summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/16832.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '16832.txt')
-rw-r--r--16832.txt17358
1 files changed, 0 insertions, 17358 deletions
diff --git a/16832.txt b/16832.txt
deleted file mode 100644
index be6d036..0000000
--- a/16832.txt
+++ /dev/null
@@ -1,17358 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of Ben-Hur, by Lewis Wallace
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org
-
-
-Title: Ben-Hur
- Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde
-
-Author: Lewis Wallace
-
-Release Date: October 8, 2005 [EBook #16832]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ASCII
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK BEN-HUR ***
-
-
-
-
-Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe.
-
-
-
-
-BEN-HUR
-
-Een verhaal uit den tijd van Jezus' omwandeling op aarde
-
-
-Uit het Engelsch van
-
-LEWIS WALLACE
-
-
-door
-
-ALMA
-
-(A.M.Th. Doedes)
-
-
- * * * * *
-
-
-
-VOORBERICHT.
-
-
-Gaarne schrijf ik, daartoe verzocht, een aanbevelend woord voor eene
-nieuwe uitgave van dit boek, dat vertaald is met eene zorg en keurigheid
-zulk een meesterstuk waardig.
-
-Niemand kan meer bereid zijn dan ik om te erkennen, dat een verhaal uit
-den tijd van Jezus' omwandeling op aarde een genre is uiterst teeder en
-zoo vol gevaar om het heilige niet heilig te houden, dat het er mede is,
-als met afbeelden van den Christus, een ondernemen, dat een even vroom
-gemoed als een zeldzaam talent vereischt. Geen oningewijde, niet door
-hooger geest gedrevene, wage zich op het gebied van het heilige.
-
-Van de schrijver van Ben-Hur mag gezegd worden, dat hij het tijdperk,
-waarin zijn verhaal valt, en in ruim gebied karakters, plaatsten en
-omstandigheden zoo grondig kent, als alleen de ernstigste studie
-mogelijk maakt. Telkens rijst het vermoeden, dat de schrijver meer
-noodig geacht heeft dan boekenkennis, dat hij persoonlijk de plaatsen
-heeft bezocht, dat hij uit het verledene als een ooggetuige doet
-opdoemen.
-
-Uit het tijdvak, dat hij ons aanschouwelijk wil voorstellen, kan de
-inhoud der evangelien niet geheel verwijderd blijven, maar met welk eene
-soberheid en eerbied voor de letter is dit geschied. Reeds terstond
-blijkt dat bij den aanvang des verhaals, waar de schrijver niet een
-eigen verdicht verhaal maakt van het weinige dat Mattheus van "de Wijzen
-uit het Oosten" meedeelt, maar de kerkelijke legende van Caspar,
-Melchior en Balthasar, de als zinnebeeld der Christus' heerschappij uit
-Europa, Azie en Afrika gekomenen opneemt, om met eerbiediging van de
-Schrift, zij het ook slechts een van de drie, den vromen Balthasar uit
-Egypte, als type van het tijdvak in zijn verhaal op te nemen. In alles
-wat den Heer zelve betreft, en dat niet meer is dan het volstrekt
-noodige, is nergens in het minste den teugel aan de verbeelding gevierd,
-en aan de Schrift, en aan deze alleen het woord gelaten.
-
-Door dit alles is het, dat het kunstwerk van WALLACE niet alleen aan
-volwassenen maar niet minder voor jeugdigen kan worden aanbevolen, als
-een geschrift, waaruit zij veel kunnen leeren om de Schrift beter te
-verstaan, doch vooral ook meer van harte te waardeeren de herschepping,
-die in de menschenwereld en in menschenharten door den beloofden en zoo
-vurig verwachten Zoon des menschen is teweeggebracht.
-
-In de edelste harten van die dagen zien wij niet de heerschappij der
-liefde met oppermacht heerschen, maar een zich buigen voor den machtigen
-drang van wraakzucht en haat. Alleen een (en dit denkbeeldig) type, de
-vrome Balthasar, schaduwt hoogere verwachtingen af; maar een edel type
-van vleesch en bloed als Ben-Hur kan voor de oplossing van het
-wereldraadsel door kruis en opstanding niet hooger reiken dan een
-Joodsch koning, die door Galileesche legioenen de wereld overwinnen en
-aan Jeruzalem in het wereldgebied de plaats van Rome schenken zal.
-
-Tegen welke wereldmachten de Zoon des menschen zonder de hulp van
-wapenen, goud of wijsbegeerte zich te kampen heeft, wordt in de
-keurigste tafereelen op elk levensgebied aanschouwelijk, en tevens zijn
-recht gevoeld om stervende te kunnen zeggen: "ik heb de wereld
-overwonnen."
-
-Waar zooveel in onze dagen van het lezen des Bijbels en grondig
-bepeinzen van zijn inhoud afleidt, mag van dit boek, al is het een
-verdicht verhaal, het tegendeel gezegd worden. Den nadenkende doet het
-de wereld, die Jezus overwinnen kwam door haar in woord en daden de
-liefde des Vaders te openbaren, in eigen natuurlijk hart terugvinden.
-Geen zoo edel, dat van nature zich hooger zal durven plaatsen, dan
-Ben-Hur. Voor dezen niets minder dan een van nieuws geboren worden
-noodig, een zien met andere oogen, een liefhebben met een vernieuwden
-geest des gemoeds. Wat voor hem, gelijk voor Nikodemus gold, voelen zij
-ons niet minder van nabij te raken: "tenzij iemand van nieuws geboren
-wordt, hij kan het koninkrijk Gods niet zien." De moordenaar op het
-kruis was de eerste om dat met onbenevelden blik te aanschouwen.
-
-Na hem rust ons oog op Stefanus en op den plaatsvervanger des eersten
-martelaars, Paulus, op dat hooge standpunt de voltooiing van den
-wereldstrijd door het kruis aanschouwend. Hoevelen na hem hebben in
-lijden, strijd en sterven de roemtaal van Rom. VIII herhaald, als een
-Amen op het woord van de Zegepralende bij zijn heengaan: "Mij is gegeven
-_alle_ macht in den hemel en op aarde, onderwijst _alle_ volken, ik ben
-met u _al_ de dagen tot de voleinding der eeuwen."
-
-C.S.A. v. S.
-
-
- * * * * *
-
-
-BEN-HUR
-
-
-
-BOEK I.
-
-
- * * * * *
-
-
-EERSTE HOOFDSTUK.
-
-IN DE WOESTIJN.
-
-
-De Jebel es Zubleh is een bergketen, ruim vijftig mijlen lang, en zoo
-smal, dat zij op de landkaart veel heeft van een rups, die van het
-zuiden naar het noorden kruipt. Van den top der wit- en roodkleurige
-klippen ziet men in het oosten niets dan de woestijn van Arabie. Een
-dikke laag zand, door den Eufraat achtergelaten, bedekt het onderste
-gedeelte van de bergketen en blijft daar liggen, want de berg strekt tot
-een muur voor de weilanden van Moab en Ammon in het westen, die anders
-een deel van de woestijn zouden uitmaken.
-
-De Arabier heeft den stempel zijner taal gedrukt op alles ten zuiden en
-oosten van Judea; zoo is in het Arabisch de oude Jebel de vader van
-tallooze wadi's[1], die, den weg kruisend, breeder en breeder worden, in
-het regenseizoen de watermassa's naar de Jordaan afvoeren, of wel naar
-haar laatsten vergaarbak, de Doode Zee.
-
-Uit een van deze wadi's, en wel uit de allerlaatste, die ten slotte de
-bedding van de beek Jabbok wordt, kwam een reiziger te voorschijn, die
-koers zette naar de woestijn. Op dezen persoon willen wij eerst de
-aandacht vestigen.
-
-Naar zijn uiterlijk te oordelen moest hij vijfenveertig jaar oud zijn.
-Zijn lange baard, eenmaal ravenzwart, begon sterk te grijzen; zijn
-donkerkleurig gelaat was door een laag neerhangenden, rooden hoofddoek
-slechts ten deele zichtbaar. Nu en dan sloeg hij de oogen op, groote
-donkere oogen. Hij was gekleed in een lang, ruim gewaad, de gewone
-oostersche dracht, en bereed, gemakkelijk liggende in een zonnetent,
-een witten kameel.
-
-Ik geloof niet dat eenig westerling den indruk zal vergeten, dien de
-eerste aanblik van een kameel, gezadeld en bepakt voor de reis door
-de woestijn, op hem maakt. De gewoonte, zoo doodend voor andere
-nieuwigheden, heeft hier slechts weinig invloed. Na menige reis per
-karavaan, na jarenlang verblijf onder de Bedouinen, zal de westerling,
-waar hij ook zijn moge, telkens weer stilstaan, om het schip der
-woestijn te zien voorbijgaan. De bekoring ligt waarlijk niet in het
-uiterlijk van het dier, noch in zijne afmetingen, noch in zijn
-onhoorbaren stap; neen, maar de woestijn omhult den kameel met al haar
-geheimenissen, en hem aanschouwende denken wij aan die geheimenissen.
-
-De kameel, die juist uit de wadi kwam, mocht gerust aanspraak maken op
-het gewone eerbewijs. Zijn kleur en hoogte, zijn breede voet, zijn
-forsche bouw, zijn slanke, sierlijke nek, zijn kop, zijn stap, lang en
-veerkrachtig, zijn tred, zeker en onhoorbaar, alles kenmerkte den
-afstammeling van een oud Syrisch geslacht.
-
-Toen de kameel uit de wadi te voorschijn trad was hij de grens van El
-Belka, het oude Ammon, overgegaan. Het was nog vroeg in de morgen. De
-zon ging juist op, half omsluierd door een wazigen mist. Voor hem lag
-de woestijn, niet het gebied van het welzand, dat was verderop; maar de
-regionen, waar de plantengroei minder begint te worden, en de grond
-bezaaid is met blokken graniet en grijze en bruine steenen, waartusschen
-hier en daar een kwijnende acacia zich omhoog werkt en enkele toefjes
-gras opschieten. Eiken, braamstruiken en haagappelboomen lagen achter
-hem, alsof zij, tot een zeker punt genaderd, door een blik op die dorre
-woestenij van schrik verstijfd waren gebleven. Hier ook hield de begane
-weg op.
-
-Maar dat hinderde den kameel niet. Alsof hij een innerlijken drang
-gehoorzaamde, ging hij met versnelden pas op den oostenlijken horizon
-toe. De wijd geopende neusgaten dronken gretig het frissche morgenwindje
-in. Leeuwerik en rotszwaluw ontplooiden hunne vleugels, en witte
-patrijzen, opgejaagd door den vreemden bezoeker, maakten zich piepend en
-klokkend uit de voeten. Ter rechterzijde verhieven zich de heuvels van
-den Jebel. Boven hun hoogste toppen zweefde een gier op breed
-uitgespreide vlerken in steeds wijder wordende kringen. Van dit alles
-zag de bewoner der tent echter niets; zijne oogen staarden droomerig
-vooruit. Berijder en kameel beiden gaven den indruk, dat zij geleid
-werden.
-
-Zoo ging het twee uren voort. Gedurende al dien tijd bleef de reiziger
-in dezelfde houding liggen en keek niet rechts of links. Het landschap
-was intusschen van voorkomen veranderd. Van den Jebel zag men nog
-slechts aan den westelijken horizon de flauwe omtrekken. Hier en daar
-lagen enkele groote bazaltsteenen, als voorposten, om de vijandige
-machten in bedwang te houden. Zand, niets dan zand was wat het oog
-ontwaarde, somtijds effen als aan het strand der zee, dan in heuveltjes
-opgehoopt, hier als gekuifde golven, daar als zachte deining. Ook de
-atmosfeer had eene verandering ondergaan. Dauw en mist waren opgetrokken,
-de gansche omtrek schitterde in den vollen zonneschijn, de blauwe lucht
-vonkelde en trilde in dien gloed.
-
-Weder gingen twee uren voorbij en nog altijd ging het voorwaarts in
-dezelfde richting, zonder rust of oponthoud. De Jebel was uit het
-gezicht verdwenen; de schaduw, die straks den reiziger volgde, viel nu
-naar het noorden, en hield gelijken tred met hen, die haar afwierpen,
-en nog verroerde de in gedachten verzonkene zich niet.
-
-Maar zie, juist toen de zon de middaghoogte bereikte, stond de kameel
-uit eigen beweging stil, en slaakte een kreet, die den meester als uit
-een vasten slaap deed ontwaken. Hij sloeg het tentgordijn open, keek
-naar de zon, beschouwde lang en aandachtig het landschap, haalde diep
-adem, en fluisterde met een bevredigden blik: Eindelijk! Eindelijk! Een
-oogenblik later kruiste hij de handen over de borst, boog het hoofd, en
-bad in stilte. Na het volbrengen van dezen plicht maakte hij zich gereed
-om af te stijgen. Hij gaf den kameel het gewone teeken om te knielen.
-
-Behoedzaam gehoorzaamde het schrandere dier, de reiziger zette zijnen
-voet op den slanken nek, en stond het volgende oogenblik op den grond.
-
-
-Noot: [1] Doorwaadbare plekken.
-
-
- * * * * *
-
-
-TWEEDE HOOFDSTUK.
-
-DE DRIE REIZIGERS.
-
-
-Wij willen thans den vreemdeling meer van nabij beschouwen. Hoewel niet
-groot, is hij toch een flinke figuur.
-
-Nu hij het zijden koord, dat den hoofddoek op zijn plaats moet houden,
-losgemaakt heeft, kunnen wij hem vrij in 't gezicht zien. De kleur was,
-zooals reeds gezegd is, donkerbruin, bijna zwart; maar het lage breede
-voorhoofd, de arendsneus, de bijzondere vorm der oogen, het lange
-glanzende haar, dat hem in talrijke vlechten tot op de schouders
-nederhing, waren de onmiskenbare teekenen van zijne afkomst. Zoo
-Mizraim, de stamvader der Egyptenaren. Zijne kleeding bestond uit een
-lang wit katoenen hemd, met een gordel om het middel bevestigd, en langs
-hals en borst met borduursel bezet. Daarover een bruin wollen bovenkleed,
-met kleurige zijde gevoerd, en rondom afgezet met een matgelen rand. Aan
-de voeten droeg hij sandalen, vastgebonden door fijn lederen riemen.
-Opmerkelijk is, dat hij geen enkel wapen bij zich had, zelfs den stok
-niet, waarmede de drijvers gewoonlijk hunne kameelen aanzetten, en dat
-nog wel nu hij geheel alleen het gebied van luipaarden en leeuwen en
-niet minder wilde natuurgenoten heeft betreden. Hij moet dus of van
-zeldzaam stoutmoedigen aard zijn, of zich onder bijzondere bescherming
-gevoelen.
-
-Door den langen rit waren zijne ledematen stijf geworden, daarom wreef
-hij zich de handen, stampte met de voeten, wandelde wat op en neer, bij
-tijd en wijle onderzoekend rondziende, alsof hij iemand verwachtte. Toen
-zich echter nergens aan den horizon eenig teeken van leven vertoonde,
-was hij blijkbaar teleurgesteld en hervatte hij zijn wandeling. Twijfel
-aangaande de komst van den verwachte kwam niet bij hem op; want na een
-poosje begon hij zijne bagage te ontpakken, alsof hij voornemens was
-hier zijne tent op te slaan. En dat bleek ook werkelijk het geval te
-zijn; want na met een spons de oogen en de neusgaten van zijn kameel te
-hebben gereinigd, bracht hij een bundel staven te voorschijn, plantte de
-langste in den grond en de andere in een kring daar omheen, overdekte ze
-met een wit en rood gestreept tentdoek, spreidde een tapijt op den grond
-en nam bezit van zijn kleine woning. Toen ging hij weer naar buiten en
-zag nogmaals onderzoekend rond. Maar de uitgestrekte wildernis gaf niet
-het minste teeken van leven.
-
---Wij zijn ver van huis, mijn snelvoetige rijder! zeide hij en liefkoosde
-zijn trouwen metgezel, wij zijn ver van huis; maar God is met ons, wij
-moeten geduld oefenen.
-
-Nu nam hij een paar handenvol boonen uit een der zadelzakken, tot voeder
-voor zijn dier, en zeide: Zij zullen komen. Hij die mij geleid heeft
-leidt ook hen. Ik zal alles gereedmaken.
-
-Uit zijn voorraadschuur bracht hij de benoodigdheden tot een maaltijd in
-de tent: borden uit palmbladen gevlochten, wijn in kleine lederzakken,
-gedroogd schapevleesch, Syrische grannaatappels, Arabische dadels, kaas
-en brood; schikte alles zorgvuldig op het tapijt en legde er ten slotte,
-zooals dat bij beschaafde oosterlingen gebruikelijk is, zijden servetten
-bij, drie in getal, waaruit zich laat opmaken hoevele gasten hij
-verwachtte.
-
-Alles was nu gereed. Hij ging weer naar buiten, en zie! in het oosten
-trof een donkere stip aan den horizon zijn oog. Als aan den grond
-genageld bleef hij staan, de oogen wijd geopend, huiverend, als voelde
-hij de aanraking van iets bovennatuurlijke,--de stip werd grooter en
-grooter en kreeg ten laatste duidelijke omtrekken. Een weinig later kon
-hij den dubbelganger van zijn eigen witten kameel onderkennen, dragende
-op den rug een _houdah_, de reistent van den Hindoe.
-
-De Egyptenaar vouwde de handen en zag op naar den hemel. God alleen is
-groot! riep hij diep ontroerd.
-
-De vreemdeling kwam nader en nader en hield eindelijk stil. Ook hij
-scheen uit een droom te ontwaken. Hij zag den knielenden kameel, de
-tent, en den man, die biddend in de opening stond. Hij vouwde de handen,
-boog het hoofd en bad in stilte; daarna steeg ook hij uit en trad op den
-Egyptenaar toe. Een oogenblik zag de een den ander aan, toen omhelsden
-zij elkander.
-
---Vrede zij u, o dienaar van den waren God, zeide de nieuw aangekomene.
-
---En u, medebroeder in het ware geloof! vrede en welkom, antwoordde de
-Egyptenaar hartelijk.
-
-De vreemdeling was lang en mager van gestalte, de oogen lagen diep in
-hunne kassen, haar en baard waren wit, zijn gelaatskleur geelachtig
-brons. Hij ook was ongewapend. Zijn kleeding was die van een Indier,
-geheel wit, behalve de muilen, die van rood leder vervaardigd waren.
-Zijn voorkomen was deftig en statig, en hoogst ernstig.
-
---God alleen is groot! zeide hij, zich weder oprichtende.
-
-En gezegend zijn zij die Hem dienen! antwoordde de Egyptenaar. Maar zie,
-daar komt onze tochtgenoot.
-
-Hij wees naar het noorden, waar een derde kameel, wit als de hunne, met
-snellen stap naderde. Zij wachtten, totdat ook hij stilhield, en zijn
-berijder op hen toetrad.
-
---Vrede zij met u, mijne broeders, zeide hij, den Hindoe omhelzende. En
-de Hindoe antwoordde: Gods wil geschiede!
-
-De laatst gekomene was van een geheel ander type, dan zijne vrienden.
-Zijn lichaamsbouw was fijner, zijn gelaatskleur blank, zijn golvende
-lokken waren blond; uit zijn donkerblauwe oogen sprak een zacht gemoed
-en een open eerlijk hart. Hij ging blootshoofds en was ongewapend.
-Vijftig jaren, misschien meer, waren over zijn hoofd gegaan; maar de
-veerkracht van lichaam en geest was nog onverminderd. Den man van het
-vak behoefde men niet te zeggen tot welk volk hij behoorde, geheel zijn
-uiterlijk teekende den Griek.
-
-Toen hij ook den Egyptenaar begroet had, zeide deze met trillende stem:
-De Geest heeft mij het eerst hier gebracht, aan mij dus de eer van de
-dienaar mijner broederen te zijn. De tent is opgeslagen, het maal is
-gereed. Staat mij toe mijn plicht te vervullen. Hen daarop bij de hand
-nemend, leidde hij hen binnen, ontdeed hen van hun schoeisel, wiesch
-hunne voeten, goot water over hunne handen, en droogde ze af met een
-doek. Nadat hij ook zijn eigen handen gewasschen had, zeide hij: Komt,
-mijne broeders, laat ons eten, opdat wij sterk mogen zijn voor het werk
-dat ons wacht. Tegelijkertijd kunnen wij elkander mededeelen wie wij
-zijn en vanwaar wij komen.
-
-Dus genoodigd zetten ook de anderen zich neder, bogen het hoofd, vouwden
-de handen op de borst en deden te zamen dit eenvoudig gebed: Vader van
-allen--God! wat ons is voorgezet is Uwe gave. Neem onzen dank en zegen
-ons, opdat wij mogen voortgaan met Uwen wil te doen.
-
-Bij die laatste woorden sloegen zij de oogen op, en zagen elkander
-verbaasd aan. Ieder had gesproken in eene aan de anderen onbekende taal;
-en toch begrepen zij volkomen wat gezegd was. Hunne ziel trilde van
-heilige aandoening--zij gevoelden Gods tegenwoordigheid.
-
-
- * * * * *
-
-
-DERDE HOOFDSTUK.
-
-CASPAR DE GRIEK.
-
-
-Volgens de toenmalige tijdrekening had het bovenvermelde plaats in de
-maand December van het Romeinsche jaar 747. De lange rit door de
-woestijn had onzen reizigers een goeden eetlust bezorgd, zij deden het
-hun voorgezette maal eer aan, onder het genot van een teug goeden wijn,
-daarna begon het gesprek.
-
---Voor den reiziger in een vreemd land is niets zoo liefelijk, als zijn
-naam te hooren van de lippen eens vriends, zeide de Egyptenaar, die als
-gastheer den maaltijd geleid had. Voor ons liggen vele dagen van
-vriendschappelijk samenzijn. Daarom is het noodig dat wij elkander
-leeren kennen. Laat dus, zoo gij het goed vindt, hij, die het laatst
-hier kwam, beginnen met te spreken.
-
-Op bedaarden toon, als een die gewoon is zichzelf te beheerschen, begon
-de Griek. Wat ik te vertellen heb, broeders, is zoo vreemd, dat ik bijna
-niet weet waar ik beginnen zal, wat ik zeggen en wat ik zwijgen moet. Ik
-begrijp mijzelf nog niet. Wat ik echter weet is, dat ik den wil doe van
-Een, die machtig is, en dat ik mij daar onuitsprekelijk gelukkig in
-gevoel. De gedachte aan het mij opgedragen werk wekt eene zoo
-onbeschrijfelijke vreugde in mij, dat ik er niet aan twijfel, of het is
-God, die het mij opdroeg.
-
-Hier zweeg hij een oogenblik, door zijn gevoel overweldigd. Na zich wat
-hervat te hebben ging hij voort: Ver van hier, in het westen, ligt een
-land, dat nooit vergeten zal worden, al was het alleen omdat de wereld
-er zooveel aan te danken heeft. Ik zal zwijgen van de schoone kunsten,
-van philosophie, welsprekenheid, dichtkunst, en van zijne
-krijgsverrichtingen; want, mijne broeders, dit zal de roem van mijn land
-wezen, dat Hij, dien wij gaan zoeken, in zijne taal verkondigd zal
-worden aan de geheele wereld. Het land waarvan ik spreek is Griekenland.
-Ik ben Caspar, de zoon van Kleanthes den Athener. Evenals voor de
-meesten mijner landgenooten was de studie mijn lust en mijn leven. Twee
-onzer grootste wijsgeeren leeren: de een, dat ieder mensch een
-onsterfelijke ziel heeft, de ander, dat er slechts een God is, volmaakt
-rechtvaardig. Van alle twistvragen, waarover de geleerden redetwistten,
-vond ik deze alleen de moeite van het overdenken waard; want ik moest
-toegeven dat er een tot nog toe onbekende verhouding bestaat tusschen
-God en de ziel. Het verstand kan daarover tot zeker punt redeneeren
---daar gekomen blijft men staan, als voor een hoogen muur. Om hulp roepen,
-is het eenige dat ons rest. Dat deed ik dan ook, maar geen stem kwam van
-achter den muur tot mij.
-
-In wanhoop ontvlood ik de stad en de scholen. In het noordelijk gedeelte
-van mijn land, in Thessalie, is een berg, dien mijn volk voor de
-verblijfplaats der goden houdt, met name van Zeus. Olympus heet hij.
-Daarheen ging ik. Aan den zuid-oostkant van den berg vond ik een hol,
-daar woonde ik geruimen tijd, in overdenkingen verzonken, of liever,
-wachtende op de verhooring van mijn aanhoudend gebed om een openbaring.
-Mijn geloof in God, den onzichtbare en tevens oppermachtige, was zoo
-vast, dat ik het ook mogelijk achtte zoo naar Hem te smachten, dat Hij
-medelijden met mij zou krijgen en mij zou antwoorden.
-
---En dat heeft Hij gedaan! dat heeft Hij gedaan! riep de Hindoe, de
-handen omhoog heffende.
-
---Hoort verder, broeders, zeide de Griek, zijne aandoening bedwingende.
-Van uit mijne kluis had ik het gezicht op de golf van Thermai. Op
-zekeren dag zag ik een man overboord vallen van een voorbijzeilend
-schip. Hij bereikte al zwemmend de kust. Ik nam hem tot mij en verzorgde
-hem. Hij was een Jood, wel onderwezen in de geschiedenis en wetten van
-zijn volk, en van hem vernam ik, dat de God mijner gebeden werkelijk
-bestond en sedert eeuwen hun wetgever, beschermer en koning was. Wat was
-dat anders dan de openbaring waarvan ik droomde? Mijn geloof was niet
-beschaamd geworden; God had mij geantwoord.
-
---Zooals Hij allen antwoordt, die in het geloof tot Hem roepen, zeide de
-Hindoe.
-
---Maar helaas, merkte de Egyptenaar aan, hoe weinigen zijn wijs genoeg,
-om te onderkennen wanneer Hij hun antwoordt.
-
---Daar bleef het echter niet bij, vervolgde de Griek. De Jood vertelde
-mij nog meer. Hij zeide dat de profeten, die in de eeuwen, welke op de
-eerste openbaring volgden, met God wandelden en spraken, verklaard
-hadden, dat Hij zou wederkomen. Hij noemde mij de namen dier profeten en
-haalde uit de heilige boeken hun eigen woorden aan. Ook zeide hij, dat
-die tweede komst op handen was, dat men er te Jeruzalem dagelijks naar
-uitzag. Maar, de man zeide ook, dat, evenals God en de openbaring,
-waarvan hij gesproken had, alleen voor de Joden geweest waren, dit ook
-nu het geval zou zijn. Is er dan niets te hopen voor de andere
-aardbewoners? vraagde ik. Neen, antwoordde hij op trotschen toon. Neen,
-wij zijn het uitverkoren volk. Dat antwoord vernietigde echter mijne
-hoop niet. Waarom zou zulk een God liefde en goedheid slechts tot een
-land, tot een ras beperken? Ik wilde dat tot elken prijs onderzoeken.
-Ten langen laatste kwam ik achter de waarheid en vernam, dat zijne
-vaderen slechts de uitverkoren dienaars waren geweest, om de Waarheid
-te bewaren, opdat de geheele wereld haar eenmaal zou leeren kennen en
-behouden worden.
-
-Toen de Jood vertrokken was en ik mij weder alleen bevond, bad en
-smeekte ik vurig, dat het mij vergund mocht worden dien Koning, als Hij
-kwam, te zien en te aanbidden.
-
-Op zekeren avond zat ik voor mijne spelonk in gepeinzen verdiept, toen
-ik plotseling boven de zee, of liever in de duisternis, die haar
-bedekte, eene ster zag vonkelen. Langzaam steeg zij hooger en kwam
-nader, tot boven den berg, en boven mijn hoofd, zoodat haar glans mij
-bescheen. Ik viel neder en sliep na een poosje in. In den droom hoorde
-ik een stem tot mij zeggende: "O Caspar, Gij gezegende. Uw geloof heeft
-overwonnen. Met twee anderen, gekomen van de uiterste deelen der aarde,
-zult gij Hem, den beloofde, zien en van Hem getuigen. In den morgenstond
-zult gij opstaan en hun tegemoet reizen. Vertrouw op den Geest, die u
-zal geleiden." En des morgens ontwaakte ik, door den Geest als door eene
-zon verlicht. Ik legde mijn kluizenaarsgewaad af en kleede mij als
-vanouds. Uit een verborgen schuilhoek nam ik den schat, dien ik met mij
-gebracht had. Ik riep een voorbijzeilend schip aan, werd aan boord
-genomen en te Antiochie aan wal gezet. Daar kocht ik den kameel met
-toebehooren. Langs de tuinen en boomgaarden, die de boorden van de
-Orontes sieren, reisde ik naar Emesa, Damascus, Bostra en Philadelphia,
-tot hier. Ziet daar, broeders, mijne geschiedenis. Laat mij nu de uwe
-mogen vernemen.
-
-
- * * * * *
-
-
-VIERDE HOOFDSTUK.
-
-MELCHIOR.
-
-
-De Egyptenaar en de Hindoe zagen elkander aan; de eerste wenkte met de
-hand, de ander boog ten teeken van goedkeuring en begon: Onze broeder
-heeft goed gesproken, mochten mijne woorden even verstandig zijn. Mijn
-naam, broeders, is Melchior. Mijne taal is, zoo al niet de oudste op
-aarde, dan toch de eerste, waarbij men zich van de schrijfkunst
-bediende; ik bedoel het Sanskriet van Indie. Ik ben Hindoe van geboorte.
-Mijn volk heeft van oudsher de paden der wetenschap betreden en blijven
-bestaan, want zij zijn de bronnen van den godsdienst en van alle nuttige
-kennis.
-
-Ik ben een geboren Brahmaan. Voorschriften regelden bijgevolg mijn leven
-tot in de minste daad, tot in zijn laatste uur. Ik kon niet wandelen,
-eten, drinken, of slapen, zonder gevaar te loopen van een der regelen
-te overtreden. En de straf, mijne broeders, de straf zou mijne ziel
-treffen. Van den aard der overtreding hing het af, of mijne ziel
-opgenomen kon worden in den hemel, zij het ook den laagsten, dien van
-Indra, of teruggedreven zou worden om te leven in een worm, een vlieg,
-een visch, of een wild dier. De belooning voor volmaakte gehoorzaamheid
-is de Zaligheid, een opgaan in het Brahma, hetgeen niet zoozeer een
-zelfstandig bestaan, als wel een volkomen rust is.
-
-Toen mijn studietijd voorbij was en ik tot de tweede orde kon toegelaten
-worden, dat wil zeggen, toen ik in het huwelijk mocht treden en een
-eigen gezin hebben, begon ik naar alles een onderzoek in te stellen,
-zelfs naar het Brahma; want voor het oog mijns geestes was een
-schemerschijn van licht opgegaan, en mijne ziel smachtte er naar dat
-licht van nabij te beschouwen. Eindelijk, na lange jaren zwoegens, stond
-ik in het volle licht en aanschouwde den grondslag van het leven, het
-ware beginsel van den godsdienst, den band tusschen de ziel en God: de
-Liefde.
-
-Het ingevallen gelaat van den grijsaard schitterde van innerlijk geluk
-en hij vouwde de handen tot een dankgebed.
-
---De liefde is slechts gelukkig wanneer zij bezig is, zoo vervolgde hij.
-Aan hetgeen men bereid is voor anderen te doen, kan men haar toetsen.
-Ik kon niet rusten. Brahma had zooveel ellende over de wereld gebracht.
-
-Ik maakte mij op en reisde langs den Ganges tot waar de heilige stroom
-zich in den Indische Oceaan uitstort. Ik hoopte rust te vinden in de
-schaduw van den tempel aan Kapila gewijd, om mij daar met zijne jongeren
-in het gebed te vereenigen. Maar tweemaal 's jaars kwamen gansche
-scharen bedevaartgangers die plek bezoeken. Hunne ellende vuurde mijne
-liefde aan. In het begin legde ik mijzelven met geweld het zwijgen op,
-want een woord tegen het Brahma zou mij in het verderf storten, een
-vriendschapsdienst aan de uitgeworpen Brahmanen bewezen, die zich naar
-het verzengende strand sleepten om daar te sterven, een zegenbede, een
-beker water--zou mij tot een van hen maken, verloren voor familie, land,
-voorrechten, kaste.
-
-Maar de liefde overwon. Ik sprak tot de tempelbewoners, zij dreven mij
-uit. Ik sprak tot de pelgrims, zij verjoegen mij met steenen. Op de
-wegen trachtte ik te prediken, mijne hoorders ontvluchtten mij, of
-zochten mij te dooden. Nergens in Indie kon ik ten slotte vrede of
-veiligheid vinden--zelfs niet onder de uitgeworpenen; want hoewel zij
-gevallen waren, zij bleven toch gelooven in het Brahma. Tot het uiterste
-gebracht zocht ik een eenzame plek, waar ik voor allen, behalve voor
-God, verborgen kon zijn. Ik volgde den Ganges tot aan zijne bronnen.
-Zoo kwam ik in het Himalayagebergte. Mijn weg voerde mij langs
-duizelingwekkende afgronden, over gletschers, nu in de hoogte, dan in de
-diepte, totdat ik het wonderschoone meer Tao bereikte, aan den voet van
-een drietal rotsen gelegen, die hare met eeuwigen sneeuw bedekte kruinen
-hemelhoog in de lucht verheffen. Daar sloeg ik in volslagen eenzaamheid
-mijne tent op, om er met God te verkeeren en mijn laatste uur te
-verbeiden.
-
-Op zekeren avond wandelde ik langs het meer en riep overluid: Wanneer
-zal God verschijnen en mij vrij maken? Is er dan geen verlossing? Toen
-vertoonde zich plotseling een lichtvonk op den donkeren waterspiegel.
-Weldra verrees een ster, die nader en nader kwam, totdat zij boven mijn
-hoofd bleef staan. Haar glans verblindde mij. Ik viel ter aarde en toen
-ik daar lag hoorde ik een stem, zeldzaam liefelijk, die tot mij zeide:
-Uwe liefde heeft gezegepraald. Gezegend zijt gij, zoon van Indie! De
-verlossing is nabij. Met twee anderen, komende van de uithoeken der
-aarde, zult gij den Verlosser zien, en van zijne komst getuigen. Maak u
-op in den morgenstond, en ga hun te gemoet. Stel al uw vertrouwen in den
-Geest die u zal geleiden.
-
-Van dat oogenblik is het licht bij mij gebleven ten teeken dat de Geest
-met mij was.
-
-Met het krieken van den dageraad aanvaardde ik den terugtocht langs
-denzelfden weg, dien ik gekomen was. In een bergkloof vond ik een steen
-van groote waarde, dien ik te Hurdwar verkocht. Ik reisde over Lahor,
-Kabul en Yezd naar Ispahan. Daar kocht ik den kameel en toog naar
-Bagdad. Zonder op een karavaan te wachten, zette ik onbevreesd alleen
-mijne reis voort, want de Geest was en is nog met mij. Welk een eere
-wacht ons, mijne broeders, wij zullen den verlosser zien--met hem
-spreken--hem aanbidden!--Ik heb gezegd.
-
-
- * * * * *
-
-
-VIJFDE HOOFDSTUK.
-
-BALTHASAR.
-
-
-De levendige Griek barstte los in betuigingen van blijdschap en
-gelukwenschen, waarna de Egyptenaar met zijn gewonen ernst zeide: Gij
-hebt veel geleden, mijn broeder, en ik verheug mij in uwe overwinning.
-Wilt mij nu beiden uwe aandacht schenken, dan zal ik u mijn wedervaren
-vertellen.
-
-Mijn naam is Balthasar. Ik ben te Alexandrie geboren uit een vorstelijk
-en priesterlijk geslacht, en ontving eene mijnen rang passende
-opvoeding. Al heel vroeg werd ik ontevreden. Mij was geleerd, dat na den
-dood de ziel van voren af moet beginnen, van den laagsten trap opwaarts,
-onverschillig hoe men zich gedurende zijn aardsche bestaan gedragen
-heeft. Die gedachte verontrustte mij. Hoe? Word dan geen onderscheid
-gemaakt tusschen boozen en goeden? Maar mij was niet verborgen gebleven
-wat vele honderden jaren geleden in mijn land gebeurd was met het volk
-der Hebreen, die als slaven onder ons woonden, en die beweerden den
-eenigen waren God te dienen; hoe zij na vele wonderen en teekenen
-uitgeleid werden, en hoe de Pharao, die hen met zijn leger achterna
-zette, met allen, die hem vergezelden, den dood vond.
-
-Die God was niet onder ons vergeten, en hoe langer ik over alles
-nadacht, des te dieper vatte de overtuiging post in mijne ziel, dat de
-goden van mijn volk niets waren in vergelijking met den God der Hebreen.
-Maar als die God, volmaakt rechtvaardig volgens hunne leer, over het lot
-van levenden en dooden te beschikken heeft, dan behoefde ik mij niet
-langer ongerust te maken, dan moest bij het sterven, wanneer de
-scheiding plaats heeft tusschen ziel en lichaam, de ziel van den booze
-verloren gaan, die van den goede echter tot een hooger leven ingaan,
-niet het nirvana van den Boeddist, noch de negatieve rust van het
-Brahma, o Melchior, noch in dien toestand, o Caspar, waarvan uwe
-priesters leeren, maar tot een leven, een heerlijk, werkzaam, eeuwig
-leven--een leven met God.
-
-Dat eenmaal vastgesteld zijnde, werd de begeerte in mij wakker, anderen
-deelgenoot te maken van dat goede nieuws.
-
-Op zekeren dag begaf ik mij naar de aanzienlijke en meest bezochte wijk
-van Alexandrie en sprak tot de menigte over God, de ziel, het goed en
-het kwaad, en over den hemel, die den deugdzame wacht. U, Melchior,
-steenigden zij; _mijne_ toehoorders lachten mij uit. Ik beproefde het
-nogmaals, zij wierpen mij puntdichten naar het hoofd, bespotten mijnen
-God en mijnen hemel. Lang dacht ik na over de oorzaak van het mislukken
-mijner poging, eindelijk vond ik haar.
-
-Een dagreize van de stad verwijderd ligt een dorp, uitsluitend bewoond
-door herders en tuiniers. Daarheen begaf ik mij en verzamelde in den
-avond het volk rondom mij, mannen en vrouwen, de armsten onder de armen.
-Hun verkondigde ik hetzelfde wat ik in de stad verkondigd had. Zij
-lachten niet. Den volgenden avond sprak ik weder, en zij namen mijne
-prediking met blijdschap aan en brachten haar op hunne beurt aan ieder,
-dien zij ontmoetten. Toen keerde ik naar de stad terug en onder een
-heerlijken sterrenhemel kwam ik tot de overtuiging: Die een hervorming
-wenscht tot stand te brengen beginne niet bij de rijken en grooten; maar
-ga liever tot hen, die niets bezitten, tot de armen en geringen.
-
-Nu ontwierp ik mijne plannen voor de toekomst. Allereerst verzekerde ik
-mijne uitgestrekte bezittingen zoo, dat het inkomen vaststond en ten
-allen tijde aangewend kon worden ten bate van hulpbehoevenden. Dat
-volbracht zijnde begon ik mijne zwerftochten langs den Nijl, in de
-dorpen, onder alle stammen; en predikte den Eenen waren God, een leven
-in gerechtigheid, met den Hemel als belooning. Ik heb veel goed gewerkt,
-hoeveel betaamt mij niet te zeggen. Ik weet dat velen bereid zijn Hem te
-ontvangen, dien wij nu gaan zoeken.
-
-Hier zweeg de Egyptenaar een oogenblik stil, daarna vervolgde hij: In
-die jaren, mijne broeders, kwelde mij eene gedachte: Wat zou er van de
-goede zaak worden, als ik heengegaan was? Zou zij met mij ophouden te
-bestaan? Ik droomde van een organisatie, als de kroon op mijn werk. Ik
-heb het beproefd, maar mocht niet slagen. Neen, de toestand der wereld
-is van dien aard, dat, om het oude Egyptische geloof te herstellen, een
-hervormer noodig is met meer dan menschelijke macht bekleed; hij moet
-niet alleen komen in Gods naam, hij moet zijn woord met bewijzen kunnen
-staven. Aarde en lucht zijn zoo vol van valsche godheden, dat een
-terugkeer tot den Eenen waren God alleen kan plaats vinden langs
-bloedige paden, dat wil zeggen: de bekeerlingen moeten liever willen
-sterven, dan hun geloof prijsgeven. En wie anders kan in deze eeuw den
-mensch tot zulk eene hoogte opvoeren, dan God alleen? Om het
-menschengeslacht te redden moet Hij zichzelven wederom openbaren, moet
-Hij persoonlijk komen.
-
-Nu begrijpt gij waarom ik niet slaagde met mijne organisatie. Ik miste
-de bekrachtiging uit den hooge. Diep ternedergeslagen begaf ik mij in de
-woestijn, om in de eenzaamheid, ver van alle menschen, Gods aangezicht
-te zoeken.
-
-Steeds verder reisde ik, tot in het hart van Afrika. Langer dan een jaar
-woonde ik in een spelonk, aan den oever van een groot meer. De vrucht
-van den palmboom strekte mijn lichaam tot voedsel, het gebed mijne ziel.
-
-Op zekeren avond worstelde ik in het gebed met God. In het heldere water
-weerspiegelden de sterren. Eene van die scheen hare plaats te verlaten.
-Hooger en hooger steeg zij, stralend en vonkelend, totdat zij boven mijn
-hoofd bleef staan. Ik viel neder en verborg mijn aangezicht. Een stem,
-niet van de aarde, zeide: Gij hebt overwonnen. Gezegend zijt gij, de
-verlossing is nabij. Met twee anderen, gekomen van de uiterste deelen
-der aarde, zult gij den Zaligmaker zien en van hem getuigen. Maak u op
-in den morgenstond en reis hun te gemoet. En wanneer gijlieden de stad
-Jeruzalem zult bereikt hebben, vraag dan aan het volk: Waar is de
-geboren Koning der Joden? want wij hebben zijne ster gezien in het
-Oosten en zijn gekomen om hem te aanbidden. Stel al uw vertrouwen in den
-Geest, die u zal geleiden.
-
-En het licht werd een innerlijke verlichting en bleef mij bij als
-leidsman en gids. Het voerde mij naar Memphis, waar ik mijn kameel
-kocht, vervolgens over Suez en Kufileh door de landen van Moab en Ammon.
-God is met ons, broeders!
-
-Door innerlijken drang gedreven, reikten zij elkander de hand.
-
---Mogen wij niet in dit alles een goddelijke bestiering zien? vraagde de
-Egyptenaar. Wanneer wij den Heer gevonden hebben, zullen alle volken Hem
-met ons aanbidden. En als wij van elkander scheiden, om een iegelijk
-zijnen weg te gaan, dan zal de wereld een nieuwe les geleerd hebben--dat
-de hemel veroverd kan worden niet door het zwaard, niet door menschelijke
-wijsheid, maar door geloof, Liefde en Goede Werken.
-
-Nu traden zij naar buiten. Alles rondom hen sprak van rust. De zon
-neigde ten ondergang, de kameelen sliepen. Een oogenblik beschouwden zij
-zwijgend de schoon gekleurde lucht, toen keerden zij terug, bergden de
-overblijfselen van het maal op, braken de tent af, bestegen hunne
-kameelen en zetten de reis westwaarts voort onder aanvoering van den
-Egyptenaar.
-
-De zilveren maan had de taak der dagvorstin overgenomen en bescheen
-hunnen weg, toen eensklaps in de lucht voor hen, ongeveer ter hoogte van
-een heuveltop, een schitterend licht verscheen, dat zich samentrok tot
-een stralend punt. Hunne harten klopten hoorbaar, en tot in het diepst
-der ziel ontroerd, riepen zij als uit eenen mond: De ster! de ster! God
-is met ons!
-
-
- * * * * *
-
-
-ZESDE HOOFDSTUK.
-
-JOZEF EN MARIA.
-
-
-In de westzijde van den muur, die Jeruzalem omringt, is de Bethlehem- of
-Joppe-poort. De open ruimte, die er heen voert, is een van de
-merkwaardigste punten bij de stad. Lang voordat David Sion met begeerige
-oogen aanzag, stond daar een citadel, en bovengenoemde poort was er een
-overblijfsel van. In Salomo's tijd werd dat plein als markt gebruikt;
-kooplieden uit Egypte, Tyrus en Sidon boden er hunne waren aan. Bijna
-3000 jaren zijn voorbijgegaan, en nog steeds kan men zich daar ter
-plaatse van het noodige voorzien. Een speld of een pistool, een
-komkommer of een kameel, een woning of een paard, een dadel of een tolk,
-de reiziger kan zich aan de Joppe-poort van al deze dingen voorzien.
-Soms kan het er zoo levendig toegaan, dat men onwillekeurig uitroept:
-Wat moet die oude markt wel geweest zijn in de dagen van Herodes den
-Bouwmeester!
-
-Welnu, ons verhaal voert ons juist naar die dagen en naar die markt.
-
-Volgens de Hebreeuwsche tijdrekenkunde viel de ontmoeting van de drie
-wijzen, die wij in het vorige hoofdstuk beschreven, in den namiddag van
-den 25sten December, in het 35ste regeeringsjaar van Herodes den Groote,
-het 4de voor het begin der Christelijke jaartelling. Daar bij de Joden
-de dag met zonsopgang begon, was reeds in dat vroege uur alles leven en
-beweging. Ja, zoo bezet was de markt, dat vele handelaars met hunne
-uitstallingen een plaats hadden moeten zoeken aan de stadszijde der
-poort.
-
-Het is intusschen de derde ure van den dag geworden. Velen zijn reeds
-naar huis gegaan; maar het is of de toevloed van menschen niet
-vermindert. Onder de nieuw aangekomenen trekt een groep, bestaande uit
-een man, een vrouw en een ezel, vooral onze aandacht. De man hield het
-dier bij den toom en leunde op zijn staf. Zijne kleeding was als die der
-andere Joden en scheen nieuw te zijn. Zijn gelaat was kalm, dat van een
-vijftigjarige; zijn zwarte baard begon te grijzen. Hij bezag het gewoel
-rondom hem met den half nieuwsgierigen, half starenden blik van den
-vreemdeling en provinciaal. Zijne gezellin, op den rug van den ezel in
-een zadelkussen gezeten, droeg een ruim overkleed van donkere wollen
-stof, terwijl een witte sluier haar hoofd bedekte. Nu en dan lichtte zij
-den sluier even op, om te zien wat in hare omgeving voorviel; maar zoo
-weinig, dat haar gelaat onzichtbaar bleef. Ten langen laatste werd de
-man aangesproken:
-
---Zijt gij niet Jozef van Nazareth?
-
---Dat is mijn naam, luidde het antwoord, en gij? ah--ik zie het al. De
-vrede Gods zij met u, mijn vriend, Rabbi Samuel!
-
---En met u. De Rabbi hield op, zag de vrouw even aan en voegde er bij:
-met u en al de uwen. Dit zeggende drukte hij zijn rechterhand tegen zijn
-borst en groette de vrouw met een hoofdknik.
-
-Zij had haar sluier een weinig ter zijde geslagen, genoeg om te doen
-zien, dat zij nog zeer jong was.
-
---Naar de frischheid uwer kleeding te oordeelen, zeide de Rabbi, zou ik
-denken, dat gij hier in de stad overnacht hebt.
-
---Neen, antwoordde Jozef, wij konden gisteren niet verder komen dan
-Bethanie, en zijn hedenmorgen vroeg vandaar vertrokken.
-
---Hebt gij een lange reis in 't vooruitzicht? Naar Joppe misschien?
-
---Wij zijn op weg naar Bethlehem.
-
-Het gelaat van den Rabbi betrok. Begrepen, zeide hij. Gij zijt in
-Bethlehem geboren en gaat er nu met uwe dochter heen, om u volgens het
-keizerlijk bevel te laten beschrijven. Hoe zijn de machtigen gevallen!
-
---Dat is mijne dochter niet, zeide Jozef.
-
-De Rabbi lette niet op die aanmerking, hij vervolgde zijn eigen
-gedachtengang en zeide: Wat doen de Zeloten in Galilea?
-
---Ik ben timmerman, en Nazareth is een kleine plaats, antwoordde Jozef
-voorzichtig. Ik heb geen tijd om deel te nemen aan twistvragen.
-
---Maar gij zijt een Jood, vermaande de Rabbi, en nog wel uit het
-geslacht van David. Het kan u onmogelijk behagen andere schatting te
-betalen dan die, welke volgens onze wet aan Jehova toekomt.
-
-Jozef zweeg.
-
---Ik zeg niets over het bedrag der schatting, vervolgde zijn vriend.
-Dat is niet hoog, o neen. Maar dat zij ons schatting opleggen, dat is
-schande. Zeg eens, is het waar, dat Judas zich voor den Messias
-uitgeeft? Gij woont te midden van zijne volgelingen.
-
---Ik heb zijne volgelingen hooren beweren dat hij de Messias is.
-
-Op dit oogenblik sloeg de vrouw haren sluier geheel weg, zoodat de Rabbi
-haar vol in 't gelaat kon zien. Haar zeldzamen schoonheid en de
-uitdrukking harer oogen troffen hem.
-
---Uwe dochter is schoon, zeide hij nauw hoorbaar.
-
---Zij is mijne dochter niet.
-
-Nu was de nieuwsgierigheid van den Rabbi opgewekt, waarom Jozef vervolgde:
-Zij is de dochter van Joachim en Anna van Bethlehem, daar gij misschien
-wel van gehoord hebt, want zij waren zeer gezien.
-
---Zeker, antwoordde de Rabbi. Dat herinner ik mij best. Zij stamden in
-rechte lijn van David af. Ik heb hen zelfs goed gekend.
-
---Beiden zijn overleden, te Nazareth. Joachim was niet rijk; maar hij
-liet toch een huis met hof na aan zijne twee dochters. Dit is zijn
-jongste dochter, Maria. Om haar erfdeel te kunnen aanvaarden, moest zij
-volgens de wet eene harer naaste verwanten huwen. Zij is thans mijne
-vrouw.
-
---En gij waart--
-
---Haar oom.
-
---O zoo; en daar gij beiden te Bethlehem geboren zijt, moet gij er
-beiden heen om u te laten inschrijven. De Rabbi vouwde de handen en zag
-verontwaardigd ten hemel op. Nog leeft de God van Israel! Zijn is de
-wrake! riep hij. Toen hij dat gezegd had keerde hij zich om en ging heen
-zonder te groeten.
-
-Een nabijstaande Jood, Jozefs verbazing opmerkende, zeide: Rabbi Samuel
-is een Zeloot. Judas zelf kan het hem niet verbeteren.
-
-Daar Jozef niet geneigd was een gesprek te beginnen, deed hij alsof hij
-het niet hoorde, zag den buikriem van den ezel na, en gaf hem nog wat te
-eten. Zoodra het dier naar behooren gevoederd was, begaf het gezelschap
-zich weder op weg, en sloeg den weg naar Bethlehem in. Jozef wandelde
-naast den ezel voort en wees Maria in het voorbijgaan op enkele
-merkwaardigheden van den weg; maar het scheen alsof hare gedachten
-elders waren. De zon steeg intusschen hooger aan den hemel en noopte de
-jonge vrouw haren sluier op te slaan, ten einde wat meer lucht te
-krijgen. Van deze gelegenheid willen wij gebruik maken om kennis met
-haar te maken.
-
-Zij was niet ouder dan vijftien jaar. Haar gelaat, een zuiver ovaal, was
-fijn van kleur, de neus onberispelijk, de kleine mond vol uitdrukking,
-de oogen diep blauw, waren fraai van vorm. Het weelderige goudblonde
-haar golfde vrij over hare schouders en reikte tot aan haar zadelkussen.
-Voeg bij deze uiterlijke bekoorlijkheden een onbeschrijfelijke reinheid
-en liefelijkheid, en gij hebt het beeld van haar, die ons door de
-overlevering met de schoonste kleuren wordt geschilderd. Meer dan eens
-sloeg zij de oogen ten hemel en bewogen zich hare lippen in stil gebed,
-menigmaal hief zij het oog op en luisterde, alsof een onzichtbare tot
-haar sprak.
-
-Zoo togen zij over de uitgestrekte vlakte en naderden de hoogte Mar
-Elias, vanwaar zij Bethlehem konden zien liggen. Hier hielden zij een
-oogenblik stil om te rusten, en daalden daarna af in de vallei, naar de
-wel, eenmaal het tooneel der wonderbare daden van Davids sterke mannen.
-In het dal wemelde het van menschen en dieren, zoodat Jozef reeds begon
-te vreezen, dat er geen plaats meer voor hen zou te krijgen zijn in de
-_khan_, of herberg. Hij zette den ezel tot meerderen spoed aan, en hield
-zich geen enkelen keer op om wien ook te groeten, totdat hij de voor de
-poort gelegen herberg bereikt had.
-
-
- * * * * *
-
-
-ZEVENDE HOOFDSTUK.
-
-TE BETHLEHEM.
-
-
-Om volkomen te begrijpen wat Jozef bij de herberg wedervoer, moeten wij
-wel bedenken, dat er een groot verschil is tusschen de Europeesche
-herbergen en die van het Oosten. Die herbergen werden _khans_ genoemd,
-een Perzisch woord, en waren, in haar eenvoudigsten vorm, niet anders
-dan omheinde ruimten, dikwijls zonder huis of bedekking; maar altijd
-gunstig gelegen wat water, schaduw en veiligheid betreft. Zoo waren de
-herbergen waar Jakob een onderkomen vond, toen hij zich eene vrouw ging
-zoeken in Padan-Aram, en nog kan men ze heden ten dage precies zoo
-vinden op de halten in de woestijn. Daarentegen kon men, vooral op de
-heirwegen tusschen groote steden, zooals Jeruzalem en Alexandrie,
-uitnemende inrichtingen aantreffen, van alle gemakken voorzien; maar
-gewoonlijk waren de herbergen niet veel meer dan het hoofdkwartier van
-een Sheik, een gelegenheid voor bijeenkomsten, voor handel, enz., en
-eerst in de laatste plaats een toevluchtsoord voor reizigers of
-zwervelingen. Een andere eigenaardigheid, die den westerling zeker het
-meest zal verbazen, was het volslagen gemis aan bediening. Geen waard of
-waardin, geen zaakwaarnemer, geen kok, geen keuken. Een deurwachter aan
-den ingang was het eenig zichtbaar bewijs van privaat eigendom. Was een
-vreemdeling eenmaal toegelaten, dan kon hij er blijven zoolang hij
-verkoos, zonder iemand rekenschap te geven. Een gevolg van die
-inrichting was, dat iedere gast zijn eigen voedsel en kookgereedschap
-medebrengen, of zich bij de in de khan aanwezige kooplieden van het
-noodige voorzien moest. Datzelfde beginsel gold voor zijn nachtleger en
-het voeder voor zijne lastdieren. Water, rust, onderkomen, bescherming,
-was alles wat hij van den eigenaar verlangde, en die verkreeg hij om
-niet. Mocht de vrede wel eens door twistgierigen verstoord worden in een
-synagoge--in een khan nimmer. Men hield ze, en niet ten onrechte, in
-hooge eere.
-
-Een stadje als Bethlehem bezat slechts een Sheik, bijgevolg ook een
-khan, en hoewel Jozef in Bethlehem geboren was, had hij door zijn
-jarenlange afwezigheid geen enkelen bekende meer, niemand wiens
-gastvrijheid hij kon inroepen. Daarenboven kon het weken, ja maanden
-duren, eer het werk der inschrijving afgeloopen was; de langzaamheid
-toch van Romeinsche beamten was spreekwoordelijk geworden, zoodat Jozef,
-al had hij zich tot iemand kunnen wenden, toch bezwaarlijk voor
-onbepaalden tijd huisvesting had kunnen vragen voor zich en zijne vrouw.
-Op de herberg was dus zijne hoop gevestigd.
-
-Naast den ingang van het gebouw zat de deurwachter op een boomstronk,
-zijn speer tegen den muur, zijn hond naast zich.
-
---De vrede van Jehova zij met u, zeide Jozef, hem groetend.
-
---Datzelfde wensch ik u in ruime mate toe, antwoordde de man ernstig,
-zonder van houding te veranderen.
-
---Ik ben een Bethlehemiet, vervolgde Jozef. Is er nog plaats voor mij?
-
---Neen, alles is bezet.
-
---Misschien hebt gij mij wel hooren noemen--Jozef van Nazareth. Dit is
-mijn vaderstad. Ik ben uit Davids geslacht.
-
-Op dit feit berustte Jozefs hoop. Baatte dat hem niet, dan was alle
-verdere moeite tevergeefs, geld noch goede woorden vermochten dan iets
-uit te werken. Tot den stam van Juda te behooren was reeds veel waard,
-zich een zoon van David te mogen noemen, gold bij Israelieten als de
-hoogste eer, en zeker nergens meer dan in de stad Davids. Ook op den
-deurwachter maakte het indruk. Hij verrees van zijne zitplaats en zeide
-beleefd: Rabbi, gedurende de meer dan duizend jaren, waarin deze herberg
-een toevluchtsoord is geweest voor vreemdelingen, werd nog nimmer aan
-een goed man den toegang geweigerd, behalve wanneer er geen plaats was.
-Indien men den vreemdeling zoo welwillend behandelt, hoeveel te meer den
-zoon van David. Daarom nogmaals: Wees gegroet! en indien gij wilt, ga
-dan met mij naar binnen, om u met eigen oogen te overtuigen, dat nergens
-een hoekje vrij is, zelfs niet op het dak. Mag ik vragen wanneer gij
-aangekomen zijt?
-
---Zooeven.
-
-De deurwachter glimlachte. De vreemdeling, die in uwe poort is, zal zijn
-als een ingeborene van het huis en gij zult hem liefhebben als uzelven,
-leert ons de wet niet alzoo, Rabbi? En als de wet zoo spreekt, kan ik
-dan tot iemand, die hier reeds eenigen tijd vertoeft, zeggen: Ga gij uws
-weegs, hier is een ander, die uwe plaats komt innemen?
-
-Jozef zag peinzend voor zich.
-
---En al mocht ik dat zeggen, aan wien zou dan die plaats toekomen? Zie
-hoevelen daar staan te wachten, sommigen reeds den ganschen dag.
-
---Wat brengt al die lieden hierheen?
-
---Hetzelfde ongetwijfeld wat u brengt, Rabbi; het bevel van den Keizer.
-Daarenboven is gisteren een karavaan van Damascus naar Arabie en
-Neder-Egypte aangekomen. Deze mannen hier en die kameelen behooren er
-toe.
-
-Nog liet Jozef zich niet afwijzen. Het voorplein is ruim, zeide hij.
-
---Ja, maar volgepakt met balen zijden, en zakken specerijen, en goederen
-van allerlei aard.
-
-Jozefs gelaat betrok.--Het is niet zoozeer voor mijzelven, dat ik blijf
-aanhouden, maar ik heb mijne vrouw bij mij. De nachten zijn hier koud,
-veel kouder dan te Nazareth. Zij kan niet in de open lucht slapen. Zou
-er in de stad plaats te krijgen zijn?
-
---Deze menschen, zeide de deurwachter, op een groepje wijzend, hebben
-allen in de stad een onderkomen gezocht, maar tevergeefs.
-
-Jozef dacht een oogenblik na en zeide: Zij is zoo teer; als zij den
-nacht onder den blooten hemel moet doorbrengen, zal de kou haar dooden.
-Misschien hebt gij hare ouders nog gekend: Joachim en Anna. Zij hebben
-vroeger ook in Bethlehem gewoond en waren evenals ik uit Davids
-geslacht.
-
---Zeker heb ik hen gekend. Het waren goede menschen. Ik was toen nog een
-kind. Maar daar valt mij iets in. Al kan ik u niet in de herberg
-opnemen, ik kan u toch ook niet wegzenden. Ik zal voor u doen wat ik
-kan. Gij zult niet buiten overnachten. Roep uwe vrouw. Wij moeten ons
-haasten, want de zon neigt reeds ten ondergang.
-
---Niets liever dan dat, zeide Jozef, en keerde terug om zijne vrouw te
-halen, die niet ver van daar op haren ezel gezeten zijn komst verbeidde.
-Zij had haren sluier opgeslagen.
-
---Blauwe oogen en gouden lokken, zeide de deurwachter haar aanziende.
-Zoo zag de jonge koning er uit toen hij voor Saul op den harp speelde.
-
-De man nam den ezel bij den toom en zeide tot Jozef: Rabbi, volg mij.
-
-Over het voorplein van de herberg geleidde hij hen naar de achter het
-huis gelegen omrasterde bewaarplaats voor lastdieren en vee, en vandaar
-langs een smal en hobbelig pad naar een grauwen kalksteenheuvel.
-
---Gij brengt ons naar de spelonk, zeide Jozef.
-
---Ja, antwoordde hun geleider, en zich tot Maria wendende voegde hij er
-bij: Uw voorvader David heeft meermalen gebruik gemaakt van die spelonk.
-Als jongeling bracht hij er 's nachts de kudde zijns vaders onder dak en
-later, als koning, moet hij er dikwijls met zijn gevolg gerust hebben.
-Dezelfde kribben, waar zijne dieren aan gevoederd werden, zijn er nog.
-In ieder geval zult gij op de plaats, waar Koning David geslapen heeft,
-beter rusten, dan in het open veld. Zoo, hier zijn wij er. Zooals gij
-ziet is voor de spelonk een schuurtje aangebracht, eigenlijk niet meer
-dan een toegang tot de spelonk. Dit zeggende schoof hij den grendel weg,
-opende de deur en noodigde hen uit om binnen te treden.
-
-De grot was ongeveer veertig voet lang, negen of tien voet hoog, en
-veertien voet breed. Het was nog juist licht genoeg om te doen zien, dat
-in het midden op de grond wat hooi en stroo lag en eenig aardewerk, een
-duidelijk bewijs, dat ook andere reizigers hier vertoefd hadden. Langs
-de wanden waren steenen kribben gemetseld, en over het algemeen zag het
-er zindelijk uit.
-
---Wat dunkt u hiervan? vraagde de deurwachter aan Maria. Zoudt gij hier
-kunnen rusten?
-
---Deze plek is heilig, antwoordde zij.
-
---Dan kan ik weer naar mijn post terugkeeren. De vrede Gods zij met
-ulieden.
-
-Zoodra zij alleen waren maakten zij de spelonk bewoonbaar en bereidden
-zicht een nachtleger van hetgeen zij ter plaatse aanwezig vonden en zelf
-medegebracht hadden.
-
- * * * * *
-
-Te middernacht, toen om en bij de herberg alles in de diepste rust
-verkeerde, ontwaakte een der slapers op het dak en keek verschrikt in
-het rond. Wat is er gebeurd? riep hij: Wat is dat voor een vreemd licht?
-Wordt wakker, broeders! wordt wakker!
-
-De in hunnen slaap gestoorden richtten zich op en wreven zich in de
-oogen, maar wat zij zagen bracht hen weldra volkomen tot bezinning. Uit
-den hemel daalde een straal van licht neder, steeds breeder wordende
-naarmate hij de aarde naderde, en den ganschen omtrek verlichtende.
-Zelfs den moedigsten onder de aanwezigen durfde zijne stem verheffen
-boven een zacht gefluister.
-
---Hebt ge ooit iets dergelijks gezien? vraagde de een.
-
---Het schijnt daar juist boven den berg te zijn. Ik begrijp volstrekt
-niet wat het is, zeide een ander.
-
---Zou er een ster gebarsten en gevallen zijn? vraagde een derde
-sidderend.
-
---Welneen, als een ster valt gaat haar licht uit.
-
---Ik weet wat het is, riep een jonge man geruststellend. De herders
-hebben een leeuw gezien en een vuur aangestoken, om hem van de kudden af
-te houden.
-
---Ja, dat zal het zijn, zeide een buurman verruimd van hart. Er waren
-vandaag verscheidene herders in het veld.
-
---Neen, neen, riep de eerste spreker, al brachten zij al het hout uit de
-valleien van Judea bijeen, om er een vuur van te maken, het zou niet
-zulk een hoog en sterk licht verspreiden.
-
-Zwijgend bleven de mannen het geheimzinnig schouwspel gadeslaan, totdat
-een eerwaardig grijsaard de stilte verbrak met den uitroep: Broeders,
-wat wij zien is de ladder, die onze vader Jakob in den droom
-aanschouwde. Geloofd zij de God onzer vaderen!
-
-
- * * * * *
-
-
-ACHTSTE HOOFDSTUK.
-
-DE GEBOORTE VAN CHRISTUS.
-
-
-Ongeveer twee mijlen zuidoostelijk van Bethlehem ligt een vlakte, door
-een heuvelrij van de stad gescheiden. Beschut tegen de noordenwinden,
-en begroeid met vijgeboomen, dwergeiken en pijnboschjes, was zij een
-kostelijke weide voor de kudden van zwervende herders. Aan den uitersten
-rand stond een overoude schaapskooi van buitengewoon groote afmeting.
-Bij een lang vergeten schermutseling was het gebouw van zijn dak beroofd
-en half vernield. De daarbij behoorende omheinde ruimte was echter
-ongedeerd gebleven, en dat was wel de hoofdszaak voor de herders, die er
-hunne schapen wilden doen overnachten.
-
-Daags voor de gebeurtenissen, in het vorige hoofdstuk vermeld, was een
-zevental herders, die nieuwe weiden voor hunne kudden zochten, naar de
-vlakte afgedaald, had zich 's avonds bij de schaapskooi gelegerd, een
-groot vuur bij den ingang ontstoken, hun avondeten bereid, en zich
-daarna ter ruste gelegd, een uitgezonderd, die de wacht moest houden.
-
-Het was een heerlijke nacht. Geen windje bewoog zich, de atmosfeer was
-rein en zuiver, er heerschte een geheimzinnige stilte. De wachter stapte
-voor den ingang op en neder; hij verlangde naar het uur van middernacht,
-wanneer hij afgelost zou worden. Eindelijk was zijn taak volbracht, nu
-was het zijne beurt om te gaan rusten. Hij ging naar het vuur--maar wat
-was dat? Een lichtglans omscheen hem, zacht en wit als het licht der
-maan. Hij wachtte een oogenblik, het licht werd sterker; voorwerpen, die
-hij niet had kunnen onderscheiden, werden op eenmaal zichtbaar, hij zag
-de gansche vlakte en al wat er op was. Een huivering voer door zijne
-leden, vreeze beving hem. Hij zag naar de lucht, de sterren waren
-verdwenen; als door een venster viel een breede straal van licht uit den
-hemel en werd steeds glansrijker. Hevig ontsteld riep hij zijne makkers:
-Wordt wakker! Wordt wakker!
-
-De honden sloegen aan, de schapen drongen op elkander in, de herders
-sprongen overeind en grepen naar de wapens.
-
---Wat is er? riepen zij. Wat gebeurt daar?
-
---Wat er is? De hemel staat in vuur! antwoordde de wachter.
-
-Plotseling werd het licht zoo verblindend sterk, dat zij hunne oogen met
-de handen bedekten en van angst en schrik op de knieen vielen. Daar
-hoorden zij een stem: Vreest niet; want ziet, ik verkondig u groote
-blijdschap, die al den volke wezen zal.--Die stem, zoo zacht en
-welluidend, stelde hen gerust. Zij hieven het hoofd op en zagen
-eerbiedig in de richting, vanwaar de stem kwam. En zie, daar stond, door
-een stralenden lichtschijn omgeven, een engelengedaante, gekleed in een
-schitterend wit kleed. Boven zijn voorhoofd blonk een ster met zeldzamen
-glans. Zegenend strekte hij de handen naar hen uit, zijn gelaat was
-vriendelijk en van hemelsche schoonheid.
-
-Zij hadden dikwijls van de engelverschijningen in vroeger dagen gehoord,
-en onder elkander daar wel eens over gesproken. Zij twijfelden dan ook
-niet, maar zeiden in hun hart: De heerlijkheid Gods is tot ons gekomen,
-en dit is de engel, dien God voormaals tot den profeet bij de rivier
-Ulai zond.
-
-De engel vervolgde: Want heden is u geboren de Zaligmaker, welke is
-Christus, de Heer, in de stad Davids. En dit zal u het teeken zijn: gij
-zult het Kinderke vinden in doeken gewonden en liggende in de kribbe.
-
-De hemelbode zweeg. Hij had zijne boodschap overgebracht, toch toefde
-hij nog, en terwijl de herders eerbiedig wachtten, breidde zich het
-licht, waarvan de engel het middenpunt uitmaakte, meer en meer uit--en
-was er met den engel een menigte des hemelschen heirlegers, prijzende
-God en zeggende: Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in
-menschen een welbehagen.
-
-Toen ontplooide de engel zachtkens zijne vleugelen, verhief zich
-langzaam en statig in de lucht, en verdween weldra uit hunne oogen, het
-licht met zich voerende; maar nog geruimen tijd klonk het liefelijk
-engelenlied kun in de ooren.
-
-Toen de herders tot bezinning waren gekomen staarden zij elkander
-sprakeloos aan, totdat een van allen zeide: Dat was Gabriel, Gods bode
-bij de menschen.
-
-Niemand antwoordde.
-
---Christus, de Heer, is geboren, zeide hij dat niet?
-
---Ja, antwoordde een ander.
-
---En zeide hij ook niet dat hij geboren is in de stad Davids? dat is dan
-toch Bethlehem, daar ginds. En dat wij hem zouden vinden in doeken
-gewonden?
-
-De herder, die het eerst gesproken had, staarde een oogenblik nadenkend
-in het vuur, en zeide toen op beslisten toon: Er is slechts een plaats
-in Bethlehem waar kribben zijn, slechts een, en dat is in de spelonk bij
-de oude herberg. Broeders, laat ons gaan en zien wat er geschied is.
-De priesters en schriftgeleerden verwachten den Messias reeds geruimen
-tijd. Nu is hij geboren, en de Heer heeft ons een teeken gegeven,
-waaraan wij hem kunnen kennen. Laat ons gaan en hem aanbidden.
-
---Maar de kudden....
-
---Daar zal de Heer voor zorgen. Laat ons zoo snel mogelijk gaan.
-
-Toen maakten zij zich op en sloegen den weg naar Bethlehem in. De weg
-voerde achter den berg om door de stad, totdat zij voor de deur der
-herberg kwamen, waar een man de wacht hield.
-
---Wat is uw verlangen? vraagde deze.
-
---Wij hebben van nacht groote dingen gezien en gehoord, antwoordden zij.
-
---Nu, wij ook hebben groote dingen gezien, maar gehoord hebben wij
-niets. Wat hebt gij gehoord?
-
---Breng ons eerst naar de spelonk achter de omtuining, opdat wij
-zekerheid mogen verkrijgen, dan zullen wij u alles vertellen.
-
---Noodelooze moeite.
-
---Neen, de Christus is geboren.
-
---De Christus! Hoe weet gij dat?
-
-Breng ons bij de spelonk, dan kunt gij het zelf zien.
-
-De wachter lachte spotachtig.--De Christus, zegt gij? En hoe zult gij
-weten dat hij het is?
-
---Ons is gezegd, dat hij in dezen nacht geboren is en nu in een kribbe
-ligt, en er is slechts eene plaats in Bethlehem, waar kribben zijn.
-
---De spelonk?
-
---Ja, breng er ons, opdat wij het met onze oogen mogen zien.
-
-Zij gingen over het voorplein, zonder dat iemand op hen lette, hoewel
-sommigen het nog druk genoeg hadden over het wondervolle licht. De deur
-van de spelonk stond open. Er brandde licht en zij traden zonder omslag
-binnen.
-
---Vrede zij u! zeide de wachter tot Jozef. Hier zijn eenige lieden, die
-een jonggeborene zoeken, in doeken gewonden en liggende in een krib.
-
-Jozef ontroerde, en op de kribbe wijzende zeide hij: Daar is het kind.
-
-De herders kwamen behoedzaam nader en beschouwden het slapende kindeke
-met stille aandacht. Dat is de Christus, zeide een van hen ten laatste.
-
---De Christus! herhaalden allen, in aanbidding neerknielende.
-
---Het is de Heer, en zijn lof is boven aarde en hemel verheven, juichte
-de eerste spreker.
-
-De eenvoudige lieden, in wier hart geen plaats was voor twijfel, kusten
-den zoom van Maria's gewaad, en gingen heen met vroolijke aangezichten.
-In de herberg vertelden zij aan ieder, die het hooren wilde, wat hun
-wedervaren was, en op hunnen terugweg naar de vallei zongen zij het
-engelenlied: Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in
-menschen een welbehagen.
-
-Het verhaal deed de rondte, en nog verscheidene dagen lang werd de
-spelonk bezocht door tal van nieuwsgierigen, van wie sommigen geloofden;
-maar het grootste gedeelte lachte en spotte.
-
-
- * * * * *
-
-
-NEGENDE HOOFDSTUK.
-
-HET BEZOEK VAN DE DRIE WIJZEN.
-
-
-Elf dagen na de geboorte van het kindeke vinden wij de drie wijzen in de
-nabijheid van Jeruzalem. Na de beek Kedron te zijn overgegaan ontmoetten
-zij tal van lieden, die hen zonder uitzondering met nieuwsgierigen
-blikken nazagen. Hoewel de handelsweg van het oosten naar het zuiden
-over Judea voerde, en men bijgevolg, behalve in Rome, nergens zoovele
-vreemdelingen van allerlei natien aantrof als in Jeruzalem, trokken deze
-drie mannen toch aller aandacht.
-
-Tegenover de graven der koningen zaten eenige vrouwen aan den weg. Zij
-hadden een kind bij zich, en zoodra het de reizigers zag, klapte het in
-de handjes en riep: Kijk, kijk, wat mooie belletjes! Wat groote kameelen!
-
-De belletjes waren van zilver, de kameelen, zooals wij weten,
-buitengewoon groot en wit. Aan het tuig kon men zien, dat het gezelschap
-een verre reis achter zich had, maar ook dat de eigenaars mannen van
-aanzien waren. Bij de vrouwen gekomen hield het drietal stil, en vraagde
-Balthasar, zich een weinig voorover buigende: Zeg mij, zijn wij nog ver
-van Jeruzalem?
-
---Neen, antwoordde eene der vrouwen, als de boomen op gindschen heuvel
-wat lager waren zoudt gij de torens op de markt kunnen zien.
-
-De Egyptenaar zag zijne tochtgenooten veelbeteekend aan, en wendde zich
-toen weder tot de vrouw met de vraag: Kunt gij mij ook zeggen waar de
-geboren Koning der Joden is?
-
-De vrouwen keken elkander verwonderd aan, maar gaven geen antwoord.
-
---Weet gij dat niet? herhaalde de Egyptenaar.
-
---Neen, heer.
-
---Nu, vertel dan maar aan iedereen, dat wij zijne ster gezien hebben in
-het Oosten en gekomen zijn om hem te aanbidden.
-
-Dit gezegd hebbende reden zij verder.
-
-Anderen, die zij tegenkwamen, deden zij dezelfde vraag, maar met gelijke
-uitkomst. Zoo vervuld waren zij van het doel hunner reis, dat zij geen
-oog hadden voor het heerlijk panorama, dat zich voor hen ontplooide,
-toen zij Jeruzalem naderden. Eindelijk waren zij bij de Damascuspoort,
-die door een Romeinschen schildwacht bewaakt werd. Langzamerhand hadden
-zich eenige nieuwsgierigen bij hen aangesloten, zoodat toen de
-Egyptenaar stilhield, om bij den schildwacht inlichtingen te vragen,
-onze reizigers het middelpunt werden van eene steeds aangroeiende
-menigte.
-
---Vrede zij u! zeide de Egyptenaar den schildwacht groetende, die den
-groet onbeantwoord liet.
-
---Wij zijn van verre gekomen om den geboren Koning der Joden te zien.
-Kunt gij ons ook zeggen waar hij is?
-
-De soldaat lichtte zijn helmvizier op en riep iemand uit het wachthuis.
-Uit de gang trad een hoofdman te voorschijn.--Uit den weg! riep hij de
-menigte toe, die hem den weg versperde, en toen zij niet gauw genoeg
-gehoorzaamde, maakte hij zich, links en rechts met zijn speer zwaaiende,
-ruim baan.
-
---Wat is er van uw verlangen? vraagde hij aan Balthasar.
-
---Ik wilde weten waar de geboren Koning der Joden is.
-
---Herodes? vraagde de hoofdman verwonderd.
-
---Herodes werd door den Keizer tot Koning aangesteld, hem moeten wij dus
-niet hebben.
-
---Er is geen andere Koning der Joden.
-
---Jawel, want wij hebben zijne ster gezien en zijn gekomen om hem te
-aanbidden.
-
-De Romein begreep er niets van.--Ik ben geen Jood en kan u dus niet
-helpen. Gaat naar de schriftgeleerden in den tempel, of naar Annas den
-Hoogepriester, of beter nog naar Herodes zelf, en vraag het hem. Als er
-een andere Koning der Joden is zal hij hem wel weten te vinden.
-
-Daarop joeg hij de omstanders uiteen, opdat de vreemdelingen door de
-poort konden trekken. Zoodra zij echter in de stad waren zeide
-Balthasar: Wij zullen goed doen met naar de herberg te gaan; het doel
-onzer komst is bekend en voor middernacht zal de geheele stad over ons
-spreken.
-
- * * * * *
-
-Dienzelfden avond waren eenige vrouwen bezig met wasschen op de breede
-trap, die naar den vijver Siloam voerde. Ieder had een aarden bak voor
-zich. Op de onderste trede stond een meisje, dat onder het zingen van
-een vroolijk liedje de vrouwen beurtelings van water voorzag.
-
-Terwijl zij daarmee bezig waren kwamen twee andere vrouwen naderbij,
-beiden een ledigen waterkruik op den schouder dragende.
-
---Vrede zij u! zeide eene van haar.
-
-De waschvrouwen staakten even den arbeid, sloegen hare handen droog en
-beantwoordden den groet.
-
---Het is reeds laat in den avond, het wordt tijd om uit te scheiden,
-zeide een der laatst gekomenen.
-
---Er is nog werk genoeg, was het antwoord.
-
---Ja, maar er is een tijd om te rusten, en....
-
---Om nieuwtjes te hooren vertellen.
-
---Wat voor nieuwtjes hebt gij?
-
---Weet gij het dan nog niet?
-
---Wat?
-
---Zij zeggen, dat de Messias geboren is.
-
---De Messias?! riepen de wasschende vrouwen in de hoogste verbazing.
-
-De beide anderen zetten hare watervaten neder en gingen er op zitten.
-Ja, zeiden zij, dat wordt ten minste verteld.
-
---Door wie?
-
---Door iedereen. De geheele stad spreekt er van.
-
---En wordt het geloofd?
-
---Van middag zijn drie vreemde mannen gekomen over de beek Kedron.
-Zij reden alle drie op witte kameelen, zoo groot als wij ze hier in
-Jeruzalem nog nooit gezien hebben. Men kon wel zien dat het rijke
-menschen zijn, want hun tentjes zijn van zijde, en de gespen en franje
-aan de zadels en hoofdstellen van goud. De schelletjes zijn van zilver
-en maken echte muziek. Niemand kent ze; zij zien er uit alsof zij van
-het einde der wereld komen. Een van de drie deed telkens het woord en
-vroeg aan iedereen onderweg, zelfs aan vrouwen en kinderen: Waar is de
-geboren Koning der Joden? Niemand kon hem daarom antwoord geven; niemand
-begreep wat zij bedoelden. Maar zij hielden vol: Wij hebben zijne ster
-gezien in het Oosten en zijn gekomen om hem te aanbidden. Bij de poort
-hebben zij het gevraagd aan den schildwacht, maar die wist het evenmin,
-en heeft hun gezegd, dat zij het best deden met het aan Herodes te gaan
-vragen.
-
---Waar zijn zij nu?
-
---In de herberg. Ieder gaat er naar toe om hen te zien.
-
---Waar komen zij vandaan?
-
---Dat weet niemand. Ik denk dat het Perzen zijn. Het zijn in ieder geval
-wijze mannen, die met de sterren praten, zoo iets als profeten,
-misschien wel als Elia of Jeremia.
-
---Maar gij zegt, dat zij naar den Koning der Joden vragen, wien zouden
-zij daarmee bedoelen?
-
---Den Messias natuurlijk, die pas geboren moet zijn.
-
-Een van de vrouwen lachte en hervatte haar werk met de woorden: Komaan,
-ik zal 't gelooven als ik hem zie.
-
-Een tweede volgde haar voorbeeld en zeide: Ik--ja, ik zal 't gelooven,
-als ik hem dooden weer levend zie maken.
-
-Een derde zeide nadenkend: Men heeft hem lang verwacht. Voor mij zal het
-genoeg zijn als ik hem een melaatsche zie genezen.
-
-
- * * * * *
-
-
-TIENDE HOOFDSTUK.
-
-HERODES EN DE WIJZEN.
-
-
-Eenige uren later in den avond, tegen den tijd der eerste nachtwake,
-vinden wij in het paleis op den berg Sion een vijftigtal mannen,
-bijeengeroepen door Koning Herodes: hoogepriesters, schriftgeleerden, de
-hoofden der verschillende godsdienstige partijen: Farizeen, Sadduceen en
-Esseen. De zaal, waar de vergadering plaats had, was zeer ruim, en
-volgens Romeinsche gewoonte ingericht. De vloer bestond uit marmerblokken
-van verschillende kleur, de wanden, niet door vensters onderbroken,
-waren saffraangeel beschilderd; een divan, in den vorm van de letter U
-en van gele kussens voorzien, stond in het midden, de opening naar de
-deur gekeerd. Aan het boveneinde van dien divan, dus in de buiging,
-stond een bronzen drievoet. Daarboven hing een luchter met zeven armen,
-die ieder een brandende lamp droegen. De divan en de luchter waren
-zuiver Joodsch.
-
-De vergadering bestond hoofdzakelijk uit mannen van leeftijd, mannen met
-lange baarden, vurige oogen, zware wenkbrauwen. Hunne kleeding was
-behalve wat de kleur betreft volmaakt dezelfde. Hun uiterlijk was
-ernstig, deftig, bijna patriarchaal. Aan het hoofdeneinde, achter den
-drievoet, zat de voorzitter, rechts en links zijne medegenooten.
-
-In zijne jeugd groot en forsch van statuur, was de thans 106-jarige
-Hillel, de Babylonier, de eerwaardige voorzitter van den Grooten Raad,
-uitwendig niet meer dan de schim van hetgeen hij vroeger was; maar zijn
-helderheid van hoofd liet niets te wenschen over. Op den drievoet voor
-hem lag een met Hebreeuwsche letters beschreven perkamenten rol, achter
-hem stond een rijkgekleede knaap op zijne bevelen te wachten. Het
-geleerde gezelschap heeft een levendige woordenwisseling gevoerd, maar
-is zooeven tot een besluit gekomen. Hunnen houding is rustig en de
-eerwaardige Hillel roept den knaap tot zich. Eerbiedig treedt hij voor
-zijnen meester.
-
-Ga den Koning melden, dat wij gereed zijn om op zijne vraag te
-antwoorden, beveelt de grijsaard.
-
-De jongen snelt heen.
-
-Weinige oogenblikken later traden twee hoofdmannen binnen en plaatsten
-zich naast de beide deurposten. Hen volgde op den voet een merkwaardige
-persoonlijkheid: een oud man, bekleed met een purperen kleed, om het
-middel bevestigd door een fijnbewerkten gouden gordel; een diadeem omgaf
-het hoofd, de sandalen waren met kostbare edelsteenen versierd, in den
-gordel stak een fraaie dolk. Zijn gang was moeilijk en hij leunde zwaar
-op zijn staf. Niet voordat hij den divan bereikt had stond hij stil en
-overzag de vergadering met hooghartigen blik, donker en dreigend, alsof
-hij zich onder vijanden bevond. Het was Herodes de Groote--het lichaam
-ondermijnd door kwalen, het geweten bezwaard door misdaden. Een waardig
-gezel der Romeinsche Cesars, was hij op 67-jarigen leeftijd een
-ijverzuchtig despoot, altijd vreezende dat iemand hem in zijne rechten
-wilde treden.
-
-Nadat alle aanwezigen hem begroet hadden, ging Herodes rechtstreeks op
-Hillel toe en zeide op meesterachtigen toon: Het antwoord!
-
-De patriarch hief het hoofd op, zag hem welwillend aan en zeide: De
-vrede van den God Abrahams, Izaaeks en Jakobs zij met u, o Koning!--Gij
-hebt ons gevraagd waar de Messias geboren moet worden. (De Koning boog
-toestemmend, de oogen onafgewend op den spreker gevestigd.) Nu dan, o
-Koning, naar ons aller meening te Bethlehem in Judea.
-
-Hillel liet den blik rusten op de rol en las: Te Bethlehem in Judea;
-want alzoo zegt de profeet: En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om
-te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, die een
-Heerscher zal zijn in Israel.
-
-Herodes' gelaat betrok. Nadenkend staarde hij op de rol. Ademlooze
-stilte heerschte in de zaal, niemand waagde te spreken. Eindelijk keerde
-de Koning zich om en ging heen.
-
---Broeders, zeide Hillel, de vergadering is gesloten.
-
-Allen stonden op en verwijderden zich in groepen.
-
---Simeon! riep Hillel.
-
-Een vijftigjarige man, nog krachtig en sterk, voegde zich dadelijk bij
-hem.
-
---Neem de heilige rol tot u, mijn zoon, en geleid mij naar den
-draagstoel.
-
-Liefdevol en eerbiedig voldeed Simeon aan het verzoek zijns vaders,
-wiens waardige opvolger hij eenmaal zijn zou.
-
- * * * * *
-
-Nog weder later op dienzelfden avond legden de drie wijzen zich in de
-herberg ter ruste. Door een opening in het dak konden zij de lucht
-bespieden, en bij het heerlijk stergeflonker dachten zij na over Gods
-wonderlijke leiding. Maar hoe nu verder? Op welke wijze zou Hij zich
-thans openbaren? Eindelijk waren zij dan in Jeruzalem; aan de poort
-hadden zij naar hem gevraagd, dien zij zochten; zij hadden zijne
-geboorte aangezegd, hun bleef niets over dan hem te vinden, en ook
-daarin rekenden zij vast op de leiding des Geestes. Die Gods stem
-beluisteren, of op een teeken des hemels wachten, kunnen niet slapen.
-
-Daar trad iemand op hen toe. Wordt wakker! riep hij, ik heb u iets te
-zeggen daar haast bij is.
-
-Aanstonds sprongen zij overeind.--Van wien? vraagde de Egyptenaar.
-
---Van Koning Herodes.
-
---Zijt gij niet de deurwachter van deze herberg?
-
---Die ben ik.
-
---Wat verlangt de Koning van ons?
-
---Zijn bode wacht buiten. Hij zal u antwoorden.
-
---Zeg hem dat wij dadelijk zullen komen.
-
---Gij hadt gelijk, broeder, zeide de Griek, toen de wachter zich
-verwijderd had.--De vraag tot het volk op den weg en tot den schildwacht
-aan de poort heeft ons bekend gemaakt. Ik ben vol ongeduld, laat ons
-gaan.
-
-Haastig bonden zij hunne sandalen aan, sloegen hunne mantels om en
-gingen naar buiten.
-
---Weest gegroet, en vergeeft mij zoo ik ongeleegen kom; maar mijn
-meester, de Koning, zendt mij om u ten paleize te noodigen, waar hij een
-mondgesprek met u voeren wil, zeide de bode.
-
-Boven den ingang der herberg hing een brandende lamp; en bij haar licht
-zagen de drie vrienden aan elkanders gelaat, dat de Geest op hen rustte.
-Toen wenkte de Egyptenaar den deurwachter tot zich en fluisterde hem
-toe: Gij weet waar onze goederen geborgen zijn op het voorplein en waar
-onze kameelen rusten. Maak alles gereed terwijl wij weg zijn, opdat wij,
-zoo het noodig mocht wezen, bij onze terugkomst dadelijk kunnen afreizen.
-
-Ik zal er voor zorgen, ga gerust, antwoordde de wachter.
-
---Wij zijn gereed, zeide de Egyptenaar daarop tot den bode, breng ons
-bij den Koning.
-
-De straten van de Heilige stad waren toen even nauw als in onze dagen,
-maar lang niet zoo vuil en hobbelig; want de vorstelijke bouwheer was
-zeer gesteld op reinheid en gemak. Zwijgend volgden de drie vrienden
-hunnen leidsman, totdat zij aan een poort kwamen, waar bij een hoog
-opvlammend vuur een paar schildwachten op post stonden. Door booggangen
-en voorhoven, langs hooge trappen en tal van vertrekken bereikten zij
-eindelijk een hoogen toren. Boven gekomen bleef hun gids staan, wees op
-een open deur en zeide: Treedt binnen, de Koning wacht u.
-
-Een geur van sandelhout vervulde het koninklijk vertrek, dat met groote
-weelde was ingericht. Vergulde en gebeeldhouwde zetels, muziekinstrumenten,
-kostbaar vaatwerk, gouden kandelaars schitterden van licht, in Griekschen
-stijl beschilderde muren--en te midden van dat alles zat de Koning op zijn
-troon, gereed om hen te ontvangen.
-
-De drie mannen traden naderbij en bogen eerbiedig. De Koning schelde,
-waarop een dienaar binnenkwam en drie zetels aanschoof.
-
---Neem plaats, beval de Koning minzaam.
-
-Toen zij gezeten waren vervolgde hij: Hedenmiddag werd mij van de
-Noordpoort bericht gezonden, dat drie vreemdelingen waren aangekomen, en
-naar hun uiterlijk te oordeelen van verre kwamen. Zijt gijlieden dat?
-
-De Egyptenaar boog en antwoordde: Indien wij het niet waren zou de
-machtige Herodes niet om ons gezonden hebben. Wij zijn die mannen.
-
---Wie zijt gij? Vanwaar komt gij? vraagde de Koning, en voegde er op
-veelbeteekenden toon bij: Dat ieder voor zichzelven spreke.
-
-In weinig woorden deelden zij hem beurtelings hun naam en afkomst mede
-en langs welken weg zij de reis naar Jeruzalem genomen hadden.
-Eenigszins teleurgesteld vraagde Herodes: Welke vraag hebt gij tot den
-hoofdman aan de poort gericht?
-
---Wij vraagden hem: Waar is de geboren koning der Joden?
-
---Nu begrijp ik waarom het volk zoo opgewonden was. Is er dan een tweede
-Koning der Joden?
-
-Onbevangen antwoordde de Egyptenaar: Er is een jonggeboren Koning.
-
-Een uitdrukking van smart kwam over het gelaat van den monarch, alsof
-een pijnlijke herinnering hem kwelde. Dacht hij misschien aan zijne
-onschuldige, vermoorde kinderen?--Niet hier! Niet bij mij! riep hij.
-
-Een oogenblik later, toen hij zich genoegzaam hersteld had, vraagde hij
-met vaste stem: Waar is de nieuwe Koning?
-
---Dat is het juist, o Koning, wat wij wenschen te vernemen.
-
---Wat gij mij vertelt heeft veel van een sprookje. Op mijn leeftijd is
-men al even nieuwsgierig als de kinderen. Het zou wreed zijn mij te lang
-in spanning te laten. Vertelt mij daarom alles en ik zal u eeren, zooals
-vorsten elkander eeren. Deelt mij alles mede wat gij van den jonggeborene
-weet, en ik zal u naar hem helpen zoeken. Zoodra wij hem gevonden hebben,
-zal ik voor hem doen wat ik kan; ik zal hem naar Jeruzalem laten komen
-en hem een vorstelijke opvoeding geven. Ik zal van mijn invloed bij den
-Keizer gebruik maken, om hem tot eer en aanzien te brengen. Van ijverzucht
-zal tusschen ons geen sprake zijn, dat zweer ik u. Maar vertelt mij eerst
-hoe gijlieden, door zeeen en woestijnen van elkander gescheiden, van zijne
-geboorte gehoord hebt.
-
---Dat zal ik u naar waarheid zeggen, o Koning.
-
---Spreek, zeide Herodes.
-
-Balthasar stond op en sprak: Er is een almachtig God.
-
-Herodes ontstelde zichtbaar.
-
---Die almachtige God beval ons hierheen te reizen en beloofde ons, dat
-wij den Verlosser der wereld zouden zien, dat wij hem zouden zien en
-aanbidden, en van zijne komst getuigen. Tot teeken zagen wij ieder op de
-plaats waar wij ons bevonden eene ster. Gods Geest geleidde ons; o
-Koning, Gods Geest op dit oogenblik met ons!
-
-Een wonderlijk gevoel doorstroomde de drie vrienden. De Griek bedwong
-zich slechts met moeite. Herodes zag van den een naar den ander.
-Achterdocht en onwil maakten zich van hem meester. Gij wilt mij wat
-wijsmaken, zeide hij. Wat moet er volgen op de komst van den nieuwen
-Koning?
-
-De verlossing der menschen.
-
---Van wat?
-
---Van zonde.
-
---Hoe?
-
---Door Geloof, Liefde en Goede Werken.
-
---Dan--maar hier zweeg Herodes even, zonder dat een trek op zijn gelaat
-verried wat in zijne ziel omging--zij gijlieden de herauten van den
-Messias. Is dat alles?
-
-Balthasar boog toestemmend.
-
-Herodes drukte weder op den schelknop. Een dienaar verscheen.--Breng de
-geschenken, beval de vorst.
-
-De dienaar ging, maar kwam weldra terug, en bood ieder der bezoekers
-knielende een prachtig overkleed en een gouden gordel aan, welke
-geschenken zij met Oostersche plichtplegingen aanvaardden.
-
---Nog een woord, zeide Herodes, gij hebt gezegd dat gij een ster in het
-Oosten hebt gezien.
-
---Ja, antwoordde Balthasar, zijne ster, de ster van den jonggeborene.
-
---Wanneer ongeveer?
-
---Toen ons bevolen werd hierheen te gaan.
-
-Herodes stond op, ten teeken dat de audientie was afgeloopen. Van zijnen
-troon dalende zeide hij vriendelijk: Indien gij, hooggeschatte mannen,
-hetgeen ik gaarne geloof, werkelijk de herauten zijt van den jonggeboren
-Messias, zoo weet dan, dat ik hedenavond de schriftgeleerden ondervraagd
-heb over deze dingen. Eenparig getuigen zij, dat hij te Bethlehem in
-Judea moest geboren worden. Daarom raad ik u: Gaat naar Bethlehem en
-zoekt naarstiglijk totdat gij hem vindt. En als gij hem gevonden hebt,
-komt dan weder, opdat ook ik moge gaan en hem aanbidden. Gaat in vrede
-en niemand zal u overlast aandoen. Dit gezegd hebbende liet de Koning
-hen alleen.
-
-Onmiddellijk daarop kwam 's Konings boodschapper binnen en geleidde de
-drie mannen weder naar de herberg terug. Daar gekomen riep de Griek vol
-geestdrift: Laat ons naar Bethlehem gaan, broeders, zooals de Koning ons
-geraden heeft.
-
---Ja, riep de Hindoe, de Geest getuigt binnen in mij.
-
---Het geschiede, zeide Balthasar opgewekt. Onze kameelen staan gereed.
-
-Na den deurwachter voor zijne moeite rijkelijk beloond te hebben stegen
-zij op, lieten zich den weg wijzen naar de Joppe-poort en vertrokken.
-Toen zij in het open veld gekomen waren en langs denzelfden weg gingen,
-dien Jozef en Maria zoo kort geleden begaan hadden, verscheen aan den
-hemel een licht, in het begin zwak en onduidelijk. Hun hart klopte
-hoorbaar. Het licht nam toe in kracht, zij sloten de oogen voor dien
-glans; toen zij ze weer openden,--zie, daar was de ster weder, maar niet
-onbewegelijk en hoog verheven als de andere sterren, neen, laag aan het
-firmament en zich zachtkens voortbewegende. Toen vouwden zij de handen
-en verheugden zich met groote vreugde. God is met ons! riepen zij
-herhaaldelijk, totdat ten laatste de ster zich verhief en stil bleef
-staan boven een afdak, gebouwd tegen de helling van een heuvel in de
-nabijheid der stad.
-
-
- * * * * *
-
-
-ELFDE HOOFDSTUK.
-
-HET KINDEKE.
-
-
-Het was de derde nachtwake. De bergtoppen in het oosten werden reeds
-flauw verlicht door de opgaande zon; maar in de vallei heerschte nog
-nachtelijk donker. De wachter op het dak der oude herberg van Bethlehem
-luisterde huiverend van kou naar de eerste teekenen van ontwakend leven,
-toen hij eensklaps een licht op den heuvel achter het huis ontwaarde.
-Eerst meende hij dat het een toorts was, die iemand in de hand droeg,
-daarna zag hij het voor een meteoor aan; het werd helderder en
-helderder, en eindelijk zag hij dat het een ster was. Beangst door dat
-vreemde verschijnsel wekte hij allen die in huis waren. De meesten
-ijlden naar het platte dak. Het licht kwam steeds nader en wierp zijn
-schijnsel over rotsen, boomen en wegen; zijn glans werd zoo sterk dat
-de lieden de oogen moesten afwenden. De vreesachtigen vielen op hun
-aangezicht ter aarde en baden, de meer stoutmoedigen bedekten wel hunne
-oogen, maar beproefden toch gedurig naar het licht te kijken.
-
-Het duurde niet lang, of de herberg en hare geheele omgeving werden er
-door verlicht. Zij, die durfden opzien, bemerkten, dat de ster stil
-bleef staan boven den ingang der spelonk, waar het kind geboren was. Te
-midden van de heerschenden onrust kwamen de drie wijzen bij de herberg,
-stegen van hunne kameelen en begeerden binnengelaten te worden. Toen de
-deurwachter in zoover van den schrik bekomen was, dat hij aan hun
-verlangen kon voldoen, trok hij de grendels weg en opende de deur. In
-dat ongewone licht zagen de kameelen er waarlijk spookachtig uit en het
-vreemde, opgewonden voorkomen der drie reizigers was niet geschikt om
-den man gerust te stellen. In plaats van naar buiten te komen trok hij
-zich schuw terug en kon gedurende eenige minuten niet antwoorden op de
-hem gedane vraag: Is dit niet Bethlehem in Judea?
-
-Eerst toen de anderen er bij kwamen schepte hij moed en zeide: Neen, dit
-is slechts de herberg, de stad ligt verder.
-
---Is hier niet een pasgeboren kind?
-
-De omstanders zagen elkander verbaasd aan; maar sommigen antwoordden
-toch: Ja, ja.
-
---Breng ons bij hem, riep de Griek ongeduldig.
-
---Ja, breng ons bij hem, herhaalde Balthasar, want wij hebben zijne ster
-gezien, dezelfde die gij daar boven het huis ziet, en zijn gekomen om
-hem te aanbidden.
-
-De Hindoe vouwde de handen en zeide: Waarlijk God leeft! Haast u, haast
-u! Wij hebben den Verlosser gevonden! Gezegend zijn wij boven alle
-menschen!
-
-De lieden, die nog op het dak waren, kwamen ook beneden en volgden de
-vreemdelingen, die door den wachter langs den ons bekenden weg gebracht
-werden naar de spelonk. Toen zij echter zagen dat het regelrecht op de
-ster afging, keerden sommigen uit angst terug, maar de overigen gingen
-mede. Zoodra de drie vreemdelingen de spelonk naderden rees de ster
-omhoog, al hooger en hooger in de lucht, om toen zij binnentraden uit
-het gezicht te verdwijnen.
-
-Zij, die getuige waren van wat nu plaats had, moesten weldra erkennen,
-dat tusschen de vreemdelingen en de ster een goddelijk verband bestond,
-waar ook de bewoners van den stal in betrokken waren. Die maar
-eenigszins kon drong mede naar binnen. In de spelonk brandde een
-lantaarn, die licht genoeg verspreidde, om de drie reizigers den weg te
-wijzen naar de moeder, die het kind in de armen hield.
-
---Is dat uw kind? vraagde Balthasar aan Maria.
-
-En zij, die alles wat het kindeke betrof in haar hart bewaarde en
-overlegde, hief het omhoog zoodat het licht op zijn gelaat viel en
-zeide: Dat is mijn zoon.
-
-En zij vielen op de knieen en aanbaden hem.
-
-Zij zagen dat het kind volkomen gelijk was aan andere kinderen. Geen
-stralenkrans of aardsche kroon sierde zijn hoofd. Zijn lippen openden
-zich niet om te spreken. Hoorde het hunne vreugdebetuigingen, hunne
-gebeden, het gaf geen teeken hoegenaamd, dat het die begreep;
-integendeel, het deed wat andere kinderen zouden gedaan hebben--het
-staarde met alle aandacht naar de vlam.
-
-Toen zij het kindeke hunne hulde gebracht hadden, stonden zij op, gingen
-naar buiten naar hunne kameelen, en brachten hunne geschenken: goud en
-wierook en myrrhe, die zij voor het kind nederlegden. Dit was dus de
-Verlosser, om wien te zien zij van zooverre gekomen waren. Zonder te
-twijfelen aanbaden zij hem. Waarom? Hun geloof berustte op de teekenen,
-gegeven door Hem, dien wij als Vader hebben leeren kennen, en zij
-behoorden tot dezulken voor wie zijne beloften zoo algenoegzaam zijn,
-dat naar niets anders gevraagd wordt. Er waren slechts weinigen, die het
-teeken gezien en de belofte vernomen hadden--de Moeder en Jozef, de
-herders en zijzelven,--en die alle geloofden met een volkomen hart.
-
-
- * * * * *
-
-
-BOEK II.
-
-
- * * * * *
-
-
-EERSTE HOOFDSTUK.
-
-ROME EN JUDEA.
-
-
-Wij willen thans over een tijdruimte van 21 jaren heenstappen en staan
-in het begin der regeering van Valerius Gratus, den vierden keizerlijken
-gouverneur van Judea; een tijdvak, waarin Jeruzalem verdeeld werd door
-velerlei staatkundige twisten.
-
-Herodes de Groote was een jaar na de geboorte van het kindeke
-gestorven--een uiteinde zoo vreeselijk, dat de Christenwereld het
-misschien niet ten onrechte als een straf der Goddelijke Gerechtigheid
-beschouwt. Als alle eerzuchtige heerschers droomde hij van een dynastie
-te grondvesten. Daarom bepaalde hij in zijn testament, dat het rijk
-verdeeld zou worden onder zijne drie zonen, Antipas, Philippus en
-Archelaues, welke laatste tevens den koningstitel moest erven. Dat
-testament moest natuurlijk door keizer Augustus bekrachtigd worden, die
-dan ook alle bepalingen goedkeurde, uitgenomen eene--hij weigerde
-Archelaues den titel van koning te verleenen, voordat deze van zijne
-bekwaamheid en trouw bewijzen zou hebben gegeven. In plaats daarvan gaf
-hij hem den titel van ethnarch. Als zoodanig heeft hij negen jaar
-geregeerd en werd toen wegens wangedrag en onbekwaamheid afgezet en naar
-Gallie verbannen.
-
-De keizer liet het daar niet bij. Hij trof de bewoners van Jeruzalem op
-een wijze, die hun hoogmoed pijnlijk kwetste. Judea werd namelijk een
-Romeinsche provincie verklaard en bij prefectuur van Syrie gevoegd. In
-plaats dus dat een koning met vorstelijke praal in het paleis op den
-berg Sion troonde, werd de stad bestuurd door een beambte van den
-tweeden rang, onder den titel van procurator, die, om de vernedering nog
-grievender te maken, niet eens te Jeruzalem mocht wonen, maar te Cesarea
-verblijf moest houden. Maar wat hun het meest van alles moest krenken
-was dat Samaria, het zoo diep verachte Samaria, aan Judea werd
-toegevoegd om te zamen eene provincie te vormen.
-
-Een troost bleef het volk echter nog over en wel deze, dat de
-hoogepriester het koninklijke paleis bewonen mocht en in schijn althans
-de vierschaar spande. Veel te beteekenen had het niet, want de uitspraak
-van een vonnis, de beslissing over leven en dood, berustten bij den
-procurator. Het recht werd uitgeoefend in den naam en volgens de wetten
-van Rome, en het paleis zelf werd behalve door den hoogepriester bewoond
-door den Romeinschen beambte met al zijne trawanten. Toch was voor het
-volk, dat van betere tijden droomde, eene zekere voldoening in het feit,
-dat de hoogst aanwezige in het paleis een Jood was. Zijne tegenwoordigheid
-herinnerde hun de beloften der profeten en den tijd, toen Jehova de
-stammen regeerde door de zonen van Aaeron; het strekte hun ten teeken dat
-God hen niet verlaten had, en leerde hen met geduld wachten op de komst
-van den zoon uit Judea's stam, die over Israel heerschen zou.
-
-Ruim tachtig jaren was Judea een provincie geweest van het Romeinsche
-rijk, lang genoeg voor de keizers om te weten, dat de Jood met al zijn
-trots gemakkelijk kon geregeerd worden, zoo men zijn godsdienst maar
-eerbiedigde. Hierop acht gevende hadden Gratus' voorgangers zich
-zorgvuldig onthouden van eenige bemoeiing met de heilige gebruiken
-hunner onderdanen. Gratus sloeg echter een anderen weg in. Een van zijn
-eerste openbare handelingen was de ontzetting van den hoogepriester
-Annas, en de verheffing van Ismael, den zoon van Fabus. Deze daad,
-hetzij op bevel van Augustus gepleegd, of uit eigen beweging, wekte
-groote ontevredenheid. Wij zullen den lezer niet vermoeien met een
-uitvoerig verslag van de Joodsche politiek dier tijden, maar moeten er
-toch tot beter begrip van ons verhaal met een enkel woord van gewagen.
-
-In die dagen waren in Judea twee partijen, die der aanzienlijken en die
-des volks. Na Herodes' dood vereenigden die beide zich tegen Archelaues,
-en bestreden hem nu eens door list, dan door geweld van wapenen. Meer
-dan eens weerklonken de heilige hallen op Moria van krijgsgeschreeuw.
-Schoon uiterlijk vereenigd hielden de bondgenooten ieder hun eigen
-belangen in het oog. De edelen haatten Joazar den hoogepriester, het
-volk daarentegen hing hem van harte aan. Toen Archelaues viel sleepte hij
-Joazar mede in zijnen val. Annas werd door de edelen tot hoogepriester
-gekozen. Dat gaf het sein tot scheiding, en van nu stonden de vroegere
-bondgenoten vijandig tegenover elkander. Gedurende den strijd met den
-ongelukkigen Archelaues had de partij der edelen raadzaam geacht zich met
-Rome te verbroederen, en van hen ging het plan uit om Judea tot een
-Romeinsche provincie te maken. Nieuwe reden tot haat voor de volkspartij,
-en toen Samaria aan Judea werd toegevoegd, geraakte de partij der edelen
-verre in de minderheid en bleven zij zonder anderen steun dan het
-keizerlijke hof en het prestige van hun rang en rijkdom.
-
-In weerwil daarvan wisten zij zich toch nog vijftien jaren lang, tot aan
-de komst van Valerius Gratus, te handhaven in het paleis en in den
-tempel. Annas, de door hen verkozen hoogepriester, had zijne macht trouw
-gebruikt ten voordeele van zijn keizerlijken heer. Een Romeinsch
-garnizoen bezette den burcht Antonia, een Romeinsche wacht bewaakte de
-poorten van het paleis, een Romeinsch rechter deed uitspraak in de beide
-rechten, een Romeinsch belastingssysteem, met groote gestrengheid
-toegepast, drukte stad en land. Dagelijks werd het volk op duizenderlei
-wijze gekweld en moest het zijne afhankelijkheid gevoelen.
-
-Toch vermocht Annas hen betrekkelijk rustig te houden. Rome bezat geen
-trouwer vriend, en bij zijn aftreden werd zijn gemis diep gevoeld.
-Zoodra Ismael in zijne plaats het hoogepriesterlijk kleed had aangedaan,
-verruilde Annas de tempelhoven met de raadzaal der volkspartij en wijdde
-zich voortaan aan hare belangen. Het vuur, dat vijftien jaren gesmeuld
-had, dreigde met vernieuwde kracht op te vlammen. Een maand na Ismaels
-verheffing tot hoogepriester achtte Gratus, de procurator, noodig hem te
-Jeruzalem te bezoeken. Toen de Joden, die hem van de wallen uitfloten,
-zagen, dat zijne wacht door de Noordpoort Jeruzalem binnentrok en naar
-den burcht Antonis marcheerde, begrepen zij het ware doel zijner komst:
-een gansche cohorte van Romeinsche legioenen werd aan het reeds
-aanwezige garnizoen toegevoegd, en de strop om hun hals nauwer
-aangehaald. Wee den overtreder, als de procurator soms noodig mocht
-achter een voorbeeld te stellen.
-
-
- * * * * *
-
-
-TWEEDE HOOFDSTUK.
-
-MESSALA EN JUDA.
-
-
-Op de hoogte van den stand van zaken, kunnen wij thans den lezer
-verzoeken, ons in den geest te volgen naar een der tuinen van het paleis
-op den berg Sion. Het is een warme namiddag in de maand Juli. De tuin is
-aan alle zijden omgeven door gebouwen, van veranda's en galerijen
-voorzien, en door open kolonnaden met elkander verbonden, zoodat de
-wandelaar, indien er een windje waait, in de gelegenheid wordt gesteld
-er zijn voordeel mede te doen.
-
-De aanleg van den hof is streelend voor het oog. Lanen, grasperken,
-sierlijke heesters, enkele hooge boomen, bieden rijke afwisseling.
-In het midden een springfontein, wier heldere waterstraal de naaste
-omgeving koel houdt.
-
-Niet ver van die fontein zaten twee knapen van negentien en zeventien
-jaar in ernstige gesprekken verdiept. Bij den eersten aanblik zou men
-hen voor broeders gehouden hebben. Beiden waren zwart van haar en oogen,
-beider gelaat was door de zon verbrand. De oudste zat blootshoofds. Een
-ruime tunica, tot aan de knie reikend, was zijn eenig bekleedsel, zijn
-lichtblauwe mantel strekte hem tot zitkussen. De tunica van fijne,
-grijze wollen stof, met rood omboord en om het midden bevestigd met een
-zilveren koord, maakt den Romein kenbaar, en, indien hij onder het
-spreken wel eens uit de hoogte neerziet op zijn makker en hem als zijn
-mindere behandelt, wie, die weet dat hij tot een der voornaamste
-geslachten van Rome, het geslacht Messala, behoort, zal het hem euvel
-duiden?
-
-In de bloedige oorlogen tusschen den eersten keizer en zijn groote
-tegenstanders was een Messala de vriend geweest van Brutus. Later, toen
-Octavianus om de kroon streed, ondersteunde Messala hem. Octavianus,
-keizer Augustus geworden zijnde, gedacht zijne diensten en overlaadde
-zijn geslacht met eerbewijzen. Toen Judea een provincie van het
-Romeinsche rijk geworden was, zond hij den zoon van zijn ouden vriend
-als ontvanger der belasting naar Jeruzalem, in welke hoedanigheid hij
-met den hoogepriester het paleis bewoonde. De jongeling met wien wij
-zooeven kennis maakten was zijn zoon, en die jeugdige Messala was er
-niet weinig trotsch op, dat zijn grootvader in zoo nauwe betrekking
-gestaan had tot de edelsten onder de Romeinen.
-
-De andere knaap was tengerder van gestalte. Zijn kleeding was van fijn
-wit linnen, zooals men ze gewoonlijk in Jeruzalem droeg, en een laag in
-den nek neerhangende doek beschermde zijn hoofd tegen de zonnestralen.
-Zijn gelaat was van het zuiver Joodsche type. Was de schoonheid van den
-Romein streng en klassiek, die van de Joodschen knaap was weelderig en
-aanvallig.
-
---Zeidet gij niet dat de nieuwe procurator morgen komt? vraagde de
-jongste der knapen in het Grieksch, de taal die toen, vreemd genoeg,
-in Judea overal gebruikelijk was onder het beschaafd publiek.
-
---Ja, morgen, antwoordde Messala.
-
---Wie heeft het u verteld?
-
---Ik heb het Ismael, den nieuwen gouverneur van het paleis, gij noemt
-hem den hoogepriester, gisterenavond aan mijn vader hooren vertellen.
-Ik geef toe, dat het meer geloofwaardig zou zijn, als een Egyptenaar, of
-zelfs een Idumeer het gezegd had; daarom heb ik het van morgen aan een
-hoofdman van den burcht gevraagd. Hij zeide dat alles voor de ontvangst
-in gereedheid werd gebracht, dat de wapenknechten helmen en schilden
-oppoetsten en de arenden verguldden; dat ongebruikte vertrekken schoon
-gemaakt en gelucht werden, alsof men eene vermeerdering van garnizoen
-wachtte; de lijfwacht misschien van den grooten heer.
-
-Een schaduw vloog over Juda's gelaat; hij staarde op den grond.
-
---Herinnert gij u nog, vraagde Messala, dat wij hier in den tuin
-afscheid van elkander namen, toen ik naar Rome ging? De vrede Gods
-vergezelle u! dat waren uw laatste woorden, en ik zeide: Mogen de goden
-u bewaren. Hoe lang is dat nu al geleden?
-
---Vijf jaar, antwoordde de ander.
-
---Nu, gij hebt alle reden van dankbaarheid jegens--ja, jegens wie? De
-goden?... Wel, het doet er niet toe. Gij zijt flink opgegroeid, de
-Grieken zouden u mooi noemen. Was Jupiter maar tevreden met een
-Ganymedes, wat een kostelijke schenker zoudt gij dan niet voor den
-keizer zijn. Maar zeg mij, Juda, waarom stelt gij zooveel belang in de
-komst van den procurator?
-
-Juda sloeg de groote ogen op en zag zijnen vriend ernstig aan.--Ja, vijf
-jaren, zeide hij. Ik herinner het mij nog heel goed. Gij gingt naar
-Rome. Ik zag u wegrijden en weende, want ik had u lief. De jaren zijn
-voorbijgegaan en gij zijt tot mij teruggekeerd, goed onderwezen, en
-vorstelijk in uw voorkomen--neen, ik scherts niet; maar toch, toch wilde
-ik dat gij dezelfde Messala waart van vroeger.
-
---Neen, neen, geen Ganymedes, een orakel is mijn vriend Juda. Enkele
-lessen bij mijn ouden leermeester in de rhetorica, vlak bij het Forum,
-een weinig oefening in de kunst der mysterien, en Delphi zal in u Apollo
-zelven zien. Maar alle gekheid ter zijde, in welk opzicht ben ik niet de
-Messala, die ik was bij mijn vertrek? Ik heb eenmaal onder het gehoor
-gezeten van den grootsten philosoof onder de zon. Een gezegde herinner
-ik mij nog: Tracht uw tegenstander te begrijpen voordat gij hem
-antwoordt.--Stel mij in de gelegenheid u te begrijpen.
-
-Een donkere blos steeg Juda naar 't gelaat onder Messala's spottenden
-blik; toch antwoordde hij op vasten toon: Ik bemerk dat gij uw tijd goed
-gebruikt hebt. Gij hebt veel kennis opgedaan, gij spreekt met groote
-gemakkelijkheid, maar in uwe woorden ligt een angel verborgen. Toen mijn
-vriend Messala wegging was zijne natuur giftvrij. Voor niets ter wereld
-zou hij zijn vriend gegriefd hebben.
-
-De Romein glimlachte, alsof hij zich gestreeld voelde en hief het hoofd
-trotsch omhoog. O, plechtstatige Juda, wij zijn niet te Dodona. Laat
-dien orakeltoon varen, druk u duidelijk uit. Waarmede heb ik u gegriefd?
-
-De ander haalde diep adem, trok de koorden van zijn kleed wat stijver
-aan en zeide: In die vijf jaren heb ik ook wel wat geleerd. Hillel moge
-niet gelijk staan met uw onderwijzer in de logica, en Simeon en Shammai
-niet in een adem te noemen zijn met uw leeraar bij het Forum; maar hunne
-leer gaat niet op verboden wegen. Die aan hunne voeten zit, gaat heen
-vervuld met de kennisse Gods, met de kennis der wet en van Israel; en de
-vrucht daarvan is liefde en eerbied voor alles wat daarop betrekking
-heeft. Door het bijwonen der vergaderingen van den Grooten Raad en het
-bestudeeren van hetgeen ik daar vernam, ben ik tot het inzicht gekomen,
-dat Judea niet is wat het vroeger was. Ik ken het onderscheid tusschen
-een onafhankelijk koninkrijk en de weinig beteekende provincie, die
-Judea thans is, en zou een nietswaardige zijn, ellendiger nog dan een
-Samaritaan, indien de vernedering van mijn land mij niet diep ter harte
-ging. Ismael is niet de rechtmatige hoogepriester, en kan dat niet zijn,
-zoolang de edele Annas leeft; maar toch is hij een Leviet, een van de
-Godgewijden, die duizenden van jaren den Heer onzen God gediend hebben
-naar onze wetten. Zijn--
-
-Messala viel hem spotachtig lachend in de rede en zeide: O, nu begrijp
-ik u. Ismael is, zegt gij, een indringer; maar dat ik een Idumeer eer
-gelooven zou dan hem steekt u,--bij alle goden van den Olympus, wat zijt
-gij, Joden, toch zeldzame wezens! Menschen en dingen, hemel en aarde
-veranderen, maar een Jood verandert nooit. Voor hem bestaat geen voor-
-of achterwaarts; hij is wat zijne voorvaders in het begin waren. Kijk,
-ik trek een cirkel in het zand--zoo! en toon mij nu eens aan, waarin het
-leven van een Jood verschilt. In de rondte, in de rondte, Abram hier,
-Izaaek en Jakob daar, God in het midden. En de cirkel,--bij den
-dondergod! de cirkel is nog te groot. Ik zal een nieuwen trekken.
-
-Hij zweeg, zette zijn duim op den grond en draaide er met de
-uitgestrekte vingers omheen. Kijk, mijn duim wijst de plaats aan waar de
-tempel staat, met de vingertoppen trek ik de grenzen van Judea. Is er
-buiten die grenzen iets, dat ulieden belang inboezemt? De kunsten
-misschien? Herodes was een bouwmeester, daarom is hij vervloekt.
-Schilder- of beeldhouwkunst? Het beschouwen van hare voortbrengselen is
-zonde. De dichtkunst hebt gij gebonden aan uwe altaren. Wie van u waagt
-het als redenaar op te treden, behalve in de synagoge? In den oorlog
-verliest gij op de zevenden dag alles wat gij op de zes voorafgaande
-gewonnen hebt. Zoo is uw leven, uw gezichtskring. Wie zal mij ten kwade
-duiden als ik daarover lach? Wat is uw God, tevreden met de aanbidding
-van zulk een volk, vergeleken met onzen Jupiter, die ons zijne adelaars
-afstaat, om er de gansche wereld mee te veroveren? Hillel, Simeon,
-Shammai, wat zijn die allen, vergeleken met de meesters, die ons leeren
-dat alles wat geweten kan worden wetenswaard is?
-
-De Jood stond op, zijne oogen schoten vuur.
-
---Neen, neen, blijf zitten, Juda, blijf zitten, riep Messala, de hand
-naar hem uitstrekkende.
