summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--16841-0.txt3163
-rw-r--r--16841-0.zipbin0 -> 65190 bytes
-rw-r--r--16841-h.zipbin0 -> 67938 bytes
-rw-r--r--16841-h/16841-h.htm3336
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/16841-8.txt3178
-rw-r--r--old/16841-8.zipbin0 -> 65286 bytes
-rw-r--r--old/16841.txt3178
-rw-r--r--old/16841.zipbin0 -> 65218 bytes
11 files changed, 12871 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/16841-0.txt b/16841-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..5f8500e
--- /dev/null
+++ b/16841-0.txt
@@ -0,0 +1,3163 @@
+The Project Gutenberg eBook of Johan Doxa, by Herman Teirlinck
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
+most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
+whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
+of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
+www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
+will have to check the laws of the country where you are located before
+using this eBook.
+
+Title: Johan Doxa
+ Vier herinneringen aan een Brabantschen Gothieker
+
+Author: Herman Teirlinck
+
+Release Date: October 9, 2005 [eBook #16841]
+[Most recently updated: June 11, 2022]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: UTF-8
+
+Produced by: Marc D’Hooghe
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK JOHAN DOXA ***
+
+
+
+
+JOHAN DOXA
+
+VIER HERINNERINGEN AAN EEN BRABANTSCHEN GOTHIEKER
+
+door
+
+HERMAN TEIRLINCK
+
+
+1917
+
+
+ * * * * *
+
+
+I
+
+JOHAN DOXA
+
+GETROUWD
+
+
+Johan Doxa, de vader, verkocht speelgoed in de Zespenningstraat, een
+grijze wijk van nauwe steegjes, midden in de Lage Stad. Hij had er een
+smal winkeltje met een gebroken drempelzuil, een vunzigen gang en een
+groen-houten hekje, waarop, tenden een buigzaam veerijzer, een
+waarschuwende bel vastgehecht was. Het winkeltje was grauw, haast donker.
+De roode tichelvloer gloeide langzaam op uit de halve donkerte, maar de
+vierkante toog somberde, gelijk een harde, massale schaduw, vlak onder
+het venster, dat met zijne menige uitstalling, de dagklaarte buiten
+hield. Die toog droeg een verscheiden weelde van lekkernijen,
+muntebollen, lekstokken, stampers, ovenbeesten, kramellen, kletskoppen
+en amandelbrood. Al dat bonte gesnoeper lag er, in blikken kistjes
+nevenseen, elk met zijn eigen kleur en zijn verschillige hoopen. Achter
+de toog en langs den muur, tot bijkans tegen de zoldering, hing het
+speelgoed, de reepen, de poesjenellen, de poppen, de ballen in wollen
+netten, de zilveren muziektoppen, de zweepen met fluitjes, en zoo al
+meer.
+
+Johan Doxa, de vader, was een groote struische kerel. Hij zat 's morgens
+in zijn winkeltje, achter den toog. Hij sliep er meerendeels. Zijn stoel
+was laag, breed, verzacht met een platte sargie, die er vierdubbel tot
+op de leuning over gevouwd lag. Johan Doxa zat gemeenlijk met zijn beide
+handen gekruisd op zijn buik, zijn kin op zijne borst en zijn klipmuts
+op zijne oogen. Zijn kop stak even boven den toog uit, maar duisterde
+weg in de onduidelijke lucht van het winkeltje. Als een kind het hek
+openstiet, rinkelde de bronzen bek en Johan Doxa verroerde. Zijne handen
+bleven gekruisd en stille, maar, met eene eigenaardige fronsing van zijn
+voorhoofd, schoof hij rijzekens zijn muts achteruit, keek naar het
+deurtje, beloerde vijandig den jongen, die drummend naderkwam.
+
+De oude heer Doxa liet, in den namiddag, het beheer van de zaak over aan
+zijne vrouw Isabella, welke een ijverig mensch was en het huishouden er
+heerlijk doorhielp. In den namiddag ging hij toeren om de stad. Hij deed
+met pleizier eene wandeling langs de Henegouwlaan, de Beurs, de
+Anspachlaan, wrong zich zwaar en lui door de krioeling van menschen en
+rijtuigen en trok op naar de Hooge Stad. Zijn liefste uitstapje kuierde
+de Steenpoort omhoog en de grauwe wijk van het Gerechtshof binnen. Daar
+liggen, door mekaar, een geharrewar van smalle straatjes en huist eene
+ruchtige bevolking. De oude heer Doxa slenterde, er rond, keek met
+belangstelling naar de, politieagenten, de hondendieven, de
+haringventers en de citroenwijven, luisterde aan de open deuren van
+kroegen en danszalen, naar de versleten deuntjes van een blazenden
+draaiorgel of de schokkende springwijzen van een grollend speelboek.
+Dan liep hij de Visitandienenstraat omlaag en kwam lanterfanten in de
+Priemstraat. Hier placht hij zich aan eene zonderlinge praktijk over
+te geven. Hij, volgde de bierwagens die, ten dienste van de talrijke
+herbergen, voorbijreden en had permissie om, bij het opladen van ledige
+tonnen, het roes ervan om te klinken en op te vangen in een zinken
+ansjovisdoosje, dat hij, tot dit bijzonder gebruik, altijd in zijn
+binnenzak steken had.
+
+'s Avonds, na den eten, begaf hij zich in den Koning van Spanje, dronk
+er met een paar geburen een half dozijn glazen faro, bestelde een
+slaapmutsje in den Bloemenhof en kwam laat thuis. Hij vond geregeld en
+eenderlijk liggen in het laag bed, tegen den glimmenden kalkmuur van het
+lauwe slaapkamertje, het dikke, opbultend lijf van zijne vrouw Isabella
+die niet roerde bij zijne lompe inkomst, maar eens zuchtte, schijnbaar
+in haar slaap, als om zich van een vies droombeeld te ontlasten, dat
+juist op haar miserabel hoofd wegen kwam.
+
+ * * * * *
+
+De oude heer Doxa had een zoon, genoemd Johan. Van dezen is het dat ik
+in het bijzonder verhalen wil.
+
+Hij werd geboren in de Zes-penningenstraat, binst dat zijn vader,
+omtrent de Kapellewijk de dansende klutsen uit de tonnen klonk. Hij was
+grootgebracht tusschen het grijze speelgoed en werd een jongen van
+zeldzaam uitzicht met, als hoofdteeken van karakter, de luiheid van zijn
+vader en het zoete geduld zijner moeder. Op school, waar men hem, om hem
+kwijt te zijn, heen zond, was hij dadelijk den zondenbok van allen; de
+stooten welke grillige vuisten, bijna onachtzaam, uitwierpen, ploften
+pletsig in zijne vette rompe, en de muilperen, die, als bij toeval, uit
+onzichtbare fruitboomen neervielen kwamen wonderlijk op zijne bolle
+kaken openklakken. Bij eene zoo overdadige behandeling, bleef Johan Doxa
+verdraagzaam-glimlachend toekijken, en niets scheen de schoone zaligheid
+te kunnen storen, die geheel zijn wezen vervulde en hem toeliet, in alle
+omstandigheden, een pak slaag als een dankbaar almoes te aanvaarden.
+
+Op vijftienjarigen leeftijd liet hij zijn blond kroezelhaar lang-groeien
+en deed aan zijne moeder zijn voornemen kennen om naar de Academie ter
+leering te gaan. Dit werd hem toegestaan, deels omdat vrouw Doxa voor
+niets in de wereld haar zoon zou hebben willen te keer gaan, deels ook
+omdat de oude heer Doxa, na een wandellingetje in de Pieremanstraat,
+verklaard had dat het hem niet schelen kon.
+
+En Johan Doxa werd een artist-schilder.
+
+ * * * * *
+
+Johan Doxa bewoonde, in het vaderlijk huis, een luchtige zolderkamer,
+waar hij teekende, schilderde, at en sliep. Hij zat er sinds hij de
+Academie verlaten had--hij was nu een en twintig jaren oud--gansche
+dagen in de eenige gezelschap van een ekster, een sijsje en een
+eekhoorn. De vierkante kooi, waar joepte en zong het teer-groene sijsje,
+hing aan een kram van het dakvenster. Zoodra de zon boven de stad vol
+mistige daken opduiken kwam en tegen de schuinsche ruiten glinsterend te
+tokkelen begon, wipte het sijsje op de bovenste sport en kwetterde een
+jubel-getjirrel, dat geheel de kamer met een frisch pleizier vervulde.
+De ekster liep in vrijheid tallenkante rond, pootelde ruchtig over het
+houten plankier, sprong op den schoorsteen en droeg van links naar
+anderzijds de penseelen, welke ze te pakken kreeg. Gemeenlijk zat ze te
+midden van het kleine tafeltje, vast op den rand van een dikbuikigen,
+diepblauwen tabakspot. Daar bleef ze soms uren zitten, stil-lonkend en
+bijna roerloos, haar kop ten halve tusschen hare schouders gedrongen en
+haar pootjes in tweeën gevouwd, zeer rustig. De eekhoorn scheer-beende
+maar in een draaiende tralietrommel, die op een plankje stond, boven het
+hoofdeinde van het ijzeren bed.
+
+Hier werkte Johan Doxa. Hij schilderde portretten, beelden van Heiligen
+en kleine Kruiswegen. Hij likte en overlikte zijne tafereelen, raakte
+haast het doek met zijn neus en beijverde zich, in overmatige
+geduldigheid, om een krulhaartje op een kin te planten en een wimper op
+een ooglid. Hij bukte over het werk, streek langzaam de uitgezochte
+verven, bedekte met glanzende vernissen de gladde bontigheid. Zijn ronde
+kop, zijn kroezelende haarbos, blond-goud onder het spelend daglicht,
+lag, alsof het rustte, onbewegelijk over het effen-glimmende schilderij.
+
+Als hij verpoosde voor een tijdje, ging hij tegen het bed leunen of
+strekte er zich lang uit, rookte, traag dampend, volgde met luie blikken
+de opgaande en uitwaaiende tabakwolken en snoof wellustig den sterken
+reuk ervan op. Hij dacht aan niets. Hij keek soms heel lang naar het
+draaiend eekhoorntje, of voelde, zijwaarts, de blinkende oogen van de
+ekster, die loerend, op den blauwen buik van den tabakspot oolijk te
+muizenissen zat. Wanneer het avond werd had hij een heerlijk gevoel van
+zelf-verdwijnen. 't Was dan alsof, met de uiterste deemstering, het huis
+en de wereld zouden in nevelen vergaan. Zijne ronde blauwe cherubijnoogen
+blonken zonderling in de donkerheid en zijne handen lagen als twee witte
+vlekjes op het duistere violet van de bedmatras.
+
+Na den dood van zijn vader, die in het hospitaal aan eene kortstondige
+leverziekte stierf, veranderde Johan Doxa haast niets aan dat peiselijke
+zolderleven. Alleen zou hij af en toe wat uitloopen en menschen zien.
+Hij nam dit voornemen op den raad van zijne moeder, die met leedwezen
+hem in vergetelheid eene jeugd zag bederven, die zoo nuttig aan zoo
+kostbare zaken had kunnen besteed worden. Ze had gaarne haar zoon zien
+genieten van het weinige dat de Voorzienigheid hem op zijn weg had
+geleid en ze gaf hem, met eene schijnbare onverschilligheid, te verstaan
+dat de stad vol was met behaaglijke meisjes en dat er wel één ten minste
+in den hoop te vinden was, aan wie hij zijne versche jonkheid toetsen
+kon. Johan Doxa bloosde en glimlachte. Het vijffrankstuk, dat moeder hem
+in de hand stopte, plakte in zijn vette palm en teekende er, met zijne
+harde randen, een cirkel van gewicht. Hij liep den kapotten drempel
+over, hoorde, nog de bel bingelen, gesmoord in de dufheid van het
+binnenhuisje, en drilde langs de Lage Stad om. Hij leek, in deze
+slentertochten, wel zeer op zijn vader-zaliger, haperde aan elken winkel
+en luisterde naar elk gerucht. Zijn grootst genot was bezijden de platte
+kaaien. Hij staarde half-hangend op de ijzeren leuning, naar het donkere
+water, waar het licht van den dag onrustig over al schervelend ging. Hij
+bespiedde de doening der vaartmannen op de groene booten, volgde den
+rytmischen gang der koollossers, kon, tot het gansch donkerde, blijven
+turen naar 't gewiegel van een dobberend papiertje.
+
+Het was binst deze wandelingen dat hij die twee vreemde mannen ontmoette,
+welke na korten tijd zijne vrienden werden. Zij waren allebei ouder dan
+hij. Hij deed hunne vriendschap op in de zelfde week. De eene was een
+letterkundige en katholieke pamflet-schrijver, die zich als een vurig
+werktuig van God aanzag. Hij heette Lieven Lazare. De andere was een
+bleeke lang-opgeschoten kerel, met diepe doode oogen, een breede hand en
+sproeten op zijne vingeren. Hij was tapper in de _Old Curiosity Shop_,
+een nachtkroeg naar de mode. Zijn eenige naam was Anatole. Lieven Lazare
+was een groot, breed man, hooggeschouderd, met ronden kalen kop waar een
+stekelige snor haast een klein-bolle neusje wegvlekte. In zijne schriften,
+die eene onbetwistbare literaire waarde droegen, schold hij met ongemeene
+woestheid allen uit, die "op hun gladde harten de berrie torschen van het
+Gulden Kalf" en, in het bijzonder, de priesters en prelaten. Zijn werk
+"Ploerten" was een kostelijk autobiografisch verhaal, waarin hij zijn
+kristelijke liefde en, als met geweldige geuten, zijn schrikkelijke haat
+uitstortte. Hij sprak er van Johan Doxa, gelijk van een "uitverkoren
+wezen, hetwelk uit de vroomheid van gothische tijden onbeholpen te midden
+van de tartende ketterij der encyclopedisten gesmeten werd." Anatole was
+een tegenovergesteld wezen. Hij had een oolijk aangezicht, vol met de
+uitdrukking van dubbelzinnige schuchterheid en onkuische bedoelingen. Hij
+zong zeer mooi en kende een aantal allerliefste liedjes, welke hij, op de
+viool en de cither, deed begeleiden door zijne vrienden Biebuyck en
+Donkerwolck. Met deze twee kwam hij, des Zondags, Johan Doxa op zijne
+zolderkamer gezelschap houden. Zijn aardige stem kwinkeleerde tegen de
+pannen-bedekking, en de snaardoozen tjokkelden sierlijk de maat. 's Avonds
+was hij tapper. Hij vertelde zoo lekker van het diverse spektakel in de
+_Shop_, en zijne twee vrienden, die daar in een klein concert meerendeels
+werkzaam waren, bevestigden met knikken en ooggeknip zijne heerlijke
+verhalen.
+
+Van Anatole hield Johan Doxa zeer. Lieven Lazare vreesde hij duchtig,
+maar had hem meer innig, meer van binnen en uitermate lief.
+
+ * * * * *
+
+Op een middag kuierde Johan Doxa langs de Papenvest. Hij was zeer
+droevig want het groene sijsje had hij 's ochtends dood gevonden. Hij
+drumde tegen de muren en zag langzaam de vierkante straatsteenen onder
+zijne voeten wegslieren achterwaarts. De stad was blauw en luchtig. Eene
+zilveren Junizon blikkerde op de huisgevels, danste tegen de ruiten,
+poeierde in de klare ruimte trillend uiteen. Hij dacht weer:
+
+"Het groene sijsje is kapot!"
+
+Het zeurde aldoor in zijne hersens en hij luisterde binstwijl naar de
+duidelijke herinnering aan het licht-tikkende vogelgezang. Om hem
+zilverde de zingende zon, maar grijs en zwaar nevelde zijn treurende
+gedachte: het zou er nu mee uit zijn, het groene sijsje is kapot....
+
+Zoo kwam hij in de Papenvest. Op den drempel van een oud huis stond eene
+vrouw. Zij was groot en blozend en hare huid schoot op uit haren rooden
+halsdoek, gelijk eene klaarte vol zoetigheid. Ze lachte stille. Ze
+lachte stille, stille. Johan Doxa slenterde voort. Het docht hem ineens
+dat eene ongekende lustigheid zijn hart kwam vervullen met al de weelde
+van een geheimzinnig gevoel. Hij wilde wel zijn hoofd omdraaien, en het
+oude huis herzien, en den drempel, en dat wondere beeld van vleesch....
+Hij slenterde maar, keek niet achterwaarts, strompelde scheef-beenend
+over de ongelijke kasseide, en aldus gebeurde het dat hij smoorlijk werd
+verliefd.
+
+Hij stiet het groene hekje open, zoodat de bel ommentweer snokte en
+leelijk door den gang lawaaide. Hij klauterde ongemanierd langs de
+steile trap, ademde haastig, pletste met zijne warme vingeren op de
+vochtige trapleuning. Hij geraakte in zijne lage zolderkamer, bleef
+dwaas in het deurgat staan en staarde, met nuchtere verwondering naar
+de zwarte ekster, die aardig op den rand van den blauwen tabakspot te
+glariën zat. Zij roerde haren kop niet als hij hard-stappend binnentrad.
+Zij bleef rechtuit blikken met hare zwart-gulden vliemige oogjes, heel
+bedaard, alsof ze zeggen wou: "Daar hebt ge 't nu! Heb ik het al lang
+niet voorspeld?"
+
+Johan Doxa zette zich neer op zijn plat-bedekt bed en kruiste zijne
+handen over zijne knieën saam. Het eekhoorntje draaide in zijn roerenden
+tralietrommel en stak zijn staart kaarsrecht omhoog. Op de tafel lag
+eene schoone nieuwe pijp in bleek palmenhout. Het was een geschenk van
+moeder. Johan zou de steel sierlijk bekerven en opkleuren met roode
+witte en groene streepjes en ze omranden met fijne blauwe cirkels. Nu
+bekeek hij van verre de pijp en hij dacht aan de blanke keel die zoo
+rijkelijk boven de scharlaken doek-verve oprankte....
+
+De zon pletste door het dakvenster en speelde langs de koperen snaren
+van de ledige vogelkooi. Er trilde door de lucht een zilveren
+herinnering aan het groene sijsje, en tot den dikken avond zat Johan
+Doxa, rechtover de dubbende ekster, te dubben eenderlijk.
+
+Daags nadien kwam Anatole met Biebuyck en Donkerwolck, zijn zwijgende
+vrienden, een bezoek brengen. Zooals naar gewoonte werden wat flesschen
+lambik opgehaald en moest Anatole eene rei liedekens zingen. Dit deed
+hij, terwijl Johan Doxa zeer aandachtig den bleeken steel van de nieuwe
+pijp met allerlei ornamenten overteekende. Hij zong op uitstekende wijs
+de oude deuntjes van den _Reus_, van den _Koekoek_, van het _Ros
+Beiaard_, van _Mijn moeder gaat naar Halle_, en van den _Uil_. De
+anderen begeleidden keurig, de cither tokkelde de springende zangmaat
+in rythmische brokjes en de viool vergezelde in accoord den gang van
+Anatole's buigzame stem. Het was een lieve nanoen, en er werd gedronken.
+
+Maar Johan Doxa zat, onder het volle vensterlicht, laag gebogen over de
+teerheid van zijn brooze versieringen, en hij keek niet op, en het was
+alsof hij afwezig was. Anatole lachte met hem, vroeg of hij verliefd was
+geworden, klopte vertrouwelijk op zijne schouders. Hij vertelde dan van
+de gebeurtenissen in de _Curiosity Shop_, van de mooie Roy-Dour die zich
+tegen den toog had ontkleed om een merk te toonen, dat ze op de
+linkerheup droeg. Hij vertelde met korte zinnetjes, hief met gepaste
+woorden, kort en rap, de pittigheid van een voorval op, en liet, na
+elken raken zet, op zijn wit aangezicht het dubbele barreel van zijne
+tanden blikkeren. Biebuyck stak zijn kin vooruit en Donkerwolck
+pinkoogde. De cither en de viool rondden hunne bruin-glimmende buiken op
+een stoel, naast het doode kacheltje.
+
+Maar Johan Doxa roerde noch en ruchtte. Toen vertrokken de drie
+kameraden en ze gingen sloffend en strompelend de steile trap af. Het
+groene hekje hoorde Johan Doxa rinkelen. Het huis werd stil. Hij lei de
+bleeke pijp op zijde, schoof achteruit, staarde lang opwaarts en zijne
+oogen begonnen te pikken, te sterren, te nevelen. Hij zuchtte. De ekster
+rok traag hare vleugels uit, lengde haren hals, huiverde over geheel
+haar lijf, en zette zich weer rustig en thoope, met gevouwen pootjes,
+op den pot, die blauw en bollig te blinken zat. Het werd haar alsof ze
+zeggen zou:
+
+"Mijn arme Johan, wat moet er van u geworden?"
+
+ * * * * *
+
+Het oude huis op de Papenvest was eene herberg. Dagelijks ging er nu
+Johan Doxa. Hij bestelde een half-en-half en bleef zitten, rechtover de
+deur, tot eens de vrouw, die als een groote onrust over zijne ziel woei,
+daar zou voorbijgaan. Ze woonde op de eerste verdieping. Ze heette
+Julia. Ze was, een dik jaar geleden, getrouwd met een treinwachter, die,
+tien dagen na zijn huwelijk, in een spoorweg ongeval was omgekomen. Ze
+leefde alleen en naaide. Als Johan in de herberg zat, zag hij ze vaak
+omloopen in de gang. Ze lachte luid of zong. Ze had eene klare golvende
+stem, die door gansch het lichaam van Johan sidderde en er een ongemak
+veroorzaakte, dat het bloed naar zijne slapen joeg. Hij dierf haar niet
+aan te spreken, maar zijne vingeren beefden en zijn adem zwol. Het docht
+hem dat hij zou gaan licht worden als een vlam en opspringen tegelijk en
+ijlen naar de dartele deerne die, boven de vurige kleur van haar
+borstdoek, hare klinkende keel opklaren liet.
+
+Telkens kwam hij moedeloos, uitgeput en zonder hoop weer thuis. Moeder
+Doxa, van tusschen de arlekijnen en het suikergoed, daar achter den
+duisteren toog, merkte iedermaal zijn treurend uitzicht. Ze
+vermeerderde, gelijk zij kon, het bedrag van zijn zakgeld, en knikte hem
+heimelijk toe, hem oolijke stootjes gevend en nafluisterend van de
+blonde dingetjes, die er allentwege omliepen in liefelijke gretigheid.
+Hij glimlachte zachtekens mede en voelde den dwazen blos uitgloeien, als
+pioenen, op zijne heete wangen.
+
+Het liefst zat hij op zijn kamertje. Hij werkte er aan de
+miniatuurversiering van de palmhouten pijp. Hij schilderde er laaie
+harten, en doornen, en rozen, en, in schoonverluchte letters, den naam
+van Julia. Dagen lag hij over dat buitengewoon bedrijf gebogen, en hij
+verrijkte het telkens met nieuwe kleurverwikkelingen.
+
+ * * * * *
+
+Eens ontving hij een kaartje van een heer, die hem wat dringends te
+vertellen had en hem verzocht om bij hem, als mogelijk, aan te loopen.
+Johan Doxa herlas driemaal te reke het adres, en begon daarna het zweet
+weg te vagen, dat in zijn haar kittelde en op zijn voorhoofd te perelen
+stond. De heer woonde op de Papenvest, in het oude huis, eerste
+verdieping.
+
+Te valavond begaf zich Johan Doxa toch op weg. Wel beefde hij en
+wankelde haast terwijl hij de piepende trap opging. Hij stond vóór de
+deur en wilde zich nu eerst eens goed bedenken. Hij bedacht zich eens
+goed, zuchtte en besloot maar weer de trap af te dalen. Toen juist
+sprong het slot en in de vrije klaarte stond daar de weelderige Julia.
+Ze groette hem bij zijn naam en bad hem om binnen te komen.
+
+Hij ging. Het werd zeer warm en de lucht woog, stikkend heet. De kamer
+was zindelijk en helder van kleur. Een vierkante kachel puntte zijn
+glimmende koperknoppen onder de schaduwkap van den schoorsteen. De tafel
+was bedekt met een oranje ammelaken, groen-bespikkeld en hard. Tegen den
+muur stond het breede bed, de sargie half-omgeplooid en het witte
+hoofdkussen bloot in het midden. Johan Doxa zag dit alles tegelijk, in
+een waterig zicht van vloeiende dingen. Hij zag Julia. Hij zag haar
+roode doek, haar blanke boezem, haar natten mond, hare oogen,--beweeglijken
+gloed....
+
+Hij zette zich. Ze sprak van het kaartje--dat het een onschuldige
+leugen was, dat zij wel wist dat hij op haar persoonlijk aandringen niet
+komen zou, dat zij het overigens nooit had durven schrijven op haar
+eigen naam, dat zij nu van hem verlangde dat hij haar portret zou
+schilderen. Ze sprak meesmuilend en vleiend, vingerde verlegen over haar
+borstdoek, ontsloot het onwetens, en lachte, lachte. Ze wipte dan op,
+bloosde minzaam en zette eene flesch met zoete likeur op tafel. Ze vulde
+de kleine glazekens. Haar lichaam bukte voorover, heel dicht aan bij
+Johan, die de buigzame elegantie van haar leen bijna onder de hand te
+bewonderen kreeg. Ze draaide rond hem, raakte met haar zwaaiende rokken
+zijne knieën, welke hij met wanhopige beleefdheid probeerde onder de
+stoelsporten te steken. Ze dwong hem te drinken. Hij dronk een half
+slokje en slikte verkeerd. Ze knikte hem toe, ze wachtte....
+
+Daar kwam eene stilte. De stilte druppelde tikkend uit de kast van een
+eiken horloge. Julia had hare beenen overeen gekruist en toetste met het
+tipje van haar wiegend voetje nijdig en matelijk de losse broekpijp van
+Johan Doxa. Johan Doxa zweeg in extase. Toen sprak ze, met een zucht
+opnieuw, van het portret, en Johan Doxa, terwijl hij zijne blonde
+krullen schudde op zijn nek, en eene toenemende zekerheid den blik van
+zijne blauwe cherubijnoogen vastzette in zijn rond-vette aangezicht, zei
+nu, al wuivend met zijne korte armen ... eigenlijk zei hij nog in het
+geheel niets, maar hij wist wat hij zeggen moest en wuifde met zijn
+korte armen. Hij zou zeggen:
+
+--"Berust hierover op mij, Mevrouw. Ik zal uw portret maken, al moest
+het mij, twintig jaren lang, een dagelijkschen arbeid kosten. Het zal
+mijn meesterwerk zijn, Mevrouw. Ge zult op het doek in de verf zitten,
+zooals in een spiegel. Aan ijver zal het mij niet ontbreken, want uw
+beeld verlaat nooit mijne eenzame gedachten en gij zijt de godinne die
+oprijst, gelijk een dag vol zonnegoud, over mijn onwaardig hart. Vergeef
+me, als ik te lang misbruik maak van uwe gastvrijheid, Mevrouw, maar ik
+wenschte u te zeggen wat het beduiden wil, een hart dat bewoond is door
+een zondige liefde. Liefde, ik heb het uitgesproken. Wees niet boos. Ik
+zal u algauw van mijne rampzalige tegenwoordigheid bevrijden. O! Gij
+zijt te wel opgevoed om mij de deur uit te gooien. Ik begrijp u,
+Mevrouw. Ik dank u, Mevrouw. Voor mij niet, alsjeblief, nee, dank u wel,
+geen drank meer. Met mij hier langer op te houden, keurt gij eene
+vermetelheid goed die zich over haar zelve schaamt. Ha! Ik ken mijne
+plichten! Ik zal uw portret maken, Mevrouw, tot het uiterste haartje.
+Vrees niet. Wat de betaling betreft, kijk er niet naar om, bid ik u.
+We zullen dat wel regelen, later, met maandelijksche afkortingen, bij
+voorbeeld. Goeden avond."
+
+Alzoo in zijn binnenste redevoerend was hij opgestaan. Gelijk vlammen
+schoten al de woorden door zijn geest voorbij. Dan wilde hij ze
+weerhouden, ze op zijn tong brengen, ze vrij in klanken loslaten. Maar
+ze waren weg. Een pak lood zat hem in den mond, iets dat hij noch
+neerzwelgen noch uitspuwen kon. Een onnoozele glimlach stak twee lieve
+putjes in den blos van zijne poezelige bolwangen en hij werd ineens zoo
+gelukkig, zoo gelukkig, dat hij er bang van werd. Hij was bang dat die
+zaligheid mocht ophouden, of dat ze hem mocht ontstolen worden, en hij
+wilde er mee wegvluchten. Hij zei:
+
+--"Goedenavond ... Goedenavond...."
+
+En vluchtte inderdaad.
+
+ * * * * *
+
+Moeder Doxa was niet weinig gelukkig, als ze nu, in zijn zolderkamertje,
+haar zoon Johan hoorde zingen van den morgen tot den avond. Hij wilde
+haar echter niets van de heerlijke gevallen zijner liefde bekennen. Hij
+had aan Julia een langen brief geschreven, waarin hij haar vergeleek met
+de hemelsche melkbaan, want haar huid was blank en zilverig, en er
+vloeide daaronder eene room zoete klaarte, welk met den gloed van het
+roze bloed aan het stralen ging. Hij zond haar, in een keurig pakje, de
+kostbare pijp, als een teeken van de verduldige passie, waarmede hij
+haar sinds maanden aanbeden en verbijd had. Haar naam praalde op den
+steel in een kunstig gewirrel van bonte ringetjes en punten en
+droppelkens goud.
+
+Zoo vervloog de gevleugelde tijd. Johan Doxa zat neuriënd onder het
+ledige muitje. Het loodrechte licht viel uit het vierkante dakraam op
+het vlakke schilderdoek en de glanzende lokken die, langs Johan's
+slapen, al bellend erover hingen. Hij penseelde vlijtig en traag. Het
+struische gelaat van Julia kwam, ietwat magerder, op den bruinen
+verfgrond te voorschijn. Hij schilderde haar uit het hoofd, legde
+parelen om heure haren en licht gebloei daarlangs. Een doorzichtig
+keurslijf lag losjes open op haar boezem, en ze hield een dubbele dahlia
+in hare rechter hand. Voor haar, op de tafel waar ze statig aanzat, was
+het of ze zoetekens over een mandje met allerlei bloemen vingerde.
+Bloemen waren overal rond haar,--tulpen en leeljen in waaiervormigen
+tuil opgroeiend uit een groote zilveren vaas, rozenranken langs het raam
+van 't venster, en een karmijnen koningskroon in een blauwen,
+familiairen tabakspot.... Aan den eenen kant zat de ijverige eekhoorn,
+aan den anderen de dubbende ekster; maar het sijsje was er niet. Het
+gansche portret was een eigenaardige menging van levend licht en doode
+herinneringen, tegare gewisseld in een gladde verve van subtielen toon.
+Johan Doxa borstelde aandachtig erlangs en eromme, slierde met haarfijne
+nauwkeurigheid rond den bleeken dons van het vlezige aangezicht en
+tooverde traag een vollen dag in de starende strakheid der glimlachende
+oogen. Hij was bovenmatelijk in zijn schik. Het eekhoorntje draaide
+binnen den zacht-ronkenden traliemolen. Maar aan Lieven Lazare zei hij
+niets van dat alles. Hij hield in dien tijd niet veel van Lieven en
+vluchtte zijne strenge redeneeringen. Er bleef van dat acute gepreek bij
+Johan Doxa iets over, dat onduidelijk op wroeging leek en naar een
+geducht berouw leiden moest. Het docht hem halvelings dat hij, met de
+gebaren van zijne vreemde liefde, aldoor zondigde tegen de behagelijke
+wetten van God. Lieven Lazare benaderde in slaande bewoordiging deze
+zedelijke zwakheid en raadde precies de ongemakkelijke stemming, waar,
+binst zulke oogenblikken, zijn vriend Johan gekluisterd zat. Hij liet
+niet na hem hierover met goddelijke wreedheid te berispen.
+
+--"Gij zijt, mijn jongen", sprak hij, "overvallen door de mistige
+monsters der tempteering. Ik zie u spartelen tegen de satanische
+belegering en uw hart schijnt me toe als een poppelend schuchterheidje,
+een angstig asemtje, een gesmoorde kreet.... Zijt ge onkuisch mijn
+vriend?"
+
+Johan Doxa verklaarde haastig dat hij zuiver en gezond was gebleven. Hij
+vreesde de sterke waarschuwingen, welke hij in den naam van God en langs
+God's eigen woord ontving, en zoo kwam het, dat hij het gloeiend geheim
+van zijne blijde gedachten voor zich zelf bewaarde, verborgen en eenzaam
+op het lage zolderkamertje, tusschen het vlakke portret, de blauwe
+tabakspot, de peinzende ekster en het triptrappende eekhoorntje.
+
+ * * * * *
+
+Op een avond gebeurde echter een ongemeen geval. Johan Doxa wandelde om
+de platte kaaien van de breede vaart. Het was een najaarstijd. Een
+druppelende nevel hing over het water en de gele lanteernlichten vlekten
+wijdopen op de dichte damplagen. De avond was dik en rot. Rappe menschen
+schoven voorbij of een eenzame wagen waggelde gelijk een ruchtbare
+schaduw door de grijze massale duisternis. Op de ijzeren brug die naar
+de dokken leidt, bleef Johan stille staan. Hij staarde naar de klotsende
+vaart waar het roode licht van een signaalbord roerend brokkelde. Een
+stille zwarte boot gleed binnen de misten. Men hoorde het verre geronk
+en de belrinkeling van een zoevende elektriektram. Johan Doxa dacht,
+naar gewoonte, aan zijne heldere toekomst, want hij placht gaarne het
+beeld van zijne liefde te verplaatsen in de zonnigheid van een komende
+welvaart. Hij zag zeer duidelijk het huisje met de oranje luiken, den
+wilden wingerd boven de deur, het zomerlicht op den drempel. Hij zag den
+haard met de zoete warmte en den zoeteren vrede. Hij zag Julia. Een
+stille boot voer, zwart en water-roerend, onder de brug, en het roode
+signaallicht kronkelde langs de schokkende golfjes. Het sloeg negen uren
+op den ouden Kathelijne-toren.... Hij kuierde de dokken voorbij, keerde
+om naar de Vischmarkt en sloeg een smal steegje in, dat op den hoek van
+het Zaterdagsplein uitzicht gaf. Hij had zijne handen in zijne
+broekzakken gestoken en ging al fluitend. Op het Zaterdagsplein stond
+een driearmige gaslanteern en, juist onder de gele klaarte, een
+onbeweeglijke politie-agent. Johan Doxa zag hem pas als hij heel dicht
+bij hem genaderd was, want de nevel dikte nu tallenkant zoo zwaar, dat
+de straten op vierkante holten leken, waar verwijlde een vette smoor.
+Johan blikte even naar den politie-agent op, dewelke, paalrecht onder
+zijn opgestoken kapeline, rustig te rooken stond....
+
+Maar ineens begon Johan Doxa te loopen, te loopen alsof hem een
+schielijk gevaar op de hielen zat. Hij hield niet op vóór hij de
+Zes-penningenstraat bereikte. Hij struikelde hijgend tegen het groene
+hekje en sukkelde wild-blazend de trap op. De leuning piepte en de
+trapberden kraakten. Hij stak op het zolderkamertje eene kaars aan,
+die hij op den kant van de tafel plantte en zakte toen op zijne knieën,
+geheel dooreen, als een halm door de zeis getroffen.
+
+De ekster zat niet op haar rustige plaats. Ze vleugelde angstig over de
+geel-bruine bedsargie en hare gloeiende oogjes blikkerden buitengewoon.
+Ze trachtte met wippende sprongskens en klein gekrijt de aandacht van
+haar bedrukten meester naar het spectakel van een leelijke gebeurtenis
+te lokken. Johan evenwel lag op het plankier ineengedrongen en drukte in
+zwijgende wanhoop zijne ellebogen op zijne knieën, en keek halsstarig
+voor zich uit. In den geluidloozen tralietrommel hing het eekhoorntje,
+dat dood was gegaan.
+
+ * * * * *
+
+"Anatole", zei Johan Doxa, terwijl zijn bleeke vriend op den rand van
+de ijzeren koets zijne nagels schoon maakte en, daarnaast, de witte
+gezichten van Biebuyck en Donkerwolck boven de gele heupen van de viool
+en cyther opgeschoten, "ik zeg het u, zoo lange dagen en dagen heb ik
+over dat ding te zwoegen gezeten. Hebt ge de lieve madeliefjes gezien,
+die ik langs een wiegend thema van blaadjes en knopjes op den steel
+geschilderd heb? Gij waart vaak de verwonderde getuige van mijne
+verduldigheid. Het groene sijsje zong perelend onder ginds vierkante
+zonnelicht. Het eekhoorntje draaide. Ja, mijn vriend, ik heb dat werk
+versierd met een warm stuk van mijn innigste gedachtenleven. In den
+dikken nevel almeteens pletste het brutale mannengezicht open, gelijk
+een vieze vloek. Het was op het Zaterdagplein onder den driearmigen
+lantaarn. Hij rookte dus uit mijnen pijp. Vraag mij nooit iets meer
+daaromtrent Anatole. Ik heb u immers alles verteld...."
+
+Anatole vroeg evenwel nog hoelang ze met den politie-agent getrouwd was,
+maar Johan wilde geen woord meer reppen. Hij stond leunend tegen het
+kleine tafeltje. Zijn blonde krullen hingen verward over zijne ooren en
+hij staarde op de vloer, waar de ekster een hoop witte kruimels uiteen
+bekte. Anatole zong het liedje van de _Drie Gezellen_, en daarna
+een ander nog, van het _Euverzwijn_. De dag was grijs en triestig
+en de schaduwsluierde stille langs de muren.
+
+ * * * * *
+
+Johan Doxa was nu een zeer onrustig mensch geworden. Des nachts sliep
+hij niet en over dag liep hij het huis op en af, of drilde gichtig de
+Lage Stad omme. Moeder Doxa merkte alweer dadelijk het vreemde verschil
+en zij wist geen raad om haar pover kind tot een betere stemming te
+brengen. De moedelooze toestand van Johan brak uit in zonderlinge
+uitslagen. Hij werd gefolterd door pijnlijke verlangens en zijn
+verbeelding was vol met duizelige tafereelen. Terwijl hij slapeloos op
+zijn sponde lag, recht uitgestrekt, kwamen de mistige vormen van zijne
+gedachten door de lauwte van het kamertje varen. Ze wiegelden in de
+lucht zooals wuivende sluiers en ze hadden de kleur van de roomblanke
+huid, waaronder zacht-roze vloeit het gloeiende bloed. Ze naderden zijne
+heete lippen en hij hijgde ongelijk en de nacht rok zich uit, alsof
+nooit de vrije dag zou klaren.
+
+Anatole vertelde hem van het lichte leven en van de jolige jeugd. Hij
+zag, bij elk woord dat zijn listige vriend fijn uitteekende met zijn
+naakten mond, het gebaar en de weelde van die ongekende pleizieren,
+waaronder vlamt en wappert het dansende vuur van rappe passie. Hij werd
+nieuwsgierig, trachtte met oolijke wendingen de verscholen
+bijzonderheden te kennen en zijn geest was altijd op zoek, een versch
+beeld beloerend dat uit een ongezond toeval van detailleering kon
+ontstaan. Hij vluchtte al meer en meer de bezoeken van Lieven Lazare,
+die, met orakels en profetieën, zijn opgejaagde hersens in de war hielp,
+maar des te gretiger liep hij het bleeke gezelschap van Anatole na.
+
+ * * * * *
+
+Op een dag werd besloten dat Johan Doxa naar de _Old Curiosity Shop_ de
+kameraden Donkerwolck en Biebuyck vergezellen zou. Er was dien avond een
+klein concert in de bovenzaal en Johan moest den triangel slaan. Zoo kon
+hij alles eens goed aflonken en er zich een eigen oordeel over maken.
+Ze gingen met hun drieën. Ze bereikten de bovenzaal langs een klein
+diensttrapje en dit was gelukkig, want er zat veel ruchtig volk in de
+grootere consommatiekamer en Johan zou nooit de krasse uitroepingen te
+boven gekomen zijn, waarmede men daar zijn drollig-vet voorkomen en zijn
+zeldzaam aangezicht hadde gegroet. Hij werd tusschen Biebuyck en het
+klavier geplaatst en hij keek beteuterd rond. De zaal was zeer helder
+verlicht. Groote elektrische klokken hingen tallenkant, gelijk ongemeene
+bloemen, te stralen. De wanden waren behangen met een scharlaken
+brokaat, dat tegen de zoldering langs gouden festoenen en kleine
+empirekransen fronste. Spiegels hingen links en rechts in zilveren
+lijsten te klateren. Drie kleine tafels stonden op het karmozijne tapijt
+en groote krysanten pronkten er tenden den glimmenden hals van hooge
+porseleinen vazen. Een lakei in groene livrei liep in drukte rond,
+schikte de satijnen zetels en de sofa's waar rustten, als vlekken zon,
+ronde hard-gele kussens. Het was erg warm. Men hoorde, in de
+benedenkamer, het geraas van het drinkende volk. Een klein uur
+vervloog....
+
+Toen werd het teeken gegeven dat de muziek spelen moest. Ze klonk
+ongezellig binnen deze ledige kamer en Johan Doxa voelde in zich eene
+holle ellende, gelijk een kelder vol triestigheid. Maar de dubbele deur
+werd opengeduwd en eenige bejaarde heeren traden binnen. Ze babbelden
+ondereen en waren hier thuis. Ze zetten zich in de mooie zetels en de
+lakei bracht kaarsen en sigaren en ze begonnen te rooken. Koffie werd
+opgediend. Enkele dronken gulden cognac uit fijne hooge glaasjes. Dan
+kwamen de dames.
+
+Ze kwamen langzaam en glimlachend. Hunne stemmen zilverden boven de
+muziek heen en hunne blikken blonken dwaas door de geweldige verlichting.
+Ze waren in lichte bonte dracht, bespikkeld met de glanzen van duizenden
+gesteenten, en hunne armen, hunne amberen schouders, hunne ronde halzen
+waren bloot. Hun boezem was beschaduwd door de mauve doezeling van een
+rankje bloemen of met een teere sluier gekleurd. Ze groetten en knikten
+en de heeren slurpten aandachtig aan de witte randden van de nauwe
+kopjes koffie, die krullend opdampte langs hun roode gezichten.
+
+De lakei stond kaarsrecht, bij de dubbel deur, in heerlijk Veronèse-
+groen.
+
+Het was omtrent dien tijd dat ook de ekster stierf op een morgen van
+dien grijzen winter. Johan Doxa lag op zijn bed en zag in de rijzende
+ochtendklaarte hoe zij al meteens te vleugelen begon. Ze klampte zich
+ongedurig vast aan de gladde randen van den blauwen tabakspot, zakte
+plots ineen, stortte voorover en rolde op haar rug. Nog bibberden hare
+pootjes. Ze rok een laatste maal hare keel uit, over het berd van de
+tafel, en roerde daarna niet meer.
+
+Johan stond in zijn hemd bij de tafel. De ekster bekeek hem met hare
+scherpe oogen en het was of ze, in haar uiterste vuur, zeggen wou:
+"Kerel! Kerel! wat ga-je nu doen zonder mij?" Ze stierf.
+
+Het zolderkamertje werd hem sindsdien een duisterheid zonder genade.
+Hij kon er niet meer zitten, zooals eertijds, want, al had hij ze ook
+weggegooid, daar hingen altijd het vogelmuitje en de tralietrommel en
+daar zat, op zijn blauwen buik, de glanzende tabakspot. Hij sprak
+hierover met de goede moeder Doxa, achter de toog van het vunzige
+poppenwinkeltje, en, de volgende week, verhuisde hij. Hij betrok een
+kleine kamer onder het dak, in het oude huis van de Papenveste en
+schikte er zijn ijzeren bed en zijn verschilligen schildersboedel.
+
+ * * * * *
+
+Het was daar een raar leventje. Straatvloers woonde de herbergier, op
+de eerste verdieping huisde Julia met haren nieuwen echtgenoot, op de
+tweede lawaaide de weduwe Sikkel, met hare negen kinderen, en hooger op,
+onder de pannen, nestte Johan Doxa, geheel alleen. Deze verandering van
+midden was hem zeer voordeelig. Hij werd rustiger, stilde in zijn
+hersens de ziekelijke opgejaagdheid, die er eene monsterachtige
+verbeelding voedde, en hernam zijn ronde palet. Allengerhand begon hij
+klaar te zien in de troebele gronden van zijn hart en hij geraakte tot
+een helder zicht van zijne liefde. Hij legde dit uit in een kort gesprek
+met Anatole:
+
+--"Alles om mij", zei hij, "bezakt en bedaart. Begrijp goed, mijn
+vriend, dat ik een ben, die de geschoren stoppelhaartjes van een baard
+te tellen pleeg. Hoe heeft me die spijtige gebeurtenis beroerd en
+gekoterd, ach! Stel u dat onweder voor. Nu is de roes gezonken. Ik kan
+weer schilderen. Ik bemin Julia meer dan ooit, maar nu weet ik precies
+hoe vurig en hoe lang. Ik ben nu ook veel gelukkiger. Wel ja! wat
+glimlacht ge? Ik ga langzaam de trap op en af, en soms hoort ze mij,
+en ze trekt haar deurtje open en ze knikt liefelijk of zegt met
+onuitsprekelijke innigheid: "Hoe vaart ge, mijnheer Doxa?" Andermaal
+ontmoet ik haar beneden, in den gang vóór de herbergzaal. Ze loopt me
+nooit onbeleefd voorbij, zooals zij wel het recht zou hebben te doen,
+zal u toch dunken. Zij komt ook aleens op mijn kamertje en zij wil mijne
+schilderijen goed vinden. Ik werk veel om haar wat te kunnen toonen;
+maar ik verkoop ongaarne, wat zij met hare lieve oogen heeft opgemerkt.
+Zij zet mij nochtans tot verkoop aan, en ik kan haar niets weigeren.
+Zij is, sinds haar huwelijk, zeer arm. Ik ben blij dat ik haar soms een
+beetje helpen kan al is zij ook daarom uitermate verlegen. Zoo leven
+wij, mijn beste jongen. Och ja! En de man, de politieagent, die is
+insgelijks vrij aardig. Wij zijn goede kennissen en gaan reeds op een
+vriendschappelijken voet om met mekaar. Wij drinken bij gelegenheid een
+half-en-half bij den herbergier beneden.
+
+"Hij houdt veel van duiven, en hij doet mee aan prijskampen. Ik heb hem
+dees gedeelte van mijne kamer afgestaan en, zie maar, hij heeft er een
+groot duivenkot opgetimmerd dat met een witten kijker uitzicht geeft
+op het dak. Wat kan het mij schelen? Ik doe dien mensch pleizier. 's
+Morgens, al heel vroeg, terwijl ik nog te bed lig, komt hij de duiven
+eten brengen. Ik laat mijn deur maar open en hij kan gemakkelijk binnen.
+Hij kruipt op een stoel, ontgrendelt het kot en spreekt zachtaardig de
+zoete beesten aan. Gaarne hoor ik de maïskorrels dansen op de houten
+berden en de duiven aroetekoeën van genot. Daarna kan ik somwijlen weer
+wat inslapen. Alleen de reuk hindert me.... Ja, inderdaad, mijn waarde
+vriend, dat is hinderlijk. Het komt bij wijlen met vieze walmen omlaag.
+Kijk! dan zet ik het venster open en loop een uurtje langs de dokken, en
+'k zie nog het snoezig lachje van Julia in het deurgat, gelijk een vol
+gestreel van de zomerzon. Haar man heet Firmien. Ik ben nu aan een doek
+bezig dat ik voor hem bestem: het verbeeldt, in een krans van
+voorjaarsbloemen, het liefdegedoe van twee aschblauwe rasduiven. Ik moet
+zijne twee bestvliegers uitschilderen, zegt hij. Dat zal ik doen. Hij
+wil het schilderij laten in een kostelijken lijst ophangen boven zijn
+bed, en daar past het waarlijk voor. En zoo, Anatole jongen, komt de
+trage vriendschap de onstuimigheid van tijdelijk misbaar vereffenen, zoo
+loopt, al spelend, het zangerige beekwater de ruige keien glad. Des
+Zaterdaags ga ik met Firmien in de Halve Maan een paar uren kaarten. Ik
+ben hem dankbaar. Hij doet het voor mij, zegt hij, want hij zelf heeft
+altijd het noodige geld niet op zak om de verloren pinten te betalen.
+Men tapt in de Halve Maan een uitmuntend bier. Vooral de geuze is
+lekker, maar ge moet hem aan de ton bestellen en hem stille drinken. Hij
+perelt gelijk een julimorgen en hij vloeit zooals het licht van de maan,
+wanneer het, bij diep-blauwen najaarsnacht, lui en weelderig uit de
+violetten hemelvaten neerspoelt,--lui, en weelderig, en geluideloos."
+
+ * * * * *
+
+Johan Doxa zou het nooit over zijn hart krijgen om kinderen onzacht te
+behandelen. Hij leefde in groote kameraadschap met de negen kinderen van
+mevrouw Sikkel. Mevrouw Sikkel zond hem de lieve bende--met uitzondering
+van de drie oudsten die school gingen--telkens als ze buiten huis op
+boodschap moest uitloopen. Dit had ze ook nu, binst dezen mooien
+Lentenanoen, gedaan en, om de gewone dienstwilligheid van Johan niet te
+misbruiken of te belasten, had ze het kleinste bengeltje medegenomen.
+
+De kinderen lawaaiden binnen het gekalkte kamertje en ze werden wilder
+naarmate ze merkten dat Johan vrede ermee had. Ze zetten de stoelen
+opeen, klauterden op de tafel, verfden mannekens op den muur en speelden
+paardje op de buis van den kachel. En paar hadden voorgenomen om in het
+duivenkot te kruipen, maar dit werd streng verboden. Ze hadden de kast
+opengetrokken en kleedden zich aan met hemden en vesten. Ze maakten een
+heerlijke pret en Johan Doxa glimlachte genoeglijk bij die leute van het
+rumoerig volkje. Hij liet de heimelijke pagadders, alsof hij 't niet
+merkte, aan zijne broekpijpen snokken. Hij speelde eindelijk zelf mee,
+zat, op zijne knieën naar de kleinen te grabbelen en lengde zich soms
+plat uit op zijn buik. De snoezige lievertjes sprongen op zijn rug,
+knepen in zijne billen, trokken met zijn haar, vielen hem al tegelijk
+aan en begonnen te stampen en te vuisten. Hij richtte zich moe en
+zweetend op ten halve en wreef, dwaaslachend, over de roode vlekken,
+welke in zijn gelaat waren geschart. Een jongetje liet een verfpot
+omvallen en streek de roode kleur met een kleerborstel open. Een ander
+knipte met een beroeste schaar in een fluweelen borstdoek, en had zich,
+om tot dit aandachtig bedrijf gemakkelijk te zitten, op het hoofdkussen
+van het bed gezet. De zon stortte door het dubbele dakvenster en de
+duiven, achter de riekende berden, troetelden vertrouwelijk. Toen werd
+de deur ruw opengestoken en Julia stoof rokwaaiend binnen, zoodat het
+luttel kindergepeupel versteend bleef in vreezachtige roerloosheid en
+Johan, als verslagen, daar onbeweeglijk zich te schamen lag. Hij sprong
+dan recht en Julia viel schreiend in zijne armen.--"O Johan! mijn lieve
+Johan!"
+
+Het was een roerend schouwspel en Johan, die alle bewustzijn verloor,
+streelde met zijne bevende vingeren over haar hoofd en op hare
+schouders. Pas na een dikke stonde begreep hij uit de stootende woorden
+van de hopelooze Julia dat de politieagent schielijk op straat aan
+beroerte gestorven was. Hij begon stille te weenen en zijn hart was zeer
+aangedaan.
+
+ * * * * *
+
+De dagen, die hierop volgden, slierden langs een grijze reke voorbij en
+Johan Doxa herkende zijn eigen niet. Hij zat op zijn kamertje te dubben
+en zijn ongemak bleef duren. Hij at niet, telde de morgens en de avonden
+niet en de nachten vervulden zijn geest met beelden van onredelijke
+verschrikking. Lieven Lazare kwam hem opzoeken, sprak hem van de
+goddelijke inzichten, die hem hadden tot een vod van schande gemaakt.
+
+--"God heeft mij den weg gewezen naar uw sponde, Johan" zei hij. "Ik heb
+gevoeld dat ik u vinden zou in onzeggelijke vertwijfeling en daar ligt
+ge nu--een wrak van zielloos vleesch op de baren van uw opgebiechte
+zinnelijkheid. O mensch, ik herhaal en ik herhaal het u: eene kwaal van
+helschen oorsprong bijt u, gelijk een kanker, aan het hart. Raad ik het
+niet? Maar neen, de ingevingen van den Eersten Persoon, welke mij op dit
+oogenblik bezielen zijn onbedrieglijk en gij moogt niet langer weigeren
+uwe zonden te biechten. Red u, als er nog tijd toe is."
+
+Het bleek genoeg uit de koppige stilzwijgendheid van Johan, dat hij alle
+poging tot redding opgegeven had. Op een schoonen dag van het voorjaar
+werd het huwelijk van Johan en Julia in de kleine Kathelijnekerk door
+een korten priester gezegend. Ze kwamen op het zolderkamertje inwonen en
+sleten er een gemengd leven van geluk en trage treurigheid. Johan ging
+alle nanoenen slenteren langs de hooge stad, gejaagd drillend door de
+straten van de Kappellewijk of opkruipend naar de steile gangen van het
+massale Gerechtshof. Zijn haar wippelde haast ongekamd over zijne ooren
+en zijne broek slodderde op zijne kuiten. Hij luisterde naar de piepende
+muziek der draaiorgels en tuurde naar de doening van kinderen en honden
+en citroenwijven. Hij had willen een schilderij maken vol met engels en
+heiligen en hij peinsde dikwijls op de rijke borduursels welke hij met
+goud en edelsteenen zinnens was heel ommendom de bonte fluweelen mantels
+te versieren. Maar hij nam zijne ronde palet niet meer op. Hij liep de
+Hooge Stad rond en daalde daarna naar de Priemstraat. Zoo volgde hij de
+zware bierwagens, die er op en neer daverden, en hij deed, voor de
+welriekende herbergen, de ledige tonnen klinken, aandachtig het uiterste
+bier opvangend in een rood-bekleurd tomatendoosje, hetwelk hij op al
+zijne wandelingen binnen zijn diepen vestzak mededroeg.
+
+
+ * * * * *
+
+
+II
+
+JOHAN DOXA
+
+LICHTMIS
+
+
+Het leven van Johan Doxa was zeer ellendig geworden, maar hij beleed het
+met prijzenswaardige langmoedigheid en kinderlijken eenvoud. Julia zijne
+vrouw, welke hij eerst zoo verduldig had liefgekregen, begon hij stilaan
+te eerbiedigen. Het ontzaglijke karakter van Julia was daaraan niet
+vreemd. Zij handhaafde hare autoriteit met een vreeselijk geweld en haar
+mond was telkens vol schrikkelijke woorden. Nooit kwam oproerlust in het
+langzame hart van Johan Doxa zwellen. Hij herkende de oppermacht van
+zijne vrouw en verdroeg zoetekens hare aanvallen. Zoo verdraagt het
+goede riet de ruzie van den stormenden wind....
+
+Maar alopeens--in 't putje van den winter--werd Julia ziek. Zij had, na
+den zomer, een korte valling opgedaan en de vele drankmiddeltjes,
+geleerde pillen en geheimzinnige baaibaden, die zij te gelijk of
+overhand gebruikte, brachten haar geen beternis. Met Februari moest ze
+te bed blijven liggen en het uitzicht van de kamer veranderde meteen.
+
+Het deed Johan Doxa zeer aan, hoewel zijne vrouw door hare ziekte in
+geen deele belet werd lucht te geven aan haar krakeelzuchtig gemoed.
+Integendeel, zij was daarbij heviger en scherper dan vroeger, en Johan,
+haar dikke man, zat dikwijls haar aan te kijken, zonder luisteren,
+idioot van dubben of zeggend in zijn benauwd binnenste:--Zij is krank.
+Zij moet doorgaan. Zij kan 't niet gebeteren.... En misschien heb ik
+ongelijk ook?!..
+
+Als het te hevig werd en de kinderen van Mevrouw Sikkel, op het andere
+verdiep, meehuilden in koor, drumde Johan Doxa de kamer uit en zakte
+stillekens de trappen af, de straten door, langs de Hooge Stad, op den
+dool tonneklinkend.
+
+ * * * * *
+
+Den Zondag van Half-Vasten kwam Anatole aan bij Johan Doxa, even na
+noenstond, Anatole was de tapper van _The Old Curiosity Shop_, de
+nachtbar der Bisschopstraat. Hij vond zijn vriend Doxa aan de sponde
+van de gillende Julia, dewelke, seffens bij Anatole's inkomst met
+aandoenlijke wanhoop te snikken begon.
+
+--"Kijk aan!" kreet ze, "kijk aan den vadsigen leeglooper! Hij vindt dat
+ik niet gauw genoeg dood ben!... Hij wil een handje toesteken!... (tot
+Doxa) Wat zegt ge?... Wat zegt ge?... Overdreven? (tot Anatole) Ge hoort
+het zelf: De woestaard zal staande houden dat ik overdrijf! Nee! dat
+springt de gaten uit! Hoor hem aan, Mijnheer, hoor hem aan, om de liefde
+Gods!... (poos tot Doxa) wien heb ik van morgen om lijzemeel gestuurd en
+wie is met een pakje macaroni teruggekomen?... (tot Anatole) 'k moet
+lijzemeel pap onder mijn ribben leggen, Mijnheer, van den doctor ...
+(tot Doxa) wien heb ik klokslag tien om een rolmops gesmeekt (tot
+Anatole) voor mijn flauwe maag, Mijnheer! (tot Doxa) en wie is na
+twaalven, weergekeerd met een platgezeten bloedpens en 'n gezicht van 'n
+dulle hoornblazer?... Of denkt gij soms dat ik genezen kan bij 't eenige
+spektakel van de walgelijke farokampernoelieën die uw gezicht paleeren?
+(klagend) Mijnheer Anatole, bezie mijne armen, bezie mij, Mijnheer, ik
+ben de schim van mezelve niet meer. Ik teer puur weg. Ik heb me
+afgewerkt voor dien zatbalg daar! En nu, nu steekt hij een handje toe,
+Mijnheer Anatole, om er mij wat rapper in te krijgen ... in den put ...
+in den put."
+
+Ze ging achterover wegzakken, in zachter gekerm, maar hief zich ineens
+recht op hare puntige ellebogen, en kreet het heesch uit in 't
+verbijsterd gelaat van den zwijgenden Doxa:--"Wat? Wat zegt ge weer?
+Dat het niet waar is? Dat ik lieg? Zegt hij dat ik lieg, Mijnheer
+Anatole?..."
+
+Het scheen dat ze al hare krachten inspande om in eene uiterste poging
+de mate van hare verontwaardiging te geven. Ze greep waarlijk met hare
+tien nagels naar de rood-ronde tronie van den stillen beuzelaar.
+
+--"Hier uit", riep ze, "hier uit!... Ne sjanfoetter, dat zijt ge, 'ne
+wijvenbeul en 'ne sjanfoetter!..."
+
+Daar ze nu, wezenlijk uitgeput, in de kussens thoopeviel, slierde Johan
+Doxa zoetekens de deur uit en schikte Anatole de blauwe sargie tot onder
+hare bevende kin. Ze had hare oogen gesloten. Hare lippen trilden nog en
+hare neusvleugels roerden even. Anatole hoorde het harde getik van den
+koperen wekker die, op de schouw, met hardnekkige onverschilligheid de
+zonderlinge kamerstilte verried.
+
+ * * * * *
+
+Op straat vond Anatole den rustigen Johan Doxa, die, zijn neus
+platduwend tegen de vensterruit van den fruitwinkel, met vlijtige
+aandacht de grauwe hobbels van een paar slabeten gadesloeg. Hij stak
+zijne hand onder Johan's arm en zij gingen langzaam in den mistigen
+vesperdag. Zij gingen alzoo een half-uur lang, zonder spreken.
+Gemaskeerde kindergroepjes liepen dansend hen voorbij. Verder, in
+naburige straten, hoorden zij het aanzettend carnavalgejoel en zij zagen
+schoone kleuren bewegen.--Ze trokken "het Zwaantje" binnen en bestelden
+een glas lambik.
+
+--"Sec!" zei Anatole.
+
+En dan alweer zwegen ze. De schuimende pinten stonden in het langblauwe
+daglicht te klaren met stil-gouden gloed. Een lange man kwam rechtover
+hen zitten. Hij was in een bedlaken gewonden en een scheef mombakkes
+grinnikte roerloos op zijn kop. Hij had roode kousen over zijne handen
+getrokken, en die lagen, vol geheimzinnige kracht, op de tafel. Men kon
+geen oogen zien binnen de holten van het grijnzende mombakkes. Johan
+Doxa, eer hij zijn glas vastgreep, vroeg beteuterd:
+
+--"Anatole, hebt ge geld?"
+
+Anatole knikte en zij dronken allebei. Drie vrouwen in manspak gingen
+zonder veel gerucht in den versten hoek der herberg zitten. Een zwart
+hondje kwam, tusschen Doxa's voeten, een handsvol garnaalsteertjes
+oplikken en keek toen op, in korte verwachting. Na een tijdje drong een
+dansende groep bonte jongelingen alover den engen drempel rond den toog.
+De bazin had het seffens heel druk en de baas, die groot en rood was,
+kwam al kouwend in het deurgat van de keuken staan, om ontzag in te
+boezemen. Dat jong gedoe deed zeer vroolijk, intrigeerde iedereen op
+goed val het uit, in hoog stemgegichel. Een blauw clownmeisje ging
+buigen over het peinzend hoofd van Johan Doxa en vroeg:
+
+--"A wel! wat hei-je met uw peterselie gedaan, kalfskop?"
+
+Johan Doxa, geheel weg met zijne vage gedachten, antwoordde goedig,
+onnoozel:
+
+--"Nikske...."
+
+En hij bezag Anatole al blozend. Toen sprak Anatole, stil in 't algemeen
+gedruisch:
+
+--"Julia sliep, als ik de kamer verliet, weet ge...."
+
+Johan Doxa deed tweemaal zijn hoofd op en neder gaan. En heel natuurlijk
+herbegonnen zij te zwijgen, daarbinst rechtstaande, alle twee te gelijk,
+om weg te gaan.
+
+Ze liepen de Camuselstraat geheel door en dronken faro in _'t Wit Paard_
+bij Susse van Maries, op 't hoekje der Anneessensplaats. Van daar zagen
+zij het dikke gewoel op de Henegouwlaan, de schuivende pakken van
+menschen, door mekaar indringend en werkend, in traag beweeg, gelijk
+dwarse zeegolven. Lachende gezichten, opene monden, grijpende handen,
+'t krioelde klaar op in de donkerte van grauwe jassen en wintermouwen.
+En de lichte confetti stoof op bij scheuten, in waaiers van licht of
+wolkjes van lichte kleuren. Een zeldzaam geraas steeg uit die duwing
+van lijven, en Johan Doxa wist soms niet of 't wel vreugde was en geen
+akelig en ver geklaag van gewonde dieren, die vol nuttelooze driften
+zijn.... De schenkmeid kwam midden in de herberg op een stoel staan en
+stak de porseleinen bloemen van den kroonluchter aan. De herberg was
+geel en de dag op de vensterruiten werd scherpblauw, violetblauw. Men
+kreeg een gevoel van droeven avond. De glazen klonken over den toog en
+rond de aanhoudende bierbestellingen. Een oud vrouwtje probeerde eene
+groote mand met eieren, krabben en amandels van groep tot groep tegen de
+tafels uit te steken. Twee zware jongens nagelden over den buik van een
+mandolien en zongen italiaansche liedjes. Ze zongen er drie en kwamend
+dan centen rondhalen in paarlemoeren schelpen.
+
+--"'t zijn Italianers, geloof ik." zei Johan Doxa suf.
+
+Hij zocht lang in al zijne zakken, naar een half stuivertje, dat hij
+zeker bezat, zeker, zoo zeker dat als twee en twee.... Anatole sprak:
+
+--"Luister 'ne keer. Wat is dat nu met uwe vrouw? Is ze ziek of wat is
+'t?"
+
+--"Ze heeft u daar nogal uitgescholden!"
+
+--"Nog al ... nog al...."
+
+--"Zeg eens ... en is dat waar, van die macaronie en die ... die...."
+
+--"Bloedpens."
+
+--"Hein?"
+
+Ze vertrokken. Ze gingen de wijk van Onze-Lieve-Vrouw-te-Rooje af en
+dronken in de kroegen, de taveernen en de kavitjes. De verschillige
+geluiden der lage stad sprongen gelijk ledige vaten rond hen. Johan Doxa
+en Anatole waren afgezonderd van 't algemeen plezier en hunnen armen
+hingen zwaar aan hunnen schouders. Ze bleven een poosje 't geweldig
+bedrijf nagapen van een schoonen arlekijnen societeit, die, met volle
+fanfaren, de straten opdreunde. Kinderen droegen rieten waaraan papieren
+lantaretjes te wiegelen hingen. De veelkleurige lichtjes stippelden
+aardig in den vroegen avond. Ergens ontmoetten ze, plots eenzaam, een
+blinden grijsaard, die zijn hond verloren had en woest-mompelend langs
+de gevels voortsukkelde. Ze waren hem al lang voorbij, als Johan Doxa
+ineens staan bleef en, met een dwazen glimlach:
+
+--"Nu vind ik het half stuivertje", zei hij.
+
+Hij was er geheel blij om en hief het in de klaarte van een gaslantaren
+op. Hij voegde erbij:
+
+--"Ik wist wel dat ik het had. 'k Had het dezen morgen in de kerk langs
+mijn broekpijp die gescheurd is laten vallen, 'k Had het opgeraapt, ge
+ziet het nu zelf Anatole!..."
+
+Een kleine nietdeug, met een mombakkes gelijk een doodshoofd, riep
+achter hem:
+
+--"Loërik!"
+
+ * * * * *
+
+Anatole sprak:
+
+--"'k En wil 't niet zeggen om u te treiteren Johan, maar ge zoudt toch
+wat meer koeragie moeten hebben bij uwe vrouw. Ge hebt daaral niet veel
+te protocollen, naar ik zie, en dat is een ongeluk voor u en voor haar.
+Alles goed bekeken. Ge zijt een vijg, jongen, ge zijt een slappe vijg
+... 'k zeg het in alle eere, om u niet te krenken ... kortom, een vijg."
+
+Johan Doxa sprak:
+
+--"Vermits gij het zegt ... vermits gij het zegt ... denkt ge waarlijk?"
+
+Hij herzette zich op de smalle herbergbank en verschoof zijn ledige
+pint. Hij plante zijne voorarmen op de tafel, in de geluidlooze
+kussetjes van zijne ellebogen.
+
+--"Anatole," zei hij, "daar is kans voor, 'k en zeg niet neen. Maar 'k
+zal u iet zeggen. Ge zijt een goede vriend van me. Mijnheer Lazare is
+ook een goede vriend. Kent ge Mijnheer Lazare? Hij is een uitsluitelijke
+en strenge hoogpriester van Jesus-Christus. Hij geeselt mij met de
+woorden van God. Gij bekoort mij met de lieftaligheid van dees driftig
+leven. Gij straft mij met mijne kleine gebreken. Nu wil ik u iet zeggen.
+Wat zijn wij? Wij, met ons beide die hier aan het zuipen zitten, en die
+andere rond ons, dewelke vroolijk zijn. Wat zijn wij al te gare? Bekijk
+de sterren en hunne onverbiddelijke harmonie. Hoe grootsch! Bekijk de
+ordonnantie van onze aarde, de loop der seizoenen, het evenwicht van
+lucht en grond en wateren, de voortdurigheid van al die wondere
+rythmen.... Hoe grootsch! Is het niet waar? Denk daar een oogenblik aan
+terwijl ge hier zit met mij. En bekijk dan het bedrijf van alle levende
+dieren: de leeuw die zijne prooi zoekt, het lam dat graast, de arend die
+jaagt op buit, de duif die cirkelt boven de vredige huizen, de visschen
+die ondereen zoo aardig doen (ik spreek van den snoek, die alles doodt,
+en van het roodvischje, dat prachtig in den helderen bokaal
+rondzwemmelt), de vlinders en de lieve goudvliegkens, de spinnekop die
+biddend loert binnen de raderen van haar verraderlijk net en daarbij,
+Anatole, het onzichtbaar gepeupel: de beestjes die ziekten brengen en
+de beestjes die ziekten afweeren ... bekijk dat ook alles eens met
+aandacht.... En dan zegt gij: er zijn er zus en er zijn er zoo, en dus
+is leven een groote strijd van krachten. De maan, die draait rond de
+aarde, medegesleurd door haar, heeft tegelijk op haar een vertragende
+werking, dat is strijd. De wateren die in hitte tot dampwolken opvliegen
+en door kilte weer tot wateren vallen, dat is strijd, Anatole. De dieren
+die vechten. De menschen die vechten. De menschen die vechten in passies
+van allerhande aard. De menschen die sterk zijn, en de menschen die zwak
+zijn. De menschen die verstandig zijn en de menschen die dom zijn. De
+menschen die deugdelijk zijn en de menschen die geen zedenwetten
+kennen.... Och! Och! is dat geen strijd, Anatole? En strijd is het leven
+zelf. En strijd is de mirakelachtige harmonie. En strijd is waarachtig
+de wet van God, Anatole. Ik ben een soort vrak, en gij zijt een soort
+lusteling, en Lazare is een soort hyper-asceet. Wij zijn alle drie
+noodzakelijke elementen en onze werking reikt mede tot de
+standvastigheid van God's harmonie. En het moet zoo altijd zijn en
+hergebeuren, want wij zijn alzoo de eeuwigheid van God's wet."
+
+Anatole had gedronken en sprak nuchter:
+
+--"En de socialisten?"
+
+Maar Johan Doxa wedervoer met geduld:
+
+--"Wij moeten ons schikken in ons lot en de plichten vervullen van onzen
+aard. Wij mogen niet, hm! hm!... wij mogen niet lui zijn in onzen aard.
+Wij moeten vol ijver zijn, want onze aard is een gebod dat wij vlijtig
+moeten leven. Gij blaast gedurig tabak in mijn gezicht, Anatole. Neen,
+steek uwe pijp daarom niet onder de tafel. Maar ik ben, geloof ik,
+duister en vervelend, en gij volgt niet rap mijne gedachten. Ik wil u
+iet zeggen. Ik--gij beziet mij en ge kent mij, Anatole--ik ben een
+sukkel in uwe oogen en een lasteraar in de oogen van Lazare. Ik ben
+inderdaad waarlijk een sukkel en een lasteraar. Zoude ik moeten een
+groot artiest zijn, of zoude ik moeten een heilige zijn, of zoude ik
+moeten een tapper zijn? Ik loop het loopje van een natuurlijk en
+noodwendig leven. Ik ben wat ik ben, zooals, naar ik meen, een halm geen
+eik is en een mier geen prijsmerrie. De blijdschappen die mij te beurt
+vallen zijn de bloemen van mijn aard. Maar, Anatole, vermits ik sterven
+zal zonder glorie en zonder zaligheid, ook de spijt over een zoo droeve
+dood is een bloem, een zeldzame bloem van mijn aard, Anatole.... En ik
+blijf dien spijt getrouw."
+
+ * * * * *
+
+Ze hadden rond tien ure een groot getal herbergen bezocht. Ze stonden op
+de Oude Graanmarkt. De Vlaamsche Steenweg was een krioeling van vierende
+menschen. Geel en wit-blauw licht spetterde uit de vensters op het bonte
+gewoel. Johan keek op naar den schoonen kerktoren die in een hoek van
+het Kathelijneplein massaal en duister rees boven het licht der huizen.
+Hij zag ginder hooge, den grauwen winterhemel, en hij voelde wonderlijk
+de oneindige wijdte. Zijn hart ging open, vol van liefde.
+
+--"Nu begin ik plezant te worden," zei Anatole. En om zijne woorden
+kracht bij te zetten, ging hij al fluitend aan het dansen. Johan Doxa
+had groote goesting om te weenen. Hij kuchte eens en glimlachte
+zachtjes:
+
+--"Wel, ge danst gij niet slecht, Anatole!"
+
+Anatole nam Doxa bij de ellebogen en schokte hem op maat van het
+deuntje. Dan, haast buiten adem, riep hij:
+
+--"Kerel, we gaan ons maskeeren!" En ze trokken naar de _Old Curiosity
+Shop_ van de Bisschopstraat, klauterden den diensttrap op en onder het
+zolderdak, begonnen eene lollige vermomming. Anatole bracht de
+zonderlingste kleedingstukken uit laden en kassen voor. Al bargoed,
+vergeten, verloren, gestolen of in pand gelaten.
+
+Johan Doxa stond voor een gebarsten spiegel tusschen twee
+wippelvlammende eindjes kaars.
+
+Hij moest zijn broek uittrekken en hij deed het gewillig, zonder denken.
+Anatole zocht voor hem eene schoone maskeradebroek. Het was de
+verslenste broek van de eene of de andere barmeid, fijn-linnen broek,
+geheel behangen met kanten en strikken, wit was de kant en vieux-rose de
+linten. Johan Doxa deed zeer angstig in die broek. Zij viel in dicht
+geplooi en rijke lobben tot over zijne knieën en liet dikke braaien vrij
+die opbulten boven de lompe schoenen. Anatole bezorgde witte koussen en
+eischte dat, om het algemeen effekt niet te breken, Johan Doxa lage
+espadrillen aantrekken zou. Deze weelderige kleedij voltooide hij met
+een kelner-pitalairken, dat ongelukkiglijk te nauw was en, gelijk een
+licht vleugelpaar, aan Johan's schouders hing te bengelen.
+
+--"'t Is wel alzoo," zei hij achteruit-wijkend, "nu uw kop!"
+
+Hij spande een kleine venstergordijn rond het hoofd van den braven Doxa
+en bekroonde zijn werk met een ietwat inzakkende gibus. Hij zei,
+weltevreden:
+
+--"Niemand zal u herkennen, jongen. Ge zijt een heel ander mensch,
+waarlijk! maar deze gele handschoenen moet ge aantrekken, en hier is een
+pompadoer-waaiertje dat ge aan een knoopje van uw habijt moet hangen....
+Zoo-oo ... all right! kijk u eens in den spiegel aan!"
+
+En Johan Doxa keek zijn eigen in den spiegel aan en hij wist niet aan
+welk oordeel hij zich zou houden....
+
+Anatole was gauw klaar. Hij gespte een paar bleeke rokken rond zijn
+leen, paste, gelijk 't behoort, een groen jakje over zijne opgevulde
+borst, zette een prachtigen hoed met pluimen zoo goed als het kon vast
+op zijn kop en hing errond eene dichte voilette. Hij droeg, ter
+volmaking van die vrouwelijke staatsie, een rood satijnen zonnescherm en
+schoeide, gelijk Johan, zijne groote handen. Zoo kwamen zij op straat.
+
+Geweldig was 't lawaai en de drang op de Anspachlaan. De electrische
+lampen klaterden over al die hoofden. De confetti sproeide uit, kleurig
+en blikkerend.
+
+--"We moeten ons goed houden," zei Anatole, "en malkander niet kwijt
+geraken. We gaan naar 't bal."
+
+Hij kocht in den Grand Bazar een heel klein trommeltje, dat hij op
+Johan's buik met een rood touwtje hing en een rotelaar dien hij zelf den
+weg door hanteerde. Johan Doxa leunde op den arm van Anatole. Hij kreeg
+het tamelijk warm onder de nauwe venstergordijn en zijne armen spanden
+in de te korte mouwen van zijn frak. Zijne voeten en zijne beenen waren
+vrij koud geworden. Eens dacht hij aan Julia. Hij dacht:
+
+--"Ze is koleirig.... En ik zal geen blijde intrede hebben...."
+
+Maar hij ging mede met Anatole, zonder wil gelijk zonder aarzeling. Hij
+was bereid om veel pleizier te hebben, zooals een leeg vat bereid is om
+'t zij eender wat te ontvangen. Hij had geen begeerten, hoewel hij in
+vage verwachting verkeerde. Hij was noch gretig, noch gejaagd, hij was
+moe, moe.... En toch verwachte hij geen rust.
+
+ * * * * *
+
+De danszaal van de Hoogstraat was schitterend van licht. Het licht
+schetterde uit de vier kristallen kroonluchters en smeet uiteen in
+de groote spiegels der wanden of over het goud van de ramen, de
+deurlijsten, de pilaren, de zoldering. Het goud blonk voornaam.
+De breede spiegels schitterden brutaal en overdadig.
+
+Het volk was los, woest, ontzagelijk. Men schreeuwde. Men danste. Men
+sprong wild. En Anatole zei:
+
+--"Let nu goed op. Hier is de volle plezantigheid. Hein, wat zegt ge?
+Verdekke, jongen, hier gaan we ons hart eens ophalen, nie-waar?"
+
+Hij kittelde Doxa eventjes onder de hoksels en hernam:
+
+--"We moeten, elk van onzen kant, een toertje doen rond de zaal, gij
+een toertje rechts, en ik een toertje links zoodat we op deze plaats
+terugkeeren en malkander weer ontmoeten. We geven malkander rendez-vous
+op deze plaats. Luister wel. Gij van uwen kant zult onderweg een liefje
+krijgen, en ik, van mijnen kant, ook. Alzoo zijn wij rap, elk van onzen
+kant, geriefd. Allo! zie dat ge de schoonste uitkiest!..."
+
+Anatole ging seffens een blijden gang. Toen voelde Johan Doxa zijne
+groote eenzaamheid. Toen, verlaten in deze vreugde als in eene woestijn,
+voelde hij zich alleen zijn, moederziel alleen. Hij was nutteloos. Hij
+bestond zonder reden. Hij veroorzaakte niets en was van niets een
+oorzaak. Hij mompelde, zijn eigen aanstarend in gepeinzen, kindsch:
+
+--"Is de dood iets?..."
+
+Hij zoude zich gewaand hebben iets te zijn.
+
+Johan Doxa deed een toertje rond de zaal. De dansers riepen hem aan,
+daar hij zoetekens omwandelde in zijn zonderling pak en zijn trommelken
+onnoozel vasthield in beide handen. Maar hij trof geen liefje dat hij
+scheeren kon.
+
+--"'t Is gemakkelijk te zeggen," dacht hij, "ze zijn hier wel een hoop,
+maar 't is precies uit den hoop dat ik ze moet uithalen."
+
+Anatole nochtans had er een uitgehaald. Hij sprak in verbazing:
+
+--"Niks? Hoe is dat Gods mogelijk Johan! Ge ziet er flink uit en ge hebt
+handschoenen aan. Als ge zoo voortgaat zult ge fataal eindigen met u te
+vervelen."
+
+Hij besloot zich zelf op te offeren om een zoo jammerlijke uitkomst te
+vermijden en stond zijne aanwinst gewillig aan Johan Doxa af. Hij
+verdween in het licht, en de deerne zei:
+
+--"A wel, Mijnheer, waarmee is 't, dat ge trakteert? Of wilt ge ne keer
+dansen?"
+
+Neen, Johan Doxa zou liefst niet dansen. Trakteeren, ja, dat zou hij.
+Hij liet zich naar de drinkzaal meetronen en zette zich in een hoekje,
+waar hij rustig een flesch geuze bestelde. Hij bleef een langen tijd
+zonder denken. Het meisje zei:
+
+--"Dat moet warm zijn, Menheer, die store op uw gezicht."
+
+--"Ja," knikte hij dwaas.
+
+--"Leg hem dan maar af. Ge moet u voor mij niet geneeren. Ik heb al van
+alles gezien."
+
+Hij vouwde langzaam de gordijn op onder zijn hoed en wees zijn goedig
+gelaat. Hij glimlachte, naar gewoonte. Het meisje praatte gezellig en,
+ofschoon hij niet veel antwoordde, hield zij moedig het gesprek aan. Hij
+hoorde haar praten. Hij hoorde ook het roezemoezende balgerucht. Hij
+hoorde de muziek, die hem bestoven voorkwam. Hij hoorde klaarder het
+gerinkel van een tamboerijn met belletjes....
+
+Nadat hij de derde flesch geuze besteld had, viel hem plots in dat hij
+geen geld had. Dadelijk bekoelde echter het zweet, dat hem op het
+voorhoofd uitgebroken was als hij bedacht dat Anatole gauw aan zou
+komen. Waar bleef toch Anatole? Om tijd te winnen bestelde en dronk
+Johan Doxa nog vier flesschen. Het meisje kreeg zonderlinge manieren en
+eischte van haren nieuwen vriend eene uitdrukkelijke liefdebekentenis.
+Onderwijl wilde Anatole maar niet opdoomen.
+
+--"Zie," zei het meisje, "ik heb meer domme hoofden gezien, dat is
+zeker. Als ge schoon, braaf en inschikkelijk zijt--begrijpt ge, lieve
+loebas?--zal ik u om een haarklesje vragen en het tot op mijn doodsbed
+bewaren!"
+
+Hij keek haar goedjongstig aan, eenigzins angstig wordend. Het docht hem
+dat hij haar voor de eerste maal aankeek. Nu pas bemerkte hij hoe ze
+was: een blond wijf, niet schoon en ruw van gebaren in licht-groene
+domino, vormloos. Hij sprak:
+
+--"Ik moet Anatole opzoeken in de danszaal."
+
+Hij bezag haar zoo nuchter, zijn tronie glom zoo schuldeloos, dat het
+meisje, eerst fiks op hare hoede, seffens betrouwend werd en toestemde.
+Hij ging log, gewild-traag. Hij drong tusschen de dansers heen en voelde
+zich veilig worden. Zijn hoofd was zwaar. Hij geraakte weldra buiten
+staat om Anatole na te jagen, en allerminst om hem te vinden.
+
+Daar werd in zijn geest de licht-groene domino het uitsluitelijk beeld
+van een groot gevaar en hij moest vluchten. Hij had geen wil, die hem
+weerhouden kon, geen rede, zelf geen luiheid om zijn vlucht te
+vertragen. Hij liep struikelend door de straten.
+
+ * * * * *
+
+Hij was de bolwerken omgeloopen en kwam nu, te laag, bij de Molebeeksche
+vaart aan. Het begon te sneeuwen. De blauwe dag lichtte zachtjes over de
+daken. Het water lag somber en onrustig, eenzaam de grijze kaai.
+
+Johan Doxa stond hijgend tegen het ijzeren schut en zijne blikken
+loerden rond. Hoe bang roerde het water! Hoe vaal rees de bevende
+morgen! Hoe duister en heimelijk wachtte ginds die hooge boot!...
+
+Hee! Hee! daar vaart een klare schim langs Johan voorbij. Het is een
+lange magere schim. Een schim met roode handen. Wel! het is een man die
+zich uit pret in een bedlaken heeft gewonden en met roode kousen zijne
+handen heeft geschoeid. Ievers heeft Johan Doxa dien witten man onder
+een scheef-onbeweeglijk aangezicht ontmoet. Wacht eens even!... Wacht
+eens even! Waar was 't alweer?...
+
+De witte man schuift rap over de kaai. En op de brug staat eene vrouw
+met een kindje. Johan Doxa zou zweeren dat de vrouw weent en dat ze het
+kindje kust wanhopig. Hee! Hee! de witte man komt op de vrouw af. Heeft
+ze niet gegild? Ze wil vluchten, ze wil vluchten! Ze kan niet. Ze wordt
+vastgegrepen. Ze wordt omhoog getild. Ze ... ze ... God in den hemel! Ze
+wordt over de brug geheven.... Ze valt!...
+
+Heeft ze niet gegild? Heeft ze niet gegild, vraag ik?...
+
+En tegen het ijzeren schut stond Johan Doxa. Hooger beeflichtte de dag.
+De kaai was geheel met sneeuw bedekt. De gevels der huizen staken vuil
+uit boven de schoone witte sneeuw. Het pitalairken van Johan Doxa was
+besneeuwd.
+
+ * * * * *
+
+--"Dat is toch zonderling." dacht Johan Doxa terwijl hij voort
+opwaggelde naar huis, "dat is toch een zonderling dingen! De vrouw is in
+het water verdronken en het water heeft geen gerucht gemaakt. En de
+witte man ... wacht eens even ... die heb ik gezien en herkend.... Wel!
+wel! wat er toch al gebeurt!... En ik heb niets gedaan om dat te
+beletten. Niemand heeft iets gedaan. Waren daar nog andere menschen?
+Rechtuit gesproken, ik geloof het niet. Ik had moeten toespringen. Wel!
+wel! een mensch zou er kiekevleesch van krijgen, als men bedenkt wat er
+al omgaat!... In 't volle van de stad jongen, in 't volle van de
+stad!..."
+
+Hij kwam op de Papenvest en verwonderde zich dat de huisdeur, die anders
+nooit zoo vroeg was ontgrendeld, op een reetje open stond. Hij strompelde
+onvoorzichtig de trap omhoog. Het huis was stil. Hij keek op....
+
+De verbazing van Johan Doxa, toen hij Lieven Lazare in het aangezicht
+blikte, was slechts te vergelijken bij de verbazing van Lieven Lazare
+zelf, die den ellendigen sukkel zag aanklimmen in zijn matte lompen en
+slappe strikken.
+
+Tegen Johan's verwachting in verhief Lieven Lazare zijne donderstemme
+niet.
+
+Hij zei stil:
+
+--"God straft u, Doxa. Zijne hand heeft uw huis beschaduwd. En Hij
+verplicht u neer te kijken op uwe monsterachtige schande. Ik zwijg en
+laat u over aan Hem--kom binnen."
+
+Zachter nog, terwijl hij Johan Doxa in de kamer duwde, sprak hij:
+
+--"Ik heb in gebed den avond en den nacht aan de sponde van uwe vrouw
+doorgebracht."
+
+Het docht Johan Doxa plots dat hij geene beenen, geen armen, geen
+lichaam meer had. Hij had geen gevoel van lucht, van koude of warmte.
+Een harde band spande hem om de slapen. Hij zag de vier hooge kaarsen
+die brandden aan de vier hoeken van het bed.
+
+Toen ook, daar staande in openbare dronkenschap, zag hij het witte
+kussen, het witte roerlooze gelaat van Julia, de witte handen gevouwd in
+vroome houding op de blauwe sargie, en het ivoren kruis dat uitarmde,
+ernstig tot onder de puntige kin.
+
+Lieven Lazare, het hoofd buigend, zei:
+
+--"God beproeft ons uitermate. En Hij treft ons in onze zonden.... Laat
+ons knielen, Johan!"
+
+En dat deed Johan Doxa gehoorzaam, maar hij dacht al door:
+
+--"Dat is toch een zonderling dingen, niet waar? Het water dat zoo
+angstig was ... en de roode kousen over de groote handen ... en het
+kindje heb ik wel gezien! De vrouw weende over het kindje.... Wel! wel
+toch! Wat een rare boel!..."
+
+Zijne oogen bleven strak op Julia's gelaat gevestigd. Zijn geest puntte
+op Julia's gelaat.
+
+--"Goede God!" fluisterde hij.
+
+Hij begon halfluide te bidden, en sloot smartelijk zijne oogen.
+
+De tranen, die over zijne bolle wangen rolden, vielen op het dunne leder
+van het trommelken, hetwelk aan Johan's buik hing, en waarlijk scheen
+gemaakt te zijn om dergelijke kleine klopjes te ontvangen.
+
+
+ * * * * *
+
+
+III
+
+JOHAN DOXA
+
+DE BOETVAARDIGE
+
+
+Julia werd door moeder Doxa met vroome zorgzaamheid gewasschen en gekist
+en Johan begroef haar op den derden dag, zooals het behoort. Nu bracht
+hij eenzame en talrijke uren om, in 't besef van zijne schuld en het
+docht hem daarbij dat een zeer luid sprekende wroeging hem kwelde.
