diff options
Diffstat (limited to '16832.txt')
| -rw-r--r-- | 16832.txt | 17358 |
1 files changed, 0 insertions, 17358 deletions
diff --git a/16832.txt b/16832.txt deleted file mode 100644 index be6d036..0000000 --- a/16832.txt +++ /dev/null @@ -1,17358 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Ben-Hur, by Lewis Wallace - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org - - -Title: Ben-Hur - Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde - -Author: Lewis Wallace - -Release Date: October 8, 2005 [EBook #16832] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ASCII - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK BEN-HUR *** - - - - -Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe. - - - - -BEN-HUR - -Een verhaal uit den tijd van Jezus' omwandeling op aarde - - -Uit het Engelsch van - -LEWIS WALLACE - - -door - -ALMA - -(A.M.Th. Doedes) - - - * * * * * - - - -VOORBERICHT. - - -Gaarne schrijf ik, daartoe verzocht, een aanbevelend woord voor eene -nieuwe uitgave van dit boek, dat vertaald is met eene zorg en keurigheid -zulk een meesterstuk waardig. - -Niemand kan meer bereid zijn dan ik om te erkennen, dat een verhaal uit -den tijd van Jezus' omwandeling op aarde een genre is uiterst teeder en -zoo vol gevaar om het heilige niet heilig te houden, dat het er mede is, -als met afbeelden van den Christus, een ondernemen, dat een even vroom -gemoed als een zeldzaam talent vereischt. Geen oningewijde, niet door -hooger geest gedrevene, wage zich op het gebied van het heilige. - -Van de schrijver van Ben-Hur mag gezegd worden, dat hij het tijdperk, -waarin zijn verhaal valt, en in ruim gebied karakters, plaatsten en -omstandigheden zoo grondig kent, als alleen de ernstigste studie -mogelijk maakt. Telkens rijst het vermoeden, dat de schrijver meer -noodig geacht heeft dan boekenkennis, dat hij persoonlijk de plaatsen -heeft bezocht, dat hij uit het verledene als een ooggetuige doet -opdoemen. - -Uit het tijdvak, dat hij ons aanschouwelijk wil voorstellen, kan de -inhoud der evangelien niet geheel verwijderd blijven, maar met welk eene -soberheid en eerbied voor de letter is dit geschied. Reeds terstond -blijkt dat bij den aanvang des verhaals, waar de schrijver niet een -eigen verdicht verhaal maakt van het weinige dat Mattheus van "de Wijzen -uit het Oosten" meedeelt, maar de kerkelijke legende van Caspar, -Melchior en Balthasar, de als zinnebeeld der Christus' heerschappij uit -Europa, Azie en Afrika gekomenen opneemt, om met eerbiediging van de -Schrift, zij het ook slechts een van de drie, den vromen Balthasar uit -Egypte, als type van het tijdvak in zijn verhaal op te nemen. In alles -wat den Heer zelve betreft, en dat niet meer is dan het volstrekt -noodige, is nergens in het minste den teugel aan de verbeelding gevierd, -en aan de Schrift, en aan deze alleen het woord gelaten. - -Door dit alles is het, dat het kunstwerk van WALLACE niet alleen aan -volwassenen maar niet minder voor jeugdigen kan worden aanbevolen, als -een geschrift, waaruit zij veel kunnen leeren om de Schrift beter te -verstaan, doch vooral ook meer van harte te waardeeren de herschepping, -die in de menschenwereld en in menschenharten door den beloofden en zoo -vurig verwachten Zoon des menschen is teweeggebracht. - -In de edelste harten van die dagen zien wij niet de heerschappij der -liefde met oppermacht heerschen, maar een zich buigen voor den machtigen -drang van wraakzucht en haat. Alleen een (en dit denkbeeldig) type, de -vrome Balthasar, schaduwt hoogere verwachtingen af; maar een edel type -van vleesch en bloed als Ben-Hur kan voor de oplossing van het -wereldraadsel door kruis en opstanding niet hooger reiken dan een -Joodsch koning, die door Galileesche legioenen de wereld overwinnen en -aan Jeruzalem in het wereldgebied de plaats van Rome schenken zal. - -Tegen welke wereldmachten de Zoon des menschen zonder de hulp van -wapenen, goud of wijsbegeerte zich te kampen heeft, wordt in de -keurigste tafereelen op elk levensgebied aanschouwelijk, en tevens zijn -recht gevoeld om stervende te kunnen zeggen: "ik heb de wereld -overwonnen." - -Waar zooveel in onze dagen van het lezen des Bijbels en grondig -bepeinzen van zijn inhoud afleidt, mag van dit boek, al is het een -verdicht verhaal, het tegendeel gezegd worden. Den nadenkende doet het -de wereld, die Jezus overwinnen kwam door haar in woord en daden de -liefde des Vaders te openbaren, in eigen natuurlijk hart terugvinden. -Geen zoo edel, dat van nature zich hooger zal durven plaatsen, dan -Ben-Hur. Voor dezen niets minder dan een van nieuws geboren worden -noodig, een zien met andere oogen, een liefhebben met een vernieuwden -geest des gemoeds. Wat voor hem, gelijk voor Nikodemus gold, voelen zij -ons niet minder van nabij te raken: "tenzij iemand van nieuws geboren -wordt, hij kan het koninkrijk Gods niet zien." De moordenaar op het -kruis was de eerste om dat met onbenevelden blik te aanschouwen. - -Na hem rust ons oog op Stefanus en op den plaatsvervanger des eersten -martelaars, Paulus, op dat hooge standpunt de voltooiing van den -wereldstrijd door het kruis aanschouwend. Hoevelen na hem hebben in -lijden, strijd en sterven de roemtaal van Rom. VIII herhaald, als een -Amen op het woord van de Zegepralende bij zijn heengaan: "Mij is gegeven -_alle_ macht in den hemel en op aarde, onderwijst _alle_ volken, ik ben -met u _al_ de dagen tot de voleinding der eeuwen." - -C.S.A. v. S. - - - * * * * * - - -BEN-HUR - - - -BOEK I. - - - * * * * * - - -EERSTE HOOFDSTUK. - -IN DE WOESTIJN. - - -De Jebel es Zubleh is een bergketen, ruim vijftig mijlen lang, en zoo -smal, dat zij op de landkaart veel heeft van een rups, die van het -zuiden naar het noorden kruipt. Van den top der wit- en roodkleurige -klippen ziet men in het oosten niets dan de woestijn van Arabie. Een -dikke laag zand, door den Eufraat achtergelaten, bedekt het onderste -gedeelte van de bergketen en blijft daar liggen, want de berg strekt tot -een muur voor de weilanden van Moab en Ammon in het westen, die anders -een deel van de woestijn zouden uitmaken. - -De Arabier heeft den stempel zijner taal gedrukt op alles ten zuiden en -oosten van Judea; zoo is in het Arabisch de oude Jebel de vader van -tallooze wadi's[1], die, den weg kruisend, breeder en breeder worden, in -het regenseizoen de watermassa's naar de Jordaan afvoeren, of wel naar -haar laatsten vergaarbak, de Doode Zee. - -Uit een van deze wadi's, en wel uit de allerlaatste, die ten slotte de -bedding van de beek Jabbok wordt, kwam een reiziger te voorschijn, die -koers zette naar de woestijn. Op dezen persoon willen wij eerst de -aandacht vestigen. - -Naar zijn uiterlijk te oordelen moest hij vijfenveertig jaar oud zijn. -Zijn lange baard, eenmaal ravenzwart, begon sterk te grijzen; zijn -donkerkleurig gelaat was door een laag neerhangenden, rooden hoofddoek -slechts ten deele zichtbaar. Nu en dan sloeg hij de oogen op, groote -donkere oogen. Hij was gekleed in een lang, ruim gewaad, de gewone -oostersche dracht, en bereed, gemakkelijk liggende in een zonnetent, -een witten kameel. - -Ik geloof niet dat eenig westerling den indruk zal vergeten, dien de -eerste aanblik van een kameel, gezadeld en bepakt voor de reis door -de woestijn, op hem maakt. De gewoonte, zoo doodend voor andere -nieuwigheden, heeft hier slechts weinig invloed. Na menige reis per -karavaan, na jarenlang verblijf onder de Bedouinen, zal de westerling, -waar hij ook zijn moge, telkens weer stilstaan, om het schip der -woestijn te zien voorbijgaan. De bekoring ligt waarlijk niet in het -uiterlijk van het dier, noch in zijne afmetingen, noch in zijn -onhoorbaren stap; neen, maar de woestijn omhult den kameel met al haar -geheimenissen, en hem aanschouwende denken wij aan die geheimenissen. - -De kameel, die juist uit de wadi kwam, mocht gerust aanspraak maken op -het gewone eerbewijs. Zijn kleur en hoogte, zijn breede voet, zijn -forsche bouw, zijn slanke, sierlijke nek, zijn kop, zijn stap, lang en -veerkrachtig, zijn tred, zeker en onhoorbaar, alles kenmerkte den -afstammeling van een oud Syrisch geslacht. - -Toen de kameel uit de wadi te voorschijn trad was hij de grens van El -Belka, het oude Ammon, overgegaan. Het was nog vroeg in de morgen. De -zon ging juist op, half omsluierd door een wazigen mist. Voor hem lag -de woestijn, niet het gebied van het welzand, dat was verderop; maar de -regionen, waar de plantengroei minder begint te worden, en de grond -bezaaid is met blokken graniet en grijze en bruine steenen, waartusschen -hier en daar een kwijnende acacia zich omhoog werkt en enkele toefjes -gras opschieten. Eiken, braamstruiken en haagappelboomen lagen achter -hem, alsof zij, tot een zeker punt genaderd, door een blik op die dorre -woestenij van schrik verstijfd waren gebleven. Hier ook hield de begane -weg op. - -Maar dat hinderde den kameel niet. Alsof hij een innerlijken drang -gehoorzaamde, ging hij met versnelden pas op den oostenlijken horizon -toe. De wijd geopende neusgaten dronken gretig het frissche morgenwindje -in. Leeuwerik en rotszwaluw ontplooiden hunne vleugels, en witte -patrijzen, opgejaagd door den vreemden bezoeker, maakten zich piepend en -klokkend uit de voeten. Ter rechterzijde verhieven zich de heuvels van -den Jebel. Boven hun hoogste toppen zweefde een gier op breed -uitgespreide vlerken in steeds wijder wordende kringen. Van dit alles -zag de bewoner der tent echter niets; zijne oogen staarden droomerig -vooruit. Berijder en kameel beiden gaven den indruk, dat zij geleid -werden. - -Zoo ging het twee uren voort. Gedurende al dien tijd bleef de reiziger -in dezelfde houding liggen en keek niet rechts of links. Het landschap -was intusschen van voorkomen veranderd. Van den Jebel zag men nog -slechts aan den westelijken horizon de flauwe omtrekken. Hier en daar -lagen enkele groote bazaltsteenen, als voorposten, om de vijandige -machten in bedwang te houden. Zand, niets dan zand was wat het oog -ontwaarde, somtijds effen als aan het strand der zee, dan in heuveltjes -opgehoopt, hier als gekuifde golven, daar als zachte deining. Ook de -atmosfeer had eene verandering ondergaan. Dauw en mist waren opgetrokken, -de gansche omtrek schitterde in den vollen zonneschijn, de blauwe lucht -vonkelde en trilde in dien gloed. - -Weder gingen twee uren voorbij en nog altijd ging het voorwaarts in -dezelfde richting, zonder rust of oponthoud. De Jebel was uit het -gezicht verdwenen; de schaduw, die straks den reiziger volgde, viel nu -naar het noorden, en hield gelijken tred met hen, die haar afwierpen, -en nog verroerde de in gedachten verzonkene zich niet. - -Maar zie, juist toen de zon de middaghoogte bereikte, stond de kameel -uit eigen beweging stil, en slaakte een kreet, die den meester als uit -een vasten slaap deed ontwaken. Hij sloeg het tentgordijn open, keek -naar de zon, beschouwde lang en aandachtig het landschap, haalde diep -adem, en fluisterde met een bevredigden blik: Eindelijk! Eindelijk! Een -oogenblik later kruiste hij de handen over de borst, boog het hoofd, en -bad in stilte. Na het volbrengen van dezen plicht maakte hij zich gereed -om af te stijgen. Hij gaf den kameel het gewone teeken om te knielen. - -Behoedzaam gehoorzaamde het schrandere dier, de reiziger zette zijnen -voet op den slanken nek, en stond het volgende oogenblik op den grond. - - -Noot: [1] Doorwaadbare plekken. - - - * * * * * - - -TWEEDE HOOFDSTUK. - -DE DRIE REIZIGERS. - - -Wij willen thans den vreemdeling meer van nabij beschouwen. Hoewel niet -groot, is hij toch een flinke figuur. - -Nu hij het zijden koord, dat den hoofddoek op zijn plaats moet houden, -losgemaakt heeft, kunnen wij hem vrij in 't gezicht zien. De kleur was, -zooals reeds gezegd is, donkerbruin, bijna zwart; maar het lage breede -voorhoofd, de arendsneus, de bijzondere vorm der oogen, het lange -glanzende haar, dat hem in talrijke vlechten tot op de schouders -nederhing, waren de onmiskenbare teekenen van zijne afkomst. Zoo -Mizraim, de stamvader der Egyptenaren. Zijne kleeding bestond uit een -lang wit katoenen hemd, met een gordel om het middel bevestigd, en langs -hals en borst met borduursel bezet. Daarover een bruin wollen bovenkleed, -met kleurige zijde gevoerd, en rondom afgezet met een matgelen rand. Aan -de voeten droeg hij sandalen, vastgebonden door fijn lederen riemen. -Opmerkelijk is, dat hij geen enkel wapen bij zich had, zelfs den stok -niet, waarmede de drijvers gewoonlijk hunne kameelen aanzetten, en dat -nog wel nu hij geheel alleen het gebied van luipaarden en leeuwen en -niet minder wilde natuurgenoten heeft betreden. Hij moet dus of van -zeldzaam stoutmoedigen aard zijn, of zich onder bijzondere bescherming -gevoelen. - -Door den langen rit waren zijne ledematen stijf geworden, daarom wreef -hij zich de handen, stampte met de voeten, wandelde wat op en neer, bij -tijd en wijle onderzoekend rondziende, alsof hij iemand verwachtte. Toen -zich echter nergens aan den horizon eenig teeken van leven vertoonde, -was hij blijkbaar teleurgesteld en hervatte hij zijn wandeling. Twijfel -aangaande de komst van den verwachte kwam niet bij hem op; want na een -poosje begon hij zijne bagage te ontpakken, alsof hij voornemens was -hier zijne tent op te slaan. En dat bleek ook werkelijk het geval te -zijn; want na met een spons de oogen en de neusgaten van zijn kameel te -hebben gereinigd, bracht hij een bundel staven te voorschijn, plantte de -langste in den grond en de andere in een kring daar omheen, overdekte ze -met een wit en rood gestreept tentdoek, spreidde een tapijt op den grond -en nam bezit van zijn kleine woning. Toen ging hij weer naar buiten en -zag nogmaals onderzoekend rond. Maar de uitgestrekte wildernis gaf niet -het minste teeken van leven. - ---Wij zijn ver van huis, mijn snelvoetige rijder! zeide hij en liefkoosde -zijn trouwen metgezel, wij zijn ver van huis; maar God is met ons, wij -moeten geduld oefenen. - -Nu nam hij een paar handenvol boonen uit een der zadelzakken, tot voeder -voor zijn dier, en zeide: Zij zullen komen. Hij die mij geleid heeft -leidt ook hen. Ik zal alles gereedmaken. - -Uit zijn voorraadschuur bracht hij de benoodigdheden tot een maaltijd in -de tent: borden uit palmbladen gevlochten, wijn in kleine lederzakken, -gedroogd schapevleesch, Syrische grannaatappels, Arabische dadels, kaas -en brood; schikte alles zorgvuldig op het tapijt en legde er ten slotte, -zooals dat bij beschaafde oosterlingen gebruikelijk is, zijden servetten -bij, drie in getal, waaruit zich laat opmaken hoevele gasten hij -verwachtte. - -Alles was nu gereed. Hij ging weer naar buiten, en zie! in het oosten -trof een donkere stip aan den horizon zijn oog. Als aan den grond -genageld bleef hij staan, de oogen wijd geopend, huiverend, als voelde -hij de aanraking van iets bovennatuurlijke,--de stip werd grooter en -grooter en kreeg ten laatste duidelijke omtrekken. Een weinig later kon -hij den dubbelganger van zijn eigen witten kameel onderkennen, dragende -op den rug een _houdah_, de reistent van den Hindoe. - -De Egyptenaar vouwde de handen en zag op naar den hemel. God alleen is -groot! riep hij diep ontroerd. - -De vreemdeling kwam nader en nader en hield eindelijk stil. Ook hij -scheen uit een droom te ontwaken. Hij zag den knielenden kameel, de -tent, en den man, die biddend in de opening stond. Hij vouwde de handen, -boog het hoofd en bad in stilte; daarna steeg ook hij uit en trad op den -Egyptenaar toe. Een oogenblik zag de een den ander aan, toen omhelsden -zij elkander. - ---Vrede zij u, o dienaar van den waren God, zeide de nieuw aangekomene. - ---En u, medebroeder in het ware geloof! vrede en welkom, antwoordde de -Egyptenaar hartelijk. - -De vreemdeling was lang en mager van gestalte, de oogen lagen diep in -hunne kassen, haar en baard waren wit, zijn gelaatskleur geelachtig -brons. Hij ook was ongewapend. Zijn kleeding was die van een Indier, -geheel wit, behalve de muilen, die van rood leder vervaardigd waren. -Zijn voorkomen was deftig en statig, en hoogst ernstig. - ---God alleen is groot! zeide hij, zich weder oprichtende. - -En gezegend zijn zij die Hem dienen! antwoordde de Egyptenaar. Maar zie, -daar komt onze tochtgenoot. - -Hij wees naar het noorden, waar een derde kameel, wit als de hunne, met -snellen stap naderde. Zij wachtten, totdat ook hij stilhield, en zijn -berijder op hen toetrad. - ---Vrede zij met u, mijne broeders, zeide hij, den Hindoe omhelzende. En -de Hindoe antwoordde: Gods wil geschiede! - -De laatst gekomene was van een geheel ander type, dan zijne vrienden. -Zijn lichaamsbouw was fijner, zijn gelaatskleur blank, zijn golvende -lokken waren blond; uit zijn donkerblauwe oogen sprak een zacht gemoed -en een open eerlijk hart. Hij ging blootshoofds en was ongewapend. -Vijftig jaren, misschien meer, waren over zijn hoofd gegaan; maar de -veerkracht van lichaam en geest was nog onverminderd. Den man van het -vak behoefde men niet te zeggen tot welk volk hij behoorde, geheel zijn -uiterlijk teekende den Griek. - -Toen hij ook den Egyptenaar begroet had, zeide deze met trillende stem: -De Geest heeft mij het eerst hier gebracht, aan mij dus de eer van de -dienaar mijner broederen te zijn. De tent is opgeslagen, het maal is -gereed. Staat mij toe mijn plicht te vervullen. Hen daarop bij de hand -nemend, leidde hij hen binnen, ontdeed hen van hun schoeisel, wiesch -hunne voeten, goot water over hunne handen, en droogde ze af met een -doek. Nadat hij ook zijn eigen handen gewasschen had, zeide hij: Komt, -mijne broeders, laat ons eten, opdat wij sterk mogen zijn voor het werk -dat ons wacht. Tegelijkertijd kunnen wij elkander mededeelen wie wij -zijn en vanwaar wij komen. - -Dus genoodigd zetten ook de anderen zich neder, bogen het hoofd, vouwden -de handen op de borst en deden te zamen dit eenvoudig gebed: Vader van -allen--God! wat ons is voorgezet is Uwe gave. Neem onzen dank en zegen -ons, opdat wij mogen voortgaan met Uwen wil te doen. - -Bij die laatste woorden sloegen zij de oogen op, en zagen elkander -verbaasd aan. Ieder had gesproken in eene aan de anderen onbekende taal; -en toch begrepen zij volkomen wat gezegd was. Hunne ziel trilde van -heilige aandoening--zij gevoelden Gods tegenwoordigheid. - - - * * * * * - - -DERDE HOOFDSTUK. - -CASPAR DE GRIEK. - - -Volgens de toenmalige tijdrekening had het bovenvermelde plaats in de -maand December van het Romeinsche jaar 747. De lange rit door de -woestijn had onzen reizigers een goeden eetlust bezorgd, zij deden het -hun voorgezette maal eer aan, onder het genot van een teug goeden wijn, -daarna begon het gesprek. - ---Voor den reiziger in een vreemd land is niets zoo liefelijk, als zijn -naam te hooren van de lippen eens vriends, zeide de Egyptenaar, die als -gastheer den maaltijd geleid had. Voor ons liggen vele dagen van -vriendschappelijk samenzijn. Daarom is het noodig dat wij elkander -leeren kennen. Laat dus, zoo gij het goed vindt, hij, die het laatst -hier kwam, beginnen met te spreken. - -Op bedaarden toon, als een die gewoon is zichzelf te beheerschen, begon -de Griek. Wat ik te vertellen heb, broeders, is zoo vreemd, dat ik bijna -niet weet waar ik beginnen zal, wat ik zeggen en wat ik zwijgen moet. Ik -begrijp mijzelf nog niet. Wat ik echter weet is, dat ik den wil doe van -Een, die machtig is, en dat ik mij daar onuitsprekelijk gelukkig in -gevoel. De gedachte aan het mij opgedragen werk wekt eene zoo -onbeschrijfelijke vreugde in mij, dat ik er niet aan twijfel, of het is -God, die het mij opdroeg. - -Hier zweeg hij een oogenblik, door zijn gevoel overweldigd. Na zich wat -hervat te hebben ging hij voort: Ver van hier, in het westen, ligt een -land, dat nooit vergeten zal worden, al was het alleen omdat de wereld -er zooveel aan te danken heeft. Ik zal zwijgen van de schoone kunsten, -van philosophie, welsprekenheid, dichtkunst, en van zijne -krijgsverrichtingen; want, mijne broeders, dit zal de roem van mijn land -wezen, dat Hij, dien wij gaan zoeken, in zijne taal verkondigd zal -worden aan de geheele wereld. Het land waarvan ik spreek is Griekenland. -Ik ben Caspar, de zoon van Kleanthes den Athener. Evenals voor de -meesten mijner landgenooten was de studie mijn lust en mijn leven. Twee -onzer grootste wijsgeeren leeren: de een, dat ieder mensch een -onsterfelijke ziel heeft, de ander, dat er slechts een God is, volmaakt -rechtvaardig. Van alle twistvragen, waarover de geleerden redetwistten, -vond ik deze alleen de moeite van het overdenken waard; want ik moest -toegeven dat er een tot nog toe onbekende verhouding bestaat tusschen -God en de ziel. Het verstand kan daarover tot zeker punt redeneeren ---daar gekomen blijft men staan, als voor een hoogen muur. Om hulp roepen, -is het eenige dat ons rest. Dat deed ik dan ook, maar geen stem kwam van -achter den muur tot mij. - -In wanhoop ontvlood ik de stad en de scholen. In het noordelijk gedeelte -van mijn land, in Thessalie, is een berg, dien mijn volk voor de -verblijfplaats der goden houdt, met name van Zeus. Olympus heet hij. -Daarheen ging ik. Aan den zuid-oostkant van den berg vond ik een hol, -daar woonde ik geruimen tijd, in overdenkingen verzonken, of liever, -wachtende op de verhooring van mijn aanhoudend gebed om een openbaring. -Mijn geloof in God, den onzichtbare en tevens oppermachtige, was zoo -vast, dat ik het ook mogelijk achtte zoo naar Hem te smachten, dat Hij -medelijden met mij zou krijgen en mij zou antwoorden. - ---En dat heeft Hij gedaan! dat heeft Hij gedaan! riep de Hindoe, de -handen omhoog heffende. - ---Hoort verder, broeders, zeide de Griek, zijne aandoening bedwingende. -Van uit mijne kluis had ik het gezicht op de golf van Thermai. Op -zekeren dag zag ik een man overboord vallen van een voorbijzeilend -schip. Hij bereikte al zwemmend de kust. Ik nam hem tot mij en verzorgde -hem. Hij was een Jood, wel onderwezen in de geschiedenis en wetten van -zijn volk, en van hem vernam ik, dat de God mijner gebeden werkelijk -bestond en sedert eeuwen hun wetgever, beschermer en koning was. Wat was -dat anders dan de openbaring waarvan ik droomde? Mijn geloof was niet -beschaamd geworden; God had mij geantwoord. - ---Zooals Hij allen antwoordt, die in het geloof tot Hem roepen, zeide de -Hindoe. - ---Maar helaas, merkte de Egyptenaar aan, hoe weinigen zijn wijs genoeg, -om te onderkennen wanneer Hij hun antwoordt. - ---Daar bleef het echter niet bij, vervolgde de Griek. De Jood vertelde -mij nog meer. Hij zeide dat de profeten, die in de eeuwen, welke op de -eerste openbaring volgden, met God wandelden en spraken, verklaard -hadden, dat Hij zou wederkomen. Hij noemde mij de namen dier profeten en -haalde uit de heilige boeken hun eigen woorden aan. Ook zeide hij, dat -die tweede komst op handen was, dat men er te Jeruzalem dagelijks naar -uitzag. Maar, de man zeide ook, dat, evenals God en de openbaring, -waarvan hij gesproken had, alleen voor de Joden geweest waren, dit ook -nu het geval zou zijn. Is er dan niets te hopen voor de andere -aardbewoners? vraagde ik. Neen, antwoordde hij op trotschen toon. Neen, -wij zijn het uitverkoren volk. Dat antwoord vernietigde echter mijne -hoop niet. Waarom zou zulk een God liefde en goedheid slechts tot een -land, tot een ras beperken? Ik wilde dat tot elken prijs onderzoeken. -Ten langen laatste kwam ik achter de waarheid en vernam, dat zijne -vaderen slechts de uitverkoren dienaars waren geweest, om de Waarheid -te bewaren, opdat de geheele wereld haar eenmaal zou leeren kennen en -behouden worden. - -Toen de Jood vertrokken was en ik mij weder alleen bevond, bad en -smeekte ik vurig, dat het mij vergund mocht worden dien Koning, als Hij -kwam, te zien en te aanbidden. - -Op zekeren avond zat ik voor mijne spelonk in gepeinzen verdiept, toen -ik plotseling boven de zee, of liever in de duisternis, die haar -bedekte, eene ster zag vonkelen. Langzaam steeg zij hooger en kwam -nader, tot boven den berg, en boven mijn hoofd, zoodat haar glans mij -bescheen. Ik viel neder en sliep na een poosje in. In den droom hoorde -ik een stem tot mij zeggende: "O Caspar, Gij gezegende. Uw geloof heeft -overwonnen. Met twee anderen, gekomen van de uiterste deelen der aarde, -zult gij Hem, den beloofde, zien en van Hem getuigen. In den morgenstond -zult gij opstaan en hun tegemoet reizen. Vertrouw op den Geest, die u -zal geleiden." En des morgens ontwaakte ik, door den Geest als door eene -zon verlicht. Ik legde mijn kluizenaarsgewaad af en kleede mij als -vanouds. Uit een verborgen schuilhoek nam ik den schat, dien ik met mij -gebracht had. Ik riep een voorbijzeilend schip aan, werd aan boord -genomen en te Antiochie aan wal gezet. Daar kocht ik den kameel met -toebehooren. Langs de tuinen en boomgaarden, die de boorden van de -Orontes sieren, reisde ik naar Emesa, Damascus, Bostra en Philadelphia, -tot hier. Ziet daar, broeders, mijne geschiedenis. Laat mij nu de uwe -mogen vernemen. - - - * * * * * - - -VIERDE HOOFDSTUK. - -MELCHIOR. - - -De Egyptenaar en de Hindoe zagen elkander aan; de eerste wenkte met de -hand, de ander boog ten teeken van goedkeuring en begon: Onze broeder -heeft goed gesproken, mochten mijne woorden even verstandig zijn. Mijn -naam, broeders, is Melchior. Mijne taal is, zoo al niet de oudste op -aarde, dan toch de eerste, waarbij men zich van de schrijfkunst -bediende; ik bedoel het Sanskriet van Indie. Ik ben Hindoe van geboorte. -Mijn volk heeft van oudsher de paden der wetenschap betreden en blijven -bestaan, want zij zijn de bronnen van den godsdienst en van alle nuttige -kennis. - -Ik ben een geboren Brahmaan. Voorschriften regelden bijgevolg mijn leven -tot in de minste daad, tot in zijn laatste uur. Ik kon niet wandelen, -eten, drinken, of slapen, zonder gevaar te loopen van een der regelen -te overtreden. En de straf, mijne broeders, de straf zou mijne ziel -treffen. Van den aard der overtreding hing het af, of mijne ziel -opgenomen kon worden in den hemel, zij het ook den laagsten, dien van -Indra, of teruggedreven zou worden om te leven in een worm, een vlieg, -een visch, of een wild dier. De belooning voor volmaakte gehoorzaamheid -is de Zaligheid, een opgaan in het Brahma, hetgeen niet zoozeer een -zelfstandig bestaan, als wel een volkomen rust is. - -Toen mijn studietijd voorbij was en ik tot de tweede orde kon toegelaten -worden, dat wil zeggen, toen ik in het huwelijk mocht treden en een -eigen gezin hebben, begon ik naar alles een onderzoek in te stellen, -zelfs naar het Brahma; want voor het oog mijns geestes was een -schemerschijn van licht opgegaan, en mijne ziel smachtte er naar dat -licht van nabij te beschouwen. Eindelijk, na lange jaren zwoegens, stond -ik in het volle licht en aanschouwde den grondslag van het leven, het -ware beginsel van den godsdienst, den band tusschen de ziel en God: de -Liefde. - -Het ingevallen gelaat van den grijsaard schitterde van innerlijk geluk -en hij vouwde de handen tot een dankgebed. - ---De liefde is slechts gelukkig wanneer zij bezig is, zoo vervolgde hij. -Aan hetgeen men bereid is voor anderen te doen, kan men haar toetsen. -Ik kon niet rusten. Brahma had zooveel ellende over de wereld gebracht. - -Ik maakte mij op en reisde langs den Ganges tot waar de heilige stroom -zich in den Indische Oceaan uitstort. Ik hoopte rust te vinden in de -schaduw van den tempel aan Kapila gewijd, om mij daar met zijne jongeren -in het gebed te vereenigen. Maar tweemaal 's jaars kwamen gansche -scharen bedevaartgangers die plek bezoeken. Hunne ellende vuurde mijne -liefde aan. In het begin legde ik mijzelven met geweld het zwijgen op, -want een woord tegen het Brahma zou mij in het verderf storten, een -vriendschapsdienst aan de uitgeworpen Brahmanen bewezen, die zich naar -het verzengende strand sleepten om daar te sterven, een zegenbede, een -beker water--zou mij tot een van hen maken, verloren voor familie, land, -voorrechten, kaste. - -Maar de liefde overwon. Ik sprak tot de tempelbewoners, zij dreven mij -uit. Ik sprak tot de pelgrims, zij verjoegen mij met steenen. Op de -wegen trachtte ik te prediken, mijne hoorders ontvluchtten mij, of -zochten mij te dooden. Nergens in Indie kon ik ten slotte vrede of -veiligheid vinden--zelfs niet onder de uitgeworpenen; want hoewel zij -gevallen waren, zij bleven toch gelooven in het Brahma. Tot het uiterste -gebracht zocht ik een eenzame plek, waar ik voor allen, behalve voor -God, verborgen kon zijn. Ik volgde den Ganges tot aan zijne bronnen. -Zoo kwam ik in het Himalayagebergte. Mijn weg voerde mij langs -duizelingwekkende afgronden, over gletschers, nu in de hoogte, dan in de -diepte, totdat ik het wonderschoone meer Tao bereikte, aan den voet van -een drietal rotsen gelegen, die hare met eeuwigen sneeuw bedekte kruinen -hemelhoog in de lucht verheffen. Daar sloeg ik in volslagen eenzaamheid -mijne tent op, om er met God te verkeeren en mijn laatste uur te -verbeiden. - -Op zekeren avond wandelde ik langs het meer en riep overluid: Wanneer -zal God verschijnen en mij vrij maken? Is er dan geen verlossing? Toen -vertoonde zich plotseling een lichtvonk op den donkeren waterspiegel. -Weldra verrees een ster, die nader en nader kwam, totdat zij boven mijn -hoofd bleef staan. Haar glans verblindde mij. Ik viel ter aarde en toen -ik daar lag hoorde ik een stem, zeldzaam liefelijk, die tot mij zeide: -Uwe liefde heeft gezegepraald. Gezegend zijt gij, zoon van Indie! De -verlossing is nabij. Met twee anderen, komende van de uithoeken der -aarde, zult gij den Verlosser zien, en van zijne komst getuigen. Maak u -op in den morgenstond, en ga hun te gemoet. Stel al uw vertrouwen in den -Geest die u zal geleiden. - -Van dat oogenblik is het licht bij mij gebleven ten teeken dat de Geest -met mij was. - -Met het krieken van den dageraad aanvaardde ik den terugtocht langs -denzelfden weg, dien ik gekomen was. In een bergkloof vond ik een steen -van groote waarde, dien ik te Hurdwar verkocht. Ik reisde over Lahor, -Kabul en Yezd naar Ispahan. Daar kocht ik den kameel en toog naar -Bagdad. Zonder op een karavaan te wachten, zette ik onbevreesd alleen -mijne reis voort, want de Geest was en is nog met mij. Welk een eere -wacht ons, mijne broeders, wij zullen den verlosser zien--met hem -spreken--hem aanbidden!--Ik heb gezegd. - - - * * * * * - - -VIJFDE HOOFDSTUK. - -BALTHASAR. - - -De levendige Griek barstte los in betuigingen van blijdschap en -gelukwenschen, waarna de Egyptenaar met zijn gewonen ernst zeide: Gij -hebt veel geleden, mijn broeder, en ik verheug mij in uwe overwinning. -Wilt mij nu beiden uwe aandacht schenken, dan zal ik u mijn wedervaren -vertellen. - -Mijn naam is Balthasar. Ik ben te Alexandrie geboren uit een vorstelijk -en priesterlijk geslacht, en ontving eene mijnen rang passende -opvoeding. Al heel vroeg werd ik ontevreden. Mij was geleerd, dat na den -dood de ziel van voren af moet beginnen, van den laagsten trap opwaarts, -onverschillig hoe men zich gedurende zijn aardsche bestaan gedragen -heeft. Die gedachte verontrustte mij. Hoe? Word dan geen onderscheid -gemaakt tusschen boozen en goeden? Maar mij was niet verborgen gebleven -wat vele honderden jaren geleden in mijn land gebeurd was met het volk -der Hebreen, die als slaven onder ons woonden, en die beweerden den -eenigen waren God te dienen; hoe zij na vele wonderen en teekenen -uitgeleid werden, en hoe de Pharao, die hen met zijn leger achterna -zette, met allen, die hem vergezelden, den dood vond. - -Die God was niet onder ons vergeten, en hoe langer ik over alles -nadacht, des te dieper vatte de overtuiging post in mijne ziel, dat de -goden van mijn volk niets waren in vergelijking met den God der Hebreen. -Maar als die God, volmaakt rechtvaardig volgens hunne leer, over het lot -van levenden en dooden te beschikken heeft, dan behoefde ik mij niet -langer ongerust te maken, dan moest bij het sterven, wanneer de -scheiding plaats heeft tusschen ziel en lichaam, de ziel van den booze -verloren gaan, die van den goede echter tot een hooger leven ingaan, -niet het nirvana van den Boeddist, noch de negatieve rust van het -Brahma, o Melchior, noch in dien toestand, o Caspar, waarvan uwe -priesters leeren, maar tot een leven, een heerlijk, werkzaam, eeuwig -leven--een leven met God. - -Dat eenmaal vastgesteld zijnde, werd de begeerte in mij wakker, anderen -deelgenoot te maken van dat goede nieuws. - -Op zekeren dag begaf ik mij naar de aanzienlijke en meest bezochte wijk -van Alexandrie en sprak tot de menigte over God, de ziel, het goed en -het kwaad, en over den hemel, die den deugdzame wacht. U, Melchior, -steenigden zij; _mijne_ toehoorders lachten mij uit. Ik beproefde het -nogmaals, zij wierpen mij puntdichten naar het hoofd, bespotten mijnen -God en mijnen hemel. Lang dacht ik na over de oorzaak van het mislukken -mijner poging, eindelijk vond ik haar. - -Een dagreize van de stad verwijderd ligt een dorp, uitsluitend bewoond -door herders en tuiniers. Daarheen begaf ik mij en verzamelde in den -avond het volk rondom mij, mannen en vrouwen, de armsten onder de armen. -Hun verkondigde ik hetzelfde wat ik in de stad verkondigd had. Zij -lachten niet. Den volgenden avond sprak ik weder, en zij namen mijne -prediking met blijdschap aan en brachten haar op hunne beurt aan ieder, -dien zij ontmoetten. Toen keerde ik naar de stad terug en onder een -heerlijken sterrenhemel kwam ik tot de overtuiging: Die een hervorming -wenscht tot stand te brengen beginne niet bij de rijken en grooten; maar -ga liever tot hen, die niets bezitten, tot de armen en geringen. - -Nu ontwierp ik mijne plannen voor de toekomst. Allereerst verzekerde ik -mijne uitgestrekte bezittingen zoo, dat het inkomen vaststond en ten -allen tijde aangewend kon worden ten bate van hulpbehoevenden. Dat -volbracht zijnde begon ik mijne zwerftochten langs den Nijl, in de -dorpen, onder alle stammen; en predikte den Eenen waren God, een leven -in gerechtigheid, met den Hemel als belooning. Ik heb veel goed gewerkt, -hoeveel betaamt mij niet te zeggen. Ik weet dat velen bereid zijn Hem te -ontvangen, dien wij nu gaan zoeken. - -Hier zweeg de Egyptenaar een oogenblik stil, daarna vervolgde hij: In -die jaren, mijne broeders, kwelde mij eene gedachte: Wat zou er van de -goede zaak worden, als ik heengegaan was? Zou zij met mij ophouden te -bestaan? Ik droomde van een organisatie, als de kroon op mijn werk. Ik -heb het beproefd, maar mocht niet slagen. Neen, de toestand der wereld -is van dien aard, dat, om het oude Egyptische geloof te herstellen, een -hervormer noodig is met meer dan menschelijke macht bekleed; hij moet -niet alleen komen in Gods naam, hij moet zijn woord met bewijzen kunnen -staven. Aarde en lucht zijn zoo vol van valsche godheden, dat een -terugkeer tot den Eenen waren God alleen kan plaats vinden langs -bloedige paden, dat wil zeggen: de bekeerlingen moeten liever willen -sterven, dan hun geloof prijsgeven. En wie anders kan in deze eeuw den -mensch tot zulk eene hoogte opvoeren, dan God alleen? Om het -menschengeslacht te redden moet Hij zichzelven wederom openbaren, moet -Hij persoonlijk komen. - -Nu begrijpt gij waarom ik niet slaagde met mijne organisatie. Ik miste -de bekrachtiging uit den hooge. Diep ternedergeslagen begaf ik mij in de -woestijn, om in de eenzaamheid, ver van alle menschen, Gods aangezicht -te zoeken. - -Steeds verder reisde ik, tot in het hart van Afrika. Langer dan een jaar -woonde ik in een spelonk, aan den oever van een groot meer. De vrucht -van den palmboom strekte mijn lichaam tot voedsel, het gebed mijne ziel. - -Op zekeren avond worstelde ik in het gebed met God. In het heldere water -weerspiegelden de sterren. Eene van die scheen hare plaats te verlaten. -Hooger en hooger steeg zij, stralend en vonkelend, totdat zij boven mijn -hoofd bleef staan. Ik viel neder en verborg mijn aangezicht. Een stem, -niet van de aarde, zeide: Gij hebt overwonnen. Gezegend zijt gij, de -verlossing is nabij. Met twee anderen, gekomen van de uiterste deelen -der aarde, zult gij den Zaligmaker zien en van hem getuigen. Maak u op -in den morgenstond en reis hun te gemoet. En wanneer gijlieden de stad -Jeruzalem zult bereikt hebben, vraag dan aan het volk: Waar is de -geboren Koning der Joden? want wij hebben zijne ster gezien in het -Oosten en zijn gekomen om hem te aanbidden. Stel al uw vertrouwen in den -Geest, die u zal geleiden. - -En het licht werd een innerlijke verlichting en bleef mij bij als -leidsman en gids. Het voerde mij naar Memphis, waar ik mijn kameel -kocht, vervolgens over Suez en Kufileh door de landen van Moab en Ammon. -God is met ons, broeders! - -Door innerlijken drang gedreven, reikten zij elkander de hand. - ---Mogen wij niet in dit alles een goddelijke bestiering zien? vraagde de -Egyptenaar. Wanneer wij den Heer gevonden hebben, zullen alle volken Hem -met ons aanbidden. En als wij van elkander scheiden, om een iegelijk -zijnen weg te gaan, dan zal de wereld een nieuwe les geleerd hebben--dat -de hemel veroverd kan worden niet door het zwaard, niet door menschelijke -wijsheid, maar door geloof, Liefde en Goede Werken. - -Nu traden zij naar buiten. Alles rondom hen sprak van rust. De zon -neigde ten ondergang, de kameelen sliepen. Een oogenblik beschouwden zij -zwijgend de schoon gekleurde lucht, toen keerden zij terug, bergden de -overblijfselen van het maal op, braken de tent af, bestegen hunne -kameelen en zetten de reis westwaarts voort onder aanvoering van den -Egyptenaar. - -De zilveren maan had de taak der dagvorstin overgenomen en bescheen -hunnen weg, toen eensklaps in de lucht voor hen, ongeveer ter hoogte van -een heuveltop, een schitterend licht verscheen, dat zich samentrok tot -een stralend punt. Hunne harten klopten hoorbaar, en tot in het diepst -der ziel ontroerd, riepen zij als uit eenen mond: De ster! de ster! God -is met ons! - - - * * * * * - - -ZESDE HOOFDSTUK. - -JOZEF EN MARIA. - - -In de westzijde van den muur, die Jeruzalem omringt, is de Bethlehem- of -Joppe-poort. De open ruimte, die er heen voert, is een van de -merkwaardigste punten bij de stad. Lang voordat David Sion met begeerige -oogen aanzag, stond daar een citadel, en bovengenoemde poort was er een -overblijfsel van. In Salomo's tijd werd dat plein als markt gebruikt; -kooplieden uit Egypte, Tyrus en Sidon boden er hunne waren aan. Bijna -3000 jaren zijn voorbijgegaan, en nog steeds kan men zich daar ter -plaatse van het noodige voorzien. Een speld of een pistool, een -komkommer of een kameel, een woning of een paard, een dadel of een tolk, -de reiziger kan zich aan de Joppe-poort van al deze dingen voorzien. -Soms kan het er zoo levendig toegaan, dat men onwillekeurig uitroept: -Wat moet die oude markt wel geweest zijn in de dagen van Herodes den -Bouwmeester! - -Welnu, ons verhaal voert ons juist naar die dagen en naar die markt. - -Volgens de Hebreeuwsche tijdrekenkunde viel de ontmoeting van de drie -wijzen, die wij in het vorige hoofdstuk beschreven, in den namiddag van -den 25sten December, in het 35ste regeeringsjaar van Herodes den Groote, -het 4de voor het begin der Christelijke jaartelling. Daar bij de Joden -de dag met zonsopgang begon, was reeds in dat vroege uur alles leven en -beweging. Ja, zoo bezet was de markt, dat vele handelaars met hunne -uitstallingen een plaats hadden moeten zoeken aan de stadszijde der -poort. - -Het is intusschen de derde ure van den dag geworden. Velen zijn reeds -naar huis gegaan; maar het is of de toevloed van menschen niet -vermindert. Onder de nieuw aangekomenen trekt een groep, bestaande uit -een man, een vrouw en een ezel, vooral onze aandacht. De man hield het -dier bij den toom en leunde op zijn staf. Zijne kleeding was als die der -andere Joden en scheen nieuw te zijn. Zijn gelaat was kalm, dat van een -vijftigjarige; zijn zwarte baard begon te grijzen. Hij bezag het gewoel -rondom hem met den half nieuwsgierigen, half starenden blik van den -vreemdeling en provinciaal. Zijne gezellin, op den rug van den ezel in -een zadelkussen gezeten, droeg een ruim overkleed van donkere wollen -stof, terwijl een witte sluier haar hoofd bedekte. Nu en dan lichtte zij -den sluier even op, om te zien wat in hare omgeving voorviel; maar zoo -weinig, dat haar gelaat onzichtbaar bleef. Ten langen laatste werd de -man aangesproken: - ---Zijt gij niet Jozef van Nazareth? - ---Dat is mijn naam, luidde het antwoord, en gij? ah--ik zie het al. De -vrede Gods zij met u, mijn vriend, Rabbi Samuel! - ---En met u. De Rabbi hield op, zag de vrouw even aan en voegde er bij: -met u en al de uwen. Dit zeggende drukte hij zijn rechterhand tegen zijn -borst en groette de vrouw met een hoofdknik. - -Zij had haar sluier een weinig ter zijde geslagen, genoeg om te doen -zien, dat zij nog zeer jong was. - ---Naar de frischheid uwer kleeding te oordeelen, zeide de Rabbi, zou ik -denken, dat gij hier in de stad overnacht hebt. - ---Neen, antwoordde Jozef, wij konden gisteren niet verder komen dan -Bethanie, en zijn hedenmorgen vroeg vandaar vertrokken. - ---Hebt gij een lange reis in 't vooruitzicht? Naar Joppe misschien? - ---Wij zijn op weg naar Bethlehem. - -Het gelaat van den Rabbi betrok. Begrepen, zeide hij. Gij zijt in -Bethlehem geboren en gaat er nu met uwe dochter heen, om u volgens het -keizerlijk bevel te laten beschrijven. Hoe zijn de machtigen gevallen! - ---Dat is mijne dochter niet, zeide Jozef. - -De Rabbi lette niet op die aanmerking, hij vervolgde zijn eigen -gedachtengang en zeide: Wat doen de Zeloten in Galilea? - ---Ik ben timmerman, en Nazareth is een kleine plaats, antwoordde Jozef -voorzichtig. Ik heb geen tijd om deel te nemen aan twistvragen. - ---Maar gij zijt een Jood, vermaande de Rabbi, en nog wel uit het -geslacht van David. Het kan u onmogelijk behagen andere schatting te -betalen dan die, welke volgens onze wet aan Jehova toekomt. - -Jozef zweeg. - ---Ik zeg niets over het bedrag der schatting, vervolgde zijn vriend. -Dat is niet hoog, o neen. Maar dat zij ons schatting opleggen, dat is -schande. Zeg eens, is het waar, dat Judas zich voor den Messias -uitgeeft? Gij woont te midden van zijne volgelingen. - ---Ik heb zijne volgelingen hooren beweren dat hij de Messias is. - -Op dit oogenblik sloeg de vrouw haren sluier geheel weg, zoodat de Rabbi -haar vol in 't gelaat kon zien. Haar zeldzamen schoonheid en de -uitdrukking harer oogen troffen hem. - ---Uwe dochter is schoon, zeide hij nauw hoorbaar. - ---Zij is mijne dochter niet. - -Nu was de nieuwsgierigheid van den Rabbi opgewekt, waarom Jozef vervolgde: -Zij is de dochter van Joachim en Anna van Bethlehem, daar gij misschien -wel van gehoord hebt, want zij waren zeer gezien. - ---Zeker, antwoordde de Rabbi. Dat herinner ik mij best. Zij stamden in -rechte lijn van David af. Ik heb hen zelfs goed gekend. - ---Beiden zijn overleden, te Nazareth. Joachim was niet rijk; maar hij -liet toch een huis met hof na aan zijne twee dochters. Dit is zijn -jongste dochter, Maria. Om haar erfdeel te kunnen aanvaarden, moest zij -volgens de wet eene harer naaste verwanten huwen. Zij is thans mijne -vrouw. - ---En gij waart-- - ---Haar oom. - ---O zoo; en daar gij beiden te Bethlehem geboren zijt, moet gij er -beiden heen om u te laten inschrijven. De Rabbi vouwde de handen en zag -verontwaardigd ten hemel op. Nog leeft de God van Israel! Zijn is de -wrake! riep hij. Toen hij dat gezegd had keerde hij zich om en ging heen -zonder te groeten. - -Een nabijstaande Jood, Jozefs verbazing opmerkende, zeide: Rabbi Samuel -is een Zeloot. Judas zelf kan het hem niet verbeteren. - -Daar Jozef niet geneigd was een gesprek te beginnen, deed hij alsof hij -het niet hoorde, zag den buikriem van den ezel na, en gaf hem nog wat te -eten. Zoodra het dier naar behooren gevoederd was, begaf het gezelschap -zich weder op weg, en sloeg den weg naar Bethlehem in. Jozef wandelde -naast den ezel voort en wees Maria in het voorbijgaan op enkele -merkwaardigheden van den weg; maar het scheen alsof hare gedachten -elders waren. De zon steeg intusschen hooger aan den hemel en noopte de -jonge vrouw haren sluier op te slaan, ten einde wat meer lucht te -krijgen. Van deze gelegenheid willen wij gebruik maken om kennis met -haar te maken. - -Zij was niet ouder dan vijftien jaar. Haar gelaat, een zuiver ovaal, was -fijn van kleur, de neus onberispelijk, de kleine mond vol uitdrukking, -de oogen diep blauw, waren fraai van vorm. Het weelderige goudblonde -haar golfde vrij over hare schouders en reikte tot aan haar zadelkussen. -Voeg bij deze uiterlijke bekoorlijkheden een onbeschrijfelijke reinheid -en liefelijkheid, en gij hebt het beeld van haar, die ons door de -overlevering met de schoonste kleuren wordt geschilderd. Meer dan eens -sloeg zij de oogen ten hemel en bewogen zich hare lippen in stil gebed, -menigmaal hief zij het oog op en luisterde, alsof een onzichtbare tot -haar sprak. - -Zoo togen zij over de uitgestrekte vlakte en naderden de hoogte Mar -Elias, vanwaar zij Bethlehem konden zien liggen. Hier hielden zij een -oogenblik stil om te rusten, en daalden daarna af in de vallei, naar de -wel, eenmaal het tooneel der wonderbare daden van Davids sterke mannen. -In het dal wemelde het van menschen en dieren, zoodat Jozef reeds begon -te vreezen, dat er geen plaats meer voor hen zou te krijgen zijn in de -_khan_, of herberg. Hij zette den ezel tot meerderen spoed aan, en hield -zich geen enkelen keer op om wien ook te groeten, totdat hij de voor de -poort gelegen herberg bereikt had. - - - * * * * * - - -ZEVENDE HOOFDSTUK. - -TE BETHLEHEM. - - -Om volkomen te begrijpen wat Jozef bij de herberg wedervoer, moeten wij -wel bedenken, dat er een groot verschil is tusschen de Europeesche -herbergen en die van het Oosten. Die herbergen werden _khans_ genoemd, -een Perzisch woord, en waren, in haar eenvoudigsten vorm, niet anders -dan omheinde ruimten, dikwijls zonder huis of bedekking; maar altijd -gunstig gelegen wat water, schaduw en veiligheid betreft. Zoo waren de -herbergen waar Jakob een onderkomen vond, toen hij zich eene vrouw ging -zoeken in Padan-Aram, en nog kan men ze heden ten dage precies zoo -vinden op de halten in de woestijn. Daarentegen kon men, vooral op de -heirwegen tusschen groote steden, zooals Jeruzalem en Alexandrie, -uitnemende inrichtingen aantreffen, van alle gemakken voorzien; maar -gewoonlijk waren de herbergen niet veel meer dan het hoofdkwartier van -een Sheik, een gelegenheid voor bijeenkomsten, voor handel, enz., en -eerst in de laatste plaats een toevluchtsoord voor reizigers of -zwervelingen. Een andere eigenaardigheid, die den westerling zeker het -meest zal verbazen, was het volslagen gemis aan bediening. Geen waard of -waardin, geen zaakwaarnemer, geen kok, geen keuken. Een deurwachter aan -den ingang was het eenig zichtbaar bewijs van privaat eigendom. Was een -vreemdeling eenmaal toegelaten, dan kon hij er blijven zoolang hij -verkoos, zonder iemand rekenschap te geven. Een gevolg van die -inrichting was, dat iedere gast zijn eigen voedsel en kookgereedschap -medebrengen, of zich bij de in de khan aanwezige kooplieden van het -noodige voorzien moest. Datzelfde beginsel gold voor zijn nachtleger en -het voeder voor zijne lastdieren. Water, rust, onderkomen, bescherming, -was alles wat hij van den eigenaar verlangde, en die verkreeg hij om -niet. Mocht de vrede wel eens door twistgierigen verstoord worden in een -synagoge--in een khan nimmer. Men hield ze, en niet ten onrechte, in -hooge eere. - -Een stadje als Bethlehem bezat slechts een Sheik, bijgevolg ook een -khan, en hoewel Jozef in Bethlehem geboren was, had hij door zijn -jarenlange afwezigheid geen enkelen bekende meer, niemand wiens -gastvrijheid hij kon inroepen. Daarenboven kon het weken, ja maanden -duren, eer het werk der inschrijving afgeloopen was; de langzaamheid -toch van Romeinsche beamten was spreekwoordelijk geworden, zoodat Jozef, -al had hij zich tot iemand kunnen wenden, toch bezwaarlijk voor -onbepaalden tijd huisvesting had kunnen vragen voor zich en zijne vrouw. -Op de herberg was dus zijne hoop gevestigd. - -Naast den ingang van het gebouw zat de deurwachter op een boomstronk, -zijn speer tegen den muur, zijn hond naast zich. - ---De vrede van Jehova zij met u, zeide Jozef, hem groetend. - ---Datzelfde wensch ik u in ruime mate toe, antwoordde de man ernstig, -zonder van houding te veranderen. - ---Ik ben een Bethlehemiet, vervolgde Jozef. Is er nog plaats voor mij? - ---Neen, alles is bezet. - ---Misschien hebt gij mij wel hooren noemen--Jozef van Nazareth. Dit is -mijn vaderstad. Ik ben uit Davids geslacht. - -Op dit feit berustte Jozefs hoop. Baatte dat hem niet, dan was alle -verdere moeite tevergeefs, geld noch goede woorden vermochten dan iets -uit te werken. Tot den stam van Juda te behooren was reeds veel waard, -zich een zoon van David te mogen noemen, gold bij Israelieten als de -hoogste eer, en zeker nergens meer dan in de stad Davids. Ook op den -deurwachter maakte het indruk. Hij verrees van zijne zitplaats en zeide -beleefd: Rabbi, gedurende de meer dan duizend jaren, waarin deze herberg -een toevluchtsoord is geweest voor vreemdelingen, werd nog nimmer aan -een goed man den toegang geweigerd, behalve wanneer er geen plaats was. -Indien men den vreemdeling zoo welwillend behandelt, hoeveel te meer den -zoon van David. Daarom nogmaals: Wees gegroet! en indien gij wilt, ga -dan met mij naar binnen, om u met eigen oogen te overtuigen, dat nergens -een hoekje vrij is, zelfs niet op het dak. Mag ik vragen wanneer gij -aangekomen zijt? - ---Zooeven. - -De deurwachter glimlachte. De vreemdeling, die in uwe poort is, zal zijn -als een ingeborene van het huis en gij zult hem liefhebben als uzelven, -leert ons de wet niet alzoo, Rabbi? En als de wet zoo spreekt, kan ik -dan tot iemand, die hier reeds eenigen tijd vertoeft, zeggen: Ga gij uws -weegs, hier is een ander, die uwe plaats komt innemen? - -Jozef zag peinzend voor zich. - ---En al mocht ik dat zeggen, aan wien zou dan die plaats toekomen? Zie -hoevelen daar staan te wachten, sommigen reeds den ganschen dag. - ---Wat brengt al die lieden hierheen? - ---Hetzelfde ongetwijfeld wat u brengt, Rabbi; het bevel van den Keizer. -Daarenboven is gisteren een karavaan van Damascus naar Arabie en -Neder-Egypte aangekomen. Deze mannen hier en die kameelen behooren er -toe. - -Nog liet Jozef zich niet afwijzen. Het voorplein is ruim, zeide hij. - ---Ja, maar volgepakt met balen zijden, en zakken specerijen, en goederen -van allerlei aard. - -Jozefs gelaat betrok.--Het is niet zoozeer voor mijzelven, dat ik blijf -aanhouden, maar ik heb mijne vrouw bij mij. De nachten zijn hier koud, -veel kouder dan te Nazareth. Zij kan niet in de open lucht slapen. Zou -er in de stad plaats te krijgen zijn? - ---Deze menschen, zeide de deurwachter, op een groepje wijzend, hebben -allen in de stad een onderkomen gezocht, maar tevergeefs. - -Jozef dacht een oogenblik na en zeide: Zij is zoo teer; als zij den -nacht onder den blooten hemel moet doorbrengen, zal de kou haar dooden. -Misschien hebt gij hare ouders nog gekend: Joachim en Anna. Zij hebben -vroeger ook in Bethlehem gewoond en waren evenals ik uit Davids -geslacht. - ---Zeker heb ik hen gekend. Het waren goede menschen. Ik was toen nog een -kind. Maar daar valt mij iets in. Al kan ik u niet in de herberg -opnemen, ik kan u toch ook niet wegzenden. Ik zal voor u doen wat ik -kan. Gij zult niet buiten overnachten. Roep uwe vrouw. Wij moeten ons -haasten, want de zon neigt reeds ten ondergang. - ---Niets liever dan dat, zeide Jozef, en keerde terug om zijne vrouw te -halen, die niet ver van daar op haren ezel gezeten zijn komst verbeidde. -Zij had haren sluier opgeslagen. - ---Blauwe oogen en gouden lokken, zeide de deurwachter haar aanziende. -Zoo zag de jonge koning er uit toen hij voor Saul op den harp speelde. - -De man nam den ezel bij den toom en zeide tot Jozef: Rabbi, volg mij. - -Over het voorplein van de herberg geleidde hij hen naar de achter het -huis gelegen omrasterde bewaarplaats voor lastdieren en vee, en vandaar -langs een smal en hobbelig pad naar een grauwen kalksteenheuvel. - ---Gij brengt ons naar de spelonk, zeide Jozef. - ---Ja, antwoordde hun geleider, en zich tot Maria wendende voegde hij er -bij: Uw voorvader David heeft meermalen gebruik gemaakt van die spelonk. -Als jongeling bracht hij er 's nachts de kudde zijns vaders onder dak en -later, als koning, moet hij er dikwijls met zijn gevolg gerust hebben. -Dezelfde kribben, waar zijne dieren aan gevoederd werden, zijn er nog. -In ieder geval zult gij op de plaats, waar Koning David geslapen heeft, -beter rusten, dan in het open veld. Zoo, hier zijn wij er. Zooals gij -ziet is voor de spelonk een schuurtje aangebracht, eigenlijk niet meer -dan een toegang tot de spelonk. Dit zeggende schoof hij den grendel weg, -opende de deur en noodigde hen uit om binnen te treden. - -De grot was ongeveer veertig voet lang, negen of tien voet hoog, en -veertien voet breed. Het was nog juist licht genoeg om te doen zien, dat -in het midden op de grond wat hooi en stroo lag en eenig aardewerk, een -duidelijk bewijs, dat ook andere reizigers hier vertoefd hadden. Langs -de wanden waren steenen kribben gemetseld, en over het algemeen zag het -er zindelijk uit. - ---Wat dunkt u hiervan? vraagde de deurwachter aan Maria. Zoudt gij hier -kunnen rusten? - ---Deze plek is heilig, antwoordde zij. - ---Dan kan ik weer naar mijn post terugkeeren. De vrede Gods zij met -ulieden. - -Zoodra zij alleen waren maakten zij de spelonk bewoonbaar en bereidden -zicht een nachtleger van hetgeen zij ter plaatse aanwezig vonden en zelf -medegebracht hadden. - - * * * * * - -Te middernacht, toen om en bij de herberg alles in de diepste rust -verkeerde, ontwaakte een der slapers op het dak en keek verschrikt in -het rond. Wat is er gebeurd? riep hij: Wat is dat voor een vreemd licht? -Wordt wakker, broeders! wordt wakker! - -De in hunnen slaap gestoorden richtten zich op en wreven zich in de -oogen, maar wat zij zagen bracht hen weldra volkomen tot bezinning. Uit -den hemel daalde een straal van licht neder, steeds breeder wordende -naarmate hij de aarde naderde, en den ganschen omtrek verlichtende. -Zelfs den moedigsten onder de aanwezigen durfde zijne stem verheffen -boven een zacht gefluister. - ---Hebt ge ooit iets dergelijks gezien? vraagde de een. - ---Het schijnt daar juist boven den berg te zijn. Ik begrijp volstrekt -niet wat het is, zeide een ander. - ---Zou er een ster gebarsten en gevallen zijn? vraagde een derde -sidderend. - ---Welneen, als een ster valt gaat haar licht uit. - ---Ik weet wat het is, riep een jonge man geruststellend. De herders -hebben een leeuw gezien en een vuur aangestoken, om hem van de kudden af -te houden. - ---Ja, dat zal het zijn, zeide een buurman verruimd van hart. Er waren -vandaag verscheidene herders in het veld. - ---Neen, neen, riep de eerste spreker, al brachten zij al het hout uit de -valleien van Judea bijeen, om er een vuur van te maken, het zou niet -zulk een hoog en sterk licht verspreiden. - -Zwijgend bleven de mannen het geheimzinnig schouwspel gadeslaan, totdat -een eerwaardig grijsaard de stilte verbrak met den uitroep: Broeders, -wat wij zien is de ladder, die onze vader Jakob in den droom -aanschouwde. Geloofd zij de God onzer vaderen! - - - * * * * * - - -ACHTSTE HOOFDSTUK. - -DE GEBOORTE VAN CHRISTUS. - - -Ongeveer twee mijlen zuidoostelijk van Bethlehem ligt een vlakte, door -een heuvelrij van de stad gescheiden. Beschut tegen de noordenwinden, -en begroeid met vijgeboomen, dwergeiken en pijnboschjes, was zij een -kostelijke weide voor de kudden van zwervende herders. Aan den uitersten -rand stond een overoude schaapskooi van buitengewoon groote afmeting. -Bij een lang vergeten schermutseling was het gebouw van zijn dak beroofd -en half vernield. De daarbij behoorende omheinde ruimte was echter -ongedeerd gebleven, en dat was wel de hoofdszaak voor de herders, die er -hunne schapen wilden doen overnachten. - -Daags voor de gebeurtenissen, in het vorige hoofdstuk vermeld, was een -zevental herders, die nieuwe weiden voor hunne kudden zochten, naar de -vlakte afgedaald, had zich 's avonds bij de schaapskooi gelegerd, een -groot vuur bij den ingang ontstoken, hun avondeten bereid, en zich -daarna ter ruste gelegd, een uitgezonderd, die de wacht moest houden. - -Het was een heerlijke nacht. Geen windje bewoog zich, de atmosfeer was -rein en zuiver, er heerschte een geheimzinnige stilte. De wachter stapte -voor den ingang op en neder; hij verlangde naar het uur van middernacht, -wanneer hij afgelost zou worden. Eindelijk was zijn taak volbracht, nu -was het zijne beurt om te gaan rusten. Hij ging naar het vuur--maar wat -was dat? Een lichtglans omscheen hem, zacht en wit als het licht der -maan. Hij wachtte een oogenblik, het licht werd sterker; voorwerpen, die -hij niet had kunnen onderscheiden, werden op eenmaal zichtbaar, hij zag -de gansche vlakte en al wat er op was. Een huivering voer door zijne -leden, vreeze beving hem. Hij zag naar de lucht, de sterren waren -verdwenen; als door een venster viel een breede straal van licht uit den -hemel en werd steeds glansrijker. Hevig ontsteld riep hij zijne makkers: -Wordt wakker! Wordt wakker! - -De honden sloegen aan, de schapen drongen op elkander in, de herders -sprongen overeind en grepen naar de wapens. - ---Wat is er? riepen zij. Wat gebeurt daar? - ---Wat er is? De hemel staat in vuur! antwoordde de wachter. - -Plotseling werd het licht zoo verblindend sterk, dat zij hunne oogen met -de handen bedekten en van angst en schrik op de knieen vielen. Daar -hoorden zij een stem: Vreest niet; want ziet, ik verkondig u groote -blijdschap, die al den volke wezen zal.--Die stem, zoo zacht en -welluidend, stelde hen gerust. Zij hieven het hoofd op en zagen -eerbiedig in de richting, vanwaar de stem kwam. En zie, daar stond, door -een stralenden lichtschijn omgeven, een engelengedaante, gekleed in een -schitterend wit kleed. Boven zijn voorhoofd blonk een ster met zeldzamen -glans. Zegenend strekte hij de handen naar hen uit, zijn gelaat was -vriendelijk en van hemelsche schoonheid. - -Zij hadden dikwijls van de engelverschijningen in vroeger dagen gehoord, -en onder elkander daar wel eens over gesproken. Zij twijfelden dan ook -niet, maar zeiden in hun hart: De heerlijkheid Gods is tot ons gekomen, -en dit is de engel, dien God voormaals tot den profeet bij de rivier -Ulai zond. - -De engel vervolgde: Want heden is u geboren de Zaligmaker, welke is -Christus, de Heer, in de stad Davids. En dit zal u het teeken zijn: gij -zult het Kinderke vinden in doeken gewonden en liggende in de kribbe. - -De hemelbode zweeg. Hij had zijne boodschap overgebracht, toch toefde -hij nog, en terwijl de herders eerbiedig wachtten, breidde zich het -licht, waarvan de engel het middenpunt uitmaakte, meer en meer uit--en -was er met den engel een menigte des hemelschen heirlegers, prijzende -God en zeggende: Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in -menschen een welbehagen. - -Toen ontplooide de engel zachtkens zijne vleugelen, verhief zich -langzaam en statig in de lucht, en verdween weldra uit hunne oogen, het -licht met zich voerende; maar nog geruimen tijd klonk het liefelijk -engelenlied kun in de ooren. - -Toen de herders tot bezinning waren gekomen staarden zij elkander -sprakeloos aan, totdat een van allen zeide: Dat was Gabriel, Gods bode -bij de menschen. - -Niemand antwoordde. - ---Christus, de Heer, is geboren, zeide hij dat niet? - ---Ja, antwoordde een ander. - ---En zeide hij ook niet dat hij geboren is in de stad Davids? dat is dan -toch Bethlehem, daar ginds. En dat wij hem zouden vinden in doeken -gewonden? - -De herder, die het eerst gesproken had, staarde een oogenblik nadenkend -in het vuur, en zeide toen op beslisten toon: Er is slechts een plaats -in Bethlehem waar kribben zijn, slechts een, en dat is in de spelonk bij -de oude herberg. Broeders, laat ons gaan en zien wat er geschied is. -De priesters en schriftgeleerden verwachten den Messias reeds geruimen -tijd. Nu is hij geboren, en de Heer heeft ons een teeken gegeven, -waaraan wij hem kunnen kennen. Laat ons gaan en hem aanbidden. - ---Maar de kudden.... - ---Daar zal de Heer voor zorgen. Laat ons zoo snel mogelijk gaan. - -Toen maakten zij zich op en sloegen den weg naar Bethlehem in. De weg -voerde achter den berg om door de stad, totdat zij voor de deur der -herberg kwamen, waar een man de wacht hield. - ---Wat is uw verlangen? vraagde deze. - ---Wij hebben van nacht groote dingen gezien en gehoord, antwoordden zij. - ---Nu, wij ook hebben groote dingen gezien, maar gehoord hebben wij -niets. Wat hebt gij gehoord? - ---Breng ons eerst naar de spelonk achter de omtuining, opdat wij -zekerheid mogen verkrijgen, dan zullen wij u alles vertellen. - ---Noodelooze moeite. - ---Neen, de Christus is geboren. - ---De Christus! Hoe weet gij dat? - -Breng ons bij de spelonk, dan kunt gij het zelf zien. - -De wachter lachte spotachtig.--De Christus, zegt gij? En hoe zult gij -weten dat hij het is? - ---Ons is gezegd, dat hij in dezen nacht geboren is en nu in een kribbe -ligt, en er is slechts eene plaats in Bethlehem, waar kribben zijn. - ---De spelonk? - ---Ja, breng er ons, opdat wij het met onze oogen mogen zien. - -Zij gingen over het voorplein, zonder dat iemand op hen lette, hoewel -sommigen het nog druk genoeg hadden over het wondervolle licht. De deur -van de spelonk stond open. Er brandde licht en zij traden zonder omslag -binnen. - ---Vrede zij u! zeide de wachter tot Jozef. Hier zijn eenige lieden, die -een jonggeborene zoeken, in doeken gewonden en liggende in een krib. - -Jozef ontroerde, en op de kribbe wijzende zeide hij: Daar is het kind. - -De herders kwamen behoedzaam nader en beschouwden het slapende kindeke -met stille aandacht. Dat is de Christus, zeide een van hen ten laatste. - ---De Christus! herhaalden allen, in aanbidding neerknielende. - ---Het is de Heer, en zijn lof is boven aarde en hemel verheven, juichte -de eerste spreker. - -De eenvoudige lieden, in wier hart geen plaats was voor twijfel, kusten -den zoom van Maria's gewaad, en gingen heen met vroolijke aangezichten. -In de herberg vertelden zij aan ieder, die het hooren wilde, wat hun -wedervaren was, en op hunnen terugweg naar de vallei zongen zij het -engelenlied: Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in -menschen een welbehagen. - -Het verhaal deed de rondte, en nog verscheidene dagen lang werd de -spelonk bezocht door tal van nieuwsgierigen, van wie sommigen geloofden; -maar het grootste gedeelte lachte en spotte. - - - * * * * * - - -NEGENDE HOOFDSTUK. - -HET BEZOEK VAN DE DRIE WIJZEN. - - -Elf dagen na de geboorte van het kindeke vinden wij de drie wijzen in de -nabijheid van Jeruzalem. Na de beek Kedron te zijn overgegaan ontmoetten -zij tal van lieden, die hen zonder uitzondering met nieuwsgierigen -blikken nazagen. Hoewel de handelsweg van het oosten naar het zuiden -over Judea voerde, en men bijgevolg, behalve in Rome, nergens zoovele -vreemdelingen van allerlei natien aantrof als in Jeruzalem, trokken deze -drie mannen toch aller aandacht. - -Tegenover de graven der koningen zaten eenige vrouwen aan den weg. Zij -hadden een kind bij zich, en zoodra het de reizigers zag, klapte het in -de handjes en riep: Kijk, kijk, wat mooie belletjes! Wat groote kameelen! - -De belletjes waren van zilver, de kameelen, zooals wij weten, -buitengewoon groot en wit. Aan het tuig kon men zien, dat het gezelschap -een verre reis achter zich had, maar ook dat de eigenaars mannen van -aanzien waren. Bij de vrouwen gekomen hield het drietal stil, en vraagde -Balthasar, zich een weinig voorover buigende: Zeg mij, zijn wij nog ver -van Jeruzalem? - ---Neen, antwoordde eene der vrouwen, als de boomen op gindschen heuvel -wat lager waren zoudt gij de torens op de markt kunnen zien. - -De Egyptenaar zag zijne tochtgenooten veelbeteekend aan, en wendde zich -toen weder tot de vrouw met de vraag: Kunt gij mij ook zeggen waar de -geboren Koning der Joden is? - -De vrouwen keken elkander verwonderd aan, maar gaven geen antwoord. - ---Weet gij dat niet? herhaalde de Egyptenaar. - ---Neen, heer. - ---Nu, vertel dan maar aan iedereen, dat wij zijne ster gezien hebben in -het Oosten en gekomen zijn om hem te aanbidden. - -Dit gezegd hebbende reden zij verder. - -Anderen, die zij tegenkwamen, deden zij dezelfde vraag, maar met gelijke -uitkomst. Zoo vervuld waren zij van het doel hunner reis, dat zij geen -oog hadden voor het heerlijk panorama, dat zich voor hen ontplooide, -toen zij Jeruzalem naderden. Eindelijk waren zij bij de Damascuspoort, -die door een Romeinschen schildwacht bewaakt werd. Langzamerhand hadden -zich eenige nieuwsgierigen bij hen aangesloten, zoodat toen de -Egyptenaar stilhield, om bij den schildwacht inlichtingen te vragen, -onze reizigers het middelpunt werden van eene steeds aangroeiende -menigte. - ---Vrede zij u! zeide de Egyptenaar den schildwacht groetende, die den -groet onbeantwoord liet. - ---Wij zijn van verre gekomen om den geboren Koning der Joden te zien. -Kunt gij ons ook zeggen waar hij is? - -De soldaat lichtte zijn helmvizier op en riep iemand uit het wachthuis. -Uit de gang trad een hoofdman te voorschijn.--Uit den weg! riep hij de -menigte toe, die hem den weg versperde, en toen zij niet gauw genoeg -gehoorzaamde, maakte hij zich, links en rechts met zijn speer zwaaiende, -ruim baan. - ---Wat is er van uw verlangen? vraagde hij aan Balthasar. - ---Ik wilde weten waar de geboren Koning der Joden is. - ---Herodes? vraagde de hoofdman verwonderd. - ---Herodes werd door den Keizer tot Koning aangesteld, hem moeten wij dus -niet hebben. - ---Er is geen andere Koning der Joden. - ---Jawel, want wij hebben zijne ster gezien en zijn gekomen om hem te -aanbidden. - -De Romein begreep er niets van.