summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/17072-h
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:50:15 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:50:15 -0700
commitbefdb305b87529e5c7db6445eb933b94c36a415c (patch)
treec801f33ffc2c77ffdcfb3385cccd9c644b312dd1 /17072-h
initial commit of ebook 17072HEADmain
Diffstat (limited to '17072-h')
-rw-r--r--17072-h/17072-h.htm5015
1 files changed, 5015 insertions, 0 deletions
diff --git a/17072-h/17072-h.htm b/17072-h/17072-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..fbb38b6
--- /dev/null
+++ b/17072-h/17072-h.htm
@@ -0,0 +1,5015 @@
+<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN"
+ "http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd">
+
+<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml">
+ <head>
+ <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=iso-8859-1" />
+ <title>
+ The Project Gutenberg eBook of Eene Gekkenwereld!, by Hendrik Conscience.
+ </title>
+ <style type="text/css">
+/*<![CDATA[ XML blockout */
+<!--
+ p { margin-top: .75em;
+ text-align: justify;
+ margin-bottom: .75em;
+ }
+ h1,h3,h4,h5,h6 {
+ text-align: center; /* all headings centered */
+ clear: both;
+ }
+
+ h2
+ {text-align: center; /* all headings centered */
+ clear: both; font-variant: small-caps;
+ }
+
+ hr { width: 33%;
+ margin-top: 2em;
+ margin-bottom: 2em;
+ margin-left: auto;
+ margin-right: auto;
+ clear: both;
+ }
+
+ table {margin-left: auto; margin-right: auto;}
+
+ body{margin-left: 10%;
+ margin-right: 10%;
+ }
+
+ .pagenum { /* uncomment the next line for invisible page numbers */
+ /* visibility: hidden; */
+ position: absolute;
+ left: 92%;
+ font-size: smaller;
+ text-align: right;
+ } /* page numbers */
+
+ .linenum {position: absolute; top: auto; left: 4%;} /* poetry number */
+ .blockquot{margin-left: 5%; margin-right: 10%;}
+
+
+ .bb {border-bottom: solid 2px;}
+ .bl {border-left: solid 2px;}
+ .bt {border-top: solid 2px;}
+ .br {border-right: solid 2px;}
+ .bbox {border: solid 2px;}
+
+ .center {text-align: center;}
+ .smcap {font-variant: small-caps;}
+ .u {text-decoration: underline;}
+
+ .caption {font-weight: bold;}
+
+ .figcenter {margin: auto; text-align: center;}
+
+ .figleft {float: left; clear: left; margin-left: 0; margin-bottom: 1em; margin-top:
+ 1em; margin-right: 1em; padding: 0; text-align: center;}
+
+ .figright {float: right; clear: right; margin-left: 1em; margin-bottom: 1em;
+ margin-top: 1em; margin-right: 0; padding: 0; text-align: center;}
+
+ .voetnoots {border: dashed 1px;}
+ .voetnoot {margin-left: 10%; margin-right: 10%; font-size: 0.9em;}
+ .voetnoot .label {position: absolute; right: 84%; text-align: right;}
+ .fnanchor {vertical-align: super; font-size: .8em; text-decoration: none;}
+
+ .poem {margin-left:10%; margin-right:10%; text-align: left;}
+ .poem br {display: none;}
+ .poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;}
+ .poem span.i0 {display: block; margin-left: 0em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;}
+ .poem span.i2 {display: block; margin-left: 2em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;}
+ .poem span.i4 {display: block; margin-left: 4em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;}
+ // -->
+ /* XML end ]]>*/
+ </style>
+ </head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+The Project Gutenberg EBook of Eene Gekkenwereld!, by Hendrik Conscience
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Eene Gekkenwereld!
+
+Author: Hendrik Conscience
+
+Release Date: November 16, 2005 [EBook #17072]
+[Last updated: August 27, 2011]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EENE GEKKENWERELD! ***
+
+
+
+
+Produced by Clare Boothby and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+
+
+
+
+<div>
+<br />
+<br />
+<hr style="width: 65%;" />
+<br />
+</div>
+
+<h1>Eene Gekkenwereld!</h1>
+<div>
+<br />
+<br />
+</div>
+
+<h2>Hendrik Conscience</h2>
+
+<div>
+<hr style="width: 65%;" />
+<br />
+<br />
+</div>
+
+<!-- Autogenerated TOC. Modify or delete as required. -->
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;"><big><b>Inhoud</b></big></span>
+<br />
+<br />
+<span style="margin-left: 4em;"><b>Wat Geluk Dat Het Niet Waar Was!</b></span><br />
+<span style="margin-left: 6em;"><a href="#WAT_GELUK_DAT_HET_NIET_WAAR_WASI"><b>I</b></a></span><br /><br />
+<span style="margin-left: 4em;"><b>Het Wonderei</b></span><br />
+<span style="margin-left: 6em;"><a href="#HET_WONDEREII"><b>I</b></a></span><br />
+<span style="margin-left: 6em;"><a href="#HET_WONDEREIII"><b>II</b></a></span><br />
+<span style="margin-left: 6em;"><a href="#HET_WONDEREIIII"><b>III</b></a></span><br /><br />
+<span style="margin-left: 4em;"><b>Het Paradijs Der Krankzinnigen.</b></span><br />
+<span style="margin-left: 6em;"><a href="#HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGENI"><b>I</b></a></span><br />
+<span style="margin-left: 6em;"><a href="#HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGENII"><b>II</b></a></span><br />
+<span style="margin-left: 6em;"><a href="#HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGENIII"><b>III</b></a></span><br />
+<span style="margin-left: 6em;"><a href="#HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGENIV"><b>IV</b></a></span><br />
+<span style="margin-left: 6em;"><a href="#HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGENV"><b>V</b></a></span><br />
+<span style="margin-left: 6em;"><a href="#HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGENVI"><b>VI</b></a></span><br />
+</p>
+
+
+<div>
+<hr style="width: 65%;" />
+</div>
+
+<h2><a name="WAT_GELUK_DAT_HET_NIET_WAAR_WASI" id="WAT_GELUK_DAT_HET_NIET_WAAR_WASI"></a>Wat Geluk Dat Het Niet Waar Was!</h2>
+
+<h3>Eerste Schets</h3>
+
+<h3>I.</h3>
+
+<p>Ik was verdoold geraakt op de naakte, grenzenlooze heide, waar boom,
+heuvel noch dorpstoren mij de goede richting kon aanwijzen.</p>
+
+<p>Mij bedroefde dit echter niet: het is zoo vermakelijk, verloopen te
+loopen, wanneer men eindelijk toch zijnen weg naar huis zal terugvinden.</p>
+
+<p>Maar geheel anders werd ik te moede, toen de nacht mij in de woestijn
+overviel, en het rondom mij allengs zoo ondoorgrondelijk zwart werd, dat
+ik soms tastende de hand uitstak, in het denkbeeld, de duisternis te
+kunnen voelen.</p>
+
+<p>Met onverpoosd over de effene vlakte vooruit te gaan, zou ik
+ongetwijfeld eerlang eene menschenwoning aantreffen.&mdash;Naar welken kant
+mij gericht?</p>
+
+<p>Ha, daar zag ik eensklaps in de verte een lichtje flikkeren!</p>
+
+<p>Tusschen mij en de plaats waar dit lampken brandde, moesten boomen of
+andere hinderpalen staan; want het waggelende licht scheen, volgens
+mijne bewegingen, uit te dooven, weder op te vlammen, te dansen of van
+den eenen kant naar den anderen te springen.</p>
+
+<p>Daar moest ik naar toe, daar zou ik menschen vinden, eene herberg voor
+den nacht of een dienstwilligen leidsman.</p>
+
+<p>Allerlei onbekende, angstwekkende geruchten bruisten uit den schoot der
+heide op: gesis, gesjirp, geschuivel, gekras, onduidelijk, somber en
+doodsch, alsof de aarde wreede pijnen doorstond en aan de loodzware
+zomernachtlucht haar lijden klaagde.</p>
+
+<p>De vervaardheid gaf mij vleugelen; ik draafde met koortsigen stap over
+de heide, immer den blik op het pinkend vlammetje gericht.</p>
+
+<p>Nu en dan verwarden mijne voeten in het houtige heidekruid; ik viel,
+stond zuchtend op, wreef mij het scherpe kiezelzand van neus en
+voorhoofd, en hervatte mijne blinde vlucht door de duisternis.</p>
+
+<p>Het is wonderlijk, hoe in den donkeren nacht een verre licht den mensch
+over den afstand kan bedriegen! Ik was reeds moede geloopen, en nog
+scheen het mij, dat ik het flikkerende lampken geen boogschot was
+genaderd.</p>
+
+<p>Wat ik voor een aardsch licht aanzag, was misschien eene star? Zoo zou
+dan mijn gansch leven, al werd ik honderd jaar oud, te kort geweest zijn
+om het te bereiken? Mijne vrees was echter ongegrond; er blonk geene
+enkele star aan den inktzwarten hemel.</p>
+
+<p>Hoe lang ik, met het parelende zweet der vermoeidheid op het aangezicht,
+had gedraafd, dit weet ik niet: vele uren zeker; want toen ik, geheel
+ten einde van krachten, een oogenblik stilhield om wat adem te scheppen,
+dacht mij dat aan den verren Oosten een flauwe, witte schijn als een
+grijsachtige vlek begon op te dagen. Over de heide heerschte nog het
+dikste helleduister; maar de eerste schemer, voorlooper van het komende
+licht, was daar!</p>
+
+<p>Die blijde boodschap schonk mij hoop en moed; ik hernam mijnen gang,
+ditmaal echter met stramme, slepende voeten....</p>
+
+<p>O, hemel, wat is dit! Rol ik niet van eene hoogte in den eeuwigen
+afgrond? Gruwelijk! een straal ijs schiet mij door het ruggemerg; geen
+einde aan dit duizelig nederdalen. Ik ben dood!</p>
+
+<p>Neen, nog niet, God zij dank! Daar kom ik terecht op eenen grazigen
+bodem, als op een mollig bed. Ik betast mijne leden; niets gebroken,
+niets bezeerd!</p>
+
+<p>Opstaan zal ik, en met meer voorzichtigheid mijne droeve reis
+voortzetten; maar mijne pogingen zijn vruchteloos: ik kan mijne beenen
+bijna niet meer verroeren, en val krachteloos terug op het gras.</p>
+
+<p>Daar lag ik nu, uitgeput en als een blaasbalg hijgende. Wat kon ik doen?
+Wachten en onderwijl over mijnen pijnlijken, onuitlegbaren toestand
+nadenken, totdat de rust nieuw zenuwsap door mijne beenen deed stroomen.</p>
+
+<p>Maar nadenken, mijmeren werkt als een geestverdoovende slaapdrank op den
+vermoeiden mensch.... Ik schoof mijnen linkerarm mij onder het hoofd, en
+zonk weg in eenen sluimer, zoo diep en zoo zwoegend, dat mijn ratelend
+snorken ongetwijfeld alle kruipend of vliegend ongedierte van mij moest
+verwijderd houden.....</p>
+
+<p>Het was reeds klaar dag toen ik ontwaakte.</p>
+
+<p>Mij oprichtende, staarde ik roerloos en stom van verbaasdheid, naar alle
+zijden uit. In welk land, in welke wereld bevond ik mij?</p>
+
+<p>Recht voor mij, op een honderdtal stappen, verhief zich een ontzaglijke
+muur van groote baksteenen, gescheurd, ingevreten en hier en daar
+vooroverhellende, als gereed om in de diepte neer te storten. Deze muur
+verlengde zich van wederkante zeer verre, totdat hij, door eene cirkel
+vormende ombuiging, zijne uiteinden aan mijn gezicht onttrok.</p>
+
+<p>Ik was ongetwijfeld in de nabijheid eener stad, of wat vroeger eene stad
+moest geweest zijn; want boven den grooten ringmuur zag ik eene menigte
+bouwvallige huizen, paleizen en kerken, met verbrokkelde gevels,
+ingezakte daken, afgeknotte torens.</p>
+
+<p>Was het de oorlog, eene aardbeving of eene vermaledijding des Heeren,
+die deze stad dus had bedorven en ten gronde gericht? In alle geval
+moest de schrikkelijke ramp sedert meer dan eene eeuw haar getroffen
+hebben; want de tijd had alle hoeken en kanten afgeknaagd, en in de
+scheuren en reten zaden geworpen, welke nu tot heesters en boomen waren
+opgegroeid, of als slingerplanten van de gevels nederhingen.</p>
+
+<p>Over de brokkelige puinen rustte eene sombere, doodsche stilte, als ware
+deze slapende stad het graf van een weggestorven menschengeslacht.</p>
+
+<p>Ik sidderde bij dit akelig beeld van verdelging, eenzaamheid en
+troosteloos nietzijn; en keerde het oog er van af. Eenen uitweg zou ik
+zoeken om weder de vlakke heide te bereiken; want hier was het mij
+zonderling benauwd aan het hart.</p>
+
+<p>Hoe vermeerderde mijne bekommerdheid, toen ik meende te erkennen, dat
+het mij onmogelijk zou zijn, uit de diepte te geraken!</p>
+
+<p>Inderdaad, achter mij verlengde zich een even hooge muur, en de plaats
+waar ik nu stond, was niets anders dan de bodem der oude, uitgedroogde
+stadsgracht.</p>
+
+<p>Langs deze zijde was er geene hoop om den muur te kunnen beklimmen: niet
+alleen scheen hij wel dertig voet loodrechte hoogte te hebben; maar,
+naar het Noorden gekeerd zijnde, had hij weinig van den tijd geleden, en
+nergens bemerkte ik eene kloof of scheur, groot genoeg om mijne handen
+of voeten eenen steun tot klimmen te leenen.</p>
+
+<p>Aan de overzijde der gracht was de muur integendeel zeer bouwvallig, en
+ik bespeurde zelfs dat daar, aan den voet van een groot huis, steenen en
+aarde in de diepte waren afgezakt, en eene soort van dijk of brug
+vormden, langs waar men met gemak, dacht mij, in de verlatene stad kon
+geraken.</p>
+
+<p>Maar hoe den anderen kant der gracht bereikt? De grond was, vooral naar
+het midden, moerassig en slijkig. Ik had nog geene tien stappen
+beproefd, of ik voelde mijne voeten door den modder zinken, en sprong,
+huiverend van schrik, terug.</p>
+
+<p>Ik richtte den blik naar alle zijden om een uitkomen te ontdekken.
+Niets! geen ander middel dan over de gracht te gaan.</p>
+
+<p>Het hoofd schuddende en zuchten slakende, staarde ik roerloos op de
+groene vlekken van het poelgras, die hier en daar uit het drabbige
+turfmoer zich verhieven, en op het ijzerachtig water, dat met zijne
+gele, roode tinten als eene vale slang door het midden der gracht
+kronkelend voortzijpelde.</p>
+
+<p>Mij klopte het hart wel angstig in den boezem. Het was echter geene
+eigenlijke verschriktheid die mij ontstelde; want ik begreep niet welk
+gevaar mij hier kon bedreigen, en de lange zomerdag, die nu eerst had
+aangevangen, liet mij tijds genoeg om naar een redmiddel uit te zien;
+maar mijne verlegenheid was zeer groot, en ik gevoelde mij als beschaamd
+over mijnen neteligen toestand.</p>
+
+<p>Wat zou ik beginnen? Vooruitgaan langs den boord der gracht en zoo den
+voet van den buitenmuur volgen, tot zelfs achter zijne ombuiging?
+Waarschijnlijk zou ik toch eene plaats vinden, die mij toeliet uit de
+diepte te geraken.... Maar indien deze hoop werd teleurgesteld? Zou ik
+dan eeuwig rondloopen in eenen cirkel zonder einde? Beproeven moest ik
+het evenwel.</p>
+
+<p>Ik stapte dus voort over de waggelende zode, nu en dan terugtredende, om
+mijne voeten op vasteren bodem te zetten.</p>
+
+<p>Wonderlijke streek! Geen gerucht, geen klank, geen leven. Zelfs het
+loover aan kruid en boomen hing hier stil en doodsch, als had er de wind
+geenen adem....</p>
+
+<p>Ha, ik ben gered! Daar ontwaar ik een voetpad.... Misschien het
+nachtelijk spoor van verslindende dieren, welke hunne krochten binnen de
+bouwvallen hebben gekozen? Neen, menschen hebben dien wegel gebaand;
+beesten zouden toch het verstand niet hebben, steenen aan te brengen om
+den moerassigen grond vastigheid te geven?</p>
+
+<p>En zie ik niet dat zulke steenen, soms ontzaglijk zwaar, als eene brug
+dwars over den bodem der gracht zijn gelegd? Ten einde van den wegel is
+zelfs eene poort, of ten minste een gat, in den muur van een reusachtig
+gebouw. Dit is ongetwijfeld de ingang tot de stad, welke ondanks hare
+bouwvalligheid door redelijke wezens, door menschen moet bewoond zijn.</p>
+
+<p>Deze ontdekking vervulde mij met blijdschap; ik volgde het steenen pad,
+bereikte zonder hinder de overzijde der gracht en stapte door het gat
+van den muur, met de zekerheid dat ik op eene straat der stad zou
+uitkomen.</p>
+
+<p>Maar ik zag mij in deze verwachting bedrogen; want ik bevond mij in eene
+lange, overwelfde gaanderij, gesteund op eene dubbele reeks pijlers van
+arduinsteen: misschien een voormalig klooster?</p>
+
+<p>Eene andere opening dan degene langs waar ik was binnengetreden, kon ik
+niet ontdekken, zelfs niet toen ik het einde der gaanderij had bereikt.
+Hier stiet ik op eenen hoogen, blinden muur en werd gedwongen, terug te
+keeren om eenen anderen uitweg te zoeken. Waarschijnlijk was het gat in
+den muur van dit gebouw de ware ingang der stad niet. Mij bleef niets
+over dan weder door dit gat uit te gaan....</p>
+
+<p>Hoe ik echter met verbaasdheid de oogen opensperde, ik kon de opening
+niet meer terugvinden,&mdash;en nogtans was ik overtuigd en zeker, dat ik ter
+juiste plaats stond waar ik was binnengekomen. Ik herkende deze aan
+eenen omgevallen pijler, waarover ik bij mijne intrede had moeten
+heenstappen.</p>
+
+<p>Wat beduidde dit? Had men op zoo korten tijd het gat toegemetseld? Er
+was geen spoor van zulken arbeid te ontwaren.... Tooverij? Kom, kom, dat
+is een kinderachtig verdenken. Maar wat dan? Ik zal mij misgrepen
+hebben: ongetwijfeld bestaat het gat verder....</p>
+
+<p>Het is om zinneloos te worden: ik heb tweehonderd stappen meer door de
+gaanderij gedaan, en geene opening te bespeuren! Van tooverij ben ik
+niet vervaard, en evenwel is mijne ademing lastig en klopt het hart mij
+geweldig. Waar ben ik hier en hoe geraak ik uit deze hachelijke
+verlegenheid?</p>
+
+<p>Goede hemel! bedrieg ik mij niet? Hoor ik niet, achter den binnenmuur,
+eene menschenstem hergalmen? Ja, de zanger moet dicht omtrent mij zijn;
+want zijne stem klinkt voor mij verstaanbaar. Ik ken dit gezang; het is
+een lied van Theodoor Van Rijswijck:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Wie graag eens een reisje door Holland wil doen,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Hij zal het zich nimmer beklagen.</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">De morgenstond komt er, als hier, v&oacute;or den noen;</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Er zijn zomersche en wintersche dagen.</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">En is er de luchtstreek wat koud,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Zijn er geen bronnen noch mijnen van goud,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Men is er zoo zalig gezeten</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Te midden van Schiedam en kaas en tabak,</span><br />
+<span style="margin-left: 4em;">Ducaten en po&euml;ten.</span><br />
+</p>
+
+<p>Ha, ha, dommerik die ik ben! Waar men zoo vroolijk zingt, kan verdriet
+noch lijden heerschen... en ik, die reeds schrikte, in de verwachting
+der vervaarlijkste dingen!</p>
+
+<p>Gerustgesteld door het trippelend lied, keek ik uit naar eenen weg om
+bij den zanger te geraken; ik ontdekte na lang zoeken eenen duisteren,
+kronkeligen gang, dien ik ten allen gevalle intrad en eene wijl
+twijfelend volgde. Eindelijk zag ik in de verte het daglicht schemeren,
+en welhaast bevond ik mij bij de opene deur eener overwelfde zaal,
+onzindelijk en somber als eene krocht.</p>
+
+<p>Ik bleef in de halve duisternis staan, met den verbaasden blik gericht
+op een zonderling wezen, dat nu uit volle keel de laatste strofe van Van
+Rijswijcks lied herhaalde.</p>
+
+<p>Dit wezen,&mdash;een slag van mensch evenwel,&mdash;was eene gekleede ton, breed
+en rond als een dubbel biervat; en daar bovenuit stak een dik
+mannenhoofd, glimmend en zoodanig opgezwollen, dat men nauwelijks de
+oogen in hunne diepe holen kon ontwaren.</p>
+
+<p>Aan de ton zag ik armen noch beenen; zij rustte met den bodem op een
+kussen,&mdash;een lederen stroozak ongetwijfeld ... en dit monsterachtig
+menschenhoofd lachte, zong en scheen uitgelaten vroolijk!</p>
+
+<p>Deze krocht, welke haar licht ontving door drie hooge, punt-bogige
+vensters, was schier naakt. Aan de ziltige muren hingen drie of vier
+groote messen, eene breede handzaag en een zwaard, dat door den rossen
+roest bevlekt scheen met gestold bloed. In eenen hoek was eene alkoof of
+diepe slaapstede, met zwarte gordijnen gesloten, en daarnevens rustte op
+den grond een grof speeltuig met dikke snaren, als eene soort van harp.
+Onder een der vensters stond eene lange, zware tafel. Vier of vijf
+stoelen, uit ruwe boomtakken getimmerd, en eene bank langs den wand
+vormden het overige huisraad.</p>
+
+<p>Van het wezen in de ton,&mdash;klaarblijkend onbekwaam om zich te
+bewegen,&mdash;had ik niets te vreezen, dacht mij; ik trad, hoewel schuchter
+en aarzelende, in de krocht.</p>
+
+<p>Hoe stond ik verbluft, toen dit stuk mensch mijnen naam noemde en met
+een schaterlach mij toeriep:</p>
+
+<p>"Wel, wel, wie zou zich daaraan verwacht hebben! Gij, gij, hier, mijn
+achtbare vriend? Zie dan, gij herkent mij niet? Hoe dikwijls nogtans heb
+ik u de hand gedrukt!"</p>
+
+<p>"Neen, mijnheer, ik heb de eer niet u te kennen," was mijn stamelend
+antwoord. "Mij dunkt niet, dat ik u ooit ergens heb ontmoet."</p>
+
+<p>"Zeker, meer dan twintigmaal: in het Zwarte Paard, op de Paddengracht,
+waar wij zoo dikwijls den avond met den geestigen Door Van Rijswijck
+sleten."</p>
+
+<p>"Ik herinner het mij niet."</p>
+
+<p>"Het is omdat ik, sedert toen, zoo onmenschelijk vet ben geworden. Gij
+weet wel: Jacobus Loris, de kleermaker uit de Lange Nieuwstraat?"</p>
+
+<p>"Jacobus Loris!" herhaalde ik, buiten mij zelven van verwondering. "Ja,
+nu bemerk ik inderdaad eene zekere gelijkenis. Gij, gij zijt Jacobus
+Loris? En wat doet gij in die ton?"</p>
+
+<p>"In welke ton?"</p>
+
+<p>"De ton waarin uw lichaam is verborgen."</p>
+
+<p>"Wel, die ton ben ik zelf. Had ik mijne armen nog, om mijn vest los te
+knoopen, ik zou u overtuigen...."</p>
+
+<p>"Maar waar zijn toch uwe armen en beenen gebleven?" riep ik.</p>
+
+<p>"Mijne armen en beenen? Waar ze gebleven zijn? Dit zou ik u waarlijk
+niet kunnen zeggen; maar wat ik al te goed weet, is dat ze zijn
+opgegeten."</p>
+
+<p>"Gij hebt uwe eigene leden opgegeten?" gromde ik met afschuw.</p>
+
+<p>"Ik? Bijlange niet."</p>
+
+<p>"Wie dan?"</p>
+
+<p>"Ja, hoe dit hellebroedsel moet gedoopt worden, dit mag de Nikker zelf u
+zeggen. Het is toch niet noodig. Ha, ha, ha, gij zult al spoedig kennis
+met de monscheneters maken, en uwe armen en boenen denzelfden weg zien
+ingaan als de mijne!"</p>
+
+<p>En hij lachte zoo dwaas, dat ik niet twijfelde of de ongelukkige moest
+krankzinnig zijn; maar hoe hij, dien ik waarlijk als een flinke
+man,&mdash;zeer mager, doch rap en vroolijk,&mdash;had gekend, in zulken
+beklagenswaardigen toestand was geraakt, dit raadsel tergde mij den
+geest.</p>
+
+<p>"Neem eenen stoel en zit neder," zeide hij. "Wij hebben tijd om wat van
+Antwerpen en de vrienden te kouten. De meesters dezer krocht zijn
+uitgegaan en zullen slechts binnen een paar uren wederkeeren: zoo is het
+elken morgen.... Hoe vaart die goede Theodoor? Altoos levenslustig en
+geestig? Komt hij nog dikwijls in het Zwarte Paard, met Blommaert Gevers
+en De Wolf? Ho, wat zou hij zeggen, indien hij mij zoo zag zitten,
+zonder armen noch beenen, als eene monster-pompoen op den toog van eenen
+fruitwinkel!"</p>
+
+<p>Ik antwoordde hem niet, en richtte in gedachte hem zelf deze vraag toe:</p>
+
+<p>"Maar, mijnheer Jacobus, ik kan mijne oogen niet gelooven. Het is nu een
+paar maanden geleden, dat gij eensklaps, in gezelschap van uwen vriend,
+den bakker Mathijs, uit onze stad zijt verdwenen. Iedereen gelooft, dat
+gij beiden naar Amerika zijt gevlucht, uit hoofde van tegenspoed in uwe
+zaken. Men heeft zelfs alles ten uwen huize openbaar verkocht om uwe
+schuldeischers te voldoen...."</p>
+
+<p>"Dit kan mij nu bitter weinig meer schelen," viel hij in mijne rede.
+"Dezen middag reeds zal ik mijne rekeningen daarboven aan den oppersten
+schuldeischer overgegeven hebben; en dewijl ik hier, in dezen
+moordenaarskuil, veel heb betaald, twijfel ik niet of de hemelpoort zal
+voor mij wagenwijd openstaan."</p>
+
+<p>"In alle geval," hervatte ik, "zijt gij niet naar Amerika gegaan? Hoe
+kwaamt gij hier?"</p>
+
+<p>"Op eene zeer eenvoudige, doch tevens volstrekt onbegrijpelijke wijs.
+Mijn vriend Mathijs en ik hadden sedert lang een ontwerp gevormd, om het
+klooster der Trappisten, bij Westmalle, eens te bezoeken. Een zekeren
+vroegen morgen, vertrokken wij met de diligence Van Gend &amp; Co., stapten
+af bij het klooster, bezichtigden het op ons gemak, en gingen verder
+naar het dorp Westmalle, om er eens goed te middagmalen. Wij bleven lang
+aan tafel,&mdash;veel te lang voor ons geluk,&mdash;en dronken er zoo menige
+flesch wijn, dat de diligence Van Gend, die ons terug naar Antwerpen
+moest voeren, reeds lang voorbij was, eer wij er aan dachten dat het
+tijd was om te vertrekken.... Vijf uren te voet afleggen, dit was geen
+troostend vooruitzicht, bovenal langs eenen rechten, eentonigen
+steenweg. Dan kwamen wij op de gedachte over de vlakke heide achter het
+klooster der Trappisten om te gaan. Wij dronken nog eene flesch, zongen
+eenige liederen, en stapten dan welgemoed de heide op. Wij liepen
+verloren; de duisternis verraste ons, en wij beklaagden te laat onze
+onvoorzichtigheid,&mdash;maar daar zagen wij eensklaps in de verte een licht
+schitteren...."</p>
+
+<p>"Juist hetzelfde als met mij!" mompelde ik.</p>
+
+<p>"Gij hebt insgelijks achter het vermaledijd stallichtje geloopen?"</p>
+
+<p>"Den geheelen nacht."</p>
+
+<p>"Maar dan hoef ik u niet te vertellen, wat gij, evenals wij, hebt
+ondervonden."</p>
+
+<p>"Hoe meent gij het?"</p>
+
+<p>"Gij zijt na lang dolen gevallen, niet waar?"</p>
+
+<p>"Ja."</p>
+
+<p>"Beneden eene oude stadsvest?"</p>
+
+<p>"Inderdaad."</p>
+
+<p>"Een steenen voetpad bracht u over de gracht, en gij zijt, door een gat
+in den muur, hier binnen gekomen?"</p>
+
+<p>"Maar hoe kunt gij dit alles weten?"</p>
+
+<p>"Wel, het stallichtje, het voetpad en de opening in den muur zijn niets
+dan listen en strikken, door deze onmenschen aangewend om reizigers te
+vangen."</p>
+
+<p>"En wat doen zij met de reizigers?" vroeg ik, huiverend van angstig
+voorgevoel.</p>
+
+<p>"Wat zouden zij er mede doen? Ze vet maken, indien ze te mager vallen;
+zijn ze integendeel goed in 't vleesch, dan ze maar seffens opeten."</p>
+
+<p>"Kom, gij drijft den spot met mij," riep ik uit. "Zoo iets is
+onmogelijk!"</p>
+
+<p>"Onmogelijk? Was mijn vriend Mathijs nog hier, hij zou u kunnen
+vertellen hoe dit gaat...."</p>
+
+<p>"Ha, uw vriend is ontsnapt?"</p>
+
+<p>"Ja, langs de broodstraat... Gij begrijpt mij niet? Hij is mijne armen
+en beenen voorafgegaan door de keel van dit helsch gespuis. Hij was vet
+genoeg."</p>
+
+<p>"Hoe, zij hebben den armen bakker Mathijs verslonden?"</p>
+
+<p>"En er zelfs geen het minste graatje van overgelaten. De zak, waarop ik
+te zelfder tijd sta en zit, is zijne huid; de snaren, daar aan dit slag
+van harp, zijn zijne darmen."</p>
+
+<p>"Welke gruwelijke dingen!" gilde ik verbleekende. "Gij droomt voorzeker
+of neemt een wreed vermaak in mij schrik aan te jagen."</p>
+
+<p>"Waar meent gij dan, dat mijne armen en beenen zouden gebleven zijn?"
+wedersprak hij. "Men heeft ze onder mijne eigene oogen verslonden, dat
+het een vermaak was om aan te zien."</p>
+
+<p>"Ongelukkige vriend, ik heb medelijden met uw droevig lot," gromde ik.
+"Het scheelt u zeker in de hersens, gij zijt krankzinnig; maar het
+schijnt mij evenwel hier niet goed voor eenen Christen mensch, en
+wat ik nu allereerst ga doen, is dezen kuil te ontloopen."</p>
+
+<p>"Ha, ha, ontloopen?" lachte bij. "Er is geen ontloopen meer aan. Kijk
+slechts naar de opening langs waar gij zijt binnengekomen."</p>
+
+<p>"O, hemel, waar is die opening?" gilde ik in de grootste verslagenheid.
+"Verdwenen? Niets meer dan den effen, naakten muur!"</p>
+
+<p>En, voortgezweept door de akelige overtuiging, van het doodsgevaar dat
+mij bedreigde, liep ik naar den tegenovergestelden kant der krocht,
+scharrelde langs den muur, bukte ten gronde en sprong in de hoogte naar
+de vensters.... Eilaas, alles was vruchteloos!</p>
+
+<p>"Ontsnappen kan men uit dezen kuil niet," schertste Jacobus. "Ja, ja,
+loop in het ronde, zoek, snuffel in alle hoeken: gij zult geene opening
+vinden, breed genoeg om er uwe hand door te steken. Zoo gaat het hier.
+Kom, gij moet van den nood eene deugd maken; er is niets aan te doen. U
+zullen ze toch niet seffens opeten, alhoewel gij anders niet bijzonder
+mager zijt; maar ik ben oneindig vetter dan gij. Eerst mijne beurt....
+Nu, vermoei u niet nutteloos en zit neder. Nog meer dan een uur voordat
+ze terugkeeren. Laat ons liever kouten. Wat hebben de vrienden in het
+Zwart Paard zoo al van mij gezegd, toen ze vernamen dat ik was
+verdwenen?"</p>
+
+<p>Hopeloos, verpletterd en in al mijne leden sidderende, viel ik op den
+stoel en legde mij de handen voor het aangezicht.</p>
+
+<p>"Gij beeft, gij zijt vervaard?" zeide hij. "Gij meent dat het buitenmate
+pijnlijk moet zijn, wanneer men u de armen of beenen afsnijdt? Daarin
+bedriegt gij u geheel. Deze lieden of, om beter te zeggen, deze duivels
+hebben eene wonderbare zalf; zij stelpt niet alleen het bloed, maar doet
+u tevens als een gevoel van welzijn en genot door de aderen vloeien....
