diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 16841-0.txt | 3163 | ||||
| -rw-r--r-- | 16841-0.zip | bin | 0 -> 65190 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 16841-h.zip | bin | 0 -> 67938 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 16841-h/16841-h.htm | 3336 | ||||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/16841-8.txt | 3178 | ||||
| -rw-r--r-- | old/16841-8.zip | bin | 0 -> 65286 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/16841.txt | 3178 | ||||
| -rw-r--r-- | old/16841.zip | bin | 0 -> 65218 bytes |
11 files changed, 12871 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/16841-0.txt b/16841-0.txt new file mode 100644 index 0000000..5f8500e --- /dev/null +++ b/16841-0.txt @@ -0,0 +1,3163 @@ +The Project Gutenberg eBook of Johan Doxa, by Herman Teirlinck + +This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and +most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions +whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms +of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at +www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you +will have to check the laws of the country where you are located before +using this eBook. + +Title: Johan Doxa + Vier herinneringen aan een Brabantschen Gothieker + +Author: Herman Teirlinck + +Release Date: October 9, 2005 [eBook #16841] +[Most recently updated: June 11, 2022] + +Language: Dutch + +Character set encoding: UTF-8 + +Produced by: Marc D’Hooghe + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK JOHAN DOXA *** + + + + +JOHAN DOXA + +VIER HERINNERINGEN AAN EEN BRABANTSCHEN GOTHIEKER + +door + +HERMAN TEIRLINCK + + +1917 + + + * * * * * + + +I + +JOHAN DOXA + +GETROUWD + + +Johan Doxa, de vader, verkocht speelgoed in de Zespenningstraat, een +grijze wijk van nauwe steegjes, midden in de Lage Stad. Hij had er een +smal winkeltje met een gebroken drempelzuil, een vunzigen gang en een +groen-houten hekje, waarop, tenden een buigzaam veerijzer, een +waarschuwende bel vastgehecht was. Het winkeltje was grauw, haast donker. +De roode tichelvloer gloeide langzaam op uit de halve donkerte, maar de +vierkante toog somberde, gelijk een harde, massale schaduw, vlak onder +het venster, dat met zijne menige uitstalling, de dagklaarte buiten +hield. Die toog droeg een verscheiden weelde van lekkernijen, +muntebollen, lekstokken, stampers, ovenbeesten, kramellen, kletskoppen +en amandelbrood. Al dat bonte gesnoeper lag er, in blikken kistjes +nevenseen, elk met zijn eigen kleur en zijn verschillige hoopen. Achter +de toog en langs den muur, tot bijkans tegen de zoldering, hing het +speelgoed, de reepen, de poesjenellen, de poppen, de ballen in wollen +netten, de zilveren muziektoppen, de zweepen met fluitjes, en zoo al +meer. + +Johan Doxa, de vader, was een groote struische kerel. Hij zat 's morgens +in zijn winkeltje, achter den toog. Hij sliep er meerendeels. Zijn stoel +was laag, breed, verzacht met een platte sargie, die er vierdubbel tot +op de leuning over gevouwd lag. Johan Doxa zat gemeenlijk met zijn beide +handen gekruisd op zijn buik, zijn kin op zijne borst en zijn klipmuts +op zijne oogen. Zijn kop stak even boven den toog uit, maar duisterde +weg in de onduidelijke lucht van het winkeltje. Als een kind het hek +openstiet, rinkelde de bronzen bek en Johan Doxa verroerde. Zijne handen +bleven gekruisd en stille, maar, met eene eigenaardige fronsing van zijn +voorhoofd, schoof hij rijzekens zijn muts achteruit, keek naar het +deurtje, beloerde vijandig den jongen, die drummend naderkwam. + +De oude heer Doxa liet, in den namiddag, het beheer van de zaak over aan +zijne vrouw Isabella, welke een ijverig mensch was en het huishouden er +heerlijk doorhielp. In den namiddag ging hij toeren om de stad. Hij deed +met pleizier eene wandeling langs de Henegouwlaan, de Beurs, de +Anspachlaan, wrong zich zwaar en lui door de krioeling van menschen en +rijtuigen en trok op naar de Hooge Stad. Zijn liefste uitstapje kuierde +de Steenpoort omhoog en de grauwe wijk van het Gerechtshof binnen. Daar +liggen, door mekaar, een geharrewar van smalle straatjes en huist eene +ruchtige bevolking. De oude heer Doxa slenterde, er rond, keek met +belangstelling naar de, politieagenten, de hondendieven, de +haringventers en de citroenwijven, luisterde aan de open deuren van +kroegen en danszalen, naar de versleten deuntjes van een blazenden +draaiorgel of de schokkende springwijzen van een grollend speelboek. +Dan liep hij de Visitandienenstraat omlaag en kwam lanterfanten in de +Priemstraat. Hier placht hij zich aan eene zonderlinge praktijk over +te geven. Hij, volgde de bierwagens die, ten dienste van de talrijke +herbergen, voorbijreden en had permissie om, bij het opladen van ledige +tonnen, het roes ervan om te klinken en op te vangen in een zinken +ansjovisdoosje, dat hij, tot dit bijzonder gebruik, altijd in zijn +binnenzak steken had. + +'s Avonds, na den eten, begaf hij zich in den Koning van Spanje, dronk +er met een paar geburen een half dozijn glazen faro, bestelde een +slaapmutsje in den Bloemenhof en kwam laat thuis. Hij vond geregeld en +eenderlijk liggen in het laag bed, tegen den glimmenden kalkmuur van het +lauwe slaapkamertje, het dikke, opbultend lijf van zijne vrouw Isabella +die niet roerde bij zijne lompe inkomst, maar eens zuchtte, schijnbaar +in haar slaap, als om zich van een vies droombeeld te ontlasten, dat +juist op haar miserabel hoofd wegen kwam. + + * * * * * + +De oude heer Doxa had een zoon, genoemd Johan. Van dezen is het dat ik +in het bijzonder verhalen wil. + +Hij werd geboren in de Zes-penningenstraat, binst dat zijn vader, +omtrent de Kapellewijk de dansende klutsen uit de tonnen klonk. Hij was +grootgebracht tusschen het grijze speelgoed en werd een jongen van +zeldzaam uitzicht met, als hoofdteeken van karakter, de luiheid van zijn +vader en het zoete geduld zijner moeder. Op school, waar men hem, om hem +kwijt te zijn, heen zond, was hij dadelijk den zondenbok van allen; de +stooten welke grillige vuisten, bijna onachtzaam, uitwierpen, ploften +pletsig in zijne vette rompe, en de muilperen, die, als bij toeval, uit +onzichtbare fruitboomen neervielen kwamen wonderlijk op zijne bolle +kaken openklakken. Bij eene zoo overdadige behandeling, bleef Johan Doxa +verdraagzaam-glimlachend toekijken, en niets scheen de schoone zaligheid +te kunnen storen, die geheel zijn wezen vervulde en hem toeliet, in alle +omstandigheden, een pak slaag als een dankbaar almoes te aanvaarden. + +Op vijftienjarigen leeftijd liet hij zijn blond kroezelhaar lang-groeien +en deed aan zijne moeder zijn voornemen kennen om naar de Academie ter +leering te gaan. Dit werd hem toegestaan, deels omdat vrouw Doxa voor +niets in de wereld haar zoon zou hebben willen te keer gaan, deels ook +omdat de oude heer Doxa, na een wandellingetje in de Pieremanstraat, +verklaard had dat het hem niet schelen kon. + +En Johan Doxa werd een artist-schilder. + + * * * * * + +Johan Doxa bewoonde, in het vaderlijk huis, een luchtige zolderkamer, +waar hij teekende, schilderde, at en sliep. Hij zat er sinds hij de +Academie verlaten had--hij was nu een en twintig jaren oud--gansche +dagen in de eenige gezelschap van een ekster, een sijsje en een +eekhoorn. De vierkante kooi, waar joepte en zong het teer-groene sijsje, +hing aan een kram van het dakvenster. Zoodra de zon boven de stad vol +mistige daken opduiken kwam en tegen de schuinsche ruiten glinsterend te +tokkelen begon, wipte het sijsje op de bovenste sport en kwetterde een +jubel-getjirrel, dat geheel de kamer met een frisch pleizier vervulde. +De ekster liep in vrijheid tallenkante rond, pootelde ruchtig over het +houten plankier, sprong op den schoorsteen en droeg van links naar +anderzijds de penseelen, welke ze te pakken kreeg. Gemeenlijk zat ze te +midden van het kleine tafeltje, vast op den rand van een dikbuikigen, +diepblauwen tabakspot. Daar bleef ze soms uren zitten, stil-lonkend en +bijna roerloos, haar kop ten halve tusschen hare schouders gedrongen en +haar pootjes in tweeën gevouwd, zeer rustig. De eekhoorn scheer-beende +maar in een draaiende tralietrommel, die op een plankje stond, boven het +hoofdeinde van het ijzeren bed. + +Hier werkte Johan Doxa. Hij schilderde portretten, beelden van Heiligen +en kleine Kruiswegen. Hij likte en overlikte zijne tafereelen, raakte +haast het doek met zijn neus en beijverde zich, in overmatige +geduldigheid, om een krulhaartje op een kin te planten en een wimper op +een ooglid. Hij bukte over het werk, streek langzaam de uitgezochte +verven, bedekte met glanzende vernissen de gladde bontigheid. Zijn ronde +kop, zijn kroezelende haarbos, blond-goud onder het spelend daglicht, +lag, alsof het rustte, onbewegelijk over het effen-glimmende schilderij. + +Als hij verpoosde voor een tijdje, ging hij tegen het bed leunen of +strekte er zich lang uit, rookte, traag dampend, volgde met luie blikken +de opgaande en uitwaaiende tabakwolken en snoof wellustig den sterken +reuk ervan op. Hij dacht aan niets. Hij keek soms heel lang naar het +draaiend eekhoorntje, of voelde, zijwaarts, de blinkende oogen van de +ekster, die loerend, op den blauwen buik van den tabakspot oolijk te +muizenissen zat. Wanneer het avond werd had hij een heerlijk gevoel van +zelf-verdwijnen. 't Was dan alsof, met de uiterste deemstering, het huis +en de wereld zouden in nevelen vergaan. Zijne ronde blauwe cherubijnoogen +blonken zonderling in de donkerheid en zijne handen lagen als twee witte +vlekjes op het duistere violet van de bedmatras. + +Na den dood van zijn vader, die in het hospitaal aan eene kortstondige +leverziekte stierf, veranderde Johan Doxa haast niets aan dat peiselijke +zolderleven. Alleen zou hij af en toe wat uitloopen en menschen zien. +Hij nam dit voornemen op den raad van zijne moeder, die met leedwezen +hem in vergetelheid eene jeugd zag bederven, die zoo nuttig aan zoo +kostbare zaken had kunnen besteed worden. Ze had gaarne haar zoon zien +genieten van het weinige dat de Voorzienigheid hem op zijn weg had +geleid en ze gaf hem, met eene schijnbare onverschilligheid, te verstaan +dat de stad vol was met behaaglijke meisjes en dat er wel één ten minste +in den hoop te vinden was, aan wie hij zijne versche jonkheid toetsen +kon. Johan Doxa bloosde en glimlachte. Het vijffrankstuk, dat moeder hem +in de hand stopte, plakte in zijn vette palm en teekende er, met zijne +harde randen, een cirkel van gewicht. Hij liep den kapotten drempel +over, hoorde, nog de bel bingelen, gesmoord in de dufheid van het +binnenhuisje, en drilde langs de Lage Stad om. Hij leek, in deze +slentertochten, wel zeer op zijn vader-zaliger, haperde aan elken winkel +en luisterde naar elk gerucht. Zijn grootst genot was bezijden de platte +kaaien. Hij staarde half-hangend op de ijzeren leuning, naar het donkere +water, waar het licht van den dag onrustig over al schervelend ging. Hij +bespiedde de doening der vaartmannen op de groene booten, volgde den +rytmischen gang der koollossers, kon, tot het gansch donkerde, blijven +turen naar 't gewiegel van een dobberend papiertje. + +Het was binst deze wandelingen dat hij die twee vreemde mannen ontmoette, +welke na korten tijd zijne vrienden werden. Zij waren allebei ouder dan +hij. Hij deed hunne vriendschap op in de zelfde week. De eene was een +letterkundige en katholieke pamflet-schrijver, die zich als een vurig +werktuig van God aanzag. Hij heette Lieven Lazare. De andere was een +bleeke lang-opgeschoten kerel, met diepe doode oogen, een breede hand en +sproeten op zijne vingeren. Hij was tapper in de _Old Curiosity Shop_, +een nachtkroeg naar de mode. Zijn eenige naam was Anatole. Lieven Lazare +was een groot, breed man, hooggeschouderd, met ronden kalen kop waar een +stekelige snor haast een klein-bolle neusje wegvlekte. In zijne schriften, +die eene onbetwistbare literaire waarde droegen, schold hij met ongemeene +woestheid allen uit, die "op hun gladde harten de berrie torschen van het +Gulden Kalf" en, in het bijzonder, de priesters en prelaten. Zijn werk +"Ploerten" was een kostelijk autobiografisch verhaal, waarin hij zijn +kristelijke liefde en, als met geweldige geuten, zijn schrikkelijke haat +uitstortte. Hij sprak er van Johan Doxa, gelijk van een "uitverkoren +wezen, hetwelk uit de vroomheid van gothische tijden onbeholpen te midden +van de tartende ketterij der encyclopedisten gesmeten werd." Anatole was +een tegenovergesteld wezen. Hij had een oolijk aangezicht, vol met de +uitdrukking van dubbelzinnige schuchterheid en onkuische bedoelingen. Hij +zong zeer mooi en kende een aantal allerliefste liedjes, welke hij, op de +viool en de cither, deed begeleiden door zijne vrienden Biebuyck en +Donkerwolck. Met deze twee kwam hij, des Zondags, Johan Doxa op zijne +zolderkamer gezelschap houden. Zijn aardige stem kwinkeleerde tegen de +pannen-bedekking, en de snaardoozen tjokkelden sierlijk de maat. 's Avonds +was hij tapper. Hij vertelde zoo lekker van het diverse spektakel in de +_Shop_, en zijne twee vrienden, die daar in een klein concert meerendeels +werkzaam waren, bevestigden met knikken en ooggeknip zijne heerlijke +verhalen. + +Van Anatole hield Johan Doxa zeer. Lieven Lazare vreesde hij duchtig, +maar had hem meer innig, meer van binnen en uitermate lief. + + * * * * * + +Op een middag kuierde Johan Doxa langs de Papenvest. Hij was zeer +droevig want het groene sijsje had hij 's ochtends dood gevonden. Hij +drumde tegen de muren en zag langzaam de vierkante straatsteenen onder +zijne voeten wegslieren achterwaarts. De stad was blauw en luchtig. Eene +zilveren Junizon blikkerde op de huisgevels, danste tegen de ruiten, +poeierde in de klare ruimte trillend uiteen. Hij dacht weer: + +"Het groene sijsje is kapot!" + +Het zeurde aldoor in zijne hersens en hij luisterde binstwijl naar de +duidelijke herinnering aan het licht-tikkende vogelgezang. Om hem +zilverde de zingende zon, maar grijs en zwaar nevelde zijn treurende +gedachte: het zou er nu mee uit zijn, het groene sijsje is kapot.... + +Zoo kwam hij in de Papenvest. Op den drempel van een oud huis stond eene +vrouw. Zij was groot en blozend en hare huid schoot op uit haren rooden +halsdoek, gelijk eene klaarte vol zoetigheid. Ze lachte stille. Ze +lachte stille, stille. Johan Doxa slenterde voort. Het docht hem ineens +dat eene ongekende lustigheid zijn hart kwam vervullen met al de weelde +van een geheimzinnig gevoel. Hij wilde wel zijn hoofd omdraaien, en het +oude huis herzien, en den drempel, en dat wondere beeld van vleesch.... +Hij slenterde maar, keek niet achterwaarts, strompelde scheef-beenend +over de ongelijke kasseide, en aldus gebeurde het dat hij smoorlijk werd +verliefd. + +Hij stiet het groene hekje open, zoodat de bel ommentweer snokte en +leelijk door den gang lawaaide. Hij klauterde ongemanierd langs de +steile trap, ademde haastig, pletste met zijne warme vingeren op de +vochtige trapleuning. Hij geraakte in zijne lage zolderkamer, bleef +dwaas in het deurgat staan en staarde, met nuchtere verwondering naar +de zwarte ekster, die aardig op den rand van den blauwen tabakspot te +glariën zat. Zij roerde haren kop niet als hij hard-stappend binnentrad. +Zij bleef rechtuit blikken met hare zwart-gulden vliemige oogjes, heel +bedaard, alsof ze zeggen wou: "Daar hebt ge 't nu! Heb ik het al lang +niet voorspeld?" + +Johan Doxa zette zich neer op zijn plat-bedekt bed en kruiste zijne +handen over zijne knieën saam. Het eekhoorntje draaide in zijn roerenden +tralietrommel en stak zijn staart kaarsrecht omhoog. Op de tafel lag +eene schoone nieuwe pijp in bleek palmenhout. Het was een geschenk van +moeder. Johan zou de steel sierlijk bekerven en opkleuren met roode +witte en groene streepjes en ze omranden met fijne blauwe cirkels. Nu +bekeek hij van verre de pijp en hij dacht aan de blanke keel die zoo +rijkelijk boven de scharlaken doek-verve oprankte.... + +De zon pletste door het dakvenster en speelde langs de koperen snaren +van de ledige vogelkooi. Er trilde door de lucht een zilveren +herinnering aan het groene sijsje, en tot den dikken avond zat Johan +Doxa, rechtover de dubbende ekster, te dubben eenderlijk. + +Daags nadien kwam Anatole met Biebuyck en Donkerwolck, zijn zwijgende +vrienden, een bezoek brengen. Zooals naar gewoonte werden wat flesschen +lambik opgehaald en moest Anatole eene rei liedekens zingen. Dit deed +hij, terwijl Johan Doxa zeer aandachtig den bleeken steel van de nieuwe +pijp met allerlei ornamenten overteekende. Hij zong op uitstekende wijs +de oude deuntjes van den _Reus_, van den _Koekoek_, van het _Ros +Beiaard_, van _Mijn moeder gaat naar Halle_, en van den _Uil_. De +anderen begeleidden keurig, de cither tokkelde de springende zangmaat +in rythmische brokjes en de viool vergezelde in accoord den gang van +Anatole's buigzame stem. Het was een lieve nanoen, en er werd gedronken. + +Maar Johan Doxa zat, onder het volle vensterlicht, laag gebogen over de +teerheid van zijn brooze versieringen, en hij keek niet op, en het was +alsof hij afwezig was. Anatole lachte met hem, vroeg of hij verliefd was +geworden, klopte vertrouwelijk op zijne schouders. Hij vertelde dan van +de gebeurtenissen in de _Curiosity Shop_, van de mooie Roy-Dour die zich +tegen den toog had ontkleed om een merk te toonen, dat ze op de +linkerheup droeg. Hij vertelde met korte zinnetjes, hief met gepaste +woorden, kort en rap, de pittigheid van een voorval op, en liet, na +elken raken zet, op zijn wit aangezicht het dubbele barreel van zijne +tanden blikkeren. Biebuyck stak zijn kin vooruit en Donkerwolck +pinkoogde. De cither en de viool rondden hunne bruin-glimmende buiken op +een stoel, naast het doode kacheltje. + +Maar Johan Doxa roerde noch en ruchtte. Toen vertrokken de drie +kameraden en ze gingen sloffend en strompelend de steile trap af. Het +groene hekje hoorde Johan Doxa rinkelen. Het huis werd stil. Hij lei de +bleeke pijp op zijde, schoof achteruit, staarde lang opwaarts en zijne +oogen begonnen te pikken, te sterren, te nevelen. Hij zuchtte. De ekster +rok traag hare vleugels uit, lengde haren hals, huiverde over geheel +haar lijf, en zette zich weer rustig en thoope, met gevouwen pootjes, +op den pot, die blauw en bollig te blinken zat. Het werd haar alsof ze +zeggen zou: + +"Mijn arme Johan, wat moet er van u geworden?" + + * * * * * + +Het oude huis op de Papenvest was eene herberg. Dagelijks ging er nu +Johan Doxa. Hij bestelde een half-en-half en bleef zitten, rechtover de +deur, tot eens de vrouw, die als een groote onrust over zijne ziel woei, +daar zou voorbijgaan. Ze woonde op de eerste verdieping. Ze heette +Julia. Ze was, een dik jaar geleden, getrouwd met een treinwachter, die, +tien dagen na zijn huwelijk, in een spoorweg ongeval was omgekomen. Ze +leefde alleen en naaide. Als Johan in de herberg zat, zag hij ze vaak +omloopen in de gang. Ze lachte luid of zong. Ze had eene klare golvende +stem, die door gansch het lichaam van Johan sidderde en er een ongemak +veroorzaakte, dat het bloed naar zijne slapen joeg. Hij dierf haar niet +aan te spreken, maar zijne vingeren beefden en zijn adem zwol. Het docht +hem dat hij zou gaan licht worden als een vlam en opspringen tegelijk en +ijlen naar de dartele deerne die, boven de vurige kleur van haar +borstdoek, hare klinkende keel opklaren liet. + +Telkens kwam hij moedeloos, uitgeput en zonder hoop weer thuis. Moeder +Doxa, van tusschen de arlekijnen en het suikergoed, daar achter den +duisteren toog, merkte iedermaal zijn treurend uitzicht. Ze +vermeerderde, gelijk zij kon, het bedrag van zijn zakgeld, en knikte hem +heimelijk toe, hem oolijke stootjes gevend en nafluisterend van de +blonde dingetjes, die er allentwege omliepen in liefelijke gretigheid. +Hij glimlachte zachtekens mede en voelde den dwazen blos uitgloeien, als +pioenen, op zijne heete wangen. + +Het liefst zat hij op zijn kamertje. Hij werkte er aan de +miniatuurversiering van de palmhouten pijp. Hij schilderde er laaie +harten, en doornen, en rozen, en, in schoonverluchte letters, den naam +van Julia. Dagen lag hij over dat buitengewoon bedrijf gebogen, en hij +verrijkte het telkens met nieuwe kleurverwikkelingen. + + * * * * * + +Eens ontving hij een kaartje van een heer, die hem wat dringends te +vertellen had en hem verzocht om bij hem, als mogelijk, aan te loopen. +Johan Doxa herlas driemaal te reke het adres, en begon daarna het zweet +weg te vagen, dat in zijn haar kittelde en op zijn voorhoofd te perelen +stond. De heer woonde op de Papenvest, in het oude huis, eerste +verdieping. + +Te valavond begaf zich Johan Doxa toch op weg. Wel beefde hij en +wankelde haast terwijl hij de piepende trap opging. Hij stond vóór de +deur en wilde zich nu eerst eens goed bedenken. Hij bedacht zich eens +goed, zuchtte en besloot maar weer de trap af te dalen. Toen juist +sprong het slot en in de vrije klaarte stond daar de weelderige Julia. +Ze groette hem bij zijn naam en bad hem om binnen te komen. + +Hij ging. Het werd zeer warm en de lucht woog, stikkend heet. De kamer +was zindelijk en helder van kleur. Een vierkante kachel puntte zijn +glimmende koperknoppen onder de schaduwkap van den schoorsteen. De tafel +was bedekt met een oranje ammelaken, groen-bespikkeld en hard. Tegen den +muur stond het breede bed, de sargie half-omgeplooid en het witte +hoofdkussen bloot in het midden. Johan Doxa zag dit alles tegelijk, in +een waterig zicht van vloeiende dingen. Hij zag Julia. Hij zag haar +roode doek, haar blanke boezem, haar natten mond, hare oogen,--beweeglijken +gloed.... + +Hij zette zich. Ze sprak van het kaartje--dat het een onschuldige +leugen was, dat zij wel wist dat hij op haar persoonlijk aandringen niet +komen zou, dat zij het overigens nooit had durven schrijven op haar +eigen naam, dat zij nu van hem verlangde dat hij haar portret zou +schilderen. Ze sprak meesmuilend en vleiend, vingerde verlegen over haar +borstdoek, ontsloot het onwetens, en lachte, lachte. Ze wipte dan op, +bloosde minzaam en zette eene flesch met zoete likeur op tafel. Ze vulde +de kleine glazekens. Haar lichaam bukte voorover, heel dicht aan bij +Johan, die de buigzame elegantie van haar leen bijna onder de hand te +bewonderen kreeg. Ze draaide rond hem, raakte met haar zwaaiende rokken +zijne knieën, welke hij met wanhopige beleefdheid probeerde onder de +stoelsporten te steken. Ze dwong hem te drinken. Hij dronk een half +slokje en slikte verkeerd. Ze knikte hem toe, ze wachtte.... + +Daar kwam eene stilte. De stilte druppelde tikkend uit de kast van een +eiken horloge. Julia had hare beenen overeen gekruist en toetste met het +tipje van haar wiegend voetje nijdig en matelijk de losse broekpijp van +Johan Doxa. Johan Doxa zweeg in extase. Toen sprak ze, met een zucht +opnieuw, van het portret, en Johan Doxa, terwijl hij zijne blonde +krullen schudde op zijn nek, en eene toenemende zekerheid den blik van +zijne blauwe cherubijnoogen vastzette in zijn rond-vette aangezicht, zei +nu, al wuivend met zijne korte armen ... eigenlijk zei hij nog in het +geheel niets, maar hij wist wat hij zeggen moest en wuifde met zijn +korte armen. Hij zou zeggen: + +--"Berust hierover op mij, Mevrouw. Ik zal uw portret maken, al moest +het mij, twintig jaren lang, een dagelijkschen arbeid kosten. Het zal +mijn meesterwerk zijn, Mevrouw. Ge zult op het doek in de verf zitten, +zooals in een spiegel. Aan ijver zal het mij niet ontbreken, want uw +beeld verlaat nooit mijne eenzame gedachten en gij zijt de godinne die +oprijst, gelijk een dag vol zonnegoud, over mijn onwaardig hart. Vergeef +me, als ik te lang misbruik maak van uwe gastvrijheid, Mevrouw, maar ik +wenschte u te zeggen wat het beduiden wil, een hart dat bewoond is door +een zondige liefde. Liefde, ik heb het uitgesproken. Wees niet boos. Ik +zal u algauw van mijne rampzalige tegenwoordigheid bevrijden. O! Gij +zijt te wel opgevoed om mij de deur uit te gooien. Ik begrijp u, +Mevrouw. Ik dank u, Mevrouw. Voor mij niet, alsjeblief, nee, dank u wel, +geen drank meer. Met mij hier langer op te houden, keurt gij eene +vermetelheid goed die zich over haar zelve schaamt. Ha! Ik ken mijne +plichten! Ik zal uw portret maken, Mevrouw, tot het uiterste haartje. +Vrees niet. Wat de betaling betreft, kijk er niet naar om, bid ik u. +We zullen dat wel regelen, later, met maandelijksche afkortingen, bij +voorbeeld. Goeden avond." + +Alzoo in zijn binnenste redevoerend was hij opgestaan. Gelijk vlammen +schoten al de woorden door zijn geest voorbij. Dan wilde hij ze +weerhouden, ze op zijn tong brengen, ze vrij in klanken loslaten. Maar +ze waren weg. Een pak lood zat hem in den mond, iets dat hij noch +neerzwelgen noch uitspuwen kon. Een onnoozele glimlach stak twee lieve +putjes in den blos van zijne poezelige bolwangen en hij werd ineens zoo +gelukkig, zoo gelukkig, dat hij er bang van werd. Hij was bang dat die +zaligheid mocht ophouden, of dat ze hem mocht ontstolen worden, en hij +wilde er mee wegvluchten. Hij zei: + +--"Goedenavond ... Goedenavond...." + +En vluchtte inderdaad. + + * * * * * + +Moeder Doxa was niet weinig gelukkig, als ze nu, in zijn zolderkamertje, +haar zoon Johan hoorde zingen van den morgen tot den avond. Hij wilde +haar echter niets van de heerlijke gevallen zijner liefde bekennen. Hij +had aan Julia een langen brief geschreven, waarin hij haar vergeleek met +de hemelsche melkbaan, want haar huid was blank en zilverig, en er +vloeide daaronder eene room zoete klaarte, welk met den gloed van het +roze bloed aan het stralen ging. Hij zond haar, in een keurig pakje, de +kostbare pijp, als een teeken van de verduldige passie, waarmede hij +haar sinds maanden aanbeden en verbijd had. Haar naam praalde op den +steel in een kunstig gewirrel van bonte ringetjes en punten en +droppelkens goud. + +Zoo vervloog de gevleugelde tijd. Johan Doxa zat neuriënd onder het +ledige muitje. Het loodrechte licht viel uit het vierkante dakraam op +het vlakke schilderdoek en de glanzende lokken die, langs Johan's +slapen, al bellend erover hingen. Hij penseelde vlijtig en traag. Het +struische gelaat van Julia kwam, ietwat magerder, op den bruinen +verfgrond te voorschijn. Hij schilderde haar uit het hoofd, legde +parelen om heure haren en licht gebloei daarlangs. Een doorzichtig +keurslijf lag losjes open op haar boezem, en ze hield een dubbele dahlia +in hare rechter hand. Voor haar, op de tafel waar ze statig aanzat, was +het of ze zoetekens over een mandje met allerlei bloemen vingerde. +Bloemen waren overal rond haar,--tulpen en leeljen in waaiervormigen +tuil opgroeiend uit een groote zilveren vaas, rozenranken langs het raam +van 't venster, en een karmijnen koningskroon in een blauwen, +familiairen tabakspot.... Aan den eenen kant zat de ijverige eekhoorn, +aan den anderen de dubbende ekster; maar het sijsje was er niet. Het +gansche portret was een eigenaardige menging van levend licht en doode +herinneringen, tegare gewisseld in een gladde verve van subtielen toon. +Johan Doxa borstelde aandachtig erlangs en eromme, slierde met haarfijne +nauwkeurigheid rond den bleeken dons van het vlezige aangezicht en +tooverde traag een vollen dag in de starende strakheid der glimlachende +oogen. Hij was bovenmatelijk in zijn schik. Het eekhoorntje draaide +binnen den zacht-ronkenden traliemolen. Maar aan Lieven Lazare zei hij +niets van dat alles. Hij hield in dien tijd niet veel van Lieven en +vluchtte zijne strenge redeneeringen. Er bleef van dat acute gepreek bij +Johan Doxa iets over, dat onduidelijk op wroeging leek en naar een +geducht berouw leiden moest. Het docht hem halvelings dat hij, met de +gebaren van zijne vreemde liefde, aldoor zondigde tegen de behagelijke +wetten van God. Lieven Lazare benaderde in slaande bewoordiging deze +zedelijke zwakheid en raadde precies de ongemakkelijke stemming, waar, +binst zulke oogenblikken, zijn vriend Johan gekluisterd zat. Hij liet +niet na hem hierover met goddelijke wreedheid te berispen. + +--"Gij zijt, mijn jongen", sprak hij, "overvallen door de mistige +monsters der tempteering. Ik zie u spartelen tegen de satanische +belegering en uw hart schijnt me toe als een poppelend schuchterheidje, +een angstig asemtje, een gesmoorde kreet.... Zijt ge onkuisch mijn +vriend?" + +Johan Doxa verklaarde haastig dat hij zuiver en gezond was gebleven. Hij +vreesde de sterke waarschuwingen, welke hij in den naam van God en langs +God's eigen woord ontving, en zoo kwam het, dat hij het gloeiend geheim +van zijne blijde gedachten voor zich zelf bewaarde, verborgen en eenzaam +op het lage zolderkamertje, tusschen het vlakke portret, de blauwe +tabakspot, de peinzende ekster en het triptrappende eekhoorntje. + + * * * * * + +Op een avond gebeurde echter een ongemeen geval. Johan Doxa wandelde om +de platte kaaien van de breede vaart. Het was een najaarstijd. Een +druppelende nevel hing over het water en de gele lanteernlichten vlekten +wijdopen op de dichte damplagen. De avond was dik en rot. Rappe menschen +schoven voorbij of een eenzame wagen waggelde gelijk een ruchtbare +schaduw door de grijze massale duisternis. Op de ijzeren brug die naar +de dokken leidt, bleef Johan stille staan. Hij staarde naar de klotsende +vaart waar het roode licht van een signaalbord roerend brokkelde. Een +stille zwarte boot gleed binnen de misten. Men hoorde het verre geronk +en de belrinkeling van een zoevende elektriektram. Johan Doxa dacht, +naar gewoonte, aan zijne heldere toekomst, want hij placht gaarne het +beeld van zijne liefde te verplaatsen in de zonnigheid van een komende +welvaart. Hij zag zeer duidelijk het huisje met de oranje luiken, den +wilden wingerd boven de deur, het zomerlicht op den drempel. Hij zag den +haard met de zoete warmte en den zoeteren vrede. Hij zag Julia. Een +stille boot voer, zwart en water-roerend, onder de brug, en het roode +signaallicht kronkelde langs de schokkende golfjes. Het sloeg negen uren +op den ouden Kathelijne-toren.... Hij kuierde de dokken voorbij, keerde +om naar de Vischmarkt en sloeg een smal steegje in, dat op den hoek van +het Zaterdagsplein uitzicht gaf. Hij had zijne handen in zijne +broekzakken gestoken en ging al fluitend. Op het Zaterdagsplein stond +een driearmige gaslanteern en, juist onder de gele klaarte, een +onbeweeglijke politie-agent. Johan Doxa zag hem pas als hij heel dicht +bij hem genaderd was, want de nevel dikte nu tallenkant zoo zwaar, dat +de straten op vierkante holten leken, waar verwijlde een vette smoor. +Johan blikte even naar den politie-agent op, dewelke, paalrecht onder +zijn opgestoken kapeline, rustig te rooken stond.... + +Maar ineens begon Johan Doxa te loopen, te loopen alsof hem een +schielijk gevaar op de hielen zat. Hij hield niet op vóór hij de +Zes-penningenstraat bereikte. Hij struikelde hijgend tegen het groene +hekje en sukkelde wild-blazend de trap op. De leuning piepte en de +trapberden kraakten. Hij stak op het zolderkamertje eene kaars aan, +die hij op den kant van de tafel plantte en zakte toen op zijne knieën, +geheel dooreen, als een halm door de zeis getroffen. + +De ekster zat niet op haar rustige plaats. Ze vleugelde angstig over de +geel-bruine bedsargie en hare gloeiende oogjes blikkerden buitengewoon. +Ze trachtte met wippende sprongskens en klein gekrijt de aandacht van +haar bedrukten meester naar het spectakel van een leelijke gebeurtenis +te lokken. Johan evenwel lag op het plankier ineengedrongen en drukte in +zwijgende wanhoop zijne ellebogen op zijne knieën, en keek halsstarig +voor zich uit. In den geluidloozen tralietrommel hing het eekhoorntje, +dat dood was gegaan. + + * * * * * + +"Anatole", zei Johan Doxa, terwijl zijn bleeke vriend op den rand van +de ijzeren koets zijne nagels schoon maakte en, daarnaast, de witte +gezichten van Biebuyck en Donkerwolck boven de gele heupen van de viool +en cyther opgeschoten, "ik zeg het u, zoo lange dagen en dagen heb ik +over dat ding te zwoegen gezeten. Hebt ge de lieve madeliefjes gezien, +die ik langs een wiegend thema van blaadjes en knopjes op den steel +geschilderd heb? Gij waart vaak de verwonderde getuige van mijne +verduldigheid. Het groene sijsje zong perelend onder ginds vierkante +zonnelicht. Het eekhoorntje draaide. Ja, mijn vriend, ik heb dat werk +versierd met een warm stuk van mijn innigste gedachtenleven. In den +dikken nevel almeteens pletste het brutale mannengezicht open, gelijk +een vieze vloek. Het was op het Zaterdagplein onder den driearmigen +lantaarn. Hij rookte dus uit mijnen pijp. Vraag mij nooit iets meer +daaromtrent Anatole. Ik heb u immers alles verteld...." + +Anatole vroeg evenwel nog hoelang ze met den politie-agent getrouwd was, +maar Johan wilde geen woord meer reppen. Hij stond leunend tegen het +kleine tafeltje. Zijn blonde krullen hingen verward over zijne ooren en +hij staarde op de vloer, waar de ekster een hoop witte kruimels uiteen +bekte. Anatole zong het liedje van de _Drie Gezellen_, en daarna +een ander nog, van het _Euverzwijn_. De dag was grijs en triestig +en de schaduwsluierde stille langs de muren. + + * * * * * + +Johan Doxa was nu een zeer onrustig mensch geworden. Des nachts sliep +hij niet en over dag liep hij het huis op en af, of drilde gichtig de +Lage Stad omme. Moeder Doxa merkte alweer dadelijk het vreemde verschil +en zij wist geen raad om haar pover kind tot een betere stemming te +brengen. De moedelooze toestand van Johan brak uit in zonderlinge +uitslagen. Hij werd gefolterd door pijnlijke verlangens en zijn +verbeelding was vol met duizelige tafereelen. Terwijl hij slapeloos op +zijn sponde lag, recht uitgestrekt, kwamen de mistige vormen van zijne +gedachten door de lauwte van het kamertje varen. Ze wiegelden in de +lucht zooals wuivende sluiers en ze hadden de kleur van de roomblanke +huid, waaronder zacht-roze vloeit het gloeiende bloed. Ze naderden zijne +heete lippen en hij hijgde ongelijk en de nacht rok zich uit, alsof +nooit de vrije dag zou klaren. + +Anatole vertelde hem van het lichte leven en van de jolige jeugd. Hij +zag, bij elk woord dat zijn listige vriend fijn uitteekende met zijn +naakten mond, het gebaar en de weelde van die ongekende pleizieren, +waaronder vlamt en wappert het dansende vuur van rappe passie. Hij werd +nieuwsgierig, trachtte met oolijke wendingen de verscholen +bijzonderheden te kennen en zijn geest was altijd op zoek, een versch +beeld beloerend dat uit een ongezond toeval van detailleering kon +ontstaan. Hij vluchtte al meer en meer de bezoeken van Lieven Lazare, +die, met orakels en profetieën, zijn opgejaagde hersens in de war hielp, +maar des te gretiger liep hij het bleeke gezelschap van Anatole na. + + * * * * * + +Op een dag werd besloten dat Johan Doxa naar de _Old Curiosity Shop_ de +kameraden Donkerwolck en Biebuyck vergezellen zou. Er was dien avond een +klein concert in de bovenzaal en Johan moest den triangel slaan. Zoo kon +hij alles eens goed aflonken en er zich een eigen oordeel over maken. +Ze gingen met hun drieën. Ze bereikten de bovenzaal langs een klein +diensttrapje en dit was gelukkig, want er zat veel ruchtig volk in de +grootere consommatiekamer en Johan zou nooit de krasse uitroepingen te +boven gekomen zijn, waarmede men daar zijn drollig-vet voorkomen en zijn +zeldzaam aangezicht hadde gegroet. Hij werd tusschen Biebuyck en het +klavier geplaatst en hij keek beteuterd rond. De zaal was zeer helder +verlicht. Groote elektrische klokken hingen tallenkant, gelijk ongemeene +bloemen, te stralen. De wanden waren behangen met een scharlaken +brokaat, dat tegen de zoldering langs gouden festoenen en kleine +empirekransen fronste. Spiegels hingen links en rechts in zilveren +lijsten te klateren. Drie kleine tafels stonden op het karmozijne tapijt +en groote krysanten pronkten er tenden den glimmenden hals van hooge +porseleinen vazen. Een lakei in groene livrei liep in drukte rond, +schikte de satijnen zetels en de sofa's waar rustten, als vlekken zon, +ronde hard-gele kussens. Het was erg warm. Men hoorde, in de +benedenkamer, het geraas van het drinkende volk. Een klein uur +vervloog.... + +Toen werd het teeken gegeven dat de muziek spelen moest. Ze klonk +ongezellig binnen deze ledige kamer en Johan Doxa voelde in zich eene +holle ellende, gelijk een kelder vol triestigheid. Maar de dubbele deur +werd opengeduwd en eenige bejaarde heeren traden binnen. Ze babbelden +ondereen en waren hier thuis. Ze zetten zich in de mooie zetels en de +lakei bracht kaarsen en sigaren en ze begonnen te rooken. Koffie werd +opgediend. Enkele dronken gulden cognac uit fijne hooge glaasjes. Dan +kwamen de dames. + +Ze kwamen langzaam en glimlachend. Hunne stemmen zilverden boven de +muziek heen en hunne blikken blonken dwaas door de geweldige verlichting. +Ze waren in lichte bonte dracht, bespikkeld met de glanzen van duizenden +gesteenten, en hunne armen, hunne amberen schouders, hunne ronde halzen +waren bloot. Hun boezem was beschaduwd door de mauve doezeling van een +rankje bloemen of met een teere sluier gekleurd. Ze groetten en knikten +en de heeren slurpten aandachtig aan de witte randden van de nauwe +kopjes koffie, die krullend opdampte langs hun roode gezichten. + +De lakei stond kaarsrecht, bij de dubbel deur, in heerlijk Veronèse- +groen. + +Het was omtrent dien tijd dat ook de ekster stierf op een morgen van +dien grijzen winter. Johan Doxa lag op zijn bed en zag in de rijzende +ochtendklaarte hoe zij al meteens te vleugelen begon. Ze klampte zich +ongedurig vast aan de gladde randen van den blauwen tabakspot, zakte +plots ineen, stortte voorover en rolde op haar rug. Nog bibberden hare +pootjes. Ze rok een laatste maal hare keel uit, over het berd van de +tafel, en roerde daarna niet meer. + +Johan stond in zijn hemd bij de tafel. De ekster bekeek hem met hare +scherpe oogen en het was of ze, in haar uiterste vuur, zeggen wou: +"Kerel! Kerel! wat ga-je nu doen zonder mij?" Ze stierf. + +Het zolderkamertje werd hem sindsdien een duisterheid zonder genade. +Hij kon er niet meer zitten, zooals eertijds, want, al had hij ze ook +weggegooid, daar hingen altijd het vogelmuitje en de tralietrommel en +daar zat, op zijn blauwen buik, de glanzende tabakspot. Hij sprak +hierover met de goede moeder Doxa, achter de toog van het vunzige +poppenwinkeltje, en, de volgende week, verhuisde hij. Hij betrok een +kleine kamer onder het dak, in het oude huis van de Papenveste en +schikte er zijn ijzeren bed en zijn verschilligen schildersboedel. + + * * * * * + +Het was daar een raar leventje. Straatvloers woonde de herbergier, op +de eerste verdieping huisde Julia met haren nieuwen echtgenoot, op de +tweede lawaaide de weduwe Sikkel, met hare negen kinderen, en hooger op, +onder de pannen, nestte Johan Doxa, geheel alleen. Deze verandering van +midden was hem zeer voordeelig. Hij werd rustiger, stilde in zijn +hersens de ziekelijke opgejaagdheid, die er eene monsterachtige +verbeelding voedde, en hernam zijn ronde palet. Allengerhand begon hij +klaar te zien in de troebele gronden van zijn hart en hij geraakte tot +een helder zicht van zijne liefde. Hij legde dit uit in een kort gesprek +met Anatole: + +--"Alles om mij", zei hij, "bezakt en bedaart. Begrijp goed, mijn +vriend, dat ik een ben, die de geschoren stoppelhaartjes van een baard +te tellen pleeg. Hoe heeft me die spijtige gebeurtenis beroerd en +gekoterd, ach! Stel u dat onweder voor. Nu is de roes gezonken. Ik kan +weer schilderen. Ik bemin Julia meer dan ooit, maar nu weet ik precies +hoe vurig en hoe lang. Ik ben nu ook veel gelukkiger. Wel ja! wat +glimlacht ge? Ik ga langzaam de trap op en af, en soms hoort ze mij, +en ze trekt haar deurtje open en ze knikt liefelijk of zegt met +onuitsprekelijke innigheid: "Hoe vaart ge, mijnheer Doxa?" Andermaal +ontmoet ik haar beneden, in den gang vóór de herbergzaal. Ze loopt me +nooit onbeleefd voorbij, zooals zij wel het recht zou hebben te doen, +zal u toch dunken. Zij komt ook aleens op mijn kamertje en zij wil mijne +schilderijen goed vinden. Ik werk veel om haar wat te kunnen toonen; +maar ik verkoop ongaarne, wat zij met hare lieve oogen heeft opgemerkt. +Zij zet mij nochtans tot verkoop aan, en ik kan haar niets weigeren. +Zij is, sinds haar huwelijk, zeer arm. Ik ben blij dat ik haar soms een +beetje helpen kan al is zij ook daarom uitermate verlegen. Zoo leven +wij, mijn beste jongen. Och ja! En de man, de politieagent, die is +insgelijks vrij aardig. Wij zijn goede kennissen en gaan reeds op een +vriendschappelijken voet om met mekaar. Wij drinken bij gelegenheid een +half-en-half bij den herbergier beneden. + +"Hij houdt veel van duiven, en hij doet mee aan prijskampen. Ik heb hem +dees gedeelte van mijne kamer afgestaan en, zie maar, hij heeft er een +groot duivenkot opgetimmerd dat met een witten kijker uitzicht geeft +op het dak. Wat kan het mij schelen? Ik doe dien mensch pleizier. 's +Morgens, al heel vroeg, terwijl ik nog te bed lig, komt hij de duiven +eten brengen. Ik laat mijn deur maar open en hij kan gemakkelijk binnen. +Hij kruipt op een stoel, ontgrendelt het kot en spreekt zachtaardig de +zoete beesten aan. Gaarne hoor ik de maïskorrels dansen op de houten +berden en de duiven aroetekoeën van genot. Daarna kan ik somwijlen weer +wat inslapen. Alleen de reuk hindert me.... Ja, inderdaad, mijn waarde +vriend, dat is hinderlijk. Het komt bij wijlen met vieze walmen omlaag. +Kijk! dan zet ik het venster open en loop een uurtje langs de dokken, en +'k zie nog het snoezig lachje van Julia in het deurgat, gelijk een vol +gestreel van de zomerzon. Haar man heet Firmien. Ik ben nu aan een doek +bezig dat ik voor hem bestem: het verbeeldt, in een krans van +voorjaarsbloemen, het liefdegedoe van twee aschblauwe rasduiven. Ik moet +zijne twee bestvliegers uitschilderen, zegt hij. Dat zal ik doen. Hij +wil het schilderij laten in een kostelijken lijst ophangen boven zijn +bed, en daar past het waarlijk voor. En zoo, Anatole jongen, komt de +trage vriendschap de onstuimigheid van tijdelijk misbaar vereffenen, zoo +loopt, al spelend, het zangerige beekwater de ruige keien glad. Des +Zaterdaags ga ik met Firmien in de Halve Maan een paar uren kaarten. Ik +ben hem dankbaar. Hij doet het voor mij, zegt hij, want hij zelf heeft +altijd het noodige geld niet op zak om de verloren pinten te betalen. +Men tapt in de Halve Maan een uitmuntend bier. Vooral de geuze is +lekker, maar ge moet hem aan de ton bestellen en hem stille drinken. Hij +perelt gelijk een julimorgen en hij vloeit zooals het licht van de maan, +wanneer het, bij diep-blauwen najaarsnacht, lui en weelderig uit de +violetten hemelvaten neerspoelt,--lui, en weelderig, en geluideloos." + + * * * * * + +Johan Doxa zou het nooit over zijn hart krijgen om kinderen onzacht te +behandelen. Hij leefde in groote kameraadschap met de negen kinderen van +mevrouw Sikkel. Mevrouw Sikkel zond hem de lieve bende--met uitzondering +van de drie oudsten die school gingen--telkens als ze buiten huis op +boodschap moest uitloopen. Dit had ze ook nu, binst dezen mooien +Lentenanoen, gedaan en, om de gewone dienstwilligheid van Johan niet te +misbruiken of te belasten, had ze het kleinste bengeltje medegenomen. + +De kinderen lawaaiden binnen het gekalkte kamertje en ze werden wilder +naarmate ze merkten dat Johan vrede ermee had. Ze zetten de stoelen +opeen, klauterden op de tafel, verfden mannekens op den muur en speelden +paardje op de buis van den kachel. En paar hadden voorgenomen om in het +duivenkot te kruipen, maar dit werd streng verboden. Ze hadden de kast +opengetrokken en kleedden zich aan met hemden en vesten. Ze maakten een +heerlijke pret en Johan Doxa glimlachte genoeglijk bij die leute van het +rumoerig volkje. Hij liet de heimelijke pagadders, alsof hij 't niet +merkte, aan zijne broekpijpen snokken. Hij speelde eindelijk zelf mee, +zat, op zijne knieën naar de kleinen te grabbelen en lengde zich soms +plat uit op zijn buik. De snoezige lievertjes sprongen op zijn rug, +knepen in zijne billen, trokken met zijn haar, vielen hem al tegelijk +aan en begonnen te stampen en te vuisten. Hij richtte zich moe en +zweetend op ten halve en wreef, dwaaslachend, over de roode vlekken, +welke in zijn gelaat waren geschart. Een jongetje liet een verfpot +omvallen en streek de roode kleur met een kleerborstel open. Een ander +knipte met een beroeste schaar in een fluweelen borstdoek, en had zich, +om tot dit aandachtig bedrijf gemakkelijk te zitten, op het hoofdkussen +van het bed gezet. De zon stortte door het dubbele dakvenster en de +duiven, achter de riekende berden, troetelden vertrouwelijk. Toen werd +de deur ruw opengestoken en Julia stoof rokwaaiend binnen, zoodat het +luttel kindergepeupel versteend bleef in vreezachtige roerloosheid en +Johan, als verslagen, daar onbeweeglijk zich te schamen lag. Hij sprong +dan recht en Julia viel schreiend in zijne armen.--"O Johan! mijn lieve +Johan!" + +Het was een roerend schouwspel en Johan, die alle bewustzijn verloor, +streelde met zijne bevende vingeren over haar hoofd en op hare +schouders. Pas na een dikke stonde begreep hij uit de stootende woorden +van de hopelooze Julia dat de politieagent schielijk op straat aan +beroerte gestorven was. Hij begon stille te weenen en zijn hart was zeer +aangedaan. + + * * * * * + +De dagen, die hierop volgden, slierden langs een grijze reke voorbij en +Johan Doxa herkende zijn eigen niet. Hij zat op zijn kamertje te dubben +en zijn ongemak bleef duren. Hij at niet, telde de morgens en de avonden +niet en de nachten vervulden zijn geest met beelden van onredelijke +verschrikking. Lieven Lazare kwam hem opzoeken, sprak hem van de +goddelijke inzichten, die hem hadden tot een vod van schande gemaakt. + +--"God heeft mij den weg gewezen naar uw sponde, Johan" zei hij. "Ik heb +gevoeld dat ik u vinden zou in onzeggelijke vertwijfeling en daar ligt +ge nu--een wrak van zielloos vleesch op de baren van uw opgebiechte +zinnelijkheid. O mensch, ik herhaal en ik herhaal het u: eene kwaal van +helschen oorsprong bijt u, gelijk een kanker, aan het hart. Raad ik het +niet? Maar neen, de ingevingen van den Eersten Persoon, welke mij op dit +oogenblik bezielen zijn onbedrieglijk en gij moogt niet langer weigeren +uwe zonden te biechten. Red u, als er nog tijd toe is." + +Het bleek genoeg uit de koppige stilzwijgendheid van Johan, dat hij alle +poging tot redding opgegeven had. Op een schoonen dag van het voorjaar +werd het huwelijk van Johan en Julia in de kleine Kathelijnekerk door +een korten priester gezegend. Ze kwamen op het zolderkamertje inwonen en +sleten er een gemengd leven van geluk en trage treurigheid. Johan ging +alle nanoenen slenteren langs de hooge stad, gejaagd drillend door de +straten van de Kappellewijk of opkruipend naar de steile gangen van het +massale Gerechtshof. Zijn haar wippelde haast ongekamd over zijne ooren +en zijne broek slodderde op zijne kuiten. Hij luisterde naar de piepende +muziek der draaiorgels en tuurde naar de doening van kinderen en honden +en citroenwijven. Hij had willen een schilderij maken vol met engels en +heiligen en hij peinsde dikwijls op de rijke borduursels welke hij met +goud en edelsteenen zinnens was heel ommendom de bonte fluweelen mantels +te versieren. Maar hij nam zijne ronde palet niet meer op. Hij liep de +Hooge Stad rond en daalde daarna naar de Priemstraat. Zoo volgde hij de +zware bierwagens, die er op en neer daverden, en hij deed, voor de +welriekende herbergen, de ledige tonnen klinken, aandachtig het uiterste +bier opvangend in een rood-bekleurd tomatendoosje, hetwelk hij op al +zijne wandelingen binnen zijn diepen vestzak mededroeg. + + + * * * * * + + +II + +JOHAN DOXA + +LICHTMIS + + +Het leven van Johan Doxa was zeer ellendig geworden, maar hij beleed het +met prijzenswaardige langmoedigheid en kinderlijken eenvoud. Julia zijne +vrouw, welke hij eerst zoo verduldig had liefgekregen, begon hij stilaan +te eerbiedigen. Het ontzaglijke karakter van Julia was daaraan niet +vreemd. Zij handhaafde hare autoriteit met een vreeselijk geweld en haar +mond was telkens vol schrikkelijke woorden. Nooit kwam oproerlust in het +langzame hart van Johan Doxa zwellen. Hij herkende de oppermacht van +zijne vrouw en verdroeg zoetekens hare aanvallen. Zoo verdraagt het +goede riet de ruzie van den stormenden wind.... + +Maar alopeens--in 't putje van den winter--werd Julia ziek. Zij had, na +den zomer, een korte valling opgedaan en de vele drankmiddeltjes, +geleerde pillen en geheimzinnige baaibaden, die zij te gelijk of +overhand gebruikte, brachten haar geen beternis. Met Februari moest ze +te bed blijven liggen en het uitzicht van de kamer veranderde meteen. + +Het deed Johan Doxa zeer aan, hoewel zijne vrouw door hare ziekte in +geen deele belet werd lucht te geven aan haar krakeelzuchtig gemoed. +Integendeel, zij was daarbij heviger en scherper dan vroeger, en Johan, +haar dikke man, zat dikwijls haar aan te kijken, zonder luisteren, +idioot van dubben of zeggend in zijn benauwd binnenste:--Zij is krank. +Zij moet doorgaan. Zij kan 't niet gebeteren.... En misschien heb ik +ongelijk ook?!.. + +Als het te hevig werd en de kinderen van Mevrouw Sikkel, op het andere +verdiep, meehuilden in koor, drumde Johan Doxa de kamer uit en zakte +stillekens de trappen af, de straten door, langs de Hooge Stad, op den +dool tonneklinkend. + + * * * * * + +Den Zondag van Half-Vasten kwam Anatole aan bij Johan Doxa, even na +noenstond, Anatole was de tapper van _The Old Curiosity Shop_, de +nachtbar der Bisschopstraat. Hij vond zijn vriend Doxa aan de sponde +van de gillende Julia, dewelke, seffens bij Anatole's inkomst met +aandoenlijke wanhoop te snikken begon. + +--"Kijk aan!" kreet ze, "kijk aan den vadsigen leeglooper! Hij vindt dat +ik niet gauw genoeg dood ben!... Hij wil een handje toesteken!... (tot +Doxa) Wat zegt ge?... Wat zegt ge?... Overdreven? (tot Anatole) Ge hoort +het zelf: De woestaard zal staande houden dat ik overdrijf! Nee! dat +springt de gaten uit! Hoor hem aan, Mijnheer, hoor hem aan, om de liefde +Gods!... (poos tot Doxa) wien heb ik van morgen om lijzemeel gestuurd en +wie is met een pakje macaroni teruggekomen?... (tot Anatole) 'k moet +lijzemeel pap onder mijn ribben leggen, Mijnheer, van den doctor ... +(tot Doxa) wien heb ik klokslag tien om een rolmops gesmeekt (tot +Anatole) voor mijn flauwe maag, Mijnheer! (tot Doxa) en wie is na +twaalven, weergekeerd met een platgezeten bloedpens en 'n gezicht van 'n +dulle hoornblazer?... Of denkt gij soms dat ik genezen kan bij 't eenige +spektakel van de walgelijke farokampernoelieën die uw gezicht paleeren? +(klagend) Mijnheer Anatole, bezie mijne armen, bezie mij, Mijnheer, ik +ben de schim van mezelve niet meer. Ik teer puur weg. Ik heb me +afgewerkt voor dien zatbalg daar! En nu, nu steekt hij een handje toe, +Mijnheer Anatole, om er mij wat rapper in te krijgen ... in den put ... +in den put." + +Ze ging achterover wegzakken, in zachter gekerm, maar hief zich ineens +recht op hare puntige ellebogen, en kreet het heesch uit in 't +verbijsterd gelaat van den zwijgenden Doxa:--"Wat? Wat zegt ge weer? +Dat het niet waar is? Dat ik lieg? Zegt hij dat ik lieg, Mijnheer +Anatole?..." + +Het scheen dat ze al hare krachten inspande om in eene uiterste poging +de mate van hare verontwaardiging te geven. Ze greep waarlijk met hare +tien nagels naar de rood-ronde tronie van den stillen beuzelaar. + +--"Hier uit", riep ze, "hier uit!... Ne sjanfoetter, dat zijt ge, 'ne +wijvenbeul en 'ne sjanfoetter!..." + +Daar ze nu, wezenlijk uitgeput, in de kussens thoopeviel, slierde Johan +Doxa zoetekens de deur uit en schikte Anatole de blauwe sargie tot onder +hare bevende kin. Ze had hare oogen gesloten. Hare lippen trilden nog en +hare neusvleugels roerden even. Anatole hoorde het harde getik van den +koperen wekker die, op de schouw, met hardnekkige onverschilligheid de +zonderlinge kamerstilte verried. + + * * * * * + +Op straat vond Anatole den rustigen Johan Doxa, die, zijn neus +platduwend tegen de vensterruit van den fruitwinkel, met vlijtige +aandacht de grauwe hobbels van een paar slabeten gadesloeg. Hij stak +zijne hand onder Johan's arm en zij gingen langzaam in den mistigen +vesperdag. Zij gingen alzoo een half-uur lang, zonder spreken. +Gemaskeerde kindergroepjes liepen dansend hen voorbij. Verder, in +naburige straten, hoorden zij het aanzettend carnavalgejoel en zij zagen +schoone kleuren bewegen.--Ze trokken "het Zwaantje" binnen en bestelden +een glas lambik. + +--"Sec!" zei Anatole. + +En dan alweer zwegen ze. De schuimende pinten stonden in het langblauwe +daglicht te klaren met stil-gouden gloed. Een lange man kwam rechtover +hen zitten. Hij was in een bedlaken gewonden en een scheef mombakkes +grinnikte roerloos op zijn kop. Hij had roode kousen over zijne handen +getrokken, en die lagen, vol geheimzinnige kracht, op de tafel. Men kon +geen oogen zien binnen de holten van het grijnzende mombakkes. Johan +Doxa, eer hij zijn glas vastgreep, vroeg beteuterd: + +--"Anatole, hebt ge geld?" + +Anatole knikte en zij dronken allebei. Drie vrouwen in manspak gingen +zonder veel gerucht in den versten hoek der herberg zitten. Een zwart +hondje kwam, tusschen Doxa's voeten, een handsvol garnaalsteertjes +oplikken en keek toen op, in korte verwachting. Na een tijdje drong een +dansende groep bonte jongelingen alover den engen drempel rond den toog. +De bazin had het seffens heel druk en de baas, die groot en rood was, +kwam al kouwend in het deurgat van de keuken staan, om ontzag in te +boezemen. Dat jong gedoe deed zeer vroolijk, intrigeerde iedereen op +goed val het uit, in hoog stemgegichel. Een blauw clownmeisje ging +buigen over het peinzend hoofd van Johan Doxa en vroeg: + +--"A wel! wat hei-je met uw peterselie gedaan, kalfskop?" + +Johan Doxa, geheel weg met zijne vage gedachten, antwoordde goedig, +onnoozel: + +--"Nikske...." + +En hij bezag Anatole al blozend. Toen sprak Anatole, stil in 't algemeen +gedruisch: + +--"Julia sliep, als ik de kamer verliet, weet ge...." + +Johan Doxa deed tweemaal zijn hoofd op en neder gaan. En heel natuurlijk +herbegonnen zij te zwijgen, daarbinst rechtstaande, alle twee te gelijk, +om weg te gaan. + +Ze liepen de Camuselstraat geheel door en dronken faro in _'t Wit Paard_ +bij Susse van Maries, op 't hoekje der Anneessensplaats. Van daar zagen +zij het dikke gewoel op de Henegouwlaan, de schuivende pakken van +menschen, door mekaar indringend en werkend, in traag beweeg, gelijk +dwarse zeegolven. Lachende gezichten, opene monden, grijpende handen, +'t krioelde klaar op in de donkerte van grauwe jassen en wintermouwen. +En de lichte confetti stoof op bij scheuten, in waaiers van licht of +wolkjes van lichte kleuren. Een zeldzaam geraas steeg uit die duwing +van lijven, en Johan Doxa wist soms niet of 't wel vreugde was en geen +akelig en ver geklaag van gewonde dieren, die vol nuttelooze driften +zijn.... De schenkmeid kwam midden in de herberg op een stoel staan en +stak de porseleinen bloemen van den kroonluchter aan. De herberg was +geel en de dag op de vensterruiten werd scherpblauw, violetblauw. Men +kreeg een gevoel van droeven avond. De glazen klonken over den toog en +rond de aanhoudende bierbestellingen. Een oud vrouwtje probeerde eene +groote mand met eieren, krabben en amandels van groep tot groep tegen de +tafels uit te steken. Twee zware jongens nagelden over den buik van een +mandolien en zongen italiaansche liedjes. Ze zongen er drie en kwamend +dan centen rondhalen in paarlemoeren schelpen. + +--"'t zijn Italianers, geloof ik." zei Johan Doxa suf. + +Hij zocht lang in al zijne zakken, naar een half stuivertje, dat hij +zeker bezat, zeker, zoo zeker dat als twee en twee.... Anatole sprak: + +--"Luister 'ne keer. Wat is dat nu met uwe vrouw? Is ze ziek of wat is +'t?" + +--"Ze heeft u daar nogal uitgescholden!" + +--"Nog al ... nog al...." + +--"Zeg eens ... en is dat waar, van die macaronie en die ... die...." + +--"Bloedpens." + +--"Hein?" + +Ze vertrokken. Ze gingen de wijk van Onze-Lieve-Vrouw-te-Rooje af en +dronken in de kroegen, de taveernen en de kavitjes. De verschillige +geluiden der lage stad sprongen gelijk ledige vaten rond hen. Johan Doxa +en Anatole waren afgezonderd van 't algemeen plezier en hunnen armen +hingen zwaar aan hunnen schouders. Ze bleven een poosje 't geweldig +bedrijf nagapen van een schoonen arlekijnen societeit, die, met volle +fanfaren, de straten opdreunde. Kinderen droegen rieten waaraan papieren +lantaretjes te wiegelen hingen. De veelkleurige lichtjes stippelden +aardig in den vroegen avond. Ergens ontmoetten ze, plots eenzaam, een +blinden grijsaard, die zijn hond verloren had en woest-mompelend langs +de gevels voortsukkelde. Ze waren hem al lang voorbij, als Johan Doxa +ineens staan bleef en, met een dwazen glimlach: + +--"Nu vind ik het half stuivertje", zei hij. + +Hij was er geheel blij om en hief het in de klaarte van een gaslantaren +op. Hij voegde erbij: + +--"Ik wist wel dat ik het had. 'k Had het dezen morgen in de kerk langs +mijn broekpijp die gescheurd is laten vallen, 'k Had het opgeraapt, ge +ziet het nu zelf Anatole!..." + +Een kleine nietdeug, met een mombakkes gelijk een doodshoofd, riep +achter hem: + +--"Loërik!" + + * * * * * + +Anatole sprak: + +--"'k En wil 't niet zeggen om u te treiteren Johan, maar ge zoudt toch +wat meer koeragie moeten hebben bij uwe vrouw. Ge hebt daaral niet veel +te protocollen, naar ik zie, en dat is een ongeluk voor u en voor haar. +Alles goed bekeken. Ge zijt een vijg, jongen, ge zijt een slappe vijg +... 'k zeg het in alle eere, om u niet te krenken ... kortom, een vijg." + +Johan Doxa sprak: + +--"Vermits gij het zegt ... vermits gij het zegt ... denkt ge waarlijk?" + +Hij herzette zich op de smalle herbergbank en verschoof zijn ledige +pint. Hij plante zijne voorarmen op de tafel, in de geluidlooze +kussetjes van zijne ellebogen. + +--"Anatole," zei hij, "daar is kans voor, 'k en zeg niet neen. Maar 'k +zal u iet zeggen. Ge zijt een goede vriend van me. Mijnheer Lazare is +ook een goede vriend. Kent ge Mijnheer Lazare? Hij is een uitsluitelijke +en strenge hoogpriester van Jesus-Christus. Hij geeselt mij met de +woorden van God. Gij bekoort mij met de lieftaligheid van dees driftig +leven. Gij straft mij met mijne kleine gebreken. Nu wil ik u iet zeggen. +Wat zijn wij? Wij, met ons beide die hier aan het zuipen zitten, en die +andere rond ons, dewelke vroolijk zijn. Wat zijn wij al te gare? Bekijk +de sterren en hunne onverbiddelijke harmonie. Hoe grootsch! Bekijk de +ordonnantie van onze aarde, de loop der seizoenen, het evenwicht van +lucht en grond en wateren, de voortdurigheid van al die wondere +rythmen.... Hoe grootsch! Is het niet waar? Denk daar een oogenblik aan +terwijl ge hier zit met mij. En bekijk dan het bedrijf van alle levende +dieren: de leeuw die zijne prooi zoekt, het lam dat graast, de arend die +jaagt op buit, de duif die cirkelt boven de vredige huizen, de visschen +die ondereen zoo aardig doen (ik spreek van den snoek, die alles doodt, +en van het roodvischje, dat prachtig in den helderen bokaal +rondzwemmelt), de vlinders en de lieve goudvliegkens, de spinnekop die +biddend loert binnen de raderen van haar verraderlijk net en daarbij, +Anatole, het onzichtbaar gepeupel: de beestjes die ziekten brengen en +de beestjes die ziekten afweeren ... bekijk dat ook alles eens met +aandacht.... En dan zegt gij: er zijn er zus en er zijn er zoo, en dus +is leven een groote strijd van krachten. De maan, die draait rond de +aarde, medegesleurd door haar, heeft tegelijk op haar een vertragende +werking, dat is strijd. De wateren die in hitte tot dampwolken opvliegen +en door kilte weer tot wateren vallen, dat is strijd, Anatole. De dieren +die vechten. De menschen die vechten. De menschen die vechten in passies +van allerhande aard. De menschen die sterk zijn, en de menschen die zwak +zijn. De menschen die verstandig zijn en de menschen die dom zijn. De +menschen die deugdelijk zijn en de menschen die geen zedenwetten +kennen.... Och! Och! is dat geen strijd, Anatole? En strijd is het leven +zelf. En strijd is de mirakelachtige harmonie. En strijd is waarachtig +de wet van God, Anatole. Ik ben een soort vrak, en gij zijt een soort +lusteling, en Lazare is een soort hyper-asceet. Wij zijn alle drie +noodzakelijke elementen en onze werking reikt mede tot de +standvastigheid van God's harmonie. En het moet zoo altijd zijn en +hergebeuren, want wij zijn alzoo de eeuwigheid van God's wet." + +Anatole had gedronken en sprak nuchter: + +--"En de socialisten?" + +Maar Johan Doxa wedervoer met geduld: + +--"Wij moeten ons schikken in ons lot en de plichten vervullen van onzen +aard. Wij mogen niet, hm! hm!... wij mogen niet lui zijn in onzen aard. +Wij moeten vol ijver zijn, want onze aard is een gebod dat wij vlijtig +moeten leven. Gij blaast gedurig tabak in mijn gezicht, Anatole. Neen, +steek uwe pijp daarom niet onder de tafel. Maar ik ben, geloof ik, +duister en vervelend, en gij volgt niet rap mijne gedachten. Ik wil u +iet zeggen. Ik--gij beziet mij en ge kent mij, Anatole--ik ben een +sukkel in uwe oogen en een lasteraar in de oogen van Lazare. Ik ben +inderdaad waarlijk een sukkel en een lasteraar. Zoude ik moeten een +groot artiest zijn, of zoude ik moeten een heilige zijn, of zoude ik +moeten een tapper zijn? Ik loop het loopje van een natuurlijk en +noodwendig leven. Ik ben wat ik ben, zooals, naar ik meen, een halm geen +eik is en een mier geen prijsmerrie. De blijdschappen die mij te beurt +vallen zijn de bloemen van mijn aard. Maar, Anatole, vermits ik sterven +zal zonder glorie en zonder zaligheid, ook de spijt over een zoo droeve +dood is een bloem, een zeldzame bloem van mijn aard, Anatole.... En ik +blijf dien spijt getrouw." + + * * * * * + +Ze hadden rond tien ure een groot getal herbergen bezocht. Ze stonden op +de Oude Graanmarkt. De Vlaamsche Steenweg was een krioeling van vierende +menschen. Geel en wit-blauw licht spetterde uit de vensters op het bonte +gewoel. Johan keek op naar den schoonen kerktoren die in een hoek van +het Kathelijneplein massaal en duister rees boven het licht der huizen. +Hij zag ginder hooge, den grauwen winterhemel, en hij voelde wonderlijk +de oneindige wijdte. Zijn hart ging open, vol van liefde. + +--"Nu begin ik plezant te worden," zei Anatole. En om zijne woorden +kracht bij te zetten, ging hij al fluitend aan het dansen. Johan Doxa +had groote goesting om te weenen. Hij kuchte eens en glimlachte +zachtjes: + +--"Wel, ge danst gij niet slecht, Anatole!" + +Anatole nam Doxa bij de ellebogen en schokte hem op maat van het +deuntje. Dan, haast buiten adem, riep hij: + +--"Kerel, we gaan ons maskeeren!" En ze trokken naar de _Old Curiosity +Shop_ van de Bisschopstraat, klauterden den diensttrap op en onder het +zolderdak, begonnen eene lollige vermomming. Anatole bracht de +zonderlingste kleedingstukken uit laden en kassen voor. Al bargoed, +vergeten, verloren, gestolen of in pand gelaten. + +Johan Doxa stond voor een gebarsten spiegel tusschen twee +wippelvlammende eindjes kaars. + +Hij moest zijn broek uittrekken en hij deed het gewillig, zonder denken. +Anatole zocht voor hem eene schoone maskeradebroek. Het was de +verslenste broek van de eene of de andere barmeid, fijn-linnen broek, +geheel behangen met kanten en strikken, wit was de kant en vieux-rose de +linten. Johan Doxa deed zeer angstig in die broek. Zij viel in dicht +geplooi en rijke lobben tot over zijne knieën en liet dikke braaien vrij +die opbulten boven de lompe schoenen. Anatole bezorgde witte koussen en +eischte dat, om het algemeen effekt niet te breken, Johan Doxa lage +espadrillen aantrekken zou. Deze weelderige kleedij voltooide hij met +een kelner-pitalairken, dat ongelukkiglijk te nauw was en, gelijk een +licht vleugelpaar, aan Johan's schouders hing te bengelen. + +--"'t Is wel alzoo," zei hij achteruit-wijkend, "nu uw kop!" + +Hij spande een kleine venstergordijn rond het hoofd van den braven Doxa +en bekroonde zijn werk met een ietwat inzakkende gibus. Hij zei, +weltevreden: + +--"Niemand zal u herkennen, jongen. Ge zijt een heel ander mensch, +waarlijk! maar deze gele handschoenen moet ge aantrekken, en hier is een +pompadoer-waaiertje dat ge aan een knoopje van uw habijt moet hangen.... +Zoo-oo ... all right! kijk u eens in den spiegel aan!" + +En Johan Doxa keek zijn eigen in den spiegel aan en hij wist niet aan +welk oordeel hij zich zou houden.... + +Anatole was gauw klaar. Hij gespte een paar bleeke rokken rond zijn +leen, paste, gelijk 't behoort, een groen jakje over zijne opgevulde +borst, zette een prachtigen hoed met pluimen zoo goed als het kon vast +op zijn kop en hing errond eene dichte voilette. Hij droeg, ter +volmaking van die vrouwelijke staatsie, een rood satijnen zonnescherm en +schoeide, gelijk Johan, zijne groote handen. Zoo kwamen zij op straat. + +Geweldig was 't lawaai en de drang op de Anspachlaan. De electrische +lampen klaterden over al die hoofden. De confetti sproeide uit, kleurig +en blikkerend. + +--"We moeten ons goed houden," zei Anatole, "en malkander niet kwijt +geraken. We gaan naar 't bal." + +Hij kocht in den Grand Bazar een heel klein trommeltje, dat hij op +Johan's buik met een rood touwtje hing en een rotelaar dien hij zelf den +weg door hanteerde. Johan Doxa leunde op den arm van Anatole. Hij kreeg +het tamelijk warm onder de nauwe venstergordijn en zijne armen spanden +in de te korte mouwen van zijn frak. Zijne voeten en zijne beenen waren +vrij koud geworden. Eens dacht hij aan Julia. Hij dacht: + +--"Ze is koleirig.... En ik zal geen blijde intrede hebben...." + +Maar hij ging mede met Anatole, zonder wil gelijk zonder aarzeling. Hij +was bereid om veel pleizier te hebben, zooals een leeg vat bereid is om +'t zij eender wat te ontvangen. Hij had geen begeerten, hoewel hij in +vage verwachting verkeerde. Hij was noch gretig, noch gejaagd, hij was +moe, moe.... En toch verwachte hij geen rust. + + * * * * * + +De danszaal van de Hoogstraat was schitterend van licht. Het licht +schetterde uit de vier kristallen kroonluchters en smeet uiteen in +de groote spiegels der wanden of over het goud van de ramen, de +deurlijsten, de pilaren, de zoldering. Het goud blonk voornaam. +De breede spiegels schitterden brutaal en overdadig. + +Het volk was los, woest, ontzagelijk. Men schreeuwde. Men danste. Men +sprong wild. En Anatole zei: + +--"Let nu goed op. Hier is de volle plezantigheid. Hein, wat zegt ge? +Verdekke, jongen, hier gaan we ons hart eens ophalen, nie-waar?" + +Hij kittelde Doxa eventjes onder de hoksels en hernam: + +--"We moeten, elk van onzen kant, een toertje doen rond de zaal, gij +een toertje rechts, en ik een toertje links zoodat we op deze plaats +terugkeeren en malkander weer ontmoeten. We geven malkander rendez-vous +op deze plaats. Luister wel. Gij van uwen kant zult onderweg een liefje +krijgen, en ik, van mijnen kant, ook. Alzoo zijn wij rap, elk van onzen +kant, geriefd. Allo! zie dat ge de schoonste uitkiest!..." + +Anatole ging seffens een blijden gang. Toen voelde Johan Doxa zijne +groote eenzaamheid. Toen, verlaten in deze vreugde als in eene woestijn, +voelde hij zich alleen zijn, moederziel alleen. Hij was nutteloos. Hij +bestond zonder reden. Hij veroorzaakte niets en was van niets een +oorzaak. Hij mompelde, zijn eigen aanstarend in gepeinzen, kindsch: + +--"Is de dood iets?..." + +Hij zoude zich gewaand hebben iets te zijn. + +Johan Doxa deed een toertje rond de zaal. De dansers riepen hem aan, +daar hij zoetekens omwandelde in zijn zonderling pak en zijn trommelken +onnoozel vasthield in beide handen. Maar hij trof geen liefje dat hij +scheeren kon. + +--"'t Is gemakkelijk te zeggen," dacht hij, "ze zijn hier wel een hoop, +maar 't is precies uit den hoop dat ik ze moet uithalen." + +Anatole nochtans had er een uitgehaald. Hij sprak in verbazing: + +--"Niks? Hoe is dat Gods mogelijk Johan! Ge ziet er flink uit en ge hebt +handschoenen aan. Als ge zoo voortgaat zult ge fataal eindigen met u te +vervelen." + +Hij besloot zich zelf op te offeren om een zoo jammerlijke uitkomst te +vermijden en stond zijne aanwinst gewillig aan Johan Doxa af. Hij +verdween in het licht, en de deerne zei: + +--"A wel, Mijnheer, waarmee is 't, dat ge trakteert? Of wilt ge ne keer +dansen?" + +Neen, Johan Doxa zou liefst niet dansen. Trakteeren, ja, dat zou hij. +Hij liet zich naar de drinkzaal meetronen en zette zich in een hoekje, +waar hij rustig een flesch geuze bestelde. Hij bleef een langen tijd +zonder denken. Het meisje zei: + +--"Dat moet warm zijn, Menheer, die store op uw gezicht." + +--"Ja," knikte hij dwaas. + +--"Leg hem dan maar af. Ge moet u voor mij niet geneeren. Ik heb al van +alles gezien." + +Hij vouwde langzaam de gordijn op onder zijn hoed en wees zijn goedig +gelaat. Hij glimlachte, naar gewoonte. Het meisje praatte gezellig en, +ofschoon hij niet veel antwoordde, hield zij moedig het gesprek aan. Hij +hoorde haar praten. Hij hoorde ook het roezemoezende balgerucht. Hij +hoorde de muziek, die hem bestoven voorkwam. Hij hoorde klaarder het +gerinkel van een tamboerijn met belletjes.... + +Nadat hij de derde flesch geuze besteld had, viel hem plots in dat hij +geen geld had. Dadelijk bekoelde echter het zweet, dat hem op het +voorhoofd uitgebroken was als hij bedacht dat Anatole gauw aan zou +komen. Waar bleef toch Anatole? Om tijd te winnen bestelde en dronk +Johan Doxa nog vier flesschen. Het meisje kreeg zonderlinge manieren en +eischte van haren nieuwen vriend eene uitdrukkelijke liefdebekentenis. +Onderwijl wilde Anatole maar niet opdoomen. + +--"Zie," zei het meisje, "ik heb meer domme hoofden gezien, dat is +zeker. Als ge schoon, braaf en inschikkelijk zijt--begrijpt ge, lieve +loebas?--zal ik u om een haarklesje vragen en het tot op mijn doodsbed +bewaren!" + +Hij keek haar goedjongstig aan, eenigzins angstig wordend. Het docht hem +dat hij haar voor de eerste maal aankeek. Nu pas bemerkte hij hoe ze +was: een blond wijf, niet schoon en ruw van gebaren in licht-groene +domino, vormloos. Hij sprak: + +--"Ik moet Anatole opzoeken in de danszaal." + +Hij bezag haar zoo nuchter, zijn tronie glom zoo schuldeloos, dat het +meisje, eerst fiks op hare hoede, seffens betrouwend werd en toestemde. +Hij ging log, gewild-traag. Hij drong tusschen de dansers heen en voelde +zich veilig worden. Zijn hoofd was zwaar. Hij geraakte weldra buiten +staat om Anatole na te jagen, en allerminst om hem te vinden. + +Daar werd in zijn geest de licht-groene domino het uitsluitelijk beeld +van een groot gevaar en hij moest vluchten. Hij had geen wil, die hem +weerhouden kon, geen rede, zelf geen luiheid om zijn vlucht te +vertragen. Hij liep struikelend door de straten. + + * * * * * + +Hij was de bolwerken omgeloopen en kwam nu, te laag, bij de Molebeeksche +vaart aan. Het begon te sneeuwen. De blauwe dag lichtte zachtjes over de +daken. Het water lag somber en onrustig, eenzaam de grijze kaai. + +Johan Doxa stond hijgend tegen het ijzeren schut en zijne blikken +loerden rond. Hoe bang roerde het water! Hoe vaal rees de bevende +morgen! Hoe duister en heimelijk wachtte ginds die hooge boot!... + +Hee! Hee! daar vaart een klare schim langs Johan voorbij. Het is een +lange magere schim. Een schim met roode handen. Wel! het is een man die +zich uit pret in een bedlaken heeft gewonden en met roode kousen zijne +handen heeft geschoeid. Ievers heeft Johan Doxa dien witten man onder +een scheef-onbeweeglijk aangezicht ontmoet. Wacht eens even!... Wacht +eens even! Waar was 't alweer?... + +De witte man schuift rap over de kaai. En op de brug staat eene vrouw +met een kindje. Johan Doxa zou zweeren dat de vrouw weent en dat ze het +kindje kust wanhopig. Hee! Hee! de witte man komt op de vrouw af. Heeft +ze niet gegild? Ze wil vluchten, ze wil vluchten! Ze kan niet. Ze wordt +vastgegrepen. Ze wordt omhoog getild. Ze ... ze ... God in den hemel! Ze +wordt over de brug geheven.... Ze valt!... + +Heeft ze niet gegild? Heeft ze niet gegild, vraag ik?... + +En tegen het ijzeren schut stond Johan Doxa. Hooger beeflichtte de dag. +De kaai was geheel met sneeuw bedekt. De gevels der huizen staken vuil +uit boven de schoone witte sneeuw. Het pitalairken van Johan Doxa was +besneeuwd. + + * * * * * + +--"Dat is toch zonderling." dacht Johan Doxa terwijl hij voort +opwaggelde naar huis, "dat is toch een zonderling dingen! De vrouw is in +het water verdronken en het water heeft geen gerucht gemaakt. En de +witte man ... wacht eens even ... die heb ik gezien en herkend.... Wel! +wel! wat er toch al gebeurt!... En ik heb niets gedaan om dat te +beletten. Niemand heeft iets gedaan. Waren daar nog andere menschen? +Rechtuit gesproken, ik geloof het niet. Ik had moeten toespringen. Wel! +wel! een mensch zou er kiekevleesch van krijgen, als men bedenkt wat er +al omgaat!... In 't volle van de stad jongen, in 't volle van de +stad!..." + +Hij kwam op de Papenvest en verwonderde zich dat de huisdeur, die anders +nooit zoo vroeg was ontgrendeld, op een reetje open stond. Hij strompelde +onvoorzichtig de trap omhoog. Het huis was stil. Hij keek op.... + +De verbazing van Johan Doxa, toen hij Lieven Lazare in het aangezicht +blikte, was slechts te vergelijken bij de verbazing van Lieven Lazare +zelf, die den ellendigen sukkel zag aanklimmen in zijn matte lompen en +slappe strikken. + +Tegen Johan's verwachting in verhief Lieven Lazare zijne donderstemme +niet. + +Hij zei stil: + +--"God straft u, Doxa. Zijne hand heeft uw huis beschaduwd. En Hij +verplicht u neer te kijken op uwe monsterachtige schande. Ik zwijg en +laat u over aan Hem--kom binnen." + +Zachter nog, terwijl hij Johan Doxa in de kamer duwde, sprak hij: + +--"Ik heb in gebed den avond en den nacht aan de sponde van uwe vrouw +doorgebracht." + +Het docht Johan Doxa plots dat hij geene beenen, geen armen, geen +lichaam meer had. Hij had geen gevoel van lucht, van koude of warmte. +Een harde band spande hem om de slapen. Hij zag de vier hooge kaarsen +die brandden aan de vier hoeken van het bed. + +Toen ook, daar staande in openbare dronkenschap, zag hij het witte +kussen, het witte roerlooze gelaat van Julia, de witte handen gevouwd in +vroome houding op de blauwe sargie, en het ivoren kruis dat uitarmde, +ernstig tot onder de puntige kin. + +Lieven Lazare, het hoofd buigend, zei: + +--"God beproeft ons uitermate. En Hij treft ons in onze zonden.... Laat +ons knielen, Johan!" + +En dat deed Johan Doxa gehoorzaam, maar hij dacht al door: + +--"Dat is toch een zonderling dingen, niet waar? Het water dat zoo +angstig was ... en de roode kousen over de groote handen ... en het +kindje heb ik wel gezien! De vrouw weende over het kindje.... Wel! wel +toch! Wat een rare boel!..." + +Zijne oogen bleven strak op Julia's gelaat gevestigd. Zijn geest puntte +op Julia's gelaat. + +--"Goede God!" fluisterde hij. + +Hij begon halfluide te bidden, en sloot smartelijk zijne oogen. + +De tranen, die over zijne bolle wangen rolden, vielen op het dunne leder +van het trommelken, hetwelk aan Johan's buik hing, en waarlijk scheen +gemaakt te zijn om dergelijke kleine klopjes te ontvangen. + + + * * * * * + + +III + +JOHAN DOXA + +DE BOETVAARDIGE + + +Julia werd door moeder Doxa met vroome zorgzaamheid gewasschen en gekist +en Johan begroef haar op den derden dag, zooals het behoort. Nu bracht +hij eenzame en talrijke uren om, in 't besef van zijne schuld en het +docht hem daarbij dat een zeer luid sprekende wroeging hem kwelde. +Dat duurde haast meer dan eene week. Dan verliet hij de kamers die het +tooneel waren geweest van zijne diverse huwelijkservaringen en ging +weer bij zijne moeder woonen, in het speelgoedwinkeltje van de +Zes-penningenstraat. + +Eene kleine maand later ontving hij van Lieven Lazare, den godvruchtigen +panfletschrijver, den volgenden brief: + +--"De Hemel, Johan, duldt niet langer dat ik mijn hart voor u gesloten +houd. Aldus wordt door eene goddelijke inblazing het besluit gebroken +dat ik in een oogenblik van rechtmatigen toorn ten uwen opzichte genomen +had. Misschien is het waar dat ikzelf vreemd ben aan het opmaken van +dezen brief. Misschien veracht ik u morgen even diep als ik u gisteren +heb veracht. De adem althans, die door mijne woorden gaat, schijnt niet +de mijne te wezen, en ik gehoorzaam aan eene geweldige bezieling zooals +die ander? Lazarus gehoorzaamde toen Iemand, wiens donderende naam geen +weergalm meer vindt in uw geheugen, hem gebood recht te staan uit den +dood.... Beste Johan, het blijkt dat de schrikkelijke gebeurtenissen die +God zelf voor uwe redding had beraamd, u niet tot inkeer hebben gebracht. +Het is als of niet Hij, maar de Duivel u zou tot weduwnaar gemaakt +hebben. Gij wandelt door de stad en niets in uwe houding verraadt dat +de heilige Michaël u onlangs met het bliksemende vlammenzwaard heeft +getroffen. Men ziet u rustig en kinderlijk kuieren langs de straatjes +van Onze-Lieve-Vrouw-te-Rooje. Gij blijft met welbehagen lanterfanten in +de nabijheid van spekslagerijen, en duwt uw neus tegen de ramen plat om +met gulzige oogen het afschuwelijke schouwspel van hespen en worsten op +te vangen. Gij loert de honden na, die snuffelend malkander nadrillen, +en hun cyniek bedrijf wekt uwe belangstelling uitermate. Vermoedelijk +hebt gij in den winkel van uwe beklagenswaardige moeder ook marbels +gestolen, want op het Vossenplein heeft men u zien spelen met +schoolkinderen. En elken dag, rond half-zeven, staat gij voor de _Old +Curiosity Shop_ de keukenreuken op te snuiven, en ontvangt dan door de +traliën van 't keldervenster een dampend pakje uit de hand van Anatole. + +"Ik ween van schaamte wanneer ik hoor verhalen hoe ge, ontdaan van alle +menschelijke waardigheid, in de Kapellewijk de tonnen doet klinken.... +Johan, Johan, aanzie uwe zonden, eer God de ultieme en onherroepelijke +straf uitvaardigt. Ik sta verbaasd bij 't aanschouwen van Zijne +matelooze lankmoedigheid--maar wee u! als straks over u Zijne +alverteerende gramschap losbreekt!... Ik ben gezonden door Hem, Johan, +ik kom tot u met de boodschap der Goddelijke verzoening. Nader ootmoedig +den drempel der eeuwige Kerk, Johan. Nog niet als Job draagt ge +potscherven in wonden van berouw, maar belaad nu uw hoofd met uw +mesthoop en snoer uw reistasch rond uw hart. Nader, Johan, met den stank +van uwe naaktheid en de vloeken van uwe wanhoop het gouden tabernakel +waar Krist, die gekruizigd werd, thans Zijn eeuwig leven viert. Hem +rijkdom, roem en liefde opofferen verblijdt Zijn hart niet zoo +zeer,--dat hart omkransd met doornen ...