + +<p>"Stil in het nest, onverzadelijk gebroed! Houdt uwe tanden gesloten, of +ik streel uwen rug met mijne knots!"</p> + +<p>Allen zwegen.</p> + +<p>De andere was een grijsaard, geheel gekleed in grauw lijnwaad; op het +hoofd droeg hij een witte kap met afhangende vleugels, evenals de +beelden der oude Egyptische priesters. Ongetwijfeld was hij de offeraar +dezer onmenschelijke schurken.</p> + +<p>Beiden naderden tot mijnen vriend Jacobus. De Saloc, terwijl hij met +welgevallen in de gezwollene wangen van het slachtoffer putjes duwde, +zeide tot den grijsaard:</p> + +<p>"Malsch en vast als caoutchouc. Wat dunkt u van onzen Ortolaan?"</p> + +<p>"Waarlijk een echt koningsbeestje," mompelde de offeraar met +bewondering. "Indien er wat van overblijft, zou ik u aanraden mij een +ribbenstuk geschenk te doen."</p> + +<p>"Ik bespreek het hart en de lever!" riep Norica.</p> + +<p>"Voor mij de wangen! Ik wil de handen! Ik de voeten! Ik den borstlap!" +klonk het van alle kanten.</p> + +<p>Maar de Saloc hief zijne knots boven den hoop schreeuwers, en deze +bedreiging deed hen zwijgend terugdeinzen.</p> + +<p>Ondertusschen betastte de offeraar den armen Jacobus, evenals de +beenhouwers doen bij het koopen van een beest, en hij bleef eene lange +wijl zonder spreken.</p> + +<p>"Nu, waaraan denkt gij zoo diep?" vroeg hem de Saloc.</p> + +<p>"Ik denk, ik denk," was het antwoord, "dat wij zulk uitstekend offer ter +eere van den grooten Mikias zouden moeten bewaren. Uw huisgeest kan dit +niet kwalijk nemen, integendeel. Binnen een paar weken treedt de zon in +het teeken van den Leeuw; dan vieren wij het huldefeest van den grooten +Mikias...."</p> + +<p>"Wat bewaren? Niemendal bewaren!" riep de dochter Norica woedend uit. +"Gij zoudt onzen Ortolaan alleen willen opeten? Niet te doen: wij zullen +er vandaag aan smullen tot middernacht!"</p> + +<p>"Zwijg, onbeschofte vreetster," wedervoer haar vader. "Gij hebt niets te +zeggen: ik alleen mag hier beslissen,—en, denk ik het raadzaam, aan den +wensch van den offeraar toe te geven...."</p> + +<p>Ik zag met verwondering, dat Jacobus begon te weenen.</p> + +<p>"Hou u stil, onnoozele schreeuwbek!" snauwde de Saloc hem toe. "Wat +geeft het u, of gij heden of binnen twee weken door onze keel naar de +andere wereld gaat?"</p> + +<p>"O, laat mij een enkel woordje spreken!" smeekte Jacobus.</p> + +<p>"Wat zoudt gij weten in te brengen? Het zijn uwe zaken niet. Spreek +evenwel."</p> + +<p>"Maar, lieve menschen," zeide mijn vriend snikkende, "gij wilt mij nog +eene halve maand in het leven houden? Ik kan bijna geenen adem meer +scheppen. Haast gij u niet mij op te eten, dan zeker, eer de week ten +einde is, ben ik gestikt in mijn vet. Wat zal de groote Mikias, wat zult +gij zelven hebben aan eenen mensch, van ziekte gestorven?"</p> + +<p>"Hij heeft gelijk!" riep Norica.</p> + +<p>"Ik geloof het insgelijks," mompelde de Saloc.</p> + +<p>"Welaan, ik trek mijn voorstel in," zeide de offeraar. "Laat ons eten."</p> + +<p>"Eten, eten, eten; nog eten, altoos eten!" klonk het tegen de gewelven, +terwijl de kinderen en vrouwen, door huppelen en zegevierend handgeklap, +hunne blijdschap betuigden.</p> + +<p>Jacobus werd op de groote tafel geheven; men kroonde zijn hoofd met +verdorde festoenen, hing hem eenige gekleurde lapjes op borst en +schouders, en zette eenen stoel tegen zijnen rug, opdat hij niet +achterover viele.</p> + +<p>De offeraar haalde eene rol perkament uit de tasch van zijn kleed, en +begon prevelende te lezen wat daar op geschreven stond.</p> + +<p>Al de anderen hielden het hoofd gebogen, en antwoordden nu en dan daar +een enkel woord, dat klonk als <i>Selim Selim</i>.</p> + +<p>Ik zag dit alles in doodelijken angst aan. De lange stilte en de +roerloosheid dezer beulen, brachten mij terug in mij zelven. Ik dacht +aan mijne goede vrouw, aan mijne arme kinderen. Tranen rolden uit mijne +oogen; en, ofschoon dit ziltig water mij aan neus en wangen pijnlijk +jeukte, weerstond ik door geweldige wilsinspanning den nood tot +niezen.... Mij daalde nog eene zwakke hoop in het hart, bij de +overweging dat de deur open was gebleven. Kon ik mij nu verborgen +houden, totdat de menscheneters de krocht hadden verlaten, dan zou ik +misschien nog langs die deur kunnen ontsnappen.</p> + +<p>Maar, groote God, wat voel ik daar aan mijne beenen?.... Iets dat kruipt +en krabbelt! Een gedierte, een monster.... Het klimt op langs mijn +lichaam, het drukt op mijne borst, het nadert mijn aangezicht! Wat zijn +de twee blauwe vonken, die lichten in de duisternis der alkoof? De oogen +van het ondier?.... Het angstzweet breekt mij uit, en ik mag niet om +hulp schreeuwen, mij niet roeren!.... Ai, ai, het zet zijne tanden in +mijn oor en begint mij levend te verslinden! Mijn wil bezwijkt; ik sla +mijne beide handen aan den hals van het wangedrocht en poog het te +verwurgen.... maar, o ramp, daar galmt een akelig "mauw, mauw!" uit de +alkoof, en de kat springt huilend tusschen de gordijnen door. Ik ben +verraden!</p> + +<p>Inderdaad, mijne beenen worden door een tiental klauwen aangegrepen; men +rukt mij uit de alkoof, men sleurt mij langs den grond naar het midden +der krocht. Ik spring recht en wil tegenstand bieden; maar de wreede +Saloc heeft mij bij den schouder, en ik voel wel hoe de minste neep +zijner vingeren mij vleesch en beenderen plettert.... Eilaas, alles is +nutteloos: ik moet het aanvaarden, mijn gruwelijk lot!</p> + +<p>"Ha, ha, de groote Mikias zelf zendt ons dit geschenk toe! De kerel is +niet mager," juichte de Saloc. "Nu kunnen wij onzen Ortolaan voor het +plechtig huldefeest bewaren. Komt, kinderen, wet uwe tanden: er is +genoeg om ons allen te verzadigen. De gebeden zijn gedaan. Zet den +Ortolaan terug op zijnen zak, dat ik het nieuwe wild op de snijtafel +kunne leggen.—Zoo, zoo is het wel, brengt mij nu mijn groot mes; en +gij, vrouw, en gij, Norica, houdt hem vast bij de armen."</p> + +<p>Ik lag als een arm slachtkalf uitgestrekt. Mij beefden de lidmaten zoo +hevig, dat het tafelblad er van daverde. Ik had willen schreeuwen; maar +mijne stem verstikte in mijne beklemde keel....</p> + +<p>O, wat electrieke schok siddert daar eensklaps mij door de aderen? Zie +ik niet de kinderen, de afzichtelijke schepsels, ter zijde loopen met +mijns beenen? Scheurt niet de vraatzuchtige Norica met hare lange, witte +tanden de kuitspieren er af? Ja, ja. Ach, mijne arme lidmaten, zij; +verdwijnen, gekraakt, gepletterd, gemalen, in de keel dezer +afgrijselijke monsters! Kon ik geluid geven, hoe zou ik huilen; maar de +angstkrop, die mij in den gorgel zit, versmacht mij.... Hemel, die +bliksems boven mijne oogen? Wat is het? Een groot mes!.... De Saloc +grijpt mij bij het haar en rukt mijn hoofd achterover: hij gaat mij de +keel afsnijden. Ramp, ramp, het is gedaan met mij: ik voel het ijskoude +staal in mijn vleesch dringen.... maar nu breekt mijne stem los en ik +schreeuw met reuzenkracht:</p> + +<p>"Hulp, hulp! moord, moord!"</p> + +<p>Eene bekende, eene beminde stem roept aan mijn oor:</p> + +<p>"Jan, Jan, wat hebt gij? Het koude zweet staat op uw voorhoofd. Word +wakker: gij droomt!"</p> + +<p>Ik open de oogen, kijk verbaasd mijne goede vrouw aan, en stamel met +eenen blijden glimlach:</p> + +<p>"Ja, ik heb gedroomd, vervaarlijk gedroomd; maar wat geluk dat het niet +waar was!"</p> + + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h2><a name="HET_WONDEREII" id="HET_WONDEREII"></a><a name="HET_WONDEREI" id="HET_WONDEREI"></a>Het Wonderei</h2> + +<h3>Tweede Schets.</h3> + + +<h3>I.</h3> + +<p>Wat ik hier vertellen wil, is voorgevallen, kort na 1830, toen de +vrijwilligers van generaal Niellon, in de dorpen der Antwerpische +Kempen, bij de boeren gelogeerd waren, om daar op het hernemen van den +oorlog te wachten.</p> + +<p>Ik zie nog, in mijnen geest, de herberg van baas Kobus Noppe, waar het +Bonte Kalf uithing.</p> + +<p>Zij stond op drie of vier boogschoten van het dorp Lichtaert, bij de +Molenstraat, in de richting naar Thielen.</p> + +<p>Dit huis had eerder het voorkomen eener kleine hofstede dan eener +herberg; want op den open voorhof, ter zijde van den gevel, lag een +breede mesthoop, met kakelende hennen, en daarachter, binnen den stal, +kon men in de halve duisternis twee koeien zien herkauwen. Slechts de +voorkamer aan de straat was tot drinkplaats ingericht, ten dienste van +voorbijgangers en voerlieden.</p> + +<p>Wat de dorpelingen en de boeren der omstreken betrof, zelden kwam een +hunner gedurende de week in het Bonte Kalf; maar den Zondag, na den noen +tot het vallen van den avond, was de herberg van Kobes Noppe vol volk. +De oude vaders speelden er met de kaart, de jonge lieden op de +schuiftafel of de bollenbaan, en moeder Noppe en hare dochter Lisa +hadden werk genoeg om, onder het wisselen van eenige vriendelijke +woorden, de gasten te bedienen, terwijl de baas bijna gedurig in den +kelder bleef om bier te tappen.</p> + +<p>Op een vroegen lentemorgen van het jaar 1831,—het was eenen +Dinsdag,—trad Kobus Noppe van de straat in zijne woning, stapte +langzaam tot het diepe der kamer, trok eenen stoel nevens de kas van het +uurwerk en liet zich als mismoedig er op nedervallen. Eene uitdrukking +van slechte luim benevelde zijn gelaat, hij liet het hoofd op de borst +zakken en zonk weg in gepeinzen.</p> + +<p>Scheen baas Noppe ondanks zijn struischen lichaamsbouw, opmerkelijk +loom en traag, zijne echtgenoote, die nu uit den stal in de gelagkamer +trad, was integendeel klein en mager, maar hare levendige oogen en rappe +beweging en een zuurzoeten blik, dien zij van terzijde op haren man +richtte, konden doen denken, dat zij met meer wilskracht was begaafd dan +hij, en waarschijnlijk niet gewoon was voor hem te zwichten.</p> + +<p>Zij naderde hem en vroeg half schertsende:</p> + +<p>"Nu, Kobus, jongen lief, op welken doorn hebt gij getrapt? Gij gaat even +uit, om ons gebroken houweel naar den smid te brengen, en daar keert gij +terug met een gezicht als de kwade moordenaar! Wat is er alweder?"</p> + +<p>"Ik heb moeder Houtman ontmoet," zuchtte hij.</p> + +<p>"Is het het anders niet? Wat wonders is daar aan?"</p> + +<p>"Zij heeft mij opnieuw gesproken van haren zoon Frans en van onze +doohter Lisa."</p> + +<p>"Het is te begrijpen; maar moet gij daarom zuur zien als een +stekelvarken?"</p> + +<p>"Ik zie niet zuur, Christien; ik ben bedroefd.</p> + +<p>"Zoo, en waarom?"</p> + +<p>"Ach, Christien, er drukt mij iets op het hart, zoo zwaar als lood. Gij +zoudt mij een groot plezier doen, wildet gij mij gedurende eenige +oogenblikken laten spreken."</p> + +<p>"Altijd hetzelfde liedje ongetwijfeld?"</p> + +<p>"Het is gelijk, Christien.... Lisa is naar het veld, wij zijn alleen. +Wees goed en zit eens neder."</p> + +<p>"Nu, laat hooren, Kobus."</p> + +<p>"Gij zijt, hoop ik, nog niet vergeten, vrouw, wat goede, getrouwe +vriendschap wij en de Houtmans, van jongs af, elkander altijd +toedroegen. Vroeger waren zij onze naaste buren, en hun zoon en onze +dochter hebben te zamen gespeeld, van voordat ze nog alleen konden +loopen."</p> + +<p>"Maar waarom zegt gij dit alweder?" morde de vrouw. "Weet ik het niet +zoo goed als gij zelf?"</p> + +<p>"Ja, ja, des te beter; maar ik bid u, laat mij voortgaan. Wij hebben met +de moeder van Frans en met zijn vader zaliger dikwijls, lachende doch +ernstig evenwel, gezegd dat de kinderen later een schoon paar zouden +zijn—en het is waarlijk zoo. Dit ten minste kunt gij niet betwisten, +Christien, al trekt gij de schouders op. Hij is een welgemaakte, sterke +jongen; onze Lisa heeft ook armen aan het lijf. Beiden zijn braaf en +werkzaam. Zij beminnen elkander; en dewijl zij sedert lang weten, wat +wij voor hen van hunne eerste jonkheid af hebben gedroomd...."</p> + +<p>"En het is daarom, onnoozele Kobus, dat gij zuur ziet? Heeft moeder +Houtman u misschien verwijten durven doen?"</p> + +<p>"Zij heeft mij geene verwijten gedaan, maar mij onder de oogen +gebracht, dat het tijd wordt om over het lot der kinderen een besluit te +nemen."</p> + +<p>"Kan zij dan niet meer wachten? Het brandt er zeker niet?"</p> + +<p>"Zij heeft mij weder gesproken van het hofstedeken onder Thielen, dat +met St.-Baafsmis ledig valt en dat de eigenaar, op haar verzoek, aan +onze kinderen wil in pacht geven. Het zou eene dwaasheid zijn, denkt zij +wel te recht, zulke goede gelegenheid te laten ontsnappen; en dewijl de +kinderen...."</p> + +<p>"Goed, goed, Kobus, de kinderen hebben daar niet over te beslissen; maar +gij, wat hebt gij haar geantwoord?"</p> + +<p>"Ik heb haar gezegd dat zij gelijk heeft, dat ik niet beter wensch dan +de jonge lieden maar seffens te laten trouwen; maar dat ik eerst mijne +vrouw daarover moest spreken."</p> + +<p>"En gij waart opvoorhand spijtig, omdat gij voorzaagt, dat ik daarop +geen gunstig antwoord zou geven?"</p> + +<p>"Om de waarheid niet te verbergen, ja, het is zoo."</p> + +<p>"Welnu, gij hebt u niet bedrogen, man. Onze dochter is nog jong genoeg +om te wachten; wij kunnen hare tegenwoordigheid nog niet missen. Om eene +meid in onze herberg te nemen, daartoe heb ik in het geheel geenen +lust."</p> + +<p>"Christien, gij zijt niet oprecht," mompelde de baas. "Er speelt u wat +anders in het hoofd."</p> + +<p>"Het is wel mogelijk."</p> + +<p>"Zou het zonder redenen zijn, dat gij den zoon van den secretaris zoo +uiterst veel vriendschap betuigt, alsof de grond te hard was voor zijne +voeten? Sedert dat die jongen uit de stad is gekomen en hier dagelijks +een paar uren rondom onze Lisa draait, hebt gij slechte gedachten +gekregen, vrouw."</p> + +<p>"Slechte gedachten?" herhaalde zij met een zegevierenden glimlach. "Wil +ik u eens iets zeggen, dat u verrassen zal, Kobus? De secretaris heeft +mij Zondag, na de vroegmis bij den uitgang der kerk, aangesproken over +zijnen zoon Theodoor, en mij gevraagd of wij niet zouden genegen zijn, +hem met onze Lisa te laten trouwen."</p> + +<p>"Hemel, heeft hij dit waarlijk gevraagd?" riep de baas verschrikt. "Maar +gij, Christien, gij hebt hem doen gevoelen dat zulks onmogelijk is, niet +waar? Dat wij andere inzichten hebben....?"</p> + +<p>"In het geheel niet; ik heb hem gezegd dat ik wensch, dit huwelijk te +zien sluiten, maar dat mijn man zoo gemakkelijk zijne toestemming niet +zou geven."</p> + +<p>"Gij hadt groot gelijk, Christien."</p> + +<p>"Ja, maar ik heb er bijgevoegd, dat gij van zulke zaken geene kennis +hebt, dat aan de moeder alleen het recht toebehoort om over het lot +harer dochter te beschikken, en ik u wel zal overhalen om, met dank of +tegen dank, de hand onzer Lisa aan Theodoor te schenken."</p> + +<p>"Welnu, ditmaal toch hebt gij u bedrogen!" viel de baas in gramschap +uit. "Ik wil van dien Theodoor niet meer hooren. Lisa zal met Frans +Houtman trouwen of zij moet in St.-Anneschapraai, voor geheel haar +leven! En, komt de zoon van den secretaris wat veel beslag in mijn huis +maken, zoo waar ik leef, ik smijt den flierefluiter de deur uit!"</p> + +<p>"Toe, toe, maak u nutteloos geen kwaad bloed, man," schertste de bazin. +"Zie hem daar nu zitten met gesloten vuisten en een aangezicht zoo rood +als van een kalkoenschen haan! Bijt mij maar niet, dolle kerel."</p> + +<p>"Gij durft mij nog uitlachen, mij bespotten, onbeschaamde?"' gromde baas +Noppe, woedend opstaande. "O, weerhield ik mij zelven niet!.... Omdat +gij eene vrouw zijt en klein daarenboven, meent gij dat gij mij +straffeloos moogt tergen; maar, maar, Christien, om Gods wil, spaar mij, +ik zou een ongeluk kunnen doen!"</p> + +<p>"Het is uwe schuld, Kobus. Waarom zijt gij zoo opvliegend?" antwoordde +zij op zachteren toon. "Met dit haspelen en schreeuwen geraken wij tot +geen besluit. Kom, bedaar, mijn vriend; zit neder en laat ons redelijk +zijn."</p> + +<p>"Ik vraag niet beter; gij weet het wel, Christien," zeide de baas met +zichtbare tevredenheid.</p> + +<p>"Lieve man, het is moeilijk met u te kouten," begon vrouw Noppe. "Ik heb +met engelachtig geduld u aangehoord; wees gij nu even toegevend voor mij +en luister op mijne redenen. Trouwt onze Lisa met Frans Houtman, dan zal +zij eene boerin zijn en tot het einde harer dagen moeten arbeiden en +zwoegen, in nat en droog, van den morgen tot den avond, slechte kost +eten en gekleed gaan als eene arme sloof, met eenen groven rok en eene +trekmuts. Trouwt zij met Theodoor Peeters, dan wordt zij eene juffrouw, +moet niet meer werken, draagt kleederen van zijde en komt voor den +burger als eene madam uit de stad...."</p> + +<p>"Madam, madam?" viel Kobus Noppe met ongeduld in hare rede. "Onze +eenvoudige Lisa eene madam? Waar zijn toch uwe zinnen, vrouw? En +daarenboven, gij weet niet wat ge zegt. De secretaris is een onbemiddeld +man; wat hij zijnen zoon zou kunnen medegeven is bitter weinig, terwijl +de weduwe Houtman integendeel een goeden spaarpot heeft."</p> + +<p>"Hij zal zijnen zoon het ambt van secretaris afstaan."</p> + +<p>"Zegt hij dat?"</p> + +<p>"Ja."</p> + +<p>"En waarvan zal hij dan zelf leven?"</p> + +<p>"Wat raakt ons dat, Kobus? Hij is landmeter en zal zich dit ambacht met +meer vlijt aantrekken."</p> + +<p>De herbergier gevoelde met verdriet, dat men geweld zou doen om hem een +gevaarlijk of noodlottig besluit af te dwingen.</p> + +<p>"Christien, Christien," mompelde hij, "gij hebt u door de fleemerij van +den zoon Peeters laten verleiden; maar, ik smeek u, bedenk u toch eens +wel, eer gij verder gaat. Theodoor is de echte broeder niet, geloof mij. +Hij studeerde vroeger te Turnhout, op kosten van een zijner oomen. +Waarom heeft hij het collegie voor den tijd verlaten? Weet gij wat de +lieden zeggen? Hij was te lui en wilde niets leeren."</p> + +<p>"Kom, kom, flauwe praat van de Houtmans, die hem niet kunnen lijden.... +natuurlijk!"</p> + +<p>"Die zelfde oom,—een apotheker of drogist,—heeft hem naar Antwerpen +doen komen, om hem zijn ambacht te leeren; maar nog geene zes maanden of +hij moest hem wegzenden. De jongen gedroeg zich slecht en zijne +onoplettendheid deed zijnen oom vreezen, dat hij bij misgreep de klanten +zou vergiftigen...."</p> + +<p>"Laster van nijdigaards," wedervoer de vrouw. "Theodoor heeft Antwerpen +moeten verlaten, omdat hij er de lucht niet kon gewoon worden en gedurig +de koorts had.... En indien hij op het collegie geene vorderingen had +gedaan, hoe zou hij dan secretaris der gemeente kunnen worden? Hij is +integendeel zeer geleerd en verstandig, en slim genoeg om twintig +onnoozele boerenjongens als Frans Houtman in de doeken te leggen."</p> + +<p>"Maar Lisa heeft geene genegenheid voor hem," morde de baas.</p> + +<p>"Ik moet lachen om uwe eenvoudigheid, Kobus. Wat weet gij daarvan? Gij +zit immers in haar hart niet?"</p> + +<p>"Hoe, vrouw gij zoudt kunnen vooronderstellen....?"</p> + +<p>"Is zij hem niet zoo minzaam, dat iedereen het opmerkt? Daarenboven, was +het nog niet geheel zoo, wees gerust, het zal wel komen; de zaak is op +goeden weg.... en indien Frans op de eeuwige liefde van onze Lisa +rekent, dan beklaag ik den armen sukkelaar."</p> + +<p>Baas Noppe slaakte eenen zucht en wreef zich met de hand over het +voorhoofd. Wat hij hoorde, verblufte hem. Hoe? zijne dochter zou de +zuivere, de innige genegenheid van geheel haar leven ontrouw worden? Den +goeden Frans verraden, voor iemand dien zij, drie maanden te voren, nog +niet kende?"</p> + +<p>"Kobus, vriend, wil ik u eens eenen goeden raad geven om uw hoofd van al +die muizenissen te verlossen?" vroeg de vrouw met fleemende zachtheid. +"Worstel niet langer tegen een besluit, dat gij toch zult nemen. Geef +uwe toestemming, dan hebt gij u niet verder daarmede te bemoeien; ik zal +alles wel af haspelen zooals het behoort."</p> + +<p>"Mijne toestemming geven tot een huwelijk onzer dochter met den zoon van +den secretaris? Neen, vrouw, dit doe ik niet, zeg ik u, noch vandaag, +noch morgen, noch ooit! Ha, gij meent dat gij, als naar gewoonte, mij +zult kunnen dwingen? Ditmaal toch bedriegt gij u. Wij zullen eens zien, +of gij eeuwig met mij zult handelen als met een onnoozelen dommerik!"</p> + +<p>"Een dommerik? Gave God, dat gij geene andere ondeugden hadt, versteende +koppigaard!" riep de bazin met de handen in de zijde. "Hoe? gij zijt +vader; men laat uwe dochter de keus: boerin te blijven of, als eene +madam, vereerd en zonder werken te leven.... en gij, ziellooze mensch, +gij zoudt uw kind veroordeelen tot armoede en eeuwige slavernij? Gij +moet geen brokje hart in het lijf hebben.... Maar wees zeker, gij zult +toestemmen, willen of niet. Er is evenwel geene haast bij; bedenk u nog +eenige dagen—Laat ons nu liever daarover zwijgen: ik hoor onze Lisa +komen.</p> + +<p>"Arm kind, zij zingt!" zuchtte de baas. "Wist zij wat er tegen haar +geluk wordt gebrouwen!"</p> + +<p>"Nu, zwijg maar, Kobus; geen woord meer over deze zaak, daar is ze...."</p> + +<p>Eene jonge maagd van iets meer dan twintig jaar, gezond en bloemig als +eene roos, trad in huis met eene sikkel in de hand en een zwaren bundel +snijkoren op het hoofd.</p> + +<p>Onder het murmelen van eenen stillen groet ging zij in den stal, wierp +haren last af, en kwam dan in de kamer, waar zij als vermoeid zich op +eenen stoel liet vallen, terwijl zij zeide:</p> + +<p>"Prachtig lenteweder, moeder; alles groeit op het veld dat men het ziet; +de vogelen zingen in de boomen, als was er een prijs te verdienen.... +Vader, ik heb Frans ontmoet. Zijne blauwgeschelpte duiven hebben jongen; +zij zijn voor u; hij zal ze Zondag medebrengen."</p> + +<p>Baas Noppe knikte goedkeurend, doch sprak geen woord; even stom bleef +zijne vrouw, ofschoon Lisa beiden verwonderd aankeek, als vroeg zij de +reden van dit zonderling stilzwijgen.</p> + +<p>Deze houding werd voor allen lastig.</p> + +<p>"Daar hoor ik de hennen kakelen." zeide de bazin. "Zij doen mij +gedenken, dat ik mijn werk verzuim. Lisa, gij weet dat gij met eenen +korf eieren naar den winkel moet. Ik ga het nest ledigen, dan zullen er +nog een dozijn meer zijn."</p> + +<p>Met deze woorden verliet zij de Kamer.</p> + +<p>"Maar, vader," vroeg het meisje, "wat is hier gebeurd, dat gij beiden er +zoo treurig uitziet?"</p> + +<p>"Niets, niets, mijn kind," antwoordde baas Noppe, "uwe moeder is wat +vreemd gezind vandaag.... Maar, kom, het moet mij van het hart! Zeg mij +eens oprecht, Lisa, wat denkt gij over Theodoor Peeters?"</p> + +<p>"Wat zou ik over hem denken, vader? Hij is een goede, vroolijke jongen +en heeft veel verstand."</p> + +<p>Deze woorden schenen baas Kobus te bedroeven.</p> + +<p>"Ja, ik heb sedert eenigen tijd opgemerkt, dat gij hem zeer vriendelijk +zijt," morde hij, het hoofd schuddende. "Ach, wie kan op het +veranderlijk gemoed eener vrouw betrouwen!"</p> + +<p>"Maar wat wilt gij toch zeggen, vader? Ik ben Theodoor Peeters beleefd +en vriendelijk evenals ik het jegens al onze klanten ben; maar het is +mijne schuld niet, dat de andere jongens zoo weinig weten te vertellen, +terwijl Theodoor altijd iets geestigs in den mond heeft."</p> + +<p>"Gevoelt gij inderdaad genegenheid voor hem?"</p> + +<p>"Ik kan hem goed lijden, vader."</p> + +<p>"Eilaas, uwe moeder had dus gelijk!.... Ik moet daar klaar inzien; de +twijfel pijnigt mij.... Lisa, indien men u voorstelde met Theodoor te +trouwen, wat zoudt gij doen?"</p> + +<p>"Met Theodoor trouwen, ik?" mompelde de maagd half glimlachend en half +verschrikt. "Wat zijn dit nu voor gedachten, vader? Ben ik niet, sedert +jaren, beloofd aan Frans? Ik de bruid van Theodoor? Neen, neen, trouw ik +ooit, dan zal het met Frans Houtman zijn en niemand anders...."</p> + +<p>Baas Noppe sprong met een blijden kreet van zijnen stoel op, vatte de +beide handen zijner dochter en zeide:</p> + +<p>"Wel gesproken, mijn kind; gij zijt braaf en hebt een eerlijk hart. +Luister, voor deze zaak ten minste, niet naar uwe moeder. Wij zullen +samensspannen en elkander helpen, om haar te wederstaan,"</p> + +<p>"Hemel, heeft moeder zich in het hoofd gestoken, mij met...."</p> + +<p>Maar daar hoorden zij op den voorhof een vreemd geschreeuw, als van +iemand die om hulp roept. Zij hadden reeds een paar stappen gedaan, om +te gaan zien wat er gebeurde, toen de achterdeur werd geopend en bazin +Noppe binnentrad, zoo bleek en met zulke verwilderde oogen, dat hare +verschijning den baas en zijne dochter met eenen angstkreet dood +terugdeinzen.</p> + +<p>"Wat is er voorgevallen, vrouw? Eene koe dood?" vroeg Kobus Noppe.</p> + +<p>"Mirakel, een mirakel!" stamelde de vrouw, zonder iets meer te kunnen +zeggen.</p> + +<p>"Een mirakel? Wat beteekent dit? Spreek, ik smeek u!" riep haar man.</p> + +<p>"Ach, ik ben meer dood dan levend!" zuchtte de bazin, terwijl zij een ei +toonde, dat zij in de hand hield. "Menschen lief, wat zal ons nog +overkomen! Ik ga in het wagenkot, om het hennennest te ledigen; ik haal +er vijf eieren uit en leg ze in mijnen korf; ik grijp er een zesde, en +voel daar iets vreemds aan, dat mij verwondert; ik loop onder de lucht +om te zien wat het is. Wie zou niet beven? Het was een ei met letteren +er op!"