-
---Gij bespot mij.
-
---Luister nog even, zeide Messala lachend. Ik ben u werkelijk dankbaar,
-dat gij het oude huis uwer vaderen verlaten hebt om mij hier te komen
-verwelkomen en onze vroegere vriendschap weder aan te knoopen, indien
-ons dat mogelijk is. Ga, zeide mijn leermeester bij zijn laatste les,
-ga, en zoo gij beroemd wilt worden, bedenk dan dat Mars regeert en Eros
-zijne oogen gevonden heeft. Hij bedoelde: liefde is niets, oorlog alles.
-Zoo is het in Rome. Het huwelijk is de eerste stap tot echtscheiding.
-Eros is gevallen, Mars regeert. Ik word soldaat; maar u, Juda, beklaag
-ik, want wat kunt gij worden?
-
-Juda zweeg.
-
---Ja, ik beklaag u, arme Juda. Van de school in de synagoge, dan naar
-den tempel, en dan, o heerlijkheid, een zetel in het Sanhedrin. Een
-leven zonder vooruitzichten! Maar ik--en Juda zag hem in het van
-overmoed stralend gelaat,--maar ik--nog is de wereld niet veroverd. De
-zee bergt onbekende eilanden. In het noorden leven nog volken, waarmede
-wij een lans kunnen breken. Alexanders tocht naar het verre oosten te
-voleindigen blijft nog voor den een of ander over. Hoevele gelegenheden
-heeft een Romein dus om zich te onderscheiden.
-
-Na een korte pauze hervatte hij: een veldtocht naar Afrika, een
-veldtocht naar Scythie, dan--een legioen! De meesten eindigen hunne
-loopbaan daarmede, niet alzoo ik. Ik, bij Jupiter, welk een
-vooruitzicht, ik zal mijn legioen opgeven voor een prefectuur. En wat
-wil dat niet zeggen! een leven in Rome met geld--geld, wijn, vrouwen,
-spelen, dichters bij het feestmaal, intriges aan het hof, dobbelspel het
-gansche jaar door. Ziedaar het leven dat ik verlang--een voordeelige
-prefectuur, en ik heb alles wat ik begeer. O Juda! hier is Syrie! Judea
-is rijk; Antiochie een hoofdstad voor de goden. Ik word de opvolger van
-Cyrenius, en gij--zult mijn geluk met mij deelen.
-
-Romeinsche sophisten en rederijkers zouden Messala waarschijnlijk
-toegejuicht hebben; maar den jongen Jood klonken deze dingen vreemd in
-de ooren. Het was zoo geheel anders dan hij gewoon was. De wetten en
-zeden van zijn volk lieten satire noch humor toe, geen wonder dus dat
-hij met gemengde gewaarwordingen naar zijn vriend luisterde, het eene
-oogenblik verontwaardigd, het andere niet wetende wat er van te maken.
-Messala's hooghartige houding had hem dadelijk onaangenaam getroffen,
-weldra werd zij hem zeer hinderlijk, ten slotte onverdragelijk. In zulke
-gevallen is men licht geneigd tot toorn, en niet dan met de grootste
-moeite bedwong Juda zich, om met een stijf lachje te kunnen zeggen:
-Ik heb wel eens hooren beweren, dat er menschen zijn, die met hunne
-toekomst kunnen spotten; ik bemerk dat ik niet tot hun getal behoor.
-
-De Romein zag hem onderzoekend aan en zeide: Waarom zou men de waarheid
-niet even goed in schertsenden vorm mogen voorstellen, als in een
-parabel? Onlangs ging de groote Fulvia visschen; zij ving meer dan het
-geheele overige gezelschap te samen. De reden daarvan was, zeide men,
-dat zij een gouden haak aan haar hengel had.
-
---Dan was wat gij daar straks zeidet niet alles in scherts gezegd?
-
---Vriend Juda, ik zie dat ik u niet genoeg geboden heb. Zoodra ik
-prefect ben, met Juda om mij te verrijken, maak ik u tot hoogepriester.
-
-Juda wendde zich toornig af.
-
---Ga niet heen, bad Messala.
-
-De ander bleef besluiteloos staan.
-
---Groote goden, Juda, wat wordt het warm! riep de Romein, om een wending
-aan het gesprek te geven. Laat ons een plekje in de schaduw zoeken.
-
-Maar Juda antwoordde koel: Het is beter als wij van elkander gaan.
-Ik wilde dat ik niet gekomen was. Ik zocht een vriend en vond--
-
---Een Romein, vulde Messala aan.
-
-Juda balde de vuisten krampachtig; maar zich nogmaals bedwingende ging
-hij heen. Messala stond op, nam zijn mantel, wierp dien over zijn
-schouder en volgde zijn vriend. Toen hij hem ingehaald had legde hij
-zijn hand op Juda's schouder en liep naast hem voort. Weet gij nog wel,
-zeide hij, dat wij als kinderen altijd zoo liepen, ik met mijn hand op
-uw schouder? Laat ons zoo voortgaan tot aan de poort?
-
-Messala deed klaarblijkelijk zijn best om ernstig en vriendelijk te
-zijn; maar zijn gelaat behield de gewone spotachtige uitdrukking. Juda
-onttrok zich niet aan dat bewijs van toenadering.
-
---Gij zijt een knaap, ik ben een man; sta mij toe als man tot u te
-spreken.
-
-Het zelfbehagen, waarmede de Romein dit zeide, was werkelijk eenig.
-Mentor, den jongen Telemachus wijze lessen gevende, had het hem niet
-kunnen verbeteren.
-
---Gelooft gij aan de Parcen? Maar 't is waar, ik vergat dat gij een
-Sadduceer zijt. De Esseers, dat zijn bij u de verstandige lieden; zij
-gelooven aan de zusters. Ik ook. Wat zit dat drietal ons altijd in de
-weg bij het plannen maken! Ik ben bezig een plan te maken. Ik baken mijn
-weg af, hierheen en daarheen, bij Apollo, op het oogenblik dat ik de
-hand uitstrek om mijn doel te bereiken, hoor ik achter mij haar schaar
-knarsen. Ik zie om, en daar is zij!--Maar Juda, waarom werdt gij half
-razend toen ik van de mogelijkheid sprak, dat ik Cyrenius zou opvolgen?
-Dacht gij dat ik mijzelven wilde verrijken door uw Judea te plunderen?
-En gesteld dat het zoo was, op een goeden dag zal de eene of andere
-Romein dat zeker doen--waarom ik dan niet?
-
-Juda vertraagde zijnen stap.
-
---Vreemde overheerschers hebben Judea onderdrukt, voordat de Romeinen
-het onderwierpen, zeide hij op plechtigen toon. Waar zijn zij gebleven,
-Messala? Judea heeft ze allen overleefd. Wat eenmaal was zal wederom
-zijn.
-
-Op luchthartigen toon antwoordde Messala: De Parcen hebben nog meer
-aanhangers behalve de Esseers. Welkom, Juda, gij zijt een van de haren.
-
---Neen, Messala, reken mij daar niet toe. Mijn geloof rust op de rots,
-die de grondslag was van het geloof mijner vaderen--op het verbond van
-den God van Israel.
-
---Veel te hartstochtelijk, Juda! Wat zou mijn leermeester zich geergerd
-hebben, als ik mij in zijne tegenwoordigheid zoo had durven opwinden! Er
-waren nog andere dingen, die ik u had willen vertellen; maar nu durf ik
-niet.
-
-Zwijgend gingen zij een eind verder, toen begon Messala weer: Ik geloof
-dat gij thans wel weder in staat zijt om naar mij te luisteren, vooral
-omdat wat ik te zeggen heb uzelven betreft. Ik zou u, mijn schoone
-Ganymedes, gaarne van dienst zijn. Ik houd van u, zooveel als ik maar
-kan. Ik zeide u, dat ik van plan ben soldaat te worden. Waarom zoudt gij
-mijn voorbeeld niet volgen? Waarom zoudt gij niet uit den engen cirkel
-stappen, waarin uw leven besloten moet zijn, wanneer gij hier blijft?
-
-Juda gaf geen antwoord.
-
---Wie zijn in onze dagen de wijzen? vervolgde Messala. Niet zij die hun
-leven doorbrengen in twisten over doode zaken, over Baaels, Jupiters en
-Jehova's, over wijsbegeerten en godsdiensten. Noem mij een grooten naam,
-onverschillig waar gij hem vandaan haalt--uit Rome, Egypte, het Oosten,
-of hier uit Jeruzalem, en Pluto moge mij hebben, als die naam niet
-toebehoort aan een man, die zijn roem schiep uit het materiaal, dat het
-tegenwoordige hem verschafte, die iets heilig achtte, dat hem niet
-diende, en iets verachtte, dat hem zijn doelwit kon helpen bereiken.
-Hoe was het met Herodes? Hoe met de Makkabeen? Hoe met den eersten en
-tweeden keizer? Volg hen na. Begin vandaag nog. Rome is even
-bereidwillig om u te helpen, als den Idumeer Antipater.
-
-De Joodschen knaap trilde van toorn, en daar de poort openstond
-versnelde hij zijnen stap, om zoo spoedig mogelijk vrij te zijn. O Rome,
-Rome, mompelde hij.
-
---Wees wijs! zeide Messala. Geef de dwaasheden van Mozes en de
-overleveringen op. Beschouw de werkelijkheid zooals zij is. Heb den moed
-om de Parcen in de oogen te zien en zij zullen u zeggen: Judea is wat
-Rome wil, dat het zijn zal.
-
-Thans waren zij aan de poort gekomen. Juda stond stil en zag Messala
-aan, de oogen vol tranen. Ik begrijp u, zeide hij, omdat gij een Romein
-zijt; gij kunt mij niet begrijpen, omdat ik een Israeliet ben. Gij hebt
-mij pijn gedaan door mij te doen gevoelen, dat wij nooit meer de
-vrienden kunnen zijn, die wij vroeger waren--nooit meer. Hier scheiden
-wij. De vrede van den God mijner vaderen zij met u!
-
-Messala bood hem de hand, maar Juda ging de poort door en verdween. De
-Romein bleef een oogwenk peinzend staan, toen ging ook hij verder met de
-woorden: Het zij zoo. Eros is dood, Mars regeert!
-
-
- * * * * *
-
-
-DERDE HOOFDSTUK.
-
-JUDA THUIS.
-
-
-Juda stapte intusschen haastig voort, verscheidene straten door, totdat
-hij een hecht, vierkant gebouw bereikte, waar hij aanklopte. Toen hem
-was opengedaan, trad hij een smalle gang in, aan beide zijden van
-steenen banken voorzien, zwart van ouderdom. Aan het einde van die gang
-voerde een trap van vijftien treden naar een binnenplaats, aan drie
-zijden door het huis ingesloten, hetwelk beneden verdeeld was in vakken,
-terwijl de bovenverdieping van terrassen voorzien was. De bedienden, die
-af en aan gingen, het geluid van malende molensteenen, de kleedingstukken,
-die aan de drooglijnen hingen, de kippen en duiven, de geiten, koeien,
-ezels en paarden in de vakken gestald, een groote waterbak--alles toonde
-duidelijk aan, dat deze binnenplaats voor huishoudelijke doeleinden
-gebruikt werd. Aan de oostzijde was een tusschenmuur, waardoor een poort
-toegang verleende tot een tweede plaats, ruim en vierkant, in een hof
-herschapen door heesters en klimplanten, bloeiend en frisch gehouden
-door een fontein in het midden. Hier waren de vakken tot vertrekjes
-ingericht, hoog, luchtig, en van wit- en roodgestreepte voorhangsels
-voorzien. Uit dezen hof voerde een trap naar de terrassen op de
-bovenverdieping, vanwaar een tweede trap naar het platte dak leidde, dat
-rondom door een borstwering omgeven was. Uit de geheele inrichting van
-deze woning kon men zien, dat de bewoners lieden van aanzien waren.
-
-In den hof gekomen begaf Juda zich tusschen het bloeiend struikgewas
-door naar de trap, om het terras te bereiken en zijn eigen kamer op te
-zoeken. Het zware gordijn oplichtende, dat den toegang afsloot, trad hij
-binnen en wierp zich voorover op den divan. Zoo bleef hij uren liggen,
-totdat tegen den avond een vrouw op den drempel verscheen en zijn naam
-noemde. Op zijn toestemming trad zij binnen. Het avondeten is gebruikt,
-zeide zij, het is geheel donker. Heeft mijn zoon geen honger?
-
---Neen.
-
---Zijt gij ziek?
-
---Ik heb slaap.
-
---Uwe moeder heeft naar u gevraagd.
-
---Waar is zij?
-
---In het zomerhuisje op het dak.
-
-Juda richtte zich op en zat overeind. Heel goed, breng mij iets te eten.
-
---Wat zal ik u brengen?
-
---Wat gij wilt, Amrah. Ik en niet ziek; maar het is mij alles
-onverschillig. Het leven lacht mij niet meer zoo vriendelijk toe als van
-morgen. 't Is een nieuwe ziekte, Amrah; en gij, die mij zoo goed kent en
-mij altijd in alles geholpen hebt, moet nu maar eens iets bedenken, dat
-te gelijk tot voedsel en medicijn kan dienen. Breng mij dus wat gij
-noodig oordeelt.
-
-Amrah's vragen en haar zachte sympathieke toon spraken van een innige
-verhouding tusschen die beiden. Zij legde hare hand op zijn voorhoofd,
-en verwijderde zich toen zeggende: Ik zal er voor zorgen. Een poosje
-later kwam zij terug en bracht op een houten blad een beker wijn, een
-kom melk, een paar sneedjes wittebrood, een stuk gebraden kip, honing en
-zout, en een bronzen lamp. Nu schoof Amrah een tafeltje aan, zette het
-blad daar op en knielde naast den divan neder om den knaap te bedienen.
-
-Oogenschijnlijk was zij een vrouw van vijftig jaren, donker van
-uitzicht, donker van oogen. Een witte tulband bedekte haar hoofd, de
-oorlapjes echter vrij latende, die het merkteeken droegen van haren
-stand in de maatschappij.
-
-Zij was een Egyptische slavin, aan wie zelfs het heilige vijftigste jaar
-niet de vrijheid zou hebben kunnen hergeven, wat zij overigens ook niet
-begeerde, want de knaap, dien zij verzorgde, was haar lief als haar
-leven. Zij had hem van zijn vroegste jeugd verpleegd en vond daarin haar
-geluk.
-
-Hij sprak slechts eenmaal gedurende den maaltijd. Amrah, herinnert gij u
-Messala nog, die vroeger soms heele dagen bij mij kwam?
-
---Zeker.
-
---Hij ging eenige jaren geleden naar Rome en is nu teruggekomen. Ik ben
-van middag bij hem geweest.
-
-Een beweging van onwil maakte Amrah alles duidelijk. Ik begreep dadelijk
-dat u iets onaangenaams was overkomen, zeide zij hartelijk. Ik heb nooit
-van dien Messala gehouden. Vertel mij alles.
-
-Juda verviel echter in een mijmering en antwoordde op haar dringend
-vragen alleen dit: Hij is zeer veranderd en ik wil niets meer met hem te
-doen hebben.
-
-Toen Amrah het blad wegnam stond ook Juda op en begaf zich naar het
-platte dak.
-
-In het oosten wordt het dak van het huis tot allerlei doeleinden
-gebruikt. De hitte drijft gedurende de middaguren den gemaklievende in
-de koele, donker gemaakte vertrekken. Zoodra echter de zon ten ondergang
-neigt, komt hij naar buiten en begeeft zich op het platte dak zijner
-woning, dat hem en de zijnen tot huiskamer, salon, speelplaats,
-bidvertrek dient. Worden in kouder klimaat geen kosten gespaard om het
-inwendige van een huis te verfraaien, in het oosten besteedt men de
-meeste moeite om het platte dak geriefelijk, zelfs weelderig in te
-richten. De hangende tuinen van Babylon kunnen ons een denkbeeld geven
-hoever dat streven eindelijk ging.
-
-Juda stak het dak over naar de torenkamer in den noordwestelijken hoek
-van het huis. Den voorhang ter zijde schuivende trad hij binnen. Het was
-er donker; maar daar aan vier zijden boogvormige openingen waren
-aangebracht, kon men de sterren aan den hemel zien schitteren. In een
-van die openingen rustte een vrouw in halfliggende houding op een divan.
-Toen zij hem hoorde naderen liet zij haren waaier op de knie zinken en
-riep: Juda, mijn zoon!
-
---Hier ben ik, moeder, antwoordde hij, en knielde voor haar neder,
-terwijl zij beide armen om zijn hals sloeg en hem teederlijk kuste.
-
-
- * * * * *
-
-
-VIERDE HOOFDSTUK.
-
-JUDA'S MOEDER.
-
-
-De moeder hernam hare gemakkelijke houding en de zoon zette zich op den
-grond, het hoofd tegen hare knie geleund. Beiden staarden door de
-opening over de lagere huizen naar de bergen in het westen. Rondom hen
-heerschte diepe stilte, alleen een zacht windje ruischte door de lucht.
-
---Amrah heeft mij verteld dat u iets onaangenaams is overkomen, zeide
-zij zacht.--Toen mijn Juda nog een kind was, mocht hij zich door
-kleinigheden laten ontstemmen; maar nu hij een man geworden is moet hij
-niet vergeten, dat hij eenmaal mijn held zal zijn.
-
-Zij sprak in de taal, waarvan men zich slechts zelden meer bediende;
-maar die bij enkele aanzienlijke familien in eere gehouden werd, om het
-onderscheid tusschen Joden en Heidenen scherp af te teekenen, de taal,
-waarin Rebekka en Rachel hare kinderen in slaap zongen.
-
-Die woorden stemden Juda weder tot nadenken. Na een poosje echter greep
-hij de hand, waarmede zij hem koelte aanbracht, en zeide: Ja moeder,
-vandaag is mij allerlei door het hoofd gegaan, waaraan ik nog nooit
-gedacht heb. Zeg mij allereerst: wat moet ik worden?
-
---Heb ik het u niet reeds gezegd? Gij moet mijn held worden.
-
-Hij kon haar gelaat niet zien, maar hij wist dat zij scherste. Op
-ernstigen toon zeide hij: Wat zijt gij toch lief en goed, moeder.
-Niemand kan ooit zooveel van mij houden als u.
-
-Hij kuste herhaaldelijk hare hand.--Ik begrijp wel waarom u mijne vraag
-niet dadelijk wilt beantwoorden. Tot nu heeft mijn leven u behoord. Hoe
-zacht, hoe liefelijk was uwe leiding. Ik wilde dat het altijd zoo kon
-blijven; maar dat is onmogelijk. Het is des Heeren wil, dat ik eenmaal
-mijzelven zal toebehooren--een droevige dag, een dag van scheiding wacht
-ons. Laat ons moedig en ernstig zijn. Ik wil uw held worden; maar u moet
-mij helpen. U kent de wet--ieder Israeliet moet een bepaalden werkkring
-hebben. Ik zoo goed als een ander, en daarom vraag ik: Wat zal ik
-worden? Zal ik de kudden verzorgen? of den akker bebouwen? of de zaag
-ter hand nemen? of zal ik schrijver of schriftgeleerde worden? Wat zal
-het zijn? Lieve, goede moeder, help mij het antwoord vinden.
-
---Gamaliel heeft zeker vandaag een voordracht gehouden, zeide zij op
-peinzenden toon.
-
---'t Is mogelijk; maar ik was niet onder zijn gehoor.
-
---Dan hebt gij gewandeld met Simeon, die, naar men zegt, het talent van
-zijne familie geerfd heeft.
-
---Neen, ik heb hem niet gezien. Ik ben in het paleis geweest, niet in
-den tempel. Ik heb den jongen Messala een bezoek gebracht.
-
-Een zekere verandering in zijn toon trok de aandacht der moeder. Een
-angstig voorgevoel versnelde haar harteklop. De waaier bleef weder
-rusten.
-
---Messala? Wat kon die zeggen om u onrustig te maken?
-
---Hij is zeer veranderd, moeder.
-
---Gij bedoelt, dat hij als Romein terugkwam?
-
---Ja.
-
---Romein, herhaalde zij half tot zichzelve, dat wil overal zeggen:
-heerscher. Hoe lang is hij weg geweest?
-
---Vijf jaar.
-
-Zij hief het hoofd een weinig op en staarde naar buiten.
-
---Wat Messala zeide, moeder, was op zichzelf scherp genoeg; maar de
-manier waarop hij het deed was soms overdragelijk.
-
-Ik geloof dat ik u begrijp. Rome, haar dichters, redenaars senatoren,
-hovelingen, zij zijn allen evenzeer verzot op satire.
-
---Ik geloof dat alle machtige volken trotsch zijn, zeide Juda, maar de
-trots van dat volk lijkt nergens naar. Het is tegenwoordig zoo erg, dat
-hunne goden ternauwernood aan hunnen spot ontkomen.
-
---De goden! zeide de moeder levendig, meer dan een Romein heeft
-goddelijke eerbewijzen als zijn recht geeischt.
-
---Zie, moeder, Messala is altijd min of meer behept geweest met die
-onaangename eigenschap. Toen hij nog een kind was heb ik hem meermalen
-vreemdelingen zien bespotten, die toch door Herodes met eerbewijzen
-worden ontvangen; maar mij liet hij altijd ongemoeid. Vandaag heeft hij
-voor het eerst op gekscherenden toon gesproken over onze gebruiken en
-onzen God. Ik heb voorgoed met hem gebroken. Maar nu, lieve moeder,
-wilde ik gaarne met zekerheid weten, of er werkelijk een grond bestaat
-voor de minachting, waarmede de Romein ons behandelt. In welk opzicht
-ben ik zijn mindere? Waarom zou ik mij ooit, zelfs in tegenwoordigheid
-des keizers, als een slaaf gevoelen? Zeg mij bovenal waarom ik niet, als
-ik er den lust toe had, wereldsche eer in al haren omvang mag najagen?
-Waarom mag ik het zwaard niet dragen en ten strijde trekken? Waarom mag
-ik niet als dichter alle onderwerpen bezingen? Ik mag de edele metalen
-bewerken, de kudden weiden, een koopman zijn, maar waarom niet een
-kunstenaar, zooals de Grieken? Zeg mij dat, moeder, en dat is eigenlijk
-wat mij kwelt: waarom mag een zoon van Israel niet alles doen wat een
-Romein doet?
-
-De moeder richtte zich op en antwoordde: Mijn zoon, Messala was als kind
-door zijnen omgang met u en uwe vriendjes bijna zelf een Jood; was hij
-hier gebleven, dan zou hij mogelijk een jodengenoot geworden zijn; maar
-de jaren in Rome doorgebracht hebben hunnen invloed doen gelden. Ik
-verwonder mij niet over de verandering, maar--hare stem beefde--hij had
-zich tegenover u althans in acht moeten nemen. Slechts een harde, wreede
-natuur kan de eerste liefde vergeten.
-
-Zachtkens liet zij de hand op het hoofd haars zoons rusten. Zij wilde
-hem antwoorden naar zijne behoeften; maar dat antwoord moest volkomen
-bevredigend zijn. Zou zij daartoe in staat wezen?
-
---Wat gij mij vraagt, mijn kind, is eigenlijk niet door eene vrouw te
-beantwoorden. Geef mij tijd tot morgen, dan zal ik den wijzen Simeon--
-
---Neen, moeder, zend mij niet naar hem.
-
---Wees gerust. Ik zal hem vragen bij ons te komen.
-
---Neen, moeder, want ik heb iets anders noodig dan een onderwijzing.
-Hij kan mij niet geven waar ik behoefte aan heb, dat kunt u echter wel.
-Ik moet een besluit kunnen nemen, en daaraan kunt u alleen mij helpen.
-
-Zij zag smeekend op naar den hemel, alsof zij om wijsheid bad, en zeide:
-Als wij voor onszelven recht begeeren gaat het niet aan onbillijk te
-zijn jegens anderen. Door af te dingen op den moed van eenen overwonnen
-vijand verkleinen wij onze eigene overwinning, en als de vijand sterk
-genoeg is om ons den terugtocht af te snijden en tot onderwerping te
-brengen, dan eischt de achting voor onszelven, dat wij naar een andere
-oorzaak van ons ongeluk zoeken, liever dan zijne verdienste te
-verdonkeren. Schep moed, mijn zoon. Messala stamt, zooals gij weet, uit
-een oud aanzienlijk geslacht. Reeds ten tijde der Romeinsche republiek,
-en hoe lang is dat al niet geleden, was het beroemd, en waren niet
-weinigen in aanzienlijke betrekkingen geplaatst. Ik herinner mij slechts
-een consul van dien naam; maar zij hadden allen den rang van Senatoren,
-en hun patronaat was zeer gezocht, omdat zij altijd rijk zijn geweest.
-
-Als uw vriend vandaag gepocht had op zijne voorvaderen, dan had gij hem
-echter, door op uw voorgeslacht te wijzen, beschaamd kunnen doen staan.
-Had hij u, om zijne meerderheid te toonen, op de daden, den rang, den
-rijkdom van zijne familie gewezen, hoewel dergelijke zinspelingen,
-behalve wanneer het volstrekt noodig is, van kleingeestigheid getuigen,
-dan hadt gij u ook daarin punt voor punt onbevreesd met hem kunnen
-meten.
-
-Hier zweeg zij en dacht een oogenblik na. Toen vervolgde zij: Waarnaar
-wordt de adeldom van een geslacht of familie berekend? Naar den duur van
-hun bestaan, zou ik denken. Welnu, in dat opzicht moet een Romein
-tegenover een Israeliet steeds het onderspit delven. Hij kan niet verder
-terugrekenen, dan tot aan de stichting van Rome. Messala ook niet. Maar
-wij? Hoe staat het met ons?
-
-Als er wat meer licht geweest was had Juda kunnen zien hoe de oogen
-zijner moeder fonkelden. Stel voor een oogenblik, hernam zij, dat de
-Romein ons den handschoen toewierp, ik zou hem vastberaden te gemoet
-treden. Hare stem trilde, een liefelijke herinnering bracht een
-wijziging in den vorm harer redeneering.--Uw vader, mijn zoon, is ter
-ruste gelegd bij zijne vaderen; maar ik herinner mij als den dag van
-gisteren het oogenblik, waarop hij en ik met tal van vrienden opgingen
-naar den tempel, om u den Heer voor te stellen. Wij offerden de duiven,
-ik gaf den priester uw naam op. In mijne tegenwoordigheid schreef hij
-dien in het boek der geslachten van Israel: Juda, zoon van Ithamar, uit
-het huis van Hur. Ik zou u niet kunnen zeggen wanneer men met die
-inschrijvingen begonnen is. Wij weten echter dat die gewoonte reeds
-bestond voor den uittocht uit Egypte. Ik heb Hillel hooren zeggen, dat
-Abraham het register met zijn eigen naam en de namen zijner zonen
-geopend heeft, toen God hem riep om zich af te zonderen van de andere
-volken, om hem tot den stamvader van zijn eigen uitverkoren volk te
-maken.
-
-Ons volk heeft in menig opzicht de wet overtreden, maar op het
-geslachtsregister heeft het altijd zeer nauwkeurig toegezien. Hillel
-heeft zelf de boeken bestudeerd. Zij loopen over drie perioden: van de
-belofte tot aan den tempelbouw, van den tempelbouw tot aan de
-ballingschap, van de ballingschap tot op den huidigen dag. Eenmaal
-slechts werd het onderbroken en wel op het einde der tweede periode;
-maar toen het volk uit de ballingschap was teruggekeerd, heeft
-Zerubbabel als een heilige plicht de Boeken in orde gebracht, en ons in
-staat gesteld de lijn onzer afkomst gedurende volle twee duizend jaren
-rugwaarts te volgen.
-
-Wat blijft nu over, denkt gij, van de Romeinsche pocherij op oud bloed?
-Naar dien maatstaf gemeten zijn de zonen Israels, die op gindsche bergen
-de kudden weiden, edeler dan de edelsten onder de Romeinen.
-
---En ik, moeder, wie ben ik volgens de Boeken?
-
---Wat ik gezegd heb, mijn zoon, was een inleiding op uwe vraag. Als
-Messala hier was zou hij kunnen zeggen, dat wij met zekerheid niet
-verder kunnen terugrekenen dan tot den tijd, toen de Assyriers Jeruzalem
-innamen en den tempel van zijne kostbaarheden beroofden; maar dan zou ik
-hem op Zerubbabels werk wijzen. Neen, onze registers zijn trouw en
-waarachtig, en als gij zo naslaat in omgekeerde orde, eerst tot de
-ballingschap, dan tot aan den bouw van den eersten tempel, terug tot aan
-den uittocht uit Egypte, dan kunt gij met den vinger aantoonen, dat gij
-lijnrecht afstamt van Hur, den tijdgenoot van Jozua. En is u dat niet
-genoeg, neem de Torah en doorzoek het boek Numeri, en onder de
-tweeenzeventig generaties na Adam kunt gij uw eigen stamvader vinden.
-
-Diepe stilte heerschte een tijdlang in het vertrek, toen zeide Juda:
-Dank, lieve moeder, dank. Ziet u wel, dat ik gelijk had, toen ik er den
-eerwaarden Hillel niet bij begeerde? Hij kon mij niet zoo goed helpen,
-als u. Maar is om een geslacht waarlijk te adelen niets meer noodig dan
-tijd?
-
---O, nu vergeet gij, dat wij nog op iets anders dan op den tijd alleen
-bogen. Wij beroemen ons voornamelijk daarop, dat wij door God zijn
-uitverkoren.
-
---U spreekt van het geheele volk, moeder, en ik van een enkel geslacht,
-van onze familie. Wat heeft mijne familie gewrocht in de jaren na vader
-Abraham, welke groote daden verheffen hen boven anderen?
-
-De moeder was niet dadelijk met een antwoord gereed. Zou zij zijne
-bedoeling verkeerd begrepen hebben? De grootste voorzichtigheid werd
-hier geeischt, dat voelde zij. Daarom zeide zij: Ik vermoed, mijn zoon,
-dat ik met een werkelijken en niet met een denkbeeldigen vijand te doen
-heb. Als Messala die vijand is, zeg het dan en laat mij niet in het
-duister strijden. Vertel mij alles wat hij gezegd heeft.
-
-
- * * * * *
-
-
-VIJFDE HOOFDSTUK.
-
-EEN ISRAELITISCHE VROUW.
-
-
-Aldus aangemoedigd deelde Juda zijn moeder uitvoerig mede wat tusschen
-hem en Messala was voorgevallen, en stond vooral stil bij de minachting,
-waarmede deze over de Joden, hunne gebruiken en beperkten kring
-gesproken had. De moeder luisterde zwijgend. Thans begreep zij alles.
-Juda was naar het paleis gegaan in de verwachting van na lange scheiding
-den speelmakker te zullen weervinden; in plaats daarvan vond hij een
-man, die slechts van roem en rijkdom en macht droomde. Gekrenkt in zijn
-trots en tevens van een ongekende eerzucht vervuld, was Juda
-teruggekomen; de moeder zag het, en niet wetende in welke richting die
-eerzucht zich zou ontwikkelen, sloeg haar, de vurige Jodin, de schrik om
-'t hart. Indien hij eens afgetrokken werd van het aartsvaderlijk geloof!
-Kon zij zich iets verschrikkelijkers voorstellen? Neen, dat moest zij
-tot iederen prijs zien te voorkomen, en daarom begon zij op vasten,
-bijna plechtigen toon: Ieder volk dat wat beteekent houdt zichzelf voor
-het grootste. Wanneer de Romein uit de hoogte neerziet op den Israeliet
-en hem bespot, dan doet hij slechts wat de Egyptenaar, de Assyrier en de
-Macedonier voor hem gedaan hebben, en daar de spot tegen God gericht is,
-zal het einde hetzelfde zijn.
-
-Er bestaat geen wet, die de opperheerschappij der natien vaststelt;
-daarom is de aanspraak op de opperheerschappij ijdel en de strijd
-daarover tevergeefs. Heeft een volk zijn glanspunt bereikt en zijne taak
-volbracht, dan sterft het of zijn eigen dood, of door toedoen van een
-ander volk, dat zijne plaats inneemt, zijne macht erft en nieuwe namen
-schrijft op zijne monumenten. Dat is de geschiedenis.
-
-Als iemand mij opdroeg God en den mensch op de eenvoudigste wijze te
-symboliseeren, dan zou ik een rechte lijn en een cirkel trekken, en van
-de lijn zou ik zeggen: dit is God, want hij beweegt zich onveranderlijk
-vooruit, en van den cirkel: dit is de mensch, zijn voortgaan gelijkt een
-kringloop. Daarmede wil ik niet zeggen, dat er geen verschil zou zijn
-tusschen den voortgang der volken, want geen twee zijn volkomen aan
-elkander gelijk. Het verschil ligt echter niet, zooals sommigen meenen,
-in de grootte van den cirkel, dien zij beschrijven, maar in de sfeer,
-waarin zij zich bewegen. De hoogste sfeer is het dichtst bij God.
-
-Laat ons nu eens zien in welken cirkel het volk der Hebreen en het volk
-der Romeinen zich bewegen. Wil men weten in welke verhouding ze tot God
-staan, men heeft slechts te letten op het gewone dagelijkse leven.
-Daarvan wil ik alleen zeggen, dat Israel God meermalen heeft vergeten,
-terwijl de Romeinen Hem nooit gekend hebben. Van vergelijking kan hier
-dus geen sprake zijn. Uw vriend, of liever uw voormaligen vriend, heeft,
-als ik u goed begrepen heb, beweerd dat wij geen dichters, geen
-kunstenaars, of krijgshelden gehad hebben, dus geen groote mannen. Maar
-wat is een groot man? Dat is iemand wiens leven doet zien, dat God hem,
-zoo niet geroepen, dan toch in zijn werk bevestigd heeft. Een Pers werd
-gebruikt om onze vaderen te tuchtigen, hij voerde ze in gevangenschap;
-een andere Pers werd verkoren om aan hunne kinderen het heilige land
-terug te geven; grooter dan die beiden was echter de Macedonier, die de
-verwoesting van Judea en van den tempel moest wreken.
-
-Wat die mannen in het bijzonder onderscheidde was, dat zij door God
-uitverkoren werden, om zijnen raad te volbrengen. Dat zij heidenen waren
-verkort hun roem niet. Houd dit vooral in het oog. Menigeen verkeert in
-den waan, dat een man zich geen beter levensdoel kan kiezen, dan het
-zwaard te trekken. Laat u daardoor echter niet misleiden. Dat de mensch
-behoefte heeft om iets te aanbidden is een wet, die zich zal laten
-gelden, zoolang er iets is dat wij niet begrijpen. Het gebed van den
-barbaar is een angstkreet tot de Kracht, de eenige goddelijke
-eigenschap, die hij bevatten kan; vandaar zijn geloof in helden. Wat is
-Jupiter anders dan een Romeinse held? De Grieken waren de eersten, die
-het Verstand boven de Kracht stelden. In Athene waren redenaar en
-wijsgeer meer gezien dan de krijger. Den hardlooper moge men nog steeds
-toejuichen, de schoonste lauwerkransen worden voor den zanger bewaard.
-
-Maar was de Griek de eerste, die het oude barbaarsche geloof liet varen?
-Neen; die roem komt ons toe. Onze vaderen stelden God in de plaats van
-al die valsche godheden. In onzen godsdienst werd de angstkreet
-vervangen door het Hosanna en psalmgezang. De Hebreen en Grieken zochten
-de menschen voorwaarts en opwaarts te voeren, maar helaas, de Romein,
-die de geheele wereld wil overheerschen, stelt den oorlog als volstrekt
-noodzakelijk voor, en heeft zijnen keizer geplaatst boven het verstand
-en boven God, en hem tot het eenige begrip van macht en grootheid
-gemaakt.
-
-De heerschappij der Grieken was de bloeitijd voor het genie. De
-schitterende vernuften, de bekwaamste kunstenaars zijn uit dat volk
-voortgekomen, zoo zelfs, dat in alles, behalve de krijgskunst, de Romein
-bij hen ter schole moest gaan. Op het Forum neemt de redenaar den Griek
-tot model, in ieder Romeinsch lied kunt gij den rhytmus der Grieken
-opmerken. Als een Romein den mond opent om lessen van wijsheid of
-zedenkunde te geven, of de geheimenissen der natuur te behandelen, dan
-is hij of een leerling van de eene of andere Griekse school, of hij
-ontleent zijne wijsheid aan hunne boeken. De Romein kan in niets op
-oorspronkelijkheid aanspraak maken, behalve in het voeren van den krijg.
-Zijne kampspelen zijn van Griekschen oorsprong, door bloedige
-bijvoegselen genietbaar gemaakt voor zijn ruwen smaak. Zijn zogenaamde
-godsdienst is samengesteld uit de godsdiensten van andere volken, zelfs
-zijn Mars en Jupiter zijn aan den Olympus ontleend.
-
-Ziedaar, mijn zoon, de reden waarom alleen Israel de Grieken hunne
-meerderheid kan betwisten, met hen om den voorrang kan strijden. Maar de
-zelfzucht van den Romein is zoo hard en ondoordringbaar als metaal.
-O, de godvergeten roovers! Onder hunnen voet beeft de aarde, als de
-dorschvloer onder den vlegel der dorschers. Met de anderen zijn ook wij
-afgevallen; ach, mijn zoon, het is hard dat te moeten erkennen! Onze
-hoogste, heiligste plaatsen hebben zij genomen, en niemand kan zeggen
-wat het einde zijn zal; maar dit weet ik--zij mogen Judea vernielen en
-Jeruzalem, die liefelijke bloem, vertreden, Israels roem zal blijven
-stralen als een lichtende ster; want zijn geschiedenis is Gods
-geschiedenis. Hij was hun wetgever op Sinai, hun leidsman door de
-woestijn, in den krijg hun aanvoerder, hun koning. Is het denkbaar, mijn
-zoon, dat onze vaderen, met wie Jehova op zulk een wijze verkeerde,
-niets van Hem zouden geleerd hebben? dat hunne gewone menschelijke
-eigenschappen niet in zekere mate den invloed der goddelijke zonden
-hebben ondergaan? dat zij, zelfs na verloop van vele eeuwen, in niets
-het hemelsche zouden weerspiegelen?
-
-Zij zweeg eenige oogenblikken, daarna zeide zij: Het is waar, als men
-onder kunst alleen de schilder- en beeldhouwkunst verstaat, dan heeft
-Israel geen kunstenaars voortgebracht.
-
-Het kostte haar moeite deze bekentenis te moeten doen, want als
-Sadduceeuwsche was het haar, in tegenstelling met de Pharizeen,
-geoorloofd het schoone in iederen vorm lief te hebben, onverschillig
-waaraan het zijn oorsprong te danken had.
-
---Wil men ons echter rechtvaardig beoordelen, hernam zij, dan moet men
-niet vergeten, dat het werk onzer handen gebonden was door het gebod:
-Gij zult u geen gesneden beeld noch eenige gelijkenis maken; welks
-bedoeling door de Sopherim hoogst willekeurig uitgebreid is. Evenmin
-moet men vergeten, dat twee Israelieten, Bezaliel en Aholiab, de
-bouwmeesters van den eersten tabernakel, van wie geschreven staat dat
-zij bedreven waren in alle handwerk, de cherubim van het verzoendeksel
-gemaakt hebben, lang voordat Daedalus in Attica verscheen en met zijn
-houten statuen in de beeldhouwkunst zulk een ommekeer teweegbracht, dat
-de scholen van Corinthe en Aegina mogelijk werden en triomfeerden. Van
-dicht goud waren de cherubim gemaakt, de beide vleugelen omhoog
-uitbreidende, en hunne aangezichten waren tegenover elkander,--zoo staat
-er geschreven. Wie zal durven beweren, dat zijn niet schoon waren? Of dat
-zij niet de eerste statuen geweest zijn?
-
---O, nu begrijp ik waarom de Grieken ons voorbijgestreefd zijn, zeide
-Juda, die met de grootste belangstelling geluisterd had. En de
-ark;--vloek over de Babyloniers, die haar vernield hebben!
-
---Neen, Juda, wees gerust. Zij is niet vernield; zij is verloren
-geraakt, te goed verborgen in de eene of andere spelonk. Hillel en
-Shammai gelooven beiden dat zij eenmaal, op 's Heeren tijd,
-teruggevonden zal worden. Dan zal Israel evenals vanouds voor het
-aangezicht des Heeren dansen en zingen. En zij, die dan het gelaat der
-cherubim mogen aanschouwen, zouden, al hebben zij ook de elpenbeenen
-Minerva gezien, als het mogelijk was den Jood de handen kussen, wiens
-genie zulk een kunstwerk ontwierp.
-
-De moeder was in hare opgewondenheid welsprekend geworden. Zij hield
-even stil om tot kalmte te komen.
-
---Gij zijt zoo goed, moeder, zeide Juda dankbaar. Shammai zou niet beter
-hebben kunnen spreken en Hillel evenmin. U hebt mij weder tot een echten
-Israeliet gemaakt.
-
---Vleier! Ik herhaal slechts wat ik Hillel heb hooren zeggen, toen hij
-onlangs in mijne tegenwoordigheid met een Romeinsch sophist redetwistte.
-
---Nu ja, maar u legt er het leven in.
-
---Waar ben ik ook weer gebleven? vraagde zij. O ja, ik trachtte onzen
-voorvaderen de eer te verzekeren van de eerste statuen gemaakt te
-hebben. De beeldhouwkunst, Juda, is niet de eenige kunst; evenmin als de
-kunst zelf het eenige is, dat groot genoemd mag worden. Ik stel mij de
-groote mannen van vroegere eeuwen voor in groepen en afdeelingen,
-volgens hunne nationaliteit; hier de Indier, daar de Egyptenaar, ginds
-de Assyrier, voortgaande onder trompetgeschal en met vliegende vanen,
-terwijl rechts en links de voorgeslachten, als eerbiedige bewonderaars
-geschaard staan. Ik hoor den Griek zeggen: Ha, de Helleen wijst den weg;
-en de Romein antwoordt: Zwijg, uwe plaats is ingenomen door ons, wij
-hebben u verre achtergelaten.--En zonder dat de strijders het bemerken
-straalt boven die gansche schare een licht, het licht der Openbaring!
-Wie zijn de dragers van dat licht? Het oude volk der Hebreen! Klopt uw
-hart niet hooger bij die gedachte? Aan dat licht kennen wij hen. Weest
-gezegend, onze vaderen, dienstknechten Gods, die het verbond bewaarden!
-Gij zijt de leidslieden der menschheid, gij staat aan de spits, en al
-ware iedere Romein een Cesar, gij zult die plaats niet verliezen!
-
-Juda was diep bewogen. Ga voort, bid ik u! riep hij. Het is mij, als
-hoor ik het geluid van trommelen en reien. Ik wacht op Mirjam en de
-vrouwen, die haar volgden.
-
---Goed, mijn zoon. Als gij het gezang der profetes kunt hooren, dan kunt
-gij in uwe verbeelding met mij aan en weg gaan staan, om de uitverkoornen
-Israels aan het hoofd van den optocht te zien voorbijtrekken. Daar komen
-zij--eerst de patriarchen, dan de vaders der stammen.
-
-Het is mij als hoor ik de schelletjes hunner kameelen en het blaten
-hunner kudden. Maar wie gaat daar zoo alleen te midden van de menigte?
-Een oud man; maar zijn oog is niet verduisterd en zijn kracht niet
-verzwakt. Hij zag onzen God van aangezicht tot aangezicht. Als de zon in
-haren opgang staat hij daar--krijger, dichter, redenaar, wetgever,
-profeet. Zijn roem verduistert den roem van alle anderen, zelfs van den
-eersten en edelsten der Cesars.
-
-Op hem volgen de richters, dan de koningen, de zoon van Isai, een held
-in den krijg, een dichter van onsterfelijke gezangen; vervolgens zijn
-zoon, die alle koningen overtreft in rijkdom en wijsheid. Buig u neder,
-mijn zoon! Die nu komen zijn de eersten in hunne soort en tevens de
-laatsten. Hun aangezicht is naar boven gericht, alsof zij naar een stem
-uit den hemel luisteren. Hun leven was vol zorg, hunne kleederen rieken
-naar graven en spelonken. Hoor! een vrouw onder hen spreekt: looft den
-Heer, want Hij heeft heerlijk getriomfeerd! Buig u nog dieper voor hen,
-mijn Juda; zij waren Gods dienaren en profeten, die in de toekomst
-schouwden en opschreven wat zij zagen. Koningen verbleekten bij hunne
-nadering, volken sidderden op het geluid hunner stem. De elementen
-gehoorzaamden hun bevel. In hunne hand hielden zij zegen en vloek. Zie
-den Thisbiet en zijnen knecht Elisa! Zie den droeven zoon van Hilkia!
-Zie de drie jonge mannen, die het beeld weigerden te aanbidden; zie hem,
-die op het feestmaal de sterrenwichelaars beschaamde. En daar, mijn
-zoon, zie den zoon van Amos, van wien de wereld de belofte ontving van
-den Messias!
-
-Zij haalde diep adem en ging toen voort: Ik heb u onze groote mannen
-getoond, Juda, laat ons nu de besten van Rome bezien. Plaats tegenover
-Mozes Cesar, en Tarquinius tegenover David; Sylaa tegenover een van de
-Makkabeen; de besten der consuls tegenover de richters; Augustus
-tegenover Salomo,--welk een vergelijking!
-
-Zij lachte verachtelijk.
-
---Vergeef mij, ik dacht aan den waarzegger, die Julius Cesar waarschuwde
-tegen den 15den der maand Maart, en stelde mij voor hoe hij de
-ingewanden van een kuiken onderzocht, om de kwade voortekens te vinden.
-Dank dan eens aan Elia, hoe hij den zoon van Achab voor den toorn Gods
-waarschuwt. En ten slotte, met allen eerbied zij het gezegd, hoe zullen
-wij Jehova en Jupiter beoordeelen, tenzij dan naar wat hunne dienaren
-gedaan hebben in hunnen naam? Wat nu uwe toekomst betreft, mijn zoon,
-dien de Heer, den God van Israel, niet Rome. Voor een zoon van Abraham
-bestaat geen andere roem, dan die welke in 's Heeren dienst te behalen
-is.
-
---Mag ik dus soldaat worden?
-
---Waarom niet? Heeft Mozes God niet den Heer der heirscharen genoemd?
-
-Beiden zwegen eenige oogenblikken, toen hernam de moeder: Ik geef u mijn
-toestemming, indien gij namelijk den Heer onzen God en niet den keizer
-zult dienen.
-
-Juda nam die voorwaarde aan, en daar moeder en zoon stil bleven zitten,
-ieder in eigen gedachten verdiept, viel de knaap weldra in een zoete
-sluimering. Toen stond de moeder op, legde hem een kussen onder het
-hoofd, spreidde een deken over hem uit, en verliet zachtkens het
-vertrek.
-
-
- * * * * *
-
-
-ZESDE HOOFDSTUK.
-
-HET ONGELUK.
-
-
-Toen Juda ontwaakte was de zon reeds boven de bergen verrezen; de duiven
-fladderden over het platte dak, of zaten kirrend op den rand der
-borstwering. In het zuidoosten staken de vergulde tinnen des tempels,
-badend in de zonneschijn, heerlijk af tegen de diep blauwe lucht. Maar
-daar had Juda geen oogen voor, want op den divan, vlak bij hem, zat een
-bevallig meisje van ongeveer vijftien jaar. Zij speelde op de harp en
-zong daarbij met zachte, welluidende stem.
-
-Toen zij haar lied geeindigd had liet zij de handen in den schoot rusten
-en zag hem aan, als verwachtte zij dat hij het gesprek beginnen zou. Wij
-willen van dat oogenblik gebruik maken, om het meisje aan onze lezers
-voor te stellen en tevens enkele bijzonderheden mede te deelen aangaande
-Juda's ouders.
-
-Herodes was tijdens zijn leven zeer mild geweest met het bewijzen van
-vorstelijke gunstbetoon aan lieden, die hij onderscheiden wilde, zoodat
-menig Israeliet in het bezit gekomen was van een groot vermogen. Trof
-het nu samen, dat zulk een bevoorrechte bewijzen kon, dat hij in rechte
-lijn afstamde van een beroemd man, met name uit het geslacht van Juda,
-dan werd hij gerekend te behooren tot de "Vorsten van Jeruzalem", eene
-onderscheiding, die hem de onderdanigheid zijner minder bevoorrechte
-landslieden verzekerde en de achting, zoo niet meer, van de heidenen,
-met wie maatschappelijk verkeer of handelsbetrekkingen hem in aanraking
-brachten.
-
-De vader van Juda was een dier Vorsten van Jeruzalem geweest. Steeds
-gedachtig aan zijne nationaliteit, die hij nooit verloochende, had hij
-toch den koning trouw gediend, zoowel binnen-als buitenlands, en overal
-had hij de achting verworven van aanzienlijken en geringen. Meermalen
-met eene zending naar Rome belast, had hij de aandacht van Keizer
-Augustus getrokken, die zich beijverde zijne vriendschap te winnen.
-Dientengevolge was zijn huis vol van vorstelijke geschenken, zooals
-purperen gewaden, elpenbeenen zetels, gouden drinkschalen; hoofdzakelijk
-van groote waarde om de keizerlijke hand die ze hem vereerd had. Zulk
-een man moest wel rijk zijn; maar hij dankte zijn vermogen niet alleen
-aan zijn hooge begunstigers. Hij had de wet, die hem tot werken
-verplichtte, gehoorzaamd; maar in plaats van zich tot een ambt te
-bepalen, had hij zich een veelzijdigen werkkring geschapen. Tal van
-herders, die in de vlakte en op de heuvelen rondom Jeruzalem de kudden
-weidden, noemden hem heer; in zeesteden zoowel als in de binnenlanden
-stichtte hij handelshuizen; zijne schepen brachten hem zilver uit
-Spanje, welks mijnen onder de toenmaals bekende tot de rijkste gerekend
-werden; en tweemalen 's jaars keerden zijne karavanen uit het Oosten
-terug, beladen met zijden stoffen en specerijen. Hij was een geloovig
-Hebreer, die stipt de wetten en gebruiken naleefde, een trouw bezoeker
-van tempel en synagoge, goed onderwezen in de heilige Schriften. Het
-verkeer met de wetgeleerden zocht hij bij voorkeur, en de achting, die
-hij Hillel toedroeg, grensde aan vereering. Toch was hij niet eenzijdig.
-Zijn gastvrijheid strekte zich uit tot de zonen van alle landen, ja de
-Pharizeen beweerden zelfs, dat hij meer dan eens Samaritanen aan zijne
-tafel ontvangen had. Was hij een heiden geweest en in leven gebleven,
-dan zou hij mogelijk de mededinger van Herodes Atticus geworden zijn;
-maar hij was nu tien jaren geleden in de kracht van den mannelijken
-leeftijd op zee verongelukt, door geheel Judea betreurd. Met zijne
-weduwe en zijn zoon hebben wij reeds kennis gemaakt, thans willen wij
-zijn dochter beschouwen, het meisje, dat door haar gezang den broeder
-wekte.
-
-Zij heette Tirza, en geleek sprekend op Juda. Haar gelaatstrekken, even
-regelmatig als de zijne, waren dubbel bekoorlijk door de uitdrukking van
-kinderlijke onschuld, die er over verspreid lag. Zij was in dit vroege
-morgenuur hoogst eenvoudig gekleed. Een wijde tunica, vastgeknoopt op
-den rechterschouder, en onder den linkerarm doorgaande, dekte haar
-losjes en werd om het middel vastgehouden door een fijn gouden gordel.
-Op het hoofd droeg zij een zijden mutsje met afhangende kwast. Gouden
-oor- en vingerringen, kostbare arm- en enkelbanden, benevens een kunstig
-bewerkt halssieraad, voltooiden haar toilet. Oogleden en vingertoppen
-waren naar het toenmalig gebruik geverfd. Twee lange haarvlechten hingen
-haar op den rug, terwijl op iedere wang vlak voor het oor een gekrulde
-lok rustte. Een liefelijke, bevallige verschijning was de jeugdige Tirza
-ongetwijfeld.
-
---Heel mooi, Tirza, heel mooi! zeide Juda levendig.
-
---Het lied? vraagde zij.
-
---Ja, en de zangster ook. Waar hebt gij het opgedaan?
-
---Herinnert gij u den Griek nog, die een paar weken geleden in het
-theater zong? Men zei, dat hij lofzanger geweest was van Herodes en
-zijne zuster Salome. Hij trad op na een paar kampvechters, terwijl er
-heel wat leven en beweging was; maar zoodra hij begon te zingen werd het
-zoo stil, dat ik woord voor woord kon verstaan. Hij heeft mij het lied
-gegeven.
-
---Maar hij zong in het Grieksch.
-
---En ik in 't Hebreeuwsch.
-
---Ja, ja, en daarom ben ik trotsch op mijn zusje. Hebt gij nog meer van
-die liedjes?
-
---Meer dan een zelfs; maar nu niet. Amrah zond mij om u te zeggen, dat
-zij u hier uw ontbijt zal brengen en dat gij niet beneden hoeft te
-komen. Zij had al hier moeten zijn. Zij denkt dat gij ziek zijt, dat u
-gisteren iets verschrikkelijks is overkomen. Wat was het? Vertel het
-mij, dan zal ik Amrah helpen om u beter te maken. Zij kent de
-geneesmiddelen van de Egyptenaars; maar die geven niets. Ik heb echter
-verscheidene Arabische recepten, die--
-
---Nog minder helpen, dan de Egyptische, zeide hij hoofdschuddend.
-
---Meent ge dat waarlijk? Heel goed, dan zullen wij ze laten waar zij
-zijn. Ik heb iets dat veel beter en zekerder helpt, een amulet, die,
-ik weet niet hoe lang geleden, aan iemand van onze familie gegeven werd
-door een Perzisch toovenaar. Kijk, en zij nam den ring uit haar
-linkeroor--het inschrift is bijna uitgesleten.
-
-Hij nam den ring in de hand, bekeek hem, en gaf hem toen lachend
-terug.--Al lag ik op sterven, Tirza, dan zou ik den amulet nog niet
-willen gebruiken. Zulke dingen zijn afgoderij, en verboden waar voor
-geloovige Israelieten. Bewaar hem, maar draag hem niet meer.
-
---Verboden! Volstrekt niet. Vaders moeder droeg hem altijd op Sabbat.
-Ik weet niet hoevele zieken er wel door genezen zijn, stellig meer dan
-drie. Hij is ook goedgekeurd; zie maar, hier is het merk van den Rabbi.
-
---Ik hecht geen geloof aan amuletten.
-
-Zij zag hem verbaasd aan en vraagde: Wat zou Amrah daarvan zeggen?
-
---Amrahs vader en moeder waren Egyptenaren.
-
---Maar Gamaliel?
-
---Die zegt dat het goddelooze, heidensche gebruiken zijn.
-
-Tirza bezag haren oorring en draaide hem besluiteloos rond.
-
---Wat zal ik er dan mee doen? vraagde zij.
-
---Draag hem, zusje. Hij staat u goed, hij maakt u mooi, hoewel gij dat
-zonder zijne hulp ook zijt.
-
-Tevreden gesteld deed zij den ring weder in haar oor. Op hetzelfde
-oogenblik trad Amrah binnen en bracht op een blad een waschkom, water en
-handdoeken. Daar Juda niet tot de Pharizeen behoorde was de reiniging
-spoedig afgeloopen. Amrah verwijderde zich weder en Tirza zette zich aan
-het werk, om Juda's haar in orde te brengen. Telkenmale als zij een lok
-naar genoegen geschikt had, liet zij hem in den kleinen metalen spiegel
-zien, dien zij volgens het gebruik aan haren gordel had hangen. De
-arbeid stoorde hun gesprek echter niet.
-
---Hebt gij het al gehoord, Tirza? Ik ga weg.
-
-Verschrikt liet zij de handen in den schoot vallen.
-
---Weg! Wanneer? Waarheen? Waarom?
-
-Hij lachte. Drie vragen te gelijk! Wat zijt ge toch nieuwsgierig. Ja, ik
-ga weg. Gij weet, de wet eischt, dat ik mij een beroep kies. Onze vader
-gaf mij het voorbeeld. Zelfs gij zoudt mij verachten, als ik de vruchten
-van zijn vlijt en kennis in luiheid verteerde. Ik ga naar Rome.
-
---O, dan ga ik mee.
-
---Gij moet bij moeder blijven. Als we allebei weggingen zou zij van
-verdriet sterven.
-
-Alle vroolijkheid week van haar gelaat.--Ja, natuurlijk. Maar moet gij
-daarvoor weggaan? Hier in Jeruzalem kunt gij alles leeren wat een
-koopman weten moet.
-
---Maar ik denk er niet aan koopman te worden. De wet eischt niet, dat de
-zoon wordt wat de vader was.
-
---Wat wilt gij dan worden?
-
---Soldaat.
-
---De tranen sprongen Tirza in de oogen.--Dan wordt gij doodgeslagen!
-
---Toch alleen als het Gods wil is. En, Tirza, niet alle soldaten
-sneuvelen.
-
-Zij sloeg hare armen om zijn hals, alsof zij hem terug wilde houden.
-
---Wij waren zoo gelukkig, Juda; blijf bij ons.
-
---Dat kan immers niet. Gijzelf gaat mettertijd ook heen.
-
---Nooit.
-
-Hij glimlachte om den ernst, waarmede zij dat verzekerde.--Wie weet hoe
-spoedig een vorst van Juda, of van een der andere stammen, mijne Tirza
-komt weghalen, en wat zal dan van mij worden?
-
-Een droevig gesnik was haar eenig antwoord.
-
---Het oorlogvoeren moet geleerd worden, vervolgde hij, en daarvoor moet
-men ter schole gaan. De beste school is echter een Romeinsch kamp.
-
---Gij zult toch niet voor Rome vechten?
-
---Gij dus ook, gij zelfs haat Rome? Daarin schijnt de geheele wereld het
-eens te zijn. Ja, Tirza, ik zal voor Rome strijden, maar om te leeren
-hoe ik eenmaal Rome bestrijden moet.
-
---Wanneer gaat gij?
-
-Maar Juda, die Amrah hoorde terugkomen, zeide: Stil, laat haar niets
-merken van mijne plannen.
-
-De trouwe slavin trad binnen met het ontbijt en plaatste het blad op een
-stoel voor de beide jongelieden. Juist zouden zij beginnen, toen hunne
-aandacht afgeleid werd door een luid gedruisch op straat.
-
---Het zijn soldaten van het Praetorium, riep Juda, die de muziek
-herkende;--daar met ik naar kijken, een meteen sprong hij op en snelde
-naar de borstwering. Tirza volgde hem en boog zich eveneens voorover om
-beter te kunnen zien. Daar hun huis hooger was, dan de huizen in hun
-naaste omgeving, konden zij tot aan den burcht Antonia de gansche buurt
-overzien. De niet bijzonder breede straat was hier en daar door bruggen
-overspannen, die weldra vol menschen en kinderen waren, door de muziek
-daarheen gelokt. Muziek mocht het eigenlijk niet genoemd worden; want
-wat het volk te hooren kreeg was niet veel meer, dan een vervaarlijk
-trompetgeschal, begeleid door de schrille tonen van houten
-blaasinstrumenten.
-
-Weldra kregen de kinderen Hur den optocht in 't gezicht. Eerst een
-voorhoede van lichtgewapenden, voornamelijk slingeraars en
-boogschutters, vervolgens een afdeeling zwaar gewapend voetvolk, van
-groote schilden voorzien, dan de muzikanten, vervolgens geheel alleen
-een hoofdman, maar op den voet gevolgd door een bereden wacht, daarna
-weder een afdeeling zwaar gewapend voetvolk, die wel eindeloos scheen te
-zijn. Het krijgshaftig voorkomen der mannen, het gelijktijdig op- en
-neergaan der schilden, het glinsteren van gespen, helmen en borstplaten,
-de wuivende vederbossen, de vaandels en speren, dat alles maakte diepen
-indruk op den Joodschen knaap. Twee voorwerpen vooral trokken zijne
-aandacht, de vergulde arend met de uitgespreide vlerken, die, zooals hij
-wist, met goddelijke eerbewijzen uit den burcht gehaald was, en de
-hoofdman, die alleen te midden der troepen reed. In volle wapenrusting,
-maar het ongedekte hoofd met een lauwerkrans getooid, hield hij den
-kommandostaf in de rechterhand. Hij was gezeten op een purperen dek in
-plaats van op een zadel, en de leidsels waren met goud gestikt en met
-zijden franje afgewerkt.
-
-Al heel spoedig bemerkte Juda, dat het volk bij het zien van dien
-hoofdman zeer opgewonden werd. Zij drongen brutaal naar voren, en hieven
-de vuisten dreigend omhoog, zij leunden zoover mogelijk over de
-borstweringen der daken en wierpen hem allerlei scheldwoorden naar het
-hoofd. Naarmate de stoet dichterbij kwam kon Juda duidelijk het
-geschreeuw der menigte verstaan: Roover, tiran, vervloekte Romein! Weg
-met Ismael, geef ons Annas weder!
-
-Het ontging den knaap niet, dat de hoofdman, zooals ook natuurlijk was,
-lang niet onverschillig bleef onder die behandeling. Zijn gelaat stond
-donker en dreigend, zoodat de meer angstvalligen terugdeinsden. Aan de
-lauwerkrans, dien de ruiter op het hoofd droeg, herkende Juda den
-nieuwen Procurator van Judea: Valerius Gratus.
-
-Het onschuldige voorwerp van den haat der menigte wekte Juda's
-medelijden, zoodat hij, toen de Romein den hoek van het huis zou
-omslaan, zich nog verder voorover boog om te beter te kunnen zien.
-Daarbij leunde hij met de hand op een stuk steen, dat reeds geruimen
-tijd gebarsten en losgeraakt was. De drukking was sterk genoeg om het te
-doen kantelen en vallen. De knaap ontstelde hevig en wilde den steen
-grijpen, hetgeen van de straat gezien den indruk gaf, alsof hij iets van
-zich wierp. Zijn poging mislukte, de steen liet geheel los en rolde naar
-beneden. Juda schreeuwde zoo hard hij kon, om te waarschuwen. De
-soldaten der lijfwacht keken op, zoo ook de procurator, maar op
-datzelfde oogenblik viel de steen op hem, zoodat hij als dood achterover
-zonk. Nu ontstond een groote ontsteltenis; de wachten stegen ijlings af
-en beijverden zich om hunnen heer met een schild te dekken. Het volk
-daarentegen, vast overtuigd dat de knaap met opzet den steen geworpen
-had, juichte hem luide toe.
-
-Als vastgenageld stond de arme jongen nog op dezelfde plek, ten volle
-beseffende welke vreeselijke gevolgen dit ongeluk na zich zou slepen.
-Plotseling scheen een booze geest zich meester te maken van de
-toeschouwers op de omliggende huizen. Doldriftig sloegen zij alles kort
-en klein wat onder hun bereik was en wierpen dat in blinde woede de
-Romeinsche soldaten naar het hoofd. Nu ontstond een bloedig gevecht,
-waarin de soldaten natuurlijk overwinnaars bleven. De verwarring, de
-slachting, de wanhoop waren vreeselijk om aan te zien.
-
-Doodsbleek richtte Juda zich op: O, Tirza, Tirza, wat zal er van ons
-worden?
-
-Daar zij den steen niet had zien vallen, en verschrikt door het onzinnig
-drijven op de daken niet meer op Juda gelet had, begreep zij het rechte
-van de zaak niet, allerminst dat haar of de haren eenig gevaar
-dreigde.--Wat is er dan gebeurd, wat doen zij toch? vraagde zij
-verschrikt.
-
---Ik heb den Romeinschen gouverneur gedood. De steen viel juist op hem.
-
-Haar gelaat werd nog bleeker dan het zijne. Zij sloeg de armen om hem
-heen en zag hem zwijgend, diep bedroefd aan.
-
---Ik deed het niet met opzet, Tirza, het was een ongeluk, zeide hij zoo
-kalm mogelijk.
-
---Wat zullen zij ons doen? vraagde zij.
-
-Hij luisterde naar het steeds toenemend rumoer en dacht aan het dreigend
-gelaat van den procurator. Als hij niet dood was, wie kon dan zeggen
-hoever zijn wraak gaan zou; en als hij wel dood was, tot welke
-uitbarstingen van woede zou de aanval van het volk de soldaten niet
-kunnen opzweepen! Hij boog zich nogmaals over de borstwering, juist toen
-de lijfwacht den procurator weder op het paard hielp stijgen.--Hij
-leeft, Tirza, hij leeft! Gezegdend zij de God onzer vaderen! Met dien
-uitroep en een opgehelderd gelaat wendde hij zich weder tot haar, om
-hare vraag te beantwoorden.--Wees maar niet bang; ik zal hun wel zeggen
-hoe het gekomen is, en zij zullen ons ter wille van onzen vader en de
-diensten, die hij den keizer bewezen heeft, zeker ongemoeid laten.
-
-Hij geleidde haar naar de torenkamer; maar zien, eensklaps beefde het
-dak onder hunne voeten, een hevig gekraak, alsof balken en deuren werden
-ingeslagen, deed zich horen, gevolgd door een kreet van schrik en
-ontzetting. Hij bleef staan en luisterde. Het geroep om hulp herhaalde
-zich, het geluid van zware voetstappen deed het geheele huis dreunen,
-vloeken, smeeken, jammeren, alles door elkander. De soldaten hadden de
-noordpoort ingetrapt en waren meester van het terrein. Juda begreep
-dadelijk dat het om hem te doen was. Zijne eerste opwelling was te
-vluchten; maar waarheen? Alleen vleugelen konden hem redden. Trillend
-van angst klemde Tirza zich aan hem vast.
-
---O, Juda, wat is er toch gebeurd?
-
-Hij antwoordde niet. Hij hoorde dat de dienaren werden neergestooten;
-en--wat deed men met zijn moeder! Hoorde hij daar niet hare stem?--Met
-al de kracht die nog in hem was zeide hij: Blijf gij hier, Tirza, totdat
-ik terugkom. Ik zal naar beneden gaan om te zien wat er gebeurd is.
-Daarna kom ik u halen.
-
-Zijn stem was niet zoo vast, als hij wel gewild had. Zij drukte zich
-tegen hem aan; maar daar hoorde hij zijne moeder weer luid om hulp
-roepen. Hij aarzelde niet langer.--Kom dan, laat ons gaan, zeide hij.
-
-Beneden aan de trap was het terras vol van soldaten, die met ontbloot
-zwaard het eene vertrek voor en het andere na doorzochten. Hier zag men
-eenige vrouwen op de knieen liggen, luid smeekende om erbarmen. Maar
-daar ginds in dien hoek, met gescheurde kleederen en loshangende haren,
-worstelde een vrouw om zich los te rukken uit de handen van een
-Romein,--op haar vloog Juda toe met den kreet: Moeder! moeder! Zij
-strekte de handen naar hem uit; maar juist toen hij ze vatten zou werd
-hij gegrepen en op zijde getrokken. Daar hoorde hij iemand met luide
-stem zeggen: Daar is hij!
-
-Juda keek om en zag--Messala.
-
---Wat, is dat de moordenaar?--die jongen? vraagde een statig man in
-kostbare wapenrusting.
-
---Alle goden! zeide Messala, dat is iets nieuws! Moet een man oud
-geworden zijn om ten doode toe te kunnen haten? Hij is de schuldige, en
-hier is zijn moeder, en dat is zijn zuster. De geheele familie bij
-elkaar.
-
-Door liefde tot moeder en zuster gedrongen vergat Juda zijn twist met
-den voormaligen vriend: Help haar, Messala! Denk aan onze vroegere
-vriendschap en help haar. Ik--Juda--smeek er u om.
-
-Messala deed alsof hij het niet hoorde. Hij wendde zich tot den hoofdman
-en zeide: Gij hebt hier mijne diensten niet meer noodig. Beneden op
-straat is meer te doen. Weg met Eros, Mars regeert!
-
-Dit gezegd hebbende verdween hij. Juda begreep hem en in de bitterheid
-zijner ziel bad hij: O God, als het uur der wrake geslagen is, laat haar
-dan door mijne hand aan hem voltrokken worden.
-
-Met inspanning van alle krachten wist hij den hoofdman te bereiken.--O
-heer, die vrouw is mijne moeder. Spaar haar en spaar mijne zuster. God
-is rechtvaardig. Hij zal u genade voor genade bewijzen.
-
-De man scheen geroerd te zijn.--Naar den burcht met de vrouwen! riep
-hij, maar doe ze geen kwaad. Ik zal ze van uwe hand eischen. Toen tot de
-mannen, die Juda vasthielden: Bindt zijne handen, en brengt hem naar
-buiten; hij zal zijne straf niet ontgaan.
-
-De moeder werd weggedragen. Tirza, door vrees verlamd, volgde haar
-bewakers lijdelijk. Juda zag beiden voor het laatst aan, en sloeg toen
-de handen voor het gelaat, alsof hij zich haar beeld onuitwischbaar
-wilde inprenten. Indien hij een traan vergoot, niemand heeft het gezien.
-Deze weinige oogenblikken waren voldoende geweest, om een volkomen
-verandering in hem teweeg te brengen. Toen hij het hoofd weder ophief en
-de armen uitstak, om zich te laten binden, was al wat nog kinderlijk aan
-hem was verdwenen,--de jongeling was man geworden.
-
-Op de binnenplaats weerklonk trompetgeschal. De soldaten haastten zich
-naar beneden. Menigeen, die het niet waagde met de bewijzen zijner
-plunderzucht in de rijen ter verschijnen, wierp zijn buit weg, zoodat de
-vloer overal met kostbare zaken bedekt was. Toen Juda beneden kwam, had
-de stoet zich weer geordend en wachtte de aanvoerder slechts op de
-uitvoering van zijn laatste bevelen. Tirza en hare moeder, benevens het
-geheele dienstpersoneel, werden door de noordpoort uitgeleid, die wel
-een ruine geleek. Het gejammer der dienstboden, waarvan verscheidene
-ingeboornen des huizes waren, was droevig om aan te hooren. Toen ten
-slotte de paarden en het vee weggevoerd werden, begon Juda de wraak van
-den procurator ten volle te begrijpen. Alles, tot het woonhuis toe, was
-ten verderve gedoemd. Geen levende ziel, zoo luidde het bevel, mocht
-binnen zijne muren blijven. Mochten er soms in Judea nog lieden gevonden
-worden, vermetel genoeg om een Romeinschen beambte te willen vermoorden,
-dan zou het lot der vorstelijke familie Hur hun tot waarschuwing kunnen
-dienen, terwijl hunne tot eene ruine vervallen woning den indruk
-levendig zou houden.
-
-De hoofdman wachtte buiten, totdat een afdeeling soldaten de poort zoo
-goed mogelijk weer in orde gebracht had. Het gevecht op straat was
-geeindigd. Op de daken toonden hier en daar stofwolken aan, dat de rust
-daarboven nog niet geheel hersteld was. De keizerlijke legioenen stonden
-in 't gelid, even glansrijk als voorheen. Juda, die voor 't oogenblik
-zichzelf geheel vergeten kon, had alleen aandacht voor de gevangenen,
-waaronder hij tevergeefs zijne moeder en Tirza zocht.
-
-Daar verrees eensklaps van den grond, waar zij neergehurkt zat, eene
-vrouw, en snelde naar de poort. Een paar van de wachten schoten toe om
-haar te grijpen; maar zij ontkwam aan hunne handen onder vreugdegejuich
-der toeschouwers. Zij baande zich een doortocht naar Juda, viel aan
-zijne voeten neder en omvatte zijne knieen.
-
---O, Amrah, goede Amrah, zeide hij, God helpe u, ik kan het niet.
-
-Het was haar onmogelijk te spreken.
-
-Hij boog zich tot haar neder en fluisterde: Leef, Amrah, voor Tirza en
-mijne moeder. Zij zullen terugkomen, en--
-
-Een soldaat trok haar weg; maar zij rukte zich los en snelde door de
-poort en de gang naar den ledigen binnenhof.
-
---Laat haar gaan, beval de hoofdman. Wij zullen het huis verzegelen, en
-zij kan verhongeren.
-
-De manschappen hervatten hun werk, en toen zij aan dien kant gereed
-waren, begaven zij zich naar de westzijde. Daar werd de poort eveneens
-dicht gemaakt, waarna het oude paleis Hur vereenzaamd bleef staan. De
-cohorte zette zich weder in beweging, terug naar den burcht, waar de
-procurator eenige dagen rust hield, om van zijne wond te genezen en over
-de gevangenen te beschikken. Tien dagen later bracht hij zijn bezoek aan
-het paleis van den hoogepriester.
-
-
- * * * * *
-
-
-ZEVENDE HOOFDSTUK.
-
-DE GEVANGENE.
-
-
-Den volgende dag verscheen een detachement Romeinsche soldaten voor het
-verlaten huis, en na de ingangen met was verzegeld te hebben, spijkerden
-zij aan de muren een plakkaat, waarop in het Latijn deze woorden te
-lezen stonden:
-
- DIT IS HET EIGENDOM VAN DEN KEIZER.
-
-Nog een dag later, tegen den middag, naderde een hoofdman met tien
-ruiters het stadje Nazareth van de zuidzijde, dat is, komende van
-Jeruzalem. Nazareth was toen een onbeduidend dorp, tegen den heuvelrand
-gebouwd. De eenige straat, waarop het aanspraak kon maken, was niet veel
-meer dan een veel begaan geitenpad. Aan de zuidzijde strekte zich de
-groote vlakte uit van Esdrelon, en van een westelijken heuveltop kon men
-de Middellandsche zee, de landen van gene zijde der Jordaan, en den berg
-Hermon zien liggen. Wijngaarden, tuinen en weilanden boden een
-afwisselenden aanblik, terwijl hier en daar een palmboschje aan het
-landschap een oostersch karakter verleende.
-
-De huizen van Nazareth waren onaanzienlijk, vierkant, een verdieping
-hoog, van platte daken voorzien, en met frisch groene wingerden
-begroeid. Waren de heuvelen van Judea dor en bruin verbrand, bij de
-grenslijn van Galilea hield dat naargeestig schouwspel op.
-
-Toen de ruiters het dorp naderden deden zij hun trompetgeschal
-weerklinken, hetgeen een magische uitwerking had op de inwoners. Alle
-hekken en deuren gingen open, ieder wilde de eerste zijn om de ongewone
-bezoekers te zien. Dat de Nazareners jegens de Romeinsche soldaten alles
-behalve welwillend gestemd waren, behoeven wij wel niet te verzekeren;
-maar toen zij zagen wat het doel van den tocht was kreeg de
-nieuwsgierigheid de bovenhand, en wetende dat de Romeinen halt zouden
-maken bij de bron op de markt, verlieten zij hunne huizen en sloten zich
-bij den troep aan.
-
-De ruiters voerden een gevangene mede, dat was het wat ieders aandacht
-trok. Hij ging te voet, bloothoofds, half naakt, de handen op den rug
-gebonden. De riem, die zijne polsen bijeenhield, was om den hals van een
-paard geslagen. Het stof, door de ruiters opgejaagd, hulde hem in een
-dikke wolk. Zijn houding was gebogen, zijn gang moeilijk, hij scheen
-bijna te bezwijken.
-
-Bij de bron hielden de soldaten stil en stegen af. De gevangene zonk
-uitgeput op den grond; de krachten begaven hem. Toen de dorpelingen
-naderbij kwamen en zagen dat het niet veel meer dan een knaap was,
-schudden zij medelijdend het hoofd en zouden hem, indien zij slechts
-gedurfd hadden, gaarne geholpen hebben.
-
-Terwijl zij onder elkander beraadslaagden en de soldaten hun dorst
-leschten, kwam van den kant van Sepphoria een man aanwandelen. Een vrouw
-zag hem het eerst en riep: Kijk, daar komt de timmerman. Nu zullen wij
-wel iets te hooren krijgen.
-
-De bedoelde persoon, een eerwaardig grijsaard met zilveren lokken en een
-langen witten baard, naderde met langzamen tred. Over den schouder droeg
-hij een bijl en een zaag, alles zwaar en grof. Bij de bron bleef hij
-staan en overzag de schare.
-
---O, Rabbi, goede Rabbi Jozef, zeide de vrouw en liep op hem toe, hier
-is een gevangene. Vraag toch eens aan de soldaten hoe hij heet en wat
-hij gedaan heeft, en wat zij met hem gaan doen.
-
-Het gelaat van den oude bleef onbewogen. Hij beschouwde echter den
-gevangene en wendde zich toen tot den hoofdman.
-
---De vrede des Heeren zij met u, zeide hij ernstig.
-
---En die van de goden met u, antwoordde de Romein.
-
---Komt gij uit Jeruzalem?
-
---Ja.
-
---Uw gevangene is nog zeer jong.
-
---In jaren, ja.
-
---Mag ik vragen wat hij gedaan heeft?
-
---Hij is een moordenaar.
-
-Met groote verbazing ging dat woord van mond tot mond, maar Rabbi Jozef
-vervolgde: Is hij een zoon van Israel?
-
---Hij is een Jood, antwoordde de Romein droogjes.
-
-Het medelijden der omstanders, dat sterk verminderd was, groeide op eens
-weer aan.
-
---Ik weet niets van uwe stammen af, vervolgde de hoofdman, maar kan u
-wel zeggen wie zijn familie is. Misschien hebt gij wel eens van een
-zekeren Hur, een vorst van Jeruzalem, gehoord, Ben-Hur noemden zij hem.
-Hij leefde ten tijde van Herodes.
-
---Ik heb hem gekend, zeide Jozef.
-
---Nu, dit is zijn zoon.
-
-Van alle kanten hoorde men uitroepen van medelijden en ontsteltenis,
-hetgeen den hoofdman niet beviel. Daarom liet hij er snel op volgen:
-Eergisteren heeft hij den edelen Gratus getracht te dooden, door hem een
-steen op het hoofd te werpen, boven van het dak van zijns vaders huis.
-
-De Nazareners gaapten den jongen Ben-Hur aan, alsof hij een wild dier
-was.
-
---Heeft hij hem gedood? vraagde Jozef.
-
---Neen.
-
---Is hij veroordeeld?
-
---Ja, tot de galeien, levenslang.
-
---God helpe hem! zeide Jozef bewogen.
-
-Een jonge man, die met Jozef medegekomen, doch onopgemerkt gebleven was,
-legde de bijl, die hij over den schouder droeg, neer, ging bedaard naar
-de bron, vulde een kruik met water, en boog zich, voordat iemand het
-verhinderen kon, over den gevangene om hem te laten drinken. Zacht legde
-hij de hand op Juda's schouder, en toen de arme jongen de oogen opsloeg,
-zag hij een gelaat om nooit te vergeten, het gelaat van een jonkman,
-wiens donkerblauwe oogen hem zoo liefdevol en deelnemend aanstaarden,
-dat hij zich in eens gewonnen gaf. Zijn gemoed, verhard door lichamelijk
-lijden en zoo verbitterd door het geleden onrecht, dat het aan niets dan
-aan wraak kon denken, smolt als was onder dien blik. Hij zette den mond
-aan de kruik en dronk het frissche water met lange gretige teugen. Geen
-van beiden sprak echter een enkel woord. Toen Juda gedronken had legde
-zijn nieuwe vriend zijne hand als zegenend op het hoofd van den
-gevangene, bracht vervolgens de kruik weder waar hij die gevonden had,
-nam zijn bijl op en voegde zich weder bij Jozef. Aller oogen, zoowel van
-de Romeinen als van de dorpelingen, volgenden hem.
-
-Nadat de soldaten ook de paarden te drinken hadden gegeven begaven zij
-zich weder op marsch. Over den hoofdman scheen een verandering gekomen
-te zijn. Met eigen hand toch hielp hij den gevangene opstaan en zette
-hem achter een soldaat op het paard.
-
-De Nazareners keerden naar huis terug, onder hen Jozef en zijn metgezel.
-
-Dit was de eerste ontmoeting tusschen Juda en den zoon van Maria.
-
-
- * * * * *
-
-
-BOEK III.
-
-
- * * * * *
-
-
-EERSTE HOOFDSTUK.
-
-QUINTUS ARRIUS.
-
-
-De stad Misenum, eenige mijlen van Napels gelegen, heeft haren naam
-gegeven aan het voorgebergte, welks sieraad zij was. Enkele ruines,
-ziedaar alles wat van haar overbleef; maar in het jaar 24 der
-Christelijke jaartelling was de plaats een van de belangrijkste aan de
-westkust van Italie. Van den stadsmuur had men een heerlijk gezicht op
-de blauwe golf van Napels met hare schilderachtige oevers, op den
-rookenden Vesuvius, op Ischia hier en Capri daar, en ten slotte op
-Rome's reservevloot, die voor Misenum ten anker lag. Een doorgang in den
-stadsmuur voerde toen ter tijde naar een dam, die zich verscheidene
-mijlen ver in zee uitstrekte.
-
-Op een koelen Septembermorgen werd de wachter op den muur boven den
-doorgang uit zijne gepeinzen opgewekt door de nadering van een druk
-pratend gezelschap. Hij zag even op en hernam zijn vorige houding. Het
-gezelschap bestond uit twintig tot dertig personen; het meerendeel
-slaven, die brandende fakkels droegen, welke een Indischen nardusgeur
-verspreidden. De heeren gingen arm in arm vooraan. Een van hen, een
-vijftigjarige, met een lauwerkrans om de slapen, scheen de held van een
-of ander feest te zijn. Allen droegen ruime toga's van witte wollen
-stof, met breede purperen randen afgezet. De wachter had met een blik
-gezien, dat het lieden van aanzien waren, die na een nachtelijke partij
-een vriend uitgeleide deden.
-
---Neen, Quintus, zeide een van hen tot den bekranste, het staat Fortuna
-niet mooi u zoo spoedig aan ons te ontrooven. Eerst gisteren van de reis
-teruggekeerd, gaat gij ons nu reeds weder verlaten.
-
---Bij Castor, zeide een tweede, waartoe dat klagen? Onze Quintus gaat
-slechts herwinnen wat hij van nacht verloren heeft. Dobbelsteenen op een
-zwalkend schip staan niet gelijk met dobbelsteenen aan den vasten wal,
-is 't wel Quintus?
-
---Beleedig Fortuna niet, waarschuwde een derde. Zij is niet blind of
-wispelturig. Ontneemt zij hem ons bij tijd en wijle, zij brengt hem ons
-toch altijd weer terug met nieuwe lauweren beladen.
-
---De Grieken halen hem weg, zeide een ander. Aan hen de schuld; laat ons
-dus de goden met rust laten.
-
-Zoo sprekende ging het gezelschap door de poort op den dam. Den zeeman
-klonk het kabbelen der golven als een welkomstgroet in de ooren. Hij
-haalde diep adem, alsof het zilte nat hem liefelijker was dan de nardus.
-Ziet, sprak hij de hand opheffende, de wind waait uit het westen. Heb
-dank, moeder Fortuna!
-
-De vrienden herhaalden den uitroep in koor, de slaven zwaaiden de
-fakkels.
-
---Daar komt zij! vervolgde hij, en wees op een naderende galei. Welk
-zeeman zou een ander liefje begeeren? Is uwe Lucretia bevalliger, vriend
-Cajus?
-
-Met stralende oogen keek hij naar de galei, die zijn lof waardig was.
-Het witte zeil stond bol en de riemen gingen in volmaakte regelmaat en
-met vleugelslag op en neder. Ja, zeide hij ernstig, den blik op het
-vaartuig gericht, laat de goden rusten. Zij verschaffen ons de
-gelegenheden en het is onze eigen schuld, als wij niet slagen. En wat de
-Grieken betreft, Lentulus, de zeerovers die ik moet gaan straffen zijn
-Grieken. Eene overwinning op hen behaald is van meer gewicht, dan
-honderd op de Afrikanen.
-
---Gij gaat dus naar de Egeische zee?
-
---Ja, en daar ik zo spoedig mogelijk vertrek zal ik u de aanleidende
-oorzaak vertellen; maar gij moet er niet buitenaf over spreken. Ik zou
-niet gaarne willen, dat gij er den duumvir, zoo gij hem weder ontmoet,
-over lastig valt; hij is mijn vriend. De handel tusschen Griekenland en
-Alexandrie is, zooals gij misschien weet, bijna van evenveel beteekenis,
-als die tusschen Alexandrie en Rome. Nu vergat het volk in dat gedeelte
-der wereld de Cerealia te vieren, en Triptolemus gaf hun dientengevolge
-een oogst, die het inzamelen ternauwernood waard was. Maar de handel is
-zoo toegenomen, dat van geen staking hoe kort ook sprake kan zijn.
-
-Waarschijnlijk hebt gij ook gehoord van de Chersonesische zeerovers, die
-in de golf van Euxine nestelen. Brutaler dan zij bestaan niet. Gisteren
-werd te Rome bericht ontvangen, dat zij met een vloot den Bosphorus
-waren afgeroeid, de galeien bij Byzantium en Chalcedon in den grond
-hebben geboord en, op verderen buit belust, de Egeische zee opvoeren.
-De korenkoopers, wier schepen op de Oost-Middellandsche zee zijn, hebben
-een persoonlijk onderhoud met den keizer gehad. Dientengevolge
-vertrekken heden nog van Ravenna een honderdtal galeien, en van
-Misenum--hij zweeg even, alsof hij de nieuwsgierigheid zijner vrienden
-wilde prikkelen--van Misenum een galei.
-
---Gelukkige Quintus, wij wenschen u van harte geluk!
-
---Deze opdracht is de voorloopster van een bevordering. Wij begroeten u
-als duumvir, niet minder.
-
---Quintus Arrius de duumvir--dat klinkt nog mooier dan Quintus Arrius de
-tribuun.
-
---Dank, hartelijk dank! antwoordde Quintus. Hadt gij lantaarnen bij u,
-ik zou u auguren noemen. Ja, ik ga nog verder: ik zal u bewijzen dat gij
-meesters in het raden zijt. Ziet en leest.
-
-Uit de plooien van zijn toga bracht hij een rol te voorschijn,
-overhandigde die en zeide: Dit ontving ik van Sejanus, terwijl wij aan
-den maaltijd waren.
-
-Die naam had een goeden klank onder de Romeinen, eerst later werd hij
-berucht.
-
---Sejanus! riepen zij als uit een mond, en staken de hoofden bij
-elkander om het stuk te lezen.
-
- Sejanus aan C. Caecilius Rufus, Duumvir.
-
- Rome, XIX Kal. Sept.
- De keizer heeft het goede nieuws vernomen aangaande Quintus Arrius,
- den tribuun. Met name heeft hij den moed hooren roemen, door hem in
- de westelijke zeeen betoond. Daarom beveelt hij dat genoemde
- Quintus zonder verwijl naar het oosten verplaatst worde.
-
- Voorts is het de wil van onzen keizer, dat gij onmiddellijk een
- honderdtal der best drieriemige galeien afzendt tegen de roovers,
- die zich in de Egeische zee vertoond hebben, en dat aan Quintus het
- bevel over die vloot worde opgedragen.
-
- Aan u, Caecilius, wordt de bezorging van een en ander overgelaten.
-
- De zaak dringt, zooals gij zien zult uit de berichten, die hier
- bijgevoegd worden, opdat gij en Quintus er kennis van zoudt nemen.
- SEJANUS.
-
-Arrius luisterde slechts ten halve. Het naderende vaartuig nam zijne
-aandacht geheel in beslag. Nu zwaaide hij met een slip van zijn toga;
-als antwoord op dat signaal werd op het schip een roode vaan geheeschen,
-en het zeil ingehaald. De boeg werd landwaarts gekeerd, de riemslag
-versneld,--Arrius sloeg het met welgevallen gade. Op zulk een
-vaartuig kon men staat maken in den tijd van nood.
-
---Bij alle goden! zeide een van de vrienden, hem de rol teruggevende,
-wij mogen niet meer zeggen: onze vriend zal een groot man worden; hij is
-het reeds. Hebt gij nog meer belangrijks voor ons?
-
---Neen, was het antwoord. Wat gij zooeven vernomen hebt is thans reeds
-oud nieuws in Rome, ten minste tusschen paleis en Forum. De duumvir is
-voorzichtig; wat ik doen moet en waar ik mijn vloot kan vinden zal ik
-straks aan boord vernemen. Als gij echter vandaag aan een der altaren
-gaat offeren, bidt dan voor uwen vriend, die in de richting van Sicilie
-vaart. Maar daar is het schip. Zijne bestuurders boezemen mij belang in,
-want zij moeten met mij zeilen en strijden. Dit is geen gemakkelijke
-kust om aan te leggen, ik heb dus een kostelijke gelegenheid om over
-hunne vaardigheid te oordelen.
-
---Wat? is het schip u dan vreemd?
-
---Ik zie het nu voor de eerste maal, en weet zelfs niet, of ik er een
-bekende op zal aantreffen.
-
---Is dat niet gewaagd?
-
---Neen, het doet niets ter zake. Op zee leert men elkander spoedig
-kennen. In de ure des gevaars wordt onze liefde zoowel als onze haat
-geboren.
-
-Het vaartuig behoorde tot de soort van oorlogsschepen, die op groote
-snelheid en plotselinge wendingen waren berekend. Lang, smal, schoot het
-als een zwaan door het water. Onder den boeg, in het water
-vooruitspringend, was de snavel, uit hard hout vervaardigd en met ijzer
-beslagen, die in den strijd als stormram dienst deed. Hecht lofwerk,
-langs de volle lengte van het schip, begrensde de verschansing.
-Daaronder waren drie rijen openingen voor de roeiriemen, aan iederen
-kant zestig. Twee dikke touwen, die over den boeg liepen, gaven het
-getal ankers aan, die op het voordek bewaard werden. De eenvoudige
-inrichting van het verdek deed zien, dat men zich voornamelijk op de
-roeiers verliet.
-
-Nagenoeg in het midden rees de mast omhoog, die door stangen en staggen
-overeind werd gehouden. Het touwwerk diende om een groot vierkant zeil
-te besturen. Behalve de manschap, die het zeil gereefd had, was van den
-dam gezien nog slechts een man zichtbaar. Deze stond bij den boeg en
-droeg een helm en schild. De honderdtwintig eikenhouten riemen, glanzend
-wit gehouden door afwrijvingen met puimsteen, gingen zoo regelmatig op
-en neer, alsof een hand ze bestuurde. De snelheid waarmee de galei
-voortschoot was zoo groot, dat de vrienden van den tribuun hun hart
-vasthielden.
-
-Eensklaps hief de man bij den boeg zijne hand op. Alle riemen gingen
-naar boven, bleven een oogenblik omhoog en vielen toen pijlsnel neder.
-Het water kookte en borrelde, de galei trilde tot in de voegen, en bleef
-dan als verschrikt stil liggen. Een tweede handbeweging van den
-commandant, en wederom gingen de riemen op, bleven omhoog en vielen;
-maar ditmaal roeiden die van de rechterzijde vooruit, die van de
-linkerzijde daarentegen achteruit. Tot driemalen werd deze manoeuvre
-herhaald, toen draaide de galei als om hare as naar rechts, ving wind,
-en legde zijwaarts bij den dam aan.
-
-Door die beweging kreeg men het achterschip beter te zien, waar, onder
-het hooge gebeeldhouwde en fraai vergulde windhuisje, op een
-verhevenheid de stuurman zat, een statige figuur in volle wapenrusting.
-
-Trompetgeschal weerklonk, en op dat signaal verscheen de bemanning op
-het verdek, allen in groot tenue, met glinsterende helmen, schilden en
-speren. Terwijl de soldaten front maakten, klommen de matrozen in den
-mast en zetten zich op de ra. De officieren en muzikanten namen hunne
-plaatsen in. Alles geschiedde met de grootste orde, zonder noodelooze
-drukte. Zoodra de galei aan den dam lag werd van het stuurmansverdek een
-plank naar den wal gelegd.
-
-Toen wendde de tribuun zich tot zijne vrienden en zeide met grooten
-ernst: Mijn plicht roept mij, waarde vrienden.
-
-Hij nam den krans van zijn hoofd en gaf hem aan den dobbelaar. Neem gij
-den krans, gunsteling der dobbelsteenen! Als ik terugkeer zal ik gaarne
-mijn geluk weer beproeven. Overwin ik niet in den strijd, dan kom ik
-niet terug. Hang den krans in uw atrium.
-
-Nu breidde hij de armen uit en omhelsde hen allen.
-
---Mogen de goden u vergezellen, Quintus! riepen zij.
-
---Vaartwel, zeide hij, groette de slaven, die met de fakkels zwaaiden,
-met de hand en keerde zich toen naar het schip. Zoodra hij de plank
-betreden had werden de trompetten geblazen, en boven het windhuisje
-ontplooide zich de purperen vlag ten teeken dat de vlootvoogd aan boord
-was.
-
-
- * * * * *
-
-
-TWEEDE HOOFDSTUK.
-
-DE ROMEINSCHE GALEI.
-
-
-De tribuun stond op het verdek, met de order den duumvir in de hand en
-sprak tot den overste der roeiers: Hoeveel mannen hebt gij?
-
---Tweehonderd tweeenvijftig roeiers en tien om in te vallen.
-
---Dat geeft een aflossing van....
-
---Vierentachtig.
-
---Hoe dikwijls?
-
---Om de twee uur.
-
-De tribuun dacht een oogenblik na, en zeide: Een zware dienst. Dat moet
-veranderd worden, maar niet dadelijk, want wij moeten dag en nacht door.
-
-Toen wendde hij zich tot den loods: Hoeveel jaren dienst hebt gij?
-
---Tweeendertig.
-
---Welke zeeen hebt gij voornamelijk bevaren?
-
---Tusschen Rome en het oosten.
-
---Uitnemend.
-
-De tribuun zag zijn order nogmaals in.
-
---Onze weg gaat langs kaap Camponella, naar Messina. Dan langs de kust
-van Calabrie, totdat gij Melite links hebt, dan--kent gij de sterren,
-die in de Jonische zee den boventoon hebben?
-
---Ja zeker.
-
---Goed. Dan van Melito oostwaarts naar Cythera. Als de goden ons gunstig
-zijn zullen wij het anker niet uitwerpen, voordat wij de baai van
-Antemona binnen loopen. De tijd dringt: ik verlaat mij op u.
-
-Arrius was een voorzichtig man. Hij behoorde tot de soort van menschen,
-die, terwijl zij den goden rijke offers brachten, niettemin van meening
-waren, dat het welslagen eener onderneming meer afhing van eigen wijs
-beleid, dan van gaven en beloften. Als held van het feest had hij den
-ganschen nacht met drinken en spelen doorgebracht; maar de frissche
-zeelucht riep den zeeman in hem wakker en hij dacht niet aan rust,
-voordat hij zijn schip kende. Na met de officieren en de verschillende
-opzichters gesproken te hebben, doorliep hij de galei van onder tot
-boven en liet zich van alles volkomen op de hoogte brengen. Dat afgedaan
-zijnde bleef hem alleen nog over zijn personeel te leeren kennen, en
-daar dit het moeilijkste deel van zijn taak was en nogal tijd vereischte,
-zette hij zich dadelijk aan den arbeid.
-
-Tegen den middag naderde de galei Paestum. De wind woei nog steeds uit
-het westen en deed het zeil zwellen. De wachten waren verdeeld. Op het
-voordek was een altaar opgericht en met zout en gerst bestrooid. De
-tribuun had plechtige gebeden opgezonden tot Jupiter en Neptunus en de
-Oceaniden, en onder het doen van velerlei geloften den wijn uitgegoten
-en wierook gebrand. Thans zat hij, een recht krijgshaftige figuur, in de
-groote kajuit, en bestudeerde de manschappen.
-
-De kajuit bevond zich in het midden der galei, was zesenvijftig voet
-lang en dertig breed en ontving haar licht door drie breede luiken. De
-zoldering rustte op twee rijen dunne palen, en in het midden verrees de
-mast uit een gansche verzameling van bijlen en speren. Bij ieder luik
-voerde rechts en links een trap naar beneden, en daar de luiken
-openstonden had het licht er vrijen toegang. Deze ruimte was om zoo te
-zeggen het hart van het schip, de plaats van samenkomst voor allen:
-eetkamer, slaapkamer, exercitieveld.
-
-Aan het achtereinde der kajuit voerde een trapje naar een platform,
-waarop de hortator, of overste der roeiers zat, die met een stokje de
-maat aangaf voor de roeiers. Rechts van hem stond een wateruurwerk, om
-de aflossingen naar te berekenen. Boven hem, op een nog hooger gelegen
-platform, behoorlijk afgesloten door een vergulde balustrade, was het
-kwartier van den tribuun. Van daar kon hij alles overzien. Een rustbed,
-een tafel en een leunstoel, alles zeer gerieflijk en kostbaar, maakten
-het ameublement uit.
-
-In dien armstoel gezeten hield Arrius een waakzaam oog over zijne
-manschappen, die hem van hunnen kant ter sluik menigen blik toewierpen.
-Het langst verwijlde zijne aandacht bij de roeiers. Wat hij daar zag was
-overigens zeer eenvoudig. Langs de kajuit, aan de zijwanden van het
-schip bevestigd, waren twintig bankjes aangebracht, ieder voor drie
-roeiers, in dier voege, dat de tweede op de bank hooger zat dan de
-eerste, en de derde hooger dan de tweede. De roeiers op de eerste en
-tweede plaats zaten, die van de derde stonden, omdat hunne roeispanen
-zooveel langer waren. Het bovengedeelte van de roeispanen was met lood
-gevuld. Zij hingen in lenige lederen riemen, die een zwevende beweging
-mogelijk maakten, maar tezelfder tijd groote bedrevenheid eischten, daar
-een onverwachte golfslag den onoplettenden roeier in eens kon
-omverwerpen. De zestig openingen waren even zoovele luchtkokers, zoodat
-het hun niet aan frissche lucht behoefde te ontbreken. Licht ontvingen
-zij door een traliewerk, dat tot vloer diende van de gang tusschen het
-dek en de borstwering boven hun hoofd.
-
-In sommige opzichten had het lot dier armen dus nog erger kunnen zijn;
-maar men moet zich niet verbeelden, dat hun leven genoeglijk was. Het
-was hun streng verboden een woord met elkander te wisselen. Dag aan dag
-namen zij zwijgend hunne plaatsen in, onder het werk konden zij elkander
-niet aanzien, hun korte rusturen werden ingenomen door slaap en een
-haastig maal. Nooit zag men hen lachen, nooit hoorde men hen zingen. Het
-leven van deze rampzaligen geleek op een onderaardschen stroom, die
-langzaam maar zonder ophouden voortzwoegt, totdat hij, onverschillig
-waar, vervloeit.
-
-O, Zoon van Maria! In onzen tijd heeft het zwaard een hart--en dat
-danken wij U! maar in de dagen, waarvan wij nu spreken, moesten de
-gevangenen slavendienst verrichten op de wallen, in de straten en
-mijnen, terwijl de handels- en oorlogsgaleien onverzadelijk waren. Bijna
-ieder volk had zijn aandeel geleverd, meest krijgsgevangenen. Britten,
-Libyers, Scythen, Galliers, Romeinsche boosdoeners, Gothen, Longobarden,
-Joden, Ethiopiers, Grieken, Kimbren, alles zat daar door elkander.
-
-Het roeien had niets om het verstand, hoe weinig ontwikkeld ook, bezig
-te houden. De bewegingen waren zelfs bij onstuimig weer zeer automatisch.
-Langzamerhand werden de ongelukkigen stompzinnig, geduldig, geesteloos,
-terende op weinige maar liefelijke herinneringen, ten slotte geheel
-verstompt en gewoon aan lijden en ontbering.
-
-Uur op uur zat de tribuun in zijn armstoel en overdacht al wat maar te
-overdenken was; alleen niet het ongelukkig lot der slaven op de
-roeiersbanken. Het kijken naar hunne regelmatige bewegingen ging hem na
-een poosje vervelen. Tot afwisseling wilde hij eens trachten te
-ontdekken, of er ook een bijzonder goede of slechte onder school.
-
-Dat het onnoodig werd geoordeeld de namen der veroordeelden bij te
-houden, behoeven wij wel niet te verzekeren; het nummer van hun
-zitplaats was voldoende om hen uit elkander te houden. De scherpe blik
-van den tribuun ging alle rijen langs, totdat hij ten laatste op Nummer
-60 bleef rusten. Deze roeier was nog zeer jong, zoo op het oog
-nauwelijks twintig jaar. Behalve een doek om de lenden was hij, evenals
-zijne lotgenooten, geheel naakt, waardoor zijne schoone vormen, zijn
-krachtig spierweefsel op hun voordeeligst uitkwamen. De wijze waarop hij
-zijn werk verrichte, kunstvaardigheid en kracht verradende, ja zijn
-gehele houding trokken de aandacht van den tribuun, die eene bijzondere
-voorliefde koesterde voor alles wat met athletische oefeningen in
-verband stond, en zich vleide een kenner te zijn op dat gebied.
-
-Kon hij hem nu maar eens in het gelaat zien. Het hoofd was welgevormd en
-werd gedragen door een forschen en toch slanken nek. Het profiel was
-fijn en van Oostersche type, lang niet alledaagsch, zoodat de tribuun
-werkelijk belang in hem ging stellen.
-
-Bij alle goden, zeide hij hardop, die knaap belooft wat. Ik moet weten
-waar hij vandaan komt.
-
-De toeleg gelukte--de roeier keek om en zag den tribuun aan.
-
---Een Jood! Nog een knaap.
-
-De onderzoekende blik van den tribuun dreef den slaaf het bloed naar de
-wangen, zijn groote oogen werden nog grooter, de riem bleef rusten ...
-daar sloeg de hortator met een toornig gebaar tegen de tafel. De roeier
-schrikte, keek voor zich, en hervatte met verdubbelden ijver zijn werk.
-Toen hij later nog eens naar den tribuun omzag steeg zijne verwondering
-ten top--hij ontmoette een vriendelijk glimlachje.
-
-Intusschen stevende de galei de straat van Messina in, liet de stad van
-dien naam rechts liggen, en keerde oostwaarts, den Etna met zijn
-rookwolken achter zich latende.
-
-Telkens als Arrius naar zijn zetel op het platform terugkeerde zocht
-zijn oog N deg.. 60 op, en moest hij bij zichzelven herhalen: Daar steekt
-iets achter. Een Jood is geen barbaar. Ik moet weten wie hij is.
-
-
- * * * * *
-
-
-DERDE HOOFDSTUK.
-
-DE GALEISLAAF.
-
-
-Vier dagen later vinden wij de Astrea, zoo heette de galei, in de
-Jonische zee. De lucht was helder, de wind gunstig. Daar het niet
-onmogelijk was de vloot in te halen voor het aangewezen punt, bracht
-Arrius een groot gedeelte van den dag op het dek door. Hij ging alles
-zelf na en was over het algemeen zeer tevreden. N deg.. 60 verloor hij
-intusschen niet uit het oog.
-
---Kent gij den man, die daar juist zijn plaats verlaat? vraagde hij den
-hortator, die een aflossing bevolen had.
-
---N deg.. 60?
-
---Ja.
-
---De opzichter keek den roeier na en antwoordde: Zooals gij weet is het
-schip eerst sedert een maand uit de hand van zijn maker gekomen, en de
-mannen zijn al even nieuw voor mij, als het schip.
-
---Hij is een Jood, zeide Arrius nadenkend.
-
---De edele Quintus heeft een scherpen blik.
-
---Hij is zeer jong, vervolgde Arrius.
-
---Maar onze beste roeier. Ik heb zijn riem zien buigen tot brekens toe.
-
---Hoe is zijn aard?
-
---Hij is gehoorzaam, meer weet ik er niet van. Hij heeft mij slechts
-eenmaal een verzoek gedaan.
-
---Welk?
-
---Hij vroeg mij, of ik hem bij afwisseling nu eens aan de rechter en dan
-weer aan de linkerzij wilde plaatsen.
-
---Gaf hij een reden op?
-
---Ja. Hij had opgemerkt dat de mannen, die altijd aan denzelfden kant
-werken, ten laatste scheef worden. Hij zei ook, dat men hem in geval van
-storm of gevecht eensklaps aan den anderen kant kon noodig hebben, en
-dan zou hij niet van zessen klaar zijn.
-
---Zoo, zoo; dat is iets nieuws. Wat hebt gij meer van hem opgemerkt?
-
---Hij is veel zindelijker dan de anderen.
-
---Daarin is hij dan een Romein, zeide Arrius welvoldaan.
-
---Weet gij niets van zijne geschiedenis?
-
---Niets hoegenaamd.
-
-De tribuun dacht een oogenblik na en zeide toen: Mocht ik op het dek
-zijn als zijn tijd om is, zend hem dan bij mij; maar alleen.
-
-Ongeveer twee uren later stond Arrius onder het windhuisje. De stuurman
-zat aan 't roer, enkele matrozen lagen in de schaduw van het zeil te
-slapen, op een van de stangen zat een wachter. Opziende zag de tribuun
-N deg.. 60 naderen.
-
---De hortator noemde u den edelen Quintus Arrius, en zeide, dat ik
-volgens uw bevel hier moest komen. Hier ben ik.
-
-Arrius zag met bewondering naar het slanke gespierde lichaam en dacht
-aan de arena. Het optreden van den jongeling trof hem. Zijn toon en
-manier van spreken bewezen, dat hij zijn jeugd onder beschaafde lieden
-doorgebracht had. Zijne oogen stonden helder en klaar, en de uitdrukking
-was meer nieuwsgierig dan uitdagend. Den onderzoekenden trotschen blik
-van den tribuun doorstond hij kalm, toonde geen spoor van haat of
-wraakgevoel, alleen diep gewortelde droefheid. Dientengevolge liet de
-tribuun zijn hoogen toon varen en sprak den slaaf vriendelijk toe: De
-hortator heeft mij gezegd dat gij de beste roeier zijt.
-
---Dat is heel vriendelijk van hem.
-
---Zijt gij reeds lang in dienst?
-
---Bijna drie jaar.
-
---Aan de riemen?
-
---Ja, ik heb geen dag rust gehad.
-
---Het werk is zwaar. Menig volwassen man houdt het geen jaar uit en
-gij--gij zijt nog zoo jong.
-
---De edelen tribuun vergeet, dat de geest ook een woordje meespreekt.
-Door zijn toedoen leeren de zwakken soms verdragen wat de sterken doet
-bezwijken.
-
---Naar uwe spraak te oordeelen zijt gij een Jood.
-
---Mijne voorvaderen waren Hebreen lang voordat de eerste Romein bestond.
-
---Gij zijt een echte Jood, even trotsch als al de anderen, zeide Arrius,
-den verhoogden blos op het gelaat van den jongeling ziende.
-
---Trots doet zich nooit zoo sterk gelden, dan wanneer hij geketend ligt.
-
---Welke reden hebt gij dan om trotsch te zijn?
-
---Dat ik een Jood ben.
-
-Arrius glimlachte. Ik ben nooit in Jeruzalem geweest, zeide hij, maar ik
-heb wel van de vorsten van Jeruzalem gehoord. Ik heb er zelfs een van
-gekend. Hij was koopman en voer ter zee. Hij was waard koning te zijn.
-Tot welken stand behoort gij?
-
---Ik moet u van de galeibank antwoorden. Ik ben een slaaf, maar mijn
-vader was een vorst van Jeruzalem en voer als koopman ter zee. Keizer
-Augustus kende hem en ontving hem met eerbewijzen aan zijn hof.
-
---Hoe heette hij?
-
---Ithamar, uit het huis van Hur.
-
---Wat! riep de tribuun verbaasd, gij een zoon van Hur--gij? Na een
-oogenblik zwijgen vraagde hij: Hoe zijt gij hier gekomen?
-
-Juda boog het hoofd, hij ademde zwaar. Toen hij zichzelven genoeg
-meester was zag hij den tribuun flink aan en zeide: Ik werd beschuldigd
-van een moordaanslag op Valerius Gratus, den procurator.
-
---Gij! riep Arrius, wiens verbazing nog grooter werd. Gij die
-moordenaar! Geheel Rome was er over verontwaardigd. Ik lag met mijn
-schip te Lodinum, en hoorde het daar.
-
-Beiden zagen elkander zwijgend aan. Ik dacht dat het geslacht Hur
-uitgeroeid was, zeide Arrius eindelijk.
-
-Een stroom van liefelijke herinneringen deed Juda's trots bezwijken, de
-tranen vloeiden over zijne wangen. Moeder--moeder! en mijn lieve Tirza!
-Waar zijn zij? O tribuun, edele tribuun, als gij iets aangaande haar
-weet, riep hij, de handen smeekend opheffend, vertel het mij dan. Zeg
-mij of zij nog leven, en waar dan, en hoe? O, ik bid u, zeg het mij dan.
-
-Al sprekende was hij tot vlak voor den tribuun getreden.
-
---Drie jaren zijn voorbijgegaan sedert dien vreeselijken dag, vervolgde
-hij, drie jaren, edele tribuun, en ieder uur was een marteling voor mij.
-De arbeid was mijn enige afleiding. In al dien tijd heb ik geen woord,
-geen enkel woord, met iemand gewisseld. O, konden wij, vergetenen, toch
-ook maar zelf vergeten. Kon ik dat vreeselijk tooneel maar uit mijn
-geheugen bannen! mijn zusje weggerukt van mijne zijde, en die laatste
-blik van mijne moeder! In gevaren van pest, stormen en krijgsgewoel heb
-ik gelachen, terwijl anderen baden, want de dood zou mij van mijne
-ellende verlost hebben. Zeg mij, dat zij dood zijn, want zij kunnen toch
-niet gelukkig zijn, zoolang zij over mijn lot in het onzekere verkeeren.
-Ik heb haar stemmen 's nachts gehoord, ze roepen om mij. Ik heb ze op de
-golven zien wandelen. O mijne moeder, mijn lieve moeder! En Tirza, mijn
-zusje, zoo mooi, zoo lief, zoo aardig! Altijd vroolijk, altijd zingende.
-En mijne hand, de mijne, heeft haar neergeveld! Ik--
-
---Bekent gij schuld? vraagde Arrius streng.
-
-De uitdrukking van Juda's gelaat veranderde als met een tooverslag. Zijn
-stem werd scherper van toon, zijn geheele lichaam trilde, zijn oogen
-schoten vuur, toen hij, de handen opheffende zeide: Gij kent den God
-mijner vaderen, Jehova, den eenige. Bij zijne waarheid, zijne almacht,
-en bij de liefde, waarmede hij Israel van den beginne heeft liefgehad,
-betuig ik: Ik ben onschuldig!
-
-De tribuun was diep bewogen.
-
---O edele Romein! vervolgde Ben-Hur, schenk mij geloof, en doe een
-straal van licht vallen in mijne duisternis.
-
-Arrius wendde zich af en wandelde het dek op en neer.
-
---Hebt gij een verhoor ondergaan? vraagde hij, eensklaps stilstaande.
-
---Neen.
-
-De Romein zag verbaasd op. Niet verhoord--geen getuigen opgeroepen? Wie
-heeft het vonnis over u uitgesproken?
-
-De Romeinen, het zij hier even herinnerd, waren nooit meer gesteld op
-het in acht nemen van wettelijke formaliteiten, dan in den tijd van hun
-verval.
-
---Zij hebben mij gebonden en in de gevangenis geworpen. Ik zag niemand,
-en niemand sprak tegen mij. Den volgenden dag werd ik door soldaten
-weggebracht naar de galeien.
-
---Wat hadt gij tot bewijs van uwe onschuld kunnen aanvoeren?
-
---Ik was nog een kind, te jong om aan een moord te denken. Gratus was
-mij geheel vreemd. Als ik hem had willen dooden zou ik een ander uur en
-een andere plaats hebben uitgekozen. Hij reed te midden van zijne
-troepen, en het was helder dag. Ik zou niet hebben kunnen ontkomen. Ik
-behoorde tot een geslacht, dat met Rome op goeden voet stond. Mijn vader
-was door den keizer met onderscheiding behandeld, om de diensten, die
-hij den staat bewezen had. Wij hadden een groot fortuin te verliezen.
-Niet alleen ik, maar ook mijne moeder en zuster zouden moeten boeten.
-Ik had geen reden om zulk een misdaad te begaan, en de gedachte aan huis,
-familie, geweten, Wet, zou mijne hand hebben tegengehouden, al was de
-begeerte ook nog zoo sterk in mij geweest. Ik was niet krankzinnig. De
-dood was te verkiezen boven de schande en, geloof mij, zoo denk ik er
-nog over.
-
---Wie was bij u, toen de procurator getroffen werd?
-
---Ik was op het dak van ons huis. Tirza was bij mij. Zij stond naast
-mij. Ik leunde over de borstwering om de soldaten te zien voorbijgaan.
-Een losgeraakte steen kantelde door de drukking van mijne hand, en viel
-op Gratus. Ik was doodelijk ontsteld.
-
---Waar was uwe moeder?
-
---Beneden in haar kamer.
-
---Wat is van haar geworden?
-
-Ben-Hur balde de vuisten en hijgde naar adem. Ik weet het niet. Ik zag
-dat zij haar meesleurden--dat is alles. Alle levende ziel werd uit het
-huis verdreven, zelfs het stomme vee, en de poorten werden verzegeld. De
-bedoeling was dat zij er niet meer zou terugkomen. Waar is zij? O, dat
-ik het wist! Zij ten minste had er geen schuld aan. Ik kan vergeven,--maar
-'t is waar, een slaaf moet maar zwijgen van vergeven of van wraak nemen.
-Ik ben levenslang tot de galeien veroordeeld.
-
-Arrius luisterde aandachtig. Hij riep al zijne ondervinding met slaven
-te hulp. Als dit comediespel was, dan was de Jood een geboren acteur;
-maar was hij werkelijk onschuldig, met welk een blinde woede was men dan
-tegen hem te werk gegaan! Een gansche familie weggevaagd, om voor een
-ongeluk te boeten. Dat ging te ver.--De tribuun was een zeer streng man;
-maar hij was ook rechtvaardig. Zijne onderhoorigen noemden hem den
-goeden tribuun.
-
-In het verhaal van den jongeling was veel dat ten zijnen gunste sprak.
-Misschien kende Arrius Valerius Gratus, maar voelde hij zich niet tot
-hem aangetrokken. Misschien had hij den ouderen Hur gekend.... Hoe het
-zij, ditmaal wist de tribuun met recht wat hij doen zou. Zijne macht aan
-boord was onbeperkt. Alles noopte hem om genade te bewijzen. Hij
-geloofde den jongen roeier. Maar, zooals hij tot zichzelf zeide, er was
-geen haast bij, terwijl hij wel haast had om Cythera te bereiken. Den
-besten roeier vrij te geven, dat ging niet. Hij zou wachten, hij moest
-nog meer zien te vernemen; hij moest ten minste zeker weten dat dit
-vorst Hur was, en dat hij een goede inborst had. Gewoonlijk waren slaven
-leugenaars.
-
---Het is goed, zeide hij, gij kunt gaan.
-
-Ben-Hur boog, zag nog eenmaal zijnen gebieder aan, maar ontdekte niets
-dat hem hoop kon geven. Langzaam wendde hij zich af, keek nog eenmaal om
-en zeide: Indien gij bij geval weder aan mij denken mocht, edele tribuun,
-wil u dan vooral herinneren, dat ik alleen om tijding gevraagd heb van
-mijne moeder en zuster.
-
-Hij ging. Arrius volgde hem met bewonderende blikken. Bij alle goden,
-dacht hij, met een weinig leiding zou hij in de arena kunnen schitteren.
-Wat een looper! Welk een arm voor het zwaard!--Halt! riep hij luid.
-
-Ben-Hur bleef staan. Wat zoudt gij doen als gij vrij waart? vraagde de
-tribuun.
-
---De edele Arrius spot met mij, antwoordde de jongeling met bevende
-lippen.
-
---Neen, bij alle goden, neen!
-
---Dan wil ik u gaarne antwoorden. Voor alle dingen zou ik mijn plicht
-doen. Ik zou mijzelven geen rust gunnen, voordat ik mijne moeder en
-Tirza weder thuis gebracht had. Iederen dag, ja ieder uur zou ik aan
-haar geluk wijden. Ik zou haar dienen, trouwer dan de trouwste slaaf.
-Zij hebben veel verloren; maar bij den God mijner vaderen, ik zou haar
-meer terugbezorgen!
-
-Zulk een antwoord had de Romein niet verwacht. Hij aarzelde een
-oogenblik. Maar, zeide hij, als uwe moeder en zuster dood waren, of niet
-gevonden konden worden, wat zoudt gij dan doen?
-
-Het gelaat van Ben-Hur werd met een doodelijken bleekheid overtogen. Hij
-staarde in de golven. Hij scheen een zwaren strijd te strijden. Toen hij
-tot bedaren gekomen was vraagde hij: Welk beroep ik zou kiezen?
-
---Ja.
-
---Tribuun, ik zal u naar waarheid antwoorden. Den avond voor dien
-vreeselijken dag had mijne moeder mij toegestaan soldaat te worden. Daar
-wensch ik bij te blijven, en daar er in de geheele wereld slechts eene
-leerschool is, zou ik daar heengaan.
-
---De arena! riep Arrius.
-
---Neen, een Romeinsch kamp.
-
---Maar gij moet toch eerst de wapenen leeren hanteeren.
-
-Het is altijd gevaarlijk voor een meester een slaaf raad te geven.
-Arrius zag dadelijk zijne fout en veranderde van toon. Ga nu, zeide hij,
-en bouw geen hoop op wat wij nu verhandeld hebben. Wie weet of ik mij
-misschien wat met u heb willen vermaken. Of--indien gij er toch met hoop
-voor de toekomst aan denken wilt, kies dan tusschen den roem van een
-gladiator en den dienstplicht van een soldaat. Het eerste kan de gunst
-des keizers u bezorgen, als soldaat hebt gij op niet te hopen. Gij zijt
-geen Romein. Ga!
-
-Twee minuten later zat Ben-Hur weder op zijne plaats. Het zwaarste werk
-wordt gemakkelijk als het hart luchtig is. Het roeien viel Juda niet
-meer zoo hard. Een straal van hoop was in zijne ziel gevallen. Hij kon
-het niet onder woorden brengen, maar zijn gevoel zeide hem dat hij zich
-niet bedroog. Telkens als de waarschuwing van den tribuun: misschien heb
-ik mij met u willen vermaken,--hem voor den geest kwam, verdreef hij
-haar. Dat de groote man hem geroepen had en hem zijne geschiedenis had
-laten vertellen was het voedsel, waarmee hij zijn hongerige ziel voedde.
-Ja zeker, er zou iets goeds uit voortkomen. Hoopvol en dankbaar bad hij:
-o God, ik ben een echte zoon van het volk Israel, dat gij zoozeer bemind
-hebt. Help mij, o help mij!
-
-
- * * * * *
-
-
-VIERDE HOOFDSTUK.