+Ik lag daar, op die tafel; de groote Saloc,&mdash;dit is de vader,&mdash;sneed mij
+de beide beenen af en reikte ze zijn hongerig huisgezin toe. Wel met
+tien vielen ze er op aan, sloegen hunne tanden er in en sleurden
+vechtend het nog trillende vleesch er af. Gij gelooft dat ik weende of
+beefde? Integendeel, het vreemd en koddig schouwspel der kinderen, die
+elkander het haar uitrukten om de laatste vezels mijner beenen te
+krijgen, deed mij in zulken koortsigen lach uitbarsten, dat ik mij den
+buik moest vasthouden om niet te stikken. Toen had ik nog mijne
+armen...."</p>
+
+<p>"Het is afschuwelijk!" kreet ik. "Hoe gij ziet uwe lidmaten onder uw oog
+verslinden en gij kunt lachen? De dood, de afgrijselijkste dood wacht u,
+en gij zijt vroolijk!"</p>
+
+<p>"Ja, ik ben blijde, uitgelaten van vreugde," juichte hij, "omdat ik
+heden zal sterven. Dunkt het u dan zoo vermakelijk, het leven dat ik
+sedert twee maanden hier doorsta, rustend op de huid van mijnen vriend
+Mathijs en verplicht de zielfolterende muziek aan te hooren, welke deze
+goddelooze booswichten uit zijne darmen lokken? Maar dit is het ergste
+niet: om mij vet te maken, duwen en stompen ze mij viermaal daags eenen
+walgelijken deeg in den mond. Dit lekker kostje bevat onder andere:
+vorschenbroed, paddenkwijl, addervet.... Ik heb er genoeg van.&mdash;Hoe
+vindt gij die kluchtigaards? Ze noemen mij hun Ortolaan, omdat ik van
+dien hatelijken brei zoo dik ben geworden. Heden is het de dag van
+hunnen Oboch of huisduivel. Het zal hier kermis zijn; mij heeft men voor
+de smulpartij zoolang gespaard. In den dood lacht mij de verlossing
+toe.... Maar wat hoor ik? Is het niet de stem van Norica? Luister, zij
+zingt het eeuwige, het eenige lied dat men hier kent:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Eten, eten, eten.</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Nog eten, altoos eten!</span><br />
+</p>
+
+<p>Ik was rechtgesprongen en vroeg, bleek van angst:</p>
+
+<p>"Norica, zegt gij. Wie is dat?"</p>
+
+<p>"De oudste dochter van den Saloc. Dat meisje heeft eenen mond.... en
+tanden! Ik heb haar met eenen enkelen beet mijne knieschijf zien kraken
+als eene hazelnoot."</p>
+
+<p>"Hemel, gaan ze komen? De menscheneters?"</p>
+
+<p>"Ja, maar blijf toch gezeten; u zullen ze nog geen kwaad doen: ze hebben
+genoeg aan mij.... Tenzij nogtans, dat ze u een been of eenen arm
+afsneden om te beproeven hoe uw vleesch smaakt."</p>
+
+<p>Een kreet van afschuw en verschriktheid ontsnapte mijnen beklemden
+boezem; ik liep als een krankzinnige rondom de krocht, zoekende naar
+eene plaats om te ontvluchten of mij te verbergen.</p>
+
+<p>Wat ijselijke toestand! Niets: geene opening, geen schuilhoek.... en ik
+hoorde de menscheneters meer en meer naderen!</p>
+
+<p>Eindelijk! mijn oog viel op de geslotene gordijnen der alkoof.</p>
+
+<p>"O, ik bid u, Jacobus, heb medelijden, verraad mij niet!" smeekte ik met
+saamgevoegde handen.</p>
+
+<p>"Voor wien ziet gij mij aan?" was zijn antwoord. "Wat gij doet is wel
+nutteloos, maar verraden zal ik u niet."</p>
+
+<p>Ik lag reeds in de alkoof, en had metterhaast de gordijnen zoo dicht
+mogelijk toegetrokken. Ondanks mijne koortsige inspanning, bleef er
+echter eene smalle spleet, juist voor mijne oogen, zoo dat ik,&mdash;of ik er
+lust toe had of niet,&mdash;gedwongen was te zien wat er in de krocht zou
+gebeuren. Binnen de alkoof was het donker als in een graf.</p>
+
+<p>Daar opende men, recht over mij, eene deur welke ik niet had opgemerkt:
+het was als scheidde de muur door tooverij van een. Een tiental kinderen
+van allen ouderdom, een afzichtelijk oud wijf en eene jonge vrouw
+stormden de krocht binnen, en begonnen v&oacute;&oacute;r den lachenden Jacobus te
+dansen, terwijl ze, knarsetandende en zich de lippen lekkende, hun
+gruwelijk lied herhaalden:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 4em;">Eten, eten, eten;</span><br />
+<span style="margin-left: 4em;">Nog eten, altoos eten!</span><br />
+</p>
+
+<p>Zonderling ras van menschen! Dikke hoofden, dikke lijven, korte dikke
+beenen, handen als arendsklauwen, monden tot onder de ooren gespleten,
+tanden als domino-steenen, een verwarde rosse haarbos, in kleverige
+lokken hun om de kaken waggelende, oogen gloeiend als vurige kolen en
+fonkelend van begeerlijkheid.</p>
+
+<p>En hunne kleeding? Vuile, gescheurde lappen van onbekende stof, vroeger
+hoog van kleur: rood, geel, blauw; en boven die smerige lompen een
+manteltje van grijs leder, dat op hunnen rechterschouder met een
+pikkelbeentje was vastgehecht. IJselijkheid der ijselijkheden! elk dezer
+mantels was eene menschenhuid; op hunnen schouder kon ik, aan vier
+gaten:&mdash;neus, mond en oogen,&mdash;het masker der slachtoffers hunner snoode
+wraakzucht herkennen!</p>
+
+<p>Door de openstaande deur traden nu twee bejaarde mannen binnen. De
+eerste, die eene zware knots in de hand hield, moest de Saloc of vader
+zijn, want hij riep gebiedend uit:</p>
+
+<p>"Stil in het nest, onverzadelijk gebroed! Houdt uwe tanden gesloten, of
+ik streel uwen rug met mijne knots!"</p>
+
+<p>Allen zwegen.</p>
+
+<p>De andere was een grijsaard, geheel gekleed in grauw lijnwaad; op het
+hoofd droeg hij een witte kap met afhangende vleugels, evenals de
+beelden der oude Egyptische priesters. Ongetwijfeld was hij de offeraar
+dezer onmenschelijke schurken.</p>
+
+<p>Beiden naderden tot mijnen vriend Jacobus. De Saloc, terwijl hij met
+welgevallen in de gezwollene wangen van het slachtoffer putjes duwde,
+zeide tot den grijsaard:</p>
+
+<p>"Malsch en vast als caoutchouc. Wat dunkt u van onzen Ortolaan?"</p>
+
+<p>"Waarlijk een echt koningsbeestje," mompelde de offeraar met
+bewondering. "Indien er wat van overblijft, zou ik u aanraden mij een
+ribbenstuk geschenk te doen."</p>
+
+<p>"Ik bespreek het hart en de lever!" riep Norica.</p>
+
+<p>"Voor mij de wangen! Ik wil de handen! Ik de voeten! Ik den borstlap!"
+klonk het van alle kanten.</p>
+
+<p>Maar de Saloc hief zijne knots boven den hoop schreeuwers, en deze
+bedreiging deed hen zwijgend terugdeinzen.</p>
+
+<p>Ondertusschen betastte de offeraar den armen Jacobus, evenals de
+beenhouwers doen bij het koopen van een beest, en hij bleef eene lange
+wijl zonder spreken.</p>
+
+<p>"Nu, waaraan denkt gij zoo diep?" vroeg hem de Saloc.</p>
+
+<p>"Ik denk, ik denk," was het antwoord, "dat wij zulk uitstekend offer ter
+eere van den grooten Mikias zouden moeten bewaren. Uw huisgeest kan dit
+niet kwalijk nemen, integendeel. Binnen een paar weken treedt de zon in
+het teeken van den Leeuw; dan vieren wij het huldefeest van den grooten
+Mikias...."</p>
+
+<p>"Wat bewaren? Niemendal bewaren!" riep de dochter Norica woedend uit.
+"Gij zoudt onzen Ortolaan alleen willen opeten? Niet te doen: wij zullen
+er vandaag aan smullen tot middernacht!"</p>
+
+<p>"Zwijg, onbeschofte vreetster," wedervoer haar vader. "Gij hebt niets te
+zeggen: ik alleen mag hier beslissen,&mdash;en, denk ik het raadzaam, aan den
+wensch van den offeraar toe te geven...."</p>
+
+<p>Ik zag met verwondering, dat Jacobus begon te weenen.</p>
+
+<p>"Hou u stil, onnoozele schreeuwbek!" snauwde de Saloc hem toe. "Wat
+geeft het u, of gij heden of binnen twee weken door onze keel naar de
+andere wereld gaat?"</p>
+
+<p>"O, laat mij een enkel woordje spreken!" smeekte Jacobus.</p>
+
+<p>"Wat zoudt gij weten in te brengen? Het zijn uwe zaken niet. Spreek
+evenwel."</p>
+
+<p>"Maar, lieve menschen," zeide mijn vriend snikkende, "gij wilt mij nog
+eene halve maand in het leven houden? Ik kan bijna geenen adem meer
+scheppen. Haast gij u niet mij op te eten, dan zeker, eer de week ten
+einde is, ben ik gestikt in mijn vet. Wat zal de groote Mikias, wat zult
+gij zelven hebben aan eenen mensch, van ziekte gestorven?"</p>
+
+<p>"Hij heeft gelijk!" riep Norica.</p>
+
+<p>"Ik geloof het insgelijks," mompelde de Saloc.</p>
+
+<p>"Welaan, ik trek mijn voorstel in," zeide de offeraar. "Laat ons eten."</p>
+
+<p>"Eten, eten, eten; nog eten, altoos eten!" klonk het tegen de gewelven,
+terwijl de kinderen en vrouwen, door huppelen en zegevierend handgeklap,
+hunne blijdschap betuigden.</p>
+
+<p>Jacobus werd op de groote tafel geheven; men kroonde zijn hoofd met
+verdorde festoenen, hing hem eenige gekleurde lapjes op borst en
+schouders, en zette eenen stoel tegen zijnen rug, opdat hij niet
+achterover viele.</p>
+
+<p>De offeraar haalde eene rol perkament uit de tasch van zijn kleed, en
+begon prevelende te lezen wat daar op geschreven stond.</p>
+
+<p>Al de anderen hielden het hoofd gebogen, en antwoordden nu en dan daar
+een enkel woord, dat klonk als <i>Selim Selim</i>.</p>
+
+<p>Ik zag dit alles in doodelijken angst aan. De lange stilte en de
+roerloosheid dezer beulen, brachten mij terug in mij zelven. Ik dacht
+aan mijne goede vrouw, aan mijne arme kinderen. Tranen rolden uit mijne
+oogen; en, ofschoon dit ziltig water mij aan neus en wangen pijnlijk
+jeukte, weerstond ik door geweldige wilsinspanning den nood tot
+niezen.... Mij daalde nog eene zwakke hoop in het hart, bij de
+overweging dat de deur open was gebleven. Kon ik mij nu verborgen
+houden, totdat de menscheneters de krocht hadden verlaten, dan zou ik
+misschien nog langs die deur kunnen ontsnappen.</p>
+
+<p>Maar, groote God, wat voel ik daar aan mijne beenen?.... Iets dat kruipt
+en krabbelt! Een gedierte, een monster.... Het klimt op langs mijn
+lichaam, het drukt op mijne borst, het nadert mijn aangezicht! Wat zijn
+de twee blauwe vonken, die lichten in de duisternis der alkoof? De oogen
+van het ondier?.... Het angstzweet breekt mij uit, en ik mag niet om
+hulp schreeuwen, mij niet roeren!.... Ai, ai, het zet zijne tanden in
+mijn oor en begint mij levend te verslinden! Mijn wil bezwijkt; ik sla
+mijne beide handen aan den hals van het wangedrocht en poog het te
+verwurgen.... maar, o ramp, daar galmt een akelig "mauw, mauw!" uit de
+alkoof, en de kat springt huilend tusschen de gordijnen door. Ik ben
+verraden!</p>
+
+<p>Inderdaad, mijne beenen worden door een tiental klauwen aangegrepen; men
+rukt mij uit de alkoof, men sleurt mij langs den grond naar het midden
+der krocht. Ik spring recht en wil tegenstand bieden; maar de wreede
+Saloc heeft mij bij den schouder, en ik voel wel hoe de minste neep
+zijner vingeren mij vleesch en beenderen plettert.... Eilaas, alles is
+nutteloos: ik moet het aanvaarden, mijn gruwelijk lot!</p>
+
+<p>"Ha, ha, de groote Mikias zelf zendt ons dit geschenk toe! De kerel is
+niet mager," juichte de Saloc. "Nu kunnen wij onzen Ortolaan voor het
+plechtig huldefeest bewaren. Komt, kinderen, wet uwe tanden: er is
+genoeg om ons allen te verzadigen. De gebeden zijn gedaan. Zet den
+Ortolaan terug op zijnen zak, dat ik het nieuwe wild op de snijtafel
+kunne leggen.&mdash;Zoo, zoo is het wel, brengt mij nu mijn groot mes; en
+gij, vrouw, en gij, Norica, houdt hem vast bij de armen."</p>
+
+<p>Ik lag als een arm slachtkalf uitgestrekt. Mij beefden de lidmaten zoo
+hevig, dat het tafelblad er van daverde. Ik had willen schreeuwen; maar
+mijne stem verstikte in mijne beklemde keel....</p>
+
+<p>O, wat electrieke schok siddert daar eensklaps mij door de aderen? Zie
+ik niet de kinderen, de afzichtelijke schepsels, ter zijde loopen met
+mijns beenen? Scheurt niet de vraatzuchtige Norica met hare lange, witte
+tanden de kuitspieren er af? Ja, ja. Ach, mijne arme lidmaten, zij;
+verdwijnen, gekraakt, gepletterd, gemalen, in de keel dezer
+afgrijselijke monsters! Kon ik geluid geven, hoe zou ik huilen; maar de
+angstkrop, die mij in den gorgel zit, versmacht mij.... Hemel, die
+bliksems boven mijne oogen? Wat is het? Een groot mes!.... De Saloc
+grijpt mij bij het haar en rukt mijn hoofd achterover: hij gaat mij de
+keel afsnijden. Ramp, ramp, het is gedaan met mij: ik voel het ijskoude
+staal in mijn vleesch dringen.... maar nu breekt mijne stem los en ik
+schreeuw met reuzenkracht:</p>
+
+<p>"Hulp, hulp! moord, moord!"</p>
+
+<p>Eene bekende, eene beminde stem roept aan mijn oor:</p>
+
+<p>"Jan, Jan, wat hebt gij? Het koude zweet staat op uw voorhoofd. Word
+wakker: gij droomt!"</p>
+
+<p>Ik open de oogen, kijk verbaasd mijne goede vrouw aan, en stamel met
+eenen blijden glimlach:</p>
+
+<p>"Ja, ik heb gedroomd, vervaarlijk gedroomd; maar wat geluk dat het niet
+waar was!"</p>
+
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h2><a name="HET_WONDEREII" id="HET_WONDEREII"></a><a name="HET_WONDEREI" id="HET_WONDEREI"></a>Het Wonderei</h2>
+
+<h3>Tweede Schets.</h3>
+
+
+<h3>I.</h3>
+
+<p>Wat ik hier vertellen wil, is voorgevallen, kort na 1830, toen de
+vrijwilligers van generaal Niellon, in de dorpen der Antwerpische
+Kempen, bij de boeren gelogeerd waren, om daar op het hernemen van den
+oorlog te wachten.</p>
+
+<p>Ik zie nog, in mijnen geest, de herberg van baas Kobus Noppe, waar het
+Bonte Kalf uithing.</p>
+
+<p>Zij stond op drie of vier boogschoten van het dorp Lichtaert, bij de
+Molenstraat, in de richting naar Thielen.</p>
+
+<p>Dit huis had eerder het voorkomen eener kleine hofstede dan eener
+herberg; want op den open voorhof, ter zijde van den gevel, lag een
+breede mesthoop, met kakelende hennen, en daarachter, binnen den stal,
+kon men in de halve duisternis twee koeien zien herkauwen. Slechts de
+voorkamer aan de straat was tot drinkplaats ingericht, ten dienste van
+voorbijgangers en voerlieden.</p>
+
+<p>Wat de dorpelingen en de boeren der omstreken betrof, zelden kwam een
+hunner gedurende de week in het Bonte Kalf; maar den Zondag, na den noen
+tot het vallen van den avond, was de herberg van Kobes Noppe vol volk.
+De oude vaders speelden er met de kaart, de jonge lieden op de
+schuiftafel of de bollenbaan, en moeder Noppe en hare dochter Lisa
+hadden werk genoeg om, onder het wisselen van eenige vriendelijke
+woorden, de gasten te bedienen, terwijl de baas bijna gedurig in den
+kelder bleef om bier te tappen.</p>
+
+<p>Op een vroegen lentemorgen van het jaar 1831,&mdash;het was eenen
+Dinsdag,&mdash;trad Kobus Noppe van de straat in zijne woning, stapte
+langzaam tot het diepe der kamer, trok eenen stoel nevens de kas van het
+uurwerk en liet zich als mismoedig er op nedervallen. Eene uitdrukking
+van slechte luim benevelde zijn gelaat, hij liet het hoofd op de borst
+zakken en zonk weg in gepeinzen.</p>
+
+<p>Scheen baas Noppe ondanks zijn struischen lichaamsbouw, opmerkelijk
+loom en traag, zijne echtgenoote, die nu uit den stal in de gelagkamer
+trad, was integendeel klein en mager, maar hare levendige oogen en rappe
+beweging en een zuurzoeten blik, dien zij van terzijde op haren man
+richtte, konden doen denken, dat zij met meer wilskracht was begaafd dan
+hij, en waarschijnlijk niet gewoon was voor hem te zwichten.</p>
+
+<p>Zij naderde hem en vroeg half schertsende:</p>
+
+<p>"Nu, Kobus, jongen lief, op welken doorn hebt gij getrapt? Gij gaat even
+uit, om ons gebroken houweel naar den smid te brengen, en daar keert gij
+terug met een gezicht als de kwade moordenaar! Wat is er alweder?"</p>
+
+<p>"Ik heb moeder Houtman ontmoet," zuchtte hij.</p>
+
+<p>"Is het het anders niet? Wat wonders is daar aan?"</p>
+
+<p>"Zij heeft mij opnieuw gesproken van haren zoon Frans en van onze
+doohter Lisa."</p>
+
+<p>"Het is te begrijpen; maar moet gij daarom zuur zien als een
+stekelvarken?"</p>
+
+<p>"Ik zie niet zuur, Christien; ik ben bedroefd.</p>
+
+<p>"Zoo, en waarom?"</p>
+
+<p>"Ach, Christien, er drukt mij iets op het hart, zoo zwaar als lood. Gij
+zoudt mij een groot plezier doen, wildet gij mij gedurende eenige
+oogenblikken laten spreken."</p>
+
+<p>"Altijd hetzelfde liedje ongetwijfeld?"</p>
+
+<p>"Het is gelijk, Christien.... Lisa is naar het veld, wij zijn alleen.
+Wees goed en zit eens neder."</p>
+
+<p>"Nu, laat hooren, Kobus."</p>
+
+<p>"Gij zijt, hoop ik, nog niet vergeten, vrouw, wat goede, getrouwe
+vriendschap wij en de Houtmans, van jongs af, elkander altijd
+toedroegen. Vroeger waren zij onze naaste buren, en hun zoon en onze
+dochter hebben te zamen gespeeld, van voordat ze nog alleen konden
+loopen."</p>
+
+<p>"Maar waarom zegt gij dit alweder?" morde de vrouw. "Weet ik het niet
+zoo goed als gij zelf?"</p>
+
+<p>"Ja, ja, des te beter; maar ik bid u, laat mij voortgaan. Wij hebben met
+de moeder van Frans en met zijn vader zaliger dikwijls, lachende doch
+ernstig evenwel, gezegd dat de kinderen later een schoon paar zouden
+zijn&mdash;en het is waarlijk zoo. Dit ten minste kunt gij niet betwisten,
+Christien, al trekt gij de schouders op. Hij is een welgemaakte, sterke
+jongen; onze Lisa heeft ook armen aan het lijf. Beiden zijn braaf en
+werkzaam. Zij beminnen elkander; en dewijl zij sedert lang weten, wat
+wij voor hen van hunne eerste jonkheid af hebben gedroomd...."</p>
+
+<p>"En het is daarom, onnoozele Kobus, dat gij zuur ziet? Heeft moeder
+Houtman u misschien verwijten durven doen?"</p>
+
+<p>"Zij heeft mij geene verwijten gedaan, maar mij onder de oogen
+gebracht, dat het tijd wordt om over het lot der kinderen een besluit te
+nemen."</p>
+
+<p>"Kan zij dan niet meer wachten? Het brandt er zeker niet?"</p>
+
+<p>"Zij heeft mij weder gesproken van het hofstedeken onder Thielen, dat
+met St.-Baafsmis ledig valt en dat de eigenaar, op haar verzoek, aan
+onze kinderen wil in pacht geven. Het zou eene dwaasheid zijn, denkt zij
+wel te recht, zulke goede gelegenheid te laten ontsnappen; en dewijl de
+kinderen...."</p>
+
+<p>"Goed, goed, Kobus, de kinderen hebben daar niet over te beslissen; maar
+gij, wat hebt gij haar geantwoord?"</p>
+
+<p>"Ik heb haar gezegd dat zij gelijk heeft, dat ik niet beter wensch dan
+de jonge lieden maar seffens te laten trouwen; maar dat ik eerst mijne
+vrouw daarover moest spreken."</p>
+
+<p>"En gij waart opvoorhand spijtig, omdat gij voorzaagt, dat ik daarop
+geen gunstig antwoord zou geven?"</p>
+
+<p>"Om de waarheid niet te verbergen, ja, het is zoo."</p>
+
+<p>"Welnu, gij hebt u niet bedrogen, man. Onze dochter is nog jong genoeg
+om te wachten; wij kunnen hare tegenwoordigheid nog niet missen. Om eene
+meid in onze herberg te nemen, daartoe heb ik in het geheel geenen
+lust."</p>
+
+<p>"Christien, gij zijt niet oprecht," mompelde de baas. "Er speelt u wat
+anders in het hoofd."</p>
+
+<p>"Het is wel mogelijk."</p>
+
+<p>"Zou het zonder redenen zijn, dat gij den zoon van den secretaris zoo
+uiterst veel vriendschap betuigt, alsof de grond te hard was voor zijne
+voeten? Sedert dat die jongen uit de stad is gekomen en hier dagelijks
+een paar uren rondom onze Lisa draait, hebt gij slechte gedachten
+gekregen, vrouw."</p>
+
+<p>"Slechte gedachten?" herhaalde zij met een zegevierenden glimlach. "Wil
+ik u eens iets zeggen, dat u verrassen zal, Kobus? De secretaris heeft
+mij Zondag, na de vroegmis bij den uitgang der kerk, aangesproken over
+zijnen zoon Theodoor, en mij gevraagd of wij niet zouden genegen zijn,
+hem met onze Lisa te laten trouwen."</p>
+
+<p>"Hemel, heeft hij dit waarlijk gevraagd?" riep de baas verschrikt. "Maar
+gij, Christien, gij hebt hem doen gevoelen dat zulks onmogelijk is, niet
+waar? Dat wij andere inzichten hebben....?"</p>
+
+<p>"In het geheel niet; ik heb hem gezegd dat ik wensch, dit huwelijk te
+zien sluiten, maar dat mijn man zoo gemakkelijk zijne toestemming niet
+zou geven."</p>
+
+<p>"Gij hadt groot gelijk, Christien."</p>
+
+<p>"Ja, maar ik heb er bijgevoegd, dat gij van zulke zaken geene kennis
+hebt, dat aan de moeder alleen het recht toebehoort om over het lot
+harer dochter te beschikken, en ik u wel zal overhalen om, met dank of
+tegen dank, de hand onzer Lisa aan Theodoor te schenken."</p>
+
+<p>"Welnu, ditmaal toch hebt gij u bedrogen!" viel de baas in gramschap
+uit. "Ik wil van dien Theodoor niet meer hooren. Lisa zal met Frans
+Houtman trouwen of zij moet in St.-Anneschapraai, voor geheel haar
+leven! En, komt de zoon van den secretaris wat veel beslag in mijn huis
+maken, zoo waar ik leef, ik smijt den flierefluiter de deur uit!"</p>
+
+<p>"Toe, toe, maak u nutteloos geen kwaad bloed, man," schertste de bazin.
+"Zie hem daar nu zitten met gesloten vuisten en een aangezicht zoo rood
+als van een kalkoenschen haan! Bijt mij maar niet, dolle kerel."</p>
+
+<p>"Gij durft mij nog uitlachen, mij bespotten, onbeschaamde?"' gromde baas
+Noppe, woedend opstaande. "O, weerhield ik mij zelven niet!.... Omdat
+gij eene vrouw zijt en klein daarenboven, meent gij dat gij mij
+straffeloos moogt tergen; maar, maar, Christien, om Gods wil, spaar mij,
+ik zou een ongeluk kunnen doen!"</p>
+
+<p>"Het is uwe schuld, Kobus. Waarom zijt gij zoo opvliegend?" antwoordde
+zij op zachteren toon. "Met dit haspelen en schreeuwen geraken wij tot
+geen besluit. Kom, bedaar, mijn vriend; zit neder en laat ons redelijk
+zijn."</p>
+
+<p>"Ik vraag niet beter; gij weet het wel, Christien," zeide de baas met
+zichtbare tevredenheid.</p>
+
+<p>"Lieve man, het is moeilijk met u te kouten," begon vrouw Noppe. "Ik heb
+met engelachtig geduld u aangehoord; wees gij nu even toegevend voor mij
+en luister op mijne redenen. Trouwt onze Lisa met Frans Houtman, dan zal
+zij eene boerin zijn en tot het einde harer dagen moeten arbeiden en
+zwoegen, in nat en droog, van den morgen tot den avond, slechte kost
+eten en gekleed gaan als eene arme sloof, met eenen groven rok en eene
+trekmuts. Trouwt zij met Theodoor Peeters, dan wordt zij eene juffrouw,
+moet niet meer werken, draagt kleederen van zijde en komt voor den
+burger als eene madam uit de stad...."</p>
+
+<p>"Madam, madam?" viel Kobus Noppe met ongeduld in hare rede. "Onze
+eenvoudige Lisa eene madam? Waar zijn toch uwe zinnen, vrouw? En
+daarenboven, gij weet niet wat ge zegt. De secretaris is een onbemiddeld
+man; wat hij zijnen zoon zou kunnen medegeven is bitter weinig, terwijl
+de weduwe Houtman integendeel een goeden spaarpot heeft."</p>
+
+<p>"Hij zal zijnen zoon het ambt van secretaris afstaan."</p>
+
+<p>"Zegt hij dat?"</p>
+
+<p>"Ja."</p>
+
+<p>"En waarvan zal hij dan zelf leven?"</p>
+
+<p>"Wat raakt ons dat, Kobus? Hij is landmeter en zal zich dit ambacht met
+meer vlijt aantrekken."</p>
+
+<p>De herbergier gevoelde met verdriet, dat men geweld zou doen om hem een
+gevaarlijk of noodlottig besluit af te dwingen.</p>
+
+<p>"Christien, Christien," mompelde hij, "gij hebt u door de fleemerij van
+den zoon Peeters laten verleiden; maar, ik smeek u, bedenk u toch eens
+wel, eer gij verder gaat. Theodoor is de echte broeder niet, geloof mij.
+Hij studeerde vroeger te Turnhout, op kosten van een zijner oomen.
+Waarom heeft hij het collegie voor den tijd verlaten? Weet gij wat de
+lieden zeggen? Hij was te lui en wilde niets leeren."</p>
+
+<p>"Kom, kom, flauwe praat van de Houtmans, die hem niet kunnen lijden....
+natuurlijk!"</p>
+
+<p>"Die zelfde oom,&mdash;een apotheker of drogist,&mdash;heeft hem naar Antwerpen
+doen komen, om hem zijn ambacht te leeren; maar nog geene zes maanden of
+hij moest hem wegzenden. De jongen gedroeg zich slecht en zijne
+onoplettendheid deed zijnen oom vreezen, dat hij bij misgreep de klanten
+zou vergiftigen...."</p>
+
+<p>"Laster van nijdigaards," wedervoer de vrouw. "Theodoor heeft Antwerpen
+moeten verlaten, omdat hij er de lucht niet kon gewoon worden en gedurig
+de koorts had.... En indien hij op het collegie geene vorderingen had
+gedaan, hoe zou hij dan secretaris der gemeente kunnen worden? Hij is
+integendeel zeer geleerd en verstandig, en slim genoeg om twintig
+onnoozele boerenjongens als Frans Houtman in de doeken te leggen."</p>
+
+<p>"Maar Lisa heeft geene genegenheid voor hem," morde de baas.</p>
+
+<p>"Ik moet lachen om uwe eenvoudigheid, Kobus. Wat weet gij daarvan? Gij
+zit immers in haar hart niet?"</p>
+
+<p>"Hoe, vrouw gij zoudt kunnen vooronderstellen....?"</p>
+
+<p>"Is zij hem niet zoo minzaam, dat iedereen het opmerkt? Daarenboven, was
+het nog niet geheel zoo, wees gerust, het zal wel komen; de zaak is op
+goeden weg.... en indien Frans op de eeuwige liefde van onze Lisa
+rekent, dan beklaag ik den armen sukkelaar."</p>
+
+<p>Baas Noppe slaakte eenen zucht en wreef zich met de hand over het
+voorhoofd. Wat hij hoorde, verblufte hem. Hoe? zijne dochter zou de
+zuivere, de innige genegenheid van geheel haar leven ontrouw worden? Den
+goeden Frans verraden, voor iemand dien zij, drie maanden te voren, nog
+niet kende?"</p>
+
+<p>"Kobus, vriend, wil ik u eens eenen goeden raad geven om uw hoofd van al
+die muizenissen te verlossen?" vroeg de vrouw met fleemende zachtheid.
+"Worstel niet langer tegen een besluit, dat gij toch zult nemen. Geef
+uwe toestemming, dan hebt gij u niet verder daarmede te bemoeien; ik zal
+alles wel af haspelen zooals het behoort."</p>
+
+<p>"Mijne toestemming geven tot een huwelijk onzer dochter met den zoon van
+den secretaris? Neen, vrouw, dit doe ik niet, zeg ik u, noch vandaag,
+noch morgen, noch ooit! Ha, gij meent dat gij, als naar gewoonte, mij
+zult kunnen dwingen? Ditmaal toch bedriegt gij u. Wij zullen eens zien,
+of gij eeuwig met mij zult handelen als met een onnoozelen dommerik!"</p>
+
+<p>"Een dommerik? Gave God, dat gij geene andere ondeugden hadt, versteende
+koppigaard!" riep de bazin met de handen in de zijde. "Hoe? gij zijt
+vader; men laat uwe dochter de keus: boerin te blijven of, als eene
+madam, vereerd en zonder werken te leven.... en gij, ziellooze mensch,
+gij zoudt uw kind veroordeelen tot armoede en eeuwige slavernij? Gij
+moet geen brokje hart in het lijf hebben.... Maar wees zeker, gij zult
+toestemmen, willen of niet. Er is evenwel geene haast bij; bedenk u nog
+eenige dagen&mdash;Laat ons nu liever daarover zwijgen: ik hoor onze Lisa
+komen.</p>
+
+<p>"Arm kind, zij zingt!" zuchtte de baas. "Wist zij wat er tegen haar
+geluk wordt gebrouwen!"</p>
+
+<p>"Nu, zwijg maar, Kobus; geen woord meer over deze zaak, daar is ze...."</p>
+
+<p>Eene jonge maagd van iets meer dan twintig jaar, gezond en bloemig als
+eene roos, trad in huis met eene sikkel in de hand en een zwaren bundel
+snijkoren op het hoofd.</p>
+
+<p>Onder het murmelen van eenen stillen groet ging zij in den stal, wierp
+haren last af, en kwam dan in de kamer, waar zij als vermoeid zich op
+eenen stoel liet vallen, terwijl zij zeide:</p>
+
+<p>"Prachtig lenteweder, moeder; alles groeit op het veld dat men het ziet;
+de vogelen zingen in de boomen, als was er een prijs te verdienen....
+Vader, ik heb Frans ontmoet. Zijne blauwgeschelpte duiven hebben jongen;
+zij zijn voor u; hij zal ze Zondag medebrengen."</p>
+
+<p>Baas Noppe knikte goedkeurend, doch sprak geen woord; even stom bleef
+zijne vrouw, ofschoon Lisa beiden verwonderd aankeek, als vroeg zij de
+reden van dit zonderling stilzwijgen.</p>
+
+<p>Deze houding werd voor allen lastig.</p>
+
+<p>"Daar hoor ik de hennen kakelen." zeide de bazin. "Zij doen mij
+gedenken, dat ik mijn werk verzuim. Lisa, gij weet dat gij met eenen
+korf eieren naar den winkel moet. Ik ga het nest ledigen, dan zullen er
+nog een dozijn meer zijn."</p>
+
+<p>Met deze woorden verliet zij de Kamer.</p>
+
+<p>"Maar, vader," vroeg het meisje, "wat is hier gebeurd, dat gij beiden er
+zoo treurig uitziet?"</p>
+
+<p>"Niets, niets, mijn kind," antwoordde baas Noppe, "uwe moeder is wat
+vreemd gezind vandaag.... Maar, kom, het moet mij van het hart! Zeg mij
+eens oprecht, Lisa, wat denkt gij over Theodoor Peeters?"</p>
+
+<p>"Wat zou ik over hem denken, vader? Hij is een goede, vroolijke jongen
+en heeft veel verstand."</p>
+
+<p>Deze woorden schenen baas Kobus te bedroeven.</p>
+
+<p>"Ja, ik heb sedert eenigen tijd opgemerkt, dat gij hem zeer vriendelijk
+zijt," morde hij, het hoofd schuddende. "Ach, wie kan op het
+veranderlijk gemoed eener vrouw betrouwen!"</p>
+
+<p>"Maar wat wilt gij toch zeggen, vader? Ik ben Theodoor Peeters beleefd
+en vriendelijk evenals ik het jegens al onze klanten ben; maar het is
+mijne schuld niet, dat de andere jongens zoo weinig weten te vertellen,
+terwijl Theodoor altijd iets geestigs in den mond heeft."</p>
+
+<p>"Gevoelt gij inderdaad genegenheid voor hem?"</p>
+
+<p>"Ik kan hem goed lijden, vader."</p>
+
+<p>"Eilaas, uwe moeder had dus gelijk!.... Ik moet daar klaar inzien; de
+twijfel pijnigt mij.... Lisa, indien men u voorstelde met Theodoor te
+trouwen, wat zoudt gij doen?"</p>
+
+<p>"Met Theodoor trouwen, ik?" mompelde de maagd half glimlachend en half
+verschrikt. "Wat zijn dit nu voor gedachten, vader? Ben ik niet, sedert
+jaren, beloofd aan Frans? Ik de bruid van Theodoor? Neen, neen, trouw ik
+ooit, dan zal het met Frans Houtman zijn en niemand anders...."</p>
+
+<p>Baas Noppe sprong met een blijden kreet van zijnen stoel op, vatte de
+beide handen zijner dochter en zeide:</p>
+
+<p>"Wel gesproken, mijn kind; gij zijt braaf en hebt een eerlijk hart.