+Dat duurde haast meer dan eene week. Dan verliet hij de kamers die het
+tooneel waren geweest van zijne diverse huwelijkservaringen en ging
+weer bij zijne moeder woonen, in het speelgoedwinkeltje van de
+Zes-penningenstraat.
+
+Eene kleine maand later ontving hij van Lieven Lazare, den godvruchtigen
+panfletschrijver, den volgenden brief:
+
+--"De Hemel, Johan, duldt niet langer dat ik mijn hart voor u gesloten
+houd. Aldus wordt door eene goddelijke inblazing het besluit gebroken
+dat ik in een oogenblik van rechtmatigen toorn ten uwen opzichte genomen
+had. Misschien is het waar dat ikzelf vreemd ben aan het opmaken van
+dezen brief. Misschien veracht ik u morgen even diep als ik u gisteren
+heb veracht. De adem althans, die door mijne woorden gaat, schijnt niet
+de mijne te wezen, en ik gehoorzaam aan eene geweldige bezieling zooals
+die ander? Lazarus gehoorzaamde toen Iemand, wiens donderende naam geen
+weergalm meer vindt in uw geheugen, hem gebood recht te staan uit den
+dood.... Beste Johan, het blijkt dat de schrikkelijke gebeurtenissen die
+God zelf voor uwe redding had beraamd, u niet tot inkeer hebben gebracht.
+Het is als of niet Hij, maar de Duivel u zou tot weduwnaar gemaakt
+hebben. Gij wandelt door de stad en niets in uwe houding verraadt dat
+de heilige Michaël u onlangs met het bliksemende vlammenzwaard heeft
+getroffen. Men ziet u rustig en kinderlijk kuieren langs de straatjes
+van Onze-Lieve-Vrouw-te-Rooje. Gij blijft met welbehagen lanterfanten in
+de nabijheid van spekslagerijen, en duwt uw neus tegen de ramen plat om
+met gulzige oogen het afschuwelijke schouwspel van hespen en worsten op
+te vangen. Gij loert de honden na, die snuffelend malkander nadrillen,
+en hun cyniek bedrijf wekt uwe belangstelling uitermate. Vermoedelijk
+hebt gij in den winkel van uwe beklagenswaardige moeder ook marbels
+gestolen, want op het Vossenplein heeft men u zien spelen met
+schoolkinderen. En elken dag, rond half-zeven, staat gij voor de _Old
+Curiosity Shop_ de keukenreuken op te snuiven, en ontvangt dan door de
+traliën van 't keldervenster een dampend pakje uit de hand van Anatole.
+
+"Ik ween van schaamte wanneer ik hoor verhalen hoe ge, ontdaan van alle
+menschelijke waardigheid, in de Kapellewijk de tonnen doet klinken....
+Johan, Johan, aanzie uwe zonden, eer God de ultieme en onherroepelijke
+straf uitvaardigt. Ik sta verbaasd bij 't aanschouwen van Zijne
+matelooze lankmoedigheid--maar wee u! als straks over u Zijne
+alverteerende gramschap losbreekt!... Ik ben gezonden door Hem, Johan,
+ik kom tot u met de boodschap der Goddelijke verzoening. Nader ootmoedig
+den drempel der eeuwige Kerk, Johan. Nog niet als Job draagt ge
+potscherven in wonden van berouw, maar belaad nu uw hoofd met uw
+mesthoop en snoer uw reistasch rond uw hart. Nader, Johan, met den stank
+van uwe naaktheid en de vloeken van uwe wanhoop het gouden tabernakel
+waar Krist, die gekruizigd werd, thans Zijn eeuwig leven viert. Hem
+rijkdom, roem en liefde opofferen verblijdt Zijn hart niet zoo
+zeer,--dat hart omkransd met doornen ...--maar offer Hem de zoete
+genuchten van uwe zwakheid en de brandende lusten van uw geil vleesch:
+dat is nog uw eenig bezit, en zoo, waarlijk, wordt ge de armste aller
+menschen. God, Johan, heeft de armen lief...."
+
+Tot daar kon Johan den brief zonder bezwaar doorlezen. Nu echter begon
+hij te pinkoogen en, alsof het daglicht op de letteren verflauwde, ging
+hij naar het venster en boog zijn hoofd voorover, tot tegen de koude
+ruit. Gouden sterretjes regenden allerzijds. Maar algauw las Johan Doxa
+verder:
+
+--"De Heilige Geest vleugelt in mijne woorden, en ik zeg het u,
+ellendige vriend: Jesus is een eindelooze zee van genade, een zee die
+alle wrakken dragen kan. Neem tijdelijk afscheid van uwe moeder--wat
+toch heeft eene moeder van een zoon die zelf voor God verloren is?--en
+vertrek van huis. Gij zult in het Franciscaner Klooster van de
+Miniemenstraat eene heilzame retraite doen. Ga.
+
+"Klop nederig aan de groote poort. Het is een heilig huis en pater
+Hilarius, dien ik gewaarschuwd heb, zal u met medelijden ontvangen. Toef
+niet. Het ontzaglijke geluid van Hem, die mijne ziel opnieuw in
+lichtelaaie zet voor u, davert op mijne tong en ik roep het u toe,
+armzalige Johan: toef niet, toef niet; uwe dagen zijn geteld!"
+
+De brief hield op te beven in de hand van Johan Doxa. De brief gleed
+ritselend langs de witte venstergordijntjes neerwaarts en kwam zacht,
+gelijk een dubbele vlerk, op het plankier terecht. Hij ging liggen naast
+een sikkelvormige oranjeappelschil. En Johan keek op, door 't raam, naar
+den hemel die lichtblauw over vuile daken was uitgespannen. Hij stak
+zijne handen in zijne broekzakken. Met den wijsvinger van zijne
+rechterhand raakte hij er 't benageld paviljoentje van een kletsdop.
+Maar hij vond geen neusdoek om zich te snuiten.
+
+Johan Doxa zat 's avonds met zijne moeder in het kleine achterkeukentje
+dat bij den winkel aanpaalt. Moeder Doxa had den winkel gesloten en
+bereidde zich om de keukenlamp aan te steken. Johan zei:
+
+--"Maak geen licht, ik bid u. Ik heb u iets te zeggen, lieve moeder."
+
+Ze zaten aan weerskanten van de oude Leuvensche stoof, en de stoof zong,
+en het was heerlijk donker. De buik van de stoof glom gelijk een
+reusachtige, zacht-blozende pronkappel. Een purperen glanzing gleed over
+het vriendelijke aangezicht van moeder Doxa, over hare gevouwen handjes,
+over haar hoogen boezem, over haar bolle knieën,--en eenderlijk kwam
+uitgloeien langs de ronde wangen van Johan, langs de mooi-versierde pijp
+waaruit hij rookte, en tot op de randen van zijne lompe schoenen, die
+daar nevenseen op den vloer stonden en waarnaar hij keek alsof ze
+anderman's voeten omsloten.
+
+--"He-wel?" vroeg eindelijk moeder Doxa, en het trof hem hoe minzaam ze
+was. Hij antwoordde niet seffens. Hij had de gewoonte om lang te dubben
+eer hij een besluit nam en dan toch besluiteloos te blijven. Maar moeder
+Doxa drong niet dadelijk aan, want ze kende haren jongen. Hij dampte
+maar.
+
+--"Zie, moeder," zei Johan, "ik zou mij moeten beteren. Ach, ik weet
+wel, gij denkt niet dat ik slecht ben. Gij weet niet, gij weet alleen
+van een kindje dat ge in uw schoot gedragen hebt en dat zoetekens aan
+uwe borst heeft gehangen. Maar al groeiende is hij ver van u geraakt,
+en hij is nu een groote zondaar, en hij moet God vreezen."
+
+--"Gij zijt niet slecht, gij zijt misschien lui," meende moeder Doxa
+goedig.
+
+--"Ja, ik ben lui," zei Johan, "en nog iets anders ben ik, maar ik ben
+waarlijk lui."
+
+Hij bloosde erg. Telkens als hij ergens zijn eigen ontdekte bloosde hij
+zoo.
+
+--"Na den dood van uwe vrouw," hernam moeder Doxa en zij maakte het
+teeken des kruis, "heb ik gedacht: nu gaat mijn jongen weer aan 't werk,
+want hij is krachtig en jong, nu gaat hij schoone schilderijen maken, en
+we zullen alle twee gelukkig zijn. Ik dank den hemel dat het eindelijk
+toch zoo gebeuren zal."
+
+Johan keek niet op naar heur en zei:
+
+--"Ge zijt edel, beste moeder. Wanneer ge zoo spreekt voel ik eerst hoe
+diep ik gezonken ben, maar...."
+
+Hij aarzelde. Hij zocht naar woorden, gelijk een dronkaard naar het
+sleutelgat zoekt. Hij vond in zijn geheugen een half-uitgevaagden zin
+van Lazare's brief en pruttelde:
+
+--"... maar, moeder, Jesus is een zee van genade, waarin ... waarin ik
+zou kunnen verzuipen ... als ik niet oppas."
+
+--"Ja, Jesus is zoo goed als men maar denken kan."
+
+--"Zoo zegt ge. En nu moet ik in de Miniemenstraat, bij de Capucienen
+eene retraite doen. Dat duurt nog al lang. Ik weet niet hoelang dat het
+eigenlijk duurt."
+
+--"Lang?... En wat is dat dan, eene retraite?"
+
+--"Eene retraite?... Weet gij niet wat eene retraite is, moeder?"
+
+Hij vond het heerlijk dat moeder Doxa zoo luchtig de boodschap aanvaardde
+en omdat zij, de goede ziel, zelfs niet wist wat eene retraite was,
+lachte hij stille hare lieve onwetendheid tegen. Maar hij wist ook niet
+wat eene retraite was.
+
+--"Kom, kom, moedertje," deed hij, "bekommer u niet om mij. De paters
+zullen mij niet opeten. Ik moet een beetje boeten, een beetje te
+communie gaan en mis hooren, en dergelijke meer. Ik kom zoo frisch als
+een botvink terug."
+
+Hij betastte zijn wegend buikje en zag de kleine vleeschkuiltjes van
+zijne handen rozig aanglimmen onder de heete kaak van den kachelpot.
+Inderdaad geloofde hij zelf niet wat hij daar vertelde. In zijne meening
+moest de retraite iets schrikkelijks zijn, vermits Lieven Lazare ze hem
+als eene straf opgelegd had. Hij had er den heelen middag met angst over
+nagedacht: het klooster zou hem eene donkere gevangenis zijn en de
+Franciscanen akelige cipiers. Hij moest er voorzeker op roggebrood en
+lauw water leven. Er was daar geen lucht. 's Nachts hoorde men er
+vreeslijke geraamten rammelen, en 's morgens moest men naakt in zijn
+celletje staan en er zichzelf met knoestige riemen afranselen. Hij
+betastte zijn buikje als om het voor eeuwig vaarwel te zeggen, met een
+zucht....
+
+--"En wanneer vertrekt ge?" vroeg moeder Doxa.
+
+--"Morgen vroeg."
+
+--"Ha!... morgen vroeg."
+
+Beide verzonken in gepeinzen. De moor zong nu ook, die op de stoofbuis
+stond.
+
+ * * * * *
+
+Na een nacht vol ijselijke droomen, rees Johan Doxa uit zijn bed. Het
+was een grijze dag. Achter het kleine vensterken nevelde een
+miezelregen. Terwijl Johan zich aankleedde en precies op het oogenblik
+dat hij zijn hoofd voor de eerste maal in de waschkom gestoken had,
+begon waarlijk zijn druppende neus in de lucht om te snuffelen. Er ging
+ongetwijfeld door de kamer een smakelijke geur van spek en eierkoek.
+
+--"Dat is raar," dacht Johan Doxa. Hij was gauw gereed en kwam de trap
+af. De keuken dampte van weelde.
+
+--"Moeder," zei hij, "gij zijt al te goed."
+
+Maar moeder was bezig aan een groot pannengedruisch en knikte hem
+lachend tegen. Daar stond feestelijk op tafel het prinselijk gerecht.
+
+--"Moeder, ik zal het nooit vergeten...."
+
+--"Gij dwaze jongen," zei de moeder, "zwijg maar liever en eet."
+
+Hij at tot zijn ronde kin ging glanzen en toen hij gegeten had en,
+rechtstaande, hem het aardige gevoel der spannende broekgesp omdeed, nam
+hij zwijgend zijn hoed aan den kapstok. Moeder Doxa stond te midden van
+den vloer en glimlachte.
+
+--"Allee, beste Jan," sprak ze, "ga nu--ik heb Onze-Lieven-Heer voor u
+gebeden."
+
+Hij kuste haar en ze stopte hem rap een vijffrankstuk in de hand. Hare
+vingeren beefden.
+
+--"Neen, neen," stotterde Johan terwijl zijn hart in tweeën brak.
+
+--"Ssjt! mijn jongen ... ik kan ze nu beter missen ... dan gij."
+
+Ze vergezelde hem tot op den drempel van het winkeltje. De dag aaide
+langs het speelgoed om haar. Johan kuste haar nogmaals en zei:
+
+--"Goedendag, lieve moeder, tot weerziens."
+
+Ze knikte aldoor met heel kleine oogjes, en, plots, wendde zich af, naar
+binnen.
+
+ * * * * *
+
+En door het mottige weer begon Johan zijn boetvaardige reis. Hij stapte
+op langs kleine steegjes en zou gauw de Miniemenstraat bereiken. Reeds
+was hij het Vossenplein voorbij en zag, boven een lagere brokkeling van
+daken, het fijn uitgesneden klokketorentje der Kloosterkapel. Hij bleef
+staan, als om zich te bedenken. Hij bedacht zich en bleef gedachtenloos.
+Kleine verschrikkingen schoten als electrische schokjes door zijn
+lichaam, en toen kwam een licht bedaren in zijn hoofd dat zei:
+
+--"Ge hebt nog een beetje tijd, Johan, waarom moet dat alles zoo vlug
+gaan?"
+
+Ook voelde hij nu het vijffrankstuk op de palm van zijne hand plakken en
+hij trof dadelijk eene prachtige uitkomst.
+
+--"Ik heb daarbinnen," beweerde hij, "geen geld noodig--geld is duivels
+goed, en moederken kan ik gelukkig maken met 't een en ander, dat ik
+haar opsturen wil."
+
+Het klokketorentje verdween uit zijne oogen en hij stapte links om, naar
+de Steenpoort en de Groote Markt.
+
+Op den Steenpoortweg stonden er karretjes met mosselen, met citroenen,
+met oranjeappelen en met groenten. Hij keek er niet naar om. Hij ging
+voor de peperkoekwinkels staan en begon met kinderlijk welbehagen te
+kiezen. Hij koos een peperkoek dat in den vorm van een mooi hart was
+uitgesneden en op de randen geheel met lekkere fruitschellen omlegd.
+Hij besloot binnen te gaan, maar wilde vooreerst uitkijken naar een
+loopjongen, die het geschenk aan moeder brengen zou.
+
+Er liepen daar vele jongens rond. Johan Doxa beproefde om op hunne
+gezichtjes te lezen hoe eerlijk ze waren, en hij bevond dat hij behoefde
+daaromtrent waarlijk zeer ongerust te zijn. Eene gelukkige ingeving
+dreef hem naar een kleine kroeg, waar hij een druppelken brandewijn
+dronk. En luttele beslissingen wisselden malkander ondertusschen af in
+zijn geest. De kroegbaas zei:
+
+--"'t En zal vandaag niet ophouden met regenen, kameraad."
+
+--"Dat zou ik ook gelooven," antwoordde Johan Doxa.
+
+Een vochtig gevoel kwam over hem, en hij bestelde een tweede glaasje, en
+naderhand een derde. Dan, terwijl hij betaalde, zag hij moeder's
+zilverstuk plots op den toog liggen. Gedurende één oogenblik haatte hij
+het wisselgeld dat hij ervoor terug kreeg.
+
+Hij bedacht nu dat er in de Boterstraat meer fijne winkels waren en
+daalde langs de Steenpoort naar de middenstad. Een zwaarbeladen
+koolwagen rolde hem vóór. Bij elk geschok der trage wielen rolden
+stukjes glinsterend kool over de zwarte berden. Er viel ook een groote
+brok en Johan raapte haar op en bracht haar bij den voerman. De voerman
+had een ruigen rosten baard en stak zijne breede hand uit, bespannen als
+met een bruin-lederen vel. Toen struikelde het paard en stortte voorover
+op de steen en. De kar dook met hare lompe tremen die ze met een doften
+slag sloeg tegen den grond.
+
+--"Nondidju!" vloekte de voerman.
+
+Er was seffens een groote toeloop van menschen. Een man ging met zijn
+knie op den kop van het paard zitten. De riemen werden haastig ontgespt.
+Stemmen klonken dooreen. Een politieagent dreef het aanzwellende volk
+achteruit. Johan Doxa stond met het groote stuk kool in zijne armen.
+De politieagent riep in zijn verschrikt gelaat:
+
+--"Wilt ge, potverdomme, de kolen laten liggen, gauwdief!"
+
+Johan werd de prooi van eene geweldige aandoening; zijn last rolde over
+zijn buiksken aan zijn voeten en hij wilde vluchten. Hij week door de
+menigte heen. Hij voelde van allen kant oogen op hem gestoken en
+kinderen schreeuwden hem achterna. Hij kwam in een klein ledig straatje,
+gelijk een drenkeling een oever bereikt. Hij zat nu in een herberg zijn
+eigen te betasten en met langzame proefnemingen de zekerheid op te doen
+dat hij nog armen had en beenen en een hoofd. Zonderling grijnzend
+lachte hij de waardin tegen die, gelijk een afschuwelijk gevaarte, naar
+hem toe stapte.
+
+--"Dat zijn dingen, hee?" stamelde hij onnoozel.
+
+En daar de waardin, zonder begrijpen maar met zachte gedienstigheid,
+medelachte bestelde hij eene flesch geuze-lambik, en vroeg bang:
+
+--"Wilt ge ook meedrinken, als 't u belieft?"
+
+Ze wilde wel. Ze kreeg een kokette blos, die haar goed stond, en ze
+dronken samen. De waardin bekeek haar eigen in den spiegel, die recht
+over den toog hing, en schikte vluggelings de krulhaartjes op hare
+slapen. Ze had dikke armen.
+
+--"Ik geloof," zei Johan vriendelijk, "dat die regen van den heelen dag
+niet meer ophoudt."
+
+--"'t Zou wel kunnen," zei de waardin, "de barometer zakt."
+
+--"Ja, 't is ook 't seizoen," hernam Johan.
+
+De waardin reikte hem den tooghanddoek over en meesmuilde:
+
+--"Ge zijt een beetje vuil over uw voorhoofd."
+
+--"Ikke?"
+
+Hij was zoo vuil als iemand zijn kan, die voortdurig met twee koolzwarte
+handen in zijn beregend aangezicht heeft gewreven. Uit schaamte vroeg
+hij een tweede flesch geus. En ze dronken. En ze praatten over kleine,
+ledige zaken.
+
+Johan Doxa vertrok bij noenstond. Toen hij te midden van de Groote Markt
+stond, vroeg hij zich af wat hij hier kwam doen. Hij keek wonderlijk op
+naar de gulden gildehuizen. Den top van den stadhuistoren zag hij niet,
+die onder de natte miezeling in eendere grijze kleur verging. Hij duwde
+zijn hoed tot tegen zijne ooren en stelde vast dat hij honger had. In de
+nauwe Peper-en-Zoutstraat trof hij eene bescheiden gelegenheid en hij at
+er substantieel genoeg, schoon zonder gulzigheid, gelijk het hem docht
+dat aan een zondaar in pelgrimstocht betaamt.
+
+--"Thans," mijmerde hij binst de koffie, "bezit ik nog twee en twintig
+en een halve cent, en ik weet waarlijk niet wat ik ermee zal doen."
+
+En, voor hij naar het Klooster der Miniemenstraat toog, dronk hij ermee
+een grooten druppel cognac, want zijn moederken had hij, ik weet niet
+hoe, geheel en al vergeten.
+
+ * * * * *
+
+Hij vatte beslist de koperen schelknop. De luide bel weerklonk meer in
+het hart van Johan Doxa, dan in de wijdgalmende vestibule. De
+pater-poortier die eerst het spioenraampje had opengeschoven, opende nu
+ook de zware deur. Het Klooster gaapte in het aanschijn van Johan Doxa.
+
+--"Kan ik," vroeg hij met bleeke stem, "den eerwaarden pater Hilarius
+spreken? Ik zou gaarne eene retraite doen."
+
+De pater-poortier was, buiten Johan's verwachting, zoo minzaam als men
+zich denken kan dat ooit ter wereld een kloosterpoortier mag zijn. Hij
+had eene uiterst discreete houding en, ware 't niet dat zijn gelaat
+hoog-gezond opbloeide boven den zwarten baard, scheen uit loutere
+welgemanierdheid weg te schemeren in de schaduw van de poort. Het
+bloeiende gelaat echter glimlachte en twee fijne muis-oogjes daarin
+wenkten vriendelijk: "welkom ... welkom...."
+
+De zware deur, die achter Johan met een eiken klop dicht kwam, sloot
+meer dan het somber gebouw: het docht hem dat de gansche wereld nu voor
+altijd was gesloten. De pater-poortier ging voor en leidde Johan Doxa in
+eene kleine spreekkamer, die ineens vol blauwig licht was. Er stonden
+een paar nederige stoelen en aan een witgekalkten wand hing een groote
+Kruislieven-Heer. Daar liet men hem alleen, ruim drie kwartier-uurs. Hij
+draaide zijn natten hoed stille in zijne handen. Hij stond in een ring
+van regendroppen, die gelijk donkere starretjes rond hem waren gespreid.
+Er walmde een muffe salpetergeur.
+
+Pater Hilarius had een streng, doch niet weerbarstig uitzicht. Een
+grijze ronde baard, wat stoppelig, omkleurde een mat gelaat waar
+grauw-groene oogen als dood lagen en dat alleen--dan heel sterk--bezield
+werd door den vorm- en schaduw-rijkdom van een geweldigen arendneus.
+
+--"God zij met u," sprak pater Hilarius, "zijt gij Johan Doxa? Ik ben
+Hilarius."
+
+Johan keek onwillekeurig om. De stem scheen uit de muren te vallen. Hij
+zou er in elk geval een eed op gedaan hebben dat ze uit den roerloozen
+mond van pater Hilarius niet viel. Toen echter deze pater voortging met
+eene lange rede waarin de naam van Lieven Lazare, van Jesus, van den
+heiligen Franciscus beurtelings voorkwamen, heroverde Johan van
+lieverlede de kluts die hij kwijtgeraakt was. Hij besloot maar te
+berusten in het onvermijdelijke, liet zich gewillig bepreeken, knikte
+moedig de les toe waaruit hij geen ander nut zou trekken dan dat hij
+zich bereid voelde zelfs tot den dood.
+
+Pater Hilarius, nadat hij uitgesproken had, zei:
+
+--"Gij zijt dweilnat, dunkt me. Ge moet eten en u verwarmen. Volg me."
+
+Het was minder een gevoel van eerlijkheid dan de vrees voor wat hij hier
+te eten zou krijgen, die er Johan toebracht ineens den pater bij de
+harde mouw te pakken.
+
+--"Nee," deed hij angstig, "ik bid u, geen eten. Gij zijt al te goed."
+
+Hij kwam in eene ruime zaal. Er was een breede schouw met een lekker
+vuur.
+
+--"Zet u, en warm u," zei de pater. Johan zette zich en bleef daar weer
+nagenoeg drie kwartier-uurs alleen zitten. Hij werd heerlijk warm en
+zijne bolle kaken gloeiden. Het werd zoetekens avond en Johan zag een
+prachtigen zonsondergang in de laaie karbonkels van den open haard. Hij
+werd eindelijk zoo rustig als een onschuldig mensch.
+
+--"Pater Hilarius is vreeslijk mager," dacht hij op slot van rekening,
+"maar de pater-poortier is zoo vet als een das."
+
+Hij kon bijgevolg nogeens zijn eigen buikje zonder voorbarige
+benauwdheid in oogenschouw nemen en wachtte gelaten de gebeurtenissen
+af.
+
+ * * * * *
+
+De klok uit het torentje begon te kleppen. Pater Hilarius verscheen en
+noodigde Johan Doxa uit om mede in de Kapel lof te hooren. Johan heeft
+zich daar overdadig vermaakt.
+
+Niets ooit in zijn leven had hij gezien dat zoo mooi was als het kleine
+kerkje. Het kerkje was geheel omdaan met eene fluweelen donkerheid,
+waarin de bevende glanzing van fraaigeregelde kaarsenreken speelde en
+aarzelde en langs gouden diepten zwevend verging. Maar stilaan zag Johan
+in de zwaarpurperen schemering de dikke pilaars opklaren en ginder hooge
+wattige gewelven dragen. De muren begonnen zacht te glimmen. De outer
+werd zichtbaar en heerlijk. En alles, al wat hij zag, was met wondere
+polychromiën versierd. Het werd hem, hoe meer hij toekeek, zoo rijk en
+koninklijk dat zijn hart er week en gulzig bij aan het dansen ging.
+
+Dan, al rondom hem, herkende hij de ronde bruine ruggen van de
+capucienen. De orgel zette aan. De Kapel kwam vol met vleugeltjes van
+vogels.
+
+--"O God," bad Johan Doxa gevoelig, "ik zou willen een pater zijn!"
+
+Hij verachtte zijn baardelooze kin.
+
+Maar na den dienst werd hij, langs duistere gangen, in eene nauwe cel
+gebracht. Men hing een damping kaarslantaarntje aan zijne hand, en
+wanneer hij alleen was, voelde hij eene bittere triestigheid zijn
+gansche wezen overvallen. Waarom moest dat nu zoo gaan? Waarom moest hij
+verlaten wezen? Waarom hadden die menschen zulke kleine hokjes gemaakt?
+
+Hij ging op het ijzeren beddeken zitten en blies de kaarslantaren uit.
+
+ * * * * *
+
+Johan Doxa, neerliggend in den donkeren avond, volgde met luien geest
+een varenden snoer van gedachten.
+
+--"Ik geloof niet," mijmerde hij, "dat er voor mij in dees Klooster eene
+uitkomst is. Ik ben te zeer beladen met zonden. Van het drooge brood,
+dat men mij als een prop in de keel zal steken, spreek ik niet. Maar het
+pompwater? Wanneer ik zal tot op de pees uitgedroogd zijn, en wanneer ik
+zal bezig zijn mijne ribben te tellen, wat rest mij dan nog dan dood te
+gaan? Ik kan mij nauwelijks inbeelden dat Onze-Lieve-Heer zich meer wil
+erbarmen over een pannelikker dan over een smeerbuik. Maar Zijne
+inzichten zijn verborgen en ik ben inderdaad door en door slecht. Ik zal
+bidden om veel moed te krijgen, en God helpt niet waar men zijn eigen
+niet helpt. In deze gevangenis zal ik wel eene spinnekop vinden, en ik
+wil ze tam maken en haar allerhande kunstjes aanleeren. Het lieve dier
+zal mijne gevangenschap bekoren. Ik zal een aardig wagentje bouwen waar
+ik haar inspannen kan. Zij zal aan een fijne draad 's nachts komen
+hangen boven mijn aangezicht. Ik houd niet veel van muizen, anders zou
+'k gaarne ook een muisje dresseeren. De staart van eene muis is zoo vies
+dat ik er niet aan denken durf. Ze zullen mij waarschijnlijk groote
+latijnsche boeken geven om in te lezen. Roode en zwarte letters zijn
+mooie dingen, maar ik zal toch niet lezen in zulke boeken, vrees ik.
+Zullen ze ook een doodshoofd aan mijn voeteinde leggen? Er zijn twee
+dingen die ik, behalve een doodshoofd, voor mijne oogen niet verdragen
+kan: een zeisen en een zandlooper. Ik heb mijne pijp thuis gelaten. Dat
+is heel goed zoo, Johan. Die menschen weten van geen tabak te spreken.
+Altijd wierook, altijd wierook. Wanneer mijne retraite uit is, hoop ik
+dat Anatole mij weer eene van die dikke sigaren mag geven, gelijk de
+oude heeren smooren in de _Shop_. Maar ach! ach! ik zal nooit van mijn
+leven meer kunnen rooken!... Morgen komen ze met koorden aan en ik zal
+mij moeten kastijden ten bloede. Ze zullen azijn over mijn mond gieten.
+Ik zal blootsvoets naar de kerk gaan.... Wanneer heb ik den laatsten
+keer mijne voeten gewasschen?"
+
+Hij lag zeer rustig. Er zweefden nog twee drie lichte gedachtekens
+voorbij en hij fluisterde:
+
+--"Sakkerloot...."
+
+Toen sliep hij vast in.
+
+ * * * * *
+
+De Kloosterklok was bezig met volle geluid als Johan Doxa wakker schoot.
+De cel was vol licht, alsof daarbuiten een liefelijke Lente gebeurende
+was. En waarachtig: door 't kleine raam zag Johan een stuk hemel
+heerlijk-blauw, bespot met witte krullende wolkjes en overstraald met
+zonnegeweld. Hij ging op zijn bedde staan en keek uit langs het venster.
+Wat zag hij daar voor moois?...
+
+De binnentuin van 't Klooster lag vierkant tusschen de met mos en veil
+begroeide gevels te leven in prachtig kleurengedoe. Er was veel laag
+groen waar zes ronde perken tulpen bloeiden. Net geteekend en effen van
+verve, ringden er omme de safraangele kiezelpaadjes. Van uit Johan's
+venster, leek de tuin een vurige rozet, gelijk men er vindt op bonte
+ramen van kathedralen. Als een bruine mier kroop een pater-hovenier er
+over. Zijn rozige schedel was gepolijst.
+
+Toen werd Johan Doxa vervuld met eene eindelooze vreugde.
+
+--"Hee-la!" riep hij luid.
+
+Hij schrok bij den klank van zijne stem en trok zich schielijk terug.
+Daar zag hij een rosten capucien op de zuil van zijn celletje staan.
+
+--"Goeden morgen," zei de capucien minzaam, "ik ben de pater-hotelier."
+
+Van uit de hoogte waar hij zich geheven had, keek Johan Doxa hem aan,
+plotseling duizelig wordend. Langzaam hurkte hij op zijn bed neer, in de
+meening dat zulke trage inkrimping wellicht ongemerkt kon gebeuren en
+hem maken tot een fatsoenlijk mensch van normale grootte. De capucien
+stond goud-rost als een najaarsmiddag. Zijn kastanje-oogen blonken in
+een besproet gelaat dat weelderig was omhangen met een baard van duizend
+kurkvormige krullekens. Het was alsof een late zon schuin aanglom over
+heel dat harig hoofd, en over 't gele haar ook van zijne sterke handen.
+De capucien was dik en wel te pas.
+
+--"En wat zoudt gij nu willen eten?" vroeg hij.
+
+--"Willen eten?... Ha! willen eten, zegt gij...."
+
+--"Ik heb hesp en Zwitsersche kaas en goede boter en roommelk. De koffie
+is klaar. Maar ge kunt ook thee krijgen. Onze thee is niet al te best,
+moet ik zeggen."
+
+Daar de pater-hotelier glimlachte, lachte Johan Doxa mee. Hij lachte
+gedwongen, al peinzende: "dat is een geestige keukenbroeder, die aardige
+namen aan zijn pompwater geeft."
+
+--"Ik zal koffie gebruiken, en hesp of zoo...." zei hij gekscheerend.
+
+Maar hij viel niet omver van verbazing, toen, na de korte vroegmis, de
+heerlijke pater-hotelier hem voor een frisch-blanke tafeltje deed
+aanzitten, waar een soliede ontbijt was opgediend. Johan Doxa, moet ge
+weten, is nooit in zijn leven zoo verbaasd geweest dat hij ervan omver
+zou vallen.
+
+ * * * * *
+
+Na drie dagen besloot Johan Doxa de overtuiging te aanvaarden, dat een
+retraite bij de Franciscanen eigenlijk behoorde tot een der aangenaamste
+tijdkortingen van de wereld. Hij kon zonder moeite gehoorzamen aan de
+regels van den huize, volgde gewillig alle kapeldiensten, hanteerde
+zoetekens zijn dikken paternoster en bladerde devotelijk in zijn
+kerkboek. Dagelijks moest hij een apart en stichtelijk sermoontje hooren
+van pater Hilarius, en hij deed het zooals een zieke de siroopdrankjes
+van den doctor inneemt. Maar zijn groote vrienden waren de kale
+pater-hovenier en de haar-rijke pater-hotelier.
+
+Den pater-hovenier hielp hij de vele tulpen verzorgen in den zymetrieken
+tuin. Hij reekte en sproeide en weerde het kleine woekerkruid. Ze
+verstonden malkander goed, ofschoon de oude capucien geen woordje sprak
+en alles zwijgend te beduiden gaf met bevende gebaren van zijn
+voorzichtige hand. Te zamen versierden zij met klaterende bloemen de
+Lente die in den tuin van dag tot dag gulziger aan het leven ging.
+
+De pater-hotelier echter zat in het hart van Johan Doxa gelijk op een
+troon. Hij was ook de majordoom van zijne maag. Hij kon dingen bereiden
+die de herinnering aan de geuren van de _Curiosity Shop_ geheel
+uitvaagden. En hij had een wijnkelder. De retraite-verordeningen, zooals
+de pater-hotelier ze uitvoerde, waren zoet om dragen en indien
+God-de-Vader uit den hemel op Johan in dien tijd heeft neergezien, dan
+heeft hij moeten vaststellen dat deze boeteling zich gedwee aan al de
+gestrengheid der orde-geboden heeft kunnen onderwerpen. Een
+voortreffelijk berouw was blijkbaar het mystieke sieraad van zijne ziel,
+want het geweten van Johan Doxa was nu geleedelijk zoo rustig geworden,
+dat--om het met een stoffelijk beeld uit te drukken--zijne broek buiten
+alle verhouding te spannen begon.
+
+De zevenden dag besloot pater Hilarius zijn familiaire preek met een
+voorstel dat Johan in verrukking bracht. Hij sprak:
+
+--"Ieder moet den Heere loven naar zijne vermogens, mijn zoon. Even
+eerbiedwaardig als het statige lied van den nachtegaal, klinkt in zijne
+ooren de drooge roep van den krekel. Al wat ter eere van God opgaat in
+dank, behaagt Hem uitermate. Daarom dunkt mij, Johan, dat gij zoudt
+moeten denken aan het werk, waarmede gij Hem naar uwe beste krachten
+huldigen kunt. Ik meen bij voorbeeld--een schilderij...."
+
+De tranen schoten Johan in de oogen. Hij omhelsde den pater niet, omdat
+hij zelden iets deed, waartoe hij vast was besloten.
+
+ * * * * *
+
+Johan Doxa miek een schilderij. Het moest naar het aanvankelijk ontwerp,
+worden een beeld ten-voete-uit van den Heiligen Franciscus en het zou op
+den grooten outer van de Kloosterkapel prijken. Maar het werd een kleine
+Jesus, blond en rozig, gezeten op een kussen van weidebloempjes, de eene
+hand rustend op een blauwen wereldbol, de andere zegenend ten hooge
+geheven. Het hangt thans links in het kerkje, rechtover den preekstoel,
+als een ex-voto van blijvende schoonheid, voor alle tijden....
+
+ * * * * *
+
+Terwijl Johan Doxa bij een hoog raam aan het schilderen zat, kwam de
+pater-hotelier op geregelde uren met hem een praatje doen.
+
+Bij voorbeeld bracht hij hem een bruin-geboterd kipje en zei:
+
+--"De pater-hovenier is nu met jacynthen bezig. Ik houd in het geheel
+niet van hem, Johan."
+
+--"Ik hoop dat ge u vergist."
+
+--"Ik houd niet van wat hij is, wil ik zeggen. Hij is een
+vrijheidschender. Hij zet al de lieve bloemen in perken, gelijk men
+kinderkens in kerkers zou steken."
+
+--"Bloemen voelen dat niet. Zij bloeien maar...."
+
+--"Wie weet? Vogeltjes sluit men ook op, en zij zingen maar...."
+
+Johan liet zijne vork op den rug van het kipje rusten en keek verwonderd
+naar den pater. Hij dacht aan een vinkje dat hij overlang bezeten had en
+dat in zijn kooi was doodgegaan. Werktuigelijk zei hij:
+
+--"En een eekhoorn houdt men wel eens in een traliëntrommel gevangen, en
+hij danst maar...."
+
+Hij wendde zijn aangezicht naar 't open venster en blikte in het wijde
+azuur. En de pater vroeg:
+
+--"Hebt ge geen eetlust, beste Johan?" Neen, hij had geen eetlust. Hij
+hoorde verre geluiden over den hemel gaan. En het werd hem ineens zoo
+droef te moede, zoo droef te moede, zoo eindeloos droef te moede....
+
+ * * * * *
+
+Op een zondag-avond, na 't lof, lag Johan Doxa in zijne cel, op het
+nauwe ijzere bed. Het Klooster sliep. Johan lag met open oogen tusschen
+denken en niet denken. Was dat mijmeren? Was dat rusten? Voor de eerste
+maal sinds zijne aankomst bij de paters, lag hij zoo en glariede in de
+duisternis. Er kwamen geen beelden op, maar iets heel warms, gelijk eene
+onzichtbare pels, omdoezelde hem gansch. Zijne voeten en zijne handen
+gloeiden, en langzaam vergingen ze in donzigheid, en hij zou ze niet
+kunnen verroeren, want had hij nu nog handen en voeten? Hij voelde zijn
+eigen niet meer.
+
+Het vensterken was niet dicht. Hij hield hel open omdat, van af
+eergisteren al, een zwaluwenpaar hier rond vleugelde, een hoekje zoekend
+om hun nest te bouwen. En van heel wijd naderde hem een wolk van wattige
+gepeinzen, tot hij, buiten alle verwachting, werkelijk te denken begon.
+
+--"Van waar komen toch die zwaluwen, ieder jaar?"
+
+En de wolk dreef op, in langzame vaart. Ze zweefde over lage landouwen,
+over steden en dorpen, over wouden en stroomen, over bergen van groen en
+bergen van sneeuw, en dan daalde ze glijdend en voer over zee, de
+matelooze, ruischende zee.
+
+Plots ontlook in de stilte een verre muziek. Ze breidde zich uit en
+ontwikkelde allengerhand zeer hoorbaar hare blijde cadensen. Ze vulde
+weldra de lucht met zwellende klankondulatiën, en Johan kon eindelijk
+herkennen wat daar een fluit deed, een klarinet, een koperen hoorn, een
+brommende trombone, en al zulke plezante tuigen meer. Een trom klopte de
+rythmen. 't Werd kermis, kermis in de stad--kermis in de ledige ziel van
+Johan Doxa, die, met één schok, zijne handen weerkreeg, en zijne voeten.
+
+Hij zag nu, alsof hij er bij meehuppelde, den ommegang van de fanfare in
+Onze-Lieve-Vrouw-te-Rooje-wijk. Hij zag de kinderen dansen, hij snoof de
+vetwalmen der oliekoeken en den stikkenden rook der fakkels. Hij zag de
+ruiten der herbergen branden en flappende vlagen kleuren in den gloed.
+Hij zag de mannen en de vrouwen....
+
+Hij zag de vrouwen. God vergeve hem, hij zag ééne vrouw, eene met
+krullekens voor hare slapen en die, met bloote armen, twee schuimende
+pinten geuslambik bood.
+
+--"Wilt ge meedrinken, als 't u belieft?" vroeg Johan.
+
+En ze zei terwijl ze op hem afkwam met den tooghanddoek:
+
+--"Ge hebt u een beetje vuil gemaakt, geloof ik."
+
+Hare stem was wonderzoet. Nu naderde ze minzaam en lachte in zijn
+aangezicht. En Johan draaide zich gauw om in zijn bed, vatte wanhopig
+zijn hoofdkussen in beide armen, en pletterde daar zijn mond tegen, om
+'t huilen te smoren dat onweerstaanbaar uit zijn hart opjoeg.
+
+--"Moeder! Moeder! Moederken!..." kloeg hij.
+
+En dat duurde een heelen tijd zonder dat het baatte.
+
+Toen het schilderij af was, verklaarde Johan Doxa dat de retraite hem
+voor goed van al zijne slechtheid gezuiverd had en vroeg hij om zijne
+uiterste biecht te zeggen. Met één woord: hij wilde uit het klooster
+weg.
+
+Pater Hilarius hoorde de biecht, een mooien middag van April, even voor
+vespertijd. Johan ging met hem in de schoone Kapel, knielde voor den
+outer en verdween in het donkere hokje, waar hij, tegen een plank met
+gaatjes, woorden prevelde in het oor van zijn biechtvader. Dan moest hij
+onder het groote Kruis-Lieven-Heer gaan liggen en met zijn voorhoofd
+lang die koude vloertichels raken. Eindelijk hoorde hij de vespers
+zingen. 't Was uit. Hij nam afscheid van de Kloosterlingen, waaronder
+velen hem liefdelijk behandeld hadden. Hij nam met melancholische
+hartelijkheid afscheid van den ouden pater-hovenier, die hem drie
+zeldzame begoniabollen ten geschenke gaf. En zijn gemoed kwam nog even
+vol toen hij in de vestibule afscheid nam van den gulden pater-hotelier,
+die zijne zware handen op Johan's schouders legde. De pater-hotelier
+zei:
+
+--"Vaarwel, lieve vriend. Ik zal steeds u in mijne gebeden herdenken.
+Van menschen zooals gij, Johan, gewaagde Krist toen hij ergens de
+Pharizeërs toeriep: "Laat af, gij die schraapzuchtig zorgt voor den
+dag van morgen!" God, toen hij de Toekomst schiep, schiep ook de
+Voorzienigheid, en beide blijven in Zijne handen. Ga, Johan, onbekommerd
+uwen levensgang. God spijzigt de vogelkens van uur tot uur. Waarom zou
+Hij u niet spijzigen?"
+
+Hij drukte Johan in zijne armen en zegende hem....
+
+Daar stond met zijn zwarten baard en rozig gezicht, de goedige
+pater-poortier vergeefs zijn best te doen om in de schaduw van pater
+Hilarius te verdwijnen. Johan hoorde zonder ongeduld een laatste
+sermoen, een klein deur-sermoentje maar, vol liefelijke en lichte
+dingetjes, gelijk van een chirurgijn, die een patiënt op krukken
+doorzendt, waarvan hij een been of zoo heeft afgezaagd. Dan stopte pater
+Hilarius hem een papieren omslag in de hand en fluisterde,
+half-wegloopend:
+
+--"Van den prior ... voor het schilderij ... adieu! adieu!"
+
+De hooge poort schoof langzaam open. Een geweldige adem sloeg Johan
+tegen de borst. Hij wankelde. Hij had willen een glasje water drinken
+terstond, en hij besloot om een glasje water te vragen....
+
+Maar hij kon nooit iets doen, waartoe hij besloten was. Hij stikte. God!
+wat een ontzaglijke lucht hier!... De poort ging dicht. Johan Doxa stond
+buiten.
+
+ * * * * *
+
+--"Pouah! chéri, hoe ruikt ge zóó naar den wierook?" Twee heerlijk-zwarte
+marolle-meisjes zaten nevens Johan Doxa, aan weerskanten, op de nauwe
+bank van de friture-kroeg. Johan had kennis met haar gemaakt op de
+Hoogstraat, zoodra hij had ondervonden dat het paketje van den prior
+eene banknoot van honderd frank bevatte. Eigenlijk had hij met iedereen
+willen kennis maken. Althans lachte hij vriendelijk elken voorbijganger
+in het gelaat, en waartoe zou hij dat anders hebben gedaan? Maar deze
+twee hadden hem direkt tegengelonkt. Zijne minzaamheid verminderde er
+blijkbaar niet om, want seffens hingen zij aan zijne armen en vroegen
+schuldeloos:
+
+--"Tu paies rien, vetzakske?"
+
+Of hij niets wilde betalen? Wel lieven-adieu! hij had lust om de geheele
+wereld op te koopen!... Er werd besloten dat ze zouden mosselen eten en
+patates frites. En zij zaten nu in de friture-kroeg.
+
+--"Pff!" deed Johan Doxa, "ik weet niet eens wat wierook is."
+
+De andere maagd ging met haar klein wipneusje over zijne mouwen
+snuffelen.
+
+--"Neen," zei ze, "'t is eau de Cologne--ge hebt al-ze-leven in fijne
+gezelschap gedineerd."
+
+Hij pinkoogde geheimzinnig, als om te laten onderstellen dat hij nog
+veel erger had gedaan, en liet daarna fier zijne borst opzwellen.
+
+Als ze gegeten hadden, merkten de meisjes dat ze dorst kregen, Johan
+trok met haar naar het "Kapiteintje" waar ze geus dronken, en naderhand
+in den "Moriaan" waar hij trakteerde met krieken-lambic. Nauwelijks had
+hij daar de derde flesch besteld, of een troepje wallebakken kwam
+dansend binnengesprongen, vergezeld door een klein straatorkest--met
+name een harmonica, een piston en een triangel. Ze dansten feestelijk de
+herberg tweemaal rond en schaarden zich dan, rood van pret, bij den toog
+om schuimende streepkens faro te zuipen. Johan Doxa stond plots recht en
+riep:
+
+--"Een pint geus voor heel de Kompanie!"
+
+Het docht hem dat zijn gansch wezen openging. De woorden die hij
+geschreeuwd had bleven trillen door zijn lichaam, als op pezen van
+metaal. Hij viel neer op zijn stoel en zweette een beetje. De jonge
+paren keken om en naderden de tafel waar hij zat gelijk een, die,
+bedwelmd, zijne eigene troonplechtigheid bijwoont. Hij kreeg eene
+ovatie....
+
+Nu begon, van taveerne tot taveerne, eene processie die waarlijk niet te
+beschrijven is. De muziekanten stapten voorop. Dan, met de voornaamheid
+van een paasch-os, Johan Doxa, geflankeerd door de twee mooie
+marolle-deernen. Dan de woeling der uitgenoodigde menigte, die steeds
+aangroeide. Kinderen huppelden ommendom, de handen zwaaiend omhoog. In
+den beginne zong men allerhande liedjes, maar weldra, om zooveel lawaai
+mogelijk te maken, ging zich het repertorium beperken bij één en
+hetzelfde couplet, dat iedereen goed kon en dat onvermoeid weer en terug
+en altijd werd aangeheven:
+
+/*
+ En een dikke pens
+ En een snee van 't verken,
+ Boerenleven dat is plezant!
+ Boerenleven dat is plezant!
+*/
+
+Er geraakten diep-dronken menschen in het gezelschap. De piston, een
+blonde reus, had vrijwillig op zich de verantwoordelijkheid van het
+behoud der orde genomen, en meermaals was hij tot zijn leedwezen
+verplicht eenige muilperen uit te deelen. Johan bewonderde hem
+uitermate. Hij betaalde maar. Hij was gelukkig als een Koning. Het bloed
+klopte hem weldadig op de slapen. Zijne kinderlijke lippen stonden in
+den vorm van een glimlachend toeterken, alsof er zoo juist een melkzoete
+flep was uitgevallen. Zijne meisjes hingen aan zijne mouw en soms moest
+hij een kusje krijgen of een kittelig kneepje in de leen. De wereld
+ruischte alom op hooghemelsche maat:
+
+/*
+ En een dikke pens
+ En een snee van 't verken....
+*/
+
+De harmonica-speler was een bult. Hij dronk gelijk een Zwitser. Daar was
+een oud ventje met rooden neus. Die kwam gedurig tegen Johan's buik
+niezen. Hij dronk gelijk de bult. Allemaal dronken. Johan Doxa betaalde
+maar....
+
+--"Vooruit naar De Dikke Luis!" riep de piston.
+
+Weer 't zalige gedrang van lijven. Johan werd als opgenomen in de
+stuwing en meende te zweven en stapte plots met zijn stoet en zijne
+muziek op straat.
+
+--"Waar gaan we naartoe?" vroeg hij onnoozel aan het meisje links.
+
+--"Naar De Dikke Luis!"
+
+Het docht hem dat hij het zevende paradijs te gemoet ging. De heele boel
+was een wonder. Hij zong slapjes:
+
+/*
+ En een dikke pens....
+*/
+
+Er schoot hem iets te binnen en hij vertraagde zijn stap. Naar het lieve
+meisje links boog hij zich en dan voelde hij hoe zwaar zijn hoofd was
+geworden.
+
+--"Ik heb nog twintig frank" fluisterde hij haar in het oor.
+
+--"Hoeveel?"
+
+Hij taste in zijn broekzak en bracht zijne hand voor haar ten
+voorschijn. Een met koper benagelde kletsdop lag daarin, en een
+bankbriefje.
+
+--"Twintig," zei het meisje, "kom; 'k zal ik verder betalen--ge zijt
+zat."
+
+Wat een heerlijk leven was het in "De Dikke Luis", een gloeiende roze
+leven binnen een zachtblauwe tabakwolk! Het drieledig orkest speelde er
+de Brabaçonne. Het glanzende bier ging rond van hand tot hand. De breede
+baas stond te midden van kannen en glazen te tappen.
+
+--"Wat zoudt ge er van pein-einzen," vroeg de bult aan Johan tusschen
+twee hiksnokken.
+
+Johan Doxa lachte simpel. Zijne tong, docht hem, lag vast in een soort
+van elastieke meelpap. Hij peinsde niets. Weer riep de piston:
+
+--"Nu naar den Heeten Ketel!"
+
+De troep pakte zich saam, rumoerde op naar de deur. De harmonica begon
+te blazen en de triangel, week-bellend, sloeg.
+
+--"Halt!" schreeuwde de baas, "wie moet dat allemaal betalen."
+
+Johan Doxa keek lui om. Hij schudde zijn hoofd onder het schrikkelijke
+hoofd van den baas. Hij had willen uitleggen dat daar ergens een zwart
+meisje moest zijn, dat het geld bewaarde. Maar zoo'n meisje was er in
+huis niet meer. Had hij haar het geld inderdaad gegeven? Langzaam ging
+hij met zijn eigen daarover redeneeren. De piston sprong naar den baas
+toe. Een paar glazen vielen van den toog en dan....
+
+Johan Doxa werd links en rechts gestoten. Nu zat hij op een stoel. Nu
+zat hij op een tafel. Nu lag hij tegen den muur. Nu stond hij te
+waggelen overeind. Nu kwam iets hards en vlugs tegen zijn kop aanbonzen.
+Nu knielde hij. Nu werd hij van achteren opgestampt. En ineens beukte
+een zwarte masse aan op zijn voorhoofd.--Was tegelijk het licht
+uitgegaan?...
+
+Het licht was uit.
+
+In Johan Doxa was het licht uit. Daar kan niet aan getwijfeld worden.
+
+ * * * * *
+
+Door een vensterken met ijzeren staven drong de prille Lentedag, toen
+Johan Doxa zijne oogen openstak. Zijne oogen gingen op langs vochtige
+muren. Ze bleven daar staren op zonderlinge teekeningen en schrifturen.
+De klok van het Klooster klepte niet. Hij wilde iets vragen....
+
+O, hoe akelig was zijn mond! Zijne kaken stonden stijf. Een loome pijn
+hing in zijne leden. Hij keek naar zijne handen, zijne smerige handen,
+bemorst met bruin-gedroogde bloedvlekken. Zijn rechterknie stak bloot
+door een scheur van zijne broek. Zijn hoed lag bij de deur--een
+platgeblutste hoed met afgerukte randen.
+
+--"Het stinkt hier" dacht Johan. Hij kwam moeilijk recht. Zijne beenen
+waren als bevroren vodden. Hij begon stillekens over zijn hoed te
+strijken, met werktuiglijke zorgzaamheid.
+
+Toen rinkelde daarbuiten een bussel sleutels en iemand opende deze
+onbegrijpelijke cel. Het was een soort van politie-agent.
+
+--"Allee," sprak de ruwe deurwaarder, "krab op--ge moest u schamen."
+
+Geen de minste aandoening werd wakker in Johan Doxa. Hij liet zich
+geleiden. Hij mankte. Hij verliet de Amigo[1] zonder hoop en zonder
+wanhoop. Hij kwam thuis. Hij vond er zijn moederken. Hij hoorde zijn
+moederken zeggen:
+
+--"Ach mijn jongen! mijn lieve jongen! ach, wat hebben de paters toch
+met u gedaan!"
+
+Hij ging in een hoek zitten. Hij vertelde niets. En 's anderendaags ook
+vertelde hij niets. En nog dagen en dagen nadien bleef hij, en vertelde
+niets. Hij nam nooit het besluit iets van dat alles aan zijne moeder te
+vertellen.
+
+Maar wat zou het eigenlijk helpen, als hij nu daaromtrent een besluit
+genomen had?
+
+Niets.
+
+
+Noot:
+
+[1] Stedelijke gevangenis voor tijdelijke verbrekers der openbare orde.
+
+
+ * * * * *
+
+
+IV
+
+JOHAN DOXA
+
+DE SCHADUW
+
+
+Ik kon dien nacht geen oog dicht doen. 't Sloeg vier uur op ons
+Empireklokje, wanneer ik besloot het bed te verlaten, dat mij geen rust
+geven wou. Terwijl ik me aankleedde en daarbij het groene nachtlichtje
+had aangestoken, zette ik mijne morgenmelk op het kleine gasfornuis.
+Ik dronk ze zonder smaak en verlangde reeds om buiten te zijn, in de
+frischheid van den uchtend.
+
+Die frischheid was echter niet aangenaam, maar ik liep toch de vochtige
+straten door, gelijk ik meer placht te doen om mijne overspannen zenuwen
+te stillen.
+
+Ik wandel gaarne in den vroegen dag. De stad heeft telkens zoo ongewone,
+zoo uitzonderlijke uitzichten. Zij ontwaakt met schokjes. De blauwende
+donkerte laat de grijze gevels opklaren en verft de gladde eenzaamheid
+der macadamlanen en asphalten bolwerken. De lantaarnlichten weifelen,
+grauwen wittig uit de nevelen, werpen geen schaduwen meer. En het
+zeldzame menschengedoe gaat traag op, nooit veranderlijk, gebaren makend
+die een definitief teeken van den uchtend zijn.
+
+Ik loop meestal de lage stad om en verwijl dan het liefst rondom de
+Zuiderstatie. Het is daar schoon om zien, want schoon is het morgenlicht
+over de rookwolken der locomotievenhal. Het donkere gebouw is al vol
+bedrijf en voert de werkluibenden op het statieplein. Er gebeurt een
+gewoel van lijven, maar de lippen zijn zonder gerucht. De arbeid wenkt
+zwijgend zijne zwijgende slaven....
+
+Dien keer was ik zeer vroeg voor de hal aangekomen en ik slenterde
+onwillig, de hielen slepend. De nevellucht spande pijnlijk om mijn
+voorhoofd. Ik stond een paar ezelwagetjes na te gapen, die fluks opreden
+met nieuwe groenten, de stad binnen. Musschen sprongen in de dahlia-
+perkjes van het plein.
+
+Toen--juist terwijl ik nieuwsgierig de nog-belichte vensterruiten van
+eene burgerlijke taveerne bekeek--zag ik de glazendeur van die taveerne
+ruw openslaan en eene dikke vrouw, blijkbaar de bazin, den drempel
+oversnellen. Ze schreeuwde in angst:
+
+--"Polis! Polis!"
+
+En ze ijlde van hoek tot hoek, het plein langs, al harder krijtend,
+terwijl toch, naar gewoonte, nergens een politieagent zichtbaar was. Een
+heer verscheen in de herbergdeur, gaf rappe inlichtingen aan een bleeke
+schenkmeid, die schielijk de Fonsnylaan opliep. Ik was, op een drafje,
+naderbij gekomen. De heer keek me in het aangezicht en, ofschoon hij
+onder de zwarte randen van zijn galahoed zoo wit uitblekte als een
+doode, herkende ik in hem, niet zonder verwondering, mijn goeden vriend
+Menschaert, den toondichter.
+
+--"Wel, Antoon," zei ik stil, "wat gebeurt hier?"
+
+Hij hief zenuwachtig zijne schouders op. Zijn rechterhand teekende in de
+lucht vluggelings een halven cirkel--wat bij hem het gebaar was van een
+onzeggelijk ongeduld--en hij wenkte mij om binnen te komen.
+
+--"Ik vrees dat het hier erg toegaat," sprak hij dof.
+
+Inderdaad. Het schouwspel, dat ik in de taveerne te zien kreeg, was zoo
+schrikkelijk dat ik, op het eerste zicht, ademloos bleef van aandoening.
+Maar toen ik naderhand een stap nog waagde, werd mij plots het gaslicht
+een mist van groene dampen en voelde ik den klauw van een zonderling
+monster, dat, gelijk een nachtmerrie, mijne keel toenijpen kwam.
+
+Ik had, geloof ik, een korten gil geslaakt....
+
+ * * * * *
+
+Het was half-zeven, als ik met Menschaert die akelige herberg verliet.
+De eenige schikking, die nog moest genomen worden, had ik ter regeling
+aangewend en mijn vriend Antoon, welke waarlijk een allerbraafste jongen
+is, wilde niet dat ik al dat droeve alleen zou doen.
+
+Hij liep dus mee met mij, maar daar de boodschap geen haast vroeg
+--integendeel, goede God!--en daar wij beiden zeer vermoeid waren,
+besloten wij om maar eerst een kop koffie te gebruiken. In de kleine
+eetzaal van het _Hotel Espérance_ bestelden wij een klein ontbijt en
+Antoon, door mij hiertoe dringend aangespoord kon eindelijk breedvoerig
+vertellen hoe de tragische gebeurtenis ontstaan was.
+
+Hij deed het met dien eenvoud, welken ik zoo bewonder bij hem en die
+schijnbaar zoo zeer strijdt met de gewone daden van dezen uitstekenden
+kameraad. Antoon Menschaert is nog jong. Zijne ouders zijn boeren-heeren
+uit de Kempen en stellen het tamelijk goed. Hij zelf woont ergens bij de
+Beurs, alleen, naar hij zegt (ik vermoed echter dat die eenzaamheid
+"gedeeld" wordt, want, uit princiep, ontvangt hij nooit een vriend op
+zijne kamers....) Hij is orgelist in Sint-Niklaaskerk en werd onlangs
+als monitor aangesteld in het koninklijk conservatorium. De jongen
+vermaakt zich eeniger mate in den zin van wat jongelui in Brussel "zich
+vermaken" noemen. Nochtans is hij ernstig en zijn gevoel, dat ik bij
+meer dan één gelegenheid heb kunnen waardeeren, heeft schoone volten en
+een bestendig gewicht.
+
+Hij zat voor mij. Het opkomend daglicht klaarde over zijn sierlijk
+aangezicht, dat, thans wat roziger, toch mat-effen, zeer vermoeid boven
+zijn witte das en de zijden kraag van zijn smoking uitscheen. De koffie
+rookte lichtelijk op over de gouden randjes van het blauwe porseleinen
+koffie-servies. Wij aten bij poozen, gelaten.
+
+Antoon sprak:
+
+--"Ik heb gisteren middag het dineetje bijgewoond, waarmede mijnheer en
+mevrouw Zondervan maandelijks en telkens te vergeefs een vrijer
+probeeren aan te kleven voor hunne dochter Adelaïde, een stuk plank met
+een kop vol pretentie.... Kent gij de familie Zondervan?... Jammer! Dan
+kunt ge ook niet geheel inzien in welken staat van ellende mijne hersens
+waren gebracht, nadat zij een ganschen middag het leelijk sproetengelaat
+van juffrouw Adelaïde hadden aangegluurd en de zoetzappigheidjes van
+haar idioot gepraat hadden toegeknikt. Toen ik, omtrent negen uren, zeer
+buiten Adelaïde's verwachting, haar tafel en haar huis verliet, was ik
+een kapot stuk jongmensch, dat zich nog alleen herinnerde hoe slecht
+Zondervan's bourgogne was en hoe afschuwelijk zijne dochter. Ik snakte
+naar een glas gezond bier en vond het zonder moeite. In _Clarenbach_
+waar ik aangeland was, ontmoette ik bij mijn vierde pint Slokke, den
+beeldhouwer, Fritz d'Artois, die als stagiair bij advokaat Forst is
+aangenomen, administrateur Lemonnier en diens vriend mijnheer Van
+Dranem, welke mij werd voorgesteld. Deze heeren waren in vroolijk humeur
+en wij dronken samen eene brave hoeveelheid Munchnerbier, zoodat, door
+Slokke aangedreven, ik mijn eigen al even pleizierig als de overige
+bevond. Die Slokke is een verbazende kerel. Te middernacht volgden wij
+hem in _The Dominion Bar_, in de _Jeune France_ en eindelijk in dat
+verleidelijke ding van de Bisschopstraat, _The Old Curiosity Shop_,
+zooals gij wel weet. Overal was pret, muziek, drank en lieve dames. Ik
+zou op dat oogenblik geloof mij, juffrouw Adelaïde Zondervan nooit uit
+Mathusalem hebben herkend, aangenomen dat Mathusalem het vergelijk hadde
+verdragen. In _The Old Curiosity Shop_ vermaakte ons zeer een muziekaal
+neger-trio. Slokke had in _The Dominion_ een voor mij onbekend makker
+aangeklampt, een soort Tcheik, die alles danig lollig wist aan te
+brengen en waarlijk een onschatbare ontmoeting was voor jonge
+lichtmissen. Hij richtte o.a. met de drie negers een burleske vertooning
+in, welke bij de aanwezige dames en heeren een grooten bijval verwierf
+en, na eene omhaling van Slokke, voor den Schamelen Arme, zooals Slokke
+zei--hij bedoelde het Stedelijk Armbestuur--ruim twee honderd frank
+opbracht.
+
+"Ik was toen al tamelijk beschonken. Maar ik herinner mij zeer goed dat
+in een hoekje bij den toog een zonderling mensch zat toe te kijken. Het
+is noodig dat ik u vertel hoe hij zich voordeed. Het was--gij weet het
+natuurlijk--een dik, ingezonken man, een waarvan men gemeenlijk zegt dat
+hij "zonder ouderdom" is, maar zijn gelaat, dat klaarblijkelijk door een
+overdadig gebruik van ... laat ons zeggen "spiritualen" was ingevreten,
+had, ondanks zijne vervallen kleederdracht, ondanks de niet-vrome
+omgeving, ondanks alles, een zoo kinderlijk, och ja, een zoo
+"seraphische" uitdrukking dat het mij aandeed buiten mate. Hij keek toe.
+Hij keek engelachtig het zot bedrijf van den Tscheik en de drie negers
+toe. Hij lachte niet. Hij scheen ook niet bezorgd. De beruchte tapper
+van de _Shop_--Anatole heet hij, weet ge wel--bracht hem, zonder dat hij
+'t vroeg en zonder dat hij er in het minst voor dankte, tot viermaal een
+whisky-soda. Hij dronk niet gulzig, niet smakelijk ook. Hij dronk
+langzaam en eentoonig, en zijne gebaren waren lui als van een vet,
+eigenzinnig kind....
+
+"Hoe het kwam, weet ik niet. Men weet niet hoe alles gebeurt bij zulke
+partijen. Bovendien, ik beken 't voluit, de drank speelde en smokkelde
+in mijn hoofd. Zeker is het dat, rond twee uren, het korte mannetje
+zonder tegenspraak bij ons gezelschap hoorde. Ik zag dat hij naast
+mijnheer Van Dranem zat. Ik hoorde niet dat hij met mijnheer Van Dranem
+sprak. Ik hoorde dat mijnheer Van Dranem hem had aangelijmd en, in het
+algemeen gewoel, eene astrologische rede voorhield, welke het geduldig
+ventje met brave knikjes scheen goed te keuren. Mijnheer Van Dranem
+bestelde dan telkens versche pinten, deed vriendelijk met zijn
+zonderlingen gebuur bescheid en maakte hem alzoo bijna tot elkendeens
+kameraad. Och! men verbroedert zoo licht in die warme nachtkroegen! Geen
+van ons dacht er aan den kerel naar zijn naam te vragen. Dat hij geen
+booswicht was stond op zijn cherubsgelaat te lezen, en wat konnen wij al
+meer eischen? Hij dronk voortreffelijk. Hij deed ons, drinkebroers, eer
+aan....
+
+"We verlieten de _Curiosity Shop_ al te zaam. De goedige dikkerd volgde.
+In de _American Bar_ zat hij aan onze tafel. Wanneer een van ons hem
+onder 't praten toekeek, knikte hij seffens gewillig tegen. Hij
+beantwoordde alleman's teug. Dronk ik, hij dronk. Dronk daarop
+Lemonnier, hij nam een slokje uit beleefdheid. Dronk dan de
+geheeldronken d'Artois, hij insgelijks, om goede manieren te toonen,
+dronk maar.... Kortom, hij was de hoofsche goedkeuring zelve.
+
+"Zeg eens, Herman, hebt ge al niet opgemerkt dat, als ge zoo op randool
+zijt, er altijd iemand medefeest, zwijgend en ingetogen. Het is een
+stille bijlooper. Hij laat nooit zijn glas ledig staan. Hij spreekt
+nooit iemand tegen. Hij betaalt nooit wat. Hij is nooit hinderlijk. Laat
+iemand zijn pijp, zijn regenscherm, zijn zakdoek vallen, hij is 't, die
+hem opraapt. Hij is bij iedereen en bij geen van allen. Hij is een
+verdraagzaam toezicht en zal het opmerken, als de baas, vertrouwend op
+de dronkenschap der kompanie, iemand wat ongangbare munt wil in de hand
+stoppen. Hij is 't ook, Herman, die de aandringende bloemenverkoopster
+met een blozend lachje toefluisterd: "Ga maar uw gang, vrouwtje, die
+kerels zijn zat en koopen niet!" En, luister wel, niemand kent hem. Hij
+is de schaduw van ons allen, en wij eischen niets van hem. Hij lijkt op
+iets dat ons natuurlijk en onverweerbaar toebehoort....
+
+"Alzoo was die man. In de _American Bar_ ontstond er ruzie met een paar
+roekelooze studenten. Ik zag goed hoe hij onderwijl vredig zijne pijp
+stopte en ze in volle herrie kalmpjes aanstak. Ik zag het, omdat de pijp
+zelf mij trof--een wondere pijp, geheel met kleur-ornamenten beladen,
+zoo miniatuur-fijn als nog nimmer mij verfversiersels onder de oogen
+kwamen. Onderaan den breeden pijpbuik kon ik, na eenige aarzeling het
+woord "Julia" lezen. Het verbaasde mij zeer. Brandde in dat zeldzame
+dikzaklijf waarlijk de vereering voor eene geliefde vrouw? Zoo zeer nam
+mij dit denkbeeld in beslag, dat ik dadelijk den zachten vetpot over
+zijne identiteit wilde aanspreken. Ik geloof dat de toenemende twist mij
+in dit voornemen storen kwam, want tot eene bepaalde opheldering kwam
+het niet. Eene verdere gelegenheid werd mij niet meer aangeboden en de
+kerel bleef stillekens, rookend en drinkend, bij ons....
+
+"Aldus voortzakkend geraakten wij in groepje op het Statieplein. Wij
+hadden na de sluiting van de _American_ nergens een herbergzaam huis
+gevonden en waren, eerst druk-pratend, dan moe-zwijgend, de Henegouwlaan
+opgekomen. Slokke beweerde dat het Statieplein ons op een voornaam
+fleschje geus of iets dergelijks kans kon bieden. Wij volgden Slokke
+gedwee. De nacht was koud, miezelig, doordringend-vochtig. Wij
+slenterden door, stil voorover gebukt, bijna zonder moed. Slokke zong
+luidop een lied, waarvan ik me niets meer herinner, en d'Artois, achter
+hem, spande nuttelooze pogingen in om het hem na te burrelen. Lemonnier,
+lang en stokkestijf, beende akelig over het trottoir. Van Dranem, die
+naar ik vermoed, daags te voren zeer onvoorzichtig den inhoud van een
+sterrekundig standaardwerk had ingezwolgen, besproeide mij met den
+hutsepot van zijne astrologische indigestie. De laatste van allen,
+kortstappend en kort-blazend, kwam de ronde man, onze zoete schaduw
+aangedrild. Ik hoorde hem. Hij had het geluid van een haastigen hinker.
+Maar hij hinkte wezenlijk niet: naar ik thans vermoed, ontbrak de hak
+aan een zijner schoenen, die daardoor als een slofje neerwreef op de
+steenen....
+
+"Slokke bracht ons in die taveerne van het Statieplein....
+
+"Hier moest het drama gebeuren. Wij gingen aan de grootste tafel zitten
+en bestelden koffie. De bazin, een onaangenaam wijf, deed opmerken dat
+de herberg slechts bij toeval open was gebleven, dat zij geen tijd had
+om koffie te zetten en maar hoopte dat de heeren gauw zouden oprukken.
+Fritz d'Artois stond bij dezen onvriendelijken uitval recht en
+overdonderde de zure waardin met de gekste aller redevoeringen. Aan de
+inschikkelijkheid van eene oolijke schenkmeid hadden wij een kop koffie
+en het einde van d'Artois' pleidooi te danken. Deze schenkmeid, die wel
+inzag dat men Slokke en zijne kameraden nooit anders dan met
+aanminnigheid zou de deur uitkrijgen, verwaardigde zich haar eigen bij
+ons aan te sluiten, waar zij van Lemonnier verkreeg dat hij haar, bij
+wijze van "slaapmutsje", op een fine-champagne trakteerde.
+
+"Kijk nu, Herman, goed hoe wij zaten. Ik zat op de bank, links had ik
+Van Dranem, stapelvol met troebele wijsbegeerte, rechts d'Artois, en
+naast dezen het rookende mysterieventje. Rechtover mij zat Slokke, links
+had hij Lemonnier en rechts de diplomatische herbergdeerne. Wij praatten
+in den beginne vrij onharmonisch ondereen, tot op een vraag van de
+schenkmeid het gesprek eene bepaalde richting inliep. De meid had
+vernomen dat Fritz advokaat was en ze wilde hem gaarne, zeide ze, iets
+vragen. Fritz die, met Dranem, de zatste van den hoop was geworden, vond
+waarschijnlijk dat de schenkmeid hem veel eer aandeed. Althans bereidde
+hij zich tot een uitbundig consult en stelde zijne prille ervaring
+"geheel" (dit met een prachtig oratorisch gebaar) tot hare beschikking.
+"A-wel voila!" sprak de meid, "ik ben getrouwd met een man die te dom is
+om voor den duivel te dansen--van 's morgens tot 's avonds maak ik ruzie
+met hem, want hij is te vadsig om een woord te zeggen,--hij zou mij
+bestelen, als hij maar kon, mijnheer, bestelen om in de herberg te
+zitten, hij wint geen gebenedijden stuiver en ik vraag mij af hoe hij
+het aan boord legt om 's nachts geregeld dronken thuis te komen,--d'r en
+is geen leven mee te houden, dat zeg ik u,--'k ben 't beu den luiaard in
+te mesten, en, met permissie gezegd, mijnheer, 'k zou willen
+divorceeren!" Zij begon in 't kort en in 't lang ons den toestand van
+haar huishouden voor oogen te leggen, en daarop overgoot d'Artois haar
+met zijne orakels. Hij onderzocht het pro en het contra, nam de gekste
+houdingen aan en waande zich aan de vermetelste verklaringen, brak het
+huwelijk om "te besluiten" en lijmde de stukken weer aaneen om met
+nieuwe pracht van woorden te kunnen herbeginnen.... Kortom hij spande
+daar de onmenschelijkste zaag. Slokke kreeg, naar hij mij vertrouwbaar
+toemummelde, een papmond. Lemonnier was op de beide vuisten in slaap
+gedonderd en Mijnheer Van Dranem, die over heel 't gedoe geen star meer
+herkende, was in de diepste mijmeringen verzonken....
+
+"Ik, scheef-achterover tegen den bankrug geleund, keek strak den dikken
+bijlooper aan. Hij zat kalm en zoetjes te rooken, onveranderlijk. Daar
+d'Artois recht stond en voortdurig over de tafel waggelde al preekend,
+kon ik gemakkelijk onzen anoniemen vriend naloeren. Ik beken het u: ik
+deed het uit verveling, want ik was wezenlijk te vermoeid om in mij
+belangstelling voor 't zij eender wat te wekken. Ik belonkte hem strak,
+al rustend. Hij rookte, scheen oplettend naar d'Artois en de schenkmeid
+te luisteren, dampte zachtjes. Zijn bol aangezicht tuurde, over de
+hoofden, naar iets dat, docht mij, misschien op den muur, boven den
+toog, was aangeplakt. Al scherper blikte hij alzoo ... tot, almeteen,
+zijn pijp, die geen vuur meer hield, dood stak in zijn mond, die juist
+niet meer trekken wilde.
+
+"Hij bleef een lange poos zonder roeren.
+
+"Toen, zonder haast, vatte hij de pijp, wond ze in zijn rooden neusdoek,
+borg ze--gelijk hij ze voorzeker placht te bergen--voorzichtig in zijn
+binnenzak ... en ... toen, Herman ... ja, toen ... ik word er niet wijs
+uit jongen ... het is zeker dat ik zeer, zeer moe was. Het gebeurde als
+in een droom, waarbij ik machteloos moest blijven ... begrijpt ge?
+
+"De arme dompelaar, nadat hij de pijp geborgen had, trok langzaam zijne
+hand weer uit den zak. Die hand--wat vatte ze zoo struisch daar? Ik
+zweer u, Herman; ik zag het, ik zag het, zonder te weten dat ik 't zag....
+Die hand, met het zwarte ding, hief de goede dikkerd tot onder zijne
+kin. En hij opende vredig zijn mond, wijd, wijd, tot het mij met
+verbazing sloeg. En toen, Herman, gebeurde het. Het schot brak los, hard
+en geweldig ... en de hand viel neder op de tafel, rilde daareven en
+omsloot, meen ik, het dampende tuig dichter....
+
+"Ha, jongen 't was er een herrie! Iedereen, zelfs de slapende Lemonnier,
+stond recht. Die gemeene bazin gilde oneerbiedig. En hij, de sukkel, zat
+op de bank, had niet geroerd. Hij glimlachte precies. Maar, achter hem,
+was de muur met bloed bespat en iets leekte daar, een witte kwabbel,
+traag, van zwaarte...."
+
+Antoon zweeg. En ik herzag de leelijke taveerne, en hoe ik er
+binnenliep, en hoe ik den doode zitten zag, en hoe ik, met een neep in
+het hart en een kreet van heel mijn wezen, Johan Doxa herkende, den
+zachten doolaar.
+
+Ik heb zijne lauwe hand in de mijne genomen. Ik heb ze waarlijk
+gestreeld, alsof hij 't nog voelen kon. Ik heb hem op de bank
+nedergeleid. En ik heb zijne groote oogen toegedaan, die zoo verre
+keken, verder dan den muur, Antoon, verder dan den muur of den toog,
+mijn goede Antoon....
+
+ * * * * *
+
+De heete koffie had ons opgeknapt, maar we vertrokken beladen met iets
+als een groot pak. Niet haastig drilden we de Lage Stad af. We drumden
+langs de gevels der huizen en beletten niets van het aanzwellend
+dagbedrijf. We liepen verstrooid over de pletsende dweilen van gebogen
+dienstmeisjes, die zich oprechtten dan, gestoord in den kuisch, en ons
+wat toesnauwden van op de drempels.
+
+Ik was zeer bekommerd en luisterde nauwelijks naar het stil, afgebroken
+gepraat van Menschaert. Ik begon 't mij alreeds te beklagen dat ik deze
+laatste boodschap had aangenomen. Seffens verhief echter mijn geweten
+zijn rechte stem boven 't gehakkel van mijn angst en ik stapte vaster
+door, overtuigd, gelijk ik was, dat niemand het droeve nieuws met meer
+teedere en aandachtige zorgen zou brengen dan ik het, met mijn
+liefderijk medelijden, zou doen.
+
+We kwamen in de Zes-Penningenstraat, die reeds vol was met
+uchtendgeluiden. Magere honden liepen er snuffelend rond de vuilbakken.
+Een stoelenbiezer zette aan zijn uitgerokken roep, die wijd-jammerde
+onder de vensters. Een fruitwijf stiet haar rammelend karretje. Boven
+op een hoog huis vlekte een bleeke zon.
+
+Het donkere winkeltje was open, de grauw-groene luiken ontsloten, de
+gebroken drempzuil bloot. Ik kende die zuil goed. Hoe dikwijls liep haar
+lustig over, jaren geleden, toen Johan Doxa met zijn ekster, zijn sijsje
+en zijn eekhoorn het rare zolderkamertje bewoonde!
+
+Juist--maar hoe kommervol thans!--wilde ik de goede zuil betreden, als
+daar in een zoeten lach de groetende moeder Doxa stond.
+
+--"Wel mijn jongen," zei ze frisch, (ze droeg een jakje en een versch
+schort en ze was waarlijk, het oud wijveken, frisch als de morgen zelf)
+"wel mijn jongen, wat zijt gij vroeg te been!"
+
+Ik geloof dat ik daarop iets vrij onverstaanbaars uitbracht, want moeder
+Doxa keek me dadelijk vreemd aan. Moeders hebben wondere voorgevoelens.
+De lach op haar gelaat verdween. Zij zei nog:
+
+--"Komt ge mij opzoeken?"
+
+Ze drukte wonderbaar op het woord "mij".
+
+Ik knikte traag, verlegen. En wij traden het speelgoedwinkeltje binnen,
+dat geheel het uitzicht van vroeger had bewaard. Daar gloeide eenderlijk
+de roode tichelvloer en donkerde massaal de vierkante toog onder het
+noesche vensterlicht. Vluggelings zag ik in hunne verscheiden bakjes de
+lekstokken, muntebollen, vlierhopjes, ovenbeesten, stampers, kletskoppen,
+amandelkoekjes en kramelleu. Achteraan, tegen den muur, in schemerklaarte,
+hingen de poesjenellen, de poppen, de reepen, de blikken muziektoppen,
+de zweepen met fluitjes, de zakken met glazen marbels, al het diverse
+speelgoed, dat bontig opkleurde en rammelde door mekaar.
+
+En moeder Doxa, dienstvaardig, ging, gelijk naar gewoonte, het trapje op
+achter den toog. Eene zonderlinge aarzeling bibberde in haren blik. Ze
+beproefde een nieuwen glimlach.
+
+--"A-zoo! mijn jongen," sprak ze, "wat is er tot uwen dienst?"
+
+Ik bleef nog een tijdje zwijgen. Antoon scheen over de smuitsterbakjes
+eene zorgvuldige keus te doen. Ik schudde treurig het hoofd en vatte
+moedig aan:
+
+--"Nu moedertje, wij brengen geen goed nieuws.... Het spijt me zoo!..."
+
+Ze sprak niet. Hare oogen werden scherper. De stilte die in het winkeltje
+kwam spoken was wezenlijk onverdraaglijk. Ik herinner me (hoe bijtend
+zijn de indrukken soms!) dat, op dit oogenblik, een scheerslijper al
+roepend voorbij trok. Ik zei:
+
+--"Verschrik niet uitermate, moedertje. Zeker, het leven is heel zoet om
+leven. Maar wat helpt het, als wij zelf meedoen om ons leed te vergrooten,
+als wij ons zelf den dood op het lijf jagen?... D'ris toch niets aan te
+veranderen, moedertje Doxa...."
+
+Ze was bleek, ineens doodelijk bleek. En de kleine glimlach, die niet
+weg wilde, werd een grijns van smart. Ze hakkelde:
+
+--"Ja maar, ja maar...."
+
+Alsof ze zich aan de waarheid wou vastklampen, en een bange logen
+daarmede kon verweeren die schrikkelijk op haar afkwam. God, Gij weet
+hoe vurig ik toen wenschte dat het inderdaad een logen mocht zijn!
+
+Ik besloot die pijn te verkorten. Ik hernam, diep ademhalend:
+
+--"Uw zoon moedertje ... uw zoon Johan...."
+
+Ze deed stil:
+
+-"Hâ-â!"
+
+Heel stil. En ze sloot langzaam hare oogen. Ze zonk achterover, in de
+rokjes van poppen, tegen den muur. En nog verliet die akelige glimlach
+hare lippen niet.... Antoon Menschaert was toegesneld. Ze voelde zijne
+armen om haar, roerde haar mond.
+
+--"Wacht", lispelde ze zoetjes, "wacht, als 't u belieft ... och!
+och!..."
+
+Toen stak ze hard en wijd-open hare oogen en keek ernstig toe.
+
+--"Watte?" vroeg ze, "wat zegt ge daar?"
+
+En ik, geheel verslagen en 't harte bijna ingestampt:
+
+--"Uw zoon, moedertje", antwoordde ik, "hij is niet wel ... hij is zoo
+schielijk.... God is wreed, moedertje, maar wij moeten in hem berusten,
+dat weet ge toch niet waar?"
+
+Ze stiet Antoon plots van zich af. Ze riep:
+
+--"Wat is er met Johan gebeurd? Wat is er met Johan gebeurd?"
+
+Ze was vreeslijk. Ik dacht dat ik het nu met een woord zeggen moest
+en--de Hemel vergeve 't mij--ik zei het met een woord.
+
+Dat woord, ze had het werkelijk zien aankomen. Ze week als het dichtbij
+was. Ze kreeg het vlak tegen hare oude borst.... Nu zakte ze thoope,
+gelijk een klein, nietig pakje, in Menschaert's handen. Ze was opeens
+schijnbaar als een pluimpje zoo licht.
+
+Nog sprak ik, de schoon-versierde pijp uitreikend naar heur:
+
+--"Zie, moedertje, hier is zijne pijp. Ik heb ze uit zijn zak genomen
+opdat gij ze bewaren zoudt, als een aandenken...."
+
+Ze keek de pijp aan. Ze vatte de pijp met beide handen.... Dan was 't
+alsof ze insliep, zonder een traan, zonder een zuchtje, verre van ons.
+
+ * * * * *
+
+Antoon Menschaert is nu een beroemd componist geworden, wat onze
+vriendschap niet het minst heeft verlauwd. En daar hij nog steeds op
+kamers "alleen" woont en ongaarne iemand bij hem ontvangt (ik verdenk
+hem niet, hoor!) komt hij al dikwijls een avondje doorpraten in
+Linkebeek, waar ik sinds enkele jaren verblijf. Wij zabberen en rooken
+dat het een aard heeft.
+
+--"Zeg eens," zegt hij vaak, "ik zal u gaarne een zilveren aschbakje
+schenken, indien ge dees ellendige doos weggooien wil."
+
+Ik bekijk dan de hoog-ronde doos, die ik ons eigen steeds voorzet als we
+sigaren opsteken. Het is een geblutst tomatendoosje, dat inderdaad
+miserabel aandoet in de overige meubeleering.
+
+--"Kom! Kom! ik zal dat leelijke ding wel eens de straat opwerpen ...
+doch, wanneer? wanneer?... Er zijn kleine, domme daden, waartoe men maar
+niet besluiten kan."
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK JOHAN DOXA ***
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions will
+be renamed.
+
+Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
+law means that no one owns a United States copyright in these works,
+so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
+United States without permission and without paying copyright
+royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
+of this license, apply to copying and distributing Project
+Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
+concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
+and may not be used if you charge for an eBook, except by following
+the terms of the trademark license, including paying royalties for use
+of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
+copies of this eBook, complying with the trademark license is very
+easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
+of derivative works, reports, performances and research. Project
+Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
+do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
+by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
+license, especially commercial redistribution.
+
+START: FULL LICENSE
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
+Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
+www.gutenberg.org/license.
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
+Gutenberg-tm electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or
+destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
+possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
+Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
+by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
+person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
+1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
+agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
+electronic works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
+Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
+of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
+works in the collection are in the public domain in the United
+States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
+United States and you are located in the United States, we do not
+claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
+displaying or creating derivative works based on the work as long as
+all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
+that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
+free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
+works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
+Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
+comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
+same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
+you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
+in a constant state of change. If you are outside the United States,
+check the laws of your country in addition to the terms of this
+agreement before downloading, copying, displaying, performing,
+distributing or creating derivative works based on this work or any
+other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
+representations concerning the copyright status of any work in any
+country other than the United States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
+immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
+prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
+on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
+phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
+performed, viewed, copied or distributed:
+
+ This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
+ most other parts of the world at no cost and with almost no
+ restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
+ under the terms of the Project Gutenberg License included with this
+ eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
+ United States, you will have to check the laws of the country where
+ you are located before using this eBook.
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
+derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
+contain a notice indicating that it is posted with permission of the
+copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
+the United States without paying any fees or charges. If you are
+redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
+Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
+either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
+obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
+trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
+additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
+will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
+posted with the permission of the copyright holder found at the
+beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
+any word processing or hypertext form. However, if you provide access
+to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
+other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
+version posted on the official Project Gutenberg-tm website
+(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
+to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
+of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
+Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
+full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
+provided that:
+
+* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
+ to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
+ agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
+ Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
+ within 60 days following each date on which you prepare (or are
+ legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
+ payments should be clearly marked as such and sent to the Project
+ Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
+ Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
+ Literary Archive Foundation."
+
+* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or destroy all
+ copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
+ all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
+ works.
+
+* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
+ any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
+ receipt of the work.
+
+* You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
+Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
+are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
+from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
+the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
+forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
+Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
+electronic works, and the medium on which they may be stored, may
+contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
+or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
+intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
+other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
+cannot be read by your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium
+with your written explanation. The person or entity that provided you
+with the defective work may elect to provide a replacement copy in
+lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
+or entity providing it to you may choose to give you a second
+opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
+the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
+without further opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
+OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
+LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of
+damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
+violates the law of the state applicable to this agreement, the
+agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
+limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
+unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
+remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
+accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
+production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
+electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
+including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
+the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
+or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
+additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
+Defect you cause.
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of
+computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
+exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
+from people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
+generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
+Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
+www.gutenberg.org
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
+U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
+Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
+to date contact information can be found at the Foundation's website
+and official page at www.gutenberg.org/contact
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
+widespread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
+DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
+state visit www.gutenberg.org/donate
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations. To
+donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
+Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
+freely shared with anyone. For forty years, he produced and
+distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
+volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
+the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
+necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
+edition.