-
-EEN LICHTSTRAAL
-
-
-In de baai van Antemona, ten oosten van het eiland Cythera, lagen de
-honderd galeien bijeen. De tribuun wijdde een dag aan de inspectie der
-vloot. Toen vertrok hij naar het eiland Naxos, het grootste van de
-Cycladen, dat halverwege de kust van Griekenland en Azie als een rots in
-zee omhoog rijst. Hier kon geen enkel voorbijzeilend schip aan zijn oog
-ontsnappen, en kon hij tevens de zeeroovers dadelijk nazetten, hetzij
-zij zich in de Egeische of in de Middellandsche zee vertoonden. Terwijl
-de vloot in goede orde koers zette naar de rotsachtige oevers van het
-eiland, kwam van het noorden een galei aanzeilen. Arrius ging haar te
-gemoet. Zij kwam rechtstreeks van Byzantium, en haar bevelhebber kon hem
-de bijzonderheden mededeelen, die hij noodig had te weten.
-
-De zeeroovers waren allen geboortig van de verder gelegen kusten der
-Zwarte zee. Zelfs Tanais was vertegenwoordigd. Met de grootste
-geheimzinnigheid hadden zij hunne toebereidselen gemaakt. Onverwachts
-hadden zij zich in den Tracischen Bosphorus vertoond, en de daar
-liggende vloot verbrand. Vandaar tot aan de Hellespont waren alle
-mogelijke schepen hun in handen gevallen. Hun eskader bestond uit zestig
-goed bemande en goed uitgeruste galeien. De bevelhebber was een Griek.
-Ook de loodsen, op al de Oostelijke zeeen goed bekend, waren Grieken.
-Zij hadden ongeloofelijk veel buit behaald, zoodat niet alleen op zee,
-maar ook in de steden angst en schrik heerschten. De handel stond bijna
-geheel stil.
-
-Waar bevonden de zeeroovers zich thans?
-
-Op deze vraag, voor Arrius van het meeste gewicht, kreeg hij nu het
-antwoord.
-
-Nadat de vijand Hephestia op het eiland Lemnos geplunderd had, was hij
-overgestoken naar de Thessalische eilanden en tusschen Euboea en Hellas
-verdwenen.
-
-Zoo luidde het bericht.
-
-Door het zeldzaam schouwspel uitgelokt hadden de bewoners van het eiland
-Naxos zich aan de kust verzameld en zagen zij Arrius' schoone vloot
-eensklaps den steven noordwaarts wenden. Zij hadden het stout bestaan
-der zeeroovers vernomen, en toen zij de witte zeilen naoogden grepen zij
-moed. Wat Rome met sterke hand vasthield verdedigde zij ten allen tijde;
-als tegengift voor de opgelegde schatting, gaf zij hare schatplichtigen
-bescherming en veiligheid.
-
-De tribuun was meer dan tevreden. De fortuin was hem gunstig. Zij had
-hem niet alleen dadelijke en zekere inlichtingen verschaft, maar ook
-zijne vijanden in een vaarwater gelokt, waar dood en verderf hen
-wachtte. Hij wist welke schade een enkele galei op een zee als de
-Middellandsche kon veroorzaken, en hoe bezwaarlijk zulk een galei te
-achterhalen en aan te vallen was. Hij wist ook, dat juist die
-omstandigheden zijn roem verhoogen zouden, indien het hem gelukte met
-een enkelen slag de vijandelijke vloot te vernielen.
-
-Als de lezer een kaart van Griekenland en de Egeische zee voor zich
-neemt, zal hij zien dat het eiland Euboea zich als een bolwerk tegen
-Azie in de lengte langs de Grieksche kust uitstrekt, zoodat het kanaal
-tusschen vasteland en eiland bij een lengte van honderdtwintig mijlen
-nauwelijks acht breed is. De bocht in het noorden had eenmaal de vloot
-van Xerxes geborgen, thans hadden de overmoedige zeeroovers er zich
-genesteld. De steden langs den oever waren rijk en beloofden een
-kostelijken buit. Alles wel beschouwd meende Arrius te ogen aannemen,
-dat de roovers ergens ten zuiden van de Thermopylen zouden te vinden
-zijn. In dat geval kon hij niet beter doen, dan hen in het noorden en
-zuiden in te sluiten, maar dan ook zonder een minuut te verliezen. Hij
-zette dus tot den meest mogelijken spoed aan, met het gevolg dat zij nog
-voor den nacht den berg Ocha in het gezicht kregen en de loods de kust
-van Euboea meldde.
-
-Op een gegeven teeken lieten de roeiers hunne riemen rusten. De tribuun
-verdeelde de vloot in twee deelen, ieder van vijftig galeien. De eene
-helft voerde hijzelf aan, om er het kanaal mede in te varen, terwijl de
-andere bevel kreeg zoo snel mogelijk het eiland aan de zeezijde om te
-varen en het kanaal aan den bovenkant in te sluiten.
-
-'t Is waar, geen van de afdeelingen had over zooveel mannen te beschikken
-als de vijand; maar zij hadden toch iets op dezen voor, onder anderen de
-strenge tucht, waaraan bij de bandeloozen troep, hoe onverschrokken ook,
-niet gedacht kon worden. Voorts rekende de tribuun er op, dat, zoo bijgeval
-de eene helft de nederlaag moest lijden, de andere den vijand in den rug
-zou aanvallen en gemakkelijk overmeesteren kon.
-
-Ben-Hur was op zijne plaats en werd iedere zes uur afgelost. De rust in
-de baai van Antemona had hem goed gedaan, zoodat het roeien hem niet
-vermoeide, en de hortator geen reden tot klagen had.
-
-Over het algemeen waardeert de mensch veel te weinig het rustig gevoel,
-dat hij smaakt, als hij een vast doel voor oogen heeft. Blindelings op
-een onbekend punt af te gaan is verschrikkelijk. De gewoonte had bij
-Ben-Hur dat gevoel slechts in slaap gesust, en dan nog maar ten deele.
-Als hij zoo uur op uur, soms dagen en nachten achtereen, op de
-onmetelijke wateren voortroeide, verlangde hij altijd te weten waar hij
-was en waarheen hij ging; maar na zijn onderhoud met den tribuun was dat
-verlangen veel levendiger, en nieuwe hoop bezielde hem. Het was hem als
-hoorde hij ieder geluid op het schip; hij luisterde er naar, alsof het
-zoovele stemmen waren, die hem iets kwamen vertellen. Hij zag naar het
-traliewerk boven zijn hoofd, en staarde in het licht dat hem zoo schaars
-werd toegemeten, verwachtende--hij wist zelf niet wat. Meer dan eens
-voelde hij een onweerstaanbaren lust om den hortator iets toe te roepen,
-wat natuurlijk ten strengste zou gestraft worden.
-
-Gedurende zijn langen diensttijd had hij geleerd uit het spel der
-zonnestralen af te leiden welken koers de galei nam. Die kennis was hem
-te pas gekomen na hun vertrek van Cythera. Daar hij in de meening
-verkeerde, dat zij in de richting van zijn vaderland zeilden, gaf hij
-nauwkeurig acht op iedere afwijking. De plotselinge wending naar het
-noorden deed hem smartelijk aan. De oorzaak kon hij in de verste verte
-niet bevroeden; want evenmin als de andere roeiers kende hij het doel
-der vaart en had daar ook niet het minste belang bij. Zijn plaats was op
-de roeiersbank, en daar bleef hij, hetzij zij voor anker lagen, of onder
-zeil waren. Eenmaal in deze drie jaren had hij het dek mogen betreden,
-en dat was geweest, toen de tribuun hem ontboden had. Hij wist niet dat
-zijn galei de aanvoerster was van een schoone, goed geordende vloot,
-wier roeiers op hunne beurt even onwetend waren als hij.
-
-Toen de zon haar laatste stralen in de kajuit wierp, ging het nog steeds
-noordwaarts. Het werd nacht, en nog kon Ben-Hur geen verandering
-bespeuren. Van het verdek drong een sterke wierookgeur tot hem door.
-
---De tribuun offert bij het altaar, dacht hij. Zouden wij misschien
-slaags raken?
-
-Hij luisterde scherp toe. Hij had reeds verscheidene zeeslagen mee
-doorgemaakt, zonder er een gezien te hebben. Boven zijn hoofd had hij
-den strijd hooren woeden, zoodat hij met ieder geluid vertrouwd was
-geworden. Dus kende hij ook de verschillende toebereidselen voor den
-slag, waarvan zoowel bij Romeinen als Grieken het offeren aan de goden
-een der eerste was. De plechtigheid verschilde niet van die der
-offerande bij een afvaart, en zoodra hij ze in volle zee bespeurde wist
-hij waaraan zich te houden.
-
-Een slag had voor hem en zijne mederoeiers een eigenaardig belang; een
-nederlaag toch kon verandering brengen in hun toestand, hen misschien
-wel bevrijden, in ieder geval andere meesters geven, die wellicht minder
-zware diensten van hen zouden vorderen.
-
-Op den gewonen tijd werden de lichten ontstoken en bij de trappen
-opgehangen. De tribuun daalde van het verdek af. Op zijn bevel trokken
-de mariniers hunne wapenrusting aan. De werktuigen werden nagezien,
-speren, werpspietsen en pijlen werden in groote hoopen op den grond
-gelegd, benevens kruiken met ontvlambare olie en manden vol katoenen
-ballen. En toen Ben-Hur ten slotte zag, dat de tribuun zijn platform
-besteeg, zijn wapenrok aantrok, zijn helm en schild gereed hield,
-begreep hij goed geraden te hebben. Thans wachtte hem nog de zwaarste
-vernedering van zijne dienstbaarheid.
-
-Aan iedere roeiersplaats ging een ketting, van zware ringen voorzien.
-Van nummer tot nummer gaande legde de hortator den roeiers ketenen aan
-de voeten, zoodat zij in geval van tegenspoed geen kans van ontvluchten
-hadden.
-
-De ongelukkigen voelden de schande diep. Ben-Hur zeker het diepst. Wat
-zou hij niet hebben willen doen, om dat te kunnen ontgaan! Weldra meldde
-hem het naderend gerinkel dat hij aan de beurt kwam,--zou de tribuun
-misschien voor hem in de bres springen?
-
-Men moge die gedachte aan ijdelheid toeschrijven, zeker is, dat zij hem
-op eens in beslag nam. Hij geloofde, dat de Romein voor hem een
-uitzondering zou maken, in ieder geval zou hij nu de ware gezindheid van
-den tribuun leeren kennen. Als hij in dit gewichtig oogenblik aan den
-armen slaaf dacht, zou Ben-Hur weten, dat de Romein hem boven zijn
-lotgenooten stelde, zou hij weten dat zijne hoop hem niet bedrogen had.
-
-Ben-Hur wachtte in de grootste spanning. Die paar minuten schenen hem
-een eeuwigheid toe. Bij iederen riemslag keek hij naar den tribuun, die,
-na zich gekleed te hebben, op zijn rustbank ging liggen om te slapen.
-Toen Nummer 60 dat zag lachte hij bitter en besloot niet meer dien kant
-uit te zien.
-
-De hortator kwam naderbij. Nu was hij bij Ben-Hurs buurman--het rinkelen
-der ketenen klonk hem afschuwelijker dan ooit in de ooren. Eindelijk N deg..
-60. Met de kalmte der wanhoop liet Ben-Hur de riem rusten en stak den
-beambte zijn voet toe. Daar bewoog zich de tribuun--kwam overeind--wenkte
-den hortator.
-
-Het hart van den jongeling klopte tot berstens toe. De tribuun liet zijn
-oog op hem rusten. Ben-Hur nam zijnen riem weder op, het was hem alsof
-de geheele kajuit in een lichtglans baadde. Hij verstond geen woord van
-wat gesproken werd; maar dat was ook niet noodig--de ketting bleef
-hangen, de hortator keerde naar zijne plaats terug, en begon als altijd
-de maat te slaan. Als muziek klonk hem dat geluid in de ooren, en hij
-hanteerde zijn riem zoo flink, dat de hortator naar den tribuun ging en
-glimlachend zeide: Welk een krachtsontwikkeling!--En welk een vuur!
-antwoordde de tribuun. Bij alle goden! hij moet geen ketenen dragen, leg
-ze hem nooit meer aan.--Toen hij dat gezegd had legde hij zich weder ter
-ruste.
-
-Zoo gingen eenige uren voorbij. Pijlsnel schoot de galei over het kalme
-watervlak. Die niet aan het werk waren sliepen, Arrius op zijn platform,
-de mariniers op den grond. Eenmaal, tweemaal werd Ben-Hur afgelost, maar
-hij kon niet slapen. Drie jaren zwarte nacht en eindelijk een zonnestraal!
-Een schipbreukeling en eensklaps land. In zulke oogenblikken vliedt de
-slaap. Gedragen op de vleugelen der hoop vloog hij in zijne verbeelding
-verre vooruit. Vergeten alle kommer en verdriet, have en goed terug-
-gekregen, moeder en zuster weer bij hem--dat waren de hoofdgedachten, die
-hem tot den gelukkigsten mensch maakten. Dat hij in pijlsnelle vaart
-misschien dood en verderf te gemoet ging, had voor het oogenblik geen
-vat op hem. Zijn blijdschap was zoo groot, zoo volkomen, dat in zijn
-hart geen plaats meer was voor wraak. Messala, Gratus, Rome, en al de
-bittere, martelende herinneringen aan die namen verbonden, waren hem als
-de miasmen eener aarde, waaraan hij ontrukt was, waarboven hij vrij en
-hoog in reiner sfeer zweefde.
-
-In het geheimzinnige duister, dat het aanbreken der schemering
-voorafgaat, liep op het verdek der Astrea een wachter met haastigen stap
-naar het platform van den tribuun en wekte hem uit den slaap. Arrius
-sprong op, gordde zijn zwaard aan, zette zijn helm op, nam zijn schild
-en ging tot den hoofdman der mariniers.
-
---De zeeroovers zijn vlak bij. Op, ten strijde! zeide hij en ging
-verder, kalm en vol vertrouwen, alsof hij niet twijfelde aan den uitslag.
-
-
- * * * * *
-
-
-VIJFDE HOOFDSTUK.
-
-DE ZEESLAG.
-
-
-Allen aan boord van de galei ontwaakten. De hoofdmannen begaven zich op
-hun post. De soldaten grepen naar de wapenen en werden op het verdek
-gevoerd, waar bergen van pijlen en werpspietsen reeds gereed lagen.
-Bij de middeltrap lagen de oliekruiken en vuurballen opgestapeld.
-Verscheidene lantaarns werden ontstoken; vaten werden met water gevuld.
-De afgeloste roeiers werden onder bewaking bij den hortator gebracht.
-Ben-Hur was een van hen. Boven zijn hoofd hoorde hij de laatste
-toebereidselen maken: het ophalen van het zeil, het uitspreiden van
-netten, het bekleeden van het want met ossenhuiden. Weldra werd alles
-weder stil, een stilte vol onbestemde, bange verwachting.
-
-Op een teeken van het verdek, dat den hortator door een onderofficier
-werd overgebracht, hielden de roeiers plotseling stil.
-
-Wat beteekende dat?
-
-Onder de honderdtwintig aan hunne banken geketende slaven was er zeker
-geen, die zich die vraag niet deed. Niet uit vaderlandsliefde, eerzucht,
-plichtgevoel, daar hadden zij mee afgedaan. Hulpeloos en blindelings
-gingen zij in het gevaar, en die gedachte deed hen een oogenblik
-sidderen. Wat ook gebeurde, het bracht hun geen voordeel: overwinnaars
---zij bleven wat zij waren; overwonnen--zinken of verbranden, zij moesten
-het lot van hun schip deelen.
-
-Het was hun niet vergund te vragen hoe de zaken daarbuiten stonden. En
-wie was de vijand? Als het eens vrienden, broeders, landslieden waren?
-De lezer zal begrijpen, dat de Romeinen wel gedwongen waren om bij zulke
-gelegenheden hun rampzalige roeiers aan hunne zitplaatsen te kluisteren.
-
-Thans echter hadden zij weinig tijd om aan zulke dingen te denken. Een
-geluid als van roeiende galeien achter hen trok Ben-Hurs aandacht.
-Zouden zij een vloot aanvoeren, die zich tot den aanval gereedmaakte?
-vraagde hij zichzelven.
-
-Een tweede sein kwam van het dek tot hem. De riemen gingen neer en de
-galei zette zich nauwelijks merkbaar in beweging. Doodelijke stilte
-daarbinnen, doodelijke stilte daarbuiten; toch zetten zich alle roeiers
-instinctmatig schrap voor een mogelijken schok. Zelfs de galei scheen
-den toestand te vatten, zij lag stil, alsof zij zich, een tijger gelijk,
-tot den sprong voorbereidde.
-
-In zulke oogenblikken heeft men geen begrip van tijd. Ben-Hur kon
-onmogelijk nagaan hoe groot de afstand was, dien zij afgelegd hadden.
-Eindelijk weerklonken op het verdek de trompetten, lang, vol, klaar. De
-hortator sloeg de maat sneller en sneller; de roeiers roeiden met de
-uiterste krachtinspanning. Met onvergelijkelijke snelheid schoot de
-galei vooruit. Andere trompetten deden zich hooren--alle van achteren,
-geen enkele van voren. Daar vernam men slechts een verward gedruisch van
-stemmen, een algemeen tumult. Plotseling deed zich een geweldige schok
-voelen, de roeiers voor het platform van den hortator wankelden, sommige
-vielen. De galei schoot achteruit, hervatte zich, om zich dan weer met
-onweerstaanbare kracht op den tegenstander te werpen. Een akelig
-doordringend angstgeschrei deed zich hooren, het overstemde het
-trompetgeschal en het geraas door de aanzeiling veroorzaakt. Ben-Hur
-voelde dat hunne galei een andere vernielde, in den grond boorde. Zijne
-makkers zagen elkander verschrikt aan. Een triomfkreet op het verdek--de
-Romeinen hadden gezegevierd! Maar wie waren door de zee verzwolgen? Tot
-welke natie, tot welk land behoorden zij?
-
-Geen rust, geen oponthoud! Vooruit schoot de Astrea. Enkele soldaten
-kwamen in haast naar beneden, drenkten de katoenballen met olie en
-wierpen ze nog druipend aan hunne kameraden op de trappen toe. Alsof er
-niet reeds verschrikkingen genoeg waren, zou er nu nog de woede des
-vuurs aan toegevoegd worden.
-
-Op eens helde de galei zoo sterk naar eenen kant over, dat de roeiers
-slechts met moeite hun evenwicht bewaarden. Wederom de juichtonen der
-Romeinen en de wanhopige angstkreten der overwonnenen. De groote
-enterhaken aan den voorsteven hadden een vijandelijk schip gegrepen,
-omhoog geheven, en neergesmakt in de golven.
-
-Het krijgsgeschreeuw groeide steeds aan. Rechts, links, van voren, van
-achteren, een oorverdovend rumoer. Nu en dan verkondigde een geweldig
-kraken, gevolgd door hartverscheurend gekerm, dat wederom een schip
-overzeil was en de opvarenden met de golven worstelden.
-
-De Romeinen zagen echter aan hun kant ook menigeen vallen, die dan
-bloedend, stervend naar beneden gedragen en op de grond neergelegd werd.
-Ook begon de kajuit zich langzamerhand met rook te vullen en drong een
-afgrijselijke stank van brandende voorwerpen naar beneden. Snakkend naar
-adem begreep Ben-Hur, dat zij rakelings een brandende galei voorbijgingen,
-wier vastgeketende roeiers mede in de vlammen moesten omkomen.
-
-Intusschen was de Astrea aanhoudend in beweging gebleven. Eensklaps
-echter stopte zij. De riemen werden den roeiers uit de handen geslagen,
-zijzelven vielen van de banken. Op het verdek hoorde men een vervaarlijk
-leven, vervolgens het slaags raken van twee schepen. Doodelijk
-verschrikt zagen de roeiers rond, of er ook mogelijkheid van ontkomen
-was. Te midden van de algemeene ontsteltenis werd een dood lichaam naar
-beneden geworpen en kwam vlak bij Ben-Hur terecht. Het was een
-blondgelokte barbaar uit het noorden; maar hoe kwam hij hier? Een
-ijzeren vuist had hem van het vijandelijke schip gegrepen--neen, de
-Astrea zelve moest in de handen der vijanden zijn! Vochten de Romeinen
-dus op eigen bodem?
-
-Het werd de jongen Jood koud om 't hart. Arrius was in gevaar--misschien
-kampte hij op ditzelfde oogenblik om zijn leven. Indien hij gedood werd!
-Dat verhoede de God van Abraham! Moest zijn nieuw ontloken hoop, moesten
-zijn zoete droomen hoop en droomen blijven? Moeder, zuster, huis,
-vaderland, zou hij ze dan toch nooit terugzien? Het tumult boven zijn
-hoofd groeide aan, hij zag rondom zich--niets dan verwarring trof zijn
-oog: de roeiers verlamd van schrik, soldaten niet wetende waar zich te
-bergen. Alleen de hortator bleef onverschrokken op zijn post, sloeg,
-hoewel tevergeefs, als naar gewoonte de maat, wachtend op de bevelen van
-den tribuun--een illustratie van de onovertroffen discipline, die de
-wereld had overwonnen.
-
-Dat voorbeeld had een goede uitwerking op Ben-Hur. Hij trachtte zich te
-beheerschen en na te denken. Eer en plicht deden den Romein op het
-platform blijven, maar wat had hijzelf thans met zulke beweegredenen te
-doen? De roeiersbank was hem een gruwel, en wie zou er winst bij hebben,
-indien hij als slaaf omkwam? Voor hem was te leven een plicht. Zijn
-leven behoorde moeder en zuster. Levendiger dan ooit verrezen zij voor
-het oog zijns geestes. Hij zag hoe zij de armen naar hem uitstrekten,
-hij hoorde naar smeeken. Ja, aan die roepstem moest en zou hij gehoor
-geven. Hij sprong op,--maar stond weer stil. Helaas, een Romeinsch
-vonnis hield hem gevangen. Zoolang dat niet herroepen was baatte hem
-geen ontvluchten. In de wijde, wijde wereld was geen plekje, waar hij
-veilig was, als de Keizer hem opeischte. Op het land noch op de zee kon
-hij verborgen blijven, en wettige vrijheid had hij noodig, om in Judea
-te kunnen wonen, en den kinderplicht te vervullen, waaraan hij al zijne
-krachten wilde wijden. Hoe had hij gewacht en gehoopt op die vrijspraak,
-hoe vurig om haar gebeden! En hoe lang had hij moeten wachten!
-Eindelijk, eindelijk had zij hem toegelachen in de belofte van den
-tribuun; want wat anders zou de groote man bedoeld hebben? Maar als zijn
-weldoener nu moest vallen, wat dan? De dooden komen niet terug, om de
-beloften, tijdens hun leven gedaan, te vervullen. Neen, Arrius mocht
-niet sterven. En anders--beter met hem te vergaan, dan hem als
-galeislaaf te overleven.
-
-Nogmaals zag Ben-Hur rondom zich. Nog altijd woedde de strijd daarboven,
-nog altijd waren de twee galeien handgemeen. De roeiers deden wanhopige
-pogingen om aan hunne ketenen te ontkomen, en toen dat niet gelukte
-hieven zij een akelig gehuil aan. De wachten waren niet te zien, er was
-geen tucht meer. Ben-Hur bedacht zich niet langer, hij sprong op en
-snelde weg, niet om te vluchten, maar om den tribuun te zoeken.
-
-Halverwege de trap gekomen, hoog genoeg om een blik te kunnen werpen op
-den door het vuur gekleurden hemel, de ronddrijvende wrakken, den strijd
-aan boord, de talrijke aanvallers, de weinige verdedigers, voelde hij
-plotseling de trap onder zijne voeten uiteenslaan, zoodat hij ruggelings
-op den grond geworpen werd. Nog voordat hij zich op kon richten werd de
-bodem van het vaartuig vaneengereten, de kokende, bruisende golven
-stroomden naar binnen en verzwolgen allen.
-
-Of de jongeling in dezen uitersten nood iets tot zijne redding kon
-aanwenden valt te betwijfelen. Hoewel hij behalve zijn natuurlijke
-sterkte bovendien nog de krachten bezat, welke de natuur voor zulke
-buitengewone gevallen schijnt te bewaren, kon hij noch de eene, noch de
-andere aanwenden, daar de duisternis en de woeling van het water hem
-voor het oogenblik althans zijne bezinning ontroofden. Zelfs het
-inhouden van zijn adem geschiedde onwillekeurig. De indringende golven
-wierpen hem als een blok hout in de kajuit, waar hij verdronken zou
-zijn, indien hij niet met het schip naar omhoog gerezen was. Toen hij
-zich voelde opstijgen, sloeg hij instinctmatig de handen uit naar het
-eerste het beste wat hij grijpen kon--een plank, waaraan hij zich met
-alle macht vastklemde. De tijd, dien hij onder water doorbracht, scheen
-hem oneindig langer toe, dan in werkelijkheid het geval was. Eindelijk
-voelde hij lucht. Hij haalde diep adem, schudde zich het water uit de
-oogen, werkte zich op de plank en wierp een blik in het rond.
-
-Helaas, was hem de dood door verdrinking zeer nabij geweest, thans
-waarde hij rondom hem in velerlei gedaanten.
-
-De zee was bedekt door een half doorzichtbaren nevel van rook, hier en
-daar verbroken door schitterende lichtbundels. Dat moesten brandende
-schepen zijn. Nog woedde de strijd; maar wie zegevierde? Nu en dan
-zeilden binnen zijnen gezichtskring schepen voorbij,--waren het
-Romeinsche of vijandelijke? Verderop hoorde hij hoe vijandelijke
-vaartuigen met elkander in botsing kwamen. Het dreigende gevaar was
-echter dichterbij. Toen de Astrea zonk bevond zich, zooals wij weten, op
-het verdek niet alleen haar eigen bemanning, maar ook die van de twee
-galeien, die haar te gelijk hadden aangevallen en met haar naar de
-diepte waren gegaan. Van die velen dreven verscheidene te zamen naar de
-oppervlakte en zetten daar den strijd weer voort. Elkander vasthoudend
-in doodelijke omarming, of ook wel met zwaard of spies de een den ander
-onschadelijk trachtend te maken, hielden zij het water aanhoudend in
-beweging. Maar dat niet alleen. Hij begreep heel goed, dat de eerste de
-beste in staat zou zijn om hem dood te slaan ter wille van de plank die
-hem vlot hield. Hij moest dus trachten zoo spoedig mogelijk weg te
-komen.
-
-Op eens hoorde hij riemslagen en zag hij een galei op zich afkomen. De
-hooge voorsteven scheen hem dubbel hoog toe; de weerkaatsing van het
-roode schijnsel op het verguldsel en beeldhouwwerk deed haar op een
-reusachtige slang gelijken. Hij schoof de plank, zwaar en onhandelbaar
-als zij was, met alle kracht voort. De tijd was kostbaar, een halve
-seconde kon hem redding brengen, of in 't verderf storten.
-
-Daar dook eensklaps binnen armslengte een helm uit de baren op,
-vervolgens twee handen met uitgespreide vingers, groote sterke handen,
-die wat zij eenmaal gegrepen hadden niet licht zouden loslaten. Ben-Hur
-keerde zich verschrikt af. Nu kwam het geheele hoofd boven, vervolgens
-de armen, die woest om zich heen sloegen. Het hoofd viel achterover,
-zoodat het gelaat zichtbaar werd. De mond was wijd open, de oogen ook,
-maar het licht scheen er uit geweken te zijn, een akelige bleekheid deed
-vermoeden, dat de dood nabij was. Toch uitte Ben-Hur een kreet van
-vreugde, en toen de drenkeling weder dreigde te verzinken greep hij de
-ketting vast, die den helm onder de kin bevestigde, en trok hem naar
-zich toe. Hij had in den bewustelooze Arrius den tribuun herkend.
-
-Een tijdlang borrelde en schuimde het water geweldig, zoodat Ben-Hur
-alle krachten moest inspannen, om zijn plank niet te verliezen en tevens
-het hoofd van de Romein boven water te houden. De galei was voorbijgeroeid
-zonder hen te raken. Dwars door zwemmende soldaten heen, over gehelmde en
-ontbloote hoofden zette zij haren tocht voort. Een dof geraas, een luid
-geschreeuw deed Ben-Hur omzien, en wat hij zag vervulde hem met een zekere
-bevrediging: de Astrea was gewroken.
-
-De strijd was nog niet beeindigd, maar de tegenstand veranderde in
-algemeene vlucht. Wie hadden gezegevierd? Ben-Hur voelde dat zijne
-vrijheid en het leven van den tribuun grootendeels daarvan afhingen.
-Hij schoof den Romein de plank onder het lichaam, totdat zij hem droeg,
-waarna hij alleen te zorgen had, dat zijn beschermling er niet afgleed.
-Het was nu volkomen dag geworden. Links zag hij land, maar te ver
-verwijderd om het te kunnen bereiken. Hier en daar dreven
-schipbreukelingen als hij, en verkoolde of nog rookende wrakken.
-Verderop dreef een verlaten galei, het zeil aan flarden gereten; nog
-verder bewegelijke stippen, die, naar hij dacht, vluchtende of
-achtervolgende schepen konden zijn.
-
-Zoo ging een uur voorbij. Zijne bezorgdheid nam toe. Als niet spoedig
-hulp opdaagde moest Arrius sterven. Gedurig vreesde Ben-Hur dat hij
-reeds dood was, hij lag zoo stil. Hij deed hem den helm af, gespte toen
-met groote moeite het harnas los, en bevond dat het hart nog klopte,
-schoon zwak en onregelmatig. Dat gaf hem nieuwen moed om vol te houden.
-Er was niets voor hem te doen dan te wachten, en naar de gewoonte zijns
-volks te bidden.
-
-
- * * * * *
-
-
-ZESDE HOOFDSTUK.
-
-VRIJ.
-
-
-Eindelijk sloeg Arrius tot groote vreugde van Ben-Hur de oogen op en
-keerden de levensgeesten weder. Zoodra hij spreken kon en na eenige
-vragen vernomen had door wien en hoe hij gered was, herinnerde hij zich
-alles van den geleverden slag. Het onzekere van de overwinning en de
-langdurige rust, indien hier van rust sprake kan zijn, deden het hunne
-om hem geheel tot bezinning te brengen. Na een poosje werd hij zeer
-spraakzaam.
-
---Ik zie, zeide hij, dat onze redding afhangt van den uitslag van den
-strijd. Ik begrijp ook wat gij voor mij gedaan hebt. Gij hebt mij het
-leven gered met gevaar voor uzelven. Dat erken ik gaarne, en wat ook
-gebeuren moge, ik dank er u van harte voor. Als de fortuin mij gunstig
-is en wij goed en wel dit gevaar te boven komen, zal ik u toonen hoe een
-Romein van aanzien en macht zijn dankbaarheid bewijst. Maar het staat
-nog te bezien, of gij mij, in weerwil van uw goede bedoeling, werkelijk
-een dienst hebt bewezen. Daarom zou ik u de belofte willen afnemen, dat
-gij mij, zoo noodig, de grootste weldaad bewijzen zult, die de een
-mensch den ander bewijzen kan--wilt gij mij dat beloven?
-
---Als het niets ongeoorloofds is al ik het doen, antwoordde Ben-Hur.
-
-Arrius bleef een oogenblik in gepeins verzonken.
-
---Zijt gij werkelijk een zoon van Hur, den Jood? vraagde hij op eens.
-
---Ja, heer.
-
---Ik heb uw vader gekend.
-
-Juda kwam wat dichter bij den tribuun, daar diens stem nog zwak was. Hij
-luisterde met gespannen aandacht, en meende niet anders, of hij zou nu
-berichten van huis krijgen.
-
-Ik kende hem, had hem lief, vervolgde Arrius.
-
-Weder zweeg hij. Zijne gedachten schenen af te dwalen.
-
---Het is onmogelijk, begon hij weer, dat gij, zijn zoon, niet gehoord
-zoudt hebben van Cato en Brutus. Dat waren groote mannen, en nooit
-grooter, dan in de ure van hunnen dood. Stervende lieten zij deze wet
-na. Een Romein mag zijn geluk niet overleven.--Luistert gij?
-
---Ik luister.
-
---De edelen van Rome zijn gewoon een ring te dragen. Zoo ook ik. Neem
-hem van mijn vinger.
-
-Hij stak Juda zijn hand toe, de jonkman voldeed aan zijn verzoek.
-
---Steek hem nu aan je eigen vinger.
-
-Ben-Hur gehoorzaamde.
-
---Dat kleinood kan u van dienst zijn, vervolgde de tribuun. Ik bezit een
-aanzienlijk vermogen. Zelfs in Rome ga ik voor rijk door. Ik heb geen
-familie. Toon den ring aan mijn zaakwaarnemer, gij zult hem in een villa
-bij Misenum vinden. Vertel hem hoe hij in uwe handen kwam en eisch van
-hem zooveel gij verlangt, of alles; hij zal u niets weigeren. Blijf ik
-leven, dan zal ik nog meer voor u doen. Ik zal u uwe vrijheid bezorgen
-en u aan uw volk en familie teruggeven; of wel, gij kunt u de loopbaan
-kiezen, die u het meest toelacht. Hebt gij mij begrepen?
-
---Volkomen.
-
---Welnu, beloof mij dan wat ik u vragen zal. Beloof het bij alle goden.
-
---Neen, edele tribuun, ik ben een Israeliet.
-
---Bij uw God dan, of doe het in den vorm, dien uwen geloofsgenooten de
-heiligste is. Beloof mij, dat gij doen zult wat ik vragen zal. Ik wacht
-uw antwoord. Beloof het mij.
-
---Edele Arrius, uwe woorden doen mij vermoeden, dat er iets zeer
-gewichtigs zal volgen. Zeg mij eerst wat gij verlangt.
-
---Zult gij het mij dan beloven?
-
---Ik kan mij vooruit tot niets verbinden.--O tribuun, gezegend zij de
-God mijner vaderen! daar komt een galei.
-
---Uit welken hoek?
-
---Uit het noorden.
-
---Kunt gij haar nationaliteit herkennen?
-
---Neen, ik heb altijd op de roeiersbank gezeten.
-
---Heeft zij een vlag in top?
-
---Ik kan er geen zien, het is nog te ver af.
-
-Arrius zweeg eenige oogenblikken. Ten laatste vraagde hij: Houdt de
-galei nog koers hierheen?
-
---Ja.
-
---Kunt gij nu de vlag onderscheiden?
-
---Zij heeft geen vlag.
-
---Een ander kenteeken soms?
-
---Een zeil. Het is een drieriemige galei, zij gaat zeer snel, dat is al
-wat ik er van zeggen kan.
-
---Een Romeinsche galei zou, als zij overwinnaar was, verscheidene
-vlaggen in top voeren. Dit moet dus een vijandelijke zijn. Luister nu
-goed naar mij, terwijl het nog tijd is. Als die galei een zeeroover is
-zijt gij veilig. Zij zullen u wel niet uwe vrijheid hergeven, u
-waarschijnlijk weer op de roeiersbank zetten, maar zij zullen u niet
-dooden. Ik daarentegen--
-
-De tribuun aarzelde. Bij alle goden, zeide hij daarna op vasten toon, ik
-ben te oud om het verlies van mijne eer te overleven. Laat men in Rome
-vertellen hoe Quintus Arrius, omringd door vijanden, met zijn schip in
-de diepte verzonk, zooals dat een Romeinschen tribuun betaamt. Hoor nu
-wat ik van u verlang. Als de galei een vijandelijke is, stoot mij dan
-van de plank in zee en verdrink mij. Hoort gij? Zweer mij dat gij het
-doen zult.
-
---Dat zweer ik niet, zeide Ben-Hur beslist, en ik ben evenmin van zins
-zulk een daad te bedrijven. De wet, waaraan ik onderworpen ben, stelt
-mij aansprakelijk voor uw leven. Neem den ring terug,--hij trok hem van
-zijn vinger,--neem hem terug,--met al uwe beloften. Het vonnis, dat mij
-levenslang tot de galeien veroordeelde, heeft mij tot een slaaf gemaakt,
-en toch ben ik geen slaaf. Maar ik ben evenmin uw vrijgelatene. Ik ben
-een zoon van Israel, en op dit oogenblik mijn eigen meester. Neem den
-ring terug.
-
-Arrius verroerde zich niet.
-
---Gij weigert? vraagde Juda. Dan geef ik uw geschenk aan de zee, niet in
-toorn, niet in drift; maar om mij zelven vrij te maken van een vreeselijke
-verplichting.
-
-Dit zeggende slingerde hij den ring verre van zich. Arrius hoorde hem
-vallen en zinken, maar zag niet op.
-
---Gij hebt dwaselijk gehandeld, zeide hij, zeer dwaas. Ik kan immers ook
-zonder uwe hulp sterven, en als ik dat doe, wat zal er dan van u worden?
-Die besloten heeft in den dood te gaan, sterft liever door de hand van
-een ander, om de eenvoudige reden, dat de ziel, welke wij volgens Plato
-bezitten, in opstand komt tegen zelfvernietiging; dat is alles. Als de
-galei een zeeroover is verlaat ik deze wereld. Mijn besluit staat vast.
-Ik ben een Romein. Goed, geluk en eer gaan boven alles. Toch zou ik
-gaarne van dienst zijn geweest; maar gij hebt niet gewild. De ring was
-in dit geval het eenige, dat mijn laatsten wil staven kon. Wij zijn
-beiden verloren. Ik zal sterven, het betreurende dat de overwinning en
-de roem mij ontgaan zijn. Gij zult nog een poosje leven, om dan eveneens
-te sterven, met berouw in 't hart, omdat gij door deze dwaasheid uwe
-kinderplichten ongedaan hebt moeten laten. Ik beklaag u.
-
-Ben-Hur begreep de gevolgen van zijne daad beter dan te voren. Toch
-berouwde zij hem niet.
-
---In de drie jaren van mijne dienstbaarheid, o tribuun, waart gij de
-eerste die mij vriendelijkheid bewees.--Neen, neen, er was nog een
-ander!
-
-Zijne oogen werden vochtig, want op eenmaal stond het beeld hem voor den
-geest van den jongen man, die hem bij de bron te Nazareth te drinken had
-gegeven.
-
---Maar, vervolgde hij, gij waart de eerste, die mij gevraagd heeft wie
-ik was; en al heb ik er ook, toen ik u uit de golven omhooghief, aan
-gedacht, dat gij mij uit mijne ellende kondt verlossen, toch redde ik u
-niet uit zelfzucht. Ik hoop dat gij mij zult willen gelooven.
-Daarenboven doet God mij thans duidelijk inzien, dat het doel waarnaar
-ik streef alleen langs wettigen weg te bereiken is. Ik wil liever met u
-sterven, dan uw dood op mijn geweten hebben. Ik ben even vastbesloten
-als gij. Al boodt gij mij geheel Rome, o tribuun, en al stond het in uwe
-macht dat aanbod tot werkelijkheid te maken, ik zou u toch niet dooden.
-Uw Cato en Brutus waren kinderen, vergeleken met den Hebreer, wiens
-wetten een Jood gehoorzamen moet.
-
---Maar mijn verzoek. Hebt....
-
---Zelfs al beveelt gij mij u te dooden, ik zal u niet gehoorzamen.
-
-Beiden zwegen en wachtten.
-
-Ben-Hur zag gedurig naar de naderende galei. Arrius lag met gesloten
-oogen, schijnbaar onverschillig.
-
---Zijt gij er zeker van dat het een vijandelijke galei is? vraagde
-Ben-Hur.
-
---Ik vermoed het, luidde het antwoord.
-
---Zij houdt stil en zet een boot uit.
-
---Kunt gij nu de vlag zien?
-
---Is er geen ander teeken, waaraan men een Romeinsche galei herkennen
-kan?
-
---Jawel, de Romeinschen voeren een helm op den top van den mast.
-
---Dan kan ik u gelukwenschen. Ik zie den helm.
-
-Nog was Arrius er niet gerust op.
-
---De mannen in het bootje nemen schipbreukelingen op. Zeeroovers zullen
-wel niet zoo medelijdend zijn.
-
---Misschien hebben zij roeiers noodig, antwoordde Arrius, waarschijnlijk
-denkende aan de keeren, toen hij met hetzelfde doel drenkelingen
-opgevischt had.
-
-Ben-Hur volgde de bewegingen van het vreemde schip met de grootste
-nauwlettendheid.
-
---De galei gaat verder, zeide hij.
-
---Waarheen?
-
---Rechts van ons drijft een galei, waarschijnlijk is zij verlaten. Daar
-gaat de andere op af. Nu legt zij aan. Nu gaan eenige mannen aan boord.
-
-Thans deed Arrius zijn oogen open en keek met aandacht naar de galei.
-Dank uwen God, zeide hij een oogenblik later, dank uwen God, zooals ik
-mijne goden dank. Een zeeroover zou dat schip doen zinken, niet redden.
-Daardoor, en door den helm op den mast, weet ik dat het een Romeinsche
-galei is. De zege is mijn. De Fortuin heeft mij niet verlaten. Wij zijn
-gered. Wuif met de hand, roep hen, gauw! Ik word duumvir, en gij! Ik heb
-uw vader gekend en had hem lief. Hij was een vorst in den vollen zin des
-woords. Hij heeft mij geleerd, dat een Jood geen barbaar is. Ik zal u
-met mij nemen. Ik zal u als mijn zoon aannemen. Dank uwen God en roep de
-matrozen. Gauw! De vervolging moet voortgezet worden. Geen van de
-roovers mag ontsnappen.
-
-Juda richtte zich op, wuifde met de hand en riep zoo hard hij kon de
-matrozen aan. Eindelijk gelukte het hem hunne aandacht te trekken. Zij
-roeiden op hem toe en namen de beide schipbreukelingen op.
-
-Arrius werd met alle mogelijke eerbewijzen op de galei ontvangen. Hij
-liet zich den afloop van het gevecht tot in de kleinste bijzonderheden
-verhalen. Nadat men alle nog levende drenkelingen gered en den buit
-geborgen had, liet hij opnieuw de commandantsvlag ontplooien en spoedde
-zich noordwaarts, om zich bij de vloot te voegen en de overwinning
-volkomen te maken. Volgens zijne berekening kwamen de vijftig schepen
-het kanaal van de noordzijde juist bijtijds inzeilen, en sneden de
-vluchtelingen den pas af, zoodat geen enkele ontkwam. Twintig
-vijandelijke galeien werden als buit medegevoerd, hetgeen den roem des
-overwinnaars niet weinig verhoogde.
-
-Bij zijne terugkomst te Misenum werd Arrius met de grootste geestdrift
-ontvangen. De hem vergezellende jonkman maakte weldra de nieuwsgierigheid
-van Arrius' vrienden gaande. Op hunne vragen wie hij was, vertelde de
-tribuun in warme bewoordingen hoe hij aan dien jongeling zijn leven te
-danken had, maar vermeed zorgvuldig zijn vroegere geschiedenis aan te
-roeren. Toen hij zijn verhaal geeindigd had riep hij Ben-Hur tot zich,
-vatte hem bij de hand en zeide: Lieve vrienden, dit is mijn zoon en
-erfgenaam, en daar hij eenmaal al het mijne zijn eigendom zal noemen,
-zal hij van nu af mijn naam dragen. Ik verzoek u allen hem in uwe
-vriendschap te doen deelen.
-
-Zoodra het den tribuun mogelijk was had de aanneming tot zoon geheel
-volgens de wet plaats. Zoo betoonde de Romein zijne dankbaarheid aan
-Ben-Hur en verschafte hem den toegang tot de hoogere Romeinsche kringen.
-Een maand na Arrius' terugkomst werd zijne overwinning op de zeeroovers
-glansrijk gevierd in het theater van Scaurus. De eene zijde van het
-gebouw was versierd met militaire tropeeen, waaronder de voorstevens der
-twintig vijandelijke galeien niet het minst de aandacht trokken.
-Daarboven stond in gulden letters geschreven: Veroverd op de zeeroovers
-in de golf van Euripus, door Quintus Arrius Duumvir.
-
-
- * * * * *
-
-
-BOEK IV.
-
-
- * * * * *
-
-
-EERSTE HOOFDSTUK.
-
-VIJF JAREN LATER.
-
-
-Wij zijn in de maand Juli van het jaar onzes Heeren 28, en wel in
-Antiochie, de koningin van het Oosten, en na Rome de machtigste, zoo
-niet de volkrijkste stad der wereld. Dat de buitensporige weelde en
-zedeloosheid van dien tijd zich van uit Rome over het geheele rijk
-verspreidden mag in twijfel getrokken worden. Die zich de moeite
-getroosten wil van alles nauwkeurig te onderzoeken zal tot het besluit
-komen, dat de zedenbedervende strooming van het Oosten uitging naar het
-Westen, met name van Antiochie, een der oudste zetels van Assyrische
-macht en prachtlievendheid.
-
-Een transportgalei liep, uit zee komende, den mond van den Orontes in.
-Het was voormiddag. De hitte was groot, toch waren alle reizigers op het
-dek, daaronder ook Ben-Hur.
-
-De vijf jaren, die sedert zijne bevrijding verloopen zijn, hebben den
-jongen Jood tot een krachtig man ontwikkeld. In een ruim wit kleed
-gehuld zag hij er zeer innemend uit. Reeds meer dan een uur had hij
-rustig in de schaduw van het zeil gezeten, en in dat uur hadden
-verscheidene reizigers, tot zijn eigen volk behoorende, een gesprek met
-hem trachten aan te knoopen, maar zonder te slagen. Hunne vragen had hij
-kort, schoon zeer beleefd, in de latijnsche taal beantwoord. Zijn
-beschaafde manier van spreken, zijn waardige houding, zijn
-teruggetrokkenheid schenen hunne nieuwsgierigheid in hooge mate te
-prikkelen. Daarenboven was in de uitdrukking van zijn gelaat iets dat
-den nauwlettenden beschouwer deed zeggen: die man heeft een verleden
-achter zich.
-
-De galei had in een der havens van Cyrus een Hebreer opgenomen van zeer
-fatsoenlijk, eerwaardig voorkomen. Ben-Hur voelde zich tot den man
-getrokken en deed hem een paar vragen. De antwoorden wonnen zijn
-vertrouwen, en leidden weldra tot een uitvoerig gesprek.
-
-Toen de galei van Cyprus afgevaren was achterhaalde zij twee andere
-vaartuigen, die eveneens de rivier opvoeren en zoodra zij in elkanders
-buurt waren tal van gele vlaggetjes heeschen. Iedereen wilde weten wat
-die vlaggetjes beduidden, maar niemand kon er een verklaring van geven,
-totdat een der reizigers den eerbiedwaardigen Hebreer om inlichting
-vraagde.
-
---Die vlaggetjes, antwoordde hij, dienen niet om de nationaliteit
-kenbaar te maken. Zij zijn eenvoudig het kenteeken van den eigenaar.
-
---Heeft die dan zoovele schepen?
-
---Ja.
-
---Kent gij hem?
-
---Ik heb handel met hem gedreven.
-
-De passagiers zagen den grijsaard vragend aan, als om hem tot vertellen
-te noodigen. Ben-Hur luisterde met belangstelling.
-
---Hij woont in Antiochie, vervolgde de Hebreer. Daar hij schatrijk is
-heeft men natuurlijk de oogen op hem gevestigd; maar men spreekt niet
-altijd welwillend over hem. Er heeft namelijk vroeger in Jeruzalem een
-vorst gewoond uit het aloude geslacht Hur.
-
-Juda deed zijn best om kalm te blijven, maar zijn hart begon sneller te
-kloppen.
-
---Die vorst, ging de verhaler voort, was koopman en had een zeldzaam
-scherpen blik op de zaken. Hij zette belangrijke ondernemingen op touw,
-in 't Oosten zoowel als in 't Westen. In de groote steden vestigde hij
-bijkantoren. Dat in Antiochie werd beheerd door een zekeren Simonides,
-die in weerwil van zijn Griekschen naam toch een Israeliet was. De vorst
-verongelukte op zee. De zaken werden echter voortgezet en waarlijk met
-niet minder goed gevolg. Na een paar jaren werd het gezin van den vorst
-door een zwaren slag getroffen. Zijn eenige zoon trachtte den procurator
-Gratus te dooden in de straten van Jeruzalem. De aanslag mislukte en
-sedert is hij verdwenen.
-
-De Romein wreekte zich op het geheele gezin. Niemand werd gespaard. Het
-paleis werd verzegeld, op de goederen, ja, op alles wat het huis Hur
-toebehoorde, werd beslag gelegd. De procurator heelde zijne wond met een
-gouden pleister.
-
-De passagiers lachten.
-
---Gij wilt zeggen dat hij het vermogen voor zich hield, zeide een van
-hen.
-
---Zoo zegt men, antwoordde de Hebreer. Ik deel u het verhaal mede zooals
-het mij gedaan is. Simonides dan, die hier in Antiochie de agent van den
-vorst was, begon niet lang daarna handel te drijven voor eigen rekening
-en werd binnen ongeloofelijk korten tijd een der aanzienlijkste
-handelaren van de stad. In navolging van zijn heer zond hij karavanen
-naar Indie, en thans bezit hij genoeg galeien voor een koninklijke
-vloot. Men zegt dat niets hem ooit mislukt. Zijn kameelen sterven niet
-anders, dan door ouderdom. Zijn schepen gaan nooit te gronde. Werpt hij
-een stuk hout in zee, het keert als goud tot hem terug.
-
---Hoe lang drijft hij handel voor zichzelf?
-
---Nog niet volle tien jaren.
-
---Dan moet hij met een aardigen duit op zak begonnen zijn.
-
---Ja, men zegt dat de procurator zich alleen maar van 's vorsten
-bezittingen kon toeeigenen wat voorhanden was: zijn paarden, vee,
-huizen, land, schepen, en de opgestapelde goederen. Baar geld was echter
-nergens te vinden, hoewel er onnoemelijke sommen moeten geweest zijn.
-Wat daarvan geworden is bleef een onopgelost raadsel.
-
---Niet voor mij, zeide een der reizigers met een grijnslach.
-
---Ik begrijp wat gij bedoelt, antwoordde de Hebreer. Anderen koesterden
-dezelfde gedachte. Dat de oude Simonides er zichzelven mee in de hoogte
-gewerkt heeft, wordt algemeen geloofd. De procurator was ook van dat
-gevoelen. Tweemaal in vijf jaren heeft hij den koopman gevangengenomen
-en op de pijnbank gelegd.
-
-Juda's hand klemde zich krampachtig om het touw, waartegen hij leunde.
-
---Men zegt, ging de grijsaard voort, dat zij den armen man letterlijk
-geradbraakt hebben. De laatste maal, dat ik hem zag, zat hij in een
-stoel in kussens weggedoken, als een vormlooze klomp.
-
---Hoe vreeselijk! riepen sommige toehoorders.
-
---Ja, wel vreeselijk. Ziekte kon zulk een misvorming niet teweeggebracht
-hebben. De pijnbank heeft echter niets op hem vermocht. Alles wat hij
-bezat was wettig het zijne, en hij maakte er een wettig gebruik van.
-Meer kon men niet uit hem krijgen. Tegenwoordig is hij gelukkig van alle
-vervolging ontheven. Hij heeft een verlofbrief om handel te drijven,
-door Tiberius zelf onderteekend.
-
---Daar zal hij het noodige voor hebben moeten neertellen, riep een der
-omstanders.
-
---Die schepen zijn van hem, zeide de Hebreer, de opmerking latende voor
-wat hij was. Zijne matrozen hebben de gewoonte elkander met het
-uitsteken van gele vlaggetjes te begroeten, hetgeen zooveel wil zeggen
-als: Onze reis is voorspoedig geweest.
-
-Hier eindigde het verhaal. Toen Juda een weinig later den Hebreer alleen
-vond vraagde hij: Hoe heette de principaal van dien koopman?
-
---Ben-Hur; vorst van Jeruzalem.
-
---Wat is er geworden van zijne familie?
-
---De zoon werd naar de galeien gezonden. Ik veronderstel dat hij dood
-is. Langer dan een jaar houden de galeislaven het zelden uit. Van de
-weduwe en hare dochter heeft men sedert niets meer gehoord. Zij, die er
-meer van weten, willen er zich niet over uitlaten. Waarschijnlijk hebben
-zij haar leven beeindigd in een cel van een der Romeinsche burchten van
-Judea.
-
-Juda wandelde naar de voorplecht, zoo in gedachten verzonken, dat hij
-nauwelijks acht gaf op de oevers der rivier, die op dit punt bijzonder
-liefelijk waren en omzoomd met weelderige tuinen en sierlijke
-landhuizen. De gansche omgeving baadde in zonneschijn, alleen op zijn
-leven rustte een schaduw.
-
-Eenmaal slechts waakte hij op uit zijne gepeinzen, en dat was, toen door
-een kromming van de rivier het Park van Daphne zichtbaar werd.
-
-
- * * * * *
-
-
-TWEEDE HOOFDSTUK.
-
-TE ANTIOCHIE.
-
-
-Toen men de stad in 't gezicht kreeg waren de passagiers op het dek
-bijeengekomen, om van hare schoone ligging te genieten. De bejaarde Jood
-gaf ook nu weder de gewenschte inlichtingen.
-
---De rivier keert zich hier naar het Westen, zeide hij. Ik herinner mij
-nog dat het water de wallen bespoelde; maar als Romeinsche onderdanen
-hebben wij in vrede geleefd, zoodat de handel in bloei toenam, en als
-een natuurlijk gevolg overal langs de rivier werven en dokken werden
-aangelegd. Ginds in het Zuiden ziet gij den berg Casius, of zooals men
-hier zegt, den Orontesberg, en daar tegenover in het Noorden den Amnus.
-Tusschen die beiden ligt de vlakte van Antiochie. Die bergen verderop
-zijn de Zwarte bergen, vanwaar de groote waterleiding het zuiverste
-water naar de stad voert, om de dorstige menschen te laven en de
-stoffige straten te besproeien. Het gebergte is met dichte bosschen
-bezet, die een rijke dierenwereld huisvesten.
-
---Waar is het meer? vraagde een van de reizigers.
-
---Ginds, in het Noorden. Men kan er te paard heengaan, of beter nog met
-een bootje; want het staat door een zijstroom met de rivier in
-verbinding.--Waar het Park van Daphne op lijkt? zeide hij, als antwoord
-op de vraag van een tweede. Dat kan niemand beschrijven; maar pas op.
-Apollo heeft het aangelegd en voltooid. Hijzelf geeft er de voorkeur aan
-boven den Olymp. Men gaat er heen om er een blik te werpen, slechts een,
-en men kan het niet weder verlaten. De Antiochiers hebben een spreekwijze,
-die veelzeggend is: beter een worm te zijn en moerbeibladeren te eten in
-Daphne's Park, dan gast aan 's konings tafel.
-
---Raadt gij mij dus er niet heen te gaan?
-
---Niet ik. Gij zult gaan. Iedereen gaat, cynische philosofen,
-baardelooze knapen, vrouwen, priesters, allen gaan. Zoo zeker ben ik dat
-gij gaan zult, dat ik u een raad wil geven. Neem geen logies in de stad,
-dat is tijdverlies; maar ga in eens naar het dorp, vlak bij het Park
-gelegen. De weg daarheen leidt door een tuin vol frissche fonteinen.
-Maar let nu eens op den stadsmuur, dat meesterstuk van Heraeus, den
-grooten bouwkundige.
-
-Aller oogen volgden de aanwijzing van zijn vinger.
-
---Dit gedeelte werd gebouwd door den eersten der Seleuciden. De 300
-jaren van zijn bestaan hebben het een gemaakt met de rots, waarop het
-staat.
-
-Het werk rechtvaardigde de lofspraak. Hoog, stevig en met tal van steile
-invalshoeken, boog de muur zuidwaarts, zoodat men hem niet langer volgen
-kon.
-
---De muur heeft vierhonderd torens, alle waterreservoirs, vervolgde de
-Hebreer. Kijk, over den muur heen, zoo hoog als hij is, kunt gij in de
-verte twee bergen zien, dat zijn de twee toppen van den Sulpius. Het
-gebouw op den verst verwijderden top is de citadel, jaar in jaar uit
-bezet door een Romeinsch legioen. Daar tegenover verrijst de tempel van
-Jupiter, en daaronder het paleis van den legaat, een onneembare vesting.
-
-Op dit oogenblik begonnen de matrozen het zeil te bergen.
-
---Het uur van scheiden is gekomen, zeide de grijsaard. Bij gindsche
-brug, die naar Seleucia voert, eindigt de vaart. Wat het schip ontlaadt
-voor verder vervoer neemt de kameel op. Wat is de stad gunstig gelegen,
-niet waar? Van haar behoef ik niet anders te zeggen, dan dat ieder, die
-het voorrecht had van haar te bezoeken, zich gelukkig mag noemen haar
-gezien te hebben.
-
-Hij zweeg, want de galei wendde den steven langzaam naar haar
-aanlegplaats onder den muur. Touwen werden uitgeworpen, de riemen werden
-ingehaald, de reis was beeindigd.
-
-Voordat Ben-Hur het vaartuig verliet zocht hij nog eenmaal den
-eerwaardigen Hebreer op.
-
---Mag ik u nog even iets vragen, voordat ik u vaarwel zeg?
-
-De man boog toestemmend.
-
---Wat gij ons van dien koopman hebt medegedeeld heeft mij begeerig
-gemaakt om hem te zien. Zeidet gij niet dat hij Simonides heet?
-
---Ja; hij is een Jood met een Griekschen naam.
-
---Waar kan ik hem vinden?
-
-De vreemdeling keek hem scherp aan. Toen antwoordde hij: Ik moet u eene
-teleurstelling besparen. Hij is geen geldschieter.
-
---Evenmin als ik een geldleener ben, zeide Ben-Hur lachend.
-
-De grijsaard hief het hoofd op en dacht een oogenblik na.
-
---Iedereen zou het natuurlijk vinden, zeide hij, zoo de rijkste koopman
-van Antiochie een huis bewoonde volgens zijn stand; maar hier zou men
-zich toch vergissen. Wilt gij hem een bezoek brengen, volg dan de rivier
-tot aan de brug. Daaronder woont hij in een gebouw, dat er uitziet als
-een stutbalk van den muur. Voor de deur is een breede aanlegplaats,
-altijd vol van goederen, die pas gelost zijn, of ingescheept moeten
-worden. De daar voor anker liggende schepen behooren hem toe. Gij zult
-het gemakkelijk vinden.
-
---Ik dank u.
-
---De vrede onzer vaderen zij met u.
-
---En met u.
-
-Zoo scheidden zij.
-
-Twee lastdragers namen Ben-Hurs bagage op en vraagden zijne bevelen.
-
---Naar de citadel, beval hij, waaruit men kon opmaken, dat hij een
-militaire betrekking vervulde.
-
-Twee groote straten, die elkander met een rechten hoek doorsneden,
-verdeelden de stad in vieren. Aan het einde van de eene straat verhief
-zich een vreemdsoortig gebouw, het Nymphaeum genaamd. Toen de dragers,
-daar gekomen, den hoek omsloegen, was Ben-Hur, ofschoon hij regelrecht
-van Rome kwam, verbaasd over de pracht, die zich voor zijne oogen
-ontvouwde. Rechts en links niets dan paleizen, terwijl de straat
-daartusschen van overdekte marmeren zuilengangen voorzien was, zoodat er
-afzonderlijke wegen voor voetgangers, vee, en wagens waren. Op bepaalde
-afstanden brachten ruischende springfonteinen koelte en verfrissching
-aan.
-
-Ben-Hur was niet in de stemming om van het schoone te genieten. De
-geschiedenis van Simonides vervolgde hem. Bij den Omphalus gekomen, een
-monument van vier bogen, die de straat overspanden, prachtig versierd,
-en opgericht door Epiphanes, den achtste der Seleuciden, veranderde hij
-plotseling van gedachte.
-
---Ik zal van avond niet naar de citadel gaan, zeide hij tot de dragers.
-Breng mij naar een herberg, zoo dicht mogelijk bij de brug, die naar
-Seleucia voert.
-
-De mannen sloegen den weg derwaarts in, en brachten hem weldra bij een
-eenvoudig maar ruim gebouw, vlak bij de brug waaronder Simonides woonde.
-Hij bracht den nacht op het platte dak door. Telkens en telkens
-herhaalde hij bij zichzelven: Eindelijk zal ik dan van huis hooren, van
-moeder en mijn lieve kleine Tirza. Als zij nog leven zal ik ze vinden.
-
-
- * * * * *
-
-
-DERDE HOOFDSTUK.
-
-TELEURGESTELD.
-
-
-Den volgenden morgen vroeg maakte Ben-Hur zich op, om naar Simonides te
-gaan. Een van schietgaten voorziene poort aan het einde der stad voerde
-naar een gansche reeks van werven. Door een dichte, bedrijvige menigte
-heen bereikte hij de brug, waar hij even staan bleef, om het voor hem
-zeldzaam schouwspel in oogenschouw te nemen.
-
-Ja, dat moest het huis van den koopman zijn, een grijs gebouw, geheel
-stijlloos, precies een stutbalk van den muur, alles zooals de reiziger
-gezegd had. Twee zware groote deuren verleenden toegang tot de werf. Een
-paar getraliede vierkante openingen deden dienst als vensters. In de
-voegen en spleten woekerde allerlei soort van onkruid en op sommige
-plaatsen waren de overigens kale steenen met mos bewassen.
-
-De deuren stonden open. Door de eene ging men in, door de andere uit.
-Drukte en haast spraken uit ieders bewegingen. Op de werf lagen allerlei
-soorten van goederen opgestapeld, en tal van halfnaakte slaven liepen af
-en aan. Onder de brug lag een gansche vloot van galeien ten anker,
-sommige bezig met laden, andere met lossen. Van elken mast woei een gele
-vlag.
-
-Niet lang bleef Ben-Hur daar staan. Zijn verlangen dreef hem verder.
-Eindelijk zou hij bericht van de zijnen kunnen krijgen, indien namelijk
-Simonides werkelijk in zijn vaders dienst geweest was. Maar zou de man
-hem als den zoon van zijnen heer willen erkennen? Wat toch sloot dat in?
-Afstand doen van zijne rijkdommen en van zijn stand, en weder tot den
-staat van dienstbaarheid terugkeeren. Was het niet een dwaasheid tot
-zulk een man te gaan met de eisch: Gij zijt mijn slaaf, geef mij al wat
-gij hebt en--uzelf?
-
-Het bewustzijn van zijn goed recht en de hoop op tijding van huis gaven
-Ben-Hur de kracht om zijn plan te volvoeren. Als het verhaal waar was,
-behoorde Simonides met al wat hij had hem toe. Om het geld gaf hij, dat
-moet gezegd worden, niets. Toen hij vastbesloten op de deur toetrad,
-legde hij bij zichzelven de gelofte af: Laat hij mij zeggen waar moeder
-en Tirza zijn, en ik geef hem onvoorwaardelijk zijne vrijheid terug.
-
-Met opgeheven hoofd trad hij binnen. Allereerst kwam hij in een ruim
-pakhuis, waar in volmaakte orde allerlei soorten van goederen
-opgestapeld lagen. Hoewel het er vrij duister en bedompt was, gingen
-sjouwers onophoudelijk af en aan, terwijl andere werklieden, van zaag en
-hamer voorzien, pakkisten ter verzending gereedmaakten. Langzaam liep
-hij tusschen de pakken door en vraagde zichzelven af, of de man, van
-wiens genie hier de overtuigende bewijzen waren, zijn vaders slaaf kon
-geweest zijn. Indien het antwoord toestemmend was, tot welke klasse had
-hij dan behoord? Zou hij, aangenomen dat hij een Jood was, de zoon van
-een lijfeigene geweest zijn? Of was hij een schuldenaar, of de zoon van
-een schuldenaar? Of was hij een dief en voor diefstal verkocht geworden?
-Deze overleggingen deden in het minst geen afbreuk aan de achting en
-bewondering, die hij bij al wat hij aanschouwde voor den handelaar ging
-gevoelen.
-
-Eindelijk hield een man hem staande en sprak hem aan.
-
---Wat is er van uw verlangen?
-
---Ik wenschte den handelaar Simonides te spreken.
-
---Wil mij dan volgen.
-
-De man voerde hem het geheele pakhuis door tot aan een smalle trap.
-Boven gekomen bemerkte Ben-Hur, dat hij op het dak van het pakhuis
-stond. Voor hem verrees een gebouwtje, van de kade onzichtbaar, een huis
-dus boven op een huis, en dat naast de brug onder den vrijen hemel
-verhief. Het dak, waarop hij stond, was door een lagen muur omgeven, en
-geleek wel een tuin door de keur van bloemen en gewassen, die er welig
-tierden. In die liefelijken omgeving maakte het vierkant steenen gebouw,
-welks muren, behalve door de voordeur, door geen enkelen opening
-onderbroken werden, een zonderlingen indruk. Een net onderhouden pad
-leidde tusschen bloeiende rozestruiken naar de deur. Den zoeten geur
-opsnuivend volgde Ben-Hur zijn leidsman naar binnen. Aan het einde van
-een donkere gang gekomen, hield deze stil voor een half opengeschoven
-gordijn.
-
---Een vreemdeling, die den patroon wenscht ter spreken, riep de man, om
-onzen reiziger aan te dienen.
-
-Een heldere stem antwoordde: Laat hem binnenkomen.
-
-Een Romein zou het vertrek, waarin Ben-Hur thans kwam, zijn atrium
-genoemd hebben. De wanden waren in paneelen verdeeld, die op hunne beurt
-tot een soort van kantoorlessenaars waren ingericht en vol lagen met
-dikke rollen: de kasboeken van den koopman. Tusschen en rondom de
-paneelen waren prachtig gebeeldhouwde, roomkleurige plinten aangebracht.
-Boven een rand van vergulde ballen rees de zoldering koepelvormig
-omhoog. Het bovengedeelte van den koepel was met honderde pannen van
-violetkleurig mica belegd, waardoor het licht liefelijk getemperd naar
-binnen viel. Op den vloer lag een zoo dik tapijt, dat het geluid van
-voetstappen er zich geheel in verloor.
-
-In het midden der kamer bevonden zich twee personen, een man, half
-weggedoken in de kussens van een gemakkelijken leunstoel, en een
-bevallig jong meisje. Toen hij hen zag vloog Ben-Hur het bloed naar 't
-hoofd. Hij groette hen met een beleefde buiging, maar daardoor ontging
-hem, dat de grijsaard, toen hij hem aankeek, zichtbaar ontsteld zijne
-handen omhooghief.
-
-Toen Ben-Hur de oogen weer opsloeg vond hij vader en dochter in dezelfde
-houding, behalve dat de hand van het meisje thans op den schouder van
-den ouden man rustte. Beiden zagen hem onderzoekend aan.
-
---Indien ik in u Simonides den koopman, den Jood, mag begroeten, dan zij
-de vrede van den God onzes vaders Abraham met u en de uwen.
-
---Ik ben Simonides, van wien gij spreekt, van geboorte een Jood,
-antwoordde de man met een bijzonder klankrijke stem, en ik wensch u
-eveneens dien vrede toe, u tevens verzoekende mij te willen meedeelen
-met wien ik spreek.
-
-Ben-Hur had intusschen den man nauwlettend aangezien. Ach ja, het was
-zooals zijn medepassagier hem gezegd had. Simonides, die op een forsche
-kloeke gestalte had kunnen bogen, zat thans als een vormlooze massa in
-de kussens weggezonken. Een zijden deken bedekte zijn misvormde
-ledematen. Alleen het edelgevormde hoofd deed vermoeden wat hij eenmaal
-geweest moest zijn. Witte lokken en witte wenkbrauwen verhoogden den
-gloed der donkere oogen. Het gelaat was geheel kleurloos en met vele
-rimpels doorploegd. Het was het gelaat van een man, die eer de wereld in
-beweging zou brengen, dan door haar in beweging gebracht worden; een
-man, die eer zijn leven dan een voornemen of een levensdoel zou
-opofferen; een man van staal, alleen te treffen in wat hij liefhad.
-
---Ik ben Juda, de zoon van Ithamar, in zijn leven het hoofd van het
-geslacht Hur, en vorst van Jeruzalem. Dit zeggende stak hij den oude
-beide handen toe.
-
-De rechterhand van den koopman, een uitgeteerde, misvormde hand, die op
-de deken rustte, sloot zich krampachtig; overigens bleef hij volkomen
-bedaard en gaf niet het minste teeken van verbazing of belangstelling.
-Kalm antwoordde hij: De geboren vorsten van Jeruzalem zijn altijd welkom
-in mijn huis. Gij zijt welkom. Esther, geef den jonkman een stoel.
-
-Het meisje gehoorzaamde en schoof een zetel aan, zeggende: De vrede van
-onzen God zij met u; ga zitten en rust.
-
-Ben-Hur maakte geen gebruik van den zetel; maar zeide op beleefden toon:
-Ik hoop dat de waardige Simonides mij niet voor een indringer zal
-aanzien. Gisteren naar Antiochie reizende, vernam ik dat hij mijn vader
-gekend heeft.
-
---Ja, ik heb vorst Hur gekend. Wij hebben samen handel gedreven. Maar ga
-toch zitten, bid ik u; en, Esther, breng wijn voor den jonkman. Nehemia
-spreekt van een zoon van Hur, die over half Jeruzalem regeerde; een oud
-geslacht, zeer oud. In de dagen van Mozes en Jozua vonden zij reeds
-genade in de oogen des Heeren. Ik kan niet denken, dat een hunner
-afstammelingen een beker druivennat van de echte wijngaarden van Sorek,
-geplant op Hebrons heuvelen, zal weigeren.
-
-Nog voordat hij uitgesproken had bood Esther den bezoeker een beker wijn
-aan. Ben-Hur echter maakte een afwijzende beweging. Een verwonderde blik
-trof hem uit haar donkere, zachte oogen. Zij is lief en mooi, dacht hij,
-zoo lief en mooi zou Tirza ook zijn, als zij nog leefde. Arme Tirza!
-Toen zeide hij overluid: Neen, uw vader,--hij is immers uw vader ...?
-
---Ik ben Esther, de dochter van Simonides, antwoordde zij fier.
-
---Uw vader, schoone Esther, zal wanneer hij mij ten einde toe gehoord
-heeft kunnen begrijpen, dat ik vooralsnog niet van zijnen wijn drink. En
-gij zult er mij, hoop ik, niet minder goedgunstig om aanzien. Blijf, bid
-ik u, een oogenblik naast mij staan.
-
-Het meisje deed wat haar verzocht werd.
-
---Simonides, zeide Ben-Hur op vasten toon, toen mijn vader stierf, had
-hij een vertrouwd bediende van uw naam, en mij is gezegd, dat gij die
-man zijt.
-
-Het gansche lichaam van den grijsaard trilde, krampachtig balde hij de
-vuist.
-
---Esther, riep hij op strengen toon, kom hier! Als het kind uwer ouders
-is uwe plaats hier, niet daar, hoort gij?
-
-Het meisje zag verschrikt en verbaasd eerst haar vader, toen den
-bezoeker aan. Daarop zette zij den beker op tafel en ging gehoorzaam
-naar den ziekenstoel. Simonides greep hare hand en zeide op kalme toon:
-Ik ben oud geworden voor mijn tijd door toedoen van menschen. Als hij,
-die u wat gij daar zeidet, verteld heeft, een met mijne geschiedenis
-bekend vriend is, dan moet hij u overtuigd hebben, dat ik niet anders
-dan achterdochtig kan zijn met betrekking tot mijne medemenschen. De God
-van Israel sta hem bij, die aan het einde zijns levens genoodzaakt is
-zoo te spreken. Ik heb slechts weinigen lief, maar die dan ook met mijn
-ganschen hart. Een van die--hij bracht op een onbeschrijfelijk teedere
-wijze Esthers hand aan zijne lippen--tot heden onverdeeld de mijne, was
-mij tot zulk een zoeten troost, dat ik zou sterven als zij van mij
-genomen werd.
-
-Esther boog zich over haren vader en kuste hem op het voorhoofd.
-
---De andere liefde is slechts een herinnering, waarvan ik niets anders
-zeggen zal, dan dat zij als een zegen des Heeren een geheele familie
-omvat. Wist ik, ach wist ik maar waar zij zich ophouden!
-
-Ben-Hurs gelaat werd met een donkeren blos overtogen, en een stap nader
-tredend riep hij hartstochtelijk: Mijne moeder en zuster! Die bedoelt
-gij, niet waar?
-
-Esther zag verwonderd op; maar Simonides, zichzelf meester, zeide koel:
-Hoor mij ten einde. Omdat ik ben wat ik ben, en om de liefde waarvan ik
-sprak, eisch ik van u naar recht en billijkheid de bewijzen, dat gij
-zijt voor wien gij u uitgeeft. Daarna zal ik uwe vraag betreffende mijne
-verhouding tot vorst Hur beantwoorden. Hebt gij uwe bewijzen op schrift?
-Of brengt gij persoonlijke getuigen mee?
-
-De vraag was eenvoudig, en haar goed recht onbetwistbaar.
-
-Ben-Hur werd verlegen, stamelde een paar onsamenhangende woorden, en
-keerde zich besluiteloos af. Simonides hield aan: Geef mij de bewijzen,
-zeg ik. Leg ze mij voor, geef ze mij in handen!
-
-Maar Ben-Hur kon niets antwoorden. Aan die mogelijkheid had hij niet
-gedacht; en nu hij er voor stond, gingen zijne oogen eerst geheel open
-voor het vreeselijke feit, dat die drie jaren op de galeien alle
-bewijzen van zijne identiteit hadden weggevaagd. Nu zijne moeder en
-zuster spoorloos verdwenen waren, was er niemand, op wien hij zich kon
-beroepen. Bekenden had hij genoeg; maar dat baatte niet. Wat had zelfs
-Quintus Arrius, als hij hier bij hem was geweest, meer kunnen zeggen,
-dan waar hij hem gevonden had en dat hij voor zich overtuigd was den
-zoon van vorst Hur voor zich te zien? Maar, zooals wij straks zullen
-zien, de dappere Romeinsche krijger was niet meer. Juda had vroeger wel
-eens over zijne verlatenheid gezucht, maar nu eerst voelde hij ten volle
-wat het zegt niemand toe te behooren. Daar stond hij met gevouwen
-handen, afgewend gelaat, geheel verslagen. Simonides eerbiedigde die
-stille smart en wachtte zwijgend.
-
---Meester Simonides, zeide Ben-Hur eindelijk, ik kan u alleen mijne
-levensgeschiedenis verhalen; maar ik doe het niet, tenzij gij zoolang uw
-oordeel wilt opschorten en met goedwilligheid naar mij wilt luisteren.
-
---Spreek, zeide Simonides, ik luister te gewilliger daar ik niet ontkend
-heb, dat gij degeen zijt, voor wien gij u uitgeeft.
-
-Toen vertelde Ben-Hur in weinige, maar welsprekende woorden zijn
-wederwaardigheden. Daar wij die kennen tot aan het oogenblik van zijne
-landing te Misenum in gezelschap van Arrius, zullen wij bij dat punt
-zijn verhaal opvatten.
-
---De keizer had mijn weldoener lief, vertrouwde hem volkomen, en
-overlaadde hem met eerbewijzen. De kooplieden uit het Oosten, die hem
-hunne veiligheid dankten, brachten kostbare geschenken aan, zoodat hij
-schatten op schatten stapelde. Mag een Jood zijn godsdienst vergeten,
-of zijn geboorteland, zoo dat de heilige grond onzer vaderen is? De
-waardige Arrius nam mij geheel volgens de Romeinsche wetten tot zoon
-aan, en ik deed wat ik kon om hem mijne dankbaarheid te toonen. Nooit
-was een kind zijn vader meer onderdanig dan ik hem. Hij had mij tot
-geleerde willen maken. In kunst, philosofie, rhetorica, oratorie, zou
-hij mij de beroemste meesters gegeven hebben. Die aanbiedingen sloeg ik
-af, omdat ik een Jood was, en zoomin den Heere God kon vergeten, als
-onze groote profeten of de stad door David en Salomo gebouwd. Vraagt gij
-soms waarom ik zijne andere gaven wel aannam? Dan antwoord ik: Ik had
-hem lief, en ik hoopte eenmaal met zijne hulp den sluier op te lichten,
-die het lot van mijne moeder en zuster bedekte. Daarnevens had ik nog
-een ander doel voor oogen, waarover ik niets wil zeggen, dan dit, dat
-het mij een prikkel was om het krijgswezen grondig te bestudeeren, en
-mij in het hanteeren der wapenen te bekwamen. In worstelperk en circus
-heb ik mij dag aan dag geoefend, in het kamp niet minder, en overal heb
-ik naam gemaakt. De lauweren, die ik won--en aan de muren der villa te
-Misenum hangen er verscheidene--kwamen tot mij, als zoon van Arrius den
-duumvir, niet als den zoon mijns vaders. Alleen in mijne betrekking tot
-den Romein ben ik bij de Romeinen bekend. Tot bevordering van mijne
-plannen verliet ik Rome voor Antiochie, vast besloten om den Consul
-Maxentius in den oorlog tegen de Parthen te volgen, ten einde op het
-slagveld de hoogere kunst te leeren van de troepen ten strijde te
-voeren. De consul heeft mij toegelaten tot den kring zijner naaste
-omgeving. Maar gisteren, toen ons schip den Orontes opvoer, ontmoetten
-wij twee andere schepen, met gele vlaggen in top. Een medereiziger en
-landgenoot van Cyprus deelde ons mee, dat die schepen het eigendom waren
-van Simonides, den grootsten koopman van Antiochie. Hij vertelde ons van
-zijn wonderbaren voorspoed in den handel, van zijne vloot en karavanen,
-weinig vermoedende, dat een zijner hoorders persoonlijk het grootste
-belang stelde in hetgeen hij mededeelde. Hij zeide ook dat Simonides een
-Jood was, in vroeger jaren lijfeigene van vorst Hur. Tot besluit sprak
-hij van de wreedheden door Gratus gepleegd en het doel dier vervolging.
-
-Bij deze woorden boog Simonides het hoofd, terwijl Esther zich tegen hem
-aanvlijde, als wilde zij hem haar innig medelijden toonen. Slechts even;
-toen richtte Simonides zich weer op en zeide met heldere stem: Ik luister.
-
---Ach, goede Simonides, antwoordde Ben-Hur, terwijl zijn geheele ziel
-uit zijne oogen sprak, ik zie dat gij nog niet overtuigd zijt, en dat de
-schaduw van verdenking nog op mij rust.
-
-Het gelaat van den koopman bleef koud en strak als marmer. Hij bewaarde
-het stilzwijgen.
-
---Niet minder duidelijk zie ik de moeilijkheden van mijn toestand,
-vervolgde Ben-Hur. Mijne Romeinsche betrekking kan ik bewijzen, ik
-behoef mij slechts op den consul te beroepen, die als gast van den
-gouverneur dezer stad in Antiochie vertoeft; maar ik kan niet bewijzen
-dat ik de zoon mijns vaders ben. Die dat konden zijn dood, of verdwenen.
-
-Hij bedekte zijn gelaat met beide handen, waarop Esther naar hem toe
-ging, en hem den versmaden beker wijn nogmaals aanbood, met de woorden:
-De wijn komt uit het land, dat wij allen zoozeer liefhebben. Drink, bid
-ik u.
-
-Hare stem klonk zacht en liefelijk. Ben-Hur zag dat hare oogen vol
-tranen stonden. Hij nam de beker aan, zeggende: Dochter van Simonides,
-uw hart is vol goedheid. Dat onze God u zegene! Ik dank u.
-
-Toen wendde hij zich opnieuw tot den koopman.
-
---Daar ik u niet bewijzen kan, dat ik mijn vaders zoon ben, trek ik
-mijne vraag terug. Gij zult mij niet wederzien. Alleen dit nog: Mijn
-bedoeling was niet u te doen terugkeeren tot dienstbaarheid, of
-rekenschap te eischen van uw vermogen. Welke ook de uitkomst mocht
-geweest zijn, ik zou gezegd hebben wat ik nu ook zeg: Alles wat gij door
-uw vlijt en talenten gewonnen hebt is het uwe. Behoud het in vrede. Ik
-heb het niet noodig. Toen de goede Quintus, mijn tweede vader, de reis
-aanvaardde, waarvan hij niet zou terugkeeren, maakte hij mij tot eenige
-erfgenaam van zijn vorstelijk vermogen. Mocht gij dus bijgeval later nog
-eens aan mij denken, laat het dan alleen zijn in verband met de vraag,
-die het voornaamste doel mijner komst was. Wat weet gij, wat kunt gij
-mij vertellen van mijne moeder en van Tirza, mijne zuster; zij, die in
-schoonheid en bevalligheid aan uwe beminnelijke dochter gelijk zou zijn?
-O zeg, wat kunt gij mij van haar vertellen?
-
-De tranen stroomden langs Esthers wangen, maar haar vader bleef
-onbewogen. Met vaste stem antwoordde hij: Ik heb gezegd dat ik vorst Hur
-gekend heb. Ik herinner mij vernomen te hebben, dat zijn gezin door vele
-rampen getroffen werd. Hij, die de weduwe van mijn vriend in het verderf
-stortte, is dezelfde, die ook mij vervolgd heeft. Ik wil nog verder
-gaan, en u zeggen dat ik naarstig onderzocht heb wat van de familie
-geworden is; maar--ik kan u niets van haar vertellen. Zij zijn als van
-den aardbodem verdwenen.
-
-Ben-Hur slaakte een diepen zucht. Dan--dan is weder een hoop vervlogen,
-zeide hij. Ik ben gewoon aan teleurstellingen. Ik bid u vergeef mij, zoo
-ik u moeite veroorzaakte, vergeef het ter wille van mijne smart. Ik heb
-nu niets meer om voor te leven dan mijne wraak. Vaarwel.
-
-Bij den uitgang keerde hij zich om en zeide eenvoudig: Ik dank u beiden.
-
---De vrede Gods vergezelle u, zeide de koopman.
-
-Esther kon niet spreken, zij snikte luid.
-
-En zoo vertrok hij.
-
-
- * * * * *
-
-
-VIERDE HOOFDSTUK.
-
-SIMONIDES.
-
-
-Nauwelijks was Ben-Hur de kamer uit, of Simonides scheen als uit den
-slaap te ontwaken. Zijn gelaat gloeide, zijn sombere oogen schoten vuur.
-Op levendigen toon zeide hij: Gauw, Esther, bel eens gauw!
-
-Zij ging naar de tafel en drukte op een knopje. Dadelijk daarop
-verscheen door een deur in den muur een bediende, die voor den koopman
-bleef staan en een eerbiedigen buiging maakte.
-
---Hier, Malluch, dichter bij mijn stoel, beval de meester. Ik heb een
-werk voor u, dat niet mag mislukken, al viel de zon ook van den hemel.
-Luister! Zooeven verliet mij een jonkman, hij zal door het pakhuis gaan,
-slank, schoon, als Israeliet gekleed. Volg hem, zijn schaduw mag niet
-onafscheidelijker van hem zijn dan gij. Iederen avond doet gij mij weten
-waar hij is, wat hij doet, welk gezelschap hij opzoekt; en als gij
-zonder vrees voor ontdekking zijne gesprekken kunt afluisteren, breng ze
-mij dan woord voor woord over, met alles wat dienen kan om zijne
-gewoonten, zijne bedoelingen, zijn leven te leeren kennen. Begrepen? Ga
-gauw. Wacht, Malluch, luister nog even. Gaat hij de stad uit, volg hem,
-en doe u als vriend voor. Spreekt hij u aan, zeg wat gij wilt, alleen
-niet dat gij in mijn dienst zijt. Daarover gezwegen. Haast u! Spoed u
-voort!
-
-De man groette en ging heen.
-
-Toen wreef Simonides zijn vermagerde handen en lachte.
-
---Welke dag is het vandaag, kind? vraagde hij vroolijk. Ik wil hem
-onthouden als een geluksdag. Zie den datum lachend na, en zeg hem mij
-lachend, Esther.
-
-Die vroolijkheid kwam haar onnatuurlijk voor, en om hem dat zachtkens te
-doen gevoelen antwoordde zij droevig: Wee mij, vader, zoo ik ooit dezen
-dag kon vergeten!
-
-Zijne handen vielen slap neer, hij boog het hoofd en zeide: Zeker,
-zeker, mijn kind. Dit is de twintigste dag van de vierde maand. Vandaag
-voor vijf jaren viel mijn lieve Rachel, uwe moeder, neer en stierf. Zij
-brachten mij thuis, gebroken, zooals gij mij nu ziet, en wij vonden haar
-bezweken door smart. O, voor mij was zij een struik kamfer in de
-wijngaarden van Engedi. Ik heb mijne myrrhe geplukt met mijne specerij.
-Ik heb mijne honigraten met mijnen honig gegeten. Wij begroeven haar op
-een eenzame plek, een graf uitgehouwen in den berg, niemand ligt bij
-haar. Maar zij liet mij in mijne duisternis een klein lichtje na, dat
-met de jaren toenam in glans. (Hij legde zijne hand op Esthers hoofd.)
-Lieve God, ik dank u, dat ik in mijne Esther mijne verlorene Rachel mag
-zien herleven!
-
-Toen lichtte hij het hoofd weder op en zeide, alsof een invallende
-gedachte hem trof: Is het niet klaarlichte dag daarbuiten?
-
---Zoo was het toen de jonkman binnenkwam.
-
---Laat Abimelech dan komen en mij naar den tuin brengen, waar ik de
-rivier en de schepen kan zien. Daar zal ik u zeggen waarom zooeven mijn
-mond lachte en mijne tong zong, en mijn hart opsprong binnen in mij, als
-een ree of jonge gazelle op de welriekende bergen.
-
-Op haar schellen kwam een tweede knecht en duwde op haar bevel den
-stoel, tot dat doel op wieltjes staande, de kamer uit, naar het dak van
-het lager gelegen huis, den tuin, zooals Simonides het noemde. Tusschen
-de schoonste, met de meeste zorg gekweekte bloemen door, werd hij naar
-een punt gerold, vanwaar hij de brug, de fonkelende rivier en de
-talrijke schepen overzien kon. Daar liet de knecht hem met Esther
-alleen.
-
-Het geraas, dat de arbeiders maakten, hinderde hem niet, evenmin als de
-drukte op de brug schuin boven zijn hoofd. Hij was daaraan gewoon en
-merkte het ternauwernood op.
-
-Esther zette zich op de armleuning van zijn stoel en streelde zijne
-hand, in afwachting dat hij spreken zou. Eindelijk begon hij op zijn
-gewonen kalmen toon. Zijn machtige wil had hem de zelfbeheersching
-teruggegeven.
-
---Toen die jonkman sprak, Esther, heb ik u gadegeslagen, en meende te
-zien dat gij voor hem gewonnen waart.
-
-Het meisje sloeg de oogen neer en antwoordde: Als u bedoelt, vader, dat
-ik zijne woorden geloofde, ja, dan hebt u gelijk.
-
---In uwe oogen is hij dus de zoon van vorst Hur?
-
---Als hij het niet is....
-
---Nu, wat dan, kind?
-
---Ik ben uwe dienstmaagd, vader, sinds moeder Gods roepstem volgde. Aan
-uwe zijde staande heb ik gehoord en gezien hoe u op verstandige wijze
-handeldet met allerlei soort van mannen, die langs rechte of kromme
-paden winst zochten te behalen. Daarom zeg ik, als deze jonkman niet de
-vorst is, waarvoor hij zich uitgeeft, dan zag ik de leugen nog nimmer
-zoo goed de rol van waarheid en recht spelen.
-
---Bij de wijsheid van Salomo, dochter, dat is een veelbeteekend woord.
-Gelooft gij dat uw vader zijn vaders lijfeigene was?
-
---Mij dacht, hij vraagde alleen maar, of dat zoo was.
-
---Wel, gij zijt een goed kind, Esther, met echt Joodsche scherpzinnigheid
-begaafd, en krachtig genoeg om een droevig verhaal te horen. Luister dus
-goed, want ik zal u iets van mijzelven vertellen, en van uwe moeder, en
-van vele dingen, die tot een verleden behooren, waarvan gij niets
-vermoedt, dingen, die den wraakgierigen Romein verborgen zijn gebleven
-ter wille van een stille hoop, en die ik u verzwegen heb, opdat uw
-gemoed zich tot den God Israels zou keeren, als het riet naar de zon. Ik
-ben geboren in een spelonk in de vallei Hinnom, aan de zuidzijde van den
-berg Sion. Mijn vader en moeder waren Hebreeuwsche lijfeigenen. Zij
-verzorgden de olijf- en vijgeboomen in den Koningstuin bij Siloam. Toen
-ik groot genoeg was hielp ik hen. Zij behoorden tot de klasse, die tot
-altijddurenden dienst verplicht is. Ik werd later verkocht aan vorst
-Hur, na koning Herodes de rijkste inwoner van Jeruzalem. Die zond mij
-naar zijn magazijn in Alexandrie, waar ik meerderjarig werd. Ik diende
-hem zes jaar, in het zevende werd ik naar de wet van Mozes vrij.
-
-Esther klapte in de handen.
-
---O, dan zijt gij niet zijn vaders lijfeigene!
-
---Luister verder, kind. Er waren in die dagen wetgeleerden, die met
-groote heftigheid de stelling verdedigden, dat de kinderen van
-lijfeigenen levenslang tot den stand hunner ouders behooren; maar vorst
-Hur was rechtvaardig in alle dingen en een bekwaam uitlegger der Wet.
-Hij zeide, dat ik een gekochte Hebreeuwsche dienstknecht was en volgens
-de bedoeling van den grooten Wetgever in vrijheid kon uitgaan. Op
-gezegelde brieven, die ik trouw bewaard heb, verklaarde hij mij vrij.
-
---En mijne moeder? vraagde Esther.
-
---Gij zult alles hooren, kind. Heb maar geduld. Voordat ik uitgesproken
-heb zult gij zien, dat ik lichter mijzelf zou kunnen vergeten, dan uwe
-moeder.... Toen mijn diensttijd verstreken was, ging ik met het
-Paaschfeest op naar Jeruzalem. Mijn meester ontving mij in zijn huis.
-Ik had hem lief met mijn gansche hart en verzocht hem in zijn dienst te
-mogen blijven. Dat stond hij toe en ik diende hem nogmaals zeven jaren,
-maar thans als een gehuurde zoon van Israel. Hij droeg mij de leiding op
-van belangrijke ondernemingen ter zee, en het toezicht over zijne
-karavanen naar Suza en Persepolis. Het waren gevaarvolle tochten, kind,
-maar de Heer zegende alles wat ik ondernam. Ik bracht den vorst groot
-gewin aan en deed voor mezelf een schat van kennis op, zonder welke ik
-de verplichtingen, die mij later werden opgelegd, niet zou hebben kunnen
-nakomen. Op zekeren dag bevond ik mij te Jeruzalem in het huis van den
-vorst. Eene dienstmaagd kwam binnen met een schaal brood. Zij bood mij
-daarvan aan. Dat was de eerste maal dat ik uwe moeder zag. Ik kreeg haar
-lief. Niet lang daarna vraagde ik de vorst haar mij tot vrouw te geven.
-Hij antwoordde, dat zij een lijfeigene was, levenslang dienstbaar; maar
-dat hij haar om mijnentwil vrij zou laten. Zij had mij wederkeerig lief,
-maar voelde zich gelukkig waar zij was en nam haar aangeboden vrijheid
-niet aan. Telkens als ik te Jeruzalem kwam, hield ik bij haar aan, maar
-haar antwoord bleef onveranderlijk hetzelfde: dat zij mijne vrouw wilde
-worden, mits ik haar mededienstknecht werd. Onze vader Jakob diende
-tweemaal zeven jaren om zijne Rachel, kon ik dat niet voor de mijne
-doen? Maar uwe moeder zeide, dat ik een lijfeigene moest worden mijn
-leven lang, evenals zij. Ik ging heen, maar kwam terug. Zie maar,
-Esther, zie maar.
-
-Hij schoof zijn hoofddoek weg, wees op zijn linkeroor, en zeide: Ziet ge
-het litteeken van den priem?
-
---Ik zie het, antwoordde zij. Wat hebt ge moeder liefgehad!
-
---Ach, Esther, zij was mij dierbaarder dan Sulamith den koninklijken
-zanger; zij was mij een springader van levend water, als de stroomen van
-den Libanon. De vorst bracht mij op mijn verzoek voor de rechters,
-voerde mij terug naar zijne huisdeur, en doorpriemde mijn oor met den
-priem, zoodat ik voor eeuwig zijn dienstknecht was. Aldus heb ik mijne
-Rachel gewonnen. Was er ooit grooter liefde dan de mijne?
-
-Esther boog zich en kuste hem. Toen zwegen beiden een geruime poos.
-
---Mijn meester verdronk op zee, de eerste droefheid die mij overkwam,
-vervolgde Simonides. Er was rouwgeklag in zijn huis en in het mijne,
-hier in Antiochie, waar ik toen reeds woonde. Let nu goed op, Esther.
-Toen de vorst stierf was ik opgeklommen tot eersten rentmeester.
-
-Alles wat hij bezat stond onder mijn beheer. Daaruit kunt gij zien dat
-hij mij volkomen vertrouwde en liefhad. Ik haastte mij naar Jeruzalem,
-om de weduwe rekening en verantwoording te doen. Zij bevestigde mij in
-mijn ambt. Ik legde mij met nog meer ijver op mijn werk toe. De zaak
-bloeide en breidde zich jaarlijks uit. Zoo gingen tien jaren voorbij,
-toen viel de slag, waarvan de jonge man straks gewaagde. Ik bedoel het
-ongeluk met den procurator Gratus. De Romein noemde het een poging tot
-moord. Onder dat voorwendsel legde hij, met toestemming van den keizer,
-ten eigen bate beslag op alles wat de weduwe bezat. Daar bleef het niet
-bij. Opdat geen herroeping van het vonnis mogelijk zou zijn, verwijderde
-hij alle belanghebbenden. Sedert dien vreeselijken dag is de familie Hur
-spoorloos verdwenen. De zoon, dien ik als kind gezien had, werd naar de
-galeien verwezen. De weduwe en de dochter zijn waarschijnlijk opgesloten
-in een der gevangenissen van Judea. Eenmaal achter de veroordeelden
-gesloten, zijn die holen aan grafspelonken gelijk. Weggevaagd zijn de
-armen, alsof de zee ze verzwolgen had. Wij konden niet eens te weten
-komen hoe zij stierven; neen, zelfs niet of zij dood zijn.
-
-Esthers oogen stonden vol tranen.
-
---Uw hart is goed, Esther, evenals dat van uwen moeder, en ik bid God,
-dat het niet het lot moge ondergaan van het meerendeel der goede harten:
-vertrapt te worden door onmeedoogenden en blinden. Maar luister verder.
-Ik begaf mij dadelijk naar Jeruzalem, om mijne meesteres, zoo mogelijk,
-te helpen, maar werd bij de poort gegrepen en naar de burcht Antonia
-gebracht, waarom wist ik niet, totdat Gratus zelf verscheen en de gelden
-opeischte van het huis Hur, welke hij wist dat, naar Joodsch gebruik,
-door wissels van mijne handteekening voorzien, overal konden opgevraagd
-worden. Hij verlangde dat ik zijn bevel zou onderteekenen. Ik weigerde.
-Hij had de huizen, landerijen, goederen, schepen van hen, die ik diende,
-maar niet het geld. Ik wist dat ik, als God met mij bleef, het verlorene
-ruimschoots kon herwinnen. Ik weigerde den tiran te gehoorzamen. Hij
-deed mij op de pijnbank leggen. Ik bleef standvastig. Hij hergaf mij de
-vrijheid zonder zijn doel bereikt te hebben. Ik kwam thuis en begon
-handel te drijven op naam van Simonides van Antiochie, zooals ik dat
-vroeger deed op naam van vorst Hur van Jeruzalem. Gij weet, Esther, dat
-alles mij meeliep, dat het vorstelijk vermogen onder mijn beheer tot in
-het wonderbaarlijke aangroeide. Gij weet dat ik drie jaren later naar
-Cesarea ging, waar ik weder op bevel van Gratus gegrepen en gepijnigd
-werd, om mij de bekentenis af te persen, dat mijn geld en goed tot het
-door hem in beslag genomene behoorde. Gij weet, dat hij evenmin als
-vroeger iets op mij vermocht. Gebroken naar 't lichaam kwam ik thuis en
-vond mijne Rachel dood, van angst en droefheid over mij. De Heer onze
-God regeert; ik bleef in het leven. Van den keizer zelf kocht ik het
-privilegie, om over de geheele wereld handel te mogen drijven. Heden,
-geloofd zij Hij, die de wolken maakt tot zijne wagen en en op de winden
-wandelt, heden, Esther, is datgene wat mij als rentmeester was
-toevertrouwd tot een vermogen aangegroeid, waar een keizer van zou
-kunnen leven.
-
-Trots hief Simonides het hoofd op. Hunne oogen ontmoetten elkander, zij
-lazen elkanders gedachten.
-
---Wat zal ik met den schat doen, Esther? vraagde hij, haar strak
-aanziende.
-
---Vader, zeide zij zacht, heeft de rechtmatige eigenaar zich straks niet
-aangemeld?
-
-Zijn oog bleef vast op het hare gericht.
-
---Maar gij, mijn kind, moet ik u als bedelares achterlaten?
-
---Neen, vader; ben ik niet, omdat ik uw kind ben, zijne dienstmaagd? En
-van wie staat geschreven: Kracht en eer zijn haar kleedij, en zij zal in
-toekomstige tijden zich verblijden?
-
-Met een uitdrukking van innige liefde op het gelaat antwoordde hij: God
-is in vele opzichten goed voor mij geweest; gij, Esther, zijt het
-grootste bewijs van zijne gunst.
-
-Hij trok haar tot zich en kuste haar herhaaldelijk.
-
---Hoor nu, zeide hij, waarom ik straks lachte. De jonge man was sprekend
-het evenbeeld van zijn vader, toen hij nog jong was. Mijn hart vloog hem
-te gemoet om hem te begroeten. Ik voelde dat mijn lijdenstijd voorbij
-was en mijn zwoegen geeindigd. Ik had het uit kunnen schreeuwen van
-blijdschap. Ik zou niets liever gedaan hebben, dan hem bij de hand
-nemen, hem de kasboeken toonen en zeggen: Zie, dat is alles het uwe, en
-ik ben uw dienstknecht, bereid om afgeroepen te worden. En dat zou ik
-gedaan hebben, Esther, dat zou ik gedaan hebben, zoo niet op dat
-oogenblik een drietal gedachten bij mij opgekomen was en mij weerhouden
-had. Ik moet zeker weten, dat hij de zoon mijns meesters is, dat was de
-eerste gedachte. Is hij dat, dan moet ik iets aangaande zijn karakter
-zien te vernemen; want, Esther, onder degenen, die in weelde geboren
-werden, zijn velen in wier hand de rijkdom tot een vloek werd....
-
-Hij zweeg even, toen vervolgde hij, trillend van moeilijk bedwongen
-hartstocht: Denk aan de folteringen, die de Romein mij heeft doen
-ondergaan, neen, niet Gratus alleen; de ellendelingen, die zijne bevelen
-ten uitvoer brachten, waren allen Romeinen en zij lachten bij mijne
-jammerkreten. Denk aan mijn verbrijzeld lichaam en aan de jaren die ik,
-de sterke man, in hulpbehoevendheid heb moeten doorbrengen. Denk aan uwe
-moeder in haar eenzaam graf. Denk aan het vreeselijke lijden van het
-gezin mijns meesters als zij nog leven, en aan het wreede van hunnen
-dood als zij niet meer zijn. Bedenk dat alles en zeg mij, zal dan geen
-enkele druppel bloed vergoten worden ten zoen? Zeg nu niet wat onze
-leeraars soms zeggen: De Wrake is des Heeren ... zijn niet zijne
-krijgsknechten talrijker dan zijne profeten? Luidt niet een van zijne
-geboden: Oog om oog, tand om tand? Al deze jaren door heb ik gedroomd
-van wraak, er om gebeden, haar voorbereid, geduld geoefend bij het
-aanschouwen van de vermeerdering mijner schatten, in het vaste geloof,
-dat zij mij eenmaal zouden helpen de goddeloozen te straffen. Toen nu de
-jonge man van zijne bedrevenheid in het voeren der wapenen sprak en er
-bijvoegde, dat hij een bepaald doel in het oog hield, kwam de derde
-gedachte, de gedachte van wraak, bij mij op, en die, Esther, deed mij
-onvermurwbaar blijven zoolang hij sprak en lachen toen hij vertrokken
-was.
-
-Esther liefkoosde zijne hand en zeide op peinzenden toon: Hij is weg;
-zal hij terugkomen?
-
---Zeker; Malluch, de getrouwe, gaat met hem en zal hem wederbrengen, als
-ik gereed ben.
-
---En wanneer zal dat wezen, vader?
-
---Weldra, weldra. Hij denkt dat alle getuigen dood zijn. Er leeft nog
-een wezen dat hem herkennen zal, indien hij waarlijk mijn meesters zoon
-is.
-
---Zijne moeder?
-
---Neen, kind. Ik zal de getuige tegenover hem stellen. Tot zoolang
-willen wij deze zaak in des Heeren hand laten. Ik ben moe. Roep
-Abimelech.
-
-Esther deed wat haar gelast werd en vergezelde haren vader naar binnen.
-
-
- * * * * *
-
-
-VIJFDE HOOFDSTUK.
-
-DAPHNE'S PARK.
-
-
-Ben-Hur verliet het pakhuis met het bewustzijn, dat hij weer een nieuwe
-teleurstelling voegen kon bij de vele, die hij reeds had ondervonden in
-het zoeken naar zijne familie. Die gedachte was zeer neerdrukkend. Hij
-voelde zich zoo eenzaam en verlaten. Nu deze hoop vervlogen was, kwam
-het leven hem zoo dor en weinig belangrijk voor.
-
-Het koeltje dat hem van de rivier tegenwoei, lokte hem naar de
-landingsplaats. Daar schoot hem het gezegde van den reiziger te binnen:
-Beter een worm te zijn en moerbeiblaren te eten in Daphne's Park, dan
-gast aan 's Konings tafel. Hij keerde om en ging naar de herberg terug.
-
---Waar de weg naar Daphne is? zeide de portier, verbaasd over de vraag,
-die Ben-Hur hem deed. Zijt gij hier voor 't eerst? Zoo, dan kunt gij
-dezen dag als den gelukkigsten van uw leven beschouwen. Gij kunt u niet
-in den weg vergissen. De eerste straat links voert naar den berg
-Sulpius, op wiens top een altaar van Jupiter staat en het Amphitheater.
-Volg die tot de derde kruisstraat, de Kolonnade van Herodes geheeten,
-sla daar rechts om en ga dwars door de oude stad naar de bronzen poort
-van Epiphanes. Daar begint de weg naar Daphne. Mogen de goden u
-beschermen!
-
-Ben-Hur begaf zich dadelijk op weg. De Kolonnade van Herodes was
-gemakkelijk te vinden, evenzoo de bronzen poort.
-
-Het was omstreeks de vierde ure van den dag, toen hij de stad achter
-zich liet, om in gezelschap van honderde andere wandelaars naar de
-beroemde tuinen te gaan. De weg was verdeeld in verschillende paden voor
-voetgangers, ruiters en wagens; deze laatste weder voor gaande en
-komende. Lage balustraden, op geregelde afstanden met fraaie standbeelden
-versierd, dienden tot scheidsmuur tusschen de verschillende paden.
-Rechts en links van den weg strekten zich goed onderhouden grasvelden
-uit, hier en daar met eiken en vijgen beplant, en van schaduwrijke
-prieelen voorzien, een heerlijke rustplaats voor de vermoeiden onder de
-wandelaars. De paden voor de voetgangers waren met roode steentjes
-geplaveid, die voor de ruiters en wagens met wit zand bestrooid, zoo
-dik, dat het geen echo's van hoeven of wielen teruggaf. Het aantal
-springende fonteinen was verbazend groot, alle geschenken van koningen,
-die de stad bezocht hadden, en naar hunnen namen genoemd. Deze
-straatweg, onovertroffen in aanleg en schoonheid, liep van de stad tot
-aan den ingang van het Park over eene lengte van ruim vier mijlen.
-
-In zijn diepe neerslachtigheid lette Ben-Hur ternauwernood op al die
-pracht, noch op de hem omringende menigte. Daar kwam bij dat een
-provinciestad hem, den inwoner van Rome, weinig belang inboezemde. Het
-was immers onmogelijk, dat de provincies iets konden opleveren, wat men
-in Rome niet veel beter en mooier kon zien. Daarom stapte hij wat aan en
-drong door de groepjes heen, die hem den weg versperden, en veel te
-langzaam gingen naar zijn smaak. Toen hij Heracleia bereikt had, een
-klein dorp halverwege de stad en het Park, voelde hij zich een weinig
-vermoeid, maar tevens toegankelijker voor afleiding. Een paar geiten
-voortgeleid door een schoone vrouw, alle drie rijk versierd met bloemen
-en linten, trokken allereerst zijne aandacht. Toen bleef hij staan om
-naar een fraaien, sneeuwwitten, met frissche wingerdranken omhangen
-stier te zien, die op zijn breeden rug een mandje droeg, waarin een
-beeldschoon driejarig knaapje zat, den jongen Bacchus voorstellende, die
-het sap van rijpe druiven uitdrukt in een beker. Daar ging hem een paard
-voorbij, rijk opgetuigd, evenals zijn berijder. Hij glimlachte over de
-zelfbewuste fierheid van ruiter en ros beiden. Weldra hadden de hem
-voorbijsnellende wagens en paarden, zonder dat hij het zelf wist, zijn
-belangstelling ten volle gewekt. Na een poosje begon hij ook te letten
-op de menschen rondom hem. Hij zag dat zij van allerlei leeftijd en
-stand waren, en allen in feestgewaad. Hier was het gezelschap in 't wit,
-daar een in 't zwart; sommige hielden vlaggen in de hand, andere
-zwaaiden wierookvaten, sommige gingen langzaam voort onder het zingen
-van hymnen, andere liepen op de maat van fluiten en kleine trommen.
-Als dat iederen dag zoo naar Daphne stroomde, moest er toch iets
-buitengewoons te zien zijn! Eindelijk ging een luid gejubel op, men
-klapte in de handen ... de wandelaars hadden het doel van hunnen tocht
-bereikt. De sierlijken poort, die toegang verleende tot het gewijde
-Park, verrees voor zijn oog.
-
-Het gezang werd sterker, de muziek speelde lustiger. Gedragen door den
-stroom, en deelende in de algemeene geestdrift, trad hij naar binnen.
-Een blik, en, in weerwil van zijn verfijnden Romeinsche smaak, was
-Ben-Hur opgetogen over hetgeen hij zag.
-
-Toen hij de poort, die een Griekschen tempel moest voorstellen,
-doorgegaan was, stond hij op een breede marmeren esplanade. Het wemelde
-er van menschen in feestklederen, waarvan de bonte kleuren aardig
-afstaken tegen de zilveren stralen der springfonteinen. Voor hem, links,
-voerden net onderhouden wandelpaden naar een tuin, die ongemerkt
-overging in een bosch, waarboven een doorzichtige blauwe nevel hing.
-
-Ben-Hur staarde droomerig voor zich uit, onzeker waarheen te gaan. Op
-dat oogenblik riep een vrouw in zijn nabijheid: Mooi! Maar waar nu naar
-toe?
-
-Haar metgezel, getooid met een lauwerkrans, lachte en antwoordde:
-Waarheen, lieve domoor? Die vraag komt voort uit aardsche vrees, en
-waren wij niet overeengekomen om al die dingen in de stad achter te
-laten? De winden, die hier waaien, zijn de ademhalingen der goden.
-Wij willen ons door hen laten leiden.
-
---Maar als wij eens verdwaalden?
-
---Bang zieltje! Niemand is ooit in Daphne van den rechten weg
-afgedwaald, behalve zij, achter wie de poorten voorgoed gesloten werden.
-
---Wie bedoelt gij? vraagde zij, nog niet geheel gerustgesteld.
-
---Hen, die bezweken zijn voor de bekoringen der plaats, en er zich voor
-leven en dood aan verbonden hebben. Wacht! Laat ons hier blijven staan,
-dan zal ik u toonen wat ik bedoel.
-
-Het geluid van lichte snelle voetstappen deed zich hooren.
-
-De menigte maakte ruim baan, want daar kwamen zij aan, de ongelukkigen,
-waarop de man gezinspeeld had. Eenige jonge meisjes zweefden voor en
-langs hen heen, zingend en dansend op de maat harer tambourijnen. De
-vrouw drukte zich verschrikt tegen haar geleider aan, deze sloeg zijn
-arm beschermend om haar heen. Zijne oogen flikkerden. Het haar der
-danseressen golfde vrij over hare schouders, het gazen kleedje, dat
-ternauwernood haar leden dekte, liet haar volkomen vrij in al hare
-bewegingen. Zinnelijker dans zou bezwaarlijk uit te denken zijn. Een
-ronde ... en weg waren zij, even snel en onhoorbaar als zij gekomen
-waren.
-
---Nu, wat zegt ge daarvan? riep de man.
-
---Wie zijn dat? vraagde zij.
-
---Devadasi, priesteressen van den tempel van Apollo. Haar getal is
-legio. Zij vormen bij feestelijke gelegenheden het koor. Dit is haar
-tehuis. Soms brengen zij wel eens een bezoek aan andere steden, maar
-hare verdiensten moeten zij hier afgeven, om de woonplaats van den
-goddelijken zanger te verrijken. Willen wij nu verder gaan?
-
-Het volgend oogenblik was het paar verdwenen.
-
-Ben-Hur volgde hun voorbeeld en wandelde verder, waarheen wist hij niet.
-
-Een beeldhouwwerk trok allereerst zijne aandacht. Het bleek een centaur
-voor te stellen. Een opschrift deelde den onkundige mede, dat hij hier
-de beeltenis aanschouwde van Chiron, den veelbeminde van Apollo en
-Diana, door hen onderwezen in de geheimen der jacht, geneeskunst, muziek
-en profetie.
-
-Toen Ben-Hur door wilde wandelen, kwam juist de witte stier voorbij. Het
-kind zat nog in de mand, en leidde een processie; daarna kwam de vrouw
-met de geiten, gevolgd door de tambourijn- en fluitspelers. Daarachter
-een tweede processie van lieden, die geschenken brachten.
-
---Waar gaat dat alles heen? vroeg iemand, en het antwoord luidde: De
-stier naar vader Jupijn, de geit naar Apollo.
-
-
- * * * * *
-
-
-ZESDE HOOFDSTUK.
-
-GODSDIENST EEN DEKMANTEL.
-
-
-Ben-Hur volgde de processie naar het bosch, begrijpende dat hij zoodoende
-de belangrijkste punten van het Park te zien zou krijgen. Toen hij een
-eindweegs gegaan was kwam hij aan een open plek. Een zacht windje voerde
-welriekende geuren aan; wierook en rozengeur. Hij bleef staan en met hem
-vele anderen, om te zien vanwaar die geuren kwamen.
-
---Daar is zeker een tuin, zeide hij tot een man, die naast hem stond.
-
---Of een offerplaats voor Diana, of Pan, of een der boschgoden, luidde
-het antwoord in de Hebreeuwsche taal.
-
-Ben-Hur zag den spreker verbaasd aan. Een Hebreer? vraagde hij.
-
-De man antwoordde met een glimlach: Ik werd binnen Jeruzalems muren
-geboren.
-
-Ben-Hur was van plan het gesprek voort te zetten; maar de menigte drong
-vooruit, zoodat hij van den vreemdeling gescheiden raakte. Hij had
-slechts den tijd gehad om 's mans kleeding en gelaat op te nemen, een
-echt Joodsch type. Hij zou hem wel kunnen herkennen, dacht hij.
-
-Thans waren zij gekomen aan een punt, waar een zijpad een gunstige
-gelegenheid aanbood om zich van de luidruchtige processie af te
-scheiden. Ben-Hur maakte er gauw gebruik van.
-
-Eerst kwam hij aan een kreupelboschje, dat van den grooten weg gezien
-nog in den natuurstaat scheen te verkeeren. Een paar stappen waren
-echter voldoende, om hem ook hier de meesterhand te doen herkennen. De
-struiken stonden in bloei, of droegen reeds vrucht; de grond was bedekt
-met de heerlijkste bloemen: seringen en rozen, lelies en myrrhe,
-oleanders en aloe's, alle oude bekenden uit de valleien rondom Davids
-stad; en opdat niets aan het geluk der naiaden en nimfen zou ontbreken,
-stroomde een kabbelend beekje door deze bekoorlijke wildernis. Links en
-rechts kirden de tortels, en tal van andere gevederde zangers schenen
-slechts op zijne komst te wachten om een lied aan te heffen. Een
-nachtegaal bleef onbevreesd op zijn tak zitten, ofschoon Ben-Hur op
-armslengte voorbijging. Een patrijs liep vlak voor zijne voeten, piepend
-tegen de kleintjes, die haar volgden.
-
-Hij zette zich neder onder een citroenboom, die zijn wortels wijd
-uitstrekte om zich te laven aan de beek. Het nest van een duikertje hing
-vlak boven het kabbelend water en het diertje keek hem met zijn
-schrandere oogjes onbevreesd aan. Het vogeltje verklaart mij het geheim,
-dacht hij. Het wil zeggen: Ik ben niet bang voor u, want in dit
-liefelijke oord is Liefde de Wet.
-
-Na een korte rust stond hij op en wandelde verder, totdat hij bij een
-snel vliedende stroom kwam. Zijn weg voerde over een brug, vanwaar hij
-het uitzicht had op een bekoorlijk landschap. Vruchtbare valleien,
-heuvelen, meertjes, rotswerk, zomerhuisjes, groene weilanden, bedekt met
-kudden, ruischende watervallen, zoo kon men het niet bedenken, of deze
-uitgestrekte terreinen leverenden het op.
-
-Als om aan het geheel een godsdienstig karakter bij te zetten waren
-overal altaren in de open lucht gebouwd, elk door een in 't wit
-gekleeden priester bediend, terwijl processies, eveneens in 't wit,
-langzaam van het eene altaar naar het andere gingen, en de rook der
-offeranden in doorzichtige wolkjes naar boven steeg.
-
-Nu ging hem een licht op. Het Park was eigenlijk een onafzienbare
-tempel, een tempel zonder muren. Dit ging zijne verwachting verre te
-boven.
-
-Ben-Hur daalde af in de vallei. Daar graasde een kudde schapen. De
-herderin wenkte hem: Kom!
-
-Een weinig verder verhief zich midden op 't pad een altaar van zwart en
-wit marmer, en daarop een bronzen bekken met brandend reukwerk gevuld.
-Vlak daarbij stond een betooverend schoone vrouw met een wilgetak in de
-hand, en zoodra zij hem zag, wuifde zij hem toe en riep: Kom hier en
-toef een weinig!
-
-Nog verder kwam hij eene processie tegen. Aan het hoofd gingen eenige
-kleine meisjes, met kransen omhangen; maar dat was dan ook haar eenige
-bedekking. Zij zongen in koor, en werden gevolgd door een groep kleine
-jongens, eveneens naakt, en dansend op het gezang der meisjes. Hen
-volgden vrouwen met geschenken voor de altaren, specerijen en
-lekkernijen, hoogst eenvoudig, maar wel wat luchtig gekleed. In 't
-voorbijgaan staken zij hem de handen toe en riepen: Keer om en ga met
-ons!... Eene van haar, een Griekin, zong het volgend liedje:
-
- Voor vandaag neem en geef ik;
- Voor vandaag drink en leef ik;
- 'k Denk niet aan den dag van morgen,
- Die moet voor zichzelven zorgen.
-
-Zonder haar verder een blik waardig te keuren ging hij voort, totdat hij
-bij een schaduwrijk boschje kwam. Dat trok hem aan. Het gras was zoo
-groen en frisch, de boomen stonden niet dicht opeengedrongen en waren
-van verschillende soorten, ook van vreemden bodem hierheen gebracht:
-statige palmen, vijgen, laurierboomen, trotsche eiken, ceders,
-wedijverende in omvang met die van den Libanon, moerbeiboomen en
-platanen. Midden in het boschje stond een zeldzaam schoon beeld van
-Daphne. Aan den voet van het beeld lagen een knaap en een meisje in
-elkanders armen te slapen, zijn bijl en sikkel, haar mand en snoeimes
-lagen achteloos neergeworpen op een hoop verwelkte bloemen.
-
-Dat hinderde hem. Was hij onder den citroenboom tot de slotsom gekomen
-dat de bekoring van dit heerlijk oord gelegen was in: Liefde zonder
-vrees,--thans las hij als in een opengeslagen boek: Hier is Liefde de
-Wet, o ja; maar Liefde zonder Wet.
-
-
- * * * * *
-
-
-ZEVENDE HOOFDSTUK.
-
-MALLUCH.
-
-
-Het beeld van Daphne links latende liggen begaf hij zich naar een
-boschje van cypressen, hoog en statig als de masten van een schip. Op
-eens weerklonk een vroolijk trompetgeschal. Rondziende om de oorzaak te
-ontdekken zag hij den Jood, dien hij eenige uren geleden ontmoet had, in
-het gras liggen. De man stond op en kwam naar hem toe.
-
---Nogmaals, vrede zij u, zeide hij vriendelijk.
-
---Dank u, antwoordde Ben-Hur en vraagde toen: Gaat gij mijn weg?
-
---Ik ben op weg naar de renbaan, als dat uw weg is.
-
---De renbaan!
-
---Ja, het trompetgeschal, dat gij zooeven gehoord hebt, was het signaal
-voor de mededingers.
-
---Goede vriend, zeide Ben-Hur levendig, ik ben hier onbekend. Als gij
-mij toestaat u te volgen zal het mij zeer verheugen.
-
---Het zal mij een groot genoegen wezen. Hoor! Daar gaan de wagens reeds.
-
-Ben-Hur luisterde even, en stelde zich toen aan den nieuwen bekende
-voor, zeggende: Ik ben de zoon van Arrius, den duumvir, en gij?
-
---Ik ben Malluch, een handelsbediende uit Antiochie.
-
---Wel goede Malluch, die trompet en het gerammel van wielen, en het
-vooruitzicht van een wedren wekken mij geheel op. Ik heb eenige ervaring
-van die spelen en ben niet onbekend in de renperken van Rome. Laat ons
-gaan.
-
-Malluch bleef even staan, en zeide: De duumvir was een Romein en zijn
-zoon draagt de kleeding van een Jood?
-
---De edele Arrius was mijn pleegvader, zeide Ben-Hur.
-
---O zoo; vergeef mij zoo ik nieuwsgierig scheen.
-
-Zij verlieten het bosch en kwamen aan een uitgestrekt veld, dat tot
-renbaan was ingericht. Ten gerieve der toeschouwers was aan weerszijden
-voor overdekte staan- en zitplaatsen gezorgd, de laatste
-amphitheaterswijze.
-
-Ben-Hur telde de wagens, die de baan inreden, negen in 't geheel.
-
---Ik wensch de menners geluk, zeide hij opgeruimd. Ik dacht dat men zich
-hier in 't Oosten vergenoegde met een tweespan; maar zij zijn eerzuchtig
-en wagen zich aan de vorstelijke vier. Laat ons zien wat zij er van
-maken.
-
-Acht vierspannen gingen voorbij, sommige stapvoets, andere in draf,
-uitnemend bestuurd. Toen naderde het negende in vollen galop.