+Luister, voor deze zaak ten minste, niet naar uwe moeder. Wij zullen
+samensspannen en elkander helpen, om haar te wederstaan,"</p>
+
+<p>"Hemel, heeft moeder zich in het hoofd gestoken, mij met...."</p>
+
+<p>Maar daar hoorden zij op den voorhof een vreemd geschreeuw, als van
+iemand die om hulp roept. Zij hadden reeds een paar stappen gedaan, om
+te gaan zien wat er gebeurde, toen de achterdeur werd geopend en bazin
+Noppe binnentrad, zoo bleek en met zulke verwilderde oogen, dat hare
+verschijning den baas en zijne dochter met eenen angstkreet dood
+terugdeinzen.</p>
+
+<p>"Wat is er voorgevallen, vrouw? Eene koe dood?" vroeg Kobus Noppe.</p>
+
+<p>"Mirakel, een mirakel!" stamelde de vrouw, zonder iets meer te kunnen
+zeggen.</p>
+
+<p>"Een mirakel? Wat beteekent dit? Spreek, ik smeek u!" riep haar man.</p>
+
+<p>"Ach, ik ben meer dood dan levend!" zuchtte de bazin, terwijl zij een ei
+toonde, dat zij in de hand hield. "Menschen lief, wat zal ons nog
+overkomen! Ik ga in het wagenkot, om het hennennest te ledigen; ik haal
+er vijf eieren uit en leg ze in mijnen korf; ik grijp er een zesde, en
+voel daar iets vreemds aan, dat mij verwondert; ik loop onder de lucht
+om te zien wat het is. Wie zou niet beven? Het was een ei met letteren
+er op!"</p>
+
+<p>"O, Christien, onvoorzichtige vrouw, waarom ons zoo ijselijk doen
+verschieten?" gromde de baas. "Begrijpt gij het niet? Een onzer klanten,
+die zich ten onzen koste wil vermaken, heeft de letteren op het ei
+geschreven."</p>
+
+<p>"Kom, moeder, is het anders niet dat u zoo verschrikt?" lachte het
+meisje.</p>
+
+<p>"Maar zwijgt toch en laat mij spreken. De letters op het ei zijn niet
+door eene menschenhand geschreven. Zij zijn in de schaal gegroeid en van
+dezelfde stof. Wel zeker heeft een hen het ei gelegd zooals het is."</p>
+
+<p>"En wat staat er op, Christien? Eene klucht zeker?"</p>
+
+<p>"Ja, kon ik maar lezen. Daar, Kobus, zie gij zelf."</p>
+
+<p>Zij reikte haren man het ei, en deze, na het met eene klimmende
+verwondering te hebben rondgedraaid en bekeken, hield het stil onder
+zijne oogen, als poogde hij den zin der letteren te ontcijferen.</p>
+
+<p>Eensklaps werd hij bleeker dan een lijk, slaakte eenen wanhoopskreet en
+viel sidderend op eenen stoel, terwijl zijn strakke blik op het wonderei
+bleef gevestigd.</p>
+
+<p>"Eilaas, eilaas, die arme Frans!" zuchtte hij. "Hoe ongelukkig voor hem!
+Maar wat kan de mensch tegen den wil van God?"</p>
+
+<p>Bazin Noppe stond bevend voor haren man en staarde hem met wijd geopende
+oogen aan; zij scheen den moed niet meer te hebben om hem eene
+uitlegging te vragen, welke zij zich voorstelde als moetende
+verschrikkelijk zijn.</p>
+
+<p>"Maar, vader," stamelde Lisa, even ontsteld, "wat staat er op dit ei?
+Frans ongelukkig? Laat mij het zien, dat ik het leze."</p>
+
+<p>Zonder spreken legde baas Noppe het ei haar in de hand. Even had zij het
+oog er op gericht, of een gil van smart en schrik ontsnapte haar, en zij
+week waggelende terug naar haren stoel, als ging zij bezwijmen. Zij
+bezigde de laatste kracht, die haar overbleef, om haastig het ei op de
+tafel te leggen; anders ware het zeker op den grond aan stukken
+gevallen.</p>
+
+<p>De bazin sprong toe met groot misbaar en nam hare dochter in de armen.
+Eene korte wijl vergoot het meisje overvloedige tranen tegen hare borst
+en snikte hevig. Dan werden hare klachten duidelijk.</p>
+
+<p>"O, die arme Frans!" zuchtte zij, "hij zal er van sterven! En ik, die
+hem zoo beminde, ik moet hem nu aan zijn bitter lot overlaten, zonder
+troost en zonder hoop, eilaas, eilaas!"</p>
+
+<p>"Kind, kind, er is niets aan te doen," zeide baas Noppe, nu een weinig
+tot zich zelven gekomen. "Wat helpt ons weenen of klagen? Wij moeten
+deemoedig bukken onder Gods bevel."</p>
+
+<p>"Maar zeg mij toch, wat staat er dan zoo schrikwekkend op het ei?" vroeg
+de bazin.</p>
+
+<p>"Geef het mij, ik zal het u zeggen, Christien."</p>
+
+<p>En toen zij hem het ei ter hand had gesteld, las hij met diepe stem en
+woord na woord:</p>
+
+<p>"Lisa.... moet trouwen.... met Theodoor: het is Gods wil."</p>
+
+<p>Nieuw misbaar en nieuwe klachten ontsnapten het meisje, terwijl
+integendeel op het gelaat der vrouw een glimlach van blijde verwondering
+straalde.</p>
+
+<p>Het ei werd nog eens door allen met angstige aandacht, en daarenboven
+door Lisa met eenig mistrouwen, bekeken en onderzocht. De letteren waren
+er inderdaad niet opgeschreven. Zij bestonden uit dezelfde kalkstof en
+waren even wit als de geheele schaal; men zou ze nauwelijks bemerkt
+hebben, indien ze niet een weinig boven den grond der schaal waren
+verheven geweest.</p>
+
+<p>Allen bekwamen de volledige overtuiging, dat het ei wel werkelijk,
+zooals het was, door eene hen in het nest was gelegd geworden, en
+niemand twijfelde, of God zelf&mdash;om redenen, welke zij niet durfden
+doorgronden&mdash;openbaarde hun op zulke geheimzinnige wijze zijnen wil ten
+gunste van Theodoor Peeters.</p>
+
+<p>Bazin Noppe was daarover niet bedroefd; integendeel, zij juichte
+innerlijk en zegevierde over haren man, die nu zelf getuigde dat het
+zondig, ja, misdadig zou zijn, zich niet met deemoed en zonder morren
+aan Gods beslissing te onderwerpen.</p>
+
+<p>Dit was eveneens de overtuiging van Lisa; alhoewel zij diep bedrukt
+was, kon onmogelijk in haren geest de gedachte opkomen, aan het
+uitdrukkelijk bevel des hemels weerstand te bieden; en zoo was dan de
+arme Frans Houtman wel beslissend veroordeeld zonder dat de baas noch
+zijne dochter zich vermetel genoeg gevoelden, om hem nog langer te
+beklagen.</p>
+
+<p>Er hield op dit oogenblik een voerman voor de deur stil, en hem werd
+natuurlijk het wonderei getoond. Deze, even verschrikt, maakte een kruis
+en opperde insgelijks de meening, dat zij niets anders konden doen dan
+zonder uitstel den wil des Heeren, hun door dit ei zoo duidelijk
+veropenbaard, te vervullen.</p>
+
+<p>Even was de voerman echter van zijne verbaasdheid wat bekomen, of hij
+dronk zijn glas bier uit, verliet de herberg en dreef zijne paarden met
+haast naar Lichtaert, wel besloten dit ontzettend nieuws in het geheele
+dorp te gaan rondbrieven.</p>
+
+<p>Het spreekt van zelven, dat talrijke lieden naar het Bonte Kalf kwamen
+geloopen, om het wonderei te zien.</p>
+
+<p>Des namiddags en tot laat in den avond, krielde de herberg van
+dorpelingen en boeren, die, met verschriktheid op het gelaat en met
+zichtbaren eerbied, het ei in de hand namen, en over het onbegrijpelijk
+voorval redekavelden.</p>
+
+<p>Intusschen wekten de angstige overwegingen hunnen dorst op, en kon de
+baas geen oogenblik uit den kelder komen, aangezien hij werk genoeg had
+om zonder ophouden bier te tappen.</p>
+
+<p>Vrouw Noppe stond alleen de gasten ter spraak, en zij had reeds meer dan
+honderdmaal verteld, hoe zij naar het wagenkot was gegaan om het
+hennennest te ledigen, hoe zij het ei had gevonden en wat
+onbeschrijfelijke schrik hen allen had aangegrepen, toen haar man de
+openbaring van Gods wil er op had gelezen.</p>
+
+<p>Lisa zeide niet veel. Hoe gaarne hadde zij geweend! maar, hoe diep
+treurig ook, gevoelde zij wel, dat het haar een onverbiddelijke plicht
+was, zich zonder morren aan de uitspraak des hemels te onderwerpen.</p>
+
+<p>Niemand der talrijke bezoekers kwam op de gedachte, de echtheid der
+openbaring in twijfel te trekken. Wel hadden eenige stoutmoedige
+jongelieden reeds van op de straat met de zaak gespot en waren lachend
+in de herberg getreden, maar toen zij het ei onder de oogen hadden en
+moesten bekennen, dat geene menschenhand die letters kon gevormd hebben,
+bleven zij allen stom van verrassing en eerbied.</p>
+
+<p>Frans Houtman kwam in den vooravond: hij had het nieuws niet eerder
+vernomen. De arme jongen was zeer eenvoudig en godvreezend; ook toen hij
+het ei had gezien en zelf zijn vonnis er op had gelezen, waren de tranen
+hem uit de oogen gesprongen en hij was met gebroken hart heengegaan,
+evenals Lisa ten volle overtuigd, dat hun niets overbleef dan zich aan
+hun bitter noodlot te onderwerpen.</p>
+
+<p>Slechts de nacht bracht een einde aan den toeloop der lieden.</p>
+
+<p>De bazin telde met dubbele vreugd de geldstukken, welke in de tooglade
+opgestapeld lagen.... Zij hadden dien dag meer dan anders op zes weken
+ontvangen, en zij mochten denken dat het morgen en overmorgen op
+dezelfde wijs zou toegaan.</p>
+
+<p>"O, dit gezegend ei!" riep moeder Noppe. "Laat ons het met dankbaarheid
+en zorg bewaren; want, viel het op den grond en brak het aan stukken,
+alle hoop op verdere winst ware verloren."</p>
+
+<p>Zij nam het ei uit het koffiekopje waarin het lag, en bracht het met
+eerbied aan hare lippen. Hierbij bemerkte zij, dat de boeren, met het
+honderden malen in de hand te nemen, het vuil hadden gemaakt; ten minste
+de letters schenen als zoovele zwarte strepen op de grijsachtige schaal
+uit te lossen. Zij waschte het met zeep en jenever, droogde het af met
+een zuiveren doek en legde het terug in het kopje, op wat katoen, om het
+zachtjes te laten rusten.</p>
+
+<p>De persoon, die het meeste belang in deze zaak had, was dien dag in het
+Bonte Kalf niet verschenen; maar het verwonderde niemand, daar men wist
+dat Theodoor Peeters, op last zijns vaders, naar Antwerpen bij zijnen
+oom was gegaan.</p>
+
+<p>Des anderen daags, terwijl het Bonte Kalf alweder vol bezoekers was,
+kwam Theodoor in de herberg, vragende spottend en met ongeloovig gelaat,
+of het geene lachmerkt was, wat men hem had verteld.</p>
+
+<p>Maar nadat hij insgelijks het wonderei had beschouwd en met aandacht
+onderzocht, werd hij niet min dan al de anderen met verbaasdheid
+getroffen, en bleef eene lange wijl in stomme overweging verslonden.</p>
+
+<p>Alhoewel dit onuitlegbaar voorval de zoetste wenschen zijns harten
+vervulde, scheen hij verschrikt en mompelde woorden, die getuigden dat
+het hem moeilijk was, zijne eigene oogen te gelooven. Te betwisten dat
+het ei wel wezenlijk eene openbaring van Gods wil was, dit durfde hij
+zoo min als de anderen.</p>
+
+<p>Jegens Lisa gedroeg hij zich ditmaal op de meest bescheidene wijze. Hij
+zag hoe de tranen haar in de oogen glinsterden, en begreep
+waarschijnlijk al de diepte van haar zielsverdriet. Hoe het zij, als
+hield een gevoel van edelmoedigheid hem terug, hij toonde geene groote
+blijdschap, eerbiedigde de treurigheid van het meisje en verliet de
+herberg na een half uur, voorgevende dat zijn vader hem op het
+gemeentehuis verwachtte, om daar een haastig schrijfwerk af te doen.</p>
+
+<p>De toeloop der lieden duurde eenige dagen voort, maar dan begon het
+getal der nieuwsgierigen te verminderen, op zulke wijze dat men, na een
+paar weken, het ei schier had vergeten, en het Bonte Kalf slechts nog
+door zijne gewone klanten werd bezocht.</p>
+
+<p>Onderwijl hield moeder Noppe zich vlijtig bezig met het huwelijk harer
+dochter te bespoedigen, en reeds had men de bruidskleederen van Lisa
+besteld.</p>
+
+<p>Het meisje was altijd even treurig; ook baas Kobus verkeerde voortdurend
+in slechte luim; maar geen van beiden durfde echter denken, dat er nog
+de minste hoop bestond om de voltrekking van het gevreesde huwelijk te
+ontsnappen.</p>
+
+
+<h3><a name="HET_WONDEREIII" id="HET_WONDEREIII"></a>II.</h3>
+
+<p>Men had dien morgen te Lichtaert de trommels hooren slaan, en de boeren
+van het gehucht de Molenstraat verwachtten met zekere blijdschap de
+mannen, welke zij ongetwijfeld zouden te logeeren krijgen.</p>
+
+<p>De vrijwilligers van generaal Niellon, die alsdan de Kempische dorpen
+doorkruisten, waren geene eigenlijke soldaten, zooals men dit in gewone
+tijden verstaat. Allen hadden, bij het losbreken der omwenteling, hunnen
+stand of hunne bezigheid verlaten, om de wapens op te vatten tot
+vrijmaking van het vaderland. Onder hen telde men zonen van goeden
+huize, studenten, werklieden, boeren, en ook wel ongetwijfeld eenige
+slechte kerels, uitschot der steden; maar het grootste getal behoorde
+evenwel tot de middelbare burgerij, en hunne handelwijze, taal en zeden
+verschilden niet merkelijk van die der vreedzame bewoners van het
+Kempenland.</p>
+
+<p>Deze goede lieden aanschouwden diensvolgens de vrijwilligers als zijnde,
+in de meeste gevallen, van hoogeren maatschappelijken stand dan zij
+zelven. Overweegt men nu daarbij, dat de geestelijkheid op de dorpen
+algemeen de omwenteling aankleefde en de Vrijwilligers loofde, als de
+verdedigers van Vaderland en Geloof, dan zal men licht begrijpen, waarom
+de bewoners der Kempen zich bereid toonden, de patriotten of liever de
+Belgen, zoo zij hen noemden, niet alleen met vriendschap maar tevens met
+zekeren eerbied te onthalen.</p>
+
+<p>Weinig tijds nadat de trom in Lichtaert had opgehouden te slaan,
+verlieten twee dezer Vrijwilligers het dorp en gingen den aardeweg naar
+Thielen op. Zeer zonderling waren zij toegetakeld, want alhoewel met
+geweer op den schouder, sabel aan de zijde en ransel op den rug, hadden
+zij geene eigenlijke soldaten-kleeding aan. Op hun hoofd droegen zij
+eene haren muts van bruin geverfd konijnenvel en gesierd met eene groote
+driekleurige kokarde; om het lijf eenen blauwen kiel en eenen zwart
+lederen gordel. De oudste had hooge laarzen en eene broek van geribd
+fluweel; de jongere droeg fijne schoenen en eene broek van lichte
+zomerstof.</p>
+
+<p>Dat deze mannen iets meer waren dan enkele soldaten, kon men wel merken
+aan de gouden strepen, die op hunnen blauwen kiel glinsterden: de eene
+had er twee aan de benedeneinden zijner mouwen; de andere slechts eene
+boven elken elleboog. Wie met de zaak bekend was, kon bij den eersten
+blik onderscheiden, dat de voorbijgangers onder-officiers waren,
+namelijk een sergeant-majoor en een fourier.</p>
+
+<p>De bovenlip van den fourier was nauwelijks met een zacht dons
+beschaduwd; levensvreugde straalde hem uit de oogen en dikwijls poogde
+hij de aandacht van zijnen kameraad,&mdash;die zwarte knevels droeg en vijf
+of zes jaar ouder was dan hij,&mdash;op de schoonheid van het landschap te
+vestigen. Hij roemde daarbij het zoete lenteweder, de frissche lucht der
+Kempen en de balsemgeuren, die van uit de verre mastbosschen hen
+tegenwalmden.</p>
+
+<p>Maar de sergeant-majoor had voor zulke dingen geene ooren. Van tijd tot
+tijd morde hij met eenen spotlach:</p>
+
+<p>"Altemaal kinderpraat! Vul daar eens uwen buik mede. Ik heb verduiveld
+grooten honger. De secretaris heeft gezegd, dat wij bij brave lieden
+gelogeerd zijn, en die de middelen hebben om goed op te scheppen. Wij
+zullen het zien. Is de kost zooals het behoort, dan zijn wij vrienden:
+anders sla ik ginder den geheelen boel het onderste boven!"</p>
+
+<p>"Gij zegt het om te lachen, majoor," wedersprak zijn jonge gezel. "Wie
+zou hier de lieden kunnen mishandelen? Zij zijn zacht en goed als hun
+kramikkenbrood."</p>
+
+<p>"Een dikke eierkoek met spek is toch beter.... en dit zullen ze ons
+geven, onmiddellijk na onze aankomst, zoo waar ik leef, of hun rug zal
+kennis maken met mijnen sabel!"</p>
+
+<p>"Bah, gij zijt niet bekwaam om eenen hond kwaad te doen."</p>
+
+<p>"Maar hoe kunt gij het weten? Slechts sedert drie weken kwam ik over in
+uwe compagnie?"</p>
+
+<p>"Gij wilt schijnen wat gij niet zijt, majoor. Gij stelt u soms aan als
+gansch gevoelloos; gij spot gedurig en poogt mij te doen gelooven, dat
+gij onverschillig blijft voor alles wat niet stoffelijk is. Welnu, mij
+kunt gij niet bedriegen; uw hart is edelmoedig en grondig goed, en
+tenzij een verborgen verdriet...."</p>
+
+<p>"Een verborgen verdriet!" herhaalde de sergeant-majoor, zijnen gezel
+strak in de oogen ziende; maar evenras begon hij te lachen.</p>
+
+<p>"Kom, kom, fourier," gromde hij, "geene dwaasheden: ik ben razend van
+honger en heb lust om te bijten."</p>
+
+<p>"Nog eenige minuten; het is wel de moeite waard.... Zie, daar is eene
+herberg; de baas staat voor zijne deur; wij zullen hem vragen waar wij
+moeten zijn."</p>
+
+<p>Zij hielden stil voor het Bonte Kalf en toonden baas Noppe hun
+logementbiljet.</p>
+
+<p>"De weduwe Houtman, vrienden?" zeide hij. "Gaat maar recht door, tot bij
+het huisje dat gij ginder ziet; slaat dan den aardeweg ter linkerzijde
+in, omtrent drie boogschoten verre. Daar is het, daar woont de weduwe
+Houtman.... Ik zou u wel verzoeken, haar van mijnentwege eenen goeden
+dag te wenschen, maar ik heb ongelukkiglijk redenen om het niet te
+doen."</p>
+
+<p>"Men heeft ons nogtans gezegd, dat het brave lieden zijn," bemerkte de
+fourier.</p>
+
+<p>"Brave lieden? Op de geheele wereld kan men er geene betere vinden."</p>
+
+<p>De onder-officiers bedankten hem, hernamen met spoed hunnen weg en
+kwamen inderdaad, kort daarna, voor de aangewezen hofstede, in welker
+deur eene tamelijk bejaarde vrouw stond, die met eenen stillen, minzamen
+glimlach hunne komst scheen af te wachten.</p>
+
+<p>"Is het hier bij de weduwe Houtman?" vroeg de sergeant-majoor.</p>
+
+<p>"Ja, ja, vrienden, komt maar binnen. Het is nogal heet, niet waar? Gij
+ziet er vermoeid uit; wil ik u helpen uwen ransel afleggen?"</p>
+
+<p>"Trees, Trees," riep zij naar achter, "laat uw werk maar staan. Hier
+zijn onze Belgen!"</p>
+
+<p>Een meisje kwam met lachend gelaat toegeloopen en begon, evenals hare
+moeder, de krijgslieden te helpen, om zich van ransel en draagbanden te
+ontlasten.</p>
+
+<p>De fourier was bovenal over de zoete vriendelijkheid der jonge boerin
+getroffen, en het deed hem waarlijk leed, dat zij zoo deerlijk van de
+kinderpokjes was geschonden. Zulk goed hart onder zulk leelijk
+aangezicht, het was groote spijt, inderdaad!</p>
+
+<p>"Sa, bazin," gromde de sergeant-majoor, "ik bedank u wel voor uwe
+dienstwilligheid; maar ik scheur van honger. Ik zou willen eten....
+seffens en iets anders dan brood!"</p>
+
+<p>"Ik denk er reeds aan," antwoordde de weduwe. "Gij zijt zeker met het
+krieken van den dag op weg gegaan, en het is nog zoo verre van den
+middag, niet waar? Een beetje geduld, ik zal de pan op het vuur zetten.
+Doorgeregen spek en eieren, is dit goed?"</p>
+
+<p>"Goed?" riep de sergeant-majoor, "wel, gij braaf mensch! Waren wij uwe
+zonen, gij zoudt ons niet vriendelijker kunnen onthalen. Mag ik u eens
+omhelzen? Ik zal denken, dat ik mijne moeder in de armen heb."</p>
+
+<p>"Doe maar," lachte de oude vrouw.</p>
+
+<p>En waarlijk, de sergeant-majoor omhelsde haar,&mdash;niet om te lachen:
+ernstig en met ware ontroering.</p>
+
+<p>Weinige oogenblikken daarna vlamde het vuur van rijshout onder de pan,
+en werd de kamer vervuld met eenen geur, die den sergeant-majoor de
+lippen deed roeren als zate hij reeds aan den smakelijken disch.</p>
+
+<p>Intusschen had het meisje de ransels en patroontasschen opgenomen, en de
+soldaten verzocht, haar te volgen naar de kamer die hun was bestemd.</p>
+
+<p>Het was onder het dak; want, zooals gewoonlijk bij de boeren het geval
+is, het huis had geen verdiep; maar het vertrek was tamelijk ruim en
+alles er zoo rein en zoo net geschikt zelfs de gordijntjes aan het
+zoldervenster, dat de krijgslieden moesten bekennen, voortreffelijk te
+zijn geherbergd.</p>
+
+<p>Op den roep der moeder gingen ze beneden, en namen onmiddellijk plaats
+aan de tafel, waarop, nevens den lekkeren eierkoek, twee pinten bier en
+een bruingebakken kramik,&mdash;dit is te zeggen wit brood van fijne
+roggebloem,&mdash;hen aanlachten.</p>
+
+<p>Onder het murmelen van dankbetuigingen aten de vergenoegde gasten totdat
+hun honger was gestild. Het duurde waarlijk niet lang.</p>
+
+<p>Dan vroeg de sergeant-majoor:</p>
+
+<p>"Maar, moederken, gij zijt weduwe, volgens wij op ons biljet hebben
+gezien. Woont gij hier alleen met uwe goede dochter?"</p>
+
+<p>"Ik heb nog eenen zoon," antwoordde zij, "maar hij is naar Herenthals,
+met een kalf dat wij verkocht hebben. Voor den middag zal hij terug
+zijn."</p>
+
+<p>Nog eene wijl koutten de soldaten zeer minzaam met deze gastvrije
+lieden, en de sergeant-majoor, die eerst zoo tot barschheid scheen
+gestemd, was nu de minst vriendelijke niet. Hij betuigde welhaast, dat
+het hem leed zou doen, de weduwe en hare dochter van hun werk af te
+houden. Buiten de zorg voor hun eten, moesten zij maar handelen alsof
+zij in het geheel niemand gelogeerd hadden. Hij herinnerde daarenboven
+zijnen kameraad, dat zij te elf uren in het dorp moesten zijn, om zich
+te verzekeren dat al de mannen behoorlijk geherbergd waren, en er de
+bevelen des kapiteins te ontvangen; zij zouden dus nu maar heengaan en
+tegen den middag wederkeeren. Lichtaert was niet verre en zij hadden
+tijds genoeg.</p>
+
+<p>De weduwe vergezelde hen tot op een vijftigtal stappen en toonde hun een
+voetpad, dat door de velden liep en hunnen weg nog eenige minuten zou
+verkorten.</p>
+
+<p>"Nu, God geleide u, kameraden," zeide de oude vrouw. "Tot middag!"</p>
+
+<p>"Ja, tot middag, moederken. Wij zullen u niet laten wachten," riepen de
+onder-officiers....</p>
+
+<p>Toen zij op het gezegde uur van het dorp terugkeerden, vonden zij Frans,
+den zoon der weduwe, te huis. Hij kwam hen tegemoet, drukte hun de hand
+en wenschte hun hartelijk welkom; doch het verraste de krijgslieden
+alras, hem zoo tot zwijgen genegen te vinden. Op al wat zij hem zeiden
+of vroegen, antwoordde hij wel minzaam, doch zeer kort en niet zelden
+dwaalde hij zoodanig weg met zijne gepeinzen, dat hij in droomen scheen
+verslonden. Hij was welgebouwd en sterk van leden nogtans, en, ware het
+niet geweest dat zijn aangezicht eenigszins bleek was, men had hem
+kunnen aanzien als een toonbeeld van lichaamskracht en gezondheid.</p>
+
+<p>Het middagmaal was haast ten einde. Dan wenschte Frans hun eenen stillen
+goeden dag, tot den avond; want nu moest hij naar den veldarbeid met het
+paard.</p>
+
+<p>Zoo gingen er eenige dagen voorbij.</p>
+
+<p>De sergeant-majoor sleet zijnen meesten tijd in het dorp, hetzij voor
+zijnen dienst, hetzij in de herbergen, te midden zijner vrienden,
+terwijl integendeel de jonge fourier al zijne beschikbare oogenblikken
+op de hofstede en in de omstreken doorbracht, wandelende door de velden,
+op de heide of in de mastbosschen. Hij kon tevens gemakkelijker en
+vrijer met de lieden kouten, aangezien hij, een Antwerpenaar zijnde,
+denzelfden tongval had als zij. De sergeant-majoor was integendeel een
+West-Vlaming, en alhoewel zijne taal meer naar zuiver Hollandsch dan
+naar een Vlaamsch dialekt zweefde, kon men hem, wanneer hij wat vlug
+sprak, niet altijd wel verstaan.</p>
+
+<p>Daaruit volgde natuurlijk dat de fourier, meer dan zijn kameraad,
+gemeenzaam met de weduwe en hare kinderen werd.</p>
+
+<p>Hij meende te moeten denken, dat eene geheime treurnis deze lieden op
+het hart woog; en ongetwijfeld was Frans het voorwerp of de oorzaak van
+dit verdriet; want de fourier had meer dan eens opgemerkt, hoe de moeder
+en de zuster den droomachtigen jongeling medelijdend bezagen, wanneer
+hij stilzwijgend onder den schoorsteen was gezeten of met hangend hoofd
+het huis verliet, om naar zijn werk te gaan.</p>
+
+<p>De sergeant-majoor scheen intusschen zoodanig door het dorp
+aangetrokken, dat hij somwijlen vergat naar zijn logement te komen om
+het middagmaal te nemen. Een ander onder-officier had den fourier gezegd,
+dat de schoone oogen eener herbergdochter, bij de Markt, daarvan de
+oorzaak waren.</p>
+
+<p>Met zijnen kameraad van eenen morgendienst naar huis komende, nam de
+fourier de gelegenheid waar, om hem daarover te ondervragen en nu ook
+eens op zijne beurt met deze vooronderstelde zwakheid te spotten.</p>
+
+<p>Eerst antwoordde de sergeant-majoor met zijne gewone onverschilligheid;
+doch bij de lange scherts van zijnen gezel, werd hij allengs ongeduldig,
+en zeide met zekeren ernst in de stem:</p>
+
+<p>"Fourier, uw lachen pijnigt mij. Dit verwondert u? Mijne gevoelloosheid
+is geveinsd, meent gij? Welnu, gij bedriegt u niet: ik drang eene
+smartelijke herinnering in het hart, eene wonde, die licht aan het
+bloeden gaat. Eens in mijn leven heb ik eene vrouw bemind, ik bemin ze
+nog; zonder de minste hoop evenwel. Wat mij aandrijft om de eenzaamheid
+te ontvluchten en luidruchtig gezelschap te zoeken, om te spotten, en,
+was het mogelijk, mij geheel gevoelloos te maken, is de wensch om haar
+te kunnen vergeten.... Nutteloos! Zelfs terwijl ik nu spreek, staat ze
+voor mijne oogen. Geloof dus de malle praat van sergeant Boutin niet:
+mijn hart is voor alle andere neiging gesloten. Wilt gij mij toonen, dat
+gij een goede jongen en verkleefd kameraad zijt, zooals ik het denk,
+wees vroolijk, scherts en spot ... maar met dit eene ding, met de
+verborgene treurnis, die in mijn hart knaagt, daarmede niet.... Er zal
+waarschijnlijk een dag komen, dat ik u zal zeggen, wie ik ben en wat mij
+vroeger is geschied. Tot dan, ik bid u, geen woord daarover."</p>
+
+<p>De fourier gevoelde wel, dat het ernstig gemeend was. Om den wensch van
+zijnen kameraad te eerbiedigen, begon hij van Frans Houtman en dezes
+zichtbare treurigheid te kouten, en sprak sedert dan geen woord meer,
+dat de sergeant-majoor aan de wonde zijns harten kon doen denken.</p>
+
+<p>Eens op eenen namiddag, toen de fourier achter de hofstede door de
+eenzame velden wandelde, zag hij niet zonder verrassing Frans Houtman,
+den zoon der weduwe, met de hand voor het aangezicht nevens den weg op
+eenen gevelden boom zitten.</p>
+
+<p>Hij wekte den jongen boer uit zijne mijmering op, door hem eenen goeden
+dag te wenschen. Frans hief het hoofd op; tranen blonken in zijne oogen
+en het was op den toon der diepste bedruktheid, dat hij eenen stillen
+groet murmelde, waarna hij als beschaamd den blik ten gronde sloeg.</p>
+
+<p>"Gij hebt verdriet, nietwaar, Frans?" zeide de fourier. "Ik heb het
+opgemerkt van den eersten dag onzer komst in uw huis. Wat is het, dat u
+zoo moedeloos maakt?"</p>
+
+<p>Hij bekwam geen antwoord.</p>
+
+<p>"Nu, vertel het mij. Gij zult het misschien niet gelooven, maar ik denk
+den ganschen dag aan u. Uwe zichtbare treurigheid boezemt mij medelijden
+in; ik zou u willen troosten."</p>
+
+<p>"Mij troosten?" zuchtte de jongeling. "Ach, het is onmogelijk; ik ben
+veroordeeld tot eeuwige wanhoop!"</p>
+
+<p>De fourier zette zich nevens hem op den boom.</p>
+
+<p>"Frans," zeide hij, "ik vermoed wel, wat u zoo bitter doet lijden. Uwe
+moeder en uwe zuster zijn gezond, de zaken op uwe hofstede gaan niet
+slecht. Hebt gij ergens eene pijnlijke wonde, zij kan slechts aan het
+hart zijn. Bedrieg ik mij?"</p>
+
+<p>"Eilaas, mocht ik sterven!" klaagde Frans.</p>
+
+<p>"Maar gij hebt ongelijk, kameraad. Wij zijn insgelijks jong en weten ook
+al iets van zulke dingen. Het gemoed der meisjes is veranderlijk als het
+weder. Heeft uwe vriendin gisteren u koel bejegend, morgen zal zij u
+lachend tegemoet komen. Dat gaat zoo op en af, als het water in de
+Schelde.... en in afwachting martelen wij ons nutteloos. Een jongen als
+gij, fiksch van gelaat, sterk en geheel anders dan arm, welk meisje
+dezer streek zou niet met blijdschap en trotschheid zijne hand
+aanvaarden? Kom, kom, wees maar moedig; de wolk zal afdrijven, en dan
+wordt de hemel weer helder voor u."</p>
+
+<p>"Nooit, nooit meer," mompelde de jongen.</p>
+
+<p>"Heeft zij u dan beslissend verstooten?"</p>
+
+<p>"Neen, zij bemint mij uit al de krachten harer ziel."</p>
+
+<p>"Ho, ho, Frans, gij hebt misschien uwen blik te hoog gericht .... en de
+ouders weigeren?"</p>
+
+<p>"Neen, de ouders niet."</p>
+
+<p>"Maar wat is er dan van die onverstaanbare zaak? Nu, zeg het mij. Wees
+zeker, al kon ik waarlijk niets om u te troosten, ons verdriet eenen
+vriend mede te deelen verlicht altijd onze smart."</p>
+
+<p>"Het kan zijn in andere gevallen. Voor mij is alles, alles nutteloos....
+Evenwel om u te voldoen, die mij onverdiend zooveel genegenheid betuigt,
+wil ik u wel uitleggen wat wij voor eeuwig hopeloos moet maken.... Zijt
+gij nog niet in het Bonte Kalf geweest?"</p>
+
+<p>"Neen, slechts eens heb ik met den waard, geloof ik, voor zijne deur
+gesproken."</p>
+
+<p>"Welnu, baas Noppe heeft eene dochter, die Lisa heet, een vroolijk,
+goedhartig en eerbaar meisje. Van kindsbeen af waren wij onafscheidbare
+vrienden en door onze ouders bestemd om eens man en vrouw te worden.
+Later beminden wij elkander altijd meer en meer. Nu was eindelijk de
+tijd gekomen, dat het huwelijk ons zou vereenigen. Wij wisten reeds welk
+hofstedeken wij zouden pachten; mijne moeder hield zich in het geheim
+bezig met het een en ander voor ons huishouden te koopen, en zag op
+voorhand uit naar eenen goeden knecht, die mij bij haar voor den
+veldarbeid zou vervangen. Alles ging naar wensch: Lisa gevoelde zich zoo
+gelukkig; het was als lachte de hemel ons toe.... Daar komt eensklaps
+een jongen uit de stad,&mdash;Theodoor, de zoon van onzen
+gemeente-secretaris, die allengs de gewoonte aanneemt, bijna dagelijks
+in het Bonte Kalf te gaan.... en welhaast begint moeder Noppe te zeggen,
+dat hare dochter nog te jong is om te trouwen en wij het huwelijk moeten
+uitstellen."</p>
+
+<p>"Ai, ai, ik begrijp: er komen maaien in uwe kaas!" mompelde de fourier.
+"Lisa heeft hare zinnen op Theodoor...."</p>
+
+<p>"Neen, neen, verdenk haar niet!" smeekte de jonge boer met opgeheven
+handen. "Wel hebben anderen dit insgelijks gedacht; maar ik weet, dat
+haar zuiver en eenvoudig hart mij trouw is gebleven. Zij is even
+ongelukkig als ik."</p>
+
+<p>"Ha, ik heb het op: de moeder wil Lisa met den zoon van den secretaris
+doen trouwen?"</p>
+
+<p>"Eilaas, neen, de moeder niet."</p>
+
+<p>"Maar wie dan?"</p>
+
+<p>"Hij, voor wien de geheele wereld nederknielt: God zelf."</p>
+
+<p>"Het wat zegt ge daar?" riep de fourier verbaasd. "Ik versta u niet. God
+wil Lisa met Theodoor doen trouwen? Frans, Frans, ik zou gaan twijfelen
+aan de vastheid van uw verstand. Gij zijt toch niet kinderachtig genoeg
+om zulks te gelooven. Ik verdenk hier moeder Noppe; gij hebt u in de
+kleeren laten steken, jongen."</p>
+
+<p>"Mocht gij de waarheid zeggen! maar, neen, een uitdrukkelijk vonnis van
+hierboven beeft mij onherroepelijk tot smart en wanhoop veroordeeld....