</p> + +<p>"O, Christien, onvoorzichtige vrouw, waarom ons zoo ijselijk doen +verschieten?" gromde de baas. "Begrijpt gij het niet? Een onzer klanten, +die zich ten onzen koste wil vermaken, heeft de letteren op het ei +geschreven."</p> + +<p>"Kom, moeder, is het anders niet dat u zoo verschrikt?" lachte het +meisje.</p> + +<p>"Maar zwijgt toch en laat mij spreken. De letters op het ei zijn niet +door eene menschenhand geschreven. Zij zijn in de schaal gegroeid en van +dezelfde stof. Wel zeker heeft een hen het ei gelegd zooals het is."</p> + +<p>"En wat staat er op, Christien? Eene klucht zeker?"</p> + +<p>"Ja, kon ik maar lezen. Daar, Kobus, zie gij zelf."</p> + +<p>Zij reikte haren man het ei, en deze, na het met eene klimmende +verwondering te hebben rondgedraaid en bekeken, hield het stil onder +zijne oogen, als poogde hij den zin der letteren te ontcijferen.</p> + +<p>Eensklaps werd hij bleeker dan een lijk, slaakte eenen wanhoopskreet en +viel sidderend op eenen stoel, terwijl zijn strakke blik op het wonderei +bleef gevestigd.</p> + +<p>"Eilaas, eilaas, die arme Frans!" zuchtte hij. "Hoe ongelukkig voor hem! +Maar wat kan de mensch tegen den wil van God?"</p> + +<p>Bazin Noppe stond bevend voor haren man en staarde hem met wijd geopende +oogen aan; zij scheen den moed niet meer te hebben om hem eene +uitlegging te vragen, welke zij zich voorstelde als moetende +verschrikkelijk zijn.</p> + +<p>"Maar, vader," stamelde Lisa, even ontsteld, "wat staat er op dit ei? +Frans ongelukkig? Laat mij het zien, dat ik het leze."</p> + +<p>Zonder spreken legde baas Noppe het ei haar in de hand. Even had zij het +oog er op gericht, of een gil van smart en schrik ontsnapte haar, en zij +week waggelende terug naar haren stoel, als ging zij bezwijmen. Zij +bezigde de laatste kracht, die haar overbleef, om haastig het ei op de +tafel te leggen; anders ware het zeker op den grond aan stukken +gevallen.</p> + +<p>De bazin sprong toe met groot misbaar en nam hare dochter in de armen. +Eene korte wijl vergoot het meisje overvloedige tranen tegen hare borst +en snikte hevig. Dan werden hare klachten duidelijk.</p> + +<p>"O, die arme Frans!" zuchtte zij, "hij zal er van sterven! En ik, die +hem zoo beminde, ik moet hem nu aan zijn bitter lot overlaten, zonder +troost en zonder hoop, eilaas, eilaas!"</p> + +<p>"Kind, kind, er is niets aan te doen," zeide baas Noppe, nu een weinig +tot zich zelven gekomen. "Wat helpt ons weenen of klagen? Wij moeten +deemoedig bukken onder Gods bevel."</p> + +<p>"Maar zeg mij toch, wat staat er dan zoo schrikwekkend op het ei?" vroeg +de bazin.</p> + +<p>"Geef het mij, ik zal het u zeggen, Christien."</p> + +<p>En toen zij hem het ei ter hand had gesteld, las hij met diepe stem en +woord na woord:</p> + +<p>"Lisa.... moet trouwen.... met Theodoor: het is Gods wil."</p> + +<p>Nieuw misbaar en nieuwe klachten ontsnapten het meisje, terwijl +integendeel op het gelaat der vrouw een glimlach van blijde verwondering +straalde.</p> + +<p>Het ei werd nog eens door allen met angstige aandacht, en daarenboven +door Lisa met eenig mistrouwen, bekeken en onderzocht. De letteren waren +er inderdaad niet opgeschreven. Zij bestonden uit dezelfde kalkstof en +waren even wit als de geheele schaal; men zou ze nauwelijks bemerkt +hebben, indien ze niet een weinig boven den grond der schaal waren +verheven geweest.</p> + +<p>Allen bekwamen de volledige overtuiging, dat het ei wel werkelijk, +zooals het was, door eene hen in het nest was gelegd geworden, en +niemand twijfelde, of God zelf—om redenen, welke zij niet durfden +doorgronden—openbaarde hun op zulke geheimzinnige wijze zijnen wil ten +gunste van Theodoor Peeters.</p> + +<p>Bazin Noppe was daarover niet bedroefd; integendeel, zij juichte +innerlijk en zegevierde over haren man, die nu zelf getuigde dat het +zondig, ja, misdadig zou zijn, zich niet met deemoed en zonder morren +aan Gods beslissing te onderwerpen.</p> + +<p>Dit was eveneens de overtuiging van Lisa; alhoewel zij diep bedrukt +was, kon onmogelijk in haren geest de gedachte opkomen, aan het +uitdrukkelijk bevel des hemels weerstand te bieden; en zoo was dan de +arme Frans Houtman wel beslissend veroordeeld zonder dat de baas noch +zijne dochter zich vermetel genoeg gevoelden, om hem nog langer te +beklagen.</p> + +<p>Er hield op dit oogenblik een voerman voor de deur stil, en hem werd +natuurlijk het wonderei getoond. Deze, even verschrikt, maakte een kruis +en opperde insgelijks de meening, dat zij niets anders konden doen dan +zonder uitstel den wil des Heeren, hun door dit ei zoo duidelijk +veropenbaard, te vervullen.</p> + +<p>Even was de voerman echter van zijne verbaasdheid wat bekomen, of hij +dronk zijn glas bier uit, verliet de herberg en dreef zijne paarden met +haast naar Lichtaert, wel besloten dit ontzettend nieuws in het geheele +dorp te gaan rondbrieven.</p> + +<p>Het spreekt van zelven, dat talrijke lieden naar het Bonte Kalf kwamen +geloopen, om het wonderei te zien.</p> + +<p>Des namiddags en tot laat in den avond, krielde de herberg van +dorpelingen en boeren, die, met verschriktheid op het gelaat en met +zichtbaren eerbied, het ei in de hand namen, en over het onbegrijpelijk +voorval redekavelden.</p> + +<p>Intusschen wekten de angstige overwegingen hunnen dorst op, en kon de +baas geen oogenblik uit den kelder komen, aangezien hij werk genoeg had +om zonder ophouden bier te tappen.</p> + +<p>Vrouw Noppe stond alleen de gasten ter spraak, en zij had reeds meer dan +honderdmaal verteld, hoe zij naar het wagenkot was gegaan om het +hennennest te ledigen, hoe zij het ei had gevonden en wat +onbeschrijfelijke schrik hen allen had aangegrepen, toen haar man de +openbaring van Gods wil er op had gelezen.</p> + +<p>Lisa zeide niet veel. Hoe gaarne hadde zij geweend! maar, hoe diep +treurig ook, gevoelde zij wel, dat het haar een onverbiddelijke plicht +was, zich zonder morren aan de uitspraak des hemels te onderwerpen.</p> + +<p>Niemand der talrijke bezoekers kwam op de gedachte, de echtheid der +openbaring in twijfel te trekken. Wel hadden eenige stoutmoedige +jongelieden reeds van op de straat met de zaak gespot en waren lachend +in de herberg getreden, maar toen zij het ei onder de oogen hadden en +moesten bekennen, dat geene menschenhand die letters kon gevormd hebben, +bleven zij allen stom van verrassing en eerbied.</p> + +<p>Frans Houtman kwam in den vooravond: hij had het nieuws niet eerder +vernomen. De arme jongen was zeer eenvoudig en godvreezend; ook toen hij +het ei had gezien en zelf zijn vonnis er op had gelezen, waren de tranen +hem uit de oogen gesprongen en hij was met gebroken hart heengegaan, +evenals Lisa ten volle overtuigd, dat hun niets overbleef dan zich aan +hun bitter noodlot te onderwerpen.</p> + +<p>Slechts de nacht bracht een einde aan den toeloop der lieden.</p> + +<p>De bazin telde met dubbele vreugd de geldstukken, welke in de tooglade +opgestapeld lagen.... Zij hadden dien dag meer dan anders op zes weken +ontvangen, en zij mochten denken dat het morgen en overmorgen op +dezelfde wijs zou toegaan.</p> + +<p>"O, dit gezegend ei!" riep moeder Noppe. "Laat ons het met dankbaarheid +en zorg bewaren; want, viel het op den grond en brak het aan stukken, +alle hoop op verdere winst ware verloren."</p> + +<p>Zij nam het ei uit het koffiekopje waarin het lag, en bracht het met +eerbied aan hare lippen. Hierbij bemerkte zij, dat de boeren, met het +honderden malen in de hand te nemen, het vuil hadden gemaakt; ten minste +de letters schenen als zoovele zwarte strepen op de grijsachtige schaal +uit te lossen. Zij waschte het met zeep en jenever, droogde het af met +een zuiveren doek en legde het terug in het kopje, op wat katoen, om het +zachtjes te laten rusten.</p> + +<p>De persoon, die het meeste belang in deze zaak had, was dien dag in het +Bonte Kalf niet verschenen; maar het verwonderde niemand, daar men wist +dat Theodoor Peeters, op last zijns vaders, naar Antwerpen bij zijnen +oom was gegaan.</p> + +<p>Des anderen daags, terwijl het Bonte Kalf alweder vol bezoekers was, +kwam Theodoor in de herberg, vragende spottend en met ongeloovig gelaat, +of het geene lachmerkt was, wat men hem had verteld.</p> + +<p>Maar nadat hij insgelijks het wonderei had beschouwd en met aandacht +onderzocht, werd hij niet min dan al de anderen met verbaasdheid +getroffen, en bleef eene lange wijl in stomme overweging verslonden.</p> + +<p>Alhoewel dit onuitlegbaar voorval de zoetste wenschen zijns harten +vervulde, scheen hij verschrikt en mompelde woorden, die getuigden dat +het hem moeilijk was, zijne eigene oogen te gelooven. Te betwisten dat +het ei wel wezenlijk eene openbaring van Gods wil was, dit durfde hij +zoo min als de anderen.</p> + +<p>Jegens Lisa gedroeg hij zich ditmaal op de meest bescheidene wijze. Hij +zag hoe de tranen haar in de oogen glinsterden, en begreep +waarschijnlijk al de diepte van haar zielsverdriet. Hoe het zij, als +hield een gevoel van edelmoedigheid hem terug, hij toonde geene groote +blijdschap, eerbiedigde de treurigheid van het meisje en verliet de +herberg na een half uur, voorgevende dat zijn vader hem op het +gemeentehuis verwachtte, om daar een haastig schrijfwerk af te doen.</p> + +<p>De toeloop der lieden duurde eenige dagen voort, maar dan begon het +getal der nieuwsgierigen te verminderen, op zulke wijze dat men, na een +paar weken, het ei schier had vergeten, en het Bonte Kalf slechts nog +door zijne gewone klanten werd bezocht.</p> + +<p>Onderwijl hield moeder Noppe zich vlijtig bezig met het huwelijk harer +dochter te bespoedigen, en reeds had men de bruidskleederen van Lisa +besteld.</p> + +<p>Het meisje was altijd even treurig; ook baas Kobus verkeerde voortdurend +in slechte luim; maar geen van beiden durfde echter denken, dat er nog +de minste hoop bestond om de voltrekking van het gevreesde huwelijk te +ontsnappen.</p> + + +<h3><a name="HET_WONDEREIII" id="HET_WONDEREIII"></a>II.</h3> + +<p>Men had dien morgen te Lichtaert de trommels hooren slaan, en de boeren +van het gehucht de Molenstraat verwachtten met zekere blijdschap de +mannen, welke zij ongetwijfeld zouden te logeeren krijgen.</p> + +<p>De vrijwilligers van generaal Niellon, die alsdan de Kempische dorpen +doorkruisten, waren geene eigenlijke soldaten, zooals men dit in gewone +tijden verstaat. Allen hadden, bij het losbreken der omwenteling, hunnen +stand of hunne bezigheid verlaten, om de wapens op te vatten tot +vrijmaking van het vaderland. Onder hen telde men zonen van goeden +huize, studenten, werklieden, boeren, en ook wel ongetwijfeld eenige +slechte kerels, uitschot der steden; maar het grootste getal behoorde +evenwel tot de middelbare burgerij, en hunne handelwijze, taal en zeden +verschilden niet merkelijk van die der vreedzame bewoners van het +Kempenland.</p> + +<p>Deze goede lieden aanschouwden diensvolgens de vrijwilligers als zijnde, +in de meeste gevallen, van hoogeren maatschappelijken stand dan zij +zelven. Overweegt men nu daarbij, dat de geestelijkheid op de dorpen +algemeen de omwenteling aankleefde en de Vrijwilligers loofde, als de +verdedigers van Vaderland en Geloof, dan zal men licht begrijpen, waarom +de bewoners der Kempen zich bereid toonden, de patriotten of liever de +Belgen, zoo zij hen noemden, niet alleen met vriendschap maar tevens met +zekeren eerbied te onthalen.</p> + +<p>Weinig tijds nadat de trom in Lichtaert had opgehouden te slaan, +verlieten twee dezer Vrijwilligers het dorp en gingen den aardeweg naar +Thielen op. Zeer zonderling waren zij toegetakeld, want alhoewel met +geweer op den schouder, sabel aan de zijde en ransel op den rug, hadden +zij geene eigenlijke soldaten-kleeding aan. Op hun hoofd droegen zij +eene haren muts van bruin geverfd konijnenvel en gesierd met eene groote +driekleurige kokarde; om het lijf eenen blauwen kiel en eenen zwart +lederen gordel. De oudste had hooge laarzen en eene broek van geribd +fluweel; de jongere droeg fijne schoenen en eene broek van lichte +zomerstof.</p> + +<p>Dat deze mannen iets meer waren dan enkele soldaten, kon men wel merken +aan de gouden strepen, die op hunnen blauwen kiel glinsterden: de eene +had er twee aan de benedeneinden zijner mouwen; de andere slechts eene +boven elken elleboog. Wie met de zaak bekend was, kon bij den eersten +blik onderscheiden, dat de voorbijgangers onder-officiers waren, +namelijk een sergeant-majoor en een fourier.</p> + +<p>De bovenlip van den fourier was nauwelijks met een zacht dons +beschaduwd; levensvreugde straalde hem uit de oogen en dikwijls poogde +hij de aandacht van zijnen kameraad,—die zwarte knevels droeg en vijf +of zes jaar ouder was dan hij,—op de schoonheid van het landschap te +vestigen. Hij roemde daarbij het zoete lenteweder, de frissche lucht der +Kempen en de balsemgeuren, die van uit de verre mastbosschen hen +tegenwalmden.</p> + +<p>Maar de sergeant-majoor had voor zulke dingen geene ooren. Van tijd tot +tijd morde hij met eenen spotlach:</p> + +<p>"Altemaal kinderpraat! Vul daar eens uwen buik mede. Ik heb verduiveld +grooten honger. De secretaris heeft gezegd, dat wij bij brave lieden +gelogeerd zijn, en die de middelen hebben om goed op te scheppen. Wij +zullen het zien. Is de kost zooals het behoort, dan zijn wij vrienden: +anders sla ik ginder den geheelen boel het onderste boven!"</p> + +<p>"Gij zegt het om te lachen, majoor," wedersprak zijn jonge gezel. "Wie +zou hier de lieden kunnen mishandelen? Zij zijn zacht en goed als hun +kramikkenbrood."</p> + +<p>"Een dikke eierkoek met spek is toch beter.... en dit zullen ze ons +geven, onmiddellijk na onze aankomst, zoo waar ik leef, of hun rug zal +kennis maken met mijnen sabel!"</p> + +<p>"Bah, gij zijt niet bekwaam om eenen hond kwaad te doen."</p> + +<p>"Maar hoe kunt gij het weten? Slechts sedert drie weken kwam ik over in +uwe compagnie?"</p> + +<p>"Gij wilt schijnen wat gij niet zijt, majoor. Gij stelt u soms aan als +gansch gevoelloos; gij spot gedurig en poogt mij te doen gelooven, dat +gij onverschillig blijft voor alles wat niet stoffelijk is. Welnu, mij +kunt gij niet bedriegen; uw hart is edelmoedig en grondig goed, en +tenzij een verborgen verdriet...."</p> + +<p>"Een verborgen verdriet!" herhaalde de sergeant-majoor, zijnen gezel +strak in de oogen ziende; maar evenras begon hij te lachen.</p> + +<p>"Kom, kom, fourier," gromde hij, "geene dwaasheden: ik ben razend van +honger en heb lust om te bijten."</p> + +<p>"Nog eenige minuten; het is wel de moeite waard.... Zie, daar is eene +herberg; de baas staat voor zijne deur; wij zullen hem vragen waar wij +moeten zijn."</p> + +<p>Zij hielden stil voor het Bonte Kalf en toonden baas Noppe hun +logementbiljet.</p> + +<p>"De weduwe Houtman, vrienden?" zeide hij. "Gaat maar recht door, tot bij +het huisje dat gij ginder ziet; slaat dan den aardeweg ter linkerzijde +in, omtrent drie boogschoten verre. Daar is het, daar woont de weduwe +Houtman.... Ik zou u wel verzoeken, haar van mijnentwege eenen goeden +dag te wenschen, maar ik heb ongelukkiglijk redenen om het niet te +doen."</p> + +<p>"Men heeft ons nogtans gezegd, dat het brave lieden zijn," bemerkte de +fourier.</p> + +<p>"Brave lieden? Op de geheele wereld kan men er geene betere vinden."</p> + +<p>De onder-officiers bedankten hem, hernamen met spoed hunnen weg en +kwamen inderdaad, kort daarna, voor de aangewezen hofstede, in welker +deur eene tamelijk bejaarde vrouw stond, die met eenen stillen, minzamen +glimlach hunne komst scheen af te wachten.</p> + +<p>"Is het hier bij de weduwe Houtman?" vroeg de sergeant-majoor.</p> + +<p>"Ja, ja, vrienden, komt maar binnen. Het is nogal heet, niet waar? Gij +ziet er vermoeid uit; wil ik u helpen uwen ransel afleggen?"</p> + +<p>"Trees, Trees," riep zij naar achter, "laat uw werk maar staan. Hier +zijn onze Belgen!"</p> + +<p>Een meisje kwam met lachend gelaat toegeloopen en begon, evenals hare +moeder, de krijgslieden te helpen, om zich van ransel en draagbanden te +ontlasten.</p> + +<p>De fourier was bovenal over de zoete vriendelijkheid der jonge boerin +getroffen, en het deed hem waarlijk leed, dat zij zoo deerlijk van de +kinderpokjes was geschonden. Zulk goed hart onder zulk leelijk +aangezicht, het was groote spijt, inderdaad!</p> + +<p>"Sa, bazin," gromde de sergeant-majoor, "ik bedank u wel voor uwe +dienstwilligheid; maar ik scheur van honger. Ik zou willen eten.... +seffens en iets anders dan brood!"</p> + +<p>"Ik denk er reeds aan," antwoordde de weduwe. "Gij zijt zeker met het +krieken van den dag op weg gegaan, en het is nog zoo verre van den +middag, niet waar? Een beetje geduld, ik zal de pan op het vuur zetten. +Doorgeregen spek en eieren, is dit goed?"</p> + +<p>"Goed?" riep de sergeant-majoor, "wel, gij braaf mensch! Waren wij uwe +zonen, gij zoudt ons niet vriendelijker kunnen onthalen. Mag ik u eens +omhelzen? Ik zal denken, dat ik mijne moeder in de armen heb."</p> + +<p>"Doe maar," lachte de oude vrouw.</p> + +<p>En waarlijk, de sergeant-majoor omhelsde haar,—niet om te lachen: +ernstig en met ware ontroering.</p> + +<p>Weinige oogenblikken daarna vlamde het vuur van rijshout onder de pan, +en werd de kamer vervuld met eenen geur, die den sergeant-majoor de +lippen deed roeren als zate hij reeds aan den smakelijken disch.</p> + +<p>Intusschen had het meisje de ransels en patroontasschen opgenomen, en de +soldaten verzocht, haar te volgen naar de kamer die hun was bestemd.</p> + +<p>Het was onder het dak; want, zooals gewoonlijk bij de boeren het geval +is, het huis had geen verdiep; maar het vertrek was tamelijk ruim en +alles er zoo rein en zoo net geschikt zelfs de gordijntjes aan het +zoldervenster, dat de krijgslieden moesten bekennen, voortreffelijk te +zijn geherbergd.</p> + +<p>Op den roep der moeder gingen ze beneden, en namen onmiddellijk plaats +aan de tafel, waarop, nevens den lekkeren eierkoek, twee pinten bier en +een bruingebakken kramik,—dit is te zeggen wit brood van fijne +roggebloem,—hen aanlachten.</p> + +<p>Onder het murmelen van dankbetuigingen aten de vergenoegde gasten totdat +hun honger was gestild. Het duurde waarlijk niet lang.</p> + +<p>Dan vroeg de sergeant-majoor:</p> + +<p>"Maar, moederken, gij zijt weduwe, volgens wij op ons biljet hebben +gezien. Woont gij hier alleen met uwe goede dochter?"</p> + +<p>"Ik heb nog eenen zoon," antwoordde zij, "maar hij is naar Herenthals, +met een kalf dat wij verkocht hebben. Voor den middag zal hij terug +zijn."</p> + +<p>Nog eene wijl koutten de soldaten zeer minzaam met deze gastvrije +lieden, en de sergeant-majoor, die eerst zoo tot barschheid scheen +gestemd, was nu de minst vriendelijke niet. Hij betuigde welhaast, dat +het hem leed zou doen, de weduwe en hare dochter van hun werk af te +houden. Buiten de zorg voor hun eten, moesten zij maar handelen alsof +zij in het geheel niemand gelogeerd hadden. Hij herinnerde daarenboven +zijnen kameraad, dat zij te elf uren in het dorp moesten zijn, om zich +te verzekeren dat al de mannen behoorlijk geherbergd waren, en er de +bevelen des kapiteins te ontvangen; zij zouden dus nu maar heengaan en +tegen den middag wederkeeren. Lichtaert was niet verre en zij hadden +tijds genoeg.</p> + +<p>De weduwe vergezelde hen tot op een vijftigtal stappen en toonde hun een +voetpad, dat door de velden liep en hunnen weg nog eenige minuten zou +verkorten.</p> + +<p>"Nu, God geleide u, kameraden," zeide de oude vrouw. "Tot middag!"</p> + +<p>"Ja, tot middag, moederken. Wij zullen u niet laten wachten," riepen de +onder-officiers....</p> + +<p>Toen zij op het gezegde uur van het dorp terugkeerden, vonden zij Frans, +den zoon der weduwe, te huis. Hij kwam hen tegemoet, drukte hun de hand +en wenschte hun hartelijk welkom; doch het verraste de krijgslieden +alras, hem zoo tot zwijgen genegen te vinden. Op al wat zij hem zeiden +of vroegen, antwoordde hij wel minzaam, doch zeer kort en niet zelden +dwaalde hij zoodanig weg met zijne gepeinzen, dat hij in droomen scheen +verslonden. Hij was welgebouwd en sterk van leden nogtans, en, ware het +niet geweest dat zijn aangezicht eenigszins bleek was, men had hem +kunnen aanzien als een toonbeeld van lichaamskracht en gezondheid.</p> + +<p>Het middagmaal was haast ten einde. Dan wenschte Frans hun eenen stillen +goeden dag, tot den avond; want nu moest hij naar den veldarbeid met het +paard.</p> + +<p>Zoo gingen er eenige dagen voorbij.</p> + +<p>De sergeant-majoor sleet zijnen meesten tijd in het dorp, hetzij voor +zijnen dienst, hetzij in de herbergen, te midden zijner vrienden, +terwijl integendeel de jonge fourier al zijne beschikbare oogenblikken +op de hofstede en in de omstreken doorbracht, wandelende door de velden, +op de heide of in de mastbosschen. Hij kon tevens gemakkelijker en +vrijer met de lieden kouten, aangezien hij, een Antwerpenaar zijnde, +denzelfden tongval had als zij. De sergeant-majoor was integendeel een +West-Vlaming, en alhoewel zijne taal meer naar zuiver Hollandsch dan +naar een Vlaamsch dialekt zweefde, kon men hem, wanneer hij wat vlug +sprak, niet altijd wel verstaan.</p> + +<p>Daaruit volgde natuurlijk dat de fourier, meer dan zijn kameraad, +gemeenzaam met de weduwe en hare kinderen werd.</p> + +<p>Hij meende te moeten denken, dat eene geheime treurnis deze lieden op +het hart woog; en ongetwijfeld was Frans het voorwerp of de oorzaak van +dit verdriet; want de fourier had meer dan eens opgemerkt, hoe de moeder +en de zuster den droomachtigen jongeling medelijdend bezagen, wanneer +hij stilzwijgend onder den schoorsteen was gezeten of met hangend hoofd +het huis verliet, om naar zijn werk te gaan.</p> + +<p>De sergeant-majoor scheen intusschen zoodanig door het dorp +aangetrokken, dat hij somwijlen vergat naar zijn logement te komen om +het middagmaal te nemen. Een ander onder-officier had den fourier gezegd, +dat de schoone oogen eener herbergdochter, bij de Markt, daarvan de +oorzaak waren.</p> + +<p>Met zijnen kameraad van eenen morgendienst naar huis komende, nam de +fourier de gelegenheid waar, om hem daarover te ondervragen en nu ook +eens op zijne beurt met deze vooronderstelde zwakheid te spotten.</p> + +<p>Eerst antwoordde de sergeant-majoor met zijne gewone onverschilligheid; +doch bij de lange scherts van zijnen gezel, werd hij allengs ongeduldig, +en zeide met zekeren ernst in de stem:</p> + +<p>"Fourier, uw lachen pijnigt mij. Dit verwondert u? Mijne gevoelloosheid +is geveinsd, meent gij? Welnu, gij bedriegt u niet: ik drang eene +smartelijke herinnering in het hart, eene wonde, die licht aan het +bloeden gaat. Eens in mijn leven heb ik eene vrouw bemind, ik bemin ze +nog; zonder de minste hoop evenwel. Wat mij aandrijft om de eenzaamheid +te ontvluchten en luidruchtig gezelschap te zoeken, om te spotten, en, +was het mogelijk, mij geheel gevoelloos te maken, is de wensch om haar +te kunnen vergeten.... Nutteloos! Zelfs terwijl ik nu spreek, staat ze +voor mijne oogen. Geloof dus de malle praat van sergeant Boutin niet: +mijn hart is voor alle andere neiging gesloten. Wilt gij mij toonen, dat +gij een goede jongen en verkleefd kameraad zijt, zooals ik het denk, +wees vroolijk, scherts en spot ... maar met dit eene ding, met de +verborgene treurnis, die in mijn hart knaagt, daarmede niet.... Er zal +waarschijnlijk een dag komen, dat ik u zal zeggen, wie ik ben en wat mij +vroeger is geschied. Tot dan, ik bid u, geen woord daarover."</p> + +<p>De fourier gevoelde wel, dat het ernstig gemeend was. Om den wensch van +zijnen kameraad te eerbiedigen, begon hij van Frans Houtman en dezes +zichtbare treurigheid te kouten, en sprak sedert dan geen woord meer, +dat de sergeant-majoor aan de wonde zijns harten kon doen denken.</p> + +<p>Eens op eenen namiddag, toen de fourier achter de hofstede door de +eenzame velden wandelde, zag hij niet zonder verrassing Frans Houtman, +den zoon der weduwe, met de hand voor het aangezicht nevens den weg op +eenen gevelden boom zitten.</p> + +<p>Hij wekte den jongen boer uit zijne mijmering op, door hem eenen goeden +dag te wenschen. Frans hief het hoofd op; tranen blonken in zijne oogen +en het was op den toon der diepste bedruktheid, dat hij eenen stillen +groet murmelde, waarna hij als beschaamd den blik ten gronde sloeg.</p> + +<p>"Gij hebt verdriet, nietwaar, Frans?" zeide de fourier. "Ik heb het +opgemerkt van den eersten dag onzer komst in uw huis. Wat is het, dat u +zoo moedeloos maakt?"</p> + +<p>Hij bekwam geen antwoord.</p> + +<p>"Nu, vertel het mij. Gij zult het misschien niet gelooven, maar ik denk +den ganschen dag aan u. Uwe zichtbare treurigheid boezemt mij medelijden +in; ik zou u willen troosten."</p> + +<p>"Mij troosten?" zuchtte de jongeling. "Ach, het is onmogelijk; ik ben +veroordeeld tot eeuwige wanhoop!"</p> + +<p>De fourier zette zich nevens hem op den boom.