-
-Ben-Hur uitte een kreet van bewondering. Ik ben in de keizerlijke
-stallen geweest, Malluch, zeide hij; maar bij onzen vader Abraham, zulke
-paarden zag ik nimmer.
-
-Pijlsnel vlogen zij voorbij. Een oogenblik later geraakten zij eensklaps
-in de war. Achter zich hoorde Ben-Hur een kreet van woede. Hij keerde
-zich om en zag op een van de bovenste banken een grijsaard, ter prooi
-aan de grootste opgewondenheid. Een lange, witte baard golfde hem op de
-borst. Sommige der omstanders begonnen te lachen.
-
---Zij moesten ten minste achting hebben voor zijn baard.... Wie is hij?
-vraagde Ben-Hur.
-
---Een aanzienlijk man uit de woestijn. Sheik Ilderim heet hij, eigenaar
-van vele kameelen. Zijn paarden, zegt men, zijn van het zuiverste ras,
-afstammelingen van de beste renners van den eersten Pharao, antwoordde
-Malluch.
-
-De menner deed intusschen al wat hij kon om zijn vierspan tot kalmte te
-brengen, maar tevergeefs. Elke mislukte poging maakte den Sheik
-onrustiger.
-
---Abaddon! riep hij met schelle stem tot een zijner dienstknechten,
-gauw, haast u! Grijp ze! Loop! Hoort gij mij niet? Het zijn vrije
-kinderen der woestijn, evenals gijzelf!
-
-De paarden werden wilder en wilder.
-
---Vervloekte Romein! riep de Sheik en balde de vuist tegen den menner;
-zwoer hij niet bij al zijn valsche goden, dat hij wist hoe men er mee om
-moet gaan?... Blijf van mij af, zeg ik!... Ik wil het zeggen dat
-iedereen het hoort.... Zij zouden als arenden vliegen, zei hij, en toch
-zacht zijn als jonge lammeren. Vervloekt zij hij! Zie hen aan, de
-weergaloozen! Als hij waagt hen met de zweep aan te raken, dan--
-
-Het overige van den zin ging verloren in woedend tandengeknars. Abaddon!
-riep hij een oogenblik later, Asalthiel! Gaat dan toch en houdt ze
-tegen! Spreekt tot hen! Een woord is voldoende! O dwaas, die ik was, om
-een Romein te vertrouwen!
-
-Ben-Hur, die den Sheik meende te begrijpen, kon voor hem gevoelen. Hij
-wist dat niet zoozeer gekwetste ijdelheid, niet angst over den uitslag
-van den wedren, hem in zulk een toestand bracht; maar de bezorgde
-teedere liefde voor zijn dieren, die bij den woestijnbewoner gewoonlijk
-aan hartstocht grenst.
-
-'t Waren dan ook prachtexemplaren, kastanjebruin van kleur, volmaakt
-gelijk aan elkander, en zoo goed geevenredigd, dat zij kleiner toonden,
-dan zij werkelijk waren. De kleine koppen, fijne ooren, de wijdgeopende
-neusgaten, vuurrood van binnen, de sierlijk gewelfde halzen, de
-prachtige dikke manen, die tot op de schouders en borst neerhingen,
-terwijl de voorhoofdlokken aan uitgerafelde zijde deden denken, de
-schoon gevormde pooten--alles kenmerkte het edelste Arabische ras. Wild
-steigerend sloegen zij de lucht met hun glanzig zwarte, dikke, lange
-staarten. De Sheik noemde ze weergaloos, en hij had gelijk.
-
-Bij deze tweede en nadere beschouwing begreep Ben-Hur ten volle in welke
-verhouding de dieren tot hun meester moesten staan. Opgegroeid onder
-zijn oog, het voorwerp van zijne bijzondere zorgen bij dag, het
-onderwerp zijner droomen bij nacht, met zijn gezin de zwarte tent in de
-woestijn deelende, had hij hen lief als zijne kinderen. Opdat zij hem
-een triomf over de hooghartige, gehate Romeinen zouden doen behalen, had
-de oude man zijn lievelingen naar de stad gebracht. Hij twijfelde niet
-aan hunne overwinning, als hij maar een vertrouwbaren wagenmenner kon
-vinden, die behalve de bekwaamheid ook den tact bezat om met hen om te
-gaan. Het was hem, den Sheik en Arabier, onmogelijk koel toeschouwer te
-blijven, en later den onhandige met een scherpe vermaning weg te zenden,
-zooals een Westerling allicht zou gedaan hebben,--hij moest zijn woede
-openlijk lucht geven.
-
-Nog voordat de Sheik van zijne drift bekomen was, hadden een dozijn
-handen de paarden bij 't gebit gegrepen en tot staan gebracht. Thans
-verscheen de tiende wagen in de renbaan. In afwijking van de andere
-waren hier menner, wagen en paarden geheel uitgedost zooals zij op den
-dag van den wedstrijd in den circus zouden verschijnen.
-
-Daar de Romeinschen strijdwagens algemeen bekend zijn behoeven wij ze
-hier niet nader te beschrijven. De eerste mededingers waren stilzwijgend
-ontvangen; toen deze laatste de baan inreed klapten verscheidene
-toeschouwers in de handen en juichten hem luide toe, zoodat weldra de
-algemeene aandacht op hem gevestigd was. De twee middelste paarden waren
-zwart, de twee buitenste sneeuwwit. Hunne staarten waren op Romeinsche
-manier kort gesneden, evenzoo hunne manen, die daarenboven met roode en
-gele linten doorvlochten waren. De wagen zelf was een waar kunststuk.
-Het schoone geheel trok ten zeerste Ben-Hurs aandacht, en de menner--wie
-kon dat zijn? De toejuichingen deden vermoeden dat hij een aanzienlijk
-persoon, misschien wel een vorst was. Men zal zich herinneren dat zelfs
-de keizers Nero en Commodus gaarne deelnamen aan wedrennen. Ben-Hur
-stond op en drong door tot de onderste rij, vlak bij de borstwering.
-
-Nog een paar minuten en hij kreeg den wagenmenner vlak in 't gezicht.
-Deze had een vriend naast zich, in de taal der klassieken een Myrtilus
-geheeten, hetgeen mannen van aanzien, die aan wedrennen deelnamen,
-geoorloofd was. Ben-Hur kon alleen den menner zien, recht overeind
-staande in zijnen wagen, de teugels verscheidene malen om zijn lichaam
-gewonden. Hij droeg een lichtroode tunica, in de rechterhand hield hij
-de zweep, in de linker de vier leidsels. De houding was uitermate
-sierlijk en opgewekt. Toejuichingen en handgeklap werden met kalme
-onverschilligheid ontvangen. Ben-Hur stond aan den grond genageld--zijn
-instinct en geheugen hadden hem niet bedrogen: dat was Messala.
-
-Aan de keus der paarden, aan den prachtigen wagen, aan de houding,
-bovenal aan de trotsche uitdrukking op het koele, scherpe gelaat, zag
-Ben-Hur, dat Messala onveranderd dezelfde gebleven was: hooghartig,
-overmoedig, eerzuchtig, cynisch, onverschillig.
-
-
- * * * * *
-
-
-ACHTSTE HOOFDSTUK.
-
-BIJ DE BRON.
-
-
-Toen Ben-Hur zich met anderen gereedmaakte om heen te gaan, stond een
-Arabier op en riep met luide stem: Gij mannen van het Oosten en van het
-Westen, hoort! De goede Sheik Ilderim groet u. Met vier paarden, zonen
-van Koning Salomo's lievelingsrossen, kwam hij naar Antiochie om aan de
-wedrennen deel te nemen. Hij heeft een bekwaam menner noodig voor zijne
-paarden. Wie ze naar wensch voor hem besturen wil zal hij met rijkdom
-overladen. Maakt dit aanbod bekend, hier, daar in de stad, in den
-circus, overal waar de sterken samenkomen. Zoo zegt mijn meester, Sheik
-Ilderim de Edelmoedige.
-
-De proclamatie verwekte veel beweging. Voor den nacht zou zij zeker alom
-in Antiochie besproken worden. Ben-Hur keek besluiteloos van den heraut
-naar den Sheik. Malluch dacht dat hij zich aan zou melden, en voelde
-zich werkelijk verlicht, toen de jonkman zich tot hem keerde met de
-vraag: Waar nu heen?
-
-Malluch antwoordde lachend: Indien gij als anderen wilt doen, die het
-Park voor de eerste maal bezoeken, dan laat u voor alle dingen
-waarzeggen.
-
---Waarzeggen? Dat klinkt wel wat heidensch; maar 't zij zoo. Laat ons
-naar de godin gaan.
-
---Neen, zoon van Arrius, deze Apollodienaars hebben een betere manier
-dan dat. In plaats van een samenspraak met een Pythia of Sibylle,
-verkoopen zij u een gewoon papyrusblad, slechts even gedroogd. Dat laten
-zij u in het water dompelen van een zekere bron, waarna gij er, in een
-versje, uwe toekomst op voorspeld vindt.
-
-Ben-Hur, die eerst met belangstelling geluisterd had, antwoordde op
-somberen toon: Sommige menschen behoeven zich niet over hunne toekomst
-te bekommeren.
-
---Wilt gij dan liever naar de tempels gaan?
-
---De tempels zijn Grieksch, niet waar?
-
---Zoo noemt men ze ten minste.
-
---De Grieken zijn meesters in de schoone kunsten, maar in de bouwkunst
-hebben zij de afwisseling opgeofferd aan strakke schoonheid. Hun tempels
-zijn alle volkomen hetzelfde. Hoe heet de bron waar gij van verteldet?
-
---Castalia.
-
---O, die! Ja, die is over de gansche aarde beroemd. Daarheen dus.
-
-Malluch sloeg, onder het gaan, zijn metgezel in stilte gade, en bemerkte
-dat zijn opgewektheid voor het oogenblik althans verdwenen was. Voor de
-wandelaars had hij geen oog; de wonderwerken, die zij voorbijgingen,
-ontlokten hem geen enkelen uitroep van verbazing. Zwijgend, ja gemelijk
-vervolgde hij zijnen weg.
-
-Die verandering van stemming was aan de onverwachte verschijning van
-Messala te wijten. Het verledene stond hem op eens zoo levendig voor den
-geest. Het scheen hem nauwelijks een uur geleden, dat men hem met geweld
-van zijne moeder wegrukte, nauwelijks een uur geleden, dat de Romein
-zijn ouderlijk huis liet dichtspijkeren. Hij herdacht de drie vreeselijke
-jaren op de galeien, waarin hij behalve zijn werk weinig anders te doen
-had, dan van wraak te droomen, waarvan Messala het middelpunt was.
-Gratus, was hij gewoon tot zichzelven te zeggen, mocht desnoods
-ontsnappen; maar Messala--nooit! Want wie, zoo vraagde hij telkens weer
-opnieuw, wees ons aan, toen de vervolgers het huis binnendrongen? En
-toen ik smeekte om hulp, niet voor mijzelf, wie bespotte mij toen en
-ging lachend heen?... En altijd weer eindigden die overleggingen met de
-bede: Ten dage dat ik hem ontmoet, o God van Jakob, help mij dan! Help
-mij een gepaste wraak te vinden!
-
-En nu was de ontmoeting nabij! Misschien zou Ben-Hur er anders over
-gedacht hebben als hij Messala arm en lijdend had teruggevonden; maar
-dat was niet het geval. Hij vond hem op het toppunt van glorie, van
-aanzien en macht.
-
-Wat Malluch dus voor een voorbijgaande neerslachtigheid hield, was
-ernstig overleg wanneer hij zich tegenover Messala zou kunnen stellen en
-op welke wijze hij die ontmoeting tot een onvergetelijke zou kunnen
-maken.
-
-Na een poosje kwamen zij aan een breede eikenlaan, druk bezocht door
-groepjes wandelaars, paardrijders, vrouwen in draagstoelen. Aan het
-einde der laan daalde de weg zacht glooiend af in een groene vlakte, die
-aan de eene zijde door een steilen rotswand afgesloten was. Hier bevond
-zich de beroemde bron Castalia.
-
-Ben-Hur baande zich een weg door de menigte, die zich rondom de bron
-verdrong. Een zwart marmeren bassin ving het water op, dat met kracht
-uit de rots stroomde, om na veel borrelen en schuimen als door een
-trechter te verdwijnen.
-
-Naast het bassin zat onder een rots uitgehouwen afdak een priester. De
-lange baard, en de kap, die zijn hoofd bedekte, gaven hem het voorkomen
-van een kluizenaar. Uit de gedragingen der omstanders kon men moeilijk
-opmaken wat hier eigenlijk het aantrekkingspunt was, de altijd vlietende
-bron, of de altijd aanwezige priester. Hij hoorde, zag, werd gezien,
-maar sprak nooit. Bij tijd en wijle bood een bezoeker hem een geldstuk
-aan, waarvoor de priester een papyrusblad in ruil gaf. De kooper haastte
-zich dan om het blad in het bekken te doopen, hield het vervolgens tegen
-het licht, om weldra beloond te worden met de verschijning van eenige
-dichtregelen, en al had die poezie meestal weinig verdienste, de goede
-naam der bron leed er niet onder.
-
-Voordat Ben-Hur echter het orakel kon raadplegen naderde een nieuw
-gezelschap, welks verschijning de algemeene nieuwsgierigheid opwekte.
-
-Een groote witte kameel, geleid door een drijver te paard, droeg op den
-rug een buitengewoon breede, rijk met goud versierde zonnetent. Twee
-andere ruiters, met lange speren in de hand, volgden de kameel.
-
---Wat een mooi dier! zeide iemand.
-
---Zeker een vreemde vorst, zeide een ander.
-
---Neen, een koning.
-
---Een koning zou op een olifant zitten!
-
---Bij Apollo, vrienden, zeide een vijfde, 't zijn geen koningen of
-vorsten, 't zijn twee vrouwen!
-
-Terwijl de lieden er zich nog druk over maakten, hadden de vreemdelingen
-de bron bereikt. De kameel beantwoordde van nabij gezien volkomen aan de
-verwachting. Nog nooit had een der aanwezigen prachtiger dier aanschouwd.
-Wat groote zwarte oogen, wat fijn wit haar, wat goed gevormde pooten,
-zoo onhoorbaar van stap en toch zoo krachtig!... zijns gelijke was er
-niet. Hoe goed pasten die gouden franjes en kwasten en die rinkelende
-zilveren belletjes bij hem!
-
-Maar wie waren die man en die vrouw onder de tent?
-
-De oogen van allen waren op hen gevestigd.
-
-De man was zeer oud, de vrouw nog jong en zeer schoon. Zij was gehuld in
-kanten sluiers van zeldzaam fijn weefsel. Boven den elleboog droeg zij
-armbanden, in den vorm van slangen, door fijne gouden kettinkjes aan de
-armbanden om den pols verbonden. De kleine handen waren met kostbare
-ringen versierd. Op het hoofd droeg zij een netje van gouddraad met
-bloedkoralen doorregen, en rondom afgezet met muntstukjes, zoodat zij
-aan den voorkant op haar voorhoofd rustten. Van haar hoogen zetel zag
-zij kalm en tevreden op het volk neer, oogenschijnlijk zoo bezig met het
-te bestudeeren, dat zij niets merkte van de nieuwsgierigheid, die
-zijzelve opwekte. Tegen alle gewoonte in, daar aanzienlijke vrouwen zich
-nimmer in het openbaar met ongedekt gelaat vertoonden, zat zij daar met
-weggeslagen sluier.
-
-Het was een mooi ovaal gezichtje, donker en toch doorschijnend van tint.
-De half geopende lippen lieten twee rijen blinkend witte tandjes zien.
-
-Nu wendde zij zich tot den drijver, een forsch gebouwd Ethiopier, die
-den kameel tot vlak bij het bassin leidde en hem deed neerknielen. Zij
-reikte den man een beker toe, om dien aan de bron te vullen.
-
-Op datzelfde oogenblik werd de door hare komst veroorzaakte stilte
-verbroken door het geluid van wielen en paardengetrappel. Met luide
-kreten van schrik stoven allen links en rechts.
-
---Pas op, de Romein is van plan er op in te rijden! waarschuwde Malluch
-en vloog op zij.
-
-Ben-Hur keek om en zag Messala, die met zijn vierspan regelrecht op het
-volk aankwam. Ditmaal kon hij hem duidelijk in 't gelaat zien.
-
-Het uiteenstuiven van de menigte bracht den kameel in groot gevaar.
-Reeds waren de paarden vlak bij hem en nog lag hij met gesloten oogen te
-rusten en te herkauwen, zich veilig voelend bij zijn meester. De
-Ethiopier wrong de handen in wanhoop. De grijsaard in de tent rees
-overeind, als dacht hij aan vluchten; maar behalve dat de stramheid
-zijner leden hem dat belette, kon hij toch in de ure des gevaars zijne
-waardigheid niet vergeten. En wat zijne dochter betreft, voor haar was
-het in ieder geval te laat om nog aan ontkomen te denken.
-
-Ben-Hur stond er het dichtst bij en riep Messala toe: Halt! Zie dan toch
-wat gij doet! Terug! Terug!
-
-De patricier lachte hartelijk, en ziende dat hem geen keus bleef sprong
-Ben-Hur toe, greep de twee bijdehandsche paarden in den teugel, en rukte
-hem met inspanning van alle krachten op zij. Vervloekte Romein! riep hij
-Messala toe, bekommert gij u dan zoo weinig om het leven van een ander?!
-
-De twee paarden steigerden en trokken de andere mee. De wagen dreigde te
-kantelen. Messala hield zich slechts met de grootste moeite staande,
-terwijl zijn goedhartige Myrtilus achterover tuimelde in het gras. Toen
-zij zagen dat het gevaar geweken was lachten al de omstanders den Romein
-van harte uit.
-
-Messala toonde zich thans in grenzenlooze onbeschaamdheid. Zich van de
-teugels losmakend sprong hij uit den wagen, liep om den kameel heen,
-keek Ben-Hur in het voorbijgaand achteloos aan en zeide toen tot de twee
-vreemdelingen: Vergeeft het mij, bid ik u. Ik ben Messala, en bij onze
-moeder aarde zweer ik u, dat ik u en den kameel niet zag. Wat deze goede
-lieden betreft, ik rekende misschien te veel op mijne behendigheid, ik
-wilde mij ten hunnen koste vermaken, en zie, het lachen is aan hen. Moge
-het hun goed bekomen!
-
-De onverschillige blik en handbeweging, die deze woorden vergezelden,
-pasten er uitstekend bij. Om te hooren wat hij nog verder mocht te
-zeggen hebben, hielden de lieden zich bedaard. Messala gaf zijn metgezel
-een wenk om den wagen te verwijderen en wendde zich vervolgens
-vrijmoedig tot het meisje.
-
---Gij zijt waarschijnlijk verwant aan den eerwaardigen grijsaard, wiens
-vergiffenis, zoo zij mij nu nog onthouden wordt, ik later met te grooter
-ijver zal trachten te verwerven; zijne dochter misschien?
-
-Zij gaf geen antwoord.
-
---Bij Pallas, gij zijt schoon! Wees voorzichtig, opdat Apollo u niet
-voor zijn verloren liefje houde! Ik zou gaarne willen weten welk land
-zich beroemen mag uw vaderland te zijn? Neen! wend u niet af! Vergeef
-het mij! De zon van Indie straalt mij toe uit uwe oogen; Egypte heeft op
-uwe lippen zijn zegel gedrukt. Keer u niet af, schoone jonkvrouw,
-voordat gij mij genade geschonken hebt. Zeg mij ten minste, dat gij mij
-vergiffenis schenkt.
-
-Zonder Messala verder een blik te gunnen, wenkte zij Ben-Hur tot zich en
-vraagde met een vriendelijk lachje: Zoudt gij zoo goed willen zijn om
-dezen beker met water te vullen? Mijn vader heeft dorst.
-
---Uw gehoorzaame dienaar, antwoordde Ben-Hur.
-
---O vreemdelinge, gij zijt even wreed als schoon, zeide Messala, haar
-met de hand toewuivende. Als Apollo u niet weghaalt, zult gij mij
-weerzien. Daar ik uw vaderland niet ken, kan ik u niet aan de gunst
-zijner goden aanbevelen, daarom beveel ik u aan de gunst van--mijzelven
-aan!
-
-Dit gezegd hebbende ging hij naar den wagen terug, die hem stond te
-wachten. Het meisje zag hem na, en wat ook in haar oog te lezen heeft
-mogen staan, geen misnoegen.
-
-Ben-Hur bracht haar den beker en nadat de grijsaard gedronken had,
-bracht zij dien zelve aan haar lippen en bood hem daarna met
-onnavolgbare gratie Ben-Hur aan. Behoud hem, bidden wij u, zeide zij.
-Hij is vol zegenwenschen, alle voor u!
-
-Nu deed de Ethiopier den kameel opstaan; maar op het punt van vertrekken
-riep de grijsaard Ben-Hur toe: Wacht even! Ik moet u spreken.
-
-Ben-Hur trad nader.
-
---Gij hebt den vreemdeling een grooten dienst bewezen. Er is slechts een
-God. In zijn heiligen naam dank ik u. Ik ben Balthasar de Egyptenaar. In
-het groote Palmbosch, aan gene zijde van de Daphne gelegen, heeft Sheik
-Ilderim de Edelmoedige zijn tenten opgeslagen. Wij zijn zijne gasten.
-Bezoek ons daar. Gij zult ons zeer welkom zijn.
-
-Ben-Hur boog eerbiedig voor den grijsaard en staarde vader en dochter
-nog geruimen tijd na.
-
-
- * * * * *
-
-
-NEGENDE HOOFDSTUK.
-
-PLANNEN VAN WRAAK.
-
-
-In den regel is er geen zekerder middel om iemands tegenzin op te
-wekken, dan uit te blinken waar hij zich laf gedroeg. Malluch maakte
-hierop gelukkig een uitzondering. Wat hij gezien had deed Ben-Hur in
-zijne achting rijzen. Moed en wellevendheid bezat hij ongetwijfeld. Kon
-hij nu slechts een blik slaan in het verleden van den jongen man, dan
-zou meester Simonides tevreden kunnen zijn over dien eersten dag.
-
-Zooveel wist hij reeds; Ben-Hur was een Jood en de aangenomen zoon van
-een Romein. Verder begreep de slimme man, dat er tusschen Messala en den
-zoon van den duumvir iets was. Maar wat? Hoe kon hij achter de waarheid
-komen?
-
-In deze moeilijkheid kwam Ben-Hur zelf hem te hulp. Hij legde de hand op
-Malluchs arm en voerde hem met zich uit het gedrang der menigte, die
-zich weer om den priester en de bron verzameld had.
-
---Goede Malluch, zeide hij, mag een man zijne moeder vergeten?
-
-Op die vraag was Malluch allerminst voorbereid. Hij keek Ben-Hur aan, om
-te zien wat hij bedoelde. Hij zag niets dan een gloeiende plek op iedere
-wang en onderdrukte tranen in de sombere oogen. Beslist antwoordde hij:
-Neen; nooit. Als hij een Israeliet is, nooit! Mijn eerste les in de
-synagoge was het gezegde van den zoon van Sirach: Eer uwen vader met uw
-gansche ziel en vergeet nooit wat gij uwe moeder gekost hebt.
-
-Ben-Hurs oogen fonkelden.
-
---Die woorden, Malluch, roepen mijne jeugd in mijne herinnering terug,
-en bewijzen dat gij een echte Jood zijt. Ik geloof dat ik u vertrouwen
-kan.
-
-Hij liet Malluchs arm los en drukte de hand op zijn hart, alsof hij pijn
-gevoelde. Mijn vader, zeide hij, was een man van aanzien, met eere
-bekend in Jeruzalem, waar hij woonde. Mijne moeder was bij zijn dood in
-de kracht van haar leven. Woorden kunnen niet uitdrukken hoe goed en hoe
-schoon zij was. Iedereen roemde haar om de goede werken, die zij deed.
-Een vriendelijke toekomst lachte ons tegen. Ik had een jongere zuster,
-en wij waren zoo gelukkig, dat ik volkomen instemde met het woord van
-den Rabbijn: God kon niet overal wezen, daarom schiep Hij moeders.--Op
-zekeren dag overkwam aan een hooggeplaatst Romein een ongeluk, juist
-toen hij ons huis voorbijreed. Zijne soldaten vlogen naar binnen en
-grepen ons. Sedert heb ik mijne moeder en zuster niet meer gezien. Ik
-weet niet of zij dood zijn, of nog leven. Ik weet niet wat van haar
-geworden is. Maar, Malluch, die Romein, die met zijn vierspan lachend op
-het volk kwam inrijden, was tegenwoordig bij onze scheiding. Hij leverde
-ons over aan onze vijanden. Hij hoorde mijne moeder om genade smeeken
-voor hare kinderen en hij lachte, toen zij haar wegsleurden. Het is
-moeilijk te zeggen wat het diepst in de herinnering gegrift blijft,
-liefde of haat. Vandaag herkende ik hem reeds in de verte, en, Malluch,
-hij kent en bewaart het geheim, waarvoor ik mijn leven zou willen geven.
-Hij weet of zij leven, en waar, en hoe. En zijn zij gestorven, hij weet
-waar hare beenderen rusten.
-
---En zou hij het niet willen zeggen?
-
---Neen.
-
---Waarom niet?
-
---Ik ben een Jood, en hij is een Romein.
-
---Maar Romeinen hebben een tong, en de Joden, hoezeer ook door hen
-veracht, kunnen op middelen zinnen om die tong los te maken.
-
---Voor zulken als hij? Neen; en daarenboven is het een staatsgeheim.
-Mijn vaders bezittingen werden alle verbeurd verklaard en verdeeld.
-
-Malluch knikte met het hoofd, als begreep hij er alles van, en vraagde
-toen opnieuw: Heeft hij u niet herkend?
-
---Dat kon hij niet. Ik werd levend dood verklaard, en ben sinds lang als
-dood beschouwd.
-
---Het verbaast mij dat gij hem niet doodgeslagen hebt, zeide Malluch
-hartstochtelijk.
-
---Daarmee zou ik mijzelven voorgoed de gelegenheid benomen hebben, om
-partij van hem te trekken. De dood, dat weet gij, bewaart een geheim nog
-beter dan een schuldig Romein. Maar zijn straf zal hij niet ontgaan, en
-als gij mij helpen wilt, zal ik zeker slagen.
-
---Hij is een Romein, zeide Malluch, en ik behoor tot den stam van Juda.
-Ik zal u helpen. Indien gij het verlangt zal ik mijne belofte met een
-eed bevestigen.
-
---Geef mij uw hand, dat is voldoende.
-
-Na met een handdruk de afspraak bezegeld te hebben zeide Ben-Hur:
-Datgene waarmede ik u belasten zal, is niet moeilijk, goede vriend, en
-zal uw geweten niet bezwaren. Laat ons nu verder gaan.
-
-Een poosje later begon hij weer: Kent gij Sheik Ilderim?
-
---Ja.
-
---Waar is dat Palmbosch? of liever: hoever is dat van hier?
-
-Malluch aarzelde een oogenblik. Hij dacht aan het geschenk der schoone
-vreemdelinge. Zou het mogelijk zijn dat de jonge man zijn verdriet wilde
-gaan verzetten door een liefdesavontuur? Hij liet echter niets merken en
-antwoordde: Dat Palmbosch ligt twee uur te paard van Daphne. Een vlugge
-kameel brengt er u in een uur.
-
---Zoo. En die wedrennen, daar gij mij van verteldet, zijn die publiek?
-en wanneer zullen zij plaats vinden?
-
-Die vragen deden iets vermoeden en wekten Malluchs nieuwsgierigheid.
-
---O ja, antwoordde hij, zij zullen prachtig zijn. De prefect is rijk en
-zeer aan geld gehecht. Een invloedrijk vriend aan 't hof te hebben is
-echter wel een opoffering waard, en daarom maakt hij zooveel drukte voor
-den consul Maxentius, die hier komt om de laatste toebereidselen te
-treffen voor een veldtocht tegen de Parthen. De inwoners van Antiochie
-weten uit ondervinding, dat die toebereidselen geld onder de menschen
-brengen en hebben verlof gevraagd, om den prefect te helpen den grooten
-man naar waarde te ontvangen. Een maand geleden zijn herauten naar de
-vier windstreken uitgezonden, om de kampspelen en wedrennen aan te
-kondigen. De naam van den prefect zou op zichzelf reeds voldoende
-zekerheid geven voor de noodige afwisseling; maar wanneer Antiochie zich
-bij hem aansluit, zijn alle eilanden en de zeesteden zeker van iets
-buitengewoons, en kunnen wij op een uitgelezen publiek rekenen. De
-uitgeloofde prijzen zijn vorstelijk.
-
---En de circus? Ik heb gehoord dat die lui die na den circus Maximus de
-beste is.
-
---Die van Rome? Wel, de onze heeft plaats voor tweemaal honderdduizend
-menschen, de uwe voor vijf-en-zeventigduizend meer. De uwe is van
-marmer, de onze ook. Wat de inrichting betreft staan zij gelijk.
-
---Zijn de wetten dezelfde?
-
-Malluch glimlachte. Als Antiochie beproeven wilde oorspronkelijk te
-zijn, zou Rome niet de koningin wezen, die zij is, zoon van Arrius! De
-wetten van den circus Maximus zijn oppermachtig, behalve op een punt:
-daar mogen slechts vier wagens te gelijk afrijden, hier gaan ze alle te
-zamen, onverschillig hoeveel.
-
---Dat is naar Grieksche manier, zeide Ben-Hur.
-
---Ja, Antiochie is meer Grieksch, dan Romeinsch.
-
---En mag men zijn eigen wagen kiezen?
-
---Ja, en de paarden ook. Daarin is ieder vrij.
-
---Nog iets, Malluch, wanneer zullen de wedrennen gehouden worden?
-
---Laat eens zien. Morgen ... neen, overmorgen, als ten minste, om op zijn
-Romeinsch te spreken, de zeegoden hem goedgunstig zijn, komt de consul.
-Ja, op den zesden dag na dezen beginnen de feesten.
-
---De tijd is kort, Malluch, maar voldoende. Bij de profeten van Israel!
-Ik zal weder naar de teugels grijpen. Maar wacht! Weet gij zeker dat
-Messala meedoet?
-
-Nu doorzag Malluch het geheele plan. Ja, dat was een heerlijke
-gelegenheid om den Romein te vernederen; maar hij had geen Israeliet
-moeten zijn, om niet snel de kansen te berekenen. Bezorgd vraagde hij:
-Hebt gij er meer aan gedaan?
-
---Vrees niet, mijn vriend. Vraag maar eens te Rome wie daar de vorst der
-wagenmenners genoemd wordt. Bij de laatste groote wedrennen bood de
-keizer zelf mij zijne gunst aan, indien ik zijne paarden in het
-strijdperk wilde voeren.
-
---En hebt gij dat geweigerd? vraagde Malluch levendig.
-
---Ik ben een Israeliet, antwoordde de ander ernstig. Al draag ik een
-Romeinschen naam, ik wilde niet iets doen, dat mijn vaders naam
-benadeelen kon in de voorhoven van onzen Tempel. In de kampscholen kon
-ik mij aan dergelijke oefeningen wijden, in den circus zelf zou mijn
-optreden een gruwel zijn in de oogen mijner geloofsgenooten, en als ik
-hier aan de wedrennen deel neem, dan, Malluch, ik zweer het u, zal het
-niet zijn om den prijs te behalen.
-
---Hola! zweer niet te gauw. De prijs is 10,000 sestertien, een vermogen
-op zichzelf.
-
---Niet voor mij, al was het tienmaal zooveel. Neen, er is wat beters.
-Deze wedrennen zullen mij dienen om mijn vijand te vernederen. Wraak is
-door de wet geoorloofd. Maar gij hebt mij nog niet geantwoord. Weet gij
-zeker dat Messala meedoet?
-
---Ja. Messala doet mee. Het staat overal aangeplakt. Iederen dag komt
-hij zich oefenen.
-
---Zoo, en dat is dus het vierspan, waarmede hij in het strijdperk zal
-komen? Dank voor uwe inlichtingen, Malluch! Gij zijt mij heerlijk van
-dienst geweest. Ik ben voldaan. Wijs mij nu zoo gauw mogelijk den weg
-naar Sheik Ilderim en leid mij bij hem in. Hoe komen wij er het snelst?
-Zijn paarden mochten anders al eens besproken zijn.
-
---Het best is dat wij regelrecht naar het dorp gaan, dat is gelukkig
-vlak bij. Daar moeten wij twee vlugge kameelen zien te huren, dan zijn
-wij er in een uur.
-
---Voorwaarts dan, zeide Ben-Hur.
-
-Het dorp bestond uit niets dan paleizen in fraaie tuinen, benevens
-eenige vorstelijk ingerichte herbergen. Kameelen waren gemakkelijk te
-krijgen en zoo konden de twee reizigers zich weldra op weg begeven naar
-het beroemde Palmbosch.
-
-
- * * * * *
-
-
-TIENDE HOOFDSTUK.
-
-HET PALMBOSCH.
-
-
-De landstreek die zij doorreden was heuvelachtig en goed bebouwd, een
-ware lusthof. Geen plekje was vergeten. De steile heuvelhellingen waren
-terrasvormig aangelegd. Tegen de omtuiningen slingerden zich weelderige
-wingerdranken omhoog, die den voorbijgangers, behalve zeer gewenschte
-schaduw, de belofte gaven van kostelijke druiven en parelenden wijn.
-Op de meloenvelden en tusschen abrikozen- en vijgeboschjes lagen de
-witgepleisterde huizen der landlieden verspreid; alles sprak van
-overvloed en vrede, en stemde het hart tot vroolijken levensmoed.
-Af en toe kreeg men een kijkje op het Taurusgebergte en den Libanon,
-waartusschen de Orontes als een zilveren draad kalm zijn weg vervolgde.
-
-Het duurde niet lang of onze vrienden hadden de rivier bereikt. Nu ging
-hun weg over heuvelen en door dalen, steeds met den stroom mede. Was het
-landschap in vollen bladerdos van eik en laurier en moerbeiboomen, van
-geurenden jasmijn en haagappelboomen, de rivier tintelde onder de
-zonnestralen en sprak met hare vele op- en afvarende schepen van de zee,
-van vergelegen landen, van beroemde plaatsen en begeerlijke dingen.
-
-De twee vrienden reden door totdat zij aan een meer kwamen, helder, diep
-en effen, dat door het vloedwater der rivier onderhouden werd. Een oude
-palmboom beheerschte den inham. Bij dien palm sloegen zij links om en
-riep Malluch op vroolijken toon: Het Palmbosch! Het Palmbosch!
-
-Met uitzondering van de bekoorlijksten oasen in Arabie, of de
-Ptolemeiesche landerijen aan den Nijl, kon men bezwaarlijk een
-heerlijker oord vinden. Ontelbare dadelpalmen, patriarchen in hunne
-soort, verhieven hunne kruinen ten hemel. Aan het koele, heldere water,
-dat onder den grond verder stroomde, hadden die reuzen hun groei en
-langen levensduur te danken. Was het park van Daphne boven dit te
-verkiezen? En alsof de palmen Ben-Hurs gedachten raadden en de schaal
-ten hunnen gunste wilden doen overslaan, wuifden zij hem vriendelijk toe
-en brachten hem verkoeling aan.
-
---Let eens op dezen reus, zeide Malluch, op een eerwaardigen palm
-wijzend. Elke ring op den bast duidt een jaar leven aan. Tel ze van
-wortel tot aan den top, en als de Sheik u zegt, dat het bosch geplant
-is, voordat iemand in Antiochie iets van de Seleuciden wist, geloof hem
-dan vrij.
-
-Een volmaakt schoone palm te beschouwen, zonder dat men onder zijn
-invloed in vervoering geraakt, is niet wel denkbaar. Vandaar dat hem van
-den beginne alle eer bewezen is en de kunstenaars der eerste koningen
-hem als model kozen voor de pilaren hunner paleizen en tempels.
-Diezelfde gewaarwording deed Ben-Hur zeggen: Toen ik Sheik Ilderim van
-morgen zag vond ik hem een zeer gewoon man. Hoe komt hij, een zoon van
-Edom, in het bezit van dezen lusthof? en hoe heeft hij hem uit de
-klauwen der Romeinsche gouverneurs kunnen houden?
-
---De stamboom van dezen Sheik klimt tot in de grijze oudheid op, zeide
-Malluch. Al zijne voorvaders waren Sheik. Een van hen heeft eenmaal een
-vervolgden koning het leven gered. Het verhaal gaat, dat die Sheik den
-koning duizend ruiters leende, die hem nu hier dan daar in de wildernis
-verborgen, totdat zich eene gelegenheid aanbood om hem te wreken, zijne
-vijanden te verslaan, en den koning troon en rijk terug te geven. De
-koning vergat de bewezen diensten niet, maar noodigde den Sheik uit om
-zijne tent in deze streek op te slaan, en gaf hem het meer en de boomen
-en het land tusschen de rivier en de naastbijgelegen bergen tot eene
-erfelijke bezitting.
-
---En heeft niemand hem ooit die bezitting betwist?
-
---De verschillende overheerschers hebben het verstandig geoordeeld op
-goeden voet te blijven met den stam, die door den Heer gezegend is met
-strijdbare helden en paarden en kameelen en rijkdommen, zoodat zij
-meester zijn van vele heirwegen tusschen de groote steden, en den handel
-naar welgevallen kunnen belemmeren of beschermen. Zelfs de prefect in de
-Citadel is blijde, wanneer de Sheik met zijne vrouwen en kinderen en
-zijn ganschen stoet de eenzaamheid der woestijn verlaat, om voor een
-poos in dit heerlijk oord zijne tenten op te slaan.
-
---Maar hoe komt het dan, dat de Sheik straks het uur vervloekte, waarin
-hij een Romein zijn vertrouwen geschonken had? Als de keizer hem gehoord
-had, zou hij zeker gezegd hebben: zulk een vriend begeer ik niet. Weg
-met hem!
-
---Ja, wat dat betreft, Ilderim heeft een grief tegen Rome, zeide Malluch
-met een glimlach. Drie jaren geleden trokken de Parthen langs den weg
-van Bozra naar Damascus en vielen een karavaan aan, die onder anderen de
-schatting van een in de buurt gelegen district vervoerde. Zij sloegen
-alle gevangenen dood, hetgeen de beambten te Rome hadden kunnen
-vergeven, indien slechts de keizerlijke schatten behouden en naar Rome
-gezonden waren. De pachters, die voor de slachting aansprakelijk waren,
-beklaagden zich bij den keizer. Deze veroordeelde Herodes in de kosten,
-en Herodes verhaalde de schade op Ilderim, wien hij van plichtverzuim
-beschuldigde. De Sheik kwam in hooger beroep bij den keizer; maar deze
-gaf een antwoord, waar niemand wijs uit kon worden. De oude man heeft
-zich dat sterk aangetrokken en wacht slechts op een gelegenheid om zich
-te wreken.
-
---Hij kan toch niets doen, Malluch.
-
---Dat is te zeggen.... Maar zie, de gastvrijheid begint reeds. De
-kinderen spreken u aan.
-
-De kameelen bleven stilstaan en Ben-Hur zag, dat eenige kleine meisjes
-hem mandjes met dadels aanboden. Hij nam ze met vriendelijken dank.
-
-Toen zij weer verder reden zeide Malluch: Ik ben zeer bevriend met den
-koopman Simonides, en zoo heb ik ook kennis gemaakt met zijne vrienden,
-waaronder Sheik Ilderim een eerste plaats bekleedt. Ik heb hem meermalen
-ontmoet. Een paar weken geleden bracht hij Simonides een bezoek. Ik was
-in de kamer, en daar hij zeer opgewonden scheen, wilde ik mij verwijderen;
-maar hijzelf verbood het, zeggende: Gij zijt een Israeliet, blijf dus
-hier en luister, want ik heb een vreemde geschiedenis te verhalen.--Vele
-jaren geleden kwamen drie reizigers bij hem, een Hindoe, een Griek en
-een Egyptenaar. Zij reden op kameelen, de mooiste die hij ooit gezien
-had, en alle drie wit. Zij bleven die nacht bij hem. Den volgenden
-morgen vertelden zij hem wie zij waren en vanwaar zij kwamen. Alle drie
-hadden zij eene ster gezien en eene stem gehoord, die hun beval naar
-Jeruzalem te gaan, en te vragen naar den jonggeboren Koning der Joden.
-Zij gingen, en de ster geleidde hen van Jeruzalem naar Bethlehem, waar
-zij in een spelonk het pasgeboren kind vonden, dat zij aanbaden en
-geschenken gaven. Zij gingen niet naar Herodes terug, het was Herodes de
-Groote, overtuigd dat die hen dooden zou, maar kwamen bij Sheik Ilderim,
-die hen in zijne tenten verborg, totdat zij de terugreis durfden
-aanvaarden.
-
---Dat is zeker een vreemde geschiedenis, zeide Ben-Hur. Maar waar zegt
-gij dat zij te Jeruzalem naar vragen moesten?
-
---Zij moesten vragen: Waar is de geboren Koning der Joden?
-
---Was dat alles?
-
---Er was nog wat bij; maar dat herinner ik mij niet meer.
-
---En vonden zij het kind?
-
---Ja, en aanbaden het.
-
---'t Is vreemd, Malluch.
-
---Ilderim is een ernstig man, al is hij ook, evenals alle Arabieren,
-licht ontvlambaar. Een leugen uit zijn mond is ondenkbaar.
-
---Heeft Ilderim nooit meer van die drie mannen gehoord?
-
---Wel, dat was het juist wat hij Simonides kwam vertellen bij dat
-laatste bezoek. Den vorigen avond was de Egyptenaar onverwacht weer bij
-hem gekomen.
-
---Herkende hij hem dan?
-
---Ja, aan zijn manier van spreken en doen, en hij bereed denzelfden
-witten kameel, en gaf denzelfden naam op: Balthasar, den Egyptenaar.
-
---Wat zegt gij? Dien naam gaf de oude man aan de bron mij ook op! En de
-jonkvrouw was zijne dochter.
-
-Een oogenblik later zeide hij: Zij moesten dus vragen naar hem, die de
-Koning der Joden zou zijn?
-
---Neen, antwoordde Malluch, zij moesten naar den geboren Koning der
-Joden vragen. Die woorden heeft de Sheik altijd onthouden en hij wacht
-op de komst van dien Koning. Niets kan zijn geloof aan het wankelen
-brengen, dat hij komen zal.
-
---Hoe ... als Koning?
-
---Ja, om Rome's macht te fnuiken.
-
-Ben-Hur bleef in gedachten verzonken en zeide toen: De Sheik is een uit
-velen, die onrecht hebben te wreken; maar het is immers onmogelijk,
-Malluch, dat iemand anders dan een Herodes Koning der Joden zou zijn,
-zoolang Rome Rome is?... Maar om op het verhaal terug te komen; wat
-antwoordde Simonides?
-
---Simonides is een wijs man. Ik luisterde, en hij zeide ... maar hoor!
-daar komt iemand ons achterop.
-
-Paardengetrappel weerklonk, het kwam nader en nader, en zie, daar was de
-Sheik zelf met zijn gevolg, ook de vier Arabische paarden en de wagen.
-Zoodra hij hen zag riep den grijsaard: welkom en vrede!... Ha! Zijt gij
-het, mijn goede vriend Malluch? Welkom! Brengt gij mij tijding van mijn
-vriend Simonides? Moge de God zijner vaderen hem nog lang bij het leven
-bewaren! Volgt mij, opdat ik u verfrisschingen voorzette.
-
-Zij volgden hem tot aan de deur zijner tent, waar hij hun een verkoelenden
-drank aanbood.
-
-Zoodra zij naar binnen waren gegaan nam Malluch den Sheik ter zijde, om
-iets met hem te bespreken, waarna hij tot Ben-Hur terugkeerde en zeide:
-Ik heb den Sheik over u gesproken, hij is uw vriend, het verdere laat ik
-dus aan u over. Ik moet nu naar de stad, waar ik hedenavond gewacht word.
-Morgen kom ik terug en hoop dan bij u te blijven tot na den afloop der
-feesten.
-
-Met wederzijdsche zegenbeden scheidden zij en vertrok Malluch.
-
-
- * * * * *
-
-
-ELFDE HOOFDSTUK.
-
-MALLUCHS RAPPORT.
-
-
-Het was laat in den avond. Het maanlicht bescheen de gebouwen op den
-berg Sulpius, en twee derden van Antiochie's inwoners zochten op de
-platte daken der huizen koelte en verfrissching. Ook Simonides had zich
-naar het terras laten brengen en liet den blik rusten op de rivier en de
-ten anker liggende schepen. De muur achter hem wierp een breede schaduw
-op het water. Esther stond voor hem met een blad, dat zijn eenvoudig
-avondeten bevatte: luchtig gebakken koeken, wat honig en een kom melk.
-
---Malluch is laat, zeide hij, en verried alzoo waar zijne gedachten
-toefden.
-
---Zou hij nog komen? vraagde Esther.
-
---Als hij niet op zee of in de woestijn is, zal hij komen, antwoordde
-Simonides beslist.
-
---Hij zou kunnen schrijven.
-
---Als hij ver weg moest, zou hij mij dat dadelijk gemeld hebben; daar
-hij dat niet gedaan heeft, weet ik dat hij komen zal.
-
---Ik hoop het, zeide zij zacht.
-
-Iets in haar toon trof hem. Hij keek op en zei: Zou het u genoegen doen,
-als hij kwam?
-
---Ja vader.
-
---Waarom? vertel mij dat eens.
-
---Omdat ... omdat de jonge man....
-
---Onze meester is. Woudt ge dat zeggen, Esther?
-
---Ja vader.
-
---En gij vindt, dat ik hem niet moet laten gaan zonder hem te zeggen,
-dat hij komen kan als het hem behaagt, om ons met alles wat wij bezitten
-tot zich te nemen; alles, Esther: de schepen, het geld, de slaven, het
-huis, en het machtig krediet, dat als een mantel van fijn goud en zilver
-voor mij geweven werd door den grootsten beschermengel der menschen:
-welslagen.
-
-Zij antwoordde niet.
-
---Laat het u koud? vraagde hij met iets bitters in zijn toon. Ach, kind,
-ik weet bij ondervinding, dat wat van te voren ondragelijk scheen
-doorstaan kan worden, als men er maar eerst voor staat, zelfs het
-ergste, zelfs de pijnbank. Dat zal met den dood waarschijnlijk ook wel
-het geval zijn. En volgens die beschouwing kan de slavernij, waarin wij
-ons gaan begeven, na een poos liefelijk worden. 't Is mij nu reeds een
-aangename gedachte, dat onze meester een gunsteling der fortuin blijkt
-te zijn. Zijn vermogen heeft hem niets gekost, geen zorg, geen droppel
-zweet, niet eens een gedachte. Onverwacht valt het hem voor de voeten.
-En, Esther, wat mijn ijdelheid niet weinig streelt, hij krijgt wat hij
-voor geen schatten kon koopen, hij krijgt u, mijn lieveling, mijn parel,
-u, bloempje van mijn gestorven Rachel.
-
-Hij trok haar tot zich en kuste haar tweemaal; de eerste kus gold
-haarzelve, de tweede hare moeder.
-
---Spreek zo niet, vader, zeide zij, laat ons beter van hem denken. Hij
-weet wat droefheid is en zal ons de vrijheid geven.
-
---Gij hebt een fijn instinct, Esther, en gij weet dat ik dikwijls op uw
-oordeel af ga;... hoor, daar komt iemand; heb ik het u niet gezegd? daar
-is Malluch! Nu zullen wij zien wat wij van onzen jongen meester te
-wachten hebben.
-
---Vrede zij u, meester Simonides, zeide Malluch diep buigend, en ook u,
-voortreffelijkste der dochters.
-
-Simonides beantwoordde den groet en vraagde toen: Wat hebt gij mij van
-den jongen man te vertellen?
-
-Eenvoudig en zakelijk gaf Malluch een verslag hoe hij den dag had
-doorgebracht. Simonides luisterde aandachtig en liet hem ongestoord
-vertellen.
-
---Dank, hartelijk dank, Malluch, gij hebt uitstekend gehouden, zeide
-hij, toen het verhaal uit was. Niemand zou het kunnen verbeteren. En tot
-welk volk meent gij dat hij behoort?
-
---Tot het volk van Israel, meester, tot den stam van Juda.
-
---Weet gij het zeker?
-
---Zeer zeker.
-
---Hij schijnt u niet veel van zijn leven verteld te hebben.
-
---Hij heeft geleerd voorzichtig te zijn. Eerst na zijn optreden bij de
-Castaliabron werd hij vertrouwelijk.
-
---Een vervloekte plaats, die bron. Waarom ging hij er heen?
-
---Ik zou zeggen uit nieuwsgierigheid; maar toen hij er was, toonde hij
-niet de minste belangstelling. Goede meester, de jonge man heeft een
-verborgen kommer, en hij ging naar het Park, denk ik, zooals wij naar
-het graf gaan met onze dooden--hij ging zijn kommer begraven.
-
---Niet onmogelijk, Malluch; maar de vloek van dezen tijd is
-verspilzucht ... hebt gij daar iets van gemerkt? Pronkte hij met geld?
-Met Romeinsche of Joodsche munten?
-
---Neen, meester.
-
---Maar Malluch, op de plaats die zooveel gelegenheid tot dwaasheid
-geeft,... ik bedoel waar zooveel te eten en te drinken is, heeft hij u
-zeker wel een en ander aangeboden?
-
---Hij heeft niet gegeten of gedronken, voordat wij in Ilderims tent
-waren.
-
---Kondt gij uit wat hij zeide of deed opmaken wat zijn geheime drijfveer
-is?
-
---Hoe bedoelt gij dat? vraagde Malluch.
-
---Wel, gij weet dat wij voor ons spreken en handelen, vooral bij
-gewichtige aangelegenheden, een beweegreden hebben. Wat hebt gij te dien
-opzichte bij hem opgemerkt?
-
---Daarop, meester Simonides, kan ik met zekerheid antwoorden. Hij wil
-zijne moeder en zuster opsporen, dat allereerst. Dan heeft hij een wrok
-tegen Rome, en daar die Messala van wien ik u vertelde iets met het hem
-aangedane onrecht te maken heeft, wil hij niet rusten voordat hij hem
-vernederd heeft. De ontmoeting bij de bron bood hem de gelegenheid, maar
-hij liet die voorbijgaan, omdat ze hem niet publiek genoeg was.
-
---Die Messala heeft veel invloed, zeide Simonides.
-
---Ja, maar de volgende ontmoeting zal in den circus plaats vinden.
-
---Zoo ... en dan?
-
---De zoon van Arrius zal winnen.
-
---Hoe weet gij dat?
-
-Malluch glimlachte en zeide: Ik oordeel naar wat hij zegt.
-
---Naar dat alleen?
-
---Neen, ook naar den geest, die hem bezielt.
-
---Inderdaad? Maar Malluch, beperkt hij zijn wraak tot de enkelen, die
-hem onrecht aandeden, of tot het geheele volk? Meer nog, is die
-wraaklust slechts een gril van een gevoeligen knaap, of is hij de
-ingewortelde dorst naar wraak voortkomende uit een vertrapt mannenhart?
-Gij weet, Malluch, het zinnen op wraak, dat alleen in den geest wortel
-heeft geschoten, is een ijdele droom, die bij den eersten helderen dag
-verdwijnt, terwijl de wraak, tot hartstocht geworden, een ziekte is, die
-opklimt naar de hersenen, en zich met hart en geest beiden voedt.
-
-Simonides had snel en met saamgeknepen handen gesproken, alsof hij de
-kwaal, die hij beschreef, bij ondervinding kende.
-
---Goede meester, zeide Malluch, dat ik den jonkman voor een Israeliet
-houd is allereerst om zijn gloeienden haat. Hij bedwong zich, maar toch
-zag ik hem opvlammen, eerst toen hij weten wilde wat Ilderim tegen Rome
-heeft, daarna toen ik hem van de drie mannen verhaalde, die den geboren
-Koning der Joden zochten.
-
---Wat zeide hij dan? Zijn eigen woorden, Malluch!
-
---Hij wilde precies weten wat zij gezegd hadden: De Koning, of de
-geboren Koning. Daar maakte hij onderscheid tusschen. Toen vertelde ik
-hem wat Ilderim gezegd had: dat de koning komen zou om Rome te
-verdelgen.--Het bloed steeg hem naar de wangen en hij zeide: Wie anders
-dan een Herodes kan koning zijn, zoolang Rome Rome blijft?
-
-Simonides zag een poos zwijgend voor zich en zeide toen: 't Is goed,
-Malluch. Laat u wat te eten geven en maak u gereed om morgen naar het
-Palmbosch te gaan. Gij moet den jongen man helpen zijn plan te
-volvoeren. Ik zal u een brief aan Ilderim meegeven. Misschien, voegde
-hij er zachtjes bij, zal ikzelf bij de wedrennen in den circus
-verschijnen.
-
-Malluch vertrok. Simonides dronk van de melk en scheen verruimd van zin
-en opgewekt te zijn.
-
---Zet dat maar weg, Esther, en kom dan weer hier.
-
-Het meisje gehoorzaamde.
-
---Wat is God goed voor mij, zeide hij op innigen toon. Zijn weg is in
-het duister; maar somtijds staat Hij ons toe iets van zijne wegen te
-begrijpen. Ik ben oud, lieve, en maak mij gereed om heen te gaan; maar
-zie, ter zelfder ure, toen ik alle hoop had opgegeven, zendt Hij mij een
-lichtstraal, die mij geheel opvroolijkt. Ik zie waarom ik dien bepaalden
-weg heb moeten gaan. Een omstandigheid zoo groot, dat zij een
-wedergeboorte voor de geheele wereld zal zijn, maakt het mij duidelijk.
-Ik begrijp waarom mij zoo groote rijkdom geschonken werd, ik zie waartoe
-hij bestemd is. Waarlijk, mijn kind, ik begin weer op te leven.
-
-Esther vlijde zich tegen hem aan, alsof zij zijne gedachten weder bij
-het tegenwoordige wilde bepalen.
-
---De koning is geboren, vervolgde hij op droomerigen toon, en moet
-volwassen zijn. Balthasar zegt, dat hij een zuigeling was op moeders
-schoot, toen hij hem zag en zijne geschenken aanbood, en Ilderim
-beweert, dat het in December achtentwintig jaar geleden was, dat
-Balthasar met zijne vrienden in de woestijn tot hem kwam. Lang zal de
-koning dus niet meer toeven te komen. Vandaag, morgen kan het gebeuren!
-Heilige vaders van Israel, welk eene gedachte! 't Is mij als hoor ik
-oude muren kraken, als hoor ik het gejoel van een volslagen ommekeer; o!
-en om alles te kronen scheurt de aarde vaneen, om Rome op te slokken. En
-de volkeren zien het en lachen en zingen: Rome is gevallen en wij zijn
-er nog!
-
-Hij zweeg even, lachte genoegelijk en zeide: Wel, Esther, wat zegt gij
-daarvan? Voorwaar, de geestdrift eens zangers komt over mij, de
-bezieling van Mirjam en David. Mijne gedachten die zich bezig moesten
-houden met cijfers en teekens, zijn vol van het geschal der cymbalen,
-van harptonen, en het vreugdegejubel eener groote menigte, staande
-rondom een nieuw opgerichten troon. Ik wil daar voor 't oogenblik niet
-langer aan denken, alleen dit nog, lieve, als de koning komt zal hij
-geld en mannen noodig hebben, want daar hij, evenals wij allen, van eene
-vrouw geboren is, zal hij ten slotte een mensch zijn als wij,
-onderworpen aan de menschelijke natuur, zooals gij en ik. Ziet gij nu
-den weg, dien ik en de jonkman, onze meester, moeten loopen? Die weg
-voert ons tot roem en wraak.
-
-Esther bleef zitten en zweeg. Toen herinnerde Simonides zich, dat niet
-alle menschen zich over hetzelfde verheugen kunnen,--hij herinnerde zich
-dat hij tegen eene vrouw sprak.
-
---Waar denkt ge aan, Esther? vraagde hij op zijn gewonen toon. Als uwe
-gedachten den vorm hebben van een wensch, zeg het mij dan, mijn kind,
-terwijl ik nog de macht bezit om hem te vervullen. Want zij is
-wispelturig, de macht, en houdt hare vleugelen altijd uitgebreid om zoo
-weg te kunnen vliegen.
-
-Zij antwoordde met bijna kinderlijken eenvoud: Laat hem halen, vader,
-laat hem nog van avond halen, en laat hem niet naar den circus gaan.
-
---Aha! zeide hij op gerekten toon, en staarde op de rivier, waar de
-schaduwen steeds donkerder werden, sedert de maan achter den Sulpius
-gezonken was en de verlichting der stad overgelaten had aan het
-twijfelachtig schijnsel der sterren. Zullen wij het zeggen, lezer?
-Simonides was ijverzuchtig. Zou zij liefde hebben opgevat voor den
-jongen meester? Neen, o neen, dat kon niet. Zij was nog te jong. Maar de
-gedachte liet hem niet los, die mogelijkheid maakte hem koud en stil.
-Zij was zestien jaar. Hij wist het heel goed. Op haar laatsten
-verjaardag had zij hem begeleid naar de scheepstimmerwerf, waar een
-nieuwe galei van stapel zou loopen, en op de gele vlag, die zoo lustig
-in den wind wapperde, stond de naam Esther. Zoo hadden zij dien dag
-samen gevierd. Zestien jaar, hij wist het heel goed, en toch trof het
-hem als iets nieuws. Er zijn van die dingen, die ons, als wij ze goed
-nadenken, pijnlijk aandoen, bij voorbeeld dat wij oud worden, dat wij
-sterven moeten. Zulk een onbestemde pijnlijke gewaarwording maakte zich
-thans van hem meester en ontlokte hem een diepen zucht. Alsof het niet
-genoeg was, dat zij een lijfeigene werd, zou zij ook haren meester
-gevoelens toedragen, wier innigheid en teederheid hij zoo goed kende,
-omdat zij tot heden onverdeeld aan hem waren gewijd. De demon, wiens
-taak het is ons met vrees en bittere gedachten te martelen, doet zelden
-zijn werk ten halve. Door de smart van 't oogenblik vergat de moedige
-grijsaard zijne plannen voor de toekomst en den wondervollen koning, die
-er het middelpunt van was. Met een geweldigen krachtinspanning, wist hij
-zich echter te bedwingen en vraagde kalm: Niet naar den circus laten
-gaan, waarom niet, kind?
-
---Het is geen plaats voor een zoon van Israel, vader.
-
---Rabbijnsche opvattingen, Esther! Is dat alles?
-
-Zijn toon was onderzoekend en drong door tot haar hart, dat luid begon
-te kloppen, zoo luid, dat zij niet dadelijk kon antwoorden.
-
---De jonkman zal het vermogen hebben, zeide Simonides vriendelijk, hij
-zal de schepen hebben en het geld, alles, Esther, alles. In weerwil
-daarvan voelde ik mij net arm; want ik behield u en uwe liefde, die mij
-zoo mijne gestorven Rachel herinnert. Zeg mij, zal hij die ook hebben?
-
-Zij boog zich neder en leunde met het hoofd tegen hem aan.
-
---Spreek, Esther, ik zal sterker zijn, als ik het weet. Onzekerheid
-maakt zwak.
-
-Zij richtte zich op en sprak op vasten toon: Wees getroost, lieve vader,
-ik zal u nooit verlaten. Al moest ik hem liefhebben, ik zal altijd uwe
-dienstmaagd blijven. Ja, vader, hij is schoon in mijne oogen, en zijne
-manier van spreken trok mij aan. Ik beef als ik denken moet, dat gevaren
-hem dreigen. Ja, vader, ik zou meer dan blijde zijn, als ik hem
-wederzag. Maar onbeantwoorde liefde kan nooit volmaakte liefde zijn;
-daarom wil ik geduldig wachten, en niet vergeten dat ik uwe en moeders
-dochter ben.
-
---Een zegen des Heeren zijt gij, Esther! Een zegen om mij rijk te doen
-blijven, al moet ik ook al het andere verliezen. En bij zijn heiligen
-Naam en het eeuwige leven zweer ik, dat u geen leed zal aangedaan
-worden.
-
-Een weinig later liet hij een dienaar roepen, die den stoel naar binnen
-rolde. Daar zat hij nog een poos na te denken over de komst des konings,
-terwijl Esther hare legerstede opzocht en spoedig den slaap der onschuld
-sliep.
-
-
- * * * * *
-
-
-TWAALFDE HOOFDSTUK.
-
-EEN ROMEINSCH DRINKGELAG.
-
-
-Het paleis, schuins tegenover Simonides' woning aan den anderen oever
-der rivier gelegen, was volgens de overlevering door den vermaarden
-Epiphanes gebouwd, en beantwoordde geheel aan de eischen, die men zulk
-eene woonplaats stellen mag. De muur, die over het geheele eiland langs
-den waterkant opgetrokken was en dienen moest tot beschutting tegen den
-stroom en beveiliging tegen mogelijke invallen, heette het paleis
-ongeschikt te maken tot voortdurende bewoning, zoodat de legaten zich
-een ander paleis lieten bouwen op de westelijke helling van den Sulpius.
-Het ontbrak echter niet aan lieden, die ronduit beweerden, dat die
-verhuizing niets te maken had met gezondheidsmaatregelen, maar dat de
-ware reden gezocht moest worden in de onmiddellijke nabijheid der groote
-citadel, die den legaten een gevoel van veiligheid gaf. Die opvatting
-scheen wel de ware te zijn, want onder meer merkte men op, dat het oude
-paleis steeds in bewoonbaren staat gehouden werd, en dat, wanneer een
-consul, een generaal, een vorst, of eenig ander machthebbende Antiochie
-bezocht, hem het eiland-paleis als verblijf werd aangewezen.
-
-Daar wij slechts met een vertrek in het oude gebouw te doen hebben, mag
-de lezer zich het overtollige voorstellen naar eigen believen en staat
-het hem vrij de tuinen, baden, buiten- en binnenpleinen, vertrekken en
-paviljoenen, alles zoo weelderig mogelijk ingericht, op eigen
-gelegenheid te doorwandelen.
-
-Het vertrek, waarheen wij ons thans begeven, zou in dezen tegenwoordigen
-tijd een zaal genoemd worden. Het was zeer ruim en met gepolijst marmer
-bevloerd. Kunstige pijlers, in den vorm van Atlasgestalten, droegen de
-zoldering, en langs de muren was een met Indisch zijde overtrokken divan
-aangebracht. Het meubilair bestond uit tafels en zetels in Egyptischen
-stijl. Vijf reusachtige bronzen kronen verspreidden een zee van licht.
-
-Een honderdtal personen is in deze zaal vergaderd. Sommigen zitten bij
-de tafels, anderen loopen heen en weder, weder anderen hebben het zich
-op den divan gemakkelijk gemaakt. Zij zijn allen jong, sommigen
-ternauwernood de kinderschoenen ontwassen.
-
-Dat zij allen Italianen en voor het grootste gedeelte Romeinen zijn
-lijdt geen twijfel. Zij spreken zuiver Latijn, en zijn naar Romeinsche
-gewoonte gekleed, in tunica's met korte mouwen en korten schoot, welke
-kleedij juist geschikt is voor het klimaat van Antiochie en in de
-overmatig warme zaal volkomen op hare plaats is. Hier en daar liggen op
-den divan toga's en mantels, waaronder met purper omzoomde, achteloos
-neergeworpen. Ook ziet men er slapende gasten in gemakkelijke houding
-uitgestrekt; of de hitte en de vermoeienis hen zoo hebben aangegrepen,
-of dat Bacchus er schuld aan heeft, zullen wij maar niet onderzoeken.
-
-Er wordt druk en luid gepraat, uitbundig gelachen, hartstochtelijk
-gespeeld.
-
-Het meerendeel dier jongelieden behoorde tot het militaire gevolg van
-den consul en moest hier zijne komst afwachten.
-
-Laat in de nacht trad een nieuw gezelschap de zaal binnen, en begaf
-zich, eerst onopgemerkt, naar de middentafel. Men kon hun aanzien dat
-zij juist van een slemppartij kwamen. Sommigen konden zich slechts met
-moeite op de been houden. De aanvoerder droeg een krans om het hoofd,
-ten teeken dat hij de koning van het feest, misschien wel de gastheer
-was geweest. De wijn had geen bijzondere uitwerking op hem gehad, of het
-moest zijn om zijn mannelijk schoon te verhoogen. Met hooger gekleurde
-wangen en stralende oogen stapte hij fier vooruit, ofschoon zijne
-houding en de manier, waarop hij de ruime witte toga om de schouders had
-geplooid, wel wat theatraal was voor iemand in volkomen nuchteren staat.
-
-Zonder zich om iemand of iets te bekommeren maakte hij voor zich en
-zijne makkers plaats, en toen hij eindelijk in het midden der zaal bleef
-stilstaan en zijn blik over de spelers liet gaan, keerden zij zich allen
-tot hem en begroetten hem met een luiden juichtoon: Ha! Messala! Messala!
-
-De meer verwijderden hoorden den kreet en namen hem over. Dadelijk
-werden de groepjes ontbonden, de dobbelsteenen neergeworpen, en snelden
-allen naar het midden der zaal.
-
-Messala nam die eerbewijzen als vanzelf-sprekend aan. Weldra zou blijken
-waaraan hij deze populariteit te danken had.
-
---Uwe gezondheid, Drusus, mijn vriend, zeide hij tot den speler aan
-zijne rechterhand, uwe gezondheid. Laat mij uw tafeltje[2] eens zien.
-
-Hij nam de wassen blaadjes, zag de aanteekeningen vluchtig door en wierp
-ze op de tafel.
-
---Denaries, enkel denaries, muntstukken voor sjouwers en waterdragers,
-zeide hij met een hoonenden lach. Bij de doos van Pandora, waar gaat
-Rome heen, wanneer een Cesar geheele nachten zit te spelen in de hoop
-dat Fortuna hem een armzalige denarie in den schoot zal werpen!
-
-De telg der Drusussen bloosde tot achter de ooren, maar zijne makkers
-overschreeuwden zijn antwoord door hun geroep: Messala! Messala!
-
---Mannen van den Tiber, zeide hij, een der jongelieden de dobbelsteenen
-uit de hand nemend, wie is de meest door de goden bevoorrechte? De
-Romein. Wie stelt den volken de wet? De Romein. Wie is dus rechtens
-beheerscher der wereld?
-
-De gemakkelijk tot geestdrift op te winden jeugdige krijgers namen hem
-het woord uit den mond en schreeuwden om het hardst: De Romein! De
-Romein!
-
---En toch, en toch, zeide hij langzaam, om hunne nieuwsgierigheid te
-prikkelen, toch is er een, beter dan de besten van Rome.
-
-Trots wierp hij het hoofd achterover, en toen geen antwoord volgde ging
-hij voort: Hoort gij? Er is een beter dan de besten van Rome.
-
---Hercules! riep een.
-
---Of Bacchus! schreeuwde een ander.
-
---Neen, Jupiter! Jupiter! donderde de menigte.
-
---Noem hem dan! riepen allen.
-
---Dat wil ik, zeide hij, zoodra er wat stilte gekomen was. Hij, die bij
-Rome's volmaaktheid de volmaaktheid van het Oosten gevoegd heeft; hij,
-die aan het zegevierende Westen de Oostersche kunst heeft toegevoegd.
-
---Bij Apollo, zijn beste is ten slotte toch de Romein, riep een, en
-daarop lachten allen en klapten in de handen.
-
---In het Oosten, vervolgde Messala, hebben wij geen andere goden, dan
-wijn, vrouwen, en goed geluk, en de uitnemendste van deze drie is goed
-geluk. Daarom voeren wij tot motto: Wie durft wat ik durf?--zoowel in
-den Senaat, als in den krijg. Bovenal echter past het bij hem, die het
-beste zoekt en voor het ergste niet terugdeinst.
-
-Thans sloeg hij een gemoedelijken, vertrouwelijken toon aan, zonder
-echter zijne overmacht prijs te geven, en zeide: In de groote kast in de
-citadel heb ik vijf talenten gereed geld liggen. Hier is het bewijs.
-
-Uit zijn toga bracht hij een perkamentrol te voorschijn, wierp die op de
-tafel en vervolgde onder diep stilzwijgen, terwijl de oogen van allen op
-hem rustten: Dat is de som die ik durf wagen. Wie van u durft hetzelfde
-te doen?... Gij zwijgt? Is het te veel? Ik zal er een talent afnemen,
-slechts drie!... Om twee dan ... Niet?... Een dan ... een ten minste ...
-een ter eere van de rivier, aan wier oevers gij geboren werdt! Rome in
-het Oosten tegen Rome in het Westen! De barbaarsche Orontes tegen den
-heiligen Tiber!
-
-Hij schudde de dobbelsteenen en wachtte even.
-
---De Orontes tegen den Tiber! herhaalde hij luider en met klem.
-
-Niemand bewoog zich. Toen wierp hij de dobbelsteenen op de tafel en nam
-lachend het bewijs weer tot zich. Bij Jupiter! riep hij, nu weet ik
-waarom gij naar Antiochie zijt gekomen: om uw fortuin te maken of te
-verbeteren. Hier, Cecilius!
-
---Present! riep een stem achter hem.--Hier ben ik.
-
---Ga, beval Messala, en laat de dienaren de kannen en bekers en
-drinkschalen hier brengen. Hebben deze onze landslieden geen beurzen, ik
-wil zien of zij beter gezegend zijn met magen. Haast u!
-
-Toen keerde hij zich met een luiden lach tot Drusus en zeide: Vergeef
-het mij, mijn vriend; ik wilde deze fraaie jonge vogels van ons oude
-Rome slechts op de proef stellen. Kom, Drusus, kom!
-
-Hij nam de steenen weer op en schudde ze vroolijk.
-
---Hier! Voor welke som gij wilt. Beproef uw geluk.
-
-De noodiging was vriendelijk, innemend. Drusus kon haar niet wederstaan.
-
---Bij de nimfen, ja, zeide hij lachend. Ik zal met u spelen, Messala,
-om ... een denarie.
-
-Een zeer jeugdigen knaap keek Messala van de overzijde der tafel
-aandachtig aan. Plotseling keerde deze zich tot hem en vraagde: Wie zijt
-gij?
-
-De knaap trok zich snel terug.
-
---Neen, bij Castor en Pollux! Zoo meende ik het niet. Het is onder
-mannen gewoonte, als zij zaken doen, aanteekeningen te houden. Ik heb
-een klerk noodig. Wilt gij dien post vervullen?
-
-De jongeling nam dadelijk zijn tafeltje ter hand, gereed om op te
-schrijven.
-
---Wacht even, Messala, zeide Drusus. Het is misschien niet goed door
-eene vraag de dobbelsteenen op te houden, maar daar schiet mij iets te
-binnen, en ik moet het wagen, al sloeg Venus mij met haar gordel.
-
---Ik zal gooien en de steenen zoolang bedekken, dan kan het geen kwaad;
-en de daad bij het woord voegende vervolgde hij: Voor den dag met uwe
-vraag!
-
---Hebt gij een zekeren Quintus Arrius wel eens gezien?
-
---De duumvir?
-
---Neen, zijn zoon.
-
---Ik wist niet dat hij een zoon had.
-
---Weet gij waarom ik het vraag? Omdat Pollux niet sterker gelijken kan
-op Castor, dan Arrius op u.
-
---Ja, dat is zoo! riepen tien, twintig stemmen te gelijk. Zijn oogen,
-zijn gelaat!
-
---Wat een dwaasheid, zeide een ander geergerd. Messala is een Romein,
-Arrius een Jood.
-
---Daar hebt gij gelijk in, merkte een derde op. Hij is een Jood, of
-Momus leende zijne moeder het verkeerde masker.
-
-Het gesprek dreigde in twist te ontaarden, maar Messala kwam
-tusschenbeide.
-
---De wijn is nog niet gekomen, Drusus, zeide hij. Wat Arrius betreft, ik
-zal gelooven wat gij zegt. Vertel mij dus wat gij van hem weet.
-
---Wel, hij moge dan Jood of Romein zijn, en bij den grooten Pan, met
-allen eerbied voor uwe gevoelens, Messala, deze Arrius is schoon,
-dapper, en verstandig. De keizer bood hem zijne gunst en bescherming
-aan, maar hij weigerde die aan te nemen. Zijn optreden was zeer
-geheimzinnig, en hij houdt zich op een afstand, alsof hij zich voor
-beter of voor slechter houdt, dan wij anderen. In het worstelperk was
-hij onovertroffen. Hij speelde met de blauwoogige reuzen van den Rijn en
-de hoornlooze stieren van Sarmatie, alsof het wilgetakken waren. De
-duumvir heeft hem zijn geheele vermogen vermaakt. Hij heeft zich met
-waren hartstocht in den wapenhandel geoefend en is vervuld van den
-oorlog. Maxentius nam hem op in zijn gevolg, en hij zou met ons zijn
-scheep gegaan, maar wij verloren hem te Ravenna. In weerwil daarvan is
-hij in welstand hier aangekomen. Wij hebben hedenmorgen van hem gehoord.
-In plaats van naar het paleis of de citadel te gaan, heeft hij zijn
-bagage achtergelaten in de herberg en is wederom verdwenen.
-
-Messala, die eerst slechts ten halve geluisterd had, werd langzamerhand
-nieuwsgierig. Toen Drusus zweeg hief hij zijne hand op en riep: Hallo,
-Caius, hoort ge dat?
-
-Een jongeling, die schuin achter hem stond, zijn Myrtilus, of metgezel
-bij de dagelijksche oefeningen in de renbaan, antwoordde, verheugd over
-de eer hem aangedaan: Deed ik dat niet, mijn Messala, dan was ik niet
-waard uw vriend te zijn.
-
---Herinnert gij u den man, die u van middag in het stof heeft doen
-bijten?
-
---Bij Bacchus! Is mijn schouder niet bont en blauw om het mij in
-gedachtenis te doen blijven?
-
---Wees dan het Noodlot dankbaar, want ik heb uw vijand gevonden. Let
-maar op.
-
-Hierop keerde hij zich tot Drusus: Vertel ons meer van hem; van hem, die
-zoowel Jood als Romein is, bij Phoebus, eene vereeniging die een centaur
-aanminnig zou maken! Hoe kleedt hij zich, Drusus?
-
---Als een Jood.
-
---Hoort gij het, Caius? zeide Messala, de knaap is jong, dat is een. Hij
-heeft het gelaat van een Romein, twee. Hij draagt het liefst kleeren van
-een Jood,--drie. En in het worstelperk behaalt men roem en fortuin door
-het omverwerpen van een paard, of het doen kantelen van een wagen, al
-naar dat verlangd wordt--vier. Drusus, help mijn vriend verder.
-Ongetwijfeld spreekt deze Arrius verscheidene talen, anders kon hij niet
-vandaag Jood, morgen Romein zijn. Maar kan hij zich ook in de schoone
-taal der Atheners vloeiend uitdrukken?
-
---Die spreekt hij zoo zuiver, Messala, dat hij er gerust als redenaar in
-zou kunnen optreden.
-
---Hoort gij het wel, Caius? die knaap kan op zijn Grieksch een vrouw
-begroeten, dat is dus vijf. Wat zegt gij er van?
-
---Gij hebt hem gevonden, mijn vriend, antwoordde Caius, of ik ben Caius
-niet.
-
---Vergeef mij, Drusus, dat ik dus in raadselen spreek, zeide Messala op
-zijn gewone innemende manier. Bij alle goden, ik zou uwe nieuwsgierigheid
-niet willen spannen tot brekens toe; maar help mij nu tot aan het einde.
-Gij vondt, geloof ik, iets geheimzinnigs in het optreden van dien zoon
-van Arrius. Vertel mij daar wat van.
-
---Och, niets bijzonders, zeide Drusus, een kindersprookje. Toen Arrius,
-de vader, uitzeilde om de zeerovers te straffen, bezat hij vrouw noch
-kind. Hij keerde terug met een jongeling ... hem van wien wij spreken, en
-nam hem den volgenden dag tot zoon aan.
-
---Tot zoon aan? herhaalde Messala. Bij alle goden! Drusus, dat is een
-belangwekkend geval. Waar vond de duumvir den knaap? En wie was hij?
-
---Wie kan u daar het antwoord op geven, wie dan de jonge Arrius zelf? In
-de hitte van de strijd verloor de duumvir, toen nog tribuun, zijn galei.
-Een terugkeerend schip vond hem en den knaap, de eenig overgeblevenen
-van de commandantsgalei, drijvende op een en dezelfde plank. Ik geef u
-het verhaal zooals ik het van de redders hoorde, dat in ieder geval
-nooit tegengesproken is. Zij beweren dat de metgezel van den duumvir een
-Jood was.
-
---Een Jood! herhaalde Messala.
-
---En een galeislaaf.
-
---Hoe dat, Drusus, een galeislaaf?
-
---Toen die beiden opgehaald werden, had de duumvir zijn wapenrusting
-aan, de ander het kostuum van een roeier.
-
-Messala richtte zich op in zijn volle lengte. Een galeislaaf, herhaalde
-hij op peinzenden toon.
-
-Op dit oogenblik brachten eenige slaven groote kannen wijn, schalen met
-vruchten en confituren, en weer anderen bekers van allerlei model, het
-grootste gedeelte van zilver. Dat gezicht bracht Messala weer op dreef.
-Hij sprong op een stoel. Mannen van den Tiber, riep hij met luide stem,
-laat ons het wachten op onzen veldheer veranderen in een feest ter eere
-van Bacchus. Wien kiest gij tot voorzitter?
-
-Drusus stond op. Wien anders dan den gastheer zelf? vraagde hij.
-Spreekt, Romeinen.
-
-Een luid gejuich was het antwoord.
-
-Messala nam den krans van zijn hoofd, reikte hem aan Drusus over, die op
-de tafel sprong, en hem ten aanschouwe van allen weer plechtig op het
-hoofd van Messala zette, waardoor hij hem tot voorzitter kroonde.
-
---Te gelijk met mij, zeide hij, zijn eenige vrienden in de kamer
-gekomen, die juist van tafel waren opgestaan. Breng volgens oud gebruik
-dengene hier, die het meest door den wijn bevangen is.
-
-Eenige stemmen antwoordden: Hier is hij! Hier!
-
-En van den grond, waar hij neergezegen was, werd een knaap opgebeurd,
-zoo schoon van gelaat, dat hij voor den wijngod zelven kon doorgaan,
-maar de kroon zou hem van 't hoofd zijn gevallen, en de staf uit zijne
-hand.
-
---Zet hem op de tafel, beval de voorzitter.
-
-Men gehoorzaamde, maar de knaap zakte ineen.
-
---Ondersteun hem, Drusus!
-
-Drusus nam de slaper in zijn armen en hield hem overeind.
-
-Nu sprak Messala onder diep stilzwijgen tot den bezwijmde: O Bacchus,
-grootste der goden, wees ons hedennacht goedgunstig. In mijnen naam en
-in dien mijner metgezellen beloof ik dezen krans aan uw altaar in het
-Park van Daphne.
-
-Hij maakte een diepe buiging, zette den krans weer op, ontblootte de
-dobbelsteenen, bekeek ze, en zeide lachend: Ziehier Drusus, bij den ezel
-van Silenus, de denarie is voor mij!
-
-Een oorverdoovend gejubel deed de zaal op hare grondvesten daveren, ...
-het drinkgelag nam een aanvang.
-
-
-Noot: [2] Dun houten blaadje, met was bestreken, waar men met een stift
-op schreef.
-
-
- * * * * *
-
-
-DERTIENDE HOOFDSTUK.
-
-IN DE TENT.
-
-
-Sheik Ilderim was een te gewichtig man om met een klein gevolg te
-reizen. Hij had, als de aanzienlijkste en oudste onder de vorsten der
-woestijn, den naam van zijnen stam weten op te houden. In de steden gold
-hij voor een der rijkste grondbezitters, en daar hij werkelijk zeer rijk
-was in geld, zoowel als in slaven, kameelen, paarden en groot en klein
-vee, voerde hij gaarne een hoogen staat, die hem niet alleen in aanzien
-deed stijgen bij vreemden, maar zijne ijdelheid streelde en hem allerlei
-gemakken aanbracht.
-
-Al spraken wij van zijne tent in het Palmbosch, in werkelijkheid had hij
-er een _dowar_, dat wil zeggen, hij had drie groote tenten: eene voor
-zich, eene voor bezoekers, eene voor zijne meestgeliefde vrouw en hare
-bedienden; en zeven kleinere voor zijne slaven en zijne lijfwacht,
-sterke dappere mannen, goed vertrouwd met boog, speer en paarden.
-
-Hoewel hij in het Palmbosch natuurlijk veilig was, had hij, daar men
-wijs doet met zich aan de gewone orde te houden, de door de tenten
-begrensde ruimte voor zijne koeien, kameelen en geiten bestemd, en voor
-zulke bezittingen, die een leeuw of een dief in verzoeking konden
-brengen.
-
-Overal en ten allen tijde volgde Ilderim de gebruiken van zijn volk tot
-in de kleinste bijzonderheden; dientengevolge was zijn leven in het
-Palmbosch eene voortzetting van zijn leven in de woestijn, een echt
-aartsvaderlijk leven--het herdersleven van het oude Israel.
-
-Op den morgen zijner aankomst in het Palmbosch had Ilderim de karavaan
-doen stilhouden en een speer in den grond gestoken, zeggende: Hier, sla
-hier mijne tent op. De opening naar het Zuiden, het meer voor ons, en
-deze kinderen der woestijn tot een beschutting boven ons hoofd, als wij
-bij zonsondergang de avondkoelte willen genieten.
-
-Bij deze laatste woorden ging hij naar drie zware palmboomen en klopte
-tegen hun bast, zooals hij zijne paarden op den nek geklopt zou hebben.
-
-Wie anders dan de Sheik had het recht om der karavaan: halt toe te
-roepen, of van de tent te bevelen: hier worde zij opgeslagen?--De speer
-werd uit den grond gerukt, en in de gemaakte opening de eerste paal voor
-de tent geplant, het middenschot voor de groote voordeur. Vervolgens
-werden acht andere palen ingeslagen, in het geheel drie rijen palen,
-telkens drie op een rij. Toen werden de vrouwen en kinderen geroepen, om
-het tentedoek te ontpakken. Niemand anders dan de vrouwen mochten dat
-doen, want waren zij het niet, die de bruine geiten der kudden
-geschoren, het haar tot een draad gesponnen, dien draad tot doek
-geweven, en de doeken aaneengenaaid hadden, om tot een dak te dienen,
-donkerbruin, in werkelijkheid maar op een afstand zwart als de tenten
-van Kedar? Hoe vroolijk spande ten besluite het gezamenlijk
-dienstpersoneel van den Sheik het tentedoek van paal tot paal, de pinnen
-inslaande en de koorden vastmakende, daar waar het behoorde! En als
-eindelijk de matten wanden opgericht en bevestigd waren, in welke
-angstige spanning werd dan het oordeel van den meester afgewacht! Hoe
-gelukkig waren zij, toen hij, na alles van binnen en van buiten bekeken
-te hebben, goedkeurend knikte en vriendelijk zeide: Goed gedaan! maakt
-nu den dowar in orde naar uw beste weten en hedenavond zullen wij het
-brood met arak besproeien, en de melk met honing verzoeten, en aan
-iederen haard zal een bokje gebraden worden. Wij zullen geen gebrek
-hebben aan zoet water, want het meer is onze bron; de lastdieren en de
-kudde zullen niet hongeren, want hier is overvloed van groen gras. God
-zij met u, kinderen! Gaat aan 't werk.
-
-Vroolijk trok de troep af, om hunne eigene tenten op te slaan. Een paar
-bleven achter om de tent van den Sheik te meubileeren: de mannen spanden
-een gordijn langs de middelste palenrij, waardoor de tent in tweeen
-gedeeld werd, de eene helft voor den Sheik, de andere voor zijn paarden,
-de afstammelingen van Salomo's renners. Tegen den middelsten paal werd
-het wapenrek opgesteld, en met speren, bogen, pijlen en schilden
-behangen; bovenop het zwaard van den meester, welks gevest schitterde
-van edelsteenen. Aan het eene eind van het rek hingen zij de tuigen der
-paarden, aan het andere de kleederen van den meester: zijn wollen en
-linnen gewaden, tunica's en broeken, en zijn vele kleurige tulbanden.
-
-Intusschen hielden de vrouwen zich onledig met het ontpakken van den
-divan. In den vorm van een hoefijzer, de opening naar de deur gekeerd,
-stelden zij hem op, bedekten hem met kussens en peluwen, en hingen er
-gordijnen om. Rondom den divan legden zij een karpet, en in de
-binnenruimte evenzoo, tot aan de deur der tent. Toen vulden zij de
-kannen en kruiken met water en hingen de lederzakken met arak op. Welk
-Arabier zou Sheik Ilderim niet gelukkig prijzen in zijne tent bij het
-zoetwatermeer, onder de schaduw der palmen van zijn erfdeel!
-
-In de hier beschreven tent hebben wij Ben-Hur verlaten.
-
-De bedienden stonden reeds gereed om de bevelen des meesters te volgen.
-Een van hen ontbond zijne sandalen, een ander die van den bezoeker.
-Vervolgens hielpen zij de beide ruiters zich ontdoen van hunne bestoven
-kleeren, en een frisch wit linnen gewaad aantrekken.
-
---Kom mede en rust, zeide de gastheer hartelijk in het Hebreeuwsch, en
-geleidde hem naar den divan.
-
---Ik ga hier zitten, en mijn gast daar, zeide hij tot eene dienstmaagd,
-die zich aanstonds beijverde de kussens op te schudden en goed te
-leggen, waarna de beide mannen op den divan plaats namen en zich de
-voeten lieten wasschen met frisch water uit het meer.
-
---Een onzer spreekwoorden in de woestijn luidt, dat een goede eetlust de
-belofte is van een lang leven, zeide Ilderim. Hoe staat het met den uwe?
-
---Daarnaar berekend, goede Sheik, zal ik honderd jaar kunnen leven. Ik
-ben een hongerige wolf aan uwe deur, antwoordde Ben-Hur.
-
---Welnu, ik zal u niet als een wolf wegzenden. Ik zal u het beste van
-mijn kudde voorzetten.
-
-Ilderim klapte in de handen, waarop een bediende binnentrad.
-
---Ga naar den vreemdeling in de bezoekerstent en zeg, dat ik, Ilderim,
-hem toebid, dat zijn vrede bestendig moge zijn, als het stroomen der
-wateren.
-
-De man boog zich.
-
---Meld hem verder, vervolgde de Sheik, dat ik nog een gast heb
-meegebracht om brood mede te breken. Als Balthasar, de wijze, het maal
-met ons wil deelen, zullen wij met ons drieen wezen, en het deel der
-vogelen zal er niet kleiner om zijn.
-
-De man ging heen.
-
---Laat ons thans rust nemen, zeide de Sheik en maakte het zich
-gemakkelijk op den divan. Ben-Hur volgde zijn voorbeeld, en toen hij
-gereed was, vervolgde de Sheik op ernstigen toon: Dat gij mijn gast
-zijt, van mijn wijn gedronken hebt, en straks met mij eten zult, mag mij
-niet verhinderen u te vragen: Wie zijt gij?
-
---Sheik Ilderim, zeide Ben-Hur, kalm den onderzoekenden blik van den
-grijsaard doorstaande, ik bid u, meen niet dat ik uw billijke vraag
-ontwijken wil; maar was er in uw leven nooit een tijd, waarin de
-beantwoording van zulk een vraag een misdaad zou geweest zijn jegens uwe
-ouders?
-
---Bij Salomo's heerlijkheid, ja, antwoordde Ilderim. Zelfverraad is in
-sommige gevallen even laag, als het verraden van een geheelen stam.
-
---Dank, goede Sheik! Nooit kwam er beter antwoord uit uwen mond. Nu weet
-ik, dat gij slechts de zekerheid verlangt te hebben, dat gij uw
-vertrouwen niet aan een onwaardige zult schenken en dat die zekerheid
-van meer belang voor u is, dan mijne levensgeschiedenis.
-
-De Sheik boog het hoofd. Ben-Hur haastte zich van deze stemming partij
-te trekken en zeide: Voor alle dingen wil ik u mededeelen, dat ik geen
-Romein ben, zooals mijn naam u zou doen denken.
-
-Ilderim zag zijnen gast oplettend aan.
-
---Vervolgens dat ik een Israeliet ben uit den stam van Juda. Dat niet
-alleen. Ik ben een Jood en koester een wrok tegen Rome, waarbij de uwe
-slechts kinderspel is.
-
-De grijsaard plukte zenuwachtig aan zijn baard en trok de wenkbrauwen
-samen.
-
---Nog meer; ik zweer u, Sheik Ilderim, ik zweer u bij het verbond, dat
-de Heer met mijne vaderen gemaakt heeft, als gij mij helpen wilt de
-wraak te nemen, die ik zoek, dan zullen de uitgeloofde prijs en de eer
-bij de wedrennen de uwe zijn.
-
-Ilderim hief het hoofd op, zijn oogen straalden; men kon zien dat het
-voorstel hem toelachte.
-
---Genoeg, zeide hij. Als aan den wortel uwer tong een leugen verborgen
-ligt, zou Salomo zelf niet veilig voor u geweest zijn. Dat gij geen
-Romein zijt, dat gij als Jood een wrok tegen Rome hebt en wraak wil
-nemen, geloof ik. Maar hoe staat het met uwe vaardigheid? Welke
-ondervinding hebt gij in wedrennen met wagens? En de paarden--kunt gij
-ze aan uwen wil onderwerpen, zoodat zij u kennen, zoodat zij komen als
-gij ze roept, loopen, rennen als gij het beveelt, met inspanning van
-alle krachten tot bezwijkens toe, om hen dan in het beslissend oogenblik
-te bezielen tot een laatste inspanning, de krachtigste van alle, die tot
-overwinning voert? Die gave, mijn zoon, is niet ieder gegeven. Ik heb
-een koning gekend, die over millioenen menschen heerschte, maar zich
-niet de achting van een paard kon verwerven. Begrijp mij wel, ik spreek
-niet van gewone dieren, wier taak is te slaven voor slaven; wier bloed
-verbasterd werd, wier geheele uiterlijk het innerlijk teekent:
-geestelijk dooden. Neen, ik spreek van renpaarden als de mijne, koningen
-in hunne soort, wier stamboom opklimt tot in de stoeterijen van den
-eersten Pharao, mijne makkers en vrienden, medebewoners van mijne tent,
-die door een langdurig verkeer met mij opgevoerd zijn tot een ongekende
-hoogte, wier instinct aan eens menschen verstand gelijk is geworden,
-wier zintuigen met onze ziel gelijk staan, die evenals wij eerzucht,
-liefde, haat, tegenzin kennen; helden in den krijg, kinderen in
-vertrouwen. Hallo, hier!
-
-Een bediende trad naar voren.
-
---Laat mijn Arabieren binnenkomen!
-
-De man trok het gordijn in het midden der tent open, waardoor een
-groepje paarden zichtbaar werd, die een oogenblik aarzelden en staan
-bleven, alsof zij niet zeker waren van de noodiging.
-
---Komt, zeide Ilderim, waarom blijft ge staan? Wat heb ik dat niet het
-uwe is? Komt, zeg ik.
-
-Zij kwamen langzaam nader.
-
---Zoon van Israel, zeide hun meester, uw Mozes was een groot man; maar,
-ha, ha, ha! ik moet lachen wanneer ik bedenk, dat hij uwe vaderen
-toestond den trekos en den ezel te gebruiken, maar hun verbood paarden
-in eigendom te bezitten. Denkt gij, dat hij dat gedaan zou hebben, als
-hij dezen en dien, en dien daar gezien had?
-
-Zoo sprekend legde hij zijne hand op den naastbijstaanden Arabier en
-liefkoosde hem met onbeschrijfelijke teederheid.
-
---Dat is een misverstand, Sheik, een misverstand, zeide Ben-Hur
-levendig. Mozes was een krijgsman, zoowel als de van God beminde
-wetgever, en zou hij dan geen paarden gehad hebben?
-
-Een welgevormde kop met groote zachte oogen, zacht als die eener ree,
-half verborgen door de dikke voorhoofdlokken, vlijde zich bijna tegen
-hem aan, neusgaten en bovenlip in gestadige beweging, alsof zij vragen
-wilde: Wie zijt gij?
-
-Ben-Hur herkende een van het vierspan uit het renperk en stak het
-schoone dier zijn open hand toe.
-
---Zij zullen u zeggen, de lasteraars, mogen hunne dagen verkort worden,
-sprak de Sheik heftig, zij zullen u zeggen, dat onze paarden afkomstig
-zijn van de Niseische velden in Perzie. God gaf den Arabier een
-onmetelijke zandvlakte, met eenige kale bergen en hier en daar een bron
-van bitter water, en zeide tot hem: Zie uw land! En toen de arme man
-klaagde, erbarmde de Almachtige zich over hem en zeide: Wees goedsmoeds!
-want Ik zal u zegenen boven anderen. De Arabier hoorde het, dankte, en
-ging vol vertrouwen den beloofden zegen zoeken. Eerst reisde hij langs
-de grenzen, maar tevergeefs. Toen maakte hij zich een pad door de
-woestijn en ging voort, altijd verder, totdat hij in het hart der
-wildernis een vruchtbaar eiland vond, liefelijk om te zien, en op dat
-eiland graasden een kudde kameelen en een kudde paarden! Hij nam ze
-vroolijk tot zich en verzorgde ze met de grootste oplettendheid, als de
-beste gave Gods. En van dat groene eiland stammen alle paarden, die op
-aarde te vinden zijn, ook die van de Neseische weilanden. Zelfs naar het
-Noorden verspreidden zij zich, tot aan de vreeselijke valleien, die
-voortdurend geteisterd worden door stormwinden uit de zee. Twijfel niet
-aan de waarheid van dit verhaal. Is het niet waar, moge dan geen enkele
-amulet meer van kracht zijn voor een Arabier. Maar wacht, ik zal u de
-bewijzen voorleggen.
-
-Hij klapte in de handen.
-
---Breng mij de registers van den stam, zeide hij tot den binnentredenden
-slaaf.
-
-Onder het wachten speelde hij met de paarden, liefkoosde hen, streek
-hunne manen glad, en gaf ieder van hen een bewijs zijner gunst. Weldra
-verschenen zes mannen met zes cederhouten kisten, die zij voor den Sheik
-nederzetten.
-
---Neen, zeide Ilderim, dat bedoelde ik niet. Alleen het stamboek van de
-paarden,--deze kist. Open die en zet de andere weg.
-
-De kist werd geopend. Haar inhoud bleek te bestaan uit een massa ivoren
-tafeltjes, door ringen van zilverdraad bijeengehouden, en daar de
-tafeltjes zoo dun waren als glas, hield iedere ring verscheidene
-honderdtallen.
-
---Ik weet, mijn zoon, zeide Ilderim, met welke zorg de schriftgeleerden
-in den tempel van de Heilige Stad de namen der jonggeboornen opschrijven
-en bewaren, opdat ieder Israeliet zijn geslachtslijst kan narekenen, al
-klom zij ook op tot voor den tijd der patriarchen. Mijne vaderen, moge
-hun aandenken altijd groen blijven! oordeelden het niet zondig dat
-denkbeeld over te nemen en op hun stomme dienaren toe te passen. Bezie
-die tafeltjes!
-
-Ben-Hur nam een der ringen, en spreidde de tafeltjes uit. Zij waren vol
-met Arabische hieroglyphen, die er met de gloeiende punt van een metalen
-staafje ingebrand waren.
-
---Kunt gij ze lezen, zoon van Israel?
-
---Neen. Wil mij hare meening verklaren.
-
---Weet dan: ieder tafeltje draagt den naam van een rasveulen, en wel van
-een, dat vele eeuwen geleden in onzen stam geboren werd, benevens de
-namen van zijne ouders. Bezie ze nauwkeurig en let er op hoe oud zij
-zijn, des te gemakkelijker zal het u vallen te gelooven wat ik zeg.
-
-Sommige tafeltjes waren bijna afgesleten, alle waren geel van ouderdom.
-
---In die kist bewaar ik de geschiedenis van dit viertal. Ik kan u met de
-stukken bewijzen uit welken stam zij gesproten zijn; zie, hoe die eene
-uwe aandacht zoekt te trekken en om een liefkoozing vraagt! Zooals deze
-thans tot ons komen, kwamen hunne vaders vele eeuwen her tot mijne
-vaderen in hunne tent, om uit de hand hunner heeren hunne maat gerst te
-ontvangen en toegesproken te worden als kinderen, en op eigenaardige
-manier hun dank te betuigen. En nu, zoon van Israel, geloof mij vrij,
-ben ik een vorst der woestijnen, zij zijn mijne eerste dienaren! Ontneem
-ze mij en ik word een zieke gelijk, door de karavaan achtergelaten om te
-sterven. Aan hen dank ik mijn onverminderd gezag op de groote heirwegen;
-en dat zal stand houden, zoolang ik de kracht bezit om mij van hen te
-bedienen. Ik zou u wonderen kunnen verhalen, door hunne voorzaten
-verricht. Misschien doe ik het later wel eens; voor het oogenblik zij u
-genoeg, dat zij bij een terugtocht nooit werden achterhaald, bij een
-vervolging altijd slaagden. Vergeet echter niet, dat was in de woestijn
-en onder 't zadel;... hoe het komt weet ik niet, maar mijn hart klopt
-onrustig om hunnentwil. Zij zijn voor het eerst in 't gareel geweest en
-wat is niet noodig om den prijs te behalen! Eerzucht, snelheid,
-volharding bezitten zij. Vind ik iemand voor hen, dien zij als meester
-kunnen erkennen, dan zullen zij den prijs behalen. Zoon van Israel, als
-gij die man zijt, dan zweer ik u, dat gij den dag, die u hier bracht,
-gelukkig zult noemen. Spreek nu voor uzelven.
-
---Nu begrijp ik, zeide Ben-Hur, waarom een Arabier na zijne kinderen
-zijne paarden het liefst heeft, en ik begrijp ook waarom de Arabische
-paarden van alle de beste zijn; maar, goede Sheik, ik wil niet dat gij
-mij alleen naar mijne woorden beoordeelt, want gij weet het: beloften
-van menschen kunnen falen. Stel mij morgen op de proef en laat mij uw
-vierspan probeeren.
-
-Ilderims gelaat straalde van genoegen. Hij wilde spreken, maar Ben-Hur
-vervolgde: Nog een woordje, goede Sheik. Laat ik u dit mogen zeggen: In
-Rome heb ik veel geleerd, waarvan ik niet dacht dat het mij ooit te pas
-zou komen. Geloof mij, al zijn deze uwe zonen der woestijn ieder
-afzonderlijk als de wind zoo vlug, zij zullen het onderspit delven, zoo
-zij niet geleerd hebben gezamelijk in het gareel te loopen; want bedenk
-dit, Sheik, van ieder viertal is een de vlugste en een de langzaamste.
-Zoo was het vandaag. De menner kon den vlugste der vier niet krijgen tot
-een verstandig samenwerken met den traagsten. Mijn proefneming zal
-misschien niet beter uitvallen; maar in dat geval zal ik het u zeggen.
-Kan ik er hen echter toe krijgen zich naar mijn wil te voegen, zoodat de
-vier als een loopen, dan zijn de sestertien en de lauwerkrans voor u, de
-wraak voor mij. Wat dunkt u?
-
-Ilderim had aandachtig geluisterd. Glimlachend zeide hij: Ik denk beter
-van u, zoon van Israel. Wij hebben een spreekwoord: als gij het eten met
-woorden kookt beloof ik u een oceaan van boter.--Morgen zult gij de
-paarden hebben.
-
-Op dat oogenblik was er beweging aan de achterdeur der tent. Ons
-avondeten, zeide de Sheik, en mijn vriend Balthasar, met wien gij kennis
-zult maken. Hij heeft eene geschiedenis te vertellen, die voor een
-Israeliet allerbelangrijkst is.
-
-Tot de knechts zeide hij: Neemt de kist weg, en brengt de paarden naar
-hun vertrek.
-
-En zoo geschiedde het.
-
-
- * * * * *
-
-
-VEERTIENDE HOOFDSTUK.
-
-ILDERIMS GASTMAAL.
-
-
-Als de lezer zich den maaltijd van de drie wijzen in de woestijn nog
-herinnert, zal hij zich gemakkelijk de toebereidselen in Ilderims tent
-kunnen voorstellen. Het eenige verschil was: meer gerechten en betere
-bediening.
-
-Op het karpet voor den divan weren drie kleedjes gelegd en een gedekte
-tafel neergezet. Tegen een der zijwanden werd een draagbare oven
-geplaatst, onder toezicht van eene slavin, wier taak het was het
-gezelschap van heete koeken te voorzien.
-
-Intusschen was Balthasar naar den divan geleid, waar Ilderim en Ben-Hur
-hem staande opwachtten. Hij droeg een ruim zwart overkleed en was
-langzaam en statig in zijne bewegingen.
-
---Vrede zij u, mijn vriend, zeide Ilderim, vrede en welkom.
-
-De Egyptenaar antwoordde: de zegen van God Almachtig, den eenigen waren
-God, zij met u en de uwen.
-
-Zijne manier van spreken maakte diepen indruk op Ben-Hur.
-
---Deze jonkman, Balthasar, zeide de Sheik, zijn hand op Ben-Hurs arm
-leggend, zal hedenavond brood met ons breken.
-
-De Egyptenaar zag den jonkman onderzoekend aan, waarop de Sheik
-vervolgde: Ik heb hem beloofd, dat hij mijne paarden mag probeeren, en
-als het goed gaat zal hij er in den circus mee optreden.
-
-Balthasar staarde Ben-Hur zwijgend aan.
-
---Hij kwam met goede aanbevelingen, ging Ilderim voort, die niets van
-dat zwijgen begreep. Overeenkomstig die aanbevelingen stel ik hem u voor
-als den zoon van Arrius, den edelen Romeinschen duumvir, hoewel hijzelf
-zich een Israeliet noemt uit den stam van Juda, en, bij mijn baard, ik
-geloof wat hij zegt.
-
---Weet dan, edelmoedige Sheik, zeide Balthasar, dat mijn leven vandaag
-in gevaar geweest is en ik hier niet zitten zou, zoo niet een jonkman,
-het evenbeeld van dezen uwen gast, tusschenbeide getreden was en mij
-gered had, toen alle anderen vloden.
-
-Toen wendde hij zich tot Ben-Hur en vraagde: Waart gij dat niet?
-
---Wat zal ik u zeggen, zeide Ben-Hur bescheiden. Ik ben degeen die de
-paarden van den onbescheiden Romein tot staan bracht, toen zij bij de
-bron Castalia op uw kameel instormden. Uwe dochter gaf mij dezen beker.
-
-Uit de plooien van zijn tunica bracht hij den beker te voorschijn en
-overhandigde hem aan Balthasar.
-
-Een glans van blijdschap kwam over het gelaat van de Egyptenaar. De Heer
-heeft u vandaag tot mij gezonden, eerst bij de bron en nu hier, zeide
-hij bewogen en reikte Ben-Hur de hand. Ik dank Hem, en dank gij Hem ook,
-want door zijne genade kan ik u naar verdienste beloonen. De beker is de
-uwe. Behoud hem.
-
-Nu verhaalde Ben-Hur in antwoord op Ilderims vragenden blik het voorval
-bij de bron.
-
---Wat! zeide de Sheik tot zijn jeugdigen gast. Daar hebt gij mij niets
-van verteld, terwijl gij mij geen betere aanbeveling hadt kunnen
-brengen. Ben ik niet een Arabier en Sheik van mijn stam van
-honderdduizenden? En is Balthasar niet mijn gast? zoodat hetgeen gij aan
-hem gedaan hebt, hetzij goed of kwaad, aan mij gedaan is? Waar zoudt gij
-belooning zoeken, anders dan hier? En wiens hand moet u die geven, zoo
-niet de mijne?
-
---Goede Sheik, ik bid u, spaar mij. Ik kwam niet om eene belooning, en
-opdat zelfs de schijn niet op mij ruste, zoo weet dat ik uw geringsten
-slaaf ter hulpe zou gesneld zijn, indien zulks noodig was geweest.
-
-Hoe is uw naam ook weer? vraagde Balthasar. De Sheik noemde een
-Romeinsche naam, niet waar?
-
---Arrius, de zoon van Arrius den duumvir.
-
---En toch zijt gij geen Romein?
-
---Mijn familie was Joodsch.
-
---Wat, zegt gij? Leven zij niet meer?
-
-De vraag was eenvoudig en natuurlijk; maar gelukkig voorkwam Ilderim het
-antwoord.
-
---Komt, zeide hij, de maaltijd is gereed.
-
-Een oogenblik later zaten zij aan tafel, op Oostersche manier. Dienaren
-brachten water en handdoeken, zij waschten zich de handen, toen gaf de
-Sheik een teeken, en de Egyptenaar bad op plechtigen toon: Vader van
-allen, God! Wat wij hebben is van U; neem onzen dank aan en zegen ons,
-opdat wij mogen voortgaan met Uwen wil te doen.
-
-De tafel was rijkelijk van het noodige voorzien: luchtige koeken, heet
-van het vuur, groenten uit den moestuin, vleesch in verschillenden vorm,
-geitenmelk, honing en boter, alles gebruikt zonder de toevoegselen der
-hedendaagsche gewoonten: messen, vorken, lepels. Gedurende dit gedeelte
-van den maaltijd werd weinig gesproken, want zij hadden honger. Maar
-toen het dessert op tafel kwam werd het anders, en zij waren weldra in
-een ernstig gesprek verdiept.
-
-Onder zulk een gezelschap: een Arabier, een Jood, en een Egyptenaar,
-allen geloovende aan eenen God, kon in die dagen slechts een onderwerp
-van gesprek zijn; en wie van de aanzittenden moest als spreker optreden,
-zoo niet hij, wien de Godheid bijna persoonlijk verschenen was, die haar
-in de ster had leeren kennen, die hare stem had gehoord, en zoo
-wonderbaar door den geest Gods geleid was? En waarvan zou hij spreken,
-zo niet van datgene, waarvan hij geroepen was te getuigen?
-
-
- * * * * *
-
-
-VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
-
-GEHEIMENISSEN.
-
-
-De zon was ondergegaan. De bergen wierpen een donkere schaduw over het
-Palmbosch en lieten geen plaats voor de zachte violettinten, die bij den
-overgang van dag op nacht het oog zoo liefelijk kunnen streelen. De
-nacht viel vroeg en snel in. Om het duister in de tent te verdrijven
-brachten de slaven vier bronzen kandelaars, een op elken hoek der tafel.
-Iedere kandelaar had vier armen, en iedere arm droeg een zilveren lamp.
-Bij het schijnsel van dit licht zaten de dischgenooten nog geruimen tijd
-te praten in de Syrische taal, die in die streken algemeen gebruikelijk
-was.
-
-De Egyptenaar verhaalde aan Ben-Hur zijne ontmoeting met de twee
-vrienden, en berekende met den Sheik, dat het in December achtentwintig
-jaar geleden was, dat hij en zijne metgezellen met haast het Joodsche
-land verlaten en in zijne tent gewoond hadden.
-
-Ben-Hur luisterde met groote belangstelling, als naar een openbaring van
-het hoogste belang voor de geheele wereld, en bovenal voor het volk
-Israel.
-
-De lezer bedenke, dat de jonge Israeliet sedert zijn vroegste jeugd van
-den Messias gehoord had. In de school had hij de profetieen dienaangaande
-hooren voorlezen. De komst van den langverwachte was het onderwerp van
-veler gesprekken. In de synagogen, in den Tempel, op feest- en
-vastendagen, in het openbaar en in de stille binnenkamer verkondigden de
-Joodsche leeraars den Messias, totdat alle kinderen Israels, waar zij
-zich ook bevonden, naar Hem uitzagen. De groote vraag was: Wanneer zal
-Hij komen? Want dat Hij komen zou als Koning der Joden, als wereldsch
-koning, als hun koning, dit stond vast. Door hen zou Hij de wereld
-veroveren, en haar ten hunnen bate en in den naam van God voor altijd
-aan zich onderwerpen.
-
-Maar wat was de reden dat Israel geen oog had gehad voor dat kind van
-Bethlehem? Hoe kwam het dat hij er nooit van gehoord had? Balthasar
-moest hem opheldering geven: Waar was dat kind nu? En wat moest het
-doen?
-
---Kon ik u dat maar zeggen, antwoordde Balthasar. Wist ik maar waar hij
-zich ophoudt, ik zou mij dadelijk opmaken en tot hem gaan. Zeeen noch
-bergen zouden mij kunnen weerhouden.
-
---Hebt gij getracht hem te vinden? vraagde Ben-Hur.
-
---Zeker. Zoodra ik afscheid genomen had van mijn vriend Ilderim stelde
-ik een onderzoek in, om te vernemen wat van het kind geworden was. Een
-jaar was echter voorbijgegaan, en ik wilde niet zelf naar Judea
-terugkeeren, omdat Herodes nog steeds op den troon zat, even
-bloeddorstig als altijd. Bij mijn terugkomst in Egypte vond ik eenige
-vrienden, die mijn verhaal van de dingen, die ik gezien en gehoord had,
-aanhoorden en geloofden, eenige weinigen, die zich met mij verheugden
-over den Verlosser, ons geboren. Een paar van hen gingen in mijne plaats
-naar Judea, om persoonlijk een onderzoek in te stellen. Zij gingen eerst
-naar Bethlehem en vonden de herberg en de grot, maar de deurwachter, hij
-die ons naar de spelonk gebracht had, was er niet meer. De koning had
-hem opontboden, niemand in Bethlehem had meer van hem gehoord.
-
---Maar zij vonden toch zeker getuigen van het gebeurde?
-
---Ja, bloedige getuigen. Een stadje in rouw, moeders treurend om hare
-kinderkens. Want gij moet weten dat Herodes, toen hij bemerkte dat wij
-stil vertrokken waren, soldaten naar Bethlehem zond, om al de
-jonggeboornen te dooden. Geen enkel ontkwam. Mijne vrienden waren in hun
-geloof versterkt geworden, maar zij brachten mij de tijding, dat het
-kind vermoord was met de andere.
-
---Dood! riep Ben-Hur, dat is verschrikkelijk! 't Is dus dood?
-
---Neen, mijn vriend, dat heb ik niet gezegd. Ik zeide dat mijne vrienden
-die tijding meebrachten. Ik geloofde het toen niet en ik geloof het nog
-niet.
-
---Hebt gij dan een bijzondere openbaring ontvangen?
-
---Dat juist niet. De Geest zou ons geleiden tot de plaats, waar het kind
-zich bevond. Toen wij uit de grot kwamen was de ster verdwenen. De
-laatste aanwijzing, die wij ontvingen, was die, welke ons langs een
-anderen weg deed terugkeeren, zoodat wij bij Sheik Ilderim kwamen.
-
---Ja, dat hebt gij mij toen ook verteld, bevestigde deze.
-
---Al heb ik geen bijzondere aanwijzing, zeide Balthasar, zoo heb ik toch
-veel over deze dingen nagedacht, en mijn geloof, dat verzeker ik u, is
-op dit oogenblik nog even sterk, als toen de Geest mij beval de reis
-naar Jeruzalem te aanvaarden. Indien gij wilt zal ik u zeggen waarom ik
-geloof dat het kind nog leeft.
-
-De Sheik en Ben-Hur bogen toestemmend en luisterden met hun gansche
-aandacht.
-
---Wij drieen gelooven in God, en Hij is de Waarheid. De heuvelen mogen
-tot stof verwaaien, en de zeeen opdrogen, maar Zijn Woord blijft
-bestaan, omdat het de Waarheid is. De stem, die tot mij sprak bij het
-meer, was Zijne stem en zeide: Gezegend zijt gij, zoon van Mizraim. De
-verlossing is nabij. Met twee anderen van het uiterste der aarde zult
-gij den Verlosser zien!--Ik heb den Verlosser gezien, maar de verlossing
-moet nog komen. Begrijpt gij het nu? Als het kind gedood werd is er
-niemand, die de verlossing kan aanbrengen; dan moet de belofte onvervuld
-blijven. Het kind werd geboren om de wereld te verlossen, en zoolang die
-belofte niet vervuld is, kan niets, zelfs de dood niet, hem van zijn
-werk scheiden. Ziedaar de eerste grond van mijn geloof. Nu mijn tweede.
-
---Wilt gij niet een teug wijn nemen? vraagde de gastheer.
-
-Nadat Balthasar zich verfrischt had, vervolgde hij: De Verlosser, dien
-ik gezien heb, was van eene vrouw geboren, van nature ons gelijk, en dus
-onderworpen aan alle kwaad, ook aan den dood. Beschouwen wij nu het
-werk, dat hem wachtte. Was het niet een taak alleen voor mannenkracht
-berekend? voor een wijs, sterk, verstandig man? Om dat te worden moest
-het kind opgroeien, zooals wij. Denk nu eens aan de gevaren, die hem in
-dien tusschentijd konden bedreigen. De bestaande regeering was hem
-vijandig. Herodes was zijn vijand, en wat zou Rome voor hem zijn? En
-Israel ... dat Israel hem niet zou aannemen was de reden, waarom Herodes
-alle kinderen te Bethlehem liet dooden. Begrijpt gij het nu? Was er
-zekerder weg om zijn hulpelooze jonkheid te behoeden, dan door hem
-verborgen te houden? Daarom zeg ik telkens tegen mijzelven: Hij is niet
-dood, maar houdt zich stil, en daar zijn werk nog niet volbracht is, zal
-hij wederkomen. Ziedaar de gronden voor mijn geloof. Is er iets tegen te
-zeggen?
-
-Ilderims oogen fonkelden en Ben-Hur zeide vroolijk: Door mij zeker niet.
-Wat verder?
-
---Is dat niet genoeg, mijn zoon? Wachten moet onze leus zijn. Hij leeft
-en bewaart vooralsnog zijn geheim, hetzij als veelbelovende bloesem, of
-als rijpende vrucht. Maar, vasthoudende aan de belofte staat mijn geloof
-onwankelbaar vast,--hij leeft.
-
---Waar denkt gij, dat hij is? vraagde Ben-Hur aarzelend.
-
---Eenige weken geleden zat ik in mijn huis aan den Nijl, in gedachten
-verzonken. Ik zeide tot mijzelf: Een dertigjarige man moet zijn
-arbeidsveld bebouwd en beplant hebben, want daarna komt de zomer en
-nadert de tijd, waarin gemaaid moet worden. Het kind, dacht ik verder,
-is nu bijna dertig jaar. Zijn tijd om te zaaien is daar. Ik stelde
-mijzelven dezelfde vraag, die gij mij zooeven deedt, en tot antwoord
-maakte ik mij op en kwam hierheen, om in de nabijheid te zijn van het
-land, dat God aan uwe vaderen gegeven heeft. Want waar anders zal hij
-verschijnen dan in Judea? In welke stad zal hij zijn werk beginnen, zoo
-niet in Jeruzalem? Wie moeten de eersten zijn om de zegeningen te
-ontvangen, die hij zal aanbrengen, zoo niet de kinderen Abrahams, Izaaeks
-en Jakobs? Als mij bevolen werd: Ga, zoek hem,--dan zou ik alle
-gehuchten en dorpen langs de hellingen der bergen van Judea en Galilea
-tot aan het Jordaandal doortrekken. Daar moet hij zich ophouden. Daar
-heeft hij wellicht dezen zelfden avond, staande voor een eenvoudige
-woning of op een heuveltop, de zon zien ondergaan met de gedachte, dat
-hij weder een dag nader was gekomen aan den tijd, waarop hijzelf het
-licht der wereld zal worden.
-
-Balthasar zweeg. Niet alleen de gastheer en Ben-Hur, maar ook de
-dienaren hadden, door zijn geestdrift opgewekt, het gevoel alsof de
-onzichtbare in hun midden was. Eindelijk verbrak Ben-Hur de stilte.
-
---Ik zie, goede Balthasar, zeide hij, dat gij buitengewoon begunstigd
-zijt. Ik zie ook, dat gij inderdaad een wijs man zijt. Ik kan u niet
-zeggen hoe dankbaar ik ben voor hetgeen gij ons verhaald hebt. Gij hebt
-mij op groote dingen voorbereid. Voltooi het werk, bid ik u, en deel mij
-alles mede wat gij weet aangaande de zending van hem, dien gij verwacht,
-en dien ook ik van nu als een geloovig zoon van Juda verwachten zal. Hij
-zal een Verlosser zijn, zegt gij, zal hij ook niet koning der Joden
-wezen?
-
---Mijn zoon, antwoordde Balthasar, zijne zending is vooralsnog een
-verborgenheid Gods. Wat ik daaromtrent denk ontleen ik aan hetgeen de
-stem tot mij sprak in verband met de gebeden, waarop zij een antwoord
-was. Zullen wij dat nog eens nader beschouwen?
-
---Gaarne, mijn vader.
-
---De reden van mijn onrust, begon Balthasar, die mij drong in Alexandrie
-en in de dorpen langs den Nijl te prediken, en die mij ten laatste in de
-eenzaamheid dreef, was de rampzalige toestand van het menschdom,
-veroorzaakt, naar ik geloof, door het verlies van de kennis Gods. Ik was
-bedroefd over de ellende van mijn geslacht, niet van een enkele klasse,
-maar van allen. Zoo diep zijn zij gevallen, dat, naar mij voorkwam, geen
-verlossing mogelijk was, tenzij God zelf die ter hand wilde nemen, en ik
-bad tot Hem: O God, openbaar U aan mij!--Uwe goede werken heb ik
-overwonnen. De Verlossing komt, gij zult uw Verlosser zien. Aldus sprak
-de stem, en met dat antwoord reisde ik goedsmoeds naar Jeruzalem. Maar
-wie moeten verlost worden? De geheele wereld. En hoe zal dat geschieden?
-Wees sterk, zoon van Arrius! Ik weet wat de menschen zeggen: dat geen
-geluk mogelijk is, zoolang Rome niet verwoest is. De ellende zou dus
-niet uit onkunde met betrekking tot God, maar uit het wanbestuur der
-vorsten voortkomen? Neen, neen! de Verlossing kan niet voor een
-staatkundig doel zijn, kan niet ten oogmerk hebben machten en tronen
-omver te werpen, alleen opdat anderen hunne plaatsen zouden innemen. Als
-dat het doel moest zijn, zou de wijsheid Gods niet langer ondoorgrondelijk
-zijn. Ik zeg u, al spreek ik misschien slechts als een blinde tot een
-blinde, hij die komt zal een Verlosser zijn van zielen. Verlossing wil
-zeggen, dat God weder op aarde wonen zal en de gerechtigheid heerschen,
-opdat zijn verblijf mogelijk zij.
-
-Ben-Hur kon zijne teleurstelling niet verbergen. Hij boog het hoofd, en
-ofschoon hij niet overtuigd was, voelde hij zich niet dadelijk in staat
-om de zienswijze van den Egyptenaar te bestrijden. Ook Ilderim schudde
-ongeloovig het hoofd. Na een oogenblik zwijgens zeide de eerste: Vader,
-naar wien moest gij aan de poorten van Jeruzalem vragen?
-
---Ik moest aan het volk vragen: Waar is de geboren Koning der Joden?