+en Lisa, de arme Lisa, moet zoowel als ik, zoowel als onze ouders, het
+hoofd bukken onder den wil van God."</p>
+
+<p>"Maar mijne hersens worden er duizelig van; gij maakt mij dwaas," morde
+de fourier. "Wie heeft u gezegd, dat men in den hemel zoo geheel
+bijzonderlijk zich met uw huwelijk bezighoudt? Theodoor of moeder Noppe?
+Jongen, jongen, wat gij u toch laat wijsmaken!"</p>
+
+<p>"Ja, ik weet het wel," antwoordde Frans met gelatenheid, "dat de
+soldaten, evenals de lieden uit de stad, weinig geloof hebben; maar
+oordeel niet voorbarig. Zoohaast ik u zal gezegd hebben, hoe God ons
+zijnen wil openbaarde, zult gij niet meer twijfelen. Luister slechts."</p>
+
+<p>En de jonge boer vertelde hem met alle bijzonderheden, hoe moeder Noppe
+het wonderei in het hennennest had gevonden en welke woorden er op
+stonden te lezen.</p>
+
+<p>Een lange schaterlach hergalmde over het veld, terwijl Frans, door zulke
+verregaande ongeloovigheid gekwetst en verschrikt, van den fourier
+terugdeinsde en hem met afkeurenden blik in de oogen zag.</p>
+
+<p>"Wel, wel, eenvoudige sukkelaar," riep deze, "ziet gij niet, dat men u
+heeft gefopt? Een kluchtspeler,&mdash;Theodoor waarschijnlijk,&mdash;heeft die
+vreeselijke woorden op het ei geschreven."</p>
+
+<p>"Zwijg, zwijg," stamelde Frans, "gij dwaalt: de woorden waren niet
+geschreven."</p>
+
+<p>"Geschilderd misschien?"</p>
+
+<p>"Neen, geene menschenhand heeft ze gemaakt."</p>
+
+<p>"Sa, hoe stonden de letteren dan op het ei?"</p>
+
+<p>"Zij waren er ingegroeid. Geen verschil was er tusschen de stof der
+schaal en die der letteren. Hadden ze er niet een weinig verheven
+opgestaan, men zou ze zelfs misschien niet bemerkt hebben."</p>
+
+<p>Als daalde er eensklaps eene even sterke overtuiging in des fouriers
+geest, hij sloeg den blik in gedachten ten gronde en antwoordde zelfs
+niet meer, toen Frans hem vroeg, of hij nog twijfelde aan de waarheid
+der openbaring. Maar welhaast hief hij het hoofd op, en terwijl een half
+ernstige en half schertsende glimlach op zijn gelaat zweefde, zeide hij:</p>
+
+<p>"Ik weet niet, Frans, maar in mij is het denkbeeld ontstaan, dat ik
+misschien u gelukkig zou kunnen maken. Wat is die Theodoor voor een
+kerel? Nu spreek, ik bid u."</p>
+
+<p>"Theodoor is de zoon van den gemeente-secretaris. Goed of kwaad weet ik
+van hem niet veel te zeggen."</p>
+
+<p>"Is hij geleerd?"</p>
+
+<p>"Ik geloof van ja; hij heeft in Antwerpen gewoond, om den
+Apothekers-stiel te...."</p>
+
+<p>"Genoeg, genoeg, daar hebben wij het!" riep de fourier met blijdschap
+uit. "Hij is het, de valschaard, die het ei heeft gemaakt en in het nest
+gelegd. Ha, ha, nu zal de kaart gaan keeren! Gij zult trouwen met Lisa.
+Twijfelt gij daaraan? Ik zal in het Bonte Kalf de lieden gaan bewijzen,
+dat Theodoor hen voor den zot heeft gehouden en zich niet schaamde, den
+naam van God te gebruiken om hen te bedriegen. Zullen de ouders van
+Lisa, eens ten volle overtuigd dat men hun eene hatelijke klucht heeft
+gespeeld, den schurk niet verstooten en zich gelukkig achten u met hunne
+dochter te laten trouwen?"</p>
+
+<p>Zoo snel en met zulke blijde geestdrift had de fourier deze woorden
+gesproken, dat Frans hem in angstige verbaasdheid aanzag. Er kwam wel
+eenige aarzeling in zijn geloof, doch zijn wantrouwend hart bleef nog
+voor de minste hoop gesloten.</p>
+
+<p>"Uw twijfel doet mij pijn," hernam de fourier even aangejaagd. "Ik zal
+hem te niet doen. Luister. Voor eenige jaren ging ik nog ter school bij
+zekeren onderwijzer,&mdash;hij heette Mr. Shaw.&mdash;Deze vermaakte ons na de
+schooluren met allerlei kleine kunstgrepen uit de physica,&mdash;dit wil
+zeggen de natuurkunde,&mdash;en een dezer kunstjes bestond in het maken van
+zulke eieren als Theodoor er een in het hennennest van het Bonte Kalf
+heeft gelegd. Weet gij hoe dit toegaat? Men neemt een ei en schrijft of
+teekent daarop, met vet of beter met vernis, al wat men wil. Dan legt
+men het ei een paar uren, min of meer, in sterken azijn of in een ander
+zuur. Het zuur bijt gedeeltelijk de kalkstof weg, overal waar deze niet
+met vet bedekt is, en zoo staan dan eindelijk de letters verheven op de
+schaal. Men wascht het ei met wijngeest, om het vet of het vernis weg te
+nemen, en niemand, indien hij van het geheim niet weet, kan gissen dat
+het ei zoo door een kunstmiddel werd gemaakt. Begrijpt gij het nu,
+Frans? Ik zal zulk een ei maken en het de ouders van Lisa gaan toonen."</p>
+
+<p>"Ach, zij zullen u niet gelooven!" zuchtte de jonge boer.</p>
+
+<p>"Mij niet gelooven?.... Zie, daar dacht ik niet aan; gij hebt misschien
+gelijk. Ja, de zaak moet anders worden aan boord gelegd.... Ik heb het
+gevonden! De hen zal nog eieren leggen, eieren die Theodoor van verraad
+en goddeloosheid zullen beschuldigen. Ha, ha, het zou mij niet
+verwonderen, dat de slimmerik met zijne klikken en klakken in het Bonte
+Kalf aan de deur vloog.... Zeg eens, Frans, is er een apotheker in het
+dorp?"</p>
+
+<p>"Neen," was het antwoord, "maar onze paardenmeester, bij de kerk,
+verkoopt ook medicamenten."</p>
+
+<p>"Dit is voldoende. Ik ga naar zijnen winkel; de tijd ontbreekt mij
+gelukkiglijk niet. Onderweg zal ik een glas bier in het Bonte Kalf gaan
+drinken, en pogen het ei te zien."</p>
+
+<p>"Dit zal u niet veel moeite kosten. Zeg, dat gij er van hebt hooren
+spreken, men zal het u seffens toonen; maar lach er niet mede, de bazin
+zou het u nooit vergeven."</p>
+
+<p>"Er is geen gevaar voor, Frans; ik zal ernstig veinzen, aan de zaak te
+gelooven; doch intusschen, onder een of ander voorwendsel, op den
+voorhof gaan om te ontdekken waar het nest is en hoe men er bij kan
+geraken.... Gij, Frans, zeg van dit alles niets aan wie het ook weze,
+zelfs niet aan uwe moeder; andere mis ik nog mijn doel.... Waarom
+glimlacht gij zoo bitter en schudt het hoofd? Hebt gij dan ook geen
+vertrouwen in mijne woorden? Kom, wees maar blijde. Daar is mijne hand:
+ik geef u mijn woord, dat Lisa uwe bruid zal worden, of er zouden andere
+beletsels moeten tusschen zijn dan het voorondersteld bevel van God....
+Wandel dezen avond, tusschen licht en donker, in den wegel achter uwe
+haag; ik zal bij u komen en u zeggen hoe de zaken staan. Heb ik nog
+inlichtingen noodig, gij zult ze mij geven. Zwijg intusschen. Nu tot
+wederziens, bedorvendans van het lot!"</p>
+
+<p>Onder het uitspreken van dezen gelukwensch, liep de fourier den
+aardenweg in naar het dorp.</p>
+
+
+<h3><a name="HET_WONDEREIIII" id="HET_WONDEREIIII"></a>III.</h3>
+
+<p>Den derden dag na het onderhoud van den fourier met Frans Houtman,
+traden de beide onder-officiers in het Bonte Kalf en vroegen elk een
+glas bier. Het was nog vroeg, want, volgens zij zeiden, kwamen zij van
+het <i>morgen-app&egrave;l</i>.</p>
+
+<p>Baas Noppe was alleen in zijne herberg, en hij meldde hun, vooraleer het
+hem werd gevraagd, dat zijne dochter naar het dorp was gegaan met
+versche boter voor den notaris.</p>
+
+<p>De vrouw was echter te huis, want zij hoorden haar tegen de koeien in
+den stal spreken.</p>
+
+<p>Na eenige woorden met baas Kobus over het weder en over het uitzicht van
+den toekomenden oogst te hebben gewisseld, vroegen de krijgslieden een
+spel kaarten. Zij wilden, zeiden ze, het partijtje voortzetten dat zij
+gisteren, omdat het te laat geworden was, hadden onderbroken.</p>
+
+<p>Het pak kaarten werd hun toegereikt en zij begonnen, in schijn met
+aandacht en inspanning, te spelen, maar zij waren integendeel zeer
+verstrooid, en zagen naar de achterdeur zoohaast zij het minste gerucht
+op den voorhof hoorden. Ongetwijfeld wist de sergeant-majoor alles; want
+hij glimlachte en pinkoogde nu en dan zoo onvoorzichtig, dat zijn jonge
+kameraad hem berispend in het oor fluisterde:</p>
+
+<p>"Schei uit, houd u ernstig, of gij gaat ons verraden!"</p>
+
+<p>De baas, die tot dan zich achter den toog had beziggehouden met glazen
+te spoelen en flesschen te vullen, kwam achter den rug van den fourier
+staan en zag het spel gedurende eenigen tijd stilzwijgend na. Eindelijk
+kon hij zulke misgrepen, als hij hier zag begaan, niet langer verdragen
+en zeide met ernst en nadruk, hoe een echt liefhebber in het voorhandig
+geval zou gespeeld hebben. Was de fourier zoo deerlijk geklopt geworden;
+dit mocht hij slechts aan zich zelven wijten; want had hij, Kobus Noppe,
+de kaart in de hand gehad, zeker de sergeant-majoor zou geene drie
+slagen opgehaald hebben. Hij was gereed, het hun te bewijzen, indien de
+fourier toestemde, hem met dezelfde kaarten tegen den sergeant-majoor te
+laten kampen.</p>
+
+<p>Men voldeed aan zijn verlangen; hij nam de kaarten op en begon te
+spelen, met evenveel drift alsof zijne goede faam en zijn geluk van den
+uitslag dezer partij hadden afgehangen.</p>
+
+<p>Maar nauwelijks had bij, met een hart dat van fierheid klopte, de twee
+eerste slagen opgehaald, of een zonderlinge schreeuw deed hem
+verschieten; hij liet de kaarten ter tafel vallen, sprong op en riep met
+vervaardheid:</p>
+
+<p>"Hemel, wat is er nu gebeurd? Die vrouw zal mij nog den dood op het lijf
+jagen!"</p>
+
+<p>Inderdaad, moeder Noppe had, onder het slaken van eenen angstkreet, de
+achterdeur opengeworpen, en stond daar nu, ontsteld en bleek, te midden
+der kamer met een ei in de hand.</p>
+
+<p>"Ik heb het wel gevreesd!" klaagde zij. "Kobus, Kobus, dit is uwe
+schuld. Het huwelijk onzer dochter mocht zoo haastig niet gaan. Nu is
+God op ons vergramd. Zie, een nieuw bevel!"</p>
+
+<p>De onder-officiers bezagen elkander met eenen listigen glimlach, doch de
+fourier legde zich den vinger op de lippen, om zijnen kameraad het
+stilzwijgen aan te raden.</p>
+
+<p>"Hoe staat gij daar nu als van den hamer geslagen?" viel moeder Noppe
+tegen haren man uit. "Dat zal u leeren, goddelooze twijfelaar. Daar,
+neem het ei en lees. Wie weet wat schrikkelijke dingen er ditmaal
+opstaan!"</p>
+
+<p>Kobus aanvaardde het ei met bevende hand en bekeek het eene wijl; maar
+dan hief hij het hoofd op en staarde zijne vrouw met strakken blik en
+wijdgeopenden mond aan, als iemand, die zijne eigene oogen niet kan
+gelooven.</p>
+
+<p>"Welnu, zijt gij stom geworden? Zeg, wat staat er dan op het ei?" riep
+de bazin met toornig ongeduld.</p>
+
+<p>"Er staat.... er staat op, dat Lisa met Frans Houtman moet trouwen."</p>
+
+<p>"Met Frans Houtman, o hemel! Dit is niet mogelijk: gij hebt slecht
+gelezen."</p>
+
+<p>"Neen, Christien, het is wel zoo. Zie, het staat er duidelijk op: <i>Lisa
+moet trouwen met Frans, het is Gods wil....</i> En daar, vrienden, leest
+gij zelf en getuigt, of ik mij bedrieg." De sergeant-majoor nam het ei.</p>
+
+<p>"Uw man heeft gelijk," bevestigde hij; "het staat er op; <i>Lisa moet
+trouwen met Frans, het is Gods wil</i>."</p>
+
+<p>Ware de donder boven het hoofd van vrouw Noppe losgeborsten, zij had
+niet dieper verschrikt en verbluft kunnen zijn. Zij sloeg zich de hand
+aan het voorhoofd en martelde zich de hersens, om het raadselwoord van
+zulk onbegrijpelijk voorval te vinden. Dat God van besluit was
+veranderd, dit durfde zij niet gelooven.... en het ei was toch geheel
+gelijk aan het vorige! Hemel, wat, wat ging er om? Waren zij de speelbal
+der listen van den boozen geest?</p>
+
+<p>In haren twijfel hield zij de oogen ten gronde en scheen de vloersteenen
+te ondervragen. Even stom en ontsteld staarde baas Noppe rondom de
+kamer, als vreesde hij den duivel zelf te zien verschijnen.</p>
+
+<p>De fourier kreeg medelijden met hunnen pijnlijken toestand; hij trad
+vooruit, naderde moeder Noppe en zeide:</p>
+
+<p>"Bazin, kom tot u zelve en wees gerust. In geheel deze zaak der eieren
+heeft een valsche kerel zonder hart u bedrogen, en zich niet ontzien uwe
+gekende godvruchtigheid te misbruiken, om u en uw kind de slachtoffers
+zijner snoode begeerlijkheid te maken."</p>
+
+<p>Zij keek den jongen krijgsman, die zoo ernstig en met zooveel zekerheid
+sprak, verwonderd aan, doch schudde in twijfel het hoofd.</p>
+
+<p>"Gij meent dat ik het ben, die u wil bedriegen, vrouw? Gij gelooft
+eerder wat de eieren u zeggen? Welaan! zie, ik insgelijks heb een ei,
+dat kan spreken; het is juist gelijk aan de anderen. Beschouw het maar
+goed. Dat uw man leze wat er op staat: hij zal er de verklaring van het
+schrikkelijk raadsel op vinden."</p>
+
+<p>Baas Kobus nam het ei, dat de fourier uit den zak had gehaald, en las
+met de grootste verbaasdheid:</p>
+
+<p>"<i>Theodoor heeft den spot met u gedreven</i>."</p>
+
+<p>"O, mijn God, wat wil dit zeggen?" riep moeder Noppe, die eenen
+lichtstraal in haren geest voelde dringen.</p>
+
+<p>"Wat dit beteekent? Het wil zeggen, dat Theodoor,&mdash;om onmiddellijk de
+hand uwer dochter te bekomen, en tevens om de liefde voor Frans Houtman
+in haar hart uit te dooven,&mdash;eene verfoeielijke goddeloosheid heeft
+begaan. Hij is het, die de letteren op het ei heeft geschreven en het
+daarna in het nest gelegd."</p>
+
+<p>"En dit tweede ei dan? Hij zal toch niet tegen zich zelven... Welke
+gedachte! De berouwende zondaar heeft zijne slechte daad willen
+herstellen."</p>
+
+<p>"Neen, bazin, dit tweede ei heb ik gemaakt en gisteravond in het nest
+gelegd, met het enkel inzicht u van Theodoors valschheid te overtuigen
+en den strik te breken, dien hij u heeft gespannen."</p>
+
+<p>"Gij, gij hebt dit ei gemaakt?" stamelde de vrouw.</p>
+
+<p>"Ja, ik; en zulke eieren kunnen honderden lieden in de stad even goed
+maken als Theodoor. Het is een kinderspel voor hen die de kunstgreep
+kennen. Zoohaast ik had vernomen, dat de zoon van den secretaris bij
+eenen apotheker heeft gewoond, bleef mij geen twijfel over. Hij alleen
+had belang in het bedrog, en waarschijnlijk wist hij alleen in het
+gansche dorp, hoe men zulke eieren maakt."</p>
+
+<p>"Ha, ha, daarom trok de bedrieger, van toen af, zulk schijnheilig
+aangezicht!" riep baas Noppe met gramschap uit.</p>
+
+<p>Hij verklaarde zich ten volle overtuigd, dat de fourier niets zeide dan
+de zuivere waarheid; maar de vrouw liet zich zoo gemakkelijk niet
+overwinnen, alhoewel haar geloof aan het wonder reeds diep was geschokt.</p>
+
+<p>De beide krijgslieden deden zooveel doorslaande redenen gelden; de
+fourier legde haar zoo duidelijk uit, hoe men zulke eieren maakt, dat
+zij eindelijk zich overgaf en hare langbeklemde woede uitstortte in
+allerlei scheldwoorden tegen den zoon van den secretaris, iets waarin
+zij terdege geholpen werd door haren man, die van niets anders sprak dan
+van Theodoor hals en beenen te breken.</p>
+
+<p>Terwijl zij nog immer bezig waren met dus aan hunne verontwaardiging
+lucht te geven, hoorden zij eensklaps achter hunnen rug eene zachte
+minzame stem, die hun zeide:</p>
+
+<p>"Dag, baas Kobus, dag, bazin Noppe. Heeft men goed geslapen dezen
+nacht?"</p>
+
+<p>Theodoor Peeters had zijn hoofd in de deur gestoken.</p>
+
+<p>"Wacht wat, ik zal u eenen goeden dag gaan geven, gij vuile schurk, gij
+laffe schobbejak!" schreeuwde de baas, zijne vest afwerpende en zijne
+hemdsmouwen opstroopende.</p>
+
+<p>Maar de sergeant-majoor en de fourier sprongen toe en weerhielden hem
+met geweld.</p>
+
+<p>"Waarom zijt gij boos op mij? Wat is er gebeurd?" stamelde de verbaasde
+jongeling.</p>
+
+<p>"Wat er gebeurd is, valsche fleemer?" snauwde de vrouw, met de vuisten
+vooruit, hem toe. "Ha, men zal u leeren, eieren in ons hennennest te
+komen leggen! Hoe, leelijke ketter, gij durft den heiligen naam des
+Heeren misbruiken om ons te bedriegen en te bespotten? Ga weg, vlucht,
+goddelooze booswicht, of de baas doet u een ongeluk."</p>
+
+<p>"Uit mijn huis, uit mijn huis, ik breek u den hals!" bulderde Kobus
+Noppe, terwijl hij, om los te raken, tegen de krijgslieden worstelde.
+"Ha, valschaard, gij moest met Lisa trouwen! Uit mijne oogen; en komt
+gij nog over onzen dorpel...."</p>
+
+<p>Maar Theodoor, die zich schuldig gevoelde en geenen lust had om zich
+door den uitzinnigen baas den kop te laten inslaan, deinsde terug de
+deur uit en liep met spoed naar het dorp.</p>
+
+<p>De herbergier was niet te stillen. Om zijne gramschap toch op iets uit
+te werken, had hij met zijne zware handen reeds eenen stoel aan stukken
+getrokken en twee pinten verbrijzeld. Slechts de bedreigingen zijner
+vrouw brachten hem eindelijk tot bedaren. Evenwel mompelde hij nog van
+den burgemeester, van den tribunaal, van de gevangenis; en hem scheen
+het niet onmogelijk Theodoor op het schavot voor zijne verfoeilijke
+valschheid te doen boeten.</p>
+
+<p>Zijne vrouw was echter zoo wraakzuchtig niet. Volgens haar gevoelen was
+het beter, den zoon van den secretaris maar aan de knaging van zijn
+eigen geweten over te laten, dan door zulke vervolging nieuw schandaal
+te verwekken.</p>
+
+<p>"Zoo kan het toch niet blijven," wedersprak hij. "Wij moeten evenwel
+iets doen om zijnen hatelijken aanslag te straffen."</p>
+
+<p>"Het is uiterst eenvoudig," bemerkte de sergeant-majoor. "Gij heb in
+gevaar verkeerd, uwe dochter en dien goeden Frans Houtman ongelukkig te
+maken voor hun leven. Hersteld maar seffens uwe dwaling en maakt de
+kinderen gelukkig. Zoo zal Theodoor genoeg gestraft zijn, en de kwade
+tongen, indien er zijn, zullen geenen tijd hebben om veel te praten."</p>
+
+<p>"De majoor heeft gelijk," murmelde de oude vrouw.</p>
+
+<p>"Zeker heeft hij gelijk: hij spreekt als een boek!" riep de baas.</p>
+
+<p>"Dus gij stemt toe in hun huwelijk?"</p>
+
+<p>"Wij moeten wel."</p>
+
+<p>"Laat gij toe, bazin, dat wij de goede tijding aan Frans Houtman en
+zijne moeder gaan melden?" vroeg de fourier.</p>
+
+<p>"Met veel genoegen.... Maar zie ik ginder onze Lisa niet komen? Ja, zij
+is het."</p>
+
+<p>"Vrouw, laat mij haar tegemoet loopen en het haar zeggen!" smeekte de
+baas.</p>
+
+<p>"Neen, ik ben het, die haar huwelijk met Frans heb gedwarsboomd: uit
+mijnen mond moet zij het vernemen."</p>
+
+<p>"Het is waar, Christien, gij hebt gelijk."</p>
+
+<p>Nauwelijks was het meisje in de kamer getreden, of bazin Noppe greep
+hare beide handen aan en zeide haar:</p>
+
+<p>"Kind, kind lief, ziet gij niet in mijne oogen dat ik u gelukkig wil
+maken? Gij twijfelt? Welnu, gij moogt trouwen met Frans Houtman."</p>
+
+<p>"Hemeltje lief, is het waar?" stamelde Lisa.</p>
+
+<p>"Ja, ja, wij geven onze toestemming!" juichte de herbergier. "Hoe
+gauwer, hoe liever de bruiloft. Wij zullen dansen dat het huis invalt.
+Het is bliksems lang geleden, dat ik mijnen laatsten flikker heb
+geslagen; maar voor den gelukkigen dag zal ik mijne oude beenen nog eens
+insmeren!"</p>
+
+<p>Het meisje lag van zalige ontroering in de armen harer moeder te weenen,
+en zij zoende haar en zij zegende haar zoo teeder en zoo dikwijls, dat
+de oude vrouw insgelijks tranen over hare wangen voelde lekken.</p>
+
+<p>Ook haren vader omhelsde zij.</p>
+
+<p>Dan vroeg zij eensklaps:</p>
+
+<p>"Weet Frans het?.... Niet? O, hemel, hij lijdt nog onder die
+schrikkelijke wanhoop? Vader, laat mij naar de hofstede loopen, om hem,
+om zijne moeder, om zijne zuster de blijde tijding te brengen! Indien ze
+maar niet kwalijk vallen van geluk ..."</p>
+
+<p>"Kom, kind, ik ga mede," zeide de vrouw.</p>
+
+<p>"Ik insgelijks!" riep de baas.</p>
+
+<p>"Wat? gij zoudt de herberg durven alleen laten? Blijf te huis gij!"</p>
+
+<p>Moeder en dochter sprongen de deur uit en liepen, door de twee
+krijgslieden van verre gevolgd, zoo hard zij maar konden den veldweg in.</p>
+
+<p>Bij het naderen der hofstede hoorden de sergeant-majoor en de fourier
+daarbinnen blijde kreten en een verward geschater van vroolijke
+stemmen.... En&mdash;alsof de natuur en de dieren zelven over het geluk van
+twee eenvoudige, zuivere zielen wilden medejuichen, de lentezon
+verguldde met haren milden gloed het dak der eens zoo treurige woning,
+de koeien bulkten in den stal, de hennen kakelden op den mesthoop, de
+haan kraaide boven het hondenhok, de vogelen zongen in de boomen....</p>
+
+<p>Toen de onder-officiers binnentraden, klonken luide dankzeggingen hun
+tegemoet, en drukten allen hun de handen, ja, de gelukkige Frans sloot
+den fourier met tranen volle oogen op zijn hart.</p>
+
+<p>Van dien dag af zagen zij, in allerhaast en stuk voor stuk, die dingen
+bijeendragen, welke tot het inrichten van een jong huishouden worden
+vereischt; maar de bruiloft konden zij, eilaas, niet bijwonen; want er
+kwam een ontijdig bevel, dat zij met hunne compagnie naar Turnhout
+moesten vertrekken, om daar hunne volledige soldaten-kleeding te
+ontvangen. Deze kleeding zou zijn van groen laken met roode biesjes, en
+de troep van generaal Niellon zou voortaan het 2de Regiment Jagers te
+voet uitmaken.</p>
+
+<p>Op den treurigen dag gingen Frans Houtman en zijne zuster, Lisa Noppe en
+hare moeder met de onder-officiers naar Lichtaert, om hunne redders,
+hunne weldoeners, zoo zij zeiden, uitgeleide te doen.</p>
+
+<p>En toen de trom had aangevangen te slaan en de troep reeds een eind
+verre was, konden nog de sergeant-majoor en de fourier, door het hoofd
+om te keeren, tranen zien glinsteren in de oogen der goede vrienden, die
+zij wellicht nooit meer zouden wederzien.</p>
+
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h2><a name="HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGENI" id="HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGENI"></a><a name="HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGEN" id="HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGEN"></a>Het Paradijs Der Krankzinnigen.</h2>
+
+<h3>Derde Schets</h3>
+
+
+<h3>I.</h3>
+
+<p>Omtrent het midden der maand Juli 1831, lagen er twee compagnies van het
+2de Regiment Jagers te Moll, een aanzienlijk dorp in de Kempen, op een
+paar uren afstand van Gheel.</p>
+
+<p>Tot eene dezer compagnies behoorden de sergeant-majoor en de fourier,
+die te Lichtaert zooveel tot het geluk van Frans Houtman en Lisa Noppe
+hadden bijgedragen.</p>
+
+<p>Nu waren zij gelogeerd in de Zwaan, eene herberg te midden des dorps, en
+het was daar dat de mannen der compagnie alle twee dagen het vleesch en
+brood, en alle vijf dagen hunne solde kwamen halen.</p>
+
+<p>Wanneer men nu inziet, dat te dien tijde de minste Belgische soldaat
+dagelijks 25 Centen of 52 Centimen trok, en dus bij elke betaling niet
+minder dan Fr. 2,60 ontving, welke hij op weinig na tot niets anders dan
+tot drinken kon aanwenden, zal men begrijpen wat vertier er in de Zwaan
+werd gemaakt, dewijl de honderd man der compagnie er ten minste viermaal
+in de week op de uitdeeling hunner mondbehoeften of hunner solde te
+wachten hadden.</p>
+
+<p>Ook was de baas der herberg de onder-officieren, wier tegenwoordigheid
+hem deze ongewone winst aanbracht, ten uiterste dankbaar. Om hun dit te
+bewijzen stond hem echter geen ander middel ter hand, dan hun naar zijn
+best vermogen het lekkerste eten op te disschen: niet alleenlijk hesp
+met eieren, zooveel zij wilden, maar duiven, kiekens, jonge erwtjes en
+daarbij nog elken dag eene goede flesch wijn.</p>
+
+<p>Dit beviel den sergeant-majoor ten hoogste. Hij was de boezemvriend van
+den baas en dezes huisgenooten geworden, en riep niet zelden uit, dat
+hij tusschen deze brave en minzame lieden zijne dagen zou willen
+slijten.</p>
+
+<p>De fourier, integendeel, werd na eenige dagen dit woelig en luidruchtig
+herbergleven moede, en hernam welhaast zijne eenzame wandelingen in de
+velden of op de heide.</p>
+
+<p>Eene der twee compagnies had vroeger te Gheel gelegen. Zoo kwam het, dat
+de fourier dikwijls door de onder-officiers dezer compagnie zeer vreemde
+dingen hoorde vertellen over dit groote dorp of, beter gezegd, dit
+volkrijke stadje, waar volgens hun beweren een duizendtal krankzinnige
+menschen in volle vrijheid tusschen de inwoners leefden, op straat
+wandelden, ter herberg gingen en zelfs deel maakten van gezelschappen,
+door de burgerij ingericht tot vermaak of tot beoefening der muziek.
+Allengs ontstond in hem de lust om eens, op eenen sehoonen dag, naar
+Gheel te gaan, dat slechts twee uren van Moll was verwijderd. Hij wist
+daarenboven, dat te Gheel een zijner goede vrienden, een sergeant,
+Antwerpenaar als hij, gelogeerd was, en dien hadde hij wel gaarne gezien
+en gesproken.</p>
+
+<p>Zonder moeite zou hij tot zulke wandeling verlof van zijnen kapitein
+bekomen; dit verlof had hij zelfs niet noodig, want met kort na den
+middag te vertrekken, zou hij reeds voor drie uren te Gheel zijn, kon er
+alles op zijn gemak nazien, een pintje met zijnen vriend drinken, en dan
+terug zijn voor het einde van den dag.</p>
+
+<p>Het was ten gevolge van dit voornemen, dat de fourier, even nadat hij
+van tafel was opgestaan, den draagband waaraan zijne sabel hing, zich
+over den schouder wierp en met snelle stappen de Zwaan verliet, om zich
+naar Gheel te begeven.</p>
+
+<p>Nu droeg hij den blauwen kiel en de haren muts van vroeger niet meer.
+Hij was uitgedost in fijn groen laken, waarop de roode afzetsels, de
+roode boordsels en de vele vergulde knoopen prachtig uitlosten en
+schitterden. Op zijne schouders prijkten epauletten van saaienkoordjes
+met gouddraad doorweven, aan zijne schako blonk een Belgische leeuw van
+glanzend koper, en aan de handgreep van zijne sabel waggelde een fraaie
+groene kwispel.</p>
+
+<p>Hij moest gevoelen of gelooven, dat dit nieuwe kleedsel hem een
+indrukwekkend voorkomen gaf; want terwijl hij de laatste huizen des
+dorps voorbijging en de lieden hem nakeken, hield hij het hoofd rechtop
+en stapte zelfs een weinig met het kunstmatig gewiggel, eigen aan
+personen, die vol zijn van hunne ware of gewaande verdiensten en meenen,
+dat iedereen hen bewondert.</p>
+
+<p>Hij was nogtans niet van hooge gestalte, de fourier, daarbij zeer jong
+en opmerkelijk tenger van lichaamsbouw; maar wat doet dit alles; zoo men
+maar over zich zelven tevreden is?</p>
+
+<p>Waarschijnlijk was ijdele hoogmoed geen grondtrek van zijn karakter;
+want nauwelijks kon hij buiten het dorp geraakt zijn, of hij vergat
+zijne nieuwe kleeding en tevens zijne hoedanigheid van krijgsman, om in
+vrijheid rond te kijken, hier en daar eene bloem te plukken, op de
+boorden der Neeth in het vlietend water te gaan staren, of wel, in eenen
+langen droom weggerukt, zoo achteloos over den hobbeligen weg te
+stappen, dat hij zelfs eens bijna met zijnen neus in het zand was
+gevallen.</p>
+
+<p>Dit alles belette niet, dat hij, kwart voor drie uren, het gehucht
+Kevermont bereikte en welhaast te Gheel zou aankomen.</p>
+
+<p>Hier zag hij van verre een welgekleed persoon tegen den eikenkant in de
+lommer zitten, met zijnen hoed voor het aangezicht waaiende, ah iemand
+die het te heet heeft en uitrust.</p>
+
+<p>Op het oogenblik, dat de onder-officier hem zou voorbijgaan, stond hij
+op en kwam in de baan om zijnen weg naar Gheel te hernemen.</p>
+
+<p>"Goeden dag, fourier," zeide hij zeer beleefd en minzaam. "Het is een
+heet weder, niet waar? De vogelen zitten met open bek op de boomen te
+hijgen. Geen wonder, wij zijn de hondsdagen ingetreden.... Gij ligt
+zeker met uw half bataljon te Gheel?"</p>
+
+<p>"Neen, mijnheer, wij liggen te Moll," antwoordde de fourier. "Ik doe een
+wandeling naar Gheel, om dit stadje eens te bezichtigen. Is het nog
+verre?"</p>
+
+<p>"Ongeveer twintig minuten. Ik ga er insgelijks naar toe, en indien mijn
+gezelschap u niet hindert...."</p>
+
+<p>"In het geheel niet: het is te veel eer voor mij."</p>
+
+<p>Zij deden eenige stappen zonder spreken. Deze verpoozing nam de fourier
+te baat, om zijnen onbekenden gezel van terzijde te bezien. Hij moest
+wel meer dan vijftig jaar oud zijn; het geheel zijner kalme,
+vastgeteekende wezenstrekken kon eerbied inboezemen. Zijne kleeding was
+van uitgekozen stof en liet vermoeden, dat hij tot den bemiddelden
+burgerstand behoorde.</p>
+
+<p>"Men heeft mij verzekerd, mijnheer, dat Gheel de moeite waard is om te
+zien," zeide de fourier. "Volgens men mij vertelde, wonen daar eenige
+honderden zotten <a name="FNanchor_1_1" id="FNanchor_1_1"></a><a href="#Voetnoot_1_1" class="fnanchor">[1]</a>."</p>
+
+<p>"Wel duizend, fourier, wel duizend!"</p>
+
+<p>"En is het waar, dat zij in volle vrijheid op de Markt en langs de
+straten wandelen?"</p>
+
+<p>"Zeker.... en eer gij te Gheel aankomt, zult gij er ongetwijfeld meer
+dan eenen ontmoeten. Gaat de arme sukkelaars voorbij zonder ze aan te
+spreken, dan hebt gij er geenen last van.... Zie, fourier, ginder onder
+den lindeboom staat er reeds een. Hij houdt de wacht op den Groenen
+Heuvel bij de kapel der heilige Dymphna."</p>
+
+<p>De onder-officier richtte het oog op den aangewezen man en mompelde met
+verrassing:</p>
+
+<p>"Ja, die is ongetwijfeld zot."</p>
+
+<p>"Stapelzot," bevestigde de burger. "Hij staat daar op schildwacht sedert
+tien jaar en meer, winter en zomer, van den morgen tot den avond; en
+wanneer het duister wordt, moet men met geweld hem naar huis leiden, of
+anders zou hij hier zelfs den nacht doorbrengen. Iets anders doet hij in
+zijn leven niet."</p>
+
+<p>Nu naderden zij den zinnelooze. Hij was in gescheurde lompen gekleed,
+waarop eene menigte bijeengeraapte knoopen van allerlei vorm en grootte
+waren genaaid. Een oude, geblutste schako, met eene papieren kokarde en
+een bos hanenvederen, stond hem scheef op het hoofd, en in den arm droeg
+hij eenen zwaren bezemstok tot geweer. Zijne voeten en beenen waren
+naakt tot aan de knie&euml;n.</p>
+
+<p>Toen de fourier hem zou voorbijgaan, stelde hij zich met den rug tegen
+eenen boom en <i>presenteerde</i> het geweer, met evenveel ernst als een ware
+soldaat, die eenen hoogen overste zijnen eerbiedigen groet toebrengt.</p>
+
+<p>"Arme mensch!" zuchtte de onder-officier. "Hoe komt hij toch op het
+denkbeeld, daar altijd onder die boomen de wacht te houden? Hij is
+misschien soldaat geweest?"</p>
+
+<p>"Juist geraden, fourier: de man heeft gediend onder Napoleon. Toen hij
+eens voor den vijand op schildwacht stond, verraste men hem slapende op
+zijnen post, en hij werd veroordeeld om voor den kop te worden
+geschoten; maar toen men reeds gereed stond om het vonnis uit te voeren,
+schonk de generaal hem genade des levens.... Gij hebt gezien wat groote,
+sterke man het is; hij moet evenwel maar een klein hart in het lijf
+gehad hebben, want de schrik des doods had hem zoodanig in de hersens
+getroffen, dat hij stapelzot was geworden en men hem uit den dienst
+moest ontslaan. Nu meent hij gewis, den plicht te vervullen dien hij
+vroeger heeft verzuimd."</p>
+
+<p>"En de ongelukkige staat daar zoo, reeds sedert tien jaar, zomer en
+winter, in nat en droog?"</p>
+
+<p>"Sedert veel langer, fourier. Ik woon hier reeds twaalf jaar en heb hem
+daar altoos zien staan, van den eersten dag mijner aankomst in deze
+streek."</p>
+
+<p>"Woont mijnheer te Gheel?" vroog de onder-officier.</p>
+
+<p>"Neen," was het antwoord. "Heb ik Brussel verlaten, het was niet om te
+midden der huizen te wonen.... Ziet gij, ginder verre achter de boomen,
+den gulden weerhaan niet glinsteren?"</p>
+
+<p>"Waar meent gij, mijnheer?" mompelde de fourier, vruchteloos in de
+aangewezene richting blikkende.</p>
+
+<p>"Boven het donker bosch....Het is inderdaad moeilijk te ontdekken, voor
+iemand die niet juist weet waar mijn kasteel gelegen is."</p>
+
+<p>"Uw kasteel?"</p>
+
+<p>"Ja, mijn kasteel. Het is een zeer schoon buitengoed, met eenige
+honderden bunders land, bosch en heide. Voortreffelijke jacht; het
+krielt er van hazen, patrijzen en fazanten. Ik heb Engelsche paarden,
+prachtige rijtuigen; maar voor mijne gezondheid ga ik liever te voet.