--Ik ben geen Jood en kan u dus niet -helpen. Gaat naar de schriftgeleerden in den tempel, of naar Annas den -Hoogepriester, of beter nog naar Herodes zelf, en vraag het hem. Als er -een andere Koning der Joden is zal hij hem wel weten te vinden. - -Daarop joeg hij de omstanders uiteen, opdat de vreemdelingen door de -poort konden trekken. Zoodra zij echter in de stad waren zeide -Balthasar: Wij zullen goed doen met naar de herberg te gaan; het doel -onzer komst is bekend en voor middernacht zal de geheele stad over ons -spreken. - - * * * * * - -Dienzelfden avond waren eenige vrouwen bezig met wasschen op de breede -trap, die naar den vijver Siloam voerde. Ieder had een aarden bak voor -zich. Op de onderste trede stond een meisje, dat onder het zingen van -een vroolijk liedje de vrouwen beurtelings van water voorzag. - -Terwijl zij daarmee bezig waren kwamen twee andere vrouwen naderbij, -beiden een ledigen waterkruik op den schouder dragende. - ---Vrede zij u! zeide eene van haar. - -De waschvrouwen staakten even den arbeid, sloegen hare handen droog en -beantwoordden den groet. - ---Het is reeds laat in den avond, het wordt tijd om uit te scheiden, -zeide een der laatst gekomenen. - ---Er is nog werk genoeg, was het antwoord. - ---Ja, maar er is een tijd om te rusten, en.... - ---Om nieuwtjes te hooren vertellen. - ---Wat voor nieuwtjes hebt gij? - ---Weet gij het dan nog niet? - ---Wat? - ---Zij zeggen, dat de Messias geboren is. - ---De Messias?! riepen de wasschende vrouwen in de hoogste verbazing. - -De beide anderen zetten hare watervaten neder en gingen er op zitten. -Ja, zeiden zij, dat wordt ten minste verteld. - ---Door wie? - ---Door iedereen. De geheele stad spreekt er van. - ---En wordt het geloofd? - ---Van middag zijn drie vreemde mannen gekomen over de beek Kedron. -Zij reden alle drie op witte kameelen, zoo groot als wij ze hier in -Jeruzalem nog nooit gezien hebben. Men kon wel zien dat het rijke -menschen zijn, want hun tentjes zijn van zijde, en de gespen en franje -aan de zadels en hoofdstellen van goud. De schelletjes zijn van zilver -en maken echte muziek. Niemand kent ze; zij zien er uit alsof zij van -het einde der wereld komen. Een van de drie deed telkens het woord en -vroeg aan iedereen onderweg, zelfs aan vrouwen en kinderen: Waar is de -geboren Koning der Joden? Niemand kon hem daarom antwoord geven; niemand -begreep wat zij bedoelden. Maar zij hielden vol: Wij hebben zijne ster -gezien in het Oosten en zijn gekomen om hem te aanbidden. Bij de poort -hebben zij het gevraagd aan den schildwacht, maar die wist het evenmin, -en heeft hun gezegd, dat zij het best deden met het aan Herodes te gaan -vragen. - ---Waar zijn zij nu? - ---In de herberg. Ieder gaat er naar toe om hen te zien. - ---Waar komen zij vandaan? - ---Dat weet niemand. Ik denk dat het Perzen zijn. Het zijn in ieder geval -wijze mannen, die met de sterren praten, zoo iets als profeten, -misschien wel als Elia of Jeremia. - ---Maar gij zegt, dat zij naar den Koning der Joden vragen, wien zouden -zij daarmee bedoelen? - ---Den Messias natuurlijk, die pas geboren moet zijn. - -Een van de vrouwen lachte en hervatte haar werk met de woorden: Komaan, -ik zal 't gelooven als ik hem zie. - -Een tweede volgde haar voorbeeld en zeide: Ik--ja, ik zal 't gelooven, -als ik hem dooden weer levend zie maken. - -Een derde zeide nadenkend: Men heeft hem lang verwacht. Voor mij zal het -genoeg zijn als ik hem een melaatsche zie genezen. - - - * * * * * - - -TIENDE HOOFDSTUK. - -HERODES EN DE WIJZEN. - - -Eenige uren later in den avond, tegen den tijd der eerste nachtwake, -vinden wij in het paleis op den berg Sion een vijftigtal mannen, -bijeengeroepen door Koning Herodes: hoogepriesters, schriftgeleerden, de -hoofden der verschillende godsdienstige partijen: Farizeen, Sadduceen en -Esseen. De zaal, waar de vergadering plaats had, was zeer ruim, en -volgens Romeinsche gewoonte ingericht. De vloer bestond uit marmerblokken -van verschillende kleur, de wanden, niet door vensters onderbroken, -waren saffraangeel beschilderd; een divan, in den vorm van de letter U -en van gele kussens voorzien, stond in het midden, de opening naar de -deur gekeerd. Aan het boveneinde van dien divan, dus in de buiging, -stond een bronzen drievoet. Daarboven hing een luchter met zeven armen, -die ieder een brandende lamp droegen. De divan en de luchter waren -zuiver Joodsch. - -De vergadering bestond hoofdzakelijk uit mannen van leeftijd, mannen met -lange baarden, vurige oogen, zware wenkbrauwen. Hunne kleeding was -behalve wat de kleur betreft volmaakt dezelfde. Hun uiterlijk was -ernstig, deftig, bijna patriarchaal. Aan het hoofdeneinde, achter den -drievoet, zat de voorzitter, rechts en links zijne medegenooten. - -In zijne jeugd groot en forsch van statuur, was de thans 106-jarige -Hillel, de Babylonier, de eerwaardige voorzitter van den Grooten Raad, -uitwendig niet meer dan de schim van hetgeen hij vroeger was; maar zijn -helderheid van hoofd liet niets te wenschen over. Op den drievoet voor -hem lag een met Hebreeuwsche letters beschreven perkamenten rol, achter -hem stond een rijkgekleede knaap op zijne bevelen te wachten. Het -geleerde gezelschap heeft een levendige woordenwisseling gevoerd, maar -is zooeven tot een besluit gekomen. Hunnen houding is rustig en de -eerwaardige Hillel roept den knaap tot zich. Eerbiedig treedt hij voor -zijnen meester. - -Ga den Koning melden, dat wij gereed zijn om op zijne vraag te -antwoorden, beveelt de grijsaard. - -De jongen snelt heen. - -Weinige oogenblikken later traden twee hoofdmannen binnen en plaatsten -zich naast de beide deurposten. Hen volgde op den voet een merkwaardige -persoonlijkheid: een oud man, bekleed met een purperen kleed, om het -middel bevestigd door een fijnbewerkten gouden gordel; een diadeem omgaf -het hoofd, de sandalen waren met kostbare edelsteenen versierd, in den -gordel stak een fraaie dolk. Zijn gang was moeilijk en hij leunde zwaar -op zijn staf. Niet voordat hij den divan bereikt had stond hij stil en -overzag de vergadering met hooghartigen blik, donker en dreigend, alsof -hij zich onder vijanden bevond. Het was Herodes de Groote--het lichaam -ondermijnd door kwalen, het geweten bezwaard door misdaden. Een waardig -gezel der Romeinsche Cesars, was hij op 67-jarigen leeftijd een -ijverzuchtig despoot, altijd vreezende dat iemand hem in zijne rechten -wilde treden. - -Nadat alle aanwezigen hem begroet hadden, ging Herodes rechtstreeks op -Hillel toe en zeide op meesterachtigen toon: Het antwoord! - -De patriarch hief het hoofd op, zag hem welwillend aan en zeide: De -vrede van den God Abrahams, Izaaeks en Jakobs zij met u, o Koning!--Gij -hebt ons gevraagd waar de Messias geboren moet worden. (De Koning boog -toestemmend, de oogen onafgewend op den spreker gevestigd.) Nu dan, o -Koning, naar ons aller meening te Bethlehem in Judea. - -Hillel liet den blik rusten op de rol en las: Te Bethlehem in Judea; -want alzoo zegt de profeet: En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om -te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, die een -Heerscher zal zijn in Israel. - -Herodes' gelaat betrok. Nadenkend staarde hij op de rol. Ademlooze -stilte heerschte in de zaal, niemand waagde te spreken. Eindelijk keerde -de Koning zich om en ging heen. - ---Broeders, zeide Hillel, de vergadering is gesloten. - -Allen stonden op en verwijderden zich in groepen. - ---Simeon! riep Hillel. - -Een vijftigjarige man, nog krachtig en sterk, voegde zich dadelijk bij -hem. - ---Neem de heilige rol tot u, mijn zoon, en geleid mij naar den -draagstoel. - -Liefdevol en eerbiedig voldeed Simeon aan het verzoek zijns vaders, -wiens waardige opvolger hij eenmaal zijn zou. - - * * * * * - -Nog weder later op dienzelfden avond legden de drie wijzen zich in de -herberg ter ruste. Door een opening in het dak konden zij de lucht -bespieden, en bij het heerlijk stergeflonker dachten zij na over Gods -wonderlijke leiding. Maar hoe nu verder? Op welke wijze zou Hij zich -thans openbaren? Eindelijk waren zij dan in Jeruzalem; aan de poort -hadden zij naar hem gevraagd, dien zij zochten; zij hadden zijne -geboorte aangezegd, hun bleef niets over dan hem te vinden, en ook -daarin rekenden zij vast op de leiding des Geestes. Die Gods stem -beluisteren, of op een teeken des hemels wachten, kunnen niet slapen. - -Daar trad iemand op hen toe. Wordt wakker! riep hij, ik heb u iets te -zeggen daar haast bij is. - -Aanstonds sprongen zij overeind.--Van wien? vraagde de Egyptenaar. - ---Van Koning Herodes. - ---Zijt gij niet de deurwachter van deze herberg? - ---Die ben ik. - ---Wat verlangt de Koning van ons? - ---Zijn bode wacht buiten. Hij zal u antwoorden. - ---Zeg hem dat wij dadelijk zullen komen. - ---Gij hadt gelijk, broeder, zeide de Griek, toen de wachter zich -verwijderd had.--De vraag tot het volk op den weg en tot den schildwacht -aan de poort heeft ons bekend gemaakt. Ik ben vol ongeduld, laat ons -gaan. - -Haastig bonden zij hunne sandalen aan, sloegen hunne mantels om en -gingen naar buiten. - ---Weest gegroet, en vergeeft mij zoo ik ongeleegen kom; maar mijn -meester, de Koning, zendt mij om u ten paleize te noodigen, waar hij een -mondgesprek met u voeren wil, zeide de bode. - -Boven den ingang der herberg hing een brandende lamp; en bij haar licht -zagen de drie vrienden aan elkanders gelaat, dat de Geest op hen rustte. -Toen wenkte de Egyptenaar den deurwachter tot zich en fluisterde hem -toe: Gij weet waar onze goederen geborgen zijn op het voorplein en waar -onze kameelen rusten. Maak alles gereed terwijl wij weg zijn, opdat wij, -zoo het noodig mocht wezen, bij onze terugkomst dadelijk kunnen afreizen. - -Ik zal er voor zorgen, ga gerust, antwoordde de wachter. - ---Wij zijn gereed, zeide de Egyptenaar daarop tot den bode, breng ons -bij den Koning. - -De straten van de Heilige stad waren toen even nauw als in onze dagen, -maar lang niet zoo vuil en hobbelig; want de vorstelijke bouwheer was -zeer gesteld op reinheid en gemak. Zwijgend volgden de drie vrienden -hunnen leidsman, totdat zij aan een poort kwamen, waar bij een hoog -opvlammend vuur een paar schildwachten op post stonden. Door booggangen -en voorhoven, langs hooge trappen en tal van vertrekken bereikten zij -eindelijk een hoogen toren. Boven gekomen bleef hun gids staan, wees op -een open deur en zeide: Treedt binnen, de Koning wacht u. - -Een geur van sandelhout vervulde het koninklijk vertrek, dat met groote -weelde was ingericht. Vergulde en gebeeldhouwde zetels, muziekinstrumenten, -kostbaar vaatwerk, gouden kandelaars schitterden van licht, in Griekschen -stijl beschilderde muren--en te midden van dat alles zat de Koning op zijn -troon, gereed om hen te ontvangen. - -De drie mannen traden naderbij en bogen eerbiedig. De Koning schelde, -waarop een dienaar binnenkwam en drie zetels aanschoof. - ---Neem plaats, beval de Koning minzaam. - -Toen zij gezeten waren vervolgde hij: Hedenmiddag werd mij van de -Noordpoort bericht gezonden, dat drie vreemdelingen waren aangekomen, en -naar hun uiterlijk te oordeelen van verre kwamen. Zijt gijlieden dat? - -De Egyptenaar boog en antwoordde: Indien wij het niet waren zou de -machtige Herodes niet om ons gezonden hebben. Wij zijn die mannen. - ---Wie zijt gij? Vanwaar komt gij? vraagde de Koning, en voegde er op -veelbeteekenden toon bij: Dat ieder voor zichzelven spreke. - -In weinig woorden deelden zij hem beurtelings hun naam en afkomst mede -en langs welken weg zij de reis naar Jeruzalem genomen hadden. -Eenigszins teleurgesteld vraagde Herodes: Welke vraag hebt gij tot den -hoofdman aan de poort gericht? - ---Wij vraagden hem: Waar is de geboren koning der Joden? - ---Nu begrijp ik waarom het volk zoo opgewonden was. Is er dan een tweede -Koning der Joden? - -Onbevangen antwoordde de Egyptenaar: Er is een jonggeboren Koning. - -Een uitdrukking van smart kwam over het gelaat van den monarch, alsof -een pijnlijke herinnering hem kwelde. Dacht hij misschien aan zijne -onschuldige, vermoorde kinderen?--Niet hier! Niet bij mij! riep hij. - -Een oogenblik later, toen hij zich genoegzaam hersteld had, vraagde hij -met vaste stem: Waar is de nieuwe Koning? - ---Dat is het juist, o Koning, wat wij wenschen te vernemen. - ---Wat gij mij vertelt heeft veel van een sprookje. Op mijn leeftijd is -men al even nieuwsgierig als de kinderen. Het zou wreed zijn mij te lang -in spanning te laten. Vertelt mij daarom alles en ik zal u eeren, zooals -vorsten elkander eeren. Deelt mij alles mede wat gij van den jonggeborene -weet, en ik zal u naar hem helpen zoeken. Zoodra wij hem gevonden hebben, -zal ik voor hem doen wat ik kan; ik zal hem naar Jeruzalem laten komen -en hem een vorstelijke opvoeding geven. Ik zal van mijn invloed bij den -Keizer gebruik maken, om hem tot eer en aanzien te brengen. Van ijverzucht -zal tusschen ons geen sprake zijn, dat zweer ik u. Maar vertelt mij eerst -hoe gijlieden, door zeeen en woestijnen van elkander gescheiden, van zijne -geboorte gehoord hebt. - ---Dat zal ik u naar waarheid zeggen, o Koning. - ---Spreek, zeide Herodes. - -Balthasar stond op en sprak: Er is een almachtig God. - -Herodes ontstelde zichtbaar. - ---Die almachtige God beval ons hierheen te reizen en beloofde ons, dat -wij den Verlosser der wereld zouden zien, dat wij hem zouden zien en -aanbidden, en van zijne komst getuigen. Tot teeken zagen wij ieder op de -plaats waar wij ons bevonden eene ster. Gods Geest geleidde ons; o -Koning, Gods Geest op dit oogenblik met ons! - -Een wonderlijk gevoel doorstroomde de drie vrienden. De Griek bedwong -zich slechts met moeite. Herodes zag van den een naar den ander. -Achterdocht en onwil maakten zich van hem meester. Gij wilt mij wat -wijsmaken, zeide hij. Wat moet er volgen op de komst van den nieuwen -Koning? - -De verlossing der menschen. - ---Van wat? - ---Van zonde. - ---Hoe? - ---Door Geloof, Liefde en Goede Werken. - ---Dan--maar hier zweeg Herodes even, zonder dat een trek op zijn gelaat -verried wat in zijne ziel omging--zij gijlieden de herauten van den -Messias. Is dat alles? - -Balthasar boog toestemmend. - -Herodes drukte weder op den schelknop. Een dienaar verscheen.--Breng de -geschenken, beval de vorst. - -De dienaar ging, maar kwam weldra terug, en bood ieder der bezoekers -knielende een prachtig overkleed en een gouden gordel aan, welke -geschenken zij met Oostersche plichtplegingen aanvaardden. - ---Nog een woord, zeide Herodes, gij hebt gezegd dat gij een ster in het -Oosten hebt gezien. - ---Ja, antwoordde Balthasar, zijne ster, de ster van den jonggeborene. - ---Wanneer ongeveer? - ---Toen ons bevolen werd hierheen te gaan. - -Herodes stond op, ten teeken dat de audientie was afgeloopen. Van zijnen -troon dalende zeide hij vriendelijk: Indien gij, hooggeschatte mannen, -hetgeen ik gaarne geloof, werkelijk de herauten zijt van den jonggeboren -Messias, zoo weet dan, dat ik hedenavond de schriftgeleerden ondervraagd -heb over deze dingen. Eenparig getuigen zij, dat hij te Bethlehem in -Judea moest geboren worden. Daarom raad ik u: Gaat naar Bethlehem en -zoekt naarstiglijk totdat gij hem vindt. En als gij hem gevonden hebt, -komt dan weder, opdat ook ik moge gaan en hem aanbidden. Gaat in vrede -en niemand zal u overlast aandoen. Dit gezegd hebbende liet de Koning -hen alleen. - -Onmiddellijk daarop kwam 's Konings boodschapper binnen en geleidde de -drie mannen weder naar de herberg terug. Daar gekomen riep de Griek vol -geestdrift: Laat ons naar Bethlehem gaan, broeders, zooals de Koning ons -geraden heeft. - ---Ja, riep de Hindoe, de Geest getuigt binnen in mij. - ---Het geschiede, zeide Balthasar opgewekt. Onze kameelen staan gereed. - -Na den deurwachter voor zijne moeite rijkelijk beloond te hebben stegen -zij op, lieten zich den weg wijzen naar de Joppe-poort en vertrokken. -Toen zij in het open veld gekomen waren en langs denzelfden weg gingen, -dien Jozef en Maria zoo kort geleden begaan hadden, verscheen aan den -hemel een licht, in het begin zwak en onduidelijk. Hun hart klopte -hoorbaar. Het licht nam toe in kracht, zij sloten de oogen voor dien -glans; toen zij ze weer openden,--zie, daar was de ster weder, maar niet -onbewegelijk en hoog verheven als de andere sterren, neen, laag aan het -firmament en zich zachtkens voortbewegende. Toen vouwden zij de handen -en verheugden zich met groote vreugde. God is met ons! riepen zij -herhaaldelijk, totdat ten laatste de ster zich verhief en stil bleef -staan boven een afdak, gebouwd tegen de helling van een heuvel in de -nabijheid der stad. - - - * * * * * - - -ELFDE HOOFDSTUK. - -HET KINDEKE. - - -Het was de derde nachtwake. De bergtoppen in het oosten werden reeds -flauw verlicht door de opgaande zon; maar in de vallei heerschte nog -nachtelijk donker. De wachter op het dak der oude herberg van Bethlehem -luisterde huiverend van kou naar de eerste teekenen van ontwakend leven, -toen hij eensklaps een licht op den heuvel achter het huis ontwaarde. -Eerst meende hij dat het een toorts was, die iemand in de hand droeg, -daarna zag hij het voor een meteoor aan; het werd helderder en -helderder, en eindelijk zag hij dat het een ster was. Beangst door dat -vreemde verschijnsel wekte hij allen die in huis waren. De meesten -ijlden naar het platte dak. Het licht kwam steeds nader en wierp zijn -schijnsel over rotsen, boomen en wegen; zijn glans werd zoo sterk dat -de lieden de oogen moesten afwenden. De vreesachtigen vielen op hun -aangezicht ter aarde en baden, de meer stoutmoedigen bedekten wel hunne -oogen, maar beproefden toch gedurig naar het licht te kijken. - -Het duurde niet lang, of de herberg en hare geheele omgeving werden er -door verlicht. Zij, die durfden opzien, bemerkten, dat de ster stil -bleef staan boven den ingang der spelonk, waar het kind geboren was. Te -midden van de heerschenden onrust kwamen de drie wijzen bij de herberg, -stegen van hunne kameelen en begeerden binnengelaten te worden. Toen de -deurwachter in zoover van den schrik bekomen was, dat hij aan hun -verlangen kon voldoen, trok hij de grendels weg en opende de deur. In -dat ongewone licht zagen de kameelen er waarlijk spookachtig uit en het -vreemde, opgewonden voorkomen der drie reizigers was niet geschikt om -den man gerust te stellen. In plaats van naar buiten te komen trok hij -zich schuw terug en kon gedurende eenige minuten niet antwoorden op de -hem gedane vraag: Is dit niet Bethlehem in Judea? - -Eerst toen de anderen er bij kwamen schepte hij moed en zeide: Neen, dit -is slechts de herberg, de stad ligt verder. - ---Is hier niet een pasgeboren kind? - -De omstanders zagen elkander verbaasd aan; maar sommigen antwoordden -toch: Ja, ja. - ---Breng ons bij hem, riep de Griek ongeduldig. - ---Ja, breng ons bij hem, herhaalde Balthasar, want wij hebben zijne ster -gezien, dezelfde die gij daar boven het huis ziet, en zijn gekomen om -hem te aanbidden. - -De Hindoe vouwde de handen en zeide: Waarlijk God leeft! Haast u, haast -u! Wij hebben den Verlosser gevonden! Gezegend zijn wij boven alle -menschen! - -De lieden, die nog op het dak waren, kwamen ook beneden en volgden de -vreemdelingen, die door den wachter langs den ons bekenden weg gebracht -werden naar de spelonk. Toen zij echter zagen dat het regelrecht op de -ster afging, keerden sommigen uit angst terug, maar de overigen gingen -mede. Zoodra de drie vreemdelingen de spelonk naderden rees de ster -omhoog, al hooger en hooger in de lucht, om toen zij binnentraden uit -het gezicht te verdwijnen. - -Zij, die getuige waren van wat nu plaats had, moesten weldra erkennen, -dat tusschen de vreemdelingen en de ster een goddelijk verband bestond, -waar ook de bewoners van den stal in betrokken waren. Die maar -eenigszins kon drong mede naar binnen. In de spelonk brandde een -lantaarn, die licht genoeg verspreidde, om de drie reizigers den weg te -wijzen naar de moeder, die het kind in de armen hield. - ---Is dat uw kind? vraagde Balthasar aan Maria. - -En zij, die alles wat het kindeke betrof in haar hart bewaarde en -overlegde, hief het omhoog zoodat het licht op zijn gelaat viel en -zeide: Dat is mijn zoon. - -En zij vielen op de knieen en aanbaden hem. - -Zij zagen dat het kind volkomen gelijk was aan andere kinderen. Geen -stralenkrans of aardsche kroon sierde zijn hoofd. Zijn lippen openden -zich niet om te spreken. Hoorde het hunne vreugdebetuigingen, hunne -gebeden, het gaf geen teeken hoegenaamd, dat het die begreep; -integendeel, het deed wat andere kinderen zouden gedaan hebben--het -staarde met alle aandacht naar de vlam. - -Toen zij het kindeke hunne hulde gebracht hadden, stonden zij op, gingen -naar buiten naar hunne kameelen, en brachten hunne geschenken: goud en -wierook en myrrhe, die zij voor het kind nederlegden. Dit was dus de -Verlosser, om wien te zien zij van zooverre gekomen waren. Zonder te -twijfelen aanbaden zij hem. Waarom? Hun geloof berustte op de teekenen, -gegeven door Hem, dien wij als Vader hebben leeren kennen, en zij -behoorden tot dezulken voor wie zijne beloften zoo algenoegzaam zijn, -dat naar niets anders gevraagd wordt. Er waren slechts weinigen, die het -teeken gezien en de belofte vernomen hadden--de Moeder en Jozef, de -herders en zijzelven,--en die alle geloofden met een volkomen hart. - - - * * * * * - - -BOEK II. - - - * * * * * - - -EERSTE HOOFDSTUK. - -ROME EN JUDEA. - - -Wij willen thans over een tijdruimte van 21 jaren heenstappen en staan -in het begin der regeering van Valerius Gratus, den vierden keizerlijken -gouverneur van Judea; een tijdvak, waarin Jeruzalem verdeeld werd door -velerlei staatkundige twisten. - -Herodes de Groote was een jaar na de geboorte van het kindeke -gestorven--een uiteinde zoo vreeselijk, dat de Christenwereld het -misschien niet ten onrechte als een straf der Goddelijke Gerechtigheid -beschouwt. Als alle eerzuchtige heerschers droomde hij van een dynastie -te grondvesten. Daarom bepaalde hij in zijn testament, dat het rijk -verdeeld zou worden onder zijne drie zonen, Antipas, Philippus en -Archelaues, welke laatste tevens den koningstitel moest erven. Dat -testament moest natuurlijk door keizer Augustus bekrachtigd worden, die -dan ook alle bepalingen goedkeurde, uitgenomen eene--hij weigerde -Archelaues den titel van koning te verleenen, voordat deze van zijne -bekwaamheid en trouw bewijzen zou hebben gegeven. In plaats daarvan gaf -hij hem den titel van ethnarch. Als zoodanig heeft hij negen jaar -geregeerd en werd toen wegens wangedrag en onbekwaamheid afgezet en naar -Gallie verbannen. - -De keizer liet het daar niet bij. Hij trof de bewoners van Jeruzalem op -een wijze, die hun hoogmoed pijnlijk kwetste. Judea werd namelijk een -Romeinsche provincie verklaard en bij prefectuur van Syrie gevoegd. In -plaats dus dat een koning met vorstelijke praal in het paleis op den -berg Sion troonde, werd de stad bestuurd door een beambte van den -tweeden rang, onder den titel van procurator, die, om de vernedering nog -grievender te maken, niet eens te Jeruzalem mocht wonen, maar te Cesarea -verblijf moest houden. Maar wat hun het meest van alles moest krenken -was dat Samaria, het zoo diep verachte Samaria, aan Judea werd -toegevoegd om te zamen eene provincie te vormen. - -Een troost bleef het volk echter nog over en wel deze, dat de -hoogepriester het koninklijke paleis bewonen mocht en in schijn althans -de vierschaar spande. Veel te beteekenen had het niet, want de uitspraak -van een vonnis, de beslissing over leven en dood, berustten bij den -procurator. Het recht werd uitgeoefend in den naam en volgens de wetten -van Rome, en het paleis zelf werd behalve door den hoogepriester bewoond -door den Romeinschen beambte met al zijne trawanten. Toch was voor het -volk, dat van betere tijden droomde, eene zekere voldoening in het feit, -dat de hoogst aanwezige in het paleis een Jood was. Zijne tegenwoordigheid -herinnerde hun de beloften der profeten en den tijd, toen Jehova de -stammen regeerde door de zonen van Aaeron; het strekte hun ten teeken dat -God hen niet verlaten had, en leerde hen met geduld wachten op de komst -van den zoon uit Judea's stam, die over Israel heerschen zou. - -Ruim tachtig jaren was Judea een provincie geweest van het Romeinsche -rijk, lang genoeg voor de keizers om te weten, dat de Jood met al zijn -trots gemakkelijk kon geregeerd worden, zoo men zijn godsdienst maar -eerbiedigde. Hierop acht gevende hadden Gratus' voorgangers zich -zorgvuldig onthouden van eenige bemoeiing met de heilige gebruiken -hunner onderdanen. Gratus sloeg echter een anderen weg in. Een van zijn -eerste openbare handelingen was de ontzetting van den hoogepriester -Annas, en de verheffing van Ismael, den zoon van Fabus. Deze daad, -hetzij op bevel van Augustus gepleegd, of uit eigen beweging, wekte -groote ontevredenheid. Wij zullen den lezer niet vermoeien met een -uitvoerig verslag van de Joodsche politiek dier tijden, maar moeten er -toch tot beter begrip van ons verhaal met een enkel woord van gewagen. - -In die dagen waren in Judea twee partijen, die der aanzienlijken en die -des volks. Na Herodes' dood vereenigden die beide zich tegen Archelaues, -en bestreden hem nu eens door list, dan door geweld van wapenen. Meer -dan eens weerklonken de heilige hallen op Moria van krijgsgeschreeuw. -Schoon uiterlijk vereenigd hielden de bondgenooten ieder hun eigen -belangen in het oog. De edelen haatten Joazar den hoogepriester, het -volk daarentegen hing hem van harte aan. Toen Archelaues viel sleepte hij -Joazar mede in zijnen val. Annas werd door de edelen tot hoogepriester -gekozen. Dat gaf het sein tot scheiding, en van nu stonden de vroegere -bondgenoten vijandig tegenover elkander. Gedurende den strijd met den -ongelukkigen Archelaues had de partij der edelen raadzaam geacht zich met -Rome te verbroederen, en van hen ging het plan uit om Judea tot een -Romeinsche provincie te maken. Nieuwe reden tot haat voor de volkspartij, -en toen Samaria aan Judea werd toegevoegd, geraakte de partij der edelen -verre in de minderheid en bleven zij zonder anderen steun dan het -keizerlijke hof en het prestige van hun rang en rijkdom. - -In weerwil daarvan wisten zij zich toch nog vijftien jaren lang, tot aan -de komst van Valerius Gratus, te handhaven in het paleis en in den -tempel. Annas, de door hen verkozen hoogepriester, had zijne macht trouw -gebruikt ten voordeele van zijn keizerlijken heer. Een Romeinsch -garnizoen bezette den burcht Antonia, een Romeinsche wacht bewaakte de -poorten van het paleis, een Romeinsch rechter deed uitspraak in de beide -rechten, een Romeinsch belastingssysteem, met groote gestrengheid -toegepast, drukte stad en land. Dagelijks werd het volk op duizenderlei -wijze gekweld en moest het zijne afhankelijkheid gevoelen. - -Toch vermocht Annas hen betrekkelijk rustig te houden. Rome bezat geen -trouwer vriend, en bij zijn aftreden werd zijn gemis diep gevoeld. -Zoodra Ismael in zijne plaats het hoogepriesterlijk kleed had aangedaan, -verruilde Annas de tempelhoven met de raadzaal der volkspartij en wijdde -zich voortaan aan hare belangen. Het vuur, dat vijftien jaren gesmeuld -had, dreigde met vernieuwde kracht op te vlammen. Een maand na Ismaels -verheffing tot hoogepriester achtte Gratus, de procurator, noodig hem te -Jeruzalem te bezoeken. Toen de Joden, die hem van de wallen uitfloten, -zagen, dat zijne wacht door de Noordpoort Jeruzalem binnentrok en naar -den burcht Antonis marcheerde, begrepen zij het ware doel zijner komst: -een gansche cohorte van Romeinsche legioenen werd aan het reeds -aanwezige garnizoen toegevoegd, en de strop om hun hals nauwer -aangehaald. Wee den overtreder, als de procurator soms noodig mocht -achter een voorbeeld te stellen. - - - * * * * * - - -TWEEDE HOOFDSTUK. - -MESSALA EN JUDA. - - -Op de hoogte van den stand van zaken, kunnen wij thans den lezer -verzoeken, ons in den geest te volgen naar een der tuinen van het paleis -op den berg Sion. Het is een warme namiddag in de maand Juli. De tuin is -aan alle zijden omgeven door gebouwen, van veranda's en galerijen -voorzien, en door open kolonnaden met elkander verbonden, zoodat de -wandelaar, indien er een windje waait, in de gelegenheid wordt gesteld -er zijn voordeel mede te doen. - -De aanleg van den hof is streelend voor het oog. Lanen, grasperken, -sierlijke heesters, enkele hooge boomen, bieden rijke afwisseling. -In het midden een springfontein, wier heldere waterstraal de naaste -omgeving koel houdt. - -Niet ver van die fontein zaten twee knapen van negentien en zeventien -jaar in ernstige gesprekken verdiept. Bij den eersten aanblik zou men -hen voor broeders gehouden hebben. Beiden waren zwart van haar en oogen, -beider gelaat was door de zon verbrand. De oudste zat blootshoofds. Een -ruime tunica, tot aan de knie reikend, was zijn eenig bekleedsel, zijn -lichtblauwe mantel strekte hem tot zitkussen. De tunica van fijne, -grijze wollen stof, met rood omboord en om het midden bevestigd met een -zilveren koord, maakt den Romein kenbaar, en, indien hij onder het -spreken wel eens uit de hoogte neerziet op zijn makker en hem als zijn -mindere behandelt, wie, die weet dat hij tot een der voornaamste -geslachten van Rome, het geslacht Messala, behoort, zal het hem euvel -duiden? - -In de bloedige oorlogen tusschen den eersten keizer en zijn groote -tegenstanders was een Messala de vriend geweest van Brutus. Later, toen -Octavianus om de kroon streed, ondersteunde Messala hem. Octavianus, -keizer Augustus geworden zijnde, gedacht zijne diensten en overlaadde -zijn geslacht met eerbewijzen. Toen Judea een provincie van het -Romeinsche rijk geworden was, zond hij den zoon van zijn ouden vriend -als ontvanger der belasting naar Jeruzalem, in welke hoedanigheid hij -met den hoogepriester het paleis bewoonde. De jongeling met wien wij -zooeven kennis maakten was zijn zoon, en die jeugdige Messala was er -niet weinig trotsch op, dat zijn grootvader in zoo nauwe betrekking -gestaan had tot de edelsten onder de Romeinen. - -De andere knaap was tengerder van gestalte. Zijn kleeding was van fijn -wit linnen, zooals men ze gewoonlijk in Jeruzalem droeg, en een laag in -den nek neerhangende doek beschermde zijn hoofd tegen de zonnestralen. -Zijn gelaat was van het zuiver Joodsche type. Was de schoonheid van den -Romein streng en klassiek, die van de Joodschen knaap was weelderig en -aanvallig. - ---Zeidet gij niet dat de nieuwe procurator morgen komt? vraagde de -jongste der knapen in het Grieksch, de taal die toen, vreemd genoeg, -in Judea overal gebruikelijk was onder het beschaafd publiek. - ---Ja, morgen, antwoordde Messala. - ---Wie heeft het u verteld? - ---Ik heb het Ismael, den nieuwen gouverneur van het paleis, gij noemt -hem den hoogepriester, gisterenavond aan mijn vader hooren vertellen. -Ik geef toe, dat het meer geloofwaardig zou zijn, als een Egyptenaar, of -zelfs een Idumeer het gezegd had; daarom heb ik het van morgen aan een -hoofdman van den burcht gevraagd. Hij zeide dat alles voor de ontvangst -in gereedheid werd gebracht, dat de wapenknechten helmen en schilden -oppoetsten en de arenden verguldden; dat ongebruikte vertrekken schoon -gemaakt en gelucht werden, alsof men eene vermeerdering van garnizoen -wachtte; de lijfwacht misschien van den grooten heer. - -Een schaduw vloog over Juda's gelaat; hij staarde op den grond. - ---Herinnert gij u nog, vraagde Messala, dat wij hier in den tuin -afscheid van elkander namen, toen ik naar Rome ging? De vrede Gods -vergezelle u! dat waren uw laatste woorden, en ik zeide: Mogen de goden -u bewaren. Hoe lang is dat nu al geleden? - ---Vijf jaar, antwoordde de ander. - ---Nu, gij hebt alle reden van dankbaarheid jegens--ja, jegens wie? De -goden?... Wel, het doet er niet toe. Gij zijt flink opgegroeid, de -Grieken zouden u mooi noemen. Was Jupiter maar tevreden met een -Ganymedes, wat een kostelijke schenker zoudt gij dan niet voor den -keizer zijn. Maar zeg mij, Juda, waarom stelt gij zooveel belang in de -komst van den procurator? - -Juda sloeg de groote ogen op en zag zijnen vriend ernstig aan.--Ja, vijf -jaren, zeide hij. Ik herinner het mij nog heel goed. Gij gingt naar -Rome. Ik zag u wegrijden en weende, want ik had u lief. De jaren zijn -voorbijgegaan en gij zijt tot mij teruggekeerd, goed onderwezen, en -vorstelijk in uw voorkomen--neen, ik scherts niet; maar toch, toch wilde -ik dat gij dezelfde Messala waart van vroeger. - ---Neen, neen, geen Ganymedes, een orakel is mijn vriend Juda. Enkele -lessen bij mijn ouden leermeester in de rhetorica, vlak bij het Forum, -een weinig oefening in de kunst der mysterien, en Delphi zal in u Apollo -zelven zien. Maar alle gekheid ter zijde, in welk opzicht ben ik niet de -Messala, die ik was bij mijn vertrek? Ik heb eenmaal onder het gehoor -gezeten van den grootsten philosoof onder de zon. Een gezegde herinner -ik mij nog: Tracht uw tegenstander te begrijpen voordat gij hem -antwoordt.--Stel mij in de gelegenheid u te begrijpen. - -Een donkere blos steeg Juda naar 't gelaat onder Messala's spottenden -blik; toch antwoordde hij op vasten toon: Ik bemerk dat gij uw tijd goed -gebruikt hebt. Gij hebt veel kennis opgedaan, gij spreekt met groote -gemakkelijkheid, maar in uwe woorden ligt een angel verborgen. Toen mijn -vriend Messala wegging was zijne natuur giftvrij. Voor niets ter wereld -zou hij zijn vriend gegriefd hebben. - -De Romein glimlachte, alsof hij zich gestreeld voelde en hief het hoofd -trotsch omhoog. O, plechtstatige Juda, wij zijn niet te Dodona. Laat -dien orakeltoon varen, druk u duidelijk uit. Waarmede heb ik u gegriefd? - -De ander haalde diep adem, trok de koorden van zijn kleed wat stijver -aan en zeide: In die vijf jaren heb ik ook wel wat geleerd. Hillel moge -niet gelijk staan met uw onderwijzer in de logica, en Simeon en Shammai -niet in een adem te noemen zijn met uw leeraar bij het Forum; maar hunne -leer gaat niet op verboden wegen. Die aan hunne voeten zit, gaat heen -vervuld met de kennisse Gods, met de kennis der wet en van Israel; en de -vrucht daarvan is liefde en eerbied voor alles wat daarop betrekking -heeft. Door het bijwonen der vergaderingen van den Grooten Raad en het -bestudeeren van hetgeen ik daar vernam, ben ik tot het inzicht gekomen, -dat Judea niet is wat het vroeger was. Ik ken het onderscheid tusschen -een onafhankelijk koninkrijk en de weinig beteekende provincie, die -Judea thans is, en zou een nietswaardige zijn, ellendiger nog dan een -Samaritaan, indien de vernedering van mijn land mij niet diep ter harte -ging. Ismael is niet de rechtmatige hoogepriester, en kan dat niet zijn, -zoolang de edele Annas leeft; maar toch is hij een Leviet, een van de -Godgewijden, die duizenden van jaren den Heer onzen God gediend hebben -naar onze wetten. Zijn-- - -Messala viel hem spotachtig lachend in de rede en zeide: O, nu begrijp -ik u. Ismael is, zegt gij, een indringer; maar dat ik een Idumeer eer -gelooven zou dan hem steekt u,--bij alle goden van den Olympus, wat zijt -gij, Joden, toch zeldzame wezens! Menschen en dingen, hemel en aarde -veranderen, maar een Jood verandert nooit. Voor hem bestaat geen voor- -of achterwaarts; hij is wat zijne voorvaders in het begin waren. Kijk, -ik trek een cirkel in het zand--zoo! en toon mij nu eens aan, waarin het -leven van een Jood verschilt. In de rondte, in de rondte, Abram hier, -Izaaek en Jakob daar, God in het midden. En de cirkel,--bij den -dondergod! de cirkel is nog te groot. Ik zal een nieuwen trekken. - -Hij zweeg, zette zijn duim op den grond en draaide er met de -uitgestrekte vingers omheen. Kijk, mijn duim wijst de plaats aan waar de -tempel staat, met de vingertoppen trek ik de grenzen van Judea. Is er -buiten die grenzen iets, dat ulieden belang inboezemt? De kunsten -misschien? Herodes was een bouwmeester, daarom is hij vervloekt. -Schilder- of beeldhouwkunst? Het beschouwen van hare voortbrengselen is -zonde. De dichtkunst hebt gij gebonden aan uwe altaren. Wie van u waagt -het als redenaar op te treden, behalve in de synagoge? In den oorlog -verliest gij op de zevenden dag alles wat gij op de zes voorafgaande -gewonnen hebt. Zoo is uw leven, uw gezichtskring. Wie zal mij ten kwade -duiden als ik daarover lach? Wat is uw God, tevreden met de aanbidding -van zulk een volk, vergeleken met onzen Jupiter, die ons zijne adelaars -afstaat, om er de gansche wereld mee te veroveren? Hillel, Simeon, -Shammai, wat zijn die allen, vergeleken met de meesters, die ons leeren -dat alles wat geweten kan worden wetenswaard is? - -De Jood stond op, zijne oogen schoten vuur. - ---Neen, neen, blijf zitten, Juda, blijf zitten, riep Messala, de hand -naar hem uitstrekkende. - ---Gij bespot mij. - ---Luister nog even, zeide Messala lachend. Ik ben u werkelijk dankbaar, -dat gij het oude huis uwer vaderen verlaten hebt om mij hier te komen -verwelkomen en onze vroegere vriendschap weder aan te knoopen, indien -ons dat mogelijk is. Ga, zeide mijn leermeester bij zijn laatste les, -ga, en zoo gij beroemd wilt worden, bedenk dan dat Mars regeert en Eros -zijne oogen gevonden heeft. Hij bedoelde: liefde is niets, oorlog alles. -Zoo is het in Rome. Het huwelijk is de eerste stap tot echtscheiding. -Eros is gevallen, Mars regeert. Ik word soldaat; maar u, Juda, beklaag -ik, want wat kunt gij worden? - -Juda zweeg. - ---Ja, ik beklaag u, arme Juda. Van de school in de synagoge, dan naar -den tempel, en dan, o heerlijkheid, een zetel in het Sanhedrin. Een -leven zonder vooruitzichten! Maar ik--en Juda zag hem in het van -overmoed stralend gelaat,--maar ik--nog is de wereld niet veroverd. De -zee bergt onbekende eilanden. In het noorden leven nog volken, waarmede -wij een lans kunnen breken. Alexanders tocht naar het verre oosten te -voleindigen blijft nog voor den een of ander over. Hoevele gelegenheden -heeft een Romein dus om zich te onderscheiden. - -Na een korte pauze hervatte hij: een veldtocht naar Afrika, een -veldtocht naar Scythie, dan--een legioen! De meesten eindigen hunne -loopbaan daarmede, niet alzoo ik. Ik, bij Jupiter, welk een -vooruitzicht, ik zal mijn legioen opgeven voor een prefectuur. En wat -wil dat niet zeggen! een leven in Rome met geld--geld, wijn, vrouwen, -spelen, dichters bij het feestmaal, intriges aan het hof, dobbelspel het -gansche jaar door. Ziedaar het leven dat ik verlang--een voordeelige -prefectuur, en ik heb alles wat ik begeer. O Juda! hier is Syrie! Judea -is rijk; Antiochie een hoofdstad voor de goden. Ik word de opvolger van -Cyrenius, en gij--zult mijn geluk met mij deelen. - -Romeinsche sophisten en rederijkers zouden Messala waarschijnlijk -toegejuicht hebben; maar den jongen Jood klonken deze dingen vreemd in -de ooren. Het was zoo geheel anders dan hij gewoon was. De wetten en -zeden van zijn volk lieten satire noch humor toe, geen wonder dus dat -hij met gemengde gewaarwordingen naar zijn vriend luisterde, het eene -oogenblik verontwaardigd, het andere niet wetende wat er van te maken. -Messala's hooghartige houding had hem dadelijk onaangenaam getroffen, -weldra werd zij hem zeer hinderlijk, ten slotte onverdragelijk. In zulke -gevallen is men licht geneigd tot toorn, en niet dan met de grootste -moeite bedwong Juda zich, om met een stijf lachje te kunnen zeggen: -Ik heb wel eens hooren beweren, dat er menschen zijn, die met hunne -toekomst kunnen spotten; ik bemerk dat ik niet tot hun getal behoor. - -De Romein zag hem onderzoekend aan en zeide: Waarom zou men de waarheid -niet even goed in schertsenden vorm mogen voorstellen, als in een -parabel? Onlangs ging de groote Fulvia visschen; zij ving meer dan het -geheele overige gezelschap te samen. De reden daarvan was, zeide men, -dat zij een gouden haak aan haar hengel had. - ---Dan was wat gij daar straks zeidet niet alles in scherts gezegd? - ---Vriend Juda, ik zie dat ik u niet genoeg geboden heb. Zoodra ik -prefect ben, met Juda om mij te verrijken, maak ik u tot hoogepriester. - -Juda wendde zich toornig af. - ---Ga niet heen, bad Messala. - -De ander bleef besluiteloos staan. - ---Groote goden, Juda, wat wordt het warm! riep de Romein, om een wending -aan het gesprek te geven. Laat ons een plekje in de schaduw zoeken. - -Maar Juda antwoordde koel: Het is beter als wij van elkander gaan. -Ik wilde dat ik niet gekomen was. Ik zocht een vriend en vond-- - ---Een Romein, vulde Messala aan. - -Juda balde de vuisten krampachtig; maar zich nogmaals bedwingende ging -hij heen. Messala stond op, nam zijn mantel, wierp dien over zijn -schouder en volgde zijn vriend. Toen hij hem ingehaald had legde hij -zijn hand op Juda's schouder en liep naast hem voort. Weet gij nog wel, -zeide hij, dat wij als kinderen altijd zoo liepen, ik met mijn hand op -uw schouder? Laat ons zoo voortgaan tot aan de poort? - -Messala deed klaarblijkelijk zijn best om ernstig en vriendelijk te -zijn; maar zijn gelaat behield de gewone spotachtige uitdrukking. Juda -onttrok zich niet aan dat bewijs van toenadering. - ---Gij zijt een knaap, ik ben een man; sta mij toe als man tot u te -spreken. - -Het zelfbehagen, waarmede de Romein dit zeide, was werkelijk eenig. -Mentor, den jongen Telemachus wijze lessen gevende, had het hem niet -kunnen verbeteren. - ---Gelooft gij aan de Parcen? Maar 't is waar, ik vergat dat gij een -Sadduceer zijt. De Esseers, dat zijn bij u de verstandige lieden; zij -gelooven aan de zusters. Ik ook. Wat zit dat drietal ons altijd in de -weg bij het plannen maken! Ik ben bezig een plan te maken. Ik baken mijn -weg af, hierheen en daarheen, bij Apollo, op het oogenblik dat ik de -hand uitstrek om mijn doel te bereiken, hoor ik achter mij haar schaar -knarsen. Ik zie om, en daar is zij!--Maar Juda, waarom werdt gij half -razend toen ik van de mogelijkheid sprak, dat ik Cyrenius zou opvolgen? -Dacht gij dat ik mijzelven wilde verrijken door uw Judea te plunderen? -En gesteld dat het zoo was, op een goeden dag zal de eene of andere -Romein dat zeker doen--waarom ik dan niet? - -Juda vertraagde zijnen stap. - ---Vreemde overheerschers hebben Judea onderdrukt, voordat de Romeinen -het onderwierpen, zeide hij op plechtigen toon. Waar zijn zij gebleven, -Messala? Judea heeft ze allen overleefd. Wat eenmaal was zal wederom -zijn. - -Op luchthartigen toon antwoordde Messala: De Parcen hebben nog meer -aanhangers behalve de Esseers. Welkom, Juda, gij zijt een van de haren. - ---Neen, Messala, reken mij daar niet toe. Mijn geloof rust op de rots, -die de grondslag was van het geloof mijner vaderen--op het verbond van -den God van Israel. - ---Veel te hartstochtelijk, Juda! Wat zou mijn leermeester zich geergerd -hebben, als ik mij in zijne tegenwoordigheid zoo had durven opwinden! Er -waren nog andere dingen, die ik u had willen vertellen; maar nu durf ik -niet. - -Zwijgend gingen zij een eind verder, toen begon Messala weer: Ik geloof -dat gij thans wel weder in staat zijt om naar mij te luisteren, vooral -omdat wat ik te zeggen heb uzelven betreft. Ik zou u, mijn schoone -Ganymedes, gaarne van dienst zijn. Ik houd van u, zooveel als ik maar -kan. Ik zeide u, dat ik van plan ben soldaat te worden. Waarom zoudt gij -mijn voorbeeld niet volgen? Waarom zoudt gij niet uit den engen cirkel -stappen, waarin uw leven besloten moet zijn, wanneer gij hier blijft? - -Juda gaf geen antwoord. - ---Wie zijn in onze dagen de wijzen? vervolgde Messala. Niet zij die hun -leven doorbrengen in twisten over doode zaken, over Baaels, Jupiters en -Jehova's, over wijsbegeerten en godsdiensten. Noem mij een grooten naam, -onverschillig waar gij hem vandaan haalt--uit Rome, Egypte, het Oosten, -of hier uit Jeruzalem, en Pluto moge mij hebben, als die naam niet -toebehoort aan een man, die zijn roem schiep uit het materiaal, dat het -tegenwoordige hem verschafte, die iets heilig achtte, dat hem niet -diende, en iets verachtte, dat hem zijn doelwit kon helpen bereiken. -Hoe was het met Herodes? Hoe met de Makkabeen? Hoe met den eersten en -tweeden keizer? Volg hen na. Begin vandaag nog. Rome is even -bereidwillig om u te helpen, als den Idumeer Antipater. - -De Joodschen knaap trilde van toorn, en daar de poort openstond -versnelde hij zijnen stap, om zoo spoedig mogelijk vrij te zijn. O Rome, -Rome, mompelde hij. - ---Wees wijs! zeide Messala. Geef de dwaasheden van Mozes en de -overleveringen op. Beschouw de werkelijkheid zooals zij is. Heb den moed -om de Parcen in de oogen te zien en zij zullen u zeggen: Judea is wat -Rome wil, dat het zijn zal. - -Thans waren zij aan de poort gekomen. Juda stond stil en zag Messala -aan, de oogen vol tranen. Ik begrijp u, zeide hij, omdat gij een Romein -zijt; gij kunt mij niet begrijpen, omdat ik een Israeliet ben. Gij hebt -mij pijn gedaan door mij te doen gevoelen, dat wij nooit meer de -vrienden kunnen zijn, die wij vroeger waren--nooit meer. Hier scheiden -wij. De vrede van den God mijner vaderen zij met u! - -Messala bood hem de hand, maar Juda ging de poort door en verdween. De -Romein bleef een oogwenk peinzend staan, toen ging ook hij verder met de -woorden: Het zij zoo. Eros is dood, Mars regeert! - - - * * * * * - - -DERDE HOOFDSTUK. - -JUDA THUIS. - - -Juda stapte intusschen haastig voort, verscheidene straten door, totdat -hij een hecht, vierkant gebouw bereikte, waar hij aanklopte. Toen hem -was opengedaan, trad hij een smalle gang in, aan beide zijden van -steenen banken voorzien, zwart van ouderdom. Aan het einde van die gang -voerde een trap van vijftien treden naar een binnenplaats, aan drie -zijden door het huis ingesloten, hetwelk beneden verdeeld was in vakken, -terwijl de bovenverdieping van terrassen voorzien was. De bedienden, die -af en aan gingen, het geluid van malende molensteenen, de kleedingstukken, -die aan de drooglijnen hingen, de kippen en duiven, de geiten, koeien, -ezels en paarden in de vakken gestald, een groote waterbak--alles toonde -duidelijk aan, dat deze binnenplaats voor huishoudelijke doeleinden -gebruikt werd. Aan de oostzijde was een tusschenmuur, waardoor een poort -toegang verleende tot een tweede plaats, ruim en vierkant, in een hof -herschapen door heesters en klimplanten, bloeiend en frisch gehouden -door een fontein in het midden. Hier waren de vakken tot vertrekjes -ingericht, hoog, luchtig, en van wit- en roodgestreepte voorhangsels -voorzien. Uit dezen hof voerde een trap naar de terrassen op de -bovenverdieping, vanwaar een tweede trap naar het platte dak leidde, dat -rondom door een borstwering omgeven was. Uit de geheele inrichting van -deze woning kon men zien, dat de bewoners lieden van aanzien waren. - -In den hof gekomen begaf Juda zich tusschen het bloeiend struikgewas -door naar de trap, om het terras te bereiken en zijn eigen kamer op te -zoeken. Het zware gordijn oplichtende, dat den toegang afsloot, trad hij -binnen en wierp zich voorover op den divan. Zoo bleef hij uren liggen, -totdat tegen den avond een vrouw op den drempel verscheen en zijn naam -noemde. Op zijn toestemming trad zij binnen. Het avondeten is gebruikt, -zeide zij, het is geheel donker. Heeft mijn zoon geen honger? - ---Neen. - ---Zijt gij ziek? - ---Ik heb slaap. - ---Uwe moeder heeft naar u gevraagd. - ---Waar is zij? - ---In het zomerhuisje op het dak. - -Juda richtte zich op en zat overeind. Heel goed, breng mij iets te eten. - ---Wat zal ik u brengen? - ---Wat gij wilt, Amrah. Ik en niet ziek; maar het is mij alles -onverschillig. Het leven lacht mij niet meer zoo vriendelijk toe als van -morgen. 't Is een nieuwe ziekte, Amrah; en gij, die mij zoo goed kent en -mij altijd in alles geholpen hebt, moet nu maar eens iets bedenken, dat -te gelijk tot voedsel en medicijn kan dienen. Breng mij dus wat gij -noodig oordeelt. - -Amrah's vragen en haar zachte sympathieke toon spraken van een innige -verhouding tusschen die beiden. Zij legde hare hand op zijn voorhoofd, -en verwijderde zich toen zeggende: Ik zal er voor zorgen. Een poosje -later kwam zij terug en bracht op een houten blad een beker wijn, een -kom melk, een paar sneedjes wittebrood, een stuk gebraden kip, honing en -zout, en een bronzen lamp. Nu schoof Amrah een tafeltje aan, zette het -blad daar op en knielde naast den divan neder om den knaap te bedienen. - -Oogenschijnlijk was zij een vrouw van vijftig jaren, donker van -uitzicht, donker van oogen. Een witte tulband bedekte haar hoofd, de -oorlapjes echter vrij latende, die het merkteeken droegen van haren -stand in de maatschappij. - -Zij was een Egyptische slavin, aan wie zelfs het heilige vijftigste jaar -niet de vrijheid zou hebben kunnen hergeven, wat zij overigens ook niet -begeerde, want de knaap, dien zij verzorgde, was haar lief als haar -leven. Zij had hem van zijn vroegste jeugd verpleegd en vond daarin haar -geluk. - -Hij sprak slechts eenmaal gedurende den maaltijd. Amrah, herinnert gij u -Messala nog, die vroeger soms heele dagen bij mij kwam? - ---Zeker. - ---Hij ging eenige jaren geleden naar Rome en is nu teruggekomen. Ik ben -van middag bij hem geweest. - -Een beweging van onwil maakte Amrah alles duidelijk. Ik begreep dadelijk -dat u iets onaangenaams was overkomen, zeide zij hartelijk. Ik heb nooit -van dien Messala gehouden. Vertel mij alles. - -Juda verviel echter in een mijmering en antwoordde op haar dringend -vragen alleen dit: Hij is zeer veranderd en ik wil niets meer met hem te -doen hebben. - -Toen Amrah het blad wegnam stond ook Juda op en begaf zich naar het -platte dak. - -In het oosten wordt het dak van het huis tot allerlei doeleinden -gebruikt. De hitte drijft gedurende de middaguren den gemaklievende in -de koele, donker gemaakte vertrekken. Zoodra echter de zon ten ondergang -neigt, komt hij naar buiten en begeeft zich op het platte dak zijner -woning, dat hem en de zijnen tot huiskamer, salon, speelplaats, -bidvertrek dient. Worden in kouder klimaat geen kosten gespaard om het -inwendige van een huis te verfraaien, in het oosten besteedt men de -meeste moeite om het platte dak geriefelijk, zelfs weelderig in te -richten. De hangende tuinen van Babylon kunnen ons een denkbeeld geven -hoever dat streven eindelijk ging. - -Juda stak het dak over naar de torenkamer in den noordwestelijken hoek -van het huis. Den voorhang ter zijde schuivende trad hij binnen. Het was -er donker; maar daar aan vier zijden boogvormige openingen waren -aangebracht, kon men de sterren aan den hemel zien schitteren. In een -van die openingen rustte een vrouw in halfliggende houding op een divan. -Toen zij hem hoorde naderen liet zij haren waaier op de knie zinken en -riep: Juda, mijn zoon! - ---Hier ben ik, moeder, antwoordde hij, en knielde voor haar neder, -terwijl zij beide armen om zijn hals sloeg en hem teederlijk kuste. - - - * * * * * - - -VIERDE HOOFDSTUK. - -JUDA'S MOEDER. - - -De moeder hernam hare gemakkelijke houding en de zoon zette zich op den -grond, het hoofd tegen hare knie geleund. Beiden staarden door de -opening over de lagere huizen naar de bergen in het westen. Rondom hen -heerschte diepe stilte, alleen een zacht windje ruischte door de lucht. - ---Amrah heeft mij verteld dat u iets onaangenaams is overkomen, zeide -zij zacht.--Toen mijn Juda nog een kind was, mocht hij zich door -kleinigheden laten ontstemmen; maar nu hij een man geworden is moet hij -niet vergeten, dat hij eenmaal mijn held zal zijn. - -Zij sprak in de taal, waarvan men zich slechts zelden meer bediende; -maar die bij enkele aanzienlijke familien in eere gehouden werd, om het -onderscheid tusschen Joden en Heidenen scherp af te teekenen, de taal, -waarin Rebekka en Rachel hare kinderen in slaap zongen. - -Die woorden stemden Juda weder tot nadenken. Na een poosje echter greep -hij de hand, waarmede zij hem koelte aanbracht, en zeide: Ja moeder, -vandaag is mij allerlei door het hoofd gegaan, waaraan ik nog nooit -gedacht heb. Zeg mij allereerst: wat moet ik worden? - ---Heb ik het u niet reeds gezegd? Gij moet mijn held worden. - -Hij kon haar gelaat niet zien, maar hij wist dat zij scherste. Op -ernstigen toon zeide hij: Wat zijt gij toch lief en goed, moeder. -Niemand kan ooit zooveel van mij houden als u. - -Hij kuste herhaaldelijk hare hand.--Ik begrijp wel waarom u mijne vraag -niet dadelijk wilt beantwoorden. Tot nu heeft mijn leven u behoord. Hoe -zacht, hoe liefelijk was uwe leiding. Ik wilde dat het altijd zoo kon -blijven; maar dat is onmogelijk. Het is des Heeren wil, dat ik eenmaal -mijzelven zal toebehooren--een droevige dag, een dag van scheiding wacht -ons. Laat ons moedig en ernstig zijn. Ik wil uw held worden; maar u moet -mij helpen. U kent de wet--ieder Israeliet moet een bepaalden werkkring -hebben. Ik zoo goed als een ander, en daarom vraag ik: Wat zal ik -worden? Zal ik de kudden verzorgen? of den akker bebouwen? of de zaag -ter hand nemen? of zal ik schrijver of schriftgeleerde worden? Wat zal -het zijn? Lieve, goede moeder, help mij het antwoord vinden. - ---Gamaliel heeft zeker vandaag een voordracht gehouden, zeide zij op -peinzenden toon. - ---'t Is mogelijk; maar ik was niet onder zijn gehoor. - ---Dan hebt gij gewandeld met Simeon, die, naar men zegt, het talent van -zijne familie geerfd heeft. - ---Neen, ik heb hem niet gezien. Ik ben in het paleis geweest, niet in -den tempel. Ik heb den jongen Messala een bezoek gebracht. - -Een zekere verandering in zijn toon trok de aandacht der moeder. Een -angstig voorgevoel versnelde haar harteklop. De waaier bleef weder -rusten. - ---Messala? Wat kon die zeggen om u onrustig te maken? - ---Hij is zeer veranderd, moeder. - ---Gij bedoelt, dat hij als Romein terugkwam? - ---Ja. - ---Romein, herhaalde zij half tot zichzelve, dat wil overal zeggen: -heerscher. Hoe lang is hij weg geweest? - ---Vijf jaar. - -Zij hief het hoofd een weinig op en staarde naar buiten. - ---Wat Messala zeide, moeder, was op zichzelf scherp genoeg; maar de -manier waarop hij het deed was soms overdragelijk. - -Ik geloof dat ik u begrijp. Rome, haar dichters, redenaars senatoren, -hovelingen, zij zijn allen evenzeer verzot op satire. - ---Ik geloof dat alle machtige volken trotsch zijn, zeide Juda, maar de -trots van dat volk lijkt nergens naar. Het is tegenwoordig zoo erg, dat -hunne goden ternauwernood aan hunnen spot ontkomen. - ---De goden! zeide de moeder levendig, meer dan een Romein heeft -goddelijke eerbewijzen als zijn recht geeischt. - ---Zie, moeder, Messala is altijd min of meer behept geweest met die -onaangename eigenschap. Toen hij nog een kind was heb ik hem meermalen -vreemdelingen zien bespotten, die toch door Herodes met eerbewijzen -worden ontvangen; maar mij liet hij altijd ongemoeid. Vandaag heeft hij -voor het eerst op gekscherenden toon gesproken over onze gebruiken en -onzen God. Ik heb voorgoed met hem gebroken. Maar nu, lieve moeder, -wilde ik gaarne met zekerheid weten, of er werkelijk een grond bestaat -voor de minachting, waarmede de Romein ons behandelt. In welk opzicht -ben ik zijn mindere? Waarom zou ik mij ooit, zelfs in tegenwoordigheid -des keizers, als een slaaf gevoelen? Zeg mij bovenal waarom ik niet, als -ik er den lust toe had, wereldsche eer in al haren omvang mag najagen? -Waarom mag ik het zwaard niet dragen en ten strijde trekken? Waarom mag -ik niet als dichter alle onderwerpen bezingen? Ik mag de edele metalen -bewerken, de kudden weiden, een koopman zijn, maar waarom niet een -kunstenaar, zooals de Grieken? Zeg mij dat, moeder, en dat is eigenlijk -wat mij kwelt: waarom mag een zoon van Israel niet alles doen wat een -Romein doet? - -De moeder richtte zich op en antwoordde: Mijn zoon, Messala was als kind -door zijnen omgang met u en uwe vriendjes bijna zelf een Jood; was hij -hier gebleven, dan zou hij mogelijk een jodengenoot geworden zijn; maar -de jaren in Rome doorgebracht hebben hunnen invloed doen gelden. Ik -verwonder mij niet over de verandering, maar--hare stem beefde--hij had -zich tegenover u althans in acht moeten nemen. Slechts een harde, wreede -natuur kan de eerste liefde vergeten. - -Zachtkens liet zij de hand op het hoofd haars zoons rusten. Zij wilde -hem antwoorden naar zijne behoeften; maar dat antwoord moest volkomen -bevredigend zijn. Zou zij daartoe in staat wezen? - ---Wat gij mij vraagt, mijn kind, is eigenlijk niet door eene vrouw te -beantwoorden. Geef mij tijd tot morgen, dan zal ik den wijzen Simeon-- - ---Neen, moeder, zend mij niet naar hem. - ---Wees gerust. Ik zal hem vragen bij ons te komen. - ---Neen, moeder, want ik heb iets anders noodig dan een onderwijzing. -Hij kan mij niet geven waar ik behoefte aan heb, dat kunt u echter wel. -Ik moet een besluit kunnen nemen, en daaraan kunt u alleen mij helpen. - -Zij zag smeekend op naar den hemel, alsof zij om wijsheid bad, en zeide: -Als wij voor onszelven recht begeeren gaat het niet aan onbillijk te -zijn jegens anderen. Door af te dingen op den moed van eenen overwonnen -vijand verkleinen wij onze eigene overwinning, en als de vijand sterk -genoeg is om ons den terugtocht af te snijden en tot onderwerping te -brengen, dan eischt de achting voor onszelven, dat wij naar een andere -oorzaak van ons ongeluk zoeken, liever dan zijne verdienste te -verdonkeren. Schep moed, mijn zoon. Messala stamt, zooals gij weet, uit -een oud aanzienlijk geslacht. Reeds ten tijde der Romeinsche republiek, -en hoe lang is dat al niet geleden, was het beroemd, en waren niet -weinigen in aanzienlijke betrekkingen geplaatst. Ik herinner mij slechts -een consul van dien naam; maar zij hadden allen den rang van Senatoren, -en hun patronaat was zeer gezocht, omdat zij altijd rijk zijn geweest. - -Als uw vriend vandaag gepocht had op zijne voorvaderen, dan had gij hem -echter, door op uw voorgeslacht te wijzen, beschaamd kunnen doen staan. -Had hij u, om zijne meerderheid te toonen, op de daden, den rang, den -rijkdom van zijne familie gewezen, hoewel dergelijke zinspelingen, -behalve wanneer het volstrekt noodig is, van kleingeestigheid getuigen, -dan hadt gij u ook daarin punt voor punt onbevreesd met hem kunnen -meten. - -Hier zweeg zij en dacht een oogenblik na. Toen vervolgde zij: Waarnaar -wordt de adeldom van een geslacht of familie berekend? Naar den duur van -hun bestaan, zou ik denken. Welnu, in dat opzicht moet een Romein -tegenover een Israeliet steeds het onderspit delven. Hij kan niet verder -terugrekenen, dan tot aan de stichting van Rome. Messala ook niet. Maar -wij? Hoe staat het met ons? - -Als er wat meer licht geweest was had Juda kunnen zien hoe de oogen -zijner moeder fonkelden. Stel voor een oogenblik, hernam zij, dat de -Romein ons den handschoen toewierp, ik zou hem vastberaden te gemoet -treden. Hare stem trilde, een liefelijke herinnering bracht een -wijziging in den vorm harer redeneering.--Uw vader, mijn zoon, is ter -ruste gelegd bij zijne vaderen; maar ik herinner mij als den dag van -gisteren het oogenblik, waarop hij en ik met tal van vrienden opgingen -naar den tempel, om u den Heer voor te stellen. Wij offerden de duiven, -ik gaf den priester uw naam op. In mijne tegenwoordigheid schreef hij -dien in het boek der geslachten van Israel: Juda, zoon van Ithamar, uit -het huis van Hur. Ik zou u niet kunnen zeggen wanneer men met die -inschrijvingen begonnen is. Wij weten echter dat die gewoonte reeds -bestond voor den uittocht uit Egypte. Ik heb Hillel hooren zeggen, dat -Abraham het register met zijn eigen naam en de namen zijner zonen -geopend heeft, toen God hem riep om zich af te zonderen van de andere -volken, om hem tot den stamvader van zijn eigen uitverkoren volk te -maken. - -Ons volk heeft in menig opzicht de wet overtreden, maar op het -geslachtsregister heeft het altijd zeer nauwkeurig toegezien. Hillel -heeft zelf de boeken bestudeerd. Zij loopen over drie perioden: van de -belofte tot aan den tempelbouw, van den tempelbouw tot aan de -ballingschap, van de ballingschap tot op den huidigen dag. Eenmaal -slechts werd het onderbroken en wel op het einde der tweede periode; -maar toen het volk uit de ballingschap was teruggekeerd, heeft -Zerubbabel als een heilige plicht de Boeken in orde gebracht, en ons in -staat gesteld de lijn onzer afkomst gedurende volle twee duizend jaren -rugwaarts te volgen. - -Wat blijft nu over, denkt gij, van de Romeinsche pocherij op oud bloed? -Naar dien maatstaf gemeten zijn de zonen Israels, die op gindsche bergen -de kudden weiden, edeler dan de edelsten onder de Romeinen. - ---En ik, moeder, wie ben ik volgens de Boeken? - ---Wat ik gezegd heb, mijn zoon, was een inleiding op uwe vraag. Als -Messala hier was zou hij kunnen zeggen, dat wij met zekerheid niet -verder kunnen terugrekenen dan tot den tijd, toen de Assyriers Jeruzalem -innamen en den tempel van zijne kostbaarheden beroofden; maar dan zou ik -hem op Zerubbabels werk wijzen. Neen, onze registers zijn trouw en -waarachtig, en als gij zo naslaat in omgekeerde orde, eerst tot de -ballingschap, dan tot aan den bouw van den eersten tempel, terug tot aan -den uittocht uit Egypte, dan kunt gij met den vinger aantoonen, dat gij -lijnrecht afstamt van Hur, den tijdgenoot van Jozua. En is u dat niet -genoeg, neem de Torah en doorzoek het boek Numeri, en onder de -tweeenzeventig generaties na Adam kunt gij uw eigen stamvader vinden. - -Diepe stilte heerschte een tijdlang in het vertrek, toen zeide Juda: -Dank, lieve moeder, dank. Ziet u wel, dat ik gelijk had, toen ik er den -eerwaarden Hillel niet bij begeerde? Hij kon mij niet zoo goed helpen, -als u. Maar is om een geslacht waarlijk te adelen niets meer noodig dan -tijd? - ---O, nu vergeet gij, dat wij nog op iets anders dan op den tijd alleen -bogen. Wij beroemen ons voornamelijk daarop, dat wij door God zijn -uitverkoren. - ---U spreekt van het geheele volk, moeder, en ik van een enkel geslacht, -van onze familie. Wat heeft mijne familie gewrocht in de jaren na vader -Abraham, welke groote daden verheffen hen boven anderen? - -De moeder was niet dadelijk met een antwoord gereed. Zou zij zijne -bedoeling verkeerd begrepen hebben? De grootste voorzichtigheid werd -hier geeischt, dat voelde zij. Daarom zeide zij: Ik vermoed, mijn zoon, -dat ik met een werkelijken en niet met een denkbeeldigen vijand te doen -heb. Als Messala die vijand is, zeg het dan en laat mij niet in het -duister strijden. Vertel mij alles wat hij gezegd heeft. - - - * * * * * - - -VIJFDE HOOFDSTUK. - -EEN ISRAELITISCHE VROUW. - - -Aldus aangemoedigd deelde Juda zijn moeder uitvoerig mede wat tusschen -hem en Messala was voorgevallen, en stond vooral stil bij de minachting, -waarmede deze over de Joden, hunne gebruiken en beperkten kring -gesproken had. De moeder luisterde zwijgend. Thans begreep zij alles. -Juda was naar het paleis gegaan in de verwachting van na lange scheiding -den speelmakker te zullen weervinden; in plaats daarvan vond hij een -man, die slechts van roem en rijkdom en macht droomde. Gekrenkt in zijn -trots en tevens van een ongekende eerzucht vervuld, was Juda -teruggekomen; de moeder zag het, en niet wetende in welke richting die -eerzucht zich zou ontwikkelen, sloeg haar, de vurige Jodin, de schrik om -'t hart. Indien hij eens afgetrokken werd van het aartsvaderlijk geloof! -Kon zij zich iets verschrikkelijkers voorstellen? Neen, dat moest zij -tot iederen prijs zien te voorkomen, en daarom begon zij op vasten, -bijna plechtigen toon: Ieder volk dat wat beteekent houdt zichzelf voor -het grootste. Wanneer de Romein uit de hoogte neerziet op den Israeliet -en hem bespot, dan doet hij slechts wat de Egyptenaar, de Assyrier en de -Macedonier voor hem gedaan hebben, en daar de spot tegen God gericht is, -zal het einde hetzelfde zijn. - -Er bestaat geen wet, die de opperheerschappij der natien vaststelt; -daarom is de aanspraak op de opperheerschappij ijdel en de strijd -daarover tevergeefs. Heeft een volk zijn glanspunt bereikt en zijne taak -volbracht, dan sterft het of zijn eigen dood, of door toedoen van een -ander volk, dat zijne plaats inneemt, zijne macht erft en nieuwe namen -schrijft op zijne monumenten. Dat is de geschiedenis. - -Als iemand mij opdroeg God en den mensch op de eenvoudigste wijze te -symboliseeren, dan zou ik een rechte lijn en een cirkel trekken, en van -de lijn zou ik zeggen: dit is God, want hij beweegt zich onveranderlijk -vooruit, en van den cirkel: dit is de mensch, zijn voortgaan gelijkt een -kringloop. Daarmede wil ik niet zeggen, dat er geen verschil zou zijn -tusschen den voortgang der volken, want geen twee zijn volkomen aan -elkander gelijk. Het verschil ligt echter niet, zooals sommigen meenen, -in de grootte van den cirkel, dien zij beschrijven, maar in de sfeer, -waarin zij zich bewegen. De hoogste sfeer is het dichtst bij God. - -Laat ons nu eens zien in welken cirkel het volk der Hebreen en het volk -der Romeinen zich bewegen. Wil men weten in welke verhouding ze tot God -staan, men heeft slechts te letten op het gewone dagelijkse leven. -Daarvan wil ik alleen zeggen, dat Israel God meermalen heeft vergeten, -terwijl de Romeinen Hem nooit gekend hebben. Van vergelijking kan hier -dus geen sprake zijn. Uw vriend, of liever uw voormaligen vriend, heeft, -als ik u goed begrepen heb, beweerd dat wij geen dichters, geen -kunstenaars, of krijgshelden gehad hebben, dus geen groote mannen. Maar -wat is een groot man? Dat is iemand wiens leven doet zien, dat God hem, -zoo niet geroepen, dan toch in zijn werk bevestigd heeft. Een Pers werd -gebruikt om onze vaderen te tuchtigen, hij voerde ze in gevangenschap; -een andere Pers werd verkoren om aan hunne kinderen het heilige land -terug te geven; grooter dan die beiden was echter de Macedonier, die de -verwoesting van Judea en van den tempel moest wreken. - -Wat die mannen in het bijzonder onderscheidde was, dat zij door God -uitverkoren werden, om zijnen raad te volbrengen. Dat zij heidenen waren -verkort hun roem niet. Houd dit vooral in het oog. Menigeen verkeert in -den waan, dat een man zich geen beter levensdoel kan kiezen, dan het -zwaard te trekken. Laat u daardoor echter niet misleiden. Dat de mensch -behoefte heeft om iets te aanbidden is een wet, die zich zal laten -gelden, zoolang er iets is dat wij niet begrijpen. Het gebed van den -barbaar is een angstkreet tot de Kracht, de eenige goddelijke -eigenschap, die hij bevatten kan; vandaar zijn geloof in helden. Wat is -Jupiter anders dan een Romeinse held? De Grieken waren de eersten, die -het Verstand boven de Kracht stelden. In Athene waren redenaar en -wijsgeer meer gezien dan de krijger. Den hardlooper moge men nog steeds -toejuichen, de schoonste lauwerkransen worden voor den zanger bewaard. - -Maar was de Griek de eerste, die het oude barbaarsche geloof liet varen? -Neen; die roem komt ons toe. Onze vaderen stelden God in de plaats van -al die valsche godheden. In onzen godsdienst werd de angstkreet -vervangen door het Hosanna en psalmgezang. De Hebreen en Grieken zochten -de menschen voorwaarts en opwaarts te voeren, maar helaas, de Romein, -die de geheele wereld wil overheerschen, stelt den oorlog als volstrekt -noodzakelijk voor, en heeft zijnen keizer geplaatst boven het verstand -en boven God, en hem tot het eenige begrip van macht en grootheid -gemaakt. - -De heerschappij der Grieken was de bloeitijd voor het genie. De -schitterende vernuften, de bekwaamste kunstenaars zijn uit dat volk -voortgekomen, zoo zelfs, dat in alles, behalve de krijgskunst, de Romein -bij hen ter schole moest gaan. Op het Forum neemt de redenaar den Griek -tot model, in ieder Romeinsch lied kunt gij den rhytmus der Grieken -opmerken. Als een Romein den mond opent om lessen van wijsheid of -zedenkunde te geven, of de geheimenissen der natuur te behandelen, dan -is hij of een leerling van de eene of andere Griekse school, of hij -ontleent zijne wijsheid aan hunne boeken. De Romein kan in niets op -oorspronkelijkheid aanspraak maken, behalve in het voeren van den krijg. -Zijne kampspelen zijn van Griekschen oorsprong, door bloedige -bijvoegselen genietbaar gemaakt voor zijn ruwen smaak. Zijn zogenaamde -godsdienst is samengesteld uit de godsdiensten van andere volken, zelfs -zijn Mars en Jupiter zijn aan den Olympus ontleend. - -Ziedaar, mijn zoon, de reden waarom alleen Israel de Grieken hunne -meerderheid kan betwisten, met hen om den voorrang kan strijden. Maar de -zelfzucht van den Romein is zoo hard en ondoordringbaar als metaal. -O, de godvergeten roovers! Onder hunnen voet beeft de aarde, als de -dorschvloer onder den vlegel der dorschers. Met de anderen zijn ook wij -afgevallen; ach, mijn zoon, het is hard dat te moeten erkennen! Onze -hoogste, heiligste plaatsen hebben zij genomen, en niemand kan zeggen -wat het einde zijn zal; maar dit weet ik--zij mogen Judea vernielen en -Jeruzalem, die liefelijke bloem, vertreden, Israels roem zal blijven -stralen als een lichtende ster; want zijn geschiedenis is Gods -geschiedenis. Hij was hun wetgever op Sinai, hun leidsman door de -woestijn, in den krijg hun aanvoerder, hun koning. Is het denkbaar, mijn -zoon, dat onze vaderen, met wie Jehova op zulk een wijze verkeerde, -niets van Hem zouden geleerd hebben? dat hunne gewone menschelijke -eigenschappen niet in zekere mate den invloed der goddelijke zonden -hebben ondergaan? dat zij, zelfs na verloop van vele eeuwen, in niets -het hemelsche zouden weerspiegelen? - -Zij zweeg eenige oogenblikken, daarna zeide zij: Het is waar, als men -onder kunst alleen de schilder- en beeldhouwkunst verstaat, dan heeft -Israel geen kunstenaars voortgebracht. - -Het kostte haar moeite deze bekentenis te moeten doen, want als -Sadduceeuwsche was het haar, in tegenstelling met de Pharizeen, -geoorloofd het schoone in iederen vorm lief te hebben, onverschillig -waaraan het zijn oorsprong te danken had. - ---Wil men ons echter rechtvaardig beoordelen, hernam zij, dan moet men -niet vergeten, dat het werk onzer handen gebonden was door het gebod: -Gij zult u geen gesneden beeld noch eenige gelijkenis maken; welks -bedoeling door de Sopherim hoogst willekeurig uitgebreid is. Evenmin -moet men vergeten, dat twee Israelieten, Bezaliel en Aholiab, de -bouwmeesters van den eersten tabernakel, van wie geschreven staat dat -zij bedreven waren in alle handwerk, de cherubim van het verzoendeksel -gemaakt hebben, lang voordat Daedalus in Attica verscheen en met zijn -houten statuen in de beeldhouwkunst zulk een ommekeer teweegbracht, dat -de scholen van Corinthe en Aegina mogelijk werden en triomfeerden. Van -dicht goud waren de cherubim gemaakt, de beide vleugelen omhoog -uitbreidende, en hunne aangezichten waren tegenover elkander,--zoo staat -er geschreven. Wie zal durven beweren, dat zijn niet schoon waren? Of dat -zij niet de eerste statuen geweest zijn? - ---O, nu begrijp ik waarom de Grieken ons voorbijgestreefd zijn, zeide -Juda, die met de grootste belangstelling geluisterd had. En de -ark;--vloek over de Babyloniers, die haar vernield hebben! - ---Neen, Juda, wees gerust. Zij is niet vernield; zij is verloren -geraakt, te goed verborgen in de eene of andere spelonk. Hillel en -Shammai gelooven beiden dat zij eenmaal, op 's Heeren tijd, -teruggevonden zal worden. Dan zal Israel evenals vanouds voor het -aangezicht des Heeren dansen en zingen. En zij, die dan het gelaat der -cherubim mogen aanschouwen, zouden, al hebben zij ook de elpenbeenen -Minerva gezien, als het mogelijk was den Jood de handen kussen, wiens -genie zulk een kunstwerk ontwierp. - -De moeder was in hare opgewondenheid welsprekend geworden. Zij hield -even stil om tot kalmte te komen. - ---Gij zijt zoo goed, moeder, zeide Juda dankbaar. Shammai zou niet beter -hebben kunnen spreken en Hillel evenmin. U hebt mij weder tot een echten -Israeliet gemaakt. - ---Vleier! Ik herhaal slechts wat ik Hillel heb hooren zeggen, toen hij -onlangs in mijne tegenwoordigheid met een Romeinsch sophist redetwistte. - ---Nu ja, maar u legt er het leven in. - ---Waar ben ik ook weer gebleven? vraagde zij. O ja, ik trachtte onzen -voorvaderen de eer te verzekeren van de eerste statuen gemaakt te -hebben. De beeldhouwkunst, Juda, is niet de eenige kunst; evenmin als de -kunst zelf het eenige is, dat groot genoemd mag worden. Ik stel mij de -groote mannen van vroegere eeuwen voor in groepen en afdeelingen, -volgens hunne nationaliteit; hier de Indier, daar de Egyptenaar, ginds -de Assyrier, voortgaande onder trompetgeschal en met vliegende vanen, -terwijl rechts en links de voorgeslachten, als eerbiedige bewonderaars -geschaard staan. Ik hoor den Griek zeggen: Ha, de Helleen wijst den weg; -en de Romein antwoordt: Zwijg, uwe plaats is ingenomen door ons, wij -hebben u verre achtergelaten.