-
---En gij zaagt hem in de grot te Bethlehem?
-
---Wij zagen en aanbaden hem en boden hem geschenken aan: goud, wierook,
-myrrhe.
-
---Wanneer gij de feiten bespreekt, mijn vader, dan is u te hooren en te
-gelooven een; maar wat uwe zienswijze aangaat kan ik niet begrijpen welk
-soort van Koning gij van het kind wilt maken. Ik kan den koning niet
-scheiden van zijne macht en plichten.
-
---Mijn zoon, antwoordde Balthasar, gij ziet nu slechts den titel: Koning
-der Joden. Vestigt gij echter uwen blik op de daarachter liggende
-geheimenis, dan zal de steen des aanstoots verdwijnen. Over den titel
-een woord. Uw volk, Israel, heeft betere dagen gezien, dagen waarin God
-uw volk zijn volk noemde, en door de profeten met hen verkeerde. Welnu,
-indien Hij hun in die dagen den Verlosser beloofde, dien ik gezien heb,
-hem beloofde als Koning der Joden, dan moet de verschijning ook gelijk
-zijn aan de belofte. Begrijpt gij nu de beteekenis van mijne vraag aan
-de poort?--Ja, gij begrijpt haar, en ik behoef er niets meer van te
-zeggen. Misschien denkt gij aan de waardigheid van het Kind; als dat zoo
-is, denk dan even na--moest het de opvolger van Herodes zijn?
-
-Kon God zijn uitverkorene niet iets beters bereiden? Wilt gij het wezen
-der zaak, waarover wij spreken, vatten, zie dan hooger op, bid ik u!
-Vraag liever waarvan hij, dien wij verwachten, koning zal zijn; want dat
-is de sleutel van de verborgenheid, die niemand begrijpen zal zonder
-dien sleutel. Er is een koninkrijk op aarde, ofschoon het niet van de
-aarde is, een koninkrijk grooter in omvang dan de aarde, grooter dan de
-zee en de aarde. Zijn bestaan is een feit, en wij doorwandelen het
-zonder het te zien. Niemand zal dit rijk aanschouwen, voordat hij zijn
-eigen ziel heeft leeren kennen; want het koninkrijk is niet voor hem,
-maar voor zijne ziel. De heerlijkheid, die ons in dat rijk wacht, is zoo
-groot, dat wij haar ons niet kunnen voorstellen--eenig en
-onvergelijkelijk.
-
---Uwe woorden, vader, zijn mij een raadsel, ik heb nooit van zulk een
-koninkrijk gehoord.
-
---Ik ook niet, verzekerde Ilderim.
-
---En ik mag er niet meer van zeggen, zeide Balthasar, de oogen ootmoetig
-neerslaande. Wat het is, waartoe het dient, hoe men er komen kan, zal
-niemand vernemen, voordat het kind komt, om er als zijn eigendom bezit
-van te nemen. Hij brengt den sleutel van de onzichtbare poort, die hij
-ontsluiten zal voor zijne uitverkoornen, waartoe allen zullen behooren,
-die hem liefhebben, want dezulken alleen zullen de verlosten zijn.
-
-Een lange pauze volgde. Daar niemand een opmerking maakte zeide
-Balthasar ten laatste: Goede Sheik, morgen of overmorgen ga ik voor
-eenigen tijd naar de stad. Mijne dochter verlangt de toebereidselen voor
-de feesten te zien. Het uur van mijn vertrek hoop ik u nader op te
-geven. U, mijn zoon, zal ik zeker nog zien. Ik wensch u beiden vrede en
-goeden nacht.
-
-Zij stonden allen van tafel op. De Sheik en Ben-Hur zagen den Egyptenaar
-na, totdat hij buiten de tent was.
-
---Sheik Ilderim, zeide de jongeling, ik heb van avond vreemde dingen
-gehoord. Sta mij toe, bid ik u, een weinig langs het meer te wandelen,
-opdat ik ze rustig overdenke.
-
---Ga, ik volg u straks.
-
-Zij wieschen hunnen handen, waarna een bediende Ben-Hur zijne sandalen
-bracht.
-
-
- * * * * *
-
-
-ZESTIENDE HOOFDSTUK.
-
-OVERDENKINGEN.
-
-
-Op een kleinen afstand van den dowar stond een groep palmen, die hunne
-schaduw half over het water, half over het land wierpen. Een nachtegaal
-zong in de takken zijn lied. Ben-Hur bleef er staan naar luisteren. Op
-ieder ander oogenblik zou het gezang van den vogel afleiding aan zijne
-gedachten gegeven hebben; nu niet, want de meedeelingen van den
-Egyptenaar lagen hem als een pak op het hart. Er was voor hem zelfs in
-de liefelijkste muziek geen muziek, zoolang lichaam en geest niet tot
-rust gekomen waren.
-
-De nacht was stil. Geen enkel golfje brak op het oeverzand. De hemel was
-bezaaid met sterren, al de oude bekenden op haar gewone plaats.
-
-Ben-Hur liep onrustig heen en weer. Zijn levendige verbeelding voerde
-hem in gedachten naar de zuidelijke streken, waar Balthasar als
-kluizenaar geleefd had. Het meer met zijn onbeweeglijken spiegel
-verplaatste hem in den geest naar de oevers van den Nijl, waar de wijze
-man in het gebed verzonken was, toen de Geest zich aan hem openbaarde.
-Indien het wonder zich eens herhaalde--en wel aan hem? Hij vreesde,
-nochtans wenschte, ja zelfs verwachtte hij de verschijning.
-
-Toen zijn opgewondenheid eindelijk wat bedaarde, kwam er orde in zijne
-gedachten.
-
-Zijn levensdoel kennen wij. Als hij zijne toekomst overdacht was hij
-telkenmale op een gaping gestuit, die hij niet bij machte was aan te
-vullen, een gaping zoo wijd, dat hij den overkant slechts flauw kon
-onderscheiden. Naar welk doel zou hij streven, als hij eindelijk tot
-bevelhebber bevorderd was? Een opstand tegen de Romeinen lag natuurlijk
-in zijn plan, maar om de lieden daartoe te bewegen, moest hij een goede
-reden of een voorwendsel kunnen aanvoeren, en hen op een betere toekomst
-kunnen wijzen. Die een onrecht te herstellen heeft, strijdt in den regel
-goed; maar oneindig beter hij, wien het geleden onrecht tot drijfveer
-is, om naar een betere toestand te streven, een toestand, waarin hij
-balsem vindt voor zijne wonden, loon voor zijn dapperheid, dank voor
-zijne moeite, en bij zijnen dood een roemrijk gedenken.
-
-Voor alle dingen zou Ben-Hur, wilde hij op aanhangers kunnen rekenen, en
-dat zouden natuurlijk zijne landgenooten zijn, oorzaak en gevolg van den
-opstand moeten verklaren. Allen zuchtten onder hetzelfde juk, dat af te
-schudden was een heilige, bezielende plicht.
-
-Reden tot opstand was er dus; maar de gevolgen, welke zouden die zijn?
-De uren en dagen, die hij aan de overdenking van dit deel zijner plannen
-gewijd had, waren talloos vele, en altijd was hij tot dezelfde
-onbevredigde slotsom gekomen: een onbestemde, nevelachtige, algemeene
-voorstelling van nationale vrijheid. Was dat voldoende? Hij kon niet
-zeggen: neen; want dat zou zijn hoop den genadeslag hebben toegebracht;
-hij huiverde om ja te zeggen, omdat zijn verstand wel beter wist.
-Evenmin kon hij zich wijsmaken, dat Israel in staat zou zijn, om geheel
-alleen Rome te bestrijden. Hij kende de hulpmiddelen van dien machtigen
-vijand. Een verbond van alle volken zou iets kunnen uitrichten, maar,
-helaas! dat was onmogelijk, tenzij--en hoelang had hij niet over die
-mogelijkheid nagedacht, tenzij uit een der onderdrukte volken een held
-mocht voortkomen, wiens krijgsverrichtingen de gansche aarde met zijn
-roem vervullen zouden. Welk een glorie voor Judea, indien dat het
-Macedonie van den nieuwen Alexander zou blijken te zijn! Helaas, onder
-de rabbijnen was dapperheid wel mogelijk, maar tucht niet te verwachten.
-En dan het verwijt van Messala in den tuin van Herodes: Wat gijlieden in
-zes dagen wint, verliest gij den zevenden dag.
-
-Zoo kwam het dat hij geen licht in de zaak had gezien. God alleen wist
-of de verwachte held komen zou. Vandaar dat hij Malluchs verslag van
-Balthasars wederwaardigheden met een zekere voldoening had aangehoord
---de moeilijkheid was opgelost, de held uiteindelijk gevonden, en nog
-wel een zoon uit den stam van Juda, een Koning der Joden! En achter den
-held, de wereld onder de wapenen!
-
-Ben-Hurs hart had sterker geklopt toen hij zich voor een oogenblik
-Jeruzalem als hoofdstad der wereld dacht, en Sion de zetel van de
-overheerscher. Hoe bevoorrecht had hij zich geacht, dat hij den man, die
-den koning gezien had, in Ilderims tenten zou ontmoeten. Hij zou hem
-zien, hem hooren, en van hem alles vernemen wat hij wist van de ophanden
-zijnde verandering, voornamelijk het tijdstip, waarop het geschieden
-zou. Indien het ophanden was, zou hij van den veldtocht met Maxentius
-afzien, en voorbereidingen treffen om de stammen onder de wapenen te
-brengen, opdat Israel gereed mocht zijn, wanneer de groote dag der wrake
-aanbrak.
-
-Nu had, zooals wij weten, Ben-Hur het verhaal van Balthasar zelven
-vernomen. Was hij voldaan?
-
-Een schaduw, donkerder dan die der palmen, rustte op hem--de schaduw der
-onzekerheid, die meer het koninkrijk gold, dan wel den koning.
-
-Hoe moet ik mij dat koninkrijk voorstellen? Hoe zal het zijn? vraagde
-Ben-Hur zichzelven gedurig.
-
---Hoe zal dat koninkrijk zijn?
-
-Ons, lezer, heeft het kind zelf geantwoord; maar Ben-Hur moest zich
-vergenoegen met de woorden van Balthasar: Op aarde, nochtans niet van de
-aarde; niet voor menschen, maar voor hunne zielen, en toch een
-heerschappij van onbeschrijfelijken luister.
-
-Was het wonder, dat die woorden den jonkman zeer raadselachtig
-voorkwamen?
-
---Dat is geen menschenwerk, zeide hij half wanhopig. De koning van zulk
-een rijk heeft geen menschen noodig; geen raadslieden, geen soldaten.
-De aarde zou geheel vernieuwd moeten worden, en nieuwe grondbeginselen
-zouden de plaats van de tegenwoordige moeten innemen. Niet door geweld
-van wapenen,... maar door wat dan?
-
-Nogmaals, lezer, wat voor ons vaststaat kon hij nog niet zien. De macht,
-die in de Liefde gelegen is, was den menschen toen nog niet bekend.
-Nooit had iemand hun verkondigd, dat liefde machtiger is dan geweld.
-
-Te midden van die overleggingen voelde hij een hand op zijn schouder.
-
---Ik heb een woord aan u, zoon van Arrius, zeide Ilderim, een woordje en
-dan keer ik naar mijne tent terug, want het is laat in den nacht.
-
---Ik luister, Sheik.
-
---Wat de dingen aangaat, die gij zooeven gehoord hebt, zeide Ilderim,
-geloof alles, behalve datgene wat de Egyptenaar zeide over het nieuwe
-koninkrijk. Laat dat rusten, totdat gij Simonides gehoord hebt, een goed
-man uit Antiochie, met wien ik u in kennis zal brengen. De Egyptenaar
-gaf u zijne droomerijen ten beste. Simonides is verstandiger. Hij zal u
-de uitspraken uwer profeten voorleggen, waaruit hij onwederlegbaar kan
-aantoonen, dat de verwachte feitelijk koning der Joden zijn zal--koning
-zooals Herodes was, alleen beter en luisterrijker. En dan, gij begrijpt
-mij, zullen wij het zoete der wraak smaken. Ik heb gezegd. Vrede zij u!
-
-Ben-Hur staarde hem na en zeide bitter: Alweder Simonides! Simonides
-hier, Simonides daar; dan door den een, dan door den ander! Het schijnt
-alsof ik aan den leiband van mijn vaders dienaar zal mogen loopen. Die
-weet ten minste vast te houden wat het mijne is. Daarom is hij in ieder
-geval rijker, zoo niet verstandiger, dan de Egyptenaar. Bij hem zal ik
-zeker niet ter schole gaan!--Maar, wat is dat? Daar wordt gezongen ...
-een vrouwenstem. Het komt hierheen.
-
-Langzaam keerde een bootje terug van een roeitochtje op het meer. De
-zangster in het kleine vaartuig deed haar liefelijke stem over de stille
-wateren klinken. Weldra kon hij de woorden verstaan. Het was een
-Grieksch lied, een lied van verlangen, aangrijpend en innig.
-
-Toen het bootje voorbijgevaren was slaakte Ben-Hur een diepen zucht.
-Dat moest den dochter van Balthasar zijn, zeide hij zacht. Wat zingt zij
-heerlijk! En wat was zij schoon!
-
-Zijn hart begon sneller te kloppen; maar tegelijkertijd verrees voor zijn
-geestesoog een ander gelaat, jeugdiger en even bevallig--kinderlijker en
-zachter, hoewel niet zoo hartstochtelijk.
-
---Ester! zeide hij glimlachend. Ik wenschte een ster te zien, en zij is
-mij gezonden.
-
-Hij keerde zich om en ging langzaam naar zijne tent terug.
-
-In dat hart, zoo vol van het geleden onrecht en van wraakzuchtige
-plannen, was geen plaats voor liefde geweest. Was dit misschien het
-begin van eene verandering ten goede? En van wie ging die invloed uit?
-
-Ester had hem een beker aangereikt.... De Egyptische eveneens.
-
-En beiden waren hem gelijktijdig onder de palmen verschenen!
-
-Wie van de twee zal het zijn?
-
-
- * * * * *
-
-
-BOEK V.
-
-
- * * * * *
-
-
-EERSTE HOOFDSTUK.
-
-GRATUS WORDT GEWAARSCHUWD.
-
-
-'s Morgens na de bacchanalien in de zaal van het paleis lagen de jonge
-patriciers hun roes uit te slapen op den divan. Al stapte Maxentius
-heden aan wal, al liep alles in de stad uit om den veldheer te
-ontvangen, al kwam het legioen in groot tenue van den Sulpius, al zou
-van Nymphaeum tot Omphalus een pracht ontwikkeld worden, die alles wat
-men tot hiertoe gezien had overtrof, zij zouden blijven liggen zooals
-zij neergevallen, of door de dienaren neergelegd waren.
-
-Een maakte echter een uitzondering. Toen het volkomen dag geworden was
-stond Messala op, nam den krans van zijn hoofd, ten teeken dat het feest
-beeindigd was, wikkelde zich in zijn mantel, wierp een laatsten blik op
-zijne makkers, en begaf zich zonder een woord te spreken naar zijn
-kwartier. Cicero zou niet meer deftigheid de Senaatskamer hebben kunnen
-verlaten.
-
-Drie uren later traden twee koeriers zijne kamer binnen, en ontvingen
-uit zijne hand een verzegeld pakje, duplicaten van een brief aan
-Valerius Gratus, den procurator, die nog steeds in Cesarea woonde. Dat
-de brieven een spoedige en zekere bezorging vereischten blijkt uit dien
-maatregel.
-
-De inhoud was als volgt:
-
- Messala groet Gratus.
-
- Ik heb u een wonderlijke geschiedenis te verhalen, die, ofschoon
- zij gedeeltelijk nog slechts een vermoeden is, ongetwijfeld uwe
- belangstelling in hooge mate zal opwekken.
-
- Vergun mij, voordat ik verder ga, uw geheugen een weinig te hulp te
- komen. Gij herinnert u wellicht vele jaren geleden te Jeruzalem het
- gezin van een aanzienlijk man, uit het aloude geslacht Hur. Mocht
- uw geheugen u soms in de steek laten, dan hebt gij, wanneer ik mij
- niet vergis, een litteeken aan uw hoofd, dat u alles wel weer voor
- den geest zal kunnen brengen.
-
- Maar ter zake. Tot straf van den aanslag op uw leven--mogen ter
- wille van onze gewetensrust alle goden verhoeden, dat het ooit
- blijkt een ongeluk geweest te zijn!--tot straf dan werd het geheele
- gezin in hechtenis genomen, werden korte metten met hen gemaakt, en
- hunne bezittingen verbeurd verklaard. En daar deze strafdoening
- onder goedkeuring van onzen keizer geschiedde, die even rechtvaardig
- was als wijs,--mogen zijne altaren altijd met bloemen versierd zijn!
- --behoeven wij ons niet te schamen over de sommen, die ons uit die
- bron toevloeiden, iets, waarvoor ik u nooit dankbaar genoeg zijn kan,
- gewis niet zoolang ik in het vrije bezit blijf van het aandeel, dat
- mij werd toegewezen.
-
- Voorts herinner ik u de wijze maatregelen, die gij genomen hebt om
- ons doel te bereiken: het stilzwijgen, en een zekeren maar
- natuurlijken dood van de betrokken personen.
-
- Gij zult u herinneren welke straf gij de moeder en de zuster van
- den booswicht hebt opgelegd, en indien ik nu vriendelijk verzoek
- van u te mogen vernemen, of zij nog leven, dan wel of zij gestorven
- zijn, ben ik te zeer van uwe welwilligheid overtuigd, mijn Gratus,
- om aan de toezending van een antwoord uwerzijds te twijfelen.
-
- Als meer onmiddellijk in verband staande met de zaak, die mij
- bezighoudt, neem ik intusschen de vrijheid u te herinneren, dat de
- misdadiger zelf levenslang tot de galeien werd veroordeeld; zoo
- luidde het bevel. Met eigen oogen las ik het ontvangbewijs van zijn
- lichaam, geteekend door den bevelhebber van de galei, die hem
- opnam.
-
- Schenk mij nu uw onverdeelde aandacht, voortreffelijke Gratus!
-
- Den gewonnen levensduur van een tot de galeien veroordeelde in
- aanmerking genomen, moest de rechtvaardig gestrafte op zijn minst
- reeds vijf jaren dood zijn, of beter gezegd, moest een van de
- drieduizend Oceaniden hem tot echtgenoot genomen hebben. En als gij
- een oogenblik zwakheid door de vingers wilt zien, o deugdzaamste
- der menschen, daar ik hem in zijne jeugd beminde en daar hij schoon
- van aangezicht was (ik had de gewoonte hem mijn Ganymedes te
- noemen), had hij eigenlijk de allerschoonste dochter van die
- uitgebreide familie in de armen moeten vallen.
-
- In de meening verkeerende dat hij dood was, heb ik volle acht jaren
- ongestoord genoten van het fortuin, dat ik hem in zeker opzicht te
- danken heb. Ik erken dat, zonder daarmee evenwel mijne verplichting
- jegens u te willen verkleinen.
-
- Maar hoor nu verder. Toen ik gisteravond een feest leidde van
- eenige jongelieden, pas van Rome gekomen, vernam ik een zonderlinge
- geschiedenis. Maxentius, de consul, wordt, zooals gij weet, vandaag
- hier verwacht, om een veldtocht tegen de Parthen te openen. Onder
- de eerzuchtigen, die hem wenschen te vergezellen, bevindt zich een
- zoon van den overleden duumvir Quintus Arrius. Ik had aanleiding om
- nauwkeurig onderzoek naar hem te doen. Toen Arrius uittoog om de
- zeerovers te tuchtigen, wier vernietiging hem in hoog aanzien
- bracht, had hij geen familie. Toen hij van dien tocht terugkeerde,
- bracht hij een erfgenaam met zich mede. Blijf nu bedaard, gelijk
- den eigenaar betaamt van zoovele talenten zilvers in gangbare
- munt ... de zoon en erfgenaam van wien ik spreek is hij, dien gij
- naar de galeien zondt. Dezelfde Ben-Hur, die reeds lang geleden op
- de roeiersbank had moeten bezwijken, keerde terug als een man van
- fortuin, aanzien, misschien zelfs als Romeinsch burger, om zich
- te ... ziet ge, gij zit te vast om bezorgd te moeten zijn; maar ik,
- mijn Gratus, ik ben in gevaar ... onnoodig u te zeggen van wat. Wie
- zou het weten, als gij het niet weet?
-
- Zegt gij tot dit alles: o-ho?
-
- Toen Arrius, de vader, met de zeerovers slaags raakte, zonk zijn
- schip. Van de geheele bemanning ontkwamen slechts twee: Arrius
- zelf, en de bovengenoemde, zijn erfgenaam. Hunne redders
- verklaarden, dat de jeugdige metgezel van den tribuun het kostuum
- van een galeislaaf droeg.
-
- Mij dunkt dit is overtuigend; maar opdat gij niet weder o-ho! zoudt
- zeggen, deel ik u mede, dat ik gisteren toevallig den geheimzinnigen
- zoon van Arrius van aangezicht tot aangezicht gezien heb, en ik
- verklaar u bij dezen, dat, hoewel ik hem eerst niet herkende, hij
- dezelfde Ben-Hur is, die jaren geleden mijn speelmakker was,
- dezelfden Ben-Hur, die, als hij een mannenhart in de borst heeft,
- in ditzelfde uur op wraak zint, (dat zou ik in zijne plaats ook
- doen) wraak, die met niets minder dan het leven genoegen neemt;
- wraak voor zijn vaderland, moeder, zuster, zichzelf en--ik noem 't
- het laatst, ofschoon gij wellicht zoudt meenen, dat het 't eerst
- moest genoemd worden--voor zijn verloren fortuin.
-
- En nu, mijn weldoener en vriend! mijn Gratus, in aanmerking
- nemende, dat uwe sestertien in gevaar verkeeren, wier verlies het
- ergste is wat iemand van uwen hoogen staat kan overkomen, geloof
- ik, dat gij niet langer o-ho! zult zeggen, maar ernstig zult gaan
- overleggen hoe wij hierin hebben te handelen. Ik stel mij, dat
- spreekt vanzelf, onder uwe bescherming en wacht uwe aanwijzingen.
-
- Ik verlustig mij, als ik mij voorstel, hoe gij dezen brief zult
- ontvangen. Ik zie hoe gij hem eerst met een zeer ernstig gelaat,
- dan glimlachende, doorloopt, om ten slotte zonder aarzelen kort en
- bondig uw oordeel uit te spreken.
-
- Het is nog vroeg in den morgen. Over een uur zend ik twee boden
- uit, ieder met een verzegeld afschrift van dezen brief. Een zal
- over land gaan, de ander over zee. Zoo belangerijk acht ik het, dat
- gij zoo spoedig mogelijk onderricht zoudt zijn aangaande de
- verschijning van onzen vijand in dit gedeelte der Romeinsche
- wereld.
-
- Ik zal uw antwoord afwachten.
-
- Ben-Hurs gaan en komen zal natuurlijk afhangen van zijn meester,
- den consul, die, al spant hij zich nog zoo in, niet binnen de maand
- gereed zal komen. Gij weet wat het zeggen wil een leger te
- verzamelen en uit te rusten, dat werkdadig op moet treden in een
- onherbergzaam, woest oord.
-
- Gisteren zag ik den Jood in het Park van Daphne, en als hij daar op
- het oogenblik niet is, dan is hij toch zeker in de buurt, om mij
- gemakkelijk te maken hem in 't oog te houden. Ja, indien gij mij
- vraagdet: Waar denkt gij dat hij is? dan zou ik met volle
- overtuiging zeggen: hij is in het Palmbosch, in de tent van Sheik
- Ilderim, den verrader, die ons niet veel langer moet mogen
- trotseeren. Laat het u niet verwonderen, indien Maxentius als
- eerste krijgsoperatie den Arabier inscheept naar Rome.
-
- Ik treed zoo in bijzonderheden omtrent de verblijfplaats van den
- Jood, omdat het u, verheven man, van nut kan zijn bij het nemen van
- een besluit ten zijnen opzichte. Zooveel weet ik toch wel, dat bij
- ieder plan drie gewichtige zaken in het oog moeten gehouden worden:
- tijd, plaats en middelen.
-
- Indien gij oordeelt, dat hier de plaats is, aarzel dan niet de zaak
- toe te vertrouwen aan uwen hartelijk liefhebbenden vriend, die uw
- bekwaamste leerling zou wenschen te zijn. Vaarwel!
- XII. Kal. Jul. Antiochie.
-
- * * * * *
-
-
-TWEEDE HOOFDSTUK.
-
-VOORBEREIDING.
-
-
-Ongeveer op hetzelfde oogenblik, dat de koeriers met de brieven
-Messala's woning verlieten, trad Ben-Hur Ilderims tent binnen. Hij had
-een bad genomen in het meer, vervolgens ontbeten, en verscheen nu in een
-korte Romeinsche tunica zonder mouwen.
-
-De Sheik groette hem van den divan.
-
---Vrede zij u, zoon van Arrius, zeide hij, terwijl zijn oog met
-bewondering op den jongeling rustte, die in het volle bewustzijn van
-kracht en macht voor hem stond. De paarden zijn gereed. Ik ben gereed.
-En gij?
-
---Den vrede, dien gij mij toewenscht, bid ik u wederkeerig toe, goede
-Sheik. Ik dank u voor zooveel welwillendheid. Ik ben gereed.
-
-Ilderim klapte in zijn handen.
-
---Ik zal de paarden hier laten komen. Zet u neder.
-
---Zijn zij reeds opgetuigd?
-
---Neen.
-
---Vergun mij dan, Sheik, dat ik het zelf doe. Het is noodig, dat ik
-kennis maak met uwe Arabieren. Ik moet ze bij name kennen, zoodat ik
-tegen ieder in 't bijzonder spreken kan. Ook moet ik hun aard leeren
-kennen, daar het met hen is als met de menschen: zijn zij overmoedig,
-niets beter dan een bestraffing; zijn zij schuchter, niets beter dan lof
-en aanmoediging. Laat de dienaren mij het tuig brengen.
-
---En den wagen? vraagde de Sheik.
-
---Vandaag niet. Geef mij liever een vijfde paard. Het moet even vlug
-zijn als de andere.
-
-Ilderim keek hem verwonderd aan; maar zonder opheldering te vragen riep
-hij een der slaven.
-
---Laat hen het tuig voor de vier brengen, en den teugel voor Sirius,
-beval hij.
-
-Toen stond de Sheik op en zeide tot Ben-Hur: Sirius is mijn lieveling en
-ik ben de zijne, zoon van Arrius. Sedert twintig jaren zijn wij kameraden
---in de tent, in den strijd, op alle pleisterplaatsen der woestijn. Ik zal
-hem u laten zien.
-
-Hij ging naar het gordijn, schoof het weg, en liet Ben-Hur binnentreden.
-De paarden kwamen gezamelijk tot hem. Een van hen, met een kleinen kop,
-levendige oogen, sierlijk gewelfden nek, breede borst, manen als
-vrouwenlokken zoo zacht en golvend, hinnikte vroolijk, zoodra hij
-Ilderim zag.
-
---Goed dier, zeide de Sheik, den donkerbruinen kop streelend. Goed dier,
-goeden morgen!--en zich daarop tot Ben-Hur keerende, voegde hij er bij:
-Dat is Sirius, de vader van de vier anderen. Mira, de moeder, wacht op
-onze terugkomst, daar zij te kostbaar is om aan de gevaren der reis te
-worden blootgesteld. Daarenboven betwijfel ik zeer, zoon van Arrius, of
-de stam hare afwezigheid zou kunnen verdragen. Zij is hun trots. Zij
-vereeren haar. Indien zij over hunne lichamen wilde galoppeeren zouden
-zij lachen. Tienduizend ruiters, zonen der woestijn, zullen vandaag
-vragen: Hebt gij ook iets van Mira gehoord? en op het antwoord: Zij is
-welvarend, zullen zij zeggen: God is goed! God zij geloofd!
-
---Mira, Sirius, namen van sterren, is het zoo niet, Sheik? vraagde
-Ben-Hur, terwijl hij eerst de vier en toen den vader liefkoosde.
-
---En waarom niet? antwoordde Ilderim. Hebt gij wel eens een nacht in de
-woestijn onder den blooten hemel doorgebracht?
-
---Neen.
-
---Dan kunt gij ook niet beseffen hoe wij, Arabieren, van de sterren
-afhankelijk zijn. Uit dankbaarheid geven wij hare namen aan onze
-lievelingspaarden. Al mijne voorvaderen hadden hunne Mira's, zooals ik
-de mijne heb. Deze kinderen doen eveneens aan sterren denken. Die daar
-is Rigel, en deze is Antares; ginds is Atair, en die, waar gij juist
-naar toe gaat, is Aldebaran, de jongste van de kroost; maar wie ooit het
-onderspit mocht delven, niet hij! Tegen den wind in zou hij u dragen,
-totdat gij duizelt. Hij zal gaan waar gij dat verlangt, zoon van Arrius,
-ja, bij de heerlijkheid van Salomo! indien gij het zoudt durven bestaan,
-hij zou u brengen tot in de kaken van den leeuw.
-
-Het tuig werd gebracht. Met eigen hand legde Ben-Hur den paarden het
-gebit in den mond. Met eigen hand leidde hij hen buiten de tent, en
-ordende de teugels.
-
---Breng mij Sirius, zeide hij.
-
-Met een sprong zat hij op den rug van het paard. Een Arabier zou hem dat
-niet hebben kunnen verbeteren.
-
---En de teugels!
-
-Men gaf ze hem.
-
---Goede Sheik, zeide hij, ik ben gereed. Laat een gids voor mij uit
-gaan, om mij het veld te wijzen, en zend eenige mannen met water.
-
-Het afrijden geschiedde zonder eenige moeite. De paarden waren niet
-schrikachtig. Het scheen alsof een stilzwijgende overeenkomst bestond
-tusschen hen en den nieuwen menner, die met de grootste kalmte en
-zekerheid optrad.
-
-Hij hield zich geheel aan de gewone orde bij het rijden, behalve dat hij
-Sirius bereed, in plaats van in een wagen te staan. Ilderim glimlachte
-met voldoening en zeide zacht: Dat is geen Romein, neen, waarlijk niet!
-
-Hij volgde te voet. Al de tentbewoners sloten zich bij hem aan, mannen,
-vrouwen, kinderen, allen met de grootste belangstelling vervuld voor de
-dingen, die komen zouden.
-
-Het veld bleek ten volle voor de dressuur geschikt te zijn. Ben-Hur liet
-het vierspan eerst langzaam en in rechte lijnen rijden, daarna in steeds
-wijder wordende cirkels. Vervolgens liet hij hen in draf loopen, daarna
-in galop. Eindelijk maakte hij de cirkels kleiner en kleiner, en tot
-besluit liet hij zijn gespan op de meest willekeurige wijze draven, nu
-hier, dan daar, rechts, links, voorwaarts, zonder een oogenblik
-oponthoud. Zoo ging een uur voorbij. Toen reed hij stapvoets naar
-Ilderim.
-
---Het is afgeloopen; nu niets dan geregelde oefening, zeide hij. Ik
-wensch u geluk, Sheik Ilderim, dat gij zulke dienaren hebt. Zie,
-vervolgde hij, terwijl hij afsteeg en op de paarden wees, zie, hun huid
-is nog even glanzig, hun adem even licht, als toen ik begon. Ik wensch u
-van harte geluk! Er zou heel wat moeten gebeuren, indien wij niet de
-overwinning behalen en onze....
-
-Hij hield op, bloosde, boog. Zijn oog had Balthasar ontdekt, die met
-twee dicht gesluierde vrouwen in de nabijheid stond. Eene van die meende
-hij te herkennen ... ja, dacht hij, zij is het, de Egyptische!
-
-Ilderim vervolgde den afgebroken volzin. De overwinning en onze wraak!
-Zoon van Arrius, ik ben niet langer bevreesd. Ik ben blijde. Gij zijt de
-man. Zij het einde gelijk het begin, en gij zult ervaren wat in de hand
-eens Arabiers verborgen is, die de middelen bezit om te beloonen.
-
---Ik dank u, goede Sheik, hernam Ben-Hur op bescheiden toon. Laat nu de
-bedienden water brengen voor de paarden.
-
-Met eigen hand liet hij ze drinken. Toen gesteeg hij Sirius weder en
-zette de oefening voort; evenals te voren van stappen tot draven, van
-draven tot galoppeeren overgaande, om hen eindelijk met lossen teugel in
-vollen ren over het veld te laten vliegen.
-
-Het was voor de toeschouwers een waar genot. Luide toejuichingen vielen
-den kundigen menner ten deel, die zijn vierspan tot zoo volmaakte
-eenheid wist te brengen, zonder dat het de dieren eenige inspanning
-scheen te kosten.
-
-Midden onder de oefeningen verscheen Malluch op het tooneel. Hij zocht
-den Sheik. Ik heb een boodschap voor u, Sheik, zeide hij, gebruik
-makende van een rustig oogenblik, een boodschap van Simonides, den
-koopman.
-
---Simonides, riep de Arabier. Ah! 't is wel. Moge Abaddon al zijne
-vijanden vernietigen!
-
---Hij droeg mij op u dezen brief te geven, met het verzoek hem dadelijk
-te lezen.
-
-Ilderim verbrak het zegel van het pakje, dat Malluch hem overhandigde,
-en nam twee brieven uit een omslag van fijn linnen.
-
-
-No. 1.
-
- SIMONIDES AAN SHEIK ILDERIM HEIL!
-
- Mijn vriend! Wees voor alle dingen verzekerd, dat gij eene plaats
- in het binnenste mijns harten inneemt.
-
- Vervolgens: In uw dowar bevindt zich een jongmensch met een zeer
- gunstig voorkomen, die zich de zoon van Arrius noemt. Dat is hij
- door aanneming. Hij is mij zeer lief. Hij heeft een veelbewogen
- leven achter zich, waaruit ik u enkele bijzonderheden zal
- meedeelen. Kom morgen of overmorgen, opdat ik u die geschiedenis
- vertelle, en uwen raad inwinne.
-
- Willig intusschen al zijne verzoeken in voor zoover zij niet
- strijden tegen de eer. Moeten er onkosten gemaakt worden, ik sta
- voor alles in. Verzwijg, dat ik in den jongeling belang stel.
-
- Breng mij in herinnering bij uwen anderen gast. Hij, zijne dochter,
- gijzelf en allen, die gij in uw gevolg wenscht mede te brengen,
- zullen mijne gasten zijn op den dag der wedrennen. Ik heb reeds
- plaatsen besproken.
-
- U en al den uwen vrede!
-
- Hoe zou ik mij anders kunnen noemen, mijn vriend, dan uw vriend?
-
-No. 2.
-
- SIMONIDES AAN SHEIK ILDERIM HEIL!
-
- Mijn vriend! uit mijne rijke ervaring zend ik u een waarschuwend
- woord.
-
- Er is iets dat allen, die niet Romeinen zijn en die geld en goed
- bezitten, als waarschuwing beschouwen, dat is: De komst met
- volmacht van den eenen of anderen hooggeplaatsten Romein.
-
- Heden komt de consul Maxentius. Wees gewaarschuwd.
-
- Een woord van raad.
-
- Zal een samenzwering tegen u gelukken, dan moeten de Herodianen van
- de partij zijn. Gij hebt groote bezittingen op hun grondgebied.
- Daarom, wees op uwe hoede.
-
- Zend hedenmorgen een boodschap aan uw getrouwe wachters langs de
- wegen, die van Antiochie naar het zuiden voeren, en beveel hun
- iederen gaanden en komenden koerier te onderzoeken. Vinden zij
- vertrouwelijke mededeelingen aangaande u of uwe zaken, dat zij ze u
- dan ter inzage zenden.
-
- Gij moest dit reeds gisteren ontvangen hebben, maar het is nog niet
- te laat, indien gij onmiddellijk handelt. Al hebben heden morgen
- koeriers Antiochie verlaten, uwe boodschappers kennen de bijwegen,
- en kunnen hen voor zijn. Aarzel niet. Verbrand dit na lezing.
-
-Ilderim las en herlas de brieven, bergde ze weder in den linnen omslag
-en stak het pak tusschen zijn gordel.
-
-De oefeningen in het veld waren bijna beeindigd. Zij hadden in 't geheel
-ongeveer twee uren geduurd. Na den afloop reed Ben-Hur stapvoets naar de
-plek, waar Ilderim zich bevond.
-
---Als gij het goedvindt, Sheik, zeide hij, zal ik uwe Arabieren naar de
-tent terugbrengen, en dezen middag weer met hen rijden.
-
---Gij moogt tot na de wedrennen naar welgevallen over hen beschikken,
-zoon van Arrius. Gij hebt in twee uren meer van hen gedaan gekregen, dan
-de Romein--mogen de jakhalzen zijne beenderen afknagen!--in even zoovele
-weken. Wij zullen winnen!
-
-Ben-Hur bleef bij de paarden, totdat zij naar behooren verzorgd waren.
-Toen nam hij een bad in het meer, dronk een beker arak met den Sheik,
-die bijzonder opgewekt was, kleedde zich weder naar Joodsch gebruik, en
-wandelde met Malluch naar een schaduwrijke plek.
-
-Veel werd tusschen die beiden besproken, maar daar niet alles voor ons
-van belang is, zullen wij slechts bij een punt stilstaan.
-
---Ik zal u een brief meegeven aan den herbergier bij de Seleusische
-brug, zeide Ben-Hur. Daar is mijn goed. Bezorg het mij vandaag nog, als
-gij kunt. En, goede Malluch, indien het niet te veel van u gevergd is....
-
-Malluch verklaarde zich volkomen bereid, om hem in alles van dienst te
-zijn.
-
---Dank, Malluch, dank. Ik houd u aan dat woord, mij herinnerende dat wij
-broeders zijn van een stam, en dat de vijand een Romein is. Daarenboven
-zijt gij een man van zaken, hetgeen naar ik vrees Sheik Ilderim niet is.
-
---Arabieren zijn dat zelden.
-
---Neen, en hoe slim zij ook zijn mogen, het is toch goed zelf de dingen
-na te zien. Om dus te zorgen, dat bij de wedrennen alles volkomen naar
-recht gaat, zoudt gij mij veel genoegen doen door naar het bureau van
-den circus te gaan en te zien, of de Sheik aan alle verplichtingen
-voldaan heeft. Indien gij een afschrift van de bepalingen kunt krijgen,
-zou mij dat zeer aangenaam zijn. Ik zou gaarne willen weten welke kleur
-ik dragen moet, en wat het nummer is van mijn stal. Is hij naast dien
-van Messala, dan is het goed. Zoo niet, tracht dan een ruiling te
-bewerkstelligen, zoodat ik naast den Romein kom. Hebt gij een goed
-geheugen, Malluch?
-
---Het heeft mij wel eens in de steek gelaten, zoon van Arrius, maar
-nooit wanneer het hart mij te hulp kwam, zooals nu.
-
---Dan wil ik het er op wagen u nog met iets anders te belasten. Ik zag
-gisteren, dat Messala trotsch was op zijn wagen, en met recht, want die
-van den keizer zijn nauwelijks mooier. Kunt gij dat niet tot een
-voorwendsel nemen om hem van nabij te bekijken, en te onderzoeken of hij
-licht of zwaar is? Ik zou gaarne nauwkeurig zijn gewicht en afmetingen
-hebben, en, Malluch, al moest al het andere er bij inschieten, zorg dat
-gij mij precies kunt opgeven, hoe hoog de as boven de grond is. Hebt gij
-het goed begrepen, Malluch? Ik wil niet dat de Romein iets boven mij
-voor heeft. Om zijn pracht geef ik niets. Als ik win zal die zijn val te
-zwaarder en mijn zegepraal te grooter maken. Heeft hij echter iets, dat
-van een gewonen wagen verschilt, dan moet ik het weten.
-
---Ik begrijp u, zeide Malluch. Ik moet met een touw de hoogte van het
-middelpunt der as tot aan den grond meten.
-
---Juist. Dat is alles. Laat ons nu naar den dowar terugkeeren.
-
-Voor de tent vonden zij een bediende, die hun een verfrisschenden drank
-aanbood, waar zij zich heerlijk aan te goed deden. Kort daarop keerde
-Malluch naar de stad terug.
-
-Gedurende hunne afwezigheid had de Sheik een zijner Arabieren, als
-koerier, naar zijne wachters afgezonden met de orders, die Simonides hem
-aan de hand gedaan had. Zekerheidshalve had hij alleen een mondelinge
-boodschap meegegeven.
-
-
- * * * * *
-
-
-DERDE HOOFDSTUK.
-
-OP HET MEER.
-
-
---Iras, de dochter van Balthasar, zendt mij met een groet en een
-boodschap, zeide een bediende tot Ben-Hur, die het zich in de tent
-gemakkelijk had gemaakt.
-
---Geef mij de boodschap.
-
---Zij vraagt of gij haar bij een roeitochtje op het meer zoudt willen
-vergezellen?
-
---Ik zal zelf het antwoord brengen. Zeg haar dat.
-
-Hij kleedde zich haastig en was binnen weinige oogenblikken gereed, om
-zich naar de schoone Egyptische te begeven.
-
-De avond begon reeds te vallen. De bergen wierpen hunne schaduw over het
-Palmbosch. In de verte hoorde men het getjingel van de belletjes der
-schapen, het loeien van het vee, en de stemmen der herders, die de
-kudden huiswaarts dreven. Sheik Ilderim had ook de middagoefeningen
-bijgewoond, daarna was hij naar de stad gegaan, ingevolge de
-uitnoodiging van Simonides. Het was mogelijk dat hij voor den nacht
-terugkwam, maar niet waarschijnlijk. Ben-Hur was dus alleen en vrij om
-te gaan spelevaren op het meer.
-
-Aan de kleine trap van de aanlegplaats gekomen bleef hij op de bovenste
-trede staan, getroffen door hetgeen hij zag. Daar lag op het
-spiegelgladde water een sierlijke, ranke boot. Een Ethiopier, de
-kameeldrijver, dien wij reeds bij de Castaliabron gezien hebben, zat op
-de roeiersbank. Zijn gitzwarte huid stak sterk af tegen het sneeuwwit
-zijner kleeding. De achtersteven van het bootje was met kussens en
-tapijten van Tyrische roode stof belegd. De Egyptische zat aan het roer,
-als weggezonken in doorzichtige sluiers en Indische sjaals. Hare
-onberispelijk schoon gevormde armen waren onbedekt, schouders en hals
-door een dunnen zijden doek tegen de avondlucht beveiligd. Als Ben-Hur
-den indruk, dien de schoone Iras op hem maakte, onder woorden had moeten
-brengen, zou hij waarschijnlijk geantwoord hebben met de woorden van den
-koninklijken zanger: Uwe lippen zijn gelijk een scharlaken rooden draad;
-uwe slapen zijn gelijk een stuk granaatappel in uwe lokken. Sta op,
-mijne liefste, mijne schoone, kom hierheen; want zie! de winter is
-voorbij gegaan, de regentijd is over; de bloemen ontluiken op de aarde;
-de tijd der zangvogels is gekomen, en de stem der tortelduiven wordt in
-het land gehoord....
-
---Kom, zeide zij, ziende dat hij staan bleef. Kom, of ik zou denken dat
-gij een slecht zeeman zijt.
-
-Hij werd verlegen. Wist zij iets van zijn leven op zee? Hij daalde snel
-naar beneden en zette zich op de ledige plaats tegenover haar.
-
---Ik was bang voor....
-
---Waarvoor?
-
---Dat ik de boot zou doen zinken, antwoordde hij glimlachend.
-
---Wacht daarmee totdat wij in dieper vaarwater zijn, zeide zij, en gaf
-den Ethiopier een wenk om van wal te steken.
-
-Indien Ben-Hur wars van alle zachtere gevoelens geweest was, dan zou hij
-het nu toch hard te verantwoorden hebben gehad. De Egyptische was zoo
-gezeten, dat hij haar altijd zien moest, haar, die hij reeds in zijne
-gedachten met Sulamith vergeleken had. Met die stralende oogen op hem
-gericht zou hij de sterren, indien zij wegbleven, niet eens missen. De
-nacht mocht zijn donkeren sluier over het aardrijk uitspreiden, haar
-blik zou hem tot eene verlichting zijn. En voorts, dat de verbeelding
-nooit vrijer haar spel kan spelen, dan wanneer men jong van hart in
-aangenaam gezelschap zachtkens voortglijdt over het water op een zoelen
-zomeravond en onder liefelijk stargeflonker--wie zal het ontkennen? Het
-is zoo gemakkelijk alsdan onmerkbaar uit het alledaagsche in het ideale
-over te gaan.
-
---Geef mij het roer, zeide hij.
-
---Neen, antwoordde zij, dat ware de verhouding omkeeren. Verzocht ik u
-niet met mij te gaan varen? Ik sta bij u in de schuld en wensch met de
-betaling te beginnen. Gij moogt spreken en ik zal luisteren, of ik zal
-spreken en gij zult luisteren. De keuze is aan u; maar ik zal bepalen
-waarheen wij gaan.
-
---En waarheen dan?
-
---Alweer bang?
-
---O schoone Egyptische, ik deed u slechts de eerste vraag van iederen
-gevangene.
-
---Noem mij Egypte.
-
---ik zou u liever Iras noemen.
-
---Onder dien naam moogt gij aan mij denken, maar noem mij liever Egypte.
-
---Egypte is een land.
-
---Ja, ja, en welk een land!
-
---Ha! wij varen dus naar Egypte!
-
---Was dat waar! Wat zou ik blijde zijn, zeide zij met een zucht.
-
---Gij geeft dus niets om mij?
-
---O, nu zie ik, dat gij er nooit geweest zijt.
-
---Neen, nooit.
-
---Egypte is het land waar geen ongelukkigen zijn, het heerlijkste land
-van de gansche aarde, de moeder van al de goden, en daarom bovenmate
-gezegend. Daar, zoon van Arrius, daar ontvangt de gelukkige steeds
-vermeerdering van geluk, terwijl de ellendigen, al drinken zij slechts
-eenmaal van het water der heilige rivier, lachen en juichen, als
-kinderen zoo blij.
-
---Zijn de armen daar dan anders dan overal elders?
-
---De armsten in Egypte hebben de minste behoeften. Zij verlangen alleen
-genoeg te hebben; verder gaan hunne wenschen niet. En hoe weinig dat is,
-kan een Griek of Romein niet beseffen.
-
---Maar ik ben noch Griek noch Romein.
-
-Iras lachte.
-
---Ik heb een tuin vol rozen, zeide zij. In het midden staat een boom,
-die alle andere in rijkdom van bloei overtreft. Waar denkt gij, dat hij
-vandaan kwam?
-
---Uit Perzie, het vaderland der rozen.
-
---Neen.
-
---Uit Indie dan.
-
---Neen.
-
---Dan van een der Grieksche eilanden.
-
---Ik zal het u vertellen, zeide zij. Een reiziger vond hem, kwijnende
-aan den weg op de vlakte van Rephaim.
-
---O, in Juda!
-
---Ik plantte hem in den pas door den Nijl overstroomden bodem. De
-zuidenwindjes speelden door zijne takken en kweekten hem op, de zon
-kuste hem vol medelijden ... toen kon het niet anders, of hij moest
-groeien en bloeien. Nu sta ik in zijne schaduw en beloont hij mij door
-zijn liefelijke geuren voor de moeite, die ik mij voor hem gegeven heb.
-Zoo de rozen, zoo ook de mannen van Israel. Waar zullen zij tot
-volmaaktheid komen, anders dan in Egypte?
-
---Mozes was slechts een uit millioenen.
-
---Neen, er was een droomenuitlegger. Vergeet gij dien?
-
---De vriendelijke Pharao's zijn dood.
-
---O ja, de rivier, aan wier oever zij woonden, zingt hun een slaaplied
-toe in hunne graven. Nochtans schijnt dezelfde zon over hetzelfde volk.
-
---Alexandrie is een Romeinsche stad.
-
---Zij heeft slechts van schepter verwisseld. Cesar ontnam haar dien van
-het zwaard, en gaf haar in ruil dien van de wetenschap. Ga met mij naar
-het Brucheium en ik zal u de wijsheid der volken toonen; naar het
-Serapeion en gij aanschouwt het volmaakte in de bouwkunde; naar de
-Bibliotheek, en gij kunt de onsterfelijken lezen; naar den Schouwburg,
-waar de helden der Grieken en Hindoe's voor u ten tooneele worden
-gevoerd; naar de kade, waar gij den handel in zijn glorie kunt zien.
-Doorwandel de straten met mij, zoon van Arrius, als de avond gedaald is,
-en gij zult de verhalen hooren, die de menschen sedert onheugelijke
-tijden vermaakt hebben, en de liederen, die nimmer, nimmer zullen
-sterven.
-
-Onder het luisteren werd Ben-Hur in gedachten teruggevoerd naar dien
-laatsten avond in het ouderlijk huis te Jeruzalem, toen zijne moeder met
-niet minder geestdrift over Israels verdwenen grootheid gesproken had.
-
---Nu begrijp ik waarom gij wildet, dat ik u Egypte zou noemen. Wilt gij
-mij een lied zingen, als ik u bij dien naam noem? Ik heb u gisteravond
-beluisterd.
-
---Dat was een lofzang aan den Nijl, antwoordde zij, een klaagzang, dien
-ik aanhef, als ik mij verbeeld den adem der woestijnen te ruiken, en den
-golfslag van den dierbaren ouden stroom te hooren. Laat ik u liever iets
-geven in Indiaanschen trant. Als wij in Alexandrie komen, zal ik u
-brengen naar den hoek der straat, waar gij het eene dochter van de
-Ganges kunt hooren zingen.
-
-En met een stem, zoo liefelijk, dat ook de ongevoeligste naar haar zou
-hebben moeten luisteren, zong Iras haar lied.
-
-Toen zij beeindigd had en Ben-Hur haar zijnen dank wilde betuigen,
-schuurde de boot over het zand en liep op den oever.
-
---Dat is een korte reis naar Egypte! riep de jonkman.
-
---En een nog korter oponthoud! antwoordde zij, toen de Ethiopier met een
-krachtigen stoot het vaartuig weeder vlot maakte.
-
---Nu zult gij mij toch het roer geven.
-
---O neen, zeide zij lachende. Voor u de wagen, voor mij de boot. Wij
-zijn aan den uithoek van het meer. Ik zie wel dat ik niet te gelijk
-sturen en zingen moet. Daar wij in Egypte geweest zijn, willen wij nu
-naar het Park van Daphne gaan.
-
---En geen liedje om den weg te korten? vraagde hij smeekend.
-
---Vertel mij iets van den Romein, tegen wien gij vandaag zoo flink
-optrad, vraagde zij.
-
-Die vraag deed Ben-Hur onaangenaam aan.
-
---Ik wenschte dat dit de Nijl was, zeide hij ontwijkend. De koningen en
-koninginnen, die zoolang geslapen hebben, moesten uit hunne graven komen
-en met ons varen.
-
---Zij behoorden tot de kolossen en zouden onze boot doen zinken. De
-dwergen zouden verkieslijker zijn. Maar vertel mij nu iets van den
-Romein. Hij is een slecht mensch, niet waar?
-
---Dat kan ik u niet zeggen.
-
---Stamt hij uit een adellijk geslacht, en is hij rijk?
-
---Ik kan niet over zijn rijkdom oordeelen.
-
---Wat had hij mooie paarden! En zijn wagen! Het binnenste was verguld en
-de wielen waren van ivoor. En wat is hij vermetel! Het volk lachte toen
-hij wegreed, en hij had ze toch bijna overreden.
-
-Zij lachte bij de herinnering.
-
---Ja, wat een volk! zeide Ben-Hur bitter.
-
---Hij behoort zeker tot de monsters, die in Rome opgroeien--Apollo's,
-roofgierig als Cerberus. Woont hij in Antiochie?
-
---Misschien wel.
-
---Egypte zou hem beter lijken dan Syrie.
-
---Bezwaarlijk, antwoordde Ben-Hur. Cleopatra is dood.
-
-Op dat oogenblik kregen zij de brandende lampen voor de deur der tent in
-'t gezicht.
-
---De dowar! riep Iras.
-
---Dus zijn wij niet in Egypte geweest. Ik heb Karnak, noch Philae, noch
-Abydos gezien. Dit is niet de Nijl. Ik heb slechts een lied uit Indie
-gehoord en ben in den droom uit spelevaren geweest.
-
---Philae, Karnak. Betreur liever dat gij Ramses te Aboo Simbul niet
-gezien hebt. Als men daar naar kijkt valt het zoo gemakkelijk aan God te
-denken, den Schepper van hemel en aarde. Maar waarom zoudt gij treuren?
-Laat ons de rivier opvaren, en al kan ik dan niet zingen, omdat ik
-gezegd heb, dat ik het niet meer doen zou, ik kan u toch van Egypte
-vertellen.
-
---Ja, doe dat. Ga voort totdat de morgen aanbreekt en de avond en de
-volgende morgen! zeide Ben-Hur hartstochtelijk.
-
---Waarover zal ik vertellen? Over de wiskunstenaars?
-
---O neen.
-
---Over de wijsgeren?
-
---Neen, neen.
-
---Over de toovenaars en sterrenwichelaars?
-
---Dat zou kunnen.
-
---Over den oorlog?
-
---Ja.
-
---Over de liefde?
-
---Ja.
-
---Ik zal u een middel tegen de liefde aan de hand doen. Het is de
-geschiedenis van een koningin. Luister aandachtig. De papyrusrol,
-waaraan het verhaal ontleend werd, is aan de hand der heldin zelve
-ontwrongen. Het moet een ware gebeurtenis zijn.
-
- NENEHOFRA
-
- Vele honderden jaren geleden woonde te Essouan een meisje, zoo
- bekoorlijk, dat de natuur zelve zich over haar verheugde. Als zij
- voorbijging klapwiekten de vogeltjes om haar te begroeten, hieven
- de witte lotusbloemen zich op uit het water om haar te aanschouwen,
- vertraagde de stroom zijnen loop, wuifden de palmen hunne pluimen.
- Zij schenen te zeggen, de een: ik deelde haar mee van mijn
- vroolijkheid; de ander: ik van mijne reinheid; een derde: ik van
- mijne bevalligheid.
-
- Op twaalfjarigen leeftijd was Nenehofra het sieraad van Essouan.
- Toen zij zestien was, sprak men door het gansche land over hare
- schoonheid, en toen zij twintig was ging er geen dag voorbij, die
- niet vorsten der woestijn op snelle kemelen en aanzienlijke
- Egyptenaren in vergulde barken voor hare deur bracht. Die allen
- echter gingen ongetroost heen en vertelden overal: Ik heb haar
- gezien. Dat is geen sterflijke vrouw, maar Hathor zelve.
-
- De koning van het land was de grijze Oretes. Hij had den leeftijd
- van hondertien jaren bereikt. Zesenenzeventig jaren had hij over
- Egypte geregeerd. Onder zijn verstandig bestuur waren land en volk
- tot groote welvaart gekomen. Hij woonde te Memphis, waar hij zijn
- schoonste paleis en arsenalen had. De vrouw van den goeden koning
- stierf. Daar hij haar zeer had liefgehad treurde en weeklaagde hij
- over haar en was ontroostbaar. Een hoveling, die dat opmerkte,
- waagde op zekeren dag tot hem te zeggen: Koning Oretes, het
- verwondert mij dat iemand, zoo wijs en groot, niet zou weten hoe
- men een droefheid als deze kan genezen. Zeg mij hoe, zeide de
- koning. De hoveling kuste driemaal den grond en antwoordde, wel
- wetende dat de doode hem niet kon hooren: Te Essouan woont
- Nenehofra, zoo schoon als de schoone Hathor zelve. Ontbied haar.
- Zij heeft alle vorsten afgewezen, en ik weet niet hoevele koningen;
- maar wie kan neen zeggen tot Oretes?
-
- * * * * *
-
- Nenehofra zakte met een talrijk gevolg den Nijl af naar Memphis.
- Toen de koning haar zag deed hij haar naast zich zitten op zijnen
- troon, deed den uraeus om haren arm, kuste haar, en maakte haar tot
- koningin. Dat was den wijzen Oretes niet genoeg. Hij smachtte naar
- liefde, en verlangde een koningin, die hem gelukkig gevoelde in
- zijne liefde. Hij behandelde haar met groote tederheid, toonde haar
- al wat hij bezat, leidde haar door zijne schatkameren en zeide: O
- Nenehofra, geef mij een kus uit liefde en dit alles is het uwe.
-
- Denkende dat zij mettertijd gelukkig zou zijn,--was zij het al niet
- reeds?--kuste zij hem twee-, driemaal in weerwil van zijne
- honderden jaren.
-
- In het eerste jaar voelde zij zich gelukkig, en dat vloog om. In
- het derde jaar was zij rampzalig, en het kroop voorbij. Toen gingen
- haar de oogen open: wat zij voor liefde had aangezien was
- machtsbegoocheling geweest. Ach, had die begoocheling mogen
- voortduren!
-
- Zij werd droefgeestig. Zij stortte vele tranen. Haar lach
- verstomde. De rozen op haar wangen verbleekten. Zij kwijnde
- langzaam maar zeker weg. Geen middelen baatten, noch van
- toovenaars, noch van geneesheeren. Nenehofra werd als hopeloos
- opgegeven.
-
- Oretes koos een crypt voor haar uit in de graven der koninginnen,
- en riep de voornaamste beeldhouwers en schilders naar Memphis, om
- de crypt zoo prachtig mogelijk te versieren.
-
- --O gij, schoon als Hathor zelf, mijn koningin! zeide Oretes, zeg
- mij, bid ik u, wat u deert, want ik zie u voor mijne oogen
- wegsterven.
-
- --Gij zoudt mij niet meer liefhebben, als ik het u zeide, luidde
- haar antwoord.
-
- --U niet liefhebben? Ik zal er u te liever om hebben. IK zweer het
- bij het oog van Osiris. Spreek!
-
- --Nu dan, zeide zij. In een spelonk bij Essouan woont een
- anachoreet, de oudste en heiligste van allen. Zijn naam is Menopha.
- Hij was mijn leermeester. Hij zal u zeggen wat gij verlangt te
- weten, en u het middel aan de hand doen om mij te genezen. Ontbied
- hem.
-
- * * * * *
-
- --Spreek, zeide Oretes tot Menopha in het paleis te Memphis. En
- Menopha antwoordde: Machtige koning, als gij nog jong waart zou ik
- niet antwoorden, omdat mijn leven mij nog lief is. Nu echter wil ik
- u zeggen dat de koningin de straf voor eene misdaad draagt.
-
- --Een misdaad! riep Oretes toornig.
-
- --Ja, aan haarzelve begaan. Nenehofra groeide op onder mijne oogen
- en maakte mij deelgenoot van al hare geheimen, onder anderen, dat
- zij Barbec, den zoon van haar vaders tuinier, beminde. Met die
- liefde in het hart kwam zij tot u, o koning. Aan die liefde sterft
- zij.
-
- --Waar is de zoon van dien tuinier?
-
- --In Essouan.
-
- De koning ging naar buiten en gaf twee bevelen. Tot een zijner
- dienaren zei hij: Ga naar Essouan en breng mij een jongeling,
- genaamd Barbec. Gij zult hem vinden in den tuin van den vader der
- koningin.
-
- En tot de anderen dienstknecht zeide hij: Verzamel eenige
- werklieden en gereedschap en maak op het meer Chemnis een eiland,
- dat, voorzien van een tempel, een paleis, een lusthof met
- vruchtdragende boomen, een wijngaard, drijven kan waarheen de
- winden waaien. Laat het gereed zijn tegen afnemende maand.
-
- Tot de koningin zeide hij: Schep moed. Ik weet alles en heb om
- Barbec gezonden.
-
- Nenehofra kuste zijne handen.
-
- --Gij zult hem hebben, vervolgde Oretes, en hij u, en niemand zal u
- storen, een geheel jaar lang.
-
- Zij viel aan zijne voeten. Hij hief haar op en kuste haar, en de
- rozen keerden weer op hare wangen, en de lach kwam terug op hare
- lippen.
-
- * * * * *
-
- Een geheel jaar woonden Nenehofra en Barbec, de tuinier, op het
- drijvend eiland. Geen oord zoo bekoorlijk. Een geheel jaar zonder
- iemand te zien, opgaande in elkander. Toen keerde Nenehofra naar
- het paleis te Memphis terug.
-
- --Welnu, van wien houdt gij het meest? vraagde Oretes.
-
- Zij kuste hem op de wang en zeide: Neem mij terug, goed koning,
- want ik ben genezen.
-
- Oretes lachte hartelijk in weerwil van zijne honderdveertien jaren.
-
- --Dan is dus waar wat Menopha zeide! Hahaha! 't Is waar. Liefde
- wordt door liefde genezen.
-
- --Zoo is het, zeide zij.
-
- Plotseling veranderde hij van houding. Zijn aangezicht was
- vreeselijk om te zien.
-
- --Zoo heb ik het niet bevonden, zeide hij.
-
- Nenehofra deinsde verschrikt achteruit.
-
- --Misdadige, zeide de koning. De beleediging Oretes, den man,
- aangedaan, kan hij u vergeven; maar de beleediging Oretes, den
- koning, aangedaan, moet gestraft worden.
-
- Zij wierp zich voor zijne voeten.
-
- --Stil! zeide hij. Gij zijt dood.
-
- Hij klapte in de handen ... een akelige processie trad binnen,
- parschieten of balsemers, ieder met een attribuut van zijne
- afschuwelijke kunst in de hand.
-
- De koning wees op Nenehofra, en zeide: Zij is dood. Doet uw werk.
-
- * * * * *
-
- Nenehofra, de schoone, werd na tweeenzeventig dagen naar de crypt
- gedragen, een jaar te voren voor haar uitgekozen, en daar bij hare
- koninklijke voorgangsters neergelegd. Maar er werd geen plechtige
- ommegang ter harer eere gehouden op het heilige meer.
-
- * * * * *
-
-Toen Iras zweeg zeide Ben-Hur, die zich aan hare voeten had neergevlijd:
-Menopha had ongelijk.
-
---Hoezoo?
-
---Liefde leeft door lief te hebben.
-
---Dan zou er dus geen middel tegen zijn?
-
---Jawel. Oretes heeft het gevonden.
-
---Welk dan?
-
---De dood.
-
---Gij zijt een goed hoorder, zoon van Arrius.
-
-Onder meer dergelijke gesprekken en verhalen vlogen de uren voorbij.
-Toen zij eindelijk aan wal stapten zeide zij: Morgen gaan wij naar de
-stad.
-
---Maar gij komt bij de wedrennen?
-
---Zeker.
-
---Ik zal u mijne kleur zenden.
-
-Daarmee scheidden zij.
-
-
- * * * * *
-
-
-VIERDE HOOFDSTUK.
-
-DE BRIEF IS ONDERSCHEPT.
-
-
-Ilderim keerde den volgende dag tegen de derde ure naar den dowar terug.
-Toen hij van zijn paard steeg, trad een zijner mannen naderbij en zeide:
-Sheik, mij is opgedragen u dit pak te overhandigen met verzoek het
-dadelijk te lezen.
-
-Ilderim nam het pakje aan en zag dat het zegel reeds verbroken was. Het
-opschrift luidde: Aan Valerius Gratus te Cesarea.
-
---Lucifer hale hem! bromde de Sheik, toen hij zag, dat de brief in het
-Latijn geschreven was. Grieksch en Arabisch schrift kon hij lezen; maar
-van dezen brief in Romeinsche letters kon hij alleen den naam: Messala,
-ontcijferen.
-
---Waar is de jonge Jood? vraagde hij.
-
---Naar het veld, met de paarden, antwoordde een bediende.
-
-De Sheik deed den brief in den omslag, stak het pak tusschen zijn
-gordel, en steeg weer te paard. Op dat oogenblik verscheen een
-vreemdeling, die oogenschijnlijk van de stad kwam.
-
---Ik wilde gaarne Sheik Ilderim, den Edelmoedige, spreken, zeide hij.
-
-Taal en kleeding verrieden den Romein.
-
-Al kon hij het schrift der Romeinen niet lezen, hunne taal kon hij
-spreken. Dus antwoordde de Arabier op waardigen toon: Ik ben Sheik
-Ilderim.
-
---Ik heb gehoord, dat gij een menner zoekt voor de wedrennen, zeide de
-vreemdeling.
-
---Ga uws weegs. Ik ben reeds voorzien, sprak de Sheik, en maakte zich
-gereed om weg te rijden; maar de man draalde nog en zeide: Sheik, ik ben
-een liefhebber van paarden. Men zegt dat de uwe alle andere in schoonheid
-overtreffen.
-
-De oude man was getroffen. Hij trok den teugel aan, alsof hij op het
-punt stond van voor de vleierij te zwichten; maar na korte weifeling
-hernam hij: Niet vandaag, niet vandaag. Op een anderen keer zal ik ze u
-laten zien. Ik heb het nu te druk.
-
-Hij reed naar het veld, terwijl de vreemdeling glimlachend naar de stad
-terugkeerde. Hij had zijne opdracht vervuld.
-
-Iederen volgende dag, tot aan den dag der wedrennen, kwam een man, soms
-twee of drie, tot den Sheik in het Palmbosch, onder voorwendsel van zich
-als menner te willen verhuren.
-
-Op deze wijze hield Messala de wacht over Ben-Hur.
-
-
- * * * * *
-
-
-VIJFDE HOOFDSTUK.
-
-BEN-HUR LEEST DEN BRIEF.
-
-
-Den Sheik wachtte bedaard, totdat Ben-Hur na volbrachten arbeid de
-paarden een oogenblik rust gaf.
-
---Van avond, Sheik, heb ik met Sirius afgedaan. Morgen zal ik den wagen
-nemen, zeide de jonkman.
-
---Dan reeds? vraagde Ilderim.
-
---Ja, met zulke schrandere dieren is men spoedig zeker van zijne zaak.
-Deze hier, Aldebaran, is de vlugste. Antares is de langzaamste. Toch zal
-hij winnen; want, Sheik, hij kan den ganschen dag rennen en tegen
-zonsondergang zijn grootste snelheid ontwikkelen.
-
---Dat is zoo, zeide Ilderim.
-
---Een ding echter vrees ik. In zijne begeerte om de zege te behalen
-schroomt een Romein niet de eer te bevlekken. Bij al hunne spelen zijn
-zij volleerd in streken en niet het minst bij wedrennen met wagens. Als
-zij paarden, menner, of wagen kunnen benadeelen of beschadigen, zullen
-zij het niet laten. Daarom, goede Sheik, zie wel toe! Laat, totdat de
-wedrennen gehouden zijn, uwe paarden aan geen enkel vreemdeling zien.
-Wilt gij volkomen veilig wezen, laat hen dan geen minuut alleen. Volgt
-gij mijn raad, dan behoeven wij ons over den uitslag niet te bekommeren.
-
-Bij de deur der tent stegen zij af.
-
---Uw wens zal geschieden, zoon van Arrius. Niemand zal hen genaken
-behalve mijne getrouwen. Dezen nacht zal ik wachten uitzetten. Maar zie
-eens hier en help mij met uw Latijn.
-
-Hij gaf den brief en noodigde hem naast zich op den divan. Daar, zeide
-hij, lees, en lees overluid. Vertaal het in de taal uwer vaderen. Latijn
-is mij een gruwel.
-
-Ben-Hur gevoelde zich zeer opgewekt en begon zonder erg te lezen:
-Messala aan Gratus.... Hij hield op. Een bang voorgevoel deed hem koud om
-'t hart worden. Ilderim merkte zijne ontroering op.
-
---Hoe nu? Ik wacht.
-
-Ben-Hur verontschuldigde zich en begon opnieuw.
-
-De lezer heeft reeds begrepen, dat een der door Messala afgezonden
-koeriers aangehouden was en het duplicaat van den brief aan Gratus zich
-thans in handen van Ben-Hur bevond.
-
-Toen hij aan de zinsnede gekomen was, waar Messala het geheugen van
-Gratus zocht te hulp te komen, beefde zijne stem. Tot tweemalen zelfs
-moest hij ophouden om zijne zelfbeheersching te herwinnen. Met
-inspanning van alle krachten las hij verder: Voorts herinner ik u de
-wijze maatregelen, die gij genomen hebt, om ons doel te bereiken: het
-stilzwijgen en een zekeren maar natuurlijken dood van de betrokken
-personen.
-
-Hij kon het niet langer uithouden. De brief viel op den grond en hij
-bedekte zijn gelaat met beide handen.
-
---Zij zijn dood ... dood. Ik alleen ben overgebleven, steunde hij.
-
-De Sheik had hem zwijgend en met deelneming gadegeslagen. Nu stond hij
-op en zeide: Zoon Van Arrius, ik moet u om vergeving vragen. Lees den
-brief voor uzelf. Als gij u sterk genoeg voelt om mij het overige mede
-te deelen, doe het mij dan weten, en ik zal terugkeeren.
-
-Zoodra hij alleen was wierp Ben-Hur zich op den divan en gaf zich aan
-zijne droefheid over. Toen hij wat bekomen was nam hij den brief weder
-ter hand en hervatte de lezing. Gij zult u herinneren, zoo luidde het
-verder, welke straf gij de moeder en de zuster van den booswicht hebt
-opgelegd, en indien ik nu vriendelijk verzoek van u te mogen vernemen,
-of zij nog leven, dan wel of zij gestorven zijn ... Ben-Hur sprong op, of
-zij dood zijn! Hij weet het niet! Gezegend zij de naam des Heeren! Nog
-is er hoop.--Bemoedigd las hij den brief ten einde. Zij zijn niet dood,
-zeide hij eenige oogenblikken peinzens, zij zijn niet dood, anders zou
-hij er van gehoord hebben.
-
-Een tweede lezing bevestigde hem in zijne meening. Daarna zond hij om
-den Sheik.
-
---Toen ik in uwe gastvrije tent kwam, zeide hij, zoodra zij weder te
-zamen waren, had ik mij voorgenomen niet meer van mijzelven te
-vertellen, dan noodig was om u te doen zien, dat gij mij uwe paarden
-gerust kondt toevertrouwen. Maar nu ik, op eene voor mij onverklaarbare
-wijze, dezen brief in handen moest krijgen, voel ik mij gedrongen u met
-mijn verleden bekend te maken. Ik word in dit voornemen versterkt door
-den inhoud van dit schrijven, waaruit ik zie dat dezelfde vijand ons
-beiden bedreigt. Wij zullen ons gezamelijk tegenover hem moeten stellen.
-Ik zal u den brief voorlezen en verklaren. Dan zal u duidelijk worden
-waarom ik straks mijne zelfbeheersching verloor, en mij in uwe oogen
-misschien kinderachtig aanstelde.
-
-De Sheik bewaarde het stilzwijgen en luisterde aandachtig, totdat
-Ben-Hur aan de zinsnede kwam, die hem betrof: Gisteren zag ik den Jood
-in het park van Daphne, en als hij daar op dit oogenblik niet is, dan is
-hij toch zeker in de buurt, om mij gemakkelijk te maken hem in 't oog te
-houden. Ja, indien gij mij vraagdet: waar denkt gij dat hij is? dan zou
-ik uit volle overtuiging zeggen: Hij is in het Palmbosch, in de tent van
-Sheik Ilderim, den verrader.
-
---Verrader!... Ik? riep de oude man opstuivende.
-
---Nog even geduld, Sheik. Dat is Messala's gevoelen. Hoor zijn
-bedreiging: in de tent van Sheik Ilderim, den verrader, die ons niet
-veel langer moet mogen trotseeren. Laat het u niet verwonderen, indien
-Maxentius, als eerste krijgsoperatie, den Arabier inscheept naar Rome.
-
---Naar Rome! Mij? Ilderim ... Sheik van tienduizend gewapende ruiters!
-Mij naar Rome inschepen!
-
-Hij sprong van zijne zitplaats op en riep in ziedenden toorn: Wanneer,
-o wanneer zal aan deze onbeschaamdheid een einde komen? Ik ben een vrij
-man. Vrij is mijn volk. Moeten wij als slaven sterven? Of erger nog,
-moet ik als een hond aan mijn meesters voeten kruipen? Moet ik zijne
-hand likken uit vrees voor slaag? Wat het mijne is zou het mijne niet
-zijn? Ik zou een Romein moeten danken, dat ik mag adem halen? O, dat ik
-nog jong was! O, kon ik twintig jaren van mijn leeftijd afdoen ... of
-tien ... of vijf!
-
-Knarsetandend en met de handen zwaaiend liep hij heen en weer, bleef
-toen eensklaps voor Ben-Hur staan, en vatte hem met sterken greep bij
-den schouder.
-
---Indien ik in uwe plaats was, zoon van Arrius, even jong als gij, even
-sterk, even geoefend in den krijg, had ik een drijfveer, die mij tot
-wraak aanzette, een beweegreden als de uwe, die wraak tot een heiligen
-plicht maakt--weg met alle geheimzinnigheid tusschen u en mij! Zoon van
-Hur, zoon van Hur, ik zeg....
-
-Bij het hooren van zijn waren naam stolde Ben-Hur het bloed in de
-aderen. Ontzet, verbaasd, zag hij den Arabier aan.
-
---Zoon van Hur, ik zeg u, indien ik was als gij, indien ik zulk een
-groot onrecht had te wreken en zulke herinneringen met mij moest
-omdragen, ik zou niet willen, niet kunnen rusten. Bij al mijn eigen
-grieven zou ik die van de geheele wereld voegen, en mijzelven aan de
-wraak wijden. Van land tot land zou ik trekken om de menschen wakker te
-schudden. Geen vrijheidsoorlog, waar ik niet deel aan nam. Geen strijd
-tegen Rome, waarbij ik niet in de voorste rijen stond. Ik zou mij
-desnoods bij de Parthen aansluiten. Indien het mij aan soldaten ontbrak,
-ik zou het toch niet opgeven--hahaha! Bij den luister van Salomo! ik zou
-tot de wolven gaan! Van leeuwen en tijgers zou ik vrienden maken, in de
-hoop dat ik ze tegen den gemeenschappelijken vijand zou kunnen
-aanvoeren. Ik zou mij van ieder wapen bedienen. Ik zou geen kwartier
-vragen en geen kwartier geven! Alles wat Romeinsch was zou ik met vuur
-verdelgen. Al wie Romein van geboorte was zou ik met het zwaard dooden.
-Des nachts zou ik de goden bidden, de goede en de kwade evenzeer, mij
-hunne verschrikkingen bij te zetten: stormen, droogte, hitte, koude, en
-al de namelooze vergiften, die zij in de lucht loslaten, al de duizend
-oorzaken, waardoor de menschen ter zee en te land omkomen. O, ik zou
-niet kunnen slapen. Ik ... ik....
-
-De Sheik hield op uit gebrek aan adem. Ben-Hur had, om de waarheid te
-zeggen, slechts met een half oor geluisterd naar die hartstochtelijke
-ontboezemingen. Voor de eerste maal in vele jaren had de jongeling zich
-bij zijn waren naam hooren toespreken. Een mensch kende hem dus. Een ten
-minste geloofde hem zonder naar bewijzen te vragen, en die eene was een
-Arabier uit de woestijn!
-
-Hoe kwam de man aan deze wetenschap? Door den brief? Die sprak wel is
-waar iets van de wreedheden, waardoor zijn geslacht te gronde was
-gericht, die verhaalde van zijne geschiedenis, maar de Sheik was in een
-veel te opgewonden stemming geweest om de gevolgtrekking te hebben
-kunnen maken. Neen, iemand anders moest hem hebben ingelicht. Uitwendig
-kalm vraagde hij: Goede Sheik, zeg mij, hoe komt gij aan dezen brief?
-
---Mijne lieden bewaken de wegen tusschen de steden, antwoordde Ilderim.
-Zij ontnamen hem een koerier, die van Antiochie kwam.
-
---Weet men, dat zij in uw dienst zijn?
-
---Neen, in de oogen der wereld zijn zij roovers, die ik te vangen en te
-dooden heb.
-
---Sheik, gij noemdet mij zoon van Hur, mijn vaders naam. Ik wist niet
-dat iemand hier mij kende. Vanwaar kent gij mij?
-
-Ilderim antwoordde niet dadelijk. Eindelijk zeide hij: Ik ken u, maar ik
-heb voor 't oogenblik geen vrijheid om u meer te zeggen.
-
---Geen vrijheid? Is er dan iemand, die u dat verhindert?
-
-De Sheik zweeg en wilde heengaan; maar toen hij Ben-Hurs teleurstelling
-zag, keerde hij terug en zeide: Laat ons hier voorloopig over zwijgen.
-Ik ga naar de stad. Als ik terugkom mag ik misschien ronduit met u
-spreken. Geef mij den brief.
-
-Ilderim rolde den papyrus zorgvuldig op, deed hem weder in den omslag,
-en werd plotseling weer een en al ijver. Wat is uw antwoord? vraagde
-hij. Ik zeide u wat ik doen zou, als ik in uwe plaats was, maar gij hebt
-mij geen antwoord gegeven.
-
---Ik was van plan, Sheik, om u te antwoorden en ik zal het ook doen.
-Al wat gij gezegd hebt neem ik over, voor zoover de uitvoering in mijn
-vermogen ligt. Sedert lang reeds heb ik mijzelf aan de wraak gewijd.
-Vijf jaren lang was dat mijn eenige gedachte. Ik heb mij geen rust
-gegund. De genoegens der jeugd heb ik niet gekend. Ik heb mij door Rome
-zelf laten leeren, hoe ik mij wreken moet. Ik bezocht er de beroemste
-leeraren, niet die in de redekunst of wijsbegeerte, helaas! daar had ik
-geen tijd voor. In alles wat voor een krijgsman onmisbaar is heb ik mij
-laten onderrichten. Ik sloot mij aan bij de kampvechters in den circus.
-De schermmeesters van het Romeinsche kamp namen mij als hun leerling aan
-en waren trotsch op mij. Ja, Sheik, ik ben soldaat, maar de dingen
-waarvan ik droom eischen, dat ik bevelhebber word. Daarom sloot ik mij
-aan bij den veldtocht tegen de Parthen. Is die afgeloopen en spaart God
-mij leven en krachten, dan ... dan zal ik een geduchte, door Rome zelf
-gevormde krijger zijn. Dan zal Rome mij met Romeinsche levens betalen
-voor hetgeen zij mij heeft doen lijden. Dat is mijn antwoord, Sheik.
-
-Ilderim omhelsde en kuste hem, en zeide op hartstochtelijken toon:
-Indien uw God u niet bijstaat, zoon van Hur, dan leeft hij niet meer.
-Maar weet dit, om uw doel te bereiken kunt gij vrijelijk beschikken over
-al wat ik heb: manschappen, paarden, kameelen, en de woestijn tot
-legerplaats. Ik zweer het u. Voor het oogenblik genoeg. Voor den nacht
-zult gij mij zien, of van mij hooren.
-
-Kort daarop reed hij af en sloeg den weg in naar Antiochie.
-
-
- * * * * *
-
-
-ZESDE HOOFDSTUK.
-
-EENE OPROEPING.
-
-
-De onderschepte brief was op vele punten van groot belang voor Ben-Hur.
-De schrijver toch bekende met zoovele woorden dat hij medegewerkt had om
-de familie Hur uit den weg te ruimen, dat hij de plannen goedgekeurd
-had, dat hij zijn aandeel had ontvangen van de verbeurd verklaarde
-goederen, dat hem de onverwachte verschijning van den hoofdpersoon in
-het drama zeer ongelegen kwam en hij er niet veel goeds van verwachtte,
-en dat hij, om een waarborg voor de toekomst te hebben, bereid was tot
-alles wat zijn medeplichtige in Cesarea hem zou aanraden te doen.
-
-Toen Ilderim de tent verliet had Ben-Hur dus rijke stof tot
-overpeinzing. Hier moest dadelijk in voorzien worden. Zijne belagers
-waren sluw en machtig. Indien zij bevreesd waren voor hem, hij had nog
-veel meer reden om hen te vreezen. Hij trachtte den toestand rustig
-onder de oogen te zien, maar hij kon niet. Telkens werd hij door zijn
-gevoel overstelpt. Zijne moeder en zuster leefden nog, dat geloofde hij
-zeker. Het was hem, alsof de ontdekking voor de hand lag. Ja, God zelf
-zou hem te hulp komen, hem paste geduldig te wachten. Dat geduldig
-wachten zou hem echter gemakkerlijk vallen, als hij grond had gehad om
-te hopen, dat zijne geliefden in even gunstige omstandigheden verkeerden
-als hijzelf, maar wat wist hij daarvan?
-
-Om zich een weinig te verzetten wandelde hij het bosch in, waar de
-lieden druk bezig waren met het inzamelen van dadels, niet zoo druk
-echter, of zij konden wel een praatje met hem maken en van hunne
-vruchten aanbieden. Bij het meer toefde hij het langst, en die zachte
-kabbelende golfjes brachten hem de schoone Iras te binnen. Van haar
-vlogen zijne gedachten naar Balthasar en den Koning der Joden.
-
-Met Balthasars denkbeelden omtrent dat koninkrijk kon hij zich echter
-niet vereenigen. Een rijk dat uit zielen zou bestaan kwam hem zeer
-onwaarschijnlijk, bijna onmogelijk voor. Een koninkrijk Judea
-daarentegen--dat had bestaan, en kon dus weer in 't leven geroepen
-worden. Hij stelde zich dat gaarne voor en dan liefst nog machtiger en
-rijker dan het eerste koninkrijk, onder een nieuwen koning, wijzer en
-machtiger nog dan Salomo, een koning, onder wiens vanen hij zou kunnen
-dienen en zijne wraak aan Rome kunnen koelen.
-
-In die stemming keerde hij naar den dowar terug. Na het middagmaal
-gebruikt te hebben deed Ben-Hur den wagen buiten brengen, om hem te
-keuren. Geen enkel deel liet hij ongemoeid. Met groot genoegen zag hij
-dat het een Grieksch model was, in zijn oog verkieslijker boven het
-Romeinsche, breeder tusschen de wielen, lager en sterker. De meerdere
-zwaarte zou ruimschoots vergoed worden door de zeldzame eigenschappen
-van het vierspan.
-
-Nu bracht hij de paarden uit, spande ze voor den wagen en reed naar het
-veld, waar hij verscheidene uren bleef. Toen hij 's avonds terugkeerde
-had hij zijne opgeruimdheid herkregen en stond zijn plan vast om de zaak
-Messala te laten rusten, totdat hij als overwinnaar of overwonnene uit
-het strijdperk zou komen. Hij wilde onder geen beding het genoegen
-missen van zijn tegenstander voor aller oog te vernederen. Aan de
-mogelijkheid, dat nog andere mededingers konden optreden, scheen hij
-niet te denken. Zijn vertrouwen in den uitslag was onwankelbaar. Hij
-rekende op zijne bekwaamheid en op de onovertroffen paarden. De Romein
-mag oppassen, niet waar Antares, brave Aldebaran? niet waar goede Rigel,
-en gij vorstelijke Atair? hij mag oppassen! zoo sprak hij in de rusturen
-het vierspan toe, en zij verstonden hem.
-
-Toen het donker werd zat Ben-Hur in de deur der tent op Ilderim te
-wachten. Hij was volstrekt niet ongeduldig of onrustig. De Sheik zou in
-ieder geval van zich doen hooren. Of die kalmte toe te schrijven was aan
-de beweging in de open lucht, of aan het daarna genomen bad, of aan het
-smakelijke maal, waaraan hij alle eer bewezen had, of aan de reactie,
-die gewoonlijk op diepe neerslachtigheid volgt, weten wij niet. Hij had
-een gevoel, dat zijne zaak in Gods hand rustte en daar was zij veilig.
-Eindelijk hoorde hij een ruiter naderen, en weldra stond Malluch voor
-hem.
-
---Zoon van Arrius, zeide hij vroolijk, ik breng u de groeten van Sheik
-Ilderim. Hij verzoekt u naar de stad te komen. Hij wacht u.
-
-Ben-Hur onthield zich van vragen, en ging naar de paarden. Aldebaran
-kwam hem te gemoet, als om zijne diensten aan te bieden. Ben-Hur
-liefkoosde hem in het voorbijgaan, maar koos een ander paard. Het
-vierspan moest voor de wedrennen bewaard blijven. Een kwartier later
-waren beide mannen op weg naar Antiochie.
-
-Op korten afstand van de Seleucische brug staken zij met een veerschuit
-de rivier over, reden langs den rechteroever voort, gingen daarna door
-middel van een andere schuit naar den linkeroever terug en reden de stad
-van de westzijde binnen. De omweg was lang, maar Ben-Hur begreep dat
-Malluch goede redenen had voor dien voorzorgsmaatregel. Zij vervolgden
-hunnen weg tot aan de werf van Simonides. Daar hield Malluch zijn paard
-in en zeide: Hier moeten wij zijn!
-
-Ben-Hur herkende de plaats en vraagde: Waar is de Sheik?
-
---Ik zal u tot hem brengen. Ga maar mee, luidde het antwoord.
-
-Een bediende nam de paarden over, en nog voordat Ben-Hur tot bezinning
-gekomen was, stond hij voor de deur van het huis op het pakhuis, was hij
-binnengegaan, en hoorde hij de stem, die hij zich nog zeer goed
-herinnerde, zeggen: Kom binnen en wees welkom!
-
-
- * * * * *
-
-
-ZEVENDE HOOFDSTUK.
-
-ERKEND.
-
-
-Malluch geleidde hem niet verder dan tot aan de kamer. Ben-Hur trad
-alleen het vertrek binnen. Het was hetzelfde, waar Simonides hem den
-vorigen keer ontvangen had. Alles was onveranderd gebleven, alleen stond
-nu dicht bij den armstoel een fraaie, zeer hooge metalen standaard met
-zes armen, die zes helder brandende zilveren lampen droegen. Drie
-personen bevonden zich in de kamer: Simonides, Ilderim, Esther.
-
-Ben-Hur zag van den een naar den ander ... wat moest dat beduiden? Wat
-verlangde men van hem?
-
-Daar verbrak Simonides de stilte: Zoon van Hur, zeide hij langzaam en
-duidelijk, ik groet u met den vrede van den God onzer vaderen.
-
-De grijsaard liet, terwijl hij sprak, zijne doordringende zwarte oogen
-op den jongen rusten en kruiste toen zijne handen over de borst. Houding
-en groet konden niet worden misverstaan.
-
---Simonides, zeide Ben-Hur ontroerd, dien vrede neem ik aan. Als een
-zoon tot zijnen vader sprekende, bid ik hem u ook toe. Dit eene echter
-verzoek ik: laat ons elkander volkomen begrijpen.
-
-Op deze kiesche wijze trachtte hij de verhouding van heer tot dienstbare
-op zijde te zetten, en daarvoor in de plaats een hoogere en heiligere te
-stellen.
-
-Simonides liet zijne handen weder op de deken rusten en zeide tot Esther:
-Een zetel voor den meester, mijn kind!
-
-Haastig schoof zij een lagen stoel aan en wachtte op nader order, onzeker
-waar hem te plaatsen.
-
-Ben-Hur trad naderbij, zette hem aan Simonides' voeten en zeide: Hier
-wil ik zitten.
-
-Zijne oogen ontmoetten de hare, slechts een oogenblik, doch die blik
-deed beiden goed. Hij had hare dankbaarheid, zij zijne edelmoedigheid
-begrepen.
-
-Simonides boog het hoofd, slaakte een zucht van verlichting en zeide:
-Geef mij nu de papieren, Esther.
-
-Zij opende een der paneelen in den muur, nam er een rol uit, en gaf die
-haren vader.
-
---Gij hebt gelijk, zoon van Hur, begon Simonides, de papieren
-ontrollende, laat ons elkander goed begrijpen. Dat verzoek voorziende,
-heb ik alles in orde gebracht en leg ik u hier een opgaaf voor hetgeen
-tot een volkomen begrip noodig is. Zij omvat twee zaken: het vermogen en
-onze onderlingen verhouding. Wat hier geschreven staat zal u alles
-duidelijk maken. Wilt gij het nu lezen?
-
-Ben-Hur nam de rol aan en zag naar Ilderim.
-
---Neen, zeide Simonides, laat de tegenwoordigheid van den Sheik u niet
-weerhouden. Bij de verrekening is een getuige noodig. Aan het slot, op
-de plaats waar zulks behoort, zult gij zijn naamtekening vinden. Hij
-weet alles. Hij is uw vriend. Alles wat hij voor mij geweest is zal hij
-voor u zijn.
-
-Ilderim knikte en zeide ernstig: Gij hebt het gezegd.
-
-Ben-Hur antwoordde: Ik heb zijne vriendschap reeds mogen ondervinden,
-maar moet mij die nog waardig betoonen. Sta mij toe, Simonides, die
-papieren later rustig na te zien. Neem ze voor het oogenblik terug en
-als het u niet te veel vermoeit, deel mij dan kort den inhoud mede.
-
-Simonides nam de rol weder tot zich.
-
---Kom hier, Esther, zeide hij, en neem blad voor blad van mij over,
-opdat zij niet verward raken.
-
-Zij zette zich naast hem en leunde zacht tegen zijn schouder, zoodat
-vader en dochter te zamen rekening en verantwoording schenen te doen.
-
---Dit, zeide Simonides, het eerste blad ontrollende, doet u zien welke
-som gelds ik voor uwen vader beheerde,--het kapitaal dat ik uit de
-handen der Romeinen redde. Van de overige bezittingen kon ik niets
-redden dan het geld. Dank ons Joodsch wisselsysteem konden de roovers
-daar niet aan komen. De geheele som bestond uit gelden, die ik in Rome,
-Alexandrie, Carthago en andere steden had uitstaan, en bedroeg 120
-talenten.
-
-Hij gaf het blad aan Ester en nam een volgend. Met die 120 talenten,
-zeide hij, begon ik handel te drijven. Hoor nu de verantwoording.
-
-Aan schepen 60 talenten.
- " goederen in voorraad 110 "
- " cargo's in transport 75 "
- " pakhuizen 10 "
- " kameelen, paarden, enz. 20 "
- " in te vorderen gelden 54 "
- " los geld 224 "
-
- 553 talenten.
-
-Voeg nu bij die 553 talenten winst het kapitaal, dat ik van uwen vader
-onder mij had, en gij krijgt 673 talenten, alles rechtens het uwe. Dat
-maakt u, zoon van Ithamar, tot een van de rijksten onder de rijken.
-
-Hij nam de papieren van Esther over, rolde ze met uitzondering van een
-weder op en bood ze Ben-Hur aan.
-
-De kwalijk verborgen trotsch in zijne manier van doen was niet
-beleedigend, maar alleszins verklaarbaar, en kwam voort uit het gevoel
-van een welvolbrachten arbeid.
-
---En nu, zeide hij zachter, is er niets, nee niets, dat gij niet doen
-kunt.
-
-Dit oogenblik was een zeer gewichtig oogenblik voor allen. Simonides
-kruiste nogmaals de handen over de borst. Esther keek verlegen voor
-zich, Ilderim bewoog zich zenuwachtig.
-
-Met de rol in de hand stond Ben-Hur op van zijn zetel, en met moeite
-zijn aandoening bedwingende, sprak hij: Deze mededeelingen zijn voor mij
-als een lichtstraal uit den hemel na een langen bangen nacht, zoo lang
-dat hij mij eindeloos toescheen, en zoo donker dat ik alle hoop had
-opgegeven. Mijn eerste dank zij aan God gebracht, die mij niet verlaten
-heeft, en mijn tweede aan u, Simonides. Uwe trouw weegt tegen de
-wreedheid van anderen op, en herstelt mijn geloof in de menschheid. Gij
-zegt: er is niets dat ik niet doen kan? Zoo zij het! Zal iemand mij in
-zulk een gewichtig oogenblik overtreffen in grootmoedigheid?... U roep
-ik tot getuige, o Sheik! Hoor mijne woorden en onthoud ze! En gij,
-Esther, goede engel van deze goeden man, uw vader, luister gij ook!
-
-Hij strekte de hand, waarin hij de rol hield, naar Simonides uit en
-vervolgde: Alles wat in deze papieren opgeschreven staat: de schepen,
-huizen, kameelen, paarden, gelden, dat alles geef ik u, Simonides,
-terug. Het is voor u en de uwen, voor altijd.
-
-Esther glimlachte door hare tranen heen. Ilderims oogen glinsterden van
-aandoening. Simonides alleen bleef kalm.
-
---Met eene uitzondering echter en op eene voorwaarde, hernam Ben-Hur.
-De 120 talenten, die mijne vader toebehooren, wensch ik terug te hebben.
-Vervolgens roep ik uwe hulp in bij het zoeken naar mijne moeder en
-zuster, waartoe gij, indien het noodig mocht zijn, uw fortuin
-beschikbaar stelt, evenals ik het mijne.
-
-Simonides was diep bewogen. Hij strekte de hand uit en zeide: Ik begrijp
-u, zoon van Hur, en ik dank God dat Hij u zoo tot mij gezonden heeft.
-Zooals ik uwen vader, en later zijne nagedachtenis, gediend heb, zal ik
-ook u dienen. Maar op uwe voorwaarde kan ik niet ingaan. Hier is nog een
-blad. Neem het en lees. Lees overluid.
-
-Ben-Hur nam het blad en las: Opgave van de lijfeigenen van Hur,
-ingeschreven door Simonides, rentmeester van het vermogen:
-
-1. Amrah, de Egyptische, huisbewaarster te Jeruzalem.
-2. Simonides, rentmeester te Antiochie.
-3. Esther, des rentmeesters dochter.
-
-Nooit was het Ben-Hur, wanneer hij Simonides als zijn dienstknecht
-beschouwde, in het hoofd gekomen, dat volgens de wet de dochter de
-dienstbaarheid des vaders deelde. Dacht hij aan de schoone Esther, dan
-was het als mededingster van Iras. Die onverwachte mededeeling deed hem
-onaangenaam aan. Verward, verlegen keek hij haar aan, en verlegen sloeg
-zij de oogen neer. Toen zeide hij: De eigenaar van 600 talenten is
-inderdaad rijk en mag doen wat hem behaagt; maar zeldzamer dan het geld,
-kostbaarder dan de bezitting is de geest, die den schat vergaarde, is
-het hart, dat onbedorven bleef bij zooveel rijkdom. O Simonides, en gij,
-schoone Esther, vreest niet! Sheik Ilderim zal mij opnieuw tot getuige
-zijn. In hetzelfde oogenblik, waarop ik u als mijne dienaren leer
-kennen, spreek ik u vrij. Wat ik hier mondeling verklaar zal ik
-schriftelijk bevestigen. Is dat voldoende? Kan ik nog meer doen?
-
---Zoon van Hur, zeide Simonides, waarlijk gij maakt ons het dienen
-licht. Ik vergiste mij. Er zijn dingen die gij niet kunt doen. Gij kunt
-ons niet vrij maken voor de wet. Ik ben levenslang uw dienstknecht,
-omdat ik op zekeren dag uwen vader naar de deurpost volgde. Mijn oor
-draagt nog het litteeken van den priem.
-
---Deed mijn vader dat?
-
---Veroordeel hem niet, riep Simonides. Hij deed het op mijn verzoek, en
-nooit heeft die stap mij berouwd. Het was de prijs, dien ik voor mijne
-Rachel betaalde, de moeder van mijn kind. Zij wilde de mijne niet
-worden, tenzij ik werd wat zij was.
-
---Was zij dan eene lijfeigene?
-
---Ja.
-
-Ben-Hur liep, zijne onmacht diep gevoelende, de kamer op en neer. Ik was
-reeds rijk, zeide hij, dank de goedheid van den edelen Arrius. Nu komt
-dit vorstelijk vermogen er bij benevens de geest, die het verzamelde.
-Heeft God daar niet een bedoeling mee? Raad mij, Simonides. Doe mij zien
-wat recht is in dezen. Help mij mijn naam waardig te zijn.
-
-Simonides' gelaat straalde van geluk.
-
---O zoon mijns meesters, ik zal meer doen dan u helpen. Ik zal u dienen
-met hart en ziel. Mijn lichaam is, helaas, te gronde gericht in uwen
-dienst, maar met mijn verstand en hart wil ik u dienen. Stel mij daarom
-wettig aan tot datgene, wat ik mijzelven gemaakt heb.
-
---Spreek! riep Ben-Hur blijde.
-
---Benoem mij tot rentmeester van uw vermogen, opdat ik het recht hebbe
-om er voor te zorgen.
-
---Gaarne. Beschouw u van dit oogenblik als mijn rentmeester. Of wilt gij
-het schriftelijk hebben?
-
---Uw woord is mij genoeg. Zoo was het met den vader, zoo zij het met den
-zoon. En nu, indien wij elkander goed begrepen hebben....
-
---Ik voor mij, ja, zeide Ben-Hur.
-
---En gij, dochter van Rachel, spreek! zeide Simonides. Een oogenblik
-stond Esther besluiteloos. Toen trad zij op Ben-Hur toe en zeide
-onbeschrijfelijk lieftallig: Ik ben niet beter dan mijne moeder, en daar
-zij is heengegaan, bid ik u, laat mij voor mijnen vader mogen zorgen.
-
-Ben-Hur nam haar bij de hand, geleidde haar naar haren vader en zeide:
-Gij zijt een goede dochter. Uw wensch zal geschieden.
-
-
- * * * * *
-
-
-ACHTSTE HOOFDSTUK.
-
-HET NIEUWE KONINKRIJK.
-
-
-Simonides was de eerste, die het stilzwijgen verbrak. Hij herinnerde
-zich dat hij de gastheer was. Esther, zeide hij, het is reeds laat in
-den avond. Voordat wij verder gaan moest gij ons wat ter verfrissching
-voortzetten.
-
-Zij schelde, waarop een dienstmaagd brood en wijn bracht en het
-gezelschap aanbood. Toen allen bediend waren, zeide Simonides tot
-Ben-Hur: Meester, ons leven zal in het vervolg zijn als twee stromen,
-die elkander ontmoetten, samenvloeiden, en zoo vereenigd hun weg
-vervolgen. Daarom is noodig dat geen wolkje onzen horizon verduistere.
-Ik liet u den vorigen keer vertrekken in de meening, dat ik uwe
-aanspraken niet liet gelden. Toch was dat niet zoo. Esther kan getuigen,
-dat ik u terstond herkende. Dat ik u niet aan uw lot overliet, daarvan
-is Malluch het bewijs.
-
---Malluch! riep Ben-Hur.
-
---Die aan zijn stoel gebonden is moet vele en verreikende handen hebben.
-Zoo heb ik er verscheidene en Malluch is een van de beste. Soms ook roep
-ik de hulp in van goede vrienden, zooals Sheik Ilderim den edelmoedige.
-Hij kan u zeggen, of ik u vergat of verloochende.
-
-Ben-Hur zag den Arabier aan en zeide: Hebt gij dus hier gehoord wie ik
-ben, goede Sheik?
-
-Ilderim knikte toestemmend.
-
---Meester, vervolgde Simonides, hoe kunnen wij een mensch beoordeelen,
-dan door hem te beproeven? Ik herkende u terstond. Gij waart het
-evenbeeld uws vaders; maar ik wist niet tot welke soort van menschen gij
-behoordet. Voor sommigen is rijkdom een vloek. Waart gij een van die?
-Dat moest Malluch voor mij uitvinden. Duid hem dat niet ten kwade. Hij
-bracht mij niets den goed van u over.
-
---Neen, ik neem het hem niet kwalijk, zeide de jonkman hartelijk. Er was
-wijsheid in uwe goedheid.
-
---Die woorden doen mij goed, zeide de koopman aangedaan. Alle vrees voor
-misverstand is verdwenen. Nu mogen de rivieren te zamen haren loop
-vervolgen, waarheen God ze leidt.
-
-Na een oogenblik zwijgens ging hij voort: Als ik terugzie op de
-vervlogen jaren, zeg ik, evenals gij, meester: Ik zie Gods hand. Wat is
-zijn bedoeling?... Want het vermogen is in mijne handen vertienvoudigd,
-en ik was dikwijls verbaasd over dien wasdom. Ik zag, dat een ander oog
-dan het mijne over mijne ondernemingen waakte. De _samoems_, die schrik
-der woestijnen, spaarden mijne karavanen. De stormen, die zoovele
-schepen te gronde richtten, dreven de mijne slechts te sneller de
-veilige haven binnen. En het opmerkelijkste is, dat ik, gebondene, zoo
-afhankelijk van anderen, nooit schade leed door mijne agenten, nooit. De
-elementen dienden mij, en al mijne onderhoorigen waren getrouw.
-
---Ja, dat is opmerkelijk, zeide Ben-Hur.
-
---Daarom vraag ik: Wat kan God er mede bedoelen, vervolgde de grijsaard.
-Jarenlang reeds wacht ik op een antwoord. Ik geloofde, dat Hij mij op
-zijn tijd het antwoord zou geven. Ik geloof, dat Hij het gedaan heeft.
-Vele jaren geleden vertoefde ik te Jeruzalem en zat op zekeren avond met
-mijne vrouw buiten aan den weg, dicht bij de graven der koningen, toen
-drie vreemdelingen op witte kameelen naderden en bij ons stilhielden.
-Een van hen vraagde mij: Waar is de geboren Koning der Joden? Want wij
-hebben zijne ster in het oosten gezien en zijn gekomen om hem te
-aanbidden.--Ik begreep hem niet, maar volgde hem tot aan de Damascuspoort,
-en aan ieder, dien zij tegenkwamen, deed hij dezelfde vraag. Later vergat
-ik deze ontmoeting, hoewel er in die dagen veel over gesproken werd, alsof
-de komst van de Messias ophanden was. Helaas, helaas, wat zijn zelfs de
-verstandigsten onder ons nog kinderen. Als God over de aarde wandelt zijn
-zijne voetstappen soms eeuwen van elkander verwijderd. Hebt gij Balthasar
-reeds ontmoet?
-
---Ja, hij heeft mij zijne geschiedenis verteld, antwoordde Ben-Hur.
-
---Een wonder, een waar wonder, zeide Simonides. Toen hij het mij
-vertelde scheen ik het antwoord te hooren, waarop ik zoo lang had
-gewacht. Gods doel werd mij op eenmaal duidelijk. Arm zal de Koning
-zijn, als hij komt, arm en zonder vrienden, zonder gevolg, zonder leger,
-zonder steden of burchten. Zijn koninkrijk zal nog moeten gesticht
-worden en Rome zal moeten gefnuikt en vernietigd worden. Zie, meester,
-gij, toegerust met kracht, geoefend in den krijg, overladen met
-rijkdommen, zie, welke gelegenheid God u geeft! Zal zijn doel niet uw
-doel zijn? Kan iemand tot heerlijker werk geroepen worden?
-
---Maar het Koninkrijk? vraagde Ben-Hur. Balthasar zegt, dat het uit
-zielen zal bestaan.
-
-Fier hief Simonides het hoofd op. Een spottende glimlach speelde om
-zijne lippen. Zijn nationaaltrots ontvlamde.
-
---Balthasar is getuige geweest van vreemde dingen, dat is waar, en als
-hij spreekt luister ik eerbiedig, want hij heeft ze gezien en gehoord.
-Maar--hij is een zoon van Egypte. Hij is niet eens een proseliet. Wij
-kunnen niet aannemen, dat hij meer dan een ander weten zou van Gods
-plannen met ons volk. De profeten ontvingen hun licht rechtstreeks uit
-den hemel, hij ook, dat is zoo; maar zij zijn velen in getal, hij staat
-alleen. Jehova blijft altijd dezelfde. Ik moet de profeten gelooven.
-Breng mij de Tora, Esther.
-
-Terwijl zij het verlangde ging halen, vervolgde hij: Mag het getuigenis
-van een geheel volk veronachtzaamd worden, meester? Al reist gij van
-Tyrus, dat in het noorden bij de zee ligt, tot de hoofdstad van Edom,
-die in het zuiden in de woestijn ligt, gij zult niet een zoon van
-Abraham vinden, die u zeggen zal, dat het koninkrijk, hetwelk de Koning
-voor ons, kinderen des Verbonds, komt oprichten, niet voor deze wereld
-zou zijn. Neen, het zal een koninkrijk zijn van onzen vader David. En
-hoe komen zij aan dat geloof, denkt gij? Wij zullen zien.
-
-Esther kwam terug met een aantal rollen, in bruin linnen omslagen
-gewikkeld. De namen der profeten waren er met gouden letters op gestikt.
-
---Houd ze voor mij vast, kind, en geef mij die, waar ik om vraag, zeide
-Simonides, en zich tot Ben-Hur wendende, vervolgde hij: Gelooft gij de
-profeten, meester? Ik weet, dat gij ze gelooft, evenals uwe
-ouders.--Esther, geef mij het boek van den profeet Jesaja.
-
-Met luide stem las hij: Het volk, dat in duisternis zat, heeft een groot
-licht gezien, en die gezeten waren in het land der schaduwen des doods,
-dengenen is een licht opgegaan. Want een kind is ons geboren en een Zoon
-is ons gegeven, en de heerschappij zal op zijn schouder zijn.... Der
-grootheid dezer heerschappij en des vredes zal geen einde zijn op den
-troon van David en in zijn koninkrijk, om dat te bevestigen, en dat te
-sterken met gericht en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid
-toe.--Gelooft gij de profeten, meester?... Esther, geef mij nu de
-woorden van den profeet Micha.
-
-En wederom las hij overluid: En gij, Bethlehem Efrata, zijt gij klein om
-te wezen onder de duizenden van Juda, uit u zal mij voortkomen die een
-heerscher zal zijn in Israel.... Meester, dat is het kindeke, dat
-Balthasar gezien heeft en aangebeden in de spelonk.
-
-Hij las verder: Ziet, de dagen komen, spreekt de Heer, dat ik aan David
-een rechtvaardige Spruit zal verwekken, die zal koning zijnde regeeren,
-en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde. In
-zijne dagen zal Juda verlost worden, en Israel zeker wonen ... hoort gij
-wel, meester, als een koning zal hij heerschen! Gelooft gij de
-profeten ... Esther, geef mij nu het boek van den profeet Daniel.
-
-Hij deed de rol open en las: Ziet, er kwam een met de wolken des hemels,
-als eens menschen zoon, en hem werd gegeven heerschappij, en eere, en
-het koninkrijk, dat hem alle volken, natien en tongen eeren zouden.
-Zijne heerschappij is eene eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal,
-en zijn koninkrijk zal niet verdorven worden. Gelooft gij de profeten,
-meester?
-
---'t Is genoeg, riep Ben-Hur. Ik geloof!
-
---Welnu, als de koning komt, arm en aan alles behoefte hebbende, zal dan
-mijn meester hem niet uit zijn overvloed helpen?
-
---Ja, zeker, tot mijn laatsten penning en tot mijn laatsten ademtocht.
-Maar waarom zegt gij, dat hij in armoede zal komen?
-
---Esther, geef mij de profetie van Zacharia. Luister, meester: Verheug u
-zeer, gij dochter Zions, zie, uw Koning komt, rechtvaardig, en hij is
-een Heiland; arm en rijdende op eenen ezel, en op een veulen, een jong
-der ezelinnen.
-
-Ben-Hur wendde de blik af.
-
---Wat ziet gij? vraagde Simonides.
-
---Rome, antwoordde hij somber. Ik zie Rome met hare legioenen. Ik heb
-met hen in hunne legerplaatsen verkeerd, ik ken hen!
-
---O zoo, zeide Simonides. Welnu, gij zult de aanvoerder zijn van de
-legioenen des Konings, en uit millioenen kunnen kiezen.
-
---Millioenen?
-
---Bekommer u niet over zijne macht, zeide de grijsaard nadenkend. Gij
-steldet u zooeven den koning voor, komende tot het zijne in nederigheid.
-Gij zaagt hem, om het zoo uit te drukken, aan den eenen kant, en gij
-vraagdet: Wat kan hij doen?
-
---Ja, dat waren mijne gedachten.
-
---O, meester, ging Simonides voort, gij weet niet hoe sterk ons Israel
-is. Gij stelt u ons volk voor als een oud man, weenende bij de rivieren
-van Babylon. Maar ga met het volgende Paaschfeest naar Jeruzalem, naar
-den tempel, en zie rondom u. De belofte van God aan onzen vader Jakob,
-komende van Paddan Aram, was een wet, waaronder ons volk niet heeft
-opgehouden zich te vermenigvuldigen, zelfs niet in de ballingschap. Wij
-vermeerderden onder den druk der Egyptenaren. Rome's overheersching is
-weldadig voor ons geweest. Wij zijn in waarheid tot een volk, tot eene
-groote menigte geworden. En dat niet alleen, meester. Om waarlijk de
-kracht van Israel te leeren kennen, hetgeen hetzelfde is als te
-berekenen wat de koning doen kan, moet gij niet alleen stilstaan bij de
-natuurlijke vermenigvuldiging, maar ook de verspreiding van het geloof
-in het oog houden, dat zich nu tot over de geheele wereld heeft
-verspreid. Voorts, men is gewoon van Jeruzalem te spreken alsof dat
-Israel was, en Jeruzalem is toch slechts als een steen van den tempel,
-of als het hart in een lichaam. Zie af van de legioenen, hoe sterk zij
-ook zijn mogen, en tel de menigte der getrouwen, die op den ouden
-alarmkreet wachten: naar uwe tenten, o Israel!... Tel de overgeblevenen
-in Perzie, kinderen van hen, die niet mede wilden terugkeeren; tel de
-broederen, die de markten van Egypte en Afrika vullen; tel de
-Hebreeuwsche kolonisten, die in het Westen handel drijven, in Lodinum en
-in de koopsteden van Spanje; tel hen en hunne proselieten in Griekenland
-en op de eilanden, in Pontus, en ook hier in Antiochie, en mijnentwege
-ook hen, die daar nederliggen in de schaduw der onheilige muren van Rome
-zelf. Tel de aanbidders van den Heer onzen God, die hunne tenten hebben
-opgeslagen in de woestijnen, hier in onze nabijheid, zoowel als in de
-woestijnen van Egypte, en in de streken langs de Kaspische zee, en in de
-oude landen van Gog en Magog; voeg er hen bij, die jaarlijks giften
-zenden aan den tempel. En als gij ophoudt met tellen, meester, beschouw
-dan het heirleger van strijdbare mannen, dat u wacht ... een koninkrijk,
-gereedgemaakt voor hem, die recht en gerechtigheid zal uitoefenen op
-aarde, zoowel in Rome als in Zion. Dan hebt gij het antwoord op uwe
-vraag. Wat Israel doen kan, dat kan de koning doen.
-
-Simonides had met vuur gesproken. Op Ilderim werkte die taal als
-bazuingeklank. O, dat ik weder jong was! riep hij en sprong op van zijn
-stoel.
-
-Ben-Hur bleef een oogenblik in gedachten verzonken, toen zeide hij:
-Toegegeven dat de koning komen zal en dat zijne heerschappij zijn zal
-als die van Salomo; onderstelt ook, dat ik bereid ben om mijzelf en al
-het mijne aan hem en zijne zaak te wijden; toegegeven zelfs, dat Gods
-leidingen met mij, en uw zeldzaam welslagen daarmede in verband
-staan--hoe dan verder? Zullen wij bouwen als blinden? Zullen wij wachten
-totdat de koning komt? of totdat hij om mij zendt? Gij, die zooveel
-ouder zijt en zooveel meer ondervinding hebt, licht mij voor!
-
-Simonides antwoordde: Wij hebben geen keus. Deze brief (hij hief
-Messala's brief omhoog) dwingt ons tot handelen. Wij zijn niet sterk
-genoeg, om aan de voorgestelde verbintenis tusschen Messala en Gratus
-het hoofd te bieden. Daartoe missen wij den noodigen invloed te Rome, en
-de vereischte kracht hier. Zij zullen u dooden, als wij afwachten. Zie
-mij aan en oordeel over hunne barmhartigheid.
-
-Hij huiverde bij de vreeselijke herinnering. Na zich bedwongen te
-hebben, vervolgde hij: Goede meester, hoe sterk zijt gij--in het willen?
-
-Ben-Hur begreep hem niet.
-
---Ik weet nog zoo goed hoe mij de wereld toelachte, toen ik jong was,
-zeide Simonides.
-
---En toch waart gij in staat om een groot offer te brengen, zeide
-Ben-Hur.
-
---Ja, uit liefde.
-
---Zijn er niet nog andere, even sterke drijfveeren?
-
-Simonides schudde ontkennend het hoofd.
-
---Wraak dan?
-
-Dat was de lont in 't kruit. De oogen van den grijsaard flikkerden.
-Zijne handen beefden. Hij antwoordde snel: Op wraaknemen heeft de Jood
-recht. De wet gebiedt het.
-
---Zelfs een kameel onthoudt het onrecht, dat hem aangedaan werd, riep
-Ilderim opgewonden.
-
---Er is een werk, zeide Simonides, een werk voor den koning, dat gedaan
-moet worden voor zijne komst. Wij mogen niet in twijfel trekken, dat
-Israel zijne rechterhand zal zijn; maar helaas, die rechterhand is een
-hand des vredes, ongeoefend in den krijg. Onder al die millioenen is
-niet een geoefende kohorte, niet een aanvoerder. De huurlingen der
-Herodianen tel ik niet mee, want zij moeten slechts dienen om ons te
-onderdrukken. De toestand is juist zooals de Romeinen dien verlangen.
-Hunne staatkunde heeft goede vruchten gedragen voor hunne tirannie. Een
-ommekeer is echter ophanden. De herder zal zich aangorden tot den
-strijd, en zal naar speer en zwaard grijpen. Het weiden der schapen moet
-plaats maken voor den kamp tegen leeuwen. De koning, mijn zoon, moet
-iemand aan zijne rechterhand hebben. Wie zal dat zijn? wie anders dan
-hij die het werk goed verstaat?
-
-Ben-Hurs gelaat gloeide bij dat vooruitzicht. Toen zeide hij: Jawel,
-maar verklaar u nader. Een werk te moeten verrichten, en de wijze
-waarop, zijn twee verschillende zaken.
-
-Simonides nam een teug wijn en hervatte: De Sheik en gij, meester, zult
-de hoofdleiders zijn, ieder met een bepaalde opdracht. Ik blijf hier, om
-te zorgen, dat de bron niet opdroogt. Gij gaat naar Jeruzalem, van daar
-naar de woestijn, en telt de strijdbare mannen, verdeelt hen in
-afdeelingen en kiest hoofdlieden over tien en hoofdmannen over honderd,
-oefent de manschappen in den wapenhandel, brengt in geheime bergplaatsen
-wapens bijeen. Voor dit doel, ja voor alles, zend ik u telkens het
-noodige geld. Gij begint te Perea, gaat vervolgens naar Galilea, vanwaar
-gij Jeruzalem gemakkelijk bereiken kunt. In Perea hebt gij de woestijn
-achter u liggen, en Ilderim vlak bij u. Hij bewaakt de heirwegen, zoodat
-niets geschiedt zonder uwe voorkennis. Hij zal u op velerlei wijze van
-dienst zijn. Tot op het oogenblik van handelen zal niemand weten wat
-hier besproken is. Ik werk achter de schermen. Met Ilderim heb ik de
-zaak reeds besproken. Wat is uw antwoord?
-
-Ben-Hur zag den Sheik aan.
-
---'t Is zooals hij zegt, zoon van Hur, antwoordde de Arabier. Ik heb
-mijn woord gegeven en daarmede is hij tevreden; maar ik zal mijzelven
-met al de strijdbare mannen van mijnen stam onder eede aan u verbinden.
-
-Simonides, Ilderim en Esther zagen Ben-Hur in gespannen verwachting aan.
-
-Op droevigen toon begon hij: Voor iedereen staat een vreugdebeker
-geschonken, dien hij vroeger of later aan de lippen zet--voor iedereen,
-behalve voor mij. Ik zie, Simonides, en edelmoedigen Sheik, ik zie
-waarheen dat voorstel leidt. Neem ik het aan en volg ik dien weg, dan
-zeg ik den vrede vaarwel met alle hoopvolle verwachtingen, die zich
-daaraan vastknoopen. Ga ik die geopende deur binnen, dan sluiten de
-poorten van het rustige leven zich voor altijd achter mij, want Rome
-bewaakt ze. Ik ben vogelvrij verklaard. Men zal mij overal vervolgen.
-In de graven nabij de steden, in de eenzame spelonken zal ik moeten
-wonen, zal ik mijn brood eten en mijn hoofd nederleggen.
-
-Een gesmoord snikken onderbrak zijn woorden. Allen zagen Esther aan, die
-haar gelaat in de handen verborg.
-
---Arm kind, zeide haar vader deelnemend; maar hij kon niet meer zeggen,
-want ook zijne stem beefde.
-
---Dat doet mij goed, Simonides, zeide de jonkman. Men draagt een hard
-lot beter, als men weet, dat iemand mede lijdt. Laat mij voortgaan.... Ik
-wilde zeggen, dat ik geen andere keus heb, dan het werk te aanvaarden,
-dat gij mij aanwijst; en daar een roemlooze dood mij wacht als ik hier
-blijf, zoo zal ik terstond aan het werk gaan.
-
---Zullen wij onze overeenkomst op schrift brengen? vraagde Simonides als
-man van zaken.
-
---Uw woord is mij voldoende, antwoordde Ben-Hur.
-
---En mij ook, zeide Ilderim.
-
-Op deze eenvoudige wijze werd het verbond gesloten, dat een volslagen
-ommekeer zou brengen in Ben-Hurs leven. Hij voegde er dus onmiddellijk
-bij: Zoo zij het dan!
-
---Moge de God van Abraham onze hulp zijn! riep Simonides vurig.
-
---En nu nog iets, mijne vrienden, zeide Ben-Hur op vroolijker toon,
-met uw goedvinden zal ik mij vrij houden tot na de feesten.
-Hoogstwaarschijnlijk zal Messala geen plannen tegen mij smeden, voordat
-hij antwoord heeft ontvangen van den procurator. Dat kan hij op zijn
-vroegst hebben zeven dagen na de verzending van den brief: Hem in den
-circus te ontmoeten is een genoegen, dat ik voor niets ter wereld zou
-willen missen.
-
-Ilderim stemde dadelijk toe en Simonides zeide: Heel goed, want dat
-oponthoud zal mij tijd geven om u een dienst te bewijzen. Ik hoorde u
-spreken over uwe erfenis van den edelen Arrius. Bestaat die in roerende
-of onroerende goederen?
-
---Een villa bij Misenum en huizen in Rome.
-
---Dan stel ik u voor die bezittingen te verkoopen en de gelden veilig
-te beleggen. Geef mij opgave en volmacht, dan zal ik terstond een
-zaakgelastigde afzenden. Wij zullen ditmaal ten minste de keizerlijke
-roovers voor zijn.
-
---Morgen zult gij opgaaf en volmacht hebben.
-
---Dan is ons werk voor hedenavond afgeloopen, zeide Simonides, en
-Ilderim voegde er bij: En goed ook!
-
---Geef ons nu wat te eten, Esther, zeide haar vader. Sheik Ilderim zal
-ons het genoegen doen van tot morgen bij ons te blijven. En gij, meester?
-
---Laat de paarden voorkomen, zeide Ben-Hur. Ik keer naar het Palmbosch
-terug. Als ik nu ga zal mijn vijand er niets van merken, en uwe Arabieren,
-Sheik, zullen blij zijn als zij mij terugzien.