--maar offer Hem de zoete +genuchten van uwe zwakheid en de brandende lusten van uw geil vleesch: +dat is nog uw eenig bezit, en zoo, waarlijk, wordt ge de armste aller +menschen. God, Johan, heeft de armen lief...." + +Tot daar kon Johan den brief zonder bezwaar doorlezen. Nu echter begon +hij te pinkoogen en, alsof het daglicht op de letteren verflauwde, ging +hij naar het venster en boog zijn hoofd voorover, tot tegen de koude +ruit. Gouden sterretjes regenden allerzijds. Maar algauw las Johan Doxa +verder: + +--"De Heilige Geest vleugelt in mijne woorden, en ik zeg het u, +ellendige vriend: Jesus is een eindelooze zee van genade, een zee die +alle wrakken dragen kan. Neem tijdelijk afscheid van uwe moeder--wat +toch heeft eene moeder van een zoon die zelf voor God verloren is?--en +vertrek van huis. Gij zult in het Franciscaner Klooster van de +Miniemenstraat eene heilzame retraite doen. Ga. + +"Klop nederig aan de groote poort. Het is een heilig huis en pater +Hilarius, dien ik gewaarschuwd heb, zal u met medelijden ontvangen. Toef +niet. Het ontzaglijke geluid van Hem, die mijne ziel opnieuw in +lichtelaaie zet voor u, davert op mijne tong en ik roep het u toe, +armzalige Johan: toef niet, toef niet; uwe dagen zijn geteld!" + +De brief hield op te beven in de hand van Johan Doxa. De brief gleed +ritselend langs de witte venstergordijntjes neerwaarts en kwam zacht, +gelijk een dubbele vlerk, op het plankier terecht. Hij ging liggen naast +een sikkelvormige oranjeappelschil. En Johan keek op, door 't raam, naar +den hemel die lichtblauw over vuile daken was uitgespannen. Hij stak +zijne handen in zijne broekzakken. Met den wijsvinger van zijne +rechterhand raakte hij er 't benageld paviljoentje van een kletsdop. +Maar hij vond geen neusdoek om zich te snuiten. + +Johan Doxa zat 's avonds met zijne moeder in het kleine achterkeukentje +dat bij den winkel aanpaalt. Moeder Doxa had den winkel gesloten en +bereidde zich om de keukenlamp aan te steken. Johan zei: + +--"Maak geen licht, ik bid u. Ik heb u iets te zeggen, lieve moeder." + +Ze zaten aan weerskanten van de oude Leuvensche stoof, en de stoof zong, +en het was heerlijk donker. De buik van de stoof glom gelijk een +reusachtige, zacht-blozende pronkappel. Een purperen glanzing gleed over +het vriendelijke aangezicht van moeder Doxa, over hare gevouwen handjes, +over haar hoogen boezem, over haar bolle knieën,--en eenderlijk kwam +uitgloeien langs de ronde wangen van Johan, langs de mooi-versierde pijp +waaruit hij rookte, en tot op de randen van zijne lompe schoenen, die +daar nevenseen op den vloer stonden en waarnaar hij keek alsof ze +anderman's voeten omsloten. + +--"He-wel?" vroeg eindelijk moeder Doxa, en het trof hem hoe minzaam ze +was. Hij antwoordde niet seffens. Hij had de gewoonte om lang te dubben +eer hij een besluit nam en dan toch besluiteloos te blijven. Maar moeder +Doxa drong niet dadelijk aan, want ze kende haren jongen. Hij dampte +maar. + +--"Zie, moeder," zei Johan, "ik zou mij moeten beteren. Ach, ik weet +wel, gij denkt niet dat ik slecht ben. Gij weet niet, gij weet alleen +van een kindje dat ge in uw schoot gedragen hebt en dat zoetekens aan +uwe borst heeft gehangen. Maar al groeiende is hij ver van u geraakt, +en hij is nu een groote zondaar, en hij moet God vreezen." + +--"Gij zijt niet slecht, gij zijt misschien lui," meende moeder Doxa +goedig. + +--"Ja, ik ben lui," zei Johan, "en nog iets anders ben ik, maar ik ben +waarlijk lui." + +Hij bloosde erg. Telkens als hij ergens zijn eigen ontdekte bloosde hij +zoo. + +--"Na den dood van uwe vrouw," hernam moeder Doxa en zij maakte het +teeken des kruis, "heb ik gedacht: nu gaat mijn jongen weer aan 't werk, +want hij is krachtig en jong, nu gaat hij schoone schilderijen maken, en +we zullen alle twee gelukkig zijn. Ik dank den hemel dat het eindelijk +toch zoo gebeuren zal." + +Johan keek niet op naar heur en zei: + +--"Ge zijt edel, beste moeder. Wanneer ge zoo spreekt voel ik eerst hoe +diep ik gezonken ben, maar...." + +Hij aarzelde. Hij zocht naar woorden, gelijk een dronkaard naar het +sleutelgat zoekt. Hij vond in zijn geheugen een half-uitgevaagden zin +van Lazare's brief en pruttelde: + +--"... maar, moeder, Jesus is een zee van genade, waarin ... waarin ik +zou kunnen verzuipen ... als ik niet oppas." + +--"Ja, Jesus is zoo goed als men maar denken kan." + +--"Zoo zegt ge. En nu moet ik in de Miniemenstraat, bij de Capucienen +eene retraite doen. Dat duurt nog al lang. Ik weet niet hoelang dat het +eigenlijk duurt." + +--"Lang?... En wat is dat dan, eene retraite?" + +--"Eene retraite?... Weet gij niet wat eene retraite is, moeder?" + +Hij vond het heerlijk dat moeder Doxa zoo luchtig de boodschap aanvaardde +en omdat zij, de goede ziel, zelfs niet wist wat eene retraite was, +lachte hij stille hare lieve onwetendheid tegen. Maar hij wist ook niet +wat eene retraite was. + +--"Kom, kom, moedertje," deed hij, "bekommer u niet om mij. De paters +zullen mij niet opeten. Ik moet een beetje boeten, een beetje te +communie gaan en mis hooren, en dergelijke meer. Ik kom zoo frisch als +een botvink terug." + +Hij betastte zijn wegend buikje en zag de kleine vleeschkuiltjes van +zijne handen rozig aanglimmen onder de heete kaak van den kachelpot. +Inderdaad geloofde hij zelf niet wat hij daar vertelde. In zijne meening +moest de retraite iets schrikkelijks zijn, vermits Lieven Lazare ze hem +als eene straf opgelegd had. Hij had er den heelen middag met angst over +nagedacht: het klooster zou hem eene donkere gevangenis zijn en de +Franciscanen akelige cipiers. Hij moest er voorzeker op roggebrood en +lauw water leven. Er was daar geen lucht. 's Nachts hoorde men er +vreeslijke geraamten rammelen, en 's morgens moest men naakt in zijn +celletje staan en er zichzelf met knoestige riemen afranselen. Hij +betastte zijn buikje als om het voor eeuwig vaarwel te zeggen, met een +zucht.... + +--"En wanneer vertrekt ge?" vroeg moeder Doxa. + +--"Morgen vroeg." + +--"Ha!... morgen vroeg." + +Beide verzonken in gepeinzen. De moor zong nu ook, die op de stoofbuis +stond. + + * * * * * + +Na een nacht vol ijselijke droomen, rees Johan Doxa uit zijn bed. Het +was een grijze dag. Achter het kleine vensterken nevelde een +miezelregen. Terwijl Johan zich aankleedde en precies op het oogenblik +dat hij zijn hoofd voor de eerste maal in de waschkom gestoken had, +begon waarlijk zijn druppende neus in de lucht om te snuffelen. Er ging +ongetwijfeld door de kamer een smakelijke geur van spek en eierkoek. + +--"Dat is raar," dacht Johan Doxa. Hij was gauw gereed en kwam de trap +af. De keuken dampte van weelde. + +--"Moeder," zei hij, "gij zijt al te goed." + +Maar moeder was bezig aan een groot pannengedruisch en knikte hem +lachend tegen. Daar stond feestelijk op tafel het prinselijk gerecht. + +--"Moeder, ik zal het nooit vergeten...." + +--"Gij dwaze jongen," zei de moeder, "zwijg maar liever en eet." + +Hij at tot zijn ronde kin ging glanzen en toen hij gegeten had en, +rechtstaande, hem het aardige gevoel der spannende broekgesp omdeed, nam +hij zwijgend zijn hoed aan den kapstok. Moeder Doxa stond te midden van +den vloer en glimlachte. + +--"Allee, beste Jan," sprak ze, "ga nu--ik heb Onze-Lieven-Heer voor u +gebeden." + +Hij kuste haar en ze stopte hem rap een vijffrankstuk in de hand. Hare +vingeren beefden. + +--"Neen, neen," stotterde Johan terwijl zijn hart in tweeën brak. + +--"Ssjt! mijn jongen ... ik kan ze nu beter missen ... dan gij." + +Ze vergezelde hem tot op den drempel van het winkeltje. De dag aaide +langs het speelgoed om haar. Johan kuste haar nogmaals en zei: + +--"Goedendag, lieve moeder, tot weerziens." + +Ze knikte aldoor met heel kleine oogjes, en, plots, wendde zich af, naar +binnen. + + * * * * * + +En door het mottige weer begon Johan zijn boetvaardige reis. Hij stapte +op langs kleine steegjes en zou gauw de Miniemenstraat bereiken. Reeds +was hij het Vossenplein voorbij en zag, boven een lagere brokkeling van +daken, het fijn uitgesneden klokketorentje der Kloosterkapel. Hij bleef +staan, als om zich te bedenken. Hij bedacht zich en bleef gedachtenloos. +Kleine verschrikkingen schoten als electrische schokjes door zijn +lichaam, en toen kwam een licht bedaren in zijn hoofd dat zei: + +--"Ge hebt nog een beetje tijd, Johan, waarom moet dat alles zoo vlug +gaan?" + +Ook voelde hij nu het vijffrankstuk op de palm van zijne hand plakken en +hij trof dadelijk eene prachtige uitkomst. + +--"Ik heb daarbinnen," beweerde hij, "geen geld noodig--geld is duivels +goed, en moederken kan ik gelukkig maken met 't een en ander, dat ik +haar opsturen wil." + +Het klokketorentje verdween uit zijne oogen en hij stapte links om, naar +de Steenpoort en de Groote Markt. + +Op den Steenpoortweg stonden er karretjes met mosselen, met citroenen, +met oranjeappelen en met groenten. Hij keek er niet naar om. Hij ging +voor de peperkoekwinkels staan en begon met kinderlijk welbehagen te +kiezen. Hij koos een peperkoek dat in den vorm van een mooi hart was +uitgesneden en op de randen geheel met lekkere fruitschellen omlegd. +Hij besloot binnen te gaan, maar wilde vooreerst uitkijken naar een +loopjongen, die het geschenk aan moeder brengen zou. + +Er liepen daar vele jongens rond. Johan Doxa beproefde om op hunne +gezichtjes te lezen hoe eerlijk ze waren, en hij bevond dat hij behoefde +daaromtrent waarlijk zeer ongerust te zijn. Eene gelukkige ingeving +dreef hem naar een kleine kroeg, waar hij een druppelken brandewijn +dronk. En luttele beslissingen wisselden malkander ondertusschen af in +zijn geest. De kroegbaas zei: + +--"'t En zal vandaag niet ophouden met regenen, kameraad." + +--"Dat zou ik ook gelooven," antwoordde Johan Doxa. + +Een vochtig gevoel kwam over hem, en hij bestelde een tweede glaasje, en +naderhand een derde. Dan, terwijl hij betaalde, zag hij moeder's +zilverstuk plots op den toog liggen. Gedurende één oogenblik haatte hij +het wisselgeld dat hij ervoor terug kreeg. + +Hij bedacht nu dat er in de Boterstraat meer fijne winkels waren en +daalde langs de Steenpoort naar de middenstad. Een zwaarbeladen +koolwagen rolde hem vóór. Bij elk geschok der trage wielen rolden +stukjes glinsterend kool over de zwarte berden. Er viel ook een groote +brok en Johan raapte haar op en bracht haar bij den voerman. De voerman +had een ruigen rosten baard en stak zijne breede hand uit, bespannen als +met een bruin-lederen vel. Toen struikelde het paard en stortte voorover +op de steen en. De kar dook met hare lompe tremen die ze met een doften +slag sloeg tegen den grond. + +--"Nondidju!" vloekte de voerman. + +Er was seffens een groote toeloop van menschen. Een man ging met zijn +knie op den kop van het paard zitten. De riemen werden haastig ontgespt. +Stemmen klonken dooreen. Een politieagent dreef het aanzwellende volk +achteruit. Johan Doxa stond met het groote stuk kool in zijne armen. +De politieagent riep in zijn verschrikt gelaat: + +--"Wilt ge, potverdomme, de kolen laten liggen, gauwdief!" + +Johan werd de prooi van eene geweldige aandoening; zijn last rolde over +zijn buiksken aan zijn voeten en hij wilde vluchten. Hij week door de +menigte heen. Hij voelde van allen kant oogen op hem gestoken en +kinderen schreeuwden hem achterna. Hij kwam in een klein ledig straatje, +gelijk een drenkeling een oever bereikt. Hij zat nu in een herberg zijn +eigen te betasten en met langzame proefnemingen de zekerheid op te doen +dat hij nog armen had en beenen en een hoofd. Zonderling grijnzend +lachte hij de waardin tegen die, gelijk een afschuwelijk gevaarte, naar +hem toe stapte. + +--"Dat zijn dingen, hee?" stamelde hij onnoozel. + +En daar de waardin, zonder begrijpen maar met zachte gedienstigheid, +medelachte bestelde hij eene flesch geuze-lambik, en vroeg bang: + +--"Wilt ge ook meedrinken, als 't u belieft?" + +Ze wilde wel. Ze kreeg een kokette blos, die haar goed stond, en ze +dronken samen. De waardin bekeek haar eigen in den spiegel, die recht +over den toog hing, en schikte vluggelings de krulhaartjes op hare +slapen. Ze had dikke armen. + +--"Ik geloof," zei Johan vriendelijk, "dat die regen van den heelen dag +niet meer ophoudt." + +--"'t Zou wel kunnen," zei de waardin, "de barometer zakt." + +--"Ja, 't is ook 't seizoen," hernam Johan. + +De waardin reikte hem den tooghanddoek over en meesmuilde: + +--"Ge zijt een beetje vuil over uw voorhoofd." + +--"Ikke?" + +Hij was zoo vuil als iemand zijn kan, die voortdurig met twee koolzwarte +handen in zijn beregend aangezicht heeft gewreven. Uit schaamte vroeg +hij een tweede flesch geus. En ze dronken. En ze praatten over kleine, +ledige zaken. + +Johan Doxa vertrok bij noenstond. Toen hij te midden van de Groote Markt +stond, vroeg hij zich af wat hij hier kwam doen. Hij keek wonderlijk op +naar de gulden gildehuizen. Den top van den stadhuistoren zag hij niet, +die onder de natte miezeling in eendere grijze kleur verging. Hij duwde +zijn hoed tot tegen zijne ooren en stelde vast dat hij honger had. In de +nauwe Peper-en-Zoutstraat trof hij eene bescheiden gelegenheid en hij at +er substantieel genoeg, schoon zonder gulzigheid, gelijk het hem docht +dat aan een zondaar in pelgrimstocht betaamt. + +--"Thans," mijmerde hij binst de koffie, "bezit ik nog twee en twintig +en een halve cent, en ik weet waarlijk niet wat ik ermee zal doen." + +En, voor hij naar het Klooster der Miniemenstraat toog, dronk hij ermee +een grooten druppel cognac, want zijn moederken had hij, ik weet niet +hoe, geheel en al vergeten. + + * * * * * + +Hij vatte beslist de koperen schelknop. De luide bel weerklonk meer in +het hart van Johan Doxa, dan in de wijdgalmende vestibule. De +pater-poortier die eerst het spioenraampje had opengeschoven, opende nu +ook de zware deur. Het Klooster gaapte in het aanschijn van Johan Doxa. + +--"Kan ik," vroeg hij met bleeke stem, "den eerwaarden pater Hilarius +spreken? Ik zou gaarne eene retraite doen." + +De pater-poortier was, buiten Johan's verwachting, zoo minzaam als men +zich denken kan dat ooit ter wereld een kloosterpoortier mag zijn. Hij +had eene uiterst discreete houding en, ware 't niet dat zijn gelaat +hoog-gezond opbloeide boven den zwarten baard, scheen uit loutere +welgemanierdheid weg te schemeren in de schaduw van de poort. Het +bloeiende gelaat echter glimlachte en twee fijne muis-oogjes daarin +wenkten vriendelijk: "welkom ... welkom...." + +De zware deur, die achter Johan met een eiken klop dicht kwam, sloot +meer dan het somber gebouw: het docht hem dat de gansche wereld nu voor +altijd was gesloten. De pater-poortier ging voor en leidde Johan Doxa in +eene kleine spreekkamer, die ineens vol blauwig licht was. Er stonden +een paar nederige stoelen en aan een witgekalkten wand hing een groote +Kruislieven-Heer. Daar liet men hem alleen, ruim drie kwartier-uurs. Hij +draaide zijn natten hoed stille in zijne handen. Hij stond in een ring +van regendroppen, die gelijk donkere starretjes rond hem waren gespreid. +Er walmde een muffe salpetergeur. + +Pater Hilarius had een streng, doch niet weerbarstig uitzicht. Een +grijze ronde baard, wat stoppelig, omkleurde een mat gelaat waar +grauw-groene oogen als dood lagen en dat alleen--dan heel sterk--bezield +werd door den vorm- en schaduw-rijkdom van een geweldigen arendneus. + +--"God zij met u," sprak pater Hilarius, "zijt gij Johan Doxa? Ik ben +Hilarius." + +Johan keek onwillekeurig om. De stem scheen uit de muren te vallen. Hij +zou er in elk geval een eed op gedaan hebben dat ze uit den roerloozen +mond van pater Hilarius niet viel. Toen echter deze pater voortging met +eene lange rede waarin de naam van Lieven Lazare, van Jesus, van den +heiligen Franciscus beurtelings voorkwamen, heroverde Johan van +lieverlede de kluts die hij kwijtgeraakt was. Hij besloot maar te +berusten in het onvermijdelijke, liet zich gewillig bepreeken, knikte +moedig de les toe waaruit hij geen ander nut zou trekken dan dat hij +zich bereid voelde zelfs tot den dood. + +Pater Hilarius, nadat hij uitgesproken had, zei: + +--"Gij zijt dweilnat, dunkt me. Ge moet eten en u verwarmen. Volg me." + +Het was minder een gevoel van eerlijkheid dan de vrees voor wat hij hier +te eten zou krijgen, die er Johan toebracht ineens den pater bij de +harde mouw te pakken. + +--"Nee," deed hij angstig, "ik bid u, geen eten. Gij zijt al te goed." + +Hij kwam in eene ruime zaal. Er was een breede schouw met een lekker +vuur. + +--"Zet u, en warm u," zei de pater. Johan zette zich en bleef daar weer +nagenoeg drie kwartier-uurs alleen zitten. Hij werd heerlijk warm en +zijne bolle kaken gloeiden. Het werd zoetekens avond en Johan zag een +prachtigen zonsondergang in de laaie karbonkels van den open haard. Hij +werd eindelijk zoo rustig als een onschuldig mensch. + +--"Pater Hilarius is vreeslijk mager," dacht hij op slot van rekening, +"maar de pater-poortier is zoo vet als een das." + +Hij kon bijgevolg nogeens zijn eigen buikje zonder voorbarige +benauwdheid in oogenschouw nemen en wachtte gelaten de gebeurtenissen +af. + + * * * * * + +De klok uit het torentje begon te kleppen. Pater Hilarius verscheen en +noodigde Johan Doxa uit om mede in de Kapel lof te hooren. Johan heeft +zich daar overdadig vermaakt. + +Niets ooit in zijn leven had hij gezien dat zoo mooi was als het kleine +kerkje. Het kerkje was geheel omdaan met eene fluweelen donkerheid, +waarin de bevende glanzing van fraaigeregelde kaarsenreken speelde en +aarzelde en langs gouden diepten zwevend verging. Maar stilaan zag Johan +in de zwaarpurperen schemering de dikke pilaars opklaren en ginder hooge +wattige gewelven dragen. De muren begonnen zacht te glimmen. De outer +werd zichtbaar en heerlijk. En alles, al wat hij zag, was met wondere +polychromiën versierd. Het werd hem, hoe meer hij toekeek, zoo rijk en +koninklijk dat zijn hart er week en gulzig bij aan het dansen ging. + +Dan, al rondom hem, herkende hij de ronde bruine ruggen van de +capucienen. De orgel zette aan. De Kapel kwam vol met vleugeltjes van +vogels. + +--"O God," bad Johan Doxa gevoelig, "ik zou willen een pater zijn!" + +Hij verachtte zijn baardelooze kin. + +Maar na den dienst werd hij, langs duistere gangen, in eene nauwe cel +gebracht. Men hing een damping kaarslantaarntje aan zijne hand, en +wanneer hij alleen was, voelde hij eene bittere triestigheid zijn +gansche wezen overvallen. Waarom moest dat nu zoo gaan? Waarom moest hij +verlaten wezen? Waarom hadden die menschen zulke kleine hokjes gemaakt? + +Hij ging op het ijzeren beddeken zitten en blies de kaarslantaren uit. + + * * * * * + +Johan Doxa, neerliggend in den donkeren avond, volgde met luien geest +een varenden snoer van gedachten. + +--"Ik geloof niet," mijmerde hij, "dat er voor mij in dees Klooster eene +uitkomst is. Ik ben te zeer beladen met zonden. Van het drooge brood, +dat men mij als een prop in de keel zal steken, spreek ik niet. Maar het +pompwater? Wanneer ik zal tot op de pees uitgedroogd zijn, en wanneer ik +zal bezig zijn mijne ribben te tellen, wat rest mij dan nog dan dood te +gaan? Ik kan mij nauwelijks inbeelden dat Onze-Lieve-Heer zich meer wil +erbarmen over een pannelikker dan over een smeerbuik. Maar Zijne +inzichten zijn verborgen en ik ben inderdaad door en door slecht. Ik zal +bidden om veel moed te krijgen, en God helpt niet waar men zijn eigen +niet helpt. In deze gevangenis zal ik wel eene spinnekop vinden, en ik +wil ze tam maken en haar allerhande kunstjes aanleeren. Het lieve dier +zal mijne gevangenschap bekoren. Ik zal een aardig wagentje bouwen waar +ik haar inspannen kan. Zij zal aan een fijne draad 's nachts komen +hangen boven mijn aangezicht. Ik houd niet veel van muizen, anders zou +'k gaarne ook een muisje dresseeren. De staart van eene muis is zoo vies +dat ik er niet aan denken durf. Ze zullen mij waarschijnlijk groote +latijnsche boeken geven om in te lezen. Roode en zwarte letters zijn +mooie dingen, maar ik zal toch niet lezen in zulke boeken, vrees ik. +Zullen ze ook een doodshoofd aan mijn voeteinde leggen? Er zijn twee +dingen die ik, behalve een doodshoofd, voor mijne oogen niet verdragen +kan: een zeisen en een zandlooper. Ik heb mijne pijp thuis gelaten. Dat +is heel goed zoo, Johan. Die menschen weten van geen tabak te spreken. +Altijd wierook, altijd wierook. Wanneer mijne retraite uit is, hoop ik +dat Anatole mij weer eene van die dikke sigaren mag geven, gelijk de +oude heeren smooren in de _Shop_. Maar ach! ach! ik zal nooit van mijn +leven meer kunnen rooken!... Morgen komen ze met koorden aan en ik zal +mij moeten kastijden ten bloede. Ze zullen azijn over mijn mond gieten. +Ik zal blootsvoets naar de kerk gaan.... Wanneer heb ik den laatsten +keer mijne voeten gewasschen?" + +Hij lag zeer rustig. Er zweefden nog twee drie lichte gedachtekens +voorbij en hij fluisterde: + +--"Sakkerloot...." + +Toen sliep hij vast in. + + * * * * * + +De Kloosterklok was bezig met volle geluid als Johan Doxa wakker schoot. +De cel was vol licht, alsof daarbuiten een liefelijke Lente gebeurende +was. En waarachtig: door 't kleine raam zag Johan een stuk hemel +heerlijk-blauw, bespot met witte krullende wolkjes en overstraald met +zonnegeweld. Hij ging op zijn bedde staan en keek uit langs het venster. +Wat zag hij daar voor moois?... + +De binnentuin van 't Klooster lag vierkant tusschen de met mos en veil +begroeide gevels te leven in prachtig kleurengedoe. Er was veel laag +groen waar zes ronde perken tulpen bloeiden. Net geteekend en effen van +verve, ringden er omme de safraangele kiezelpaadjes. Van uit Johan's +venster, leek de tuin een vurige rozet, gelijk men er vindt op bonte +ramen van kathedralen. Als een bruine mier kroop een pater-hovenier er +over. Zijn rozige schedel was gepolijst. + +Toen werd Johan Doxa vervuld met eene eindelooze vreugde. + +--"Hee-la!" riep hij luid. + +Hij schrok bij den klank van zijne stem en trok zich schielijk terug. +Daar zag hij een rosten capucien op de zuil van zijn celletje staan. + +--"Goeden morgen," zei de capucien minzaam, "ik ben de pater-hotelier." + +Van uit de hoogte waar hij zich geheven had, keek Johan Doxa hem aan, +plotseling duizelig wordend. Langzaam hurkte hij op zijn bed neer, in de +meening dat zulke trage inkrimping wellicht ongemerkt kon gebeuren en +hem maken tot een fatsoenlijk mensch van normale grootte. De capucien +stond goud-rost als een najaarsmiddag. Zijn kastanje-oogen blonken in +een besproet gelaat dat weelderig was omhangen met een baard van duizend +kurkvormige krullekens. Het was alsof een late zon schuin aanglom over +heel dat harig hoofd, en over 't gele haar ook van zijne sterke handen. +De capucien was dik en wel te pas. + +--"En wat zoudt gij nu willen eten?" vroeg hij. + +--"Willen eten?... Ha! willen eten, zegt gij...." + +--"Ik heb hesp en Zwitsersche kaas en goede boter en roommelk. De koffie +is klaar. Maar ge kunt ook thee krijgen. Onze thee is niet al te best, +moet ik zeggen." + +Daar de pater-hotelier glimlachte, lachte Johan Doxa mee. Hij lachte +gedwongen, al peinzende: "dat is een geestige keukenbroeder, die aardige +namen aan zijn pompwater geeft." + +--"Ik zal koffie gebruiken, en hesp of zoo...." zei hij gekscheerend. + +Maar hij viel niet omver van verbazing, toen, na de korte vroegmis, de +heerlijke pater-hotelier hem voor een frisch-blanke tafeltje deed +aanzitten, waar een soliede ontbijt was opgediend. Johan Doxa, moet ge +weten, is nooit in zijn leven zoo verbaasd geweest dat hij ervan omver +zou vallen. + + * * * * * + +Na drie dagen besloot Johan Doxa de overtuiging te aanvaarden, dat een +retraite bij de Franciscanen eigenlijk behoorde tot een der aangenaamste +tijdkortingen van de wereld. Hij kon zonder moeite gehoorzamen aan de +regels van den huize, volgde gewillig alle kapeldiensten, hanteerde +zoetekens zijn dikken paternoster en bladerde devotelijk in zijn +kerkboek. Dagelijks moest hij een apart en stichtelijk sermoontje hooren +van pater Hilarius, en hij deed het zooals een zieke de siroopdrankjes +van den doctor inneemt. Maar zijn groote vrienden waren de kale +pater-hovenier en de haar-rijke pater-hotelier. + +Den pater-hovenier hielp hij de vele tulpen verzorgen in den zymetrieken +tuin. Hij reekte en sproeide en weerde het kleine woekerkruid. Ze +verstonden malkander goed, ofschoon de oude capucien geen woordje sprak +en alles zwijgend te beduiden gaf met bevende gebaren van zijn +voorzichtige hand. Te zamen versierden zij met klaterende bloemen de +Lente die in den tuin van dag tot dag gulziger aan het leven ging. + +De pater-hotelier echter zat in het hart van Johan Doxa gelijk op een +troon. Hij was ook de majordoom van zijne maag. Hij kon dingen bereiden +die de herinnering aan de geuren van de _Curiosity Shop_ geheel +uitvaagden. En hij had een wijnkelder. De retraite-verordeningen, zooals +de pater-hotelier ze uitvoerde, waren zoet om dragen en indien +God-de-Vader uit den hemel op Johan in dien tijd heeft neergezien, dan +heeft hij moeten vaststellen dat deze boeteling zich gedwee aan al de +gestrengheid der orde-geboden heeft kunnen onderwerpen. Een +voortreffelijk berouw was blijkbaar het mystieke sieraad van zijne ziel, +want het geweten van Johan Doxa was nu geleedelijk zoo rustig geworden, +dat--om het met een stoffelijk beeld uit te drukken--zijne broek buiten +alle verhouding te spannen begon. + +De zevenden dag besloot pater Hilarius zijn familiaire preek met een +voorstel dat Johan in verrukking bracht. Hij sprak: + +--"Ieder moet den Heere loven naar zijne vermogens, mijn zoon. Even +eerbiedwaardig als het statige lied van den nachtegaal, klinkt in zijne +ooren de drooge roep van den krekel. Al wat ter eere van God opgaat in +dank, behaagt Hem uitermate. Daarom dunkt mij, Johan, dat gij zoudt +moeten denken aan het werk, waarmede gij Hem naar uwe beste krachten +huldigen kunt. Ik meen bij voorbeeld--een schilderij...." + +De tranen schoten Johan in de oogen. Hij omhelsde den pater niet, omdat +hij zelden iets deed, waartoe hij vast was besloten. + + * * * * * + +Johan Doxa miek een schilderij. Het moest naar het aanvankelijk ontwerp, +worden een beeld ten-voete-uit van den Heiligen Franciscus en het zou op +den grooten outer van de Kloosterkapel prijken. Maar het werd een kleine +Jesus, blond en rozig, gezeten op een kussen van weidebloempjes, de eene +hand rustend op een blauwen wereldbol, de andere zegenend ten hooge +geheven. Het hangt thans links in het kerkje, rechtover den preekstoel, +als een ex-voto van blijvende schoonheid, voor alle tijden.... + + * * * * * + +Terwijl Johan Doxa bij een hoog raam aan het schilderen zat, kwam de +pater-hotelier op geregelde uren met hem een praatje doen. + +Bij voorbeeld bracht hij hem een bruin-geboterd kipje en zei: + +--"De pater-hovenier is nu met jacynthen bezig. Ik houd in het geheel +niet van hem, Johan." + +--"Ik hoop dat ge u vergist." + +--"Ik houd niet van wat hij is, wil ik zeggen. Hij is een +vrijheidschender. Hij zet al de lieve bloemen in perken, gelijk men +kinderkens in kerkers zou steken." + +--"Bloemen voelen dat niet. Zij bloeien maar...." + +--"Wie weet? Vogeltjes sluit men ook op, en zij zingen maar...." + +Johan liet zijne vork op den rug van het kipje rusten en keek verwonderd +naar den pater. Hij dacht aan een vinkje dat hij overlang bezeten had en +dat in zijn kooi was doodgegaan. Werktuigelijk zei hij: + +--"En een eekhoorn houdt men wel eens in een traliëntrommel gevangen, en +hij danst maar...." + +Hij wendde zijn aangezicht naar 't open venster en blikte in het wijde +azuur. En de pater vroeg: + +--"Hebt ge geen eetlust, beste Johan?" Neen, hij had geen eetlust. Hij +hoorde verre geluiden over den hemel gaan. En het werd hem ineens zoo +droef te moede, zoo droef te moede, zoo eindeloos droef te moede.... + + * * * * * + +Op een zondag-avond, na 't lof, lag Johan Doxa in zijne cel, op het +nauwe ijzere bed. Het Klooster sliep. Johan lag met open oogen tusschen +denken en niet denken. Was dat mijmeren? Was dat rusten? Voor de eerste +maal sinds zijne aankomst bij de paters, lag hij zoo en glariede in de +duisternis. Er kwamen geen beelden op, maar iets heel warms, gelijk eene +onzichtbare pels, omdoezelde hem gansch. Zijne voeten en zijne handen +gloeiden, en langzaam vergingen ze in donzigheid, en hij zou ze niet +kunnen verroeren, want had hij nu nog handen en voeten? Hij voelde zijn +eigen niet meer. + +Het vensterken was niet dicht. Hij hield hel open omdat, van af +eergisteren al, een zwaluwenpaar hier rond vleugelde, een hoekje zoekend +om hun nest te bouwen. En van heel wijd naderde hem een wolk van wattige +gepeinzen, tot hij, buiten alle verwachting, werkelijk te denken begon. + +--"Van waar komen toch die zwaluwen, ieder jaar?" + +En de wolk dreef op, in langzame vaart. Ze zweefde over lage landouwen, +over steden en dorpen, over wouden en stroomen, over bergen van groen en +bergen van sneeuw, en dan daalde ze glijdend en voer over zee, de +matelooze, ruischende zee. + +Plots ontlook in de stilte een verre muziek. Ze breidde zich uit en +ontwikkelde allengerhand zeer hoorbaar hare blijde cadensen. Ze vulde +weldra de lucht met zwellende klankondulatiën, en Johan kon eindelijk +herkennen wat daar een fluit deed, een klarinet, een koperen hoorn, een +brommende trombone, en al zulke plezante tuigen meer. Een trom klopte de +rythmen. 't Werd kermis, kermis in de stad--kermis in de ledige ziel van +Johan Doxa, die, met één schok, zijne handen weerkreeg, en zijne voeten. + +Hij zag nu, alsof hij er bij meehuppelde, den ommegang van de fanfare in +Onze-Lieve-Vrouw-te-Rooje-wijk. Hij zag de kinderen dansen, hij snoof de +vetwalmen der oliekoeken en den stikkenden rook der fakkels. Hij zag de +ruiten der herbergen branden en flappende vlagen kleuren in den gloed. +Hij zag de mannen en de vrouwen.... + +Hij zag de vrouwen. God vergeve hem, hij zag ééne vrouw, eene met +krullekens voor hare slapen en die, met bloote armen, twee schuimende +pinten geuslambik bood. + +--"Wilt ge meedrinken, als 't u belieft?" vroeg Johan. + +En ze zei terwijl ze op hem afkwam met den tooghanddoek: + +--"Ge hebt u een beetje vuil gemaakt, geloof ik." + +Hare stem was wonderzoet. Nu naderde ze minzaam en lachte in zijn +aangezicht. En Johan draaide zich gauw om in zijn bed, vatte wanhopig +zijn hoofdkussen in beide armen, en pletterde daar zijn mond tegen, om +'t huilen te smoren dat onweerstaanbaar uit zijn hart opjoeg. + +--"Moeder! Moeder! Moederken!..." kloeg hij. + +En dat duurde een heelen tijd zonder dat het baatte. + +Toen het schilderij af was, verklaarde Johan Doxa dat de retraite hem +voor goed van al zijne slechtheid gezuiverd had en vroeg hij om zijne +uiterste biecht te zeggen. Met één woord: hij wilde uit het klooster +weg. + +Pater Hilarius hoorde de biecht, een mooien middag van April, even voor +vespertijd. Johan ging met hem in de schoone Kapel, knielde voor den +outer en verdween in het donkere hokje, waar hij, tegen een plank met +gaatjes, woorden prevelde in het oor van zijn biechtvader. Dan moest hij +onder het groote Kruis-Lieven-Heer gaan liggen en met zijn voorhoofd +lang die koude vloertichels raken. Eindelijk hoorde hij de vespers +zingen. 't Was uit. Hij nam afscheid van de Kloosterlingen, waaronder +velen hem liefdelijk behandeld hadden. Hij nam met melancholische +hartelijkheid afscheid van den ouden pater-hovenier, die hem drie +zeldzame begoniabollen ten geschenke gaf. En zijn gemoed kwam nog even +vol toen hij in de vestibule afscheid nam van den gulden pater-hotelier, +die zijne zware handen op Johan's schouders legde. De pater-hotelier +zei: + +--"Vaarwel, lieve vriend. Ik zal steeds u in mijne gebeden herdenken. +Van menschen zooals gij, Johan, gewaagde Krist toen hij ergens de +Pharizeërs toeriep: "Laat af, gij die schraapzuchtig zorgt voor den +dag van morgen!" God, toen hij de Toekomst schiep, schiep ook de +Voorzienigheid, en beide blijven in Zijne handen. Ga, Johan, onbekommerd +uwen levensgang. God spijzigt de vogelkens van uur tot uur. Waarom zou +Hij u niet spijzigen?" + +Hij drukte Johan in zijne armen en zegende hem.... + +Daar stond met zijn zwarten baard en rozig gezicht, de goedige +pater-poortier vergeefs zijn best te doen om in de schaduw van pater +Hilarius te verdwijnen. Johan hoorde zonder ongeduld een laatste +sermoen, een klein deur-sermoentje maar, vol liefelijke en lichte +dingetjes, gelijk van een chirurgijn, die een patiënt op krukken +doorzendt, waarvan hij een been of zoo heeft afgezaagd. Dan stopte pater +Hilarius hem een papieren omslag in de hand en fluisterde, +half-wegloopend: + +--"Van den prior ... voor het schilderij ... adieu! adieu!" + +De hooge poort schoof langzaam open. Een geweldige adem sloeg Johan +tegen de borst. Hij wankelde. Hij had willen een glasje water drinken +terstond, en hij besloot om een glasje water te vragen.... + +Maar hij kon nooit iets doen, waartoe hij besloten was. Hij stikte. God! +wat een ontzaglijke lucht hier!... De poort ging dicht. Johan Doxa stond +buiten. + + * * * * * + +--"Pouah! chéri, hoe ruikt ge zóó naar den wierook?" Twee heerlijk-zwarte +marolle-meisjes zaten nevens Johan Doxa, aan weerskanten, op de nauwe +bank van de friture-kroeg. Johan had kennis met haar gemaakt op de +Hoogstraat, zoodra hij had ondervonden dat het paketje van den prior +eene banknoot van honderd frank bevatte. Eigenlijk had hij met iedereen +willen kennis maken. Althans lachte hij vriendelijk elken voorbijganger +in het gelaat, en waartoe zou hij dat anders hebben gedaan? Maar deze +twee hadden hem direkt tegengelonkt. Zijne minzaamheid verminderde er +blijkbaar niet om, want seffens hingen zij aan zijne armen en vroegen +schuldeloos: + +--"Tu paies rien, vetzakske?" + +Of hij niets wilde betalen? Wel lieven-adieu! hij had lust om de geheele +wereld op te koopen!... Er werd besloten dat ze zouden mosselen eten en +patates frites. En zij zaten nu in de friture-kroeg. + +--"Pff!" deed Johan Doxa, "ik weet niet eens wat wierook is." + +De andere maagd ging met haar klein wipneusje over zijne mouwen +snuffelen. + +--"Neen," zei ze, "'t is eau de Cologne--ge hebt al-ze-leven in fijne +gezelschap gedineerd." + +Hij pinkoogde geheimzinnig, als om te laten onderstellen dat hij nog +veel erger had gedaan, en liet daarna fier zijne borst opzwellen. + +Als ze gegeten hadden, merkten de meisjes dat ze dorst kregen, Johan +trok met haar naar het "Kapiteintje" waar ze geus dronken, en naderhand +in den "Moriaan" waar hij trakteerde met krieken-lambic. Nauwelijks had +hij daar de derde flesch besteld, of een troepje wallebakken kwam +dansend binnengesprongen, vergezeld door een klein straatorkest--met +name een harmonica, een piston en een triangel. Ze dansten feestelijk de +herberg tweemaal rond en schaarden zich dan, rood van pret, bij den toog +om schuimende streepkens faro te zuipen. Johan Doxa stond plots recht en +riep: + +--"Een pint geus voor heel de Kompanie!" + +Het docht hem dat zijn gansch wezen openging. De woorden die hij +geschreeuwd had bleven trillen door zijn lichaam, als op pezen van +metaal. Hij viel neer op zijn stoel en zweette een beetje. De jonge +paren keken om en naderden de tafel waar hij zat gelijk een, die, +bedwelmd, zijne eigene troonplechtigheid bijwoont. Hij kreeg eene +ovatie.... + +Nu begon, van taveerne tot taveerne, eene processie die waarlijk niet te +beschrijven is. De muziekanten stapten voorop. Dan, met de voornaamheid +van een paasch-os, Johan Doxa, geflankeerd door de twee mooie +marolle-deernen. Dan de woeling der uitgenoodigde menigte, die steeds +aangroeide. Kinderen huppelden ommendom, de handen zwaaiend omhoog. In +den beginne zong men allerhande liedjes, maar weldra, om zooveel lawaai +mogelijk te maken, ging zich het repertorium beperken bij één en +hetzelfde couplet, dat iedereen goed kon en dat onvermoeid weer en terug +en altijd werd aangeheven: + +/* + En een dikke pens + En een snee van 't verken, + Boerenleven dat is plezant! + Boerenleven dat is plezant! +*/ + +Er geraakten diep-dronken menschen in het gezelschap. De piston, een +blonde reus, had vrijwillig op zich de verantwoordelijkheid van het +behoud der orde genomen, en meermaals was hij tot zijn leedwezen +verplicht eenige muilperen uit te deelen. Johan bewonderde hem +uitermate. Hij betaalde maar. Hij was gelukkig als een Koning. Het bloed +klopte hem weldadig op de slapen. Zijne kinderlijke lippen stonden in +den vorm van een glimlachend toeterken, alsof er zoo juist een melkzoete +flep was uitgevallen. Zijne meisjes hingen aan zijne mouw en soms moest +hij een kusje krijgen of een kittelig kneepje in de leen. De wereld +ruischte alom op hooghemelsche maat: + +/* + En een dikke pens + En een snee van 't verken.... +*/ + +De harmonica-speler was een bult. Hij dronk gelijk een Zwitser. Daar was +een oud ventje met rooden neus. Die kwam gedurig tegen Johan's buik +niezen. Hij dronk gelijk de bult. Allemaal dronken. Johan Doxa betaalde +maar.... + +--"Vooruit naar De Dikke Luis!" riep de piston. + +Weer 't zalige gedrang van lijven. Johan werd als opgenomen in de +stuwing en meende te zweven en stapte plots met zijn stoet en zijne +muziek op straat. + +--"Waar gaan we naartoe?" vroeg hij onnoozel aan het meisje links. + +--"Naar De Dikke Luis!" + +Het docht hem dat hij het zevende paradijs te gemoet ging. De heele boel +was een wonder. Hij zong slapjes: + +/* + En een dikke pens.... +*/ + +Er schoot hem iets te binnen en hij vertraagde zijn stap. Naar het lieve +meisje links boog hij zich en dan voelde hij hoe zwaar zijn hoofd was +geworden. + +--"Ik heb nog twintig frank" fluisterde hij haar in het oor. + +--"Hoeveel?" + +Hij taste in zijn broekzak en bracht zijne hand voor haar ten +voorschijn. Een met koper benagelde kletsdop lag daarin, en een +bankbriefje. + +--"Twintig," zei het meisje, "kom; 'k zal ik verder betalen--ge zijt +zat." + +Wat een heerlijk leven was het in "De Dikke Luis", een gloeiende roze +leven binnen een zachtblauwe tabakwolk! Het drieledig orkest speelde er +de Brabaçonne. Het glanzende bier ging rond van hand tot hand. De breede +baas stond te midden van kannen en glazen te tappen. + +--"Wat zoudt ge er van pein-einzen," vroeg de bult aan Johan tusschen +twee hiksnokken. + +Johan Doxa lachte simpel. Zijne tong, docht hem, lag vast in een soort +van elastieke meelpap. Hij peinsde niets. Weer riep de piston: + +--"Nu naar den Heeten Ketel!" + +De troep pakte zich saam, rumoerde op naar de deur. De harmonica begon +te blazen en de triangel, week-bellend, sloeg. + +--"Halt!" schreeuwde de baas, "wie moet dat allemaal betalen." + +Johan Doxa keek lui om. Hij schudde zijn hoofd onder het schrikkelijke +hoofd van den baas. Hij had willen uitleggen dat daar ergens een zwart +meisje moest zijn, dat het geld bewaarde. Maar zoo'n meisje was er in +huis niet meer. Had hij haar het geld inderdaad gegeven? Langzaam ging +hij met zijn eigen daarover redeneeren. De piston sprong naar den baas +toe. Een paar glazen vielen van den toog en dan.... + +Johan Doxa werd links en rechts gestoten. Nu zat hij op een stoel. Nu +zat hij op een tafel. Nu lag hij tegen den muur. Nu stond hij te +waggelen overeind. Nu kwam iets hards en vlugs tegen zijn kop aanbonzen. +Nu knielde hij. Nu werd hij van achteren opgestampt. En ineens beukte +een zwarte masse aan op zijn voorhoofd.--Was tegelijk het licht +uitgegaan?... + +Het licht was uit. + +In Johan Doxa was het licht uit. Daar kan niet aan getwijfeld worden. + + * * * * * + +Door een vensterken met ijzeren staven drong de prille Lentedag, toen +Johan Doxa zijne oogen openstak. Zijne oogen gingen op langs vochtige +muren. Ze bleven daar staren op zonderlinge teekeningen en schrifturen. +De klok van het Klooster klepte niet. Hij wilde iets vragen.... + +O, hoe akelig was zijn mond! Zijne kaken stonden stijf. Een loome pijn +hing in zijne leden. Hij keek naar zijne handen, zijne smerige handen, +bemorst met bruin-gedroogde bloedvlekken. Zijn rechterknie stak bloot +door een scheur van zijne broek. Zijn hoed lag bij de deur--een +platgeblutste hoed met afgerukte randen. + +--"Het stinkt hier" dacht Johan. Hij kwam moeilijk recht. Zijne beenen +waren als bevroren vodden. Hij begon stillekens over zijn hoed te +strijken, met werktuiglijke zorgzaamheid. + +Toen rinkelde daarbuiten een bussel sleutels en iemand opende deze +onbegrijpelijke cel. Het was een soort van politie-agent. + +--"Allee," sprak de ruwe deurwaarder, "krab op--ge moest u schamen." + +Geen de minste aandoening werd wakker in Johan Doxa. Hij liet zich +geleiden. Hij mankte. Hij verliet de Amigo[1] zonder hoop en zonder +wanhoop. Hij kwam thuis. Hij vond er zijn moederken. Hij hoorde zijn +moederken zeggen: + +--"Ach mijn jongen! mijn lieve jongen! ach, wat hebben de paters toch +met u gedaan!" + +Hij ging in een hoek zitten. Hij vertelde niets. En 's anderendaags ook +vertelde hij niets. En nog dagen en dagen nadien bleef hij, en vertelde +niets. Hij nam nooit het besluit iets van dat alles aan zijne moeder te +vertellen. + +Maar wat zou het eigenlijk helpen, als hij nu daaromtrent een besluit +genomen had? + +Niets. + + +Noot: + +[1] Stedelijke gevangenis voor tijdelijke verbrekers der openbare orde. + + + * * * * * + + +IV + +JOHAN DOXA + +DE SCHADUW + + +Ik kon dien nacht geen oog dicht doen. 't Sloeg vier uur op ons +Empireklokje, wanneer ik besloot het bed te verlaten, dat mij geen rust +geven wou. Terwijl ik me aankleedde en daarbij het groene nachtlichtje +had aangestoken, zette ik mijne morgenmelk op het kleine gasfornuis. +Ik dronk ze zonder smaak en verlangde reeds om buiten te zijn, in de +frischheid van den uchtend. + +Die frischheid was echter niet aangenaam, maar ik liep toch de vochtige +straten door, gelijk ik meer placht te doen om mijne overspannen zenuwen +te stillen. + +Ik wandel gaarne in den vroegen dag. De stad heeft telkens zoo ongewone, +zoo uitzonderlijke uitzichten. Zij ontwaakt met schokjes. De blauwende +donkerte laat de grijze gevels opklaren en verft de gladde eenzaamheid +der macadamlanen en asphalten bolwerken. De lantaarnlichten weifelen, +grauwen wittig uit de nevelen, werpen geen schaduwen meer. En het +zeldzame menschengedoe gaat traag op, nooit veranderlijk, gebaren makend +die een definitief teeken van den uchtend zijn. + +Ik loop meestal de lage stad om en verwijl dan het liefst rondom de +Zuiderstatie. Het is daar schoon om zien, want schoon is het morgenlicht +over de rookwolken der locomotievenhal. Het donkere gebouw is al vol +bedrijf en voert de werkluibenden op het statieplein. Er gebeurt een +gewoel van lijven, maar de lippen zijn zonder gerucht. De arbeid wenkt +zwijgend zijne zwijgende slaven.... + +Dien keer was ik zeer vroeg voor de hal aangekomen en ik slenterde +onwillig, de hielen slepend. De nevellucht spande pijnlijk om mijn +voorhoofd. Ik stond een paar ezelwagetjes na te gapen, die fluks opreden +met nieuwe groenten, de stad binnen. Musschen sprongen in de dahlia- +perkjes van het plein. + +Toen--juist terwijl ik nieuwsgierig de nog-belichte vensterruiten van +eene burgerlijke taveerne bekeek--zag ik de glazendeur van die taveerne +ruw openslaan en eene dikke vrouw, blijkbaar de bazin, den drempel +oversnellen. Ze schreeuwde in angst: + +--"Polis! Polis!" + +En ze ijlde van hoek tot hoek, het plein langs, al harder krijtend, +terwijl toch, naar gewoonte, nergens een politieagent zichtbaar was. Een +heer verscheen in de herbergdeur, gaf rappe inlichtingen aan een bleeke +schenkmeid, die schielijk de Fonsnylaan opliep. Ik was, op een drafje, +naderbij gekomen. De heer keek me in het aangezicht en, ofschoon hij +onder de zwarte randen van zijn galahoed zoo wit uitblekte als een +doode, herkende ik in hem, niet zonder verwondering, mijn goeden vriend +Menschaert, den toondichter. + +--"Wel, Antoon," zei ik stil, "wat gebeurt hier?" + +Hij hief zenuwachtig zijne schouders op. Zijn rechterhand teekende in de +lucht vluggelings een halven cirkel--wat bij hem het gebaar was van een +onzeggelijk ongeduld--en hij wenkte mij om binnen te komen. + +--"Ik vrees dat het hier erg toegaat," sprak hij dof. + +Inderdaad. Het schouwspel, dat ik in de taveerne te zien kreeg, was zoo +schrikkelijk dat ik, op het eerste zicht, ademloos bleef van aandoening. +Maar toen ik naderhand een stap nog waagde, werd mij plots het gaslicht +een mist van groene dampen en voelde ik den klauw van een zonderling +monster, dat, gelijk een nachtmerrie, mijne keel toenijpen kwam. + +Ik had, geloof ik, een korten gil geslaakt.... + + * * * * * + +Het was half-zeven, als ik met Menschaert die akelige herberg verliet. +De eenige schikking, die nog moest genomen worden, had ik ter regeling +aangewend en mijn vriend Antoon, welke waarlijk een allerbraafste jongen +is, wilde niet dat ik al dat droeve alleen zou doen. + +Hij liep dus mee met mij, maar daar de boodschap geen haast vroeg +--integendeel, goede God!--en daar wij beiden zeer vermoeid waren, +besloten wij om maar eerst een kop koffie te gebruiken. In de kleine +eetzaal van het _Hotel Espérance_ bestelden wij een klein ontbijt en +Antoon, door mij hiertoe dringend aangespoord kon eindelijk breedvoerig +vertellen hoe de tragische gebeurtenis ontstaan was. + +Hij deed het met dien eenvoud, welken ik zoo bewonder bij hem en die +schijnbaar zoo zeer strijdt met de gewone daden van dezen uitstekenden +kameraad. Antoon Menschaert is nog jong. Zijne ouders zijn boeren-heeren +uit de Kempen en stellen het tamelijk goed. Hij zelf woont ergens bij de +Beurs, alleen, naar hij zegt (ik vermoed echter dat die eenzaamheid +"gedeeld" wordt, want, uit princiep, ontvangt hij nooit een vriend op +zijne kamers....) Hij is orgelist in Sint-Niklaaskerk en werd onlangs +als monitor aangesteld in het koninklijk conservatorium. De jongen +vermaakt zich eeniger mate in den zin van wat jongelui in Brussel "zich +vermaken" noemen. Nochtans is hij ernstig en zijn gevoel, dat ik bij +meer dan één gelegenheid heb kunnen waardeeren, heeft schoone volten en +een bestendig gewicht. + +Hij zat voor mij. Het opkomend daglicht klaarde over zijn sierlijk +aangezicht, dat, thans wat roziger, toch mat-effen, zeer vermoeid boven +zijn witte das en de zijden kraag van zijn smoking uitscheen. De koffie +rookte lichtelijk op over de gouden randjes van het blauwe porseleinen +koffie-servies. Wij aten bij poozen, gelaten. + +Antoon sprak: + +--"Ik heb gisteren middag het dineetje bijgewoond, waarmede mijnheer en +mevrouw Zondervan maandelijks en telkens te vergeefs een vrijer +probeeren aan te kleven voor hunne dochter Adelaïde, een stuk plank met +een kop vol pretentie.... Kent gij de familie Zondervan?... Jammer! Dan +kunt ge ook niet geheel inzien in welken staat van ellende mijne hersens +waren gebracht, nadat zij een ganschen middag het leelijk sproetengelaat +van juffrouw Adelaïde hadden aangegluurd en de zoetzappigheidjes van +haar idioot gepraat hadden toegeknikt. Toen ik, omtrent negen uren, zeer +buiten Adelaïde's verwachting, haar tafel en haar huis verliet, was ik +een kapot stuk jongmensch, dat zich nog alleen herinnerde hoe slecht +Zondervan's bourgogne was en hoe afschuwelijk zijne dochter. Ik snakte +naar een glas gezond bier en vond het zonder moeite. In _Clarenbach_ +waar ik aangeland was, ontmoette ik bij mijn vierde pint Slokke, den +beeldhouwer, Fritz d'Artois, die als stagiair bij advokaat Forst is +aangenomen, administrateur Lemonnier en diens vriend mijnheer Van +Dranem, welke mij werd voorgesteld. Deze heeren waren in vroolijk humeur +en wij dronken samen eene brave hoeveelheid Munchnerbier, zoodat, door +Slokke aangedreven, ik mijn eigen al even pleizierig als de overige +bevond. Die Slokke is een verbazende kerel. Te middernacht volgden wij +hem in _The Dominion Bar_, in de _Jeune France_ en eindelijk in dat +verleidelijke ding van de Bisschopstraat, _The Old Curiosity Shop_, +zooals gij wel weet. Overal was pret, muziek, drank en lieve dames. Ik +zou op dat oogenblik geloof mij, juffrouw Adelaïde Zondervan nooit uit +Mathusalem hebben herkend, aangenomen dat Mathusalem het vergelijk hadde +verdragen. In _The Old Curiosity Shop_ vermaakte ons zeer een muziekaal +neger-trio. Slokke had in _The Dominion_ een voor mij onbekend makker +aangeklampt, een soort Tcheik, die alles danig lollig wist aan te +brengen en waarlijk een onschatbare ontmoeting was voor jonge +lichtmissen. Hij richtte o.a. met de drie negers een burleske vertooning +in, welke bij de aanwezige dames en heeren een grooten bijval verwierf +en, na eene omhaling van Slokke, voor den Schamelen Arme, zooals Slokke +zei--hij bedoelde het Stedelijk Armbestuur--ruim twee honderd frank +opbracht. + +"Ik was toen al tamelijk beschonken. Maar ik herinner mij zeer goed dat +in een hoekje bij den toog een zonderling mensch zat toe te kijken. Het +is noodig dat ik u vertel hoe hij zich voordeed. Het was--gij weet het +natuurlijk--een dik, ingezonken man, een waarvan men gemeenlijk zegt dat +hij "zonder ouderdom" is, maar zijn gelaat, dat klaarblijkelijk door een +overdadig gebruik van ... laat ons zeggen "spiritualen" was ingevreten, +had, ondanks zijne vervallen kleederdracht, ondanks de niet-vrome +omgeving, ondanks alles, een zoo kinderlijk, och ja, een zoo +"seraphische" uitdrukking dat het mij aandeed buiten mate. Hij keek toe. +Hij keek engelachtig het zot bedrijf van den Tscheik en de drie negers +toe. Hij lachte niet. Hij scheen ook niet bezorgd. De beruchte tapper +van de _Shop_--Anatole heet hij, weet ge wel--bracht hem, zonder dat hij +'t vroeg en zonder dat hij er in het minst voor dankte, tot viermaal een +whisky-soda. Hij dronk niet gulzig, niet smakelijk ook. Hij dronk +langzaam en eentoonig, en zijne gebaren waren lui als van een vet, +eigenzinnig kind.... + +"Hoe het kwam, weet ik niet. Men weet niet hoe alles gebeurt bij zulke +partijen. Bovendien, ik beken 't voluit, de drank speelde en smokkelde +in mijn hoofd. Zeker is het dat, rond twee uren, het korte mannetje +zonder tegenspraak bij ons gezelschap hoorde. Ik zag dat hij naast +mijnheer Van Dranem zat. Ik hoorde niet dat hij met mijnheer Van Dranem +sprak. Ik hoorde dat mijnheer Van Dranem hem had aangelijmd en, in het +algemeen gewoel, eene astrologische rede voorhield, welke het geduldig +ventje met brave knikjes scheen goed te keuren. Mijnheer Van Dranem +bestelde dan telkens versche pinten, deed vriendelijk met zijn +zonderlingen gebuur bescheid en maakte hem alzoo bijna tot elkendeens +kameraad. Och! men verbroedert zoo licht in die warme nachtkroegen! Geen +van ons dacht er aan den kerel naar zijn naam te vragen. Dat hij geen +booswicht was stond op zijn cherubsgelaat te lezen, en wat konnen wij al +meer eischen? Hij dronk voortreffelijk. Hij deed ons, drinkebroers, eer +aan.... + +"We verlieten de _Curiosity Shop_ al te zaam. De goedige dikkerd volgde. +In de _American Bar_ zat hij aan onze tafel. Wanneer een van ons hem +onder 't praten toekeek, knikte hij seffens gewillig tegen. Hij +beantwoordde alleman's teug. Dronk ik, hij dronk. Dronk daarop +Lemonnier, hij nam een slokje uit beleefdheid. Dronk dan de +geheeldronken d'Artois, hij insgelijks, om goede manieren te toonen, +dronk maar.... Kortom, hij was de hoofsche goedkeuring zelve. + +"Zeg eens, Herman, hebt ge al niet opgemerkt dat, als ge zoo op randool +zijt, er altijd iemand medefeest, zwijgend en ingetogen. Het is een +stille bijlooper. Hij laat nooit zijn glas ledig staan. Hij spreekt +nooit iemand tegen. Hij betaalt nooit wat. Hij is nooit hinderlijk. Laat +iemand zijn pijp, zijn regenscherm, zijn zakdoek vallen, hij is 't, die +hem opraapt. Hij is bij iedereen en bij geen van allen. Hij is een +verdraagzaam toezicht en zal het opmerken, als de baas, vertrouwend op +de dronkenschap der kompanie, iemand wat ongangbare munt wil in de hand +stoppen. Hij is 't ook, Herman, die de aandringende bloemenverkoopster +met een blozend lachje toefluisterd: "Ga maar uw gang, vrouwtje, die +kerels zijn zat en koopen niet!" En, luister wel, niemand kent hem. Hij +is de schaduw van ons allen, en wij eischen niets van hem. Hij lijkt op +iets dat ons natuurlijk en onverweerbaar toebehoort.... + +"Alzoo was die man. In de _American Bar_ ontstond er ruzie met een paar +roekelooze studenten. Ik zag goed hoe hij onderwijl vredig zijne pijp +stopte en ze in volle herrie kalmpjes aanstak. Ik zag het, omdat de pijp +zelf mij trof--een wondere pijp, geheel met kleur-ornamenten beladen, +zoo miniatuur-fijn als nog nimmer mij verfversiersels onder de oogen +kwamen. Onderaan den breeden pijpbuik kon ik, na eenige aarzeling het +woord "Julia" lezen. Het verbaasde mij zeer. Brandde in dat zeldzame +dikzaklijf waarlijk de vereering voor eene geliefde vrouw? Zoo zeer nam +mij dit denkbeeld in beslag, dat ik dadelijk den zachten vetpot over +zijne identiteit wilde aanspreken. Ik geloof dat de toenemende twist mij +in dit voornemen storen kwam, want tot eene bepaalde opheldering kwam +het niet. Eene verdere gelegenheid werd mij niet meer aangeboden en de +kerel bleef stillekens, rookend en drinkend, bij ons.... + +"Aldus voortzakkend geraakten wij in groepje op het Statieplein. Wij +hadden na de sluiting van de _American_ nergens een herbergzaam huis +gevonden en waren, eerst druk-pratend, dan moe-zwijgend, de Henegouwlaan +opgekomen. Slokke beweerde dat het Statieplein ons op een voornaam +fleschje geus of iets dergelijks kans kon bieden. Wij volgden Slokke +gedwee. De nacht was koud, miezelig, doordringend-vochtig. Wij +slenterden door, stil voorover gebukt, bijna zonder moed. Slokke zong +luidop een lied, waarvan ik me niets meer herinner, en d'Artois, achter +hem, spande nuttelooze pogingen in om het hem na te burrelen. Lemonnier, +lang en stokkestijf, beende akelig over het trottoir. Van Dranem, die +naar ik vermoed, daags te voren zeer onvoorzichtig den inhoud van een +sterrekundig standaardwerk had ingezwolgen, besproeide mij met den +hutsepot van zijne astrologische indigestie. De laatste van allen, +kortstappend en kort-blazend, kwam de ronde man, onze zoete schaduw +aangedrild. Ik hoorde hem. Hij had het geluid van een haastigen hinker. +Maar hij hinkte wezenlijk niet: naar ik thans vermoed, ontbrak de hak +aan een zijner schoenen, die daardoor als een slofje neerwreef op de +steenen.... + +"Slokke bracht ons in die taveerne van het Statieplein.... + +"Hier moest het drama gebeuren. Wij gingen aan de grootste tafel zitten +en bestelden koffie. De bazin, een onaangenaam wijf, deed opmerken dat +de herberg slechts bij toeval open was gebleven, dat zij geen tijd had +om koffie te zetten en maar hoopte dat de heeren gauw zouden oprukken. +Fritz d'Artois stond bij dezen onvriendelijken uitval recht en +overdonderde de zure waardin met de gekste aller redevoeringen. Aan de +inschikkelijkheid van eene oolijke schenkmeid hadden wij een kop koffie +en het einde van d'Artois' pleidooi te danken. Deze schenkmeid, die wel +inzag dat men Slokke en zijne kameraden nooit anders dan met +aanminnigheid zou de deur uitkrijgen, verwaardigde zich haar eigen bij +ons aan te sluiten, waar zij van Lemonnier verkreeg dat hij haar, bij +wijze van "slaapmutsje", op een fine-champagne trakteerde. + +"Kijk nu, Herman, goed hoe wij zaten. Ik zat op de bank, links had ik +Van Dranem, stapelvol met troebele wijsbegeerte, rechts d'Artois, en +naast dezen het rookende mysterieventje. Rechtover mij zat Slokke, links +had hij Lemonnier en rechts de diplomatische herbergdeerne. Wij praatten +in den beginne vrij onharmonisch ondereen, tot op een vraag van de +schenkmeid het gesprek eene bepaalde richting inliep. De meid had +vernomen dat Fritz advokaat was en ze wilde hem gaarne, zeide ze, iets +vragen. Fritz die, met Dranem, de zatste van den hoop was geworden, vond +waarschijnlijk dat de schenkmeid hem veel eer aandeed. Althans bereidde +hij zich tot een uitbundig consult en stelde zijne prille ervaring +"geheel" (dit met een prachtig oratorisch gebaar) tot hare beschikking. +"A-wel voila!" sprak de meid, "ik ben getrouwd met een man die te dom is +om voor den duivel te dansen--van 's morgens tot 's avonds maak ik ruzie +met hem, want hij is te vadsig om een woord te zeggen,--hij zou mij +bestelen, als hij maar kon, mijnheer, bestelen om in de herberg te +zitten, hij wint geen gebenedijden stuiver en ik vraag mij af hoe hij +het aan boord legt om 's nachts geregeld dronken thuis te komen,--d'r en +is geen leven mee te houden, dat zeg ik u,--'k ben 't beu den luiaard in +te mesten, en, met permissie gezegd, mijnheer, 'k zou willen +divorceeren!" Zij begon in 't kort en in 't lang ons den toestand van +haar huishouden voor oogen te leggen, en daarop overgoot d'Artois haar +met zijne orakels. Hij onderzocht het pro en het contra, nam de gekste +houdingen aan en waande zich aan de vermetelste verklaringen, brak het +huwelijk om "te besluiten" en lijmde de stukken weer aaneen om met +nieuwe pracht van woorden te kunnen herbeginnen.... Kortom hij spande +daar de onmenschelijkste zaag. Slokke kreeg, naar hij mij vertrouwbaar +toemummelde, een papmond. Lemonnier was op de beide vuisten in slaap +gedonderd en Mijnheer Van Dranem, die over heel 't gedoe geen star meer +herkende, was in de diepste mijmeringen verzonken.... + +"Ik, scheef-achterover tegen den bankrug geleund, keek strak den dikken +bijlooper aan. Hij zat kalm en zoetjes te rooken, onveranderlijk. Daar +d'Artois recht stond en voortdurig over de tafel waggelde al preekend, +kon ik gemakkelijk onzen anoniemen vriend naloeren. Ik beken het u: ik +deed het uit verveling, want ik was wezenlijk te vermoeid om in mij +belangstelling voor 't zij eender wat te wekken. Ik belonkte hem strak, +al rustend. Hij rookte, scheen oplettend naar d'Artois en de schenkmeid +te luisteren, dampte zachtjes. Zijn bol aangezicht tuurde, over de +hoofden, naar iets dat, docht mij, misschien op den muur, boven den +toog, was aangeplakt. Al scherper blikte hij alzoo ... tot, almeteen, +zijn pijp, die geen vuur meer hield, dood stak in zijn mond, die juist +niet meer trekken wilde. + +"Hij bleef een lange poos zonder roeren. + +"Toen, zonder haast, vatte hij de pijp, wond ze in zijn rooden neusdoek, +borg ze--gelijk hij ze voorzeker placht te bergen--voorzichtig in zijn +binnenzak ... en ... toen, Herman ... ja, toen ... ik word er niet wijs +uit jongen ... het is zeker dat ik zeer, zeer moe was. Het gebeurde als +in een droom, waarbij ik machteloos moest blijven ... begrijpt ge? + +"De arme dompelaar, nadat hij de pijp geborgen had, trok langzaam zijne +hand weer uit den zak. Die hand--wat vatte ze zoo struisch daar? Ik +zweer u, Herman; ik zag het, ik zag het, zonder te weten dat ik 't zag.... +Die hand, met het zwarte ding, hief de goede dikkerd tot onder zijne +kin. En hij opende vredig zijn mond, wijd, wijd, tot het mij met +verbazing sloeg. En toen, Herman, gebeurde het. Het schot brak los, hard +en geweldig ... en de hand viel neder op de tafel, rilde daareven en +omsloot, meen ik, het dampende tuig dichter.... + +"Ha, jongen 't was er een herrie! Iedereen, zelfs de slapende Lemonnier, +stond recht. Die gemeene bazin gilde oneerbiedig. En hij, de sukkel, zat +op de bank, had niet geroerd. Hij glimlachte precies. Maar, achter hem, +was de muur met bloed bespat en iets leekte daar, een witte kwabbel, +traag, van zwaarte...." + +Antoon zweeg. En ik herzag de leelijke taveerne, en hoe ik er +binnenliep, en hoe ik den doode zitten zag, en hoe ik, met een neep in +het hart en een kreet van heel mijn wezen, Johan Doxa herkende, den +zachten doolaar. + +Ik heb zijne lauwe hand in de mijne genomen. Ik heb ze waarlijk +gestreeld, alsof hij 't nog voelen kon. Ik heb hem op de bank +nedergeleid. En ik heb zijne groote oogen toegedaan, die zoo verre +keken, verder dan den muur, Antoon, verder dan den muur of den toog, +mijn goede Antoon.... + + * * * * * + +De heete koffie had ons opgeknapt, maar we vertrokken beladen met iets +als een groot pak. Niet haastig drilden we de Lage Stad af. We drumden +langs de gevels der huizen en beletten niets van het aanzwellend +dagbedrijf. We liepen verstrooid over de pletsende dweilen van gebogen +dienstmeisjes, die zich oprechtten dan, gestoord in den kuisch, en ons +wat toesnauwden van op de drempels. + +Ik was zeer bekommerd en luisterde nauwelijks naar het stil, afgebroken +gepraat van Menschaert. Ik begon 't mij alreeds te beklagen dat ik deze +laatste boodschap had aangenomen. Seffens verhief echter mijn geweten +zijn rechte stem boven 't gehakkel van mijn angst en ik stapte vaster +door, overtuigd, gelijk ik was, dat niemand het droeve nieuws met meer +teedere en aandachtige zorgen zou brengen dan ik het, met mijn +liefderijk medelijden, zou doen. + +We kwamen in de Zes-Penningenstraat, die reeds vol was met +uchtendgeluiden. Magere honden liepen er snuffelend rond de vuilbakken. +Een stoelenbiezer zette aan zijn uitgerokken roep, die wijd-jammerde +onder de vensters. Een fruitwijf stiet haar rammelend karretje. Boven +op een hoog huis vlekte een bleeke zon. + +Het donkere winkeltje was open, de grauw-groene luiken ontsloten, de +gebroken drempzuil bloot. Ik kende die zuil goed. Hoe dikwijls liep haar +lustig over, jaren geleden, toen Johan Doxa met zijn ekster, zijn sijsje +en zijn eekhoorn het rare zolderkamertje bewoonde! + +Juist--maar hoe kommervol thans!--wilde ik de goede zuil betreden, als +daar in een zoeten lach de groetende moeder Doxa stond. + +--"Wel mijn jongen," zei ze frisch, (ze droeg een jakje en een versch +schort en ze was waarlijk, het oud wijveken, frisch als de morgen zelf) +"wel mijn jongen, wat zijt gij vroeg te been!" + +Ik geloof dat ik daarop iets vrij onverstaanbaars uitbracht, want moeder +Doxa keek me dadelijk vreemd aan. Moeders hebben wondere voorgevoelens. +De lach op haar gelaat verdween. Zij zei nog: + +--"Komt ge mij opzoeken?" + +Ze drukte wonderbaar op het woord "mij". + +Ik knikte traag, verlegen. En wij traden het speelgoedwinkeltje binnen, +dat geheel het uitzicht van vroeger had bewaard. Daar gloeide eenderlijk +de roode tichelvloer en donkerde massaal de vierkante toog onder het +noesche vensterlicht. Vluggelings zag ik in hunne verscheiden bakjes de +lekstokken, muntebollen, vlierhopjes, ovenbeesten, stampers, kletskoppen, +amandelkoekjes en kramelleu. Achteraan, tegen den muur, in schemerklaarte, +hingen de poesjenellen, de poppen, de reepen, de blikken muziektoppen, +de zweepen met fluitjes, de zakken met glazen marbels, al het diverse +speelgoed, dat bontig opkleurde en rammelde door mekaar. + +En moeder Doxa, dienstvaardig, ging, gelijk naar gewoonte, het trapje op +achter den toog. Eene zonderlinge aarzeling bibberde in haren blik. Ze +beproefde een nieuwen glimlach. + +--"A-zoo! mijn jongen," sprak ze, "wat is er tot uwen dienst?" + +Ik bleef nog een tijdje zwijgen. Antoon scheen over de smuitsterbakjes +eene zorgvuldige keus te doen. Ik schudde treurig het hoofd en vatte +moedig aan: + +--"Nu moedertje, wij brengen geen goed nieuws.... Het spijt me zoo!..." + +Ze sprak niet. Hare oogen werden scherper. De stilte die in het winkeltje +kwam spoken was wezenlijk onverdraaglijk. Ik herinner me (hoe bijtend +zijn de indrukken soms!) dat, op dit oogenblik, een scheerslijper al +roepend voorbij trok. Ik zei: + +--"Verschrik niet uitermate, moedertje. Zeker, het leven is heel zoet om +leven. Maar wat helpt het, als wij zelf meedoen om ons leed te vergrooten, +als wij ons zelf den dood op het lijf jagen?... D'ris toch niets aan te +veranderen, moedertje Doxa...." + +Ze was bleek, ineens doodelijk bleek. En de kleine glimlach, die niet +weg wilde, werd een grijns van smart. Ze hakkelde: + +--"Ja maar, ja maar...." + +Alsof ze zich aan de waarheid wou vastklampen, en een bange logen +daarmede kon verweeren die schrikkelijk op haar afkwam. God, Gij weet +hoe vurig ik toen wenschte dat het inderdaad een logen mocht zijn! + +Ik besloot die pijn te verkorten. Ik hernam, diep ademhalend: + +--"Uw zoon moedertje ... uw zoon Johan...." + +Ze deed stil: + +-"Hâ-â!" + +Heel stil. En ze sloot langzaam hare oogen. Ze zonk achterover, in de +rokjes van poppen, tegen den muur. En nog verliet die akelige glimlach +hare lippen niet.... Antoon Menschaert was toegesneld. Ze voelde zijne +armen om haar, roerde haar mond. + +--"Wacht", lispelde ze zoetjes, "wacht, als 't u belieft ... och! +och!..." + +Toen stak ze hard en wijd-open hare oogen en keek ernstig toe. + +--"Watte?" vroeg ze, "wat zegt ge daar?" + +En ik, geheel verslagen en 't harte bijna ingestampt: + +--"Uw zoon, moedertje", antwoordde ik, "hij is niet wel ... hij is zoo +schielijk.... God is wreed, moedertje, maar wij moeten in hem berusten, +dat weet ge toch niet waar?" + +Ze stiet Antoon plots van zich af. Ze riep: + +--"Wat is er met Johan gebeurd? Wat is er met Johan gebeurd?" + +Ze was vreeslijk. Ik dacht dat ik het nu met een woord zeggen moest +en--de Hemel vergeve 't mij--ik zei het met een woord. + +Dat woord, ze had het werkelijk zien aankomen. Ze week als het dichtbij +was. Ze kreeg het vlak tegen hare oude borst.... Nu zakte ze thoope, +gelijk een klein, nietig pakje, in Menschaert's handen. Ze was opeens +schijnbaar als een pluimpje zoo licht. + +Nog sprak ik, de schoon-versierde pijp uitreikend naar heur: + +--"Zie, moedertje, hier is zijne pijp. Ik heb ze uit zijn zak genomen +opdat gij ze bewaren zoudt, als een aandenken...." + +Ze keek de pijp aan. Ze vatte de pijp met beide handen.... Dan was 't +alsof ze insliep, zonder een traan, zonder een zuchtje, verre van ons. + + * * * * * + +Antoon Menschaert is nu een beroemd componist geworden, wat onze +vriendschap niet het minst heeft verlauwd. En daar hij nog steeds op +kamers "alleen" woont en ongaarne iemand bij hem ontvangt (ik verdenk +hem niet, hoor!) komt hij al dikwijls een avondje doorpraten in +Linkebeek, waar ik sinds enkele jaren verblijf. Wij zabberen en rooken +dat het een aard heeft. + +--"Zeg eens," zegt hij vaak, "ik zal u gaarne een zilveren aschbakje +schenken, indien ge dees ellendige doos weggooien wil." + +Ik bekijk dan de hoog-ronde doos, die ik ons eigen steeds voorzet als we +sigaren opsteken. Het is een geblutst tomatendoosje, dat inderdaad +miserabel aandoet in de overige meubeleering. + +--"Kom! Kom! ik zal dat leelijke ding wel eens de straat opwerpen ... +doch, wanneer? wanneer?... Er zijn kleine, domme daden, waartoe men maar +niet besluiten kan." + + * * * * * + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK JOHAN DOXA *** + +Updated editions will replace the previous one--the old editions will +be renamed. + +Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright +law means that no one owns a United States copyright in these works, +so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the +United States without permission and without paying copyright +royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part +of this license, apply to copying and distributing Project +Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm +concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, +and may not be used if you charge for an eBook, except by following +the terms of the trademark license, including paying royalties for use +of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for +copies of this eBook, complying with the trademark license is very +easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation +of derivative works, reports, performances and research. Project +Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may +do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected +by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark +license, especially commercial redistribution. + +START: FULL LICENSE + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full +Project Gutenberg-tm License available with this file or online at +www.gutenberg.org/license. + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project +Gutenberg-tm electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or +destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your +possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a +Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound +by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the +person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph +1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this +agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm +electronic works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the +Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection +of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual +works in the collection are in the public domain in the United +States. If an individual work is unprotected by copyright law in the +United States and you are located in the United States, we do not +claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, +displaying or creating derivative works based on the work as long as +all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope +that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting +free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm +works in compliance with the terms of this agreement for keeping the +Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily +comply with the terms of this agreement by keeping this work in the +same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when +you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are +in a constant state of change. If you are outside the United States, +check the laws of your country in addition to the terms of this +agreement before downloading, copying, displaying, performing, +distributing or creating derivative works based on this work or any +other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no +representations concerning the copyright status of any work in any +country other than the United States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other +immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear +prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work +on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the +phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, +performed, viewed, copied or distributed: + + This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and + most other parts of the world at no cost and with almost no + restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it + under the terms of the Project Gutenberg License included with this + eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the + United States, you will have to check the laws of the country where + you are located before using this eBook. + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is +derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not +contain a notice indicating that it is posted with permission of the +copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in +the United States without paying any fees or charges. If you are +redistributing or providing access to a work with the phrase "Project +Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply +either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or +obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm +trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any +additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms +will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works +posted with the permission of the copyright holder found at the +beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including +any word processing or hypertext form. However, if you provide access +to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format +other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official +version posted on the official Project Gutenberg-tm website +(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense +to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means +of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain +Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the +full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works +provided that: + +* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed + to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has + agreed to donate royalties under this paragraph to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid + within 60 days following each date on which you prepare (or are + legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty + payments should be clearly marked as such and sent to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in + Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg + Literary Archive Foundation." + +* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or destroy all + copies of the works possessed in a physical medium and discontinue + all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm + works. + +* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of + any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days of + receipt of the work. + +* You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project +Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than +are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing +from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of +the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set +forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +works not protected by U.S. copyright law in creating the Project +Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm +electronic works, and the medium on which they may be stored, may +contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate +or corrupt data, transcription errors, a copyright or other +intellectual property infringement, a defective or damaged disk or +other medium, a computer virus, or computer codes that damage or +cannot be read by your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium +with your written explanation. The person or entity that provided you +with the defective work may elect to provide a replacement copy in +lieu of a refund. If you received the work electronically, the person +or entity providing it to you may choose to give you a second +opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If +the second copy is also defective, you may demand a refund in writing +without further opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO +OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT +LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of +damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement +violates the law of the state applicable to this agreement, the +agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or +limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or +unenforceability of any provision of this agreement shall not void the +remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in +accordance with this agreement, and any volunteers associated with the +production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm +electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, +including legal fees, that arise directly or indirectly from any of +the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this +or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or +additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any +Defect you cause. + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of +computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It +exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations +from people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future +generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see +Sections 3 and 4 and the Foundation information page at +www.gutenberg.org + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by +U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, +Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up +to date contact information can be found at the Foundation's website +and official page at www.gutenberg.org/contact + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without +widespread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine-readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To SEND +DONATIONS or determine the status of compliance for any particular +state visit www.gutenberg.org/donate + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. To +donate, please visit: www.gutenberg.org/donate + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project +Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be +freely shared with anyone. For forty years, he produced and +distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of +volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in +the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not +necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper +edition. + +Most people start at our website which has the main PG search +facility: www.gutenberg.org + +This website includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + diff --git a/16841-0.zip b/16841-0.