</p> + +<p>"Frans," zeide hij, "ik vermoed wel, wat u zoo bitter doet lijden. Uwe +moeder en uwe zuster zijn gezond, de zaken op uwe hofstede gaan niet +slecht. Hebt gij ergens eene pijnlijke wonde, zij kan slechts aan het +hart zijn. Bedrieg ik mij?"</p> + +<p>"Eilaas, mocht ik sterven!" klaagde Frans.</p> + +<p>"Maar gij hebt ongelijk, kameraad. Wij zijn insgelijks jong en weten ook +al iets van zulke dingen. Het gemoed der meisjes is veranderlijk als het +weder. Heeft uwe vriendin gisteren u koel bejegend, morgen zal zij u +lachend tegemoet komen. Dat gaat zoo op en af, als het water in de +Schelde.... en in afwachting martelen wij ons nutteloos. Een jongen als +gij, fiksch van gelaat, sterk en geheel anders dan arm, welk meisje +dezer streek zou niet met blijdschap en trotschheid zijne hand +aanvaarden? Kom, kom, wees maar moedig; de wolk zal afdrijven, en dan +wordt de hemel weer helder voor u."</p> + +<p>"Nooit, nooit meer," mompelde de jongen.</p> + +<p>"Heeft zij u dan beslissend verstooten?"</p> + +<p>"Neen, zij bemint mij uit al de krachten harer ziel."</p> + +<p>"Ho, ho, Frans, gij hebt misschien uwen blik te hoog gericht .... en de +ouders weigeren?"</p> + +<p>"Neen, de ouders niet."</p> + +<p>"Maar wat is er dan van die onverstaanbare zaak? Nu, zeg het mij. Wees +zeker, al kon ik waarlijk niets om u te troosten, ons verdriet eenen +vriend mede te deelen verlicht altijd onze smart."</p> + +<p>"Het kan zijn in andere gevallen. Voor mij is alles, alles nutteloos.... +Evenwel om u te voldoen, die mij onverdiend zooveel genegenheid betuigt, +wil ik u wel uitleggen wat wij voor eeuwig hopeloos moet maken.... Zijt +gij nog niet in het Bonte Kalf geweest?"</p> + +<p>"Neen, slechts eens heb ik met den waard, geloof ik, voor zijne deur +gesproken."</p> + +<p>"Welnu, baas Noppe heeft eene dochter, die Lisa heet, een vroolijk, +goedhartig en eerbaar meisje. Van kindsbeen af waren wij onafscheidbare +vrienden en door onze ouders bestemd om eens man en vrouw te worden. +Later beminden wij elkander altijd meer en meer. Nu was eindelijk de +tijd gekomen, dat het huwelijk ons zou vereenigen. Wij wisten reeds welk +hofstedeken wij zouden pachten; mijne moeder hield zich in het geheim +bezig met het een en ander voor ons huishouden te koopen, en zag op +voorhand uit naar eenen goeden knecht, die mij bij haar voor den +veldarbeid zou vervangen. Alles ging naar wensch: Lisa gevoelde zich zoo +gelukkig; het was als lachte de hemel ons toe.... Daar komt eensklaps +een jongen uit de stad,—Theodoor, de zoon van onzen +gemeente-secretaris, die allengs de gewoonte aanneemt, bijna dagelijks +in het Bonte Kalf te gaan.... en welhaast begint moeder Noppe te zeggen, +dat hare dochter nog te jong is om te trouwen en wij het huwelijk moeten +uitstellen."</p> + +<p>"Ai, ai, ik begrijp: er komen maaien in uwe kaas!" mompelde de fourier. +"Lisa heeft hare zinnen op Theodoor...."</p> + +<p>"Neen, neen, verdenk haar niet!" smeekte de jonge boer met opgeheven +handen. "Wel hebben anderen dit insgelijks gedacht; maar ik weet, dat +haar zuiver en eenvoudig hart mij trouw is gebleven. Zij is even +ongelukkig als ik."</p> + +<p>"Ha, ik heb het op: de moeder wil Lisa met den zoon van den secretaris +doen trouwen?"</p> + +<p>"Eilaas, neen, de moeder niet."</p> + +<p>"Maar wie dan?"</p> + +<p>"Hij, voor wien de geheele wereld nederknielt: God zelf."</p> + +<p>"Het wat zegt ge daar?" riep de fourier verbaasd. "Ik versta u niet. God +wil Lisa met Theodoor doen trouwen? Frans, Frans, ik zou gaan twijfelen +aan de vastheid van uw verstand. Gij zijt toch niet kinderachtig genoeg +om zulks te gelooven. Ik verdenk hier moeder Noppe; gij hebt u in de +kleeren laten steken, jongen."</p> + +<p>"Mocht gij de waarheid zeggen! maar, neen, een uitdrukkelijk vonnis van +hierboven beeft mij onherroepelijk tot smart en wanhoop veroordeeld.... +en Lisa, de arme Lisa, moet zoowel als ik, zoowel als onze ouders, het +hoofd bukken onder den wil van God."</p> + +<p>"Maar mijne hersens worden er duizelig van; gij maakt mij dwaas," morde +de fourier. "Wie heeft u gezegd, dat men in den hemel zoo geheel +bijzonderlijk zich met uw huwelijk bezighoudt? Theodoor of moeder Noppe? +Jongen, jongen, wat gij u toch laat wijsmaken!"</p> + +<p>"Ja, ik weet het wel," antwoordde Frans met gelatenheid, "dat de +soldaten, evenals de lieden uit de stad, weinig geloof hebben; maar +oordeel niet voorbarig. Zoohaast ik u zal gezegd hebben, hoe God ons +zijnen wil openbaarde, zult gij niet meer twijfelen. Luister slechts."</p> + +<p>En de jonge boer vertelde hem met alle bijzonderheden, hoe moeder Noppe +het wonderei in het hennennest had gevonden en welke woorden er op +stonden te lezen.</p> + +<p>Een lange schaterlach hergalmde over het veld, terwijl Frans, door zulke +verregaande ongeloovigheid gekwetst en verschrikt, van den fourier +terugdeinsde en hem met afkeurenden blik in de oogen zag.</p> + +<p>"Wel, wel, eenvoudige sukkelaar," riep deze, "ziet gij niet, dat men u +heeft gefopt? Een kluchtspeler,—Theodoor waarschijnlijk,—heeft die +vreeselijke woorden op het ei geschreven."</p> + +<p>"Zwijg, zwijg," stamelde Frans, "gij dwaalt: de woorden waren niet +geschreven."</p> + +<p>"Geschilderd misschien?"</p> + +<p>"Neen, geene menschenhand heeft ze gemaakt."</p> + +<p>"Sa, hoe stonden de letteren dan op het ei?"</p> + +<p>"Zij waren er ingegroeid. Geen verschil was er tusschen de stof der +schaal en die der letteren. Hadden ze er niet een weinig verheven +opgestaan, men zou ze zelfs misschien niet bemerkt hebben."</p> + +<p>Als daalde er eensklaps eene even sterke overtuiging in des fouriers +geest, hij sloeg den blik in gedachten ten gronde en antwoordde zelfs +niet meer, toen Frans hem vroeg, of hij nog twijfelde aan de waarheid +der openbaring. Maar welhaast hief hij het hoofd op, en terwijl een half +ernstige en half schertsende glimlach op zijn gelaat zweefde, zeide hij:</p> + +<p>"Ik weet niet, Frans, maar in mij is het denkbeeld ontstaan, dat ik +misschien u gelukkig zou kunnen maken. Wat is die Theodoor voor een +kerel? Nu spreek, ik bid u."</p> + +<p>"Theodoor is de zoon van den gemeente-secretaris. Goed of kwaad weet ik +van hem niet veel te zeggen."</p> + +<p>"Is hij geleerd?"</p> + +<p>"Ik geloof van ja; hij heeft in Antwerpen gewoond, om den +Apothekers-stiel te...."</p> + +<p>"Genoeg, genoeg, daar hebben wij het!" riep de fourier met blijdschap +uit. "Hij is het, de valschaard, die het ei heeft gemaakt en in het nest +gelegd. Ha, ha, nu zal de kaart gaan keeren! Gij zult trouwen met Lisa. +Twijfelt gij daaraan? Ik zal in het Bonte Kalf de lieden gaan bewijzen, +dat Theodoor hen voor den zot heeft gehouden en zich niet schaamde, den +naam van God te gebruiken om hen te bedriegen. Zullen de ouders van +Lisa, eens ten volle overtuigd dat men hun eene hatelijke klucht heeft +gespeeld, den schurk niet verstooten en zich gelukkig achten u met hunne +dochter te laten trouwen?"</p> + +<p>Zoo snel en met zulke blijde geestdrift had de fourier deze woorden +gesproken, dat Frans hem in angstige verbaasdheid aanzag. Er kwam wel +eenige aarzeling in zijn geloof, doch zijn wantrouwend hart bleef nog +voor de minste hoop gesloten.</p> + +<p>"Uw twijfel doet mij pijn," hernam de fourier even aangejaagd. "Ik zal +hem te niet doen. Luister. Voor eenige jaren ging ik nog ter school bij +zekeren onderwijzer,—hij heette Mr. Shaw.—Deze vermaakte ons na de +schooluren met allerlei kleine kunstgrepen uit de physica,—dit wil +zeggen de natuurkunde,—en een dezer kunstjes bestond in het maken van +zulke eieren als Theodoor er een in het hennennest van het Bonte Kalf +heeft gelegd. Weet gij hoe dit toegaat? Men neemt een ei en schrijft of +teekent daarop, met vet of beter met vernis, al wat men wil. Dan legt +men het ei een paar uren, min of meer, in sterken azijn of in een ander +zuur. Het zuur bijt gedeeltelijk de kalkstof weg, overal waar deze niet +met vet bedekt is, en zoo staan dan eindelijk de letters verheven op de +schaal. Men wascht het ei met wijngeest, om het vet of het vernis weg te +nemen, en niemand, indien hij van het geheim niet weet, kan gissen dat +het ei zoo door een kunstmiddel werd gemaakt. Begrijpt gij het nu, +Frans? Ik zal zulk een ei maken en het de ouders van Lisa gaan toonen."</p> + +<p>"Ach, zij zullen u niet gelooven!" zuchtte de jonge boer.</p> + +<p>"Mij niet gelooven?.... Zie, daar dacht ik niet aan; gij hebt misschien +gelijk. Ja, de zaak moet anders worden aan boord gelegd.... Ik heb het +gevonden! De hen zal nog eieren leggen, eieren die Theodoor van verraad +en goddeloosheid zullen beschuldigen. Ha, ha, het zou mij niet +verwonderen, dat de slimmerik met zijne klikken en klakken in het Bonte +Kalf aan de deur vloog.... Zeg eens, Frans, is er een apotheker in het +dorp?"</p> + +<p>"Neen," was het antwoord, "maar onze paardenmeester, bij de kerk, +verkoopt ook medicamenten."</p> + +<p>"Dit is voldoende. Ik ga naar zijnen winkel; de tijd ontbreekt mij +gelukkiglijk niet. Onderweg zal ik een glas bier in het Bonte Kalf gaan +drinken, en pogen het ei te zien."</p> + +<p>"Dit zal u niet veel moeite kosten. Zeg, dat gij er van hebt hooren +spreken, men zal het u seffens toonen; maar lach er niet mede, de bazin +zou het u nooit vergeven."</p> + +<p>"Er is geen gevaar voor, Frans; ik zal ernstig veinzen, aan de zaak te +gelooven; doch intusschen, onder een of ander voorwendsel, op den +voorhof gaan om te ontdekken waar het nest is en hoe men er bij kan +geraken.... Gij, Frans, zeg van dit alles niets aan wie het ook weze, +zelfs niet aan uwe moeder; andere mis ik nog mijn doel.... Waarom +glimlacht gij zoo bitter en schudt het hoofd? Hebt gij dan ook geen +vertrouwen in mijne woorden? Kom, wees maar blijde. Daar is mijne hand: +ik geef u mijn woord, dat Lisa uwe bruid zal worden, of er zouden andere +beletsels moeten tusschen zijn dan het voorondersteld bevel van God.... +Wandel dezen avond, tusschen licht en donker, in den wegel achter uwe +haag; ik zal bij u komen en u zeggen hoe de zaken staan. Heb ik nog +inlichtingen noodig, gij zult ze mij geven. Zwijg intusschen. Nu tot +wederziens, bedorvendans van het lot!"</p> + +<p>Onder het uitspreken van dezen gelukwensch, liep de fourier den +aardenweg in naar het dorp.</p> + + +<h3><a name="HET_WONDEREIIII" id="HET_WONDEREIIII"></a>III.</h3> + +<p>Den derden dag na het onderhoud van den fourier met Frans Houtman, +traden de beide onder-officiers in het Bonte Kalf en vroegen elk een +glas bier. Het was nog vroeg, want, volgens zij zeiden, kwamen zij van +het <i>morgen-appèl</i>.</p> + +<p>Baas Noppe was alleen in zijne herberg, en hij meldde hun, vooraleer het +hem werd gevraagd, dat zijne dochter naar het dorp was gegaan met +versche boter voor den notaris.</p> + +<p>De vrouw was echter te huis, want zij hoorden haar tegen de koeien in +den stal spreken.</p> + +<p>Na eenige woorden met baas Kobus over het weder en over het uitzicht van +den toekomenden oogst te hebben gewisseld, vroegen de krijgslieden een +spel kaarten. Zij wilden, zeiden ze, het partijtje voortzetten dat zij +gisteren, omdat het te laat geworden was, hadden onderbroken.</p> + +<p>Het pak kaarten werd hun toegereikt en zij begonnen, in schijn met +aandacht en inspanning, te spelen, maar zij waren integendeel zeer +verstrooid, en zagen naar de achterdeur zoohaast zij het minste gerucht +op den voorhof hoorden. Ongetwijfeld wist de sergeant-majoor alles; want +hij glimlachte en pinkoogde nu en dan zoo onvoorzichtig, dat zijn jonge +kameraad hem berispend in het oor fluisterde:</p> + +<p>"Schei uit, houd u ernstig, of gij gaat ons verraden!"</p> + +<p>De baas, die tot dan zich achter den toog had beziggehouden met glazen +te spoelen en flesschen te vullen, kwam achter den rug van den fourier +staan en zag het spel gedurende eenigen tijd stilzwijgend na. Eindelijk +kon hij zulke misgrepen, als hij hier zag begaan, niet langer verdragen +en zeide met ernst en nadruk, hoe een echt liefhebber in het voorhandig +geval zou gespeeld hebben. Was de fourier zoo deerlijk geklopt geworden; +dit mocht hij slechts aan zich zelven wijten; want had hij, Kobus Noppe, +de kaart in de hand gehad, zeker de sergeant-majoor zou geene drie +slagen opgehaald hebben. Hij was gereed, het hun te bewijzen, indien de +fourier toestemde, hem met dezelfde kaarten tegen den sergeant-majoor te +laten kampen.</p> + +<p>Men voldeed aan zijn verlangen; hij nam de kaarten op en begon te +spelen, met evenveel drift alsof zijne goede faam en zijn geluk van den +uitslag dezer partij hadden afgehangen.</p> + +<p>Maar nauwelijks had bij, met een hart dat van fierheid klopte, de twee +eerste slagen opgehaald, of een zonderlinge schreeuw deed hem +verschieten; hij liet de kaarten ter tafel vallen, sprong op en riep met +vervaardheid:</p> + +<p>"Hemel, wat is er nu gebeurd? Die vrouw zal mij nog den dood op het lijf +jagen!"</p> + +<p>Inderdaad, moeder Noppe had, onder het slaken van eenen angstkreet, de +achterdeur opengeworpen, en stond daar nu, ontsteld en bleek, te midden +der kamer met een ei in de hand.</p> + +<p>"Ik heb het wel gevreesd!" klaagde zij. "Kobus, Kobus, dit is uwe +schuld. Het huwelijk onzer dochter mocht zoo haastig niet gaan. Nu is +God op ons vergramd. Zie, een nieuw bevel!"</p> + +<p>De onder-officiers bezagen elkander met eenen listigen glimlach, doch de +fourier legde zich den vinger op de lippen, om zijnen kameraad het +stilzwijgen aan te raden.</p> + +<p>"Hoe staat gij daar nu als van den hamer geslagen?" viel moeder Noppe +tegen haren man uit. "Dat zal u leeren, goddelooze twijfelaar. Daar, +neem het ei en lees. Wie weet wat schrikkelijke dingen er ditmaal +opstaan!"</p> + +<p>Kobus aanvaardde het ei met bevende hand en bekeek het eene wijl; maar +dan hief hij het hoofd op en staarde zijne vrouw met strakken blik en +wijdgeopenden mond aan, als iemand, die zijne eigene oogen niet kan +gelooven.</p> + +<p>"Welnu, zijt gij stom geworden? Zeg, wat staat er dan op het ei?" riep +de bazin met toornig ongeduld.</p> + +<p>"Er staat.... er staat op, dat Lisa met Frans Houtman moet trouwen."</p> + +<p>"Met Frans Houtman, o hemel! Dit is niet mogelijk: gij hebt slecht +gelezen."</p> + +<p>"Neen, Christien, het is wel zoo. Zie, het staat er duidelijk op: <i>Lisa +moet trouwen met Frans, het is Gods wil....</i> En daar, vrienden, leest +gij zelf en getuigt, of ik mij bedrieg." De sergeant-majoor nam het ei.</p> + +<p>"Uw man heeft gelijk," bevestigde hij; "het staat er op; <i>Lisa moet +trouwen met Frans, het is Gods wil</i>."</p> + +<p>Ware de donder boven het hoofd van vrouw Noppe losgeborsten, zij had +niet dieper verschrikt en verbluft kunnen zijn. Zij sloeg zich de hand +aan het voorhoofd en martelde zich de hersens, om het raadselwoord van +zulk onbegrijpelijk voorval te vinden. Dat God van besluit was +veranderd, dit durfde zij niet gelooven.... en het ei was toch geheel +gelijk aan het vorige! Hemel, wat, wat ging er om? Waren zij de speelbal +der listen van den boozen geest?</p> + +<p>In haren twijfel hield zij de oogen ten gronde en scheen de vloersteenen +te ondervragen. Even stom en ontsteld staarde baas Noppe rondom de +kamer, als vreesde hij den duivel zelf te zien verschijnen.</p> + +<p>De fourier kreeg medelijden met hunnen pijnlijken toestand; hij trad +vooruit, naderde moeder Noppe en zeide:</p> + +<p>"Bazin, kom tot u zelve en wees gerust. In geheel deze zaak der eieren +heeft een valsche kerel zonder hart u bedrogen, en zich niet ontzien uwe +gekende godvruchtigheid te misbruiken, om u en uw kind de slachtoffers +zijner snoode begeerlijkheid te maken."</p> + +<p>Zij keek den jongen krijgsman, die zoo ernstig en met zooveel zekerheid +sprak, verwonderd aan, doch schudde in twijfel het hoofd.</p> + +<p>"Gij meent dat ik het ben, die u wil bedriegen, vrouw? Gij gelooft +eerder wat de eieren u zeggen? Welaan! zie, ik insgelijks heb een ei, +dat kan spreken; het is juist gelijk aan de anderen. Beschouw het maar +goed. Dat uw man leze wat er op staat: hij zal er de verklaring van het +schrikkelijk raadsel op vinden."</p> + +<p>Baas Kobus nam het ei, dat de fourier uit den zak had gehaald, en las +met de grootste verbaasdheid:</p> + +<p>"<i>Theodoor heeft den spot met u gedreven</i>."</p> + +<p>"O, mijn God, wat wil dit zeggen?" riep moeder Noppe, die eenen +lichtstraal in haren geest voelde dringen.</p> + +<p>"Wat dit beteekent? Het wil zeggen, dat Theodoor,—om onmiddellijk de +hand uwer dochter te bekomen, en tevens om de liefde voor Frans Houtman +in haar hart uit te dooven,—eene verfoeielijke goddeloosheid heeft +begaan. Hij is het, die de letteren op het ei heeft geschreven en het +daarna in het nest gelegd."</p> + +<p>"En dit tweede ei dan? Hij zal toch niet tegen zich zelven... Welke +gedachte! De berouwende zondaar heeft zijne slechte daad willen +herstellen."</p> + +<p>"Neen, bazin, dit tweede ei heb ik gemaakt en gisteravond in het nest +gelegd, met het enkel inzicht u van Theodoors valschheid te overtuigen +en den strik te breken, dien hij u heeft gespannen."</p> + +<p>"Gij, gij hebt dit ei gemaakt?" stamelde de vrouw.</p> + +<p>"Ja, ik; en zulke eieren kunnen honderden lieden in de stad even goed +maken als Theodoor. Het is een kinderspel voor hen die de kunstgreep +kennen. Zoohaast ik had vernomen, dat de zoon van den secretaris bij +eenen apotheker heeft gewoond, bleef mij geen twijfel over. Hij alleen +had belang in het bedrog, en waarschijnlijk wist hij alleen in het +gansche dorp, hoe men zulke eieren maakt."</p> + +<p>"Ha, ha, daarom trok de bedrieger, van toen af, zulk schijnheilig +aangezicht!" riep baas Noppe met gramschap uit.</p> + +<p>Hij verklaarde zich ten volle overtuigd, dat de fourier niets zeide dan +de zuivere waarheid; maar de vrouw liet zich zoo gemakkelijk niet +overwinnen, alhoewel haar geloof aan het wonder reeds diep was geschokt.</p> + +<p>De beide krijgslieden deden zooveel doorslaande redenen gelden; de +fourier legde haar zoo duidelijk uit, hoe men zulke eieren maakt, dat +zij eindelijk zich overgaf en hare langbeklemde woede uitstortte in +allerlei scheldwoorden tegen den zoon van den secretaris, iets waarin +zij terdege geholpen werd door haren man, die van niets anders sprak dan +van Theodoor hals en beenen te breken.</p> + +<p>Terwijl zij nog immer bezig waren met dus aan hunne verontwaardiging +lucht te geven, hoorden zij eensklaps achter hunnen rug eene zachte +minzame stem, die hun zeide:</p> + +<p>"Dag, baas Kobus, dag, bazin Noppe. Heeft men goed geslapen dezen +nacht?"</p> + +<p>Theodoor Peeters had zijn hoofd in de deur gestoken.</p> + +<p>"Wacht wat, ik zal u eenen goeden dag gaan geven, gij vuile schurk, gij +laffe schobbejak!" schreeuwde de baas, zijne vest afwerpende en zijne +hemdsmouwen opstroopende.</p> + +<p>Maar de sergeant-majoor en de fourier sprongen toe en weerhielden hem +met geweld.</p> + +<p>"Waarom zijt gij boos op mij? Wat is er gebeurd?" stamelde de verbaasde +jongeling.</p> + +<p>"Wat er gebeurd is, valsche fleemer?" snauwde de vrouw, met de vuisten +vooruit, hem toe. "Ha, men zal u leeren, eieren in ons hennennest te +komen leggen! Hoe, leelijke ketter, gij durft den heiligen naam des +Heeren misbruiken om ons te bedriegen en te bespotten? Ga weg, vlucht, +goddelooze booswicht, of de baas doet u een ongeluk."</p> + +<p>"Uit mijn huis, uit mijn huis, ik breek u den hals!" bulderde Kobus +Noppe, terwijl hij, om los te raken, tegen de krijgslieden worstelde. +"Ha, valschaard, gij moest met Lisa trouwen! Uit mijne oogen; en komt +gij nog over onzen dorpel...."</p> + +<p>Maar Theodoor, die zich schuldig gevoelde en geenen lust had om zich +door den uitzinnigen baas den kop te laten inslaan, deinsde terug de +deur uit en liep met spoed naar het dorp.</p> + +<p>De herbergier was niet te stillen. Om zijne gramschap toch op iets uit +te werken, had hij met zijne zware handen reeds eenen stoel aan stukken +getrokken en twee pinten verbrijzeld. Slechts de bedreigingen zijner +vrouw brachten hem eindelijk tot bedaren. Evenwel mompelde hij nog van +den burgemeester, van den tribunaal, van de gevangenis; en hem scheen +het niet onmogelijk Theodoor op het schavot voor zijne verfoeilijke +valschheid te doen boeten.</p> + +<p>Zijne vrouw was echter zoo wraakzuchtig niet. Volgens haar gevoelen was +het beter, den zoon van den secretaris maar aan de knaging van zijn +eigen geweten over te laten, dan door zulke vervolging nieuw schandaal +te verwekken.</p> + +<p>"Zoo kan het toch niet blijven," wedersprak hij. "Wij moeten evenwel +iets doen om zijnen hatelijken aanslag te straffen."</p> + +<p>"Het is uiterst eenvoudig," bemerkte de sergeant-majoor. "Gij heb in +gevaar verkeerd, uwe dochter en dien goeden Frans Houtman ongelukkig te +maken voor hun leven. Hersteld maar seffens uwe dwaling en maakt de +kinderen gelukkig. Zoo zal Theodoor genoeg gestraft zijn, en de kwade +tongen, indien er zijn, zullen geenen tijd hebben om veel te praten."</p> + +<p>"De majoor heeft gelijk," murmelde de oude vrouw.</p> + +<p>"Zeker heeft hij gelijk: hij spreekt als een boek!" riep de baas.</p> + +<p>"Dus gij stemt toe in hun huwelijk?"</p> + +<p>"Wij moeten wel."</p> + +<p>"Laat gij toe, bazin, dat wij de goede tijding aan Frans Houtman en +zijne moeder gaan melden?" vroeg de fourier.</p> + +<p>"Met veel genoegen.... Maar zie ik ginder onze Lisa niet komen? Ja, zij +is het."</p> + +<p>"Vrouw, laat mij haar tegemoet loopen en het haar zeggen!" smeekte de +baas.</p> + +<p>"Neen, ik ben het, die haar huwelijk met Frans heb gedwarsboomd: uit +mijnen mond moet zij het vernemen."</p> + +<p>"Het is waar, Christien, gij hebt gelijk."</p> + +<p>Nauwelijks was het meisje in de kamer getreden, of bazin Noppe greep +hare beide handen aan en zeide haar:</p> + +<p>"Kind, kind lief, ziet gij niet in mijne oogen dat ik u gelukkig wil +maken? Gij twijfelt? Welnu, gij moogt trouwen met Frans Houtman."</p> + +<p>"Hemeltje lief, is het waar?" stamelde Lisa.</p> + +<p>"Ja, ja, wij geven onze toestemming!" juichte de herbergier. "Hoe +gauwer, hoe liever de bruiloft. Wij zullen dansen dat het huis invalt. +Het is bliksems lang geleden, dat ik mijnen laatsten flikker heb +geslagen; maar voor den gelukkigen dag zal ik mijne oude beenen nog eens +insmeren!"</p> + +<p>Het meisje lag van zalige ontroering in de armen harer moeder te weenen, +en zij zoende haar en zij zegende haar zoo teeder en zoo dikwijls, dat +de oude vrouw insgelijks tranen over hare wangen voelde lekken.</p> + +<p>Ook haren vader omhelsde zij.</p> + +<p>Dan vroeg zij eensklaps:</p> + +<p>"Weet Frans het?.... Niet? O, hemel, hij lijdt nog onder die +schrikkelijke wanhoop? Vader, laat mij naar de hofstede loopen, om hem, +om zijne moeder, om zijne zuster de blijde tijding te brengen! Indien ze +maar niet kwalijk vallen van geluk ..."</p> + +<p>"Kom, kind, ik ga mede," zeide de vrouw.</p> + +<p>"Ik insgelijks!" riep de baas.</p> + +<p>"Wat? gij zoudt de herberg durven alleen laten? Blijf te huis gij!"</p> + +<p>Moeder en dochter sprongen de deur uit en liepen, door de twee +krijgslieden van verre gevolgd, zoo hard zij maar konden den veldweg in.</p> + +<p>Bij het naderen der hofstede hoorden de sergeant-majoor en de fourier +daarbinnen blijde kreten en een verward geschater van vroolijke +stemmen.... En—alsof de natuur en de dieren zelven over het geluk van +twee eenvoudige, zuivere zielen wilden medejuichen, de lentezon +verguldde met haren milden gloed het dak der eens zoo treurige woning, +de koeien bulkten in den stal, de hennen kakelden op den mesthoop, de +haan kraaide boven het hondenhok, de vogelen zongen in de boomen....</p> + +<p>Toen de onder-officiers binnentraden, klonken luide dankzeggingen hun +tegemoet, en drukten allen hun de handen, ja, de gelukkige Frans sloot +den fourier met tranen volle oogen op zijn hart.</p> + +<p>Van dien dag af zagen zij, in allerhaast en stuk voor stuk, die dingen +bijeendragen, welke tot het inrichten van een jong huishouden worden +vereischt; maar de bruiloft konden zij, eilaas, niet bijwonen; want er +kwam een ontijdig bevel, dat zij met hunne compagnie naar Turnhout +moesten vertrekken, om daar hunne volledige soldaten-kleeding te +ontvangen. Deze kleeding zou zijn van groen laken met roode biesjes, en +de troep van generaal Niellon zou voortaan het 2de Regiment Jagers te +voet uitmaken.</p> + +<p>Op den treurigen dag gingen Frans Houtman en zijne zuster, Lisa Noppe en +hare moeder met de onder-officiers naar Lichtaert, om hunne redders, +hunne weldoeners, zoo zij zeiden, uitgeleide te doen.</p> + +<p>En toen de trom had aangevangen te slaan en de troep reeds een eind +verre was, konden nog de sergeant-majoor en de fourier, door het hoofd +om te keeren, tranen zien glinsteren in de oogen der goede vrienden, die +zij wellicht nooit meer zouden wederzien.