-
-Bij het aanbreken van den dageraad stapten Ben-Hur en Malluch voor de
-deur der tent af.
-
-
- * * * * *
-
-
-NEGENDE HOOFDSTUK.
-
-BEN-HURS BESLUIT.
-
-
-Den volgenden avond stond Ben-Hur met Esther op het terras van het
-groote pakhuis. Op de aanlegplaats beneden hen heerschte groote drukte
-met opladen van balen en kisten. Tal van sjouwers liepen af en aan, die
-bij het licht der flikkerende toortsen aan de dienende geesten uit
-phantastische sprookjes deden denken. Een galei werd geladen om binnen
-weinige oogenblikken te vertrekken. Simonides was nog op zijn kantoor,
-waar hij den bevelhebber de laatste bevelen gaf, om zonder oponthoud
-naar Ostia, de zeehaven van Rome, te zeilen, daar een passagier af te
-zetten, en dan bedaarder op de Spaansche stad Valencia aan te houden.
-Die passagier is de agent, die het landgoed en de huizen van Arrius zal
-verkoopen. Als de ankers gelicht zijn en de galei zee heeft gekozen, zal
-Ben-Hur onherroepelijk gebonden zijn aan het werk, dat hij den vorigen
-avond aanvaardde. Nog kan terugtreden, indien hij spijt gevoelt over de
-afspraak. Hij is de meester, en heeft slechts te spreken.
-
-Misschien doorkruiste een dergelijke gedachte zijn hoofd, toen hij daar
-met de armen over elkander het drukke tooneel gadesloeg. Jong, schoon,
-rijk, nog kort geleden verkeerende in de beste kringen van Rome, zou het
-niet te verwonderen geweest zijn, zoo hij weinig lust gevoelde om zich
-te begeven op de doornige paden, waar plicht of eerzucht hem mochten
-roepen, en waar zoovele gevaren dreigden. Wij kunnen ons zelfs
-voorstellen welke beweegredenen zich aan hem opdrongen: het onvruchtbare
-van tegen den Keizer te strijden, de onzekerheid die alles wat den
-Koning en zijne komst betrof omgaf, het gemak, de eer, de hooge staat,
-die hem toelachten, en het sterkst van alles het heerlijke gevoel van
-een tehuis gevonden te hebben, met vrienden om het leven aangenaam te
-maken.
-
-Slechts zij, die langen tijd eenzaam rondgedoold hebben, kunnen de
-kracht van dit laatste begrijpen. Zonder het te bedoelen kwam Esther
-deze aanvechtingen versterken.
-
---Zijt gij wel eens te Rome geweest? vraagde hij haar.
-
---Neen, luidde het antwoord.
-
---Zoudt gij er niet eens heen willen?
-
---Neen, liever niet.
-
---Waarom niet?
-
---Ik ben bang voor Rome.
-
-Hij zag haar oplettend aan. In het schemerlicht kon hij haar gelaat niet
-goed onderscheiden; maar zij herinnerde hem Tirza. Plotseling beving hem
-een gevoel van teederheid. Op dien vreeselijke morgen had zijne arme
-zuster juist zoo naast hem gestaan. Ach, waar was zij? Ja, Esther deed
-hem aan Tirza denken, en hoe zou hij haar dan als zijn lijfeigene kunnen
-beschouwen?
-
---Ik kan niet aan Rome denken, vervolgde zij, als aan een stad van
-paleizen en tempels, vol met vroolijke menschen. Zij is voor mij een
-monster, dat zich meester heeft gemaakt van een schoon land en de
-inwoners met dood en verderf bedreigt, een monster, dat niet te
-overwinnen is, een verscheurend dier, dat zich met bloed voedt.
-Waarom ... zij aarzelde en zweeg.
-
---Ga voort, zeide Ben-Hur vriendelijk.
-
---Waarom, vraagde zij, wilt gij Rome tot uwe vijandin maken? Waarom niet
-liever vrede gesloten en rust hebben? Gij hebt veel verdriet gehad en
-alles verdragen. Gij zijt aan de hinderlagen, u door uwe vijanden
-gelegd, gelukkig ontkomen. Uw jeugd is door smart en leed verduisterd;
-waarom zoudt gij er uw verdere levensdagen door laten vergiftigen?
-
-Haar stem klonk overredend. Hij ontroerde en vraagde: Wat woudt gij dan,
-dat ik deed?
-
-Zij antwoordde met een wedervraag: Is uw villa bij Misenum heel mooi?
-
---O ja. Het is een paleis te midden van fraaie tuinen, met fonteinen en
-beelden in schaduwrijke lanen; heuvels bedekt met wijngaarden, en zoo
-hoog gelegen dat men een heerlijk uitzicht heeft op Napels en den
-Vesuvius en de blauwe zee. De Keizer heeft niet ver vandaar ook een
-villa; maar algemeen word gezegd, dat de villa van Arrius de mooiste is.
-
---En is het leven daar rustig?
-
---Als er geen bezoekers kwamen heerschten er rust en stilte. Nu mijn
-weldoener gestorven is en ik hier ben wordt de stilte door niets
-gebroken, dan door het gefluister der bedienden of het tjilpen der
-vogels, of het ruischen der fonteinen. Bloemen verwelken en nieuwe
-bloemen ontluiken, het zonlicht maakt plaats voor de schaduwen van den
-nacht, dat is de eenige afwisseling. Dat leven, Esther, was voor mij te
-stil. Het maakte mij rusteloos, door mij altijd levendig te doen
-gevoelen, dat ik, die zooveel te doen heb, langzamerhand lui werd, en
-mij liet binden door zijden koorden, en aan het einde van mijn leven
-niets zou hebben om op terug te zien. Maar waarom vraagdet gij dat?
-
---Goede meester....
-
---Neen, Esther, dat niet. Noem mij vriend, of broeder, als ge wilt. Ik
-ben uw meester niet, en wil het niet zijn. Noem mij broeder.
-
-De duisternis belette hem den blos van vreugde op haar gelaat en de
-glans in hare oogen te zien. Na een oogenblik vervolgde zij: Ik kan niet
-begrijpen, dat gij de voorkeur geeft aan een leven van--van--
-
---Geweld, en misschien van bloedvergieten, zeide hij, den zin voltooiend.
-
---Ja, antwoordde zij, in plaats van het rustige leven op de schoone
-villa.
-
---Esther, gij vergist u. Van voorkeur geven is geen sprake. De Romein
-is niet zoo vriendelijk. Ik ga uit nooddwang. Hier blijven wil zeggen
-sterven. En ga ik naar Misenum, dan is het einde hetzelfde: een
-vergiftigde drank, de dolk van een sluipmoordenaar, of een door een
-meineed verkregen vonnis. Messala en de procurator Gratus hebben zich
-verrijkt met mijn vaders bezittingen. Het geroofde te behouden is voor
-hen van het grootste belang. Een vreedzame schikking is ondenkbaar,
-omdat zij een bekentenis zou insluiten. En dan--ach Esther, al was dat
-ook mogelijk, ik geloof niet, dat ik er in zou bewilligen. Voor mij geen
-vrede, neen, zelfs niet in de koele boschjes der lieve oude villa. Voor
-mij geen vrede, zoolang mijne moeder en zuster niet gevonden zijn. En
-als ik haar vind, moet ik dan het haar aangedane leed niet wreken? Zoo
-zij door geweld zijn omgebracht, moeten dan de moordenaars niet gestraft
-worden? Ja, want zij zouden mij in mijne droomen vervolgen. Zelfs de
-heiligste liefde met al hare vindingrijkheid zou mijn geweten niet in
-slaap kunnen wiegen.
-
---Is het zoo erg? vraagde zij bevend. Kan niets daartegen gedaan worden?
-
-Ben-Hur nam hare hand in de zijne: Houdt gij zooveel van mij?
-
---Ja, antwoordde zij eenvoudig.
-
-Op eenmaal dacht hij aan de Egyptische, zoo geheel anders dan Esther,
-zoo uitdagend, zoo geestig, zoo schoon, zoo betooverend. Hij bracht het
-handje naar zijne lippen en liet het toen weder los.
-
---Gij zult eene tweede Tirza voor mij zijn, Esther.
-
---Wie is Tirza?
-
---Het zusje, dat de Romein mij ontstal, en dat ik zoeken en vinden moet,
-voordat ik aan rust of geluk kan denken.
-
-Op dat oogenblik viel een lichtstraal schuin over het terras. Zich
-omkeerende zagen zij, dat een bediende Simonides in zijn rolstoel naar
-buiten bracht. Zij voegden zich bij hem, en lieten het spreken
-grootendeels aan hem over.
-
-Intusschen lichtte de galei het anker en zette onder het gejubel van
-vroolijke matrozen koers naar de zee. De teerling was geworpen. Ben-Hur
-had zich verbonden aan de zaak van den koning, die te komen stond.
-
-
- * * * * *
-
-
-TIENDE HOOFDSTUK.
-
-HET PROGRAMMA.
-
-
-Daags voor de spelen werden Ilderims paarden en wagens naar de stad
-gebracht en dicht bij den circus gestald. Maar daar bleef het niet bij.
-De tenten werden afgebroken, paarden en kameelen gezadeld en bepakt, en
-toen verliet de gansche karavaan, het vee voor zich uitdrijvende, het
-schaduwrijke plekje in het Palmbosch. Werd Ilderim, zooals hij vermoedde,
-bespied, wat nood? Weldra zou alles, wat hij aan waarde met zich had
-genomen, op weg naar de woestijn zijn, buiten bereik van wien ook.
-
-Noch hij noch Ben-Hur overschatten den invloed van Messala. Zij waren
-van oordeel, dat hij eerst na afloop van den wedren tegen hen zou
-optreden. Delfde hij het onderspit, en wel door toedoen van Ben-Hur, dan
-konden zij zich op het ergste voorbereiden. Waarschijnlijk zou hij dan
-niet eens den raad van Gratus afwachten.
-
-Met het oog hierop hadden zij hunne plannen gemaakt, en alles voorbereid
-tot een overhaast vertrek.
-
-Welgemoed reden zij naast elkander voort, vol vertrouwen op den dag van
-morgen. Onderweg kwamen zij Malluch tegen. De brave man verraadde door
-woord noch blik, dat hij de verhouding van den jongen man tot Simonides
-kende of van hun verbond kennis droeg. Hij groette als naar gewoonte, en
-reikte den Sheik een papier over, zeggende: Hier heb ik het programma
-van de spelen. Het is zooeven uitgekomen. Gij zult uwe paarden
-aangekondigd zien voor den wedren, ook de volgorde van de
-vermakelijkheden.
-
-Terwijl de Sheik het papier inzag, zeide Malluch tot Ben-Hur: Ik wensch
-u geluk, zoon van Arrius. Morgen zult ge met Messala in het strijdperk
-treden. Aan alle verplichtingen is voldaan. De ondernemer heeft het mij
-zelf gezegd.
-
---Heb dank, Malluch, zeide Ben-Hur.
-
---Uwe kleur is wit, vervolgde de ander. Die van Messala rood en goud.
-Het is reeds overal bekend, want de jongens op straat bieden al lintjes
-en strikjes te koop aan. Morgen zal iedere Arabier en iedere Jood met
-wit versierd zijn. In den circus zult gij zien dat wit en rood met goud,
-gelijkelijk op de galerijen gedragen worden.
-
---Op de galerijen, ja--maar niet op de tribune tegenover de Porta
-Pompae.
-
---Neen, daar zal rood met goud overheerschend zijn. Maar als wij
-winnen,--Malluch lachte smakelijk bij die gedachte,--hoe zullen die
-heertjes dan sidderen. Zij gaan natuurlijk aan 't wedden. In hunne
-minachting voor alles wat niet Romeinsch is zullen zij twee, drie, vijf
-zetten tegen een op Messala. Het past eigenlijk niet voor een Jood van
-goeden naam zijn geld er aan te wagen; maar ik wil u in vertrouwen
-zeggen, dat ik een vriend achter den zetel van den consul plaatsen zal,
-om weddenschappen aan te nemen van drie, vijf, of tien tegen een, hoe
-hoog zij ook in hunne verdwaasdheid mochten willen gaan. Ik heb hem tot
-dat doel een wissel van 6000 sikkel gegeven.
-
---Neen, Malluch, een Romein wedt alleen met Romeinsch geld. Zoek uw
-vriend nog van avond op en stel zooveel sestertien tot zijne
-beschikking, als gij noodig oordeelt. En, Malluch, zeg hem vooral dat
-hij weddenschappen moet zien aan te gaan met Messala en diens vrienden,
-Ilderims vierspan tegen dat van Messala.
-
-Malluch dacht even na.
-
---Dat zal de aandacht van allen op u vestigen.
-
---Dat is juist wat ik verlang.
-
---Ik begrijp het, jawel!
-
---Als gij mij een genoegen wilt doen, Malluch, tracht dan het publiek
-opmerkzaam te maken op den wedstrijd tusschen Messala en mij.
-
---Daar zie ik wel kans toe, antwoordde Malluch. Ik zal buitengewoon
-hooge sommen inzetten. Worden zij aangenomen, zooveel te beter.
-
-Malluch zag Ben-Hur onderzoekend aan, terwijl deze half tot zichzelven
-zeide: Zou ik mij niet schadeloos stellen voor den aan mij gepleegden
-roof? Zulk een gelegenheid komt misschien nooit meer terug. En als ik
-niet alleen zijn trots fnuikte, maar hem daarenboven geheel te gronde
-kon richten, dan ...! Onze vader Jakob zou daar niets tegen kunnen
-hebben. Ja, het moet. Luister, Malluch. Bepaal u niet tot sestertien.
-Jaag hen op tot talenten. Als zij durven vijf, tien, twintig talenten,
-desnoods vijftig, als gij met Messala zelf kunt laten wedden.
-
---Dat zijn verbazende sommen. Dan zou ik borg moeten kunnen stellen.
-
---Goed. Ga naar Simonides en vraag hem die zaak voor mij in orde te
-brengen. Zeg hem, dat ik er mijn hart op gezet heb mijn vijand te
-vernietigen, en dat zich nooit betere gelegenheid kan voordoen. De God
-onzer vaderen zij met ons! Ga, beste Malluch. Laat de gelegenheid u niet
-ontsnappen.
-
-Vol vuur wilde Malluch zich verwijderen, maar bedacht zich intijds en
-zeide: Nog iets, heer. Ik kon niet dicht genoeg bij Messala's wagen
-komen, daarom heeft iemand anders de maat voor mij genomen. Hij zeide,
-dat de as een handbreed hooger van den grond was dan de uwe.
-
---Een handbreed! Zooveel? riep de jonkman vroolijk en fluisterde toen
-Malluch in het oor: Daar gij een zoon van Juda zijt en trouw voor uwen
-stamgenoot, moet gij zorgen, dat gij een plaats krijgt vooraan op de
-galerij tegenover den triomfboog. Let dan maar goed op telkens als wij
-daar den draai maken. Let goed op, want als het geluk mij dient zal
-ik ... maar neen, ik zeg verder niets. Zorg maar dat gij daar komt te
-zitten.
-
-Op dat oogenblik uitte Ilderim een kreet van verbazing.
-
---Ha! Wat is dat! Lees! riep hij tot Ben-Hur.
-
-Deze nam het blad, dat, door den prefect der provincie onderteekend,
-zooveel was als ons hedendaagsch programma, en uitvoerig de
-verschillende vermakelijkheden beschreef. Eerst zou een luisterrijke
-optocht gehouden worden, gevolgd door de gewone eerbewijzen aan den god
-Consus, daarna wedloopen, springen, worstelen, boksen. De namen der
-deelnemers met opgave van nationaliteit en leerschool waren alle
-aangegeven, benevens hunne vroegere overwinningen. Dit gedeelte van het
-programma zag Ben-Hur vluchtig door; maar toen hij aan de beschrijving
-van den wedren kwam las hij die bedaard en rustig. Zij begon met de
-mededeeling, dat de liefhebbers een zeldzaam genot wachtte, vermeldde
-daarna, dat de prijs zou bestaan uit 100,000 sestertien en een
-lauwerkrans, en ging toen tot bijzonderheden over. Zes vierspannen waren
-ingeschreven, die, om den strijd te belangwekkender te maken, alle te
-gelijk zouden afrijden. Daarop volgde eene beschrijving van de
-vierspannen.
-
-I. Een vierspan van Lysippus den Corinthier--twee schimmels, een vos en
-een bles. Verleden jaar te Alexandrie en te Corinthe den prijs behaald.
-Menner: Lysippus. Kleur: geel.
-
-II. Een vierspan van Messala den Romein--twee witte, twee zwarte.
-Verleden jaar prijswinners bij de Circensische spelen in den Circus
-Maximus. Menner: Messala. Kleur: rood en goud.
-
-III. Een vierspan van Cleanthes den Athener--drie schimmels, een vos.
-Verleden jaar prijswinners bij de Istmische spelen. Menner: Cleanthes.
-Kleur: groen.
-
-IV. Een vierspan van Dicaeus den Byzantijner--twee zwarte, een schimmel,
-een vos. Prijswinners te Byzantium. Menner: Dicaeus. Kleur: zwart.
-
-V. Een vierspan van Admetus den Sidonier--alle schimmels. Driemaal
-prijswinners te Cesarea. Menner: Admetus. Kleur: blauw.
-
-IV. Een vierspan van Ilderim, Sheik der woestijn--alle vier vossen,
-eerste renners. Menner: Ben-Hur, een Jood. Kleur: wit.
-
-Menner: Ben-Hur, een Jood!
-
-Waarom dien naam opgegeven in plaats van Arrius?
-
-Ben-Hur zag den Sheik vragend aan. Nu begreep hij de reden van Ilderims
-uitroep. Beiden kwamen tot dezelfde slotsom: dat had Messala gedaan!
-
-
- * * * * *
-
-
-ELFDE HOOFDSTUK.
-
-DE WEDDENSCHAPPEN.
-
-
-Den avond voor de feesten heerschte in Antiochie groote drukte. Een
-dichte menschenmassa bewoog zich door de straten, voornamelijk langs de
-Kolonnade van Herodes. Men kon zich dan ook moeilijk iets denken, dat
-meer geschikt was om wandelaars te lokken, dan die breede overdekte
-paden, met hunne sierlijke marmeren bogen. Overal brandde licht, overal
-heerschte vroolijkheid: gezang, gelach, gedruisch van stemmen.
-
-Schier alle nationaliteiten waren vertegenwoordigd in hunne verschillende
-kleederdrachten, hetgeen niet weinig bijbracht tot verlevendiging van het
-tooneel.
-
-Eene bijzonderheid zou onze aandacht zeker getrokken hebben, en wel dat
-bijna iedereen de kleur van een der zes menners droeg, hetzij in de vorm
-van een sjerp of rozet, of een veer op de muts. Men behoefde niet lang
-rond te zien om te bemerken, dat drie kleuren den boventoon voerden:
-groen, wit, en rood met goud.
-
-Wij willen ons thans niet buiten ophouden, maar een kijkje nemen in het
-paleis op het eiland.
-
-De vijf groote kroonlichten branden. Het gezelschap, dat wij in de zaal
-vinden, in nagenoeg hetzelfde als dat, waarmede wij den vorige keer
-kennis maakten. Op den divan liggen ook nu slapers en mantels, en op de
-tafels rollen weder de dobbelsteenen. Het meerendeel der aanwezigen doet
-echter niets. Men wandelt op en neer, men gaapt, men zegt nietsbeteekende
-aardigheden. Eigenlijk vervelen zij zich. Hun voornaamste werk is gedaan,
-zij hebben hun tafeltjes volgeschreven met weddenschappen op het
-hardloopen, het worstelen, het boksen, op alles, behalve op den wedren,
-en wel om de eenvoudige reden, dat niemand een enkelen denarie met hen
-verwedden wil tegen Messala.
-
-Allen dragen zijne kleuren. Dat hij de nederlaag zou kunnen lijden wordt
-niet mogelijk geacht. Hij heeft immers de beste school doorgemaakt!
-Zijne paarden hebben den prijs behaald in den Circus Maximus! En,
-bovenal, hij is immers een Romein!
-
-Messala zelf zit gemakkelijk in een hoek van den divan, het middelpunt
-van een groep bewonderende vrienden. Zij hebben het natuurlijk druk over
-den dag van morgen.
-
-Daar komen Drusus en Cecilius binnen. De eerste valt naast Messala op
-den divan, met den uitroep: Bij Bacchus, ik ben moe!
-
---Waar zijt gij geweest? vraagde Messala.
-
---Overal. Wat een menigte menschen is er op de been! Het zal morgen in
-den circus ongenaakbaar zijn.
-
---Hebt gij ook iets bijzonders gezien?
-
---Neen.
-
---Zoo? zeide Cecilius. Gij vergeet dien optocht van Witten.
-
-'t Is waar ook. Wij kwamen een langen stoet Witten tegen met een banier.
-Maar ... hahaha!
-
---Ga voort, zeide Messala. Wat verder?
-
---Och, 't was een partijtje Arabieren, en wat Joden uit Jeruzalem. Dat
-was alles.
-
---Neen, Messala, zeide Cecilius. Drusus is bang om uitgelachen te
-worden, maar ik niet alzoo.
-
---Welnu, spreek gij dan.
-
---Wel, wij hielden den troep staande, en--
-
---En vraagden of zij een weddenschap met ons wilden aangaan, viel Drusus
-zijn vriend lachend in de rede. Een jongen stapte naar voren, en zei ja.
-Ik nam mijn tafeltje en zeide: Op wien woudt gij wedden? Op Ben-Hur, den
-Jood, antwoordde hij. Toen zeide ik: Om hoeveel zullen wij wedden? Hij
-antwoordde ... hahaha! O, Messala, ik moest zoo lachen, 't was zoo gek,
-hahaha!
-
-Messala keek Cecilius vragend aan, en deze zeide: een sikkel;--welke
-mededeeling een luid en algemeen gelach veroorzaakte.
-
---En wat deed Drusus? vraagde Messala.
-
---Natuurlijk bedankte hij voor de eer.
-
-Bij de deur ontstond eenig rumoer, dat al sterker en sterker werd en
-zelfs Cecilius deed opstaan, om te gaan zien wat de reden kon zijn.
-Luide kreten van: Een witte! een witte! klonken hem tegen.
-
-Hierheen, hierheen! riepen sommigen.
-
-De spelers verlieten hun spel, de slapers ontwaakten, wreven zich de
-oogen uit, haalden hunne tafeltjes voor den dag en naderden den kring,
-die zich om den vreemdeling gevormd had.
-
---Ik bied u....
-
-En ik....
-
---Ik ... schreeuwden zij door elkander.
-
-De persoon, die zoo stormachtig begroet werd, was niemand anders, dan de
-Jood van Cyprus, door wien Ben-Hur allereerst van Simonides gehoord had.
-Hij was in het wit gekleed, en trad beleefd groetend vooruit. Langzaam
-en statig ging hij naar de middeltafel, zette zich neder en wuifde met
-de hand. Een kostbaar juweel aan zijnen vinger bracht niet weinig bij
-tot het verkrijgen van de gewenschte stilte.
-
---Romeinen, edele Romeinen, ik groet u, zeide hij.
-
---Die is leuk! zeide Drusus. Wie is hij?
-
---Een Jood--Sanballat heet hij, leverancier aan het leger, woont in
-Rome, geducht rijk geworden door leveranciers, die hij nooit levert. Hij
-zint altijd op kwaad, maar ditmaal zullen wij hem in zijn eigen strikken
-vangen.
-
-Messala stond op, terwijl hij dit zeide, en voegde zich bij de anderen.
-
---Ik hoorde op straat, zeide Sanballat, zijn tafeltje ter hand nemend,
-dat men in het paleis ontevreden is, omdat niemand tegen Messala wil
-wedden. Gij ziet mijne kleur. Ter zake dus. Wat biedt gij mij? Eerst
-kansen, daarna de som.
-
-Zijne stoutmoedigheid overblufte de jonge Romeinen.
-
---Kom, hernam hij, ik heb niet veel tijd. De consul wacht mij bij zich.
-
-Dat werkte.
-
---Twee tegen een, riep een half dozijn stemmen.
-
---Hoe nu? vraagde Sanballat verbaasd. Twee tegen een? En gij wedt op een
-Romein?
-
---Drie dan!
-
---Niet meer dan drie? Een Romein tegen een Jood! Zeg vier!
-
---'t Is goed, vier! riep een knaap, door dien spot getergd.
-
---Vijf. Zeg vijf, liet Sanballat er onmiddellijk op volgen.
-
-Diepe stilte heerschte in de zaal.
-
---De consul wacht op mij. Ik heb niet veel tijd meer.
-
-De stilte werd benauwend.
-
---Zeg vijf. Voor de eer van Rome vijf.
-
---'t Is goed, laat het vijf zijn, zeide Messala.
-
-Sanballat glimlachte en deed alsof hij wilde gaan schrijven. Als de
-keizer morgen sterft, zeide hij, behoeft Rome niet verlegen te staan.
-Hier is ten minste nog een, die moed bezit. Zeg zes!
-
---Goed. Zes, antwoordde Messala, en werd met een stormachtig applaus
-beloond.
-
---Zes tegen een dus, herhaalde Messala. Zes tegen een. Het onderscheid
-tusschen een Romein en een Jood. Schrijf het bedrag op. Maar vlug. De
-consul mocht u laten roepen en dan was ik mijn winst kwijt.
-
-Sanballat liet hem lachen, schreef, en bood zijn tafeltje aan Messala.
-
---Lees, lees! riepen zijne vrienden.
-
-Messala las met luide stem:
-
- Mem. Wedren met wagens. Messala van Rome wedt met Sanballat,
- eveneens van Rome, dat hij Ben-Hur den Jood zal verslaan. Bedrag
- der weddenschap: twintig talenten. Kansen: Zes tegen een.
-
- Getuigen: ............
-
- Sanballat.
-
-Doodelijke stilte alom. Als aan den grond genageld stonden de
-jongelieden. Messala staarde op het memorandum, de oogen van de anderen
-rustten op hem. Hij voelde die blikken en overlegde wat te doen. Zoo
-kort geleden nog had hij op deze zelfde plek den meester gespeeld over
-zijne makkers. Weigerde hij te teekenen, dan was hij van zijn voetstuk
-gevallen. Toch kon hij niet teekenen, want hij bezat geen honderd
-talenten, nauwelijks een vijfde van die som. Alles schemerde hem voor de
-oogen. Hij stond sprakeloos en werd doodsbleek. Daar viel hem iets in.
-
---Gij Jood, zeide hij, zoudt gij twintig talenten bezitten? Bewijs!
-
-Een fijne glimlach speelde om Sanballats lippen.
-
---Ziedaar! zeide hij en overhandigde Messala een blad papier.
-
-Weder las Messala met luide stem:
-
- Antiochie, den 16den Tammuz.
-
- Toonder dezes, Sanballat van Rome, heeft bij mij gedeponeerd vijftig
- talenten, Romeinsch geld.
- Simonides.
-
---Vijftig talenten! Vijftig talenten! riepen de jongelieden verbaasd.
-
-Nu kwam Drusus zijn vriend te hulp. Bij Herkules! riep hij, dat blad
-liegt, en de Jood liegt. Wie, behalve de keizer, heeft zoo op eens
-vijftig talenten ter beschikking? Weg met den onbeschaamden Witte!
-
-Hij was driftig en stak ook de anderen aan. Sanballat bleef echter
-bedaard, en glimlachte weder. Eindelijk zeide Messala: Stil! Een tegen
-een, vrienden! Een tegen een, ter liefde van onzen ouden Romeinschen
-naam.
-
-Met dat woord beheerschte hij weder den toestand.
-
---Welaan, Jood, zeide hij tegen Sanballat, ik wedde zes tegen een, niet
-waar?
-
---Ja, antwoordde de ander bedaard.
-
---Welnu, laat dan aan mij over het bedrag vast te stellen.
-
---Goed; maar onder beding, dat de som niet te gering zij, antwoordde
-Sanballat.
-
---Schrijf dan vijf in plaats van twintig.
-
---Kunt gij daarover beschikken?
-
---Bij de moeder der Goden, ik zal u het bewijs geven.
-
---Niet noodig. Het woord van zulk een dapper Romein is mij genoeg. Maar
-maak het liever tot een even getal. Zeg zes, en ik zal schrijven.
-
---Het zij zoo.
-
-Daarop verwisselden zij van tafeltjes.
-
-Sanballat stond op en zag rond. Uitdagende spot was op zijn gelaat te
-lezen. Beter dan iemand wist hij wien hij voor zich had.
-
---Romeinen, durft gij nog een weddenschap aan te gaan? Vijf talenten
-tegen vijf, dat wit winnen zal. Ik daag u allen te zamen uit.
-
-Algemeene verbazing.
-
---Wat? riep Sanballat luide. Moet morgen in den circus verteld worden,
-dat een Jood in het paleis geweest is, waar de bloem der Romeinsche
-edellieden verzameld was, en dat hij vijf talenten inzette, maar dat
-niemand hem aandurfde? Dat is te erg.
-
---Genoeg, onbeschaamde! riep Drusus. Schrijf de uitdaging op en leg ze
-hier op tafel neer. Als morgen blijkt, dat gij werkelijk zooveel geld op
-een verloren zaak kunt zetten, dan beloof ik, Drusus, u, dat ik de
-weddenschap aanneem.
-
-Weder schreef Sanballat het vereischte stuk en zeide doodbedaard:
-Ziehier, Drusus, ik laat het stuk in uwe handen. Als het geteekend is,
-zend het mij dan, voordat de wedrennen beginnen. Ik heb een plaats vlak
-bij den consul tegenover de Porta Pompae. Vrede zij u allen!
-
-Hij boog en vertrok, onverschillig voor de spotternijen, die zij hem ten
-besluite deden hooren.
-
-Dienzelfden avond nog vloog het verhaal van de onzinnige weddenschap als
-een loopende vuurtje door de stad. Ook Ben-Hur hoorde er van, met
-bijvoeging, dat Messala's geheele fortuin op het spel stond. Hij had
-zich met zijn vierspan ter rust begeven en nooit sliep hij beter dan
-dien nacht.
-
-
- * * * * *
-
-
-TWAALFDE HOOFDSTUK.
-
-DE CIRCUS.
-
-
-De circus te Antiochie stond op den zuidelijken oever der rivier,
-tegenover het eiland, en was wat den vorm betreft als andere gebouwen
-van die soort. De spelen waren in vollen zin des woords een geschenk aan
-het volk, dat wil zeggen: iedereen had vrijen toegang.
-
-Lang voordat de deuren opengingen verzamelde zich in de naburige straten
-een dichte menigte, want hoe groot en ruim het gebouw ook zijn mocht,
-ieder wilde de eerste zijn, uit vrees dat hij geen plaats zou krijgen.
-
-Nauwelijks was de morgenschemering aangebroken, of de toegang werd
-geopend en het volk stroomde naar binnen, om bezit te nemen van de voor
-hem bestemde plaatsen. Zij hadden hun ontbijt bij zich en brachten de
-uren, die nog verloopen moesten, voordat de spelen begonnen, slapende en
-etende door.
-
-De meer aanzienlijken, die besproken plaatsen hadden, kwamen met de
-eerste uren van den dag, en toen de zonnewijzer van de citadel de tweede
-ure aangaf, daalde het garnizoen in volle wapenrusting en met vliegende
-vanen van den berg Sulpius af. Toen de achterhoede over de brug verdween,
-was Antiochie letterlijk leeggeloopen.
-
-Die geen plaats hadden kunnen krijgen in den circus hadden zich naar de
-rivier begeven, om den consul, die in het eiland-paleis logeerde, in
-zijn fraaie bark te zien landen. Toen de groote man aan wal stapte werd
-hem door het legioen de militaire eer bewezen, waarna de stoet den
-circus binnentrok.
-
-Met de derde ure kondigde trompetgeschal de opening van het feest aan.
-Het rumoer verstomt. De oogen van meer dan honderdduizend menschen
-vestigen zich in gespannen verwachting op een en hetzelfde punt, op de
-Porta Pompae, waar de autoriteiten en kampspelers in feestelijken
-optocht zullen binnenkomen.
-
-Daar zijn zij. Eerst de koorzangers en muzikanten, dan de prefect en
-het stedelijk bestuur, in prachtgewaad en met kransen op het hoofd,
-vervolgens de beelden der goden, sommige gedragen, andere in prachtig
-versierde wagentjes, daarna de kampvechters, ieder in zijn bijzonder
-kostuum. Langzaam gaat de processie voort. Het is een schoon en
-indrukwekkend gezicht, en lokt een eindeloos gejubel uit.
-
-De ontvangst der athleten is bijzonder luidruchtig, want er is niemand
-onder de toeschouwers, die niet op hen gewed heeft, al is het nog zoo
-weinig. Men roept hen bij hunne namen, men werpt hun bloemen en kransen
-toe. De vierspannen sluiten den optocht. De fiere rossen, de prachtige
-wagens boeien aller oogen, de menners niet minder. Hunne fijne wollen
-tunica's, kort en zonder mouwen, zijn van de hun toegewezen kleuren. Een
-man te paard begeleidt iederen wagen, behalve dien van Ben-Hur. Deze had
-om de eene of andere reden, misschien uit wantrouwen, voor die eer
-bedankt. De andere menners dragen een helm, hij niet.
-
-De toeschouwers staan op van hunne zitplaatsen, men juicht, men jubelt,
-en een regen van bloemen daalt neer op de paarden, de wagens, de menners.
-
-Alle aanwezigen, mannen, vrouwen en kinderen, dragen een strikje op de
-borst, of in het haar, de kleur van een der menners, maar ofschoon alle
-kleuren vertegenwoordigd zijn, voeren wit, en rood met goud, den
-boventoon. De oorzaak hiervan is te zoeken in het nationaliteitsgevoel.
-De buitenlieden: Syriers, Joden en Arabieren, hopen den Jood te zien
-zegepralen. De burgers van Antiochie en de Romeinen rekenen er op den
-Romein als overwinnaar uit het strijdperk te zien treden. De Grieken
-zijn verdeeld tusschen den Corinthier en den Athener. De steden
-Byzantium en Sidon zijn schaars vertegenwoordigd.
-
-Naarmate de stoet voorttrekt neemt de geestdrift toe. Messala! Messala!
-Ben-Hur! Ben-Hur! weerklinkt het luider en luider, en toen men eindelijk
-de arena door de Porta Pompea verliet, wist Ben-Hur dat zijn gebed
-verhoord was. Het Oosten wachtte in spanning den uitslag af van zijn
-strijd met Messala.
-
-
- * * * * *
-
-
-DERTIENDE HOOFDSTUK.
-
-DE AFRIT.
-
-
-Te drie uur des namiddags volgens onze tijdrekening was het grootste
-gedeelte van het programma afgeloopen. De wedren alleen moest nog
-gehouden worden. Maar eerst zou er een pauze zijn, opdat de toeschouwers
-zich wat zouden kunnen verfrisschen. De deuren werden geopend, de
-meerderheid stroomde naar buiten, om zich in de nabijgelegen winkels van
-het noodige te voorzien. Zij, die liever bleven zitten, praatten,
-geeuwden, rekten zich uit, raadpleegden hunne tafeltjes, en bespraken
-hun verlies of winst.
-
-Diegenen van de burgerij, welke om verschillende redenen verkozen hadden
-alleen den wedren bij te wonen, maakten van de pauze gebruik, om zich
-naar de voor hen besproken plaatsen te begeven. Door dit uur te kiezen
-trokken zij het minst de aandacht en gaven niemand aanstoot.
-
-Tot deze klasse behoorden Simonides en zijn gezelschap, die hunne plaatsen
-hadden bij den hoofdingang tegenover den consul.
-
-Toen vier bedienden den koopman in zijn stoel naar binnen droegen, staken
-allen de hoofden bij elkander. Iemande noemde zijn naam, en weldra ging
-hij van mond tot mond. Allen bogen zich over de leuning om den man te
-zien, van wiens rijkdom en treurig lot verschillende praatjes in omloop
-waren. Ook Ilderim werd door velen herkend en met warmte begroet; maar
-niemand wist te zeggen wie Balthasar en de twee dicht gesluierde vrouwen
-waren, die hen vergezelden. Toen zij gezeten waren zag de eene, Esther,
-verlegen voor zich en trok haar sluier dichter voor 't gelaat; maar de
-andere, Iras, liet hem afglijden, en keek vrijmoedig om zich heen.
-
-Een weinig later kwamen eenige werklieden en spanden een met wit krijt
-bestreken touw dwars over de arena, voor den eersten eindpaal. Terwijl
-zij daar nog mee bezig waren, traden zes mannen door de Porta Pompae
-binnen en stelden zich voor de zes stallen. Nu ontstond een algemeen
-fluisteren en wijzen.
-
---Kijk, de groene gaat naar nummer vier, daar is dus de Athener.
-
---En Messala is in nummer twee.
-
---De Corinthier ...!
-
---O, zie eens naar de witte! Kijk, hij gaat naar nummer een.
-
---Neen, daar blijft de zwarte staan, de witte moet naar nummer twee.
-
---O ja, gij hebt gelijk.
-
-Deze deurwachters droegen tunica's van de kleuren der mededingende
-menners; zoodat, toen zij hunne plaatsen innamen, iedereen wist in
-welken stal zijn uitverkoren held het sein tot den afrit verbeidde.
-
---Hebt gij Messala wel eens gezien? vraagde Iras aan Esther.
-
---Neen, antwoordde zij, en huiverde op het hooren van dien gevreesden
-naam.
-
---Hij is schoon als Apollo, hernam Iras.
-
---Zou hij dan zooveel schooner zijn dan Ben-Hur, dacht Esther.
-
-Een oogenblik later hoorde zij Ilderim tot haren vader zeggen: Ja, zijn
-stal is nummer twee, links van de Porta Pompae,--en begrijpende, dat zij
-over den jongen meester spraken, keek zij naar dien kant. Ook slechts
-even, toen hulde zij zich nog dichter in haar sluier, en zond een innig
-smeekgebed tot God omhoog.
-
-Nu voegde Sanballat zich bij hen.
-
---Sheik, zeide hij, ik ben even in den stal geweest. De paardjes bevinden
-zich in den besten welstand.
-
-Ilderims oogen glinsterden van voldoening, maar hij antwoordde bedaard:
-Mochten zij het onderspit delven, dan hoop ik dat dit voor een ander dan
-Messala zal zijn.
-
---Zie, zeide Sanballat, zich tot Simonides wendende, hier is iets dat u
-belang zal inboezemen. Ik deelde u reeds mede, dat ik gisteren een
-weddenschap met Messala heb aangegaan, en het aanbod tot een tweede
-achterliet, die mij, zoo het aangenomen werd, hedenmorgen moest bezorgd
-worden. Hier is zij,... en dit zeggende overhandigde hij Simonides een
-tafeltje.
-
-Simonides nam het en las het memorandum met aandacht.
-
---In orde, zeide hij. Van morgen lieten zij mij vragen, of het waar was,
-dat gij over zooveel geld te beschikken hadt. Bewaar het tafeltje goed.
-Verliest gij, welnu, gij weet waar gij u vervoegen kunt. Wint gij--O
-mijn vriend! als gij wint, pas dan op. Laat niet toe, dat zij u
-ontsnappen. Dwing hen u tot den laatsten penning te betalen. Zij zouden
-het ons ook doen.
-
---Verlaat u op mij, antwoordde Sanballat.
-
---Wilt gij niet bij ons komen zitten? vraagde Simonides.
-
---'t Is heel vriendelijk van u, maar als ik niet bij den consul blijf
-wordt jong Rome te overmoedig.
-
-De pauze was afgeloopen. Trompetgeschal riep de afwezigen naar hunne
-plaatsen terug. Tegelijkertijd verschenen eenige bedienden in de arena,
-klommen op den scheidsmuur, gingen naar een uitstekje bij den tweeden
-paal aan het westeinde en legden er zes houten ballen op. Vervolgens
-keerden zij terug naar den eersten paal en legden op een dergelijk
-uitstekje zes houten dolfijnen.
-
---Wat beteekenen die ballen en die visschen, Sheik? vraagde Balthasar.
-
---Hebt gij nog nooit een wedren bijgewoond?
-
---Neen, dit is de eerste maal.
-
---Wel, daar telt men mede. Na iederen rondgang wordt een bal en een
-visch weggenomen.
-
-De voorbereidingen waren afgeloopen. Een trompetter stond gereed om op
-het bevel van den prefect het signaal te blazen. Het gejoel en gepraat
-verstomde. In gespannen verwachting keerden alle hoofden zich naar de
-nog gesloten stallen, waar de zes mededingers wachtten.
-
-De ongewone kleur op het gelaat van Simonides toonde duidelijk, dat hij
-alles behalve kalm was, terwijl Ilderim onrustig in zijn baard woelde.
-
---Let nu op den Romein, zeide Iras tot Esther, die met een kloppend hart
-naar Ben-Hur uitzag.
-
-Een kort schril trompetgeschal, en de zes opzichters traden naar voren
-om, zoo de paarden wild mochten zijn, hulp te kunnen verleenen. Weer
-werd de trompet geblazen, en tegelijkertijd werden de deuren der stallen
-opengeworpen.
-
-Eerst verschenen de bereden begeleiders der mededingers, vijf in getal,
-want Ben-Hur had zooals wij weten voor die eer bedankt. Het witte touw
-werd neergelaten om hen te laten voorbijgaan, daarna weer omhoog
-gehaald. De vijf ruiters waren prachtig uitgedost, maar bijna niemand
-lette op hen. De open stallen hielden aller aandacht geboeid.
-
-Het touw werd nogmaals neergelaten, en als een stormwind vlogen de zes
-vierspannen naar buiten. De onafzienbare menschenmassa verrees van hare
-zitplaatsen en deed de lucht weergalmen van haar gejuich. Dit was het
-oogenblik, waar zij zoo geduldig op gewacht hadden, waar zij dagen lang
-over gesproken hadden.
-
---Daar is hij! riep Iras en wees op Messala.
-
---Ik zie hem, antwoordde Esther, maar haar blik volgde Ben-Hur. Zij had
-haar sluier weggeslagen en begreep op dat oogenblik hoe men, onder het
-bewonderend oog der menigte, zelfs den dood onvervaard leert trotseeren.
-
-De deelnemers waren thans voor alle toeschouwers goed te zien, maar toch
-was de wedren nog niet begonnen. Eerst moesten zij het witte touw veilig
-achter zich hebben.
-
-De lijn was gespannen om den afrit volkomen gelijktijdig te doen plaats
-vinden. Om er niet door tegengehouden te worden, en zoodoende reeds bij
-het begin tot de achterblijvers te behooren, moesten zij er zijn, juist
-op het oogenblik, dat de lijn viel. Maar dan nog was de groote vraag,
-wie op de baan aan de binnenzijde naast den scheidsmuur kwam. Dat was
-het doelwit van aller streven. De gelukkige, die zich deze plaats wist
-te veroveren, had van den beginne iets voor boven de anderen.
-
-Dat streven, de daaraan verbonden gevaren en gevolgen waren bij de
-toeschouwers zeer goed bekend, en daarom wachtten allen dan ook ademloos
-op den uitslag.
-
-De arena baadde in licht, maar de menners lieten zich niet verblinden.
-Strak was hun oog gevestigd op het touw en op den begeerden binnenkant.
-
-Zoo renden dan alle zes in pijlsnelle vaart naar een en hetzelfde punt
-en scheen een botsing onvermijdelijk.
-
-De tot aan het touw af te leggen baan was ongeveer tweehonderdvijftig
-voet lang. Hier werden een scherp oog, een vaste hand, een kalme geest
-vereischt. Een blik ter zijde en het was gedaan.
-
-De mededingers naderden het touw gelijktijdig. Daar werd het signaal
-geblazen, het touw viel neer en geen minuut te vroeg, want reeds sloeg,
-toen het viel, de hoef van een van Messala's paarden er tegen. Volstrekt
-niet verschrikt vierde de Romein de teugels en met een luiden jubelkreet
-nam hij de veelbegeerde baan naast den muur in bezit.
-
---Jupiter met ons! Jupiter met ons! schreeuwden de Romeinen, buiten
-zichzelven van vreugde.
-
-Toen Messala inreed greep de bronzen leeuwenkop aan het einde van zijne
-as den voorpoot van het bijdehandsche paard des Atheners, zoodat het
-tegen zijnen buurman viel. Beide wankelden, steigerden en versperden
-daardoor den weg. De duizenden hielden ontzet den adem in, alleen van de
-tribune, waar de consul zat, herhaalde zich het vreugdegejuich.
-
---Jupiter met ons! riep Drusus zoo hard hij kon.
-
---Hij wint, hij wint! Jupiter met ons! schreeuwden zijne makkers, toen
-zij Messala vooruit zagen schieten.
-
-De zoo ongelukkig opgehouden Athener had nu alleen nog den Corinthier
-aan zijne rechterhand en wilde zijn vierspan daarheen sturen, maar het
-ongeluk vervolgde hem. Het wiel van den Byzantijner, die ter linkerzijde
-reed, trof het achterste rad van zijn wagen, zoodat hij kantelde. Een
-luid gekraak, een kreet van woede en smart, en daar lag de arme
-Cleanthes onder de hoeven zijner eigene paarden! 't Was een
-ijzingwekkend schouwspel. Esther bedekte zich het gelaat met de handen.
-
-Voort vlogen de Corinthier, de Byzantijner, de Sidonier. Sanballat zag
-naar Ben-Hur en wendde zich toen tot Drusus en zijne vrienden.
-
---Honderd sestertien op den Jood! riep hij.
-
---Aangenomen! antwoordde Drusus.
-
---Nog eens honderd sestertien op den Jood! riep Sanballat weder.
-
-Niemand scheen hem te hooren. Zij hadden al hunne aandacht noodig voor
-hetgeen in de renbaan gebeurde en riepen tot heesch wordens toe:
-Messala! Messala! Jupiter met ons!
-
-Toen Esther zich vermande om weer op te zien, waren eenige mannen bezig
-met het wegvoeren van de paarden en het gebroken wagentje. Andere
-droegen den gewonde uit de arena, terwijl de aanwezige Grieken zich luid
-beklaagden en om wraak riepen. Daar zag Esther op eenmaal Ben-Hur met
-den Romein samen op een lijn. Hen volgden op den voet de drie overigen:
-de Sidonier, de Corinthier, en de Byzantijner. De wedren was in vollen
-gang. De duizenden hingen in gespannen verwachting over de balustrades.
-
-
- * * * * *
-
-
-VEERTIENDE HOOFDSTUK.
-
-
-DE WEDREN.
-
-
-Zooals wij gezien hebben was Ben-Hur, bij het begin van den strijd om de
-plaatsen, aan de buitenzijde. Was hij voor een oogenblik als de anderen
-half verblind door het schelle licht, het gelukte hem toch zijn
-tegenstander te herkennen. Beiden waren met dezelfde gevoelens bezield,
-beiden waren vastbesloten om den prijs te winnen. Beiden zouden zij zich
-tot het uiterste inspannen om elkander te vernederen. Toch was het geen
-blinde hartstocht, die het bloed van den Jood in beweging bracht. Hij
-had een vast plan, en vertrouwend op zijn goed recht en vaste hand zette
-hij zich tot taak, nooit beter daartoe gestemd dan nu. Met groote
-behendigheid wist hij bij Cleanthes' val het dreigend gevaar te ontkomen,
-en door een prachtige zwenking naast Messala te komen, zij het ook aan de
-buitenzijde.
-
-Dat kunststuk was de scherpe blikken der toeschouwers niet ontgaan, en
-de circus daverde van het herhaalde applaus. Toen vouwde Esther de
-handen in dankbare verrukking. Sanballat bood, maar tevergeefs, trotsch
-glimlachend opnieuw honderd sestertien aan, en de Romeinen vreesden
-reeds dat Messala zijn gelijke, misschien wel zijn meester gevonden had!
-
-Zoo naast elkander voortrennend naderden die beiden den tweeden paal.
-Hier was een kromming in de baan, en dien draai naar de eischen der
-kunst te maken was een punt van eer voor de menners. De belangstelling
-van het publiek was zoo groot, dat overal in den circus de diepste
-stilte heerschte, en men voor het eerst een geratel der wagentjes
-duidelijk hoorde. Nu scheen Messala op eens Ben-Hur te herkennen, en
-terstond openbaarde zich de onbeschaamdheid van den Romein op ongehoorde
-wijze.
-
---Weg met Eros! Leve Mars! riep hij luide, zijn lange zweep zwaaiend.
-Eros! Mars! herhaalde hij, en bracht Ben-Hurs fiere paarden een slag
-toe, zooals zij nog nooit gevoeld hadden.
-
-Allen hadden het gezien. De verbazing was algemeen. De stilte werd
-hoorbaar. Op de tribune van den consul hield zelfs de overmoedigste den
-adem in, wachtend op hetgeen volgen zou. Slechts een oogenblik ... toen
-barstte een storm van verwijten los.
-
-Het vierspan was verschrikt vooruitgesprongen. Niemand had ooit anders
-dan in liefde de hand op hen gelegd,... wat konden de fijngevoelige
-dieren onder zulk een onwaardige behandeling anders doen dan vluchten,
-alsof de dood hen op de hielen zat?
-
-Ondervinding is de beste leermeesteres. Dat bleek ook nu. Vanwaar had
-Ben-Hur zijn gespierde hand, zijn machtigen greep, die hem nu zoo goed
-te stade kwamen? Had hij die niet te danken aan de roeispaan, waarmede
-hij drie lange jaren de golven had doorsneden? En wat beteekende het
-geweldige schokken van den wagen voor hem, die op de schuimende baren
-gezwalkt had, nu eens hemelhoog opgeheven, dan weder neergesmakt in de
-diepte?
-
-Onbeweeglijk bleef hij stand houden, gaf het vierspan den teugel, sprak
-hen bemoedigend toe, en trachtte hen voorzichtig den gevaarlijken draai
-te doen nemen. Voordat het volk van zijne verontwaardiging bekomen was,
-was hij zijne paarden weer volkomen meester. Dat niet alleen. Bij den
-eersten paal was hij Messala opnieuw ter zijde gekomen en had zich de
-bewondering en genegenheid van alle niet-Romeinen veroverd. Zoo
-duidelijk gaven zij lucht aan deze gevoelens, zoo heftig hadden zij
-hunne afkeuring getoond, dat Messala, hoe onbeschaamd ook, zich wel
-wachtte zijn euveldaad te herhalen.
-
-Toen de wagens om den paal zwenkten zag Esther, dat Ben-Hur wat bleeker
-was dan voorheen, maar overigens kalm en bedaard.
-
-Zoodra de eerste rondtoer volbracht was klom een man op het uitstek aan
-het westeinde en nam een van de houten ballen af. Datzelfde geschiedde
-aan den overkant met de dolfijnen.
-
-Voort renden de twee, en op gelijke wijze verdwenen de tweede bal en de
-tweede dolfijn. Toen de derde. Driemaal waren zij dus rond geweest.
-Messala had zijn plaats aan den binnenkant nog steeds kunnen behouden,
-nog vloog de Jood naast hem voort, nog volgden de drie anderen als te
-voren. Het scheen een van die dubbelwedrennen te zijn, die later in Rome
-zoo geliefd waren--Messala en Ben-Hur in den eersten, de Corinthier,
-Sidonier en Byzantijner in den tweeden.
-
-Bij den vijfden rondgang gelukte het den Sidonier Ben-Hur op zijde te
-komen, doch slechts voor een oogenblik. De zesde rondgang begon in de
-gewone orde. Langzamerhand was de snelheid toegenomen. Menners en
-paarden gevoelden dat de eindbeslissing naderde.
-
-Hadden van den aanvang de Romein en de Jood het meest de belangstelling
-gaande gemaakt, thans begon men voor den laatste te vreezen.
-
---Honderd sestertien op den Jood! riep Sanballat tegen de jonge
-Romeinen, maar hij kreeg geen antwoord.
-
---Een talent, vijf talenten, tien talenten, zooveel gij wilt! riep
-Sanballat uittartend.
-
---Kom maar hier, zeide een Romeinsche jonkman.
-
---Doe het niet, waarschuwde een vriend.
-
---Waarom niet?
-
---Omdat Messala zijn grootste snelheid heeft bereikt. Zie hoe hij over
-den rand van zijn wagen buigt en de teugels viert. En let dan eens op
-den Jood. Ik vertrouw het niet.
-
---Bij Herkules! antwoordde de ander droevig, als de goden onzen Messala
-niet bijstaan zal de Jood winnen. Maar neen, nog niet! Jupiter met ons!
-
-Die kreet werd door de andere Romeinen overgenomen, totdat de lucht er
-van daverde.
-
-Als het waar was dat Messala zijn uiterste snelheid bereikt had, een
-voordeel had hij behaald, dat was zeker. Hij was Ben-Hur vooruit
-gekomen. Zijne paarden hielden de koppen gebogen, van de tribune gezien
-schenen zij met den buik den grond te raken, hunne neusgaten waren
-bloedrood, hunne oogen sprongen bijna uit de kassen. Ja, de dieren deden
-hun best. Hoelang zouden zij het kunnen volhouden? Zij waren eerst aan
-het begin van den zesden rondgang.
-
-Voort vlogen zij. Toen zij den tweeden paal naderden stuurde Ben-Hur
-zijn wagen vlak achter dien van Messala. De vreugde der Romeinen kende
-geen mate. Zij schreeuwden, zij schaterden, zij wuifden met hunne
-roodgouden sjerpen. Sanballat had druk werk om hunne weddenschappen op
-te schrijven.
-
-Malluch, die op de galerij tegenover den Triomfboog zat, begon ongerust
-te worden. De wenk, hem door Ben-Hur gegeven, om vooral te letten op de
-zwenking bij de westelijke pilaren, was hem in het hoofd blijven hangen,
-en daar had hij luchtkasteelen op gebouwd. Dit was de laatste rondgang
-en nog was er niets gebeurd! Nog steeds volgde Ben-Hur den Romein op den
-voet.
-
-Het gezelschap van Simonides zat doodstil, alleen Iras scheen vroolijk
-en opgewekt te zijn.
-
-Zoo naderden de twee den eersten paal. Messala, bevreesd om zijn eigen
-plaats te verliezen, ging bijna rakelings langs den muur, op gevaar af
-van zijn wagen te pletter te slaan.
-
-Toen zij de kromming omgereden hadden was slechts een wagenspoor te
-zien, zoo juist had de Jood den Romein gevolgd.
-
-Esther merkte op dat Ben-Hurs gelaat nog bleeker was dan straks, en
-Simonides zeide tot Ilderim: Ik zou mij zeer moeten vergissen, goede
-Sheik, als onze jonge vriend niet iets in het schild voert. Ik zie het
-aan zijn gezicht;--en Ilderim antwoordde: Zaagt gij hoe frisch mijn
-paarden er uitzien? Alsof zij pas van stal komen! Het echte rennen moet
-nog beginnen! Maar nu opgelet!
-
-Nog een dolfijn, nog een bal stonden op de uitstekken. Het begin van het
-einde was daar.
-
-De Sidonier beproefde met een laatste krachtsinspanning vooruit te
-komen. De poging mislukte. De Byzantijner en de Corinthier probeerden
-hetzelfde, maar slaagden evenmin; zoodat zij feitelijk afgedaan hadden.
-
-Alle toeschouwers, met uitzondering van de Romeinen, hoopten op Ben-Hur
-en schreeuwden hem toe: Vooruit, Jood, geef den Arabieren den vrijen
-teugel! Haal den binnenkant! Nu of nooit! Den binnenkant! Den
-binnenkant!
-
-Zoo riepen zij hem van alle kanten toe en hingen over de balustrades en
-staken smeekend de armen uit.
-
-Verstond hij hen niet, of kon hij niet sneller rijden? Reeds naderden
-zij den tweeden paal en nog was hij in de achterhoede.
-
-Om den laatsten draai te maken begon Messala de teugels van de linkse
-paarden aan te halen, hetgeen natuurlijk hun vaart een weinig
-verminderde. Hij was vol moed. Aan meer dan een altaar had hij geloften
-gedaan. Rome zou ook nu zegevieren. Slechts zeshonderd voet tusschen hem
-en roem, rijkdom, bevordering, bevrediging van wraakgevoel!
-
-Op dat oogenblik zag Malluch van de galerij hoe Ben-Hur zich voorover
-boog en de teugels vierde. Hij klapte met zijn lange zweep, en klapte
-nogmaals en nogmaals. Hoewel hij de verschrikte dieren niet raakte was
-in dat geluid toch iets, dat hen vooruit deed springen en voortvliegen
-als een pijl uit den boog. Met een sprong waren zij den Romein op zijde.
-
-Messala, juist genaderd aan het gevaarlijke punt, hoorde iets verdachts,
-maar durfde het hoofd niet omdraaien ten einde te zien wat Ben-Hur in
-den zin had. Het roepen en schreeuwen van het volk maakte hem niet
-wijzer. Boven alles uit hoorde hij eene stem vlak naast zich, en dat was
-de stem van Ben-Hur. In het Arameesch, de taal van den Sheik, riep hij
-zijne Arabieren toe: Voorwaarts Rigel! Vooruit Atair! Hoe nu, Antares!
-Blijft gij achter? Oho, Aldabaran! Vlugste van allen! Ik hoor het gezang
-in de tenten! Ik hoor de kinderen zingen van Rigel, Atair, en Antares,
-van Aldebaran en van de victorie! en het jubelen neemt geen einde.--Goed
-zoo! Morgen huiswaarts ... naar de zwarte tent ... ons thuis! Voorts
-Antares! de meester wacht u!... Het is geschied! Haha! Haha! De
-trotschaard is gevallen. Hij, die ons griefde, ligt in 't stof! Ons de
-glorie! Ons de roem! Gedaan het werk--soho! halt! ho!
-
-Snel en eenvoudig was alles in zijn werk gegaan, Messala had bijna den
-draai om den eindpaal volbracht, toen Ben-Hur met zeldzame vaardigheid
-zijn kunststuk volbracht.
-
-Om den Romein voorbij te komen moest hij de baan oversteken en wel in de
-kortst mogelijke lijn. Het publiek begreep zijn voornemen. Zij zagen hem
-het teeken geven, en waren getuigen van het gevolg: de vier vlak naast
-Messala's buitenste wiel ... Ben-Hurs binnenwiel, die het pakte ... een
-luid gekraak, zoo luid dat allen in den circus het hoorden en er van
-ontstelden ... en de wagen van den Romein lag omver, geheel vernield.
-Messala, in de teugels verward, lag er onder.
-
-Het akelig tooneel werd nog ontzettender, doordat de Sidonier zijne
-paarden niet op eens kon inhouden. In volle vaart reden zij over de
-rampzaligen Messala en zijn wagen heen, op het steigerende slaande
-vierspan in. Alsof er niets gebeurd was zette Ben-Hur in razende vaart
-zijn tocht voort, gevolgd door den Corinthier en den Byzantijner.
-
-Alles stond op, sprong op de banken, en schreeuwde en juichte.
-Intusschen lag Messala nog steeds onder de hoeven der spartelende
-paarden, onder den gebroken wagen. Hij lag zoo stil, dat men hem voor
-dood hield. Slechts enkelen wijdden hem een blik. De meesten volgden
-Ben-Hur op zijn zegetocht. Zij hadden niet gezien, hoe hij de paarden
-een weinig naar links stuurde en Messala's wiel met de punt van zijn
-ijzeren as pakte, zoodat het te gruizel sprong. Maar de plotselinge
-verandering van zijne geheele persoonlijkheid was hun niet ontgaan, den
-gloed en de bezieling, die van hem uitgingen, hadden zij gevoeld;
-begrepen de alles beheerschende toovermacht, waarmede hij op eens door
-woord en gebaar zijne edele rossen bezielde. Welk een rennen!
-
-Toen de Byzantijner en Corinthier halfweg waren, had Ben-Hur den
-eindpaal bereikt en was de zege behaald.
-
-De consul verrees van zijn zetel. Het volk schreeuwde zich heesch. De
-prefect kwam naar voren en kroonde de overwinnaars.
-
-De gelukkige prijswinner onder de boksers was een blonde reusachtige
-Noor. Zijn gelaat trok Ben-Hurs aandacht en weldra herkende hij in hem
-zijn leermeester in het schermen te Rome, wiens geliefde scholier hij
-geweest was. Van hem hief hij de oogen op naar Simonides en zijn
-gezelschap. Zij groetten hem met de hand. Esther bleef zitten, maar Iras
-stond op, lachte hem toe en wuifde met haar waaier--vriendschapsbewijzen,
-die, zooals wij weten, voor Messala bestemd waren geweest.
-
-Nu vormde de stoet zich, zette zich onder het gejubel der menigte in
-beweging, en verliet de arena door de Triomfpoort.
-
-De lang verbeide dag was voorbij.
-
-
- * * * * *
-
-
-VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
-
-EENE NOODIGING.
-
-
-Ben-Hur en Ilderim waren de rivier overgestoken en toefden daar nog,
-totdat zij, zooals te voren bepaald was, te middernacht de karavaan
-konden volgen, die dertig uren geleden reeds op reis was gegaan.
-
-De Sheik was overgelukkig. Hij had zijn jongen vriend vorstelijke
-aanbiedingen gedaan; maar deze had alles afgeslagen, zeggende dat hij
-volkomen tevreden was met de vernedering van zijn vijand. De edelmoedige
-tweestrijd bleef lang onbeslist.
-
---Bedenk toch, zeide de Sheik, wat gij voor mij gedaan hebt. In elke
-tent tusschen de Akaba en den oceaan, van den Euphraat tot aan de
-Scytische zee zal de roem van Mira en hare zonen bezongen worden; en
-tegelijkertijd zullen zij mijn machtigen arm bezingen. Al de strijdbare
-mannen, die zonder leidsman omzwerven, zullen tot mij komen en zich
-onder mij scharen. Gij weet niet wat het zegt heerschappij te voeren
-over de gansche woestijn, zooals nu voor mij weggelegd is. Ik zeg u het
-zal mij zware schatting van handeldrijvenden opbrengen en groote
-voorrechten van koningen bezorgen. Ja, bij Salomo's heerlijkheid! Als ik
-den keizer om een gunst laat verzoeken, hij zal mijn bede niet afslaan.
-En gij wilt niets, niets van mij aannemen?
-
-Ben-Hur antwoordde: Neen, Sheik. Ik heb immers een plaats in uw hart!
-Dat de vermeerdering van uw macht en aanzien den Koning, die wij
-verwachten, ten goede kome! Wie zal zeggen, of zij u niet tot dat doel
-gegeven zijn? Waarschijnlijk heb ik uwe hulp noodig bij het werk, dat ik
-ga ondernemen. Als ik nu voor uwe aanbiedingen bedank, kan ik later te
-vrijmoediger bij u aankloppen.
-
-Hun gesprek werd afgebroken door de komst van twee boden: Malluch en een
-onbekende. Malluch werd eerst toegelaten.
-
-De goede man was opgetogen over de behaalde zegepraal. Na eerst zijne
-blijdschap lucht te hebben gegeven, zeide hij: Mijn goede meester heeft
-mij opgedragen u mede te deelen, dat sommige der Romeinsche edellieden
-weigeren aan hunne verplichting te voldoen.
-
-Ilderim sprong op en riep heftig: Wat! Het geheele Oosten moge beslissen,
-of de zege eerlijk behaald is of niet!
-
---Bedaar, edele Sheik, zeide Malluch. De prefect heeft den prijs doen
-uitbetalen.
-
---Dan is het goed.
-
---Toen zij aanvoerden, dat Ben-Hur Messala's wiel verbrijzeld heeft,
-lachte de prefect en herinnerde hun den zweepslag, dien Messala den
-Arabieren in het begin gaf.
-
---Weet gij ook iets van den Athener?
-
---Die is dood.
-
---Dood? En Messala? Is die ontkomen? Wat loopt dien Romeinschen
-windbuilen toch altijd alles mee! riep Ilderim.
-
---Hij is wel ontkomen, antwoordde Malluch, maar het leven zal hem tot
-een last zijn. De geneesheeren zeggen, dat hij nooit meer zal kunnen
-loopen.
-
-Ben-Hur zag zwijgend op naar den hemel. In den geest zag hij Messala,
-evenals Simonides, hulpbehoevend, gedragen in een stoel, afhankelijk van
-dienstboden. De oude man had een rein geweten, maar hoe zou deze
-trotsche en eerzuchtige er zich in schikken?
-
---Sanballat, vertelde Malluch verder, heeft veel last met Drusus en de
-andere jongelieden, want zij weigerden de groote sommen te betalen, die
-zij verloren hebben, en brachten de zaak voor den consul. Deze verwees
-hen naar den Keizer. Messala weigerde eveneens te betalen, maar
-Sanballat ging, in navolging van Drusus, naar den consul, waar de zaak
-nog hangende is. De goedgezinden onder de Romeinen zeggen, dat het
-eereschulden zijn, die betaald moeten worden, en alle andere partijen
-scharen zich aan hunne zijde.
-
---Wat zegt Simonides? vraagde Ben-Hur.
-
---Die lacht en is recht voldaan. Als de Romein betaalt is hij geruineerd.
-Weigert hij, dan is hij geschandvlekt. De Keizer zal moeten beslissen.
-Het Oosten te beleedigen zou niet wijs zijn, met het oog op den veldtocht
-tegen de Parthen. Sheik Ilderim te beleedigen zou gelijk staan met de
-woestijn tegen zich in het harnas te jagen, en die heeft Maxentius juist
-noodig voor zijne krijgsoperatien. Daarom zeide Simonides, dat gij u niet
-ongerust behoeft te maken, want Messala zal betalen.
-
---Dan kunnen wij vertrekken, zeide Ilderim, en wreef zich de handen. Wij
-kunnen alles gerust aan u overlaten. Ik zal de paarden doen voorkomen.
-
---Buiten staat nog een bode, zeide Malluch, wilt gij dien zien?
-
---'t Is waar ook. Ik dacht niet meer aan hem.
-
-Malluch ging heen, en in zijn plaats trad een knaap binnen. Hij boog
-voor den Sheik en zeide: Iras, de dochter van Balthasar, heeft mij
-opgedragen den vriend haars vaders, Sheik Ilderim, geluk te wenschen met
-de behaalde overwinning met zijn vierspan.
-
---De dochter van mijn vriend is zeer vriendelijk, zeide Ilderim
-vroolijk. Geef haar met mijn dank dezen ring tot een aandenken.
-
-Hij trok een kostbaren diamant van den vinger en reikte dien den
-jongeling over.
-
---Mijne meesteres, vervolgde de knaap, droeg mij ook op u te verzoeken
-den jongeling Ben-Hur mede te deelen, dat zij met haar vader verblijf
-houdt in het paleis van Idernee, waar zij den jongeling morgen na de
-vierde ure verwacht om hem persoonlijk te kunnen geluk wenschen.
-
-De Sheik keek Ben-Hur aan, die met stralende oogen antwoordde: Met uw
-goedvinden zal ik de schoone Egyptische bezoeken.
-
-Ilderim lachte en zeide: Zou niet een man zijne jeugd genieten?
-
-Toen keerde Ben-Hur zich tot den bode en zeide: Zeg tot haar, die u
-zendt, dat ik, Ben-Hur, haar morgen bezoeken zal in het paleis Idernee,
-op het door haar aangegeven uur.
-
-De knaap groette beleefd en ging heen.
-
-Te middernacht reisde Ilderim af, na zijn jongen vriend beloofd te
-hebben een paard en een gids voor hem te zullen achterlaten.
-
-
- * * * * *
-
-
-ZESTIENDE HOOFDSTUK.
-
-IN DE VAL.
-
-
-Den volgenden dag begaf Ben-Hur zich op den bepaalden tijd naar het
-paleis Idernee, dat uitwendig geheel in Griekschen stijl was gebouwd.
-
-Langzaam trad hij binnen en ging de vestibule door. Hij was kalm
-gestemd. Hij zou in de tegenwoordigheid van Iras komen. Zij wachtte hem
-met scherts en zang, geestig, afwisselend, grillig, met grimlachjes, die
-haar zoo lief stonden, met vriendelijke blikken en fluisterende stem.
-Reeds eenmaal had zij hem doen roepen, dien avond van het roeitochtje op
-het meer, en nu had zij weder om hem gezonden in dit schoone paleis. Hij
-voelde zich gelukkig en droomerig gestemd.
-
-Toen hij de lange gang doorgegaan was kwam hij voor een gesloten
-vleugeldeur, die bij zijne nadering vanzelf openging. Deze bijzonderheid
-ging echter voor hem verloren, door de verbazing, die hem beving, over
-hetgeen zich nu aan zijne oogen vertoonde.
-
-Voor zich zag hij het atrium van een Romeinsch huis, met zeldzame pracht
-en weelde ingericht. Het vertrek was groot, hoe groot was niet met
-juistheid te bepalen, want de blik verloor zich in de ruimte. Hij bleef
-verbaasd staan. De fraai gepolijste mozaiekvloer stelde mythologische
-onderwerpen voor. Langs de wanden stonden zetels en stoelen, alle
-verschillend van vorm, en kunstig bewerkt, gebeeldhouwde tafels,
-gemakkelijke divans, uitnoodigend tot rusten. De zoldering was
-koepelvormig. In het midden bevond zich een opening, waardoor het licht
-ongehinderd naar binnen stroomde. Het impluvium was omgeven door een
-bronzen balustrade. De vergulde pilaren, die de zoldering droegen,
-schitterden in den zonnegloed, en de weerspiegeling er van in den
-gepolijsten vloer scheen uit een onpeilbare diepte op te komen. Verder
-waren er kandelaars van phantastischen vorm, beelden en vazen, alles zoo
-schoon, dat het uitstekend gepast zou hebben in het huis op den Palatijn,
-dat Cicero van Crassus kocht, of in die andere villa, nog meer bekend om
-haar buitensporige pracht: de villa van Scaurus te Tusculum.
-
-Nog altijd in droomerige stemming ging Ben-Hur van het een naar het
-ander, bekoord door alles wat hij zag. Het hinderde hem niet dat hij een
-poos moest wachten. Als Iras gereed was zou zij wel komen, of hem tot
-zich laten roepen. In ieder deftig Romeinsch huis was het atrium de
-plaats, waar men bezoekers ontving. Twee-, driemaal wandelde hij het
-vertrek rond, stond stil onder de opening in de zoldering, en keek
-peinzend naar de blauwe lucht boven zijn hoofd. Leunende tegen een
-pilaar bestudeerde hij de afwisseling van licht en schaduw, maar nog
-kwam er niemand. De tijd begon hem eindelijk lang te vallen ... waarom
-kwam Iras niet? Weer beschouwde hij de mozaieken op den grond, maar zij
-boeiden hem niet zooals straks. Gedurig hief hij het hoofd op om te
-luisteren, langzamerhand begon hij ongeduldig te worden, en ten laatste
-trof hem de doodelijke stilte, die in het huis heerschte. Deze maakte
-hem onrustig en achterdochtig. Hij wilde er niet aan toegeven, lachte om
-zijne dwaasheid, en zette zich nogmaals neer om een kandelaar te
-bewonderen, zoo sierlijk en kunstig als hij nimmer gezien had. Maar de
-stilte werd voel- en hoorbaar. Hij luisterde terwijl hij den kandelaar
-bekeek, hij luisterde of hij niet een stap hoorde ... maar alles bleef
-stil, het paleis scheen uitgestorven te zijn.
-
-Kon het misschien een vergissing wezen? Neen, de bode had gezegd, dat de
-Egyptische hem zond, en dit was het paleis Idernee. Nu herinnerde hij
-zich op eens, hoe geheimzinnig de deur was opengegaan, zoo geruischloos,
-zoo vanzelf. Dat zou hij eens onderzoeken.
-
-Hij ging er heen. Hoe zacht hij ook liep, toch weerklonken zijne
-voetstappen. Hij werd er zenuwachtig van. Het slot gehoorzaamde niet bij
-zijn eerste voorzichtige poging om de deur te openen. Bij de tweede
-beproefde hij het met alle macht; maar tevergeefs, de deur bleef
-gesloten. Een voorgevoel van naderend onheil maakte zich van hem
-meester, en hij bleef besluiteloos staan.
-
-Wie in Antiochie kon hem kwaad willen doen?
-
-Messala!
-
-En dit paleis? De vestibule was Egyptisch, de portiek Grieksch, maar
-hier, in dit atrium, zag hij Rome. Alles rondom hem verried, dat een
-Romein de eigenaar was. Plotseling veranderde het schoone atrium voor
-hem van gedaante. Het was een val.
-
-Links en rechts waren verscheidene deuren, die waarschijnlijk tot
-slaapkamers leidden. Hij trachtte ze te openen, maar zij waren alle
-afgesloten. Zou hij kloppen? Neen, hij schaamde zich alarm te maken, en
-wierp zich op een divan om na te denken.
-
-'t Was maar al te duidelijk, hij was een gevangene. Maar met welk doel?
-En van wien? Had Messala hem dit aangedaan? Hij richtte zich op en
-lachte smakelijk. Ieder meubel kon hem tot wapen dienen, de rustbanken
-bij voorbeeld tot stormrammen. Hij was sterk, en woede en wanhoop konden
-wonderen doen verrichten.
-
-Messala zelf kon niet bij hem komen. Hij zou nimmermeer kunnen loopen;
-maar hij kon door anderen werken. Die gedachte deed Ben-Hur opspringen.
-Hij verhief zijne stem en riep om hulp, maar de echo was zoo sterk dat
-hij er van verschrikte. Weer dwong hij zich tot kalmte en besloot nog
-een poos te wachten, voordat hij zich met geweld een doortocht maakte.
-
-Zoo verliep een half uur, een eeuwigheid in zijne schatting. Daar gingen
-de vleugeldeuren plotseling onhoorbaar open, en werden even onhoorbaar
-gesloten, zoo zacht dat hij er niets van merkte. Het geluid van
-voetstappen trok allereerst zijne aandacht. Hij sprong op met een gevoel
-van verlichting ... daar zal Iras eindelijk zijn!
-
-Maar ... het was een zeer zware stap. De vergulde pilaren waren tusschen
-hem en de deur. Hij hoorde stemmen, zware mannenstemmen, en de taal, die
-gesproken werd, kende hij niet.
-
-Na een algemeen overzicht van het vertrek genomen te hebben staken zij
-schuin over, zoodat Ben-Hur de sprekers in 't gezicht kreeg. Het waren
-twee mannen, forsch van gestalte en met korte tunica's. Zij behoorden
-klaarblijkelijk niet tot het dienstpersoneel van het huis. Alles wat zij
-zagen trok hunne aandacht. Zij stonden overal stil en betastten alles.
-Het atrium was niet voor lieden van hun slag, toch was uit hunne geheele
-manier van doen te bemerken, dat zij hier met een bepaalde bedoeling
-kwamen.
-
-Het zal niemand verwonderen dat Ben-Hur een weinig zenuwachtig was
-geworden; en toen hij nu in de reuzengestalte van den een den Noor
-herkende, dien hij te Rome gekend had, en die gisteren in den circus
-gekroond was als prijswinnaar bij het boksen, begreep hij, dat hem een
-groot gevaar dreigde en hij zich op het ergste moest voorbereiden.
-Instinctmatig gevoelde hij, dat hier geen sprake was van een toevallig
-samentreffen, deze twee zochten hem.
-
-De metgezel van den Noor was nog jong, donker van haar en oogen, van de
-Joodsche type. Beiden hadden het kostuum aan dat boksers van beroep in
-de arena droegen. Ben-Hur behoefde niet langer te twijfelen: hij was
-verraderlijk in dit paleis gelokt, om te midden van deze pracht door de
-hand van den Noor te sterven.
-
-Niet wetende wat te doen volgde hij hunne bewegingen, en in dat laatste
-stille oogenblik, met den dood voor oogen, herkreeg zijn geest de
-noodige kalmte. Gisteren had hij Messala naar recht en billijkheid mogen
-straffen, de God van Israel, die hem had bijgestaan, zou hem ook nu
-helpen. Stond hij daarenboven niet aan het begin van een nieuw leven?
-Wachtte hem niet een heilige taak: alles in gereedheid te brengen voor
-den verwachten Koning? Mocht hij niet alle vrees laten varen?
-
-Hij maakte zijn gordel los, deed zijn hoofddoek af en wierp zijn wit
-overkleed ter zijde. Gereed naar lichaam en ziel plaatste hij zich, de
-armen over de borst gevouwen, tegen den pilaar en wachtte bedaard de
-toekomst af.
-
-Het tweetal had een beeld bewonderd. Toen zij daarmede gereed waren,
-keerde de Noor zich om, zeide iets in een onbekende taal, en wees op
-Ben-Hur. Beiden traden op hem toe.
-
---Wie zijt gij? vraagde hij in het Latijn.
-
-De Noor glimlachte en antwoordde: Barbaren.
-
---Dit is het paleis Idernee. Wien zoekt gij? Blijft waar gij zijt en
-antwoordt.
-
-Zijn toon maakte indruk. De vreemdelingen bleven staan en de reus
-vraagde op zijne beurt: Wie zijt gij?
-
---Een Romein.
-
-De reus wierp het hoofd achterover en lachte luid. Ik heb veel
-wonderbaarlijks hooren vertellen, zeide hij, maar nooit dat een Jood een
-Romein werd.
-
-Toen zijn vroolijkheid wat bedaard was, zeide hij weer iets tot zijn
-makker en stapte vooruit.
-
---Halt! riep Ben-Hur. Nog iets!
-
---Spreek; maar gauw, zeide de reus.
-
---Gij zijt Thor, de Noorman.
-
-De man zette groote oogen op.
-
---Gij waart schermmeester te Rome.
-
---Ja, zeide Thor.
-
---Ik was uw leerling.
-
---Neen, zeide Thor hoofdschuddend. Bij Thors hamer, nog nooit is een
-Jood bij mij gekomen, om zich tot een vechtersbaas te laten maken.
-
---Ik zal het u bewijzen.
-
---Hoe dan?
-
---Gij komt hier om mij te dooden.
-
---Ja.
-
---Laat uw makker tegen mij vechten, dan zal ik het u bewijzen aan zijn
-lichaam.
-
-De reus lachte weer. Hij besprak het met zijn makker, die toestemmend
-knikte, waarop de Noor zeide: Het zij zoo; maar wacht totdat ik het
-teeken geef.
-
-Hij schoof een divan aan, strekte er zich gemakkelijk op uit en zeide:
-Ziezoo, begin.
-
-Zonder aarzelen stapte Ben-Hur op zijn tegenpartij toe, die zich
-terstond strijdvaardig tegenover hem plaatste.
-
-De vreemdeling, die in statuur en voorkomen sterk op hem geleek, lachte
-vergenoegd, weinig vermoedende met wien hij te doen had. Beiden wisten
-dat de afloop van den strijd doodelijk zou zijn.
-
-Ben-Hur deed een schijnaanval met zijn rechterhand. De ander pareerde en
-stak den linkerarm een weinig vooruit. Voordat hij er op bedacht was
-greep Ben-Hur hem met een ijzeren greep bij den pols. De overrompeling
-was volkomen. Zich op zijn tegenstander te werpen, zijn arm om 's mans
-hals te slaan, diens hoofd tegen zijn rechterschouder te drukken en hem
-met de linkerhand vlak onder het oor een slag toe te brengen--dat alles
-was het werk van een oogenblik. Geen tweede slag was noodig. De
-ongelukkige viel neder, zonder een kreet te slaken. Hij was dood.
-
-Ben-Hur wendde zich tot Thor en zag hem vragend aan.
-
---Bij alle leugens van Loke! riep deze, dat zou ik u niet kunnen
-verbeteren.
-
-Opstaande beschouwde hij den jongen man van het hoofd tot de voeten met
-ongeveinsde bewondering, en vervolgde toen: Dat was mijn handgreep. Gij
-zijt geen Jood. Wie zijt gij?
-
---Gij hebt Arrius, den duumvir gekend?
-
---Quintus Arrius? Ja, hij was mijn schutspatroon.
-
---Hij had een zoon.
-
---Ja, ik heb dien knaap gekend, een aardige jongen. Hij had een vorst
-onder de gladiatoren kunnen worden. De keizer had veel met hem op.
-Ikzelf heb hem dien handgreep geleerd, en niemand doet het mij na, of
-hij moet een hand en arm hebben als de mijne. Ik heb er menigen
-lauwerkrans mee behaald.
-
---Ik ben die zoon van Arrius.
-
-Thor kwam nader en bekeek hem oplettend. Zijne oogen straalden van
-voldoening, en de hand uitstekend zeide hij: 't Is wat moois! Hij zei
-dat ik hier een Jood zou vinden, en dat ik den goden een dienst zou
-bewijzen, als ik dien Jood doodde.
-
---Wie zei dat, Thor? vraagde Ben-Hur, de aangeboden hand schuddende.
-
---Hij, Messala.
-
---Wanneer?
-
---Gisteravond.
-
---En ik dacht dat hij zwaar gewond was?
-
---Hij zal altijd kreupel zijn, maar ik moest bij zijn bed komen, waar
-hij lag te kermen van pijn.
-
-Ben-Hur dacht even na. Hij begreep heel goed dat de Romein, zoo hij in
-leven bleef, hem onverbiddelijk zou blijven vervolgen. Alleen de wraak
-bleef hem over om het gebroken leven te verzoeten. Vandaar zijn
-tegenspartelen om zijne schulden met Sanballat te vereffenen. Ben-Hur
-berekende dit alles vluchtig, ook hoe zijn vijand hem zou kunnen
-bemoeilijken in het werk, dat hij wilde ondernemen voor de nieuwen
-koning. Deed hij niet wijs met het voorbeeld van den Romein te volgen?
-De moordenaar toch, die gehuurd was om hem te dooden, zou zich ook laten
-huren om den moordenaar onschadelijk te maken. Geld was geen bezwaar. De
-verzoeking was groot. Reeds half meegesleept zag hij nog eenmaal naar
-het arme slachtoffer, dat daar bleek en roerloos nederlag. Daar viel hem
-iets in.
-
---Thor, wat heeft Messala u gegeven om mij te dooden?
-
---Duizend sestertien.
-
---Gij zult ze hebben, en als gij nu doen wilt wat ik u vraag, zal ik er
-nog drieduizend bij doen.
-
-De reus dacht overluid: Gisteren heb ik vijfduizend gewonnen, van den
-Romein duizend, dat is zesduizend.--Geef mij vierduizend, goede Arrius,
-vierduizend en dan zal ik alles voor u doen, wat gij verlangt. Geef mij
-vier en ik zal dien bedriegelijken Messala dooden. Ik heb mijn hand maar
-op zijn mond te houden ... zoo.
-
-Hij verduidelijkte zijn voorstel door zijne hand op zijn eigen mond te
-drukken.
-
---Ik begrijp u, zeide Ben-Hur, tienduizend sestertien is een mooie som.
-Zij stelt u in staat om naar Rome terug te gaan en een taveerne te
-openen bij den grooten circus, en daar te leven zooals den beroemsten
-schermmeester betaamt! 't Zij zoo. Ik zal u vierduizend geven en dat
-geld kunt gij verdienen zonder uwe handen met bloed te bezoedelen.
-Luister. Uw vriend leek sprekend op mij, niet waar?
-
---Ja, men zou zeggen twee appelen van een boom.
-
---Welnu, ik zal zijn tunica aandoen, en hem mijne kleeren aantrekken.
-Dan gaan we samen heen, en gij hebt uwe sestertien.
-
-Thor lachte dat hij schudde. Nog nooit werden tienduizend sestertien zoo
-gemakkelijk gewonnen! Een taveerne bij den grooten circus, en dat door
-een leugen te vertellen zonder een enkelen droppel bloed te vergieten!
-Geef mij uwe hand, zoon van Arrius, en als gij weer terugkomt in Rome,
-vergeet dan niet naar de taveerne van Thor den Noorman te vragen, want,
-bij de bliksems van Wodan! ik zal u het beste voorzetten wat mijn kelder
-bevat.
-
-Nu werden de kleederen verwisseld, en toen Ben-Hur den jonkman daar zag
-liggen in zijn eigen Joodsch gewaad, was hij voldaan. De gelijkenis was
-treffend. Als Thor zijn woord hield zou dit bedrog nooit uitkomen.
-
-Toen alles afgeloopen was tikte de Noor tegen de vleugeldeuren, die
-opnieuw onhoorbaar geopend werden, en gezamelijk gingen zij naar buiten.
-Bij het scheiden zeide Thor nogmaals: Mogen de goden u geleiden en
-behoeden, zoon van Arrius! en verzuim niet bij uw terugkeer in Rome de
-taveerne van Thor te bezoeken!
-
- * * * * *
-
-Dien avond deelde Ben-Hur zijnen vriend Simonides alles mede wat hem
-overkomen was in het paleis van Idernee. Zij kwamen overeen, dat na een
-paar dagen een onderzoek zou worden ingesteld naar den vermisten zoon
-van Arrius. Tevens zou van het geval afgifte worden gedaan bij
-Maxentius. Als het geheim niet uitlekte zouden Messala en Gratus gerust
-en voldaan zijn, en kon Ben-Hur onbevreesd naar Jeruzalem terugkeeren om
-zijne moeder en zuster te zoeken.
-
-Bij het afscheidnemen zat Simonides in zijn stoel op het terras, en gaf
-den jongen meester zijn vaderlijken zegen. Esther deed hem uitgeleide
-tot aan de trap.
-
---Als ik moeder vind zult gij tot haar gaan en eene zuster voor Tirza
-wezen, niet waar? vraagde hij en kuste haar tot afscheid. Vervolgens
-begaf hij zich naar den overkant der rivier, waar Ilderim den vorigen
-avond zijne tent had opgeslagen, en waar hij den gids zou vinden met de
-paarden.
-
---Dit is het uwe, zeide de Arabier.
-
-Ben-Hur keek, en zie het was Aldebaran: de vlugste en verstandigste van
-Mira's zonen, na Sirius de lieveling van den Sheik. Hij wist dat het
-hart van den ouden man het geschenk vergezelde.
-
-Dienzelfden avond werd het lijk uit het atrium weggedragen en in stilte
-begraven, en vertrok een bode van Messala naar Gratus, om dezen de
-blijde tijding te brengen dat Ben-Hur dood was, ditmaal ontwijfelbaar.
-
-Eene maand later werd bij den circus Maximus eene taveerne geopend met
-het opschrift:
-
- THOR DE NOORMAN.
-
-
- * * * * *
-
-
-BOEK VI.
-
-
- * * * * *
-
-
-EERSTE HOOFDSTUK.
-
-DE GEVANGENEN.
-
-
-Sedert den avond, waarop Ben-Hur Antiochie verliet om den Sheik in de
-woestijn te volgen, zijn dertig dagen verloopen. Een groote verandering
-heeft intusschen plaats gevonden--groot, voor zoover het de geschiedenis
-geldt van onzen held. Valerius Gratus is vervangen door Pontius Pilatus.
-
-Deze verplaatsing kostte Simonides vijf talenten Romeinsch geld, in
-klinkende munt uitbetaald aan Sejanus, die toen het hoogste toppunt van
-zijn macht als gunsteling des Keizers bereikt had.
-
-Het doel van de onderhandeling met Sejanus was, dat Ben-Hur zonder groot
-gevaar voor zichzelven in en bij Jeruzalem naar zijne moeder en zuster
-zou kunnen zoeken. Op die wijze besteedde de trouwe dienstknecht de
-gelden van Drusus en zijne makkers. Na het betalen van de weddenschappen
-was de vriendschap dier jongelieden voor Messala veranderd in vijandschap,
-omdat zij hem hun ongeluk weten. Wat Messala zelf betreft, het antwoord
-op de vraag, of hij voor de gewedde sommen mocht aangesproken worden, ja
-of neen, moest nog uit Rome komen.
-
-Hoe kort Pontius Pilatus aan het bestuur was, de Joden hadden reeds
-ondervonden, dat de verandering niet in hun voordeel was. De kohorten,
-die afgezonden waren om het garnizoen van den burcht Antonia te
-vervangen, trokken des avonds laat de stad binnen, en het eerste wat men
-den volgenden morgen te zien kreeg was, dat de muren van den ouden
-burcht rondom versierd waren met borstbeelden van den ouden Keizer en
-met Romeinsche adelaren.
-
-Een opgewonden menigte trok door de straten, afgezanten werden naar
-Cesarea gezonden, waar Pilatus nog eenige dagen vertoefde, om hem
-dringend te verzoeken de gehate voorwerpen weg te nemen. Vijf dagen en
-nachten hielden zij stand voor de poorten van zijn paleis, waarna hij
-deed weten dat hij hen in den circus zou te woord staan. Daar liet hij
-hen door zijne soldaten omsingelen, maar zij boden blijmoedig hun leven
-aan, indien zij slechts hun doel mochten bereiken. Dat werkte. Pilatus
-gaf bevel de borstbeelden en adelaren naar Cesarea terug te zenden, waar
-Gratus ze gedurende de elf jaren zijner regeering had bewaard.
-
-De slechtste mensch kan wel een goede daad verrichten. Zoo ook Pilatus.
-Hij beval dat alle gevangenissen in Judea zouden nagezien worden, en
-verlangde een lijst van de namen der gevangenen, met opgaaf van de
-misdaden, waarvoor zij veroordeeld werden. Waarschijnlijk deed hij dit,
-om later niet aansprakelijk te zijn voor hem onbekende dingen. Het volk
-evenwel prees hem en was een tijdlang tevreden.
-
-Wat het onderzoek aan het licht bracht, was ongeloofelijk. Honderde
-menschen, tegen wie geen beschuldiging was ingebracht, kregen hunne
-vrijheid weder. Vele anderen, die men lang geleden gestorven waande,
-kwamen te voorschijn. Nog erger was het, dat men gevangenissen vond,
-wier bestaan niet alleen aan het volk onbekend was, maar die de
-tegenwoordige gevangenbewaarders zelfs niet kenden. Een geval van dien
-aard moeten wij hier vermelden: een vergeten gevangenis te Jeruzalem.
-
-De burcht Antonia, die zooals men zich zal herinneren twee derden
-besloeg van de heilige area op den berg Moria, was oorspronkelijk een
-door de Macedoniers gebouwd kasteel. Later maakte Johannes Hyrkanus het
-tot een citadel ter verdediging van den Tempel, die toen ten tijde reeds
-als onneembaar werd beschouwd. Herodes breidde haar nog verder uit,
-verbreedde de muren, liet waterputten graven, bouwde tuighuizen,
-barakken, magazijnen en gevangenissen van allerlei soort. Hij effende
-het rotsachtige gedeelte van den berg, en liet er diepe kloven in
-bouwen. Daar bouwde hij overheen. Het geheel verbond hij door een
-prachtige zuilengang met den Tempel. Zoo verbouwd en versterkt viel de
-burcht ten laatste in de handen der Romeinen, die hem volkomen wisten te
-waardeeren en te gebruiken.
-
-Gedurende de regeering van Gratus had de Antonia dienst gedaan als
-citadel en onderaardsche gevangenis, de schrik voor alle oproerigen. Wee
-hen, wanneer de kohorten uit de poorten stroomden, om een oproer te
-dempen! Wee den Jood, die dezelfde poorten als gevangene binnenging!
-
-Na deze korte uitweiding kunnen wij den draad van ons verhaal weer
-opvatten.
-
- * * * * *
-
-Het bevel van den nieuwen procurator betreffende de gevangenen was op
-den burcht Antonia ontvangen en stipt uitgevoerd. Twee dagen zijn
-verloopen sedert de laatste van die ongelukkigen ter ondervraging was
-voorgebracht. De lijst is zoo goed als gereed en ligt voor den
-commandant op tafel. Binnen vijf minuten zal zij op weg gaan naar
-Pilatus, die in het paleis op den berg Sion woont.
-
-Het bureau van den commandant is ruim en koel, en gemeubeld
-overeenkomstig de waardigheid van den bevelhebber.
-
-Het is de zevende ure van den dag. De commandant is vermoeid. Zoodra de
-lijst verzonden is, zal hij naar het platte dak van de zuilengang gaan,
-daar in de open lucht wat beweging nemen, en zich vermaken met naar het
-gewoel der Joden in de voorhoven des Tempels te kijken. Zijne klerken en
-onderhoorigen verlangen eveneens heen te gaan.
-
-Daar verschijnt een man in de deur. Hij rammelt met een bos zware
-sleutels, waardoor hij terstond de aandacht van den overste trekt.
-
---Zoo, Gesius, kom binnen, zegt deze. Wat is er?
-
---Commandant, luidt het antwoord, ik durf u bijna niet zeggen wat ik
-gevonden heb.
-
---Alweder een vergissing, Gesius?
-
---Wist ik zeker dat het slechts een vergissing was, dan zou ik niet bang
-zijn.
-
---Een misdaad dus? Of nog erger ... een plichtverzuim. Men kan Cesar
-uitlachen, de goden vloeken, en leven. Een beleediging echter, den
-adelaren aangedaan, is ... nu, Gesius, gij weet wat er dan volgt. Ga
-voort.
-
---'t Is nu ongeveer acht jaren geleden, dat Valerius Gratus mij benoemde
-tot bewaarder der gevangenissen in den burcht, antwoordde de man
-ernstig. Ik herinner mij nog zeer goed den morgen, waarop ik mijn ambt
-aanvaardde. Den vorigen dag was er een klein oproer geweest. De onzen
-hadden vele Joden neergeslagen, maar wij hadden ook enkele verliezen te
-betreuren. De aanleidende oorzaak was, zeide men, een moordaanslag op
-Gratus. Hij werd door een steen aan het hoofd getroffen, zoodat hij van
-zijn paard viel. Ik vond hem hier op dezelfde plaats zitten, waar gij nu
-zit, commandant, met een verbonden hoofd. Hij gaf mij deze sleutels,
-genommerd met de nommers der cellen. Dat waren de teekenen van mijn
-ambt, ik mocht er mij nooit van scheiden, zeide hij. Op de tafel lag een
-perkamentrol. Hij maakte ze open en zeide: Hier zijn de kaarten met den
-platten grond der cellen, die in drie afdeelingen verdeeld, boven
-elkander gebouwd zijn. Ik vertrouw ze u toe.--Ik nam ze aan, en Gratus
-vervolgde: Nu hebt gij de sleutels en de platte gronden, ga en
-doorwandel de geheele inrichting, bezoek elke cel en zie of alles in
-orde is. Bemerkt gij iets waardoor de veiligheid in gevaar zou komen,
-stel daar dan naar uw beste weten orde op, want gij zijt hier heer en
-meester en hebt niemand boven u, dan mij alleen.
-
-Ik wilde heengaan, maar hij riep mij terug en zeide: Daar bedenk ik nog
-iets. Geef mij den platten grond van de onderaardsche cellen.--Ik gaf
-hem het verlangde. Hij spreidde de kaart voor zich uit op de tafel, wees
-met den vinger op cel nommer vijf, en zeide: Hier, Gesius, deze cel.
-Daar zitten drie mannen gevangen, gevaarlijke lieden, die achter een
-staatsgeheim hebben weten te komen en hier voor hunne nieuwgierigheid
-boeten. Tot straf zijn zij van oogen en tong beroofd, en levenslang
-opgesloten. Zij mogen niets hebben dan water en brood, dat gij hun
-toereikt door een gat in den muur, dat van buiten gesloten wordt met een
-schuif. Hebt gij mij goed begrepen, Gesius? Ik antwoordde toestemmend.
-Het is goed, zeide hij, en keek mij dreigend aan; maar pas op, Gesius,
-dat gij het niet vergeet. De deur van hunne cel, nommer vijf,--en hij
-legde er zijn vinger op, om meer nadruk te geven aan zijne woorden,--mag
-nooit, onder geen enkel voorwendsel, geopend worden. Niemand mag er in
-of uit, zelfs gij moogt er niet binnengaan. Maar als zij sterven?
-vraagde ik. Als zij sterven, zei hij, zal die cel hun graf zijn. Zij
-werden daar opgesloten om te sterven. De cel is met melaatschheid
-besmet, begrijpt gij?--En daarmee liet hij mij gaan.
-
-Gesius zweeg en bracht uit de plooien van zijn overkleed drie rollen te
-voorschijn, die hij op tafel uitspreidde, zeggende: Dit is de bedoelde
-platte grond.
-
-De oogen van alle aanwezigen rustten op den platten grond.
-
---Precies zoo, commandant, heb ik hem van Gratus ontvangen. Dit is cel
-nommer V.
-
---Ik zie het, zeide de commandant. Ga voort. De cel was met
-melaatschheid besmet, zeidet gij.
-
---Mag ik u een vraag doen, commandant?
-
---Ja.
-
---Moest ik niet gelooven dat de kaart betrouwbaar was?
-
---Zeker.
-
---Nu, zij is niet betrouwbaar, want er zijn niet vijf, maar zes cellen.
-Ik zal u laten zien hoe de platte grond werkelijk is, of liever, hoe ik
-mij voorstel dat hij is.
-
-Gesius nam een tafeltje en teekende er een losse schets op van zes
-cellen, die hij den commandant ter hand stelde.
-
---'t Is goed, zeide de commandant. Ik zal een nieuwen platten grond voor
-u laten maken. Kom hem morgen bij mij halen.
-
-Meenende dat de zaak hiermede afgeloopen was stond hij op; maar Gesius
-vervolgde: Hoor mij verder, heer.
-
---Morgen, Gesius, ik heb nu geen tijd meer.
-
---Maar, commandant, wat ik u mee te deelen heb kan geen uitstel lijden.
-
-De commandant ging weer zitten.
-
---Ik zal kort zijn, zeide de gevangenbewaarder. Mag ik nog eene vraag
-doen? Moest ik niet gelooven wat Gratus mij vertelde van de gevangenen
-in cel vijf?
-
---Natuurlijk. In die cel zaten drie gevangenen, staatgevangenen, blind
-en stom.
-
---Welnu, commandant, dat was niet waar.
-
---Niet?
-
---Hoor, en oordeel zelf, commandant. Zooals mij bevolen was bezocht ik
-al de cellen, beginnende bij de bovenste en eindigende bij de onderste.
-Het verbod om de deur van cel V te openen heb ik nimmer overtreden. De
-drie mannen hebben die acht jaren hun water en brood altijd door het gat
-in den muur gekregen. Gisteren mocht ik de deur openen op uw bevel, en
-was zeer nieuwsgierig om de gevangenen te zien, die tegen alle
-verwachting zoolang geleefd hebben. Het slot van de deur weigerde. Wij
-trokken wat harder en toen viel de deur op zij. De scharnieren waren
-door roest verteerd. In de cel vond ik slechts een man, oud, blind,
-zonder tong, geheel naakt, deerniswaardig om te zien. Ik vraagde hem
-naar zijne medegevangenen. Hij schudde van neen. Ik doorzocht de geheele
-cel, maar kon geen spoor van hen ontdekken. De muren en de grond waren
-geheel droog. Hadden hier drie gevangenen gezeten, en waren twee van hen
-gestorven, dan zou ik toch hunne beenderen hebben moeten vinden. Van
-melaatschheid was niet bij den armen afgeleefden grijsaard te bespeuren.
-
---Gij denkt dus....
-
---Ik denk, commandant, dat er in die acht jaren slechts een man gevangen
-heeft gezeten.
-
-De commandant zag Gesius scherp aan en zeide: Wees voorzichtig! Weet gij
-wel waar gij Gratus van beschuldigt?
-
-Gesius boog het hoofd en zeide: Hij kon zich vergist hebben.
-
---Neen, riep de commandant heftig, dat kon hij niet. Hebt gij niet zelf
-gezegd dat gij acht jaren lang water en brood gegeven hebt voor drie
-personen?
-
---Gij hebt nog slechts de helft van het verhaal gehoord, commandant. Als
-gij alles gehoord zult hebben, zult gij mij gelijk geven. Gij weet wat
-ik met den man deed: ik liet hem een bad geven, haar en baard scheren en
-aankleeden. Toen bracht ik hem naar buiten en liet hem in vrijheid
-heengaan. Ik had met hem afgedaan. Een uur geleden kwam hij terug en
-werd voor mij gebracht. Door allerlei gebaren, zelfs door tranen, gaf
-hij zijn verlangen te kennen, om weer naar de cel teruggebracht te
-worden. Ik gaf het bevel daartoe. Toen zij hem wegleidden keerde hij op
-eens terug, viel op de knieen voor mij neder en beduidde mij, dat ikzelf
-hem moest vergezellen. Ik voldeed aan zijn verzoek. De twee geheimzinnige
-andere gevangenen speelden mij door het hoofd. Ik was er niet gerust op.
-Nu ben ik blij, dat ik gehoor gaf aan zijn verlangen.
-
-Alle aanwezigen luisterden met gespannen aandacht, doodelijke stilte
-heerschte in het vertrek.
-
---Zoodra de gevangene bemerkte dat hij weer in zijn oude cel was,
-vervolgde Gesius, greep hij mijne hand en geleidde mij naar een gat in
-den muur, even groot als dat, waardoor wij gewoon waren hem zijn
-rantsoen te geven. Gisteren was het aan mijne aandacht ontsnapt. Steeds
-mijne hand vasthoudende legde hij zijn mond voor de opening en gaf een
-schreeuw. Een zwakke stem antwoordde. Ik was verbaasd, trok hem op
-zijde, en riep: Hola, wie daar? In het begin kreeg ik geen antwoord.
-Ik riep nogmaals en hoorde toen deze woorden: O, God, ik dank U!
-Commandant, het was de stem van een vrouw. Ik vraagde: Wie zijt gij? en
-het antwoord luidde: Een Israelitische vrouw. Ik ben hier levend
-begraven met mijne dochter. Help ons gauw, of wij sterven.
-
-Ik riep haar toe nog even geduld te hebben en spoedde mij tot u, om uwen
-wil te vernemen.
-
-De commandant stond haastig op. Gij had gelijk, Gesius, zeide hij. Ik
-begrijp er alles van. De kaart was valsch en het verhaal van de drie
-gevangenen was een leugen. Er zijn betere Romeinen dan Valerius Gratus.
-
---Ja, antwoordde de gevangenbewaarder. De oude man gaf twee porties
-water en brood aan de vrouwen.
-
---Welaan, zeide de commandant, zich tot zijne klerken wendende, daar hij
-het niet kwaad vond eenigen tot getuigen te hebben, gaat allen mee. Wij
-zullen die vrouwen in vrijheid stellen.
-
-Gesius was voldaan. Wij zullen den muur moeten doorbreken, zeide hij. Ik
-heb de plaats ontdekt waar de deur geweest is. Zij was dichtgemetseld.
-
---Roep terstond een paar werklieden met de noodige gereedschappen, zeide
-de commandant tot een der klerken. Haast u, en laat het rapport liggen,
-want dat zal morgen gewijzigd worden.
-
-
- * * * * *
-
-
-TWEEDE HOOFDSTUK.
-
-DE MELAATSCHEN.
-
-
-Een Israelitische vrouw. Ik ben hier levend begraven met mijne dochter.
-Help ons gauw, of wij sterven.
-
-Dat antwoord had Gesius ontvangen uit de cel, die op den verbeterden
-platten grond als cel VI aangegeven staat.
-
-De lezer heeft zeker terstond begrepen wie die ongelukkigen waren, en
-zich verheugd dat eindelijk Ben-Hurs moeder en zuster gevonden zijn.
-
-Op den morgen van hare gevangenneming had men haar naar de burcht
-gebracht, waar Gratus haar dacht op te sluiten. Hij had den burcht
-gekozen, omdat die meer onmiddellijk onder zijn beheer stond, en cel VI,
-omdat deze door melaatschheid besmet was. Hij wilde de vrouwen niet
-alleen opsluiten--hij verlangde dat zij een zekeren, zij het dan ook een
-langzamen, dood zouden sterven. Dientengevolge werden zij bij nacht naar
-beneden gebracht, zoodat niemand er iets van bemerkte. Diezelfde slaven
-metselden daarna de deur dicht, en werden vervolgens naar een afgelegen
-oord verplaatst, zoodat het geheim een geheim blijven kon. Om voor alle
-mogelijke gevallen toch den schijn te bewaren, wilde hij de vrouwen niet
-laten verhongeren, maar plaatste hij bovenvermelde armen gevangene in de
-cel daarnaast, om haar van brood en water te voorzien.
-
-Zoo wist Gratus, onder voorwendsel van een troep moordenaars te straffen,
-zich het vermogen der familie Hur toe te eigenen, waarvan geen penning de
-keizerlijke schatkist bereikte. Ten besluite werd de toenmalige gevangen-
-bewaarder verplaatst, een nieuwe platte grond ontworpen, en aan den nieuwen
-bewaarder gegeven. Gratus bereikte volkomen zijn doel: de cel en hare
-bewoonsters waren der vergetelheid prijs gegeven.
-
-Welk een leven voor moeder en dochter, acht jaren lang; voor haar,
-opgevoed in weelde, weggerukt uit een werkzaam, liefdevol leven,
-veroordeeld tot nietsdoen in een onderaardschen kerker, waar slechts een
-smalle gleuf in den buitenmuur licht en lucht aanbracht!
-
-Treden wij de cel binnen.
-
-De twee vrouwen bevinden zich vlak bij het smalle luchtgat. De eene zit
-op den grond, de andere leunt half liggende tegen haar aan. Bij het
-schemerachtig licht zien wij, dat zij zonder eenige bedekking zijn. Van
-kleeding geen spoor meer. Maar wat haar ook ontnomen werd, de liefde
-bleef, daarvan spreekt haar geheele houding. Rijkdom vergaat, schoonheid
-verdwijnt, hoop vervliegt, maar de liefde blijft, want de liefde is uit
-God.
-
-Waar moeder en dochter neergezeten zijn, is de oneffen bodem geheel glad
-geworden. Vermoedelijk hebben zij het grootste gedeelte van die lange
-jaren op deze zelfde plaats gezeten, hare hoop op bevrijding koesterende
-bij dat zwakke, maar toch vriendelijke licht. Als de lichtstraal naar
-binnen viel, wisten zij dat het dag was. Als hij verdween, wisten zij
-dat daarbuiten de nacht aanbrak, die toch nergens zoo lang en zoo
-stikdonker kon zijn als bij haar. Daarbuiten! O, door die gleuf vlogen
-hare gedachten de wereld in, om den zoon, den broeder te zoeken. Zij
-zochten hem op de woelige zee, of op hare eilanden, nu in deze stad, dan
-in gene, en overal vertoefde hij slechts vluchtig; want hij zocht haar
-immers met rusteloos verlangen. Telkens en telkens hadden zij elkander
-moed ingesproken door te zeggen: Hij vergeet ons niet. Zoolang hij leeft
-is er hoop voor ons!
-
-Bij het flauwe licht dat in de cel heerscht zien wij, dat zij uiterlijk
-droevig veranderd zijn, een verandering, niet alleen toe te schrijven
-aan de langdurige gevangenschap. Waren moeder en dochter voorheen schoon
-van aangezicht, zelfs de liefde zou dat niet meer van haar kunnen
-getuigen. Het lange, ongekamde haar heeft een zonderlinge witte kleur.
-De vrouwen zelf zien er vreemd en terugstootend uit ... is het misschien
-een gevolg van gebrek aan lucht en licht, of van honger en dorst, daar
-zij sedert het vertrek van haar armen buurman niets te eten of te
-drinken hebben gehad?
-
-Tirza leunt tegen hare moeder en kreunt smartelijk.
-
---Stil, kind, zegt de moeder. Zij zullen komen. God is goed. Wij hebben
-nooit verzuimd tot Hem te bidden, wanneer daarginds in den Tempel de
-bazuinen geblazen worden. Het moet de zevende ure zijn, want de zon
-staat nog in 't zuiden. Laat ons op God vertrouwen. Hij is goed.
-
---Ja, moeder, ik zal mijn best doen, antwoordt Tirza. Uw lijden is even
-zwaar als het mijne; maar mijn tong brandt en mijn lippen zijn verdroogd.
-Ach, waar zou Juda toch zijn? Zou hij ons nog ooit kunnen vinden?
-
-Beider stem klinkt ongelooflijk scherp, droog en onnatuurlijk.
-
---Gisteren zag ik hem in mijn droom, kind, zoo duidelijk als ik u nu
-zie. Wij moeten gelooven in droomen, dat weet gij wel, omdat onze
-vaderen het ook deden. Onze God sprak dikwijls tot hen op die wijze. In
-mijn droom stonden wij in den vrouwenvoorhof bij de Schoone Poort. Vele
-vrouwen waren daar met ons, en hij kwam en stond achter de poort en
-zocht ons. Mijn hart klopte hevig. Ik strekte de armen uit, en riep hem
-luide bij zijn naam. Hij zag mij en hoorde mij, maar herkende mij niet.
-Een oogenblik later was hij verdwenen.
-
---Hij zal ons zeker niet herkennen, moeder, als hij ons vindt. Wij zijn
-zoo veranderd.
-
---'t Is mogelijk, maar ... de moeder zweeg, die gedachte was al te
-pijnlijk.
-
---Ach moeder, riep Tirza, water! al is het maar een droppel.
-
-De moeder werpt een wanhopigen blik in het rond. Het is haar alsof een
-schaduw over het licht trekt. Zou dat de naderende dood zijn? Bijna
-werktuigelijk zegt zij: Geduld, Tirza. Zij komen. Zij zullen weldra hier
-zijn.
-
-Eensklaps meent zij een geluid te hooren bij de opening in de cel van
-den blinde, door welk gat het verkeer met de menschenwereld daarbuiten
-gedurende al die jaren had plaats gehad.
-
-Zij had zich niet vergist. Een oogenblik later weerklonk de bekende
-kreet van haar ongelukkigen landgenoot door de ruimte. Beiden sprongen
-op en kwamen naderbij. Daar hoorden zij iemand roepen: Hola! Wie daar?
-
-Dat waren de eerste woorden, die na jaren van doodelijke stilte tot haar
-gesproken werden. Welk een ommekeer! Uit den dood tot het leven
-teruggekeerd, en dat zoo op eenmaal!
-
-Zij antwoordde luide: Een Israelitische vrouw, die hier levend begraven
-is met hare dochter. Help ons spoedig, of wij sterven.
-
---Houd moed. Ik kom dadelijk terug.
-
-Moeder en dochter barstten in tranen uit. Zij waren gevonden. De hulp
-was nabij! Vergeten waren, voor het oogenblik althans, pijn, honger,
-dorst. Opnieuw lachte de hoop haar toe.
-
-Na een korte poos, de tijd dien Gesius noodig had gehad om zijn verslag
-aan den commandant te doen, drong het geluid van hamerslagen tot de
-gevangenen door. Ademloos luisterden zij, begrijpende wat dat beteekende.
-De deur, die zoolang gesloten was geweest, werd opengebroken. De dag der
-vrijheid brak eindelijk aan.
-
-De handen, die het werk verrichtten, waren sterk en bedreven, en wil was
-goed. De slagen, eerst dof, werden steeds duidelijker verneembaar; nu en
-dan viel een steen op den grond. Nu konden zij zelfs de stemmen der
-werklieden hooren, en, o hoe heerlijk! daar zagen zij door een spleet
-het schijnsel der toortsen.
-
---O, moeder, riep Tirza, daar is Juda! Eindelijk heeft hij ons dan toch
-gevonden!
-
-Weder viel een steen, en nog een, toen verscheidene te gelijk ... en de
-deur was eindelijk open. Een met stof en kalk bedekte arbeider stapte de
-cel binnen, een toorts ophoog houdende. Twee of drie volgden, eveneens
-met fakkels, en stelden zich bij den ingang om den commandant door te
-laten.
-
-Deze bleef echter staan, want de vrouwen vluchtten naar den uitersten
-hoek, niet uit vrees, maar uit schaamte. Niet alleen uit schaamte
-echter, want van uit den donkeren hoek, waar zij zich trachtten te
-verbergen, werd den mannen een woord toegeroepen, het wanhopigste dat
-over menschenlippen komen kan: Onrein! Onrein! Kom niet naderbij!
-
-Ontzet zagen zij elkander aan.
-
---Onrein! Onrein! klonk het weer onbeschrijfelijk treurig uit den hoek.
-
-Zoo volbracht de arme vrouw haren plicht en gevoelde zij tegelijkertijd,
-dat de zoo vurig begeerde vrijheid, van verre gezien zoo heerlijk en
-uitlokkend, een Sodomsappel bleek te zijn. Zij en Tirza waren melaatsch.
-
-Weten onze lezers wat dat insloot? Een melaatsche werd als dood
-beschouwd. Uit de stad verdreven mocht hij zijne betrekkingen slechts op
-grooten afstand toespreken. Zijne woonplaats was bij andere melaatschen
-in spelonken of wildernissen. Zag hij iemand naderen--uit de verte reeds
-moest hij hem toeroepen: Onrein! Onrein!--Een wezen, dat zichzelf tot
-afschuw was, en alleen van den dood uitkomst kon verwachten.
-
-Nog herinnerde de moeder zich den dag, waarop zij binnen in hare hand
-iets vreemds gevoeld had, dat zij, maar tevergeefs, beproefd had weg te
-wasschen. Eerst hechtte zij er niet veel aan, maar toen ook Tirza
-hetzelfde aan hare hand opmerkte, werd zij ongerust. Haar dagelijksch
-rantsoen van water was niet groot, toch gebruikten zij er elken dag een
-gedeelte van om de aangetaste plek te reinigen. Maar het breidde zich
-uit, de geheele hand werd ontstoken, het vel barstte op verschillende
-plaatsen, de nagels vielen af. Zij leden niet veel pijn, maar voelden
-zich voortdurend onwel. Later verdroogden hare lippen en vielen er
-kloven in, en toen de moeder op zekeren morgen met angst in het hart
-Tirza nauwkeurig beschouwde, zag zij haar vreeselijk vermoeden
-bewaarheid: de wenkbrauwen van haar kind waren geheel wit.
-
-Wat zij toen doormaakte is niet te begrijpen. Sprakeloos en onbewegelijk
-zat de arme vrouw een poos neder, slechts dat eene woord bij zichzelve
-herhalende: melaatsch, melaatsch.
-
-Toen zij weer geregeld denken kon, was haar eerste gedachte het
-vreeselijke geheim te verzwijgen en Tirza in gelukkige onwetendheid te
-laten. Zelve hopeloos verdubbelde zij hare zorgen voor Tirza, en slaagde
-er met de grootste zelfbeheersching in haar onkundig te laten, met
-betrekking tot den aard harer ziekte, en wist zelfs de hoop bij haar
-levendig te houden, dat zij van voorbijgaanden aard zou wezen. Zij
-bedacht raadsels en spelletjes, vertelde geschiedenissen, oude en
-nieuwe, luisterde met het grootste genot naar de liederen, die zij Tirza
-herhaaldelijk deed zingen, en hief zelve de psalmen aan van den
-koninklijken zanger, alles om voor een poos ten minste haar verdriet te
-verzetten en hare ziel tot God op te heffen, die haar, evenals de
-wereld, scheen vergeten te hebben.
-
-Langzaam maar zeker nam de kwaal toe. Na eenigen tijd werd het hoofdhaar
-wit, vielen lippen en oogleden met gaten, werd het geheele lichaam met
-blaren bedekt. Toen werd de keel aangedaan, werd hare stem heesch,
-werden de gewrichten stijf. Nog maar weinig tijds, dan zou de ziekte de
-bloedvaten en de beenderen aantasten--en zoo kon het vele jaren al erger
-en erger worden, totdat eindelijk de dood haar kwam verlossen.
-
-Een dag van verschrikking was de dag, waarop de moeder het haar plicht
-rekende aan Tirza den naam harer ziekte mede te deelen, en beiden in
-wanhoop God smeekten, dat het einde spoedig daar mocht zijn.
-
-Maar men went aan alles. De zwaarbeproefden leerden na verloop van tijd
-kalm te spreken over hare kwaal. Zij zagen welke vreeselijke verwoestingen
-de ziekte aanrichtte, en klemden zich niettegenstaande dat aan het leven
-vast. Een band bleef haar aan de aarde binden: Juda. Over hem spraken en
-dachten zij. Zij twijfelden geen oogenblik aan zijne trouw en rekenden
-er vast op, dat hij even sterk als zij naar eene wederontmoeting
-verlangde. Zoo vertroostten zij elkander dag aan dag, ook, zooals wij
-gezien hebben, toen Gesius haar, nadat zij twaalf uren honger en dorst
-geleden hadden, weder moed kwam inspreken.
-
-De toortsen verlichtten de cel, de bevrijding was daar. God is goed,
-riep de weduwe dankbaar. Die werkelijk dankbaar is voor een ontvangen
-gunstbewijs vergeet voor 't oogenblik zijne ellende.
-
-Toen de commandant haar naderen wilde, vloden zij in een hoek, en
-herinnerde de moeder zich wat haar plicht was. Daarom stootte zij dien
-akeligen kreet uit: Onrein! Onrein!
-
-Ach, hoeveel kostte haar die plichtsbetrachting! Zelfs in de vreugd over
-hare bevrijding was zij niet blind voor de gevolgen daarvan. Het oude,
-gelukkige leven was voor altijd voorbij. Wilde zij de haar zoo dierbare
-woning gaan opzoeken, dan zou zij reeds bij de poort moeten roepen:
-Onrein!--De knaap van wien zij voortdurend gedroomd had zou, als hij
-haar zag, op een afstand moeten blijven staan. Stak hij de handen naar
-haar uit, dan zou juist hare liefde haar dwingen om hem toe te roepen:
-Onrein!
-
-De commandant hoorde de waarschuwing. Hij ontstelde, maar bleef staan.
-
---Wie zijt gij? vraagde hij.
-
---Twee vrouwen, die van honger en dorst sterven. Maar kom niet bij ons
-en raak de muren niet aan. De geheele cel is besmet!
-
---Vertel mij uwe geschiedenis, vrouw. Zeg mij uw naam, en wanneer en
-door wien en waarom gij hier gevangen zijt gezet.
-
---In Jeruzalem woonde jaren geleden een vorst, Ben-Hur geheeten,
-bevriend met vele edele Romeinen, zeer gehecht aan den keizer. Ik ben
-zijn weduwe, en dit meisje is zijne dochter. Ik kan u niet zeggen waarom
-wij hier begraven zijn, want ik weet het zelf niet, of het moest wezen
-omdat wij rijk waren. Valerius Gratus kan u zeggen wie onze vijand was
-en wanneer onze gevangenschap begonnen is. Ik weet het niet. Zie waartoe
-men ons gebracht heeft. O, heb medelijden met ons!
-
-De atmosfeer was zwaar verpest, maar in weerwil daarvan riep de
-commandant een der fakkeldragers tot zich om hem bij te lichten, en
-schreef haar antwoord woordelijk op. Kort en bondig behelsde het een
-geschiedenis, een aanklacht, en een bede. Een onbeschaafde vrouw zou
-zich niet zoo beknopt hebben kunnen uitdrukken. De Romein moest haar
-zijns ondanks gelooven en beklagen.
-
---Gij zult terstond geholpen worden, zeide hij. Ik zal u eten en drinken
-zenden.
-
---En kleeren, en waschwater, bid ik u.
-
---Het zal geschieden.
-
---God is goed, zeide de weduwe schreiend. Moge zijn vrede met u zijn!
-
---Ik mag u niet wederzien, antwoordde de commandant. Maar tegen den
-avond zal ik u in vrijheid doen stellen. Gij kent de wet. Vaarwel!