+Gij schijnt verwonderd? Omdat ik nederig gekleed ga en mijnen rijkdom
+niet ten toon spreid, aanziet gij mij waarschijnlijk voor een gemeen
+burgerman? Ik ben baron en mijne inkomsten beloopen tot meer dan
+vijftigduizend gulden. Niets is gemakkelijker dan u daarvan te
+overtuigen: kom mij bezoeken op mijn kasteel."</p>
+
+<p>De fourier meende door eene dankbetuiging op zijne minzame uitnoodiging
+te antwoorden; maar nu viel er onverwachte eene jonge vrouw geknield
+voor zijne voeten neder; en terwijl zij de handen tot hem ophief,
+smeekte zij:</p>
+
+<p>"O, hoogwaardige heer bisschop, geef mij toch de absolutie mijner
+zonden, anders moet ik recht naar de hel! Uwen zegen, uwen zegen, of
+Lucifer, met al zijne duivels, komt dezen nacht om mijne...."</p>
+
+<p>De baron duwde deze vrouw zeer barsch achteruit en zeide tot den
+fourier:</p>
+
+<p>"Geef geene acht op de zottin; zij valt zoo iedereen te voet, die
+voorbijgaat. Ik zal over haar klagen aan den burgemeester...."</p>
+
+<p>De zinnelooze was eensklaps rechtgesprongen en borst nu los in eenen
+schaterlach:</p>
+
+<p>"Ha, ha!" riep zij, "ziet hem daar nu eens staan, den luizigen jonker
+van Mageren Hutspot! Ik eene zottin? Geloof hem niet, mijnheer de
+generaal: hij is zelf zot, zot genoeg om geboeid te worden, terwijl ik,
+arme zondares, uwen zegen afsmeek om mijn arm zieltje te redden....
+Zot, leelijke zot!"</p>
+
+<p>Zij voer immer voort met tegen den baron te razen; maar deze trok den
+fourier bij den arm, en zeide hem met kalme verontwaardiging, na eenige
+stappen te hebben gedaan:</p>
+
+<p>"Die verstandelooze wezens eerbiedigen niets. Geen deftig man kan hier
+voorbijkomen, zonder uitgescholden te worden. Men moest al de zotten,
+die zich onbeleefd en onbetamelijk gedragen, maar opsluiten. Hoe denkt
+gij daarover, fourier?"</p>
+
+<p>De verblufte soldaat wist niet wat te denken of zeggen; zijn hoofd was
+duizelig; hij kon het gezicht niet afkeeren van die jonge vrouw, een
+oogenblik vroeger voor hem nedergeknield met zoet en biddend gelaat, en
+nu, schuimbekkend en knarsetandend als eene dolle, in de grofste
+scheldwoorden uitvarende.</p>
+
+<p>Hij meende zijn medelijden uit te drukken, toen eensklaps achter hem een
+scherpe noodkreet herklonk en de schreeuw: "<i>gare, gare au cheval</i>!" hem
+ter zijde deed springen.</p>
+
+<p>Hem liep een kerel voorbij, die eenen stok tusschen de beenen hield en,
+dravend als een paard, welhaast verre voorbij was.</p>
+
+<p>"Dit is de postiljon van Luik," zeide de baron lachende. "Hij is
+vroeger, op de baan zijnde, zoo ongelukkig van zijn paard gevallen, dat
+men hem voor dood heeft opgeraapt. De wonde van zijn hoofd genas, maar
+zijn verstand bleef verloren. Nu draaft hij over en weder van Kevermont
+naar Gheel en van Gheel naar Kevermont. Hij is anders een goed ruiter.
+Zoudt gij gelooven, dat die kerel mij bijna dagelijks op mijn kasteel
+komt smeeken, hem aan te nemen voor mijn koetsier; maar gij kunt wel
+denken, dat ik mijn leven aan zulken zot niet zal toevertrouwen. Zoudt
+gij het durven, fourier?"</p>
+
+<p>"Ik, mijnheer de baron? O, neen, daarvoor beware mij God!.... Maar wat
+gebeurt u? Gij zijt bleek en beeft? Wat verschrikt u zoo diep?"</p>
+
+<p>De baron wees vooruit en zeide:</p>
+
+<p>"Ziet gij ginder, bij de kerk van St.-Dymphna, dien man met zijne groote
+sabel? Hij is mijn bloedvijand en wil mij dooden. Ik moet vluchten."</p>
+
+<p>En de hand als een bedelaar uitstekende, smeekte hij: "Ach, mijnheer de
+fourier, om 's hemels wille, geef mij haastig twee of drie eenten om wat
+snuif te koopen!"</p>
+
+<p>"Centen .... om snuif .... voor u, baron?" stamelde de onder-officier,
+van verbaasdheid bijna stom.</p>
+
+<p>"Ja, ja, ik ben millioenrijk, maar ik heb mijn geld op mijn kasteel
+laten liggen. O, fourierken lief, gauw, gauw, daar komt mijn vijand!"</p>
+
+<p>De jonge krijgsman haalde eenige centen uit den zak en legde ze,
+verbluft en aarzelende, in de hand van den krankzinnigen man, die met
+een wild gejuich van blijdschap zich omkeerde en uit al zijne kracht in
+de baan wegvlood.</p>
+
+<p>Als van den donder getroffen, bleef de fourier bewegingloos staan en
+hield de oogen ten gronde; hij was beschaamd, gekwetst, verdrietig, en
+vroeg zich zelven, of hij niet beter zou doen met onmiddellijk maar naar
+Moll terug te keeren.</p>
+
+<p>Evenwel na eenige overweging vatte hij weder moed. Hij was slechts nog
+eenige boogschoten van het doel zijner reis verwijderd, en het hing van
+hem af, meende hij, voortaan alle aanraking met de zinneloozen te
+vermijden. Was het waar, dat een vreemdeling hier moeilijk de
+krankzinnige van de redelijke menschen wist te onderscheiden, dan kon
+hij evenwel, door niemand, wie het ook ware, het woord toe te sturen,
+aan zulke vernederende misgrepen ontsnappen.</p>
+
+<p>Met dit vast voornemen stapte hij voorbij de schoone kerk van
+St.-Dymphna en trad het stadje in.</p>
+
+<p>Hij bevond zich nog tusschen de eerste huizen der zeer lange
+Nieuwstraat, toen hij reeds vele zinneloozen bemerkte: kinderen,
+vrouwen, mannen, die men genoeg aan hunne belachelijke kleeding en aan
+hunne dwaze gebaren kon herkennen; maar dewijl zij hem slechts lachend
+of grijnzend aankeken, zette hij zijnen weg voort zonder te toonen, dat
+hij eenige aandacht op hen sloeg.</p>
+
+<p>Anders was het evenwel met een ruig en verwilderd wezen, dat hem nu
+scheen tegemoet te komen. Daar naderde een man van hooge gestalte, met
+breede schouders en een bijna vierkant hoofd, dat met den verwarden
+haarbos en de wentelende oogen er uitzag als een dreigende leeuwenkop.
+Zijne beide voeten waren aan elkander geboeid bij middel eener korte
+ijzeren ketting, zoodat hij, om voort te gaan, gedwongen was als een
+kangaroe te springen.</p>
+
+<p>De fourier meende te bemerken, dat iedereen, krankzinnigen en wijzen,
+bij de nadering van den schrikwekkenden man zich van hem verwijderde en
+uit den weg ging, evenals men doet voor een hollend rijtuig om niet te
+worden verpletterd.</p>
+
+<p>Zoo deed insgelijks de onder-officier: hij omschreef al gaande een
+halven cirkel rondom den geboeiden zinnelooze en geraakte op deze wijze
+zonder aanstoot noch hinder hem voorbij.</p>
+
+<p>Het was met eene soort van angst, dat hij de groote Markt bereikte, niet
+twijfelende of hij zou daar aan nog meer verrassende ontmoetingen
+blootgesteld zijn; maar gelukkiglijk ontwaarde hij, bij zijne eerste
+stappen op de ruime plaats, den sergeant, zijn stadgenoot en vriend,
+die, hem insgelijks herkend hebbende, glimlachend tot hem kwam loopen.</p>
+
+<p>Na de uitstorting hunner blijdschap over dit wederzien, begon de nog
+ontstelde fourier hem te verhalen, wat zonderlinge krankzinnigen hij
+onderweg had ontmoet, en bovenal hoe de vraag van den baron, om wat
+centen voor snuif te bekomen, hem uit zijn lood geslagen had.</p>
+
+<p>"Ja," antwoordde zijn vriend, "ik heb van dien baron-bedelaar in mijn
+logement hooren spreken. Het schijnt, dat hij inderdaad rijk is geweest
+en een kasteel heeft bezeten; maar hij heeft in de Oostenrijksche
+fondsen gespeeld en daaraan zijn gansch fortuin verloren. Zijne familie
+betaalt mildelijk voor zijne verpleging; maar geld mag men hem niet
+geven, anders drinkt hij, en wordt zijne ziekte veel erger. Verwondert
+de gekheid van dezen man u zoo uitermate? Ha, ik heb er wel
+wonderlijkere gezien! Het krielt hier van zotten; men kan zich wenden
+noch keeren, of men is er van omringd. Zie, daar zijn er reeds zes of
+zeven, die ons aangapen. Geef geene acht op hen, anders zullen zij nader
+komen en ons vervelen.... In den eerste was ik insgelijks een weinig
+vervaard; want om de waarheid te zeggen, ik heb het nooit met
+zinneloozen opgehad. In mijn logement wonen er vijf; ik ben er reeds zoo
+goed aan gewend dat ik,&mdash;gij zult het niet gelooven,&mdash;dat ik dagelijks
+op het dambord speel met een hunner."</p>
+
+<p>"Met eenen zot?"</p>
+
+<p>"Ja, met eenen woedenden zot. Maar het is een wonderlijk geval; hij is
+elken dag slechts gedurende een uur van zijne zinnen, en dit uur
+verspringt regelmatig volgens den tijd van het jaar. Nu en dan, wanneer
+er een onweder opkomt en de lucht zeer duister wordt, overvalt hem
+evenwel zijne kwaal in den loop van den dag; maar dit gebeurt zelden."</p>
+
+<p>"Eilaas, wij, menschen, die zoo trotsch zijn op onze rede!" zuchtte de
+fourier. "Ziedaar das wat eene ziekte, welke men krankzinnigheid noemt,
+van ons verstand maakt!"</p>
+
+<p>"De man, dien ik bedoel, heeft geene ziekte gehad," wedersprak de
+sergeant. "Hij is, volgens men mij verteld heeft, in den nacht
+overvallen en uitgeplunderd geworden door dieven, die hem waarschijnlijk
+erg mishandeld en met den dood bedreigd hebben; want de doorgestane
+angst heeft zijne hersens ontschikt. Nu, bij het naderen der duisternis,
+springt hij eensklaps op, begint om hulp te schreeuwen tegen
+moordenaars, welke hij meent te zien, huilt, worstelt, slaat in het
+ronde en valt eindelijk met eenen akeligen doodsgil op den vloer.... Een
+uur daarna is hij weder stil en in bezit van zijn volle verstand. Treed
+ik dan binnen, hij smeekt mij zoo beleefd en zoo minzaam, met hem op het
+dambord te spelen, dat ik het waarlijk niet kan weigeren. In alle geval,
+de man speelt goed en hem ontsnapt geen onbetamelijk of onredelijk
+woord.... Alzoo, gij zijt te Gheel gekomen om de zotten te zien?"</p>
+
+<p>"Ik heb er evenwel reeds meer dan genoeg van," mompelde de fourier. "Was
+het niet het vermaak, eenige oogenblikken in uw gezelschap te mogen
+doorbrengen, ik trok seffens en zonder omzien terug naar Moll."</p>
+
+<p>"Ik begrijp, zoo is altoos de eerste indruk, maar hij gaat spoedig
+voorbij. Wij zullen eene goede pint te zamen drinken, ginder achter den
+hoek in den Toren. Gij moet het uithangbord opgemerkt hebben. Daar komen
+vele onder-officiers. Ga er naar toe en wacht er eenige oogenblikken op
+mij. Ik moet met een rapport naar den adjudant. Gisteren had ik de
+wacht; er is daar een erge zaak voorgevallen: de korporaal en twee man
+zullen waarschijnlijk voor den krijgsraad verschijnen. Nu, vraag een
+glas bier in den Toren. De adjudant zal mij niet lang wederhouden. Tot
+straks."</p>
+
+<p>De fourier stapte over de Markt naar de aangewezen herberg. Wat hem
+onderweg verwonderde, was het schouwspel der houding van de burgers
+tegenover de zinneloozen. De meesten gingen voorbij zonder acht op hen
+te slaan; maar hij zag er insgelijks die, vriendelijk en in schijn
+ernstig, met de krankzinnigen spraken of hun de hand drukten;
+burgervrouwen, die arm aan arm met eene zottin wandelden; gezonde
+kinderen die aan de spelen van zinnelooze kinderen deelnamen. En het was
+blijkbaar aan den stillen, welwillenden glimlach, op het gelaat der
+redelijke lieden, dat slechts een gevoel van medelijden en liefdadigheid
+hen dus aanspoorde om de arme, dolende zielen door vriendschap en
+toegevendheid hun ongeluk te laten vergeten.</p>
+
+<p>Dit aandoenlijk voorbeeld verlichtte het gemoed van den fourier. Hoewel
+hij zich de macht nog niet gevoelde om het na te volgen, begreep hij
+nogtans, dat het edeler en moediger was den krankzinnigen mensch
+broederlijk de hand toe te reiken, dan hem door afschrik of misprijzen
+nog dieper in den afgrond zijner ellende terug te stooten.</p>
+
+<p>Dus overwegend wat onder zijne oogen gebeurde, kwam hij in den Toren en
+vroeg den waard, die achter de toog stond, een glas bier.</p>
+
+<p>Op dit oogenblik bevond er zich niemand in de herberg dan een deftig
+heer, met eene meerschuimen pijp aan den mond. Zijn lange jas van blauw
+laken, gesloten tot onder de kin, gaf hem het voorkomen van een
+uitgediend officier, maar hij droeg knevels noch bakkebaarden. Hij had
+schoon wit haar, dat tegen zijne slapen opkrulde. Meer dan zestig jaar
+kon hij evenwel niet oud zijn, want zijne oogen waren helder en
+levendig, en zijne wangen, vol en blozend, getuigden van gezondheid en
+welbehouden levenskracht.</p>
+
+<p>Aan de tafel waarbij deze heer was gezeten, nam de fourier plaats, om
+reden dat zij onder het venster stond en hij vandaar zijnen kameraad kon
+zien komen.</p>
+
+<p>Na eene lange wijl stilte vroeg de onder-officier,&mdash;om toch iets te
+zeggen,&mdash;aan den heer, die voor hem zat, of Gheel eene uitgestrekte
+gemeente was.</p>
+
+<p>"Ja, zeer uitgestrekt," kreeg hij ten antwoord. "Om haar grondgebied
+geheel rondom te gaan, heeft men wel negen uren noodig. Onder haar
+behooren zeventien buitengehuchten, waarvan vijf of zes hunne eigene
+kerk of kapel hebben; maar dit belet niet dat de kom van het dorp,
+afzonderlijk genomen, nog boven de vierduizend zielen telt."</p>
+
+<p>"De zotten er onder begrepen, zoo verstaat het mijnheer ongetwijfeld?"
+bemerkte de fourier.</p>
+
+<p>"Inderdaad, maar die zijn slechts ten getale van ongeveer 900, en wonen
+voor de grootste helft in de naastliggende gehuchten."</p>
+
+<p>"Neem mij niet kwalijk, mijnheer, dat ik misbruik van uwe goedwilligheid
+maak. Ik zie Gheel voor de eerste maal. Alles schijnt mij hier
+zonderling en belangwekkend. Van waar komen al deze zinnelooze
+menschen?"</p>
+
+<p>"Uit onze provinci&euml;n, uit Duitschland, uit Frankrijk; het grootste getal
+komt evenwel van Brussel, omdat de godshuizen dezer stad al hunne zotten
+te Gheel besteden."</p>
+
+<p>"Betaalt men veel voor het onderhoud van elken zot?"</p>
+
+<p>"Dit is volgens de zorgen welke zij vereischen, het werk dat zij nog
+kunnen doen of den welstand, dien men hun wil verzekeren. Voor de
+armsten, die nog tot eenigen arbeid bekwaam zijn, betaalt men iets als
+vijfentwintig centen daags, en voor de rijksten, waar tusschen er zich
+bevinden die deftig gekleed gaan, uitgekozen voedsel krijgen en wijn
+drinken, soms wel tot 2,000 gulden en meer nog 's jaars. Dat de bewoners
+van Gheel hunne zinneloozen met liefde en zorg behandelen, dit is
+onbetwistbaar; maar even onbetwistbaar is het, dat zij in de verpleging
+dier ongelukkigen eene milde bron van voorspoed vinden."</p>
+
+<p>Deze heer scheen de zaken der gemeente zoo nauw te kennen, dat de
+fourier in twijfel geraakte of hij niet de eer genoot, met den
+burgemeester zelven of ten minste met eenen schepen in samenspraak te
+zijn. Na eenige malen van achter het venster te hebben uitgekeken, of de
+sergeant niet kwam, vergat hij eindelijk zijnen vriend geheel, om te
+luisteren op hetgeen de bereidwillige heer hem zeide over de
+merkwaardigheden der gemeente, en onder andere aangaande de prachtige
+kerk van St. Dymphna, patronesse der zinneloozen, en de roerende legende
+harer stichting, die vertelt hoe deze martelaresse, op den grond waar
+de kerk nu staat, door haren eigen vader het hoofd werd afgeslagen.</p>
+
+<p>Zeer welsprekend was de oude heer; hij doormengde zijn verhaal met
+wijsgeerige overwegingen, die getuigden van geleerdheid en verstand. Ook
+luisterde de fourier met waar genoegen en zelf met verslondenheid....
+toen zijne aandacht eensklaps werd afgekeerd door het verschijnen in de
+herberg van zijnen vriend.</p>
+
+<p>Maar de sergeant, na hem eenen glimlach en eenen groet te hebben
+toegestuurd, ging rechtstreeks naar den toog, als om van den baas een
+glas bier te eischen. Hier keerde hij zich echter om en spiedde de
+gelegenheid af om zijnen kameraad, door eenen wenk van zijnen vinger,
+tot zich te roepen.</p>
+
+<p>Toen de fourier hem genaderd was, fluisterde hij hem in het oor:</p>
+
+<p>"Volg mij; ik heb u iets mede te deelen, dat u zal verwonderen."</p>
+
+<p>Beiden gingen op den achterhof, en daar vroeg de sergeant:</p>
+
+<p>"Wat dunkt u over den ouden heer met wien gij aan het spreken waart? Een
+verstandig man, niet waar?"</p>
+
+<p>"Zeer geleerd en diep verstandig, inderdaad."</p>
+
+<p>"Onnoozele, het is een zot!"</p>
+
+<p>"Hij een zot?" wedervoer de fourier met ongeloovigen spotlach. "Indien
+er vele zulke heldere hoofden in Gheel zijn...."</p>
+
+<p>"Kom, kom, laat ons daar niet langer over twisten. Ik ga er u het bewijs
+van geven. Ik zal hem het woord toesturen en slechts, als bij geval, den
+naam van Napoleon uitspreken. Indien gij dan nog twijfelt, of hij zot
+is, zal ik twijfelen of gij het niet zijt."</p>
+
+<p>"Neen, doe dit niet!" smeekte de fourier.</p>
+
+<p>"Bah, het schaadt hem niet; integendeel, het maakt hem voor eenige
+oogenblikken gelukkig. Gij hebt er u niet mede te bemoeien; zie en hoor,
+dit is voldoende."</p>
+
+<p>Zij keerden terug in de gelagkamer; de fourier bleef bij den toog staan,
+terwijl zijn kameraad den heer met den toegeknoopten jas naderde, en als
+onverschillig hem zeide:</p>
+
+<p>"Het is zeer heet vandaag, niet waar? Een ander weder dan toen Napoleon
+met zijn groot leger in Rusland...."</p>
+
+<p>Hij kon niet eindigen; reeds was de heer rechtgesprongen, en riep nu met
+oogen die van trotschheid fonkelden:</p>
+
+<p>"Napoleon? De groote Napoleon? Hij is hier te midden der Markt gekomen,
+op een wit paard; hij heeft mij vriendelijk op den schouder geklopt en
+mij gezegd: u maak ik burgemeester van Gheel voor geheel uw leven! En om
+uw groot verstand en uwe geleerdheid te beloonen, daar is het eerekruis,
+daar zijn al mijne kruisen!.... Gij gelooft het niet? Ziehier!"</p>
+
+<p>En onder het uiten dezer woorden, rukte hij zoo geweldig zijnen jas
+open, dat twee of drie knoopen lossprongen.</p>
+
+<p>Op zijne borst blonken, aan vuile linten van allerlei kleur, medailles,
+ongangbare munten, blikken schijven, ja, zelfs het tinnen deksel eener
+pint.</p>
+
+<p>Terwijl de fourier, bleek van aandoening en medelijden, den gewaanden
+filosoof aanstaarde, ging deze immer voort met over de bijzondere
+genegenheid van den grooten Napoleon voor hem te roemen, en verklaarde,
+met gekken ophef, van wie en waarom hij zijne schitterende eereteekens
+had bekomen: dit was het Fransche legioen van eer, dat was de
+Nederlandsche Leeuw, een derde het kruis van Oostenrijk, de anderen de
+kruisen van Spanje, van Rusland, van Turkije, ja, zelfs van de Kaap der
+Goede Hoop!</p>
+
+<p>Na eene wijl met eenen halven glimlach dit tooneel te hebben nagezien,
+kwam de baas van achter zijnen toog, legde zijnen arm den opgewonden man
+over den schouder en fluisterde hem iets aan het oor.</p>
+
+<p>De oude heer, als bij tooverslag bedarend, knoopte zijnen jas toe, zakte
+op zijnen stoel terug en bleef zeer stil en bewegingloos, met het
+gezicht neergeslagen zitten.</p>
+
+<p>Op dit oogenblik traden drie andere onder-officiers in de herberg. Zij
+kenden den fourier niet; maar de sergeant hun gezegd hebbende wie hij
+was, werden de handdrukken gewisseld en de kennis gemaakt.</p>
+
+<p>Onderwijl had de heer met de toegeknoopte jas zijne pint bier geledigd
+en zonder spreken de herberg verlaten.</p>
+
+<p>Natuurlijk was,&mdash;toen de onder-officiers te zamen bij eene tafel hadden
+plaats genomen,&mdash;het eerste onderwerp hunner redekaveling de wonderlijke
+zinnelooze, die daar juist was weggegaan.</p>
+
+<p>De sergeant legde hun uit, wat hij over dezen man had vernomen. Het
+scheen dat hij waarlijk, ten tijde van Napoleon, had gehoopt tot
+burgemeester eener groote gemeente in Brabant benoemd te worden; maar
+dat hij, in zijne eerzucht bedrogen, het verstand was kwijtgeraakt.</p>
+
+<p>Dan begonnen de andere onder-officiers te zeggen, wat soort van
+zinneloozen in hun logement werden verpleegd, en welke zonderlinge
+tooneelen zij dagelijks bijwoonden.</p>
+
+<p>De eerste vertelde, dat er in zijn logement eene zottin was, die zich
+verbeeldde Onze Lieve Vrouw zelve te zijn; en, het wonderlijkste van al,
+de andere zinneloozen schenen daarvan zoo innig overtuigd, dat zij bijna
+gedurig voor haar op de knie&euml;n zaten te bidden.... Er was ook een
+man,&mdash;een heer van Brussel,&mdash;die den ganschen dag niets deed dan in het
+veld met eene roede den grond af te meten en op een boekje de bekomene
+maten te berekenen. In den eerste weigerde deze man hem het geheim van
+zijnen arbeid te openbaren; maar het was hem toch eindelijk gelukt, den
+zot tot spreken te brengen. Uit zijne verklaringen bleek, dat hij een
+ontwerp vormde om van Gheel eene zeehaven te maken; daartoe wilde hij
+eene breede vaart doen graven, die boven Antwerpen in de Schelde zou
+monden. Eenige millioenen waren toereikend om dit werk te bekostigen.
+Aan de belangen van handel of landbouw liet hij zich in deze zaak weinig
+gelegen, aangezien zijn eenig doel was, de zinneloozen van Amerika, van
+Batavia en van geheel de wereld naar Gheel te lokken, door hun de reis
+gemakkelijk te maken.</p>
+
+<p>In het logement van den tweede woonde een zot, die voor karaktertrek
+had, alles te stelen waar hij aan of bij kon komen, de gestolen
+voorwerpen onder zijn bed verborg en ze dan geheel vergat. Zoo had hij
+reeds eens den schako en tweemaal de schoenen van den onder-officier op
+den zoek gebracht; maar de lieden van den huize, wanneer er iets werd
+gemist, waren zeker het onder het bed van den zot terug te vinden....
+Nevens deze sliep een Paus, die altoos statig rondwandelde, met eenen
+grooten houten sleutel in de linkerhand, terwijl hij met de andere niets
+deed dan zegeningen uitdeelen.</p>
+
+<p>De derde vertelde van eene vrouw, die de onwrikbare overtuiging had, dat
+zij sedert lang was gestorven en zich in de andere wereld bevond. Ook
+zag zij in hare gezellen en in de burgers van Gheel niets dan spoken of
+zielen van overledenen, die, evenals zij, in hunnen aardschen vorm op
+het laatste oordeel wachtten. Den onder-officier deed zij echter eene
+bijzondere eer aan, want zij hield hem voor den aartsengel St.-Michiel
+in persoon.</p>
+
+<p>Nog spraken zij van eenen afgedankten kapitein, die zich opper-generaal
+van het Nederlandsch leger waande; van een Lodewijk XVII, die beweerde
+aan zijnen bewaker Simon te zijn ontsnapt; van eenen ouden huissier,
+wien men niet uit het hoofd kon praten dat hij een weerwolf was, en van
+meer andere gevallen.</p>
+
+<p>Waarschijnlijk dat zij, allengs door hunne eigene verhalen aangeprikkeld
+of volgens soldaten-gewoonte, de zaken begonnen te overdrijven en er wel
+iets van eigen vinding bijvoegden, want een hunner riep uit:</p>
+
+<p>"Het schoonste zou ik nog vergeten! Wat mij gebeurd is, op den eersten
+dag mijner aankomst te Gheel, overtreft alles. Ik stond op de Markt;
+daar naderde mij een man met eene kroon van verguld papier op het hoofd,
+en langzaam en rechtop gaande, met geheimzinnige blikken en gebaren als
+een profeet. Ik twijfelde niet, of het moest een dier zotten zijn, welke
+zich keizer of koning wanen; maar hij stak den vinger gebiedend tot mij
+uit en zeide op plechtigen toon: 'Kniel en bid, ik ben
+God-de-zoon!'&mdash;Maar even ras kwam een andere zot toegeloopen, en deze
+riep met koddige verontwaardiging: 'Geloof hem niet, mijnheer; hij
+liegt. Ik ben God-de-vader en ik ken hem niet!'"</p>
+
+<p>Dit vertelsel deed eenen langen schaterlach ontstaan. De fourier alleen
+bleef ernstig en was in het geheel niet tot vroolijkheid gestemd. Het
+lot dezer arme, ongelukkige menschen scheen hem zoo ellendig en
+beklagenswaardig, dat hij met eene soort van afkeer de scherts zijner
+makkers aanhoorde. Een onuitlegbaar gevoel van angstigheid ontstelde
+hem, en sedert eene wijl begon hij te zeggen, dat zijn uur om naar Moll
+terug te keeren was verschenen, en hij welhaast hun vaarwel zou moeten
+wenschen.</p>
+
+<p>Hij drukte tevens met zooveel aandringen den wensch uit, door zijnen
+vriend, den sergeant, ten minste tot bij het gehucht Kevermont te worden
+vergezeld, dat deze met hem de herberg verliet.</p>
+
+<p>Onderweg zeide de sergeant glimlachende:</p>
+
+<p>"Ik doe u gaarne uitgeleide, gij twijfelt daar zeker niet aan; maar
+waarom scheen mijn gezelschap nu zoo bijzonder veel prijs voor u te
+hebben? Gij zijt vervaard van de zotten en gaat liever met twee dan
+alleen tot aan de palen der gemeente? Bedrieg ik mij?"</p>
+
+<p>"Neen, het is wel zoo," antwoordde de fourier half beschaamd. "Ik weet
+niet wat ik heb, maar ik gevoel mij geheel ontsteld en ben niet op mijn
+gemak."</p>
+
+<p>"Och, gij zijt nog altijd dezelfde droomer als toen wij te Borgerhout te
+zamen speelden. De wereld is nu zoo; wij hebben ze niet gemaakt en
+kunnen ze niet veranderen."</p>
+
+<p>"Maar hoe is het mogelijk, sergeant, dat men lache en spotte met het
+ellendig lot der arme zotten? Het zijn toch menschen zooals wij."</p>
+
+<p>"Misschien; wat ik evenwel heb opgemerkt, is, dat de krankzinnigheid der
+meesten onder hen slechts de straf van ijdelheid en hoogmoed is."</p>
+
+<p>"Neen, sergeant, daarin bedriegt gij u zeker. Verlies van fortuin,
+liefdesverdriet, wonden aan het hoofd, ongeluk en tegenspoed, ziedaar de
+oorzaken welke den mensch van het verstand berooven."</p>
+
+<p>"Gij gelooft het, fourier? Maar dan nog griffelt de verwaandheid en de
+ijdele hoogmoed zich op de eerste oorzaak. Wat zien wij hier anders dan
+Goden, pausen, keizers, koningen, oorlogshelden en millioenrijke lieden?
+Op weinige uitzonderingen na, niets dan hoogmoed en ijdelheid."</p>
+
+<p>Zoo redekavelende, vervorderden de beide onder-officiers hunnen weg. Nog
+zagen zij vele zinneloozen; maar die, welke hen naderen wilden, hield de
+sergeant door zijnen strengen blik en dreigende gebaren achteruit, en
+zoo bereikten zij eindelijk het gehucht Kevermont, waar zij van elkander
+afscheid namen.</p>
+
+<p>De sergeant keerde terug naar Gheel en de fourier, nadenkend en
+mismoedig, ging de baan naar Moll op.</p>
+
+
+
+<div class="voetnoot"><p><br /><a name="Voetnoot_1_1" id="Voetnoot_1_1"></a><a href="#FNanchor_1_1"><span class="label">[1]</span></a> In de Kempen en overal in Brabant, worden de woorden
+<i>krankzinnig</i> of <i>zinneloos</i> wel in de schrifttaal gebezigd; maar in de
+volkstaal kent men slechts het woord <i>zot</i>; en wij zijn, om de waarheid
+nabij te blijven, verplicht dit woord insgelijks in den mond onzer
+sprekende personen te leggen.</p></div>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Vooraleer te vertellen wat den fourier later nog met de zinneloozen
+wedervoer, is het noodig hier eene aanmerking in te lasschen. Ofschoon
+wij, tot nu, niets anders beschreven dan wat de jonge fourier werkelijk
+heeft gezien en gehoord, zou men kunnen twijfelen aan de waarheid van
+ons verhaal, omdat de toestand der krankzinnigen te Gheel aanzienlijk is
+veranderd sedert het Staatsbestuur, in 1851, de hooge hand over hunne
+verpleging heeft genomen. Om dit te voorkomen zal het volstaan, hier een
+kort uittreksel te geven uit het belangwekkend werk: "<i>Gheel, de Kolonie
+der krankzinnigen, historisch geschetst door A.C. Van der Cruyssen</i>."