</p> + + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h2><a name="HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGENI" id="HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGENI"></a><a name="HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGEN" id="HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGEN"></a>Het Paradijs Der Krankzinnigen.</h2> + +<h3>Derde Schets</h3> + + +<h3>I.</h3> + +<p>Omtrent het midden der maand Juli 1831, lagen er twee compagnies van het +2de Regiment Jagers te Moll, een aanzienlijk dorp in de Kempen, op een +paar uren afstand van Gheel.</p> + +<p>Tot eene dezer compagnies behoorden de sergeant-majoor en de fourier, +die te Lichtaert zooveel tot het geluk van Frans Houtman en Lisa Noppe +hadden bijgedragen.</p> + +<p>Nu waren zij gelogeerd in de Zwaan, eene herberg te midden des dorps, en +het was daar dat de mannen der compagnie alle twee dagen het vleesch en +brood, en alle vijf dagen hunne solde kwamen halen.</p> + +<p>Wanneer men nu inziet, dat te dien tijde de minste Belgische soldaat +dagelijks 25 Centen of 52 Centimen trok, en dus bij elke betaling niet +minder dan Fr. 2,60 ontving, welke hij op weinig na tot niets anders dan +tot drinken kon aanwenden, zal men begrijpen wat vertier er in de Zwaan +werd gemaakt, dewijl de honderd man der compagnie er ten minste viermaal +in de week op de uitdeeling hunner mondbehoeften of hunner solde te +wachten hadden.</p> + +<p>Ook was de baas der herberg de onder-officieren, wier tegenwoordigheid +hem deze ongewone winst aanbracht, ten uiterste dankbaar. Om hun dit te +bewijzen stond hem echter geen ander middel ter hand, dan hun naar zijn +best vermogen het lekkerste eten op te disschen: niet alleenlijk hesp +met eieren, zooveel zij wilden, maar duiven, kiekens, jonge erwtjes en +daarbij nog elken dag eene goede flesch wijn.</p> + +<p>Dit beviel den sergeant-majoor ten hoogste. Hij was de boezemvriend van +den baas en dezes huisgenooten geworden, en riep niet zelden uit, dat +hij tusschen deze brave en minzame lieden zijne dagen zou willen +slijten.</p> + +<p>De fourier, integendeel, werd na eenige dagen dit woelig en luidruchtig +herbergleven moede, en hernam welhaast zijne eenzame wandelingen in de +velden of op de heide.</p> + +<p>Eene der twee compagnies had vroeger te Gheel gelegen. Zoo kwam het, dat +de fourier dikwijls door de onder-officiers dezer compagnie zeer vreemde +dingen hoorde vertellen over dit groote dorp of, beter gezegd, dit +volkrijke stadje, waar volgens hun beweren een duizendtal krankzinnige +menschen in volle vrijheid tusschen de inwoners leefden, op straat +wandelden, ter herberg gingen en zelfs deel maakten van gezelschappen, +door de burgerij ingericht tot vermaak of tot beoefening der muziek. +Allengs ontstond in hem de lust om eens, op eenen sehoonen dag, naar +Gheel te gaan, dat slechts twee uren van Moll was verwijderd. Hij wist +daarenboven, dat te Gheel een zijner goede vrienden, een sergeant, +Antwerpenaar als hij, gelogeerd was, en dien hadde hij wel gaarne gezien +en gesproken.</p> + +<p>Zonder moeite zou hij tot zulke wandeling verlof van zijnen kapitein +bekomen; dit verlof had hij zelfs niet noodig, want met kort na den +middag te vertrekken, zou hij reeds voor drie uren te Gheel zijn, kon er +alles op zijn gemak nazien, een pintje met zijnen vriend drinken, en dan +terug zijn voor het einde van den dag.</p> + +<p>Het was ten gevolge van dit voornemen, dat de fourier, even nadat hij +van tafel was opgestaan, den draagband waaraan zijne sabel hing, zich +over den schouder wierp en met snelle stappen de Zwaan verliet, om zich +naar Gheel te begeven.</p> + +<p>Nu droeg hij den blauwen kiel en de haren muts van vroeger niet meer. +Hij was uitgedost in fijn groen laken, waarop de roode afzetsels, de +roode boordsels en de vele vergulde knoopen prachtig uitlosten en +schitterden. Op zijne schouders prijkten epauletten van saaienkoordjes +met gouddraad doorweven, aan zijne schako blonk een Belgische leeuw van +glanzend koper, en aan de handgreep van zijne sabel waggelde een fraaie +groene kwispel.</p> + +<p>Hij moest gevoelen of gelooven, dat dit nieuwe kleedsel hem een +indrukwekkend voorkomen gaf; want terwijl hij de laatste huizen des +dorps voorbijging en de lieden hem nakeken, hield hij het hoofd rechtop +en stapte zelfs een weinig met het kunstmatig gewiggel, eigen aan +personen, die vol zijn van hunne ware of gewaande verdiensten en meenen, +dat iedereen hen bewondert.</p> + +<p>Hij was nogtans niet van hooge gestalte, de fourier, daarbij zeer jong +en opmerkelijk tenger van lichaamsbouw; maar wat doet dit alles; zoo men +maar over zich zelven tevreden is?</p> + +<p>Waarschijnlijk was ijdele hoogmoed geen grondtrek van zijn karakter; +want nauwelijks kon hij buiten het dorp geraakt zijn, of hij vergat +zijne nieuwe kleeding en tevens zijne hoedanigheid van krijgsman, om in +vrijheid rond te kijken, hier en daar eene bloem te plukken, op de +boorden der Neeth in het vlietend water te gaan staren, of wel, in eenen +langen droom weggerukt, zoo achteloos over den hobbeligen weg te +stappen, dat hij zelfs eens bijna met zijnen neus in het zand was +gevallen.</p> + +<p>Dit alles belette niet, dat hij, kwart voor drie uren, het gehucht +Kevermont bereikte en welhaast te Gheel zou aankomen.</p> + +<p>Hier zag hij van verre een welgekleed persoon tegen den eikenkant in de +lommer zitten, met zijnen hoed voor het aangezicht waaiende, ah iemand +die het te heet heeft en uitrust.</p> + +<p>Op het oogenblik, dat de onder-officier hem zou voorbijgaan, stond hij +op en kwam in de baan om zijnen weg naar Gheel te hernemen.</p> + +<p>"Goeden dag, fourier," zeide hij zeer beleefd en minzaam. "Het is een +heet weder, niet waar? De vogelen zitten met open bek op de boomen te +hijgen. Geen wonder, wij zijn de hondsdagen ingetreden.... Gij ligt +zeker met uw half bataljon te Gheel?"</p> + +<p>"Neen, mijnheer, wij liggen te Moll," antwoordde de fourier. "Ik doe een +wandeling naar Gheel, om dit stadje eens te bezichtigen. Is het nog +verre?"</p> + +<p>"Ongeveer twintig minuten. Ik ga er insgelijks naar toe, en indien mijn +gezelschap u niet hindert...."</p> + +<p>"In het geheel niet: het is te veel eer voor mij."</p> + +<p>Zij deden eenige stappen zonder spreken. Deze verpoozing nam de fourier +te baat, om zijnen onbekenden gezel van terzijde te bezien. Hij moest +wel meer dan vijftig jaar oud zijn; het geheel zijner kalme, +vastgeteekende wezenstrekken kon eerbied inboezemen. Zijne kleeding was +van uitgekozen stof en liet vermoeden, dat hij tot den bemiddelden +burgerstand behoorde.</p> + +<p>"Men heeft mij verzekerd, mijnheer, dat Gheel de moeite waard is om te +zien," zeide de fourier. "Volgens men mij vertelde, wonen daar eenige +honderden zotten <a name="FNanchor_1_1" id="FNanchor_1_1"></a><a href="#Voetnoot_1_1" class="fnanchor">[1]</a>."</p> + +<p>"Wel duizend, fourier, wel duizend!"</p> + +<p>"En is het waar, dat zij in volle vrijheid op de Markt en langs de +straten wandelen?"</p> + +<p>"Zeker.... en eer gij te Gheel aankomt, zult gij er ongetwijfeld meer +dan eenen ontmoeten. Gaat de arme sukkelaars voorbij zonder ze aan te +spreken, dan hebt gij er geenen last van.... Zie, fourier, ginder onder +den lindeboom staat er reeds een. Hij houdt de wacht op den Groenen +Heuvel bij de kapel der heilige Dymphna."</p> + +<p>De onder-officier richtte het oog op den aangewezen man en mompelde met +verrassing:</p> + +<p>"Ja, die is ongetwijfeld zot."</p> + +<p>"Stapelzot," bevestigde de burger. "Hij staat daar op schildwacht sedert +tien jaar en meer, winter en zomer, van den morgen tot den avond; en +wanneer het duister wordt, moet men met geweld hem naar huis leiden, of +anders zou hij hier zelfs den nacht doorbrengen. Iets anders doet hij in +zijn leven niet."</p> + +<p>Nu naderden zij den zinnelooze. Hij was in gescheurde lompen gekleed, +waarop eene menigte bijeengeraapte knoopen van allerlei vorm en grootte +waren genaaid. Een oude, geblutste schako, met eene papieren kokarde en +een bos hanenvederen, stond hem scheef op het hoofd, en in den arm droeg +hij eenen zwaren bezemstok tot geweer. Zijne voeten en beenen waren +naakt tot aan de knieën.</p> + +<p>Toen de fourier hem zou voorbijgaan, stelde hij zich met den rug tegen +eenen boom en <i>presenteerde</i> het geweer, met evenveel ernst als een ware +soldaat, die eenen hoogen overste zijnen eerbiedigen groet toebrengt.</p> + +<p>"Arme mensch!" zuchtte de onder-officier. "Hoe komt hij toch op het +denkbeeld, daar altijd onder die boomen de wacht te houden? Hij is +misschien soldaat geweest?"</p> + +<p>"Juist geraden, fourier: de man heeft gediend onder Napoleon. Toen hij +eens voor den vijand op schildwacht stond, verraste men hem slapende op +zijnen post, en hij werd veroordeeld om voor den kop te worden +geschoten; maar toen men reeds gereed stond om het vonnis uit te voeren, +schonk de generaal hem genade des levens.... Gij hebt gezien wat groote, +sterke man het is; hij moet evenwel maar een klein hart in het lijf +gehad hebben, want de schrik des doods had hem zoodanig in de hersens +getroffen, dat hij stapelzot was geworden en men hem uit den dienst +moest ontslaan. Nu meent hij gewis, den plicht te vervullen dien hij +vroeger heeft verzuimd."</p> + +<p>"En de ongelukkige staat daar zoo, reeds sedert tien jaar, zomer en +winter, in nat en droog?"</p> + +<p>"Sedert veel langer, fourier. Ik woon hier reeds twaalf jaar en heb hem +daar altoos zien staan, van den eersten dag mijner aankomst in deze +streek."</p> + +<p>"Woont mijnheer te Gheel?" vroog de onder-officier.</p> + +<p>"Neen," was het antwoord. "Heb ik Brussel verlaten, het was niet om te +midden der huizen te wonen.... Ziet gij, ginder verre achter de boomen, +den gulden weerhaan niet glinsteren?"</p> + +<p>"Waar meent gij, mijnheer?" mompelde de fourier, vruchteloos in de +aangewezene richting blikkende.</p> + +<p>"Boven het donker bosch....Het is inderdaad moeilijk te ontdekken, voor +iemand die niet juist weet waar mijn kasteel gelegen is."</p> + +<p>"Uw kasteel?"</p> + +<p>"Ja, mijn kasteel. Het is een zeer schoon buitengoed, met eenige +honderden bunders land, bosch en heide. Voortreffelijke jacht; het +krielt er van hazen, patrijzen en fazanten. Ik heb Engelsche paarden, +prachtige rijtuigen; maar voor mijne gezondheid ga ik liever te voet. +Gij schijnt verwonderd? Omdat ik nederig gekleed ga en mijnen rijkdom +niet ten toon spreid, aanziet gij mij waarschijnlijk voor een gemeen +burgerman? Ik ben baron en mijne inkomsten beloopen tot meer dan +vijftigduizend gulden. Niets is gemakkelijker dan u daarvan te +overtuigen: kom mij bezoeken op mijn kasteel."</p> + +<p>De fourier meende door eene dankbetuiging op zijne minzame uitnoodiging +te antwoorden; maar nu viel er onverwachte eene jonge vrouw geknield +voor zijne voeten neder; en terwijl zij de handen tot hem ophief, +smeekte zij:</p> + +<p>"O, hoogwaardige heer bisschop, geef mij toch de absolutie mijner +zonden, anders moet ik recht naar de hel! Uwen zegen, uwen zegen, of +Lucifer, met al zijne duivels, komt dezen nacht om mijne...."</p> + +<p>De baron duwde deze vrouw zeer barsch achteruit en zeide tot den +fourier:</p> + +<p>"Geef geene acht op de zottin; zij valt zoo iedereen te voet, die +voorbijgaat. Ik zal over haar klagen aan den burgemeester...."</p> + +<p>De zinnelooze was eensklaps rechtgesprongen en borst nu los in eenen +schaterlach:</p> + +<p>"Ha, ha!" riep zij, "ziet hem daar nu eens staan, den luizigen jonker +van Mageren Hutspot! Ik eene zottin? Geloof hem niet, mijnheer de +generaal: hij is zelf zot, zot genoeg om geboeid te worden, terwijl ik, +arme zondares, uwen zegen afsmeek om mijn arm zieltje te redden.... +Zot, leelijke zot!"</p> + +<p>Zij voer immer voort met tegen den baron te razen; maar deze trok den +fourier bij den arm, en zeide hem met kalme verontwaardiging, na eenige +stappen te hebben gedaan:</p> + +<p>"Die verstandelooze wezens eerbiedigen niets. Geen deftig man kan hier +voorbijkomen, zonder uitgescholden te worden. Men moest al de zotten, +die zich onbeleefd en onbetamelijk gedragen, maar opsluiten. Hoe denkt +gij daarover, fourier?"</p> + +<p>De verblufte soldaat wist niet wat te denken of zeggen; zijn hoofd was +duizelig; hij kon het gezicht niet afkeeren van die jonge vrouw, een +oogenblik vroeger voor hem nedergeknield met zoet en biddend gelaat, en +nu, schuimbekkend en knarsetandend als eene dolle, in de grofste +scheldwoorden uitvarende.</p> + +<p>Hij meende zijn medelijden uit te drukken, toen eensklaps achter hem een +scherpe noodkreet herklonk en de schreeuw: "<i>gare, gare au cheval</i>!" hem +ter zijde deed springen.</p> + +<p>Hem liep een kerel voorbij, die eenen stok tusschen de beenen hield en, +dravend als een paard, welhaast verre voorbij was.</p> + +<p>"Dit is de postiljon van Luik," zeide de baron lachende. "Hij is +vroeger, op de baan zijnde, zoo ongelukkig van zijn paard gevallen, dat +men hem voor dood heeft opgeraapt. De wonde van zijn hoofd genas, maar +zijn verstand bleef verloren. Nu draaft hij over en weder van Kevermont +naar Gheel en van Gheel naar Kevermont. Hij is anders een goed ruiter. +Zoudt gij gelooven, dat die kerel mij bijna dagelijks op mijn kasteel +komt smeeken, hem aan te nemen voor mijn koetsier; maar gij kunt wel +denken, dat ik mijn leven aan zulken zot niet zal toevertrouwen. Zoudt +gij het durven, fourier?"</p> + +<p>"Ik, mijnheer de baron? O, neen, daarvoor beware mij God!.... Maar wat +gebeurt u? Gij zijt bleek en beeft? Wat verschrikt u zoo diep?"</p> + +<p>De baron wees vooruit en zeide:</p> + +<p>"Ziet gij ginder, bij de kerk van St.-Dymphna, dien man met zijne groote +sabel? Hij is mijn bloedvijand en wil mij dooden. Ik moet vluchten."</p> + +<p>En de hand als een bedelaar uitstekende, smeekte hij: "Ach, mijnheer de +fourier, om 's hemels wille, geef mij haastig twee of drie eenten om wat +snuif te koopen!"</p> + +<p>"Centen .... om snuif .... voor u, baron?" stamelde de onder-officier, +van verbaasdheid bijna stom.</p> + +<p>"Ja, ja, ik ben millioenrijk, maar ik heb mijn geld op mijn kasteel +laten liggen. O, fourierken lief, gauw, gauw, daar komt mijn vijand!"</p> + +<p>De jonge krijgsman haalde eenige centen uit den zak en legde ze, +verbluft en aarzelende, in de hand van den krankzinnigen man, die met +een wild gejuich van blijdschap zich omkeerde en uit al zijne kracht in +de baan wegvlood.</p> + +<p>Als van den donder getroffen, bleef de fourier bewegingloos staan en +hield de oogen ten gronde; hij was beschaamd, gekwetst, verdrietig, en +vroeg zich zelven, of hij niet beter zou doen met onmiddellijk maar naar +Moll terug te keeren.</p> + +<p>Evenwel na eenige overweging vatte hij weder moed. Hij was slechts nog +eenige boogschoten van het doel zijner reis verwijderd, en het hing van +hem af, meende hij, voortaan alle aanraking met de zinneloozen te +vermijden. Was het waar, dat een vreemdeling hier moeilijk de +krankzinnige van de redelijke menschen wist te onderscheiden, dan kon +hij evenwel, door niemand, wie het ook ware, het woord toe te sturen, +aan zulke vernederende misgrepen ontsnappen.</p> + +<p>Met dit vast voornemen stapte hij voorbij de schoone kerk van +St.-Dymphna en trad het stadje in.</p> + +<p>Hij bevond zich nog tusschen de eerste huizen der zeer lange +Nieuwstraat, toen hij reeds vele zinneloozen bemerkte: kinderen, +vrouwen, mannen, die men genoeg aan hunne belachelijke kleeding en aan +hunne dwaze gebaren kon herkennen; maar dewijl zij hem slechts lachend +of grijnzend aankeken, zette hij zijnen weg voort zonder te toonen, dat +hij eenige aandacht op hen sloeg.</p> + +<p>Anders was het evenwel met een ruig en verwilderd wezen, dat hem nu +scheen tegemoet te komen. Daar naderde een man van hooge gestalte, met +breede schouders en een bijna vierkant hoofd, dat met den verwarden +haarbos en de wentelende oogen er uitzag als een dreigende leeuwenkop. +Zijne beide voeten waren aan elkander geboeid bij middel eener korte +ijzeren ketting, zoodat hij, om voort te gaan, gedwongen was als een +kangaroe te springen.</p> + +<p>De fourier meende te bemerken, dat iedereen, krankzinnigen en wijzen, +bij de nadering van den schrikwekkenden man zich van hem verwijderde en +uit den weg ging, evenals men doet voor een hollend rijtuig om niet te +worden verpletterd.</p> + +<p>Zoo deed insgelijks de onder-officier: hij omschreef al gaande een +halven cirkel rondom den geboeiden zinnelooze en geraakte op deze wijze +zonder aanstoot noch hinder hem voorbij.</p> + +<p>Het was met eene soort van angst, dat hij de groote Markt bereikte, niet +twijfelende of hij zou daar aan nog meer verrassende ontmoetingen +blootgesteld zijn; maar gelukkiglijk ontwaarde hij, bij zijne eerste +stappen op de ruime plaats, den sergeant, zijn stadgenoot en vriend, +die, hem insgelijks herkend hebbende, glimlachend tot hem kwam loopen.</p> + +<p>Na de uitstorting hunner blijdschap over dit wederzien, begon de nog +ontstelde fourier hem te verhalen, wat zonderlinge krankzinnigen hij +onderweg had ontmoet, en bovenal hoe de vraag van den baron, om wat +centen voor snuif te bekomen, hem uit zijn lood geslagen had.</p> + +<p>"Ja," antwoordde zijn vriend, "ik heb van dien baron-bedelaar in mijn +logement hooren spreken. Het schijnt, dat hij inderdaad rijk is geweest +en een kasteel heeft bezeten; maar hij heeft in de Oostenrijksche +fondsen gespeeld en daaraan zijn gansch fortuin verloren. Zijne familie +betaalt mildelijk voor zijne verpleging; maar geld mag men hem niet +geven, anders drinkt hij, en wordt zijne ziekte veel erger. Verwondert +de gekheid van dezen man u zoo uitermate? Ha, ik heb er wel +wonderlijkere gezien! Het krielt hier van zotten; men kan zich wenden +noch keeren, of men is er van omringd. Zie, daar zijn er reeds zes of +zeven, die ons aangapen. Geef geene acht op hen, anders zullen zij nader +komen en ons vervelen.... In den eerste was ik insgelijks een weinig +vervaard; want om de waarheid te zeggen, ik heb het nooit met +zinneloozen opgehad. In mijn logement wonen er vijf; ik ben er reeds zoo +goed aan gewend dat ik,—gij zult het niet gelooven,—dat ik dagelijks +op het dambord speel met een hunner."</p> + +<p>"Met eenen zot?"</p> + +<p>"Ja, met eenen woedenden zot. Maar het is een wonderlijk geval; hij is +elken dag slechts gedurende een uur van zijne zinnen, en dit uur +verspringt regelmatig volgens den tijd van het jaar. Nu en dan, wanneer +er een onweder opkomt en de lucht zeer duister wordt, overvalt hem +evenwel zijne kwaal in den loop van den dag; maar dit gebeurt zelden."</p> + +<p>"Eilaas, wij, menschen, die zoo trotsch zijn op onze rede!" zuchtte de +fourier. "Ziedaar das wat eene ziekte, welke men krankzinnigheid noemt, +van ons verstand maakt!"</p> + +<p>"De man, dien ik bedoel, heeft geene ziekte gehad," wedersprak de +sergeant. "Hij is, volgens men mij verteld heeft, in den nacht +overvallen en uitgeplunderd geworden door dieven, die hem waarschijnlijk +erg mishandeld en met den dood bedreigd hebben; want de doorgestane +angst heeft zijne hersens ontschikt. Nu, bij het naderen der duisternis, +springt hij eensklaps op, begint om hulp te schreeuwen tegen +moordenaars, welke hij meent te zien, huilt, worstelt, slaat in het +ronde en valt eindelijk met eenen akeligen doodsgil op den vloer.... Een +uur daarna is hij weder stil en in bezit van zijn volle verstand. Treed +ik dan binnen, hij smeekt mij zoo beleefd en zoo minzaam, met hem op het +dambord te spelen, dat ik het waarlijk niet kan weigeren. In alle geval, +de man speelt goed en hem ontsnapt geen onbetamelijk of onredelijk +woord.... Alzoo, gij zijt te Gheel gekomen om de zotten te zien?"</p> + +<p>"Ik heb er evenwel reeds meer dan genoeg van," mompelde de fourier. "Was +het niet het vermaak, eenige oogenblikken in uw gezelschap te mogen +doorbrengen, ik trok seffens en zonder omzien terug naar Moll."</p> + +<p>"Ik begrijp, zoo is altoos de eerste indruk, maar hij gaat spoedig +voorbij. Wij zullen eene goede pint te zamen drinken, ginder achter den +hoek in den Toren. Gij moet het uithangbord opgemerkt hebben. Daar komen +vele onder-officiers. Ga er naar toe en wacht er eenige oogenblikken op +mij. Ik moet met een rapport naar den adjudant. Gisteren had ik de +wacht; er is daar een erge zaak voorgevallen: de korporaal en twee man +zullen waarschijnlijk voor den krijgsraad verschijnen. Nu, vraag een +glas bier in den Toren. De adjudant zal mij niet lang wederhouden. Tot +straks."</p> + +<p>De fourier stapte over de Markt naar de aangewezen herberg. Wat hem +onderweg verwonderde, was het schouwspel der houding van de burgers +tegenover de zinneloozen. De meesten gingen voorbij zonder acht op hen +te slaan; maar hij zag er insgelijks die, vriendelijk en in schijn +ernstig, met de krankzinnigen spraken of hun de hand drukten; +burgervrouwen, die arm aan arm met eene zottin wandelden; gezonde +kinderen die aan de spelen van zinnelooze kinderen deelnamen. En het was +blijkbaar aan den stillen, welwillenden glimlach, op het gelaat der +redelijke lieden, dat slechts een gevoel van medelijden en liefdadigheid +hen dus aanspoorde om de arme, dolende zielen door vriendschap en +toegevendheid hun ongeluk te laten vergeten.</p> + +<p>Dit aandoenlijk voorbeeld verlichtte het gemoed van den fourier. Hoewel +hij zich de macht nog niet gevoelde om het na te volgen, begreep hij +nogtans, dat het edeler en moediger was den krankzinnigen mensch +broederlijk de hand toe te reiken, dan hem door afschrik of misprijzen +nog dieper in den afgrond zijner ellende terug te stooten.</p> + +<p>Dus overwegend wat onder zijne oogen gebeurde, kwam hij in den Toren en +vroeg den waard, die achter de toog stond, een glas bier.</p> + +<p>Op dit oogenblik bevond er zich niemand in de herberg dan een deftig +heer, met eene meerschuimen pijp aan den mond. Zijn lange jas van blauw +laken, gesloten tot onder de kin, gaf hem het voorkomen van een +uitgediend officier, maar hij droeg knevels noch bakkebaarden. Hij had +schoon wit haar, dat tegen zijne slapen opkrulde. Meer dan zestig jaar +kon hij evenwel niet oud zijn, want zijne oogen waren helder en +levendig, en zijne wangen, vol en blozend, getuigden van gezondheid en +welbehouden levenskracht.</p> + +<p>Aan de tafel waarbij deze heer was gezeten, nam de fourier plaats, om +reden dat zij onder het venster stond en hij vandaar zijnen kameraad kon +zien komen.</p> + +<p>Na eene lange wijl stilte vroeg de onder-officier,—om toch iets te +zeggen,—aan den heer, die voor hem zat, of Gheel eene uitgestrekte +gemeente was.</p> + +<p>"Ja, zeer uitgestrekt," kreeg hij ten antwoord. "Om haar grondgebied +geheel rondom te gaan, heeft men wel negen uren noodig. Onder haar +behooren zeventien buitengehuchten, waarvan vijf of zes hunne eigene +kerk of kapel hebben; maar dit belet niet dat de kom van het dorp, +afzonderlijk genomen, nog boven de vierduizend zielen telt."</p> + +<p>"De zotten er onder begrepen, zoo verstaat het mijnheer ongetwijfeld?" +bemerkte de fourier.</p> + +<p>"Inderdaad, maar die zijn slechts ten getale van ongeveer 900, en wonen +voor de grootste helft in de naastliggende gehuchten."</p> + +<p>"Neem mij niet kwalijk, mijnheer, dat ik misbruik van uwe goedwilligheid +maak. Ik zie Gheel voor de eerste maal. Alles schijnt mij hier +zonderling en belangwekkend. Van waar komen al deze zinnelooze +menschen?"</p> + +<p>"Uit onze provinciën, uit Duitschland, uit Frankrijk; het grootste getal +komt evenwel van Brussel, omdat de godshuizen dezer stad al hunne zotten +te Gheel besteden."</p> + +<p>"Betaalt men veel voor het onderhoud van elken zot?"</p> + +<p>"Dit is volgens de zorgen welke zij vereischen, het werk dat zij nog +kunnen doen of den welstand, dien men hun wil verzekeren. Voor de +armsten, die nog tot eenigen arbeid bekwaam zijn, betaalt men iets als +vijfentwintig centen daags, en voor de rijksten, waar tusschen er zich +bevinden die deftig gekleed gaan, uitgekozen voedsel krijgen en wijn +drinken, soms wel tot 2,000 gulden en meer nog 's jaars. Dat de bewoners +van Gheel hunne zinneloozen met liefde en zorg behandelen, dit is +onbetwistbaar; maar even onbetwistbaar is het, dat zij in de verpleging +dier ongelukkigen eene milde bron van voorspoed vinden."</p> + +<p>Deze heer scheen de zaken der gemeente zoo nauw te kennen, dat de +fourier in twijfel geraakte of hij niet de eer genoot, met den +burgemeester zelven of ten minste met eenen schepen in samenspraak te +zijn. Na eenige malen van achter het venster te hebben uitgekeken, of de +sergeant niet kwam, vergat hij eindelijk zijnen vriend geheel, om te +luisteren op hetgeen de bereidwillige heer hem zeide over de +merkwaardigheden der gemeente, en onder andere aangaande de prachtige +kerk van St. Dymphna, patronesse der zinneloozen, en de roerende legende +harer stichting, die vertelt hoe deze martelaresse, op den grond waar +de kerk nu staat, door haren eigen vader het hoofd werd afgeslagen.