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f6eb66b --- /dev/null +++ b/16841-0.zip diff --git a/16841-h.zip b/16841-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..d06a380 --- /dev/null +++ b/16841-h.zip diff --git a/16841-h/16841-h.htm b/16841-h/16841-h.htm new file mode 100644 index 0000000..c959da1 --- /dev/null +++ b/16841-h/16841-h.htm @@ -0,0 +1,3336 @@ +<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN" +"http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd"> +<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="nl" lang="nl"> +<head> +<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=utf-8" /> +<meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" /> +<title>The Project Gutenberg eBook of Johan Doxa, by Herman Teirlinck</title> + +<style type="text/css"> + + p { margin-top: .75em; + text-align: justify; + margin-bottom: .75em; + } + h1,h2,h3,h4,h5,h6 { + text-align: center; /* all headings centered */ + clear: both; + } + h1,h2 { color: #800000; } + h3 { margin-bottom: 2em; } + hr { width: 33%; + margin-top: 2em; + margin-bottom: 2em; + margin-left: auto; + margin-right: auto; + clear: both; + } + + table {margin-left: auto; margin-right: auto;} + + body{margin-left: 10%; + margin-right: 10%; + } + + .linenum {position: absolute; top: auto; left: 4%;} /* poetry number */ + .blockquot{margin-left: 5%; margin-right: 10%;} + .pagenum {position: absolute; left: 92%; font-size: smaller; text-align: right;} /* page numbers */ + .sidenote {width: 20%; padding-bottom: .5em; padding-top: .5em; + padding-left: .5em; padding-right: .5em; margin-left: 1em; + float: right; clear: right; margin-top: 1em; + font-size: smaller; background: #eeeeee; border: dashed 1px;} + + .bb {border-bottom: solid 2px;} + .bl {border-left: solid 2px;} + .bt {border-top: solid 2px;} + .br {border-right: solid 2px;} + .bbox {border: solid 2px;} + + .center {text-align: center;} + .smcap {font-variant: small-caps;} + .u {text-decoration: underline;} + + .caption {font-weight: bold;} + + .figcenter {margin: auto; text-align: center;} + + .figleft {float: left; clear: left; margin-left: 0; margin-bottom: 1em; margin-top: + 1em; margin-right: 1em; padding: 0; text-align: center;} + + .figright {float: right; clear: right; margin-left: 1em; margin-bottom: 1em; + margin-top: 1em; margin-right: 0; padding: 0; text-align: center;} + + .footnotes {border: dashed 1px;} + .footnote {margin-left: 10%; margin-right: 10%; font-size: 0.9em;} + .footnote .label {position: absolute; right: 84%; text-align: right;} + .fnanchor {vertical-align: super; font-size: .8em; text-decoration: none;} + + .poem {margin-left:10%; margin-right:10%; text-align: left;} + .poem br {display: none;} + .poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;} + .poem span.i0 {display: block; margin-left: 0em;} + .poem span.i2 {display: block; margin-left: 2em;} + .poem span.i4 {display: block; margin-left: 4em;} + +a:link {color:blue; text-decoration:none} +a:visited {color:blue; text-decoration:none} +a:hover {color:red} + + </style> + </head> +<body> + +<div style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of Johan Doxa, by Herman Teirlinck</div> +<div style='display:block; margin:1em 0'> +This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and +most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions +whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms +of the Project Gutenberg License included with this eBook or online +at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you +are not located in the United States, you will have to check the laws of the +country where you are located before using this eBook. +</div> +<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: Johan Doxa<br /> +  Vier herinneringen aan een Brabantschen Gothieker</div> +<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Herman Teirlinck</div> +<div style='display:block; margin:1em 0'>Release Date: October 9, 2005 [eBook #16841]<br /> +[Most recently updated: June 11, 2022]</div> +<div style='display:block; margin:1em 0'>Language: Dutch</div> +<div style='display:block; margin:1em 0'>Character set encoding: UTF-8</div> +<div style='display:block; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Produced by: Marc D’Hooghe</div> +<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK JOHAN DOXA ***</div> + +<p> +<a href='#I'>I GETROUWD</a><br /> +<a href='#II'>II LICHTMIS</a><br /> +<a href='#III'>III DE BOETVAARDIGE</a><br /> +<a href='#IV'>IV DE SCHADUW</a><br /> +</p> + +<h1>JOHAN DOXA</h1> + +<h3>VIER HERINNERINGEN AAN EEN BRABANTSCHEN GOTHIEKER</h3> + +<h3>door</h3> + +<h2>HERMAN TEIRLINCK</h2> + + +<h3>1917</h3> + + +<hr style="width: 45%;" /> + + +<h2><a name="I" id="I"></a>I</h2> + +<h2>JOHAN DOXA</h2> + +<h3>GETROUWD</h3> + + +<p>Johan Doxa, de vader, verkocht speelgoed in de Zespenningstraat, een +grijze wijk van nauwe steegjes, midden in de Lage Stad. Hij had er een +smal winkeltje met een gebroken drempelzuil, een vunzigen gang en een +groen-houten hekje, waarop, tenden een buigzaam veerijzer, een +waarschuwende bel vastgehecht was. Het winkeltje was grauw, haast donker. +De roode tichelvloer gloeide langzaam op uit de halve donkerte, maar de +vierkante toog somberde, gelijk een harde, massale schaduw, vlak onder +het venster, dat met zijne menige uitstalling, de dagklaarte buiten +hield. Die toog droeg een verscheiden weelde van lekkernijen, +muntebollen, lekstokken, stampers, ovenbeesten, kramellen, kletskoppen +en amandelbrood. Al dat bonte gesnoeper lag er, in blikken kistjes +nevenseen, elk met zijn eigen kleur en zijn verschillige hoopen. Achter +de toog en langs den muur, tot bijkans tegen de zoldering, hing het +speelgoed, de reepen, de poesjenellen, de poppen, de ballen in wollen +netten, de zilveren muziektoppen, de zweepen met fluitjes, en zoo al +meer.</p> + +<p>Johan Doxa, de vader, was een groote struische kerel. Hij zat 's morgens +in zijn winkeltje, achter den toog. Hij sliep er meerendeels. Zijn stoel +was laag, breed, verzacht met een platte sargie, die er vierdubbel tot +op de leuning over gevouwd lag. Johan Doxa zat gemeenlijk met zijn beide +handen gekruisd op zijn buik, zijn kin op zijne borst en zijn klipmuts +op zijne oogen. Zijn kop stak even boven den toog uit, maar duisterde +weg in de onduidelijke lucht van het winkeltje. Als een kind het hek +openstiet, rinkelde de bronzen bek en Johan Doxa verroerde. Zijne handen +bleven gekruisd en stille, maar, met eene eigenaardige fronsing van zijn +voorhoofd, schoof hij rijzekens zijn muts achteruit, keek naar het +deurtje, beloerde vijandig den jongen, die drummend naderkwam.</p> + +<p>De oude heer Doxa liet, in den namiddag, het beheer van de zaak over aan +zijne vrouw Isabella, welke een ijverig mensch was en het huishouden er +heerlijk doorhielp. In den namiddag ging hij toeren om de stad. Hij deed +met pleizier eene wandeling langs de Henegouwlaan, de Beurs, de +Anspachlaan, wrong zich zwaar en lui door de krioeling van menschen en +rijtuigen en trok op naar de Hooge Stad. Zijn liefste uitstapje kuierde +de Steenpoort omhoog en de grauwe wijk van het Gerechtshof binnen. Daar +liggen, door mekaar, een geharrewar van smalle straatjes en huist eene +ruchtige bevolking. De oude heer Doxa slenterde, er rond, keek met +belangstelling naar de, politieagenten, de hondendieven, de +haringventers en de citroenwijven, luisterde aan de open deuren van +kroegen en danszalen, naar de versleten deuntjes van een blazenden +draaiorgel of de schokkende springwijzen van een grollend speelboek. Dan +liep hij de Visitandienenstraat omlaag en kwam lanterfanten in de +Priemstraat. Hier placht hij zich aan eene zonderlinge praktijk over te +geven. Hij, volgde de bierwagens die, ten dienste van de talrijke +herbergen, voorbijreden en had permissie om, bij het opladen van ledige +tonnen, het roes ervan om te klinken en op te vangen in een zinken +ansjovisdoosje, dat hij, tot dit bijzonder gebruik, altijd in zijn +binnenzak steken had.</p> + +<p>'s Avonds, na den eten, begaf hij zich in den Koning van Spanje, dronk +er met een paar geburen een half dozijn glazen faro, bestelde een +slaapmutsje in den Bloemenhof en kwam laat thuis. Hij vond geregeld en +eenderlijk liggen in het laag bed, tegen den glimmenden kalkmuur van het +lauwe slaapkamertje, het dikke, opbultend lijf van zijne vrouw Isabella +die niet roerde bij zijne lompe inkomst, maar eens zuchtte, schijnbaar +in haar slaap, als om zich van een vies droombeeld te ontlasten, dat +juist op haar miserabel hoofd wegen kwam.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>De oude heer Doxa had een zoon, genoemd Johan. Van dezen is het dat ik +in het bijzonder verhalen wil.</p> + +<p>Hij werd geboren in de Zes-penningenstraat, binst dat zijn vader, +omtrent de Kapellewijk de dansende klutsen uit de tonnen klonk. Hij was +grootgebracht tusschen het grijze speelgoed en werd een jongen van +zeldzaam uitzicht met, als hoofdteeken van karakter, de luiheid van zijn +vader en het zoete geduld zijner moeder. Op school, waar men hem, om hem +kwijt te zijn, heen zond, was hij dadelijk den zondenbok van allen; de +stooten welke grillige vuisten, bijna onachtzaam, uitwierpen, ploften +pletsig in zijne vette rompe, en de muilperen, die, als bij toeval, uit +onzichtbare fruitboomen neervielen kwamen wonderlijk op zijne bolle +kaken openklakken. Bij eene zoo overdadige behandeling, bleef Johan Doxa +verdraagzaam-glimlachend toekijken, en niets scheen de schoone zaligheid +te kunnen storen, die geheel zijn wezen vervulde en hem toeliet, in alle +omstandigheden, een pak slaag als een dankbaar almoes te aanvaarden.</p> + +<p>Op vijftienjarigen leeftijd liet hij zijn blond kroezelhaar lang-groeien +en deed aan zijne moeder zijn voornemen kennen om naar de Academie ter +leering te gaan. Dit werd hem toegestaan, deels omdat vrouw Doxa voor +niets in de wereld haar zoon zou hebben willen te keer gaan, deels ook +omdat de oude heer Doxa, na een wandellingetje in de Pieremanstraat, +verklaard had dat het hem niet schelen kon.</p> + +<p>En Johan Doxa werd een artist-schilder.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Johan Doxa bewoonde, in het vaderlijk huis, een luchtige zolderkamer, +waar hij teekende, schilderde, at en sliep. Hij zat er sinds hij de +Academie verlaten had—hij was nu een en twintig jaren oud—gansche +dagen in de eenige gezelschap van een ekster, een sijsje en een +eekhoorn. De vierkante kooi, waar joepte en zong het teer-groene sijsje, +hing aan een kram van het dakvenster. Zoodra de zon boven de stad vol +mistige daken opduiken kwam en tegen de schuinsche ruiten glinsterend te +tokkelen begon, wipte het sijsje op de bovenste sport en kwetterde een +jubel-getjirrel, dat geheel de kamer met een frisch pleizier vervulde. +De ekster liep in vrijheid tallenkante rond, pootelde ruchtig over het +houten plankier, sprong op den schoorsteen en droeg van links naar +anderzijds de penseelen, welke ze te pakken kreeg. Gemeenlijk zat ze te +midden van het kleine tafeltje, vast op den rand van een dikbuikigen, +diepblauwen tabakspot. Daar bleef ze soms uren zitten, stil-lonkend en +bijna roerloos, haar kop ten halve tusschen hare schouders gedrongen en +haar pootjes in tweeën gevouwd, zeer rustig. De eekhoorn scheer-beende +maar in een draaiende tralietrommel, die op een plankje stond, boven het +hoofdeinde van het ijzeren bed.</p> + +<p>Hier werkte Johan Doxa. Hij schilderde portretten, beelden van Heiligen +en kleine Kruiswegen. Hij likte en overlikte zijne tafereelen, raakte +haast het doek met zijn neus en beijverde zich, in overmatige +geduldigheid, om een krulhaartje op een kin te planten en een wimper op +een ooglid. Hij bukte over het werk, streek langzaam de uitgezochte +verven, bedekte met glanzende vernissen de gladde bontigheid. Zijn ronde +kop, zijn kroezelende haarbos, blond-goud onder het spelend daglicht, +lag, alsof het rustte, onbewegelijk over het effen-glimmende schilderij.</p> + +<p>Als hij verpoosde voor een tijdje, ging hij tegen het bed leunen of +strekte er zich lang uit, rookte, traag dampend, volgde met luie blikken +de opgaande en uitwaaiende tabakwolken en snoof wellustig den sterken +reuk ervan op. Hij dacht aan niets. Hij keek soms heel lang naar het +draaiend eekhoorntje, of voelde, zijwaarts, de blinkende oogen van de +ekster, die loerend, op den blauwen buik van den tabakspot oolijk te +muizenissen zat. Wanneer het avond werd had hij een heerlijk gevoel van +zelf-verdwijnen. 't Was dan alsof, met de uiterste deemstering, het huis +en de wereld zouden in nevelen vergaan. Zijne ronde blauwe +cherubijnoogen blonken zonderling in de donkerheid en zijne handen lagen +als twee witte vlekjes op het duistere violet van de bedmatras.</p> + +<p>Na den dood van zijn vader, die in het hospitaal aan eene kortstondige +leverziekte stierf, veranderde Johan Doxa haast niets aan dat peiselijke +zolderleven. Alleen zou hij af en toe wat uitloopen en menschen zien. +Hij nam dit voornemen op den raad van zijne moeder, die met leedwezen +hem in vergetelheid eene jeugd zag bederven, die zoo nuttig aan zoo +kostbare zaken had kunnen besteed worden. Ze had gaarne haar zoon zien +genieten van het weinige dat de Voorzienigheid hem op zijn weg had +geleid en ze gaf hem, met eene schijnbare onverschilligheid, te verstaan +dat de stad vol was met behaaglijke meisjes en dat er wel één ten minste +in den hoop te vinden was, aan wie hij zijne versche jonkheid toetsen +kon. Johan Doxa bloosde en glimlachte. Het vijffrankstuk, dat moeder hem +in de hand stopte, plakte in zijn vette palm en teekende er, met zijne +harde randen, een cirkel van gewicht. Hij liep den kapotten drempel +over, hoorde, nog de bel bingelen, gesmoord in de dufheid van het +binnenhuisje, en drilde langs de Lage Stad om. Hij leek, in deze +slentertochten, wel zeer op zijn vader-zaliger, haperde aan elken winkel +en luisterde naar elk gerucht. Zijn grootst genot was bezijden de platte +kaaien. Hij staarde half-hangend op de ijzeren leuning, naar het donkere +water, waar het licht van den dag onrustig over al schervelend ging. Hij +bespiedde de doening der vaartmannen op de groene booten, volgde den +rytmischen gang der koollossers, kon, tot het gansch donkerde, blijven +turen naar 't gewiegel van een dobberend papiertje.</p> + +<p>Het was binst deze wandelingen dat hij die twee vreemde mannen +ontmoette, welke na korten tijd zijne vrienden werden. Zij waren allebei +ouder dan hij. Hij deed hunne vriendschap op in de zelfde week. De eene +was een letterkundige en katholieke pamflet-schrijver, die zich als een +vurig werktuig van God aanzag. Hij heette Lieven Lazare. De andere was +een bleeke lang-opgeschoten kerel, met diepe doode oogen, een breede +hand en sproeten op zijne vingeren. Hij was tapper in de <i>Old Curiosity +Shop</i>, een nachtkroeg naar de mode. Zijn eenige naam was Anatole. Lieven +Lazare was een groot, breed man, hooggeschouderd, met ronden kalen kop +waar een stekelige snor haast een klein-bolle neusje wegvlekte. In zijne +schriften, die eene onbetwistbare literaire waarde droegen, schold hij +met ongemeene woestheid allen uit, die "op hun gladde harten de berrie +torschen van het Gulden Kalf" en, in het bijzonder, de priesters en +prelaten. Zijn werk "Ploerten" was een kostelijk autobiografisch +verhaal, waarin hij zijn kristelijke liefde en, als met geweldige +geuten, zijn schrikkelijke haat uitstortte. Hij sprak er van Johan Doxa, +gelijk van een "uitverkoren wezen, hetwelk uit de vroomheid van +gothische tijden onbeholpen te midden van de tartende ketterij der +encyclopedisten gesmeten werd." Anatole was een tegenovergesteld wezen. +Hij had een oolijk aangezicht, vol met de uitdrukking van dubbelzinnige +schuchterheid en onkuische bedoelingen. Hij zong zeer mooi en kende een +aantal allerliefste liedjes, welke hij, op de viool en de cither, deed +begeleiden door zijne vrienden Biebuyck en Donkerwolck. Met deze twee +kwam hij, des Zondags, Johan Doxa op zijne zolderkamer gezelschap +houden. Zijn aardige stem kwinkeleerde tegen de pannen-bedekking, en de +snaardoozen tjokkelden sierlijk de maat. 's Avonds was hij tapper. Hij +vertelde zoo lekker van het diverse spektakel in de <i>Shop</i>, en zijne +twee vrienden, die daar in een klein concert meerendeels werkzaam waren, +bevestigden met knikken en ooggeknip zijne heerlijke verhalen.</p> + +<p>Van Anatole hield Johan Doxa zeer. Lieven Lazare vreesde hij duchtig, +maar had hem meer innig, meer van binnen en uitermate lief.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Op een middag kuierde Johan Doxa langs de Papenvest. Hij was zeer +droevig want het groene sijsje had hij 's ochtends dood gevonden. Hij +drumde tegen de muren en zag langzaam de vierkante straatsteenen onder +zijne voeten wegslieren achterwaarts. De stad was blauw en luchtig. Eene +zilveren Junizon blikkerde op de huisgevels, danste tegen de ruiten, +poeierde in de klare ruimte trillend uiteen. Hij dacht weer:</p> + +<p>"Het groene sijsje is kapot!"</p> + +<p>Het zeurde aldoor in zijne hersens en hij luisterde binstwijl naar de +duidelijke herinnering aan het licht-tikkende vogelgezang. Om hem +zilverde de zingende zon, maar grijs en zwaar nevelde zijn treurende +gedachte: het zou er nu mee uit zijn, het groene sijsje is kapot....</p> + +<p>Zoo kwam hij in de Papenvest. Op den drempel van een oud huis stond eene +vrouw. Zij was groot en blozend en hare huid schoot op uit haren rooden +halsdoek, gelijk eene klaarte vol zoetigheid. Ze lachte stille. Ze +lachte stille, stille. Johan Doxa slenterde voort. Het docht hem ineens +dat eene ongekende lustigheid zijn hart kwam vervullen met al de weelde +van een geheimzinnig gevoel. Hij wilde wel zijn hoofd omdraaien, en het +oude huis herzien, en den drempel, en dat wondere beeld van vleesch.... +Hij slenterde maar, keek niet achterwaarts, strompelde scheef-beenend +over de ongelijke kasseide, en aldus gebeurde het dat hij smoorlijk werd +verliefd.</p> + +<p>Hij stiet het groene hekje open, zoodat de bel ommentweer snokte en +leelijk door den gang lawaaide. Hij klauterde ongemanierd langs de +steile trap, ademde haastig, pletste met zijne warme vingeren op de +vochtige trapleuning. Hij geraakte in zijne lage zolderkamer, bleef +dwaas in het deurgat staan en staarde, met nuchtere verwondering naar de +zwarte ekster, die aardig op den rand van den blauwen tabakspot te +glariën zat. Zij roerde haren kop niet als hij hard-stappend binnentrad. +Zij bleef rechtuit blikken met hare zwart-gulden vliemige oogjes, heel +bedaard, alsof ze zeggen wou: "Daar hebt ge 't nu! Heb ik het al lang +niet voorspeld?"</p> + +<p>Johan Doxa zette zich neer op zijn plat-bedekt bed en kruiste zijne +handen over zijne knieën saam. Het eekhoorntje draaide in zijn roerenden +tralietrommel en stak zijn staart kaarsrecht omhoog. Op de tafel lag +eene schoone nieuwe pijp in bleek palmenhout. Het was een geschenk van +moeder. Johan zou de steel sierlijk bekerven en opkleuren met roode +witte en groene streepjes en ze omranden met fijne blauwe cirkels. Nu +bekeek hij van verre de pijp en hij dacht aan de blanke keel die zoo +rijkelijk boven de scharlaken doek-verve oprankte....</p> + +<p>De zon pletste door het dakvenster en speelde langs de koperen snaren +van de ledige vogelkooi. Er trilde door de lucht een zilveren +herinnering aan het groene sijsje, en tot den dikken avond zat Johan +Doxa, rechtover de dubbende ekster, te dubben eenderlijk.</p> + +<p>Daags nadien kwam Anatole met Biebuyck en Donkerwolck, zijn zwijgende +vrienden, een bezoek brengen. Zooals naar gewoonte werden wat flesschen +lambik opgehaald en moest Anatole eene rei liedekens zingen. Dit deed +hij, terwijl Johan Doxa zeer aandachtig den bleeken steel van de nieuwe +pijp met allerlei ornamenten overteekende. Hij zong op uitstekende wijs +de oude deuntjes van den <i>Reus</i>, van den <i>Koekoek</i>, van het <i>Ros +Beiaard</i>, van <i>Mijn moeder gaat naar Halle</i>, en van den <i>Uil</i>. De +anderen begeleidden keurig, de cither tokkelde de springende zangmaat in +rythmische brokjes en de viool vergezelde in accoord den gang van +Anatole's buigzame stem. Het was een lieve nanoen, en er werd gedronken.</p> + +<p>Maar Johan Doxa zat, onder het volle vensterlicht, laag gebogen over de +teerheid van zijn brooze versieringen, en hij keek niet op, en het was +alsof hij afwezig was. Anatole lachte met hem, vroeg of hij verliefd was +geworden, klopte vertrouwelijk op zijne schouders. Hij vertelde dan van +de gebeurtenissen in de <i>Curiosity Shop</i>, van de mooie Roy-Dour die zich +tegen den toog had ontkleed om een merk te toonen, dat ze op de +linkerheup droeg. Hij vertelde met korte zinnetjes, hief met gepaste +woorden, kort en rap, de pittigheid van een voorval op, en liet, na +elken raken zet, op zijn wit aangezicht het dubbele barreel van zijne +tanden blikkeren. Biebuyck stak zijn kin vooruit en Donkerwolck +pinkoogde. De cither en de viool rondden hunne bruin-glimmende buiken op +een stoel, naast het doode kacheltje.</p> + +<p>Maar Johan Doxa roerde noch en ruchtte. Toen vertrokken de drie +kameraden en ze gingen sloffend en strompelend de steile trap af. Het +groene hekje hoorde Johan Doxa rinkelen. Het huis werd stil. Hij lei de +bleeke pijp op zijde, schoof achteruit, staarde lang opwaarts en zijne +oogen begonnen te pikken, te sterren, te nevelen. Hij zuchtte. De ekster +rok traag hare vleugels uit, lengde haren hals, huiverde over geheel +haar lijf, en zette zich weer rustig en thoope, met gevouwen pootjes, op +den pot, die blauw en bollig te blinken zat. Het werd haar alsof ze +zeggen zou:</p> + +<p>"Mijn arme Johan, wat moet er van u geworden?"</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Het oude huis op de Papenvest was eene herberg. Dagelijks ging er nu +Johan Doxa. Hij bestelde een half-en-half en bleef zitten, rechtover de +deur, tot eens de vrouw, die als een groote onrust over zijne ziel woei, +daar zou voorbijgaan. Ze woonde op de eerste verdieping. Ze heette +Julia. Ze was, een dik jaar geleden, getrouwd met een treinwachter, die, +tien dagen na zijn huwelijk, in een spoorweg ongeval was omgekomen. Ze +leefde alleen en naaide. Als Johan in de herberg zat, zag hij ze vaak +omloopen in de gang. Ze lachte luid of zong. Ze had eene klare golvende +stem, die door gansch het lichaam van Johan sidderde en er een ongemak +veroorzaakte, dat het bloed naar zijne slapen joeg. Hij dierf haar niet +aan te spreken, maar zijne vingeren beefden en zijn adem zwol. Het docht +hem dat hij zou gaan licht worden als een vlam en opspringen tegelijk en +ijlen naar de dartele deerne die, boven de vurige kleur van haar +borstdoek, hare klinkende keel opklaren liet.</p> + +<p>Telkens kwam hij moedeloos, uitgeput en zonder hoop weer thuis. Moeder +Doxa, van tusschen de arlekijnen en het suikergoed, daar achter den +duisteren toog, merkte iedermaal zijn treurend uitzicht. Ze +vermeerderde, gelijk zij kon, het bedrag van zijn zakgeld, en knikte hem +heimelijk toe, hem oolijke stootjes gevend en nafluisterend van de +blonde dingetjes, die er allentwege omliepen in liefelijke gretigheid. +Hij glimlachte zachtekens mede en voelde den dwazen blos uitgloeien, als +pioenen, op zijne heete wangen.</p> + +<p>Het liefst zat hij op zijn kamertje. Hij werkte er aan de +miniatuurversiering van de palmhouten pijp. Hij schilderde er laaie +harten, en doornen, en rozen, en, in schoonverluchte letters, den naam +van Julia. Dagen lag hij over dat buitengewoon bedrijf gebogen, en hij +verrijkte het telkens met nieuwe kleurverwikkelingen.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Eens ontving hij een kaartje van een heer, die hem wat dringends te +vertellen had en hem verzocht om bij hem, als mogelijk, aan te loopen. +Johan Doxa herlas driemaal te reke het adres, en begon daarna het zweet +weg te vagen, dat in zijn haar kittelde en op zijn voorhoofd te perelen +stond. De heer woonde op de Papenvest, in het oude huis, eerste +verdieping.</p> + +<p>Te valavond begaf zich Johan Doxa toch op weg. Wel beefde hij en +wankelde haast terwijl hij de piepende trap opging. Hij stond vóór de +deur en wilde zich nu eerst eens goed bedenken. Hij bedacht zich eens +goed, zuchtte en besloot maar weer de trap af te dalen. Toen juist +sprong het slot en in de vrije klaarte stond daar de weelderige Julia. +Ze groette hem bij zijn naam en bad hem om binnen te komen.</p> + +<p>Hij ging. Het werd zeer warm en de lucht woog, stikkend heet. De kamer +was zindelijk en helder van kleur. Een vierkante kachel puntte zijn +glimmende koperknoppen onder de schaduwkap van den schoorsteen. De tafel +was bedekt met een oranje ammelaken, groen-bespikkeld en hard. Tegen den +muur stond het breede bed, de sargie half-omgeplooid en het witte +hoofdkussen bloot in het midden. Johan Doxa zag dit alles tegelijk, in +een waterig zicht van vloeiende dingen. Hij zag Julia. Hij zag haar +roode doek, haar blanke boezem, haar natten mond, hare oogen,—beweeglijken +gloed....</p> + +<p>Hij zette zich. Ze sprak van het kaartje—dat het een onschuldige +leugen was, dat zij wel wist dat hij op haar persoonlijk aandringen niet +komen zou, dat zij het overigens nooit had durven schrijven op haar +eigen naam, dat zij nu van hem verlangde dat hij haar portret zou +schilderen. Ze sprak meesmuilend en vleiend, vingerde verlegen over haar +borstdoek, ontsloot het onwetens, en lachte, lachte. Ze wipte dan op, +bloosde minzaam en zette eene flesch met zoete likeur op tafel. Ze vulde +de kleine glazekens. Haar lichaam bukte voorover, heel dicht aan bij +Johan, die de buigzame elegantie van haar leen bijna onder de hand te +bewonderen kreeg. Ze draaide rond hem, raakte met haar zwaaiende rokken +zijne knieën, welke hij met wanhopige beleefdheid probeerde onder de +stoelsporten te steken. Ze dwong hem te drinken. Hij dronk een half +slokje en slikte verkeerd. Ze knikte hem toe, ze wachtte....</p> + +<p>Daar kwam eene stilte. De stilte druppelde tikkend uit de kast van een +eiken horloge. Julia had hare beenen overeen gekruist en toetste met het +tipje van haar wiegend voetje nijdig en matelijk de losse broekpijp van +Johan Doxa. Johan Doxa zweeg in extase. Toen sprak ze, met een zucht +opnieuw, van het portret, en Johan Doxa, terwijl hij zijne blonde +krullen schudde op zijn nek, en eene toenemende zekerheid den blik van +zijne blauwe cherubijnoogen vastzette in zijn rond-vette aangezicht, zei +nu, al wuivend met zijne korte armen ... eigenlijk zei hij nog in het +geheel niets, maar hij wist wat hij zeggen moest en wuifde met zijn +korte armen. Hij zou zeggen:</p> + +<p>—"Berust hierover op mij, Mevrouw. Ik zal uw portret maken, al moest +het mij, twintig jaren lang, een dagelijkschen arbeid kosten. Het zal +mijn meesterwerk zijn, Mevrouw. Ge zult op het doek in de verf zitten, +zooals in een spiegel. Aan ijver zal het mij niet ontbreken, want uw +beeld verlaat nooit mijne eenzame gedachten en gij zijt de godinne die +oprijst, gelijk een dag vol zonnegoud, over mijn onwaardig hart. Vergeef +me, als ik te lang misbruik maak van uwe gastvrijheid, Mevrouw, maar ik +wenschte u te zeggen wat het beduiden wil, een hart dat bewoond is door +een zondige liefde. Liefde, ik heb het uitgesproken. Wees niet boos. Ik +zal u algauw van mijne rampzalige tegenwoordigheid bevrijden. O! Gij +zijt te wel opgevoed om mij de deur uit te gooien. Ik begrijp u, +Mevrouw. Ik dank u, Mevrouw. Voor mij niet, alsjeblief, nee, dank u wel, +geen drank meer. Met mij hier langer op te houden, keurt gij eene +vermetelheid goed die zich over haar zelve schaamt. Ha! Ik ken mijne +plichten! Ik zal uw portret maken, Mevrouw, tot het uiterste haartje. +Vrees niet. Wat de betaling betreft, kijk er niet naar om, bid ik u. We +zullen dat wel regelen, later, met maandelijksche afkortingen, bij +voorbeeld. Goeden avond."</p> + +<p>Alzoo in zijn binnenste redevoerend was hij opgestaan. Gelijk vlammen +schoten al de woorden door zijn geest voorbij. Dan wilde hij ze +weerhouden, ze op zijn tong brengen, ze vrij in klanken loslaten. Maar +ze waren weg. Een pak lood zat hem in den mond, iets dat hij noch +neerzwelgen noch uitspuwen kon. Een onnoozele glimlach stak twee lieve +putjes in den blos van zijne poezelige bolwangen en hij werd ineens zoo +gelukkig, zoo gelukkig, dat hij er bang van werd. Hij was bang dat die +zaligheid mocht ophouden, of dat ze hem mocht ontstolen worden, en hij +wilde er mee wegvluchten. Hij zei:</p> + +<p>—"Goedenavond ... Goedenavond...."</p> + +<p>En vluchtte inderdaad.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Moeder Doxa was niet weinig gelukkig, als ze nu, in zijn zolderkamertje, +haar zoon Johan hoorde zingen van den morgen tot den avond. Hij wilde +haar echter niets van de heerlijke gevallen zijner liefde bekennen. Hij +had aan Julia een langen brief geschreven, waarin hij haar vergeleek met +de hemelsche melkbaan, want haar huid was blank en zilverig, en er +vloeide daaronder eene room zoete klaarte, welk met den gloed van het +roze bloed aan het stralen ging. Hij zond haar, in een keurig pakje, de +kostbare pijp, als een teeken van de verduldige passie, waarmede hij +haar sinds maanden aanbeden en verbijd had. Haar naam praalde op den +steel in een kunstig gewirrel van bonte ringetjes en punten en +droppelkens goud.</p> + +<p>Zoo vervloog de gevleugelde tijd. Johan Doxa zat neuriënd onder het +ledige muitje. Het loodrechte licht viel uit het vierkante dakraam op +het vlakke schilderdoek en de glanzende lokken die, langs Johan's +slapen, al bellend erover hingen. Hij penseelde vlijtig en traag. Het +struische gelaat van Julia kwam, ietwat magerder, op den bruinen +verfgrond te voorschijn. Hij schilderde haar uit het hoofd, legde +parelen om heure haren en licht gebloei daarlangs. Een doorzichtig +keurslijf lag losjes open op haar boezem, en ze hield een dubbele dahlia +in hare rechter hand. Voor haar, op de tafel waar ze statig aanzat, was +het of ze zoetekens over een mandje met allerlei bloemen vingerde. +Bloemen waren overal rond haar,—tulpen en leeljen in waaiervormigen +tuil opgroeiend uit een groote zilveren vaas, rozenranken langs het raam +van 't venster, en een karmijnen koningskroon in een blauwen, +familiairen tabakspot.... Aan den eenen kant zat de ijverige eekhoorn, +aan den anderen de dubbende ekster; maar het sijsje was er niet. Het +gansche portret was een eigenaardige menging van levend licht en doode +herinneringen, tegare gewisseld in een gladde verve van subtielen toon. +Johan Doxa borstelde aandachtig erlangs en eromme, slierde met haarfijne +nauwkeurigheid rond den bleeken dons van het vlezige aangezicht en +tooverde traag een vollen dag in de starende strakheid der glimlachende +oogen. Hij was bovenmatelijk in zijn schik. Het eekhoorntje draaide +binnen den zacht-ronkenden traliemolen. Maar aan Lieven Lazare zei hij +niets van dat alles. Hij hield in dien tijd niet veel van Lieven en +vluchtte zijne strenge redeneeringen. Er bleef van dat acute gepreek bij +Johan Doxa iets over, dat onduidelijk op wroeging leek en naar een +geducht berouw leiden moest. Het docht hem halvelings dat hij, met de +gebaren van zijne vreemde liefde, aldoor zondigde tegen de behagelijke +wetten van God. Lieven Lazare benaderde in slaande bewoordiging deze +zedelijke zwakheid en raadde precies de ongemakkelijke stemming, waar, +binst zulke oogenblikken, zijn vriend Johan gekluisterd zat. Hij liet +niet na hem hierover met goddelijke wreedheid te berispen.</p> + +<p>—"Gij zijt, mijn jongen", sprak hij, "overvallen door de mistige +monsters der tempteering. Ik zie u spartelen tegen de satanische +belegering en uw hart schijnt me toe als een poppelend schuchterheidje, +een angstig asemtje, een gesmoorde kreet.... Zijt ge onkuisch mijn +vriend?"</p> + +<p>Johan Doxa verklaarde haastig dat hij zuiver en gezond was gebleven. Hij +vreesde de sterke waarschuwingen, welke hij in den naam van God en langs +God's eigen woord ontving, en zoo kwam het, dat hij het gloeiend geheim +van zijne blijde gedachten voor zich zelf bewaarde, verborgen en eenzaam +op het lage zolderkamertje, tusschen het vlakke portret, de blauwe +tabakspot, de peinzende ekster en het triptrappende eekhoorntje.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Op een avond gebeurde echter een ongemeen geval. Johan Doxa wandelde om +de platte kaaien van de breede vaart. Het was een najaarstijd. Een +druppelende nevel hing over het water en de gele lanteernlichten vlekten +wijdopen op de dichte damplagen. De avond was dik en rot. Rappe menschen +schoven voorbij of een eenzame wagen waggelde gelijk een ruchtbare +schaduw door de grijze massale duisternis. Op de ijzeren brug die naar +de dokken leidt, bleef Johan stille staan. Hij staarde naar de klotsende +vaart waar het roode licht van een signaalbord roerend brokkelde. Een +stille zwarte boot gleed binnen de misten. Men hoorde het verre geronk +en de belrinkeling van een zoevende elektriektram. Johan Doxa dacht, +naar gewoonte, aan zijne heldere toekomst, want hij placht gaarne het +beeld van zijne liefde te verplaatsen in de zonnigheid van een komende +welvaart. Hij zag zeer duidelijk het huisje met de oranje luiken, den +wilden wingerd boven de deur, het zomerlicht op den drempel. Hij zag den +haard met de zoete warmte en den zoeteren vrede. Hij zag Julia. Een +stille boot voer, zwart en water-roerend, onder de brug, en het roode +signaallicht kronkelde langs de schokkende golfjes. Het sloeg negen uren +op den ouden Kathelijne-toren.... Hij kuierde de dokken voorbij, keerde +om naar de Vischmarkt en sloeg een smal steegje in, dat op den hoek van +het Zaterdagsplein uitzicht gaf. Hij had zijne handen in zijne +broekzakken gestoken en ging al fluitend. Op het Zaterdagsplein stond +een driearmige gaslanteern en, juist onder de gele klaarte, een +onbeweeglijke politie-agent. Johan Doxa zag hem pas als hij heel dicht +bij hem genaderd was, want de nevel dikte nu tallenkant zoo zwaar, dat +de straten op vierkante holten leken, waar verwijlde een vette smoor. +Johan blikte even naar den politie-agent op, dewelke, paalrecht onder +zijn opgestoken kapeline, rustig te rooken stond....</p> + +<p>Maar ineens begon Johan Doxa te loopen, te loopen alsof hem een +schielijk gevaar op de hielen zat. Hij hield niet op vóór hij de +Zes-penningenstraat bereikte. Hij struikelde hijgend tegen het groene +hekje en sukkelde wild-blazend de trap op. De leuning piepte en de +trapberden kraakten. Hij stak op het zolderkamertje eene kaars aan, die +hij op den kant van de tafel plantte en zakte toen op zijne knieën, +geheel dooreen, als een halm door de zeis getroffen.</p> + +<p>De ekster zat niet op haar rustige plaats. Ze vleugelde angstig over de +geel-bruine bedsargie en hare gloeiende oogjes blikkerden buitengewoon. +Ze trachtte met wippende sprongskens en klein gekrijt de aandacht van +haar bedrukten meester naar het spectakel van een leelijke gebeurtenis +te lokken. Johan evenwel lag op het plankier ineengedrongen en drukte in +zwijgende wanhoop zijne ellebogen op zijne knieën, en keek halsstarig +voor zich uit. In den geluidloozen tralietrommel hing het eekhoorntje, +dat dood was gegaan.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>"Anatole", zei Johan Doxa, terwijl zijn bleeke vriend op den rand van de +ijzeren koets zijne nagels schoon maakte en, daarnaast, de witte +gezichten van Biebuyck en Donkerwolck boven de gele heupen van de viool +en cyther opgeschoten, "ik zeg het u, zoo lange dagen en dagen heb ik +over dat ding te zwoegen gezeten. Hebt ge de lieve madeliefjes gezien, +die ik langs een wiegend thema van blaadjes en knopjes op den steel +geschilderd heb? Gij waart vaak de verwonderde getuige van mijne +verduldigheid. Het groene sijsje zong perelend onder ginds vierkante +zonnelicht. Het eekhoorntje draaide. Ja, mijn vriend, ik heb dat werk +versierd met een warm stuk van mijn innigste gedachtenleven. In den +dikken nevel almeteens pletste het brutale mannengezicht open, gelijk +een vieze vloek. Het was op het Zaterdagplein onder den driearmigen +lantaarn. Hij rookte dus uit mijnen pijp. Vraag mij nooit iets meer +daaromtrent Anatole. Ik heb u immers alles verteld...."</p> + +<p>Anatole vroeg evenwel nog hoelang ze met den politie-agent getrouwd was, +maar Johan wilde geen woord meer reppen. Hij stond leunend tegen het +kleine tafeltje. Zijn blonde krullen hingen verward over zijne ooren en +hij staarde op de vloer, waar de ekster een hoop witte kruimels uiteen +bekte. Anatole zong het liedje van de <i>Drie Gezellen</i>, en daarna +een ander nog, van het <i>Euverzwijn</i>. De dag was grijs en triestig +en de schaduwsluierde stille langs de muren.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Johan Doxa was nu een zeer onrustig mensch geworden. Des nachts sliep +hij niet en over dag liep hij het huis op en af, of drilde gichtig de +Lage Stad omme. Moeder Doxa merkte alweer dadelijk het vreemde verschil +en zij wist geen raad om haar pover kind tot een betere stemming te +brengen. De moedelooze toestand van Johan brak uit in zonderlinge +uitslagen. Hij werd gefolterd door pijnlijke verlangens en zijn +verbeelding was vol met duizelige tafereelen. Terwijl hij slapeloos op +zijn sponde lag, recht uitgestrekt, kwamen de mistige vormen van zijne +gedachten door de lauwte van het kamertje varen. Ze wiegelden in de +lucht zooals wuivende sluiers en ze hadden de kleur van de roomblanke +huid, waaronder zacht-roze vloeit het gloeiende bloed. Ze naderden zijne +heete lippen en hij hijgde ongelijk en de nacht rok zich uit, alsof +nooit de vrije dag zou klaren.</p> + +<p>Anatole vertelde hem van het lichte leven en van de jolige jeugd. Hij +zag, bij elk woord dat zijn listige vriend fijn uitteekende met zijn +naakten mond, het gebaar en de weelde van die ongekende pleizieren, +waaronder vlamt en wappert het dansende vuur van rappe passie. Hij werd +nieuwsgierig, trachtte met oolijke wendingen de verscholen +bijzonderheden te kennen en zijn geest was altijd op zoek, een versch +beeld beloerend dat uit een ongezond toeval van detailleering kon +ontstaan. Hij vluchtte al meer en meer de bezoeken van Lieven Lazare, +die, met orakels en profetieën, zijn opgejaagde hersens in de war hielp, +maar des te gretiger liep hij het bleeke gezelschap van Anatole na.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Op een dag werd besloten dat Johan Doxa naar de <i>Old Curiosity Shop</i> de +kameraden Donkerwolck en Biebuyck vergezellen zou. Er was dien avond een +klein concert in de bovenzaal en Johan moest den triangel slaan. Zoo kon +hij alles eens goed aflonken en er zich een eigen oordeel over maken. Ze +gingen met hun drieën. Ze bereikten de bovenzaal langs een klein +diensttrapje en dit was gelukkig, want er zat veel ruchtig volk in de +grootere consommatiekamer en Johan zou nooit de krasse uitroepingen te +boven gekomen zijn, waarmede men daar zijn drollig-vet voorkomen en zijn +zeldzaam aangezicht hadde gegroet. Hij werd tusschen Biebuyck en het +klavier geplaatst en hij keek beteuterd rond. De zaal was zeer helder +verlicht. Groote elektrische klokken hingen tallenkant, gelijk ongemeene +bloemen, te stralen. De wanden waren behangen met een scharlaken +brokaat, dat tegen de zoldering langs gouden festoenen en kleine +empirekransen fronste. Spiegels hingen links en rechts in zilveren +lijsten te klateren. Drie kleine tafels stonden op het karmozijne tapijt +en groote krysanten pronkten er tenden den glimmenden hals van hooge +porseleinen vazen. Een lakei in groene livrei liep in drukte rond, +schikte de satijnen zetels en de sofa's waar rustten, als vlekken zon, +ronde hard-gele kussens. Het was erg warm. Men hoorde, in de +benedenkamer, het geraas van het drinkende volk. Een klein uur +vervloog....</p> + +<p>Toen werd het teeken gegeven dat de muziek spelen moest. Ze klonk +ongezellig binnen deze ledige kamer en Johan Doxa voelde in zich eene +holle ellende, gelijk een kelder vol triestigheid. Maar de dubbele deur +werd opengeduwd en eenige bejaarde heeren traden binnen. Ze babbelden +ondereen en waren hier thuis. Ze zetten zich in de mooie zetels en de +lakei bracht kaarsen en sigaren en ze begonnen te rooken. Koffie werd +opgediend. Enkele dronken gulden cognac uit fijne hooge glaasjes. Dan +kwamen de dames.</p> + +<p>Ze kwamen langzaam en glimlachend. Hunne stemmen zilverden boven de +muziek heen en hunne blikken blonken dwaas door de geweldige verlichting. +Ze waren in lichte bonte dracht, bespikkeld met de glanzen van duizenden +gesteenten, en hunne armen, hunne amberen schouders, hunne ronde halzen +waren bloot. Hun boezem was beschaduwd door de mauve doezeling van een +rankje bloemen of met een teere sluier gekleurd. Ze groetten en knikten +en de heeren slurpten aandachtig aan de witte randden van de nauwe +kopjes koffie, die krullend opdampte langs hun roode gezichten.</p> + +<p>De lakei stond kaarsrecht, bij de dubbel deur, in heerlijk Veronèse- +groen.</p> + +<p>Het was omtrent dien tijd dat ook de ekster stierf op een morgen van +dien grijzen winter. Johan Doxa lag op zijn bed en zag in de rijzende +ochtendklaarte hoe zij al meteens te vleugelen begon. Ze klampte zich +ongedurig vast aan de gladde randen van den blauwen tabakspot, zakte +plots ineen, stortte voorover en rolde op haar rug. Nog bibberden hare +pootjes. Ze rok een laatste maal hare keel uit, over het berd van de +tafel, en roerde daarna niet meer.</p> + +<p>Johan stond in zijn hemd bij de tafel. De ekster bekeek hem met hare +scherpe oogen en het was of ze, in haar uiterste vuur, zeggen wou: +"Kerel! Kerel! wat ga-je nu doen zonder mij?" Ze stierf.</p> + +<p>Het zolderkamertje werd hem sindsdien een duisterheid zonder genade. Hij +kon er niet meer zitten, zooals eertijds, want, al had hij ze ook +weggegooid, daar hingen altijd het vogelmuitje en de tralietrommel en +daar zat, op zijn blauwen buik, de glanzende tabakspot. Hij sprak +hierover met de goede moeder Doxa, achter de toog van het vunzige +poppenwinkeltje, en, de volgende week, verhuisde hij. Hij betrok een +kleine kamer onder het dak, in het oude huis van de Papenveste en +schikte er zijn ijzeren bed en zijn verschilligen schildersboedel.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Het was daar een raar leventje. Straatvloers woonde de herbergier, op +de eerste verdieping huisde Julia met haren nieuwen echtgenoot, op de +tweede lawaaide de weduwe Sikkel, met hare negen kinderen, en hooger op, +onder de pannen, nestte Johan Doxa, geheel alleen. Deze verandering van +midden was hem zeer voordeelig. Hij werd rustiger, stilde in zijn +hersens de ziekelijke opgejaagdheid, die er eene monsterachtige +verbeelding voedde, en hernam zijn ronde palet. Allengerhand begon hij +klaar te zien in de troebele gronden van zijn hart en hij geraakte tot +een helder zicht van zijne liefde. Hij legde dit uit in een kort gesprek +met Anatole:</p> + +<p>—"Alles om mij", zei hij, "bezakt en bedaart. Begrijp goed, mijn +vriend, dat ik een ben, die de geschoren stoppelhaartjes van een baard +te tellen pleeg. Hoe heeft me die spijtige gebeurtenis beroerd en +gekoterd, ach! Stel u dat onweder voor. Nu is de roes gezonken. Ik kan +weer schilderen. Ik bemin Julia meer dan ooit, maar nu weet ik precies +hoe vurig en hoe lang. Ik ben nu ook veel gelukkiger. Wel ja! wat +glimlacht ge? Ik ga langzaam de trap op en af, en soms hoort ze mij, +en ze trekt haar deurtje open en ze knikt liefelijk of zegt met +onuitsprekelijke innigheid: "Hoe vaart ge, mijnheer Doxa?" Andermaal +ontmoet ik haar beneden, in den gang vóór de herbergzaal. Ze loopt me +nooit onbeleefd voorbij, zooals zij wel het recht zou hebben te doen, +zal u toch dunken. Zij komt ook aleens op mijn kamertje en zij wil mijne +schilderijen goed vinden. Ik werk veel om haar wat te kunnen toonen; +maar ik verkoop ongaarne, wat zij met hare lieve oogen heeft opgemerkt. +Zij zet mij nochtans tot verkoop aan, en ik kan haar niets weigeren. +Zij is, sinds haar huwelijk, zeer arm. Ik ben blij dat ik haar soms een +beetje helpen kan al is zij ook daarom uitermate verlegen. Zoo leven +wij, mijn beste jongen. Och ja! En de man, de politieagent, die is +insgelijks vrij aardig. Wij zijn goede kennissen en gaan reeds op een +vriendschappelijken voet om met mekaar. Wij drinken bij gelegenheid een +half-en-half bij den herbergier beneden.</p> + +<p>"Hij houdt veel van duiven, en hij doet mee aan prijskampen. Ik heb hem +dees gedeelte van mijne kamer afgestaan en, zie maar, hij heeft er een +groot duivenkot opgetimmerd dat met een witten kijker uitzicht geeft +op het dak. Wat kan het mij schelen? Ik doe dien mensch pleizier. 's +Morgens, al heel vroeg, terwijl ik nog te bed lig, komt hij de duiven +eten brengen. Ik laat mijn deur maar open en hij kan gemakkelijk binnen. +Hij kruipt op een stoel, ontgrendelt het kot en spreekt zachtaardig de +zoete beesten aan. Gaarne hoor ik de maïskorrels dansen op de houten +berden en de duiven aroetekoeën van genot. Daarna kan ik somwijlen weer +wat inslapen. Alleen de reuk hindert me.... Ja, inderdaad, mijn waarde +vriend, dat is hinderlijk. Het komt bij wijlen met vieze walmen omlaag. +Kijk! dan zet ik het venster open en loop een uurtje langs de dokken, en +'k zie nog het snoezig lachje van Julia in het deurgat, gelijk een vol +gestreel van de zomerzon. Haar man heet Firmien. Ik ben nu aan een doek +bezig dat ik voor hem bestem: het verbeeldt, in een krans van +voorjaarsbloemen, het liefdegedoe van twee aschblauwe rasduiven. Ik moet +zijne twee bestvliegers uitschilderen, zegt hij. Dat zal ik doen. Hij +wil het schilderij laten in een kostelijken lijst ophangen boven zijn +bed, en daar past het waarlijk voor. En zoo, Anatole jongen, komt de +trage vriendschap de onstuimigheid van tijdelijk misbaar vereffenen, zoo +loopt, al spelend, het zangerige beekwater de ruige keien glad. Des +Zaterdaags ga ik met Firmien in de Halve Maan een paar uren kaarten. Ik +ben hem dankbaar. Hij doet het voor mij, zegt hij, want hij zelf heeft +altijd het noodige geld niet op zak om de verloren pinten te betalen. +Men tapt in de Halve Maan een uitmuntend bier. Vooral de geuze is +lekker, maar ge moet hem aan de ton bestellen en hem stille drinken. Hij +perelt gelijk een julimorgen en hij vloeit zooals het licht van de maan, +wanneer het, bij diep-blauwen najaarsnacht, lui en weelderig uit de +violetten hemelvaten neerspoelt,—lui, en weelderig, en geluideloos."</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Johan Doxa zou het nooit over zijn hart krijgen om kinderen onzacht te +behandelen. Hij leefde in groote kameraadschap met de negen kinderen van +mevrouw Sikkel. Mevrouw Sikkel zond hem de lieve bende—met uitzondering +van de drie oudsten die school gingen—telkens als ze buiten huis op +boodschap moest uitloopen. Dit had ze ook nu, binst dezen mooien +Lentenanoen, gedaan en, om de gewone dienstwilligheid van Johan niet te +misbruiken of te belasten, had ze het kleinste bengeltje medegenomen.</p> + +<p>De kinderen lawaaiden binnen het gekalkte kamertje en ze werden wilder +naarmate ze merkten dat Johan vrede ermee had. Ze zetten de stoelen +opeen, klauterden op de tafel, verfden mannekens op den muur en speelden +paardje op de buis van den kachel. En paar hadden voorgenomen om in het +duivenkot te kruipen, maar dit werd streng verboden. Ze hadden de kast +opengetrokken en kleedden zich aan met hemden en vesten. Ze maakten een +heerlijke pret en Johan Doxa glimlachte genoeglijk bij die leute van het +rumoerig volkje. Hij liet de heimelijke pagadders, alsof hij 't niet +merkte, aan zijne broekpijpen snokken. Hij speelde eindelijk zelf mee, +zat, op zijne knieën naar de kleinen te grabbelen en lengde zich soms +plat uit op zijn buik. De snoezige lievertjes sprongen op zijn rug, +knepen in zijne billen, trokken met zijn haar, vielen hem al tegelijk +aan en begonnen te stampen en te vuisten. Hij richtte zich moe en +zweetend op ten halve en wreef, dwaaslachend, over de roode vlekken, +welke in zijn gelaat waren geschart. Een jongetje liet een verfpot +omvallen en streek de roode kleur met een kleerborstel open. Een ander +knipte met een beroeste schaar in een fluweelen borstdoek, en had zich, +om tot dit aandachtig bedrijf gemakkelijk te zitten, op het hoofdkussen +van het bed gezet. De zon stortte door het dubbele dakvenster en de +duiven, achter de riekende berden, troetelden vertrouwelijk. Toen werd +de deur ruw opengestoken en Julia stoof rokwaaiend binnen, zoodat het +luttel kindergepeupel versteend bleef in vreezachtige roerloosheid en +Johan, als verslagen, daar onbeweeglijk zich te schamen lag. Hij sprong +dan recht en Julia viel schreiend in zijne armen.—"O Johan! mijn lieve +Johan!"</p> + +<p>Het was een roerend schouwspel en Johan, die alle bewustzijn verloor, +streelde met zijne bevende vingeren over haar hoofd en op hare +schouders. Pas na een dikke stonde begreep hij uit de stootende woorden +van de hopelooze Julia dat de politieagent schielijk op straat aan +beroerte gestorven was. Hij begon stille te weenen en zijn hart was zeer +aangedaan.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>De dagen, die hierop volgden, slierden langs een grijze reke voorbij en +Johan Doxa herkende zijn eigen niet. Hij zat op zijn kamertje te dubben +en zijn ongemak bleef duren. Hij at niet, telde de morgens en de avonden +niet en de nachten vervulden zijn geest met beelden van onredelijke +verschrikking. Lieven Lazare kwam hem opzoeken, sprak hem van de +goddelijke inzichten, die hem hadden tot een vod van schande gemaakt.</p> + +<p>—"God heeft mij den weg gewezen naar uw sponde, Johan" zei hij. "Ik heb +gevoeld dat ik u vinden zou in onzeggelijke vertwijfeling en daar ligt +ge nu—een wrak van zielloos vleesch op de baren van uw opgebiechte +zinnelijkheid. O mensch, ik herhaal en ik herhaal het u: eene kwaal van +helschen oorsprong bijt u, gelijk een kanker, aan het hart. Raad ik het +niet? Maar neen, de ingevingen van den Eersten Persoon, welke mij op dit +oogenblik bezielen zijn onbedrieglijk en gij moogt niet langer weigeren +uwe zonden te biechten. Red u, als er nog tijd toe is."</p> + +<p>Het bleek genoeg uit de koppige stilzwijgendheid van Johan, dat hij alle +poging tot redding opgegeven had. Op een schoonen dag van het voorjaar +werd het huwelijk van Johan en Julia in de kleine Kathelijnekerk door +een korten priester gezegend. Ze kwamen op het zolderkamertje inwonen en +sleten er een gemengd leven van geluk en trage treurigheid. Johan ging +alle nanoenen slenteren langs de hooge stad, gejaagd drillend door de +straten van de Kappellewijk of opkruipend naar de steile gangen van het +massale Gerechtshof. Zijn haar wippelde haast ongekamd over zijne ooren +en zijne broek slodderde op zijne kuiten. Hij luisterde naar de piepende +muziek der draaiorgels en tuurde naar de doening van kinderen en honden +en citroenwijven. Hij had willen een schilderij maken vol met engels en +heiligen en hij peinsde dikwijls op de rijke borduursels welke hij met +goud en edelsteenen zinnens was heel ommendom de bonte fluweelen mantels +te versieren. Maar hij nam zijne ronde palet niet meer op. Hij liep de +Hooge Stad rond en daalde daarna naar de Priemstraat. Zoo volgde hij de +zware bierwagens, die er op en neer daverden, en hij deed, voor de +welriekende herbergen, de ledige tonnen klinken, aandachtig het uiterste +bier opvangend in een rood-bekleurd tomatendoosje, hetwelk hij op al +zijne wandelingen binnen zijn diepen vestzak mededroeg.</p> + + +<hr style="width: 45%;" /> + + +<h2><a name="II" id="II"></a>II</h2> + +<h2>JOHAN DOXA</h2> + +<h3>LICHTMIS</h3> + + +<p>Het leven van Johan Doxa was zeer ellendig geworden, maar hij beleed het +met prijzenswaardige langmoedigheid en kinderlijken eenvoud. Julia zijne +vrouw, welke hij eerst zoo verduldig had liefgekregen, begon hij stilaan +te eerbiedigen. Het ontzaglijke karakter van Julia was daaraan niet +vreemd. Zij handhaafde hare autoriteit met een vreeselijk geweld en haar +mond was telkens vol schrikkelijke woorden. Nooit kwam oproerlust in het +langzame hart van Johan Doxa zwellen. Hij herkende de oppermacht van +zijne vrouw en verdroeg zoetekens hare aanvallen. Zoo verdraagt het +goede riet de ruzie van den stormenden wind....</p> + +<p>Maar alopeens—in 't putje van den winter—werd Julia ziek. Zij had, na +den zomer, een korte valling opgedaan en de vele drankmiddeltjes, +geleerde pillen en geheimzinnige baaibaden, die zij te gelijk of +overhand gebruikte, brachten haar geen beternis. Met Februari moest ze +te bed blijven liggen en het uitzicht van de kamer veranderde meteen.</p> + +<p>Het deed Johan Doxa zeer aan, hoewel zijne vrouw door hare ziekte in +geen deele belet werd lucht te geven aan haar krakeelzuchtig gemoed. +Integendeel, zij was daarbij heviger en scherper dan vroeger, en Johan, +haar dikke man, zat dikwijls haar aan te kijken, zonder luisteren, +idioot van dubben of zeggend in zijn benauwd binnenste:—Zij is krank. +Zij moet doorgaan. Zij kan 't niet gebeteren.... En misschien heb ik +ongelijk ook?!..</p> + +<p>Als het te hevig werd en de kinderen van Mevrouw Sikkel, op het andere +verdiep, meehuilden in koor, drumde Johan Doxa de kamer uit en zakte +stillekens de trappen af, de straten door, langs de Hooge Stad, op den +dool tonneklinkend.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Den Zondag van Half-Vasten kwam Anatole aan bij Johan Doxa, even na +noenstond, Anatole was de tapper van <i>The Old Curiosity Shop</i>, de +nachtbar der Bisschopstraat. Hij vond zijn vriend Doxa aan de sponde +van de gillende Julia, dewelke, seffens bij Anatole's inkomst met +aandoenlijke wanhoop te snikken begon.</p> + +<p>—"Kijk aan!" kreet ze, "kijk aan den vadsigen leeglooper! Hij vindt dat +ik niet gauw genoeg dood ben!... Hij wil een handje toesteken!... (tot +Doxa) Wat zegt ge?... Wat zegt ge?... Overdreven? (tot Anatole) Ge hoort +het zelf: De woestaard zal staande houden dat ik overdrijf! Nee! dat +springt de gaten uit! Hoor hem aan, Mijnheer, hoor hem aan, om de liefde +Gods!... (poos tot Doxa) wien heb ik van morgen om lijzemeel gestuurd en +wie is met een pakje macaroni teruggekomen?... (tot Anatole) 'k moet +lijzemeel pap onder mijn ribben leggen, Mijnheer, van den doctor ... +(tot Doxa) wien heb ik klokslag tien om een rolmops gesmeekt (tot +Anatole) voor mijn flauwe maag, Mijnheer! (tot Doxa) en wie is na +twaalven, weergekeerd met een platgezeten bloedpens en 'n gezicht van 'n +dulle hoornblazer?... Of denkt gij soms dat ik genezen kan bij 't eenige +spektakel van de walgelijke farokampernoelieën die uw gezicht paleeren? +(klagend) Mijnheer Anatole, bezie mijne armen, bezie mij, Mijnheer, ik +ben de schim van mezelve niet meer. Ik teer puur weg. Ik heb me +afgewerkt voor dien zatbalg daar! En nu, nu steekt hij een handje toe, +Mijnheer Anatole, om er mij wat rapper in te krijgen ... in den put ... +in den put."</p> + +<p>Ze ging achterover wegzakken, in zachter gekerm, maar hief zich ineens +recht op hare puntige ellebogen, en kreet het heesch uit in 't +verbijsterd gelaat van den zwijgenden Doxa:—"Wat? Wat zegt ge weer? +Dat het niet waar is? Dat ik lieg? Zegt hij dat ik lieg, Mijnheer +Anatole?..."</p> + +<p>Het scheen dat ze al hare krachten inspande om in eene uiterste poging +de mate van hare verontwaardiging te geven. Ze greep waarlijk met hare +tien nagels naar de rood-ronde tronie van den stillen beuzelaar.</p> + +<p>—"Hier uit", riep ze, "hier uit!... Ne sjanfoetter, dat zijt ge, 'ne +wijvenbeul en 'ne sjanfoetter!..."</p> + +<p>Daar ze nu, wezenlijk uitgeput, in de kussens thoopeviel, slierde Johan +Doxa zoetekens de deur uit en schikte Anatole de blauwe sargie tot onder +hare bevende kin. Ze had hare oogen gesloten. Hare lippen trilden nog en +hare neusvleugels roerden even. Anatole hoorde het harde getik van den +koperen wekker die, op de schouw, met hardnekkige onverschilligheid de +zonderlinge kamerstilte verried.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Op straat vond Anatole den rustigen Johan Doxa, die, zijn neus +platduwend tegen de vensterruit van den fruitwinkel, met vlijtige +aandacht de grauwe hobbels van een paar slabeten gadesloeg. Hij stak +zijne hand onder Johan's arm en zij gingen langzaam in den mistigen +vesperdag. Zij gingen alzoo een half-uur lang, zonder spreken. +Gemaskeerde kindergroepjes liepen dansend hen voorbij. Verder, in +naburige straten, hoorden zij het aanzettend carnavalgejoel en zij zagen +schoone kleuren bewegen.—Ze trokken "het Zwaantje" binnen en bestelden +een glas lambik.</p> + +<p>—"Sec!" zei Anatole.</p> + +<p>En dan alweer zwegen ze. De schuimende pinten stonden in het langblauwe +daglicht te klaren met stil-gouden gloed. Een lange man kwam rechtover +hen zitten. Hij was in een bedlaken gewonden en een scheef mombakkes +grinnikte roerloos op zijn kop. Hij had roode kousen over zijne handen +getrokken, en die lagen, vol geheimzinnige kracht, op de tafel. Men kon +geen oogen zien binnen de holten van het grijnzende mombakkes. Johan +Doxa, eer hij zijn glas vastgreep, vroeg beteuterd:</p> + +<p>—"Anatole, hebt ge geld?"</p> + +<p>Anatole knikte en zij dronken allebei. Drie vrouwen in manspak gingen +zonder veel gerucht in den versten hoek der herberg zitten. Een zwart +hondje kwam, tusschen Doxa's voeten, een handsvol garnaalsteertjes +oplikken en keek toen op, in korte verwachting. Na een tijdje drong een +dansende groep bonte jongelingen alover den engen drempel rond den toog. +De bazin had het seffens heel druk en de baas, die groot en rood was, +kwam al kouwend in het deurgat van de keuken staan, om ontzag in te +boezemen. Dat jong gedoe deed zeer vroolijk, intrigeerde iedereen op +goed val het uit, in hoog stemgegichel. Een blauw clownmeisje ging +buigen over het peinzend hoofd van Johan Doxa en vroeg:</p> + +<p>—"A wel! wat hei-je met uw peterselie gedaan, kalfskop?"</p> + +<p>Johan Doxa, geheel weg met zijne vage gedachten, antwoordde goedig, +onnoozel:</p> + +<p>—"Nikske...."</p> + +<p>En hij bezag Anatole al blozend. Toen sprak Anatole, stil in 't algemeen +gedruisch:</p> + +<p>—"Julia sliep, als ik de kamer verliet, weet ge...."</p> + +<p>Johan Doxa deed tweemaal zijn hoofd op en neder gaan. En heel natuurlijk +herbegonnen zij te zwijgen, daarbinst rechtstaande, alle twee te gelijk, +om weg te gaan.</p> + +<p>Ze liepen de Camuselstraat geheel door en dronken faro in <i>'t Wit Paard</i> +bij Susse van Maries, op 't hoekje der Anneessensplaats. Van daar zagen +zij het dikke gewoel op de Henegouwlaan, de schuivende pakken van +menschen, door mekaar indringend en werkend, in traag beweeg, gelijk +dwarse zeegolven. Lachende gezichten, opene monden, grijpende handen, +'t krioelde klaar op in de donkerte van grauwe jassen en wintermouwen. +En de lichte confetti stoof op bij scheuten, in waaiers van licht of +wolkjes van lichte kleuren. Een zeldzaam geraas steeg uit die duwing +van lijven, en Johan Doxa wist soms niet of 't wel vreugde was en geen +akelig en ver geklaag van gewonde dieren, die vol nuttelooze driften +zijn.... De schenkmeid kwam midden in de herberg op een stoel staan en +stak de porseleinen bloemen van den kroonluchter aan. De herberg was +geel en de dag op de vensterruiten werd scherpblauw, violetblauw. Men +kreeg een gevoel van droeven avond. De glazen klonken over den toog en +rond de aanhoudende bierbestellingen. Een oud vrouwtje probeerde eene +groote mand met eieren, krabben en amandels van groep tot groep tegen de +tafels uit te steken. Twee zware jongens nagelden over den buik van een +mandolien en zongen italiaansche liedjes. Ze zongen er drie en kwamend +dan centen rondhalen in paarlemoeren schelpen.</p> + +<p>—"'t zijn Italianers, geloof ik." zei Johan Doxa suf.</p> + +<p>Hij zocht lang in al zijne zakken, naar een half stuivertje, dat hij +zeker bezat, zeker, zoo zeker dat als twee en twee.... Anatole sprak:</p> + +<p>—"Luister 'ne keer. Wat is dat nu met uwe vrouw? Is ze ziek of wat is +'t?"</p> + +<p>—"Ze heeft u daar nogal uitgescholden!"</p> + +<p>—"Nog al ... nog al...."</p> + +<p>—"Zeg eens ... en is dat waar, van die macaronie en die ... die...."</p> + +<p>—"Bloedpens."</p> + +<p>—"Hein?"</p> + +<p>Ze vertrokken. Ze gingen de wijk van Onze-Lieve-Vrouw-te-Rooje af en +dronken in de kroegen, de taveernen en de kavitjes. De verschillige +geluiden der lage stad sprongen gelijk ledige vaten rond hen. Johan Doxa +en Anatole waren afgezonderd van 't algemeen plezier en hunnen armen +hingen zwaar aan hunnen schouders. Ze bleven een poosje 't geweldig +bedrijf nagapen van een schoonen arlekijnen societeit, die, met volle +fanfaren, de straten opdreunde. Kinderen droegen rieten waaraan papieren +lantaretjes te wiegelen hingen. De veelkleurige lichtjes stippelden +aardig in den vroegen avond. Ergens ontmoetten ze, plots eenzaam, een +blinden grijsaard, die zijn hond verloren had en woest-mompelend langs +de gevels voortsukkelde. Ze waren hem al lang voorbij, als Johan Doxa +ineens staan bleef en, met een dwazen glimlach:</p> + +<p>—"Nu vind ik het half stuivertje", zei hij.</p> + +<p>Hij was er geheel blij om en hief het in de klaarte van een gaslantaren +op. Hij voegde erbij:</p> + +<p>—"Ik wist wel dat ik het had. 'k Had het dezen morgen in de kerk langs +mijn broekpijp die gescheurd is laten vallen, 'k Had het opgeraapt, ge +ziet het nu zelf Anatole!..."</p> + +<p>Een kleine nietdeug, met een mombakkes gelijk een doodshoofd, riep +achter hem:</p> + +<p>—"Loërik!"</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Anatole sprak:</p> + +<p>—"'k En wil 't niet zeggen om u te treiteren Johan, maar ge zoudt toch +wat meer koeragie moeten hebben bij uwe vrouw. Ge hebt daaral niet veel +te protocollen, naar ik zie, en dat is een ongeluk voor u en voor haar. +Alles goed bekeken. Ge zijt een vijg, jongen, ge zijt een slappe vijg +... 'k zeg het in alle eere, om u niet te krenken ... kortom, een vijg."</p> + +<p>Johan Doxa sprak:</p> + +<p>—"Vermits gij het zegt ... vermits gij het zegt ... denkt ge waarlijk?"</p> + +<p>Hij herzette zich op de smalle herbergbank en verschoof zijn ledige +pint. Hij plante zijne voorarmen op de tafel, in de geluidlooze +kussetjes van zijne ellebogen.</p> + +<p>—"Anatole," zei hij, "daar is kans voor, 'k en zeg niet neen. Maar 'k +zal u iet zeggen. Ge zijt een goede vriend van me. Mijnheer Lazare is +ook een goede vriend. Kent ge Mijnheer Lazare? Hij is een uitsluitelijke +en strenge hoogpriester van Jesus-Christus. Hij geeselt mij met de +woorden van God. Gij bekoort mij met de lieftaligheid van dees driftig +leven. Gij straft mij met mijne kleine gebreken. Nu wil ik u iet zeggen. +Wat zijn wij? Wij, met ons beide die hier aan het zuipen zitten, en die +andere rond ons, dewelke vroolijk zijn. Wat zijn wij al te gare? Bekijk +de sterren en hunne onverbiddelijke harmonie. Hoe grootsch! Bekijk de +ordonnantie van onze aarde, de loop der seizoenen, het evenwicht van +lucht en grond en wateren, de voortdurigheid van al die wondere +rythmen.... Hoe grootsch! Is het niet waar? Denk daar een oogenblik aan +terwijl ge hier zit met mij. En bekijk dan het bedrijf van alle levende +dieren: de leeuw die zijne prooi zoekt, het lam dat graast, de arend die +jaagt op buit, de duif die cirkelt boven de vredige huizen, de visschen +die ondereen zoo aardig doen (ik spreek van den snoek, die alles doodt, +en van het roodvischje, dat prachtig in den helderen bokaal +rondzwemmelt), de vlinders en de lieve goudvliegkens, de spinnekop die +biddend loert binnen de raderen van haar verraderlijk net en daarbij, +Anatole, het onzichtbaar gepeupel: de beestjes die ziekten brengen en +de beestjes die ziekten afweeren ... bekijk dat ook alles eens met +aandacht.... En dan zegt gij: er zijn er zus en er zijn er zoo, en dus +is leven een groote strijd van krachten. De maan, die draait rond de +aarde, medegesleurd door haar, heeft tegelijk op haar een vertragende +werking, dat is strijd. De wateren die in hitte tot dampwolken opvliegen +en door kilte weer tot wateren vallen, dat is strijd, Anatole. De dieren +die vechten. De menschen die vechten. De menschen die vechten in passies +van allerhande aard. De menschen die sterk zijn, en de menschen die zwak +zijn. De menschen die verstandig zijn en de menschen die dom zijn. De +menschen die deugdelijk zijn en de menschen die geen zedenwetten +kennen.... Och! Och! is dat geen strijd, Anatole? En strijd is het leven +zelf. En strijd is de mirakelachtige harmonie. En strijd is waarachtig +de wet van God, Anatole. Ik ben een soort vrak, en gij zijt een soort +lusteling, en Lazare is een soort hyper-asceet. Wij zijn alle drie +noodzakelijke elementen en onze werking reikt mede tot de +standvastigheid van God's harmonie. En het moet zoo altijd zijn en +hergebeuren, want wij zijn alzoo de eeuwigheid van God's wet."</p> + +<p>Anatole had gedronken en sprak nuchter:</p> + +<p>—"En de socialisten?"</p> + +<p>Maar Johan Doxa wedervoer met geduld:</p> + +<p>—"Wij moeten ons schikken in ons lot en de plichten vervullen van onzen +aard. Wij mogen niet, hm! hm!... wij mogen niet lui zijn in onzen aard. +Wij moeten vol ijver zijn, want onze aard is een gebod dat wij vlijtig +moeten leven. Gij blaast gedurig tabak in mijn gezicht, Anatole. Neen, +steek uwe pijp daarom niet onder de tafel. Maar ik ben, geloof ik, +duister en vervelend, en gij volgt niet rap mijne gedachten. Ik wil u +iet zeggen. Ik—gij beziet mij en ge kent mij, Anatole—ik ben een +sukkel in uwe oogen en een lasteraar in de oogen van Lazare. Ik ben +inderdaad waarlijk een sukkel en een lasteraar. Zoude ik moeten een +groot artiest zijn, of zoude ik moeten een heilige zijn, of zoude ik +moeten een tapper zijn? Ik loop het loopje van een natuurlijk en +noodwendig leven. Ik ben wat ik ben, zooals, naar ik meen, een halm geen +eik is en een mier geen prijsmerrie. De blijdschappen die mij te beurt +vallen zijn de bloemen van mijn aard. Maar, Anatole, vermits ik sterven +zal zonder glorie en zonder zaligheid, ook de spijt over een zoo droeve +dood is een bloem, een zeldzame bloem van mijn aard, Anatole.... En ik +blijf dien spijt getrouw."</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Ze hadden rond tien ure een groot getal herbergen bezocht. Ze stonden op +de Oude Graanmarkt. De Vlaamsche Steenweg was een krioeling van vierende +menschen. Geel en wit-blauw licht spetterde uit de vensters op het bonte +gewoel. Johan keek op naar den schoonen kerktoren die in een hoek van +het Kathelijneplein massaal en duister rees boven het licht der huizen. +Hij zag ginder hooge, den grauwen winterhemel, en hij voelde wonderlijk +de oneindige wijdte. Zijn hart ging open, vol van liefde.</p> + +<p>—"Nu begin ik plezant te worden," zei Anatole. En om zijne woorden +kracht bij te zetten, ging hij al fluitend aan het dansen. Johan Doxa +had groote goesting om te weenen. Hij kuchte eens en glimlachte +zachtjes:</p> + +<p>—"Wel, ge danst gij niet slecht, Anatole!"</p> + +<p>Anatole nam Doxa bij de ellebogen en schokte hem op maat van het +deuntje. Dan, haast buiten adem, riep hij:</p> + +<p>—"Kerel, we gaan ons maskeeren!" En ze trokken naar de <i>Old Curiosity +Shop</i> van de Bisschopstraat, klauterden den diensttrap op en onder het +zolderdak, begonnen eene lollige vermomming. Anatole bracht de +zonderlingste kleedingstukken uit laden en kassen voor. Al bargoed, +vergeten, verloren, gestolen of in pand gelaten.</p> + +<p>Johan Doxa stond voor een gebarsten spiegel tusschen twee +wippelvlammende eindjes kaars.</p> + +<p>Hij moest zijn broek uittrekken en hij deed het gewillig, zonder denken. +Anatole zocht voor hem eene schoone maskeradebroek. Het was de +verslenste broek van de eene of de andere barmeid, fijn-linnen broek, +geheel behangen met kanten en strikken, wit was de kant en vieux-rose de +linten. Johan Doxa deed zeer angstig in die broek. Zij viel in dicht +geplooi en rijke lobben tot over zijne knieën en liet dikke braaien vrij +die opbulten boven de lompe schoenen. Anatole bezorgde witte koussen en +eischte dat, om het algemeen effekt niet te breken, Johan Doxa lage +espadrillen aantrekken zou. Deze weelderige kleedij voltooide hij met +een kelner-pitalairken, dat ongelukkiglijk te nauw was en, gelijk een +licht vleugelpaar, aan Johan's schouders hing te bengelen.</p> + +<p>—"'t Is wel alzoo," zei hij achteruit-wijkend, "nu uw kop!"</p> + +<p>Hij spande een kleine venstergordijn rond het hoofd van den braven Doxa +en bekroonde zijn werk met een ietwat inzakkende gibus. Hij zei, +weltevreden:</p> + +<p>—"Niemand zal u herkennen, jongen. Ge zijt een heel ander mensch, +waarlijk! maar deze gele handschoenen moet ge aantrekken, en hier is een +pompadoer-waaiertje dat ge aan een knoopje van uw habijt moet hangen.... +Zoo-oo ... all right! kijk u eens in den spiegel aan!"</p> + +<p>En Johan Doxa keek zijn eigen in den spiegel aan en hij wist niet aan +welk oordeel hij zich zou houden....</p> + +<p>Anatole was gauw klaar. Hij gespte een paar bleeke rokken rond zijn +leen, paste, gelijk 't behoort, een groen jakje over zijne opgevulde +borst, zette een prachtigen hoed met pluimen zoo goed als het kon vast +op zijn kop en hing errond eene dichte voilette. Hij droeg, ter +volmaking van die vrouwelijke staatsie, een rood satijnen zonnescherm en +schoeide, gelijk Johan, zijne groote handen. Zoo kwamen zij op straat.</p> + +<p>Geweldig was 't lawaai en de drang op de Anspachlaan. De electrische +lampen klaterden over al die hoofden. De confetti sproeide uit, kleurig +en blikkerend.</p> + +<p>—"We moeten ons goed houden," zei Anatole, "en malkander niet kwijt +geraken. We gaan naar 't bal."</p> + +<p>Hij kocht in den Grand Bazar een heel klein trommeltje, dat hij op +Johan's buik met een rood touwtje hing en een rotelaar dien hij zelf den +weg door hanteerde. Johan Doxa leunde op den arm van Anatole. Hij kreeg +het tamelijk warm onder de nauwe venstergordijn en zijne armen spanden +in de te korte mouwen van zijn frak. Zijne voeten en zijne beenen waren +vrij koud geworden. Eens dacht hij aan Julia. Hij dacht:</p> + +<p>—"Ze is koleirig.... En ik zal geen blijde intrede hebben...."</p> + +<p>Maar hij ging mede met Anatole, zonder wil gelijk zonder aarzeling. Hij +was bereid om veel pleizier te hebben, zooals een leeg vat bereid is om +'t zij eender wat te ontvangen. Hij had geen begeerten, hoewel hij in +vage verwachting verkeerde. Hij was noch gretig, noch gejaagd, hij was +moe, moe.... En toch verwachte hij geen rust.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>De danszaal van de Hoogstraat was schitterend van licht. Het licht +schetterde uit de vier kristallen kroonluchters en smeet uiteen in +de groote spiegels der wanden of over het goud van de ramen, de +deurlijsten, de pilaren, de zoldering. Het goud blonk voornaam. +De breede spiegels schitterden brutaal en overdadig.</p> + +<p>Het volk was los, woest, ontzagelijk. Men schreeuwde. Men danste. Men +sprong wild. En Anatole zei:</p> + +<p>—"Let nu goed op. Hier is de volle plezantigheid. Hein, wat zegt ge? +Verdekke, jongen, hier gaan we ons hart eens ophalen, nie-waar?"</p> + +<p>Hij kittelde Doxa eventjes onder de hoksels en hernam:</p> + +<p>—"We moeten, elk van onzen kant, een toertje doen rond de zaal, gij +een toertje rechts, en ik een toertje links zoodat we op deze plaats +terugkeeren en malkander weer ontmoeten. We geven malkander rendez-vous +op deze plaats. Luister wel. Gij van uwen kant zult onderweg een liefje +krijgen, en ik, van mijnen kant, ook. Alzoo zijn wij rap, elk van onzen +kant, geriefd. Allo! zie dat ge de schoonste uitkiest!..."</p> + +<p>Anatole ging seffens een blijden gang. Toen voelde Johan Doxa zijne +groote eenzaamheid. Toen, verlaten in deze vreugde als in eene woestijn, +voelde hij zich alleen zijn, moederziel alleen. Hij was nutteloos. Hij +bestond zonder reden. Hij veroorzaakte niets en was van niets een +oorzaak. Hij mompelde, zijn eigen aanstarend in gepeinzen, kindsch:</p> + +<p>—"Is de dood iets?..."</p> + +<p>Hij zoude zich gewaand hebben iets te zijn.</p> + +<p>Johan Doxa deed een toertje rond de zaal. De dansers riepen hem aan, +daar hij zoetekens omwandelde in zijn zonderling pak en zijn trommelken +onnoozel vasthield in beide handen. Maar hij trof geen liefje dat hij +scheeren kon.</p> + +<p>—"'t Is gemakkelijk te zeggen," dacht hij, "ze zijn hier wel een hoop, +maar 't is precies uit den hoop dat ik ze moet uithalen."</p> + +<p>Anatole nochtans had er een uitgehaald. Hij sprak in verbazing:</p> + +<p>—"Niks? Hoe is dat Gods mogelijk Johan! Ge ziet er flink uit en ge hebt +handschoenen aan. Als ge zoo voortgaat zult ge fataal eindigen met u te +vervelen."</p> + +<p>Hij besloot zich zelf op te offeren om een zoo jammerlijke uitkomst te +vermijden en stond zijne aanwinst gewillig aan Johan Doxa af. Hij +verdween in het licht, en de deerne zei:</p> + +<p>—"A wel, Mijnheer, waarmee is 't, dat ge trakteert? Of wilt ge ne keer +dansen?"</p> + +<p>Neen, Johan Doxa zou liefst niet dansen. Trakteeren, ja, dat zou hij. +Hij liet zich naar de drinkzaal meetronen en zette zich in een hoekje, +waar hij rustig een flesch geuze bestelde. Hij bleef een langen tijd +zonder denken. Het meisje zei:</p> + +<p>—"Dat moet warm zijn, Menheer, die store op uw gezicht."