+Deze schrijver zegt onder ander:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>"Toen wij te Gheel aankwamen, stonden wij niet weinig verwonderd,
+niets van dit buitengewone, dat men ons zoo levendig afgeschetst
+had, te ontwaren. Het gaat er rustig toe evenals in elke andere
+gemeente; men bemerkt er bij eene oppervlakkige beschouwing niets
+bijzonders; en, zoo men niet wist, zich in een middelpunt te
+bevinden, waar zich meer dan 900 zinneloozen bewegen, men zou dit
+niet het minste bespeuren, en Gheel voor eene der rustigste
+plaatsen van gansch het land nemen.</p>
+
+<p>"Nogtans men had er ons zooveel van verteld. Mannen, die zich
+inbeelden keizers en koningen te zijn, liepen er in grootsche
+houding de Markt op en neder, gevolgd door eenen sleep
+straatbengels; hier zag men er met groote hoeden, suwarows met
+pluimen op het hoofd en eene houten sabel aan de zijde, die dachten
+groote veldovorsten te zijn en in schijn een gansch leger
+aanvoerden; daar groote dames, prinsessen en wat al meer; verder
+bisschoppen, predikers en anderen, in de drolligste kleeding, die
+hen aan de algemeene bespotting blootstellen moest.</p>
+
+<p>"Zeker moest de beweging van die verschillige zinneloozen, die daar
+allen volgens goeddunken liepen en wandelden, te midden eener
+volkrijke plaats en van duizenden menschen met verstandelijke
+vermogens begaafd, het zonderlingste kontrast opleveren, dat men
+wel ooit op eene vrije plaats aantreffen kon. Dit alles is echter
+voorbij, niets meer van dat buitengewone, dat u opeens zeide waar
+gij u bevondt.</p>
+
+<p>"Op onze bemerking van den geneesheer-opzichter, Br. Bulckens over
+hetgeen men mij verhaald had, zeide deze achtbare heer, dat dit
+vroeger zoo bestond; maar dat dit slechte gebruik sinds
+verscheidene jaren uitgeroeid is."</p></div>
+
+<p>Tot dus verre de hr. C. Van der Cruyssen.</p>
+
+<p>In den loop dezes jaars 1878, heeft de schrijver van dit verhaal
+gelegenheid gehad, om de gemeente Gheel te bezoeken en er kunnen
+erkennen dat, alhoewel daar nu ongereer 1300 krankzinnigen worden
+verpleegd, en deze meest allen in vrijheid op de straat verkeeren, het
+er inderdaad even rustig toegaat als in het vreedzaamste dorp des lands.</p>
+
+<p>Het kan dus niet verwonderen, dat een geleerde, als de hr. August
+Droste, in zijn schrift over Gheel, dit stadje <i>Das paradies der
+Wahnsinnigen</i> noemt; en wij, hem daarin navolgende, ons verhaal <i>Het
+Paradijs der krankzinnigen</i> hebben betiteld.</p>
+
+
+<h3><a name="HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGENII" id="HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGENII"></a>II.</h3>
+
+<p>Te Moll teruggekeerd, vertelde de fourier aan zijnen sergeant-majoor,
+wat wonderlijke, treurige dingen hij te Gheel had gezien en vernomen;
+hij verborg hem daarbij niet, hoe onuitlegbaar diep hij door het
+schouwspel van der zinneloozen ellendig lot was ontroerd geworden.</p>
+
+<p>Zijn kameraad schertste gedurende eenige dagen met zijne overdrevene
+gevoeligheid, waarna deze indrukken allengs in des fouriers gemoed zelf
+verzwakten; en hij had de krankzinnigen van Gheel waarschijnlijk al
+spoedig vergeten, indien niet eene onverwachte omstandigheid ze weder
+had te berde gebracht.</p>
+
+<p>Eenen middag, toen de onder-officiers op de wacht-parade tegenwoordig
+waren om het dagorde te ontvangen, werd daar een bevel van den generaal
+afgelezen, welks voorname inhoud was, dat de twee Compagnies morgen naar
+Gheel zouden vertrekken, om er de compagnies van het 3de bataljon te
+vervangen, die zich naar Turnhout begaven.</p>
+
+<p>Dit nieuws verraste den fourier niet weinig; hij twijfelde een
+oogenblik, of hij het wel juist had verstaan. Wat? zij moesten te Gheel
+gaan logeeren? Te midden der zinneloozen leven, en ongetwijfeld onder
+hetzelfde dak slapen met eenigen der schrikbarende wezens, wier
+aandenken hem nu nog somwijlen deed huiveren!</p>
+
+<p>Dan, er was aan de noodzakelijkheid niet te ontsnappen: een soldaat
+gehoorzaamt.</p>
+
+<p>In het gevoel, dat hij ditmaal niet naar Gheel zou gaan als liefhebber
+en uit vrijen wil, maar tot het vervullen van eenen opgelegden plicht,
+vond hij gemoedssterkte genoeg om zijne bekommerdheid te overwinnen....
+en het was tamelijk licht van hart, dat hij, des anderen daags 's
+morgens, de lieden der Zwaan vaarwel wenschte, en met den
+sergeant-majoor zich schikte bij den troep, die reeds met pak en zak
+reisvaardig stond.</p>
+
+<p>De trommels gaven het sein, en de compagnies, tot bij de laatste huizen
+der gemeente door een gedeelte der inwoners begeleid, sloegen de
+aardebaan naar Gheel in.</p>
+
+<p>Ongeveer twee uren later, bereikten zij de kerk van St. Dymphna en de
+eerste huizen der gemeente Gheel.</p>
+
+<p>Van dit oogenblik af, werden zij al meer en meer vergezeld of
+voorafgeloopen door zinneloozen,&mdash;meest kinderen,&mdash;die met papieren
+hoeden op het hoofd en houten sabels of stokken in de hand sprongen en
+dansten op de maat der trommels.</p>
+
+<p>In den eerste poogden de bijldragers of <i>sapeurs</i> hen te verjagen; maar
+het was als een vliegenzwerm; zij vloden wel weg voor de bedreiging der
+sapeurs, doch keerden telkens weder; en dewijl er van alle kanten nog
+anderen kwamen toegeloopen, was het wel zichtbaar dat men ze moeilijk
+zou kunnen verdrijven. De gansche troep, officiers en soldaten, eindigde
+dan ook met om het zonderlinge schouwspel te lachen, en vervorderde
+zijnen weg zonder zich aan de luidruchtige vroolijkheid der arme wezens
+gelegen te laten.</p>
+
+<p>Bij de Markt kwamen nog een honderdtal straatbengels, even uitgelaten,
+zich met de zinneloozen vermengen; en toen eindelijk de compagnies voor
+het gemeentehuis stilhielden, waren zij omringd van eene wolk dansende
+of juichende lieden, waartusschen men onmogelijk de redehebbenden van de
+krankzinnigen kon onderscheiden.</p>
+
+<p>Hier werden onmiddellijk de logement-biljetten uitgedeeld, en welhaast
+zag men de soldaten, in groepjes van zes, vier of twee, naar alle
+richtingen zich over de Markt verspreiden om hunne herberg op te zoeken.
+Niet zelden kregen zij, zonder het te vermoeden, eenen zinnelooze tot
+leidsman, en daaruit ontstonden koddige misgrepen en verrassende
+tooneelen, die den ganschen dag het voorwerp bleven van de vroolijke
+scherts der soldaten.</p>
+
+<p>Op de Groote Markt zelve, te midden der Westelijke zijde, werd den
+sergeant-majoor en den fourier van verre hun logement aangewezen.</p>
+
+<p>Het scheen een tamelijk groot burgerhuis; maar, buiten de gewone
+inkomdeur, had het nog eene wagenpoort, die toeliet op eenen voorhof te
+zien, waar de mesthoop, karren, egge en ploeg aantoonden, dat hier,
+evenals bij vele inwoners van Gheel, nevens de verpleging van
+krankzinnigen, insgelijks den landbouwerssstiel werd uitgeoefend.</p>
+
+<p>Onze onder-officiers werden zonder veel beslag, doch met minzaamheid
+onthaald door eene dochter en eene oude vrouw, welke laatste hun zeide:</p>
+
+<p>"Ja, mijnheeren, het is wel ten onzent, dat gij moet zijn. Komt binnen,
+en weest zoo goed ons te volgen; wij gaan u maar seffens uwe kamer
+toonen; zoo kunt gij u van ransel en geweer ontdoen."</p>
+
+<p>Men bracht hen eerst door een ruim vertrek, waar vier of vijf
+personen,&mdash;eene juffer in uitgezochte kleeding, een oude man, een jongen
+van dertien of veertien jaar en een klein meisje,&mdash;rondom den wijden
+schoorsteen zaten: zinneloozen ongetwijfeld, want in hunne blikken of in
+hunnen lach was iets verwilderds of iets dwaas. Boos of dreigend schenen
+zij echter niet te zijn; bovenal niet de juffer die, roerloos als een
+wassen beeld, hare groote blauwe oogen, zoet en klagend, op hen hield
+gericht.</p>
+
+<p>"Zoo jong, zoo lief.... en krankzinnig!" zuchtte de fourier met
+medelijden.</p>
+
+<p>"Het is Ermelinde, de verwenschte prinses," zeide de dochter met eenen
+glimlach.</p>
+
+<p>"Houdt gij nog andere zotten?" vroeg de sergeant-majoor.</p>
+
+<p>"Wij houden er gewoonlijk tien," was het antwoord. "Voor het oogenblik
+hebben wij er maar acht. Het zijn gelukkiglijk stille, rustige
+zotten.... behalve een enkele, maar die is meest altoos opgesloten."</p>
+
+<p>Nu bereikten zij de kamer, die den onder-officiers tot tijdelijk
+verblijf was bestemd, en er ruim en goed ingericht uitzag.</p>
+
+<p>"Vrienden," sprak de oude bazin, "stelt u nu maar op uw gemak en doet
+alsof gij te huis waart. Wij hebben allen ons werk: ik moet koken, bijna
+den geheelen dag; onze Trees, daar, moet mij helpen en de koeien in den
+stal verzorgen; onze Beth, welke gij straks zult zien, moet op de zotten
+letten; mijn man en mijne twee zonen zijn aan den veldarbeid. Misschien
+zoudt gij kunnen denken, dat wij niet veel naar u omkijken; maar,
+wenscht gij iets, zegt het. Kan het zijn, wij zullen het u
+oogenblikkelijk geven, met veel plezier. En wat de uitdeelingen van
+vleesch en brood of handgeld betreft, mijnheeren, die kunt gij doen op
+den voorhof. Daar is eene schuur met tafel, banken en weegschaal,
+doelmatig daartoe geschikt. Wij hebben tot nu toe sergeant-majoors en
+fouriers gelogeerd en waren altijd de beste vrienden."</p>
+
+<p>De onder-officiers bedankten haar voor hare goedwilligheid.</p>
+
+<p>"Ik zou het nog vergeten," voegde zij in het heengaan er bij. "Het is
+nog verre van middag en de reis heeft misschien uwen eetlust opgewekt.
+Komt beneden, mijnheeren, zoohaast gij hier gedaan hebt: de hesp, de
+kramik en een goed glas bier zullen gereed staan."</p>
+
+<p>Met deze woorden lieten de vrouwen hen alleen.</p>
+
+<p>De sergeant-majoor wreef zich de handen en juichte over het
+voortreffelijk logement, dat hun ten deel was gevallen. Min vroolijk
+scheen de fourier. Toen zijn gezel hem de reden dezer koelheid vroeg,
+bleek het, dat de prinses Ermelinde hem in het hoofd speelde en hem
+eensklaps zwaarmoedig had gemaakt. Dit gaf den sergeant-majoor weder
+stof tot spotten.</p>
+
+<p>"Uwe gekke scherts laat mij ongevoelig," zeide de fourier zeer ernstig.
+"Zeg al wat gij wilt; maar ik kan, zonder van medelijden te sidderen,
+mij niet voorstellen, dat zulk jong meisje, die waarschijnlijk tot eene
+goede familie behoort, voor gansch haar leven tot krankzinnigheid is
+veroordeeld. Misschien was zij bestemd om in de wereld te schitteren;
+zij is schoon...."</p>
+
+<p>"Schoon?" riep de sergeant-majoor, "dit levenloos gelaat, zonder de
+minste uitdrukking, effen en blinkend als een porseleinen poppenkop? Ik
+geloof, dat gij scheel ziet. Is het mogelijk, zulk spookachtig
+aangezicht schoon te vinden! Let maar op, dat uw ziekelijk medelijden u
+zelf niet zot maakt."</p>
+
+<p>"Daarvoor is geen gevaar," wedersprak de fourier lachend. "Ik ben
+inderdaad kinderachtig. Wat kan ik er evenwel aandoen? Maar het is
+alweder een eerste indruk, die spoedig zal voorbij zijn.... Laat ons nu
+beneden gaan en de hesp eens aanspreken; want, ondanks mijne deernis met
+het lot der arme juffer, gevoel ik, dat het mij wel zal smaken."</p>
+
+<p>Zij daalden een tiental trappen af en kwamen in de huiskamer, tevens tot
+keuken dienende, en waar zij ditmaal geene zinneloozen meer aantroffen.</p>
+
+<p>"Zit neder, mijnheeren," zeide de oude bazin, die alleen was om hen te
+onthalen. "Gij zult mij nieuws zeggen van onze hesp en onzen kramik."</p>
+
+<p>Toen ze beiden reeds aan tafel hadden plaats genomen, keek de fourier,
+waarschijnlijk zonder het te weten, nog om naar den leunstoel bij den
+schoorsteen, waar eenige minuten te voren de krankzinnige juffer had
+gezeten.</p>
+
+<p>"Ja, ik zie het wel, mijnheeren," zeide de bazin, "het verwondert u, dat
+onze kostgangers eensklaps zijn verdwenen. Mijne dochter Beth heeft ze
+in de zottenkamer geroepen, opdat zij u, ten minste dezen morgen, niet
+zouden storen. Anders gaan en komen zij vrij door ons huis, in den hof
+en zelfs op straat. Het zou wreed zijn, niet waar, de ongelukkige
+schapen, die niemand kwaaddoen, altijd in dezelfde kamer opgesloten te
+houden? En gij zult het ongetwijfeld niet kwalijk nemen, indien gij nu
+en dan eenen onzer zotten ontmoet."</p>
+
+<p>"Zeker niet, bazin; integendeel, het zou ons spijten, moesten zij voor
+ons een oogenblik hunne vrijheid missen," antwoordden de
+onder-officiers.</p>
+
+<p>"Zij verlieten niet gaarne de keuken," ging de vrouw voort, "want die
+onnoozele sukkelaars zijn nog nieuwsgieriger dan redelijke menschen. Ik
+had ze niet weggekregen: zij moesten onze nieuwe soldaten zien, maar
+onze Beth is de moeder der zotten; op den klank harer stem of op eenen
+wenk van haren vinger, gehoorzamen zij goedwillig, ja, zelfs de reus
+Carabos,&mdash;zooals de prinses Ermelinde hem noemt,&mdash;die anders, nacht en
+dag, zou moeten geboeid liggen.... maar, dank zij onze Beth, nu kan de
+arme man van tijd tot tijd in de zottenkamers wat rondwandelen en zijne
+leden uitrekken."</p>
+
+<p>"Is er een reus in uw huis? Een zinnelooze reus?" mompelde de fourier
+half lachend en half angstig.</p>
+
+<p>"Het is veeleer een leeuw in menschengedaante. Was onze Beth niet daar
+om hem te temmen, voor geen geld der wereld nam ik hem in den kost. Gij
+zult hem zien, mijnheeren, morgen of overmorgen wanneer hij kalm is. Ik
+weet het niet, onze Beth alleen weet het."</p>
+
+<p>Terwijl de bazin deze uitleggingen gaf, hield zij zich onledig met hare
+keuken. Zij stelde eenen ziedenden pot op de heete assche, trok eenen
+emmer bij en begon aardappelen te schillen.</p>
+
+<p>De sergeant-majoor, die opmerkte dat de oude vrouw gaarne sprak, vroeg
+haar eenige inlichtingen aangaande de krankzinnige juffer, welke bij
+hunne komst in den leunstoel had gezeten, en drukte daarbij de meening
+uit, dat ongetwijfeld liefdesverdriet de oorzaak harer ziekte was.</p>
+
+<p>"Dit weten wij niet juist, mijnheeren," antwoordde zij. "Het is toch wel
+mogelijk; maar mijn gevoelen is, dat men haar, toen ze nog een kind was,
+te dikwijls in slaap heeft gewiegd met vertelsels van tooverijen,
+reuzen, monsters en andere dwaze dingen. Zij verbeeldt zich, eene
+koningsdochter te zijn, die verwenscht is door eenen machtigen
+toovenaar, en in eenen kuil onder den grond moet zuchten en tranen
+storten, totdat haar verloofde, de prins Arthur, haar komt verlossen.
+Maar zij en die arme Arthur zijn wel te beklagen; want om haar te kunnen
+redden, moet hij eerst den reus Carabos het hoofd afslaan en eenen draak
+met zeven koppen overwinnen.... Gij zult het bij gelegenheid wel uit
+haren eigen mond vernemen. Zij antwoordt zeer zelden rechtstreeks op wat
+men haar zegt of vraagt; maar vertelt schier elken dag hare geschiedenis
+aan wezens, die zij waant te zien."</p>
+
+<p>"Van waar is het arme meisje?" vroeg de fourier.</p>
+
+<p>"Van Brussel, mijnheer. Zij is eene weeze, door hare voogden bij ons
+besteed. Ongetwijfeld hebben hare ouders haar eene rijke erfenis
+nagelaten; want niets mogen wij haar weigeren, noch kostbare kleederen,
+noch uitgekozen voedsel. Zij heeft eene kamer voor haar alleen en wordt
+er gediend als eene welhebbende dame. Wat haar het grootst gedeelte van
+den dag bezighoudt, is haar opschik; zij is uiterst zindelijk, zooals
+gij het ongetwijfeld hebt opgemerkt."</p>
+
+<p>"Ja, haar aangezicht is glad en blinkt als ware het gevernist!"
+schertste de sergeant-majoor.</p>
+
+<p>"Nu, dit komt daarvan, mijnheer, dat de prinses Ermelinde zich niet
+alleen het blonde haar met pomade besmeert, maar ook voorhoofd en
+wangen."</p>
+
+<p>De fourier luisterde nadenkend toe. Hoe meer hij van de prinses
+Ermelinde hoorde vertellen, hoe dieper zijn medelijden werd.&mdash;Eene
+weeze, jong, rijk en schoon.... en verzonken voor altijd in den donkeren
+kolk der zinneloosheid! Het was een lot, zoo schrikkelijk, zoo
+beklagenswaardig, dat er aan te denken alleen hem het hart beklemde.</p>
+
+<p>Op de vragen van den sergeant-majoor, zeide de bazin verder:</p>
+
+<p>"Gij hebt tot nu maar vier onzer zotten gezien, mijnheeren; namelijk de
+prinses; een ouden vent, die slechts doodarme bloedverwanten heeft, en
+sedert twintig jaar op eene millioenrijke erfenis wacht; een jongen,
+zonder verstand geboren; en een klein meisje, zot geworden nadat zij
+door eenen harer schoolkameraden met eenen steen tegen het hoofd werd
+geworpen. De anderen, welke gij nog niet hebt gezien, zijn ten eerste de
+reus Carabos, van wien ik u reeds heb gesproken; ten tweede
+Baptist-de-vogel, een professor der cijferkunst, die uit eenen ballon
+gevallen is en meent in de maan te zijn geweest. Hij zal u van zijne
+reis de ongelofelijkste dingen vertellen, indien gij maar wilt
+luisteren; ten derde, een ouden sukkelaar, die gelooft een dozijn
+levende muizen in zijne maag te hebben, en gansche dagen met het hoofd
+op de borst zit om ze te hooren piepen; en ten vierde Trientje Snoeck,
+een zeventigjarig vrouwken, die voor eenige bezigheid heeft, onder
+stoelen, banken en kassen naar haren neus te zoeken, dien zij meent te
+hebben verloren."</p>
+
+<p>"En heeft zij werkelijk geenen neus?" lachte de sergeant-majoor.</p>
+
+<p>"Geenen neus, mijnheer? Hij bedekt de helft van haar aangezicht; maar
+zij gelooft dat het een houten neus is, dien men haar heeft opgezet. Ook
+trekt zij er gedurig aan, om hem los te maken; maar hij staat vast en
+het doet haar te veel pijn."</p>
+
+<p>Na aldus door de bazin nog eenige andere inlichtingen te hebben bekomen,
+stonden de onder-officieren van tafel op. De sergeant-majoor betuigde
+den lust om de gemeente eens rond te wandelen.</p>
+
+<p>Beiden wenschten de goede vrouw vaarwel tot den middag, en traden de
+straat in.</p>
+
+<p>Zij ontmoetten vele lieden, die klaarblijkend krankzinnig waren; eenigen
+stuurden hun het woord toe, en de sergeant-majoor lachte met hunne vieze
+grillen of dreef hen achteruit, zoohaast zij hun lastig werden. Ook de
+fourier begon te ondervinden, dat het gezicht dezer onnoozele of dolende
+menschen niet meer voor hem zoo schrikwekkend was als de eerste maal, en
+hij erkende, dat hij na weinige dagen er zich geheel zou kunnen aan
+gewennen.</p>
+
+<p>Toen zij,&mdash;na een uurtje nog in de herberg de Toren met goede kameraden
+te hebben doorgebracht,&mdash;weder te huis kwamen, vonden zij de lieden
+reeds aan tafel en op hen wachtende om het middagmaal te beginnen.</p>
+
+<p>Daar zagen zij nu den baas en zijne twee zonen, mannen met breede
+schouders en eeltige handen, minzaam doch weinig sprekende.</p>
+
+<p>Een stoel, waarvoor een bord stond, bleef ledig. Zij twijfelden niet, of
+deze plaats aan tafel was bestemd voor Beth, de moeder der zotten, die
+met eenen wenk harer oogen den reus Carabos kon doen gehoorzamen....
+Maar toen het middagmaal reeds halve was afgeloopen, had nog niemand den
+ledigen stoel ingenomen.</p>
+
+<p>Dan stond echter de andere dochter, die met zichtbaren haast had
+gegeten, van tafel op en verdween in eene nevendeur, langs waar hare
+zuster, een oogenblik daarna, in de keuken kwam, om op hare beurt het
+noenmaal te nemen.</p>
+
+<p>Dit was dus Beth; de bewaakster der zinneloozen. Zij groette door eenen
+stillen "goeden dag, mijnheeren," de twee onder-officiers en begon,
+zonder meer acht op hen te slaan, haar middagmaal.</p>
+
+<p>Niets bijzonders was er aan haar op te merken; evenals hare zuster was
+zij de eerste jeugd voorbij, noch mooi, noch leelijk, sterk van
+lichaamsbouw en grof van wezenstrekken; maar zoohaast haar eerste
+eetlust wat gestild was, en zij nu en dan de nieuwe kostgasten aanzag,
+stonden dezen niet weinig verbaasd over de indringende vastheid en de
+beheerschende kracht van haren blik. De fourier bovenal, daar hij
+telkens als gedwongen werd, de oogen voor haar neder te slaan, gevoelde
+zich vernederd en gekwetst, en, wat er in zijn hart voor de fiere meid
+ontstond, was geheel iets anders dan toeneiging.</p>
+
+<p>"Juffrouw Beth is de moeder der zotten?" vroeg haar de sergeant-majoor
+met een glimlach, dien hij zoo beleefd mogelijk poogde te maken.</p>
+
+<p>"De bewaakster en verpleegster der zotten, inderdaad, mijnheer,"
+antwoordde zij.</p>
+
+<p>"En blijft gij zoo geheele dagen alleen met hen?"</p>
+
+<p>"Het is mijn plicht, mijnheer."</p>
+
+<p>"Een treurige plicht."</p>
+
+<p>"Wanneer men hem volbrengt met liefde...."</p>
+
+<p>"En gij zijt niet vervaard, juffrouw?"</p>
+
+<p>"Vervaard? Ik? Al onze zotten zijn zachte, stille lieden."</p>
+
+<p>"Uwe moeder sprak ons nogtans van eenen reus Carabos."</p>
+
+<p>"Ja, Carabos, zooals onze prinses hem gedoopt beeft. Die ligt aan ketens
+geboeid, zoolang ik afwezig ben."</p>
+
+<p>"Ha, dit is altijd eene verzekering; maar indien hij bij ongeluk zijne
+keten verbrak?"</p>
+
+<p>Beth glimlachte, en zich een weinig ter zijde over den vloer buigende,
+wees zij met den uitgestrekten vinger ten gronde.</p>
+
+<p>"Hij mag losbreken en woedend worden," zeide zij, "met mijne oogen en
+met zulk teeken van mijnen vinger, zal ik hem voor mijne voeten doen
+knielen."</p>
+
+<p>Bij het uiten dezer woorden had zij waarlijk een meesterachtig, een
+mannelijk voorkomen, dat eenen diepen indruk op het gemoed harer
+aanhoorders deed. Hare ouders en hare broeders schenen trotsch over hare
+stoutmoedigheid, en bezagen de onder-officiers met oogen, die schenen te
+vragen: "Welnu, wat dunkt U van zulke vrouw?"</p>
+
+<p>Een zwaar en dof gerucht, als van paarden die in den stal trappelden,
+deed het huis daveren.</p>
+
+<p>"Hoort gij, mijnheeren, hij schudt en wringt zijne keten," zeide Beth
+opstaande. "Uwe trommelaars hebben hem onrustig gemaakt; mij in zijne
+nabijheid te weten, kan alleen hem bedaren. Ik ga den ongelukkige zijne
+boeien afdoen. Indien de heeren lust hebben om onzen armen Carabos te
+zien, zou ik hun aanraden tot morgen te wachten. Nu is hij te
+aangejaagd. Vaarwel, mijnbeeren: mijn plicht is daar, achter die deur."</p>
+
+<p>En zij verdween in de nevenkamer.</p>
+
+<p>De ouders begonnen te roemen over hunne dochter, een toonbeeld van moed,
+opoffering en werkzaamheid, tot zoo verre dat niemand hunner zich met
+de zotten had te bemoeien, noch dag noch nacht; want Beth sliep in het
+gedeelte van het huis, dat voor de zotten was bestemd; en, wat er ook
+voorviel, zij alleen herstelde de rust en de stilte. De tegenwoordigheid
+van anderen deed er meer kwaad dan goed aan.</p>
+
+<p>Op eene half schertsende bemerking van den sergeant-majoor, antwoordde
+de bazin:</p>
+
+<p>"Vechten met de zotten? Geweld gebruiken? Kom, mijnheer, daar is schijn
+noch gedachte van. De zotten weten wel, waarom zij hunne bewaakster den
+zoeten naam van moeder geven. Zij wascht en reinigt ze, zij laat hun
+niets ontbreken, zij vervroolijkt ze met spel en zang, en, waar zij kan,
+troost ze de arme schapen alsof het hare eigene kinderen waren. Hare
+goedheid en haar engelachtig geduld hebben zelfs in den reus
+Carabos,&mdash;die anders van den mensch niets heeft dan eene verre
+gelijkenis,&mdash;een gevoel van dankbaarheid opgewekt. Zoo is onze Beth van
+kindsbeen af, mijnheeren, tusschen zinneloozen opgevoed, heeft zij niet,
+als anderen, met hun ongeluk gespot of van hen teruggeschrikt;
+integendeel, in haar is de gedachte gegroeid, dat zij ook den hemel kan
+verdienen met wel te doen aan die ongelukkige, verlatene wezens.... en,
+op mijn woord, ik geloof dat ze gelijk heeft. Wat dunkt u daarover,
+mijnheeren?"</p>
+
+<p>"Hum, hum, het hangt af van goesting," mompelde de sergeant-majoor.</p>
+
+<p>"Ja, ja, bazin, uwe edelmoedige dochter heeft gelijk!" riep de fourier
+met begeestering uit. "Het is een heilige taak, het bitter lot dezer
+arme, dolende zielen te verzachten. Wel zeker moet zulk verborgen werk
+der hoogste liefdadigheid aangenamer zijn in Gods oogen, dan vele
+schitterende daden, die hunne belooning vinden in de bewondering der
+wereld!"</p>
+
+<p>De oude vader stond op en kwam ontroerd de hand van den jongen
+onder-officier drukken.</p>
+
+<p>"Gij begrijpt het goed, fourier," zeide hij. "Er zijn twee wijzen om
+zijn geld met de verpleging der zotten te winnen: ze voeden en
+gevoelloos hun lijden aanzien, of hun daarbij nog een deel van zijn hart
+te geven en ze te troosten, waar het mogelijk is. Onze Beth doet meer:
+zij aanschouwt die kamers, daar achter, als haar klooster; en met haar
+leven aan de verpleging der zotten te besteden, meent zij het toe te
+wijden aan God.... Heb dank, fourier, heb dank voor mijne dochter."</p>
+
+<p>En onder het uitspreken dezer laatste woorden ging hij, door zijne
+beide zonen gevolgd, de kamer uit, om den onderbroken veldarbeid te
+hervatten. Ook Trees verdween in het schommelkot, om potten en borden te
+gaan afwasschen.</p>
+
+<p>"Mijnheeren," zeide de bazin, "wij hebben hier de gewoonte niet, seffens
+na ons middageten koffie te drinken; maar gij zijt waarschijnlijk
+jongens uit de stad. Kan ik u plezier er mede doen, het water kookt, ik
+schenk u in een paar minuten tijds eene kom sterke koffie op."</p>
+
+<p>"Gij zijt veel te goed, moeder," antwoordde de sergeant-majoor. "Indien
+het u evenwel niet te veel moeite was? Een kopje koffie na het
+middagmaal en een lekker pijpje daarbij gerookt, het is het gelukkigst
+oogenblik van den dag."</p>
+
+<p>Zij hoefden niet lang te wachten: kort daarop vermengden de welriekende
+walmen der koffieboon zich met den sterkeren geur van de tabak, en de
+onder-officiers, half achterover op hunne stoelen liggende, bliezen
+wellustig de blauwe rookwolkjes in de lucht en redekavelden vroolijk,
+terwijl de bazin sedert eenige oogenblikken in het schommelkot was
+gegaan, om hare dochter aan den huisarbeid te helpen.</p>
+
+<p>Eensklaps hoorden zij achter hunnen rug een gepiep, als de schreeuw van
+rotten of van zekere vogels. Zij keken om en zagen eenen ouden man, met
+eenen blauwen kiel aan het lijf, die, met den vinger wenkende, hun
+teeken deed om te komen luisteren, en op geheimzinnigen toon hun zeide:</p>
+
+<p>"Ze zitten daarbinnen, daarbinnen in mijne maag. Hoort gij ze niet? Ze
+hebben weder jongen. Nu zijn er al zes en zestig. Piep, piep, piep!
+Hoort gij ze niet?"</p>
+
+<p>De onder-officiers lachten; maar er was evenwel iets dat hen
+verwonderde. Het gepiep scheen waarlijk uit de maag van den armen man op
+te komen; en het kon niet anders, of hij had door inspanning en lange
+oefening, voor dien enkelen klank ten minste, de buikspraak geleerd.</p>
+
+<p>In den eerste vermaakten onze onder-officiers zich min of meer met de
+zonderlinge gril van den zinnelooze; maar dewijl hij gedurig hetzelfde
+herhaalde en er uit hem niet anders was te krijgen dan: "Zes en zestig!
+piep, piep; hoort gij ze niet?" werden zij hem al spoedig moede.</p>
+
+<p>Gelukkiglijk kwam de bazin op dit oogenblik in de kamer, om iets te
+halen. Zij vatte den krankzinnige lachende bij den schouder, leidde hem
+naar de buitendeur en mompelde in schijn spijtig:</p>
+
+<p>"Kom, laat die heeren gerust. Ga met uwe muizen op straat en doe ze een
+luchtje scheppen; anders zullen ze nog versmachten."</p>
+
+<p>"Het is een felle zageman, dit levend muizennest, mijnheeren," zeide
+zij, zich weder naar het schommelkot richtende. "Geviele het dat hij
+terugkeerde of een andere onzer zotten u verveelde, roept mij, ik zal er
+u van verlossen."</p>
+
+<p>Nauwelijks was zij verdwenen, of de nevendeur werd geopend, en nu
+vertoonde zich een tamelijk welgekleede man, die met kleine sprongen
+rondom de kamer huppelde, terwijl hij de armen in de lucht sloeg zooals
+een vogel met zijne vlerken doet, en daarbij een zonderling keelgeluid
+liet hooren, dat hij ongetwijfeld van de wilde ganzen had afgeleerd.</p>
+
+<p>"Ha, ha, Baptist, wat doet ge daar?" riep de sergeant-majoor, die zich
+herinnerde dien naam van de bazin te hebben gehoord.</p>
+
+<p>"Ik vlieg.... ik vlieg naar de maan!" antwoordde de zinnelooze.</p>
+
+<p>"Maar gij zijt er reeds geweest."</p>
+
+<p>"Ik keer er terug naartoe: het deugt hier niet voor mij."</p>
+
+<p>"Is het zoo, met uwe armen uit te slaan, dat gij meent in de maan te
+geraken?"</p>
+
+<p>"Neen, ik wil eerst leeren vliegen. De mensch leert wel zwemmen. Het is
+slechts een verschil in de vereischte kracht. Bij mijne vorige reis was
+ik te veel overlast en ben daarom bijna den nek gebroken."</p>
+
+<p>"En door welk middel zijt gij de eerste maal tot de maan opgeklommen?"</p>
+
+<p>De man kwam nader, trok eenen stoel bij, zette zich gemeenzaam tusschen
+de twee onder-officiers, nam eene houding aan als een professor die
+zijne les gaat geven, haalde een stuk wit krijt uit den zak en teekende
+daarmede op het tafelblad vele ronde figuren, als een hoop appelen. Dan
+zeide hij met eenen fieren lach van zelfvoldoening:</p>
+
+<p>"De heeren weten ongetwijfeld, waarin de klimkracht van eenen luchtbal
+bestaat. Veronderstelt dat zulke luchtbal, opgevuld met waterstof-gas,
+vijf duizend pond minder weegt dan dezelfde ballon zou wegen, indien hij
+met gewone lucht was gevuld. Welnu, wanneer men twintig dergelijke
+ballons, allen onwrikbaar aan elkander gehecht, doet maken, bekomt men
+eene klimkracht van honderdduizend pond. Dit is juist wat ik heb
+gedaan.... en op eenen schoonen morgen ben ik in de hoogte gevlogen met
+zulke schrikkelijke snelheid, dat mij hooren en zien verging, en ik in
+eenen duizeligen slaap geraakte, totdat ik eindelijk op de maan
+ontwaakte, zonder te kunnen denken waar mijne ballons zijn gebleven.