--En zonder dat de strijders het bemerken -straalt boven die gansche schare een licht, het licht der Openbaring! -Wie zijn de dragers van dat licht? Het oude volk der Hebreen! Klopt uw -hart niet hooger bij die gedachte? Aan dat licht kennen wij hen. Weest -gezegend, onze vaderen, dienstknechten Gods, die het verbond bewaarden! -Gij zijt de leidslieden der menschheid, gij staat aan de spits, en al -ware iedere Romein een Cesar, gij zult die plaats niet verliezen! - -Juda was diep bewogen. Ga voort, bid ik u! riep hij. Het is mij, als -hoor ik het geluid van trommelen en reien. Ik wacht op Mirjam en de -vrouwen, die haar volgden. - ---Goed, mijn zoon. Als gij het gezang der profetes kunt hooren, dan kunt -gij in uwe verbeelding met mij aan en weg gaan staan, om de uitverkoornen -Israels aan het hoofd van den optocht te zien voorbijtrekken. Daar komen -zij--eerst de patriarchen, dan de vaders der stammen. - -Het is mij als hoor ik de schelletjes hunner kameelen en het blaten -hunner kudden. Maar wie gaat daar zoo alleen te midden van de menigte? -Een oud man; maar zijn oog is niet verduisterd en zijn kracht niet -verzwakt. Hij zag onzen God van aangezicht tot aangezicht. Als de zon in -haren opgang staat hij daar--krijger, dichter, redenaar, wetgever, -profeet. Zijn roem verduistert den roem van alle anderen, zelfs van den -eersten en edelsten der Cesars. - -Op hem volgen de richters, dan de koningen, de zoon van Isai, een held -in den krijg, een dichter van onsterfelijke gezangen; vervolgens zijn -zoon, die alle koningen overtreft in rijkdom en wijsheid. Buig u neder, -mijn zoon! Die nu komen zijn de eersten in hunne soort en tevens de -laatsten. Hun aangezicht is naar boven gericht, alsof zij naar een stem -uit den hemel luisteren. Hun leven was vol zorg, hunne kleederen rieken -naar graven en spelonken. Hoor! een vrouw onder hen spreekt: looft den -Heer, want Hij heeft heerlijk getriomfeerd! Buig u nog dieper voor hen, -mijn Juda; zij waren Gods dienaren en profeten, die in de toekomst -schouwden en opschreven wat zij zagen. Koningen verbleekten bij hunne -nadering, volken sidderden op het geluid hunner stem. De elementen -gehoorzaamden hun bevel. In hunne hand hielden zij zegen en vloek. Zie -den Thisbiet en zijnen knecht Elisa! Zie den droeven zoon van Hilkia! -Zie de drie jonge mannen, die het beeld weigerden te aanbidden; zie hem, -die op het feestmaal de sterrenwichelaars beschaamde. En daar, mijn -zoon, zie den zoon van Amos, van wien de wereld de belofte ontving van -den Messias! - -Zij haalde diep adem en ging toen voort: Ik heb u onze groote mannen -getoond, Juda, laat ons nu de besten van Rome bezien. Plaats tegenover -Mozes Cesar, en Tarquinius tegenover David; Sylaa tegenover een van de -Makkabeen; de besten der consuls tegenover de richters; Augustus -tegenover Salomo,--welk een vergelijking! - -Zij lachte verachtelijk. - ---Vergeef mij, ik dacht aan den waarzegger, die Julius Cesar waarschuwde -tegen den 15den der maand Maart, en stelde mij voor hoe hij de -ingewanden van een kuiken onderzocht, om de kwade voortekens te vinden. -Dank dan eens aan Elia, hoe hij den zoon van Achab voor den toorn Gods -waarschuwt. En ten slotte, met allen eerbied zij het gezegd, hoe zullen -wij Jehova en Jupiter beoordeelen, tenzij dan naar wat hunne dienaren -gedaan hebben in hunnen naam? Wat nu uwe toekomst betreft, mijn zoon, -dien de Heer, den God van Israel, niet Rome. Voor een zoon van Abraham -bestaat geen andere roem, dan die welke in 's Heeren dienst te behalen -is. - ---Mag ik dus soldaat worden? - ---Waarom niet? Heeft Mozes God niet den Heer der heirscharen genoemd? - -Beiden zwegen eenige oogenblikken, toen hernam de moeder: Ik geef u mijn -toestemming, indien gij namelijk den Heer onzen God en niet den keizer -zult dienen. - -Juda nam die voorwaarde aan, en daar moeder en zoon stil bleven zitten, -ieder in eigen gedachten verdiept, viel de knaap weldra in een zoete -sluimering. Toen stond de moeder op, legde hem een kussen onder het -hoofd, spreidde een deken over hem uit, en verliet zachtkens het -vertrek. - - - * * * * * - - -ZESDE HOOFDSTUK. - -HET ONGELUK. - - -Toen Juda ontwaakte was de zon reeds boven de bergen verrezen; de duiven -fladderden over het platte dak, of zaten kirrend op den rand der -borstwering. In het zuidoosten staken de vergulde tinnen des tempels, -badend in de zonneschijn, heerlijk af tegen de diep blauwe lucht. Maar -daar had Juda geen oogen voor, want op den divan, vlak bij hem, zat een -bevallig meisje van ongeveer vijftien jaar. Zij speelde op de harp en -zong daarbij met zachte, welluidende stem. - -Toen zij haar lied geeindigd had liet zij de handen in den schoot rusten -en zag hem aan, als verwachtte zij dat hij het gesprek beginnen zou. Wij -willen van dat oogenblik gebruik maken, om het meisje aan onze lezers -voor te stellen en tevens enkele bijzonderheden mede te deelen aangaande -Juda's ouders. - -Herodes was tijdens zijn leven zeer mild geweest met het bewijzen van -vorstelijke gunstbetoon aan lieden, die hij onderscheiden wilde, zoodat -menig Israeliet in het bezit gekomen was van een groot vermogen. Trof -het nu samen, dat zulk een bevoorrechte bewijzen kon, dat hij in rechte -lijn afstamde van een beroemd man, met name uit het geslacht van Juda, -dan werd hij gerekend te behooren tot de "Vorsten van Jeruzalem", eene -onderscheiding, die hem de onderdanigheid zijner minder bevoorrechte -landslieden verzekerde en de achting, zoo niet meer, van de heidenen, -met wie maatschappelijk verkeer of handelsbetrekkingen hem in aanraking -brachten. - -De vader van Juda was een dier Vorsten van Jeruzalem geweest. Steeds -gedachtig aan zijne nationaliteit, die hij nooit verloochende, had hij -toch den koning trouw gediend, zoowel binnen-als buitenlands, en overal -had hij de achting verworven van aanzienlijken en geringen. Meermalen -met eene zending naar Rome belast, had hij de aandacht van Keizer -Augustus getrokken, die zich beijverde zijne vriendschap te winnen. -Dientengevolge was zijn huis vol van vorstelijke geschenken, zooals -purperen gewaden, elpenbeenen zetels, gouden drinkschalen; hoofdzakelijk -van groote waarde om de keizerlijke hand die ze hem vereerd had. Zulk -een man moest wel rijk zijn; maar hij dankte zijn vermogen niet alleen -aan zijn hooge begunstigers. Hij had de wet, die hem tot werken -verplichtte, gehoorzaamd; maar in plaats van zich tot een ambt te -bepalen, had hij zich een veelzijdigen werkkring geschapen. Tal van -herders, die in de vlakte en op de heuvelen rondom Jeruzalem de kudden -weidden, noemden hem heer; in zeesteden zoowel als in de binnenlanden -stichtte hij handelshuizen; zijne schepen brachten hem zilver uit -Spanje, welks mijnen onder de toenmaals bekende tot de rijkste gerekend -werden; en tweemalen 's jaars keerden zijne karavanen uit het Oosten -terug, beladen met zijden stoffen en specerijen. Hij was een geloovig -Hebreer, die stipt de wetten en gebruiken naleefde, een trouw bezoeker -van tempel en synagoge, goed onderwezen in de heilige Schriften. Het -verkeer met de wetgeleerden zocht hij bij voorkeur, en de achting, die -hij Hillel toedroeg, grensde aan vereering. Toch was hij niet eenzijdig. -Zijn gastvrijheid strekte zich uit tot de zonen van alle landen, ja de -Pharizeen beweerden zelfs, dat hij meer dan eens Samaritanen aan zijne -tafel ontvangen had. Was hij een heiden geweest en in leven gebleven, -dan zou hij mogelijk de mededinger van Herodes Atticus geworden zijn; -maar hij was nu tien jaren geleden in de kracht van den mannelijken -leeftijd op zee verongelukt, door geheel Judea betreurd. Met zijne -weduwe en zijn zoon hebben wij reeds kennis gemaakt, thans willen wij -zijn dochter beschouwen, het meisje, dat door haar gezang den broeder -wekte. - -Zij heette Tirza, en geleek sprekend op Juda. Haar gelaatstrekken, even -regelmatig als de zijne, waren dubbel bekoorlijk door de uitdrukking van -kinderlijke onschuld, die er over verspreid lag. Zij was in dit vroege -morgenuur hoogst eenvoudig gekleed. Een wijde tunica, vastgeknoopt op -den rechterschouder, en onder den linkerarm doorgaande, dekte haar -losjes en werd om het middel vastgehouden door een fijn gouden gordel. -Op het hoofd droeg zij een zijden mutsje met afhangende kwast. Gouden -oor- en vingerringen, kostbare arm- en enkelbanden, benevens een kunstig -bewerkt halssieraad, voltooiden haar toilet. Oogleden en vingertoppen -waren naar het toenmalig gebruik geverfd. Twee lange haarvlechten hingen -haar op den rug, terwijl op iedere wang vlak voor het oor een gekrulde -lok rustte. Een liefelijke, bevallige verschijning was de jeugdige Tirza -ongetwijfeld. - ---Heel mooi, Tirza, heel mooi! zeide Juda levendig. - ---Het lied? vraagde zij. - ---Ja, en de zangster ook. Waar hebt gij het opgedaan? - ---Herinnert gij u den Griek nog, die een paar weken geleden in het -theater zong? Men zei, dat hij lofzanger geweest was van Herodes en -zijne zuster Salome. Hij trad op na een paar kampvechters, terwijl er -heel wat leven en beweging was; maar zoodra hij begon te zingen werd het -zoo stil, dat ik woord voor woord kon verstaan. Hij heeft mij het lied -gegeven. - ---Maar hij zong in het Grieksch. - ---En ik in 't Hebreeuwsch. - ---Ja, ja, en daarom ben ik trotsch op mijn zusje. Hebt gij nog meer van -die liedjes? - ---Meer dan een zelfs; maar nu niet. Amrah zond mij om u te zeggen, dat -zij u hier uw ontbijt zal brengen en dat gij niet beneden hoeft te -komen. Zij had al hier moeten zijn. Zij denkt dat gij ziek zijt, dat u -gisteren iets verschrikkelijks is overkomen. Wat was het? Vertel het -mij, dan zal ik Amrah helpen om u beter te maken. Zij kent de -geneesmiddelen van de Egyptenaars; maar die geven niets. Ik heb echter -verscheidene Arabische recepten, die-- - ---Nog minder helpen, dan de Egyptische, zeide hij hoofdschuddend. - ---Meent ge dat waarlijk? Heel goed, dan zullen wij ze laten waar zij -zijn. Ik heb iets dat veel beter en zekerder helpt, een amulet, die, -ik weet niet hoe lang geleden, aan iemand van onze familie gegeven werd -door een Perzisch toovenaar. Kijk, en zij nam den ring uit haar -linkeroor--het inschrift is bijna uitgesleten. - -Hij nam den ring in de hand, bekeek hem, en gaf hem toen lachend -terug.--Al lag ik op sterven, Tirza, dan zou ik den amulet nog niet -willen gebruiken. Zulke dingen zijn afgoderij, en verboden waar voor -geloovige Israelieten. Bewaar hem, maar draag hem niet meer. - ---Verboden! Volstrekt niet. Vaders moeder droeg hem altijd op Sabbat. -Ik weet niet hoevele zieken er wel door genezen zijn, stellig meer dan -drie. Hij is ook goedgekeurd; zie maar, hier is het merk van den Rabbi. - ---Ik hecht geen geloof aan amuletten. - -Zij zag hem verbaasd aan en vraagde: Wat zou Amrah daarvan zeggen? - ---Amrahs vader en moeder waren Egyptenaren. - ---Maar Gamaliel? - ---Die zegt dat het goddelooze, heidensche gebruiken zijn. - -Tirza bezag haren oorring en draaide hem besluiteloos rond. - ---Wat zal ik er dan mee doen? vraagde zij. - ---Draag hem, zusje. Hij staat u goed, hij maakt u mooi, hoewel gij dat -zonder zijne hulp ook zijt. - -Tevreden gesteld deed zij den ring weder in haar oor. Op hetzelfde -oogenblik trad Amrah binnen en bracht op een blad een waschkom, water en -handdoeken. Daar Juda niet tot de Pharizeen behoorde was de reiniging -spoedig afgeloopen. Amrah verwijderde zich weder en Tirza zette zich aan -het werk, om Juda's haar in orde te brengen. Telkenmale als zij een lok -naar genoegen geschikt had, liet zij hem in den kleinen metalen spiegel -zien, dien zij volgens het gebruik aan haren gordel had hangen. De -arbeid stoorde hun gesprek echter niet. - ---Hebt gij het al gehoord, Tirza? Ik ga weg. - -Verschrikt liet zij de handen in den schoot vallen. - ---Weg! Wanneer? Waarheen? Waarom? - -Hij lachte. Drie vragen te gelijk! Wat zijt ge toch nieuwsgierig. Ja, ik -ga weg. Gij weet, de wet eischt, dat ik mij een beroep kies. Onze vader -gaf mij het voorbeeld. Zelfs gij zoudt mij verachten, als ik de vruchten -van zijn vlijt en kennis in luiheid verteerde. Ik ga naar Rome. - ---O, dan ga ik mee. - ---Gij moet bij moeder blijven. Als we allebei weggingen zou zij van -verdriet sterven. - -Alle vroolijkheid week van haar gelaat.--Ja, natuurlijk. Maar moet gij -daarvoor weggaan? Hier in Jeruzalem kunt gij alles leeren wat een -koopman weten moet. - ---Maar ik denk er niet aan koopman te worden. De wet eischt niet, dat de -zoon wordt wat de vader was. - ---Wat wilt gij dan worden? - ---Soldaat. - ---De tranen sprongen Tirza in de oogen.--Dan wordt gij doodgeslagen! - ---Toch alleen als het Gods wil is. En, Tirza, niet alle soldaten -sneuvelen. - -Zij sloeg hare armen om zijn hals, alsof zij hem terug wilde houden. - ---Wij waren zoo gelukkig, Juda; blijf bij ons. - ---Dat kan immers niet. Gijzelf gaat mettertijd ook heen. - ---Nooit. - -Hij glimlachte om den ernst, waarmede zij dat verzekerde.--Wie weet hoe -spoedig een vorst van Juda, of van een der andere stammen, mijne Tirza -komt weghalen, en wat zal dan van mij worden? - -Een droevig gesnik was haar eenig antwoord. - ---Het oorlogvoeren moet geleerd worden, vervolgde hij, en daarvoor moet -men ter schole gaan. De beste school is echter een Romeinsch kamp. - ---Gij zult toch niet voor Rome vechten? - ---Gij dus ook, gij zelfs haat Rome? Daarin schijnt de geheele wereld het -eens te zijn. Ja, Tirza, ik zal voor Rome strijden, maar om te leeren -hoe ik eenmaal Rome bestrijden moet. - ---Wanneer gaat gij? - -Maar Juda, die Amrah hoorde terugkomen, zeide: Stil, laat haar niets -merken van mijne plannen. - -De trouwe slavin trad binnen met het ontbijt en plaatste het blad op een -stoel voor de beide jongelieden. Juist zouden zij beginnen, toen hunne -aandacht afgeleid werd door een luid gedruisch op straat. - ---Het zijn soldaten van het Praetorium, riep Juda, die de muziek -herkende;--daar met ik naar kijken, een meteen sprong hij op en snelde -naar de borstwering. Tirza volgde hem en boog zich eveneens voorover om -beter te kunnen zien. Daar hun huis hooger was, dan de huizen in hun -naaste omgeving, konden zij tot aan den burcht Antonia de gansche buurt -overzien. De niet bijzonder breede straat was hier en daar door bruggen -overspannen, die weldra vol menschen en kinderen waren, door de muziek -daarheen gelokt. Muziek mocht het eigenlijk niet genoemd worden; want -wat het volk te hooren kreeg was niet veel meer, dan een vervaarlijk -trompetgeschal, begeleid door de schrille tonen van houten -blaasinstrumenten. - -Weldra kregen de kinderen Hur den optocht in 't gezicht. Eerst een -voorhoede van lichtgewapenden, voornamelijk slingeraars en -boogschutters, vervolgens een afdeeling zwaar gewapend voetvolk, van -groote schilden voorzien, dan de muzikanten, vervolgens geheel alleen -een hoofdman, maar op den voet gevolgd door een bereden wacht, daarna -weder een afdeeling zwaar gewapend voetvolk, die wel eindeloos scheen te -zijn. Het krijgshaftig voorkomen der mannen, het gelijktijdig op- en -neergaan der schilden, het glinsteren van gespen, helmen en borstplaten, -de wuivende vederbossen, de vaandels en speren, dat alles maakte diepen -indruk op den Joodschen knaap. Twee voorwerpen vooral trokken zijne -aandacht, de vergulde arend met de uitgespreide vlerken, die, zooals hij -wist, met goddelijke eerbewijzen uit den burcht gehaald was, en de -hoofdman, die alleen te midden der troepen reed. In volle wapenrusting, -maar het ongedekte hoofd met een lauwerkrans getooid, hield hij den -kommandostaf in de rechterhand. Hij was gezeten op een purperen dek in -plaats van op een zadel, en de leidsels waren met goud gestikt en met -zijden franje afgewerkt. - -Al heel spoedig bemerkte Juda, dat het volk bij het zien van dien -hoofdman zeer opgewonden werd. Zij drongen brutaal naar voren, en hieven -de vuisten dreigend omhoog, zij leunden zoover mogelijk over de -borstweringen der daken en wierpen hem allerlei scheldwoorden naar het -hoofd. Naarmate de stoet dichterbij kwam kon Juda duidelijk het -geschreeuw der menigte verstaan: Roover, tiran, vervloekte Romein! Weg -met Ismael, geef ons Annas weder! - -Het ontging den knaap niet, dat de hoofdman, zooals ook natuurlijk was, -lang niet onverschillig bleef onder die behandeling. Zijn gelaat stond -donker en dreigend, zoodat de meer angstvalligen terugdeinsden. Aan de -lauwerkrans, dien de ruiter op het hoofd droeg, herkende Juda den -nieuwen Procurator van Judea: Valerius Gratus. - -Het onschuldige voorwerp van den haat der menigte wekte Juda's -medelijden, zoodat hij, toen de Romein den hoek van het huis zou -omslaan, zich nog verder voorover boog om te beter te kunnen zien. -Daarbij leunde hij met de hand op een stuk steen, dat reeds geruimen -tijd gebarsten en losgeraakt was. De drukking was sterk genoeg om het te -doen kantelen en vallen. De knaap ontstelde hevig en wilde den steen -grijpen, hetgeen van de straat gezien den indruk gaf, alsof hij iets van -zich wierp. Zijn poging mislukte, de steen liet geheel los en rolde naar -beneden. Juda schreeuwde zoo hard hij kon, om te waarschuwen. De -soldaten der lijfwacht keken op, zoo ook de procurator, maar op -datzelfde oogenblik viel de steen op hem, zoodat hij als dood achterover -zonk. Nu ontstond een groote ontsteltenis; de wachten stegen ijlings af -en beijverden zich om hunnen heer met een schild te dekken. Het volk -daarentegen, vast overtuigd dat de knaap met opzet den steen geworpen -had, juichte hem luide toe. - -Als vastgenageld stond de arme jongen nog op dezelfde plek, ten volle -beseffende welke vreeselijke gevolgen dit ongeluk na zich zou slepen. -Plotseling scheen een booze geest zich meester te maken van de -toeschouwers op de omliggende huizen. Doldriftig sloegen zij alles kort -en klein wat onder hun bereik was en wierpen dat in blinde woede de -Romeinsche soldaten naar het hoofd. Nu ontstond een bloedig gevecht, -waarin de soldaten natuurlijk overwinnaars bleven. De verwarring, de -slachting, de wanhoop waren vreeselijk om aan te zien. - -Doodsbleek richtte Juda zich op: O, Tirza, Tirza, wat zal er van ons -worden? - -Daar zij den steen niet had zien vallen, en verschrikt door het onzinnig -drijven op de daken niet meer op Juda gelet had, begreep zij het rechte -van de zaak niet, allerminst dat haar of de haren eenig gevaar -dreigde.--Wat is er dan gebeurd, wat doen zij toch? vraagde zij -verschrikt. - ---Ik heb den Romeinschen gouverneur gedood. De steen viel juist op hem. - -Haar gelaat werd nog bleeker dan het zijne. Zij sloeg de armen om hem -heen en zag hem zwijgend, diep bedroefd aan. - ---Ik deed het niet met opzet, Tirza, het was een ongeluk, zeide hij zoo -kalm mogelijk. - ---Wat zullen zij ons doen? vraagde zij. - -Hij luisterde naar het steeds toenemend rumoer en dacht aan het dreigend -gelaat van den procurator. Als hij niet dood was, wie kon dan zeggen -hoever zijn wraak gaan zou; en als hij wel dood was, tot welke -uitbarstingen van woede zou de aanval van het volk de soldaten niet -kunnen opzweepen! Hij boog zich nogmaals over de borstwering, juist toen -de lijfwacht den procurator weder op het paard hielp stijgen.--Hij -leeft, Tirza, hij leeft! Gezegdend zij de God onzer vaderen! Met dien -uitroep en een opgehelderd gelaat wendde hij zich weder tot haar, om -hare vraag te beantwoorden.--Wees maar niet bang; ik zal hun wel zeggen -hoe het gekomen is, en zij zullen ons ter wille van onzen vader en de -diensten, die hij den keizer bewezen heeft, zeker ongemoeid laten. - -Hij geleidde haar naar de torenkamer; maar zien, eensklaps beefde het -dak onder hunne voeten, een hevig gekraak, alsof balken en deuren werden -ingeslagen, deed zich horen, gevolgd door een kreet van schrik en -ontzetting. Hij bleef staan en luisterde. Het geroep om hulp herhaalde -zich, het geluid van zware voetstappen deed het geheele huis dreunen, -vloeken, smeeken, jammeren, alles door elkander. De soldaten hadden de -noordpoort ingetrapt en waren meester van het terrein. Juda begreep -dadelijk dat het om hem te doen was. Zijne eerste opwelling was te -vluchten; maar waarheen? Alleen vleugelen konden hem redden. Trillend -van angst klemde Tirza zich aan hem vast. - ---O, Juda, wat is er toch gebeurd? - -Hij antwoordde niet. Hij hoorde dat de dienaren werden neergestooten; -en--wat deed men met zijn moeder! Hoorde hij daar niet hare stem?--Met -al de kracht die nog in hem was zeide hij: Blijf gij hier, Tirza, totdat -ik terugkom. Ik zal naar beneden gaan om te zien wat er gebeurd is. -Daarna kom ik u halen. - -Zijn stem was niet zoo vast, als hij wel gewild had. Zij drukte zich -tegen hem aan; maar daar hoorde hij zijne moeder weer luid om hulp -roepen. Hij aarzelde niet langer.--Kom dan, laat ons gaan, zeide hij. - -Beneden aan de trap was het terras vol van soldaten, die met ontbloot -zwaard het eene vertrek voor en het andere na doorzochten. Hier zag men -eenige vrouwen op de knieen liggen, luid smeekende om erbarmen. Maar -daar ginds in dien hoek, met gescheurde kleederen en loshangende haren, -worstelde een vrouw om zich los te rukken uit de handen van een -Romein,--op haar vloog Juda toe met den kreet: Moeder! moeder! Zij -strekte de handen naar hem uit; maar juist toen hij ze vatten zou werd -hij gegrepen en op zijde getrokken. Daar hoorde hij iemand met luide -stem zeggen: Daar is hij! - -Juda keek om en zag--Messala. - ---Wat, is dat de moordenaar?--die jongen? vraagde een statig man in -kostbare wapenrusting. - ---Alle goden! zeide Messala, dat is iets nieuws! Moet een man oud -geworden zijn om ten doode toe te kunnen haten? Hij is de schuldige, en -hier is zijn moeder, en dat is zijn zuster. De geheele familie bij -elkaar. - -Door liefde tot moeder en zuster gedrongen vergat Juda zijn twist met -den voormaligen vriend: Help haar, Messala! Denk aan onze vroegere -vriendschap en help haar. Ik--Juda--smeek er u om. - -Messala deed alsof hij het niet hoorde. Hij wendde zich tot den hoofdman -en zeide: Gij hebt hier mijne diensten niet meer noodig. Beneden op -straat is meer te doen. Weg met Eros, Mars regeert! - -Dit gezegd hebbende verdween hij. Juda begreep hem en in de bitterheid -zijner ziel bad hij: O God, als het uur der wrake geslagen is, laat haar -dan door mijne hand aan hem voltrokken worden. - -Met inspanning van alle krachten wist hij den hoofdman te bereiken.--O -heer, die vrouw is mijne moeder. Spaar haar en spaar mijne zuster. God -is rechtvaardig. Hij zal u genade voor genade bewijzen. - -De man scheen geroerd te zijn.--Naar den burcht met de vrouwen! riep -hij, maar doe ze geen kwaad. Ik zal ze van uwe hand eischen. Toen tot de -mannen, die Juda vasthielden: Bindt zijne handen, en brengt hem naar -buiten; hij zal zijne straf niet ontgaan. - -De moeder werd weggedragen. Tirza, door vrees verlamd, volgde haar -bewakers lijdelijk. Juda zag beiden voor het laatst aan, en sloeg toen -de handen voor het gelaat, alsof hij zich haar beeld onuitwischbaar -wilde inprenten. Indien hij een traan vergoot, niemand heeft het gezien. -Deze weinige oogenblikken waren voldoende geweest, om een volkomen -verandering in hem teweeg te brengen. Toen hij het hoofd weder ophief en -de armen uitstak, om zich te laten binden, was al wat nog kinderlijk aan -hem was verdwenen,--de jongeling was man geworden. - -Op de binnenplaats weerklonk trompetgeschal. De soldaten haastten zich -naar beneden. Menigeen, die het niet waagde met de bewijzen zijner -plunderzucht in de rijen ter verschijnen, wierp zijn buit weg, zoodat de -vloer overal met kostbare zaken bedekt was. Toen Juda beneden kwam, had -de stoet zich weer geordend en wachtte de aanvoerder slechts op de -uitvoering van zijn laatste bevelen. Tirza en hare moeder, benevens het -geheele dienstpersoneel, werden door de noordpoort uitgeleid, die wel -een ruine geleek. Het gejammer der dienstboden, waarvan verscheidene -ingeboornen des huizes waren, was droevig om aan te hooren. Toen ten -slotte de paarden en het vee weggevoerd werden, begon Juda de wraak van -den procurator ten volle te begrijpen. Alles, tot het woonhuis toe, was -ten verderve gedoemd. Geen levende ziel, zoo luidde het bevel, mocht -binnen zijne muren blijven. Mochten er soms in Judea nog lieden gevonden -worden, vermetel genoeg om een Romeinschen beambte te willen vermoorden, -dan zou het lot der vorstelijke familie Hur hun tot waarschuwing kunnen -dienen, terwijl hunne tot eene ruine vervallen woning den indruk -levendig zou houden. - -De hoofdman wachtte buiten, totdat een afdeeling soldaten de poort zoo -goed mogelijk weer in orde gebracht had. Het gevecht op straat was -geeindigd. Op de daken toonden hier en daar stofwolken aan, dat de rust -daarboven nog niet geheel hersteld was. De keizerlijke legioenen stonden -in 't gelid, even glansrijk als voorheen. Juda, die voor 't oogenblik -zichzelf geheel vergeten kon, had alleen aandacht voor de gevangenen, -waaronder hij tevergeefs zijne moeder en Tirza zocht. - -Daar verrees eensklaps van den grond, waar zij neergehurkt zat, eene -vrouw, en snelde naar de poort. Een paar van de wachten schoten toe om -haar te grijpen; maar zij ontkwam aan hunne handen onder vreugdegejuich -der toeschouwers. Zij baande zich een doortocht naar Juda, viel aan -zijne voeten neder en omvatte zijne knieen. - ---O, Amrah, goede Amrah, zeide hij, God helpe u, ik kan het niet. - -Het was haar onmogelijk te spreken. - -Hij boog zich tot haar neder en fluisterde: Leef, Amrah, voor Tirza en -mijne moeder. Zij zullen terugkomen, en-- - -Een soldaat trok haar weg; maar zij rukte zich los en snelde door de -poort en de gang naar den ledigen binnenhof. - ---Laat haar gaan, beval de hoofdman. Wij zullen het huis verzegelen, en -zij kan verhongeren. - -De manschappen hervatten hun werk, en toen zij aan dien kant gereed -waren, begaven zij zich naar de westzijde. Daar werd de poort eveneens -dicht gemaakt, waarna het oude paleis Hur vereenzaamd bleef staan. De -cohorte zette zich weder in beweging, terug naar den burcht, waar de -procurator eenige dagen rust hield, om van zijne wond te genezen en over -de gevangenen te beschikken. Tien dagen later bracht hij zijn bezoek aan -het paleis van den hoogepriester. - - - * * * * * - - -ZEVENDE HOOFDSTUK. - -DE GEVANGENE. - - -Den volgende dag verscheen een detachement Romeinsche soldaten voor het -verlaten huis, en na de ingangen met was verzegeld te hebben, spijkerden -zij aan de muren een plakkaat, waarop in het Latijn deze woorden te -lezen stonden: - - DIT IS HET EIGENDOM VAN DEN KEIZER. - -Nog een dag later, tegen den middag, naderde een hoofdman met tien -ruiters het stadje Nazareth van de zuidzijde, dat is, komende van -Jeruzalem. Nazareth was toen een onbeduidend dorp, tegen den heuvelrand -gebouwd. De eenige straat, waarop het aanspraak kon maken, was niet veel -meer dan een veel begaan geitenpad. Aan de zuidzijde strekte zich de -groote vlakte uit van Esdrelon, en van een westelijken heuveltop kon men -de Middellandsche zee, de landen van gene zijde der Jordaan, en den berg -Hermon zien liggen. Wijngaarden, tuinen en weilanden boden een -afwisselenden aanblik, terwijl hier en daar een palmboschje aan het -landschap een oostersch karakter verleende. - -De huizen van Nazareth waren onaanzienlijk, vierkant, een verdieping -hoog, van platte daken voorzien, en met frisch groene wingerden -begroeid. Waren de heuvelen van Judea dor en bruin verbrand, bij de -grenslijn van Galilea hield dat naargeestig schouwspel op. - -Toen de ruiters het dorp naderden deden zij hun trompetgeschal -weerklinken, hetgeen een magische uitwerking had op de inwoners. Alle -hekken en deuren gingen open, ieder wilde de eerste zijn om de ongewone -bezoekers te zien. Dat de Nazareners jegens de Romeinsche soldaten alles -behalve welwillend gestemd waren, behoeven wij wel niet te verzekeren; -maar toen zij zagen wat het doel van den tocht was kreeg de -nieuwsgierigheid de bovenhand, en wetende dat de Romeinen halt zouden -maken bij de bron op de markt, verlieten zij hunne huizen en sloten zich -bij den troep aan. - -De ruiters voerden een gevangene mede, dat was het wat ieders aandacht -trok. Hij ging te voet, bloothoofds, half naakt, de handen op den rug -gebonden. De riem, die zijne polsen bijeenhield, was om den hals van een -paard geslagen. Het stof, door de ruiters opgejaagd, hulde hem in een -dikke wolk. Zijn houding was gebogen, zijn gang moeilijk, hij scheen -bijna te bezwijken. - -Bij de bron hielden de soldaten stil en stegen af. De gevangene zonk -uitgeput op den grond; de krachten begaven hem. Toen de dorpelingen -naderbij kwamen en zagen dat het niet veel meer dan een knaap was, -schudden zij medelijdend het hoofd en zouden hem, indien zij slechts -gedurfd hadden, gaarne geholpen hebben. - -Terwijl zij onder elkander beraadslaagden en de soldaten hun dorst -leschten, kwam van den kant van Sepphoria een man aanwandelen. Een vrouw -zag hem het eerst en riep: Kijk, daar komt de timmerman. Nu zullen wij -wel iets te hooren krijgen. - -De bedoelde persoon, een eerwaardig grijsaard met zilveren lokken en een -langen witten baard, naderde met langzamen tred. Over den schouder droeg -hij een bijl en een zaag, alles zwaar en grof. Bij de bron bleef hij -staan en overzag de schare. - ---O, Rabbi, goede Rabbi Jozef, zeide de vrouw en liep op hem toe, hier -is een gevangene. Vraag toch eens aan de soldaten hoe hij heet en wat -hij gedaan heeft, en wat zij met hem gaan doen. - -Het gelaat van den oude bleef onbewogen. Hij beschouwde echter den -gevangene en wendde zich toen tot den hoofdman. - ---De vrede des Heeren zij met u, zeide hij ernstig. - ---En die van de goden met u, antwoordde de Romein. - ---Komt gij uit Jeruzalem? - ---Ja. - ---Uw gevangene is nog zeer jong. - ---In jaren, ja. - ---Mag ik vragen wat hij gedaan heeft? - ---Hij is een moordenaar. - -Met groote verbazing ging dat woord van mond tot mond, maar Rabbi Jozef -vervolgde: Is hij een zoon van Israel? - ---Hij is een Jood, antwoordde de Romein droogjes. - -Het medelijden der omstanders, dat sterk verminderd was, groeide op eens -weer aan. - ---Ik weet niets van uwe stammen af, vervolgde de hoofdman, maar kan u -wel zeggen wie zijn familie is. Misschien hebt gij wel eens van een -zekeren Hur, een vorst van Jeruzalem, gehoord, Ben-Hur noemden zij hem. -Hij leefde ten tijde van Herodes. - ---Ik heb hem gekend, zeide Jozef. - ---Nu, dit is zijn zoon. - -Van alle kanten hoorde men uitroepen van medelijden en ontsteltenis, -hetgeen den hoofdman niet beviel. Daarom liet hij er snel op volgen: -Eergisteren heeft hij den edelen Gratus getracht te dooden, door hem een -steen op het hoofd te werpen, boven van het dak van zijns vaders huis. - -De Nazareners gaapten den jongen Ben-Hur aan, alsof hij een wild dier -was. - ---Heeft hij hem gedood? vraagde Jozef. - ---Neen. - ---Is hij veroordeeld? - ---Ja, tot de galeien, levenslang. - ---God helpe hem! zeide Jozef bewogen. - -Een jonge man, die met Jozef medegekomen, doch onopgemerkt gebleven was, -legde de bijl, die hij over den schouder droeg, neer, ging bedaard naar -de bron, vulde een kruik met water, en boog zich, voordat iemand het -verhinderen kon, over den gevangene om hem te laten drinken. Zacht legde -hij de hand op Juda's schouder, en toen de arme jongen de oogen opsloeg, -zag hij een gelaat om nooit te vergeten, het gelaat van een jonkman, -wiens donkerblauwe oogen hem zoo liefdevol en deelnemend aanstaarden, -dat hij zich in eens gewonnen gaf. Zijn gemoed, verhard door lichamelijk -lijden en zoo verbitterd door het geleden onrecht, dat het aan niets dan -aan wraak kon denken, smolt als was onder dien blik. Hij zette den mond -aan de kruik en dronk het frissche water met lange gretige teugen. Geen -van beiden sprak echter een enkel woord. Toen Juda gedronken had legde -zijn nieuwe vriend zijne hand als zegenend op het hoofd van den -gevangene, bracht vervolgens de kruik weder waar hij die gevonden had, -nam zijn bijl op en voegde zich weder bij Jozef. Aller oogen, zoowel van -de Romeinen als van de dorpelingen, volgenden hem. - -Nadat de soldaten ook de paarden te drinken hadden gegeven begaven zij -zich weder op marsch. Over den hoofdman scheen een verandering gekomen -te zijn. Met eigen hand toch hielp hij den gevangene opstaan en zette -hem achter een soldaat op het paard. - -De Nazareners keerden naar huis terug, onder hen Jozef en zijn metgezel. - -Dit was de eerste ontmoeting tusschen Juda en den zoon van Maria. - - - * * * * * - - -BOEK III. - - - * * * * * - - -EERSTE HOOFDSTUK. - -QUINTUS ARRIUS. - - -De stad Misenum, eenige mijlen van Napels gelegen, heeft haren naam -gegeven aan het voorgebergte, welks sieraad zij was. Enkele ruines, -ziedaar alles wat van haar overbleef; maar in het jaar 24 der -Christelijke jaartelling was de plaats een van de belangrijkste aan de -westkust van Italie. Van den stadsmuur had men een heerlijk gezicht op -de blauwe golf van Napels met hare schilderachtige oevers, op den -rookenden Vesuvius, op Ischia hier en Capri daar, en ten slotte op -Rome's reservevloot, die voor Misenum ten anker lag. Een doorgang in den -stadsmuur voerde toen ter tijde naar een dam, die zich verscheidene -mijlen ver in zee uitstrekte. - -Op een koelen Septembermorgen werd de wachter op den muur boven den -doorgang uit zijne gepeinzen opgewekt door de nadering van een druk -pratend gezelschap. Hij zag even op en hernam zijn vorige houding. Het -gezelschap bestond uit twintig tot dertig personen; het meerendeel -slaven, die brandende fakkels droegen, welke een Indischen nardusgeur -verspreidden. De heeren gingen arm in arm vooraan. Een van hen, een -vijftigjarige, met een lauwerkrans om de slapen, scheen de held van een -of ander feest te zijn. Allen droegen ruime toga's van witte wollen -stof, met breede purperen randen afgezet. De wachter had met een blik -gezien, dat het lieden van aanzien waren, die na een nachtelijke partij -een vriend uitgeleide deden. - ---Neen, Quintus, zeide een van hen tot den bekranste, het staat Fortuna -niet mooi u zoo spoedig aan ons te ontrooven. Eerst gisteren van de reis -teruggekeerd, gaat gij ons nu reeds weder verlaten. - ---Bij Castor, zeide een tweede, waartoe dat klagen? Onze Quintus gaat -slechts herwinnen wat hij van nacht verloren heeft. Dobbelsteenen op een -zwalkend schip staan niet gelijk met dobbelsteenen aan den vasten wal, -is 't wel Quintus? - ---Beleedig Fortuna niet, waarschuwde een derde. Zij is niet blind of -wispelturig. Ontneemt zij hem ons bij tijd en wijle, zij brengt hem ons -toch altijd weer terug met nieuwe lauweren beladen. - ---De Grieken halen hem weg, zeide een ander. Aan hen de schuld; laat ons -dus de goden met rust laten. - -Zoo sprekende ging het gezelschap door de poort op den dam. Den zeeman -klonk het kabbelen der golven als een welkomstgroet in de ooren. Hij -haalde diep adem, alsof het zilte nat hem liefelijker was dan de nardus. -Ziet, sprak hij de hand opheffende, de wind waait uit het westen. Heb -dank, moeder Fortuna! - -De vrienden herhaalden den uitroep in koor, de slaven zwaaiden de -fakkels. - ---Daar komt zij! vervolgde hij, en wees op een naderende galei. Welk -zeeman zou een ander liefje begeeren? Is uwe Lucretia bevalliger, vriend -Cajus? - -Met stralende oogen keek hij naar de galei, die zijn lof waardig was. -Het witte zeil stond bol en de riemen gingen in volmaakte regelmaat en -met vleugelslag op en neder. Ja, zeide hij ernstig, den blik op het -vaartuig gericht, laat de goden rusten. Zij verschaffen ons de -gelegenheden en het is onze eigen schuld, als wij niet slagen. En wat de -Grieken betreft, Lentulus, de zeerovers die ik moet gaan straffen zijn -Grieken. Eene overwinning op hen behaald is van meer gewicht, dan -honderd op de Afrikanen. - ---Gij gaat dus naar de Egeische zee? - ---Ja, en daar ik zo spoedig mogelijk vertrek zal ik u de aanleidende -oorzaak vertellen; maar gij moet er niet buitenaf over spreken. Ik zou -niet gaarne willen, dat gij er den duumvir, zoo gij hem weder ontmoet, -over lastig valt; hij is mijn vriend. De handel tusschen Griekenland en -Alexandrie is, zooals gij misschien weet, bijna van evenveel beteekenis, -als die tusschen Alexandrie en Rome. Nu vergat het volk in dat gedeelte -der wereld de Cerealia te vieren, en Triptolemus gaf hun dientengevolge -een oogst, die het inzamelen ternauwernood waard was. Maar de handel is -zoo toegenomen, dat van geen staking hoe kort ook sprake kan zijn. - -Waarschijnlijk hebt gij ook gehoord van de Chersonesische zeerovers, die -in de golf van Euxine nestelen. Brutaler dan zij bestaan niet. Gisteren -werd te Rome bericht ontvangen, dat zij met een vloot den Bosphorus -waren afgeroeid, de galeien bij Byzantium en Chalcedon in den grond -hebben geboord en, op verderen buit belust, de Egeische zee opvoeren. -De korenkoopers, wier schepen op de Oost-Middellandsche zee zijn, hebben -een persoonlijk onderhoud met den keizer gehad. Dientengevolge -vertrekken heden nog van Ravenna een honderdtal galeien, en van -Misenum--hij zweeg even, alsof hij de nieuwsgierigheid zijner vrienden -wilde prikkelen--van Misenum een galei. - ---Gelukkige Quintus, wij wenschen u van harte geluk! - ---Deze opdracht is de voorloopster van een bevordering. Wij begroeten u -als duumvir, niet minder. - ---Quintus Arrius de duumvir--dat klinkt nog mooier dan Quintus Arrius de -tribuun. - ---Dank, hartelijk dank! antwoordde Quintus. Hadt gij lantaarnen bij u, -ik zou u auguren noemen. Ja, ik ga nog verder: ik zal u bewijzen dat gij -meesters in het raden zijt. Ziet en leest. - -Uit de plooien van zijn toga bracht hij een rol te voorschijn, -overhandigde die en zeide: Dit ontving ik van Sejanus, terwijl wij aan -den maaltijd waren. - -Die naam had een goeden klank onder de Romeinen, eerst later werd hij -berucht. - ---Sejanus! riepen zij als uit een mond, en staken de hoofden bij -elkander om het stuk te lezen. - - Sejanus aan C. Caecilius Rufus, Duumvir. - - Rome, XIX Kal. Sept. - De keizer heeft het goede nieuws vernomen aangaande Quintus Arrius, - den tribuun. Met name heeft hij den moed hooren roemen, door hem in - de westelijke zeeen betoond. Daarom beveelt hij dat genoemde - Quintus zonder verwijl naar het oosten verplaatst worde. - - Voorts is het de wil van onzen keizer, dat gij onmiddellijk een - honderdtal der best drieriemige galeien afzendt tegen de roovers, - die zich in de Egeische zee vertoond hebben, en dat aan Quintus het - bevel over die vloot worde opgedragen. - - Aan u, Caecilius, wordt de bezorging van een en ander overgelaten. - - De zaak dringt, zooals gij zien zult uit de berichten, die hier - bijgevoegd worden, opdat gij en Quintus er kennis van zoudt nemen. - SEJANUS. - -Arrius luisterde slechts ten halve. Het naderende vaartuig nam zijne -aandacht geheel in beslag. Nu zwaaide hij met een slip van zijn toga; -als antwoord op dat signaal werd op het schip een roode vaan geheeschen, -en het zeil ingehaald. De boeg werd landwaarts gekeerd, de riemslag -versneld,--Arrius sloeg het met welgevallen gade. Op zulk een -vaartuig kon men staat maken in den tijd van nood. - ---Bij alle goden! zeide een van de vrienden, hem de rol teruggevende, -wij mogen niet meer zeggen: onze vriend zal een groot man worden; hij is -het reeds. Hebt gij nog meer belangrijks voor ons? - ---Neen, was het antwoord. Wat gij zooeven vernomen hebt is thans reeds -oud nieuws in Rome, ten minste tusschen paleis en Forum. De duumvir is -voorzichtig; wat ik doen moet en waar ik mijn vloot kan vinden zal ik -straks aan boord vernemen. Als gij echter vandaag aan een der altaren -gaat offeren, bidt dan voor uwen vriend, die in de richting van Sicilie -vaart. Maar daar is het schip. Zijne bestuurders boezemen mij belang in, -want zij moeten met mij zeilen en strijden. Dit is geen gemakkelijke -kust om aan te leggen, ik heb dus een kostelijke gelegenheid om over -hunne vaardigheid te oordelen. - ---Wat? is het schip u dan vreemd? - ---Ik zie het nu voor de eerste maal, en weet zelfs niet, of ik er een -bekende op zal aantreffen. - ---Is dat niet gewaagd? - ---Neen, het doet niets ter zake. Op zee leert men elkander spoedig -kennen. In de ure des gevaars wordt onze liefde zoowel als onze haat -geboren. - -Het vaartuig behoorde tot de soort van oorlogsschepen, die op groote -snelheid en plotselinge wendingen waren berekend. Lang, smal, schoot het -als een zwaan door het water. Onder den boeg, in het water -vooruitspringend, was de snavel, uit hard hout vervaardigd en met ijzer -beslagen, die in den strijd als stormram dienst deed. Hecht lofwerk, -langs de volle lengte van het schip, begrensde de verschansing. -Daaronder waren drie rijen openingen voor de roeiriemen, aan iederen -kant zestig. Twee dikke touwen, die over den boeg liepen, gaven het -getal ankers aan, die op het voordek bewaard werden. De eenvoudige -inrichting van het verdek deed zien, dat men zich voornamelijk op de -roeiers verliet. - -Nagenoeg in het midden rees de mast omhoog, die door stangen en staggen -overeind werd gehouden. Het touwwerk diende om een groot vierkant zeil -te besturen. Behalve de manschap, die het zeil gereefd had, was van den -dam gezien nog slechts een man zichtbaar. Deze stond bij den boeg en -droeg een helm en schild. De honderdtwintig eikenhouten riemen, glanzend -wit gehouden door afwrijvingen met puimsteen, gingen zoo regelmatig op -en neer, alsof een hand ze bestuurde. De snelheid waarmee de galei -voortschoot was zoo groot, dat de vrienden van den tribuun hun hart -vasthielden. - -Eensklaps hief de man bij den boeg zijne hand op. Alle riemen gingen -naar boven, bleven een oogenblik omhoog en vielen toen pijlsnel neder. -Het water kookte en borrelde, de galei trilde tot in de voegen, en bleef -dan als verschrikt stil liggen. Een tweede handbeweging van den -commandant, en wederom gingen de riemen op, bleven omhoog en vielen; -maar ditmaal roeiden die van de rechterzijde vooruit, die van de -linkerzijde daarentegen achteruit. Tot driemalen werd deze manoeuvre -herhaald, toen draaide de galei als om hare as naar rechts, ving wind, -en legde zijwaarts bij den dam aan. - -Door die beweging kreeg men het achterschip beter te zien, waar, onder -het hooge gebeeldhouwde en fraai vergulde windhuisje, op een -verhevenheid de stuurman zat, een statige figuur in volle wapenrusting. - -Trompetgeschal weerklonk, en op dat signaal verscheen de bemanning op -het verdek, allen in groot tenue, met glinsterende helmen, schilden en -speren. Terwijl de soldaten front maakten, klommen de matrozen in den -mast en zetten zich op de ra. De officieren en muzikanten namen hunne -plaatsen in. Alles geschiedde met de grootste orde, zonder noodelooze -drukte. Zoodra de galei aan den dam lag werd van het stuurmansverdek een -plank naar den wal gelegd. - -Toen wendde de tribuun zich tot zijne vrienden en zeide met grooten -ernst: Mijn plicht roept mij, waarde vrienden. - -Hij nam den krans van zijn hoofd en gaf hem aan den dobbelaar. Neem gij -den krans, gunsteling der dobbelsteenen! Als ik terugkeer zal ik gaarne -mijn geluk weer beproeven. Overwin ik niet in den strijd, dan kom ik -niet terug. Hang den krans in uw atrium. - -Nu breidde hij de armen uit en omhelsde hen allen. - ---Mogen de goden u vergezellen, Quintus! riepen zij. - ---Vaartwel, zeide hij, groette de slaven, die met de fakkels zwaaiden, -met de hand en keerde zich toen naar het schip. Zoodra hij de plank -betreden had werden de trompetten geblazen, en boven het windhuisje -ontplooide zich de purperen vlag ten teeken dat de vlootvoogd aan boord -was. - - - * * * * * - - -TWEEDE HOOFDSTUK. - -DE ROMEINSCHE GALEI. - - -De tribuun stond op het verdek, met de order den duumvir in de hand en -sprak tot den overste der roeiers: Hoeveel mannen hebt gij? - ---Tweehonderd tweeenvijftig roeiers en tien om in te vallen. - ---Dat geeft een aflossing van.... - ---Vierentachtig. - ---Hoe dikwijls? - ---Om de twee uur. - -De tribuun dacht een oogenblik na, en zeide: Een zware dienst. Dat moet -veranderd worden, maar niet dadelijk, want wij moeten dag en nacht door. - -Toen wendde hij zich tot den loods: Hoeveel jaren dienst hebt gij? - ---Tweeendertig. - ---Welke zeeen hebt gij voornamelijk bevaren? - ---Tusschen Rome en het oosten. - ---Uitnemend. - -De tribuun zag zijn order nogmaals in. - ---Onze weg gaat langs kaap Camponella, naar Messina. Dan langs de kust -van Calabrie, totdat gij Melite links hebt, dan--kent gij de sterren, -die in de Jonische zee den boventoon hebben? - ---Ja zeker. - ---Goed. Dan van Melito oostwaarts naar Cythera. Als de goden ons gunstig -zijn zullen wij het anker niet uitwerpen, voordat wij de baai van -Antemona binnen loopen. De tijd dringt: ik verlaat mij op u. - -Arrius was een voorzichtig man. Hij behoorde tot de soort van menschen, -die, terwijl zij den goden rijke offers brachten, niettemin van meening -waren, dat het welslagen eener onderneming meer afhing van eigen wijs -beleid, dan van gaven en beloften. Als held van het feest had hij den -ganschen nacht met drinken en spelen doorgebracht; maar de frissche -zeelucht riep den zeeman in hem wakker en hij dacht niet aan rust, -voordat hij zijn schip kende. Na met de officieren en de verschillende -opzichters gesproken te hebben, doorliep hij de galei van onder tot -boven en liet zich van alles volkomen op de hoogte brengen. Dat afgedaan -zijnde bleef hem alleen nog over zijn personeel te leeren kennen, en -daar dit het moeilijkste deel van zijn taak was en nogal tijd vereischte, -zette hij zich dadelijk aan den arbeid. - -Tegen den middag naderde de galei Paestum. De wind woei nog steeds uit -het westen en deed het zeil zwellen. De wachten waren verdeeld. Op het -voordek was een altaar opgericht en met zout en gerst bestrooid. De -tribuun had plechtige gebeden opgezonden tot Jupiter en Neptunus en de -Oceaniden, en onder het doen van velerlei geloften den wijn uitgegoten -en wierook gebrand. Thans zat hij, een recht krijgshaftige figuur, in de -groote kajuit, en bestudeerde de manschappen. - -De kajuit bevond zich in het midden der galei, was zesenvijftig voet -lang en dertig breed en ontving haar licht door drie breede luiken. De -zoldering rustte op twee rijen dunne palen, en in het midden verrees de -mast uit een gansche verzameling van bijlen en speren. Bij ieder luik -voerde rechts en links een trap naar beneden, en daar de luiken -openstonden had het licht er vrijen toegang. Deze ruimte was om zoo te -zeggen het hart van het schip, de plaats van samenkomst voor allen: -eetkamer, slaapkamer, exercitieveld. - -Aan het achtereinde der kajuit voerde een trapje naar een platform, -waarop de hortator, of overste der roeiers zat, die met een stokje de -maat aangaf voor de roeiers. Rechts van hem stond een wateruurwerk, om -de aflossingen naar te berekenen. Boven hem, op een nog hooger gelegen -platform, behoorlijk afgesloten door een vergulde balustrade, was het -kwartier van den tribuun. Van daar kon hij alles overzien. Een rustbed, -een tafel en een leunstoel, alles zeer gerieflijk en kostbaar, maakten -het ameublement uit. - -In dien armstoel gezeten hield Arrius een waakzaam oog over zijne -manschappen, die hem van hunnen kant ter sluik menigen blik toewierpen. -Het langst verwijlde zijne aandacht bij de roeiers. Wat hij daar zag was -overigens zeer eenvoudig. Langs de kajuit, aan de zijwanden van het -schip bevestigd, waren twintig bankjes aangebracht, ieder voor drie -roeiers, in dier voege, dat de tweede op de bank hooger zat dan de -eerste, en de derde hooger dan de tweede. De roeiers op de eerste en -tweede plaats zaten, die van de derde stonden, omdat hunne roeispanen -zooveel langer waren. Het bovengedeelte van de roeispanen was met lood -gevuld. Zij hingen in lenige lederen riemen, die een zwevende beweging -mogelijk maakten, maar tezelfder tijd groote bedrevenheid eischten, daar -een onverwachte golfslag den onoplettenden roeier in eens kon -omverwerpen. De zestig openingen waren even zoovele luchtkokers, zoodat -het hun niet aan frissche lucht behoefde te ontbreken. Licht ontvingen -zij door een traliewerk, dat tot vloer diende van de gang tusschen het -dek en de borstwering boven hun hoofd. - -In sommige opzichten had het lot dier armen dus nog erger kunnen zijn; -maar men moet zich niet verbeelden, dat hun leven genoeglijk was. Het -was hun streng verboden een woord met elkander te wisselen. Dag aan dag -namen zij zwijgend hunne plaatsen in, onder het werk konden zij elkander -niet aanzien, hun korte rusturen werden ingenomen door slaap en een -haastig maal. Nooit zag men hen lachen, nooit hoorde men hen zingen. Het -leven van deze rampzaligen geleek op een onderaardschen stroom, die -langzaam maar zonder ophouden voortzwoegt, totdat hij, onverschillig -waar, vervloeit. - -O, Zoon van Maria! In onzen tijd heeft het zwaard een hart--en dat -danken wij U! maar in de dagen, waarvan wij nu spreken, moesten de -gevangenen slavendienst verrichten op de wallen, in de straten en -mijnen, terwijl de handels- en oorlogsgaleien onverzadelijk waren. Bijna -ieder volk had zijn aandeel geleverd, meest krijgsgevangenen. Britten, -Libyers, Scythen, Galliers, Romeinsche boosdoeners, Gothen, Longobarden, -Joden, Ethiopiers, Grieken, Kimbren, alles zat daar door elkander. - -Het roeien had niets om het verstand, hoe weinig ontwikkeld ook, bezig -te houden. De bewegingen waren zelfs bij onstuimig weer zeer automatisch. -Langzamerhand werden de ongelukkigen stompzinnig, geduldig, geesteloos, -terende op weinige maar liefelijke herinneringen, ten slotte geheel -verstompt en gewoon aan lijden en ontbering. - -Uur op uur zat de tribuun in zijn armstoel en overdacht al wat maar te -overdenken was; alleen niet het ongelukkig lot der slaven op de -roeiersbanken. Het kijken naar hunne regelmatige bewegingen ging hem na -een poosje vervelen. Tot afwisseling wilde hij eens trachten te -ontdekken, of er ook een bijzonder goede of slechte onder school. - -Dat het onnoodig werd geoordeeld de namen der veroordeelden bij te -houden, behoeven wij wel niet te verzekeren; het nummer van hun -zitplaats was voldoende om hen uit elkander te houden. De scherpe blik -van den tribuun ging alle rijen langs, totdat hij ten laatste op Nummer -60 bleef rusten. Deze roeier was nog zeer jong, zoo op het oog -nauwelijks twintig jaar. Behalve een doek om de lenden was hij, evenals -zijne lotgenooten, geheel naakt, waardoor zijne schoone vormen, zijn -krachtig spierweefsel op hun voordeeligst uitkwamen. De wijze waarop hij -zijn werk verrichte, kunstvaardigheid en kracht verradende, ja zijn -gehele houding trokken de aandacht van den tribuun, die eene bijzondere -voorliefde koesterde voor alles wat met athletische oefeningen in -verband stond, en zich vleide een kenner te zijn op dat gebied. - -Kon hij hem nu maar eens in het gelaat zien. Het hoofd was welgevormd en -werd gedragen door een forschen en toch slanken nek. Het profiel was -fijn en van Oostersche type, lang niet alledaagsch, zoodat de tribuun -werkelijk belang in hem ging stellen. - -Bij alle goden, zeide hij hardop, die knaap belooft wat. Ik moet weten -waar hij vandaan komt. - -De toeleg gelukte--de roeier keek om en zag den tribuun aan. - ---Een Jood! Nog een knaap. - -De onderzoekende blik van den tribuun dreef den slaaf het bloed naar de -wangen, zijn groote oogen werden nog grooter, de riem bleef rusten ... -daar sloeg de hortator met een toornig gebaar tegen de tafel. De roeier -schrikte, keek voor zich, en hervatte met verdubbelden ijver zijn werk. -Toen hij later nog eens naar den tribuun omzag steeg zijne verwondering -ten top--hij ontmoette een vriendelijk glimlachje. - -Intusschen stevende de galei de straat van Messina in, liet de stad van -dien naam rechts liggen, en keerde oostwaarts, den Etna met zijn -rookwolken achter zich latende. - -Telkens als Arrius naar zijn zetel op het platform terugkeerde zocht -zijn oog N deg.. 60 op, en moest hij bij zichzelven herhalen: Daar steekt -iets achter. Een Jood is geen barbaar. Ik moet weten wie hij is. - - - * * * * * - - -DERDE HOOFDSTUK. - -DE GALEISLAAF. - - -Vier dagen later vinden wij de Astrea, zoo heette de galei, in de -Jonische zee. De lucht was helder, de wind gunstig. Daar het niet -onmogelijk was de vloot in te halen voor het aangewezen punt, bracht -Arrius een groot gedeelte van den dag op het dek door. Hij ging alles -zelf na en was over het algemeen zeer tevreden. N deg.. 60 verloor hij -intusschen niet uit het oog. - ---Kent gij den man, die daar juist zijn plaats verlaat? vraagde hij den -hortator, die een aflossing bevolen had. - ---N deg.. 60? - ---Ja. - ---De opzichter keek den roeier na en antwoordde: Zooals gij weet is het -schip eerst sedert een maand uit de hand van zijn maker gekomen, en de -mannen zijn al even nieuw voor mij, als het schip. - ---Hij is een Jood, zeide Arrius nadenkend. - ---De edele Quintus heeft een scherpen blik. - ---Hij is zeer jong, vervolgde Arrius. - ---Maar onze beste roeier. Ik heb zijn riem zien buigen tot brekens toe. - ---Hoe is zijn aard? - ---Hij is gehoorzaam, meer weet ik er niet van. Hij heeft mij slechts -eenmaal een verzoek gedaan. - ---Welk? - ---Hij vroeg mij, of ik hem bij afwisseling nu eens aan de rechter en dan -weer aan de linkerzij wilde plaatsen. - ---Gaf hij een reden op? - ---Ja. Hij had opgemerkt dat de mannen, die altijd aan denzelfden kant -werken, ten laatste scheef worden. Hij zei ook, dat men hem in geval van -storm of gevecht eensklaps aan den anderen kant kon noodig hebben, en -dan zou hij niet van zessen klaar zijn. - ---Zoo, zoo; dat is iets nieuws. Wat hebt gij meer van hem opgemerkt? - ---Hij is veel zindelijker dan de anderen. - ---Daarin is hij dan een Romein, zeide Arrius welvoldaan. - ---Weet gij niets van zijne geschiedenis? - ---Niets hoegenaamd. - -De tribuun dacht een oogenblik na en zeide toen: Mocht ik op het dek -zijn als zijn tijd om is, zend hem dan bij mij; maar alleen. - -Ongeveer twee uren later stond Arrius onder het windhuisje. De stuurman -zat aan 't roer, enkele matrozen lagen in de schaduw van het zeil te -slapen, op een van de stangen zat een wachter. Opziende zag de tribuun -N deg.. 60 naderen. - ---De hortator noemde u den edelen Quintus Arrius, en zeide, dat ik -volgens uw bevel hier moest komen. Hier ben ik. - -Arrius zag met bewondering naar het slanke gespierde lichaam en dacht -aan de arena. Het optreden van den jongeling trof hem. Zijn toon en -manier van spreken bewezen, dat hij zijn jeugd onder beschaafde lieden -doorgebracht had. Zijne oogen stonden helder en klaar, en de uitdrukking -was meer nieuwsgierig dan uitdagend. Den onderzoekenden trotschen blik -van den tribuun doorstond hij kalm, toonde geen spoor van haat of -wraakgevoel, alleen diep gewortelde droefheid. Dientengevolge liet de -tribuun zijn hoogen toon varen en sprak den slaaf vriendelijk toe: De -hortator heeft mij gezegd dat gij de beste roeier zijt. - ---Dat is heel vriendelijk van hem. - ---Zijt gij reeds lang in dienst? - ---Bijna drie jaar. - ---Aan de riemen? - ---Ja, ik heb geen dag rust gehad. - ---Het werk is zwaar. Menig volwassen man houdt het geen jaar uit en -gij--gij zijt nog zoo jong. - ---De edelen tribuun vergeet, dat de geest ook een woordje meespreekt. -Door zijn toedoen leeren de zwakken soms verdragen wat de sterken doet -bezwijken. - ---Naar uwe spraak te oordeelen zijt gij een Jood. - ---Mijne voorvaderen waren Hebreen lang voordat de eerste Romein bestond. - ---Gij zijt een echte Jood, even trotsch als al de anderen, zeide Arrius, -den verhoogden blos op het gelaat van den jongeling ziende. - ---Trots doet zich nooit zoo sterk gelden, dan wanneer hij geketend ligt. - ---Welke reden hebt gij dan om trotsch te zijn? - ---Dat ik een Jood ben. - -Arrius glimlachte. Ik ben nooit in Jeruzalem geweest, zeide hij, maar ik -heb wel van de vorsten van Jeruzalem gehoord. Ik heb er zelfs een van -gekend. Hij was koopman en voer ter zee. Hij was waard koning te zijn. -Tot welken stand behoort gij? - ---Ik moet u van de galeibank antwoorden. Ik ben een slaaf, maar mijn -vader was een vorst van Jeruzalem en voer als koopman ter zee. Keizer -Augustus kende hem en ontving hem met eerbewijzen aan zijn hof. - ---Hoe heette hij? - ---Ithamar, uit het huis van Hur. - ---Wat! riep de tribuun verbaasd, gij een zoon van Hur--gij? Na een -oogenblik zwijgen vraagde hij: Hoe zijt gij hier gekomen? - -Juda boog het hoofd, hij ademde zwaar. Toen hij zichzelven genoeg -meester was zag hij den tribuun flink aan en zeide: Ik werd beschuldigd -van een moordaanslag op Valerius Gratus, den procurator. - ---Gij! riep Arrius, wiens verbazing nog grooter werd. Gij die -moordenaar! Geheel Rome was er over verontwaardigd. Ik lag met mijn -schip te Lodinum, en hoorde het daar. - -Beiden zagen elkander zwijgend aan. Ik dacht dat het geslacht Hur -uitgeroeid was, zeide Arrius eindelijk. - -Een stroom van liefelijke herinneringen deed Juda's trots bezwijken, de -tranen vloeiden over zijne wangen. Moeder--moeder! en mijn lieve Tirza! -Waar zijn zij? O tribuun, edele tribuun, als gij iets aangaande haar -weet, riep hij, de handen smeekend opheffend, vertel het mij dan. Zeg -mij of zij nog leven, en waar dan, en hoe? O, ik bid u, zeg het mij dan. - -Al sprekende was hij tot vlak voor den tribuun getreden. - ---Drie jaren zijn voorbijgegaan sedert dien vreeselijken dag, vervolgde -hij, drie jaren, edele tribuun, en ieder uur was een marteling voor mij. -De arbeid was mijn enige afleiding. In al dien tijd heb ik geen woord, -geen enkel woord, met iemand gewisseld. O, konden wij, vergetenen, toch -ook maar zelf vergeten. Kon ik dat vreeselijk tooneel maar uit mijn -geheugen bannen! mijn zusje weggerukt van mijne zijde, en die laatste -blik van mijne moeder! In gevaren van pest, stormen en krijgsgewoel heb -ik gelachen, terwijl anderen baden, want de dood zou mij van mijne -ellende verlost hebben. Zeg mij, dat zij dood zijn, want zij kunnen toch -niet gelukkig zijn, zoolang zij over mijn lot in het onzekere verkeeren. -Ik heb haar stemmen 's nachts gehoord, ze roepen om mij. Ik heb ze op de -golven zien wandelen. O mijne moeder, mijn lieve moeder! En Tirza, mijn -zusje, zoo mooi, zoo lief, zoo aardig! Altijd vroolijk, altijd zingende. -En mijne hand, de mijne, heeft haar neergeveld! Ik-- - ---Bekent gij schuld? vraagde Arrius streng. - -De uitdrukking van Juda's gelaat veranderde als met een tooverslag. Zijn -stem werd scherper van toon, zijn geheele lichaam trilde, zijn oogen -schoten vuur, toen hij, de handen opheffende zeide: Gij kent den God -mijner vaderen, Jehova, den eenige. Bij zijne waarheid, zijne almacht, -en bij de liefde, waarmede hij Israel van den beginne heeft liefgehad, -betuig ik: Ik ben onschuldig! - -De tribuun was diep bewogen. - ---O edele Romein! vervolgde Ben-Hur, schenk mij geloof, en doe een -straal van licht vallen in mijne duisternis. - -Arrius wendde zich af en wandelde het dek op en neer. - ---Hebt gij een verhoor ondergaan? vraagde hij, eensklaps stilstaande. - ---Neen. - -De Romein zag verbaasd op. Niet verhoord--geen getuigen opgeroepen? Wie -heeft het vonnis over u uitgesproken? - -De Romeinen, het zij hier even herinnerd, waren nooit meer gesteld op -het in acht nemen van wettelijke formaliteiten, dan in den tijd van hun -verval. - ---Zij hebben mij gebonden en in de gevangenis geworpen. Ik zag niemand, -en niemand sprak tegen mij. Den volgenden dag werd ik door soldaten -weggebracht naar de galeien. - ---Wat hadt gij tot bewijs van uwe onschuld kunnen aanvoeren? - ---Ik was nog een kind, te jong om aan een moord te denken. Gratus was -mij geheel vreemd. Als ik hem had willen dooden zou ik een ander uur en -een andere plaats hebben uitgekozen. Hij reed te midden van zijne -troepen, en het was helder dag. Ik zou niet hebben kunnen ontkomen. Ik -behoorde tot een geslacht, dat met Rome op goeden voet stond. Mijn vader -was door den keizer met onderscheiding behandeld, om de diensten, die -hij den staat bewezen had. Wij hadden een groot fortuin te verliezen. -Niet alleen ik, maar ook mijne moeder en zuster zouden moeten boeten. -Ik had geen reden om zulk een misdaad te begaan, en de gedachte aan huis, -familie, geweten, Wet, zou mijne hand hebben tegengehouden, al was de -begeerte ook nog zoo sterk in mij geweest. Ik was niet krankzinnig. De -dood was te verkiezen boven de schande en, geloof mij, zoo denk ik er -nog over. - ---Wie was bij u, toen de procurator getroffen werd? - ---Ik was op het dak van ons huis. Tirza was bij mij. Zij stond naast -mij. Ik leunde over de borstwering om de soldaten te zien voorbijgaan. -Een losgeraakte steen kantelde door de drukking van mijne hand, en viel -op Gratus. Ik was doodelijk ontsteld. - ---Waar was uwe moeder? - ---Beneden in haar kamer. - ---Wat is van haar geworden? - -Ben-Hur balde de vuisten en hijgde naar adem. Ik weet het niet. Ik zag -dat zij haar meesleurden--dat is alles. Alle levende ziel werd uit het -huis verdreven, zelfs het stomme vee, en de poorten werden verzegeld. De -bedoeling was dat zij er niet meer zou terugkomen. Waar is zij? O, dat -ik het wist! Zij ten minste had er geen schuld aan. Ik kan vergeven,--maar -'t is waar, een slaaf moet maar zwijgen van vergeven of van wraak nemen. -Ik ben levenslang tot de galeien veroordeeld. - -Arrius luisterde aandachtig. Hij riep al zijne ondervinding met slaven -te hulp. Als dit comediespel was, dan was de Jood een geboren acteur; -maar was hij werkelijk onschuldig, met welk een blinde woede was men dan -tegen hem te werk gegaan! Een gansche familie weggevaagd, om voor een -ongeluk te boeten. Dat ging te ver.--De tribuun was een zeer streng man; -maar hij was ook rechtvaardig. Zijne onderhoorigen noemden hem den -goeden tribuun. - -In het verhaal van den jongeling was veel dat ten zijnen gunste sprak. -Misschien kende Arrius Valerius Gratus, maar voelde hij zich niet tot -hem aangetrokken. Misschien had hij den ouderen Hur gekend.... Hoe het -zij, ditmaal wist de tribuun met recht wat hij doen zou. Zijne macht aan -boord was onbeperkt. Alles noopte hem om genade te bewijzen. Hij -geloofde den jongen roeier. Maar, zooals hij tot zichzelf zeide, er was -geen haast bij, terwijl hij wel haast had om Cythera te bereiken. Den -besten roeier vrij te geven, dat ging niet. Hij zou wachten, hij moest -nog meer zien te vernemen; hij moest ten minste zeker weten dat dit -vorst Hur was, en dat hij een goede inborst had. Gewoonlijk waren slaven -leugenaars. - ---Het is goed, zeide hij, gij kunt gaan. - -Ben-Hur boog, zag nog eenmaal zijnen gebieder aan, maar ontdekte niets -dat hem hoop kon geven. Langzaam wendde hij zich af, keek nog eenmaal om -en zeide: Indien gij bij geval weder aan mij denken mocht, edele tribuun, -wil u dan vooral herinneren, dat ik alleen om tijding gevraagd heb van -mijne moeder en zuster. - -Hij ging. Arrius volgde hem met bewonderende blikken. Bij alle goden, -dacht hij, met een weinig leiding zou hij in de arena kunnen schitteren. -Wat een looper! Welk een arm voor het zwaard!