</p> + +<p>—"Ja," knikte hij dwaas.</p> + +<p>—"Leg hem dan maar af. Ge moet u voor mij niet geneeren. Ik heb al van +alles gezien."</p> + +<p>Hij vouwde langzaam de gordijn op onder zijn hoed en wees zijn goedig +gelaat. Hij glimlachte, naar gewoonte. Het meisje praatte gezellig en, +ofschoon hij niet veel antwoordde, hield zij moedig het gesprek aan. Hij +hoorde haar praten. Hij hoorde ook het roezemoezende balgerucht. Hij +hoorde de muziek, die hem bestoven voorkwam. Hij hoorde klaarder het +gerinkel van een tamboerijn met belletjes....</p> + +<p>Nadat hij de derde flesch geuze besteld had, viel hem plots in dat hij +geen geld had. Dadelijk bekoelde echter het zweet, dat hem op het +voorhoofd uitgebroken was als hij bedacht dat Anatole gauw aan zou +komen. Waar bleef toch Anatole? Om tijd te winnen bestelde en dronk +Johan Doxa nog vier flesschen. Het meisje kreeg zonderlinge manieren en +eischte van haren nieuwen vriend eene uitdrukkelijke liefdebekentenis. +Onderwijl wilde Anatole maar niet opdoomen.</p> + +<p>—"Zie," zei het meisje, "ik heb meer domme hoofden gezien, dat is +zeker. Als ge schoon, braaf en inschikkelijk zijt—begrijpt ge, lieve +loebas?—zal ik u om een haarklesje vragen en het tot op mijn doodsbed +bewaren!"</p> + +<p>Hij keek haar goedjongstig aan, eenigzins angstig wordend. Het docht hem +dat hij haar voor de eerste maal aankeek. Nu pas bemerkte hij hoe ze +was: een blond wijf, niet schoon en ruw van gebaren in licht-groene +domino, vormloos. Hij sprak:</p> + +<p>—"Ik moet Anatole opzoeken in de danszaal."</p> + +<p>Hij bezag haar zoo nuchter, zijn tronie glom zoo schuldeloos, dat het +meisje, eerst fiks op hare hoede, seffens betrouwend werd en toestemde. +Hij ging log, gewild-traag. Hij drong tusschen de dansers heen en voelde +zich veilig worden. Zijn hoofd was zwaar. Hij geraakte weldra buiten +staat om Anatole na te jagen, en allerminst om hem te vinden.</p> + +<p>Daar werd in zijn geest de licht-groene domino het uitsluitelijk beeld +van een groot gevaar en hij moest vluchten. Hij had geen wil, die hem +weerhouden kon, geen rede, zelf geen luiheid om zijn vlucht te +vertragen. Hij liep struikelend door de straten.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Hij was de bolwerken omgeloopen en kwam nu, te laag, bij de Molebeeksche +vaart aan. Het begon te sneeuwen. De blauwe dag lichtte zachtjes over de +daken. Het water lag somber en onrustig, eenzaam de grijze kaai.</p> + +<p>Johan Doxa stond hijgend tegen het ijzeren schut en zijne blikken +loerden rond. Hoe bang roerde het water! Hoe vaal rees de bevende +morgen! Hoe duister en heimelijk wachtte ginds die hooge boot!...</p> + +<p>Hee! Hee! daar vaart een klare schim langs Johan voorbij. Het is een +lange magere schim. Een schim met roode handen. Wel! het is een man die +zich uit pret in een bedlaken heeft gewonden en met roode kousen zijne +handen heeft geschoeid. Ievers heeft Johan Doxa dien witten man onder +een scheef-onbeweeglijk aangezicht ontmoet. Wacht eens even!... Wacht +eens even! Waar was 't alweer?...</p> + +<p>De witte man schuift rap over de kaai. En op de brug staat eene vrouw +met een kindje. Johan Doxa zou zweeren dat de vrouw weent en dat ze het +kindje kust wanhopig. Hee! Hee! de witte man komt op de vrouw af. Heeft +ze niet gegild? Ze wil vluchten, ze wil vluchten! Ze kan niet. Ze wordt +vastgegrepen. Ze wordt omhoog getild. Ze ... ze ... God in den hemel! Ze +wordt over de brug geheven.... Ze valt!...</p> + +<p>Heeft ze niet gegild? Heeft ze niet gegild, vraag ik?...</p> + +<p>En tegen het ijzeren schut stond Johan Doxa. Hooger beeflichtte de dag. +De kaai was geheel met sneeuw bedekt. De gevels der huizen staken vuil +uit boven de schoone witte sneeuw. Het pitalairken van Johan Doxa was +besneeuwd.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>—"Dat is toch zonderling." dacht Johan Doxa terwijl hij voort +opwaggelde naar huis, "dat is toch een zonderling dingen! De vrouw is in +het water verdronken en het water heeft geen gerucht gemaakt. En de +witte man ... wacht eens even ... die heb ik gezien en herkend.... Wel! +wel! wat er toch al gebeurt!... En ik heb niets gedaan om dat te +beletten. Niemand heeft iets gedaan. Waren daar nog andere menschen? +Rechtuit gesproken, ik geloof het niet. Ik had moeten toespringen. Wel! +wel! een mensch zou er kiekevleesch van krijgen, als men bedenkt wat er +al omgaat!... In 't volle van de stad jongen, in 't volle van de +stad!..."</p> + +<p>Hij kwam op de Papenvest en verwonderde zich dat de huisdeur, die anders +nooit zoo vroeg was ontgrendeld, op een reetje open stond. Hij strompelde +onvoorzichtig de trap omhoog. Het huis was stil. Hij keek op....</p> + +<p>De verbazing van Johan Doxa, toen hij Lieven Lazare in het aangezicht +blikte, was slechts te vergelijken bij de verbazing van Lieven Lazare +zelf, die den ellendigen sukkel zag aanklimmen in zijn matte lompen en +slappe strikken.</p> + +<p>Tegen Johan's verwachting in verhief Lieven Lazare zijne donderstemme +niet.</p> + +<p>Hij zei stil:</p> + +<p>—"God straft u, Doxa. Zijne hand heeft uw huis beschaduwd. En Hij +verplicht u neer te kijken op uwe monsterachtige schande. Ik zwijg en +laat u over aan Hem—kom binnen."</p> + +<p>Zachter nog, terwijl hij Johan Doxa in de kamer duwde, sprak hij:</p> + +<p>—"Ik heb in gebed den avond en den nacht aan de sponde van uwe vrouw +doorgebracht."</p> + +<p>Het docht Johan Doxa plots dat hij geene beenen, geen armen, geen +lichaam meer had. Hij had geen gevoel van lucht, van koude of warmte. +Een harde band spande hem om de slapen. Hij zag de vier hooge kaarsen +die brandden aan de vier hoeken van het bed.</p> + +<p>Toen ook, daar staande in openbare dronkenschap, zag hij het witte +kussen, het witte roerlooze gelaat van Julia, de witte handen gevouwd in +vroome houding op de blauwe sargie, en het ivoren kruis dat uitarmde, +ernstig tot onder de puntige kin.</p> + +<p>Lieven Lazare, het hoofd buigend, zei:</p> + +<p>—"God beproeft ons uitermate. En Hij treft ons in onze zonden.... Laat +ons knielen, Johan!"</p> + +<p>En dat deed Johan Doxa gehoorzaam, maar hij dacht al door:</p> + +<p>—"Dat is toch een zonderling dingen, niet waar? Het water dat zoo +angstig was ... en de roode kousen over de groote handen ... en het +kindje heb ik wel gezien! De vrouw weende over het kindje.... Wel! wel +toch! Wat een rare boel!..."</p> + +<p>Zijne oogen bleven strak op Julia's gelaat gevestigd. Zijn geest puntte +op Julia's gelaat.</p> + +<p>—"Goede God!" fluisterde hij.</p> + +<p>Hij begon halfluide te bidden, en sloot smartelijk zijne oogen.</p> + +<p>De tranen, die over zijne bolle wangen rolden, vielen op het dunne leder +van het trommelken, hetwelk aan Johan's buik hing, en waarlijk scheen +gemaakt te zijn om dergelijke kleine klopjes te ontvangen.</p> + + +<hr style="width: 45%;" /> + + + +<h2><a name="III" id="III"></a>III</h2> + +<h2>JOHAN DOXA</h2> + +<h3>DE BOETVAARDIGE</h3> + + +<p>Julia werd door moeder Doxa met vroome zorgzaamheid gewasschen en gekist +en Johan begroef haar op den derden dag, zooals het behoort. Nu bracht +hij eenzame en talrijke uren om, in 't besef van zijne schuld en het +docht hem daarbij dat een zeer luid sprekende wroeging hem kwelde. +Dat duurde haast meer dan eene week. Dan verliet hij de kamers die het +tooneel waren geweest van zijne diverse huwelijkservaringen en ging +weer bij zijne moeder woonen, in het speelgoedwinkeltje van de +Zes-penningenstraat.</p> + +<p>Eene kleine maand later ontving hij van Lieven Lazare, den godvruchtigen +panfletschrijver, den volgenden brief:</p> + +<p>—"De Hemel, Johan, duldt niet langer dat ik mijn hart voor u gesloten +houd. Aldus wordt door eene goddelijke inblazing het besluit gebroken +dat ik in een oogenblik van rechtmatigen toorn ten uwen opzichte genomen +had. Misschien is het waar dat ikzelf vreemd ben aan het opmaken van +dezen brief. Misschien veracht ik u morgen even diep als ik u gisteren +heb veracht. De adem althans, die door mijne woorden gaat, schijnt niet +de mijne te wezen, en ik gehoorzaam aan eene geweldige bezieling zooals +die ander? Lazarus gehoorzaamde toen Iemand, wiens donderende naam geen +weergalm meer vindt in uw geheugen, hem gebood recht te staan uit den +dood.... Beste Johan, het blijkt dat de schrikkelijke gebeurtenissen die +God zelf voor uwe redding had beraamd, u niet tot inkeer hebben gebracht. +Het is als of niet Hij, maar de Duivel u zou tot weduwnaar gemaakt +hebben. Gij wandelt door de stad en niets in uwe houding verraadt dat +de heilige Michaël u onlangs met het bliksemende vlammenzwaard heeft +getroffen. Men ziet u rustig en kinderlijk kuieren langs de straatjes +van Onze-Lieve-Vrouw-te-Rooje. Gij blijft met welbehagen lanterfanten in +de nabijheid van spekslagerijen, en duwt uw neus tegen de ramen plat om +met gulzige oogen het afschuwelijke schouwspel van hespen en worsten op +te vangen. Gij loert de honden na, die snuffelend malkander nadrillen, +en hun cyniek bedrijf wekt uwe belangstelling uitermate. Vermoedelijk +hebt gij in den winkel van uwe beklagenswaardige moeder ook marbels +gestolen, want op het Vossenplein heeft men u zien spelen met +schoolkinderen. En elken dag, rond half-zeven, staat gij voor de <i>Old +Curiosity Shop</i> de keukenreuken op te snuiven, en ontvangt dan door de +traliën van 't keldervenster een dampend pakje uit de hand van Anatole.</p> + +<p>"Ik ween van schaamte wanneer ik hoor verhalen hoe ge, ontdaan van alle +menschelijke waardigheid, in de Kapellewijk de tonnen doet klinken.... +Johan, Johan, aanzie uwe zonden, eer God de ultieme en onherroepelijke +straf uitvaardigt. Ik sta verbaasd bij 't aanschouwen van Zijne +matelooze lankmoedigheid—maar wee u! als straks over u Zijne +alverteerende gramschap losbreekt!... Ik ben gezonden door Hem, Johan, +ik kom tot u met de boodschap der Goddelijke verzoening. Nader ootmoedig +den drempel der eeuwige Kerk, Johan. Nog niet als Job draagt ge +potscherven in wonden van berouw, maar belaad nu uw hoofd met uw +mesthoop en snoer uw reistasch rond uw hart. Nader, Johan, met den stank +van uwe naaktheid en de vloeken van uwe wanhoop het gouden tabernakel +waar Krist, die gekruizigd werd, thans Zijn eeuwig leven viert. Hem +rijkdom, roem en liefde opofferen verblijdt Zijn hart niet zoo +zeer,—dat hart omkransd met doornen ...—maar offer Hem de zoete +genuchten van uwe zwakheid en de brandende lusten van uw geil vleesch: +dat is nog uw eenig bezit, en zoo, waarlijk, wordt ge de armste aller +menschen. God, Johan, heeft de armen lief...."</p> + +<p>Tot daar kon Johan den brief zonder bezwaar doorlezen. Nu echter begon +hij te pinkoogen en, alsof het daglicht op de letteren verflauwde, ging +hij naar het venster en boog zijn hoofd voorover, tot tegen de koude +ruit. Gouden sterretjes regenden allerzijds. Maar algauw las Johan Doxa +verder:</p> + +<p>—"De Heilige Geest vleugelt in mijne woorden, en ik zeg het u, +ellendige vriend: Jesus is een eindelooze zee van genade, een zee die +alle wrakken dragen kan. Neem tijdelijk afscheid van uwe moeder—wat +toch heeft eene moeder van een zoon die zelf voor God verloren is?—en +vertrek van huis. Gij zult in het Franciscaner Klooster van de +Miniemenstraat eene heilzame retraite doen. Ga.</p> + +<p>"Klop nederig aan de groote poort. Het is een heilig huis en pater +Hilarius, dien ik gewaarschuwd heb, zal u met medelijden ontvangen. Toef +niet. Het ontzaglijke geluid van Hem, die mijne ziel opnieuw in +lichtelaaie zet voor u, davert op mijne tong en ik roep het u toe, +armzalige Johan: toef niet, toef niet; uwe dagen zijn geteld!"</p> + +<p>De brief hield op te beven in de hand van Johan Doxa. De brief gleed +ritselend langs de witte venstergordijntjes neerwaarts en kwam zacht, +gelijk een dubbele vlerk, op het plankier terecht. Hij ging liggen naast +een sikkelvormige oranjeappelschil. En Johan keek op, door 't raam, naar +den hemel die lichtblauw over vuile daken was uitgespannen. Hij stak +zijne handen in zijne broekzakken. Met den wijsvinger van zijne +rechterhand raakte hij er 't benageld paviljoentje van een kletsdop. +Maar hij vond geen neusdoek om zich te snuiten.</p> + +<p>Johan Doxa zat 's avonds met zijne moeder in het kleine achterkeukentje +dat bij den winkel aanpaalt. Moeder Doxa had den winkel gesloten en +bereidde zich om de keukenlamp aan te steken. Johan zei:</p> + +<p>—"Maak geen licht, ik bid u. Ik heb u iets te zeggen, lieve moeder."</p> + +<p>Ze zaten aan weerskanten van de oude Leuvensche stoof, en de stoof zong, +en het was heerlijk donker. De buik van de stoof glom gelijk een +reusachtige, zacht-blozende pronkappel. Een purperen glanzing gleed over +het vriendelijke aangezicht van moeder Doxa, over hare gevouwen handjes, +over haar hoogen boezem, over haar bolle knieën,—en eenderlijk kwam +uitgloeien langs de ronde wangen van Johan, langs de mooi-versierde pijp +waaruit hij rookte, en tot op de randen van zijne lompe schoenen, die +daar nevenseen op den vloer stonden en waarnaar hij keek alsof ze +anderman's voeten omsloten.</p> + +<p>—"He-wel?" vroeg eindelijk moeder Doxa, en het trof hem hoe minzaam ze +was. Hij antwoordde niet seffens. Hij had de gewoonte om lang te dubben +eer hij een besluit nam en dan toch besluiteloos te blijven. Maar moeder +Doxa drong niet dadelijk aan, want ze kende haren jongen. Hij dampte +maar.</p> + +<p>—"Zie, moeder," zei Johan, "ik zou mij moeten beteren. Ach, ik weet +wel, gij denkt niet dat ik slecht ben. Gij weet niet, gij weet alleen +van een kindje dat ge in uw schoot gedragen hebt en dat zoetekens aan +uwe borst heeft gehangen. Maar al groeiende is hij ver van u geraakt, +en hij is nu een groote zondaar, en hij moet God vreezen."</p> + +<p>—"Gij zijt niet slecht, gij zijt misschien lui," meende moeder Doxa +goedig.</p> + +<p>—"Ja, ik ben lui," zei Johan, "en nog iets anders ben ik, maar ik ben +waarlijk lui."</p> + +<p>Hij bloosde erg. Telkens als hij ergens zijn eigen ontdekte bloosde hij +zoo.</p> + +<p>—"Na den dood van uwe vrouw," hernam moeder Doxa en zij maakte het +teeken des kruis, "heb ik gedacht: nu gaat mijn jongen weer aan 't werk, +want hij is krachtig en jong, nu gaat hij schoone schilderijen maken, en +we zullen alle twee gelukkig zijn. Ik dank den hemel dat het eindelijk +toch zoo gebeuren zal."</p> + +<p>Johan keek niet op naar heur en zei:</p> + +<p>—"Ge zijt edel, beste moeder. Wanneer ge zoo spreekt voel ik eerst hoe +diep ik gezonken ben, maar...."</p> + +<p>Hij aarzelde. Hij zocht naar woorden, gelijk een dronkaard naar het +sleutelgat zoekt. Hij vond in zijn geheugen een half-uitgevaagden zin +van Lazare's brief en pruttelde:</p> + +<p>—"... maar, moeder, Jesus is een zee van genade, waarin ... waarin ik +zou kunnen verzuipen ... als ik niet oppas."</p> + +<p>—"Ja, Jesus is zoo goed als men maar denken kan."</p> + +<p>—"Zoo zegt ge. En nu moet ik in de Miniemenstraat, bij de Capucienen +eene retraite doen. Dat duurt nog al lang. Ik weet niet hoelang dat het +eigenlijk duurt."</p> + +<p>—"Lang?... En wat is dat dan, eene retraite?"</p> + +<p>—"Eene retraite?... Weet gij niet wat eene retraite is, moeder?"</p> + +<p>Hij vond het heerlijk dat moeder Doxa zoo luchtig de boodschap aanvaardde +en omdat zij, de goede ziel, zelfs niet wist wat eene retraite was, +lachte hij stille hare lieve onwetendheid tegen. Maar hij wist ook niet +wat eene retraite was.</p> + +<p>—"Kom, kom, moedertje," deed hij, "bekommer u niet om mij. De paters +zullen mij niet opeten. Ik moet een beetje boeten, een beetje te +communie gaan en mis hooren, en dergelijke meer. Ik kom zoo frisch als +een botvink terug."</p> + +<p>Hij betastte zijn wegend buikje en zag de kleine vleeschkuiltjes van +zijne handen rozig aanglimmen onder de heete kaak van den kachelpot. +Inderdaad geloofde hij zelf niet wat hij daar vertelde. In zijne meening +moest de retraite iets schrikkelijks zijn, vermits Lieven Lazare ze hem +als eene straf opgelegd had. Hij had er den heelen middag met angst over +nagedacht: het klooster zou hem eene donkere gevangenis zijn en de +Franciscanen akelige cipiers. Hij moest er voorzeker op roggebrood en +lauw water leven. Er was daar geen lucht. 's Nachts hoorde men er +vreeslijke geraamten rammelen, en 's morgens moest men naakt in zijn +celletje staan en er zichzelf met knoestige riemen afranselen. Hij +betastte zijn buikje als om het voor eeuwig vaarwel te zeggen, met een +zucht....</p> + +<p>—"En wanneer vertrekt ge?" vroeg moeder Doxa.</p> + +<p>—"Morgen vroeg."</p> + +<p>—"Ha!... morgen vroeg."</p> + +<p>Beide verzonken in gepeinzen. De moor zong nu ook, die op de stoofbuis +stond.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Na een nacht vol ijselijke droomen, rees Johan Doxa uit zijn bed. Het +was een grijze dag. Achter het kleine vensterken nevelde een +miezelregen. Terwijl Johan zich aankleedde en precies op het oogenblik +dat hij zijn hoofd voor de eerste maal in de waschkom gestoken had, +begon waarlijk zijn druppende neus in de lucht om te snuffelen. Er ging +ongetwijfeld door de kamer een smakelijke geur van spek en eierkoek.</p> + +<p>—"Dat is raar," dacht Johan Doxa. Hij was gauw gereed en kwam de trap +af. De keuken dampte van weelde.</p> + +<p>—"Moeder," zei hij, "gij zijt al te goed."</p> + +<p>Maar moeder was bezig aan een groot pannengedruisch en knikte hem +lachend tegen. Daar stond feestelijk op tafel het prinselijk gerecht.</p> + +<p>—"Moeder, ik zal het nooit vergeten...."</p> + +<p>—"Gij dwaze jongen," zei de moeder, "zwijg maar liever en eet."</p> + +<p>Hij at tot zijn ronde kin ging glanzen en toen hij gegeten had en, +rechtstaande, hem het aardige gevoel der spannende broekgesp omdeed, nam +hij zwijgend zijn hoed aan den kapstok. Moeder Doxa stond te midden van +den vloer en glimlachte.</p> + +<p>—"Allee, beste Jan," sprak ze, "ga nu—ik heb Onze-Lieven-Heer voor u +gebeden."</p> + +<p>Hij kuste haar en ze stopte hem rap een vijffrankstuk in de hand. Hare +vingeren beefden.</p> + +<p>—"Neen, neen," stotterde Johan terwijl zijn hart in tweeën brak.</p> + +<p>—"Ssjt! mijn jongen ... ik kan ze nu beter missen ... dan gij."</p> + +<p>Ze vergezelde hem tot op den drempel van het winkeltje. De dag aaide +langs het speelgoed om haar. Johan kuste haar nogmaals en zei:</p> + +<p>—"Goedendag, lieve moeder, tot weerziens."</p> + +<p>Ze knikte aldoor met heel kleine oogjes, en, plots, wendde zich af, naar +binnen.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>En door het mottige weer begon Johan zijn boetvaardige reis. Hij stapte +op langs kleine steegjes en zou gauw de Miniemenstraat bereiken. Reeds +was hij het Vossenplein voorbij en zag, boven een lagere brokkeling van +daken, het fijn uitgesneden klokketorentje der Kloosterkapel. Hij bleef +staan, als om zich te bedenken. Hij bedacht zich en bleef gedachtenloos. +Kleine verschrikkingen schoten als electrische schokjes door zijn +lichaam, en toen kwam een licht bedaren in zijn hoofd dat zei:</p> + +<p>—"Ge hebt nog een beetje tijd, Johan, waarom moet dat alles zoo vlug +gaan?"</p> + +<p>Ook voelde hij nu het vijffrankstuk op de palm van zijne hand plakken en +hij trof dadelijk eene prachtige uitkomst.</p> + +<p>—"Ik heb daarbinnen," beweerde hij, "geen geld noodig—geld is duivels +goed, en moederken kan ik gelukkig maken met 't een en ander, dat ik +haar opsturen wil."</p> + +<p>Het klokketorentje verdween uit zijne oogen en hij stapte links om, naar +de Steenpoort en de Groote Markt.</p> + +<p>Op den Steenpoortweg stonden er karretjes met mosselen, met citroenen, +met oranjeappelen en met groenten. Hij keek er niet naar om. Hij ging +voor de peperkoekwinkels staan en begon met kinderlijk welbehagen te +kiezen. Hij koos een peperkoek dat in den vorm van een mooi hart was +uitgesneden en op de randen geheel met lekkere fruitschellen omlegd. +Hij besloot binnen te gaan, maar wilde vooreerst uitkijken naar een +loopjongen, die het geschenk aan moeder brengen zou.</p> + +<p>Er liepen daar vele jongens rond. Johan Doxa beproefde om op hunne +gezichtjes te lezen hoe eerlijk ze waren, en hij bevond dat hij behoefde +daaromtrent waarlijk zeer ongerust te zijn. Eene gelukkige ingeving +dreef hem naar een kleine kroeg, waar hij een druppelken brandewijn +dronk. En luttele beslissingen wisselden malkander ondertusschen af in +zijn geest. De kroegbaas zei:</p> + +<p>—"'t En zal vandaag niet ophouden met regenen, kameraad."</p> + +<p>—"Dat zou ik ook gelooven," antwoordde Johan Doxa.</p> + +<p>Een vochtig gevoel kwam over hem, en hij bestelde een tweede glaasje, en +naderhand een derde. Dan, terwijl hij betaalde, zag hij moeder's +zilverstuk plots op den toog liggen. Gedurende één oogenblik haatte hij +het wisselgeld dat hij ervoor terug kreeg.</p> + +<p>Hij bedacht nu dat er in de Boterstraat meer fijne winkels waren en +daalde langs de Steenpoort naar de middenstad. Een zwaarbeladen +koolwagen rolde hem vóór. Bij elk geschok der trage wielen rolden +stukjes glinsterend kool over de zwarte berden. Er viel ook een groote +brok en Johan raapte haar op en bracht haar bij den voerman. De voerman +had een ruigen rosten baard en stak zijne breede hand uit, bespannen als +met een bruin-lederen vel. Toen struikelde het paard en stortte voorover +op de steen en. De kar dook met hare lompe tremen die ze met een doften +slag sloeg tegen den grond.</p> + +<p>—"Nondidju!" vloekte de voerman.</p> + +<p>Er was seffens een groote toeloop van menschen. Een man ging met zijn +knie op den kop van het paard zitten. De riemen werden haastig ontgespt. +Stemmen klonken dooreen. Een politieagent dreef het aanzwellende volk +achteruit. Johan Doxa stond met het groote stuk kool in zijne armen. +De politieagent riep in zijn verschrikt gelaat:</p> + +<p>—"Wilt ge, potverdomme, de kolen laten liggen, gauwdief!"</p> + +<p>Johan werd de prooi van eene geweldige aandoening; zijn last rolde over +zijn buiksken aan zijn voeten en hij wilde vluchten. Hij week door de +menigte heen. Hij voelde van allen kant oogen op hem gestoken en +kinderen schreeuwden hem achterna. Hij kwam in een klein ledig straatje, +gelijk een drenkeling een oever bereikt. Hij zat nu in een herberg zijn +eigen te betasten en met langzame proefnemingen de zekerheid op te doen +dat hij nog armen had en beenen en een hoofd. Zonderling grijnzend +lachte hij de waardin tegen die, gelijk een afschuwelijk gevaarte, naar +hem toe stapte.</p> + +<p>—"Dat zijn dingen, hee?" stamelde hij onnoozel.</p> + +<p>En daar de waardin, zonder begrijpen maar met zachte gedienstigheid, +medelachte bestelde hij eene flesch geuze-lambik, en vroeg bang:</p> + +<p>—"Wilt ge ook meedrinken, als 't u belieft?"</p> + +<p>Ze wilde wel. Ze kreeg een kokette blos, die haar goed stond, en ze +dronken samen. De waardin bekeek haar eigen in den spiegel, die recht +over den toog hing, en schikte vluggelings de krulhaartjes op hare +slapen. Ze had dikke armen.</p> + +<p>—"Ik geloof," zei Johan vriendelijk, "dat die regen van den heelen dag +niet meer ophoudt."</p> + +<p>—"'t Zou wel kunnen," zei de waardin, "de barometer zakt."</p> + +<p>—"Ja, 't is ook 't seizoen," hernam Johan.</p> + +<p>De waardin reikte hem den tooghanddoek over en meesmuilde:</p> + +<p>—"Ge zijt een beetje vuil over uw voorhoofd."</p> + +<p>—"Ikke?"</p> + +<p>Hij was zoo vuil als iemand zijn kan, die voortdurig met twee koolzwarte +handen in zijn beregend aangezicht heeft gewreven. Uit schaamte vroeg +hij een tweede flesch geus. En ze dronken. En ze praatten over kleine, +ledige zaken.</p> + +<p>Johan Doxa vertrok bij noenstond. Toen hij te midden van de Groote Markt +stond, vroeg hij zich af wat hij hier kwam doen. Hij keek wonderlijk op +naar de gulden gildehuizen. Den top van den stadhuistoren zag hij niet, +die onder de natte miezeling in eendere grijze kleur verging. Hij duwde +zijn hoed tot tegen zijne ooren en stelde vast dat hij honger had. In de +nauwe Peper-en-Zoutstraat trof hij eene bescheiden gelegenheid en hij at +er substantieel genoeg, schoon zonder gulzigheid, gelijk het hem docht +dat aan een zondaar in pelgrimstocht betaamt.</p> + +<p>—"Thans," mijmerde hij binst de koffie, "bezit ik nog twee en twintig +en een halve cent, en ik weet waarlijk niet wat ik ermee zal doen."</p> + +<p>En, voor hij naar het Klooster der Miniemenstraat toog, dronk hij ermee +een grooten druppel cognac, want zijn moederken had hij, ik weet niet +hoe, geheel en al vergeten.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Hij vatte beslist de koperen schelknop. De luide bel weerklonk meer in +het hart van Johan Doxa, dan in de wijdgalmende vestibule. De +pater-poortier die eerst het spioenraampje had opengeschoven, opende nu +ook de zware deur. Het Klooster gaapte in het aanschijn van Johan Doxa.</p> + +<p>—"Kan ik," vroeg hij met bleeke stem, "den eerwaarden pater Hilarius +spreken? Ik zou gaarne eene retraite doen."</p> + +<p>De pater-poortier was, buiten Johan's verwachting, zoo minzaam als men +zich denken kan dat ooit ter wereld een kloosterpoortier mag zijn. Hij +had eene uiterst discreete houding en, ware 't niet dat zijn gelaat +hoog-gezond opbloeide boven den zwarten baard, scheen uit loutere +welgemanierdheid weg te schemeren in de schaduw van de poort. Het +bloeiende gelaat echter glimlachte en twee fijne muis-oogjes daarin +wenkten vriendelijk: "welkom ... welkom...."</p> + +<p>De zware deur, die achter Johan met een eiken klop dicht kwam, sloot +meer dan het somber gebouw: het docht hem dat de gansche wereld nu voor +altijd was gesloten. De pater-poortier ging voor en leidde Johan Doxa in +eene kleine spreekkamer, die ineens vol blauwig licht was. Er stonden +een paar nederige stoelen en aan een witgekalkten wand hing een groote +Kruislieven-Heer. Daar liet men hem alleen, ruim drie kwartier-uurs. Hij +draaide zijn natten hoed stille in zijne handen. Hij stond in een ring +van regendroppen, die gelijk donkere starretjes rond hem waren gespreid. +Er walmde een muffe salpetergeur.</p> + +<p>Pater Hilarius had een streng, doch niet weerbarstig uitzicht. Een +grijze ronde baard, wat stoppelig, omkleurde een mat gelaat waar +grauw-groene oogen als dood lagen en dat alleen—dan heel sterk—bezield +werd door den vorm- en schaduw-rijkdom van een geweldigen arendneus.</p> + +<p>—"God zij met u," sprak pater Hilarius, "zijt gij Johan Doxa? Ik ben +Hilarius."</p> + +<p>Johan keek onwillekeurig om. De stem scheen uit de muren te vallen. Hij +zou er in elk geval een eed op gedaan hebben dat ze uit den roerloozen +mond van pater Hilarius niet viel. Toen echter deze pater voortging met +eene lange rede waarin de naam van Lieven Lazare, van Jesus, van den +heiligen Franciscus beurtelings voorkwamen, heroverde Johan van +lieverlede de kluts die hij kwijtgeraakt was. Hij besloot maar te +berusten in het onvermijdelijke, liet zich gewillig bepreeken, knikte +moedig de les toe waaruit hij geen ander nut zou trekken dan dat hij +zich bereid voelde zelfs tot den dood.</p> + +<p>Pater Hilarius, nadat hij uitgesproken had, zei:</p> + +<p>—"Gij zijt dweilnat, dunkt me. Ge moet eten en u verwarmen. Volg me."</p> + +<p>Het was minder een gevoel van eerlijkheid dan de vrees voor wat hij hier +te eten zou krijgen, die er Johan toebracht ineens den pater bij de +harde mouw te pakken.</p> + +<p>—"Nee," deed hij angstig, "ik bid u, geen eten. Gij zijt al te goed."</p> + +<p>Hij kwam in eene ruime zaal. Er was een breede schouw met een lekker +vuur.</p> + +<p>—"Zet u, en warm u," zei de pater. Johan zette zich en bleef daar weer +nagenoeg drie kwartier-uurs alleen zitten. Hij werd heerlijk warm en +zijne bolle kaken gloeiden. Het werd zoetekens avond en Johan zag een +prachtigen zonsondergang in de laaie karbonkels van den open haard. Hij +werd eindelijk zoo rustig als een onschuldig mensch.</p> + +<p>—"Pater Hilarius is vreeslijk mager," dacht hij op slot van rekening, +"maar de pater-poortier is zoo vet als een das."</p> + +<p>Hij kon bijgevolg nogeens zijn eigen buikje zonder voorbarige +benauwdheid in oogenschouw nemen en wachtte gelaten de gebeurtenissen +af.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>De klok uit het torentje begon te kleppen. Pater Hilarius verscheen en +noodigde Johan Doxa uit om mede in de Kapel lof te hooren. Johan heeft +zich daar overdadig vermaakt.</p> + +<p>Niets ooit in zijn leven had hij gezien dat zoo mooi was als het kleine +kerkje. Het kerkje was geheel omdaan met eene fluweelen donkerheid, +waarin de bevende glanzing van fraaigeregelde kaarsenreken speelde en +aarzelde en langs gouden diepten zwevend verging. Maar stilaan zag Johan +in de zwaarpurperen schemering de dikke pilaars opklaren en ginder hooge +wattige gewelven dragen. De muren begonnen zacht te glimmen. De outer +werd zichtbaar en heerlijk. En alles, al wat hij zag, was met wondere +polychromiën versierd. Het werd hem, hoe meer hij toekeek, zoo rijk en +koninklijk dat zijn hart er week en gulzig bij aan het dansen ging.</p> + +<p>Dan, al rondom hem, herkende hij de ronde bruine ruggen van de +capucienen. De orgel zette aan. De Kapel kwam vol met vleugeltjes van +vogels.</p> + +<p>—"O God," bad Johan Doxa gevoelig, "ik zou willen een pater zijn!"</p> + +<p>Hij verachtte zijn baardelooze kin.</p> + +<p>Maar na den dienst werd hij, langs duistere gangen, in eene nauwe cel +gebracht. Men hing een damping kaarslantaarntje aan zijne hand, en +wanneer hij alleen was, voelde hij eene bittere triestigheid zijn +gansche wezen overvallen. Waarom moest dat nu zoo gaan? Waarom moest hij +verlaten wezen? Waarom hadden die menschen zulke kleine hokjes gemaakt?</p> + +<p>Hij ging op het ijzeren beddeken zitten en blies de kaarslantaren uit.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Johan Doxa, neerliggend in den donkeren avond, volgde met luien geest +een varenden snoer van gedachten.</p> + +<p>—"Ik geloof niet," mijmerde hij, "dat er voor mij in dees Klooster eene +uitkomst is. Ik ben te zeer beladen met zonden. Van het drooge brood, +dat men mij als een prop in de keel zal steken, spreek ik niet. Maar het +pompwater? Wanneer ik zal tot op de pees uitgedroogd zijn, en wanneer ik +zal bezig zijn mijne ribben te tellen, wat rest mij dan nog dan dood te +gaan? Ik kan mij nauwelijks inbeelden dat Onze-Lieve-Heer zich meer wil +erbarmen over een pannelikker dan over een smeerbuik. Maar Zijne +inzichten zijn verborgen en ik ben inderdaad door en door slecht. Ik zal +bidden om veel moed te krijgen, en God helpt niet waar men zijn eigen +niet helpt. In deze gevangenis zal ik wel eene spinnekop vinden, en ik +wil ze tam maken en haar allerhande kunstjes aanleeren. Het lieve dier +zal mijne gevangenschap bekoren. Ik zal een aardig wagentje bouwen waar +ik haar inspannen kan. Zij zal aan een fijne draad 's nachts komen +hangen boven mijn aangezicht. Ik houd niet veel van muizen, anders zou +'k gaarne ook een muisje dresseeren. De staart van eene muis is zoo vies +dat ik er niet aan denken durf. Ze zullen mij waarschijnlijk groote +latijnsche boeken geven om in te lezen. Roode en zwarte letters zijn +mooie dingen, maar ik zal toch niet lezen in zulke boeken, vrees ik. +Zullen ze ook een doodshoofd aan mijn voeteinde leggen? Er zijn twee +dingen die ik, behalve een doodshoofd, voor mijne oogen niet verdragen +kan: een zeisen en een zandlooper. Ik heb mijne pijp thuis gelaten. Dat +is heel goed zoo, Johan. Die menschen weten van geen tabak te spreken. +Altijd wierook, altijd wierook. Wanneer mijne retraite uit is, hoop ik +dat Anatole mij weer eene van die dikke sigaren mag geven, gelijk de +oude heeren smooren in de <i>Shop</i>. Maar ach! ach! ik zal nooit van mijn +leven meer kunnen rooken!... Morgen komen ze met koorden aan en ik zal +mij moeten kastijden ten bloede. Ze zullen azijn over mijn mond gieten. +Ik zal blootsvoets naar de kerk gaan.... Wanneer heb ik den laatsten +keer mijne voeten gewasschen?"</p> + +<p>Hij lag zeer rustig. Er zweefden nog twee drie lichte gedachtekens +voorbij en hij fluisterde:</p> + +<p>—"Sakkerloot...."</p> + +<p>Toen sliep hij vast in.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>De Kloosterklok was bezig met volle geluid als Johan Doxa wakker schoot. +De cel was vol licht, alsof daarbuiten een liefelijke Lente gebeurende +was. En waarachtig: door 't kleine raam zag Johan een stuk hemel +heerlijk-blauw, bespot met witte krullende wolkjes en overstraald met +zonnegeweld. Hij ging op zijn bedde staan en keek uit langs het venster. +Wat zag hij daar voor moois?...</p> + +<p>De binnentuin van 't Klooster lag vierkant tusschen de met mos en veil +begroeide gevels te leven in prachtig kleurengedoe. Er was veel laag +groen waar zes ronde perken tulpen bloeiden. Net geteekend en effen van +verve, ringden er omme de safraangele kiezelpaadjes. Van uit Johan's +venster, leek de tuin een vurige rozet, gelijk men er vindt op bonte +ramen van kathedralen. Als een bruine mier kroop een pater-hovenier er +over. Zijn rozige schedel was gepolijst.</p> + +<p>Toen werd Johan Doxa vervuld met eene eindelooze vreugde.</p> + +<p>—"Hee-la!" riep hij luid.</p> + +<p>Hij schrok bij den klank van zijne stem en trok zich schielijk terug. +Daar zag hij een rosten capucien op de zuil van zijn celletje staan.</p> + +<p>—"Goeden morgen," zei de capucien minzaam, "ik ben de pater-hotelier."</p> + +<p>Van uit de hoogte waar hij zich geheven had, keek Johan Doxa hem aan, +plotseling duizelig wordend. Langzaam hurkte hij op zijn bed neer, in de +meening dat zulke trage inkrimping wellicht ongemerkt kon gebeuren en +hem maken tot een fatsoenlijk mensch van normale grootte. De capucien +stond goud-rost als een najaarsmiddag. Zijn kastanje-oogen blonken in +een besproet gelaat dat weelderig was omhangen met een baard van duizend +kurkvormige krullekens. Het was alsof een late zon schuin aanglom over +heel dat harig hoofd, en over 't gele haar ook van zijne sterke handen. +De capucien was dik en wel te pas.</p> + +<p>—"En wat zoudt gij nu willen eten?" vroeg hij.</p> + +<p>—"Willen eten?... Ha! willen eten, zegt gij...."</p> + +<p>—"Ik heb hesp en Zwitsersche kaas en goede boter en roommelk. De koffie +is klaar. Maar ge kunt ook thee krijgen. Onze thee is niet al te best, +moet ik zeggen."</p> + +<p>Daar de pater-hotelier glimlachte, lachte Johan Doxa mee. Hij lachte +gedwongen, al peinzende: "dat is een geestige keukenbroeder, die aardige +namen aan zijn pompwater geeft."</p> + +<p>—"Ik zal koffie gebruiken, en hesp of zoo...." zei hij gekscheerend.</p> + +<p>Maar hij viel niet omver van verbazing, toen, na de korte vroegmis, de +heerlijke pater-hotelier hem voor een frisch-blanke tafeltje deed +aanzitten, waar een soliede ontbijt was opgediend. Johan Doxa, moet ge +weten, is nooit in zijn leven zoo verbaasd geweest dat hij ervan omver +zou vallen.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Na drie dagen besloot Johan Doxa de overtuiging te aanvaarden, dat een +retraite bij de Franciscanen eigenlijk behoorde tot een der aangenaamste +tijdkortingen van de wereld. Hij kon zonder moeite gehoorzamen aan de +regels van den huize, volgde gewillig alle kapeldiensten, hanteerde +zoetekens zijn dikken paternoster en bladerde devotelijk in zijn +kerkboek. Dagelijks moest hij een apart en stichtelijk sermoontje hooren +van pater Hilarius, en hij deed het zooals een zieke de siroopdrankjes +van den doctor inneemt. Maar zijn groote vrienden waren de kale +pater-hovenier en de haar-rijke pater-hotelier.</p> + +<p>Den pater-hovenier hielp hij de vele tulpen verzorgen in den zymetrieken +tuin. Hij reekte en sproeide en weerde het kleine woekerkruid. Ze +verstonden malkander goed, ofschoon de oude capucien geen woordje sprak +en alles zwijgend te beduiden gaf met bevende gebaren van zijn +voorzichtige hand. Te zamen versierden zij met klaterende bloemen de +Lente die in den tuin van dag tot dag gulziger aan het leven ging.</p> + +<p>De pater-hotelier echter zat in het hart van Johan Doxa gelijk op een +troon. Hij was ook de majordoom van zijne maag. Hij kon dingen bereiden +die de herinnering aan de geuren van de <i>Curiosity Shop</i> geheel +uitvaagden. En hij had een wijnkelder. De retraite-verordeningen, zooals +de pater-hotelier ze uitvoerde, waren zoet om dragen en indien +God-de-Vader uit den hemel op Johan in dien tijd heeft neergezien, dan +heeft hij moeten vaststellen dat deze boeteling zich gedwee aan al de +gestrengheid der orde-geboden heeft kunnen onderwerpen. Een +voortreffelijk berouw was blijkbaar het mystieke sieraad van zijne ziel, +want het geweten van Johan Doxa was nu geleedelijk zoo rustig geworden, +dat—om het met een stoffelijk beeld uit te drukken—zijne broek buiten +alle verhouding te spannen begon.</p> + +<p>De zevenden dag besloot pater Hilarius zijn familiaire preek met een +voorstel dat Johan in verrukking bracht. Hij sprak:</p> + +<p>—"Ieder moet den Heere loven naar zijne vermogens, mijn zoon. Even +eerbiedwaardig als het statige lied van den nachtegaal, klinkt in zijne +ooren de drooge roep van den krekel. Al wat ter eere van God opgaat in +dank, behaagt Hem uitermate. Daarom dunkt mij, Johan, dat gij zoudt +moeten denken aan het werk, waarmede gij Hem naar uwe beste krachten +huldigen kunt. Ik meen bij voorbeeld—een schilderij...."</p> + +<p>De tranen schoten Johan in de oogen. Hij omhelsde den pater niet, omdat +hij zelden iets deed, waartoe hij vast was besloten.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Johan Doxa miek een schilderij. Het moest naar het aanvankelijk ontwerp, +worden een beeld ten-voete-uit van den Heiligen Franciscus en het zou op +den grooten outer van de Kloosterkapel prijken. Maar het werd een kleine +Jesus, blond en rozig, gezeten op een kussen van weidebloempjes, de eene +hand rustend op een blauwen wereldbol, de andere zegenend ten hooge +geheven. Het hangt thans links in het kerkje, rechtover den preekstoel, +als een ex-voto van blijvende schoonheid, voor alle tijden....</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Terwijl Johan Doxa bij een hoog raam aan het schilderen zat, kwam de +pater-hotelier op geregelde uren met hem een praatje doen.</p> + +<p>Bij voorbeeld bracht hij hem een bruin-geboterd kipje en zei:</p> + +<p>—"De pater-hovenier is nu met jacynthen bezig. Ik houd in het geheel +niet van hem, Johan."</p> + +<p>—"Ik hoop dat ge u vergist."</p> + +<p>—"Ik houd niet van wat hij is, wil ik zeggen. Hij is een +vrijheidschender. Hij zet al de lieve bloemen in perken, gelijk men +kinderkens in kerkers zou steken."</p> + +<p>—"Bloemen voelen dat niet. Zij bloeien maar...."</p> + +<p>—"Wie weet? Vogeltjes sluit men ook op, en zij zingen maar...."</p> + +<p>Johan liet zijne vork op den rug van het kipje rusten en keek verwonderd +naar den pater. Hij dacht aan een vinkje dat hij overlang bezeten had en +dat in zijn kooi was doodgegaan. Werktuigelijk zei hij:</p> + +<p>—"En een eekhoorn houdt men wel eens in een traliëntrommel gevangen, en +hij danst maar...."</p> + +<p>Hij wendde zijn aangezicht naar 't open venster en blikte in het wijde +azuur. En de pater vroeg:</p> + +<p>—"Hebt ge geen eetlust, beste Johan?" Neen, hij had geen eetlust. Hij +hoorde verre geluiden over den hemel gaan. En het werd hem ineens zoo +droef te moede, zoo droef te moede, zoo eindeloos droef te moede....</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Op een zondag-avond, na 't lof, lag Johan Doxa in zijne cel, op het +nauwe ijzere bed. Het Klooster sliep. Johan lag met open oogen tusschen +denken en niet denken. Was dat mijmeren? Was dat rusten? Voor de eerste +maal sinds zijne aankomst bij de paters, lag hij zoo en glariede in de +duisternis. Er kwamen geen beelden op, maar iets heel warms, gelijk eene +onzichtbare pels, omdoezelde hem gansch. Zijne voeten en zijne handen +gloeiden, en langzaam vergingen ze in donzigheid, en hij zou ze niet +kunnen verroeren, want had hij nu nog handen en voeten? Hij voelde zijn +eigen niet meer.</p> + +<p>Het vensterken was niet dicht. Hij hield hel open omdat, van af +eergisteren al, een zwaluwenpaar hier rond vleugelde, een hoekje zoekend +om hun nest te bouwen. En van heel wijd naderde hem een wolk van wattige +gepeinzen, tot hij, buiten alle verwachting, werkelijk te denken begon.</p> + +<p>—"Van waar komen toch die zwaluwen, ieder jaar?"</p> + +<p>En de wolk dreef op, in langzame vaart. Ze zweefde over lage landouwen, +over steden en dorpen, over wouden en stroomen, over bergen van groen en +bergen van sneeuw, en dan daalde ze glijdend en voer over zee, de +matelooze, ruischende zee.</p> + +<p>Plots ontlook in de stilte een verre muziek. Ze breidde zich uit en +ontwikkelde allengerhand zeer hoorbaar hare blijde cadensen. Ze vulde +weldra de lucht met zwellende klankondulatiën, en Johan kon eindelijk +herkennen wat daar een fluit deed, een klarinet, een koperen hoorn, een +brommende trombone, en al zulke plezante tuigen meer. Een trom klopte de +rythmen. 't Werd kermis, kermis in de stad—kermis in de ledige ziel van +Johan Doxa, die, met één schok, zijne handen weerkreeg, en zijne voeten.</p> + +<p>Hij zag nu, alsof hij er bij meehuppelde, den ommegang van de fanfare in +Onze-Lieve-Vrouw-te-Rooje-wijk. Hij zag de kinderen dansen, hij snoof de +vetwalmen der oliekoeken en den stikkenden rook der fakkels. Hij zag de +ruiten der herbergen branden en flappende vlagen kleuren in den gloed. +Hij zag de mannen en de vrouwen....</p> + +<p>Hij zag de vrouwen. God vergeve hem, hij zag ééne vrouw, eene met +krullekens voor hare slapen en die, met bloote armen, twee schuimende +pinten geuslambik bood.</p> + +<p>—"Wilt ge meedrinken, als 't u belieft?" vroeg Johan.</p> + +<p>En ze zei terwijl ze op hem afkwam met den tooghanddoek:</p> + +<p>—"Ge hebt u een beetje vuil gemaakt, geloof ik."</p> + +<p>Hare stem was wonderzoet. Nu naderde ze minzaam en lachte in zijn +aangezicht. En Johan draaide zich gauw om in zijn bed, vatte wanhopig +zijn hoofdkussen in beide armen, en pletterde daar zijn mond tegen, om +'t huilen te smoren dat onweerstaanbaar uit zijn hart opjoeg.</p> + +<p>—"Moeder! Moeder! Moederken!..." kloeg hij.</p> + +<p>En dat duurde een heelen tijd zonder dat het baatte.</p> + +<p>Toen het schilderij af was, verklaarde Johan Doxa dat de retraite hem +voor goed van al zijne slechtheid gezuiverd had en vroeg hij om zijne +uiterste biecht te zeggen. Met één woord: hij wilde uit het klooster +weg.</p> + +<p>Pater Hilarius hoorde de biecht, een mooien middag van April, even voor +vespertijd. Johan ging met hem in de schoone Kapel, knielde voor den +outer en verdween in het donkere hokje, waar hij, tegen een plank met +gaatjes, woorden prevelde in het oor van zijn biechtvader. Dan moest hij +onder het groote Kruis-Lieven-Heer gaan liggen en met zijn voorhoofd +lang die koude vloertichels raken. Eindelijk hoorde hij de vespers +zingen. 't Was uit. Hij nam afscheid van de Kloosterlingen, waaronder +velen hem liefdelijk behandeld hadden. Hij nam met melancholische +hartelijkheid afscheid van den ouden pater-hovenier, die hem drie +zeldzame begoniabollen ten geschenke gaf. En zijn gemoed kwam nog even +vol toen hij in de vestibule afscheid nam van den gulden pater-hotelier, +die zijne zware handen op Johan's schouders legde. De pater-hotelier +zei:</p> + +<p>—"Vaarwel, lieve vriend. Ik zal steeds u in mijne gebeden herdenken. +Van menschen zooals gij, Johan, gewaagde Krist toen hij ergens de +Pharizeërs toeriep: "Laat af, gij die schraapzuchtig zorgt voor den +dag van morgen!" God, toen hij de Toekomst schiep, schiep ook de +Voorzienigheid, en beide blijven in Zijne handen. Ga, Johan, onbekommerd +uwen levensgang. God spijzigt de vogelkens van uur tot uur. Waarom zou +Hij u niet spijzigen?"</p> + +<p>Hij drukte Johan in zijne armen en zegende hem....</p> + +<p>Daar stond met zijn zwarten baard en rozig gezicht, de goedige +pater-poortier vergeefs zijn best te doen om in de schaduw van pater +Hilarius te verdwijnen. Johan hoorde zonder ongeduld een laatste +sermoen, een klein deur-sermoentje maar, vol liefelijke en lichte +dingetjes, gelijk van een chirurgijn, die een patiënt op krukken +doorzendt, waarvan hij een been of zoo heeft afgezaagd. Dan stopte pater +Hilarius hem een papieren omslag in de hand en fluisterde, +half-wegloopend:</p> + +<p>—"Van den prior ... voor het schilderij ... adieu! adieu!"</p> + +<p>De hooge poort schoof langzaam open. Een geweldige adem sloeg Johan +tegen de borst. Hij wankelde. Hij had willen een glasje water drinken +terstond, en hij besloot om een glasje water te vragen....</p> + +<p>Maar hij kon nooit iets doen, waartoe hij besloten was. Hij stikte. God! +wat een ontzaglijke lucht hier!... De poort ging dicht. Johan Doxa stond +buiten.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>—"Pouah! chéri, hoe ruikt ge zóó naar den wierook?" Twee heerlijk-zwarte +marolle-meisjes zaten nevens Johan Doxa, aan weerskanten, op de nauwe +bank van de friture-kroeg. Johan had kennis met haar gemaakt op de +Hoogstraat, zoodra hij had ondervonden dat het paketje van den prior +eene banknoot van honderd frank bevatte. Eigenlijk had hij met iedereen +willen kennis maken. Althans lachte hij vriendelijk elken voorbijganger +in het gelaat, en waartoe zou hij dat anders hebben gedaan? Maar deze +twee hadden hem direkt tegengelonkt. Zijne minzaamheid verminderde er +blijkbaar niet om, want seffens hingen zij aan zijne armen en vroegen +schuldeloos:</p> + +<p>—"Tu paies rien, vetzakske?"</p> + +<p>Of hij niets wilde betalen? Wel lieven-adieu! hij had lust om de geheele +wereld op te koopen!... Er werd besloten dat ze zouden mosselen eten en +patates frites. En zij zaten nu in de friture-kroeg.</p> + +<p>—"Pff!" deed Johan Doxa, "ik weet niet eens wat wierook is."</p> + +<p>De andere maagd ging met haar klein wipneusje over zijne mouwen +snuffelen.</p> + +<p>—"Neen," zei ze, "'t is eau de Cologne—ge hebt al-ze-leven in fijne +gezelschap gedineerd."</p> + +<p>Hij pinkoogde geheimzinnig, als om te laten onderstellen dat hij nog +veel erger had gedaan, en liet daarna fier zijne borst opzwellen.</p> + +<p>Als ze gegeten hadden, merkten de meisjes dat ze dorst kregen, Johan +trok met haar naar het "Kapiteintje" waar ze geus dronken, en naderhand +in den "Moriaan" waar hij trakteerde met krieken-lambic. Nauwelijks had +hij daar de derde flesch besteld, of een troepje wallebakken kwam +dansend binnengesprongen, vergezeld door een klein straatorkest—met +name een harmonica, een piston en een triangel. Ze dansten feestelijk de +herberg tweemaal rond en schaarden zich dan, rood van pret, bij den toog +om schuimende streepkens faro te zuipen. Johan Doxa stond plots recht en +riep:</p> + +<p>—"Een pint geus voor heel de Kompanie!"</p> + +<p>Het docht hem dat zijn gansch wezen openging. De woorden die hij +geschreeuwd had bleven trillen door zijn lichaam, als op pezen van +metaal. Hij viel neer op zijn stoel en zweette een beetje. De jonge +paren keken om en naderden de tafel waar hij zat gelijk een, die, +bedwelmd, zijne eigene troonplechtigheid bijwoont. Hij kreeg eene +ovatie....</p> + +<p>Nu begon, van taveerne tot taveerne, eene processie die waarlijk niet te +beschrijven is. De muziekanten stapten voorop. Dan, met de voornaamheid +van een paasch-os, Johan Doxa, geflankeerd door de twee mooie +marolle-deernen. Dan de woeling der uitgenoodigde menigte, die steeds +aangroeide. Kinderen huppelden ommendom, de handen zwaaiend omhoog. In +den beginne zong men allerhande liedjes, maar weldra, om zooveel lawaai +mogelijk te maken, ging zich het repertorium beperken bij één en +hetzelfde couplet, dat iedereen goed kon en dat onvermoeid weer en terug +en altijd werd aangeheven:</p> + +<p> +<span style='margin-left: 2em;'>En een dikke pens</span><br /> +<span style='margin-left: 2em;'>En een snee van 't verken,</span><br /> +<span style='margin-left: 2em;'>Boerenleven dat is plezant!</span><br /> +<span style='margin-left: 2em;'>Boerenleven dat is plezant!</span><br /> +</p> + +<p>Er geraakten diep-dronken menschen in het gezelschap. De piston, een +blonde reus, had vrijwillig op zich de verantwoordelijkheid van het +behoud der orde genomen, en meermaals was hij tot zijn leedwezen +verplicht eenige muilperen uit te deelen. Johan bewonderde hem +uitermate. Hij betaalde maar. Hij was gelukkig als een Koning. Het bloed +klopte hem weldadig op de slapen. Zijne kinderlijke lippen stonden in +den vorm van een glimlachend toeterken, alsof er zoo juist een melkzoete +flep was uitgevallen. Zijne meisjes hingen aan zijne mouw en soms moest +hij een kusje krijgen of een kittelig kneepje in de leen. De wereld +ruischte alom op hooghemelsche maat:</p> + +<p> +<span style='margin-left: 2em;'>En een dikke pens</span><br /> +<span style='margin-left: 2em;'>En een snee van 't verken....</span><br /> +</p> + +<p>De harmonica-speler was een bult. Hij dronk gelijk een Zwitser. Daar was +een oud ventje met rooden neus. Die kwam gedurig tegen Johan's buik +niezen. Hij dronk gelijk de bult. Allemaal dronken. Johan Doxa betaalde +maar....</p> + +<p>—"Vooruit naar De Dikke Luis!" riep de piston.</p> + +<p>Weer 't zalige gedrang van lijven. Johan werd als opgenomen in de +stuwing en meende te zweven en stapte plots met zijn stoet en zijne +muziek op straat.</p> + +<p>—"Waar gaan we naartoe?" vroeg hij onnoozel aan het meisje links.</p> + +<p>—"Naar De Dikke Luis!"</p> + +<p>Het docht hem dat hij het zevende paradijs te gemoet ging. De heele boel +was een wonder. Hij zong slapjes:</p> + +<p><span style='margin-left: 2em;'>En een dikke pens....</span></p> + +<p>Er schoot hem iets te binnen en hij vertraagde zijn stap. Naar het lieve +meisje links boog hij zich en dan voelde hij hoe zwaar zijn hoofd was +geworden.</p> + +<p>—"Ik heb nog twintig frank" fluisterde hij haar in het oor.</p> + +<p>—"Hoeveel?"</p> + +<p>Hij taste in zijn broekzak en bracht zijne hand voor haar ten +voorschijn. Een met koper benagelde kletsdop lag daarin, en een +bankbriefje.</p> + +<p>—"Twintig," zei het meisje, "kom; 'k zal ik verder betalen—ge zijt +zat."</p> + +<p>Wat een heerlijk leven was het in "De Dikke Luis", een gloeiende roze +leven binnen een zachtblauwe tabakwolk! Het drieledig orkest speelde er +de Brabaçonne. Het glanzende bier ging rond van hand tot hand. De breede +baas stond te midden van kannen en glazen te tappen.</p> + +<p>—"Wat zoudt ge er van pein-einzen," vroeg de bult aan Johan tusschen +twee hiksnokken.</p> + +<p>Johan Doxa lachte simpel. Zijne tong, docht hem, lag vast in een soort +van elastieke meelpap. Hij peinsde niets. Weer riep de piston:</p> + +<p>—"Nu naar den Heeten Ketel!"</p> + +<p>De troep pakte zich saam, rumoerde op naar de deur. De harmonica begon +te blazen en de triangel, week-bellend, sloeg.</p> + +<p>—"Halt!" schreeuwde de baas, "wie moet dat allemaal betalen."</p> + +<p>Johan Doxa keek lui om. Hij schudde zijn hoofd onder het schrikkelijke +hoofd van den baas. Hij had willen uitleggen dat daar ergens een zwart +meisje moest zijn, dat het geld bewaarde. Maar zoo'n meisje was er in +huis niet meer. Had hij haar het geld inderdaad gegeven? Langzaam ging +hij met zijn eigen daarover redeneeren. De piston sprong naar den baas +toe. Een paar glazen vielen van den toog en dan....</p> + +<p>Johan Doxa werd links en rechts gestoten. Nu zat hij op een stoel. Nu +zat hij op een tafel. Nu lag hij tegen den muur. Nu stond hij te +waggelen overeind. Nu kwam iets hards en vlugs tegen zijn kop aanbonzen. +Nu knielde hij. Nu werd hij van achteren opgestampt. En ineens beukte +een zwarte masse aan op zijn voorhoofd.—Was tegelijk het licht +uitgegaan?...</p> + +<p>Het licht was uit.</p> + +<p>In Johan Doxa was het licht uit. Daar kan niet aan getwijfeld worden.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Door een vensterken met ijzeren staven drong de prille Lentedag, toen +Johan Doxa zijne oogen openstak. Zijne oogen gingen op langs vochtige +muren. Ze bleven daar staren op zonderlinge teekeningen en schrifturen. +De klok van het Klooster klepte niet. Hij wilde iets vragen....</p> + +<p>O, hoe akelig was zijn mond! Zijne kaken stonden stijf. Een loome pijn +hing in zijne leden. Hij keek naar zijne handen, zijne smerige handen, +bemorst met bruin-gedroogde bloedvlekken. Zijn rechterknie stak bloot +door een scheur van zijne broek. Zijn hoed lag bij de deur—een +platgeblutste hoed met afgerukte randen.</p> + +<p>—"Het stinkt hier" dacht Johan. Hij kwam moeilijk recht. Zijne beenen +waren als bevroren vodden. Hij begon stillekens over zijn hoed te +strijken, met werktuiglijke zorgzaamheid.</p> + +<p>Toen rinkelde daarbuiten een bussel sleutels en iemand opende deze +onbegrijpelijke cel. Het was een soort van politie-agent.</p> + +<p>—"Allee," sprak de ruwe deurwaarder, "krab op—ge moest u schamen."</p> + +<p>Geen de minste aandoening werd wakker in Johan Doxa. Hij liet zich +geleiden. Hij mankte. Hij verliet de Amigo[1] zonder hoop en zonder +wanhoop. Hij kwam thuis. Hij vond er zijn moederken. Hij hoorde zijn +moederken zeggen:</p> + +<p>—"Ach mijn jongen! mijn lieve jongen! ach, wat hebben de paters toch +met u gedaan!"</p> + +<p>Hij ging in een hoek zitten. Hij vertelde niets. En 's anderendaags ook +vertelde hij niets. En nog dagen en dagen nadien bleef hij, en vertelde +niets. Hij nam nooit het besluit iets van dat alles aan zijne moeder te +vertellen.</p> + +<p>Maar wat zou het eigenlijk helpen, als hij nu daaromtrent een besluit +genomen had?</p> + +<p>Niets.</p> + + +<p>Noot:</p> + +<p>[1] Stedelijke gevangenis voor tijdelijke verbrekers der openbare orde.</p> + + +<hr style="width: 45%;" /> + + +<h2><a name="IV" id="IV"></a>IV</h2> + +<h2>JOHAN DOXA</h2> + +<h3>DE SCHADUW</h3> + + +<p>Ik kon dien nacht geen oog dicht doen. 't Sloeg vier uur op ons +Empireklokje, wanneer ik besloot het bed te verlaten, dat mij geen rust +geven wou. Terwijl ik me aankleedde en daarbij het groene nachtlichtje +had aangestoken, zette ik mijne morgenmelk op het kleine gasfornuis. +Ik dronk ze zonder smaak en verlangde reeds om buiten te zijn, in de +frischheid van den uchtend.</p> + +<p>Die frischheid was echter niet aangenaam, maar ik liep toch de vochtige +straten door, gelijk ik meer placht te doen om mijne overspannen zenuwen +te stillen.</p> + +<p>Ik wandel gaarne in den vroegen dag. De stad heeft telkens zoo ongewone, +zoo uitzonderlijke uitzichten. Zij ontwaakt met schokjes. De blauwende +donkerte laat de grijze gevels opklaren en verft de gladde eenzaamheid +der macadamlanen en asphalten bolwerken. De lantaarnlichten weifelen, +grauwen wittig uit de nevelen, werpen geen schaduwen meer. En het +zeldzame menschengedoe gaat traag op, nooit veranderlijk, gebaren makend +die een definitief teeken van den uchtend zijn.</p> + +<p>Ik loop meestal de lage stad om en verwijl dan het liefst rondom de +Zuiderstatie. Het is daar schoon om zien, want schoon is het morgenlicht +over de rookwolken der locomotievenhal. Het donkere gebouw is al vol +bedrijf en voert de werkluibenden op het statieplein. Er gebeurt een +gewoel van lijven, maar de lippen zijn zonder gerucht. De arbeid wenkt +zwijgend zijne zwijgende slaven....</p> + +<p>Dien keer was ik zeer vroeg voor de hal aangekomen en ik slenterde +onwillig, de hielen slepend. De nevellucht spande pijnlijk om mijn +voorhoofd. Ik stond een paar ezelwagetjes na te gapen, die fluks opreden +met nieuwe groenten, de stad binnen. Musschen sprongen in de dahlia- +perkjes van het plein.</p> + +<p>Toen—juist terwijl ik nieuwsgierig de nog-belichte vensterruiten van +eene burgerlijke taveerne bekeek—zag ik de glazendeur van die taveerne +ruw openslaan en eene dikke vrouw, blijkbaar de bazin, den drempel +oversnellen. Ze schreeuwde in angst:</p> + +<p>—"Polis! Polis!"</p> + +<p>En ze ijlde van hoek tot hoek, het plein langs, al harder krijtend, +terwijl toch, naar gewoonte, nergens een politieagent zichtbaar was. Een +heer verscheen in de herbergdeur, gaf rappe inlichtingen aan een bleeke +schenkmeid, die schielijk de Fonsnylaan opliep. Ik was, op een drafje, +naderbij gekomen. De heer keek me in het aangezicht en, ofschoon hij +onder de zwarte randen van zijn galahoed zoo wit uitblekte als een +doode, herkende ik in hem, niet zonder verwondering, mijn goeden vriend +Menschaert, den toondichter.</p> + +<p>—"Wel, Antoon," zei ik stil, "wat gebeurt hier?"</p> + +<p>Hij hief zenuwachtig zijne schouders op. Zijn rechterhand teekende in de +lucht vluggelings een halven cirkel—wat bij hem het gebaar was van een +onzeggelijk ongeduld—en hij wenkte mij om binnen te komen.</p> + +<p>—"Ik vrees dat het hier erg toegaat," sprak hij dof.</p> + +<p>Inderdaad. Het schouwspel, dat ik in de taveerne te zien kreeg, was zoo +schrikkelijk dat ik, op het eerste zicht, ademloos bleef van aandoening. +Maar toen ik naderhand een stap nog waagde, werd mij plots het gaslicht +een mist van groene dampen en voelde ik den klauw van een zonderling +monster, dat, gelijk een nachtmerrie, mijne keel toenijpen kwam.</p> + +<p>Ik had, geloof ik, een korten gil geslaakt....</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Het was half-zeven, als ik met Menschaert die akelige herberg verliet. +De eenige schikking, die nog moest genomen worden, had ik ter regeling +aangewend en mijn vriend Antoon, welke waarlijk een allerbraafste jongen +is, wilde niet dat ik al dat droeve alleen zou doen.</p> + +<p>Hij liep dus mee met mij, maar daar de boodschap geen haast vroeg +—integendeel, goede God!—en daar wij beiden zeer vermoeid waren, +besloten wij om maar eerst een kop koffie te gebruiken. In de kleine +eetzaal van het <i>Hotel Espérance</i> bestelden wij een klein ontbijt en +Antoon, door mij hiertoe dringend aangespoord kon eindelijk breedvoerig +vertellen hoe de tragische gebeurtenis ontstaan was.</p> + +<p>Hij deed het met dien eenvoud, welken ik zoo bewonder bij hem en die +schijnbaar zoo zeer strijdt met de gewone daden van dezen uitstekenden +kameraad. Antoon Menschaert is nog jong. Zijne ouders zijn boeren-heeren +uit de Kempen en stellen het tamelijk goed. Hij zelf woont ergens bij de +Beurs, alleen, naar hij zegt (ik vermoed echter dat die eenzaamheid +"gedeeld" wordt, want, uit princiep, ontvangt hij nooit een vriend op +zijne kamers....) Hij is orgelist in Sint-Niklaaskerk en werd onlangs +als monitor aangesteld in het koninklijk conservatorium. De jongen +vermaakt zich eeniger mate in den zin van wat jongelui in Brussel "zich +vermaken" noemen. Nochtans is hij ernstig en zijn gevoel, dat ik bij +meer dan één gelegenheid heb kunnen waardeeren, heeft schoone volten en +een bestendig gewicht.</p> + +<p>Hij zat voor mij. Het opkomend daglicht klaarde over zijn sierlijk +aangezicht, dat, thans wat roziger, toch mat-effen, zeer vermoeid boven +zijn witte das en de zijden kraag van zijn smoking uitscheen. De koffie +rookte lichtelijk op over de gouden randjes van het blauwe porseleinen +koffie-servies. Wij aten bij poozen, gelaten.</p> + +<p>Antoon sprak:</p> + +<p>—"Ik heb gisteren middag het dineetje bijgewoond, waarmede mijnheer en +mevrouw Zondervan maandelijks en telkens te vergeefs een vrijer +probeeren aan te kleven voor hunne dochter Adelaïde, een stuk plank met +een kop vol pretentie.... Kent gij de familie Zondervan?... Jammer! Dan +kunt ge ook niet geheel inzien in welken staat van ellende mijne hersens +waren gebracht, nadat zij een ganschen middag het leelijk sproetengelaat +van juffrouw Adelaïde hadden aangegluurd en de zoetzappigheidjes van +haar idioot gepraat hadden toegeknikt. Toen ik, omtrent negen uren, zeer +buiten Adelaïde's verwachting, haar tafel en haar huis verliet, was ik +een kapot stuk jongmensch, dat zich nog alleen herinnerde hoe slecht +Zondervan's bourgogne was en hoe afschuwelijk zijne dochter. Ik snakte +naar een glas gezond bier en vond het zonder moeite. In <i>Clarenbach</i> +waar ik aangeland was, ontmoette ik bij mijn vierde pint Slokke, den +beeldhouwer, Fritz d'Artois, die als stagiair bij advokaat Forst is +aangenomen, administrateur Lemonnier en diens vriend mijnheer Van +Dranem, welke mij werd voorgesteld. Deze heeren waren in vroolijk humeur +en wij dronken samen eene brave hoeveelheid Munchnerbier, zoodat, door +Slokke aangedreven, ik mijn eigen al even pleizierig als de overige +bevond. Die Slokke is een verbazende kerel. Te middernacht volgden wij +hem in <i>The Dominion Bar</i>, in de <i>Jeune France</i> en eindelijk in dat +verleidelijke ding van de Bisschopstraat, <i>The Old Curiosity Shop</i>, +zooals gij wel weet. Overal was pret, muziek, drank en lieve dames. Ik +zou op dat oogenblik geloof mij, juffrouw Adelaïde Zondervan nooit uit +Mathusalem hebben herkend, aangenomen dat Mathusalem het vergelijk hadde +verdragen. In <i>The Old Curiosity Shop</i> vermaakte ons zeer een muziekaal +neger-trio. Slokke had in <i>The Dominion</i> een voor mij onbekend makker +aangeklampt, een soort Tcheik, die alles danig lollig wist aan te +brengen en waarlijk een onschatbare ontmoeting was voor jonge +lichtmissen. Hij richtte o.a. met de drie negers een burleske vertooning +in, welke bij de aanwezige dames en heeren een grooten bijval verwierf +en, na eene omhaling van Slokke, voor den Schamelen Arme, zooals Slokke +zei—hij bedoelde het Stedelijk Armbestuur—ruim twee honderd frank +opbracht.</p> + +<p>"Ik was toen al tamelijk beschonken. Maar ik herinner mij zeer goed dat +in een hoekje bij den toog een zonderling mensch zat toe te kijken. Het +is noodig dat ik u vertel hoe hij zich voordeed. Het was—gij weet het +natuurlijk—een dik, ingezonken man, een waarvan men gemeenlijk zegt dat +hij "zonder ouderdom" is, maar zijn gelaat, dat klaarblijkelijk door een +overdadig gebruik van ... laat ons zeggen "spiritualen" was ingevreten, +had, ondanks zijne vervallen kleederdracht, ondanks de niet-vrome +omgeving, ondanks alles, een zoo kinderlijk, och ja, een zoo +"seraphische" uitdrukking dat het mij aandeed buiten mate. Hij keek toe. +Hij keek engelachtig het zot bedrijf van den Tscheik en de drie negers +toe. Hij lachte niet. Hij scheen ook niet bezorgd. De beruchte tapper +van de <i>Shop</i>—Anatole heet hij, weet ge wel—bracht hem, zonder dat hij +'t vroeg en zonder dat hij er in het minst voor dankte, tot viermaal een +whisky-soda. Hij dronk niet gulzig, niet smakelijk ook. Hij dronk +langzaam en eentoonig, en zijne gebaren waren lui als van een vet, +eigenzinnig kind....</p> + +<p>"Hoe het kwam, weet ik niet. Men weet niet hoe alles gebeurt bij zulke +partijen. Bovendien, ik beken 't voluit, de drank speelde en smokkelde +in mijn hoofd. Zeker is het dat, rond twee uren, het korte mannetje +zonder tegenspraak bij ons gezelschap hoorde. Ik zag dat hij naast +mijnheer Van Dranem zat. Ik hoorde niet dat hij met mijnheer Van Dranem +sprak. Ik hoorde dat mijnheer Van Dranem hem had aangelijmd en, in het +algemeen gewoel, eene astrologische rede voorhield, welke het geduldig +ventje met brave knikjes scheen goed te keuren. Mijnheer Van Dranem +bestelde dan telkens versche pinten, deed vriendelijk met zijn +zonderlingen gebuur bescheid en maakte hem alzoo bijna tot elkendeens +kameraad. Och! men verbroedert zoo licht in die warme nachtkroegen! Geen +van ons dacht er aan den kerel naar zijn naam te vragen. Dat hij geen +booswicht was stond op zijn cherubsgelaat te lezen, en wat konnen wij al +meer eischen? Hij dronk voortreffelijk. Hij deed ons, drinkebroers, eer +aan....</p> + +<p>"We verlieten de <i>Curiosity Shop</i> al te zaam. De goedige dikkerd volgde. +In de <i>American Bar</i> zat hij aan onze tafel. Wanneer een van ons hem +onder 't praten toekeek, knikte hij seffens gewillig tegen. Hij +beantwoordde alleman's teug. Dronk ik, hij dronk. Dronk daarop +Lemonnier, hij nam een slokje uit beleefdheid. Dronk dan de +geheeldronken d'Artois, hij insgelijks, om goede manieren te toonen, +dronk maar.... Kortom, hij was de hoofsche goedkeuring zelve.</p> + +<p>"Zeg eens, Herman, hebt ge al niet opgemerkt dat, als ge zoo op randool +zijt, er altijd iemand medefeest, zwijgend en ingetogen. Het is een +stille bijlooper. Hij laat nooit zijn glas ledig staan. Hij spreekt +nooit iemand tegen. Hij betaalt nooit wat. Hij is nooit hinderlijk. Laat +iemand zijn pijp, zijn regenscherm, zijn zakdoek vallen, hij is 't, die +hem opraapt. Hij is bij iedereen en bij geen van allen. Hij is een +verdraagzaam toezicht en zal het opmerken, als de baas, vertrouwend op +de dronkenschap der kompanie, iemand wat ongangbare munt wil in de hand +stoppen. Hij is 't ook, Herman, die de aandringende bloemenverkoopster +met een blozend lachje toefluisterd: "Ga maar uw gang, vrouwtje, die +kerels zijn zat en koopen niet!" En, luister wel, niemand kent hem. Hij +is de schaduw van ons allen, en wij eischen niets van hem. Hij lijkt op +iets dat ons natuurlijk en onverweerbaar toebehoort....</p> + +<p>"Alzoo was die man. In de <i>American Bar</i> ontstond er ruzie met een paar +roekelooze studenten. Ik zag goed hoe hij onderwijl vredig zijne pijp +stopte en ze in volle herrie kalmpjes aanstak. Ik zag het, omdat de pijp +zelf mij trof—een wondere pijp, geheel met kleur-ornamenten beladen, +zoo miniatuur-fijn als nog nimmer mij verfversiersels onder de oogen +kwamen. Onderaan den breeden pijpbuik kon ik, na eenige aarzeling het +woord "Julia" lezen. Het verbaasde mij zeer. Brandde in dat zeldzame +dikzaklijf waarlijk de vereering voor eene geliefde vrouw? Zoo zeer nam +mij dit denkbeeld in beslag, dat ik dadelijk den zachten vetpot over +zijne identiteit wilde aanspreken. Ik geloof dat de toenemende twist mij +in dit voornemen storen kwam, want tot eene bepaalde opheldering kwam +het niet. Eene verdere gelegenheid werd mij niet meer aangeboden en de +kerel bleef stillekens, rookend en drinkend, bij ons....</p> + +<p>"Aldus voortzakkend geraakten wij in groepje op het Statieplein. Wij +hadden na de sluiting van de <i>American</i> nergens een herbergzaam huis +gevonden en waren, eerst druk-pratend, dan moe-zwijgend, de Henegouwlaan +opgekomen. Slokke beweerde dat het Statieplein ons op een voornaam +fleschje geus of iets dergelijks kans kon bieden. Wij volgden Slokke +gedwee. De nacht was koud, miezelig, doordringend-vochtig. Wij +slenterden door, stil voorover gebukt, bijna zonder moed. Slokke zong +luidop een lied, waarvan ik me niets meer herinner, en d'Artois, achter +hem, spande nuttelooze pogingen in om het hem na te burrelen. Lemonnier, +lang en stokkestijf, beende akelig over het trottoir. Van Dranem, die +naar ik vermoed, daags te voren zeer onvoorzichtig den inhoud van een +sterrekundig standaardwerk had ingezwolgen, besproeide mij met den +hutsepot van zijne astrologische indigestie. De laatste van allen, +kortstappend en kort-blazend, kwam de ronde man, onze zoete schaduw +aangedrild. Ik hoorde hem. Hij had het geluid van een haastigen hinker. +Maar hij hinkte wezenlijk niet: naar ik thans vermoed, ontbrak de hak +aan een zijner schoenen, die daardoor als een slofje neerwreef op de +steenen....</p> + +<p>"Slokke bracht ons in die taveerne van het Statieplein....</p> + +<p>"Hier moest het drama gebeuren. Wij gingen aan de grootste tafel zitten +en bestelden koffie. De bazin, een onaangenaam wijf, deed opmerken dat +de herberg slechts bij toeval open was gebleven, dat zij geen tijd had +om koffie te zetten en maar hoopte dat de heeren gauw zouden oprukken. +Fritz d'Artois stond bij dezen onvriendelijken uitval recht en +overdonderde de zure waardin met de gekste aller redevoeringen. Aan de +inschikkelijkheid van eene oolijke schenkmeid hadden wij een kop koffie +en het einde van d'Artois' pleidooi te danken. Deze schenkmeid, die wel +inzag dat men Slokke en zijne kameraden nooit anders dan met +aanminnigheid zou de deur uitkrijgen, verwaardigde zich haar eigen bij +ons aan te sluiten, waar zij van Lemonnier verkreeg dat hij haar, bij +wijze van "slaapmutsje", op een fine-champagne trakteerde.</p> + +<p>"Kijk nu, Herman, goed hoe wij zaten. Ik zat op de bank, links had ik +Van Dranem, stapelvol met troebele wijsbegeerte, rechts d'Artois, en +naast dezen het rookende mysterieventje. Rechtover mij zat Slokke, links +had hij Lemonnier en rechts de diplomatische herbergdeerne. Wij praatten +in den beginne vrij onharmonisch ondereen, tot op een vraag van de +schenkmeid het gesprek eene bepaalde richting inliep. De meid had +vernomen dat Fritz advokaat was en ze wilde hem gaarne, zeide ze, iets +vragen. Fritz die, met Dranem, de zatste van den hoop was geworden, vond +waarschijnlijk dat de schenkmeid hem veel eer aandeed. Althans bereidde +hij zich tot een uitbundig consult en stelde zijne prille ervaring +"geheel" (dit met een prachtig oratorisch gebaar) tot hare beschikking. +"A-wel voila!" sprak de meid, "ik ben getrouwd met een man die te dom is +om voor den duivel te dansen—van 's morgens tot 's avonds maak ik ruzie +met hem, want hij is te vadsig om een woord te zeggen,—hij zou mij +bestelen, als hij maar kon, mijnheer, bestelen om in de herberg te +zitten, hij wint geen gebenedijden stuiver en ik vraag mij af hoe hij +het aan boord legt om 's nachts geregeld dronken thuis te komen,—d'r en +is geen leven mee te houden, dat zeg ik u,—'k ben 't beu den luiaard in +te mesten, en, met permissie gezegd, mijnheer, 'k zou willen +divorceeren!" Zij begon in 't kort en in 't lang ons den toestand van +haar huishouden voor oogen te leggen, en daarop overgoot d'Artois haar +met zijne orakels. Hij onderzocht het pro en het contra, nam de gekste +houdingen aan en waande zich aan de vermetelste verklaringen, brak het +huwelijk om "te besluiten" en lijmde de stukken weer aaneen om met +nieuwe pracht van woorden te kunnen herbeginnen.... Kortom hij spande +daar de onmenschelijkste zaag. Slokke kreeg, naar hij mij vertrouwbaar +toemummelde, een papmond. Lemonnier was op de beide vuisten in slaap +gedonderd en Mijnheer Van Dranem, die over heel 't gedoe geen star meer +herkende, was in de diepste mijmeringen verzonken....</p> + +<p>"Ik, scheef-achterover tegen den bankrug geleund, keek strak den dikken +bijlooper aan. Hij zat kalm en zoetjes te rooken, onveranderlijk. Daar +d'Artois recht stond en voortdurig over de tafel waggelde al preekend, +kon ik gemakkelijk onzen anoniemen vriend naloeren. Ik beken het u: ik +deed het uit verveling, want ik was wezenlijk te vermoeid om in mij +belangstelling voor 't zij eender wat te wekken. Ik belonkte hem strak, +al rustend. Hij rookte, scheen oplettend naar d'Artois en de schenkmeid +te luisteren, dampte zachtjes. Zijn bol aangezicht tuurde, over de +hoofden, naar iets dat, docht mij, misschien op den muur, boven den +toog, was aangeplakt. Al scherper blikte hij alzoo ... tot, almeteen, +zijn pijp, die geen vuur meer hield, dood stak in zijn mond, die juist +niet meer trekken wilde.</p> + +<p>"Hij bleef een lange poos zonder roeren.</p> + +<p>"Toen, zonder haast, vatte hij de pijp, wond ze in zijn rooden neusdoek, +borg ze—gelijk hij ze voorzeker placht te bergen—voorzichtig in zijn +binnenzak ... en ... toen, Herman ... ja, toen ... ik word er niet wijs +uit jongen ... het is zeker dat ik zeer, zeer moe was. Het gebeurde als +in een droom, waarbij ik machteloos moest blijven ... begrijpt ge?</p> + +<p>"De arme dompelaar, nadat hij de pijp geborgen had, trok langzaam zijne +hand weer uit den zak. Die hand—wat vatte ze zoo struisch daar? Ik +zweer u, Herman; ik zag het, ik zag het, zonder te weten dat ik 't zag.... +Die hand, met het zwarte ding, hief de goede dikkerd tot onder zijne +kin. En hij opende vredig zijn mond, wijd, wijd, tot het mij met +verbazing sloeg. En toen, Herman, gebeurde het. Het schot brak los, hard +en geweldig ... en de hand viel neder op de tafel, rilde daareven en +omsloot, meen ik, het dampende tuig dichter....</p> + +<p>"Ha, jongen 't was er een herrie! Iedereen, zelfs de slapende Lemonnier, +stond recht. Die gemeene bazin gilde oneerbiedig. En hij, de sukkel, zat +op de bank, had niet geroerd. Hij glimlachte precies. Maar, achter hem, +was de muur met bloed bespat en iets leekte daar, een witte kwabbel, +traag, van zwaarte...."</p> + +<p>Antoon zweeg. En ik herzag de leelijke taveerne, en hoe ik er +binnenliep, en hoe ik den doode zitten zag, en hoe ik, met een neep in +het hart en een kreet van heel mijn wezen, Johan Doxa herkende, den +zachten doolaar.</p> + +<p>Ik heb zijne lauwe hand in de mijne genomen. Ik heb ze waarlijk +gestreeld, alsof hij 't nog voelen kon. Ik heb hem op de bank +nedergeleid. En ik heb zijne groote oogen toegedaan, die zoo verre +keken, verder dan den muur, Antoon, verder dan den muur of den toog, +mijn goede Antoon....</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>De heete koffie had ons opgeknapt, maar we vertrokken beladen met iets +als een groot pak. Niet haastig drilden we de Lage Stad af. We drumden +langs de gevels der huizen en beletten niets van het aanzwellend +dagbedrijf. We liepen verstrooid over de pletsende dweilen van gebogen +dienstmeisjes, die zich oprechtten dan, gestoord in den kuisch, en ons +wat toesnauwden van op de drempels.</p> + +<p>Ik was zeer bekommerd en luisterde nauwelijks naar het stil, afgebroken +gepraat van Menschaert. Ik begon 't mij alreeds te beklagen dat ik deze +laatste boodschap had aangenomen. Seffens verhief echter mijn geweten +zijn rechte stem boven 't gehakkel van mijn angst en ik stapte vaster +door, overtuigd, gelijk ik was, dat niemand het droeve nieuws met meer +teedere en aandachtige zorgen zou brengen dan ik het, met mijn +liefderijk medelijden, zou doen.</p> + +<p>We kwamen in de Zes-Penningenstraat, die reeds vol was met +uchtendgeluiden. Magere honden liepen er snuffelend rond de vuilbakken. +Een stoelenbiezer zette aan zijn uitgerokken roep, die wijd-jammerde +onder de vensters. Een fruitwijf stiet haar rammelend karretje. Boven +op een hoog huis vlekte een bleeke zon.</p> + +<p>Het donkere winkeltje was open, de grauw-groene luiken ontsloten, de +gebroken drempzuil bloot. Ik kende die zuil goed. Hoe dikwijls liep haar +lustig over, jaren geleden, toen Johan Doxa met zijn ekster, zijn sijsje +en zijn eekhoorn het rare zolderkamertje bewoonde!</p> + +<p>Juist—maar hoe kommervol thans!—wilde ik de goede zuil betreden, als +daar in een zoeten lach de groetende moeder Doxa stond.</p> + +<p>—"Wel mijn jongen," zei ze frisch, (ze droeg een jakje en een versch +schort en ze was waarlijk, het oud wijveken, frisch als de morgen zelf) +"wel mijn jongen, wat zijt gij vroeg te been!"</p> + +<p>Ik geloof dat ik daarop iets vrij onverstaanbaars uitbracht, want moeder +Doxa keek me dadelijk vreemd aan. Moeders hebben wondere voorgevoelens. +De lach op haar gelaat verdween. Zij zei nog:</p> + +<p>—"Komt ge mij opzoeken?"</p> + +<p>Ze drukte wonderbaar op het woord "mij".</p> + +<p>Ik knikte traag, verlegen. En wij traden het speelgoedwinkeltje binnen, +dat geheel het uitzicht van vroeger had bewaard. Daar gloeide eenderlijk +de roode tichelvloer en donkerde massaal de vierkante toog onder het +noesche vensterlicht. Vluggelings zag ik in hunne verscheiden bakjes de +lekstokken, muntebollen, vlierhopjes, ovenbeesten, stampers, kletskoppen, +amandelkoekjes en kramelleu. Achteraan, tegen den muur, in schemerklaarte, +hingen de poesjenellen, de poppen, de reepen, de blikken muziektoppen, +de zweepen met fluitjes, de zakken met glazen marbels, al het diverse +speelgoed, dat bontig opkleurde en rammelde door mekaar.</p> + +<p>En moeder Doxa, dienstvaardig, ging, gelijk naar gewoonte, het trapje op +achter den toog. Eene zonderlinge aarzeling bibberde in haren blik. Ze +beproefde een nieuwen glimlach.</p> + +<p>—"A-zoo! mijn jongen," sprak ze, "wat is er tot uwen dienst?"</p> + +<p>Ik bleef nog een tijdje zwijgen. Antoon scheen over de smuitsterbakjes +eene zorgvuldige keus te doen. Ik schudde treurig het hoofd en vatte +moedig aan:</p> + +<p>—"Nu moedertje, wij brengen geen goed nieuws.... Het spijt me zoo!..."</p> + +<p>Ze sprak niet. Hare oogen werden scherper. De stilte die in het winkeltje +kwam spoken was wezenlijk onverdraaglijk. Ik herinner me (hoe bijtend +zijn de indrukken soms!) dat, op dit oogenblik, een scheerslijper al +roepend voorbij trok. Ik zei:</p> + +<p>—"Verschrik niet uitermate, moedertje. Zeker, het leven is heel zoet om +leven. Maar wat helpt het, als wij zelf meedoen om ons leed te vergrooten, +als wij ons zelf den dood op het lijf jagen?... D'ris toch niets aan te +veranderen, moedertje Doxa...."