-
-Weinige oogenblikken later brachten een paar slaven een badkuip, de
-noodige hoeveelheid water, handdoeken, vrouwenkleeren, brood met
-vleesch, en wijn, zetten het alles bij de opengebroken deur neer en
-verwijderden zich toen zoo snel mogelijk.
-
-Halverwege de eerste nachtwake bracht men de beide gevangenen naar
-buiten, en ademden zij vrijelijk de frissche lucht in.
-
-De sterren fonkelden boven haar hoofd, evenals van ouds. Zij
-verlustigden zich een oogenblik in dien aanblik, maar toen vraagden ze
-elkander droef te moede: Wat nu? Waarheen?
-
-
- * * * * *
-
-
-DERDE HOOFDSTUK.
-
-TERUGKEER.
-
-
-Ongeveer terzelfder tijd dat Gesius voor den commandant verscheen,
-beklom een voetreiziger den Olijfberg van de oostzijde. De weg was
-oneffen en stoffig, alle planten waren bruin verschroeid, want het was
-in het droge jaargetijde. Gelukkig was hij jong en sterk, en droeg hij
-een luchtig, ruim gewaad.
-
-Hij vorderde slechts langzaam, en keek dikwijls rechts en links, alsof
-hij na lange afwezigheid een welbekend landschap wederzag en zich
-verzekeren wilde, dat alles onveranderd hetzelfde gebleven was.
-
-Toen hij eindelijk nabij den top kwam versnelde hij zijnen stap en liet
-zich door niets meer ophouden, totdat hij de hoogte bereikt had en
-verrukt over het schouwspel aan zijne voeten staan bleef.
-
-Die reiziger was Ben-Hur, en wat hem zoo bekoorde was Jeruzalem, de stad
-Gods.
-
-Hij ging op een steen zitten, maakte den doek los, die zijn hoofd tegen
-de zonnestralen beschutte, en verdiepte zich in zijne overpeinzingen,
-den blik op de stad zijner vaderen gevestigd.
-
-De zon neigde ten ondergang. Een oogenblik rustte de vuurbol op de
-toppen der westelijke bergen, den hemel, de muren eb de torens der stad
-in gouden glans hullende. Daarop verdween hij. De stilte rondom hem
-voerde Ben-Hurs gedachten naar de ouderlijke woning. Zijn oog dwaalde af
-naar een punt ten noorden van den Tempel, daar moest het erfdeel zijner
-vaderen liggen, als het huis ten minste nog bestond.
-
-De liefelijke rust, de zachte atmosfeer, bleven niet zonder invloed op
-zijne gevoelens. Alle bittere gedachten, alle eerzuchtige plannen ter
-zijde stellend, overdacht hij den plicht, die hem naar Jeruzalem
-gebracht had. Terwijl hij met Ilderim in de woestijn was en als een
-krijgsoverste het terrein verkende, kwam op zekeren avond een bode tot
-hem met het bericht, dat Gratus afgezet en Pontius Pilatus in zijne
-plaats aangesteld was.
-
-Messala was lichamelijk gebroken en hield hem voor dood; Gratus was van
-zijne macht beroofd, en vertrokken--waarom zou hij dan het zoeken naar
-moeder en zuster nog langer uitstellen? hij behoefde voor niets meer te
-vreezen. Werd hem niet toegestaan zelf de gevangenissen van Judea te
-onderzoeken, dan konden anderen dat toch voor hem doen. Werden de
-verloornen gevonden, dan zou Pilatus haar zeker in vrijheid doen
-stellen, want die ten minste had er geen belang bij haar nog langer
-gevangen te houden. Met geld was in ieder geval veel te doen. Dan zou
-hij zijne geliefden in veiligheid brengen, om zich daarna met een
-volkomen hart geheel te wijden aan den Koning, die te komen stond. Zijn
-besluit was dadelijk genomen. Ilderim keurde het plan goed en gaf hem
-drie zijner stamgenooten mede, die Ben-Hur te Jericho achtergelaten had
-met de paarden, terwijl hijzelf te voet de reis voortzette. Te Jeruzalem
-zou Malluch zich bij hem voegen, en verder zou hij zich door de
-omstandigheden laten leiden.
-
-Met het oog op zijne plannen zou het geraden zijn zich voor alle
-mogelijke ambtenaren, inzonderheid de Romeinsche, verborgen te houden,
-en het voornaamste werk aan Malluch over te laten, die zeer schrander en
-behoedzaam was.
-
-Voor alle dingen moest uitgemaakt worden hoe zij de zaak zouden
-aanpakken. Dat was hem nog niet recht helder. Het liefst zou hij met den
-burcht Antonia willen beginnen, want hij wist, dat zich onder dit
-sombere gebouw een doolhof van gevangenissen uitstrekte, juist geschikt
-om lieden, die men uit den weg wilde ruimen, in zich op te nemen.
-Daarenboven had hij met eigen oogen gezien hoe de soldaten zijne moeder
-en Tirza de straat indreven, die rechtuit naar den burcht leidde. Waren
-zij daar niet meer, dan kon hij er toch inlichtingen krijgen betreffende
-haar lot.
-
-In het diepst zijner ziel leefde een stille hoop, die hem daarentegen
-allereerst naar de ouderlijke woning trok. Door Simonides wist hij dat
-Amrah nog leefde. Haar opzoeken en van haar hooren wat zij wist, moest
-zoo spoedig mogelijk geschieden. De trouwe slavin had zich, zooals men
-zich zal herinneren, op dien vreeselijken morgen losgerukt uit de handen
-der soldaten en was het ledige huis binnen gevlogen, waar zij, met al
-wat er verder in was, opgesloten werd. Simonides had haar sedert dien
-tijd van het noodige voorzien, en zij was de eenige bewoonster gebleven
-van het groote huis, dat Gratus, hoeveel moeite hij er zich ook voor
-gaf, niet had kunnen verkoopen. De geschiedenis die er aan vast was
-hield de koopers of huurders terug. Daarenboven had het den naam dat het
-er spookte, misschien een gevolg van Amrah's ronddwalen door de
-verschillende kamers, of op het platte dak. Kon hij haar te spreken
-krijgen, wie weet of zij hem niet eenig licht zou kunnen verschaffen, en
-daarom had hij besloten nog hedenavond tot haar te gaan.
-
-De avond was gevallen, toen Ben-Hur opstond en van den berg afdaalde.
-Vlak bij de bedding van de beek Kedron ontmoette hij een herder, die
-zijne schapen naar de markt bracht. Hij sloot zich bij dien man aan, en
-trad aan zijne zijde door de Vischpoort de stad binnen.
-
-
- * * * * *
-
-
-VIERDE HOOFDSTUK.
-
-EEN ZWARE STRIJD.
-
-
-Het was reeds geheel donker, toen Ben-Hur van den herder afscheid nam en
-eene nauwe straat insloeg, die naar het zuidelijk gedeelte der stad
-voerde. Enkele menschen, die hem tegenkwamen, groetten hem, en nog nooit
-hadden de welbekende woorden hem zoo liefelijk in de ooren geklonken.
-De huizen aan beide zijden der straat waren laag en somber. Alle deuren
-waren gesloten. Het gevoel zijner eenzaamheid, de duisternis, de
-onzekerheid, waarin hij verkeerde, dat alles stemde hem droevig.
-
-Zoo kwam hij bij het diepe waterbekken, thans bekend als de vijver van
-Bethesda. Voor hem verhief zich de burcht Antonia als een zwarte
-dreigende steenklomp. Hij bleef staan. Zoo sterk, zoo hecht en
-onaantastbaar verhief zich het gevaarte, dat hij het wanhopige van zijn
-streven gevoelde. Als zijne moeder achter die muren zuchtte, wat
-vermocht hij dan om haar te redden?... Door geweld niets. Werpspietsen
-en stormrammen zouden tevergeefs hunne kracht op de rots beproeven;
-list ... ach, die wordt zoo gemakkelijk verijdeld. En God, de laatste
-toevlucht van hulpbehoevenden, toeft dikwijls zoo lang met zijne hulp!
-
-Met sombere voorgevoelens in 't hart ging hij verder, de volgende straat
-in. Een nachtverblijf zou hij zich later wel zoeken in de nieuwe wijk
-Bezetha, waar een herberg was; nu eerst naar Amrah.
-
-Juist ging de maan op en verspreidde naar zilveren glans over de tot nog
-toe onzichtbare voorwerpen in het westen, zoodat de hooge torens op den
-berg Sion helder en klaar tegen den donkeren achtergrond afstaken.
-
-Eindelijk bereikte hij het ouderlijke huis. Voor de noordpoort bleef hij
-staan en las het aanplakbiljet: Dit is het eigendom des keizers.
-
-Sedert dien vreeselijken dag was niemand door die poort in- of
-uitgegaan. Zou hij als naar gewoonte kloppen? Hij wist, dat het
-vergeefsche moeite zou zijn, toch kon hij de verzoeking niet wederstaan.
-Amrah zou het wellicht hooren en uit een der vensters kijken. Hij raapte
-een steen van den grond, ging de brede trappen op en klopte driemaal.
-Slechts de echo antwoordde. Hij klopte nogmaals, en nogmaals, doch
-bemerkte geen teeken van leven. Hij ging naar den overkant der straat en
-bespiedde de vensters, doch er was niets te zien. Hij liep het huis
-om--ook daar was de deur verzegeld en van een opschrift voorzien.
-Ben-Hur las het en ontstak in woede. Hij rukte het opschrift af, wierp
-het op den grond en vertrapte het. Toen zette hij zich neder op de stoep
-en bad dat de nieuwen koning toch spoedig komen mocht. Langzamerhand
-werd hij kalmer, de vermoeienis na de langen dagreis deed zich gevoelen,
-hij strekte zich uit en viel weldra in slaap.
-
-Een weinig later kwamen twee vrouwen de straat af van de andere zijde.
-Angstvallig vervolgden zij haren weg en bleven dikwijls staan om te
-luisteren. Bij den hoek van het huis gekomen hielden zij stil, en zeide
-eene van haar met gedempte stem: Dit is het, Tirza!
-
-Tirza zag het huis aan, greep haar moeders hand, boog het hoofd, en
-begon te weenen.
-
---Laat ons verder gaan, mijn kind, want zoodra het dag wordt jagen zij
-ons de stad uit.
-
---Ach, ik had het bijna vergeten, snikte Tirza. Ik verbeelde mij dat wij
-naar huis gingen. Maar wij zijn melaatsch en hebben geen tehuis. Wij
-behooren tot de dooden!
-
---Kom, Tirza, wij hebben nu niets te vreezen. Kom mee, zeide de moeder
-troostend.
-
-'t Was waar, reeds alleen door het opsteken harer handen zouden zij een
-geheel leger op de vlucht hebben kunnen drijven.
-
-Met onhoorbaren tred slopen zij, twee spookgestalten gelijk, den hoek
-om, totdat zij voor de poort kwamen en het opschrift lazen: Dit is het
-eigendom des keizers.
-
-Toen wrong de moeder in stomme smart hare handen, hief de oogen ten
-hemel en kermde overluid.
-
---Moeder, wat scheelt er aan? U doet mij schrikken!
-
---Ach, kind, hij is dood!
-
---Wie, moeder?
-
---Uw broeder! Zij hebben hem alles afgenomen, zelfs dit huis! Nu zal hij
-ons nooit kunnen helpen!
-
---Wat moeten wij doen, moeder?
-
---Morgen, mijn kind, moeten wij aan den weg gaan zitten en bedelen,
-zooals de melaatschen dat gewoon zijn. Wij moeten bedelen, of--!
-
---Laat ons sterven, moeder, liever sterven!
-
---Neen, zeide de moeder op vasten toon. God heeft onzen tijd bepaald, en
-wij gelooven in Hem. Wij zullen op Hem blijven vertrouwen, ook hierin.
-Kom!
-
-Al sprekende had zij Tirza's hand gevat en spoedde zich naar de
-westzijde van het huis, steeds dicht langs den muur loopende. Daar zij
-nergens iemand zagen, gingen zij door, maar schrikten terug voor het
-heldere maanlicht, dat de straat bescheen. De moeder hervatte zich
-echter spoedig, wierp een smartelijken blik op de vensters aan deze
-zijde van het huis, en stapte moedig vooruit in het licht, Tirza met
-zich voerend.
-
-Nu kon men eerst recht zien hoe vreeselijk de verwoesting was, die de
-ziekte had teweeggebracht. Lippen, wangen, oogen, handen droegen er de
-sporen van, maar het afzichtelijkst was wel het hoofdhaar, dat in lange,
-stijve, klamme lokken neerhing, en evenals de wenkbrauwen een akelig
-witte kleur had. Moeder en dochter waren niet van elkander te
-onderscheiden, beiden waren even onnatuurlijk verouderd.
-
---Stil, zeide de moeder op eenmaal, daar ligt iemand op de stoep te
-slapen, een man.
-
-Snel staken zij de straat over en gingen in de schaduw voort, totdat zij
-tegenover de poort kwamen, waar zij bleven stilstaan.
-
---Blijf even hier. De man slaapt, ik wil beproeven of de poort dicht is.
-
-Dit zeggende stak zij de straat over en duwde zacht tegen een der
-deuren, maar juist op dat oogenblik slaakte de vreemdeling een zucht,
-bewoog zich onrustig in zijn slaap en draaide het hoofd om, zoodat zijn
-gelaat duidelijk zichtbaar werd. Zij zag hem aan en ontstelde hevig,
-keek nogmaals, bukte zich een weinig, kwam weer overeind, vouwde de
-handen en hief de oogen ten hemel in stil gebed. Een oogenblik slechts,
-toen ging zij ijlings naar Tirza terug.
-
---Kind, Tirza! dat is mijn zoon, uw broeder! fluisterde zij zacht, greep
-hare dochter bij de hand en vervolgde: Laat ons hem samen aanschouwen,
-even slechts, en dan, o God, help dan uwe dienstmaagden!
-
-Onhoorbaar staken zij de straat over. Toen zij vlak bij hem waren gekomen,
-bleven zij staan. Een van zijne handen was afgegleden en rustte op de
-stoep. Tirza viel op hare knieen en wilde die hand kussen, maar de moeder
-trok haar terug. Pas op, kind, vermaande zij, wat woudt gij doen? Onrein!
-Onrein!
-
-De arme Tirza week verschrikt achteruit, alsof haar broeder de melaatsche
-was.
-
-Ben-Hur was schoon om aan te zien. Zijn gelaat was verbrand door de zon,
-mar de lippen waren rood, de tanden wit, en de golvende baard verborg
-niet den fraaien vorm van kin en hals. Hoe schoon was hij in zijn
-moeders oogen! Hoe smachtte zij er naar hem in hare armen te nemen en
-aan haar hart te drukken. Waaruit putte zij de kracht om niet aan dat
-verlangen toe te geven? Juist uit hare liefde voor hem. Voor niets ter
-wereld zou zij, de melaatsche, een kus hebben willen drukken op zijne
-wang. Toch wilde zij hem aanraken. Op hetzelfde oogenblik dat zij hem
-vond, moest zij voor altijd afscheid van hem nemen, dat, zij wist het,
-werd van haar geeischt. Bittere, bittere gedachte!
-
-Zij knielde naast hem neder en drukte zacht hare lippen tegen de zool
-van zijn sandaal, hoe bestoven die ook was; zij kuste die nog eens en
-nog eens. Haar gansche ziel lag in die kussen.
-
-Daar bewoog hij zich weer en prevelde in zijn slaap: Moeder ... Amrah,
-waar is ...
-
-Het was bijna te veel voor de arme vrouw. Zij drukte haar gelaat tegen
-de steenen, om haar snikken te smoren, want haar hart dreigde te breken.
-Bijna wenschte zij dat hij wakker mocht worden. Hij dacht immers aan
-haar in den slaap, en mocht hij dan niet weten, dat zij zoo dicht bij
-hem was? Maar de tijd drong. Zij stonden op ... nog een langen blik, een
-laatste blik, en weer staken zij de straat over. In de schaduw zetten
-zij zich neer, wachtend, ja, waarop? Op het een of ander, zij wisten
-zelf niet wat.
-
-Nog niet lang hadden zij zoo gezeten, of een andere vrouw kwam den hoek
-van het huis om. Zij zagen haar duidelijk: een kleine vrouw, gebogen van
-houding, donker van kleur, eenvoudig, maar netjes gekleed. Zij had een
-mand met eetwaren bij zich.
-
-Toen zij den man op de stoep bemerkte bleef zij staan, bezon zich echter
-en kwam zachtkens naderbij. Zonder hem aan te raken ging zij naar de
-poort, en stak hare hand door eene in de linkerdeur aangebrachte
-opening.
-
-Een van de planken week op zij, de vrouw schoof er de mand door en wilde
-zelve volgen, toen zij, door nieuwsgierigheid gedreven, nog even staan
-bleef om een blik op het gelaat van den vreemdeling te werpen.
-
-De toeschouwers van den overkant hoorden een verbaasden uitroep, zagen
-dat de vrouw haren oogen wreef, alsof zij een droombeeld dacht te
-zien,--zij zagen haar zich over hem heenbuigen, de hand des slapers
-vatten en met kussen overdekken ... wat moeder en zuster ook zoo gaarne
-zouden gedaan hebben, maar niet durfden.
-
-Door die aanraking gewekt trok Ben-Hur zijne hand terug, en zag
-tegelijkertijd de vrouw aan. Daar sprong hij overeind en riep blijde:
-Amrah! o Amrah! Zijt gij daar eindelijk?
-
-Zij antwoordde niet, maar viel hem om den hals en snikte luid.
-
---Goede Amrah, hoorde zijne moeder hem zeggen, wat ben ik blij u te
-zien; maar zeg mij gauw wat gij van moeder en Tirza weet. Waar zijn zij?
-Gij hebt haar natuurlijk gezien. Zijn zij thuis?
-
-Maar Amrah schreide slechts te heviger. Tirza maakte een beweging, maar
-de moeder, haar voornemen radende, hield haar tegen en fluisterde: Ga
-niet, voor niets ter wereld. Onrein! Onrein!
-
-Neen, al moest haar hart ook breken, haar zoon zou niet worden wat zij
-waren.
-
---Woudt gij naar binnen gaan? vraagde Ben-Hur aan Amrah. Kom dan. Ik ga
-met u mee. De Romeinen, dat 's Heeren wraak hen treffe, liegen. Dat is
-mijn huis. Kom, Amrah, laat ons naar binnen gaan.
-
-Zij traden binnen en sloten de deur, die nooit meer open zou gaan voor
-de arme moeder en hare dochter. Zij hadden het offer gebracht. Zij bogen
-zich diep in het stof. Men vond haar den volgenden morgen, en dreef haar
-met steenen de stad uit. Weg met u! Gij behoort tot de dooden! Gaat naar
-de dooden! riep men haar na.
-
-
- * * * * *
-
-
-VIJFDE HOOFDSTUK.
-
-AMRAHS TROUW.
-
-
-Als de hedendaagsche reiziger den Koningstuin bij Jeruzalem bezoeken
-wil, neemt hij zijnen weg door de bedding der beek Kedron, of langs den
-Gihon en Hinnom, tot aan de oude fontein Rogel, drinkt dan van het
-heerlijke water, en staat stil, want hij heeft het uiterste punt bereikt
-van het bezienswaardige in die richting. Hij werpt een blik op de groote
-steenen, die de bron omringen, onderzoekt hoe diep zij wel is, glimlacht
-over de primitieve manier van waterscheppen, en geeft misschien een
-aalmoes aan de arme ziel, die er de wacht bij houdt. Keert hij zich
-daarna om, dan rusten zijne oogen op de bergen Moria en Sion ten
-noorden, den Berg der Ergernis aan zijne rechterhand, en den Berg van
-den Slechten Raad ter linkerzijde, welke bergen hij, zoo hij ten minste
-thuis is in de bijbelsche geschiedenis en in de overlevering, met groote
-belangstelling zal gadeslaan.
-
-De beide laatste bergen zijn vol spelonken en holen, die toen ten tijde,
-evenals de graven in het dal, tot woonplaats strekten aan de uit de stad
-verdreven melaatschen.
-
-Op den tweeden morgen na de gebeurtenissen in het vorige hoofdstuk
-vermeld, begaf Amrah zich naar de bron Rogel, en ging bedaard op een
-steen zitten. Zij had een waterkruik bij zich en een mandje, waarvan de
-inhoud met een sneeuwwitten doek bedekt was. Toen zij gezeten was,
-maakte zij haar hoofddoek los, vouwde de handen om hare knieen en
-staarde peinzend naar den Akker des Pottenbakkers, later Akeldama
-genoemd.
-
-Het was nog zeer vroeg, nog niet volkomen dag en zij was de eerste bij
-de bron. Niet lang daarna echter kwam een man met een touw en een leeren
-emmer en hield zich gereed om water te putten. Men kon indien men dat
-verkoos zichzelf helpen, maar anders was hij bereid om voor een
-kleinigheid de grootste kruiken te vullen.
-
-Amrah bleef stil zitten en bewaarde het zwijgen. Na een poosje vraagde
-de man, of zij haar kruik soms gevuld wilde hebben, en toen zij
-antwoordde: Nog niet,--lette hij verder niet op haar. Toen het volkomen
-dag geworden was, kwamen zijne gewone klanten, zoodat hij zijne handen
-vol werk had.
-
-Terwijl Amrah nog altijd zit te wachten en uit te kijken, zullen wij
-zien met welk doel zij daar kwam.
-
-Zij was gewoon 's avonds ter markt te gaan. Onopgemerkt sloop zij dan
-het huis uit, en begaf zich naar de winkels bij de Vischpoort, in het
-oosten der stad, waar zij hare inkoopen deed, om daarna weder even
-geheimzinnig in huis te komen. Hoe gelukkig zij was, dat zij haar jongen
-meester weer bij zich had, kan men zich voorstellen. Zij kon hem echter
-niets vertellen van zijne moeder en zuster. Hij trachtte haar over te
-halen een andere woning te betrekken, maar zij was er niet toe te
-bewegen. Gaarne zou zij gezien hebben, dat hij zijn oude kamer weer
-betrokken had, die onveranderd dezelfde gebleven was, maar het gevaar
-van ontdekt te worden was te groot, en hij wilde zoo min mogelijk de
-aandacht trekken. Hij bleef dus bij zijn voornemen om in de herberg der
-wijk Bezetha te overnachten, en beloofde Amrah zoo dikwijls mogelijk bij
-haar te zullen komen, maar altijd 's avonds laat. Hiermede moest zij
-zich tevreden stellen, en van nu was zij op niets anders bedacht, dan
-hoe zij hem genoegen zou kunnen doen. Dat het kind intusschen man
-geworden was scheen niet bij haar te wegen, en de mogelijkheid dat zijn
-smaak veranderd kon zijn, kwam niet bij haar op, waarom zij hem als van
-ouds dacht te bedienen. Zij herinnerde zich nog goed waar hij het meest
-van gehouden had, en nam zich voor te zorgen dat zij daar altijd genoeg
-van in huis had. Daarom ging zij de volgenden avond wat vroeger uit dan
-gewoonlijk, en terwijl zij een winkel binnenging om honig te koopen
-gebeurde het, dat zij op een groepje menschen stuitte, geschaard rondom
-een werkman, die hun een verhaal deed.
-
-Wat dat voor een verhaal was, zal de lezer wel begrijpen, als hij
-verneemt, dat de verteller een der werklieden was, die den commandant
-van den burcht Antonia bijgelicht hadden, toen hij de gevangenen in cel
-VI bezocht. Hij vertelde alles wat hij gehoord en gezien had tot in de
-kleinste bijzonderheden, ook den naam der ongelukkige slachtoffers.
-
-Met welke gevoelens de trouwe Amrah naar die tijding luisterde valt niet
-te beschrijven. Zij deed hare inkoopen en keerde als in een droom
-huiswaarts. Welk eene verrassing kon zij den jongen meester nu bereiden!
-Zij had zijne moeder gevonden!
-
-Thuis gekomen bergde zij het gekochte weg, en lachte en schreide te
-gelijk. Eensklaps bleef zij onbewegelijk staan en dacht een oogenblik
-na. Ach, het zou immers zijn dood wezen, als hij hooren moest, dat zijne
-moeder en zuster melaatsch waren! Zonder twijfel zou hij naar dat oord
-der verschrikking bij den berg gaan en de besmette spelonken doorzoeken,
-totdat hij ze gevonden had. Dan zou de ziekte ook hem aantasten en zou
-hij haar lot moeten deelen. Zij wrong wanhopig de handen. Wat moest zij
-doen!
-
-Evenals menigeen voor en na haar hielp de liefde haar uit den nood.
-
-De melaatschen, dat wist zij, waren gewoon 's morgens hunne holen te
-verlaten, om het benoodigde drinkwater uit de bron Rogel te halen. Zij
-brachten hunne waterkruiken mede, zetten die op den grond, en stonden
-dan van verre te wachten, totdat zij gevuld waren. De wet was
-onverbiddelijk en liet geen onderscheid toe tusschen rijken of armen.
-Hare meesteres en Tirza zouden dit ook moeten doen.
-
-Zoo besloot Amrah dan niets te zeggen van hetgeen zij gehoord had, maar
-eerst naar de bron te gaan en daar te wachten. Honger en dorst zouden de
-ongelukkigen derwaarts drijven, en zij geloofde zeker haar op het eerste
-gezicht te zullen herkennen; zoo niet, dan zouden zij het haar doen.
-
-Intusschen kwam Ben-Hur thuis en had veel met haar te bespreken. Morgen
-zou Malluch komen, dan zouden zij terstond met het onderzoek beginnen.
-Hij verlangde er vurig naar. Om zich wat afleiding te bezorgen wilde hij
-de heilige plaatsen op den tempelberg gaan bezoeken. Het geheim woog de
-arme Amrah wel zwaar op het hart, maar zij wist zich te beheerschen en
-zweeg.
-
-Na zijn vertrek zette zij zich aan den arbeid en maakte eenige
-kostelijke spijzen gereed. Zoodra de sterren verbleekten en de eerste
-morgenschemering aanbrak pakte zij hare mand vol, nam een waterkruik en
-sloeg den weg in naar de bron Rogel, waar wij haar zien wachten.
-
-Kort na zonsopgang, toen de bezoekers vele waren en de man de handen vol
-werk had, toen zelfs een half dozijn emmers te gelijk werd neergelaten,
-daar iedereen zich haastte om weg te komen, voordat de koele morgen
-plaats maakte voor de hitte des daags, kwamen ook de arme spelonkbewoners
-te voorschijn. Zij naderden in groepjes, vrouwen met kruiken op den
-schouder, oude en zwakke mannen leunende op krukken en stokken, of op
-den schouder van een jongere, sommige zelfs op draagbaren uitgestrekt,
-ook enkele kinderen. Van hare zitplaats hield Amrah trouw de wacht. Meer
-dan eens meende zij haar te zien, dien zij zocht. Dat zij op den berg
-waren betwijfelde zij niet; dat zij komen moesten en zouden wist zij.
-Als al de anderen gereed waren zouden zij komen, dat stond bij haar
-vast.
-
-Aan den voet van den berg was een grafspelonk, die meer dan eens Amrah's
-opmerkzaamheid getrokken had door haar wijden ingang. Een bijzonder
-groote steen lag bij de opening. Gedurende het heetst van den dag wierp
-de zon hare stralen in het oogenschijnlijk onbewoonde en onbewoonbare
-hol. En zie, juist uit die spelonk zag de geduldige Egyptische tot hare
-verbazing twee vrouwen komen, waarvan de eene de andere leidde en
-steunde. Beider haar was wit, beiden schenen reeds oud te zijn, maar
-hare kleeding was netjes en goed. Zij zagen rondom zich, alsof alles
-haar vreemd was. Verbeeldde Amrah het zich, of schrikten die twee, toen
-zij hare deelgenooten in de ellende zagen? 't Waren maar kleinigheden,
-die zij opmerkte, maar zij deden haar hart sneller kloppen en hare
-aandacht uitsluitend op die twee vrouwen vestigen.
-
-De twee melaatschen bleven een oogenblik bij den steen staan, en gingen
-toen langzaam en alsof het loopen haar moeilijk viel naar de bron,
-waarop verscheidene stemmen haar toeriepen te blijven waar zij waren;
-maar 't scheen alsof zij het niet begrepen, want zij gingen door. De
-putbewaarder nam eenige steentjes op om haar daarmede te verdrijven, de
-omstanders wierpen haar vloeken naar 't hoofd, en de andere melaatschen
-riepen luid: Onrein! Onrein!
-
---Ja zeker, dacht Amrah, die twee zijn vreemd en kennen de gebruiken der
-melaatschen niet.
-
-Zij stond op, ging haar te gemoet met haar mandje en kruik, en terstond
-hield het rumoer aan de bron op.
-
---Hoe dwaas, zeide een lachend, zulk goed eten aan de dooden te geven!
-
---En er nog wel zoo ver voor te komen, zeide een ander. Ik zou ze
-tenminste aan de poort bescheiden.
-
-Amrah stoorde zich niet aan de praatjes en volgde de inspraak van haar
-hart. Toch was zij er nog niet geheel zeker van. Als zij zich eens
-vergiste! De moed ontzonk haar bijna, en hoe dichter zij bij de twee
-vrouwen kwam, des te meer raakte zij aan het twijfelen. Op een afstand
-van tien of twaalf voetstappen bleef zij staan. Kon dat de geliefde
-meesteres zijn, wier edele trekken zij zoo trouw in dankbaar aandenken
-bewaard had? En kon dat Tirza zijn, die zij van klein af verzorgd had,
-met wie zij gespeeld had? Dat de lieve, mooie, vroolijke Tirza, de
-zonnestraal in het groote huis? Onmogelijk. Het aanschouwen dier
-rampzaligen maakte haar ziek.
-
---Dit zijn oude vrouwen, zeide zij tot zichzelve. Ik heb ze vroeger
-nooit gezien; ik zal maar teruggaan.
-
-Zij keerde zich om en ging.
-
---Amrah! riep een der beide melaatschen.
-
---Wie roept mij? vraagde Amrah bevend.
-
---Amrah!
-
---Wie zijt gij? vraagde zij.
-
---Wij zijn, die gij zoekt.
-
-Amrah viel op hare knieen.
-
---O lieve, lieve meesteres! Uw God, die ook de mijne is, zij geloofd en
-geprezen, dat ik u heb mogen vinden!
-
-De trouwe ziel kroop op de knieen naar haar toe.
-
---Pas op, Amrah! Kom niet dichterbij. Onrein! Onrein!
-
-Amrah, dus tegengehouden, bedekte haar gelaat met beide handen en snikte
-zoo luid, dat de menschen bij de bron het hoorden. Eensklaps richtte zij
-zich op en vraagde: Lieve meesteres, waar is Tirza toch?
-
---Hier ben ik, Amrah, hier! Zoudt gij mij wat water willen geven?
-
-Amrah sprong op, streek zich het haar uit de oogen, en nam den doek van
-haar mandje. Zie, sprak zij, ik heb wat brood en vleesch voor u
-meegebracht.
-
---Dat is goed van u, Amrah. Wilt gij nu wat water voor ons halen? dan
-nemen wij het mee naar de spelonk. Meer moogt gij vandaag niet voor ons
-doen.
-
-De lieden bij de bron, die dit alles van verre hadden gadegeslagen,
-gingen voor Amrah op zijde, en hielpen haar zelfs de kruik vullen,
-zoozeer wekte haar zichtbare droefheid hun medelijden op.
-
---Wie zijn dat? vraagde eene vrouw.
-
-Zacht antwoordde Amrah: Zij zijn goed voor mij geweest.
-
-Toen de kruik gevuld was zette zij die op haar schouder en spoedde zich
-naar de melaatschen terug. In haren ijver zou zij tot vlak bij haar
-gegaan zijn, maar de kreet: Onrein! Onrein! hield haar nog intijds
-tegen. Zij zette de kruik naast het mandje, en ging een paar stappen
-terug.
-
---Hartelijk dank, goede Amrah, gij hebt braaf gehandeld.
-
---Kan ik nog iets voor u doen?
-
-De moeder had de kruik reeds opgenomen en hoewel zij versmachtte van
-dorst zette zij haar weder op den grond en zeide: Ja. Ik weet dat Juda
-thuis gekomen is. Ik zag hem eergisteravond op de stoep liggen slapen,
-en ik zag u, toen gij hem wakker maaktet.
-
-Amrah sloeg de handen ineen en riep: Dat zaagt gij, en kwaamt niet bij
-ons.
-
---Dat mocht ik immers niet doen. Ach, Amrah, ik kan mijn zoon nooit meer
-in de armen nemen, hem nooit meer aan mijn hart drukken. Amrah, ik weet
-dat gij hem liefhebt, niet waar?
-
---Ja, ja, ik wil als 't noodig is voor hem sterven, riep de trouwe ziel.
-
---Welnu, geef mij daar een bewijs van.
-
---Al wat gij wilt.
-
---Dan moogt gij hem niet zeggen waar en hoe gij ons gevonden hebt.
-Anders niet.
-
---Maar hij zoekt u overal! Hij is van verre gekomen om u te zoeken!
-
---Hij mag ons niet vinden. Hij mag niet worden wat wij zijn. Luister,
-Amrah. Blijf ons dagelijks van het noodige voorzien, zooals gij heden
-deedt. Het zal niet lang noodig zijn, neen, niet lang. Kom 's morgens en
-'s avonds en vertel ons van hem; maar tegen hem geen woord over ons.
-Belooft gij mij dat, Amrah? drong de moeder met trillende stem.
-
---Ach, 't zal mij zoo zwaar vallen te zien hoe hij u overal loopt te
-zoeken, en hem dan niet te kunnen of te mogen zeggen, dat u nog leeft!
-
---Kunt ge hem zeggen dat gij ons gezond en wel hebt aangetroffen, Amrah?
-
-Amrah snikte.
-
---Neen, vervolgde de moeder, en daarom moet gij zwijgen. Ga nu, en kom
-van avond terug, dan zien wij naar u uit. Tot zoolang, vaarwel!
-
-Amrah bleef geknield liggen, totdat moeder en dochter in de spelonk
-verdwenen waren. Toen keerde zij bedroefd huiswaarts. Dienzelfden avond
-kwam zij terug en deed dat voortaan dag aan dag, zoodat het de
-uitgestootenen aan niets ontbrak. De spelonk, hoe eenzaam en verlaten
-ook, was toch niet zoo somber, als de cel in den burcht. Het daglicht
-stroomde naar binnen, zij waren in de vrije natuur, en het valt
-gemakkelijker geloovig den dood te verbeiden onder de open lucht, dan in
-een onderaardschen kerker.
-
-
- * * * * *
-
-
-ZESDE HOOFDSTUK.
-
-DE KAMPVECHTER.
-
-
-Aan den morgen van den eersten dag der zevende maand Tishri in 't
-Hebreeuwsch, October bij ons, verrees Ben-Hur van zijne legerstede in de
-herberg,--ontevreden met de geheele wereld.
-
-Na de aankomst van Malluch, nu anderhalve maand geleden, waren zij
-dadelijk aan het werk getogen. Malluch begaf zich allereerst naar den
-burcht Antonia, en wendde zich rechtstreeks tot den commandant, wien hij
-een omstandig verhaal deed aangaande het gebeurde met de familie Hur, en
-duidelijk deed uitkomen, dat bij het ongeluk aan Gratus overkomen geen
-sprake kon zijn van boosaardig opzet. Het doel van zijne nasporingen
-was, zeide hij, ingeval de ongelukkigen nog leefden, den keizer een
-smeekschrift aan te bieden, met verzoek om herstel van eer, rechten en
-goederen. Zulk een smeekschrift zou, daar twijfelde hij niet aan, een
-nauwkeurig onderzoek ten gevolge hebben, een onderzoek, waarvoor de
-vrienden der familie volstrekt niet vreesden.
-
-Tot antwoord deelde de commandant hem mede, dat de vrouwen in cel VI
-gevonden waren, en gaf hem de memorie ter inzage, die hijzelf opgesteld
-had, ja, stond zelfs toe dat Malluch er een afschrift van nam.
-
-Daarop haastte deze zich terug naar Ben-Hur.
-
-De jonkman was verplet hij het hooren van de vreeselijke tijding. Zijne
-smart was te groot om in tranen of hartstochtelijke uitbarstingen van
-woede verluchting te kunnen vinden. Doodsbleek bleef hij langen tijd
-voor zich uit staren, nu en dan bij zichzelven herhalende: Melaatsch!
-Zij--, moeder en Tirza--zij melaatsch! Hoe lang, o God, hoe lang?
-
-Het eene oogenblik was hij vol van deernis, het volgende smachtte hij er
-naar wraak te nemen. Eindelijk stond hij op.
-
---Ik moet ze gaan zoeken, Malluch! Misschien zijn zij stervend!
-
---Waar wilt gij zoeken? vraagde deze.
-
---Er is maar eene plaats, waarheen zij hebben kunnen gaan.
-
-Malluch trachtte het hem te ontraden, en slaagde er eindelijk in hem te
-overtuigen van de noodzakelijkheid er zich persoonlijk buiten te houden
-en alles aan hem, Malluch, over te laten. Te zamen gingen zij naar de
-poort tegenover den Berg van den Slechten Raad, sinds onheugelijke
-tijden de plaats, waar de melaatschen aan den weg zaten te bedelen. Daar
-bleven zij den ganschen dag, deelden aalmoezen uit, vraagden overal of
-men de twee vrouwen ook gezien had, en beloofden een rijke belooning aan
-ieder, die hare verblijfplaats kon aanwijzen. Dat hielden zij anderhalve
-maand lang dagelijks vol. De melaatschen, voor wie de uitgeloofde
-belooning een machtige drijfveer was, doorzochten ijverig den omtrek,
-maar tevergeefs. Ook de bewoonsters van de groote spelonk bij de bron
-werden meer dan eens ondervraagd, maar zij wisten haar geheim te
-bewaren.
-
---Waar kunnen zij toch gebleven zijn? vraagde Ben-Hur eindelijk
-ontmoedigd, om er dan in bitterheid des gemoeds op te laten volgen: Ach,
-zij zijn zeker dood; weggegaan--de wildernis in, en daar omgekomen.
-Moeder dood--Tirza dood--ik alleen overgebleven. En waarvoor? Hoe lang,
-o Heer, God mijner vaderen, hoe lang zal Rome mogen blijven bestaan?
-
-Toornig, hopeloos, wraakzuchtig trad hij den voorhof van de herberg in,
-en vond dien vol met menschen, welke gedurende den nacht waren
-aangekomen. Terwijl hij zijn ontbijt gebruikte luisterde hij naar hunne
-gesprekken. Een gezelschap trok hem vooral aan. Het bestond uit sterk
-gebouwde, geharde jonge mannen, wier manieren en spraak verrieden, dat
-zij uit de provincie kwamen. Uit hun oogopslag, uit de houding van hun
-hoofd sprak een geest, dien men niet bij de mindere klasse van Jeruzalem
-opmerkte, de geest, die een gevolg is van het vrije gezonde leven in een
-bergachtige streek. Weldra vernam hij, dat zij uit Galilea kwamen, en
-hoofdzakelijk naar Jeruzalem gekomen waren om deel te nemen aan het
-feest der Trompetten, dat op dien dag zou gevierd worden. Nu werd zijne
-belangstelling nog grooter, want in Galilea hoopte hij allereerst hulp
-te vinden voor het werk, dat hij weldra moest aanvaarden.
-
-Terwijl hij hen gadesloeg en naging wat hij met een legioen van zulke
-mannen, gedrild naar de strenge Romeinsche wetten, al niet zou kunnen
-uitrichten, kwam een man de herberg binnenloopen met gloeiend gelaat en
-schitterende oogen.
-
---Wat doet gij hier? vraagde hij de Galileers. De rabbijnen en Oudsten
-gaan juist uit den Tempel naar Pilatus. Haast u en komt mee, dan sluiten
-wij ons bij hen aan.
-
-In een oogwenk had hij de Galileers rondom zich.
-
-Naar Pilatus? Waarvoor?
-
---Zij hebben eene samenzwering ontdekt. Pilatus wil zijne nieuwe
-waterleiding betalen met geld uit den Tempelschat.
-
---Wat? Met het heilige geld? riepen verscheidene mannen met vlammende
-blikken. Het is geld van God. Laat hij probeeren er een penning van te
-nemen, als hij durft!
-
---Komt dan! riep de boodschapper. De stoet is al over de brug; geheel
-Jeruzalem is uitgeloopen en volgt hen. Wij zijn misschien noodig. Maak
-voort!
-
-Snel wierpen de mannen hun overtollige bovenkleeren af, en stonden daar
-blootshoofds en in de korte tunica zonder mouwen, die zij gewoon waren
-te dragen bij den veldarbeid, of bij de visscherij, de kleedij, waarin
-zij de kudden weidden op de bergen en de rijpe druiven plukten in den
-wijngaard.
-
---Wij zijn gereed, zeiden zij, hun gordels vaster aantrekkende.
-
-Toen sprak Ben-Hur hen aan. Mannen van Galilea, zeide hij, ik ben een
-zoon van Juda. Mag ik met u gaan?
-
---Het zal misschien tot een gevecht moeten komen.
-
---Welnu, in dat geval zal ik niet de eerste zijn, die op de vlucht gaat.
-
-Zij zagen hem lachend aan en de bode zeide: Gij ziet er sterk genoeg
-uit. Kom mee!
-
-Ben-Hur wierp zijn opperkleed af. Gij denkt dus dat er gevochten zal
-worden? vraagde bij koeltjes.
-
---Ja.
-
---Met wie?
-
---Met de wacht.
-
---Legioenen?
-
---Op wie anders kunnen de Romeinen zich verlaten?
-
---Welke wapenen hebt gij?
-
-Niemand antwoordde.
-
---Nu, zeide hij, wij zullen ons zoo goed mogelijk moeten verweren. Maar
-zou het niet verstandig zijn, als wij een aanvoerder kozen? De legioenen
-hebben er ook altijd een, en handelen daardoor eenparig.
-
-De Galileers staarden hem verbaasd aan, alsof zij van zoo iets nooit
-gehoord hadden.
-
---Laat ons ten minste afspreken bij elkander te blijven, zeide hij. Ik
-ben gereed. Gijlieden ook?
-
---Ja, laat ons gaan.
-
-De herberg, het zij hier even herinnerd, stond te Bezetha, de nieuwe
-stad, en om naar het Praetorium te gaan, zooals de Romeinen hoogdravend
-het paleis van Herodes op den berg Sion noemden, moesten onze vrienden
-de laaglanden ten noorden en westen van den Tempel oversteken. Na den
-heuvel Akra te zijn omgetrokken, bereikten zij den toren Mariamne.
-Vandaar was men in een paar minuten bij de groote poort van het paleis.
-Overal ontmoetten zij op hun weg lieden, die zich met hetzelfde doel
-hadden opgemaakt. Toen zij ten laatste de poort van het Praetorium
-bereikten, was de stoet van rabbijnen en Oudsten juist naar binnen
-gegaan met een groot gevolg achter zich, terwijl een nog grootere,
-luidruchtige menigte buiten wachtte.
-
-Een centurio bewaakte met een goed gewapende wacht den ingang. De zon
-wierp haar gloeiende stralen op de helmen en schilden der soldaten, maar
-bleven onbewegelijk staan, even onverschillig voor het oogenverblindend
-geflikker, als voor het gejoel der menigte. Door de openstaande bronzen
-poorten stroomden tal van burgers naar binnen, terwijl een veel kleiner
-getal er uit kwam.
-
---Wat is er aan de hand? vraagde een Galileer aan een man, die naar
-buiten kwam.
-
---Niets, antwoordde deze. De rabbi's staan voor de deur van het paleis
-en verlangen Pilatus te zien. Hij heeft geweigerd naar buiten te komen.
-Nu hebben zij hem doen weten, dat zij niet weg zullen gaan, voordat hij
-hen gehoord heeft. Zij wachten nog.
-
---Laat ons naar binnen gaan, zeide Ben-Hur bedaard, want hij zag wat
-zijne eenvoudige makkers waarschijnlijk niet zagen--dat men hier niet
-alleen met een verschil tusschen de rabbi's en den procurator te doen
-had, maar dat het eene zaak was, waar een beslissing op moest volgen, en
-dat nu maar de vraag was wie zijn zin zou krijgen.
-
-Zij traden binnen en kwamen in een voorhof, aan weerszijden met boomen
-beplant en van banken voorzien. Zich rechts keerend ging het gezelschap
-naar een ruime vierkante plaats, aan wier westzijde de woning van den
-procurator lag. Daar bewoog zich een opgewonden menigte. De oogen van
-allen waren op eene in een breeden doorgang aangebrachte deur gericht,
-die gesloten was. Onder dien doorgang was een tweede wacht geschaard.
-
-Het gedrang was zoo groot dat onze vrienden, al wilden zij nog zoo
-gaarne, niet vooruit konden komen. Zij bleven dus waar zij waren en
-gaven nauwlettend acht op wat er gebeurde. In de voorste rijen konden
-zij de hooge tulbanden der rabbijnen zien, wier ongeduld zich telkens
-openbaarde in den kreet: Pilatus, als gij procurator wilt zijn, kom dan
-naar buiten!
-
-Eenmaal kwam een der voorsten terug en baande zich een weg door de
-menigte; zijn gelaat gloeide van toorn. Israel wordt hier niet geteld,
-riep hij met luide stem. Op dezen gewijden grond behandelt men ons,
-alsof wij Romeinsche honden waren.
-
---Zal hij niet buiten komen, denkt gij?
-
---Buiten komen? Heeft hij niet reeds driemaal geweigerd?
-
---Wat zullen de rabbijnen doen?
-
---Wat zij te Cesarea deden: hier blijven wachten, totdat hij naar hen
-luistert.
-
---Hij zal toch den Tempelschat niet durven aanraken, denkt gij wel?
-vraagde een der Galileers.
-
---Wie zal het zeggen! Heeft niet een Romein het heilige der heiligen
-ontreinigd? Is iets heilig voor een Romein?
-
-Een uur ging voorbij, en ofschoon Pilatus hen geen antwoord waardig
-keurde, hielden de rabbijnen stand. Zoo ook de scharen. Tegen den middag
-begon het te regenen, hetgeen niet verhinderde, dat de menigte
-aangroeide en steeds rumoeriger en ontevredener werd. Kom naar buiten!
-Kom buiten! klonk het onophoudelijk.
-
-Intusschen hield Ben-Hur zijne Galileesche vrienden bijeen. Hij
-vermoedde dat de hoogmoed den Romein weldra zijn voorzichtigheid zou
-doen vergeten en het einde spoedig daar zou zijn. Pilatus wachtte
-slechts totdat het volk zelf hem een voorwendsel zou geven, om tot
-geweld zijn toevlucht te nemen.
-
-Het einde kwam dan ook werkelijk spoedig genoeg.
-
-Eensklaps hoorde men dat er slagen vielen, gevolgd door luide kreten van
-pijn en woede. Alles geraakte in beweging. De eerwaardige mannen voor de
-portiek keken verschrikt om. Het volk in de achterhoede drong vooruit,
-die in het midden stonden trachtten achteruit te wijken, en gedurende
-een oogenblik was de drukking van twee kanten verschrikkelijk. Duizenden
-stemmen vraagden wat er gebeurd was, maar niemand kon het antwoord
-geven.
-
-Ben-Hur behield zijne bedaardheid. Kunt gij zien wat daar geschiedt?
-vraagde hij een der zijnen.
-
---Neen.
-
---Ik zal u optillen.
-
-Hij greep den man met beide handen om het middel en tilde hem van den
-grond.
-
---Wat ziet ge?
-
---Mannen met knuppels gewapend. Zij slaan op het volk in. Zij zijn als
-Joden gekleed.
-
---Wie zijn het?
-
---Romeinen! vermomde Romeinen! Zij slaan er duchtig op los. Daar slaan
-zij een rabbi neer,--een oud man! Zij sparen niemand.
-
-Ben-Hur zette hem weer op den grond.
-
---Mannen van Galilea, zeide hij, het is een list van Pilatus. Als gij
-doen wilt wat ik zeg, zullen wij eens gauw met die knuppelaars
-afrekenen.
-
---Ja, ja! riepen zij eenstemmig.
-
---Laat ons dan teruggaan naar de boomen bij de poort, die zullen ons van
-dienst kunnen zijn. Komt!
-
-Zij liepen zoo hard zij konden terug, en met vereende krachten braken
-zij de dikste takken van de boomen. In korten tijd waren ook zij
-gewapend. Juist wilden zij optrekken, toen de menigte als razend op de
-vlucht sloeg en hun den weg dreigde af te snijden. Het was een geweldig
-rumoer: schreeuwen, kermen, vloeken.
-
---Langs den muur! beval Ben-Hur. Langs den muur! Laat den hoop
-voorbijgaan!
-
-Zij gehoorzaamden, drukten zich tegen den muur aan hunne rechterzijde,
-ontkwamen op die wijze het gevaar van te worden meegesleurd door den
-machtigen stroom, en drongen stap voor stap vooruit, totdat ten laatste
-de voorplaats bereikt was.
-
---Blijft nu bijeen, en volgt mij! riep Ben-Hur.
-
-Zijn meesterschap was ten volle erkend, en toen hij zich tusschen de
-woedende menigte wierp, volgden zij hem als een eenig man.
-
-Toen nu de Romeinen, die nog steeds met hunne knuppels zwaaiden en zich
-vroolijk maakten, als zij eenigen van het volk neersloegen, handgemeen
-werden met de Galileers, vlug van leden, vurig van geest, en eveneens
-gewapend, waren zij op hunne beurt verrast. Het tieren en razen werd
-heftiger, de slagen volgden elkander sneller en moorddadiger. Ben-Hur
-verrichtte wonderen van dapperheid. Zijn geoefende sterke hand miste
-nooit haar doel. Hij was te gelijk strijder en aanvoerder, altijd
-vooraan, altijd in 't heetst van het gevecht. In zijn krijgsgeschreeuw
-was iets dat zijne volgers bezielde en zijne vijanden met bezorgdheid
-vervulde. Weldra begonnen de Romeinen te wijken, eindelijk sloegen zij
-op de vlucht. De Galileers zouden hen tot aan de portiek hebben willen
-vervolgen, maar Ben-Hur hield hen wijselijk tegen.
-
---Niet verder, mannen! riep hij. Daar komt de hoofdman met de wacht. Zij
-hebben zwaarden en schilden. Tegen hen zijn wij niet opgewassen. Wij
-hebben ons flink gehouden; laat ons terugtrekken, de poort uit, terwijl
-wij nog kunnen.
-
-Langzaam trokken zij af. Gedurig moesten zij over hunne gevallen
-broeders heenstappen; sommige leefden nog en vraagden kermend om hulp.
-Maar de gesneuvelden waren niet allen Joden. Dat was een troostrijke
-gedachte.
-
-De hoofdman riep hen spot- en scheldwoorden na, maar Ben-Hur lachte hem
-uit en antwoordde in het Latijn: Als wij Joodsche honden zijn, zijt
-gijlieden Romeinsche jakhalzen. Blijf maar, wij zullen wel terugkeeren!
-
-De Galileers juichten hem toe en gingen lachend verder. Buiten de poort
-stond een saamgepakte menigte, straten, daken, berghelling, alles was
-vol met menschen, die hunne verontwaardiging luide lucht gaven.
-
-De wacht aan de buitenzijde liet de Galileers ongemoeid door. Toen zij
-een eindweegs gegaan waren, zeide Ben-Hur tot de Galileers: Broeders,
-gij hebt u dapper geweerd. Laat ons nu afscheid nemen, maar komt van
-avond bij mij in de herberg te Bethanie. Ik heb u een voorstel te doen
-in het belang van het geheele volk van Israel.
-
---Wie zijt gij? vraagden zij.
-
-Een zoon van Juda. Zult gij komen?
-
---Ja, wij zullen komen.
-
-Dit afgesproken zijnde ging ieder zijns weegs.
-
-Op bevel van Pilatus werden de dooden en gewonden weggedragen. Onder het
-volk was veel geween; maar die getuigen geweest waren van de overwinning
-der Galileers onder aanvoering van den onbekenden jongen held, vertelden
-overal wat er geschied was, en wachtten in spanning, of hij nog van zich
-zou doen hooren.
-
-Zoo had Ben-Hur den eersten stap gedaan om zich vrienden te maken onder
-de Galileers, en zich den weg gebaand tot grootere daden in dienst des
-Konings, die te komen stond.
-
-Met welk gevolg zullen wij weldra zien.
-
-
- * * * * *
-
-
-BOEK VII.
-
-
- * * * * *
-
-
-EERSTE HOOFDSTUK.
-
-DE HERAUT.
-
-
-De samenkomst in de herberg te Bethanie had dienzelfden avond plaats.
-Van daar begaf Ben-Hur zich met zijne volgelingen naar Galilea, waar men
-reeds van zijn moedig optreden gehoord had. Nog voor het einde van den
-winter had hij drie legioenen bijeen vergaderd en naar Romeinsche wijze
-ingericht. Hij zou gemakkelijk het dubbele getal hebben kunnen
-verzamelen, want de krijgsmansgeest was in het dappere volk ontwaakt.
-Zoowel tegenover Rome als tegenover Herodus Antipas waren echter de
-grootste voorzichtigheid en geheimhouding noodzakelijk. Zich dus voor
-het oogenblik tevreden stellende met drie legioenen, spande hij alle
-krachten in om hen te gewennen aan strenge tucht en gemeenschappelijken
-arbeid. Tot dat doel bracht hij de hoofdlieden naar de woeste streken
-van Trachonitis, en onderwees hen in het hanteeren der wapenen,
-inzonderheid van werpspies en zwaard, en in het aanvoeren van
-manschappen. Daarop zond hij hen naar huis terug, om op hunne beurt
-anderen te onderwijzen. Na weinig tijds waren deze oefeningen een
-geliefkoosde uitspanning onder het volk geworden.
-
-Natuurlijk vereischte deze werkzaamheid veel geduld, beleid, ijver en
-opoffering, hoedanigheden die onontbeerlijk zijn, zal men anderen kunnen
-bezielen. Hoe zwoegde hij van den ochtend tot den avond, zichzelf geheel
-vergetende! Toch zou hij niet geslaagd zijn zonder de hulp van Simonides,
-die hem van wapenen en geld voorzag, en van Ilderim, die hem proviand
-bezorgde en overal wachten had uitgezet.
-
-Voor de Galileers had hij niets dan lof. Onder dien naam waren de
-stammen Aser, Zebulon, Issaschar en Nafthali begrepen, die het land
-bewoonden, hun weleer door Mozes aangewezen. De Joden, die in den omtrek
-des Tempels geboren waren, verachtten hunne noordelijke broederen, maar
-zelfs de Talmud leerde: De Galileer bemint de eer, de Jood het geld.
-
-Hun haat tegen Rome was even vurig als hunne liefde voor het vaderland.
-Bij elken opstand waren zij de eersten om aan te vallen en de laatsten
-om te wijken. Honderdvijftigduizend Galileesche mannen hebben hun leven
-gelaten in den laatsten kamp tegen Rome. Voor de groote feesten trokken
-zij als geordende legerscharen op naar Jeruzalem en kampeerden in het
-open veld. Toch waren zij zeer vrijzinnig, en zelfs toegevend voor het
-heidendom. Op de schoone steden door Herodes in Romeinschen trant
-gebouwd, vooral op Sepphoris en Tiberias, waren zij zeer trotsch en
-droegen voor den bouw naar vermogen bij. Mannen uit alle oorden der
-wereld hadden hunnen woonstede onder hen en leefden er in vrede. Tot
-roem van den Hebreeuwschen naam brachten zij dichters en profeten voort,
-met name den zanger van het hooglied en Hosea.
-
-Op een volk met zoo rijke verbeelding, zoo hooghartig, dapper en trouw,
-moest het verhaal van de aanstaande komst des nieuwen konings machtig
-werken. Dat zijn doel was Rome ten onder te brengen zou reeds voldoende
-geweest zijn, om hem te winnen voor Ben-Hurs plannen, doch toen men hun
-daarenboven verzekerde, dat de koning de wereld zou regeeren en een rijk
-zou stichten, nog machtiger dan dat van Cesar, nog heerlijker dan dat
-van Salomo, en dat die heerschappij eeuwig zou voortduren, stroomden zij
-toe, en wijdden zij zich met lichaam en ziel aan 's konings zaak. Zij
-vraagden Ben-Hur vanwaar hij deze dingen wist--en hij wees hen op de
-profeten, en vertelde hun van Balthasar, die in Antiochie op de komst
-des konings wachtte. Dat voldeed hen, want het was de oude
-Messiasbelofte, naar wier vervulling zij reeds zoo lang hadden
-uitgezien. De droom zou dus eindelijk verwezenlijkt worden.
-
-De wintermaanden gingen voorbij. De lente kwam, en zoo voortreffelijk
-was hij met alles geslaagd, dat hij tot zichzelven en zijne volgelingen
-mocht zeggen: laat de koning nu maar komen. Hij heeft slechts te bevelen
-waar hij zijnen troon wil opgericht zien--wij zijn gereed om hem op
-zijnen troon te handhaven.
-
-De Galileers kenden hunnen aanvoerder alleen als een zoon van Juda. Een
-anderen naam had hij hun niet opgegeven.
-
- * * * * *
-
-Op zekeren avond zat Ben-Hur in Trachonitis met een paar van zijne
-Galileesche vrienden voor de spelonk, waar hij zijn hoofdkwartier had
-opgeslagen, toen een Arabische bode kwam aanrijden en hem een brief
-overhandigde. Hij verbrak het zegel en las:
-
- Jeruzalem IV Nisan.
-
- Een profeet is opgestaan, van wien men zegt dat hij Elias is. Hij
- heeft jarenlang in de wildernis geleefd, en in onze oogen is bij
- een profeet. Zijne taal maakt hem ook als zoodanig openbaar. In
- zijne prediking wijst bij steeds op een, grooter dan hijzelf, die
- weldra komen zal. Hij houdt zich op aan den oostelijken oever van
- den Jordaan. Ik ben hem gaan zien en hooren, en geloof vast dat
- degeen op wien hij wacht de koning is, dien gij verwacht. Kom en
- oordeel zelf. Geheel Jeruzalem gaat tot den profeet, en de plaats
- waar hij vertoeft is zoo vol, als de Olijfberg gedurende de laatste
- dagen van het Paaschfeest.
-
- Malluch.
-
-Ben-Hurs gelaat werd met een glans van vreugde overtogen. Mijne vrienden,
-zeide hij, ons wachten is ten einde. De heraut van den koning is verschenen
-en heeft zijne komst aangekondigd.
-
-Nadat hij hun den brief had voorgelezen, verheugden zij zich allen met
-groote blijdschap.
-
---Maakt u dus gereed, vervolgde hij, en keert morgenochtend huiswaarts.
-Doet al de uwen weten, dat zij zich gereed houden om op te trekken,
-zoodra ik het sein geef. Ik zal gaan zien, of de komst van den koning
-werkelijk zoo nabij is en het u doen weten.
-
-Hij ging de spelonk binnen om een brief te schrijven aan Ilderim en aan
-Simonides, waarin hij hun de zoo even ontvangen tijding mededeelde. De
-brieven verzond hij door ijlboden. 's Avonds, toen de sterren aan den
-hemel flonkerden, steeg hij te paard en begaf zich met een Arabischen
-gids op weg naar den Jordaan. Zijn plan was den weg te volgen tusschen
-Rabbath Ammon en Damascus, den weg, dien de karavanen gewoonlijk namen.
-
-De gids was vertrouwbaar. Aldebaran was vlug;--tegen middernacht hadden
-zij het lavagebied reeds achter zich en waren zij op weg naar het Zuiden.
-
-
- * * * * *
-
-
-TWEEDE HOOFDSTUK.
-
-EEN VERRASSING.
-
-
-Ben-Hur had gehoopt met het aanbreken van den dag een veilige rustplaats
-te zullen bereiken, maar de morgenstond overviel hem in de woestijn, en
-hij zette de reis voort, daar de gids hem verzekerde, dat zij weldra aan
-een door hooge rotsen ingesloten dal zouden komen, waar hij een bron,
-moerbeiboomen en gras in overvloed zou vinden.
-
-Nadat zij eenigen tijd zwijgend hadden doorgereden, vestigde de gids,
-die aanhoudend rondkeek, zijne aandacht op een gezelschap, dat, hoewel
-nog verre achter hen, denzelfden weg scheen te volgen.
-
---Het is een gezadelde kameel, zeide de gids een oogenblik later.
-
---Zijn er geleiders bij? vraagde Ben-Hur.
-
---Neen ... of ja, er is een man te paard bij, zeker de drijver.
-
-Een weinig later kon Ben-Hur zelf den kameel onderscheiden. Hij was wit
-en buitengewoon groot, en herinnerde hem terstond het schoone dier, dat
-hij bij de Castaliabron gezien had. Geen ander was dien kameel gelijk.
-Zijne gedachten vlogen terug naar de Egyptische, ongemerkt liet hij zijn
-paard langzamer gaan. Eindelijk zag hij dat de kameel een overdekte
-zonnetent droeg, waarin twee personen zaten. Als dat eens Balthasar en
-Iras waren? Zou hij zich aan hen bekend maken? Maar dat was immers niet
-mogelijk! Wat zouden zij hier in de woestijn doen, zij alleen?
-
-Terwijl hij de mogelijkheid of onmogelijkheid overdacht, was de kameel
-hem reeds op zijde gekomen. Hij hoorde het gerinkel der belletjes en zag
-de rijke versiering, die het volk aan de Castaliabron zoozeer bekoord
-had; ook den Ethiopier herkende hij. Toen de kameel het paard had
-ingehaald hield hij stil, en zag Ben-Hur de verbaasde oogen van Iras op
-zich gevestigd.
-
---De zegen van den waren God zij met u, zeide Balthasar.
-
---En met u en de uwen, antwoordde Ben-Hur.
-
---Mijne oogen zijn verzwakt door de jaren, zeide Balthasar, maar toch
-meen ik in u den zoon uit het huis van Hur te herkennen, dien ik onlangs
-ontmoet heb, als den geeerden gast van Ilderim.
-
---En gij zijt Balthasar, de wijze Egyptenaar, wiens gesprek over zekere
-heilige zaken mij nog in de ooren klinkt, te meer daar diezelfde zaak
-mij de reis door deze wildernis deed aanvaarden. En wat bracht u hier
-zoo alleen?
-
---Hij, die op God vertrouwt, is nooit alleen, en God is overal, zeide
-Balthasar ernstig. Maar in antwoord op uwe vraag diene, dat een
-karavaan, op weg naar Alexandrie, ons op korten afstand volgt, en daar
-zij Jeruzalem denkt aan te doen, dacht het mij goed gebruik te maken van
-haar geleide tot aan de Heilige Stad, waarheen ik op reis ben. Zij gaat
-mij echter te langzaam, daarom reden wij hedenmorgen vooruit. Voor
-roovers op den weg zijn wij niet bang, want wij hebben een geleibrief
-van Sheik Ilderim, en tegen roofdieren is God onze beschutting.
-
---De geleibrief van den Sheik is van kracht zoover de woestijn zich
-uitstrekt, en de leeuw, die dezen vorst der kameelen inhaalt, moet zeker
-nog geboren worden, zeide Ben-Hur, het dier op den hals kloppende.
-
---Ja, zeide Iras, maar ook hij verlangt naar het verbreken van zijn
-vasten. Koningen voelen daar ook wel de gevolgen van. Indien gij
-werkelijk de Ben-Hur zijt, dien ik het genoegen heb gehad reeds vroeger
-te ontmoeten, zal het u zeker een genoegen zijn ons den weg te wijzen
-naar een bron, want wij verlangen naar een teug frisch water.
-
---Schoone Egyptische, antwoordde hij, ik kan met u gevoelen. Kunt gij
-nog vijf minuten geduld oefenen, dan zal ik u bij eene bron brengen,
-wier water niet onderdoet voor dat van de beroemde Castaliabron.
-
-Dit gezegd hebbende reed Ben-Hur vooruit met den gids, daar het gesprek
-onder het rijden toch niet kon worden voortgezet. Na een korten rit kwam
-het gezelschap aan een _wady_. Hare bedding was zeer week door de regens
-van de laatste dagen en voerde vrij steil naar beneden. Weldra echter
-werd zij breeder en verliep ten slotte in een vruchtbare vallei, die, na
-de zandige eentonige vlakte, den indruk maakte van een paradijs. Eenige
-bloeiende oleanders, wier schitterend roode bloemen dadelijk de aandacht
-tot zich trokken, waren het sieraad van dit liefelijk oord. Een statige
-palmboom verhief zijn kruin ten hemel en bood den reizigers rust en
-koelte aan onder zijn breede takken. Een moerbezienboschje ter
-linkerzijde gaf de plaats aan waar de bron te vinden was.
-
-Het water stroomde uit een rotsspleet, die door een zorgende hand
-verbreed was, en waarboven in groote letters het woord GOD in het
-Hebreeuwsch gegraveerd stond. Zonder twijfel had hij, die de letters in
-den steen gegrift had, hier dagen lang getoefd, en op deze wijze zijne
-dankbaarheid geuit.
-
-Ben-Hur en de gids stegen af, de Ethiopier deed den kameel nederknielen,
-zoodat Balthasar en Iras de tent konden verlaten.
-
-De Egyptenaar keerde zijn gelaat naar het Oosten, vouwde de handen
-eerbiedig en bad.
-
---Geef mij een beker, beval Iras ongeduldig, en toen de Ethiopier haar
-onhandig een kristallen beker had gebracht, zeide zij tot Ben-Hur: Ik
-zal u bedienen.
-
-Te zamen wandelden zij naar de bron. Hij wilde water voor haar scheppen,
-maar zij stond het hem niet toe, knielde neder, vulde zelve den beker en
-bood hem dien aan.
-
---Neen, neen, zeide hij, het is aan mij u dezen dienst te bewijzen.
-
-Zij bleef echter aandringen, er bijvoegende: Wij, Egyptenaren, zoon van
-Hur, hebben een spreekwoord: Beter de schenker te zijn van den gelukkige,
-dan raadsman van een koning.
-
-Nu voegde Balthasar zich bij hen.
-
---Wij zijn u zeer verplicht, zeide hij, deze vallei is liefelijk; het
-gras, de boomen, de schaduw noodigen ons tot een rustig verblijf. De
-bron fonkelt in den zonneschijn en spreekt tot mij van een God vol
-liefde. Blijf bij ons en zit met ons aan.
-
---Laat ik u dan eerst met een dronk mogen verkwikken, zeide de jonkman,
-hem een vollen beker aanbiedende.
-
-Intusschen had de slaaf de tent opgeslagen en alles voor het ontbijt in
-gereedheid gebracht, waaraan door de reizigers alle eer bewezen werd.
-
-
- * * * * *
-
-
-DERDE HOOFDSTUK.
-
-ONSTERFELIJKHEID.
-
-
-De koele atmosfeer, de schoone bloemen, de sabbatsstilte, alleen
-verbroken door het zachte ruischen van het water en het gonzen der
-insecten, brachten den Egyptenaar in een opgewekte stemming.
-
---Toen wij u inhaalden, zoon van Hur, zeide hij, was uw gelaat naar
-Jeruzalem gekeerd. Mag ik u vragen of dat het doel uwer reis is?
-
---Ja, ik ben op weg naar de Heilige Stad.
-
---Wij ook, en daar ik mijne krachten sparen moet wensch ik er zoo
-spoedig mogelijk te zijn. Kunt gij mij ook zeggen, of er een korter weg
-is, dan die over Rabbath Ammon?
-
---Ik ga over Gerasa, en Rabbath Gilead, dat is veel korter, maar ook
-vermoeiender.
-
---Ik verlang naar het einde van de reis, zeide Balthasar. In den
-laatsten tijd droomde ik telkens denzelfden droom. Herhaaldelijk hoorde
-ik een stem, die mij toeriep: Haast u, maak u op! Hij, dien gij zoolang
-verwacht hebt, staat te komen.
-
---Gij bedoelt hem, die de koning der Joden zal worden? vraagde Ben-Hur
-verbaasd.
-
---Juist.
-
---Hebt gij dus nog niets van hem gehoord?
-
---Niets, behalve die woorden van mijn droom.
-
---Ziehier dan een tijding, die u zal verheugen.
-
-Uit de plooien van zijn gewaad haalde Ben-Hur den brief van Malluch te
-voorschijn. Balthasar strekte er de hand naar uit en las hem hardop.
-Toen hief hij zijne oogen dankend op naar den hemel. Hij deed geen
-vragen, maar twijfelde ook niet.
-
---Hoe goed zijt gij voor mij geweest, o God, zeide hij. Vergun mij, bid
-ik u, den Messias te zien, opdat ik hem moge aanbidden, en laat uw
-dienstknecht heengaan in vrede.
-
-De eenvoudige, vertrouwelijke bede maakte diepen indruk op Ben-Hur.
-Nooit had hij zoo Gods tegenwoordigheid gevoeld. Het was hem, alsof God
-hier persoonlijk bij hem was, een vriend, wien zij alles konden vragen,
-een vader, die al zijne kinderen evenzeer liefhad, een vader voor den
-zoon van Israel, zoowel als voor den heiden, een vader voor allen, wien
-allen naderen mochten zonder tusschenkomst van priesters of leeraars. De
-gedachte, dat zulk een God de menschheid een Verlosser zou kunnen zenden
-in plaats van een koning, kwam hem niet meer zoo vreemd voor, de vraag
-kwam zelfs bij hem op, of het niet veel meer overeenkomstig was met het
-wezen Gods. Daarom zeide hij: Denkt gij nu nog dat hij als Verlosser zal
-optreden en niet als koning?
-
---Wat zal ik daarop zeggen? antwoordde Balthasar. De geest, die mij
-weleer geleidde, is mij niet meer verschenen sinds ik u ontmoette in de
-tent van den goeden Sheik; ten minste niet op de vroegere wijze. Maar ik
-geloof dat die geest nu in mijne droomen tot mij spreekt. Een andere
-openbaring heb ik niet.
-
---Ja maar, zeide Ben-Hur, gij dacht dat hij een koning zou zijn, hoewel
-niet als de vorsten der aarde. Gij dacht dat zijne heerschappij
-geestelijk zou zijn, niet van deze wereld.
-
---O ja, luidde het antwoord, en dat geloof ik nog. Ik zie dat er
-verschil is in onze verwachting. Gij gaat om een koning van menschen te
-ontmoeten, ik ga om een behouder van zielen te zien.
-
-Hij hield even op, alsof hij naar de juiste woorden zocht om zijne
-meening duidelijk te maken.
-
---Laat mij trachten, zoon van Hur, u een juist begrip te geven van mijn
-geloof. Als ik u gezegd zal hebben waarom de geestelijke heerschappij,
-die hij zal uitoefenen, in ieder opzicht uitnemender is, dan enkel
-koninklijke pracht, zult gij mij beter begrijpen. Ik kan niet met
-zekerheid zeggen wanneer het denkbeeld, dat ieder mensch eene ziel
-heeft, ontstaan is. Waarschijnlijk brachten de eerste menschen het mede
-uit den hof in Eden. Dat het nooit geheel verloren ging weten wij allen.
-Waarom zou ieder mensch eene ziel hebben? Laat ons daar eens even bij
-stilstaan. Zich neder te leggen en te sterven, op te houden te bestaan
-werd nooit door eenig mensch begeerd. Allen zonder onderscheid zullen in
-het diepst hunner ziel wel op iets beters gehoopt hebben. De monumenten
-der volken zijn zoovele protesten tegen de vernietiging na den dood,
-evenzoo hunne standbeelden en opschriften, evenzoo de geschiedenis.
-De grootste onzer Egyptische koningen liet zijne beeltenis in een rots
-uithouwen. Dagelijks ging hij er met zijn gevolg heen om het werk te
-zien. Eindelijk was het gereed, de gelijkenis was treffend. Mogen wij
-ons nu niet voorstellen, dat hij, voor dat kunstwerk staande, gedacht
-heeft: Laat de dood vrij komen, ik leef in de toekomst voort!... Hij
-heeft zijn wensch gehad. Het beeld staat er nog.
-
-Maar waar bestaat het voortleven in, dat hij zich dus verzekerde? Alleen
-in de herinnering der menschen--een roem, vergankelijk als het schijnsel
-der maan op het groote beeld. En wat is intusschen van den koning
-geworden? In de koninklijke graven ligt een gebalsemd lichaam, dat
-eenmaal het zijne was. Maar waar, zoon van Hur, is de koning zelf? Is
-hij in het niet verzonken? Tweeduizend jaren zijn verloopen sedert hij
-op deze aarde leefde, als gij en ik. Was met zijn laatste ademtocht
-alles voor hem afgedaan? Zeggen wij ja, dan brengen wij eene
-beschuldiging in tegen God. Wij nemen daarom een beter en werkelijk
-leven na den dood aan, iets wat meer is dan een voortleven in de
-herinnering. Daarom gaf God ons bij de geboorte eene ziel, die
-onsterfelijk is. Denk nu eens aan het genot, dat in de gedachte ligt:
-Wij hebben een ziel. Deze gedachte ontneemt den dood zijne verschrikking,
-door het sterven te maken tot een verandering voor beter, en het
-begraven tot het zaaien van een zaad, waaruit een nieuw leven zal
-ontspruiten. Zie mij, oude man, aan, verzwakt naar het lichaam. Weldra
-zal het graf mij ontvangen, maar dan ook openen zich voor mij de
-onzichtbare deuren van Gods heerlijk huis, om mij, dat is mijne bevrijde
-onsterfelijke ziel, op te nemen. O, had ik woorden om dat heerlijke
-leven te schetsen! Zeg niets, dat ik er niets met zekerheid van weet.
-Dit weet ik, en dat is mij genoeg: een ziel te bezitten sluit in deel te
-hebben aan een goddelijke eigenschap. Zulk een verloste ziel heeft niets
-meer met het stof, met het onreine te maken; zij leeft in volkomen
-reinheid. Zal ik, dit geloovende, dan nog met mijzelven of met u gaan
-redeneeren over de bijomstandigheden? Over den vorm van mijne ziel, of
-over de behoefte aan spijs en drank, of hoe mijne ziel bekleed zal zijn?
-Neen, dat laat ik gerust aan God over. Het schoone in deze wereld komt
-alles uit zijne hand. Hij bekleedt de lelie, Hij geeft de roos haar
-kleurenpracht, Hij roept den dauwdroppel te voorschijn. De harmonie in
-de natuur is door Hem ontstaan. Hij maakt ons voor dit leven geschikt en
-stelde zijne voorwaarden vast. Zij zijn van dien aard, dat ik met volle
-gerustheid mijne ziel en het leven na den dood in zijne handen stel. Ik
-weet dat Hij mij liefheeft.
-
-Balthasar zweeg. Ben-Hur, ja zelfs Iras, was aangedaan. Voor den eerste
-ging een licht op. Hij begon in te zien, dat een geestelijk koningschap
-voor de menschheid van nog grooter belang kon zijn, dan een aardsch
-koninkrijk, en dat een Verlosser, meer dan de machtigste koning, een
-Gode waardige gave zou zijn.
-
-Na eenigen tijd verbrak Balthasar het stilzwijgen en zeide: Het wordt
-tijd dat wij opbreken en onze reis vervolgen. Ik brand van verlangen om
-hem te zien, die mijne gedachten geheel vervult. Laat dat verlangen
-mijne verontschuldiging zijn, zoon van Hur, als ik u tot spoed aanzet.
-
-Terwijl de Ethiopier alles weer opbergde bracht de Arabische gids de
-paarden voor, en weldra was het gezelschap op weg om de karavaan in te
-halen, die hen naar alle waarschijnlijkheid reeds vooruit gekomen was.
-
-
- * * * * *
-
-
-VIERDE HOOFDSTUK.
-
-DE HERAUT EN ZIJN KONING.
-
-
-Op den derden dag van de reis nam het gezelschap tegen den middag een
-weinig rust bij de beek Jabbok. Zij troffen daar ruim honderd mannen
-aan, grootendeels uit Perea, die hier met hetzelfde doel als zij
-vertoefden. Nauwelijks waren zij afgestapt, of een man trad op hen toe
-met een kruik water en bood hun een frisschen dronk aan, van welk aanbod
-zij gaarne gebruik maakten. De man bekeek intusschen den kameel en
-zeide: Wat een prachtig dier! Ik kom juist van den Jordaan, waar het
-dezer dagen druk bezocht is door reizigers van nabij en van verre, maar
-geen van hunne kameelen kan in de schaduw staan van dezen. Mag ik vragen
-van welk ras hij is?
-
-Balthasar bevredigde zijne nieuwsgierigheid en ging toen wat rusten,
-maar Ben-Hur vraagde: Waar is het zoo druk?
-
---Te Bethabara.
-
---Daar placht het vroeger heel eenzaam te zijn, zeide Ben-Hur, hoe komt
-het daar nu zoo vol?
-
---O, ik zie het al, zeide de vreemdeling, gij komt ook van buitenaf en
-hebt het goede nieuws nog niet gehoord.
-
---Welk goed nieuws?
-
---Er is een man uit de woestijn gekomen, een heilig man, die een nieuwe
-leer predikt. Hij noemt zich Johannes, den zoon van Zacharia, en hij
-zegt, dat hij de voorlooper is van den Messias. Men verhaalt van hem,
-dat hij van jongsaf gewoond heeft in een spelonk bij Engedi, en zijn
-tijd doorbracht met bidden en vasten. Geheele scharen gaan uit om hem te
-hooren. Ik ben er ook geweest.
-
---En deze mannen? Komen die er ook vandaan?
-
---Verscheidene, maar de meesten moeten nog gaan.
-
---Wat predikt hij?
-
---Een nieuwe leer, zooals nog nooit in Israel verkondigd werd, zegt men.
-Hij spreekt over bekeering en over den doop. De rabbi's weten niet wat
-zij van hem denken moeten. Sommigen vraagden hem of hij de Christus is,
-of Elia, maar hij antwoordt allen, die hem zulke vragen doen: Ik ben de
-stem des roependen in de woestijn, maakt den weg des Heeren recht!
-
-Op dit oogenblik werd hij weggeroepen. Kort daarna maakten Balthasar en
-Ben-Hur zich weder op, zoodat zij den volgenden dag het doel hunner reis
-bereikten.
-
-Een levendig tafereel trof hun oog. Een menigte tenten was langs de
-rivier opgeslagen, terwijl de beide oevers zwart van menschen waren.
-Toen ons gezelschap aankwam ontstond er beweging onder de schare,
-waaruit zij opmaakten, dat de spreker zijn rede geeindigd had.
-
---'t Beste wat wij kunnen doen is, dat wij hier blijven staan, zeide
-Ben-Hur, misschien komt de Nazireer dezen weg langs.
-
-Het volk was te zeer vervuld van het gehoorde om acht te slaan op de
-nieuw aangekomenen. Deze bleven waar zij waren en zagen gansche
-gezelschappen langs zich heen trekken. Reeds vreesden zij, dat zij den
-Nazireer heden niet meer te zien zouden krijgen, toen zij een man zagen
-naderen, wiens uiterlijk zoo zonderling was, dat zij voor niets anders
-meer oogen hadden. Lange zwarte lokken omgaven zijn vermagerd, ernstig
-gelaat, waarin een paar groote fonkelende oogen terstond de aandacht
-trokken. Hij was gekleed in een kemelharen kleed, met een leeren gordel
-om de lendenen. In zijne hand hield hij een staf, hoewel hij geen steun
-behoefde, want zijn gang teekende kracht en vastberadenheid. Vorschend
-zag hij rond, alsof hij iemand zocht.
-
-De schoone Egyptische zag den zoon der woestijn verbaasd, ja met onwil
-aan. Zij wenkte Ben-Hur tot zich en vraagde spotachtig: Is dat de heraut
-van uwen koning?
-
---Dat is de Nazireer, antwoordde hij, zonder haar aan te zien.
-
-Om de waarheid te zeggen--hijzelf was meer dan teleurgesteld. Hoewel hij
-dikwijls gehoord had van de asceten, die in Engedi woonden, hunne
-kleeding, hunne onverschilligheid voor wereldsche gemakken, hunne
-afgezonderde levenswijze, hunne boetedoeningen kende, en hoewel hij
-geweten had dat hij een Nazireer zou zien, die zichzelven aankondigde
-als: eene stem des roependen in de woestijn, had hij toch gehoopt, dat
-de heraut van den grooten koning eenig uiterlijk kenteeken van macht en
-aanzien zou vertoonen. Dezen woestijnbewoner met de oogen volgende dacht
-hij aan de hovelingen in het keizerlijke paleis te Rome, en de
-vergelijking deed hem beschaamd, verward en verlegen antwoorden: Het is
-de Nazireer.
-
-Met Balthasar was het geheel anders. Hij wist dat Gods wegen niet zijn
-als der menschen wegen. Hij had den Verlosser als een kind in de kribbe
-zien liggen en was dus voorbereid op grooten eenvoud bij het optreden
-van den godsgezant. Hij verwachtte geen koning. Met gevouwen handen
-bleef hij zitten en zacht bewogen zich zijne lippen als in een gebed.
-
-Op dit oogenblik naderde iemand van de andere zijde, den Nazireer te
-gemoet. Nauwelijks had deze hem in het oog gekregen, of hij bleef staan
-en hief zijn staf op, ten einde de aandacht des volks tot zich te
-trekken. Groote stilte heerschte op eenmaal onder de bewegelijke schare,
-en toen de Dooper zag, dat hij zijn doel bereikt had, wees hij met zijn
-staf op den persoon, die langzaam nader kwam. Ook Ben-Hur en Balthasar
-volgden de aanwijzing en zagen een rijzig slank gebouwd man, met een
-gelaat, dat men niet licht vergeten zou. Het lange bruingouden haar was
-in het midden gescheiden. De groote donkerblauwe oogen straalden met
-liefelijken glans onder het open voorhoofd, en de uitdrukking van zijn
-geheele wezen was rustig en edel. Hij droeg een lang wit linnen gewaad
-met wijde mouwen, en een talith, het daarbij behoorende wit linnen
-overkleed, onderaan met blauw afgezet. De door de wet aan de rabbijnen
-voorgeschreven wit en blauwe kwasten versierden zijn kleed. Zijne
-sandalen waren van de eenvoudigste soort.
-
-Daar riep de Dooper met luide stem: Zie het Lam Gods, dat de zonde der
-wereld wegneemt!
-
-De indruk, dien deze woorden maakten, was zeer groot, voor Balthasar
-overweldigend. Het werd hem vergund den Verlosser der menschheid
-nogmaals te zien. Daar stond Hij, naar wien hij zoo lang smachtend had
-uitgezien, het ideaal zijner droomen, volmaakt in gestalte, gelaat,
-houding. Nogmaals riep de Dooper: Zie het Lam Gods, dat de zonde der
-wereld wegneemt! Deze is het van welken ik gezegd heb: na mij komt een
-man, die voor mij geworden is, want hij was eer dan ik. En ik kende hem
-niet; maar opdat hij aan Israel geopenbaard zou worden, daarom ben ik
-gekomen, doopende met water. Ik heb den Geest zien nederdalen uit den
-hemel, gelijk eene duif, en hij bleef op hem. En ik kende hem niet; maar
-die mij gezonden heeft om te doopen met water, die had mij gezegd: Op
-welken gij den Geest zult zien nederdalen, en op hem blijven, deze is
-het, die met den Heiligen Geest doopt. En ik heb gezien, en heb getuigd,
-dat deze de Zoon van God is.
-
---Dat is hij, dat is hij! riep Balthasar, sloeg de oogen naar boven, en
-viel door aandoening overmand achterover in zijnen zetel.
-
-Met geheel andere gewaarwordingen beschouwde Ben-Hur den vreemdeling.
-Hij was niet ongevoelig voor de reinheid, den ootmoed, de heiligheid,
-die zijn gelaat uitdrukte: Wie is hij? En wat is hij? Messias of
-koning?--Vorstelijk was zijn voorkomen niet. Op dat kalm, vriendelijk
-gelaat ziende was de gedachte aan oorlog en heerschzucht hem eene
-ontwijding. Hij voelde dat Balthasar gelijk had, en Simonides ongelijk.
-Neen, zeide hij tot zichzelven, deze man is niet gekomen om den troon
-van Salomo weder op te bouwen. Hij heeft noch den aard, noch de gaven
-van Herodes. Een koning moge hij wezen, maar niet van een rijk, grooter
-en machtiger dan Rome.
-
-Het gelaat van dien man kwam hem niet onbekend voor ... waar had hij het
-meer gezien? Hij peinsde en peinsde, en ja, daar zag hij in den geest op
-eenmaal in het verre verleden het tooneel bij de bron te Nazareth weer.
-Hij zag zichzelven, neergezonken op den stoffigen weg; hij zag de jonkman
-met de gevulde waterkruik tot zich komen om hem te laten drinken; hij
-zag weder die oogen vol liefde en mededoogen op zich gevestigd. Wat de
-Dooper zeide ging voor hem verloren, alleen de laatste woorden drongen
-tot hem door: Deze is de Zoon van God!
-
-Ben-Hur sprong van zijn paard om aan de voeten van zijnen weldoener neer
-te knielen, maar Iras riep hem tot zich: Zoon van Hur, kom hier en help
-mij! Mijn vader sterft!
-
-Hij bleef staan, keek om, en snelde naar haar toe. Zij gaf hem een beker
-en hij liep naar de rivier om water te halen. Toen hij terugkwam was de
-vreemdeling verdwenen.
-
-Zoodra Balthasar bijgekomen was vraagde hij: Waar is hij?
-
---Wie? vraagde Iras.
-
---Hij, de Zoon van God, dien ik daareven zag!
-
---Gelooft gij dat ook? vraagde Iras zacht aan Ben-Hur.
-
---Het is een tijd van wonderen. Laat ons wachten, luidde zijn antwoord.
-
-Den volgenden dag was op die plaats weer een groote schare bijeen. Ook
-onze vrienden waren aanwezig.
-
-Midden in zijne rede brak de Dooper af en riep met luide stem: Zie het
-Lam Gods!
-
-De aanwijzing van den Dooper volgende zagen zij weder den vreemdeling.
-Toen Ben-Hur zijn heilig gelaat, zoo vol majesteit en mededoogen,
-aanschouwde, viel hem eensklaps iets in. Ja, dacht hij, Balthasar heeft
-gelijk, maar Simonides ook. Kan de Messias niet te gelijkertijd koning
-zijn?
-
-Hij wendde zich tot iemand die naast hem stond en vraagde: Wie is dat?
-
-Met een spottend lachje antwoordde de man: Dat is de zoon van een
-timmerman uit Nazareth.
-
-
- * * * * *
-
-
-BOEK VIII.
-
-
- * * * * *
-
-
-EERSTE HOOFDSTUK.
-
-ESTHER EN IRAS.
-
-
---Esther! laat mij een beker water brengen!
-
---Wilt gij niet liever wijn hebben, vader?
-
---Beide dan.
-
-Dit gesprek had plaats in het zomerhuis op het platte dak van het paleis
-der familie Hur te Jeruzalem, en terwijl Esther zich haastte om aan den
-wensch van haren vader te voldoen, kwam een bediende de trap op en
-overhandigde haar een verzegeld pakje.
-
-De lezer moet weten, dat het nu 21 Maart is volgens onze tijdrekening,
-ongeveer drie jaren na de aankondiging van den Christus te Bethabara.
-Malluch had voor Ben-Hur, die het verval der ouderlijke woning niet
-langer kon aanzien, het huis gekocht van Pilatus, en het geheel laten
-opknappen en verfraaien, zoodat er niets overbleef, dat het droevig
-tooneel van vroeger kon herinneren. Men meene echter niet dat Ben-Hur
-openlijk als de eigenaar was opgetreden. Hij meende dat het uur daartoe
-nog niet geslagen was, evenmin als voor het dragen van zijn vaders naam.
-Het grootste gedeelte van zijn tijd bracht hij door met in Galilea alles
-voor te bereiden, opdat hij gereed mocht zijn, als de Nazarener hem
-noodig zou hebben, de Nazarener, die hem dagelijks onbegrijpelijker
-toescheen, en hem door de wonderen, die hij deed, in een staat van
-spanning en twijfel hield, zoowel aangaande zijn karakter, als aangaande
-zijne zending. Enkele malen kwam hij op naar Jeruzalem, en vertoefde dan
-in het ouderlijke huis, echter altijd als vreemdeling en gast.
-
-Deze bezoeken waren echter niet alleen om uit te rusten van den arbeid.
-Balthasar en Iras woonden mede in het paleis, en de bekoorlijkheid der
-dochter hield hem nog steeds gevangen, terwijl haar vader, hoewel naar
-het lichaam verzwakt, hem wist te boeien door vurige betoogen over de
-goddelijkheid van hem, die het land doorging goed doende.
-
-Wat Simonides en Esther betreft, zij waren eerst een drietal dagen
-geleden uit Antiochie herwaarts gekomen. De reis was zeer vermoeiend
-geweest voor den koopman, doch eenmaal hier gevoelde hij zich uitermate
-gelukkig, dat hij weer in zijn vaderland was. Het grootste gedeelte van
-den dag bracht hij door op het platte dak. Hier zag hij de zon opgaan en
-ondergaan, hier bracht de wind hem van over de heuvelen nieuwe
-levenskracht aan.
-
-Daarom vergat hij echter de zaken niet, o neen. Elken dag ontving hij
-bericht van Sanballat, die het kantoor in Antiochie waarnam, en elken
-dag zond hij Sanballat de noodige aanwijzingen, zoo uitvoerig, dat zelfs
-een oningewijde moeilijk zou hebben kunnen dwalen.
-
-Esther ging intusschen naar haar zomerhuisje terug met het pakje in de
-hand. Zij bezag het zegel, herkende het voor dat van Ben-Hur, en
-versnelde met blozend gelaat haren stap. Simonides bekeek eveneens het
-zegel alvorens het pakje te openen, reikte haar toen den brief toe, die
-er in was, zeggende: Lees, mijn kind.
-
-Hij zag haar aan, terwijl hij sprak, en zijn gelaat betrok.
-
---Ik zie dat gij reeds weet van wien dit komt, Esther.
-
---Ja, vader. Van onzen jongen meester.
-
-Hoewel zij langzaam, als met moeite sprak, zagen hare lieve oogen hem
-trouwhartig aan.
-
---Gij hebt hem lief, Esther.
-
---Ja, vader.
-
---Hebt ge er over nagedacht wat dat zeggen wil?
-
---Ja, vader. Ik heb mijn best gedaan om niet anders aan hem te denken,
-dan als aan den meester, dien ik toebehoor. Het heeft mij echter niet
-veel geholpen.
-
---Goed kind! Gij lijkt op uwe moeder, Esther. God vergeve mij, maar uwe
-liefde zou misschien niet ijdel geweest zijn, als ik behouden had wat ik
-had, zooals ik had kunnen doen. Geld is macht.
-
---Dan zou ik er veel slechter aan toe zijn, vader. Dan zou ik niet waard
-zijn, dat hij mij aanzag, en kon ik niet trotsch zijn op u. Zal ik u nu
-den brief voorlezen?
-
---Wacht nog even, kind. Om uw zelfswil moet ik u het ergste zeggen. 't
-Is misschien minder zwaar voor u, als wij het samen onder de oogen zien.
-Hij heeft een ander lief, mijn kind.
-
---Ik weet het, zeide zij ernstig.
-
---De Egyptische heeft hem in hare netten gevangen, vervolgde hij. Zij is
-zeer geslepen en daarenboven schoon, maar zij heeft geen hart. De
-dochter, die haren vader veracht, zal haren echtgenoot ongelukkig maken.
-
---Veracht zij haar vader?
-
---Ja. Haar vader is een wijs man, en, voor een heiden, op bijzondere
-wijze begenadigd. Zijn geloof strekt hem tot eer, maar zij lacht er mee.
-Gisteren hoorde ik haar zeggen: De dwaasheden der jeugd zijn vergefelijk.
-Den ouderdom betaamt wijsheid. Heeft een grijsaard die verloren, dan wordt
-het tijd dat hij sterft.--Dat zeide zij met het oog op haren vader. Wreede
-woorden, die men uit den mond van een Romein kon verwachten. Gij, mijn
-kind, zult, wat er ook van mij worde, nooit zeggen: het wordt tijd dat hij
-sterft. Neen, want uwe moeder was eene dochter Israels.
-
-Met tranen in de oogen kuste zij zijne hand en zeide: En ik ben het kind
-van mijne moeder.
-
---Ach, mijn kind, hernam haar vader na een kort zwijgen, als hij eenmaal
-de Egyptische getrouwd heeft, zal hij met wroeging aan u terug denken,
-want dan zal hij bemerken, dat zij hem slechts gebruiken zal om hare
-eerzucht te dienen. Rome is het middelpunt van hare droomen. Voor haar
-is hij de zoon van Arrius den duumvir, niet de zoon van Hur, vorst van
-Jeruzalem.
-
---Red hem, vader, smeekte zij, red hem, het is nog niet te laat.
-
-Met een twijfelachtig lachje antwoordde hij: Een verdrinkende laat zich
-redden, een verliefde niet.
-
---U hebt toch invloed op hem. Hij staat zoo alleen in de wereld! Toon
-hem het gevaar, waarin hij verkeert. Zeg hem hoe gevaarlijk de Egyptische
-is!
-
---Dat zou hem uit hare handen kunnen redden, maar zou het hem aan u
-geven? Ach neen. Ik zou toch niet kunnen zeggen: mijne dochter heeft u
-lief....
-
---Maar vader, viel zij hem in de rede, dat bedoel ik immers niet! Ik
-dacht alleen aan hem, niet aan mijzelve. Zal ik u nu den brief voorlezen?
-
---Ja, doe dat.
-
-Zij begon dadelijk, blijde dat zij dit onderwerp kon laten rusten.
-
- Nisan, den 8sten dag.
-
- Op den weg van Galilea naar Jeruzalem.
-
- De Nazarener bevindt zich ook op dezen weg. Zonder dat hij het weet
- volg ik met een legioen. Een tweede legioen volgt ons op korten
- afstand. Het Paaschfeest is de dekmantel voor het groote getal
- Galileers. Toen de Nazarener zich op weg begaf zeide hij: Wij gaan
- op naar Jeruzalem en het zal alles volbracht worden aan den Zoon
- des menschen wat geschreven is door de profeten.
-
- Ons wachten spoedt ten einde. Vrede zij u, Simonides.
-
- In haast.
-
- BEN-HUR.
-
-Esther gaf den brief aan haren vader terug. Het kostte haar moeite hare
-tranen te bedwingen. In den brief stond geen enkel woord aan haar, zelfs
-aan den groet had zij geen deel. En hoe gemakkelijk had hij kunnen
-schrijven: Vrede zij u en de uwen. Voor het eerst in haar leven gevoelde
-zij den prikkel der ijverzucht.
-
---Den achtsten dag, zeide Simonides, en wat hebben wij vandaag?
-
---Den negenden, antwoordde Esther.
-
---Zoo, dan zijn zij nu wellicht te Bethanie.
-
---Dan zullen wij hem dus misschien van avond zien, zeide zij.
-
---Best mogelijk, want morgen is het feest der ongezuurde brooden, en hij
-zal het willen vieren, evenals de Nazarener. Misschien zullen wij hen
-beiden zien, Esther.
-
-Het gesprek werd afgebroken door de komst van den bediende met wijn en
-water, en even daarna kwam ook Iras boven.
-
-Nog nooit had Esther de Egyptische zoo schoon gezien als hedenavond. Als
-in een wolk van gaas gehuld, voorhoofd, hals en armen met juweelen
-versierd, zweefde zij naderbij. Een glans van genoegen lag op haar
-gelaat. Esther drong zich onwillekeurig dichter tegen haar vader aan.
-
---Vrede zij u, Simonides, en u, lieftallige Esther, zeide Iras. Gij
-herinnert mij, goede vriend, als ik het zeggen mag zonder u te
-beleedigen, de priesters in Perzie, die 's avonds op het dak van hunne
-tempels stijgen, om de ondergaande zon hunne gebeden na te zenden. Als
-die godsdienst u misschien niet bekend is, wil ik mijnen vader roepen,
-om u in te lichten. Hij stamt van de Magiers af.
-
---Schoone Egyptische, antwoordde de koopman ernstig, uw vader is een
-goed man, die het mij niet kwalijk zal nemen, als ik u zeg, dat zijne
-Perzische wetenschap het minste deel van zijne wijsheid uitmaakt.
-
-Iras fronste de wenkbrauwen. Om ook philosophisch te spreken, zeide zij,
-bij minste behoort meeste. Mag ik vragen, wat het grootste deel is van
-die zeldzame eigenschap, wijsheid, die gij hem toeschrijft?
-
-Simonides zag haar doordringend aan. De ware wijsheid, zeide hij,
-streeft omhoog naar God, de hoogste wijsheid is de kennis van God, en
-van allen, die ik ken, bezit niemand die in zoo hooge mate, als mijn
-goede vriend Balthasar.
-
-Om een eind aan het gesprek te maken dronk hij langzaam zijn beker leeg.
-Iras keerde zich ontstemd tot Esther, zeggende: Een man, die millioenen
-bezit en geheele vloten op zee heeft, kan niet begrijpen wat vrouwen
-vermaakt. Kom, ga met mij naar de borstwering, dan kunnen wij ongestoord
-praten.
-
-Esther deed wat haar verzocht werd en zij gingen naar dezelfde plek,
-waar jaren geleden Ben-Hur met zijn zuster gestaan had, om naar de
-soldaten te kijken.
-
---Zijt gij wel eens te Rome geweest? vraagde zij.
-
---Neen.
-
---Hebt gij nooit verlangd er heen te gaan?
-
---Neen.
-
---Och, wat hebt gij nog weinig van het leven genoten! riep zij meewarig,
-maar 't volgende oogenblik lachte zij luid en zeide: O, mijn lief
-onnoozel duifje, de vogeltjes, die hun nestje bouwen in het oor van de
-sphinx bij Memphis, zijn al even wijs, als gij!
-
-Ziende dat Esther verlegen werd, vervolgde zij op vertrouwelijken toon:
-Vergeef het mij, ik zeide het maar uit gekheid. Laat ik een pleistertje
-leggen op de wond, en u vertellen wat ik aan niemand anders zou vertellen.
-
-Zij lachte vriendelijk, maar zag Esther tegelijkertijd onderzoekend aan
-en zeide: De koning komt.
-
-Esther zag verwonderd op.
-
---De Nazarener, vervolgde Iras, over wien uw vader en de mijne het zoo
-druk hebben, voor wien Ben-Hur al die moeite doet. De Nazarener komt
-morgen in de stad, en Ben-Hur komt van avond.
-
-Esther trachtte zich goed te houden, maar het gelukte haar niet. Iras
-bracht lachend een brief uit haar gordel te voorschijn en zeide: Hier
-heb ik zijn belofte. Luister!
-
-Daar weerklonken haastige stappen in de straat. Zij boog zich over den
-rand der borstwering om te zien, en sloeg in blijde verrukking de handen
-in elkaar. Gezegend zij Isis! riep zij, hij is het! Ben-Hur in eigen
-persoon! Dat is een goed voorteeken! Hij komt terwijl ik aan hem denk!
-Kom, Esther, geef mij een kus!
-
-Fier hief het Joodsche meisje het hoofd op. Hare wangen gloeiden, hare
-oogen fonkelden. Haar zacht gemoed was diep gegriefd. Voor haar zelfs
-geen groet in zijn schrijven aan Simonides, en deze Egyptische had een
-eigenhandig geschreven brief van hem! Zij vraagde: hebt gij hemzelf
-lief, of hebt gij Rome nog liever?
-
-Iras ging een stap achteruit, en vraagde scherp: Wat gaat u dat aan,
-dochter van Simonides?
-
-Esther begon bevend: Hij is mijn....
-
-Zij had willen zeggen: mijn meester, maar zij veranderde dit snel in:
-mijn vaders vriend.
-
---Niets meer? Nu, gij moogt uw kussen houden. Andere en betere wachten
-mij.
-
-Zij keerde zich af, om weg te gaan, maar fluisterde nog even over haar
-schouder: Ik ga ze halen!
-
-Esther zag haar na en barstte in tranen uit, tranen van schaamte en
-gekwetste liefde.
-
-Reeds fonkelden de sterren aan den nachtelijken hemel, voordat zij hare
-zelfbeheersching teruggekregen had, en kalm genoeg was om naar haar
-vader terug te gaan, en hare plaats aan zijne zijde in te nemen. Dat was
-haar plicht, daar moest zij haar leven aan wijden, en om der waarheid
-getrouw te zijn, nu de hartstochtelijkheid harer droefheid voorbij was,
-nam zij blijmoedig hare taak weer op.
-
-
- * * * * *
-
-
-TWEEDE HOOFDSTUK.
-
-BEN-HURS MEDELIJDEN.
-
-
-Ongeveer een uur later kwamen Ben-Hur en Iras te zamen in de groote
-zaal, waar zij Balthasar, Simonides en Esther reeds bijeen vonden. Nadat
-de jonkman Balthasar gegroet had keerde hij zich tot Simonides, maar
-bleef, Esther ziende, verbaasd staan. Dat zij zich tot zulk een
-volmaakte schoonheid ontwikkelen zou had hij drie jaren geleden niet
-gedacht. Hij herstelde zich echter spoedig en zeide: Vrede zij u,
-lieftallige Esther, en u, Simonides. De zegen des Heeren zij uw deel,
-al was het alleen omdat gij een vader voor den vaderlooze geweest zijt.
-
---Wees welkom in uw vaders huis, zeide Simonides hartelijk. Zet u neder,
-en vertel ons van uwe reizen en van uw werk en van den leeraar uit
-Nazareth. Ga toch zitten, bid ik u, dan luisteren wij allen.
-
---Ja, antwoordde Ben-Hur, ik heb u veel van hem te vertellen. Ik heb hem
-gedurende verscheidene dagen nauwlettend gadegeslagen. Ik heb hem in
-moeilijke, zeer moeilijke omstandigheden gezien, en moet getuigen dat
-hij, hoewel hij een mensch is als ik, toch ook meer dan een mensch is.
-
-Hier werd hij gestoord door het binnentreden van eene dienstmaagd. Hij
-keek om en riep blijde: Daar is Amrah! Goede, lieve Amrah!
-
-De trouwe dienstmaagd kuste zijne handen, en op zijne vraag: Hebt ge nog
-niets van haar gehoord, niets? sprongen haar de tranen in de oogen.
-
---Gods wil geschiede! zeide hij treurig.
-
-Na een oogenblik van stilte, waarin hij zijne aandoening meester
-trachtte te worden, zeide hij: Ga zitten, Amrah,--hier. Niet? Dan aan
-mijne voeten, want ik heb mijne vrienden veel te vertellen van den
-Nazarener. Ik zal beginnen met u te verhalen wat ik hem heb zien doen.
-Morgen komt hij in de stad om op te gaan naar den Tempel, dien hij zijn
-vaders huis noemt en waar hij, zooals algemeen verwacht wordt, den
-beslissenden stap zal doen. Morgen zullen wij dus zien wie gelijk heeft,
-gij, Balthasar, of Simonides.
-
-Balthasar wreef zich in de handen en vraagde: Waar zal ik hem kunnen
-zien?
-
---Het gedrang zal groot zijn, antwoordde de jonkman. Ik denk dat gij
-niet beter doen kunt, dan met u allen naar het dak van den Voorhof van
-Salomo te gaan.
-
---Kunt gij ons begeleiden?
-
---Neen, mijne vrienden zullen mij noodig hebben bij den optocht.
-
---Optocht! riep Simonides. Komt hij dan met gevolg?
-
---Dat niet precies. Hij heeft twaalf mannen bij zich, allen uit den
-minderen stand. Zij reizen te voet, onverschillig voor wind, regen, of
-zonneschijn. Als zij vermoeid zijn zetten zij zich aan den weg neder
-om te rusten, en doen aan alles eerder denken, dan aan edellieden en
-vorsten. Slechts wanneer de leeraar het hoofd ontbloot ziet men dat hij
-de aanvoerder is, hun leermeester, hun meerdere, maar tevens hun vriend.
-Maar wat zoudt gij zeggen van een man, die rijk kon zijn door de steenen
-aan den weg in goud te veranderen, en die toch arm is uit vrije keus?
-
---De Grieken zouden hem een philosoof noemen, zeide Iras.
-
---Neen, dochter, antwoordde Balthasar, de philosofen hadden nooit de
-macht om zoo iets te doen.
-
---Hoe weet gij, dat deze mensch die macht wel heeft?
-
---Ik heb hem water in wijn zien veranderen, zeide Ben-Hur.
-
---Hoe wonderlijk! riep Simonides. Maar dat schijnt mij nog niet zoo
-vreemd toe als dat hij arm wil leven, terwijl hij rijk zou kunnen zijn.
-Is hij werkelijk zoo arm?
-
---Hij bezit niets, en benijdt niemand zijn rijkdom. Hij beklaagt veeleer
-de rijken. Dat echter daargelaten, wat zegt gij hiervan: ik zag hem
-zeven brooden en twee visschen vermenigvuldigen tot een voorraad zoo
-groot, dat er spijs was voor vijfduizend menschen en er nog manden vol
-overbleven. Dat heb ik den Nazarener zien doen.
-
---Hebt gij hem dat zien doen?
-
---Ja, en ik heb meegegeten van den visch en van het brood. Maar nog
-wonderlijker dingen heb ik gezien. Wat dunkt u van iemand die zoo groote
-genezende kracht bezit, dat de zieken slechts den zoom van zijn kleed
-behoeven aan te raken, om gezond te worden, ja dat het zelfs voldoende
-is van verre tot hem te roepen? Dat heb ik meer dan eens bijgewoond.
-Toen wij uit Jericho kwamen riepen twee blinden tot hem om hulp, hij
-raakte hunne oogen aan en zij konden zien. Een anderen keer brachten zij
-een verlamde tot hem en hij zeide alleen: Ga heen naar uw huis,--en ik
-zag den man gezond wegwandelen. Wat zegt gij daar wel van?
-
-Simonides kon geen woorden vinden.
-
---Sommigen zeiden, dat dit duivelskunsten waren, gelooft gij dat soms
-ook? Ik zal u nog grooter dingen vertellen, die ik hem ook heb zien
-doen. Denk aan die vreeselijke ziekte, waarvan alleen de dood verlossen
-kan: de melaatschheid.
-
-Hier werd Amrah onrustig en luisterde met gespannen aandacht.
-
---Ja, vervolgde Ben-Hur met toenemenden ernst, ja, luistert naar wat ik
-nu ga vertellen. Toen ik met hem in Galilea was kwam een melaatsche tot
-hem en riep: Heer, indien gij wilt, gij kunt mij reinigen!--Hij hoorde
-de smeekbede, raakte den verworpeling aan met de hand en zeide: Ik wil,
-word gereinigd.--En terstond was hij geheel gezond, zoo gezond als wij
-allen. Een anderen keer kwamen tien melaatschen tot hem en vielen voor
-hem neer, roepende: Meester, meester, ontferm u over ons!--Ik was er bij
-en hoorde hem antwoorden: Gaat heen, en vertoont uzelven den priester.
-
---En waren zij beter?
-
---Ja, zij waren nog niet lang op weg, of de ziekte was geheel van hen
-geweken.
-
---Nog nooit heb ik van zulke dingen gehoord; nog nooit, zeide Simonides
-zacht.
-
-Het gezelschap verviel na deze mededeelingen in diep stilzwijgen.
-Ongemerkt stond Amrah op en verwijderde zich onhoorbaar.
-
---Gij kunt begrijpen, dat al die dingen een diepen indruk op mij gemaakt
-hebben, zeide Ben-Hur, doch mijne twijfelingen en verbazing zouden nog
-grooter worden. Mijne Galileers begonnen langzamerhand ongeduldig te
-worden, het zwaard brandde hun in de handen, en zij verlangden niets
-liever dan handelend te mogen optreden. Ik zelf werd ook ongeduldig,
-want alles was gereed. Daarom wilden wij hem openlijk, desnoods met
-geweld, tot koning kronen, maar hij verdween uit ons midden. Toen wij
-hem weer zagen was het in een scheepje op het meer. Wat anderen bekoort:
-rijkdom, macht, koninklijke eer, dat alles laat hem onbewogen. Wat dunkt
-u daarvan, Simonides?
-
-Simonides antwoordde niet dadelijk. Eindelijk zeide hij:
-
---De Heer leeft, evenzoo het woord zijner profeten. Laat ons geduld
-oefenen.
-
---Zoo zij het, beaamde Balthasar.
-
---Ik heb nog meer te vertellen, vervolgde Ben-Hur, nog grootere dingen.
-Wij waren op weg naar Nain. Vlak bij de poort kwamen wij een
-begrafenisstoet tegen. De Nazarener bleef staan om de treurenden te
-laten voorbijgaan. Eene vrouw volgde bitter schreiende. Ik zag dat hij
-door medelijden bewogen werd. Hij trad op haar toe, en sprak haar aan.
-De dragers stonden stil, hij raakte de baar aan en zeide tot den doode:
-Jongeling, ik zeg u sta op!--En terstond zat de doode overeind en sprak.
-
---God alleen heeft zoo groote macht! riep Balthasar.
-
---Alles wat ik u vertel, heb ik zelf gezien, zeide Ben-Hur, en ik kan u
-nog meer verhalen. In Bethanie was een van zijne vrienden gestorven,
-Lazarus geheeten. Reeds had hij vier dagen in het graf gelegen toen de
-Nazarener er bij kwam. Hij liet den steen wegnemen, en wij allen zagen
-het lijk liggen, dat reeds overging tot ontbinding. Met luide stem
-hoorde ik hem roepen: Lazarus, kom uit!--Ik kan u niet zeggen wat ik
-gevoelde, toen de doode, aan die stem gehoorzamend, zich oprichtte en
-tot ons kwam, in grafdoeken gewikkeld. Ontbindt hem, zeide de Nazarener,
-en laat hem gaan. En toen de hoofddoek van hem was weggenomen, had zijn
-gelaat weer de gewone kleur, en was hij volkomen dezelfde als voor zijne
-ziekte. Hij leeft nog en ontvangt vele bezoeken. Als gij wilt kunt gij
-er morgen naar toe gaan, en uzelven overtuigen. Maar nu vraag ik u: Wat
-moet ik denken van dezen man? Is hij niet meer dan een gewoon mensch?
-
-De toon waarop hij dit vraagde was zeer ernstig, en nog lang na
-middernacht zat het gezelschap bijeen, om de zaak van alle kanten te
-bezien, want Simonides kon zijne opvatting van de voorspellingen der
-profeten niet laten varen, terwijl Ben-Hur beweerde dat Balthasar en
-Simonides beiden gelijk hadden: de Nazarener was ongetwijfeld de
-Verlosser, zooals de eerste meende, maar ook de toekomstige koning,
-waarvoor de laatste hem hield.
-
---Wij zullen het morgen gewaar worden. Vrede zij met u allen. Met deze
-woorden nam Ben-Hur afscheid.
-
-
- * * * * *
-
-
-DERDE HOOFDSTUK.
-
-EEN BLIJDE TIJDING.
-
-
-Zoodra den volgenden morgen de Schaapspoort geopend werd, ging Amrah met
-haar mand aan den arm de stad uit. De wachters deden haar geen vragen,
-daar zij even regelmatig verscheen als de opgaande zon. Men wist dat zij
-de trouwe dienstmaagd was van den een of ander, en daarmede stelde men
-zich tevreden.
-
-Zij sloeg den weg in naar de vallei ten oosten der stad gelegen. De
-donkergroene helling van den Olijfberg was bezaaid met witte tenten, de
-tijdelijke woningen van de feestgangers. 't Was echter nog te vroeg voor
-de vreemdelingen om buiten te zijn: alles sliep nog gerust. Eerst kwam
-zij aan Gethsemane, toen langs de graven bij den kruisweg naar Bethanie,
-vervolgens aan het dorp Siloam. Zij scheen ongewone haast te hebben,
-maar haar ijver was grooter dan hare krachten, die haar bijwijlen
-schenen te begeven.
-
-Hoe vroeg het nog was, toch zat haar ongelukkige meesteres reeds buiten
-voor de grot. Tirza sliep nog. Vreeselijk was de vordering, die de
-ziekte in die drie jaren gemaakt had. Wetende hoe zij er uitzag, bleef
-zij altijd zorgvuldig gesluierd. Zelfs Tirza mocht haar bijna nooit
-aanschouwen. Thans echter, in de eerste morgenschemering, had zij het
-hoofd ontbloot, om de frissche lucht in te ademen, want zij wist, dat
-geen sterveling haar zien kon. Sneeuwwit was het lange haar. Oogleden,
-neus, lippen, wangen waren weggeteerd, de hals was akelig ontstoken.
-Eene van hare handen rustte op haren schoot. De nagels waren afgevallen,
-de vingers gedeeltelijk ontvleesd, gedeeltelijk dik opgezwollen. Zoo was
-zij over het geheele lichaam. Geen wonder, dat de vroeger zoo statige
-vrouw zich gemakkelijk aan alle nasporingen van haren zoon had kunnen
-onttrekken. Zij was gewoon, dat Amrah bij de bron verscheen voor alle
-anderen, om dan op een steen halfweg bron en heuvel, het voedsel en de
-waterkruik neer te zetten.
-
-Dit korte bezoek was nog de eenige lichtstraal op haar pad. Dan vraagde
-zij naar haren zoon, en Amrah vertelde haar wat zij wist van zijn werk
-en bezigheden, en van de vluchtige bezoeken, die hij aan zijn vaders
-huis bracht. Op zulke dagen zat de arme moeder den ganschen dag
-onbewegelijk voor hare spelonk, met de oogen gericht op het dak van den
-Tempel, waarachter haar huis lag, het geliefde huis, waarin haar zoon nu
-vertoefde. Niets bond haar meer aan het leven. Tirza was reeds zoo goed
-als dood, en zijzelve smachtte naar het einde. De natuur rondom haar was
-niet geschikt om haar op te beuren; insecten en vogels vermeden de
-streek, alsof zij ook bang waren voor besmetting. Van plantengroei was
-niet veel te bemerken; de weinige struiken, ja zelfs de dunne
-grassprietjes, verdorden onder den adem der winden, die langs de
-berghelling streken. Waarheen zij den blik ook wendde zag zij grafsteden
-en nogmaals grafsteden, die te meer de aandacht trokken, omdat zij alle
-opnieuw gewit waren, ten einde de van buiten gekomen feestgangers te
-waarschuwen.
-
-Terwijl zij zoo in de morgenschemering zat te peinzen, zag zij
-plotseling een vrouw den heuvel beklimmen. Weldra herkende zij Amrah.
-In plaats van hare mand zooals gewoonlijk neer te zetten, kwam zij
-regelrecht op de spelonk af. De weduwe verrees van hare zitplaats en
-deed de gewone waarschuwing hooren, maar Amrah stoorde er zich niet aan,
-en eer zij er op bedacht was lag Amrah aan de voeten van hare meesteres
-en kuste onder hartstochtelijke snikken den zoom van haar kleed.
-Tevergeefs beproefde de melaatsche zich van haar los te maken, en toen
-zij zag, dat het onmogelijk was, riep zij op smartelijken toon: Hoe kunt
-ge zoo doen? Is dit de manier, waarop gij ons uwe liefde bewijst? Nu
-zijt gij ook verloren, en moogt nooit meer naar huis teruggaan. Wie zal
-ons nu voortaan eten brengen? O Amrah! Nu zijn wij allen te zamen
-verloren!
-
---Wees toch niet boos op mij, snikte de trouwe ziel, het hoofd nog
-dieper buigende.
-
---Ach, Amrah, vervolgde de weduwe, was de vloek die op ons rust, niet
-reeds zwaar genoeg om te dragen, dat gij ons het eenige, dat wij nog
-hadden, moet ontnemen? vraagde zij.
-
-Op dit oogenblik verscheen Tirza, door het luide spreken gewekt, in de
-opening der spelonk.
-
---Wat is er moeder? Is dat Amrah? vraagde zij. De arme was nagenoeg
-blind.
-
-Nu stond Amrah op en zeide met onvaste stem: O lieve meesteres! Ik heb
-niets misdaan. Ik breng u goede tijding!
-
---Van Juda?
-
---Ja. Hij kent een man, die de macht heeft u te genezen. Hij spreekt
-slechts een woord, en de zieken worden gezond, zelfs de dooden worden
-levend. Ik kom u halen om u bij hem te brengen.
-
---Arme Amrah! zeide Tirza meewarig.
-
---Neen, neen, riep Amrah, die zeer goed begreep wat die uitroep
-bedoelde, zoo waar de God van Israel leeft, ik spreek de waarheid. Kom
-maar mee; wij hebben geen tijd te verliezen. Hij komt hier langs op zijn
-weg naar de stad. Eet gauw wat en laat ons gaan.
-
-De moeder luisterde aandachtig. Misschien had zij reeds iets aangaande
-hem gehoord, want zijne wonderdaden waren door het geheele land bekend
-geworden. Wie is hij? vraagde zij. En hoe weet gij het?
-
---Juda vertelde het gisterenavond.
-
---Is Juda dan thuis?
-
---Ja.
-
---Heeft hij gezegd, dat gij het ons moest komen vertellen?
-
---Neen; hij denkt dat gij dood zijt.
-
---In vroeger jaren heeft een profeet eens een melaatsche genezen, zeide
-de moeder tot Tirza, maar die was door God gezonden. Zeg mij, Amrah, hoe
-weet Juda dat deze man die macht bezit?
-
---Hij volgde hem op zijne reizen en hoorde de melaatschen tot hem
-roepen, en zag ze hersteld weggaan. Den eersten keer was het een
-melaatsche, later tien te gelijk, en zij werden allen hersteld.
-
-De moeder aarzelde niet langer. Zij vroeg niet naar het hoe en wat, zij
-geloofde de feiten en zeide tot Tirza: Kind, dat moet de Messias zijn.
-Ik herinner mij, dat Jeruzalem jaren geleden in opschudding kwam, omdat
-er gezegd werd, dat hij geboren was. Hoe lang het geleden is weet ik
-niet meer, maar hij zou nu reeds volwassen moeten zijn. Ja, het kan niet
-anders ... hij is het. Laat ons wat eten, en dan zoo spoedig mogelijk met
-Amrah meegaan.
-
-Het ontbijt was weldra afgeloopen, en het drietal begaf zich op weg. Nu
-stuitten zij echter op een moeilijkheid. Amrah had gezegd, dat de
-Nazarener van Bethanie moest komen, maar vandaar leidden drie wegen naar
-Jeruzalem. Een over den Olijfberg, een tweede langs zijn voet, en de
-derde langs den Berg der Ergernis. Deze drie waren nu wel niet ver van
-elkander verwijderd, maar toch ver genoeg om den Nazarener mis te
-loopen, indien zij niet denzelfden weg kozen, welken hij nam.
-
-Na een korte beraadslaging besloten zij eerst naar Bethfage te gaan, om
-zich verder door de omstandigheden te laten leiden.
-
-Zij daalden dus den berg af in de richting van den Koningstuin en bleven
-even staan om te rusten.