</p> + +<p>Zeer welsprekend was de oude heer; hij doormengde zijn verhaal met +wijsgeerige overwegingen, die getuigden van geleerdheid en verstand. Ook +luisterde de fourier met waar genoegen en zelf met verslondenheid.... +toen zijne aandacht eensklaps werd afgekeerd door het verschijnen in de +herberg van zijnen vriend.</p> + +<p>Maar de sergeant, na hem eenen glimlach en eenen groet te hebben +toegestuurd, ging rechtstreeks naar den toog, als om van den baas een +glas bier te eischen. Hier keerde hij zich echter om en spiedde de +gelegenheid af om zijnen kameraad, door eenen wenk van zijnen vinger, +tot zich te roepen.</p> + +<p>Toen de fourier hem genaderd was, fluisterde hij hem in het oor:</p> + +<p>"Volg mij; ik heb u iets mede te deelen, dat u zal verwonderen."</p> + +<p>Beiden gingen op den achterhof, en daar vroeg de sergeant:</p> + +<p>"Wat dunkt u over den ouden heer met wien gij aan het spreken waart? Een +verstandig man, niet waar?"</p> + +<p>"Zeer geleerd en diep verstandig, inderdaad."</p> + +<p>"Onnoozele, het is een zot!"</p> + +<p>"Hij een zot?" wedervoer de fourier met ongeloovigen spotlach. "Indien +er vele zulke heldere hoofden in Gheel zijn...."</p> + +<p>"Kom, kom, laat ons daar niet langer over twisten. Ik ga er u het bewijs +van geven. Ik zal hem het woord toesturen en slechts, als bij geval, den +naam van Napoleon uitspreken. Indien gij dan nog twijfelt, of hij zot +is, zal ik twijfelen of gij het niet zijt."</p> + +<p>"Neen, doe dit niet!" smeekte de fourier.</p> + +<p>"Bah, het schaadt hem niet; integendeel, het maakt hem voor eenige +oogenblikken gelukkig. Gij hebt er u niet mede te bemoeien; zie en hoor, +dit is voldoende."</p> + +<p>Zij keerden terug in de gelagkamer; de fourier bleef bij den toog staan, +terwijl zijn kameraad den heer met den toegeknoopten jas naderde, en als +onverschillig hem zeide:</p> + +<p>"Het is zeer heet vandaag, niet waar? Een ander weder dan toen Napoleon +met zijn groot leger in Rusland...."</p> + +<p>Hij kon niet eindigen; reeds was de heer rechtgesprongen, en riep nu met +oogen die van trotschheid fonkelden:</p> + +<p>"Napoleon? De groote Napoleon? Hij is hier te midden der Markt gekomen, +op een wit paard; hij heeft mij vriendelijk op den schouder geklopt en +mij gezegd: u maak ik burgemeester van Gheel voor geheel uw leven! En om +uw groot verstand en uwe geleerdheid te beloonen, daar is het eerekruis, +daar zijn al mijne kruisen!.... Gij gelooft het niet? Ziehier!"</p> + +<p>En onder het uiten dezer woorden, rukte hij zoo geweldig zijnen jas +open, dat twee of drie knoopen lossprongen.</p> + +<p>Op zijne borst blonken, aan vuile linten van allerlei kleur, medailles, +ongangbare munten, blikken schijven, ja, zelfs het tinnen deksel eener +pint.</p> + +<p>Terwijl de fourier, bleek van aandoening en medelijden, den gewaanden +filosoof aanstaarde, ging deze immer voort met over de bijzondere +genegenheid van den grooten Napoleon voor hem te roemen, en verklaarde, +met gekken ophef, van wie en waarom hij zijne schitterende eereteekens +had bekomen: dit was het Fransche legioen van eer, dat was de +Nederlandsche Leeuw, een derde het kruis van Oostenrijk, de anderen de +kruisen van Spanje, van Rusland, van Turkije, ja, zelfs van de Kaap der +Goede Hoop!</p> + +<p>Na eene wijl met eenen halven glimlach dit tooneel te hebben nagezien, +kwam de baas van achter zijnen toog, legde zijnen arm den opgewonden man +over den schouder en fluisterde hem iets aan het oor.</p> + +<p>De oude heer, als bij tooverslag bedarend, knoopte zijnen jas toe, zakte +op zijnen stoel terug en bleef zeer stil en bewegingloos, met het +gezicht neergeslagen zitten.</p> + +<p>Op dit oogenblik traden drie andere onder-officiers in de herberg. Zij +kenden den fourier niet; maar de sergeant hun gezegd hebbende wie hij +was, werden de handdrukken gewisseld en de kennis gemaakt.</p> + +<p>Onderwijl had de heer met de toegeknoopte jas zijne pint bier geledigd +en zonder spreken de herberg verlaten.</p> + +<p>Natuurlijk was,—toen de onder-officiers te zamen bij eene tafel hadden +plaats genomen,—het eerste onderwerp hunner redekaveling de wonderlijke +zinnelooze, die daar juist was weggegaan.</p> + +<p>De sergeant legde hun uit, wat hij over dezen man had vernomen. Het +scheen dat hij waarlijk, ten tijde van Napoleon, had gehoopt tot +burgemeester eener groote gemeente in Brabant benoemd te worden; maar +dat hij, in zijne eerzucht bedrogen, het verstand was kwijtgeraakt.</p> + +<p>Dan begonnen de andere onder-officiers te zeggen, wat soort van +zinneloozen in hun logement werden verpleegd, en welke zonderlinge +tooneelen zij dagelijks bijwoonden.</p> + +<p>De eerste vertelde, dat er in zijn logement eene zottin was, die zich +verbeeldde Onze Lieve Vrouw zelve te zijn; en, het wonderlijkste van al, +de andere zinneloozen schenen daarvan zoo innig overtuigd, dat zij bijna +gedurig voor haar op de knieën zaten te bidden.... Er was ook een +man,—een heer van Brussel,—die den ganschen dag niets deed dan in het +veld met eene roede den grond af te meten en op een boekje de bekomene +maten te berekenen. In den eerste weigerde deze man hem het geheim van +zijnen arbeid te openbaren; maar het was hem toch eindelijk gelukt, den +zot tot spreken te brengen. Uit zijne verklaringen bleek, dat hij een +ontwerp vormde om van Gheel eene zeehaven te maken; daartoe wilde hij +eene breede vaart doen graven, die boven Antwerpen in de Schelde zou +monden. Eenige millioenen waren toereikend om dit werk te bekostigen. +Aan de belangen van handel of landbouw liet hij zich in deze zaak weinig +gelegen, aangezien zijn eenig doel was, de zinneloozen van Amerika, van +Batavia en van geheel de wereld naar Gheel te lokken, door hun de reis +gemakkelijk te maken.</p> + +<p>In het logement van den tweede woonde een zot, die voor karaktertrek +had, alles te stelen waar hij aan of bij kon komen, de gestolen +voorwerpen onder zijn bed verborg en ze dan geheel vergat. Zoo had hij +reeds eens den schako en tweemaal de schoenen van den onder-officier op +den zoek gebracht; maar de lieden van den huize, wanneer er iets werd +gemist, waren zeker het onder het bed van den zot terug te vinden.... +Nevens deze sliep een Paus, die altoos statig rondwandelde, met eenen +grooten houten sleutel in de linkerhand, terwijl hij met de andere niets +deed dan zegeningen uitdeelen.</p> + +<p>De derde vertelde van eene vrouw, die de onwrikbare overtuiging had, dat +zij sedert lang was gestorven en zich in de andere wereld bevond. Ook +zag zij in hare gezellen en in de burgers van Gheel niets dan spoken of +zielen van overledenen, die, evenals zij, in hunnen aardschen vorm op +het laatste oordeel wachtten. Den onder-officier deed zij echter eene +bijzondere eer aan, want zij hield hem voor den aartsengel St.-Michiel +in persoon.</p> + +<p>Nog spraken zij van eenen afgedankten kapitein, die zich opper-generaal +van het Nederlandsch leger waande; van een Lodewijk XVII, die beweerde +aan zijnen bewaker Simon te zijn ontsnapt; van eenen ouden huissier, +wien men niet uit het hoofd kon praten dat hij een weerwolf was, en van +meer andere gevallen.</p> + +<p>Waarschijnlijk dat zij, allengs door hunne eigene verhalen aangeprikkeld +of volgens soldaten-gewoonte, de zaken begonnen te overdrijven en er wel +iets van eigen vinding bijvoegden, want een hunner riep uit:</p> + +<p>"Het schoonste zou ik nog vergeten! Wat mij gebeurd is, op den eersten +dag mijner aankomst te Gheel, overtreft alles. Ik stond op de Markt; +daar naderde mij een man met eene kroon van verguld papier op het hoofd, +en langzaam en rechtop gaande, met geheimzinnige blikken en gebaren als +een profeet. Ik twijfelde niet, of het moest een dier zotten zijn, welke +zich keizer of koning wanen; maar hij stak den vinger gebiedend tot mij +uit en zeide op plechtigen toon: 'Kniel en bid, ik ben +God-de-zoon!'—Maar even ras kwam een andere zot toegeloopen, en deze +riep met koddige verontwaardiging: 'Geloof hem niet, mijnheer; hij +liegt. Ik ben God-de-vader en ik ken hem niet!'"</p> + +<p>Dit vertelsel deed eenen langen schaterlach ontstaan. De fourier alleen +bleef ernstig en was in het geheel niet tot vroolijkheid gestemd. Het +lot dezer arme, ongelukkige menschen scheen hem zoo ellendig en +beklagenswaardig, dat hij met eene soort van afkeer de scherts zijner +makkers aanhoorde. Een onuitlegbaar gevoel van angstigheid ontstelde +hem, en sedert eene wijl begon hij te zeggen, dat zijn uur om naar Moll +terug te keeren was verschenen, en hij welhaast hun vaarwel zou moeten +wenschen.</p> + +<p>Hij drukte tevens met zooveel aandringen den wensch uit, door zijnen +vriend, den sergeant, ten minste tot bij het gehucht Kevermont te worden +vergezeld, dat deze met hem de herberg verliet.</p> + +<p>Onderweg zeide de sergeant glimlachende:</p> + +<p>"Ik doe u gaarne uitgeleide, gij twijfelt daar zeker niet aan; maar +waarom scheen mijn gezelschap nu zoo bijzonder veel prijs voor u te +hebben? Gij zijt vervaard van de zotten en gaat liever met twee dan +alleen tot aan de palen der gemeente? Bedrieg ik mij?"</p> + +<p>"Neen, het is wel zoo," antwoordde de fourier half beschaamd. "Ik weet +niet wat ik heb, maar ik gevoel mij geheel ontsteld en ben niet op mijn +gemak."</p> + +<p>"Och, gij zijt nog altijd dezelfde droomer als toen wij te Borgerhout te +zamen speelden. De wereld is nu zoo; wij hebben ze niet gemaakt en +kunnen ze niet veranderen."</p> + +<p>"Maar hoe is het mogelijk, sergeant, dat men lache en spotte met het +ellendig lot der arme zotten? Het zijn toch menschen zooals wij."</p> + +<p>"Misschien; wat ik evenwel heb opgemerkt, is, dat de krankzinnigheid der +meesten onder hen slechts de straf van ijdelheid en hoogmoed is."</p> + +<p>"Neen, sergeant, daarin bedriegt gij u zeker. Verlies van fortuin, +liefdesverdriet, wonden aan het hoofd, ongeluk en tegenspoed, ziedaar de +oorzaken welke den mensch van het verstand berooven."</p> + +<p>"Gij gelooft het, fourier? Maar dan nog griffelt de verwaandheid en de +ijdele hoogmoed zich op de eerste oorzaak. Wat zien wij hier anders dan +Goden, pausen, keizers, koningen, oorlogshelden en millioenrijke lieden? +Op weinige uitzonderingen na, niets dan hoogmoed en ijdelheid."</p> + +<p>Zoo redekavelende, vervorderden de beide onder-officiers hunnen weg. Nog +zagen zij vele zinneloozen; maar die, welke hen naderen wilden, hield de +sergeant door zijnen strengen blik en dreigende gebaren achteruit, en +zoo bereikten zij eindelijk het gehucht Kevermont, waar zij van elkander +afscheid namen.</p> + +<p>De sergeant keerde terug naar Gheel en de fourier, nadenkend en +mismoedig, ging de baan naar Moll op.</p> + + + +<div class="voetnoot"><p><br /><a name="Voetnoot_1_1" id="Voetnoot_1_1"></a><a href="#FNanchor_1_1"><span class="label">[1]</span></a> In de Kempen en overal in Brabant, worden de woorden +<i>krankzinnig</i> of <i>zinneloos</i> wel in de schrifttaal gebezigd; maar in de +volkstaal kent men slechts het woord <i>zot</i>; en wij zijn, om de waarheid +nabij te blijven, verplicht dit woord insgelijks in den mond onzer +sprekende personen te leggen.</p></div> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Vooraleer te vertellen wat den fourier later nog met de zinneloozen +wedervoer, is het noodig hier eene aanmerking in te lasschen. Ofschoon +wij, tot nu, niets anders beschreven dan wat de jonge fourier werkelijk +heeft gezien en gehoord, zou men kunnen twijfelen aan de waarheid van +ons verhaal, omdat de toestand der krankzinnigen te Gheel aanzienlijk is +veranderd sedert het Staatsbestuur, in 1851, de hooge hand over hunne +verpleging heeft genomen. Om dit te voorkomen zal het volstaan, hier een +kort uittreksel te geven uit het belangwekkend werk: "<i>Gheel, de Kolonie +der krankzinnigen, historisch geschetst door A.C. Van der Cruyssen</i>." +Deze schrijver zegt onder ander:</p> + +<div class="blockquot"><p>"Toen wij te Gheel aankwamen, stonden wij niet weinig verwonderd, +niets van dit buitengewone, dat men ons zoo levendig afgeschetst +had, te ontwaren. Het gaat er rustig toe evenals in elke andere +gemeente; men bemerkt er bij eene oppervlakkige beschouwing niets +bijzonders; en, zoo men niet wist, zich in een middelpunt te +bevinden, waar zich meer dan 900 zinneloozen bewegen, men zou dit +niet het minste bespeuren, en Gheel voor eene der rustigste +plaatsen van gansch het land nemen.</p> + +<p>"Nogtans men had er ons zooveel van verteld. Mannen, die zich +inbeelden keizers en koningen te zijn, liepen er in grootsche +houding de Markt op en neder, gevolgd door eenen sleep +straatbengels; hier zag men er met groote hoeden, suwarows met +pluimen op het hoofd en eene houten sabel aan de zijde, die dachten +groote veldovorsten te zijn en in schijn een gansch leger +aanvoerden; daar groote dames, prinsessen en wat al meer; verder +bisschoppen, predikers en anderen, in de drolligste kleeding, die +hen aan de algemeene bespotting blootstellen moest.</p> + +<p>"Zeker moest de beweging van die verschillige zinneloozen, die daar +allen volgens goeddunken liepen en wandelden, te midden eener +volkrijke plaats en van duizenden menschen met verstandelijke +vermogens begaafd, het zonderlingste kontrast opleveren, dat men +wel ooit op eene vrije plaats aantreffen kon. Dit alles is echter +voorbij, niets meer van dat buitengewone, dat u opeens zeide waar +gij u bevondt.</p> + +<p>"Op onze bemerking van den geneesheer-opzichter, Br. Bulckens over +hetgeen men mij verhaald had, zeide deze achtbare heer, dat dit +vroeger zoo bestond; maar dat dit slechte gebruik sinds +verscheidene jaren uitgeroeid is."</p></div> + +<p>Tot dus verre de hr. C. Van der Cruyssen.</p> + +<p>In den loop dezes jaars 1878, heeft de schrijver van dit verhaal +gelegenheid gehad, om de gemeente Gheel te bezoeken en er kunnen +erkennen dat, alhoewel daar nu ongereer 1300 krankzinnigen worden +verpleegd, en deze meest allen in vrijheid op de straat verkeeren, het +er inderdaad even rustig toegaat als in het vreedzaamste dorp des lands.</p> + +<p>Het kan dus niet verwonderen, dat een geleerde, als de hr. August +Droste, in zijn schrift over Gheel, dit stadje <i>Das paradies der +Wahnsinnigen</i> noemt; en wij, hem daarin navolgende, ons verhaal <i>Het +Paradijs der krankzinnigen</i> hebben betiteld.</p> + + +<h3><a name="HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGENII" id="HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGENII"></a>II.</h3> + +<p>Te Moll teruggekeerd, vertelde de fourier aan zijnen sergeant-majoor, +wat wonderlijke, treurige dingen hij te Gheel had gezien en vernomen; +hij verborg hem daarbij niet, hoe onuitlegbaar diep hij door het +schouwspel van der zinneloozen ellendig lot was ontroerd geworden.</p> + +<p>Zijn kameraad schertste gedurende eenige dagen met zijne overdrevene +gevoeligheid, waarna deze indrukken allengs in des fouriers gemoed zelf +verzwakten; en hij had de krankzinnigen van Gheel waarschijnlijk al +spoedig vergeten, indien niet eene onverwachte omstandigheid ze weder +had te berde gebracht.</p> + +<p>Eenen middag, toen de onder-officiers op de wacht-parade tegenwoordig +waren om het dagorde te ontvangen, werd daar een bevel van den generaal +afgelezen, welks voorname inhoud was, dat de twee Compagnies morgen naar +Gheel zouden vertrekken, om er de compagnies van het 3de bataljon te +vervangen, die zich naar Turnhout begaven.</p> + +<p>Dit nieuws verraste den fourier niet weinig; hij twijfelde een +oogenblik, of hij het wel juist had verstaan. Wat? zij moesten te Gheel +gaan logeeren? Te midden der zinneloozen leven, en ongetwijfeld onder +hetzelfde dak slapen met eenigen der schrikbarende wezens, wier +aandenken hem nu nog somwijlen deed huiveren!</p> + +<p>Dan, er was aan de noodzakelijkheid niet te ontsnappen: een soldaat +gehoorzaamt.</p> + +<p>In het gevoel, dat hij ditmaal niet naar Gheel zou gaan als liefhebber +en uit vrijen wil, maar tot het vervullen van eenen opgelegden plicht, +vond hij gemoedssterkte genoeg om zijne bekommerdheid te overwinnen.... +en het was tamelijk licht van hart, dat hij, des anderen daags 's +morgens, de lieden der Zwaan vaarwel wenschte, en met den +sergeant-majoor zich schikte bij den troep, die reeds met pak en zak +reisvaardig stond.</p> + +<p>De trommels gaven het sein, en de compagnies, tot bij de laatste huizen +der gemeente door een gedeelte der inwoners begeleid, sloegen de +aardebaan naar Gheel in.</p> + +<p>Ongeveer twee uren later, bereikten zij de kerk van St. Dymphna en de +eerste huizen der gemeente Gheel.</p> + +<p>Van dit oogenblik af, werden zij al meer en meer vergezeld of +voorafgeloopen door zinneloozen,—meest kinderen,—die met papieren +hoeden op het hoofd en houten sabels of stokken in de hand sprongen en +dansten op de maat der trommels.</p> + +<p>In den eerste poogden de bijldragers of <i>sapeurs</i> hen te verjagen; maar +het was als een vliegenzwerm; zij vloden wel weg voor de bedreiging der +sapeurs, doch keerden telkens weder; en dewijl er van alle kanten nog +anderen kwamen toegeloopen, was het wel zichtbaar dat men ze moeilijk +zou kunnen verdrijven. De gansche troep, officiers en soldaten, eindigde +dan ook met om het zonderlinge schouwspel te lachen, en vervorderde +zijnen weg zonder zich aan de luidruchtige vroolijkheid der arme wezens +gelegen te laten.</p> + +<p>Bij de Markt kwamen nog een honderdtal straatbengels, even uitgelaten, +zich met de zinneloozen vermengen; en toen eindelijk de compagnies voor +het gemeentehuis stilhielden, waren zij omringd van eene wolk dansende +of juichende lieden, waartusschen men onmogelijk de redehebbenden van de +krankzinnigen kon onderscheiden.</p> + +<p>Hier werden onmiddellijk de logement-biljetten uitgedeeld, en welhaast +zag men de soldaten, in groepjes van zes, vier of twee, naar alle +richtingen zich over de Markt verspreiden om hunne herberg op te zoeken. +Niet zelden kregen zij, zonder het te vermoeden, eenen zinnelooze tot +leidsman, en daaruit ontstonden koddige misgrepen en verrassende +tooneelen, die den ganschen dag het voorwerp bleven van de vroolijke +scherts der soldaten.</p> + +<p>Op de Groote Markt zelve, te midden der Westelijke zijde, werd den +sergeant-majoor en den fourier van verre hun logement aangewezen.</p> + +<p>Het scheen een tamelijk groot burgerhuis; maar, buiten de gewone +inkomdeur, had het nog eene wagenpoort, die toeliet op eenen voorhof te +zien, waar de mesthoop, karren, egge en ploeg aantoonden, dat hier, +evenals bij vele inwoners van Gheel, nevens de verpleging van +krankzinnigen, insgelijks den landbouwerssstiel werd uitgeoefend.</p> + +<p>Onze onder-officiers werden zonder veel beslag, doch met minzaamheid +onthaald door eene dochter en eene oude vrouw, welke laatste hun zeide:</p> + +<p>"Ja, mijnheeren, het is wel ten onzent, dat gij moet zijn. Komt binnen, +en weest zoo goed ons te volgen; wij gaan u maar seffens uwe kamer +toonen; zoo kunt gij u van ransel en geweer ontdoen."</p> + +<p>Men bracht hen eerst door een ruim vertrek, waar vier of vijf +personen,—eene juffer in uitgezochte kleeding, een oude man, een jongen +van dertien of veertien jaar en een klein meisje,—rondom den wijden +schoorsteen zaten: zinneloozen ongetwijfeld, want in hunne blikken of in +hunnen lach was iets verwilderds of iets dwaas. Boos of dreigend schenen +zij echter niet te zijn; bovenal niet de juffer die, roerloos als een +wassen beeld, hare groote blauwe oogen, zoet en klagend, op hen hield +gericht.</p> + +<p>"Zoo jong, zoo lief.... en krankzinnig!" zuchtte de fourier met +medelijden.</p> + +<p>"Het is Ermelinde, de verwenschte prinses," zeide de dochter met eenen +glimlach.</p> + +<p>"Houdt gij nog andere zotten?" vroeg de sergeant-majoor.</p> + +<p>"Wij houden er gewoonlijk tien," was het antwoord. "Voor het oogenblik +hebben wij er maar acht. Het zijn gelukkiglijk stille, rustige +zotten.... behalve een enkele, maar die is meest altoos opgesloten."</p> + +<p>Nu bereikten zij de kamer, die den onder-officiers tot tijdelijk +verblijf was bestemd, en er ruim en goed ingericht uitzag.</p> + +<p>"Vrienden," sprak de oude bazin, "stelt u nu maar op uw gemak en doet +alsof gij te huis waart. Wij hebben allen ons werk: ik moet koken, bijna +den geheelen dag; onze Trees, daar, moet mij helpen en de koeien in den +stal verzorgen; onze Beth, welke gij straks zult zien, moet op de zotten +letten; mijn man en mijne twee zonen zijn aan den veldarbeid. Misschien +zoudt gij kunnen denken, dat wij niet veel naar u omkijken; maar, +wenscht gij iets, zegt het. Kan het zijn, wij zullen het u +oogenblikkelijk geven, met veel plezier. En wat de uitdeelingen van +vleesch en brood of handgeld betreft, mijnheeren, die kunt gij doen op +den voorhof. Daar is eene schuur met tafel, banken en weegschaal, +doelmatig daartoe geschikt. Wij hebben tot nu toe sergeant-majoors en +fouriers gelogeerd en waren altijd de beste vrienden."</p> + +<p>De onder-officiers bedankten haar voor hare goedwilligheid.</p> + +<p>"Ik zou het nog vergeten," voegde zij in het heengaan er bij. "Het is +nog verre van middag en de reis heeft misschien uwen eetlust opgewekt. +Komt beneden, mijnheeren, zoohaast gij hier gedaan hebt: de hesp, de +kramik en een goed glas bier zullen gereed staan."</p> + +<p>Met deze woorden lieten de vrouwen hen alleen.</p> + +<p>De sergeant-majoor wreef zich de handen en juichte over het +voortreffelijk logement, dat hun ten deel was gevallen. Min vroolijk +scheen de fourier. Toen zijn gezel hem de reden dezer koelheid vroeg, +bleek het, dat de prinses Ermelinde hem in het hoofd speelde en hem +eensklaps zwaarmoedig had gemaakt. Dit gaf den sergeant-majoor weder +stof tot spotten.</p> + +<p>"Uwe gekke scherts laat mij ongevoelig," zeide de fourier zeer ernstig. +"Zeg al wat gij wilt; maar ik kan, zonder van medelijden te sidderen, +mij niet voorstellen, dat zulk jong meisje, die waarschijnlijk tot eene +goede familie behoort, voor gansch haar leven tot krankzinnigheid is +veroordeeld. Misschien was zij bestemd om in de wereld te schitteren; +zij is schoon...."</p> + +<p>"Schoon?" riep de sergeant-majoor, "dit levenloos gelaat, zonder de +minste uitdrukking, effen en blinkend als een porseleinen poppenkop? Ik +geloof, dat gij scheel ziet. Is het mogelijk, zulk spookachtig +aangezicht schoon te vinden! Let maar op, dat uw ziekelijk medelijden u +zelf niet zot maakt."</p> + +<p>"Daarvoor is geen gevaar," wedersprak de fourier lachend. "Ik ben +inderdaad kinderachtig. Wat kan ik er evenwel aandoen? Maar het is +alweder een eerste indruk, die spoedig zal voorbij zijn.... Laat ons nu +beneden gaan en de hesp eens aanspreken; want, ondanks mijne deernis met +het lot der arme juffer, gevoel ik, dat het mij wel zal smaken."</p> + +<p>Zij daalden een tiental trappen af en kwamen in de huiskamer, tevens tot +keuken dienende, en waar zij ditmaal geene zinneloozen meer aantroffen.</p> + +<p>"Zit neder, mijnheeren," zeide de oude bazin, die alleen was om hen te +onthalen. "Gij zult mij nieuws zeggen van onze hesp en onzen kramik."</p> + +<p>Toen ze beiden reeds aan tafel hadden plaats genomen, keek de fourier, +waarschijnlijk zonder het te weten, nog om naar den leunstoel bij den +schoorsteen, waar eenige minuten te voren de krankzinnige juffer had +gezeten.</p> + +<p>"Ja, ik zie het wel, mijnheeren," zeide de bazin, "het verwondert u, dat +onze kostgangers eensklaps zijn verdwenen. Mijne dochter Beth heeft ze +in de zottenkamer geroepen, opdat zij u, ten minste dezen morgen, niet +zouden storen. Anders gaan en komen zij vrij door ons huis, in den hof +en zelfs op straat. Het zou wreed zijn, niet waar, de ongelukkige +schapen, die niemand kwaaddoen, altijd in dezelfde kamer opgesloten te +houden? En gij zult het ongetwijfeld niet kwalijk nemen, indien gij nu +en dan eenen onzer zotten ontmoet."</p> + +<p>"Zeker niet, bazin; integendeel, het zou ons spijten, moesten zij voor +ons een oogenblik hunne vrijheid missen," antwoordden de +onder-officiers.</p> + +<p>"Zij verlieten niet gaarne de keuken," ging de vrouw voort, "want die +onnoozele sukkelaars zijn nog nieuwsgieriger dan redelijke menschen. Ik +had ze niet weggekregen: zij moesten onze nieuwe soldaten zien, maar +onze Beth is de moeder der zotten; op den klank harer stem of op eenen +wenk van haren vinger, gehoorzamen zij goedwillig, ja, zelfs de reus +Carabos,—zooals de prinses Ermelinde hem noemt,—die anders, nacht en +dag, zou moeten geboeid liggen.... maar, dank zij onze Beth, nu kan de +arme man van tijd tot tijd in de zottenkamers wat rondwandelen en zijne +leden uitrekken."</p> + +<p>"Is er een reus in uw huis? Een zinnelooze reus?" mompelde de fourier +half lachend en half angstig.</p> + +<p>"Het is veeleer een leeuw in menschengedaante. Was onze Beth niet daar +om hem te temmen, voor geen geld der wereld nam ik hem in den kost. Gij +zult hem zien, mijnheeren, morgen of overmorgen wanneer hij kalm is. Ik +weet het niet, onze Beth alleen weet het."