+
+Most people start at our website which has the main PG search
+facility: www.gutenberg.org
+
+This website includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
diff --git a/16841-0.zip b/16841-0.zip
new file mode 100644
index 0000000..f6eb66b
--- /dev/null
+++ b/16841-0.zip
Binary files differ
diff --git a/16841-h.zip b/16841-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..d06a380
--- /dev/null
+++ b/16841-h.zip
Binary files differ
diff --git a/16841-h/16841-h.htm b/16841-h/16841-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..c959da1
--- /dev/null
+++ b/16841-h/16841-h.htm
@@ -0,0 +1,3336 @@
+<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN"
+"http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd">
+<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="nl" lang="nl">
+<head>
+<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=utf-8" />
+<meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" />
+<title>The Project Gutenberg eBook of Johan Doxa, by Herman Teirlinck</title>
+
+<style type="text/css">
+
+ p { margin-top: .75em;
+ text-align: justify;
+ margin-bottom: .75em;
+ }
+ h1,h2,h3,h4,h5,h6 {
+ text-align: center; /* all headings centered */
+ clear: both;
+ }
+ h1,h2 { color: #800000; }
+ h3 { margin-bottom: 2em; }
+ hr { width: 33%;
+ margin-top: 2em;
+ margin-bottom: 2em;
+ margin-left: auto;
+ margin-right: auto;
+ clear: both;
+ }
+
+ table {margin-left: auto; margin-right: auto;}
+
+ body{margin-left: 10%;
+ margin-right: 10%;
+ }
+
+ .linenum {position: absolute; top: auto; left: 4%;} /* poetry number */
+ .blockquot{margin-left: 5%; margin-right: 10%;}
+ .pagenum {position: absolute; left: 92%; font-size: smaller; text-align: right;} /* page numbers */
+ .sidenote {width: 20%; padding-bottom: .5em; padding-top: .5em;
+ padding-left: .5em; padding-right: .5em; margin-left: 1em;
+ float: right; clear: right; margin-top: 1em;
+ font-size: smaller; background: #eeeeee; border: dashed 1px;}
+
+ .bb {border-bottom: solid 2px;}
+ .bl {border-left: solid 2px;}
+ .bt {border-top: solid 2px;}
+ .br {border-right: solid 2px;}
+ .bbox {border: solid 2px;}
+
+ .center {text-align: center;}
+ .smcap {font-variant: small-caps;}
+ .u {text-decoration: underline;}
+
+ .caption {font-weight: bold;}
+
+ .figcenter {margin: auto; text-align: center;}
+
+ .figleft {float: left; clear: left; margin-left: 0; margin-bottom: 1em; margin-top:
+ 1em; margin-right: 1em; padding: 0; text-align: center;}
+
+ .figright {float: right; clear: right; margin-left: 1em; margin-bottom: 1em;
+ margin-top: 1em; margin-right: 0; padding: 0; text-align: center;}
+
+ .footnotes {border: dashed 1px;}
+ .footnote {margin-left: 10%; margin-right: 10%; font-size: 0.9em;}
+ .footnote .label {position: absolute; right: 84%; text-align: right;}
+ .fnanchor {vertical-align: super; font-size: .8em; text-decoration: none;}
+
+ .poem {margin-left:10%; margin-right:10%; text-align: left;}
+ .poem br {display: none;}
+ .poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;}
+ .poem span.i0 {display: block; margin-left: 0em;}
+ .poem span.i2 {display: block; margin-left: 2em;}
+ .poem span.i4 {display: block; margin-left: 4em;}
+
+a:link {color:blue; text-decoration:none}
+a:visited {color:blue; text-decoration:none}
+a:hover {color:red}
+
+ </style>
+ </head>
+<body>
+
+<div style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of Johan Doxa, by Herman Teirlinck</div>
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
+most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
+whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
+of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
+at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
+are not located in the United States, you will have to check the laws of the
+country where you are located before using this eBook.
+</div>
+<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: Johan Doxa<br />
+  Vier herinneringen aan een Brabantschen Gothieker</div>
+<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Herman Teirlinck</div>
+<div style='display:block; margin:1em 0'>Release Date: October 9, 2005 [eBook #16841]<br />
+[Most recently updated: June 11, 2022]</div>
+<div style='display:block; margin:1em 0'>Language: Dutch</div>
+<div style='display:block; margin:1em 0'>Character set encoding: UTF-8</div>
+<div style='display:block; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Produced by: Marc D’Hooghe</div>
+<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK JOHAN DOXA ***</div>
+
+<p>
+<a href='#I'>I GETROUWD</a><br />
+<a href='#II'>II LICHTMIS</a><br />
+<a href='#III'>III DE BOETVAARDIGE</a><br />
+<a href='#IV'>IV DE SCHADUW</a><br />
+</p>
+
+<h1>JOHAN DOXA</h1>
+
+<h3>VIER HERINNERINGEN AAN EEN BRABANTSCHEN GOTHIEKER</h3>
+
+<h3>door</h3>
+
+<h2>HERMAN TEIRLINCK</h2>
+
+
+<h3>1917</h3>
+
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+
+<h2><a name="I" id="I"></a>I</h2>
+
+<h2>JOHAN DOXA</h2>
+
+<h3>GETROUWD</h3>
+
+
+<p>Johan Doxa, de vader, verkocht speelgoed in de Zespenningstraat, een
+grijze wijk van nauwe steegjes, midden in de Lage Stad. Hij had er een
+smal winkeltje met een gebroken drempelzuil, een vunzigen gang en een
+groen-houten hekje, waarop, tenden een buigzaam veerijzer, een
+waarschuwende bel vastgehecht was. Het winkeltje was grauw, haast donker.
+De roode tichelvloer gloeide langzaam op uit de halve donkerte, maar de
+vierkante toog somberde, gelijk een harde, massale schaduw, vlak onder
+het venster, dat met zijne menige uitstalling, de dagklaarte buiten
+hield. Die toog droeg een verscheiden weelde van lekkernijen,
+muntebollen, lekstokken, stampers, ovenbeesten, kramellen, kletskoppen
+en amandelbrood. Al dat bonte gesnoeper lag er, in blikken kistjes
+nevenseen, elk met zijn eigen kleur en zijn verschillige hoopen. Achter
+de toog en langs den muur, tot bijkans tegen de zoldering, hing het
+speelgoed, de reepen, de poesjenellen, de poppen, de ballen in wollen
+netten, de zilveren muziektoppen, de zweepen met fluitjes, en zoo al
+meer.</p>
+
+<p>Johan Doxa, de vader, was een groote struische kerel. Hij zat 's morgens
+in zijn winkeltje, achter den toog. Hij sliep er meerendeels. Zijn stoel
+was laag, breed, verzacht met een platte sargie, die er vierdubbel tot
+op de leuning over gevouwd lag. Johan Doxa zat gemeenlijk met zijn beide
+handen gekruisd op zijn buik, zijn kin op zijne borst en zijn klipmuts
+op zijne oogen. Zijn kop stak even boven den toog uit, maar duisterde
+weg in de onduidelijke lucht van het winkeltje. Als een kind het hek
+openstiet, rinkelde de bronzen bek en Johan Doxa verroerde. Zijne handen
+bleven gekruisd en stille, maar, met eene eigenaardige fronsing van zijn
+voorhoofd, schoof hij rijzekens zijn muts achteruit, keek naar het
+deurtje, beloerde vijandig den jongen, die drummend naderkwam.</p>
+
+<p>De oude heer Doxa liet, in den namiddag, het beheer van de zaak over aan
+zijne vrouw Isabella, welke een ijverig mensch was en het huishouden er
+heerlijk doorhielp. In den namiddag ging hij toeren om de stad. Hij deed
+met pleizier eene wandeling langs de Henegouwlaan, de Beurs, de
+Anspachlaan, wrong zich zwaar en lui door de krioeling van menschen en
+rijtuigen en trok op naar de Hooge Stad. Zijn liefste uitstapje kuierde
+de Steenpoort omhoog en de grauwe wijk van het Gerechtshof binnen. Daar
+liggen, door mekaar, een geharrewar van smalle straatjes en huist eene
+ruchtige bevolking. De oude heer Doxa slenterde, er rond, keek met
+belangstelling naar de, politieagenten, de hondendieven, de
+haringventers en de citroenwijven, luisterde aan de open deuren van
+kroegen en danszalen, naar de versleten deuntjes van een blazenden
+draaiorgel of de schokkende springwijzen van een grollend speelboek. Dan
+liep hij de Visitandienenstraat omlaag en kwam lanterfanten in de
+Priemstraat. Hier placht hij zich aan eene zonderlinge praktijk over te
+geven. Hij, volgde de bierwagens die, ten dienste van de talrijke
+herbergen, voorbijreden en had permissie om, bij het opladen van ledige
+tonnen, het roes ervan om te klinken en op te vangen in een zinken
+ansjovisdoosje, dat hij, tot dit bijzonder gebruik, altijd in zijn
+binnenzak steken had.</p>
+
+<p>'s Avonds, na den eten, begaf hij zich in den Koning van Spanje, dronk
+er met een paar geburen een half dozijn glazen faro, bestelde een
+slaapmutsje in den Bloemenhof en kwam laat thuis. Hij vond geregeld en
+eenderlijk liggen in het laag bed, tegen den glimmenden kalkmuur van het
+lauwe slaapkamertje, het dikke, opbultend lijf van zijne vrouw Isabella
+die niet roerde bij zijne lompe inkomst, maar eens zuchtte, schijnbaar
+in haar slaap, als om zich van een vies droombeeld te ontlasten, dat
+juist op haar miserabel hoofd wegen kwam.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>De oude heer Doxa had een zoon, genoemd Johan. Van dezen is het dat ik
+in het bijzonder verhalen wil.</p>
+
+<p>Hij werd geboren in de Zes-penningenstraat, binst dat zijn vader,
+omtrent de Kapellewijk de dansende klutsen uit de tonnen klonk. Hij was
+grootgebracht tusschen het grijze speelgoed en werd een jongen van
+zeldzaam uitzicht met, als hoofdteeken van karakter, de luiheid van zijn
+vader en het zoete geduld zijner moeder. Op school, waar men hem, om hem
+kwijt te zijn, heen zond, was hij dadelijk den zondenbok van allen; de
+stooten welke grillige vuisten, bijna onachtzaam, uitwierpen, ploften
+pletsig in zijne vette rompe, en de muilperen, die, als bij toeval, uit
+onzichtbare fruitboomen neervielen kwamen wonderlijk op zijne bolle
+kaken openklakken. Bij eene zoo overdadige behandeling, bleef Johan Doxa
+verdraagzaam-glimlachend toekijken, en niets scheen de schoone zaligheid
+te kunnen storen, die geheel zijn wezen vervulde en hem toeliet, in alle
+omstandigheden, een pak slaag als een dankbaar almoes te aanvaarden.</p>
+
+<p>Op vijftienjarigen leeftijd liet hij zijn blond kroezelhaar lang-groeien
+en deed aan zijne moeder zijn voornemen kennen om naar de Academie ter
+leering te gaan. Dit werd hem toegestaan, deels omdat vrouw Doxa voor
+niets in de wereld haar zoon zou hebben willen te keer gaan, deels ook
+omdat de oude heer Doxa, na een wandellingetje in de Pieremanstraat,
+verklaard had dat het hem niet schelen kon.</p>
+
+<p>En Johan Doxa werd een artist-schilder.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Johan Doxa bewoonde, in het vaderlijk huis, een luchtige zolderkamer,
+waar hij teekende, schilderde, at en sliep. Hij zat er sinds hij de
+Academie verlaten had&mdash;hij was nu een en twintig jaren oud&mdash;gansche
+dagen in de eenige gezelschap van een ekster, een sijsje en een
+eekhoorn. De vierkante kooi, waar joepte en zong het teer-groene sijsje,
+hing aan een kram van het dakvenster. Zoodra de zon boven de stad vol
+mistige daken opduiken kwam en tegen de schuinsche ruiten glinsterend te
+tokkelen begon, wipte het sijsje op de bovenste sport en kwetterde een
+jubel-getjirrel, dat geheel de kamer met een frisch pleizier vervulde.
+De ekster liep in vrijheid tallenkante rond, pootelde ruchtig over het
+houten plankier, sprong op den schoorsteen en droeg van links naar
+anderzijds de penseelen, welke ze te pakken kreeg. Gemeenlijk zat ze te
+midden van het kleine tafeltje, vast op den rand van een dikbuikigen,
+diepblauwen tabakspot. Daar bleef ze soms uren zitten, stil-lonkend en
+bijna roerloos, haar kop ten halve tusschen hare schouders gedrongen en
+haar pootjes in twee&euml;n gevouwd, zeer rustig. De eekhoorn scheer-beende
+maar in een draaiende tralietrommel, die op een plankje stond, boven het
+hoofdeinde van het ijzeren bed.</p>
+
+<p>Hier werkte Johan Doxa. Hij schilderde portretten, beelden van Heiligen
+en kleine Kruiswegen. Hij likte en overlikte zijne tafereelen, raakte
+haast het doek met zijn neus en beijverde zich, in overmatige
+geduldigheid, om een krulhaartje op een kin te planten en een wimper op
+een ooglid. Hij bukte over het werk, streek langzaam de uitgezochte
+verven, bedekte met glanzende vernissen de gladde bontigheid. Zijn ronde
+kop, zijn kroezelende haarbos, blond-goud onder het spelend daglicht,
+lag, alsof het rustte, onbewegelijk over het effen-glimmende schilderij.</p>
+
+<p>Als hij verpoosde voor een tijdje, ging hij tegen het bed leunen of
+strekte er zich lang uit, rookte, traag dampend, volgde met luie blikken
+de opgaande en uitwaaiende tabakwolken en snoof wellustig den sterken
+reuk ervan op. Hij dacht aan niets. Hij keek soms heel lang naar het
+draaiend eekhoorntje, of voelde, zijwaarts, de blinkende oogen van de
+ekster, die loerend, op den blauwen buik van den tabakspot oolijk te
+muizenissen zat. Wanneer het avond werd had hij een heerlijk gevoel van
+zelf-verdwijnen. 't Was dan alsof, met de uiterste deemstering, het huis
+en de wereld zouden in nevelen vergaan. Zijne ronde blauwe
+cherubijnoogen blonken zonderling in de donkerheid en zijne handen lagen
+als twee witte vlekjes op het duistere violet van de bedmatras.</p>
+
+<p>Na den dood van zijn vader, die in het hospitaal aan eene kortstondige
+leverziekte stierf, veranderde Johan Doxa haast niets aan dat peiselijke
+zolderleven. Alleen zou hij af en toe wat uitloopen en menschen zien.
+Hij nam dit voornemen op den raad van zijne moeder, die met leedwezen
+hem in vergetelheid eene jeugd zag bederven, die zoo nuttig aan zoo
+kostbare zaken had kunnen besteed worden. Ze had gaarne haar zoon zien
+genieten van het weinige dat de Voorzienigheid hem op zijn weg had
+geleid en ze gaf hem, met eene schijnbare onverschilligheid, te verstaan
+dat de stad vol was met behaaglijke meisjes en dat er wel &eacute;&eacute;n ten minste
+in den hoop te vinden was, aan wie hij zijne versche jonkheid toetsen
+kon. Johan Doxa bloosde en glimlachte. Het vijffrankstuk, dat moeder hem
+in de hand stopte, plakte in zijn vette palm en teekende er, met zijne
+harde randen, een cirkel van gewicht. Hij liep den kapotten drempel
+over, hoorde, nog de bel bingelen, gesmoord in de dufheid van het
+binnenhuisje, en drilde langs de Lage Stad om. Hij leek, in deze
+slentertochten, wel zeer op zijn vader-zaliger, haperde aan elken winkel
+en luisterde naar elk gerucht. Zijn grootst genot was bezijden de platte
+kaaien. Hij staarde half-hangend op de ijzeren leuning, naar het donkere
+water, waar het licht van den dag onrustig over al schervelend ging. Hij
+bespiedde de doening der vaartmannen op de groene booten, volgde den
+rytmischen gang der koollossers, kon, tot het gansch donkerde, blijven
+turen naar 't gewiegel van een dobberend papiertje.</p>
+
+<p>Het was binst deze wandelingen dat hij die twee vreemde mannen
+ontmoette, welke na korten tijd zijne vrienden werden. Zij waren allebei
+ouder dan hij. Hij deed hunne vriendschap op in de zelfde week. De eene
+was een letterkundige en katholieke pamflet-schrijver, die zich als een
+vurig werktuig van God aanzag. Hij heette Lieven Lazare. De andere was
+een bleeke lang-opgeschoten kerel, met diepe doode oogen, een breede
+hand en sproeten op zijne vingeren. Hij was tapper in de <i>Old Curiosity
+Shop</i>, een nachtkroeg naar de mode. Zijn eenige naam was Anatole. Lieven
+Lazare was een groot, breed man, hooggeschouderd, met ronden kalen kop
+waar een stekelige snor haast een klein-bolle neusje wegvlekte. In zijne
+schriften, die eene onbetwistbare literaire waarde droegen, schold hij
+met ongemeene woestheid allen uit, die &quot;op hun gladde harten de berrie
+torschen van het Gulden Kalf&quot; en, in het bijzonder, de priesters en
+prelaten. Zijn werk &quot;Ploerten&quot; was een kostelijk autobiografisch
+verhaal, waarin hij zijn kristelijke liefde en, als met geweldige
+geuten, zijn schrikkelijke haat uitstortte. Hij sprak er van Johan Doxa,
+gelijk van een &quot;uitverkoren wezen, hetwelk uit de vroomheid van
+gothische tijden onbeholpen te midden van de tartende ketterij der
+encyclopedisten gesmeten werd.&quot; Anatole was een tegenovergesteld wezen.
+Hij had een oolijk aangezicht, vol met de uitdrukking van dubbelzinnige
+schuchterheid en onkuische bedoelingen. Hij zong zeer mooi en kende een
+aantal allerliefste liedjes, welke hij, op de viool en de cither, deed
+begeleiden door zijne vrienden Biebuyck en Donkerwolck. Met deze twee
+kwam hij, des Zondags, Johan Doxa op zijne zolderkamer gezelschap
+houden. Zijn aardige stem kwinkeleerde tegen de pannen-bedekking, en de
+snaardoozen tjokkelden sierlijk de maat. 's Avonds was hij tapper. Hij
+vertelde zoo lekker van het diverse spektakel in de <i>Shop</i>, en zijne
+twee vrienden, die daar in een klein concert meerendeels werkzaam waren,
+bevestigden met knikken en ooggeknip zijne heerlijke verhalen.</p>
+
+<p>Van Anatole hield Johan Doxa zeer. Lieven Lazare vreesde hij duchtig,
+maar had hem meer innig, meer van binnen en uitermate lief.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Op een middag kuierde Johan Doxa langs de Papenvest. Hij was zeer
+droevig want het groene sijsje had hij 's ochtends dood gevonden. Hij
+drumde tegen de muren en zag langzaam de vierkante straatsteenen onder
+zijne voeten wegslieren achterwaarts. De stad was blauw en luchtig. Eene
+zilveren Junizon blikkerde op de huisgevels, danste tegen de ruiten,
+poeierde in de klare ruimte trillend uiteen. Hij dacht weer:</p>
+
+<p>&quot;Het groene sijsje is kapot!&quot;</p>
+
+<p>Het zeurde aldoor in zijne hersens en hij luisterde binstwijl naar de
+duidelijke herinnering aan het licht-tikkende vogelgezang. Om hem
+zilverde de zingende zon, maar grijs en zwaar nevelde zijn treurende
+gedachte: het zou er nu mee uit zijn, het groene sijsje is kapot....</p>
+
+<p>Zoo kwam hij in de Papenvest. Op den drempel van een oud huis stond eene
+vrouw. Zij was groot en blozend en hare huid schoot op uit haren rooden
+halsdoek, gelijk eene klaarte vol zoetigheid. Ze lachte stille. Ze
+lachte stille, stille. Johan Doxa slenterde voort. Het docht hem ineens
+dat eene ongekende lustigheid zijn hart kwam vervullen met al de weelde
+van een geheimzinnig gevoel. Hij wilde wel zijn hoofd omdraaien, en het
+oude huis herzien, en den drempel, en dat wondere beeld van vleesch....
+Hij slenterde maar, keek niet achterwaarts, strompelde scheef-beenend
+over de ongelijke kasseide, en aldus gebeurde het dat hij smoorlijk werd
+verliefd.</p>
+
+<p>Hij stiet het groene hekje open, zoodat de bel ommentweer snokte en
+leelijk door den gang lawaaide. Hij klauterde ongemanierd langs de
+steile trap, ademde haastig, pletste met zijne warme vingeren op de
+vochtige trapleuning. Hij geraakte in zijne lage zolderkamer, bleef
+dwaas in het deurgat staan en staarde, met nuchtere verwondering naar de
+zwarte ekster, die aardig op den rand van den blauwen tabakspot te
+glari&euml;n zat. Zij roerde haren kop niet als hij hard-stappend binnentrad.
+Zij bleef rechtuit blikken met hare zwart-gulden vliemige oogjes, heel
+bedaard, alsof ze zeggen wou: &quot;Daar hebt ge 't nu! Heb ik het al lang
+niet voorspeld?&quot;</p>
+
+<p>Johan Doxa zette zich neer op zijn plat-bedekt bed en kruiste zijne
+handen over zijne knie&euml;n saam. Het eekhoorntje draaide in zijn roerenden
+tralietrommel en stak zijn staart kaarsrecht omhoog. Op de tafel lag
+eene schoone nieuwe pijp in bleek palmenhout. Het was een geschenk van
+moeder. Johan zou de steel sierlijk bekerven en opkleuren met roode
+witte en groene streepjes en ze omranden met fijne blauwe cirkels. Nu
+bekeek hij van verre de pijp en hij dacht aan de blanke keel die zoo
+rijkelijk boven de scharlaken doek-verve oprankte....</p>
+
+<p>De zon pletste door het dakvenster en speelde langs de koperen snaren
+van de ledige vogelkooi. Er trilde door de lucht een zilveren
+herinnering aan het groene sijsje, en tot den dikken avond zat Johan
+Doxa, rechtover de dubbende ekster, te dubben eenderlijk.</p>
+
+<p>Daags nadien kwam Anatole met Biebuyck en Donkerwolck, zijn zwijgende
+vrienden, een bezoek brengen. Zooals naar gewoonte werden wat flesschen
+lambik opgehaald en moest Anatole eene rei liedekens zingen. Dit deed
+hij, terwijl Johan Doxa zeer aandachtig den bleeken steel van de nieuwe
+pijp met allerlei ornamenten overteekende. Hij zong op uitstekende wijs
+de oude deuntjes van den <i>Reus</i>, van den <i>Koekoek</i>, van het <i>Ros
+Beiaard</i>, van <i>Mijn moeder gaat naar Halle</i>, en van den <i>Uil</i>. De
+anderen begeleidden keurig, de cither tokkelde de springende zangmaat in
+rythmische brokjes en de viool vergezelde in accoord den gang van
+Anatole's buigzame stem. Het was een lieve nanoen, en er werd gedronken.</p>
+
+<p>Maar Johan Doxa zat, onder het volle vensterlicht, laag gebogen over de
+teerheid van zijn brooze versieringen, en hij keek niet op, en het was
+alsof hij afwezig was. Anatole lachte met hem, vroeg of hij verliefd was
+geworden, klopte vertrouwelijk op zijne schouders. Hij vertelde dan van
+de gebeurtenissen in de <i>Curiosity Shop</i>, van de mooie Roy-Dour die zich
+tegen den toog had ontkleed om een merk te toonen, dat ze op de
+linkerheup droeg. Hij vertelde met korte zinnetjes, hief met gepaste
+woorden, kort en rap, de pittigheid van een voorval op, en liet, na
+elken raken zet, op zijn wit aangezicht het dubbele barreel van zijne
+tanden blikkeren. Biebuyck stak zijn kin vooruit en Donkerwolck
+pinkoogde. De cither en de viool rondden hunne bruin-glimmende buiken op
+een stoel, naast het doode kacheltje.</p>
+
+<p>Maar Johan Doxa roerde noch en ruchtte. Toen vertrokken de drie
+kameraden en ze gingen sloffend en strompelend de steile trap af. Het
+groene hekje hoorde Johan Doxa rinkelen. Het huis werd stil. Hij lei de
+bleeke pijp op zijde, schoof achteruit, staarde lang opwaarts en zijne
+oogen begonnen te pikken, te sterren, te nevelen. Hij zuchtte. De ekster
+rok traag hare vleugels uit, lengde haren hals, huiverde over geheel
+haar lijf, en zette zich weer rustig en thoope, met gevouwen pootjes, op
+den pot, die blauw en bollig te blinken zat. Het werd haar alsof ze
+zeggen zou:</p>
+
+<p>&quot;Mijn arme Johan, wat moet er van u geworden?&quot;</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Het oude huis op de Papenvest was eene herberg. Dagelijks ging er nu
+Johan Doxa. Hij bestelde een half-en-half en bleef zitten, rechtover de
+deur, tot eens de vrouw, die als een groote onrust over zijne ziel woei,
+daar zou voorbijgaan. Ze woonde op de eerste verdieping. Ze heette
+Julia. Ze was, een dik jaar geleden, getrouwd met een treinwachter, die,
+tien dagen na zijn huwelijk, in een spoorweg ongeval was omgekomen. Ze
+leefde alleen en naaide. Als Johan in de herberg zat, zag hij ze vaak
+omloopen in de gang. Ze lachte luid of zong. Ze had eene klare golvende
+stem, die door gansch het lichaam van Johan sidderde en er een ongemak
+veroorzaakte, dat het bloed naar zijne slapen joeg. Hij dierf haar niet
+aan te spreken, maar zijne vingeren beefden en zijn adem zwol. Het docht
+hem dat hij zou gaan licht worden als een vlam en opspringen tegelijk en
+ijlen naar de dartele deerne die, boven de vurige kleur van haar
+borstdoek, hare klinkende keel opklaren liet.</p>
+
+<p>Telkens kwam hij moedeloos, uitgeput en zonder hoop weer thuis. Moeder
+Doxa, van tusschen de arlekijnen en het suikergoed, daar achter den
+duisteren toog, merkte iedermaal zijn treurend uitzicht. Ze
+vermeerderde, gelijk zij kon, het bedrag van zijn zakgeld, en knikte hem
+heimelijk toe, hem oolijke stootjes gevend en nafluisterend van de
+blonde dingetjes, die er allentwege omliepen in liefelijke gretigheid.
+Hij glimlachte zachtekens mede en voelde den dwazen blos uitgloeien, als
+pioenen, op zijne heete wangen.</p>
+
+<p>Het liefst zat hij op zijn kamertje. Hij werkte er aan de
+miniatuurversiering van de palmhouten pijp. Hij schilderde er laaie
+harten, en doornen, en rozen, en, in schoonverluchte letters, den naam
+van Julia. Dagen lag hij over dat buitengewoon bedrijf gebogen, en hij
+verrijkte het telkens met nieuwe kleurverwikkelingen.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Eens ontving hij een kaartje van een heer, die hem wat dringends te
+vertellen had en hem verzocht om bij hem, als mogelijk, aan te loopen.
+Johan Doxa herlas driemaal te reke het adres, en begon daarna het zweet
+weg te vagen, dat in zijn haar kittelde en op zijn voorhoofd te perelen
+stond. De heer woonde op de Papenvest, in het oude huis, eerste
+verdieping.</p>
+
+<p>Te valavond begaf zich Johan Doxa toch op weg. Wel beefde hij en
+wankelde haast terwijl hij de piepende trap opging. Hij stond v&oacute;&oacute;r de
+deur en wilde zich nu eerst eens goed bedenken. Hij bedacht zich eens
+goed, zuchtte en besloot maar weer de trap af te dalen. Toen juist
+sprong het slot en in de vrije klaarte stond daar de weelderige Julia.
+Ze groette hem bij zijn naam en bad hem om binnen te komen.</p>
+
+<p>Hij ging. Het werd zeer warm en de lucht woog, stikkend heet. De kamer
+was zindelijk en helder van kleur. Een vierkante kachel puntte zijn
+glimmende koperknoppen onder de schaduwkap van den schoorsteen. De tafel
+was bedekt met een oranje ammelaken, groen-bespikkeld en hard. Tegen den
+muur stond het breede bed, de sargie half-omgeplooid en het witte
+hoofdkussen bloot in het midden. Johan Doxa zag dit alles tegelijk, in
+een waterig zicht van vloeiende dingen. Hij zag Julia. Hij zag haar
+roode doek, haar blanke boezem, haar natten mond, hare oogen,&mdash;beweeglijken
+gloed....</p>
+
+<p>Hij zette zich. Ze sprak van het kaartje&mdash;dat het een onschuldige
+leugen was, dat zij wel wist dat hij op haar persoonlijk aandringen niet
+komen zou, dat zij het overigens nooit had durven schrijven op haar
+eigen naam, dat zij nu van hem verlangde dat hij haar portret zou
+schilderen. Ze sprak meesmuilend en vleiend, vingerde verlegen over haar
+borstdoek, ontsloot het onwetens, en lachte, lachte. Ze wipte dan op,
+bloosde minzaam en zette eene flesch met zoete likeur op tafel. Ze vulde
+de kleine glazekens. Haar lichaam bukte voorover, heel dicht aan bij
+Johan, die de buigzame elegantie van haar leen bijna onder de hand te
+bewonderen kreeg. Ze draaide rond hem, raakte met haar zwaaiende rokken
+zijne knie&euml;n, welke hij met wanhopige beleefdheid probeerde onder de
+stoelsporten te steken. Ze dwong hem te drinken. Hij dronk een half
+slokje en slikte verkeerd. Ze knikte hem toe, ze wachtte....</p>
+
+<p>Daar kwam eene stilte. De stilte druppelde tikkend uit de kast van een
+eiken horloge. Julia had hare beenen overeen gekruist en toetste met het
+tipje van haar wiegend voetje nijdig en matelijk de losse broekpijp van
+Johan Doxa. Johan Doxa zweeg in extase. Toen sprak ze, met een zucht
+opnieuw, van het portret, en Johan Doxa, terwijl hij zijne blonde
+krullen schudde op zijn nek, en eene toenemende zekerheid den blik van
+zijne blauwe cherubijnoogen vastzette in zijn rond-vette aangezicht, zei
+nu, al wuivend met zijne korte armen ... eigenlijk zei hij nog in het
+geheel niets, maar hij wist wat hij zeggen moest en wuifde met zijn
+korte armen. Hij zou zeggen:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Berust hierover op mij, Mevrouw. Ik zal uw portret maken, al moest
+het mij, twintig jaren lang, een dagelijkschen arbeid kosten. Het zal
+mijn meesterwerk zijn, Mevrouw. Ge zult op het doek in de verf zitten,
+zooals in een spiegel. Aan ijver zal het mij niet ontbreken, want uw
+beeld verlaat nooit mijne eenzame gedachten en gij zijt de godinne die
+oprijst, gelijk een dag vol zonnegoud, over mijn onwaardig hart. Vergeef
+me, als ik te lang misbruik maak van uwe gastvrijheid, Mevrouw, maar ik
+wenschte u te zeggen wat het beduiden wil, een hart dat bewoond is door
+een zondige liefde. Liefde, ik heb het uitgesproken. Wees niet boos. Ik
+zal u algauw van mijne rampzalige tegenwoordigheid bevrijden. O! Gij
+zijt te wel opgevoed om mij de deur uit te gooien. Ik begrijp u,
+Mevrouw. Ik dank u, Mevrouw. Voor mij niet, alsjeblief, nee, dank u wel,
+geen drank meer. Met mij hier langer op te houden, keurt gij eene
+vermetelheid goed die zich over haar zelve schaamt. Ha! Ik ken mijne
+plichten! Ik zal uw portret maken, Mevrouw, tot het uiterste haartje.
+Vrees niet. Wat de betaling betreft, kijk er niet naar om, bid ik u. We
+zullen dat wel regelen, later, met maandelijksche afkortingen, bij
+voorbeeld. Goeden avond.&quot;</p>
+
+<p>Alzoo in zijn binnenste redevoerend was hij opgestaan. Gelijk vlammen
+schoten al de woorden door zijn geest voorbij. Dan wilde hij ze
+weerhouden, ze op zijn tong brengen, ze vrij in klanken loslaten. Maar
+ze waren weg. Een pak lood zat hem in den mond, iets dat hij noch
+neerzwelgen noch uitspuwen kon. Een onnoozele glimlach stak twee lieve
+putjes in den blos van zijne poezelige bolwangen en hij werd ineens zoo
+gelukkig, zoo gelukkig, dat hij er bang van werd. Hij was bang dat die
+zaligheid mocht ophouden, of dat ze hem mocht ontstolen worden, en hij
+wilde er mee wegvluchten. Hij zei:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Goedenavond ... Goedenavond....&quot;</p>
+
+<p>En vluchtte inderdaad.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Moeder Doxa was niet weinig gelukkig, als ze nu, in zijn zolderkamertje,
+haar zoon Johan hoorde zingen van den morgen tot den avond. Hij wilde
+haar echter niets van de heerlijke gevallen zijner liefde bekennen. Hij
+had aan Julia een langen brief geschreven, waarin hij haar vergeleek met
+de hemelsche melkbaan, want haar huid was blank en zilverig, en er
+vloeide daaronder eene room zoete klaarte, welk met den gloed van het
+roze bloed aan het stralen ging. Hij zond haar, in een keurig pakje, de
+kostbare pijp, als een teeken van de verduldige passie, waarmede hij
+haar sinds maanden aanbeden en verbijd had. Haar naam praalde op den
+steel in een kunstig gewirrel van bonte ringetjes en punten en
+droppelkens goud.</p>
+
+<p>Zoo vervloog de gevleugelde tijd. Johan Doxa zat neuri&euml;nd onder het
+ledige muitje. Het loodrechte licht viel uit het vierkante dakraam op
+het vlakke schilderdoek en de glanzende lokken die, langs Johan's
+slapen, al bellend erover hingen. Hij penseelde vlijtig en traag. Het
+struische gelaat van Julia kwam, ietwat magerder, op den bruinen
+verfgrond te voorschijn. Hij schilderde haar uit het hoofd, legde
+parelen om heure haren en licht gebloei daarlangs. Een doorzichtig
+keurslijf lag losjes open op haar boezem, en ze hield een dubbele dahlia
+in hare rechter hand. Voor haar, op de tafel waar ze statig aanzat, was
+het of ze zoetekens over een mandje met allerlei bloemen vingerde.
+Bloemen waren overal rond haar,&mdash;tulpen en leeljen in waaiervormigen
+tuil opgroeiend uit een groote zilveren vaas, rozenranken langs het raam
+van 't venster, en een karmijnen koningskroon in een blauwen,
+familiairen tabakspot.... Aan den eenen kant zat de ijverige eekhoorn,
+aan den anderen de dubbende ekster; maar het sijsje was er niet. Het
+gansche portret was een eigenaardige menging van levend licht en doode
+herinneringen, tegare gewisseld in een gladde verve van subtielen toon.
+Johan Doxa borstelde aandachtig erlangs en eromme, slierde met haarfijne
+nauwkeurigheid rond den bleeken dons van het vlezige aangezicht en
+tooverde traag een vollen dag in de starende strakheid der glimlachende
+oogen. Hij was bovenmatelijk in zijn schik. Het eekhoorntje draaide
+binnen den zacht-ronkenden traliemolen. Maar aan Lieven Lazare zei hij
+niets van dat alles. Hij hield in dien tijd niet veel van Lieven en
+vluchtte zijne strenge redeneeringen. Er bleef van dat acute gepreek bij
+Johan Doxa iets over, dat onduidelijk op wroeging leek en naar een
+geducht berouw leiden moest. Het docht hem halvelings dat hij, met de
+gebaren van zijne vreemde liefde, aldoor zondigde tegen de behagelijke
+wetten van God. Lieven Lazare benaderde in slaande bewoordiging deze
+zedelijke zwakheid en raadde precies de ongemakkelijke stemming, waar,
+binst zulke oogenblikken, zijn vriend Johan gekluisterd zat. Hij liet
+niet na hem hierover met goddelijke wreedheid te berispen.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Gij zijt, mijn jongen&quot;, sprak hij, &quot;overvallen door de mistige
+monsters der tempteering. Ik zie u spartelen tegen de satanische
+belegering en uw hart schijnt me toe als een poppelend schuchterheidje,
+een angstig asemtje, een gesmoorde kreet.... Zijt ge onkuisch mijn
+vriend?&quot;</p>
+
+<p>Johan Doxa verklaarde haastig dat hij zuiver en gezond was gebleven. Hij
+vreesde de sterke waarschuwingen, welke hij in den naam van God en langs
+God's eigen woord ontving, en zoo kwam het, dat hij het gloeiend geheim
+van zijne blijde gedachten voor zich zelf bewaarde, verborgen en eenzaam
+op het lage zolderkamertje, tusschen het vlakke portret, de blauwe
+tabakspot, de peinzende ekster en het triptrappende eekhoorntje.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Op een avond gebeurde echter een ongemeen geval. Johan Doxa wandelde om
+de platte kaaien van de breede vaart. Het was een najaarstijd. Een
+druppelende nevel hing over het water en de gele lanteernlichten vlekten
+wijdopen op de dichte damplagen. De avond was dik en rot. Rappe menschen
+schoven voorbij of een eenzame wagen waggelde gelijk een ruchtbare
+schaduw door de grijze massale duisternis. Op de ijzeren brug die naar
+de dokken leidt, bleef Johan stille staan. Hij staarde naar de klotsende
+vaart waar het roode licht van een signaalbord roerend brokkelde. Een
+stille zwarte boot gleed binnen de misten. Men hoorde het verre geronk
+en de belrinkeling van een zoevende elektriektram. Johan Doxa dacht,
+naar gewoonte, aan zijne heldere toekomst, want hij placht gaarne het
+beeld van zijne liefde te verplaatsen in de zonnigheid van een komende
+welvaart. Hij zag zeer duidelijk het huisje met de oranje luiken, den
+wilden wingerd boven de deur, het zomerlicht op den drempel. Hij zag den
+haard met de zoete warmte en den zoeteren vrede. Hij zag Julia. Een
+stille boot voer, zwart en water-roerend, onder de brug, en het roode
+signaallicht kronkelde langs de schokkende golfjes. Het sloeg negen uren
+op den ouden Kathelijne-toren.... Hij kuierde de dokken voorbij, keerde
+om naar de Vischmarkt en sloeg een smal steegje in, dat op den hoek van
+het Zaterdagsplein uitzicht gaf. Hij had zijne handen in zijne
+broekzakken gestoken en ging al fluitend. Op het Zaterdagsplein stond
+een driearmige gaslanteern en, juist onder de gele klaarte, een
+onbeweeglijke politie-agent. Johan Doxa zag hem pas als hij heel dicht
+bij hem genaderd was, want de nevel dikte nu tallenkant zoo zwaar, dat
+de straten op vierkante holten leken, waar verwijlde een vette smoor.
+Johan blikte even naar den politie-agent op, dewelke, paalrecht onder
+zijn opgestoken kapeline, rustig te rooken stond....</p>
+
+<p>Maar ineens begon Johan Doxa te loopen, te loopen alsof hem een
+schielijk gevaar op de hielen zat. Hij hield niet op v&oacute;&oacute;r hij de
+Zes-penningenstraat bereikte. Hij struikelde hijgend tegen het groene
+hekje en sukkelde wild-blazend de trap op. De leuning piepte en de
+trapberden kraakten. Hij stak op het zolderkamertje eene kaars aan, die
+hij op den kant van de tafel plantte en zakte toen op zijne knie&euml;n,
+geheel dooreen, als een halm door de zeis getroffen.</p>
+
+<p>De ekster zat niet op haar rustige plaats. Ze vleugelde angstig over de
+geel-bruine bedsargie en hare gloeiende oogjes blikkerden buitengewoon.
+Ze trachtte met wippende sprongskens en klein gekrijt de aandacht van
+haar bedrukten meester naar het spectakel van een leelijke gebeurtenis
+te lokken. Johan evenwel lag op het plankier ineengedrongen en drukte in
+zwijgende wanhoop zijne ellebogen op zijne knie&euml;n, en keek halsstarig
+voor zich uit. In den geluidloozen tralietrommel hing het eekhoorntje,
+dat dood was gegaan.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>&quot;Anatole&quot;, zei Johan Doxa, terwijl zijn bleeke vriend op den rand van de
+ijzeren koets zijne nagels schoon maakte en, daarnaast, de witte
+gezichten van Biebuyck en Donkerwolck boven de gele heupen van de viool
+en cyther opgeschoten, &quot;ik zeg het u, zoo lange dagen en dagen heb ik
+over dat ding te zwoegen gezeten. Hebt ge de lieve madeliefjes gezien,
+die ik langs een wiegend thema van blaadjes en knopjes op den steel
+geschilderd heb? Gij waart vaak de verwonderde getuige van mijne
+verduldigheid. Het groene sijsje zong perelend onder ginds vierkante
+zonnelicht. Het eekhoorntje draaide. Ja, mijn vriend, ik heb dat werk
+versierd met een warm stuk van mijn innigste gedachtenleven. In den
+dikken nevel almeteens pletste het brutale mannengezicht open, gelijk
+een vieze vloek. Het was op het Zaterdagplein onder den driearmigen
+lantaarn. Hij rookte dus uit mijnen pijp. Vraag mij nooit iets meer
+daaromtrent Anatole. Ik heb u immers alles verteld....&quot;</p>
+
+<p>Anatole vroeg evenwel nog hoelang ze met den politie-agent getrouwd was,
+maar Johan wilde geen woord meer reppen. Hij stond leunend tegen het
+kleine tafeltje. Zijn blonde krullen hingen verward over zijne ooren en
+hij staarde op de vloer, waar de ekster een hoop witte kruimels uiteen
+bekte. Anatole zong het liedje van de <i>Drie Gezellen</i>, en daarna
+een ander nog, van het <i>Euverzwijn</i>. De dag was grijs en triestig
+en de schaduwsluierde stille langs de muren.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Johan Doxa was nu een zeer onrustig mensch geworden. Des nachts sliep
+hij niet en over dag liep hij het huis op en af, of drilde gichtig de
+Lage Stad omme. Moeder Doxa merkte alweer dadelijk het vreemde verschil
+en zij wist geen raad om haar pover kind tot een betere stemming te
+brengen. De moedelooze toestand van Johan brak uit in zonderlinge
+uitslagen. Hij werd gefolterd door pijnlijke verlangens en zijn
+verbeelding was vol met duizelige tafereelen. Terwijl hij slapeloos op
+zijn sponde lag, recht uitgestrekt, kwamen de mistige vormen van zijne
+gedachten door de lauwte van het kamertje varen. Ze wiegelden in de
+lucht zooals wuivende sluiers en ze hadden de kleur van de roomblanke
+huid, waaronder zacht-roze vloeit het gloeiende bloed. Ze naderden zijne
+heete lippen en hij hijgde ongelijk en de nacht rok zich uit, alsof
+nooit de vrije dag zou klaren.</p>
+
+<p>Anatole vertelde hem van het lichte leven en van de jolige jeugd. Hij
+zag, bij elk woord dat zijn listige vriend fijn uitteekende met zijn
+naakten mond, het gebaar en de weelde van die ongekende pleizieren,
+waaronder vlamt en wappert het dansende vuur van rappe passie. Hij werd
+nieuwsgierig, trachtte met oolijke wendingen de verscholen
+bijzonderheden te kennen en zijn geest was altijd op zoek, een versch
+beeld beloerend dat uit een ongezond toeval van detailleering kon
+ontstaan. Hij vluchtte al meer en meer de bezoeken van Lieven Lazare,
+die, met orakels en profetie&euml;n, zijn opgejaagde hersens in de war hielp,
+maar des te gretiger liep hij het bleeke gezelschap van Anatole na.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Op een dag werd besloten dat Johan Doxa naar de <i>Old Curiosity Shop</i> de
+kameraden Donkerwolck en Biebuyck vergezellen zou. Er was dien avond een
+klein concert in de bovenzaal en Johan moest den triangel slaan. Zoo kon
+hij alles eens goed aflonken en er zich een eigen oordeel over maken. Ze
+gingen met hun drie&euml;n. Ze bereikten de bovenzaal langs een klein
+diensttrapje en dit was gelukkig, want er zat veel ruchtig volk in de
+grootere consommatiekamer en Johan zou nooit de krasse uitroepingen te
+boven gekomen zijn, waarmede men daar zijn drollig-vet voorkomen en zijn
+zeldzaam aangezicht hadde gegroet. Hij werd tusschen Biebuyck en het
+klavier geplaatst en hij keek beteuterd rond. De zaal was zeer helder
+verlicht. Groote elektrische klokken hingen tallenkant, gelijk ongemeene
+bloemen, te stralen. De wanden waren behangen met een scharlaken
+brokaat, dat tegen de zoldering langs gouden festoenen en kleine
+empirekransen fronste. Spiegels hingen links en rechts in zilveren
+lijsten te klateren. Drie kleine tafels stonden op het karmozijne tapijt
+en groote krysanten pronkten er tenden den glimmenden hals van hooge
+porseleinen vazen. Een lakei in groene livrei liep in drukte rond,
+schikte de satijnen zetels en de sofa's waar rustten, als vlekken zon,
+ronde hard-gele kussens. Het was erg warm. Men hoorde, in de
+benedenkamer, het geraas van het drinkende volk. Een klein uur
+vervloog....</p>
+
+<p>Toen werd het teeken gegeven dat de muziek spelen moest. Ze klonk
+ongezellig binnen deze ledige kamer en Johan Doxa voelde in zich eene
+holle ellende, gelijk een kelder vol triestigheid. Maar de dubbele deur
+werd opengeduwd en eenige bejaarde heeren traden binnen. Ze babbelden
+ondereen en waren hier thuis. Ze zetten zich in de mooie zetels en de
+lakei bracht kaarsen en sigaren en ze begonnen te rooken. Koffie werd
+opgediend. Enkele dronken gulden cognac uit fijne hooge glaasjes. Dan
+kwamen de dames.</p>
+
+<p>Ze kwamen langzaam en glimlachend. Hunne stemmen zilverden boven de
+muziek heen en hunne blikken blonken dwaas door de geweldige verlichting.
+Ze waren in lichte bonte dracht, bespikkeld met de glanzen van duizenden
+gesteenten, en hunne armen, hunne amberen schouders, hunne ronde halzen
+waren bloot. Hun boezem was beschaduwd door de mauve doezeling van een
+rankje bloemen of met een teere sluier gekleurd. Ze groetten en knikten
+en de heeren slurpten aandachtig aan de witte randden van de nauwe
+kopjes koffie, die krullend opdampte langs hun roode gezichten.</p>
+
+<p>De lakei stond kaarsrecht, bij de dubbel deur, in heerlijk Veron&egrave;se-
+groen.</p>
+
+<p>Het was omtrent dien tijd dat ook de ekster stierf op een morgen van
+dien grijzen winter. Johan Doxa lag op zijn bed en zag in de rijzende
+ochtendklaarte hoe zij al meteens te vleugelen begon. Ze klampte zich
+ongedurig vast aan de gladde randen van den blauwen tabakspot, zakte
+plots ineen, stortte voorover en rolde op haar rug. Nog bibberden hare
+pootjes. Ze rok een laatste maal hare keel uit, over het berd van de
+tafel, en roerde daarna niet meer.</p>
+
+<p>Johan stond in zijn hemd bij de tafel. De ekster bekeek hem met hare
+scherpe oogen en het was of ze, in haar uiterste vuur, zeggen wou:
+&quot;Kerel! Kerel! wat ga-je nu doen zonder mij?&quot; Ze stierf.</p>
+
+<p>Het zolderkamertje werd hem sindsdien een duisterheid zonder genade. Hij
+kon er niet meer zitten, zooals eertijds, want, al had hij ze ook
+weggegooid, daar hingen altijd het vogelmuitje en de tralietrommel en
+daar zat, op zijn blauwen buik, de glanzende tabakspot. Hij sprak
+hierover met de goede moeder Doxa, achter de toog van het vunzige
+poppenwinkeltje, en, de volgende week, verhuisde hij. Hij betrok een
+kleine kamer onder het dak, in het oude huis van de Papenveste en
+schikte er zijn ijzeren bed en zijn verschilligen schildersboedel.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Het was daar een raar leventje. Straatvloers woonde de herbergier, op
+de eerste verdieping huisde Julia met haren nieuwen echtgenoot, op de
+tweede lawaaide de weduwe Sikkel, met hare negen kinderen, en hooger op,
+onder de pannen, nestte Johan Doxa, geheel alleen. Deze verandering van
+midden was hem zeer voordeelig. Hij werd rustiger, stilde in zijn
+hersens de ziekelijke opgejaagdheid, die er eene monsterachtige
+verbeelding voedde, en hernam zijn ronde palet. Allengerhand begon hij
+klaar te zien in de troebele gronden van zijn hart en hij geraakte tot
+een helder zicht van zijne liefde. Hij legde dit uit in een kort gesprek
+met Anatole:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Alles om mij&quot;, zei hij, &quot;bezakt en bedaart. Begrijp goed, mijn
+vriend, dat ik een ben, die de geschoren stoppelhaartjes van een baard
+te tellen pleeg. Hoe heeft me die spijtige gebeurtenis beroerd en
+gekoterd, ach! Stel u dat onweder voor. Nu is de roes gezonken. Ik kan
+weer schilderen. Ik bemin Julia meer dan ooit, maar nu weet ik precies
+hoe vurig en hoe lang. Ik ben nu ook veel gelukkiger. Wel ja! wat
+glimlacht ge? Ik ga langzaam de trap op en af, en soms hoort ze mij,
+en ze trekt haar deurtje open en ze knikt liefelijk of zegt met
+onuitsprekelijke innigheid: &quot;Hoe vaart ge, mijnheer Doxa?&quot; Andermaal
+ontmoet ik haar beneden, in den gang v&oacute;&oacute;r de herbergzaal. Ze loopt me
+nooit onbeleefd voorbij, zooals zij wel het recht zou hebben te doen,
+zal u toch dunken. Zij komt ook aleens op mijn kamertje en zij wil mijne
+schilderijen goed vinden. Ik werk veel om haar wat te kunnen toonen;
+maar ik verkoop ongaarne, wat zij met hare lieve oogen heeft opgemerkt.
+Zij zet mij nochtans tot verkoop aan, en ik kan haar niets weigeren.
+Zij is, sinds haar huwelijk, zeer arm. Ik ben blij dat ik haar soms een
+beetje helpen kan al is zij ook daarom uitermate verlegen. Zoo leven
+wij, mijn beste jongen. Och ja! En de man, de politieagent, die is
+insgelijks vrij aardig. Wij zijn goede kennissen en gaan reeds op een
+vriendschappelijken voet om met mekaar. Wij drinken bij gelegenheid een
+half-en-half bij den herbergier beneden.</p>
+
+<p>&quot;Hij houdt veel van duiven, en hij doet mee aan prijskampen. Ik heb hem
+dees gedeelte van mijne kamer afgestaan en, zie maar, hij heeft er een
+groot duivenkot opgetimmerd dat met een witten kijker uitzicht geeft
+op het dak. Wat kan het mij schelen? Ik doe dien mensch pleizier. 's
+Morgens, al heel vroeg, terwijl ik nog te bed lig, komt hij de duiven
+eten brengen. Ik laat mijn deur maar open en hij kan gemakkelijk binnen.
+Hij kruipt op een stoel, ontgrendelt het kot en spreekt zachtaardig de
+zoete beesten aan. Gaarne hoor ik de ma&iuml;skorrels dansen op de houten
+berden en de duiven aroetekoe&euml;n van genot. Daarna kan ik somwijlen weer
+wat inslapen. Alleen de reuk hindert me.... Ja, inderdaad, mijn waarde
+vriend, dat is hinderlijk. Het komt bij wijlen met vieze walmen omlaag.
+Kijk! dan zet ik het venster open en loop een uurtje langs de dokken, en
+'k zie nog het snoezig lachje van Julia in het deurgat, gelijk een vol
+gestreel van de zomerzon. Haar man heet Firmien. Ik ben nu aan een doek
+bezig dat ik voor hem bestem: het verbeeldt, in een krans van
+voorjaarsbloemen, het liefdegedoe van twee aschblauwe rasduiven. Ik moet
+zijne twee bestvliegers uitschilderen, zegt hij. Dat zal ik doen. Hij
+wil het schilderij laten in een kostelijken lijst ophangen boven zijn
+bed, en daar past het waarlijk voor. En zoo, Anatole jongen, komt de
+trage vriendschap de onstuimigheid van tijdelijk misbaar vereffenen, zoo
+loopt, al spelend, het zangerige beekwater de ruige keien glad. Des
+Zaterdaags ga ik met Firmien in de Halve Maan een paar uren kaarten. Ik
+ben hem dankbaar. Hij doet het voor mij, zegt hij, want hij zelf heeft
+altijd het noodige geld niet op zak om de verloren pinten te betalen.
+Men tapt in de Halve Maan een uitmuntend bier. Vooral de geuze is
+lekker, maar ge moet hem aan de ton bestellen en hem stille drinken. Hij
+perelt gelijk een julimorgen en hij vloeit zooals het licht van de maan,
+wanneer het, bij diep-blauwen najaarsnacht, lui en weelderig uit de
+violetten hemelvaten neerspoelt,&mdash;lui, en weelderig, en geluideloos.&quot;</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Johan Doxa zou het nooit over zijn hart krijgen om kinderen onzacht te
+behandelen. Hij leefde in groote kameraadschap met de negen kinderen van
+mevrouw Sikkel. Mevrouw Sikkel zond hem de lieve bende&mdash;met uitzondering
+van de drie oudsten die school gingen&mdash;telkens als ze buiten huis op
+boodschap moest uitloopen. Dit had ze ook nu, binst dezen mooien
+Lentenanoen, gedaan en, om de gewone dienstwilligheid van Johan niet te
+misbruiken of te belasten, had ze het kleinste bengeltje medegenomen.</p>
+
+<p>De kinderen lawaaiden binnen het gekalkte kamertje en ze werden wilder
+naarmate ze merkten dat Johan vrede ermee had. Ze zetten de stoelen
+opeen, klauterden op de tafel, verfden mannekens op den muur en speelden
+paardje op de buis van den kachel. En paar hadden voorgenomen om in het
+duivenkot te kruipen, maar dit werd streng verboden. Ze hadden de kast
+opengetrokken en kleedden zich aan met hemden en vesten. Ze maakten een
+heerlijke pret en Johan Doxa glimlachte genoeglijk bij die leute van het
+rumoerig volkje. Hij liet de heimelijke pagadders, alsof hij 't niet
+merkte, aan zijne broekpijpen snokken. Hij speelde eindelijk zelf mee,
+zat, op zijne knie&euml;n naar de kleinen te grabbelen en lengde zich soms
+plat uit op zijn buik. De snoezige lievertjes sprongen op zijn rug,
+knepen in zijne billen, trokken met zijn haar, vielen hem al tegelijk
+aan en begonnen te stampen en te vuisten. Hij richtte zich moe en
+zweetend op ten halve en wreef, dwaaslachend, over de roode vlekken,
+welke in zijn gelaat waren geschart. Een jongetje liet een verfpot
+omvallen en streek de roode kleur met een kleerborstel open. Een ander
+knipte met een beroeste schaar in een fluweelen borstdoek, en had zich,
+om tot dit aandachtig bedrijf gemakkelijk te zitten, op het hoofdkussen
+van het bed gezet. De zon stortte door het dubbele dakvenster en de
+duiven, achter de riekende berden, troetelden vertrouwelijk. Toen werd
+de deur ruw opengestoken en Julia stoof rokwaaiend binnen, zoodat het
+luttel kindergepeupel versteend bleef in vreezachtige roerloosheid en
+Johan, als verslagen, daar onbeweeglijk zich te schamen lag. Hij sprong
+dan recht en Julia viel schreiend in zijne armen.&mdash;&quot;O Johan! mijn lieve
+Johan!&quot;</p>
+
+<p>Het was een roerend schouwspel en Johan, die alle bewustzijn verloor,
+streelde met zijne bevende vingeren over haar hoofd en op hare
+schouders. Pas na een dikke stonde begreep hij uit de stootende woorden
+van de hopelooze Julia dat de politieagent schielijk op straat aan
+beroerte gestorven was. Hij begon stille te weenen en zijn hart was zeer
+aangedaan.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>De dagen, die hierop volgden, slierden langs een grijze reke voorbij en
+Johan Doxa herkende zijn eigen niet. Hij zat op zijn kamertje te dubben
+en zijn ongemak bleef duren. Hij at niet, telde de morgens en de avonden
+niet en de nachten vervulden zijn geest met beelden van onredelijke
+verschrikking. Lieven Lazare kwam hem opzoeken, sprak hem van de
+goddelijke inzichten, die hem hadden tot een vod van schande gemaakt.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;God heeft mij den weg gewezen naar uw sponde, Johan&quot; zei hij. &quot;Ik heb
+gevoeld dat ik u vinden zou in onzeggelijke vertwijfeling en daar ligt
+ge nu&mdash;een wrak van zielloos vleesch op de baren van uw opgebiechte
+zinnelijkheid. O mensch, ik herhaal en ik herhaal het u: eene kwaal van
+helschen oorsprong bijt u, gelijk een kanker, aan het hart. Raad ik het
+niet? Maar neen, de ingevingen van den Eersten Persoon, welke mij op dit
+oogenblik bezielen zijn onbedrieglijk en gij moogt niet langer weigeren
+uwe zonden te biechten. Red u, als er nog tijd toe is.&quot;</p>
+
+<p>Het bleek genoeg uit de koppige stilzwijgendheid van Johan, dat hij alle
+poging tot redding opgegeven had. Op een schoonen dag van het voorjaar
+werd het huwelijk van Johan en Julia in de kleine Kathelijnekerk door
+een korten priester gezegend. Ze kwamen op het zolderkamertje inwonen en
+sleten er een gemengd leven van geluk en trage treurigheid. Johan ging
+alle nanoenen slenteren langs de hooge stad, gejaagd drillend door de
+straten van de Kappellewijk of opkruipend naar de steile gangen van het
+massale Gerechtshof. Zijn haar wippelde haast ongekamd over zijne ooren
+en zijne broek slodderde op zijne kuiten. Hij luisterde naar de piepende
+muziek der draaiorgels en tuurde naar de doening van kinderen en honden
+en citroenwijven. Hij had willen een schilderij maken vol met engels en
+heiligen en hij peinsde dikwijls op de rijke borduursels welke hij met
+goud en edelsteenen zinnens was heel ommendom de bonte fluweelen mantels
+te versieren. Maar hij nam zijne ronde palet niet meer op. Hij liep de
+Hooge Stad rond en daalde daarna naar de Priemstraat. Zoo volgde hij de
+zware bierwagens, die er op en neer daverden, en hij deed, voor de
+welriekende herbergen, de ledige tonnen klinken, aandachtig het uiterste
+bier opvangend in een rood-bekleurd tomatendoosje, hetwelk hij op al
+zijne wandelingen binnen zijn diepen vestzak mededroeg.</p>
+
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+
+<h2><a name="II" id="II"></a>II</h2>
+
+<h2>JOHAN DOXA</h2>
+
+<h3>LICHTMIS</h3>
+
+
+<p>Het leven van Johan Doxa was zeer ellendig geworden, maar hij beleed het
+met prijzenswaardige langmoedigheid en kinderlijken eenvoud. Julia zijne
+vrouw, welke hij eerst zoo verduldig had liefgekregen, begon hij stilaan
+te eerbiedigen. Het ontzaglijke karakter van Julia was daaraan niet
+vreemd. Zij handhaafde hare autoriteit met een vreeselijk geweld en haar
+mond was telkens vol schrikkelijke woorden. Nooit kwam oproerlust in het
+langzame hart van Johan Doxa zwellen. Hij herkende de oppermacht van
+zijne vrouw en verdroeg zoetekens hare aanvallen. Zoo verdraagt het
+goede riet de ruzie van den stormenden wind....</p>
+
+<p>Maar alopeens&mdash;in 't putje van den winter&mdash;werd Julia ziek. Zij had, na
+den zomer, een korte valling opgedaan en de vele drankmiddeltjes,
+geleerde pillen en geheimzinnige baaibaden, die zij te gelijk of
+overhand gebruikte, brachten haar geen beternis. Met Februari moest ze
+te bed blijven liggen en het uitzicht van de kamer veranderde meteen.</p>
+
+<p>Het deed Johan Doxa zeer aan, hoewel zijne vrouw door hare ziekte in
+geen deele belet werd lucht te geven aan haar krakeelzuchtig gemoed.
+Integendeel, zij was daarbij heviger en scherper dan vroeger, en Johan,
+haar dikke man, zat dikwijls haar aan te kijken, zonder luisteren,
+idioot van dubben of zeggend in zijn benauwd binnenste:&mdash;Zij is krank.
+Zij moet doorgaan. Zij kan 't niet gebeteren.... En misschien heb ik
+ongelijk ook?!..</p>
+
+<p>Als het te hevig werd en de kinderen van Mevrouw Sikkel, op het andere
+verdiep, meehuilden in koor, drumde Johan Doxa de kamer uit en zakte
+stillekens de trappen af, de straten door, langs de Hooge Stad, op den
+dool tonneklinkend.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Den Zondag van Half-Vasten kwam Anatole aan bij Johan Doxa, even na
+noenstond, Anatole was de tapper van <i>The Old Curiosity Shop</i>, de
+nachtbar der Bisschopstraat. Hij vond zijn vriend Doxa aan de sponde
+van de gillende Julia, dewelke, seffens bij Anatole's inkomst met
+aandoenlijke wanhoop te snikken begon.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Kijk aan!&quot; kreet ze, &quot;kijk aan den vadsigen leeglooper! Hij vindt dat
+ik niet gauw genoeg dood ben!... Hij wil een handje toesteken!... (tot
+Doxa) Wat zegt ge?... Wat zegt ge?... Overdreven? (tot Anatole) Ge hoort
+het zelf: De woestaard zal staande houden dat ik overdrijf! Nee! dat
+springt de gaten uit! Hoor hem aan, Mijnheer, hoor hem aan, om de liefde
+Gods!... (poos tot Doxa) wien heb ik van morgen om lijzemeel gestuurd en
+wie is met een pakje macaroni teruggekomen?... (tot Anatole) 'k moet
+lijzemeel pap onder mijn ribben leggen, Mijnheer, van den doctor ...
+(tot Doxa) wien heb ik klokslag tien om een rolmops gesmeekt (tot
+Anatole) voor mijn flauwe maag, Mijnheer! (tot Doxa) en wie is na
+twaalven, weergekeerd met een platgezeten bloedpens en 'n gezicht van 'n
+dulle hoornblazer?... Of denkt gij soms dat ik genezen kan bij 't eenige
+spektakel van de walgelijke farokampernoelie&euml;n die uw gezicht paleeren?
+(klagend) Mijnheer Anatole, bezie mijne armen, bezie mij, Mijnheer, ik
+ben de schim van mezelve niet meer. Ik teer puur weg. Ik heb me
+afgewerkt voor dien zatbalg daar! En nu, nu steekt hij een handje toe,
+Mijnheer Anatole, om er mij wat rapper in te krijgen ... in den put ...
+in den put.&quot;</p>
+
+<p>Ze ging achterover wegzakken, in zachter gekerm, maar hief zich ineens
+recht op hare puntige ellebogen, en kreet het heesch uit in 't
+verbijsterd gelaat van den zwijgenden Doxa:&mdash;&quot;Wat? Wat zegt ge weer?
+Dat het niet waar is? Dat ik lieg? Zegt hij dat ik lieg, Mijnheer
+Anatole?...&quot;</p>
+
+<p>Het scheen dat ze al hare krachten inspande om in eene uiterste poging
+de mate van hare verontwaardiging te geven. Ze greep waarlijk met hare
+tien nagels naar de rood-ronde tronie van den stillen beuzelaar.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Hier uit&quot;, riep ze, &quot;hier uit!... Ne sjanfoetter, dat zijt ge, 'ne
+wijvenbeul en 'ne sjanfoetter!...&quot;</p>
+
+<p>Daar ze nu, wezenlijk uitgeput, in de kussens thoopeviel, slierde Johan
+Doxa zoetekens de deur uit en schikte Anatole de blauwe sargie tot onder
+hare bevende kin. Ze had hare oogen gesloten. Hare lippen trilden nog en
+hare neusvleugels roerden even. Anatole hoorde het harde getik van den
+koperen wekker die, op de schouw, met hardnekkige onverschilligheid de
+zonderlinge kamerstilte verried.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Op straat vond Anatole den rustigen Johan Doxa, die, zijn neus
+platduwend tegen de vensterruit van den fruitwinkel, met vlijtige
+aandacht de grauwe hobbels van een paar slabeten gadesloeg. Hij stak
+zijne hand onder Johan's arm en zij gingen langzaam in den mistigen
+vesperdag. Zij gingen alzoo een half-uur lang, zonder spreken.
+Gemaskeerde kindergroepjes liepen dansend hen voorbij. Verder, in
+naburige straten, hoorden zij het aanzettend carnavalgejoel en zij zagen
+schoone kleuren bewegen.&mdash;Ze trokken &quot;het Zwaantje&quot; binnen en bestelden
+een glas lambik.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Sec!&quot; zei Anatole.</p>
+
+<p>En dan alweer zwegen ze. De schuimende pinten stonden in het langblauwe
+daglicht te klaren met stil-gouden gloed. Een lange man kwam rechtover
+hen zitten. Hij was in een bedlaken gewonden en een scheef mombakkes
+grinnikte roerloos op zijn kop. Hij had roode kousen over zijne handen
+getrokken, en die lagen, vol geheimzinnige kracht, op de tafel. Men kon
+geen oogen zien binnen de holten van het grijnzende mombakkes. Johan
+Doxa, eer hij zijn glas vastgreep, vroeg beteuterd:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Anatole, hebt ge geld?&quot;</p>
+
+<p>Anatole knikte en zij dronken allebei. Drie vrouwen in manspak gingen
+zonder veel gerucht in den versten hoek der herberg zitten. Een zwart
+hondje kwam, tusschen Doxa's voeten, een handsvol garnaalsteertjes
+oplikken en keek toen op, in korte verwachting. Na een tijdje drong een
+dansende groep bonte jongelingen alover den engen drempel rond den toog.
+De bazin had het seffens heel druk en de baas, die groot en rood was,
+kwam al kouwend in het deurgat van de keuken staan, om ontzag in te
+boezemen. Dat jong gedoe deed zeer vroolijk, intrigeerde iedereen op
+goed val het uit, in hoog stemgegichel. Een blauw clownmeisje ging
+buigen over het peinzend hoofd van Johan Doxa en vroeg:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;A wel! wat hei-je met uw peterselie gedaan, kalfskop?&quot;</p>
+
+<p>Johan Doxa, geheel weg met zijne vage gedachten, antwoordde goedig,
+onnoozel:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Nikske....&quot;</p>
+
+<p>En hij bezag Anatole al blozend. Toen sprak Anatole, stil in 't algemeen
+gedruisch:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Julia sliep, als ik de kamer verliet, weet ge....&quot;</p>
+
+<p>Johan Doxa deed tweemaal zijn hoofd op en neder gaan. En heel natuurlijk
+herbegonnen zij te zwijgen, daarbinst rechtstaande, alle twee te gelijk,
+om weg te gaan.</p>
+
+<p>Ze liepen de Camuselstraat geheel door en dronken faro in <i>'t Wit Paard</i>
+bij Susse van Maries, op 't hoekje der Anneessensplaats. Van daar zagen
+zij het dikke gewoel op de Henegouwlaan, de schuivende pakken van
+menschen, door mekaar indringend en werkend, in traag beweeg, gelijk
+dwarse zeegolven. Lachende gezichten, opene monden, grijpende handen,
+'t krioelde klaar op in de donkerte van grauwe jassen en wintermouwen.
+En de lichte confetti stoof op bij scheuten, in waaiers van licht of
+wolkjes van lichte kleuren. Een zeldzaam geraas steeg uit die duwing
+van lijven, en Johan Doxa wist soms niet of 't wel vreugde was en geen
+akelig en ver geklaag van gewonde dieren, die vol nuttelooze driften
+zijn.... De schenkmeid kwam midden in de herberg op een stoel staan en
+stak de porseleinen bloemen van den kroonluchter aan. De herberg was
+geel en de dag op de vensterruiten werd scherpblauw, violetblauw. Men
+kreeg een gevoel van droeven avond. De glazen klonken over den toog en
+rond de aanhoudende bierbestellingen. Een oud vrouwtje probeerde eene
+groote mand met eieren, krabben en amandels van groep tot groep tegen de
+tafels uit te steken. Twee zware jongens nagelden over den buik van een
+mandolien en zongen italiaansche liedjes. Ze zongen er drie en kwamend
+dan centen rondhalen in paarlemoeren schelpen.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;'t zijn Italianers, geloof ik.&quot; zei Johan Doxa suf.</p>
+
+<p>Hij zocht lang in al zijne zakken, naar een half stuivertje, dat hij
+zeker bezat, zeker, zoo zeker dat als twee en twee.... Anatole sprak:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Luister 'ne keer. Wat is dat nu met uwe vrouw? Is ze ziek of wat is
+'t?&quot;</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Ze heeft u daar nogal uitgescholden!&quot;</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Nog al ... nog al....&quot;</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Zeg eens ... en is dat waar, van die macaronie en die ... die....&quot;</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Bloedpens.&quot;</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Hein?&quot;</p>
+
+<p>Ze vertrokken. Ze gingen de wijk van Onze-Lieve-Vrouw-te-Rooje af en
+dronken in de kroegen, de taveernen en de kavitjes. De verschillige
+geluiden der lage stad sprongen gelijk ledige vaten rond hen. Johan Doxa
+en Anatole waren afgezonderd van 't algemeen plezier en hunnen armen
+hingen zwaar aan hunnen schouders. Ze bleven een poosje 't geweldig
+bedrijf nagapen van een schoonen arlekijnen societeit, die, met volle
+fanfaren, de straten opdreunde. Kinderen droegen rieten waaraan papieren
+lantaretjes te wiegelen hingen. De veelkleurige lichtjes stippelden
+aardig in den vroegen avond. Ergens ontmoetten ze, plots eenzaam, een
+blinden grijsaard, die zijn hond verloren had en woest-mompelend langs
+de gevels voortsukkelde. Ze waren hem al lang voorbij, als Johan Doxa
+ineens staan bleef en, met een dwazen glimlach:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Nu vind ik het half stuivertje&quot;, zei hij.</p>
+
+<p>Hij was er geheel blij om en hief het in de klaarte van een gaslantaren
+op. Hij voegde erbij:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Ik wist wel dat ik het had. 'k Had het dezen morgen in de kerk langs
+mijn broekpijp die gescheurd is laten vallen, 'k Had het opgeraapt, ge
+ziet het nu zelf Anatole!...&quot;</p>
+
+<p>Een kleine nietdeug, met een mombakkes gelijk een doodshoofd, riep
+achter hem:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Lo&euml;rik!&quot;</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Anatole sprak:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;'k En wil 't niet zeggen om u te treiteren Johan, maar ge zoudt toch
+wat meer koeragie moeten hebben bij uwe vrouw. Ge hebt daaral niet veel
+te protocollen, naar ik zie, en dat is een ongeluk voor u en voor haar.
+Alles goed bekeken. Ge zijt een vijg, jongen, ge zijt een slappe vijg
+... 'k zeg het in alle eere, om u niet te krenken ... kortom, een vijg.&quot;</p>
+
+<p>Johan Doxa sprak:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Vermits gij het zegt ... vermits gij het zegt ... denkt ge waarlijk?&quot;</p>
+
+<p>Hij herzette zich op de smalle herbergbank en verschoof zijn ledige
+pint. Hij plante zijne voorarmen op de tafel, in de geluidlooze
+kussetjes van zijne ellebogen.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Anatole,&quot; zei hij, &quot;daar is kans voor, 'k en zeg niet neen. Maar 'k
+zal u iet zeggen. Ge zijt een goede vriend van me. Mijnheer Lazare is
+ook een goede vriend. Kent ge Mijnheer Lazare? Hij is een uitsluitelijke
+en strenge hoogpriester van Jesus-Christus. Hij geeselt mij met de
+woorden van God. Gij bekoort mij met de lieftaligheid van dees driftig
+leven. Gij straft mij met mijne kleine gebreken. Nu wil ik u iet zeggen.
+Wat zijn wij? Wij, met ons beide die hier aan het zuipen zitten, en die
+andere rond ons, dewelke vroolijk zijn. Wat zijn wij al te gare? Bekijk
+de sterren en hunne onverbiddelijke harmonie. Hoe grootsch! Bekijk de
+ordonnantie van onze aarde, de loop der seizoenen, het evenwicht van
+lucht en grond en wateren, de voortdurigheid van al die wondere
+rythmen.... Hoe grootsch! Is het niet waar? Denk daar een oogenblik aan
+terwijl ge hier zit met mij. En bekijk dan het bedrijf van alle levende
+dieren: de leeuw die zijne prooi zoekt, het lam dat graast, de arend die
+jaagt op buit, de duif die cirkelt boven de vredige huizen, de visschen
+die ondereen zoo aardig doen (ik spreek van den snoek, die alles doodt,
+en van het roodvischje, dat prachtig in den helderen bokaal
+rondzwemmelt), de vlinders en de lieve goudvliegkens, de spinnekop die
+biddend loert binnen de raderen van haar verraderlijk net en daarbij,
+Anatole, het onzichtbaar gepeupel: de beestjes die ziekten brengen en
+de beestjes die ziekten afweeren ... bekijk dat ook alles eens met
+aandacht.... En dan zegt gij: er zijn er zus en er zijn er zoo, en dus
+is leven een groote strijd van krachten. De maan, die draait rond de
+aarde, medegesleurd door haar, heeft tegelijk op haar een vertragende
+werking, dat is strijd. De wateren die in hitte tot dampwolken opvliegen
+en door kilte weer tot wateren vallen, dat is strijd, Anatole. De dieren
+die vechten. De menschen die vechten. De menschen die vechten in passies
+van allerhande aard. De menschen die sterk zijn, en de menschen die zwak
+zijn. De menschen die verstandig zijn en de menschen die dom zijn. De
+menschen die deugdelijk zijn en de menschen die geen zedenwetten
+kennen.... Och! Och! is dat geen strijd, Anatole? En strijd is het leven
+zelf. En strijd is de mirakelachtige harmonie. En strijd is waarachtig
+de wet van God, Anatole. Ik ben een soort vrak, en gij zijt een soort
+lusteling, en Lazare is een soort hyper-asceet. Wij zijn alle drie
+noodzakelijke elementen en onze werking reikt mede tot de
+standvastigheid van God's harmonie. En het moet zoo altijd zijn en
+hergebeuren, want wij zijn alzoo de eeuwigheid van God's wet.&quot;</p>
+
+<p>Anatole had gedronken en sprak nuchter:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;En de socialisten?&quot;</p>
+
+<p>Maar Johan Doxa wedervoer met geduld:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Wij moeten ons schikken in ons lot en de plichten vervullen van onzen
+aard. Wij mogen niet, hm! hm!... wij mogen niet lui zijn in onzen aard.
+Wij moeten vol ijver zijn, want onze aard is een gebod dat wij vlijtig
+moeten leven. Gij blaast gedurig tabak in mijn gezicht, Anatole. Neen,
+steek uwe pijp daarom niet onder de tafel. Maar ik ben, geloof ik,
+duister en vervelend, en gij volgt niet rap mijne gedachten. Ik wil u
+iet zeggen. Ik&mdash;gij beziet mij en ge kent mij, Anatole&mdash;ik ben een
+sukkel in uwe oogen en een lasteraar in de oogen van Lazare. Ik ben
+inderdaad waarlijk een sukkel en een lasteraar. Zoude ik moeten een
+groot artiest zijn, of zoude ik moeten een heilige zijn, of zoude ik
+moeten een tapper zijn? Ik loop het loopje van een natuurlijk en
+noodwendig leven. Ik ben wat ik ben, zooals, naar ik meen, een halm geen
+eik is en een mier geen prijsmerrie. De blijdschappen die mij te beurt
+vallen zijn de bloemen van mijn aard. Maar, Anatole, vermits ik sterven
+zal zonder glorie en zonder zaligheid, ook de spijt over een zoo droeve
+dood is een bloem, een zeldzame bloem van mijn aard, Anatole.... En ik
+blijf dien spijt getrouw.&quot;</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Ze hadden rond tien ure een groot getal herbergen bezocht. Ze stonden op
+de Oude Graanmarkt. De Vlaamsche Steenweg was een krioeling van vierende
+menschen. Geel en wit-blauw licht spetterde uit de vensters op het bonte
+gewoel. Johan keek op naar den schoonen kerktoren die in een hoek van
+het Kathelijneplein massaal en duister rees boven het licht der huizen.
+Hij zag ginder hooge, den grauwen winterhemel, en hij voelde wonderlijk
+de oneindige wijdte. Zijn hart ging open, vol van liefde.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Nu begin ik plezant te worden,&quot; zei Anatole. En om zijne woorden
+kracht bij te zetten, ging hij al fluitend aan het dansen. Johan Doxa
+had groote goesting om te weenen. Hij kuchte eens en glimlachte
+zachtjes:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Wel, ge danst gij niet slecht, Anatole!&quot;</p>
+
+<p>Anatole nam Doxa bij de ellebogen en schokte hem op maat van het
+deuntje. Dan, haast buiten adem, riep hij:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Kerel, we gaan ons maskeeren!&quot; En ze trokken naar de <i>Old Curiosity
+Shop</i> van de Bisschopstraat, klauterden den diensttrap op en onder het
+zolderdak, begonnen eene lollige vermomming. Anatole bracht de
+zonderlingste kleedingstukken uit laden en kassen voor. Al bargoed,
+vergeten, verloren, gestolen of in pand gelaten.</p>
+
+<p>Johan Doxa stond voor een gebarsten spiegel tusschen twee
+wippelvlammende eindjes kaars.</p>
+
+<p>Hij moest zijn broek uittrekken en hij deed het gewillig, zonder denken.
+Anatole zocht voor hem eene schoone maskeradebroek. Het was de
+verslenste broek van de eene of de andere barmeid, fijn-linnen broek,
+geheel behangen met kanten en strikken, wit was de kant en vieux-rose de
+linten. Johan Doxa deed zeer angstig in die broek. Zij viel in dicht
+geplooi en rijke lobben tot over zijne knie&euml;n en liet dikke braaien vrij
+die opbulten boven de lompe schoenen. Anatole bezorgde witte koussen en
+eischte dat, om het algemeen effekt niet te breken, Johan Doxa lage
+espadrillen aantrekken zou. Deze weelderige kleedij voltooide hij met
+een kelner-pitalairken, dat ongelukkiglijk te nauw was en, gelijk een
+licht vleugelpaar, aan Johan's schouders hing te bengelen.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;'t Is wel alzoo,&quot; zei hij achteruit-wijkend, &quot;nu uw kop!&quot;</p>
+
+<p>Hij spande een kleine venstergordijn rond het hoofd van den braven Doxa
+en bekroonde zijn werk met een ietwat inzakkende gibus. Hij zei,
+weltevreden:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Niemand zal u herkennen, jongen. Ge zijt een heel ander mensch,
+waarlijk! maar deze gele handschoenen moet ge aantrekken, en hier is een
+pompadoer-waaiertje dat ge aan een knoopje van uw habijt moet hangen....
+Zoo-oo ... all right! kijk u eens in den spiegel aan!&quot;</p>
+
+<p>En Johan Doxa keek zijn eigen in den spiegel aan en hij wist niet aan
+welk oordeel hij zich zou houden....</p>
+
+<p>Anatole was gauw klaar. Hij gespte een paar bleeke rokken rond zijn
+leen, paste, gelijk 't behoort, een groen jakje over zijne opgevulde
+borst, zette een prachtigen hoed met pluimen zoo goed als het kon vast
+op zijn kop en hing errond eene dichte voilette. Hij droeg, ter
+volmaking van die vrouwelijke staatsie, een rood satijnen zonnescherm en
+schoeide, gelijk Johan, zijne groote handen. Zoo kwamen zij op straat.</p>
+
+<p>Geweldig was 't lawaai en de drang op de Anspachlaan. De electrische
+lampen klaterden over al die hoofden. De confetti sproeide uit, kleurig
+en blikkerend.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;We moeten ons goed houden,&quot; zei Anatole, &quot;en malkander niet kwijt
+geraken. We gaan naar 't bal.&quot;</p>
+
+<p>Hij kocht in den Grand Bazar een heel klein trommeltje, dat hij op
+Johan's buik met een rood touwtje hing en een rotelaar dien hij zelf den
+weg door hanteerde. Johan Doxa leunde op den arm van Anatole. Hij kreeg
+het tamelijk warm onder de nauwe venstergordijn en zijne armen spanden
+in de te korte mouwen van zijn frak. Zijne voeten en zijne beenen waren
+vrij koud geworden. Eens dacht hij aan Julia. Hij dacht:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Ze is koleirig.... En ik zal geen blijde intrede hebben....&quot;</p>
+
+<p>Maar hij ging mede met Anatole, zonder wil gelijk zonder aarzeling. Hij
+was bereid om veel pleizier te hebben, zooals een leeg vat bereid is om
+'t zij eender wat te ontvangen. Hij had geen begeerten, hoewel hij in
+vage verwachting verkeerde. Hij was noch gretig, noch gejaagd, hij was
+moe, moe.... En toch verwachte hij geen rust.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>De danszaal van de Hoogstraat was schitterend van licht. Het licht
+schetterde uit de vier kristallen kroonluchters en smeet uiteen in
+de groote spiegels der wanden of over het goud van de ramen, de
+deurlijsten, de pilaren, de zoldering. Het goud blonk voornaam.
+De breede spiegels schitterden brutaal en overdadig.</p>
+
+<p>Het volk was los, woest, ontzagelijk. Men schreeuwde. Men danste. Men
+sprong wild. En Anatole zei:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Let nu goed op. Hier is de volle plezantigheid. Hein, wat zegt ge?
+Verdekke, jongen, hier gaan we ons hart eens ophalen, nie-waar?&quot;</p>
+
+<p>Hij kittelde Doxa eventjes onder de hoksels en hernam:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;We moeten, elk van onzen kant, een toertje doen rond de zaal, gij
+een toertje rechts, en ik een toertje links zoodat we op deze plaats
+terugkeeren en malkander weer ontmoeten. We geven malkander rendez-vous
+op deze plaats. Luister wel. Gij van uwen kant zult onderweg een liefje
+krijgen, en ik, van mijnen kant, ook. Alzoo zijn wij rap, elk van onzen
+kant, geriefd. Allo! zie dat ge de schoonste uitkiest!...&quot;</p>
+
+<p>Anatole ging seffens een blijden gang. Toen voelde Johan Doxa zijne
+groote eenzaamheid. Toen, verlaten in deze vreugde als in eene woestijn,
+voelde hij zich alleen zijn, moederziel alleen. Hij was nutteloos. Hij
+bestond zonder reden. Hij veroorzaakte niets en was van niets een
+oorzaak. Hij mompelde, zijn eigen aanstarend in gepeinzen, kindsch:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Is de dood iets?...&quot;</p>
+
+<p>Hij zoude zich gewaand hebben iets te zijn.</p>
+
+<p>Johan Doxa deed een toertje rond de zaal. De dansers riepen hem aan,
+daar hij zoetekens omwandelde in zijn zonderling pak en zijn trommelken
+onnoozel vasthield in beide handen. Maar hij trof geen liefje dat hij
+scheeren kon.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;'t Is gemakkelijk te zeggen,&quot; dacht hij, &quot;ze zijn hier wel een hoop,
+maar 't is precies uit den hoop dat ik ze moet uithalen.&quot;</p>
+
+<p>Anatole nochtans had er een uitgehaald. Hij sprak in verbazing:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Niks? Hoe is dat Gods mogelijk Johan! Ge ziet er flink uit en ge hebt
+handschoenen aan. Als ge zoo voortgaat zult ge fataal eindigen met u te
+vervelen.&quot;</p>
+
+<p>Hij besloot zich zelf op te offeren om een zoo jammerlijke uitkomst te
+vermijden en stond zijne aanwinst gewillig aan Johan Doxa af. Hij
+verdween in het licht, en de deerne zei:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;A wel, Mijnheer, waarmee is 't, dat ge trakteert? Of wilt ge ne keer
+dansen?&quot;</p>
+
+<p>Neen, Johan Doxa zou liefst niet dansen. Trakteeren, ja, dat zou hij.
+Hij liet zich naar de drinkzaal meetronen en zette zich in een hoekje,
+waar hij rustig een flesch geuze bestelde. Hij bleef een langen tijd
+zonder denken. Het meisje zei:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Dat moet warm zijn, Menheer, die store op uw gezicht.&quot;</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Ja,&quot; knikte hij dwaas.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Leg hem dan maar af. Ge moet u voor mij niet geneeren. Ik heb al van
+alles gezien.&quot;</p>
+
+<p>Hij vouwde langzaam de gordijn op onder zijn hoed en wees zijn goedig
+gelaat. Hij glimlachte, naar gewoonte. Het meisje praatte gezellig en,
+ofschoon hij niet veel antwoordde, hield zij moedig het gesprek aan. Hij
+hoorde haar praten. Hij hoorde ook het roezemoezende balgerucht. Hij
+hoorde de muziek, die hem bestoven voorkwam. Hij hoorde klaarder het
+gerinkel van een tamboerijn met belletjes....</p>
+
+<p>Nadat hij de derde flesch geuze besteld had, viel hem plots in dat hij
+geen geld had. Dadelijk bekoelde echter het zweet, dat hem op het
+voorhoofd uitgebroken was als hij bedacht dat Anatole gauw aan zou
+komen. Waar bleef toch Anatole? Om tijd te winnen bestelde en dronk
+Johan Doxa nog vier flesschen. Het meisje kreeg zonderlinge manieren en
+eischte van haren nieuwen vriend eene uitdrukkelijke liefdebekentenis.
+Onderwijl wilde Anatole maar niet opdoomen.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Zie,&quot; zei het meisje, &quot;ik heb meer domme hoofden gezien, dat is
+zeker. Als ge schoon, braaf en inschikkelijk zijt&mdash;begrijpt ge, lieve
+loebas?&mdash;zal ik u om een haarklesje vragen en het tot op mijn doodsbed
+bewaren!&quot;</p>
+
+<p>Hij keek haar goedjongstig aan, eenigzins angstig wordend. Het docht hem
+dat hij haar voor de eerste maal aankeek. Nu pas bemerkte hij hoe ze
+was: een blond wijf, niet schoon en ruw van gebaren in licht-groene
+domino, vormloos. Hij sprak:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Ik moet Anatole opzoeken in de danszaal.&quot;</p>
+
+<p>Hij bezag haar zoo nuchter, zijn tronie glom zoo schuldeloos, dat het
+meisje, eerst fiks op hare hoede, seffens betrouwend werd en toestemde.
+Hij ging log, gewild-traag. Hij drong tusschen de dansers heen en voelde
+zich veilig worden. Zijn hoofd was zwaar. Hij geraakte weldra buiten
+staat om Anatole na te jagen, en allerminst om hem te vinden.</p>
+
+<p>Daar werd in zijn geest de licht-groene domino het uitsluitelijk beeld
+van een groot gevaar en hij moest vluchten. Hij had geen wil, die hem
+weerhouden kon, geen rede, zelf geen luiheid om zijn vlucht te
+vertragen. Hij liep struikelend door de straten.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Hij was de bolwerken omgeloopen en kwam nu, te laag, bij de Molebeeksche
+vaart aan. Het begon te sneeuwen. De blauwe dag lichtte zachtjes over de
+daken. Het water lag somber en onrustig, eenzaam de grijze kaai.</p>
+
+<p>Johan Doxa stond hijgend tegen het ijzeren schut en zijne blikken
+loerden rond. Hoe bang roerde het water! Hoe vaal rees de bevende
+morgen! Hoe duister en heimelijk wachtte ginds die hooge boot!...</p>
+
+<p>Hee! Hee! daar vaart een klare schim langs Johan voorbij. Het is een
+lange magere schim. Een schim met roode handen. Wel! het is een man die
+zich uit pret in een bedlaken heeft gewonden en met roode kousen zijne
+handen heeft geschoeid. Ievers heeft Johan Doxa dien witten man onder
+een scheef-onbeweeglijk aangezicht ontmoet. Wacht eens even!... Wacht
+eens even! Waar was 't alweer?...</p>
+
+<p>De witte man schuift rap over de kaai. En op de brug staat eene vrouw
+met een kindje. Johan Doxa zou zweeren dat de vrouw weent en dat ze het
+kindje kust wanhopig. Hee! Hee! de witte man komt op de vrouw af. Heeft
+ze niet gegild? Ze wil vluchten, ze wil vluchten! Ze kan niet. Ze wordt
+vastgegrepen. Ze wordt omhoog getild. Ze ... ze ... God in den hemel! Ze
+wordt over de brug geheven.... Ze valt!...</p>
+
+<p>Heeft ze niet gegild? Heeft ze niet gegild, vraag ik?...</p>
+
+<p>En tegen het ijzeren schut stond Johan Doxa. Hooger beeflichtte de dag.