+Ongetwijfeld hebben zij hunne reis voortgezet en vliegen nog immer in
+het eindelooze ruim, tusschen de starren van den Melkweg. Zijn ze,
+integendeel, naar de zon gevlogen, dan beklaag ik het lot van mijn
+wonderbaar kunstwerk."</p>
+
+<p>"Gij waart dus uit uwen luchtbal op de maan gevallen? Dat moet uwe arme
+knoken geene deugd gedaan hebben," schertste de sergeant-majoor.</p>
+
+<p>"Neen, mijnheer, ik had geen het minste leed bekomen. Het schijnt
+ongeloofelijk, niet waar? Het is evenwel gemakkelijk te begrijpen: ik
+lag te midden eener breede rivier, zonder nogtans er in te kunnen
+zinken; ik werd zelfs niet eens nat. Dit water, moet gij weten, bestond
+uit millioenen doorschijnende blaasjes, geheel gelijk aan de zeepbellen,
+waarmede de kinderen hier spelen; maar zij braken niet, namen vloeiende
+allerlei vormen aan en waren rekbaar als gom-elastiek. Ik kroop over
+hunne oppervlakte tot bij den boord der rivier; maar daar zag ik op den
+oever geheele rijen leelijke menschenhoofden op de aarde liggen, en deze
+hoofden lachten of grijnsden mij aan, met zulke vervaarlijke grimassen,
+dat ik bevend terugdeinsde en wel een halven dag boven de luchtblaasjes
+op mijnen buik bleef liggen, voordat ik het waagde den vasten grond der
+maan te betreden. U beschrijven, mijnheeren, hoe de zaken daar staan,
+durf ik niet; gij zoudt mij uitlachen en zeggen dat ik van mijne zinnen
+ben."</p>
+
+<p>"Neen, toch niet; gij maakt ons nieuwsgierig; kom, vertel ons wat gij in
+de maan hebt gezien."</p>
+
+<p>Verward en dikwijls voor zijne aanhoorders bijna onverstaanbaar waren
+des mans uitleggingen.</p>
+
+<p>"De grond der maan," zeide hij, "bestaat uit duizenden en duizenden
+naakte rotsgebergten, zonder valleien; maar in alle scheuren en kloven
+van den keiharden steen, tot op den oppersten top der hemelhooge alpen,
+ligt eene zwarte, sponsachtige aarde, die zeer vruchtbaar is.... In
+zulke voorwaarden zouden er geene groote boomen kunnen groeien; maar de
+almogende Schepper heeft er in voorzien: de boomen hebben er beweegbare
+wortelen, als zoovele voeten, en daarmede klimmen ze, alhoewel langzaam,
+de bergen op en af, om naar nieuwe en diepere grondlagen te zoeken....
+Wat de maanmenschen betreft, die zijn nog al wonderlijker geschapen.
+Leelijk&mdash;zooals wij het woord verstaan&mdash;zijn ze boven alle beschrijving;
+maar wat hen van de aardmenschen in alle geval zou onderscheiden, is een
+staart als eene gewrongene koorde, die hen verscheidene ellen achterna
+sleept. Er zijn mannen, noch vrouwen, noch kinderen. Allen noemen zich
+met hetzelfde woord <i>Unakau</i>, dat in hunne taal wil zeggen:
+<i>mosselslikker</i>. De Unakaus zijn niet onsterfelijk. Hoe worden daar dan
+de nieuwe menschen geboren, zult gij vragen, mijnheeren? De leelijke,
+grijnzende hoofden, welke ik allereerst op den oever der rivier meende
+te zien liggen, waren nog ongeboren maanmenschen. Ziehier, vanwaar zij
+komen. De Unakaus hebben lange, breede olifantsooren, en daarachter
+groeien nu en dan kleine harde bolletjes, welke zeer jeuken en hen
+verplichten, ze af te krabben. Valt zulk bolletje op eenen gunstigen
+grond, dan zwelt het allengs en schiet eene soort van wortels. In den
+beginne, gelijkt het een waren paddestoel of champignon; maar de
+paddestoel krijgt oogen, mond en ooren, en wordt op den duur een
+menschenhoofd, dit is te zeggen Unakau-kop. Zoo blijft hij groeien en in
+de hoogte schieten gedurende ongeveer twintig onzer aardejaren; dan
+geraakt hij los en leeft tusschen zijne mede-Unakaus gedurende veertig
+jaren, waarna hij weder wortelen in den grond schiet en, twintig andere
+jaren, immer kleiner en kleiner wordt, totdat hij eindelijk geheel in de
+aarde terugkruipt, zonder dat er iets zichtbaars van hem overblijft....
+Deze Unakaus, alhoewel grooter dan wij, wegen bijna niets; zij gaan
+niet: zij maken sprongen van honderd voet hoogte en meer, en zijn zoo
+licht, dat ze bij winderig weder zich aan bergen of boomen moeten
+vastleggen, om niet als stuifzand in de lucht op te vliegen. Daartoe
+zijn hun die lange staarten gegeven. Hun eenig voedsel is het
+ongedierte, dat op de boomen leeft; maar in stede van rupsen en wormen,
+bestaat dit ongedierte in vier of vijf soorten van oesters, zoo
+smakelijk, dat ik ze niet kon eten zonder mij vingers en duimen af te
+lekken.... Er is slechts &eacute;&eacute;n verslindend beest op de maan. Het heet
+<i>Tomagudlo</i>, dit is godswraak. Het te beschrijven kan ik niet: op onze
+aarde is niets dat er aan gelijkt. Ik zal toch zeggen, dat dit gedierte
+iets is als eene schrikkelijk groote vliegende schildpad, zonder hoofd;
+want gansch haar lichaam is slechts &eacute;en mond, die opensplijt als eene
+wagenpoort en tanden laat zien, glinsterend als gepolijst staal. Dit
+beest is hun duivel. Hij verslindt en verzwelgt slechts de valschaards,
+de bedriegers, de twistzoekers, in &eacute;en woord de boozen. Daarom zijn de
+Unakaus over het algemeen goedhartig en vreedzaam; maar zij hebben
+insgelijks driften, die hen verblinden over hun recht, on somwijlen
+willen zij strijden en het bezit der oesterbosschen op de vruchtbaarste
+bergen. Zoo heb ik de toebereidsels tot een schrikkelijken oorlog
+bijgewoond; maar toen de twee legers strijdvaardig stonden, kwam de
+Tomagudlo aangevlogen en verslond al de Unakaus, die oorzaak van den
+twist waren en ongelijk hadden.... en daarmede was het pleit beslist en
+de oorlog ten einde. Weet gij wat denkbeeld zij over onze aarde hebben?
+want zij zien ze als eene groote, gloeiende...."</p>
+
+<p>Hier werd hij in zijne uitleggingen onderbroken door de verschijning van
+eenen jongen, die sprakeloos tot bij den schoorsteen naderde, het kussen
+in den leunstoel opschudde, en weder even stil naar de zottenkamer
+terugkeerde.</p>
+
+<p>"Het is Topaas, de dwerg der prinses," mompelde de zinnelooze met
+spijtig ongeduld. "Zij gaat komen.... Ziet, daar is ze reeds!"</p>
+
+<p>En, inderdaad, zonder eenige acht op de tegenwoordigheid der
+onder-officiers te slaan, kwam de krankzinnige juffer met statigen tred
+vooruit, gevolgd door haren dwerg Topaas, die den sleep van haar kleed
+veinsde te dragen. Zij naderde den leunstoel en liet er zich zachtjes op
+nedergaan. De dwerg,&mdash;een krankzinnig geboren jongen met grooten mond,
+hangende lip en uiterst dom voorkomen,&mdash;zette zich op de hurken nevens
+haar, en beiden bleven zwijgend en roerloos als onbezielde beelden.</p>
+
+<p>Met verbaasdheid keken de onder-officiers het ongelukkig meisje aan: op
+het gelaat van den sergeant-majoor zweefde een glimlach; het hart van
+den fourier klopte integendeel van angstig medelijden.</p>
+
+<p>Ja, zij mocht schoon genoemd worden, ten minste zoo men de spookachtige
+strakheid van haren blik onopgemerkt liet; zij had groote blauwe oogen,
+een fijnen mond, en wangen welker zuivere gladheid bijna onnatuurlijk
+scheen. Daarenboven waren hare kleederen niet alleen zindelijk, maar
+zelfs prachtig; en met hare juweelen, echt of valsch, geleek zij
+inderdaad naar eene theaterkoningin.</p>
+
+<p>Baptist-de-vogel poogde zijne uitleggingen voort te zetten; maar de
+aandacht der onder-officiers was zoo onafkeerbaar op de prinses
+Ermelinde gevestigd, dat zij niet meer luisterden. Ontevreden veegde
+Baptist met zijne mouw de krijttrekken van de tafel, en liep grommelend
+het huis uit.</p>
+
+<p>Na eene lange wijl der volledigste stilte, bemerkte de fourier dat uit
+de oogen der prinses tranen begonnen te vloeien. Met eene zachte stem,
+vol deelneming en deernis, waagde hij het, haar het woord toe te sturen.</p>
+
+<p>"Arme juffer, gij zijt wel ongelukkig en hebt veel verdriet, niet waar?"
+zeide hij.</p>
+
+<p>Zijne vraag bleef onbeantwoord; het meisje bezag hem zelfs niet.</p>
+
+<p>Eensklaps begon zij te spreken: met evenveel nadruk en begeesterde
+stembewegingen, alsof zij eene tooneelrol voordroeg, zeide zij:</p>
+
+<p>"O, vader, vader lief, ik zie u; gij zit op uwen troon en zwaait den
+schepter des gerechts over uw volk. Men knielt voor u, men bezingt uwe
+glorie en men waant u gelukkig, o, machtige vorst van Ascaloni&euml;!... maar
+uw oog is kwijnend en in uw hart is het duister als in een graf. Uwe
+arme Ermelinde, uw aangebeden kind, niet waar? Gij waant ze dood, gij
+vermoedt niet, dat een godvergeten toovenaar ze aan uwe liefde heeft
+ontstolen. Hoe zou uw vaderhart bloeden en schrikken, indien gij wist,
+dat ik hier verwenscht zit in den kuil van den zevenhoofdigen draak,
+bewaakt, geplaagd, gemarteld door den wreeden reus Carabos, en voor
+eenigen troost niets hebbende dan den trouwen dienst van onzen goeden
+dwerg Topaas!... Zal er dan nimmer een einde komen aan mijn akelig lot?
+Zal ik verouderen in dezen duisteren afgrond, zonder u nog eens te mogen
+zien en op mijn liefderijk hart te drukken?... En waar blijft hij, mijn
+verloofde? Hij zoo dapper, zoo ridderlijk van gemoed, waarom komt hij
+mij niet verlossen? Eilaas, hij insgelijks waant mij dood; hij weet niet
+dat zijne welbeminde, zijne bruid, kwijnt en wegsterft onder de macht
+van Albafras, den onmenschelijken toovenaar. Vliet, mijne tranen, vliet
+als beken: weenen is al wat mij overblijft!"</p>
+
+<p>De jonge fourier beefde van treurig medegevoel en had waarlijk groote
+moeite, om zijne eigene tranen op te houden. Geheel koel kon de
+sergeant-majoor bij dit tooneel van smartelijke geestverdwaling niet
+blijven. Waarschijnlijk om zijne ontroering te verbergen, zeide hij met
+luide stem:</p>
+
+<p>"Maar, goede juffer, gij hebt ongelijk, zoo allen moed te verliezen. Den
+eenen dag of den anderen, zal uw vader onverwachts komen en u verlossen
+uit de macht uwer vijanden."</p>
+
+<p>In stede van op zijne troostende woorden acht te slaan, riep het
+krankzinnige meisje, met eenen lach van geluk op het gelaat en den
+glanzenden blik naar het diepe der kamer gericht:</p>
+
+<p>"Gezegend zij God, mijne zalige oogen zien hem.... hem, Arthur, mijn
+verloofde! Zie, hoe dit zwaard in zijne ridderlijke hand bliksemt....
+Let op, let op, daar is de reus Carabos!... Ha, ha, zijn leeuwenhoofd
+rolt in het zand!... Moed, Arthur, moed: ik hoor den zevenhoofdigen
+draak uit den afgrond opstijgen en om wraak huilen. Ach, het is eene
+moeilijke taak!... Arthur, mijn lieve Arthur, zie wel toe, dat gij zijne
+zeven koppen in eens afslaat; want anders groeien ze oogenblikkelijk
+weder bij; er kwam geen einde aan en gij zoudt in den onmogelijken kamp
+bezwijken. Daar is hij, daar is het gruwelijk monster! Zie toe, zie toe,
+Arthur, en neem uwen slag wel waar: uw leven en mijne verlossing hangen
+er van af.... Daar, hij slaat, hij slaat.... de zeven koppen al in
+eens!... Wee, wee, neen, slechts vijf! Het is gedaan! Arme Arthur,
+verscheurd, verslonden, dood.... en dood alle hoop!... en ik, eilaas, ik
+mag niet sterven!"</p>
+
+<p>Haar gelaat ontspande en zij hernam hare eerste stille houding, als
+verging onmiddellijk in haar het geheugen van den schrikkelijken kamp,
+die voor hare oogen had gespookt.</p>
+
+<p>"Dit ijselijk schouwspel langer aan te zien, is mij onmogelijk," zuchtte
+de fourier opstaande, "mij dunkt, ik zou er ziek van worden."</p>
+
+<p>"Ik heb er insgelijks genoeg van," zeide de sergeant-majoor. "Wat zij
+daar uitgalmt, heeft zij ongetwijfeld uit een of ander blauwboek van
+buiten geleerd. Mij dunkt, ik heb zoo iets van mijne grootmoeder hooren
+vertellen, toen ik nog een kind was.... Komt gij mede naar den Toren?
+Daar zal het wat vermakelijker zijn, dan in deze vervelende
+zottenwereld."</p>
+
+<p>"Neen, majoor, nu kan ik u niet vergezellen. Ik heb nog, voor het
+<i>app&egrave;l</i> van vier uren, den toestand der wapens onzer compagnie af te
+schrijven; de adjudant heeft het mij bevolen."</p>
+
+<p>"Groote zaak: vijf minuten werk!"</p>
+
+<p>"En daarenboven, majoor, nu gevoel ik mij in het geheel niet gestemd om
+naar de herberg te gaan."</p>
+
+<p>"Het zij zoo. Ik wed dat gij alleen in de velden wilt wandelen, om aan
+het lot dier arme prinses te denken; dit zal haar ongelukkiglijk weinig
+baten. Het is met haar gedaan; en, zooals zij zelve zegt, alle hoop is
+dood voor haar.... Tot vier uren dus."</p>
+
+<p>Met deze woorden stapte hij naar de huisdeur. De fourier stuurde nog
+eens eenen blik vol medelijden tot de krankzinnige juffer, en klom dan
+langzaam de trappen op.</p>
+
+<p>In zijne kamer gekomen, zette hij zich bij de tafel, schikte een
+ontplooid papier voor zich, en meende te schrijven; maar zijne geschokte
+verbeelding voerde hem weder beneden, in tegenwoordigheid der prinses
+Ermelinde. De pen viel hem uit de hand; hij staarde vast in de ruimte en
+bleef, in smartelijke gepeinzen verzonken, roerloos zitten.</p>
+
+
+<h3><a name="HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGENIII" id="HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGENIII"></a>III.</h3>
+
+<p>Van dien dag af, stond de fourier onder eenen zonderlingen invloed, dien
+hij vruchteloos voor zich zelven poogde te verklaren. Waar hij zich ook
+bevonde, de prinses Ermelinde vervolgde hem onverpoosd, en zelfs wanneer
+hij achter de gelederen zijner compagnie onder de wapens stond of deel
+nam aan de krijgsoefeningen, zweefde haar beeld immer voor zijne oogen.
+Des nachts in zijne droomen vocht hij zegevierend tegen reuzen en
+zevenhoofdige draken, verloste de prinses, leidde ze tot haren vader,
+kreeg hare hand tot belooning van zijnen heldenmoed, en beklom met haar
+den koninklijken troon van Ascaloni&euml;.</p>
+
+<p>In den eerste bekende hij den sergeant-majoor zijne wonderlijke
+geestontsteltenissen en lachte er mede; maar allengs werd hij meer en
+meer ernstig en poogde, zooveel mogelijk, den spot van zijnen kameraad
+en zelfs alle samenspraak met hem daarover te ontwijken. Wat in zijnen
+geest omging, beschaamde hem als iets ten uiterste belachelijk, en het
+verschrikte hem tevens, omdat hij vruchteloos voor zich zelven de
+uitlegging ervan zocht. Medelijden? Kan dit zacht en stil gevoel den
+vorm aannemen eener drift, die geheel het denkvermogen van den mensch
+opslorpt? Wat dan?... O, hemel, de sergeant-majoor had ook gezegd; "Pas
+maar op, dat gij zelf niet zot wordt, arme Arthur!" Hij zou krankzinnig
+kunnen worden? Neen, neen, zulk iets vreesde hij niet; maar hoe kwam het
+dan toch, dat hij, noch dag noch nacht, die tergende beeltenis van voor
+zijne oogen kon jagen?.... Het was, meende hij te mogen denken, een
+gevolg der overgevoeligheid van zijn gemoed; die indruk zou, evenals
+vele anderen, mettertijd verzwakken en geheel vergaan. O, dede nu een
+bevel van den generaal zijne compagnie naar een ander dorp vertrekken!
+Dit ware een groot geluk; want het verblijf te Gheel was voor hem niet
+goed, dit gevoelde hij wel.</p>
+
+<p>Intusschen ontveinsde hij, zooveel hij kon, de klimmende storing zijner
+zinnen voor den sergeant-majoor, deed zijnen dienst met nauwgezetheid en
+ging zelfs meer dan gewoonlijk naar den Toren, alhoewel de kameraden
+daar niet zelden zich vroolijk maakten over zijne zonderlinge
+droomachtigheid. Van de prinses Ermelinde en van de andere zinneloozen
+was hij nog dieper vervaard geworden en deed alles wat hij kon, om hunne
+ontmoeting te vermijden. De lieden van zijn logement hadden al vroeg
+bemerkt, dat de tegenwoordigheid hunner krankzinnige kostgangers hem
+onaangenaam was, en zij hadden de noodige voorzorgen genomen om te
+beletten, dat een hunner zich nog in de keuken vertoonde, ten minste
+zoolang de onder-officiers er zich bevonden om hunne maaltijden te
+nemen.</p>
+
+<p>Op al andere oogenblikken, wanneer zijn dienst hem vrij liet, was de
+fourier in zijne kamer of hij wandelde eenzaam door de velden, even
+onophoudend als den eersten dag door het beeld der prinses vervolgd en
+gekweld.</p>
+
+<p>Misschien zou hij eindelijk toch over zijne kinderachtige ontroeringen
+gezegevierd hebben, want hij deed er ernstige en oprechte moeite genoeg
+toe; maar nu en dan, wanneer hij te huis kwam en noodzakelijk door de
+keuken moest gaan, om zijne kamer te bereiken, zag hij de treurende
+Ermelinde in haren leunstoel zitten. Bij den kwijnenden, den
+spookachtigen blik, welken zij alsdan in zijne oogen stuurde, sidderde
+hij van hoofd tot voeten, en het deed hem in eens alles verliezen wat
+hij tot de genezing van zijnen ontstelden geest kon gewonnen hebben.
+Dien nacht vocht hij dan weder tegen den zevenhoofdigen draak en
+verloste de prinses.</p>
+
+<p>Op zekeren dag, dat Carabos bijzonder rustig was, had Beth, de moeder
+der krankzinnigen, hem voorgesteld den reus in de zottenkamer te komen
+bezoeken. Zoo kon hij dan tevens met de andere kostgangers, welke hij
+nog niet had gezien, kennis maken, onder anderen met de oude vrouw, die
+altijd op zoek was naar haren verloren neus; maar de fourier noch de
+sergeant-majoor wilde van zulk bezoek hooren, en zij drukten hunnen
+afkeer van de zinneloozen zoo onbewimpeld uit, dat Beth er door gekwetst
+of vernederd werd, en van toen af zich weinig genegen toonde om nog veel
+in samenspraak met de gevoellooze soldaten te komen.</p>
+
+<p>Eindelijk, nadat de fourier bijna eene gansche week de ontmoeting
+moeting der prinses had kunnen ontwijken, werd zijn gemoed veel rustiger
+en hij juichte in zich zelven, bij de zekerheid dat hij welhaast geheel
+van zijne belachelijke geesteskwaal zou genezen zijn.</p>
+
+<p>Maar dan gebeurde er bij ongeluk iets, van aard om hem nog dieper te
+ontstellen.</p>
+
+<p>Dien namiddag dreef er een hevig onweder over de gemeente. De lucht werd
+zeer duister, het bliksemde fel en het donderde zoo hard, dat de huizen
+op hunne grondvesten daverden.</p>
+
+<p>Gedurende dit soort van orkaan waren de zinneloozen zeer onrustig; de
+onder-officiers hoorden, van op hunne kamer, hoe ze rondliepen, tierden
+en schreeuwden, bovenal Carabos, die zijn hol gebrul met het geratel des
+donders mengde.</p>
+
+<p>Na het onweder werd echter de lucht weder blauw, en ook de rust keerde
+in de zieke zielen der krankzinnigen terug; alleenlijk hoorde men nog
+van tijd tot tijd het gerucht der ketens van den reus....</p>
+
+<p>Het kon nu elf uren des avonds zijn. Al de lieden des huizes waren
+sedert lang gaan slapen, behalve de oude bazin, half sluimerend in den
+leunstoel der prinses Ermelinde zittende, om te wachten op de terugkomst
+van den sergeant-majoor, die ongetwijfeld later dan naar gewoonte zich
+in den Toren met zijne kameraden vermaakte. Zij deed het slechts uit
+beleefdheid, want de sergeant-majoor had eenen sleutel der huisdeur.</p>
+
+<p>Boven de hooge schoorsteenplaat stond eene lamp, welker zwakke stralen
+slechts een twijfelachtig, licht verspreidden.</p>
+
+<p>Ook de fourier was nog niet te bed; hij zat op zijne kamer en poogde bij
+den schijn eener kaars in een boek te lezen. Zijn aandachtsvermogen
+moest echter gering zijn; want elk oogenblik zag hij op van het boek en
+staarde droomend en nadenkend voor zich heen....</p>
+
+<p>Eensklaps hoort hij beneden een verward gerucht van ketens, die men
+schudt, van voorwerpen die vallen, van lieden die om hulp roepen, van
+deuren die men openwerpt.... en terwijl hij nog twijfelt, of hij niet
+droomt, komt de schrikkelijke noodkreet: "Moord, moord!" door eene
+bekende stem geslaakt, hem het bloed in de aderen bevriezen.... Even ras
+begrijpt hij wat er geschiedt; hij springt naar den wand, trekt zijne
+sabel uit de scheede en loopt de trappen af. Wie het wanhopig hulpgeroep
+hem toestuurt, is de prinses Ermelinde.... Carabos, Carabos wil haar
+dooden!</p>
+
+<p>Inderdaad, de reus heeft zijne keten gebroken; de verschrikte prinses,
+door haren vijand bedreigd, is voor hem gevlucht.</p>
+
+<p>Daar zit zij nu, in haar lang nachtkleed van hemelsblauw katoen
+gewikkeld, tegen den wand der keuken ineengekropen, en akelig kermend om
+bijstand en om redding. Te midden van het vertrek, en in schijn haar
+niet ziende, loopt, woedt en brult een zonderling wangedrocht, dat,
+alhoewel gedeeltelijk in wollen stoffen gekleed, er uitziet als een
+reusachtige aap, van het soort dat men Gorilla heeft genoemd. Dit
+schrikwekkend wezen draait een oogenblik in het ronde, stoot zich zelven
+tegen muur en tafel en blikt met zijne roode, vlammende oogen naar deur
+en venster, als zochte hij eene baan om uit zijne gevangenis te
+ontsnappen.... Maar eensklaps doet hij eene beweging, als bemerkte hij
+nu eerst de prinses; een vervaarlijk geloei stijgt op uit zijne holle
+borst; hij nadert de arme juffer en steekt zijne klauwen tot haar
+uit....</p>
+
+<p>Op dit oogenblik verschijnt de fourier in de keuken; een angstkreet
+ontsnapt hem. Wat hij zoo dikwijls gedroomd heeft, gaat waarheid worden:
+nu moet hij de prinses Ermelinde verdedigen tegen haren wreeden
+dwingeland! Hij heft de sabel in de hoogte en zal het monster den ruigen
+kop kloven.... maar achter zijnen rug klinkt nu eene stem, die hem
+toeroept:</p>
+
+<p>"Houd op, houd op! Zijt gij zot geworden? Gij weet niet wat ge doet.
+Carabos zal de prinses niet hinderen: hij ziet ze zelfs niet; de arme
+man is geheel nachtblind!"</p>
+
+<p>Zij, die deze woorden spreekt, is Beth, der zotten moeder. Uit haren
+slaap door al dit gerucht opgewekt, heeft zij metterhaast een kleed
+aangetrokken, en staat daar nu, met eenen spotlach van medelijden op de
+lippen den verbluften fourier aankijkende, als waande zij hem inderdaad
+krankzinnig.</p>
+
+<p>Maar ze grijpt onmiddellijk den reus hij den schouder, terwijl zij op
+beheerschenden toon hem zegt:</p>
+
+<p>"Carabos, mijn jongen, het tempeest, de donder heeft weder den boozen
+geest u in het lijf gejaagd. Op de knie&euml;n nu, op de knie&euml;n! Hoort gij
+mij niet?"</p>
+
+<p>Het wangedrocht beeft in al zijne leden en zinkt grommend voor haar
+neder.</p>
+
+<p>De bazin, die in het schommelkot was gevlucht, opent aarzelende de deur,
+bij het vernemen der stem harer dochter.</p>
+
+<p>"Moeder," zegt deze, "hij heeft eene vijs zijner keten gebroken. Haast
+u, breng mij eene nieuwe vijs, dan is alles weder te recht."</p>
+
+<p>Terwijl het moedige meisje den reus dwingt, haar naar de zottenkamer te
+volgen, staat de fourier nog altijd met de sabel in de hand, verstomd en
+roerloos te midden van het vertrek. Hij gevoelt het belachelijke van
+zijnen toestand en is neerslachtig en beschaamd.</p>
+
+<p>Onder eene nieuwe vlaag van geestverbijstering, komt nu de prinses
+Ermelinde op hare knie&euml;n tot voor zijne voeten gekropen, heft de
+smeekende handen tot hem en roept op scheurenden toon:</p>
+
+<p>"O, Albafras, machtige toovenaar, genade, genade, spaar mijn leven! o,
+neen, neen, dood mij niet!"</p>
+
+<p>Daar wordt de buitendeur met eenen sleutel geopend, en de
+sergeant-majoor treedt binnen. Hem ontsnapt een angstschreeuw bij het
+gezicht van zijnen jongen kameraad, die met de sabel in de vuist de
+krankzinnige juffer schijnt te willen vermoorden, terwijl zij voor zijne
+voeten kruipt en om genade kermt.</p>
+
+<p>Hij springt op hem toe, ontrukt hem zijn wapen, sluit hem in de armen en
+zegt met diep medelijden:</p>
+
+<p>"Ongelukkige vriend, wat gebeurt u? Kom, houd u stil, bedaar; het zal
+overgaan."</p>
+
+<p>De fourier blijft een oogenblik zwijgend; maar dan barst hij eensklaps
+los in eenen schaterlach, die zijnen gezel nog meer doet verschrikken.