</p> + +<p>Terwijl de bazin deze uitleggingen gaf, hield zij zich onledig met hare +keuken. Zij stelde eenen ziedenden pot op de heete assche, trok eenen +emmer bij en begon aardappelen te schillen.</p> + +<p>De sergeant-majoor, die opmerkte dat de oude vrouw gaarne sprak, vroeg +haar eenige inlichtingen aangaande de krankzinnige juffer, welke bij +hunne komst in den leunstoel had gezeten, en drukte daarbij de meening +uit, dat ongetwijfeld liefdesverdriet de oorzaak harer ziekte was.</p> + +<p>"Dit weten wij niet juist, mijnheeren," antwoordde zij. "Het is toch wel +mogelijk; maar mijn gevoelen is, dat men haar, toen ze nog een kind was, +te dikwijls in slaap heeft gewiegd met vertelsels van tooverijen, +reuzen, monsters en andere dwaze dingen. Zij verbeeldt zich, eene +koningsdochter te zijn, die verwenscht is door eenen machtigen +toovenaar, en in eenen kuil onder den grond moet zuchten en tranen +storten, totdat haar verloofde, de prins Arthur, haar komt verlossen. +Maar zij en die arme Arthur zijn wel te beklagen; want om haar te kunnen +redden, moet hij eerst den reus Carabos het hoofd afslaan en eenen draak +met zeven koppen overwinnen.... Gij zult het bij gelegenheid wel uit +haren eigen mond vernemen. Zij antwoordt zeer zelden rechtstreeks op wat +men haar zegt of vraagt; maar vertelt schier elken dag hare geschiedenis +aan wezens, die zij waant te zien."</p> + +<p>"Van waar is het arme meisje?" vroeg de fourier.</p> + +<p>"Van Brussel, mijnheer. Zij is eene weeze, door hare voogden bij ons +besteed. Ongetwijfeld hebben hare ouders haar eene rijke erfenis +nagelaten; want niets mogen wij haar weigeren, noch kostbare kleederen, +noch uitgekozen voedsel. Zij heeft eene kamer voor haar alleen en wordt +er gediend als eene welhebbende dame. Wat haar het grootst gedeelte van +den dag bezighoudt, is haar opschik; zij is uiterst zindelijk, zooals +gij het ongetwijfeld hebt opgemerkt."</p> + +<p>"Ja, haar aangezicht is glad en blinkt als ware het gevernist!" +schertste de sergeant-majoor.</p> + +<p>"Nu, dit komt daarvan, mijnheer, dat de prinses Ermelinde zich niet +alleen het blonde haar met pomade besmeert, maar ook voorhoofd en +wangen."</p> + +<p>De fourier luisterde nadenkend toe. Hoe meer hij van de prinses +Ermelinde hoorde vertellen, hoe dieper zijn medelijden werd.—Eene +weeze, jong, rijk en schoon.... en verzonken voor altijd in den donkeren +kolk der zinneloosheid! Het was een lot, zoo schrikkelijk, zoo +beklagenswaardig, dat er aan te denken alleen hem het hart beklemde.</p> + +<p>Op de vragen van den sergeant-majoor, zeide de bazin verder:</p> + +<p>"Gij hebt tot nu maar vier onzer zotten gezien, mijnheeren; namelijk de +prinses; een ouden vent, die slechts doodarme bloedverwanten heeft, en +sedert twintig jaar op eene millioenrijke erfenis wacht; een jongen, +zonder verstand geboren; en een klein meisje, zot geworden nadat zij +door eenen harer schoolkameraden met eenen steen tegen het hoofd werd +geworpen. De anderen, welke gij nog niet hebt gezien, zijn ten eerste de +reus Carabos, van wien ik u reeds heb gesproken; ten tweede +Baptist-de-vogel, een professor der cijferkunst, die uit eenen ballon +gevallen is en meent in de maan te zijn geweest. Hij zal u van zijne +reis de ongelofelijkste dingen vertellen, indien gij maar wilt +luisteren; ten derde, een ouden sukkelaar, die gelooft een dozijn +levende muizen in zijne maag te hebben, en gansche dagen met het hoofd +op de borst zit om ze te hooren piepen; en ten vierde Trientje Snoeck, +een zeventigjarig vrouwken, die voor eenige bezigheid heeft, onder +stoelen, banken en kassen naar haren neus te zoeken, dien zij meent te +hebben verloren."</p> + +<p>"En heeft zij werkelijk geenen neus?" lachte de sergeant-majoor.</p> + +<p>"Geenen neus, mijnheer? Hij bedekt de helft van haar aangezicht; maar +zij gelooft dat het een houten neus is, dien men haar heeft opgezet. Ook +trekt zij er gedurig aan, om hem los te maken; maar hij staat vast en +het doet haar te veel pijn."</p> + +<p>Na aldus door de bazin nog eenige andere inlichtingen te hebben bekomen, +stonden de onder-officieren van tafel op. De sergeant-majoor betuigde +den lust om de gemeente eens rond te wandelen.</p> + +<p>Beiden wenschten de goede vrouw vaarwel tot den middag, en traden de +straat in.</p> + +<p>Zij ontmoetten vele lieden, die klaarblijkend krankzinnig waren; eenigen +stuurden hun het woord toe, en de sergeant-majoor lachte met hunne vieze +grillen of dreef hen achteruit, zoohaast zij hun lastig werden. Ook de +fourier begon te ondervinden, dat het gezicht dezer onnoozele of dolende +menschen niet meer voor hem zoo schrikwekkend was als de eerste maal, en +hij erkende, dat hij na weinige dagen er zich geheel zou kunnen aan +gewennen.</p> + +<p>Toen zij,—na een uurtje nog in de herberg de Toren met goede kameraden +te hebben doorgebracht,—weder te huis kwamen, vonden zij de lieden +reeds aan tafel en op hen wachtende om het middagmaal te beginnen.</p> + +<p>Daar zagen zij nu den baas en zijne twee zonen, mannen met breede +schouders en eeltige handen, minzaam doch weinig sprekende.</p> + +<p>Een stoel, waarvoor een bord stond, bleef ledig. Zij twijfelden niet, of +deze plaats aan tafel was bestemd voor Beth, de moeder der zotten, die +met eenen wenk harer oogen den reus Carabos kon doen gehoorzamen.... +Maar toen het middagmaal reeds halve was afgeloopen, had nog niemand den +ledigen stoel ingenomen.</p> + +<p>Dan stond echter de andere dochter, die met zichtbaren haast had +gegeten, van tafel op en verdween in eene nevendeur, langs waar hare +zuster, een oogenblik daarna, in de keuken kwam, om op hare beurt het +noenmaal te nemen.</p> + +<p>Dit was dus Beth; de bewaakster der zinneloozen. Zij groette door eenen +stillen "goeden dag, mijnheeren," de twee onder-officiers en begon, +zonder meer acht op hen te slaan, haar middagmaal.</p> + +<p>Niets bijzonders was er aan haar op te merken; evenals hare zuster was +zij de eerste jeugd voorbij, noch mooi, noch leelijk, sterk van +lichaamsbouw en grof van wezenstrekken; maar zoohaast haar eerste +eetlust wat gestild was, en zij nu en dan de nieuwe kostgasten aanzag, +stonden dezen niet weinig verbaasd over de indringende vastheid en de +beheerschende kracht van haren blik. De fourier bovenal, daar hij +telkens als gedwongen werd, de oogen voor haar neder te slaan, gevoelde +zich vernederd en gekwetst, en, wat er in zijn hart voor de fiere meid +ontstond, was geheel iets anders dan toeneiging.</p> + +<p>"Juffrouw Beth is de moeder der zotten?" vroeg haar de sergeant-majoor +met een glimlach, dien hij zoo beleefd mogelijk poogde te maken.</p> + +<p>"De bewaakster en verpleegster der zotten, inderdaad, mijnheer," +antwoordde zij.</p> + +<p>"En blijft gij zoo geheele dagen alleen met hen?"</p> + +<p>"Het is mijn plicht, mijnheer."</p> + +<p>"Een treurige plicht."</p> + +<p>"Wanneer men hem volbrengt met liefde...."</p> + +<p>"En gij zijt niet vervaard, juffrouw?"</p> + +<p>"Vervaard? Ik? Al onze zotten zijn zachte, stille lieden."</p> + +<p>"Uwe moeder sprak ons nogtans van eenen reus Carabos."</p> + +<p>"Ja, Carabos, zooals onze prinses hem gedoopt beeft. Die ligt aan ketens +geboeid, zoolang ik afwezig ben."</p> + +<p>"Ha, dit is altijd eene verzekering; maar indien hij bij ongeluk zijne +keten verbrak?"</p> + +<p>Beth glimlachte, en zich een weinig ter zijde over den vloer buigende, +wees zij met den uitgestrekten vinger ten gronde.</p> + +<p>"Hij mag losbreken en woedend worden," zeide zij, "met mijne oogen en +met zulk teeken van mijnen vinger, zal ik hem voor mijne voeten doen +knielen."</p> + +<p>Bij het uiten dezer woorden had zij waarlijk een meesterachtig, een +mannelijk voorkomen, dat eenen diepen indruk op het gemoed harer +aanhoorders deed. Hare ouders en hare broeders schenen trotsch over hare +stoutmoedigheid, en bezagen de onder-officiers met oogen, die schenen te +vragen: "Welnu, wat dunkt U van zulke vrouw?"</p> + +<p>Een zwaar en dof gerucht, als van paarden die in den stal trappelden, +deed het huis daveren.</p> + +<p>"Hoort gij, mijnheeren, hij schudt en wringt zijne keten," zeide Beth +opstaande. "Uwe trommelaars hebben hem onrustig gemaakt; mij in zijne +nabijheid te weten, kan alleen hem bedaren. Ik ga den ongelukkige zijne +boeien afdoen. Indien de heeren lust hebben om onzen armen Carabos te +zien, zou ik hun aanraden tot morgen te wachten. Nu is hij te +aangejaagd. Vaarwel, mijnbeeren: mijn plicht is daar, achter die deur."</p> + +<p>En zij verdween in de nevenkamer.</p> + +<p>De ouders begonnen te roemen over hunne dochter, een toonbeeld van moed, +opoffering en werkzaamheid, tot zoo verre dat niemand hunner zich met +de zotten had te bemoeien, noch dag noch nacht; want Beth sliep in het +gedeelte van het huis, dat voor de zotten was bestemd; en, wat er ook +voorviel, zij alleen herstelde de rust en de stilte. De tegenwoordigheid +van anderen deed er meer kwaad dan goed aan.</p> + +<p>Op eene half schertsende bemerking van den sergeant-majoor, antwoordde +de bazin:</p> + +<p>"Vechten met de zotten? Geweld gebruiken? Kom, mijnheer, daar is schijn +noch gedachte van. De zotten weten wel, waarom zij hunne bewaakster den +zoeten naam van moeder geven. Zij wascht en reinigt ze, zij laat hun +niets ontbreken, zij vervroolijkt ze met spel en zang, en, waar zij kan, +troost ze de arme schapen alsof het hare eigene kinderen waren. Hare +goedheid en haar engelachtig geduld hebben zelfs in den reus +Carabos,—die anders van den mensch niets heeft dan eene verre +gelijkenis,—een gevoel van dankbaarheid opgewekt. Zoo is onze Beth van +kindsbeen af, mijnheeren, tusschen zinneloozen opgevoed, heeft zij niet, +als anderen, met hun ongeluk gespot of van hen teruggeschrikt; +integendeel, in haar is de gedachte gegroeid, dat zij ook den hemel kan +verdienen met wel te doen aan die ongelukkige, verlatene wezens.... en, +op mijn woord, ik geloof dat ze gelijk heeft. Wat dunkt u daarover, +mijnheeren?"</p> + +<p>"Hum, hum, het hangt af van goesting," mompelde de sergeant-majoor.</p> + +<p>"Ja, ja, bazin, uwe edelmoedige dochter heeft gelijk!" riep de fourier +met begeestering uit. "Het is een heilige taak, het bitter lot dezer +arme, dolende zielen te verzachten. Wel zeker moet zulk verborgen werk +der hoogste liefdadigheid aangenamer zijn in Gods oogen, dan vele +schitterende daden, die hunne belooning vinden in de bewondering der +wereld!"</p> + +<p>De oude vader stond op en kwam ontroerd de hand van den jongen +onder-officier drukken.</p> + +<p>"Gij begrijpt het goed, fourier," zeide hij. "Er zijn twee wijzen om +zijn geld met de verpleging der zotten te winnen: ze voeden en +gevoelloos hun lijden aanzien, of hun daarbij nog een deel van zijn hart +te geven en ze te troosten, waar het mogelijk is. Onze Beth doet meer: +zij aanschouwt die kamers, daar achter, als haar klooster; en met haar +leven aan de verpleging der zotten te besteden, meent zij het toe te +wijden aan God.... Heb dank, fourier, heb dank voor mijne dochter."</p> + +<p>En onder het uitspreken dezer laatste woorden ging hij, door zijne +beide zonen gevolgd, de kamer uit, om den onderbroken veldarbeid te +hervatten. Ook Trees verdween in het schommelkot, om potten en borden te +gaan afwasschen.</p> + +<p>"Mijnheeren," zeide de bazin, "wij hebben hier de gewoonte niet, seffens +na ons middageten koffie te drinken; maar gij zijt waarschijnlijk +jongens uit de stad. Kan ik u plezier er mede doen, het water kookt, ik +schenk u in een paar minuten tijds eene kom sterke koffie op."</p> + +<p>"Gij zijt veel te goed, moeder," antwoordde de sergeant-majoor. "Indien +het u evenwel niet te veel moeite was? Een kopje koffie na het +middagmaal en een lekker pijpje daarbij gerookt, het is het gelukkigst +oogenblik van den dag."</p> + +<p>Zij hoefden niet lang te wachten: kort daarop vermengden de welriekende +walmen der koffieboon zich met den sterkeren geur van de tabak, en de +onder-officiers, half achterover op hunne stoelen liggende, bliezen +wellustig de blauwe rookwolkjes in de lucht en redekavelden vroolijk, +terwijl de bazin sedert eenige oogenblikken in het schommelkot was +gegaan, om hare dochter aan den huisarbeid te helpen.</p> + +<p>Eensklaps hoorden zij achter hunnen rug een gepiep, als de schreeuw van +rotten of van zekere vogels. Zij keken om en zagen eenen ouden man, met +eenen blauwen kiel aan het lijf, die, met den vinger wenkende, hun +teeken deed om te komen luisteren, en op geheimzinnigen toon hun zeide:</p> + +<p>"Ze zitten daarbinnen, daarbinnen in mijne maag. Hoort gij ze niet? Ze +hebben weder jongen. Nu zijn er al zes en zestig. Piep, piep, piep! +Hoort gij ze niet?"</p> + +<p>De onder-officiers lachten; maar er was evenwel iets dat hen +verwonderde. Het gepiep scheen waarlijk uit de maag van den armen man op +te komen; en het kon niet anders, of hij had door inspanning en lange +oefening, voor dien enkelen klank ten minste, de buikspraak geleerd.</p> + +<p>In den eerste vermaakten onze onder-officiers zich min of meer met de +zonderlinge gril van den zinnelooze; maar dewijl hij gedurig hetzelfde +herhaalde en er uit hem niet anders was te krijgen dan: "Zes en zestig! +piep, piep; hoort gij ze niet?" werden zij hem al spoedig moede.</p> + +<p>Gelukkiglijk kwam de bazin op dit oogenblik in de kamer, om iets te +halen. Zij vatte den krankzinnige lachende bij den schouder, leidde hem +naar de buitendeur en mompelde in schijn spijtig:</p> + +<p>"Kom, laat die heeren gerust. Ga met uwe muizen op straat en doe ze een +luchtje scheppen; anders zullen ze nog versmachten."</p> + +<p>"Het is een felle zageman, dit levend muizennest, mijnheeren," zeide +zij, zich weder naar het schommelkot richtende. "Geviele het dat hij +terugkeerde of een andere onzer zotten u verveelde, roept mij, ik zal er +u van verlossen."</p> + +<p>Nauwelijks was zij verdwenen, of de nevendeur werd geopend, en nu +vertoonde zich een tamelijk welgekleede man, die met kleine sprongen +rondom de kamer huppelde, terwijl hij de armen in de lucht sloeg zooals +een vogel met zijne vlerken doet, en daarbij een zonderling keelgeluid +liet hooren, dat hij ongetwijfeld van de wilde ganzen had afgeleerd.</p> + +<p>"Ha, ha, Baptist, wat doet ge daar?" riep de sergeant-majoor, die zich +herinnerde dien naam van de bazin te hebben gehoord.</p> + +<p>"Ik vlieg.... ik vlieg naar de maan!" antwoordde de zinnelooze.</p> + +<p>"Maar gij zijt er reeds geweest."</p> + +<p>"Ik keer er terug naartoe: het deugt hier niet voor mij."</p> + +<p>"Is het zoo, met uwe armen uit te slaan, dat gij meent in de maan te +geraken?"</p> + +<p>"Neen, ik wil eerst leeren vliegen. De mensch leert wel zwemmen. Het is +slechts een verschil in de vereischte kracht. Bij mijne vorige reis was +ik te veel overlast en ben daarom bijna den nek gebroken."</p> + +<p>"En door welk middel zijt gij de eerste maal tot de maan opgeklommen?"</p> + +<p>De man kwam nader, trok eenen stoel bij, zette zich gemeenzaam tusschen +de twee onder-officiers, nam eene houding aan als een professor die +zijne les gaat geven, haalde een stuk wit krijt uit den zak en teekende +daarmede op het tafelblad vele ronde figuren, als een hoop appelen. Dan +zeide hij met eenen fieren lach van zelfvoldoening:</p> + +<p>"De heeren weten ongetwijfeld, waarin de klimkracht van eenen luchtbal +bestaat. Veronderstelt dat zulke luchtbal, opgevuld met waterstof-gas, +vijf duizend pond minder weegt dan dezelfde ballon zou wegen, indien hij +met gewone lucht was gevuld. Welnu, wanneer men twintig dergelijke +ballons, allen onwrikbaar aan elkander gehecht, doet maken, bekomt men +eene klimkracht van honderdduizend pond. Dit is juist wat ik heb +gedaan.... en op eenen schoonen morgen ben ik in de hoogte gevlogen met +zulke schrikkelijke snelheid, dat mij hooren en zien verging, en ik in +eenen duizeligen slaap geraakte, totdat ik eindelijk op de maan +ontwaakte, zonder te kunnen denken waar mijne ballons zijn gebleven. +Ongetwijfeld hebben zij hunne reis voortgezet en vliegen nog immer in +het eindelooze ruim, tusschen de starren van den Melkweg. Zijn ze, +integendeel, naar de zon gevlogen, dan beklaag ik het lot van mijn +wonderbaar kunstwerk."</p> + +<p>"Gij waart dus uit uwen luchtbal op de maan gevallen? Dat moet uwe arme +knoken geene deugd gedaan hebben," schertste de sergeant-majoor.</p> + +<p>"Neen, mijnheer, ik had geen het minste leed bekomen. Het schijnt +ongeloofelijk, niet waar? Het is evenwel gemakkelijk te begrijpen: ik +lag te midden eener breede rivier, zonder nogtans er in te kunnen +zinken; ik werd zelfs niet eens nat. Dit water, moet gij weten, bestond +uit millioenen doorschijnende blaasjes, geheel gelijk aan de zeepbellen, +waarmede de kinderen hier spelen; maar zij braken niet, namen vloeiende +allerlei vormen aan en waren rekbaar als gom-elastiek. Ik kroop over +hunne oppervlakte tot bij den boord der rivier; maar daar zag ik op den +oever geheele rijen leelijke menschenhoofden op de aarde liggen, en deze +hoofden lachten of grijnsden mij aan, met zulke vervaarlijke grimassen, +dat ik bevend terugdeinsde en wel een halven dag boven de luchtblaasjes +op mijnen buik bleef liggen, voordat ik het waagde den vasten grond der +maan te betreden. U beschrijven, mijnheeren, hoe de zaken daar staan, +durf ik niet; gij zoudt mij uitlachen en zeggen dat ik van mijne zinnen +ben."</p> + +<p>"Neen, toch niet; gij maakt ons nieuwsgierig; kom, vertel ons wat gij in +de maan hebt gezien."</p> + +<p>Verward en dikwijls voor zijne aanhoorders bijna onverstaanbaar waren +des mans uitleggingen.</p> + +<p>"De grond der maan," zeide hij, "bestaat uit duizenden en duizenden +naakte rotsgebergten, zonder valleien; maar in alle scheuren en kloven +van den keiharden steen, tot op den oppersten top der hemelhooge alpen, +ligt eene zwarte, sponsachtige aarde, die zeer vruchtbaar is.... In +zulke voorwaarden zouden er geene groote boomen kunnen groeien; maar de +almogende Schepper heeft er in voorzien: de boomen hebben er beweegbare +wortelen, als zoovele voeten, en daarmede klimmen ze, alhoewel langzaam, +de bergen op en af, om naar nieuwe en diepere grondlagen te zoeken.... +Wat de maanmenschen betreft, die zijn nog al wonderlijker geschapen. +Leelijk—zooals wij het woord verstaan—zijn ze boven alle beschrijving; +maar wat hen van de aardmenschen in alle geval zou onderscheiden, is een +staart als eene gewrongene koorde, die hen verscheidene ellen achterna +sleept. Er zijn mannen, noch vrouwen, noch kinderen. Allen noemen zich +met hetzelfde woord <i>Unakau</i>, dat in hunne taal wil zeggen: +<i>mosselslikker</i>. De Unakaus zijn niet onsterfelijk. Hoe worden daar dan +de nieuwe menschen geboren, zult gij vragen, mijnheeren? De leelijke, +grijnzende hoofden, welke ik allereerst op den oever der rivier meende +te zien liggen, waren nog ongeboren maanmenschen. Ziehier, vanwaar zij +komen. De Unakaus hebben lange, breede olifantsooren, en daarachter +groeien nu en dan kleine harde bolletjes, welke zeer jeuken en hen +verplichten, ze af te krabben. Valt zulk bolletje op eenen gunstigen +grond, dan zwelt het allengs en schiet eene soort van wortels. In den +beginne, gelijkt het een waren paddestoel of champignon; maar de +paddestoel krijgt oogen, mond en ooren, en wordt op den duur een +menschenhoofd, dit is te zeggen Unakau-kop. Zoo blijft hij groeien en in +de hoogte schieten gedurende ongeveer twintig onzer aardejaren; dan +geraakt hij los en leeft tusschen zijne mede-Unakaus gedurende veertig +jaren, waarna hij weder wortelen in den grond schiet en, twintig andere +jaren, immer kleiner en kleiner wordt, totdat hij eindelijk geheel in de +aarde terugkruipt, zonder dat er iets zichtbaars van hem overblijft.... +Deze Unakaus, alhoewel grooter dan wij, wegen bijna niets; zij gaan +niet: zij maken sprongen van honderd voet hoogte en meer, en zijn zoo +licht, dat ze bij winderig weder zich aan bergen of boomen moeten +vastleggen, om niet als stuifzand in de lucht op te vliegen. Daartoe +zijn hun die lange staarten gegeven. Hun eenig voedsel is het +ongedierte, dat op de boomen leeft; maar in stede van rupsen en wormen, +bestaat dit ongedierte in vier of vijf soorten van oesters, zoo +smakelijk, dat ik ze niet kon eten zonder mij vingers en duimen af te +lekken.... Er is slechts één verslindend beest op de maan. Het heet +<i>Tomagudlo</i>, dit is godswraak. Het te beschrijven kan ik niet: op onze +aarde is niets dat er aan gelijkt. Ik zal toch zeggen, dat dit gedierte +iets is als eene schrikkelijk groote vliegende schildpad, zonder hoofd; +want gansch haar lichaam is slechts éen mond, die opensplijt als eene +wagenpoort en tanden laat zien, glinsterend als gepolijst staal. Dit +beest is hun duivel. Hij verslindt en verzwelgt slechts de valschaards, +de bedriegers, de twistzoekers, in éen woord de boozen. Daarom zijn de +Unakaus over het algemeen goedhartig en vreedzaam; maar zij hebben +insgelijks driften, die hen verblinden over hun recht, on somwijlen +willen zij strijden en het bezit der oesterbosschen op de vruchtbaarste +bergen. Zoo heb ik de toebereidsels tot een schrikkelijken oorlog +bijgewoond; maar toen de twee legers strijdvaardig stonden, kwam de +Tomagudlo aangevlogen en verslond al de Unakaus, die oorzaak van den +twist waren en ongelijk hadden.... en daarmede was het pleit beslist en +de oorlog ten einde. Weet gij wat denkbeeld zij over onze aarde hebben? +want zij zien ze als eene groote, gloeiende...."</p> + +<p>Hier werd hij in zijne uitleggingen onderbroken door de verschijning van +eenen jongen, die sprakeloos tot bij den schoorsteen naderde, het kussen +in den leunstoel opschudde, en weder even stil naar de zottenkamer +terugkeerde.</p> + +<p>"Het is Topaas, de dwerg der prinses," mompelde de zinnelooze met +spijtig ongeduld. "Zij gaat komen.... Ziet, daar is ze reeds!"</p> + +<p>En, inderdaad, zonder eenige acht op de tegenwoordigheid der +onder-officiers te slaan, kwam de krankzinnige juffer met statigen tred +vooruit, gevolgd door haren dwerg Topaas, die den sleep van haar kleed +veinsde te dragen. Zij naderde den leunstoel en liet er zich zachtjes op +nedergaan. De dwerg,—een krankzinnig geboren jongen met grooten mond, +hangende lip en uiterst dom voorkomen,—zette zich op de hurken nevens +haar, en beiden bleven zwijgend en roerloos als onbezielde beelden.</p> + +<p>Met verbaasdheid keken de onder-officiers het ongelukkig meisje aan: op +het gelaat van den sergeant-majoor zweefde een glimlach; het hart van +den fourier klopte integendeel van angstig medelijden.</p> + +<p>Ja, zij mocht schoon genoemd worden, ten minste zoo men de spookachtige +strakheid van haren blik onopgemerkt liet; zij had groote blauwe oogen, +een fijnen mond, en wangen welker zuivere gladheid bijna onnatuurlijk +scheen. Daarenboven waren hare kleederen niet alleen zindelijk, maar +zelfs prachtig; en met hare juweelen, echt of valsch, geleek zij +inderdaad naar eene theaterkoningin.</p> + +<p>Baptist-de-vogel poogde zijne uitleggingen voort te zetten; maar de +aandacht der onder-officiers was zoo onafkeerbaar op de prinses +Ermelinde gevestigd, dat zij niet meer luisterden. Ontevreden veegde +Baptist met zijne mouw de krijttrekken van de tafel, en liep grommelend +het huis uit.</p> + +<p>Na eene lange wijl der volledigste stilte, bemerkte de fourier dat uit +de oogen der prinses tranen begonnen te vloeien. Met eene zachte stem, +vol deelneming en deernis, waagde hij het, haar het woord toe te sturen.</p> + +<p>"Arme juffer, gij zijt wel ongelukkig en hebt veel verdriet, niet waar?" +zeide hij.</p> + +<p>Zijne vraag bleef onbeantwoord; het meisje bezag hem zelfs niet.</p> + +<p>Eensklaps begon zij te spreken: met evenveel nadruk en begeesterde +stembewegingen, alsof zij eene tooneelrol voordroeg, zeide zij:</p> + +<p>"O, vader, vader lief, ik zie u; gij zit op uwen troon en zwaait den +schepter des gerechts over uw volk. Men knielt voor u, men bezingt uwe +glorie en men waant u gelukkig, o, machtige vorst van Ascalonië!... maar +uw oog is kwijnend en in uw hart is het duister als in een graf. Uwe +arme Ermelinde, uw aangebeden kind, niet waar? Gij waant ze dood, gij +vermoedt niet, dat een godvergeten toovenaar ze aan uwe liefde heeft +ontstolen. Hoe zou uw vaderhart bloeden en schrikken, indien gij wist, +dat ik hier verwenscht zit in den kuil van den zevenhoofdigen draak, +bewaakt, geplaagd, gemarteld door den wreeden reus Carabos, en voor +eenigen troost niets hebbende dan den trouwen dienst van onzen goeden +dwerg Topaas!... Zal er dan nimmer een einde komen aan mijn akelig lot? +Zal ik verouderen in dezen duisteren afgrond, zonder u nog eens te mogen +zien en op mijn liefderijk hart te drukken?... En waar blijft hij, mijn +verloofde? Hij zoo dapper, zoo ridderlijk van gemoed, waarom komt hij +mij niet verlossen? Eilaas, hij insgelijks waant mij dood; hij weet niet +dat zijne welbeminde, zijne bruid, kwijnt en wegsterft onder de macht +van Albafras, den onmenschelijken toovenaar. Vliet, mijne tranen, vliet +als beken: weenen is al wat mij overblijft!"