+De kaai was geheel met sneeuw bedekt. De gevels der huizen staken vuil
+uit boven de schoone witte sneeuw. Het pitalairken van Johan Doxa was
+besneeuwd.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>&mdash;&quot;Dat is toch zonderling.&quot; dacht Johan Doxa terwijl hij voort
+opwaggelde naar huis, &quot;dat is toch een zonderling dingen! De vrouw is in
+het water verdronken en het water heeft geen gerucht gemaakt. En de
+witte man ... wacht eens even ... die heb ik gezien en herkend.... Wel!
+wel! wat er toch al gebeurt!... En ik heb niets gedaan om dat te
+beletten. Niemand heeft iets gedaan. Waren daar nog andere menschen?
+Rechtuit gesproken, ik geloof het niet. Ik had moeten toespringen. Wel!
+wel! een mensch zou er kiekevleesch van krijgen, als men bedenkt wat er
+al omgaat!... In 't volle van de stad jongen, in 't volle van de
+stad!...&quot;</p>
+
+<p>Hij kwam op de Papenvest en verwonderde zich dat de huisdeur, die anders
+nooit zoo vroeg was ontgrendeld, op een reetje open stond. Hij strompelde
+onvoorzichtig de trap omhoog. Het huis was stil. Hij keek op....</p>
+
+<p>De verbazing van Johan Doxa, toen hij Lieven Lazare in het aangezicht
+blikte, was slechts te vergelijken bij de verbazing van Lieven Lazare
+zelf, die den ellendigen sukkel zag aanklimmen in zijn matte lompen en
+slappe strikken.</p>
+
+<p>Tegen Johan's verwachting in verhief Lieven Lazare zijne donderstemme
+niet.</p>
+
+<p>Hij zei stil:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;God straft u, Doxa. Zijne hand heeft uw huis beschaduwd. En Hij
+verplicht u neer te kijken op uwe monsterachtige schande. Ik zwijg en
+laat u over aan Hem&mdash;kom binnen.&quot;</p>
+
+<p>Zachter nog, terwijl hij Johan Doxa in de kamer duwde, sprak hij:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Ik heb in gebed den avond en den nacht aan de sponde van uwe vrouw
+doorgebracht.&quot;</p>
+
+<p>Het docht Johan Doxa plots dat hij geene beenen, geen armen, geen
+lichaam meer had. Hij had geen gevoel van lucht, van koude of warmte.
+Een harde band spande hem om de slapen. Hij zag de vier hooge kaarsen
+die brandden aan de vier hoeken van het bed.</p>
+
+<p>Toen ook, daar staande in openbare dronkenschap, zag hij het witte
+kussen, het witte roerlooze gelaat van Julia, de witte handen gevouwd in
+vroome houding op de blauwe sargie, en het ivoren kruis dat uitarmde,
+ernstig tot onder de puntige kin.</p>
+
+<p>Lieven Lazare, het hoofd buigend, zei:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;God beproeft ons uitermate. En Hij treft ons in onze zonden.... Laat
+ons knielen, Johan!&quot;</p>
+
+<p>En dat deed Johan Doxa gehoorzaam, maar hij dacht al door:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Dat is toch een zonderling dingen, niet waar? Het water dat zoo
+angstig was ... en de roode kousen over de groote handen ... en het
+kindje heb ik wel gezien! De vrouw weende over het kindje.... Wel! wel
+toch! Wat een rare boel!...&quot;</p>
+
+<p>Zijne oogen bleven strak op Julia's gelaat gevestigd. Zijn geest puntte
+op Julia's gelaat.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Goede God!&quot; fluisterde hij.</p>
+
+<p>Hij begon halfluide te bidden, en sloot smartelijk zijne oogen.</p>
+
+<p>De tranen, die over zijne bolle wangen rolden, vielen op het dunne leder
+van het trommelken, hetwelk aan Johan's buik hing, en waarlijk scheen
+gemaakt te zijn om dergelijke kleine klopjes te ontvangen.</p>
+
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+
+
+<h2><a name="III" id="III"></a>III</h2>
+
+<h2>JOHAN DOXA</h2>
+
+<h3>DE BOETVAARDIGE</h3>
+
+
+<p>Julia werd door moeder Doxa met vroome zorgzaamheid gewasschen en gekist
+en Johan begroef haar op den derden dag, zooals het behoort. Nu bracht
+hij eenzame en talrijke uren om, in 't besef van zijne schuld en het
+docht hem daarbij dat een zeer luid sprekende wroeging hem kwelde.
+Dat duurde haast meer dan eene week. Dan verliet hij de kamers die het
+tooneel waren geweest van zijne diverse huwelijkservaringen en ging
+weer bij zijne moeder woonen, in het speelgoedwinkeltje van de
+Zes-penningenstraat.</p>
+
+<p>Eene kleine maand later ontving hij van Lieven Lazare, den godvruchtigen
+panfletschrijver, den volgenden brief:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;De Hemel, Johan, duldt niet langer dat ik mijn hart voor u gesloten
+houd. Aldus wordt door eene goddelijke inblazing het besluit gebroken
+dat ik in een oogenblik van rechtmatigen toorn ten uwen opzichte genomen
+had. Misschien is het waar dat ikzelf vreemd ben aan het opmaken van
+dezen brief. Misschien veracht ik u morgen even diep als ik u gisteren
+heb veracht. De adem althans, die door mijne woorden gaat, schijnt niet
+de mijne te wezen, en ik gehoorzaam aan eene geweldige bezieling zooals
+die ander? Lazarus gehoorzaamde toen Iemand, wiens donderende naam geen
+weergalm meer vindt in uw geheugen, hem gebood recht te staan uit den
+dood.... Beste Johan, het blijkt dat de schrikkelijke gebeurtenissen die
+God zelf voor uwe redding had beraamd, u niet tot inkeer hebben gebracht.
+Het is als of niet Hij, maar de Duivel u zou tot weduwnaar gemaakt
+hebben. Gij wandelt door de stad en niets in uwe houding verraadt dat
+de heilige Micha&euml;l u onlangs met het bliksemende vlammenzwaard heeft
+getroffen. Men ziet u rustig en kinderlijk kuieren langs de straatjes
+van Onze-Lieve-Vrouw-te-Rooje. Gij blijft met welbehagen lanterfanten in
+de nabijheid van spekslagerijen, en duwt uw neus tegen de ramen plat om
+met gulzige oogen het afschuwelijke schouwspel van hespen en worsten op
+te vangen. Gij loert de honden na, die snuffelend malkander nadrillen,
+en hun cyniek bedrijf wekt uwe belangstelling uitermate. Vermoedelijk
+hebt gij in den winkel van uwe beklagenswaardige moeder ook marbels
+gestolen, want op het Vossenplein heeft men u zien spelen met
+schoolkinderen. En elken dag, rond half-zeven, staat gij voor de <i>Old
+Curiosity Shop</i> de keukenreuken op te snuiven, en ontvangt dan door de
+trali&euml;n van 't keldervenster een dampend pakje uit de hand van Anatole.</p>
+
+<p>&quot;Ik ween van schaamte wanneer ik hoor verhalen hoe ge, ontdaan van alle
+menschelijke waardigheid, in de Kapellewijk de tonnen doet klinken....
+Johan, Johan, aanzie uwe zonden, eer God de ultieme en onherroepelijke
+straf uitvaardigt. Ik sta verbaasd bij 't aanschouwen van Zijne
+matelooze lankmoedigheid&mdash;maar wee u! als straks over u Zijne
+alverteerende gramschap losbreekt!... Ik ben gezonden door Hem, Johan,
+ik kom tot u met de boodschap der Goddelijke verzoening. Nader ootmoedig
+den drempel der eeuwige Kerk, Johan. Nog niet als Job draagt ge
+potscherven in wonden van berouw, maar belaad nu uw hoofd met uw
+mesthoop en snoer uw reistasch rond uw hart. Nader, Johan, met den stank
+van uwe naaktheid en de vloeken van uwe wanhoop het gouden tabernakel
+waar Krist, die gekruizigd werd, thans Zijn eeuwig leven viert. Hem
+rijkdom, roem en liefde opofferen verblijdt Zijn hart niet zoo
+zeer,&mdash;dat hart omkransd met doornen ...&mdash;maar offer Hem de zoete
+genuchten van uwe zwakheid en de brandende lusten van uw geil vleesch:
+dat is nog uw eenig bezit, en zoo, waarlijk, wordt ge de armste aller
+menschen. God, Johan, heeft de armen lief....&quot;</p>
+
+<p>Tot daar kon Johan den brief zonder bezwaar doorlezen. Nu echter begon
+hij te pinkoogen en, alsof het daglicht op de letteren verflauwde, ging
+hij naar het venster en boog zijn hoofd voorover, tot tegen de koude
+ruit. Gouden sterretjes regenden allerzijds. Maar algauw las Johan Doxa
+verder:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;De Heilige Geest vleugelt in mijne woorden, en ik zeg het u,
+ellendige vriend: Jesus is een eindelooze zee van genade, een zee die
+alle wrakken dragen kan. Neem tijdelijk afscheid van uwe moeder&mdash;wat
+toch heeft eene moeder van een zoon die zelf voor God verloren is?&mdash;en
+vertrek van huis. Gij zult in het Franciscaner Klooster van de
+Miniemenstraat eene heilzame retraite doen. Ga.</p>
+
+<p>&quot;Klop nederig aan de groote poort. Het is een heilig huis en pater
+Hilarius, dien ik gewaarschuwd heb, zal u met medelijden ontvangen. Toef
+niet. Het ontzaglijke geluid van Hem, die mijne ziel opnieuw in
+lichtelaaie zet voor u, davert op mijne tong en ik roep het u toe,
+armzalige Johan: toef niet, toef niet; uwe dagen zijn geteld!&quot;</p>
+
+<p>De brief hield op te beven in de hand van Johan Doxa. De brief gleed
+ritselend langs de witte venstergordijntjes neerwaarts en kwam zacht,
+gelijk een dubbele vlerk, op het plankier terecht. Hij ging liggen naast
+een sikkelvormige oranjeappelschil. En Johan keek op, door 't raam, naar
+den hemel die lichtblauw over vuile daken was uitgespannen. Hij stak
+zijne handen in zijne broekzakken. Met den wijsvinger van zijne
+rechterhand raakte hij er 't benageld paviljoentje van een kletsdop.
+Maar hij vond geen neusdoek om zich te snuiten.</p>
+
+<p>Johan Doxa zat 's avonds met zijne moeder in het kleine achterkeukentje
+dat bij den winkel aanpaalt. Moeder Doxa had den winkel gesloten en
+bereidde zich om de keukenlamp aan te steken. Johan zei:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Maak geen licht, ik bid u. Ik heb u iets te zeggen, lieve moeder.&quot;</p>
+
+<p>Ze zaten aan weerskanten van de oude Leuvensche stoof, en de stoof zong,
+en het was heerlijk donker. De buik van de stoof glom gelijk een
+reusachtige, zacht-blozende pronkappel. Een purperen glanzing gleed over
+het vriendelijke aangezicht van moeder Doxa, over hare gevouwen handjes,
+over haar hoogen boezem, over haar bolle knie&euml;n,&mdash;en eenderlijk kwam
+uitgloeien langs de ronde wangen van Johan, langs de mooi-versierde pijp
+waaruit hij rookte, en tot op de randen van zijne lompe schoenen, die
+daar nevenseen op den vloer stonden en waarnaar hij keek alsof ze
+anderman's voeten omsloten.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;He-wel?&quot; vroeg eindelijk moeder Doxa, en het trof hem hoe minzaam ze
+was. Hij antwoordde niet seffens. Hij had de gewoonte om lang te dubben
+eer hij een besluit nam en dan toch besluiteloos te blijven. Maar moeder
+Doxa drong niet dadelijk aan, want ze kende haren jongen. Hij dampte
+maar.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Zie, moeder,&quot; zei Johan, &quot;ik zou mij moeten beteren. Ach, ik weet
+wel, gij denkt niet dat ik slecht ben. Gij weet niet, gij weet alleen
+van een kindje dat ge in uw schoot gedragen hebt en dat zoetekens aan
+uwe borst heeft gehangen. Maar al groeiende is hij ver van u geraakt,
+en hij is nu een groote zondaar, en hij moet God vreezen.&quot;</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Gij zijt niet slecht, gij zijt misschien lui,&quot; meende moeder Doxa
+goedig.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Ja, ik ben lui,&quot; zei Johan, &quot;en nog iets anders ben ik, maar ik ben
+waarlijk lui.&quot;</p>
+
+<p>Hij bloosde erg. Telkens als hij ergens zijn eigen ontdekte bloosde hij
+zoo.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Na den dood van uwe vrouw,&quot; hernam moeder Doxa en zij maakte het
+teeken des kruis, &quot;heb ik gedacht: nu gaat mijn jongen weer aan 't werk,
+want hij is krachtig en jong, nu gaat hij schoone schilderijen maken, en
+we zullen alle twee gelukkig zijn. Ik dank den hemel dat het eindelijk
+toch zoo gebeuren zal.&quot;</p>
+
+<p>Johan keek niet op naar heur en zei:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Ge zijt edel, beste moeder. Wanneer ge zoo spreekt voel ik eerst hoe
+diep ik gezonken ben, maar....&quot;</p>
+
+<p>Hij aarzelde. Hij zocht naar woorden, gelijk een dronkaard naar het
+sleutelgat zoekt. Hij vond in zijn geheugen een half-uitgevaagden zin
+van Lazare's brief en pruttelde:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;... maar, moeder, Jesus is een zee van genade, waarin ... waarin ik
+zou kunnen verzuipen ... als ik niet oppas.&quot;</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Ja, Jesus is zoo goed als men maar denken kan.&quot;</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Zoo zegt ge. En nu moet ik in de Miniemenstraat, bij de Capucienen
+eene retraite doen. Dat duurt nog al lang. Ik weet niet hoelang dat het
+eigenlijk duurt.&quot;</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Lang?... En wat is dat dan, eene retraite?&quot;</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Eene retraite?... Weet gij niet wat eene retraite is, moeder?&quot;</p>
+
+<p>Hij vond het heerlijk dat moeder Doxa zoo luchtig de boodschap aanvaardde
+en omdat zij, de goede ziel, zelfs niet wist wat eene retraite was,
+lachte hij stille hare lieve onwetendheid tegen. Maar hij wist ook niet
+wat eene retraite was.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Kom, kom, moedertje,&quot; deed hij, &quot;bekommer u niet om mij. De paters
+zullen mij niet opeten. Ik moet een beetje boeten, een beetje te
+communie gaan en mis hooren, en dergelijke meer. Ik kom zoo frisch als
+een botvink terug.&quot;</p>
+
+<p>Hij betastte zijn wegend buikje en zag de kleine vleeschkuiltjes van
+zijne handen rozig aanglimmen onder de heete kaak van den kachelpot.
+Inderdaad geloofde hij zelf niet wat hij daar vertelde. In zijne meening
+moest de retraite iets schrikkelijks zijn, vermits Lieven Lazare ze hem
+als eene straf opgelegd had. Hij had er den heelen middag met angst over
+nagedacht: het klooster zou hem eene donkere gevangenis zijn en de
+Franciscanen akelige cipiers. Hij moest er voorzeker op roggebrood en
+lauw water leven. Er was daar geen lucht. 's Nachts hoorde men er
+vreeslijke geraamten rammelen, en 's morgens moest men naakt in zijn
+celletje staan en er zichzelf met knoestige riemen afranselen. Hij
+betastte zijn buikje als om het voor eeuwig vaarwel te zeggen, met een
+zucht....</p>
+
+<p>&mdash;&quot;En wanneer vertrekt ge?&quot; vroeg moeder Doxa.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Morgen vroeg.&quot;</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Ha!... morgen vroeg.&quot;</p>
+
+<p>Beide verzonken in gepeinzen. De moor zong nu ook, die op de stoofbuis
+stond.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Na een nacht vol ijselijke droomen, rees Johan Doxa uit zijn bed. Het
+was een grijze dag. Achter het kleine vensterken nevelde een
+miezelregen. Terwijl Johan zich aankleedde en precies op het oogenblik
+dat hij zijn hoofd voor de eerste maal in de waschkom gestoken had,
+begon waarlijk zijn druppende neus in de lucht om te snuffelen. Er ging
+ongetwijfeld door de kamer een smakelijke geur van spek en eierkoek.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Dat is raar,&quot; dacht Johan Doxa. Hij was gauw gereed en kwam de trap
+af. De keuken dampte van weelde.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Moeder,&quot; zei hij, &quot;gij zijt al te goed.&quot;</p>
+
+<p>Maar moeder was bezig aan een groot pannengedruisch en knikte hem
+lachend tegen. Daar stond feestelijk op tafel het prinselijk gerecht.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Moeder, ik zal het nooit vergeten....&quot;</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Gij dwaze jongen,&quot; zei de moeder, &quot;zwijg maar liever en eet.&quot;</p>
+
+<p>Hij at tot zijn ronde kin ging glanzen en toen hij gegeten had en,
+rechtstaande, hem het aardige gevoel der spannende broekgesp omdeed, nam
+hij zwijgend zijn hoed aan den kapstok. Moeder Doxa stond te midden van
+den vloer en glimlachte.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Allee, beste Jan,&quot; sprak ze, &quot;ga nu&mdash;ik heb Onze-Lieven-Heer voor u
+gebeden.&quot;</p>
+
+<p>Hij kuste haar en ze stopte hem rap een vijffrankstuk in de hand. Hare
+vingeren beefden.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Neen, neen,&quot; stotterde Johan terwijl zijn hart in twee&euml;n brak.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Ssjt! mijn jongen ... ik kan ze nu beter missen ... dan gij.&quot;</p>
+
+<p>Ze vergezelde hem tot op den drempel van het winkeltje. De dag aaide
+langs het speelgoed om haar. Johan kuste haar nogmaals en zei:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Goedendag, lieve moeder, tot weerziens.&quot;</p>
+
+<p>Ze knikte aldoor met heel kleine oogjes, en, plots, wendde zich af, naar
+binnen.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>En door het mottige weer begon Johan zijn boetvaardige reis. Hij stapte
+op langs kleine steegjes en zou gauw de Miniemenstraat bereiken. Reeds
+was hij het Vossenplein voorbij en zag, boven een lagere brokkeling van
+daken, het fijn uitgesneden klokketorentje der Kloosterkapel. Hij bleef
+staan, als om zich te bedenken. Hij bedacht zich en bleef gedachtenloos.
+Kleine verschrikkingen schoten als electrische schokjes door zijn
+lichaam, en toen kwam een licht bedaren in zijn hoofd dat zei:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Ge hebt nog een beetje tijd, Johan, waarom moet dat alles zoo vlug
+gaan?&quot;</p>
+
+<p>Ook voelde hij nu het vijffrankstuk op de palm van zijne hand plakken en
+hij trof dadelijk eene prachtige uitkomst.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Ik heb daarbinnen,&quot; beweerde hij, &quot;geen geld noodig&mdash;geld is duivels
+goed, en moederken kan ik gelukkig maken met 't een en ander, dat ik
+haar opsturen wil.&quot;</p>
+
+<p>Het klokketorentje verdween uit zijne oogen en hij stapte links om, naar
+de Steenpoort en de Groote Markt.</p>
+
+<p>Op den Steenpoortweg stonden er karretjes met mosselen, met citroenen,
+met oranjeappelen en met groenten. Hij keek er niet naar om. Hij ging
+voor de peperkoekwinkels staan en begon met kinderlijk welbehagen te
+kiezen. Hij koos een peperkoek dat in den vorm van een mooi hart was
+uitgesneden en op de randen geheel met lekkere fruitschellen omlegd.
+Hij besloot binnen te gaan, maar wilde vooreerst uitkijken naar een
+loopjongen, die het geschenk aan moeder brengen zou.</p>
+
+<p>Er liepen daar vele jongens rond. Johan Doxa beproefde om op hunne
+gezichtjes te lezen hoe eerlijk ze waren, en hij bevond dat hij behoefde
+daaromtrent waarlijk zeer ongerust te zijn. Eene gelukkige ingeving
+dreef hem naar een kleine kroeg, waar hij een druppelken brandewijn
+dronk. En luttele beslissingen wisselden malkander ondertusschen af in
+zijn geest. De kroegbaas zei:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;'t En zal vandaag niet ophouden met regenen, kameraad.&quot;</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Dat zou ik ook gelooven,&quot; antwoordde Johan Doxa.</p>
+
+<p>Een vochtig gevoel kwam over hem, en hij bestelde een tweede glaasje, en
+naderhand een derde. Dan, terwijl hij betaalde, zag hij moeder's
+zilverstuk plots op den toog liggen. Gedurende &eacute;&eacute;n oogenblik haatte hij
+het wisselgeld dat hij ervoor terug kreeg.</p>
+
+<p>Hij bedacht nu dat er in de Boterstraat meer fijne winkels waren en
+daalde langs de Steenpoort naar de middenstad. Een zwaarbeladen
+koolwagen rolde hem v&oacute;&oacute;r. Bij elk geschok der trage wielen rolden
+stukjes glinsterend kool over de zwarte berden. Er viel ook een groote
+brok en Johan raapte haar op en bracht haar bij den voerman. De voerman
+had een ruigen rosten baard en stak zijne breede hand uit, bespannen als
+met een bruin-lederen vel. Toen struikelde het paard en stortte voorover
+op de steen en. De kar dook met hare lompe tremen die ze met een doften
+slag sloeg tegen den grond.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Nondidju!&quot; vloekte de voerman.</p>
+
+<p>Er was seffens een groote toeloop van menschen. Een man ging met zijn
+knie op den kop van het paard zitten. De riemen werden haastig ontgespt.
+Stemmen klonken dooreen. Een politieagent dreef het aanzwellende volk
+achteruit. Johan Doxa stond met het groote stuk kool in zijne armen.
+De politieagent riep in zijn verschrikt gelaat:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Wilt ge, potverdomme, de kolen laten liggen, gauwdief!&quot;</p>
+
+<p>Johan werd de prooi van eene geweldige aandoening; zijn last rolde over
+zijn buiksken aan zijn voeten en hij wilde vluchten. Hij week door de
+menigte heen. Hij voelde van allen kant oogen op hem gestoken en
+kinderen schreeuwden hem achterna. Hij kwam in een klein ledig straatje,
+gelijk een drenkeling een oever bereikt. Hij zat nu in een herberg zijn
+eigen te betasten en met langzame proefnemingen de zekerheid op te doen
+dat hij nog armen had en beenen en een hoofd. Zonderling grijnzend
+lachte hij de waardin tegen die, gelijk een afschuwelijk gevaarte, naar
+hem toe stapte.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Dat zijn dingen, hee?&quot; stamelde hij onnoozel.</p>
+
+<p>En daar de waardin, zonder begrijpen maar met zachte gedienstigheid,
+medelachte bestelde hij eene flesch geuze-lambik, en vroeg bang:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Wilt ge ook meedrinken, als 't u belieft?&quot;</p>
+
+<p>Ze wilde wel. Ze kreeg een kokette blos, die haar goed stond, en ze
+dronken samen. De waardin bekeek haar eigen in den spiegel, die recht
+over den toog hing, en schikte vluggelings de krulhaartjes op hare
+slapen. Ze had dikke armen.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Ik geloof,&quot; zei Johan vriendelijk, &quot;dat die regen van den heelen dag
+niet meer ophoudt.&quot;</p>
+
+<p>&mdash;&quot;'t Zou wel kunnen,&quot; zei de waardin, &quot;de barometer zakt.&quot;</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Ja, 't is ook 't seizoen,&quot; hernam Johan.</p>
+
+<p>De waardin reikte hem den tooghanddoek over en meesmuilde:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Ge zijt een beetje vuil over uw voorhoofd.&quot;</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Ikke?&quot;</p>
+
+<p>Hij was zoo vuil als iemand zijn kan, die voortdurig met twee koolzwarte
+handen in zijn beregend aangezicht heeft gewreven. Uit schaamte vroeg
+hij een tweede flesch geus. En ze dronken. En ze praatten over kleine,
+ledige zaken.</p>
+
+<p>Johan Doxa vertrok bij noenstond. Toen hij te midden van de Groote Markt
+stond, vroeg hij zich af wat hij hier kwam doen. Hij keek wonderlijk op
+naar de gulden gildehuizen. Den top van den stadhuistoren zag hij niet,
+die onder de natte miezeling in eendere grijze kleur verging. Hij duwde
+zijn hoed tot tegen zijne ooren en stelde vast dat hij honger had. In de
+nauwe Peper-en-Zoutstraat trof hij eene bescheiden gelegenheid en hij at
+er substantieel genoeg, schoon zonder gulzigheid, gelijk het hem docht
+dat aan een zondaar in pelgrimstocht betaamt.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Thans,&quot; mijmerde hij binst de koffie, &quot;bezit ik nog twee en twintig
+en een halve cent, en ik weet waarlijk niet wat ik ermee zal doen.&quot;</p>
+
+<p>En, voor hij naar het Klooster der Miniemenstraat toog, dronk hij ermee
+een grooten druppel cognac, want zijn moederken had hij, ik weet niet
+hoe, geheel en al vergeten.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Hij vatte beslist de koperen schelknop. De luide bel weerklonk meer in
+het hart van Johan Doxa, dan in de wijdgalmende vestibule. De
+pater-poortier die eerst het spioenraampje had opengeschoven, opende nu
+ook de zware deur. Het Klooster gaapte in het aanschijn van Johan Doxa.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Kan ik,&quot; vroeg hij met bleeke stem, &quot;den eerwaarden pater Hilarius
+spreken? Ik zou gaarne eene retraite doen.&quot;</p>
+
+<p>De pater-poortier was, buiten Johan's verwachting, zoo minzaam als men
+zich denken kan dat ooit ter wereld een kloosterpoortier mag zijn. Hij
+had eene uiterst discreete houding en, ware 't niet dat zijn gelaat
+hoog-gezond opbloeide boven den zwarten baard, scheen uit loutere
+welgemanierdheid weg te schemeren in de schaduw van de poort. Het
+bloeiende gelaat echter glimlachte en twee fijne muis-oogjes daarin
+wenkten vriendelijk: &quot;welkom ... welkom....&quot;</p>
+
+<p>De zware deur, die achter Johan met een eiken klop dicht kwam, sloot
+meer dan het somber gebouw: het docht hem dat de gansche wereld nu voor
+altijd was gesloten. De pater-poortier ging voor en leidde Johan Doxa in
+eene kleine spreekkamer, die ineens vol blauwig licht was. Er stonden
+een paar nederige stoelen en aan een witgekalkten wand hing een groote
+Kruislieven-Heer. Daar liet men hem alleen, ruim drie kwartier-uurs. Hij
+draaide zijn natten hoed stille in zijne handen. Hij stond in een ring
+van regendroppen, die gelijk donkere starretjes rond hem waren gespreid.
+Er walmde een muffe salpetergeur.</p>
+
+<p>Pater Hilarius had een streng, doch niet weerbarstig uitzicht. Een
+grijze ronde baard, wat stoppelig, omkleurde een mat gelaat waar
+grauw-groene oogen als dood lagen en dat alleen&mdash;dan heel sterk&mdash;bezield
+werd door den vorm- en schaduw-rijkdom van een geweldigen arendneus.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;God zij met u,&quot; sprak pater Hilarius, &quot;zijt gij Johan Doxa? Ik ben
+Hilarius.&quot;</p>
+
+<p>Johan keek onwillekeurig om. De stem scheen uit de muren te vallen. Hij
+zou er in elk geval een eed op gedaan hebben dat ze uit den roerloozen
+mond van pater Hilarius niet viel. Toen echter deze pater voortging met
+eene lange rede waarin de naam van Lieven Lazare, van Jesus, van den
+heiligen Franciscus beurtelings voorkwamen, heroverde Johan van
+lieverlede de kluts die hij kwijtgeraakt was. Hij besloot maar te
+berusten in het onvermijdelijke, liet zich gewillig bepreeken, knikte
+moedig de les toe waaruit hij geen ander nut zou trekken dan dat hij
+zich bereid voelde zelfs tot den dood.</p>
+
+<p>Pater Hilarius, nadat hij uitgesproken had, zei:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Gij zijt dweilnat, dunkt me. Ge moet eten en u verwarmen. Volg me.&quot;</p>
+
+<p>Het was minder een gevoel van eerlijkheid dan de vrees voor wat hij hier
+te eten zou krijgen, die er Johan toebracht ineens den pater bij de
+harde mouw te pakken.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Nee,&quot; deed hij angstig, &quot;ik bid u, geen eten. Gij zijt al te goed.&quot;</p>
+
+<p>Hij kwam in eene ruime zaal. Er was een breede schouw met een lekker
+vuur.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Zet u, en warm u,&quot; zei de pater. Johan zette zich en bleef daar weer
+nagenoeg drie kwartier-uurs alleen zitten. Hij werd heerlijk warm en
+zijne bolle kaken gloeiden. Het werd zoetekens avond en Johan zag een
+prachtigen zonsondergang in de laaie karbonkels van den open haard. Hij
+werd eindelijk zoo rustig als een onschuldig mensch.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Pater Hilarius is vreeslijk mager,&quot; dacht hij op slot van rekening,
+&quot;maar de pater-poortier is zoo vet als een das.&quot;</p>
+
+<p>Hij kon bijgevolg nogeens zijn eigen buikje zonder voorbarige
+benauwdheid in oogenschouw nemen en wachtte gelaten de gebeurtenissen
+af.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>De klok uit het torentje begon te kleppen. Pater Hilarius verscheen en
+noodigde Johan Doxa uit om mede in de Kapel lof te hooren. Johan heeft
+zich daar overdadig vermaakt.</p>
+
+<p>Niets ooit in zijn leven had hij gezien dat zoo mooi was als het kleine
+kerkje. Het kerkje was geheel omdaan met eene fluweelen donkerheid,
+waarin de bevende glanzing van fraaigeregelde kaarsenreken speelde en
+aarzelde en langs gouden diepten zwevend verging. Maar stilaan zag Johan
+in de zwaarpurperen schemering de dikke pilaars opklaren en ginder hooge
+wattige gewelven dragen. De muren begonnen zacht te glimmen. De outer
+werd zichtbaar en heerlijk. En alles, al wat hij zag, was met wondere
+polychromi&euml;n versierd. Het werd hem, hoe meer hij toekeek, zoo rijk en
+koninklijk dat zijn hart er week en gulzig bij aan het dansen ging.</p>
+
+<p>Dan, al rondom hem, herkende hij de ronde bruine ruggen van de
+capucienen. De orgel zette aan. De Kapel kwam vol met vleugeltjes van
+vogels.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;O God,&quot; bad Johan Doxa gevoelig, &quot;ik zou willen een pater zijn!&quot;</p>
+
+<p>Hij verachtte zijn baardelooze kin.</p>
+
+<p>Maar na den dienst werd hij, langs duistere gangen, in eene nauwe cel
+gebracht. Men hing een damping kaarslantaarntje aan zijne hand, en
+wanneer hij alleen was, voelde hij eene bittere triestigheid zijn
+gansche wezen overvallen. Waarom moest dat nu zoo gaan? Waarom moest hij
+verlaten wezen? Waarom hadden die menschen zulke kleine hokjes gemaakt?</p>
+
+<p>Hij ging op het ijzeren beddeken zitten en blies de kaarslantaren uit.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Johan Doxa, neerliggend in den donkeren avond, volgde met luien geest
+een varenden snoer van gedachten.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Ik geloof niet,&quot; mijmerde hij, &quot;dat er voor mij in dees Klooster eene
+uitkomst is. Ik ben te zeer beladen met zonden. Van het drooge brood,
+dat men mij als een prop in de keel zal steken, spreek ik niet. Maar het
+pompwater? Wanneer ik zal tot op de pees uitgedroogd zijn, en wanneer ik
+zal bezig zijn mijne ribben te tellen, wat rest mij dan nog dan dood te
+gaan? Ik kan mij nauwelijks inbeelden dat Onze-Lieve-Heer zich meer wil
+erbarmen over een pannelikker dan over een smeerbuik. Maar Zijne
+inzichten zijn verborgen en ik ben inderdaad door en door slecht. Ik zal
+bidden om veel moed te krijgen, en God helpt niet waar men zijn eigen
+niet helpt. In deze gevangenis zal ik wel eene spinnekop vinden, en ik
+wil ze tam maken en haar allerhande kunstjes aanleeren. Het lieve dier
+zal mijne gevangenschap bekoren. Ik zal een aardig wagentje bouwen waar
+ik haar inspannen kan. Zij zal aan een fijne draad 's nachts komen
+hangen boven mijn aangezicht. Ik houd niet veel van muizen, anders zou
+'k gaarne ook een muisje dresseeren. De staart van eene muis is zoo vies
+dat ik er niet aan denken durf. Ze zullen mij waarschijnlijk groote
+latijnsche boeken geven om in te lezen. Roode en zwarte letters zijn
+mooie dingen, maar ik zal toch niet lezen in zulke boeken, vrees ik.
+Zullen ze ook een doodshoofd aan mijn voeteinde leggen? Er zijn twee
+dingen die ik, behalve een doodshoofd, voor mijne oogen niet verdragen
+kan: een zeisen en een zandlooper. Ik heb mijne pijp thuis gelaten. Dat
+is heel goed zoo, Johan. Die menschen weten van geen tabak te spreken.
+Altijd wierook, altijd wierook. Wanneer mijne retraite uit is, hoop ik
+dat Anatole mij weer eene van die dikke sigaren mag geven, gelijk de
+oude heeren smooren in de <i>Shop</i>. Maar ach! ach! ik zal nooit van mijn
+leven meer kunnen rooken!... Morgen komen ze met koorden aan en ik zal
+mij moeten kastijden ten bloede. Ze zullen azijn over mijn mond gieten.
+Ik zal blootsvoets naar de kerk gaan.... Wanneer heb ik den laatsten
+keer mijne voeten gewasschen?&quot;</p>
+
+<p>Hij lag zeer rustig. Er zweefden nog twee drie lichte gedachtekens
+voorbij en hij fluisterde:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Sakkerloot....&quot;</p>
+
+<p>Toen sliep hij vast in.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>De Kloosterklok was bezig met volle geluid als Johan Doxa wakker schoot.
+De cel was vol licht, alsof daarbuiten een liefelijke Lente gebeurende
+was. En waarachtig: door 't kleine raam zag Johan een stuk hemel
+heerlijk-blauw, bespot met witte krullende wolkjes en overstraald met
+zonnegeweld. Hij ging op zijn bedde staan en keek uit langs het venster.
+Wat zag hij daar voor moois?...</p>
+
+<p>De binnentuin van 't Klooster lag vierkant tusschen de met mos en veil
+begroeide gevels te leven in prachtig kleurengedoe. Er was veel laag
+groen waar zes ronde perken tulpen bloeiden. Net geteekend en effen van
+verve, ringden er omme de safraangele kiezelpaadjes. Van uit Johan's
+venster, leek de tuin een vurige rozet, gelijk men er vindt op bonte
+ramen van kathedralen. Als een bruine mier kroop een pater-hovenier er
+over. Zijn rozige schedel was gepolijst.</p>
+
+<p>Toen werd Johan Doxa vervuld met eene eindelooze vreugde.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Hee-la!&quot; riep hij luid.</p>
+
+<p>Hij schrok bij den klank van zijne stem en trok zich schielijk terug.
+Daar zag hij een rosten capucien op de zuil van zijn celletje staan.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Goeden morgen,&quot; zei de capucien minzaam, &quot;ik ben de pater-hotelier.&quot;</p>
+
+<p>Van uit de hoogte waar hij zich geheven had, keek Johan Doxa hem aan,
+plotseling duizelig wordend. Langzaam hurkte hij op zijn bed neer, in de
+meening dat zulke trage inkrimping wellicht ongemerkt kon gebeuren en
+hem maken tot een fatsoenlijk mensch van normale grootte. De capucien
+stond goud-rost als een najaarsmiddag. Zijn kastanje-oogen blonken in
+een besproet gelaat dat weelderig was omhangen met een baard van duizend
+kurkvormige krullekens. Het was alsof een late zon schuin aanglom over
+heel dat harig hoofd, en over 't gele haar ook van zijne sterke handen.
+De capucien was dik en wel te pas.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;En wat zoudt gij nu willen eten?&quot; vroeg hij.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Willen eten?... Ha! willen eten, zegt gij....&quot;</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Ik heb hesp en Zwitsersche kaas en goede boter en roommelk. De koffie
+is klaar. Maar ge kunt ook thee krijgen. Onze thee is niet al te best,
+moet ik zeggen.&quot;</p>
+
+<p>Daar de pater-hotelier glimlachte, lachte Johan Doxa mee. Hij lachte
+gedwongen, al peinzende: &quot;dat is een geestige keukenbroeder, die aardige
+namen aan zijn pompwater geeft.&quot;</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Ik zal koffie gebruiken, en hesp of zoo....&quot; zei hij gekscheerend.</p>
+
+<p>Maar hij viel niet omver van verbazing, toen, na de korte vroegmis, de
+heerlijke pater-hotelier hem voor een frisch-blanke tafeltje deed
+aanzitten, waar een soliede ontbijt was opgediend. Johan Doxa, moet ge
+weten, is nooit in zijn leven zoo verbaasd geweest dat hij ervan omver
+zou vallen.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Na drie dagen besloot Johan Doxa de overtuiging te aanvaarden, dat een
+retraite bij de Franciscanen eigenlijk behoorde tot een der aangenaamste
+tijdkortingen van de wereld. Hij kon zonder moeite gehoorzamen aan de
+regels van den huize, volgde gewillig alle kapeldiensten, hanteerde
+zoetekens zijn dikken paternoster en bladerde devotelijk in zijn
+kerkboek. Dagelijks moest hij een apart en stichtelijk sermoontje hooren
+van pater Hilarius, en hij deed het zooals een zieke de siroopdrankjes
+van den doctor inneemt. Maar zijn groote vrienden waren de kale
+pater-hovenier en de haar-rijke pater-hotelier.</p>
+
+<p>Den pater-hovenier hielp hij de vele tulpen verzorgen in den zymetrieken
+tuin. Hij reekte en sproeide en weerde het kleine woekerkruid. Ze
+verstonden malkander goed, ofschoon de oude capucien geen woordje sprak
+en alles zwijgend te beduiden gaf met bevende gebaren van zijn
+voorzichtige hand. Te zamen versierden zij met klaterende bloemen de
+Lente die in den tuin van dag tot dag gulziger aan het leven ging.</p>
+
+<p>De pater-hotelier echter zat in het hart van Johan Doxa gelijk op een
+troon. Hij was ook de majordoom van zijne maag. Hij kon dingen bereiden
+die de herinnering aan de geuren van de <i>Curiosity Shop</i> geheel
+uitvaagden. En hij had een wijnkelder. De retraite-verordeningen, zooals
+de pater-hotelier ze uitvoerde, waren zoet om dragen en indien
+God-de-Vader uit den hemel op Johan in dien tijd heeft neergezien, dan
+heeft hij moeten vaststellen dat deze boeteling zich gedwee aan al de
+gestrengheid der orde-geboden heeft kunnen onderwerpen. Een
+voortreffelijk berouw was blijkbaar het mystieke sieraad van zijne ziel,
+want het geweten van Johan Doxa was nu geleedelijk zoo rustig geworden,
+dat&mdash;om het met een stoffelijk beeld uit te drukken&mdash;zijne broek buiten
+alle verhouding te spannen begon.</p>
+
+<p>De zevenden dag besloot pater Hilarius zijn familiaire preek met een
+voorstel dat Johan in verrukking bracht. Hij sprak:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Ieder moet den Heere loven naar zijne vermogens, mijn zoon. Even
+eerbiedwaardig als het statige lied van den nachtegaal, klinkt in zijne
+ooren de drooge roep van den krekel. Al wat ter eere van God opgaat in
+dank, behaagt Hem uitermate. Daarom dunkt mij, Johan, dat gij zoudt
+moeten denken aan het werk, waarmede gij Hem naar uwe beste krachten
+huldigen kunt. Ik meen bij voorbeeld&mdash;een schilderij....&quot;</p>
+
+<p>De tranen schoten Johan in de oogen. Hij omhelsde den pater niet, omdat
+hij zelden iets deed, waartoe hij vast was besloten.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Johan Doxa miek een schilderij. Het moest naar het aanvankelijk ontwerp,
+worden een beeld ten-voete-uit van den Heiligen Franciscus en het zou op
+den grooten outer van de Kloosterkapel prijken. Maar het werd een kleine
+Jesus, blond en rozig, gezeten op een kussen van weidebloempjes, de eene
+hand rustend op een blauwen wereldbol, de andere zegenend ten hooge
+geheven. Het hangt thans links in het kerkje, rechtover den preekstoel,
+als een ex-voto van blijvende schoonheid, voor alle tijden....</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Terwijl Johan Doxa bij een hoog raam aan het schilderen zat, kwam de
+pater-hotelier op geregelde uren met hem een praatje doen.</p>
+
+<p>Bij voorbeeld bracht hij hem een bruin-geboterd kipje en zei:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;De pater-hovenier is nu met jacynthen bezig. Ik houd in het geheel
+niet van hem, Johan.&quot;</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Ik hoop dat ge u vergist.&quot;</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Ik houd niet van wat hij is, wil ik zeggen. Hij is een
+vrijheidschender. Hij zet al de lieve bloemen in perken, gelijk men
+kinderkens in kerkers zou steken.&quot;</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Bloemen voelen dat niet. Zij bloeien maar....&quot;</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Wie weet? Vogeltjes sluit men ook op, en zij zingen maar....&quot;</p>
+
+<p>Johan liet zijne vork op den rug van het kipje rusten en keek verwonderd
+naar den pater. Hij dacht aan een vinkje dat hij overlang bezeten had en
+dat in zijn kooi was doodgegaan. Werktuigelijk zei hij:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;En een eekhoorn houdt men wel eens in een trali&euml;ntrommel gevangen, en
+hij danst maar....&quot;</p>
+
+<p>Hij wendde zijn aangezicht naar 't open venster en blikte in het wijde
+azuur. En de pater vroeg:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Hebt ge geen eetlust, beste Johan?&quot; Neen, hij had geen eetlust. Hij
+hoorde verre geluiden over den hemel gaan. En het werd hem ineens zoo
+droef te moede, zoo droef te moede, zoo eindeloos droef te moede....</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Op een zondag-avond, na 't lof, lag Johan Doxa in zijne cel, op het
+nauwe ijzere bed. Het Klooster sliep. Johan lag met open oogen tusschen
+denken en niet denken. Was dat mijmeren? Was dat rusten? Voor de eerste
+maal sinds zijne aankomst bij de paters, lag hij zoo en glariede in de
+duisternis. Er kwamen geen beelden op, maar iets heel warms, gelijk eene
+onzichtbare pels, omdoezelde hem gansch. Zijne voeten en zijne handen
+gloeiden, en langzaam vergingen ze in donzigheid, en hij zou ze niet
+kunnen verroeren, want had hij nu nog handen en voeten? Hij voelde zijn
+eigen niet meer.</p>
+
+<p>Het vensterken was niet dicht. Hij hield hel open omdat, van af
+eergisteren al, een zwaluwenpaar hier rond vleugelde, een hoekje zoekend
+om hun nest te bouwen. En van heel wijd naderde hem een wolk van wattige
+gepeinzen, tot hij, buiten alle verwachting, werkelijk te denken begon.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Van waar komen toch die zwaluwen, ieder jaar?&quot;</p>
+
+<p>En de wolk dreef op, in langzame vaart. Ze zweefde over lage landouwen,
+over steden en dorpen, over wouden en stroomen, over bergen van groen en
+bergen van sneeuw, en dan daalde ze glijdend en voer over zee, de
+matelooze, ruischende zee.</p>
+
+<p>Plots ontlook in de stilte een verre muziek. Ze breidde zich uit en
+ontwikkelde allengerhand zeer hoorbaar hare blijde cadensen. Ze vulde
+weldra de lucht met zwellende klankondulati&euml;n, en Johan kon eindelijk
+herkennen wat daar een fluit deed, een klarinet, een koperen hoorn, een
+brommende trombone, en al zulke plezante tuigen meer. Een trom klopte de
+rythmen. 't Werd kermis, kermis in de stad&mdash;kermis in de ledige ziel van
+Johan Doxa, die, met &eacute;&eacute;n schok, zijne handen weerkreeg, en zijne voeten.</p>
+
+<p>Hij zag nu, alsof hij er bij meehuppelde, den ommegang van de fanfare in
+Onze-Lieve-Vrouw-te-Rooje-wijk. Hij zag de kinderen dansen, hij snoof de
+vetwalmen der oliekoeken en den stikkenden rook der fakkels. Hij zag de
+ruiten der herbergen branden en flappende vlagen kleuren in den gloed.
+Hij zag de mannen en de vrouwen....</p>
+
+<p>Hij zag de vrouwen. God vergeve hem, hij zag &eacute;&eacute;ne vrouw, eene met
+krullekens voor hare slapen en die, met bloote armen, twee schuimende
+pinten geuslambik bood.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Wilt ge meedrinken, als 't u belieft?&quot; vroeg Johan.</p>
+
+<p>En ze zei terwijl ze op hem afkwam met den tooghanddoek:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Ge hebt u een beetje vuil gemaakt, geloof ik.&quot;</p>
+
+<p>Hare stem was wonderzoet. Nu naderde ze minzaam en lachte in zijn
+aangezicht. En Johan draaide zich gauw om in zijn bed, vatte wanhopig
+zijn hoofdkussen in beide armen, en pletterde daar zijn mond tegen, om
+'t huilen te smoren dat onweerstaanbaar uit zijn hart opjoeg.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Moeder! Moeder! Moederken!...&quot; kloeg hij.</p>
+
+<p>En dat duurde een heelen tijd zonder dat het baatte.</p>
+
+<p>Toen het schilderij af was, verklaarde Johan Doxa dat de retraite hem
+voor goed van al zijne slechtheid gezuiverd had en vroeg hij om zijne
+uiterste biecht te zeggen. Met &eacute;&eacute;n woord: hij wilde uit het klooster
+weg.</p>
+
+<p>Pater Hilarius hoorde de biecht, een mooien middag van April, even voor
+vespertijd. Johan ging met hem in de schoone Kapel, knielde voor den
+outer en verdween in het donkere hokje, waar hij, tegen een plank met
+gaatjes, woorden prevelde in het oor van zijn biechtvader. Dan moest hij
+onder het groote Kruis-Lieven-Heer gaan liggen en met zijn voorhoofd
+lang die koude vloertichels raken. Eindelijk hoorde hij de vespers
+zingen. 't Was uit. Hij nam afscheid van de Kloosterlingen, waaronder
+velen hem liefdelijk behandeld hadden. Hij nam met melancholische
+hartelijkheid afscheid van den ouden pater-hovenier, die hem drie
+zeldzame begoniabollen ten geschenke gaf. En zijn gemoed kwam nog even
+vol toen hij in de vestibule afscheid nam van den gulden pater-hotelier,
+die zijne zware handen op Johan's schouders legde. De pater-hotelier
+zei:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Vaarwel, lieve vriend. Ik zal steeds u in mijne gebeden herdenken.
+Van menschen zooals gij, Johan, gewaagde Krist toen hij ergens de
+Pharize&euml;rs toeriep: &quot;Laat af, gij die schraapzuchtig zorgt voor den
+dag van morgen!&quot; God, toen hij de Toekomst schiep, schiep ook de
+Voorzienigheid, en beide blijven in Zijne handen. Ga, Johan, onbekommerd
+uwen levensgang. God spijzigt de vogelkens van uur tot uur. Waarom zou
+Hij u niet spijzigen?&quot;</p>
+
+<p>Hij drukte Johan in zijne armen en zegende hem....</p>
+
+<p>Daar stond met zijn zwarten baard en rozig gezicht, de goedige
+pater-poortier vergeefs zijn best te doen om in de schaduw van pater
+Hilarius te verdwijnen. Johan hoorde zonder ongeduld een laatste
+sermoen, een klein deur-sermoentje maar, vol liefelijke en lichte
+dingetjes, gelijk van een chirurgijn, die een pati&euml;nt op krukken
+doorzendt, waarvan hij een been of zoo heeft afgezaagd. Dan stopte pater
+Hilarius hem een papieren omslag in de hand en fluisterde,
+half-wegloopend:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Van den prior ... voor het schilderij ... adieu! adieu!&quot;</p>
+
+<p>De hooge poort schoof langzaam open. Een geweldige adem sloeg Johan
+tegen de borst. Hij wankelde. Hij had willen een glasje water drinken
+terstond, en hij besloot om een glasje water te vragen....</p>
+
+<p>Maar hij kon nooit iets doen, waartoe hij besloten was. Hij stikte. God!
+wat een ontzaglijke lucht hier!... De poort ging dicht. Johan Doxa stond
+buiten.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>&mdash;&quot;Pouah! ch&eacute;ri, hoe ruikt ge z&oacute;&oacute; naar den wierook?&quot; Twee heerlijk-zwarte
+marolle-meisjes zaten nevens Johan Doxa, aan weerskanten, op de nauwe
+bank van de friture-kroeg. Johan had kennis met haar gemaakt op de
+Hoogstraat, zoodra hij had ondervonden dat het paketje van den prior
+eene banknoot van honderd frank bevatte. Eigenlijk had hij met iedereen
+willen kennis maken. Althans lachte hij vriendelijk elken voorbijganger
+in het gelaat, en waartoe zou hij dat anders hebben gedaan? Maar deze
+twee hadden hem direkt tegengelonkt. Zijne minzaamheid verminderde er
+blijkbaar niet om, want seffens hingen zij aan zijne armen en vroegen
+schuldeloos:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Tu paies rien, vetzakske?&quot;</p>
+
+<p>Of hij niets wilde betalen? Wel lieven-adieu! hij had lust om de geheele
+wereld op te koopen!... Er werd besloten dat ze zouden mosselen eten en
+patates frites. En zij zaten nu in de friture-kroeg.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Pff!&quot; deed Johan Doxa, &quot;ik weet niet eens wat wierook is.&quot;</p>
+
+<p>De andere maagd ging met haar klein wipneusje over zijne mouwen
+snuffelen.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Neen,&quot; zei ze, &quot;'t is eau de Cologne&mdash;ge hebt al-ze-leven in fijne
+gezelschap gedineerd.&quot;</p>
+
+<p>Hij pinkoogde geheimzinnig, als om te laten onderstellen dat hij nog
+veel erger had gedaan, en liet daarna fier zijne borst opzwellen.</p>
+
+<p>Als ze gegeten hadden, merkten de meisjes dat ze dorst kregen, Johan
+trok met haar naar het &quot;Kapiteintje&quot; waar ze geus dronken, en naderhand
+in den &quot;Moriaan&quot; waar hij trakteerde met krieken-lambic. Nauwelijks had
+hij daar de derde flesch besteld, of een troepje wallebakken kwam
+dansend binnengesprongen, vergezeld door een klein straatorkest&mdash;met
+name een harmonica, een piston en een triangel. Ze dansten feestelijk de
+herberg tweemaal rond en schaarden zich dan, rood van pret, bij den toog
+om schuimende streepkens faro te zuipen. Johan Doxa stond plots recht en
+riep:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Een pint geus voor heel de Kompanie!&quot;</p>
+
+<p>Het docht hem dat zijn gansch wezen openging. De woorden die hij
+geschreeuwd had bleven trillen door zijn lichaam, als op pezen van
+metaal. Hij viel neer op zijn stoel en zweette een beetje. De jonge
+paren keken om en naderden de tafel waar hij zat gelijk een, die,
+bedwelmd, zijne eigene troonplechtigheid bijwoont. Hij kreeg eene
+ovatie....</p>
+
+<p>Nu begon, van taveerne tot taveerne, eene processie die waarlijk niet te
+beschrijven is. De muziekanten stapten voorop. Dan, met de voornaamheid
+van een paasch-os, Johan Doxa, geflankeerd door de twee mooie
+marolle-deernen. Dan de woeling der uitgenoodigde menigte, die steeds
+aangroeide. Kinderen huppelden ommendom, de handen zwaaiend omhoog. In
+den beginne zong men allerhande liedjes, maar weldra, om zooveel lawaai
+mogelijk te maken, ging zich het repertorium beperken bij &eacute;&eacute;n en
+hetzelfde couplet, dat iedereen goed kon en dat onvermoeid weer en terug
+en altijd werd aangeheven:</p>
+
+<p>
+<span style='margin-left: 2em;'>En een dikke pens</span><br />
+<span style='margin-left: 2em;'>En een snee van 't verken,</span><br />
+<span style='margin-left: 2em;'>Boerenleven dat is plezant!</span><br />
+<span style='margin-left: 2em;'>Boerenleven dat is plezant!</span><br />
+</p>
+
+<p>Er geraakten diep-dronken menschen in het gezelschap. De piston, een
+blonde reus, had vrijwillig op zich de verantwoordelijkheid van het
+behoud der orde genomen, en meermaals was hij tot zijn leedwezen
+verplicht eenige muilperen uit te deelen. Johan bewonderde hem
+uitermate. Hij betaalde maar. Hij was gelukkig als een Koning. Het bloed
+klopte hem weldadig op de slapen. Zijne kinderlijke lippen stonden in
+den vorm van een glimlachend toeterken, alsof er zoo juist een melkzoete
+flep was uitgevallen. Zijne meisjes hingen aan zijne mouw en soms moest
+hij een kusje krijgen of een kittelig kneepje in de leen. De wereld
+ruischte alom op hooghemelsche maat:</p>
+
+<p>
+<span style='margin-left: 2em;'>En een dikke pens</span><br />
+<span style='margin-left: 2em;'>En een snee van 't verken....</span><br />
+</p>
+
+<p>De harmonica-speler was een bult. Hij dronk gelijk een Zwitser. Daar was
+een oud ventje met rooden neus. Die kwam gedurig tegen Johan's buik
+niezen. Hij dronk gelijk de bult. Allemaal dronken. Johan Doxa betaalde
+maar....</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Vooruit naar De Dikke Luis!&quot; riep de piston.</p>
+
+<p>Weer 't zalige gedrang van lijven. Johan werd als opgenomen in de
+stuwing en meende te zweven en stapte plots met zijn stoet en zijne
+muziek op straat.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Waar gaan we naartoe?&quot; vroeg hij onnoozel aan het meisje links.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Naar De Dikke Luis!&quot;</p>
+
+<p>Het docht hem dat hij het zevende paradijs te gemoet ging. De heele boel
+was een wonder. Hij zong slapjes:</p>
+
+<p><span style='margin-left: 2em;'>En een dikke pens....</span></p>
+
+<p>Er schoot hem iets te binnen en hij vertraagde zijn stap. Naar het lieve
+meisje links boog hij zich en dan voelde hij hoe zwaar zijn hoofd was
+geworden.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Ik heb nog twintig frank&quot; fluisterde hij haar in het oor.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Hoeveel?&quot;</p>
+
+<p>Hij taste in zijn broekzak en bracht zijne hand voor haar ten
+voorschijn. Een met koper benagelde kletsdop lag daarin, en een
+bankbriefje.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Twintig,&quot; zei het meisje, &quot;kom; 'k zal ik verder betalen&mdash;ge zijt
+zat.&quot;</p>
+
+<p>Wat een heerlijk leven was het in &quot;De Dikke Luis&quot;, een gloeiende roze
+leven binnen een zachtblauwe tabakwolk! Het drieledig orkest speelde er
+de Braba&ccedil;onne. Het glanzende bier ging rond van hand tot hand. De breede
+baas stond te midden van kannen en glazen te tappen.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Wat zoudt ge er van pein-einzen,&quot; vroeg de bult aan Johan tusschen
+twee hiksnokken.</p>
+
+<p>Johan Doxa lachte simpel. Zijne tong, docht hem, lag vast in een soort
+van elastieke meelpap. Hij peinsde niets. Weer riep de piston:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Nu naar den Heeten Ketel!&quot;</p>
+
+<p>De troep pakte zich saam, rumoerde op naar de deur. De harmonica begon
+te blazen en de triangel, week-bellend, sloeg.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Halt!&quot; schreeuwde de baas, &quot;wie moet dat allemaal betalen.&quot;</p>
+
+<p>Johan Doxa keek lui om. Hij schudde zijn hoofd onder het schrikkelijke
+hoofd van den baas. Hij had willen uitleggen dat daar ergens een zwart
+meisje moest zijn, dat het geld bewaarde. Maar zoo'n meisje was er in
+huis niet meer. Had hij haar het geld inderdaad gegeven? Langzaam ging
+hij met zijn eigen daarover redeneeren. De piston sprong naar den baas
+toe. Een paar glazen vielen van den toog en dan....</p>
+
+<p>Johan Doxa werd links en rechts gestoten. Nu zat hij op een stoel. Nu
+zat hij op een tafel. Nu lag hij tegen den muur. Nu stond hij te
+waggelen overeind. Nu kwam iets hards en vlugs tegen zijn kop aanbonzen.
+Nu knielde hij. Nu werd hij van achteren opgestampt. En ineens beukte
+een zwarte masse aan op zijn voorhoofd.&mdash;Was tegelijk het licht
+uitgegaan?...</p>
+
+<p>Het licht was uit.</p>
+
+<p>In Johan Doxa was het licht uit. Daar kan niet aan getwijfeld worden.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Door een vensterken met ijzeren staven drong de prille Lentedag, toen
+Johan Doxa zijne oogen openstak. Zijne oogen gingen op langs vochtige
+muren. Ze bleven daar staren op zonderlinge teekeningen en schrifturen.
+De klok van het Klooster klepte niet. Hij wilde iets vragen....</p>
+
+<p>O, hoe akelig was zijn mond! Zijne kaken stonden stijf. Een loome pijn
+hing in zijne leden. Hij keek naar zijne handen, zijne smerige handen,
+bemorst met bruin-gedroogde bloedvlekken. Zijn rechterknie stak bloot
+door een scheur van zijne broek. Zijn hoed lag bij de deur&mdash;een
+platgeblutste hoed met afgerukte randen.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Het stinkt hier&quot; dacht Johan. Hij kwam moeilijk recht. Zijne beenen
+waren als bevroren vodden. Hij begon stillekens over zijn hoed te
+strijken, met werktuiglijke zorgzaamheid.</p>
+
+<p>Toen rinkelde daarbuiten een bussel sleutels en iemand opende deze
+onbegrijpelijke cel. Het was een soort van politie-agent.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Allee,&quot; sprak de ruwe deurwaarder, &quot;krab op&mdash;ge moest u schamen.&quot;</p>
+
+<p>Geen de minste aandoening werd wakker in Johan Doxa. Hij liet zich
+geleiden. Hij mankte. Hij verliet de Amigo[1] zonder hoop en zonder
+wanhoop. Hij kwam thuis. Hij vond er zijn moederken. Hij hoorde zijn
+moederken zeggen:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Ach mijn jongen! mijn lieve jongen! ach, wat hebben de paters toch
+met u gedaan!&quot;</p>
+
+<p>Hij ging in een hoek zitten. Hij vertelde niets. En 's anderendaags ook
+vertelde hij niets. En nog dagen en dagen nadien bleef hij, en vertelde
+niets. Hij nam nooit het besluit iets van dat alles aan zijne moeder te
+vertellen.</p>
+
+<p>Maar wat zou het eigenlijk helpen, als hij nu daaromtrent een besluit
+genomen had?</p>
+
+<p>Niets.</p>
+
+
+<p>Noot:</p>
+
+<p>[1] Stedelijke gevangenis voor tijdelijke verbrekers der openbare orde.</p>
+
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+
+<h2><a name="IV" id="IV"></a>IV</h2>
+
+<h2>JOHAN DOXA</h2>
+
+<h3>DE SCHADUW</h3>
+
+
+<p>Ik kon dien nacht geen oog dicht doen. 't Sloeg vier uur op ons
+Empireklokje, wanneer ik besloot het bed te verlaten, dat mij geen rust
+geven wou. Terwijl ik me aankleedde en daarbij het groene nachtlichtje
+had aangestoken, zette ik mijne morgenmelk op het kleine gasfornuis.
+Ik dronk ze zonder smaak en verlangde reeds om buiten te zijn, in de
+frischheid van den uchtend.</p>
+
+<p>Die frischheid was echter niet aangenaam, maar ik liep toch de vochtige
+straten door, gelijk ik meer placht te doen om mijne overspannen zenuwen
+te stillen.</p>
+
+<p>Ik wandel gaarne in den vroegen dag. De stad heeft telkens zoo ongewone,
+zoo uitzonderlijke uitzichten. Zij ontwaakt met schokjes. De blauwende
+donkerte laat de grijze gevels opklaren en verft de gladde eenzaamheid
+der macadamlanen en asphalten bolwerken. De lantaarnlichten weifelen,
+grauwen wittig uit de nevelen, werpen geen schaduwen meer. En het
+zeldzame menschengedoe gaat traag op, nooit veranderlijk, gebaren makend
+die een definitief teeken van den uchtend zijn.</p>
+
+<p>Ik loop meestal de lage stad om en verwijl dan het liefst rondom de
+Zuiderstatie. Het is daar schoon om zien, want schoon is het morgenlicht
+over de rookwolken der locomotievenhal. Het donkere gebouw is al vol
+bedrijf en voert de werkluibenden op het statieplein. Er gebeurt een
+gewoel van lijven, maar de lippen zijn zonder gerucht. De arbeid wenkt
+zwijgend zijne zwijgende slaven....</p>
+
+<p>Dien keer was ik zeer vroeg voor de hal aangekomen en ik slenterde
+onwillig, de hielen slepend. De nevellucht spande pijnlijk om mijn
+voorhoofd. Ik stond een paar ezelwagetjes na te gapen, die fluks opreden
+met nieuwe groenten, de stad binnen. Musschen sprongen in de dahlia-
+perkjes van het plein.</p>
+
+<p>Toen&mdash;juist terwijl ik nieuwsgierig de nog-belichte vensterruiten van
+eene burgerlijke taveerne bekeek&mdash;zag ik de glazendeur van die taveerne
+ruw openslaan en eene dikke vrouw, blijkbaar de bazin, den drempel
+oversnellen. Ze schreeuwde in angst:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Polis! Polis!&quot;</p>
+
+<p>En ze ijlde van hoek tot hoek, het plein langs, al harder krijtend,
+terwijl toch, naar gewoonte, nergens een politieagent zichtbaar was. Een
+heer verscheen in de herbergdeur, gaf rappe inlichtingen aan een bleeke
+schenkmeid, die schielijk de Fonsnylaan opliep. Ik was, op een drafje,
+naderbij gekomen. De heer keek me in het aangezicht en, ofschoon hij
+onder de zwarte randen van zijn galahoed zoo wit uitblekte als een
+doode, herkende ik in hem, niet zonder verwondering, mijn goeden vriend
+Menschaert, den toondichter.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Wel, Antoon,&quot; zei ik stil, &quot;wat gebeurt hier?&quot;</p>
+
+<p>Hij hief zenuwachtig zijne schouders op. Zijn rechterhand teekende in de
+lucht vluggelings een halven cirkel&mdash;wat bij hem het gebaar was van een
+onzeggelijk ongeduld&mdash;en hij wenkte mij om binnen te komen.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Ik vrees dat het hier erg toegaat,&quot; sprak hij dof.</p>
+
+<p>Inderdaad. Het schouwspel, dat ik in de taveerne te zien kreeg, was zoo
+schrikkelijk dat ik, op het eerste zicht, ademloos bleef van aandoening.
+Maar toen ik naderhand een stap nog waagde, werd mij plots het gaslicht
+een mist van groene dampen en voelde ik den klauw van een zonderling
+monster, dat, gelijk een nachtmerrie, mijne keel toenijpen kwam.</p>
+
+<p>Ik had, geloof ik, een korten gil geslaakt....</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Het was half-zeven, als ik met Menschaert die akelige herberg verliet.
+De eenige schikking, die nog moest genomen worden, had ik ter regeling
+aangewend en mijn vriend Antoon, welke waarlijk een allerbraafste jongen
+is, wilde niet dat ik al dat droeve alleen zou doen.</p>
+
+<p>Hij liep dus mee met mij, maar daar de boodschap geen haast vroeg
+&mdash;integendeel, goede God!&mdash;en daar wij beiden zeer vermoeid waren,
+besloten wij om maar eerst een kop koffie te gebruiken. In de kleine
+eetzaal van het <i>Hotel Esp&eacute;rance</i> bestelden wij een klein ontbijt en
+Antoon, door mij hiertoe dringend aangespoord kon eindelijk breedvoerig
+vertellen hoe de tragische gebeurtenis ontstaan was.</p>
+
+<p>Hij deed het met dien eenvoud, welken ik zoo bewonder bij hem en die
+schijnbaar zoo zeer strijdt met de gewone daden van dezen uitstekenden
+kameraad. Antoon Menschaert is nog jong. Zijne ouders zijn boeren-heeren
+uit de Kempen en stellen het tamelijk goed. Hij zelf woont ergens bij de
+Beurs, alleen, naar hij zegt (ik vermoed echter dat die eenzaamheid
+&quot;gedeeld&quot; wordt, want, uit princiep, ontvangt hij nooit een vriend op
+zijne kamers....) Hij is orgelist in Sint-Niklaaskerk en werd onlangs
+als monitor aangesteld in het koninklijk conservatorium. De jongen
+vermaakt zich eeniger mate in den zin van wat jongelui in Brussel &quot;zich
+vermaken&quot; noemen. Nochtans is hij ernstig en zijn gevoel, dat ik bij
+meer dan &eacute;&eacute;n gelegenheid heb kunnen waardeeren, heeft schoone volten en
+een bestendig gewicht.</p>
+
+<p>Hij zat voor mij. Het opkomend daglicht klaarde over zijn sierlijk
+aangezicht, dat, thans wat roziger, toch mat-effen, zeer vermoeid boven
+zijn witte das en de zijden kraag van zijn smoking uitscheen. De koffie
+rookte lichtelijk op over de gouden randjes van het blauwe porseleinen
+koffie-servies. Wij aten bij poozen, gelaten.</p>
+
+<p>Antoon sprak:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Ik heb gisteren middag het dineetje bijgewoond, waarmede mijnheer en
+mevrouw Zondervan maandelijks en telkens te vergeefs een vrijer
+probeeren aan te kleven voor hunne dochter Adela&iuml;de, een stuk plank met
+een kop vol pretentie.... Kent gij de familie Zondervan?... Jammer! Dan
+kunt ge ook niet geheel inzien in welken staat van ellende mijne hersens
+waren gebracht, nadat zij een ganschen middag het leelijk sproetengelaat
+van juffrouw Adela&iuml;de hadden aangegluurd en de zoetzappigheidjes van
+haar idioot gepraat hadden toegeknikt. Toen ik, omtrent negen uren, zeer
+buiten Adela&iuml;de's verwachting, haar tafel en haar huis verliet, was ik
+een kapot stuk jongmensch, dat zich nog alleen herinnerde hoe slecht
+Zondervan's bourgogne was en hoe afschuwelijk zijne dochter. Ik snakte
+naar een glas gezond bier en vond het zonder moeite. In <i>Clarenbach</i>
+waar ik aangeland was, ontmoette ik bij mijn vierde pint Slokke, den
+beeldhouwer, Fritz d'Artois, die als stagiair bij advokaat Forst is
+aangenomen, administrateur Lemonnier en diens vriend mijnheer Van
+Dranem, welke mij werd voorgesteld. Deze heeren waren in vroolijk humeur
+en wij dronken samen eene brave hoeveelheid Munchnerbier, zoodat, door
+Slokke aangedreven, ik mijn eigen al even pleizierig als de overige
+bevond. Die Slokke is een verbazende kerel. Te middernacht volgden wij
+hem in <i>The Dominion Bar</i>, in de <i>Jeune France</i> en eindelijk in dat
+verleidelijke ding van de Bisschopstraat, <i>The Old Curiosity Shop</i>,
+zooals gij wel weet. Overal was pret, muziek, drank en lieve dames. Ik
+zou op dat oogenblik geloof mij, juffrouw Adela&iuml;de Zondervan nooit uit
+Mathusalem hebben herkend, aangenomen dat Mathusalem het vergelijk hadde
+verdragen. In <i>The Old Curiosity Shop</i> vermaakte ons zeer een muziekaal
+neger-trio. Slokke had in <i>The Dominion</i> een voor mij onbekend makker
+aangeklampt, een soort Tcheik, die alles danig lollig wist aan te
+brengen en waarlijk een onschatbare ontmoeting was voor jonge
+lichtmissen. Hij richtte o.a. met de drie negers een burleske vertooning
+in, welke bij de aanwezige dames en heeren een grooten bijval verwierf
+en, na eene omhaling van Slokke, voor den Schamelen Arme, zooals Slokke
+zei&mdash;hij bedoelde het Stedelijk Armbestuur&mdash;ruim twee honderd frank
+opbracht.</p>
+
+<p>&quot;Ik was toen al tamelijk beschonken. Maar ik herinner mij zeer goed dat
+in een hoekje bij den toog een zonderling mensch zat toe te kijken. Het
+is noodig dat ik u vertel hoe hij zich voordeed. Het was&mdash;gij weet het
+natuurlijk&mdash;een dik, ingezonken man, een waarvan men gemeenlijk zegt dat
+hij &quot;zonder ouderdom&quot; is, maar zijn gelaat, dat klaarblijkelijk door een
+overdadig gebruik van ... laat ons zeggen &quot;spiritualen&quot; was ingevreten,
+had, ondanks zijne vervallen kleederdracht, ondanks de niet-vrome
+omgeving, ondanks alles, een zoo kinderlijk, och ja, een zoo
+&quot;seraphische&quot; uitdrukking dat het mij aandeed buiten mate. Hij keek toe.
+Hij keek engelachtig het zot bedrijf van den Tscheik en de drie negers
+toe. Hij lachte niet. Hij scheen ook niet bezorgd. De beruchte tapper
+van de <i>Shop</i>&mdash;Anatole heet hij, weet ge wel&mdash;bracht hem, zonder dat hij
+'t vroeg en zonder dat hij er in het minst voor dankte, tot viermaal een
+whisky-soda. Hij dronk niet gulzig, niet smakelijk ook. Hij dronk
+langzaam en eentoonig, en zijne gebaren waren lui als van een vet,
+eigenzinnig kind....</p>
+
+<p>&quot;Hoe het kwam, weet ik niet. Men weet niet hoe alles gebeurt bij zulke
+partijen. Bovendien, ik beken 't voluit, de drank speelde en smokkelde
+in mijn hoofd. Zeker is het dat, rond twee uren, het korte mannetje
+zonder tegenspraak bij ons gezelschap hoorde. Ik zag dat hij naast
+mijnheer Van Dranem zat. Ik hoorde niet dat hij met mijnheer Van Dranem
+sprak. Ik hoorde dat mijnheer Van Dranem hem had aangelijmd en, in het
+algemeen gewoel, eene astrologische rede voorhield, welke het geduldig
+ventje met brave knikjes scheen goed te keuren. Mijnheer Van Dranem
+bestelde dan telkens versche pinten, deed vriendelijk met zijn
+zonderlingen gebuur bescheid en maakte hem alzoo bijna tot elkendeens
+kameraad. Och! men verbroedert zoo licht in die warme nachtkroegen! Geen
+van ons dacht er aan den kerel naar zijn naam te vragen. Dat hij geen
+booswicht was stond op zijn cherubsgelaat te lezen, en wat konnen wij al
+meer eischen? Hij dronk voortreffelijk. Hij deed ons, drinkebroers, eer
+aan....</p>
+
+<p>&quot;We verlieten de <i>Curiosity Shop</i> al te zaam. De goedige dikkerd volgde.
+In de <i>American Bar</i> zat hij aan onze tafel. Wanneer een van ons hem
+onder 't praten toekeek, knikte hij seffens gewillig tegen. Hij
+beantwoordde alleman's teug. Dronk ik, hij dronk. Dronk daarop
+Lemonnier, hij nam een slokje uit beleefdheid. Dronk dan de
+geheeldronken d'Artois, hij insgelijks, om goede manieren te toonen,
+dronk maar.... Kortom, hij was de hoofsche goedkeuring zelve.</p>
+
+<p>&quot;Zeg eens, Herman, hebt ge al niet opgemerkt dat, als ge zoo op randool
+zijt, er altijd iemand medefeest, zwijgend en ingetogen. Het is een
+stille bijlooper. Hij laat nooit zijn glas ledig staan. Hij spreekt
+nooit iemand tegen. Hij betaalt nooit wat. Hij is nooit hinderlijk. Laat
+iemand zijn pijp, zijn regenscherm, zijn zakdoek vallen, hij is 't, die
+hem opraapt. Hij is bij iedereen en bij geen van allen. Hij is een
+verdraagzaam toezicht en zal het opmerken, als de baas, vertrouwend op
+de dronkenschap der kompanie, iemand wat ongangbare munt wil in de hand
+stoppen. Hij is 't ook, Herman, die de aandringende bloemenverkoopster
+met een blozend lachje toefluisterd: &quot;Ga maar uw gang, vrouwtje, die
+kerels zijn zat en koopen niet!&quot; En, luister wel, niemand kent hem. Hij
+is de schaduw van ons allen, en wij eischen niets van hem. Hij lijkt op
+iets dat ons natuurlijk en onverweerbaar toebehoort....</p>
+
+<p>&quot;Alzoo was die man. In de <i>American Bar</i> ontstond er ruzie met een paar
+roekelooze studenten. Ik zag goed hoe hij onderwijl vredig zijne pijp
+stopte en ze in volle herrie kalmpjes aanstak. Ik zag het, omdat de pijp
+zelf mij trof&mdash;een wondere pijp, geheel met kleur-ornamenten beladen,
+zoo miniatuur-fijn als nog nimmer mij verfversiersels onder de oogen
+kwamen. Onderaan den breeden pijpbuik kon ik, na eenige aarzeling het
+woord &quot;Julia&quot; lezen. Het verbaasde mij zeer. Brandde in dat zeldzame
+dikzaklijf waarlijk de vereering voor eene geliefde vrouw? Zoo zeer nam
+mij dit denkbeeld in beslag, dat ik dadelijk den zachten vetpot over
+zijne identiteit wilde aanspreken. Ik geloof dat de toenemende twist mij
+in dit voornemen storen kwam, want tot eene bepaalde opheldering kwam
+het niet. Eene verdere gelegenheid werd mij niet meer aangeboden en de
+kerel bleef stillekens, rookend en drinkend, bij ons....</p>
+
+<p>&quot;Aldus voortzakkend geraakten wij in groepje op het Statieplein. Wij
+hadden na de sluiting van de <i>American</i> nergens een herbergzaam huis
+gevonden en waren, eerst druk-pratend, dan moe-zwijgend, de Henegouwlaan
+opgekomen. Slokke beweerde dat het Statieplein ons op een voornaam
+fleschje geus of iets dergelijks kans kon bieden. Wij volgden Slokke
+gedwee. De nacht was koud, miezelig, doordringend-vochtig. Wij
+slenterden door, stil voorover gebukt, bijna zonder moed. Slokke zong
+luidop een lied, waarvan ik me niets meer herinner, en d'Artois, achter
+hem, spande nuttelooze pogingen in om het hem na te burrelen. Lemonnier,
+lang en stokkestijf, beende akelig over het trottoir. Van Dranem, die
+naar ik vermoed, daags te voren zeer onvoorzichtig den inhoud van een
+sterrekundig standaardwerk had ingezwolgen, besproeide mij met den
+hutsepot van zijne astrologische indigestie. De laatste van allen,
+kortstappend en kort-blazend, kwam de ronde man, onze zoete schaduw
+aangedrild. Ik hoorde hem. Hij had het geluid van een haastigen hinker.
+Maar hij hinkte wezenlijk niet: naar ik thans vermoed, ontbrak de hak
+aan een zijner schoenen, die daardoor als een slofje neerwreef op de
+steenen....</p>
+
+<p>&quot;Slokke bracht ons in die taveerne van het Statieplein....</p>
+
+<p>&quot;Hier moest het drama gebeuren. Wij gingen aan de grootste tafel zitten
+en bestelden koffie. De bazin, een onaangenaam wijf, deed opmerken dat
+de herberg slechts bij toeval open was gebleven, dat zij geen tijd had
+om koffie te zetten en maar hoopte dat de heeren gauw zouden oprukken.
+Fritz d'Artois stond bij dezen onvriendelijken uitval recht en
+overdonderde de zure waardin met de gekste aller redevoeringen. Aan de
+inschikkelijkheid van eene oolijke schenkmeid hadden wij een kop koffie
+en het einde van d'Artois' pleidooi te danken. Deze schenkmeid, die wel
+inzag dat men Slokke en zijne kameraden nooit anders dan met
+aanminnigheid zou de deur uitkrijgen, verwaardigde zich haar eigen bij
+ons aan te sluiten, waar zij van Lemonnier verkreeg dat hij haar, bij
+wijze van &quot;slaapmutsje&quot;, op een fine-champagne trakteerde.</p>
+
+<p>&quot;Kijk nu, Herman, goed hoe wij zaten. Ik zat op de bank, links had ik
+Van Dranem, stapelvol met troebele wijsbegeerte, rechts d'Artois, en
+naast dezen het rookende mysterieventje. Rechtover mij zat Slokke, links
+had hij Lemonnier en rechts de diplomatische herbergdeerne. Wij praatten
+in den beginne vrij onharmonisch ondereen, tot op een vraag van de
+schenkmeid het gesprek eene bepaalde richting inliep. De meid had
+vernomen dat Fritz advokaat was en ze wilde hem gaarne, zeide ze, iets
+vragen. Fritz die, met Dranem, de zatste van den hoop was geworden, vond
+waarschijnlijk dat de schenkmeid hem veel eer aandeed. Althans bereidde
+hij zich tot een uitbundig consult en stelde zijne prille ervaring
+&quot;geheel&quot; (dit met een prachtig oratorisch gebaar) tot hare beschikking.
+&quot;A-wel voila!&quot; sprak de meid, &quot;ik ben getrouwd met een man die te dom is
+om voor den duivel te dansen&mdash;van 's morgens tot 's avonds maak ik ruzie
+met hem, want hij is te vadsig om een woord te zeggen,&mdash;hij zou mij
+bestelen, als hij maar kon, mijnheer, bestelen om in de herberg te
+zitten, hij wint geen gebenedijden stuiver en ik vraag mij af hoe hij
+het aan boord legt om 's nachts geregeld dronken thuis te komen,&mdash;d'r en
+is geen leven mee te houden, dat zeg ik u,&mdash;'k ben 't beu den luiaard in
+te mesten, en, met permissie gezegd, mijnheer, 'k zou willen
+divorceeren!&quot; Zij begon in 't kort en in 't lang ons den toestand van
+haar huishouden voor oogen te leggen, en daarop overgoot d'Artois haar
+met zijne orakels. Hij onderzocht het pro en het contra, nam de gekste
+houdingen aan en waande zich aan de vermetelste verklaringen, brak het
+huwelijk om &quot;te besluiten&quot; en lijmde de stukken weer aaneen om met
+nieuwe pracht van woorden te kunnen herbeginnen.... Kortom hij spande
+daar de onmenschelijkste zaag. Slokke kreeg, naar hij mij vertrouwbaar
+toemummelde, een papmond. Lemonnier was op de beide vuisten in slaap
+gedonderd en Mijnheer Van Dranem, die over heel 't gedoe geen star meer
+herkende, was in de diepste mijmeringen verzonken....</p>
+
+<p>&quot;Ik, scheef-achterover tegen den bankrug geleund, keek strak den dikken
+bijlooper aan. Hij zat kalm en zoetjes te rooken, onveranderlijk. Daar
+d'Artois recht stond en voortdurig over de tafel waggelde al preekend,
+kon ik gemakkelijk onzen anoniemen vriend naloeren. Ik beken het u: ik
+deed het uit verveling, want ik was wezenlijk te vermoeid om in mij
+belangstelling voor 't zij eender wat te wekken. Ik belonkte hem strak,
+al rustend. Hij rookte, scheen oplettend naar d'Artois en de schenkmeid
+te luisteren, dampte zachtjes. Zijn bol aangezicht tuurde, over de
+hoofden, naar iets dat, docht mij, misschien op den muur, boven den
+toog, was aangeplakt. Al scherper blikte hij alzoo ... tot, almeteen,
+zijn pijp, die geen vuur meer hield, dood stak in zijn mond, die juist
+niet meer trekken wilde.</p>
+
+<p>&quot;Hij bleef een lange poos zonder roeren.</p>
+
+<p>&quot;Toen, zonder haast, vatte hij de pijp, wond ze in zijn rooden neusdoek,
+borg ze&mdash;gelijk hij ze voorzeker placht te bergen&mdash;voorzichtig in zijn
+binnenzak ... en ... toen, Herman ... ja, toen ... ik word er niet wijs
+uit jongen ... het is zeker dat ik zeer, zeer moe was. Het gebeurde als
+in een droom, waarbij ik machteloos moest blijven ... begrijpt ge?</p>
+
+<p>&quot;De arme dompelaar, nadat hij de pijp geborgen had, trok langzaam zijne
+hand weer uit den zak. Die hand&mdash;wat vatte ze zoo struisch daar? Ik
+zweer u, Herman; ik zag het, ik zag het, zonder te weten dat ik 't zag....
+Die hand, met het zwarte ding, hief de goede dikkerd tot onder zijne
+kin. En hij opende vredig zijn mond, wijd, wijd, tot het mij met
+verbazing sloeg. En toen, Herman, gebeurde het. Het schot brak los, hard
+en geweldig ... en de hand viel neder op de tafel, rilde daareven en
+omsloot, meen ik, het dampende tuig dichter....</p>
+
+<p>&quot;Ha, jongen 't was er een herrie! Iedereen, zelfs de slapende Lemonnier,
+stond recht. Die gemeene bazin gilde oneerbiedig. En hij, de sukkel, zat
+op de bank, had niet geroerd. Hij glimlachte precies. Maar, achter hem,
+was de muur met bloed bespat en iets leekte daar, een witte kwabbel,
+traag, van zwaarte....&quot;</p>
+
+<p>Antoon zweeg. En ik herzag de leelijke taveerne, en hoe ik er
+binnenliep, en hoe ik den doode zitten zag, en hoe ik, met een neep in
+het hart en een kreet van heel mijn wezen, Johan Doxa herkende, den
+zachten doolaar.</p>
+
+<p>Ik heb zijne lauwe hand in de mijne genomen. Ik heb ze waarlijk
+gestreeld, alsof hij 't nog voelen kon. Ik heb hem op de bank
+nedergeleid. En ik heb zijne groote oogen toegedaan, die zoo verre
+keken, verder dan den muur, Antoon, verder dan den muur of den toog,
+mijn goede Antoon....</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>De heete koffie had ons opgeknapt, maar we vertrokken beladen met iets
+als een groot pak. Niet haastig drilden we de Lage Stad af. We drumden
+langs de gevels der huizen en beletten niets van het aanzwellend
+dagbedrijf. We liepen verstrooid over de pletsende dweilen van gebogen
+dienstmeisjes, die zich oprechtten dan, gestoord in den kuisch, en ons
+wat toesnauwden van op de drempels.</p>
+
+<p>Ik was zeer bekommerd en luisterde nauwelijks naar het stil, afgebroken
+gepraat van Menschaert. Ik begon 't mij alreeds te beklagen dat ik deze
+laatste boodschap had aangenomen. Seffens verhief echter mijn geweten
+zijn rechte stem boven 't gehakkel van mijn angst en ik stapte vaster
+door, overtuigd, gelijk ik was, dat niemand het droeve nieuws met meer
+teedere en aandachtige zorgen zou brengen dan ik het, met mijn
+liefderijk medelijden, zou doen.</p>
+
+<p>We kwamen in de Zes-Penningenstraat, die reeds vol was met
+uchtendgeluiden. Magere honden liepen er snuffelend rond de vuilbakken.
+Een stoelenbiezer zette aan zijn uitgerokken roep, die wijd-jammerde
+onder de vensters. Een fruitwijf stiet haar rammelend karretje. Boven
+op een hoog huis vlekte een bleeke zon.</p>
+
+<p>Het donkere winkeltje was open, de grauw-groene luiken ontsloten, de
+gebroken drempzuil bloot. Ik kende die zuil goed. Hoe dikwijls liep haar
+lustig over, jaren geleden, toen Johan Doxa met zijn ekster, zijn sijsje
+en zijn eekhoorn het rare zolderkamertje bewoonde!</p>
+
+<p>Juist&mdash;maar hoe kommervol thans!&mdash;wilde ik de goede zuil betreden, als
+daar in een zoeten lach de groetende moeder Doxa stond.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Wel mijn jongen,&quot; zei ze frisch, (ze droeg een jakje en een versch
+schort en ze was waarlijk, het oud wijveken, frisch als de morgen zelf)
+&quot;wel mijn jongen, wat zijt gij vroeg te been!&quot;</p>
+
+<p>Ik geloof dat ik daarop iets vrij onverstaanbaars uitbracht, want moeder
+Doxa keek me dadelijk vreemd aan. Moeders hebben wondere voorgevoelens.
+De lach op haar gelaat verdween. Zij zei nog:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Komt ge mij opzoeken?&quot;</p>
+
+<p>Ze drukte wonderbaar op het woord &quot;mij&quot;.</p>
+
+<p>Ik knikte traag, verlegen. En wij traden het speelgoedwinkeltje binnen,
+dat geheel het uitzicht van vroeger had bewaard. Daar gloeide eenderlijk
+de roode tichelvloer en donkerde massaal de vierkante toog onder het
+noesche vensterlicht. Vluggelings zag ik in hunne verscheiden bakjes de
+lekstokken, muntebollen, vlierhopjes, ovenbeesten, stampers, kletskoppen,
+amandelkoekjes en kramelleu. Achteraan, tegen den muur, in schemerklaarte,
+hingen de poesjenellen, de poppen, de reepen, de blikken muziektoppen,
+de zweepen met fluitjes, de zakken met glazen marbels, al het diverse
+speelgoed, dat bontig opkleurde en rammelde door mekaar.</p>
+
+<p>En moeder Doxa, dienstvaardig, ging, gelijk naar gewoonte, het trapje op
+achter den toog. Eene zonderlinge aarzeling bibberde in haren blik. Ze
+beproefde een nieuwen glimlach.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;A-zoo! mijn jongen,&quot; sprak ze, &quot;wat is er tot uwen dienst?&quot;</p>
+
+<p>Ik bleef nog een tijdje zwijgen. Antoon scheen over de smuitsterbakjes
+eene zorgvuldige keus te doen. Ik schudde treurig het hoofd en vatte
+moedig aan:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Nu moedertje, wij brengen geen goed nieuws.... Het spijt me zoo!...&quot;</p>
+
+<p>Ze sprak niet. Hare oogen werden scherper. De stilte die in het winkeltje
+kwam spoken was wezenlijk onverdraaglijk. Ik herinner me (hoe bijtend
+zijn de indrukken soms!) dat, op dit oogenblik, een scheerslijper al
+roepend voorbij trok. Ik zei:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Verschrik niet uitermate, moedertje. Zeker, het leven is heel zoet om
+leven. Maar wat helpt het, als wij zelf meedoen om ons leed te vergrooten,
+als wij ons zelf den dood op het lijf jagen?... D'ris toch niets aan te
+veranderen, moedertje Doxa....&quot;</p>
+
+<p>Ze was bleek, ineens doodelijk bleek. En de kleine glimlach, die niet
+weg wilde, werd een grijns van smart. Ze hakkelde:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Ja maar, ja maar....&quot;</p>
+
+<p>Alsof ze zich aan de waarheid wou vastklampen, en een bange logen
+daarmede kon verweeren die schrikkelijk op haar afkwam. God, Gij weet
+hoe vurig ik toen wenschte dat het inderdaad een logen mocht zijn!</p>
+
+<p>Ik besloot die pijn te verkorten. Ik hernam, diep ademhalend:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Uw zoon moedertje ... uw zoon Johan....&quot;</p>
+
+<p>Ze deed stil:</p>
+
+<p>-&quot;H&acirc;-&acirc;!&quot;</p>
+
+<p>Heel stil. En ze sloot langzaam hare oogen. Ze zonk achterover, in de
+rokjes van poppen, tegen den muur. En nog verliet die akelige glimlach
+hare lippen niet.... Antoon Menschaert was toegesneld. Ze voelde zijne
+armen om haar, roerde haar mond.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Wacht&quot;, lispelde ze zoetjes, &quot;wacht, als 't u belieft ... och!