--Halt! riep hij luid. - -Ben-Hur bleef staan. Wat zoudt gij doen als gij vrij waart? vraagde de -tribuun. - ---De edele Arrius spot met mij, antwoordde de jongeling met bevende -lippen. - ---Neen, bij alle goden, neen! - ---Dan wil ik u gaarne antwoorden. Voor alle dingen zou ik mijn plicht -doen. Ik zou mijzelven geen rust gunnen, voordat ik mijne moeder en -Tirza weder thuis gebracht had. Iederen dag, ja ieder uur zou ik aan -haar geluk wijden. Ik zou haar dienen, trouwer dan de trouwste slaaf. -Zij hebben veel verloren; maar bij den God mijner vaderen, ik zou haar -meer terugbezorgen! - -Zulk een antwoord had de Romein niet verwacht. Hij aarzelde een -oogenblik. Maar, zeide hij, als uwe moeder en zuster dood waren, of niet -gevonden konden worden, wat zoudt gij dan doen? - -Het gelaat van Ben-Hur werd met een doodelijken bleekheid overtogen. Hij -staarde in de golven. Hij scheen een zwaren strijd te strijden. Toen hij -tot bedaren gekomen was vraagde hij: Welk beroep ik zou kiezen? - ---Ja. - ---Tribuun, ik zal u naar waarheid antwoorden. Den avond voor dien -vreeselijken dag had mijne moeder mij toegestaan soldaat te worden. Daar -wensch ik bij te blijven, en daar er in de geheele wereld slechts eene -leerschool is, zou ik daar heengaan. - ---De arena! riep Arrius. - ---Neen, een Romeinsch kamp. - ---Maar gij moet toch eerst de wapenen leeren hanteeren. - -Het is altijd gevaarlijk voor een meester een slaaf raad te geven. -Arrius zag dadelijk zijne fout en veranderde van toon. Ga nu, zeide hij, -en bouw geen hoop op wat wij nu verhandeld hebben. Wie weet of ik mij -misschien wat met u heb willen vermaken. Of--indien gij er toch met hoop -voor de toekomst aan denken wilt, kies dan tusschen den roem van een -gladiator en den dienstplicht van een soldaat. Het eerste kan de gunst -des keizers u bezorgen, als soldaat hebt gij op niet te hopen. Gij zijt -geen Romein. Ga! - -Twee minuten later zat Ben-Hur weder op zijne plaats. Het zwaarste werk -wordt gemakkelijk als het hart luchtig is. Het roeien viel Juda niet -meer zoo hard. Een straal van hoop was in zijne ziel gevallen. Hij kon -het niet onder woorden brengen, maar zijn gevoel zeide hem dat hij zich -niet bedroog. Telkens als de waarschuwing van den tribuun: misschien heb -ik mij met u willen vermaken,--hem voor den geest kwam, verdreef hij -haar. Dat de groote man hem geroepen had en hem zijne geschiedenis had -laten vertellen was het voedsel, waarmee hij zijn hongerige ziel voedde. -Ja zeker, er zou iets goeds uit voortkomen. Hoopvol en dankbaar bad hij: -o God, ik ben een echte zoon van het volk Israel, dat gij zoozeer bemind -hebt. Help mij, o help mij! - - - * * * * * - - -VIERDE HOOFDSTUK. - -EEN LICHTSTRAAL - - -In de baai van Antemona, ten oosten van het eiland Cythera, lagen de -honderd galeien bijeen. De tribuun wijdde een dag aan de inspectie der -vloot. Toen vertrok hij naar het eiland Naxos, het grootste van de -Cycladen, dat halverwege de kust van Griekenland en Azie als een rots in -zee omhoog rijst. Hier kon geen enkel voorbijzeilend schip aan zijn oog -ontsnappen, en kon hij tevens de zeeroovers dadelijk nazetten, hetzij -zij zich in de Egeische of in de Middellandsche zee vertoonden. Terwijl -de vloot in goede orde koers zette naar de rotsachtige oevers van het -eiland, kwam van het noorden een galei aanzeilen. Arrius ging haar te -gemoet. Zij kwam rechtstreeks van Byzantium, en haar bevelhebber kon hem -de bijzonderheden mededeelen, die hij noodig had te weten. - -De zeeroovers waren allen geboortig van de verder gelegen kusten der -Zwarte zee. Zelfs Tanais was vertegenwoordigd. Met de grootste -geheimzinnigheid hadden zij hunne toebereidselen gemaakt. Onverwachts -hadden zij zich in den Tracischen Bosphorus vertoond, en de daar -liggende vloot verbrand. Vandaar tot aan de Hellespont waren alle -mogelijke schepen hun in handen gevallen. Hun eskader bestond uit zestig -goed bemande en goed uitgeruste galeien. De bevelhebber was een Griek. -Ook de loodsen, op al de Oostelijke zeeen goed bekend, waren Grieken. -Zij hadden ongeloofelijk veel buit behaald, zoodat niet alleen op zee, -maar ook in de steden angst en schrik heerschten. De handel stond bijna -geheel stil. - -Waar bevonden de zeeroovers zich thans? - -Op deze vraag, voor Arrius van het meeste gewicht, kreeg hij nu het -antwoord. - -Nadat de vijand Hephestia op het eiland Lemnos geplunderd had, was hij -overgestoken naar de Thessalische eilanden en tusschen Euboea en Hellas -verdwenen. - -Zoo luidde het bericht. - -Door het zeldzaam schouwspel uitgelokt hadden de bewoners van het eiland -Naxos zich aan de kust verzameld en zagen zij Arrius' schoone vloot -eensklaps den steven noordwaarts wenden. Zij hadden het stout bestaan -der zeeroovers vernomen, en toen zij de witte zeilen naoogden grepen zij -moed. Wat Rome met sterke hand vasthield verdedigde zij ten allen tijde; -als tegengift voor de opgelegde schatting, gaf zij hare schatplichtigen -bescherming en veiligheid. - -De tribuun was meer dan tevreden. De fortuin was hem gunstig. Zij had -hem niet alleen dadelijke en zekere inlichtingen verschaft, maar ook -zijne vijanden in een vaarwater gelokt, waar dood en verderf hen -wachtte. Hij wist welke schade een enkele galei op een zee als de -Middellandsche kon veroorzaken, en hoe bezwaarlijk zulk een galei te -achterhalen en aan te vallen was. Hij wist ook, dat juist die -omstandigheden zijn roem verhoogen zouden, indien het hem gelukte met -een enkelen slag de vijandelijke vloot te vernielen. - -Als de lezer een kaart van Griekenland en de Egeische zee voor zich -neemt, zal hij zien dat het eiland Euboea zich als een bolwerk tegen -Azie in de lengte langs de Grieksche kust uitstrekt, zoodat het kanaal -tusschen vasteland en eiland bij een lengte van honderdtwintig mijlen -nauwelijks acht breed is. De bocht in het noorden had eenmaal de vloot -van Xerxes geborgen, thans hadden de overmoedige zeeroovers er zich -genesteld. De steden langs den oever waren rijk en beloofden een -kostelijken buit. Alles wel beschouwd meende Arrius te ogen aannemen, -dat de roovers ergens ten zuiden van de Thermopylen zouden te vinden -zijn. In dat geval kon hij niet beter doen, dan hen in het noorden en -zuiden in te sluiten, maar dan ook zonder een minuut te verliezen. Hij -zette dus tot den meest mogelijken spoed aan, met het gevolg dat zij nog -voor den nacht den berg Ocha in het gezicht kregen en de loods de kust -van Euboea meldde. - -Op een gegeven teeken lieten de roeiers hunne riemen rusten. De tribuun -verdeelde de vloot in twee deelen, ieder van vijftig galeien. De eene -helft voerde hijzelf aan, om er het kanaal mede in te varen, terwijl de -andere bevel kreeg zoo snel mogelijk het eiland aan de zeezijde om te -varen en het kanaal aan den bovenkant in te sluiten. - -'t Is waar, geen van de afdeelingen had over zooveel mannen te beschikken -als de vijand; maar zij hadden toch iets op dezen voor, onder anderen de -strenge tucht, waaraan bij de bandeloozen troep, hoe onverschrokken ook, -niet gedacht kon worden. Voorts rekende de tribuun er op, dat, zoo bijgeval -de eene helft de nederlaag moest lijden, de andere den vijand in den rug -zou aanvallen en gemakkelijk overmeesteren kon. - -Ben-Hur was op zijne plaats en werd iedere zes uur afgelost. De rust in -de baai van Antemona had hem goed gedaan, zoodat het roeien hem niet -vermoeide, en de hortator geen reden tot klagen had. - -Over het algemeen waardeert de mensch veel te weinig het rustig gevoel, -dat hij smaakt, als hij een vast doel voor oogen heeft. Blindelings op -een onbekend punt af te gaan is verschrikkelijk. De gewoonte had bij -Ben-Hur dat gevoel slechts in slaap gesust, en dan nog maar ten deele. -Als hij zoo uur op uur, soms dagen en nachten achtereen, op de -onmetelijke wateren voortroeide, verlangde hij altijd te weten waar hij -was en waarheen hij ging; maar na zijn onderhoud met den tribuun was dat -verlangen veel levendiger, en nieuwe hoop bezielde hem. Het was hem als -hoorde hij ieder geluid op het schip; hij luisterde er naar, alsof het -zoovele stemmen waren, die hem iets kwamen vertellen. Hij zag naar het -traliewerk boven zijn hoofd, en staarde in het licht dat hem zoo schaars -werd toegemeten, verwachtende--hij wist zelf niet wat. Meer dan eens -voelde hij een onweerstaanbaren lust om den hortator iets toe te roepen, -wat natuurlijk ten strengste zou gestraft worden. - -Gedurende zijn langen diensttijd had hij geleerd uit het spel der -zonnestralen af te leiden welken koers de galei nam. Die kennis was hem -te pas gekomen na hun vertrek van Cythera. Daar hij in de meening -verkeerde, dat zij in de richting van zijn vaderland zeilden, gaf hij -nauwkeurig acht op iedere afwijking. De plotselinge wending naar het -noorden deed hem smartelijk aan. De oorzaak kon hij in de verste verte -niet bevroeden; want evenmin als de andere roeiers kende hij het doel -der vaart en had daar ook niet het minste belang bij. Zijn plaats was op -de roeiersbank, en daar bleef hij, hetzij zij voor anker lagen, of onder -zeil waren. Eenmaal in deze drie jaren had hij het dek mogen betreden, -en dat was geweest, toen de tribuun hem ontboden had. Hij wist niet dat -zijn galei de aanvoerster was van een schoone, goed geordende vloot, -wier roeiers op hunne beurt even onwetend waren als hij. - -Toen de zon haar laatste stralen in de kajuit wierp, ging het nog steeds -noordwaarts. Het werd nacht, en nog kon Ben-Hur geen verandering -bespeuren. Van het verdek drong een sterke wierookgeur tot hem door. - ---De tribuun offert bij het altaar, dacht hij. Zouden wij misschien -slaags raken? - -Hij luisterde scherp toe. Hij had reeds verscheidene zeeslagen mee -doorgemaakt, zonder er een gezien te hebben. Boven zijn hoofd had hij -den strijd hooren woeden, zoodat hij met ieder geluid vertrouwd was -geworden. Dus kende hij ook de verschillende toebereidselen voor den -slag, waarvan zoowel bij Romeinen als Grieken het offeren aan de goden -een der eerste was. De plechtigheid verschilde niet van die der -offerande bij een afvaart, en zoodra hij ze in volle zee bespeurde wist -hij waaraan zich te houden. - -Een slag had voor hem en zijne mederoeiers een eigenaardig belang; een -nederlaag toch kon verandering brengen in hun toestand, hen misschien -wel bevrijden, in ieder geval andere meesters geven, die wellicht minder -zware diensten van hen zouden vorderen. - -Op den gewonen tijd werden de lichten ontstoken en bij de trappen -opgehangen. De tribuun daalde van het verdek af. Op zijn bevel trokken -de mariniers hunne wapenrusting aan. De werktuigen werden nagezien, -speren, werpspietsen en pijlen werden in groote hoopen op den grond -gelegd, benevens kruiken met ontvlambare olie en manden vol katoenen -ballen. En toen Ben-Hur ten slotte zag, dat de tribuun zijn platform -besteeg, zijn wapenrok aantrok, zijn helm en schild gereed hield, -begreep hij goed geraden te hebben. Thans wachtte hem nog de zwaarste -vernedering van zijne dienstbaarheid. - -Aan iedere roeiersplaats ging een ketting, van zware ringen voorzien. -Van nummer tot nummer gaande legde de hortator den roeiers ketenen aan -de voeten, zoodat zij in geval van tegenspoed geen kans van ontvluchten -hadden. - -De ongelukkigen voelden de schande diep. Ben-Hur zeker het diepst. Wat -zou hij niet hebben willen doen, om dat te kunnen ontgaan! Weldra meldde -hem het naderend gerinkel dat hij aan de beurt kwam,--zou de tribuun -misschien voor hem in de bres springen? - -Men moge die gedachte aan ijdelheid toeschrijven, zeker is, dat zij hem -op eens in beslag nam. Hij geloofde, dat de Romein voor hem een -uitzondering zou maken, in ieder geval zou hij nu de ware gezindheid van -den tribuun leeren kennen. Als hij in dit gewichtig oogenblik aan den -armen slaaf dacht, zou Ben-Hur weten, dat de Romein hem boven zijn -lotgenooten stelde, zou hij weten dat zijne hoop hem niet bedrogen had. - -Ben-Hur wachtte in de grootste spanning. Die paar minuten schenen hem -een eeuwigheid toe. Bij iederen riemslag keek hij naar den tribuun, die, -na zich gekleed te hebben, op zijn rustbank ging liggen om te slapen. -Toen Nummer 60 dat zag lachte hij bitter en besloot niet meer dien kant -uit te zien. - -De hortator kwam naderbij. Nu was hij bij Ben-Hurs buurman--het rinkelen -der ketenen klonk hem afschuwelijker dan ooit in de ooren. Eindelijk N deg.. -60. Met de kalmte der wanhoop liet Ben-Hur de riem rusten en stak den -beambte zijn voet toe. Daar bewoog zich de tribuun--kwam overeind--wenkte -den hortator. - -Het hart van den jongeling klopte tot berstens toe. De tribuun liet zijn -oog op hem rusten. Ben-Hur nam zijnen riem weder op, het was hem alsof -de geheele kajuit in een lichtglans baadde. Hij verstond geen woord van -wat gesproken werd; maar dat was ook niet noodig--de ketting bleef -hangen, de hortator keerde naar zijne plaats terug, en begon als altijd -de maat te slaan. Als muziek klonk hem dat geluid in de ooren, en hij -hanteerde zijn riem zoo flink, dat de hortator naar den tribuun ging en -glimlachend zeide: Welk een krachtsontwikkeling!--En welk een vuur! -antwoordde de tribuun. Bij alle goden! hij moet geen ketenen dragen, leg -ze hem nooit meer aan.--Toen hij dat gezegd had legde hij zich weder ter -ruste. - -Zoo gingen eenige uren voorbij. Pijlsnel schoot de galei over het kalme -watervlak. Die niet aan het werk waren sliepen, Arrius op zijn platform, -de mariniers op den grond. Eenmaal, tweemaal werd Ben-Hur afgelost, maar -hij kon niet slapen. Drie jaren zwarte nacht en eindelijk een zonnestraal! -Een schipbreukeling en eensklaps land. In zulke oogenblikken vliedt de -slaap. Gedragen op de vleugelen der hoop vloog hij in zijne verbeelding -verre vooruit. Vergeten alle kommer en verdriet, have en goed terug- -gekregen, moeder en zuster weer bij hem--dat waren de hoofdgedachten, die -hem tot den gelukkigsten mensch maakten. Dat hij in pijlsnelle vaart -misschien dood en verderf te gemoet ging, had voor het oogenblik geen -vat op hem. Zijn blijdschap was zoo groot, zoo volkomen, dat in zijn -hart geen plaats meer was voor wraak. Messala, Gratus, Rome, en al de -bittere, martelende herinneringen aan die namen verbonden, waren hem als -de miasmen eener aarde, waaraan hij ontrukt was, waarboven hij vrij en -hoog in reiner sfeer zweefde. - -In het geheimzinnige duister, dat het aanbreken der schemering -voorafgaat, liep op het verdek der Astrea een wachter met haastigen stap -naar het platform van den tribuun en wekte hem uit den slaap. Arrius -sprong op, gordde zijn zwaard aan, zette zijn helm op, nam zijn schild -en ging tot den hoofdman der mariniers. - ---De zeeroovers zijn vlak bij. Op, ten strijde! zeide hij en ging -verder, kalm en vol vertrouwen, alsof hij niet twijfelde aan den uitslag. - - - * * * * * - - -VIJFDE HOOFDSTUK. - -DE ZEESLAG. - - -Allen aan boord van de galei ontwaakten. De hoofdmannen begaven zich op -hun post. De soldaten grepen naar de wapenen en werden op het verdek -gevoerd, waar bergen van pijlen en werpspietsen reeds gereed lagen. -Bij de middeltrap lagen de oliekruiken en vuurballen opgestapeld. -Verscheidene lantaarns werden ontstoken; vaten werden met water gevuld. -De afgeloste roeiers werden onder bewaking bij den hortator gebracht. -Ben-Hur was een van hen. Boven zijn hoofd hoorde hij de laatste -toebereidselen maken: het ophalen van het zeil, het uitspreiden van -netten, het bekleeden van het want met ossenhuiden. Weldra werd alles -weder stil, een stilte vol onbestemde, bange verwachting. - -Op een teeken van het verdek, dat den hortator door een onderofficier -werd overgebracht, hielden de roeiers plotseling stil. - -Wat beteekende dat? - -Onder de honderdtwintig aan hunne banken geketende slaven was er zeker -geen, die zich die vraag niet deed. Niet uit vaderlandsliefde, eerzucht, -plichtgevoel, daar hadden zij mee afgedaan. Hulpeloos en blindelings -gingen zij in het gevaar, en die gedachte deed hen een oogenblik -sidderen. Wat ook gebeurde, het bracht hun geen voordeel: overwinnaars ---zij bleven wat zij waren; overwonnen--zinken of verbranden, zij moesten -het lot van hun schip deelen. - -Het was hun niet vergund te vragen hoe de zaken daarbuiten stonden. En -wie was de vijand? Als het eens vrienden, broeders, landslieden waren? -De lezer zal begrijpen, dat de Romeinen wel gedwongen waren om bij zulke -gelegenheden hun rampzalige roeiers aan hunne zitplaatsen te kluisteren. - -Thans echter hadden zij weinig tijd om aan zulke dingen te denken. Een -geluid als van roeiende galeien achter hen trok Ben-Hurs aandacht. -Zouden zij een vloot aanvoeren, die zich tot den aanval gereedmaakte? -vraagde hij zichzelven. - -Een tweede sein kwam van het dek tot hem. De riemen gingen neer en de -galei zette zich nauwelijks merkbaar in beweging. Doodelijke stilte -daarbinnen, doodelijke stilte daarbuiten; toch zetten zich alle roeiers -instinctmatig schrap voor een mogelijken schok. Zelfs de galei scheen -den toestand te vatten, zij lag stil, alsof zij zich, een tijger gelijk, -tot den sprong voorbereidde. - -In zulke oogenblikken heeft men geen begrip van tijd. Ben-Hur kon -onmogelijk nagaan hoe groot de afstand was, dien zij afgelegd hadden. -Eindelijk weerklonken op het verdek de trompetten, lang, vol, klaar. De -hortator sloeg de maat sneller en sneller; de roeiers roeiden met de -uiterste krachtinspanning. Met onvergelijkelijke snelheid schoot de -galei vooruit. Andere trompetten deden zich hooren--alle van achteren, -geen enkele van voren. Daar vernam men slechts een verward gedruisch van -stemmen, een algemeen tumult. Plotseling deed zich een geweldige schok -voelen, de roeiers voor het platform van den hortator wankelden, sommige -vielen. De galei schoot achteruit, hervatte zich, om zich dan weer met -onweerstaanbare kracht op den tegenstander te werpen. Een akelig -doordringend angstgeschrei deed zich hooren, het overstemde het -trompetgeschal en het geraas door de aanzeiling veroorzaakt. Ben-Hur -voelde dat hunne galei een andere vernielde, in den grond boorde. Zijne -makkers zagen elkander verschrikt aan. Een triomfkreet op het verdek--de -Romeinen hadden gezegevierd! Maar wie waren door de zee verzwolgen? Tot -welke natie, tot welk land behoorden zij? - -Geen rust, geen oponthoud! Vooruit schoot de Astrea. Enkele soldaten -kwamen in haast naar beneden, drenkten de katoenballen met olie en -wierpen ze nog druipend aan hunne kameraden op de trappen toe. Alsof er -niet reeds verschrikkingen genoeg waren, zou er nu nog de woede des -vuurs aan toegevoegd worden. - -Op eens helde de galei zoo sterk naar eenen kant over, dat de roeiers -slechts met moeite hun evenwicht bewaarden. Wederom de juichtonen der -Romeinen en de wanhopige angstkreten der overwonnenen. De groote -enterhaken aan den voorsteven hadden een vijandelijk schip gegrepen, -omhoog geheven, en neergesmakt in de golven. - -Het krijgsgeschreeuw groeide steeds aan. Rechts, links, van voren, van -achteren, een oorverdovend rumoer. Nu en dan verkondigde een geweldig -kraken, gevolgd door hartverscheurend gekerm, dat wederom een schip -overzeil was en de opvarenden met de golven worstelden. - -De Romeinen zagen echter aan hun kant ook menigeen vallen, die dan -bloedend, stervend naar beneden gedragen en op de grond neergelegd werd. -Ook begon de kajuit zich langzamerhand met rook te vullen en drong een -afgrijselijke stank van brandende voorwerpen naar beneden. Snakkend naar -adem begreep Ben-Hur, dat zij rakelings een brandende galei voorbijgingen, -wier vastgeketende roeiers mede in de vlammen moesten omkomen. - -Intusschen was de Astrea aanhoudend in beweging gebleven. Eensklaps -echter stopte zij. De riemen werden den roeiers uit de handen geslagen, -zijzelven vielen van de banken. Op het verdek hoorde men een vervaarlijk -leven, vervolgens het slaags raken van twee schepen. Doodelijk -verschrikt zagen de roeiers rond, of er ook mogelijkheid van ontkomen -was. Te midden van de algemeene ontsteltenis werd een dood lichaam naar -beneden geworpen en kwam vlak bij Ben-Hur terecht. Het was een -blondgelokte barbaar uit het noorden; maar hoe kwam hij hier? Een -ijzeren vuist had hem van het vijandelijke schip gegrepen--neen, de -Astrea zelve moest in de handen der vijanden zijn! Vochten de Romeinen -dus op eigen bodem? - -Het werd de jongen Jood koud om 't hart. Arrius was in gevaar--misschien -kampte hij op ditzelfde oogenblik om zijn leven. Indien hij gedood werd! -Dat verhoede de God van Abraham! Moest zijn nieuw ontloken hoop, moesten -zijn zoete droomen hoop en droomen blijven? Moeder, zuster, huis, -vaderland, zou hij ze dan toch nooit terugzien? Het tumult boven zijn -hoofd groeide aan, hij zag rondom zich--niets dan verwarring trof zijn -oog: de roeiers verlamd van schrik, soldaten niet wetende waar zich te -bergen. Alleen de hortator bleef onverschrokken op zijn post, sloeg, -hoewel tevergeefs, als naar gewoonte de maat, wachtend op de bevelen van -den tribuun--een illustratie van de onovertroffen discipline, die de -wereld had overwonnen. - -Dat voorbeeld had een goede uitwerking op Ben-Hur. Hij trachtte zich te -beheerschen en na te denken. Eer en plicht deden den Romein op het -platform blijven, maar wat had hijzelf thans met zulke beweegredenen te -doen? De roeiersbank was hem een gruwel, en wie zou er winst bij hebben, -indien hij als slaaf omkwam? Voor hem was te leven een plicht. Zijn -leven behoorde moeder en zuster. Levendiger dan ooit verrezen zij voor -het oog zijns geestes. Hij zag hoe zij de armen naar hem uitstrekten, -hij hoorde naar smeeken. Ja, aan die roepstem moest en zou hij gehoor -geven. Hij sprong op,--maar stond weer stil. Helaas, een Romeinsch -vonnis hield hem gevangen. Zoolang dat niet herroepen was baatte hem -geen ontvluchten. In de wijde, wijde wereld was geen plekje, waar hij -veilig was, als de Keizer hem opeischte. Op het land noch op de zee kon -hij verborgen blijven, en wettige vrijheid had hij noodig, om in Judea -te kunnen wonen, en den kinderplicht te vervullen, waaraan hij al zijne -krachten wilde wijden. Hoe had hij gewacht en gehoopt op die vrijspraak, -hoe vurig om haar gebeden! En hoe lang had hij moeten wachten! -Eindelijk, eindelijk had zij hem toegelachen in de belofte van den -tribuun; want wat anders zou de groote man bedoeld hebben? Maar als zijn -weldoener nu moest vallen, wat dan? De dooden komen niet terug, om de -beloften, tijdens hun leven gedaan, te vervullen. Neen, Arrius mocht -niet sterven. En anders--beter met hem te vergaan, dan hem als -galeislaaf te overleven. - -Nogmaals zag Ben-Hur rondom zich. Nog altijd woedde de strijd daarboven, -nog altijd waren de twee galeien handgemeen. De roeiers deden wanhopige -pogingen om aan hunne ketenen te ontkomen, en toen dat niet gelukte -hieven zij een akelig gehuil aan. De wachten waren niet te zien, er was -geen tucht meer. Ben-Hur bedacht zich niet langer, hij sprong op en -snelde weg, niet om te vluchten, maar om den tribuun te zoeken. - -Halverwege de trap gekomen, hoog genoeg om een blik te kunnen werpen op -den door het vuur gekleurden hemel, de ronddrijvende wrakken, den strijd -aan boord, de talrijke aanvallers, de weinige verdedigers, voelde hij -plotseling de trap onder zijne voeten uiteenslaan, zoodat hij ruggelings -op den grond geworpen werd. Nog voordat hij zich op kon richten werd de -bodem van het vaartuig vaneengereten, de kokende, bruisende golven -stroomden naar binnen en verzwolgen allen. - -Of de jongeling in dezen uitersten nood iets tot zijne redding kon -aanwenden valt te betwijfelen. Hoewel hij behalve zijn natuurlijke -sterkte bovendien nog de krachten bezat, welke de natuur voor zulke -buitengewone gevallen schijnt te bewaren, kon hij noch de eene, noch de -andere aanwenden, daar de duisternis en de woeling van het water hem -voor het oogenblik althans zijne bezinning ontroofden. Zelfs het -inhouden van zijn adem geschiedde onwillekeurig. De indringende golven -wierpen hem als een blok hout in de kajuit, waar hij verdronken zou -zijn, indien hij niet met het schip naar omhoog gerezen was. Toen hij -zich voelde opstijgen, sloeg hij instinctmatig de handen uit naar het -eerste het beste wat hij grijpen kon--een plank, waaraan hij zich met -alle macht vastklemde. De tijd, dien hij onder water doorbracht, scheen -hem oneindig langer toe, dan in werkelijkheid het geval was. Eindelijk -voelde hij lucht. Hij haalde diep adem, schudde zich het water uit de -oogen, werkte zich op de plank en wierp een blik in het rond. - -Helaas, was hem de dood door verdrinking zeer nabij geweest, thans -waarde hij rondom hem in velerlei gedaanten. - -De zee was bedekt door een half doorzichtbaren nevel van rook, hier en -daar verbroken door schitterende lichtbundels. Dat moesten brandende -schepen zijn. Nog woedde de strijd; maar wie zegevierde? Nu en dan -zeilden binnen zijnen gezichtskring schepen voorbij,--waren het -Romeinsche of vijandelijke? Verderop hoorde hij hoe vijandelijke -vaartuigen met elkander in botsing kwamen. Het dreigende gevaar was -echter dichterbij. Toen de Astrea zonk bevond zich, zooals wij weten, op -het verdek niet alleen haar eigen bemanning, maar ook die van de twee -galeien, die haar te gelijk hadden aangevallen en met haar naar de -diepte waren gegaan. Van die velen dreven verscheidene te zamen naar de -oppervlakte en zetten daar den strijd weer voort. Elkander vasthoudend -in doodelijke omarming, of ook wel met zwaard of spies de een den ander -onschadelijk trachtend te maken, hielden zij het water aanhoudend in -beweging. Maar dat niet alleen. Hij begreep heel goed, dat de eerste de -beste in staat zou zijn om hem dood te slaan ter wille van de plank die -hem vlot hield. Hij moest dus trachten zoo spoedig mogelijk weg te -komen. - -Op eens hoorde hij riemslagen en zag hij een galei op zich afkomen. De -hooge voorsteven scheen hem dubbel hoog toe; de weerkaatsing van het -roode schijnsel op het verguldsel en beeldhouwwerk deed haar op een -reusachtige slang gelijken. Hij schoof de plank, zwaar en onhandelbaar -als zij was, met alle kracht voort. De tijd was kostbaar, een halve -seconde kon hem redding brengen, of in 't verderf storten. - -Daar dook eensklaps binnen armslengte een helm uit de baren op, -vervolgens twee handen met uitgespreide vingers, groote sterke handen, -die wat zij eenmaal gegrepen hadden niet licht zouden loslaten. Ben-Hur -keerde zich verschrikt af. Nu kwam het geheele hoofd boven, vervolgens -de armen, die woest om zich heen sloegen. Het hoofd viel achterover, -zoodat het gelaat zichtbaar werd. De mond was wijd open, de oogen ook, -maar het licht scheen er uit geweken te zijn, een akelige bleekheid deed -vermoeden, dat de dood nabij was. Toch uitte Ben-Hur een kreet van -vreugde, en toen de drenkeling weder dreigde te verzinken greep hij de -ketting vast, die den helm onder de kin bevestigde, en trok hem naar -zich toe. Hij had in den bewustelooze Arrius den tribuun herkend. - -Een tijdlang borrelde en schuimde het water geweldig, zoodat Ben-Hur -alle krachten moest inspannen, om zijn plank niet te verliezen en tevens -het hoofd van de Romein boven water te houden. De galei was voorbijgeroeid -zonder hen te raken. Dwars door zwemmende soldaten heen, over gehelmde en -ontbloote hoofden zette zij haren tocht voort. Een dof geraas, een luid -geschreeuw deed Ben-Hur omzien, en wat hij zag vervulde hem met een zekere -bevrediging: de Astrea was gewroken. - -De strijd was nog niet beeindigd, maar de tegenstand veranderde in -algemeene vlucht. Wie hadden gezegevierd? Ben-Hur voelde dat zijne -vrijheid en het leven van den tribuun grootendeels daarvan afhingen. -Hij schoof den Romein de plank onder het lichaam, totdat zij hem droeg, -waarna hij alleen te zorgen had, dat zijn beschermling er niet afgleed. -Het was nu volkomen dag geworden. Links zag hij land, maar te ver -verwijderd om het te kunnen bereiken. Hier en daar dreven -schipbreukelingen als hij, en verkoolde of nog rookende wrakken. -Verderop dreef een verlaten galei, het zeil aan flarden gereten; nog -verder bewegelijke stippen, die, naar hij dacht, vluchtende of -achtervolgende schepen konden zijn. - -Zoo ging een uur voorbij. Zijne bezorgdheid nam toe. Als niet spoedig -hulp opdaagde moest Arrius sterven. Gedurig vreesde Ben-Hur dat hij -reeds dood was, hij lag zoo stil. Hij deed hem den helm af, gespte toen -met groote moeite het harnas los, en bevond dat het hart nog klopte, -schoon zwak en onregelmatig. Dat gaf hem nieuwen moed om vol te houden. -Er was niets voor hem te doen dan te wachten, en naar de gewoonte zijns -volks te bidden. - - - * * * * * - - -ZESDE HOOFDSTUK. - -VRIJ. - - -Eindelijk sloeg Arrius tot groote vreugde van Ben-Hur de oogen op en -keerden de levensgeesten weder. Zoodra hij spreken kon en na eenige -vragen vernomen had door wien en hoe hij gered was, herinnerde hij zich -alles van den geleverden slag. Het onzekere van de overwinning en de -langdurige rust, indien hier van rust sprake kan zijn, deden het hunne -om hem geheel tot bezinning te brengen. Na een poosje werd hij zeer -spraakzaam. - ---Ik zie, zeide hij, dat onze redding afhangt van den uitslag van den -strijd. Ik begrijp ook wat gij voor mij gedaan hebt. Gij hebt mij het -leven gered met gevaar voor uzelven. Dat erken ik gaarne, en wat ook -gebeuren moge, ik dank er u van harte voor. Als de fortuin mij gunstig -is en wij goed en wel dit gevaar te boven komen, zal ik u toonen hoe een -Romein van aanzien en macht zijn dankbaarheid bewijst. Maar het staat -nog te bezien, of gij mij, in weerwil van uw goede bedoeling, werkelijk -een dienst hebt bewezen. Daarom zou ik u de belofte willen afnemen, dat -gij mij, zoo noodig, de grootste weldaad bewijzen zult, die de een -mensch den ander bewijzen kan--wilt gij mij dat beloven? - ---Als het niets ongeoorloofds is al ik het doen, antwoordde Ben-Hur. - -Arrius bleef een oogenblik in gepeins verzonken. - ---Zijt gij werkelijk een zoon van Hur, den Jood? vraagde hij op eens. - ---Ja, heer. - ---Ik heb uw vader gekend. - -Juda kwam wat dichter bij den tribuun, daar diens stem nog zwak was. Hij -luisterde met gespannen aandacht, en meende niet anders, of hij zou nu -berichten van huis krijgen. - -Ik kende hem, had hem lief, vervolgde Arrius. - -Weder zweeg hij. Zijne gedachten schenen af te dwalen. - ---Het is onmogelijk, begon hij weer, dat gij, zijn zoon, niet gehoord -zoudt hebben van Cato en Brutus. Dat waren groote mannen, en nooit -grooter, dan in de ure van hunnen dood. Stervende lieten zij deze wet -na. Een Romein mag zijn geluk niet overleven.--Luistert gij? - ---Ik luister. - ---De edelen van Rome zijn gewoon een ring te dragen. Zoo ook ik. Neem -hem van mijn vinger. - -Hij stak Juda zijn hand toe, de jonkman voldeed aan zijn verzoek. - ---Steek hem nu aan je eigen vinger. - -Ben-Hur gehoorzaamde. - ---Dat kleinood kan u van dienst zijn, vervolgde de tribuun. Ik bezit een -aanzienlijk vermogen. Zelfs in Rome ga ik voor rijk door. Ik heb geen -familie. Toon den ring aan mijn zaakwaarnemer, gij zult hem in een villa -bij Misenum vinden. Vertel hem hoe hij in uwe handen kwam en eisch van -hem zooveel gij verlangt, of alles; hij zal u niets weigeren. Blijf ik -leven, dan zal ik nog meer voor u doen. Ik zal u uwe vrijheid bezorgen -en u aan uw volk en familie teruggeven; of wel, gij kunt u de loopbaan -kiezen, die u het meest toelacht. Hebt gij mij begrepen? - ---Volkomen. - ---Welnu, beloof mij dan wat ik u vragen zal. Beloof het bij alle goden. - ---Neen, edele tribuun, ik ben een Israeliet. - ---Bij uw God dan, of doe het in den vorm, dien uwen geloofsgenooten de -heiligste is. Beloof mij, dat gij doen zult wat ik vragen zal. Ik wacht -uw antwoord. Beloof het mij. - ---Edele Arrius, uwe woorden doen mij vermoeden, dat er iets zeer -gewichtigs zal volgen. Zeg mij eerst wat gij verlangt. - ---Zult gij het mij dan beloven? - ---Ik kan mij vooruit tot niets verbinden.--O tribuun, gezegend zij de -God mijner vaderen! daar komt een galei. - ---Uit welken hoek? - ---Uit het noorden. - ---Kunt gij haar nationaliteit herkennen? - ---Neen, ik heb altijd op de roeiersbank gezeten. - ---Heeft zij een vlag in top? - ---Ik kan er geen zien, het is nog te ver af. - -Arrius zweeg eenige oogenblikken. Ten laatste vraagde hij: Houdt de -galei nog koers hierheen? - ---Ja. - ---Kunt gij nu de vlag onderscheiden? - ---Zij heeft geen vlag. - ---Een ander kenteeken soms? - ---Een zeil. Het is een drieriemige galei, zij gaat zeer snel, dat is al -wat ik er van zeggen kan. - ---Een Romeinsche galei zou, als zij overwinnaar was, verscheidene -vlaggen in top voeren. Dit moet dus een vijandelijke zijn. Luister nu -goed naar mij, terwijl het nog tijd is. Als die galei een zeeroover is -zijt gij veilig. Zij zullen u wel niet uwe vrijheid hergeven, u -waarschijnlijk weer op de roeiersbank zetten, maar zij zullen u niet -dooden. Ik daarentegen-- - -De tribuun aarzelde. Bij alle goden, zeide hij daarna op vasten toon, ik -ben te oud om het verlies van mijne eer te overleven. Laat men in Rome -vertellen hoe Quintus Arrius, omringd door vijanden, met zijn schip in -de diepte verzonk, zooals dat een Romeinschen tribuun betaamt. Hoor nu -wat ik van u verlang. Als de galei een vijandelijke is, stoot mij dan -van de plank in zee en verdrink mij. Hoort gij? Zweer mij dat gij het -doen zult. - ---Dat zweer ik niet, zeide Ben-Hur beslist, en ik ben evenmin van zins -zulk een daad te bedrijven. De wet, waaraan ik onderworpen ben, stelt -mij aansprakelijk voor uw leven. Neem den ring terug,--hij trok hem van -zijn vinger,--neem hem terug,--met al uwe beloften. Het vonnis, dat mij -levenslang tot de galeien veroordeelde, heeft mij tot een slaaf gemaakt, -en toch ben ik geen slaaf. Maar ik ben evenmin uw vrijgelatene. Ik ben -een zoon van Israel, en op dit oogenblik mijn eigen meester. Neem den -ring terug. - -Arrius verroerde zich niet. - ---Gij weigert? vraagde Juda. Dan geef ik uw geschenk aan de zee, niet in -toorn, niet in drift; maar om mij zelven vrij te maken van een vreeselijke -verplichting. - -Dit zeggende slingerde hij den ring verre van zich. Arrius hoorde hem -vallen en zinken, maar zag niet op. - ---Gij hebt dwaselijk gehandeld, zeide hij, zeer dwaas. Ik kan immers ook -zonder uwe hulp sterven, en als ik dat doe, wat zal er dan van u worden? -Die besloten heeft in den dood te gaan, sterft liever door de hand van -een ander, om de eenvoudige reden, dat de ziel, welke wij volgens Plato -bezitten, in opstand komt tegen zelfvernietiging; dat is alles. Als de -galei een zeeroover is verlaat ik deze wereld. Mijn besluit staat vast. -Ik ben een Romein. Goed, geluk en eer gaan boven alles. Toch zou ik -gaarne van dienst zijn geweest; maar gij hebt niet gewild. De ring was -in dit geval het eenige, dat mijn laatsten wil staven kon. Wij zijn -beiden verloren. Ik zal sterven, het betreurende dat de overwinning en -de roem mij ontgaan zijn. Gij zult nog een poosje leven, om dan eveneens -te sterven, met berouw in 't hart, omdat gij door deze dwaasheid uwe -kinderplichten ongedaan hebt moeten laten. Ik beklaag u. - -Ben-Hur begreep de gevolgen van zijne daad beter dan te voren. Toch -berouwde zij hem niet. - ---In de drie jaren van mijne dienstbaarheid, o tribuun, waart gij de -eerste die mij vriendelijkheid bewees.--Neen, neen, er was nog een -ander! - -Zijne oogen werden vochtig, want op eenmaal stond het beeld hem voor den -geest van den jongen man, die hem bij de bron te Nazareth te drinken had -gegeven. - ---Maar, vervolgde hij, gij waart de eerste, die mij gevraagd heeft wie -ik was; en al heb ik er ook, toen ik u uit de golven omhooghief, aan -gedacht, dat gij mij uit mijne ellende kondt verlossen, toch redde ik u -niet uit zelfzucht. Ik hoop dat gij mij zult willen gelooven. -Daarenboven doet God mij thans duidelijk inzien, dat het doel waarnaar -ik streef alleen langs wettigen weg te bereiken is. Ik wil liever met u -sterven, dan uw dood op mijn geweten hebben. Ik ben even vastbesloten -als gij. Al boodt gij mij geheel Rome, o tribuun, en al stond het in uwe -macht dat aanbod tot werkelijkheid te maken, ik zou u toch niet dooden. -Uw Cato en Brutus waren kinderen, vergeleken met den Hebreer, wiens -wetten een Jood gehoorzamen moet. - ---Maar mijn verzoek. Hebt.... - ---Zelfs al beveelt gij mij u te dooden, ik zal u niet gehoorzamen. - -Beiden zwegen en wachtten. - -Ben-Hur zag gedurig naar de naderende galei. Arrius lag met gesloten -oogen, schijnbaar onverschillig. - ---Zijt gij er zeker van dat het een vijandelijke galei is? vraagde -Ben-Hur. - ---Ik vermoed het, luidde het antwoord. - ---Zij houdt stil en zet een boot uit. - ---Kunt gij nu de vlag zien? - ---Is er geen ander teeken, waaraan men een Romeinsche galei herkennen -kan? - ---Jawel, de Romeinschen voeren een helm op den top van den mast. - ---Dan kan ik u gelukwenschen. Ik zie den helm. - -Nog was Arrius er niet gerust op. - ---De mannen in het bootje nemen schipbreukelingen op. Zeeroovers zullen -wel niet zoo medelijdend zijn. - ---Misschien hebben zij roeiers noodig, antwoordde Arrius, waarschijnlijk -denkende aan de keeren, toen hij met hetzelfde doel drenkelingen -opgevischt had. - -Ben-Hur volgde de bewegingen van het vreemde schip met de grootste -nauwlettendheid. - ---De galei gaat verder, zeide hij. - ---Waarheen? - ---Rechts van ons drijft een galei, waarschijnlijk is zij verlaten. Daar -gaat de andere op af. Nu legt zij aan. Nu gaan eenige mannen aan boord. - -Thans deed Arrius zijn oogen open en keek met aandacht naar de galei. -Dank uwen God, zeide hij een oogenblik later, dank uwen God, zooals ik -mijne goden dank. Een zeeroover zou dat schip doen zinken, niet redden. -Daardoor, en door den helm op den mast, weet ik dat het een Romeinsche -galei is. De zege is mijn. De Fortuin heeft mij niet verlaten. Wij zijn -gered. Wuif met de hand, roep hen, gauw! Ik word duumvir, en gij! Ik heb -uw vader gekend en had hem lief. Hij was een vorst in den vollen zin des -woords. Hij heeft mij geleerd, dat een Jood geen barbaar is. Ik zal u -met mij nemen. Ik zal u als mijn zoon aannemen. Dank uwen God en roep de -matrozen. Gauw! De vervolging moet voortgezet worden. Geen van de -roovers mag ontsnappen. - -Juda richtte zich op, wuifde met de hand en riep zoo hard hij kon de -matrozen aan. Eindelijk gelukte het hem hunne aandacht te trekken. Zij -roeiden op hem toe en namen de beide schipbreukelingen op. - -Arrius werd met alle mogelijke eerbewijzen op de galei ontvangen. Hij -liet zich den afloop van het gevecht tot in de kleinste bijzonderheden -verhalen. Nadat men alle nog levende drenkelingen gered en den buit -geborgen had, liet hij opnieuw de commandantsvlag ontplooien en spoedde -zich noordwaarts, om zich bij de vloot te voegen en de overwinning -volkomen te maken. Volgens zijne berekening kwamen de vijftig schepen -het kanaal van de noordzijde juist bijtijds inzeilen, en sneden de -vluchtelingen den pas af, zoodat geen enkele ontkwam. Twintig -vijandelijke galeien werden als buit medegevoerd, hetgeen den roem des -overwinnaars niet weinig verhoogde. - -Bij zijne terugkomst te Misenum werd Arrius met de grootste geestdrift -ontvangen. De hem vergezellende jonkman maakte weldra de nieuwsgierigheid -van Arrius' vrienden gaande. Op hunne vragen wie hij was, vertelde de -tribuun in warme bewoordingen hoe hij aan dien jongeling zijn leven te -danken had, maar vermeed zorgvuldig zijn vroegere geschiedenis aan te -roeren. Toen hij zijn verhaal geeindigd had riep hij Ben-Hur tot zich, -vatte hem bij de hand en zeide: Lieve vrienden, dit is mijn zoon en -erfgenaam, en daar hij eenmaal al het mijne zijn eigendom zal noemen, -zal hij van nu af mijn naam dragen. Ik verzoek u allen hem in uwe -vriendschap te doen deelen. - -Zoodra het den tribuun mogelijk was had de aanneming tot zoon geheel -volgens de wet plaats. Zoo betoonde de Romein zijne dankbaarheid aan -Ben-Hur en verschafte hem den toegang tot de hoogere Romeinsche kringen. -Een maand na Arrius' terugkomst werd zijne overwinning op de zeeroovers -glansrijk gevierd in het theater van Scaurus. De eene zijde van het -gebouw was versierd met militaire tropeeen, waaronder de voorstevens der -twintig vijandelijke galeien niet het minst de aandacht trokken. -Daarboven stond in gulden letters geschreven: Veroverd op de zeeroovers -in de golf van Euripus, door Quintus Arrius Duumvir. - - - * * * * * - - -BOEK IV. - - - * * * * * - - -EERSTE HOOFDSTUK. - -VIJF JAREN LATER. - - -Wij zijn in de maand Juli van het jaar onzes Heeren 28, en wel in -Antiochie, de koningin van het Oosten, en na Rome de machtigste, zoo -niet de volkrijkste stad der wereld. Dat de buitensporige weelde en -zedeloosheid van dien tijd zich van uit Rome over het geheele rijk -verspreidden mag in twijfel getrokken worden. Die zich de moeite -getroosten wil van alles nauwkeurig te onderzoeken zal tot het besluit -komen, dat de zedenbedervende strooming van het Oosten uitging naar het -Westen, met name van Antiochie, een der oudste zetels van Assyrische -macht en prachtlievendheid. - -Een transportgalei liep, uit zee komende, den mond van den Orontes in. -Het was voormiddag. De hitte was groot, toch waren alle reizigers op het -dek, daaronder ook Ben-Hur. - -De vijf jaren, die sedert zijne bevrijding verloopen zijn, hebben den -jongen Jood tot een krachtig man ontwikkeld. In een ruim wit kleed -gehuld zag hij er zeer innemend uit. Reeds meer dan een uur had hij -rustig in de schaduw van het zeil gezeten, en in dat uur hadden -verscheidene reizigers, tot zijn eigen volk behoorende, een gesprek met -hem trachten aan te knoopen, maar zonder te slagen. Hunne vragen had hij -kort, schoon zeer beleefd, in de latijnsche taal beantwoord. Zijn -beschaafde manier van spreken, zijn waardige houding, zijn -teruggetrokkenheid schenen hunne nieuwsgierigheid in hooge mate te -prikkelen. Daarenboven was in de uitdrukking van zijn gelaat iets dat -den nauwlettenden beschouwer deed zeggen: die man heeft een verleden -achter zich. - -De galei had in een der havens van Cyrus een Hebreer opgenomen van zeer -fatsoenlijk, eerwaardig voorkomen. Ben-Hur voelde zich tot den man -getrokken en deed hem een paar vragen. De antwoorden wonnen zijn -vertrouwen, en leidden weldra tot een uitvoerig gesprek. - -Toen de galei van Cyprus afgevaren was achterhaalde zij twee andere -vaartuigen, die eveneens de rivier opvoeren en zoodra zij in elkanders -buurt waren tal van gele vlaggetjes heeschen. Iedereen wilde weten wat -die vlaggetjes beduidden, maar niemand kon er een verklaring van geven, -totdat een der reizigers den eerbiedwaardigen Hebreer om inlichting -vraagde. - ---Die vlaggetjes, antwoordde hij, dienen niet om de nationaliteit -kenbaar te maken. Zij zijn eenvoudig het kenteeken van den eigenaar. - ---Heeft die dan zoovele schepen? - ---Ja. - ---Kent gij hem? - ---Ik heb handel met hem gedreven. - -De passagiers zagen den grijsaard vragend aan, als om hem tot vertellen -te noodigen. Ben-Hur luisterde met belangstelling. - ---Hij woont in Antiochie, vervolgde de Hebreer. Daar hij schatrijk is -heeft men natuurlijk de oogen op hem gevestigd; maar men spreekt niet -altijd welwillend over hem. Er heeft namelijk vroeger in Jeruzalem een -vorst gewoond uit het aloude geslacht Hur. - -Juda deed zijn best om kalm te blijven, maar zijn hart begon sneller te -kloppen. - ---Die vorst, ging de verhaler voort, was koopman en had een zeldzaam -scherpen blik op de zaken. Hij zette belangrijke ondernemingen op touw, -in 't Oosten zoowel als in 't Westen. In de groote steden vestigde hij -bijkantoren. Dat in Antiochie werd beheerd door een zekeren Simonides, -die in weerwil van zijn Griekschen naam toch een Israeliet was. De vorst -verongelukte op zee. De zaken werden echter voortgezet en waarlijk met -niet minder goed gevolg. Na een paar jaren werd het gezin van den vorst -door een zwaren slag getroffen. Zijn eenige zoon trachtte den procurator -Gratus te dooden in de straten van Jeruzalem. De aanslag mislukte en -sedert is hij verdwenen. - -De Romein wreekte zich op het geheele gezin. Niemand werd gespaard. Het -paleis werd verzegeld, op de goederen, ja, op alles wat het huis Hur -toebehoorde, werd beslag gelegd. De procurator heelde zijne wond met een -gouden pleister. - -De passagiers lachten. - ---Gij wilt zeggen dat hij het vermogen voor zich hield, zeide een van -hen. - ---Zoo zegt men, antwoordde de Hebreer. Ik deel u het verhaal mede zooals -het mij gedaan is. Simonides dan, die hier in Antiochie de agent van den -vorst was, begon niet lang daarna handel te drijven voor eigen rekening -en werd binnen ongeloofelijk korten tijd een der aanzienlijkste -handelaren van de stad. In navolging van zijn heer zond hij karavanen -naar Indie, en thans bezit hij genoeg galeien voor een koninklijke -vloot. Men zegt dat niets hem ooit mislukt. Zijn kameelen sterven niet -anders, dan door ouderdom. Zijn schepen gaan nooit te gronde. Werpt hij -een stuk hout in zee, het keert als goud tot hem terug. - ---Hoe lang drijft hij handel voor zichzelf? - ---Nog niet volle tien jaren. - ---Dan moet hij met een aardigen duit op zak begonnen zijn. - ---Ja, men zegt dat de procurator zich alleen maar van 's vorsten -bezittingen kon toeeigenen wat voorhanden was: zijn paarden, vee, -huizen, land, schepen, en de opgestapelde goederen. Baar geld was echter -nergens te vinden, hoewel er onnoemelijke sommen moeten geweest zijn. -Wat daarvan geworden is bleef een onopgelost raadsel. - ---Niet voor mij, zeide een der reizigers met een grijnslach. - ---Ik begrijp wat gij bedoelt, antwoordde de Hebreer. Anderen koesterden -dezelfde gedachte. Dat de oude Simonides er zichzelven mee in de hoogte -gewerkt heeft, wordt algemeen geloofd. De procurator was ook van dat -gevoelen. Tweemaal in vijf jaren heeft hij den koopman gevangengenomen -en op de pijnbank gelegd. - -Juda's hand klemde zich krampachtig om het touw, waartegen hij leunde. - ---Men zegt, ging de grijsaard voort, dat zij den armen man letterlijk -geradbraakt hebben. De laatste maal, dat ik hem zag, zat hij in een -stoel in kussens weggedoken, als een vormlooze klomp. - ---Hoe vreeselijk! riepen sommige toehoorders. - ---Ja, wel vreeselijk. Ziekte kon zulk een misvorming niet teweeggebracht -hebben. De pijnbank heeft echter niets op hem vermocht. Alles wat hij -bezat was wettig het zijne, en hij maakte er een wettig gebruik van. -Meer kon men niet uit hem krijgen. Tegenwoordig is hij gelukkig van alle -vervolging ontheven. Hij heeft een verlofbrief om handel te drijven, -door Tiberius zelf onderteekend. - ---Daar zal hij het noodige voor hebben moeten neertellen, riep een der -omstanders. - ---Die schepen zijn van hem, zeide de Hebreer, de opmerking latende voor -wat hij was. Zijne matrozen hebben de gewoonte elkander met het -uitsteken van gele vlaggetjes te begroeten, hetgeen zooveel wil zeggen -als: Onze reis is voorspoedig geweest. - -Hier eindigde het verhaal. Toen Juda een weinig later den Hebreer alleen -vond vraagde hij: Hoe heette de principaal van dien koopman? - ---Ben-Hur; vorst van Jeruzalem. - ---Wat is er geworden van zijne familie? - ---De zoon werd naar de galeien gezonden. Ik veronderstel dat hij dood -is. Langer dan een jaar houden de galeislaven het zelden uit. Van de -weduwe en hare dochter heeft men sedert niets meer gehoord. Zij, die er -meer van weten, willen er zich niet over uitlaten. Waarschijnlijk hebben -zij haar leven beeindigd in een cel van een der Romeinsche burchten van -Judea. - -Juda wandelde naar de voorplecht, zoo in gedachten verzonken, dat hij -nauwelijks acht gaf op de oevers der rivier, die op dit punt bijzonder -liefelijk waren en omzoomd met weelderige tuinen en sierlijke -landhuizen. De gansche omgeving baadde in zonneschijn, alleen op zijn -leven rustte een schaduw. - -Eenmaal slechts waakte hij op uit zijne gepeinzen, en dat was, toen door -een kromming van de rivier het Park van Daphne zichtbaar werd. - - - * * * * * - - -TWEEDE HOOFDSTUK. - -TE ANTIOCHIE. - - -Toen men de stad in 't gezicht kreeg waren de passagiers op het dek -bijeengekomen, om van hare schoone ligging te genieten. De bejaarde Jood -gaf ook nu weder de gewenschte inlichtingen. - ---De rivier keert zich hier naar het Westen, zeide hij. Ik herinner mij -nog dat het water de wallen bespoelde; maar als Romeinsche onderdanen -hebben wij in vrede geleefd, zoodat de handel in bloei toenam, en als -een natuurlijk gevolg overal langs de rivier werven en dokken werden -aangelegd. Ginds in het Zuiden ziet gij den berg Casius, of zooals men -hier zegt, den Orontesberg, en daar tegenover in het Noorden den Amnus. -Tusschen die beiden ligt de vlakte van Antiochie. Die bergen verderop -zijn de Zwarte bergen, vanwaar de groote waterleiding het zuiverste -water naar de stad voert, om de dorstige menschen te laven en de -stoffige straten te besproeien. Het gebergte is met dichte bosschen -bezet, die een rijke dierenwereld huisvesten. - ---Waar is het meer? vraagde een van de reizigers. - ---Ginds, in het Noorden. Men kan er te paard heengaan, of beter nog met -een bootje; want het staat door een zijstroom met de rivier in -verbinding.--Waar het Park van Daphne op lijkt? zeide hij, als antwoord -op de vraag van een tweede. Dat kan niemand beschrijven; maar pas op. -Apollo heeft het aangelegd en voltooid. Hijzelf geeft er de voorkeur aan -boven den Olymp. Men gaat er heen om er een blik te werpen, slechts een, -en men kan het niet weder verlaten. De Antiochiers hebben een spreekwijze, -die veelzeggend is: beter een worm te zijn en moerbeibladeren te eten in -Daphne's Park, dan gast aan 's konings tafel. - ---Raadt gij mij dus er niet heen te gaan? - ---Niet ik. Gij zult gaan. Iedereen gaat, cynische philosofen, -baardelooze knapen, vrouwen, priesters, allen gaan. Zoo zeker ben ik dat -gij gaan zult, dat ik u een raad wil geven. Neem geen logies in de stad, -dat is tijdverlies; maar ga in eens naar het dorp, vlak bij het Park -gelegen. De weg daarheen leidt door een tuin vol frissche fonteinen. -Maar let nu eens op den stadsmuur, dat meesterstuk van Heraeus, den -grooten bouwkundige. - -Aller oogen volgden de aanwijzing van zijn vinger. - ---Dit gedeelte werd gebouwd door den eersten der Seleuciden. De 300 -jaren van zijn bestaan hebben het een gemaakt met de rots, waarop het -staat. - -Het werk rechtvaardigde de lofspraak. Hoog, stevig en met tal van steile -invalshoeken, boog de muur zuidwaarts, zoodat men hem niet langer volgen -kon. - ---De muur heeft vierhonderd torens, alle waterreservoirs, vervolgde de -Hebreer. Kijk, over den muur heen, zoo hoog als hij is, kunt gij in de -verte twee bergen zien, dat zijn de twee toppen van den Sulpius. Het -gebouw op den verst verwijderden top is de citadel, jaar in jaar uit -bezet door een Romeinsch legioen. Daar tegenover verrijst de tempel van -Jupiter, en daaronder het paleis van den legaat, een onneembare vesting. - -Op dit oogenblik begonnen de matrozen het zeil te bergen. - ---Het uur van scheiden is gekomen, zeide de grijsaard. Bij gindsche -brug, die naar Seleucia voert, eindigt de vaart. Wat het schip ontlaadt -voor verder vervoer neemt de kameel op. Wat is de stad gunstig gelegen, -niet waar? Van haar behoef ik niet anders te zeggen, dan dat ieder, die -het voorrecht had van haar te bezoeken, zich gelukkig mag noemen haar -gezien te hebben. - -Hij zweeg, want de galei wendde den steven langzaam naar haar -aanlegplaats onder den muur. Touwen werden uitgeworpen, de riemen werden -ingehaald, de reis was beeindigd. - -Voordat Ben-Hur het vaartuig verliet zocht hij nog eenmaal den -eerwaardigen Hebreer op. - ---Mag ik u nog even iets vragen, voordat ik u vaarwel zeg? - -De man boog toestemmend. - ---Wat gij ons van dien koopman hebt medegedeeld heeft mij begeerig -gemaakt om hem te zien. Zeidet gij niet dat hij Simonides heet? - ---Ja; hij is een Jood met een Griekschen naam. - ---Waar kan ik hem vinden? - -De vreemdeling keek hem scherp aan. Toen antwoordde hij: Ik moet u eene -teleurstelling besparen. Hij is geen geldschieter. - ---Evenmin als ik een geldleener ben, zeide Ben-Hur lachend. - -De grijsaard hief het hoofd op en dacht een oogenblik na. - ---Iedereen zou het natuurlijk vinden, zeide hij, zoo de rijkste koopman -van Antiochie een huis bewoonde volgens zijn stand; maar hier zou men -zich toch vergissen. Wilt gij hem een bezoek brengen, volg dan de rivier -tot aan de brug. Daaronder woont hij in een gebouw, dat er uitziet als -een stutbalk van den muur. Voor de deur is een breede aanlegplaats, -altijd vol van goederen, die pas gelost zijn, of ingescheept moeten -worden. De daar voor anker liggende schepen behooren hem toe. Gij zult -het gemakkelijk vinden. - ---Ik dank u. - ---De vrede onzer vaderen zij met u. - ---En met u. - -Zoo scheidden zij. - -Twee lastdragers namen Ben-Hurs bagage op en vraagden zijne bevelen. - ---Naar de citadel, beval hij, waaruit men kon opmaken, dat hij een -militaire betrekking vervulde. - -Twee groote straten, die elkander met een rechten hoek doorsneden, -verdeelden de stad in vieren. Aan het einde van de eene straat verhief -zich een vreemdsoortig gebouw, het Nymphaeum genaamd. Toen de dragers, -daar gekomen, den hoek omsloegen, was Ben-Hur, ofschoon hij regelrecht -van Rome kwam, verbaasd over de pracht, die zich voor zijne oogen -ontvouwde. Rechts en links niets dan paleizen, terwijl de straat -daartusschen van overdekte marmeren zuilengangen voorzien was, zoodat er -afzonderlijke wegen voor voetgangers, vee, en wagens waren. Op bepaalde -afstanden brachten ruischende springfonteinen koelte en verfrissching -aan. - -Ben-Hur was niet in de stemming om van het schoone te genieten. De -geschiedenis van Simonides vervolgde hem. Bij den Omphalus gekomen, een -monument van vier bogen, die de straat overspanden, prachtig versierd, -en opgericht door Epiphanes, den achtste der Seleuciden, veranderde hij -plotseling van gedachte. - ---Ik zal van avond niet naar de citadel gaan, zeide hij tot de dragers. -Breng mij naar een herberg, zoo dicht mogelijk bij de brug, die naar -Seleucia voert. - -De mannen sloegen den weg derwaarts in, en brachten hem weldra bij een -eenvoudig maar ruim gebouw, vlak bij de brug waaronder Simonides woonde. -Hij bracht den nacht op het platte dak door. Telkens en telkens -herhaalde hij bij zichzelven: Eindelijk zal ik dan van huis hooren, van -moeder en mijn lieve kleine Tirza. Als zij nog leven zal ik ze vinden. - - - * * * * * - - -DERDE HOOFDSTUK. - -TELEURGESTELD. - - -Den volgenden morgen vroeg maakte Ben-Hur zich op, om naar Simonides te -gaan. Een van schietgaten voorziene poort aan het einde der stad voerde -naar een gansche reeks van werven. Door een dichte, bedrijvige menigte -heen bereikte hij de brug, waar hij even staan bleef, om het voor hem -zeldzaam schouwspel in oogenschouw te nemen. - -Ja, dat moest het huis van den koopman zijn, een grijs gebouw, geheel -stijlloos, precies een stutbalk van den muur, alles zooals de reiziger -gezegd had. Twee zware groote deuren verleenden toegang tot de werf. Een -paar getraliede vierkante openingen deden dienst als vensters. In de -voegen en spleten woekerde allerlei soort van onkruid en op sommige -plaatsen waren de overigens kale steenen met mos bewassen. - -De deuren stonden open. Door de eene ging men in, door de andere uit. -Drukte en haast spraken uit ieders bewegingen. Op de werf lagen allerlei -soorten van goederen opgestapeld, en tal van halfnaakte slaven liepen af -en aan. Onder de brug lag een gansche vloot van galeien ten anker, -sommige bezig met laden, andere met lossen. Van elken mast woei een gele -vlag. - -Niet lang bleef Ben-Hur daar staan. Zijn verlangen dreef hem verder. -Eindelijk zou hij bericht van de zijnen kunnen krijgen, indien namelijk -Simonides werkelijk in zijn vaders dienst geweest was. Maar zou de man -hem als den zoon van zijnen heer willen erkennen? Wat toch sloot dat in? -Afstand doen van zijne rijkdommen en van zijn stand, en weder tot den -staat van dienstbaarheid terugkeeren. Was het niet een dwaasheid tot -zulk een man te gaan met de eisch: Gij zijt mijn slaaf, geef mij al wat -gij hebt en--uzelf? - -Het bewustzijn van zijn goed recht en de hoop op tijding van huis gaven -Ben-Hur de kracht om zijn plan te volvoeren. Als het verhaal waar was, -behoorde Simonides met al wat hij had hem toe. Om het geld gaf hij, dat -moet gezegd worden, niets. Toen hij vastbesloten op de deur toetrad, -legde hij bij zichzelven de gelofte af: Laat hij mij zeggen waar moeder -en Tirza zijn, en ik geef hem onvoorwaardelijk zijne vrijheid terug. - -Met opgeheven hoofd trad hij binnen. Allereerst kwam hij in een ruim -pakhuis, waar in volmaakte orde allerlei soorten van goederen -opgestapeld lagen. Hoewel het er vrij duister en bedompt was, gingen -sjouwers onophoudelijk af en aan, terwijl andere werklieden, van zaag en -hamer voorzien, pakkisten ter verzending gereedmaakten. Langzaam liep -hij tusschen de pakken door en vraagde zichzelven af, of de man, van -wiens genie hier de overtuigende bewijzen waren, zijn vaders slaaf kon -geweest zijn. Indien het antwoord toestemmend was, tot welke klasse had -hij dan behoord? Zou hij, aangenomen dat hij een Jood was, de zoon van -een lijfeigene geweest zijn? Of was hij een schuldenaar, of de zoon van -een schuldenaar? Of was hij een dief en voor diefstal verkocht geworden? -Deze overleggingen deden in het minst geen afbreuk aan de achting en -bewondering, die hij bij al wat hij aanschouwde voor den handelaar ging -gevoelen. - -Eindelijk hield een man hem staande en sprak hem aan. - ---Wat is er van uw verlangen? - ---Ik wenschte den handelaar Simonides te spreken. - ---Wil mij dan volgen. - -De man voerde hem het geheele pakhuis door tot aan een smalle trap. -Boven gekomen bemerkte Ben-Hur, dat hij op het dak van het pakhuis -stond. Voor hem verrees een gebouwtje, van de kade onzichtbaar, een huis -dus boven op een huis, en dat naast de brug onder den vrijen hemel -verhief. Het dak, waarop hij stond, was door een lagen muur omgeven, en -geleek wel een tuin door de keur van bloemen en gewassen, die er welig -tierden. In die liefelijken omgeving maakte het vierkant steenen gebouw, -welks muren, behalve door de voordeur, door geen enkelen opening -onderbroken werden, een zonderlingen indruk. Een net onderhouden pad -leidde tusschen bloeiende rozestruiken naar de deur. Den zoeten geur -opsnuivend volgde Ben-Hur zijn leidsman naar binnen. Aan het einde van -een donkere gang gekomen, hield deze stil voor een half opengeschoven -gordijn. - ---Een vreemdeling, die den patroon wenscht ter spreken, riep de man, om -onzen reiziger aan te dienen. - -Een heldere stem antwoordde: Laat hem binnenkomen. - -Een Romein zou het vertrek, waarin Ben-Hur thans kwam, zijn atrium -genoemd hebben. De wanden waren in paneelen verdeeld, die op hunne beurt -tot een soort van kantoorlessenaars waren ingericht en vol lagen met -dikke rollen: de kasboeken van den koopman. Tusschen en rondom de -paneelen waren prachtig gebeeldhouwde, roomkleurige plinten aangebracht. -Boven een rand van vergulde ballen rees de zoldering koepelvormig -omhoog. Het bovengedeelte van den koepel was met honderde pannen van -violetkleurig mica belegd, waardoor het licht liefelijk getemperd naar -binnen viel. Op den vloer lag een zoo dik tapijt, dat het geluid van -voetstappen er zich geheel in verloor. - -In het midden der kamer bevonden zich twee personen, een man, half -weggedoken in de kussens van een gemakkelijken leunstoel, en een -bevallig jong meisje. Toen hij hen zag vloog Ben-Hur het bloed naar 't -hoofd. Hij groette hen met een beleefde buiging, maar daardoor ontging -hem, dat de grijsaard, toen hij hem aankeek, zichtbaar ontsteld zijne -handen omhooghief. - -Toen Ben-Hur de oogen weer opsloeg vond hij vader en dochter in dezelfde -houding, behalve dat de hand van het meisje thans op den schouder van -den ouden man rustte. Beiden zagen hem onderzoekend aan. - ---Indien ik in u Simonides den koopman, den Jood, mag begroeten, dan zij -de vrede van den God onzes vaders Abraham met u en de uwen. - ---Ik ben Simonides, van wien gij spreekt, van geboorte een Jood, -antwoordde de man met een bijzonder klankrijke stem, en ik wensch u -eveneens dien vrede toe, u tevens verzoekende mij te willen meedeelen -met wien ik spreek. - -Ben-Hur had intusschen den man nauwlettend aangezien. Ach ja, het was -zooals zijn medepassagier hem gezegd had. Simonides, die op een forsche -kloeke gestalte had kunnen bogen, zat thans als een vormlooze massa in -de kussens weggezonken. Een zijden deken bedekte zijn misvormde -ledematen. Alleen het edelgevormde hoofd deed vermoeden wat hij eenmaal -geweest moest zijn. Witte lokken en witte wenkbrauwen verhoogden den -gloed der donkere oogen. Het gelaat was geheel kleurloos en met vele -rimpels doorploegd. Het was het gelaat van een man, die eer de wereld in -beweging zou brengen, dan door haar in beweging gebracht worden; een -man, die eer zijn leven dan een voornemen of een levensdoel zou -opofferen; een man van staal, alleen te treffen in wat hij liefhad. - ---Ik ben Juda, de zoon van Ithamar, in zijn leven het hoofd van het -geslacht Hur, en vorst van Jeruzalem. Dit zeggende stak hij den oude -beide handen toe. - -De rechterhand van den koopman, een uitgeteerde, misvormde hand, die op -de deken rustte, sloot zich krampachtig; overigens bleef hij volkomen -bedaard en gaf niet het minste teeken van verbazing of belangstelling. -Kalm antwoordde hij: De geboren vorsten van Jeruzalem zijn altijd welkom -in mijn huis. Gij zijt welkom. Esther, geef den jonkman een stoel. - -Het meisje gehoorzaamde en schoof een zetel aan, zeggende: De vrede van -onzen God zij met u; ga zitten en rust. - -Ben-Hur maakte geen gebruik van den zetel; maar zeide op beleefden toon: -Ik hoop dat de waardige Simonides mij niet voor een indringer zal -aanzien. Gisteren naar Antiochie reizende, vernam ik dat hij mijn vader -gekend heeft. - ---Ja, ik heb vorst Hur gekend. Wij hebben samen handel gedreven. Maar ga -toch zitten, bid ik u; en, Esther, breng wijn voor den jonkman. Nehemia -spreekt van een zoon van Hur, die over half Jeruzalem regeerde; een oud -geslacht, zeer oud. In de dagen van Mozes en Jozua vonden zij reeds -genade in de oogen des Heeren. Ik kan niet denken, dat een hunner -afstammelingen een beker druivennat van de echte wijngaarden van Sorek, -geplant op Hebrons heuvelen, zal weigeren. - -Nog voordat hij uitgesproken had bood Esther den bezoeker een beker wijn -aan. Ben-Hur echter maakte een afwijzende beweging. Een verwonderde blik -trof hem uit haar donkere, zachte oogen. Zij is lief en mooi, dacht hij, -zoo lief en mooi zou Tirza ook zijn, als zij nog leefde. Arme Tirza! -Toen zeide hij overluid: Neen, uw vader,--hij is immers uw vader ...? - ---Ik ben Esther, de dochter van Simonides, antwoordde zij fier. - ---Uw vader, schoone Esther, zal wanneer hij mij ten einde toe gehoord -heeft kunnen begrijpen, dat ik vooralsnog niet van zijnen wijn drink. En -gij zult er mij, hoop ik, niet minder goedgunstig om aanzien. Blijf, bid -ik u, een oogenblik naast mij staan. - -Het meisje deed wat haar verzocht werd. - ---Simonides, zeide Ben-Hur op vasten toon, toen mijn vader stierf, had -hij een vertrouwd bediende van uw naam, en mij is gezegd, dat gij die -man zijt. - -Het gansche lichaam van den grijsaard trilde, krampachtig balde hij de -vuist. - ---Esther, riep hij op strengen toon, kom hier! Als het kind uwer ouders -is uwe plaats hier, niet daar, hoort gij? - -Het meisje zag verschrikt en verbaasd eerst haar vader, toen den -bezoeker aan. Daarop zette zij den beker op tafel en ging gehoorzaam -naar den ziekenstoel. Simonides greep hare hand en zeide op kalme toon: -Ik ben oud geworden voor mijn tijd door toedoen van menschen. Als hij, -die u wat gij daar zeidet, verteld heeft, een met mijne geschiedenis -bekend vriend is, dan moet hij u overtuigd hebben, dat ik niet anders -dan achterdochtig kan zijn met betrekking tot mijne medemenschen. De God -van Israel sta hem bij, die aan het einde zijns levens genoodzaakt is -zoo te spreken. Ik heb slechts weinigen lief, maar die dan ook met mijn -ganschen hart. Een van die--hij bracht op een onbeschrijfelijk teedere -wijze Esthers hand aan zijne lippen--tot heden onverdeeld de mijne, was -mij tot zulk een zoeten troost, dat ik zou sterven als zij van mij -genomen werd. - -Esther boog zich over haren vader en kuste hem op het voorhoofd. - ---De andere liefde is slechts een herinnering, waarvan ik niets anders -zeggen zal, dan dat zij als een zegen des Heeren een geheele familie -omvat. Wist ik, ach wist ik maar waar zij zich ophouden! - -Ben-Hurs gelaat werd met een donkeren blos overtogen, en een stap nader -tredend riep hij hartstochtelijk: Mijne moeder en zuster! Die bedoelt -gij, niet waar? - -Esther zag verwonderd op; maar Simonides, zichzelf meester, zeide koel: -Hoor mij ten einde. Omdat ik ben wat ik ben, en om de liefde waarvan ik -sprak, eisch ik van u naar recht en billijkheid de bewijzen, dat gij -zijt voor wien gij u uitgeeft. Daarna zal ik uwe vraag betreffende mijne -verhouding tot vorst Hur beantwoorden. Hebt gij uwe bewijzen op schrift? -Of brengt gij persoonlijke getuigen mee? - -De vraag was eenvoudig, en haar goed recht onbetwistbaar. - -Ben-Hur werd verlegen, stamelde een paar onsamenhangende woorden, en -keerde zich besluiteloos af. Simonides hield aan: Geef mij de bewijzen, -zeg ik. Leg ze mij voor, geef ze mij in handen! - -Maar Ben-Hur kon niets antwoorden. Aan die mogelijkheid had hij niet -gedacht; en nu hij er voor stond, gingen zijne oogen eerst geheel open -voor het vreeselijke feit, dat die drie jaren op de galeien alle -bewijzen van zijne identiteit hadden weggevaagd. Nu zijne moeder en -zuster spoorloos verdwenen waren, was er niemand, op wien hij zich kon -beroepen. Bekenden had hij genoeg; maar dat baatte niet. Wat had zelfs -Quintus Arrius, als hij hier bij hem was geweest, meer kunnen zeggen, -dan waar hij hem gevonden had en dat hij voor zich overtuigd was den -zoon van vorst Hur voor zich te zien? Maar, zooals wij straks zullen -zien, de dappere Romeinsche krijger was niet meer. Juda had vroeger wel -eens over zijne verlatenheid gezucht, maar nu eerst voelde hij ten volle -wat het zegt niemand toe te behooren. Daar stond hij met gevouwen -handen, afgewend gelaat, geheel verslagen. Simonides eerbiedigde die -stille smart en wachtte zwijgend. - ---Meester Simonides, zeide Ben-Hur eindelijk, ik kan u alleen mijne -levensgeschiedenis verhalen; maar ik doe het niet, tenzij gij zoolang uw -oordeel wilt opschorten en met goedwilligheid naar mij wilt luisteren. - ---Spreek, zeide Simonides, ik luister te gewilliger daar ik niet ontkend -heb, dat gij degeen zijt, voor wien gij u uitgeeft. - -Toen vertelde Ben-Hur in weinige, maar welsprekende woorden zijn -wederwaardigheden. Daar wij die kennen tot aan het oogenblik van zijne -landing te Misenum in gezelschap van Arrius, zullen wij bij dat punt -zijn verhaal opvatten. - ---De keizer had mijn weldoener lief, vertrouwde hem volkomen, en -overlaadde hem met eerbewijzen. De kooplieden uit het Oosten, die hem -hunne veiligheid dankten, brachten kostbare geschenken aan, zoodat hij -schatten op schatten stapelde. Mag een Jood zijn godsdienst vergeten, -of zijn geboorteland, zoo dat de heilige grond onzer vaderen is? De -waardige Arrius nam mij geheel volgens de Romeinsche wetten tot zoon -aan, en ik deed wat ik kon om hem mijne dankbaarheid te toonen. Nooit -was een kind zijn vader meer onderdanig dan ik hem. Hij had mij tot -geleerde willen maken. In kunst, philosofie, rhetorica, oratorie, zou -hij mij de beroemste meesters gegeven hebben. Die aanbiedingen sloeg ik -af, omdat ik een Jood was, en zoomin den Heere God kon vergeten, als -onze groote profeten of de stad door David en Salomo gebouwd. Vraagt gij -soms waarom ik zijne andere gaven wel aannam? Dan antwoord ik: Ik had -hem lief, en ik hoopte eenmaal met zijne hulp den sluier op te lichten, -die het lot van mijne moeder en zuster bedekte. Daarnevens had ik nog -een ander doel voor oogen, waarover ik niets wil zeggen, dan dit, dat -het mij een prikkel was om het krijgswezen grondig te bestudeeren, en -mij in het hanteeren der wapenen te bekwamen. In worstelperk en circus -heb ik mij dag aan dag geoefend, in het kamp niet minder, en overal heb -ik naam gemaakt. De lauweren, die ik won--en aan de muren der villa te -Misenum hangen er verscheidene--kwamen tot mij, als zoon van Arrius den -duumvir, niet als den zoon mijns vaders. Alleen in mijne betrekking tot -den Romein ben ik bij de Romeinen bekend. Tot bevordering van mijne -plannen verliet ik Rome voor Antiochie, vast besloten om den Consul -Maxentius in den oorlog tegen de Parthen te volgen, ten einde op het -slagveld de hoogere kunst te leeren van de troepen ten strijde te -voeren. De consul heeft mij toegelaten tot den kring zijner naaste -omgeving. Maar gisteren, toen ons schip den Orontes opvoer, ontmoetten -wij twee andere schepen, met gele vlaggen in top. Een medereiziger en -landgenoot van Cyprus deelde ons mee, dat die schepen het eigendom waren -van Simonides, den grootsten koopman van Antiochie. Hij vertelde ons van -zijn wonderbaren voorspoed in den handel, van zijne vloot en karavanen, -weinig vermoedende, dat een zijner hoorders persoonlijk het grootste -belang stelde in hetgeen hij mededeelde. Hij zeide ook dat Simonides een -Jood was, in vroeger jaren lijfeigene van vorst Hur. Tot besluit sprak -hij van de wreedheden door Gratus gepleegd en het doel dier vervolging. - -Bij deze woorden boog Simonides het hoofd, terwijl Esther zich tegen hem -aanvlijde, als wilde zij hem haar innig medelijden toonen. Slechts even; -toen richtte Simonides zich weer op en zeide met heldere stem: Ik luister. - ---Ach, goede Simonides, antwoordde Ben-Hur, terwijl zijn geheele ziel -uit zijne oogen sprak, ik zie dat gij nog niet overtuigd zijt, en dat de -schaduw van verdenking nog op mij rust. - -Het gelaat van den koopman bleef koud en strak als marmer. Hij bewaarde -het stilzwijgen. - ---Niet minder duidelijk zie ik de moeilijkheden van mijn toestand, -vervolgde Ben-Hur. Mijne Romeinsche betrekking kan ik bewijzen, ik -behoef mij slechts op den consul te beroepen, die als gast van den -gouverneur dezer stad in Antiochie vertoeft; maar ik kan niet bewijzen -dat ik de zoon mijns vaders ben. Die dat konden zijn dood, of verdwenen. - -Hij bedekte zijn gelaat met beide handen, waarop Esther naar hem toe -ging, en hem den versmaden beker wijn nogmaals aanbood, met de woorden: -De wijn komt uit het land, dat wij allen zoozeer liefhebben. Drink, bid -ik u. - -Hare stem klonk zacht en liefelijk. Ben-Hur zag dat hare oogen vol -tranen stonden. Hij nam de beker aan, zeggende: Dochter van Simonides, -uw hart is vol goedheid. Dat onze God u zegene! Ik dank u. - -Toen wendde hij zich opnieuw tot den koopman. - ---Daar ik u niet bewijzen kan, dat ik mijn vaders zoon ben, trek ik -mijne vraag terug. Gij zult mij niet wederzien. Alleen dit nog: Mijn -bedoeling was niet u te doen terugkeeren tot dienstbaarheid, of -rekenschap te eischen van uw vermogen. Welke ook de uitkomst mocht -geweest zijn, ik zou gezegd hebben wat ik nu ook zeg: Alles wat gij door -uw vlijt en talenten gewonnen hebt is het uwe. Behoud het in vrede. Ik -heb het niet noodig. Toen de goede Quintus, mijn tweede vader, de reis -aanvaardde, waarvan hij niet zou terugkeeren, maakte hij mij tot eenige -erfgenaam van zijn vorstelijk vermogen. Mocht gij dus bijgeval later nog -eens aan mij denken, laat het dan alleen zijn in verband met de vraag, -die het voornaamste doel mijner komst was. Wat weet gij, wat kunt gij -mij vertellen van mijne moeder en van Tirza, mijne zuster; zij, die in -schoonheid en bevalligheid aan uwe beminnelijke dochter gelijk zou zijn? -O zeg, wat kunt gij mij van haar vertellen? - -De tranen stroomden langs Esthers wangen, maar haar vader bleef -onbewogen. Met vaste stem antwoordde hij: Ik heb