</p> + +<p>Ze was bleek, ineens doodelijk bleek. En de kleine glimlach, die niet +weg wilde, werd een grijns van smart. Ze hakkelde:</p> + +<p>—"Ja maar, ja maar...."</p> + +<p>Alsof ze zich aan de waarheid wou vastklampen, en een bange logen +daarmede kon verweeren die schrikkelijk op haar afkwam. God, Gij weet +hoe vurig ik toen wenschte dat het inderdaad een logen mocht zijn!</p> + +<p>Ik besloot die pijn te verkorten. Ik hernam, diep ademhalend:</p> + +<p>—"Uw zoon moedertje ... uw zoon Johan...."</p> + +<p>Ze deed stil:</p> + +<p>-"Hâ-â!"</p> + +<p>Heel stil. En ze sloot langzaam hare oogen. Ze zonk achterover, in de +rokjes van poppen, tegen den muur. En nog verliet die akelige glimlach +hare lippen niet.... Antoon Menschaert was toegesneld. Ze voelde zijne +armen om haar, roerde haar mond.</p> + +<p>—"Wacht", lispelde ze zoetjes, "wacht, als 't u belieft ... och! +och!..."</p> + +<p>Toen stak ze hard en wijd-open hare oogen en keek ernstig toe.</p> + +<p>—"Watte?" vroeg ze, "wat zegt ge daar?"</p> + +<p>En ik, geheel verslagen en 't harte bijna ingestampt:</p> + +<p>—"Uw zoon, moedertje", antwoordde ik, "hij is niet wel ... hij is zoo +schielijk.... God is wreed, moedertje, maar wij moeten in hem berusten, +dat weet ge toch niet waar?"</p> + +<p>Ze stiet Antoon plots van zich af. Ze riep:</p> + +<p>—"Wat is er met Johan gebeurd? Wat is er met Johan gebeurd?"</p> + +<p>Ze was vreeslijk. Ik dacht dat ik het nu met een woord zeggen moest +en—de Hemel vergeve 't mij—ik zei het met een woord.</p> + +<p>Dat woord, ze had het werkelijk zien aankomen. Ze week als het dichtbij +was. Ze kreeg het vlak tegen hare oude borst.... Nu zakte ze thoope, +gelijk een klein, nietig pakje, in Menschaert's handen. Ze was opeens +schijnbaar als een pluimpje zoo licht.</p> + +<p>Nog sprak ik, de schoon-versierde pijp uitreikend naar heur:</p> + +<p>—"Zie, moedertje, hier is zijne pijp. Ik heb ze uit zijn zak genomen +opdat gij ze bewaren zoudt, als een aandenken...."</p> + +<p>Ze keek de pijp aan. Ze vatte de pijp met beide handen.... Dan was 't +alsof ze insliep, zonder een traan, zonder een zuchtje, verre van ons.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Antoon Menschaert is nu een beroemd componist geworden, wat onze +vriendschap niet het minst heeft verlauwd. En daar hij nog steeds op +kamers "alleen" woont en ongaarne iemand bij hem ontvangt (ik verdenk +hem niet, hoor!) komt hij al dikwijls een avondje doorpraten in +Linkebeek, waar ik sinds enkele jaren verblijf. Wij zabberen en rooken +dat het een aard heeft.</p> + +<p>—"Zeg eens," zegt hij vaak, "ik zal u gaarne een zilveren aschbakje +schenken, indien ge dees ellendige doos weggooien wil."</p> + +<p>Ik bekijk dan de hoog-ronde doos, die ik ons eigen steeds voorzet als we +sigaren opsteken. Het is een geblutst tomatendoosje, dat inderdaad +miserabel aandoet in de overige meubeleering.</p> + +<p>—"Kom! Kom! ik zal dat leelijke ding wel eens de straat opwerpen ... +doch, wanneer? wanneer?... Er zijn kleine, domme daden, waartoe men maar +niet besluiten kan."</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK JOHAN DOXA ***</div> +<div style='text-align:left'> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Updated editions will replace the previous one—the old editions will +be renamed. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright +law means that no one owns a United States copyright in these works, +so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United +States without permission and without paying copyright +royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part +of this license, apply to copying and distributing Project +Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™ +concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, +and may not be used if you charge for an eBook, except by following +the terms of the trademark license, including paying royalties for use +of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for +copies of this eBook, complying with the trademark license is very +easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation +of derivative works, reports, performances and research. Project +Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may +do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected +by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark +license, especially commercial redistribution. +</div> + +<div style='margin:0.83em 0; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE<br /> +<span style='font-size:smaller'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE<br /> +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</span> +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase “Project +Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full +Project Gutenberg™ License available with this file or online at +www.gutenberg.org/license. +</div> + +<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg™ electronic works +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg™ +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or +destroy all copies of Project Gutenberg™ electronic works in your +possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a +Project Gutenberg™ electronic work and you do not agree to be bound +by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person +or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg™ electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg™ electronic works if you follow the terms of this +agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg™ +electronic works. See paragraph 1.E below. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the +Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection +of Project Gutenberg™ electronic works. Nearly all the individual +works in the collection are in the public domain in the United +States. If an individual work is unprotected by copyright law in the +United States and you are located in the United States, we do not +claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, +displaying or creating derivative works based on the work as long as +all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope +that you will support the Project Gutenberg™ mission of promoting +free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg™ +works in compliance with the terms of this agreement for keeping the +Project Gutenberg™ name associated with the work. You can easily +comply with the terms of this agreement by keeping this work in the +same format with its attached full Project Gutenberg™ License when +you share it without charge with others. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are +in a constant state of change. If you are outside the United States, +check the laws of your country in addition to the terms of this +agreement before downloading, copying, displaying, performing, +distributing or creating derivative works based on this work or any +other Project Gutenberg™ work. The Foundation makes no +representations concerning the copyright status of any work in any +country other than the United States. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other +immediate access to, the full Project Gutenberg™ License must appear +prominently whenever any copy of a Project Gutenberg™ work (any work +on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the +phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, +performed, viewed, copied or distributed: +</div> + +<blockquote> + <div style='display:block; margin:1em 0'> + This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most + other parts of the world at no cost and with almost no restrictions + whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms + of the Project Gutenberg License included with this eBook or online + at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you + are not located in the United States, you will have to check the laws + of the country where you are located before using this eBook. + </div> +</blockquote> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.2. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is +derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not +contain a notice indicating that it is posted with permission of the +copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in +the United States without paying any fees or charges. If you are +redistributing or providing access to a work with the phrase “Project +Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply +either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or +obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg™ +trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.3. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any +additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms +will be linked to the Project Gutenberg™ License for all works +posted with the permission of the copyright holder found at the +beginning of this work. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg™ +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg™. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg™ License. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including +any word processing or hypertext form. However, if you provide access +to or distribute copies of a Project Gutenberg™ work in a format +other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official +version posted on the official Project Gutenberg™ website +(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense +to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means +of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain +Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the +full Project Gutenberg™ License as specified in paragraph 1.E.1. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg™ works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg™ electronic works +provided that: +</div> + +<div style='margin-left:0.7em;'> + <div style='text-indent:-0.7em'> + • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg™ works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed + to the owner of the Project Gutenberg™ trademark, but he has + agreed to donate royalties under this paragraph to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid + within 60 days following each date on which you prepare (or are + legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty + payments should be clearly marked as such and sent to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in + Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg + Literary Archive Foundation.” + </div> + + <div style='text-indent:-0.7em'> + • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ + License. You must require such a user to return or destroy all + copies of the works possessed in a physical medium and discontinue + all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™ + works. + </div> + + <div style='text-indent:-0.7em'> + • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of + any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days of + receipt of the work. + </div> + + <div style='text-indent:-0.7em'> + • You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg™ works. + </div> +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project +Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than +are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing +from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of +the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set +forth in Section 3 below. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +works not protected by U.S. copyright law in creating the Project +Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™ +electronic works, and the medium on which they may be stored, may +contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate +or corrupt data, transcription errors, a copyright or other +intellectual property infringement, a defective or damaged disk or +other medium, a computer virus, or computer codes that damage or +cannot be read by your equipment. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right +of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium +with your written explanation. The person or entity that provided you +with the defective work may elect to provide a replacement copy in +lieu of a refund. If you received the work electronically, the person +or entity providing it to you may choose to give you a second +opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If +the second copy is also defective, you may demand a refund in writing +without further opportunities to fix the problem. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO +OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT +LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of +damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement +violates the law of the state applicable to this agreement, the +agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or +limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or +unenforceability of any provision of this agreement shall not void the +remaining provisions. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in +accordance with this agreement, and any volunteers associated with the +production, promotion and distribution of Project Gutenberg™ +electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, +including legal fees, that arise directly or indirectly from any of +the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this +or any Project Gutenberg™ work, (b) alteration, modification, or +additions or deletions to any Project Gutenberg™ work, and (c) any +Defect you cause. +</div> + +<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg™ +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Project Gutenberg™ is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of +computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It +exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations +from people in all walks of life. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg™’s +goals and ensuring that the Project Gutenberg™ collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg™ and future +generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see +Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org. +</div> + +<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by +U.S. federal laws and your state’s laws. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +The Foundation’s business office is located at 809 North 1500 West, +Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up +to date contact information can be found at the Foundation’s website +and official page at www.gutenberg.org/contact +</div> + +<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread +public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine-readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To SEND +DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state +visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Please check the Project Gutenberg web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. To +donate, please visit: www.gutenberg.org/donate +</div> + +<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> +Section 5. General Information About Project Gutenberg™ electronic works +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project +Gutenberg™ concept of a library of electronic works that could be +freely shared with anyone. For forty years, he produced and +distributed Project Gutenberg™ eBooks with only a loose network of +volunteer support. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Project Gutenberg™ eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in +the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not +necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper +edition. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Most people start at our website which has the main PG search +facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +This website includes information about Project Gutenberg™, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. +</div> + +</div> + +</body> +</html> diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..5601b4f --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #16841 (https://www.gutenberg.org/ebooks/16841) diff --git a/old/16841-8.txt b/old/16841-8.txt new file mode 100644 index 0000000..7dd1926 --- /dev/null +++ b/old/16841-8.txt @@ -0,0 +1,3178 @@ +The Project Gutenberg EBook of Johan Doxa, by Herman Teirlinck + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Johan Doxa + Vier herinneringen aan een Brabantschen Gothieker + +Author: Herman Teirlinck + +Release Date: October 9, 2005 [EBook #16841] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JOHAN DOXA *** + + + + +Produced by Marc D'Hooghe. + + + + +JOHAN DOXA + +VIER HERINNERINGEN AAN EEN BRABANTSCHEN GOTHIEKER + +door + +HERMAN TEIRLINCK + + +1917 + + + * * * * * + + +I + +JOHAN DOXA + +GETROUWD + + +Johan Doxa, de vader, verkocht speelgoed in de Zespenningstraat, een +grijze wijk van nauwe steegjes, midden in de Lage Stad. Hij had er een +smal winkeltje met een gebroken drempelzuil, een vunzigen gang en een +groen-houten hekje, waarop, tenden een buigzaam veerijzer, een +waarschuwende bel vastgehecht was. Het winkeltje was grauw, haast donker. +De roode tichelvloer gloeide langzaam op uit de halve donkerte, maar de +vierkante toog somberde, gelijk een harde, massale schaduw, vlak onder +het venster, dat met zijne menige uitstalling, de dagklaarte buiten +hield. Die toog droeg een verscheiden weelde van lekkernijen, +muntebollen, lekstokken, stampers, ovenbeesten, kramellen, kletskoppen +en amandelbrood. Al dat bonte gesnoeper lag er, in blikken kistjes +nevenseen, elk met zijn eigen kleur en zijn verschillige hoopen. Achter +de toog en langs den muur, tot bijkans tegen de zoldering, hing het +speelgoed, de reepen, de poesjenellen, de poppen, de ballen in wollen +netten, de zilveren muziektoppen, de zweepen met fluitjes, en zoo al +meer. + +Johan Doxa, de vader, was een groote struische kerel. Hij zat 's morgens +in zijn winkeltje, achter den toog. Hij sliep er meerendeels. Zijn stoel +was laag, breed, verzacht met een platte sargie, die er vierdubbel tot +op de leuning over gevouwd lag. Johan Doxa zat gemeenlijk met zijn beide +handen gekruisd op zijn buik, zijn kin op zijne borst en zijn klipmuts +op zijne oogen. Zijn kop stak even boven den toog uit, maar duisterde +weg in de onduidelijke lucht van het winkeltje. Als een kind het hek +openstiet, rinkelde de bronzen bek en Johan Doxa verroerde. Zijne handen +bleven gekruisd en stille, maar, met eene eigenaardige fronsing van zijn +voorhoofd, schoof hij rijzekens zijn muts achteruit, keek naar het +deurtje, beloerde vijandig den jongen, die drummend naderkwam. + +De oude heer Doxa liet, in den namiddag, het beheer van de zaak over aan +zijne vrouw Isabella, welke een ijverig mensch was en het huishouden er +heerlijk doorhielp. In den namiddag ging hij toeren om de stad. Hij deed +met pleizier eene wandeling langs de Henegouwlaan, de Beurs, de +Anspachlaan, wrong zich zwaar en lui door de krioeling van menschen en +rijtuigen en trok op naar de Hooge Stad. Zijn liefste uitstapje kuierde +de Steenpoort omhoog en de grauwe wijk van het Gerechtshof binnen. Daar +liggen, door mekaar, een geharrewar van smalle straatjes en huist eene +ruchtige bevolking. De oude heer Doxa slenterde, er rond, keek met +belangstelling naar de, politieagenten, de hondendieven, de +haringventers en de citroenwijven, luisterde aan de open deuren van +kroegen en danszalen, naar de versleten deuntjes van een blazenden +draaiorgel of de schokkende springwijzen van een grollend speelboek. +Dan liep hij de Visitandienenstraat omlaag en kwam lanterfanten in de +Priemstraat. Hier placht hij zich aan eene zonderlinge praktijk over +te geven. Hij, volgde de bierwagens die, ten dienste van de talrijke +herbergen, voorbijreden en had permissie om, bij het opladen van ledige +tonnen, het roes ervan om te klinken en op te vangen in een zinken +ansjovisdoosje, dat hij, tot dit bijzonder gebruik, altijd in zijn +binnenzak steken had. + +'s Avonds, na den eten, begaf hij zich in den Koning van Spanje, dronk +er met een paar geburen een half dozijn glazen faro, bestelde een +slaapmutsje in den Bloemenhof en kwam laat thuis. Hij vond geregeld en +eenderlijk liggen in het laag bed, tegen den glimmenden kalkmuur van het +lauwe slaapkamertje, het dikke, opbultend lijf van zijne vrouw Isabella +die niet roerde bij zijne lompe inkomst, maar eens zuchtte, schijnbaar +in haar slaap, als om zich van een vies droombeeld te ontlasten, dat +juist op haar miserabel hoofd wegen kwam. + + * * * * * + +De oude heer Doxa had een zoon, genoemd Johan. Van dezen is het dat ik +in het bijzonder verhalen wil. + +Hij werd geboren in de Zes-penningenstraat, binst dat zijn vader, +omtrent de Kapellewijk de dansende klutsen uit de tonnen klonk. Hij was +grootgebracht tusschen het grijze speelgoed en werd een jongen van +zeldzaam uitzicht met, als hoofdteeken van karakter, de luiheid van zijn +vader en het zoete geduld zijner moeder. Op school, waar men hem, om hem +kwijt te zijn, heen zond, was hij dadelijk den zondenbok van allen; de +stooten welke grillige vuisten, bijna onachtzaam, uitwierpen, ploften +pletsig in zijne vette rompe, en de muilperen, die, als bij toeval, uit +onzichtbare fruitboomen neervielen kwamen wonderlijk op zijne bolle +kaken openklakken. Bij eene zoo overdadige behandeling, bleef Johan Doxa +verdraagzaam-glimlachend toekijken, en niets scheen de schoone zaligheid +te kunnen storen, die geheel zijn wezen vervulde en hem toeliet, in alle +omstandigheden, een pak slaag als een dankbaar almoes te aanvaarden. + +Op vijftienjarigen leeftijd liet hij zijn blond kroezelhaar lang-groeien +en deed aan zijne moeder zijn voornemen kennen om naar de Academie ter +leering te gaan. Dit werd hem toegestaan, deels omdat vrouw Doxa voor +niets in de wereld haar zoon zou hebben willen te keer gaan, deels ook +omdat de oude heer Doxa, na een wandellingetje in de Pieremanstraat, +verklaard had dat het hem niet schelen kon. + +En Johan Doxa werd een artist-schilder. + + * * * * * + +Johan Doxa bewoonde, in het vaderlijk huis, een luchtige zolderkamer, +waar hij teekende, schilderde, at en sliep. Hij zat er sinds hij de +Academie verlaten had--hij was nu een en twintig jaren oud--gansche +dagen in de eenige gezelschap van een ekster, een sijsje en een +eekhoorn. De vierkante kooi, waar joepte en zong het teer-groene sijsje, +hing aan een kram van het dakvenster. Zoodra de zon boven de stad vol +mistige daken opduiken kwam en tegen de schuinsche ruiten glinsterend te +tokkelen begon, wipte het sijsje op de bovenste sport en kwetterde een +jubel-getjirrel, dat geheel de kamer met een frisch pleizier vervulde. +De ekster liep in vrijheid tallenkante rond, pootelde ruchtig over het +houten plankier, sprong op den schoorsteen en droeg van links naar +anderzijds de penseelen, welke ze te pakken kreeg. Gemeenlijk zat ze te +midden van het kleine tafeltje, vast op den rand van een dikbuikigen, +diepblauwen tabakspot. Daar bleef ze soms uren zitten, stil-lonkend en +bijna roerloos, haar kop ten halve tusschen hare schouders gedrongen en +haar pootjes in tweeën gevouwd, zeer rustig. De eekhoorn scheer-beende +maar in een draaiende tralietrommel, die op een plankje stond, boven het +hoofdeinde van het ijzeren bed. + +Hier werkte Johan Doxa. Hij schilderde portretten, beelden van Heiligen +en kleine Kruiswegen. Hij likte en overlikte zijne tafereelen, raakte +haast het doek met zijn neus en beijverde zich, in overmatige +geduldigheid, om een krulhaartje op een kin te planten en een wimper op +een ooglid. Hij bukte over het werk, streek langzaam de uitgezochte +verven, bedekte met glanzende vernissen de gladde bontigheid. Zijn ronde +kop, zijn kroezelende haarbos, blond-goud onder het spelend daglicht, +lag, alsof het rustte, onbewegelijk over het effen-glimmende schilderij. + +Als hij verpoosde voor een tijdje, ging hij tegen het bed leunen of +strekte er zich lang uit, rookte, traag dampend, volgde met luie blikken +de opgaande en uitwaaiende tabakwolken en snoof wellustig den sterken +reuk ervan op. Hij dacht aan niets. Hij keek soms heel lang naar het +draaiend eekhoorntje, of voelde, zijwaarts, de blinkende oogen van de +ekster, die loerend, op den blauwen buik van den tabakspot oolijk te +muizenissen zat. Wanneer het avond werd had hij een heerlijk gevoel van +zelf-verdwijnen. 't Was dan alsof, met de uiterste deemstering, het huis +en de wereld zouden in nevelen vergaan. Zijne ronde blauwe cherubijnoogen +blonken zonderling in de donkerheid en zijne handen lagen als twee witte +vlekjes op het duistere violet van de bedmatras. + +Na den dood van zijn vader, die in het hospitaal aan eene kortstondige +leverziekte stierf, veranderde Johan Doxa haast niets aan dat peiselijke +zolderleven. Alleen zou hij af en toe wat uitloopen en menschen zien. +Hij nam dit voornemen op den raad van zijne moeder, die met leedwezen +hem in vergetelheid eene jeugd zag bederven, die zoo nuttig aan zoo +kostbare zaken had kunnen besteed worden. Ze had gaarne haar zoon zien +genieten van het weinige dat de Voorzienigheid hem op zijn weg had +geleid en ze gaf hem, met eene schijnbare onverschilligheid, te verstaan +dat de stad vol was met behaaglijke meisjes en dat er wel één ten minste +in den hoop te vinden was, aan wie hij zijne versche jonkheid toetsen +kon. Johan Doxa bloosde en glimlachte. Het vijffrankstuk, dat moeder hem +in de hand stopte, plakte in zijn vette palm en teekende er, met zijne +harde randen, een cirkel van gewicht. Hij liep den kapotten drempel +over, hoorde, nog de bel bingelen, gesmoord in de dufheid van het +binnenhuisje, en drilde langs de Lage Stad om. Hij leek, in deze +slentertochten, wel zeer op zijn vader-zaliger, haperde aan elken winkel +en luisterde naar elk gerucht. Zijn grootst genot was bezijden de platte +kaaien. Hij staarde half-hangend op de ijzeren leuning, naar het donkere +water, waar het licht van den dag onrustig over al schervelend ging. Hij +bespiedde de doening der vaartmannen op de groene booten, volgde den +rytmischen gang der koollossers, kon, tot het gansch donkerde, blijven +turen naar 't gewiegel van een dobberend papiertje. + +Het was binst deze wandelingen dat hij die twee vreemde mannen ontmoette, +welke na korten tijd zijne vrienden werden. Zij waren allebei ouder dan +hij. Hij deed hunne vriendschap op in de zelfde week. De eene was een +letterkundige en katholieke pamflet-schrijver, die zich als een vurig +werktuig van God aanzag. Hij heette Lieven Lazare. De andere was een +bleeke lang-opgeschoten kerel, met diepe doode oogen, een breede hand en +sproeten op zijne vingeren. Hij was tapper in de _Old Curiosity Shop_, +een nachtkroeg naar de mode. Zijn eenige naam was Anatole. Lieven Lazare +was een groot, breed man, hooggeschouderd, met ronden kalen kop waar een +stekelige snor haast een klein-bolle neusje wegvlekte. In zijne schriften, +die eene onbetwistbare literaire waarde droegen, schold hij met ongemeene +woestheid allen uit, die "op hun gladde harten de berrie torschen van het +Gulden Kalf" en, in het bijzonder, de priesters en prelaten. Zijn werk +"Ploerten" was een kostelijk autobiografisch verhaal, waarin hij zijn +kristelijke liefde en, als met geweldige geuten, zijn schrikkelijke haat +uitstortte. Hij sprak er van Johan Doxa, gelijk van een "uitverkoren +wezen, hetwelk uit de vroomheid van gothische tijden onbeholpen te midden +van de tartende ketterij der encyclopedisten gesmeten werd." Anatole was +een tegenovergesteld wezen. Hij had een oolijk aangezicht, vol met de +uitdrukking van dubbelzinnige schuchterheid en onkuische bedoelingen. Hij +zong zeer mooi en kende een aantal allerliefste liedjes, welke hij, op de +viool en de cither, deed begeleiden door zijne vrienden Biebuyck en +Donkerwolck. Met deze twee kwam hij, des Zondags, Johan Doxa op zijne +zolderkamer gezelschap houden. Zijn aardige stem kwinkeleerde tegen de +pannen-bedekking, en de snaardoozen tjokkelden sierlijk de maat. 's Avonds +was hij tapper. Hij vertelde zoo lekker van het diverse spektakel in de +_Shop_, en zijne twee vrienden, die daar in een klein concert meerendeels +werkzaam waren, bevestigden met knikken en ooggeknip zijne heerlijke +verhalen. + +Van Anatole hield Johan Doxa zeer. Lieven Lazare vreesde hij duchtig, +maar had hem meer innig, meer van binnen en uitermate lief. + + * * * * * + +Op een middag kuierde Johan Doxa langs de Papenvest. Hij was zeer +droevig want het groene sijsje had hij 's ochtends dood gevonden. Hij +drumde tegen de muren en zag langzaam de vierkante straatsteenen onder +zijne voeten wegslieren achterwaarts. De stad was blauw en luchtig. Eene +zilveren Junizon blikkerde op de huisgevels, danste tegen de ruiten, +poeierde in de klare ruimte trillend uiteen. Hij dacht weer: + +"Het groene sijsje is kapot!" + +Het zeurde aldoor in zijne hersens en hij luisterde binstwijl naar de +duidelijke herinnering aan het licht-tikkende vogelgezang. Om hem +zilverde de zingende zon, maar grijs en zwaar nevelde zijn treurende +gedachte: het zou er nu mee uit zijn, het groene sijsje is kapot.... + +Zoo kwam hij in de Papenvest. Op den drempel van een oud huis stond eene +vrouw. Zij was groot en blozend en hare huid schoot op uit haren rooden +halsdoek, gelijk eene klaarte vol zoetigheid. Ze lachte stille. Ze +lachte stille, stille. Johan Doxa slenterde voort. Het docht hem ineens +dat eene ongekende lustigheid zijn hart kwam vervullen met al de weelde +van een geheimzinnig gevoel. Hij wilde wel zijn hoofd omdraaien, en het +oude huis herzien, en den drempel, en dat wondere beeld van vleesch.... +Hij slenterde maar, keek niet achterwaarts, strompelde scheef-beenend +over de ongelijke kasseide, en aldus gebeurde het dat hij smoorlijk werd +verliefd. + +Hij stiet het groene hekje open, zoodat de bel ommentweer snokte en +leelijk door den gang lawaaide. Hij klauterde ongemanierd langs de +steile trap, ademde haastig, pletste met zijne warme vingeren op de +vochtige trapleuning. Hij geraakte in zijne lage zolderkamer, bleef +dwaas in het deurgat staan en staarde, met nuchtere verwondering naar +de zwarte ekster, die aardig op den rand van den blauwen tabakspot te +glariën zat. Zij roerde haren kop niet als hij hard-stappend binnentrad. +Zij bleef rechtuit blikken met hare zwart-gulden vliemige oogjes, heel +bedaard, alsof ze zeggen wou: "Daar hebt ge 't nu! Heb ik het al lang +niet voorspeld?" + +Johan Doxa zette zich neer op zijn plat-bedekt bed en kruiste zijne +handen over zijne knieën saam. Het eekhoorntje draaide in zijn roerenden +tralietrommel en stak zijn staart kaarsrecht omhoog. Op de tafel lag +eene schoone nieuwe pijp in bleek palmenhout. Het was een geschenk van +moeder. Johan zou de steel sierlijk bekerven en opkleuren met roode +witte en groene streepjes en ze omranden met fijne blauwe cirkels. Nu +bekeek hij van verre de pijp en hij dacht aan de blanke keel die zoo +rijkelijk boven de scharlaken doek-verve oprankte.... + +De zon pletste door het dakvenster en speelde langs de koperen snaren +van de ledige vogelkooi. Er trilde door de lucht een zilveren +herinnering aan het groene sijsje, en tot den dikken avond zat Johan +Doxa, rechtover de dubbende ekster, te dubben eenderlijk. + +Daags nadien kwam Anatole met Biebuyck en Donkerwolck, zijn zwijgende +vrienden, een bezoek brengen. Zooals naar gewoonte werden wat flesschen +lambik opgehaald en moest Anatole eene rei liedekens zingen. Dit deed +hij, terwijl Johan Doxa zeer aandachtig den bleeken steel van de nieuwe +pijp met allerlei ornamenten overteekende. Hij zong op uitstekende wijs +de oude deuntjes van den _Reus_, van den _Koekoek_, van het _Ros +Beiaard_, van _Mijn moeder gaat naar Halle_, en van den _Uil_. De +anderen begeleidden keurig, de cither tokkelde de springende zangmaat +in rythmische brokjes en de viool vergezelde in accoord den gang van +Anatole's buigzame stem. Het was een lieve nanoen, en er werd gedronken. + +Maar Johan Doxa zat, onder het volle vensterlicht, laag gebogen over de +teerheid van zijn brooze versieringen, en hij keek niet op, en het was +alsof hij afwezig was. Anatole lachte met hem, vroeg of hij verliefd was +geworden, klopte vertrouwelijk op zijne schouders. Hij vertelde dan van +de gebeurtenissen in de _Curiosity Shop_, van de mooie Roy-Dour die zich +tegen den toog had ontkleed om een merk te toonen, dat ze op de +linkerheup droeg. Hij vertelde met korte zinnetjes, hief met gepaste +woorden, kort en rap, de pittigheid van een voorval op, en liet, na +elken raken zet, op zijn wit aangezicht het dubbele barreel van zijne +tanden blikkeren. Biebuyck stak zijn kin vooruit en Donkerwolck +pinkoogde. De cither en de viool rondden hunne bruin-glimmende buiken op +een stoel, naast het doode kacheltje. + +Maar Johan Doxa roerde noch en ruchtte. Toen vertrokken de drie +kameraden en ze gingen sloffend en strompelend de steile trap af. Het +groene hekje hoorde Johan Doxa rinkelen. Het huis werd stil. Hij lei de +bleeke pijp op zijde, schoof achteruit, staarde lang opwaarts en zijne +oogen begonnen te pikken, te sterren, te nevelen. Hij zuchtte. De ekster +rok traag hare vleugels uit, lengde haren hals, huiverde over geheel +haar lijf, en zette zich weer rustig en thoope, met gevouwen pootjes, +op den pot, die blauw en bollig te blinken zat. Het werd haar alsof ze +zeggen zou: + +"Mijn arme Johan, wat moet er van u geworden?" + + * * * * * + +Het oude huis op de Papenvest was eene herberg. Dagelijks ging er nu +Johan Doxa. Hij bestelde een half-en-half en bleef zitten, rechtover de +deur, tot eens de vrouw, die als een groote onrust over zijne ziel woei, +daar zou voorbijgaan. Ze woonde op de eerste verdieping. Ze heette +Julia. Ze was, een dik jaar geleden, getrouwd met een treinwachter, die, +tien dagen na zijn huwelijk, in een spoorweg ongeval was omgekomen. Ze +leefde alleen en naaide. Als Johan in de herberg zat, zag hij ze vaak +omloopen in de gang. Ze lachte luid of zong. Ze had eene klare golvende +stem, die door gansch het lichaam van Johan sidderde en er een ongemak +veroorzaakte, dat het bloed naar zijne slapen joeg. Hij dierf haar niet +aan te spreken, maar zijne vingeren beefden en zijn adem zwol. Het docht +hem dat hij zou gaan licht worden als een vlam en opspringen tegelijk en +ijlen naar de dartele deerne die, boven de vurige kleur van haar +borstdoek, hare klinkende keel opklaren liet. + +Telkens kwam hij moedeloos, uitgeput en zonder hoop weer thuis. Moeder +Doxa, van tusschen de arlekijnen en het suikergoed, daar achter den +duisteren toog, merkte iedermaal zijn treurend uitzicht. Ze +vermeerderde, gelijk zij kon, het bedrag van zijn zakgeld, en knikte hem +heimelijk toe, hem oolijke stootjes gevend en nafluisterend van de +blonde dingetjes, die er allentwege omliepen in liefelijke gretigheid. +Hij glimlachte zachtekens mede en voelde den dwazen blos uitgloeien, als +pioenen, op zijne heete wangen. + +Het liefst zat hij op zijn kamertje. Hij werkte er aan de +miniatuurversiering van de palmhouten pijp. Hij schilderde er laaie +harten, en doornen, en rozen, en, in schoonverluchte letters, den naam +van Julia. Dagen lag hij over dat buitengewoon bedrijf gebogen, en hij +verrijkte het telkens met nieuwe kleurverwikkelingen. + + * * * * * + +Eens ontving hij een kaartje van een heer, die hem wat dringends te +vertellen had en hem verzocht om bij hem, als mogelijk, aan te loopen. +Johan Doxa herlas driemaal te reke het adres, en begon daarna het zweet +weg te vagen, dat in zijn haar kittelde en op zijn voorhoofd te perelen +stond. De heer woonde op de Papenvest, in het oude huis, eerste +verdieping. + +Te valavond begaf zich Johan Doxa toch op weg. Wel beefde hij en +wankelde haast terwijl hij de piepende trap opging. Hij stond vóór de +deur en wilde zich nu eerst eens goed bedenken. Hij bedacht zich eens +goed, zuchtte en besloot maar weer de trap af te dalen. Toen juist +sprong het slot en in de vrije klaarte stond daar de weelderige Julia. +Ze groette hem bij zijn naam en bad hem om binnen te komen. + +Hij ging. Het werd zeer warm en de lucht woog, stikkend heet. De kamer +was zindelijk en helder van kleur. Een vierkante kachel puntte zijn +glimmende koperknoppen onder de schaduwkap van den schoorsteen. De tafel +was bedekt met een oranje ammelaken, groen-bespikkeld en hard. Tegen den +muur stond het breede bed, de sargie half-omgeplooid en het witte +hoofdkussen bloot in het midden. Johan Doxa zag dit alles tegelijk, in +een waterig zicht van vloeiende dingen. Hij zag Julia. Hij zag haar +roode doek, haar blanke boezem, haar natten mond, hare oogen,--beweeglijken +gloed.... + +Hij zette zich. Ze sprak van het kaartje--dat het een onschuldige +leugen was, dat zij wel wist dat hij op haar persoonlijk aandringen niet +komen zou, dat zij het overigens nooit had durven schrijven op haar +eigen naam, dat zij nu van hem verlangde dat hij haar portret zou +schilderen. Ze sprak meesmuilend en vleiend, vingerde verlegen over haar +borstdoek, ontsloot het onwetens, en lachte, lachte. Ze wipte dan op, +bloosde minzaam en zette eene flesch met zoete likeur op tafel. Ze vulde +de kleine glazekens. Haar lichaam bukte voorover, heel dicht aan bij +Johan, die de buigzame elegantie van haar leen bijna onder de hand te +bewonderen kreeg. Ze draaide rond hem, raakte met haar zwaaiende rokken +zijne knieën, welke hij met wanhopige beleefdheid probeerde onder de +stoelsporten te steken. Ze dwong hem te drinken. Hij dronk een half +slokje en slikte verkeerd. Ze knikte hem toe, ze wachtte.... + +Daar kwam eene stilte. De stilte druppelde tikkend uit de kast van een +eiken horloge. Julia had hare beenen overeen gekruist en toetste met het +tipje van haar wiegend voetje nijdig en matelijk de losse broekpijp van +Johan Doxa. Johan Doxa zweeg in extase. Toen sprak ze, met een zucht +opnieuw, van het portret, en Johan Doxa, terwijl hij zijne blonde +krullen schudde op zijn nek, en eene toenemende zekerheid den blik van +zijne blauwe cherubijnoogen vastzette in zijn rond-vette aangezicht, zei +nu, al wuivend met zijne korte armen ... eigenlijk zei hij nog in het +geheel niets, maar hij wist wat hij zeggen moest en wuifde met zijn +korte armen. Hij zou zeggen: + +--"Berust hierover op mij, Mevrouw. Ik zal uw portret maken, al moest +het mij, twintig jaren lang, een dagelijkschen arbeid kosten. Het zal +mijn meesterwerk zijn, Mevrouw. Ge zult op het doek in de verf zitten, +zooals in een spiegel. Aan ijver zal het mij niet ontbreken, want uw +beeld verlaat nooit mijne eenzame gedachten en gij zijt de godinne die +oprijst, gelijk een dag vol zonnegoud, over mijn onwaardig hart. Vergeef +me, als ik te lang misbruik maak van uwe gastvrijheid, Mevrouw, maar ik +wenschte u te zeggen wat het beduiden wil, een hart dat bewoond is door +een zondige liefde. Liefde, ik heb het uitgesproken. Wees niet boos. Ik +zal u algauw van mijne rampzalige tegenwoordigheid bevrijden. O! Gij +zijt te wel opgevoed om mij de deur uit te gooien. Ik begrijp u, +Mevrouw. Ik dank u, Mevrouw. Voor mij niet, alsjeblief, nee, dank u wel, +geen drank meer. Met mij hier langer op te houden, keurt gij eene +vermetelheid goed die zich over haar zelve schaamt. Ha! Ik ken mijne +plichten! Ik zal uw portret maken, Mevrouw, tot het uiterste haartje. +Vrees niet. Wat de betaling betreft, kijk er niet naar om, bid ik u. +We zullen dat wel regelen, later, met maandelijksche afkortingen, bij +voorbeeld. Goeden avond." + +Alzoo in zijn binnenste redevoerend was hij opgestaan. Gelijk vlammen +schoten al de woorden door zijn geest voorbij. Dan wilde hij ze +weerhouden, ze op zijn tong brengen, ze vrij in klanken loslaten. Maar +ze waren weg. Een pak lood zat hem in den mond, iets dat hij noch +neerzwelgen noch uitspuwen kon. Een onnoozele glimlach stak twee lieve +putjes in den blos van zijne poezelige bolwangen en hij werd ineens zoo +gelukkig, zoo gelukkig, dat hij er bang van werd. Hij was bang dat die +zaligheid mocht ophouden, of dat ze hem mocht ontstolen worden, en hij +wilde er mee wegvluchten. Hij zei: + +--"Goedenavond ... Goedenavond...." + +En vluchtte inderdaad. + + * * * * * + +Moeder Doxa was niet weinig gelukkig, als ze nu, in zijn zolderkamertje, +haar zoon Johan hoorde zingen van den morgen tot den avond. Hij wilde +haar echter niets van de heerlijke gevallen zijner liefde bekennen. Hij +had aan Julia een langen brief geschreven, waarin hij haar vergeleek met +de hemelsche melkbaan, want haar huid was blank en zilverig, en er +vloeide daaronder eene room zoete klaarte, welk met den gloed van het +roze bloed aan het stralen ging. Hij zond haar, in een keurig pakje, de +kostbare pijp, als een teeken van de verduldige passie, waarmede hij +haar sinds maanden aanbeden en verbijd had. Haar naam praalde op den +steel in een kunstig gewirrel van bonte ringetjes en punten en +droppelkens goud. + +Zoo vervloog de gevleugelde tijd. Johan Doxa zat neuriënd onder het +ledige muitje. Het loodrechte licht viel uit het vierkante dakraam op +het vlakke schilderdoek en de glanzende lokken die, langs Johan's +slapen, al bellend erover hingen. Hij penseelde vlijtig en traag. Het +struische gelaat van Julia kwam, ietwat magerder, op den bruinen +verfgrond te voorschijn. Hij schilderde haar uit het hoofd, legde +parelen om heure haren en licht gebloei daarlangs. Een doorzichtig +keurslijf lag losjes open op haar boezem, en ze hield een dubbele dahlia +in hare rechter hand. Voor haar, op de tafel waar ze statig aanzat, was +het of ze zoetekens over een mandje met allerlei bloemen vingerde. +Bloemen waren overal rond haar,--tulpen en leeljen in waaiervormigen +tuil opgroeiend uit een groote zilveren vaas, rozenranken langs het raam +van 't venster, en een karmijnen koningskroon in een blauwen, +familiairen tabakspot.... Aan den eenen kant zat de ijverige eekhoorn, +aan den anderen de dubbende ekster; maar het sijsje was er niet. Het +gansche portret was een eigenaardige menging van levend licht en doode +herinneringen, tegare gewisseld in een gladde verve van subtielen toon. +Johan Doxa borstelde aandachtig erlangs en eromme, slierde met haarfijne +nauwkeurigheid rond den bleeken dons van het vlezige aangezicht en +tooverde traag een vollen dag in de starende strakheid der glimlachende +oogen. Hij was bovenmatelijk in zijn schik. Het eekhoorntje draaide +binnen den zacht-ronkenden traliemolen. Maar aan Lieven Lazare zei hij +niets van dat alles. Hij hield in dien tijd niet veel van Lieven en +vluchtte zijne strenge redeneeringen. Er bleef van dat acute gepreek bij +Johan Doxa iets over, dat onduidelijk op wroeging leek en naar een +geducht berouw leiden moest. Het docht hem halvelings dat hij, met de +gebaren van zijne vreemde liefde, aldoor zondigde tegen de behagelijke +wetten van God. Lieven Lazare benaderde in slaande bewoordiging deze +zedelijke zwakheid en raadde precies de ongemakkelijke stemming, waar, +binst zulke oogenblikken, zijn vriend Johan gekluisterd zat. Hij liet +niet na hem hierover met goddelijke wreedheid te berispen. + +--"Gij zijt, mijn jongen", sprak hij, "overvallen door de mistige +monsters der tempteering. Ik zie u spartelen tegen de satanische +belegering en uw hart schijnt me toe als een poppelend schuchterheidje, +een angstig asemtje, een gesmoorde kreet.... Zijt ge onkuisch mijn +vriend?" + +Johan Doxa verklaarde haastig dat hij zuiver en gezond was gebleven. Hij +vreesde de sterke waarschuwingen, welke hij in den naam van God en langs +God's eigen woord ontving, en zoo kwam het, dat hij het gloeiend geheim +van zijne blijde gedachten voor zich zelf bewaarde, verborgen en eenzaam +op het lage zolderkamertje, tusschen het vlakke portret, de blauwe +tabakspot, de peinzende ekster en het triptrappende eekhoorntje. + + * * * * * + +Op een avond gebeurde echter een ongemeen geval. Johan Doxa wandelde om +de platte kaaien van de breede vaart. Het was een najaarstijd. Een +druppelende nevel hing over het water en de gele lanteernlichten vlekten +wijdopen op de dichte damplagen. De avond was dik en rot. Rappe menschen +schoven voorbij of een eenzame wagen waggelde gelijk een ruchtbare +schaduw door de grijze massale duisternis. Op de ijzeren brug die naar +de dokken leidt, bleef Johan stille staan. Hij staarde naar de klotsende +vaart waar het roode licht van een signaalbord roerend brokkelde. Een +stille zwarte boot gleed binnen de misten. Men hoorde het verre geronk +en de belrinkeling van een zoevende elektriektram. Johan Doxa dacht, +naar gewoonte, aan zijne heldere toekomst, want hij placht gaarne het +beeld van zijne liefde te verplaatsen in de zonnigheid van een komende +welvaart. Hij zag zeer duidelijk het huisje met de oranje luiken, den +wilden wingerd boven de deur, het zomerlicht op den drempel. Hij zag den +haard met de zoete warmte en den zoeteren vrede. Hij zag Julia. Een +stille boot voer, zwart en water-roerend, onder de brug, en het roode +signaallicht kronkelde langs de schokkende golfjes. Het sloeg negen uren +op den ouden Kathelijne-toren.... Hij kuierde de dokken voorbij, keerde +om naar de Vischmarkt en sloeg een smal steegje in, dat op den hoek van +het Zaterdagsplein uitzicht gaf. Hij had zijne handen in zijne +broekzakken gestoken en ging al fluitend. Op het Zaterdagsplein stond +een driearmige gaslanteern en, juist onder de gele klaarte, een +onbeweeglijke politie-agent. Johan Doxa zag hem pas als hij heel dicht +bij hem genaderd was, want de nevel dikte nu tallenkant zoo zwaar, dat +de straten op vierkante holten leken, waar verwijlde een vette smoor. +Johan blikte even naar den politie-agent op, dewelke, paalrecht onder +zijn opgestoken kapeline, rustig te rooken stond.... + +Maar ineens begon Johan Doxa te loopen, te loopen alsof hem een +schielijk gevaar op de hielen zat. Hij hield niet op vóór hij de +Zes-penningenstraat bereikte. Hij struikelde hijgend tegen het groene +hekje en sukkelde wild-blazend de trap op. De leuning piepte en de +trapberden kraakten. Hij stak op het zolderkamertje eene kaars aan, +die hij op den kant van de tafel plantte en zakte toen op zijne knieën, +geheel dooreen, als een halm door de zeis getroffen. + +De ekster zat niet op haar rustige plaats. Ze vleugelde angstig over de +geel-bruine bedsargie en hare gloeiende oogjes blikkerden buitengewoon. +Ze trachtte met wippende sprongskens en klein gekrijt de aandacht van +haar bedrukten meester naar het spectakel van een leelijke gebeurtenis +te lokken. Johan evenwel lag op het plankier ineengedrongen en drukte in +zwijgende wanhoop zijne ellebogen op zijne knieën, en keek halsstarig +voor zich uit. In den geluidloozen tralietrommel hing het eekhoorntje, +dat dood was gegaan. + + * * * * * + +"Anatole", zei Johan Doxa, terwijl zijn bleeke vriend op den rand van +de ijzeren koets zijne nagels schoon maakte en, daarnaast, de witte +gezichten van Biebuyck en Donkerwolck boven de gele heupen van de viool +en cyther opgeschoten, "ik zeg het u, zoo lange dagen en dagen heb ik +over dat ding te zwoegen gezeten. Hebt ge de lieve madeliefjes gezien, +die ik langs een wiegend thema van blaadjes en knopjes op den steel +geschilderd heb? Gij waart vaak de verwonderde getuige van mijne +verduldigheid. Het groene sijsje zong perelend onder ginds vierkante +zonnelicht. Het eekhoorntje draaide. Ja, mijn vriend, ik heb dat werk +versierd met een warm stuk van mijn innigste gedachtenleven. In den +dikken nevel almeteens pletste het brutale mannengezicht open, gelijk +een vieze vloek. Het was op het Zaterdagplein onder den driearmigen +lantaarn. Hij rookte dus uit mijnen pijp. Vraag mij nooit iets meer +daaromtrent Anatole. Ik heb u immers alles verteld...." + +Anatole vroeg evenwel nog hoelang ze met den politie-agent getrouwd was, +maar Johan wilde geen woord meer reppen. Hij stond leunend tegen het +kleine tafeltje. Zijn blonde krullen hingen verward over zijne ooren en +hij staarde op de vloer, waar de ekster een hoop witte kruimels uiteen +bekte. Anatole zong het liedje van de _Drie Gezellen_, en daarna +een ander nog, van het _Euverzwijn_. De dag was grijs en triestig +en de schaduwsluierde stille langs de muren. + + * * * * * + +Johan Doxa was nu een zeer onrustig mensch geworden. Des nachts sliep +hij niet en over dag liep hij het huis op en af, of drilde gichtig de +Lage Stad omme. Moeder Doxa merkte alweer dadelijk het vreemde verschil +en zij wist geen raad om haar pover kind tot een betere stemming te +brengen. De moedelooze toestand van Johan brak uit in zonderlinge +uitslagen. Hij werd gefolterd door pijnlijke verlangens en zijn +verbeelding was vol met duizelige tafereelen. Terwijl hij slapeloos op +zijn sponde lag, recht uitgestrekt, kwamen de mistige vormen van zijne +gedachten door de lauwte van het kamertje varen. Ze wiegelden in de +lucht zooals wuivende sluiers en ze hadden de kleur van de roomblanke +huid, waaronder zacht-roze vloeit het gloeiende bloed. Ze naderden zijne +heete lippen en hij hijgde ongelijk en de nacht rok zich uit, alsof +nooit de vrije dag zou klaren. + +Anatole vertelde hem van het lichte leven en van de jolige jeugd. Hij +zag, bij elk woord dat zijn listige vriend fijn uitteekende met zijn +naakten mond, het gebaar en de weelde van die ongekende pleizieren, +waaronder vlamt en wappert het dansende vuur van rappe passie. Hij werd +nieuwsgierig, trachtte met oolijke wendingen de verscholen +bijzonderheden te kennen en zijn geest was altijd op zoek, een versch +beeld beloerend dat uit een ongezond toeval van detailleering kon +ontstaan. Hij vluchtte al meer en meer de bezoeken van Lieven Lazare, +die, met orakels en profetieën, zijn opgejaagde hersens in de war hielp, +maar des te gretiger liep hij het bleeke gezelschap van Anatole na. + + * * * * * + +Op een dag werd besloten dat Johan Doxa naar de _Old Curiosity Shop_ de +kameraden Donkerwolck en Biebuyck vergezellen zou. Er was dien avond een +klein concert in de bovenzaal en Johan moest den triangel slaan. Zoo kon +hij alles eens goed aflonken en er zich een eigen oordeel over maken. +Ze gingen met hun drieën. Ze bereikten de bovenzaal langs een klein +diensttrapje en dit was gelukkig, want er zat veel ruchtig volk in de +grootere consommatiekamer en Johan zou nooit de krasse uitroepingen te +boven gekomen zijn, waarmede men daar zijn drollig-vet voorkomen en zijn +zeldzaam aangezicht hadde gegroet. Hij werd tusschen Biebuyck en het +klavier geplaatst en hij keek beteuterd rond. De zaal was zeer helder +verlicht. Groote elektrische klokken hingen tallenkant, gelijk ongemeene +bloemen, te stralen. De wanden waren behangen met een scharlaken +brokaat, dat tegen de zoldering langs gouden festoenen en kleine +empirekransen fronste. Spiegels hingen links en rechts in zilveren +lijsten te klateren. Drie kleine tafels stonden op het karmozijne tapijt +en groote krysanten pronkten er tenden den glimmenden hals van hooge +porseleinen vazen. Een lakei in groene livrei liep in drukte rond, +schikte de satijnen zetels en de sofa's waar rustten, als vlekken zon, +ronde hard-gele kussens. Het was erg warm. Men hoorde, in de +benedenkamer, het geraas van het drinkende volk. Een klein uur +vervloog.... + +Toen werd het teeken gegeven dat de muziek spelen moest. Ze klonk +ongezellig binnen deze ledige kamer en Johan Doxa voelde in zich eene +holle ellende, gelijk een kelder vol triestigheid. Maar de dubbele deur +werd opengeduwd en eenige bejaarde heeren traden binnen. Ze babbelden +ondereen en waren hier thuis. Ze zetten zich in de mooie zetels en de +lakei bracht kaarsen en sigaren en ze begonnen te rooken. Koffie werd +opgediend. Enkele dronken gulden cognac uit fijne hooge glaasjes. Dan +kwamen de dames. + +Ze kwamen langzaam en glimlachend. Hunne stemmen zilverden boven de +muziek heen en hunne blikken blonken dwaas door de geweldige verlichting. +Ze waren in lichte bonte dracht, bespikkeld met de glanzen van duizenden +gesteenten, en hunne armen, hunne amberen schouders, hunne ronde halzen +waren bloot. Hun boezem was beschaduwd door de mauve doezeling van een +rankje bloemen of met een teere sluier gekleurd. Ze groetten en knikten +en de heeren slurpten aandachtig aan de witte randden van de nauwe +kopjes koffie, die krullend opdampte langs hun roode gezichten. + +De lakei stond kaarsrecht, bij de dubbel deur, in heerlijk Veronèse- +groen. + +Het was omtrent dien tijd dat ook de ekster stierf op een morgen van +dien grijzen winter. Johan Doxa lag op zijn bed en zag in de rijzende +ochtendklaarte hoe zij al meteens te vleugelen begon. Ze klampte zich +ongedurig vast aan de gladde randen van den blauwen tabakspot, zakte +plots ineen, stortte voorover en rolde op haar rug. Nog bibberden hare +pootjes. Ze rok een laatste maal hare keel uit, over het berd van de +tafel, en roerde daarna niet meer. + +Johan stond in zijn hemd bij de tafel. De ekster bekeek hem met hare +scherpe oogen en het was of ze, in haar uiterste vuur, zeggen wou: +"Kerel! Kerel! wat ga-je nu doen zonder mij?" Ze stierf. + +Het zolderkamertje werd hem sindsdien een duisterheid zonder genade. +Hij kon er niet meer zitten, zooals eertijds, want, al had hij ze ook +weggegooid, daar hingen altijd het vogelmuitje en de tralietrommel en +daar zat, op zijn blauwen buik, de glanzende tabakspot. Hij sprak +hierover met de goede moeder Doxa, achter de toog van het vunzige +poppenwinkeltje, en, de volgende week, verhuisde hij. Hij betrok een +kleine kamer onder het dak, in het oude huis van de Papenveste en +schikte er zijn ijzeren bed en zijn verschilligen schildersboedel. + + * * * * * + +Het was daar een raar leventje. Straatvloers woonde de herbergier, op +de eerste verdieping huisde Julia met haren nieuwen echtgenoot, op de +tweede lawaaide de weduwe Sikkel, met hare negen kinderen, en hooger op, +onder de pannen, nestte Johan Doxa, geheel alleen. Deze verandering van +midden was hem zeer voordeelig. Hij werd rustiger, stilde in zijn +hersens de ziekelijke opgejaagdheid, die er eene monsterachtige +verbeelding voedde, en hernam zijn ronde palet. Allengerhand begon hij +klaar te zien in de troebele gronden van zijn hart en hij geraakte tot +een helder zicht van zijne liefde. Hij legde dit uit in een kort gesprek +met Anatole: + +--"Alles om mij", zei hij, "bezakt en bedaart. Begrijp goed, mijn +vriend, dat ik een ben, die de geschoren stoppelhaartjes van een baard +te tellen pleeg. Hoe heeft me die spijtige gebeurtenis beroerd en +gekoterd, ach! Stel u dat onweder voor. Nu is de roes gezonken. Ik kan +weer schilderen. Ik bemin Julia meer dan ooit, maar nu weet ik precies +hoe vurig en hoe lang. Ik ben nu ook veel gelukkiger. Wel ja! wat +glimlacht ge? Ik ga langzaam de trap op en af, en soms hoort ze mij, +en ze trekt haar deurtje open en ze knikt liefelijk of zegt met +onuitsprekelijke innigheid: "Hoe vaart ge, mijnheer Doxa?" Andermaal +ontmoet ik haar beneden, in den gang vóór de herbergzaal. Ze loopt me +nooit onbeleefd voorbij, zooals zij wel het recht zou hebben te doen, +zal u toch dunken. Zij komt ook aleens op mijn kamertje en zij wil mijne +schilderijen goed vinden. Ik werk veel om haar wat te kunnen toonen; +maar ik verkoop ongaarne, wat zij met hare lieve oogen heeft opgemerkt. +Zij zet mij nochtans tot verkoop aan, en ik kan haar niets weigeren. +Zij is, sinds haar huwelijk, zeer arm. Ik ben blij dat ik haar soms een +beetje helpen kan al is zij ook daarom uitermate verlegen. Zoo leven +wij, mijn beste jongen. Och ja! En de man, de politieagent, die is +insgelijks vrij aardig. Wij zijn goede kennissen en gaan reeds op een +vriendschappelijken voet om met mekaar. Wij drinken bij gelegenheid een +half-en-half bij den herbergier beneden. + +"Hij houdt veel van duiven, en hij doet mee aan prijskampen. Ik heb hem +dees gedeelte van mijne kamer afgestaan en, zie maar, hij heeft er een +groot duivenkot opgetimmerd dat met een witten kijker uitzicht geeft +op het dak. Wat kan het mij schelen? Ik doe dien mensch pleizier. 's +Morgens, al heel vroeg, terwijl ik nog te bed lig, komt hij de duiven +eten brengen. Ik laat mijn deur maar open en hij kan gemakkelijk binnen. +Hij kruipt op een stoel, ontgrendelt het kot en spreekt zachtaardig de +zoete beesten aan. Gaarne hoor ik de maïskorrels dansen op de houten +berden en de duiven aroetekoeën van genot. Daarna kan ik somwijlen weer +wat inslapen. Alleen de reuk hindert me.... Ja, inderdaad, mijn waarde +vriend, dat is hinderlijk. Het komt bij wijlen met vieze walmen omlaag. +Kijk! dan zet ik het venster open en loop een uurtje langs de dokken, en +'k zie nog het snoezig lachje van Julia in het deurgat, gelijk een vol +gestreel van de zomerzon. Haar man heet Firmien. Ik ben nu aan een doek +bezig dat ik voor hem bestem: het verbeeldt, in een krans van +voorjaarsbloemen, het liefdegedoe van twee aschblauwe rasduiven. Ik moet +zijne twee bestvliegers uitschilderen, zegt hij. Dat zal ik doen. Hij +wil het schilderij laten in een kostelijken lijst ophangen boven zijn +bed, en daar past het waarlijk voor. En zoo, Anatole jongen, komt de +trage vriendschap de onstuimigheid van tijdelijk misbaar vereffenen, zoo +loopt, al spelend, het zangerige beekwater de ruige keien glad. Des +Zaterdaags ga ik met Firmien in de Halve Maan een paar uren kaarten. Ik +ben hem dankbaar. Hij doet het voor mij, zegt hij, want hij zelf heeft +altijd het noodige geld niet op zak om de verloren pinten te betalen. +Men tapt in de Halve Maan een uitmuntend bier. Vooral de geuze is +lekker, maar ge moet hem aan de ton bestellen en hem stille drinken. Hij +perelt gelijk een julimorgen en hij vloeit zooals het licht van de maan, +wanneer het, bij diep-blauwen najaarsnacht, lui en weelderig uit de +violetten hemelvaten neerspoelt,--lui, en weelderig, en geluideloos." + + * * * * * + +Johan Doxa zou het nooit over zijn hart krijgen om kinderen onzacht te +behandelen. Hij leefde in groote kameraadschap met de negen kinderen van +mevrouw Sikkel. Mevrouw Sikkel zond hem de lieve bende--met uitzondering +van de drie oudsten die school gingen--telkens als ze buiten huis op +boodschap moest uitloopen. Dit had ze ook nu, binst dezen mooien +Lentenanoen, gedaan en, om de gewone dienstwilligheid van Johan niet te +misbruiken of te belasten, had ze het kleinste bengeltje medegenomen. + +De kinderen lawaaiden binnen het gekalkte kamertje en ze werden wilder +naarmate ze merkten dat Johan vrede ermee had. Ze zetten de stoelen +opeen, klauterden op de tafel, verfden mannekens op den muur en speelden +paardje op de buis van den kachel. En paar hadden voorgenomen om in het +duivenkot te kruipen, maar dit werd streng verboden. Ze hadden de kast +opengetrokken en kleedden zich aan met hemden en vesten. Ze maakten een +heerlijke pret en Johan Doxa glimlachte genoeglijk bij die leute van het +rumoerig volkje. Hij liet de heimelijke pagadders, alsof hij 't niet +merkte, aan zijne broekpijpen snokken. Hij speelde eindelijk zelf mee, +zat, op zijne knieën naar de kleinen te grabbelen en lengde zich soms +plat uit op zijn buik. De snoezige lievertjes sprongen op zijn rug, +knepen in zijne billen, trokken met zijn haar, vielen hem al tegelijk +aan en begonnen te stampen en te vuisten. Hij richtte zich moe en +zweetend op ten halve en wreef, dwaaslachend, over de roode vlekken, +welke in zijn gelaat waren geschart. Een jongetje liet een verfpot +omvallen en streek de roode kleur met een kleerborstel open. Een ander +knipte met een beroeste schaar in een fluweelen borstdoek, en had zich, +om tot dit aandachtig bedrijf gemakkelijk te zitten, op het hoofdkussen +van het bed gezet. De zon stortte door het dubbele dakvenster en de +duiven, achter de riekende berden, troetelden vertrouwelijk. Toen werd +de deur ruw opengestoken en Julia stoof rokwaaiend binnen, zoodat het +luttel kindergepeupel versteend bleef in vreezachtige roerloosheid en +Johan, als verslagen, daar onbeweeglijk zich te schamen lag. Hij sprong +dan recht en Julia viel schreiend in zijne armen.--"O Johan! mijn lieve +Johan!" + +Het was een roerend schouwspel en Johan, die alle bewustzijn verloor, +streelde met zijne bevende vingeren over haar hoofd en op hare +schouders. Pas na een dikke stonde begreep hij uit de stootende woorden +van de hopelooze Julia dat de politieagent schielijk op straat aan +beroerte gestorven was. Hij begon stille te weenen en zijn hart was zeer +aangedaan. + + * * * * * + +De dagen, die hierop volgden, slierden langs een grijze reke voorbij en +Johan Doxa herkende zijn eigen niet. Hij zat op zijn kamertje te dubben +en zijn ongemak bleef duren. Hij at niet, telde de morgens en de avonden +niet en de nachten vervulden zijn geest met beelden van onredelijke +verschrikking. Lieven Lazare kwam hem opzoeken, sprak hem van de +goddelijke inzichten, die hem hadden tot een vod van schande gemaakt. + +--"God heeft mij den weg gewezen naar uw sponde, Johan" zei hij. "Ik heb +gevoeld dat ik u vinden zou in onzeggelijke vertwijfeling en daar ligt +ge nu--een wrak van zielloos vleesch op de baren van uw opgebiechte +zinnelijkheid. O mensch, ik herhaal en ik herhaal het u: eene kwaal van +helschen oorsprong bijt u, gelijk een kanker, aan het hart. Raad ik het +niet? Maar neen, de ingevingen van den Eersten Persoon, welke mij op dit +oogenblik bezielen zijn onbedrieglijk en gij moogt niet langer weigeren +uwe zonden te biechten. Red u, als er nog tijd toe is." + +Het bleek genoeg uit de koppige stilzwijgendheid van Johan, dat hij alle +poging tot redding opgegeven had. Op een schoonen dag van het voorjaar +werd het huwelijk van Johan en Julia in de kleine Kathelijnekerk door +een korten priester gezegend. Ze kwamen op het zolderkamertje inwonen en +sleten er een gemengd leven van geluk en trage treurigheid. Johan ging +alle nanoenen slenteren langs de hooge stad, gejaagd drillend door de +straten van de Kappellewijk of opkruipend naar de steile gangen van het +massale Gerechtshof. Zijn haar wippelde haast ongekamd over zijne ooren +en zijne broek slodderde op zijne kuiten. Hij luisterde naar de piepende +muziek der draaiorgels en tuurde naar de doening van kinderen en honden +en citroenwijven. Hij had willen een schilderij maken vol met engels en +heiligen en hij peinsde dikwijls op de rijke borduursels welke hij met +goud en edelsteenen zinnens was heel ommendom de bonte fluweelen mantels +te versieren. Maar hij nam zijne ronde palet niet meer op. Hij liep de +Hooge Stad rond en daalde daarna naar de Priemstraat. Zoo volgde hij de +zware bierwagens, die er op en neer daverden, en hij deed, voor de +welriekende herbergen, de ledige tonnen klinken, aandachtig het uiterste +bier opvangend in een rood-bekleurd tomatendoosje, hetwelk hij op al +zijne wandelingen binnen zijn diepen vestzak mededroeg. + + + * * * * * + + +II + +JOHAN DOXA + +LICHTMIS + + +Het leven van Johan Doxa was zeer ellendig geworden, maar hij beleed het +met prijzenswaardige langmoedigheid en kinderlijken eenvoud. Julia zijne +vrouw, welke hij eerst zoo verduldig had liefgekregen, begon hij stilaan +te eerbiedigen. Het ontzaglijke karakter van Julia was daaraan niet +vreemd. Zij handhaafde hare autoriteit met een vreeselijk geweld en haar +mond was telkens vol schrikkelijke woorden. Nooit kwam oproerlust in het +langzame hart van Johan Doxa zwellen. Hij herkende de oppermacht van +zijne vrouw en verdroeg zoetekens hare aanvallen. Zoo verdraagt het +goede riet de ruzie van den stormenden wind.... + +Maar alopeens--in 't putje van den winter--werd Julia ziek. Zij had, na +den zomer, een korte valling opgedaan en de vele drankmiddeltjes, +geleerde pillen en geheimzinnige baaibaden, die zij te gelijk of +overhand gebruikte, brachten haar geen beternis. Met Februari moest ze +te bed blijven liggen en het uitzicht van de kamer veranderde meteen. + +Het deed Johan Doxa zeer aan, hoewel zijne vrouw door hare ziekte in +geen deele belet werd lucht te geven aan haar krakeelzuchtig gemoed. +Integendeel, zij was daarbij heviger en scherper dan vroeger, en Johan, +haar dikke man, zat dikwijls haar aan te kijken, zonder luisteren, +idioot van dubben of zeggend in zijn benauwd binnenste:--Zij is krank. +Zij moet doorgaan. Zij kan 't niet gebeteren.... En misschien heb ik +ongelijk ook?!.. + +Als het te hevig werd en de kinderen van Mevrouw Sikkel, op het andere +verdiep, meehuilden in koor, drumde Johan Doxa de kamer uit en zakte +stillekens de trappen af, de straten door, langs de Hooge Stad, op den +dool tonneklinkend. + + * * * * * + +Den Zondag van Half-Vasten kwam Anatole aan bij Johan Doxa, even na +noenstond, Anatole was de tapper van _The Old Curiosity Shop_, de +nachtbar der Bisschopstraat. Hij vond zijn vriend Doxa aan de sponde +van de gillende Julia, dewelke, seffens bij Anatole's inkomst met +aandoenlijke wanhoop te snikken begon. + +--"Kijk aan!" kreet ze, "kijk aan den vadsigen leeglooper! Hij vindt dat +ik niet gauw genoeg dood ben!... Hij wil een handje toesteken!... (tot +Doxa) Wat zegt ge?... Wat zegt ge?... Overdreven? (tot Anatole) Ge hoort +het zelf: De woestaard zal staande houden dat ik overdrijf! Nee! dat +springt de gaten uit! Hoor hem aan, Mijnheer, hoor hem aan, om de liefde +Gods!... (poos tot Doxa) wien heb ik van morgen om lijzemeel gestuurd en +wie is met een pakje macaroni teruggekomen?... (tot Anatole) 'k moet +lijzemeel pap onder mijn ribben leggen, Mijnheer, van den doctor ... +(tot Doxa) wien heb ik klokslag tien om een rolmops gesmeekt (tot +Anatole) voor mijn flauwe maag, Mijnheer! (tot Doxa) en wie is na +twaalven, weergekeerd met een platgezeten bloedpens en 'n gezicht van 'n +dulle hoornblazer?... Of denkt gij soms dat ik genezen kan bij 't eenige +spektakel van de walgelijke farokampernoelieën die uw gezicht paleeren? +(klagend) Mijnheer Anatole, bezie mijne armen, bezie mij, Mijnheer, ik +ben de schim van mezelve niet meer. Ik teer puur weg. Ik heb me +afgewerkt voor dien zatbalg daar! En nu, nu steekt hij een handje toe, +Mijnheer Anatole, om er mij wat rapper in te krijgen ... in den put ... +in den put." + +Ze ging achterover wegzakken, in zachter gekerm, maar hief zich ineens +recht op hare puntige ellebogen, en kreet het heesch uit in 't +verbijsterd gelaat van den zwijgenden Doxa:--"Wat? Wat zegt ge weer? +Dat het niet waar is? Dat ik lieg? Zegt hij dat ik lieg, Mijnheer +Anatole?..." + +Het scheen dat ze al hare krachten inspande om in eene uiterste poging +de mate van hare verontwaardiging te geven. Ze greep waarlijk met hare +tien nagels naar de rood-ronde tronie van den stillen beuzelaar. + +--"Hier uit", riep ze, "hier uit!... Ne sjanfoetter, dat zijt ge, 'ne +wijvenbeul en 'ne sjanfoetter!..." + +Daar ze nu, wezenlijk uitgeput, in de kussens thoopeviel, slierde Johan +Doxa zoetekens de deur uit en schikte Anatole de blauwe sargie tot onder +hare bevende kin. Ze had hare oogen gesloten. Hare lippen trilden nog en +hare neusvleugels roerden even. Anatole hoorde het harde getik van den +koperen wekker die, op de schouw, met hardnekkige onverschilligheid de +zonderlinge kamerstilte verried. + + * * * * * + +Op straat vond Anatole den rustigen Johan Doxa, die, zijn neus +platduwend tegen de vensterruit van den fruitwinkel, met vlijtige +aandacht de grauwe hobbels van een paar slabeten gadesloeg. Hij stak +zijne hand onder Johan's arm en zij gingen langzaam in den mistigen +vesperdag. Zij gingen alzoo een half-uur lang, zonder spreken. +Gemaskeerde kindergroepjes liepen dansend hen voorbij. Verder, in +naburige straten, hoorden zij het aanzettend carnavalgejoel en zij zagen +schoone kleuren bewegen.--Ze trokken "het Zwaantje" binnen en bestelden +een glas lambik. + +--"Sec!" zei Anatole. + +En dan alweer zwegen ze. De schuimende pinten stonden in het langblauwe +daglicht te klaren met stil-gouden gloed. Een lange man kwam rechtover +hen zitten. Hij was in een bedlaken gewonden en een scheef mombakkes +grinnikte roerloos op zijn kop. Hij had roode kousen over zijne handen +getrokken, en die lagen, vol geheimzinnige kracht, op de tafel. Men kon +geen oogen zien binnen de holten van het grijnzende mombakkes. Johan +Doxa, eer hij zijn glas vastgreep, vroeg beteuterd: + +--"Anatole, hebt ge geld?" + +Anatole knikte en zij dronken allebei. Drie vrouwen in manspak gingen +zonder veel gerucht in den versten hoek der herberg zitten. Een zwart +hondje kwam, tusschen Doxa's voeten, een handsvol garnaalsteertjes +oplikken en keek toen op, in korte verwachting. Na een tijdje drong een +dansende groep bonte jongelingen alover den engen drempel rond den toog. +De bazin had het seffens heel druk en de baas, die groot en rood was, +kwam al kouwend in het deurgat van de keuken staan, om ontzag in te +boezemen. Dat jong gedoe deed zeer vroolijk, intrigeerde iedereen op +goed val het uit, in hoog stemgegichel. Een blauw clownmeisje ging +buigen over het peinzend hoofd van Johan Doxa en vroeg: + +--"A wel! wat hei-je met uw peterselie gedaan, kalfskop?" + +Johan Doxa, geheel weg met zijne vage gedachten, antwoordde goedig, +onnoozel: + +--"Nikske...." + +En hij bezag Anatole al blozend. Toen sprak Anatole, stil in 't algemeen +gedruisch: + +--"Julia sliep, als ik de kamer verliet, weet ge...." + +Johan Doxa deed tweemaal zijn hoofd op en neder gaan. En heel natuurlijk +herbegonnen zij te zwijgen, daarbinst rechtstaande, alle twee te gelijk, +om weg te gaan. + +Ze liepen de Camuselstraat geheel door en dronken faro in _'t Wit Paard_ +bij Susse van Maries, op 't hoekje der Anneessensplaats. Van daar zagen +zij het dikke gewoel op de Henegouwlaan, de schuivende pakken van +menschen, door mekaar indringend en werkend, in traag beweeg, gelijk +dwarse zeegolven. Lachende gezichten, opene monden, grijpende handen, +'t krioelde klaar op in de donkerte van grauwe jassen en wintermouwen. +En de lichte confetti stoof op bij scheuten, in waaiers van licht of +wolkjes van lichte kleuren. Een zeldzaam geraas steeg uit die duwing +van lijven, en Johan Doxa wist soms niet of 't wel vreugde was en geen +akelig en ver geklaag van gewonde dieren, die vol nuttelooze driften +zijn.... De schenkmeid kwam midden in de herberg op een stoel staan en +stak de porseleinen bloemen van den kroonluchter aan. De herberg was +geel en de dag op de vensterruiten werd scherpblauw, violetblauw. Men +kreeg een gevoel van droeven avond. De glazen klonken over den toog en +rond de aanhoudende bierbestellingen. Een oud vrouwtje probeerde eene +groote mand met eieren, krabben en amandels van groep tot groep tegen de +tafels uit te steken. Twee zware jongens nagelden over den buik van een +mandolien en zongen italiaansche liedjes. Ze zongen er drie en kwamend +dan centen rondhalen in paarlemoeren schelpen. + +--"'t zijn Italianers, geloof ik." zei Johan Doxa suf. + +Hij zocht lang in al zijne zakken, naar een half stuivertje, dat hij +zeker bezat, zeker, zoo zeker dat als twee en twee.... Anatole sprak: + +--"Luister 'ne keer. Wat is dat nu met uwe vrouw? Is ze ziek of wat is +'t?" + +--"Ze heeft u daar nogal uitgescholden!" + +--"Nog al ... nog al...." + +--"Zeg eens ... en is dat waar, van die macaronie en die ... die...." + +--"Bloedpens." + +--"Hein?" + +Ze vertrokken. Ze gingen de wijk van Onze-Lieve-Vrouw-te-Rooje af en +dronken in de kroegen, de taveernen en de kavitjes. De verschillige +geluiden der lage stad sprongen gelijk ledige vaten rond hen. Johan Doxa +en Anatole waren afgezonderd van 't algemeen plezier en hunnen armen +hingen zwaar aan hunnen schouders. Ze bleven een poosje 't geweldig +bedrijf nagapen van een schoonen arlekijnen societeit, die, met volle +fanfaren, de straten opdreunde. Kinderen droegen rieten waaraan papieren +lantaretjes te wiegelen hingen. De veelkleurige lichtjes stippelden +aardig in den vroegen avond. Ergens ontmoetten ze, plots eenzaam, een +blinden grijsaard, die zijn hond verloren had en woest-mompelend langs +de gevels voortsukkelde. Ze waren hem al lang voorbij, als Johan Doxa +ineens staan bleef en, met een dwazen glimlach: + +--"Nu vind ik het half stuivertje", zei hij. + +Hij was er geheel blij om en hief het in de klaarte van een gaslantaren +op. Hij voegde erbij: + +--"Ik wist wel dat ik het had. 'k Had het dezen morgen in de kerk langs +mijn broekpijp die gescheurd is laten vallen, 'k Had het opgeraapt, ge +ziet het nu zelf Anatole!..." + +Een kleine nietdeug, met een mombakkes gelijk een doodshoofd, riep +achter hem: + +--"Loërik!" + + * * * * * + +Anatole sprak: + +--"'k En wil 't niet zeggen om u te treiteren Johan, maar ge zoudt toch +wat meer koeragie moeten hebben bij uwe vrouw. Ge hebt daaral niet veel +te protocollen, naar ik zie, en dat is een ongeluk voor u en voor haar. +Alles goed bekeken. Ge zijt een vijg, jongen, ge zijt een slappe vijg +... 