+och!...&quot;</p>
+
+<p>Toen stak ze hard en wijd-open hare oogen en keek ernstig toe.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Watte?&quot; vroeg ze, &quot;wat zegt ge daar?&quot;</p>
+
+<p>En ik, geheel verslagen en 't harte bijna ingestampt:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Uw zoon, moedertje&quot;, antwoordde ik, &quot;hij is niet wel ... hij is zoo
+schielijk.... God is wreed, moedertje, maar wij moeten in hem berusten,
+dat weet ge toch niet waar?&quot;</p>
+
+<p>Ze stiet Antoon plots van zich af. Ze riep:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Wat is er met Johan gebeurd? Wat is er met Johan gebeurd?&quot;</p>
+
+<p>Ze was vreeslijk. Ik dacht dat ik het nu met een woord zeggen moest
+en&mdash;de Hemel vergeve 't mij&mdash;ik zei het met een woord.</p>
+
+<p>Dat woord, ze had het werkelijk zien aankomen. Ze week als het dichtbij
+was. Ze kreeg het vlak tegen hare oude borst.... Nu zakte ze thoope,
+gelijk een klein, nietig pakje, in Menschaert's handen. Ze was opeens
+schijnbaar als een pluimpje zoo licht.</p>
+
+<p>Nog sprak ik, de schoon-versierde pijp uitreikend naar heur:</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Zie, moedertje, hier is zijne pijp. Ik heb ze uit zijn zak genomen
+opdat gij ze bewaren zoudt, als een aandenken....&quot;</p>
+
+<p>Ze keek de pijp aan. Ze vatte de pijp met beide handen.... Dan was 't
+alsof ze insliep, zonder een traan, zonder een zuchtje, verre van ons.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Antoon Menschaert is nu een beroemd componist geworden, wat onze
+vriendschap niet het minst heeft verlauwd. En daar hij nog steeds op
+kamers &quot;alleen&quot; woont en ongaarne iemand bij hem ontvangt (ik verdenk
+hem niet, hoor!) komt hij al dikwijls een avondje doorpraten in
+Linkebeek, waar ik sinds enkele jaren verblijf. Wij zabberen en rooken
+dat het een aard heeft.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Zeg eens,&quot; zegt hij vaak, &quot;ik zal u gaarne een zilveren aschbakje
+schenken, indien ge dees ellendige doos weggooien wil.&quot;</p>
+
+<p>Ik bekijk dan de hoog-ronde doos, die ik ons eigen steeds voorzet als we
+sigaren opsteken. Het is een geblutst tomatendoosje, dat inderdaad
+miserabel aandoet in de overige meubeleering.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Kom! Kom! ik zal dat leelijke ding wel eens de straat opwerpen ...
+doch, wanneer? wanneer?... Er zijn kleine, domme daden, waartoe men maar
+niet besluiten kan.&quot;</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK JOHAN DOXA ***</div>
+<div style='text-align:left'>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+Updated editions will replace the previous one&#8212;the old editions will
+be renamed.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
+law means that no one owns a United States copyright in these works,
+so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
+States without permission and without paying copyright
+royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
+of this license, apply to copying and distributing Project
+Gutenberg&#8482; electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG&#8482;
+concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
+and may not be used if you charge for an eBook, except by following
+the terms of the trademark license, including paying royalties for use
+of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
+copies of this eBook, complying with the trademark license is very
+easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
+of derivative works, reports, performances and research. Project
+Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
+do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
+by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
+license, especially commercial redistribution.
+</div>
+
+<div style='margin:0.83em 0; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE<br />
+<span style='font-size:smaller'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE<br />
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</span>
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+To protect the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase &#8220;Project
+Gutenberg&#8221;), you agree to comply with all the terms of the Full
+Project Gutenberg&#8482; License available with this file or online at
+www.gutenberg.org/license.
+</div>
+
+<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg&#8482;
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or
+destroy all copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in your
+possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
+Project Gutenberg&#8482; electronic work and you do not agree to be bound
+by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
+or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.B. &#8220;Project Gutenberg&#8221; is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg&#8482; electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg&#8482; electronic works if you follow the terms of this
+agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg&#8482;
+electronic works. See paragraph 1.E below.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (&#8220;the
+Foundation&#8221; or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
+of Project Gutenberg&#8482; electronic works. Nearly all the individual
+works in the collection are in the public domain in the United
+States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
+United States and you are located in the United States, we do not
+claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
+displaying or creating derivative works based on the work as long as
+all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
+that you will support the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting
+free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg&#8482;
+works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
+Project Gutenberg&#8482; name associated with the work. You can easily
+comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
+same format with its attached full Project Gutenberg&#8482; License when
+you share it without charge with others.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
+in a constant state of change. If you are outside the United States,
+check the laws of your country in addition to the terms of this
+agreement before downloading, copying, displaying, performing,
+distributing or creating derivative works based on this work or any
+other Project Gutenberg&#8482; work. The Foundation makes no
+representations concerning the copyright status of any work in any
+country other than the United States.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
+immediate access to, the full Project Gutenberg&#8482; License must appear
+prominently whenever any copy of a Project Gutenberg&#8482; work (any work
+on which the phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; appears, or with which the
+phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; is associated) is accessed, displayed,
+performed, viewed, copied or distributed:
+</div>
+
+<blockquote>
+ <div style='display:block; margin:1em 0'>
+ This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
+ other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
+ whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
+ of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
+ at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
+ are not located in the United States, you will have to check the laws
+ of the country where you are located before using this eBook.
+ </div>
+</blockquote>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is
+derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
+contain a notice indicating that it is posted with permission of the
+copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
+the United States without paying any fees or charges. If you are
+redistributing or providing access to a work with the phrase &#8220;Project
+Gutenberg&#8221; associated with or appearing on the work, you must comply
+either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
+obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg&#8482;
+trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
+additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
+will be linked to the Project Gutenberg&#8482; License for all works
+posted with the permission of the copyright holder found at the
+beginning of this work.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg&#8482;
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg&#8482;.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg&#8482; License.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
+any word processing or hypertext form. However, if you provide access
+to or distribute copies of a Project Gutenberg&#8482; work in a format
+other than &#8220;Plain Vanilla ASCII&#8221; or other format used in the official
+version posted on the official Project Gutenberg&#8482; website
+(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
+to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
+of obtaining a copy upon request, of the work in its original &#8220;Plain
+Vanilla ASCII&#8221; or other form. Any alternate format must include the
+full Project Gutenberg&#8482; License as specified in paragraph 1.E.1.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg&#8482; works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
+provided that:
+</div>
+
+<div style='margin-left:0.7em;'>
+ <div style='text-indent:-0.7em'>
+ &#8226; You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg&#8482; works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
+ to the owner of the Project Gutenberg&#8482; trademark, but he has
+ agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
+ Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
+ within 60 days following each date on which you prepare (or are
+ legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
+ payments should be clearly marked as such and sent to the Project
+ Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
+ Section 4, &#8220;Information about donations to the Project Gutenberg
+ Literary Archive Foundation.&#8221;
+ </div>
+
+ <div style='text-indent:-0.7em'>
+ &#8226; You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg&#8482;
+ License. You must require such a user to return or destroy all
+ copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
+ all use of and all access to other copies of Project Gutenberg&#8482;
+ works.
+ </div>
+
+ <div style='text-indent:-0.7em'>
+ &#8226; You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
+ any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
+ receipt of the work.
+ </div>
+
+ <div style='text-indent:-0.7em'>
+ &#8226; You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg&#8482; works.
+ </div>
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
+Gutenberg&#8482; electronic work or group of works on different terms than
+are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
+from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
+the Project Gutenberg&#8482; trademark. Contact the Foundation as set
+forth in Section 3 below.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.F.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
+Gutenberg&#8482; collection. Despite these efforts, Project Gutenberg&#8482;
+electronic works, and the medium on which they may be stored, may
+contain &#8220;Defects,&#8221; such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
+or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
+intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
+other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
+cannot be read by your equipment.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the &#8220;Right
+of Replacement or Refund&#8221; described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg&#8482; trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg&#8482; electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium
+with your written explanation. The person or entity that provided you
+with the defective work may elect to provide a replacement copy in
+lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
+or entity providing it to you may choose to give you a second
+opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
+the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
+without further opportunities to fix the problem.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you &#8216;AS-IS&#8217;, WITH NO
+OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
+LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of
+damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
+violates the law of the state applicable to this agreement, the
+agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
+limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
+unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
+remaining provisions.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in
+accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
+production, promotion and distribution of Project Gutenberg&#8482;
+electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
+including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
+the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
+or any Project Gutenberg&#8482; work, (b) alteration, modification, or
+additions or deletions to any Project Gutenberg&#8482; work, and (c) any
+Defect you cause.
+</div>
+
+<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg&#8482;
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+Project Gutenberg&#8482; is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of
+computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
+exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
+from people in all walks of life.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg&#8482;&#8217;s
+goals and ensuring that the Project Gutenberg&#8482; collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg&#8482; and future
+generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
+Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.
+</div>
+
+<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation&#8217;s EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
+U.S. federal laws and your state&#8217;s laws.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+The Foundation&#8217;s business office is located at 809 North 1500 West,
+Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
+to date contact information can be found at the Foundation&#8217;s website
+and official page at www.gutenberg.org/contact
+</div>
+
+<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+Project Gutenberg&#8482; depends upon and cannot survive without widespread
+public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
+DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
+visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations. To
+donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
+</div>
+
+<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
+Section 5. General Information About Project Gutenberg&#8482; electronic works
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
+Gutenberg&#8482; concept of a library of electronic works that could be
+freely shared with anyone. For forty years, he produced and
+distributed Project Gutenberg&#8482; eBooks with only a loose network of
+volunteer support.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+Project Gutenberg&#8482; eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
+the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
+necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
+edition.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+Most people start at our website which has the main PG search
+facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+This website includes information about Project Gutenberg&#8482;,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+</div>
+
+</div>
+
+</body>
+</html>
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..5601b4f
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #16841 (https://www.gutenberg.org/ebooks/16841)
diff --git a/old/16841-8.txt b/old/16841-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..7dd1926
--- /dev/null
+++ b/old/16841-8.txt
@@ -0,0 +1,3178 @@
+The Project Gutenberg EBook of Johan Doxa, by Herman Teirlinck
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Johan Doxa
+ Vier herinneringen aan een Brabantschen Gothieker
+
+Author: Herman Teirlinck
+
+Release Date: October 9, 2005 [EBook #16841]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JOHAN DOXA ***
+
+
+
+
+Produced by Marc D'Hooghe.
+
+
+
+
+JOHAN DOXA
+
+VIER HERINNERINGEN AAN EEN BRABANTSCHEN GOTHIEKER
+
+door
+
+HERMAN TEIRLINCK
+
+
+1917
+
+
+ * * * * *
+
+
+I
+
+JOHAN DOXA
+
+GETROUWD
+
+
+Johan Doxa, de vader, verkocht speelgoed in de Zespenningstraat, een
+grijze wijk van nauwe steegjes, midden in de Lage Stad. Hij had er een
+smal winkeltje met een gebroken drempelzuil, een vunzigen gang en een
+groen-houten hekje, waarop, tenden een buigzaam veerijzer, een
+waarschuwende bel vastgehecht was. Het winkeltje was grauw, haast donker.
+De roode tichelvloer gloeide langzaam op uit de halve donkerte, maar de
+vierkante toog somberde, gelijk een harde, massale schaduw, vlak onder
+het venster, dat met zijne menige uitstalling, de dagklaarte buiten
+hield. Die toog droeg een verscheiden weelde van lekkernijen,
+muntebollen, lekstokken, stampers, ovenbeesten, kramellen, kletskoppen
+en amandelbrood. Al dat bonte gesnoeper lag er, in blikken kistjes
+nevenseen, elk met zijn eigen kleur en zijn verschillige hoopen. Achter
+de toog en langs den muur, tot bijkans tegen de zoldering, hing het
+speelgoed, de reepen, de poesjenellen, de poppen, de ballen in wollen
+netten, de zilveren muziektoppen, de zweepen met fluitjes, en zoo al
+meer.
+
+Johan Doxa, de vader, was een groote struische kerel. Hij zat 's morgens
+in zijn winkeltje, achter den toog. Hij sliep er meerendeels. Zijn stoel
+was laag, breed, verzacht met een platte sargie, die er vierdubbel tot
+op de leuning over gevouwd lag. Johan Doxa zat gemeenlijk met zijn beide
+handen gekruisd op zijn buik, zijn kin op zijne borst en zijn klipmuts
+op zijne oogen. Zijn kop stak even boven den toog uit, maar duisterde
+weg in de onduidelijke lucht van het winkeltje. Als een kind het hek
+openstiet, rinkelde de bronzen bek en Johan Doxa verroerde. Zijne handen
+bleven gekruisd en stille, maar, met eene eigenaardige fronsing van zijn
+voorhoofd, schoof hij rijzekens zijn muts achteruit, keek naar het
+deurtje, beloerde vijandig den jongen, die drummend naderkwam.
+
+De oude heer Doxa liet, in den namiddag, het beheer van de zaak over aan
+zijne vrouw Isabella, welke een ijverig mensch was en het huishouden er
+heerlijk doorhielp. In den namiddag ging hij toeren om de stad. Hij deed
+met pleizier eene wandeling langs de Henegouwlaan, de Beurs, de
+Anspachlaan, wrong zich zwaar en lui door de krioeling van menschen en
+rijtuigen en trok op naar de Hooge Stad. Zijn liefste uitstapje kuierde
+de Steenpoort omhoog en de grauwe wijk van het Gerechtshof binnen. Daar
+liggen, door mekaar, een geharrewar van smalle straatjes en huist eene
+ruchtige bevolking. De oude heer Doxa slenterde, er rond, keek met
+belangstelling naar de, politieagenten, de hondendieven, de
+haringventers en de citroenwijven, luisterde aan de open deuren van
+kroegen en danszalen, naar de versleten deuntjes van een blazenden
+draaiorgel of de schokkende springwijzen van een grollend speelboek.
+Dan liep hij de Visitandienenstraat omlaag en kwam lanterfanten in de
+Priemstraat. Hier placht hij zich aan eene zonderlinge praktijk over
+te geven. Hij, volgde de bierwagens die, ten dienste van de talrijke
+herbergen, voorbijreden en had permissie om, bij het opladen van ledige
+tonnen, het roes ervan om te klinken en op te vangen in een zinken
+ansjovisdoosje, dat hij, tot dit bijzonder gebruik, altijd in zijn
+binnenzak steken had.
+
+'s Avonds, na den eten, begaf hij zich in den Koning van Spanje, dronk
+er met een paar geburen een half dozijn glazen faro, bestelde een
+slaapmutsje in den Bloemenhof en kwam laat thuis. Hij vond geregeld en
+eenderlijk liggen in het laag bed, tegen den glimmenden kalkmuur van het
+lauwe slaapkamertje, het dikke, opbultend lijf van zijne vrouw Isabella
+die niet roerde bij zijne lompe inkomst, maar eens zuchtte, schijnbaar
+in haar slaap, als om zich van een vies droombeeld te ontlasten, dat
+juist op haar miserabel hoofd wegen kwam.
+
+ * * * * *
+
+De oude heer Doxa had een zoon, genoemd Johan. Van dezen is het dat ik
+in het bijzonder verhalen wil.
+
+Hij werd geboren in de Zes-penningenstraat, binst dat zijn vader,
+omtrent de Kapellewijk de dansende klutsen uit de tonnen klonk. Hij was
+grootgebracht tusschen het grijze speelgoed en werd een jongen van
+zeldzaam uitzicht met, als hoofdteeken van karakter, de luiheid van zijn
+vader en het zoete geduld zijner moeder. Op school, waar men hem, om hem
+kwijt te zijn, heen zond, was hij dadelijk den zondenbok van allen; de
+stooten welke grillige vuisten, bijna onachtzaam, uitwierpen, ploften
+pletsig in zijne vette rompe, en de muilperen, die, als bij toeval, uit
+onzichtbare fruitboomen neervielen kwamen wonderlijk op zijne bolle
+kaken openklakken. Bij eene zoo overdadige behandeling, bleef Johan Doxa
+verdraagzaam-glimlachend toekijken, en niets scheen de schoone zaligheid
+te kunnen storen, die geheel zijn wezen vervulde en hem toeliet, in alle
+omstandigheden, een pak slaag als een dankbaar almoes te aanvaarden.
+
+Op vijftienjarigen leeftijd liet hij zijn blond kroezelhaar lang-groeien
+en deed aan zijne moeder zijn voornemen kennen om naar de Academie ter
+leering te gaan. Dit werd hem toegestaan, deels omdat vrouw Doxa voor
+niets in de wereld haar zoon zou hebben willen te keer gaan, deels ook
+omdat de oude heer Doxa, na een wandellingetje in de Pieremanstraat,
+verklaard had dat het hem niet schelen kon.
+
+En Johan Doxa werd een artist-schilder.
+
+ * * * * *
+
+Johan Doxa bewoonde, in het vaderlijk huis, een luchtige zolderkamer,
+waar hij teekende, schilderde, at en sliep. Hij zat er sinds hij de
+Academie verlaten had--hij was nu een en twintig jaren oud--gansche
+dagen in de eenige gezelschap van een ekster, een sijsje en een
+eekhoorn. De vierkante kooi, waar joepte en zong het teer-groene sijsje,
+hing aan een kram van het dakvenster. Zoodra de zon boven de stad vol
+mistige daken opduiken kwam en tegen de schuinsche ruiten glinsterend te
+tokkelen begon, wipte het sijsje op de bovenste sport en kwetterde een
+jubel-getjirrel, dat geheel de kamer met een frisch pleizier vervulde.
+De ekster liep in vrijheid tallenkante rond, pootelde ruchtig over het
+houten plankier, sprong op den schoorsteen en droeg van links naar
+anderzijds de penseelen, welke ze te pakken kreeg. Gemeenlijk zat ze te
+midden van het kleine tafeltje, vast op den rand van een dikbuikigen,
+diepblauwen tabakspot. Daar bleef ze soms uren zitten, stil-lonkend en
+bijna roerloos, haar kop ten halve tusschen hare schouders gedrongen en
+haar pootjes in tweeën gevouwd, zeer rustig. De eekhoorn scheer-beende
+maar in een draaiende tralietrommel, die op een plankje stond, boven het
+hoofdeinde van het ijzeren bed.
+
+Hier werkte Johan Doxa. Hij schilderde portretten, beelden van Heiligen
+en kleine Kruiswegen. Hij likte en overlikte zijne tafereelen, raakte
+haast het doek met zijn neus en beijverde zich, in overmatige
+geduldigheid, om een krulhaartje op een kin te planten en een wimper op
+een ooglid. Hij bukte over het werk, streek langzaam de uitgezochte
+verven, bedekte met glanzende vernissen de gladde bontigheid. Zijn ronde
+kop, zijn kroezelende haarbos, blond-goud onder het spelend daglicht,
+lag, alsof het rustte, onbewegelijk over het effen-glimmende schilderij.
+
+Als hij verpoosde voor een tijdje, ging hij tegen het bed leunen of
+strekte er zich lang uit, rookte, traag dampend, volgde met luie blikken
+de opgaande en uitwaaiende tabakwolken en snoof wellustig den sterken
+reuk ervan op. Hij dacht aan niets. Hij keek soms heel lang naar het
+draaiend eekhoorntje, of voelde, zijwaarts, de blinkende oogen van de
+ekster, die loerend, op den blauwen buik van den tabakspot oolijk te
+muizenissen zat. Wanneer het avond werd had hij een heerlijk gevoel van
+zelf-verdwijnen. 't Was dan alsof, met de uiterste deemstering, het huis
+en de wereld zouden in nevelen vergaan. Zijne ronde blauwe cherubijnoogen
+blonken zonderling in de donkerheid en zijne handen lagen als twee witte
+vlekjes op het duistere violet van de bedmatras.
+
+Na den dood van zijn vader, die in het hospitaal aan eene kortstondige
+leverziekte stierf, veranderde Johan Doxa haast niets aan dat peiselijke
+zolderleven. Alleen zou hij af en toe wat uitloopen en menschen zien.
+Hij nam dit voornemen op den raad van zijne moeder, die met leedwezen
+hem in vergetelheid eene jeugd zag bederven, die zoo nuttig aan zoo
+kostbare zaken had kunnen besteed worden. Ze had gaarne haar zoon zien
+genieten van het weinige dat de Voorzienigheid hem op zijn weg had
+geleid en ze gaf hem, met eene schijnbare onverschilligheid, te verstaan
+dat de stad vol was met behaaglijke meisjes en dat er wel één ten minste
+in den hoop te vinden was, aan wie hij zijne versche jonkheid toetsen
+kon. Johan Doxa bloosde en glimlachte. Het vijffrankstuk, dat moeder hem
+in de hand stopte, plakte in zijn vette palm en teekende er, met zijne
+harde randen, een cirkel van gewicht. Hij liep den kapotten drempel
+over, hoorde, nog de bel bingelen, gesmoord in de dufheid van het
+binnenhuisje, en drilde langs de Lage Stad om. Hij leek, in deze
+slentertochten, wel zeer op zijn vader-zaliger, haperde aan elken winkel
+en luisterde naar elk gerucht. Zijn grootst genot was bezijden de platte
+kaaien. Hij staarde half-hangend op de ijzeren leuning, naar het donkere
+water, waar het licht van den dag onrustig over al schervelend ging. Hij
+bespiedde de doening der vaartmannen op de groene booten, volgde den
+rytmischen gang der koollossers, kon, tot het gansch donkerde, blijven
+turen naar 't gewiegel van een dobberend papiertje.
+
+Het was binst deze wandelingen dat hij die twee vreemde mannen ontmoette,
+welke na korten tijd zijne vrienden werden. Zij waren allebei ouder dan
+hij. Hij deed hunne vriendschap op in de zelfde week. De eene was een
+letterkundige en katholieke pamflet-schrijver, die zich als een vurig
+werktuig van God aanzag. Hij heette Lieven Lazare. De andere was een
+bleeke lang-opgeschoten kerel, met diepe doode oogen, een breede hand en
+sproeten op zijne vingeren. Hij was tapper in de _Old Curiosity Shop_,
+een nachtkroeg naar de mode. Zijn eenige naam was Anatole. Lieven Lazare
+was een groot, breed man, hooggeschouderd, met ronden kalen kop waar een
+stekelige snor haast een klein-bolle neusje wegvlekte. In zijne schriften,
+die eene onbetwistbare literaire waarde droegen, schold hij met ongemeene
+woestheid allen uit, die "op hun gladde harten de berrie torschen van het
+Gulden Kalf" en, in het bijzonder, de priesters en prelaten. Zijn werk
+"Ploerten" was een kostelijk autobiografisch verhaal, waarin hij zijn
+kristelijke liefde en, als met geweldige geuten, zijn schrikkelijke haat
+uitstortte. Hij sprak er van Johan Doxa, gelijk van een "uitverkoren
+wezen, hetwelk uit de vroomheid van gothische tijden onbeholpen te midden
+van de tartende ketterij der encyclopedisten gesmeten werd." Anatole was
+een tegenovergesteld wezen. Hij had een oolijk aangezicht, vol met de
+uitdrukking van dubbelzinnige schuchterheid en onkuische bedoelingen. Hij
+zong zeer mooi en kende een aantal allerliefste liedjes, welke hij, op de
+viool en de cither, deed begeleiden door zijne vrienden Biebuyck en
+Donkerwolck. Met deze twee kwam hij, des Zondags, Johan Doxa op zijne
+zolderkamer gezelschap houden. Zijn aardige stem kwinkeleerde tegen de
+pannen-bedekking, en de snaardoozen tjokkelden sierlijk de maat. 's Avonds
+was hij tapper. Hij vertelde zoo lekker van het diverse spektakel in de
+_Shop_, en zijne twee vrienden, die daar in een klein concert meerendeels
+werkzaam waren, bevestigden met knikken en ooggeknip zijne heerlijke
+verhalen.
+
+Van Anatole hield Johan Doxa zeer. Lieven Lazare vreesde hij duchtig,
+maar had hem meer innig, meer van binnen en uitermate lief.
+
+ * * * * *
+
+Op een middag kuierde Johan Doxa langs de Papenvest. Hij was zeer
+droevig want het groene sijsje had hij 's ochtends dood gevonden. Hij
+drumde tegen de muren en zag langzaam de vierkante straatsteenen onder
+zijne voeten wegslieren achterwaarts. De stad was blauw en luchtig. Eene
+zilveren Junizon blikkerde op de huisgevels, danste tegen de ruiten,
+poeierde in de klare ruimte trillend uiteen. Hij dacht weer:
+
+"Het groene sijsje is kapot!"
+
+Het zeurde aldoor in zijne hersens en hij luisterde binstwijl naar de
+duidelijke herinnering aan het licht-tikkende vogelgezang. Om hem
+zilverde de zingende zon, maar grijs en zwaar nevelde zijn treurende
+gedachte: het zou er nu mee uit zijn, het groene sijsje is kapot....
+
+Zoo kwam hij in de Papenvest. Op den drempel van een oud huis stond eene
+vrouw. Zij was groot en blozend en hare huid schoot op uit haren rooden
+halsdoek, gelijk eene klaarte vol zoetigheid. Ze lachte stille. Ze
+lachte stille, stille. Johan Doxa slenterde voort. Het docht hem ineens
+dat eene ongekende lustigheid zijn hart kwam vervullen met al de weelde
+van een geheimzinnig gevoel. Hij wilde wel zijn hoofd omdraaien, en het
+oude huis herzien, en den drempel, en dat wondere beeld van vleesch....
+Hij slenterde maar, keek niet achterwaarts, strompelde scheef-beenend
+over de ongelijke kasseide, en aldus gebeurde het dat hij smoorlijk werd
+verliefd.
+
+Hij stiet het groene hekje open, zoodat de bel ommentweer snokte en
+leelijk door den gang lawaaide. Hij klauterde ongemanierd langs de
+steile trap, ademde haastig, pletste met zijne warme vingeren op de
+vochtige trapleuning. Hij geraakte in zijne lage zolderkamer, bleef
+dwaas in het deurgat staan en staarde, met nuchtere verwondering naar
+de zwarte ekster, die aardig op den rand van den blauwen tabakspot te
+glariën zat. Zij roerde haren kop niet als hij hard-stappend binnentrad.
+Zij bleef rechtuit blikken met hare zwart-gulden vliemige oogjes, heel
+bedaard, alsof ze zeggen wou: "Daar hebt ge 't nu! Heb ik het al lang
+niet voorspeld?"
+
+Johan Doxa zette zich neer op zijn plat-bedekt bed en kruiste zijne
+handen over zijne knieën saam. Het eekhoorntje draaide in zijn roerenden
+tralietrommel en stak zijn staart kaarsrecht omhoog. Op de tafel lag
+eene schoone nieuwe pijp in bleek palmenhout. Het was een geschenk van
+moeder. Johan zou de steel sierlijk bekerven en opkleuren met roode
+witte en groene streepjes en ze omranden met fijne blauwe cirkels. Nu
+bekeek hij van verre de pijp en hij dacht aan de blanke keel die zoo
+rijkelijk boven de scharlaken doek-verve oprankte....
+
+De zon pletste door het dakvenster en speelde langs de koperen snaren
+van de ledige vogelkooi. Er trilde door de lucht een zilveren
+herinnering aan het groene sijsje, en tot den dikken avond zat Johan
+Doxa, rechtover de dubbende ekster, te dubben eenderlijk.
+
+Daags nadien kwam Anatole met Biebuyck en Donkerwolck, zijn zwijgende
+vrienden, een bezoek brengen. Zooals naar gewoonte werden wat flesschen
+lambik opgehaald en moest Anatole eene rei liedekens zingen. Dit deed
+hij, terwijl Johan Doxa zeer aandachtig den bleeken steel van de nieuwe
+pijp met allerlei ornamenten overteekende. Hij zong op uitstekende wijs
+de oude deuntjes van den _Reus_, van den _Koekoek_, van het _Ros
+Beiaard_, van _Mijn moeder gaat naar Halle_, en van den _Uil_. De
+anderen begeleidden keurig, de cither tokkelde de springende zangmaat
+in rythmische brokjes en de viool vergezelde in accoord den gang van
+Anatole's buigzame stem. Het was een lieve nanoen, en er werd gedronken.
+
+Maar Johan Doxa zat, onder het volle vensterlicht, laag gebogen over de
+teerheid van zijn brooze versieringen, en hij keek niet op, en het was
+alsof hij afwezig was. Anatole lachte met hem, vroeg of hij verliefd was
+geworden, klopte vertrouwelijk op zijne schouders. Hij vertelde dan van
+de gebeurtenissen in de _Curiosity Shop_, van de mooie Roy-Dour die zich
+tegen den toog had ontkleed om een merk te toonen, dat ze op de
+linkerheup droeg. Hij vertelde met korte zinnetjes, hief met gepaste
+woorden, kort en rap, de pittigheid van een voorval op, en liet, na
+elken raken zet, op zijn wit aangezicht het dubbele barreel van zijne
+tanden blikkeren. Biebuyck stak zijn kin vooruit en Donkerwolck
+pinkoogde. De cither en de viool rondden hunne bruin-glimmende buiken op
+een stoel, naast het doode kacheltje.
+
+Maar Johan Doxa roerde noch en ruchtte. Toen vertrokken de drie
+kameraden en ze gingen sloffend en strompelend de steile trap af. Het
+groene hekje hoorde Johan Doxa rinkelen. Het huis werd stil. Hij lei de
+bleeke pijp op zijde, schoof achteruit, staarde lang opwaarts en zijne
+oogen begonnen te pikken, te sterren, te nevelen. Hij zuchtte. De ekster
+rok traag hare vleugels uit, lengde haren hals, huiverde over geheel
+haar lijf, en zette zich weer rustig en thoope, met gevouwen pootjes,
+op den pot, die blauw en bollig te blinken zat. Het werd haar alsof ze
+zeggen zou:
+
+"Mijn arme Johan, wat moet er van u geworden?"
+
+ * * * * *
+
+Het oude huis op de Papenvest was eene herberg. Dagelijks ging er nu
+Johan Doxa. Hij bestelde een half-en-half en bleef zitten, rechtover de
+deur, tot eens de vrouw, die als een groote onrust over zijne ziel woei,
+daar zou voorbijgaan. Ze woonde op de eerste verdieping. Ze heette
+Julia. Ze was, een dik jaar geleden, getrouwd met een treinwachter, die,
+tien dagen na zijn huwelijk, in een spoorweg ongeval was omgekomen. Ze
+leefde alleen en naaide. Als Johan in de herberg zat, zag hij ze vaak
+omloopen in de gang. Ze lachte luid of zong. Ze had eene klare golvende
+stem, die door gansch het lichaam van Johan sidderde en er een ongemak
+veroorzaakte, dat het bloed naar zijne slapen joeg. Hij dierf haar niet
+aan te spreken, maar zijne vingeren beefden en zijn adem zwol. Het docht
+hem dat hij zou gaan licht worden als een vlam en opspringen tegelijk en
+ijlen naar de dartele deerne die, boven de vurige kleur van haar
+borstdoek, hare klinkende keel opklaren liet.
+
+Telkens kwam hij moedeloos, uitgeput en zonder hoop weer thuis. Moeder
+Doxa, van tusschen de arlekijnen en het suikergoed, daar achter den
+duisteren toog, merkte iedermaal zijn treurend uitzicht. Ze
+vermeerderde, gelijk zij kon, het bedrag van zijn zakgeld, en knikte hem
+heimelijk toe, hem oolijke stootjes gevend en nafluisterend van de
+blonde dingetjes, die er allentwege omliepen in liefelijke gretigheid.
+Hij glimlachte zachtekens mede en voelde den dwazen blos uitgloeien, als
+pioenen, op zijne heete wangen.
+
+Het liefst zat hij op zijn kamertje. Hij werkte er aan de
+miniatuurversiering van de palmhouten pijp. Hij schilderde er laaie
+harten, en doornen, en rozen, en, in schoonverluchte letters, den naam
+van Julia. Dagen lag hij over dat buitengewoon bedrijf gebogen, en hij
+verrijkte het telkens met nieuwe kleurverwikkelingen.
+
+ * * * * *
+
+Eens ontving hij een kaartje van een heer, die hem wat dringends te
+vertellen had en hem verzocht om bij hem, als mogelijk, aan te loopen.
+Johan Doxa herlas driemaal te reke het adres, en begon daarna het zweet
+weg te vagen, dat in zijn haar kittelde en op zijn voorhoofd te perelen
+stond. De heer woonde op de Papenvest, in het oude huis, eerste
+verdieping.
+
+Te valavond begaf zich Johan Doxa toch op weg. Wel beefde hij en
+wankelde haast terwijl hij de piepende trap opging. Hij stond vóór de
+deur en wilde zich nu eerst eens goed bedenken. Hij bedacht zich eens
+goed, zuchtte en besloot maar weer de trap af te dalen. Toen juist
+sprong het slot en in de vrije klaarte stond daar de weelderige Julia.
+Ze groette hem bij zijn naam en bad hem om binnen te komen.
+
+Hij ging. Het werd zeer warm en de lucht woog, stikkend heet. De kamer
+was zindelijk en helder van kleur. Een vierkante kachel puntte zijn
+glimmende koperknoppen onder de schaduwkap van den schoorsteen. De tafel
+was bedekt met een oranje ammelaken, groen-bespikkeld en hard. Tegen den
+muur stond het breede bed, de sargie half-omgeplooid en het witte
+hoofdkussen bloot in het midden. Johan Doxa zag dit alles tegelijk, in
+een waterig zicht van vloeiende dingen. Hij zag Julia. Hij zag haar
+roode doek, haar blanke boezem, haar natten mond, hare oogen,--beweeglijken
+gloed....
+
+Hij zette zich. Ze sprak van het kaartje--dat het een onschuldige
+leugen was, dat zij wel wist dat hij op haar persoonlijk aandringen niet
+komen zou, dat zij het overigens nooit had durven schrijven op haar
+eigen naam, dat zij nu van hem verlangde dat hij haar portret zou
+schilderen. Ze sprak meesmuilend en vleiend, vingerde verlegen over haar
+borstdoek, ontsloot het onwetens, en lachte, lachte. Ze wipte dan op,
+bloosde minzaam en zette eene flesch met zoete likeur op tafel. Ze vulde
+de kleine glazekens. Haar lichaam bukte voorover, heel dicht aan bij
+Johan, die de buigzame elegantie van haar leen bijna onder de hand te
+bewonderen kreeg. Ze draaide rond hem, raakte met haar zwaaiende rokken
+zijne knieën, welke hij met wanhopige beleefdheid probeerde onder de
+stoelsporten te steken. Ze dwong hem te drinken. Hij dronk een half
+slokje en slikte verkeerd. Ze knikte hem toe, ze wachtte....
+
+Daar kwam eene stilte. De stilte druppelde tikkend uit de kast van een
+eiken horloge. Julia had hare beenen overeen gekruist en toetste met het
+tipje van haar wiegend voetje nijdig en matelijk de losse broekpijp van
+Johan Doxa. Johan Doxa zweeg in extase. Toen sprak ze, met een zucht
+opnieuw, van het portret, en Johan Doxa, terwijl hij zijne blonde
+krullen schudde op zijn nek, en eene toenemende zekerheid den blik van
+zijne blauwe cherubijnoogen vastzette in zijn rond-vette aangezicht, zei
+nu, al wuivend met zijne korte armen ... eigenlijk zei hij nog in het
+geheel niets, maar hij wist wat hij zeggen moest en wuifde met zijn
+korte armen. Hij zou zeggen:
+
+--"Berust hierover op mij, Mevrouw. Ik zal uw portret maken, al moest
+het mij, twintig jaren lang, een dagelijkschen arbeid kosten. Het zal
+mijn meesterwerk zijn, Mevrouw. Ge zult op het doek in de verf zitten,
+zooals in een spiegel. Aan ijver zal het mij niet ontbreken, want uw
+beeld verlaat nooit mijne eenzame gedachten en gij zijt de godinne die
+oprijst, gelijk een dag vol zonnegoud, over mijn onwaardig hart. Vergeef
+me, als ik te lang misbruik maak van uwe gastvrijheid, Mevrouw, maar ik
+wenschte u te zeggen wat het beduiden wil, een hart dat bewoond is door
+een zondige liefde. Liefde, ik heb het uitgesproken. Wees niet boos. Ik
+zal u algauw van mijne rampzalige tegenwoordigheid bevrijden. O! Gij
+zijt te wel opgevoed om mij de deur uit te gooien. Ik begrijp u,
+Mevrouw. Ik dank u, Mevrouw. Voor mij niet, alsjeblief, nee, dank u wel,
+geen drank meer. Met mij hier langer op te houden, keurt gij eene
+vermetelheid goed die zich over haar zelve schaamt. Ha! Ik ken mijne
+plichten! Ik zal uw portret maken, Mevrouw, tot het uiterste haartje.
+Vrees niet. Wat de betaling betreft, kijk er niet naar om, bid ik u.
+We zullen dat wel regelen, later, met maandelijksche afkortingen, bij
+voorbeeld. Goeden avond."
+
+Alzoo in zijn binnenste redevoerend was hij opgestaan. Gelijk vlammen
+schoten al de woorden door zijn geest voorbij. Dan wilde hij ze
+weerhouden, ze op zijn tong brengen, ze vrij in klanken loslaten. Maar
+ze waren weg. Een pak lood zat hem in den mond, iets dat hij noch
+neerzwelgen noch uitspuwen kon. Een onnoozele glimlach stak twee lieve
+putjes in den blos van zijne poezelige bolwangen en hij werd ineens zoo
+gelukkig, zoo gelukkig, dat hij er bang van werd. Hij was bang dat die
+zaligheid mocht ophouden, of dat ze hem mocht ontstolen worden, en hij
+wilde er mee wegvluchten. Hij zei:
+
+--"Goedenavond ... Goedenavond...."
+
+En vluchtte inderdaad.
+
+ * * * * *
+
+Moeder Doxa was niet weinig gelukkig, als ze nu, in zijn zolderkamertje,
+haar zoon Johan hoorde zingen van den morgen tot den avond. Hij wilde
+haar echter niets van de heerlijke gevallen zijner liefde bekennen. Hij
+had aan Julia een langen brief geschreven, waarin hij haar vergeleek met
+de hemelsche melkbaan, want haar huid was blank en zilverig, en er
+vloeide daaronder eene room zoete klaarte, welk met den gloed van het
+roze bloed aan het stralen ging. Hij zond haar, in een keurig pakje, de
+kostbare pijp, als een teeken van de verduldige passie, waarmede hij
+haar sinds maanden aanbeden en verbijd had. Haar naam praalde op den
+steel in een kunstig gewirrel van bonte ringetjes en punten en
+droppelkens goud.
+
+Zoo vervloog de gevleugelde tijd. Johan Doxa zat neuriënd onder het
+ledige muitje. Het loodrechte licht viel uit het vierkante dakraam op
+het vlakke schilderdoek en de glanzende lokken die, langs Johan's
+slapen, al bellend erover hingen. Hij penseelde vlijtig en traag. Het
+struische gelaat van Julia kwam, ietwat magerder, op den bruinen
+verfgrond te voorschijn. Hij schilderde haar uit het hoofd, legde
+parelen om heure haren en licht gebloei daarlangs. Een doorzichtig
+keurslijf lag losjes open op haar boezem, en ze hield een dubbele dahlia
+in hare rechter hand. Voor haar, op de tafel waar ze statig aanzat, was
+het of ze zoetekens over een mandje met allerlei bloemen vingerde.
+Bloemen waren overal rond haar,--tulpen en leeljen in waaiervormigen
+tuil opgroeiend uit een groote zilveren vaas, rozenranken langs het raam
+van 't venster, en een karmijnen koningskroon in een blauwen,
+familiairen tabakspot.... Aan den eenen kant zat de ijverige eekhoorn,
+aan den anderen de dubbende ekster; maar het sijsje was er niet. Het
+gansche portret was een eigenaardige menging van levend licht en doode
+herinneringen, tegare gewisseld in een gladde verve van subtielen toon.
+Johan Doxa borstelde aandachtig erlangs en eromme, slierde met haarfijne
+nauwkeurigheid rond den bleeken dons van het vlezige aangezicht en
+tooverde traag een vollen dag in de starende strakheid der glimlachende
+oogen. Hij was bovenmatelijk in zijn schik. Het eekhoorntje draaide
+binnen den zacht-ronkenden traliemolen. Maar aan Lieven Lazare zei hij
+niets van dat alles. Hij hield in dien tijd niet veel van Lieven en
+vluchtte zijne strenge redeneeringen. Er bleef van dat acute gepreek bij
+Johan Doxa iets over, dat onduidelijk op wroeging leek en naar een
+geducht berouw leiden moest. Het docht hem halvelings dat hij, met de
+gebaren van zijne vreemde liefde, aldoor zondigde tegen de behagelijke
+wetten van God. Lieven Lazare benaderde in slaande bewoordiging deze
+zedelijke zwakheid en raadde precies de ongemakkelijke stemming, waar,
+binst zulke oogenblikken, zijn vriend Johan gekluisterd zat. Hij liet
+niet na hem hierover met goddelijke wreedheid te berispen.
+
+--"Gij zijt, mijn jongen", sprak hij, "overvallen door de mistige
+monsters der tempteering. Ik zie u spartelen tegen de satanische
+belegering en uw hart schijnt me toe als een poppelend schuchterheidje,
+een angstig asemtje, een gesmoorde kreet.... Zijt ge onkuisch mijn
+vriend?"
+
+Johan Doxa verklaarde haastig dat hij zuiver en gezond was gebleven. Hij
+vreesde de sterke waarschuwingen, welke hij in den naam van God en langs
+God's eigen woord ontving, en zoo kwam het, dat hij het gloeiend geheim
+van zijne blijde gedachten voor zich zelf bewaarde, verborgen en eenzaam
+op het lage zolderkamertje, tusschen het vlakke portret, de blauwe
+tabakspot, de peinzende ekster en het triptrappende eekhoorntje.
+
+ * * * * *
+
+Op een avond gebeurde echter een ongemeen geval. Johan Doxa wandelde om
+de platte kaaien van de breede vaart. Het was een najaarstijd. Een
+druppelende nevel hing over het water en de gele lanteernlichten vlekten
+wijdopen op de dichte damplagen. De avond was dik en rot. Rappe menschen
+schoven voorbij of een eenzame wagen waggelde gelijk een ruchtbare
+schaduw door de grijze massale duisternis. Op de ijzeren brug die naar
+de dokken leidt, bleef Johan stille staan. Hij staarde naar de klotsende
+vaart waar het roode licht van een signaalbord roerend brokkelde. Een
+stille zwarte boot gleed binnen de misten. Men hoorde het verre geronk
+en de belrinkeling van een zoevende elektriektram. Johan Doxa dacht,
+naar gewoonte, aan zijne heldere toekomst, want hij placht gaarne het
+beeld van zijne liefde te verplaatsen in de zonnigheid van een komende
+welvaart. Hij zag zeer duidelijk het huisje met de oranje luiken, den
+wilden wingerd boven de deur, het zomerlicht op den drempel. Hij zag den
+haard met de zoete warmte en den zoeteren vrede. Hij zag Julia. Een
+stille boot voer, zwart en water-roerend, onder de brug, en het roode
+signaallicht kronkelde langs de schokkende golfjes. Het sloeg negen uren
+op den ouden Kathelijne-toren.... Hij kuierde de dokken voorbij, keerde
+om naar de Vischmarkt en sloeg een smal steegje in, dat op den hoek van
+het Zaterdagsplein uitzicht gaf. Hij had zijne handen in zijne
+broekzakken gestoken en ging al fluitend. Op het Zaterdagsplein stond
+een driearmige gaslanteern en, juist onder de gele klaarte, een
+onbeweeglijke politie-agent. Johan Doxa zag hem pas als hij heel dicht
+bij hem genaderd was, want de nevel dikte nu tallenkant zoo zwaar, dat
+de straten op vierkante holten leken, waar verwijlde een vette smoor.
+Johan blikte even naar den politie-agent op, dewelke, paalrecht onder
+zijn opgestoken kapeline, rustig te rooken stond....
+
+Maar ineens begon Johan Doxa te loopen, te loopen alsof hem een
+schielijk gevaar op de hielen zat. Hij hield niet op vóór hij de
+Zes-penningenstraat bereikte. Hij struikelde hijgend tegen het groene
+hekje en sukkelde wild-blazend de trap op. De leuning piepte en de
+trapberden kraakten. Hij stak op het zolderkamertje eene kaars aan,
+die hij op den kant van de tafel plantte en zakte toen op zijne knieën,
+geheel dooreen, als een halm door de zeis getroffen.
+
+De ekster zat niet op haar rustige plaats. Ze vleugelde angstig over de
+geel-bruine bedsargie en hare gloeiende oogjes blikkerden buitengewoon.
+Ze trachtte met wippende sprongskens en klein gekrijt de aandacht van
+haar bedrukten meester naar het spectakel van een leelijke gebeurtenis
+te lokken. Johan evenwel lag op het plankier ineengedrongen en drukte in
+zwijgende wanhoop zijne ellebogen op zijne knieën, en keek halsstarig
+voor zich uit. In den geluidloozen tralietrommel hing het eekhoorntje,
+dat dood was gegaan.
+
+ * * * * *
+
+"Anatole", zei Johan Doxa, terwijl zijn bleeke vriend op den rand van
+de ijzeren koets zijne nagels schoon maakte en, daarnaast, de witte
+gezichten van Biebuyck en Donkerwolck boven de gele heupen van de viool
+en cyther opgeschoten, "ik zeg het u, zoo lange dagen en dagen heb ik
+over dat ding te zwoegen gezeten. Hebt ge de lieve madeliefjes gezien,
+die ik langs een wiegend thema van blaadjes en knopjes op den steel
+geschilderd heb? Gij waart vaak de verwonderde getuige van mijne
+verduldigheid. Het groene sijsje zong perelend onder ginds vierkante
+zonnelicht. Het eekhoorntje draaide. Ja, mijn vriend, ik heb dat werk
+versierd met een warm stuk van mijn innigste gedachtenleven. In den
+dikken nevel almeteens pletste het brutale mannengezicht open, gelijk
+een vieze vloek. Het was op het Zaterdagplein onder den driearmigen
+lantaarn. Hij rookte dus uit mijnen pijp. Vraag mij nooit iets meer
+daaromtrent Anatole. Ik heb u immers alles verteld...."
+
+Anatole vroeg evenwel nog hoelang ze met den politie-agent getrouwd was,
+maar Johan wilde geen woord meer reppen. Hij stond leunend tegen het
+kleine tafeltje. Zijn blonde krullen hingen verward over zijne ooren en
+hij staarde op de vloer, waar de ekster een hoop witte kruimels uiteen
+bekte. Anatole zong het liedje van de _Drie Gezellen_, en daarna
+een ander nog, van het _Euverzwijn_. De dag was grijs en triestig
+en de schaduwsluierde stille langs de muren.
+
+ * * * * *
+
+Johan Doxa was nu een zeer onrustig mensch geworden. Des nachts sliep
+hij niet en over dag liep hij het huis op en af, of drilde gichtig de
+Lage Stad omme. Moeder Doxa merkte alweer dadelijk het vreemde verschil
+en zij wist geen raad om haar pover kind tot een betere stemming te
+brengen. De moedelooze toestand van Johan brak uit in zonderlinge
+uitslagen. Hij werd gefolterd door pijnlijke verlangens en zijn
+verbeelding was vol met duizelige tafereelen. Terwijl hij slapeloos op
+zijn sponde lag, recht uitgestrekt, kwamen de mistige vormen van zijne
+gedachten door de lauwte van het kamertje varen. Ze wiegelden in de
+lucht zooals wuivende sluiers en ze hadden de kleur van de roomblanke
+huid, waaronder zacht-roze vloeit het gloeiende bloed. Ze naderden zijne
+heete lippen en hij hijgde ongelijk en de nacht rok zich uit, alsof
+nooit de vrije dag zou klaren.
+
+Anatole vertelde hem van het lichte leven en van de jolige jeugd. Hij
+zag, bij elk woord dat zijn listige vriend fijn uitteekende met zijn
+naakten mond, het gebaar en de weelde van die ongekende pleizieren,
+waaronder vlamt en wappert het dansende vuur van rappe passie. Hij werd
+nieuwsgierig, trachtte met oolijke wendingen de verscholen
+bijzonderheden te kennen en zijn geest was altijd op zoek, een versch
+beeld beloerend dat uit een ongezond toeval van detailleering kon
+ontstaan. Hij vluchtte al meer en meer de bezoeken van Lieven Lazare,
+die, met orakels en profetieën, zijn opgejaagde hersens in de war hielp,
+maar des te gretiger liep hij het bleeke gezelschap van Anatole na.
+
+ * * * * *
+
+Op een dag werd besloten dat Johan Doxa naar de _Old Curiosity Shop_ de
+kameraden Donkerwolck en Biebuyck vergezellen zou. Er was dien avond een
+klein concert in de bovenzaal en Johan moest den triangel slaan. Zoo kon
+hij alles eens goed aflonken en er zich een eigen oordeel over maken.
+Ze gingen met hun drieën. Ze bereikten de bovenzaal langs een klein
+diensttrapje en dit was gelukkig, want er zat veel ruchtig volk in de
+grootere consommatiekamer en Johan zou nooit de krasse uitroepingen te
+boven gekomen zijn, waarmede men daar zijn drollig-vet voorkomen en zijn
+zeldzaam aangezicht hadde gegroet. Hij werd tusschen Biebuyck en het
+klavier geplaatst en hij keek beteuterd rond. De zaal was zeer helder
+verlicht. Groote elektrische klokken hingen tallenkant, gelijk ongemeene
+bloemen, te stralen. De wanden waren behangen met een scharlaken
+brokaat, dat tegen de zoldering langs gouden festoenen en kleine
+empirekransen fronste. Spiegels hingen links en rechts in zilveren
+lijsten te klateren. Drie kleine tafels stonden op het karmozijne tapijt
+en groote krysanten pronkten er tenden den glimmenden hals van hooge
+porseleinen vazen. Een lakei in groene livrei liep in drukte rond,
+schikte de satijnen zetels en de sofa's waar rustten, als vlekken zon,
+ronde hard-gele kussens. Het was erg warm. Men hoorde, in de
+benedenkamer, het geraas van het drinkende volk. Een klein uur
+vervloog....
+
+Toen werd het teeken gegeven dat de muziek spelen moest. Ze klonk
+ongezellig binnen deze ledige kamer en Johan Doxa voelde in zich eene
+holle ellende, gelijk een kelder vol triestigheid. Maar de dubbele deur
+werd opengeduwd en eenige bejaarde heeren traden binnen. Ze babbelden
+ondereen en waren hier thuis. Ze zetten zich in de mooie zetels en de
+lakei bracht kaarsen en sigaren en ze begonnen te rooken. Koffie werd
+opgediend. Enkele dronken gulden cognac uit fijne hooge glaasjes. Dan
+kwamen de dames.
+
+Ze kwamen langzaam en glimlachend. Hunne stemmen zilverden boven de
+muziek heen en hunne blikken blonken dwaas door de geweldige verlichting.
+Ze waren in lichte bonte dracht, bespikkeld met de glanzen van duizenden
+gesteenten, en hunne armen, hunne amberen schouders, hunne ronde halzen
+waren bloot. Hun boezem was beschaduwd door de mauve doezeling van een
+rankje bloemen of met een teere sluier gekleurd. Ze groetten en knikten
+en de heeren slurpten aandachtig aan de witte randden van de nauwe
+kopjes koffie, die krullend opdampte langs hun roode gezichten.
+
+De lakei stond kaarsrecht, bij de dubbel deur, in heerlijk Veronèse-
+groen.
+
+Het was omtrent dien tijd dat ook de ekster stierf op een morgen van
+dien grijzen winter. Johan Doxa lag op zijn bed en zag in de rijzende
+ochtendklaarte hoe zij al meteens te vleugelen begon. Ze klampte zich
+ongedurig vast aan de gladde randen van den blauwen tabakspot, zakte
+plots ineen, stortte voorover en rolde op haar rug. Nog bibberden hare
+pootjes. Ze rok een laatste maal hare keel uit, over het berd van de
+tafel, en roerde daarna niet meer.
+
+Johan stond in zijn hemd bij de tafel. De ekster bekeek hem met hare
+scherpe oogen en het was of ze, in haar uiterste vuur, zeggen wou:
+"Kerel! Kerel! wat ga-je nu doen zonder mij?" Ze stierf.
+
+Het zolderkamertje werd hem sindsdien een duisterheid zonder genade.
+Hij kon er niet meer zitten, zooals eertijds, want, al had hij ze ook
+weggegooid, daar hingen altijd het vogelmuitje en de tralietrommel en
+daar zat, op zijn blauwen buik, de glanzende tabakspot. Hij sprak
+hierover met de goede moeder Doxa, achter de toog van het vunzige
+poppenwinkeltje, en, de volgende week, verhuisde hij. Hij betrok een
+kleine kamer onder het dak, in het oude huis van de Papenveste en
+schikte er zijn ijzeren bed en zijn verschilligen schildersboedel.
+
+ * * * * *
+
+Het was daar een raar leventje. Straatvloers woonde de herbergier, op
+de eerste verdieping huisde Julia met haren nieuwen echtgenoot, op de
+tweede lawaaide de weduwe Sikkel, met hare negen kinderen, en hooger op,
+onder de pannen, nestte Johan Doxa, geheel alleen. Deze verandering van
+midden was hem zeer voordeelig. Hij werd rustiger, stilde in zijn
+hersens de ziekelijke opgejaagdheid, die er eene monsterachtige
+verbeelding voedde, en hernam zijn ronde palet. Allengerhand begon hij
+klaar te zien in de troebele gronden van zijn hart en hij geraakte tot
+een helder zicht van zijne liefde. Hij legde dit uit in een kort gesprek
+met Anatole:
+
+--"Alles om mij", zei hij, "bezakt en bedaart. Begrijp goed, mijn
+vriend, dat ik een ben, die de geschoren stoppelhaartjes van een baard
+te tellen pleeg. Hoe heeft me die spijtige gebeurtenis beroerd en
+gekoterd, ach! Stel u dat onweder voor. Nu is de roes gezonken. Ik kan
+weer schilderen. Ik bemin Julia meer dan ooit, maar nu weet ik precies
+hoe vurig en hoe lang. Ik ben nu ook veel gelukkiger. Wel ja! wat
+glimlacht ge? Ik ga langzaam de trap op en af, en soms hoort ze mij,
+en ze trekt haar deurtje open en ze knikt liefelijk of zegt met
+onuitsprekelijke innigheid: "Hoe vaart ge, mijnheer Doxa?" Andermaal
+ontmoet ik haar beneden, in den gang vóór de herbergzaal. Ze loopt me
+nooit onbeleefd voorbij, zooals zij wel het recht zou hebben te doen,
+zal u toch dunken. Zij komt ook aleens op mijn kamertje en zij wil mijne
+schilderijen goed vinden. Ik werk veel om haar wat te kunnen toonen;
+maar ik verkoop ongaarne, wat zij met hare lieve oogen heeft opgemerkt.
+Zij zet mij nochtans tot verkoop aan, en ik kan haar niets weigeren.
+Zij is, sinds haar huwelijk, zeer arm. Ik ben blij dat ik haar soms een
+beetje helpen kan al is zij ook daarom uitermate verlegen. Zoo leven
+wij, mijn beste jongen. Och ja! En de man, de politieagent, die is
+insgelijks vrij aardig. Wij zijn goede kennissen en gaan reeds op een
+vriendschappelijken voet om met mekaar. Wij drinken bij gelegenheid een
+half-en-half bij den herbergier beneden.
+
+"Hij houdt veel van duiven, en hij doet mee aan prijskampen. Ik heb hem
+dees gedeelte van mijne kamer afgestaan en, zie maar, hij heeft er een
+groot duivenkot opgetimmerd dat met een witten kijker uitzicht geeft
+op het dak. Wat kan het mij schelen? Ik doe dien mensch pleizier. 's
+Morgens, al heel vroeg, terwijl ik nog te bed lig, komt hij de duiven
+eten brengen. Ik laat mijn deur maar open en hij kan gemakkelijk binnen.
+Hij kruipt op een stoel, ontgrendelt het kot en spreekt zachtaardig de
+zoete beesten aan. Gaarne hoor ik de maïskorrels dansen op de houten
+berden en de duiven aroetekoeën van genot. Daarna kan ik somwijlen weer
+wat inslapen. Alleen de reuk hindert me.... Ja, inderdaad, mijn waarde
+vriend, dat is hinderlijk. Het komt bij wijlen met vieze walmen omlaag.
+Kijk! dan zet ik het venster open en loop een uurtje langs de dokken, en
+'k zie nog het snoezig lachje van Julia in het deurgat, gelijk een vol
+gestreel van de zomerzon. Haar man heet Firmien. Ik ben nu aan een doek
+bezig dat ik voor hem bestem: het verbeeldt, in een krans van
+voorjaarsbloemen, het liefdegedoe van twee aschblauwe rasduiven. Ik moet
+zijne twee bestvliegers uitschilderen, zegt hij. Dat zal ik doen. Hij
+wil het schilderij laten in een kostelijken lijst ophangen boven zijn
+bed, en daar past het waarlijk voor. En zoo, Anatole jongen, komt de
+trage vriendschap de onstuimigheid van tijdelijk misbaar vereffenen, zoo
+loopt, al spelend, het zangerige beekwater de ruige keien glad. Des
+Zaterdaags ga ik met Firmien in de Halve Maan een paar uren kaarten. Ik
+ben hem dankbaar. Hij doet het voor mij, zegt hij, want hij zelf heeft
+altijd het noodige geld niet op zak om de verloren pinten te betalen.
+Men tapt in de Halve Maan een uitmuntend bier. Vooral de geuze is
+lekker, maar ge moet hem aan de ton bestellen en hem stille drinken. Hij
+perelt gelijk een julimorgen en hij vloeit zooals het licht van de maan,
+wanneer het, bij diep-blauwen najaarsnacht, lui en weelderig uit de
+violetten hemelvaten neerspoelt,--lui, en weelderig, en geluideloos."
+
+ * * * * *
+
+Johan Doxa zou het nooit over zijn hart krijgen om kinderen onzacht te
+behandelen. Hij leefde in groote kameraadschap met de negen kinderen van
+mevrouw Sikkel. Mevrouw Sikkel zond hem de lieve bende--met uitzondering
+van de drie oudsten die school gingen--telkens als ze buiten huis op
+boodschap moest uitloopen. Dit had ze ook nu, binst dezen mooien
+Lentenanoen, gedaan en, om de gewone dienstwilligheid van Johan niet te
+misbruiken of te belasten, had ze het kleinste bengeltje medegenomen.
+
+De kinderen lawaaiden binnen het gekalkte kamertje en ze werden wilder
+naarmate ze merkten dat Johan vrede ermee had. Ze zetten de stoelen
+opeen, klauterden op de tafel, verfden mannekens op den muur en speelden
+paardje op de buis van den kachel. En paar hadden voorgenomen om in het
+duivenkot te kruipen, maar dit werd streng verboden. Ze hadden de kast
+opengetrokken en kleedden zich aan met hemden en vesten. Ze maakten een
+heerlijke pret en Johan Doxa glimlachte genoeglijk bij die leute van het
+rumoerig volkje. Hij liet de heimelijke pagadders, alsof hij 't niet
+merkte, aan zijne broekpijpen snokken. Hij speelde eindelijk zelf mee,
+zat, op zijne knieën naar de kleinen te grabbelen en lengde zich soms
+plat uit op zijn buik. De snoezige lievertjes sprongen op zijn rug,
+knepen in zijne billen, trokken met zijn haar, vielen hem al tegelijk
+aan en begonnen te stampen en te vuisten. Hij richtte zich moe en
+zweetend op ten halve en wreef, dwaaslachend, over de roode vlekken,
+welke in zijn gelaat waren geschart. Een jongetje liet een verfpot
+omvallen en streek de roode kleur met een kleerborstel open. Een ander
+knipte met een beroeste schaar in een fluweelen borstdoek, en had zich,
+om tot dit aandachtig bedrijf gemakkelijk te zitten, op het hoofdkussen
+van het bed gezet. De zon stortte door het dubbele dakvenster en de
+duiven, achter de riekende berden, troetelden vertrouwelijk. Toen werd
+de deur ruw opengestoken en Julia stoof rokwaaiend binnen, zoodat het
+luttel kindergepeupel versteend bleef in vreezachtige roerloosheid en
+Johan, als verslagen, daar onbeweeglijk zich te schamen lag. Hij sprong
+dan recht en Julia viel schreiend in zijne armen.--"O Johan! mijn lieve
+Johan!"
+
+Het was een roerend schouwspel en Johan, die alle bewustzijn verloor,
+streelde met zijne bevende vingeren over haar hoofd en op hare
+schouders. Pas na een dikke stonde begreep hij uit de stootende woorden
+van de hopelooze Julia dat de politieagent schielijk op straat aan
+beroerte gestorven was. Hij begon stille te weenen en zijn hart was zeer
+aangedaan.
+
+ * * * * *
+
+De dagen, die hierop volgden, slierden langs een grijze reke voorbij en
+Johan Doxa herkende zijn eigen niet. Hij zat op zijn kamertje te dubben
+en zijn ongemak bleef duren. Hij at niet, telde de morgens en de avonden
+niet en de nachten vervulden zijn geest met beelden van onredelijke
+verschrikking. Lieven Lazare kwam hem opzoeken, sprak hem van de
+goddelijke inzichten, die hem hadden tot een vod van schande gemaakt.
+
+--"God heeft mij den weg gewezen naar uw sponde, Johan" zei hij. "Ik heb
+gevoeld dat ik u vinden zou in onzeggelijke vertwijfeling en daar ligt
+ge nu--een wrak van zielloos vleesch op de baren van uw opgebiechte
+zinnelijkheid. O mensch, ik herhaal en ik herhaal het u: eene kwaal van
+helschen oorsprong bijt u, gelijk een kanker, aan het hart. Raad ik het
+niet? Maar neen, de ingevingen van den Eersten Persoon, welke mij op dit
+oogenblik bezielen zijn onbedrieglijk en gij moogt niet langer weigeren
+uwe zonden te biechten. Red u, als er nog tijd toe is."
+
+Het bleek genoeg uit de koppige stilzwijgendheid van Johan, dat hij alle
+poging tot redding opgegeven had. Op een schoonen dag van het voorjaar
+werd het huwelijk van Johan en Julia in de kleine Kathelijnekerk door
+een korten priester gezegend. Ze kwamen op het zolderkamertje inwonen en
+sleten er een gemengd leven van geluk en trage treurigheid. Johan ging
+alle nanoenen slenteren langs de hooge stad, gejaagd drillend door de
+straten van de Kappellewijk of opkruipend naar de steile gangen van het
+massale Gerechtshof. Zijn haar wippelde haast ongekamd over zijne ooren
+en zijne broek slodderde op zijne kuiten. Hij luisterde naar de piepende
+muziek der draaiorgels en tuurde naar de doening van kinderen en honden
+en citroenwijven. Hij had willen een schilderij maken vol met engels en
+heiligen en hij peinsde dikwijls op de rijke borduursels welke hij met
+goud en edelsteenen zinnens was heel ommendom de bonte fluweelen mantels
+te versieren. Maar hij nam zijne ronde palet niet meer op. Hij liep de
+Hooge Stad rond en daalde daarna naar de Priemstraat. Zoo volgde hij de
+zware bierwagens, die er op en neer daverden, en hij deed, voor de
+welriekende herbergen, de ledige tonnen klinken, aandachtig het uiterste
+bier opvangend in een rood-bekleurd tomatendoosje, hetwelk hij op al
+zijne wandelingen binnen zijn diepen vestzak mededroeg.
+
+
+ * * * * *
+
+
+II
+
+JOHAN DOXA
+
+LICHTMIS
+
+
+Het leven van Johan Doxa was zeer ellendig geworden, maar hij beleed het
+met prijzenswaardige langmoedigheid en kinderlijken eenvoud. Julia zijne
+vrouw, welke hij eerst zoo verduldig had liefgekregen, begon hij stilaan
+te eerbiedigen. Het ontzaglijke karakter van Julia was daaraan niet
+vreemd. Zij handhaafde hare autoriteit met een vreeselijk geweld en haar
+mond was telkens vol schrikkelijke woorden. Nooit kwam oproerlust in het
+langzame hart van Johan Doxa zwellen. Hij herkende de oppermacht van
+zijne vrouw en verdroeg zoetekens hare aanvallen. Zoo verdraagt het
+goede riet de ruzie van den stormenden wind....
+
+Maar alopeens--in 't putje van den winter--werd Julia ziek. Zij had, na
+den zomer, een korte valling opgedaan en de vele drankmiddeltjes,
+geleerde pillen en geheimzinnige baaibaden, die zij te gelijk of
+overhand gebruikte, brachten haar geen beternis. Met Februari moest ze
+te bed blijven liggen en het uitzicht van de kamer veranderde meteen.
+
+Het deed Johan Doxa zeer aan, hoewel zijne vrouw door hare ziekte in
+geen deele belet werd lucht te geven aan haar krakeelzuchtig gemoed.
+Integendeel, zij was daarbij heviger en scherper dan vroeger, en Johan,
+haar dikke man, zat dikwijls haar aan te kijken, zonder luisteren,
+idioot van dubben of zeggend in zijn benauwd binnenste:--Zij is krank.
+Zij moet doorgaan. Zij kan 't niet gebeteren.... En misschien heb ik
+ongelijk ook?!..
+
+Als het te hevig werd en de kinderen van Mevrouw Sikkel, op het andere
+verdiep, meehuilden in koor, drumde Johan Doxa de kamer uit en zakte
+stillekens de trappen af, de straten door, langs de Hooge Stad, op den
+dool tonneklinkend.
+
+ * * * * *
+
+Den Zondag van Half-Vasten kwam Anatole aan bij Johan Doxa, even na
+noenstond, Anatole was de tapper van _The Old Curiosity Shop_, de
+nachtbar der Bisschopstraat. Hij vond zijn vriend Doxa aan de sponde
+van de gillende Julia, dewelke, seffens bij Anatole's inkomst met
+aandoenlijke wanhoop te snikken begon.
+
+--"Kijk aan!" kreet ze, "kijk aan den vadsigen leeglooper! Hij vindt dat
+ik niet gauw genoeg dood ben!... Hij wil een handje toesteken!... (tot
+Doxa) Wat zegt ge?... Wat zegt ge?... Overdreven? (tot Anatole) Ge hoort
+het zelf: De woestaard zal staande houden dat ik overdrijf! Nee! dat
+springt de gaten uit! Hoor hem aan, Mijnheer, hoor hem aan, om de liefde
+Gods!... (poos tot Doxa) wien heb ik van morgen om lijzemeel gestuurd en
+wie is met een pakje macaroni teruggekomen?... (tot Anatole) 'k moet
+lijzemeel pap onder mijn ribben leggen, Mijnheer, van den doctor ...
+(tot Doxa) wien heb ik klokslag tien om een rolmops gesmeekt (tot
+Anatole) voor mijn flauwe maag, Mijnheer! (tot Doxa) en wie is na
+twaalven, weergekeerd met een platgezeten bloedpens en 'n gezicht van 'n
+dulle hoornblazer?... Of denkt gij soms dat ik genezen kan bij 't eenige
+spektakel van de walgelijke farokampernoelieën die uw gezicht paleeren?
+(klagend) Mijnheer Anatole, bezie mijne armen, bezie mij, Mijnheer, ik
+ben de schim van mezelve niet meer. Ik teer puur weg. Ik heb me
+afgewerkt voor dien zatbalg daar! En nu, nu steekt hij een handje toe,
+Mijnheer Anatole, om er mij wat rapper in te krijgen ... in den put ...
+in den put."
+
+Ze ging achterover wegzakken, in zachter gekerm, maar hief zich ineens
+recht op hare puntige ellebogen, en kreet het heesch uit in 't
+verbijsterd gelaat van den zwijgenden Doxa:--"Wat? Wat zegt ge weer?
+Dat het niet waar is? Dat ik lieg? Zegt hij dat ik lieg, Mijnheer
+Anatole?..."
+
+Het scheen dat ze al hare krachten inspande om in eene uiterste poging
+de mate van hare verontwaardiging te geven. Ze greep waarlijk met hare
+tien nagels naar de rood-ronde tronie van den stillen beuzelaar.
+
+--"Hier uit", riep ze, "hier uit!... Ne sjanfoetter, dat zijt ge, 'ne
+wijvenbeul en 'ne sjanfoetter!..."
+
+Daar ze nu, wezenlijk uitgeput, in de kussens thoopeviel, slierde Johan
+Doxa zoetekens de deur uit en schikte Anatole de blauwe sargie tot onder
+hare bevende kin. Ze had hare oogen gesloten. Hare lippen trilden nog en
+hare neusvleugels roerden even. Anatole hoorde het harde getik van den
+koperen wekker die, op de schouw, met hardnekkige onverschilligheid de
+zonderlinge kamerstilte verried.
+
+ * * * * *
+
+Op straat vond Anatole den rustigen Johan Doxa, die, zijn neus
+platduwend tegen de vensterruit van den fruitwinkel, met vlijtige
+aandacht de grauwe hobbels van een paar slabeten gadesloeg. Hij stak
+zijne hand onder Johan's arm en zij gingen langzaam in den mistigen
+vesperdag. Zij gingen alzoo een half-uur lang, zonder spreken.
+Gemaskeerde kindergroepjes liepen dansend hen voorbij. Verder, in
+naburige straten, hoorden zij het aanzettend carnavalgejoel en zij zagen
+schoone kleuren bewegen.--Ze trokken "het Zwaantje" binnen en bestelden
+een glas lambik.
+
+--"Sec!" zei Anatole.
+
+En dan alweer zwegen ze. De schuimende pinten stonden in het langblauwe
+daglicht te klaren met stil-gouden gloed. Een lange man kwam rechtover
+hen zitten. Hij was in een bedlaken gewonden en een scheef mombakkes
+grinnikte roerloos op zijn kop. Hij had roode kousen over zijne handen
+getrokken, en die lagen, vol geheimzinnige kracht, op de tafel. Men kon
+geen oogen zien binnen de holten van het grijnzende mombakkes. Johan
+Doxa, eer hij zijn glas vastgreep, vroeg beteuterd:
+
+--"Anatole, hebt ge geld?"
+
+Anatole knikte en zij dronken allebei. Drie vrouwen in manspak gingen
+zonder veel gerucht in den versten hoek der herberg zitten. Een zwart
+hondje kwam, tusschen Doxa's voeten, een handsvol garnaalsteertjes
+oplikken en keek toen op, in korte verwachting. Na een tijdje drong een
+dansende groep bonte jongelingen alover den engen drempel rond den toog.
+De bazin had het seffens heel druk en de baas, die groot en rood was,
+kwam al kouwend in het deurgat van de keuken staan, om ontzag in te
+boezemen. Dat jong gedoe deed zeer vroolijk, intrigeerde iedereen op
+goed val het uit, in hoog stemgegichel. Een blauw clownmeisje ging
+buigen over het peinzend hoofd van Johan Doxa en vroeg:
+
+--"A wel! wat hei-je met uw peterselie gedaan, kalfskop?"
+
+Johan Doxa, geheel weg met zijne vage gedachten, antwoordde goedig,
+onnoozel:
+
+--"Nikske...."
+
+En hij bezag Anatole al blozend. Toen sprak Anatole, stil in 't algemeen
+gedruisch:
+
+--"Julia sliep, als ik de kamer verliet, weet ge...."
+
+Johan Doxa deed tweemaal zijn hoofd op en neder gaan. En heel natuurlijk
+herbegonnen zij te zwijgen, daarbinst rechtstaande, alle twee te gelijk,
+om weg te gaan.
+
+Ze liepen de Camuselstraat geheel door en dronken faro in _'t Wit Paard_
+bij Susse van Maries, op 't hoekje der Anneessensplaats. Van daar zagen
+zij het dikke gewoel op de Henegouwlaan, de schuivende pakken van
+menschen, door mekaar indringend en werkend, in traag beweeg, gelijk
+dwarse zeegolven. Lachende gezichten, opene monden, grijpende handen,
+'t krioelde klaar op in de donkerte van grauwe jassen en wintermouwen.
+En de lichte confetti stoof op bij scheuten, in waaiers van licht of
+wolkjes van lichte kleuren. Een zeldzaam geraas steeg uit die duwing
+van lijven, en Johan Doxa wist soms niet of 't wel vreugde was en geen
+akelig en ver geklaag van gewonde dieren, die vol nuttelooze driften
+zijn.... De schenkmeid kwam midden in de herberg op een stoel staan en
+stak de porseleinen bloemen van den kroonluchter aan. De herberg was
+geel en de dag op de vensterruiten werd scherpblauw, violetblauw. Men
+kreeg een gevoel van droeven avond. De glazen klonken over den toog en
+rond de aanhoudende bierbestellingen. Een oud vrouwtje probeerde eene
+groote mand met eieren, krabben en amandels van groep tot groep tegen de
+tafels uit te steken. Twee zware jongens nagelden over den buik van een
+mandolien en zongen italiaansche liedjes. Ze zongen er drie en kwamend
+dan centen rondhalen in paarlemoeren schelpen.
+
+--"'t zijn Italianers, geloof ik." zei Johan Doxa suf.
+
+Hij zocht lang in al zijne zakken, naar een half stuivertje, dat hij
+zeker bezat, zeker, zoo zeker dat als twee en twee.... Anatole sprak:
+
+--"Luister 'ne keer. Wat is dat nu met uwe vrouw? Is ze ziek of wat is
+'t?"
+
+--"Ze heeft u daar nogal uitgescholden!"
+
+--"Nog al ... nog al...."
+
+--"Zeg eens ... en is dat waar, van die macaronie en die ... die...."
+
+--"Bloedpens."
+
+--"Hein?"
+
+Ze vertrokken. Ze gingen de wijk van Onze-Lieve-Vrouw-te-Rooje af en
+dronken in de kroegen, de taveernen en de kavitjes. De verschillige
+geluiden der lage stad sprongen gelijk ledige vaten rond hen. Johan Doxa
+en Anatole waren afgezonderd van 't algemeen plezier en hunnen armen
+hingen zwaar aan hunnen schouders. Ze bleven een poosje 't geweldig
+bedrijf nagapen van een schoonen arlekijnen societeit, die, met volle
+fanfaren, de straten opdreunde. Kinderen droegen rieten waaraan papieren
+lantaretjes te wiegelen hingen. De veelkleurige lichtjes stippelden
+aardig in den vroegen avond. Ergens ontmoetten ze, plots eenzaam, een
+blinden grijsaard, die zijn hond verloren had en woest-mompelend langs
+de gevels voortsukkelde. Ze waren hem al lang voorbij, als Johan Doxa
+ineens staan bleef en, met een dwazen glimlach:
+
+--"Nu vind ik het half stuivertje", zei hij.
+
+Hij was er geheel blij om en hief het in de klaarte van een gaslantaren
+op. Hij voegde erbij:
+
+--"Ik wist wel dat ik het had. 'k Had het dezen morgen in de kerk langs
+mijn broekpijp die gescheurd is laten vallen, 'k Had het opgeraapt, ge
+ziet het nu zelf Anatole!..."
+
+Een kleine nietdeug, met een mombakkes gelijk een doodshoofd, riep
+achter hem:
+
+--"Loërik!"
+
+ * * * * *
+
+Anatole sprak:
+
+--"'k En wil 't niet zeggen om u te treiteren Johan, maar ge zoudt toch
+wat meer koeragie moeten hebben bij uwe vrouw. Ge hebt daaral niet veel
+te protocollen, naar ik zie, en dat is een ongeluk voor u en voor haar.
+Alles goed bekeken. Ge zijt een vijg, jongen, ge zijt een slappe vijg
+... 'k zeg het in alle eere, om u niet te krenken ... kortom, een vijg."
+
+Johan Doxa sprak:
+
+--"Vermits gij het zegt ... vermits gij het zegt ... denkt ge waarlijk?"
+
+Hij herzette zich op de smalle herbergbank en verschoof zijn ledige
+pint. Hij plante zijne voorarmen op de tafel, in de geluidlooze
+kussetjes van zijne ellebogen.
+
+--"Anatole," zei hij, "daar is kans voor, 'k en zeg niet neen. Maar 'k
+zal u iet zeggen. Ge zijt een goede vriend van me. Mijnheer Lazare is
+ook een goede vriend. Kent ge Mijnheer Lazare? Hij is een uitsluitelijke
+en strenge hoogpriester van Jesus-Christus. Hij geeselt mij met de
+woorden van God. Gij bekoort mij met de lieftaligheid van dees driftig
+leven. Gij straft mij met mijne kleine gebreken. Nu wil ik u iet zeggen.
+Wat zijn wij? Wij, met ons beide die hier aan het zuipen zitten, en die
+andere rond ons, dewelke vroolijk zijn. Wat zijn wij al te gare? Bekijk
+de sterren en hunne onverbiddelijke harmonie. Hoe grootsch! Bekijk de
+ordonnantie van onze aarde, de loop der seizoenen, het evenwicht van
+lucht en grond en wateren, de voortdurigheid van al die wondere
+rythmen.... Hoe grootsch! Is het niet waar? Denk daar een oogenblik aan
+terwijl ge hier zit met mij. En bekijk dan het bedrijf van alle levende
+dieren: de leeuw die zijne prooi zoekt, het lam dat graast, de arend die
+jaagt op buit, de duif die cirkelt boven de vredige huizen, de visschen
+die ondereen zoo aardig doen (ik spreek van den snoek, die alles doodt,
+en van het roodvischje, dat prachtig in den helderen bokaal
+rondzwemmelt), de vlinders en de lieve goudvliegkens, de spinnekop die
+biddend loert binnen de raderen van haar verraderlijk net en daarbij,
+Anatole, het onzichtbaar gepeupel: de beestjes die ziekten brengen en
+de beestjes die ziekten afweeren ... bekijk dat ook alles eens met
+aandacht.... En dan zegt gij: er zijn er zus en er zijn er zoo, en dus
+is leven een groote strijd van krachten. De maan, die draait rond de
+aarde, medegesleurd door haar, heeft tegelijk op haar een vertragende
+werking, dat is strijd. De wateren die in hitte tot dampwolken opvliegen
+en door kilte weer tot wateren vallen, dat is strijd, Anatole. De dieren
+die vechten. De menschen die vechten. De menschen die vechten in passies
+van allerhande aard. De menschen die sterk zijn, en de menschen die zwak
+zijn. De menschen die verstandig zijn en de menschen die dom zijn. De
+menschen die deugdelijk zijn en de menschen die geen zedenwetten
+kennen.... Och! Och! is dat geen strijd, Anatole? En strijd is het leven
+zelf. En strijd is de mirakelachtige harmonie. En strijd is waarachtig
+de wet van God, Anatole. Ik ben een soort vrak, en gij zijt een soort
+lusteling, en Lazare is een soort hyper-asceet. Wij zijn alle drie
+noodzakelijke elementen en onze werking reikt mede tot de
+standvastigheid van God's harmonie. En het moet zoo altijd zijn en
+hergebeuren, want wij zijn alzoo de eeuwigheid van God's wet."
+
+Anatole had gedronken en sprak nuchter:
+
+--"En de socialisten?"
+
+Maar Johan Doxa wedervoer met geduld:
+
+--"Wij moeten ons schikken in ons lot en de plichten vervullen van onzen
+aard. Wij mogen niet, hm! hm!... wij mogen niet lui zijn in onzen aard.
+Wij moeten vol ijver zijn, want onze aard is een gebod dat wij vlijtig
+moeten leven. Gij blaast gedurig tabak in mijn gezicht, Anatole. Neen,
+steek uwe pijp daarom niet onder de tafel. Maar ik ben, geloof ik,
+duister en vervelend, en gij volgt niet rap mijne gedachten. Ik wil u
+iet zeggen. Ik--gij beziet mij en ge kent mij, Anatole--ik ben een
+sukkel in uwe oogen en een lasteraar in de oogen van Lazare. Ik ben
+inderdaad waarlijk een sukkel en een lasteraar. Zoude ik moeten een
+groot artiest zijn, of zoude ik moeten een heilige zijn, of zoude ik
+moeten een tapper zijn? Ik loop het loopje van een natuurlijk en
+noodwendig leven. Ik ben wat ik ben, zooals, naar ik meen, een halm geen
+eik is en een mier geen prijsmerrie. De blijdschappen die mij te beurt
+vallen zijn de bloemen van mijn aard. Maar, Anatole, vermits ik sterven
+zal zonder glorie en zonder zaligheid, ook de spijt over een zoo droeve
+dood is een bloem, een zeldzame bloem van mijn aard, Anatole.... En ik
+blijf dien spijt getrouw."
+
+ * * * * *
+
+Ze hadden rond tien ure een groot getal herbergen bezocht. Ze stonden op
+de Oude Graanmarkt. De Vlaamsche Steenweg was een krioeling van vierende
+menschen. Geel en wit-blauw licht spetterde uit de vensters op het bonte
+gewoel. Johan keek op naar den schoonen kerktoren die in een hoek van
+het Kathelijneplein massaal en duister rees boven het licht der huizen.
+Hij zag ginder hooge, den grauwen winterhemel, en hij voelde wonderlijk
+de oneindige wijdte. Zijn hart ging open, vol van liefde.
+
+--"Nu begin ik plezant te worden," zei Anatole. En om zijne woorden
+kracht bij te zetten, ging hij al fluitend aan het dansen. Johan Doxa
+had groote goesting om te weenen. Hij kuchte eens en glimlachte
+zachtjes:
+
+--"Wel, ge danst gij niet slecht, Anatole!"
+
+Anatole nam Doxa bij de ellebogen en schokte hem op maat van het
+deuntje. Dan, haast buiten adem, riep hij:
+
+--"Kerel, we gaan ons maskeeren!" En ze trokken naar de _Old Curiosity
+Shop_ van de Bisschopstraat, klauterden den diensttrap op en onder het
+zolderdak, begonnen eene lollige vermomming. Anatole bracht de
+zonderlingste kleedingstukken uit laden en kassen voor. Al bargoed,
+vergeten, verloren, gestolen of in pand gelaten.
+
+Johan Doxa stond voor een gebarsten spiegel tusschen twee
+wippelvlammende eindjes kaars.
+
+Hij moest zijn broek uittrekken en hij deed het gewillig, zonder denken.
+Anatole zocht voor hem eene schoone maskeradebroek. Het was de
+verslenste broek van de eene of de andere barmeid, fijn-linnen broek,
+geheel behangen met kanten en strikken, wit was de kant en vieux-rose de
+linten. Johan Doxa deed zeer angstig in die broek. Zij viel in dicht
+geplooi en rijke lobben tot over zijne knieën en liet dikke braaien vrij
+die opbulten boven de lompe schoenen. Anatole bezorgde witte koussen en
+eischte dat, om het algemeen effekt niet te breken, Johan Doxa lage
+espadrillen aantrekken zou. Deze weelderige kleedij voltooide hij met
+een kelner-pitalairken, dat ongelukkiglijk te nauw was en, gelijk een
+licht vleugelpaar, aan Johan's schouders hing te bengelen.
+
+--"'t Is wel alzoo," zei hij achteruit-wijkend, "nu uw kop!"
+
+Hij spande een kleine venstergordijn rond het hoofd van den braven Doxa
+en bekroonde zijn werk met een ietwat inzakkende gibus. Hij zei,
+weltevreden:
+
+--"Niemand zal u herkennen, jongen. Ge zijt een heel ander mensch,
+waarlijk! maar deze gele handschoenen moet ge aantrekken, en hier is een
+pompadoer-waaiertje dat ge aan een knoopje van uw habijt moet hangen....
+Zoo-oo ... all right! kijk u eens in den spiegel aan!"
+
+En Johan Doxa keek zijn eigen in den spiegel aan en hij wist niet aan
+welk oordeel hij zich zou houden....
+
+Anatole was gauw klaar. Hij gespte een paar bleeke rokken rond zijn
+leen, paste, gelijk 't behoort, een groen jakje over zijne opgevulde
+borst, zette een prachtigen hoed met pluimen zoo goed als het kon vast
+op zijn kop en hing errond eene dichte voilette. Hij droeg, ter
+volmaking van die vrouwelijke staatsie, een rood satijnen zonnescherm en
+schoeide, gelijk Johan, zijne groote handen. Zoo kwamen zij op straat.
+
+Geweldig was 't lawaai en de drang op de Anspachlaan. De electrische
+lampen klaterden over al die hoofden. De confetti sproeide uit, kleurig
+en blikkerend.
+
+--"We moeten ons goed houden," zei Anatole, "en malkander niet kwijt
+geraken. We gaan naar 't bal."
+
+Hij kocht in den Grand Bazar een heel klein trommeltje, dat hij op
+Johan's buik met een rood touwtje hing en een rotelaar dien hij zelf den
+weg door hanteerde. Johan Doxa leunde op den arm van Anatole. Hij kreeg
+het tamelijk warm onder de nauwe venstergordijn en zijne armen spanden
+in de te korte mouwen van zijn frak. Zijne voeten en zijne beenen waren
+vrij koud geworden. Eens dacht hij aan Julia. Hij dacht:
+
+--"Ze is koleirig.... En ik zal geen blijde intrede hebben...."
+
+Maar hij ging mede met Anatole, zonder wil gelijk zonder aarzeling. Hij
+was bereid om veel pleizier te hebben, zooals een leeg vat bereid is om
+'t zij eender wat te ontvangen. Hij had geen begeerten, hoewel hij in
+vage verwachting verkeerde. Hij was noch gretig, noch gejaagd, hij was
+moe, moe.... En toch verwachte hij geen rust.
+
+ * * * * *
+
+De danszaal van de Hoogstraat was schitterend van licht. Het licht
+schetterde uit de vier kristallen kroonluchters en smeet uiteen in
+de groote spiegels der wanden of over het goud van de ramen, de
+deurlijsten, de pilaren, de zoldering. Het goud blonk voornaam.
+De breede spiegels schitterden brutaal en overdadig.
+
+Het volk was los, woest, ontzagelijk. Men schreeuwde. Men danste. Men
+sprong wild. En Anatole zei:
+
+--"Let nu goed op. Hier is de volle plezantigheid. Hein, wat zegt ge?
+Verdekke, jongen, hier gaan we ons hart eens ophalen, nie-waar?"
+
+Hij kittelde Doxa eventjes onder de hoksels en hernam:
+
+--"We moeten, elk van onzen kant, een toertje doen rond de zaal, gij
+een toertje rechts, en ik een toertje links zoodat we op deze plaats
+terugkeeren en malkander weer ontmoeten. We geven malkander rendez-vous
+op deze plaats. Luister wel. Gij van uwen kant zult onderweg een liefje
+krijgen, en ik, van mijnen kant, ook. Alzoo zijn wij rap, elk van onzen
+kant, geriefd. Allo! zie dat ge de schoonste uitkiest!..."
+
+Anatole ging seffens een blijden gang. Toen voelde Johan Doxa zijne
+groote eenzaamheid. Toen, verlaten in deze vreugde als in eene woestijn,
+voelde hij zich alleen zijn, moederziel alleen. Hij was nutteloos. Hij
+bestond zonder reden. Hij veroorzaakte niets en was van niets een
+oorzaak. Hij mompelde, zijn eigen aanstarend in gepeinzen, kindsch:
+
+--"Is de dood iets?..."
+
+Hij zoude zich gewaand hebben iets te zijn.
+
+Johan Doxa deed een toertje rond de zaal. De dansers riepen hem aan,
+daar hij zoetekens omwandelde in zijn zonderling pak en zijn trommelken
+onnoozel vasthield in beide handen. Maar hij trof geen liefje dat hij
+scheeren kon.