gezegd dat ik vorst Hur -gekend heb. Ik herinner mij vernomen te hebben, dat zijn gezin door vele -rampen getroffen werd. Hij, die de weduwe van mijn vriend in het verderf -stortte, is dezelfde, die ook mij vervolgd heeft. Ik wil nog verder -gaan, en u zeggen dat ik naarstig onderzocht heb wat van de familie -geworden is; maar--ik kan u niets van haar vertellen. Zij zijn als van -den aardbodem verdwenen. - -Ben-Hur slaakte een diepen zucht. Dan--dan is weder een hoop vervlogen, -zeide hij. Ik ben gewoon aan teleurstellingen. Ik bid u vergeef mij, zoo -ik u moeite veroorzaakte, vergeef het ter wille van mijne smart. Ik heb -nu niets meer om voor te leven dan mijne wraak. Vaarwel. - -Bij den uitgang keerde hij zich om en zeide eenvoudig: Ik dank u beiden. - ---De vrede Gods vergezelle u, zeide de koopman. - -Esther kon niet spreken, zij snikte luid. - -En zoo vertrok hij. - - - * * * * * - - -VIERDE HOOFDSTUK. - -SIMONIDES. - - -Nauwelijks was Ben-Hur de kamer uit, of Simonides scheen als uit den -slaap te ontwaken. Zijn gelaat gloeide, zijn sombere oogen schoten vuur. -Op levendigen toon zeide hij: Gauw, Esther, bel eens gauw! - -Zij ging naar de tafel en drukte op een knopje. Dadelijk daarop -verscheen door een deur in den muur een bediende, die voor den koopman -bleef staan en een eerbiedigen buiging maakte. - ---Hier, Malluch, dichter bij mijn stoel, beval de meester. Ik heb een -werk voor u, dat niet mag mislukken, al viel de zon ook van den hemel. -Luister! Zooeven verliet mij een jonkman, hij zal door het pakhuis gaan, -slank, schoon, als Israeliet gekleed. Volg hem, zijn schaduw mag niet -onafscheidelijker van hem zijn dan gij. Iederen avond doet gij mij weten -waar hij is, wat hij doet, welk gezelschap hij opzoekt; en als gij -zonder vrees voor ontdekking zijne gesprekken kunt afluisteren, breng ze -mij dan woord voor woord over, met alles wat dienen kan om zijne -gewoonten, zijne bedoelingen, zijn leven te leeren kennen. Begrepen? Ga -gauw. Wacht, Malluch, luister nog even. Gaat hij de stad uit, volg hem, -en doe u als vriend voor. Spreekt hij u aan, zeg wat gij wilt, alleen -niet dat gij in mijn dienst zijt. Daarover gezwegen. Haast u! Spoed u -voort! - -De man groette en ging heen. - -Toen wreef Simonides zijn vermagerde handen en lachte. - ---Welke dag is het vandaag, kind? vraagde hij vroolijk. Ik wil hem -onthouden als een geluksdag. Zie den datum lachend na, en zeg hem mij -lachend, Esther. - -Die vroolijkheid kwam haar onnatuurlijk voor, en om hem dat zachtkens te -doen gevoelen antwoordde zij droevig: Wee mij, vader, zoo ik ooit dezen -dag kon vergeten! - -Zijne handen vielen slap neer, hij boog het hoofd en zeide: Zeker, -zeker, mijn kind. Dit is de twintigste dag van de vierde maand. Vandaag -voor vijf jaren viel mijn lieve Rachel, uwe moeder, neer en stierf. Zij -brachten mij thuis, gebroken, zooals gij mij nu ziet, en wij vonden haar -bezweken door smart. O, voor mij was zij een struik kamfer in de -wijngaarden van Engedi. Ik heb mijne myrrhe geplukt met mijne specerij. -Ik heb mijne honigraten met mijnen honig gegeten. Wij begroeven haar op -een eenzame plek, een graf uitgehouwen in den berg, niemand ligt bij -haar. Maar zij liet mij in mijne duisternis een klein lichtje na, dat -met de jaren toenam in glans. (Hij legde zijne hand op Esthers hoofd.) -Lieve God, ik dank u, dat ik in mijne Esther mijne verlorene Rachel mag -zien herleven! - -Toen lichtte hij het hoofd weder op en zeide, alsof een invallende -gedachte hem trof: Is het niet klaarlichte dag daarbuiten? - ---Zoo was het toen de jonkman binnenkwam. - ---Laat Abimelech dan komen en mij naar den tuin brengen, waar ik de -rivier en de schepen kan zien. Daar zal ik u zeggen waarom zooeven mijn -mond lachte en mijne tong zong, en mijn hart opsprong binnen in mij, als -een ree of jonge gazelle op de welriekende bergen. - -Op haar schellen kwam een tweede knecht en duwde op haar bevel den -stoel, tot dat doel op wieltjes staande, de kamer uit, naar het dak van -het lager gelegen huis, den tuin, zooals Simonides het noemde. Tusschen -de schoonste, met de meeste zorg gekweekte bloemen door, werd hij naar -een punt gerold, vanwaar hij de brug, de fonkelende rivier en de -talrijke schepen overzien kon. Daar liet de knecht hem met Esther -alleen. - -Het geraas, dat de arbeiders maakten, hinderde hem niet, evenmin als de -drukte op de brug schuin boven zijn hoofd. Hij was daaraan gewoon en -merkte het ternauwernood op. - -Esther zette zich op de armleuning van zijn stoel en streelde zijne -hand, in afwachting dat hij spreken zou. Eindelijk begon hij op zijn -gewonen kalmen toon. Zijn machtige wil had hem de zelfbeheersching -teruggegeven. - ---Toen die jonkman sprak, Esther, heb ik u gadegeslagen, en meende te -zien dat gij voor hem gewonnen waart. - -Het meisje sloeg de oogen neer en antwoordde: Als u bedoelt, vader, dat -ik zijne woorden geloofde, ja, dan hebt u gelijk. - ---In uwe oogen is hij dus de zoon van vorst Hur? - ---Als hij het niet is.... - ---Nu, wat dan, kind? - ---Ik ben uwe dienstmaagd, vader, sinds moeder Gods roepstem volgde. Aan -uwe zijde staande heb ik gehoord en gezien hoe u op verstandige wijze -handeldet met allerlei soort van mannen, die langs rechte of kromme -paden winst zochten te behalen. Daarom zeg ik, als deze jonkman niet de -vorst is, waarvoor hij zich uitgeeft, dan zag ik de leugen nog nimmer -zoo goed de rol van waarheid en recht spelen. - ---Bij de wijsheid van Salomo, dochter, dat is een veelbeteekend woord. -Gelooft gij dat uw vader zijn vaders lijfeigene was? - ---Mij dacht, hij vraagde alleen maar, of dat zoo was. - ---Wel, gij zijt een goed kind, Esther, met echt Joodsche scherpzinnigheid -begaafd, en krachtig genoeg om een droevig verhaal te horen. Luister dus -goed, want ik zal u iets van mijzelven vertellen, en van uwe moeder, en -van vele dingen, die tot een verleden behooren, waarvan gij niets -vermoedt, dingen, die den wraakgierigen Romein verborgen zijn gebleven -ter wille van een stille hoop, en die ik u verzwegen heb, opdat uw -gemoed zich tot den God Israels zou keeren, als het riet naar de zon. Ik -ben geboren in een spelonk in de vallei Hinnom, aan de zuidzijde van den -berg Sion. Mijn vader en moeder waren Hebreeuwsche lijfeigenen. Zij -verzorgden de olijf- en vijgeboomen in den Koningstuin bij Siloam. Toen -ik groot genoeg was hielp ik hen. Zij behoorden tot de klasse, die tot -altijddurenden dienst verplicht is. Ik werd later verkocht aan vorst -Hur, na koning Herodes de rijkste inwoner van Jeruzalem. Die zond mij -naar zijn magazijn in Alexandrie, waar ik meerderjarig werd. Ik diende -hem zes jaar, in het zevende werd ik naar de wet van Mozes vrij. - -Esther klapte in de handen. - ---O, dan zijt gij niet zijn vaders lijfeigene! - ---Luister verder, kind. Er waren in die dagen wetgeleerden, die met -groote heftigheid de stelling verdedigden, dat de kinderen van -lijfeigenen levenslang tot den stand hunner ouders behooren; maar vorst -Hur was rechtvaardig in alle dingen en een bekwaam uitlegger der Wet. -Hij zeide, dat ik een gekochte Hebreeuwsche dienstknecht was en volgens -de bedoeling van den grooten Wetgever in vrijheid kon uitgaan. Op -gezegelde brieven, die ik trouw bewaard heb, verklaarde hij mij vrij. - ---En mijne moeder? vraagde Esther. - ---Gij zult alles hooren, kind. Heb maar geduld. Voordat ik uitgesproken -heb zult gij zien, dat ik lichter mijzelf zou kunnen vergeten, dan uwe -moeder.... Toen mijn diensttijd verstreken was, ging ik met het -Paaschfeest op naar Jeruzalem. Mijn meester ontving mij in zijn huis. -Ik had hem lief met mijn gansche hart en verzocht hem in zijn dienst te -mogen blijven. Dat stond hij toe en ik diende hem nogmaals zeven jaren, -maar thans als een gehuurde zoon van Israel. Hij droeg mij de leiding op -van belangrijke ondernemingen ter zee, en het toezicht over zijne -karavanen naar Suza en Persepolis. Het waren gevaarvolle tochten, kind, -maar de Heer zegende alles wat ik ondernam. Ik bracht den vorst groot -gewin aan en deed voor mezelf een schat van kennis op, zonder welke ik -de verplichtingen, die mij later werden opgelegd, niet zou hebben kunnen -nakomen. Op zekeren dag bevond ik mij te Jeruzalem in het huis van den -vorst. Eene dienstmaagd kwam binnen met een schaal brood. Zij bood mij -daarvan aan. Dat was de eerste maal dat ik uwe moeder zag. Ik kreeg haar -lief. Niet lang daarna vraagde ik de vorst haar mij tot vrouw te geven. -Hij antwoordde, dat zij een lijfeigene was, levenslang dienstbaar; maar -dat hij haar om mijnentwil vrij zou laten. Zij had mij wederkeerig lief, -maar voelde zich gelukkig waar zij was en nam haar aangeboden vrijheid -niet aan. Telkens als ik te Jeruzalem kwam, hield ik bij haar aan, maar -haar antwoord bleef onveranderlijk hetzelfde: dat zij mijne vrouw wilde -worden, mits ik haar mededienstknecht werd. Onze vader Jakob diende -tweemaal zeven jaren om zijne Rachel, kon ik dat niet voor de mijne -doen? Maar uwe moeder zeide, dat ik een lijfeigene moest worden mijn -leven lang, evenals zij. Ik ging heen, maar kwam terug. Zie maar, -Esther, zie maar. - -Hij schoof zijn hoofddoek weg, wees op zijn linkeroor, en zeide: Ziet ge -het litteeken van den priem? - ---Ik zie het, antwoordde zij. Wat hebt ge moeder liefgehad! - ---Ach, Esther, zij was mij dierbaarder dan Sulamith den koninklijken -zanger; zij was mij een springader van levend water, als de stroomen van -den Libanon. De vorst bracht mij op mijn verzoek voor de rechters, -voerde mij terug naar zijne huisdeur, en doorpriemde mijn oor met den -priem, zoodat ik voor eeuwig zijn dienstknecht was. Aldus heb ik mijne -Rachel gewonnen. Was er ooit grooter liefde dan de mijne? - -Esther boog zich en kuste hem. Toen zwegen beiden een geruime poos. - ---Mijn meester verdronk op zee, de eerste droefheid die mij overkwam, -vervolgde Simonides. Er was rouwgeklag in zijn huis en in het mijne, -hier in Antiochie, waar ik toen reeds woonde. Let nu goed op, Esther. -Toen de vorst stierf was ik opgeklommen tot eersten rentmeester. - -Alles wat hij bezat stond onder mijn beheer. Daaruit kunt gij zien dat -hij mij volkomen vertrouwde en liefhad. Ik haastte mij naar Jeruzalem, -om de weduwe rekening en verantwoording te doen. Zij bevestigde mij in -mijn ambt. Ik legde mij met nog meer ijver op mijn werk toe. De zaak -bloeide en breidde zich jaarlijks uit. Zoo gingen tien jaren voorbij, -toen viel de slag, waarvan de jonge man straks gewaagde. Ik bedoel het -ongeluk met den procurator Gratus. De Romein noemde het een poging tot -moord. Onder dat voorwendsel legde hij, met toestemming van den keizer, -ten eigen bate beslag op alles wat de weduwe bezat. Daar bleef het niet -bij. Opdat geen herroeping van het vonnis mogelijk zou zijn, verwijderde -hij alle belanghebbenden. Sedert dien vreeselijken dag is de familie Hur -spoorloos verdwenen. De zoon, dien ik als kind gezien had, werd naar de -galeien verwezen. De weduwe en de dochter zijn waarschijnlijk opgesloten -in een der gevangenissen van Judea. Eenmaal achter de veroordeelden -gesloten, zijn die holen aan grafspelonken gelijk. Weggevaagd zijn de -armen, alsof de zee ze verzwolgen had. Wij konden niet eens te weten -komen hoe zij stierven; neen, zelfs niet of zij dood zijn. - -Esthers oogen stonden vol tranen. - ---Uw hart is goed, Esther, evenals dat van uwen moeder, en ik bid God, -dat het niet het lot moge ondergaan van het meerendeel der goede harten: -vertrapt te worden door onmeedoogenden en blinden. Maar luister verder. -Ik begaf mij dadelijk naar Jeruzalem, om mijne meesteres, zoo mogelijk, -te helpen, maar werd bij de poort gegrepen en naar de burcht Antonia -gebracht, waarom wist ik niet, totdat Gratus zelf verscheen en de gelden -opeischte van het huis Hur, welke hij wist dat, naar Joodsch gebruik, -door wissels van mijne handteekening voorzien, overal konden opgevraagd -worden. Hij verlangde dat ik zijn bevel zou onderteekenen. Ik weigerde. -Hij had de huizen, landerijen, goederen, schepen van hen, die ik diende, -maar niet het geld. Ik wist dat ik, als God met mij bleef, het verlorene -ruimschoots kon herwinnen. Ik weigerde den tiran te gehoorzamen. Hij -deed mij op de pijnbank leggen. Ik bleef standvastig. Hij hergaf mij de -vrijheid zonder zijn doel bereikt te hebben. Ik kwam thuis en begon -handel te drijven op naam van Simonides van Antiochie, zooals ik dat -vroeger deed op naam van vorst Hur van Jeruzalem. Gij weet, Esther, dat -alles mij meeliep, dat het vorstelijk vermogen onder mijn beheer tot in -het wonderbaarlijke aangroeide. Gij weet dat ik drie jaren later naar -Cesarea ging, waar ik weder op bevel van Gratus gegrepen en gepijnigd -werd, om mij de bekentenis af te persen, dat mijn geld en goed tot het -door hem in beslag genomene behoorde. Gij weet, dat hij evenmin als -vroeger iets op mij vermocht. Gebroken naar 't lichaam kwam ik thuis en -vond mijne Rachel dood, van angst en droefheid over mij. De Heer onze -God regeert; ik bleef in het leven. Van den keizer zelf kocht ik het -privilegie, om over de geheele wereld handel te mogen drijven. Heden, -geloofd zij Hij, die de wolken maakt tot zijne wagen en en op de winden -wandelt, heden, Esther, is datgene wat mij als rentmeester was -toevertrouwd tot een vermogen aangegroeid, waar een keizer van zou -kunnen leven. - -Trots hief Simonides het hoofd op. Hunne oogen ontmoetten elkander, zij -lazen elkanders gedachten. - ---Wat zal ik met den schat doen, Esther? vraagde hij, haar strak -aanziende. - ---Vader, zeide zij zacht, heeft de rechtmatige eigenaar zich straks niet -aangemeld? - -Zijn oog bleef vast op het hare gericht. - ---Maar gij, mijn kind, moet ik u als bedelares achterlaten? - ---Neen, vader; ben ik niet, omdat ik uw kind ben, zijne dienstmaagd? En -van wie staat geschreven: Kracht en eer zijn haar kleedij, en zij zal in -toekomstige tijden zich verblijden? - -Met een uitdrukking van innige liefde op het gelaat antwoordde hij: God -is in vele opzichten goed voor mij geweest; gij, Esther, zijt het -grootste bewijs van zijne gunst. - -Hij trok haar tot zich en kuste haar herhaaldelijk. - ---Hoor nu, zeide hij, waarom ik straks lachte. De jonge man was sprekend -het evenbeeld van zijn vader, toen hij nog jong was. Mijn hart vloog hem -te gemoet om hem te begroeten. Ik voelde dat mijn lijdenstijd voorbij -was en mijn zwoegen geeindigd. Ik had het uit kunnen schreeuwen van -blijdschap. Ik zou niets liever gedaan hebben, dan hem bij de hand -nemen, hem de kasboeken toonen en zeggen: Zie, dat is alles het uwe, en -ik ben uw dienstknecht, bereid om afgeroepen te worden. En dat zou ik -gedaan hebben, Esther, dat zou ik gedaan hebben, zoo niet op dat -oogenblik een drietal gedachten bij mij opgekomen was en mij weerhouden -had. Ik moet zeker weten, dat hij de zoon mijns meesters is, dat was de -eerste gedachte. Is hij dat, dan moet ik iets aangaande zijn karakter -zien te vernemen; want, Esther, onder degenen, die in weelde geboren -werden, zijn velen in wier hand de rijkdom tot een vloek werd.... - -Hij zweeg even, toen vervolgde hij, trillend van moeilijk bedwongen -hartstocht: Denk aan de folteringen, die de Romein mij heeft doen -ondergaan, neen, niet Gratus alleen; de ellendelingen, die zijne bevelen -ten uitvoer brachten, waren allen Romeinen en zij lachten bij mijne -jammerkreten. Denk aan mijn verbrijzeld lichaam en aan de jaren die ik, -de sterke man, in hulpbehoevendheid heb moeten doorbrengen. Denk aan uwe -moeder in haar eenzaam graf. Denk aan het vreeselijke lijden van het -gezin mijns meesters als zij nog leven, en aan het wreede van hunnen -dood als zij niet meer zijn. Bedenk dat alles en zeg mij, zal dan geen -enkele druppel bloed vergoten worden ten zoen? Zeg nu niet wat onze -leeraars soms zeggen: De Wrake is des Heeren ... zijn niet zijne -krijgsknechten talrijker dan zijne profeten? Luidt niet een van zijne -geboden: Oog om oog, tand om tand? Al deze jaren door heb ik gedroomd -van wraak, er om gebeden, haar voorbereid, geduld geoefend bij het -aanschouwen van de vermeerdering mijner schatten, in het vaste geloof, -dat zij mij eenmaal zouden helpen de goddeloozen te straffen. Toen nu de -jonge man van zijne bedrevenheid in het voeren der wapenen sprak en er -bijvoegde, dat hij een bepaald doel in het oog hield, kwam de derde -gedachte, de gedachte van wraak, bij mij op, en die, Esther, deed mij -onvermurwbaar blijven zoolang hij sprak en lachen toen hij vertrokken -was. - -Esther liefkoosde zijne hand en zeide op peinzenden toon: Hij is weg; -zal hij terugkomen? - ---Zeker; Malluch, de getrouwe, gaat met hem en zal hem wederbrengen, als -ik gereed ben. - ---En wanneer zal dat wezen, vader? - ---Weldra, weldra. Hij denkt dat alle getuigen dood zijn. Er leeft nog -een wezen dat hem herkennen zal, indien hij waarlijk mijn meesters zoon -is. - ---Zijne moeder? - ---Neen, kind. Ik zal de getuige tegenover hem stellen. Tot zoolang -willen wij deze zaak in des Heeren hand laten. Ik ben moe. Roep -Abimelech. - -Esther deed wat haar gelast werd en vergezelde haren vader naar binnen. - - - * * * * * - - -VIJFDE HOOFDSTUK. - -DAPHNE'S PARK. - - -Ben-Hur verliet het pakhuis met het bewustzijn, dat hij weer een nieuwe -teleurstelling voegen kon bij de vele, die hij reeds had ondervonden in -het zoeken naar zijne familie. Die gedachte was zeer neerdrukkend. Hij -voelde zich zoo eenzaam en verlaten. Nu deze hoop vervlogen was, kwam -het leven hem zoo dor en weinig belangrijk voor. - -Het koeltje dat hem van de rivier tegenwoei, lokte hem naar de -landingsplaats. Daar schoot hem het gezegde van den reiziger te binnen: -Beter een worm te zijn en moerbeiblaren te eten in Daphne's Park, dan -gast aan 's Konings tafel. Hij keerde om en ging naar de herberg terug. - ---Waar de weg naar Daphne is? zeide de portier, verbaasd over de vraag, -die Ben-Hur hem deed. Zijt gij hier voor 't eerst? Zoo, dan kunt gij -dezen dag als den gelukkigsten van uw leven beschouwen. Gij kunt u niet -in den weg vergissen. De eerste straat links voert naar den berg -Sulpius, op wiens top een altaar van Jupiter staat en het Amphitheater. -Volg die tot de derde kruisstraat, de Kolonnade van Herodes geheeten, -sla daar rechts om en ga dwars door de oude stad naar de bronzen poort -van Epiphanes. Daar begint de weg naar Daphne. Mogen de goden u -beschermen! - -Ben-Hur begaf zich dadelijk op weg. De Kolonnade van Herodes was -gemakkelijk te vinden, evenzoo de bronzen poort. - -Het was omstreeks de vierde ure van den dag, toen hij de stad achter -zich liet, om in gezelschap van honderde andere wandelaars naar de -beroemde tuinen te gaan. De weg was verdeeld in verschillende paden voor -voetgangers, ruiters en wagens; deze laatste weder voor gaande en -komende. Lage balustraden, op geregelde afstanden met fraaie standbeelden -versierd, dienden tot scheidsmuur tusschen de verschillende paden. -Rechts en links van den weg strekten zich goed onderhouden grasvelden -uit, hier en daar met eiken en vijgen beplant, en van schaduwrijke -prieelen voorzien, een heerlijke rustplaats voor de vermoeiden onder de -wandelaars. De paden voor de voetgangers waren met roode steentjes -geplaveid, die voor de ruiters en wagens met wit zand bestrooid, zoo -dik, dat het geen echo's van hoeven of wielen teruggaf. Het aantal -springende fonteinen was verbazend groot, alle geschenken van koningen, -die de stad bezocht hadden, en naar hunnen namen genoemd. Deze -straatweg, onovertroffen in aanleg en schoonheid, liep van de stad tot -aan den ingang van het Park over eene lengte van ruim vier mijlen. - -In zijn diepe neerslachtigheid lette Ben-Hur ternauwernood op al die -pracht, noch op de hem omringende menigte. Daar kwam bij dat een -provinciestad hem, den inwoner van Rome, weinig belang inboezemde. Het -was immers onmogelijk, dat de provincies iets konden opleveren, wat men -in Rome niet veel beter en mooier kon zien. Daarom stapte hij wat aan en -drong door de groepjes heen, die hem den weg versperden, en veel te -langzaam gingen naar zijn smaak. Toen hij Heracleia bereikt had, een -klein dorp halverwege de stad en het Park, voelde hij zich een weinig -vermoeid, maar tevens toegankelijker voor afleiding. Een paar geiten -voortgeleid door een schoone vrouw, alle drie rijk versierd met bloemen -en linten, trokken allereerst zijne aandacht. Toen bleef hij staan om -naar een fraaien, sneeuwwitten, met frissche wingerdranken omhangen -stier te zien, die op zijn breeden rug een mandje droeg, waarin een -beeldschoon driejarig knaapje zat, den jongen Bacchus voorstellende, die -het sap van rijpe druiven uitdrukt in een beker. Daar ging hem een paard -voorbij, rijk opgetuigd, evenals zijn berijder. Hij glimlachte over de -zelfbewuste fierheid van ruiter en ros beiden. Weldra hadden de hem -voorbijsnellende wagens en paarden, zonder dat hij het zelf wist, zijn -belangstelling ten volle gewekt. Na een poosje begon hij ook te letten -op de menschen rondom hem. Hij zag dat zij van allerlei leeftijd en -stand waren, en allen in feestgewaad. Hier was het gezelschap in 't wit, -daar een in 't zwart; sommige hielden vlaggen in de hand, andere -zwaaiden wierookvaten, sommige gingen langzaam voort onder het zingen -van hymnen, andere liepen op de maat van fluiten en kleine trommen. -Als dat iederen dag zoo naar Daphne stroomde, moest er toch iets -buitengewoons te zien zijn! Eindelijk ging een luid gejubel op, men -klapte in de handen ... de wandelaars hadden het doel van hunnen tocht -bereikt. De sierlijken poort, die toegang verleende tot het gewijde -Park, verrees voor zijn oog. - -Het gezang werd sterker, de muziek speelde lustiger. Gedragen door den -stroom, en deelende in de algemeene geestdrift, trad hij naar binnen. -Een blik, en, in weerwil van zijn verfijnden Romeinsche smaak, was -Ben-Hur opgetogen over hetgeen hij zag. - -Toen hij de poort, die een Griekschen tempel moest voorstellen, -doorgegaan was, stond hij op een breede marmeren esplanade. Het wemelde -er van menschen in feestklederen, waarvan de bonte kleuren aardig -afstaken tegen de zilveren stralen der springfonteinen. Voor hem, links, -voerden net onderhouden wandelpaden naar een tuin, die ongemerkt -overging in een bosch, waarboven een doorzichtige blauwe nevel hing. - -Ben-Hur staarde droomerig voor zich uit, onzeker waarheen te gaan. Op -dat oogenblik riep een vrouw in zijn nabijheid: Mooi! Maar waar nu naar -toe? - -Haar metgezel, getooid met een lauwerkrans, lachte en antwoordde: -Waarheen, lieve domoor? Die vraag komt voort uit aardsche vrees, en -waren wij niet overeengekomen om al die dingen in de stad achter te -laten? De winden, die hier waaien, zijn de ademhalingen der goden. -Wij willen ons door hen laten leiden. - ---Maar als wij eens verdwaalden? - ---Bang zieltje! Niemand is ooit in Daphne van den rechten weg -afgedwaald, behalve zij, achter wie de poorten voorgoed gesloten werden. - ---Wie bedoelt gij? vraagde zij, nog niet geheel gerustgesteld. - ---Hen, die bezweken zijn voor de bekoringen der plaats, en er zich voor -leven en dood aan verbonden hebben. Wacht! Laat ons hier blijven staan, -dan zal ik u toonen wat ik bedoel. - -Het geluid van lichte snelle voetstappen deed zich hooren. - -De menigte maakte ruim baan, want daar kwamen zij aan, de ongelukkigen, -waarop de man gezinspeeld had. Eenige jonge meisjes zweefden voor en -langs hen heen, zingend en dansend op de maat harer tambourijnen. De -vrouw drukte zich verschrikt tegen haar geleider aan, deze sloeg zijn -arm beschermend om haar heen. Zijne oogen flikkerden. Het haar der -danseressen golfde vrij over hare schouders, het gazen kleedje, dat -ternauwernood haar leden dekte, liet haar volkomen vrij in al hare -bewegingen. Zinnelijker dans zou bezwaarlijk uit te denken zijn. Een -ronde ... en weg waren zij, even snel en onhoorbaar als zij gekomen -waren. - ---Nu, wat zegt ge daarvan? riep de man. - ---Wie zijn dat? vraagde zij. - ---Devadasi, priesteressen van den tempel van Apollo. Haar getal is -legio. Zij vormen bij feestelijke gelegenheden het koor. Dit is haar -tehuis. Soms brengen zij wel eens een bezoek aan andere steden, maar -hare verdiensten moeten zij hier afgeven, om de woonplaats van den -goddelijken zanger te verrijken. Willen wij nu verder gaan? - -Het volgend oogenblik was het paar verdwenen. - -Ben-Hur volgde hun voorbeeld en wandelde verder, waarheen wist hij niet. - -Een beeldhouwwerk trok allereerst zijne aandacht. Het bleek een centaur -voor te stellen. Een opschrift deelde den onkundige mede, dat hij hier -de beeltenis aanschouwde van Chiron, den veelbeminde van Apollo en -Diana, door hen onderwezen in de geheimen der jacht, geneeskunst, muziek -en profetie. - -Toen Ben-Hur door wilde wandelen, kwam juist de witte stier voorbij. Het -kind zat nog in de mand, en leidde een processie; daarna kwam de vrouw -met de geiten, gevolgd door de tambourijn- en fluitspelers. Daarachter -een tweede processie van lieden, die geschenken brachten. - ---Waar gaat dat alles heen? vroeg iemand, en het antwoord luidde: De -stier naar vader Jupijn, de geit naar Apollo. - - - * * * * * - - -ZESDE HOOFDSTUK. - -GODSDIENST EEN DEKMANTEL. - - -Ben-Hur volgde de processie naar het bosch, begrijpende dat hij zoodoende -de belangrijkste punten van het Park te zien zou krijgen. Toen hij een -eindweegs gegaan was kwam hij aan een open plek. Een zacht windje voerde -welriekende geuren aan; wierook en rozengeur. Hij bleef staan en met hem -vele anderen, om te zien vanwaar die geuren kwamen. - ---Daar is zeker een tuin, zeide hij tot een man, die naast hem stond. - ---Of een offerplaats voor Diana, of Pan, of een der boschgoden, luidde -het antwoord in de Hebreeuwsche taal. - -Ben-Hur zag den spreker verbaasd aan. Een Hebreer? vraagde hij. - -De man antwoordde met een glimlach: Ik werd binnen Jeruzalems muren -geboren. - -Ben-Hur was van plan het gesprek voort te zetten; maar de menigte drong -vooruit, zoodat hij van den vreemdeling gescheiden raakte. Hij had -slechts den tijd gehad om 's mans kleeding en gelaat op te nemen, een -echt Joodsch type. Hij zou hem wel kunnen herkennen, dacht hij. - -Thans waren zij gekomen aan een punt, waar een zijpad een gunstige -gelegenheid aanbood om zich van de luidruchtige processie af te -scheiden. Ben-Hur maakte er gauw gebruik van. - -Eerst kwam hij aan een kreupelboschje, dat van den grooten weg gezien -nog in den natuurstaat scheen te verkeeren. Een paar stappen waren -echter voldoende, om hem ook hier de meesterhand te doen herkennen. De -struiken stonden in bloei, of droegen reeds vrucht; de grond was bedekt -met de heerlijkste bloemen: seringen en rozen, lelies en myrrhe, -oleanders en aloe's, alle oude bekenden uit de valleien rondom Davids -stad; en opdat niets aan het geluk der naiaden en nimfen zou ontbreken, -stroomde een kabbelend beekje door deze bekoorlijke wildernis. Links en -rechts kirden de tortels, en tal van andere gevederde zangers schenen -slechts op zijne komst te wachten om een lied aan te heffen. Een -nachtegaal bleef onbevreesd op zijn tak zitten, ofschoon Ben-Hur op -armslengte voorbijging. Een patrijs liep vlak voor zijne voeten, piepend -tegen de kleintjes, die haar volgden. - -Hij zette zich neder onder een citroenboom, die zijn wortels wijd -uitstrekte om zich te laven aan de beek. Het nest van een duikertje hing -vlak boven het kabbelend water en het diertje keek hem met zijn -schrandere oogjes onbevreesd aan. Het vogeltje verklaart mij het geheim, -dacht hij. Het wil zeggen: Ik ben niet bang voor u, want in dit -liefelijke oord is Liefde de Wet. - -Na een korte rust stond hij op en wandelde verder, totdat hij bij een -snel vliedende stroom kwam. Zijn weg voerde over een brug, vanwaar hij -het uitzicht had op een bekoorlijk landschap. Vruchtbare valleien, -heuvelen, meertjes, rotswerk, zomerhuisjes, groene weilanden, bedekt met -kudden, ruischende watervallen, zoo kon men het niet bedenken, of deze -uitgestrekte terreinen leverenden het op. - -Als om aan het geheel een godsdienstig karakter bij te zetten waren -overal altaren in de open lucht gebouwd, elk door een in 't wit -gekleeden priester bediend, terwijl processies, eveneens in 't wit, -langzaam van het eene altaar naar het andere gingen, en de rook der -offeranden in doorzichtige wolkjes naar boven steeg. - -Nu ging hem een licht op. Het Park was eigenlijk een onafzienbare -tempel, een tempel zonder muren. Dit ging zijne verwachting verre te -boven. - -Ben-Hur daalde af in de vallei. Daar graasde een kudde schapen. De -herderin wenkte hem: Kom! - -Een weinig verder verhief zich midden op 't pad een altaar van zwart en -wit marmer, en daarop een bronzen bekken met brandend reukwerk gevuld. -Vlak daarbij stond een betooverend schoone vrouw met een wilgetak in de -hand, en zoodra zij hem zag, wuifde zij hem toe en riep: Kom hier en -toef een weinig! - -Nog verder kwam hij eene processie tegen. Aan het hoofd gingen eenige -kleine meisjes, met kransen omhangen; maar dat was dan ook haar eenige -bedekking. Zij zongen in koor, en werden gevolgd door een groep kleine -jongens, eveneens naakt, en dansend op het gezang der meisjes. Hen -volgden vrouwen met geschenken voor de altaren, specerijen en -lekkernijen, hoogst eenvoudig, maar wel wat luchtig gekleed. In 't -voorbijgaan staken zij hem de handen toe en riepen: Keer om en ga met -ons!... Eene van haar, een Griekin, zong het volgend liedje: - - Voor vandaag neem en geef ik; - Voor vandaag drink en leef ik; - 'k Denk niet aan den dag van morgen, - Die moet voor zichzelven zorgen. - -Zonder haar verder een blik waardig te keuren ging hij voort, totdat hij -bij een schaduwrijk boschje kwam. Dat trok hem aan. Het gras was zoo -groen en frisch, de boomen stonden niet dicht opeengedrongen en waren -van verschillende soorten, ook van vreemden bodem hierheen gebracht: -statige palmen, vijgen, laurierboomen, trotsche eiken, ceders, -wedijverende in omvang met die van den Libanon, moerbeiboomen en -platanen. Midden in het boschje stond een zeldzaam schoon beeld van -Daphne. Aan den voet van het beeld lagen een knaap en een meisje in -elkanders armen te slapen, zijn bijl en sikkel, haar mand en snoeimes -lagen achteloos neergeworpen op een hoop verwelkte bloemen. - -Dat hinderde hem. Was hij onder den citroenboom tot de slotsom gekomen -dat de bekoring van dit heerlijk oord gelegen was in: Liefde zonder -vrees,--thans las hij als in een opengeslagen boek: Hier is Liefde de -Wet, o ja; maar Liefde zonder Wet. - - - * * * * * - - -ZEVENDE HOOFDSTUK. - -MALLUCH. - - -Het beeld van Daphne links latende liggen begaf hij zich naar een -boschje van cypressen, hoog en statig als de masten van een schip. Op -eens weerklonk een vroolijk trompetgeschal. Rondziende om de oorzaak te -ontdekken zag hij den Jood, dien hij eenige uren geleden ontmoet had, in -het gras liggen. De man stond op en kwam naar hem toe. - ---Nogmaals, vrede zij u, zeide hij vriendelijk. - ---Dank u, antwoordde Ben-Hur en vraagde toen: Gaat gij mijn weg? - ---Ik ben op weg naar de renbaan, als dat uw weg is. - ---De renbaan! - ---Ja, het trompetgeschal, dat gij zooeven gehoord hebt, was het signaal -voor de mededingers. - ---Goede vriend, zeide Ben-Hur levendig, ik ben hier onbekend. Als gij -mij toestaat u te volgen zal het mij zeer verheugen. - ---Het zal mij een groot genoegen wezen. Hoor! Daar gaan de wagens reeds. - -Ben-Hur luisterde even, en stelde zich toen aan den nieuwen bekende -voor, zeggende: Ik ben de zoon van Arrius, den duumvir, en gij? - ---Ik ben Malluch, een handelsbediende uit Antiochie. - ---Wel goede Malluch, die trompet en het gerammel van wielen, en het -vooruitzicht van een wedren wekken mij geheel op. Ik heb eenige ervaring -van die spelen en ben niet onbekend in de renperken van Rome. Laat ons -gaan. - -Malluch bleef even staan, en zeide: De duumvir was een Romein en zijn -zoon draagt de kleeding van een Jood? - ---De edele Arrius was mijn pleegvader, zeide Ben-Hur. - ---O zoo; vergeef mij zoo ik nieuwsgierig scheen. - -Zij verlieten het bosch en kwamen aan een uitgestrekt veld, dat tot -renbaan was ingericht. Ten gerieve der toeschouwers was aan weerszijden -voor overdekte staan- en zitplaatsen gezorgd, de laatste -amphitheaterswijze. - -Ben-Hur telde de wagens, die de baan inreden, negen in 't geheel. - ---Ik wensch de menners geluk, zeide hij opgeruimd. Ik dacht dat men zich -hier in 't Oosten vergenoegde met een tweespan; maar zij zijn eerzuchtig -en wagen zich aan de vorstelijke vier. Laat ons zien wat zij er van -maken. - -Acht vierspannen gingen voorbij, sommige stapvoets, andere in draf, -uitnemend bestuurd. Toen naderde het negende in vollen galop. - -Ben-Hur uitte een kreet van bewondering. Ik ben in de keizerlijke -stallen geweest, Malluch, zeide hij; maar bij onzen vader Abraham, zulke -paarden zag ik nimmer. - -Pijlsnel vlogen zij voorbij. Een oogenblik later geraakten zij eensklaps -in de war. Achter zich hoorde Ben-Hur een kreet van woede. Hij keerde -zich om en zag op een van de bovenste banken een grijsaard, ter prooi -aan de grootste opgewondenheid. Een lange, witte baard golfde hem op de -borst. Sommige der omstanders begonnen te lachen. - ---Zij moesten ten minste achting hebben voor zijn baard.... Wie is hij? -vraagde Ben-Hur. - ---Een aanzienlijk man uit de woestijn. Sheik Ilderim heet hij, eigenaar -van vele kameelen. Zijn paarden, zegt men, zijn van het zuiverste ras, -afstammelingen van de beste renners van den eersten Pharao, antwoordde -Malluch. - -De menner deed intusschen al wat hij kon om zijn vierspan tot kalmte te -brengen, maar tevergeefs. Elke mislukte poging maakte den Sheik -onrustiger. - ---Abaddon! riep hij met schelle stem tot een zijner dienstknechten, -gauw, haast u! Grijp ze! Loop! Hoort gij mij niet? Het zijn vrije -kinderen der woestijn, evenals gijzelf! - -De paarden werden wilder en wilder. - ---Vervloekte Romein! riep de Sheik en balde de vuist tegen den menner; -zwoer hij niet bij al zijn valsche goden, dat hij wist hoe men er mee om -moet gaan?... Blijf van mij af, zeg ik!... Ik wil het zeggen dat -iedereen het hoort.... Zij zouden als arenden vliegen, zei hij, en toch -zacht zijn als jonge lammeren. Vervloekt zij hij! Zie hen aan, de -weergaloozen! Als hij waagt hen met de zweep aan te raken, dan-- - -Het overige van den zin ging verloren in woedend tandengeknars. Abaddon! -riep hij een oogenblik later, Asalthiel! Gaat dan toch en houdt ze -tegen! Spreekt tot hen! Een woord is voldoende! O dwaas, die ik was, om -een Romein te vertrouwen! - -Ben-Hur, die den Sheik meende te begrijpen, kon voor hem gevoelen. Hij -wist dat niet zoozeer gekwetste ijdelheid, niet angst over den uitslag -van den wedren, hem in zulk een toestand bracht; maar de bezorgde -teedere liefde voor zijn dieren, die bij den woestijnbewoner gewoonlijk -aan hartstocht grenst. - -'t Waren dan ook prachtexemplaren, kastanjebruin van kleur, volmaakt -gelijk aan elkander, en zoo goed geevenredigd, dat zij kleiner toonden, -dan zij werkelijk waren. De kleine koppen, fijne ooren, de wijdgeopende -neusgaten, vuurrood van binnen, de sierlijk gewelfde halzen, de -prachtige dikke manen, die tot op de schouders en borst neerhingen, -terwijl de voorhoofdlokken aan uitgerafelde zijde deden denken, de -schoon gevormde pooten--alles kenmerkte het edelste Arabische ras. Wild -steigerend sloegen zij de lucht met hun glanzig zwarte, dikke, lange -staarten. De Sheik noemde ze weergaloos, en hij had gelijk. - -Bij deze tweede en nadere beschouwing begreep Ben-Hur ten volle in welke -verhouding de dieren tot hun meester moesten staan. Opgegroeid onder -zijn oog, het voorwerp van zijne bijzondere zorgen bij dag, het -onderwerp zijner droomen bij nacht, met zijn gezin de zwarte tent in de -woestijn deelende, had hij hen lief als zijne kinderen. Opdat zij hem -een triomf over de hooghartige, gehate Romeinen zouden doen behalen, had -de oude man zijn lievelingen naar de stad gebracht. Hij twijfelde niet -aan hunne overwinning, als hij maar een vertrouwbaren wagenmenner kon -vinden, die behalve de bekwaamheid ook den tact bezat om met hen om te -gaan. Het was hem, den Sheik en Arabier, onmogelijk koel toeschouwer te -blijven, en later den onhandige met een scherpe vermaning weg te zenden, -zooals een Westerling allicht zou gedaan hebben,--hij moest zijn woede -openlijk lucht geven. - -Nog voordat de Sheik van zijne drift bekomen was, hadden een dozijn -handen de paarden bij 't gebit gegrepen en tot staan gebracht. Thans -verscheen de tiende wagen in de renbaan. In afwijking van de andere -waren hier menner, wagen en paarden geheel uitgedost zooals zij op den -dag van den wedstrijd in den circus zouden verschijnen. - -Daar de Romeinschen strijdwagens algemeen bekend zijn behoeven wij ze -hier niet nader te beschrijven. De eerste mededingers waren stilzwijgend -ontvangen; toen deze laatste de baan inreed klapten verscheidene -toeschouwers in de handen en juichten hem luide toe, zoodat weldra de -algemeene aandacht op hem gevestigd was. De twee middelste paarden waren -zwart, de twee buitenste sneeuwwit. Hunne staarten waren op Romeinsche -manier kort gesneden, evenzoo hunne manen, die daarenboven met roode en -gele linten doorvlochten waren. De wagen zelf was een waar kunststuk. -Het schoone geheel trok ten zeerste Ben-Hurs aandacht, en de menner--wie -kon dat zijn? De toejuichingen deden vermoeden dat hij een aanzienlijk -persoon, misschien wel een vorst was. Men zal zich herinneren dat zelfs -de keizers Nero en Commodus gaarne deelnamen aan wedrennen. Ben-Hur -stond op en drong door tot de onderste rij, vlak bij de borstwering. - -Nog een paar minuten en hij kreeg den wagenmenner vlak in 't gezicht. -Deze had een vriend naast zich, in de taal der klassieken een Myrtilus -geheeten, hetgeen mannen van aanzien, die aan wedrennen deelnamen, -geoorloofd was. Ben-Hur kon alleen den menner zien, recht overeind -staande in zijnen wagen, de teugels verscheidene malen om zijn lichaam -gewonden. Hij droeg een lichtroode tunica, in de rechterhand hield hij -de zweep, in de linker de vier leidsels. De houding was uitermate -sierlijk en opgewekt. Toejuichingen en handgeklap werden met kalme -onverschilligheid ontvangen. Ben-Hur stond aan den grond genageld--zijn -instinct en geheugen hadden hem niet bedrogen: dat was Messala. - -Aan de keus der paarden, aan den prachtigen wagen, aan de houding, -bovenal aan de trotsche uitdrukking op het koele, scherpe gelaat, zag -Ben-Hur, dat Messala onveranderd dezelfde gebleven was: hooghartig, -overmoedig, eerzuchtig, cynisch, onverschillig. - - - * * * * * - - -ACHTSTE HOOFDSTUK. - -BIJ DE BRON. - - -Toen Ben-Hur zich met anderen gereedmaakte om heen te gaan, stond een -Arabier op en riep met luide stem: Gij mannen van het Oosten en van het -Westen, hoort! De goede Sheik Ilderim groet u. Met vier paarden, zonen -van Koning Salomo's lievelingsrossen, kwam hij naar Antiochie om aan de -wedrennen deel te nemen. Hij heeft een bekwaam menner noodig voor zijne -paarden. Wie ze naar wensch voor hem besturen wil zal hij met rijkdom -overladen. Maakt dit aanbod bekend, hier, daar in de stad, in den -circus, overal waar de sterken samenkomen. Zoo zegt mijn meester, Sheik -Ilderim de Edelmoedige. - -De proclamatie verwekte veel beweging. Voor den nacht zou zij zeker alom -in Antiochie besproken worden. Ben-Hur keek besluiteloos van den heraut -naar den Sheik. Malluch dacht dat hij zich aan zou melden, en voelde -zich werkelijk verlicht, toen de jonkman zich tot hem keerde met de -vraag: Waar nu heen? - -Malluch antwoordde lachend: Indien gij als anderen wilt doen, die het -Park voor de eerste maal bezoeken, dan laat u voor alle dingen -waarzeggen. - ---Waarzeggen? Dat klinkt wel wat heidensch; maar 't zij zoo. Laat ons -naar de godin gaan. - ---Neen, zoon van Arrius, deze Apollodienaars hebben een betere manier -dan dat. In plaats van een samenspraak met een Pythia of Sibylle, -verkoopen zij u een gewoon papyrusblad, slechts even gedroogd. Dat laten -zij u in het water dompelen van een zekere bron, waarna gij er, in een -versje, uwe toekomst op voorspeld vindt. - -Ben-Hur, die eerst met belangstelling geluisterd had, antwoordde op -somberen toon: Sommige menschen behoeven zich niet over hunne toekomst -te bekommeren. - ---Wilt gij dan liever naar de tempels gaan? - ---De tempels zijn Grieksch, niet waar? - ---Zoo noemt men ze ten minste. - ---De Grieken zijn meesters in de schoone kunsten, maar in de bouwkunst -hebben zij de afwisseling opgeofferd aan strakke schoonheid. Hun tempels -zijn alle volkomen hetzelfde. Hoe heet de bron waar gij van verteldet? - ---Castalia. - ---O, die! Ja, die is over de gansche aarde beroemd. Daarheen dus. - -Malluch sloeg, onder het gaan, zijn metgezel in stilte gade, en bemerkte -dat zijn opgewektheid voor het oogenblik althans verdwenen was. Voor de -wandelaars had hij geen oog; de wonderwerken, die zij voorbijgingen, -ontlokten hem geen enkelen uitroep van verbazing. Zwijgend, ja gemelijk -vervolgde hij zijnen weg. - -Die verandering van stemming was aan de onverwachte verschijning van -Messala te wijten. Het verledene stond hem op eens zoo levendig voor den -geest. Het scheen hem nauwelijks een uur geleden, dat men hem met geweld -van zijne moeder wegrukte, nauwelijks een uur geleden, dat de Romein -zijn ouderlijk huis liet dichtspijkeren. Hij herdacht de drie vreeselijke -jaren op de galeien, waarin hij behalve zijn werk weinig anders te doen -had, dan van wraak te droomen, waarvan Messala het middelpunt was. -Gratus, was hij gewoon tot zichzelven te zeggen, mocht desnoods -ontsnappen; maar Messala--nooit! Want wie, zoo vraagde hij telkens weer -opnieuw, wees ons aan, toen de vervolgers het huis binnendrongen? En -toen ik smeekte om hulp, niet voor mijzelf, wie bespotte mij toen en -ging lachend heen?... En altijd weer eindigden die overleggingen met de -bede: Ten dage dat ik hem ontmoet, o God van Jakob, help mij dan! Help -mij een gepaste wraak te vinden! - -En nu was de ontmoeting nabij! Misschien zou Ben-Hur er anders over -gedacht hebben als hij Messala arm en lijdend had teruggevonden; maar -dat was niet het geval. Hij vond hem op het toppunt van glorie, van -aanzien en macht. - -Wat Malluch dus voor een voorbijgaande neerslachtigheid hield, was -ernstig overleg wanneer hij zich tegenover Messala zou kunnen stellen en -op welke wijze hij die ontmoeting tot een onvergetelijke zou kunnen -maken. - -Na een poosje kwamen zij aan een breede eikenlaan, druk bezocht door -groepjes wandelaars, paardrijders, vrouwen in draagstoelen. Aan het -einde der laan daalde de weg zacht glooiend af in een groene vlakte, die -aan de eene zijde door een steilen rotswand afgesloten was. Hier bevond -zich de beroemde bron Castalia. - -Ben-Hur baande zich een weg door de menigte, die zich rondom de bron -verdrong. Een zwart marmeren bassin ving het water op, dat met kracht -uit de rots stroomde, om na veel borrelen en schuimen als door een -trechter te verdwijnen. - -Naast het bassin zat onder een rots uitgehouwen afdak een priester. De -lange baard, en de kap, die zijn hoofd bedekte, gaven hem het voorkomen -van een kluizenaar. Uit de gedragingen der omstanders kon men moeilijk -opmaken wat hier eigenlijk het aantrekkingspunt was, de altijd vlietende -bron, of de altijd aanwezige priester. Hij hoorde, zag, werd gezien, -maar sprak nooit. Bij tijd en wijle bood een bezoeker hem een geldstuk -aan, waarvoor de priester een papyrusblad in ruil gaf. De kooper haastte -zich dan om het blad in het bekken te doopen, hield het vervolgens tegen -het licht, om weldra beloond te worden met de verschijning van eenige -dichtregelen, en al had die poezie meestal weinig verdienste, de goede -naam der bron leed er niet onder. - -Voordat Ben-Hur echter het orakel kon raadplegen naderde een nieuw -gezelschap, welks verschijning de algemeene nieuwsgierigheid opwekte. - -Een groote witte kameel, geleid door een drijver te paard, droeg op den -rug een buitengewoon breede, rijk met goud versierde zonnetent. Twee -andere ruiters, met lange speren in de hand, volgden de kameel. - ---Wat een mooi dier! zeide iemand. - ---Zeker een vreemde vorst, zeide een ander. - ---Neen, een koning. - ---Een koning zou op een olifant zitten! - ---Bij Apollo, vrienden, zeide een vijfde, 't zijn geen koningen of -vorsten, 't zijn twee vrouwen! - -Terwijl de lieden er zich nog druk over maakten, hadden de vreemdelingen -de bron bereikt. De kameel beantwoordde van nabij gezien volkomen aan de -verwachting. Nog nooit had een der aanwezigen prachtiger dier aanschouwd. -Wat groote zwarte oogen, wat fijn wit haar, wat goed gevormde pooten, -zoo onhoorbaar van stap en toch zoo krachtig!... zijns gelijke was er -niet. Hoe goed pasten die gouden franjes en kwasten en die rinkelende -zilveren belletjes bij hem! - -Maar wie waren die man en die vrouw onder de tent? - -De oogen van allen waren op hen gevestigd. - -De man was zeer oud, de vrouw nog jong en zeer schoon. Zij was gehuld in -kanten sluiers van zeldzaam fijn weefsel. Boven den elleboog droeg zij -armbanden, in den vorm van slangen, door fijne gouden kettinkjes aan de -armbanden om den pols verbonden. De kleine handen waren met kostbare -ringen versierd. Op het hoofd droeg zij een netje van gouddraad met -bloedkoralen doorregen, en rondom afgezet met muntstukjes, zoodat zij -aan den voorkant op haar voorhoofd rustten. Van haar hoogen zetel zag -zij kalm en tevreden op het volk neer, oogenschijnlijk zoo bezig met het -te bestudeeren, dat zij niets merkte van de nieuwsgierigheid, die -zijzelve opwekte. Tegen alle gewoonte in, daar aanzienlijke vrouwen zich -nimmer in het openbaar met ongedekt gelaat vertoonden, zat zij daar met -weggeslagen sluier. - -Het was een mooi ovaal gezichtje, donker en toch doorschijnend van tint. -De half geopende lippen lieten twee rijen blinkend witte tandjes zien. - -Nu wendde zij zich tot den drijver, een forsch gebouwd Ethiopier, die -den kameel tot vlak bij het bassin leidde en hem deed neerknielen. Zij -reikte den man een beker toe, om dien aan de bron te vullen. - -Op datzelfde oogenblik werd de door hare komst veroorzaakte stilte -verbroken door het geluid van wielen en paardengetrappel. Met luide -kreten van schrik stoven allen links en rechts. - ---Pas op, de Romein is van plan er op in te rijden! waarschuwde Malluch -en vloog op zij. - -Ben-Hur keek om en zag Messala, die met zijn vierspan regelrecht op het -volk aankwam. Ditmaal kon hij hem duidelijk in 't gelaat zien. - -Het uiteenstuiven van de menigte bracht den kameel in groot gevaar. -Reeds waren de paarden vlak bij hem en nog lag hij met gesloten oogen te -rusten en te herkauwen, zich veilig voelend bij zijn meester. De -Ethiopier wrong de handen in wanhoop. De grijsaard in de tent rees -overeind, als dacht hij aan vluchten; maar behalve dat de stramheid -zijner leden hem dat belette, kon hij toch in de ure des gevaars zijne -waardigheid niet vergeten. En wat zijne dochter betreft, voor haar was -het in ieder geval te laat om nog aan ontkomen te denken. - -Ben-Hur stond er het dichtst bij en riep Messala toe: Halt! Zie dan toch -wat gij doet! Terug! Terug! - -De patricier lachte hartelijk, en ziende dat hem geen keus bleef sprong -Ben-Hur toe, greep de twee bijdehandsche paarden in den teugel, en rukte -hem met inspanning van alle krachten op zij. Vervloekte Romein! riep hij -Messala toe, bekommert gij u dan zoo weinig om het leven van een ander?! - -De twee paarden steigerden en trokken de andere mee. De wagen dreigde te -kantelen. Messala hield zich slechts met de grootste moeite staande, -terwijl zijn goedhartige Myrtilus achterover tuimelde in het gras. Toen -zij zagen dat het gevaar geweken was lachten al de omstanders den Romein -van harte uit. - -Messala toonde zich thans in grenzenlooze onbeschaamdheid. Zich van de -teugels losmakend sprong hij uit den wagen, liep om den kameel heen, -keek Ben-Hur in het voorbijgaand achteloos aan en zeide toen tot de twee -vreemdelingen: Vergeeft het mij, bid ik u. Ik ben Messala, en bij onze -moeder aarde zweer ik u, dat ik u en den kameel niet zag. Wat deze goede -lieden betreft, ik rekende misschien te veel op mijne behendigheid, ik -wilde mij ten hunnen koste vermaken, en zie, het lachen is aan hen. Moge -het hun goed bekomen! - -De onverschillige blik en handbeweging, die deze woorden vergezelden, -pasten er uitstekend bij. Om te hooren wat hij nog verder mocht te -zeggen hebben, hielden de lieden zich bedaard. Messala gaf zijn metgezel -een wenk om den wagen te verwijderen en wendde zich vervolgens -vrijmoedig tot het meisje. - ---Gij zijt waarschijnlijk verwant aan den eerwaardigen grijsaard, wiens -vergiffenis, zoo zij mij nu nog onthouden wordt, ik later met te grooter -ijver zal trachten te verwerven; zijne dochter misschien? - -Zij gaf geen antwoord. - ---Bij Pallas, gij zijt schoon! Wees voorzichtig, opdat Apollo u niet -voor zijn verloren liefje houde! Ik zou gaarne willen weten welk land -zich beroemen mag uw vaderland te zijn? Neen! wend u niet af! Vergeef -het mij! De zon van Indie straalt mij toe uit uwe oogen; Egypte heeft op -uwe lippen zijn zegel gedrukt. Keer u niet af, schoone jonkvrouw, -voordat gij mij genade geschonken hebt. Zeg mij ten minste, dat gij mij -vergiffenis schenkt. - -Zonder Messala verder een blik te gunnen, wenkte zij Ben-Hur tot zich en -vraagde met een vriendelijk lachje: Zoudt gij zoo goed willen zijn om -dezen beker met water te vullen? Mijn vader heeft dorst. - ---Uw gehoorzaame dienaar, antwoordde Ben-Hur. - ---O vreemdelinge, gij zijt even wreed als schoon, zeide Messala, haar -met de hand toewuivende. Als Apollo u niet weghaalt, zult gij mij -weerzien. Daar ik uw vaderland niet ken, kan ik u niet aan de gunst -zijner goden aanbevelen, daarom beveel ik u aan de gunst van--mijzelven -aan! - -Dit gezegd hebbende ging hij naar den wagen terug, die hem stond te -wachten. Het meisje zag hem na, en wat ook in haar oog te lezen heeft -mogen staan, geen misnoegen. - -Ben-Hur bracht haar den beker en nadat de grijsaard gedronken had, -bracht zij dien zelve aan haar lippen en bood hem daarna met -onnavolgbare gratie Ben-Hur aan. Behoud hem, bidden wij u, zeide zij. -Hij is vol zegenwenschen, alle voor u! - -Nu deed de Ethiopier den kameel opstaan; maar op het punt van vertrekken -riep de grijsaard Ben-Hur toe: Wacht even! Ik moet u spreken. - -Ben-Hur trad nader. - ---Gij hebt den vreemdeling een grooten dienst bewezen. Er is slechts een -God. In zijn heiligen naam dank ik u. Ik ben Balthasar de Egyptenaar. In -het groote Palmbosch, aan gene zijde van de Daphne gelegen, heeft Sheik -Ilderim de Edelmoedige zijn tenten opgeslagen. Wij zijn zijne gasten. -Bezoek ons daar. Gij zult ons zeer welkom zijn. - -Ben-Hur boog eerbiedig voor den grijsaard en staarde vader en dochter -nog geruimen tijd na. - - - * * * * * - - -NEGENDE HOOFDSTUK. - -PLANNEN VAN WRAAK. - - -In den regel is er geen zekerder middel om iemands tegenzin op te -wekken, dan uit te blinken waar hij zich laf gedroeg. Malluch maakte -hierop gelukkig een uitzondering. Wat hij gezien had deed Ben-Hur in -zijne achting rijzen. Moed en wellevendheid bezat hij ongetwijfeld. Kon -hij nu slechts een blik slaan in het verleden van den jongen man, dan -zou meester Simonides tevreden kunnen zijn over dien eersten dag. - -Zooveel wist hij reeds; Ben-Hur was een Jood en de aangenomen zoon van -een Romein. Verder begreep de slimme man, dat er tusschen Messala en den -zoon van den duumvir iets was. Maar wat? Hoe kon hij achter de waarheid -komen? - -In deze moeilijkheid kwam Ben-Hur zelf hem te hulp. Hij legde de hand op -Malluchs arm en voerde hem met zich uit het gedrang der menigte, die -zich weer om den priester en de bron verzameld had. - ---Goede Malluch, zeide hij, mag een man zijne moeder vergeten? - -Op die vraag was Malluch allerminst voorbereid. Hij keek Ben-Hur aan, om -te zien wat hij bedoelde. Hij zag niets dan een gloeiende plek op iedere -wang en onderdrukte tranen in de sombere oogen. Beslist antwoordde hij: -Neen; nooit. Als hij een Israeliet is, nooit! Mijn eerste les in de -synagoge was het gezegde van den zoon van Sirach: Eer uwen vader met uw -gansche ziel en vergeet nooit wat gij uwe moeder gekost hebt. - -Ben-Hurs oogen fonkelden. - ---Die woorden, Malluch, roepen mijne jeugd in mijne herinnering terug, -en bewijzen dat gij een echte Jood zijt. Ik geloof dat ik u vertrouwen -kan. - -Hij liet Malluchs arm los en drukte de hand op zijn hart, alsof hij pijn -gevoelde. Mijn vader, zeide hij, was een man van aanzien, met eere -bekend in Jeruzalem, waar hij woonde. Mijne moeder was bij zijn dood in -de kracht van haar leven. Woorden kunnen niet uitdrukken hoe goed en hoe -schoon zij was. Iedereen roemde haar om de goede werken, die zij deed. -Een vriendelijke toekomst lachte ons tegen. Ik had een jongere zuster, -en wij waren zoo gelukkig, dat ik volkomen instemde met het woord van -den Rabbijn: God kon niet overal wezen, daarom schiep Hij moeders.--Op -zekeren dag overkwam aan een hooggeplaatst Romein een ongeluk, juist -toen hij ons huis voorbijreed. Zijne soldaten vlogen naar binnen en -grepen ons. Sedert heb ik mijne moeder en zuster niet meer gezien. Ik -weet niet of zij dood zijn, of nog leven. Ik weet niet wat van haar -geworden is. Maar, Malluch, die Romein, die met zijn vierspan lachend op -het volk kwam inrijden, was tegenwoordig bij onze scheiding. Hij leverde -ons over aan onze vijanden. Hij hoorde mijne moeder om genade smeeken -voor hare kinderen en hij lachte, toen zij haar wegsleurden. Het is -moeilijk te zeggen wat het diepst in de herinnering gegrift blijft, -liefde of haat. Vandaag herkende ik hem reeds in de verte, en, Malluch, -hij kent en bewaart het geheim, waarvoor ik mijn leven zou willen geven. -Hij weet of zij leven, en waar, en hoe. En zijn zij gestorven, hij weet -waar hare beenderen rusten. - ---En zou hij het niet willen zeggen? - ---Neen. - ---Waarom niet? - ---Ik ben een Jood, en hij is een Romein. - ---Maar Romeinen hebben een tong, en de Joden, hoezeer ook door hen -veracht, kunnen op middelen zinnen om die tong los te maken. - ---Voor zulken als hij? Neen; en daarenboven is het een staatsgeheim. -Mijn vaders bezittingen werden alle verbeurd verklaard en verdeeld. - -Malluch knikte met het hoofd, als begreep hij er alles van, en vraagde -toen opnieuw: Heeft hij u niet herkend? - ---Dat kon hij niet. Ik werd levend dood verklaard, en ben sinds lang als -dood beschouwd. - ---Het verbaast mij dat gij hem niet doodgeslagen hebt, zeide Malluch -hartstochtelijk. - ---Daarmee zou ik mijzelven voorgoed de gelegenheid benomen hebben, om -partij van hem te trekken. De dood, dat weet gij, bewaart een geheim nog -beter dan een schuldig Romein. Maar zijn straf zal hij niet ontgaan, en -als gij mij helpen wilt, zal ik zeker slagen. - ---Hij is een Romein, zeide Malluch, en ik behoor tot den stam van Juda. -Ik zal u helpen. Indien gij het verlangt zal ik mijne belofte met een -eed bevestigen. - ---Geef mij uw hand, dat is voldoende. - -Na met een handdruk de afspraak bezegeld te hebben zeide Ben-Hur: -Datgene waarmede ik u belasten zal, is niet moeilijk, goede vriend, en -zal uw geweten niet bezwaren. Laat ons nu verder gaan. - -Een poosje later begon hij weer: Kent gij Sheik Ilderim? - ---Ja. - ---Waar is dat Palmbosch? of liever: hoever is dat van hier? - -Malluch aarzelde een oogenblik. Hij dacht aan het geschenk der schoone -vreemdelinge. Zou het mogelijk zijn dat de jonge man zijn verdriet wilde -gaan verzetten door een liefdesavontuur? Hij liet echter niets merken en -antwoordde: Dat Palmbosch ligt twee uur te paard van Daphne. Een vlugge -kameel brengt er u in een uur. - ---Zoo. En die wedrennen, daar gij mij van verteldet, zijn die publiek? -en wanneer zullen zij plaats vinden? - -Die vragen deden iets vermoeden en wekten Malluchs nieuwsgierigheid. - ---O ja, antwoordde hij, zij zullen prachtig zijn. De prefect is rijk en -zeer aan geld gehecht. Een invloedrijk vriend aan 't hof te hebben is -echter wel een opoffering waard, en daarom maakt hij zooveel drukte voor -den consul Maxentius, die hier komt om de laatste toebereidselen te -treffen voor een veldtocht tegen de Parthen. De inwoners van Antiochie -weten uit ondervinding, dat die toebereidselen geld onder de menschen -brengen en hebben verlof gevraagd, om den prefect te helpen den grooten -man naar waarde te ontvangen. Een maand geleden zijn herauten naar de -vier windstreken uitgezonden, om de kampspelen en wedrennen aan te -kondigen. De naam van den prefect zou op zichzelf reeds voldoende -zekerheid geven voor de noodige afwisseling; maar wanneer Antiochie zich -bij hem aansluit, zijn alle eilanden en de zeesteden zeker van iets -buitengewoons, en kunnen wij op een uitgelezen publiek rekenen. De -uitgeloofde prijzen zijn vorstelijk. - ---En de circus? Ik heb gehoord dat die lui die na den circus Maximus de -beste is. - ---Die van Rome? Wel, de onze heeft plaats voor tweemaal honderdduizend -menschen, de uwe voor vijf-en-zeventigduizend meer. De uwe is van -marmer, de onze ook. Wat de inrichting betreft staan zij gelijk. - ---Zijn de wetten dezelfde? - -Malluch glimlachte. Als Antiochie beproeven wilde oorspronkelijk te -zijn, zou Rome niet de koningin wezen, die zij is, zoon van Arrius! De -wetten van den circus Maximus zijn oppermachtig, behalve op een punt: -daar mogen slechts vier wagens te gelijk afrijden, hier gaan ze alle te -zamen, onverschillig hoeveel. - ---Dat is naar Grieksche manier, zeide Ben-Hur. - ---Ja, Antiochie is meer Grieksch, dan Romeinsch. - ---En mag men zijn eigen wagen kiezen? - ---Ja, en de paarden ook. Daarin is ieder vrij. - ---Nog iets, Malluch, wanneer zullen de wedrennen gehouden worden? - ---Laat eens zien. Morgen ... neen, overmorgen, als ten minste, om op zijn -Romeinsch te spreken, de zeegoden hem goedgunstig zijn, komt de consul. -Ja, op den zesden dag na dezen beginnen de feesten. - ---De tijd is kort, Malluch, maar voldoende. Bij de profeten van Israel! -Ik zal weder naar de teugels grijpen. Maar wacht! Weet gij zeker dat -Messala meedoet? - -Nu doorzag Malluch het geheele plan. Ja, dat was een heerlijke -gelegenheid om den Romein te vernederen; maar hij had geen Israeliet -moeten zijn, om niet snel de kansen te berekenen. Bezorgd vraagde hij: -Hebt gij er meer aan gedaan? - ---Vrees niet, mijn vriend. Vraag maar eens te Rome wie daar de vorst der -wagenmenners genoemd wordt. Bij de laatste groote wedrennen bood de -keizer zelf mij zijne gunst aan, indien ik zijne paarden in het -strijdperk wilde voeren. - ---En hebt gij dat geweigerd? vraagde Malluch levendig. - ---Ik ben een Israeliet, antwoordde de ander ernstig. Al draag ik een -Romeinschen naam, ik wilde niet iets doen, dat mijn vaders naam -benadeelen kon in de voorhoven van onzen Tempel. In de kampscholen kon -ik mij aan dergelijke oefeningen wijden, in den circus zelf zou mijn -optreden een gruwel zijn in de oogen mijner geloofsgenooten, en als ik -hier aan de wedrennen deel neem, dan, Malluch, ik zweer het u, zal het -niet zijn om den prijs te behalen. - ---Hola! zweer niet te gauw. De prijs is 10,000 sestertien, een vermogen -op zichzelf. - ---Niet voor mij, al was het tienmaal zooveel. Neen, er is wat beters. -Deze wedrennen zullen mij dienen om mijn vijand te vernederen. Wraak is -door de wet geoorloofd. Maar gij hebt mij nog niet geantwoord. Weet gij -zeker dat Messala meedoet? - ---Ja. Messala doet mee. Het staat overal aangeplakt. Iederen dag komt -hij zich oefenen. - ---Zoo, en dat is dus het vierspan, waarmede hij in het strijdperk zal -komen? Dank voor uwe inlichtingen, Malluch! Gij zijt mij heerlijk van -dienst geweest. Ik ben voldaan. Wijs mij nu zoo gauw mogelijk den weg -naar Sheik Ilderim en leid mij bij hem in. Hoe komen wij er het snelst? -Zijn paarden mochten anders al eens besproken zijn. - ---Het best is dat wij regelrecht naar het dorp gaan, dat is gelukkig -vlak bij. Daar moeten wij twee vlugge kameelen zien te huren, dan zijn -wij er in een uur. - ---Voorwaarts dan, zeide Ben-Hur. - -Het dorp bestond uit niets dan paleizen in fraaie tuinen, benevens -eenige vorstelijk ingerichte herbergen. Kameelen waren gemakkelijk te -krijgen en zoo konden de twee reizigers zich weldra op weg begeven naar -het beroemde Palmbosch. - - - * * * * * - - -TIENDE HOOFDSTUK. - -HET PALMBOSCH. - - -De landstreek die zij doorreden was heuvelachtig en goed bebouwd, een -ware lusthof. Geen plekje was vergeten. De steile heuvelhellingen waren -terrasvormig aangelegd. Tegen de omtuiningen slingerden zich weelderige -wingerdranken omhoog, die den voorbijgangers, behalve zeer gewenschte -schaduw, de belofte gaven van kostelijke druiven en parelenden wijn. -Op de meloenvelden en tusschen abrikozen- en vijgeboschjes lagen de -witgepleisterde huizen der landlieden verspreid; alles sprak van -overvloed en vrede, en stemde het hart tot vroolijken levensmoed. -Af en toe kreeg men een kijkje op het Taurusgebergte en den Libanon, -waartusschen de Orontes als een zilveren draad kalm zijn weg vervolgde. - -Het duurde niet lang of onze vrienden hadden de rivier bereikt. Nu ging -hun weg over heuvelen en door dalen, steeds met den stroom mede. Was het -landschap in vollen bladerdos van eik en laurier en moerbeiboomen, van -geurenden jasmijn en haagappelboomen, de rivier tintelde onder de -zonnestralen en sprak met hare vele op- en afvarende schepen van de zee, -van vergelegen landen, van beroemde plaatsen en begeerlijke dingen. - -De twee vrienden reden door totdat zij aan een meer kwamen, helder, diep -en effen, dat door het vloedwater der rivier onderhouden werd. Een oude -palmboom beheerschte den inham. Bij dien palm sloegen zij links om en -riep Malluch op vroolijken toon: Het Palmbosch! Het Palmbosch! - -Met uitzondering van de bekoorlijksten oasen in Arabie, of de -Ptolemeiesche landerijen aan den Nijl, kon men bezwaarlijk een -heerlijker oord vinden. Ontelbare dadelpalmen, patriarchen in hunne -soort, verhieven hunne kruinen ten hemel. Aan het koele, heldere water, -dat onder den grond verder stroomde, hadden die reuzen hun groei en -langen levensduur te danken. Was het park van Daphne boven dit te -verkiezen? En alsof de palmen Ben-Hurs gedachten raadden en de schaal -ten hunnen gunste wilden doen overslaan, wuifden zij hem vriendelijk toe -en brachten hem verkoeling aan. - ---Let eens op dezen reus, zeide Malluch, op een eerwaardigen palm -wijzend. Elke ring op den bast duidt een jaar leven aan. Tel ze van -wortel tot aan den top, en als de Sheik u zegt, dat het bosch geplant -is, voordat iemand in Antiochie iets van de Seleuciden wist, geloof hem -dan vrij. - -Een volmaakt schoone palm te beschouwen, zonder dat men onder zijn -invloed in vervoering geraakt, is niet wel denkbaar. Vandaar dat hem van -den beginne alle eer bewezen is en de kunstenaars der eerste koningen -hem als model kozen voor de pilaren hunner paleizen en tempels. -Diezelfde gewaarwording deed Ben-Hur zeggen: Toen ik Sheik Ilderim van -morgen zag vond ik hem een zeer gewoon man. Hoe komt hij, een zoon van -Edom, in het bezit van dezen lusthof? en hoe heeft hij hem uit de -klauwen der Romeinsche gouverneurs kunnen houden? - ---De stamboom van dezen Sheik klimt tot in de grijze oudheid op, zeide -Malluch. Al zijne voorvaders waren Sheik. Een van hen heeft eenmaal een -vervolgden koning het leven gered. Het verhaal gaat, dat die Sheik den -koning duizend ruiters leende, die hem nu hier dan daar in de wildernis -verborgen, totdat zich eene gelegenheid aanbood om hem te wreken, zijne -vijanden te verslaan, en den koning troon en rijk terug te geven. De -koning vergat de bewezen diensten niet, maar noodigde den Sheik uit om -zijne tent in deze streek op te slaan, en gaf hem het meer en de boomen -en het land tusschen de rivier en de naastbijgelegen bergen tot eene -erfelijke bezitting. - ---En heeft niemand hem ooit die bezitting betwist? - ---De verschillende overheerschers hebben het verstandig geoordeeld op -goeden voet te blijven met den stam, die door den Heer gezegend is met -strijdbare helden en paarden en kameelen en rijkdommen, zoodat zij -meester zijn van vele heirwegen tusschen de groote steden, en den handel -naar welgevallen kunnen belemmeren of beschermen. Zelfs de prefect in de -Citadel is blijde, wanneer de Sheik met zijne vrouwen en kinderen en -zijn ganschen stoet de eenzaamheid der woestijn verlaat, om voor een -poos in dit heerlijk oord zijne tenten op te slaan. - ---Maar hoe komt het dan, dat de Sheik straks het uur vervloekte, waarin -hij een Romein zijn vertrouwen geschonken had? Als de keizer hem gehoord -had, zou hij zeker gezegd hebben: zulk een vriend begeer ik niet. Weg -met hem! - ---Ja, wat dat betreft, Ilderim heeft een grief tegen Rome, zeide Malluch -met een glimlach. Drie jaren geleden trokken de Parthen langs den weg -van Bozra naar Damascus en vielen een karavaan aan, die onder anderen de -schatting van een in de buurt gelegen district vervoerde. Zij sloegen -alle gevangenen dood, hetgeen de beambten te Rome hadden kunnen -vergeven, indien slechts de keizerlijke schatten behouden en naar Rome -gezonden waren. De pachters, die voor de slachting aansprakelijk waren, -beklaagden zich bij den keizer. Deze veroordeelde Herodes in de kosten, -en Herodes verhaalde de schade op Ilderim, wien hij van plichtverzuim -beschuldigde. De Sheik kwam in hooger beroep bij den keizer; maar deze -gaf een antwoord, waar niemand wijs uit kon worden. De oude man heeft -zich dat sterk aangetrokken en wacht slechts op een gelegenheid om zich -te wreken. - ---Hij kan toch niets doen, Malluch. - ---Dat is te zeggen.... Maar zie, de gastvrijheid begint reeds. De -kinderen spreken u aan. - -De kameelen bleven stilstaan en Ben-Hur zag, dat eenige kleine meisjes -hem mandjes met dadels aanboden. Hij nam ze met vriendelijken dank. - -Toen zij weer verder reden zeide Malluch: Ik ben zeer bevriend met den -koopman Simonides, en zoo heb ik ook kennis gemaakt met zijne vrienden, -waaronder Sheik Ilderim een eerste plaats bekleedt. Ik heb hem meermalen -ontmoet. Een paar weken geleden bracht hij Simonides een bezoek. Ik was -in de kamer, en daar hij zeer opgewonden scheen, wilde ik mij verwijderen; -maar hijzelf verbood het, zeggende: Gij zijt een Israeliet, blijf dus -hier en luister, want ik heb een vreemde geschiedenis te verhalen.