'k zeg het in alle eere, om u niet te krenken ... kortom, een vijg." + +Johan Doxa sprak: + +--"Vermits gij het zegt ... vermits gij het zegt ... denkt ge waarlijk?" + +Hij herzette zich op de smalle herbergbank en verschoof zijn ledige +pint. Hij plante zijne voorarmen op de tafel, in de geluidlooze +kussetjes van zijne ellebogen. + +--"Anatole," zei hij, "daar is kans voor, 'k en zeg niet neen. Maar 'k +zal u iet zeggen. Ge zijt een goede vriend van me. Mijnheer Lazare is +ook een goede vriend. Kent ge Mijnheer Lazare? Hij is een uitsluitelijke +en strenge hoogpriester van Jesus-Christus. Hij geeselt mij met de +woorden van God. Gij bekoort mij met de lieftaligheid van dees driftig +leven. Gij straft mij met mijne kleine gebreken. Nu wil ik u iet zeggen. +Wat zijn wij? Wij, met ons beide die hier aan het zuipen zitten, en die +andere rond ons, dewelke vroolijk zijn. Wat zijn wij al te gare? Bekijk +de sterren en hunne onverbiddelijke harmonie. Hoe grootsch! Bekijk de +ordonnantie van onze aarde, de loop der seizoenen, het evenwicht van +lucht en grond en wateren, de voortdurigheid van al die wondere +rythmen.... Hoe grootsch! Is het niet waar? Denk daar een oogenblik aan +terwijl ge hier zit met mij. En bekijk dan het bedrijf van alle levende +dieren: de leeuw die zijne prooi zoekt, het lam dat graast, de arend die +jaagt op buit, de duif die cirkelt boven de vredige huizen, de visschen +die ondereen zoo aardig doen (ik spreek van den snoek, die alles doodt, +en van het roodvischje, dat prachtig in den helderen bokaal +rondzwemmelt), de vlinders en de lieve goudvliegkens, de spinnekop die +biddend loert binnen de raderen van haar verraderlijk net en daarbij, +Anatole, het onzichtbaar gepeupel: de beestjes die ziekten brengen en +de beestjes die ziekten afweeren ... bekijk dat ook alles eens met +aandacht.... En dan zegt gij: er zijn er zus en er zijn er zoo, en dus +is leven een groote strijd van krachten. De maan, die draait rond de +aarde, medegesleurd door haar, heeft tegelijk op haar een vertragende +werking, dat is strijd. De wateren die in hitte tot dampwolken opvliegen +en door kilte weer tot wateren vallen, dat is strijd, Anatole. De dieren +die vechten. De menschen die vechten. De menschen die vechten in passies +van allerhande aard. De menschen die sterk zijn, en de menschen die zwak +zijn. De menschen die verstandig zijn en de menschen die dom zijn. De +menschen die deugdelijk zijn en de menschen die geen zedenwetten +kennen.... Och! Och! is dat geen strijd, Anatole? En strijd is het leven +zelf. En strijd is de mirakelachtige harmonie. En strijd is waarachtig +de wet van God, Anatole. Ik ben een soort vrak, en gij zijt een soort +lusteling, en Lazare is een soort hyper-asceet. Wij zijn alle drie +noodzakelijke elementen en onze werking reikt mede tot de +standvastigheid van God's harmonie. En het moet zoo altijd zijn en +hergebeuren, want wij zijn alzoo de eeuwigheid van God's wet." + +Anatole had gedronken en sprak nuchter: + +--"En de socialisten?" + +Maar Johan Doxa wedervoer met geduld: + +--"Wij moeten ons schikken in ons lot en de plichten vervullen van onzen +aard. Wij mogen niet, hm! hm!... wij mogen niet lui zijn in onzen aard. +Wij moeten vol ijver zijn, want onze aard is een gebod dat wij vlijtig +moeten leven. Gij blaast gedurig tabak in mijn gezicht, Anatole. Neen, +steek uwe pijp daarom niet onder de tafel. Maar ik ben, geloof ik, +duister en vervelend, en gij volgt niet rap mijne gedachten. Ik wil u +iet zeggen. Ik--gij beziet mij en ge kent mij, Anatole--ik ben een +sukkel in uwe oogen en een lasteraar in de oogen van Lazare. Ik ben +inderdaad waarlijk een sukkel en een lasteraar. Zoude ik moeten een +groot artiest zijn, of zoude ik moeten een heilige zijn, of zoude ik +moeten een tapper zijn? Ik loop het loopje van een natuurlijk en +noodwendig leven. Ik ben wat ik ben, zooals, naar ik meen, een halm geen +eik is en een mier geen prijsmerrie. De blijdschappen die mij te beurt +vallen zijn de bloemen van mijn aard. Maar, Anatole, vermits ik sterven +zal zonder glorie en zonder zaligheid, ook de spijt over een zoo droeve +dood is een bloem, een zeldzame bloem van mijn aard, Anatole.... En ik +blijf dien spijt getrouw." + + * * * * * + +Ze hadden rond tien ure een groot getal herbergen bezocht. Ze stonden op +de Oude Graanmarkt. De Vlaamsche Steenweg was een krioeling van vierende +menschen. Geel en wit-blauw licht spetterde uit de vensters op het bonte +gewoel. Johan keek op naar den schoonen kerktoren die in een hoek van +het Kathelijneplein massaal en duister rees boven het licht der huizen. +Hij zag ginder hooge, den grauwen winterhemel, en hij voelde wonderlijk +de oneindige wijdte. Zijn hart ging open, vol van liefde. + +--"Nu begin ik plezant te worden," zei Anatole. En om zijne woorden +kracht bij te zetten, ging hij al fluitend aan het dansen. Johan Doxa +had groote goesting om te weenen. Hij kuchte eens en glimlachte +zachtjes: + +--"Wel, ge danst gij niet slecht, Anatole!" + +Anatole nam Doxa bij de ellebogen en schokte hem op maat van het +deuntje. Dan, haast buiten adem, riep hij: + +--"Kerel, we gaan ons maskeeren!" En ze trokken naar de _Old Curiosity +Shop_ van de Bisschopstraat, klauterden den diensttrap op en onder het +zolderdak, begonnen eene lollige vermomming. Anatole bracht de +zonderlingste kleedingstukken uit laden en kassen voor. Al bargoed, +vergeten, verloren, gestolen of in pand gelaten. + +Johan Doxa stond voor een gebarsten spiegel tusschen twee +wippelvlammende eindjes kaars. + +Hij moest zijn broek uittrekken en hij deed het gewillig, zonder denken. +Anatole zocht voor hem eene schoone maskeradebroek. Het was de +verslenste broek van de eene of de andere barmeid, fijn-linnen broek, +geheel behangen met kanten en strikken, wit was de kant en vieux-rose de +linten. Johan Doxa deed zeer angstig in die broek. Zij viel in dicht +geplooi en rijke lobben tot over zijne knieën en liet dikke braaien vrij +die opbulten boven de lompe schoenen. Anatole bezorgde witte koussen en +eischte dat, om het algemeen effekt niet te breken, Johan Doxa lage +espadrillen aantrekken zou. Deze weelderige kleedij voltooide hij met +een kelner-pitalairken, dat ongelukkiglijk te nauw was en, gelijk een +licht vleugelpaar, aan Johan's schouders hing te bengelen. + +--"'t Is wel alzoo," zei hij achteruit-wijkend, "nu uw kop!" + +Hij spande een kleine venstergordijn rond het hoofd van den braven Doxa +en bekroonde zijn werk met een ietwat inzakkende gibus. Hij zei, +weltevreden: + +--"Niemand zal u herkennen, jongen. Ge zijt een heel ander mensch, +waarlijk! maar deze gele handschoenen moet ge aantrekken, en hier is een +pompadoer-waaiertje dat ge aan een knoopje van uw habijt moet hangen.... +Zoo-oo ... all right! kijk u eens in den spiegel aan!" + +En Johan Doxa keek zijn eigen in den spiegel aan en hij wist niet aan +welk oordeel hij zich zou houden.... + +Anatole was gauw klaar. Hij gespte een paar bleeke rokken rond zijn +leen, paste, gelijk 't behoort, een groen jakje over zijne opgevulde +borst, zette een prachtigen hoed met pluimen zoo goed als het kon vast +op zijn kop en hing errond eene dichte voilette. Hij droeg, ter +volmaking van die vrouwelijke staatsie, een rood satijnen zonnescherm en +schoeide, gelijk Johan, zijne groote handen. Zoo kwamen zij op straat. + +Geweldig was 't lawaai en de drang op de Anspachlaan. De electrische +lampen klaterden over al die hoofden. De confetti sproeide uit, kleurig +en blikkerend. + +--"We moeten ons goed houden," zei Anatole, "en malkander niet kwijt +geraken. We gaan naar 't bal." + +Hij kocht in den Grand Bazar een heel klein trommeltje, dat hij op +Johan's buik met een rood touwtje hing en een rotelaar dien hij zelf den +weg door hanteerde. Johan Doxa leunde op den arm van Anatole. Hij kreeg +het tamelijk warm onder de nauwe venstergordijn en zijne armen spanden +in de te korte mouwen van zijn frak. Zijne voeten en zijne beenen waren +vrij koud geworden. Eens dacht hij aan Julia. Hij dacht: + +--"Ze is koleirig.... En ik zal geen blijde intrede hebben...." + +Maar hij ging mede met Anatole, zonder wil gelijk zonder aarzeling. Hij +was bereid om veel pleizier te hebben, zooals een leeg vat bereid is om +'t zij eender wat te ontvangen. Hij had geen begeerten, hoewel hij in +vage verwachting verkeerde. Hij was noch gretig, noch gejaagd, hij was +moe, moe.... En toch verwachte hij geen rust. + + * * * * * + +De danszaal van de Hoogstraat was schitterend van licht. Het licht +schetterde uit de vier kristallen kroonluchters en smeet uiteen in +de groote spiegels der wanden of over het goud van de ramen, de +deurlijsten, de pilaren, de zoldering. Het goud blonk voornaam. +De breede spiegels schitterden brutaal en overdadig. + +Het volk was los, woest, ontzagelijk. Men schreeuwde. Men danste. Men +sprong wild. En Anatole zei: + +--"Let nu goed op. Hier is de volle plezantigheid. Hein, wat zegt ge? +Verdekke, jongen, hier gaan we ons hart eens ophalen, nie-waar?" + +Hij kittelde Doxa eventjes onder de hoksels en hernam: + +--"We moeten, elk van onzen kant, een toertje doen rond de zaal, gij +een toertje rechts, en ik een toertje links zoodat we op deze plaats +terugkeeren en malkander weer ontmoeten. We geven malkander rendez-vous +op deze plaats. Luister wel. Gij van uwen kant zult onderweg een liefje +krijgen, en ik, van mijnen kant, ook. Alzoo zijn wij rap, elk van onzen +kant, geriefd. Allo! zie dat ge de schoonste uitkiest!..." + +Anatole ging seffens een blijden gang. Toen voelde Johan Doxa zijne +groote eenzaamheid. Toen, verlaten in deze vreugde als in eene woestijn, +voelde hij zich alleen zijn, moederziel alleen. Hij was nutteloos. Hij +bestond zonder reden. Hij veroorzaakte niets en was van niets een +oorzaak. Hij mompelde, zijn eigen aanstarend in gepeinzen, kindsch: + +--"Is de dood iets?..." + +Hij zoude zich gewaand hebben iets te zijn. + +Johan Doxa deed een toertje rond de zaal. De dansers riepen hem aan, +daar hij zoetekens omwandelde in zijn zonderling pak en zijn trommelken +onnoozel vasthield in beide handen. Maar hij trof geen liefje dat hij +scheeren kon. + +--"'t Is gemakkelijk te zeggen," dacht hij, "ze zijn hier wel een hoop, +maar 't is precies uit den hoop dat ik ze moet uithalen." + +Anatole nochtans had er een uitgehaald. Hij sprak in verbazing: + +--"Niks? Hoe is dat Gods mogelijk Johan! Ge ziet er flink uit en ge hebt +handschoenen aan. Als ge zoo voortgaat zult ge fataal eindigen met u te +vervelen." + +Hij besloot zich zelf op te offeren om een zoo jammerlijke uitkomst te +vermijden en stond zijne aanwinst gewillig aan Johan Doxa af. Hij +verdween in het licht, en de deerne zei: + +--"A wel, Mijnheer, waarmee is 't, dat ge trakteert? Of wilt ge ne keer +dansen?" + +Neen, Johan Doxa zou liefst niet dansen. Trakteeren, ja, dat zou hij. +Hij liet zich naar de drinkzaal meetronen en zette zich in een hoekje, +waar hij rustig een flesch geuze bestelde. Hij bleef een langen tijd +zonder denken. Het meisje zei: + +--"Dat moet warm zijn, Menheer, die store op uw gezicht." + +--"Ja," knikte hij dwaas. + +--"Leg hem dan maar af. Ge moet u voor mij niet geneeren. Ik heb al van +alles gezien." + +Hij vouwde langzaam de gordijn op onder zijn hoed en wees zijn goedig +gelaat. Hij glimlachte, naar gewoonte. Het meisje praatte gezellig en, +ofschoon hij niet veel antwoordde, hield zij moedig het gesprek aan. Hij +hoorde haar praten. Hij hoorde ook het roezemoezende balgerucht. Hij +hoorde de muziek, die hem bestoven voorkwam. Hij hoorde klaarder het +gerinkel van een tamboerijn met belletjes.... + +Nadat hij de derde flesch geuze besteld had, viel hem plots in dat hij +geen geld had. Dadelijk bekoelde echter het zweet, dat hem op het +voorhoofd uitgebroken was als hij bedacht dat Anatole gauw aan zou +komen. Waar bleef toch Anatole? Om tijd te winnen bestelde en dronk +Johan Doxa nog vier flesschen. Het meisje kreeg zonderlinge manieren en +eischte van haren nieuwen vriend eene uitdrukkelijke liefdebekentenis. +Onderwijl wilde Anatole maar niet opdoomen. + +--"Zie," zei het meisje, "ik heb meer domme hoofden gezien, dat is +zeker. Als ge schoon, braaf en inschikkelijk zijt--begrijpt ge, lieve +loebas?--zal ik u om een haarklesje vragen en het tot op mijn doodsbed +bewaren!" + +Hij keek haar goedjongstig aan, eenigzins angstig wordend. Het docht hem +dat hij haar voor de eerste maal aankeek. Nu pas bemerkte hij hoe ze +was: een blond wijf, niet schoon en ruw van gebaren in licht-groene +domino, vormloos. Hij sprak: + +--"Ik moet Anatole opzoeken in de danszaal." + +Hij bezag haar zoo nuchter, zijn tronie glom zoo schuldeloos, dat het +meisje, eerst fiks op hare hoede, seffens betrouwend werd en toestemde. +Hij ging log, gewild-traag. Hij drong tusschen de dansers heen en voelde +zich veilig worden. Zijn hoofd was zwaar. Hij geraakte weldra buiten +staat om Anatole na te jagen, en allerminst om hem te vinden. + +Daar werd in zijn geest de licht-groene domino het uitsluitelijk beeld +van een groot gevaar en hij moest vluchten. Hij had geen wil, die hem +weerhouden kon, geen rede, zelf geen luiheid om zijn vlucht te +vertragen. Hij liep struikelend door de straten. + + * * * * * + +Hij was de bolwerken omgeloopen en kwam nu, te laag, bij de Molebeeksche +vaart aan. Het begon te sneeuwen. De blauwe dag lichtte zachtjes over de +daken. Het water lag somber en onrustig, eenzaam de grijze kaai. + +Johan Doxa stond hijgend tegen het ijzeren schut en zijne blikken +loerden rond. Hoe bang roerde het water! Hoe vaal rees de bevende +morgen! Hoe duister en heimelijk wachtte ginds die hooge boot!... + +Hee! Hee! daar vaart een klare schim langs Johan voorbij. Het is een +lange magere schim. Een schim met roode handen. Wel! het is een man die +zich uit pret in een bedlaken heeft gewonden en met roode kousen zijne +handen heeft geschoeid. Ievers heeft Johan Doxa dien witten man onder +een scheef-onbeweeglijk aangezicht ontmoet. Wacht eens even!... Wacht +eens even! Waar was 't alweer?... + +De witte man schuift rap over de kaai. En op de brug staat eene vrouw +met een kindje. Johan Doxa zou zweeren dat de vrouw weent en dat ze het +kindje kust wanhopig. Hee! Hee! de witte man komt op de vrouw af. Heeft +ze niet gegild? Ze wil vluchten, ze wil vluchten! Ze kan niet. Ze wordt +vastgegrepen. Ze wordt omhoog getild. Ze ... ze ... God in den hemel! Ze +wordt over de brug geheven.... Ze valt!... + +Heeft ze niet gegild? Heeft ze niet gegild, vraag ik?... + +En tegen het ijzeren schut stond Johan Doxa. Hooger beeflichtte de dag. +De kaai was geheel met sneeuw bedekt. De gevels der huizen staken vuil +uit boven de schoone witte sneeuw. Het pitalairken van Johan Doxa was +besneeuwd. + + * * * * * + +--"Dat is toch zonderling." dacht Johan Doxa terwijl hij voort +opwaggelde naar huis, "dat is toch een zonderling dingen! De vrouw is in +het water verdronken en het water heeft geen gerucht gemaakt. En de +witte man ... wacht eens even ... die heb ik gezien en herkend.... Wel! +wel! wat er toch al gebeurt!... En ik heb niets gedaan om dat te +beletten. Niemand heeft iets gedaan. Waren daar nog andere menschen? +Rechtuit gesproken, ik geloof het niet. Ik had moeten toespringen. Wel! +wel! een mensch zou er kiekevleesch van krijgen, als men bedenkt wat er +al omgaat!... In 't volle van de stad jongen, in 't volle van de +stad!..." + +Hij kwam op de Papenvest en verwonderde zich dat de huisdeur, die anders +nooit zoo vroeg was ontgrendeld, op een reetje open stond. Hij strompelde +onvoorzichtig de trap omhoog. Het huis was stil. Hij keek op.... + +De verbazing van Johan Doxa, toen hij Lieven Lazare in het aangezicht +blikte, was slechts te vergelijken bij de verbazing van Lieven Lazare +zelf, die den ellendigen sukkel zag aanklimmen in zijn matte lompen en +slappe strikken. + +Tegen Johan's verwachting in verhief Lieven Lazare zijne donderstemme +niet. + +Hij zei stil: + +--"God straft u, Doxa. Zijne hand heeft uw huis beschaduwd. En Hij +verplicht u neer te kijken op uwe monsterachtige schande. Ik zwijg en +laat u over aan Hem--kom binnen." + +Zachter nog, terwijl hij Johan Doxa in de kamer duwde, sprak hij: + +--"Ik heb in gebed den avond en den nacht aan de sponde van uwe vrouw +doorgebracht." + +Het docht Johan Doxa plots dat hij geene beenen, geen armen, geen +lichaam meer had. Hij had geen gevoel van lucht, van koude of warmte. +Een harde band spande hem om de slapen. Hij zag de vier hooge kaarsen +die brandden aan de vier hoeken van het bed. + +Toen ook, daar staande in openbare dronkenschap, zag hij het witte +kussen, het witte roerlooze gelaat van Julia, de witte handen gevouwd in +vroome houding op de blauwe sargie, en het ivoren kruis dat uitarmde, +ernstig tot onder de puntige kin. + +Lieven Lazare, het hoofd buigend, zei: + +--"God beproeft ons uitermate. En Hij treft ons in onze zonden.... Laat +ons knielen, Johan!" + +En dat deed Johan Doxa gehoorzaam, maar hij dacht al door: + +--"Dat is toch een zonderling dingen, niet waar? Het water dat zoo +angstig was ... en de roode kousen over de groote handen ... en het +kindje heb ik wel gezien! De vrouw weende over het kindje.... Wel! wel +toch! Wat een rare boel!..." + +Zijne oogen bleven strak op Julia's gelaat gevestigd. Zijn geest puntte +op Julia's gelaat. + +--"Goede God!" fluisterde hij. + +Hij begon halfluide te bidden, en sloot smartelijk zijne oogen. + +De tranen, die over zijne bolle wangen rolden, vielen op het dunne leder +van het trommelken, hetwelk aan Johan's buik hing, en waarlijk scheen +gemaakt te zijn om dergelijke kleine klopjes te ontvangen. + + + * * * * * + + +III + +JOHAN DOXA + +DE BOETVAARDIGE + + +Julia werd door moeder Doxa met vroome zorgzaamheid gewasschen en gekist +en Johan begroef haar op den derden dag, zooals het behoort. Nu bracht +hij eenzame en talrijke uren om, in 't besef van zijne schuld en het +docht hem daarbij dat een zeer luid sprekende wroeging hem kwelde. +Dat duurde haast meer dan eene week. Dan verliet hij de kamers die het +tooneel waren geweest van zijne diverse huwelijkservaringen en ging +weer bij zijne moeder woonen, in het speelgoedwinkeltje van de +Zes-penningenstraat. + +Eene kleine maand later ontving hij van Lieven Lazare, den godvruchtigen +panfletschrijver, den volgenden brief: + +--"De Hemel, Johan, duldt niet langer dat ik mijn hart voor u gesloten +houd. Aldus wordt door eene goddelijke inblazing het besluit gebroken +dat ik in een oogenblik van rechtmatigen toorn ten uwen opzichte genomen +had. Misschien is het waar dat ikzelf vreemd ben aan het opmaken van +dezen brief. Misschien veracht ik u morgen even diep als ik u gisteren +heb veracht. De adem althans, die door mijne woorden gaat, schijnt niet +de mijne te wezen, en ik gehoorzaam aan eene geweldige bezieling zooals +die ander? Lazarus gehoorzaamde toen Iemand, wiens donderende naam geen +weergalm meer vindt in uw geheugen, hem gebood recht te staan uit den +dood.... Beste Johan, het blijkt dat de schrikkelijke gebeurtenissen die +God zelf voor uwe redding had beraamd, u niet tot inkeer hebben gebracht. +Het is als of niet Hij, maar de Duivel u zou tot weduwnaar gemaakt +hebben. Gij wandelt door de stad en niets in uwe houding verraadt dat +de heilige Michaël u onlangs met het bliksemende vlammenzwaard heeft +getroffen. Men ziet u rustig en kinderlijk kuieren langs de straatjes +van Onze-Lieve-Vrouw-te-Rooje. Gij blijft met welbehagen lanterfanten in +de nabijheid van spekslagerijen, en duwt uw neus tegen de ramen plat om +met gulzige oogen het afschuwelijke schouwspel van hespen en worsten op +te vangen. Gij loert de honden na, die snuffelend malkander nadrillen, +en hun cyniek bedrijf wekt uwe belangstelling uitermate. Vermoedelijk +hebt gij in den winkel van uwe beklagenswaardige moeder ook marbels +gestolen, want op het Vossenplein heeft men u zien spelen met +schoolkinderen. En elken dag, rond half-zeven, staat gij voor de _Old +Curiosity Shop_ de keukenreuken op te snuiven, en ontvangt dan door de +traliën van 't keldervenster een dampend pakje uit de hand van Anatole. + +"Ik ween van schaamte wanneer ik hoor verhalen hoe ge, ontdaan van alle +menschelijke waardigheid, in de Kapellewijk de tonnen doet klinken.... +Johan, Johan, aanzie uwe zonden, eer God de ultieme en onherroepelijke +straf uitvaardigt. Ik sta verbaasd bij 't aanschouwen van Zijne +matelooze lankmoedigheid--maar wee u! als straks over u Zijne +alverteerende gramschap losbreekt!... Ik ben gezonden door Hem, Johan, +ik kom tot u met de boodschap der Goddelijke verzoening. Nader ootmoedig +den drempel der eeuwige Kerk, Johan. Nog niet als Job draagt ge +potscherven in wonden van berouw, maar belaad nu uw hoofd met uw +mesthoop en snoer uw reistasch rond uw hart. Nader, Johan, met den stank +van uwe naaktheid en de vloeken van uwe wanhoop het gouden tabernakel +waar Krist, die gekruizigd werd, thans Zijn eeuwig leven viert. Hem +rijkdom, roem en liefde opofferen verblijdt Zijn hart niet zoo +zeer,--dat hart omkransd met doornen ...--maar offer Hem de zoete +genuchten van uwe zwakheid en de brandende lusten van uw geil vleesch: +dat is nog uw eenig bezit, en zoo, waarlijk, wordt ge de armste aller +menschen. God, Johan, heeft de armen lief...." + +Tot daar kon Johan den brief zonder bezwaar doorlezen. Nu echter begon +hij te pinkoogen en, alsof het daglicht op de letteren verflauwde, ging +hij naar het venster en boog zijn hoofd voorover, tot tegen de koude +ruit. Gouden sterretjes regenden allerzijds. Maar algauw las Johan Doxa +verder: + +--"De Heilige Geest vleugelt in mijne woorden, en ik zeg het u, +ellendige vriend: Jesus is een eindelooze zee van genade, een zee die +alle wrakken dragen kan. Neem tijdelijk afscheid van uwe moeder--wat +toch heeft eene moeder van een zoon die zelf voor God verloren is?--en +vertrek van huis. Gij zult in het Franciscaner Klooster van de +Miniemenstraat eene heilzame retraite doen. Ga. + +"Klop nederig aan de groote poort. Het is een heilig huis en pater +Hilarius, dien ik gewaarschuwd heb, zal u met medelijden ontvangen. Toef +niet. Het ontzaglijke geluid van Hem, die mijne ziel opnieuw in +lichtelaaie zet voor u, davert op mijne tong en ik roep het u toe, +armzalige Johan: toef niet, toef niet; uwe dagen zijn geteld!" + +De brief hield op te beven in de hand van Johan Doxa. De brief gleed +ritselend langs de witte venstergordijntjes neerwaarts en kwam zacht, +gelijk een dubbele vlerk, op het plankier terecht. Hij ging liggen naast +een sikkelvormige oranjeappelschil. En Johan keek op, door 't raam, naar +den hemel die lichtblauw over vuile daken was uitgespannen. Hij stak +zijne handen in zijne broekzakken. Met den wijsvinger van zijne +rechterhand raakte hij er 't benageld paviljoentje van een kletsdop. +Maar hij vond geen neusdoek om zich te snuiten. + +Johan Doxa zat 's avonds met zijne moeder in het kleine achterkeukentje +dat bij den winkel aanpaalt. Moeder Doxa had den winkel gesloten en +bereidde zich om de keukenlamp aan te steken. Johan zei: + +--"Maak geen licht, ik bid u. Ik heb u iets te zeggen, lieve moeder." + +Ze zaten aan weerskanten van de oude Leuvensche stoof, en de stoof zong, +en het was heerlijk donker. De buik van de stoof glom gelijk een +reusachtige, zacht-blozende pronkappel. Een purperen glanzing gleed over +het vriendelijke aangezicht van moeder Doxa, over hare gevouwen handjes, +over haar hoogen boezem, over haar bolle knieën,--en eenderlijk kwam +uitgloeien langs de ronde wangen van Johan, langs de mooi-versierde pijp +waaruit hij rookte, en tot op de randen van zijne lompe schoenen, die +daar nevenseen op den vloer stonden en waarnaar hij keek alsof ze +anderman's voeten omsloten. + +--"He-wel?" vroeg eindelijk moeder Doxa, en het trof hem hoe minzaam ze +was. Hij antwoordde niet seffens. Hij had de gewoonte om lang te dubben +eer hij een besluit nam en dan toch besluiteloos te blijven. Maar moeder +Doxa drong niet dadelijk aan, want ze kende haren jongen. Hij dampte +maar. + +--"Zie, moeder," zei Johan, "ik zou mij moeten beteren. Ach, ik weet +wel, gij denkt niet dat ik slecht ben. Gij weet niet, gij weet alleen +van een kindje dat ge in uw schoot gedragen hebt en dat zoetekens aan +uwe borst heeft gehangen. Maar al groeiende is hij ver van u geraakt, +en hij is nu een groote zondaar, en hij moet God vreezen." + +--"Gij zijt niet slecht, gij zijt misschien lui," meende moeder Doxa +goedig. + +--"Ja, ik ben lui," zei Johan, "en nog iets anders ben ik, maar ik ben +waarlijk lui." + +Hij bloosde erg. Telkens als hij ergens zijn eigen ontdekte bloosde hij +zoo. + +--"Na den dood van uwe vrouw," hernam moeder Doxa en zij maakte het +teeken des kruis, "heb ik gedacht: nu gaat mijn jongen weer aan 't werk, +want hij is krachtig en jong, nu gaat hij schoone schilderijen maken, en +we zullen alle twee gelukkig zijn. Ik dank den hemel dat het eindelijk +toch zoo gebeuren zal." + +Johan keek niet op naar heur en zei: + +--"Ge zijt edel, beste moeder. Wanneer ge zoo spreekt voel ik eerst hoe +diep ik gezonken ben, maar...." + +Hij aarzelde. Hij zocht naar woorden, gelijk een dronkaard naar het +sleutelgat zoekt. Hij vond in zijn geheugen een half-uitgevaagden zin +van Lazare's brief en pruttelde: + +--"... maar, moeder, Jesus is een zee van genade, waarin ... waarin ik +zou kunnen verzuipen ... als ik niet oppas." + +--"Ja, Jesus is zoo goed als men maar denken kan." + +--"Zoo zegt ge. En nu moet ik in de Miniemenstraat, bij de Capucienen +eene retraite doen. Dat duurt nog al lang. Ik weet niet hoelang dat het +eigenlijk duurt." + +--"Lang?... En wat is dat dan, eene retraite?" + +--"Eene retraite?... Weet gij niet wat eene retraite is, moeder?" + +Hij vond het heerlijk dat moeder Doxa zoo luchtig de boodschap aanvaardde +en omdat zij, de goede ziel, zelfs niet wist wat eene retraite was, +lachte hij stille hare lieve onwetendheid tegen. Maar hij wist ook niet +wat eene retraite was. + +--"Kom, kom, moedertje," deed hij, "bekommer u niet om mij. De paters +zullen mij niet opeten. Ik moet een beetje boeten, een beetje te +communie gaan en mis hooren, en dergelijke meer. Ik kom zoo frisch als +een botvink terug." + +Hij betastte zijn wegend buikje en zag de kleine vleeschkuiltjes van +zijne handen rozig aanglimmen onder de heete kaak van den kachelpot. +Inderdaad geloofde hij zelf niet wat hij daar vertelde. In zijne meening +moest de retraite iets schrikkelijks zijn, vermits Lieven Lazare ze hem +als eene straf opgelegd had. Hij had er den heelen middag met angst over +nagedacht: het klooster zou hem eene donkere gevangenis zijn en de +Franciscanen akelige cipiers. Hij moest er voorzeker op roggebrood en +lauw water leven. Er was daar geen lucht. 's Nachts hoorde men er +vreeslijke geraamten rammelen, en 's morgens moest men naakt in zijn +celletje staan en er zichzelf met knoestige riemen afranselen. Hij +betastte zijn buikje als om het voor eeuwig vaarwel te zeggen, met een +zucht.... + +--"En wanneer vertrekt ge?" vroeg moeder Doxa. + +--"Morgen vroeg." + +--"Ha!... morgen vroeg." + +Beide verzonken in gepeinzen. De moor zong nu ook, die op de stoofbuis +stond. + + * * * * * + +Na een nacht vol ijselijke droomen, rees Johan Doxa uit zijn bed. Het +was een grijze dag. Achter het kleine vensterken nevelde een +miezelregen. Terwijl Johan zich aankleedde en precies op het oogenblik +dat hij zijn hoofd voor de eerste maal in de waschkom gestoken had, +begon waarlijk zijn druppende neus in de lucht om te snuffelen. Er ging +ongetwijfeld door de kamer een smakelijke geur van spek en eierkoek. + +--"Dat is raar," dacht Johan Doxa. Hij was gauw gereed en kwam de trap +af. De keuken dampte van weelde. + +--"Moeder," zei hij, "gij zijt al te goed." + +Maar moeder was bezig aan een groot pannengedruisch en knikte hem +lachend tegen. Daar stond feestelijk op tafel het prinselijk gerecht. + +--"Moeder, ik zal het nooit vergeten...." + +--"Gij dwaze jongen," zei de moeder, "zwijg maar liever en eet." + +Hij at tot zijn ronde kin ging glanzen en toen hij gegeten had en, +rechtstaande, hem het aardige gevoel der spannende broekgesp omdeed, nam +hij zwijgend zijn hoed aan den kapstok. Moeder Doxa stond te midden van +den vloer en glimlachte. + +--"Allee, beste Jan," sprak ze, "ga nu--ik heb Onze-Lieven-Heer voor u +gebeden." + +Hij kuste haar en ze stopte hem rap een vijffrankstuk in de hand. Hare +vingeren beefden. + +--"Neen, neen," stotterde Johan terwijl zijn hart in tweeën brak. + +--"Ssjt! mijn jongen ... ik kan ze nu beter missen ... dan gij." + +Ze vergezelde hem tot op den drempel van het winkeltje. De dag aaide +langs het speelgoed om haar. Johan kuste haar nogmaals en zei: + +--"Goedendag, lieve moeder, tot weerziens." + +Ze knikte aldoor met heel kleine oogjes, en, plots, wendde zich af, naar +binnen. + + * * * * * + +En door het mottige weer begon Johan zijn boetvaardige reis. Hij stapte +op langs kleine steegjes en zou gauw de Miniemenstraat bereiken. Reeds +was hij het Vossenplein voorbij en zag, boven een lagere brokkeling van +daken, het fijn uitgesneden klokketorentje der Kloosterkapel. Hij bleef +staan, als om zich te bedenken. Hij bedacht zich en bleef gedachtenloos. +Kleine verschrikkingen schoten als electrische schokjes door zijn +lichaam, en toen kwam een licht bedaren in zijn hoofd dat zei: + +--"Ge hebt nog een beetje tijd, Johan, waarom moet dat alles zoo vlug +gaan?" + +Ook voelde hij nu het vijffrankstuk op de palm van zijne hand plakken en +hij trof dadelijk eene prachtige uitkomst. + +--"Ik heb daarbinnen," beweerde hij, "geen geld noodig--geld is duivels +goed, en moederken kan ik gelukkig maken met 't een en ander, dat ik +haar opsturen wil." + +Het klokketorentje verdween uit zijne oogen en hij stapte links om, naar +de Steenpoort en de Groote Markt. + +Op den Steenpoortweg stonden er karretjes met mosselen, met citroenen, +met oranjeappelen en met groenten. Hij keek er niet naar om. Hij ging +voor de peperkoekwinkels staan en begon met kinderlijk welbehagen te +kiezen. Hij koos een peperkoek dat in den vorm van een mooi hart was +uitgesneden en op de randen geheel met lekkere fruitschellen omlegd. +Hij besloot binnen te gaan, maar wilde vooreerst uitkijken naar een +loopjongen, die het geschenk aan moeder brengen zou. + +Er liepen daar vele jongens rond. Johan Doxa beproefde om op hunne +gezichtjes te lezen hoe eerlijk ze waren, en hij bevond dat hij behoefde +daaromtrent waarlijk zeer ongerust te zijn. Eene gelukkige ingeving +dreef hem naar een kleine kroeg, waar hij een druppelken brandewijn +dronk. En luttele beslissingen wisselden malkander ondertusschen af in +zijn geest. De kroegbaas zei: + +--"'t En zal vandaag niet ophouden met regenen, kameraad." + +--"Dat zou ik ook gelooven," antwoordde Johan Doxa. + +Een vochtig gevoel kwam over hem, en hij bestelde een tweede glaasje, en +naderhand een derde. Dan, terwijl hij betaalde, zag hij moeder's +zilverstuk plots op den toog liggen. Gedurende één oogenblik haatte hij +het wisselgeld dat hij ervoor terug kreeg. + +Hij bedacht nu dat er in de Boterstraat meer fijne winkels waren en +daalde langs de Steenpoort naar de middenstad. Een zwaarbeladen +koolwagen rolde hem vóór. Bij elk geschok der trage wielen rolden +stukjes glinsterend kool over de zwarte berden. Er viel ook een groote +brok en Johan raapte haar op en bracht haar bij den voerman. De voerman +had een ruigen rosten baard en stak zijne breede hand uit, bespannen als +met een bruin-lederen vel. Toen struikelde het paard en stortte voorover +op de steen en. De kar dook met hare lompe tremen die ze met een doften +slag sloeg tegen den grond. + +--"Nondidju!" vloekte de voerman. + +Er was seffens een groote toeloop van menschen. Een man ging met zijn +knie op den kop van het paard zitten. De riemen werden haastig ontgespt. +Stemmen klonken dooreen. Een politieagent dreef het aanzwellende volk +achteruit. Johan Doxa stond met het groote stuk kool in zijne armen. +De politieagent riep in zijn verschrikt gelaat: + +--"Wilt ge, potverdomme, de kolen laten liggen, gauwdief!" + +Johan werd de prooi van eene geweldige aandoening; zijn last rolde over +zijn buiksken aan zijn voeten en hij wilde vluchten. Hij week door de +menigte heen. Hij voelde van allen kant oogen op hem gestoken en +kinderen schreeuwden hem achterna. Hij kwam in een klein ledig straatje, +gelijk een drenkeling een oever bereikt. Hij zat nu in een herberg zijn +eigen te betasten en met langzame proefnemingen de zekerheid op te doen +dat hij nog armen had en beenen en een hoofd. Zonderling grijnzend +lachte hij de waardin tegen die, gelijk een afschuwelijk gevaarte, naar +hem toe stapte. + +--"Dat zijn dingen, hee?" stamelde hij onnoozel. + +En daar de waardin, zonder begrijpen maar met zachte gedienstigheid, +medelachte bestelde hij eene flesch geuze-lambik, en vroeg bang: + +--"Wilt ge ook meedrinken, als 't u belieft?" + +Ze wilde wel. Ze kreeg een kokette blos, die haar goed stond, en ze +dronken samen. De waardin bekeek haar eigen in den spiegel, die recht +over den toog hing, en schikte vluggelings de krulhaartjes op hare +slapen. Ze had dikke armen. + +--"Ik geloof," zei Johan vriendelijk, "dat die regen van den heelen dag +niet meer ophoudt." + +--"'t Zou wel kunnen," zei de waardin, "de barometer zakt." + +--"Ja, 't is ook 't seizoen," hernam Johan. + +De waardin reikte hem den tooghanddoek over en meesmuilde: + +--"Ge zijt een beetje vuil over uw voorhoofd." + +--"Ikke?" + +Hij was zoo vuil als iemand zijn kan, die voortdurig met twee koolzwarte +handen in zijn beregend aangezicht heeft gewreven. Uit schaamte vroeg +hij een tweede flesch geus. En ze dronken. En ze praatten over kleine, +ledige zaken. + +Johan Doxa vertrok bij noenstond. Toen hij te midden van de Groote Markt +stond, vroeg hij zich af wat hij hier kwam doen. Hij keek wonderlijk op +naar de gulden gildehuizen. Den top van den stadhuistoren zag hij niet, +die onder de natte miezeling in eendere grijze kleur verging. Hij duwde +zijn hoed tot tegen zijne ooren en stelde vast dat hij honger had. In de +nauwe Peper-en-Zoutstraat trof hij eene bescheiden gelegenheid en hij at +er substantieel genoeg, schoon zonder gulzigheid, gelijk het hem docht +dat aan een zondaar in pelgrimstocht betaamt. + +--"Thans," mijmerde hij binst de koffie, "bezit ik nog twee en twintig +en een halve cent, en ik weet waarlijk niet wat ik ermee zal doen." + +En, voor hij naar het Klooster der Miniemenstraat toog, dronk hij ermee +een grooten druppel cognac, want zijn moederken had hij, ik weet niet +hoe, geheel en al vergeten. + + * * * * * + +Hij vatte beslist de koperen schelknop. De luide bel weerklonk meer in +het hart van Johan Doxa, dan in de wijdgalmende vestibule. De +pater-poortier die eerst het spioenraampje had opengeschoven, opende nu +ook de zware deur. Het Klooster gaapte in het aanschijn van Johan Doxa. + +--"Kan ik," vroeg hij met bleeke stem, "den eerwaarden pater Hilarius +spreken? Ik zou gaarne eene retraite doen." + +De pater-poortier was, buiten Johan's verwachting, zoo minzaam als men +zich denken kan dat ooit ter wereld een kloosterpoortier mag zijn. Hij +had eene uiterst discreete houding en, ware 't niet dat zijn gelaat +hoog-gezond opbloeide boven den zwarten baard, scheen uit loutere +welgemanierdheid weg te schemeren in de schaduw van de poort. Het +bloeiende gelaat echter glimlachte en twee fijne muis-oogjes daarin +wenkten vriendelijk: "welkom ... welkom...." + +De zware deur, die achter Johan met een eiken klop dicht kwam, sloot +meer dan het somber gebouw: het docht hem dat de gansche wereld nu voor +altijd was gesloten. De pater-poortier ging voor en leidde Johan Doxa in +eene kleine spreekkamer, die ineens vol blauwig licht was. Er stonden +een paar nederige stoelen en aan een witgekalkten wand hing een groote +Kruislieven-Heer. Daar liet men hem alleen, ruim drie kwartier-uurs. Hij +draaide zijn natten hoed stille in zijne handen. Hij stond in een ring +van regendroppen, die gelijk donkere starretjes rond hem waren gespreid. +Er walmde een muffe salpetergeur. + +Pater Hilarius had een streng, doch niet weerbarstig uitzicht. Een +grijze ronde baard, wat stoppelig, omkleurde een mat gelaat waar +grauw-groene oogen als dood lagen en dat alleen--dan heel sterk--bezield +werd door den vorm- en schaduw-rijkdom van een geweldigen arendneus. + +--"God zij met u," sprak pater Hilarius, "zijt gij Johan Doxa? Ik ben +Hilarius." + +Johan keek onwillekeurig om. De stem scheen uit de muren te vallen. Hij +zou er in elk geval een eed op gedaan hebben dat ze uit den roerloozen +mond van pater Hilarius niet viel. Toen echter deze pater voortging met +eene lange rede waarin de naam van Lieven Lazare, van Jesus, van den +heiligen Franciscus beurtelings voorkwamen, heroverde Johan van +lieverlede de kluts die hij kwijtgeraakt was. Hij besloot maar te +berusten in het onvermijdelijke, liet zich gewillig bepreeken, knikte +moedig de les toe waaruit hij geen ander nut zou trekken dan dat hij +zich bereid voelde zelfs tot den dood. + +Pater Hilarius, nadat hij uitgesproken had, zei: + +--"Gij zijt dweilnat, dunkt me. Ge moet eten en u verwarmen. Volg me." + +Het was minder een gevoel van eerlijkheid dan de vrees voor wat hij hier +te eten zou krijgen, die er Johan toebracht ineens den pater bij de +harde mouw te pakken. + +--"Nee," deed hij angstig, "ik bid u, geen eten. Gij zijt al te goed." + +Hij kwam in eene ruime zaal. Er was een breede schouw met een lekker +vuur. + +--"Zet u, en warm u," zei de pater. Johan zette zich en bleef daar weer +nagenoeg drie kwartier-uurs alleen zitten. Hij werd heerlijk warm en +zijne bolle kaken gloeiden. Het werd zoetekens avond en Johan zag een +prachtigen zonsondergang in de laaie karbonkels van den open haard. Hij +werd eindelijk zoo rustig als een onschuldig mensch. + +--"Pater Hilarius is vreeslijk mager," dacht hij op slot van rekening, +"maar de pater-poortier is zoo vet als een das." + +Hij kon bijgevolg nogeens zijn eigen buikje zonder voorbarige +benauwdheid in oogenschouw nemen en wachtte gelaten de gebeurtenissen +af. + + * * * * * + +De klok uit het torentje begon te kleppen. Pater Hilarius verscheen en +noodigde Johan Doxa uit om mede in de Kapel lof te hooren. Johan heeft +zich daar overdadig vermaakt. + +Niets ooit in zijn leven had hij gezien dat zoo mooi was als het kleine +kerkje. Het kerkje was geheel omdaan met eene fluweelen donkerheid, +waarin de bevende glanzing van fraaigeregelde kaarsenreken speelde en +aarzelde en langs gouden diepten zwevend verging. Maar stilaan zag Johan +in de zwaarpurperen schemering de dikke pilaars opklaren en ginder hooge +wattige gewelven dragen. De muren begonnen zacht te glimmen. De outer +werd zichtbaar en heerlijk. En alles, al wat hij zag, was met wondere +polychromiën versierd. Het werd hem, hoe meer hij toekeek, zoo rijk en +koninklijk dat zijn hart er week en gulzig bij aan het dansen ging. + +Dan, al rondom hem, herkende hij de ronde bruine ruggen van de +capucienen. De orgel zette aan. De Kapel kwam vol met vleugeltjes van +vogels. + +--"O God," bad Johan Doxa gevoelig, "ik zou willen een pater zijn!" + +Hij verachtte zijn baardelooze kin. + +Maar na den dienst werd hij, langs duistere gangen, in eene nauwe cel +gebracht. Men hing een damping kaarslantaarntje aan zijne hand, en +wanneer hij alleen was, voelde hij eene bittere triestigheid zijn +gansche wezen overvallen. Waarom moest dat nu zoo gaan? Waarom moest hij +verlaten wezen? Waarom hadden die menschen zulke kleine hokjes gemaakt? + +Hij ging op het ijzeren beddeken zitten en blies de kaarslantaren uit. + + * * * * * + +Johan Doxa, neerliggend in den donkeren avond, volgde met luien geest +een varenden snoer van gedachten. + +--"Ik geloof niet," mijmerde hij, "dat er voor mij in dees Klooster eene +uitkomst is. Ik ben te zeer beladen met zonden. Van het drooge brood, +dat men mij als een prop in de keel zal steken, spreek ik niet. Maar het +pompwater? Wanneer ik zal tot op de pees uitgedroogd zijn, en wanneer ik +zal bezig zijn mijne ribben te tellen, wat rest mij dan nog dan dood te +gaan? Ik kan mij nauwelijks inbeelden dat Onze-Lieve-Heer zich meer wil +erbarmen over een pannelikker dan over een smeerbuik. Maar Zijne +inzichten zijn verborgen en ik ben inderdaad door en door slecht. Ik zal +bidden om veel moed te krijgen, en God helpt niet waar men zijn eigen +niet helpt. In deze gevangenis zal ik wel eene spinnekop vinden, en ik +wil ze tam maken en haar allerhande kunstjes aanleeren. Het lieve dier +zal mijne gevangenschap bekoren. Ik zal een aardig wagentje bouwen waar +ik haar inspannen kan. Zij zal aan een fijne draad 's nachts komen +hangen boven mijn aangezicht. Ik houd niet veel van muizen, anders zou +'k gaarne ook een muisje dresseeren. De staart van eene muis is zoo vies +dat ik er niet aan denken durf. Ze zullen mij waarschijnlijk groote +latijnsche boeken geven om in te lezen. Roode en zwarte letters zijn +mooie dingen, maar ik zal toch niet lezen in zulke boeken, vrees ik. +Zullen ze ook een doodshoofd aan mijn voeteinde leggen? Er zijn twee +dingen die ik, behalve een doodshoofd, voor mijne oogen niet verdragen +kan: een zeisen en een zandlooper. Ik heb mijne pijp thuis gelaten. Dat +is heel goed zoo, Johan. Die menschen weten van geen tabak te spreken. +Altijd wierook, altijd wierook. Wanneer mijne retraite uit is, hoop ik +dat Anatole mij weer eene van die dikke sigaren mag geven, gelijk de +oude heeren smooren in de _Shop_. Maar ach! ach! ik zal nooit van mijn +leven meer kunnen rooken!... Morgen komen ze met koorden aan en ik zal +mij moeten kastijden ten bloede. Ze zullen azijn over mijn mond gieten. +Ik zal blootsvoets naar de kerk gaan.... Wanneer heb ik den laatsten +keer mijne voeten gewasschen?" + +Hij lag zeer rustig. Er zweefden nog twee drie lichte gedachtekens +voorbij en hij fluisterde: + +--"Sakkerloot...." + +Toen sliep hij vast in. + + * * * * * + +De Kloosterklok was bezig met volle geluid als Johan Doxa wakker schoot. +De cel was vol licht, alsof daarbuiten een liefelijke Lente gebeurende +was. En waarachtig: door 't kleine raam zag Johan een stuk hemel +heerlijk-blauw, bespot met witte krullende wolkjes en overstraald met +zonnegeweld. Hij ging op zijn bedde staan en keek uit langs het venster. +Wat zag hij daar voor moois?... + +De binnentuin van 't Klooster lag vierkant tusschen de met mos en veil +begroeide gevels te leven in prachtig kleurengedoe. Er was veel laag +groen waar zes ronde perken tulpen bloeiden. Net geteekend en effen van +verve, ringden er omme de safraangele kiezelpaadjes. Van uit Johan's +venster, leek de tuin een vurige rozet, gelijk men er vindt op bonte +ramen van kathedralen. Als een bruine mier kroop een pater-hovenier er +over. Zijn rozige schedel was gepolijst. + +Toen werd Johan Doxa vervuld met eene eindelooze vreugde. + +--"Hee-la!" riep hij luid. + +Hij schrok bij den klank van zijne stem en trok zich schielijk terug. +Daar zag hij een rosten capucien op de zuil van zijn celletje staan. + +--"Goeden morgen," zei de capucien minzaam, "ik ben de pater-hotelier." + +Van uit de hoogte waar hij zich geheven had, keek Johan Doxa hem aan, +plotseling duizelig wordend. Langzaam hurkte hij op zijn bed neer, in de +meening dat zulke trage inkrimping wellicht ongemerkt kon gebeuren en +hem maken tot een fatsoenlijk mensch van normale grootte. De capucien +stond goud-rost als een najaarsmiddag. Zijn kastanje-oogen blonken in +een besproet gelaat dat weelderig was omhangen met een baard van duizend +kurkvormige krullekens. Het was alsof een late zon schuin aanglom over +heel dat harig hoofd, en over 't gele haar ook van zijne sterke handen. +De capucien was dik en wel te pas. + +--"En wat zoudt gij nu willen eten?" vroeg hij. + +--"Willen eten?... Ha! willen eten, zegt gij...." + +--"Ik heb hesp en Zwitsersche kaas en goede boter en roommelk. De koffie +is klaar. Maar ge kunt ook thee krijgen. Onze thee is niet al te best, +moet ik zeggen." + +Daar de pater-hotelier glimlachte, lachte Johan Doxa mee. Hij lachte +gedwongen, al peinzende: "dat is een geestige keukenbroeder, die aardige +namen aan zijn pompwater geeft." + +--"Ik zal koffie gebruiken, en hesp of zoo...." zei hij gekscheerend. + +Maar hij viel niet omver van verbazing, toen, na de korte vroegmis, de +heerlijke pater-hotelier hem voor een frisch-blanke tafeltje deed +aanzitten, waar een soliede ontbijt was opgediend. Johan Doxa, moet ge +weten, is nooit in zijn leven zoo verbaasd geweest dat hij ervan omver +zou vallen. + + * * * * * + +Na drie dagen besloot Johan Doxa de overtuiging te aanvaarden, dat een +retraite bij de Franciscanen eigenlijk behoorde tot een der aangenaamste +tijdkortingen van de wereld. Hij kon zonder moeite gehoorzamen aan de +regels van den huize, volgde gewillig alle kapeldiensten, hanteerde +zoetekens zijn dikken paternoster en bladerde devotelijk in zijn +kerkboek. Dagelijks moest hij een apart en stichtelijk sermoontje hooren +van pater Hilarius, en hij deed het zooals een zieke de siroopdrankjes +van den doctor inneemt. Maar zijn groote vrienden waren de kale +pater-hovenier en de haar-rijke pater-hotelier. + +Den pater-hovenier hielp hij de vele tulpen verzorgen in den zymetrieken +tuin. Hij reekte en sproeide en weerde het kleine woekerkruid. Ze +verstonden malkander goed, ofschoon de oude capucien geen woordje sprak +en alles zwijgend te beduiden gaf met bevende gebaren van zijn +voorzichtige hand. Te zamen versierden zij met klaterende bloemen de +Lente die in den tuin van dag tot dag gulziger aan het leven ging. + +De pater-hotelier echter zat in het hart van Johan Doxa gelijk op een +troon. Hij was ook de majordoom van zijne maag. Hij kon dingen bereiden +die de herinnering aan de geuren van de _Curiosity Shop_ geheel +uitvaagden. En hij had een wijnkelder. De retraite-verordeningen, zooals +de pater-hotelier ze uitvoerde, waren zoet om dragen en indien +God-de-Vader uit den hemel op Johan in dien tijd heeft neergezien, dan +heeft hij moeten vaststellen dat deze boeteling zich gedwee aan al de +gestrengheid der orde-geboden heeft kunnen onderwerpen. Een +voortreffelijk berouw was blijkbaar het mystieke sieraad van zijne ziel, +want het geweten van Johan Doxa was nu geleedelijk zoo rustig geworden, +dat--om het met een stoffelijk beeld uit te drukken--zijne broek buiten +alle verhouding te spannen begon. + +De zevenden dag besloot pater Hilarius zijn familiaire preek met een +voorstel dat Johan in verrukking bracht. Hij sprak: + +--"Ieder moet den Heere loven naar zijne vermogens, mijn zoon. Even +eerbiedwaardig als het statige lied van den nachtegaal, klinkt in zijne +ooren de drooge roep van den krekel. Al wat ter eere van God opgaat in +dank, behaagt Hem uitermate. Daarom dunkt mij, Johan, dat gij zoudt +moeten denken aan het werk, waarmede gij Hem naar uwe beste krachten +huldigen kunt. Ik meen bij voorbeeld--een schilderij...." + +De tranen schoten Johan in de oogen. Hij omhelsde den pater niet, omdat +hij zelden iets deed, waartoe hij vast was besloten. + + * * * * * + +Johan Doxa miek een schilderij. Het moest naar het aanvankelijk ontwerp, +worden een beeld ten-voete-uit van den Heiligen Franciscus en het zou op +den grooten outer van de Kloosterkapel prijken. Maar het werd een kleine +Jesus, blond en rozig, gezeten op een kussen van weidebloempjes, de eene +hand rustend op een blauwen wereldbol, de andere zegenend ten hooge +geheven. Het hangt thans links in het kerkje, rechtover den preekstoel, +als een ex-voto van blijvende schoonheid, voor alle tijden.... + + * * * * * + +Terwijl Johan Doxa bij een hoog raam aan het schilderen zat, kwam de +pater-hotelier op geregelde uren met hem een praatje doen. + +Bij voorbeeld bracht hij hem een bruin-geboterd kipje en zei: + +--"De pater-hovenier is nu met jacynthen bezig. Ik houd in het geheel +niet van hem, Johan." + +--"Ik hoop dat ge u vergist." + +--"Ik houd niet van wat hij is, wil ik zeggen. Hij is een +vrijheidschender. Hij zet al de lieve bloemen in perken, gelijk men +kinderkens in kerkers zou steken." + +--"Bloemen voelen dat niet. Zij bloeien maar...." + +--"Wie weet? Vogeltjes sluit men ook op, en zij zingen maar...." + +Johan liet zijne vork op den rug van het kipje rusten en keek verwonderd +naar den pater. Hij dacht aan een vinkje dat hij overlang bezeten had en +dat in zijn kooi was doodgegaan. Werktuigelijk zei hij: + +--"En een eekhoorn houdt men wel eens in een traliëntrommel gevangen, en +hij danst maar...." + +Hij wendde zijn aangezicht naar 't open venster en blikte in het wijde +azuur. En de pater vroeg: + +--"Hebt ge geen eetlust, beste Johan?" Neen, hij had geen eetlust. Hij +hoorde verre geluiden over den hemel gaan. En het werd hem ineens zoo +droef te moede, zoo droef te moede, zoo eindeloos droef te moede.... + + * * * * * + +Op een zondag-avond, na 't lof, lag Johan Doxa in zijne cel, op het +nauwe ijzere bed. Het Klooster sliep. Johan lag met open oogen tusschen +denken en niet denken. Was dat mijmeren? Was dat rusten? Voor de eerste +maal sinds zijne aankomst bij de paters, lag hij zoo en glariede in de +duisternis. Er kwamen geen beelden op, maar iets heel warms, gelijk eene +onzichtbare pels, omdoezelde hem gansch. Zijne voeten en zijne handen +gloeiden, en langzaam vergingen ze in donzigheid, en hij zou ze niet +kunnen verroeren, want had hij nu nog handen en voeten? Hij voelde zijn +eigen niet meer. + +Het vensterken was niet dicht. Hij hield hel open omdat, van af +eergisteren al, een zwaluwenpaar hier rond vleugelde, een hoekje zoekend +om hun nest te bouwen. En van heel wijd naderde hem een wolk van wattige +gepeinzen, tot hij, buiten alle verwachting, werkelijk te denken begon. + +--"Van waar komen toch die zwaluwen, ieder jaar?" + +En de wolk dreef op, in langzame vaart. Ze zweefde over lage landouwen, +over steden en dorpen, over wouden en stroomen, over bergen van groen en +bergen van sneeuw, en dan daalde ze glijdend en voer over zee, de +matelooze, ruischende zee. + +Plots ontlook in de stilte een verre muziek. Ze breidde zich uit en +ontwikkelde allengerhand zeer hoorbaar hare blijde cadensen. Ze vulde +weldra de lucht met zwellende klankondulatiën, en Johan kon eindelijk +herkennen wat daar een fluit deed, een klarinet, een koperen hoorn, een +brommende trombone, en al zulke plezante tuigen meer. Een trom klopte de +rythmen. 't Werd kermis, kermis in de stad--kermis in de ledige ziel van +Johan Doxa, die, met één schok, zijne handen weerkreeg, en zijne voeten. + +Hij zag nu, alsof hij er bij meehuppelde, den ommegang van de fanfare in +Onze-Lieve-Vrouw-te-Rooje-wijk. Hij zag de kinderen dansen, hij snoof de +vetwalmen der oliekoeken en den stikkenden rook der fakkels. Hij zag de +ruiten der herbergen branden en flappende vlagen kleuren in den gloed. +Hij zag de mannen en de vrouwen.... + +Hij zag de vrouwen. God vergeve hem, hij zag ééne vrouw, eene met +krullekens voor hare slapen en die, met bloote armen, twee schuimende +pinten geuslambik bood. + +--"Wilt ge meedrinken, als 't u belieft?" vroeg Johan. + +En ze zei terwijl ze op hem afkwam met den tooghanddoek: + +--"Ge hebt u een beetje vuil gemaakt, geloof ik." + +Hare stem was wonderzoet. Nu naderde ze minzaam en lachte in zijn +aangezicht. En Johan draaide zich gauw om in zijn bed, vatte wanhopig +zijn hoofdkussen in beide armen, en pletterde daar zijn mond tegen, om +'t huilen te smoren dat onweerstaanbaar uit zijn hart opjoeg. + +--"Moeder! Moeder! Moederken!..." kloeg hij. + +En dat duurde een heelen tijd zonder dat het baatte. + +Toen het schilderij af was, verklaarde Johan Doxa dat de retraite hem +voor goed van al zijne slechtheid gezuiverd had en vroeg hij om zijne +uiterste biecht te zeggen. Met één woord: hij wilde uit het klooster +weg. + +Pater Hilarius hoorde de biecht, een mooien middag van April, even voor +vespertijd. Johan ging met hem in de schoone Kapel, knielde voor den +outer en verdween in het donkere hokje, waar hij, tegen een plank met +gaatjes, woorden prevelde in het oor van zijn biechtvader. Dan moest hij +onder het groote Kruis-Lieven-Heer gaan liggen en met zijn voorhoofd +lang die koude vloertichels raken. Eindelijk hoorde hij de vespers +zingen. 't Was uit. Hij nam afscheid van de Kloosterlingen, waaronder +velen hem liefdelijk behandeld hadden. Hij nam met melancholische +hartelijkheid afscheid van den ouden pater-hovenier, die hem drie +zeldzame begoniabollen ten geschenke gaf. En zijn gemoed kwam nog even +vol toen hij in de vestibule afscheid nam van den gulden pater-hotelier, +die zijne zware handen op Johan's schouders legde. De pater-hotelier +zei: + +--"Vaarwel, lieve vriend. Ik zal steeds u in mijne gebeden herdenken. +Van menschen zooals gij, Johan, gewaagde Krist toen hij ergens de +Pharizeërs toeriep: "Laat af, gij die schraapzuchtig zorgt voor den +dag van morgen!" God, toen hij de Toekomst schiep, schiep ook de +Voorzienigheid, en beide blijven in Zijne handen. Ga, Johan, onbekommerd +uwen levensgang. God spijzigt de vogelkens van uur tot uur. Waarom zou +Hij u niet spijzigen?" + +Hij drukte Johan in zijne armen en zegende hem.... + +Daar stond met zijn zwarten baard en rozig gezicht, de goedige +pater-poortier vergeefs zijn best te doen om in de schaduw van pater +Hilarius te verdwijnen. Johan hoorde zonder ongeduld een laatste +sermoen, een klein deur-sermoentje maar, vol liefelijke en lichte +dingetjes, gelijk van een chirurgijn, die een patiënt op krukken +doorzendt, waarvan hij een been of zoo heeft afgezaagd. Dan stopte pater +Hilarius hem een papieren omslag in de hand en fluisterde, +half-wegloopend: + +--"Van den prior ... voor het schilderij ... adieu! adieu!" + +De hooge poort schoof langzaam open. Een geweldige adem sloeg Johan +tegen de borst. Hij wankelde. Hij had willen een glasje water drinken +terstond, en hij besloot om een glasje water te vragen.... + +Maar hij kon nooit iets doen, waartoe hij besloten was. Hij stikte. God! +wat een ontzaglijke lucht hier!... De poort ging dicht. Johan Doxa stond +buiten. + + * * * * * + +--"Pouah! chéri, hoe ruikt ge zóó naar den wierook?" Twee heerlijk-zwarte +marolle-meisjes zaten nevens Johan Doxa, aan weerskanten, op de nauwe +bank van de friture-kroeg. Johan had kennis met haar gemaakt op de +Hoogstraat, zoodra hij had ondervonden dat het paketje van den prior +eene banknoot van honderd frank bevatte. Eigenlijk had hij met iedereen +willen kennis maken. Althans lachte hij vriendelijk elken voorbijganger +in het gelaat, en waartoe zou hij dat anders hebben gedaan? Maar deze +twee hadden hem direkt tegengelonkt. Zijne minzaamheid verminderde er +blijkbaar niet om, want seffens hingen zij aan zijne armen en vroegen +schuldeloos: + +--"Tu paies rien, vetzakske?" + +Of hij niets wilde betalen? Wel lieven-adieu! hij had lust om de geheele +wereld op te koopen!... Er werd besloten dat ze zouden mosselen eten en +patates frites. En zij zaten nu in de friture-kroeg. + +--"Pff!" deed Johan Doxa, "ik weet niet eens wat wierook is." + +De andere maagd ging met haar klein wipneusje over zijne mouwen +snuffelen. + +--"Neen," zei ze, "'t is eau de Cologne--ge hebt al-ze-leven in fijne +gezelschap gedineerd." + +Hij pinkoogde geheimzinnig, als om te laten onderstellen dat hij nog +veel erger had gedaan, en liet daarna fier zijne borst opzwellen. + +Als ze gegeten hadden, merkten de meisjes dat ze dorst kregen, Johan +trok met haar naar het "Kapiteintje" waar ze geus dronken, en naderhand +in den "Moriaan" waar hij trakteerde met krieken-lambic. Nauwelijks had +hij daar de derde flesch besteld, of een troepje wallebakken kwam +dansend binnengesprongen, vergezeld door een klein straatorkest--met +name een harmonica, een piston en een triangel. Ze dansten feestelijk de +herberg tweemaal rond en schaarden zich dan, rood van pret, bij den toog +om schuimende streepkens faro te zuipen. Johan Doxa stond plots recht en +riep: + +--"Een pint geus voor heel de Kompanie!" + +Het docht hem dat zijn gansch wezen openging. De woorden die hij +geschreeuwd had bleven trillen door zijn lichaam, als op pezen van +metaal. Hij viel neer op zijn stoel en zweette een beetje. De jonge +paren keken om en naderden de tafel waar hij zat gelijk een, die, +bedwelmd, zijne eigene troonplechtigheid bijwoont. Hij kreeg eene +ovatie.... + +Nu begon, van taveerne tot taveerne, eene processie die waarlijk niet te +beschrijven is. De muziekanten stapten voorop. Dan, met de voornaamheid +van een paasch-os, Johan Doxa, geflankeerd door de twee mooie +marolle-deernen. Dan de woeling der uitgenoodigde menigte, die steeds +aangroeide. Kinderen huppelden ommendom, de handen zwaaiend omhoog. In +den beginne zong men allerhande liedjes, maar weldra, om zooveel lawaai +mogelijk te maken, ging zich het repertorium beperken bij één en +hetzelfde couplet, dat iedereen goed kon en dat onvermoeid weer en terug +en altijd werd aangeheven: + +/* + En een dikke pens + En een snee van 't verken, + Boerenleven dat is plezant! + Boerenleven dat is plezant! +*/ + +Er geraakten diep-dronken menschen in het gezelschap. De piston, een +blonde reus, had vrijwillig op zich de verantwoordelijkheid van het +behoud der orde genomen, en meermaals was hij tot zijn leedwezen +verplicht eenige muilperen uit te deelen. Johan bewonderde hem +uitermate. Hij betaalde maar. Hij was gelukkig als een Koning. Het bloed +klopte hem weldadig op de slapen. Zijne kinderlijke lippen stonden in +den vorm van een glimlachend toeterken, alsof er zoo juist een melkzoete +flep was uitgevallen. Zijne meisjes hingen aan zijne mouw en soms moest +hij een kusje krijgen of een kittelig kneepje in de leen. De wereld +ruischte alom op hooghemelsche maat: + +/* + En een dikke pens + En een snee van 't verken.... +*/ + +De harmonica-speler was een bult. Hij dronk gelijk een Zwitser. Daar was +een oud ventje met rooden neus. Die kwam gedurig tegen Johan's buik +niezen. Hij dronk gelijk de bult. Allemaal dronken. Johan Doxa betaalde +maar.... + +--"Vooruit naar De Dikke Luis!" riep de piston. + +Weer 't zalige gedrang van lijven. Johan werd als opgenomen in de +stuwing en meende te zweven en stapte plots met zijn stoet en zijne +muziek op straat. + +--"Waar gaan we naartoe?" vroeg hij onnoozel aan het meisje links. + +--"Naar De Dikke Luis!" + +Het docht hem dat hij het zevende paradijs te gemoet ging. De heele boel +was een wonder. Hij zong slapjes: + +/* + En een dikke pens.... +*/ + +Er schoot hem iets te binnen en hij vertraagde zijn stap. Naar het lieve +meisje links boog hij zich en dan voelde hij hoe zwaar zijn hoofd was +geworden. + +--"Ik heb nog twintig frank" fluisterde hij haar in het oor. + +--"Hoeveel?" + +Hij taste in zijn broekzak en bracht zijne hand voor haar ten +voorschijn. Een met koper benagelde kletsdop lag daarin, en een +bankbriefje. + +--"Twintig," zei het meisje, "kom; 'k zal ik verder betalen--ge zijt +zat." + +Wat een heerlijk leven was het in "De Dikke Luis", een gloeiende roze +leven binnen een zachtblauwe tabakwolk! Het drieledig orkest speelde er +de Brabaçonne. Het glanzende bier ging rond van hand tot hand. De breede +baas stond te midden van kannen en glazen te tappen. + +--"Wat zoudt ge er van pein-einzen," vroeg de bult aan Johan tusschen +twee hiksnokken. + +Johan Doxa lachte simpel. Zijne tong, docht hem, lag vast in een soort +van elastieke meelpap. Hij peinsde niets. Weer riep de piston: + +--"Nu naar den Heeten Ketel!" + +De troep pakte zich saam, rumoerde op naar de deur. De harmonica begon +te blazen en de triangel, week-bellend, sloeg. + +--"Halt!" schreeuwde de baas, "wie moet dat allemaal betalen." + +Johan Doxa keek lui om. Hij schudde zijn hoofd onder het schrikkelijke +hoofd van den baas. Hij had willen uitleggen dat daar ergens een zwart +meisje moest zijn, dat het geld bewaarde. Maar zoo'n meisje was er in +huis niet meer. Had hij haar het geld inderdaad gegeven? Langzaam ging +hij met zijn eigen daarover redeneeren. De piston sprong naar den baas +toe. Een paar glazen vielen van den toog en dan.... + +Johan Doxa werd links en rechts gestoten. Nu zat hij op een stoel. Nu +zat hij op een tafel. Nu lag hij tegen den muur. Nu stond hij te +waggelen overeind. Nu kwam iets hards en vlugs tegen zijn kop aanbonzen. +Nu knielde hij. Nu werd hij van achteren opgestampt. En ineens beukte +een zwarte masse aan op zijn voorhoofd.--Was tegelijk het licht +uitgegaan?... + +Het licht was uit. + +In Johan Doxa was het licht uit. Daar kan niet aan getwijfeld worden. + + * * * * * + +Door een vensterken met ijzeren staven drong de prille Lentedag, toen +Johan Doxa zijne oogen openstak. Zijne oogen gingen op langs vochtige +muren. Ze bleven daar staren op zonderlinge teekeningen en schrifturen. +De klok van het Klooster klepte niet. Hij wilde iets vragen.... + +O, hoe akelig was zijn mond! Zijne kaken stonden stijf. Een loome pijn +hing in zijne leden. Hij keek naar zijne handen, zijne smerige handen, +bemorst met bruin-gedroogde bloedvlekken. Zijn rechterknie stak bloot +door een scheur van zijne broek. Zijn hoed lag bij de deur--een +platgeblutste hoed met afgerukte randen. + +--"Het stinkt hier" dacht Johan. Hij kwam moeilijk recht. Zijne beenen +waren als bevroren vodden. Hij begon stillekens over zijn hoed te +strijken, met werktuiglijke zorgzaamheid. + +Toen rinkelde daarbuiten een bussel sleutels en iemand opende deze +onbegrijpelijke cel. Het was een soort van politie-agent. + +--"Allee," sprak de ruwe deurwaarder, "krab op--ge moest u schamen." + +Geen de minste aandoening werd wakker in Johan Doxa. Hij liet zich +geleiden. Hij mankte. Hij verliet de Amigo[1] zonder hoop en zonder +wanhoop. Hij kwam thuis. Hij vond er zijn moederken. Hij hoorde zijn +moederken zeggen: + +--"Ach mijn jongen! mijn lieve jongen! ach, wat hebben de paters toch +met u gedaan!" + +Hij ging in een hoek zitten. Hij vertelde niets. En 's anderendaags ook +vertelde hij niets. En nog dagen en dagen nadien bleef hij, en vertelde +niets. Hij nam nooit het besluit iets van dat alles aan zijne moeder te +vertellen. + +Maar wat zou het eigenlijk helpen, als hij nu daaromtrent een besluit +genomen had? + +Niets. + + +Noot: + +[1] Stedelijke gevangenis voor tijdelijke verbrekers der openbare orde. + + + * * * * * + + +IV + +JOHAN DOXA + +DE SCHADUW + + +Ik kon dien nacht geen oog dicht doen. 't Sloeg vier uur op ons +Empireklokje, wanneer ik besloot het bed te verlaten, dat mij geen rust +geven wou. Terwijl ik me aankleedde en daarbij het groene nachtlichtje +had aangestoken, zette ik mijne morgenmelk op het kleine gasfornuis. +Ik dronk ze zonder smaak en verlangde reeds om buiten te zijn, in de +frischheid van den uchtend. + +Die frischheid was echter niet aangenaam, maar ik liep toch de vochtige +straten door, gelijk ik meer placht te doen om mijne overspannen zenuwen +te stillen. + +Ik wandel gaarne in den vroegen dag. De stad heeft telkens zoo ongewone, +zoo uitzonderlijke uitzichten. Zij ontwaakt met schokjes. De blauwende +donkerte laat de grijze gevels opklaren en verft de gladde eenzaamheid +der macadamlanen en asphalten bolwerken. De lantaarnlichten weifelen, +grauwen wittig uit de nevelen, werpen geen schaduwen meer. En het +zeldzame menschengedoe gaat traag op, nooit veranderlijk, gebaren makend +die een definitief teeken van den uchtend zijn. + +Ik loop meestal de lage stad om en verwijl dan het liefst rondom de +Zuiderstatie. Het is daar schoon om zien, want schoon is het morgenlicht +over de rookwolken der locomotievenhal. Het donkere gebouw is al vol +bedrijf en voert de werkluibenden op het statieplein. Er gebeurt een +gewoel van lijven, maar de lippen zijn zonder gerucht. De arbeid wenkt +zwijgend zijne zwijgende slaven.... + +Dien keer was ik zeer vroeg voor de hal aangekomen en ik slenterde +onwillig, de hielen slepend. De nevellucht spande pijnlijk om mijn +voorhoofd. Ik stond een paar ezelwagetjes na te gapen, die fluks opreden +met nieuwe groenten, de stad binnen. Musschen sprongen in de dahlia- +perkjes van het plein. + +Toen--juist terwijl ik nieuwsgierig de nog-belichte vensterruiten van +eene burgerlijke taveerne bekeek--zag ik de glazendeur van die taveerne +ruw openslaan en eene dikke vrouw, blijkbaar de bazin, den drempel +oversnellen. Ze schreeuwde in angst: + +--"Polis! Polis!" + +En ze ijlde van hoek tot hoek, het plein langs, al harder krijtend, +terwijl toch, naar gewoonte, nergens een politieagent zichtbaar was. Een +heer verscheen in de herbergdeur, gaf rappe inlichtingen aan een bleeke +schenkmeid, die schielijk de Fonsnylaan opliep. Ik was, op een drafje, +naderbij gekomen. De heer keek me in het aangezicht en, ofschoon hij +onder de zwarte randen van zijn galahoed zoo wit uitblekte als een +doode, herkende ik in hem, niet zonder verwondering, mijn goeden vriend +Menschaert, den toondichter. + +--"Wel, Antoon," zei ik stil, "wat gebeurt hier?" + +Hij hief zenuwachtig zijne schouders op. Zijn rechterhand teekende in de +lucht vluggelings een halven cirkel--wat bij hem het gebaar was van een +onzeggelijk ongeduld--en hij wenkte mij om binnen te komen. + +--"Ik vrees dat het hier erg toegaat," sprak hij dof. + +Inderdaad. Het schouwspel, dat ik in de taveerne te zien kreeg, was zoo +schrikkelijk dat ik, op het eerste zicht, ademloos bleef van aandoening. +Maar toen ik naderhand een stap nog waagde, werd mij plots het gaslicht +een mist van groene dampen en voelde ik den klauw van een zonderling +monster, dat, gelijk een nachtmerrie, mijne keel toenijpen kwam. + +Ik had, geloof ik, een korten gil geslaakt.... + + * * * * * + +Het was half-zeven, als ik met Menschaert die akelige herberg verliet. +De eenige schikking, die nog moest genomen worden, had ik ter regeling +aangewend en mijn vriend Antoon, welke waarlijk een allerbraafste jongen +is, wilde niet dat ik al dat droeve alleen zou doen. + +Hij liep dus mee met mij, maar daar de boodschap geen haast vroeg +--integendeel, goede God!--en daar wij beiden zeer vermoeid waren, +besloten wij om maar eerst een kop koffie te gebruiken. In de kleine +eetzaal van het _Hotel Espérance_ bestelden wij een klein ontbijt en +Antoon, door mij hiertoe dringend aangespoord kon eindelijk breedvoerig +vertellen hoe de tragische gebeurtenis ontstaan was. + +Hij deed het met dien eenvoud, welken ik zoo bewonder bij hem en die +schijnbaar zoo zeer strijdt met de gewone daden van dezen uitstekenden +kameraad. Antoon Menschaert is nog jong. Zijne ouders zijn boeren-heeren +uit de Kempen en stellen het tamelijk goed. Hij zelf woont ergens bij de +Beurs, alleen, naar hij zegt (ik vermoed echter dat die eenzaamheid +"gedeeld" wordt, want, uit princiep, ontvangt hij nooit een vriend op +zijne kamers....) Hij is orgelist in Sint-Niklaaskerk en werd onlangs +als monitor aangesteld in het koninklijk conservatorium. De jongen +vermaakt zich eeniger mate in den zin van wat jongelui in Brussel "zich +vermaken" noemen. Nochtans is hij ernstig en zijn gevoel, dat ik bij +meer dan één gelegenheid heb kunnen waardeeren, heeft schoone volten en +een bestendig gewicht. + +Hij zat voor mij. Het opkomend daglicht klaarde over zijn sierlijk +aangezicht, dat, thans wat roziger, toch mat-effen, zeer vermoeid boven +zijn witte das en de zijden kraag van zijn smoking uitscheen. De koffie +rookte lichtelijk op over de gouden randjes van het blauwe porseleinen +koffie-servies. Wij aten bij poozen, gelaten. + +Antoon sprak: + +--"Ik heb gisteren middag het dineetje bijgewoond, waarmede mijnheer en +mevrouw Zondervan maandelijks en telkens te vergeefs een vrijer +probeeren aan te kleven voor hunne dochter Adelaïde, een stuk plank met +een kop vol pretentie.... Kent gij de familie Zondervan?... Jammer! Dan +kunt ge ook niet geheel inzien in welken staat van ellende mijne hersens +waren gebracht, nadat zij een ganschen middag het leelijk sproetengelaat +van juffrouw Adelaïde hadden aangegluurd en de zoetzappigheidjes van +haar idioot gepraat hadden toegeknikt. Toen ik, omtrent negen uren, zeer +buiten Adelaïde's verwachting, haar tafel en haar huis verliet, was ik +een kapot stuk jongmensch, dat zich nog alleen herinnerde hoe slecht +Zondervan's bourgogne was en hoe afschuwelijk zijne dochter. Ik snakte +naar een glas gezond bier en vond het zonder moeite. In _Clarenbach_ +waar ik aangeland was, ontmoette ik bij mijn vierde pint Slokke, den +beeldhouwer, Fritz d'Artois, die als stagiair bij advokaat Forst is +aangenomen, administrateur Lemonnier en diens vriend mijnheer Van +Dranem, welke mij werd voorgesteld. Deze heeren waren in vroolijk humeur +en wij dronken samen eene brave hoeveelheid Munchnerbier, zoodat, door +Slokke aangedreven, ik mijn eigen al even pleizierig als de overige +bevond. Die Slokke is een verbazende kerel. Te middernacht volgden wij +hem in _The Dominion Bar_, in de _Jeune France_ en eindelijk in dat +verleidelijke ding van de Bisschopstraat, _The Old Curiosity Shop_, +zooals gij wel weet. Overal was pret, muziek, drank en lieve dames. Ik +zou op dat oogenblik geloof mij, juffrouw Adelaïde Zondervan nooit uit +Mathusalem hebben herkend, aangenomen dat Mathusalem het vergelijk hadde +verdragen. In _The Old Curiosity Shop_ vermaakte ons zeer een muziekaal +neger-trio. Slokke had in _The Dominion_ een voor mij onbekend makker +aangeklampt, een soort Tcheik, die alles danig lollig wist aan te +brengen en waarlijk een onschatbare ontmoeting was voor jonge +lichtmissen. Hij richtte o.a. met de drie negers een burleske vertooning +in, welke bij de aanwezige dames en heeren een grooten bijval verwierf +en, na eene omhaling van Slokke, voor den Schamelen Arme, zooals Slokke +zei--hij bedoelde het Stedelijk Armbestuur--ruim twee honderd frank +opbracht. + +"Ik was toen al tamelijk beschonken. Maar ik herinner mij zeer goed dat +in een hoekje bij den toog een zonderling mensch zat toe te kijken. Het +is noodig dat ik u vertel hoe hij zich voordeed. Het was--gij weet het +natuurlijk--een dik, ingezonken man, een waarvan men gemeenlijk zegt dat +hij "zonder ouderdom" is, maar zijn gelaat, dat klaarblijkelijk door een +overdadig gebruik van ... laat ons zeggen "spiritualen" was ingevreten, +had, ondanks zijne vervallen kleederdracht, ondanks de niet-vrome +omgeving, ondanks alles, een zoo kinderlijk, och ja, een zoo +"seraphische" uitdrukking dat het mij aandeed buiten mate. Hij keek toe. +Hij keek engelachtig het zot bedrijf van den Tscheik en de drie negers +toe. Hij lachte niet. Hij scheen ook niet bezorgd. De beruchte tapper +van de _Shop_--Anatole heet hij, weet ge wel--bracht hem, zonder dat hij +'t vroeg en zonder dat hij er in het minst voor dankte, tot viermaal een +whisky-soda. Hij dronk niet gulzig, niet smakelijk ook. Hij dronk +langzaam en eentoonig, en zijne gebaren waren lui als van een vet, +eigenzinnig kind.... + +"Hoe het kwam, weet ik niet. Men weet niet hoe alles gebeurt bij zulke +partijen. Bovendien, ik beken 't voluit, de drank speelde en smokkelde +in mijn hoofd. Zeker is het dat, rond twee uren, het korte mannetje +zonder tegenspraak bij ons gezelschap hoorde. Ik zag dat hij naast +mijnheer Van Dranem zat. Ik hoorde niet dat hij met mijnheer Van Dranem +sprak. Ik hoorde dat mijnheer Van Dranem hem had aangelijmd en, in het +algemeen gewoel, eene astrologische rede voorhield, welke het geduldig +ventje met brave knikjes scheen goed te keuren. Mijnheer Van Dranem +bestelde dan telkens versche pinten, deed vriendelijk met zijn +zonderlingen gebuur bescheid en maakte hem alzoo bijna tot elkendeens +kameraad. Och! men verbroedert zoo licht in die warme nachtkroegen! Geen +van ons dacht er aan den kerel naar zijn naam te vragen. Dat hij geen +booswicht was stond op zijn cherubsgelaat te lezen, en wat konnen wij al +meer eischen? Hij dronk voortreffelijk. Hij deed ons, drinkebroers, eer +aan.... + +"We verlieten de _Curiosity Shop_ al te zaam. De goedige dikkerd volgde. +In de _American Bar_ zat hij aan onze tafel. Wanneer een van ons hem +onder 't praten toekeek, knikte hij seffens gewillig tegen. Hij +beantwoordde alleman's teug. Dronk ik, hij dronk. Dronk daarop +Lemonnier, hij nam een slokje uit beleefdheid. Dronk dan de +geheeldronken d'Artois, hij insgelijks, om goede manieren te toonen, +dronk maar.... Kortom, hij was de hoofsche goedkeuring zelve. + +"Zeg eens, Herman, hebt ge al niet opgemerkt dat, als ge zoo op randool +zijt, er altijd iemand medefeest, zwijgend en ingetogen. Het is een +stille bijlooper. Hij laat nooit zijn glas ledig staan. Hij spreekt +nooit iemand tegen. Hij betaalt nooit wat. Hij is nooit hinderlijk. Laat +iemand zijn pijp, zijn regenscherm, zijn zakdoek vallen, hij is 't, die +hem opraapt. Hij is bij iedereen en bij geen van allen. Hij is een +verdraagzaam toezicht en zal het opmerken, als de baas, vertrouwend op +de dronkenschap der kompanie, iemand wat ongangbare munt wil in de hand +stoppen. Hij is 't ook, Herman, die de aandringende bloemenverkoopster +met een blozend lachje toefluisterd: "Ga maar uw gang, vrouwtje, die +kerels zijn zat en koopen niet!" En, luister wel, niemand kent hem. Hij +is de schaduw van ons allen, en wij eischen niets van hem. Hij lijkt op +iets dat ons natuurlijk en onverweerbaar toebehoort.... + +"Alzoo was die man. In de _American Bar_ ontstond er ruzie met een paar +roekelooze studenten. Ik zag goed hoe hij onderwijl vredig zijne pijp +stopte en ze in volle herrie kalmpjes aanstak. Ik zag het, omdat de pijp +zelf mij trof--een wondere pijp, geheel met kleur-ornamenten beladen, +zoo miniatuur-fijn als nog nimmer mij verfversiersels onder de oogen +kwamen. Onderaan den breeden pijpbuik kon ik, na eenige aarzeling het +woord "Julia" lezen. Het verbaasde mij zeer. Brandde in dat zeldzame +dikzaklijf waarlijk de vereering voor eene geliefde vrouw? Zoo zeer nam +mij dit denkbeeld in beslag, dat ik dadelijk den zachten vetpot over +zijne identiteit wilde aanspreken. Ik geloof dat de toenemende twist mij +in dit voornemen storen kwam, want tot eene bepaalde opheldering kwam +het niet. Eene verdere gelegenheid werd mij niet meer aangeboden en de +kerel bleef stillekens, rookend en drinkend, bij ons.... + +"Aldus voortzakkend geraakten wij in groepje op het Statieplein. Wij +hadden na de sluiting van de _American_ nergens een herbergzaam huis +gevonden en waren, eerst druk-pratend, dan moe-zwijgend, de Henegouwlaan +opgekomen. Slokke beweerde dat het Statieplein ons op een voornaam +fleschje geus of iets dergelijks kans kon bieden. Wij volgden Slokke +gedwee. De nacht was koud, miezelig, doordringend-vochtig. Wij +slenterden door, stil voorover gebukt, bijna zonder moed. Slokke zong +luidop een lied, waarvan ik me niets meer herinner, en d'Artois, achter +hem, spande nuttelooze pogingen in om het hem na te burrelen. Lemonnier, +lang en stokkestijf, beende akelig over het trottoir. Van Dranem, die +naar ik vermoed, daags te voren zeer onvoorzichtig den inhoud van een +sterrekundig standaardwerk had ingezwolgen, besproeide mij met den +hutsepot van zijne astrologische indigestie. De laatste van allen, +kortstappend en kort-blazend, kwam de ronde man, onze zoete schaduw +aangedrild. Ik hoorde hem. Hij had het geluid van een haastigen hinker. +Maar hij hinkte wezenlijk niet: naar ik thans vermoed, ontbrak de hak +aan een zijner schoenen, die daardoor als een slofje neerwreef op de +steenen.... + +"Slokke bracht ons in die taveerne van het Statieplein.... + +"Hier moest het drama gebeuren. Wij gingen aan de grootste tafel zitten +en bestelden koffie. De bazin, een onaangenaam wijf, deed opmerken dat +de herberg slechts bij toeval open was gebleven, dat zij geen tijd had +om koffie te zetten en maar hoopte dat de heeren gauw zouden oprukken. +Fritz d'Artois stond bij dezen onvriendelijken uitval recht en +overdonderde de zure waardin met de gekste aller redevoeringen. Aan de +inschikkelijkheid van eene oolijke schenkmeid hadden wij een kop koffie +en het einde van d'Artois' pleidooi te danken. Deze schenkmeid, die wel +inzag dat men Slokke en zijne kameraden nooit anders dan met +aanminnigheid zou de deur uitkrijgen, verwaardigde zich haar eigen bij +ons aan te sluiten, waar zij van Lemonnier verkreeg dat hij haar, bij +wijze van "slaapmutsje", op een fine-champagne trakteerde. + +"Kijk nu, Herman, goed hoe wij zaten. Ik zat op de bank, links had ik +Van Dranem, stapelvol met troebele wijsbegeerte, rechts d'Artois, en +naast dezen het rookende mysterieventje. Rechtover mij zat Slokke, links +had hij Lemonnier en rechts de diplomatische herbergdeerne. Wij praatten +in den beginne vrij onharmonisch ondereen, tot op een vraag van de +schenkmeid het gesprek eene bepaalde richting inliep. De meid had +vernomen dat Fritz advokaat was en ze wilde hem gaarne, zeide ze, iets +vragen. Fritz die, met Dranem, de zatste van den hoop was geworden, vond +waarschijnlijk dat de schenkmeid hem veel eer aandeed. Althans bereidde +hij zich tot een uitbundig consult en stelde zijne prille ervaring +"geheel" (dit met een prachtig oratorisch gebaar) tot hare beschikking. +"A-wel voila!" sprak de meid, "ik ben getrouwd met een man die te dom is +om voor den duivel te dansen--van 's morgens tot 's avonds maak ik ruzie +met hem, want hij is te vadsig om een woord te zeggen,--hij zou mij +bestelen, als hij maar kon, mijnheer, bestelen om in de herberg te +zitten, hij wint geen gebenedijden stuiver en ik vraag mij af hoe hij +het aan boord legt om 's nachts geregeld dronken thuis te komen,--d'r en +is geen leven mee te houden, dat zeg ik u,--'k ben 't beu den luiaard in +te mesten, en, met permissie gezegd, mijnheer, 'k zou willen +divorceeren!" Zij begon in 't kort en in 't lang ons den toestand van +haar huishouden voor oogen te leggen, en daarop overgoot d'Artois haar +met zijne orakels. Hij onderzocht het pro en het contra, nam de gekste +houdingen aan en waande zich aan de vermetelste verklaringen, brak het +huwelijk om "te besluiten" en lijmde de stukken weer aaneen om met +nieuwe pracht van woorden te kunnen herbeginnen.... Kortom hij spande +daar de onmenschelijkste zaag. Slokke kreeg, naar hij mij vertrouwbaar +toemummelde, een papmond. Lemonnier was op de beide vuisten in slaap +gedonderd en Mijnheer Van Dranem, die over heel 't gedoe geen star meer +herkende, was in de diepste mijmeringen verzonken.... + +"Ik, scheef-achterover tegen den bankrug geleund, keek strak den dikken +bijlooper aan. Hij zat kalm en zoetjes te rooken, onveranderlijk. Daar +d'Artois recht stond en voortdurig over de tafel waggelde al preekend, +kon ik gemakkelijk onzen anoniemen vriend naloeren. Ik beken het u: ik +deed het uit verveling, want ik was wezenlijk te vermoeid om in mij +belangstelling voor 't zij eender wat te wekken. Ik belonkte hem strak, +al rustend. Hij rookte, scheen oplettend naar d'Artois en de schenkmeid +te luisteren, dampte zachtjes. Zijn bol aangezicht tuurde, over de +hoofden, naar iets dat, docht mij, misschien op den muur, boven den +toog, was aangeplakt. Al scherper blikte hij alzoo ... tot, almeteen, +zijn pijp, die geen vuur meer hield, dood stak in zijn mond, die juist +niet meer trekken wilde. + +"Hij bleef een lange poos zonder roeren. + +"Toen, zonder haast, vatte hij de pijp, wond ze in zijn rooden neusdoek, +borg ze--gelijk hij ze voorzeker placht te bergen--voorzichtig in zijn +binnenzak ... en ... toen, Herman ... ja, toen ... ik word er niet wijs +uit jongen ... het is zeker dat ik zeer, zeer moe was. Het gebeurde als +in een droom, waarbij ik machteloos moest blijven ... begrijpt ge? + +"De arme dompelaar, nadat hij de pijp geborgen had, trok langzaam zijne +hand weer uit den zak. Die hand--wat vatte ze zoo struisch daar? Ik +zweer u, Herman; ik zag het, ik zag het, zonder te weten dat ik 't zag.... +Die hand, met het zwarte ding, hief de goede dikkerd tot onder zijne +kin. En hij opende vredig zijn mond, wijd, wijd, tot het mij met +verbazing sloeg. En toen, Herman, gebeurde het. Het schot brak los, hard +en geweldig ... en de hand viel neder op de tafel, rilde daareven en +omsloot, meen ik, het dampende tuig dichter.... + +"Ha, jongen 't was er een herrie! Iedereen, zelfs de slapende Lemonnier, +stond recht. Die gemeene bazin gilde oneerbiedig. En hij, de sukkel, zat +op de bank, had niet geroerd. Hij glimlachte precies. Maar, achter hem, +was de muur met bloed bespat en iets leekte daar, een witte kwabbel, +traag, van zwaarte...." + +Antoon zweeg. En ik herzag de leelijke taveerne, en hoe ik er +binnenliep, en hoe ik den doode zitten zag, en hoe ik, met een neep in +het hart en een kreet van heel mijn wezen, Johan Doxa herkende, den +zachten doolaar. + +Ik heb zijne lauwe hand in de mijne genomen. Ik heb ze waarlijk +gestreeld, alsof hij 't nog voelen kon. Ik heb hem op de bank +nedergeleid. En ik heb zijne groote oogen toegedaan, die zoo verre +keken, verder dan den muur, Antoon, verder dan den muur of den toog, +mijn goede Antoon.... + + * * * * * + +De heete koffie had ons opgeknapt, maar we vertrokken beladen met iets +als een groot pak. Niet haastig drilden we de Lage Stad af. We drumden +langs de gevels der huizen en beletten niets van het aanzwellend +dagbedrijf. We liepen verstrooid over de pletsende dweilen van gebogen +dienstmeisjes, die zich oprechtten dan, gestoord in den kuisch, en ons +wat toesnauwden van op de drempels. + +Ik was zeer bekommerd en luisterde nauwelijks naar het stil, afgebroken +gepraat van Menschaert. Ik begon 't mij alreeds te beklagen dat ik deze +laatste boodschap had aangenomen. Seffens verhief echter mijn geweten +zijn rechte stem boven 't gehakkel van mijn angst en ik stapte vaster +door, overtuigd, gelijk ik was, dat niemand het droeve nieuws met meer +teedere en aandachtige zorgen zou brengen dan ik het, met mijn +liefderijk medelijden, zou doen. + +We kwamen in de Zes-Penningenstraat, die reeds vol was met +uchtendgeluiden. Magere honden liepen er snuffelend rond de vuilbakken. +Een stoelenbiezer zette aan zijn uitgerokken roep, die wijd-jammerde +onder de vensters. Een fruitwijf stiet haar rammelend karretje. Boven +op een hoog huis vlekte een bleeke zon. + +Het donkere winkeltje was open, de grauw-groene luiken ontsloten, de +gebroken drempzuil bloot. Ik kende die zuil goed. Hoe dikwijls liep haar +lustig over, jaren geleden, toen Johan Doxa met zijn ekster, zijn sijsje +en zijn eekhoorn het rare zolderkamertje bewoonde! + +Juist--maar hoe kommervol thans!