+
+--"'t Is gemakkelijk te zeggen," dacht hij, "ze zijn hier wel een hoop,
+maar 't is precies uit den hoop dat ik ze moet uithalen."
+
+Anatole nochtans had er een uitgehaald. Hij sprak in verbazing:
+
+--"Niks? Hoe is dat Gods mogelijk Johan! Ge ziet er flink uit en ge hebt
+handschoenen aan. Als ge zoo voortgaat zult ge fataal eindigen met u te
+vervelen."
+
+Hij besloot zich zelf op te offeren om een zoo jammerlijke uitkomst te
+vermijden en stond zijne aanwinst gewillig aan Johan Doxa af. Hij
+verdween in het licht, en de deerne zei:
+
+--"A wel, Mijnheer, waarmee is 't, dat ge trakteert? Of wilt ge ne keer
+dansen?"
+
+Neen, Johan Doxa zou liefst niet dansen. Trakteeren, ja, dat zou hij.
+Hij liet zich naar de drinkzaal meetronen en zette zich in een hoekje,
+waar hij rustig een flesch geuze bestelde. Hij bleef een langen tijd
+zonder denken. Het meisje zei:
+
+--"Dat moet warm zijn, Menheer, die store op uw gezicht."
+
+--"Ja," knikte hij dwaas.
+
+--"Leg hem dan maar af. Ge moet u voor mij niet geneeren. Ik heb al van
+alles gezien."
+
+Hij vouwde langzaam de gordijn op onder zijn hoed en wees zijn goedig
+gelaat. Hij glimlachte, naar gewoonte. Het meisje praatte gezellig en,
+ofschoon hij niet veel antwoordde, hield zij moedig het gesprek aan. Hij
+hoorde haar praten. Hij hoorde ook het roezemoezende balgerucht. Hij
+hoorde de muziek, die hem bestoven voorkwam. Hij hoorde klaarder het
+gerinkel van een tamboerijn met belletjes....
+
+Nadat hij de derde flesch geuze besteld had, viel hem plots in dat hij
+geen geld had. Dadelijk bekoelde echter het zweet, dat hem op het
+voorhoofd uitgebroken was als hij bedacht dat Anatole gauw aan zou
+komen. Waar bleef toch Anatole? Om tijd te winnen bestelde en dronk
+Johan Doxa nog vier flesschen. Het meisje kreeg zonderlinge manieren en
+eischte van haren nieuwen vriend eene uitdrukkelijke liefdebekentenis.
+Onderwijl wilde Anatole maar niet opdoomen.
+
+--"Zie," zei het meisje, "ik heb meer domme hoofden gezien, dat is
+zeker. Als ge schoon, braaf en inschikkelijk zijt--begrijpt ge, lieve
+loebas?--zal ik u om een haarklesje vragen en het tot op mijn doodsbed
+bewaren!"
+
+Hij keek haar goedjongstig aan, eenigzins angstig wordend. Het docht hem
+dat hij haar voor de eerste maal aankeek. Nu pas bemerkte hij hoe ze
+was: een blond wijf, niet schoon en ruw van gebaren in licht-groene
+domino, vormloos. Hij sprak:
+
+--"Ik moet Anatole opzoeken in de danszaal."
+
+Hij bezag haar zoo nuchter, zijn tronie glom zoo schuldeloos, dat het
+meisje, eerst fiks op hare hoede, seffens betrouwend werd en toestemde.
+Hij ging log, gewild-traag. Hij drong tusschen de dansers heen en voelde
+zich veilig worden. Zijn hoofd was zwaar. Hij geraakte weldra buiten
+staat om Anatole na te jagen, en allerminst om hem te vinden.
+
+Daar werd in zijn geest de licht-groene domino het uitsluitelijk beeld
+van een groot gevaar en hij moest vluchten. Hij had geen wil, die hem
+weerhouden kon, geen rede, zelf geen luiheid om zijn vlucht te
+vertragen. Hij liep struikelend door de straten.
+
+ * * * * *
+
+Hij was de bolwerken omgeloopen en kwam nu, te laag, bij de Molebeeksche
+vaart aan. Het begon te sneeuwen. De blauwe dag lichtte zachtjes over de
+daken. Het water lag somber en onrustig, eenzaam de grijze kaai.
+
+Johan Doxa stond hijgend tegen het ijzeren schut en zijne blikken
+loerden rond. Hoe bang roerde het water! Hoe vaal rees de bevende
+morgen! Hoe duister en heimelijk wachtte ginds die hooge boot!...
+
+Hee! Hee! daar vaart een klare schim langs Johan voorbij. Het is een
+lange magere schim. Een schim met roode handen. Wel! het is een man die
+zich uit pret in een bedlaken heeft gewonden en met roode kousen zijne
+handen heeft geschoeid. Ievers heeft Johan Doxa dien witten man onder
+een scheef-onbeweeglijk aangezicht ontmoet. Wacht eens even!... Wacht
+eens even! Waar was 't alweer?...
+
+De witte man schuift rap over de kaai. En op de brug staat eene vrouw
+met een kindje. Johan Doxa zou zweeren dat de vrouw weent en dat ze het
+kindje kust wanhopig. Hee! Hee! de witte man komt op de vrouw af. Heeft
+ze niet gegild? Ze wil vluchten, ze wil vluchten! Ze kan niet. Ze wordt
+vastgegrepen. Ze wordt omhoog getild. Ze ... ze ... God in den hemel! Ze
+wordt over de brug geheven.... Ze valt!...
+
+Heeft ze niet gegild? Heeft ze niet gegild, vraag ik?...
+
+En tegen het ijzeren schut stond Johan Doxa. Hooger beeflichtte de dag.
+De kaai was geheel met sneeuw bedekt. De gevels der huizen staken vuil
+uit boven de schoone witte sneeuw. Het pitalairken van Johan Doxa was
+besneeuwd.
+
+ * * * * *
+
+--"Dat is toch zonderling." dacht Johan Doxa terwijl hij voort
+opwaggelde naar huis, "dat is toch een zonderling dingen! De vrouw is in
+het water verdronken en het water heeft geen gerucht gemaakt. En de
+witte man ... wacht eens even ... die heb ik gezien en herkend.... Wel!
+wel! wat er toch al gebeurt!... En ik heb niets gedaan om dat te
+beletten. Niemand heeft iets gedaan. Waren daar nog andere menschen?
+Rechtuit gesproken, ik geloof het niet. Ik had moeten toespringen. Wel!
+wel! een mensch zou er kiekevleesch van krijgen, als men bedenkt wat er
+al omgaat!... In 't volle van de stad jongen, in 't volle van de
+stad!..."
+
+Hij kwam op de Papenvest en verwonderde zich dat de huisdeur, die anders
+nooit zoo vroeg was ontgrendeld, op een reetje open stond. Hij strompelde
+onvoorzichtig de trap omhoog. Het huis was stil. Hij keek op....
+
+De verbazing van Johan Doxa, toen hij Lieven Lazare in het aangezicht
+blikte, was slechts te vergelijken bij de verbazing van Lieven Lazare
+zelf, die den ellendigen sukkel zag aanklimmen in zijn matte lompen en
+slappe strikken.
+
+Tegen Johan's verwachting in verhief Lieven Lazare zijne donderstemme
+niet.
+
+Hij zei stil:
+
+--"God straft u, Doxa. Zijne hand heeft uw huis beschaduwd. En Hij
+verplicht u neer te kijken op uwe monsterachtige schande. Ik zwijg en
+laat u over aan Hem--kom binnen."
+
+Zachter nog, terwijl hij Johan Doxa in de kamer duwde, sprak hij:
+
+--"Ik heb in gebed den avond en den nacht aan de sponde van uwe vrouw
+doorgebracht."
+
+Het docht Johan Doxa plots dat hij geene beenen, geen armen, geen
+lichaam meer had. Hij had geen gevoel van lucht, van koude of warmte.
+Een harde band spande hem om de slapen. Hij zag de vier hooge kaarsen
+die brandden aan de vier hoeken van het bed.
+
+Toen ook, daar staande in openbare dronkenschap, zag hij het witte
+kussen, het witte roerlooze gelaat van Julia, de witte handen gevouwd in
+vroome houding op de blauwe sargie, en het ivoren kruis dat uitarmde,
+ernstig tot onder de puntige kin.
+
+Lieven Lazare, het hoofd buigend, zei:
+
+--"God beproeft ons uitermate. En Hij treft ons in onze zonden.... Laat
+ons knielen, Johan!"
+
+En dat deed Johan Doxa gehoorzaam, maar hij dacht al door:
+
+--"Dat is toch een zonderling dingen, niet waar? Het water dat zoo
+angstig was ... en de roode kousen over de groote handen ... en het
+kindje heb ik wel gezien! De vrouw weende over het kindje.... Wel! wel
+toch! Wat een rare boel!..."
+
+Zijne oogen bleven strak op Julia's gelaat gevestigd. Zijn geest puntte
+op Julia's gelaat.
+
+--"Goede God!" fluisterde hij.
+
+Hij begon halfluide te bidden, en sloot smartelijk zijne oogen.
+
+De tranen, die over zijne bolle wangen rolden, vielen op het dunne leder
+van het trommelken, hetwelk aan Johan's buik hing, en waarlijk scheen
+gemaakt te zijn om dergelijke kleine klopjes te ontvangen.
+
+
+ * * * * *
+
+
+III
+
+JOHAN DOXA
+
+DE BOETVAARDIGE
+
+
+Julia werd door moeder Doxa met vroome zorgzaamheid gewasschen en gekist
+en Johan begroef haar op den derden dag, zooals het behoort. Nu bracht
+hij eenzame en talrijke uren om, in 't besef van zijne schuld en het
+docht hem daarbij dat een zeer luid sprekende wroeging hem kwelde.
+Dat duurde haast meer dan eene week. Dan verliet hij de kamers die het
+tooneel waren geweest van zijne diverse huwelijkservaringen en ging
+weer bij zijne moeder woonen, in het speelgoedwinkeltje van de
+Zes-penningenstraat.
+
+Eene kleine maand later ontving hij van Lieven Lazare, den godvruchtigen
+panfletschrijver, den volgenden brief:
+
+--"De Hemel, Johan, duldt niet langer dat ik mijn hart voor u gesloten
+houd. Aldus wordt door eene goddelijke inblazing het besluit gebroken
+dat ik in een oogenblik van rechtmatigen toorn ten uwen opzichte genomen
+had. Misschien is het waar dat ikzelf vreemd ben aan het opmaken van
+dezen brief. Misschien veracht ik u morgen even diep als ik u gisteren
+heb veracht. De adem althans, die door mijne woorden gaat, schijnt niet
+de mijne te wezen, en ik gehoorzaam aan eene geweldige bezieling zooals
+die ander? Lazarus gehoorzaamde toen Iemand, wiens donderende naam geen
+weergalm meer vindt in uw geheugen, hem gebood recht te staan uit den
+dood.... Beste Johan, het blijkt dat de schrikkelijke gebeurtenissen die
+God zelf voor uwe redding had beraamd, u niet tot inkeer hebben gebracht.
+Het is als of niet Hij, maar de Duivel u zou tot weduwnaar gemaakt
+hebben. Gij wandelt door de stad en niets in uwe houding verraadt dat
+de heilige Michaël u onlangs met het bliksemende vlammenzwaard heeft
+getroffen. Men ziet u rustig en kinderlijk kuieren langs de straatjes
+van Onze-Lieve-Vrouw-te-Rooje. Gij blijft met welbehagen lanterfanten in
+de nabijheid van spekslagerijen, en duwt uw neus tegen de ramen plat om
+met gulzige oogen het afschuwelijke schouwspel van hespen en worsten op
+te vangen. Gij loert de honden na, die snuffelend malkander nadrillen,
+en hun cyniek bedrijf wekt uwe belangstelling uitermate. Vermoedelijk
+hebt gij in den winkel van uwe beklagenswaardige moeder ook marbels
+gestolen, want op het Vossenplein heeft men u zien spelen met
+schoolkinderen. En elken dag, rond half-zeven, staat gij voor de _Old
+Curiosity Shop_ de keukenreuken op te snuiven, en ontvangt dan door de
+traliën van 't keldervenster een dampend pakje uit de hand van Anatole.
+
+"Ik ween van schaamte wanneer ik hoor verhalen hoe ge, ontdaan van alle
+menschelijke waardigheid, in de Kapellewijk de tonnen doet klinken....
+Johan, Johan, aanzie uwe zonden, eer God de ultieme en onherroepelijke
+straf uitvaardigt. Ik sta verbaasd bij 't aanschouwen van Zijne
+matelooze lankmoedigheid--maar wee u! als straks over u Zijne
+alverteerende gramschap losbreekt!... Ik ben gezonden door Hem, Johan,
+ik kom tot u met de boodschap der Goddelijke verzoening. Nader ootmoedig
+den drempel der eeuwige Kerk, Johan. Nog niet als Job draagt ge
+potscherven in wonden van berouw, maar belaad nu uw hoofd met uw
+mesthoop en snoer uw reistasch rond uw hart. Nader, Johan, met den stank
+van uwe naaktheid en de vloeken van uwe wanhoop het gouden tabernakel
+waar Krist, die gekruizigd werd, thans Zijn eeuwig leven viert. Hem
+rijkdom, roem en liefde opofferen verblijdt Zijn hart niet zoo
+zeer,--dat hart omkransd met doornen ...--maar offer Hem de zoete
+genuchten van uwe zwakheid en de brandende lusten van uw geil vleesch:
+dat is nog uw eenig bezit, en zoo, waarlijk, wordt ge de armste aller
+menschen. God, Johan, heeft de armen lief...."
+
+Tot daar kon Johan den brief zonder bezwaar doorlezen. Nu echter begon
+hij te pinkoogen en, alsof het daglicht op de letteren verflauwde, ging
+hij naar het venster en boog zijn hoofd voorover, tot tegen de koude
+ruit. Gouden sterretjes regenden allerzijds. Maar algauw las Johan Doxa
+verder:
+
+--"De Heilige Geest vleugelt in mijne woorden, en ik zeg het u,
+ellendige vriend: Jesus is een eindelooze zee van genade, een zee die
+alle wrakken dragen kan. Neem tijdelijk afscheid van uwe moeder--wat
+toch heeft eene moeder van een zoon die zelf voor God verloren is?--en
+vertrek van huis. Gij zult in het Franciscaner Klooster van de
+Miniemenstraat eene heilzame retraite doen. Ga.
+
+"Klop nederig aan de groote poort. Het is een heilig huis en pater
+Hilarius, dien ik gewaarschuwd heb, zal u met medelijden ontvangen. Toef
+niet. Het ontzaglijke geluid van Hem, die mijne ziel opnieuw in
+lichtelaaie zet voor u, davert op mijne tong en ik roep het u toe,
+armzalige Johan: toef niet, toef niet; uwe dagen zijn geteld!"
+
+De brief hield op te beven in de hand van Johan Doxa. De brief gleed
+ritselend langs de witte venstergordijntjes neerwaarts en kwam zacht,
+gelijk een dubbele vlerk, op het plankier terecht. Hij ging liggen naast
+een sikkelvormige oranjeappelschil. En Johan keek op, door 't raam, naar
+den hemel die lichtblauw over vuile daken was uitgespannen. Hij stak
+zijne handen in zijne broekzakken. Met den wijsvinger van zijne
+rechterhand raakte hij er 't benageld paviljoentje van een kletsdop.
+Maar hij vond geen neusdoek om zich te snuiten.
+
+Johan Doxa zat 's avonds met zijne moeder in het kleine achterkeukentje
+dat bij den winkel aanpaalt. Moeder Doxa had den winkel gesloten en
+bereidde zich om de keukenlamp aan te steken. Johan zei:
+
+--"Maak geen licht, ik bid u. Ik heb u iets te zeggen, lieve moeder."
+
+Ze zaten aan weerskanten van de oude Leuvensche stoof, en de stoof zong,
+en het was heerlijk donker. De buik van de stoof glom gelijk een
+reusachtige, zacht-blozende pronkappel. Een purperen glanzing gleed over
+het vriendelijke aangezicht van moeder Doxa, over hare gevouwen handjes,
+over haar hoogen boezem, over haar bolle knieën,--en eenderlijk kwam
+uitgloeien langs de ronde wangen van Johan, langs de mooi-versierde pijp
+waaruit hij rookte, en tot op de randen van zijne lompe schoenen, die
+daar nevenseen op den vloer stonden en waarnaar hij keek alsof ze
+anderman's voeten omsloten.
+
+--"He-wel?" vroeg eindelijk moeder Doxa, en het trof hem hoe minzaam ze
+was. Hij antwoordde niet seffens. Hij had de gewoonte om lang te dubben
+eer hij een besluit nam en dan toch besluiteloos te blijven. Maar moeder
+Doxa drong niet dadelijk aan, want ze kende haren jongen. Hij dampte
+maar.
+
+--"Zie, moeder," zei Johan, "ik zou mij moeten beteren. Ach, ik weet
+wel, gij denkt niet dat ik slecht ben. Gij weet niet, gij weet alleen
+van een kindje dat ge in uw schoot gedragen hebt en dat zoetekens aan
+uwe borst heeft gehangen. Maar al groeiende is hij ver van u geraakt,
+en hij is nu een groote zondaar, en hij moet God vreezen."
+
+--"Gij zijt niet slecht, gij zijt misschien lui," meende moeder Doxa
+goedig.
+
+--"Ja, ik ben lui," zei Johan, "en nog iets anders ben ik, maar ik ben
+waarlijk lui."
+
+Hij bloosde erg. Telkens als hij ergens zijn eigen ontdekte bloosde hij
+zoo.
+
+--"Na den dood van uwe vrouw," hernam moeder Doxa en zij maakte het
+teeken des kruis, "heb ik gedacht: nu gaat mijn jongen weer aan 't werk,
+want hij is krachtig en jong, nu gaat hij schoone schilderijen maken, en
+we zullen alle twee gelukkig zijn. Ik dank den hemel dat het eindelijk
+toch zoo gebeuren zal."
+
+Johan keek niet op naar heur en zei:
+
+--"Ge zijt edel, beste moeder. Wanneer ge zoo spreekt voel ik eerst hoe
+diep ik gezonken ben, maar...."
+
+Hij aarzelde. Hij zocht naar woorden, gelijk een dronkaard naar het
+sleutelgat zoekt. Hij vond in zijn geheugen een half-uitgevaagden zin
+van Lazare's brief en pruttelde:
+
+--"... maar, moeder, Jesus is een zee van genade, waarin ... waarin ik
+zou kunnen verzuipen ... als ik niet oppas."
+
+--"Ja, Jesus is zoo goed als men maar denken kan."
+
+--"Zoo zegt ge. En nu moet ik in de Miniemenstraat, bij de Capucienen
+eene retraite doen. Dat duurt nog al lang. Ik weet niet hoelang dat het
+eigenlijk duurt."
+
+--"Lang?... En wat is dat dan, eene retraite?"
+
+--"Eene retraite?... Weet gij niet wat eene retraite is, moeder?"
+
+Hij vond het heerlijk dat moeder Doxa zoo luchtig de boodschap aanvaardde
+en omdat zij, de goede ziel, zelfs niet wist wat eene retraite was,
+lachte hij stille hare lieve onwetendheid tegen. Maar hij wist ook niet
+wat eene retraite was.
+
+--"Kom, kom, moedertje," deed hij, "bekommer u niet om mij. De paters
+zullen mij niet opeten. Ik moet een beetje boeten, een beetje te
+communie gaan en mis hooren, en dergelijke meer. Ik kom zoo frisch als
+een botvink terug."
+
+Hij betastte zijn wegend buikje en zag de kleine vleeschkuiltjes van
+zijne handen rozig aanglimmen onder de heete kaak van den kachelpot.
+Inderdaad geloofde hij zelf niet wat hij daar vertelde. In zijne meening
+moest de retraite iets schrikkelijks zijn, vermits Lieven Lazare ze hem
+als eene straf opgelegd had. Hij had er den heelen middag met angst over
+nagedacht: het klooster zou hem eene donkere gevangenis zijn en de
+Franciscanen akelige cipiers. Hij moest er voorzeker op roggebrood en
+lauw water leven. Er was daar geen lucht. 's Nachts hoorde men er
+vreeslijke geraamten rammelen, en 's morgens moest men naakt in zijn
+celletje staan en er zichzelf met knoestige riemen afranselen. Hij
+betastte zijn buikje als om het voor eeuwig vaarwel te zeggen, met een
+zucht....
+
+--"En wanneer vertrekt ge?" vroeg moeder Doxa.
+
+--"Morgen vroeg."
+
+--"Ha!... morgen vroeg."
+
+Beide verzonken in gepeinzen. De moor zong nu ook, die op de stoofbuis
+stond.
+
+ * * * * *
+
+Na een nacht vol ijselijke droomen, rees Johan Doxa uit zijn bed. Het
+was een grijze dag. Achter het kleine vensterken nevelde een
+miezelregen. Terwijl Johan zich aankleedde en precies op het oogenblik
+dat hij zijn hoofd voor de eerste maal in de waschkom gestoken had,
+begon waarlijk zijn druppende neus in de lucht om te snuffelen. Er ging
+ongetwijfeld door de kamer een smakelijke geur van spek en eierkoek.
+
+--"Dat is raar," dacht Johan Doxa. Hij was gauw gereed en kwam de trap
+af. De keuken dampte van weelde.
+
+--"Moeder," zei hij, "gij zijt al te goed."
+
+Maar moeder was bezig aan een groot pannengedruisch en knikte hem
+lachend tegen. Daar stond feestelijk op tafel het prinselijk gerecht.
+
+--"Moeder, ik zal het nooit vergeten...."
+
+--"Gij dwaze jongen," zei de moeder, "zwijg maar liever en eet."
+
+Hij at tot zijn ronde kin ging glanzen en toen hij gegeten had en,
+rechtstaande, hem het aardige gevoel der spannende broekgesp omdeed, nam
+hij zwijgend zijn hoed aan den kapstok. Moeder Doxa stond te midden van
+den vloer en glimlachte.
+
+--"Allee, beste Jan," sprak ze, "ga nu--ik heb Onze-Lieven-Heer voor u
+gebeden."
+
+Hij kuste haar en ze stopte hem rap een vijffrankstuk in de hand. Hare
+vingeren beefden.
+
+--"Neen, neen," stotterde Johan terwijl zijn hart in tweeën brak.
+
+--"Ssjt! mijn jongen ... ik kan ze nu beter missen ... dan gij."
+
+Ze vergezelde hem tot op den drempel van het winkeltje. De dag aaide
+langs het speelgoed om haar. Johan kuste haar nogmaals en zei:
+
+--"Goedendag, lieve moeder, tot weerziens."
+
+Ze knikte aldoor met heel kleine oogjes, en, plots, wendde zich af, naar
+binnen.
+
+ * * * * *
+
+En door het mottige weer begon Johan zijn boetvaardige reis. Hij stapte
+op langs kleine steegjes en zou gauw de Miniemenstraat bereiken. Reeds
+was hij het Vossenplein voorbij en zag, boven een lagere brokkeling van
+daken, het fijn uitgesneden klokketorentje der Kloosterkapel. Hij bleef
+staan, als om zich te bedenken. Hij bedacht zich en bleef gedachtenloos.
+Kleine verschrikkingen schoten als electrische schokjes door zijn
+lichaam, en toen kwam een licht bedaren in zijn hoofd dat zei:
+
+--"Ge hebt nog een beetje tijd, Johan, waarom moet dat alles zoo vlug
+gaan?"
+
+Ook voelde hij nu het vijffrankstuk op de palm van zijne hand plakken en
+hij trof dadelijk eene prachtige uitkomst.
+
+--"Ik heb daarbinnen," beweerde hij, "geen geld noodig--geld is duivels
+goed, en moederken kan ik gelukkig maken met 't een en ander, dat ik
+haar opsturen wil."
+
+Het klokketorentje verdween uit zijne oogen en hij stapte links om, naar
+de Steenpoort en de Groote Markt.
+
+Op den Steenpoortweg stonden er karretjes met mosselen, met citroenen,
+met oranjeappelen en met groenten. Hij keek er niet naar om. Hij ging
+voor de peperkoekwinkels staan en begon met kinderlijk welbehagen te
+kiezen. Hij koos een peperkoek dat in den vorm van een mooi hart was
+uitgesneden en op de randen geheel met lekkere fruitschellen omlegd.
+Hij besloot binnen te gaan, maar wilde vooreerst uitkijken naar een
+loopjongen, die het geschenk aan moeder brengen zou.
+
+Er liepen daar vele jongens rond. Johan Doxa beproefde om op hunne
+gezichtjes te lezen hoe eerlijk ze waren, en hij bevond dat hij behoefde
+daaromtrent waarlijk zeer ongerust te zijn. Eene gelukkige ingeving
+dreef hem naar een kleine kroeg, waar hij een druppelken brandewijn
+dronk. En luttele beslissingen wisselden malkander ondertusschen af in
+zijn geest. De kroegbaas zei:
+
+--"'t En zal vandaag niet ophouden met regenen, kameraad."
+
+--"Dat zou ik ook gelooven," antwoordde Johan Doxa.
+
+Een vochtig gevoel kwam over hem, en hij bestelde een tweede glaasje, en
+naderhand een derde. Dan, terwijl hij betaalde, zag hij moeder's
+zilverstuk plots op den toog liggen. Gedurende één oogenblik haatte hij
+het wisselgeld dat hij ervoor terug kreeg.
+
+Hij bedacht nu dat er in de Boterstraat meer fijne winkels waren en
+daalde langs de Steenpoort naar de middenstad. Een zwaarbeladen
+koolwagen rolde hem vóór. Bij elk geschok der trage wielen rolden
+stukjes glinsterend kool over de zwarte berden. Er viel ook een groote
+brok en Johan raapte haar op en bracht haar bij den voerman. De voerman
+had een ruigen rosten baard en stak zijne breede hand uit, bespannen als
+met een bruin-lederen vel. Toen struikelde het paard en stortte voorover
+op de steen en. De kar dook met hare lompe tremen die ze met een doften
+slag sloeg tegen den grond.
+
+--"Nondidju!" vloekte de voerman.
+
+Er was seffens een groote toeloop van menschen. Een man ging met zijn
+knie op den kop van het paard zitten. De riemen werden haastig ontgespt.
+Stemmen klonken dooreen. Een politieagent dreef het aanzwellende volk
+achteruit. Johan Doxa stond met het groote stuk kool in zijne armen.
+De politieagent riep in zijn verschrikt gelaat:
+
+--"Wilt ge, potverdomme, de kolen laten liggen, gauwdief!"
+
+Johan werd de prooi van eene geweldige aandoening; zijn last rolde over
+zijn buiksken aan zijn voeten en hij wilde vluchten. Hij week door de
+menigte heen. Hij voelde van allen kant oogen op hem gestoken en
+kinderen schreeuwden hem achterna. Hij kwam in een klein ledig straatje,
+gelijk een drenkeling een oever bereikt. Hij zat nu in een herberg zijn
+eigen te betasten en met langzame proefnemingen de zekerheid op te doen
+dat hij nog armen had en beenen en een hoofd. Zonderling grijnzend
+lachte hij de waardin tegen die, gelijk een afschuwelijk gevaarte, naar
+hem toe stapte.
+
+--"Dat zijn dingen, hee?" stamelde hij onnoozel.
+
+En daar de waardin, zonder begrijpen maar met zachte gedienstigheid,
+medelachte bestelde hij eene flesch geuze-lambik, en vroeg bang:
+
+--"Wilt ge ook meedrinken, als 't u belieft?"
+
+Ze wilde wel. Ze kreeg een kokette blos, die haar goed stond, en ze
+dronken samen. De waardin bekeek haar eigen in den spiegel, die recht
+over den toog hing, en schikte vluggelings de krulhaartjes op hare
+slapen. Ze had dikke armen.
+
+--"Ik geloof," zei Johan vriendelijk, "dat die regen van den heelen dag
+niet meer ophoudt."
+
+--"'t Zou wel kunnen," zei de waardin, "de barometer zakt."
+
+--"Ja, 't is ook 't seizoen," hernam Johan.
+
+De waardin reikte hem den tooghanddoek over en meesmuilde:
+
+--"Ge zijt een beetje vuil over uw voorhoofd."
+
+--"Ikke?"
+
+Hij was zoo vuil als iemand zijn kan, die voortdurig met twee koolzwarte
+handen in zijn beregend aangezicht heeft gewreven. Uit schaamte vroeg
+hij een tweede flesch geus. En ze dronken. En ze praatten over kleine,
+ledige zaken.
+
+Johan Doxa vertrok bij noenstond. Toen hij te midden van de Groote Markt
+stond, vroeg hij zich af wat hij hier kwam doen. Hij keek wonderlijk op
+naar de gulden gildehuizen. Den top van den stadhuistoren zag hij niet,
+die onder de natte miezeling in eendere grijze kleur verging. Hij duwde
+zijn hoed tot tegen zijne ooren en stelde vast dat hij honger had. In de
+nauwe Peper-en-Zoutstraat trof hij eene bescheiden gelegenheid en hij at
+er substantieel genoeg, schoon zonder gulzigheid, gelijk het hem docht
+dat aan een zondaar in pelgrimstocht betaamt.
+
+--"Thans," mijmerde hij binst de koffie, "bezit ik nog twee en twintig
+en een halve cent, en ik weet waarlijk niet wat ik ermee zal doen."
+
+En, voor hij naar het Klooster der Miniemenstraat toog, dronk hij ermee
+een grooten druppel cognac, want zijn moederken had hij, ik weet niet
+hoe, geheel en al vergeten.
+
+ * * * * *
+
+Hij vatte beslist de koperen schelknop. De luide bel weerklonk meer in
+het hart van Johan Doxa, dan in de wijdgalmende vestibule. De
+pater-poortier die eerst het spioenraampje had opengeschoven, opende nu
+ook de zware deur. Het Klooster gaapte in het aanschijn van Johan Doxa.
+
+--"Kan ik," vroeg hij met bleeke stem, "den eerwaarden pater Hilarius
+spreken? Ik zou gaarne eene retraite doen."
+
+De pater-poortier was, buiten Johan's verwachting, zoo minzaam als men
+zich denken kan dat ooit ter wereld een kloosterpoortier mag zijn. Hij
+had eene uiterst discreete houding en, ware 't niet dat zijn gelaat
+hoog-gezond opbloeide boven den zwarten baard, scheen uit loutere
+welgemanierdheid weg te schemeren in de schaduw van de poort. Het
+bloeiende gelaat echter glimlachte en twee fijne muis-oogjes daarin
+wenkten vriendelijk: "welkom ... welkom...."
+
+De zware deur, die achter Johan met een eiken klop dicht kwam, sloot
+meer dan het somber gebouw: het docht hem dat de gansche wereld nu voor
+altijd was gesloten. De pater-poortier ging voor en leidde Johan Doxa in
+eene kleine spreekkamer, die ineens vol blauwig licht was. Er stonden
+een paar nederige stoelen en aan een witgekalkten wand hing een groote
+Kruislieven-Heer. Daar liet men hem alleen, ruim drie kwartier-uurs. Hij
+draaide zijn natten hoed stille in zijne handen. Hij stond in een ring
+van regendroppen, die gelijk donkere starretjes rond hem waren gespreid.
+Er walmde een muffe salpetergeur.
+
+Pater Hilarius had een streng, doch niet weerbarstig uitzicht. Een
+grijze ronde baard, wat stoppelig, omkleurde een mat gelaat waar
+grauw-groene oogen als dood lagen en dat alleen--dan heel sterk--bezield
+werd door den vorm- en schaduw-rijkdom van een geweldigen arendneus.
+
+--"God zij met u," sprak pater Hilarius, "zijt gij Johan Doxa? Ik ben
+Hilarius."
+
+Johan keek onwillekeurig om. De stem scheen uit de muren te vallen. Hij
+zou er in elk geval een eed op gedaan hebben dat ze uit den roerloozen
+mond van pater Hilarius niet viel. Toen echter deze pater voortging met
+eene lange rede waarin de naam van Lieven Lazare, van Jesus, van den
+heiligen Franciscus beurtelings voorkwamen, heroverde Johan van
+lieverlede de kluts die hij kwijtgeraakt was. Hij besloot maar te
+berusten in het onvermijdelijke, liet zich gewillig bepreeken, knikte
+moedig de les toe waaruit hij geen ander nut zou trekken dan dat hij
+zich bereid voelde zelfs tot den dood.
+
+Pater Hilarius, nadat hij uitgesproken had, zei:
+
+--"Gij zijt dweilnat, dunkt me. Ge moet eten en u verwarmen. Volg me."
+
+Het was minder een gevoel van eerlijkheid dan de vrees voor wat hij hier
+te eten zou krijgen, die er Johan toebracht ineens den pater bij de
+harde mouw te pakken.
+
+--"Nee," deed hij angstig, "ik bid u, geen eten. Gij zijt al te goed."
+
+Hij kwam in eene ruime zaal. Er was een breede schouw met een lekker
+vuur.
+
+--"Zet u, en warm u," zei de pater. Johan zette zich en bleef daar weer
+nagenoeg drie kwartier-uurs alleen zitten. Hij werd heerlijk warm en
+zijne bolle kaken gloeiden. Het werd zoetekens avond en Johan zag een
+prachtigen zonsondergang in de laaie karbonkels van den open haard. Hij
+werd eindelijk zoo rustig als een onschuldig mensch.
+
+--"Pater Hilarius is vreeslijk mager," dacht hij op slot van rekening,
+"maar de pater-poortier is zoo vet als een das."
+
+Hij kon bijgevolg nogeens zijn eigen buikje zonder voorbarige
+benauwdheid in oogenschouw nemen en wachtte gelaten de gebeurtenissen
+af.
+
+ * * * * *
+
+De klok uit het torentje begon te kleppen. Pater Hilarius verscheen en
+noodigde Johan Doxa uit om mede in de Kapel lof te hooren. Johan heeft
+zich daar overdadig vermaakt.
+
+Niets ooit in zijn leven had hij gezien dat zoo mooi was als het kleine
+kerkje. Het kerkje was geheel omdaan met eene fluweelen donkerheid,
+waarin de bevende glanzing van fraaigeregelde kaarsenreken speelde en
+aarzelde en langs gouden diepten zwevend verging. Maar stilaan zag Johan
+in de zwaarpurperen schemering de dikke pilaars opklaren en ginder hooge
+wattige gewelven dragen. De muren begonnen zacht te glimmen. De outer
+werd zichtbaar en heerlijk. En alles, al wat hij zag, was met wondere
+polychromiën versierd. Het werd hem, hoe meer hij toekeek, zoo rijk en
+koninklijk dat zijn hart er week en gulzig bij aan het dansen ging.
+
+Dan, al rondom hem, herkende hij de ronde bruine ruggen van de
+capucienen. De orgel zette aan. De Kapel kwam vol met vleugeltjes van
+vogels.
+
+--"O God," bad Johan Doxa gevoelig, "ik zou willen een pater zijn!"
+
+Hij verachtte zijn baardelooze kin.
+
+Maar na den dienst werd hij, langs duistere gangen, in eene nauwe cel
+gebracht. Men hing een damping kaarslantaarntje aan zijne hand, en
+wanneer hij alleen was, voelde hij eene bittere triestigheid zijn
+gansche wezen overvallen. Waarom moest dat nu zoo gaan? Waarom moest hij
+verlaten wezen? Waarom hadden die menschen zulke kleine hokjes gemaakt?
+
+Hij ging op het ijzeren beddeken zitten en blies de kaarslantaren uit.
+
+ * * * * *
+
+Johan Doxa, neerliggend in den donkeren avond, volgde met luien geest
+een varenden snoer van gedachten.
+
+--"Ik geloof niet," mijmerde hij, "dat er voor mij in dees Klooster eene
+uitkomst is. Ik ben te zeer beladen met zonden. Van het drooge brood,
+dat men mij als een prop in de keel zal steken, spreek ik niet. Maar het
+pompwater? Wanneer ik zal tot op de pees uitgedroogd zijn, en wanneer ik
+zal bezig zijn mijne ribben te tellen, wat rest mij dan nog dan dood te
+gaan? Ik kan mij nauwelijks inbeelden dat Onze-Lieve-Heer zich meer wil
+erbarmen over een pannelikker dan over een smeerbuik. Maar Zijne
+inzichten zijn verborgen en ik ben inderdaad door en door slecht. Ik zal
+bidden om veel moed te krijgen, en God helpt niet waar men zijn eigen
+niet helpt. In deze gevangenis zal ik wel eene spinnekop vinden, en ik
+wil ze tam maken en haar allerhande kunstjes aanleeren. Het lieve dier
+zal mijne gevangenschap bekoren. Ik zal een aardig wagentje bouwen waar
+ik haar inspannen kan. Zij zal aan een fijne draad 's nachts komen
+hangen boven mijn aangezicht. Ik houd niet veel van muizen, anders zou
+'k gaarne ook een muisje dresseeren. De staart van eene muis is zoo vies
+dat ik er niet aan denken durf. Ze zullen mij waarschijnlijk groote
+latijnsche boeken geven om in te lezen. Roode en zwarte letters zijn
+mooie dingen, maar ik zal toch niet lezen in zulke boeken, vrees ik.
+Zullen ze ook een doodshoofd aan mijn voeteinde leggen? Er zijn twee
+dingen die ik, behalve een doodshoofd, voor mijne oogen niet verdragen
+kan: een zeisen en een zandlooper. Ik heb mijne pijp thuis gelaten. Dat
+is heel goed zoo, Johan. Die menschen weten van geen tabak te spreken.
+Altijd wierook, altijd wierook. Wanneer mijne retraite uit is, hoop ik
+dat Anatole mij weer eene van die dikke sigaren mag geven, gelijk de
+oude heeren smooren in de _Shop_. Maar ach! ach! ik zal nooit van mijn
+leven meer kunnen rooken!... Morgen komen ze met koorden aan en ik zal
+mij moeten kastijden ten bloede. Ze zullen azijn over mijn mond gieten.
+Ik zal blootsvoets naar de kerk gaan.... Wanneer heb ik den laatsten
+keer mijne voeten gewasschen?"
+
+Hij lag zeer rustig. Er zweefden nog twee drie lichte gedachtekens
+voorbij en hij fluisterde:
+
+--"Sakkerloot...."
+
+Toen sliep hij vast in.
+
+ * * * * *
+
+De Kloosterklok was bezig met volle geluid als Johan Doxa wakker schoot.
+De cel was vol licht, alsof daarbuiten een liefelijke Lente gebeurende
+was. En waarachtig: door 't kleine raam zag Johan een stuk hemel
+heerlijk-blauw, bespot met witte krullende wolkjes en overstraald met
+zonnegeweld. Hij ging op zijn bedde staan en keek uit langs het venster.
+Wat zag hij daar voor moois?...
+
+De binnentuin van 't Klooster lag vierkant tusschen de met mos en veil
+begroeide gevels te leven in prachtig kleurengedoe. Er was veel laag
+groen waar zes ronde perken tulpen bloeiden. Net geteekend en effen van
+verve, ringden er omme de safraangele kiezelpaadjes. Van uit Johan's
+venster, leek de tuin een vurige rozet, gelijk men er vindt op bonte
+ramen van kathedralen. Als een bruine mier kroop een pater-hovenier er
+over. Zijn rozige schedel was gepolijst.
+
+Toen werd Johan Doxa vervuld met eene eindelooze vreugde.
+
+--"Hee-la!" riep hij luid.
+
+Hij schrok bij den klank van zijne stem en trok zich schielijk terug.
+Daar zag hij een rosten capucien op de zuil van zijn celletje staan.
+
+--"Goeden morgen," zei de capucien minzaam, "ik ben de pater-hotelier."
+
+Van uit de hoogte waar hij zich geheven had, keek Johan Doxa hem aan,
+plotseling duizelig wordend. Langzaam hurkte hij op zijn bed neer, in de
+meening dat zulke trage inkrimping wellicht ongemerkt kon gebeuren en
+hem maken tot een fatsoenlijk mensch van normale grootte. De capucien
+stond goud-rost als een najaarsmiddag. Zijn kastanje-oogen blonken in
+een besproet gelaat dat weelderig was omhangen met een baard van duizend
+kurkvormige krullekens. Het was alsof een late zon schuin aanglom over
+heel dat harig hoofd, en over 't gele haar ook van zijne sterke handen.
+De capucien was dik en wel te pas.
+
+--"En wat zoudt gij nu willen eten?" vroeg hij.
+
+--"Willen eten?... Ha! willen eten, zegt gij...."
+
+--"Ik heb hesp en Zwitsersche kaas en goede boter en roommelk. De koffie
+is klaar. Maar ge kunt ook thee krijgen. Onze thee is niet al te best,
+moet ik zeggen."
+
+Daar de pater-hotelier glimlachte, lachte Johan Doxa mee. Hij lachte
+gedwongen, al peinzende: "dat is een geestige keukenbroeder, die aardige
+namen aan zijn pompwater geeft."
+
+--"Ik zal koffie gebruiken, en hesp of zoo...." zei hij gekscheerend.
+
+Maar hij viel niet omver van verbazing, toen, na de korte vroegmis, de
+heerlijke pater-hotelier hem voor een frisch-blanke tafeltje deed
+aanzitten, waar een soliede ontbijt was opgediend. Johan Doxa, moet ge
+weten, is nooit in zijn leven zoo verbaasd geweest dat hij ervan omver
+zou vallen.
+
+ * * * * *
+
+Na drie dagen besloot Johan Doxa de overtuiging te aanvaarden, dat een
+retraite bij de Franciscanen eigenlijk behoorde tot een der aangenaamste
+tijdkortingen van de wereld. Hij kon zonder moeite gehoorzamen aan de
+regels van den huize, volgde gewillig alle kapeldiensten, hanteerde
+zoetekens zijn dikken paternoster en bladerde devotelijk in zijn
+kerkboek. Dagelijks moest hij een apart en stichtelijk sermoontje hooren
+van pater Hilarius, en hij deed het zooals een zieke de siroopdrankjes
+van den doctor inneemt. Maar zijn groote vrienden waren de kale
+pater-hovenier en de haar-rijke pater-hotelier.
+
+Den pater-hovenier hielp hij de vele tulpen verzorgen in den zymetrieken
+tuin. Hij reekte en sproeide en weerde het kleine woekerkruid. Ze
+verstonden malkander goed, ofschoon de oude capucien geen woordje sprak
+en alles zwijgend te beduiden gaf met bevende gebaren van zijn
+voorzichtige hand. Te zamen versierden zij met klaterende bloemen de
+Lente die in den tuin van dag tot dag gulziger aan het leven ging.
+
+De pater-hotelier echter zat in het hart van Johan Doxa gelijk op een
+troon. Hij was ook de majordoom van zijne maag. Hij kon dingen bereiden
+die de herinnering aan de geuren van de _Curiosity Shop_ geheel
+uitvaagden. En hij had een wijnkelder. De retraite-verordeningen, zooals
+de pater-hotelier ze uitvoerde, waren zoet om dragen en indien
+God-de-Vader uit den hemel op Johan in dien tijd heeft neergezien, dan
+heeft hij moeten vaststellen dat deze boeteling zich gedwee aan al de
+gestrengheid der orde-geboden heeft kunnen onderwerpen. Een
+voortreffelijk berouw was blijkbaar het mystieke sieraad van zijne ziel,
+want het geweten van Johan Doxa was nu geleedelijk zoo rustig geworden,
+dat--om het met een stoffelijk beeld uit te drukken--zijne broek buiten
+alle verhouding te spannen begon.
+
+De zevenden dag besloot pater Hilarius zijn familiaire preek met een
+voorstel dat Johan in verrukking bracht. Hij sprak:
+
+--"Ieder moet den Heere loven naar zijne vermogens, mijn zoon. Even
+eerbiedwaardig als het statige lied van den nachtegaal, klinkt in zijne
+ooren de drooge roep van den krekel. Al wat ter eere van God opgaat in
+dank, behaagt Hem uitermate. Daarom dunkt mij, Johan, dat gij zoudt
+moeten denken aan het werk, waarmede gij Hem naar uwe beste krachten
+huldigen kunt. Ik meen bij voorbeeld--een schilderij...."
+
+De tranen schoten Johan in de oogen. Hij omhelsde den pater niet, omdat
+hij zelden iets deed, waartoe hij vast was besloten.
+
+ * * * * *
+
+Johan Doxa miek een schilderij. Het moest naar het aanvankelijk ontwerp,
+worden een beeld ten-voete-uit van den Heiligen Franciscus en het zou op
+den grooten outer van de Kloosterkapel prijken. Maar het werd een kleine
+Jesus, blond en rozig, gezeten op een kussen van weidebloempjes, de eene
+hand rustend op een blauwen wereldbol, de andere zegenend ten hooge
+geheven. Het hangt thans links in het kerkje, rechtover den preekstoel,
+als een ex-voto van blijvende schoonheid, voor alle tijden....
+
+ * * * * *
+
+Terwijl Johan Doxa bij een hoog raam aan het schilderen zat, kwam de
+pater-hotelier op geregelde uren met hem een praatje doen.
+
+Bij voorbeeld bracht hij hem een bruin-geboterd kipje en zei:
+
+--"De pater-hovenier is nu met jacynthen bezig. Ik houd in het geheel
+niet van hem, Johan."
+
+--"Ik hoop dat ge u vergist."
+
+--"Ik houd niet van wat hij is, wil ik zeggen. Hij is een
+vrijheidschender. Hij zet al de lieve bloemen in perken, gelijk men
+kinderkens in kerkers zou steken."
+
+--"Bloemen voelen dat niet. Zij bloeien maar...."
+
+--"Wie weet? Vogeltjes sluit men ook op, en zij zingen maar...."
+
+Johan liet zijne vork op den rug van het kipje rusten en keek verwonderd
+naar den pater. Hij dacht aan een vinkje dat hij overlang bezeten had en
+dat in zijn kooi was doodgegaan. Werktuigelijk zei hij:
+
+--"En een eekhoorn houdt men wel eens in een traliëntrommel gevangen, en
+hij danst maar...."
+
+Hij wendde zijn aangezicht naar 't open venster en blikte in het wijde
+azuur. En de pater vroeg:
+
+--"Hebt ge geen eetlust, beste Johan?" Neen, hij had geen eetlust. Hij
+hoorde verre geluiden over den hemel gaan. En het werd hem ineens zoo
+droef te moede, zoo droef te moede, zoo eindeloos droef te moede....
+
+ * * * * *
+
+Op een zondag-avond, na 't lof, lag Johan Doxa in zijne cel, op het
+nauwe ijzere bed. Het Klooster sliep. Johan lag met open oogen tusschen
+denken en niet denken. Was dat mijmeren? Was dat rusten? Voor de eerste
+maal sinds zijne aankomst bij de paters, lag hij zoo en glariede in de
+duisternis. Er kwamen geen beelden op, maar iets heel warms, gelijk eene
+onzichtbare pels, omdoezelde hem gansch. Zijne voeten en zijne handen
+gloeiden, en langzaam vergingen ze in donzigheid, en hij zou ze niet
+kunnen verroeren, want had hij nu nog handen en voeten? Hij voelde zijn
+eigen niet meer.
+
+Het vensterken was niet dicht. Hij hield hel open omdat, van af
+eergisteren al, een zwaluwenpaar hier rond vleugelde, een hoekje zoekend
+om hun nest te bouwen. En van heel wijd naderde hem een wolk van wattige
+gepeinzen, tot hij, buiten alle verwachting, werkelijk te denken begon.
+
+--"Van waar komen toch die zwaluwen, ieder jaar?"
+
+En de wolk dreef op, in langzame vaart. Ze zweefde over lage landouwen,
+over steden en dorpen, over wouden en stroomen, over bergen van groen en
+bergen van sneeuw, en dan daalde ze glijdend en voer over zee, de
+matelooze, ruischende zee.
+
+Plots ontlook in de stilte een verre muziek. Ze breidde zich uit en
+ontwikkelde allengerhand zeer hoorbaar hare blijde cadensen. Ze vulde
+weldra de lucht met zwellende klankondulatiën, en Johan kon eindelijk
+herkennen wat daar een fluit deed, een klarinet, een koperen hoorn, een
+brommende trombone, en al zulke plezante tuigen meer. Een trom klopte de
+rythmen. 't Werd kermis, kermis in de stad--kermis in de ledige ziel van
+Johan Doxa, die, met één schok, zijne handen weerkreeg, en zijne voeten.
+
+Hij zag nu, alsof hij er bij meehuppelde, den ommegang van de fanfare in
+Onze-Lieve-Vrouw-te-Rooje-wijk. Hij zag de kinderen dansen, hij snoof de
+vetwalmen der oliekoeken en den stikkenden rook der fakkels. Hij zag de
+ruiten der herbergen branden en flappende vlagen kleuren in den gloed.
+Hij zag de mannen en de vrouwen....
+
+Hij zag de vrouwen. God vergeve hem, hij zag ééne vrouw, eene met
+krullekens voor hare slapen en die, met bloote armen, twee schuimende
+pinten geuslambik bood.
+
+--"Wilt ge meedrinken, als 't u belieft?" vroeg Johan.
+
+En ze zei terwijl ze op hem afkwam met den tooghanddoek:
+
+--"Ge hebt u een beetje vuil gemaakt, geloof ik."
+
+Hare stem was wonderzoet. Nu naderde ze minzaam en lachte in zijn
+aangezicht. En Johan draaide zich gauw om in zijn bed, vatte wanhopig
+zijn hoofdkussen in beide armen, en pletterde daar zijn mond tegen, om
+'t huilen te smoren dat onweerstaanbaar uit zijn hart opjoeg.
+
+--"Moeder! Moeder! Moederken!..." kloeg hij.
+
+En dat duurde een heelen tijd zonder dat het baatte.
+
+Toen het schilderij af was, verklaarde Johan Doxa dat de retraite hem
+voor goed van al zijne slechtheid gezuiverd had en vroeg hij om zijne
+uiterste biecht te zeggen. Met één woord: hij wilde uit het klooster
+weg.
+
+Pater Hilarius hoorde de biecht, een mooien middag van April, even voor
+vespertijd. Johan ging met hem in de schoone Kapel, knielde voor den
+outer en verdween in het donkere hokje, waar hij, tegen een plank met
+gaatjes, woorden prevelde in het oor van zijn biechtvader. Dan moest hij
+onder het groote Kruis-Lieven-Heer gaan liggen en met zijn voorhoofd
+lang die koude vloertichels raken. Eindelijk hoorde hij de vespers
+zingen. 't Was uit. Hij nam afscheid van de Kloosterlingen, waaronder
+velen hem liefdelijk behandeld hadden. Hij nam met melancholische
+hartelijkheid afscheid van den ouden pater-hovenier, die hem drie
+zeldzame begoniabollen ten geschenke gaf. En zijn gemoed kwam nog even
+vol toen hij in de vestibule afscheid nam van den gulden pater-hotelier,
+die zijne zware handen op Johan's schouders legde. De pater-hotelier
+zei:
+
+--"Vaarwel, lieve vriend. Ik zal steeds u in mijne gebeden herdenken.
+Van menschen zooals gij, Johan, gewaagde Krist toen hij ergens de
+Pharizeërs toeriep: "Laat af, gij die schraapzuchtig zorgt voor den
+dag van morgen!" God, toen hij de Toekomst schiep, schiep ook de
+Voorzienigheid, en beide blijven in Zijne handen. Ga, Johan, onbekommerd
+uwen levensgang. God spijzigt de vogelkens van uur tot uur. Waarom zou
+Hij u niet spijzigen?"
+
+Hij drukte Johan in zijne armen en zegende hem....
+
+Daar stond met zijn zwarten baard en rozig gezicht, de goedige
+pater-poortier vergeefs zijn best te doen om in de schaduw van pater
+Hilarius te verdwijnen. Johan hoorde zonder ongeduld een laatste
+sermoen, een klein deur-sermoentje maar, vol liefelijke en lichte
+dingetjes, gelijk van een chirurgijn, die een patiënt op krukken
+doorzendt, waarvan hij een been of zoo heeft afgezaagd. Dan stopte pater
+Hilarius hem een papieren omslag in de hand en fluisterde,
+half-wegloopend:
+
+--"Van den prior ... voor het schilderij ... adieu! adieu!"
+
+De hooge poort schoof langzaam open. Een geweldige adem sloeg Johan
+tegen de borst. Hij wankelde. Hij had willen een glasje water drinken
+terstond, en hij besloot om een glasje water te vragen....
+
+Maar hij kon nooit iets doen, waartoe hij besloten was. Hij stikte. God!
+wat een ontzaglijke lucht hier!... De poort ging dicht. Johan Doxa stond
+buiten.
+
+ * * * * *
+
+--"Pouah! chéri, hoe ruikt ge zóó naar den wierook?" Twee heerlijk-zwarte
+marolle-meisjes zaten nevens Johan Doxa, aan weerskanten, op de nauwe
+bank van de friture-kroeg. Johan had kennis met haar gemaakt op de
+Hoogstraat, zoodra hij had ondervonden dat het paketje van den prior
+eene banknoot van honderd frank bevatte. Eigenlijk had hij met iedereen
+willen kennis maken. Althans lachte hij vriendelijk elken voorbijganger
+in het gelaat, en waartoe zou hij dat anders hebben gedaan? Maar deze
+twee hadden hem direkt tegengelonkt. Zijne minzaamheid verminderde er
+blijkbaar niet om, want seffens hingen zij aan zijne armen en vroegen
+schuldeloos:
+
+--"Tu paies rien, vetzakske?"
+
+Of hij niets wilde betalen? Wel lieven-adieu! hij had lust om de geheele
+wereld op te koopen!... Er werd besloten dat ze zouden mosselen eten en
+patates frites. En zij zaten nu in de friture-kroeg.
+
+--"Pff!" deed Johan Doxa, "ik weet niet eens wat wierook is."
+
+De andere maagd ging met haar klein wipneusje over zijne mouwen
+snuffelen.
+
+--"Neen," zei ze, "'t is eau de Cologne--ge hebt al-ze-leven in fijne
+gezelschap gedineerd."
+
+Hij pinkoogde geheimzinnig, als om te laten onderstellen dat hij nog
+veel erger had gedaan, en liet daarna fier zijne borst opzwellen.
+
+Als ze gegeten hadden, merkten de meisjes dat ze dorst kregen, Johan
+trok met haar naar het "Kapiteintje" waar ze geus dronken, en naderhand
+in den "Moriaan" waar hij trakteerde met krieken-lambic. Nauwelijks had
+hij daar de derde flesch besteld, of een troepje wallebakken kwam
+dansend binnengesprongen, vergezeld door een klein straatorkest--met
+name een harmonica, een piston en een triangel. Ze dansten feestelijk de
+herberg tweemaal rond en schaarden zich dan, rood van pret, bij den toog
+om schuimende streepkens faro te zuipen. Johan Doxa stond plots recht en
+riep:
+
+--"Een pint geus voor heel de Kompanie!"
+
+Het docht hem dat zijn gansch wezen openging. De woorden die hij
+geschreeuwd had bleven trillen door zijn lichaam, als op pezen van
+metaal. Hij viel neer op zijn stoel en zweette een beetje. De jonge
+paren keken om en naderden de tafel waar hij zat gelijk een, die,
+bedwelmd, zijne eigene troonplechtigheid bijwoont. Hij kreeg eene
+ovatie....
+
+Nu begon, van taveerne tot taveerne, eene processie die waarlijk niet te
+beschrijven is. De muziekanten stapten voorop. Dan, met de voornaamheid
+van een paasch-os, Johan Doxa, geflankeerd door de twee mooie
+marolle-deernen. Dan de woeling der uitgenoodigde menigte, die steeds
+aangroeide. Kinderen huppelden ommendom, de handen zwaaiend omhoog. In
+den beginne zong men allerhande liedjes, maar weldra, om zooveel lawaai
+mogelijk te maken, ging zich het repertorium beperken bij één en
+hetzelfde couplet, dat iedereen goed kon en dat onvermoeid weer en terug
+en altijd werd aangeheven:
+
+/*
+ En een dikke pens
+ En een snee van 't verken,
+ Boerenleven dat is plezant!
+ Boerenleven dat is plezant!
+*/
+
+Er geraakten diep-dronken menschen in het gezelschap. De piston, een
+blonde reus, had vrijwillig op zich de verantwoordelijkheid van het
+behoud der orde genomen, en meermaals was hij tot zijn leedwezen
+verplicht eenige muilperen uit te deelen. Johan bewonderde hem
+uitermate. Hij betaalde maar. Hij was gelukkig als een Koning. Het bloed
+klopte hem weldadig op de slapen. Zijne kinderlijke lippen stonden in
+den vorm van een glimlachend toeterken, alsof er zoo juist een melkzoete
+flep was uitgevallen. Zijne meisjes hingen aan zijne mouw en soms moest
+hij een kusje krijgen of een kittelig kneepje in de leen. De wereld
+ruischte alom op hooghemelsche maat:
+
+/*
+ En een dikke pens
+ En een snee van 't verken....
+*/
+
+De harmonica-speler was een bult. Hij dronk gelijk een Zwitser. Daar was
+een oud ventje met rooden neus. Die kwam gedurig tegen Johan's buik
+niezen. Hij dronk gelijk de bult. Allemaal dronken. Johan Doxa betaalde
+maar....
+
+--"Vooruit naar De Dikke Luis!" riep de piston.
+
+Weer 't zalige gedrang van lijven. Johan werd als opgenomen in de
+stuwing en meende te zweven en stapte plots met zijn stoet en zijne
+muziek op straat.
+
+--"Waar gaan we naartoe?" vroeg hij onnoozel aan het meisje links.
+
+--"Naar De Dikke Luis!"
+
+Het docht hem dat hij het zevende paradijs te gemoet ging. De heele boel
+was een wonder. Hij zong slapjes:
+
+/*
+ En een dikke pens....
+*/
+
+Er schoot hem iets te binnen en hij vertraagde zijn stap. Naar het lieve
+meisje links boog hij zich en dan voelde hij hoe zwaar zijn hoofd was
+geworden.
+
+--"Ik heb nog twintig frank" fluisterde hij haar in het oor.
+
+--"Hoeveel?"
+
+Hij taste in zijn broekzak en bracht zijne hand voor haar ten
+voorschijn. Een met koper benagelde kletsdop lag daarin, en een
+bankbriefje.
+
+--"Twintig," zei het meisje, "kom; 'k zal ik verder betalen--ge zijt
+zat."
+
+Wat een heerlijk leven was het in "De Dikke Luis", een gloeiende roze
+leven binnen een zachtblauwe tabakwolk! Het drieledig orkest speelde er
+de Brabaçonne. Het glanzende bier ging rond van hand tot hand. De breede
+baas stond te midden van kannen en glazen te tappen.
+
+--"Wat zoudt ge er van pein-einzen," vroeg de bult aan Johan tusschen
+twee hiksnokken.
+
+Johan Doxa lachte simpel. Zijne tong, docht hem, lag vast in een soort
+van elastieke meelpap. Hij peinsde niets. Weer riep de piston:
+
+--"Nu naar den Heeten Ketel!"
+
+De troep pakte zich saam, rumoerde op naar de deur. De harmonica begon
+te blazen en de triangel, week-bellend, sloeg.
+
+--"Halt!" schreeuwde de baas, "wie moet dat allemaal betalen."
+
+Johan Doxa keek lui om. Hij schudde zijn hoofd onder het schrikkelijke
+hoofd van den baas. Hij had willen uitleggen dat daar ergens een zwart
+meisje moest zijn, dat het geld bewaarde. Maar zoo'n meisje was er in
+huis niet meer. Had hij haar het geld inderdaad gegeven? Langzaam ging
+hij met zijn eigen daarover redeneeren. De piston sprong naar den baas
+toe. Een paar glazen vielen van den toog en dan....
+
+Johan Doxa werd links en rechts gestoten. Nu zat hij op een stoel. Nu
+zat hij op een tafel. Nu lag hij tegen den muur. Nu stond hij te
+waggelen overeind. Nu kwam iets hards en vlugs tegen zijn kop aanbonzen.
+Nu knielde hij. Nu werd hij van achteren opgestampt. En ineens beukte
+een zwarte masse aan op zijn voorhoofd.--Was tegelijk het licht
+uitgegaan?...
+
+Het licht was uit.
+
+In Johan Doxa was het licht uit. Daar kan niet aan getwijfeld worden.
+
+ * * * * *
+
+Door een vensterken met ijzeren staven drong de prille Lentedag, toen
+Johan Doxa zijne oogen openstak. Zijne oogen gingen op langs vochtige
+muren. Ze bleven daar staren op zonderlinge teekeningen en schrifturen.
+De klok van het Klooster klepte niet. Hij wilde iets vragen....
+
+O, hoe akelig was zijn mond! Zijne kaken stonden stijf. Een loome pijn
+hing in zijne leden. Hij keek naar zijne handen, zijne smerige handen,
+bemorst met bruin-gedroogde bloedvlekken. Zijn rechterknie stak bloot
+door een scheur van zijne broek. Zijn hoed lag bij de deur--een
+platgeblutste hoed met afgerukte randen.
+
+--"Het stinkt hier" dacht Johan. Hij kwam moeilijk recht. Zijne beenen
+waren als bevroren vodden. Hij begon stillekens over zijn hoed te
+strijken, met werktuiglijke zorgzaamheid.
+
+Toen rinkelde daarbuiten een bussel sleutels en iemand opende deze
+onbegrijpelijke cel. Het was een soort van politie-agent.
+
+--"Allee," sprak de ruwe deurwaarder, "krab op--ge moest u schamen."
+
+Geen de minste aandoening werd wakker in Johan Doxa. Hij liet zich
+geleiden. Hij mankte. Hij verliet de Amigo[1] zonder hoop en zonder
+wanhoop. Hij kwam thuis. Hij vond er zijn moederken. Hij hoorde zijn
+moederken zeggen:
+
+--"Ach mijn jongen! mijn lieve jongen! ach, wat hebben de paters toch
+met u gedaan!"
+
+Hij ging in een hoek zitten. Hij vertelde niets. En 's anderendaags ook
+vertelde hij niets. En nog dagen en dagen nadien bleef hij, en vertelde
+niets. Hij nam nooit het besluit iets van dat alles aan zijne moeder te
+vertellen.
+
+Maar wat zou het eigenlijk helpen, als hij nu daaromtrent een besluit
+genomen had?
+
+Niets.
+
+
+Noot:
+
+[1] Stedelijke gevangenis voor tijdelijke verbrekers der openbare orde.
+
+
+ * * * * *
+
+
+IV
+
+JOHAN DOXA
+
+DE SCHADUW
+
+
+Ik kon dien nacht geen oog dicht doen. 't Sloeg vier uur op ons
+Empireklokje, wanneer ik besloot het bed te verlaten, dat mij geen rust
+geven wou. Terwijl ik me aankleedde en daarbij het groene nachtlichtje
+had aangestoken, zette ik mijne morgenmelk op het kleine gasfornuis.
+Ik dronk ze zonder smaak en verlangde reeds om buiten te zijn, in de
+frischheid van den uchtend.
+
+Die frischheid was echter niet aangenaam, maar ik liep toch de vochtige
+straten door, gelijk ik meer placht te doen om mijne overspannen zenuwen
+te stillen.
+
+Ik wandel gaarne in den vroegen dag. De stad heeft telkens zoo ongewone,
+zoo uitzonderlijke uitzichten. Zij ontwaakt met schokjes. De blauwende
+donkerte laat de grijze gevels opklaren en verft de gladde eenzaamheid
+der macadamlanen en asphalten bolwerken. De lantaarnlichten weifelen,
+grauwen wittig uit de nevelen, werpen geen schaduwen meer. En het
+zeldzame menschengedoe gaat traag op, nooit veranderlijk, gebaren makend
+die een definitief teeken van den uchtend zijn.
+
+Ik loop meestal de lage stad om en verwijl dan het liefst rondom de
+Zuiderstatie. Het is daar schoon om zien, want schoon is het morgenlicht
+over de rookwolken der locomotievenhal. Het donkere gebouw is al vol
+bedrijf en voert de werkluibenden op het statieplein. Er gebeurt een
+gewoel van lijven, maar de lippen zijn zonder gerucht. De arbeid wenkt
+zwijgend zijne zwijgende slaven....
+
+Dien keer was ik zeer vroeg voor de hal aangekomen en ik slenterde
+onwillig, de hielen slepend. De nevellucht spande pijnlijk om mijn
+voorhoofd. Ik stond een paar ezelwagetjes na te gapen, die fluks opreden
+met nieuwe groenten, de stad binnen. Musschen sprongen in de dahlia-
+perkjes van het plein.
+
+Toen--juist terwijl ik nieuwsgierig de nog-belichte vensterruiten van
+eene burgerlijke taveerne bekeek--zag ik de glazendeur van die taveerne
+ruw openslaan en eene dikke vrouw, blijkbaar de bazin, den drempel
+oversnellen. Ze schreeuwde in angst:
+
+--"Polis! Polis!"
+
+En ze ijlde van hoek tot hoek, het plein langs, al harder krijtend,
+terwijl toch, naar gewoonte, nergens een politieagent zichtbaar was. Een
+heer verscheen in de herbergdeur, gaf rappe inlichtingen aan een bleeke
+schenkmeid, die schielijk de Fonsnylaan opliep. Ik was, op een drafje,
+naderbij gekomen. De heer keek me in het aangezicht en, ofschoon hij
+onder de zwarte randen van zijn galahoed zoo wit uitblekte als een
+doode, herkende ik in hem, niet zonder verwondering, mijn goeden vriend
+Menschaert, den toondichter.
+
+--"Wel, Antoon," zei ik stil, "wat gebeurt hier?"
+
+Hij hief zenuwachtig zijne schouders op. Zijn rechterhand teekende in de
+lucht vluggelings een halven cirkel--wat bij hem het gebaar was van een
+onzeggelijk ongeduld--en hij wenkte mij om binnen te komen.
+
+--"Ik vrees dat het hier erg toegaat," sprak hij dof.
+
+Inderdaad. Het schouwspel, dat ik in de taveerne te zien kreeg, was zoo
+schrikkelijk dat ik, op het eerste zicht, ademloos bleef van aandoening.
+Maar toen ik naderhand een stap nog waagde, werd mij plots het gaslicht
+een mist van groene dampen en voelde ik den klauw van een zonderling
+monster, dat, gelijk een nachtmerrie, mijne keel toenijpen kwam.
+
+Ik had, geloof ik, een korten gil geslaakt....
+
+ * * * * *
+
+Het was half-zeven, als ik met Menschaert die akelige herberg verliet.
+De eenige schikking, die nog moest genomen worden, had ik ter regeling
+aangewend en mijn vriend Antoon, welke waarlijk een allerbraafste jongen
+is, wilde niet dat ik al dat droeve alleen zou doen.
+
+Hij liep dus mee met mij, maar daar de boodschap geen haast vroeg
+--integendeel, goede God!--en daar wij beiden zeer vermoeid waren,
+besloten wij om maar eerst een kop koffie te gebruiken. In de kleine
+eetzaal van het _Hotel Espérance_ bestelden wij een klein ontbijt en
+Antoon, door mij hiertoe dringend aangespoord kon eindelijk breedvoerig
+vertellen hoe de tragische gebeurtenis ontstaan was.
+
+Hij deed het met dien eenvoud, welken ik zoo bewonder bij hem en die
+schijnbaar zoo zeer strijdt met de gewone daden van dezen uitstekenden
+kameraad. Antoon Menschaert is nog jong. Zijne ouders zijn boeren-heeren
+uit de Kempen en stellen het tamelijk goed. Hij zelf woont ergens bij de
+Beurs, alleen, naar hij zegt (ik vermoed echter dat die eenzaamheid
+"gedeeld" wordt, want, uit princiep, ontvangt hij nooit een vriend op
+zijne kamers....) Hij is orgelist in Sint-Niklaaskerk en werd onlangs
+als monitor aangesteld in het koninklijk conservatorium. De jongen
+vermaakt zich eeniger mate in den zin van wat jongelui in Brussel "zich
+vermaken" noemen. Nochtans is hij ernstig en zijn gevoel, dat ik bij
+meer dan één gelegenheid heb kunnen waardeeren, heeft schoone volten en
+een bestendig gewicht.
+
+Hij zat voor mij. Het opkomend daglicht klaarde over zijn sierlijk
+aangezicht, dat, thans wat roziger, toch mat-effen, zeer vermoeid boven
+zijn witte das en de zijden kraag van zijn smoking uitscheen. De koffie
+rookte lichtelijk op over de gouden randjes van het blauwe porseleinen
+koffie-servies. Wij aten bij poozen, gelaten.
+
+Antoon sprak:
+
+--"Ik heb gisteren middag het dineetje bijgewoond, waarmede mijnheer en
+mevrouw Zondervan maandelijks en telkens te vergeefs een vrijer
+probeeren aan te kleven voor hunne dochter Adelaïde, een stuk plank met
+een kop vol pretentie.... Kent gij de familie Zondervan?... Jammer! Dan
+kunt ge ook niet geheel inzien in welken staat van ellende mijne hersens
+waren gebracht, nadat zij een ganschen middag het leelijk sproetengelaat
+van juffrouw Adelaïde hadden aangegluurd en de zoetzappigheidjes van
+haar idioot gepraat hadden toegeknikt. Toen ik, omtrent negen uren, zeer
+buiten Adelaïde's verwachting, haar tafel en haar huis verliet, was ik
+een kapot stuk jongmensch, dat zich nog alleen herinnerde hoe slecht
+Zondervan's bourgogne was en hoe afschuwelijk zijne dochter. Ik snakte
+naar een glas gezond bier en vond het zonder moeite. In _Clarenbach_
+waar ik aangeland was, ontmoette ik bij mijn vierde pint Slokke, den
+beeldhouwer, Fritz d'Artois, die als stagiair bij advokaat Forst is
+aangenomen, administrateur Lemonnier en diens vriend mijnheer Van
+Dranem, welke mij werd voorgesteld. Deze heeren waren in vroolijk humeur
+en wij dronken samen eene brave hoeveelheid Munchnerbier, zoodat, door
+Slokke aangedreven, ik mijn eigen al even pleizierig als de overige
+bevond. Die Slokke is een verbazende kerel. Te middernacht volgden wij
+hem in _The Dominion Bar_, in de _Jeune France_ en eindelijk in dat
+verleidelijke ding van de Bisschopstraat, _The Old Curiosity Shop_,
+zooals gij wel weet. Overal was pret, muziek, drank en lieve dames. Ik
+zou op dat oogenblik geloof mij, juffrouw Adelaïde Zondervan nooit uit
+Mathusalem hebben herkend, aangenomen dat Mathusalem het vergelijk hadde
+verdragen. In _The Old Curiosity Shop_ vermaakte ons zeer een muziekaal
+neger-trio. Slokke had in _The Dominion_ een voor mij onbekend makker
+aangeklampt, een soort Tcheik, die alles danig lollig wist aan te
+brengen en waarlijk een onschatbare ontmoeting was voor jonge
+lichtmissen. Hij richtte o.a. met de drie negers een burleske vertooning
+in, welke bij de aanwezige dames en heeren een grooten bijval verwierf
+en, na eene omhaling van Slokke, voor den Schamelen Arme, zooals Slokke
+zei--hij bedoelde het Stedelijk Armbestuur--ruim twee honderd frank
+opbracht.
+
+"Ik was toen al tamelijk beschonken. Maar ik herinner mij zeer goed dat
+in een hoekje bij den toog een zonderling mensch zat toe te kijken. Het
+is noodig dat ik u vertel hoe hij zich voordeed. Het was--gij weet het
+natuurlijk--een dik, ingezonken man, een waarvan men gemeenlijk zegt dat
+hij "zonder ouderdom" is, maar zijn gelaat, dat klaarblijkelijk door een
+overdadig gebruik van ... laat ons zeggen "spiritualen" was ingevreten,
+had, ondanks zijne vervallen kleederdracht, ondanks de niet-vrome
+omgeving, ondanks alles, een zoo kinderlijk, och ja, een zoo
+"seraphische" uitdrukking dat het mij aandeed buiten mate. Hij keek toe.
+Hij keek engelachtig het zot bedrijf van den Tscheik en de drie negers
+toe. Hij lachte niet. Hij scheen ook niet bezorgd. De beruchte tapper
+van de _Shop_--Anatole heet hij, weet ge wel--bracht hem, zonder dat hij
+'t vroeg en zonder dat hij er in het minst voor dankte, tot viermaal een
+whisky-soda. Hij dronk niet gulzig, niet smakelijk ook. Hij dronk
+langzaam en eentoonig, en zijne gebaren waren lui als van een vet,
+eigenzinnig kind....
+
+"Hoe het kwam, weet ik niet. Men weet niet hoe alles gebeurt bij zulke
+partijen. Bovendien, ik beken 't voluit, de drank speelde en smokkelde
+in mijn hoofd. Zeker is het dat, rond twee uren, het korte mannetje
+zonder tegenspraak bij ons gezelschap hoorde. Ik zag dat hij naast
+mijnheer Van Dranem zat. Ik hoorde niet dat hij met mijnheer Van Dranem
+sprak. Ik hoorde dat mijnheer Van Dranem hem had aangelijmd en, in het
+algemeen gewoel, eene astrologische rede voorhield, welke het geduldig
+ventje met brave knikjes scheen goed te keuren. Mijnheer Van Dranem
+bestelde dan telkens versche pinten, deed vriendelijk met zijn
+zonderlingen gebuur bescheid en maakte hem alzoo bijna tot elkendeens
+kameraad. Och! men verbroedert zoo licht in die warme nachtkroegen! Geen
+van ons dacht er aan den kerel naar zijn naam te vragen. Dat hij geen
+booswicht was stond op zijn cherubsgelaat te lezen, en wat konnen wij al
+meer eischen? Hij dronk voortreffelijk. Hij deed ons, drinkebroers, eer
+aan....
+
+"We verlieten de _Curiosity Shop_ al te zaam. De goedige dikkerd volgde.
+In de _American Bar_ zat hij aan onze tafel. Wanneer een van ons hem
+onder 't praten toekeek, knikte hij seffens gewillig tegen. Hij
+beantwoordde alleman's teug. Dronk ik, hij dronk. Dronk daarop
+Lemonnier, hij nam een slokje uit beleefdheid. Dronk dan de
+geheeldronken d'Artois, hij insgelijks, om goede manieren te toonen,
+dronk maar.... Kortom, hij was de hoofsche goedkeuring zelve.
+
+"Zeg eens, Herman, hebt ge al niet opgemerkt dat, als ge zoo op randool
+zijt, er altijd iemand medefeest, zwijgend en ingetogen. Het is een
+stille bijlooper. Hij laat nooit zijn glas ledig staan. Hij spreekt
+nooit iemand tegen. Hij betaalt nooit wat. Hij is nooit hinderlijk. Laat
+iemand zijn pijp, zijn regenscherm, zijn zakdoek vallen, hij is 't, die
+hem opraapt. Hij is bij iedereen en bij geen van allen. Hij is een
+verdraagzaam toezicht en zal het opmerken, als de baas, vertrouwend op
+de dronkenschap der kompanie, iemand wat ongangbare munt wil in de hand
+stoppen. Hij is 't ook, Herman, die de aandringende bloemenverkoopster
+met een blozend lachje toefluisterd: "Ga maar uw gang, vrouwtje, die
+kerels zijn zat en koopen niet!" En, luister wel, niemand kent hem. Hij
+is de schaduw van ons allen, en wij eischen niets van hem. Hij lijkt op
+iets dat ons natuurlijk en onverweerbaar toebehoort....
+
+"Alzoo was die man. In de _American Bar_ ontstond er ruzie met een paar
+roekelooze studenten. Ik zag goed hoe hij onderwijl vredig zijne pijp
+stopte en ze in volle herrie kalmpjes aanstak. Ik zag het, omdat de pijp
+zelf mij trof--een wondere pijp, geheel met kleur-ornamenten beladen,
+zoo miniatuur-fijn als nog nimmer mij verfversiersels onder de oogen
+kwamen. Onderaan den breeden pijpbuik kon ik, na eenige aarzeling het
+woord "Julia" lezen. Het verbaasde mij zeer. Brandde in dat zeldzame
+dikzaklijf waarlijk de vereering voor eene geliefde vrouw? Zoo zeer nam
+mij dit denkbeeld in beslag, dat ik dadelijk den zachten vetpot over
+zijne identiteit wilde aanspreken. Ik geloof dat de toenemende twist mij
+in dit voornemen storen kwam, want tot eene bepaalde opheldering kwam
+het niet. Eene verdere gelegenheid werd mij niet meer aangeboden en de
+kerel bleef stillekens, rookend en drinkend, bij ons....
+
+"Aldus voortzakkend geraakten wij in groepje op het Statieplein. Wij
+hadden na de sluiting van de _American_ nergens een herbergzaam huis
+gevonden en waren, eerst druk-pratend, dan moe-zwijgend, de Henegouwlaan
+opgekomen. Slokke beweerde dat het Statieplein ons op een voornaam
+fleschje geus of iets dergelijks kans kon bieden. Wij volgden Slokke
+gedwee. De nacht was koud, miezelig, doordringend-vochtig. Wij
+slenterden door, stil voorover gebukt, bijna zonder moed. Slokke zong
+luidop een lied, waarvan ik me niets meer herinner, en d'Artois, achter
+hem, spande nuttelooze pogingen in om het hem na te burrelen. Lemonnier,
+lang en stokkestijf, beende akelig over het trottoir. Van Dranem, die
+naar ik vermoed, daags te voren zeer onvoorzichtig den inhoud van een
+sterrekundig standaardwerk had ingezwolgen, besproeide mij met den
+hutsepot van zijne astrologische indigestie. De laatste van allen,
+kortstappend en kort-blazend, kwam de ronde man, onze zoete schaduw
+aangedrild. Ik hoorde hem. Hij had het geluid van een haastigen hinker.
+Maar hij hinkte wezenlijk niet: naar ik thans vermoed, ontbrak de hak
+aan een zijner schoenen, die daardoor als een slofje neerwreef op de
+steenen....
+
+"Slokke bracht ons in die taveerne van het Statieplein....
+
+"Hier moest het drama gebeuren. Wij gingen aan de grootste tafel zitten
+en bestelden koffie. De bazin, een onaangenaam wijf, deed opmerken dat
+de herberg slechts bij toeval open was gebleven, dat zij geen tijd had
+om koffie te zetten en maar hoopte dat de heeren gauw zouden oprukken.
+Fritz d'Artois stond bij dezen onvriendelijken uitval recht en
+overdonderde de zure waardin met de gekste aller redevoeringen. Aan de
+inschikkelijkheid van eene oolijke schenkmeid hadden wij een kop koffie
+en het einde van d'Artois' pleidooi te danken. Deze schenkmeid, die wel
+inzag dat men Slokke en zijne kameraden nooit anders dan met
+aanminnigheid zou de deur uitkrijgen, verwaardigde zich haar eigen bij
+ons aan te sluiten, waar zij van Lemonnier verkreeg dat hij haar, bij
+wijze van "slaapmutsje", op een fine-champagne trakteerde.
+
+"Kijk nu, Herman, goed hoe wij zaten. Ik zat op de bank, links had ik
+Van Dranem, stapelvol met troebele wijsbegeerte, rechts d'Artois, en
+naast dezen het rookende mysterieventje. Rechtover mij zat Slokke, links
+had hij Lemonnier en rechts de diplomatische herbergdeerne. Wij praatten
+in den beginne vrij onharmonisch ondereen, tot op een vraag van de
+schenkmeid het gesprek eene bepaalde richting inliep. De meid had
+vernomen dat Fritz advokaat was en ze wilde hem gaarne, zeide ze, iets
+vragen. Fritz die, met Dranem, de zatste van den hoop was geworden, vond
+waarschijnlijk dat de schenkmeid hem veel eer aandeed. Althans bereidde
+hij zich tot een uitbundig consult en stelde zijne prille ervaring
+"geheel" (dit met een prachtig oratorisch gebaar) tot hare beschikking.
+"A-wel voila!" sprak de meid, "ik ben getrouwd met een man die te dom is
+om voor den duivel te dansen--van 's morgens tot 's avonds maak ik ruzie
+met hem, want hij is te vadsig om een woord te zeggen,--hij zou mij
+bestelen, als hij maar kon, mijnheer, bestelen om in de herberg te
+zitten, hij wint geen gebenedijden stuiver en ik vraag mij af hoe hij
+het aan boord legt om 's nachts geregeld dronken thuis te komen,--d'r en
+is geen leven mee te houden, dat zeg ik u,--'k ben 't beu den luiaard in
+te mesten, en, met permissie gezegd, mijnheer, 'k zou willen
+divorceeren!" Zij begon in 't kort en in 't lang ons den toestand van
+haar huishouden voor oogen te leggen, en daarop overgoot d'Artois haar
+met zijne orakels. Hij onderzocht het pro en het contra, nam de gekste
+houdingen aan en waande zich aan de vermetelste verklaringen, brak het
+huwelijk om "te besluiten" en lijmde de stukken weer aaneen om met
+nieuwe pracht van woorden te kunnen herbeginnen.... Kortom hij spande
+daar de onmenschelijkste zaag. Slokke kreeg, naar hij mij vertrouwbaar
+toemummelde, een papmond. Lemonnier was op de beide vuisten in slaap
+gedonderd en Mijnheer Van Dranem, die over heel 't gedoe geen star meer
+herkende, was in de diepste mijmeringen verzonken....
+
+"Ik, scheef-achterover tegen den bankrug geleund, keek strak den dikken
+bijlooper aan. Hij zat kalm en zoetjes te rooken, onveranderlijk. Daar
+d'Artois recht stond en voortdurig over de tafel waggelde al preekend,
+kon ik gemakkelijk onzen anoniemen vriend naloeren. Ik beken het u: ik
+deed het uit verveling, want ik was wezenlijk te vermoeid om in mij
+belangstelling voor 't zij eender wat te wekken. Ik belonkte hem strak,
+al rustend. Hij rookte, scheen oplettend naar d'Artois en de schenkmeid
+te luisteren, dampte zachtjes. Zijn bol aangezicht tuurde, over de
+hoofden, naar iets dat, docht mij, misschien op den muur, boven den
+toog, was aangeplakt. Al scherper blikte hij alzoo ... tot, almeteen,
+zijn pijp, die geen vuur meer hield, dood stak in zijn mond, die juist
+niet meer trekken wilde.
+
+"Hij bleef een lange poos zonder roeren.
+
+"Toen, zonder haast, vatte hij de pijp, wond ze in zijn rooden neusdoek,
+borg ze--gelijk hij ze voorzeker placht te bergen--voorzichtig in zijn
+binnenzak ... en ... toen, Herman ... ja, toen ... ik word er niet wijs
+uit jongen ... het is zeker dat ik zeer, zeer moe was. Het gebeurde als
+in een droom, waarbij ik machteloos moest blijven ... begrijpt ge?
+
+"De arme dompelaar, nadat hij de pijp geborgen had, trok langzaam zijne
+hand weer uit den zak. Die hand--wat vatte ze zoo struisch daar? Ik
+zweer u, Herman; ik zag het, ik zag het, zonder te weten dat ik 't zag....
+Die hand, met het zwarte ding, hief de goede dikkerd tot onder zijne
+kin. En hij opende vredig zijn mond, wijd, wijd, tot het mij met
+verbazing sloeg. En toen, Herman, gebeurde het. Het schot brak los, hard
+en geweldig ... en de hand viel neder op de tafel, rilde daareven en
+omsloot, meen ik, het dampende tuig dichter....
+
+"Ha, jongen 't was er een herrie! Iedereen, zelfs de slapende Lemonnier,
+stond recht. Die gemeene bazin gilde oneerbiedig. En hij, de sukkel, zat
+op de bank, had niet geroerd. Hij glimlachte precies. Maar, achter hem,
+was de muur met bloed bespat en iets leekte daar, een witte kwabbel,
+traag, van zwaarte...."
+
+Antoon zweeg. En ik herzag de leelijke taveerne, en hoe ik er
+binnenliep, en hoe ik den doode zitten zag, en hoe ik, met een neep in
+het hart en een kreet van heel mijn wezen, Johan Doxa herkende, den
+zachten doolaar.
+
+Ik heb zijne lauwe hand in de mijne genomen. Ik heb ze waarlijk
+gestreeld, alsof hij 't nog voelen kon. Ik heb hem op de bank
+nedergeleid. En ik heb zijne groote oogen toegedaan, die zoo verre
+keken, verder dan den muur, Antoon, verder dan den muur of den toog,
+mijn goede Antoon....
+
+ * * * * *
+
+De heete koffie had ons opgeknapt, maar we vertrokken beladen met iets
+als een groot pak. Niet haastig drilden we de Lage Stad af. We drumden
+langs de gevels der huizen en beletten niets van het aanzwellend
+dagbedrijf. We liepen verstrooid over de pletsende dweilen van gebogen
+dienstmeisjes, die zich oprechtten dan, gestoord in den kuisch, en ons
+wat toesnauwden van op de drempels.
+
+Ik was zeer bekommerd en luisterde nauwelijks naar het stil, afgebroken
+gepraat van Menschaert. Ik begon 't mij alreeds te beklagen dat ik deze
+laatste boodschap had aangenomen. Seffens verhief echter mijn geweten
+zijn rechte stem boven 't gehakkel van mijn angst en ik stapte vaster
+door, overtuigd, gelijk ik was, dat niemand het droeve nieuws met meer
+teedere en aandachtige zorgen zou brengen dan ik het, met mijn
+liefderijk medelijden, zou doen.
+
+We kwamen in de Zes-Penningenstraat, die reeds vol was met
+uchtendgeluiden. Magere honden liepen er snuffelend rond de vuilbakken.
+Een stoelenbiezer zette aan zijn uitgerokken roep, die wijd-jammerde
+onder de vensters. Een fruitwijf stiet haar rammelend karretje. Boven
+op een hoog huis vlekte een bleeke zon.
+
+Het donkere winkeltje was open, de grauw-groene luiken ontsloten, de
+gebroken drempzuil bloot. Ik kende die zuil goed. Hoe dikwijls liep haar
+lustig over, jaren geleden, toen Johan Doxa met zijn ekster, zijn sijsje
+en zijn eekhoorn het rare zolderkamertje bewoonde!
+
+Juist--maar hoe kommervol thans!--wilde ik de goede zuil betreden, als
+daar in een zoeten lach de groetende moeder Doxa stond.
+
+--"Wel mijn jongen," zei ze frisch, (ze droeg een jakje en een versch
+schort en ze was waarlijk, het oud wijveken, frisch als de morgen zelf)
+"wel mijn jongen, wat zijt gij vroeg te been!"
+
+Ik geloof dat ik daarop iets vrij onverstaanbaars uitbracht, want moeder
+Doxa keek me dadelijk vreemd aan. Moeders hebben wondere voorgevoelens.
+De lach op haar gelaat verdween. Zij zei nog:
+
+--"Komt ge mij opzoeken?"
+
+Ze drukte wonderbaar op het woord "mij".
+
+Ik knikte traag, verlegen. En wij traden het speelgoedwinkeltje binnen,
+dat geheel het uitzicht van vroeger had bewaard. Daar gloeide eenderlijk
+de roode tichelvloer en donkerde massaal de vierkante toog onder het
+noesche vensterlicht. Vluggelings zag ik in hunne verscheiden bakjes de
+lekstokken, muntebollen, vlierhopjes, ovenbeesten, stampers, kletskoppen,
+amandelkoekjes en kramelleu. Achteraan, tegen den muur, in schemerklaarte,
+hingen de poesjenellen, de poppen, de reepen, de blikken muziektoppen,
+de zweepen met fluitjes, de zakken met glazen marbels, al het diverse
+speelgoed, dat bontig opkleurde en rammelde door mekaar.
+
+En moeder Doxa, dienstvaardig, ging, gelijk naar gewoonte, het trapje op
+achter den toog. Eene zonderlinge aarzeling bibberde in haren blik. Ze
+beproefde een nieuwen glimlach.