--Vele -jaren geleden kwamen drie reizigers bij hem, een Hindoe, een Griek en -een Egyptenaar. Zij reden op kameelen, de mooiste die hij ooit gezien -had, en alle drie wit. Zij bleven die nacht bij hem. Den volgenden -morgen vertelden zij hem wie zij waren en vanwaar zij kwamen. Alle drie -hadden zij eene ster gezien en eene stem gehoord, die hun beval naar -Jeruzalem te gaan, en te vragen naar den jonggeboren Koning der Joden. -Zij gingen, en de ster geleidde hen van Jeruzalem naar Bethlehem, waar -zij in een spelonk het pasgeboren kind vonden, dat zij aanbaden en -geschenken gaven. Zij gingen niet naar Herodes terug, het was Herodes de -Groote, overtuigd dat die hen dooden zou, maar kwamen bij Sheik Ilderim, -die hen in zijne tenten verborg, totdat zij de terugreis durfden -aanvaarden. - ---Dat is zeker een vreemde geschiedenis, zeide Ben-Hur. Maar waar zegt -gij dat zij te Jeruzalem naar vragen moesten? - ---Zij moesten vragen: Waar is de geboren Koning der Joden? - ---Was dat alles? - ---Er was nog wat bij; maar dat herinner ik mij niet meer. - ---En vonden zij het kind? - ---Ja, en aanbaden het. - ---'t Is vreemd, Malluch. - ---Ilderim is een ernstig man, al is hij ook, evenals alle Arabieren, -licht ontvlambaar. Een leugen uit zijn mond is ondenkbaar. - ---Heeft Ilderim nooit meer van die drie mannen gehoord? - ---Wel, dat was het juist wat hij Simonides kwam vertellen bij dat -laatste bezoek. Den vorigen avond was de Egyptenaar onverwacht weer bij -hem gekomen. - ---Herkende hij hem dan? - ---Ja, aan zijn manier van spreken en doen, en hij bereed denzelfden -witten kameel, en gaf denzelfden naam op: Balthasar, den Egyptenaar. - ---Wat zegt gij? Dien naam gaf de oude man aan de bron mij ook op! En de -jonkvrouw was zijne dochter. - -Een oogenblik later zeide hij: Zij moesten dus vragen naar hem, die de -Koning der Joden zou zijn? - ---Neen, antwoordde Malluch, zij moesten naar den geboren Koning der -Joden vragen. Die woorden heeft de Sheik altijd onthouden en hij wacht -op de komst van dien Koning. Niets kan zijn geloof aan het wankelen -brengen, dat hij komen zal. - ---Hoe ... als Koning? - ---Ja, om Rome's macht te fnuiken. - -Ben-Hur bleef in gedachten verzonken en zeide toen: De Sheik is een uit -velen, die onrecht hebben te wreken; maar het is immers onmogelijk, -Malluch, dat iemand anders dan een Herodes Koning der Joden zou zijn, -zoolang Rome Rome is?... Maar om op het verhaal terug te komen; wat -antwoordde Simonides? - ---Simonides is een wijs man. Ik luisterde, en hij zeide ... maar hoor! -daar komt iemand ons achterop. - -Paardengetrappel weerklonk, het kwam nader en nader, en zie, daar was de -Sheik zelf met zijn gevolg, ook de vier Arabische paarden en de wagen. -Zoodra hij hen zag riep den grijsaard: welkom en vrede!... Ha! Zijt gij -het, mijn goede vriend Malluch? Welkom! Brengt gij mij tijding van mijn -vriend Simonides? Moge de God zijner vaderen hem nog lang bij het leven -bewaren! Volgt mij, opdat ik u verfrisschingen voorzette. - -Zij volgden hem tot aan de deur zijner tent, waar hij hun een verkoelenden -drank aanbood. - -Zoodra zij naar binnen waren gegaan nam Malluch den Sheik ter zijde, om -iets met hem te bespreken, waarna hij tot Ben-Hur terugkeerde en zeide: -Ik heb den Sheik over u gesproken, hij is uw vriend, het verdere laat ik -dus aan u over. Ik moet nu naar de stad, waar ik hedenavond gewacht word. -Morgen kom ik terug en hoop dan bij u te blijven tot na den afloop der -feesten. - -Met wederzijdsche zegenbeden scheidden zij en vertrok Malluch. - - - * * * * * - - -ELFDE HOOFDSTUK. - -MALLUCHS RAPPORT. - - -Het was laat in den avond. Het maanlicht bescheen de gebouwen op den -berg Sulpius, en twee derden van Antiochie's inwoners zochten op de -platte daken der huizen koelte en verfrissching. Ook Simonides had zich -naar het terras laten brengen en liet den blik rusten op de rivier en de -ten anker liggende schepen. De muur achter hem wierp een breede schaduw -op het water. Esther stond voor hem met een blad, dat zijn eenvoudig -avondeten bevatte: luchtig gebakken koeken, wat honig en een kom melk. - ---Malluch is laat, zeide hij, en verried alzoo waar zijne gedachten -toefden. - ---Zou hij nog komen? vraagde Esther. - ---Als hij niet op zee of in de woestijn is, zal hij komen, antwoordde -Simonides beslist. - ---Hij zou kunnen schrijven. - ---Als hij ver weg moest, zou hij mij dat dadelijk gemeld hebben; daar -hij dat niet gedaan heeft, weet ik dat hij komen zal. - ---Ik hoop het, zeide zij zacht. - -Iets in haar toon trof hem. Hij keek op en zei: Zou het u genoegen doen, -als hij kwam? - ---Ja vader. - ---Waarom? vertel mij dat eens. - ---Omdat ... omdat de jonge man.... - ---Onze meester is. Woudt ge dat zeggen, Esther? - ---Ja vader. - ---En gij vindt, dat ik hem niet moet laten gaan zonder hem te zeggen, -dat hij komen kan als het hem behaagt, om ons met alles wat wij bezitten -tot zich te nemen; alles, Esther: de schepen, het geld, de slaven, het -huis, en het machtig krediet, dat als een mantel van fijn goud en zilver -voor mij geweven werd door den grootsten beschermengel der menschen: -welslagen. - -Zij antwoordde niet. - ---Laat het u koud? vraagde hij met iets bitters in zijn toon. Ach, kind, -ik weet bij ondervinding, dat wat van te voren ondragelijk scheen -doorstaan kan worden, als men er maar eerst voor staat, zelfs het -ergste, zelfs de pijnbank. Dat zal met den dood waarschijnlijk ook wel -het geval zijn. En volgens die beschouwing kan de slavernij, waarin wij -ons gaan begeven, na een poos liefelijk worden. 't Is mij nu reeds een -aangename gedachte, dat onze meester een gunsteling der fortuin blijkt -te zijn. Zijn vermogen heeft hem niets gekost, geen zorg, geen droppel -zweet, niet eens een gedachte. Onverwacht valt het hem voor de voeten. -En, Esther, wat mijn ijdelheid niet weinig streelt, hij krijgt wat hij -voor geen schatten kon koopen, hij krijgt u, mijn lieveling, mijn parel, -u, bloempje van mijn gestorven Rachel. - -Hij trok haar tot zich en kuste haar tweemaal; de eerste kus gold -haarzelve, de tweede hare moeder. - ---Spreek zo niet, vader, zeide zij, laat ons beter van hem denken. Hij -weet wat droefheid is en zal ons de vrijheid geven. - ---Gij hebt een fijn instinct, Esther, en gij weet dat ik dikwijls op uw -oordeel af ga;... hoor, daar komt iemand; heb ik het u niet gezegd? daar -is Malluch! Nu zullen wij zien wat wij van onzen jongen meester te -wachten hebben. - ---Vrede zij u, meester Simonides, zeide Malluch diep buigend, en ook u, -voortreffelijkste der dochters. - -Simonides beantwoordde den groet en vraagde toen: Wat hebt gij mij van -den jongen man te vertellen? - -Eenvoudig en zakelijk gaf Malluch een verslag hoe hij den dag had -doorgebracht. Simonides luisterde aandachtig en liet hem ongestoord -vertellen. - ---Dank, hartelijk dank, Malluch, gij hebt uitstekend gehouden, zeide -hij, toen het verhaal uit was. Niemand zou het kunnen verbeteren. En tot -welk volk meent gij dat hij behoort? - ---Tot het volk van Israel, meester, tot den stam van Juda. - ---Weet gij het zeker? - ---Zeer zeker. - ---Hij schijnt u niet veel van zijn leven verteld te hebben. - ---Hij heeft geleerd voorzichtig te zijn. Eerst na zijn optreden bij de -Castaliabron werd hij vertrouwelijk. - ---Een vervloekte plaats, die bron. Waarom ging hij er heen? - ---Ik zou zeggen uit nieuwsgierigheid; maar toen hij er was, toonde hij -niet de minste belangstelling. Goede meester, de jonge man heeft een -verborgen kommer, en hij ging naar het Park, denk ik, zooals wij naar -het graf gaan met onze dooden--hij ging zijn kommer begraven. - ---Niet onmogelijk, Malluch; maar de vloek van dezen tijd is -verspilzucht ... hebt gij daar iets van gemerkt? Pronkte hij met geld? -Met Romeinsche of Joodsche munten? - ---Neen, meester. - ---Maar Malluch, op de plaats die zooveel gelegenheid tot dwaasheid -geeft,... ik bedoel waar zooveel te eten en te drinken is, heeft hij u -zeker wel een en ander aangeboden? - ---Hij heeft niet gegeten of gedronken, voordat wij in Ilderims tent -waren. - ---Kondt gij uit wat hij zeide of deed opmaken wat zijn geheime drijfveer -is? - ---Hoe bedoelt gij dat? vraagde Malluch. - ---Wel, gij weet dat wij voor ons spreken en handelen, vooral bij -gewichtige aangelegenheden, een beweegreden hebben. Wat hebt gij te dien -opzichte bij hem opgemerkt? - ---Daarop, meester Simonides, kan ik met zekerheid antwoorden. Hij wil -zijne moeder en zuster opsporen, dat allereerst. Dan heeft hij een wrok -tegen Rome, en daar die Messala van wien ik u vertelde iets met het hem -aangedane onrecht te maken heeft, wil hij niet rusten voordat hij hem -vernederd heeft. De ontmoeting bij de bron bood hem de gelegenheid, maar -hij liet die voorbijgaan, omdat ze hem niet publiek genoeg was. - ---Die Messala heeft veel invloed, zeide Simonides. - ---Ja, maar de volgende ontmoeting zal in den circus plaats vinden. - ---Zoo ... en dan? - ---De zoon van Arrius zal winnen. - ---Hoe weet gij dat? - -Malluch glimlachte en zeide: Ik oordeel naar wat hij zegt. - ---Naar dat alleen? - ---Neen, ook naar den geest, die hem bezielt. - ---Inderdaad? Maar Malluch, beperkt hij zijn wraak tot de enkelen, die -hem onrecht aandeden, of tot het geheele volk? Meer nog, is die -wraaklust slechts een gril van een gevoeligen knaap, of is hij de -ingewortelde dorst naar wraak voortkomende uit een vertrapt mannenhart? -Gij weet, Malluch, het zinnen op wraak, dat alleen in den geest wortel -heeft geschoten, is een ijdele droom, die bij den eersten helderen dag -verdwijnt, terwijl de wraak, tot hartstocht geworden, een ziekte is, die -opklimt naar de hersenen, en zich met hart en geest beiden voedt. - -Simonides had snel en met saamgeknepen handen gesproken, alsof hij de -kwaal, die hij beschreef, bij ondervinding kende. - ---Goede meester, zeide Malluch, dat ik den jonkman voor een Israeliet -houd is allereerst om zijn gloeienden haat. Hij bedwong zich, maar toch -zag ik hem opvlammen, eerst toen hij weten wilde wat Ilderim tegen Rome -heeft, daarna toen ik hem van de drie mannen verhaalde, die den geboren -Koning der Joden zochten. - ---Wat zeide hij dan? Zijn eigen woorden, Malluch! - ---Hij wilde precies weten wat zij gezegd hadden: De Koning, of de -geboren Koning. Daar maakte hij onderscheid tusschen. Toen vertelde ik -hem wat Ilderim gezegd had: dat de koning komen zou om Rome te -verdelgen.--Het bloed steeg hem naar de wangen en hij zeide: Wie anders -dan een Herodes kan koning zijn, zoolang Rome Rome blijft? - -Simonides zag een poos zwijgend voor zich en zeide toen: 't Is goed, -Malluch. Laat u wat te eten geven en maak u gereed om morgen naar het -Palmbosch te gaan. Gij moet den jongen man helpen zijn plan te -volvoeren. Ik zal u een brief aan Ilderim meegeven. Misschien, voegde -hij er zachtjes bij, zal ikzelf bij de wedrennen in den circus -verschijnen. - -Malluch vertrok. Simonides dronk van de melk en scheen verruimd van zin -en opgewekt te zijn. - ---Zet dat maar weg, Esther, en kom dan weer hier. - -Het meisje gehoorzaamde. - ---Wat is God goed voor mij, zeide hij op innigen toon. Zijn weg is in -het duister; maar somtijds staat Hij ons toe iets van zijne wegen te -begrijpen. Ik ben oud, lieve, en maak mij gereed om heen te gaan; maar -zie, ter zelfder ure, toen ik alle hoop had opgegeven, zendt Hij mij een -lichtstraal, die mij geheel opvroolijkt. Ik zie waarom ik dien bepaalden -weg heb moeten gaan. Een omstandigheid zoo groot, dat zij een -wedergeboorte voor de geheele wereld zal zijn, maakt het mij duidelijk. -Ik begrijp waarom mij zoo groote rijkdom geschonken werd, ik zie waartoe -hij bestemd is. Waarlijk, mijn kind, ik begin weer op te leven. - -Esther vlijde zich tegen hem aan, alsof zij zijne gedachten weder bij -het tegenwoordige wilde bepalen. - ---De koning is geboren, vervolgde hij op droomerigen toon, en moet -volwassen zijn. Balthasar zegt, dat hij een zuigeling was op moeders -schoot, toen hij hem zag en zijne geschenken aanbood, en Ilderim -beweert, dat het in December achtentwintig jaar geleden was, dat -Balthasar met zijne vrienden in de woestijn tot hem kwam. Lang zal de -koning dus niet meer toeven te komen. Vandaag, morgen kan het gebeuren! -Heilige vaders van Israel, welk eene gedachte! 't Is mij als hoor ik -oude muren kraken, als hoor ik het gejoel van een volslagen ommekeer; o! -en om alles te kronen scheurt de aarde vaneen, om Rome op te slokken. En -de volkeren zien het en lachen en zingen: Rome is gevallen en wij zijn -er nog! - -Hij zweeg even, lachte genoegelijk en zeide: Wel, Esther, wat zegt gij -daarvan? Voorwaar, de geestdrift eens zangers komt over mij, de -bezieling van Mirjam en David. Mijne gedachten die zich bezig moesten -houden met cijfers en teekens, zijn vol van het geschal der cymbalen, -van harptonen, en het vreugdegejubel eener groote menigte, staande -rondom een nieuw opgerichten troon. Ik wil daar voor 't oogenblik niet -langer aan denken, alleen dit nog, lieve, als de koning komt zal hij -geld en mannen noodig hebben, want daar hij, evenals wij allen, van eene -vrouw geboren is, zal hij ten slotte een mensch zijn als wij, -onderworpen aan de menschelijke natuur, zooals gij en ik. Ziet gij nu -den weg, dien ik en de jonkman, onze meester, moeten loopen? Die weg -voert ons tot roem en wraak. - -Esther bleef zitten en zweeg. Toen herinnerde Simonides zich, dat niet -alle menschen zich over hetzelfde verheugen kunnen,--hij herinnerde zich -dat hij tegen eene vrouw sprak. - ---Waar denkt ge aan, Esther? vraagde hij op zijn gewonen toon. Als uwe -gedachten den vorm hebben van een wensch, zeg het mij dan, mijn kind, -terwijl ik nog de macht bezit om hem te vervullen. Want zij is -wispelturig, de macht, en houdt hare vleugelen altijd uitgebreid om zoo -weg te kunnen vliegen. - -Zij antwoordde met bijna kinderlijken eenvoud: Laat hem halen, vader, -laat hem nog van avond halen, en laat hem niet naar den circus gaan. - ---Aha! zeide hij op gerekten toon, en staarde op de rivier, waar de -schaduwen steeds donkerder werden, sedert de maan achter den Sulpius -gezonken was en de verlichting der stad overgelaten had aan het -twijfelachtig schijnsel der sterren. Zullen wij het zeggen, lezer? -Simonides was ijverzuchtig. Zou zij liefde hebben opgevat voor den -jongen meester? Neen, o neen, dat kon niet. Zij was nog te jong. Maar de -gedachte liet hem niet los, die mogelijkheid maakte hem koud en stil. -Zij was zestien jaar. Hij wist het heel goed. Op haar laatsten -verjaardag had zij hem begeleid naar de scheepstimmerwerf, waar een -nieuwe galei van stapel zou loopen, en op de gele vlag, die zoo lustig -in den wind wapperde, stond de naam Esther. Zoo hadden zij dien dag -samen gevierd. Zestien jaar, hij wist het heel goed, en toch trof het -hem als iets nieuws. Er zijn van die dingen, die ons, als wij ze goed -nadenken, pijnlijk aandoen, bij voorbeeld dat wij oud worden, dat wij -sterven moeten. Zulk een onbestemde pijnlijke gewaarwording maakte zich -thans van hem meester en ontlokte hem een diepen zucht. Alsof het niet -genoeg was, dat zij een lijfeigene werd, zou zij ook haren meester -gevoelens toedragen, wier innigheid en teederheid hij zoo goed kende, -omdat zij tot heden onverdeeld aan hem waren gewijd. De demon, wiens -taak het is ons met vrees en bittere gedachten te martelen, doet zelden -zijn werk ten halve. Door de smart van 't oogenblik vergat de moedige -grijsaard zijne plannen voor de toekomst en den wondervollen koning, die -er het middelpunt van was. Met een geweldigen krachtinspanning, wist hij -zich echter te bedwingen en vraagde kalm: Niet naar den circus laten -gaan, waarom niet, kind? - ---Het is geen plaats voor een zoon van Israel, vader. - ---Rabbijnsche opvattingen, Esther! Is dat alles? - -Zijn toon was onderzoekend en drong door tot haar hart, dat luid begon -te kloppen, zoo luid, dat zij niet dadelijk kon antwoorden. - ---De jonkman zal het vermogen hebben, zeide Simonides vriendelijk, hij -zal de schepen hebben en het geld, alles, Esther, alles. In weerwil -daarvan voelde ik mij net arm; want ik behield u en uwe liefde, die mij -zoo mijne gestorven Rachel herinnert. Zeg mij, zal hij die ook hebben? - -Zij boog zich neder en leunde met het hoofd tegen hem aan. - ---Spreek, Esther, ik zal sterker zijn, als ik het weet. Onzekerheid -maakt zwak. - -Zij richtte zich op en sprak op vasten toon: Wees getroost, lieve vader, -ik zal u nooit verlaten. Al moest ik hem liefhebben, ik zal altijd uwe -dienstmaagd blijven. Ja, vader, hij is schoon in mijne oogen, en zijne -manier van spreken trok mij aan. Ik beef als ik denken moet, dat gevaren -hem dreigen. Ja, vader, ik zou meer dan blijde zijn, als ik hem -wederzag. Maar onbeantwoorde liefde kan nooit volmaakte liefde zijn; -daarom wil ik geduldig wachten, en niet vergeten dat ik uwe en moeders -dochter ben. - ---Een zegen des Heeren zijt gij, Esther! Een zegen om mij rijk te doen -blijven, al moet ik ook al het andere verliezen. En bij zijn heiligen -Naam en het eeuwige leven zweer ik, dat u geen leed zal aangedaan -worden. - -Een weinig later liet hij een dienaar roepen, die den stoel naar binnen -rolde. Daar zat hij nog een poos na te denken over de komst des konings, -terwijl Esther hare legerstede opzocht en spoedig den slaap der onschuld -sliep. - - - * * * * * - - -TWAALFDE HOOFDSTUK. - -EEN ROMEINSCH DRINKGELAG. - - -Het paleis, schuins tegenover Simonides' woning aan den anderen oever -der rivier gelegen, was volgens de overlevering door den vermaarden -Epiphanes gebouwd, en beantwoordde geheel aan de eischen, die men zulk -eene woonplaats stellen mag. De muur, die over het geheele eiland langs -den waterkant opgetrokken was en dienen moest tot beschutting tegen den -stroom en beveiliging tegen mogelijke invallen, heette het paleis -ongeschikt te maken tot voortdurende bewoning, zoodat de legaten zich -een ander paleis lieten bouwen op de westelijke helling van den Sulpius. -Het ontbrak echter niet aan lieden, die ronduit beweerden, dat die -verhuizing niets te maken had met gezondheidsmaatregelen, maar dat de -ware reden gezocht moest worden in de onmiddellijke nabijheid der groote -citadel, die den legaten een gevoel van veiligheid gaf. Die opvatting -scheen wel de ware te zijn, want onder meer merkte men op, dat het oude -paleis steeds in bewoonbaren staat gehouden werd, en dat, wanneer een -consul, een generaal, een vorst, of eenig ander machthebbende Antiochie -bezocht, hem het eiland-paleis als verblijf werd aangewezen. - -Daar wij slechts met een vertrek in het oude gebouw te doen hebben, mag -de lezer zich het overtollige voorstellen naar eigen believen en staat -het hem vrij de tuinen, baden, buiten- en binnenpleinen, vertrekken en -paviljoenen, alles zoo weelderig mogelijk ingericht, op eigen -gelegenheid te doorwandelen. - -Het vertrek, waarheen wij ons thans begeven, zou in dezen tegenwoordigen -tijd een zaal genoemd worden. Het was zeer ruim en met gepolijst marmer -bevloerd. Kunstige pijlers, in den vorm van Atlasgestalten, droegen de -zoldering, en langs de muren was een met Indisch zijde overtrokken divan -aangebracht. Het meubilair bestond uit tafels en zetels in Egyptischen -stijl. Vijf reusachtige bronzen kronen verspreidden een zee van licht. - -Een honderdtal personen is in deze zaal vergaderd. Sommigen zitten bij -de tafels, anderen loopen heen en weder, weder anderen hebben het zich -op den divan gemakkelijk gemaakt. Zij zijn allen jong, sommigen -ternauwernood de kinderschoenen ontwassen. - -Dat zij allen Italianen en voor het grootste gedeelte Romeinen zijn -lijdt geen twijfel. Zij spreken zuiver Latijn, en zijn naar Romeinsche -gewoonte gekleed, in tunica's met korte mouwen en korten schoot, welke -kleedij juist geschikt is voor het klimaat van Antiochie en in de -overmatig warme zaal volkomen op hare plaats is. Hier en daar liggen op -den divan toga's en mantels, waaronder met purper omzoomde, achteloos -neergeworpen. Ook ziet men er slapende gasten in gemakkelijke houding -uitgestrekt; of de hitte en de vermoeienis hen zoo hebben aangegrepen, -of dat Bacchus er schuld aan heeft, zullen wij maar niet onderzoeken. - -Er wordt druk en luid gepraat, uitbundig gelachen, hartstochtelijk -gespeeld. - -Het meerendeel dier jongelieden behoorde tot het militaire gevolg van -den consul en moest hier zijne komst afwachten. - -Laat in de nacht trad een nieuw gezelschap de zaal binnen, en begaf -zich, eerst onopgemerkt, naar de middentafel. Men kon hun aanzien dat -zij juist van een slemppartij kwamen. Sommigen konden zich slechts met -moeite op de been houden. De aanvoerder droeg een krans om het hoofd, -ten teeken dat hij de koning van het feest, misschien wel de gastheer -was geweest. De wijn had geen bijzondere uitwerking op hem gehad, of het -moest zijn om zijn mannelijk schoon te verhoogen. Met hooger gekleurde -wangen en stralende oogen stapte hij fier vooruit, ofschoon zijne -houding en de manier, waarop hij de ruime witte toga om de schouders had -geplooid, wel wat theatraal was voor iemand in volkomen nuchteren staat. - -Zonder zich om iemand of iets te bekommeren maakte hij voor zich en -zijne makkers plaats, en toen hij eindelijk in het midden der zaal bleef -stilstaan en zijn blik over de spelers liet gaan, keerden zij zich allen -tot hem en begroetten hem met een luiden juichtoon: Ha! Messala! Messala! - -De meer verwijderden hoorden den kreet en namen hem over. Dadelijk -werden de groepjes ontbonden, de dobbelsteenen neergeworpen, en snelden -allen naar het midden der zaal. - -Messala nam die eerbewijzen als vanzelf-sprekend aan. Weldra zou blijken -waaraan hij deze populariteit te danken had. - ---Uwe gezondheid, Drusus, mijn vriend, zeide hij tot den speler aan -zijne rechterhand, uwe gezondheid. Laat mij uw tafeltje[2] eens zien. - -Hij nam de wassen blaadjes, zag de aanteekeningen vluchtig door en wierp -ze op de tafel. - ---Denaries, enkel denaries, muntstukken voor sjouwers en waterdragers, -zeide hij met een hoonenden lach. Bij de doos van Pandora, waar gaat -Rome heen, wanneer een Cesar geheele nachten zit te spelen in de hoop -dat Fortuna hem een armzalige denarie in den schoot zal werpen! - -De telg der Drusussen bloosde tot achter de ooren, maar zijne makkers -overschreeuwden zijn antwoord door hun geroep: Messala! Messala! - ---Mannen van den Tiber, zeide hij, een der jongelieden de dobbelsteenen -uit de hand nemend, wie is de meest door de goden bevoorrechte? De -Romein. Wie stelt den volken de wet? De Romein. Wie is dus rechtens -beheerscher der wereld? - -De gemakkelijk tot geestdrift op te winden jeugdige krijgers namen hem -het woord uit den mond en schreeuwden om het hardst: De Romein! De -Romein! - ---En toch, en toch, zeide hij langzaam, om hunne nieuwsgierigheid te -prikkelen, toch is er een, beter dan de besten van Rome. - -Trots wierp hij het hoofd achterover, en toen geen antwoord volgde ging -hij voort: Hoort gij? Er is een beter dan de besten van Rome. - ---Hercules! riep een. - ---Of Bacchus! schreeuwde een ander. - ---Neen, Jupiter! Jupiter! donderde de menigte. - ---Noem hem dan! riepen allen. - ---Dat wil ik, zeide hij, zoodra er wat stilte gekomen was. Hij, die bij -Rome's volmaaktheid de volmaaktheid van het Oosten gevoegd heeft; hij, -die aan het zegevierende Westen de Oostersche kunst heeft toegevoegd. - ---Bij Apollo, zijn beste is ten slotte toch de Romein, riep een, en -daarop lachten allen en klapten in de handen. - ---In het Oosten, vervolgde Messala, hebben wij geen andere goden, dan -wijn, vrouwen, en goed geluk, en de uitnemendste van deze drie is goed -geluk. Daarom voeren wij tot motto: Wie durft wat ik durf?--zoowel in -den Senaat, als in den krijg. Bovenal echter past het bij hem, die het -beste zoekt en voor het ergste niet terugdeinst. - -Thans sloeg hij een gemoedelijken, vertrouwelijken toon aan, zonder -echter zijne overmacht prijs te geven, en zeide: In de groote kast in de -citadel heb ik vijf talenten gereed geld liggen. Hier is het bewijs. - -Uit zijn toga bracht hij een perkamentrol te voorschijn, wierp die op de -tafel en vervolgde onder diep stilzwijgen, terwijl de oogen van allen op -hem rustten: Dat is de som die ik durf wagen. Wie van u durft hetzelfde -te doen?... Gij zwijgt? Is het te veel? Ik zal er een talent afnemen, -slechts drie!... Om twee dan ... Niet?... Een dan ... een ten minste ... -een ter eere van de rivier, aan wier oevers gij geboren werdt! Rome in -het Oosten tegen Rome in het Westen! De barbaarsche Orontes tegen den -heiligen Tiber! - -Hij schudde de dobbelsteenen en wachtte even. - ---De Orontes tegen den Tiber! herhaalde hij luider en met klem. - -Niemand bewoog zich. Toen wierp hij de dobbelsteenen op de tafel en nam -lachend het bewijs weer tot zich. Bij Jupiter! riep hij, nu weet ik -waarom gij naar Antiochie zijt gekomen: om uw fortuin te maken of te -verbeteren. Hier, Cecilius! - ---Present! riep een stem achter hem.--Hier ben ik. - ---Ga, beval Messala, en laat de dienaren de kannen en bekers en -drinkschalen hier brengen. Hebben deze onze landslieden geen beurzen, ik -wil zien of zij beter gezegend zijn met magen. Haast u! - -Toen keerde hij zich met een luiden lach tot Drusus en zeide: Vergeef -het mij, mijn vriend; ik wilde deze fraaie jonge vogels van ons oude -Rome slechts op de proef stellen. Kom, Drusus, kom! - -Hij nam de steenen weer op en schudde ze vroolijk. - ---Hier! Voor welke som gij wilt. Beproef uw geluk. - -De noodiging was vriendelijk, innemend. Drusus kon haar niet wederstaan. - ---Bij de nimfen, ja, zeide hij lachend. Ik zal met u spelen, Messala, -om ... een denarie. - -Een zeer jeugdigen knaap keek Messala van de overzijde der tafel -aandachtig aan. Plotseling keerde deze zich tot hem en vraagde: Wie zijt -gij? - -De knaap trok zich snel terug. - ---Neen, bij Castor en Pollux! Zoo meende ik het niet. Het is onder -mannen gewoonte, als zij zaken doen, aanteekeningen te houden. Ik heb -een klerk noodig. Wilt gij dien post vervullen? - -De jongeling nam dadelijk zijn tafeltje ter hand, gereed om op te -schrijven. - ---Wacht even, Messala, zeide Drusus. Het is misschien niet goed door -eene vraag de dobbelsteenen op te houden, maar daar schiet mij iets te -binnen, en ik moet het wagen, al sloeg Venus mij met haar gordel. - ---Ik zal gooien en de steenen zoolang bedekken, dan kan het geen kwaad; -en de daad bij het woord voegende vervolgde hij: Voor den dag met uwe -vraag! - ---Hebt gij een zekeren Quintus Arrius wel eens gezien? - ---De duumvir? - ---Neen, zijn zoon. - ---Ik wist niet dat hij een zoon had. - ---Weet gij waarom ik het vraag? Omdat Pollux niet sterker gelijken kan -op Castor, dan Arrius op u. - ---Ja, dat is zoo! riepen tien, twintig stemmen te gelijk. Zijn oogen, -zijn gelaat! - ---Wat een dwaasheid, zeide een ander geergerd. Messala is een Romein, -Arrius een Jood. - ---Daar hebt gij gelijk in, merkte een derde op. Hij is een Jood, of -Momus leende zijne moeder het verkeerde masker. - -Het gesprek dreigde in twist te ontaarden, maar Messala kwam -tusschenbeide. - ---De wijn is nog niet gekomen, Drusus, zeide hij. Wat Arrius betreft, ik -zal gelooven wat gij zegt. Vertel mij dus wat gij van hem weet. - ---Wel, hij moge dan Jood of Romein zijn, en bij den grooten Pan, met -allen eerbied voor uwe gevoelens, Messala, deze Arrius is schoon, -dapper, en verstandig. De keizer bood hem zijne gunst en bescherming -aan, maar hij weigerde die aan te nemen. Zijn optreden was zeer -geheimzinnig, en hij houdt zich op een afstand, alsof hij zich voor -beter of voor slechter houdt, dan wij anderen. In het worstelperk was -hij onovertroffen. Hij speelde met de blauwoogige reuzen van den Rijn en -de hoornlooze stieren van Sarmatie, alsof het wilgetakken waren. De -duumvir heeft hem zijn geheele vermogen vermaakt. Hij heeft zich met -waren hartstocht in den wapenhandel geoefend en is vervuld van den -oorlog. Maxentius nam hem op in zijn gevolg, en hij zou met ons zijn -scheep gegaan, maar wij verloren hem te Ravenna. In weerwil daarvan is -hij in welstand hier aangekomen. Wij hebben hedenmorgen van hem gehoord. -In plaats van naar het paleis of de citadel te gaan, heeft hij zijn -bagage achtergelaten in de herberg en is wederom verdwenen. - -Messala, die eerst slechts ten halve geluisterd had, werd langzamerhand -nieuwsgierig. Toen Drusus zweeg hief hij zijne hand op en riep: Hallo, -Caius, hoort ge dat? - -Een jongeling, die schuin achter hem stond, zijn Myrtilus, of metgezel -bij de dagelijksche oefeningen in de renbaan, antwoordde, verheugd over -de eer hem aangedaan: Deed ik dat niet, mijn Messala, dan was ik niet -waard uw vriend te zijn. - ---Herinnert gij u den man, die u van middag in het stof heeft doen -bijten? - ---Bij Bacchus! Is mijn schouder niet bont en blauw om het mij in -gedachtenis te doen blijven? - ---Wees dan het Noodlot dankbaar, want ik heb uw vijand gevonden. Let -maar op. - -Hierop keerde hij zich tot Drusus: Vertel ons meer van hem; van hem, die -zoowel Jood als Romein is, bij Phoebus, eene vereeniging die een centaur -aanminnig zou maken! Hoe kleedt hij zich, Drusus? - ---Als een Jood. - ---Hoort gij het, Caius? zeide Messala, de knaap is jong, dat is een. Hij -heeft het gelaat van een Romein, twee. Hij draagt het liefst kleeren van -een Jood,--drie. En in het worstelperk behaalt men roem en fortuin door -het omverwerpen van een paard, of het doen kantelen van een wagen, al -naar dat verlangd wordt--vier. Drusus, help mijn vriend verder. -Ongetwijfeld spreekt deze Arrius verscheidene talen, anders kon hij niet -vandaag Jood, morgen Romein zijn. Maar kan hij zich ook in de schoone -taal der Atheners vloeiend uitdrukken? - ---Die spreekt hij zoo zuiver, Messala, dat hij er gerust als redenaar in -zou kunnen optreden. - ---Hoort gij het wel, Caius? die knaap kan op zijn Grieksch een vrouw -begroeten, dat is dus vijf. Wat zegt gij er van? - ---Gij hebt hem gevonden, mijn vriend, antwoordde Caius, of ik ben Caius -niet. - ---Vergeef mij, Drusus, dat ik dus in raadselen spreek, zeide Messala op -zijn gewone innemende manier. Bij alle goden, ik zou uwe nieuwsgierigheid -niet willen spannen tot brekens toe; maar help mij nu tot aan het einde. -Gij vondt, geloof ik, iets geheimzinnigs in het optreden van dien zoon -van Arrius. Vertel mij daar wat van. - ---Och, niets bijzonders, zeide Drusus, een kindersprookje. Toen Arrius, -de vader, uitzeilde om de zeerovers te straffen, bezat hij vrouw noch -kind. Hij keerde terug met een jongeling ... hem van wien wij spreken, en -nam hem den volgenden dag tot zoon aan. - ---Tot zoon aan? herhaalde Messala. Bij alle goden! Drusus, dat is een -belangwekkend geval. Waar vond de duumvir den knaap? En wie was hij? - ---Wie kan u daar het antwoord op geven, wie dan de jonge Arrius zelf? In -de hitte van de strijd verloor de duumvir, toen nog tribuun, zijn galei. -Een terugkeerend schip vond hem en den knaap, de eenig overgeblevenen -van de commandantsgalei, drijvende op een en dezelfde plank. Ik geef u -het verhaal zooals ik het van de redders hoorde, dat in ieder geval -nooit tegengesproken is. Zij beweren dat de metgezel van den duumvir een -Jood was. - ---Een Jood! herhaalde Messala. - ---En een galeislaaf. - ---Hoe dat, Drusus, een galeislaaf? - ---Toen die beiden opgehaald werden, had de duumvir zijn wapenrusting -aan, de ander het kostuum van een roeier. - -Messala richtte zich op in zijn volle lengte. Een galeislaaf, herhaalde -hij op peinzenden toon. - -Op dit oogenblik brachten eenige slaven groote kannen wijn, schalen met -vruchten en confituren, en weer anderen bekers van allerlei model, het -grootste gedeelte van zilver. Dat gezicht bracht Messala weer op dreef. -Hij sprong op een stoel. Mannen van den Tiber, riep hij met luide stem, -laat ons het wachten op onzen veldheer veranderen in een feest ter eere -van Bacchus. Wien kiest gij tot voorzitter? - -Drusus stond op. Wien anders dan den gastheer zelf? vraagde hij. -Spreekt, Romeinen. - -Een luid gejuich was het antwoord. - -Messala nam den krans van zijn hoofd, reikte hem aan Drusus over, die op -de tafel sprong, en hem ten aanschouwe van allen weer plechtig op het -hoofd van Messala zette, waardoor hij hem tot voorzitter kroonde. - ---Te gelijk met mij, zeide hij, zijn eenige vrienden in de kamer -gekomen, die juist van tafel waren opgestaan. Breng volgens oud gebruik -dengene hier, die het meest door den wijn bevangen is. - -Eenige stemmen antwoordden: Hier is hij! Hier! - -En van den grond, waar hij neergezegen was, werd een knaap opgebeurd, -zoo schoon van gelaat, dat hij voor den wijngod zelven kon doorgaan, -maar de kroon zou hem van 't hoofd zijn gevallen, en de staf uit zijne -hand. - ---Zet hem op de tafel, beval de voorzitter. - -Men gehoorzaamde, maar de knaap zakte ineen. - ---Ondersteun hem, Drusus! - -Drusus nam de slaper in zijn armen en hield hem overeind. - -Nu sprak Messala onder diep stilzwijgen tot den bezwijmde: O Bacchus, -grootste der goden, wees ons hedennacht goedgunstig. In mijnen naam en -in dien mijner metgezellen beloof ik dezen krans aan uw altaar in het -Park van Daphne. - -Hij maakte een diepe buiging, zette den krans weer op, ontblootte de -dobbelsteenen, bekeek ze, en zeide lachend: Ziehier Drusus, bij den ezel -van Silenus, de denarie is voor mij! - -Een oorverdoovend gejubel deed de zaal op hare grondvesten daveren, ... -het drinkgelag nam een aanvang. - - -Noot: [2] Dun houten blaadje, met was bestreken, waar men met een stift -op schreef. - - - * * * * * - - -DERTIENDE HOOFDSTUK. - -IN DE TENT. - - -Sheik Ilderim was een te gewichtig man om met een klein gevolg te -reizen. Hij had, als de aanzienlijkste en oudste onder de vorsten der -woestijn, den naam van zijnen stam weten op te houden. In de steden gold -hij voor een der rijkste grondbezitters, en daar hij werkelijk zeer rijk -was in geld, zoowel als in slaven, kameelen, paarden en groot en klein -vee, voerde hij gaarne een hoogen staat, die hem niet alleen in aanzien -deed stijgen bij vreemden, maar zijne ijdelheid streelde en hem allerlei -gemakken aanbracht. - -Al spraken wij van zijne tent in het Palmbosch, in werkelijkheid had hij -er een _dowar_, dat wil zeggen, hij had drie groote tenten: eene voor -zich, eene voor bezoekers, eene voor zijne meestgeliefde vrouw en hare -bedienden; en zeven kleinere voor zijne slaven en zijne lijfwacht, -sterke dappere mannen, goed vertrouwd met boog, speer en paarden. - -Hoewel hij in het Palmbosch natuurlijk veilig was, had hij, daar men -wijs doet met zich aan de gewone orde te houden, de door de tenten -begrensde ruimte voor zijne koeien, kameelen en geiten bestemd, en voor -zulke bezittingen, die een leeuw of een dief in verzoeking konden -brengen. - -Overal en ten allen tijde volgde Ilderim de gebruiken van zijn volk tot -in de kleinste bijzonderheden; dientengevolge was zijn leven in het -Palmbosch eene voortzetting van zijn leven in de woestijn, een echt -aartsvaderlijk leven--het herdersleven van het oude Israel. - -Op den morgen zijner aankomst in het Palmbosch had Ilderim de karavaan -doen stilhouden en een speer in den grond gestoken, zeggende: Hier, sla -hier mijne tent op. De opening naar het Zuiden, het meer voor ons, en -deze kinderen der woestijn tot een beschutting boven ons hoofd, als wij -bij zonsondergang de avondkoelte willen genieten. - -Bij deze laatste woorden ging hij naar drie zware palmboomen en klopte -tegen hun bast, zooals hij zijne paarden op den nek geklopt zou hebben. - -Wie anders dan de Sheik had het recht om der karavaan: halt toe te -roepen, of van de tent te bevelen: hier worde zij opgeslagen?--De speer -werd uit den grond gerukt, en in de gemaakte opening de eerste paal voor -de tent geplant, het middenschot voor de groote voordeur. Vervolgens -werden acht andere palen ingeslagen, in het geheel drie rijen palen, -telkens drie op een rij. Toen werden de vrouwen en kinderen geroepen, om -het tentedoek te ontpakken. Niemand anders dan de vrouwen mochten dat -doen, want waren zij het niet, die de bruine geiten der kudden -geschoren, het haar tot een draad gesponnen, dien draad tot doek -geweven, en de doeken aaneengenaaid hadden, om tot een dak te dienen, -donkerbruin, in werkelijkheid maar op een afstand zwart als de tenten -van Kedar? Hoe vroolijk spande ten besluite het gezamenlijk -dienstpersoneel van den Sheik het tentedoek van paal tot paal, de pinnen -inslaande en de koorden vastmakende, daar waar het behoorde! En als -eindelijk de matten wanden opgericht en bevestigd waren, in welke -angstige spanning werd dan het oordeel van den meester afgewacht! Hoe -gelukkig waren zij, toen hij, na alles van binnen en van buiten bekeken -te hebben, goedkeurend knikte en vriendelijk zeide: Goed gedaan! maakt -nu den dowar in orde naar uw beste weten en hedenavond zullen wij het -brood met arak besproeien, en de melk met honing verzoeten, en aan -iederen haard zal een bokje gebraden worden. Wij zullen geen gebrek -hebben aan zoet water, want het meer is onze bron; de lastdieren en de -kudde zullen niet hongeren, want hier is overvloed van groen gras. God -zij met u, kinderen! Gaat aan 't werk. - -Vroolijk trok de troep af, om hunne eigene tenten op te slaan. Een paar -bleven achter om de tent van den Sheik te meubileeren: de mannen spanden -een gordijn langs de middelste palenrij, waardoor de tent in tweeen -gedeeld werd, de eene helft voor den Sheik, de andere voor zijn paarden, -de afstammelingen van Salomo's renners. Tegen den middelsten paal werd -het wapenrek opgesteld, en met speren, bogen, pijlen en schilden -behangen; bovenop het zwaard van den meester, welks gevest schitterde -van edelsteenen. Aan het eene eind van het rek hingen zij de tuigen der -paarden, aan het andere de kleederen van den meester: zijn wollen en -linnen gewaden, tunica's en broeken, en zijn vele kleurige tulbanden. - -Intusschen hielden de vrouwen zich onledig met het ontpakken van den -divan. In den vorm van een hoefijzer, de opening naar de deur gekeerd, -stelden zij hem op, bedekten hem met kussens en peluwen, en hingen er -gordijnen om. Rondom den divan legden zij een karpet, en in de -binnenruimte evenzoo, tot aan de deur der tent. Toen vulden zij de -kannen en kruiken met water en hingen de lederzakken met arak op. Welk -Arabier zou Sheik Ilderim niet gelukkig prijzen in zijne tent bij het -zoetwatermeer, onder de schaduw der palmen van zijn erfdeel! - -In de hier beschreven tent hebben wij Ben-Hur verlaten. - -De bedienden stonden reeds gereed om de bevelen des meesters te volgen. -Een van hen ontbond zijne sandalen, een ander die van den bezoeker. -Vervolgens hielpen zij de beide ruiters zich ontdoen van hunne bestoven -kleeren, en een frisch wit linnen gewaad aantrekken. - ---Kom mede en rust, zeide de gastheer hartelijk in het Hebreeuwsch, en -geleidde hem naar den divan. - ---Ik ga hier zitten, en mijn gast daar, zeide hij tot eene dienstmaagd, -die zich aanstonds beijverde de kussens op te schudden en goed te -leggen, waarna de beide mannen op den divan plaats namen en zich de -voeten lieten wasschen met frisch water uit het meer. - ---Een onzer spreekwoorden in de woestijn luidt, dat een goede eetlust de -belofte is van een lang leven, zeide Ilderim. Hoe staat het met den uwe? - ---Daarnaar berekend, goede Sheik, zal ik honderd jaar kunnen leven. Ik -ben een hongerige wolf aan uwe deur, antwoordde Ben-Hur. - ---Welnu, ik zal u niet als een wolf wegzenden. Ik zal u het beste van -mijn kudde voorzetten. - -Ilderim klapte in de handen, waarop een bediende binnentrad. - ---Ga naar den vreemdeling in de bezoekerstent en zeg, dat ik, Ilderim, -hem toebid, dat zijn vrede bestendig moge zijn, als het stroomen der -wateren. - -De man boog zich. - ---Meld hem verder, vervolgde de Sheik, dat ik nog een gast heb -meegebracht om brood mede te breken. Als Balthasar, de wijze, het maal -met ons wil deelen, zullen wij met ons drieen wezen, en het deel der -vogelen zal er niet kleiner om zijn. - -De man ging heen. - ---Laat ons thans rust nemen, zeide de Sheik en maakte het zich -gemakkelijk op den divan. Ben-Hur volgde zijn voorbeeld, en toen hij -gereed was, vervolgde de Sheik op ernstigen toon: Dat gij mijn gast -zijt, van mijn wijn gedronken hebt, en straks met mij eten zult, mag mij -niet verhinderen u te vragen: Wie zijt gij? - ---Sheik Ilderim, zeide Ben-Hur, kalm den onderzoekenden blik van den -grijsaard doorstaande, ik bid u, meen niet dat ik uw billijke vraag -ontwijken wil; maar was er in uw leven nooit een tijd, waarin de -beantwoording van zulk een vraag een misdaad zou geweest zijn jegens uwe -ouders? - ---Bij Salomo's heerlijkheid, ja, antwoordde Ilderim. Zelfverraad is in -sommige gevallen even laag, als het verraden van een geheelen stam. - ---Dank, goede Sheik! Nooit kwam er beter antwoord uit uwen mond. Nu weet -ik, dat gij slechts de zekerheid verlangt te hebben, dat gij uw -vertrouwen niet aan een onwaardige zult schenken en dat die zekerheid -van meer belang voor u is, dan mijne levensgeschiedenis. - -De Sheik boog het hoofd. Ben-Hur haastte zich van deze stemming partij -te trekken en zeide: Voor alle dingen wil ik u mededeelen, dat ik geen -Romein ben, zooals mijn naam u zou doen denken. - -Ilderim zag zijnen gast oplettend aan. - ---Vervolgens dat ik een Israeliet ben uit den stam van Juda. Dat niet -alleen. Ik ben een Jood en koester een wrok tegen Rome, waarbij de uwe -slechts kinderspel is. - -De grijsaard plukte zenuwachtig aan zijn baard en trok de wenkbrauwen -samen. - ---Nog meer; ik zweer u, Sheik Ilderim, ik zweer u bij het verbond, dat -de Heer met mijne vaderen gemaakt heeft, als gij mij helpen wilt de -wraak te nemen, die ik zoek, dan zullen de uitgeloofde prijs en de eer -bij de wedrennen de uwe zijn. - -Ilderim hief het hoofd op, zijn oogen straalden; men kon zien dat het -voorstel hem toelachte. - ---Genoeg, zeide hij. Als aan den wortel uwer tong een leugen verborgen -ligt, zou Salomo zelf niet veilig voor u geweest zijn. Dat gij geen -Romein zijt, dat gij als Jood een wrok tegen Rome hebt en wraak wil -nemen, geloof ik. Maar hoe staat het met uwe vaardigheid? Welke -ondervinding hebt gij in wedrennen met wagens? En de paarden--kunt gij -ze aan uwen wil onderwerpen, zoodat zij u kennen, zoodat zij komen als -gij ze roept, loopen, rennen als gij het beveelt, met inspanning van -alle krachten tot bezwijkens toe, om hen dan in het beslissend oogenblik -te bezielen tot een laatste inspanning, de krachtigste van alle, die tot -overwinning voert? Die gave, mijn zoon, is niet ieder gegeven. Ik heb -een koning gekend, die over millioenen menschen heerschte, maar zich -niet de achting van een paard kon verwerven. Begrijp mij wel, ik spreek -niet van gewone dieren, wier taak is te slaven voor slaven; wier bloed -verbasterd werd, wier geheele uiterlijk het innerlijk teekent: -geestelijk dooden. Neen, ik spreek van renpaarden als de mijne, koningen -in hunne soort, wier stamboom opklimt tot in de stoeterijen van den -eersten Pharao, mijne makkers en vrienden, medebewoners van mijne tent, -die door een langdurig verkeer met mij opgevoerd zijn tot een ongekende -hoogte, wier instinct aan eens menschen verstand gelijk is geworden, -wier zintuigen met onze ziel gelijk staan, die evenals wij eerzucht, -liefde, haat, tegenzin kennen; helden in den krijg, kinderen in -vertrouwen. Hallo, hier! - -Een bediende trad naar voren. - ---Laat mijn Arabieren binnenkomen! - -De man trok het gordijn in het midden der tent open, waardoor een -groepje paarden zichtbaar werd, die een oogenblik aarzelden en staan -bleven, alsof zij niet zeker waren van de noodiging. - ---Komt, zeide Ilderim, waarom blijft ge staan? Wat heb ik dat niet het -uwe is? Komt, zeg ik. - -Zij kwamen langzaam nader. - ---Zoon van Israel, zeide hun meester, uw Mozes was een groot man; maar, -ha, ha, ha! ik moet lachen wanneer ik bedenk, dat hij uwe vaderen -toestond den trekos en den ezel te gebruiken, maar hun verbood paarden -in eigendom te bezitten. Denkt gij, dat hij dat gedaan zou hebben, als -hij dezen en dien, en dien daar gezien had? - -Zoo sprekend legde hij zijne hand op den naastbijstaanden Arabier en -liefkoosde hem met onbeschrijfelijke teederheid. - ---Dat is een misverstand, Sheik, een misverstand, zeide Ben-Hur -levendig. Mozes was een krijgsman, zoowel als de van God beminde -wetgever, en zou hij dan geen paarden gehad hebben? - -Een welgevormde kop met groote zachte oogen, zacht als die eener ree, -half verborgen door de dikke voorhoofdlokken, vlijde zich bijna tegen -hem aan, neusgaten en bovenlip in gestadige beweging, alsof zij vragen -wilde: Wie zijt gij? - -Ben-Hur herkende een van het vierspan uit het renperk en stak het -schoone dier zijn open hand toe. - ---Zij zullen u zeggen, de lasteraars, mogen hunne dagen verkort worden, -sprak de Sheik heftig, zij zullen u zeggen, dat onze paarden afkomstig -zijn van de Niseische velden in Perzie. God gaf den Arabier een -onmetelijke zandvlakte, met eenige kale bergen en hier en daar een bron -van bitter water, en zeide tot hem: Zie uw land! En toen de arme man -klaagde, erbarmde de Almachtige zich over hem en zeide: Wees goedsmoeds! -want Ik zal u zegenen boven anderen. De Arabier hoorde het, dankte, en -ging vol vertrouwen den beloofden zegen zoeken. Eerst reisde hij langs -de grenzen, maar tevergeefs. Toen maakte hij zich een pad door de -woestijn en ging voort, altijd verder, totdat hij in het hart der -wildernis een vruchtbaar eiland vond, liefelijk om te zien, en op dat -eiland graasden een kudde kameelen en een kudde paarden! Hij nam ze -vroolijk tot zich en verzorgde ze met de grootste oplettendheid, als de -beste gave Gods. En van dat groene eiland stammen alle paarden, die op -aarde te vinden zijn, ook die van de Neseische weilanden. Zelfs naar het -Noorden verspreidden zij zich, tot aan de vreeselijke valleien, die -voortdurend geteisterd worden door stormwinden uit de zee. Twijfel niet -aan de waarheid van dit verhaal. Is het niet waar, moge dan geen enkele -amulet meer van kracht zijn voor een Arabier. Maar wacht, ik zal u de -bewijzen voorleggen. - -Hij klapte in de handen. - ---Breng mij de registers van den stam, zeide hij tot den binnentredenden -slaaf. - -Onder het wachten speelde hij met de paarden, liefkoosde hen, streek -hunne manen glad, en gaf ieder van hen een bewijs zijner gunst. Weldra -verschenen zes mannen met zes cederhouten kisten, die zij voor den Sheik -nederzetten. - ---Neen, zeide Ilderim, dat bedoelde ik niet. Alleen het stamboek van de -paarden,--deze kist. Open die en zet de andere weg. - -De kist werd geopend. Haar inhoud bleek te bestaan uit een massa ivoren -tafeltjes, door ringen van zilverdraad bijeengehouden, en daar de -tafeltjes zoo dun waren als glas, hield iedere ring verscheidene -honderdtallen. - ---Ik weet, mijn zoon, zeide Ilderim, met welke zorg de schriftgeleerden -in den tempel van de Heilige Stad de namen der jonggeboornen opschrijven -en bewaren, opdat ieder Israeliet zijn geslachtslijst kan narekenen, al -klom zij ook op tot voor den tijd der patriarchen. Mijne vaderen, moge -hun aandenken altijd groen blijven! oordeelden het niet zondig dat -denkbeeld over te nemen en op hun stomme dienaren toe te passen. Bezie -die tafeltjes! - -Ben-Hur nam een der ringen, en spreidde de tafeltjes uit. Zij waren vol -met Arabische hieroglyphen, die er met de gloeiende punt van een metalen -staafje ingebrand waren. - ---Kunt gij ze lezen, zoon van Israel? - ---Neen. Wil mij hare meening verklaren. - ---Weet dan: ieder tafeltje draagt den naam van een rasveulen, en wel van -een, dat vele eeuwen geleden in onzen stam geboren werd, benevens de -namen van zijne ouders. Bezie ze nauwkeurig en let er op hoe oud zij -zijn, des te gemakkelijker zal het u vallen te gelooven wat ik zeg. - -Sommige tafeltjes waren bijna afgesleten, alle waren geel van ouderdom. - ---In die kist bewaar ik de geschiedenis van dit viertal. Ik kan u met de -stukken bewijzen uit welken stam zij gesproten zijn; zie, hoe die eene -uwe aandacht zoekt te trekken en om een liefkoozing vraagt! Zooals deze -thans tot ons komen, kwamen hunne vaders vele eeuwen her tot mijne -vaderen in hunne tent, om uit de hand hunner heeren hunne maat gerst te -ontvangen en toegesproken te worden als kinderen, en op eigenaardige -manier hun dank te betuigen. En nu, zoon van Israel, geloof mij vrij, -ben ik een vorst der woestijnen, zij zijn mijne eerste dienaren! Ontneem -ze mij en ik word een zieke gelijk, door de karavaan achtergelaten om te -sterven. Aan hen dank ik mijn onverminderd gezag op de groote heirwegen; -en dat zal stand houden, zoolang ik de kracht bezit om mij van hen te -bedienen. Ik zou u wonderen kunnen verhalen, door hunne voorzaten -verricht. Misschien doe ik het later wel eens; voor het oogenblik zij u -genoeg, dat zij bij een terugtocht nooit werden achterhaald, bij een -vervolging altijd slaagden. Vergeet echter niet, dat was in de woestijn -en onder 't zadel;... hoe het komt weet ik niet, maar mijn hart klopt -onrustig om hunnentwil. Zij zijn voor het eerst in 't gareel geweest en -wat is niet noodig om den prijs te behalen! Eerzucht, snelheid, -volharding bezitten zij. Vind ik iemand voor hen, dien zij als meester -kunnen erkennen, dan zullen zij den prijs behalen. Zoon van Israel, als -gij die man zijt, dan zweer ik u, dat gij den dag, die u hier bracht, -gelukkig zult noemen. Spreek nu voor uzelven. - ---Nu begrijp ik, zeide Ben-Hur, waarom een Arabier na zijne kinderen -zijne paarden het liefst heeft, en ik begrijp ook waarom de Arabische -paarden van alle de beste zijn; maar, goede Sheik, ik wil niet dat gij -mij alleen naar mijne woorden beoordeelt, want gij weet het: beloften -van menschen kunnen falen. Stel mij morgen op de proef en laat mij uw -vierspan probeeren. - -Ilderims gelaat straalde van genoegen. Hij wilde spreken, maar Ben-Hur -vervolgde: Nog een woordje, goede Sheik. Laat ik u dit mogen zeggen: In -Rome heb ik veel geleerd, waarvan ik niet dacht dat het mij ooit te pas -zou komen. Geloof mij, al zijn deze uwe zonen der woestijn ieder -afzonderlijk als de wind zoo vlug, zij zullen het onderspit delven, zoo -zij niet geleerd hebben gezamelijk in het gareel te loopen; want bedenk -dit, Sheik, van ieder viertal is een de vlugste en een de langzaamste. -Zoo was het vandaag. De menner kon den vlugste der vier niet krijgen tot -een verstandig samenwerken met den traagsten. Mijn proefneming zal -misschien niet beter uitvallen; maar in dat geval zal ik het u zeggen. -Kan ik er hen echter toe krijgen zich naar mijn wil te voegen, zoodat de -vier als een loopen, dan zijn de sestertien en de lauwerkrans voor u, de -wraak voor mij. Wat dunkt u? - -Ilderim had aandachtig geluisterd. Glimlachend zeide hij: Ik denk beter -van u, zoon van Israel. Wij hebben een spreekwoord: als gij het eten met -woorden kookt beloof ik u een oceaan van boter.--Morgen zult gij de -paarden hebben. - -Op dat oogenblik was er beweging aan de achterdeur der tent. Ons -avondeten, zeide de Sheik, en mijn vriend Balthasar, met wien gij kennis -zult maken. Hij heeft eene geschiedenis te vertellen, die voor een -Israeliet allerbelangrijkst is. - -Tot de knechts zeide hij: Neemt de kist weg, en brengt de paarden naar -hun vertrek. - -En zoo geschiedde het. - - - * * * * * - - -VEERTIENDE HOOFDSTUK. - -ILDERIMS GASTMAAL. - - -Als de lezer zich den maaltijd van de drie wijzen in de woestijn nog -herinnert, zal hij zich gemakkelijk de toebereidselen in Ilderims tent -kunnen voorstellen. Het eenige verschil was: meer gerechten en betere -bediening. - -Op het karpet voor den divan weren drie kleedjes gelegd en een gedekte -tafel neergezet. Tegen een der zijwanden werd een draagbare oven -geplaatst, onder toezicht van eene slavin, wier taak het was het -gezelschap van heete koeken te voorzien. - -Intusschen was Balthasar naar den divan geleid, waar Ilderim en Ben-Hur -hem staande opwachtten. Hij droeg een ruim zwart overkleed en was -langzaam en statig in zijne bewegingen. - ---Vrede zij u, mijn vriend, zeide Ilderim, vrede en welkom. - -De Egyptenaar antwoordde: de zegen van God Almachtig, den eenigen waren -God, zij met u en de uwen. - -Zijne manier van spreken maakte diepen indruk op Ben-Hur. - ---Deze jonkman, Balthasar, zeide de Sheik, zijn hand op Ben-Hurs arm -leggend, zal hedenavond brood met ons breken. - -De Egyptenaar zag den jonkman onderzoekend aan, waarop de Sheik -vervolgde: Ik heb hem beloofd, dat hij mijne paarden mag probeeren, en -als het goed gaat zal hij er in den circus mee optreden. - -Balthasar staarde Ben-Hur zwijgend aan. - ---Hij kwam met goede aanbevelingen, ging Ilderim voort, die niets van -dat zwijgen begreep. Overeenkomstig die aanbevelingen stel ik hem u voor -als den zoon van Arrius, den edelen Romeinschen duumvir, hoewel hijzelf -zich een Israeliet noemt uit den stam van Juda, en, bij mijn baard, ik -geloof wat hij zegt. - ---Weet dan, edelmoedige Sheik, zeide Balthasar, dat mijn leven vandaag -in gevaar geweest is en ik hier niet zitten zou, zoo niet een jonkman, -het evenbeeld van dezen uwen gast, tusschenbeide getreden was en mij -gered had, toen alle anderen vloden. - -Toen wendde hij zich tot Ben-Hur en vraagde: Waart gij dat niet? - ---Wat zal ik u zeggen, zeide Ben-Hur bescheiden. Ik ben degeen die de -paarden van den onbescheiden Romein tot staan bracht, toen zij bij de -bron Castalia op uw kameel instormden. Uwe dochter gaf mij dezen beker. - -Uit de plooien van zijn tunica bracht hij den beker te voorschijn en -overhandigde hem aan Balthasar. - -Een glans van blijdschap kwam over het gelaat van de Egyptenaar. De Heer -heeft u vandaag tot mij gezonden, eerst bij de bron en nu hier, zeide -hij bewogen en reikte Ben-Hur de hand. Ik dank Hem, en dank gij Hem ook, -want door zijne genade kan ik u naar verdienste beloonen. De beker is de -uwe. Behoud hem. - -Nu verhaalde Ben-Hur in antwoord op Ilderims vragenden blik het voorval -bij de bron. - ---Wat! zeide de Sheik tot zijn jeugdigen gast. Daar hebt gij mij niets -van verteld, terwijl gij mij geen betere aanbeveling hadt kunnen -brengen. Ben ik niet een Arabier en Sheik van mijn stam van -honderdduizenden? En is Balthasar niet mijn gast? zoodat hetgeen gij aan -hem gedaan hebt, hetzij goed of kwaad, aan mij gedaan is? Waar zoudt gij -belooning zoeken, anders dan hier? En wiens hand moet u die geven, zoo -niet de mijne? - ---Goede Sheik, ik bid u, spaar mij. Ik kwam niet om eene belooning, en -opdat zelfs de schijn niet op mij ruste, zoo weet dat ik uw geringsten -slaaf ter hulpe zou gesneld zijn, indien zulks noodig was geweest. - -Hoe is uw naam ook weer? vraagde Balthasar. De Sheik noemde een -Romeinsche naam, niet waar? - ---Arrius, de zoon van Arrius den duumvir. - ---En toch zijt gij geen Romein? - ---Mijn familie was Joodsch. - ---Wat, zegt gij? Leven zij niet meer? - -De vraag was eenvoudig en natuurlijk; maar gelukkig voorkwam Ilderim het -antwoord. - ---Komt, zeide hij, de maaltijd is gereed. - -Een oogenblik later zaten zij aan tafel, op Oostersche manier. Dienaren -brachten water en handdoeken, zij waschten zich de handen, toen gaf de -Sheik een teeken, en de Egyptenaar bad op plechtigen toon: Vader van -allen, God! Wat wij hebben is van U; neem onzen dank aan en zegen ons, -opdat wij mogen voortgaan met Uwen wil te doen. - -De tafel was rijkelijk van het noodige voorzien: luchtige koeken, heet -van het vuur, groenten uit den moestuin, vleesch in verschillenden vorm, -geitenmelk, honing en boter, alles gebruikt zonder de toevoegselen der -hedendaagsche gewoonten: messen, vorken, lepels. Gedurende dit gedeelte -van den maaltijd werd weinig gesproken, want zij hadden honger. Maar -toen het dessert op tafel kwam werd het anders, en zij waren weldra in -een ernstig gesprek verdiept. - -Onder zulk een gezelschap: een Arabier, een Jood, en een Egyptenaar, -allen geloovende aan eenen God, kon in die dagen slechts een onderwerp -van gesprek zijn; en wie van de aanzittenden moest als spreker optreden, -zoo niet hij, wien de Godheid bijna persoonlijk verschenen was, die haar -in de ster had leeren kennen, die hare stem had gehoord, en zoo -wonderbaar door den geest Gods geleid was? En waarvan zou hij spreken, -zo niet van datgene, waarvan hij geroepen was te getuigen? - - - * * * * * - - -VIJFTIENDE HOOFDSTUK. - -GEHEIMENISSEN. - - -De zon was ondergegaan. De bergen wierpen een donkere schaduw over het -Palmbosch en lieten geen plaats voor de zachte violettinten, die bij den -overgang van dag op nacht het oog zoo liefelijk kunnen streelen. De -nacht viel vroeg en snel in. Om het duister in de tent te verdrijven -brachten de slaven vier bronzen kandelaars, een op elken hoek der tafel. -Iedere kandelaar had vier armen, en iedere arm droeg een zilveren lamp. -Bij het schijnsel van dit licht zaten de dischgenooten nog geruimen tijd -te praten in de Syrische taal, die in die streken algemeen gebruikelijk -was. - -De Egyptenaar verhaalde aan Ben-Hur zijne ontmoeting met de twee -vrienden, en berekende met den Sheik, dat het in December achtentwintig -jaar geleden was, dat hij en zijne metgezellen met haast het Joodsche -land verlaten en in zijne tent gewoond hadden. - -Ben-Hur luisterde met groote belangstelling, als naar een openbaring van -het hoogste belang voor de geheele wereld, en bovenal voor het volk -Israel. - -De lezer bedenke, dat de jonge Israeliet sedert zijn vroegste jeugd van -den Messias gehoord had. In de school had hij de profetieen dienaangaande -hooren voorlezen. De komst van den langverwachte was het onderwerp van -veler gesprekken. In de synagogen, in den Tempel, op feest- en -vastendagen, in het openbaar en in de stille binnenkamer verkondigden de -Joodsche leeraars den Messias, totdat alle kinderen Israels, waar zij -zich ook bevonden, naar Hem uitzagen. De groote vraag was: Wanneer zal -Hij komen? Want dat Hij komen zou als Koning der Joden, als wereldsch -koning, als hun koning, dit stond vast. Door hen zou Hij de wereld -veroveren, en haar ten hunnen bate en in den naam van God voor altijd -aan zich onderwerpen. - -Maar wat was de reden dat Israel geen oog had gehad voor dat kind van -Bethlehem? Hoe kwam het dat hij er nooit van gehoord had? Balthasar -moest hem opheldering geven: Waar was dat kind nu? En wat moest het -doen? - ---Kon ik u dat maar zeggen, antwoordde Balthasar. Wist ik maar waar hij -zich ophoudt, ik zou mij dadelijk opmaken en tot hem gaan. Zeeen noch -bergen zouden mij kunnen weerhouden. - ---Hebt gij getracht hem te vinden? vraagde Ben-Hur. - ---Zeker. Zoodra ik afscheid genomen had van mijn vriend Ilderim stelde -ik een onderzoek in, om te vernemen wat van het kind geworden was. Een -jaar was echter voorbijgegaan, en ik wilde niet zelf naar Judea -terugkeeren, omdat Herodes nog steeds op den troon zat, even -bloeddorstig als altijd. Bij mijn terugkomst in Egypte vond ik eenige -vrienden, die mijn verhaal van de dingen, die ik gezien en gehoord had, -aanhoorden en geloofden, eenige weinigen, die zich met mij verheugden -over den Verlosser, ons geboren. Een paar van hen gingen in mijne plaats -naar Judea, om persoonlijk een onderzoek in te stellen. Zij gingen eerst -naar Bethlehem en vonden de herberg en de grot, maar de deurwachter, hij -die ons naar de spelonk gebracht had, was er niet meer. De koning had -hem opontboden, niemand in Bethlehem had meer van hem gehoord. - ---Maar zij vonden toch zeker getuigen van het gebeurde? - ---Ja, bloedige getuigen. Een stadje in rouw, moeders treurend om hare -kinderkens. Want gij moet weten dat Herodes, toen hij bemerkte dat wij -stil vertrokken waren, soldaten naar Bethlehem zond, om al de -jonggeboornen te dooden. Geen enkel ontkwam. Mijne vrienden waren in hun -geloof versterkt geworden, maar zij brachten mij de tijding, dat het -kind vermoord was met de andere. - ---Dood! riep Ben-Hur, dat is verschrikkelijk! 't Is dus dood? - ---Neen, mijn vriend, dat heb ik niet gezegd. Ik zeide dat mijne vrienden -die tijding meebrachten. Ik geloofde het toen niet en ik geloof het nog -niet. - ---Hebt gij dan een bijzondere openbaring ontvangen? - ---Dat juist niet. De Geest zou ons geleiden tot de plaats, waar het kind -zich bevond. Toen wij uit de grot kwamen was de ster verdwenen. De -laatste aanwijzing, die wij ontvingen, was die, welke ons langs een -anderen weg deed terugkeeren, zoodat wij bij Sheik Ilderim kwamen. - ---Ja, dat hebt gij mij toen ook verteld, bevestigde deze. - ---Al heb ik geen bijzondere aanwijzing, zeide Balthasar, zoo heb ik toch -veel over deze dingen nagedacht, en mijn geloof, dat verzeker ik u, is -op dit oogenblik nog even sterk, als toen de Geest mij beval de reis -naar Jeruzalem te aanvaarden. Indien gij wilt zal ik u zeggen waarom ik -geloof dat het kind nog leeft. - -De Sheik en Ben-Hur bogen toestemmend en luisterden met hun gansche -aandacht. - ---Wij drieen gelooven in God, en Hij is de Waarheid. De heuvelen mogen -tot stof verwaaien, en de zeeen opdrogen, maar Zijn Woord blijft -bestaan, omdat het de Waarheid is. De stem, die tot mij sprak bij het -meer, was Zijne stem en zeide: Gezegend zijt gij, zoon van Mizraim. De -verlossing is nabij. Met twee anderen van het uiterste der aarde zult -gij den Verlosser zien!--Ik heb den Verlosser gezien, maar de verlossing -moet nog komen. Begrijpt gij het nu? Als het kind gedood werd is er -niemand, die de verlossing kan aanbrengen; dan moet de belofte onvervuld -blijven. Het kind werd geboren om de wereld te verlossen, en zoolang die -belofte niet vervuld is, kan niets, zelfs de dood niet, hem van zijn -werk scheiden. Ziedaar de eerste grond van mijn geloof. Nu mijn tweede. - ---Wilt gij niet een teug wijn nemen? vraagde de gastheer. - -Nadat Balthasar zich verfrischt had, vervolgde hij: De Verlosser, dien -ik gezien heb, was van eene vrouw geboren, van nature ons gelijk, en dus -onderworpen aan alle kwaad, ook aan den dood. Beschouwen wij nu het -werk, dat hem wachtte. Was het niet een taak alleen voor mannenkracht -berekend? voor een wijs, sterk, verstandig man? Om dat te worden moest -het kind opgroeien, zooals wij. Denk nu eens aan de gevaren, die hem in -dien tusschentijd konden bedreigen. De bestaande regeering was hem -vijandig. Herodes was zijn vijand, en wat zou Rome voor hem zijn? En -Israel ... dat Israel hem niet zou aannemen was de reden, waarom Herodes -alle kinderen te Bethlehem liet dooden. Begrijpt gij het nu? Was er -zekerder weg om zijn hulpelooze jonkheid te behoeden, dan door hem -verborgen te houden? Daarom zeg ik telkens tegen mijzelven: Hij is niet -dood, maar houdt zich stil, en daar zijn werk nog niet volbracht is, zal -hij wederkomen. Ziedaar de gronden voor mijn geloof. Is er iets tegen te -zeggen? - -Ilderims oogen fonkelden en Ben-Hur zeide vroolijk: Door mij zeker niet. -Wat verder? - ---Is dat niet genoeg, mijn zoon? Wachten moet onze leus zijn. Hij leeft -en bewaart vooralsnog zijn geheim, hetzij als veelbelovende bloesem, of -als rijpende vrucht. Maar, vasthoudende aan de belofte staat mijn geloof -onwankelbaar vast,--hij leeft. - ---Waar denkt gij, dat hij is? vraagde Ben-Hur aarzelend. - ---Eenige weken geleden zat ik in mijn huis aan den Nijl, in gedachten -verzonken. Ik zeide tot mijzelf: Een dertigjarige man moet zijn -arbeidsveld bebouwd en beplant hebben, want daarna komt de zomer en -nadert de tijd, waarin gemaaid moet worden. Het kind, dacht ik verder, -is nu bijna dertig jaar. Zijn tijd om te zaaien is daar. Ik stelde -mijzelven dezelfde vraag, die gij mij zooeven deedt, en tot antwoord -maakte ik mij op en kwam hierheen, om in de nabijheid te zijn van het -land, dat God aan uwe vaderen gegeven heeft. Want waar anders zal hij -verschijnen dan in Judea? In welke stad zal hij zijn werk beginnen, zoo -niet in Jeruzalem? Wie moeten de eersten zijn om de zegeningen te -ontvangen, die hij zal aanbrengen, zoo niet de kinderen Abrahams, Izaaeks -en Jakobs? Als mij bevolen werd: Ga, zoek hem,--dan zou ik alle -gehuchten en dorpen langs de hellingen der bergen van Judea en Galilea -tot aan het Jordaandal doortrekken. Daar moet hij zich ophouden. Daar -heeft hij wellicht dezen zelfden avond, staande voor een eenvoudige -woning of op een heuveltop, de zon zien ondergaan met de gedachte, dat -hij weder een dag nader was gekomen aan den tijd, waarop hijzelf het -licht der wereld zal worden. - -Balthasar zweeg. Niet alleen de gastheer en Ben-Hur, maar ook de -dienaren hadden, door zijn geestdrift opgewekt, het gevoel alsof de -onzichtbare in hun midden was. Eindelijk verbrak Ben-Hur de stilte. - ---Ik zie, goede Balthasar, zeide hij, dat gij buitengewoon begunstigd -zijt. Ik zie ook, dat gij inderdaad een wijs man zijt. Ik kan u niet -zeggen hoe dankbaar ik ben voor hetgeen gij ons verhaald hebt. Gij hebt -mij op groote dingen voorbereid. Voltooi het werk, bid ik u, en deel mij -alles mede wat gij weet aangaande de zending van hem, dien gij verwacht, -en dien ook ik van nu als een geloovig zoon van Juda verwachten zal. Hij -zal een Verlosser zijn, zegt gij, zal hij ook niet koning der Joden -wezen? - ---Mijn zoon, antwoordde Balthasar, zijne zending is vooralsnog een -verborgenheid Gods. Wat ik daaromtrent denk ontleen ik aan hetgeen de -stem tot mij sprak in verband met de gebeden, waarop zij een antwoord -was. Zullen wij dat nog eens nader beschouwen? - ---Gaarne, mijn vader. - ---De reden van mijn onrust, begon Balthasar, die mij drong in Alexandrie -en in de dorpen langs den Nijl te prediken, en die mij ten laatste in de -eenzaamheid dreef, was de rampzalige toestand van het menschdom, -veroorzaakt, naar ik geloof, door het verlies van de kennis Gods. Ik was -bedroefd over de ellende van mijn geslacht, niet van een enkele klasse, -maar van allen. Zoo diep zijn zij gevallen, dat, naar mij voorkwam, geen -verlossing mogelijk was, tenzij God zelf die ter hand wilde nemen, en ik -bad tot Hem: O God, openbaar U aan mij!--Uwe goede werken heb ik -overwonnen. De Verlossing komt, gij zult uw Verlosser zien. Aldus sprak -de stem, en met dat antwoord reisde ik goedsmoeds naar Jeruzalem. Maar -wie moeten verlost worden? De geheele wereld. En hoe zal dat geschieden? -Wees sterk, zoon van Arrius! Ik weet wat de menschen zeggen: dat geen -geluk mogelijk is, zoolang Rome niet verwoest is. De ellende zou dus -niet uit onkunde met betrekking tot God, maar uit het wanbestuur der -vorsten voortkomen? Neen, neen! de Verlossing kan niet voor een -staatkundig doel zijn, kan niet ten oogmerk hebben machten en tronen -omver te werpen, alleen opdat anderen hunne plaatsen zouden innemen. Als -dat het doel moest zijn, zou de wijsheid Gods niet langer ondoorgrondelijk -zijn. Ik zeg u, al spreek ik misschien slechts als een blinde tot een -blinde, hij die komt zal een Verlosser zijn van zielen. Verlossing wil -zeggen, dat God weder op aarde wonen zal en de gerechtigheid heerschen, -opdat zijn verblijf mogelijk zij. - -Ben-Hur kon zijne teleurstelling niet verbergen. Hij boog het hoofd, en -ofschoon hij niet overtuigd was, voelde hij zich niet dadelijk in staat -om de zienswijze van den Egyptenaar te bestrijden. Ook Ilderim schudde -ongeloovig het hoofd. Na een oogenblik zwijgens zeide de eerste: Vader, -naar wien moest gij aan de poorten van Jeruzalem vragen? - ---Ik moest aan het volk vragen: Waar is de geboren Koning der Joden? - ---En gij zaagt hem in de grot te Bethlehem? - ---Wij zagen en aanbaden hem en boden hem geschenken aan: goud, wierook, -myrrhe. - ---Wanneer gij de feiten bespreekt, mijn vader, dan is u te hooren en te -gelooven een; maar wat uwe zienswijze aangaat kan ik niet begrijpen welk -soort van Koning gij van het kind wilt maken. Ik kan den koning niet -scheiden van zijne macht en plichten. - ---Mijn zoon, antwoordde Balthasar, gij ziet nu slechts den titel: Koning -der Joden. Vestigt gij echter uwen blik op de daarachter liggende -geheimenis, dan zal de steen des aanstoots verdwijnen. Over den titel -een woord. Uw volk, Israel, heeft betere dagen gezien, dagen waarin God -uw volk zijn volk noemde, en door de profeten met hen verkeerde. Welnu, -indien Hij hun in die dagen den Verlosser beloofde, dien ik gezien heb, -hem beloofde als Koning der Joden, dan moet de verschijning ook gelijk -zijn aan de belofte. Begrijpt gij nu de beteekenis van mijne vraag aan -de poort?