--wilde ik de goede zuil betreden, als +daar in een zoeten lach de groetende moeder Doxa stond. + +--"Wel mijn jongen," zei ze frisch, (ze droeg een jakje en een versch +schort en ze was waarlijk, het oud wijveken, frisch als de morgen zelf) +"wel mijn jongen, wat zijt gij vroeg te been!" + +Ik geloof dat ik daarop iets vrij onverstaanbaars uitbracht, want moeder +Doxa keek me dadelijk vreemd aan. Moeders hebben wondere voorgevoelens. +De lach op haar gelaat verdween. Zij zei nog: + +--"Komt ge mij opzoeken?" + +Ze drukte wonderbaar op het woord "mij". + +Ik knikte traag, verlegen. En wij traden het speelgoedwinkeltje binnen, +dat geheel het uitzicht van vroeger had bewaard. Daar gloeide eenderlijk +de roode tichelvloer en donkerde massaal de vierkante toog onder het +noesche vensterlicht. Vluggelings zag ik in hunne verscheiden bakjes de +lekstokken, muntebollen, vlierhopjes, ovenbeesten, stampers, kletskoppen, +amandelkoekjes en kramelleu. Achteraan, tegen den muur, in schemerklaarte, +hingen de poesjenellen, de poppen, de reepen, de blikken muziektoppen, +de zweepen met fluitjes, de zakken met glazen marbels, al het diverse +speelgoed, dat bontig opkleurde en rammelde door mekaar. + +En moeder Doxa, dienstvaardig, ging, gelijk naar gewoonte, het trapje op +achter den toog. Eene zonderlinge aarzeling bibberde in haren blik. Ze +beproefde een nieuwen glimlach. + +--"A-zoo! mijn jongen," sprak ze, "wat is er tot uwen dienst?" + +Ik bleef nog een tijdje zwijgen. Antoon scheen over de smuitsterbakjes +eene zorgvuldige keus te doen. Ik schudde treurig het hoofd en vatte +moedig aan: + +--"Nu moedertje, wij brengen geen goed nieuws.... Het spijt me zoo!..." + +Ze sprak niet. Hare oogen werden scherper. De stilte die in het winkeltje +kwam spoken was wezenlijk onverdraaglijk. Ik herinner me (hoe bijtend +zijn de indrukken soms!) dat, op dit oogenblik, een scheerslijper al +roepend voorbij trok. Ik zei: + +--"Verschrik niet uitermate, moedertje. Zeker, het leven is heel zoet om +leven. Maar wat helpt het, als wij zelf meedoen om ons leed te vergrooten, +als wij ons zelf den dood op het lijf jagen?... D'ris toch niets aan te +veranderen, moedertje Doxa...." + +Ze was bleek, ineens doodelijk bleek. En de kleine glimlach, die niet +weg wilde, werd een grijns van smart. Ze hakkelde: + +--"Ja maar, ja maar...." + +Alsof ze zich aan de waarheid wou vastklampen, en een bange logen +daarmede kon verweeren die schrikkelijk op haar afkwam. God, Gij weet +hoe vurig ik toen wenschte dat het inderdaad een logen mocht zijn! + +Ik besloot die pijn te verkorten. Ik hernam, diep ademhalend: + +--"Uw zoon moedertje ... uw zoon Johan...." + +Ze deed stil: + +-"Hâ-â!" + +Heel stil. En ze sloot langzaam hare oogen. Ze zonk achterover, in de +rokjes van poppen, tegen den muur. En nog verliet die akelige glimlach +hare lippen niet.... Antoon Menschaert was toegesneld. Ze voelde zijne +armen om haar, roerde haar mond. + +--"Wacht", lispelde ze zoetjes, "wacht, als 't u belieft ... och! +och!..." + +Toen stak ze hard en wijd-open hare oogen en keek ernstig toe. + +--"Watte?" vroeg ze, "wat zegt ge daar?" + +En ik, geheel verslagen en 't harte bijna ingestampt: + +--"Uw zoon, moedertje", antwoordde ik, "hij is niet wel ... hij is zoo +schielijk.... God is wreed, moedertje, maar wij moeten in hem berusten, +dat weet ge toch niet waar?" + +Ze stiet Antoon plots van zich af. Ze riep: + +--"Wat is er met Johan gebeurd? Wat is er met Johan gebeurd?" + +Ze was vreeslijk. Ik dacht dat ik het nu met een woord zeggen moest +en--de Hemel vergeve 't mij--ik zei het met een woord. + +Dat woord, ze had het werkelijk zien aankomen. Ze week als het dichtbij +was. Ze kreeg het vlak tegen hare oude borst.... Nu zakte ze thoope, +gelijk een klein, nietig pakje, in Menschaert's handen. Ze was opeens +schijnbaar als een pluimpje zoo licht. + +Nog sprak ik, de schoon-versierde pijp uitreikend naar heur: + +--"Zie, moedertje, hier is zijne pijp. Ik heb ze uit zijn zak genomen +opdat gij ze bewaren zoudt, als een aandenken...." + +Ze keek de pijp aan. Ze vatte de pijp met beide handen.... Dan was 't +alsof ze insliep, zonder een traan, zonder een zuchtje, verre van ons. + + * * * * * + +Antoon Menschaert is nu een beroemd componist geworden, wat onze +vriendschap niet het minst heeft verlauwd. En daar hij nog steeds op +kamers "alleen" woont en ongaarne iemand bij hem ontvangt (ik verdenk +hem niet, hoor!) komt hij al dikwijls een avondje doorpraten in +Linkebeek, waar ik sinds enkele jaren verblijf. Wij zabberen en rooken +dat het een aard heeft. + +--"Zeg eens," zegt hij vaak, "ik zal u gaarne een zilveren aschbakje +schenken, indien ge dees ellendige doos weggooien wil." + +Ik bekijk dan de hoog-ronde doos, die ik ons eigen steeds voorzet als we +sigaren opsteken. Het is een geblutst tomatendoosje, dat inderdaad +miserabel aandoet in de overige meubeleering. + +--"Kom! Kom! ik zal dat leelijke ding wel eens de straat opwerpen ... +doch, wanneer? wanneer?... Er zijn kleine, domme daden, waartoe men maar +niet besluiten kan." + + * * * * * + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Johan Doxa, by Herman Teirlinck + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JOHAN DOXA *** + +***** This file should be named 16841-8.txt or 16841-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/6/8/4/16841/ + +Produced by Marc D'Hooghe. + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/16841-8.zip b/old/16841-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..b69db61 --- /dev/null +++ b/old/16841-8.zip diff --git a/old/16841.txt b/old/16841.txt new file mode 100644 index 0000000..3ddb9ba --- /dev/null +++ b/old/16841.txt @@ -0,0 +1,3178 @@ +The Project Gutenberg EBook of Johan Doxa, by Herman Teirlinck + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Johan Doxa + Vier herinneringen aan een Brabantschen Gothieker + +Author: Herman Teirlinck + +Release Date: October 9, 2005 [EBook #16841] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ASCII + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JOHAN DOXA *** + + + + +Produced by Marc D'Hooghe. + + + + +JOHAN DOXA + +VIER HERINNERINGEN AAN EEN BRABANTSCHEN GOTHIEKER + +door + +HERMAN TEIRLINCK + + +1917 + + + * * * * * + + +I + +JOHAN DOXA + +GETROUWD + + +Johan Doxa, de vader, verkocht speelgoed in de Zespenningstraat, een +grijze wijk van nauwe steegjes, midden in de Lage Stad. Hij had er een +smal winkeltje met een gebroken drempelzuil, een vunzigen gang en een +groen-houten hekje, waarop, tenden een buigzaam veerijzer, een +waarschuwende bel vastgehecht was. Het winkeltje was grauw, haast donker. +De roode tichelvloer gloeide langzaam op uit de halve donkerte, maar de +vierkante toog somberde, gelijk een harde, massale schaduw, vlak onder +het venster, dat met zijne menige uitstalling, de dagklaarte buiten +hield. Die toog droeg een verscheiden weelde van lekkernijen, +muntebollen, lekstokken, stampers, ovenbeesten, kramellen, kletskoppen +en amandelbrood. Al dat bonte gesnoeper lag er, in blikken kistjes +nevenseen, elk met zijn eigen kleur en zijn verschillige hoopen. Achter +de toog en langs den muur, tot bijkans tegen de zoldering, hing het +speelgoed, de reepen, de poesjenellen, de poppen, de ballen in wollen +netten, de zilveren muziektoppen, de zweepen met fluitjes, en zoo al +meer. + +Johan Doxa, de vader, was een groote struische kerel. Hij zat 's morgens +in zijn winkeltje, achter den toog. Hij sliep er meerendeels. Zijn stoel +was laag, breed, verzacht met een platte sargie, die er vierdubbel tot +op de leuning over gevouwd lag. Johan Doxa zat gemeenlijk met zijn beide +handen gekruisd op zijn buik, zijn kin op zijne borst en zijn klipmuts +op zijne oogen. Zijn kop stak even boven den toog uit, maar duisterde +weg in de onduidelijke lucht van het winkeltje. Als een kind het hek +openstiet, rinkelde de bronzen bek en Johan Doxa verroerde. Zijne handen +bleven gekruisd en stille, maar, met eene eigenaardige fronsing van zijn +voorhoofd, schoof hij rijzekens zijn muts achteruit, keek naar het +deurtje, beloerde vijandig den jongen, die drummend naderkwam. + +De oude heer Doxa liet, in den namiddag, het beheer van de zaak over aan +zijne vrouw Isabella, welke een ijverig mensch was en het huishouden er +heerlijk doorhielp. In den namiddag ging hij toeren om de stad. Hij deed +met pleizier eene wandeling langs de Henegouwlaan, de Beurs, de +Anspachlaan, wrong zich zwaar en lui door de krioeling van menschen en +rijtuigen en trok op naar de Hooge Stad. Zijn liefste uitstapje kuierde +de Steenpoort omhoog en de grauwe wijk van het Gerechtshof binnen. Daar +liggen, door mekaar, een geharrewar van smalle straatjes en huist eene +ruchtige bevolking. De oude heer Doxa slenterde, er rond, keek met +belangstelling naar de, politieagenten, de hondendieven, de +haringventers en de citroenwijven, luisterde aan de open deuren van +kroegen en danszalen, naar de versleten deuntjes van een blazenden +draaiorgel of de schokkende springwijzen van een grollend speelboek. +Dan liep hij de Visitandienenstraat omlaag en kwam lanterfanten in de +Priemstraat. Hier placht hij zich aan eene zonderlinge praktijk over +te geven. Hij, volgde de bierwagens die, ten dienste van de talrijke +herbergen, voorbijreden en had permissie om, bij het opladen van ledige +tonnen, het roes ervan om te klinken en op te vangen in een zinken +ansjovisdoosje, dat hij, tot dit bijzonder gebruik, altijd in zijn +binnenzak steken had. + +'s Avonds, na den eten, begaf hij zich in den Koning van Spanje, dronk +er met een paar geburen een half dozijn glazen faro, bestelde een +slaapmutsje in den Bloemenhof en kwam laat thuis. Hij vond geregeld en +eenderlijk liggen in het laag bed, tegen den glimmenden kalkmuur van het +lauwe slaapkamertje, het dikke, opbultend lijf van zijne vrouw Isabella +die niet roerde bij zijne lompe inkomst, maar eens zuchtte, schijnbaar +in haar slaap, als om zich van een vies droombeeld te ontlasten, dat +juist op haar miserabel hoofd wegen kwam. + + * * * * * + +De oude heer Doxa had een zoon, genoemd Johan. Van dezen is het dat ik +in het bijzonder verhalen wil. + +Hij werd geboren in de Zes-penningenstraat, binst dat zijn vader, +omtrent de Kapellewijk de dansende klutsen uit de tonnen klonk. Hij was +grootgebracht tusschen het grijze speelgoed en werd een jongen van +zeldzaam uitzicht met, als hoofdteeken van karakter, de luiheid van zijn +vader en het zoete geduld zijner moeder. Op school, waar men hem, om hem +kwijt te zijn, heen zond, was hij dadelijk den zondenbok van allen; de +stooten welke grillige vuisten, bijna onachtzaam, uitwierpen, ploften +pletsig in zijne vette rompe, en de muilperen, die, als bij toeval, uit +onzichtbare fruitboomen neervielen kwamen wonderlijk op zijne bolle +kaken openklakken. Bij eene zoo overdadige behandeling, bleef Johan Doxa +verdraagzaam-glimlachend toekijken, en niets scheen de schoone zaligheid +te kunnen storen, die geheel zijn wezen vervulde en hem toeliet, in alle +omstandigheden, een pak slaag als een dankbaar almoes te aanvaarden. + +Op vijftienjarigen leeftijd liet hij zijn blond kroezelhaar lang-groeien +en deed aan zijne moeder zijn voornemen kennen om naar de Academie ter +leering te gaan. Dit werd hem toegestaan, deels omdat vrouw Doxa voor +niets in de wereld haar zoon zou hebben willen te keer gaan, deels ook +omdat de oude heer Doxa, na een wandellingetje in de Pieremanstraat, +verklaard had dat het hem niet schelen kon. + +En Johan Doxa werd een artist-schilder. + + * * * * * + +Johan Doxa bewoonde, in het vaderlijk huis, een luchtige zolderkamer, +waar hij teekende, schilderde, at en sliep. Hij zat er sinds hij de +Academie verlaten had--hij was nu een en twintig jaren oud--gansche +dagen in de eenige gezelschap van een ekster, een sijsje en een +eekhoorn. De vierkante kooi, waar joepte en zong het teer-groene sijsje, +hing aan een kram van het dakvenster. Zoodra de zon boven de stad vol +mistige daken opduiken kwam en tegen de schuinsche ruiten glinsterend te +tokkelen begon, wipte het sijsje op de bovenste sport en kwetterde een +jubel-getjirrel, dat geheel de kamer met een frisch pleizier vervulde. +De ekster liep in vrijheid tallenkante rond, pootelde ruchtig over het +houten plankier, sprong op den schoorsteen en droeg van links naar +anderzijds de penseelen, welke ze te pakken kreeg. Gemeenlijk zat ze te +midden van het kleine tafeltje, vast op den rand van een dikbuikigen, +diepblauwen tabakspot. Daar bleef ze soms uren zitten, stil-lonkend en +bijna roerloos, haar kop ten halve tusschen hare schouders gedrongen en +haar pootjes in tweeen gevouwd, zeer rustig. De eekhoorn scheer-beende +maar in een draaiende tralietrommel, die op een plankje stond, boven het +hoofdeinde van het ijzeren bed. + +Hier werkte Johan Doxa. Hij schilderde portretten, beelden van Heiligen +en kleine Kruiswegen. Hij likte en overlikte zijne tafereelen, raakte +haast het doek met zijn neus en beijverde zich, in overmatige +geduldigheid, om een krulhaartje op een kin te planten en een wimper op +een ooglid. Hij bukte over het werk, streek langzaam de uitgezochte +verven, bedekte met glanzende vernissen de gladde bontigheid. Zijn ronde +kop, zijn kroezelende haarbos, blond-goud onder het spelend daglicht, +lag, alsof het rustte, onbewegelijk over het effen-glimmende schilderij. + +Als hij verpoosde voor een tijdje, ging hij tegen het bed leunen of +strekte er zich lang uit, rookte, traag dampend, volgde met luie blikken +de opgaande en uitwaaiende tabakwolken en snoof wellustig den sterken +reuk ervan op. Hij dacht aan niets. Hij keek soms heel lang naar het +draaiend eekhoorntje, of voelde, zijwaarts, de blinkende oogen van de +ekster, die loerend, op den blauwen buik van den tabakspot oolijk te +muizenissen zat. Wanneer het avond werd had hij een heerlijk gevoel van +zelf-verdwijnen. 't Was dan alsof, met de uiterste deemstering, het huis +en de wereld zouden in nevelen vergaan. Zijne ronde blauwe cherubijnoogen +blonken zonderling in de donkerheid en zijne handen lagen als twee witte +vlekjes op het duistere violet van de bedmatras. + +Na den dood van zijn vader, die in het hospitaal aan eene kortstondige +leverziekte stierf, veranderde Johan Doxa haast niets aan dat peiselijke +zolderleven. Alleen zou hij af en toe wat uitloopen en menschen zien. +Hij nam dit voornemen op den raad van zijne moeder, die met leedwezen +hem in vergetelheid eene jeugd zag bederven, die zoo nuttig aan zoo +kostbare zaken had kunnen besteed worden. Ze had gaarne haar zoon zien +genieten van het weinige dat de Voorzienigheid hem op zijn weg had +geleid en ze gaf hem, met eene schijnbare onverschilligheid, te verstaan +dat de stad vol was met behaaglijke meisjes en dat er wel een ten minste +in den hoop te vinden was, aan wie hij zijne versche jonkheid toetsen +kon. Johan Doxa bloosde en glimlachte. Het vijffrankstuk, dat moeder hem +in de hand stopte, plakte in zijn vette palm en teekende er, met zijne +harde randen, een cirkel van gewicht. Hij liep den kapotten drempel +over, hoorde, nog de bel bingelen, gesmoord in de dufheid van het +binnenhuisje, en drilde langs de Lage Stad om. Hij leek, in deze +slentertochten, wel zeer op zijn vader-zaliger, haperde aan elken winkel +en luisterde naar elk gerucht. Zijn grootst genot was bezijden de platte +kaaien. Hij staarde half-hangend op de ijzeren leuning, naar het donkere +water, waar het licht van den dag onrustig over al schervelend ging. Hij +bespiedde de doening der vaartmannen op de groene booten, volgde den +rytmischen gang der koollossers, kon, tot het gansch donkerde, blijven +turen naar 't gewiegel van een dobberend papiertje. + +Het was binst deze wandelingen dat hij die twee vreemde mannen ontmoette, +welke na korten tijd zijne vrienden werden. Zij waren allebei ouder dan +hij. Hij deed hunne vriendschap op in de zelfde week. De eene was een +letterkundige en katholieke pamflet-schrijver, die zich als een vurig +werktuig van God aanzag. Hij heette Lieven Lazare. De andere was een +bleeke lang-opgeschoten kerel, met diepe doode oogen, een breede hand en +sproeten op zijne vingeren. Hij was tapper in de _Old Curiosity Shop_, +een nachtkroeg naar de mode. Zijn eenige naam was Anatole. Lieven Lazare +was een groot, breed man, hooggeschouderd, met ronden kalen kop waar een +stekelige snor haast een klein-bolle neusje wegvlekte. In zijne schriften, +die eene onbetwistbare literaire waarde droegen, schold hij met ongemeene +woestheid allen uit, die "op hun gladde harten de berrie torschen van het +Gulden Kalf" en, in het bijzonder, de priesters en prelaten. Zijn werk +"Ploerten" was een kostelijk autobiografisch verhaal, waarin hij zijn +kristelijke liefde en, als met geweldige geuten, zijn schrikkelijke haat +uitstortte. Hij sprak er van Johan Doxa, gelijk van een "uitverkoren +wezen, hetwelk uit de vroomheid van gothische tijden onbeholpen te midden +van de tartende ketterij der encyclopedisten gesmeten werd." Anatole was +een tegenovergesteld wezen. Hij had een oolijk aangezicht, vol met de +uitdrukking van dubbelzinnige schuchterheid en onkuische bedoelingen. Hij +zong zeer mooi en kende een aantal allerliefste liedjes, welke hij, op de +viool en de cither, deed begeleiden door zijne vrienden Biebuyck en +Donkerwolck. Met deze twee kwam hij, des Zondags, Johan Doxa op zijne +zolderkamer gezelschap houden. Zijn aardige stem kwinkeleerde tegen de +pannen-bedekking, en de snaardoozen tjokkelden sierlijk de maat. 's Avonds +was hij tapper. Hij vertelde zoo lekker van het diverse spektakel in de +_Shop_, en zijne twee vrienden, die daar in een klein concert meerendeels +werkzaam waren, bevestigden met knikken en ooggeknip zijne heerlijke +verhalen. + +Van Anatole hield Johan Doxa zeer. Lieven Lazare vreesde hij duchtig, +maar had hem meer innig, meer van binnen en uitermate lief. + + * * * * * + +Op een middag kuierde Johan Doxa langs de Papenvest. Hij was zeer +droevig want het groene sijsje had hij 's ochtends dood gevonden. Hij +drumde tegen de muren en zag langzaam de vierkante straatsteenen onder +zijne voeten wegslieren achterwaarts. De stad was blauw en luchtig. Eene +zilveren Junizon blikkerde op de huisgevels, danste tegen de ruiten, +poeierde in de klare ruimte trillend uiteen. Hij dacht weer: + +"Het groene sijsje is kapot!" + +Het zeurde aldoor in zijne hersens en hij luisterde binstwijl naar de +duidelijke herinnering aan het licht-tikkende vogelgezang. Om hem +zilverde de zingende zon, maar grijs en zwaar nevelde zijn treurende +gedachte: het zou er nu mee uit zijn, het groene sijsje is kapot.... + +Zoo kwam hij in de Papenvest. Op den drempel van een oud huis stond eene +vrouw. Zij was groot en blozend en hare huid schoot op uit haren rooden +halsdoek, gelijk eene klaarte vol zoetigheid. Ze lachte stille. Ze +lachte stille, stille. Johan Doxa slenterde voort. Het docht hem ineens +dat eene ongekende lustigheid zijn hart kwam vervullen met al de weelde +van een geheimzinnig gevoel. Hij wilde wel zijn hoofd omdraaien, en het +oude huis herzien, en den drempel, en dat wondere beeld van vleesch.... +Hij slenterde maar, keek niet achterwaarts, strompelde scheef-beenend +over de ongelijke kasseide, en aldus gebeurde het dat hij smoorlijk werd +verliefd. + +Hij stiet het groene hekje open, zoodat de bel ommentweer snokte en +leelijk door den gang lawaaide. Hij klauterde ongemanierd langs de +steile trap, ademde haastig, pletste met zijne warme vingeren op de +vochtige trapleuning. Hij geraakte in zijne lage zolderkamer, bleef +dwaas in het deurgat staan en staarde, met nuchtere verwondering naar +de zwarte ekster, die aardig op den rand van den blauwen tabakspot te +glarien zat. Zij roerde haren kop niet als hij hard-stappend binnentrad. +Zij bleef rechtuit blikken met hare zwart-gulden vliemige oogjes, heel +bedaard, alsof ze zeggen wou: "Daar hebt ge 't nu! Heb ik het al lang +niet voorspeld?" + +Johan Doxa zette zich neer op zijn plat-bedekt bed en kruiste zijne +handen over zijne knieen saam. Het eekhoorntje draaide in zijn roerenden +tralietrommel en stak zijn staart kaarsrecht omhoog. Op de tafel lag +eene schoone nieuwe pijp in bleek palmenhout. Het was een geschenk van +moeder. Johan zou de steel sierlijk bekerven en opkleuren met roode +witte en groene streepjes en ze omranden met fijne blauwe cirkels. Nu +bekeek hij van verre de pijp en hij dacht aan de blanke keel die zoo +rijkelijk boven de scharlaken doek-verve oprankte.... + +De zon pletste door het dakvenster en speelde langs de koperen snaren +van de ledige vogelkooi. Er trilde door de lucht een zilveren +herinnering aan het groene sijsje, en tot den dikken avond zat Johan +Doxa, rechtover de dubbende ekster, te dubben eenderlijk. + +Daags nadien kwam Anatole met Biebuyck en Donkerwolck, zijn zwijgende +vrienden, een bezoek brengen. Zooals naar gewoonte werden wat flesschen +lambik opgehaald en moest Anatole eene rei liedekens zingen. Dit deed +hij, terwijl Johan Doxa zeer aandachtig den bleeken steel van de nieuwe +pijp met allerlei ornamenten overteekende. Hij zong op uitstekende wijs +de oude deuntjes van den _Reus_, van den _Koekoek_, van het _Ros +Beiaard_, van _Mijn moeder gaat naar Halle_, en van den _Uil_. De +anderen begeleidden keurig, de cither tokkelde de springende zangmaat +in rythmische brokjes en de viool vergezelde in accoord den gang van +Anatole's buigzame stem. Het was een lieve nanoen, en er werd gedronken. + +Maar Johan Doxa zat, onder het volle vensterlicht, laag gebogen over de +teerheid van zijn brooze versieringen, en hij keek niet op, en het was +alsof hij afwezig was. Anatole lachte met hem, vroeg of hij verliefd was +geworden, klopte vertrouwelijk op zijne schouders. Hij vertelde dan van +de gebeurtenissen in de _Curiosity Shop_, van de mooie Roy-Dour die zich +tegen den toog had ontkleed om een merk te toonen, dat ze op de +linkerheup droeg. Hij vertelde met korte zinnetjes, hief met gepaste +woorden, kort en rap, de pittigheid van een voorval op, en liet, na +elken raken zet, op zijn wit aangezicht het dubbele barreel van zijne +tanden blikkeren. Biebuyck stak zijn kin vooruit en Donkerwolck +pinkoogde. De cither en de viool rondden hunne bruin-glimmende buiken op +een stoel, naast het doode kacheltje. + +Maar Johan Doxa roerde noch en ruchtte. Toen vertrokken de drie +kameraden en ze gingen sloffend en strompelend de steile trap af. Het +groene hekje hoorde Johan Doxa rinkelen. Het huis werd stil. Hij lei de +bleeke pijp op zijde, schoof achteruit, staarde lang opwaarts en zijne +oogen begonnen te pikken, te sterren, te nevelen. Hij zuchtte. De ekster +rok traag hare vleugels uit, lengde haren hals, huiverde over geheel +haar lijf, en zette zich weer rustig en thoope, met gevouwen pootjes, +op den pot, die blauw en bollig te blinken zat. Het werd haar alsof ze +zeggen zou: + +"Mijn arme Johan, wat moet er van u geworden?" + + * * * * * + +Het oude huis op de Papenvest was eene herberg. Dagelijks ging er nu +Johan Doxa. Hij bestelde een half-en-half en bleef zitten, rechtover de +deur, tot eens de vrouw, die als een groote onrust over zijne ziel woei, +daar zou voorbijgaan. Ze woonde op de eerste verdieping. Ze heette +Julia. Ze was, een dik jaar geleden, getrouwd met een treinwachter, die, +tien dagen na zijn huwelijk, in een spoorweg ongeval was omgekomen. Ze +leefde alleen en naaide. Als Johan in de herberg zat, zag hij ze vaak +omloopen in de gang. Ze lachte luid of zong. Ze had eene klare golvende +stem, die door gansch het lichaam van Johan sidderde en er een ongemak +veroorzaakte, dat het bloed naar zijne slapen joeg. Hij dierf haar niet +aan te spreken, maar zijne vingeren beefden en zijn adem zwol. Het docht +hem dat hij zou gaan licht worden als een vlam en opspringen tegelijk en +ijlen naar de dartele deerne die, boven de vurige kleur van haar +borstdoek, hare klinkende keel opklaren liet. + +Telkens kwam hij moedeloos, uitgeput en zonder hoop weer thuis. Moeder +Doxa, van tusschen de arlekijnen en het suikergoed, daar achter den +duisteren toog, merkte iedermaal zijn treurend uitzicht. Ze +vermeerderde, gelijk zij kon, het bedrag van zijn zakgeld, en knikte hem +heimelijk toe, hem oolijke stootjes gevend en nafluisterend van de +blonde dingetjes, die er allentwege omliepen in liefelijke gretigheid. +Hij glimlachte zachtekens mede en voelde den dwazen blos uitgloeien, als +pioenen, op zijne heete wangen. + +Het liefst zat hij op zijn kamertje. Hij werkte er aan de +miniatuurversiering van de palmhouten pijp. Hij schilderde er laaie +harten, en doornen, en rozen, en, in schoonverluchte letters, den naam +van Julia. Dagen lag hij over dat buitengewoon bedrijf gebogen, en hij +verrijkte het telkens met nieuwe kleurverwikkelingen. + + * * * * * + +Eens ontving hij een kaartje van een heer, die hem wat dringends te +vertellen had en hem verzocht om bij hem, als mogelijk, aan te loopen. +Johan Doxa herlas driemaal te reke het adres, en begon daarna het zweet +weg te vagen, dat in zijn haar kittelde en op zijn voorhoofd te perelen +stond. De heer woonde op de Papenvest, in het oude huis, eerste +verdieping. + +Te valavond begaf zich Johan Doxa toch op weg. Wel beefde hij en +wankelde haast terwijl hij de piepende trap opging. Hij stond voor de +deur en wilde zich nu eerst eens goed bedenken. Hij bedacht zich eens +goed, zuchtte en besloot maar weer de trap af te dalen. Toen juist +sprong het slot en in de vrije klaarte stond daar de weelderige Julia. +Ze groette hem bij zijn naam en bad hem om binnen te komen. + +Hij ging. Het werd zeer warm en de lucht woog, stikkend heet. De kamer +was zindelijk en helder van kleur. Een vierkante kachel puntte zijn +glimmende koperknoppen onder de schaduwkap van den schoorsteen. De tafel +was bedekt met een oranje ammelaken, groen-bespikkeld en hard. Tegen den +muur stond het breede bed, de sargie half-omgeplooid en het witte +hoofdkussen bloot in het midden. Johan Doxa zag dit alles tegelijk, in +een waterig zicht van vloeiende dingen. Hij zag Julia. Hij zag haar +roode doek, haar blanke boezem, haar natten mond, hare oogen,--beweeglijken +gloed.... + +Hij zette zich. Ze sprak van het kaartje--dat het een onschuldige +leugen was, dat zij wel wist dat hij op haar persoonlijk aandringen niet +komen zou, dat zij het overigens nooit had durven schrijven op haar +eigen naam, dat zij nu van hem verlangde dat hij haar portret zou +schilderen. Ze sprak meesmuilend en vleiend, vingerde verlegen over haar +borstdoek, ontsloot het onwetens, en lachte, lachte. Ze wipte dan op, +bloosde minzaam en zette eene flesch met zoete likeur op tafel. Ze vulde +de kleine glazekens. Haar lichaam bukte voorover, heel dicht aan bij +Johan, die de buigzame elegantie van haar leen bijna onder de hand te +bewonderen kreeg. Ze draaide rond hem, raakte met haar zwaaiende rokken +zijne knieen, welke hij met wanhopige beleefdheid probeerde onder de +stoelsporten te steken. Ze dwong hem te drinken. Hij dronk een half +slokje en slikte verkeerd. Ze knikte hem toe, ze wachtte.... + +Daar kwam eene stilte. De stilte druppelde tikkend uit de kast van een +eiken horloge. Julia had hare beenen overeen gekruist en toetste met het +tipje van haar wiegend voetje nijdig en matelijk de losse broekpijp van +Johan Doxa. Johan Doxa zweeg in extase. Toen sprak ze, met een zucht +opnieuw, van het portret, en Johan Doxa, terwijl hij zijne blonde +krullen schudde op zijn nek, en eene toenemende zekerheid den blik van +zijne blauwe cherubijnoogen vastzette in zijn rond-vette aangezicht, zei +nu, al wuivend met zijne korte armen ... eigenlijk zei hij nog in het +geheel niets, maar hij wist wat hij zeggen moest en wuifde met zijn +korte armen. Hij zou zeggen: + +--"Berust hierover op mij, Mevrouw. Ik zal uw portret maken, al moest +het mij, twintig jaren lang, een dagelijkschen arbeid kosten. Het zal +mijn meesterwerk zijn, Mevrouw. Ge zult op het doek in de verf zitten, +zooals in een spiegel. Aan ijver zal het mij niet ontbreken, want uw +beeld verlaat nooit mijne eenzame gedachten en gij zijt de godinne die +oprijst, gelijk een dag vol zonnegoud, over mijn onwaardig hart. Vergeef +me, als ik te lang misbruik maak van uwe gastvrijheid, Mevrouw, maar ik +wenschte u te zeggen wat het beduiden wil, een hart dat bewoond is door +een zondige liefde. Liefde, ik heb het uitgesproken. Wees niet boos. Ik +zal u algauw van mijne rampzalige tegenwoordigheid bevrijden. O! Gij +zijt te wel opgevoed om mij de deur uit te gooien. Ik begrijp u, +Mevrouw. Ik dank u, Mevrouw. Voor mij niet, alsjeblief, nee, dank u wel, +geen drank meer. Met mij hier langer op te houden, keurt gij eene +vermetelheid goed die zich over haar zelve schaamt. Ha! Ik ken mijne +plichten! Ik zal uw portret maken, Mevrouw, tot het uiterste haartje. +Vrees niet. Wat de betaling betreft, kijk er niet naar om, bid ik u. +We zullen dat wel regelen, later, met maandelijksche afkortingen, bij +voorbeeld. Goeden avond." + +Alzoo in zijn binnenste redevoerend was hij opgestaan. Gelijk vlammen +schoten al de woorden door zijn geest voorbij. Dan wilde hij ze +weerhouden, ze op zijn tong brengen, ze vrij in klanken loslaten. Maar +ze waren weg. Een pak lood zat hem in den mond, iets dat hij noch +neerzwelgen noch uitspuwen kon. Een onnoozele glimlach stak twee lieve +putjes in den blos van zijne poezelige bolwangen en hij werd ineens zoo +gelukkig, zoo gelukkig, dat hij er bang van werd. Hij was bang dat die +zaligheid mocht ophouden, of dat ze hem mocht ontstolen worden, en hij +wilde er mee wegvluchten. Hij zei: + +--"Goedenavond ... Goedenavond...." + +En vluchtte inderdaad. + + * * * * * + +Moeder Doxa was niet weinig gelukkig, als ze nu, in zijn zolderkamertje, +haar zoon Johan hoorde zingen van den morgen tot den avond. Hij wilde +haar echter niets van de heerlijke gevallen zijner liefde bekennen. Hij +had aan Julia een langen brief geschreven, waarin hij haar vergeleek met +de hemelsche melkbaan, want haar huid was blank en zilverig, en er +vloeide daaronder eene room zoete klaarte, welk met den gloed van het +roze bloed aan het stralen ging. Hij zond haar, in een keurig pakje, de +kostbare pijp, als een teeken van de verduldige passie, waarmede hij +haar sinds maanden aanbeden en verbijd had. Haar naam praalde op den +steel in een kunstig gewirrel van bonte ringetjes en punten en +droppelkens goud. + +Zoo vervloog de gevleugelde tijd. Johan Doxa zat neuriend onder het +ledige muitje. Het loodrechte licht viel uit het vierkante dakraam op +het vlakke schilderdoek en de glanzende lokken die, langs Johan's +slapen, al bellend erover hingen. Hij penseelde vlijtig en traag. Het +struische gelaat van Julia kwam, ietwat magerder, op den bruinen +verfgrond te voorschijn. Hij schilderde haar uit het hoofd, legde +parelen om heure haren en licht gebloei daarlangs. Een doorzichtig +keurslijf lag losjes open op haar boezem, en ze hield een dubbele dahlia +in hare rechter hand. Voor haar, op de tafel waar ze statig aanzat, was +het of ze zoetekens over een mandje met allerlei bloemen vingerde. +Bloemen waren overal rond haar,--tulpen en leeljen in waaiervormigen +tuil opgroeiend uit een groote zilveren vaas, rozenranken langs het raam +van 't venster, en een karmijnen koningskroon in een blauwen, +familiairen tabakspot.... Aan den eenen kant zat de ijverige eekhoorn, +aan den anderen de dubbende ekster; maar het sijsje was er niet. Het +gansche portret was een eigenaardige menging van levend licht en doode +herinneringen, tegare gewisseld in een gladde verve van subtielen toon. +Johan Doxa borstelde aandachtig erlangs en eromme, slierde met haarfijne +nauwkeurigheid rond den bleeken dons van het vlezige aangezicht en +tooverde traag een vollen dag in de starende strakheid der glimlachende +oogen. Hij was bovenmatelijk in zijn schik. Het eekhoorntje draaide +binnen den zacht-ronkenden traliemolen. Maar aan Lieven Lazare zei hij +niets van dat alles. Hij hield in dien tijd niet veel van Lieven en +vluchtte zijne strenge redeneeringen. Er bleef van dat acute gepreek bij +Johan Doxa iets over, dat onduidelijk op wroeging leek en naar een +geducht berouw leiden moest. Het docht hem halvelings dat hij, met de +gebaren van zijne vreemde liefde, aldoor zondigde tegen de behagelijke +wetten van God. Lieven Lazare benaderde in slaande bewoordiging deze +zedelijke zwakheid en raadde precies de ongemakkelijke stemming, waar, +binst zulke oogenblikken, zijn vriend Johan gekluisterd zat. Hij liet +niet na hem hierover met goddelijke wreedheid te berispen. + +--"Gij zijt, mijn jongen", sprak hij, "overvallen door de mistige +monsters der tempteering. Ik zie u spartelen tegen de satanische +belegering en uw hart schijnt me toe als een poppelend schuchterheidje, +een angstig asemtje, een gesmoorde kreet.... Zijt ge onkuisch mijn +vriend?" + +Johan Doxa verklaarde haastig dat hij zuiver en gezond was gebleven. Hij +vreesde de sterke waarschuwingen, welke hij in den naam van God en langs +God's eigen woord ontving, en zoo kwam het, dat hij het gloeiend geheim +van zijne blijde gedachten voor zich zelf bewaarde, verborgen en eenzaam +op het lage zolderkamertje, tusschen het vlakke portret, de blauwe +tabakspot, de peinzende ekster en het triptrappende eekhoorntje. + + * * * * * + +Op een avond gebeurde echter een ongemeen geval. Johan Doxa wandelde om +de platte kaaien van de breede vaart. Het was een najaarstijd. Een +druppelende nevel hing over het water en de gele lanteernlichten vlekten +wijdopen op de dichte damplagen. De avond was dik en rot. Rappe menschen +schoven voorbij of een eenzame wagen waggelde gelijk een ruchtbare +schaduw door de grijze massale duisternis. Op de ijzeren brug die naar +de dokken leidt, bleef Johan stille staan. Hij staarde naar de klotsende +vaart waar het roode licht van een signaalbord roerend brokkelde. Een +stille zwarte boot gleed binnen de misten. Men hoorde het verre geronk +en de belrinkeling van een zoevende elektriektram. Johan Doxa dacht, +naar gewoonte, aan zijne heldere toekomst, want hij placht gaarne het +beeld van zijne liefde te verplaatsen in de zonnigheid van een komende +welvaart. Hij zag zeer duidelijk het huisje met de oranje luiken, den +wilden wingerd boven de deur, het zomerlicht op den drempel. Hij zag den +haard met de zoete warmte en den zoeteren vrede. Hij zag Julia. Een +stille boot voer, zwart en water-roerend, onder de brug, en het roode +signaallicht kronkelde langs de schokkende golfjes. Het sloeg negen uren +op den ouden Kathelijne-toren.... Hij kuierde de dokken voorbij, keerde +om naar de Vischmarkt en sloeg een smal steegje in, dat op den hoek van +het Zaterdagsplein uitzicht gaf. Hij had zijne handen in zijne +broekzakken gestoken en ging al fluitend. Op het Zaterdagsplein stond +een driearmige gaslanteern en, juist onder de gele klaarte, een +onbeweeglijke politie-agent. Johan Doxa zag hem pas als hij heel dicht +bij hem genaderd was, want de nevel dikte nu tallenkant zoo zwaar, dat +de straten op vierkante holten leken, waar verwijlde een vette smoor. +Johan blikte even naar den politie-agent op, dewelke, paalrecht onder +zijn opgestoken kapeline, rustig te rooken stond.... + +Maar ineens begon Johan Doxa te loopen, te loopen alsof hem een +schielijk gevaar op de hielen zat. Hij hield niet op voor hij de +Zes-penningenstraat bereikte. Hij struikelde hijgend tegen het groene +hekje en sukkelde wild-blazend de trap op. De leuning piepte en de +trapberden kraakten. Hij stak op het zolderkamertje eene kaars aan, +die hij op den kant van de tafel plantte en zakte toen op zijne knieen, +geheel dooreen, als een halm door de zeis getroffen. + +De ekster zat niet op haar rustige plaats. Ze vleugelde angstig over de +geel-bruine bedsargie en hare gloeiende oogjes blikkerden buitengewoon. +Ze trachtte met wippende sprongskens en klein gekrijt de aandacht van +haar bedrukten meester naar het spectakel van een leelijke gebeurtenis +te lokken. Johan evenwel lag op het plankier ineengedrongen en drukte in +zwijgende wanhoop zijne ellebogen op zijne knieen, en keek halsstarig +voor zich uit. In den geluidloozen tralietrommel hing het eekhoorntje, +dat dood was gegaan. + + * * * * * + +"Anatole", zei Johan Doxa, terwijl zijn bleeke vriend op den rand van +de ijzeren koets zijne nagels schoon maakte en, daarnaast, de witte +gezichten van Biebuyck en Donkerwolck boven de gele heupen van de viool +en cyther opgeschoten, "ik zeg het u, zoo lange dagen en dagen heb ik +over dat ding te zwoegen gezeten. Hebt ge de lieve madeliefjes gezien, +die ik langs een wiegend thema van blaadjes en knopjes op den steel +geschilderd heb? Gij waart vaak de verwonderde getuige van mijne +verduldigheid. Het groene sijsje zong perelend onder ginds vierkante +zonnelicht. Het eekhoorntje draaide. Ja, mijn vriend, ik heb dat werk +versierd met een warm stuk van mijn innigste gedachtenleven. In den +dikken nevel almeteens pletste het brutale mannengezicht open, gelijk +een vieze vloek. Het was op het Zaterdagplein onder den driearmigen +lantaarn. Hij rookte dus uit mijnen pijp. Vraag mij nooit iets meer +daaromtrent Anatole. Ik heb u immers alles verteld...." + +Anatole vroeg evenwel nog hoelang ze met den politie-agent getrouwd was, +maar Johan wilde geen woord meer reppen. Hij stond leunend tegen het +kleine tafeltje. Zijn blonde krullen hingen verward over zijne ooren en +hij staarde op de vloer, waar de ekster een hoop witte kruimels uiteen +bekte. Anatole zong het liedje van de _Drie Gezellen_, en daarna +een ander nog, van het _Euverzwijn_. De dag was grijs en triestig +en de schaduwsluierde stille langs de muren. + + * * * * * + +Johan Doxa was nu een zeer onrustig mensch geworden. Des nachts sliep +hij niet en over dag liep hij het huis op en af, of drilde gichtig de +Lage Stad omme. Moeder Doxa merkte alweer dadelijk het vreemde verschil +en zij wist geen raad om haar pover kind tot een betere stemming te +brengen. De moedelooze toestand van Johan brak uit in zonderlinge +uitslagen. Hij werd gefolterd door pijnlijke verlangens en zijn +verbeelding was vol met duizelige tafereelen. Terwijl hij slapeloos op +zijn sponde lag, recht uitgestrekt, kwamen de mistige vormen van zijne +gedachten door de lauwte van het kamertje varen. Ze wiegelden in de +lucht zooals wuivende sluiers en ze hadden de kleur van de roomblanke +huid, waaronder zacht-roze vloeit het gloeiende bloed. Ze naderden zijne +heete lippen en hij hijgde ongelijk en de nacht rok zich uit, alsof +nooit de vrije dag zou klaren. + +Anatole vertelde hem van het lichte leven en van de jolige jeugd. Hij +zag, bij elk woord dat zijn listige vriend fijn uitteekende met zijn +naakten mond, het gebaar en de weelde van die ongekende pleizieren, +waaronder vlamt en wappert het dansende vuur van rappe passie. Hij werd +nieuwsgierig, trachtte met oolijke wendingen de verscholen +bijzonderheden te kennen en zijn geest was altijd op zoek, een versch +beeld beloerend dat uit een ongezond toeval van detailleering kon +ontstaan. Hij vluchtte al meer en meer de bezoeken van Lieven Lazare, +die, met orakels en profetieen, zijn opgejaagde hersens in de war hielp, +maar des te gretiger liep hij het bleeke gezelschap van Anatole na. + + * * * * * + +Op een dag werd besloten dat Johan Doxa naar de _Old Curiosity Shop_ de +kameraden Donkerwolck en Biebuyck vergezellen zou. Er was dien avond een +klein concert in de bovenzaal en Johan moest den triangel slaan. Zoo kon +hij alles eens goed aflonken en er zich een eigen oordeel over maken. +Ze gingen met hun drieen. Ze bereikten de bovenzaal langs een klein +diensttrapje en dit was gelukkig, want er zat veel ruchtig volk in de +grootere consommatiekamer en Johan zou nooit de krasse uitroepingen te +boven gekomen zijn, waarmede men daar zijn drollig-vet voorkomen en zijn +zeldzaam aangezicht hadde gegroet. Hij werd tusschen Biebuyck en het +klavier geplaatst en hij keek beteuterd rond. De zaal was zeer helder +verlicht. Groote elektrische klokken hingen tallenkant, gelijk ongemeene +bloemen, te stralen. De wanden waren behangen met een scharlaken +brokaat, dat tegen de zoldering langs gouden festoenen en kleine +empirekransen fronste. Spiegels hingen links en rechts in zilveren +lijsten te klateren. Drie kleine tafels stonden op het karmozijne tapijt +en groote krysanten pronkten er tenden den glimmenden hals van hooge +porseleinen vazen. Een lakei in groene livrei liep in drukte rond, +schikte de satijnen zetels en de sofa's waar rustten, als vlekken zon, +ronde hard-gele kussens. Het was erg warm. Men hoorde, in de +benedenkamer, het geraas van het drinkende volk. Een klein uur +vervloog.... + +Toen werd het teeken gegeven dat de muziek spelen moest. Ze klonk +ongezellig binnen deze ledige kamer en Johan Doxa voelde in zich eene +holle ellende, gelijk een kelder vol triestigheid. Maar de dubbele deur +werd opengeduwd en eenige bejaarde heeren traden binnen. Ze babbelden +ondereen en waren hier thuis. Ze zetten zich in de mooie zetels en de +lakei bracht kaarsen en sigaren en ze begonnen te rooken. Koffie werd +opgediend. Enkele dronken gulden cognac uit fijne hooge glaasjes. Dan +kwamen de dames. + +Ze kwamen langzaam en glimlachend. Hunne stemmen zilverden boven de +muziek heen en hunne blikken blonken dwaas door de geweldige verlichting. +Ze waren in lichte bonte dracht, bespikkeld met de glanzen van duizenden +gesteenten, en hunne armen, hunne amberen schouders, hunne ronde halzen +waren bloot. Hun boezem was beschaduwd door de mauve doezeling van een +rankje bloemen of met een teere sluier gekleurd. Ze groetten en knikten +en de heeren slurpten aandachtig aan de witte randden van de nauwe +kopjes koffie, die krullend opdampte langs hun roode gezichten. + +De lakei stond kaarsrecht, bij de dubbel deur, in heerlijk Veronese- +groen. + +Het was omtrent dien tijd dat ook de ekster stierf op een morgen van +dien grijzen winter. Johan Doxa lag op zijn bed en zag in de rijzende +ochtendklaarte hoe zij al meteens te vleugelen begon. Ze klampte zich +ongedurig vast aan de gladde randen van den blauwen tabakspot, zakte +plots ineen, stortte voorover en rolde op haar rug. Nog bibberden hare +pootjes. Ze rok een laatste maal hare keel uit, over het berd van de +tafel, en roerde daarna niet meer. + +Johan stond in zijn hemd bij de tafel. De ekster bekeek hem met hare +scherpe oogen en het was of ze, in haar uiterste vuur, zeggen wou: +"Kerel! Kerel! wat ga-je nu doen zonder mij?" Ze stierf. + +Het zolderkamertje werd hem sindsdien een duisterheid zonder genade. +Hij kon er niet meer zitten, zooals eertijds, want, al had hij ze ook +weggegooid, daar hingen altijd het vogelmuitje en de tralietrommel en +daar zat, op zijn blauwen buik, de glanzende tabakspot. Hij sprak +hierover met de goede moeder Doxa, achter de toog van het vunzige +poppenwinkeltje, en, de volgende week, verhuisde hij. Hij betrok een +kleine kamer onder het dak, in het oude huis van de Papenveste en +schikte er zijn ijzeren bed en zijn verschilligen schildersboedel. + + * * * * * + +Het was daar een raar leventje. Straatvloers woonde de herbergier, op +de eerste verdieping huisde Julia met haren nieuwen echtgenoot, op de +tweede lawaaide de weduwe Sikkel, met hare negen kinderen, en hooger op, +onder de pannen, nestte Johan Doxa, geheel alleen. Deze verandering van +midden was hem zeer voordeelig. Hij werd rustiger, stilde in zijn +hersens de ziekelijke opgejaagdheid, die er eene monsterachtige +verbeelding voedde, en hernam zijn ronde palet. Allengerhand begon hij +klaar te zien in de troebele gronden van zijn hart en hij geraakte tot +een helder zicht van zijne liefde. Hij legde dit uit in een kort gesprek +met Anatole: + +--"Alles om mij", zei hij, "bezakt en bedaart. Begrijp goed, mijn +vriend, dat ik een ben, die de geschoren stoppelhaartjes van een baard +te tellen pleeg. Hoe heeft me die spijtige gebeurtenis beroerd en +gekoterd, ach! Stel u dat onweder voor. Nu is de roes gezonken. Ik kan +weer schilderen. Ik bemin Julia meer dan ooit, maar nu weet ik precies +hoe vurig en hoe lang. Ik ben nu ook veel gelukkiger. Wel ja! wat +glimlacht ge? Ik ga langzaam de trap op en af, en soms hoort ze mij, +en ze trekt haar deurtje open en ze knikt liefelijk of zegt met +onuitsprekelijke innigheid: "Hoe vaart ge, mijnheer Doxa?" Andermaal +ontmoet ik haar beneden, in den gang voor de herbergzaal. Ze loopt me +nooit onbeleefd voorbij, zooals zij wel het recht zou hebben te doen, +zal u toch dunken. Zij komt ook aleens op mijn kamertje en zij wil mijne +schilderijen goed vinden. Ik werk veel om haar wat te kunnen toonen; +maar ik verkoop ongaarne, wat zij met hare lieve oogen heeft opgemerkt. +Zij zet mij nochtans tot verkoop aan, en ik kan haar niets weigeren. +Zij is, sinds haar huwelijk, zeer arm. Ik ben blij dat ik haar soms een +beetje helpen kan al is zij ook daarom uitermate verlegen. Zoo leven +wij, mijn beste jongen. Och ja! En de man, de politieagent, die is +insgelijks vrij aardig. Wij zijn goede kennissen en gaan reeds op een +vriendschappelijken voet om met mekaar. Wij drinken bij gelegenheid een +half-en-half bij den herbergier beneden. + +"Hij houdt veel van duiven, en hij doet mee aan prijskampen. Ik heb hem +dees gedeelte van mijne kamer afgestaan en, zie maar, hij heeft er een +groot duivenkot opgetimmerd dat met een witten kijker uitzicht geeft +op het dak. Wat kan het mij schelen? Ik doe dien mensch pleizier. 's +Morgens, al heel vroeg, terwijl ik nog te bed lig, komt hij de duiven +eten brengen. Ik laat mijn deur maar open en hij kan gemakkelijk binnen. +Hij kruipt op een stoel, ontgrendelt het kot en spreekt zachtaardig de +zoete beesten aan. Gaarne hoor ik de maiskorrels dansen op de houten +berden en de duiven aroetekoeen van genot. Daarna kan ik somwijlen weer +wat inslapen. Alleen de reuk hindert me.... Ja, inderdaad, mijn waarde +vriend, dat is hinderlijk. Het komt bij wijlen met vieze walmen omlaag. +Kijk! dan zet ik het venster open en loop een uurtje langs de dokken, en +'k zie nog het snoezig lachje van Julia in het deurgat, gelijk een vol +gestreel van de zomerzon. Haar man heet Firmien. Ik ben nu aan een doek +bezig dat ik voor hem bestem: het verbeeldt, in een krans van +voorjaarsbloemen, het liefdegedoe van twee aschblauwe rasduiven. Ik moet +zijne twee bestvliegers uitschilderen, zegt hij. Dat zal ik doen. Hij +wil het schilderij laten in een kostelijken lijst ophangen boven zijn +bed, en daar past het waarlijk voor. En zoo, Anatole jongen, komt de +trage vriendschap de onstuimigheid van tijdelijk misbaar vereffenen, zoo +loopt, al spelend, het zangerige beekwater de ruige keien glad. Des +Zaterdaags ga ik met Firmien in de Halve Maan een paar uren kaarten. Ik +ben hem dankbaar. Hij doet het voor mij, zegt hij, want hij zelf heeft +altijd het noodige geld niet op zak om de verloren pinten te betalen. +Men tapt in de Halve Maan een uitmuntend bier. Vooral de geuze is +lekker, maar ge moet hem aan de ton bestellen en hem stille drinken. Hij +perelt gelijk een julimorgen en hij vloeit zooals het licht van de maan, +wanneer het, bij diep-blauwen najaarsnacht, lui en weelderig uit de +violetten hemelvaten neerspoelt,--lui, en weelderig, en geluideloos." + + * * * * * + +Johan Doxa zou het nooit over zijn hart krijgen om kinderen onzacht te +behandelen. Hij leefde in groote kameraadschap met de negen kinderen van +mevrouw Sikkel. Mevrouw Sikkel zond hem de lieve bende--met uitzondering +van de drie oudsten die school gingen--telkens als ze buiten huis op +boodschap moest uitloopen. Dit had ze ook nu, binst dezen mooien +Lentenanoen, gedaan en, om de gewone dienstwilligheid van Johan niet te +misbruiken of te belasten, had ze het kleinste bengeltje medegenomen. + +De kinderen lawaaiden binnen het gekalkte kamertje en ze werden wilder +naarmate ze merkten dat Johan vrede ermee had. Ze zetten de stoelen +opeen, klauterden op de tafel, verfden mannekens op den muur en speelden +paardje op de buis van den kachel. En paar hadden voorgenomen om in het +duivenkot te kruipen, maar dit werd streng verboden. Ze hadden de kast +opengetrokken en kleedden zich aan met hemden en vesten. Ze maakten een +heerlijke pret en Johan Doxa glimlachte genoeglijk bij die leute van het +rumoerig volkje. Hij liet de heimelijke pagadders, alsof hij 't niet +merkte, aan zijne broekpijpen snokken. Hij speelde eindelijk zelf mee, +zat, op zijne knieen naar de kleinen te grabbelen en lengde zich soms +plat uit op zijn buik. De snoezige lievertjes sprongen op zijn rug, +knepen in zijne billen, trokken met zijn haar, vielen hem al tegelijk +aan en begonnen te stampen en te vuisten. Hij richtte zich moe en +zweetend op ten halve en wreef, dwaaslachend, over de roode vlekken, +welke in zijn gelaat waren geschart. Een jongetje liet een verfpot +omvallen en streek de roode kleur met een kleerborstel open. Een ander +knipte met een beroeste schaar in een fluweelen borstdoek, en had zich, +om tot dit aandachtig bedrijf gemakkelijk te zitten, op het hoofdkussen +van het bed gezet. De zon stortte door het dubbele dakvenster en de +duiven, achter de riekende berden, troetelden vertrouwelijk. Toen werd +de deur ruw opengestoken en Julia stoof rokwaaiend binnen, zoodat het +luttel kindergepeupel versteend bleef in vreezachtige roerloosheid en +Johan, als verslagen, daar onbeweeglijk zich te schamen lag. Hij sprong +dan recht en Julia viel schreiend in zijne armen.--"O Johan! mijn lieve +Johan!" + +Het was een roerend schouwspel en Johan, die alle bewustzijn verloor, +streelde met zijne bevende vingeren over haar hoofd en op hare +schouders. Pas na een dikke stonde begreep hij uit de stootende woorden +van de hopelooze Julia dat de politieagent schielijk op straat aan +beroerte gestorven was. Hij begon stille te weenen en zijn hart was zeer +aangedaan. + + * * * * * + +De dagen, die hierop volgden, slierden langs een grijze reke voorbij en +Johan Doxa herkende zijn eigen niet. Hij zat op zijn kamertje te dubben +en zijn ongemak bleef duren. Hij at niet, telde de morgens en de avonden +niet en de nachten vervulden zijn geest met beelden van onredelijke +verschrikking. Lieven Lazare kwam hem opzoeken, sprak hem van de +goddelijke inzichten, die hem hadden tot een vod van schande gemaakt. + +--"God heeft mij den weg gewezen naar uw sponde, Johan" zei hij. "Ik heb +gevoeld dat ik u vinden zou in onzeggelijke vertwijfeling en daar ligt +ge nu--een wrak van zielloos vleesch op de baren van uw opgebiechte +zinnelijkheid. O mensch, ik herhaal en ik herhaal het u: eene kwaal van +helschen oorsprong bijt u, gelijk een kanker, aan het hart. Raad ik het +niet? Maar neen, de ingevingen van den Eersten Persoon, welke mij op dit +oogenblik bezielen zijn onbedrieglijk en gij moogt niet langer weigeren +uwe zonden te biechten. Red u, als er nog tijd toe is." + +Het bleek genoeg uit de koppige stilzwijgendheid van Johan, dat hij alle +poging tot redding opgegeven had. Op een schoonen dag van het voorjaar +werd het huwelijk van Johan en Julia in de kleine Kathelijnekerk door +een korten priester gezegend. Ze kwamen op het zolderkamertje inwonen en +sleten er een gemengd leven van geluk en trage treurigheid. Johan ging +alle nanoenen slenteren langs de hooge stad, gejaagd drillend door de +straten van de Kappellewijk of opkruipend naar de steile gangen van het +massale Gerechtshof. Zijn haar wippelde haast ongekamd over zijne ooren +en zijne broek slodderde op zijne kuiten. Hij luisterde naar de piepende +muziek der draaiorgels en tuurde naar de doening van kinderen en honden +en citroenwijven. Hij had willen een schilderij maken vol met engels en +heiligen en hij peinsde dikwijls op de rijke borduursels welke hij met +goud en edelsteenen zinnens was heel ommendom de bonte fluweelen mantels +te versieren. Maar hij nam zijne ronde palet niet meer op. Hij liep de +Hooge Stad rond en daalde daarna naar de Priemstraat. Zoo volgde hij de +zware bierwagens, die er op en neer daverden, en hij deed, voor de +welriekende herbergen, de ledige tonnen klinken, aandachtig het uiterste +bier opvangend in een rood-bekleurd tomatendoosje, hetwelk hij op al +zijne wandelingen binnen zijn diepen vestzak mededroeg. + + + * * * * * + + +II + +JOHAN DOXA + +LICHTMIS + + +Het leven van Johan Doxa was zeer ellendig geworden, maar hij beleed het +met prijzenswaardige langmoedigheid en kinderlijken eenvoud. Julia zijne +vrouw, welke hij eerst zoo verduldig had liefgekregen, begon hij stilaan +te eerbiedigen. Het ontzaglijke karakter van Julia was daaraan niet +vreemd. Zij handhaafde hare autoriteit met een vreeselijk geweld en haar +mond was telkens vol schrikkelijke woorden. Nooit kwam oproerlust in het +langzame hart van Johan Doxa zwellen. Hij herkende de oppermacht van +zijne vrouw en verdroeg zoetekens hare aanvallen. Zoo verdraagt het +goede riet de ruzie van den stormenden wind.... + +Maar alopeens--in 't putje van den winter--werd Julia ziek. Zij had, na +den zomer, een korte valling opgedaan en de vele drankmiddeltjes, +geleerde pillen en geheimzinnige baaibaden, die zij te gelijk of +overhand gebruikte, brachten haar geen beternis. Met Februari moest ze +te bed blijven liggen en het uitzicht van de kamer veranderde meteen. + +Het deed Johan Doxa zeer aan, hoewel zijne vrouw door hare ziekte in +geen deele belet werd lucht te geven aan haar krakeelzuchtig gemoed. +Integendeel, zij was daarbij heviger en scherper dan vroeger, en Johan, +haar dikke man, zat dikwijls haar aan te kijken, zonder luisteren, +idioot van dubben of zeggend in zijn benauwd binnenste:--Zij is krank. +Zij moet doorgaan. Zij kan 't niet gebeteren.... En misschien heb ik +ongelijk ook?!.. + +Als het te hevig werd en de kinderen van Mevrouw Sikkel, op het andere +verdiep, meehuilden in koor, drumde Johan Doxa de kamer uit en zakte +stillekens de trappen af, de straten door, langs de Hooge Stad, op den +dool tonneklinkend. + + * * * * * + +Den Zondag van Half-Vasten kwam Anatole aan bij Johan Doxa, even na +noenstond, Anatole was de tapper van _The Old Curiosity Shop_, de +nachtbar der Bisschopstraat. Hij vond zijn vriend Doxa aan de sponde +van de gillende Julia, dewelke, seffens bij Anatole's inkomst met +aandoenlijke wanhoop te snikken begon. + +--"Kijk aan!" kreet ze, "kijk aan den vadsigen leeglooper! Hij vindt dat +ik niet gauw genoeg dood ben!... Hij wil een handje toesteken!... (tot +Doxa) Wat zegt ge?... Wat zegt ge?... Overdreven? (tot Anatole) Ge hoort +het zelf: De woestaard zal staande houden dat ik overdrijf! Nee! dat +springt de gaten uit! Hoor hem aan, Mijnheer, hoor hem aan, om de liefde +Gods!... (poos tot Doxa) wien heb ik van morgen om lijzemeel gestuurd en +wie is met een pakje macaroni teruggekomen?... (tot Anatole) 'k moet +lijzemeel pap onder mijn ribben leggen, Mijnheer, van den doctor ... +(tot Doxa) wien heb ik klokslag tien om een rolmops gesmeekt (tot +Anatole) voor mijn flauwe maag, Mijnheer! (tot Doxa) en wie is na +twaalven, weergekeerd met een platgezeten bloedpens en 'n gezicht van 'n +dulle hoornblazer?... Of denkt gij soms dat ik genezen kan bij 't eenige +spektakel van de walgelijke farokampernoelieen die uw gezicht paleeren? +(klagend) Mijnheer Anatole, bezie mijne armen, bezie mij, Mijnheer, ik +ben de schim van mezelve niet meer. Ik teer puur weg. Ik heb me +afgewerkt voor dien zatbalg daar! En nu, nu steekt hij een handje toe, +Mijnheer Anatole, om er mij wat rapper in te krijgen ... in den put ... +in den put." + +Ze ging achterover wegzakken, in zachter gekerm, maar hief zich ineens +recht op hare puntige ellebogen, en kreet het heesch uit in 't +verbijsterd gelaat van den zwijgenden Doxa:--"Wat? Wat zegt ge weer? +Dat het niet waar is? Dat ik lieg? Zegt hij dat ik lieg, Mijnheer +Anatole?..." + +Het scheen dat ze al hare krachten inspande om in eene uiterste poging +de mate van hare verontwaardiging te geven. Ze greep waarlijk met hare +tien nagels naar de rood-ronde tronie van den stillen beuzelaar. + +--"Hier uit", riep ze, "hier uit!... Ne sjanfoetter, dat zijt ge, 'ne +wijvenbeul en 'ne sjanfoetter!..." + +Daar ze nu, wezenlijk uitgeput, in de kussens thoopeviel, slierde Johan +Doxa zoetekens de deur uit en schikte Anatole de blauwe sargie tot onder +hare bevende kin. Ze had hare oogen gesloten. Hare lippen trilden nog en +hare neusvleugels roerden even. Anatole hoorde het harde getik van den +koperen wekker die, op de schouw, met hardnekkige onverschilligheid de +zonderlinge kamerstilte verried. + + * * * * * + +Op straat vond Anatole den rustigen Johan Doxa, die, zijn neus +platduwend tegen de vensterruit van den fruitwinkel, met vlijtige +aandacht de grauwe hobbels van een paar slabeten gadesloeg. Hij stak +zijne hand onder Johan's arm en zij gingen langzaam in den mistigen +vesperdag. Zij gingen alzoo een half-uur lang, zonder spreken. +Gemaskeerde kindergroepjes liepen dansend hen voorbij. Verder, in +naburige straten, hoorden zij het aanzettend carnavalgejoel en zij zagen +schoone kleuren bewegen.--Ze trokken "het Zwaantje" binnen en bestelden +een glas lambik. + +--"Sec!" zei Anatole. + +En dan alweer zwegen ze. De schuimende pinten stonden in het langblauwe +daglicht te klaren met stil-gouden gloed. Een lange man kwam rechtover +hen zitten. Hij was in een bedlaken gewonden en een scheef mombakkes +grinnikte roerloos op zijn kop. Hij had roode kousen over zijne handen +getrokken, en die lagen, vol geheimzinnige kracht, op de tafel. Men kon +geen oogen zien binnen de holten van het grijnzende mombakkes. Johan +Doxa, eer hij zijn glas vastgreep, vroeg beteuterd: + +--"Anatole, hebt ge geld?" + +Anatole knikte en zij dronken allebei. Drie vrouwen in manspak gingen +zonder veel gerucht in den versten hoek der herberg zitten. Een zwart +hondje kwam, tusschen Doxa's voeten, een handsvol garnaalsteertjes +oplikken en keek toen op, in korte verwachting. Na een tijdje drong een +dansende groep bonte jongelingen alover den engen drempel rond den toog. +De bazin had het seffens heel druk en de baas, die groot en rood was, +kwam al kouwend in het deurgat van de keuken staan, om ontzag in te +boezemen. Dat jong gedoe deed zeer vroolijk, intrigeerde iedereen op +goed val het uit, in hoog stemgegichel. Een blauw clownmeisje ging +buigen over het peinzend hoofd van Johan Doxa en vroeg: + +--"A wel! wat hei-je met uw peterselie gedaan, kalfskop?" + +Johan Doxa, geheel weg met zijne vage gedachten, antwoordde goedig, +onnoozel: + +--"Nikske...." + +En hij bezag Anatole al blozend. Toen sprak Anatole, stil in 't algemeen +gedruisch: + +--"Julia sliep, als ik de kamer verliet, weet ge...." + +Johan Doxa deed tweemaal zijn hoofd op en neder gaan. En heel natuurlijk +herbegonnen zij te zwijgen, daarbinst rechtstaande, alle twee te gelijk, +om weg te gaan. + +Ze liepen de Camuselstraat geheel door en dronken faro in _'t Wit Paard_ +bij Susse van Maries, op 't hoekje der Anneessensplaats. Van daar zagen +zij het dikke gewoel op de Henegouwlaan, de schuivende pakken van +menschen, door mekaar indringend en werkend, in traag beweeg, gelijk +dwarse zeegolven. Lachende gezichten, opene monden, grijpende handen, +'t krioelde klaar op in de donkerte van grauwe jassen en wintermouwen. +En de lichte confetti stoof op bij scheuten, in waaiers van licht of +wolkjes van lichte kleuren. Een zeldzaam geraas steeg uit die duwing +van lijven, en Johan Doxa wist soms niet of 't wel vreugde was en geen +akelig en ver geklaag van gewonde dieren, die vol nuttelooze driften +zijn.... De schenkmeid kwam midden in de herberg op een stoel staan en +stak de porseleinen bloemen van den kroonluchter aan. De herberg was +geel en de dag op de vensterruiten werd scherpblauw, violetblauw. Men +kreeg een gevoel van droeven avond. De glazen klonken over den toog en +rond de aanhoudende bierbestellingen. Een oud vrouwtje probeerde eene +groote mand met eieren, krabben en amandels van groep tot groep tegen de +tafels uit te steken. Twee zware jongens nagelden over den buik van een +mandolien en zongen italiaansche liedjes. Ze zongen er drie en kwamend +dan centen rondhalen in paarlemoeren schelpen. + +--"'t zijn Italianers, geloof ik." zei Johan Doxa suf. + +Hij zocht lang in al zijne zakken, naar een half stuivertje, dat hij +zeker bezat, zeker, zoo zeker dat als twee en twee.... Anatole sprak: + +--"Luister 'ne keer. Wat is dat nu met uwe vrouw? Is ze ziek of wat is +'t?" + +--"Ze heeft u daar nogal uitgescholden!" + +--"Nog al ... nog al...." + +--"Zeg eens ... en is dat waar, van die macaronie en die ... die...." + +--"Bloedpens." + +--"Hein?" + +Ze vertrokken. Ze gingen de wijk van Onze-Lieve-Vrouw-te-Rooje af en +dronken in de kroegen, de taveernen en de kavitjes. De verschillige +geluiden der lage stad sprongen gelijk ledige vaten rond hen. Johan Doxa +en Anatole waren afgezonderd van 't algemeen plezier en hunnen armen +hingen zwaar aan hunnen schouders. Ze bleven een poosje 't geweldig +bedrijf nagapen van een schoonen arlekijnen societeit, die, met volle +fanfaren, de straten opdreunde. Kinderen droegen rieten waaraan papieren +lantaretjes te wiegelen hingen. De veelkleurige lichtjes stippelden +aardig in den vroegen avond. Ergens ontmoetten ze, plots eenzaam, een +blinden grijsaard, die zijn hond verloren had en woest-mompelend langs +de gevels voortsukkelde. Ze waren hem al lang voorbij, als Johan Doxa +ineens staan bleef en, met een dwazen glimlach: + +--"Nu vind ik het half stuivertje", zei hij. + +Hij was er geheel blij om en hief het in de klaarte van een gaslantaren +op. Hij voegde erbij: + +--"Ik wist wel dat ik het had. 'k Had het dezen morgen in de kerk langs +mijn broekpijp die gescheurd is laten vallen, 'k Had het opgeraapt, ge +ziet het nu zelf Anatole!..." + +Een kleine nietdeug, met een mombakkes gelijk een doodshoofd, riep +achter hem: + +--"Loerik!" + + * * * * * + +Anatole sprak: + +--"'k En wil 't niet zeggen om u te treiteren Johan, maar ge zoudt toch +wat meer koeragie moeten hebben bij uwe vrouw. Ge hebt daaral niet veel +te protocollen, naar ik zie, en dat is een ongeluk voor u en voor haar. +Alles goed bekeken. Ge zijt een vijg, jongen, ge zijt een slappe vijg +... 'k zeg het in alle eere, om u niet te krenken ... kortom, een vijg." + +Johan Doxa sprak: + +--"Vermits gij het zegt ... vermits gij het zegt ... denkt ge waarlijk?" + +Hij herzette zich op de smalle herbergbank en verschoof zijn ledige +pint. Hij plante zijne voorarmen op de tafel, in de geluidlooze +kussetjes van zijne ellebogen. + +--"Anatole," zei hij, "daar is kans voor, 'k en zeg niet neen. Maar 'k +zal u iet zeggen. Ge zijt een goede vriend van me. Mijnheer Lazare is +ook een goede vriend. Kent ge Mijnheer Lazare? Hij is een uitsluitelijke +en strenge hoogpriester van Jesus-Christus. Hij geeselt mij met de +woorden van God. Gij bekoort mij met de lieftaligheid van dees driftig +leven. Gij straft mij met mijne kleine gebreken. Nu wil ik u iet zeggen. +Wat zijn wij? Wij, met ons beide die hier aan het zuipen zitten, en die +andere rond ons, dewelke vroolijk zijn. Wat zijn wij al te gare? Bekijk +de sterren en hunne onverbiddelijke harmonie. Hoe grootsch! Bekijk de +ordonnantie van onze aarde, de loop der seizoenen, het evenwicht van +lucht en grond en wateren, de voortdurigheid van al die wondere +rythmen.... Hoe grootsch! Is het niet waar? Denk daar een oogenblik aan +terwijl ge hier zit met mij. En bekijk dan het bedrijf van alle levende +dieren: de leeuw die zijne prooi zoekt, het lam dat graast, de arend die +jaagt op buit, de duif die cirkelt boven de vredige huizen, de visschen +die ondereen zoo aardig doen (ik spreek van den snoek, die alles doodt, +en van het roodvischje, dat prachtig in den helderen bokaal +rondzwemmelt), de vlinders en de lieve goudvliegkens, de spinnekop die +biddend loert binnen de raderen van haar verraderlijk net en daarbij, +Anatole, het onzichtbaar gepeupel: de beestjes die ziekten brengen en +de beestjes die ziekten afweeren ... bekijk dat ook alles eens met +aandacht.... En dan zegt gij: er zijn er zus en er zijn er zoo, en dus +is leven een groote strijd van krachten. De maan, die draait rond de +aarde, medegesleurd door haar, heeft tegelijk op haar een vertragende +werking, dat is strijd. De wateren die in hitte tot dampwolken opvliegen +en door kilte weer tot wateren vallen, dat is strijd, Anatole. De dieren +die vechten. De menschen die vechten. De menschen die vechten in passies +van allerhande aard. De menschen die sterk zijn, en de menschen die zwak +zijn. De menschen die verstandig zijn en de menschen die dom zijn. De +menschen die deugdelijk zijn en de menschen die geen zedenwetten +kennen.... Och! Och! is dat geen strijd, Anatole? En strijd is het leven +zelf. En strijd is de mirakelachtige harmonie. En strijd is waarachtig +de wet van God, Anatole. Ik ben een soort vrak, en gij zijt een soort +lusteling, en Lazare is een soort hyper-asceet. Wij zijn alle drie +noodzakelijke elementen en onze werking reikt mede tot de +standvastigheid van God's harmonie. En het moet zoo altijd zijn en +hergebeuren, want wij zijn alzoo de eeuwigheid van God's wet." + +Anatole had gedronken en sprak nuchter: + +--"En de socialisten?" + +Maar Johan Doxa wedervoer met geduld: + +--"Wij moeten ons schikken in ons lot en de plichten vervullen van onzen +aard. Wij mogen niet, hm! hm!... wij mogen niet lui zijn in onzen aard. +Wij moeten vol ijver zijn, want onze aard is een gebod dat wij vlijtig +moeten leven. Gij blaast gedurig tabak in mijn gezicht, Anatole. Neen, +steek uwe pijp daarom niet onder de tafel. Maar ik ben, geloof ik, +duister en vervelend, en gij volgt niet rap mijne gedachten. Ik wil u +iet zeggen. Ik--gij beziet mij en ge kent mij, Anatole--ik ben een +sukkel in uwe oogen en een lasteraar in de oogen van Lazare. Ik ben +inderdaad waarlijk een sukkel en een lasteraar. Zoude ik moeten een +groot artiest zijn, of zoude ik moeten een heilige zijn, of zoude ik +moeten een tapper zijn? Ik loop het loopje van een natuurlijk en +noodwendig leven. Ik ben wat ik ben, zooals, naar ik meen, een halm geen +eik is en een mier geen prijsmerrie. De blijdschappen die mij te beurt +vallen zijn de bloemen van mijn aard. Maar, Anatole, vermits ik sterven +zal zonder glorie en zonder zaligheid, ook de spijt over een zoo droeve +dood is een bloem, een zeldzame bloem van mijn aard, Anatole.... En ik +blijf dien spijt getrouw." + + * * * * * + +Ze hadden rond tien ure een groot getal herbergen bezocht. Ze stonden op +de Oude Graanmarkt. De Vlaamsche Steenweg was een krioeling van vierende +menschen. Geel en wit-blauw licht spetterde uit de vensters op het bonte +gewoel. Johan keek op naar den schoonen kerktoren die in een hoek van +het Kathelijneplein massaal en duister rees boven het licht der huizen. +Hij zag ginder hooge, den grauwen winterhemel, en hij voelde wonderlijk +de oneindige wijdte. Zijn hart ging open, vol van liefde. + +--"Nu begin ik plezant te worden," zei Anatole. En om zijne woorden +kracht bij te zetten, ging hij al fluitend aan het dansen. Johan Doxa +had groote goesting om te weenen. Hij kuchte eens en glimlachte +zachtjes: + +--"Wel, ge danst gij niet slecht, Anatole!" + +Anatole nam Doxa bij de ellebogen en schokte hem op maat van het +deuntje. Dan, haast buiten adem, riep hij: + +--"Kerel, we gaan ons maskeeren!" En ze trokken naar de _Old Curiosity +Shop_ van de Bisschopstraat, klauterden den diensttrap op en onder het +zolderdak, begonnen eene lollige vermomming. Anatole bracht de +zonderlingste kleedingstukken uit laden en kassen voor. Al bargoed, +vergeten, verloren, gestolen of in pand gelaten. + +Johan Doxa stond voor een gebarsten spiegel tusschen twee +wippelvlammende eindjes kaars. + +Hij moest zijn broek uittrekken en hij deed het gewillig, zonder denken. +Anatole zocht voor hem eene schoone maskeradebroek. Het was de +verslenste broek van de eene of de andere barmeid, fijn-linnen broek, +geheel behangen met kanten en strikken, wit was de kant en vieux-rose de +linten. Johan Doxa deed zeer angstig in die broek. Zij viel in dicht +geplooi en rijke lobben tot over zijne knieen en liet dikke braaien vrij +die opbulten boven de lompe schoenen. Anatole bezorgde witte koussen en +eischte dat, om het algemeen effekt niet te breken, Johan Doxa lage +espadrillen aantrekken zou. Deze weelderige kleedij voltooide hij met +een kelner-pitalairken, dat ongelukkiglijk te nauw was en, gelijk een +licht vleugelpaar, aan Johan's schouders hing te bengelen. + +--"'t Is wel alzoo," zei hij achteruit-wijkend, "nu uw kop!" + +Hij spande een kleine venstergordijn rond het hoofd van den braven Doxa +en bekroonde zijn werk met een ietwat inzakkende gibus. Hij zei, +weltevreden: + +--"Niemand zal u herkennen, jongen. Ge zijt een heel ander mensch, +waarlijk! maar deze gele handschoenen moet ge aantrekken, en hier is een +pompadoer-waaiertje dat ge aan een knoopje van uw habijt moet hangen.... +Zoo-oo ... all right! kijk u eens in den spiegel aan!" + +En Johan Doxa keek zijn eigen in den spiegel aan en hij wist niet aan +welk oordeel hij zich zou houden.... + +Anatole was gauw klaar. Hij gespte een paar bleeke rokken rond zijn +leen, paste, gelijk 't behoort, een groen jakje over zijne opgevulde +borst, zette een prachtigen hoed met pluimen zoo goed als het kon vast +op zijn kop en hing errond eene dichte voilette. Hij droeg, ter +volmaking van die vrouwelijke staatsie, een rood satijnen zonnescherm en +schoeide, gelijk Johan, zijne groote handen. Zoo kwamen zij op straat. + +Geweldig was 't lawaai en de drang op de Anspachlaan. De electrische +lampen klaterden over al die hoofden. De confetti sproeide uit, kleurig +en blikkerend. + +--"We moeten ons goed houden," zei Anatole, "en malkander niet kwijt +geraken. We gaan naar 't bal." + +Hij kocht in den Grand Bazar een heel klein trommeltje, dat hij op +Johan's buik met een rood touwtje hing en een rotelaar dien hij zelf den +weg door hanteerde. Johan Doxa leunde op den arm van Anatole. Hij kreeg +het tamelijk warm onder de nauwe venstergordijn en zijne armen spanden +in de te korte mouwen van zijn frak. Zijne voeten en zijne beenen waren +vrij koud geworden. Eens dacht hij aan Julia. Hij dacht: + +--"Ze is koleirig.... En ik zal geen blijde intrede hebben...." + +Maar hij ging mede met Anatole, zonder wil gelijk zonder aarzeling. Hij +was bereid om veel pleizier te hebben, zooals een leeg vat bereid is om +'t zij eender wat te ontvangen. Hij had geen begeerten, hoewel hij in +vage verwachting verkeerde. Hij was noch gretig, noch gejaagd, hij was +moe, moe.... En toch verwachte hij geen rust. + + * * * * * + +De danszaal van de Hoogstraat was schitterend van licht. Het licht +schetterde uit de vier kristallen kroonluchters en smeet uiteen in +de groote spiegels der wanden of over het goud van de ramen, de +deurlijsten, de pilaren, de zoldering. Het goud blonk voornaam. +De breede spiegels schitterden brutaal en overdadig. + +Het volk was los, woest, ontzagelijk. Men schreeuwde. Men danste. Men +sprong wild. En Anatole zei: + +--"Let nu goed op. Hier is de volle plezantigheid. Hein, wat zegt ge? +Verdekke, jongen, hier gaan we ons hart eens ophalen, nie-waar?" + +Hij kittelde Doxa eventjes onder de hoksels en hernam: + +--"We moeten, elk van onzen kant, een toertje doen rond de zaal, gij +een toertje rechts, en ik een toertje links zoodat we op deze plaats +terugkeeren en malkander weer ontmoeten. We geven malkander rendez-vous +op deze plaats. Luister wel. Gij van uwen kant zult onderweg een liefje +krijgen, en ik, van mijnen kant, ook. Alzoo zijn wij rap, elk van onzen +kant, geriefd. Allo! zie dat ge de schoonste uitkiest!..." + +Anatole ging seffens een blijden gang. Toen voelde Johan Doxa zijne +groote eenzaamheid. Toen, verlaten in deze vreugde als in eene woestijn, +voelde hij zich alleen zijn, moederziel alleen. Hij was nutteloos. Hij +bestond zonder reden. Hij veroorzaakte niets en was van niets een +oorzaak. Hij mompelde, zijn eigen aanstarend in gepeinzen, kindsch: + +--"Is de dood iets?..." + +Hij zoude zich gewaand hebben iets te zijn. + +Johan Doxa deed een toertje rond de zaal. De dansers riepen hem aan, +daar hij zoetekens omwandelde in zijn zonderling pak en zijn trommelken +onnoozel vasthield in beide handen. Maar hij trof geen liefje dat hij +scheeren kon. + +--"'t Is gemakkelijk te zeggen," dacht hij, "ze zijn hier wel een hoop, +maar 't is precies uit den hoop dat ik ze moet uithalen." + +Anatole nochtans had er een uitgehaald. Hij sprak in verbazing: + +--"Niks? Hoe is dat Gods mogelijk Johan! Ge ziet er flink uit en ge hebt +handschoenen aan. Als ge zoo voortgaat zult ge fataal eindigen met u te +vervelen." + +Hij besloot zich zelf op te offeren om een zoo jammerlijke uitkomst te +vermijden en stond zijne aanwinst gewillig aan Johan Doxa af. Hij +verdween in het licht, en de deerne zei: + +--"A wel, Mijnheer, waarmee is 't, dat ge trakteert? Of wilt ge ne keer +dansen?" + +Neen, Johan Doxa zou liefst niet dansen. Trakteeren, ja, dat zou hij. +Hij liet zich naar de drinkzaal meetronen en zette zich in een hoekje, +waar hij rustig een flesch geuze bestelde. Hij bleef een langen tijd +zonder denken. Het meisje zei: + +--"Dat moet warm zijn, Menheer, die store op uw gezicht." + +--"Ja," knikte hij dwaas. + +--"Leg hem dan maar af. Ge moet u voor mij niet geneeren. Ik heb al van +alles gezien." + +Hij vouwde langzaam de gordijn op onder zijn hoed en wees zijn goedig +gelaat. Hij glimlachte, naar gewoonte. Het meisje praatte gezellig en, +ofschoon hij niet veel antwoordde, hield zij moedig het gesprek aan. Hij +hoorde haar praten. Hij hoorde ook het roezemoezende balgerucht. Hij +hoorde de muziek, die hem bestoven voorkwam. Hij hoorde klaarder het +gerinkel van een tamboerijn met belletjes.... + +Nadat hij de derde flesch geuze besteld had, viel hem plots in dat hij +geen geld had. Dadelijk bekoelde echter het zweet, dat hem op het +voorhoofd uitgebroken was als hij bedacht dat Anatole gauw aan zou +komen. Waar bleef toch Anatole? Om tijd te winnen bestelde en dronk +Johan Doxa nog vier flesschen. Het meisje kreeg zonderlinge manieren en +eischte van haren nieuwen vriend eene uitdrukkelijke liefdebekentenis. +Onderwijl wilde Anatole maar niet opdoomen. + +--"Zie," zei het meisje, "ik heb meer domme hoofden gezien, dat is +zeker. Als ge schoon, braaf en inschikkelijk zijt--begrijpt ge, lieve +loebas?