+
+--"A-zoo! mijn jongen," sprak ze, "wat is er tot uwen dienst?"
+
+Ik bleef nog een tijdje zwijgen. Antoon scheen over de smuitsterbakjes
+eene zorgvuldige keus te doen. Ik schudde treurig het hoofd en vatte
+moedig aan:
+
+--"Nu moedertje, wij brengen geen goed nieuws.... Het spijt me zoo!..."
+
+Ze sprak niet. Hare oogen werden scherper. De stilte die in het winkeltje
+kwam spoken was wezenlijk onverdraaglijk. Ik herinner me (hoe bijtend
+zijn de indrukken soms!) dat, op dit oogenblik, een scheerslijper al
+roepend voorbij trok. Ik zei:
+
+--"Verschrik niet uitermate, moedertje. Zeker, het leven is heel zoet om
+leven. Maar wat helpt het, als wij zelf meedoen om ons leed te vergrooten,
+als wij ons zelf den dood op het lijf jagen?... D'ris toch niets aan te
+veranderen, moedertje Doxa...."
+
+Ze was bleek, ineens doodelijk bleek. En de kleine glimlach, die niet
+weg wilde, werd een grijns van smart. Ze hakkelde:
+
+--"Ja maar, ja maar...."
+
+Alsof ze zich aan de waarheid wou vastklampen, en een bange logen
+daarmede kon verweeren die schrikkelijk op haar afkwam. God, Gij weet
+hoe vurig ik toen wenschte dat het inderdaad een logen mocht zijn!
+
+Ik besloot die pijn te verkorten. Ik hernam, diep ademhalend:
+
+--"Uw zoon moedertje ... uw zoon Johan...."
+
+Ze deed stil:
+
+-"Hâ-â!"
+
+Heel stil. En ze sloot langzaam hare oogen. Ze zonk achterover, in de
+rokjes van poppen, tegen den muur. En nog verliet die akelige glimlach
+hare lippen niet.... Antoon Menschaert was toegesneld. Ze voelde zijne
+armen om haar, roerde haar mond.
+
+--"Wacht", lispelde ze zoetjes, "wacht, als 't u belieft ... och!
+och!..."
+
+Toen stak ze hard en wijd-open hare oogen en keek ernstig toe.
+
+--"Watte?" vroeg ze, "wat zegt ge daar?"
+
+En ik, geheel verslagen en 't harte bijna ingestampt:
+
+--"Uw zoon, moedertje", antwoordde ik, "hij is niet wel ... hij is zoo
+schielijk.... God is wreed, moedertje, maar wij moeten in hem berusten,
+dat weet ge toch niet waar?"
+
+Ze stiet Antoon plots van zich af. Ze riep:
+
+--"Wat is er met Johan gebeurd? Wat is er met Johan gebeurd?"
+
+Ze was vreeslijk. Ik dacht dat ik het nu met een woord zeggen moest
+en--de Hemel vergeve 't mij--ik zei het met een woord.
+
+Dat woord, ze had het werkelijk zien aankomen. Ze week als het dichtbij
+was. Ze kreeg het vlak tegen hare oude borst.... Nu zakte ze thoope,
+gelijk een klein, nietig pakje, in Menschaert's handen. Ze was opeens
+schijnbaar als een pluimpje zoo licht.
+
+Nog sprak ik, de schoon-versierde pijp uitreikend naar heur:
+
+--"Zie, moedertje, hier is zijne pijp. Ik heb ze uit zijn zak genomen
+opdat gij ze bewaren zoudt, als een aandenken...."
+
+Ze keek de pijp aan. Ze vatte de pijp met beide handen.... Dan was 't
+alsof ze insliep, zonder een traan, zonder een zuchtje, verre van ons.
+
+ * * * * *
+
+Antoon Menschaert is nu een beroemd componist geworden, wat onze
+vriendschap niet het minst heeft verlauwd. En daar hij nog steeds op
+kamers "alleen" woont en ongaarne iemand bij hem ontvangt (ik verdenk
+hem niet, hoor!) komt hij al dikwijls een avondje doorpraten in
+Linkebeek, waar ik sinds enkele jaren verblijf. Wij zabberen en rooken
+dat het een aard heeft.
+
+--"Zeg eens," zegt hij vaak, "ik zal u gaarne een zilveren aschbakje
+schenken, indien ge dees ellendige doos weggooien wil."
+
+Ik bekijk dan de hoog-ronde doos, die ik ons eigen steeds voorzet als we
+sigaren opsteken. Het is een geblutst tomatendoosje, dat inderdaad
+miserabel aandoet in de overige meubeleering.
+
+--"Kom! Kom! ik zal dat leelijke ding wel eens de straat opwerpen ...
+doch, wanneer? wanneer?... Er zijn kleine, domme daden, waartoe men maar
+niet besluiten kan."
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Johan Doxa, by Herman Teirlinck
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JOHAN DOXA ***
+
+***** This file should be named 16841-8.txt or 16841-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/6/8/4/16841/
+
+Produced by Marc D'Hooghe.
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/16841-8.zip b/old/16841-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..b69db61
--- /dev/null
+++ b/old/16841-8.zip
Binary files differ
diff --git a/old/16841.txt b/old/16841.txt
new file mode 100644
index 0000000..3ddb9ba
--- /dev/null
+++ b/old/16841.txt
@@ -0,0 +1,3178 @@
+The Project Gutenberg EBook of Johan Doxa, by Herman Teirlinck
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Johan Doxa
+ Vier herinneringen aan een Brabantschen Gothieker
+
+Author: Herman Teirlinck
+
+Release Date: October 9, 2005 [EBook #16841]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ASCII
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JOHAN DOXA ***
+
+
+
+
+Produced by Marc D'Hooghe.
+
+
+
+
+JOHAN DOXA
+
+VIER HERINNERINGEN AAN EEN BRABANTSCHEN GOTHIEKER
+
+door
+
+HERMAN TEIRLINCK
+
+
+1917
+
+
+ * * * * *
+
+
+I
+
+JOHAN DOXA
+
+GETROUWD
+
+
+Johan Doxa, de vader, verkocht speelgoed in de Zespenningstraat, een
+grijze wijk van nauwe steegjes, midden in de Lage Stad. Hij had er een
+smal winkeltje met een gebroken drempelzuil, een vunzigen gang en een
+groen-houten hekje, waarop, tenden een buigzaam veerijzer, een
+waarschuwende bel vastgehecht was. Het winkeltje was grauw, haast donker.
+De roode tichelvloer gloeide langzaam op uit de halve donkerte, maar de
+vierkante toog somberde, gelijk een harde, massale schaduw, vlak onder
+het venster, dat met zijne menige uitstalling, de dagklaarte buiten
+hield. Die toog droeg een verscheiden weelde van lekkernijen,
+muntebollen, lekstokken, stampers, ovenbeesten, kramellen, kletskoppen
+en amandelbrood. Al dat bonte gesnoeper lag er, in blikken kistjes
+nevenseen, elk met zijn eigen kleur en zijn verschillige hoopen. Achter
+de toog en langs den muur, tot bijkans tegen de zoldering, hing het
+speelgoed, de reepen, de poesjenellen, de poppen, de ballen in wollen
+netten, de zilveren muziektoppen, de zweepen met fluitjes, en zoo al
+meer.
+
+Johan Doxa, de vader, was een groote struische kerel. Hij zat 's morgens
+in zijn winkeltje, achter den toog. Hij sliep er meerendeels. Zijn stoel
+was laag, breed, verzacht met een platte sargie, die er vierdubbel tot
+op de leuning over gevouwd lag. Johan Doxa zat gemeenlijk met zijn beide
+handen gekruisd op zijn buik, zijn kin op zijne borst en zijn klipmuts
+op zijne oogen. Zijn kop stak even boven den toog uit, maar duisterde
+weg in de onduidelijke lucht van het winkeltje. Als een kind het hek
+openstiet, rinkelde de bronzen bek en Johan Doxa verroerde. Zijne handen
+bleven gekruisd en stille, maar, met eene eigenaardige fronsing van zijn
+voorhoofd, schoof hij rijzekens zijn muts achteruit, keek naar het
+deurtje, beloerde vijandig den jongen, die drummend naderkwam.
+
+De oude heer Doxa liet, in den namiddag, het beheer van de zaak over aan
+zijne vrouw Isabella, welke een ijverig mensch was en het huishouden er
+heerlijk doorhielp. In den namiddag ging hij toeren om de stad. Hij deed
+met pleizier eene wandeling langs de Henegouwlaan, de Beurs, de
+Anspachlaan, wrong zich zwaar en lui door de krioeling van menschen en
+rijtuigen en trok op naar de Hooge Stad. Zijn liefste uitstapje kuierde
+de Steenpoort omhoog en de grauwe wijk van het Gerechtshof binnen. Daar
+liggen, door mekaar, een geharrewar van smalle straatjes en huist eene
+ruchtige bevolking. De oude heer Doxa slenterde, er rond, keek met
+belangstelling naar de, politieagenten, de hondendieven, de
+haringventers en de citroenwijven, luisterde aan de open deuren van
+kroegen en danszalen, naar de versleten deuntjes van een blazenden
+draaiorgel of de schokkende springwijzen van een grollend speelboek.
+Dan liep hij de Visitandienenstraat omlaag en kwam lanterfanten in de
+Priemstraat. Hier placht hij zich aan eene zonderlinge praktijk over
+te geven. Hij, volgde de bierwagens die, ten dienste van de talrijke
+herbergen, voorbijreden en had permissie om, bij het opladen van ledige
+tonnen, het roes ervan om te klinken en op te vangen in een zinken
+ansjovisdoosje, dat hij, tot dit bijzonder gebruik, altijd in zijn
+binnenzak steken had.
+
+'s Avonds, na den eten, begaf hij zich in den Koning van Spanje, dronk
+er met een paar geburen een half dozijn glazen faro, bestelde een
+slaapmutsje in den Bloemenhof en kwam laat thuis. Hij vond geregeld en
+eenderlijk liggen in het laag bed, tegen den glimmenden kalkmuur van het
+lauwe slaapkamertje, het dikke, opbultend lijf van zijne vrouw Isabella
+die niet roerde bij zijne lompe inkomst, maar eens zuchtte, schijnbaar
+in haar slaap, als om zich van een vies droombeeld te ontlasten, dat
+juist op haar miserabel hoofd wegen kwam.
+
+ * * * * *
+
+De oude heer Doxa had een zoon, genoemd Johan. Van dezen is het dat ik
+in het bijzonder verhalen wil.
+
+Hij werd geboren in de Zes-penningenstraat, binst dat zijn vader,
+omtrent de Kapellewijk de dansende klutsen uit de tonnen klonk. Hij was
+grootgebracht tusschen het grijze speelgoed en werd een jongen van
+zeldzaam uitzicht met, als hoofdteeken van karakter, de luiheid van zijn
+vader en het zoete geduld zijner moeder. Op school, waar men hem, om hem
+kwijt te zijn, heen zond, was hij dadelijk den zondenbok van allen; de
+stooten welke grillige vuisten, bijna onachtzaam, uitwierpen, ploften
+pletsig in zijne vette rompe, en de muilperen, die, als bij toeval, uit
+onzichtbare fruitboomen neervielen kwamen wonderlijk op zijne bolle
+kaken openklakken. Bij eene zoo overdadige behandeling, bleef Johan Doxa
+verdraagzaam-glimlachend toekijken, en niets scheen de schoone zaligheid
+te kunnen storen, die geheel zijn wezen vervulde en hem toeliet, in alle
+omstandigheden, een pak slaag als een dankbaar almoes te aanvaarden.
+
+Op vijftienjarigen leeftijd liet hij zijn blond kroezelhaar lang-groeien
+en deed aan zijne moeder zijn voornemen kennen om naar de Academie ter
+leering te gaan. Dit werd hem toegestaan, deels omdat vrouw Doxa voor
+niets in de wereld haar zoon zou hebben willen te keer gaan, deels ook
+omdat de oude heer Doxa, na een wandellingetje in de Pieremanstraat,
+verklaard had dat het hem niet schelen kon.
+
+En Johan Doxa werd een artist-schilder.
+
+ * * * * *
+
+Johan Doxa bewoonde, in het vaderlijk huis, een luchtige zolderkamer,
+waar hij teekende, schilderde, at en sliep. Hij zat er sinds hij de
+Academie verlaten had--hij was nu een en twintig jaren oud--gansche
+dagen in de eenige gezelschap van een ekster, een sijsje en een
+eekhoorn. De vierkante kooi, waar joepte en zong het teer-groene sijsje,
+hing aan een kram van het dakvenster. Zoodra de zon boven de stad vol
+mistige daken opduiken kwam en tegen de schuinsche ruiten glinsterend te
+tokkelen begon, wipte het sijsje op de bovenste sport en kwetterde een
+jubel-getjirrel, dat geheel de kamer met een frisch pleizier vervulde.
+De ekster liep in vrijheid tallenkante rond, pootelde ruchtig over het
+houten plankier, sprong op den schoorsteen en droeg van links naar
+anderzijds de penseelen, welke ze te pakken kreeg. Gemeenlijk zat ze te
+midden van het kleine tafeltje, vast op den rand van een dikbuikigen,
+diepblauwen tabakspot. Daar bleef ze soms uren zitten, stil-lonkend en
+bijna roerloos, haar kop ten halve tusschen hare schouders gedrongen en
+haar pootjes in tweeen gevouwd, zeer rustig. De eekhoorn scheer-beende
+maar in een draaiende tralietrommel, die op een plankje stond, boven het
+hoofdeinde van het ijzeren bed.
+
+Hier werkte Johan Doxa. Hij schilderde portretten, beelden van Heiligen
+en kleine Kruiswegen. Hij likte en overlikte zijne tafereelen, raakte
+haast het doek met zijn neus en beijverde zich, in overmatige
+geduldigheid, om een krulhaartje op een kin te planten en een wimper op
+een ooglid. Hij bukte over het werk, streek langzaam de uitgezochte
+verven, bedekte met glanzende vernissen de gladde bontigheid. Zijn ronde
+kop, zijn kroezelende haarbos, blond-goud onder het spelend daglicht,
+lag, alsof het rustte, onbewegelijk over het effen-glimmende schilderij.
+
+Als hij verpoosde voor een tijdje, ging hij tegen het bed leunen of
+strekte er zich lang uit, rookte, traag dampend, volgde met luie blikken
+de opgaande en uitwaaiende tabakwolken en snoof wellustig den sterken
+reuk ervan op. Hij dacht aan niets. Hij keek soms heel lang naar het
+draaiend eekhoorntje, of voelde, zijwaarts, de blinkende oogen van de
+ekster, die loerend, op den blauwen buik van den tabakspot oolijk te
+muizenissen zat. Wanneer het avond werd had hij een heerlijk gevoel van
+zelf-verdwijnen. 't Was dan alsof, met de uiterste deemstering, het huis
+en de wereld zouden in nevelen vergaan. Zijne ronde blauwe cherubijnoogen
+blonken zonderling in de donkerheid en zijne handen lagen als twee witte
+vlekjes op het duistere violet van de bedmatras.
+
+Na den dood van zijn vader, die in het hospitaal aan eene kortstondige
+leverziekte stierf, veranderde Johan Doxa haast niets aan dat peiselijke
+zolderleven. Alleen zou hij af en toe wat uitloopen en menschen zien.
+Hij nam dit voornemen op den raad van zijne moeder, die met leedwezen
+hem in vergetelheid eene jeugd zag bederven, die zoo nuttig aan zoo
+kostbare zaken had kunnen besteed worden. Ze had gaarne haar zoon zien
+genieten van het weinige dat de Voorzienigheid hem op zijn weg had
+geleid en ze gaf hem, met eene schijnbare onverschilligheid, te verstaan
+dat de stad vol was met behaaglijke meisjes en dat er wel een ten minste
+in den hoop te vinden was, aan wie hij zijne versche jonkheid toetsen
+kon. Johan Doxa bloosde en glimlachte. Het vijffrankstuk, dat moeder hem
+in de hand stopte, plakte in zijn vette palm en teekende er, met zijne
+harde randen, een cirkel van gewicht. Hij liep den kapotten drempel
+over, hoorde, nog de bel bingelen, gesmoord in de dufheid van het
+binnenhuisje, en drilde langs de Lage Stad om. Hij leek, in deze
+slentertochten, wel zeer op zijn vader-zaliger, haperde aan elken winkel
+en luisterde naar elk gerucht. Zijn grootst genot was bezijden de platte
+kaaien. Hij staarde half-hangend op de ijzeren leuning, naar het donkere
+water, waar het licht van den dag onrustig over al schervelend ging. Hij
+bespiedde de doening der vaartmannen op de groene booten, volgde den
+rytmischen gang der koollossers, kon, tot het gansch donkerde, blijven
+turen naar 't gewiegel van een dobberend papiertje.
+
+Het was binst deze wandelingen dat hij die twee vreemde mannen ontmoette,
+welke na korten tijd zijne vrienden werden. Zij waren allebei ouder dan
+hij. Hij deed hunne vriendschap op in de zelfde week. De eene was een
+letterkundige en katholieke pamflet-schrijver, die zich als een vurig
+werktuig van God aanzag. Hij heette Lieven Lazare. De andere was een
+bleeke lang-opgeschoten kerel, met diepe doode oogen, een breede hand en
+sproeten op zijne vingeren. Hij was tapper in de _Old Curiosity Shop_,
+een nachtkroeg naar de mode. Zijn eenige naam was Anatole. Lieven Lazare
+was een groot, breed man, hooggeschouderd, met ronden kalen kop waar een
+stekelige snor haast een klein-bolle neusje wegvlekte. In zijne schriften,
+die eene onbetwistbare literaire waarde droegen, schold hij met ongemeene
+woestheid allen uit, die "op hun gladde harten de berrie torschen van het
+Gulden Kalf" en, in het bijzonder, de priesters en prelaten. Zijn werk
+"Ploerten" was een kostelijk autobiografisch verhaal, waarin hij zijn
+kristelijke liefde en, als met geweldige geuten, zijn schrikkelijke haat
+uitstortte. Hij sprak er van Johan Doxa, gelijk van een "uitverkoren
+wezen, hetwelk uit de vroomheid van gothische tijden onbeholpen te midden
+van de tartende ketterij der encyclopedisten gesmeten werd." Anatole was
+een tegenovergesteld wezen. Hij had een oolijk aangezicht, vol met de
+uitdrukking van dubbelzinnige schuchterheid en onkuische bedoelingen. Hij
+zong zeer mooi en kende een aantal allerliefste liedjes, welke hij, op de
+viool en de cither, deed begeleiden door zijne vrienden Biebuyck en
+Donkerwolck. Met deze twee kwam hij, des Zondags, Johan Doxa op zijne
+zolderkamer gezelschap houden. Zijn aardige stem kwinkeleerde tegen de
+pannen-bedekking, en de snaardoozen tjokkelden sierlijk de maat. 's Avonds
+was hij tapper. Hij vertelde zoo lekker van het diverse spektakel in de
+_Shop_, en zijne twee vrienden, die daar in een klein concert meerendeels
+werkzaam waren, bevestigden met knikken en ooggeknip zijne heerlijke
+verhalen.
+
+Van Anatole hield Johan Doxa zeer. Lieven Lazare vreesde hij duchtig,
+maar had hem meer innig, meer van binnen en uitermate lief.
+
+ * * * * *
+
+Op een middag kuierde Johan Doxa langs de Papenvest. Hij was zeer
+droevig want het groene sijsje had hij 's ochtends dood gevonden. Hij
+drumde tegen de muren en zag langzaam de vierkante straatsteenen onder
+zijne voeten wegslieren achterwaarts. De stad was blauw en luchtig. Eene
+zilveren Junizon blikkerde op de huisgevels, danste tegen de ruiten,
+poeierde in de klare ruimte trillend uiteen. Hij dacht weer:
+
+"Het groene sijsje is kapot!"
+
+Het zeurde aldoor in zijne hersens en hij luisterde binstwijl naar de
+duidelijke herinnering aan het licht-tikkende vogelgezang. Om hem
+zilverde de zingende zon, maar grijs en zwaar nevelde zijn treurende
+gedachte: het zou er nu mee uit zijn, het groene sijsje is kapot....
+
+Zoo kwam hij in de Papenvest. Op den drempel van een oud huis stond eene
+vrouw. Zij was groot en blozend en hare huid schoot op uit haren rooden
+halsdoek, gelijk eene klaarte vol zoetigheid. Ze lachte stille. Ze
+lachte stille, stille. Johan Doxa slenterde voort. Het docht hem ineens
+dat eene ongekende lustigheid zijn hart kwam vervullen met al de weelde
+van een geheimzinnig gevoel. Hij wilde wel zijn hoofd omdraaien, en het
+oude huis herzien, en den drempel, en dat wondere beeld van vleesch....
+Hij slenterde maar, keek niet achterwaarts, strompelde scheef-beenend
+over de ongelijke kasseide, en aldus gebeurde het dat hij smoorlijk werd
+verliefd.
+
+Hij stiet het groene hekje open, zoodat de bel ommentweer snokte en
+leelijk door den gang lawaaide. Hij klauterde ongemanierd langs de
+steile trap, ademde haastig, pletste met zijne warme vingeren op de
+vochtige trapleuning. Hij geraakte in zijne lage zolderkamer, bleef
+dwaas in het deurgat staan en staarde, met nuchtere verwondering naar
+de zwarte ekster, die aardig op den rand van den blauwen tabakspot te
+glarien zat. Zij roerde haren kop niet als hij hard-stappend binnentrad.
+Zij bleef rechtuit blikken met hare zwart-gulden vliemige oogjes, heel
+bedaard, alsof ze zeggen wou: "Daar hebt ge 't nu! Heb ik het al lang
+niet voorspeld?"
+
+Johan Doxa zette zich neer op zijn plat-bedekt bed en kruiste zijne
+handen over zijne knieen saam. Het eekhoorntje draaide in zijn roerenden
+tralietrommel en stak zijn staart kaarsrecht omhoog. Op de tafel lag
+eene schoone nieuwe pijp in bleek palmenhout. Het was een geschenk van
+moeder. Johan zou de steel sierlijk bekerven en opkleuren met roode
+witte en groene streepjes en ze omranden met fijne blauwe cirkels. Nu
+bekeek hij van verre de pijp en hij dacht aan de blanke keel die zoo
+rijkelijk boven de scharlaken doek-verve oprankte....
+
+De zon pletste door het dakvenster en speelde langs de koperen snaren
+van de ledige vogelkooi. Er trilde door de lucht een zilveren
+herinnering aan het groene sijsje, en tot den dikken avond zat Johan
+Doxa, rechtover de dubbende ekster, te dubben eenderlijk.
+
+Daags nadien kwam Anatole met Biebuyck en Donkerwolck, zijn zwijgende
+vrienden, een bezoek brengen. Zooals naar gewoonte werden wat flesschen
+lambik opgehaald en moest Anatole eene rei liedekens zingen. Dit deed
+hij, terwijl Johan Doxa zeer aandachtig den bleeken steel van de nieuwe
+pijp met allerlei ornamenten overteekende. Hij zong op uitstekende wijs
+de oude deuntjes van den _Reus_, van den _Koekoek_, van het _Ros
+Beiaard_, van _Mijn moeder gaat naar Halle_, en van den _Uil_. De
+anderen begeleidden keurig, de cither tokkelde de springende zangmaat
+in rythmische brokjes en de viool vergezelde in accoord den gang van
+Anatole's buigzame stem. Het was een lieve nanoen, en er werd gedronken.
+
+Maar Johan Doxa zat, onder het volle vensterlicht, laag gebogen over de
+teerheid van zijn brooze versieringen, en hij keek niet op, en het was
+alsof hij afwezig was. Anatole lachte met hem, vroeg of hij verliefd was
+geworden, klopte vertrouwelijk op zijne schouders. Hij vertelde dan van
+de gebeurtenissen in de _Curiosity Shop_, van de mooie Roy-Dour die zich
+tegen den toog had ontkleed om een merk te toonen, dat ze op de
+linkerheup droeg. Hij vertelde met korte zinnetjes, hief met gepaste
+woorden, kort en rap, de pittigheid van een voorval op, en liet, na
+elken raken zet, op zijn wit aangezicht het dubbele barreel van zijne
+tanden blikkeren. Biebuyck stak zijn kin vooruit en Donkerwolck
+pinkoogde. De cither en de viool rondden hunne bruin-glimmende buiken op
+een stoel, naast het doode kacheltje.
+
+Maar Johan Doxa roerde noch en ruchtte. Toen vertrokken de drie
+kameraden en ze gingen sloffend en strompelend de steile trap af. Het
+groene hekje hoorde Johan Doxa rinkelen. Het huis werd stil. Hij lei de
+bleeke pijp op zijde, schoof achteruit, staarde lang opwaarts en zijne
+oogen begonnen te pikken, te sterren, te nevelen. Hij zuchtte. De ekster
+rok traag hare vleugels uit, lengde haren hals, huiverde over geheel
+haar lijf, en zette zich weer rustig en thoope, met gevouwen pootjes,
+op den pot, die blauw en bollig te blinken zat. Het werd haar alsof ze
+zeggen zou:
+
+"Mijn arme Johan, wat moet er van u geworden?"
+
+ * * * * *
+
+Het oude huis op de Papenvest was eene herberg. Dagelijks ging er nu
+Johan Doxa. Hij bestelde een half-en-half en bleef zitten, rechtover de
+deur, tot eens de vrouw, die als een groote onrust over zijne ziel woei,
+daar zou voorbijgaan. Ze woonde op de eerste verdieping. Ze heette
+Julia. Ze was, een dik jaar geleden, getrouwd met een treinwachter, die,
+tien dagen na zijn huwelijk, in een spoorweg ongeval was omgekomen. Ze
+leefde alleen en naaide. Als Johan in de herberg zat, zag hij ze vaak
+omloopen in de gang. Ze lachte luid of zong. Ze had eene klare golvende
+stem, die door gansch het lichaam van Johan sidderde en er een ongemak
+veroorzaakte, dat het bloed naar zijne slapen joeg. Hij dierf haar niet
+aan te spreken, maar zijne vingeren beefden en zijn adem zwol. Het docht
+hem dat hij zou gaan licht worden als een vlam en opspringen tegelijk en
+ijlen naar de dartele deerne die, boven de vurige kleur van haar
+borstdoek, hare klinkende keel opklaren liet.
+
+Telkens kwam hij moedeloos, uitgeput en zonder hoop weer thuis. Moeder
+Doxa, van tusschen de arlekijnen en het suikergoed, daar achter den
+duisteren toog, merkte iedermaal zijn treurend uitzicht. Ze
+vermeerderde, gelijk zij kon, het bedrag van zijn zakgeld, en knikte hem
+heimelijk toe, hem oolijke stootjes gevend en nafluisterend van de
+blonde dingetjes, die er allentwege omliepen in liefelijke gretigheid.
+Hij glimlachte zachtekens mede en voelde den dwazen blos uitgloeien, als
+pioenen, op zijne heete wangen.
+
+Het liefst zat hij op zijn kamertje. Hij werkte er aan de
+miniatuurversiering van de palmhouten pijp. Hij schilderde er laaie
+harten, en doornen, en rozen, en, in schoonverluchte letters, den naam
+van Julia. Dagen lag hij over dat buitengewoon bedrijf gebogen, en hij
+verrijkte het telkens met nieuwe kleurverwikkelingen.
+
+ * * * * *
+
+Eens ontving hij een kaartje van een heer, die hem wat dringends te
+vertellen had en hem verzocht om bij hem, als mogelijk, aan te loopen.
+Johan Doxa herlas driemaal te reke het adres, en begon daarna het zweet
+weg te vagen, dat in zijn haar kittelde en op zijn voorhoofd te perelen
+stond. De heer woonde op de Papenvest, in het oude huis, eerste
+verdieping.
+
+Te valavond begaf zich Johan Doxa toch op weg. Wel beefde hij en
+wankelde haast terwijl hij de piepende trap opging. Hij stond voor de
+deur en wilde zich nu eerst eens goed bedenken. Hij bedacht zich eens
+goed, zuchtte en besloot maar weer de trap af te dalen. Toen juist
+sprong het slot en in de vrije klaarte stond daar de weelderige Julia.
+Ze groette hem bij zijn naam en bad hem om binnen te komen.
+
+Hij ging. Het werd zeer warm en de lucht woog, stikkend heet. De kamer
+was zindelijk en helder van kleur. Een vierkante kachel puntte zijn
+glimmende koperknoppen onder de schaduwkap van den schoorsteen. De tafel
+was bedekt met een oranje ammelaken, groen-bespikkeld en hard. Tegen den
+muur stond het breede bed, de sargie half-omgeplooid en het witte
+hoofdkussen bloot in het midden. Johan Doxa zag dit alles tegelijk, in
+een waterig zicht van vloeiende dingen. Hij zag Julia. Hij zag haar
+roode doek, haar blanke boezem, haar natten mond, hare oogen,--beweeglijken
+gloed....
+
+Hij zette zich. Ze sprak van het kaartje--dat het een onschuldige
+leugen was, dat zij wel wist dat hij op haar persoonlijk aandringen niet
+komen zou, dat zij het overigens nooit had durven schrijven op haar
+eigen naam, dat zij nu van hem verlangde dat hij haar portret zou
+schilderen. Ze sprak meesmuilend en vleiend, vingerde verlegen over haar
+borstdoek, ontsloot het onwetens, en lachte, lachte. Ze wipte dan op,
+bloosde minzaam en zette eene flesch met zoete likeur op tafel. Ze vulde
+de kleine glazekens. Haar lichaam bukte voorover, heel dicht aan bij
+Johan, die de buigzame elegantie van haar leen bijna onder de hand te
+bewonderen kreeg. Ze draaide rond hem, raakte met haar zwaaiende rokken
+zijne knieen, welke hij met wanhopige beleefdheid probeerde onder de
+stoelsporten te steken. Ze dwong hem te drinken. Hij dronk een half
+slokje en slikte verkeerd. Ze knikte hem toe, ze wachtte....
+
+Daar kwam eene stilte. De stilte druppelde tikkend uit de kast van een
+eiken horloge. Julia had hare beenen overeen gekruist en toetste met het
+tipje van haar wiegend voetje nijdig en matelijk de losse broekpijp van
+Johan Doxa. Johan Doxa zweeg in extase. Toen sprak ze, met een zucht
+opnieuw, van het portret, en Johan Doxa, terwijl hij zijne blonde
+krullen schudde op zijn nek, en eene toenemende zekerheid den blik van
+zijne blauwe cherubijnoogen vastzette in zijn rond-vette aangezicht, zei
+nu, al wuivend met zijne korte armen ... eigenlijk zei hij nog in het
+geheel niets, maar hij wist wat hij zeggen moest en wuifde met zijn
+korte armen. Hij zou zeggen:
+
+--"Berust hierover op mij, Mevrouw. Ik zal uw portret maken, al moest
+het mij, twintig jaren lang, een dagelijkschen arbeid kosten. Het zal
+mijn meesterwerk zijn, Mevrouw. Ge zult op het doek in de verf zitten,
+zooals in een spiegel. Aan ijver zal het mij niet ontbreken, want uw
+beeld verlaat nooit mijne eenzame gedachten en gij zijt de godinne die
+oprijst, gelijk een dag vol zonnegoud, over mijn onwaardig hart. Vergeef
+me, als ik te lang misbruik maak van uwe gastvrijheid, Mevrouw, maar ik
+wenschte u te zeggen wat het beduiden wil, een hart dat bewoond is door
+een zondige liefde. Liefde, ik heb het uitgesproken. Wees niet boos. Ik
+zal u algauw van mijne rampzalige tegenwoordigheid bevrijden. O! Gij
+zijt te wel opgevoed om mij de deur uit te gooien. Ik begrijp u,
+Mevrouw. Ik dank u, Mevrouw. Voor mij niet, alsjeblief, nee, dank u wel,
+geen drank meer. Met mij hier langer op te houden, keurt gij eene
+vermetelheid goed die zich over haar zelve schaamt. Ha! Ik ken mijne
+plichten! Ik zal uw portret maken, Mevrouw, tot het uiterste haartje.
+Vrees niet. Wat de betaling betreft, kijk er niet naar om, bid ik u.
+We zullen dat wel regelen, later, met maandelijksche afkortingen, bij
+voorbeeld. Goeden avond."
+
+Alzoo in zijn binnenste redevoerend was hij opgestaan. Gelijk vlammen
+schoten al de woorden door zijn geest voorbij. Dan wilde hij ze
+weerhouden, ze op zijn tong brengen, ze vrij in klanken loslaten. Maar
+ze waren weg. Een pak lood zat hem in den mond, iets dat hij noch
+neerzwelgen noch uitspuwen kon. Een onnoozele glimlach stak twee lieve
+putjes in den blos van zijne poezelige bolwangen en hij werd ineens zoo
+gelukkig, zoo gelukkig, dat hij er bang van werd. Hij was bang dat die
+zaligheid mocht ophouden, of dat ze hem mocht ontstolen worden, en hij
+wilde er mee wegvluchten. Hij zei:
+
+--"Goedenavond ... Goedenavond...."
+
+En vluchtte inderdaad.
+
+ * * * * *
+
+Moeder Doxa was niet weinig gelukkig, als ze nu, in zijn zolderkamertje,
+haar zoon Johan hoorde zingen van den morgen tot den avond. Hij wilde
+haar echter niets van de heerlijke gevallen zijner liefde bekennen. Hij
+had aan Julia een langen brief geschreven, waarin hij haar vergeleek met
+de hemelsche melkbaan, want haar huid was blank en zilverig, en er
+vloeide daaronder eene room zoete klaarte, welk met den gloed van het
+roze bloed aan het stralen ging. Hij zond haar, in een keurig pakje, de
+kostbare pijp, als een teeken van de verduldige passie, waarmede hij
+haar sinds maanden aanbeden en verbijd had. Haar naam praalde op den
+steel in een kunstig gewirrel van bonte ringetjes en punten en
+droppelkens goud.
+
+Zoo vervloog de gevleugelde tijd. Johan Doxa zat neuriend onder het
+ledige muitje. Het loodrechte licht viel uit het vierkante dakraam op
+het vlakke schilderdoek en de glanzende lokken die, langs Johan's
+slapen, al bellend erover hingen. Hij penseelde vlijtig en traag. Het
+struische gelaat van Julia kwam, ietwat magerder, op den bruinen
+verfgrond te voorschijn. Hij schilderde haar uit het hoofd, legde
+parelen om heure haren en licht gebloei daarlangs. Een doorzichtig
+keurslijf lag losjes open op haar boezem, en ze hield een dubbele dahlia
+in hare rechter hand. Voor haar, op de tafel waar ze statig aanzat, was
+het of ze zoetekens over een mandje met allerlei bloemen vingerde.
+Bloemen waren overal rond haar,--tulpen en leeljen in waaiervormigen
+tuil opgroeiend uit een groote zilveren vaas, rozenranken langs het raam
+van 't venster, en een karmijnen koningskroon in een blauwen,
+familiairen tabakspot.... Aan den eenen kant zat de ijverige eekhoorn,
+aan den anderen de dubbende ekster; maar het sijsje was er niet. Het
+gansche portret was een eigenaardige menging van levend licht en doode
+herinneringen, tegare gewisseld in een gladde verve van subtielen toon.
+Johan Doxa borstelde aandachtig erlangs en eromme, slierde met haarfijne
+nauwkeurigheid rond den bleeken dons van het vlezige aangezicht en
+tooverde traag een vollen dag in de starende strakheid der glimlachende
+oogen. Hij was bovenmatelijk in zijn schik. Het eekhoorntje draaide
+binnen den zacht-ronkenden traliemolen. Maar aan Lieven Lazare zei hij
+niets van dat alles. Hij hield in dien tijd niet veel van Lieven en
+vluchtte zijne strenge redeneeringen. Er bleef van dat acute gepreek bij
+Johan Doxa iets over, dat onduidelijk op wroeging leek en naar een
+geducht berouw leiden moest. Het docht hem halvelings dat hij, met de
+gebaren van zijne vreemde liefde, aldoor zondigde tegen de behagelijke
+wetten van God. Lieven Lazare benaderde in slaande bewoordiging deze
+zedelijke zwakheid en raadde precies de ongemakkelijke stemming, waar,
+binst zulke oogenblikken, zijn vriend Johan gekluisterd zat. Hij liet
+niet na hem hierover met goddelijke wreedheid te berispen.
+
+--"Gij zijt, mijn jongen", sprak hij, "overvallen door de mistige
+monsters der tempteering. Ik zie u spartelen tegen de satanische
+belegering en uw hart schijnt me toe als een poppelend schuchterheidje,
+een angstig asemtje, een gesmoorde kreet.... Zijt ge onkuisch mijn
+vriend?"
+
+Johan Doxa verklaarde haastig dat hij zuiver en gezond was gebleven. Hij
+vreesde de sterke waarschuwingen, welke hij in den naam van God en langs
+God's eigen woord ontving, en zoo kwam het, dat hij het gloeiend geheim
+van zijne blijde gedachten voor zich zelf bewaarde, verborgen en eenzaam
+op het lage zolderkamertje, tusschen het vlakke portret, de blauwe
+tabakspot, de peinzende ekster en het triptrappende eekhoorntje.
+
+ * * * * *
+
+Op een avond gebeurde echter een ongemeen geval. Johan Doxa wandelde om
+de platte kaaien van de breede vaart. Het was een najaarstijd. Een
+druppelende nevel hing over het water en de gele lanteernlichten vlekten
+wijdopen op de dichte damplagen. De avond was dik en rot. Rappe menschen
+schoven voorbij of een eenzame wagen waggelde gelijk een ruchtbare
+schaduw door de grijze massale duisternis. Op de ijzeren brug die naar
+de dokken leidt, bleef Johan stille staan. Hij staarde naar de klotsende
+vaart waar het roode licht van een signaalbord roerend brokkelde. Een
+stille zwarte boot gleed binnen de misten. Men hoorde het verre geronk
+en de belrinkeling van een zoevende elektriektram. Johan Doxa dacht,
+naar gewoonte, aan zijne heldere toekomst, want hij placht gaarne het
+beeld van zijne liefde te verplaatsen in de zonnigheid van een komende
+welvaart. Hij zag zeer duidelijk het huisje met de oranje luiken, den
+wilden wingerd boven de deur, het zomerlicht op den drempel. Hij zag den
+haard met de zoete warmte en den zoeteren vrede. Hij zag Julia. Een
+stille boot voer, zwart en water-roerend, onder de brug, en het roode
+signaallicht kronkelde langs de schokkende golfjes. Het sloeg negen uren
+op den ouden Kathelijne-toren.... Hij kuierde de dokken voorbij, keerde
+om naar de Vischmarkt en sloeg een smal steegje in, dat op den hoek van
+het Zaterdagsplein uitzicht gaf. Hij had zijne handen in zijne
+broekzakken gestoken en ging al fluitend. Op het Zaterdagsplein stond
+een driearmige gaslanteern en, juist onder de gele klaarte, een
+onbeweeglijke politie-agent. Johan Doxa zag hem pas als hij heel dicht
+bij hem genaderd was, want de nevel dikte nu tallenkant zoo zwaar, dat
+de straten op vierkante holten leken, waar verwijlde een vette smoor.
+Johan blikte even naar den politie-agent op, dewelke, paalrecht onder
+zijn opgestoken kapeline, rustig te rooken stond....
+
+Maar ineens begon Johan Doxa te loopen, te loopen alsof hem een
+schielijk gevaar op de hielen zat. Hij hield niet op voor hij de
+Zes-penningenstraat bereikte. Hij struikelde hijgend tegen het groene
+hekje en sukkelde wild-blazend de trap op. De leuning piepte en de
+trapberden kraakten. Hij stak op het zolderkamertje eene kaars aan,
+die hij op den kant van de tafel plantte en zakte toen op zijne knieen,
+geheel dooreen, als een halm door de zeis getroffen.
+
+De ekster zat niet op haar rustige plaats. Ze vleugelde angstig over de
+geel-bruine bedsargie en hare gloeiende oogjes blikkerden buitengewoon.
+Ze trachtte met wippende sprongskens en klein gekrijt de aandacht van
+haar bedrukten meester naar het spectakel van een leelijke gebeurtenis
+te lokken. Johan evenwel lag op het plankier ineengedrongen en drukte in
+zwijgende wanhoop zijne ellebogen op zijne knieen, en keek halsstarig
+voor zich uit. In den geluidloozen tralietrommel hing het eekhoorntje,
+dat dood was gegaan.
+
+ * * * * *
+
+"Anatole", zei Johan Doxa, terwijl zijn bleeke vriend op den rand van
+de ijzeren koets zijne nagels schoon maakte en, daarnaast, de witte
+gezichten van Biebuyck en Donkerwolck boven de gele heupen van de viool
+en cyther opgeschoten, "ik zeg het u, zoo lange dagen en dagen heb ik
+over dat ding te zwoegen gezeten. Hebt ge de lieve madeliefjes gezien,
+die ik langs een wiegend thema van blaadjes en knopjes op den steel
+geschilderd heb? Gij waart vaak de verwonderde getuige van mijne
+verduldigheid. Het groene sijsje zong perelend onder ginds vierkante
+zonnelicht. Het eekhoorntje draaide. Ja, mijn vriend, ik heb dat werk
+versierd met een warm stuk van mijn innigste gedachtenleven. In den
+dikken nevel almeteens pletste het brutale mannengezicht open, gelijk
+een vieze vloek. Het was op het Zaterdagplein onder den driearmigen
+lantaarn. Hij rookte dus uit mijnen pijp. Vraag mij nooit iets meer
+daaromtrent Anatole. Ik heb u immers alles verteld...."
+
+Anatole vroeg evenwel nog hoelang ze met den politie-agent getrouwd was,
+maar Johan wilde geen woord meer reppen. Hij stond leunend tegen het
+kleine tafeltje. Zijn blonde krullen hingen verward over zijne ooren en
+hij staarde op de vloer, waar de ekster een hoop witte kruimels uiteen
+bekte. Anatole zong het liedje van de _Drie Gezellen_, en daarna
+een ander nog, van het _Euverzwijn_. De dag was grijs en triestig
+en de schaduwsluierde stille langs de muren.
+
+ * * * * *
+
+Johan Doxa was nu een zeer onrustig mensch geworden. Des nachts sliep
+hij niet en over dag liep hij het huis op en af, of drilde gichtig de
+Lage Stad omme. Moeder Doxa merkte alweer dadelijk het vreemde verschil
+en zij wist geen raad om haar pover kind tot een betere stemming te
+brengen. De moedelooze toestand van Johan brak uit in zonderlinge
+uitslagen. Hij werd gefolterd door pijnlijke verlangens en zijn
+verbeelding was vol met duizelige tafereelen. Terwijl hij slapeloos op
+zijn sponde lag, recht uitgestrekt, kwamen de mistige vormen van zijne
+gedachten door de lauwte van het kamertje varen. Ze wiegelden in de
+lucht zooals wuivende sluiers en ze hadden de kleur van de roomblanke
+huid, waaronder zacht-roze vloeit het gloeiende bloed. Ze naderden zijne
+heete lippen en hij hijgde ongelijk en de nacht rok zich uit, alsof
+nooit de vrije dag zou klaren.
+
+Anatole vertelde hem van het lichte leven en van de jolige jeugd. Hij
+zag, bij elk woord dat zijn listige vriend fijn uitteekende met zijn
+naakten mond, het gebaar en de weelde van die ongekende pleizieren,
+waaronder vlamt en wappert het dansende vuur van rappe passie. Hij werd
+nieuwsgierig, trachtte met oolijke wendingen de verscholen
+bijzonderheden te kennen en zijn geest was altijd op zoek, een versch
+beeld beloerend dat uit een ongezond toeval van detailleering kon
+ontstaan. Hij vluchtte al meer en meer de bezoeken van Lieven Lazare,
+die, met orakels en profetieen, zijn opgejaagde hersens in de war hielp,
+maar des te gretiger liep hij het bleeke gezelschap van Anatole na.
+
+ * * * * *
+
+Op een dag werd besloten dat Johan Doxa naar de _Old Curiosity Shop_ de
+kameraden Donkerwolck en Biebuyck vergezellen zou. Er was dien avond een
+klein concert in de bovenzaal en Johan moest den triangel slaan. Zoo kon
+hij alles eens goed aflonken en er zich een eigen oordeel over maken.
+Ze gingen met hun drieen. Ze bereikten de bovenzaal langs een klein
+diensttrapje en dit was gelukkig, want er zat veel ruchtig volk in de
+grootere consommatiekamer en Johan zou nooit de krasse uitroepingen te
+boven gekomen zijn, waarmede men daar zijn drollig-vet voorkomen en zijn
+zeldzaam aangezicht hadde gegroet. Hij werd tusschen Biebuyck en het
+klavier geplaatst en hij keek beteuterd rond. De zaal was zeer helder
+verlicht. Groote elektrische klokken hingen tallenkant, gelijk ongemeene
+bloemen, te stralen. De wanden waren behangen met een scharlaken
+brokaat, dat tegen de zoldering langs gouden festoenen en kleine
+empirekransen fronste. Spiegels hingen links en rechts in zilveren
+lijsten te klateren. Drie kleine tafels stonden op het karmozijne tapijt
+en groote krysanten pronkten er tenden den glimmenden hals van hooge
+porseleinen vazen. Een lakei in groene livrei liep in drukte rond,
+schikte de satijnen zetels en de sofa's waar rustten, als vlekken zon,
+ronde hard-gele kussens. Het was erg warm. Men hoorde, in de
+benedenkamer, het geraas van het drinkende volk. Een klein uur
+vervloog....
+
+Toen werd het teeken gegeven dat de muziek spelen moest. Ze klonk
+ongezellig binnen deze ledige kamer en Johan Doxa voelde in zich eene
+holle ellende, gelijk een kelder vol triestigheid. Maar de dubbele deur
+werd opengeduwd en eenige bejaarde heeren traden binnen. Ze babbelden
+ondereen en waren hier thuis. Ze zetten zich in de mooie zetels en de
+lakei bracht kaarsen en sigaren en ze begonnen te rooken. Koffie werd
+opgediend. Enkele dronken gulden cognac uit fijne hooge glaasjes. Dan
+kwamen de dames.
+
+Ze kwamen langzaam en glimlachend. Hunne stemmen zilverden boven de
+muziek heen en hunne blikken blonken dwaas door de geweldige verlichting.
+Ze waren in lichte bonte dracht, bespikkeld met de glanzen van duizenden
+gesteenten, en hunne armen, hunne amberen schouders, hunne ronde halzen
+waren bloot. Hun boezem was beschaduwd door de mauve doezeling van een
+rankje bloemen of met een teere sluier gekleurd. Ze groetten en knikten
+en de heeren slurpten aandachtig aan de witte randden van de nauwe
+kopjes koffie, die krullend opdampte langs hun roode gezichten.
+
+De lakei stond kaarsrecht, bij de dubbel deur, in heerlijk Veronese-
+groen.
+
+Het was omtrent dien tijd dat ook de ekster stierf op een morgen van
+dien grijzen winter. Johan Doxa lag op zijn bed en zag in de rijzende
+ochtendklaarte hoe zij al meteens te vleugelen begon. Ze klampte zich
+ongedurig vast aan de gladde randen van den blauwen tabakspot, zakte
+plots ineen, stortte voorover en rolde op haar rug. Nog bibberden hare
+pootjes. Ze rok een laatste maal hare keel uit, over het berd van de
+tafel, en roerde daarna niet meer.
+
+Johan stond in zijn hemd bij de tafel. De ekster bekeek hem met hare
+scherpe oogen en het was of ze, in haar uiterste vuur, zeggen wou:
+"Kerel! Kerel! wat ga-je nu doen zonder mij?" Ze stierf.
+
+Het zolderkamertje werd hem sindsdien een duisterheid zonder genade.
+Hij kon er niet meer zitten, zooals eertijds, want, al had hij ze ook
+weggegooid, daar hingen altijd het vogelmuitje en de tralietrommel en
+daar zat, op zijn blauwen buik, de glanzende tabakspot. Hij sprak
+hierover met de goede moeder Doxa, achter de toog van het vunzige
+poppenwinkeltje, en, de volgende week, verhuisde hij. Hij betrok een
+kleine kamer onder het dak, in het oude huis van de Papenveste en
+schikte er zijn ijzeren bed en zijn verschilligen schildersboedel.
+
+ * * * * *
+
+Het was daar een raar leventje. Straatvloers woonde de herbergier, op
+de eerste verdieping huisde Julia met haren nieuwen echtgenoot, op de
+tweede lawaaide de weduwe Sikkel, met hare negen kinderen, en hooger op,
+onder de pannen, nestte Johan Doxa, geheel alleen. Deze verandering van
+midden was hem zeer voordeelig. Hij werd rustiger, stilde in zijn
+hersens de ziekelijke opgejaagdheid, die er eene monsterachtige
+verbeelding voedde, en hernam zijn ronde palet. Allengerhand begon hij
+klaar te zien in de troebele gronden van zijn hart en hij geraakte tot
+een helder zicht van zijne liefde. Hij legde dit uit in een kort gesprek
+met Anatole:
+
+--"Alles om mij", zei hij, "bezakt en bedaart. Begrijp goed, mijn
+vriend, dat ik een ben, die de geschoren stoppelhaartjes van een baard
+te tellen pleeg. Hoe heeft me die spijtige gebeurtenis beroerd en
+gekoterd, ach! Stel u dat onweder voor. Nu is de roes gezonken. Ik kan
+weer schilderen. Ik bemin Julia meer dan ooit, maar nu weet ik precies
+hoe vurig en hoe lang. Ik ben nu ook veel gelukkiger. Wel ja! wat
+glimlacht ge? Ik ga langzaam de trap op en af, en soms hoort ze mij,
+en ze trekt haar deurtje open en ze knikt liefelijk of zegt met
+onuitsprekelijke innigheid: "Hoe vaart ge, mijnheer Doxa?" Andermaal
+ontmoet ik haar beneden, in den gang voor de herbergzaal. Ze loopt me
+nooit onbeleefd voorbij, zooals zij wel het recht zou hebben te doen,
+zal u toch dunken. Zij komt ook aleens op mijn kamertje en zij wil mijne
+schilderijen goed vinden. Ik werk veel om haar wat te kunnen toonen;
+maar ik verkoop ongaarne, wat zij met hare lieve oogen heeft opgemerkt.
+Zij zet mij nochtans tot verkoop aan, en ik kan haar niets weigeren.
+Zij is, sinds haar huwelijk, zeer arm. Ik ben blij dat ik haar soms een
+beetje helpen kan al is zij ook daarom uitermate verlegen. Zoo leven
+wij, mijn beste jongen. Och ja! En de man, de politieagent, die is
+insgelijks vrij aardig. Wij zijn goede kennissen en gaan reeds op een
+vriendschappelijken voet om met mekaar. Wij drinken bij gelegenheid een
+half-en-half bij den herbergier beneden.
+
+"Hij houdt veel van duiven, en hij doet mee aan prijskampen. Ik heb hem
+dees gedeelte van mijne kamer afgestaan en, zie maar, hij heeft er een
+groot duivenkot opgetimmerd dat met een witten kijker uitzicht geeft
+op het dak. Wat kan het mij schelen? Ik doe dien mensch pleizier. 's
+Morgens, al heel vroeg, terwijl ik nog te bed lig, komt hij de duiven
+eten brengen. Ik laat mijn deur maar open en hij kan gemakkelijk binnen.
+Hij kruipt op een stoel, ontgrendelt het kot en spreekt zachtaardig de
+zoete beesten aan. Gaarne hoor ik de maiskorrels dansen op de houten
+berden en de duiven aroetekoeen van genot. Daarna kan ik somwijlen weer
+wat inslapen. Alleen de reuk hindert me.... Ja, inderdaad, mijn waarde
+vriend, dat is hinderlijk. Het komt bij wijlen met vieze walmen omlaag.
+Kijk! dan zet ik het venster open en loop een uurtje langs de dokken, en
+'k zie nog het snoezig lachje van Julia in het deurgat, gelijk een vol
+gestreel van de zomerzon. Haar man heet Firmien. Ik ben nu aan een doek
+bezig dat ik voor hem bestem: het verbeeldt, in een krans van
+voorjaarsbloemen, het liefdegedoe van twee aschblauwe rasduiven. Ik moet
+zijne twee bestvliegers uitschilderen, zegt hij. Dat zal ik doen. Hij
+wil het schilderij laten in een kostelijken lijst ophangen boven zijn
+bed, en daar past het waarlijk voor. En zoo, Anatole jongen, komt de
+trage vriendschap de onstuimigheid van tijdelijk misbaar vereffenen, zoo
+loopt, al spelend, het zangerige beekwater de ruige keien glad. Des
+Zaterdaags ga ik met Firmien in de Halve Maan een paar uren kaarten. Ik
+ben hem dankbaar. Hij doet het voor mij, zegt hij, want hij zelf heeft
+altijd het noodige geld niet op zak om de verloren pinten te betalen.
+Men tapt in de Halve Maan een uitmuntend bier. Vooral de geuze is
+lekker, maar ge moet hem aan de ton bestellen en hem stille drinken. Hij
+perelt gelijk een julimorgen en hij vloeit zooals het licht van de maan,
+wanneer het, bij diep-blauwen najaarsnacht, lui en weelderig uit de
+violetten hemelvaten neerspoelt,--lui, en weelderig, en geluideloos."
+
+ * * * * *
+
+Johan Doxa zou het nooit over zijn hart krijgen om kinderen onzacht te
+behandelen. Hij leefde in groote kameraadschap met de negen kinderen van
+mevrouw Sikkel. Mevrouw Sikkel zond hem de lieve bende--met uitzondering
+van de drie oudsten die school gingen--telkens als ze buiten huis op
+boodschap moest uitloopen. Dit had ze ook nu, binst dezen mooien
+Lentenanoen, gedaan en, om de gewone dienstwilligheid van Johan niet te
+misbruiken of te belasten, had ze het kleinste bengeltje medegenomen.
+
+De kinderen lawaaiden binnen het gekalkte kamertje en ze werden wilder
+naarmate ze merkten dat Johan vrede ermee had. Ze zetten de stoelen
+opeen, klauterden op de tafel, verfden mannekens op den muur en speelden
+paardje op de buis van den kachel. En paar hadden voorgenomen om in het
+duivenkot te kruipen, maar dit werd streng verboden. Ze hadden de kast
+opengetrokken en kleedden zich aan met hemden en vesten. Ze maakten een
+heerlijke pret en Johan Doxa glimlachte genoeglijk bij die leute van het
+rumoerig volkje. Hij liet de heimelijke pagadders, alsof hij 't niet
+merkte, aan zijne broekpijpen snokken. Hij speelde eindelijk zelf mee,
+zat, op zijne knieen naar de kleinen te grabbelen en lengde zich soms
+plat uit op zijn buik. De snoezige lievertjes sprongen op zijn rug,
+knepen in zijne billen, trokken met zijn haar, vielen hem al tegelijk
+aan en begonnen te stampen en te vuisten. Hij richtte zich moe en
+zweetend op ten halve en wreef, dwaaslachend, over de roode vlekken,
+welke in zijn gelaat waren geschart. Een jongetje liet een verfpot
+omvallen en streek de roode kleur met een kleerborstel open. Een ander
+knipte met een beroeste schaar in een fluweelen borstdoek, en had zich,
+om tot dit aandachtig bedrijf gemakkelijk te zitten, op het hoofdkussen
+van het bed gezet. De zon stortte door het dubbele dakvenster en de
+duiven, achter de riekende berden, troetelden vertrouwelijk. Toen werd
+de deur ruw opengestoken en Julia stoof rokwaaiend binnen, zoodat het
+luttel kindergepeupel versteend bleef in vreezachtige roerloosheid en
+Johan, als verslagen, daar onbeweeglijk zich te schamen lag. Hij sprong
+dan recht en Julia viel schreiend in zijne armen.--"O Johan! mijn lieve
+Johan!"
+
+Het was een roerend schouwspel en Johan, die alle bewustzijn verloor,
+streelde met zijne bevende vingeren over haar hoofd en op hare
+schouders. Pas na een dikke stonde begreep hij uit de stootende woorden
+van de hopelooze Julia dat de politieagent schielijk op straat aan
+beroerte gestorven was. Hij begon stille te weenen en zijn hart was zeer
+aangedaan.
+
+ * * * * *
+
+De dagen, die hierop volgden, slierden langs een grijze reke voorbij en
+Johan Doxa herkende zijn eigen niet. Hij zat op zijn kamertje te dubben
+en zijn ongemak bleef duren. Hij at niet, telde de morgens en de avonden
+niet en de nachten vervulden zijn geest met beelden van onredelijke
+verschrikking. Lieven Lazare kwam hem opzoeken, sprak hem van de
+goddelijke inzichten, die hem hadden tot een vod van schande gemaakt.
+
+--"God heeft mij den weg gewezen naar uw sponde, Johan" zei hij. "Ik heb
+gevoeld dat ik u vinden zou in onzeggelijke vertwijfeling en daar ligt
+ge nu--een wrak van zielloos vleesch op de baren van uw opgebiechte
+zinnelijkheid. O mensch, ik herhaal en ik herhaal het u: eene kwaal van
+helschen oorsprong bijt u, gelijk een kanker, aan het hart. Raad ik het
+niet? Maar neen, de ingevingen van den Eersten Persoon, welke mij op dit
+oogenblik bezielen zijn onbedrieglijk en gij moogt niet langer weigeren
+uwe zonden te biechten. Red u, als er nog tijd toe is."
+
+Het bleek genoeg uit de koppige stilzwijgendheid van Johan, dat hij alle
+poging tot redding opgegeven had. Op een schoonen dag van het voorjaar
+werd het huwelijk van Johan en Julia in de kleine Kathelijnekerk door
+een korten priester gezegend. Ze kwamen op het zolderkamertje inwonen en
+sleten er een gemengd leven van geluk en trage treurigheid. Johan ging
+alle nanoenen slenteren langs de hooge stad, gejaagd drillend door de
+straten van de Kappellewijk of opkruipend naar de steile gangen van het
+massale Gerechtshof. Zijn haar wippelde haast ongekamd over zijne ooren
+en zijne broek slodderde op zijne kuiten. Hij luisterde naar de piepende
+muziek der draaiorgels en tuurde naar de doening van kinderen en honden
+en citroenwijven. Hij had willen een schilderij maken vol met engels en
+heiligen en hij peinsde dikwijls op de rijke borduursels welke hij met
+goud en edelsteenen zinnens was heel ommendom de bonte fluweelen mantels
+te versieren. Maar hij nam zijne ronde palet niet meer op. Hij liep de
+Hooge Stad rond en daalde daarna naar de Priemstraat. Zoo volgde hij de
+zware bierwagens, die er op en neer daverden, en hij deed, voor de
+welriekende herbergen, de ledige tonnen klinken, aandachtig het uiterste
+bier opvangend in een rood-bekleurd tomatendoosje, hetwelk hij op al
+zijne wandelingen binnen zijn diepen vestzak mededroeg.
+
+
+ * * * * *
+
+
+II
+
+JOHAN DOXA
+
+LICHTMIS
+
+
+Het leven van Johan Doxa was zeer ellendig geworden, maar hij beleed het
+met prijzenswaardige langmoedigheid en kinderlijken eenvoud. Julia zijne
+vrouw, welke hij eerst zoo verduldig had liefgekregen, begon hij stilaan
+te eerbiedigen. Het ontzaglijke karakter van Julia was daaraan niet
+vreemd. Zij handhaafde hare autoriteit met een vreeselijk geweld en haar
+mond was telkens vol schrikkelijke woorden. Nooit kwam oproerlust in het
+langzame hart van Johan Doxa zwellen. Hij herkende de oppermacht van
+zijne vrouw en verdroeg zoetekens hare aanvallen. Zoo verdraagt het
+goede riet de ruzie van den stormenden wind....
+
+Maar alopeens--in 't putje van den winter--werd Julia ziek. Zij had, na
+den zomer, een korte valling opgedaan en de vele drankmiddeltjes,
+geleerde pillen en geheimzinnige baaibaden, die zij te gelijk of
+overhand gebruikte, brachten haar geen beternis. Met Februari moest ze
+te bed blijven liggen en het uitzicht van de kamer veranderde meteen.
+
+Het deed Johan Doxa zeer aan, hoewel zijne vrouw door hare ziekte in
+geen deele belet werd lucht te geven aan haar krakeelzuchtig gemoed.
+Integendeel, zij was daarbij heviger en scherper dan vroeger, en Johan,
+haar dikke man, zat dikwijls haar aan te kijken, zonder luisteren,
+idioot van dubben of zeggend in zijn benauwd binnenste:--Zij is krank.
+Zij moet doorgaan. Zij kan 't niet gebeteren.... En misschien heb ik
+ongelijk ook?!..
+
+Als het te hevig werd en de kinderen van Mevrouw Sikkel, op het andere
+verdiep, meehuilden in koor, drumde Johan Doxa de kamer uit en zakte
+stillekens de trappen af, de straten door, langs de Hooge Stad, op den
+dool tonneklinkend.
+
+ * * * * *
+
+Den Zondag van Half-Vasten kwam Anatole aan bij Johan Doxa, even na
+noenstond, Anatole was de tapper van _The Old Curiosity Shop_, de
+nachtbar der Bisschopstraat. Hij vond zijn vriend Doxa aan de sponde
+van de gillende Julia, dewelke, seffens bij Anatole's inkomst met
+aandoenlijke wanhoop te snikken begon.
+
+--"Kijk aan!" kreet ze, "kijk aan den vadsigen leeglooper! Hij vindt dat
+ik niet gauw genoeg dood ben!... Hij wil een handje toesteken!... (tot
+Doxa) Wat zegt ge?... Wat zegt ge?... Overdreven? (tot Anatole) Ge hoort
+het zelf: De woestaard zal staande houden dat ik overdrijf! Nee! dat
+springt de gaten uit! Hoor hem aan, Mijnheer, hoor hem aan, om de liefde
+Gods!... (poos tot Doxa) wien heb ik van morgen om lijzemeel gestuurd en
+wie is met een pakje macaroni teruggekomen?... (tot Anatole) 'k moet
+lijzemeel pap onder mijn ribben leggen, Mijnheer, van den doctor ...
+(tot Doxa) wien heb ik klokslag tien om een rolmops gesmeekt (tot
+Anatole) voor mijn flauwe maag, Mijnheer! (tot Doxa) en wie is na
+twaalven, weergekeerd met een platgezeten bloedpens en 'n gezicht van 'n
+dulle hoornblazer?... Of denkt gij soms dat ik genezen kan bij 't eenige
+spektakel van de walgelijke farokampernoelieen die uw gezicht paleeren?
+(klagend) Mijnheer Anatole, bezie mijne armen, bezie mij, Mijnheer, ik
+ben de schim van mezelve niet meer. Ik teer puur weg. Ik heb me
+afgewerkt voor dien zatbalg daar! En nu, nu steekt hij een handje toe,
+Mijnheer Anatole, om er mij wat rapper in te krijgen ... in den put ...
+in den put."
+
+Ze ging achterover wegzakken, in zachter gekerm, maar hief zich ineens
+recht op hare puntige ellebogen, en kreet het heesch uit in 't
+verbijsterd gelaat van den zwijgenden Doxa:--"Wat? Wat zegt ge weer?
+Dat het niet waar is? Dat ik lieg? Zegt hij dat ik lieg, Mijnheer
+Anatole?..."
+
+Het scheen dat ze al hare krachten inspande om in eene uiterste poging
+de mate van hare verontwaardiging te geven. Ze greep waarlijk met hare
+tien nagels naar de rood-ronde tronie van den stillen beuzelaar.
+
+--"Hier uit", riep ze, "hier uit!... Ne sjanfoetter, dat zijt ge, 'ne
+wijvenbeul en 'ne sjanfoetter!..."
+
+Daar ze nu, wezenlijk uitgeput, in de kussens thoopeviel, slierde Johan
+Doxa zoetekens de deur uit en schikte Anatole de blauwe sargie tot onder
+hare bevende kin. Ze had hare oogen gesloten. Hare lippen trilden nog en
+hare neusvleugels roerden even. Anatole hoorde het harde getik van den
+koperen wekker die, op de schouw, met hardnekkige onverschilligheid de
+zonderlinge kamerstilte verried.
+
+ * * * * *
+
+Op straat vond Anatole den rustigen Johan Doxa, die, zijn neus
+platduwend tegen de vensterruit van den fruitwinkel, met vlijtige
+aandacht de grauwe hobbels van een paar slabeten gadesloeg. Hij stak
+zijne hand onder Johan's arm en zij gingen langzaam in den mistigen
+vesperdag. Zij gingen alzoo een half-uur lang, zonder spreken.
+Gemaskeerde kindergroepjes liepen dansend hen voorbij. Verder, in
+naburige straten, hoorden zij het aanzettend carnavalgejoel en zij zagen
+schoone kleuren bewegen.--Ze trokken "het Zwaantje" binnen en bestelden
+een glas lambik.
+
+--"Sec!" zei Anatole.
+
+En dan alweer zwegen ze. De schuimende pinten stonden in het langblauwe
+daglicht te klaren met stil-gouden gloed. Een lange man kwam rechtover
+hen zitten. Hij was in een bedlaken gewonden en een scheef mombakkes
+grinnikte roerloos op zijn kop. Hij had roode kousen over zijne handen
+getrokken, en die lagen, vol geheimzinnige kracht, op de tafel. Men kon
+geen oogen zien binnen de holten van het grijnzende mombakkes. Johan
+Doxa, eer hij zijn glas vastgreep, vroeg beteuterd:
+
+--"Anatole, hebt ge geld?"
+
+Anatole knikte en zij dronken allebei. Drie vrouwen in manspak gingen
+zonder veel gerucht in den versten hoek der herberg zitten. Een zwart
+hondje kwam, tusschen Doxa's voeten, een handsvol garnaalsteertjes
+oplikken en keek toen op, in korte verwachting. Na een tijdje drong een
+dansende groep bonte jongelingen alover den engen drempel rond den toog.
+De bazin had het seffens heel druk en de baas, die groot en rood was,
+kwam al kouwend in het deurgat van de keuken staan, om ontzag in te
+boezemen. Dat jong gedoe deed zeer vroolijk, intrigeerde iedereen op
+goed val het uit, in hoog stemgegichel. Een blauw clownmeisje ging
+buigen over het peinzend hoofd van Johan Doxa en vroeg:
+
+--"A wel! wat hei-je met uw peterselie gedaan, kalfskop?"
+
+Johan Doxa, geheel weg met zijne vage gedachten, antwoordde goedig,
+onnoozel:
+
+--"Nikske...."
+
+En hij bezag Anatole al blozend. Toen sprak Anatole, stil in 't algemeen
+gedruisch:
+
+--"Julia sliep, als ik de kamer verliet, weet ge...."
+
+Johan Doxa deed tweemaal zijn hoofd op en neder gaan. En heel natuurlijk
+herbegonnen zij te zwijgen, daarbinst rechtstaande, alle twee te gelijk,
+om weg te gaan.
+
+Ze liepen de Camuselstraat geheel door en dronken faro in _'t Wit Paard_
+bij Susse van Maries, op 't hoekje der Anneessensplaats. Van daar zagen
+zij het dikke gewoel op de Henegouwlaan, de schuivende pakken van
+menschen, door mekaar indringend en werkend, in traag beweeg, gelijk
+dwarse zeegolven. Lachende gezichten, opene monden, grijpende handen,
+'t krioelde klaar op in de donkerte van grauwe jassen en wintermouwen.
+En de lichte confetti stoof op bij scheuten, in waaiers van licht of
+wolkjes van lichte kleuren. Een zeldzaam geraas steeg uit die duwing
+van lijven, en Johan Doxa wist soms niet of 't wel vreugde was en geen
+akelig en ver geklaag van gewonde dieren, die vol nuttelooze driften
+zijn.... De schenkmeid kwam midden in de herberg op een stoel staan en
+stak de porseleinen bloemen van den kroonluchter aan. De herberg was
+geel en de dag op de vensterruiten werd scherpblauw, violetblauw. Men
+kreeg een gevoel van droeven avond. De glazen klonken over den toog en
+rond de aanhoudende bierbestellingen. Een oud vrouwtje probeerde eene
+groote mand met eieren, krabben en amandels van groep tot groep tegen de
+tafels uit te steken. Twee zware jongens nagelden over den buik van een
+mandolien en zongen italiaansche liedjes. Ze zongen er drie en kwamend
+dan centen rondhalen in paarlemoeren schelpen.
+
+--"'t zijn Italianers, geloof ik." zei Johan Doxa suf.
+
+Hij zocht lang in al zijne zakken, naar een half stuivertje, dat hij
+zeker bezat, zeker, zoo zeker dat als twee en twee.... Anatole sprak:
+
+--"Luister 'ne keer. Wat is dat nu met uwe vrouw? Is ze ziek of wat is
+'t?"
+
+--"Ze heeft u daar nogal uitgescholden!"
+
+--"Nog al ... nog al...."
+
+--"Zeg eens ... en is dat waar, van die macaronie en die ... die...."
+
+--"Bloedpens."
+
+--"Hein?"
+
+Ze vertrokken. Ze gingen de wijk van Onze-Lieve-Vrouw-te-Rooje af en
+dronken in de kroegen, de taveernen en de kavitjes. De verschillige
+geluiden der lage stad sprongen gelijk ledige vaten rond hen. Johan Doxa
+en Anatole waren afgezonderd van 't algemeen plezier en hunnen armen
+hingen zwaar aan hunnen schouders. Ze bleven een poosje 't geweldig
+bedrijf nagapen van een schoonen arlekijnen societeit, die, met volle
+fanfaren, de straten opdreunde. Kinderen droegen rieten waaraan papieren
+lantaretjes te wiegelen hingen. De veelkleurige lichtjes stippelden
+aardig in den vroegen avond. Ergens ontmoetten ze, plots eenzaam, een
+blinden grijsaard, die zijn hond verloren had en woest-mompelend langs
+de gevels voortsukkelde. Ze waren hem al lang voorbij, als Johan Doxa
+ineens staan bleef en, met een dwazen glimlach:
+
+--"Nu vind ik het half stuivertje", zei hij.
+
+Hij was er geheel blij om en hief het in de klaarte van een gaslantaren
+op. Hij voegde erbij:
+
+--"Ik wist wel dat ik het had. 'k Had het dezen morgen in de kerk langs
+mijn broekpijp die gescheurd is laten vallen, 'k Had het opgeraapt, ge
+ziet het nu zelf Anatole!..."
+
+Een kleine nietdeug, met een mombakkes gelijk een doodshoofd, riep
+achter hem:
+
+--"Loerik!"
+
+ * * * * *
+
+Anatole sprak:
+
+--"'k En wil 't niet zeggen om u te treiteren Johan, maar ge zoudt toch
+wat meer koeragie moeten hebben bij uwe vrouw. Ge hebt daaral niet veel
+te protocollen, naar ik zie, en dat is een ongeluk voor u en voor haar.
+Alles goed bekeken. Ge zijt een vijg, jongen, ge zijt een slappe vijg
+... 'k zeg het in alle eere, om u niet te krenken ... kortom, een vijg."
+
+Johan Doxa sprak:
+
+--"Vermits gij het zegt ... vermits gij het zegt ... denkt ge waarlijk?"
+
+Hij herzette zich op de smalle herbergbank en verschoof zijn ledige
+pint. Hij plante zijne voorarmen op de tafel, in de geluidlooze
+kussetjes van zijne ellebogen.
+
+--"Anatole," zei hij, "daar is kans voor, 'k en zeg niet neen. Maar 'k
+zal u iet zeggen. Ge zijt een goede vriend van me. Mijnheer Lazare is
+ook een goede vriend. Kent ge Mijnheer Lazare? Hij is een uitsluitelijke
+en strenge hoogpriester van Jesus-Christus. Hij geeselt mij met de
+woorden van God. Gij bekoort mij met de lieftaligheid van dees driftig
+leven. Gij straft mij met mijne kleine gebreken. Nu wil ik u iet zeggen.
+Wat zijn wij? Wij, met ons beide die hier aan het zuipen zitten, en die
+andere rond ons, dewelke vroolijk zijn. Wat zijn wij al te gare? Bekijk
+de sterren en hunne onverbiddelijke harmonie. Hoe grootsch! Bekijk de
+ordonnantie van onze aarde, de loop der seizoenen, het evenwicht van
+lucht en grond en wateren, de voortdurigheid van al die wondere
+rythmen.... Hoe grootsch! Is het niet waar? Denk daar een oogenblik aan
+terwijl ge hier zit met mij. En bekijk dan het bedrijf van alle levende
+dieren: de leeuw die zijne prooi zoekt, het lam dat graast, de arend die
+jaagt op buit, de duif die cirkelt boven de vredige huizen, de visschen
+die ondereen zoo aardig doen (ik spreek van den snoek, die alles doodt,
+en van het roodvischje, dat prachtig in den helderen bokaal
+rondzwemmelt), de vlinders en de lieve goudvliegkens, de spinnekop die
+biddend loert binnen de raderen van haar verraderlijk net en daarbij,
+Anatole, het onzichtbaar gepeupel: de beestjes die ziekten brengen en
+de beestjes die ziekten afweeren ... bekijk dat ook alles eens met
+aandacht.... En dan zegt gij: er zijn er zus en er zijn er zoo, en dus
+is leven een groote strijd van krachten. De maan, die draait rond de
+aarde, medegesleurd door haar, heeft tegelijk op haar een vertragende
+werking, dat is strijd. De wateren die in hitte tot dampwolken opvliegen
+en door kilte weer tot wateren vallen, dat is strijd, Anatole. De dieren
+die vechten. De menschen die vechten. De menschen die vechten in passies
+van allerhande aard. De menschen die sterk zijn, en de menschen die zwak
+zijn. De menschen die verstandig zijn en de menschen die dom zijn. De
+menschen die deugdelijk zijn en de menschen die geen zedenwetten
+kennen.... Och! Och! is dat geen strijd, Anatole? En strijd is het leven
+zelf. En strijd is de mirakelachtige harmonie. En strijd is waarachtig
+de wet van God, Anatole. Ik ben een soort vrak, en gij zijt een soort
+lusteling, en Lazare is een soort hyper-asceet. Wij zijn alle drie
+noodzakelijke elementen en onze werking reikt mede tot de
+standvastigheid van God's harmonie. En het moet zoo altijd zijn en
+hergebeuren, want wij zijn alzoo de eeuwigheid van God's wet."
+
+Anatole had gedronken en sprak nuchter:
+
+--"En de socialisten?"
+
+Maar Johan Doxa wedervoer met geduld:
+
+--"Wij moeten ons schikken in ons lot en de plichten vervullen van onzen
+aard. Wij mogen niet, hm! hm!... wij mogen niet lui zijn in onzen aard.
+Wij moeten vol ijver zijn, want onze aard is een gebod dat wij vlijtig
+moeten leven. Gij blaast gedurig tabak in mijn gezicht, Anatole. Neen,
+steek uwe pijp daarom niet onder de tafel. Maar ik ben, geloof ik,
+duister en vervelend, en gij volgt niet rap mijne gedachten. Ik wil u
+iet zeggen. Ik--gij beziet mij en ge kent mij, Anatole--ik ben een
+sukkel in uwe oogen en een lasteraar in de oogen van Lazare. Ik ben
+inderdaad waarlijk een sukkel en een lasteraar. Zoude ik moeten een
+groot artiest zijn, of zoude ik moeten een heilige zijn, of zoude ik
+moeten een tapper zijn? Ik loop het loopje van een natuurlijk en
+noodwendig leven. Ik ben wat ik ben, zooals, naar ik meen, een halm geen
+eik is en een mier geen prijsmerrie. De blijdschappen die mij te beurt
+vallen zijn de bloemen van mijn aard. Maar, Anatole, vermits ik sterven
+zal zonder glorie en zonder zaligheid, ook de spijt over een zoo droeve
+dood is een bloem, een zeldzame bloem van mijn aard, Anatole.... En ik
+blijf dien spijt getrouw."
+
+ * * * * *
+
+Ze hadden rond tien ure een groot getal herbergen bezocht. Ze stonden op
+de Oude Graanmarkt. De Vlaamsche Steenweg was een krioeling van vierende
+menschen. Geel en wit-blauw licht spetterde uit de vensters op het bonte
+gewoel. Johan keek op naar den schoonen kerktoren die in een hoek van
+het Kathelijneplein massaal en duister rees boven het licht der huizen.
+Hij zag ginder hooge, den grauwen winterhemel, en hij voelde wonderlijk
+de oneindige wijdte. Zijn hart ging open, vol van liefde.
+
+--"Nu begin ik plezant te worden," zei Anatole. En om zijne woorden
+kracht bij te zetten, ging hij al fluitend aan het dansen. Johan Doxa
+had groote goesting om te weenen. Hij kuchte eens en glimlachte
+zachtjes:
+
+--"Wel, ge danst gij niet slecht, Anatole!"
+
+Anatole nam Doxa bij de ellebogen en schokte hem op maat van het
+deuntje. Dan, haast buiten adem, riep hij:
+
+--"Kerel, we gaan ons maskeeren!" En ze trokken naar de _Old Curiosity
+Shop_ van de Bisschopstraat, klauterden den diensttrap op en onder het
+zolderdak, begonnen eene lollige vermomming. Anatole bracht de
+zonderlingste kleedingstukken uit laden en kassen voor. Al bargoed,
+vergeten, verloren, gestolen of in pand gelaten.
+
+Johan Doxa stond voor een gebarsten spiegel tusschen twee
+wippelvlammende eindjes kaars.
+
+Hij moest zijn broek uittrekken en hij deed het gewillig, zonder denken.
+Anatole zocht voor hem eene schoone maskeradebroek. Het was de
+verslenste broek van de eene of de andere barmeid, fijn-linnen broek,
+geheel behangen met kanten en strikken, wit was de kant en vieux-rose de
+linten. Johan Doxa deed zeer angstig in die broek. Zij viel in dicht
+geplooi en rijke lobben tot over zijne knieen en liet dikke braaien vrij
+die opbulten boven de lompe schoenen. Anatole bezorgde witte koussen en
+eischte dat, om het algemeen effekt niet te breken, Johan Doxa lage
+espadrillen aantrekken zou. Deze weelderige kleedij voltooide hij met
+een kelner-pitalairken, dat ongelukkiglijk te nauw was en, gelijk een
+licht vleugelpaar, aan Johan's schouders hing te bengelen.
+
+--"'t Is wel alzoo," zei hij achteruit-wijkend, "nu uw kop!"
+
+Hij spande een kleine venstergordijn rond het hoofd van den braven Doxa
+en bekroonde zijn werk met een ietwat inzakkende gibus. Hij zei,
+weltevreden:
+
+--"Niemand zal u herkennen, jongen. Ge zijt een heel ander mensch,
+waarlijk! maar deze gele handschoenen moet ge aantrekken, en hier is een
+pompadoer-waaiertje dat ge aan een knoopje van uw habijt moet hangen....
+Zoo-oo ... all right! kijk u eens in den spiegel aan!"
+
+En Johan Doxa keek zijn eigen in den spiegel aan en hij wist niet aan
+welk oordeel hij zich zou houden....
+
+Anatole was gauw klaar. Hij gespte een paar bleeke rokken rond zijn
+leen, paste, gelijk 't behoort, een groen jakje over zijne opgevulde
+borst, zette een prachtigen hoed met pluimen zoo goed als het kon vast
+op zijn kop en hing errond eene dichte voilette. Hij droeg, ter
+volmaking van die vrouwelijke staatsie, een rood satijnen zonnescherm en
+schoeide, gelijk Johan, zijne groote handen. Zoo kwamen zij op straat.
+
+Geweldig was 't lawaai en de drang op de Anspachlaan. De electrische
+lampen klaterden over al die hoofden. De confetti sproeide uit, kleurig
+en blikkerend.
+
+--"We moeten ons goed houden," zei Anatole, "en malkander niet kwijt
+geraken. We gaan naar 't bal."
+
+Hij kocht in den Grand Bazar een heel klein trommeltje, dat hij op
+Johan's buik met een rood touwtje hing en een rotelaar dien hij zelf den
+weg door hanteerde. Johan Doxa leunde op den arm van Anatole. Hij kreeg
+het tamelijk warm onder de nauwe venstergordijn en zijne armen spanden
+in de te korte mouwen van zijn frak. Zijne voeten en zijne beenen waren
+vrij koud geworden. Eens dacht hij aan Julia. Hij dacht:
+
+--"Ze is koleirig.... En ik zal geen blijde intrede hebben...."
+
+Maar hij ging mede met Anatole, zonder wil gelijk zonder aarzeling. Hij
+was bereid om veel pleizier te hebben, zooals een leeg vat bereid is om
+'t zij eender wat te ontvangen. Hij had geen begeerten, hoewel hij in
+vage verwachting verkeerde. Hij was noch gretig, noch gejaagd, hij was
+moe, moe.... En toch verwachte hij geen rust.
+
+ * * * * *
+
+De danszaal van de Hoogstraat was schitterend van licht. Het licht
+schetterde uit de vier kristallen kroonluchters en smeet uiteen in
+de groote spiegels der wanden of over het goud van de ramen, de
+deurlijsten, de pilaren, de zoldering. Het goud blonk voornaam.
+De breede spiegels schitterden brutaal en overdadig.
+
+Het volk was los, woest, ontzagelijk. Men schreeuwde. Men danste. Men
+sprong wild. En Anatole zei:
+
+--"Let nu goed op. Hier is de volle plezantigheid. Hein, wat zegt ge?
+Verdekke, jongen, hier gaan we ons hart eens ophalen, nie-waar?"
+
+Hij kittelde Doxa eventjes onder de hoksels en hernam:
+
+--"We moeten, elk van onzen kant, een toertje doen rond de zaal, gij
+een toertje rechts, en ik een toertje links zoodat we op deze plaats
+terugkeeren en malkander weer ontmoeten. We geven malkander rendez-vous
+op deze plaats. Luister wel. Gij van uwen kant zult onderweg een liefje
+krijgen, en ik, van mijnen kant, ook. Alzoo zijn wij rap, elk van onzen
+kant, geriefd. Allo! zie dat ge de schoonste uitkiest!..."
+
+Anatole ging seffens een blijden gang. Toen voelde Johan Doxa zijne
+groote eenzaamheid. Toen, verlaten in deze vreugde als in eene woestijn,
+voelde hij zich alleen zijn, moederziel alleen. Hij was nutteloos. Hij
+bestond zonder reden. Hij veroorzaakte niets en was van niets een
+oorzaak. Hij mompelde, zijn eigen aanstarend in gepeinzen, kindsch:
+
+--"Is de dood iets?..."
+
+Hij zoude zich gewaand hebben iets te zijn.
+
+Johan Doxa deed een toertje rond de zaal. De dansers riepen hem aan,
+daar hij zoetekens omwandelde in zijn zonderling pak en zijn trommelken
+onnoozel vasthield in beide handen. Maar hij trof geen liefje dat hij
+scheeren kon.
+
+--"'t Is gemakkelijk te zeggen," dacht hij, "ze zijn hier wel een hoop,
+maar 't is precies uit den hoop dat ik ze moet uithalen."
+
+Anatole nochtans had er een uitgehaald. Hij sprak in verbazing:
+
+--"Niks? Hoe is dat Gods mogelijk Johan! Ge ziet er flink uit en ge hebt
+handschoenen aan. Als ge zoo voortgaat zult ge fataal eindigen met u te
+vervelen."
+
+Hij besloot zich zelf op te offeren om een zoo jammerlijke uitkomst te
+vermijden en stond zijne aanwinst gewillig aan Johan Doxa af. Hij
+verdween in het licht, en de deerne zei:
+
+--"A wel, Mijnheer, waarmee is 't, dat ge trakteert? Of wilt ge ne keer
+dansen?"
+
+Neen, Johan Doxa zou liefst niet dansen. Trakteeren, ja, dat zou hij.
+Hij liet zich naar de drinkzaal meetronen en zette zich in een hoekje,
+waar hij rustig een flesch geuze bestelde. Hij bleef een langen tijd
+zonder denken. Het meisje zei:
+
+--"Dat moet warm zijn, Menheer, die store op uw gezicht."
+
+--"Ja," knikte hij dwaas.
+
+--"Leg hem dan maar af. Ge moet u voor mij niet geneeren. Ik heb al van
+alles gezien."
+
+Hij vouwde langzaam de gordijn op onder zijn hoed en wees zijn goedig
+gelaat. Hij glimlachte, naar gewoonte. Het meisje praatte gezellig en,
+ofschoon hij niet veel antwoordde, hield zij moedig het gesprek aan. Hij
+hoorde haar praten. Hij hoorde ook het roezemoezende balgerucht. Hij
+hoorde de muziek, die hem bestoven voorkwam. Hij hoorde klaarder het
+gerinkel van een tamboerijn met belletjes....
+
+Nadat hij de derde flesch geuze besteld had, viel hem plots in dat hij
+geen geld had. Dadelijk bekoelde echter het zweet, dat hem op het
+voorhoofd uitgebroken was als hij bedacht dat Anatole gauw aan zou
+komen. Waar bleef toch Anatole? Om tijd te winnen bestelde en dronk
+Johan Doxa nog vier flesschen. Het meisje kreeg zonderlinge manieren en
+eischte van haren nieuwen vriend eene uitdrukkelijke liefdebekentenis.
+Onderwijl wilde Anatole maar niet opdoomen.
+
+--"Zie," zei het meisje, "ik heb meer domme hoofden gezien, dat is
+zeker. Als ge schoon, braaf en inschikkelijk zijt--begrijpt ge, lieve
+loebas?--zal ik u om een haarklesje vragen en het tot op mijn doodsbed
+bewaren!"
+
+Hij keek haar goedjongstig aan, eenigzins angstig wordend. Het docht hem
+dat hij haar voor de eerste maal aankeek. Nu pas bemerkte hij hoe ze
+was: een blond wijf, niet schoon en ruw van gebaren in licht-groene
+domino, vormloos. Hij sprak:
+
+--"Ik moet Anatole opzoeken in de danszaal."
+
+Hij bezag haar zoo nuchter, zijn tronie glom zoo schuldeloos, dat het
+meisje, eerst fiks op hare hoede, seffens betrouwend werd en toestemde.
+Hij ging log, gewild-traag. Hij drong tusschen de dansers heen en voelde
+zich veilig worden. Zijn hoofd was zwaar. Hij geraakte weldra buiten
+staat om Anatole na te jagen, en allerminst om hem te vinden.
+
+Daar werd in zijn geest de licht-groene domino het uitsluitelijk beeld
+van een groot gevaar en hij moest vluchten. Hij had geen wil, die hem
+weerhouden kon, geen rede, zelf geen luiheid om zijn vlucht te
+vertragen. Hij liep struikelend door de straten.
+
+ * * * * *
+
+Hij was de bolwerken omgeloopen en kwam nu, te laag, bij de Molebeeksche
+vaart aan. Het begon te sneeuwen. De blauwe dag lichtte zachtjes over de
+daken. Het water lag somber en onrustig, eenzaam de grijze kaai.
+
+Johan Doxa stond hijgend tegen het ijzeren schut en zijne blikken
+loerden rond. Hoe bang roerde het water! Hoe vaal rees de bevende
+morgen! Hoe duister en heimelijk wachtte ginds die hooge boot!...
+
+Hee! Hee! daar vaart een klare schim langs Johan voorbij. Het is een
+lange magere schim. Een schim met roode handen. Wel! het is een man die
+zich uit pret in een bedlaken heeft gewonden en met roode kousen zijne
+handen heeft geschoeid. Ievers heeft Johan Doxa dien witten man onder
+een scheef-onbeweeglijk aangezicht ontmoet. Wacht eens even!... Wacht
+eens even! Waar was 't alweer?...