--Ja, gij begrijpt haar, en ik behoef er niets meer van te -zeggen. Misschien denkt gij aan de waardigheid van het Kind; als dat zoo -is, denk dan even na--moest het de opvolger van Herodes zijn? - -Kon God zijn uitverkorene niet iets beters bereiden? Wilt gij het wezen -der zaak, waarover wij spreken, vatten, zie dan hooger op, bid ik u! -Vraag liever waarvan hij, dien wij verwachten, koning zal zijn; want dat -is de sleutel van de verborgenheid, die niemand begrijpen zal zonder -dien sleutel. Er is een koninkrijk op aarde, ofschoon het niet van de -aarde is, een koninkrijk grooter in omvang dan de aarde, grooter dan de -zee en de aarde. Zijn bestaan is een feit, en wij doorwandelen het -zonder het te zien. Niemand zal dit rijk aanschouwen, voordat hij zijn -eigen ziel heeft leeren kennen; want het koninkrijk is niet voor hem, -maar voor zijne ziel. De heerlijkheid, die ons in dat rijk wacht, is zoo -groot, dat wij haar ons niet kunnen voorstellen--eenig en -onvergelijkelijk. - ---Uwe woorden, vader, zijn mij een raadsel, ik heb nooit van zulk een -koninkrijk gehoord. - ---Ik ook niet, verzekerde Ilderim. - ---En ik mag er niet meer van zeggen, zeide Balthasar, de oogen ootmoetig -neerslaande. Wat het is, waartoe het dient, hoe men er komen kan, zal -niemand vernemen, voordat het kind komt, om er als zijn eigendom bezit -van te nemen. Hij brengt den sleutel van de onzichtbare poort, die hij -ontsluiten zal voor zijne uitverkoornen, waartoe allen zullen behooren, -die hem liefhebben, want dezulken alleen zullen de verlosten zijn. - -Een lange pauze volgde. Daar niemand een opmerking maakte zeide -Balthasar ten laatste: Goede Sheik, morgen of overmorgen ga ik voor -eenigen tijd naar de stad. Mijne dochter verlangt de toebereidselen voor -de feesten te zien. Het uur van mijn vertrek hoop ik u nader op te -geven. U, mijn zoon, zal ik zeker nog zien. Ik wensch u beiden vrede en -goeden nacht. - -Zij stonden allen van tafel op. De Sheik en Ben-Hur zagen den Egyptenaar -na, totdat hij buiten de tent was. - ---Sheik Ilderim, zeide de jongeling, ik heb van avond vreemde dingen -gehoord. Sta mij toe, bid ik u, een weinig langs het meer te wandelen, -opdat ik ze rustig overdenke. - ---Ga, ik volg u straks. - -Zij wieschen hunnen handen, waarna een bediende Ben-Hur zijne sandalen -bracht. - - - * * * * * - - -ZESTIENDE HOOFDSTUK. - -OVERDENKINGEN. - - -Op een kleinen afstand van den dowar stond een groep palmen, die hunne -schaduw half over het water, half over het land wierpen. Een nachtegaal -zong in de takken zijn lied. Ben-Hur bleef er staan naar luisteren. Op -ieder ander oogenblik zou het gezang van den vogel afleiding aan zijne -gedachten gegeven hebben; nu niet, want de meedeelingen van den -Egyptenaar lagen hem als een pak op het hart. Er was voor hem zelfs in -de liefelijkste muziek geen muziek, zoolang lichaam en geest niet tot -rust gekomen waren. - -De nacht was stil. Geen enkel golfje brak op het oeverzand. De hemel was -bezaaid met sterren, al de oude bekenden op haar gewone plaats. - -Ben-Hur liep onrustig heen en weer. Zijn levendige verbeelding voerde -hem in gedachten naar de zuidelijke streken, waar Balthasar als -kluizenaar geleefd had. Het meer met zijn onbeweeglijken spiegel -verplaatste hem in den geest naar de oevers van den Nijl, waar de wijze -man in het gebed verzonken was, toen de Geest zich aan hem openbaarde. -Indien het wonder zich eens herhaalde--en wel aan hem? Hij vreesde, -nochtans wenschte, ja zelfs verwachtte hij de verschijning. - -Toen zijn opgewondenheid eindelijk wat bedaarde, kwam er orde in zijne -gedachten. - -Zijn levensdoel kennen wij. Als hij zijne toekomst overdacht was hij -telkenmale op een gaping gestuit, die hij niet bij machte was aan te -vullen, een gaping zoo wijd, dat hij den overkant slechts flauw kon -onderscheiden. Naar welk doel zou hij streven, als hij eindelijk tot -bevelhebber bevorderd was? Een opstand tegen de Romeinen lag natuurlijk -in zijn plan, maar om de lieden daartoe te bewegen, moest hij een goede -reden of een voorwendsel kunnen aanvoeren, en hen op een betere toekomst -kunnen wijzen. Die een onrecht te herstellen heeft, strijdt in den regel -goed; maar oneindig beter hij, wien het geleden onrecht tot drijfveer -is, om naar een betere toestand te streven, een toestand, waarin hij -balsem vindt voor zijne wonden, loon voor zijn dapperheid, dank voor -zijne moeite, en bij zijnen dood een roemrijk gedenken. - -Voor alle dingen zou Ben-Hur, wilde hij op aanhangers kunnen rekenen, en -dat zouden natuurlijk zijne landgenooten zijn, oorzaak en gevolg van den -opstand moeten verklaren. Allen zuchtten onder hetzelfde juk, dat af te -schudden was een heilige, bezielende plicht. - -Reden tot opstand was er dus; maar de gevolgen, welke zouden die zijn? -De uren en dagen, die hij aan de overdenking van dit deel zijner plannen -gewijd had, waren talloos vele, en altijd was hij tot dezelfde -onbevredigde slotsom gekomen: een onbestemde, nevelachtige, algemeene -voorstelling van nationale vrijheid. Was dat voldoende? Hij kon niet -zeggen: neen; want dat zou zijn hoop den genadeslag hebben toegebracht; -hij huiverde om ja te zeggen, omdat zijn verstand wel beter wist. -Evenmin kon hij zich wijsmaken, dat Israel in staat zou zijn, om geheel -alleen Rome te bestrijden. Hij kende de hulpmiddelen van dien machtigen -vijand. Een verbond van alle volken zou iets kunnen uitrichten, maar, -helaas! dat was onmogelijk, tenzij--en hoelang had hij niet over die -mogelijkheid nagedacht, tenzij uit een der onderdrukte volken een held -mocht voortkomen, wiens krijgsverrichtingen de gansche aarde met zijn -roem vervullen zouden. Welk een glorie voor Judea, indien dat het -Macedonie van den nieuwen Alexander zou blijken te zijn! Helaas, onder -de rabbijnen was dapperheid wel mogelijk, maar tucht niet te verwachten. -En dan het verwijt van Messala in den tuin van Herodes: Wat gijlieden in -zes dagen wint, verliest gij den zevenden dag. - -Zoo kwam het dat hij geen licht in de zaak had gezien. God alleen wist -of de verwachte held komen zou. Vandaar dat hij Malluchs verslag van -Balthasars wederwaardigheden met een zekere voldoening had aangehoord ---de moeilijkheid was opgelost, de held uiteindelijk gevonden, en nog -wel een zoon uit den stam van Juda, een Koning der Joden! En achter den -held, de wereld onder de wapenen! - -Ben-Hurs hart had sterker geklopt toen hij zich voor een oogenblik -Jeruzalem als hoofdstad der wereld dacht, en Sion de zetel van de -overheerscher. Hoe bevoorrecht had hij zich geacht, dat hij den man, die -den koning gezien had, in Ilderims tenten zou ontmoeten. Hij zou hem -zien, hem hooren, en van hem alles vernemen wat hij wist van de ophanden -zijnde verandering, voornamelijk het tijdstip, waarop het geschieden -zou. Indien het ophanden was, zou hij van den veldtocht met Maxentius -afzien, en voorbereidingen treffen om de stammen onder de wapenen te -brengen, opdat Israel gereed mocht zijn, wanneer de groote dag der wrake -aanbrak. - -Nu had, zooals wij weten, Ben-Hur het verhaal van Balthasar zelven -vernomen. Was hij voldaan? - -Een schaduw, donkerder dan die der palmen, rustte op hem--de schaduw der -onzekerheid, die meer het koninkrijk gold, dan wel den koning. - -Hoe moet ik mij dat koninkrijk voorstellen? Hoe zal het zijn? vraagde -Ben-Hur zichzelven gedurig. - ---Hoe zal dat koninkrijk zijn? - -Ons, lezer, heeft het kind zelf geantwoord; maar Ben-Hur moest zich -vergenoegen met de woorden van Balthasar: Op aarde, nochtans niet van de -aarde; niet voor menschen, maar voor hunne zielen, en toch een -heerschappij van onbeschrijfelijken luister. - -Was het wonder, dat die woorden den jonkman zeer raadselachtig -voorkwamen? - ---Dat is geen menschenwerk, zeide hij half wanhopig. De koning van zulk -een rijk heeft geen menschen noodig; geen raadslieden, geen soldaten. -De aarde zou geheel vernieuwd moeten worden, en nieuwe grondbeginselen -zouden de plaats van de tegenwoordige moeten innemen. Niet door geweld -van wapenen,... maar door wat dan? - -Nogmaals, lezer, wat voor ons vaststaat kon hij nog niet zien. De macht, -die in de Liefde gelegen is, was den menschen toen nog niet bekend. -Nooit had iemand hun verkondigd, dat liefde machtiger is dan geweld. - -Te midden van die overleggingen voelde hij een hand op zijn schouder. - ---Ik heb een woord aan u, zoon van Arrius, zeide Ilderim, een woordje en -dan keer ik naar mijne tent terug, want het is laat in den nacht. - ---Ik luister, Sheik. - ---Wat de dingen aangaat, die gij zooeven gehoord hebt, zeide Ilderim, -geloof alles, behalve datgene wat de Egyptenaar zeide over het nieuwe -koninkrijk. Laat dat rusten, totdat gij Simonides gehoord hebt, een goed -man uit Antiochie, met wien ik u in kennis zal brengen. De Egyptenaar -gaf u zijne droomerijen ten beste. Simonides is verstandiger. Hij zal u -de uitspraken uwer profeten voorleggen, waaruit hij onwederlegbaar kan -aantoonen, dat de verwachte feitelijk koning der Joden zijn zal--koning -zooals Herodes was, alleen beter en luisterrijker. En dan, gij begrijpt -mij, zullen wij het zoete der wraak smaken. Ik heb gezegd. Vrede zij u! - -Ben-Hur staarde hem na en zeide bitter: Alweder Simonides! Simonides -hier, Simonides daar; dan door den een, dan door den ander! Het schijnt -alsof ik aan den leiband van mijn vaders dienaar zal mogen loopen. Die -weet ten minste vast te houden wat het mijne is. Daarom is hij in ieder -geval rijker, zoo niet verstandiger, dan de Egyptenaar. Bij hem zal ik -zeker niet ter schole gaan!--Maar, wat is dat? Daar wordt gezongen ... -een vrouwenstem. Het komt hierheen. - -Langzaam keerde een bootje terug van een roeitochtje op het meer. De -zangster in het kleine vaartuig deed haar liefelijke stem over de stille -wateren klinken. Weldra kon hij de woorden verstaan. Het was een -Grieksch lied, een lied van verlangen, aangrijpend en innig. - -Toen het bootje voorbijgevaren was slaakte Ben-Hur een diepen zucht. -Dat moest den dochter van Balthasar zijn, zeide hij zacht. Wat zingt zij -heerlijk! En wat was zij schoon! - -Zijn hart begon sneller te kloppen; maar tegelijkertijd verrees voor zijn -geestesoog een ander gelaat, jeugdiger en even bevallig--kinderlijker en -zachter, hoewel niet zoo hartstochtelijk. - ---Ester! zeide hij glimlachend. Ik wenschte een ster te zien, en zij is -mij gezonden. - -Hij keerde zich om en ging langzaam naar zijne tent terug. - -In dat hart, zoo vol van het geleden onrecht en van wraakzuchtige -plannen, was geen plaats voor liefde geweest. Was dit misschien het -begin van eene verandering ten goede? En van wie ging die invloed uit? - -Ester had hem een beker aangereikt.... De Egyptische eveneens. - -En beiden waren hem gelijktijdig onder de palmen verschenen! - -Wie van de twee zal het zijn? - - - * * * * * - - -BOEK V. - - - * * * * * - - -EERSTE HOOFDSTUK. - -GRATUS WORDT GEWAARSCHUWD. - - -'s Morgens na de bacchanalien in de zaal van het paleis lagen de jonge -patriciers hun roes uit te slapen op den divan. Al stapte Maxentius -heden aan wal, al liep alles in de stad uit om den veldheer te -ontvangen, al kwam het legioen in groot tenue van den Sulpius, al zou -van Nymphaeum tot Omphalus een pracht ontwikkeld worden, die alles wat -men tot hiertoe gezien had overtrof, zij zouden blijven liggen zooals -zij neergevallen, of door de dienaren neergelegd waren. - -Een maakte echter een uitzondering. Toen het volkomen dag geworden was -stond Messala op, nam den krans van zijn hoofd, ten teeken dat het feest -beeindigd was, wikkelde zich in zijn mantel, wierp een laatsten blik op -zijne makkers, en begaf zich zonder een woord te spreken naar zijn -kwartier. Cicero zou niet meer deftigheid de Senaatskamer hebben kunnen -verlaten. - -Drie uren later traden twee koeriers zijne kamer binnen, en ontvingen -uit zijne hand een verzegeld pakje, duplicaten van een brief aan -Valerius Gratus, den procurator, die nog steeds in Cesarea woonde. Dat -de brieven een spoedige en zekere bezorging vereischten blijkt uit dien -maatregel. - -De inhoud was als volgt: - - Messala groet Gratus. - - Ik heb u een wonderlijke geschiedenis te verhalen, die, ofschoon - zij gedeeltelijk nog slechts een vermoeden is, ongetwijfeld uwe - belangstelling in hooge mate zal opwekken. - - Vergun mij, voordat ik verder ga, uw geheugen een weinig te hulp te - komen. Gij herinnert u wellicht vele jaren geleden te Jeruzalem het - gezin van een aanzienlijk man, uit het aloude geslacht Hur. Mocht - uw geheugen u soms in de steek laten, dan hebt gij, wanneer ik mij - niet vergis, een litteeken aan uw hoofd, dat u alles wel weer voor - den geest zal kunnen brengen. - - Maar ter zake. Tot straf van den aanslag op uw leven--mogen ter - wille van onze gewetensrust alle goden verhoeden, dat het ooit - blijkt een ongeluk geweest te zijn!--tot straf dan werd het geheele - gezin in hechtenis genomen, werden korte metten met hen gemaakt, en - hunne bezittingen verbeurd verklaard. En daar deze strafdoening - onder goedkeuring van onzen keizer geschiedde, die even rechtvaardig - was als wijs,--mogen zijne altaren altijd met bloemen versierd zijn! - --behoeven wij ons niet te schamen over de sommen, die ons uit die - bron toevloeiden, iets, waarvoor ik u nooit dankbaar genoeg zijn kan, - gewis niet zoolang ik in het vrije bezit blijf van het aandeel, dat - mij werd toegewezen. - - Voorts herinner ik u de wijze maatregelen, die gij genomen hebt om - ons doel te bereiken: het stilzwijgen, en een zekeren maar - natuurlijken dood van de betrokken personen. - - Gij zult u herinneren welke straf gij de moeder en de zuster van - den booswicht hebt opgelegd, en indien ik nu vriendelijk verzoek - van u te mogen vernemen, of zij nog leven, dan wel of zij gestorven - zijn, ben ik te zeer van uwe welwilligheid overtuigd, mijn Gratus, - om aan de toezending van een antwoord uwerzijds te twijfelen. - - Als meer onmiddellijk in verband staande met de zaak, die mij - bezighoudt, neem ik intusschen de vrijheid u te herinneren, dat de - misdadiger zelf levenslang tot de galeien werd veroordeeld; zoo - luidde het bevel. Met eigen oogen las ik het ontvangbewijs van zijn - lichaam, geteekend door den bevelhebber van de galei, die hem - opnam. - - Schenk mij nu uw onverdeelde aandacht, voortreffelijke Gratus! - - Den gewonnen levensduur van een tot de galeien veroordeelde in - aanmerking genomen, moest de rechtvaardig gestrafte op zijn minst - reeds vijf jaren dood zijn, of beter gezegd, moest een van de - drieduizend Oceaniden hem tot echtgenoot genomen hebben. En als gij - een oogenblik zwakheid door de vingers wilt zien, o deugdzaamste - der menschen, daar ik hem in zijne jeugd beminde en daar hij schoon - van aangezicht was (ik had de gewoonte hem mijn Ganymedes te - noemen), had hij eigenlijk de allerschoonste dochter van die - uitgebreide familie in de armen moeten vallen. - - In de meening verkeerende dat hij dood was, heb ik volle acht jaren - ongestoord genoten van het fortuin, dat ik hem in zeker opzicht te - danken heb. Ik erken dat, zonder daarmee evenwel mijne verplichting - jegens u te willen verkleinen. - - Maar hoor nu verder. Toen ik gisteravond een feest leidde van - eenige jongelieden, pas van Rome gekomen, vernam ik een zonderlinge - geschiedenis. Maxentius, de consul, wordt, zooals gij weet, vandaag - hier verwacht, om een veldtocht tegen de Parthen te openen. Onder - de eerzuchtigen, die hem wenschen te vergezellen, bevindt zich een - zoon van den overleden duumvir Quintus Arrius. Ik had aanleiding om - nauwkeurig onderzoek naar hem te doen. Toen Arrius uittoog om de - zeerovers te tuchtigen, wier vernietiging hem in hoog aanzien - bracht, had hij geen familie. Toen hij van dien tocht terugkeerde, - bracht hij een erfgenaam met zich mede. Blijf nu bedaard, gelijk - den eigenaar betaamt van zoovele talenten zilvers in gangbare - munt ... de zoon en erfgenaam van wien ik spreek is hij, dien gij - naar de galeien zondt. Dezelfde Ben-Hur, die reeds lang geleden op - de roeiersbank had moeten bezwijken, keerde terug als een man van - fortuin, aanzien, misschien zelfs als Romeinsch burger, om zich - te ... ziet ge, gij zit te vast om bezorgd te moeten zijn; maar ik, - mijn Gratus, ik ben in gevaar ... onnoodig u te zeggen van wat. Wie - zou het weten, als gij het niet weet? - - Zegt gij tot dit alles: o-ho? - - Toen Arrius, de vader, met de zeerovers slaags raakte, zonk zijn - schip. Van de geheele bemanning ontkwamen slechts twee: Arrius - zelf, en de bovengenoemde, zijn erfgenaam. Hunne redders - verklaarden, dat de jeugdige metgezel van den tribuun het kostuum - van een galeislaaf droeg. - - Mij dunkt dit is overtuigend; maar opdat gij niet weder o-ho! zoudt - zeggen, deel ik u mede, dat ik gisteren toevallig den geheimzinnigen - zoon van Arrius van aangezicht tot aangezicht gezien heb, en ik - verklaar u bij dezen, dat, hoewel ik hem eerst niet herkende, hij - dezelfde Ben-Hur is, die jaren geleden mijn speelmakker was, - dezelfden Ben-Hur, die, als hij een mannenhart in de borst heeft, - in ditzelfde uur op wraak zint, (dat zou ik in zijne plaats ook - doen) wraak, die met niets minder dan het leven genoegen neemt; - wraak voor zijn vaderland, moeder, zuster, zichzelf en--ik noem 't - het laatst, ofschoon gij wellicht zoudt meenen, dat het 't eerst - moest genoemd worden--voor zijn verloren fortuin. - - En nu, mijn weldoener en vriend! mijn Gratus, in aanmerking - nemende, dat uwe sestertien in gevaar verkeeren, wier verlies het - ergste is wat iemand van uwen hoogen staat kan overkomen, geloof - ik, dat gij niet langer o-ho! zult zeggen, maar ernstig zult gaan - overleggen hoe wij hierin hebben te handelen. Ik stel mij, dat - spreekt vanzelf, onder uwe bescherming en wacht uwe aanwijzingen. - - Ik verlustig mij, als ik mij voorstel, hoe gij dezen brief zult - ontvangen. Ik zie hoe gij hem eerst met een zeer ernstig gelaat, - dan glimlachende, doorloopt, om ten slotte zonder aarzelen kort en - bondig uw oordeel uit te spreken. - - Het is nog vroeg in den morgen. Over een uur zend ik twee boden - uit, ieder met een verzegeld afschrift van dezen brief. Een zal - over land gaan, de ander over zee. Zoo belangerijk acht ik het, dat - gij zoo spoedig mogelijk onderricht zoudt zijn aangaande de - verschijning van onzen vijand in dit gedeelte der Romeinsche - wereld. - - Ik zal uw antwoord afwachten. - - Ben-Hurs gaan en komen zal natuurlijk afhangen van zijn meester, - den consul, die, al spant hij zich nog zoo in, niet binnen de maand - gereed zal komen. Gij weet wat het zeggen wil een leger te - verzamelen en uit te rusten, dat werkdadig op moet treden in een - onherbergzaam, woest oord. - - Gisteren zag ik den Jood in het Park van Daphne, en als hij daar op - het oogenblik niet is, dan is hij toch zeker in de buurt, om mij - gemakkelijk te maken hem in 't oog te houden. Ja, indien gij mij - vraagdet: Waar denkt gij dat hij is? dan zou ik met volle - overtuiging zeggen: hij is in het Palmbosch, in de tent van Sheik - Ilderim, den verrader, die ons niet veel langer moet mogen - trotseeren. Laat het u niet verwonderen, indien Maxentius als - eerste krijgsoperatie den Arabier inscheept naar Rome. - - Ik treed zoo in bijzonderheden omtrent de verblijfplaats van den - Jood, omdat het u, verheven man, van nut kan zijn bij het nemen van - een besluit ten zijnen opzichte. Zooveel weet ik toch wel, dat bij - ieder plan drie gewichtige zaken in het oog moeten gehouden worden: - tijd, plaats en middelen. - - Indien gij oordeelt, dat hier de plaats is, aarzel dan niet de zaak - toe te vertrouwen aan uwen hartelijk liefhebbenden vriend, die uw - bekwaamste leerling zou wenschen te zijn. Vaarwel! - XII. Kal. Jul. Antiochie. - - * * * * * - - -TWEEDE HOOFDSTUK. - -VOORBEREIDING. - - -Ongeveer op hetzelfde oogenblik, dat de koeriers met de brieven -Messala's woning verlieten, trad Ben-Hur Ilderims tent binnen. Hij had -een bad genomen in het meer, vervolgens ontbeten, en verscheen nu in een -korte Romeinsche tunica zonder mouwen. - -De Sheik groette hem van den divan. - ---Vrede zij u, zoon van Arrius, zeide hij, terwijl zijn oog met -bewondering op den jongeling rustte, die in het volle bewustzijn van -kracht en macht voor hem stond. De paarden zijn gereed. Ik ben gereed. -En gij? - ---Den vrede, dien gij mij toewenscht, bid ik u wederkeerig toe, goede -Sheik. Ik dank u voor zooveel welwillendheid. Ik ben gereed. - -Ilderim klapte in zijn handen. - ---Ik zal de paarden hier laten komen. Zet u neder. - ---Zijn zij reeds opgetuigd? - ---Neen. - ---Vergun mij dan, Sheik, dat ik het zelf doe. Het is noodig, dat ik -kennis maak met uwe Arabieren. Ik moet ze bij name kennen, zoodat ik -tegen ieder in 't bijzonder spreken kan. Ook moet ik hun aard leeren -kennen, daar het met hen is als met de menschen: zijn zij overmoedig, -niets beter dan een bestraffing; zijn zij schuchter, niets beter dan lof -en aanmoediging. Laat de dienaren mij het tuig brengen. - ---En den wagen? vraagde de Sheik. - ---Vandaag niet. Geef mij liever een vijfde paard. Het moet even vlug -zijn als de andere. - -Ilderim keek hem verwonderd aan; maar zonder opheldering te vragen riep -hij een der slaven. - ---Laat hen het tuig voor de vier brengen, en den teugel voor Sirius, -beval hij. - -Toen stond de Sheik op en zeide tot Ben-Hur: Sirius is mijn lieveling en -ik ben de zijne, zoon van Arrius. Sedert twintig jaren zijn wij kameraden ---in de tent, in den strijd, op alle pleisterplaatsen der woestijn. Ik zal -hem u laten zien. - -Hij ging naar het gordijn, schoof het weg, en liet Ben-Hur binnentreden. -De paarden kwamen gezamelijk tot hem. Een van hen, met een kleinen kop, -levendige oogen, sierlijk gewelfden nek, breede borst, manen als -vrouwenlokken zoo zacht en golvend, hinnikte vroolijk, zoodra hij -Ilderim zag. - ---Goed dier, zeide de Sheik, den donkerbruinen kop streelend. Goed dier, -goeden morgen!--en zich daarop tot Ben-Hur keerende, voegde hij er bij: -Dat is Sirius, de vader van de vier anderen. Mira, de moeder, wacht op -onze terugkomst, daar zij te kostbaar is om aan de gevaren der reis te -worden blootgesteld. Daarenboven betwijfel ik zeer, zoon van Arrius, of -de stam hare afwezigheid zou kunnen verdragen. Zij is hun trots. Zij -vereeren haar. Indien zij over hunne lichamen wilde galoppeeren zouden -zij lachen. Tienduizend ruiters, zonen der woestijn, zullen vandaag -vragen: Hebt gij ook iets van Mira gehoord? en op het antwoord: Zij is -welvarend, zullen zij zeggen: God is goed! God zij geloofd! - ---Mira, Sirius, namen van sterren, is het zoo niet, Sheik? vraagde -Ben-Hur, terwijl hij eerst de vier en toen den vader liefkoosde. - ---En waarom niet? antwoordde Ilderim. Hebt gij wel eens een nacht in de -woestijn onder den blooten hemel doorgebracht? - ---Neen. - ---Dan kunt gij ook niet beseffen hoe wij, Arabieren, van de sterren -afhankelijk zijn. Uit dankbaarheid geven wij hare namen aan onze -lievelingspaarden. Al mijne voorvaderen hadden hunne Mira's, zooals ik -de mijne heb. Deze kinderen doen eveneens aan sterren denken. Die daar -is Rigel, en deze is Antares; ginds is Atair, en die, waar gij juist -naar toe gaat, is Aldebaran, de jongste van de kroost; maar wie ooit het -onderspit mocht delven, niet hij! Tegen den wind in zou hij u dragen, -totdat gij duizelt. Hij zal gaan waar gij dat verlangt, zoon van Arrius, -ja, bij de heerlijkheid van Salomo! indien gij het zoudt durven bestaan, -hij zou u brengen tot in de kaken van den leeuw. - -Het tuig werd gebracht. Met eigen hand legde Ben-Hur den paarden het -gebit in den mond. Met eigen hand leidde hij hen buiten de tent, en -ordende de teugels. - ---Breng mij Sirius, zeide hij. - -Met een sprong zat hij op den rug van het paard. Een Arabier zou hem dat -niet hebben kunnen verbeteren. - ---En de teugels! - -Men gaf ze hem. - ---Goede Sheik, zeide hij, ik ben gereed. Laat een gids voor mij uit -gaan, om mij het veld te wijzen, en zend eenige mannen met water. - -Het afrijden geschiedde zonder eenige moeite. De paarden waren niet -schrikachtig. Het scheen alsof een stilzwijgende overeenkomst bestond -tusschen hen en den nieuwen menner, die met de grootste kalmte en -zekerheid optrad. - -Hij hield zich geheel aan de gewone orde bij het rijden, behalve dat hij -Sirius bereed, in plaats van in een wagen te staan. Ilderim glimlachte -met voldoening en zeide zacht: Dat is geen Romein, neen, waarlijk niet! - -Hij volgde te voet. Al de tentbewoners sloten zich bij hem aan, mannen, -vrouwen, kinderen, allen met de grootste belangstelling vervuld voor de -dingen, die komen zouden. - -Het veld bleek ten volle voor de dressuur geschikt te zijn. Ben-Hur liet -het vierspan eerst langzaam en in rechte lijnen rijden, daarna in steeds -wijder wordende cirkels. Vervolgens liet hij hen in draf loopen, daarna -in galop. Eindelijk maakte hij de cirkels kleiner en kleiner, en tot -besluit liet hij zijn gespan op de meest willekeurige wijze draven, nu -hier, dan daar, rechts, links, voorwaarts, zonder een oogenblik -oponthoud. Zoo ging een uur voorbij. Toen reed hij stapvoets naar -Ilderim. - ---Het is afgeloopen; nu niets dan geregelde oefening, zeide hij. Ik -wensch u geluk, Sheik Ilderim, dat gij zulke dienaren hebt. Zie, -vervolgde hij, terwijl hij afsteeg en op de paarden wees, zie, hun huid -is nog even glanzig, hun adem even licht, als toen ik begon. Ik wensch u -van harte geluk! Er zou heel wat moeten gebeuren, indien wij niet de -overwinning behalen en onze.... - -Hij hield op, bloosde, boog. Zijn oog had Balthasar ontdekt, die met -twee dicht gesluierde vrouwen in de nabijheid stond. Eene van die meende -hij te herkennen ... ja, dacht hij, zij is het, de Egyptische! - -Ilderim vervolgde den afgebroken volzin. De overwinning en onze wraak! -Zoon van Arrius, ik ben niet langer bevreesd. Ik ben blijde. Gij zijt de -man. Zij het einde gelijk het begin, en gij zult ervaren wat in de hand -eens Arabiers verborgen is, die de middelen bezit om te beloonen. - ---Ik dank u, goede Sheik, hernam Ben-Hur op bescheiden toon. Laat nu de -bedienden water brengen voor de paarden. - -Met eigen hand liet hij ze drinken. Toen gesteeg hij Sirius weder en -zette de oefening voort; evenals te voren van stappen tot draven, van -draven tot galoppeeren overgaande, om hen eindelijk met lossen teugel in -vollen ren over het veld te laten vliegen. - -Het was voor de toeschouwers een waar genot. Luide toejuichingen vielen -den kundigen menner ten deel, die zijn vierspan tot zoo volmaakte -eenheid wist te brengen, zonder dat het de dieren eenige inspanning -scheen te kosten. - -Midden onder de oefeningen verscheen Malluch op het tooneel. Hij zocht -den Sheik. Ik heb een boodschap voor u, Sheik, zeide hij, gebruik -makende van een rustig oogenblik, een boodschap van Simonides, den -koopman. - ---Simonides, riep de Arabier. Ah! 't is wel. Moge Abaddon al zijne -vijanden vernietigen! - ---Hij droeg mij op u dezen brief te geven, met het verzoek hem dadelijk -te lezen. - -Ilderim verbrak het zegel van het pakje, dat Malluch hem overhandigde, -en nam twee brieven uit een omslag van fijn linnen. - - -No. 1. - - SIMONIDES AAN SHEIK ILDERIM HEIL! - - Mijn vriend! Wees voor alle dingen verzekerd, dat gij eene plaats - in het binnenste mijns harten inneemt. - - Vervolgens: In uw dowar bevindt zich een jongmensch met een zeer - gunstig voorkomen, die zich de zoon van Arrius noemt. Dat is hij - door aanneming. Hij is mij zeer lief. Hij heeft een veelbewogen - leven achter zich, waaruit ik u enkele bijzonderheden zal - meedeelen. Kom morgen of overmorgen, opdat ik u die geschiedenis - vertelle, en uwen raad inwinne. - - Willig intusschen al zijne verzoeken in voor zoover zij niet - strijden tegen de eer. Moeten er onkosten gemaakt worden, ik sta - voor alles in. Verzwijg, dat ik in den jongeling belang stel. - - Breng mij in herinnering bij uwen anderen gast. Hij, zijne dochter, - gijzelf en allen, die gij in uw gevolg wenscht mede te brengen, - zullen mijne gasten zijn op den dag der wedrennen. Ik heb reeds - plaatsen besproken. - - U en al den uwen vrede! - - Hoe zou ik mij anders kunnen noemen, mijn vriend, dan uw vriend? - -No. 2. - - SIMONIDES AAN SHEIK ILDERIM HEIL! - - Mijn vriend! uit mijne rijke ervaring zend ik u een waarschuwend - woord. - - Er is iets dat allen, die niet Romeinen zijn en die geld en goed - bezitten, als waarschuwing beschouwen, dat is: De komst met - volmacht van den eenen of anderen hooggeplaatsten Romein. - - Heden komt de consul Maxentius. Wees gewaarschuwd. - - Een woord van raad. - - Zal een samenzwering tegen u gelukken, dan moeten de Herodianen van - de partij zijn. Gij hebt groote bezittingen op hun grondgebied. - Daarom, wees op uwe hoede. - - Zend hedenmorgen een boodschap aan uw getrouwe wachters langs de - wegen, die van Antiochie naar het zuiden voeren, en beveel hun - iederen gaanden en komenden koerier te onderzoeken. Vinden zij - vertrouwelijke mededeelingen aangaande u of uwe zaken, dat zij ze u - dan ter inzage zenden. - - Gij moest dit reeds gisteren ontvangen hebben, maar het is nog niet - te laat, indien gij onmiddellijk handelt. Al hebben heden morgen - koeriers Antiochie verlaten, uwe boodschappers kennen de bijwegen, - en kunnen hen voor zijn. Aarzel niet. Verbrand dit na lezing. - -Ilderim las en herlas de brieven, bergde ze weder in den linnen omslag -en stak het pak tusschen zijn gordel. - -De oefeningen in het veld waren bijna beeindigd. Zij hadden in 't geheel -ongeveer twee uren geduurd. Na den afloop reed Ben-Hur stapvoets naar de -plek, waar Ilderim zich bevond. - ---Als gij het goedvindt, Sheik, zeide hij, zal ik uwe Arabieren naar de -tent terugbrengen, en dezen middag weer met hen rijden. - ---Gij moogt tot na de wedrennen naar welgevallen over hen beschikken, -zoon van Arrius. Gij hebt in twee uren meer van hen gedaan gekregen, dan -de Romein--mogen de jakhalzen zijne beenderen afknagen!--in even zoovele -weken. Wij zullen winnen! - -Ben-Hur bleef bij de paarden, totdat zij naar behooren verzorgd waren. -Toen nam hij een bad in het meer, dronk een beker arak met den Sheik, -die bijzonder opgewekt was, kleedde zich weder naar Joodsch gebruik, en -wandelde met Malluch naar een schaduwrijke plek. - -Veel werd tusschen die beiden besproken, maar daar niet alles voor ons -van belang is, zullen wij slechts bij een punt stilstaan. - ---Ik zal u een brief meegeven aan den herbergier bij de Seleusische -brug, zeide Ben-Hur. Daar is mijn goed. Bezorg het mij vandaag nog, als -gij kunt. En, goede Malluch, indien het niet te veel van u gevergd is.... - -Malluch verklaarde zich volkomen bereid, om hem in alles van dienst te -zijn. - ---Dank, Malluch, dank. Ik houd u aan dat woord, mij herinnerende dat wij -broeders zijn van een stam, en dat de vijand een Romein is. Daarenboven -zijt gij een man van zaken, hetgeen naar ik vrees Sheik Ilderim niet is. - ---Arabieren zijn dat zelden. - ---Neen, en hoe slim zij ook zijn mogen, het is toch goed zelf de dingen -na te zien. Om dus te zorgen, dat bij de wedrennen alles volkomen naar -recht gaat, zoudt gij mij veel genoegen doen door naar het bureau van -den circus te gaan en te zien, of de Sheik aan alle verplichtingen -voldaan heeft. Indien gij een afschrift van de bepalingen kunt krijgen, -zou mij dat zeer aangenaam zijn. Ik zou gaarne willen weten welke kleur -ik dragen moet, en wat het nummer is van mijn stal. Is hij naast dien -van Messala, dan is het goed. Zoo niet, tracht dan een ruiling te -bewerkstelligen, zoodat ik naast den Romein kom. Hebt gij een goed -geheugen, Malluch? - ---Het heeft mij wel eens in de steek gelaten, zoon van Arrius, maar -nooit wanneer het hart mij te hulp kwam, zooals nu. - ---Dan wil ik het er op wagen u nog met iets anders te belasten. Ik zag -gisteren, dat Messala trotsch was op zijn wagen, en met recht, want die -van den keizer zijn nauwelijks mooier. Kunt gij dat niet tot een -voorwendsel nemen om hem van nabij te bekijken, en te onderzoeken of hij -licht of zwaar is? Ik zou gaarne nauwkeurig zijn gewicht en afmetingen -hebben, en, Malluch, al moest al het andere er bij inschieten, zorg dat -gij mij precies kunt opgeven, hoe hoog de as boven de grond is. Hebt gij -het goed begrepen, Malluch? Ik wil niet dat de Romein iets boven mij -voor heeft. Om zijn pracht geef ik niets. Als ik win zal die zijn val te -zwaarder en mijn zegepraal te grooter maken. Heeft hij echter iets, dat -van een gewonen wagen verschilt, dan moet ik het weten. - ---Ik begrijp u, zeide Malluch. Ik moet met een touw de hoogte van het -middelpunt der as tot aan den grond meten. - ---Juist. Dat is alles. Laat ons nu naar den dowar terugkeeren. - -Voor de tent vonden zij een bediende, die hun een verfrisschenden drank -aanbood, waar zij zich heerlijk aan te goed deden. Kort daarop keerde -Malluch naar de stad terug. - -Gedurende hunne afwezigheid had de Sheik een zijner Arabieren, als -koerier, naar zijne wachters afgezonden met de orders, die Simonides hem -aan de hand gedaan had. Zekerheidshalve had hij alleen een mondelinge -boodschap meegegeven. - - - * * * * * - - -DERDE HOOFDSTUK. - -OP HET MEER. - - ---Iras, de dochter van Balthasar, zendt mij met een groet en een -boodschap, zeide een bediende tot Ben-Hur, die het zich in de tent -gemakkelijk had gemaakt. - ---Geef mij de boodschap. - ---Zij vraagt of gij haar bij een roeitochtje op het meer zoudt willen -vergezellen? - ---Ik zal zelf het antwoord brengen. Zeg haar dat. - -Hij kleedde zich haastig en was binnen weinige oogenblikken gereed, om -zich naar de schoone Egyptische te begeven. - -De avond begon reeds te vallen. De bergen wierpen hunne schaduw over het -Palmbosch. In de verte hoorde men het getjingel van de belletjes der -schapen, het loeien van het vee, en de stemmen der herders, die de -kudden huiswaarts dreven. Sheik Ilderim had ook de middagoefeningen -bijgewoond, daarna was hij naar de stad gegaan, ingevolge de -uitnoodiging van Simonides. Het was mogelijk dat hij voor den nacht -terugkwam, maar niet waarschijnlijk. Ben-Hur was dus alleen en vrij om -te gaan spelevaren op het meer. - -Aan de kleine trap van de aanlegplaats gekomen bleef hij op de bovenste -trede staan, getroffen door hetgeen hij zag. Daar lag op het -spiegelgladde water een sierlijke, ranke boot. Een Ethiopier, de -kameeldrijver, dien wij reeds bij de Castaliabron gezien hebben, zat op -de roeiersbank. Zijn gitzwarte huid stak sterk af tegen het sneeuwwit -zijner kleeding. De achtersteven van het bootje was met kussens en -tapijten van Tyrische roode stof belegd. De Egyptische zat aan het roer, -als weggezonken in doorzichtige sluiers en Indische sjaals. Hare -onberispelijk schoon gevormde armen waren onbedekt, schouders en hals -door een dunnen zijden doek tegen de avondlucht beveiligd. Als Ben-Hur -den indruk, dien de schoone Iras op hem maakte, onder woorden had moeten -brengen, zou hij waarschijnlijk geantwoord hebben met de woorden van den -koninklijken zanger: Uwe lippen zijn gelijk een scharlaken rooden draad; -uwe slapen zijn gelijk een stuk granaatappel in uwe lokken. Sta op, -mijne liefste, mijne schoone, kom hierheen; want zie! de winter is -voorbij gegaan, de regentijd is over; de bloemen ontluiken op de aarde; -de tijd der zangvogels is gekomen, en de stem der tortelduiven wordt in -het land gehoord.... - ---Kom, zeide zij, ziende dat hij staan bleef. Kom, of ik zou denken dat -gij een slecht zeeman zijt. - -Hij werd verlegen. Wist zij iets van zijn leven op zee? Hij daalde snel -naar beneden en zette zich op de ledige plaats tegenover haar. - ---Ik was bang voor.... - ---Waarvoor? - ---Dat ik de boot zou doen zinken, antwoordde hij glimlachend. - ---Wacht daarmee totdat wij in dieper vaarwater zijn, zeide zij, en gaf -den Ethiopier een wenk om van wal te steken. - -Indien Ben-Hur wars van alle zachtere gevoelens geweest was, dan zou hij -het nu toch hard te verantwoorden hebben gehad. De Egyptische was zoo -gezeten, dat hij haar altijd zien moest, haar, die hij reeds in zijne -gedachten met Sulamith vergeleken had. Met die stralende oogen op hem -gericht zou hij de sterren, indien zij wegbleven, niet eens missen. De -nacht mocht zijn donkeren sluier over het aardrijk uitspreiden, haar -blik zou hem tot eene verlichting zijn. En voorts, dat de verbeelding -nooit vrijer haar spel kan spelen, dan wanneer men jong van hart in -aangenaam gezelschap zachtkens voortglijdt over het water op een zoelen -zomeravond en onder liefelijk stargeflonker--wie zal het ontkennen? Het -is zoo gemakkelijk alsdan onmerkbaar uit het alledaagsche in het ideale -over te gaan. - ---Geef mij het roer, zeide hij. - ---Neen, antwoordde zij, dat ware de verhouding omkeeren. Verzocht ik u -niet met mij te gaan varen? Ik sta bij u in de schuld en wensch met de -betaling te beginnen. Gij moogt spreken en ik zal luisteren, of ik zal -spreken en gij zult luisteren. De keuze is aan u; maar ik zal bepalen -waarheen wij gaan. - ---En waarheen dan? - ---Alweer bang? - ---O schoone Egyptische, ik deed u slechts de eerste vraag van iederen -gevangene. - ---Noem mij Egypte. - ---ik zou u liever Iras noemen. - ---Onder dien naam moogt gij aan mij denken, maar noem mij liever Egypte. - ---Egypte is een land. - ---Ja, ja, en welk een land! - ---Ha! wij varen dus naar Egypte! - ---Was dat waar! Wat zou ik blijde zijn, zeide zij met een zucht. - ---Gij geeft dus niets om mij? - ---O, nu zie ik, dat gij er nooit geweest zijt. - ---Neen, nooit. - ---Egypte is het land waar geen ongelukkigen zijn, het heerlijkste land -van de gansche aarde, de moeder van al de goden, en daarom bovenmate -gezegend. Daar, zoon van Arrius, daar ontvangt de gelukkige steeds -vermeerdering van geluk, terwijl de ellendigen, al drinken zij slechts -eenmaal van het water der heilige rivier, lachen en juichen, als -kinderen zoo blij. - ---Zijn de armen daar dan anders dan overal elders? - ---De armsten in Egypte hebben de minste behoeften. Zij verlangen alleen -genoeg te hebben; verder gaan hunne wenschen niet. En hoe weinig dat is, -kan een Griek of Romein niet beseffen. - ---Maar ik ben noch Griek noch Romein. - -Iras lachte. - ---Ik heb een tuin vol rozen, zeide zij. In het midden staat een boom, -die alle andere in rijkdom van bloei overtreft. Waar denkt gij, dat hij -vandaan kwam? - ---Uit Perzie, het vaderland der rozen. - ---Neen. - ---Uit Indie dan. - ---Neen. - ---Dan van een der Grieksche eilanden. - ---Ik zal het u vertellen, zeide zij. Een reiziger vond hem, kwijnende -aan den weg op de vlakte van Rephaim. - ---O, in Juda! - ---Ik plantte hem in den pas door den Nijl overstroomden bodem. De -zuidenwindjes speelden door zijne takken en kweekten hem op, de zon -kuste hem vol medelijden ... toen kon het niet anders, of hij moest -groeien en bloeien. Nu sta ik in zijne schaduw en beloont hij mij door -zijn liefelijke geuren voor de moeite, die ik mij voor hem gegeven heb. -Zoo de rozen, zoo ook de mannen van Israel. Waar zullen zij tot -volmaaktheid komen, anders dan in Egypte? - ---Mozes was slechts een uit millioenen. - ---Neen, er was een droomenuitlegger. Vergeet gij dien? - ---De vriendelijke Pharao's zijn dood. - ---O ja, de rivier, aan wier oever zij woonden, zingt hun een slaaplied -toe in hunne graven. Nochtans schijnt dezelfde zon over hetzelfde volk. - ---Alexandrie is een Romeinsche stad. - ---Zij heeft slechts van schepter verwisseld. Cesar ontnam haar dien van -het zwaard, en gaf haar in ruil dien van de wetenschap. Ga met mij naar -het Brucheium en ik zal u de wijsheid der volken toonen; naar het -Serapeion en gij aanschouwt het volmaakte in de bouwkunde; naar de -Bibliotheek, en gij kunt de onsterfelijken lezen; naar den Schouwburg, -waar de helden der Grieken en Hindoe's voor u ten tooneele worden -gevoerd; naar de kade, waar gij den handel in zijn glorie kunt zien. -Doorwandel de straten met mij, zoon van Arrius, als de avond gedaald is, -en gij zult de verhalen hooren, die de menschen sedert onheugelijke -tijden vermaakt hebben, en de liederen, die nimmer, nimmer zullen -sterven. - -Onder het luisteren werd Ben-Hur in gedachten teruggevoerd naar dien -laatsten avond in het ouderlijk huis te Jeruzalem, toen zijne moeder met -niet minder geestdrift over Israels verdwenen grootheid gesproken had. - ---Nu begrijp ik waarom gij wildet, dat ik u Egypte zou noemen. Wilt gij -mij een lied zingen, als ik u bij dien naam noem? Ik heb u gisteravond -beluisterd. - ---Dat was een lofzang aan den Nijl, antwoordde zij, een klaagzang, dien -ik aanhef, als ik mij verbeeld den adem der woestijnen te ruiken, en den -golfslag van den dierbaren ouden stroom te hooren. Laat ik u liever iets -geven in Indiaanschen trant. Als wij in Alexandrie komen, zal ik u -brengen naar den hoek der straat, waar gij het eene dochter van de -Ganges kunt hooren zingen. - -En met een stem, zoo liefelijk, dat ook de ongevoeligste naar haar zou -hebben moeten luisteren, zong Iras haar lied. - -Toen zij beeindigd had en Ben-Hur haar zijnen dank wilde betuigen, -schuurde de boot over het zand en liep op den oever. - ---Dat is een korte reis naar Egypte! riep de jonkman. - ---En een nog korter oponthoud! antwoordde zij, toen de Ethiopier met een -krachtigen stoot het vaartuig weeder vlot maakte. - ---Nu zult gij mij toch het roer geven. - ---O neen, zeide zij lachende. Voor u de wagen, voor mij de boot. Wij -zijn aan den uithoek van het meer. Ik zie wel dat ik niet te gelijk -sturen en zingen moet. Daar wij in Egypte geweest zijn, willen wij nu -naar het Park van Daphne gaan. - ---En geen liedje om den weg te korten? vraagde hij smeekend. - ---Vertel mij iets van den Romein, tegen wien gij vandaag zoo flink -optrad, vraagde zij. - -Die vraag deed Ben-Hur onaangenaam aan. - ---Ik wenschte dat dit de Nijl was, zeide hij ontwijkend. De koningen en -koninginnen, die zoolang geslapen hebben, moesten uit hunne graven komen -en met ons varen. - ---Zij behoorden tot de kolossen en zouden onze boot doen zinken. De -dwergen zouden verkieslijker zijn. Maar vertel mij nu iets van den -Romein. Hij is een slecht mensch, niet waar? - ---Dat kan ik u niet zeggen. - ---Stamt hij uit een adellijk geslacht, en is hij rijk? - ---Ik kan niet over zijn rijkdom oordeelen. - ---Wat had hij mooie paarden! En zijn wagen! Het binnenste was verguld en -de wielen waren van ivoor. En wat is hij vermetel! Het volk lachte toen -hij wegreed, en hij had ze toch bijna overreden. - -Zij lachte bij de herinnering. - ---Ja, wat een volk! zeide Ben-Hur bitter. - ---Hij behoort zeker tot de monsters, die in Rome opgroeien--Apollo's, -roofgierig als Cerberus. Woont hij in Antiochie? - ---Misschien wel. - ---Egypte zou hem beter lijken dan Syrie. - ---Bezwaarlijk, antwoordde Ben-Hur. Cleopatra is dood. - -Op dat oogenblik kregen zij de brandende lampen voor de deur der tent in -'t gezicht. - ---De dowar! riep Iras. - ---Dus zijn wij niet in Egypte geweest. Ik heb Karnak, noch Philae, noch -Abydos gezien. Dit is niet de Nijl. Ik heb slechts een lied uit Indie -gehoord en ben in den droom uit spelevaren geweest. - ---Philae, Karnak. Betreur liever dat gij Ramses te Aboo Simbul niet -gezien hebt. Als men daar naar kijkt valt het zoo gemakkelijk aan God te -denken, den Schepper van hemel en aarde. Maar waarom zoudt gij treuren? -Laat ons de rivier opvaren, en al kan ik dan niet zingen, omdat ik -gezegd heb, dat ik het niet meer doen zou, ik kan u toch van Egypte -vertellen. - ---Ja, doe dat. Ga voort totdat de morgen aanbreekt en de avond en de -volgende morgen! zeide Ben-Hur hartstochtelijk. - ---Waarover zal ik vertellen? Over de wiskunstenaars? - ---O neen. - ---Over de wijsgeren? - ---Neen, neen. - ---Over de toovenaars en sterrenwichelaars? - ---Dat zou kunnen. - ---Over den oorlog? - ---Ja. - ---Over de liefde? - ---Ja. - ---Ik zal u een middel tegen de liefde aan de hand doen. Het is de -geschiedenis van een koningin. Luister aandachtig. De papyrusrol, -waaraan het verhaal ontleend werd, is aan de hand der heldin zelve -ontwrongen. Het moet een ware gebeurtenis zijn. - - NENEHOFRA - - Vele honderden jaren geleden woonde te Essouan een meisje, zoo - bekoorlijk, dat de natuur zelve zich over haar verheugde. Als zij - voorbijging klapwiekten de vogeltjes om haar te begroeten, hieven - de witte lotusbloemen zich op uit het water om haar te aanschouwen, - vertraagde de stroom zijnen loop, wuifden de palmen hunne pluimen. - Zij schenen te zeggen, de een: ik deelde haar mee van mijn - vroolijkheid; de ander: ik van mijne reinheid; een derde: ik van - mijne bevalligheid. - - Op twaalfjarigen leeftijd was Nenehofra het sieraad van Essouan. - Toen zij zestien was, sprak men door het gansche land over hare - schoonheid, en toen zij twintig was ging er geen dag voorbij, die - niet vorsten der woestijn op snelle kemelen en aanzienlijke - Egyptenaren in vergulde barken voor hare deur bracht. Die allen - echter gingen ongetroost heen en vertelden overal: Ik heb haar - gezien. Dat is geen sterflijke vrouw, maar Hathor zelve. - - De koning van het land was de grijze Oretes. Hij had den leeftijd - van hondertien jaren bereikt. Zesenenzeventig jaren had hij over - Egypte geregeerd. Onder zijn verstandig bestuur waren land en volk - tot groote welvaart gekomen. Hij woonde te Memphis, waar hij zijn - schoonste paleis en arsenalen had. De vrouw van den goeden koning - stierf. Daar hij haar zeer had liefgehad treurde en weeklaagde hij - over haar en was ontroostbaar. Een hoveling, die dat opmerkte, - waagde op zekeren dag tot hem te zeggen: Koning Oretes, het - verwondert mij dat iemand, zoo wijs en groot, niet zou weten hoe - men een droefheid als deze kan genezen. Zeg mij hoe, zeide de - koning. De hoveling kuste driemaal den grond en antwoordde, wel - wetende dat de doode hem niet kon hooren: Te Essouan woont - Nenehofra, zoo schoon als de schoone Hathor zelve. Ontbied haar. - Zij heeft alle vorsten afgewezen, en ik weet niet hoevele koningen; - maar wie kan neen zeggen tot Oretes? - - * * * * * - - Nenehofra zakte met een talrijk gevolg den Nijl af naar Memphis. - Toen de koning haar zag deed hij haar naast zich zitten op zijnen - troon, deed den uraeus om haren arm, kuste haar, en maakte haar tot - koningin. Dat was den wijzen Oretes niet genoeg. Hij smachtte naar - liefde, en verlangde een koningin, die hem gelukkig gevoelde in - zijne liefde. Hij behandelde haar met groote tederheid, toonde haar - al wat hij bezat, leidde haar door zijne schatkameren en zeide: O - Nenehofra, geef mij een kus uit liefde en dit alles is het uwe. - - Denkende dat zij mettertijd gelukkig zou zijn,--was zij het al niet - reeds?--kuste zij hem twee-, driemaal in weerwil van zijne - honderden jaren. - - In het eerste jaar voelde zij zich gelukkig, en dat vloog om. In - het derde jaar was zij rampzalig, en het kroop voorbij. Toen gingen - haar de oogen open: wat zij voor liefde had aangezien was - machtsbegoocheling geweest. Ach, had die begoocheling mogen - voortduren! - - Zij werd droefgeestig. Zij stortte vele tranen. Haar lach - verstomde. De rozen op haar wangen verbleekten. Zij kwijnde - langzaam maar zeker weg. Geen middelen baatten, noch van - toovenaars, noch van geneesheeren. Nenehofra werd als hopeloos - opgegeven. - - Oretes koos een crypt voor haar uit in de graven der koninginnen, - en riep de voornaamste beeldhouwers en schilders naar Memphis, om - de crypt zoo prachtig mogelijk te versieren. - - --O gij, schoon als Hathor zelf, mijn koningin! zeide Oretes, zeg - mij, bid ik u, wat u deert, want ik zie u voor mijne oogen - wegsterven. - - --Gij zoudt mij niet meer liefhebben, als ik het u zeide, luidde - haar antwoord. - - --U niet liefhebben? Ik zal er u te liever om hebben. IK zweer het - bij het oog van Osiris. Spreek! - - --Nu dan, zeide zij. In een spelonk bij Essouan woont een - anachoreet, de oudste en heiligste van allen. Zijn naam is Menopha. - Hij was mijn leermeester. Hij zal u zeggen wat gij verlangt te - weten, en u het middel aan de hand doen om mij te genezen. Ontbied - hem. - - * * * * * - - --Spreek, zeide Oretes tot Menopha in het paleis te Memphis. En - Menopha antwoordde: Machtige koning, als gij nog jong waart zou ik - niet antwoorden, omdat mijn leven mij nog lief is. Nu echter wil ik - u zeggen dat de koningin de straf voor eene misdaad draagt. - - --Een misdaad! riep Oretes toornig. - - --Ja, aan haarzelve begaan. Nenehofra groeide op onder mijne oogen - en maakte mij deelgenoot van al hare geheimen, onder anderen, dat - zij Barbec, den zoon van haar vaders tuinier, beminde. Met die - liefde in het hart kwam zij tot u, o koning. Aan die liefde sterft - zij. - - --Waar is de zoon van dien tuinier? - - --In Essouan. - - De koning ging naar buiten en gaf twee bevelen. Tot een zijner - dienaren zei hij: Ga naar Essouan en breng mij een jongeling, - genaamd Barbec. Gij zult hem vinden in den tuin van den vader der - koningin. - - En tot de anderen dienstknecht zeide hij: Verzamel eenige - werklieden en gereedschap en maak op het meer Chemnis een eiland, - dat, voorzien van een tempel, een paleis, een lusthof met - vruchtdragende boomen, een wijngaard, drijven kan waarheen de - winden waaien. Laat het gereed zijn tegen afnemende maand. - - Tot de koningin zeide hij: Schep moed. Ik weet alles en heb om - Barbec gezonden. - - Nenehofra kuste zijne handen. - - --Gij zult hem hebben, vervolgde Oretes, en hij u, en niemand zal u - storen, een geheel jaar lang. - - Zij viel aan zijne voeten. Hij hief haar op en kuste haar, en de - rozen keerden weer op hare wangen, en de lach kwam terug op hare - lippen. - - * * * * * - - Een geheel jaar woonden Nenehofra en Barbec, de tuinier, op het - drijvend eiland. Geen oord zoo bekoorlijk. Een geheel jaar zonder - iemand te zien, opgaande in elkander. Toen keerde Nenehofra naar - het paleis te Memphis terug. - - --Welnu, van wien houdt gij het meest? vraagde Oretes. - - Zij kuste hem op de wang en zeide: Neem mij terug, goed koning, - want ik ben genezen. - - Oretes lachte hartelijk in weerwil van zijne honderdveertien jaren. - - --Dan is dus waar wat Menopha zeide! Hahaha! 't Is waar. Liefde - wordt door liefde genezen. - - --Zoo is het, zeide zij. - - Plotseling veranderde hij van houding. Zijn aangezicht was - vreeselijk om te zien. - - --Zoo heb ik het niet bevonden, zeide hij. - - Nenehofra deinsde verschrikt achteruit. - - --Misdadige, zeide de koning. De beleediging Oretes, den man, - aangedaan, kan hij u vergeven; maar de beleediging Oretes, den - koning, aangedaan, moet gestraft worden. - - Zij wierp zich voor zijne voeten. - - --Stil! zeide hij. Gij zijt dood. - - Hij klapte in de handen ... een akelige processie trad binnen, - parschieten of balsemers, ieder met een attribuut van zijne - afschuwelijke kunst in de hand. - - De koning wees op Nenehofra, en zeide: Zij is dood. Doet uw werk. - - * * * * * - - Nenehofra, de schoone, werd na tweeenzeventig dagen naar de crypt - gedragen, een jaar te voren voor haar uitgekozen, en daar bij hare - koninklijke voorgangsters neergelegd. Maar er werd geen plechtige - ommegang ter harer eere gehouden op het heilige meer. - - * * * * * - -Toen Iras zweeg zeide Ben-Hur, die zich aan hare voeten had neergevlijd: -Menopha had ongelijk. - ---Hoezoo? - ---Liefde leeft door lief te hebben. - ---Dan zou er dus geen middel tegen zijn? - ---Jawel. Oretes heeft het gevonden. - ---Welk dan? - ---De dood. - ---Gij zijt een goed hoorder, zoon van Arrius. - -Onder meer dergelijke gesprekken en verhalen vlogen de uren voorbij. -Toen zij eindelijk aan wal stapten zeide zij: Morgen gaan wij naar de -stad. - ---Maar gij komt bij de wedrennen? - ---Zeker. - ---Ik zal u mijne kleur zenden. - -Daarmee scheidden zij. - - - * * * * * - - -VIERDE HOOFDSTUK. - -DE BRIEF IS ONDERSCHEPT. - - -Ilderim keerde den volgende dag tegen de derde ure naar den dowar terug. -Toen hij van zijn paard steeg, trad een zijner mannen naderbij en zeide: -Sheik, mij is opgedragen u dit pak te overhandigen met verzoek het -dadelijk te lezen. - -Ilderim nam het pakje aan en zag dat het zegel reeds verbroken was. Het -opschrift luidde: Aan Valerius Gratus te Cesarea. - ---Lucifer hale hem! bromde de Sheik, toen hij zag, dat de brief in het -Latijn geschreven was. Grieksch en Arabisch schrift kon hij lezen; maar -van dezen brief in Romeinsche letters kon hij alleen den naam: Messala, -ontcijferen. - ---Waar is de jonge Jood? vraagde hij. - ---Naar het veld, met de paarden, antwoordde een bediende. - -De Sheik deed den brief in den omslag, stak het pak tusschen zijn -gordel, en steeg weer te paard. Op dat oogenblik verscheen een -vreemdeling, die oogenschijnlijk van de stad kwam. - ---Ik wilde gaarne Sheik Ilderim, den Edelmoedige, spreken, zeide hij. - -Taal en kleeding verrieden den Romein. - -Al kon hij het schrift der Romeinen niet lezen, hunne taal kon hij -spreken. Dus antwoordde de Arabier op waardigen toon: Ik ben Sheik -Ilderim. - ---Ik heb gehoord, dat gij een menner zoekt voor de wedrennen, zeide de -vreemdeling. - ---Ga uws weegs. Ik ben reeds voorzien, sprak de Sheik, en maakte zich -gereed om weg te rijden; maar de man draalde nog en zeide: Sheik, ik ben -een liefhebber van paarden. Men zegt dat de uwe alle andere in schoonheid -overtreffen. - -De oude man was getroffen. Hij trok den teugel aan, alsof hij op het -punt stond van voor de vleierij te zwichten; maar na korte weifeling -hernam hij: Niet vandaag, niet vandaag. Op een anderen keer zal ik ze u -laten zien. Ik heb het nu te druk. - -Hij reed naar het veld, terwijl de vreemdeling glimlachend naar de stad -terugkeerde. Hij had zijne opdracht vervuld. - -Iederen volgende dag, tot aan den dag der wedrennen, kwam een man, soms -twee of drie, tot den Sheik in het Palmbosch, onder voorwendsel van zich -als menner te willen verhuren. - -Op deze wijze hield Messala de wacht over Ben-Hur. - - - * * * * * - - -VIJFDE HOOFDSTUK. - -BEN-HUR LEEST DEN BRIEF. - - -Den Sheik wachtte bedaard, totdat Ben-Hur na volbrachten arbeid de -paarden een oogenblik rust gaf. - ---Van avond, Sheik, heb ik met Sirius afgedaan. Morgen zal ik den wagen -nemen, zeide de jonkman. - ---Dan reeds? vraagde Ilderim. - ---Ja, met zulke schrandere dieren is men spoedig zeker van zijne zaak. -Deze hier, Aldebaran, is de vlugste. Antares is de langzaamste. Toch zal -hij winnen; want, Sheik, hij kan den ganschen dag rennen en tegen -zonsondergang zijn grootste snelheid ontwikkelen. - ---Dat is zoo, zeide Ilderim. - ---Een ding echter vrees ik. In zijne begeerte om de zege te behalen -schroomt een Romein niet de eer te bevlekken. Bij al hunne spelen zijn -zij volleerd in streken en niet het minst bij wedrennen met wagens. Als -zij paarden, menner, of wagen kunnen benadeelen of beschadigen, zullen -zij het niet laten. Daarom, goede Sheik, zie wel toe! Laat, totdat de -wedrennen gehouden zijn, uwe paarden aan geen enkel vreemdeling zien. -Wilt gij volkomen veilig wezen, laat hen dan geen minuut alleen. Volgt -gij mijn raad, dan behoeven wij ons over den uitslag niet te bekommeren. - -Bij de deur der tent stegen zij af. - ---Uw wens zal geschieden, zoon van Arrius. Niemand zal hen genaken -behalve mijne getrouwen. Dezen nacht zal ik wachten uitzetten. Maar zie -eens hier en help mij met uw Latijn. - -Hij gaf den brief en noodigde hem naast zich op den divan. Daar, zeide -hij, lees, en lees overluid. Vertaal het in de taal uwer vaderen. Latijn -is mij een gruwel. - -Ben-Hur gevoelde zich zeer opgewekt en begon zonder erg te lezen: -Messala aan Gratus.... Hij hield op. Een bang voorgevoel deed hem koud om -'t hart worden. Ilderim merkte zijne ontroering op. - ---Hoe nu? Ik wacht. - -Ben-Hur verontschuldigde zich en begon opnieuw. - -De lezer heeft reeds begrepen, dat een der door Messala afgezonden -koeriers aangehouden was en het duplicaat van den brief aan Gratus zich -thans in handen van Ben-Hur bevond. - -Toen hij aan de zinsnede gekomen was, waar Messala het geheugen van -Gratus zocht te hulp te komen, beefde zijne stem. Tot tweemalen zelfs -moest hij ophouden om zijne zelfbeheersching te herwinnen. Met -inspanning van alle krachten las hij verder: Voorts herinner ik u de -wijze maatregelen, die gij genomen hebt, om ons doel te bereiken: het -stilzwijgen en een zekeren maar natuurlijken dood van de betrokken -personen. - -Hij kon het niet langer uithouden. De brief viel op den grond en hij -bedekte zijn gelaat met beide handen. - ---Zij zijn dood ... dood. Ik alleen ben overgebleven, steunde hij. - -De Sheik had hem zwijgend en met deelneming gadegeslagen. Nu stond hij -op en zeide: Zoon Van Arrius, ik moet u om vergeving vragen. Lees den -brief voor uzelf. Als gij u sterk genoeg voelt om mij het overige mede -te deelen, doe het mij dan weten, en ik zal terugkeeren. - -Zoodra hij alleen was wierp Ben-Hur zich op den divan en gaf zich aan -zijne droefheid over. Toen hij wat bekomen was nam hij den brief weder -ter hand en hervatte de lezing. Gij zult u herinneren, zoo luidde het -verder, welke straf gij de moeder en de zuster van den booswicht hebt -opgelegd, en indien ik nu vriendelijk verzoek van u te mogen vernemen, -of zij nog leven, dan wel of zij gestorven zijn ... Ben-Hur sprong op, of -zij dood zijn! Hij weet het niet! Gezegend zij de naam des Heeren! Nog -is er hoop.--Bemoedigd las hij den brief ten einde. Zij zijn niet dood, -zeide hij eenige oogenblikken peinzens, zij zijn niet dood, anders zou -hij er van gehoord hebben. - -Een tweede lezing bevestigde hem in zijne meening. Daarna zond hij om -den Sheik. - ---Toen ik in uwe gastvrije tent kwam, zeide hij, zoodra zij weder te -zamen waren, had ik mij voorgenomen niet meer van mijzelven te -vertellen, dan noodig was om u te doen zien, dat gij mij uwe paarden -gerust kondt toevertrouwen. Maar nu ik, op eene voor mij onverklaarbare -wijze, dezen brief in handen moest krijgen, voel ik mij gedrongen u met -mijn verleden bekend te maken. Ik word in dit voornemen versterkt door -den inhoud van dit schrijven, waaruit ik zie dat dezelfde vijand ons -beiden bedreigt. Wij zullen ons gezamelijk tegenover hem moeten stellen. -Ik zal u den brief voorlezen en verklaren. Dan zal u duidelijk worden -waarom ik straks mijne zelfbeheersching verloor, en mij in uwe oogen -misschien kinderachtig aanstelde. - -De Sheik bewaarde het stilzwijgen en luisterde aandachtig, totdat -Ben-Hur aan de zinsnede kwam, die hem betrof: Gisteren zag ik den Jood -in het park van Daphne, en als hij daar op dit oogenblik niet is, dan is -hij toch zeker in de buurt, om mij gemakkelijk te maken hem in 't oog te -houden. Ja, indien gij mij vraagdet: waar denkt gij dat hij is? dan zou -ik uit volle overtuiging zeggen: Hij is in het Palmbosch, in de tent van -Sheik Ilderim, den verrader. - ---Verrader!... Ik? riep de oude man opstuivende. - ---Nog even geduld, Sheik. Dat is Messala's gevoelen. Hoor zijn -bedreiging: in de tent van Sheik Ilderim, den verrader, die ons niet -veel langer moet mogen trotseeren. Laat het u niet verwonderen, indien -Maxentius, als eerste krijgsoperatie, den Arabier inscheept naar Rome. - ---Naar Rome! Mij? Ilderim ... Sheik van tienduizend gewapende ruiters! -Mij naar Rome inschepen! - -Hij sprong van zijne zitplaats op en riep in ziedenden toorn: Wanneer, -o wanneer zal aan deze onbeschaamdheid een einde komen? Ik ben een vrij -man. Vrij is mijn volk. Moeten wij als slaven sterven? Of erger nog, -moet ik als een hond aan mijn meesters voeten kruipen? Moet ik zijne -hand likken uit vrees voor slaag? Wat het mijne is zou het mijne niet -zijn? Ik zou een Romein moeten danken, dat ik mag adem halen? O, dat ik -nog jong was! O, kon ik twintig jaren van mijn leeftijd afdoen ... of -tien ... of vijf! - -Knarsetandend en met de handen zwaaiend liep hij heen en weer, bleef -toen eensklaps voor Ben-Hur staan, en vatte hem met sterken greep bij -den schouder. - ---Indien ik in uwe plaats was, zoon van Arrius, even jong als gij, even -sterk, even geoefend in den krijg, had ik een drijfveer, die mij tot -wraak aanzette, een beweegreden als de uwe, die wraak tot een heiligen -plicht maakt--weg met alle geheimzinnigheid tusschen u en mij! Zoon van -Hur, zoon van Hur, ik zeg.... - -Bij het hooren van zijn waren naam stolde Ben-Hur het bloed in de -aderen. Ontzet, verbaasd, zag hij den Arabier aan. - ---Zoon van Hur, ik zeg u, indien ik was als gij, indien ik zulk een -groot onrecht had te wreken en zulke herinneringen met mij moest -omdragen, ik zou niet willen, niet kunnen rusten. Bij al mijn eigen -grieven zou ik die van de geheele wereld voegen, en mijzelven aan de -wraak wijden. Van land tot land zou ik trekken om de menschen wakker te -schudden. Geen vrijheidsoorlog, waar ik niet deel aan nam. Geen strijd -tegen Rome, waarbij ik niet in de voorste rijen stond. Ik zou mij -desnoods bij de Parthen aansluiten. Indien het mij aan soldaten ontbrak, -ik zou het toch niet opgeven--hahaha! Bij den luister van Salomo! ik zou -tot de wolven gaan! Van leeuwen en tijgers zou ik vrienden maken, in de -hoop dat ik ze tegen den gemeenschappelijken vijand zou kunnen -aanvoeren. Ik zou mij van ieder wapen bedienen. Ik zou geen kwartier -vragen en geen kwartier geven! Alles wat Romeinsch was zou ik met vuur -verdelgen. Al wie Romein van geboorte was zou ik met het zwaard dooden. -Des nachts zou ik de goden bidden, de goede en de kwade evenzeer, mij -hunne verschrikkingen bij te zetten: stormen, droogte, hitte, koude, en -al de namelooze vergiften, die zij in de lucht loslaten, al de duizend -oorzaken, waardoor de menschen ter zee en te land omkomen. O, ik zou -niet kunnen slapen. Ik ... ik.... - -De Sheik hield op uit gebrek aan adem. Ben-Hur had, om de waarheid te -zeggen, slechts met een half oor geluisterd naar die hartstochtelijke -ontboezemingen. Voor de eerste maal in vele jaren had de jongeling zich -bij zijn waren naam hooren toespreken. Een mensch kende hem dus. Een ten -minste geloofde hem zonder naar bewijzen te vragen, en die eene was een -Arabier uit de woestijn! - -Hoe kwam de man aan deze wetenschap? Door den brief? Die sprak wel is -waar iets van de wreedheden, waardoor zijn geslacht te gronde was -gericht, die verhaalde van zijne geschiedenis, maar de Sheik was in een -veel te opgewonden stemming geweest om de gevolgtrekking te hebben -kunnen maken. Neen, iemand anders moest hem hebben ingelicht. Uitwendig -kalm vraagde hij: Goede Sheik, zeg mij, hoe komt gij aan dezen brief? - ---Mijne lieden bewaken de wegen tusschen de steden, antwoordde Ilderim. -Zij ontnamen hem een koerier, die van Antiochie kwam. - ---Weet men, dat zij in uw dienst zijn? - ---Neen, in de oogen der wereld zijn zij roovers, die ik te vangen en te -dooden heb. - ---Sheik, gij noemdet mij zoon van Hur, mijn vaders naam. Ik wist niet -dat iemand hier mij kende. Vanwaar kent gij mij? - -Ilderim antwoordde niet dadelijk. Eindelijk zeide hij: Ik ken u, maar ik -heb voor 't oogenblik geen vrijheid om u meer te zeggen. - ---Geen vrijheid? Is er dan iemand, die u dat verhindert? - -De Sheik zweeg en wilde heengaan; maar toen hij Ben-Hurs teleurstelling -zag, keerde hij terug en zeide: Laat ons hier voorloopig over zwijgen. -Ik ga naar de stad. Als ik terugkom mag ik misschien ronduit met u -spreken. Geef mij den brief. - -Ilderim rolde den papyrus zorgvuldig op, deed hem weder in den omslag, -en werd plotseling weer een en al ijver. Wat is uw antwoord? vraagde -hij. Ik zeide u wat ik doen zou, als ik in uwe plaats was, maar gij hebt -mij geen antwoord gegeven. - ---Ik was van plan, Sheik, om u te antwoorden en ik zal het ook doen. -Al wat gij gezegd hebt neem ik over, voor zoover de uitvoering in mijn -vermogen ligt. Sedert lang reeds heb ik mijzelf aan de wraak gewijd. -Vijf jaren lang was dat mijn eenige gedachte. Ik heb mij geen rust -gegund. De genoegens der jeugd heb ik niet gekend. Ik heb mij door Rome -zelf laten leeren, hoe ik mij wreken moet. Ik bezocht er de beroemste -leeraren, niet die in de redekunst of wijsbegeerte, helaas! daar had ik -geen tijd voor. In alles wat voor een krijgsman onmisbaar is heb ik mij -laten onderrichten. Ik sloot mij aan bij de kampvechters in den circus. -De schermmeesters van het Romeinsche kamp namen mij als hun leerling aan -en waren trotsch op mij. Ja, Sheik, ik ben soldaat, maar de dingen -waarvan ik droom eischen, dat ik bevelhebber word. Daarom sloot ik mij -aan bij den veldtocht tegen de Parthen. Is die afgeloopen en spaart God -mij leven en krachten, dan ... dan zal ik een geduchte, door Rome zelf -gevormde krijger zijn. Dan zal Rome mij met Romeinsche levens betalen -voor hetgeen zij mij heeft doen lijden. Dat is mijn antwoord, Sheik. - -Ilderim omhelsde en kuste hem, en zeide op hartstochtelijken toon: -Indien uw God u niet bijstaat, zoon van Hur, dan leeft hij niet meer. -Maar weet dit, om uw doel te bereiken kunt gij vrijelijk beschikken over -al wat ik heb: manschappen, paarden, kameelen, en de woestijn tot -legerplaats. Ik zweer het u. Voor het oogenblik genoeg. Voor den nacht -zult gij mij zien, of van mij hooren. - -Kort daarop reed hij af en sloeg den weg in naar Antiochie. - - - * * * * * - - -ZESDE HOOFDSTUK. - -EENE OPROEPING. - - -De onderschepte brief was op vele punten van groot belang voor Ben-Hur. -De schrijver toch bekende met zoovele woorden dat hij medegewerkt had om -de familie Hur uit den weg te ruimen, dat hij de plannen goedgekeurd -had, dat hij zijn aandeel had ontvangen van de verbeurd verklaarde -goederen, dat hem de onverwachte verschijning van den hoofdpersoon in -het drama zeer ongelegen kwam en hij er niet veel goeds van verwachtte, -en dat hij, om een waarborg voor de toekomst te hebben, bereid was tot -alles wat zijn medeplichtige in Cesarea hem zou aanraden te doen. - -Toen Ilderim de tent verliet had Ben-Hur dus rijke stof tot -overpeinzing. Hier moest dadelijk in voorzien worden. Zijne belagers -waren sluw en machtig. Indien zij bevreesd waren voor hem, hij had nog -veel meer reden om hen te vreezen. Hij trachtte den toestand rustig -onder de oogen te zien, maar hij kon niet. Telkens werd hij door zijn -gevoel overstelpt. Zijne moeder en zuster leefden nog, dat geloofde hij -zeker. Het was hem, alsof de ontdekking voor de hand lag. Ja, God zelf -zou hem te hulp komen, hem paste geduldig te wachten. Dat geduldig -wachten zou hem echter gemakkerlijk vallen, als hij grond had gehad om -te hopen, dat zijne geliefden in even gunstige omstandigheden verkeerden -als hijzelf, maar wat wist hij daarvan? - -Om zich een weinig te verzetten wandelde hij het bosch in, waar de -lieden druk bezig waren met het inzamelen van dadels, niet zoo druk -echter, of zij konden wel een praatje met hem maken en van hunne -vruchten aanbieden. Bij het meer toefde hij het langst, en die zachte -kabbelende golfjes brachten hem de schoone Iras te binnen. Van haar -vlogen zijne gedachten naar Balthasar en den Koning der Joden. - -Met Balthasars denkbeelden omtrent dat koninkrijk kon hij zich echter -niet vereenigen. Een rijk dat uit zielen zou bestaan kwam hem zeer -onwaarschijnlijk, bijna onmogelijk voor. Een koninkrijk Judea -daarentegen--dat had bestaan, en kon dus weer in 't leven geroepen -worden. Hij stelde zich dat gaarne voor en dan liefst nog machtiger en -rijker dan het eerste koninkrijk, onder een nieuwen koning, wijzer en -machtiger nog dan Salomo, een koning, onder wiens vanen hij zou kunnen -dienen en zijne wraak aan Rome kunnen koelen. - -In die stemming keerde hij naar den dowar terug. Na het middagmaal -gebruikt te hebben deed Ben-Hur den wagen buiten brengen, om hem te -keuren. Geen enkel deel liet hij ongemoeid. Met groot genoegen zag hij -dat het een Grieksch model was, in zijn oog verkieslijker boven het -Romeinsche, breeder tusschen de wielen, lager en sterker. De meerdere -zwaarte zou ruimschoots vergoed worden door de zeldzame eigenschappen -van het vierspan. - -Nu bracht hij de paarden uit, spande ze voor den wagen en reed naar het -veld, waar hij verscheidene uren bleef. Toen hij 's avonds terugkeerde -had hij zijne opgeruimdheid herkregen en stond zijn plan vast om de zaak -Messala te laten rusten, totdat hij als overwinnaar of overwonnene uit -het strijdperk zou komen. Hij wilde onder geen beding het genoegen -missen van zijn tegenstander voor aller oog te vernederen. Aan de -mogelijkheid, dat nog andere mededingers konden optreden, scheen hij -niet te denken. Zijn vertrouwen in den uitslag was onwankelbaar. Hij -rekende op zijne bekwaamheid en op de onovertroffen paarden. De Romein -mag oppassen, niet waar Antares, brave Aldebaran? niet waar goede Rigel, -en gij vorstelijke Atair? hij mag oppassen! zoo sprak hij in de rusturen -het vierspan toe, en zij verstonden hem. - -Toen het donker werd zat Ben-Hur in de deur der tent op Ilderim te -wachten. Hij was volstrekt niet ongeduldig of onrustig. De Sheik zou in -ieder geval van zich doen hooren. Of die kalmte toe te schrijven was aan -de beweging in de open lucht, of aan het daarna genomen bad, of aan het -smakelijke maal, waaraan hij alle eer bewezen had, of aan de reactie, -die gewoonlijk op diepe neerslachtigheid volgt, weten wij niet. Hij had -een gevoel, dat zijne zaak in Gods hand rustte en daar was zij veilig. -Eindelijk hoorde hij een ruiter naderen, en weldra stond Malluch voor -hem. - ---Zoon van Arrius, zeide hij vroolijk, ik breng u de groeten van Sheik -Ilderim. Hij verzoekt u naar de stad te komen. Hij wacht u. - -Ben-Hur onthield zich van vragen, en ging naar de paarden. Aldebaran -kwam hem te gemoet, als om zijne diensten aan te bieden. Ben-Hur -liefkoosde hem in het voorbijgaan, maar koos een ander paard. Het -vierspan moest voor de wedrennen bewaard blijven. Een kwartier later -waren beide mannen op weg naar Antiochie. - -Op korten afstand van de Seleucische brug staken zij met een veerschuit -de rivier over, reden langs den rechteroever voort, gingen daarna door -middel van een andere schuit naar den linkeroever terug en reden de stad -van de westzijde binnen. De omweg was lang, maar Ben-Hur begreep dat -Malluch goede redenen had voor dien voorzorgsmaatregel. Zij vervolgden -hunnen weg tot aan de werf van Simonides. Daar hield Malluch zijn paard -in en zeide: Hier moeten wij zijn! - -Ben-Hur herkende de plaats en vraagde: Waar is de Sheik? - ---Ik zal u tot hem brengen. Ga maar mee, luidde het antwoord. - -Een bediende nam de paarden over, en nog voordat