--zal ik u om een haarklesje vragen en het tot op mijn doodsbed +bewaren!" + +Hij keek haar goedjongstig aan, eenigzins angstig wordend. Het docht hem +dat hij haar voor de eerste maal aankeek. Nu pas bemerkte hij hoe ze +was: een blond wijf, niet schoon en ruw van gebaren in licht-groene +domino, vormloos. Hij sprak: + +--"Ik moet Anatole opzoeken in de danszaal." + +Hij bezag haar zoo nuchter, zijn tronie glom zoo schuldeloos, dat het +meisje, eerst fiks op hare hoede, seffens betrouwend werd en toestemde. +Hij ging log, gewild-traag. Hij drong tusschen de dansers heen en voelde +zich veilig worden. Zijn hoofd was zwaar. Hij geraakte weldra buiten +staat om Anatole na te jagen, en allerminst om hem te vinden. + +Daar werd in zijn geest de licht-groene domino het uitsluitelijk beeld +van een groot gevaar en hij moest vluchten. Hij had geen wil, die hem +weerhouden kon, geen rede, zelf geen luiheid om zijn vlucht te +vertragen. Hij liep struikelend door de straten. + + * * * * * + +Hij was de bolwerken omgeloopen en kwam nu, te laag, bij de Molebeeksche +vaart aan. Het begon te sneeuwen. De blauwe dag lichtte zachtjes over de +daken. Het water lag somber en onrustig, eenzaam de grijze kaai. + +Johan Doxa stond hijgend tegen het ijzeren schut en zijne blikken +loerden rond. Hoe bang roerde het water! Hoe vaal rees de bevende +morgen! Hoe duister en heimelijk wachtte ginds die hooge boot!... + +Hee! Hee! daar vaart een klare schim langs Johan voorbij. Het is een +lange magere schim. Een schim met roode handen. Wel! het is een man die +zich uit pret in een bedlaken heeft gewonden en met roode kousen zijne +handen heeft geschoeid. Ievers heeft Johan Doxa dien witten man onder +een scheef-onbeweeglijk aangezicht ontmoet. Wacht eens even!... Wacht +eens even! Waar was 't alweer?... + +De witte man schuift rap over de kaai. En op de brug staat eene vrouw +met een kindje. Johan Doxa zou zweeren dat de vrouw weent en dat ze het +kindje kust wanhopig. Hee! Hee! de witte man komt op de vrouw af. Heeft +ze niet gegild? Ze wil vluchten, ze wil vluchten! Ze kan niet. Ze wordt +vastgegrepen. Ze wordt omhoog getild. Ze ... ze ... God in den hemel! Ze +wordt over de brug geheven.... Ze valt!... + +Heeft ze niet gegild? Heeft ze niet gegild, vraag ik?... + +En tegen het ijzeren schut stond Johan Doxa. Hooger beeflichtte de dag. +De kaai was geheel met sneeuw bedekt. De gevels der huizen staken vuil +uit boven de schoone witte sneeuw. Het pitalairken van Johan Doxa was +besneeuwd. + + * * * * * + +--"Dat is toch zonderling." dacht Johan Doxa terwijl hij voort +opwaggelde naar huis, "dat is toch een zonderling dingen! De vrouw is in +het water verdronken en het water heeft geen gerucht gemaakt. En de +witte man ... wacht eens even ... die heb ik gezien en herkend.... Wel! +wel! wat er toch al gebeurt!... En ik heb niets gedaan om dat te +beletten. Niemand heeft iets gedaan. Waren daar nog andere menschen? +Rechtuit gesproken, ik geloof het niet. Ik had moeten toespringen. Wel! +wel! een mensch zou er kiekevleesch van krijgen, als men bedenkt wat er +al omgaat!... In 't volle van de stad jongen, in 't volle van de +stad!..." + +Hij kwam op de Papenvest en verwonderde zich dat de huisdeur, die anders +nooit zoo vroeg was ontgrendeld, op een reetje open stond. Hij strompelde +onvoorzichtig de trap omhoog. Het huis was stil. Hij keek op.... + +De verbazing van Johan Doxa, toen hij Lieven Lazare in het aangezicht +blikte, was slechts te vergelijken bij de verbazing van Lieven Lazare +zelf, die den ellendigen sukkel zag aanklimmen in zijn matte lompen en +slappe strikken. + +Tegen Johan's verwachting in verhief Lieven Lazare zijne donderstemme +niet. + +Hij zei stil: + +--"God straft u, Doxa. Zijne hand heeft uw huis beschaduwd. En Hij +verplicht u neer te kijken op uwe monsterachtige schande. Ik zwijg en +laat u over aan Hem--kom binnen." + +Zachter nog, terwijl hij Johan Doxa in de kamer duwde, sprak hij: + +--"Ik heb in gebed den avond en den nacht aan de sponde van uwe vrouw +doorgebracht." + +Het docht Johan Doxa plots dat hij geene beenen, geen armen, geen +lichaam meer had. Hij had geen gevoel van lucht, van koude of warmte. +Een harde band spande hem om de slapen. Hij zag de vier hooge kaarsen +die brandden aan de vier hoeken van het bed. + +Toen ook, daar staande in openbare dronkenschap, zag hij het witte +kussen, het witte roerlooze gelaat van Julia, de witte handen gevouwd in +vroome houding op de blauwe sargie, en het ivoren kruis dat uitarmde, +ernstig tot onder de puntige kin. + +Lieven Lazare, het hoofd buigend, zei: + +--"God beproeft ons uitermate. En Hij treft ons in onze zonden.... Laat +ons knielen, Johan!" + +En dat deed Johan Doxa gehoorzaam, maar hij dacht al door: + +--"Dat is toch een zonderling dingen, niet waar? Het water dat zoo +angstig was ... en de roode kousen over de groote handen ... en het +kindje heb ik wel gezien! De vrouw weende over het kindje.... Wel! wel +toch! Wat een rare boel!..." + +Zijne oogen bleven strak op Julia's gelaat gevestigd. Zijn geest puntte +op Julia's gelaat. + +--"Goede God!" fluisterde hij. + +Hij begon halfluide te bidden, en sloot smartelijk zijne oogen. + +De tranen, die over zijne bolle wangen rolden, vielen op het dunne leder +van het trommelken, hetwelk aan Johan's buik hing, en waarlijk scheen +gemaakt te zijn om dergelijke kleine klopjes te ontvangen. + + + * * * * * + + +III + +JOHAN DOXA + +DE BOETVAARDIGE + + +Julia werd door moeder Doxa met vroome zorgzaamheid gewasschen en gekist +en Johan begroef haar op den derden dag, zooals het behoort. Nu bracht +hij eenzame en talrijke uren om, in 't besef van zijne schuld en het +docht hem daarbij dat een zeer luid sprekende wroeging hem kwelde. +Dat duurde haast meer dan eene week. Dan verliet hij de kamers die het +tooneel waren geweest van zijne diverse huwelijkservaringen en ging +weer bij zijne moeder woonen, in het speelgoedwinkeltje van de +Zes-penningenstraat. + +Eene kleine maand later ontving hij van Lieven Lazare, den godvruchtigen +panfletschrijver, den volgenden brief: + +--"De Hemel, Johan, duldt niet langer dat ik mijn hart voor u gesloten +houd. Aldus wordt door eene goddelijke inblazing het besluit gebroken +dat ik in een oogenblik van rechtmatigen toorn ten uwen opzichte genomen +had. Misschien is het waar dat ikzelf vreemd ben aan het opmaken van +dezen brief. Misschien veracht ik u morgen even diep als ik u gisteren +heb veracht. De adem althans, die door mijne woorden gaat, schijnt niet +de mijne te wezen, en ik gehoorzaam aan eene geweldige bezieling zooals +die ander? Lazarus gehoorzaamde toen Iemand, wiens donderende naam geen +weergalm meer vindt in uw geheugen, hem gebood recht te staan uit den +dood.... Beste Johan, het blijkt dat de schrikkelijke gebeurtenissen die +God zelf voor uwe redding had beraamd, u niet tot inkeer hebben gebracht. +Het is als of niet Hij, maar de Duivel u zou tot weduwnaar gemaakt +hebben. Gij wandelt door de stad en niets in uwe houding verraadt dat +de heilige Michael u onlangs met het bliksemende vlammenzwaard heeft +getroffen. Men ziet u rustig en kinderlijk kuieren langs de straatjes +van Onze-Lieve-Vrouw-te-Rooje. Gij blijft met welbehagen lanterfanten in +de nabijheid van spekslagerijen, en duwt uw neus tegen de ramen plat om +met gulzige oogen het afschuwelijke schouwspel van hespen en worsten op +te vangen. Gij loert de honden na, die snuffelend malkander nadrillen, +en hun cyniek bedrijf wekt uwe belangstelling uitermate. Vermoedelijk +hebt gij in den winkel van uwe beklagenswaardige moeder ook marbels +gestolen, want op het Vossenplein heeft men u zien spelen met +schoolkinderen. En elken dag, rond half-zeven, staat gij voor de _Old +Curiosity Shop_ de keukenreuken op te snuiven, en ontvangt dan door de +tralien van 't keldervenster een dampend pakje uit de hand van Anatole. + +"Ik ween van schaamte wanneer ik hoor verhalen hoe ge, ontdaan van alle +menschelijke waardigheid, in de Kapellewijk de tonnen doet klinken.... +Johan, Johan, aanzie uwe zonden, eer God de ultieme en onherroepelijke +straf uitvaardigt. Ik sta verbaasd bij 't aanschouwen van Zijne +matelooze lankmoedigheid--maar wee u! als straks over u Zijne +alverteerende gramschap losbreekt!... Ik ben gezonden door Hem, Johan, +ik kom tot u met de boodschap der Goddelijke verzoening. Nader ootmoedig +den drempel der eeuwige Kerk, Johan. Nog niet als Job draagt ge +potscherven in wonden van berouw, maar belaad nu uw hoofd met uw +mesthoop en snoer uw reistasch rond uw hart. Nader, Johan, met den stank +van uwe naaktheid en de vloeken van uwe wanhoop het gouden tabernakel +waar Krist, die gekruizigd werd, thans Zijn eeuwig leven viert. Hem +rijkdom, roem en liefde opofferen verblijdt Zijn hart niet zoo +zeer,--dat hart omkransd met doornen ...--maar offer Hem de zoete +genuchten van uwe zwakheid en de brandende lusten van uw geil vleesch: +dat is nog uw eenig bezit, en zoo, waarlijk, wordt ge de armste aller +menschen. God, Johan, heeft de armen lief...." + +Tot daar kon Johan den brief zonder bezwaar doorlezen. Nu echter begon +hij te pinkoogen en, alsof het daglicht op de letteren verflauwde, ging +hij naar het venster en boog zijn hoofd voorover, tot tegen de koude +ruit. Gouden sterretjes regenden allerzijds. Maar algauw las Johan Doxa +verder: + +--"De Heilige Geest vleugelt in mijne woorden, en ik zeg het u, +ellendige vriend: Jesus is een eindelooze zee van genade, een zee die +alle wrakken dragen kan. Neem tijdelijk afscheid van uwe moeder--wat +toch heeft eene moeder van een zoon die zelf voor God verloren is?--en +vertrek van huis. Gij zult in het Franciscaner Klooster van de +Miniemenstraat eene heilzame retraite doen. Ga. + +"Klop nederig aan de groote poort. Het is een heilig huis en pater +Hilarius, dien ik gewaarschuwd heb, zal u met medelijden ontvangen. Toef +niet. Het ontzaglijke geluid van Hem, die mijne ziel opnieuw in +lichtelaaie zet voor u, davert op mijne tong en ik roep het u toe, +armzalige Johan: toef niet, toef niet; uwe dagen zijn geteld!" + +De brief hield op te beven in de hand van Johan Doxa. De brief gleed +ritselend langs de witte venstergordijntjes neerwaarts en kwam zacht, +gelijk een dubbele vlerk, op het plankier terecht. Hij ging liggen naast +een sikkelvormige oranjeappelschil. En Johan keek op, door 't raam, naar +den hemel die lichtblauw over vuile daken was uitgespannen. Hij stak +zijne handen in zijne broekzakken. Met den wijsvinger van zijne +rechterhand raakte hij er 't benageld paviljoentje van een kletsdop. +Maar hij vond geen neusdoek om zich te snuiten. + +Johan Doxa zat 's avonds met zijne moeder in het kleine achterkeukentje +dat bij den winkel aanpaalt. Moeder Doxa had den winkel gesloten en +bereidde zich om de keukenlamp aan te steken. Johan zei: + +--"Maak geen licht, ik bid u. Ik heb u iets te zeggen, lieve moeder." + +Ze zaten aan weerskanten van de oude Leuvensche stoof, en de stoof zong, +en het was heerlijk donker. De buik van de stoof glom gelijk een +reusachtige, zacht-blozende pronkappel. Een purperen glanzing gleed over +het vriendelijke aangezicht van moeder Doxa, over hare gevouwen handjes, +over haar hoogen boezem, over haar bolle knieen,--en eenderlijk kwam +uitgloeien langs de ronde wangen van Johan, langs de mooi-versierde pijp +waaruit hij rookte, en tot op de randen van zijne lompe schoenen, die +daar nevenseen op den vloer stonden en waarnaar hij keek alsof ze +anderman's voeten omsloten. + +--"He-wel?" vroeg eindelijk moeder Doxa, en het trof hem hoe minzaam ze +was. Hij antwoordde niet seffens. Hij had de gewoonte om lang te dubben +eer hij een besluit nam en dan toch besluiteloos te blijven. Maar moeder +Doxa drong niet dadelijk aan, want ze kende haren jongen. Hij dampte +maar. + +--"Zie, moeder," zei Johan, "ik zou mij moeten beteren. Ach, ik weet +wel, gij denkt niet dat ik slecht ben. Gij weet niet, gij weet alleen +van een kindje dat ge in uw schoot gedragen hebt en dat zoetekens aan +uwe borst heeft gehangen. Maar al groeiende is hij ver van u geraakt, +en hij is nu een groote zondaar, en hij moet God vreezen." + +--"Gij zijt niet slecht, gij zijt misschien lui," meende moeder Doxa +goedig. + +--"Ja, ik ben lui," zei Johan, "en nog iets anders ben ik, maar ik ben +waarlijk lui." + +Hij bloosde erg. Telkens als hij ergens zijn eigen ontdekte bloosde hij +zoo. + +--"Na den dood van uwe vrouw," hernam moeder Doxa en zij maakte het +teeken des kruis, "heb ik gedacht: nu gaat mijn jongen weer aan 't werk, +want hij is krachtig en jong, nu gaat hij schoone schilderijen maken, en +we zullen alle twee gelukkig zijn. Ik dank den hemel dat het eindelijk +toch zoo gebeuren zal." + +Johan keek niet op naar heur en zei: + +--"Ge zijt edel, beste moeder. Wanneer ge zoo spreekt voel ik eerst hoe +diep ik gezonken ben, maar...." + +Hij aarzelde. Hij zocht naar woorden, gelijk een dronkaard naar het +sleutelgat zoekt. Hij vond in zijn geheugen een half-uitgevaagden zin +van Lazare's brief en pruttelde: + +--"... maar, moeder, Jesus is een zee van genade, waarin ... waarin ik +zou kunnen verzuipen ... als ik niet oppas." + +--"Ja, Jesus is zoo goed als men maar denken kan." + +--"Zoo zegt ge. En nu moet ik in de Miniemenstraat, bij de Capucienen +eene retraite doen. Dat duurt nog al lang. Ik weet niet hoelang dat het +eigenlijk duurt." + +--"Lang?... En wat is dat dan, eene retraite?" + +--"Eene retraite?... Weet gij niet wat eene retraite is, moeder?" + +Hij vond het heerlijk dat moeder Doxa zoo luchtig de boodschap aanvaardde +en omdat zij, de goede ziel, zelfs niet wist wat eene retraite was, +lachte hij stille hare lieve onwetendheid tegen. Maar hij wist ook niet +wat eene retraite was. + +--"Kom, kom, moedertje," deed hij, "bekommer u niet om mij. De paters +zullen mij niet opeten. Ik moet een beetje boeten, een beetje te +communie gaan en mis hooren, en dergelijke meer. Ik kom zoo frisch als +een botvink terug." + +Hij betastte zijn wegend buikje en zag de kleine vleeschkuiltjes van +zijne handen rozig aanglimmen onder de heete kaak van den kachelpot. +Inderdaad geloofde hij zelf niet wat hij daar vertelde. In zijne meening +moest de retraite iets schrikkelijks zijn, vermits Lieven Lazare ze hem +als eene straf opgelegd had. Hij had er den heelen middag met angst over +nagedacht: het klooster zou hem eene donkere gevangenis zijn en de +Franciscanen akelige cipiers. Hij moest er voorzeker op roggebrood en +lauw water leven. Er was daar geen lucht. 's Nachts hoorde men er +vreeslijke geraamten rammelen, en 's morgens moest men naakt in zijn +celletje staan en er zichzelf met knoestige riemen afranselen. Hij +betastte zijn buikje als om het voor eeuwig vaarwel te zeggen, met een +zucht.... + +--"En wanneer vertrekt ge?" vroeg moeder Doxa. + +--"Morgen vroeg." + +--"Ha!... morgen vroeg." + +Beide verzonken in gepeinzen. De moor zong nu ook, die op de stoofbuis +stond. + + * * * * * + +Na een nacht vol ijselijke droomen, rees Johan Doxa uit zijn bed. Het +was een grijze dag. Achter het kleine vensterken nevelde een +miezelregen. Terwijl Johan zich aankleedde en precies op het oogenblik +dat hij zijn hoofd voor de eerste maal in de waschkom gestoken had, +begon waarlijk zijn druppende neus in de lucht om te snuffelen. Er ging +ongetwijfeld door de kamer een smakelijke geur van spek en eierkoek. + +--"Dat is raar," dacht Johan Doxa. Hij was gauw gereed en kwam de trap +af. De keuken dampte van weelde. + +--"Moeder," zei hij, "gij zijt al te goed." + +Maar moeder was bezig aan een groot pannengedruisch en knikte hem +lachend tegen. Daar stond feestelijk op tafel het prinselijk gerecht. + +--"Moeder, ik zal het nooit vergeten...." + +--"Gij dwaze jongen," zei de moeder, "zwijg maar liever en eet." + +Hij at tot zijn ronde kin ging glanzen en toen hij gegeten had en, +rechtstaande, hem het aardige gevoel der spannende broekgesp omdeed, nam +hij zwijgend zijn hoed aan den kapstok. Moeder Doxa stond te midden van +den vloer en glimlachte. + +--"Allee, beste Jan," sprak ze, "ga nu--ik heb Onze-Lieven-Heer voor u +gebeden." + +Hij kuste haar en ze stopte hem rap een vijffrankstuk in de hand. Hare +vingeren beefden. + +--"Neen, neen," stotterde Johan terwijl zijn hart in tweeen brak. + +--"Ssjt! mijn jongen ... ik kan ze nu beter missen ... dan gij." + +Ze vergezelde hem tot op den drempel van het winkeltje. De dag aaide +langs het speelgoed om haar. Johan kuste haar nogmaals en zei: + +--"Goedendag, lieve moeder, tot weerziens." + +Ze knikte aldoor met heel kleine oogjes, en, plots, wendde zich af, naar +binnen. + + * * * * * + +En door het mottige weer begon Johan zijn boetvaardige reis. Hij stapte +op langs kleine steegjes en zou gauw de Miniemenstraat bereiken. Reeds +was hij het Vossenplein voorbij en zag, boven een lagere brokkeling van +daken, het fijn uitgesneden klokketorentje der Kloosterkapel. Hij bleef +staan, als om zich te bedenken. Hij bedacht zich en bleef gedachtenloos. +Kleine verschrikkingen schoten als electrische schokjes door zijn +lichaam, en toen kwam een licht bedaren in zijn hoofd dat zei: + +--"Ge hebt nog een beetje tijd, Johan, waarom moet dat alles zoo vlug +gaan?" + +Ook voelde hij nu het vijffrankstuk op de palm van zijne hand plakken en +hij trof dadelijk eene prachtige uitkomst. + +--"Ik heb daarbinnen," beweerde hij, "geen geld noodig--geld is duivels +goed, en moederken kan ik gelukkig maken met 't een en ander, dat ik +haar opsturen wil." + +Het klokketorentje verdween uit zijne oogen en hij stapte links om, naar +de Steenpoort en de Groote Markt. + +Op den Steenpoortweg stonden er karretjes met mosselen, met citroenen, +met oranjeappelen en met groenten. Hij keek er niet naar om. Hij ging +voor de peperkoekwinkels staan en begon met kinderlijk welbehagen te +kiezen. Hij koos een peperkoek dat in den vorm van een mooi hart was +uitgesneden en op de randen geheel met lekkere fruitschellen omlegd. +Hij besloot binnen te gaan, maar wilde vooreerst uitkijken naar een +loopjongen, die het geschenk aan moeder brengen zou. + +Er liepen daar vele jongens rond. Johan Doxa beproefde om op hunne +gezichtjes te lezen hoe eerlijk ze waren, en hij bevond dat hij behoefde +daaromtrent waarlijk zeer ongerust te zijn. Eene gelukkige ingeving +dreef hem naar een kleine kroeg, waar hij een druppelken brandewijn +dronk. En luttele beslissingen wisselden malkander ondertusschen af in +zijn geest. De kroegbaas zei: + +--"'t En zal vandaag niet ophouden met regenen, kameraad." + +--"Dat zou ik ook gelooven," antwoordde Johan Doxa. + +Een vochtig gevoel kwam over hem, en hij bestelde een tweede glaasje, en +naderhand een derde. Dan, terwijl hij betaalde, zag hij moeder's +zilverstuk plots op den toog liggen. Gedurende een oogenblik haatte hij +het wisselgeld dat hij ervoor terug kreeg. + +Hij bedacht nu dat er in de Boterstraat meer fijne winkels waren en +daalde langs de Steenpoort naar de middenstad. Een zwaarbeladen +koolwagen rolde hem voor. Bij elk geschok der trage wielen rolden +stukjes glinsterend kool over de zwarte berden. Er viel ook een groote +brok en Johan raapte haar op en bracht haar bij den voerman. De voerman +had een ruigen rosten baard en stak zijne breede hand uit, bespannen als +met een bruin-lederen vel. Toen struikelde het paard en stortte voorover +op de steen en. De kar dook met hare lompe tremen die ze met een doften +slag sloeg tegen den grond. + +--"Nondidju!" vloekte de voerman. + +Er was seffens een groote toeloop van menschen. Een man ging met zijn +knie op den kop van het paard zitten. De riemen werden haastig ontgespt. +Stemmen klonken dooreen. Een politieagent dreef het aanzwellende volk +achteruit. Johan Doxa stond met het groote stuk kool in zijne armen. +De politieagent riep in zijn verschrikt gelaat: + +--"Wilt ge, potverdomme, de kolen laten liggen, gauwdief!" + +Johan werd de prooi van eene geweldige aandoening; zijn last rolde over +zijn buiksken aan zijn voeten en hij wilde vluchten. Hij week door de +menigte heen. Hij voelde van allen kant oogen op hem gestoken en +kinderen schreeuwden hem achterna. Hij kwam in een klein ledig straatje, +gelijk een drenkeling een oever bereikt. Hij zat nu in een herberg zijn +eigen te betasten en met langzame proefnemingen de zekerheid op te doen +dat hij nog armen had en beenen en een hoofd. Zonderling grijnzend +lachte hij de waardin tegen die, gelijk een afschuwelijk gevaarte, naar +hem toe stapte. + +--"Dat zijn dingen, hee?" stamelde hij onnoozel. + +En daar de waardin, zonder begrijpen maar met zachte gedienstigheid, +medelachte bestelde hij eene flesch geuze-lambik, en vroeg bang: + +--"Wilt ge ook meedrinken, als 't u belieft?" + +Ze wilde wel. Ze kreeg een kokette blos, die haar goed stond, en ze +dronken samen. De waardin bekeek haar eigen in den spiegel, die recht +over den toog hing, en schikte vluggelings de krulhaartjes op hare +slapen. Ze had dikke armen. + +--"Ik geloof," zei Johan vriendelijk, "dat die regen van den heelen dag +niet meer ophoudt." + +--"'t Zou wel kunnen," zei de waardin, "de barometer zakt." + +--"Ja, 't is ook 't seizoen," hernam Johan. + +De waardin reikte hem den tooghanddoek over en meesmuilde: + +--"Ge zijt een beetje vuil over uw voorhoofd." + +--"Ikke?" + +Hij was zoo vuil als iemand zijn kan, die voortdurig met twee koolzwarte +handen in zijn beregend aangezicht heeft gewreven. Uit schaamte vroeg +hij een tweede flesch geus. En ze dronken. En ze praatten over kleine, +ledige zaken. + +Johan Doxa vertrok bij noenstond. Toen hij te midden van de Groote Markt +stond, vroeg hij zich af wat hij hier kwam doen. Hij keek wonderlijk op +naar de gulden gildehuizen. Den top van den stadhuistoren zag hij niet, +die onder de natte miezeling in eendere grijze kleur verging. Hij duwde +zijn hoed tot tegen zijne ooren en stelde vast dat hij honger had. In de +nauwe Peper-en-Zoutstraat trof hij eene bescheiden gelegenheid en hij at +er substantieel genoeg, schoon zonder gulzigheid, gelijk het hem docht +dat aan een zondaar in pelgrimstocht betaamt. + +--"Thans," mijmerde hij binst de koffie, "bezit ik nog twee en twintig +en een halve cent, en ik weet waarlijk niet wat ik ermee zal doen." + +En, voor hij naar het Klooster der Miniemenstraat toog, dronk hij ermee +een grooten druppel cognac, want zijn moederken had hij, ik weet niet +hoe, geheel en al vergeten. + + * * * * * + +Hij vatte beslist de koperen schelknop. De luide bel weerklonk meer in +het hart van Johan Doxa, dan in de wijdgalmende vestibule. De +pater-poortier die eerst het spioenraampje had opengeschoven, opende nu +ook de zware deur. Het Klooster gaapte in het aanschijn van Johan Doxa. + +--"Kan ik," vroeg hij met bleeke stem, "den eerwaarden pater Hilarius +spreken? Ik zou gaarne eene retraite doen." + +De pater-poortier was, buiten Johan's verwachting, zoo minzaam als men +zich denken kan dat ooit ter wereld een kloosterpoortier mag zijn. Hij +had eene uiterst discreete houding en, ware 't niet dat zijn gelaat +hoog-gezond opbloeide boven den zwarten baard, scheen uit loutere +welgemanierdheid weg te schemeren in de schaduw van de poort. Het +bloeiende gelaat echter glimlachte en twee fijne muis-oogjes daarin +wenkten vriendelijk: "welkom ... welkom...." + +De zware deur, die achter Johan met een eiken klop dicht kwam, sloot +meer dan het somber gebouw: het docht hem dat de gansche wereld nu voor +altijd was gesloten. De pater-poortier ging voor en leidde Johan Doxa in +eene kleine spreekkamer, die ineens vol blauwig licht was. Er stonden +een paar nederige stoelen en aan een witgekalkten wand hing een groote +Kruislieven-Heer. Daar liet men hem alleen, ruim drie kwartier-uurs. Hij +draaide zijn natten hoed stille in zijne handen. Hij stond in een ring +van regendroppen, die gelijk donkere starretjes rond hem waren gespreid. +Er walmde een muffe salpetergeur. + +Pater Hilarius had een streng, doch niet weerbarstig uitzicht. Een +grijze ronde baard, wat stoppelig, omkleurde een mat gelaat waar +grauw-groene oogen als dood lagen en dat alleen--dan heel sterk--bezield +werd door den vorm- en schaduw-rijkdom van een geweldigen arendneus. + +--"God zij met u," sprak pater Hilarius, "zijt gij Johan Doxa? Ik ben +Hilarius." + +Johan keek onwillekeurig om. De stem scheen uit de muren te vallen. Hij +zou er in elk geval een eed op gedaan hebben dat ze uit den roerloozen +mond van pater Hilarius niet viel. Toen echter deze pater voortging met +eene lange rede waarin de naam van Lieven Lazare, van Jesus, van den +heiligen Franciscus beurtelings voorkwamen, heroverde Johan van +lieverlede de kluts die hij kwijtgeraakt was. Hij besloot maar te +berusten in het onvermijdelijke, liet zich gewillig bepreeken, knikte +moedig de les toe waaruit hij geen ander nut zou trekken dan dat hij +zich bereid voelde zelfs tot den dood. + +Pater Hilarius, nadat hij uitgesproken had, zei: + +--"Gij zijt dweilnat, dunkt me. Ge moet eten en u verwarmen. Volg me." + +Het was minder een gevoel van eerlijkheid dan de vrees voor wat hij hier +te eten zou krijgen, die er Johan toebracht ineens den pater bij de +harde mouw te pakken. + +--"Nee," deed hij angstig, "ik bid u, geen eten. Gij zijt al te goed." + +Hij kwam in eene ruime zaal. Er was een breede schouw met een lekker +vuur. + +--"Zet u, en warm u," zei de pater. Johan zette zich en bleef daar weer +nagenoeg drie kwartier-uurs alleen zitten. Hij werd heerlijk warm en +zijne bolle kaken gloeiden. Het werd zoetekens avond en Johan zag een +prachtigen zonsondergang in de laaie karbonkels van den open haard. Hij +werd eindelijk zoo rustig als een onschuldig mensch. + +--"Pater Hilarius is vreeslijk mager," dacht hij op slot van rekening, +"maar de pater-poortier is zoo vet als een das." + +Hij kon bijgevolg nogeens zijn eigen buikje zonder voorbarige +benauwdheid in oogenschouw nemen en wachtte gelaten de gebeurtenissen +af. + + * * * * * + +De klok uit het torentje begon te kleppen. Pater Hilarius verscheen en +noodigde Johan Doxa uit om mede in de Kapel lof te hooren. Johan heeft +zich daar overdadig vermaakt. + +Niets ooit in zijn leven had hij gezien dat zoo mooi was als het kleine +kerkje. Het kerkje was geheel omdaan met eene fluweelen donkerheid, +waarin de bevende glanzing van fraaigeregelde kaarsenreken speelde en +aarzelde en langs gouden diepten zwevend verging. Maar stilaan zag Johan +in de zwaarpurperen schemering de dikke pilaars opklaren en ginder hooge +wattige gewelven dragen. De muren begonnen zacht te glimmen. De outer +werd zichtbaar en heerlijk. En alles, al wat hij zag, was met wondere +polychromien versierd. Het werd hem, hoe meer hij toekeek, zoo rijk en +koninklijk dat zijn hart er week en gulzig bij aan het dansen ging. + +Dan, al rondom hem, herkende hij de ronde bruine ruggen van de +capucienen. De orgel zette aan. De Kapel kwam vol met vleugeltjes van +vogels. + +--"O God," bad Johan Doxa gevoelig, "ik zou willen een pater zijn!" + +Hij verachtte zijn baardelooze kin. + +Maar na den dienst werd hij, langs duistere gangen, in eene nauwe cel +gebracht. Men hing een damping kaarslantaarntje aan zijne hand, en +wanneer hij alleen was, voelde hij eene bittere triestigheid zijn +gansche wezen overvallen. Waarom moest dat nu zoo gaan? Waarom moest hij +verlaten wezen? Waarom hadden die menschen zulke kleine hokjes gemaakt? + +Hij ging op het ijzeren beddeken zitten en blies de kaarslantaren uit. + + * * * * * + +Johan Doxa, neerliggend in den donkeren avond, volgde met luien geest +een varenden snoer van gedachten. + +--"Ik geloof niet," mijmerde hij, "dat er voor mij in dees Klooster eene +uitkomst is. Ik ben te zeer beladen met zonden. Van het drooge brood, +dat men mij als een prop in de keel zal steken, spreek ik niet. Maar het +pompwater? Wanneer ik zal tot op de pees uitgedroogd zijn, en wanneer ik +zal bezig zijn mijne ribben te tellen, wat rest mij dan nog dan dood te +gaan? Ik kan mij nauwelijks inbeelden dat Onze-Lieve-Heer zich meer wil +erbarmen over een pannelikker dan over een smeerbuik. Maar Zijne +inzichten zijn verborgen en ik ben inderdaad door en door slecht. Ik zal +bidden om veel moed te krijgen, en God helpt niet waar men zijn eigen +niet helpt. In deze gevangenis zal ik wel eene spinnekop vinden, en ik +wil ze tam maken en haar allerhande kunstjes aanleeren. Het lieve dier +zal mijne gevangenschap bekoren. Ik zal een aardig wagentje bouwen waar +ik haar inspannen kan. Zij zal aan een fijne draad 's nachts komen +hangen boven mijn aangezicht. Ik houd niet veel van muizen, anders zou +'k gaarne ook een muisje dresseeren. De staart van eene muis is zoo vies +dat ik er niet aan denken durf. Ze zullen mij waarschijnlijk groote +latijnsche boeken geven om in te lezen. Roode en zwarte letters zijn +mooie dingen, maar ik zal toch niet lezen in zulke boeken, vrees ik. +Zullen ze ook een doodshoofd aan mijn voeteinde leggen? Er zijn twee +dingen die ik, behalve een doodshoofd, voor mijne oogen niet verdragen +kan: een zeisen en een zandlooper. Ik heb mijne pijp thuis gelaten. Dat +is heel goed zoo, Johan. Die menschen weten van geen tabak te spreken. +Altijd wierook, altijd wierook. Wanneer mijne retraite uit is, hoop ik +dat Anatole mij weer eene van die dikke sigaren mag geven, gelijk de +oude heeren smooren in de _Shop_. Maar ach! ach! ik zal nooit van mijn +leven meer kunnen rooken!... Morgen komen ze met koorden aan en ik zal +mij moeten kastijden ten bloede. Ze zullen azijn over mijn mond gieten. +Ik zal blootsvoets naar de kerk gaan.... Wanneer heb ik den laatsten +keer mijne voeten gewasschen?" + +Hij lag zeer rustig. Er zweefden nog twee drie lichte gedachtekens +voorbij en hij fluisterde: + +--"Sakkerloot...." + +Toen sliep hij vast in. + + * * * * * + +De Kloosterklok was bezig met volle geluid als Johan Doxa wakker schoot. +De cel was vol licht, alsof daarbuiten een liefelijke Lente gebeurende +was. En waarachtig: door 't kleine raam zag Johan een stuk hemel +heerlijk-blauw, bespot met witte krullende wolkjes en overstraald met +zonnegeweld. Hij ging op zijn bedde staan en keek uit langs het venster. +Wat zag hij daar voor moois?... + +De binnentuin van 't Klooster lag vierkant tusschen de met mos en veil +begroeide gevels te leven in prachtig kleurengedoe. Er was veel laag +groen waar zes ronde perken tulpen bloeiden. Net geteekend en effen van +verve, ringden er omme de safraangele kiezelpaadjes. Van uit Johan's +venster, leek de tuin een vurige rozet, gelijk men er vindt op bonte +ramen van kathedralen. Als een bruine mier kroop een pater-hovenier er +over. Zijn rozige schedel was gepolijst. + +Toen werd Johan Doxa vervuld met eene eindelooze vreugde. + +--"Hee-la!" riep hij luid. + +Hij schrok bij den klank van zijne stem en trok zich schielijk terug. +Daar zag hij een rosten capucien op de zuil van zijn celletje staan. + +--"Goeden morgen," zei de capucien minzaam, "ik ben de pater-hotelier." + +Van uit de hoogte waar hij zich geheven had, keek Johan Doxa hem aan, +plotseling duizelig wordend. Langzaam hurkte hij op zijn bed neer, in de +meening dat zulke trage inkrimping wellicht ongemerkt kon gebeuren en +hem maken tot een fatsoenlijk mensch van normale grootte. De capucien +stond goud-rost als een najaarsmiddag. Zijn kastanje-oogen blonken in +een besproet gelaat dat weelderig was omhangen met een baard van duizend +kurkvormige krullekens. Het was alsof een late zon schuin aanglom over +heel dat harig hoofd, en over 't gele haar ook van zijne sterke handen. +De capucien was dik en wel te pas. + +--"En wat zoudt gij nu willen eten?" vroeg hij. + +--"Willen eten?... Ha! willen eten, zegt gij...." + +--"Ik heb hesp en Zwitsersche kaas en goede boter en roommelk. De koffie +is klaar. Maar ge kunt ook thee krijgen. Onze thee is niet al te best, +moet ik zeggen." + +Daar de pater-hotelier glimlachte, lachte Johan Doxa mee. Hij lachte +gedwongen, al peinzende: "dat is een geestige keukenbroeder, die aardige +namen aan zijn pompwater geeft." + +--"Ik zal koffie gebruiken, en hesp of zoo...." zei hij gekscheerend. + +Maar hij viel niet omver van verbazing, toen, na de korte vroegmis, de +heerlijke pater-hotelier hem voor een frisch-blanke tafeltje deed +aanzitten, waar een soliede ontbijt was opgediend. Johan Doxa, moet ge +weten, is nooit in zijn leven zoo verbaasd geweest dat hij ervan omver +zou vallen. + + * * * * * + +Na drie dagen besloot Johan Doxa de overtuiging te aanvaarden, dat een +retraite bij de Franciscanen eigenlijk behoorde tot een der aangenaamste +tijdkortingen van de wereld. Hij kon zonder moeite gehoorzamen aan de +regels van den huize, volgde gewillig alle kapeldiensten, hanteerde +zoetekens zijn dikken paternoster en bladerde devotelijk in zijn +kerkboek. Dagelijks moest hij een apart en stichtelijk sermoontje hooren +van pater Hilarius, en hij deed het zooals een zieke de siroopdrankjes +van den doctor inneemt. Maar zijn groote vrienden waren de kale +pater-hovenier en de haar-rijke pater-hotelier. + +Den pater-hovenier hielp hij de vele tulpen verzorgen in den zymetrieken +tuin. Hij reekte en sproeide en weerde het kleine woekerkruid. Ze +verstonden malkander goed, ofschoon de oude capucien geen woordje sprak +en alles zwijgend te beduiden gaf met bevende gebaren van zijn +voorzichtige hand. Te zamen versierden zij met klaterende bloemen de +Lente die in den tuin van dag tot dag gulziger aan het leven ging. + +De pater-hotelier echter zat in het hart van Johan Doxa gelijk op een +troon. Hij was ook de majordoom van zijne maag. Hij kon dingen bereiden +die de herinnering aan de geuren van de _Curiosity Shop_ geheel +uitvaagden. En hij had een wijnkelder. De retraite-verordeningen, zooals +de pater-hotelier ze uitvoerde, waren zoet om dragen en indien +God-de-Vader uit den hemel op Johan in dien tijd heeft neergezien, dan +heeft hij moeten vaststellen dat deze boeteling zich gedwee aan al de +gestrengheid der orde-geboden heeft kunnen onderwerpen. Een +voortreffelijk berouw was blijkbaar het mystieke sieraad van zijne ziel, +want het geweten van Johan Doxa was nu geleedelijk zoo rustig geworden, +dat--om het met een stoffelijk beeld uit te drukken--zijne broek buiten +alle verhouding te spannen begon. + +De zevenden dag besloot pater Hilarius zijn familiaire preek met een +voorstel dat Johan in verrukking bracht. Hij sprak: + +--"Ieder moet den Heere loven naar zijne vermogens, mijn zoon. Even +eerbiedwaardig als het statige lied van den nachtegaal, klinkt in zijne +ooren de drooge roep van den krekel. Al wat ter eere van God opgaat in +dank, behaagt Hem uitermate. Daarom dunkt mij, Johan, dat gij zoudt +moeten denken aan het werk, waarmede gij Hem naar uwe beste krachten +huldigen kunt. Ik meen bij voorbeeld--een schilderij...." + +De tranen schoten Johan in de oogen. Hij omhelsde den pater niet, omdat +hij zelden iets deed, waartoe hij vast was besloten. + + * * * * * + +Johan Doxa miek een schilderij. Het moest naar het aanvankelijk ontwerp, +worden een beeld ten-voete-uit van den Heiligen Franciscus en het zou op +den grooten outer van de Kloosterkapel prijken. Maar het werd een kleine +Jesus, blond en rozig, gezeten op een kussen van weidebloempjes, de eene +hand rustend op een blauwen wereldbol, de andere zegenend ten hooge +geheven. Het hangt thans links in het kerkje, rechtover den preekstoel, +als een ex-voto van blijvende schoonheid, voor alle tijden.... + + * * * * * + +Terwijl Johan Doxa bij een hoog raam aan het schilderen zat, kwam de +pater-hotelier op geregelde uren met hem een praatje doen. + +Bij voorbeeld bracht hij hem een bruin-geboterd kipje en zei: + +--"De pater-hovenier is nu met jacynthen bezig. Ik houd in het geheel +niet van hem, Johan." + +--"Ik hoop dat ge u vergist." + +--"Ik houd niet van wat hij is, wil ik zeggen. Hij is een +vrijheidschender. Hij zet al de lieve bloemen in perken, gelijk men +kinderkens in kerkers zou steken." + +--"Bloemen voelen dat niet. Zij bloeien maar...." + +--"Wie weet? Vogeltjes sluit men ook op, en zij zingen maar...." + +Johan liet zijne vork op den rug van het kipje rusten en keek verwonderd +naar den pater. Hij dacht aan een vinkje dat hij overlang bezeten had en +dat in zijn kooi was doodgegaan. Werktuigelijk zei hij: + +--"En een eekhoorn houdt men wel eens in een tralientrommel gevangen, en +hij danst maar...." + +Hij wendde zijn aangezicht naar 't open venster en blikte in het wijde +azuur. En de pater vroeg: + +--"Hebt ge geen eetlust, beste Johan?" Neen, hij had geen eetlust. Hij +hoorde verre geluiden over den hemel gaan. En het werd hem ineens zoo +droef te moede, zoo droef te moede, zoo eindeloos droef te moede.... + + * * * * * + +Op een zondag-avond, na 't lof, lag Johan Doxa in zijne cel, op het +nauwe ijzere bed. Het Klooster sliep. Johan lag met open oogen tusschen +denken en niet denken. Was dat mijmeren? Was dat rusten? Voor de eerste +maal sinds zijne aankomst bij de paters, lag hij zoo en glariede in de +duisternis. Er kwamen geen beelden op, maar iets heel warms, gelijk eene +onzichtbare pels, omdoezelde hem gansch. Zijne voeten en zijne handen +gloeiden, en langzaam vergingen ze in donzigheid, en hij zou ze niet +kunnen verroeren, want had hij nu nog handen en voeten? Hij voelde zijn +eigen niet meer. + +Het vensterken was niet dicht. Hij hield hel open omdat, van af +eergisteren al, een zwaluwenpaar hier rond vleugelde, een hoekje zoekend +om hun nest te bouwen. En van heel wijd naderde hem een wolk van wattige +gepeinzen, tot hij, buiten alle verwachting, werkelijk te denken begon. + +--"Van waar komen toch die zwaluwen, ieder jaar?" + +En de wolk dreef op, in langzame vaart. Ze zweefde over lage landouwen, +over steden en dorpen, over wouden en stroomen, over bergen van groen en +bergen van sneeuw, en dan daalde ze glijdend en voer over zee, de +matelooze, ruischende zee. + +Plots ontlook in de stilte een verre muziek. Ze breidde zich uit en +ontwikkelde allengerhand zeer hoorbaar hare blijde cadensen. Ze vulde +weldra de lucht met zwellende klankondulatien, en Johan kon eindelijk +herkennen wat daar een fluit deed, een klarinet, een koperen hoorn, een +brommende trombone, en al zulke plezante tuigen meer. Een trom klopte de +rythmen. 't Werd kermis, kermis in de stad--kermis in de ledige ziel van +Johan Doxa, die, met een schok, zijne handen weerkreeg, en zijne voeten. + +Hij zag nu, alsof hij er bij meehuppelde, den ommegang van de fanfare in +Onze-Lieve-Vrouw-te-Rooje-wijk. Hij zag de kinderen dansen, hij snoof de +vetwalmen der oliekoeken en den stikkenden rook der fakkels. Hij zag de +ruiten der herbergen branden en flappende vlagen kleuren in den gloed. +Hij zag de mannen en de vrouwen.... + +Hij zag de vrouwen. God vergeve hem, hij zag eene vrouw, eene met +krullekens voor hare slapen en die, met bloote armen, twee schuimende +pinten geuslambik bood. + +--"Wilt ge meedrinken, als 't u belieft?" vroeg Johan. + +En ze zei terwijl ze op hem afkwam met den tooghanddoek: + +--"Ge hebt u een beetje vuil gemaakt, geloof ik." + +Hare stem was wonderzoet. Nu naderde ze minzaam en lachte in zijn +aangezicht. En Johan draaide zich gauw om in zijn bed, vatte wanhopig +zijn hoofdkussen in beide armen, en pletterde daar zijn mond tegen, om +'t huilen te smoren dat onweerstaanbaar uit zijn hart opjoeg. + +--"Moeder! Moeder! Moederken!..." kloeg hij. + +En dat duurde een heelen tijd zonder dat het baatte. + +Toen het schilderij af was, verklaarde Johan Doxa dat de retraite hem +voor goed van al zijne slechtheid gezuiverd had en vroeg hij om zijne +uiterste biecht te zeggen. Met een woord: hij wilde uit het klooster +weg. + +Pater Hilarius hoorde de biecht, een mooien middag van April, even voor +vespertijd. Johan ging met hem in de schoone Kapel, knielde voor den +outer en verdween in het donkere hokje, waar hij, tegen een plank met +gaatjes, woorden prevelde in het oor van zijn biechtvader. Dan moest hij +onder het groote Kruis-Lieven-Heer gaan liggen en met zijn voorhoofd +lang die koude vloertichels raken. Eindelijk hoorde hij de vespers +zingen. 't Was uit. Hij nam afscheid van de Kloosterlingen, waaronder +velen hem liefdelijk behandeld hadden. Hij nam met melancholische +hartelijkheid afscheid van den ouden pater-hovenier, die hem drie +zeldzame begoniabollen ten geschenke gaf. En zijn gemoed kwam nog even +vol toen hij in de vestibule afscheid nam van den gulden pater-hotelier, +die zijne zware handen op Johan's schouders legde. De pater-hotelier +zei: + +--"Vaarwel, lieve vriend. Ik zal steeds u in mijne gebeden herdenken. +Van menschen zooals gij, Johan, gewaagde Krist toen hij ergens de +Pharizeers toeriep: "Laat af, gij die schraapzuchtig zorgt voor den +dag van morgen!" God, toen hij de Toekomst schiep, schiep ook de +Voorzienigheid, en beide blijven in Zijne handen. Ga, Johan, onbekommerd +uwen levensgang. God spijzigt de vogelkens van uur tot uur. Waarom zou +Hij u niet spijzigen?" + +Hij drukte Johan in zijne armen en zegende hem.... + +Daar stond met zijn zwarten baard en rozig gezicht, de goedige +pater-poortier vergeefs zijn best te doen om in de schaduw van pater +Hilarius te verdwijnen. Johan hoorde zonder ongeduld een laatste +sermoen, een klein deur-sermoentje maar, vol liefelijke en lichte +dingetjes, gelijk van een chirurgijn, die een patient op krukken +doorzendt, waarvan hij een been of zoo heeft afgezaagd. Dan stopte pater +Hilarius hem een papieren omslag in de hand en fluisterde, +half-wegloopend: + +--"Van den prior ... voor het schilderij ... adieu! adieu!" + +De hooge poort schoof langzaam open. Een geweldige adem sloeg Johan +tegen de borst. Hij wankelde. Hij had willen een glasje water drinken +terstond, en hij besloot om een glasje water te vragen.... + +Maar hij kon nooit iets doen, waartoe hij besloten was. Hij stikte. God! +wat een ontzaglijke lucht hier!... De poort ging dicht. Johan Doxa stond +buiten. + + * * * * * + +--"Pouah! cheri, hoe ruikt ge zoo naar den wierook?" Twee heerlijk-zwarte +marolle-meisjes zaten nevens Johan Doxa, aan weerskanten, op de nauwe +bank van de friture-kroeg. Johan had kennis met haar gemaakt op de +Hoogstraat, zoodra hij had ondervonden dat het paketje van den prior +eene banknoot van honderd frank bevatte. Eigenlijk had hij met iedereen +willen kennis maken. Althans lachte hij vriendelijk elken voorbijganger +in het gelaat, en waartoe zou hij dat anders hebben gedaan? Maar deze +twee hadden hem direkt tegengelonkt. Zijne minzaamheid verminderde er +blijkbaar niet om, want seffens hingen zij aan zijne armen en vroegen +schuldeloos: + +--"Tu paies rien, vetzakske?" + +Of hij niets wilde betalen? Wel lieven-adieu! hij had lust om de geheele +wereld op te koopen!... Er werd besloten dat ze zouden mosselen eten en +patates frites. En zij zaten nu in de friture-kroeg. + +--"Pff!" deed Johan Doxa, "ik weet niet eens wat wierook is." + +De andere maagd ging met haar klein wipneusje over zijne mouwen +snuffelen. + +--"Neen," zei ze, "'t is eau de Cologne--ge hebt al-ze-leven in fijne +gezelschap gedineerd." + +Hij pinkoogde geheimzinnig, als om te laten onderstellen dat hij nog +veel erger had gedaan, en liet daarna fier zijne borst opzwellen. + +Als ze gegeten hadden, merkten de meisjes dat ze dorst kregen, Johan +trok met haar naar het "Kapiteintje" waar ze geus dronken, en naderhand +in den "Moriaan" waar hij trakteerde met krieken-lambic. Nauwelijks had +hij daar de derde flesch besteld, of een troepje wallebakken kwam +dansend binnengesprongen, vergezeld door een klein straatorkest--met +name een harmonica, een piston en een triangel. Ze dansten feestelijk de +herberg tweemaal rond en schaarden zich dan, rood van pret, bij den toog +om schuimende streepkens faro te zuipen. Johan Doxa stond plots recht en +riep: + +--"Een pint geus voor heel de Kompanie!" + +Het docht hem dat zijn gansch wezen openging. De woorden die hij +geschreeuwd had bleven trillen door zijn lichaam, als op pezen van +metaal. Hij viel neer op zijn stoel en zweette een beetje. De jonge +paren keken om en naderden de tafel waar hij zat gelijk een, die, +bedwelmd, zijne eigene troonplechtigheid bijwoont. Hij kreeg eene +ovatie.... + +Nu begon, van taveerne tot taveerne, eene processie die waarlijk niet te +beschrijven is. De muziekanten stapten voorop. Dan, met de voornaamheid +van een paasch-os, Johan Doxa, geflankeerd door de twee mooie +marolle-deernen. Dan de woeling der uitgenoodigde menigte, die steeds +aangroeide. Kinderen huppelden ommendom, de handen zwaaiend omhoog. In +den beginne zong men allerhande liedjes, maar weldra, om zooveel lawaai +mogelijk te maken, ging zich het repertorium beperken bij een en +hetzelfde couplet, dat iedereen goed kon en dat onvermoeid weer en terug +en altijd werd aangeheven: + +/* + En een dikke pens + En een snee van 't verken, + Boerenleven dat is plezant! + Boerenleven dat is plezant! +*/ + +Er geraakten diep-dronken menschen in het gezelschap. De piston, een +blonde reus, had vrijwillig op zich de verantwoordelijkheid van het +behoud der orde genomen, en meermaals was hij tot zijn leedwezen +verplicht eenige muilperen uit te deelen. Johan bewonderde hem +uitermate. Hij betaalde maar. Hij was gelukkig als een Koning. Het bloed +klopte hem weldadig op de slapen. Zijne kinderlijke lippen stonden in +den vorm van een glimlachend toeterken, alsof er zoo juist een melkzoete +flep was uitgevallen. Zijne meisjes hingen aan zijne mouw en soms moest +hij een kusje krijgen of een kittelig kneepje in de leen. De wereld +ruischte alom op hooghemelsche maat: + +/* + En een dikke pens + En een snee van 't verken.... +*/ + +De harmonica-speler was een bult. Hij dronk gelijk een Zwitser. Daar was +een oud ventje met rooden neus. Die kwam gedurig tegen Johan's buik +niezen. Hij dronk gelijk de bult. Allemaal dronken. Johan Doxa betaalde +maar.... + +--"Vooruit naar De Dikke Luis!" riep de piston. + +Weer 't zalige gedrang van lijven. Johan werd als opgenomen in de +stuwing en meende te zweven en stapte plots met zijn stoet en zijne +muziek op straat. + +--"Waar gaan we naartoe?" vroeg hij onnoozel aan het meisje links. + +--"Naar De Dikke Luis!" + +Het docht hem dat hij het zevende paradijs te gemoet ging. De heele boel +was een wonder. Hij zong slapjes: + +/* + En een dikke pens.... +*/ + +Er schoot hem iets te binnen en hij vertraagde zijn stap. Naar het lieve +meisje links boog hij zich en dan voelde hij hoe zwaar zijn hoofd was +geworden. + +--"Ik heb nog twintig frank" fluisterde hij haar in het oor. + +--"Hoeveel?" + +Hij taste in zijn broekzak en bracht zijne hand voor haar ten +voorschijn. Een met koper benagelde kletsdop lag daarin, en een +bankbriefje. + +--"Twintig," zei het meisje, "kom; 'k zal ik verder betalen--ge zijt +zat." + +Wat een heerlijk leven was het in "De Dikke Luis", een gloeiende roze +leven binnen een zachtblauwe tabakwolk! Het drieledig orkest speelde er +de Brabaconne. Het glanzende bier ging rond van hand tot hand. De breede +baas stond te midden van kannen en glazen te tappen. + +--"Wat zoudt ge er van pein-einzen," vroeg de bult aan Johan tusschen +twee hiksnokken. + +Johan Doxa lachte simpel. Zijne tong, docht hem, lag vast in een soort +van elastieke meelpap. Hij peinsde niets. Weer riep de piston: + +--"Nu naar den Heeten Ketel!" + +De troep pakte zich saam, rumoerde op naar de deur. De harmonica begon +te blazen en de triangel, week-bellend, sloeg. + +--"Halt!" schreeuwde de baas, "wie moet dat allemaal betalen." + +Johan Doxa keek lui om. Hij schudde zijn hoofd onder het schrikkelijke +hoofd van den baas. Hij had willen uitleggen dat daar ergens een zwart +meisje moest zijn, dat het geld bewaarde. Maar zoo'n meisje was er in +huis niet meer. Had hij haar het geld inderdaad gegeven? Langzaam ging +hij met zijn eigen daarover redeneeren. De piston sprong naar den baas +toe. Een paar glazen vielen van den toog en dan.... + +Johan Doxa werd links en rechts gestoten. Nu zat hij op een stoel. Nu +zat hij op een tafel. Nu lag hij tegen den muur. Nu stond hij te +waggelen overeind. Nu kwam iets hards en vlugs tegen zijn kop aanbonzen. +Nu knielde hij. Nu werd hij van achteren opgestampt. En ineens beukte +een zwarte masse aan op zijn voorhoofd.--Was tegelijk het licht +uitgegaan?... + +Het licht was uit. + +In Johan Doxa was het licht uit. Daar kan niet aan getwijfeld worden. + + * * * * * + +Door een vensterken met ijzeren staven drong de prille Lentedag, toen +Johan Doxa zijne oogen openstak. Zijne oogen gingen op langs vochtige +muren. Ze bleven daar staren op zonderlinge teekeningen en schrifturen. +De klok van het Klooster klepte niet. Hij wilde iets vragen.... + +O, hoe akelig was zijn mond! Zijne kaken stonden stijf. Een loome pijn +hing in zijne leden. Hij keek naar zijne handen, zijne smerige handen, +bemorst met bruin-gedroogde bloedvlekken. Zijn rechterknie stak bloot +door een scheur van zijne broek. Zijn hoed lag bij de deur--een +platgeblutste hoed met afgerukte randen. + +--"Het stinkt hier" dacht Johan. Hij kwam moeilijk recht. Zijne beenen +waren als bevroren vodden. Hij begon stillekens over zijn hoed te +strijken, met werktuiglijke zorgzaamheid. + +Toen rinkelde daarbuiten een bussel sleutels en iemand opende deze +onbegrijpelijke cel. Het was een soort van politie-agent. + +--"Allee," sprak de ruwe deurwaarder, "krab op--ge moest u schamen." + +Geen de minste aandoening werd wakker in Johan Doxa. Hij liet zich +geleiden. Hij mankte. Hij verliet de Amigo[1] zonder hoop en zonder +wanhoop. Hij kwam thuis. Hij vond er zijn moederken. Hij hoorde zijn +moederken zeggen: + +--"Ach mijn jongen! mijn lieve jongen! ach, wat hebben de paters toch +met u gedaan!" + +Hij ging in een hoek zitten. Hij vertelde niets. En 's anderendaags ook +vertelde hij niets. En nog dagen en dagen nadien bleef hij, en vertelde +niets. Hij nam nooit het besluit iets van dat alles aan zijne moeder te +vertellen. + +Maar wat zou het eigenlijk helpen, als hij nu daaromtrent een besluit +genomen had? + +Niets. + + +Noot: + +[1] Stedelijke gevangenis voor tijdelijke verbrekers der openbare orde. + + + * * * * * + + +IV + +JOHAN DOXA + +DE SCHADUW + + +Ik kon dien nacht geen oog dicht doen. 't Sloeg vier uur op ons +Empireklokje, wanneer ik besloot het bed te verlaten, dat mij geen rust +geven wou. Terwijl ik me aankleedde en daarbij het groene nachtlichtje +had aangestoken, zette ik mijne morgenmelk op het kleine gasfornuis. +Ik dronk ze zonder smaak en verlangde reeds om buiten te zijn, in de +frischheid van den uchtend. + +Die frischheid was echter niet aangenaam, maar ik liep toch de vochtige +straten door, gelijk ik meer placht te doen om mijne overspannen zenuwen +te stillen. + +Ik wandel gaarne in den vroegen dag. De stad heeft telkens zoo ongewone, +zoo uitzonderlijke uitzichten. Zij ontwaakt met schokjes. De blauwende +donkerte laat de grijze gevels opklaren en verft de gladde eenzaamheid +der macadamlanen en asphalten bolwerken. De lantaarnlichten weifelen, +grauwen wittig uit de nevelen, werpen geen schaduwen meer. En het +zeldzame menschengedoe gaat traag op, nooit veranderlijk, gebaren makend +die een definitief teeken van den uchtend zijn. + +Ik loop meestal de lage stad om en verwijl dan het liefst rondom de +Zuiderstatie. Het is daar schoon om zien, want schoon is het morgenlicht +over de rookwolken der locomotievenhal. Het donkere gebouw is al vol +bedrijf en voert de werkluibenden op het statieplein. Er gebeurt een +gewoel van lijven, maar de lippen zijn zonder gerucht. De arbeid wenkt +zwijgend zijne zwijgende slaven.... + +Dien keer was ik zeer vroeg voor de hal aangekomen en ik slenterde +onwillig, de hielen slepend. De nevellucht spande pijnlijk om mijn +voorhoofd. Ik stond een paar ezelwagetjes na te gapen, die fluks opreden +met nieuwe groenten, de stad binnen. Musschen sprongen in de dahlia- +perkjes van het plein. + +Toen--juist terwijl ik nieuwsgierig de nog-belichte vensterruiten van +eene burgerlijke taveerne bekeek--zag ik de glazendeur van die taveerne +ruw openslaan en eene dikke vrouw, blijkbaar de bazin, den drempel +oversnellen. Ze schreeuwde in angst: + +--"Polis! Polis!" + +En ze ijlde van hoek tot hoek, het plein langs, al harder krijtend, +terwijl toch, naar gewoonte, nergens een politieagent zichtbaar was. Een +heer verscheen in de herbergdeur, gaf rappe inlichtingen aan een bleeke +schenkmeid, die schielijk de Fonsnylaan opliep. Ik was, op een drafje, +naderbij gekomen. De heer keek me in het aangezicht en, ofschoon hij +onder de zwarte randen van zijn galahoed zoo wit uitblekte als een +doode, herkende ik in hem, niet zonder verwondering, mijn goeden vriend +Menschaert, den toondichter. + +--"Wel, Antoon," zei ik stil, "wat gebeurt hier?" + +Hij hief zenuwachtig zijne schouders op. Zijn rechterhand teekende in de +lucht vluggelings een halven cirkel--wat bij hem het gebaar was van een +onzeggelijk ongeduld--en hij wenkte mij om binnen te komen. + +--"Ik vrees dat het hier erg toegaat," sprak hij dof. + +Inderdaad. Het schouwspel, dat ik in de taveerne te zien kreeg, was zoo +schrikkelijk dat ik, op het eerste zicht, ademloos bleef van aandoening. +Maar toen ik naderhand een stap nog waagde, werd mij plots het gaslicht +een mist van groene dampen en voelde ik den klauw van een zonderling +monster, dat, gelijk een nachtmerrie, mijne keel toenijpen kwam. + +Ik had, geloof ik, een korten gil geslaakt.... + + * * * * * + +Het was half-zeven, als ik met Menschaert die akelige herberg verliet. +De eenige schikking, die nog moest genomen worden, had ik ter regeling +aangewend en mijn vriend Antoon, welke waarlijk een allerbraafste jongen +is, wilde niet dat ik al dat droeve alleen zou doen. + +Hij liep dus mee met mij, maar daar de boodschap geen haast vroeg +--integendeel, goede God!--en daar wij beiden zeer vermoeid waren, +besloten wij om maar eerst een kop koffie te gebruiken. In de kleine +eetzaal van het _Hotel Esperance_ bestelden wij een klein ontbijt en +Antoon, door mij hiertoe dringend aangespoord kon eindelijk breedvoerig +vertellen hoe de tragische gebeurtenis ontstaan was. + +Hij deed het met dien eenvoud, welken ik zoo bewonder bij hem en die +schijnbaar zoo zeer strijdt met de gewone daden van dezen uitstekenden +kameraad. Antoon Menschaert is nog jong. Zijne ouders zijn boeren-heeren +uit de Kempen en stellen het tamelijk goed. Hij zelf woont ergens bij de +Beurs, alleen, naar hij zegt (ik vermoed echter dat die eenzaamheid +"gedeeld" wordt, want, uit princiep, ontvangt hij nooit een vriend op +zijne kamers....) Hij is orgelist in Sint-Niklaaskerk en werd onlangs +als monitor aangesteld in het koninklijk conservatorium. De jongen +vermaakt zich eeniger mate in den zin van wat jongelui in Brussel "zich +vermaken" noemen. Nochtans is hij ernstig en zijn gevoel, dat ik bij +meer dan een gelegenheid heb kunnen waardeeren, heeft schoone volten en +een bestendig gewicht. + +Hij zat voor mij. Het opkomend daglicht klaarde over zijn sierlijk +aangezicht, dat, thans wat roziger, toch mat-effen, zeer vermoeid boven +zijn witte das en de zijden kraag van zijn smoking uitscheen. De koffie +rookte lichtelijk op over de gouden randjes van het blauwe porseleinen +koffie-servies. Wij aten bij poozen, gelaten. + +Antoon sprak: + +--"Ik heb gisteren middag het dineetje bijgewoond, waarmede mijnheer en +mevrouw Zondervan maandelijks en telkens te vergeefs een vrijer +probeeren aan te kleven voor hunne dochter Adelaide, een stuk plank met +een kop vol pretentie.... Kent gij de familie Zondervan?... Jammer! Dan +kunt ge ook niet geheel inzien in welken staat van ellende mijne hersens +waren gebracht, nadat zij een ganschen middag het leelijk sproetengelaat +van juffrouw Adelaide hadden aangegluurd en de zoetzappigheidjes van +haar idioot gepraat hadden toegeknikt. Toen ik, omtrent negen uren, zeer +buiten Adelaide's verwachting, haar tafel en haar huis verliet, was ik +een kapot stuk jongmensch, dat zich nog alleen herinnerde hoe slecht +Zondervan's bourgogne was en hoe afschuwelijk zijne dochter. Ik snakte +naar een glas gezond bier en vond het zonder moeite. In _Clarenbach_ +waar ik aangeland was, ontmoette ik bij mijn vierde pint Slokke, den +beeldhouwer, Fritz d'Artois, die als stagiair bij advokaat Forst is +aangenomen, administrateur Lemonnier en diens vriend mijnheer Van +Dranem, welke mij werd voorgesteld. Deze heeren waren in vroolijk humeur +en wij dronken samen eene brave hoeveelheid Munchnerbier, zoodat, door +Slokke aangedreven, ik mijn eigen al even pleizierig als de overige +bevond. Die Slokke is een verbazende kerel. Te middernacht volgden wij +hem in _The Dominion Bar_, in de _Jeune France_ en eindelijk in dat +verleidelijke ding van de Bisschopstraat, _The Old Curiosity Shop_, +zooals gij wel weet. Overal was pret, muziek, drank en lieve dames. Ik +zou op dat oogenblik geloof mij, juffrouw Adelaide Zondervan nooit uit +Mathusalem hebben herkend, aangenomen dat Mathusalem het vergelijk hadde +verdragen. In _The Old Curiosity Shop_ vermaakte ons zeer een muziekaal +neger-trio. Slokke had in _The Dominion_ een voor mij onbekend makker +aangeklampt, een soort Tcheik, die alles danig lollig wist aan te +brengen en waarlijk een onschatbare ontmoeting was voor jonge +lichtmissen. Hij richtte o.a. met de drie negers een burleske vertooning +in, welke bij de aanwezige dames en heeren een grooten bijval verwierf +en, na eene omhaling van Slokke, voor den Schamelen Arme, zooals Slokke +zei--hij bedoelde het Stedelijk Armbestuur--ruim twee honderd frank +opbracht. + +"Ik was toen al tamelijk beschonken. Maar ik herinner mij zeer goed dat +in een hoekje bij den toog een zonderling mensch zat toe te kijken. Het +is noodig dat ik u vertel hoe hij zich voordeed. Het was--gij weet het +natuurlijk--een dik, ingezonken man, een waarvan men gemeenlijk zegt dat +hij "zonder ouderdom" is, maar zijn gelaat, dat klaarblijkelijk door een +overdadig gebruik van ... laat ons zeggen "spiritualen" was ingevreten, +had, ondanks zijne vervallen kleederdracht, ondanks de niet-vrome +omgeving, ondanks alles, een zoo kinderlijk, och ja, een zoo +"seraphische" uitdrukking dat het mij aandeed buiten mate. Hij keek toe. +Hij keek engelachtig het zot bedrijf van den Tscheik en de drie negers +toe. Hij lachte niet. Hij scheen ook niet bezorgd. De beruchte tapper +van de _Shop_--Anatole heet hij, weet ge wel--bracht hem, zonder dat hij +'t vroeg en zonder dat hij er in het minst voor dankte, tot viermaal een +whisky-soda. Hij dronk niet gulzig, niet smakelijk ook. Hij dronk +langzaam en eentoonig, en zijne gebaren waren lui als van een vet, +eigenzinnig kind.... + +"Hoe het kwam, weet ik niet. Men weet niet hoe alles gebeurt bij zulke +partijen. Bovendien, ik beken 't voluit, de drank speelde en smokkelde +in mijn hoofd. Zeker is het dat, rond twee uren, het korte mannetje +zonder tegenspraak bij ons gezelschap hoorde. Ik zag dat hij naast +mijnheer Van Dranem zat. Ik hoorde niet dat hij met mijnheer Van Dranem +sprak. Ik hoorde dat mijnheer Van Dranem hem had aangelijmd en, in het +algemeen gewoel, eene astrologische rede voorhield, welke het geduldig +ventje met brave knikjes scheen goed te keuren. Mijnheer Van Dranem +bestelde dan telkens versche pinten, deed vriendelijk met zijn +zonderlingen gebuur bescheid en maakte hem alzoo bijna tot elkendeens +kameraad. Och! men verbroedert zoo licht in die warme nachtkroegen! Geen +van ons dacht er aan den kerel naar zijn naam te vragen. Dat hij geen +booswicht was stond op zijn cherubsgelaat te lezen, en wat konnen wij al +meer eischen? Hij dronk voortreffelijk. Hij deed ons, drinkebroers, eer +aan.... + +"We verlieten de _Curiosity Shop_ al te zaam. De goedige dikkerd volgde. +In de _American Bar_ zat hij aan onze tafel. Wanneer een van ons hem +onder 't praten toekeek, knikte hij seffens gewillig tegen. Hij +beantwoordde alleman's teug. Dronk ik, hij dronk. Dronk daarop +Lemonnier, hij nam een slokje uit beleefdheid. Dronk dan de +geheeldronken d'Artois, hij insgelijks, om goede manieren te toonen, +dronk maar.... Kortom, hij was de hoofsche goedkeuring zelve. + +"Zeg eens, Herman, hebt ge al niet opgemerkt dat, als ge zoo op randool +zijt, er altijd iemand medefeest, zwijgend en ingetogen. Het is een +stille bijlooper. Hij laat nooit zijn glas ledig staan. Hij spreekt +nooit iemand tegen. Hij betaalt nooit wat. Hij is nooit hinderlijk. Laat +iemand zijn pijp, zijn regenscherm, zijn zakdoek vallen, hij is 't, die +hem opraapt. Hij is bij iedereen en bij geen van allen. Hij is een +verdraagzaam toezicht en zal het opmerken, als de baas, vertrouwend op +de dronkenschap der kompanie, iemand wat ongangbare munt wil in de hand +stoppen. Hij is 't ook, Herman, die de aandringende bloemenverkoopster +met een blozend lachje toefluisterd: "Ga maar uw gang, vrouwtje, die +kerels zijn zat en koopen niet!" En, luister wel, niemand kent hem. Hij +is de schaduw van ons allen, en wij eischen niets van hem. Hij lijkt op +iets dat ons natuurlijk en onverweerbaar toebehoort.... + +"Alzoo was die man. In de _American Bar_ ontstond er ruzie met een paar +roekelooze studenten. Ik zag goed hoe hij onderwijl vredig zijne pijp +stopte en ze in volle herrie kalmpjes aanstak. Ik zag het, omdat de pijp +zelf mij trof--een wondere pijp, geheel met kleur-ornamenten beladen, +zoo miniatuur-fijn als nog nimmer mij verfversiersels onder de oogen +kwamen. Onderaan den breeden pijpbuik kon ik, na eenige aarzeling het +woord "Julia" lezen. Het verbaasde mij zeer. Brandde in dat zeldzame +dikzaklijf waarlijk de vereering voor eene geliefde vrouw? Zoo zeer nam +mij dit denkbeeld in beslag, dat ik dadelijk den zachten vetpot over +zijne identiteit wilde aanspreken. Ik geloof dat de toenemende twist mij +in dit voornemen storen kwam, want tot eene bepaalde opheldering kwam +het niet. Eene verdere gelegenheid werd mij niet meer aangeboden en de +kerel bleef stillekens, rookend en drinkend, bij ons.... + +"Aldus voortzakkend geraakten wij in groepje op het Statieplein. Wij +hadden na de sluiting van de _American_ nergens een herbergzaam huis +gevonden en waren, eerst druk-pratend, dan moe-zwijgend, de Henegouwlaan +opgekomen. Slokke beweerde dat het Statieplein ons op een voornaam +fleschje geus of iets dergelijks kans kon bieden. Wij volgden Slokke +gedwee. De nacht was koud, miezelig, doordringend-vochtig. Wij +slenterden door, stil voorover gebukt, bijna zonder moed. Slokke zong +luidop een lied, waarvan ik me niets meer herinner, en d'Artois, achter +hem, spande nuttelooze pogingen in om het hem na te burrelen. Lemonnier, +lang en stokkestijf, beende akelig over het trottoir. Van Dranem, die +naar ik vermoed, daags te voren zeer onvoorzichtig den inhoud van een +sterrekundig standaardwerk had ingezwolgen, besproeide mij met den +hutsepot van zijne astrologische indigestie. De laatste van allen, +kortstappend en kort-blazend, kwam de ronde man, onze zoete schaduw +aangedrild. Ik hoorde hem. Hij had het geluid van een haastigen hinker. +Maar hij hinkte wezenlijk niet: naar ik thans vermoed, ontbrak de hak +aan een zijner schoenen, die daardoor als een slofje neerwreef op de +steenen.... + +"Slokke bracht ons in die taveerne van het Statieplein.... + +"Hier moest het drama gebeuren. Wij gingen aan de grootste tafel zitten +en bestelden koffie. De bazin, een onaangenaam wijf, deed opmerken dat +de herberg slechts bij toeval open was gebleven, dat zij geen tijd had +om koffie te zetten en maar hoopte dat de heeren gauw zouden oprukken. +Fritz d'Artois stond bij dezen onvriendelijken uitval recht en +overdonderde de zure waardin met de gekste aller redevoeringen. Aan de +inschikkelijkheid van eene oolijke schenkmeid hadden wij een kop koffie +en het einde van d'Artois' pleidooi te danken. Deze schenkmeid, die wel +inzag dat men Slokke en zijne kameraden nooit anders dan met +aanminnigheid zou de deur uitkrijgen, verwaardigde zich haar eigen bij +ons aan te sluiten, waar zij van Lemonnier verkreeg dat hij haar, bij +wijze van "slaapmutsje", op een fine-champagne trakteerde. + +"Kijk nu, Herman, goed hoe wij zaten. Ik zat op de bank, links had ik +Van Dranem, stapelvol met troebele wijsbegeerte, rechts d'Artois, en +naast dezen het rookende mysterieventje. Rechtover mij zat Slokke, links +had hij Lemonnier en rechts de diplomatische herbergdeerne. Wij praatten +in den beginne vrij onharmonisch ondereen, tot op een vraag van de +schenkmeid het gesprek eene bepaalde richting inliep. De meid had +vernomen dat Fritz advokaat was en ze wilde hem gaarne, zeide ze, iets +vragen. Fritz die, met Dranem, de zatste van den hoop was geworden, vond +waarschijnlijk dat de schenkmeid hem veel eer aandeed. Althans bereidde +hij zich tot een uitbundig consult en stelde zijne prille ervaring +"geheel" (dit met een prachtig oratorisch gebaar) tot hare beschikking. +"A-wel voila!" sprak de meid, "ik ben getrouwd met een man die te dom is +om voor den duivel te dansen--van 's morgens tot 's avonds maak ik ruzie +met hem, want hij is te vadsig om een woord te zeggen,--hij zou mij +bestelen, als hij maar kon, mijnheer, bestelen om in de herberg te +zitten, hij wint geen gebenedijden stuiver en ik vraag mij af hoe hij +het aan boord legt om 's nachts geregeld dronken thuis te komen,--d'r en +is geen leven mee te houden, dat zeg ik u,--'k ben 't beu den luiaard in +te mesten, en, met permissie gezegd, mijnheer, 'k zou willen +divorceeren!" Zij begon in 't kort en in 't lang ons den toestand van +haar huishouden voor oogen te leggen, en daarop overgoot d'Artois haar +met zijne orakels. Hij onderzocht het pro en het contra, nam de gekste +houdingen aan en waande zich aan de vermetelste verklaringen, brak het +huwelijk om "te besluiten" en lijmde de stukken weer aaneen om met +nieuwe pracht van woorden te kunnen herbeginnen.... Kortom hij spande +daar de onmenschelijkste zaag. Slokke kreeg, naar hij mij vertrouwbaar +toemummelde, een papmond. Lemonnier was op de beide vuisten in slaap +gedonderd en Mijnheer Van Dranem, die over heel 't gedoe geen star meer +herkende, was in de diepste mijmeringen verzonken.... + +"Ik, scheef-achterover tegen den bankrug geleund, keek strak den dikken +bijlooper aan. Hij zat kalm en zoetjes te rooken, onveranderlijk. Daar +d'Artois recht stond en voortdurig over de tafel waggelde al preekend, +kon ik gemakkelijk onzen anoniemen vriend naloeren. Ik beken het u: ik +deed het uit verveling, want ik was wezenlijk te vermoeid om in mij +belangstelling voor 't zij eender wat te wekken. Ik belonkte hem strak, +al rustend. Hij rookte, scheen oplettend naar d'Artois en de schenkmeid +te luisteren, dampte zachtjes. Zijn bol aangezicht tuurde, over de +hoofden, naar iets dat, docht mij, misschien op den muur, boven den +toog, was aangeplakt. Al scherper blikte hij alzoo ... tot, almeteen, +zijn pijp, die geen vuur meer hield, dood stak in zijn mond, die juist +niet meer trekken wilde. + +"Hij bleef een lange poos zonder roeren. + +"Toen, zonder haast, vatte hij de pijp, wond ze in zijn rooden neusdoek, +borg ze--gelijk hij ze voorzeker placht te bergen--voorzichtig in zijn +binnenzak ... en ... toen, Herman ... ja, toen ... ik word er niet wijs +uit jongen ... het is zeker dat ik zeer, zeer moe was. Het gebeurde als +in een droom, waarbij ik machteloos moest blijven ... begrijpt ge? + +"De arme dompelaar, nadat hij de pijp geborgen had, trok langzaam zijne +hand weer uit den zak. Die hand--wat vatte ze zoo struisch daar? Ik +zweer u, Herman; ik zag het, ik zag het, zonder te weten dat ik 't zag.... +Die hand, met het zwarte ding, hief de goede dikkerd tot onder zijne +kin. En hij opende vredig zijn mond, wijd, wijd, tot het mij met +verbazing sloeg. En toen, Herman, gebeurde het. Het schot brak los, hard +en geweldig ... en de hand viel neder op de tafel, rilde daareven en +omsloot, meen ik, het dampende tuig dichter.... + +"Ha, jongen 't was er een herrie! Iedereen, zelfs de slapende Lemonnier, +stond recht. Die gemeene bazin gilde oneerbiedig. En hij, de sukkel, zat +op de bank, had niet geroerd. Hij glimlachte precies. Maar, achter hem, +was de muur met bloed bespat en iets leekte daar, een witte kwabbel, +traag, van zwaarte...." + +Antoon zweeg. En ik herzag de leelijke taveerne, en hoe ik er +binnenliep, en hoe ik den doode zitten zag, en hoe ik, met een neep in +het hart en een kreet van heel mijn wezen, Johan Doxa herkende, den +zachten doolaar. + +Ik heb zijne lauwe hand in de mijne genomen. Ik heb ze waarlijk +gestreeld, alsof hij 't nog voelen kon. Ik heb hem op de bank +nedergeleid. En ik heb zijne groote oogen toegedaan, die zoo verre +keken, verder dan den muur, Antoon, verder dan den muur of den toog, +mijn goede Antoon.... + + * * * * * + +De heete koffie had ons opgeknapt, maar we vertrokken beladen met iets +als een groot pak. Niet haastig drilden we de Lage Stad af. We drumden +langs de gevels der huizen en beletten niets van het aanzwellend +dagbedrijf. We liepen verstrooid over de pletsende dweilen van gebogen +dienstmeisjes, die zich oprechtten dan, gestoord in den kuisch, en ons +wat toesnauwden van op de drempels. + +Ik was zeer bekommerd en luisterde nauwelijks naar het stil, afgebroken +gepraat van Menschaert. Ik begon 't mij alreeds te beklagen dat ik deze +laatste boodschap had aangenomen. Seffens verhief echter mijn geweten +zijn rechte stem boven 't gehakkel van mijn angst en ik stapte vaster +door, overtuigd, gelijk ik was, dat niemand het droeve nieuws met meer +teedere en aandachtige zorgen zou brengen dan ik het, met mijn +liefderijk medelijden, zou doen. + +We kwamen in de Zes-Penningenstraat, die reeds vol was met +uchtendgeluiden. Magere honden liepen er snuffelend rond de vuilbakken. +Een stoelenbiezer zette aan zijn uitgerokken roep, die wijd-jammerde +onder de vensters. Een fruitwijf stiet haar rammelend karretje. Boven +op een hoog huis vlekte een bleeke zon. + +Het donkere winkeltje was open, de grauw-groene luiken ontsloten, de +gebroken drempzuil bloot. Ik kende die zuil goed. Hoe dikwijls liep haar +lustig over, jaren geleden, toen Johan Doxa met zijn ekster, zijn sijsje +en zijn eekhoorn het rare zolderkamertje bewoonde! + +Juist--maar hoe kommervol thans!--wilde ik de goede zuil betreden, als +daar in een zoeten lach de groetende moeder Doxa stond. + +--"Wel mijn jongen," zei ze frisch, (ze droeg een jakje en een versch +schort en ze was waarlijk, het oud wijveken, frisch als de morgen zelf) +"wel mijn jongen, wat zijt gij vroeg te been!" + +Ik geloof dat ik daarop iets vrij onverstaanbaars uitbracht, want moeder +Doxa keek me dadelijk vreemd aan. Moeders hebben wondere voorgevoelens. +De lach op haar gelaat verdween. Zij zei nog: + +--"Komt ge mij opzoeken?" + +Ze drukte wonderbaar op het woord "mij". + +Ik knikte traag, verlegen. En wij traden het speelgoedwinkeltje binnen, +dat geheel het uitzicht van vroeger had bewaard. Daar gloeide eenderlijk +de roode tichelvloer en donkerde massaal de vierkante toog onder het +noesche vensterlicht. Vluggelings zag ik in hunne verscheiden bakjes de +lekstokken, muntebollen, vlierhopjes, ovenbeesten, stampers, kletskoppen, +amandelkoekjes en kramelleu. Achteraan, tegen den muur, in schemerklaarte, +hingen de poesjenellen, de poppen, de reepen, de blikken muziektoppen, +de zweepen met fluitjes, de zakken met glazen marbels, al het diverse +speelgoed, dat bontig opkleurde en rammelde door mekaar. + +En moeder Doxa, dienstvaardig, ging, gelijk naar gewoonte, het trapje op +achter den toog. Eene zonderlinge aarzeling bibberde in haren blik. Ze +beproefde een nieuwen glimlach. + +--"A-zoo! mijn jongen," sprak ze, "wat is er tot uwen dienst?" + +Ik bleef nog een tijdje zwijgen. Antoon scheen over de smuitsterbakjes +eene zorgvuldige keus te doen. Ik schudde treurig het hoofd en vatte +moedig aan: + +--"Nu moedertje, wij brengen geen goed nieuws.... Het spijt me zoo!..." + +Ze sprak niet. Hare oogen werden scherper. De stilte die in het winkeltje +kwam spoken was wezenlijk onverdraaglijk. Ik herinner me (hoe bijtend +zijn de indrukken soms!) dat, op dit oogenblik, een scheerslijper al +roepend voorbij trok. Ik zei: + +--"Verschrik niet uitermate, moedertje. Zeker, het leven is heel zoet om +leven. Maar wat helpt het, als wij zelf meedoen om ons leed te vergrooten, +als wij ons zelf den dood op het lijf jagen?... D'ris toch niets aan te +veranderen, moedertje Doxa...." + +Ze was bleek, ineens doodelijk bleek. En de kleine glimlach, die niet +weg wilde, werd een grijns van smart. Ze hakkelde: + +--"Ja maar, ja maar...." + +Alsof ze zich aan de waarheid wou vastklampen, en een bange logen +daarmede kon verweeren die schrikkelijk op haar afkwam. God, Gij weet +hoe vurig ik toen wenschte dat het inderdaad een logen mocht zijn! + +Ik besloot die pijn te verkorten. Ik hernam, diep ademhalend: + +--"Uw zoon moedertje ... uw zoon Johan...." + +Ze deed stil: + +-"Ha-a!" + +Heel stil. En ze sloot langzaam hare oogen. Ze zonk achterover, in de +rokjes van poppen, tegen den muur. En nog verliet die akelige glimlach +hare lippen niet.... Antoon Menschaert was toegesneld. Ze voelde zijne +armen om haar, roerde haar mond. + +--"Wacht", lispelde ze zoetjes, "wacht, als 't u belieft ... och! +och!..." + +Toen stak ze hard en wijd-open hare oogen en keek ernstig toe. + +--"Watte?" vroeg ze, "wat zegt ge daar?" + +En ik, geheel verslagen en 't harte bijna ingestampt: + +--"Uw zoon, moedertje", antwoordde ik, "hij is niet wel ... hij is zoo +schielijk.... God is wreed, moedertje, maar wij moeten in hem berusten, +dat weet ge toch niet waar?" + +Ze stiet Antoon plots van zich af. Ze riep: + +--"Wat is er met Johan gebeurd? Wat is er met Johan gebeurd?" + +Ze was vreeslijk. Ik dacht dat ik het nu met een woord zeggen moest +en--de Hemel vergeve 't mij--ik zei het met een woord. + +Dat woord, ze had het werkelijk zien aankomen. Ze week als het dichtbij +was. Ze kreeg het vlak tegen hare oude borst.... Nu zakte ze thoope, +gelijk een klein, nietig pakje, in Menschaert's handen. Ze was opeens +schijnbaar als een pluimpje zoo licht. + +Nog sprak ik, de schoon-versierde pijp uitreikend naar heur: + +--"Zie, moedertje, hier is zijne pijp. Ik heb ze uit zijn zak genomen +opdat gij ze bewaren zoudt, als een aandenken...." + +Ze keek de pijp aan. Ze vatte de pijp met beide handen.... Dan was 't +alsof ze insliep, zonder een traan, zonder een zuchtje, verre van ons. + + * * * * * + +Antoon Menschaert is nu een beroemd componist geworden, wat onze +vriendschap niet het minst heeft verlauwd. En daar hij nog steeds op +kamers "alleen" woont en ongaarne iemand bij hem ontvangt (ik verdenk +hem niet, hoor!) komt hij al dikwijls een avondje doorpraten in +Linkebeek, waar ik sinds enkele jaren verblijf. Wij zabberen en rooken +dat het een aard heeft. + +--"Zeg eens," zegt hij vaak, "ik zal u gaarne een zilveren aschbakje +schenken, indien ge dees ellendige doos weggooien wil." + +Ik bekijk dan de hoog-ronde doos, die ik ons eigen steeds voorzet als we +sigaren opsteken. Het is een geblutst tomatendoosje, dat inderdaad +miserabel aandoet in de overige meubeleering. + +--"Kom! Kom! ik zal dat leelijke ding wel eens de straat opwerpen ... +doch, wanneer? wanneer?... Er zijn kleine, domme daden, waartoe men maar +niet besluiten kan." + + * * * * * + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Johan Doxa, by Herman Teirlinck + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JOHAN DOXA *** + +***** This file should be named 16841.txt or 16841.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/6/8/4/16841/ + +Produced by Marc D'Hooghe. + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/16841.zip b/old/16841.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..8b6463e --- /dev/null +++ b/old/16841.zip |