+Zou de arme fourier waarlijk zinneloos geworden zijn?</p>
+
+<p>Nu komen opvolgend de andere huislieden beneden. Wanneer zij vernemen
+wat er is voorgevallen, schijnen zij er weinig belang aan te hechten. De
+prinses wordt naar hare kamer terugbracht; de keten van Carabos is bij
+middel eener nieuwe schroef hersteld. Allen wenschen elkander goeden
+nacht. De sergeant-majoor, weinig gerust over den geestestoestand van
+zijnen gezel, leidt hem naar boven.... en de diepste stilte daalt neder
+over het huis, waar een oogenblik te voren woest gehuil en bange
+noodkreten hergalmden.</p>
+
+
+<h3><a name="HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGENIV" id="HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGENIV"></a>IV.</h3>
+
+<p>Tegen alle verwachting van zijnen gezel, scheen de fourier, den morgen
+na zijn wedervaren met Carabos, zeer rustig en zelfs van betere luim dan
+te voren.</p>
+
+<p>Hij had, gedurende eenen slapeloozen nacht, den tijd gehad om over zijne
+belachelijke verbeeldingen en den goeden raad van den sergeant-majoor na
+te denken, en daarbij met schaamte erkend, dat hij, sedert zijne
+aankomst te Gheel, juist had gehandeld als ware het hem te doen om tegen
+den ridder Don Quijote van Cervantes in gekheid te wedijveren. Zoo dwaas
+scheen hem zijn gedrag, dat hij met zich zelven den spot dreef en
+hartelijk deel nam aan de vroolijke scherts van zijnen kameraad, die
+gelukkig was, zijne blijdschap over de genezing van zijnen jongen vriend
+te mogen uitstorten.</p>
+
+<p>Wel werd de fourier allengs weder eenigszins ernstig, doch het bleef
+echter klaarblijkend, dat de betoovering, vroeger door de prinses
+Ermelinde op hem uitgeoefend, beslissend was verbroken.</p>
+
+<p>Na de morgenvergadering der compagnie, zeide hem de sergeant-majoor.</p>
+
+<p>"Fourier, ik ga straks naar Moll, om daar den baas der Zwaan een bezoek
+te brengen. Alles begint mij hier schrikkelijk te vervelen; en dewijl de
+baas mij door eenen bode heeft uitgenoodigd, wil ik de gelegenheid
+waarnemen, om mij ginder een weinig te verzetten en te vermaken. De
+kapitein heeft mij verlof gegeven tot dezen namiddag, te zeven uren. Het
+spijt mij, dat wij niet te zamen naar Moll kunnen gaan. Wij mogen niet
+te gelijker tijd van de compagnie afwezig zijn, aangezien gij intusschen
+ook mijnen dienst op u moet nemen. Maar hebt gij lust om in den namiddag
+naar Kevermont op te wandelen en mij te gemoet te komen, ik zal Moll te
+vijf uren verlaten; zoo kan ik ongeveer te half zeven Kevermont
+bereiken."</p>
+
+<p>De fourier aanvaardde zijn voorstel met genoegen, en vergezelde hem een
+eind verre in de baan naar Moll.</p>
+
+<p>Dien dag was de jonge onder-officier bijzonder wel te moede. De
+overdrevenheid zijner ontroeringen had hem gansch genezen. Nu deed het
+gezicht der zinneloozen bijna geenen indruk meer op hem; en, versomberde
+nog somwijlen zijn gelaat onder den invloed eener onaangename
+overweging, het was slechts wanneer hij bedacht, tot welke gekke
+zinsverdwaling hij zich door zijne kinderachtige gevoeligheid had laten
+verleiden.</p>
+
+<p>Toen het bepaalde uur naderde, ging hij den weg naar Moll op, en
+ontmoette inderdaad den sergeant-majoor, vooraleer deze het gehucht
+Kevermont had bereikt.</p>
+
+<p>"Welnu," vroeg hij zijnen kameraad, "heeft men zich te Moll goed
+vermaakt?"</p>
+
+<p>"Uitmuntend," kreeg hij ten antwoord. "Er zit wel eene zwarte vlieg op;
+maar het is beter, aan zulke dingen niet te denken... Ha, fourier, wij
+hebben ginder eenige flesschen van het patersvaatje geledigd! Die baas
+Krols is toch een brave vent, en mij zoo genegen dat hij, wilde ik het
+aanvaarden, mij zijn laatste hemd zou schenken.... Maar waarom ziet gij
+er zoo nadenkend uit? Speelt de prinses van Ascaloni&euml; nog altijd u in
+het hoofd of hebt gij weder tegen Carabos gevochten?.... Weg met al die
+vervelende zagemannen! De eenige wijze en vermakelijke zotten zijn
+degenen, die de wijn maakt, zooals ik, bijvoorbeeld; maar wel verre van
+de lieden te willen bijten of verscheuren, zou ik al de menschen als
+broeders in mijne armen willen drukken. Dit is de goede, de edele
+krankzinnigheid.... Sa, gij zegt niets? Zijt gij weder betooverd?"</p>
+
+<p>"Maar gij laat mij den tijd niet tot spreken," wedervoer de fourier
+lachende. "En toch, wat zou ik u kunnen zeggen?"</p>
+
+<p>"Geef mij nieuws van Gheel: mij dunkt, het is al eene eeuw geleden, dat
+ik uit die zottenwereld ben weggevlucht."</p>
+
+<p>"Er is geen nieuws, majoor, ten minste dat ik weet; ik heb bijna den
+ganschen dag op onze kamer zitten schrijven.... De sergeant Pacquet is
+onbeleefd tegen zijnen kapitein geweest en men heeft hem voor acht dagen
+in den bak gezet."</p>
+
+<p>"Dit is inderdaad geen nieuws. Pacquet zal zijne strepen niet lang
+behouden; het is een dwaze kerel.... Weet gij anders niets?"</p>
+
+<p>"Ha, ja, ik ging het nog vergeten, omdat ik er nu maar weinig belang
+meer aan hecht: er is een negende zot in ons logement gekomen.... het is
+te zeggen, eene zottin."</p>
+
+<p>"Hebt gij ze gezien?"</p>
+
+<p>"Ja, een oogenblik."</p>
+
+<p>"Jong?"</p>
+
+<p>"Dertig jaar misschien; het is moeilijk te raden."</p>
+
+<p>"Schoone vrouw, fourier?"</p>
+
+<p>"O, neen, majoor, zij heeft verwilderde oogen, hangende lippen en holle
+wangen. Zij komt van Antwerpen. Volgens hetgeen Trees mij van haar
+zeide, moet zij op trouwen gestaan hebben, maar haar verloofde heeft, op
+het beslissend oogenblik, haar laten blinken en is sedert met een ander
+meisje getrouwd. Dit heeft haar zoodanig het hart ingedrukt, dat zij van
+verdriet is zinneloos geworden. Trees heeft dit ongetwijfeld van de
+geleiders der zottin vernomen; want de weinige woorden, welke de arme
+vrouw stamelt, hebben geenen zin en zij schijnt niemand meer te kennen."</p>
+
+<p>"Ja, liefdesmart, zielsverdriet," mompelde de sergeant-majoor, het hoofd
+schuddende, "ik weet wat het is.... en zelfs moet ik bekennen, dat ik
+onder dit oogpunt eene zeer ongelukkige hand heb. Misschien ga ik
+alweder te Moll een treurend hart achterlaten; maar ditmaal toch zal ik
+er geheel onschuldig aan zijn. Hebt gij niet opgemerkt, dat Judoca, de
+oudste dochter van baas Krols, gedurende de laatste dagen van ons
+verblijf te Moll, mij veel vriendschap betoonde?"</p>
+
+<p>"Inderdaad, en gij zelf, majoor, waart bijzonder minzaam voor haar,"
+antwoordde de fourier met eenen glimlach.</p>
+
+<p>"Ik? Nooit, ik dacht er niet aan; en, geloof mij of niet, voor niets ter
+wereld keer ik nog terug naar Moll."</p>
+
+<p>"Waarom?"</p>
+
+<p>"Verbeeld u, fourier, dat tusschen het eten eener lekkere taart en het
+drinken van een glas wijn, de baas mij heeft doen gevoelen, dat, indien
+ik den krijgsdienst wilde verlaten, het mij niet onmogelijk zou zijn,
+eene plaats van het staatsbestuur te bekomen. Dan zou hij zijne dochter
+eenen goeden bruidschat medegeven en kon ik zijn schoonzoon worden. Hij
+had wel opgemerkt, zeide hij, dat ik eene innige genegenheid voor Judoca
+koesterde, en zij, van haren kant, was sedert mijn vertrek zoo droevig
+geweest, dat het leed deed om aan te zien.... Gij begrijpt wel, dat ik
+dit zonderling voorstel heb van de hand gewezen. De baas nam mijne
+weigering niet euvel op; maar toen ik de Zwaan verliet, zag ik tranen in
+Judoca's oogen glinsteren. Ik had waarlijk medelijden met haar, want
+zij is een braaf en zedig meisje."</p>
+
+<p>"En gij gevoelt niets voor haar?"</p>
+
+<p>"Niets. Ik heb het u reeds gezegd, fourier: eens in mijn leven heb ik
+bemind. Sedert dan kan geene vrouw,&mdash;zelfs niet de schoonste,&mdash;op mij
+nog eenigen indruk doen. Die taal verwondert u, en gij meent dat ik
+alweder spot?"</p>
+
+<p>"Ik geloof u, majoor; gij hebt mij reeds meermaals laten verstaan, dat
+gij eene verborgene wonde in het hart draagt."</p>
+
+<p>"En gij zijt ongetwijfeld nieuwsgierig om die wonde te kennen?"</p>
+
+<p>"Neen, bewaar uw geheim; ik zal nooit iets doen om het te ontdekken."</p>
+
+<p>"Maar toch eens, fourier, zal ik moeten zeggen, wie ik ben en wat mij op
+het geweten drukt. Welaan, gij zijt een goede kameraad en een bescheiden
+vriend; ik gevoel den lust om u mijne geschiedenis te vertellen. Het zal
+den weg verkorten, luister."</p>
+
+<p>En zijnen gezel den arm nemende, stapte hij voort, terwijl hij dus
+aanving:</p>
+
+<p>"Mijne geboortestad is Brugge; ik was eene wees en stond onder toezicht
+van eenen voogd, die zeer streng mij behandelde en mij weinig geld gaf,
+ofschoon mijn vader, bij zijn overlijden, mij ongeveer vijf en twintig
+duizend gulden tot erfenis had nagelaten.&mdash;In onze buurt woonde een
+zekere Mr. Roovelt, een gepensioneerd groot-majoor, die in den slag van
+Waterloo zijne rechterhand had verloren. Hij had eene dochter, Lucia
+genaamd, een zeer bevallig, doch misschien al te gevoelig meisje. In
+onze kindsheid hadden wij te zamen gespeeld. Toen ik van het collegie
+terugkeerde en achttien jaar had bereikt, veranderde deze vriendschap
+welhaast in een diep liefdegevoel, waartegen de majoor en mijn voogd
+niets anders inbrachten, dan dat wij nog te jong waren en ten minste, om
+te trouwen, moesten wachten totdat ik mijne meerderjarigheid zou hebben
+bereikt.... Ik beminde Lucia oprecht en innig; maar zij werd door haren
+vader zeer streng gehouden, en slechts elke week werd het mij gegund,
+eenige oogenblikken met hem en met haar door te breugen. Ik was jong en
+gevoelde den nood tot uitspanning en vermaak, en niet zelden sleet ik
+den avond en een gedeelte van den nacht in gezelschap van vroolijke
+vrienden. Lucia was ongerust, mistrouwend, ja, zeer jaloersch van
+inborst. Nergens kon ik gaan en met vrienden mij vermaken, of zij wist
+er bericht van te krijgen. Dan deed zij mij hevige verwijten, kreeg
+zenuwaanvallen of weende uren lang, als had ik mij inderdaad op eene
+onwaardige wijs jegens haar gedragen. Ik was overtuigd, dat die
+geweldige ontsteltenissen aan hare overdrevene liefde voor mij waren toe
+te schrijven; maar hare voortdurende bespieding, de dwang, dien zij op
+mij poogde uit te oefenen, het denkbeeld, dat ik aan haar en aan haren
+vader rekening te geven had over mijne minste daden, dit alles te zamen
+bracht mij in opstand tegen haar, en het scheen mij zelven toe, dat
+mijne genegenheid voor haar eindelijk zeer was verminderd.... Omtrent
+dien tijd bereikte ik mijne meerderjarigheid, en mijn voogd stelde mij
+ter hand wat er alsdan nog van mijne vaderlijke erfenis overbleef,
+namelijk ongeveer twintigduizend gulden...."</p>
+
+<p>"Gij hebt twintigduizend gulden bezeten?" mompelde de fourier. "In
+geld?"</p>
+
+<p>"In klinkend geld en in bankpapier."</p>
+
+<p>"En hebt gij die nog?"</p>
+
+<p>"Geen cent meer.... Maar onderbreek mij niet, het zou te lang duren. Ik
+ga voort. Dit geld werd mijn ongeluk. Ik viel in slecht gezelschap; de
+meening dat er aan zulken schat geen einde kon komen, de hoogmoed, de
+zucht naar uitspattende vermaken sloegen mij met blindheid. Paard en
+rijtuig moest ik hebben, met edelgeborene verkwisters in verkwisting
+wedijveren, halve nachten tusschen flesschen champagne en liederlijke
+gezellen van alle slag tuischen, zingen en juichen.... Het spreekt van
+zelven, dat majoor Roovelt en mijn voogd mij zeer streng over mijn
+zinneloos gedrag berispten, en de arme Lucia, meer nog dan te voren, mij
+wanhopige verwijten deed; maar hunne vermaningen, daar ik ze als
+berekende dwangmiddelen aanschouwde, deden mij des majoors woning
+schuwen, en dreven mij tot nog grootere buitensporigheid aan...."</p>
+
+<p>Hier werd zijn verhaal onderbroken door het geschreeuw van eenen
+krankzinnige, die beweerde keizer van Oostenrijk te zijn, en hun den
+doortocht op zijn grondgebied wilde ontzeggen; maar zij dreven hem
+terug, evenals eenige anderen, zonder zich nog door zulke ontmoetingen
+te laten wederhouden.</p>
+
+<p>"Ik zal het kort maken, want wij naderen Gheel," hernam de
+sergeant-majoor. "Nadat ik gedurende bijna twee jaren dit losbandig
+leven had geleid, zag ik met verschriktheid het einde mijner
+geldmiddelen naderen. Dan wilde ik den slechten weg verlaten, waarin ik
+doolde, en mijne levenswijs veranderen. Het was te laat: de majoor
+verbood mij den toegang tot zijn huis en mijn voogd deed mij zeggen, dat
+hij voortaan den zinneloozen verkwister niet meer wilde kennen, die
+waarschijnlijk zou eindigen met den naam zijns vaders door schandelijke
+daden te onteeren. Daar ik geen ander geld meer had, dan drie of
+vierhonderd gulden, bekroop mij de vrees, dat, indien ik in Brugge
+bleef, zijne voorzegging waarheid kon worden. Geheel bedorven of grondig
+slecht van inborst was ik niet. Ik betaalde mijne kleine schulden tot
+den laatsten stuiver: en, zonder iemand iets van mijn voornemen te
+melden, liep ik naar Holland en nam er vrijwillig dienst onder het
+voetvolk. Door mijn goed gedrag en mijne vlijt won ik de welwillendheid
+mijner oversten. Na anderhalf jaar was ik reeds sergeant; doch dan brak
+de Belgische omwenteling uit, en ik verkoos naar mijn vaderland weder te
+keeren. Ik had Lucia, mijne zoete speelgenoote, eerste voorwerp mijner
+jongelingsliefde, niet vergeten; integendeel, zij had nooit opgehouden
+voor mijne oogen te zweven; en zelfs, ik beken het, was de eenige reden
+van mijn voorbeeldig gedrag onder dienst, de zwakke hoop dat ik daardoor
+hare vergiffenis en die haars vaders zou kunnen verwerven. Ook, wat ik
+allereerst deed, was mij naar Brugge te begeven. Eilaas, majoor Roovelt
+had deze stad verlaten en was naar Brussel gaan wonen. Wat mij nog meer
+bedroefde, was te vernemen, dat Lucia, door mijn onverwacht vertrek
+pijnlijk getroffen, was ziek gevallen en eenigen tijd in levensgevaar
+had verkeerd. Volgens het gevoelen van den vriend, die mij deze
+berichten gaf, was er voor mij op geene vergiffenis te hopen; want de
+majoor had gezworen, dat, indien ik mij nog voor hem durfde vertoonen,
+hij met de eenige hand die hem overbleef mij eenen kogel door de hersens
+zou jagen.... Brugge was in volle gisting; overal herklonk de kreet: 'te
+wapen, te wapen!' en honderden jonge lieden trokken op naar de
+Hollandsche grenzen. Ik volgde zulk eenen troep, en werd te Antwerpen in
+eene nieuwgevormde compagnie tot sergeant-majoor aangesteld.... Men
+heeft reeds meer dan eens beweerd, dat ik eene bijzondere genegenheid
+voor het een of ander meisje had opgevat. Gij zelf, fourier,
+voorondersteldet daar straks, dat zoo iets mogelijk is. Ach, ik zou het
+willen: het zou mij misschien helpen om Lucia Roovelt te vergeten; maar
+die herinnering mijner eerste jonkheid, die pijnlijke knaging van mijn
+geweten, is zoo gemakkelijk niet te overwinnen."</p>
+
+<p>"En hebt gij, sedert uwen terugkeer in ons land, geene moeite gedaan om
+Lucia terug te zien?" vroeg de fourier.</p>
+
+<p>"Neen," was het antwoord, "ik gevoel mij schuldig en ben overtuigd, dat
+de majoor en zijne dochter met verachting hunne deur voor mij zouden
+gesloten houden, indien Mr. Roovelt, in zijne wettige gramschap, zijne
+bedreiging niet uitvoerde. Ik heb het verdiend en hoop niets meer. Kon
+ik slechts haar beeld mij uit den geest drijven! Ik doe er moeite genoeg
+toe, en misschien zal het mij mettertijd gelukken; maar mijn geweten zal
+mij toch eeuwig blijven verwijten, dat ik mij jegens haar wreed en
+ondankbaar heb gedragen."</p>
+
+<p>De fourier poogde hem te troosten, door het vooruitzicht dat misschien
+alle hoop niet zoo volledig voor hem was verloren, als hij het geloofde.
+Inderdaad, de sergeant-majoor, die zeer geleerd was en bij zijne
+oversten als een uitstekend soldaat stond aangeteekend, zou
+ongetwijfeld, vooraleer een jaar verloopen ware, tot den graad van
+tweeden luitenant vervorderd zijn. Toonde hij zich met de gouden
+epauletten op de schouders en den officiersdegen aan de zijde voor Mr.
+Roovelt, en bewees hij daardoor dat zijn gedrag sedert lang
+onberispelijk was geworden, zouden Lucia en haar vader zich niet
+gelukkig achten, te mogen vergeten wat er was geschied?</p>
+
+<p>Zij waren op de Markt van Gheel getreden, toen de sergeant-majoor
+antwoordde:</p>
+
+<p>"IJdele droomen! Zeker, Lucia heeft mij teeder en innig bemind, te veel
+misschien voor ons beider geluk, maar men mag van het menschelijk gemoed
+het onmogelijke niet verhopen. Hare wettige verontwaardiging heeft de
+liefde in haar hart uitgedoofd. God weet, is zij niet lang reeds
+getrouwd? In alle geval, het schijnt mij dat ik, schuldig als ik mij
+gevoel, haar niet zou durven naderen. Het beste is nog, mijne straf met
+verduldigheid te aanvaarden, en van den tijd die alles geneest.... Zie,
+daar komt de adjudant tot ons. Hij doet ons teeken, dat hij ons wil
+spreken. Zou er nieuws zijn? Kon hij ons de tijding mededeelen, dat onze
+compagnie Gheel gaat verlaten, ik zou er niet treurig om zijn. En gij,
+fourier?"</p>
+
+<p>"Ik zeker niet, gij kunt het denken; maar onze kapitein drukte immers
+gisteren de meening uit, dat wij misschien nog eene gansche maand te
+Gheel zullen blijven?"</p>
+
+<p>Nu naderde hun de adjudant.</p>
+
+<p>"Fourier," zeide hij tamelijk streng, "het schijnt dat de lucht hier
+niet voordeelig op uwe hersens werkt. Gij hebt uwe bons voor vleesch,
+brood en jenever zoodanig in de war gebracht, dat er niet wijs uit te
+worden is."</p>
+
+<p>"Zeker, adjudant, iedereen kan misgrepen begaan," antwoordde de fourier,
+"maar ik meen mijne bons nauwkeurig te hebben opgemaakt."</p>
+
+<p>"In het geheel niet: gij hebt vele ratioenen meer ontvangen dan het
+getal der tegenwoordig zijnde mannen bedraagt. Wat er van zij, ik kan
+mijnen algemeenen staat niet doen overeenstemmen, voor dat die dwaling
+opgeklaard is. Kom, ga met mij naar mijn logement; wij zullen uwe bons
+met het getal der mannen vergelijken."</p>
+
+<p>"Ik volg u, adjudant.... Ga naar den Toren, majoor; ik zal straks bij u
+komen."</p>
+
+<p>"Neen," was het antwoord, "ik ben wat moede en wil naar ons logement
+gaan, om een oogenblik te rusten. Kom mij daar halen, dan gaan wij te
+zamen naar den Toren."</p>
+
+<p>De fourier volgde den adjudant tot op zijne kamer.</p>
+
+<p>Het was hem niet moeilijk, in korten tijd het bewijs te leveren dat de
+adjudant zich had misgrepen, ten minste wat hem betrof. Daar er evenwel
+eene dwaling bestond, moest deze, meenden zij, door eenen anderen
+fourier begaan zijn, en zij poogden te zamen, door optellen en
+vergelijken, den knoop der verwarring te ontdekken.</p>
+
+<p>Eindelijk, na een half uur zoekens, bevonden zij, dat de adjudant zelf,
+door het misplaatsen eener cijfer, de dwaling had veroorzaakt. Hun
+drukke arbeid liep uit op eenen schaterlach.</p>
+
+<p>De fourier haastte zich terug naar zijn logement; want de
+sergeant-majoor, die op hem wachtte om een glas bier in den Toren te
+gaan drinken, zou misschien over zijn lang wegblijven verwonderd zijn.</p>
+
+
+<h3><a name="HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGENV" id="HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGENV"></a>V.</h3>
+
+<p>Toen de fourier in zijn logement kwam en door de keuken stapte, zag hij
+de nieuwe zottin bij de tafel zitten en nevens haar de bazin, die haar
+onderzoekend en medelijdend scheen gade te slaan. Hij vergenoegde zich
+met de bazin in het voorbijgaan te groeten, klom de trappen op en opende
+de deur zijner kamer.</p>
+
+<p>Wat daar zijne oogen trof, hield hem plotseling staan, en een verdoofde
+angstkreet ontsnapte zijner borst. Was het geloofelijk!</p>
+
+<p>De sergeant-majoor zat bij de tafel, met de hand aan het hoofd; tranen
+rolden in overvloed van zijne wangen, zijn gelaat scheen verkrampt door
+de hevigste smart en door de diepste wanhoop tevens.</p>
+
+<p>"Hemel, wat is u gebeurd, majoor?" stamelde de fourier. "Een
+ongeluk?.... Spreek, zeg mij iets, gij doet mij schrikken."</p>
+
+<p>Zijn kameraad antwoordde niet; maar zag hem aan met eenen grimlach, zoo
+bitter en zoo pijnlijk, dat de fourier er van sidderde.</p>
+
+<p>"O, vriend," smeekte hij, "bedaar toch; gij schijnt zoo ijselijk
+ontsteld!"</p>
+
+<p>"Kon ik sterven op dit oogenblik!" klaagde de sergeant-majoor. "Ha, ik
+heb reeds mijn geweer in de hand gehad, om het met eenen kogel te laden;
+maar, neen, ik ben reeds schuldig genoeg, zonder die nieuwe lafheid te
+plegen. Vermits God mij heeft willen straffen, vervaarlijk straffen,
+welnu, ik zal lijden, lijden, totdat de worm des gewetens mij het hart
+verbijt en mij doodt!"</p>
+
+<p>"Maar, vriend, zeg mij toch, wat u zoo diep bedroeft; misschen zal ik u
+kunnen troosten...."</p>
+
+<p>"Troosten? mij troosten?" herhaalde de sergeant-majoor spottend. "Neen,
+neen, mijn hart is een gesloten graf: geene lichtstraal kan er nog
+binnen, geene hoop meer voor mij dan in den dood!"</p>
+
+<p>En eensklaps de hand des fouriers aangrijpende, zeide hij;</p>
+
+<p>"Gij hebt ze gezien, niet waar, de zottin daar beneden, met hare
+verbijsterde oogen en hare hangende lip? Dit arme wezen, dat in den
+afgrond der zinneloosheid ligt verzonken, om er nimmer, nimmer weder uit
+op te staan? Welnu, weet gij wie zij is?"</p>
+
+<p>"Hoe zou ik dit kunnen weten, majoor?"</p>
+
+<p>"Zij is.... o, bittere spotternij van het onmeedoogend lot!.... zij is
+het slachtoffer mijner lafheid, hare schrikkelijke ziekte is het loon
+harer liefde tot mij."</p>
+
+<p>"Groote God, Lucia?" gilde de fourier met afgrijzen.</p>
+
+<p>"Ja, Lucia Roovelt, mijne verloofde.... Welaan, troost mij nu; zeg mij
+dat ik nog moet hopen; doe mij gelooven, dat er nog een rustig oogenblik
+voor mij op aarde kan zijn. Gij spreekt niet, fourier? Ha, ik begrijp
+het wel: wat kunnen woorden bij zulk gruwelijk, zulk onherstelbaar
+ongeluk?.... Ik heb geweend, overvloedig geweend; het was de laatste
+worsteling van mijn hart tegen de beslissende vertwijfeling. Nu is die
+strijd voorbij: alles in mij is dood!"</p>
+
+<p>De fourier gevoelde zich inderdaad de kracht niet meer om iets te
+zeggen; hij bleef lang zwijgend en veegde nu en dan eenen traan van
+medelijden uit de oogen, terwijl zijn kameraad, als onder de eindelooze
+smart verpletterd, met gebogen hoofd en roerloos ten gronde staarde.</p>
+
+<p>Eindelijk toch meende de fourier een middel te hebben gevonden, om het
+ijselijk verdriet van zijnen vriend door een zwakken straal der hoop te
+verzachten.</p>
+
+<p>"Hebt gij Lucia het woord toegestuurd?" vroeg hij. "Heeft zij u
+herkend?.... Nu, spreek, ik smeek u."</p>
+
+<p>"Ik zag haar slechts van verre, en ben, meer dood dan levend, van dit
+akelig schouwspel weggevlucht," was het antwoord.</p>
+
+<p>"Zijt gij wel zeker, dat gij u niet hebt bedrogen?"</p>
+
+<p>"Mij bedrogen? Kan men in zulke omstandigheid zich bedriegen?"</p>
+
+<p>"En hebben de lieden des huizes uwe ontsteltenis opgemerkt?"</p>
+
+<p>"Neen, daartoe gaf ik hun den tijd niet."</p>
+
+<p>"Welaan, majoor, wanhoop nog niet geheel. Gij hebt hier, zoowel als ik,
+genoeg geschiedenissen hooren vertellen van zotten, die genezen zijn
+door het uitwerksel van voorvallen, welke eenen diepen indruk op hun
+gemoed te weeg brachten. Indien Lucia Roovelt inderdaad hersenziek is
+geworden, omdat gij haar onverwachts hebt verlaten, zou zij nu het
+verstand niet kunnen terugbekomen, indien zij u eensklaps herkende en
+gij haar, door uwe vriendelijke woorden, liet verstaan, dat gij, wel
+verre van haar te hebben vergeten, nog immer hetzelfde teeder gevoel
+voor haar koestert?"</p>
+
+<p>De sergeant-majoor onthaalde dit vooruitzicht met eenen bitteren
+grimlach, en bewees dat dit eene ijdele hoop was, aangezien de kwaal in
+de ongelukkige Lucia onherstelbare vorderingen had gedaan; maar de
+fourier liet zich niet overreden en beweerde, dat het ten minste hun
+plicht was, dit laatste redmiddel te beproeven. Genas Lucia niet in
+eens,&mdash;zoo als het inderdaad te vreezen was,&mdash;dan kon toch zulke
+herkenning haar verstand allengs weder opklaren; en vermits hunne
+compagnie waarschijnlijk nog eene gansche maand te Gheel zou blijven,
+zouden zij misschien den tijd hebben, om het arme meisje beslissend in
+de baan eener geheele herstelling te brengen. Het ware voor Lucia eene
+opperste weldaad en voor den sergeant-majoor eene groote verzachting
+zijner smart.</p>
+
+<p>Hij hield zoolang op dit punt aan en deed zoo vele redenen gelden, dat
+zijn kameraad, zonder de minste hoop evenwel, zich bereid verklaarde de
+herkenning te beproeven. De eenigste opwerping, welke hij ten laatste
+nog maakte, was de vraag wat de lieden des huizes wel zouden zeggen,
+wanneer zij vernamen, dat hij de eenige oorzaak van de krankzinnigheid
+hunner nieuwe kostgangster was. Waartoe kon het nuttig zijn, van de
+geschiedenis zijns levens de straatmare der Gheelenaars en der soldaten
+te maken?</p>
+
+<p>"Er is een gemakkelijk middel om dit te voorkomen," antwoordde de
+fourier. "Laat mij eerst beneden gaan; ik zal de lieden zeggen, dat gij
+de nieuwe zottin te Brugge hebt gekend, dat gij buurkinderen waart en te
+zamen hebt gespeeld; maar van eene innige betrekking tusschen u en haar
+zal ik niet gewagen. In zulke voorwaarden zullen zij het zeer natuurlijk
+vinden, dat wij willen beproeven of zij u niet zou herkennen. Blijf dus
+hier gerust wachten, totdat ik wederkeer. Misschien zullen wij ons nog
+over eenen gelukkigen uitslag te verblijden hebben."</p>
+
+<p>Met eene bittere uitdrukking van ongeloof staarde de sergeant-majoor
+zijnen gezel achterna, en legde dan geheel moedeloos het hoofd in de
+handen.</p>
+
+<p>Na eene korte afwezigheid, keerde de fourier terug, en zeide hem:</p>
+
+<p>"Het is gedaan: ik heb de bazin en Trees bekend gemaakt, dat gij en
+Lucia Boovelt buurkinderen zijt geweest. Lucia zit alleen beneden, de
+prinses is op hare kamer. Het oogenblik is allergunstigst; volg mij nu."</p>
+
+<p>De sergeant-majoor gehoorzaamde lijdzaam; beiden gingen beneden in de
+keuken.</p>
+
+<p>Daar zat Lucia met de levenlooze oogen, zonder doel en zonder gedachte,
+op de tafel gevestigd.</p>
+
+<p>Wel klopte het hart des sergeant-majoors hoorbaar in zijnen boezem, wel
+aarzelde hij om de krankzinnige te naderen; doch, als door een geweldig
+besluit zijnen moed te zamen rapende, kwam hij vooruit en zeide met eene
+stem, die sidderde van ontroering:</p>
+
+<p>"Lucia, arme Lucia, herkent gij mij niet? Ik ben uw vriend, uw goede
+vriend Alexander!"</p>
+
+<p>Een lange, domme lach was het antwoord, dat hij bekwam; en zoo diep
+sneed dit ijselijk geschater hem door de ziel, dat hij bleek en bevend
+achteruitdeinsde. Waarschijnlijk hadde hij van toen af de akelige poging
+opgegeven; maar de fourier weerhield hem en spoorde hem tot volharding
+aan.</p>
+
+<p>"Lucia, lieve Lucia," hernam de sergeant-majoor. "Kent gij mij niet
+meer? Zie mij aan, ik smeek u: ik ben Alexander, dien gij vroeger zoo
+innig liefhadt....."</p>
+
+<p>Het meisje, als had zij hem niet gehoord, poogde met de hand eene vlieg
+te vangen, die voor haar op de tafel heen en weder liep.</p>
+
+<p>"Staak uw nuttelooze moeite," zeide de bazin, welke dit tooneel
+bijwoonde. "Alles is vergeefsch, er is geene hoop meer. Het arme kind
+zal het waarschijnlijk hier niet lang trekken: zij heeft reeds het water
+in de hersens; daar is niets meer aan te doen."</p>
+
+<p>Met eenen doffen angstkreet zonk de sergeant-majoor op eenen stoel; hij
+sloot de oogen en werd bleek, als ging hij bezwijmen. Zijn gezel liep op
+hem toe, om hem te ondersteunen, en de bazin greep eene kom water om
+zijn hoofd te verkoelen; maar hij richtte zich langzaam op.</p>
+
+<p>"Dank, bazin, het is niet noodig," sprak hij, in schijn bedaard. "Kom,
+fourier, wij gaan naar boven: eenzaamheid, rust, anders verlang ik
+niet."</p>
+
+<p>Op de kamer gekomen, zeide de fourier nog eenige woorden om, ware het
+mogelijk, het eindeloos verdriet van zijnen ongelukkigen vriend te
+matigen; maar deze, na eene wijl in sombere stilte te zijn verzonken
+gebleven, stond op en zeide op den toon van een onwrikbaar besluit:</p>
+
+<p>"Neen, ik blijf hier niet langer! Wel heb ik mijne straf verdiend,
+tienmaal verdiend; maar zoo te leven, met het slachtoffer mijner
+wreedheid, mijner lafheid onder de oogen! O, dit is te veel.... Fourier,
+ik loop tot den kapitein. Desnoods zal ik hem openbaren, in welken
+gruwelijken toestand ik mij bevind. Hij zal mij verlof geven om naar
+Brugge of elders te gaan, totdat onze compagnie van hier vertrekt. Nog
+slapen in het huis waar zij lijdt en zichtbaar wegsterft? Dat niet;
+neen, neen, dat niet!"</p>
+
+<p>"Ik ga mede," riep de fourier.</p>
+
+<p>"Waartoe noodig? Bekommer u niet langer om mij."</p>
+
+<p>"U alleen laten gaan op zulk oogenblik? Hoop het niet, majoor."</p>
+
+<p>"Welaan, het is mij gelijk. Kom dan haastig!"</p>
+
+<p>Beiden daalden de trappen af, liepen door het huis, zonder iemand te
+groeten noch te bezien, en traden op de Markt.</p>
+
+<p>Toen zij aan des kapiteins logement kwamen, ontsnapte den
+sergeant-majoor een gil van bittere onttoovering. De lieden van den
+huize zeiden hun, dat de kapitein afwezig was. Waar hij zich bevond,
+wisten zij niet wel, maar zij meenden te mogen denken, dat hij de baan
+naar Casterlee was opgewandeld, want iemand had hem halverwege den Aert
+ontmoet. In alle geval, hij had hun aangekondigd, dat hij slechts te
+tien uren des avonds zou terugkeeren; lang kon hij dus niet meer
+wegblijven, want de dag verminderde sterk en het zou welhaast donker
+worden.</p>
+
+<p>Door dezen tegenslag geheel ontmoedigd, bleef de arme sergeant-majoor
+radeloos voor de deur van des kapiteins herberg staan; maar de fourier,
+om zijne wanhoop eene afwijking te geven, deed hem begrijpen, dat zij
+niet beter konden doen dan insgelijks de baan naar Casterlee op te
+wandelen. Zoo zouden zij ongetwijfeld den kapitein ontmoeten; en,
+gelukten zij daar niet in, dan bleef hun toch altijd het zekere middel,
+te tien uren zich opnieuw in zijn logement aan te bieden.</p>
+
+<p>De sergeant-majoor volgde hem lijdzaam. Zijn jonge kameraad hield
+intusschen niet op van spreken, om zijne gedachten van het ijselijk
+voorval af te keeren; maar hij bleef doof voor allen troost en scheen
+zelfs niet meer bekwaam, om de medelijdende woorden van zijnen vriend
+eenige aandacht te leenen.</p>
+
+<p>Zoo waren zij misschien een groot kwart uurs buiten Gheel geraakt, toen
+zij eensklaps achter zich het snelle geklep eener klok door de lucht
+hoorden galmen.</p>
+
+<p>"Wat is dit?" riep de fourier. "De noodklok? Er is brand te Gheel; wij
+moeten terug!"</p>
+
+<p>"Terug? Neen, neen," morde de sergeant-majoor, die weigerde zich om te
+keeren.</p>
+
+<p>"De compagnie zal helpen blusschen; wij moeten er tegenwoordig zijn, het
+is onze plicht,"</p>
+
+<p>"O, laat ons voortgaan! Den kapitein moet ik zien, of ik keer niet meer
+terug naar Gheel."</p>
+
+<p>"Maar gij hebt toch zeker geen lust om te deserteeren?"</p>
+
+<p>"Het ware eene erge zaak, inderdaad," gromde de sergeant-majoor.
+"Nogtans, indien er geen ander middel overbleef. Wat geeft mij voortaan
+het leven?"</p>
+
+<p>"Het leven, maar de eer?.... Luister, luister, de trommels slaan alarm!
+God weet, wat het is! Spoedig, majoor! Indien de vijand onze compagnies
+eens onverwachts had aangevallen?"</p>
+
+<p>"O, mocht dit waar zijn!" riep de sergeant-majoor met blijdschap uit,
+terwijl hij haastig in de baan terugstapte. "Misschien zou ik heden nog
+de verlossing vinden! Vallen op het Veld van eer, en zoo den worm
+dooden, die mijn hart verscheurt! Alles vergeten in het graf! Kom, kom!"</p>
+
+<p>In de nabijheid des dorps ontmoetten zij eenige soldaten, die op eene
+nabijgelegene hofstede waren geherbergd en naar huis liepen, om hun
+geweer en hunnen ransel te halen.</p>
+
+<p>Op de vragen des fouriers, antwoordde een hunner:</p>
+
+<p>"Wij moeten seffens vertrekken. Het schijnt dat het Hollandsche leger
+naar onze grenzen is afgezakt en in ons land wil vallen. Het bevel van
+onzen generaal is zoo haastig, dat men de noodklok heeft geluid om de
+soldaten bijeen te roepen."</p>
+
+<p>Het was wonder, hoe deze tijding den majoor zijnen moed terugschonk en
+hem zelfs blijde kreten deed slaken. De fourier bedroog zich niet over
+de reden dezer verandering. Blijkbaar was het inderdaad genoeg, dat zijn
+kameraad daarin niets zag dan de hoop, dat het hem nu zou toegelaten
+worden, met blindelings tegen den vijand in te loopen, een einde aan
+zijne bittere smart te maken.</p>
+
+<p>Hij verheugde zich evenwel in de gedachte, dat de verstrooiingen en de
+vermoeienissen van eenen veldtocht, veel konden bijdragen om eenige
+kalmte in het geschokt gemoed zijns vriends te brengen.</p>
+
+<p>Een half uur daarna stonden beiden, met den ransel op den rug en het
+geweer in den arm, achter hunne compagnie.</p>
+
+<p>De namen werden opgeroepen. Er ontbraken nog eenige mannen van die,
+welke op verafgelegene hofsteden waren geherbergd; maar het bevel van
+den generaal was te stellig: men mocht niet langer op hen wachten.</p>
+
+<p>Het sein werd gegeven; de trommels braken los in een aanjagend
+geroffel.... en de compagnies verlieten Gheel.</p>
+
+
+<h3><a name="HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGENVI" id="HET_PARADIJS_DER_KRANKZINNIGENVI"></a>VI.</h3>
+
+<p>Zonder onderweg langer dan nu en dan eenige minuten te rusten, trokken
+de compagnies door de duisternis de baan naar Turnhout op, gingen door
+deze stad, en sloegen zich in den vroegen morgen, nevens de andere
+Bataljons van het 2de regiment Jagers te voet op de Ravelsche heide
+neder.</p>
+
+<p>Daar werd de gansche dag besteed aan het wisselen van geweerkogels met
+de scherpschutters des vijands; en dewijl de sergeant-majoor en de
+fourier toebehoorden aan eene middelcompagnie, die niet in het vuur werd
+gezonden, waren zij gedwongen, met het geweer aan den voet, op den
+uitslag dezer onbeduidende schermutselingen te wachten.</p>
+
+<p>Ook de nacht ging zonder gewichtig voorval voorbij.</p>
+
+<p>Maar in den morgen, welke daarop volgde, toen het zonnelicht door den
+nevel drong, zagen zij een vijandelijk leger van meer dan twintigduizend
+man op de heide uitgespreid.</p>
+
+<p>Het ware eene belachelijke onderneming geweest, eenen ernstigen
+wederstand aan zulke ontzettende macht te willen bieden, aangezien het
+getal der Belgische soldaten, hier op de Ravelsche heide vergaderd, de
+duizend man niet bereikte, en zij geene ruiterij en slechts twee kleine
+veldstukken hadden.</p>
+
+<p>Geen wonder dus dat, terwijl de sergeant-majoor zich de handen wreef,
+bij de verwachting van een bloedig gevecht, een haastig bevel van den
+Staf den terugtocht kwam gebieden.</p>
+
+<p>Het gelukte den generaal Niellon, zijnen kleinen troep naar het
+binnenland te leiden, dikwijls dwars door het Hollandsche leger, dat in
+aantocht was op Leuven, naar welke stad onze koning Leopold al de
+beschikbare gedeelten der Belgische krijgsmacht had te zamen geroepen.</p>
+
+<p>Op den 12den Augustus 1831, werd in de nabijheid van Leuven een
+beslissende veldslag geleverd.</p>
+
+<p>Reeds van den aanvang, bij het bestormen van den IJzerberg door de
+Belgen, trof een kogel den sergeant-majoor in de volle borst. Hij viel
+in de armen des fouriers, en murmelde nog, terwijl de doodverf zich over
+zijn gelaat verspreidde:</p>
+
+<p>"Lucia, Lucia, gij zijt gewroken! Fourier, ik vertrek.... ben gelukkig.
+Vaarwel!"</p>
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Eene Gekkenwereld!, by Hendrik Conscience
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EENE GEKKENWERELD! ***
+
+***** This file should be named 17072-h.htm or 17072-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/7/0/7/17072/
+
+Produced by Clare Boothby and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>