+
+De witte man schuift rap over de kaai. En op de brug staat eene vrouw
+met een kindje. Johan Doxa zou zweeren dat de vrouw weent en dat ze het
+kindje kust wanhopig. Hee! Hee! de witte man komt op de vrouw af. Heeft
+ze niet gegild? Ze wil vluchten, ze wil vluchten! Ze kan niet. Ze wordt
+vastgegrepen. Ze wordt omhoog getild. Ze ... ze ... God in den hemel! Ze
+wordt over de brug geheven.... Ze valt!...
+
+Heeft ze niet gegild? Heeft ze niet gegild, vraag ik?...
+
+En tegen het ijzeren schut stond Johan Doxa. Hooger beeflichtte de dag.
+De kaai was geheel met sneeuw bedekt. De gevels der huizen staken vuil
+uit boven de schoone witte sneeuw. Het pitalairken van Johan Doxa was
+besneeuwd.
+
+ * * * * *
+
+--"Dat is toch zonderling." dacht Johan Doxa terwijl hij voort
+opwaggelde naar huis, "dat is toch een zonderling dingen! De vrouw is in
+het water verdronken en het water heeft geen gerucht gemaakt. En de
+witte man ... wacht eens even ... die heb ik gezien en herkend.... Wel!
+wel! wat er toch al gebeurt!... En ik heb niets gedaan om dat te
+beletten. Niemand heeft iets gedaan. Waren daar nog andere menschen?
+Rechtuit gesproken, ik geloof het niet. Ik had moeten toespringen. Wel!
+wel! een mensch zou er kiekevleesch van krijgen, als men bedenkt wat er
+al omgaat!... In 't volle van de stad jongen, in 't volle van de
+stad!..."
+
+Hij kwam op de Papenvest en verwonderde zich dat de huisdeur, die anders
+nooit zoo vroeg was ontgrendeld, op een reetje open stond. Hij strompelde
+onvoorzichtig de trap omhoog. Het huis was stil. Hij keek op....
+
+De verbazing van Johan Doxa, toen hij Lieven Lazare in het aangezicht
+blikte, was slechts te vergelijken bij de verbazing van Lieven Lazare
+zelf, die den ellendigen sukkel zag aanklimmen in zijn matte lompen en
+slappe strikken.
+
+Tegen Johan's verwachting in verhief Lieven Lazare zijne donderstemme
+niet.
+
+Hij zei stil:
+
+--"God straft u, Doxa. Zijne hand heeft uw huis beschaduwd. En Hij
+verplicht u neer te kijken op uwe monsterachtige schande. Ik zwijg en
+laat u over aan Hem--kom binnen."
+
+Zachter nog, terwijl hij Johan Doxa in de kamer duwde, sprak hij:
+
+--"Ik heb in gebed den avond en den nacht aan de sponde van uwe vrouw
+doorgebracht."
+
+Het docht Johan Doxa plots dat hij geene beenen, geen armen, geen
+lichaam meer had. Hij had geen gevoel van lucht, van koude of warmte.
+Een harde band spande hem om de slapen. Hij zag de vier hooge kaarsen
+die brandden aan de vier hoeken van het bed.
+
+Toen ook, daar staande in openbare dronkenschap, zag hij het witte
+kussen, het witte roerlooze gelaat van Julia, de witte handen gevouwd in
+vroome houding op de blauwe sargie, en het ivoren kruis dat uitarmde,
+ernstig tot onder de puntige kin.
+
+Lieven Lazare, het hoofd buigend, zei:
+
+--"God beproeft ons uitermate. En Hij treft ons in onze zonden.... Laat
+ons knielen, Johan!"
+
+En dat deed Johan Doxa gehoorzaam, maar hij dacht al door:
+
+--"Dat is toch een zonderling dingen, niet waar? Het water dat zoo
+angstig was ... en de roode kousen over de groote handen ... en het
+kindje heb ik wel gezien! De vrouw weende over het kindje.... Wel! wel
+toch! Wat een rare boel!..."
+
+Zijne oogen bleven strak op Julia's gelaat gevestigd. Zijn geest puntte
+op Julia's gelaat.
+
+--"Goede God!" fluisterde hij.
+
+Hij begon halfluide te bidden, en sloot smartelijk zijne oogen.
+
+De tranen, die over zijne bolle wangen rolden, vielen op het dunne leder
+van het trommelken, hetwelk aan Johan's buik hing, en waarlijk scheen
+gemaakt te zijn om dergelijke kleine klopjes te ontvangen.
+
+
+ * * * * *
+
+
+III
+
+JOHAN DOXA
+
+DE BOETVAARDIGE
+
+
+Julia werd door moeder Doxa met vroome zorgzaamheid gewasschen en gekist
+en Johan begroef haar op den derden dag, zooals het behoort. Nu bracht
+hij eenzame en talrijke uren om, in 't besef van zijne schuld en het
+docht hem daarbij dat een zeer luid sprekende wroeging hem kwelde.
+Dat duurde haast meer dan eene week. Dan verliet hij de kamers die het
+tooneel waren geweest van zijne diverse huwelijkservaringen en ging
+weer bij zijne moeder woonen, in het speelgoedwinkeltje van de
+Zes-penningenstraat.
+
+Eene kleine maand later ontving hij van Lieven Lazare, den godvruchtigen
+panfletschrijver, den volgenden brief:
+
+--"De Hemel, Johan, duldt niet langer dat ik mijn hart voor u gesloten
+houd. Aldus wordt door eene goddelijke inblazing het besluit gebroken
+dat ik in een oogenblik van rechtmatigen toorn ten uwen opzichte genomen
+had. Misschien is het waar dat ikzelf vreemd ben aan het opmaken van
+dezen brief. Misschien veracht ik u morgen even diep als ik u gisteren
+heb veracht. De adem althans, die door mijne woorden gaat, schijnt niet
+de mijne te wezen, en ik gehoorzaam aan eene geweldige bezieling zooals
+die ander? Lazarus gehoorzaamde toen Iemand, wiens donderende naam geen
+weergalm meer vindt in uw geheugen, hem gebood recht te staan uit den
+dood.... Beste Johan, het blijkt dat de schrikkelijke gebeurtenissen die
+God zelf voor uwe redding had beraamd, u niet tot inkeer hebben gebracht.
+Het is als of niet Hij, maar de Duivel u zou tot weduwnaar gemaakt
+hebben. Gij wandelt door de stad en niets in uwe houding verraadt dat
+de heilige Michael u onlangs met het bliksemende vlammenzwaard heeft
+getroffen. Men ziet u rustig en kinderlijk kuieren langs de straatjes
+van Onze-Lieve-Vrouw-te-Rooje. Gij blijft met welbehagen lanterfanten in
+de nabijheid van spekslagerijen, en duwt uw neus tegen de ramen plat om
+met gulzige oogen het afschuwelijke schouwspel van hespen en worsten op
+te vangen. Gij loert de honden na, die snuffelend malkander nadrillen,
+en hun cyniek bedrijf wekt uwe belangstelling uitermate. Vermoedelijk
+hebt gij in den winkel van uwe beklagenswaardige moeder ook marbels
+gestolen, want op het Vossenplein heeft men u zien spelen met
+schoolkinderen. En elken dag, rond half-zeven, staat gij voor de _Old
+Curiosity Shop_ de keukenreuken op te snuiven, en ontvangt dan door de
+tralien van 't keldervenster een dampend pakje uit de hand van Anatole.
+
+"Ik ween van schaamte wanneer ik hoor verhalen hoe ge, ontdaan van alle
+menschelijke waardigheid, in de Kapellewijk de tonnen doet klinken....
+Johan, Johan, aanzie uwe zonden, eer God de ultieme en onherroepelijke
+straf uitvaardigt. Ik sta verbaasd bij 't aanschouwen van Zijne
+matelooze lankmoedigheid--maar wee u! als straks over u Zijne
+alverteerende gramschap losbreekt!... Ik ben gezonden door Hem, Johan,
+ik kom tot u met de boodschap der Goddelijke verzoening. Nader ootmoedig
+den drempel der eeuwige Kerk, Johan. Nog niet als Job draagt ge
+potscherven in wonden van berouw, maar belaad nu uw hoofd met uw
+mesthoop en snoer uw reistasch rond uw hart. Nader, Johan, met den stank
+van uwe naaktheid en de vloeken van uwe wanhoop het gouden tabernakel
+waar Krist, die gekruizigd werd, thans Zijn eeuwig leven viert. Hem
+rijkdom, roem en liefde opofferen verblijdt Zijn hart niet zoo
+zeer,--dat hart omkransd met doornen ...--maar offer Hem de zoete
+genuchten van uwe zwakheid en de brandende lusten van uw geil vleesch:
+dat is nog uw eenig bezit, en zoo, waarlijk, wordt ge de armste aller
+menschen. God, Johan, heeft de armen lief...."
+
+Tot daar kon Johan den brief zonder bezwaar doorlezen. Nu echter begon
+hij te pinkoogen en, alsof het daglicht op de letteren verflauwde, ging
+hij naar het venster en boog zijn hoofd voorover, tot tegen de koude
+ruit. Gouden sterretjes regenden allerzijds. Maar algauw las Johan Doxa
+verder:
+
+--"De Heilige Geest vleugelt in mijne woorden, en ik zeg het u,
+ellendige vriend: Jesus is een eindelooze zee van genade, een zee die
+alle wrakken dragen kan. Neem tijdelijk afscheid van uwe moeder--wat
+toch heeft eene moeder van een zoon die zelf voor God verloren is?--en
+vertrek van huis. Gij zult in het Franciscaner Klooster van de
+Miniemenstraat eene heilzame retraite doen. Ga.
+
+"Klop nederig aan de groote poort. Het is een heilig huis en pater
+Hilarius, dien ik gewaarschuwd heb, zal u met medelijden ontvangen. Toef
+niet. Het ontzaglijke geluid van Hem, die mijne ziel opnieuw in
+lichtelaaie zet voor u, davert op mijne tong en ik roep het u toe,
+armzalige Johan: toef niet, toef niet; uwe dagen zijn geteld!"
+
+De brief hield op te beven in de hand van Johan Doxa. De brief gleed
+ritselend langs de witte venstergordijntjes neerwaarts en kwam zacht,
+gelijk een dubbele vlerk, op het plankier terecht. Hij ging liggen naast
+een sikkelvormige oranjeappelschil. En Johan keek op, door 't raam, naar
+den hemel die lichtblauw over vuile daken was uitgespannen. Hij stak
+zijne handen in zijne broekzakken. Met den wijsvinger van zijne
+rechterhand raakte hij er 't benageld paviljoentje van een kletsdop.
+Maar hij vond geen neusdoek om zich te snuiten.
+
+Johan Doxa zat 's avonds met zijne moeder in het kleine achterkeukentje
+dat bij den winkel aanpaalt. Moeder Doxa had den winkel gesloten en
+bereidde zich om de keukenlamp aan te steken. Johan zei:
+
+--"Maak geen licht, ik bid u. Ik heb u iets te zeggen, lieve moeder."
+
+Ze zaten aan weerskanten van de oude Leuvensche stoof, en de stoof zong,
+en het was heerlijk donker. De buik van de stoof glom gelijk een
+reusachtige, zacht-blozende pronkappel. Een purperen glanzing gleed over
+het vriendelijke aangezicht van moeder Doxa, over hare gevouwen handjes,
+over haar hoogen boezem, over haar bolle knieen,--en eenderlijk kwam
+uitgloeien langs de ronde wangen van Johan, langs de mooi-versierde pijp
+waaruit hij rookte, en tot op de randen van zijne lompe schoenen, die
+daar nevenseen op den vloer stonden en waarnaar hij keek alsof ze
+anderman's voeten omsloten.
+
+--"He-wel?" vroeg eindelijk moeder Doxa, en het trof hem hoe minzaam ze
+was. Hij antwoordde niet seffens. Hij had de gewoonte om lang te dubben
+eer hij een besluit nam en dan toch besluiteloos te blijven. Maar moeder
+Doxa drong niet dadelijk aan, want ze kende haren jongen. Hij dampte
+maar.
+
+--"Zie, moeder," zei Johan, "ik zou mij moeten beteren. Ach, ik weet
+wel, gij denkt niet dat ik slecht ben. Gij weet niet, gij weet alleen
+van een kindje dat ge in uw schoot gedragen hebt en dat zoetekens aan
+uwe borst heeft gehangen. Maar al groeiende is hij ver van u geraakt,
+en hij is nu een groote zondaar, en hij moet God vreezen."
+
+--"Gij zijt niet slecht, gij zijt misschien lui," meende moeder Doxa
+goedig.
+
+--"Ja, ik ben lui," zei Johan, "en nog iets anders ben ik, maar ik ben
+waarlijk lui."
+
+Hij bloosde erg. Telkens als hij ergens zijn eigen ontdekte bloosde hij
+zoo.
+
+--"Na den dood van uwe vrouw," hernam moeder Doxa en zij maakte het
+teeken des kruis, "heb ik gedacht: nu gaat mijn jongen weer aan 't werk,
+want hij is krachtig en jong, nu gaat hij schoone schilderijen maken, en
+we zullen alle twee gelukkig zijn. Ik dank den hemel dat het eindelijk
+toch zoo gebeuren zal."
+
+Johan keek niet op naar heur en zei:
+
+--"Ge zijt edel, beste moeder. Wanneer ge zoo spreekt voel ik eerst hoe
+diep ik gezonken ben, maar...."
+
+Hij aarzelde. Hij zocht naar woorden, gelijk een dronkaard naar het
+sleutelgat zoekt. Hij vond in zijn geheugen een half-uitgevaagden zin
+van Lazare's brief en pruttelde:
+
+--"... maar, moeder, Jesus is een zee van genade, waarin ... waarin ik
+zou kunnen verzuipen ... als ik niet oppas."
+
+--"Ja, Jesus is zoo goed als men maar denken kan."
+
+--"Zoo zegt ge. En nu moet ik in de Miniemenstraat, bij de Capucienen
+eene retraite doen. Dat duurt nog al lang. Ik weet niet hoelang dat het
+eigenlijk duurt."
+
+--"Lang?... En wat is dat dan, eene retraite?"
+
+--"Eene retraite?... Weet gij niet wat eene retraite is, moeder?"
+
+Hij vond het heerlijk dat moeder Doxa zoo luchtig de boodschap aanvaardde
+en omdat zij, de goede ziel, zelfs niet wist wat eene retraite was,
+lachte hij stille hare lieve onwetendheid tegen. Maar hij wist ook niet
+wat eene retraite was.
+
+--"Kom, kom, moedertje," deed hij, "bekommer u niet om mij. De paters
+zullen mij niet opeten. Ik moet een beetje boeten, een beetje te
+communie gaan en mis hooren, en dergelijke meer. Ik kom zoo frisch als
+een botvink terug."
+
+Hij betastte zijn wegend buikje en zag de kleine vleeschkuiltjes van
+zijne handen rozig aanglimmen onder de heete kaak van den kachelpot.
+Inderdaad geloofde hij zelf niet wat hij daar vertelde. In zijne meening
+moest de retraite iets schrikkelijks zijn, vermits Lieven Lazare ze hem
+als eene straf opgelegd had. Hij had er den heelen middag met angst over
+nagedacht: het klooster zou hem eene donkere gevangenis zijn en de
+Franciscanen akelige cipiers. Hij moest er voorzeker op roggebrood en
+lauw water leven. Er was daar geen lucht. 's Nachts hoorde men er
+vreeslijke geraamten rammelen, en 's morgens moest men naakt in zijn
+celletje staan en er zichzelf met knoestige riemen afranselen. Hij
+betastte zijn buikje als om het voor eeuwig vaarwel te zeggen, met een
+zucht....
+
+--"En wanneer vertrekt ge?" vroeg moeder Doxa.
+
+--"Morgen vroeg."
+
+--"Ha!... morgen vroeg."
+
+Beide verzonken in gepeinzen. De moor zong nu ook, die op de stoofbuis
+stond.
+
+ * * * * *
+
+Na een nacht vol ijselijke droomen, rees Johan Doxa uit zijn bed. Het
+was een grijze dag. Achter het kleine vensterken nevelde een
+miezelregen. Terwijl Johan zich aankleedde en precies op het oogenblik
+dat hij zijn hoofd voor de eerste maal in de waschkom gestoken had,
+begon waarlijk zijn druppende neus in de lucht om te snuffelen. Er ging
+ongetwijfeld door de kamer een smakelijke geur van spek en eierkoek.
+
+--"Dat is raar," dacht Johan Doxa. Hij was gauw gereed en kwam de trap
+af. De keuken dampte van weelde.
+
+--"Moeder," zei hij, "gij zijt al te goed."
+
+Maar moeder was bezig aan een groot pannengedruisch en knikte hem
+lachend tegen. Daar stond feestelijk op tafel het prinselijk gerecht.
+
+--"Moeder, ik zal het nooit vergeten...."
+
+--"Gij dwaze jongen," zei de moeder, "zwijg maar liever en eet."
+
+Hij at tot zijn ronde kin ging glanzen en toen hij gegeten had en,
+rechtstaande, hem het aardige gevoel der spannende broekgesp omdeed, nam
+hij zwijgend zijn hoed aan den kapstok. Moeder Doxa stond te midden van
+den vloer en glimlachte.
+
+--"Allee, beste Jan," sprak ze, "ga nu--ik heb Onze-Lieven-Heer voor u
+gebeden."
+
+Hij kuste haar en ze stopte hem rap een vijffrankstuk in de hand. Hare
+vingeren beefden.
+
+--"Neen, neen," stotterde Johan terwijl zijn hart in tweeen brak.
+
+--"Ssjt! mijn jongen ... ik kan ze nu beter missen ... dan gij."
+
+Ze vergezelde hem tot op den drempel van het winkeltje. De dag aaide
+langs het speelgoed om haar. Johan kuste haar nogmaals en zei:
+
+--"Goedendag, lieve moeder, tot weerziens."
+
+Ze knikte aldoor met heel kleine oogjes, en, plots, wendde zich af, naar
+binnen.
+
+ * * * * *
+
+En door het mottige weer begon Johan zijn boetvaardige reis. Hij stapte
+op langs kleine steegjes en zou gauw de Miniemenstraat bereiken. Reeds
+was hij het Vossenplein voorbij en zag, boven een lagere brokkeling van
+daken, het fijn uitgesneden klokketorentje der Kloosterkapel. Hij bleef
+staan, als om zich te bedenken. Hij bedacht zich en bleef gedachtenloos.
+Kleine verschrikkingen schoten als electrische schokjes door zijn
+lichaam, en toen kwam een licht bedaren in zijn hoofd dat zei:
+
+--"Ge hebt nog een beetje tijd, Johan, waarom moet dat alles zoo vlug
+gaan?"
+
+Ook voelde hij nu het vijffrankstuk op de palm van zijne hand plakken en
+hij trof dadelijk eene prachtige uitkomst.
+
+--"Ik heb daarbinnen," beweerde hij, "geen geld noodig--geld is duivels
+goed, en moederken kan ik gelukkig maken met 't een en ander, dat ik
+haar opsturen wil."
+
+Het klokketorentje verdween uit zijne oogen en hij stapte links om, naar
+de Steenpoort en de Groote Markt.
+
+Op den Steenpoortweg stonden er karretjes met mosselen, met citroenen,
+met oranjeappelen en met groenten. Hij keek er niet naar om. Hij ging
+voor de peperkoekwinkels staan en begon met kinderlijk welbehagen te
+kiezen. Hij koos een peperkoek dat in den vorm van een mooi hart was
+uitgesneden en op de randen geheel met lekkere fruitschellen omlegd.
+Hij besloot binnen te gaan, maar wilde vooreerst uitkijken naar een
+loopjongen, die het geschenk aan moeder brengen zou.
+
+Er liepen daar vele jongens rond. Johan Doxa beproefde om op hunne
+gezichtjes te lezen hoe eerlijk ze waren, en hij bevond dat hij behoefde
+daaromtrent waarlijk zeer ongerust te zijn. Eene gelukkige ingeving
+dreef hem naar een kleine kroeg, waar hij een druppelken brandewijn
+dronk. En luttele beslissingen wisselden malkander ondertusschen af in
+zijn geest. De kroegbaas zei:
+
+--"'t En zal vandaag niet ophouden met regenen, kameraad."
+
+--"Dat zou ik ook gelooven," antwoordde Johan Doxa.
+
+Een vochtig gevoel kwam over hem, en hij bestelde een tweede glaasje, en
+naderhand een derde. Dan, terwijl hij betaalde, zag hij moeder's
+zilverstuk plots op den toog liggen. Gedurende een oogenblik haatte hij
+het wisselgeld dat hij ervoor terug kreeg.
+
+Hij bedacht nu dat er in de Boterstraat meer fijne winkels waren en
+daalde langs de Steenpoort naar de middenstad. Een zwaarbeladen
+koolwagen rolde hem voor. Bij elk geschok der trage wielen rolden
+stukjes glinsterend kool over de zwarte berden. Er viel ook een groote
+brok en Johan raapte haar op en bracht haar bij den voerman. De voerman
+had een ruigen rosten baard en stak zijne breede hand uit, bespannen als
+met een bruin-lederen vel. Toen struikelde het paard en stortte voorover
+op de steen en. De kar dook met hare lompe tremen die ze met een doften
+slag sloeg tegen den grond.
+
+--"Nondidju!" vloekte de voerman.
+
+Er was seffens een groote toeloop van menschen. Een man ging met zijn
+knie op den kop van het paard zitten. De riemen werden haastig ontgespt.
+Stemmen klonken dooreen. Een politieagent dreef het aanzwellende volk
+achteruit. Johan Doxa stond met het groote stuk kool in zijne armen.
+De politieagent riep in zijn verschrikt gelaat:
+
+--"Wilt ge, potverdomme, de kolen laten liggen, gauwdief!"
+
+Johan werd de prooi van eene geweldige aandoening; zijn last rolde over
+zijn buiksken aan zijn voeten en hij wilde vluchten. Hij week door de
+menigte heen. Hij voelde van allen kant oogen op hem gestoken en
+kinderen schreeuwden hem achterna. Hij kwam in een klein ledig straatje,
+gelijk een drenkeling een oever bereikt. Hij zat nu in een herberg zijn
+eigen te betasten en met langzame proefnemingen de zekerheid op te doen
+dat hij nog armen had en beenen en een hoofd. Zonderling grijnzend
+lachte hij de waardin tegen die, gelijk een afschuwelijk gevaarte, naar
+hem toe stapte.
+
+--"Dat zijn dingen, hee?" stamelde hij onnoozel.
+
+En daar de waardin, zonder begrijpen maar met zachte gedienstigheid,
+medelachte bestelde hij eene flesch geuze-lambik, en vroeg bang:
+
+--"Wilt ge ook meedrinken, als 't u belieft?"
+
+Ze wilde wel. Ze kreeg een kokette blos, die haar goed stond, en ze
+dronken samen. De waardin bekeek haar eigen in den spiegel, die recht
+over den toog hing, en schikte vluggelings de krulhaartjes op hare
+slapen. Ze had dikke armen.
+
+--"Ik geloof," zei Johan vriendelijk, "dat die regen van den heelen dag
+niet meer ophoudt."
+
+--"'t Zou wel kunnen," zei de waardin, "de barometer zakt."
+
+--"Ja, 't is ook 't seizoen," hernam Johan.
+
+De waardin reikte hem den tooghanddoek over en meesmuilde:
+
+--"Ge zijt een beetje vuil over uw voorhoofd."
+
+--"Ikke?"
+
+Hij was zoo vuil als iemand zijn kan, die voortdurig met twee koolzwarte
+handen in zijn beregend aangezicht heeft gewreven. Uit schaamte vroeg
+hij een tweede flesch geus. En ze dronken. En ze praatten over kleine,
+ledige zaken.
+
+Johan Doxa vertrok bij noenstond. Toen hij te midden van de Groote Markt
+stond, vroeg hij zich af wat hij hier kwam doen. Hij keek wonderlijk op
+naar de gulden gildehuizen. Den top van den stadhuistoren zag hij niet,
+die onder de natte miezeling in eendere grijze kleur verging. Hij duwde
+zijn hoed tot tegen zijne ooren en stelde vast dat hij honger had. In de
+nauwe Peper-en-Zoutstraat trof hij eene bescheiden gelegenheid en hij at
+er substantieel genoeg, schoon zonder gulzigheid, gelijk het hem docht
+dat aan een zondaar in pelgrimstocht betaamt.
+
+--"Thans," mijmerde hij binst de koffie, "bezit ik nog twee en twintig
+en een halve cent, en ik weet waarlijk niet wat ik ermee zal doen."
+
+En, voor hij naar het Klooster der Miniemenstraat toog, dronk hij ermee
+een grooten druppel cognac, want zijn moederken had hij, ik weet niet
+hoe, geheel en al vergeten.
+
+ * * * * *
+
+Hij vatte beslist de koperen schelknop. De luide bel weerklonk meer in
+het hart van Johan Doxa, dan in de wijdgalmende vestibule. De
+pater-poortier die eerst het spioenraampje had opengeschoven, opende nu
+ook de zware deur. Het Klooster gaapte in het aanschijn van Johan Doxa.
+
+--"Kan ik," vroeg hij met bleeke stem, "den eerwaarden pater Hilarius
+spreken? Ik zou gaarne eene retraite doen."
+
+De pater-poortier was, buiten Johan's verwachting, zoo minzaam als men
+zich denken kan dat ooit ter wereld een kloosterpoortier mag zijn. Hij
+had eene uiterst discreete houding en, ware 't niet dat zijn gelaat
+hoog-gezond opbloeide boven den zwarten baard, scheen uit loutere
+welgemanierdheid weg te schemeren in de schaduw van de poort. Het
+bloeiende gelaat echter glimlachte en twee fijne muis-oogjes daarin
+wenkten vriendelijk: "welkom ... welkom...."
+
+De zware deur, die achter Johan met een eiken klop dicht kwam, sloot
+meer dan het somber gebouw: het docht hem dat de gansche wereld nu voor
+altijd was gesloten. De pater-poortier ging voor en leidde Johan Doxa in
+eene kleine spreekkamer, die ineens vol blauwig licht was. Er stonden
+een paar nederige stoelen en aan een witgekalkten wand hing een groote
+Kruislieven-Heer. Daar liet men hem alleen, ruim drie kwartier-uurs. Hij
+draaide zijn natten hoed stille in zijne handen. Hij stond in een ring
+van regendroppen, die gelijk donkere starretjes rond hem waren gespreid.
+Er walmde een muffe salpetergeur.
+
+Pater Hilarius had een streng, doch niet weerbarstig uitzicht. Een
+grijze ronde baard, wat stoppelig, omkleurde een mat gelaat waar
+grauw-groene oogen als dood lagen en dat alleen--dan heel sterk--bezield
+werd door den vorm- en schaduw-rijkdom van een geweldigen arendneus.
+
+--"God zij met u," sprak pater Hilarius, "zijt gij Johan Doxa? Ik ben
+Hilarius."
+
+Johan keek onwillekeurig om. De stem scheen uit de muren te vallen. Hij
+zou er in elk geval een eed op gedaan hebben dat ze uit den roerloozen
+mond van pater Hilarius niet viel. Toen echter deze pater voortging met
+eene lange rede waarin de naam van Lieven Lazare, van Jesus, van den
+heiligen Franciscus beurtelings voorkwamen, heroverde Johan van
+lieverlede de kluts die hij kwijtgeraakt was. Hij besloot maar te
+berusten in het onvermijdelijke, liet zich gewillig bepreeken, knikte
+moedig de les toe waaruit hij geen ander nut zou trekken dan dat hij
+zich bereid voelde zelfs tot den dood.
+
+Pater Hilarius, nadat hij uitgesproken had, zei:
+
+--"Gij zijt dweilnat, dunkt me. Ge moet eten en u verwarmen. Volg me."
+
+Het was minder een gevoel van eerlijkheid dan de vrees voor wat hij hier
+te eten zou krijgen, die er Johan toebracht ineens den pater bij de
+harde mouw te pakken.
+
+--"Nee," deed hij angstig, "ik bid u, geen eten. Gij zijt al te goed."
+
+Hij kwam in eene ruime zaal. Er was een breede schouw met een lekker
+vuur.
+
+--"Zet u, en warm u," zei de pater. Johan zette zich en bleef daar weer
+nagenoeg drie kwartier-uurs alleen zitten. Hij werd heerlijk warm en
+zijne bolle kaken gloeiden. Het werd zoetekens avond en Johan zag een
+prachtigen zonsondergang in de laaie karbonkels van den open haard. Hij
+werd eindelijk zoo rustig als een onschuldig mensch.
+
+--"Pater Hilarius is vreeslijk mager," dacht hij op slot van rekening,
+"maar de pater-poortier is zoo vet als een das."
+
+Hij kon bijgevolg nogeens zijn eigen buikje zonder voorbarige
+benauwdheid in oogenschouw nemen en wachtte gelaten de gebeurtenissen
+af.
+
+ * * * * *
+
+De klok uit het torentje begon te kleppen. Pater Hilarius verscheen en
+noodigde Johan Doxa uit om mede in de Kapel lof te hooren. Johan heeft
+zich daar overdadig vermaakt.
+
+Niets ooit in zijn leven had hij gezien dat zoo mooi was als het kleine
+kerkje. Het kerkje was geheel omdaan met eene fluweelen donkerheid,
+waarin de bevende glanzing van fraaigeregelde kaarsenreken speelde en
+aarzelde en langs gouden diepten zwevend verging. Maar stilaan zag Johan
+in de zwaarpurperen schemering de dikke pilaars opklaren en ginder hooge
+wattige gewelven dragen. De muren begonnen zacht te glimmen. De outer
+werd zichtbaar en heerlijk. En alles, al wat hij zag, was met wondere
+polychromien versierd. Het werd hem, hoe meer hij toekeek, zoo rijk en
+koninklijk dat zijn hart er week en gulzig bij aan het dansen ging.
+
+Dan, al rondom hem, herkende hij de ronde bruine ruggen van de
+capucienen. De orgel zette aan. De Kapel kwam vol met vleugeltjes van
+vogels.
+
+--"O God," bad Johan Doxa gevoelig, "ik zou willen een pater zijn!"
+
+Hij verachtte zijn baardelooze kin.
+
+Maar na den dienst werd hij, langs duistere gangen, in eene nauwe cel
+gebracht. Men hing een damping kaarslantaarntje aan zijne hand, en
+wanneer hij alleen was, voelde hij eene bittere triestigheid zijn
+gansche wezen overvallen. Waarom moest dat nu zoo gaan? Waarom moest hij
+verlaten wezen? Waarom hadden die menschen zulke kleine hokjes gemaakt?
+
+Hij ging op het ijzeren beddeken zitten en blies de kaarslantaren uit.
+
+ * * * * *
+
+Johan Doxa, neerliggend in den donkeren avond, volgde met luien geest
+een varenden snoer van gedachten.
+
+--"Ik geloof niet," mijmerde hij, "dat er voor mij in dees Klooster eene
+uitkomst is. Ik ben te zeer beladen met zonden. Van het drooge brood,
+dat men mij als een prop in de keel zal steken, spreek ik niet. Maar het
+pompwater? Wanneer ik zal tot op de pees uitgedroogd zijn, en wanneer ik
+zal bezig zijn mijne ribben te tellen, wat rest mij dan nog dan dood te
+gaan? Ik kan mij nauwelijks inbeelden dat Onze-Lieve-Heer zich meer wil
+erbarmen over een pannelikker dan over een smeerbuik. Maar Zijne
+inzichten zijn verborgen en ik ben inderdaad door en door slecht. Ik zal
+bidden om veel moed te krijgen, en God helpt niet waar men zijn eigen
+niet helpt. In deze gevangenis zal ik wel eene spinnekop vinden, en ik
+wil ze tam maken en haar allerhande kunstjes aanleeren. Het lieve dier
+zal mijne gevangenschap bekoren. Ik zal een aardig wagentje bouwen waar
+ik haar inspannen kan. Zij zal aan een fijne draad 's nachts komen
+hangen boven mijn aangezicht. Ik houd niet veel van muizen, anders zou
+'k gaarne ook een muisje dresseeren. De staart van eene muis is zoo vies
+dat ik er niet aan denken durf. Ze zullen mij waarschijnlijk groote
+latijnsche boeken geven om in te lezen. Roode en zwarte letters zijn
+mooie dingen, maar ik zal toch niet lezen in zulke boeken, vrees ik.
+Zullen ze ook een doodshoofd aan mijn voeteinde leggen? Er zijn twee
+dingen die ik, behalve een doodshoofd, voor mijne oogen niet verdragen
+kan: een zeisen en een zandlooper. Ik heb mijne pijp thuis gelaten. Dat
+is heel goed zoo, Johan. Die menschen weten van geen tabak te spreken.
+Altijd wierook, altijd wierook. Wanneer mijne retraite uit is, hoop ik
+dat Anatole mij weer eene van die dikke sigaren mag geven, gelijk de
+oude heeren smooren in de _Shop_. Maar ach! ach! ik zal nooit van mijn
+leven meer kunnen rooken!... Morgen komen ze met koorden aan en ik zal
+mij moeten kastijden ten bloede. Ze zullen azijn over mijn mond gieten.
+Ik zal blootsvoets naar de kerk gaan.... Wanneer heb ik den laatsten
+keer mijne voeten gewasschen?"
+
+Hij lag zeer rustig. Er zweefden nog twee drie lichte gedachtekens
+voorbij en hij fluisterde:
+
+--"Sakkerloot...."
+
+Toen sliep hij vast in.
+
+ * * * * *
+
+De Kloosterklok was bezig met volle geluid als Johan Doxa wakker schoot.
+De cel was vol licht, alsof daarbuiten een liefelijke Lente gebeurende
+was. En waarachtig: door 't kleine raam zag Johan een stuk hemel
+heerlijk-blauw, bespot met witte krullende wolkjes en overstraald met
+zonnegeweld. Hij ging op zijn bedde staan en keek uit langs het venster.
+Wat zag hij daar voor moois?...
+
+De binnentuin van 't Klooster lag vierkant tusschen de met mos en veil
+begroeide gevels te leven in prachtig kleurengedoe. Er was veel laag
+groen waar zes ronde perken tulpen bloeiden. Net geteekend en effen van
+verve, ringden er omme de safraangele kiezelpaadjes. Van uit Johan's
+venster, leek de tuin een vurige rozet, gelijk men er vindt op bonte
+ramen van kathedralen. Als een bruine mier kroop een pater-hovenier er
+over. Zijn rozige schedel was gepolijst.
+
+Toen werd Johan Doxa vervuld met eene eindelooze vreugde.
+
+--"Hee-la!" riep hij luid.
+
+Hij schrok bij den klank van zijne stem en trok zich schielijk terug.
+Daar zag hij een rosten capucien op de zuil van zijn celletje staan.
+
+--"Goeden morgen," zei de capucien minzaam, "ik ben de pater-hotelier."
+
+Van uit de hoogte waar hij zich geheven had, keek Johan Doxa hem aan,
+plotseling duizelig wordend. Langzaam hurkte hij op zijn bed neer, in de
+meening dat zulke trage inkrimping wellicht ongemerkt kon gebeuren en
+hem maken tot een fatsoenlijk mensch van normale grootte. De capucien
+stond goud-rost als een najaarsmiddag. Zijn kastanje-oogen blonken in
+een besproet gelaat dat weelderig was omhangen met een baard van duizend
+kurkvormige krullekens. Het was alsof een late zon schuin aanglom over
+heel dat harig hoofd, en over 't gele haar ook van zijne sterke handen.
+De capucien was dik en wel te pas.
+
+--"En wat zoudt gij nu willen eten?" vroeg hij.
+
+--"Willen eten?... Ha! willen eten, zegt gij...."
+
+--"Ik heb hesp en Zwitsersche kaas en goede boter en roommelk. De koffie
+is klaar. Maar ge kunt ook thee krijgen. Onze thee is niet al te best,
+moet ik zeggen."
+
+Daar de pater-hotelier glimlachte, lachte Johan Doxa mee. Hij lachte
+gedwongen, al peinzende: "dat is een geestige keukenbroeder, die aardige
+namen aan zijn pompwater geeft."
+
+--"Ik zal koffie gebruiken, en hesp of zoo...." zei hij gekscheerend.
+
+Maar hij viel niet omver van verbazing, toen, na de korte vroegmis, de
+heerlijke pater-hotelier hem voor een frisch-blanke tafeltje deed
+aanzitten, waar een soliede ontbijt was opgediend. Johan Doxa, moet ge
+weten, is nooit in zijn leven zoo verbaasd geweest dat hij ervan omver
+zou vallen.
+
+ * * * * *
+
+Na drie dagen besloot Johan Doxa de overtuiging te aanvaarden, dat een
+retraite bij de Franciscanen eigenlijk behoorde tot een der aangenaamste
+tijdkortingen van de wereld. Hij kon zonder moeite gehoorzamen aan de
+regels van den huize, volgde gewillig alle kapeldiensten, hanteerde
+zoetekens zijn dikken paternoster en bladerde devotelijk in zijn
+kerkboek. Dagelijks moest hij een apart en stichtelijk sermoontje hooren
+van pater Hilarius, en hij deed het zooals een zieke de siroopdrankjes
+van den doctor inneemt. Maar zijn groote vrienden waren de kale
+pater-hovenier en de haar-rijke pater-hotelier.
+
+Den pater-hovenier hielp hij de vele tulpen verzorgen in den zymetrieken
+tuin. Hij reekte en sproeide en weerde het kleine woekerkruid. Ze
+verstonden malkander goed, ofschoon de oude capucien geen woordje sprak
+en alles zwijgend te beduiden gaf met bevende gebaren van zijn
+voorzichtige hand. Te zamen versierden zij met klaterende bloemen de
+Lente die in den tuin van dag tot dag gulziger aan het leven ging.
+
+De pater-hotelier echter zat in het hart van Johan Doxa gelijk op een
+troon. Hij was ook de majordoom van zijne maag. Hij kon dingen bereiden
+die de herinnering aan de geuren van de _Curiosity Shop_ geheel
+uitvaagden. En hij had een wijnkelder. De retraite-verordeningen, zooals
+de pater-hotelier ze uitvoerde, waren zoet om dragen en indien
+God-de-Vader uit den hemel op Johan in dien tijd heeft neergezien, dan
+heeft hij moeten vaststellen dat deze boeteling zich gedwee aan al de
+gestrengheid der orde-geboden heeft kunnen onderwerpen. Een
+voortreffelijk berouw was blijkbaar het mystieke sieraad van zijne ziel,
+want het geweten van Johan Doxa was nu geleedelijk zoo rustig geworden,
+dat--om het met een stoffelijk beeld uit te drukken--zijne broek buiten
+alle verhouding te spannen begon.
+
+De zevenden dag besloot pater Hilarius zijn familiaire preek met een
+voorstel dat Johan in verrukking bracht. Hij sprak:
+
+--"Ieder moet den Heere loven naar zijne vermogens, mijn zoon. Even
+eerbiedwaardig als het statige lied van den nachtegaal, klinkt in zijne
+ooren de drooge roep van den krekel. Al wat ter eere van God opgaat in
+dank, behaagt Hem uitermate. Daarom dunkt mij, Johan, dat gij zoudt
+moeten denken aan het werk, waarmede gij Hem naar uwe beste krachten
+huldigen kunt. Ik meen bij voorbeeld--een schilderij...."
+
+De tranen schoten Johan in de oogen. Hij omhelsde den pater niet, omdat
+hij zelden iets deed, waartoe hij vast was besloten.
+
+ * * * * *
+
+Johan Doxa miek een schilderij. Het moest naar het aanvankelijk ontwerp,
+worden een beeld ten-voete-uit van den Heiligen Franciscus en het zou op
+den grooten outer van de Kloosterkapel prijken. Maar het werd een kleine
+Jesus, blond en rozig, gezeten op een kussen van weidebloempjes, de eene
+hand rustend op een blauwen wereldbol, de andere zegenend ten hooge
+geheven. Het hangt thans links in het kerkje, rechtover den preekstoel,
+als een ex-voto van blijvende schoonheid, voor alle tijden....
+
+ * * * * *
+
+Terwijl Johan Doxa bij een hoog raam aan het schilderen zat, kwam de
+pater-hotelier op geregelde uren met hem een praatje doen.
+
+Bij voorbeeld bracht hij hem een bruin-geboterd kipje en zei:
+
+--"De pater-hovenier is nu met jacynthen bezig. Ik houd in het geheel
+niet van hem, Johan."
+
+--"Ik hoop dat ge u vergist."
+
+--"Ik houd niet van wat hij is, wil ik zeggen. Hij is een
+vrijheidschender. Hij zet al de lieve bloemen in perken, gelijk men
+kinderkens in kerkers zou steken."
+
+--"Bloemen voelen dat niet. Zij bloeien maar...."
+
+--"Wie weet? Vogeltjes sluit men ook op, en zij zingen maar...."
+
+Johan liet zijne vork op den rug van het kipje rusten en keek verwonderd
+naar den pater. Hij dacht aan een vinkje dat hij overlang bezeten had en
+dat in zijn kooi was doodgegaan. Werktuigelijk zei hij:
+
+--"En een eekhoorn houdt men wel eens in een tralientrommel gevangen, en
+hij danst maar...."
+
+Hij wendde zijn aangezicht naar 't open venster en blikte in het wijde
+azuur. En de pater vroeg:
+
+--"Hebt ge geen eetlust, beste Johan?" Neen, hij had geen eetlust. Hij
+hoorde verre geluiden over den hemel gaan. En het werd hem ineens zoo
+droef te moede, zoo droef te moede, zoo eindeloos droef te moede....
+
+ * * * * *
+
+Op een zondag-avond, na 't lof, lag Johan Doxa in zijne cel, op het
+nauwe ijzere bed. Het Klooster sliep. Johan lag met open oogen tusschen
+denken en niet denken. Was dat mijmeren? Was dat rusten? Voor de eerste
+maal sinds zijne aankomst bij de paters, lag hij zoo en glariede in de
+duisternis. Er kwamen geen beelden op, maar iets heel warms, gelijk eene
+onzichtbare pels, omdoezelde hem gansch. Zijne voeten en zijne handen
+gloeiden, en langzaam vergingen ze in donzigheid, en hij zou ze niet
+kunnen verroeren, want had hij nu nog handen en voeten? Hij voelde zijn
+eigen niet meer.
+
+Het vensterken was niet dicht. Hij hield hel open omdat, van af
+eergisteren al, een zwaluwenpaar hier rond vleugelde, een hoekje zoekend
+om hun nest te bouwen. En van heel wijd naderde hem een wolk van wattige
+gepeinzen, tot hij, buiten alle verwachting, werkelijk te denken begon.
+
+--"Van waar komen toch die zwaluwen, ieder jaar?"
+
+En de wolk dreef op, in langzame vaart. Ze zweefde over lage landouwen,
+over steden en dorpen, over wouden en stroomen, over bergen van groen en
+bergen van sneeuw, en dan daalde ze glijdend en voer over zee, de
+matelooze, ruischende zee.
+
+Plots ontlook in de stilte een verre muziek. Ze breidde zich uit en
+ontwikkelde allengerhand zeer hoorbaar hare blijde cadensen. Ze vulde
+weldra de lucht met zwellende klankondulatien, en Johan kon eindelijk
+herkennen wat daar een fluit deed, een klarinet, een koperen hoorn, een
+brommende trombone, en al zulke plezante tuigen meer. Een trom klopte de
+rythmen. 't Werd kermis, kermis in de stad--kermis in de ledige ziel van
+Johan Doxa, die, met een schok, zijne handen weerkreeg, en zijne voeten.
+
+Hij zag nu, alsof hij er bij meehuppelde, den ommegang van de fanfare in
+Onze-Lieve-Vrouw-te-Rooje-wijk. Hij zag de kinderen dansen, hij snoof de
+vetwalmen der oliekoeken en den stikkenden rook der fakkels. Hij zag de
+ruiten der herbergen branden en flappende vlagen kleuren in den gloed.
+Hij zag de mannen en de vrouwen....
+
+Hij zag de vrouwen. God vergeve hem, hij zag eene vrouw, eene met
+krullekens voor hare slapen en die, met bloote armen, twee schuimende
+pinten geuslambik bood.
+
+--"Wilt ge meedrinken, als 't u belieft?" vroeg Johan.
+
+En ze zei terwijl ze op hem afkwam met den tooghanddoek:
+
+--"Ge hebt u een beetje vuil gemaakt, geloof ik."
+
+Hare stem was wonderzoet. Nu naderde ze minzaam en lachte in zijn
+aangezicht. En Johan draaide zich gauw om in zijn bed, vatte wanhopig
+zijn hoofdkussen in beide armen, en pletterde daar zijn mond tegen, om
+'t huilen te smoren dat onweerstaanbaar uit zijn hart opjoeg.
+
+--"Moeder! Moeder! Moederken!..." kloeg hij.
+
+En dat duurde een heelen tijd zonder dat het baatte.
+
+Toen het schilderij af was, verklaarde Johan Doxa dat de retraite hem
+voor goed van al zijne slechtheid gezuiverd had en vroeg hij om zijne
+uiterste biecht te zeggen. Met een woord: hij wilde uit het klooster
+weg.
+
+Pater Hilarius hoorde de biecht, een mooien middag van April, even voor
+vespertijd. Johan ging met hem in de schoone Kapel, knielde voor den
+outer en verdween in het donkere hokje, waar hij, tegen een plank met
+gaatjes, woorden prevelde in het oor van zijn biechtvader. Dan moest hij
+onder het groote Kruis-Lieven-Heer gaan liggen en met zijn voorhoofd
+lang die koude vloertichels raken. Eindelijk hoorde hij de vespers
+zingen. 't Was uit. Hij nam afscheid van de Kloosterlingen, waaronder
+velen hem liefdelijk behandeld hadden. Hij nam met melancholische
+hartelijkheid afscheid van den ouden pater-hovenier, die hem drie
+zeldzame begoniabollen ten geschenke gaf. En zijn gemoed kwam nog even
+vol toen hij in de vestibule afscheid nam van den gulden pater-hotelier,
+die zijne zware handen op Johan's schouders legde. De pater-hotelier
+zei:
+
+--"Vaarwel, lieve vriend. Ik zal steeds u in mijne gebeden herdenken.
+Van menschen zooals gij, Johan, gewaagde Krist toen hij ergens de
+Pharizeers toeriep: "Laat af, gij die schraapzuchtig zorgt voor den
+dag van morgen!" God, toen hij de Toekomst schiep, schiep ook de
+Voorzienigheid, en beide blijven in Zijne handen. Ga, Johan, onbekommerd
+uwen levensgang. God spijzigt de vogelkens van uur tot uur. Waarom zou
+Hij u niet spijzigen?"
+
+Hij drukte Johan in zijne armen en zegende hem....
+
+Daar stond met zijn zwarten baard en rozig gezicht, de goedige
+pater-poortier vergeefs zijn best te doen om in de schaduw van pater
+Hilarius te verdwijnen. Johan hoorde zonder ongeduld een laatste
+sermoen, een klein deur-sermoentje maar, vol liefelijke en lichte
+dingetjes, gelijk van een chirurgijn, die een patient op krukken
+doorzendt, waarvan hij een been of zoo heeft afgezaagd. Dan stopte pater
+Hilarius hem een papieren omslag in de hand en fluisterde,
+half-wegloopend:
+
+--"Van den prior ... voor het schilderij ... adieu! adieu!"
+
+De hooge poort schoof langzaam open. Een geweldige adem sloeg Johan
+tegen de borst. Hij wankelde. Hij had willen een glasje water drinken
+terstond, en hij besloot om een glasje water te vragen....
+
+Maar hij kon nooit iets doen, waartoe hij besloten was. Hij stikte. God!
+wat een ontzaglijke lucht hier!... De poort ging dicht. Johan Doxa stond
+buiten.
+
+ * * * * *
+
+--"Pouah! cheri, hoe ruikt ge zoo naar den wierook?" Twee heerlijk-zwarte
+marolle-meisjes zaten nevens Johan Doxa, aan weerskanten, op de nauwe
+bank van de friture-kroeg. Johan had kennis met haar gemaakt op de
+Hoogstraat, zoodra hij had ondervonden dat het paketje van den prior
+eene banknoot van honderd frank bevatte. Eigenlijk had hij met iedereen
+willen kennis maken. Althans lachte hij vriendelijk elken voorbijganger
+in het gelaat, en waartoe zou hij dat anders hebben gedaan? Maar deze
+twee hadden hem direkt tegengelonkt. Zijne minzaamheid verminderde er
+blijkbaar niet om, want seffens hingen zij aan zijne armen en vroegen
+schuldeloos:
+
+--"Tu paies rien, vetzakske?"
+
+Of hij niets wilde betalen? Wel lieven-adieu! hij had lust om de geheele
+wereld op te koopen!... Er werd besloten dat ze zouden mosselen eten en
+patates frites. En zij zaten nu in de friture-kroeg.
+
+--"Pff!" deed Johan Doxa, "ik weet niet eens wat wierook is."
+
+De andere maagd ging met haar klein wipneusje over zijne mouwen
+snuffelen.
+
+--"Neen," zei ze, "'t is eau de Cologne--ge hebt al-ze-leven in fijne
+gezelschap gedineerd."
+
+Hij pinkoogde geheimzinnig, als om te laten onderstellen dat hij nog
+veel erger had gedaan, en liet daarna fier zijne borst opzwellen.
+
+Als ze gegeten hadden, merkten de meisjes dat ze dorst kregen, Johan
+trok met haar naar het "Kapiteintje" waar ze geus dronken, en naderhand
+in den "Moriaan" waar hij trakteerde met krieken-lambic. Nauwelijks had
+hij daar de derde flesch besteld, of een troepje wallebakken kwam
+dansend binnengesprongen, vergezeld door een klein straatorkest--met
+name een harmonica, een piston en een triangel. Ze dansten feestelijk de
+herberg tweemaal rond en schaarden zich dan, rood van pret, bij den toog
+om schuimende streepkens faro te zuipen. Johan Doxa stond plots recht en
+riep:
+
+--"Een pint geus voor heel de Kompanie!"
+
+Het docht hem dat zijn gansch wezen openging. De woorden die hij
+geschreeuwd had bleven trillen door zijn lichaam, als op pezen van
+metaal. Hij viel neer op zijn stoel en zweette een beetje. De jonge
+paren keken om en naderden de tafel waar hij zat gelijk een, die,
+bedwelmd, zijne eigene troonplechtigheid bijwoont. Hij kreeg eene
+ovatie....
+
+Nu begon, van taveerne tot taveerne, eene processie die waarlijk niet te
+beschrijven is. De muziekanten stapten voorop. Dan, met de voornaamheid
+van een paasch-os, Johan Doxa, geflankeerd door de twee mooie
+marolle-deernen. Dan de woeling der uitgenoodigde menigte, die steeds
+aangroeide. Kinderen huppelden ommendom, de handen zwaaiend omhoog. In
+den beginne zong men allerhande liedjes, maar weldra, om zooveel lawaai
+mogelijk te maken, ging zich het repertorium beperken bij een en
+hetzelfde couplet, dat iedereen goed kon en dat onvermoeid weer en terug
+en altijd werd aangeheven:
+
+/*
+ En een dikke pens
+ En een snee van 't verken,
+ Boerenleven dat is plezant!
+ Boerenleven dat is plezant!
+*/
+
+Er geraakten diep-dronken menschen in het gezelschap. De piston, een
+blonde reus, had vrijwillig op zich de verantwoordelijkheid van het
+behoud der orde genomen, en meermaals was hij tot zijn leedwezen
+verplicht eenige muilperen uit te deelen. Johan bewonderde hem
+uitermate. Hij betaalde maar. Hij was gelukkig als een Koning. Het bloed
+klopte hem weldadig op de slapen. Zijne kinderlijke lippen stonden in
+den vorm van een glimlachend toeterken, alsof er zoo juist een melkzoete
+flep was uitgevallen. Zijne meisjes hingen aan zijne mouw en soms moest
+hij een kusje krijgen of een kittelig kneepje in de leen. De wereld
+ruischte alom op hooghemelsche maat:
+
+/*
+ En een dikke pens
+ En een snee van 't verken....
+*/
+
+De harmonica-speler was een bult. Hij dronk gelijk een Zwitser. Daar was
+een oud ventje met rooden neus. Die kwam gedurig tegen Johan's buik
+niezen. Hij dronk gelijk de bult. Allemaal dronken. Johan Doxa betaalde
+maar....
+
+--"Vooruit naar De Dikke Luis!" riep de piston.
+
+Weer 't zalige gedrang van lijven. Johan werd als opgenomen in de
+stuwing en meende te zweven en stapte plots met zijn stoet en zijne
+muziek op straat.
+
+--"Waar gaan we naartoe?" vroeg hij onnoozel aan het meisje links.
+
+--"Naar De Dikke Luis!"
+
+Het docht hem dat hij het zevende paradijs te gemoet ging. De heele boel
+was een wonder. Hij zong slapjes:
+
+/*
+ En een dikke pens....
+*/
+
+Er schoot hem iets te binnen en hij vertraagde zijn stap. Naar het lieve
+meisje links boog hij zich en dan voelde hij hoe zwaar zijn hoofd was
+geworden.
+
+--"Ik heb nog twintig frank" fluisterde hij haar in het oor.
+
+--"Hoeveel?"
+
+Hij taste in zijn broekzak en bracht zijne hand voor haar ten
+voorschijn. Een met koper benagelde kletsdop lag daarin, en een
+bankbriefje.
+
+--"Twintig," zei het meisje, "kom; 'k zal ik verder betalen--ge zijt
+zat."
+
+Wat een heerlijk leven was het in "De Dikke Luis", een gloeiende roze
+leven binnen een zachtblauwe tabakwolk! Het drieledig orkest speelde er
+de Brabaconne. Het glanzende bier ging rond van hand tot hand. De breede
+baas stond te midden van kannen en glazen te tappen.
+
+--"Wat zoudt ge er van pein-einzen," vroeg de bult aan Johan tusschen
+twee hiksnokken.
+
+Johan Doxa lachte simpel. Zijne tong, docht hem, lag vast in een soort
+van elastieke meelpap. Hij peinsde niets. Weer riep de piston:
+
+--"Nu naar den Heeten Ketel!"
+
+De troep pakte zich saam, rumoerde op naar de deur. De harmonica begon
+te blazen en de triangel, week-bellend, sloeg.
+
+--"Halt!" schreeuwde de baas, "wie moet dat allemaal betalen."
+
+Johan Doxa keek lui om. Hij schudde zijn hoofd onder het schrikkelijke
+hoofd van den baas. Hij had willen uitleggen dat daar ergens een zwart
+meisje moest zijn, dat het geld bewaarde. Maar zoo'n meisje was er in
+huis niet meer. Had hij haar het geld inderdaad gegeven? Langzaam ging
+hij met zijn eigen daarover redeneeren. De piston sprong naar den baas
+toe. Een paar glazen vielen van den toog en dan....
+
+Johan Doxa werd links en rechts gestoten. Nu zat hij op een stoel. Nu
+zat hij op een tafel. Nu lag hij tegen den muur. Nu stond hij te
+waggelen overeind. Nu kwam iets hards en vlugs tegen zijn kop aanbonzen.
+Nu knielde hij. Nu werd hij van achteren opgestampt. En ineens beukte
+een zwarte masse aan op zijn voorhoofd.--Was tegelijk het licht
+uitgegaan?...
+
+Het licht was uit.
+
+In Johan Doxa was het licht uit. Daar kan niet aan getwijfeld worden.
+
+ * * * * *
+
+Door een vensterken met ijzeren staven drong de prille Lentedag, toen
+Johan Doxa zijne oogen openstak. Zijne oogen gingen op langs vochtige
+muren. Ze bleven daar staren op zonderlinge teekeningen en schrifturen.
+De klok van het Klooster klepte niet. Hij wilde iets vragen....
+
+O, hoe akelig was zijn mond! Zijne kaken stonden stijf. Een loome pijn
+hing in zijne leden. Hij keek naar zijne handen, zijne smerige handen,
+bemorst met bruin-gedroogde bloedvlekken. Zijn rechterknie stak bloot
+door een scheur van zijne broek. Zijn hoed lag bij de deur--een
+platgeblutste hoed met afgerukte randen.
+
+--"Het stinkt hier" dacht Johan. Hij kwam moeilijk recht. Zijne beenen
+waren als bevroren vodden. Hij begon stillekens over zijn hoed te
+strijken, met werktuiglijke zorgzaamheid.
+
+Toen rinkelde daarbuiten een bussel sleutels en iemand opende deze
+onbegrijpelijke cel. Het was een soort van politie-agent.
+
+--"Allee," sprak de ruwe deurwaarder, "krab op--ge moest u schamen."
+
+Geen de minste aandoening werd wakker in Johan Doxa. Hij liet zich
+geleiden. Hij mankte. Hij verliet de Amigo[1] zonder hoop en zonder
+wanhoop. Hij kwam thuis. Hij vond er zijn moederken. Hij hoorde zijn
+moederken zeggen:
+
+--"Ach mijn jongen! mijn lieve jongen! ach, wat hebben de paters toch
+met u gedaan!"
+
+Hij ging in een hoek zitten. Hij vertelde niets. En 's anderendaags ook
+vertelde hij niets. En nog dagen en dagen nadien bleef hij, en vertelde
+niets. Hij nam nooit het besluit iets van dat alles aan zijne moeder te
+vertellen.
+
+Maar wat zou het eigenlijk helpen, als hij nu daaromtrent een besluit
+genomen had?
+
+Niets.
+
+
+Noot:
+
+[1] Stedelijke gevangenis voor tijdelijke verbrekers der openbare orde.
+
+
+ * * * * *
+
+
+IV
+
+JOHAN DOXA
+
+DE SCHADUW
+
+
+Ik kon dien nacht geen oog dicht doen. 't Sloeg vier uur op ons
+Empireklokje, wanneer ik besloot het bed te verlaten, dat mij geen rust
+geven wou. Terwijl ik me aankleedde en daarbij het groene nachtlichtje
+had aangestoken, zette ik mijne morgenmelk op het kleine gasfornuis.
+Ik dronk ze zonder smaak en verlangde reeds om buiten te zijn, in de
+frischheid van den uchtend.
+
+Die frischheid was echter niet aangenaam, maar ik liep toch de vochtige
+straten door, gelijk ik meer placht te doen om mijne overspannen zenuwen
+te stillen.
+
+Ik wandel gaarne in den vroegen dag. De stad heeft telkens zoo ongewone,
+zoo uitzonderlijke uitzichten. Zij ontwaakt met schokjes. De blauwende
+donkerte laat de grijze gevels opklaren en verft de gladde eenzaamheid
+der macadamlanen en asphalten bolwerken. De lantaarnlichten weifelen,
+grauwen wittig uit de nevelen, werpen geen schaduwen meer. En het
+zeldzame menschengedoe gaat traag op, nooit veranderlijk, gebaren makend
+die een definitief teeken van den uchtend zijn.
+
+Ik loop meestal de lage stad om en verwijl dan het liefst rondom de
+Zuiderstatie. Het is daar schoon om zien, want schoon is het morgenlicht
+over de rookwolken der locomotievenhal. Het donkere gebouw is al vol
+bedrijf en voert de werkluibenden op het statieplein. Er gebeurt een
+gewoel van lijven, maar de lippen zijn zonder gerucht. De arbeid wenkt
+zwijgend zijne zwijgende slaven....
+
+Dien keer was ik zeer vroeg voor de hal aangekomen en ik slenterde
+onwillig, de hielen slepend. De nevellucht spande pijnlijk om mijn
+voorhoofd. Ik stond een paar ezelwagetjes na te gapen, die fluks opreden
+met nieuwe groenten, de stad binnen. Musschen sprongen in de dahlia-
+perkjes van het plein.
+
+Toen--juist terwijl ik nieuwsgierig de nog-belichte vensterruiten van
+eene burgerlijke taveerne bekeek--zag ik de glazendeur van die taveerne
+ruw openslaan en eene dikke vrouw, blijkbaar de bazin, den drempel
+oversnellen. Ze schreeuwde in angst:
+
+--"Polis! Polis!"
+
+En ze ijlde van hoek tot hoek, het plein langs, al harder krijtend,
+terwijl toch, naar gewoonte, nergens een politieagent zichtbaar was. Een
+heer verscheen in de herbergdeur, gaf rappe inlichtingen aan een bleeke
+schenkmeid, die schielijk de Fonsnylaan opliep. Ik was, op een drafje,
+naderbij gekomen. De heer keek me in het aangezicht en, ofschoon hij
+onder de zwarte randen van zijn galahoed zoo wit uitblekte als een
+doode, herkende ik in hem, niet zonder verwondering, mijn goeden vriend
+Menschaert, den toondichter.
+
+--"Wel, Antoon," zei ik stil, "wat gebeurt hier?"
+
+Hij hief zenuwachtig zijne schouders op. Zijn rechterhand teekende in de
+lucht vluggelings een halven cirkel--wat bij hem het gebaar was van een
+onzeggelijk ongeduld--en hij wenkte mij om binnen te komen.
+
+--"Ik vrees dat het hier erg toegaat," sprak hij dof.
+
+Inderdaad. Het schouwspel, dat ik in de taveerne te zien kreeg, was zoo
+schrikkelijk dat ik, op het eerste zicht, ademloos bleef van aandoening.
+Maar toen ik naderhand een stap nog waagde, werd mij plots het gaslicht
+een mist van groene dampen en voelde ik den klauw van een zonderling
+monster, dat, gelijk een nachtmerrie, mijne keel toenijpen kwam.
+
+Ik had, geloof ik, een korten gil geslaakt....
+
+ * * * * *
+
+Het was half-zeven, als ik met Menschaert die akelige herberg verliet.
+De eenige schikking, die nog moest genomen worden, had ik ter regeling
+aangewend en mijn vriend Antoon, welke waarlijk een allerbraafste jongen
+is, wilde niet dat ik al dat droeve alleen zou doen.
+
+Hij liep dus mee met mij, maar daar de boodschap geen haast vroeg
+--integendeel, goede God!--en daar wij beiden zeer vermoeid waren,
+besloten wij om maar eerst een kop koffie te gebruiken. In de kleine
+eetzaal van het _Hotel Esperance_ bestelden wij een klein ontbijt en
+Antoon, door mij hiertoe dringend aangespoord kon eindelijk breedvoerig
+vertellen hoe de tragische gebeurtenis ontstaan was.
+
+Hij deed het met dien eenvoud, welken ik zoo bewonder bij hem en die
+schijnbaar zoo zeer strijdt met de gewone daden van dezen uitstekenden
+kameraad. Antoon Menschaert is nog jong. Zijne ouders zijn boeren-heeren
+uit de Kempen en stellen het tamelijk goed. Hij zelf woont ergens bij de
+Beurs, alleen, naar hij zegt (ik vermoed echter dat die eenzaamheid
+"gedeeld" wordt, want, uit princiep, ontvangt hij nooit een vriend op
+zijne kamers....) Hij is orgelist in Sint-Niklaaskerk en werd onlangs
+als monitor aangesteld in het koninklijk conservatorium. De jongen
+vermaakt zich eeniger mate in den zin van wat jongelui in Brussel "zich
+vermaken" noemen. Nochtans is hij ernstig en zijn gevoel, dat ik bij
+meer dan een gelegenheid heb kunnen waardeeren, heeft schoone volten en
+een bestendig gewicht.
+
+Hij zat voor mij. Het opkomend daglicht klaarde over zijn sierlijk
+aangezicht, dat, thans wat roziger, toch mat-effen, zeer vermoeid boven
+zijn witte das en de zijden kraag van zijn smoking uitscheen. De koffie
+rookte lichtelijk op over de gouden randjes van het blauwe porseleinen
+koffie-servies. Wij aten bij poozen, gelaten.
+
+Antoon sprak:
+
+--"Ik heb gisteren middag het dineetje bijgewoond, waarmede mijnheer en
+mevrouw Zondervan maandelijks en telkens te vergeefs een vrijer
+probeeren aan te kleven voor hunne dochter Adelaide, een stuk plank met
+een kop vol pretentie.... Kent gij de familie Zondervan?... Jammer! Dan
+kunt ge ook niet geheel inzien in welken staat van ellende mijne hersens
+waren gebracht, nadat zij een ganschen middag het leelijk sproetengelaat
+van juffrouw Adelaide hadden aangegluurd en de zoetzappigheidjes van
+haar idioot gepraat hadden toegeknikt. Toen ik, omtrent negen uren, zeer
+buiten Adelaide's verwachting, haar tafel en haar huis verliet, was ik
+een kapot stuk jongmensch, dat zich nog alleen herinnerde hoe slecht
+Zondervan's bourgogne was en hoe afschuwelijk zijne dochter. Ik snakte
+naar een glas gezond bier en vond het zonder moeite. In _Clarenbach_
+waar ik aangeland was, ontmoette ik bij mijn vierde pint Slokke, den
+beeldhouwer, Fritz d'Artois, die als stagiair bij advokaat Forst is
+aangenomen, administrateur Lemonnier en diens vriend mijnheer Van
+Dranem, welke mij werd voorgesteld. Deze heeren waren in vroolijk humeur
+en wij dronken samen eene brave hoeveelheid Munchnerbier, zoodat, door
+Slokke aangedreven, ik mijn eigen al even pleizierig als de overige
+bevond. Die Slokke is een verbazende kerel. Te middernacht volgden wij
+hem in _The Dominion Bar_, in de _Jeune France_ en eindelijk in dat
+verleidelijke ding van de Bisschopstraat, _The Old Curiosity Shop_,
+zooals gij wel weet. Overal was pret, muziek, drank en lieve dames. Ik
+zou op dat oogenblik geloof mij, juffrouw Adelaide Zondervan nooit uit
+Mathusalem hebben herkend, aangenomen dat Mathusalem het vergelijk hadde
+verdragen. In _The Old Curiosity Shop_ vermaakte ons zeer een muziekaal
+neger-trio. Slokke had in _The Dominion_ een voor mij onbekend makker
+aangeklampt, een soort Tcheik, die alles danig lollig wist aan te
+brengen en waarlijk een onschatbare ontmoeting was voor jonge
+lichtmissen. Hij richtte o.a. met de drie negers een burleske vertooning
+in, welke bij de aanwezige dames en heeren een grooten bijval verwierf
+en, na eene omhaling van Slokke, voor den Schamelen Arme, zooals Slokke
+zei--hij bedoelde het Stedelijk Armbestuur--ruim twee honderd frank
+opbracht.
+
+"Ik was toen al tamelijk beschonken. Maar ik herinner mij zeer goed dat
+in een hoekje bij den toog een zonderling mensch zat toe te kijken. Het
+is noodig dat ik u vertel hoe hij zich voordeed. Het was--gij weet het
+natuurlijk--een dik, ingezonken man, een waarvan men gemeenlijk zegt dat
+hij "zonder ouderdom" is, maar zijn gelaat, dat klaarblijkelijk door een
+overdadig gebruik van ... laat ons zeggen "spiritualen" was ingevreten,
+had, ondanks zijne vervallen kleederdracht, ondanks de niet-vrome
+omgeving, ondanks alles, een zoo kinderlijk, och ja, een zoo
+"seraphische" uitdrukking dat het mij aandeed buiten mate. Hij keek toe.
+Hij keek engelachtig het zot bedrijf van den Tscheik en de drie negers
+toe. Hij lachte niet. Hij scheen ook niet bezorgd. De beruchte tapper
+van de _Shop_--Anatole heet hij, weet ge wel--bracht hem, zonder dat hij
+'t vroeg en zonder dat hij er in het minst voor dankte, tot viermaal een
+whisky-soda. Hij dronk niet gulzig, niet smakelijk ook. Hij dronk
+langzaam en eentoonig, en zijne gebaren waren lui als van een vet,
+eigenzinnig kind....
+
+"Hoe het kwam, weet ik niet. Men weet niet hoe alles gebeurt bij zulke
+partijen. Bovendien, ik beken 't voluit, de drank speelde en smokkelde
+in mijn hoofd. Zeker is het dat, rond twee uren, het korte mannetje
+zonder tegenspraak bij ons gezelschap hoorde. Ik zag dat hij naast
+mijnheer Van Dranem zat. Ik hoorde niet dat hij met mijnheer Van Dranem
+sprak. Ik hoorde dat mijnheer Van Dranem hem had aangelijmd en, in het
+algemeen gewoel, eene astrologische rede voorhield, welke het geduldig
+ventje met brave knikjes scheen goed te keuren. Mijnheer Van Dranem
+bestelde dan telkens versche pinten, deed vriendelijk met zijn
+zonderlingen gebuur bescheid en maakte hem alzoo bijna tot elkendeens
+kameraad. Och! men verbroedert zoo licht in die warme nachtkroegen! Geen
+van ons dacht er aan den kerel naar zijn naam te vragen. Dat hij geen
+booswicht was stond op zijn cherubsgelaat te lezen, en wat konnen wij al
+meer eischen? Hij dronk voortreffelijk. Hij deed ons, drinkebroers, eer
+aan....
+
+"We verlieten de _Curiosity Shop_ al te zaam. De goedige dikkerd volgde.
+In de _American Bar_ zat hij aan onze tafel. Wanneer een van ons hem
+onder 't praten toekeek, knikte hij seffens gewillig tegen. Hij
+beantwoordde alleman's teug. Dronk ik, hij dronk. Dronk daarop
+Lemonnier, hij nam een slokje uit beleefdheid. Dronk dan de
+geheeldronken d'Artois, hij insgelijks, om goede manieren te toonen,
+dronk maar.... Kortom, hij was de hoofsche goedkeuring zelve.
+
+"Zeg eens, Herman, hebt ge al niet opgemerkt dat, als ge zoo op randool
+zijt, er altijd iemand medefeest, zwijgend en ingetogen. Het is een
+stille bijlooper. Hij laat nooit zijn glas ledig staan. Hij spreekt
+nooit iemand tegen. Hij betaalt nooit wat. Hij is nooit hinderlijk. Laat
+iemand zijn pijp, zijn regenscherm, zijn zakdoek vallen, hij is 't, die
+hem opraapt. Hij is bij iedereen en bij geen van allen. Hij is een
+verdraagzaam toezicht en zal het opmerken, als de baas, vertrouwend op
+de dronkenschap der kompanie, iemand wat ongangbare munt wil in de hand
+stoppen. Hij is 't ook, Herman, die de aandringende bloemenverkoopster
+met een blozend lachje toefluisterd: "Ga maar uw gang, vrouwtje, die
+kerels zijn zat en koopen niet!" En, luister wel, niemand kent hem. Hij
+is de schaduw van ons allen, en wij eischen niets van hem. Hij lijkt op
+iets dat ons natuurlijk en onverweerbaar toebehoort....
+
+"Alzoo was die man. In de _American Bar_ ontstond er ruzie met een paar
+roekelooze studenten. Ik zag goed hoe hij onderwijl vredig zijne pijp
+stopte en ze in volle herrie kalmpjes aanstak. Ik zag het, omdat de pijp
+zelf mij trof--een wondere pijp, geheel met kleur-ornamenten beladen,
+zoo miniatuur-fijn als nog nimmer mij verfversiersels onder de oogen
+kwamen. Onderaan den breeden pijpbuik kon ik, na eenige aarzeling het
+woord "Julia" lezen. Het verbaasde mij zeer. Brandde in dat zeldzame
+dikzaklijf waarlijk de vereering voor eene geliefde vrouw? Zoo zeer nam
+mij dit denkbeeld in beslag, dat ik dadelijk den zachten vetpot over
+zijne identiteit wilde aanspreken. Ik geloof dat de toenemende twist mij
+in dit voornemen storen kwam, want tot eene bepaalde opheldering kwam
+het niet. Eene verdere gelegenheid werd mij niet meer aangeboden en de
+kerel bleef stillekens, rookend en drinkend, bij ons....
+
+"Aldus voortzakkend geraakten wij in groepje op het Statieplein. Wij
+hadden na de sluiting van de _American_ nergens een herbergzaam huis
+gevonden en waren, eerst druk-pratend, dan moe-zwijgend, de Henegouwlaan
+opgekomen. Slokke beweerde dat het Statieplein ons op een voornaam
+fleschje geus of iets dergelijks kans kon bieden. Wij volgden Slokke
+gedwee. De nacht was koud, miezelig, doordringend-vochtig. Wij
+slenterden door, stil voorover gebukt, bijna zonder moed. Slokke zong
+luidop een lied, waarvan ik me niets meer herinner, en d'Artois, achter
+hem, spande nuttelooze pogingen in om het hem na te burrelen. Lemonnier,
+lang en stokkestijf, beende akelig over het trottoir. Van Dranem, die
+naar ik vermoed, daags te voren zeer onvoorzichtig den inhoud van een
+sterrekundig standaardwerk had ingezwolgen, besproeide mij met den
+hutsepot van zijne astrologische indigestie. De laatste van allen,
+kortstappend en kort-blazend, kwam de ronde man, onze zoete schaduw
+aangedrild. Ik hoorde hem. Hij had het geluid van een haastigen hinker.
+Maar hij hinkte wezenlijk niet: naar ik thans vermoed, ontbrak de hak
+aan een zijner schoenen, die daardoor als een slofje neerwreef op de
+steenen....
+
+"Slokke bracht ons in die taveerne van het Statieplein....
+
+"Hier moest het drama gebeuren. Wij gingen aan de grootste tafel zitten
+en bestelden koffie. De bazin, een onaangenaam wijf, deed opmerken dat
+de herberg slechts bij toeval open was gebleven, dat zij geen tijd had
+om koffie te zetten en maar hoopte dat de heeren gauw zouden oprukken.
+Fritz d'Artois stond bij dezen onvriendelijken uitval recht en
+overdonderde de zure waardin met de gekste aller redevoeringen. Aan de
+inschikkelijkheid van eene oolijke schenkmeid hadden wij een kop koffie
+en het einde van d'Artois' pleidooi te danken. Deze schenkmeid, die wel
+inzag dat men Slokke en zijne kameraden nooit anders dan met
+aanminnigheid zou de deur uitkrijgen, verwaardigde zich haar eigen bij
+ons aan te sluiten, waar zij van Lemonnier verkreeg dat hij haar, bij
+wijze van "slaapmutsje", op een fine-champagne trakteerde.
+
+"Kijk nu, Herman, goed hoe wij zaten. Ik zat op de bank, links had ik
+Van Dranem, stapelvol met troebele wijsbegeerte, rechts d'Artois, en
+naast dezen het rookende mysterieventje. Rechtover mij zat Slokke, links
+had hij Lemonnier en rechts de diplomatische herbergdeerne. Wij praatten
+in den beginne vrij onharmonisch ondereen, tot op een vraag van de
+schenkmeid het gesprek eene bepaalde richting inliep. De meid had
+vernomen dat Fritz advokaat was en ze wilde hem gaarne, zeide ze, iets
+vragen. Fritz die, met Dranem, de zatste van den hoop was geworden, vond
+waarschijnlijk dat de schenkmeid hem veel eer aandeed. Althans bereidde
+hij zich tot een uitbundig consult en stelde zijne prille ervaring
+"geheel" (dit met een prachtig oratorisch gebaar) tot hare beschikking.
+"A-wel voila!" sprak de meid, "ik ben getrouwd met een man die te dom is
+om voor den duivel te dansen--van 's morgens tot 's avonds maak ik ruzie
+met hem, want hij is te vadsig om een woord te zeggen,--hij zou mij
+bestelen, als hij maar kon, mijnheer, bestelen om in de herberg te
+zitten, hij wint geen gebenedijden stuiver en ik vraag mij af hoe hij
+het aan boord legt om 's nachts geregeld dronken thuis te komen,--d'r en
+is geen leven mee te houden, dat zeg ik u,--'k ben 't beu den luiaard in
+te mesten, en, met permissie gezegd, mijnheer, 'k zou willen
+divorceeren!" Zij begon in 't kort en in 't lang ons den toestand van
+haar huishouden voor oogen te leggen, en daarop overgoot d'Artois haar
+met zijne orakels. Hij onderzocht het pro en het contra, nam de gekste
+houdingen aan en waande zich aan de vermetelste verklaringen, brak het
+huwelijk om "te besluiten" en lijmde de stukken weer aaneen om met
+nieuwe pracht van woorden te kunnen herbeginnen.... Kortom hij spande
+daar de onmenschelijkste zaag. Slokke kreeg, naar hij mij vertrouwbaar
+toemummelde, een papmond. Lemonnier was op de beide vuisten in slaap
+gedonderd en Mijnheer Van Dranem, die over heel 't gedoe geen star meer
+herkende, was in de diepste mijmeringen verzonken....
+
+"Ik, scheef-achterover tegen den bankrug geleund, keek strak den dikken
+bijlooper aan. Hij zat kalm en zoetjes te rooken, onveranderlijk. Daar
+d'Artois recht stond en voortdurig over de tafel waggelde al preekend,
+kon ik gemakkelijk onzen anoniemen vriend naloeren. Ik beken het u: ik
+deed het uit verveling, want ik was wezenlijk te vermoeid om in mij
+belangstelling voor 't zij eender wat te wekken. Ik belonkte hem strak,
+al rustend. Hij rookte, scheen oplettend naar d'Artois en de schenkmeid
+te luisteren, dampte zachtjes. Zijn bol aangezicht tuurde, over de
+hoofden, naar iets dat, docht mij, misschien op den muur, boven den
+toog, was aangeplakt. Al scherper blikte hij alzoo ... tot, almeteen,
+zijn pijp, die geen vuur meer hield, dood stak in zijn mond, die juist
+niet meer trekken wilde.
+
+"Hij bleef een lange poos zonder roeren.
+
+"Toen, zonder haast, vatte hij de pijp, wond ze in zijn rooden neusdoek,
+borg ze--gelijk hij ze voorzeker placht te bergen--voorzichtig in zijn
+binnenzak ... en ... toen, Herman ... ja, toen ... ik word er niet wijs
+uit jongen ... het is zeker dat ik zeer, zeer moe was. Het gebeurde als
+in een droom, waarbij ik machteloos moest blijven ... begrijpt ge?
+
+"De arme dompelaar, nadat hij de pijp geborgen had, trok langzaam zijne
+hand weer uit den zak. Die hand--wat vatte ze zoo struisch daar? Ik
+zweer u, Herman; ik zag het, ik zag het, zonder te weten dat ik 't zag....
+Die hand, met het zwarte ding, hief de goede dikkerd tot onder zijne
+kin. En hij opende vredig zijn mond, wijd, wijd, tot het mij met
+verbazing sloeg. En toen, Herman, gebeurde het. Het schot brak los, hard
+en geweldig ... en de hand viel neder op de tafel, rilde daareven en
+omsloot, meen ik, het dampende tuig dichter....
+
+"Ha, jongen 't was er een herrie! Iedereen, zelfs de slapende Lemonnier,
+stond recht. Die gemeene bazin gilde oneerbiedig. En hij, de sukkel, zat
+op de bank, had niet geroerd. Hij glimlachte precies. Maar, achter hem,
+was de muur met bloed bespat en iets leekte daar, een witte kwabbel,
+traag, van zwaarte...."
+
+Antoon zweeg. En ik herzag de leelijke taveerne, en hoe ik er
+binnenliep, en hoe ik den doode zitten zag, en hoe ik, met een neep in
+het hart en een kreet van heel mijn wezen, Johan Doxa herkende, den
+zachten doolaar.
+
+Ik heb zijne lauwe hand in de mijne genomen. Ik heb ze waarlijk
+gestreeld, alsof hij 't nog voelen kon. Ik heb hem op de bank
+nedergeleid. En ik heb zijne groote oogen toegedaan, die zoo verre
+keken, verder dan den muur, Antoon, verder dan den muur of den toog,
+mijn goede Antoon....
+
+ * * * * *
+
+De heete koffie had ons opgeknapt, maar we vertrokken beladen met iets
+als een groot pak. Niet haastig drilden we de Lage Stad af. We drumden
+langs de gevels der huizen en beletten niets van het aanzwellend
+dagbedrijf. We liepen verstrooid over de pletsende dweilen van gebogen
+dienstmeisjes, die zich oprechtten dan, gestoord in den kuisch, en ons
+wat toesnauwden van op de drempels.
+
+Ik was zeer bekommerd en luisterde nauwelijks naar het stil, afgebroken
+gepraat van Menschaert. Ik begon 't mij alreeds te beklagen dat ik deze
+laatste boodschap had aangenomen. Seffens verhief echter mijn geweten
+zijn rechte stem boven 't gehakkel van mijn angst en ik stapte vaster
+door, overtuigd, gelijk ik was, dat niemand het droeve nieuws met meer
+teedere en aandachtige zorgen zou brengen dan ik het, met mijn
+liefderijk medelijden, zou doen.
+
+We kwamen in de Zes-Penningenstraat, die reeds vol was met
+uchtendgeluiden. Magere honden liepen er snuffelend rond de vuilbakken.
+Een stoelenbiezer zette aan zijn uitgerokken roep, die wijd-jammerde
+onder de vensters. Een fruitwijf stiet haar rammelend karretje. Boven
+op een hoog huis vlekte een bleeke zon.
+
+Het donkere winkeltje was open, de grauw-groene luiken ontsloten, de
+gebroken drempzuil bloot. Ik kende die zuil goed. Hoe dikwijls liep haar
+lustig over, jaren geleden, toen Johan Doxa met zijn ekster, zijn sijsje
+en zijn eekhoorn het rare zolderkamertje bewoonde!
+
+Juist--maar hoe kommervol thans!--wilde ik de goede zuil betreden, als
+daar in een zoeten lach de groetende moeder Doxa stond.
+
+--"Wel mijn jongen," zei ze frisch, (ze droeg een jakje en een versch
+schort en ze was waarlijk, het oud wijveken, frisch als de morgen zelf)
+"wel mijn jongen, wat zijt gij vroeg te been!"
+
+Ik geloof dat ik daarop iets vrij onverstaanbaars uitbracht, want moeder
+Doxa keek me dadelijk vreemd aan. Moeders hebben wondere voorgevoelens.
+De lach op haar gelaat verdween. Zij zei nog:
+
+--"Komt ge mij opzoeken?"
+
+Ze drukte wonderbaar op het woord "mij".
+
+Ik knikte traag, verlegen. En wij traden het speelgoedwinkeltje binnen,
+dat geheel het uitzicht van vroeger had bewaard. Daar gloeide eenderlijk
+de roode tichelvloer en donkerde massaal de vierkante toog onder het
+noesche vensterlicht. Vluggelings zag ik in hunne verscheiden bakjes de
+lekstokken, muntebollen, vlierhopjes, ovenbeesten, stampers, kletskoppen,
+amandelkoekjes en kramelleu. Achteraan, tegen den muur, in schemerklaarte,
+hingen de poesjenellen, de poppen, de reepen, de blikken muziektoppen,
+de zweepen met fluitjes, de zakken met glazen marbels, al het diverse
+speelgoed, dat bontig opkleurde en rammelde door mekaar.
+
+En moeder Doxa, dienstvaardig, ging, gelijk naar gewoonte, het trapje op
+achter den toog. Eene zonderlinge aarzeling bibberde in haren blik. Ze
+beproefde een nieuwen glimlach.
+
+--"A-zoo! mijn jongen," sprak ze, "wat is er tot uwen dienst?"
+
+Ik bleef nog een tijdje zwijgen. Antoon scheen over de smuitsterbakjes
+eene zorgvuldige keus te doen. Ik schudde treurig het hoofd en vatte
+moedig aan:
+
+--"Nu moedertje, wij brengen geen goed nieuws.... Het spijt me zoo!..."
+
+Ze sprak niet. Hare oogen werden scherper. De stilte die in het winkeltje
+kwam spoken was wezenlijk onverdraaglijk. Ik herinner me (hoe bijtend
+zijn de indrukken soms!) dat, op dit oogenblik, een scheerslijper al
+roepend voorbij trok. Ik zei:
+
+--"Verschrik niet uitermate, moedertje. Zeker, het leven is heel zoet om
+leven. Maar wat helpt het, als wij zelf meedoen om ons leed te vergrooten,
+als wij ons zelf den dood op het lijf jagen?... D'ris toch niets aan te
+veranderen, moedertje Doxa...."
+
+Ze was bleek, ineens doodelijk bleek. En de kleine glimlach, die niet
+weg wilde, werd een grijns van smart. Ze hakkelde:
+
+--"Ja maar, ja maar...."
+
+Alsof ze zich aan de waarheid wou vastklampen, en een bange logen
+daarmede kon verweeren die schrikkelijk op haar afkwam. God, Gij weet
+hoe vurig ik toen wenschte dat het inderdaad een logen mocht zijn!
+
+Ik besloot die pijn te verkorten. Ik hernam, diep ademhalend:
+
+--"Uw zoon moedertje ... uw zoon Johan...."
+
+Ze deed stil:
+
+-"Ha-a!"
+
+Heel stil. En ze sloot langzaam hare oogen. Ze zonk achterover, in de
+rokjes van poppen, tegen den muur. En nog verliet die akelige glimlach
+hare lippen niet.... Antoon Menschaert was toegesneld. Ze voelde zijne
+armen om haar, roerde haar mond.
+
+--"Wacht", lispelde ze zoetjes, "wacht, als 't u belieft ... och!
+och!..."
+
+Toen stak ze hard en wijd-open hare oogen en keek ernstig toe.
+
+--"Watte?" vroeg ze, "wat zegt ge daar?"
+
+En ik, geheel verslagen en 't harte bijna ingestampt:
+
+--"Uw zoon, moedertje", antwoordde ik, "hij is niet wel ... hij is zoo
+schielijk.... God is wreed, moedertje, maar wij moeten in hem berusten,
+dat weet ge toch niet waar?"
+
+Ze stiet Antoon plots van zich af. Ze riep:
+
+--"Wat is er met Johan gebeurd? Wat is er met Johan gebeurd?"
+
+Ze was vreeslijk. Ik dacht dat ik het nu met een woord zeggen moest
+en--de Hemel vergeve 't mij--ik zei het met een woord.
+
+Dat woord, ze had het werkelijk zien aankomen. Ze week als het dichtbij
+was. Ze kreeg het vlak tegen hare oude borst.... Nu zakte ze thoope,
+gelijk een klein, nietig pakje, in Menschaert's handen. Ze was opeens
+schijnbaar als een pluimpje zoo licht.
+
+Nog sprak ik, de schoon-versierde pijp uitreikend naar heur:
+
+--"Zie, moedertje, hier is zijne pijp. Ik heb ze uit zijn zak genomen
+opdat gij ze bewaren zoudt, als een aandenken...."
+
+Ze keek de pijp aan. Ze vatte de pijp met beide handen.... Dan was 't
+alsof ze insliep, zonder een traan, zonder een zuchtje, verre van ons.
+
+ * * * * *
+
+Antoon Menschaert is nu een beroemd componist geworden, wat onze
+vriendschap niet het minst heeft verlauwd. En daar hij nog steeds op
+kamers "alleen" woont en ongaarne iemand bij hem ontvangt (ik verdenk
+hem niet, hoor!) komt hij al dikwijls een avondje doorpraten in
+Linkebeek, waar ik sinds enkele jaren verblijf. Wij zabberen en rooken
+dat het een aard heeft.
+
+--"Zeg eens," zegt hij vaak, "ik zal u gaarne een zilveren aschbakje
+schenken, indien ge dees ellendige doos weggooien wil."
+
+Ik bekijk dan de hoog-ronde doos, die ik ons eigen steeds voorzet als we
+sigaren opsteken. Het is een geblutst tomatendoosje, dat inderdaad
+miserabel aandoet in de overige meubeleering.
+
+--"Kom! Kom! ik zal dat leelijke ding wel eens de straat opwerpen ...
+doch, wanneer? wanneer?... Er zijn kleine, domme daden, waartoe men maar
+niet besluiten kan."
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Johan Doxa, by Herman Teirlinck
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JOHAN DOXA ***
+
+***** This file should be named 16841.txt or 16841.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/6/8/4/16841/
+
+Produced by Marc D'Hooghe.
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/16841.zip b/old/16841.zip
new file mode 100644
index 0000000..8b6463e
--- /dev/null
+++ b/old/16841.zip
Binary files differ