</p> + +<p>De jonge fourier beefde van treurig medegevoel en had waarlijk groote +moeite, om zijne eigene tranen op te houden. Geheel koel kon de +sergeant-majoor bij dit tooneel van smartelijke geestverdwaling niet +blijven. Waarschijnlijk om zijne ontroering te verbergen, zeide hij met +luide stem:</p> + +<p>"Maar, goede juffer, gij hebt ongelijk, zoo allen moed te verliezen. Den +eenen dag of den anderen, zal uw vader onverwachts komen en u verlossen +uit de macht uwer vijanden."</p> + +<p>In stede van op zijne troostende woorden acht te slaan, riep het +krankzinnige meisje, met eenen lach van geluk op het gelaat en den +glanzenden blik naar het diepe der kamer gericht:</p> + +<p>"Gezegend zij God, mijne zalige oogen zien hem.... hem, Arthur, mijn +verloofde! Zie, hoe dit zwaard in zijne ridderlijke hand bliksemt.... +Let op, let op, daar is de reus Carabos!... Ha, ha, zijn leeuwenhoofd +rolt in het zand!... Moed, Arthur, moed: ik hoor den zevenhoofdigen +draak uit den afgrond opstijgen en om wraak huilen. Ach, het is eene +moeilijke taak!... Arthur, mijn lieve Arthur, zie wel toe, dat gij zijne +zeven koppen in eens afslaat; want anders groeien ze oogenblikkelijk +weder bij; er kwam geen einde aan en gij zoudt in den onmogelijken kamp +bezwijken. Daar is hij, daar is het gruwelijk monster! Zie toe, zie toe, +Arthur, en neem uwen slag wel waar: uw leven en mijne verlossing hangen +er van af.... Daar, hij slaat, hij slaat.... de zeven koppen al in +eens!... Wee, wee, neen, slechts vijf! Het is gedaan! Arme Arthur, +verscheurd, verslonden, dood.... en dood alle hoop!... en ik, eilaas, ik +mag niet sterven!"</p> + +<p>Haar gelaat ontspande en zij hernam hare eerste stille houding, als +verging onmiddellijk in haar het geheugen van den schrikkelijken kamp, +die voor hare oogen had gespookt.</p> + +<p>"Dit ijselijk schouwspel langer aan te zien, is mij onmogelijk," zuchtte +de fourier opstaande, "mij dunkt, ik zou er ziek van worden."</p> + +<p>"Ik heb er insgelijks genoeg van," zeide de sergeant-majoor. "Wat zij +daar uitgalmt, heeft zij ongetwijfeld uit een of ander blauwboek van +buiten geleerd. Mij dunkt, ik heb zoo iets van mijne grootmoeder hooren +vertellen, toen ik nog een kind was.... Komt gij mede naar den Toren? +Daar zal het wat vermakelijker zijn, dan in deze vervelende +zottenwereld."</p> + +<p>"Neen, majoor, nu kan ik u niet vergezellen. Ik heb nog, voor het +<i>appèl</i> van vier uren, den toestand der wapens onzer compagnie af te +schrijven; de adjudant heeft het mij bevolen."</p> + +<p>"Groote zaak: vijf minuten werk!"</p> + +<p>"En daarenboven, majoor, nu gevoel ik mij in het geheel niet gestemd om +naar de herberg te gaan."</p> + +<p>"Het zij zoo. Ik wed dat gij alleen in de velden wilt wandelen, om aan +het lot dier arme prinses te denken; dit zal haar ongelukkiglijk weinig +baten. Het is met haar gedaan; en, zooals zij zelve zegt, alle hoop is +dood voor haar.... Tot vier uren dus."</p> + +<p>Met deze woorden stapte hij naar de huisdeur. De fourier stuurde nog +eens eenen blik vol medelijden tot de krankzinnige juffer, en klom dan +langzaam de trappen op.</p> + +<p>In zijne kamer gekomen, zette hij zich bij de tafel, schikte een +ontplooid papier voor zich, en meende te schrijven; maar zijne geschokte +verbeelding voerde hem weder beneden, in tegenwoordigheid der prinses +Ermelinde. De pen viel hem uit de hand; hij staarde vast in de ruimte en +bleef, in smartelijke gepeinzen verzonken, roerloos zitten.</p> + + +<h3><a name="HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGENIII" id="HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGENIII"></a>III.</h3> + +<p>Van dien dag af, stond de fourier onder eenen zonderlingen invloed, dien +hij vruchteloos voor zich zelven poogde te verklaren. Waar hij zich ook +bevonde, de prinses Ermelinde vervolgde hem onverpoosd, en zelfs wanneer +hij achter de gelederen zijner compagnie onder de wapens stond of deel +nam aan de krijgsoefeningen, zweefde haar beeld immer voor zijne oogen. +Des nachts in zijne droomen vocht hij zegevierend tegen reuzen en +zevenhoofdige draken, verloste de prinses, leidde ze tot haren vader, +kreeg hare hand tot belooning van zijnen heldenmoed, en beklom met haar +den koninklijken troon van Ascalonië.</p> + +<p>In den eerste bekende hij den sergeant-majoor zijne wonderlijke +geestontsteltenissen en lachte er mede; maar allengs werd hij meer en +meer ernstig en poogde, zooveel mogelijk, den spot van zijnen kameraad +en zelfs alle samenspraak met hem daarover te ontwijken. Wat in zijnen +geest omging, beschaamde hem als iets ten uiterste belachelijk, en het +verschrikte hem tevens, omdat hij vruchteloos voor zich zelven de +uitlegging ervan zocht. Medelijden? Kan dit zacht en stil gevoel den +vorm aannemen eener drift, die geheel het denkvermogen van den mensch +opslorpt? Wat dan?... O, hemel, de sergeant-majoor had ook gezegd; "Pas +maar op, dat gij zelf niet zot wordt, arme Arthur!" Hij zou krankzinnig +kunnen worden? Neen, neen, zulk iets vreesde hij niet; maar hoe kwam het +dan toch, dat hij, noch dag noch nacht, die tergende beeltenis van voor +zijne oogen kon jagen?.... Het was, meende hij te mogen denken, een +gevolg der overgevoeligheid van zijn gemoed; die indruk zou, evenals +vele anderen, mettertijd verzwakken en geheel vergaan. O, dede nu een +bevel van den generaal zijne compagnie naar een ander dorp vertrekken! +Dit ware een groot geluk; want het verblijf te Gheel was voor hem niet +goed, dit gevoelde hij wel.</p> + +<p>Intusschen ontveinsde hij, zooveel hij kon, de klimmende storing zijner +zinnen voor den sergeant-majoor, deed zijnen dienst met nauwgezetheid en +ging zelfs meer dan gewoonlijk naar den Toren, alhoewel de kameraden +daar niet zelden zich vroolijk maakten over zijne zonderlinge +droomachtigheid. Van de prinses Ermelinde en van de andere zinneloozen +was hij nog dieper vervaard geworden en deed alles wat hij kon, om hunne +ontmoeting te vermijden. De lieden van zijn logement hadden al vroeg +bemerkt, dat de tegenwoordigheid hunner krankzinnige kostgangers hem +onaangenaam was, en zij hadden de noodige voorzorgen genomen om te +beletten, dat een hunner zich nog in de keuken vertoonde, ten minste +zoolang de onder-officiers er zich bevonden om hunne maaltijden te +nemen.</p> + +<p>Op al andere oogenblikken, wanneer zijn dienst hem vrij liet, was de +fourier in zijne kamer of hij wandelde eenzaam door de velden, even +onophoudend als den eersten dag door het beeld der prinses vervolgd en +gekweld.</p> + +<p>Misschien zou hij eindelijk toch over zijne kinderachtige ontroeringen +gezegevierd hebben, want hij deed er ernstige en oprechte moeite genoeg +toe; maar nu en dan, wanneer hij te huis kwam en noodzakelijk door de +keuken moest gaan, om zijne kamer te bereiken, zag hij de treurende +Ermelinde in haren leunstoel zitten. Bij den kwijnenden, den +spookachtigen blik, welken zij alsdan in zijne oogen stuurde, sidderde +hij van hoofd tot voeten, en het deed hem in eens alles verliezen wat +hij tot de genezing van zijnen ontstelden geest kon gewonnen hebben. +Dien nacht vocht hij dan weder tegen den zevenhoofdigen draak en +verloste de prinses.</p> + +<p>Op zekeren dag, dat Carabos bijzonder rustig was, had Beth, de moeder +der krankzinnigen, hem voorgesteld den reus in de zottenkamer te komen +bezoeken. Zoo kon hij dan tevens met de andere kostgangers, welke hij +nog niet had gezien, kennis maken, onder anderen met de oude vrouw, die +altijd op zoek was naar haren verloren neus; maar de fourier noch de +sergeant-majoor wilde van zulk bezoek hooren, en zij drukten hunnen +afkeer van de zinneloozen zoo onbewimpeld uit, dat Beth er door gekwetst +of vernederd werd, en van toen af zich weinig genegen toonde om nog veel +in samenspraak met de gevoellooze soldaten te komen.</p> + +<p>Eindelijk, nadat de fourier bijna eene gansche week de ontmoeting +moeting der prinses had kunnen ontwijken, werd zijn gemoed veel rustiger +en hij juichte in zich zelven, bij de zekerheid dat hij welhaast geheel +van zijne belachelijke geesteskwaal zou genezen zijn.</p> + +<p>Maar dan gebeurde er bij ongeluk iets, van aard om hem nog dieper te +ontstellen.</p> + +<p>Dien namiddag dreef er een hevig onweder over de gemeente. De lucht werd +zeer duister, het bliksemde fel en het donderde zoo hard, dat de huizen +op hunne grondvesten daverden.</p> + +<p>Gedurende dit soort van orkaan waren de zinneloozen zeer onrustig; de +onder-officiers hoorden, van op hunne kamer, hoe ze rondliepen, tierden +en schreeuwden, bovenal Carabos, die zijn hol gebrul met het geratel des +donders mengde.</p> + +<p>Na het onweder werd echter de lucht weder blauw, en ook de rust keerde +in de zieke zielen der krankzinnigen terug; alleenlijk hoorde men nog +van tijd tot tijd het gerucht der ketens van den reus....</p> + +<p>Het kon nu elf uren des avonds zijn. Al de lieden des huizes waren +sedert lang gaan slapen, behalve de oude bazin, half sluimerend in den +leunstoel der prinses Ermelinde zittende, om te wachten op de terugkomst +van den sergeant-majoor, die ongetwijfeld later dan naar gewoonte zich +in den Toren met zijne kameraden vermaakte. Zij deed het slechts uit +beleefdheid, want de sergeant-majoor had eenen sleutel der huisdeur.</p> + +<p>Boven de hooge schoorsteenplaat stond eene lamp, welker zwakke stralen +slechts een twijfelachtig, licht verspreidden.</p> + +<p>Ook de fourier was nog niet te bed; hij zat op zijne kamer en poogde bij +den schijn eener kaars in een boek te lezen. Zijn aandachtsvermogen +moest echter gering zijn; want elk oogenblik zag hij op van het boek en +staarde droomend en nadenkend voor zich heen....</p> + +<p>Eensklaps hoort hij beneden een verward gerucht van ketens, die men +schudt, van voorwerpen die vallen, van lieden die om hulp roepen, van +deuren die men openwerpt.... en terwijl hij nog twijfelt, of hij niet +droomt, komt de schrikkelijke noodkreet: "Moord, moord!" door eene +bekende stem geslaakt, hem het bloed in de aderen bevriezen.... Even ras +begrijpt hij wat er geschiedt; hij springt naar den wand, trekt zijne +sabel uit de scheede en loopt de trappen af. Wie het wanhopig hulpgeroep +hem toestuurt, is de prinses Ermelinde.... Carabos, Carabos wil haar +dooden!</p> + +<p>Inderdaad, de reus heeft zijne keten gebroken; de verschrikte prinses, +door haren vijand bedreigd, is voor hem gevlucht.</p> + +<p>Daar zit zij nu, in haar lang nachtkleed van hemelsblauw katoen +gewikkeld, tegen den wand der keuken ineengekropen, en akelig kermend om +bijstand en om redding. Te midden van het vertrek, en in schijn haar +niet ziende, loopt, woedt en brult een zonderling wangedrocht, dat, +alhoewel gedeeltelijk in wollen stoffen gekleed, er uitziet als een +reusachtige aap, van het soort dat men Gorilla heeft genoemd. Dit +schrikwekkend wezen draait een oogenblik in het ronde, stoot zich zelven +tegen muur en tafel en blikt met zijne roode, vlammende oogen naar deur +en venster, als zochte hij eene baan om uit zijne gevangenis te +ontsnappen.... Maar eensklaps doet hij eene beweging, als bemerkte hij +nu eerst de prinses; een vervaarlijk geloei stijgt op uit zijne holle +borst; hij nadert de arme juffer en steekt zijne klauwen tot haar +uit....</p> + +<p>Op dit oogenblik verschijnt de fourier in de keuken; een angstkreet +ontsnapt hem. Wat hij zoo dikwijls gedroomd heeft, gaat waarheid worden: +nu moet hij de prinses Ermelinde verdedigen tegen haren wreeden +dwingeland! Hij heft de sabel in de hoogte en zal het monster den ruigen +kop kloven.... maar achter zijnen rug klinkt nu eene stem, die hem +toeroept:</p> + +<p>"Houd op, houd op! Zijt gij zot geworden? Gij weet niet wat ge doet. +Carabos zal de prinses niet hinderen: hij ziet ze zelfs niet; de arme +man is geheel nachtblind!"</p> + +<p>Zij, die deze woorden spreekt, is Beth, der zotten moeder. Uit haren +slaap door al dit gerucht opgewekt, heeft zij metterhaast een kleed +aangetrokken, en staat daar nu, met eenen spotlach van medelijden op de +lippen den verbluften fourier aankijkende, als waande zij hem inderdaad +krankzinnig.</p> + +<p>Maar ze grijpt onmiddellijk den reus hij den schouder, terwijl zij op +beheerschenden toon hem zegt:</p> + +<p>"Carabos, mijn jongen, het tempeest, de donder heeft weder den boozen +geest u in het lijf gejaagd. Op de knieën nu, op de knieën! Hoort gij +mij niet?"</p> + +<p>Het wangedrocht beeft in al zijne leden en zinkt grommend voor haar +neder.</p> + +<p>De bazin, die in het schommelkot was gevlucht, opent aarzelende de deur, +bij het vernemen der stem harer dochter.</p> + +<p>"Moeder," zegt deze, "hij heeft eene vijs zijner keten gebroken. Haast +u, breng mij eene nieuwe vijs, dan is alles weder te recht."</p> + +<p>Terwijl het moedige meisje den reus dwingt, haar naar de zottenkamer te +volgen, staat de fourier nog altijd met de sabel in de hand, verstomd en +roerloos te midden van het vertrek. Hij gevoelt het belachelijke van +zijnen toestand en is neerslachtig en beschaamd.</p> + +<p>Onder eene nieuwe vlaag van geestverbijstering, komt nu de prinses +Ermelinde op hare knieën tot voor zijne voeten gekropen, heft de +smeekende handen tot hem en roept op scheurenden toon:</p> + +<p>"O, Albafras, machtige toovenaar, genade, genade, spaar mijn leven! o, +neen, neen, dood mij niet!"</p> + +<p>Daar wordt de buitendeur met eenen sleutel geopend, en de +sergeant-majoor treedt binnen. Hem ontsnapt een angstschreeuw bij het +gezicht van zijnen jongen kameraad, die met de sabel in de vuist de +krankzinnige juffer schijnt te willen vermoorden, terwijl zij voor zijne +voeten kruipt en om genade kermt.</p> + +<p>Hij springt op hem toe, ontrukt hem zijn wapen, sluit hem in de armen en +zegt met diep medelijden:</p> + +<p>"Ongelukkige vriend, wat gebeurt u? Kom, houd u stil, bedaar; het zal +overgaan."</p> + +<p>De fourier blijft een oogenblik zwijgend; maar dan barst hij eensklaps +los in eenen schaterlach, die zijnen gezel nog meer doet verschrikken. +Zou de arme fourier waarlijk zinneloos geworden zijn?</p> + +<p>Nu komen opvolgend de andere huislieden beneden. Wanneer zij vernemen +wat er is voorgevallen, schijnen zij er weinig belang aan te hechten. De +prinses wordt naar hare kamer terugbracht; de keten van Carabos is bij +middel eener nieuwe schroef hersteld. Allen wenschen elkander goeden +nacht. De sergeant-majoor, weinig gerust over den geestestoestand van +zijnen gezel, leidt hem naar boven.... en de diepste stilte daalt neder +over het huis, waar een oogenblik te voren woest gehuil en bange +noodkreten hergalmden.</p> + + +<h3><a name="HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGENIV" id="HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGENIV"></a>IV.</h3> + +<p>Tegen alle verwachting van zijnen gezel, scheen de fourier, den morgen +na zijn wedervaren met Carabos, zeer rustig en zelfs van betere luim dan +te voren.</p> + +<p>Hij had, gedurende eenen slapeloozen nacht, den tijd gehad om over zijne +belachelijke verbeeldingen en den goeden raad van den sergeant-majoor na +te denken, en daarbij met schaamte erkend, dat hij, sedert zijne +aankomst te Gheel, juist had gehandeld als ware het hem te doen om tegen +den ridder Don Quijote van Cervantes in gekheid te wedijveren. Zoo dwaas +scheen hem zijn gedrag, dat hij met zich zelven den spot dreef en +hartelijk deel nam aan de vroolijke scherts van zijnen kameraad, die +gelukkig was, zijne blijdschap over de genezing van zijnen jongen vriend +te mogen uitstorten.</p> + +<p>Wel werd de fourier allengs weder eenigszins ernstig, doch het bleef +echter klaarblijkend, dat de betoovering, vroeger door de prinses +Ermelinde op hem uitgeoefend, beslissend was verbroken.</p> + +<p>Na de morgenvergadering der compagnie, zeide hem de sergeant-majoor.</p> + +<p>"Fourier, ik ga straks naar Moll, om daar den baas der Zwaan een bezoek +te brengen. Alles begint mij hier schrikkelijk te vervelen; en dewijl de +baas mij door eenen bode heeft uitgenoodigd, wil ik de gelegenheid +waarnemen, om mij ginder een weinig te verzetten en te vermaken. De +kapitein heeft mij verlof gegeven tot dezen namiddag, te zeven uren. Het +spijt mij, dat wij niet te zamen naar Moll kunnen gaan. Wij mogen niet +te gelijker tijd van de compagnie afwezig zijn, aangezien gij intusschen +ook mijnen dienst op u moet nemen. Maar hebt gij lust om in den namiddag +naar Kevermont op te wandelen en mij te gemoet te komen, ik zal Moll te +vijf uren verlaten; zoo kan ik ongeveer te half zeven Kevermont +bereiken."</p> + +<p>De fourier aanvaardde zijn voorstel met genoegen, en vergezelde hem een +eind verre in de baan naar Moll.</p> + +<p>Dien dag was de jonge onder-officier bijzonder wel te moede. De +overdrevenheid zijner ontroeringen had hem gansch genezen. Nu deed het +gezicht der zinneloozen bijna geenen indruk meer op hem; en, versomberde +nog somwijlen zijn gelaat onder den invloed eener onaangename +overweging, het was slechts wanneer hij bedacht, tot welke gekke +zinsverdwaling hij zich door zijne kinderachtige gevoeligheid had laten +verleiden.</p> + +<p>Toen het bepaalde uur naderde, ging hij den weg naar Moll op, en +ontmoette inderdaad den sergeant-majoor, vooraleer deze het gehucht +Kevermont had bereikt.</p> + +<p>"Welnu," vroeg hij zijnen kameraad, "heeft men zich te Moll goed +vermaakt?"</p> + +<p>"Uitmuntend," kreeg hij ten antwoord. "Er zit wel eene zwarte vlieg op; +maar het is beter, aan zulke dingen niet te denken... Ha, fourier, wij +hebben ginder eenige flesschen van het patersvaatje geledigd! Die baas +Krols is toch een brave vent, en mij zoo genegen dat hij, wilde ik het +aanvaarden, mij zijn laatste hemd zou schenken.... Maar waarom ziet gij +er zoo nadenkend uit? Speelt de prinses van Ascalonië nog altijd u in +het hoofd of hebt gij weder tegen Carabos gevochten?.... Weg met al die +vervelende zagemannen! De eenige wijze en vermakelijke zotten zijn +degenen, die de wijn maakt, zooals ik, bijvoorbeeld; maar wel verre van +de lieden te willen bijten of verscheuren, zou ik al de menschen als +broeders in mijne armen willen drukken. Dit is de goede, de edele +krankzinnigheid.... Sa, gij zegt niets? Zijt gij weder betooverd?"</p> + +<p>"Maar gij laat mij den tijd niet tot spreken," wedervoer de fourier +lachende. "En toch, wat zou ik u kunnen zeggen?"</p> + +<p>"Geef mij nieuws van Gheel: mij dunkt, het is al eene eeuw geleden, dat +ik uit die zottenwereld ben weggevlucht."</p> + +<p>"Er is geen nieuws, majoor, ten minste dat ik weet; ik heb bijna den +ganschen dag op onze kamer zitten schrijven.... De sergeant Pacquet is +onbeleefd tegen zijnen kapitein geweest en men heeft hem voor acht dagen +in den bak gezet."</p> + +<p>"Dit is inderdaad geen nieuws. Pacquet zal zijne strepen niet lang +behouden; het is een dwaze kerel.... Weet gij anders niets?"</p> + +<p>"Ha, ja, ik ging het nog vergeten, omdat ik er nu maar weinig belang +meer aan hecht: er is een negende zot in ons logement gekomen.... het is +te zeggen, eene zottin."</p> + +<p>"Hebt gij ze gezien?"</p> + +<p>"Ja, een oogenblik."</p> + +<p>"Jong?"</p> + +<p>"Dertig jaar misschien; het is moeilijk te raden."</p> + +<p>"Schoone vrouw, fourier?"</p> + +<p>"O, neen, majoor, zij heeft verwilderde oogen, hangende lippen en holle +wangen. Zij komt van Antwerpen. Volgens hetgeen Trees mij van haar +zeide, moet zij op trouwen gestaan hebben, maar haar verloofde heeft, op +het beslissend oogenblik, haar laten blinken en is sedert met een ander +meisje getrouwd. Dit heeft haar zoodanig het hart ingedrukt, dat zij van +verdriet is zinneloos geworden. Trees heeft dit ongetwijfeld van de +geleiders der zottin vernomen; want de weinige woorden, welke de arme +vrouw stamelt, hebben geenen zin en zij schijnt niemand meer te kennen."</p> + +<p>"Ja, liefdesmart, zielsverdriet," mompelde de sergeant-majoor, het hoofd +schuddende, "ik weet wat het is.... en zelfs moet ik bekennen, dat ik +onder dit oogpunt eene zeer ongelukkige hand heb. Misschien ga ik +alweder te Moll een treurend hart achterlaten; maar ditmaal toch zal ik +er geheel onschuldig aan zijn. Hebt gij niet opgemerkt, dat Judoca, de +oudste dochter van baas Krols, gedurende de laatste dagen van ons +verblijf te Moll, mij veel vriendschap betoonde?"</p> + +<p>"Inderdaad, en gij zelf, majoor, waart bijzonder minzaam voor haar," +antwoordde de fourier met eenen glimlach.</p> + +<p>"Ik? Nooit, ik dacht er niet aan; en, geloof mij of niet, voor niets ter +wereld keer ik nog terug naar Moll."</p> + +<p>"Waarom?"</p> + +<p>"Verbeeld u, fourier, dat tusschen het eten eener lekkere taart en het +drinken van een glas wijn, de baas mij heeft doen gevoelen, dat, indien +ik den krijgsdienst wilde verlaten, het mij niet onmogelijk zou zijn, +eene plaats van het staatsbestuur te bekomen. Dan zou hij zijne dochter +eenen goeden bruidschat medegeven en kon ik zijn schoonzoon worden. Hij +had wel opgemerkt, zeide hij, dat ik eene innige genegenheid voor Judoca +koesterde, en zij, van haren kant, was sedert mijn vertrek zoo droevig +geweest, dat het leed deed om aan te zien.... Gij begrijpt wel, dat ik +dit zonderling voorstel heb van de hand gewezen. De baas nam mijne +weigering niet euvel op; maar toen ik de Zwaan verliet, zag ik tranen in +Judoca's oogen glinsteren. Ik had waarlijk medelijden met haar, want +zij is een braaf en zedig meisje."</p> + +<p>"En gij gevoelt niets voor haar?"</p> + +<p>"Niets. Ik heb het u reeds gezegd, fourier: eens in mijn leven heb ik +bemind. Sedert dan kan geene vrouw,—zelfs niet de schoonste,—op mij +nog eenigen indruk doen. Die taal verwondert u, en gij meent dat ik +alweder spot?"</p> + +<p>"Ik geloof u, majoor; gij hebt mij reeds meermaals laten verstaan, dat +gij eene verborgene wonde in het hart draagt."</p> + +<p>"En gij zijt ongetwijfeld nieuwsgierig om die wonde te kennen?"</p> + +<p>"Neen, bewaar uw geheim; ik zal nooit iets doen om het te ontdekken."</p> + +<p>"Maar toch eens, fourier, zal ik moeten zeggen, wie ik ben en wat mij op +het geweten drukt. Welaan, gij zijt een goede kameraad en een bescheiden +vriend; ik gevoel den lust om u mijne geschiedenis te vertellen. Het zal +den weg verkorten, luister."</p> + +<p>En zijnen gezel den arm nemende, stapte hij voort, terwijl hij dus +aanving:</p> + +<p>"Mijne geboortestad is Brugge; ik was eene wees en stond onder toezicht +van eenen voogd, die zeer streng mij behandelde en mij weinig geld gaf, +ofschoon mijn vader, bij zijn overlijden, mij ongeveer vijf en twintig +duizend gulden tot erfenis had nagelaten.—In onze buurt woonde een +zekere Mr. Roovelt, een gepensioneerd groot-majoor, die in den slag van +Waterloo zijne rechterhand had verloren. Hij had eene dochter, Lucia +genaamd, een zeer bevallig, doch misschien al te gevoelig meisje. In +onze kindsheid hadden wij te zamen gespeeld. Toen ik van het collegie +terugkeerde en achttien jaar had bereikt, veranderde deze vriendschap +welhaast in een diep liefdegevoel, waartegen de majoor en mijn voogd +niets anders inbrachten, dan dat wij nog te jong waren en ten minste, om +te trouwen, moesten wachten totdat ik mijne meerderjarigheid zou hebben +bereikt.... Ik beminde Lucia oprecht en innig; maar zij werd door haren +vader zeer streng gehouden, en slechts elke week werd het mij gegund, +eenige oogenblikken met hem en met haar door te breugen. Ik was jong en +gevoelde den nood tot uitspanning en vermaak, en niet zelden sleet ik +den avond en een gedeelte van den nacht in gezelschap van vroolijke +vrienden. Lucia was ongerust, mistrouwend, ja, zeer jaloersch van +inborst. Nergens kon ik gaan en met vrienden mij vermaken, of zij wist +er bericht van te krijgen. Dan deed zij mij hevige verwijten, kreeg +zenuwaanvallen of weende uren lang, als had ik mij inderdaad op eene +onwaardige wijs jegens haar gedragen. Ik was overtuigd, dat die +geweldige ontsteltenissen aan hare overdrevene liefde voor mij waren toe +te schrijven; maar hare voortdurende bespieding, de dwang, dien zij op +mij poogde uit te oefenen, het denkbeeld, dat ik aan haar en aan haren +vader rekening te geven had over mijne minste daden, dit alles te zamen +bracht mij in opstand tegen haar, en het scheen mij zelven toe, dat +mijne genegenheid voor haar eindelijk zeer was verminderd.... Omtrent +dien tijd bereikte ik mijne meerderjarigheid, en mijn voogd stelde mij +ter hand wat er alsdan nog van mijne vaderlijke erfenis overbleef, +namelijk ongeveer twintigduizend gulden...."</p> + +<p>"Gij hebt twintigduizend gulden bezeten?" mompelde de fourier. "In +geld?"</p> + +<p>"In klinkend geld en in bankpapier."</p> + +<p>"En hebt gij die nog?"