-
---Ik durf dezen weg niet vervolgen, zeide de moeder. Het zal hier druk
-worden. Wij doen beter met de menschen te ontwijken en over den Berg der
-Ergernis te gaan.
-
-Toen Tirza dit hoorde ontzonk haar de moed. Daar hare voeten zeer
-gezwollen waren kostte het loopen haar groote moeite.
-
---Die berg is steil, moeder. Ik kan onmogelijk klimmen.
-
---'t Is om ons leven en onze gezondheid te doen mijn kind. Zie, daar
-komen reeds vrouwen om water te scheppen. Zij zullen ons steenigen, als
-wij hier blijven. Kom, wees sterk, mijn kind.
-
-Zoo trachtte de moeder, die zelve bijna niet voort kon, hare dochter te
-bemoedigen, en nu kwam Amrah haar te hulp. Na de eerste opwelling had
-zij de zieken niet aangeraakt, thans echter ging de trouwe ziel naar
-Tirza en zeide: Leun op mij. Ik ben wel oud, maar sterk genoeg, en het
-is niet ver meer. Zoo; ziet gij wel, nu gaat het al veel beter.
-
-De weg was moeilijk, maar toen zij eenmaal boven waren en staan bleven
-om adem te scheppen hadden zij een heerlijk gezicht op den Tempel met
-zijne terrassen, en op Sion met zijne vele witte torens, die in het
-zonlicht schitterden.
-
---O hoe mooi! riep de weduwe. Zie toch, Tirza, zie eens naar het gouden
-beslag van de Schoone Poort! Wat glinstert dat in de zon! Weet gij nog
-wel, hoe dikwijls wij er onder door zijn gegaan? Zal het niet heerlijk
-zijn dat weder te kunnen doen? En ons huis is er niet ver vandaan! Daar
-wacht Juda ons!
-
-Nu begonnen zij den berg aan de andere zijde af te dalen. Hoewel Amrah
-al hare krachten inspande, om Tirza te ondersteunen, kermde de arme toch
-bij elken stap, ja meermalen moest zij luide aan hare smarten lucht
-geven. Aan den voet des bergs gekomen zeeg zij uitgeput neder.
-
---Ga maar alleen verder met Amrah, moeder, ik kan niet meer.
-
---Neen, kind. Wat zou het mij baten, zoo ik alleen gezond werd, en gij
-niet? En wat zou ik Juda moeten antwoorden, als hij naar u vraagt?
-
---Zeg hem, dat ik hem liefgehad heb.
-
-De arme moeder wist niet wat te doen. Zij dacht er niet aan haar kind te
-verlaten, maar de hoop op redding te moeten laten varen, nu die zoo
-nabij scheen, deed den beker overloopen. Maar zie, in dat oogenblik van
-grooten nood zag zij van den tegenovergestelden kant een wandelaar
-aankomen.
-
---Moed gevat, Tirza! zeide zij. Daar komt iemand aan, die ons zeggen kan
-waar de Nazarener op 't oogenblik is.
-
-Amrah richtte Tirza een weinig op, en zoo wachtten zij den vreemdeling
-af.
-
---Ach, moeder, gij vergeet wat wij zijn. De man zal zich uit de voeten
-maken, en ons misschien eerst nog een steen naar het hoofd werpen.
-
---Wij zullen zien, luidde het antwoord.
-
-Ja, de moeder wist zelve maar al te goed welke behandeling uitgeworpenen
-als zij te wachten hadden.
-
-De melaatschen stonden aan den rand van een smallen weg, zoodat de
-wandelaar haar rakelings voorbij moest gaan. Zoodra hij binnen het
-bereik harer stem was deed de weduwe het waarschuwende: Onrein! Onrein!
-hooren. Tot hare verbazing liep hij door.
-
-Wat zoekt gij? vraagde hij, toen hij vlak bij haar was.
-
---Wees voorzichtig, zeide de weduwe met waardigheid. Ik heb u
-gewaarschuwd.
-
-Vrouw, ik ben een volgeling van hem, die slechts een woord behoeft te
-spreken tot dezulken als gij, en zij zijn genezen. Ik ben niet bevreesd.
-
---Gij bedoelt den Rabbi uit Nazareth?
-
---Den beloofden Messias.
-
---Is het waar, dat hij vandaag naar de stad gaat?
-
---Ja. Hij is nu te Bethfage.
-
---Langs welken weg zal hij komen?
-
---Langs dezen.
-
-De weduwe vouwde de handen en sloeg de oogen dankend naar den hemel op.
-
---Voor wien houdt gij hem? vraagde de man bewogen.
-
---Voor den Zoon van God! antwoordde zij.
-
---Blijf dan niet hier, want daar een groote schare hem volgt, staat gij
-beter bij dat rotsblok onder gindschen boom. Roep hem aan zoodra hij
-nadert, roept beiden en weest niet bevreesd. Hij zal u hooren. Ik ga
-naar de stad, om het volk te waarschuwen dat hij komt. Vrede zij met u
-en de uwen!
-
-Hebt gij het gehoord, Tirza? De Nazarener komt langs dezen weg, en hij
-zal ons helpen. Kom nu mee, een paar stappen maar!
-
-Dus aangemoedigd liet Tirza zich door Amrah overeind helpen.
-
---Wacht even; zeide Amrah, de vreemdeling komt terug.
-
---Ik bedenk, goede vrouw, zeide hij, dat de zon hoog aan den hemel zal
-staan, voordat de Nazarener komt. Ik kan in de stad het noodige krijgen,
-en daarom wilde ik u mijn waterflesch geven. Gij zult er meer behoefte
-aan hebben dan ik. Neem haar en heb goeden moed. Roep luide tot hem.
-
-Dit zeggende bood hij de weduwe zijn gevulde waterflesch aan. In plaats
-van ze op den grond te leggen, gaf hij ze haar in de hand.
-
---Zijt gij een Jood? vraagde zij verbaasd.
-
---Ja; maar beter nog; ik ben een volgeling van den Christus, die ons
-dagelijks door woorden en voorbeeld leert wat ik nu doe. De wereld kende
-reeds lang het woord liefde, zonder het echter te verstaan. Vaarwel!
-
-Langzaam begaven de vrouwen zich naar het door hem aangewezen punt, waar
-zij door ieder, die voorbijging, gezien en gehoord konden worden. Zij
-zetten zich onder den boom neder, en dronken van het water. Weldra viel
-Tirza in slaap, en om haar niet te storen zwegen de beide anderen.
-
-
- * * * * *
-
-
-VIERDE HOOFDSTUK.
-
-GENEZEN.
-
-
-Langzamerhand werd de weg meer en meer bevolkt door menschen, die zich
-naar Bethfage spoedden. Tegen de vierde ure van den dag kwam een groote
-schare over den Olijfberg, en toen zij naderbij kwamen zagen de vrouwen,
-dat allen een palmtak in de hand hielden. Terwijl zij het ongewone
-schouwspel gadesloegen, werd hare aandacht getrokken door een verwijderd
-gedruisch van stemmen en zagen zij een menigte menschen van den anderen
-kant komen. Nu wekte de moeder Tirza, zeggende: Hij komt! Deze menschen
-voor ons komen uit de stad om hem te begroeten, en die anderen zijn
-zijne vrienden die hem begeleiden. Het zou mij niet verwonderen zoo de
-twee groepen hier op dit punt samentroffen.
-
---Ik vrees, dat hij ons dan niet zal kunnen hooren, moeder.
-
-Diezelfde gedachte was ook reeds bij de weduwe opgerezen. Amrah, zeide
-zij, heeft Juda ook gezegd wat die tien melaatschen tot den Nazarener
-riepen?
-
---Zij riepen: Heer, ontferm u over ons. Of: Meester, ontferm u over ons.
-
---Dat alleen?
-
---Ja, dat alleen, voor zooveel ik weet.
-
---En toch was het voldoende, zeide de weduwe zacht.
-
---Ja, antwoordde Amrah. Juda zei, dat hij hen geheel hersteld zag
-weggaan.
-
-Intusschen naderde de schare langzaam. Toen de voorsten in 't gezicht
-waren, werd de aandacht der vrouwen allereerst getroffen door een man,
-die te midden van een naar het scheen uitgelezen gezelschap reed. Hij
-was blootshoofds en geheel in 't wit gekleed. Hij staarde voor zich uit
-en deelde volstrekt niet in de opgewondenheid zijner volgelingen. Het
-gejubel vermocht de droefgeestige uitdrukking van zijn gelaat niet te
-verdrijven. Zijn golvende lokken, door het zonlicht beschenen, vormden
-een gouden stralenkrans om het edelgevormde hoofd. De juichende schare
-achter hem strekte zich tot in het oneindige uit. Niemand behoefde den
-melaatschen te zeggen, dat dit de Nazarener, de wonderdoener was.
-
---Tirza, daar is hij! Daar is hij! Kom, mijn kind! riep de moeder, en
-knielde naast de rots op den weg neder. Tirza en Amrah voegden zich
-terstond bij haar.
-
-Op ditzelfde oogenblik hielden de stedelingen stand, en begonnen met
-hunne palmtakken te wuiven en te roepen: Hosanna den Zone Davids!
-Gezegend is hij die komt in den naam des Heeren. Hosanna in de hoogste
-hemelen!
-
-De duizenden, die den Nazarener vergezelden, namen den jubeltoon over,
-zoodat het door de lucht weergalmde. Het geroep der arme melaatschen
-ging er geheel door verloren. Maar voor haar was het: nu of nooit. Ging
-deze gelegenheid voorbij, dan moesten zij voor altijd de hoop laten
-varen.
-
---Dichterbij, Tirza! Dichterbij! Hij kan ons niet hooren, zeide de
-moeder.
-
-Zij stond op en trad bevend naar voren, hief de handen smeekend omhoog,
-en riep zoo hard zij kon. De lieden zagen haar, en verstomden, door
-ontzetting en afschuw bevangen. Tirza, die achter hare moeder stond,
-zonk van zwakte en angst ineen.
-
---Melaatschen! Melaatschen!
-
---Steenig ze!
-
---Sla ze dood! die van God vervloekten!
-
-Deze en dergelijke kreten vermengden zich met de hosanna's dergenen, die
-te veraf waren om de oorzaak der stoornis te onderscheiden. Zij, die in
-de onmiddellijke nabijheid van den Rabbi waren, en zijn goddelijk
-mededoogen kenden, zagen hem zwijgend aan, wel wetende wat hij doen zou,
-en maakten ruimbaan voor hem, toen hij op de vrouw toereed. Zij zag hem
-in het vriendelijk gelaat en schepte troost uit zijn bemoedigenden
-glimlach.
-
---Meester, Meester! riep zij, gij ziet onze ellende, gij kunt ons
-reinigen. Erbarm u over ons!
-
---Gelooft gij, dat ik dat doen kan?
-
---Ja, Heer. Gij zijt degeen, van wien de profeten gesproken hebben, gij
-zijt de Messias!
-
---Vrouw, groot is uw geloof, u geschiede gelijk gij wilt.
-
-Een oogenblik nog toefde hij, de schare rondom zich vergetende, een
-oogenblik, toen reed hij verder, terwijl de geredde met een van dank
-overvloeiend hart luide riep: Eere zij God in den hooge! Gezegend zij de
-Zone Davids!
-
-Terstond daarop omgaf hem de schare met haar vreugdebetoon en onttrok
-hem aan haar oog. In dankbare verrukking drukte de moeder Tirza aan haar
-hart, juichende: Wij zijn gered! Hij is waarlijk de Messias.
-
-Zij bleven geknield liggen, totdat de menschenmassa langzaam achter den
-berg verdween. Toen het gezang en gejuich in de verte zich verloor, werd
-het wonder in de melaatschen gewrocht.
-
-Eerst gevoelden zij, dat haar bloed als vernieuwd door de aderen
-stroomde, sterker en sneller, zoodat het verzwakte lichaam een
-onbeschrijfelijk weldadig gevoel van terugkeerende kracht gewaarwerd.
-Zij voelden de plaag letterlijk wijken. Haar vleesch keerde weder, de
-verduisterde oogen straalden met den ouden glans--gereinigd waren zij
-van hare afzichtelijke krankte. Nu voelden zij zich ook naar den geest
-herleven, nameloos geluk doortrilde haar.
-
-Van deze genezing was, behalve Amrah, nog iemand anders getuige. Zooals
-wij weten was Ben-Hur den Nazarener zooveel mogelijk gevolgd, en die
-zich de gesprekken van den vorigen avond herinnert, zal zich niet
-verwonderen, dat hij bij den stoet was, die den Rabbi begeleidde. Hij
-was getuige van de bede der melaatsche, hij zag de vreeselijke sporen
-der ziekte op haar gelaat, hij hoorde het antwoord, dat zij ontving,
-en hoewel hij reeds meer dan eens tegenwoordig geweest was bij zulke
-genezingen, hadden zij nog niets van hare belangwekkendheid voor hem
-verloren. Daarenboven was de strijd in zijn binnenste met betrekking tot
-de zending van den Nazarener nog altijd niet beslist. Daarom liet hij
-den stroom voorbij gaan, en zette zich op een steen aan den weg neder,
-om te zien hoe de genezing in haar werk zou gaan.
-
-Van zijne plaats wierp hij dezen en genen een blik van verstandhouding
-toe, Galileers, die onder hunne lange gewaden het korte zwaard verborgen
-droegen. Toen allen voorbij waren naderde hem een Arabier met twee
-paarden.
-
---Blijf hier staan, zeide Ben-Hur, hem tot zich wenkend. Aldebaran zal
-mij straks met verdubbelden spoed naar de stad brengen.
-
-Hij liefkoosde het schoone dier en keerde zich toen om, ten einde de
-twee vrouwen te gaan toespreken, in wie hij het grootste belang stelde,
-als toonbeelden eener bovenaardsche wondermacht. Voortgaande keek hij
-toevallig naar de witte rots en zag een welbekende gedaante staan, het
-gelaat in de handen verborgen.
-
---Wat! zeide hij, staat Amrah daar?--en liep regelrecht op haar toe.
-Amrah! wat doet gij hier?
-
-Daar zag de oude vrouw op, viel voor hem neer op de knieen, verblind
-door tranen, bijna sprakeloos door diepe ontroering.
-
---O, meester, hoe goed is God!
-
-Een onverklaarbaar voorgevoel zeide hem, dat hare tegenwoordigheid op de
-eene of andere wijze met die der beide vrouwen in verband stond. Hij
-keerde zich haastig om, en bleef als aan den grond genageld staan. Het
-was alsof zijn hart ophield te kloppen, hij kon geen woord uitbrengen.
-
-De vrouw, die hij met den Nazarener had zien spreken, stond daar met
-gevouwen handen, terwijl de tranen haar over de wangen stroomden. De
-verandering, die zij ondergaan had, zou op zichzelf reeds zijne
-verbazing gerechtvaardigd hebben, maar er was nog een andere reden. Was
-het een zinsbegoocheling? of was er een treffende gelijkenis tusschen
-die vrouw en zijne moeder? Zoo had zij er uitgezien op dien morgen, toen
-de Romein haar uit zijne armen rukte! Alleen het haar begon hier en daar
-te grijzen, maar dat liet zich hierdoor verklaren, dat de macht, welke
-het wonder gewrocht had, de verloopen jaren in aanmerking had genomen.
-
-En die andere naast haar? Tirza? Schoon en liefelijk, alleen wat ouder
-dan op dien laatsten morgen, toen zij voor hem zong. Hij had beiden
-reeds lang dood gewaand, en de tijd had zijne smart gelenigd. Hij
-betreurde haar nog altijd, maar zij waren uit zijne droomen en plannen
-voor de toekomst weggevallen.
-
-Zijne oogen niet geloovende, greep hij Amrah bij den arm en riep: Zeg
-mij toch of ik goed zie!
-
---Ja, ja, spreek maar tot haar!
-
-Nu aarzelde hij niet langer, maar vloog naar haar toe met den kreet:
-Moeder, beste moeder, hier ben ik!
-
-In het volgend oogenblik waren de zoo wreed gescheiden weer vereenigd,
-en omhelsden elkander innig.
-
-Toen de eerste vreugde bedaard was, zeide de moeder: Kinderen, laat ons
-God danken! Laat ons het nieuwe leven beginnen met erkenning van Hem,
-die ons dit geluk bereidt.
-
-Zij knielden neder, Amrah volgde hun voorbeeld, en als een jubelpsalm
-rees het gebed der begenadigde vrouw omhoog.
-
-Daarna vraagde zij: Wat nu, mijn zoon? Waar zullen wij naar toe gaan?
-
---Ja, zeide Juda, tot de werkelijkheid teruggeroepen, wij hebben nog een
-plicht te vervullen.
-
-Hoezeer hij ook verlangde haar naar huis te brengen, en hare
-geschiedenis te hooren, hij bedwong zijn ongeduld, en herinnerde haar
-hetgeen de Wet van herstelde melaatschen eischte. Toen riep hij den
-Arabier tot zich, en beval hem de paarden naar de poort van Bethesda
-te brengen en daar op hem te wachten. Vervolgens begaven zij zich
-gezamenlijk op weg naar den Berg der Ergernis; maar o! hoe anders was
-de wandeling ditmaal. Zij konden zich snel en gemakkelijk bewegen, en
-bereikten weldra een nieuw uitgehouwen graf naast dat van Absalom. Daar
-het leeg was, namen de vrouwen er bezit van, terwijl Ben-Hur verder ging
-om zoo spoedig mogelijk de noodige maatregelen te treffen.
-
-
- * * * * *
-
-
-VIJFDE HOOFDSTUK.
-
-ONGEDULD.
-
-
-Een paar uren later sloeg hij dicht bij de graven der Koningen twee
-tenten op, die hij zoo gemakkelijk mogelijk inrichtte. Daarheen bracht
-hij moeder en zuster, totdat zij van den priester een getuigschrift van
-volkomen herstel zouden gekregen hebben.
-
-Intusschen was de jonkman door dit verkeer volgens de wet zelf onrein
-geworden, zoodat hij zich onthouden moest van elke deelneming, hoe
-gering ook, aan het ophanden zijnde feest. Hij kon bij zijne geliefden
-in de tenten blijven. Wat hadden zij elkander veel te vertellen! Onder
-het luisteren naar het lijdensverhaal zijner moeder dwong hij zich tot
-kalmte, maar zijn bloed kookte, en zijn dorst naar wraak werd steeds
-grooter.
-
-In deze stemming ontwierp hij de dolste plannen. De gelegenheden van
-de heirwegen drongen zich aan hem op: hij zou een opstand in Galilea
-verwekken, of met zijne strijdbare mannen Romeinsche reizigers op de
-wegen overvallen; zelfs de zee, anders zijn schrikbeeld, werd hem door
-zijne verbeelding voorgehouden, als een geschikt terrein tot plundering
-van galeien en kooplieden. Maar zijn beter oordeel behield de overhand
-boven een oogenblikkelijken hartstocht. Telkens weder kwam hij tot de
-oude slotsom--dat slechts een oorlog van geheel Israel tegen Rome iets
-zou kunnen uitrichten; en al zijne overleggingen, zijn vragen en hopen,
-keerden tot hun uitgangspunt terug ... den Nazarener. Als die maar wilde
-opstaan en den volke toeroepen: Hoor, Israel! Ik ben de van God
-beloofde, de geboren koning der Joden! Ik kom om te heerschen zooals de
-profeten gesproken hebben. Staat op als een eenig man, en brengt de
-wereld aan uwe voeten!
-
-Als de Nazarener zoo optrad, dan zou men wat zien gebeuren! Hoe zouden
-de bazuinen schallen om de massa ten strijde te roepen! Zou de Nazarener
-het doen?
-
-In zijn verlangen om het werk te beginnen verloor Ben-Hur de tweeledige
-natuur van den Godsgezant uit het oog, en dacht niet aan de mogelijkheid,
-dat het goddelijke in hem het menschelijke zou kunnen te boven gaan. In
-het wonder aan zijne moeder en Tirza gewrocht zag hij eene macht groot
-genoeg, om een Joodschen troon op te richten en te handhaven, eene macht
-groot genoeg, om de maatschappij te hervormen, en de menschheid tot een
-geheiligd gelukkig gezin te vereenigen. Was het eenmaal zoo ver, dan zou
-niemand durven loochenen, dat het een den Zone Gods waardig werk geweest
-was.
-
-Intusschen waren bij de beek Kedron in de nieuwe stadswijk Bezetha,
-voornamelijk langs de wegen naar de Damascuspoort, allerlei tijdelijke
-verblijfplaatsen voor de feestgangers opgeslagen. Ben-Hur bezocht de
-vreemdelingen, onderhield zich met hen, en verwonderde zich dagelijks
-meer over hun groot aantal. Toen hij daarenboven tot de ontdekking kwam
-dat alle deelen der wereld vertegenwoordigd waren ... de beide kusten der
-Middellandsche zee, Indie, de noordelijke provincien van Europa ... toen
-hij bedacht dat die lieden, ofschoon zij hem menigmaal begroetten in een
-taal, die ver afgeweken was van het oude Hebreeuwsch der vaderen, toch
-allen hetzelfde doel beoogden, drong zich een nieuw denkbeeld aan hem
-op. Zou hij misschien den Nazarener verkeerd begrepen hebben? Zou hij
-misschien onder den schijn van geduldig wachten in het geheim alles
-hebben voorbereid, om zoodoende zijne geschiktheid voor de roemrijke
-taak die hem wachtte te bewijzen? De gelegenheid die zich thans aanbood
-was veel geschikter, dan toen de Galileers hem bij het meer Genesareth
-met geweld koning hadden willen maken. Toen zouden hem slechts een paar
-duizend menschen bijgevallen zijn, heden zouden millioenen aan zijne
-roepstem gehoor geven.
-
-Dezen gedachtengang volgende kwam Ben-Hur tot het besluit, dat de
-Nazarener achter zijn zachtmoedig voorkomen en onbegrijpelijke
-zelfverloochening staatkundige plannen verborg.
-
-Herhaaldelijk kwamen ernstig, door de zon gebruinde mannen Ben-Hur aan
-de tent bezoeken. Hij ontving hen altijd alleen, en als zijne moeder hem
-vroeg wie dat waren, antwoordde hij steeds: Goede vrienden uit Galilea.
-
-Door hen kwam hij op de hoogte van alles wat de Nazarener deed, en van
-de plannen zijner vijanden, zoowel rabbijnen als Romeinen. Hij wist dat
-het leven van zijn held bedreigd werd, maar hij kon niet gelooven, dat
-iemand tijdens het feest een aanslag zou durven wagen. Zijn groote roem
-en populariteit, de aanwezigheid van zoovele vreemden in en rondom de
-stad waarborgden, meende hij, de veiligheid van den Nazarener. Maar
-bovenal rustte zijn vertrouwen op de wondermacht van den Christus. De
-zaak uit een zuiver menschelijk oogpunt beziende, hield hij het voor
-onmogelijk, dat de bezitter van zulk eene macht over leven en dood, zoo
-dikwijls aangewend ten bate van anderen, haar niet voor zichzelven zou
-gebruiken.
-
-Het was volgens onze tijdrekening de vijfentwintigste Maart. Aan den
-avond van dien dag kon Ben-Hur zijn ongeduld niet langer bedwingen en
-reed naar de stad, met de belofte van spoedig te zullen terugkeeren.
-Zijn paard was flink en draafde lustig voort. De huizen, die hij
-voorbijreed, waren leeg, de vuren voor de tenten waren uitgedoofd, de
-weg was eenzaam en verlaten, want het was de avond voor het feest en het
-volk was naar den Tempel gestroomd, om de paaschlammeren te slachten,
-wier bloed door de priesters opgevangen en naar de altaren gebracht
-werd. Door de groote Noordpoort reed Ben-Hur Jeruzalem binnen, het
-heerlijke roemrijke Jeruzalem, zooals het voor de verwoesting was.
-
-
- * * * * *
-
-
-ZESDE HOOFDSTUK.
-
-ONTMASKERD.
-
-
-Ben-Hur stapte af voor de deur eener herberg, waar hij zijn paard in de
-hoede van zijn Arabischen bediende achterliet. Met haastigen stap ging
-hij naar huis, en vraagde allereerst naar Malluch; toen die niet thuis
-bleek te zijn naar Balthasar en Simonides. Het antwoord luidde, dat de
-beide grijsaards zich in draagstoelen naar buiten hadden laten brengen,
-om ook iets van het feest te zien.
-
-Terwijl hij nog met den knecht sprak, werd het gordijn voor de deur
-weggeschoven, en trad Iras binnen, waarop de bediende heenging.
-
-Door de gebeurtenissen der laatste dagen geheel in beslag genomen, had
-Ben-Hur weinig aan de schoone Egyptische gedacht, maar zoodra hij haar
-zag, liet de oude invloed zich weder gelden. Vroolijk ging hij haar te
-gemoet, maar bleef op eens verbaasd staan. Tot nog toe had zij hem
-onverholen hare genegenheid betoond. Maar nu! Een vreemde had zij niet
-koeler kunnen ontvangen.
-
---Gij komt juist bijtijds, zoon van Hur, zeide zij. Ik wilde u dank
-zeggen voor uwe gastvrijheid, want na morgen zal ik niet meer in de
-gelegenheid zijn dat te doen.
-
-Ben-Hur maakte een lichte buiging zonder zijne oogen van haar af te
-wenden.
-
---Ik weet, dat het onder dobbelaars gewoonte is, vervolgde zij, na
-afloop van het spel de rekening op te maken, en den gelukkigen winner te
-bekronen. Wij hebben een spel gespeeld, het heeft vele dagen en weken
-geduurd. Waarom zouden wij, nu het uit is, niet eveneens nagaan wie van
-ons den krans moet hebben?
-
-Niet recht wetende wat hij van haar denken moest antwoordde Ben-Hur
-luchtig: Als een vrouw op het een of ander haar zinnen gezet heeft, moet
-een man haar daarin ter wille zijn.
-
---Zeg mij, zeide zij met een onaangenaam lachje, zeg mij, Vorst van
-Jeruzalem, waar is hij, de zoon des timmermans van Nazareth, van wien
-men onlangs zulke groote verwachtingen had?
-
-Met een gebaar van ongeduld antwoordde hij: Ik ben zijn bewaker niet.
-
---Heeft hij Rome al omvergeworpen?
-
-Toornig wilde Ben-Hur antwoorden, maar zij vervolgde: Waar heeft hij
-zijn zetel opgeslagen? En zijn paleis? Hij heeft wel dooden opgewekt,
-het zou hem dus geen moeite kosten als met een tooverslag een gouden
-huis te doen ontstaan. Hij behoeft maar met den voet te stampen en een
-woord te spreken, en het huis staat daar, zoo mooi, als men het slechts
-verlangen kan.
-
-Hij behoefde er niet meer aan te twijfelen, dat zij in ernst sprak. De
-vragen waren beleedigend, haar toon en houding bepaald onvriendelijk.
-Hij voelde, dat hij voorzichtig moest zijn, en zeide zacht: Laat ons nog
-een dag, desnoods nog een week wachten, voordat wij oordeelen.
-
-Zonder op zijne woorden te letten vervolgde zij: En hoe komt het, dat ik
-u in zulk eene kleeding zie? Dat is niet de dracht der stadhouders van
-Indie, of van onderkoningen, waar dan ook. Ik heb eenmaal een Perzisch
-satraap gezien. Hij droeg een zijden tulband en een mantel van
-goudlaken; het gevest en de scheede van zijn zwaard glinsterden van
-kostbare edelsteenen. Ik dacht dat Osiris hem iets van den glans der zon
-had afgestaan. Ik vrees, dat gij nog niet in uwe heerschappij bevestigd
-zijt, de heerschappij, die ik met u zou deelen.
-
---De dochter van mijn wijzen gast is vriendelijker dan zij zelve
-vermoedt; zij doet mij zien, dat Isis een hart kan kussen zonder het
-beter te maken.
-
-Hij sprak met koude hoffelijkheid en Iras antwoordde, al spelende met
-haar halsketting: De zoon van Hur is zeer slim. Ik zag uw droomenden
-koning zijn intocht in de stad houden. Gij hadt ons gezegd, dat hij zich
-op dien dag tot koning der Joden zou laten uitroepen. Ik zag een hem
-begeleidenden stoet van den berg afdalen, en hoorde hun gezang. 't Was
-een mooi gezicht, die wuivende palmtakken. Ik zocht naar een koninklijke
-verschijning in hun midden: een ruiter in het vorstelijk purper, of een
-statigen krijger in een strijdwagen, met schild en speer gewapend. Ik
-zocht naar zijn lijfwacht. Het zou mij goed hebben gedaan een vorst van
-Jeruzalem aan het hoofd eener kohorte van de Galileesche legioenen te
-zien!
-
-Zij wierp haren toehoorder een uitdagenden blik toe, en lachte toen
-luid, alsof zij in den geest iets zeer belachelijks aanschouwde.
-
---In stede van een triomfeerenden Sesostris, vervolgde zij, of van een
-gewapenden Cesar, hahaha! zag ik een man met tranen in de oogen op een
-ezelsveulen gezeten. De koning! de Zoon van God! de Verlosser der
-wereld! Hahaha!
-
-In spijt van zichzelven kon Ben-Hur zijn verlegenheid niet verbergen.
-Voordat hij zich hersteld had, ging zij voort: Toch verliet ik mijne
-plaats niet, Vorst van Jeruzalem. Evenmin lachte ik. Ik zeide tot
-mijzelve: Geduld! In den Tempel zal hij zich in zijne ware gedaante
-vertoonen, zooals dat een held betaamt, die de wereld in bezit gaat
-nemen. Ik zag hem de poort van Suzanna binnengaan. Ik zag hem stilhouden
-voor de Schoone Poort. Duizenden menschen stonden in de voorhoven van
-den Tempel, op de trappen; allen wachtten in hooge spanning op zijne
-proclamatie. In mijne verbeelding hoorde ik de steunsels van het
-machtige Rome kraken. Hahaha! O Vorst! bij de ziel van Salomo, uw koning
-wikkelde zich dichter in zijn overkleed en wandelde weg, zonder zijn
-mond geopend te hebben, en ... het Romeinsche rijk bestaat nog.
-
-Geen vertoogen van Balthasar, geen wonderen voor zijn oogen verricht,
-hadden vermocht wat het door Iras geschilderde tafereel uitwerkte.
-
-Dat zich afwenden van de Schoone Poort--gaf de Nazarener zelf daarmede
-niet duidelijk te kennen, dat hij het door-hem op te richten koninkrijk
-niet beschouwd wilde hebben als een aardsch koninkrijk?
-
---Dochter van Balthasar, zeide hij waardig, als dit het spel is, waarvan
-gij spraakt, neem den krans; ik moet hem u toekennen. Laat ons echter
-een einde maken aan dit woordenspel. Dat gij er een doel mede hebt,
-geloof ik zeker. Spreek het vrij uit en ik zal u antwoorden. Daarna
-kunnen wij ieder zijn eigen weg gaan, en vergeten dat wij elkander ooit
-ontmoet hebben. Spreek! Ik luister--indien gij ten minste een anderen
-toon wilt aanslaan.
-
-Zij zag hem een oogenblik onderzoekend aan, overleggende wat zij doen
-zou, misschien ook om zijn wilskracht te beproeven, en zeide toen
-koeltjes: Gij kunt vertrekken. Ga!
-
---Vrede zij u, antwoordde hij, en ging naar de deur. Toen hij er vlak
-bij was, riep zij hem terug.
-
---Nog een woord.
-
-Hij bleef staan, en zag om.
-
---Bedenk dat ik alles van u weet.
-
---Waarin bestaat dat alles? vraagde hij terugkomende.
-
-Zij zag hem aan met verstrooiden blik.
-
---Gij hebt meer van een Romein, zoon van Hur, dan een uwer Joodsche
-broederen.
-
---Ben ik zoo verschillend van mijne landgenooten? vraagde hij
-onverschillig.
-
---De halfgoden zijn allen Romeinen, zeide zij.
-
---Is dat alles wat gij van mij weet?
-
---De gelijkenis is niet voor mij verloren. Het zou er mij toe kunnen
-brengen u te redden.
-
---Mij te redden?
-
-Haar vingers speelden met het sieraad aan haren hals en haar stem klonk
-innemend en zacht; maar het trappelen van haar voetje maande hem tot
-voorzichtigheid.
-
---Er was een Jood, een ontvluchte galeislaaf, die een man doodde in het
-paleis Idernee, zeide zij langzaam.
-
-Ben-Hur ontstelde.
-
---Diezelfde Jood versloeg hier in Jeruzalem op het voorplein van het
-praetorium verscheidene Romeinsche soldaten, diezelfde Jood heeft onder
-zijne bevelen drie welgeoefende legioenen uit Galilea, om hedennacht den
-Romeinschen procurator gevangen te nemen; diezelfde Jood heeft alles
-voorbereid tot een oorlog met Rome, en Sheik Ilderim is een van zijne
-bondgenoten.
-
-Nog dichterbij komende, fluisterde zij: Gij hebt in Rome gewoond.
-Gesteld dat deze dingen gefluisterd werden in ooren, die wij kennen?
-Aha! gij verschiet van kleur?
-
-Hij ging een stap achteruit met de uitdrukking op het gelaat van een
-man, die, meenende met een poes te spelen, onverwacht een tijgerjong
-voor zich ziet.
-
-Zij vervolgde: gij zijt bekend aan het hof, gij kent den machtigen
-Sejanus. Gesteld dat hem werd medegedeeld, dat diezelfde Jood de rijkste
-man is van het Oosten, ja van het geheele keizerrijk, dan zouden de
-visschen van den Tiber waarschijnlijk wel op iets anders onthaald
-worden, dan op hun gewone voedsel, niet waar? En welke prachtige
-voorstellingen zouden daarna in den Circus gegeven worden! Het
-Romeinsche volk te vermaken is een schoone kunst, maar het geld te
-verzamelen, om het te kunnen blijven vermaken, is nog grooter kunst; en
-heeft ooit eenig kunstenaar daarin Sejanus geevenaard?
-
-Ben-Hur wendde al zijne zelfbeheersching aan, om kalm te blijven, en
-zeide bedaard: Welaan, dochter van Egypte, dank zij uwe listigheid hebt
-gij mij in uwe macht, 't Zal u zeker genoegen doen mij te hooren
-bekennen, dat ik geen genade van u verwacht. Ik zou u kunnen dooden;
-doch gij zijt eene vrouw. De woestijn is bereid om mij te ontvangen, en
-ofschoon de Romeinen uitstekende menschenjagers zijn, zouden zij mij
-daar toch lang en ver moeten zoeken, voordat ze mij vingen; want de
-wildernis herbergt duizenden trouwe, gewapende mannen. Maar al hebt gij
-mij in uwe netten weten te krijgen--dwaas die ik was! een antwoord zijt
-gij mij schuldig: Wie heeft u dat alles aangaande mij verteld?
-Vluchteling of banneling, het zal mij een troost zijn mijnen verrader
-den vloek na te laten van een man, wiens leven niets dan ellende heeft
-gekend. Wie heeft u dat alles aangaande mij medegedeeld?
-
-Was het een kunstgreep, was het oprecht gemeend,--de uitdrukking van
-Iras' gelaat werd zachter.
-
---In mijn vaderland vindt men kunstenaars, die schilderijen maken van
-veelkleurige schelpjes, welke zij aan het strand der zee vonden, en in
-stukken sloegen, om ze daarna tot een geheel samen te voegen. Ziet gij
-niet wat zij, die een geheim willen uitvorschen, daaruit kunnen leeren?
-Het zij u genoeg te weten, dat ik van den een dit, van den ander dat
-vernam, en weldra een geheel kon samenstellen, dat mij meesteres maakte
-van het fortuin en het leven van een man met wien ... ik niet recht weet
-wat ik doen zal.
-
---Neen, dat is mij niet genoeg, zeide Ben-Hur onbewogen. Morgen zult gij
-wel weten wat gij met mij doen zult ... mij misschien vermoorden.
-
---Dat is zoo, antwoordde zij snel en met nadruk. Nu dan. Enkele dingen
-vernam ik door Sheik Ilderim, toen hij op zekeren avond met mijn vader
-een onderhoud had in de woestijn. 't Was stil, heel stil, en de wanden
-eener tent zijn, om de waarheid te zeggen, geen voldoende beschutting
-tegen ooren, die daar buiten luisteren naar den vleugelslag van
-nachtvlinders. Andere bijzonderheden kreeg ik van....
-
---Welnu? van wien?
-
---Van den zoon van Hur zelf.
-
---Heeft niemand anders er toe bijgedragen?
-
---Neen, niemand.
-
-Ben-Hur slaakte een zucht van verlichting en zeide: Dank voor uwe
-mededeeling. Het zou niet beleefd zijn den machtigen Sejanus op u te
-laten wachten. Vaarwel!
-
-Tot nog toe had hij met ongedekten hoofde voor haar gestaan; nu nam hij
-den doek, die over zijn arm hing, schikte zich dien om het hoofd en
-wilde zich verwijderen. Maar zij hield hem tegen, en stak in haren ijver
-de hand naar hem uit.
-
---Blijf! zeide zij.
-
-Hij zag haar aan zonder echter de aangeboden hand te nemen, en begreep
-uit hare geheele manier van doen, dat het voornaamste nog komen moest.
-
---Blijf, en geloof vrij, dat ik weet waarom de edele Arrius u tot zijn
-erfgenaam maakte. Bij alle goden van Egypte, ik beef als ik er aan denk,
-dat gij, zoo dapper en edelmoedig, den onbarmhartigen Sejanus in handen
-zoudt vallen. Gij hebt een gedeelte van uw jeugd in de atria der groote
-wereldstad doorgebracht, bedenk wat in tegenstelling daarmede de
-woestijn voor u zijn moet. O, ik heb medelijden met u! En als ge doen
-wilt wat ik zeg, zal ik u redden. Dat zweer ik u bij onze heilige Isis!
-
-Het vuur, waarmede zij gesproken had, deed haar aangezicht gloeien;
-zelden had hij haar zoo schoon gezien.
-
---Eenmaal hadt gij een vriend, vervolgde zij. Gij waart toen nog een
-knaap. Op zekeren dag kreegt gij twist en werdt vijanden. Vele jaren
-later zaagt gij hem in den circus te Antiochie.
-
---Messala!
-
---Ja, Messala. Gij waart zijn schuldeischer. Laat het verledene vergeven
-en vergeten zijn; schenk hem uwe vriendschap weder; geef hem zijn geld
-terug, dat hij bij de groote weddenschap verloor; red hem! De zes
-talenten zijn voor u zoo goed als niets, niet zooveel als het afvallend
-blad van een lommerrijken boom; maar voor hem.... Ach, hij gaat daarheen
-met een verbrijzeld lichaam! O Ben-Hur, edele vorst! voor een Romein als
-hij, uit een edel geslacht gesproten, is armoede nog erger dan de dood.
-Red hem, ach, red hem!
-
-Als de snelheid, waarmede zij sprak, dienen moest, om hem het nadenken
-te beletten, dan vergiste zij zich deerlijk. Zijne gevoelens ten
-opzichte van Messala waren voor geene wijziging vatbaar. Het was hem,
-alsof hij zijn vijand over haar schouder naar hem zag gluren, met de
-oude trotsche, overmoedige uitdrukking.
-
---Messala krijgt van mij niets, sprak hij vastberaden. Als Romein
-veroordeel ik den Romein. Maar zeg mij, zond hijzelf u tot mij met dit
-verzoek?
-
---Hij heeft een edele natuur en beoordeelde u daarnaar.
-
---Zeg mij, gij, die hem zoo goed schijnt te kennen, zeg mij, zou hij in
-het omgekeerde geval voor mij doen wat hij nu van mij vraagt? Antwoord
-ter wille van de waarheid!
-
---O, begon zij, hij is....
-
---Een Romein, wilt gij zeggen; en gij bedoelt daarmede, dat ik, een
-Jood, niet moet eischen, dat een en dezelfde maatstaf gebruikt zal
-worden voor hem en voor mij. Dus omdat ik een Jood ben, moet ik hem
-mijne winst laten, omdat hij een Romein is. Als gij nog meer te zeggen
-hebt, dochter van Balthasar, spreek dan, want waarlijk! moest mijn bloed
-nog tot grooter kookhitte komen, dan zou ik in u misschien niet langer
-eene vrouw zien, maar de spion van den Romein. Spreek dus, maar maak het
-kort.
-
-Zij ging een stap achteruit. Uit hare oogen en stem sprak al de boosheid
-van hare natuur.
-
---Gij meent, dat ik u zou kunnen beminnen, nadat ik Messala gezien had?
-Zulken als gij zijn geboren om hem te dienen. Hij zou tevreden zijn
-geweest, indien gij hem zijne zes talenten teruggegeven hadt; maar ik
-zeg u, bij die zes zult gij er twintig voegen, hoort gij? Voor iederen
-kus, dien gij mij gegeven hebt, al was het met mijne toestemming, zult
-gij mij betalen. Gij zult er voor betalen, dat ik u zoo lang verdragen,
-ja begunstigd heb, al deed ik het ook om hem te dienen. De oude
-Simonides is uw rentmeester. Indien hij mij morgenmiddag niet een wissel
-ter hand stelt voor zesentwintig talenten, dan zult gij met den
-machtigen Sejanus hebben af te rekenen. Wees wijs! en nu vaarwel.
-
-Zij wilde de kamer verlaten, maar hij trad haar in den weg.
-
---Wanneer gij Messala ziet, hier of in Rome, vandaag of morgen, wil hem
-dan van mijnentwege deze boodschap overbrengen: Zeg hem, dat ik al het
-geld terug heb, dat hij mij ontstal, toen hij zich een deel van mijn
-vaders bezittingen toeeigende. Zeg hem, dat ik van de galeien, waarheen
-hij mij zond, levend ben teruggekomen, en dat ik gezond en krachtig, mij
-verheug over zijne armoede en schande. Zeg hem, dat de lichaamspijnen,
-hem door mijne hand toegebracht, een straf zijn van den God van Israel
-voor het verraad, dat hij aan onschuldigen gepleegd heeft; zeg hem, dat
-mijne moeder en zuster, die met zijn medeweten opgesloten werden in eene
-besmette cel van den burcht Antonia, opdat zij daar aan melaatschheid
-zouden sterven, leven, en gezond zijn door het machtwoord van den
-Nazarener, dien gij veracht. Zeg hem, dat zij, om de maat van mijn geluk
-vol te maken, mij teruggegeven zijn, en dat ik tot haar ga, om in hare
-liefde meer dan voldoening te vinden voor de onreine hartstochten, die
-gij op hem overbrengt. Zeg hem, dat de machtige Sejanus, als hij zich
-opmaakt om mij van mijn eigendom te berooven, niets zal vinden, want
-alles, wat ik van den duumvir geerfd heb, is verkocht, en de opbrengst
-is in veiligheid gebracht. Zeg hem, dat dit huis en de goederen, waar
-Simonides handel mede drijft, gedekt zijn door keizerlijken vrijbrief.
-Zeg hem, dat ik hem mijnen vloek niet in woorden zend, maar dat ik hem
-aan u overlaat, opdat gij elkander wederkeerig ten vloek zoudt zijn. Ga
-nu, ik ga ook.
-
-Hij geleidde haar naar de deur en hield beleefd een voorhang tegen,
-terwijl zij naar buiten ging.
-
-
- * * * * *
-
-
-ZEVENDE HOOFDSTUK.
-
-DE BLINDDOEK AFGEVALLEN.
-
-
-Ben-Hur verliet de zaal vrij wat minder opgewekt, dan hij haar
-binnengetreden was; zijn stap was langzamer, hij liet het hoofd hangen.
-De ontdekking dat iemand, al heeft hij ook al zijne ledematen gebroken,
-toch nog gezond van hersenen kan zijn, gaf hem veel te denken.
-
-Dat hij de Egyptische zelf niet verdacht had van in Messala's belang
-werkzaam te zijn, maar zich blindelings had overgegeven aan de
-betoovering, die van haar uitging, wondde zijne ijdelheid.
-
---Nu herinner ik mij, dacht hij, dat zij in het minst niet
-verontwaardigd was over de handelwijze van den onbeschaamden Romein bij
-de bron van Castalia. Ik herinner mij ook, dat zij van den beginne met
-ingenomenheid over hem sprak. En ... aha!... nu behoef ik niet langer te
-vragen, aan wie ik dat geval in het paleis Idernee te danken had.
-
---God zij gedankt! riep hij na een oogenblik nadenkens overluid, dat die
-vrouw mijn hart niet omstrikt had! Ik zie nu in dat het geen liefde was,
-die ik voor haar gevoelde.
-
-Alsof hem een pak van het hart gevallen was, begaf hij zich verruimd van
-zin naar het platte dak. Boven gekomen bleef hij stilstaan. Kon
-Balthasar haar medeplichtige zijn? Neen, neen. Een eerwaardig grijsaard
-als hij kan niet huichelen. Balthasar is een goed man.
-
-Gerustgesteld ging hij verder. De volle maan stond hoog aan den hemel,
-maar verbleekte door den gloed der vuren, die in de straten en op de
-pleinen ontstoken waren. Van alle zijden weerklonk het gezang van
-psalmen en lofzangen. Onwillekeurig bleef hij staan luisteren. De
-tallooze stemmen schenen hem toe te roepen: Aldus, zoon van Juda,
-getuigen wij van onze trouw aan den Heer onzen God, en onze liefde tot
-het land, dat Hij ons gegeven heeft. O, dat een Gideon mocht optreden,
-of een David, of een Makkabeer!--Wij zijn gereed.
-
-In den geest zag hij den Nazarener, wiens vriendelijk gelaat allerminst
-aan oorlog deed denken, veeleer aan vrede en liefde, en zoo drong de
-oude vraag zich weder aan hem op: Wie is hij toch?
-
-Ben-Hur wierp een blik over de borstwering, keerde zich toen om en
-wandelde toen werktuiglijk naar het zomerhuisje. Laat hen het ergste
-doen wat zij kunnen, zeide hij langzaam voortgaande. Ik kan den Romein
-geen vergiffenis schenken. Ik wil mijn fortuin niet met hem deelen, maar
-evenmin wil ik de stad mijner vaderen ontvluchten. Liever roep ik de
-Galileers te hulp en laat ik het zwaard voor mij beslissen. Door dappere
-daden zal ik de stammen voor mij winnen. Hij, die Mozes verwekte, zal
-ook ons een aanvoerder toezenden, als ik niet slaag. Blijkt het, dat de
-Nazarener niet de aangewezen persoon is, dan een ander uit de velen, die
-hun leven willen laten voor de vrijheid.
-
-Het zomerhuisje was van binnen slechts flauw verlicht, toen Ben-Hur
-binnentrad. Hij zag den armstoel van Simonides in den hoek geschoven,
-vanwaar men het beste uitzicht had over de markt.
-
---De goede man is teruggekeerd, dacht hij. Als hij niet slaapt, zal ik
-hem even toespreken.
-
-Hij naderde den stoel met zachten tred. Over de hooge rugleuning
-glurende zag hij, dat Esther in den stoel zat te slapen, half verborgen
-onder de deken. Hare ademhaling was zacht en regelmatig. Op eens slaakte
-zij een diepen zucht. Was het de zucht, of de eenzaamheid, waarin hij
-haar aantrof,--genoeg, hij kreeg den indruk dat deze slaap meer een
-gevolg was van uitputting na droefheid, dan van vermoeidheid. Met de
-handen op de rugleuning rustend, dacht hij een oogenblik na.
-
---Ik zal haar niet wekken. Ik heb haar niets te zeggen, niets, of het
-moest zijn, dat ik haar liefheb. Zij is eene dochter uit den stam van
-Juda, schoon en lieftallig, geheel verschillend van de Egyptische. Bij
-die is alles ijdelheid, bij haar alles waarheid, daar eerzucht, hier
-plicht, daar zelfzucht, hier zelfverloochening.... Neen, de vraag is niet
-of ik haar liefheb, maar of zij mij liefheeft! Zij was mij van den
-beginne genegen. Ik ben dien avond op het terras te Antiochie nog niet
-vergeten, toen zij mij zoo kinderlijk smeekte Rome niet tot mijn
-vijandin te maken. Ik heb haar lief. Niemand weet, dat ik moeder en
-Tirza teruggevonden heb. Hoe zal zij zich met mij verheugen, haar van
-harte verwelkomen. Voor moeder zal zij eene tweede dochter wezen, in
-Tirza vindt zij eene zuster. Ik zou haar kunnen wekken en dit alles
-vertellen, maar eerst moet de Egyptische toovenares weg, en alles
-vergeten zijn. Ik zal heengaan en een ander, een beter oogenblik
-afwachten. Ik zal wachten. Slaap zacht, schoone Esther! trouw kind,
-dochter van Juda!
-
-Hij ging heen, even stil als hij gekomen was.
-
-
- * * * * *
-
-
-ACHTSTE HOOFDSTUK.
-
-HET VERRAAD.
-
-
-De straten waren vol gaanden en komenden. Hier en daar stonden groepjes
-geschaard rondom de vuren, waar vleesch gebraden, gezongen en
-feestgevierd werd. De geur van het gebraad, vermengd met den reuk van
-brandend cederhout, vervulde de lucht; en daar bij deze gelegenheid alle
-Israelieten elkander als broeders begroetten en de gastvrijheid geen
-grenzen kende, werd Ben-Hur bij elken stap begroet, terwijl de groepjes
-rondom het vuur hem toeriepen: Kom, en eet met ons. Wij zijn broeders in
-de liefde Gods!--Maar hij dankte hen allen vriendelijk en haastte zich
-voort, daar hij van plan was zijn paard op te halen aan de herberg, en
-naar de tenten bij de beek Kedron terug te keeren.
-
-Om daar te komen, moest hij de straat oversteken, die weldra door het
-droevigst tooneel, dat de christenheid kent, vermaard zou worden. Ook
-daar waren de feestelijkheden in vollen gang. De straat afziende, zag
-hij een optocht met fakkellicht naderen! Waar zij langs kwamen verstomde
-het gezang. Zijne verbazing klom, toen hij te midden van rook en vonken
-speren zag flikkeren, waaruit hij begreep, dat het Romeinsche soldaten
-waren. Wat deden zij, die vervloekte Romeinen, bij een Joodsche
-processie? Dat was iets ongehoords, en hij bleef staan om te zien wat
-dat beteekenen moest.
-
-De maan scheen helder; maar alsof maan en sterren en straatvuren en het
-licht uit vensters en open deuren niet voldoende waren om alles buiten
-te verlichten, droegen sommige deelnemers aan den optocht bovendien
-brandende lantaarns, en daar Ben-Hur begreep, dat er iets bijzonders te
-doen moest zijn, koos hij een geschikte plaats uit, om elk der
-voorbijtrekkenden aandachtig op te nemen. De toortsen en lantaarnen
-werden door bedienden gedragen, die met knuppels of puntige stokken
-gewapend waren. Hun plicht was allereerst de hoogmogenden onder hen:
-oudsten, priesters, rabbi's met lange baarden, zware wenkbrauwen en
-haviksneuzen, bij te lichten op den ongelijken, steenachtigen weg. Wat
-kon toch het doel van hun tocht zijn? Niet naar den tempel, want
-daarheen voerde een andere weg. En hun plannen ... als die van vreedzamen
-aard waren, waartoe dan de soldaten?
-
-Toen de stoet hem voorbijging, werd zijne aandacht voornamelijk
-getrokken door drie personen, die in de eerste rijen gingen. In den man
-links herkende hij een hoofdman der tempelwacht, die meest rechts liep
-was een priester, den middelsten daarentegen herkende hij niet dadelijk,
-want hij leunde onder het voortgaan zwaar op de beide anderen, en liet
-het hoofd hangen, als om het gelaat te verbergen. Zijn voorkomen deed
-aan een boosdoener denken, die den schrik van zijne gevangenneming nog
-niet te boven was gekomen. Ontegenzeglijk was hij, zoo niet de oorzaak
-van het optrekken der soldaten, dan toch of hun gids, of een onmisbaar
-getuige. Kon Ben-Hur achter zijn naam komen, dan zou hij het overige
-misschien wel kunnen raden. Zonder iets te zeggen, trad hij den priester
-op zijde, en stapte naast hem voort. Als de man nu maar zijn hoofd wilde
-opheffen! En zie! daar deed hij het, zoodat het licht der lantaarnen op
-zijn bleek, door vrees vertrokken gelaat viel. Daar Ben-Hur den
-Nazarener zoo dikwijls op zijne tochten gevolgd was, kende hij de
-discipelen, zoowel als den meester; en toen hij nu dat verschrikte
-gelaat zag, riep hij luid: Iskariot!
-
-Langzaam keerde de ongelukkige het hoofd om, keek Ben-Hur aan en bewoog
-zijne lippen, alsof hij iets wilde zeggen, maar de priester kwam
-tusschenbeide.
-
---Wat woudt gij? Ga weg! zeide hij tot Ben-Hur, en duwde hem op zij. De
-jonkman liet het zich welgevallen, wachtte een betere gelegenheid af, en
-sloot zich weder bij den stoet aan. Zij gingen tusschen den heuvel
-Bezetha en den burcht Antonia door, langs het badwater Bethesda naar de
-Schaapspoort. Overal waren menschen en overal werd feestgevierd. Ter
-eere van het feest stonden de deuren der poort wijd open. Voorwaarts
-ging het, altijd voorwaarts, nu het dal in, dat naar de beek Kedron
-leidde. Aan de andere zijde zag men den Olijfberg met zijn donker
-geboomte. Dof weerklonken de voetstappen der mannen in de nachtelijke
-stilte. Nog een klein eindje, en toen sloegen zij links om naar een
-olijvenhof, die aan den voorkant door een steenen muurtje afgesloten
-was. Ben-Hur wist dat in dien hof niets was, dan eenige knoestige
-boomen, wat gras, en een in de rots uitgehouwen trog, die gebruikt werd
-voor het treden van de olijven. Terwijl hij zich verbaasd afvraagde wat
-zij in dit uur op eene zoo eenzame plaats te doen konden hebben, stond
-de troep plotseling stil. In de voorhoede hoorde men luid spreken. Er
-ontstond een onverklaarbare verwarring; alleen de soldaten hielden
-stand. In een oogwenk had Ben-Hur zich uit het gedrang weten te redden,
-om vooruit te snellen. Weldra bevond hij zich voor een poortje zonder
-deur, dat toegang verleende tot den hof. Hij bleef staan om het tooneel
-te overzien.
-
-In de poort stond een man met witte kleederen bekleed, blootshoofds, de
-handen op de borst gevouwen, een gedaante hem maar al te goed bekend ...
-de Nazarener! Zijne discipelen stonden achter hem geschaard; zij zagen
-er ontsteld uit, de meester zelf stond daar als een toonbeeld van
-verheven rust.
-
-Tegenover deze vreedzame gestalte hield de bende stil, onthutst, gereed
-om op een machtwoord uit zijnen mond uiteen te stuiven en weg te loopen.
-Ben-Hur wierp een vluchtigen blik op hem, op de menigte, op Judas
-Iskariot, en nu begreep hij het doel van den tocht. Hier stond de
-verrader, daar de verradene. De lieden met knuppels en stokken gewapend
-en de soldaten waren gekomen om hem gevangen te nemen.
-
-Niemand kan met zekerheid zeggen wat hij doen zal, voordat het oogenblik
-van handelen daar is. Ben-Hur stond voor iets, waarop hij zich jarenlang
-had voorbereid. De man, voor wiens veiligheid hij moest waken, op wiens
-leven hij al zijne hoop gebouwd had, verkeerde in lijfsgevaar,--en toch
-deed hij niets. De menschelijke natuur is vol van zulke tegenstrijdigheden.
-De groote kalmte echter, waarmede de geheimnisvolle Nazarener de menigte
-te gemoet trad, hield hem tegen, want hij verwachtte dat de meester gebruik
-zou maken van zijne wondermacht, om zich uit dit dreigend gevaar te redden.
-Vrede, liefde en vergevensgezindheid waren de grondtonen geweest van zijn
-leer; zou hij zijne prediking in praktijk brengen? Hij was Heer over leven
-en dood. Welk gebruik zou hij nu van die macht maken? Zichzelven verdedigen?
-En hoe dan? Een woord, een wenk, eene gedachte was voldoende. Dat een
-wonder, iets bovennatuurlijks gebeuren zou, geloofde Ben-Hur vast, en in
-dat geloof wachtte hij. Maar hij mat den Nazarener naar zichzelven af, naar
-den menschelijken maatstaf.
-
-Daar weerklonk des Meesters heldere stem.
-
---Wien zoekt gij?
-
---Jezus den Nazarener, antwoordde de priester.
-
---Ik ben het.
-
-Op het hooren van deze zeer eenvoudige woorden weken de aanvallers eenige
-schreden achteruit, de vreesachtigen vielen ter aarde.
-
-Zij zouden hem waarschijnlijk alleen gelaten hebben en weggegaan zijn,
-indien niet Judas naar voren gekomen was en gezegd had: Wees gegroet,
-Meester.
-
-Dit zeggende kuste Judas hem.
-
---Judas, zeide de Nazarener zacht, verraadt gij den Zoon des Menschen
-met een kus? Waarom zijt gij hier gekomen?
-
-Daar hij geen antwoord kreeg, wendde de Meester zich weder tot de schare.
-
---Wien zoekt gij?
-
---Jezus van Nazareth.
-
---Ik heb u gezegd, dat ik het ben. Indien gij dan mij zoekt laat dezen
-henengaan.
-
-De rabbi's traden op hem toe, en hun voornemen radende kwamen sommigen
-zijner discipelen, voor wie hij in de bres gesprongen was, naderbij. Een
-van hen hief zijn zwaard op en sloeg een man zijn oor af, maar zonder te
-kunnen verhinderen dat de Meester gevangen werd genomen.
-
-En nog steeds stond Ben-Hur stil!
-
-Terwijl men de touwen bracht om hem te binden, verrichtte de Nazarener
-eene liefdedaad, die meer nog dan eenige andere zijne oneindige liefde
-en zachtmoedigheid deed zien.
-
---Laat ze tot hiertoe geworden, zeide hij, raakte het oor van den
-gewonden dienstknecht aan, en heelde het.
-
-Vrienden en vijanden beiden stonden verbaasd, laatstgenoemden daarover,
-dat hij zoo iets kon doen, de eersten, dat hij het wilde doen.
-
-Neen, neen! Hij zal niet toelaten, dat zij hem binden! dacht Ben-Hur.
-
---Steek uw zwaard in de scheede. De beker, dien mij de Vader gegeven
-heeft, zou ik dien niet drinken?
-
-Van den voorbarigen discipel keerde de Nazarener zich tot zijne
-vijanden: Zijt gij gekomen als tot een dief, met zwaarden en stokken om
-mij gevangen te nemen? Dagelijks was ik bij u in den Tempel en gij hebt
-mij niet gegrepen, maar dit is uwe ure en de macht der duisternis.
-
-De bende vatte moed en omringde hem. Toen Ben-Hur rondzag naar de
-discipelen waren zij weg, niet een was gebleven.
-
-De Nazarener werd gebonden,--hij die zijne vijanden met een ademtocht
-zou hebben kunnen vernietigen. Waarom wilde hij zichzelven niet redden?
-Wat was die drinkbeker, dien zijn vader hem gegeven had te drinken? En
-wie was die vader? Altemaal geheimen, die alleen de Nazarener onthullen
-kon.
-
-Nu maakte de bende zich gereed om naar de stad terug te keeren, de
-soldaten voorop. Ben-Hur werd beangst. Hij was niet met zichzelf
-tevreden. Hij wist waar de Nazarener te vinden was,--daar, waar de
-meeste flambouwen waren. Op eens nam hij een besluit. Hij moest hem nog
-eenmaal zien, hem eene vraag voorleggen. Haastig ontdeed hij zich van
-zijn overkleed en hoofddoek, wierp ze op het muurtje, en vloog de bende
-achterna.
-
-Het gelukte hem na eenig dringen den man te bereiken, die de einden van
-het touw vasthield, waarmede de gevangene behouden was.
-
-De Nazarener liep langzaam, met gebogen hoofd, de handen op den rug
-gebonden, en alsof hij niets merkte van hetgeen rondom hem voorviel.
-Voor hem uit gingen priesters en oudsten, in drukke gesprekken verdiept,
-en telkens naar hunne prooi omziende. Toen zij de brug genaderd waren,
-nam Ben-Hur den bewaker het touw uit de hand, en trad den gevangene op
-zijde.
-
---Meester, sprak hij zacht en snel, hoort gij mij, Meester? Een woord
-slechts. Zeg mij.... De man, wien hij het touw ontnomen had, wilde het
-terug hebben.
-
---Meester, zeg mij, ging Ben-Hur voort, gaat gij vrijwillig mede?
-
-De menigte sloot zich meer aaneen en vraagde hem dreigend: Mensch, wie
-zijt gij?
-
---Ach, Meester, zeide Ben-Hur haastig, zijn stem scherp door angst, ik
-ben uw vriend. Zeg mij, ik smeek het u, wilt gij, dat ik u te hulp kom?
-
-De Nazarener zag niet op, en gaf niet het minste teeken van herkenning.
-
-Maar nu drongen de wachters op hem in. Van alle kanten werd geroepen:
-Hij is een van hen. Grijpt hem! Slaat hem dood! Met een wanhopige
-krachtsinspanning rukte Ben-Hur zich los, keerde zich, links en rechts
-slaande, om, en brak door den kring heen, die hem dreigde in te sluiten.
-Zijn kleed moest hij in handen laten van een wachter, die hem reeds
-gegrepen had, zoodat hij naakt van hen moest vlieden. Gelukkig kon hij
-zich in de donkere kloof voor iedere oog verbergen.
-
-Toen alles stil geworden was, keerde hij naar den olijvenhof terug, om
-zijn overkleed te halen, begaf zich van daar naar de herberg, besteeg
-zijn paard en reed spoorslags naar de tenten zijner moeder bij de graven
-der Koningen. Onder het voortrijden nam hij het besluit den volgenden
-dag den Nazarener te bezoeken, weinig vermoedende, dat deze nog
-dienzelfden avond naar het huis van Annas gebracht was, om terstond
-verhoord te worden.
-
-Met een bezwaard hart ging de jonkman ter ruste. Moedeloos wierp hij
-zich op zijn leger om en om, aan slapen viel voor hem niet te denken,
-want het leed geen twijfel: het Joodsche koninkrijk, waar hij van
-gedroomd had, loste zich op in wat het was--een droom.
-
-
- * * * * *
-
-
-NEGENDE HOOFDSTUK.
-
-NAAR DEN KRUISHEUVEL.
-
-
-Den volgenden morgen tegen de tweede ure reden twee mannen in galop naar
-Ben-Hurs tent, stapten af, en vraagden hem te zien.
-
-Hij was nog niet opgestaan, doch beval dat men hen binnen zou laten.
-
---Vrede zij u, broeders, zeide hij, want het waren twee vertrouwde
-hoofdlieden van het Galileesche legioen. Neemt plaats!
-
---Neen, antwoordde de oudste kortaf. Zitten en rusten wil zooveel zeggen
-als den Nazarener te laten sterven. Sta op, zoon van Juda, en ga met ons.
-Het oordeel is uitgesproken, de kruispaal wordt opgericht.
-
-Ben-Hur staarde den spreker ontsteld aan. Het kruis! was alles wat hij
-zeggen kon.
-
---Zij hebben hem van nacht gevangengenomen en gevonnist, vervolgde de
-man. Met het aanbreken van den dag brachten zij hem voor Pilatus.
-Tweemaal verklaarde de Romein hem voor niet schuldig; tweemaal weigerde
-hij hem over te leveren. Eindelijk waschte hij zijne handen, en zeide:
-Ik ben onschuldig aan het bloed van dezen rechtvaardige! en zij
-antwoordden....
-
---Wie antwoordde?
-
---De priesters en het volk! Zij antwoordden: Zijn bloed kome over ons en
-over onze kinderen.
-
---Heilige vader Abraham! riep Ben-Hur. Moet een Romein welwillender zijn
-voor een Israeliet, dan zijn stamgenooten! En als--o, als hij werkelijk
-de Zoon Gods is, wie zal dan ooit die bloedschuld afwasschen? Het mag
-niet gebeuren,--ten strijde, broeders, ten strijde!
-
-Hij klapte in de handen.
-
---De paarden voor, vlug! beval hij den binnentredenden Arabier. Laat
-Amrah mij schoone kleederen geven en breng gij mijn zwaard!... De tijd
-is gekomen om voor Israel te sterven, vrienden! Wacht mij buiten, ik kom
-aanstonds.
-
-Hij at een stuk brood, dronk een beker wijn, en reed weldra weg.
-
---Waarheen? vraagde de hoofdman.
-
---De legioenen bijeenroepen.
-
---Helaas! riep de man, zijne handen omhoogheffend.
-
---Waarom helaas?
-
---Ach, heer, zeide de man beschaamd, mijn vriend en ik zijn u alleen
-getrouw gebleven. Al de anderen loopen de priesters na.
-
---Wat willen zij dan? vraagde Ben-Hur en hield zijn paard in.
-
---Hem dooden.
-
---Toch niet den Nazarener?
-
---Gij hebt het gezegd.
-
-Ben-Hur zag nu den een, dan den ander aan. In den geest hoorde hij weder
-de woorden van den vorige avond: den drinkbeker, dien mij de Vader
-gegeven heeft, zal ik dien niet drinken?
-
-Hij hoorde weer zijn eigen vraag: wilt gij dat ik u te hulp kom?--Neen,
-zeide hij tot zichzelf: Zijn dood kan niet afgewend worden. Hij heeft er
-van den beginne alles van geweten. Die dood wordt hem opgelegd door een
-wil, hooger dan de zijne: van wien anders dan van God? Als hij er in
-toestemt, als hij vrijwillig gaat, wat zal dan een gewoon mensch doen?
-
-Ben-Hur zag de plannen in duigen vallen, die hij gebouwd had op de
-getrouwheid der Galileers. Hun afval maakte inderdaad aan alles een
-einde. Maar hoe zonderling dat het juist hedenmorgen moest gebeuren! Een
-bange vrees bekroop hem. Kon het zijn dat zijn plannenmaken, zijn werk,
-de wijze, waarop hij zijn geld besteed had, slechts verzet geweest was
-tegen Gods raadsbesluiten?
-
---Laat ons naar Golgotha gaan, zeide hij op doffen toon.
-
-Zij reden te midden van een opgewonden menigte, die in dezelfde richting
-ging, als zijzelve. De geheele streek ten noorden der stad scheen op de
-been te zijn.
-
-Hoorende dat de wacht met den veroordeelde ongeveer bij de groote witte
-torens van Herodes moest zijn, reden de drie vrienden daarheen. In de
-vallei bij den vijver van Hiskia werd het onmogelijk tegen den stroom
-van menschen in te gaan, zoodat zij verplicht waren af te stijgen en
-achter een huis een gunstiger oogenblik af te wachten. Een half uur, een
-uur vloog voorbij, nog steeds ging de stroom onverminderd langs onze
-vrienden. Aan het einde van dien tijd had hij kunnen zeggen: Ik heb alle
-standen van Jeruzalem vertegenwoordigd gezien, al de sekten van Judea,
-al de stammen Israels, en al de nationaliteiten der aarde. De Libysche
-Jood, de Jood uit Egypte, de Jood van den Rijn; in een woord: de Joden
-van alle oostersche en westersche landen en van alle bekende eilanden
-trokken langs hem heen, te voet, te paard, of op kameelen gezeten, in
-draagstoelen, in wagens, gekleed in alle mogelijke kleederdrachten, maar
-met de zonderlinge overeenkomst in gelaatstrekken, die nog heden ten
-dage de kinderen Israels kenmerkt, al hebben zij ook veel geleden door
-verandering van levenswijze. Die allen drongen voorwaarts om een armen
-Nazarener te zien sterven, een misdadiger tusschen misdadigers.
-
-Behalve die duizenden Joden, waren er nog duizenden anderen, die de
-Joden haatten en verachtten: Grieken, Romeinen, Arabieren, Syriers,
-Afrikanen, Egyptenaren, zoodat de geheele wereld bij de kruisiging
-tegenwoordig scheen te zullen zijn.
-
-In weerwil van de ontzettende menschenmassa heerschte een akelige
-stilte, die alleen nu en dan verbroken werd door een hoefslag op den
-steenachtigen bodem, het geratel van wielen, of een uitroep van
-verbazing. Daaruit begreep Ben-Hur, dat het vreemdelingen waren, in de
-stad gekomen om het Paaschfeest te vieren, die dus geen aandeel hadden
-in de veroordeeling des Nazareners.
-
-Eindelijk hoorde hij in de richting der groote torens een verward
-gedruisch van stemmen.
-
---Hoor, daar komen zij! zeide een der twee Galileesche hoofdlieden.
-
-De voorbijgaanden bleven staan om te luisteren; toen het rumoer echter
-naderkwam, zagen zij elkander aan en gingen huiverend verder. Het woest
-getier nam toe ... daar zag Ben-Hur de bedienden van Simonides naderen.
-Esther ging naast haar vaders draagstoel, een gesloten draagstoel volgde
-hen.
-
---Vrede zij u, Simonides; en u, Esther, zeide Ben-Hur hun te gemoet
-tredende. Als gij op weg zijt naar Golgotha, blijft dan hier, totdat de
-stoet voorbij is, dan vergezel ik u. Hier achter het huis is plaats
-genoeg.
-
-De koopman hief het hoofd op en zeide: Vraag het Balthasar. Wat hij wil
-is mij goed. Hij zit in den draagstoel.
-
-Ben-Hur schoof het gordijn open. De Egyptenaar lag achterover; zijn
-vermagerd gelaat was zeer vervallen, hij geleek een doode. Ben-Hur
-herhaalde zijn voorstel.
-
---Kunnen wij hem zien? vraagde Balthasar.
-
---Den Nazarener? Ja, hij moet hier langs komen.
-
---O God, riep de oude man bewogen, nog eenmaal moet ik hem zien! Welk
-een vreeselijke dag is dit voor de wereld.
-
-Een oogenblik later stond het geheele gezelschap in de schaduw van het
-huis. Zij spraken weinig, waarschijnlijk waren zij bevreesd elkander
-hunne gedachten mede te deelen. Eindelijk kwam de stoet in 't gezicht.
-
---Zie, zeide Ben-Hur op bitteren toon, die nu komen zijn Jeruzalemmers.
-
-De voorhoede bestond uit een hoop kwajongens, die luid schreeuwden: De
-koning der Joden! Plaats voor den koning der Joden!
-
-Simonides sloeg den joelenden troep een oogenblik gade en zeide ernstig:
-Als dezen tot hunne erfenis ingaan, dan, wee de schoone stad van Salomo!
-
-Een afdeeling soldaten in volle wapenrusting volgde, in koele
-onverschilligheid rechts noch links ziende.
-
-Toen kwam de Nazarener.
-
-Hij scheen den dood nabij te zijn. Telkens dreigde hij neer te zinken.
-Zijne bloote voeten lieten bloederige sporen achter op de straatsteenen.
-Een houten plankje met opschrift was hem om den hals gebonden. Een
-kroon, van doornen gevlochten, was hem diep op het hoofd gedrukt, en uit
-de daardoor veroorzaakte wonden druppelde bloed. Zijn handen waren
-saamgebonden. Even buiten de stad was hij uitgeput neergevallen,
-bezweken onder den last van het zware kruishout, dat een ter dood
-veroordeelde verplicht was zelf te dragen naar de plaats der
-terechtstelling.
-
-Thans droeg een man uit het volk het voor hem. Vier soldaten gingen
-naast den gevangene, om hem te beveiligen tegen de menigte, die
-niettegenstaande dat toch bij tijd en wijle wist door te breken, om hem
-met stokken te slaan en te bespuwen. Geen geluid ontsnapte aan zijnen
-mond, geen berisping of klacht liet hij hooren; ook zag hij niet op,
-totdat hij bij het huis kwam, waar Ben-Hur en zijne vrienden stonden te
-wachten.
-
-Esther drukte zich tegen haren vader aan, en hij, de man zoo gewoon zich
-te beheerschen, beefde sterk van ontroering. Balthasar viel sprakeloos
-achterover. Zelfs Ben-Hur riep in zielsangst uit: O Heere God!
-
-Alsof de Nazarener hunne gevoelens raadde, of den uitroep hoorde, keerde
-hij zijn lijdend gelaat naar het gezelschap, en zag hen aan, ieder
-afzonderlijk. Die blik bleef hun levenslang bij. Zij gevoelden, dat hij
-aan hen dacht, niet aan zichzelf, dat de brekende oogen hun den zegen
-toebaden, dien hij niet vermocht uit te spreken.
-
---Waar zijn uwe legioenen, zoon van Hur? vraagde Simonides plotseling
-opwakend.
-
---Daar kan Annas u beter op antwoorden dan ik.
-
---Wat! Zijn zij u afgevallen?
-
---Op deze twee na.
-
---Dan is alles verloren! Dan moet deze rechtvaardigen mensch sterven.
-
-Het gelaat van Simonides werd zenuwachtig vertrokken, terwijl hij sprak.
-Hij liet het hoofd zinken. Met al zijne kracht had hij Ben-Hur gesteund
-in zijne onderneming, dezelfde hoop had hem daarbij gedragen--nu werd
-haar voorgoed de bodem ingedrukt.
-
-Op den Nazarener volgden twee mannen, die insgelijks een kruis droegen.
-
---Wie zijn dat? vraagde Ben-Hur aan de Galileers.
-
---Twee moordenaars, die veroordeeld zijn om met den Nazarener te sterven.
-
-Vooraan in de volgende afdeeling ging de tempelwacht, dan volgden naar
-rang de leden van het Sanhedrin, voorts een groote menigte priesters in
-lange witte gewaden, met breede kleurrijke gordels.
-
---Zie eens hoeveel priesters! zeide Ben-Hur.
-
---Ja! antwoordde Simonides. Nu ik er die allen bij zie, ben ik overtuigd.
-Nu staat onomstootelijk bij mij vast, dat de veroordeelde, die daar
-heengaat met het opschrift om den hals, werkelijk degeen is, waarvoor
-het opschrift hem uitgeeft: De koning der Joden. Een gewoon mensch, een
-bedrieger, een misdadiger, werd nimmer zulk een uitgeleide gegeven. Want
-ziet! hem volgen de volken, Jeruzalem en Israel. Kon ik maar opstaan en
-hem navolgen!
-
-Ben-Hur luisterde in stomme verbazing toe. Alsof Simonides toen eerst
-gewaar werd, dat hij zich tegen zijne gewoonte door zijn gevoel had
-laten meeslepen, zeide hij op ongeduldigen toon: Vraag wat Balthasar er
-van denkt, bid ik u, en laat ons gaan. Daar komt het gepeupel van
-Jeruzalem aan.
-
-Toen sprak Esther: Ik zie daar eenige vrouwen, zij loopen te weenen. Wie
-zijn dat?
-
-Haar vingerwijzing volgend zagen zij vier vrouwen, die bitter bedroefd
-volgden. Eene van haar leunde op den arm van een man met een zacht en
-vriendelijk uiterlijk.
-
-Ben-Hur antwoordde: Die man is de discipel, van wien de Meester het
-meest houdt. De vrouw, die op zijn arm leunt, is Maria, de moeder van
-den Nazarener; de anderen zijn vriendinnen uit Galilea.
-
-Met oogen vol tranen zag Esther de schreiende vrouwen na, totdat zij uit
-het gezicht verdwenen waren.
-
---Kom, zeide Simonides, laat ons verder gaan.
-
-Ben-Hur hoorde hem niet, hij was te zeer getroffen door de tegenstelling:
-de woeste, bloeddorstige menschenmassa tegenover de zachtmoedigheid van
-den Nazarener, die het land was doorgegaan goeddoende, zieken genezende,
-armen weldoende. Plotseling schoot hem door de ziel hoeveel hijzelf aan
-dien man verplicht was. Hij dacht aan dien morgen, toen hijzelf een
-gevangene was, in de macht van Romeinsche soldaten, en ook, zooals hij
-meende, een zekeren, vreeselijken dood tegemoet ging. De verfrisschende
-dronk water, dien de Nazarener hem gereikt had aan de bron van Nazareth,
-de goddelijke uitdrukking van zijn gelaat, de wonderlijke genezing van
-zijne moeder en Tirza op Palmzondag, dat alles stond hem weer zoo helder
-voor oogen. De gedachte dat hij onmachtig was, om nu op zijne beurt hulp
-te brengen, deed hem pijn. Heftige zelfbeschuldigingen kwelden hem. Hij
-had de Galileers beter moeten bewaken, hun hunne plichten onder 't oog
-moeten brengen, want nu, ach nu, was het oogenblik van handelen daar!
-Als hij nu zijn slag kon slaan, zou het gepeupel uiteenstuiven, de
-Nazarener de vrijheid herkrijgen, Israel te wapen vliegen en de kamp om
-Israels vrijheid eindelijk gestreden worden. De kostbare tijd verliep,
-de gunstige gelegenheid ging voorbij, misschien voor altijd! O God van
-Abraham! Kon er dan niets gedaan worden? Niets?
-
-Op dat oogenblik werd zijne aandacht getrokken door een troepje
-Galileers. Hij baande zich een weg door de menigte en haalde hen in.
-
---Volgt mij, riep hij. Ik heb u wat te zeggen.
-
-Zij gehoorzaamden en volgden hem naar zijne schuilplaats. Daar sprak hij
-tot hen: Gijlieden behoort tot degenen, die een zwaard van mij hebt
-ontvangen. Gij hebt u bereid verklaard om voor de vrijheid, voor den
-koning, die komen zou, ten strijde te trekken. Gij hebt uwe wapenen bij
-u. Nu is het tijd om ze te gebruiken. Gaat, roept onze broederen bijeen,
-en zegt hun, dat ik u allen op Golgotha wacht, om voor den Nazarener in
-de bres te springen. Haast u! De Nazarener is de koning, en de vrijheid
-sterft met hem.
-
-Zij zagen hem eerbiedig aan, maar verroerden zich niet.
-
---Verstaat gij mij niet? vraagde hij ongeduldig.
-
-Toen antwoordde een van hen: Zoon van Juda, gij zijt de bedrogene, niet
-wij, die van u de wapenen ontvingen. De Nazarener is de koning niet, en
-heeft ook niet den geest van een koning. Wij waren tegenwoordig bij zijn
-intocht in Jeruzalem, wij zagen hem in den Tempel, hij is ons en Israel
-bitter tegengevallen. Bij de Schoone Poort keerde hij God den rug toe en
-weigerde den troon van David in bezit te nemen. Hij is geen koning en
-Galilea, volgt hem niet. Hij moet sterven. Maar luister, zoon van Juda.
-Wij hebben uwe wapenen en zijn bereid het zwaard te trekken om voor de
-vrijheid te strijden. Laat het zijn voor de vrijheid! Dan scharen wij
-ons op den kruisheuvel allen rondom u.
-
-Ben-Hur stond op een tweesprong. Had hij dit voorstel aangenomen, den
-vrijheidsoorlog begonnen, de wereldgeschiedenis zou misschien anders
-geworden zijn dan zij is; maar dan ook zou zij door menschen, niet door
-God geregeld zijn--iets dat nooit was, en nooit zijn zal. Hij geraakte
-een oogenblik in verwarring; een onverklaarbaar gevoel beving hem,
-hoewel hij het later aan den invloed des Nazareners toeschreef; want
-toen deze uit den doode was opgestaan, begreep hij dat zijn dood noodig
-was geweest, om het geloof aan de opstanding te bevestigen, zonder welk
-geloof de christenheid haar grondslag zou missen. Die oogenblikkelijke
-verwarring maakte hem ongeschikt om tot een besluit te komen. Hij stond
-daar hulpeloos, en kon geen woord uitbrengen. Hij sloeg de handen voor
-zijn gelaat en voelde zijn lichaam schokken door den strijd tusschen
-zijn wil en een hoogere macht.
-
---Kom, wij wachten op u! riep Simonides ten vierden male.
-
-Als in een droom volgde hij den stoel en de draagbaar. Esther liep naast
-hem. Evenals Balthasar en zijne medereizigers in de woestijn werd thans
-ook hij voortgeleid door een onwederstaanbaren innerlijken drang.
-
-
- * * * * *
-
-
-TIENDE HOOFDSTUK.
-
-HET EINDE.
-
-
-Toen ons gezelschap den kruisheuvel bereikte, ging Ben-Hur hun voor,
-om hun eene plaats te bezorgen. Hoe het hem mogelijk geweest was zich
-een weg te banen door de menigte heeft hij nooit geweten, evenmin
-langs welken weg er kwam, of hoeveel tijd het hem kostte. Als een
-slaapwandelaar, niets hoorende noch opmerkende, was hij voortgegaan.
-In zulk een toestand vermocht bij al even weinig als een kind tot
-verhindering van de vreeselijke misdaad, waarvan hij getuige zou zijn.
-Gods raadsbesluiten zijn dikwijls raadselachtig, zoo ook de middelen,
-die Hij kiest, om zijn doel te bereiken.
-
-Op een gegeven oogenblik maakte Ben-Hur halt. Plotseling werd de ban,
-die hem gevangen hield, verbroken, en kon hij het tooneel rondom zich
-overzien.
-
-De top van den heuvel Golgotha had den vorm van een schedel. Het was er
-dor en stoffig, zonder eenigen plantengroei, met uitzondering van enkele
-armzalige hysopstengels. De voor de kruisiging bestemde plek was afgezet
-door Romeinsche soldaten, die de steeds aangroeiende menschenmassa het
-verder voorwaarts dringen moest beletten. Een hoofdman over honderd
-voerde het bevel over de soldaten. Ben-Hur was tot aan de uiterste grens
-der voor de toeschouwers bestemde ruimte gekomen, en stond met het
-gelaat naar het Noordwesten gekeerd. Waarheen hij den blik ook wendde,
-in het dal of op de omliggende heuvelen, overal menschen en weder
-menschen, duizenden wier harten in gespannen verwachting klopten, niet
-voor de twee moordenaars, wier lot hen onverschillig liet, maar voor
-hetgeen met den Nazarener gebeuren zou. Duizenden harten sloegen
-sneller, hetzij uit haat, uit vrees, of uit nieuwsgierigheid, nu hij,
-die hen allen met goddelijke liefde liefhad, voor hen in den dood zou
-gaan.
-
-Op den heuvel, te midden van de tempelwacht, stond de priesterschaar,
-trotsch en overmoedig. Nog hoogerop den top, zoodat hij voor ieders
-oogen zichtbaar was, stond de Nazarener, lijdende, gebogen, stil. Een
-der soldaten had hem uit spotlust een riet in de hand gegeven, om als
-schepter dienst te doen. Gelach, gejoel, verwenschingen weerklonken van
-alle zijden.
-
-Aller oogen waren op den Nazarener gevestigd. Was het uit medelijden, of
-uit andere oorzaak--in Ben-Hurs gemoed had een ommekeer plaats.
-Duidelijker en steeds duidelijker zag hij dat er iets beters is, dan het
-beste van dit leven--iets zooveel beter, dat het een zwakke met kracht
-kan aangorden, om het hevigste zielelijden, zoowel als de grootste
-lichaamssmarten te verduren; iets dat den dood met blijdschap kan doen
-verwachten. Hij moest ten laatste erkennen, dat de Nazarener gekomen
-was, om allen, die zich willen laten leiden, over de grens van het
-aardsche te voeren in het rijk, dat hem bereid was door God. Het was hem
-eensklaps, als hoorde hij weder de woorden van den Nazarener, toenmaals
-niet begrepen, en bijna vergeten: Ik ben de Opstanding en het Leven.
-
-Telkens en telkens moest hij die woorden herhalen, zij namen vorm aan en
-leven.
-
---Wie is het Leven en wie is de Opstanding? herhaalde hij, starende op
-den lijdenden Meester, en eensklaps was het Ben-Hur, alsof hij
-antwoordde: Ik!
-
-Terstond daarop daalde een vrede in zijne ziel, zooals hij nog nooit
-gesmaakt had, een vrede, die een einde maakte aan allen twijfel, aan
-alle hinken op twee gedachten, en het begin was van geloof en liefde en
-een vaste overtuiging.
-
-Het geluid van hamerslagen wekte hem uit deze droomerige stemming. Op
-den heuveltop bemerkte hij, wat hem tot nu ontgaan was, eenige
-werklieden, die alles voor de kruisiging gereedmaakten. De kuilen waren
-reeds gegraven, de palen moesten alleen nog ingedreven worden.
-
-Zeg den lieden, dat zij zich haasten, zeide een der priesters tot den
-hoofdman. De veroordeelden moeten voor zonsondergang dood en begraven
-zijn, opdat het land niet onrein worde. Dat eischt de Wet.
-
-Een der soldaten trad op den Nazarener toe en bood hem te drinken, maar
-hij weigerde. Toen kwam een ander bij hem, nam hem het opschrift van den
-hals, en bevestigde dat aan het bovengedeelte van het kruis. Hiermede
-waren de voorbereidingen afgeloopen.
-
-De kruisen zijn gereed, zeide de hoofdman tot den priester.
-
---Laat de godslasteraar het eerst zijne straf ontvangen, antwoordde hij.
-De Zoon van God moet zichzelven kunnen redden. Wij zullen zien.
-
-De lieden, die de toebereidselen hadden kunnen gadeslaan, en tot op dit
-oogenblik aan hun ongeduld lucht hadden gegeven door onophoudelijk
-schreeuwen, zwegen op eenmaal, zoodat een doodelijke stilte ontstond.
-Het vreeselijk oogenblik was gekomen: de slachtoffers zouden aan het
-kruis genageld worden. Toen de soldaten den Nazarener aangrepen om hem
-te kruisigen voer den toeschouwers eene rilling door de leden; zelfs de
-ruwsten onder hen beefden. Later beweerden sommigen, dat de lucht
-plotseling afgekoeld was en hen deed huiveren.
-
---Wat is het benauwend stil, fluisterde Esther haar vader toe.
-
-Hij, zich de folteringen herinnerende, die hijzelf ondergaan had, trok
-haar tot zich en zeide diep ontroerd: Zie een anderen kant uit, kind,
-kijk er niet naar. Wie weet of niet allen, die er naar zien, de
-onschuldigen zoowel als de schuldigen, van nu vervloekt zullen zijn.
-
-Zich tot Ben-Hur keerende, zeide hij met toenemende ontroering: Als onze
-God zijne hand niet spoedig uitstrekt is Israel verloren, en zijn wij
-allen verloren.
-
-Ben-Hur antwoordde kalm: Mijn geest is opgetrokken geweest, en heeft
-vernomen waarom dit geschieden moet. De Nazarener wil het, God wil het.
-Laat ons stil zijn en bidden.
-
-Toen vestigde hij opnieuw zijne oogen op den heuvel, en het was hem als
-vernam hij wederom de woorden: Ik ben de Opstanding en het Leven.
-
-Eerbiedig boog hij het hoofd, alsof werkelijk iemand tot hem gesproken
-had.
-
-Intusschen werd daarboven het werk voortgezet. De wacht ontdeed den
-veroordeelde van zijne kleeding, zoodat hij naakt stond voor aller oog.
-Op den rug zag men nog de bloedige sporen der geeselslagen; toch werd
-hij meedoogenloos uitgestrekt op het kruis--eerst de armen op den
-dwarsbalk. De nagelen waren scherp, met een paar slagen waren zij door
-de handpalmen gedreven. De knieen werden opgetrokken, totdat de
-voetzolen tegen den paal rustten, de eene voet werd op den anderen
-gelegd, en een nagel door beide gedreven. Dof klonken de hamerslagen.
-Zij, die 't niet konden hooren, zagen toch den hamer vallen en beefden
-van vrees. Het slachtoffer van deze gruweldaad liet geen kreet, geen
-woord van tegenspraak hooren, niets, waarover een vijand kon spotten, of
-dat een vriend moest bejammeren.
-
---In welke richting moet hij zien? vraagde een soldaat.
-
---Met het aangezicht naar den Tempel, antwoordde een der priesters.
-Stervend moet hij zien, dat het heiligdom niet door hem geleden heeft.
-
-De werklieden namen het kruis op en droegen het naar de plaats, waar het
-in den grond gezet moest worden. Op een gegeven oogenblik zetten zij het
-overeind in den daarvoor bestemden kuil. Daar hing dan nu het lichaam
-van den Nazarener in zijn volle zwaarte aan de bloedende handen. Nog
-uitte hij geen kreet van smart--alleen een bede kwam over zijne lippen:
-Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.
-
-Met luid gejuich werd het kruis, thans voor ieder zichtbaar en scherp
-tegen de lucht afgeteekend,begroet, en allen, die het opschrift konden
-lezen, haastten zich het te ontcijferen. Die het gelezen had, deelde het
-aan zijn buurman mede, en zoo ging het van mond tot mond, tot groot
-vermaak der menigte. Van alle kanten hoorde men: Wees gegroet, gij
-koning der Joden!
-
-De priesters echter, die het gewicht van dit opschrift beter begrepen,
-verzochten den hoofdman het te verwijderen, maar tevergeefs; en aldus
-moest de stervende Koning noemen op de stad zijner vaderen, die hem zoo
-schandelijk ondankbaar had uitgeworpen. Dicht bij het kruis stonden
-eenige weenende vrouwen, waaronder zijne moeder met den discipel die hij
-liefhad. Hen ziende, riep hij zijne moeder toe: Vrouw, zie uwen zoon. En
-tot den discipel: Zie uwe moeder.
-
-Nu werden ook de twee moordenaars gekruisigd, een ter rechterzijde en
-een ter linkerzijde van den Koning der Joden. Het volk intusschen spotte
-en riep: Ha, als gij de koning der Joden zijt, verlos dan uzelven, en
-kom af van het kruis!--Ja, zeide een priester, als hij dat doet, zullen
-wij in hem gelooven.--Anderen schudden het hoofd, zeggende: Hij wilde
-den Tempel afbreken en in drie dagen weder opbouwen, maar zichzelven kan
-hij niet verlossen.--En verder anderen: Hij heeft zichzelven den Zoon
-van God genoemd; laat ons zien, of God hem zal redden!--Zoo beschimpte
-en hoonde hem het volk, en ook de oversten en de soldaten bespotten hem
-en riepen: Indien gij de koning der Joden zijt, zoo verlos uzelven!--Zelfs
-een der boosdoeners, die gekruisigd waren, lasterde hem en zeide: Indien
-gij de Christus zijt, verlos uzelven en ons!
-
-De omstanders lachten en juichten hen toe, en toen zij zich stilhielden,
-om te hooren of er antwoord komen zou, zeide de andere moordenaar:
-Vreest gij ook God niet? Wij ontvangen straf naar wat wij gedaan hebben;
-maar deze heeft niets onbehoorlijks gedaan. De toehoorders waren verbaasd,
-maar hunne verbazing zou nog grooter worden; want de moordenaar zeide tot
-den Nazarener: Heer, gedenk mijner, wanneer gij in uw koninkrijk komt.
-
-Simonides ontstelde hevig. Wanneer gij in uw koninkrijk komt!... dat was
-het punt van verschil tusschen Balthasar en hem, waar zij zoo dikwijls
-over gesproken hadden, waar zij het nooit eens over konden worden.
-
---Hebt gij dat gehoord? vraagde Ben-Hur hem. Het koninkrijk kan dus niet
-van deze wereld zijn. Die man getuigt, dat de koning zoo aanstonds zijn
-koninkrijk zal binnengaan ... dat is hetzelfde wat ik in mijn droom
-hoorde.
-
---Stil! zeide Simonides, stil, bid ik u! Misschien antwoordt de
-Nazarener daar op.
-
-Het antwoord kwam werkelijk. Met luide, heldere stem zeide de koning:
-Voorwaar, voorwaar zeg ik u, heden zult gij met mij zijn in het
-paradijs!
-
-Simonides luisterde ademloos toe, of er nog wat op volgen zou. Toen
-vouwde hij de handen en zeide: 't is genoeg, o Heer, 't is genoeg! De
-nevel is opgetrokken. Ik zie met andere oogen, met oogen des geloofs,
-zooals Balthasar.
-
-De trouwe dienstknecht had ten laatste zijn loon ontvangen. Werd zijn
-verbrijzeld lichaam ook niet geheeld, werd de herinnering van het
-doorgestane lijden, van de jaren in bitterheid des gemoeds doorgebracht,
-niet van hem genomen--een nieuw licht was voor hem opgegaan, een nieuw
-leven had hij leeren kennen, een leven na dit tijdelijke. Paradijs
-heette het! Daar zou hij het koninkrijk vinden, waarvan hij gedroomd
-had--en den koning. Een volkomen vrede daalde neder in zijn hart.
-
-Onder de priesters echter heerschten verbazing en schrik. Hoe nu? Zij
-hadden den Nazarener aan het kruis doen nagelen, omdat hij zich voor den
-Messias uitgegeven had; en zie, aan het kruis hield hij niet alleen die
-bewering vol, maar beloofde daarenboven nog het Paradijs aan een
-misdadiger!... Huns ondanks verbleekten zij. Vanwaar had deze mensch
-zijn vertrouwen, zoo hij niet in de Waarheid stond? En de Waarheid--was
-dat niet God? Er behoefde niet veel bij te komen om hen allen op de
-vlucht te jagen.
-
-De zon had de middaghoogte bereikt. De tempel, de paleizen, de torens
-groot en klein, straalden in ongeevenaarden glans. Eensklaps werd de
-lucht verduisterd. In den beginne nauw merkbaar nam de schemering toe en
-trok ieders aandacht. Het lachen en spotten verstomde, men zag elkander
-vragend aan, men hief de oogen op naar den hemel, men zocht de
-zonneschijf, men staarde naar de bergen--overal hetzelfde vreemde
-verschijnsel.
-
---Het is slechts een mist, of een voorbijtrekkende wolk, zeide
-Simonides, om Esther gerust te stellen. Het zal dadelijk voorbij zijn.
-
-Ben-Hur was van een ander gevoelen. Het is niet een mist of
-voorbijtrekkende wolk, zeide hij. De geesten in de lucht, de profeten en
-heiligen verduisteren de zon, opdat de natuur en zijzelven niet langer
-het akelig schouwspel zouden zien. Ik zeg u, Simonides, zoo waarachtig
-de Heer onze God leeft, hij die daar hangt is de Zoon van God!
-
-Dit gezegd hebbende wendde hij zich tot Balthasar, die op de knieen lag,
-en legde de hand op zijnen schouder. Wijze Egyptenaar, hoor mij! Gij
-alleen hadt gelijk--de Nazarener is waarlijk Gods Zoon.
-
-Balthasar trok hem tot zich en antwoordde met zwakke stem: Ik zag hem
-als een kind in de kribbe liggen, het is dus niet vreemd, dat ik hem
-eerder kende dan gij! maar o! dat ik dezen dag beleven moet! Ach, dat ik
-met mijne broeders gestorven ware! Gelukkige Melchior! Gelukkige Caspar!
-
---Wees getroost, zeide Ben-Hur. Misschien zijn zij hier ook tegenwoordig!
-
-De tijd verliep, maar er kwam geen verandering in het geheimzinnig
-duister.
-
---Laat ons naar huis gaan, bad Esther ten tweeden en ten derden male.
-God toont ons zijn ongenoegen, vader. Ik ben bang, en wie weet wat er
-nog verder gebeuren zal.
-
-Maar Simonides wilde niet; integendeel, toen hij bemerkte, dat vele
-menschen heengingen, drong hij er op aan, dat Balthasar en Ben-Hur hem
-tot dichter bij het kruis zouden volgen.
-
-De soldaten, die de wacht hielden, gevoelden zich ook niet op hun gemak.
-Gedurig zagen zij naar dien eenen kruiseling--een bijgeloovige vrees
-beving hen. De priesters en schriftgeleerden stonden dicht opeen
-geschaard. Het vreemde natuurverschijnsel bracht een geduchten stoot toe
-aan hun zelfvertrouwen. Verscheidene van hen waren goed onderwezen in de
-sterrenkunde, en vertrouwd met veel wat de groote massa in die dagen
-schrik aanjoeg. Toen het zonnelicht begon te verflauwen toonden zij zich
-uitermate verbaasd, en overlegden met elkander wat het wezen kon. Niet
-een zonsverduistering, meenden zij, want het was volle maan. En daar
-geen van hen een antwoord had op de vraag die aller hart vervulde, daar
-geen van hen de duisternis op dat uur verklaren kon, verbonden zij haar
-in het diepst hunner ziel met den Nazarener.
-
-Hoe langer het natuurverschijnsel duurde, hoe angstiger zij werden. Geen
-enkele beweging van den Nazarener ontging hun oog; niet dan fluisterend
-durfden zij met elkander spreken. Als hij eens werkelijk de Messias was,
-wat dan?
-
-Bevend wachtten zij op de dingen, die komen zouden.
-
-Ben-Hur bad, dat het einde verhaast mocht worden. Hij merkte dat Esther
-zich aan haren vader vastklemde, haar angst onderdrukkende om hem niet
-te hinderen.
-
---Wees niet bang, hoorde hij Simonides zeggen. Blijf, en wacht met mij.
-Al wordt gij tweemaal zoo oud als ik, gij zult nimmer iets zien, dat van
-zoo groot gewicht is voor de menschenwereld, en er kunnen nog meer
-openbaringen komen. Laat ons tot het einde blijven.
-
-Twee en een half uur waren verstreken. De ademhaling van den Nazarener
-werd zwaarder; het einde naderde. Zoo kort nog maar aan het kruis, en nu
-reeds stervende? De tijding ging van mond tot mond, toen werd alles
-stil. De wind ging liggen, een verstikkende damp vervulde de lucht, bij
-de duisternis kwam nog die benauwende hitte. Daar hoorde men op eens van
-het kruis de droeve, ach, zoo droeve klacht: Mijn God, mijn God, waarom
-hebt Gij mij verlaten?
-
-De stem schrikte allen op, die haar hoorden. Een vooral sneed zij door
-de ziel. Bij de soldaten stond een vat, gevuld met wijn en water.
-Gevoelden zij zich uit medelijden opgewekt om een der lijders een
-lafenis te brengen, dan konden zij met een spons de lippen der
-ongelukkigen bevochtigen.
-
-Terwijl Ben-Hur die mogelijkheid overdacht, en zich daarbij herinnerde
-hoe de Nazarener hem bij de bron te Nazareth verkwikt had, riep deze:
-Mij dorst!
-
-Nu bedacht Ben-Hur zich niet langer. Haastig de spons en den daarbij
-behoorenden rietstok grijpende, doopte hij de spons in den wijn en
-snelde naar het kruis.
-
---Houd op! riepen de omstanders. Houd op!
-
-Zonder op hen te letten liep hij door en bracht de spons aan de lippen
-van zijnen Heer. Nu kon hij duidelijk het gelaat van den stervende zien.
-Door bloed bevlekt blonk het niettemin met een bovenaardschen glans. De
-oogen waren wijd geopend en gevestigd op iets voor hem alleen zichtbaar
-in de verre hemelen. Voldoening, ja triomf, spraken uit het woord, dat
-het slachtoffer nu deed hooren: Het is volbracht!
-
-Zoo sterft een held, na het volbrengen van een groote daad, met een
-juichtoon op de lippen.
-
-Reeds begonnen de oogen te breken; langzaam zonk het gekroonde hoofd op
-de hijgende borst. Ben-Hur dacht, dat de strijd volstreden was, maar de
-scheidende ziel spande zich nog eenmaal in, en de omstanders hoorden
-deze woorden: Vader, in uwe handen beveel ik mijnen geest.
-
-Eene rilling voer den stervende door de leden, een luide smartkreet
-ontsnapte de beknelde borst ... toen was het werk, het aardsche leven,
-afgeloopen.
-
-Ben-Hur keerde tot zijne vrienden terug en zeide eenvoudig: Het is
-gedaan, hij is dood.
-
-In een ongelooflijk korten tijd wisten alle aanwezigen het. Het volk had
-zijn zin, de Nazarener was dood; toch zagen zij elkander ontzet aan.
-Zijn bloed was over hen gekomen! En terwijl zij elkander aanstaarden
-begon de grond te beven. Een ieder greep zijn buurman aan om staande te
-blijven. In een oogwenk was de duisternis verdwenen en kwam de zon weder
-te voorschijn. Voor de oogen der beangsten was het, alsof het middelste
-kruis op den heuveltop zich al hooger en hooger in de blauwe lucht
-verhief en met zijn last tot aan den hemel reikte. En ieder die den
-Nazarener bespot had, ieder, die hem geslagen had, die ingestemd had met
-den kreet: kruis hem! kruis hem!--ieder, die in den stoet had meegeloopen,
-ieder, die hem in zijn hart dood gewenscht had, kreeg een gevoel, alsof
-hijzelf meer dan iemand anders schuld had aan het gebeurde, en hij zich,
-als zijn leven hem lief was, zoo spoedig mogelijk uit de voeten moest
-maken. Zij haastten zich om weg te komen. Zij sloegen op de vlucht, te
-paard, te voet, in wagens. Maar de aardbeving vervolgde hen, alsof zij
-vertoornd was over hetgeen zij gedaan hadden, en opkwam voor de zaak van
-den onschuldig ter dood gebrachte. Zij wierp hen terneer, en deed het
-bloed in hunne aderen stollen door het onheilspellend gekraak en
-gerommel onder hunne voeten. Zij sloegen op hunne borst en schreeuwden
-van vrees. Zijn bloed was op hen gekomen! De geboren Jeruzalemmer, de
-vreemdeling, priester, leek, Sadduceer en Farizeer, allen tuimelden over
-en door elkander. Riepen zij tot God, zoo antwoordde de verwoede aarde
-in toorn en behandelde hen allen gelijkelijk,--het bloed van den
-Nazarener was over hen allen gekomen!
-
-Toen de rust wedergekeerd was op den kruisheuvel, zag men daar alleen
-nog den discipel, dien Jezus liefhad, de vrouwen die Hem gevolgd waren
-van uit Galilea, den hoofdman en zijne soldaten, en Ben-Hur met zijne
-vrienden. Deze laatsten hadden geen tijd om de vluchtelingen na te zien:
-zij hadden zelf genoeg te doen.
-
---Zet u hier neder, zeide Ben-Hur tot Esther, haar een plaats bereidend
-aan de voeten haars vaders. Bedek uw gelaat en zie niet op, maar vestig
-uw vertrouwen op God en op den rechtvaardige, die zoo schandelijk
-vermoord is.
-
---Neen, zeide Simonides eerbiedig, laat ons voortaan van hem spreken als
-van den Christus.
-
---Zoo zij het, antwoordde Ben-Hur.
-
-Plotseling schudde de heuvel onder hen. Het angstgeschreeuw der twee
-moordenaars was vreeselijk om aan te hooren. Ofschoon duizelig van den
-schok had Ben-Hur tijd om naar Balthasar te zien, en zag hem onbewegelijk
-op den grond liggen. Hij ging naar hem toe en riep hem bij name--geen
-antwoord. De goede man was dood!
-
-Toen herinnerde Ben-Hur zich, dat hij een luiden kreet gehoord had,
-alsof hij een terugslag was op het laatste woord van den Nazarener, maar
-hij had er op dat oogenblik niet verder over nagedacht. Thans begreep
-hij het: de geest van den Egyptenaar had des Meesters geest begeleid tot
-over de grenzen van zijn koninkrijk, eene eer hem vergund na het lange
-leven in geloof, liefde en goede werken.
-
-De bedienden van Balthasar hadden hun meester alleen gelaten, en waren
-gevlucht, maar toen alles was afgeloopen droegen de twee Galileers den
-doode naar de stad terug.
-
-Het was een droevige stoet, die op dien gedenkwaardigen dag de zuidpoort
-van het paleis Hur tegen zonsondergang binnentrok. Ongeveer op hetzelfde
-uur werd het lichaam des Heren afgenomen van het kruis.
-
-Het stoffelijk overschot van Balthasar werd in de zaal nedergelegd. Alle
-bedienden beweenden hem oprecht, want hij bezat de liefde van allen met
-wie hij verkeerd had; maar toen zij zijn gelaat zagen, zoo tevreden en
-gelukkig, droogden zij hunne tranen, zeggende: Het is wel met hem. Hij
-is nu gelukkiger dan van morgen.
-
-Ben-Hur wilde Iras in eigen persoon den dood haars vaders mededeelen.
-Hij stelde zich hare droefheid voor; zij was nu alleen in de wereld. Dit
-was het oogenblik om haar vergiffenis te schenken en te beklagen. Hij
-herinnerde zich, dat hij verzuimd had te vragen waarom zij zich dien
-morgen niet bij het gezelschap had gevoegd. Hij had zelfs niet aan haar
-gedacht. Daarover beschaamd was hij bereid alles goed te maken, te meer
-nu hij een treurmare had te brengen.
-
-Hij schudde den voorhang van hare deur; de schelletjes rinkelden, maar
-hij ontving geen antwoord. Hij riep haar bij den naam, riep nogmaals,
-maar alles bleef stil. Hij schoof het gordijn ter zijde, en ging naar
-binnen. Zij was er niet. Hij klom haastig naar het platte dak om haar te
-zoeken, ook daar was zij niet. Hij ondervraagde de bedienden, doch geen
-van hen had haar dien dag gezien. Nadat hij het geheele huis doorzocht
-had keerde Ben-Hur terug naar de zaal, nam de plaats naast den doode in,
-waar zij had behooren te zitten, en overdacht de groote barmhartigheid
-van Christus voor zijn trouwen dienstknecht. Bij de poort van het
-Paradijs blijven alle droefheden dezes levens, ook verlatenheid en
-veronachtzaming terug. Zij bestaan niet meer voor hen, die de rust zijn
-ingegaan.
-
-Toen de begrafenis was afgeloopen, op den negenden dag na de reiniging
-zijner moeder en zuster, en de wet vervuld was, bracht Ben-Hur beiden
-thuis, en van dien dag bogen allen in dat huis zich in aanbidding neder
-voor God den Vader en zijn Zoon Jezus Christus.
-
-
- * * * * *
-
-
-ELFDE HOOFDSTUK.
-
-DE KATAKOMBEN.
-
-
-Vijf jaren na de kruisiging zat Esther, de echtgenoote van Ben-Hur, in
-het woonvertrek van de schoone villa bij Misenum, die hij teruggekocht
-had. Het was middag. De warme Italiaansche zon koesterde de rozen en
-wingerden in den tuin. De kamer was naar Romeinsche wijze ingericht,
-doch Esther zelve droeg de kleederen eener Joodsche vrouw. Op een
-leeuwenhuid, in een hoek uitgespreid, zaten twee kindertjes te spelen
-met Tirza.
-
-De tijd had Esther vriendelijk behandeld. Zij was schooner dan ooit en
-straalde van geluk.
-
-Daar trad een bediende binnen en zeide: In het atrium staat eene vrouw,
-die u verlangt te spreken.
-
---Laat zij binnenkomen. Ik zal haar hier ontvangen.
-
-De vreemde kwam binnen. Esther stond op en wilde haar toespreken, doch
-aarzelde, verschoot van kleur en week achteruit, zeggende: Ik heb u
-vroeger meer gezien. Gij zijt....
-
---Ik ben Iras, de dochter van Balthasar.
-
-Esther overwon haar tegenzin en bood de bezoekster een zetel aan.
-
---Neen, zeide Iras koel. Ik blijf maar kort.
-
-De twee vrouwen zagen elkander onderzoekend aan. De arme Iras was zeer
-vervallen. Nog bezat de slanke gestalte haar vroegere gratie, maar haar
-wezen droeg den stempel van een in zonde doorgebracht leven. De
-uitdrukking van haar gelaat was brutaal, de groote oogen somber, de
-wangen kleurloos. Een harde trek lag om haar mond, en een algeheele
-verwaarloozing maakte haar oud voor haar tijd.
-
---Zijn dat uwe kinderen? met deze vraag verbrak zij het stilzwijgen.
-
-Esther wendde den blik naar hen en glimlachte. Ja, wilt gij ze niet
-zien?
-
---Ik zou ze maar verschrikken.
-
-Toen kwam zij dichter bij Esther, en daar deze onwillekeurig terugweek,
-zeide zij : Wees niet bang. Ik heb een boodschap voor uw man. Zeg hem,
-dat zijn vijand dood is, dat ikzelf hem gedood heb, om de matelooze
-ellende, die hij over mij gebracht heeft.
-
---Zijn vijand?
-
---Ja, Messala. Zeg uw man verder, dat ik voor het nadeel, dat ik hem heb
-willen berokkenen, zoo zwaar gestraft ben, dat zelfs hij mij beklagen
-zou.
-
-De tranen kwamen Esther in de oogen; zij wilde spreken.
-
---Neen, zeide Iras, ik vraag geen tranen of medelijden. Zeg hem ten
-slotte, dat volgens mijne ondervinding een Romein geen mensch is maar
-een beest. Vaarwel!
-
-Zij keerde zich om en wilde heengaan, Esther volgde haar.
-
---Blijf nog wat, en wacht totdat mijn man thuis komt. Hij is niet boos
-op u. Hij heeft overal naar u gezocht. Hij zal uw vriend wezen, ik zal
-uwe vriendin zijn. Wij zijn christenen.
-
-Maar de andere wilde niet.
-
---Neen, zeide zij, wat ik ben werd ik door eigen keus. Het zal niet lang
-meer duren.
-
---Maar, zeide Esther aarzelend, kunnen wij dan niets voor u doen? Kan ik
-niets....
-
-Het gelaat der Egyptische verzachtte, een flauwe glimlach speelde om
-haren mond. Zij zag naar den grond. Ja, zeide zij, ik zou....
-
-Esther Volgde haar blik, en begrijpende wat in haar omging, zeide zij:
-Doe het maar.
-
-Iras ging tot hen en kuste beiden. Toen ging zij zwijgend naar de deur
-en was verdwenen, voordat Esther haar kon tegenhouden.
-
-Toen Ben-Hur dit bezoek vernam, werd hem zekerheid wat hij reeds lang
-vermoed had, namelijk dat Iras op den dag der kruisiging haar vader
-verlaten had om Messala te volgen. Hij ging terstond op weg en deed
-overal onderzoek naar haar. Tevergeefs. Zij zagen of hoorden nooit meer
-van haar. De blauwe wateren, stralende in den zonneschijn, hebben hunne
-geheimen. Konden zij spreken, misschien zouden zij ons vertellen waar de
-Egyptische gebleven was.
-
-Simonides leefde nog verscheidene jaren. In het tiende jaar van Nero's
-regeering legde hij zijne betrekking als hoofd van het handelshuis te
-Antiochie neer. Tot het laatst was zijn hoofd helder gebleven en zijn
-hart goed, en had bij voorspoed gehad bij al wat hij ondernam.
-
-Op zekeren avond van datzelfde jaar zat hij in zijn rolstoel op het
-welbekende terras te Antiochie, met zijn kinderen en kleinkinderen. Het
-laatste van zijne schepen lag voor anker, al de anderen waren verkocht.
-In de vervlogen jaren hadden zij slechts eenmaal droefheid gekend, en
-dat was, toen de moeder van Ben-Hur stierf. Hun christelijk geloof had
-hen die smart stil doen dragen en op een blijde hereeniging leeren
-hopen.
-
-Het zooeven besproken schip was den vorigen dag aangekomen, en had
-droevige berichten medegebracht over de vervolging der Christenen door
-Nero te Rome. Het gezelschap zat de zaak te bespreken, toen Malluch, de
-oude getrouwe, boven kwam, en Ben-Hur een pakket brieven overhandigde.
-
---Wie brengt dat? vraagde hij na het vluchtig ingezien te hebben.
-
---Een Arabier.
-
---Waar is hij?
-
---Hij vertrok onmiddellijk.
-
---Luister, zeide Ben-Hur tot Simonides, en las het volgende:
-
- Ik, Ilderim, zoon van Ilderim den Edelmoedige, en Sheik van den
- stam van Ilderim, aan Juda, den zoon van Hur.
-
- Weet, o vriend mijn vaders, hoe mijn vader u liefhad. Lees wat ik u
- hierbij zend, en gij zult het weten. Zijn wil is mijn wil, daarom
- is datgene wat hij u schonk het uwe. Alles wat de Parthen hem
- ontnomen hebben in den grooten slag, waarin zij hem overwonnen, heb
- ik hun weder ontnomen: inliggend geschrift met andere zaken, en de
- nakomelingschap van Myra, die tijdens zijn leven de moeder was van
- zoovele sterren.
-
- Vrede zij u en al de uwen.
-
- Deze stem uit de woestijn is de stem van ILDERIM, Sheik.
-
-Vervolgens ontrolde Ben-Hur een papyrusrol, geel van ouderdom. Hij las:
-
- Ilderim, bijgenaamd de Edelmoedige, Sheik van den stam van Ilderim,
- aan den zoon die mij opvolgt.
-
- Alles wat ik heb, mijn zoon, zal het uwe zijn ten dage van uwe
- opvolging, behalve de bezitting bij Antiochie, bekend onder den
- naam van het Palmbosch. Dat schenk ik aan den zoon van Hur, die ons
- zooveel roem deed behalen in den circus--aan hem en aan de zijnen
- voor altijd.
-
- Eerbiedig deze beschikking van uwen vader.
-
- ILDERIM, de Edelmoedige, Sheik.
-
-
-
---Wat zegt gij daarvan? riep Ben-Hur verbaasd.
-
-Esther nam de brieven en las ze nog eens vergenoegd over. Simonides
-bleef zwijgen. Zijne oogen rustten op het schip, hij dacht na. Eindelijk
-zeide hij:
-
---Zoon van Hur, de God onzer vaderen heeft u zeer gezegend in de laatste
-jaren. Gij hebt veel reden tot dankbaarheid. Wordt het niet eindelijk tijd
-te overleggen wat God wil, dat gij doen zult met zijn goede gaven--uw
-groot fortuin, dat nog steeds toeneemt?
-
---Al wat ik bezit heb ik bestemd voor den dienst van den gever; niet
-slechts een gedeelte, maar alles. De vraag is alleen nog: Hoe kan ik
-mijn geld het best dienstbaar maken voor zijne zaak? Geef gij mij daarop
-het antwoord.
-
-Simonides antwoordde: Ik weet dat gij hier in Antiochie veel hebt
-besteed voor de gemeente des Heeren. Heden komt te gelijk met het
-geschenk van onzen ouden vriend het bericht van de vervolging onzer
-broederen in Rome. Dat opent ons een nieuw veld. Het licht moet in de
-hoofdstad niet uitgebluscht worden.
-
---Zeg mij hoe ik het kan onderhouden.
-
---Dat zal ik u zeggen. De Romeinen, zelfs deze Nero, houden twee dingen
-heilig--ik weet geen andere daaraan gelijk--dat is: de asch hunner
-dooden, en alle begraafplaatsen. Kunt gij voor den dienst onzes Heeren
-geen tempels bouwen boven den grond, bouw ze dan onder den grond, en
-breng er, om ze voor ontheiliging te bewaren, de lichamen van allen, die
-in het christelijk geloof ontslapen.
-
-Ben-Hur stond haastig op en zeide: Dat is een grootsche gedachte. Ik zal
-er dadelijk mee beginnen. De tijd dringt tot spoed. Het schip dat de
-tijding bracht van het lijden onzer broederen, zal mij naar Rome voeren.
-Ik ga morgen.
-
-Zich tot Malluch wendende zei hij: Zorg dat het schip gereed zij, gij
-zult met mij gaan.
-
---Dat is goed, zeide Simonides.
-
---En wat zegt Esther? vraagde Ben-Hur.
-
-Haar antwoord luidde: Zoo zult gij den Heer het best dienen. Laat ik u
-geen beletsel zijn, maar met u gaan en u helpen.
-
- * * * * *
-
-Mochten mijne lezers ooit het voorrecht smaken van Rome te bezoeken, dat
-zij dan niet verzuimen de Katakomben van S. Calixtus te gaan zien; die
-van ouderen datum zijn dan die van S. Sebastiano, om met eigen oogen te
-aanschouwen wat het vermogen van Ben-Hur heeft gewrocht. Uit dat groote
-graf verspreidde zich het Christendom, om het heidendom in Rome van den
-troon te stooten.
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Ben-Hur, by Lewis Wallace
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK BEN-HUR ***
-
-***** This file should be named 16832.txt or 16832.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- https://www.gutenberg.org/1/6/8/2/16832/
-
-Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe.
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions
-will be renamed.
-
-Creating the works from public domain print editions means that no
-one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
-(and you!) can copy and distribute it in the United States without
-permission and without paying copyright royalties. Special rules,
-set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
-copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
-protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
-Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
-charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
-do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
-rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
-such as creation of derivative works, reports, performances and
-research. They may be modified and printed and given away--you may do
-practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
-subject to the trademark license, especially commercial
-redistribution.
-
-
-
-*** START: FULL LICENSE ***
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
-Gutenberg-tm License (available with this file or online at
-https://gutenberg.org/license).
-
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
-electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
-all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
-If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
-Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
-terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
-entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
-and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
-works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
-or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
-Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
-collection are in the public domain in the United States. If an
-individual work is in the public domain in the United States and you are
-located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
-copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
-works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
-are removed. Of course, we hope that you will support the Project
-Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
-freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
-this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
-the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
-keeping this work in the same format with its attached full Project
-Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
-a constant state of change. If you are outside the United States, check
-the laws of your country in addition to the terms of this agreement
-before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
-creating derivative works based on this work or any other Project
-Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
-the copyright status of any work in any country outside the United
-States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
-access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
-whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
-phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
-Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
-copied or distributed:
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
-from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
-posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
-and distributed to anyone in the United States without paying any fees
-or charges. If you are redistributing or providing access to a work
-with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
-work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
-through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
-Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
-1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
-terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
-to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
-permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
-word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
-distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
-"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
-posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
-you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
-copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
-request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
-form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
-License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
-that
-
-- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
- owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
- has agreed to donate royalties under this paragraph to the
- Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
- must be paid within 60 days following each date on which you
- prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
- returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
- sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
- address specified in Section 4, "Information about donations to
- the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
-
-- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or
- destroy all copies of the works possessed in a physical medium
- and discontinue all use of and all access to other copies of
- Project Gutenberg-tm works.
-
-- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
- money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days
- of receipt of the work.
-
-- You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
-electronic work or group of works on different terms than are set
-forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
-both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
-Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
-Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
-collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
-works, and the medium on which they may be stored, may contain
-"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
-corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
-property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
-computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
-your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium with
-your written explanation. The person or entity that provided you with
-the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
-refund. If you received the work electronically, the person or entity
-providing it to you may choose to give you a second opportunity to
-receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
-is also defective, you may demand a refund in writing without further
-opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
-WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
-WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
-If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
-law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
-interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
-the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
-provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
-with this agreement, and any volunteers associated with the production,
-promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
-harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
-that arise directly or indirectly from any of the following which you do
-or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
-work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
-Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
-
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of computers
-including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
-because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
-people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
-To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
-and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
-Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
-https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
-permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
-Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
-throughout numerous locations. Its business office is located at
-809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
-business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
-information can be found at the Foundation's web site and official
-page at https://pglaf.org
-
-For additional contact information:
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To
-SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
-particular state visit https://pglaf.org
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including including checks, online payments and credit card
-donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
-
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
-works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
-concept of a library of electronic works that could be freely shared
-with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
-Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
-
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
-unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
-keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
-
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
-
- https://www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.