</p> + +<p>"Geen cent meer.... Maar onderbreek mij niet, het zou te lang duren. Ik +ga voort. Dit geld werd mijn ongeluk. Ik viel in slecht gezelschap; de +meening dat er aan zulken schat geen einde kon komen, de hoogmoed, de +zucht naar uitspattende vermaken sloegen mij met blindheid. Paard en +rijtuig moest ik hebben, met edelgeborene verkwisters in verkwisting +wedijveren, halve nachten tusschen flesschen champagne en liederlijke +gezellen van alle slag tuischen, zingen en juichen.... Het spreekt van +zelven, dat majoor Roovelt en mijn voogd mij zeer streng over mijn +zinneloos gedrag berispten, en de arme Lucia, meer nog dan te voren, mij +wanhopige verwijten deed; maar hunne vermaningen, daar ik ze als +berekende dwangmiddelen aanschouwde, deden mij des majoors woning +schuwen, en dreven mij tot nog grootere buitensporigheid aan...."</p> + +<p>Hier werd zijn verhaal onderbroken door het geschreeuw van eenen +krankzinnige, die beweerde keizer van Oostenrijk te zijn, en hun den +doortocht op zijn grondgebied wilde ontzeggen; maar zij dreven hem +terug, evenals eenige anderen, zonder zich nog door zulke ontmoetingen +te laten wederhouden.</p> + +<p>"Ik zal het kort maken, want wij naderen Gheel," hernam de +sergeant-majoor. "Nadat ik gedurende bijna twee jaren dit losbandig +leven had geleid, zag ik met verschriktheid het einde mijner +geldmiddelen naderen. Dan wilde ik den slechten weg verlaten, waarin ik +doolde, en mijne levenswijs veranderen. Het was te laat: de majoor +verbood mij den toegang tot zijn huis en mijn voogd deed mij zeggen, dat +hij voortaan den zinneloozen verkwister niet meer wilde kennen, die +waarschijnlijk zou eindigen met den naam zijns vaders door schandelijke +daden te onteeren. Daar ik geen ander geld meer had, dan drie of +vierhonderd gulden, bekroop mij de vrees, dat, indien ik in Brugge +bleef, zijne voorzegging waarheid kon worden. Geheel bedorven of grondig +slecht van inborst was ik niet. Ik betaalde mijne kleine schulden tot +den laatsten stuiver: en, zonder iemand iets van mijn voornemen te +melden, liep ik naar Holland en nam er vrijwillig dienst onder het +voetvolk. Door mijn goed gedrag en mijne vlijt won ik de welwillendheid +mijner oversten. Na anderhalf jaar was ik reeds sergeant; doch dan brak +de Belgische omwenteling uit, en ik verkoos naar mijn vaderland weder te +keeren. Ik had Lucia, mijne zoete speelgenoote, eerste voorwerp mijner +jongelingsliefde, niet vergeten; integendeel, zij had nooit opgehouden +voor mijne oogen te zweven; en zelfs, ik beken het, was de eenige reden +van mijn voorbeeldig gedrag onder dienst, de zwakke hoop dat ik daardoor +hare vergiffenis en die haars vaders zou kunnen verwerven. Ook, wat ik +allereerst deed, was mij naar Brugge te begeven. Eilaas, majoor Roovelt +had deze stad verlaten en was naar Brussel gaan wonen. Wat mij nog meer +bedroefde, was te vernemen, dat Lucia, door mijn onverwacht vertrek +pijnlijk getroffen, was ziek gevallen en eenigen tijd in levensgevaar +had verkeerd. Volgens het gevoelen van den vriend, die mij deze +berichten gaf, was er voor mij op geene vergiffenis te hopen; want de +majoor had gezworen, dat, indien ik mij nog voor hem durfde vertoonen, +hij met de eenige hand die hem overbleef mij eenen kogel door de hersens +zou jagen.... Brugge was in volle gisting; overal herklonk de kreet: 'te +wapen, te wapen!' en honderden jonge lieden trokken op naar de +Hollandsche grenzen. Ik volgde zulk eenen troep, en werd te Antwerpen in +eene nieuwgevormde compagnie tot sergeant-majoor aangesteld.... Men +heeft reeds meer dan eens beweerd, dat ik eene bijzondere genegenheid +voor het een of ander meisje had opgevat. Gij zelf, fourier, +voorondersteldet daar straks, dat zoo iets mogelijk is. Ach, ik zou het +willen: het zou mij misschien helpen om Lucia Roovelt te vergeten; maar +die herinnering mijner eerste jonkheid, die pijnlijke knaging van mijn +geweten, is zoo gemakkelijk niet te overwinnen."</p> + +<p>"En hebt gij, sedert uwen terugkeer in ons land, geene moeite gedaan om +Lucia terug te zien?" vroeg de fourier.</p> + +<p>"Neen," was het antwoord, "ik gevoel mij schuldig en ben overtuigd, dat +de majoor en zijne dochter met verachting hunne deur voor mij zouden +gesloten houden, indien Mr. Roovelt, in zijne wettige gramschap, zijne +bedreiging niet uitvoerde. Ik heb het verdiend en hoop niets meer. Kon +ik slechts haar beeld mij uit den geest drijven! Ik doe er moeite genoeg +toe, en misschien zal het mij mettertijd gelukken; maar mijn geweten zal +mij toch eeuwig blijven verwijten, dat ik mij jegens haar wreed en +ondankbaar heb gedragen."</p> + +<p>De fourier poogde hem te troosten, door het vooruitzicht dat misschien +alle hoop niet zoo volledig voor hem was verloren, als hij het geloofde. +Inderdaad, de sergeant-majoor, die zeer geleerd was en bij zijne +oversten als een uitstekend soldaat stond aangeteekend, zou +ongetwijfeld, vooraleer een jaar verloopen ware, tot den graad van +tweeden luitenant vervorderd zijn. Toonde hij zich met de gouden +epauletten op de schouders en den officiersdegen aan de zijde voor Mr. +Roovelt, en bewees hij daardoor dat zijn gedrag sedert lang +onberispelijk was geworden, zouden Lucia en haar vader zich niet +gelukkig achten, te mogen vergeten wat er was geschied?</p> + +<p>Zij waren op de Markt van Gheel getreden, toen de sergeant-majoor +antwoordde:</p> + +<p>"IJdele droomen! Zeker, Lucia heeft mij teeder en innig bemind, te veel +misschien voor ons beider geluk, maar men mag van het menschelijk gemoed +het onmogelijke niet verhopen. Hare wettige verontwaardiging heeft de +liefde in haar hart uitgedoofd. God weet, is zij niet lang reeds +getrouwd? In alle geval, het schijnt mij dat ik, schuldig als ik mij +gevoel, haar niet zou durven naderen. Het beste is nog, mijne straf met +verduldigheid te aanvaarden, en van den tijd die alles geneest.... Zie, +daar komt de adjudant tot ons. Hij doet ons teeken, dat hij ons wil +spreken. Zou er nieuws zijn? Kon hij ons de tijding mededeelen, dat onze +compagnie Gheel gaat verlaten, ik zou er niet treurig om zijn. En gij, +fourier?"</p> + +<p>"Ik zeker niet, gij kunt het denken; maar onze kapitein drukte immers +gisteren de meening uit, dat wij misschien nog eene gansche maand te +Gheel zullen blijven?"</p> + +<p>Nu naderde hun de adjudant.</p> + +<p>"Fourier," zeide hij tamelijk streng, "het schijnt dat de lucht hier +niet voordeelig op uwe hersens werkt. Gij hebt uwe bons voor vleesch, +brood en jenever zoodanig in de war gebracht, dat er niet wijs uit te +worden is."</p> + +<p>"Zeker, adjudant, iedereen kan misgrepen begaan," antwoordde de fourier, +"maar ik meen mijne bons nauwkeurig te hebben opgemaakt."</p> + +<p>"In het geheel niet: gij hebt vele ratioenen meer ontvangen dan het +getal der tegenwoordig zijnde mannen bedraagt. Wat er van zij, ik kan +mijnen algemeenen staat niet doen overeenstemmen, voor dat die dwaling +opgeklaard is. Kom, ga met mij naar mijn logement; wij zullen uwe bons +met het getal der mannen vergelijken."</p> + +<p>"Ik volg u, adjudant.... Ga naar den Toren, majoor; ik zal straks bij u +komen."</p> + +<p>"Neen," was het antwoord, "ik ben wat moede en wil naar ons logement +gaan, om een oogenblik te rusten. Kom mij daar halen, dan gaan wij te +zamen naar den Toren."</p> + +<p>De fourier volgde den adjudant tot op zijne kamer.</p> + +<p>Het was hem niet moeilijk, in korten tijd het bewijs te leveren dat de +adjudant zich had misgrepen, ten minste wat hem betrof. Daar er evenwel +eene dwaling bestond, moest deze, meenden zij, door eenen anderen +fourier begaan zijn, en zij poogden te zamen, door optellen en +vergelijken, den knoop der verwarring te ontdekken.</p> + +<p>Eindelijk, na een half uur zoekens, bevonden zij, dat de adjudant zelf, +door het misplaatsen eener cijfer, de dwaling had veroorzaakt. Hun +drukke arbeid liep uit op eenen schaterlach.</p> + +<p>De fourier haastte zich terug naar zijn logement; want de +sergeant-majoor, die op hem wachtte om een glas bier in den Toren te +gaan drinken, zou misschien over zijn lang wegblijven verwonderd zijn.</p> + + +<h3><a name="HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGENV" id="HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGENV"></a>V.</h3> + +<p>Toen de fourier in zijn logement kwam en door de keuken stapte, zag hij +de nieuwe zottin bij de tafel zitten en nevens haar de bazin, die haar +onderzoekend en medelijdend scheen gade te slaan. Hij vergenoegde zich +met de bazin in het voorbijgaan te groeten, klom de trappen op en opende +de deur zijner kamer.</p> + +<p>Wat daar zijne oogen trof, hield hem plotseling staan, en een verdoofde +angstkreet ontsnapte zijner borst. Was het geloofelijk!</p> + +<p>De sergeant-majoor zat bij de tafel, met de hand aan het hoofd; tranen +rolden in overvloed van zijne wangen, zijn gelaat scheen verkrampt door +de hevigste smart en door de diepste wanhoop tevens.</p> + +<p>"Hemel, wat is u gebeurd, majoor?" stamelde de fourier. "Een +ongeluk?.... Spreek, zeg mij iets, gij doet mij schrikken."</p> + +<p>Zijn kameraad antwoordde niet; maar zag hem aan met eenen grimlach, zoo +bitter en zoo pijnlijk, dat de fourier er van sidderde.</p> + +<p>"O, vriend," smeekte hij, "bedaar toch; gij schijnt zoo ijselijk +ontsteld!"</p> + +<p>"Kon ik sterven op dit oogenblik!" klaagde de sergeant-majoor. "Ha, ik +heb reeds mijn geweer in de hand gehad, om het met eenen kogel te laden; +maar, neen, ik ben reeds schuldig genoeg, zonder die nieuwe lafheid te +plegen. Vermits God mij heeft willen straffen, vervaarlijk straffen, +welnu, ik zal lijden, lijden, totdat de worm des gewetens mij het hart +verbijt en mij doodt!"</p> + +<p>"Maar, vriend, zeg mij toch, wat u zoo diep bedroeft; misschen zal ik u +kunnen troosten...."</p> + +<p>"Troosten? mij troosten?" herhaalde de sergeant-majoor spottend. "Neen, +neen, mijn hart is een gesloten graf: geene lichtstraal kan er nog +binnen, geene hoop meer voor mij dan in den dood!"</p> + +<p>En eensklaps de hand des fouriers aangrijpende, zeide hij;</p> + +<p>"Gij hebt ze gezien, niet waar, de zottin daar beneden, met hare +verbijsterde oogen en hare hangende lip? Dit arme wezen, dat in den +afgrond der zinneloosheid ligt verzonken, om er nimmer, nimmer weder uit +op te staan? Welnu, weet gij wie zij is?"</p> + +<p>"Hoe zou ik dit kunnen weten, majoor?"</p> + +<p>"Zij is.... o, bittere spotternij van het onmeedoogend lot!.... zij is +het slachtoffer mijner lafheid, hare schrikkelijke ziekte is het loon +harer liefde tot mij."</p> + +<p>"Groote God, Lucia?" gilde de fourier met afgrijzen.</p> + +<p>"Ja, Lucia Roovelt, mijne verloofde.... Welaan, troost mij nu; zeg mij +dat ik nog moet hopen; doe mij gelooven, dat er nog een rustig oogenblik +voor mij op aarde kan zijn. Gij spreekt niet, fourier? Ha, ik begrijp +het wel: wat kunnen woorden bij zulk gruwelijk, zulk onherstelbaar +ongeluk?.... Ik heb geweend, overvloedig geweend; het was de laatste +worsteling van mijn hart tegen de beslissende vertwijfeling. Nu is die +strijd voorbij: alles in mij is dood!"</p> + +<p>De fourier gevoelde zich inderdaad de kracht niet meer om iets te +zeggen; hij bleef lang zwijgend en veegde nu en dan eenen traan van +medelijden uit de oogen, terwijl zijn kameraad, als onder de eindelooze +smart verpletterd, met gebogen hoofd en roerloos ten gronde staarde.</p> + +<p>Eindelijk toch meende de fourier een middel te hebben gevonden, om het +ijselijk verdriet van zijnen vriend door een zwakken straal der hoop te +verzachten.</p> + +<p>"Hebt gij Lucia het woord toegestuurd?" vroeg hij. "Heeft zij u +herkend?.... Nu, spreek, ik smeek u."</p> + +<p>"Ik zag haar slechts van verre, en ben, meer dood dan levend, van dit +akelig schouwspel weggevlucht," was het antwoord.</p> + +<p>"Zijt gij wel zeker, dat gij u niet hebt bedrogen?"</p> + +<p>"Mij bedrogen? Kan men in zulke omstandigheid zich bedriegen?"</p> + +<p>"En hebben de lieden des huizes uwe ontsteltenis opgemerkt?"</p> + +<p>"Neen, daartoe gaf ik hun den tijd niet."</p> + +<p>"Welaan, majoor, wanhoop nog niet geheel. Gij hebt hier, zoowel als ik, +genoeg geschiedenissen hooren vertellen van zotten, die genezen zijn +door het uitwerksel van voorvallen, welke eenen diepen indruk op hun +gemoed te weeg brachten. Indien Lucia Roovelt inderdaad hersenziek is +geworden, omdat gij haar onverwachts hebt verlaten, zou zij nu het +verstand niet kunnen terugbekomen, indien zij u eensklaps herkende en +gij haar, door uwe vriendelijke woorden, liet verstaan, dat gij, wel +verre van haar te hebben vergeten, nog immer hetzelfde teeder gevoel +voor haar koestert?"</p> + +<p>De sergeant-majoor onthaalde dit vooruitzicht met eenen bitteren +grimlach, en bewees dat dit eene ijdele hoop was, aangezien de kwaal in +de ongelukkige Lucia onherstelbare vorderingen had gedaan; maar de +fourier liet zich niet overreden en beweerde, dat het ten minste hun +plicht was, dit laatste redmiddel te beproeven. Genas Lucia niet in +eens,—zoo als het inderdaad te vreezen was,—dan kon toch zulke +herkenning haar verstand allengs weder opklaren; en vermits hunne +compagnie waarschijnlijk nog eene gansche maand te Gheel zou blijven, +zouden zij misschien den tijd hebben, om het arme meisje beslissend in +de baan eener geheele herstelling te brengen. Het ware voor Lucia eene +opperste weldaad en voor den sergeant-majoor eene groote verzachting +zijner smart.</p> + +<p>Hij hield zoolang op dit punt aan en deed zoo vele redenen gelden, dat +zijn kameraad, zonder de minste hoop evenwel, zich bereid verklaarde de +herkenning te beproeven. De eenigste opwerping, welke hij ten laatste +nog maakte, was de vraag wat de lieden des huizes wel zouden zeggen, +wanneer zij vernamen, dat hij de eenige oorzaak van de krankzinnigheid +hunner nieuwe kostgangster was. Waartoe kon het nuttig zijn, van de +geschiedenis zijns levens de straatmare der Gheelenaars en der soldaten +te maken?</p> + +<p>"Er is een gemakkelijk middel om dit te voorkomen," antwoordde de +fourier. "Laat mij eerst beneden gaan; ik zal de lieden zeggen, dat gij +de nieuwe zottin te Brugge hebt gekend, dat gij buurkinderen waart en te +zamen hebt gespeeld; maar van eene innige betrekking tusschen u en haar +zal ik niet gewagen. In zulke voorwaarden zullen zij het zeer natuurlijk +vinden, dat wij willen beproeven of zij u niet zou herkennen. Blijf dus +hier gerust wachten, totdat ik wederkeer. Misschien zullen wij ons nog +over eenen gelukkigen uitslag te verblijden hebben."</p> + +<p>Met eene bittere uitdrukking van ongeloof staarde de sergeant-majoor +zijnen gezel achterna, en legde dan geheel moedeloos het hoofd in de +handen.</p> + +<p>Na eene korte afwezigheid, keerde de fourier terug, en zeide hem:</p> + +<p>"Het is gedaan: ik heb de bazin en Trees bekend gemaakt, dat gij en +Lucia Boovelt buurkinderen zijt geweest. Lucia zit alleen beneden, de +prinses is op hare kamer. Het oogenblik is allergunstigst; volg mij nu."</p> + +<p>De sergeant-majoor gehoorzaamde lijdzaam; beiden gingen beneden in de +keuken.</p> + +<p>Daar zat Lucia met de levenlooze oogen, zonder doel en zonder gedachte, +op de tafel gevestigd.</p> + +<p>Wel klopte het hart des sergeant-majoors hoorbaar in zijnen boezem, wel +aarzelde hij om de krankzinnige te naderen; doch, als door een geweldig +besluit zijnen moed te zamen rapende, kwam hij vooruit en zeide met eene +stem, die sidderde van ontroering:</p> + +<p>"Lucia, arme Lucia, herkent gij mij niet? Ik ben uw vriend, uw goede +vriend Alexander!"</p> + +<p>Een lange, domme lach was het antwoord, dat hij bekwam; en zoo diep +sneed dit ijselijk geschater hem door de ziel, dat hij bleek en bevend +achteruitdeinsde. Waarschijnlijk hadde hij van toen af de akelige poging +opgegeven; maar de fourier weerhield hem en spoorde hem tot volharding +aan.</p> + +<p>"Lucia, lieve Lucia," hernam de sergeant-majoor. "Kent gij mij niet +meer? Zie mij aan, ik smeek u: ik ben Alexander, dien gij vroeger zoo +innig liefhadt....."</p> + +<p>Het meisje, als had zij hem niet gehoord, poogde met de hand eene vlieg +te vangen, die voor haar op de tafel heen en weder liep.</p> + +<p>"Staak uw nuttelooze moeite," zeide de bazin, welke dit tooneel +bijwoonde. "Alles is vergeefsch, er is geene hoop meer. Het arme kind +zal het waarschijnlijk hier niet lang trekken: zij heeft reeds het water +in de hersens; daar is niets meer aan te doen."</p> + +<p>Met eenen doffen angstkreet zonk de sergeant-majoor op eenen stoel; hij +sloot de oogen en werd bleek, als ging hij bezwijmen. Zijn gezel liep op +hem toe, om hem te ondersteunen, en de bazin greep eene kom water om +zijn hoofd te verkoelen; maar hij richtte zich langzaam op.</p> + +<p>"Dank, bazin, het is niet noodig," sprak hij, in schijn bedaard. "Kom, +fourier, wij gaan naar boven: eenzaamheid, rust, anders verlang ik +niet."</p> + +<p>Op de kamer gekomen, zeide de fourier nog eenige woorden om, ware het +mogelijk, het eindeloos verdriet van zijnen ongelukkigen vriend te +matigen; maar deze, na eene wijl in sombere stilte te zijn verzonken +gebleven, stond op en zeide op den toon van een onwrikbaar besluit:</p> + +<p>"Neen, ik blijf hier niet langer! Wel heb ik mijne straf verdiend, +tienmaal verdiend; maar zoo te leven, met het slachtoffer mijner +wreedheid, mijner lafheid onder de oogen! O, dit is te veel.... Fourier, +ik loop tot den kapitein. Desnoods zal ik hem openbaren, in welken +gruwelijken toestand ik mij bevind. Hij zal mij verlof geven om naar +Brugge of elders te gaan, totdat onze compagnie van hier vertrekt. Nog +slapen in het huis waar zij lijdt en zichtbaar wegsterft? Dat niet; +neen, neen, dat niet!"</p> + +<p>"Ik ga mede," riep de fourier.</p> + +<p>"Waartoe noodig? Bekommer u niet langer om mij."</p> + +<p>"U alleen laten gaan op zulk oogenblik? Hoop het niet, majoor."</p> + +<p>"Welaan, het is mij gelijk. Kom dan haastig!"</p> + +<p>Beiden daalden de trappen af, liepen door het huis, zonder iemand te +groeten noch te bezien, en traden op de Markt.</p> + +<p>Toen zij aan des kapiteins logement kwamen, ontsnapte den +sergeant-majoor een gil van bittere onttoovering. De lieden van den +huize zeiden hun, dat de kapitein afwezig was. Waar hij zich bevond, +wisten zij niet wel, maar zij meenden te mogen denken, dat hij de baan +naar Casterlee was opgewandeld, want iemand had hem halverwege den Aert +ontmoet. In alle geval, hij had hun aangekondigd, dat hij slechts te +tien uren des avonds zou terugkeeren; lang kon hij dus niet meer +wegblijven, want de dag verminderde sterk en het zou welhaast donker +worden.</p> + +<p>Door dezen tegenslag geheel ontmoedigd, bleef de arme sergeant-majoor +radeloos voor de deur van des kapiteins herberg staan; maar de fourier, +om zijne wanhoop eene afwijking te geven, deed hem begrijpen, dat zij +niet beter konden doen dan insgelijks de baan naar Casterlee op te +wandelen. Zoo zouden zij ongetwijfeld den kapitein ontmoeten; en, +gelukten zij daar niet in, dan bleef hun toch altijd het zekere middel, +te tien uren zich opnieuw in zijn logement aan te bieden.</p> + +<p>De sergeant-majoor volgde hem lijdzaam. Zijn jonge kameraad hield +intusschen niet op van spreken, om zijne gedachten van het ijselijk +voorval af te keeren; maar hij bleef doof voor allen troost en scheen +zelfs niet meer bekwaam, om de medelijdende woorden van zijnen vriend +eenige aandacht te leenen.</p> + +<p>Zoo waren zij misschien een groot kwart uurs buiten Gheel geraakt, toen +zij eensklaps achter zich het snelle geklep eener klok door de lucht +hoorden galmen.</p> + +<p>"Wat is dit?" riep de fourier. "De noodklok? Er is brand te Gheel; wij +moeten terug!"</p> + +<p>"Terug? Neen, neen," morde de sergeant-majoor, die weigerde zich om te +keeren.</p> + +<p>"De compagnie zal helpen blusschen; wij moeten er tegenwoordig zijn, het +is onze plicht,"</p> + +<p>"O, laat ons voortgaan! Den kapitein moet ik zien, of ik keer niet meer +terug naar Gheel."</p> + +<p>"Maar gij hebt toch zeker geen lust om te deserteeren?"</p> + +<p>"Het ware eene erge zaak, inderdaad," gromde de sergeant-majoor. +"Nogtans, indien er geen ander middel overbleef. Wat geeft mij voortaan +het leven?"</p> + +<p>"Het leven, maar de eer?.... Luister, luister, de trommels slaan alarm! +God weet, wat het is! Spoedig, majoor! Indien de vijand onze compagnies +eens onverwachts had aangevallen?"</p> + +<p>"O, mocht dit waar zijn!" riep de sergeant-majoor met blijdschap uit, +terwijl hij haastig in de baan terugstapte. "Misschien zou ik heden nog +de verlossing vinden! Vallen op het Veld van eer, en zoo den worm +dooden, die mijn hart verscheurt! Alles vergeten in het graf! Kom, kom!"</p> + +<p>In de nabijheid des dorps ontmoetten zij eenige soldaten, die op eene +nabijgelegene hofstede waren geherbergd en naar huis liepen, om hun +geweer en hunnen ransel te halen.</p> + +<p>Op de vragen des fouriers, antwoordde een hunner:</p> + +<p>"Wij moeten seffens vertrekken. Het schijnt dat het Hollandsche leger +naar onze grenzen is afgezakt en in ons land wil vallen. Het bevel van +onzen generaal is zoo haastig, dat men de noodklok heeft geluid om de +soldaten bijeen te roepen."</p> + +<p>Het was wonder, hoe deze tijding den majoor zijnen moed terugschonk en +hem zelfs blijde kreten deed slaken. De fourier bedroog zich niet over +de reden dezer verandering. Blijkbaar was het inderdaad genoeg, dat zijn +kameraad daarin niets zag dan de hoop, dat het hem nu zou toegelaten +worden, met blindelings tegen den vijand in te loopen, een einde aan +zijne bittere smart te maken.</p> + +<p>Hij verheugde zich evenwel in de gedachte, dat de verstrooiingen en de +vermoeienissen van eenen veldtocht, veel konden bijdragen om eenige +kalmte in het geschokt gemoed zijns vriends te brengen.</p> + +<p>Een half uur daarna stonden beiden, met den ransel op den rug en het +geweer in den arm, achter hunne compagnie.</p> + +<p>De namen werden opgeroepen. Er ontbraken nog eenige mannen van die, +welke op verafgelegene hofsteden waren geherbergd; maar het bevel van +den generaal was te stellig: men mocht niet langer op hen wachten.</p> + +<p>Het sein werd gegeven; de trommels braken los in een aanjagend +geroffel.... en de compagnies verlieten Gheel.</p> + + +<h3><a name="HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGENVI" id="HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGENVI"></a>VI.</h3> + +<p>Zonder onderweg langer dan nu en dan eenige minuten te rusten, trokken +de compagnies door de duisternis de baan naar Turnhout op, gingen door +deze stad, en sloegen zich in den vroegen morgen, nevens de andere +Bataljons van het 2de regiment Jagers te voet op de Ravelsche heide +neder.</p> + +<p>Daar werd de gansche dag besteed aan het wisselen van geweerkogels met +de scherpschutters des vijands; en dewijl de sergeant-majoor en de +fourier toebehoorden aan eene middelcompagnie, die niet in het vuur werd +gezonden, waren zij gedwongen, met het geweer aan den voet, op den +uitslag dezer onbeduidende schermutselingen te wachten.</p> + +<p>Ook de nacht ging zonder gewichtig voorval voorbij.</p> + +<p>Maar in den morgen, welke daarop volgde, toen het zonnelicht door den +nevel drong, zagen zij een vijandelijk leger van meer dan twintigduizend +man op de heide uitgespreid.</p> + +<p>Het ware eene belachelijke onderneming geweest, eenen ernstigen +wederstand aan zulke ontzettende macht te willen bieden, aangezien het +getal der Belgische soldaten, hier op de Ravelsche heide vergaderd, de +duizend man niet bereikte, en zij geene ruiterij en slechts twee kleine +veldstukken hadden.</p> + +<p>Geen wonder dus dat, terwijl de sergeant-majoor zich de handen wreef, +bij de verwachting van een bloedig gevecht, een haastig bevel van den +Staf den terugtocht kwam gebieden.</p> + +<p>Het gelukte den generaal Niellon, zijnen kleinen troep naar het +binnenland te leiden, dikwijls dwars door het Hollandsche leger, dat in +aantocht was op Leuven, naar welke stad onze koning Leopold al de +beschikbare gedeelten der Belgische krijgsmacht had te zamen geroepen.</p> + +<p>Op den 12den Augustus 1831, werd in de nabijheid van Leuven een +beslissende veldslag geleverd.</p> + +<p>Reeds van den aanvang, bij het bestormen van den IJzerberg door de +Belgen, trof een kogel den sergeant-majoor in de volle borst. Hij viel +in de armen des fouriers, en murmelde nog, terwijl de doodverf zich over +zijn gelaat verspreidde:</p> + +<p>"Lucia, Lucia, gij zijt gewroken! Fourier, ik vertrek.... ben gelukkig. +Vaarwel!"</p> + + + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of Project Gutenberg's Eene Gekkenwereld!, by Hendrik Conscience + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EENE GEKKENWERELD! *** + +***** This file should be named 17072-h.htm or 17072-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/7/0/7/17072/ + +Produced by Clare Boothby and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> |