Ben-Hur tot bezinning -gekomen was, stond hij voor de deur van het huis op het pakhuis, was hij -binnengegaan, en hoorde hij de stem, die hij zich nog zeer goed -herinnerde, zeggen: Kom binnen en wees welkom! - - - * * * * * - - -ZEVENDE HOOFDSTUK. - -ERKEND. - - -Malluch geleidde hem niet verder dan tot aan de kamer. Ben-Hur trad -alleen het vertrek binnen. Het was hetzelfde, waar Simonides hem den -vorigen keer ontvangen had. Alles was onveranderd gebleven, alleen stond -nu dicht bij den armstoel een fraaie, zeer hooge metalen standaard met -zes armen, die zes helder brandende zilveren lampen droegen. Drie -personen bevonden zich in de kamer: Simonides, Ilderim, Esther. - -Ben-Hur zag van den een naar den ander ... wat moest dat beduiden? Wat -verlangde men van hem? - -Daar verbrak Simonides de stilte: Zoon van Hur, zeide hij langzaam en -duidelijk, ik groet u met den vrede van den God onzer vaderen. - -De grijsaard liet, terwijl hij sprak, zijne doordringende zwarte oogen -op den jongen rusten en kruiste toen zijne handen over de borst. Houding -en groet konden niet worden misverstaan. - ---Simonides, zeide Ben-Hur ontroerd, dien vrede neem ik aan. Als een -zoon tot zijnen vader sprekende, bid ik hem u ook toe. Dit eene echter -verzoek ik: laat ons elkander volkomen begrijpen. - -Op deze kiesche wijze trachtte hij de verhouding van heer tot dienstbare -op zijde te zetten, en daarvoor in de plaats een hoogere en heiligere te -stellen. - -Simonides liet zijne handen weder op de deken rusten en zeide tot Esther: -Een zetel voor den meester, mijn kind! - -Haastig schoof zij een lagen stoel aan en wachtte op nader order, onzeker -waar hem te plaatsen. - -Ben-Hur trad naderbij, zette hem aan Simonides' voeten en zeide: Hier -wil ik zitten. - -Zijne oogen ontmoetten de hare, slechts een oogenblik, doch die blik -deed beiden goed. Hij had hare dankbaarheid, zij zijne edelmoedigheid -begrepen. - -Simonides boog het hoofd, slaakte een zucht van verlichting en zeide: -Geef mij nu de papieren, Esther. - -Zij opende een der paneelen in den muur, nam er een rol uit, en gaf die -haren vader. - ---Gij hebt gelijk, zoon van Hur, begon Simonides, de papieren -ontrollende, laat ons elkander goed begrijpen. Dat verzoek voorziende, -heb ik alles in orde gebracht en leg ik u hier een opgaaf voor hetgeen -tot een volkomen begrip noodig is. Zij omvat twee zaken: het vermogen en -onze onderlingen verhouding. Wat hier geschreven staat zal u alles -duidelijk maken. Wilt gij het nu lezen? - -Ben-Hur nam de rol aan en zag naar Ilderim. - ---Neen, zeide Simonides, laat de tegenwoordigheid van den Sheik u niet -weerhouden. Bij de verrekening is een getuige noodig. Aan het slot, op -de plaats waar zulks behoort, zult gij zijn naamtekening vinden. Hij -weet alles. Hij is uw vriend. Alles wat hij voor mij geweest is zal hij -voor u zijn. - -Ilderim knikte en zeide ernstig: Gij hebt het gezegd. - -Ben-Hur antwoordde: Ik heb zijne vriendschap reeds mogen ondervinden, -maar moet mij die nog waardig betoonen. Sta mij toe, Simonides, die -papieren later rustig na te zien. Neem ze voor het oogenblik terug en -als het u niet te veel vermoeit, deel mij dan kort den inhoud mede. - -Simonides nam de rol weder tot zich. - ---Kom hier, Esther, zeide hij, en neem blad voor blad van mij over, -opdat zij niet verward raken. - -Zij zette zich naast hem en leunde zacht tegen zijn schouder, zoodat -vader en dochter te zamen rekening en verantwoording schenen te doen. - ---Dit, zeide Simonides, het eerste blad ontrollende, doet u zien welke -som gelds ik voor uwen vader beheerde,--het kapitaal dat ik uit de -handen der Romeinen redde. Van de overige bezittingen kon ik niets -redden dan het geld. Dank ons Joodsch wisselsysteem konden de roovers -daar niet aan komen. De geheele som bestond uit gelden, die ik in Rome, -Alexandrie, Carthago en andere steden had uitstaan, en bedroeg 120 -talenten. - -Hij gaf het blad aan Ester en nam een volgend. Met die 120 talenten, -zeide hij, begon ik handel te drijven. Hoor nu de verantwoording. - -Aan schepen 60 talenten. - " goederen in voorraad 110 " - " cargo's in transport 75 " - " pakhuizen 10 " - " kameelen, paarden, enz. 20 " - " in te vorderen gelden 54 " - " los geld 224 " - - 553 talenten. - -Voeg nu bij die 553 talenten winst het kapitaal, dat ik van uwen vader -onder mij had, en gij krijgt 673 talenten, alles rechtens het uwe. Dat -maakt u, zoon van Ithamar, tot een van de rijksten onder de rijken. - -Hij nam de papieren van Esther over, rolde ze met uitzondering van een -weder op en bood ze Ben-Hur aan. - -De kwalijk verborgen trotsch in zijne manier van doen was niet -beleedigend, maar alleszins verklaarbaar, en kwam voort uit het gevoel -van een welvolbrachten arbeid. - ---En nu, zeide hij zachter, is er niets, nee niets, dat gij niet doen -kunt. - -Dit oogenblik was een zeer gewichtig oogenblik voor allen. Simonides -kruiste nogmaals de handen over de borst. Esther keek verlegen voor -zich, Ilderim bewoog zich zenuwachtig. - -Met de rol in de hand stond Ben-Hur op van zijn zetel, en met moeite -zijn aandoening bedwingende, sprak hij: Deze mededeelingen zijn voor mij -als een lichtstraal uit den hemel na een langen bangen nacht, zoo lang -dat hij mij eindeloos toescheen, en zoo donker dat ik alle hoop had -opgegeven. Mijn eerste dank zij aan God gebracht, die mij niet verlaten -heeft, en mijn tweede aan u, Simonides. Uwe trouw weegt tegen de -wreedheid van anderen op, en herstelt mijn geloof in de menschheid. Gij -zegt: er is niets dat ik niet doen kan? Zoo zij het! Zal iemand mij in -zulk een gewichtig oogenblik overtreffen in grootmoedigheid?... U roep -ik tot getuige, o Sheik! Hoor mijne woorden en onthoud ze! En gij, -Esther, goede engel van deze goeden man, uw vader, luister gij ook! - -Hij strekte de hand, waarin hij de rol hield, naar Simonides uit en -vervolgde: Alles wat in deze papieren opgeschreven staat: de schepen, -huizen, kameelen, paarden, gelden, dat alles geef ik u, Simonides, -terug. Het is voor u en de uwen, voor altijd. - -Esther glimlachte door hare tranen heen. Ilderims oogen glinsterden van -aandoening. Simonides alleen bleef kalm. - ---Met eene uitzondering echter en op eene voorwaarde, hernam Ben-Hur. -De 120 talenten, die mijne vader toebehooren, wensch ik terug te hebben. -Vervolgens roep ik uwe hulp in bij het zoeken naar mijne moeder en -zuster, waartoe gij, indien het noodig mocht zijn, uw fortuin -beschikbaar stelt, evenals ik het mijne. - -Simonides was diep bewogen. Hij strekte de hand uit en zeide: Ik begrijp -u, zoon van Hur, en ik dank God dat Hij u zoo tot mij gezonden heeft. -Zooals ik uwen vader, en later zijne nagedachtenis, gediend heb, zal ik -ook u dienen. Maar op uwe voorwaarde kan ik niet ingaan. Hier is nog een -blad. Neem het en lees. Lees overluid. - -Ben-Hur nam het blad en las: Opgave van de lijfeigenen van Hur, -ingeschreven door Simonides, rentmeester van het vermogen: - -1. Amrah, de Egyptische, huisbewaarster te Jeruzalem. -2. Simonides, rentmeester te Antiochie. -3. Esther, des rentmeesters dochter. - -Nooit was het Ben-Hur, wanneer hij Simonides als zijn dienstknecht -beschouwde, in het hoofd gekomen, dat volgens de wet de dochter de -dienstbaarheid des vaders deelde. Dacht hij aan de schoone Esther, dan -was het als mededingster van Iras. Die onverwachte mededeeling deed hem -onaangenaam aan. Verward, verlegen keek hij haar aan, en verlegen sloeg -zij de oogen neer. Toen zeide hij: De eigenaar van 600 talenten is -inderdaad rijk en mag doen wat hem behaagt; maar zeldzamer dan het geld, -kostbaarder dan de bezitting is de geest, die den schat vergaarde, is -het hart, dat onbedorven bleef bij zooveel rijkdom. O Simonides, en gij, -schoone Esther, vreest niet! Sheik Ilderim zal mij opnieuw tot getuige -zijn. In hetzelfde oogenblik, waarop ik u als mijne dienaren leer -kennen, spreek ik u vrij. Wat ik hier mondeling verklaar zal ik -schriftelijk bevestigen. Is dat voldoende? Kan ik nog meer doen? - ---Zoon van Hur, zeide Simonides, waarlijk gij maakt ons het dienen -licht. Ik vergiste mij. Er zijn dingen die gij niet kunt doen. Gij kunt -ons niet vrij maken voor de wet. Ik ben levenslang uw dienstknecht, -omdat ik op zekeren dag uwen vader naar de deurpost volgde. Mijn oor -draagt nog het litteeken van den priem. - ---Deed mijn vader dat? - ---Veroordeel hem niet, riep Simonides. Hij deed het op mijn verzoek, en -nooit heeft die stap mij berouwd. Het was de prijs, dien ik voor mijne -Rachel betaalde, de moeder van mijn kind. Zij wilde de mijne niet -worden, tenzij ik werd wat zij was. - ---Was zij dan eene lijfeigene? - ---Ja. - -Ben-Hur liep, zijne onmacht diep gevoelende, de kamer op en neer. Ik was -reeds rijk, zeide hij, dank de goedheid van den edelen Arrius. Nu komt -dit vorstelijk vermogen er bij benevens de geest, die het verzamelde. -Heeft God daar niet een bedoeling mee? Raad mij, Simonides. Doe mij zien -wat recht is in dezen. Help mij mijn naam waardig te zijn. - -Simonides' gelaat straalde van geluk. - ---O zoon mijns meesters, ik zal meer doen dan u helpen. Ik zal u dienen -met hart en ziel. Mijn lichaam is, helaas, te gronde gericht in uwen -dienst, maar met mijn verstand en hart wil ik u dienen. Stel mij daarom -wettig aan tot datgene, wat ik mijzelven gemaakt heb. - ---Spreek! riep Ben-Hur blijde. - ---Benoem mij tot rentmeester van uw vermogen, opdat ik het recht hebbe -om er voor te zorgen. - ---Gaarne. Beschouw u van dit oogenblik als mijn rentmeester. Of wilt gij -het schriftelijk hebben? - ---Uw woord is mij genoeg. Zoo was het met den vader, zoo zij het met den -zoon. En nu, indien wij elkander goed begrepen hebben.... - ---Ik voor mij, ja, zeide Ben-Hur. - ---En gij, dochter van Rachel, spreek! zeide Simonides. Een oogenblik -stond Esther besluiteloos. Toen trad zij op Ben-Hur toe en zeide -onbeschrijfelijk lieftallig: Ik ben niet beter dan mijne moeder, en daar -zij is heengegaan, bid ik u, laat mij voor mijnen vader mogen zorgen. - -Ben-Hur nam haar bij de hand, geleidde haar naar haren vader en zeide: -Gij zijt een goede dochter. Uw wensch zal geschieden. - - - * * * * * - - -ACHTSTE HOOFDSTUK. - -HET NIEUWE KONINKRIJK. - - -Simonides was de eerste, die het stilzwijgen verbrak. Hij herinnerde -zich dat hij de gastheer was. Esther, zeide hij, het is reeds laat in -den avond. Voordat wij verder gaan moest gij ons wat ter verfrissching -voortzetten. - -Zij schelde, waarop een dienstmaagd brood en wijn bracht en het -gezelschap aanbood. Toen allen bediend waren, zeide Simonides tot -Ben-Hur: Meester, ons leven zal in het vervolg zijn als twee stromen, -die elkander ontmoetten, samenvloeiden, en zoo vereenigd hun weg -vervolgen. Daarom is noodig dat geen wolkje onzen horizon verduistere. -Ik liet u den vorigen keer vertrekken in de meening, dat ik uwe -aanspraken niet liet gelden. Toch was dat niet zoo. Esther kan getuigen, -dat ik u terstond herkende. Dat ik u niet aan uw lot overliet, daarvan -is Malluch het bewijs. - ---Malluch! riep Ben-Hur. - ---Die aan zijn stoel gebonden is moet vele en verreikende handen hebben. -Zoo heb ik er verscheidene en Malluch is een van de beste. Soms ook roep -ik de hulp in van goede vrienden, zooals Sheik Ilderim den edelmoedige. -Hij kan u zeggen, of ik u vergat of verloochende. - -Ben-Hur zag den Arabier aan en zeide: Hebt gij dus hier gehoord wie ik -ben, goede Sheik? - -Ilderim knikte toestemmend. - ---Meester, vervolgde Simonides, hoe kunnen wij een mensch beoordeelen, -dan door hem te beproeven? Ik herkende u terstond. Gij waart het -evenbeeld uws vaders; maar ik wist niet tot welke soort van menschen gij -behoordet. Voor sommigen is rijkdom een vloek. Waart gij een van die? -Dat moest Malluch voor mij uitvinden. Duid hem dat niet ten kwade. Hij -bracht mij niets den goed van u over. - ---Neen, ik neem het hem niet kwalijk, zeide de jonkman hartelijk. Er was -wijsheid in uwe goedheid. - ---Die woorden doen mij goed, zeide de koopman aangedaan. Alle vrees voor -misverstand is verdwenen. Nu mogen de rivieren te zamen haren loop -vervolgen, waarheen God ze leidt. - -Na een oogenblik zwijgens ging hij voort: Als ik terugzie op de -vervlogen jaren, zeg ik, evenals gij, meester: Ik zie Gods hand. Wat is -zijn bedoeling?... Want het vermogen is in mijne handen vertienvoudigd, -en ik was dikwijls verbaasd over dien wasdom. Ik zag, dat een ander oog -dan het mijne over mijne ondernemingen waakte. De _samoems_, die schrik -der woestijnen, spaarden mijne karavanen. De stormen, die zoovele -schepen te gronde richtten, dreven de mijne slechts te sneller de -veilige haven binnen. En het opmerkelijkste is, dat ik, gebondene, zoo -afhankelijk van anderen, nooit schade leed door mijne agenten, nooit. De -elementen dienden mij, en al mijne onderhoorigen waren getrouw. - ---Ja, dat is opmerkelijk, zeide Ben-Hur. - ---Daarom vraag ik: Wat kan God er mede bedoelen, vervolgde de grijsaard. -Jarenlang reeds wacht ik op een antwoord. Ik geloofde, dat Hij mij op -zijn tijd het antwoord zou geven. Ik geloof, dat Hij het gedaan heeft. -Vele jaren geleden vertoefde ik te Jeruzalem en zat op zekeren avond met -mijne vrouw buiten aan den weg, dicht bij de graven der koningen, toen -drie vreemdelingen op witte kameelen naderden en bij ons stilhielden. -Een van hen vraagde mij: Waar is de geboren Koning der Joden? Want wij -hebben zijne ster in het oosten gezien en zijn gekomen om hem te -aanbidden.--Ik begreep hem niet, maar volgde hem tot aan de Damascuspoort, -en aan ieder, dien zij tegenkwamen, deed hij dezelfde vraag. Later vergat -ik deze ontmoeting, hoewel er in die dagen veel over gesproken werd, alsof -de komst van de Messias ophanden was. Helaas, helaas, wat zijn zelfs de -verstandigsten onder ons nog kinderen. Als God over de aarde wandelt zijn -zijne voetstappen soms eeuwen van elkander verwijderd. Hebt gij Balthasar -reeds ontmoet? - ---Ja, hij heeft mij zijne geschiedenis verteld, antwoordde Ben-Hur. - ---Een wonder, een waar wonder, zeide Simonides. Toen hij het mij -vertelde scheen ik het antwoord te hooren, waarop ik zoo lang had -gewacht. Gods doel werd mij op eenmaal duidelijk. Arm zal de Koning -zijn, als hij komt, arm en zonder vrienden, zonder gevolg, zonder leger, -zonder steden of burchten. Zijn koninkrijk zal nog moeten gesticht -worden en Rome zal moeten gefnuikt en vernietigd worden. Zie, meester, -gij, toegerust met kracht, geoefend in den krijg, overladen met -rijkdommen, zie, welke gelegenheid God u geeft! Zal zijn doel niet uw -doel zijn? Kan iemand tot heerlijker werk geroepen worden? - ---Maar het Koninkrijk? vraagde Ben-Hur. Balthasar zegt, dat het uit -zielen zal bestaan. - -Fier hief Simonides het hoofd op. Een spottende glimlach speelde om -zijne lippen. Zijn nationaaltrots ontvlamde. - ---Balthasar is getuige geweest van vreemde dingen, dat is waar, en als -hij spreekt luister ik eerbiedig, want hij heeft ze gezien en gehoord. -Maar--hij is een zoon van Egypte. Hij is niet eens een proseliet. Wij -kunnen niet aannemen, dat hij meer dan een ander weten zou van Gods -plannen met ons volk. De profeten ontvingen hun licht rechtstreeks uit -den hemel, hij ook, dat is zoo; maar zij zijn velen in getal, hij staat -alleen. Jehova blijft altijd dezelfde. Ik moet de profeten gelooven. -Breng mij de Tora, Esther. - -Terwijl zij het verlangde ging halen, vervolgde hij: Mag het getuigenis -van een geheel volk veronachtzaamd worden, meester? Al reist gij van -Tyrus, dat in het noorden bij de zee ligt, tot de hoofdstad van Edom, -die in het zuiden in de woestijn ligt, gij zult niet een zoon van -Abraham vinden, die u zeggen zal, dat het koninkrijk, hetwelk de Koning -voor ons, kinderen des Verbonds, komt oprichten, niet voor deze wereld -zou zijn. Neen, het zal een koninkrijk zijn van onzen vader David. En -hoe komen zij aan dat geloof, denkt gij? Wij zullen zien. - -Esther kwam terug met een aantal rollen, in bruin linnen omslagen -gewikkeld. De namen der profeten waren er met gouden letters op gestikt. - ---Houd ze voor mij vast, kind, en geef mij die, waar ik om vraag, zeide -Simonides, en zich tot Ben-Hur wendende, vervolgde hij: Gelooft gij de -profeten, meester? Ik weet, dat gij ze gelooft, evenals uwe -ouders.--Esther, geef mij het boek van den profeet Jesaja. - -Met luide stem las hij: Het volk, dat in duisternis zat, heeft een groot -licht gezien, en die gezeten waren in het land der schaduwen des doods, -dengenen is een licht opgegaan. Want een kind is ons geboren en een Zoon -is ons gegeven, en de heerschappij zal op zijn schouder zijn.... Der -grootheid dezer heerschappij en des vredes zal geen einde zijn op den -troon van David en in zijn koninkrijk, om dat te bevestigen, en dat te -sterken met gericht en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid -toe.--Gelooft gij de profeten, meester?... Esther, geef mij nu de -woorden van den profeet Micha. - -En wederom las hij overluid: En gij, Bethlehem Efrata, zijt gij klein om -te wezen onder de duizenden van Juda, uit u zal mij voortkomen die een -heerscher zal zijn in Israel.... Meester, dat is het kindeke, dat -Balthasar gezien heeft en aangebeden in de spelonk. - -Hij las verder: Ziet, de dagen komen, spreekt de Heer, dat ik aan David -een rechtvaardige Spruit zal verwekken, die zal koning zijnde regeeren, -en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde. In -zijne dagen zal Juda verlost worden, en Israel zeker wonen ... hoort gij -wel, meester, als een koning zal hij heerschen! Gelooft gij de -profeten ... Esther, geef mij nu het boek van den profeet Daniel. - -Hij deed de rol open en las: Ziet, er kwam een met de wolken des hemels, -als eens menschen zoon, en hem werd gegeven heerschappij, en eere, en -het koninkrijk, dat hem alle volken, natien en tongen eeren zouden. -Zijne heerschappij is eene eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, -en zijn koninkrijk zal niet verdorven worden. Gelooft gij de profeten, -meester? - ---'t Is genoeg, riep Ben-Hur. Ik geloof! - ---Welnu, als de koning komt, arm en aan alles behoefte hebbende, zal dan -mijn meester hem niet uit zijn overvloed helpen? - ---Ja, zeker, tot mijn laatsten penning en tot mijn laatsten ademtocht. -Maar waarom zegt gij, dat hij in armoede zal komen? - ---Esther, geef mij de profetie van Zacharia. Luister, meester: Verheug u -zeer, gij dochter Zions, zie, uw Koning komt, rechtvaardig, en hij is -een Heiland; arm en rijdende op eenen ezel, en op een veulen, een jong -der ezelinnen. - -Ben-Hur wendde de blik af. - ---Wat ziet gij? vraagde Simonides. - ---Rome, antwoordde hij somber. Ik zie Rome met hare legioenen. Ik heb -met hen in hunne legerplaatsen verkeerd, ik ken hen! - ---O zoo, zeide Simonides. Welnu, gij zult de aanvoerder zijn van de -legioenen des Konings, en uit millioenen kunnen kiezen. - ---Millioenen? - ---Bekommer u niet over zijne macht, zeide de grijsaard nadenkend. Gij -steldet u zooeven den koning voor, komende tot het zijne in nederigheid. -Gij zaagt hem, om het zoo uit te drukken, aan den eenen kant, en gij -vraagdet: Wat kan hij doen? - ---Ja, dat waren mijne gedachten. - ---O, meester, ging Simonides voort, gij weet niet hoe sterk ons Israel -is. Gij stelt u ons volk voor als een oud man, weenende bij de rivieren -van Babylon. Maar ga met het volgende Paaschfeest naar Jeruzalem, naar -den tempel, en zie rondom u. De belofte van God aan onzen vader Jakob, -komende van Paddan Aram, was een wet, waaronder ons volk niet heeft -opgehouden zich te vermenigvuldigen, zelfs niet in de ballingschap. Wij -vermeerderden onder den druk der Egyptenaren. Rome's overheersching is -weldadig voor ons geweest. Wij zijn in waarheid tot een volk, tot eene -groote menigte geworden. En dat niet alleen, meester. Om waarlijk de -kracht van Israel te leeren kennen, hetgeen hetzelfde is als te -berekenen wat de koning doen kan, moet gij niet alleen stilstaan bij de -natuurlijke vermenigvuldiging, maar ook de verspreiding van het geloof -in het oog houden, dat zich nu tot over de geheele wereld heeft -verspreid. Voorts, men is gewoon van Jeruzalem te spreken alsof dat -Israel was, en Jeruzalem is toch slechts als een steen van den tempel, -of als het hart in een lichaam. Zie af van de legioenen, hoe sterk zij -ook zijn mogen, en tel de menigte der getrouwen, die op den ouden -alarmkreet wachten: naar uwe tenten, o Israel!... Tel de overgeblevenen -in Perzie, kinderen van hen, die niet mede wilden terugkeeren; tel de -broederen, die de markten van Egypte en Afrika vullen; tel de -Hebreeuwsche kolonisten, die in het Westen handel drijven, in Lodinum en -in de koopsteden van Spanje; tel hen en hunne proselieten in Griekenland -en op de eilanden, in Pontus, en ook hier in Antiochie, en mijnentwege -ook hen, die daar nederliggen in de schaduw der onheilige muren van Rome -zelf. Tel de aanbidders van den Heer onzen God, die hunne tenten hebben -opgeslagen in de woestijnen, hier in onze nabijheid, zoowel als in de -woestijnen van Egypte, en in de streken langs de Kaspische zee, en in de -oude landen van Gog en Magog; voeg er hen bij, die jaarlijks giften -zenden aan den tempel. En als gij ophoudt met tellen, meester, beschouw -dan het heirleger van strijdbare mannen, dat u wacht ... een koninkrijk, -gereedgemaakt voor hem, die recht en gerechtigheid zal uitoefenen op -aarde, zoowel in Rome als in Zion. Dan hebt gij het antwoord op uwe -vraag. Wat Israel doen kan, dat kan de koning doen. - -Simonides had met vuur gesproken. Op Ilderim werkte die taal als -bazuingeklank. O, dat ik weder jong was! riep hij en sprong op van zijn -stoel. - -Ben-Hur bleef een oogenblik in gedachten verzonken, toen zeide hij: -Toegegeven dat de koning komen zal en dat zijne heerschappij zijn zal -als die van Salomo; onderstelt ook, dat ik bereid ben om mijzelf en al -het mijne aan hem en zijne zaak te wijden; toegegeven zelfs, dat Gods -leidingen met mij, en uw zeldzaam welslagen daarmede in verband -staan--hoe dan verder? Zullen wij bouwen als blinden? Zullen wij wachten -totdat de koning komt? of totdat hij om mij zendt? Gij, die zooveel -ouder zijt en zooveel meer ondervinding hebt, licht mij voor! - -Simonides antwoordde: Wij hebben geen keus. Deze brief (hij hief -Messala's brief omhoog) dwingt ons tot handelen. Wij zijn niet sterk -genoeg, om aan de voorgestelde verbintenis tusschen Messala en Gratus -het hoofd te bieden. Daartoe missen wij den noodigen invloed te Rome, en -de vereischte kracht hier. Zij zullen u dooden, als wij afwachten. Zie -mij aan en oordeel over hunne barmhartigheid. - -Hij huiverde bij de vreeselijke herinnering. Na zich bedwongen te -hebben, vervolgde hij: Goede meester, hoe sterk zijt gij--in het willen? - -Ben-Hur begreep hem niet. - ---Ik weet nog zoo goed hoe mij de wereld toelachte, toen ik jong was, -zeide Simonides. - ---En toch waart gij in staat om een groot offer te brengen, zeide -Ben-Hur. - ---Ja, uit liefde. - ---Zijn er niet nog andere, even sterke drijfveeren? - -Simonides schudde ontkennend het hoofd. - ---Wraak dan? - -Dat was de lont in 't kruit. De oogen van den grijsaard flikkerden. -Zijne handen beefden. Hij antwoordde snel: Op wraaknemen heeft de Jood -recht. De wet gebiedt het. - ---Zelfs een kameel onthoudt het onrecht, dat hem aangedaan werd, riep -Ilderim opgewonden. - ---Er is een werk, zeide Simonides, een werk voor den koning, dat gedaan -moet worden voor zijne komst. Wij mogen niet in twijfel trekken, dat -Israel zijne rechterhand zal zijn; maar helaas, die rechterhand is een -hand des vredes, ongeoefend in den krijg. Onder al die millioenen is -niet een geoefende kohorte, niet een aanvoerder. De huurlingen der -Herodianen tel ik niet mee, want zij moeten slechts dienen om ons te -onderdrukken. De toestand is juist zooals de Romeinen dien verlangen. -Hunne staatkunde heeft goede vruchten gedragen voor hunne tirannie. Een -ommekeer is echter ophanden. De herder zal zich aangorden tot den -strijd, en zal naar speer en zwaard grijpen. Het weiden der schapen moet -plaats maken voor den kamp tegen leeuwen. De koning, mijn zoon, moet -iemand aan zijne rechterhand hebben. Wie zal dat zijn? wie anders dan -hij die het werk goed verstaat? - -Ben-Hurs gelaat gloeide bij dat vooruitzicht. Toen zeide hij: Jawel, -maar verklaar u nader. Een werk te moeten verrichten, en de wijze -waarop, zijn twee verschillende zaken. - -Simonides nam een teug wijn en hervatte: De Sheik en gij, meester, zult -de hoofdleiders zijn, ieder met een bepaalde opdracht. Ik blijf hier, om -te zorgen, dat de bron niet opdroogt. Gij gaat naar Jeruzalem, van daar -naar de woestijn, en telt de strijdbare mannen, verdeelt hen in -afdeelingen en kiest hoofdlieden over tien en hoofdmannen over honderd, -oefent de manschappen in den wapenhandel, brengt in geheime bergplaatsen -wapens bijeen. Voor dit doel, ja voor alles, zend ik u telkens het -noodige geld. Gij begint te Perea, gaat vervolgens naar Galilea, vanwaar -gij Jeruzalem gemakkelijk bereiken kunt. In Perea hebt gij de woestijn -achter u liggen, en Ilderim vlak bij u. Hij bewaakt de heirwegen, zoodat -niets geschiedt zonder uwe voorkennis. Hij zal u op velerlei wijze van -dienst zijn. Tot op het oogenblik van handelen zal niemand weten wat -hier besproken is. Ik werk achter de schermen. Met Ilderim heb ik de -zaak reeds besproken. Wat is uw antwoord? - -Ben-Hur zag den Sheik aan. - ---'t Is zooals hij zegt, zoon van Hur, antwoordde de Arabier. Ik heb -mijn woord gegeven en daarmede is hij tevreden; maar ik zal mijzelven -met al de strijdbare mannen van mijnen stam onder eede aan u verbinden. - -Simonides, Ilderim en Esther zagen Ben-Hur in gespannen verwachting aan. - -Op droevigen toon begon hij: Voor iedereen staat een vreugdebeker -geschonken, dien hij vroeger of later aan de lippen zet--voor iedereen, -behalve voor mij. Ik zie, Simonides, en edelmoedigen Sheik, ik zie -waarheen dat voorstel leidt. Neem ik het aan en volg ik dien weg, dan -zeg ik den vrede vaarwel met alle hoopvolle verwachtingen, die zich -daaraan vastknoopen. Ga ik die geopende deur binnen, dan sluiten de -poorten van het rustige leven zich voor altijd achter mij, want Rome -bewaakt ze. Ik ben vogelvrij verklaard. Men zal mij overal vervolgen. -In de graven nabij de steden, in de eenzame spelonken zal ik moeten -wonen, zal ik mijn brood eten en mijn hoofd nederleggen. - -Een gesmoord snikken onderbrak zijn woorden. Allen zagen Esther aan, die -haar gelaat in de handen verborg. - ---Arm kind, zeide haar vader deelnemend; maar hij kon niet meer zeggen, -want ook zijne stem beefde. - ---Dat doet mij goed, Simonides, zeide de jonkman. Men draagt een hard -lot beter, als men weet, dat iemand mede lijdt. Laat mij voortgaan.... Ik -wilde zeggen, dat ik geen andere keus heb, dan het werk te aanvaarden, -dat gij mij aanwijst; en daar een roemlooze dood mij wacht als ik hier -blijf, zoo zal ik terstond aan het werk gaan. - ---Zullen wij onze overeenkomst op schrift brengen? vraagde Simonides als -man van zaken. - ---Uw woord is mij voldoende, antwoordde Ben-Hur. - ---En mij ook, zeide Ilderim. - -Op deze eenvoudige wijze werd het verbond gesloten, dat een volslagen -ommekeer zou brengen in Ben-Hurs leven. Hij voegde er dus onmiddellijk -bij: Zoo zij het dan! - ---Moge de God van Abraham onze hulp zijn! riep Simonides vurig. - ---En nu nog iets, mijne vrienden, zeide Ben-Hur op vroolijker toon, -met uw goedvinden zal ik mij vrij houden tot na de feesten. -Hoogstwaarschijnlijk zal Messala geen plannen tegen mij smeden, voordat -hij antwoord heeft ontvangen van den procurator. Dat kan hij op zijn -vroegst hebben zeven dagen na de verzending van den brief: Hem in den -circus te ontmoeten is een genoegen, dat ik voor niets ter wereld zou -willen missen. - -Ilderim stemde dadelijk toe en Simonides zeide: Heel goed, want dat -oponthoud zal mij tijd geven om u een dienst te bewijzen. Ik hoorde u -spreken over uwe erfenis van den edelen Arrius. Bestaat die in roerende -of onroerende goederen? - ---Een villa bij Misenum en huizen in Rome. - ---Dan stel ik u voor die bezittingen te verkoopen en de gelden veilig -te beleggen. Geef mij opgave en volmacht, dan zal ik terstond een -zaakgelastigde afzenden. Wij zullen ditmaal ten minste de keizerlijke -roovers voor zijn. - ---Morgen zult gij opgaaf en volmacht hebben. - ---Dan is ons werk voor hedenavond afgeloopen, zeide Simonides, en -Ilderim voegde er bij: En goed ook! - ---Geef ons nu wat te eten, Esther, zeide haar vader. Sheik Ilderim zal -ons het genoegen doen van tot morgen bij ons te blijven. En gij, meester? - ---Laat de paarden voorkomen, zeide Ben-Hur. Ik keer naar het Palmbosch -terug. Als ik nu ga zal mijn vijand er niets van merken, en uwe Arabieren, -Sheik, zullen blij zijn als zij mij terugzien. - -Bij het aanbreken van den dageraad stapten Ben-Hur en Malluch voor de -deur der tent af. - - - * * * * * - - -NEGENDE HOOFDSTUK. - -BEN-HURS BESLUIT. - - -Den volgenden avond stond Ben-Hur met Esther op het terras van het -groote pakhuis. Op de aanlegplaats beneden hen heerschte groote drukte -met opladen van balen en kisten. Tal van sjouwers liepen af en aan, die -bij het licht der flikkerende toortsen aan de dienende geesten uit -phantastische sprookjes deden denken. Een galei werd geladen om binnen -weinige oogenblikken te vertrekken. Simonides was nog op zijn kantoor, -waar hij den bevelhebber de laatste bevelen gaf, om zonder oponthoud -naar Ostia, de zeehaven van Rome, te zeilen, daar een passagier af te -zetten, en dan bedaarder op de Spaansche stad Valencia aan te houden. -Die passagier is de agent, die het landgoed en de huizen van Arrius zal -verkoopen. Als de ankers gelicht zijn en de galei zee heeft gekozen, zal -Ben-Hur onherroepelijk gebonden zijn aan het werk, dat hij den vorigen -avond aanvaardde. Nog kan terugtreden, indien hij spijt gevoelt over de -afspraak. Hij is de meester, en heeft slechts te spreken. - -Misschien doorkruiste een dergelijke gedachte zijn hoofd, toen hij daar -met de armen over elkander het drukke tooneel gadesloeg. Jong, schoon, -rijk, nog kort geleden verkeerende in de beste kringen van Rome, zou het -niet te verwonderen geweest zijn, zoo hij weinig lust gevoelde om zich -te begeven op de doornige paden, waar plicht of eerzucht hem mochten -roepen, en waar zoovele gevaren dreigden. Wij kunnen ons zelfs -voorstellen welke beweegredenen zich aan hem opdrongen: het onvruchtbare -van tegen den Keizer te strijden, de onzekerheid die alles wat den -Koning en zijne komst betrof omgaf, het gemak, de eer, de hooge staat, -die hem toelachten, en het sterkst van alles het heerlijke gevoel van -een tehuis gevonden te hebben, met vrienden om het leven aangenaam te -maken. - -Slechts zij, die langen tijd eenzaam rondgedoold hebben, kunnen de -kracht van dit laatste begrijpen. Zonder het te bedoelen kwam Esther -deze aanvechtingen versterken. - ---Zijt gij wel eens te Rome geweest? vraagde hij haar. - ---Neen, luidde het antwoord. - ---Zoudt gij er niet eens heen willen? - ---Neen, liever niet. - ---Waarom niet? - ---Ik ben bang voor Rome. - -Hij zag haar oplettend aan. In het schemerlicht kon hij haar gelaat niet -goed onderscheiden; maar zij herinnerde hem Tirza. Plotseling beving hem -een gevoel van teederheid. Op dien vreeselijke morgen had zijne arme -zuster juist zoo naast hem gestaan. Ach, waar was zij? Ja, Esther deed -hem aan Tirza denken, en hoe zou hij haar dan als zijn lijfeigene kunnen -beschouwen? - ---Ik kan niet aan Rome denken, vervolgde zij, als aan een stad van -paleizen en tempels, vol met vroolijke menschen. Zij is voor mij een -monster, dat zich meester heeft gemaakt van een schoon land en de -inwoners met dood en verderf bedreigt, een monster, dat niet te -overwinnen is, een verscheurend dier, dat zich met bloed voedt. -Waarom ... zij aarzelde en zweeg. - ---Ga voort, zeide Ben-Hur vriendelijk. - ---Waarom, vraagde zij, wilt gij Rome tot uwe vijandin maken? Waarom niet -liever vrede gesloten en rust hebben? Gij hebt veel verdriet gehad en -alles verdragen. Gij zijt aan de hinderlagen, u door uwe vijanden -gelegd, gelukkig ontkomen. Uw jeugd is door smart en leed verduisterd; -waarom zoudt gij er uw verdere levensdagen door laten vergiftigen? - -Haar stem klonk overredend. Hij ontroerde en vraagde: Wat woudt gij dan, -dat ik deed? - -Zij antwoordde met een wedervraag: Is uw villa bij Misenum heel mooi? - ---O ja. Het is een paleis te midden van fraaie tuinen, met fonteinen en -beelden in schaduwrijke lanen; heuvels bedekt met wijngaarden, en zoo -hoog gelegen dat men een heerlijk uitzicht heeft op Napels en den -Vesuvius en de blauwe zee. De Keizer heeft niet ver vandaar ook een -villa; maar algemeen word gezegd, dat de villa van Arrius de mooiste is. - ---En is het leven daar rustig? - ---Als er geen bezoekers kwamen heerschten er rust en stilte. Nu mijn -weldoener gestorven is en ik hier ben wordt de stilte door niets -gebroken, dan door het gefluister der bedienden of het tjilpen der -vogels, of het ruischen der fonteinen. Bloemen verwelken en nieuwe -bloemen ontluiken, het zonlicht maakt plaats voor de schaduwen van den -nacht, dat is de eenige afwisseling. Dat leven, Esther, was voor mij te -stil. Het maakte mij rusteloos, door mij altijd levendig te doen -gevoelen, dat ik, die zooveel te doen heb, langzamerhand lui werd, en -mij liet binden door zijden koorden, en aan het einde van mijn leven -niets zou hebben om op terug te zien. Maar waarom vraagdet gij dat? - ---Goede meester.... - ---Neen, Esther, dat niet. Noem mij vriend, of broeder, als ge wilt. Ik -ben uw meester niet, en wil het niet zijn. Noem mij broeder. - -De duisternis belette hem den blos van vreugde op haar gelaat en de -glans in hare oogen te zien. Na een oogenblik vervolgde zij: Ik kan niet -begrijpen, dat gij de voorkeur geeft aan een leven van--van-- - ---Geweld, en misschien van bloedvergieten, zeide hij, den zin voltooiend. - ---Ja, antwoordde zij, in plaats van het rustige leven op de schoone -villa. - ---Esther, gij vergist u. Van voorkeur geven is geen sprake. De Romein -is niet zoo vriendelijk. Ik ga uit nooddwang. Hier blijven wil zeggen -sterven. En ga ik naar Misenum, dan is het einde hetzelfde: een -vergiftigde drank, de dolk van een sluipmoordenaar, of een door een -meineed verkregen vonnis. Messala en de procurator Gratus hebben zich -verrijkt met mijn vaders bezittingen. Het geroofde te behouden is voor -hen van het grootste belang. Een vreedzame schikking is ondenkbaar, -omdat zij een bekentenis zou insluiten. En dan--ach Esther, al was dat -ook mogelijk, ik geloof niet, dat ik er in zou bewilligen. Voor mij geen -vrede, neen, zelfs niet in de koele boschjes der lieve oude villa. Voor -mij geen vrede, zoolang mijne moeder en zuster niet gevonden zijn. En -als ik haar vind, moet ik dan het haar aangedane leed niet wreken? Zoo -zij door geweld zijn omgebracht, moeten dan de moordenaars niet gestraft -worden? Ja, want zij zouden mij in mijne droomen vervolgen. Zelfs de -heiligste liefde met al hare vindingrijkheid zou mijn geweten niet in -slaap kunnen wiegen. - ---Is het zoo erg? vraagde zij bevend. Kan niets daartegen gedaan worden? - -Ben-Hur nam hare hand in de zijne: Houdt gij zooveel van mij? - ---Ja, antwoordde zij eenvoudig. - -Op eenmaal dacht hij aan de Egyptische, zoo geheel anders dan Esther, -zoo uitdagend, zoo geestig, zoo schoon, zoo betooverend. Hij bracht het -handje naar zijne lippen en liet het toen weder los. - ---Gij zult eene tweede Tirza voor mij zijn, Esther. - ---Wie is Tirza? - ---Het zusje, dat de Romein mij ontstal, en dat ik zoeken en vinden moet, -voordat ik aan rust of geluk kan denken. - -Op dat oogenblik viel een lichtstraal schuin over het terras. Zich -omkeerende zagen zij, dat een bediende Simonides in zijn rolstoel naar -buiten bracht. Zij voegden zich bij hem, en lieten het spreken -grootendeels aan hem over. - -Intusschen lichtte de galei het anker en zette onder het gejubel van -vroolijke matrozen koers naar de zee. De teerling was geworpen. Ben-Hur -had zich verbonden aan de zaak van den koning, die te komen stond. - - - * * * * * - - -TIENDE HOOFDSTUK. - -HET PROGRAMMA. - - -Daags voor de spelen werden Ilderims paarden en wagens naar de stad -gebracht en dicht bij den circus gestald. Maar daar bleef het niet bij. -De tenten werden afgebroken, paarden en kameelen gezadeld en bepakt, en -toen verliet de gansche karavaan, het vee voor zich uitdrijvende, het -schaduwrijke plekje in het Palmbosch. Werd Ilderim, zooals hij vermoedde, -bespied, wat nood? Weldra zou alles, wat hij aan waarde met zich had -genomen, op weg naar de woestijn zijn, buiten bereik van wien ook. - -Noch hij noch Ben-Hur overschatten den invloed van Messala. Zij waren -van oordeel, dat hij eerst na afloop van den wedren tegen hen zou -optreden. Delfde hij het onderspit, en wel door toedoen van Ben-Hur, dan -konden zij zich op het ergste voorbereiden. Waarschijnlijk zou hij dan -niet eens den raad van Gratus afwachten. - -Met het oog hierop hadden zij hunne plannen gemaakt, en alles voorbereid -tot een overhaast vertrek. - -Welgemoed reden zij naast elkander voort, vol vertrouwen op den dag van -morgen. Onderweg kwamen zij Malluch tegen. De brave man verraadde door -woord noch blik, dat hij de verhouding van den jongen man tot Simonides -kende of van hun verbond kennis droeg. Hij groette als naar gewoonte, en -reikte den Sheik een papier over, zeggende: Hier heb ik het programma -van de spelen. Het is zooeven uitgekomen. Gij zult uwe paarden -aangekondigd zien voor den wedren, ook de volgorde van de -vermakelijkheden. - -Terwijl de Sheik het papier inzag, zeide Malluch tot Ben-Hur: Ik wensch -u geluk, zoon van Arrius. Morgen zult ge met Messala in het strijdperk -treden. Aan alle verplichtingen is voldaan. De ondernemer heeft het mij -zelf gezegd. - ---Heb dank, Malluch, zeide Ben-Hur. - ---Uwe kleur is wit, vervolgde de ander. Die van Messala rood en goud. -Het is reeds overal bekend, want de jongens op straat bieden al lintjes -en strikjes te koop aan. Morgen zal iedere Arabier en iedere Jood met -wit versierd zijn. In den circus zult gij zien dat wit en rood met goud, -gelijkelijk op de galerijen gedragen worden. - ---Op de galerijen, ja--maar niet op de tribune tegenover de Porta -Pompae. - ---Neen, daar zal rood met goud overheerschend zijn. Maar als wij -winnen,--Malluch lachte smakelijk bij die gedachte,--hoe zullen die -heertjes dan sidderen. Zij gaan natuurlijk aan 't wedden. In hunne -minachting voor alles wat niet Romeinsch is zullen zij twee, drie, vijf -zetten tegen een op Messala. Het past eigenlijk niet voor een Jood van -goeden naam zijn geld er aan te wagen; maar ik wil u in vertrouwen -zeggen, dat ik een vriend achter den zetel van den consul plaatsen zal, -om weddenschappen aan te nemen van drie, vijf, of tien tegen een, hoe -hoog zij ook in hunne verdwaasdheid mochten willen gaan. Ik heb hem tot -dat doel een wissel van 6000 sikkel gegeven. - ---Neen, Malluch, een Romein wedt alleen met Romeinsch geld. Zoek uw -vriend nog van avond op en stel zooveel sestertien tot zijne -beschikking, als gij noodig oordeelt. En, Malluch, zeg hem vooral dat -hij weddenschappen moet zien aan te gaan met Messala en diens vrienden, -Ilderims vierspan tegen dat van Messala. - -Malluch dacht even na. - ---Dat zal de aandacht van allen op u vestigen. - ---Dat is juist wat ik verlang. - ---Ik begrijp het, jawel! - ---Als gij mij een genoegen wilt doen, Malluch, tracht dan het publiek -opmerkzaam te maken op den wedstrijd tusschen Messala en mij. - ---Daar zie ik wel kans toe, antwoordde Malluch. Ik zal buitengewoon -hooge sommen inzetten. Worden zij aangenomen, zooveel te beter. - -Malluch zag Ben-Hur onderzoekend aan, terwijl deze half tot zichzelven -zeide: Zou ik mij niet schadeloos stellen voor den aan mij gepleegden -roof? Zulk een gelegenheid komt misschien nooit meer terug. En als ik -niet alleen zijn trots fnuikte, maar hem daarenboven geheel te gronde -kon richten, dan ...! Onze vader Jakob zou daar niets tegen kunnen -hebben. Ja, het moet. Luister, Malluch. Bepaal u niet tot sestertien. -Jaag hen op tot talenten. Als zij durven vijf, tien, twintig talenten, -desnoods vijftig, als gij met Messala zelf kunt laten wedden. - ---Dat zijn verbazende sommen. Dan zou ik borg moeten kunnen stellen. - ---Goed. Ga naar Simonides en vraag hem die zaak voor mij in orde te -brengen. Zeg hem, dat ik er mijn hart op gezet heb mijn vijand te -vernietigen, en dat zich nooit betere gelegenheid kan voordoen. De God -onzer vaderen zij met ons! Ga, beste Malluch. Laat de gelegenheid u niet -ontsnappen. - -Vol vuur wilde Malluch zich verwijderen, maar bedacht zich intijds en -zeide: Nog iets, heer. Ik kon niet dicht genoeg bij Messala's wagen -komen, daarom heeft iemand anders de maat voor mij genomen. Hij zeide, -dat de as een handbreed hooger van den grond was dan de uwe. - ---Een handbreed! Zooveel? riep de jonkman vroolijk en fluisterde toen -Malluch in het oor: Daar gij een zoon van Juda zijt en trouw voor uwen -stamgenoot, moet gij zorgen, dat gij een plaats krijgt vooraan op de -galerij tegenover den triomfboog. Let dan maar goed op telkens als wij -daar den draai maken. Let goed op, want als het geluk mij dient zal -ik ... maar neen, ik zeg verder niets. Zorg maar dat gij daar komt te -zitten. - -Op dat oogenblik uitte Ilderim een kreet van verbazing. - ---Ha! Wat is dat! Lees! riep hij tot Ben-Hur. - -Deze nam het blad, dat, door den prefect der provincie onderteekend, -zooveel was als ons hedendaagsch programma, en uitvoerig de -verschillende vermakelijkheden beschreef. Eerst zou een luisterrijke -optocht gehouden worden, gevolgd door de gewone eerbewijzen aan den god -Consus, daarna wedloopen, springen, worstelen, boksen. De namen der -deelnemers met opgave van nationaliteit en leerschool waren alle -aangegeven, benevens hunne vroegere overwinningen. Dit gedeelte van het -programma zag Ben-Hur vluchtig door; maar toen hij aan de beschrijving -van den wedren kwam las hij die bedaard en rustig. Zij begon met de -mededeeling, dat de liefhebbers een zeldzaam genot wachtte, vermeldde -daarna, dat de prijs zou bestaan uit 100,000 sestertien en een -lauwerkrans, en ging toen tot bijzonderheden over. Zes vierspannen waren -ingeschreven, die, om den strijd te belangwekkender te maken, alle te -gelijk zouden afrijden. Daarop volgde eene beschrijving van de -vierspannen. - -I. Een vierspan van Lysippus den Corinthier--twee schimmels, een vos en -een bles. Verleden jaar te Alexandrie en te Corinthe den prijs behaald. -Menner: Lysippus. Kleur: geel. - -II. Een vierspan van Messala den Romein--twee witte, twee zwarte. -Verleden jaar prijswinners bij de Circensische spelen in den Circus -Maximus. Menner: Messala. Kleur: rood en goud. - -III. Een vierspan van Cleanthes den Athener--drie schimmels, een vos. -Verleden jaar prijswinners bij de Istmische spelen. Menner: Cleanthes. -Kleur: groen. - -IV. Een vierspan van Dicaeus den Byzantijner--twee zwarte, een schimmel, -een vos. Prijswinners te Byzantium. Menner: Dicaeus. Kleur: zwart. - -V. Een vierspan van Admetus den Sidonier--alle schimmels. Driemaal -prijswinners te Cesarea. Menner: Admetus. Kleur: blauw. - -IV. Een vierspan van Ilderim, Sheik der woestijn--alle vier vossen, -eerste renners. Menner: Ben-Hur, een Jood. Kleur: wit. - -Menner: Ben-Hur, een Jood! - -Waarom dien naam opgegeven in plaats van Arrius? - -Ben-Hur zag den Sheik vragend aan. Nu begreep hij de reden van Ilderims -uitroep. Beiden kwamen tot dezelfde slotsom: dat had Messala gedaan! - - - * * * * * - - -ELFDE HOOFDSTUK. - -DE WEDDENSCHAPPEN. - - -Den avond voor de feesten heerschte in Antiochie groote drukte. Een -dichte menschenmassa bewoog zich door de straten, voornamelijk langs de -Kolonnade van Herodes. Men kon zich dan ook moeilijk iets denken, dat -meer geschikt was om wandelaars te lokken, dan die breede overdekte -paden, met hunne sierlijke marmeren bogen. Overal brandde licht, overal -heerschte vroolijkheid: gezang, gelach, gedruisch van stemmen. - -Schier alle nationaliteiten waren vertegenwoordigd in hunne verschillende -kleederdrachten, hetgeen niet weinig bijbracht tot verlevendiging van het -tooneel. - -Eene bijzonderheid zou onze aandacht zeker getrokken hebben, en wel dat -bijna iedereen de kleur van een der zes menners droeg, hetzij in de vorm -van een sjerp of rozet, of een veer op de muts. Men behoefde niet lang -rond te zien om te bemerken, dat drie kleuren den boventoon voerden: -groen, wit, en rood met goud. - -Wij willen ons thans niet buiten ophouden, maar een kijkje nemen in het -paleis op het eiland. - -De vijf groote kroonlichten branden. Het gezelschap, dat wij in de zaal -vinden, in nagenoeg hetzelfde als dat, waarmede wij den vorige keer -kennis maakten. Op den divan liggen ook nu slapers en mantels, en op de -tafels rollen weder de dobbelsteenen. Het meerendeel der aanwezigen doet -echter niets. Men wandelt op en neer, men gaapt, men zegt nietsbeteekende -aardigheden. Eigenlijk vervelen zij zich. Hun voornaamste werk is gedaan, -zij hebben hun tafeltjes volgeschreven met weddenschappen op het -hardloopen, het worstelen, het boksen, op alles, behalve op den wedren, -en wel om de eenvoudige reden, dat niemand een enkelen denarie met hen -verwedden wil tegen Messala. - -Allen dragen zijne kleuren. Dat hij de nederlaag zou kunnen lijden wordt -niet mogelijk geacht. Hij heeft immers de beste school doorgemaakt! -Zijne paarden hebben den prijs behaald in den Circus Maximus! En, -bovenal, hij is immers een Romein! - -Messala zelf zit gemakkelijk in een hoek van den divan, het middelpunt -van een groep bewonderende vrienden. Zij hebben het natuurlijk druk over -den dag van morgen. - -Daar komen Drusus en Cecilius binnen. De eerste valt naast Messala op -den divan, met den uitroep: Bij Bacchus, ik ben moe! - ---Waar zijt gij geweest? vraagde Messala. - ---Overal. Wat een menigte menschen is er op de been! Het zal morgen in -den circus ongenaakbaar zijn. - ---Hebt gij ook iets bijzonders gezien? - ---Neen. - ---Zoo? zeide Cecilius. Gij vergeet dien optocht van Witten. - -'t Is waar ook. Wij kwamen een langen stoet Witten tegen met een banier. -Maar ... hahaha! - ---Ga voort, zeide Messala. Wat verder? - ---Och, 't was een partijtje Arabieren, en wat Joden uit Jeruzalem. Dat -was alles. - ---Neen, Messala, zeide Cecilius. Drusus is bang om uitgelachen te -worden, maar ik niet alzoo. - ---Welnu, spreek gij dan. - ---Wel, wij hielden den troep staande, en-- - ---En vraagden of zij een weddenschap met ons wilden aangaan, viel Drusus -zijn vriend lachend in de rede. Een jongen stapte naar voren, en zei ja. -Ik nam mijn tafeltje en zeide: Op wien woudt gij wedden? Op Ben-Hur, den -Jood, antwoordde hij. Toen zeide ik: Om hoeveel zullen wij wedden? Hij -antwoordde ... hahaha! O, Messala, ik moest zoo lachen, 't was zoo gek, -hahaha! - -Messala keek Cecilius vragend aan, en deze zeide: een sikkel;--welke -mededeeling een luid en algemeen gelach veroorzaakte. - ---En wat deed Drusus? vraagde Messala. - ---Natuurlijk bedankte hij voor de eer. - -Bij de deur ontstond eenig rumoer, dat al sterker en sterker werd en -zelfs Cecilius deed opstaan, om te gaan zien wat de reden kon zijn. -Luide kreten van: Een witte! een witte! klonken hem tegen. - -Hierheen, hierheen! riepen sommigen. - -De spelers verlieten hun spel, de slapers ontwaakten, wreven zich de -oogen uit, haalden hunne tafeltjes voor den dag en naderden den kring, -die zich om den vreemdeling gevormd had. - ---Ik bied u.... - -En ik.... - ---Ik ... schreeuwden zij door elkander. - -De persoon, die zoo stormachtig begroet werd, was niemand anders, dan de -Jood van Cyprus, door wien Ben-Hur allereerst van Simonides gehoord had. -Hij was in het wit gekleed, en trad beleefd groetend vooruit. Langzaam -en statig ging hij naar de middeltafel, zette zich neder en wuifde met -de hand. Een kostbaar juweel aan zijnen vinger bracht niet weinig bij -tot het verkrijgen van de gewenschte stilte. - ---Romeinen, edele Romeinen, ik groet u, zeide hij. - ---Die is leuk! zeide Drusus. Wie is hij? - ---Een Jood--Sanballat heet hij, leverancier aan het leger, woont in -Rome, geducht rijk geworden door leveranciers, die hij nooit levert. Hij -zint altijd op kwaad, maar ditmaal zullen wij hem in zijn eigen strikken -vangen. - -Messala stond op, terwijl hij dit zeide, en voegde zich bij de anderen. - ---Ik hoorde op straat, zeide Sanballat, zijn tafeltje ter hand nemend, -dat men in het paleis ontevreden is, omdat niemand tegen Messala wil -wedden. Gij ziet mijne kleur. Ter zake dus. Wat biedt gij mij? Eerst -kansen, daarna de som. - -Zijne stoutmoedigheid overblufte de jonge Romeinen. - ---Kom, hernam hij, ik heb niet veel tijd. De consul wacht mij bij zich. - -Dat werkte. - ---Twee tegen een, riep een half dozijn stemmen. - ---Hoe nu? vraagde Sanballat verbaasd. Twee tegen een? En gij wedt op een -Romein? - ---Drie dan! - ---Niet meer dan drie? Een Romein tegen een Jood! Zeg vier! - ---'t Is goed, vier! riep een knaap, door dien spot getergd. - ---Vijf. Zeg vijf, liet Sanballat er onmiddellijk op volgen. - -Diepe stilte heerschte in de zaal. - ---De consul wacht op mij. Ik heb niet veel tijd meer. - -De stilte werd benauwend. - ---Zeg vijf. Voor de eer van Rome vijf. - ---'t Is goed, laat het vijf zijn, zeide Messala. - -Sanballat glimlachte en deed alsof hij wilde gaan schrijven. Als de -keizer morgen sterft, zeide hij, behoeft Rome niet verlegen te staan. -Hier is ten minste nog een, die moed bezit. Zeg zes! - ---Goed. Zes, antwoordde Messala, en werd met een stormachtig applaus -beloond. - ---Zes tegen een dus, herhaalde Messala. Zes tegen een. Het onderscheid -tusschen een Romein en een Jood. Schrijf het bedrag op. Maar vlug. De -consul mocht u laten roepen en dan was ik mijn winst kwijt. - -Sanballat liet hem lachen, schreef, en bood zijn tafeltje aan Messala. - ---Lees, lees! riepen zijne vrienden. - -Messala las met luide stem: - - Mem. Wedren met wagens. Messala van Rome wedt met Sanballat, - eveneens van Rome, dat hij Ben-Hur den Jood zal verslaan. Bedrag - der weddenschap: twintig talenten. Kansen: Zes tegen een. - - Getuigen: ............ - - Sanballat. - -Doodelijke stilte alom. Als aan den grond genageld stonden de -jongelieden. Messala staarde op het memorandum, de oogen van de anderen -rustten op hem. Hij voelde die blikken en overlegde wat te doen. Zoo -kort geleden nog had hij op deze zelfde plek den meester gespeeld over -zijne makkers. Weigerde hij te teekenen, dan was hij van zijn voetstuk -gevallen. Toch kon hij niet teekenen, want hij bezat geen honderd -talenten, nauwelijks een vijfde van die som. Alles schemerde hem voor de -oogen. Hij stond sprakeloos en werd doodsbleek. Daar viel hem iets in. - ---Gij Jood, zeide hij, zoudt gij twintig talenten bezitten? Bewijs! - -Een fijne glimlach speelde om Sanballats lippen. - ---Ziedaar! zeide hij en overhandigde Messala een blad papier. - -Weder las Messala met luide stem: - - Antiochie, den 16den Tammuz. - - Toonder dezes, Sanballat van Rome, heeft bij mij gedeponeerd vijftig - talenten, Romeinsch geld. - Simonides. - ---Vijftig talenten! Vijftig talenten! riepen de jongelieden verbaasd. - -Nu kwam Drusus zijn vriend te hulp. Bij Herkules! riep hij, dat blad -liegt, en de Jood liegt. Wie, behalve de keizer, heeft zoo op eens -vijftig talenten ter beschikking? Weg met den onbeschaamden Witte! - -Hij was driftig en stak ook de anderen aan. Sanballat bleef echter -bedaard, en glimlachte weder. Eindelijk zeide Messala: Stil! Een tegen -een, vrienden! Een tegen een, ter liefde van onzen ouden Romeinschen -naam. - -Met dat woord beheerschte hij weder den toestand. - ---Welaan, Jood, zeide hij tegen Sanballat, ik wedde zes tegen een, niet -waar? - ---Ja, antwoordde de ander bedaard. - ---Welnu, laat dan aan mij over het bedrag vast te stellen. - ---Goed; maar onder beding, dat de som niet te gering zij, antwoordde -Sanballat. - ---Schrijf dan vijf in plaats van twintig. - ---Kunt gij daarover beschikken? - ---Bij de moeder der Goden, ik zal u het bewijs geven. - ---Niet noodig. Het woord van zulk een dapper Romein is mij genoeg. Maar -maak het liever tot een even getal. Zeg zes, en ik zal schrijven. - ---Het zij zoo. - -Daarop verwisselden zij van tafeltjes. - -Sanballat stond op en zag rond. Uitdagende spot was op zijn gelaat te -lezen. Beter dan iemand wist hij wien hij voor zich had. - ---Romeinen, durft gij nog een weddenschap aan te gaan? Vijf talenten -tegen vijf, dat wit winnen zal. Ik daag u allen te zamen uit. - -Algemeene verbazing. - ---Wat? riep Sanballat luide. Moet morgen in den circus verteld worden, -dat een Jood in het paleis geweest is, waar de bloem der Romeinsche -edellieden verzameld was, en dat hij vijf talenten inzette, maar dat -niemand hem aandurfde? Dat is te erg. - ---Genoeg, onbeschaamde! riep Drusus. Schrijf de uitdaging op en leg ze -hier op tafel neer. Als morgen blijkt, dat gij werkelijk zooveel geld op -een verloren zaak kunt zetten, dan beloof ik, Drusus, u, dat ik de -weddenschap aanneem. - -Weder schreef Sanballat het vereischte stuk en zeide doodbedaard: -Ziehier, Drusus, ik laat het stuk in uwe handen. Als het geteekend is, -zend het mij dan, voordat de wedrennen beginnen. Ik heb een plaats vlak -bij den consul tegenover de Porta Pompae. Vrede zij u allen! - -Hij boog en vertrok, onverschillig voor de spotternijen, die zij hem ten -besluite deden hooren. - -Dienzelfden avond nog vloog het verhaal van de onzinnige weddenschap als -een loopende vuurtje door de stad. Ook Ben-Hur hoorde er van, met -bijvoeging, dat Messala's geheele fortuin op het spel stond. Hij had -zich met zijn vierspan ter rust begeven en nooit sliep hij beter dan -dien nacht. - - - * * * * * - - -TWAALFDE HOOFDSTUK. - -DE CIRCUS. - - -De circus te Antiochie stond op den zuidelijken oever der rivier, -tegenover het eiland, en was wat den vorm betreft als andere gebouwen -van die soort. De spelen waren in vollen zin des woords een geschenk aan -het volk, dat wil zeggen: iedereen had vrijen toegang. - -Lang voordat de deuren opengingen verzamelde zich in de naburige straten -een dichte menigte, want hoe groot en ruim het gebouw ook zijn mocht, -ieder wilde de eerste zijn, uit vrees dat hij geen plaats zou krijgen. - -Nauwelijks was de morgenschemering aangebroken, of de toegang werd -geopend en het volk stroomde naar binnen, om bezit te nemen van de voor -hem bestemde plaatsen. Zij hadden hun ontbijt bij zich en brachten de -uren, die nog verloopen moesten, voordat de spelen begonnen, slapende en -etende door. - -De meer aanzienlijken, die besproken plaatsen hadden, kwamen met de -eerste uren van den dag, en toen de zonnewijzer van de citadel de tweede -ure aangaf, daalde het garnizoen in volle wapenrusting en met vliegende -vanen van den berg Sulpius af. Toen de achterhoede over de brug verdween, -was Antiochie letterlijk leeggeloopen. - -Die geen plaats hadden kunnen krijgen in den circus hadden zich naar de -rivier begeven, om den consul, die in het eiland-paleis logeerde, in -zijn fraaie bark te zien landen. Toen de groote man aan wal stapte werd -hem door het legioen de militaire eer bewezen, waarna de stoet den -circus binnentrok. - -Met de derde ure kondigde trompetgeschal de opening van het feest aan. -Het rumoer verstomt. De oogen van meer dan honderdduizend menschen -vestigen zich in gespannen verwachting op een en hetzelfde punt, op de -Porta Pompae, waar de autoriteiten en kampspelers in feestelijken -optocht zullen binnenkomen. - -Daar zijn zij. Eerst de koorzangers en muzikanten, dan de prefect en -het stedelijk bestuur, in prachtgewaad en met kransen op het hoofd, -vervolgens de beelden der goden, sommige gedragen, andere in prachtig -versierde wagentjes, daarna de kampvechters, ieder in zijn bijzonder -kostuum. Langzaam gaat de processie voort. Het is een schoon en -indrukwekkend gezicht, en lokt een eindeloos gejubel uit. - -De ontvangst der athleten is bijzonder luidruchtig, want er is niemand -onder de toeschouwers, die niet op hen gewed heeft, al is het nog zoo -weinig. Men roept hen bij hunne namen, men werpt hun bloemen en kransen -toe. De vierspannen sluiten den optocht. De fiere rossen, de prachtige -wagens boeien aller oogen, de menners niet minder. Hunne fijne wollen -tunica's, kort en zonder mouwen, zijn van de hun toegewezen kleuren. Een -man te paard begeleidt iederen wagen, behalve dien van Ben-Hur. Deze had -om de eene of andere reden, misschien uit wantrouwen, voor die eer -bedankt. De andere menners dragen een helm, hij niet. - -De toeschouwers staan op van hunne zitplaatsen, men juicht, men jubelt, -en een regen van bloemen daalt neer op de paarden, de wagens, de menners. - -Alle aanwezigen, mannen, vrouwen en kinderen, dragen een strikje op de -borst, of in het haar, de kleur van een der menners, maar ofschoon alle -kleuren vertegenwoordigd zijn, voeren wit, en rood met goud, den -boventoon. De oorzaak hiervan is te zoeken in het nationaliteitsgevoel. -De buitenlieden: Syriers, Joden en Arabieren, hopen den Jood te zien -zegepralen. De burgers van Antiochie en de Romeinen rekenen er op den -Romein als overwinnaar uit het strijdperk te zien treden. De Grieken -zijn verdeeld tusschen den Corinthier en den Athener. De steden -Byzantium en Sidon zijn schaars vertegenwoordigd. - -Naarmate de stoet voorttrekt neemt de geestdrift toe. Messala! Messala! -Ben-Hur! Ben-Hur! weerklinkt het luider en luider, en toen men eindelijk -de arena door de Porta Pompea verliet, wist Ben-Hur dat zijn gebed -verhoord was. Het Oosten wachtte in spanning den uitslag af van zijn -strijd met Messala. - - - * * * * * - - -DERTIENDE HOOFDSTUK. - -DE AFRIT. - - -Te drie uur des namiddags volgens onze tijdrekening was het grootste -gedeelte van het programma afgeloopen. De wedren alleen moest nog -gehouden worden. Maar eerst zou er een pauze zijn, opdat de toeschouwers -zich wat zouden kunnen verfrisschen. De deuren werden geopend, de -meerderheid stroomde naar buiten, om zich in de nabijgelegen winkels van -het noodige te voorzien. Zij, die liever bleven zitten, praatten, -geeuwden, rekten zich uit, raadpleegden hunne tafeltjes, en bespraken -hun verlies of winst. - -Diegenen van de burgerij, welke om verschillende redenen verkozen hadden -alleen den wedren bij te wonen, maakten van de pauze gebruik, om zich -naar de voor hen besproken plaatsen te begeven. Door dit uur te kiezen -trokken zij het minst de aandacht en gaven niemand aanstoot. - -Tot deze klasse behoorden Simonides en zijn gezelschap, die hunne plaatsen -hadden bij den hoofdingang tegenover den consul. - -Toen vier bedienden den koopman in zijn stoel naar binnen droegen, staken -allen de hoofden bij elkander. Iemande noemde zijn naam, en weldra ging -hij van mond tot mond. Allen bogen zich over de leuning om den man te -zien, van wiens rijkdom en treurig lot verschillende praatjes in omloop -waren. Ook Ilderim werd door velen herkend en met warmte begroet; maar -niemand wist te zeggen wie Balthasar en de twee dicht gesluierde vrouwen -waren, die hen vergezelden. Toen zij gezeten waren zag de eene, Esther, -verlegen voor zich en trok haar sluier dichter voor 't gelaat; maar de -andere, Iras, liet hem afglijden, en keek vrijmoedig om zich heen. - -Een weinig later kwamen eenige werklieden en spanden een met wit krijt -bestreken touw dwars over de arena, voor den eersten eindpaal. Terwijl -zij daar nog mee bezig waren, traden zes mannen door de Porta Pompae -binnen en stelden zich voor de zes stallen. Nu ontstond een algemeen -fluisteren en wijzen. - ---Kijk, de groene gaat naar nummer vier, daar is dus de Athener. - ---En Messala is in nummer twee. - ---De Corinthier ...! - ---O, zie eens naar de witte! Kijk, hij gaat naar nummer een. - ---Neen, daar blijft de zwarte staan, de witte moet naar nummer twee. - ---O ja, gij hebt gelijk. - -Deze deurwachters droegen tunica's van de kleuren der mededingende -menners; zoodat, toen zij hunne plaatsen innamen, iedereen wist in -welken stal zijn uitverkoren held het sein tot den afrit verbeidde. - ---Hebt gij Messala wel eens gezien? vraagde Iras aan Esther. - ---Neen, antwoordde zij, en huiverde op het hooren van dien gevreesden -naam. - ---Hij is schoon als Apollo, hernam Iras. - ---Zou hij dan zooveel schooner zijn dan Ben-Hur, dacht Esther. - -Een oogenblik later hoorde zij Ilderim tot haren vader zeggen: Ja, zijn -stal is nummer twee, links van de Porta Pompae,--en begrijpende, dat zij -over den jongen meester spraken, keek zij naar dien kant. Ook slechts -even, toen hulde zij zich nog dichter in haar sluier, en zond een innig -smeekgebed tot God omhoog. - -Nu voegde Sanballat zich bij hen. - ---Sheik, zeide hij, ik ben even in den stal geweest. De paardjes bevinden -zich in den besten welstand. - -Ilderims oogen glinsterden van voldoening, maar hij antwoordde bedaard: -Mochten zij het onderspit delven, dan hoop ik dat dit voor een ander dan -Messala zal zijn. - ---Zie, zeide Sanballat, zich tot Simonides wendende, hier is iets dat u -belang zal inboezemen. Ik deelde u reeds mede, dat ik gisteren een -weddenschap met Messala heb aangegaan, en het aanbod tot een tweede -achterliet, die mij, zoo het aangenomen werd, hedenmorgen moest bezorgd -worden. Hier is zij,... en dit zeggende overhandigde hij Simonides een -tafeltje. - -Simonides nam het en las het memorandum met aandacht. - ---In orde, zeide hij. Van morgen lieten zij mij vragen, of het waar was, -dat gij over zooveel geld te beschikken hadt. Bewaar het tafeltje goed. -Verliest gij, welnu, gij weet waar gij u vervoegen kunt. Wint gij--O -mijn vriend! als gij wint, pas dan op. Laat niet toe, dat zij u -ontsnappen. Dwing hen u tot den laatsten penning te betalen. Zij zouden -het ons ook doen. - ---Verlaat u op mij, antwoordde Sanballat. - ---Wilt gij niet bij ons komen zitten? vraagde Simonides. - ---'t Is heel vriendelijk van u, maar als ik niet bij den consul blijf -wordt jong Rome te overmoedig. - -De pauze was afgeloopen. Trompetgeschal riep de afwezigen naar hunne -plaatsen terug. Tegelijkertijd verschenen eenige bedienden in de arena, -klommen op den scheidsmuur, gingen naar een uitstekje bij den tweeden -paal aan het westeinde en legden er zes houten ballen op. Vervolgens -keerden zij terug naar den eersten paal en legden op een dergelijk -uitstekje zes houten dolfijnen. - ---Wat beteekenen die ballen en die visschen, Sheik? vraagde Balthasar. - ---Hebt gij nog nooit een wedren bijgewoond? - ---Neen, dit is de eerste maal. - ---Wel, daar telt men mede. Na iederen rondgang wordt een bal en een -visch weggenomen. - -De voorbereidingen waren afgeloopen. Een trompetter stond gereed om op -het bevel van den prefect het signaal te blazen. Het gejoel en gepraat -verstomde. In gespannen verwachting keerden alle hoofden zich naar de -nog gesloten stallen, waar de zes mededingers wachtten. - -De ongewone kleur op het gelaat van Simonides toonde duidelijk, dat hij -alles behalve kalm was, terwijl Ilderim onrustig in zijn baard woelde. - ---Let nu op den Romein, zeide Iras tot Esther, die met een kloppend hart -naar Ben-Hur uitzag. - -Een kort schril trompetgeschal, en de zes opzichters traden naar voren -om, zoo de paarden wild mochten zijn, hulp te kunnen verleenen. Weer -werd de trompet geblazen, en tegelijkertijd werden de deuren der stallen -opengeworpen. - -Eerst verschenen de bereden begeleiders der mededingers, vijf in getal, -want Ben-Hur had zooals wij weten voor die eer bedankt. Het witte touw -werd neergelaten om hen te laten voorbijgaan, daarna weer omhoog -gehaald. De vijf ruiters waren prachtig uitgedost, maar bijna niemand -lette op hen. De open stallen hielden aller aandacht geboeid. - -Het touw werd nogmaals neergelaten, en als een stormwind vlogen de zes -vierspannen naar buiten. De onafzienbare menschenmassa verrees van hare -zitplaatsen en deed de lucht weergalmen van haar gejuich. Dit was het -oogenblik, waar zij zoo geduldig op gewacht hadden, waar zij dagen lang -over gesproken hadden. - ---Daar is hij! riep Iras en wees op Messala. - ---Ik zie hem, antwoordde Esther, maar haar blik volgde Ben-Hur. Zij had -haar sluier weggeslagen en begreep op dat oogenblik hoe men, onder het -bewonderend oog der menigte, zelfs den dood onvervaard leert trotseeren. - -De deelnemers waren thans voor alle toeschouwers goed te zien, maar toch -was de wedren nog niet begonnen. Eerst moesten zij het witte touw veilig -achter zich hebben. - -De lijn was gespannen om den afrit volkomen gelijktijdig te doen plaats -vinden. Om er niet door tegengehouden te worden, en zoodoende reeds bij -het begin tot de achterblijvers te behooren, moesten zij er zijn, juist -op het oogenblik, dat de lijn viel. Maar dan nog was de groote vraag, -wie op de baan aan de binnenzijde naast den scheidsmuur kwam. Dat was -het doelwit van aller streven. De gelukkige, die zich deze plaats wist -te veroveren, had van den beginne iets voor boven de anderen. - -Dat streven, de daaraan verbonden gevaren en gevolgen waren bij de -toeschouwers zeer goed bekend, en daarom wachtten allen dan ook ademloos -op den uitslag. - -De arena baadde in licht, maar de menners lieten zich niet verblinden. -Strak was hun oog gevestigd op het touw en op den begeerden binnenkant. - -Zoo renden dan alle zes in pijlsnelle vaart naar een en hetzelfde punt -en scheen een botsing onvermijdelijk. - -De tot aan het touw af te leggen baan was ongeveer tweehonderdvijftig -voet lang. Hier werden een scherp oog, een vaste hand, een kalme geest -vereischt. Een blik ter zijde en het was gedaan. - -De mededingers naderden het touw gelijktijdig. Daar werd het signaal -geblazen, het touw viel neer en geen minuut te vroeg, want reeds sloeg, -toen het viel, de hoef van een van Messala's paarden er tegen. Volstrekt -niet verschrikt vierde de Romein de teugels en met een luiden jubelkreet -nam hij de veelbegeerde baan naast den muur in bezit. - ---Jupiter met ons! Jupiter met ons! schreeuwden de Romeinen, buiten -zichzelven van vreugde. - -Toen Messala inreed greep de bronzen leeuwenkop aan het einde van zijne -as den voorpoot van het bijdehandsche paard des Atheners, zoodat het -tegen zijnen buurman viel. Beide wankelden, steigerden en versperden -daardoor den weg. De duizenden hielden ontzet den adem in, alleen van de -tribune, waar de consul zat, herhaalde zich het vreugdegejuich. - ---Jupiter met ons! riep Drusus zoo hard hij kon. - ---Hij wint, hij wint! Jupiter met ons! schreeuwden zijne makkers, toen -zij Messala vooruit zagen schieten. - -De zoo ongelukkig opgehouden Athener had nu alleen nog den Corinthier -aan zijne rechterhand en wilde zijn vierspan daarheen sturen, maar het -ongeluk vervolgde hem. Het wiel van den Byzantijner, die ter linkerzijde -reed, trof het achterste rad van zijn wagen, zoodat hij kantelde. Een -luid gekraak, een kreet van woede en smart, en daar lag de arme -Cleanthes onder de hoeven zijner eigene paarden! 't Was een -ijzingwekkend schouwspel. Esther bedekte zich het gelaat met de handen. - -Voort vlogen de Corinthier, de Byzantijner, de Sidonier. Sanballat zag -naar Ben-Hur en wendde zich toen tot Drusus en zijne vrienden. - ---Honderd sestertien op den Jood! riep hij. - ---Aangenomen! antwoordde Drusus. - ---Nog eens honderd sestertien op den Jood! riep Sanballat weder. - -Niemand scheen hem te hooren. Zij hadden al hunne aandacht noodig voor -hetgeen in de renbaan gebeurde en riepen tot heesch wordens toe: -Messala! Messala! Jupiter met ons! - -Toen Esther zich vermande om weer op te zien, waren eenige mannen bezig -met het wegvoeren van de paarden en het gebroken wagentje. Andere -droegen den gewonde uit de arena, terwijl de aanwezige Grieken zich luid -beklaagden en om wraak riepen. Daar zag Esther op eenmaal Ben-Hur met -den Romein samen op een lijn. Hen volgden op den voet de drie overigen: -de Sidonier, de Corinthier, en de Byzantijner. De wedren was in vollen -gang. De duizenden hingen in gespannen verwachting over de balustrades. - - - * * * * * - - -VEERTIENDE HOOFDSTUK. - - -DE WEDREN. - - -Zooals wij gezien hebben was Ben-Hur, bij het begin van den strijd om de -plaatsen, aan de buitenzijde. Was hij voor een oogenblik als de anderen -half verblind door het schelle licht, het gelukte hem toch zijn -tegenstander te herkennen. Beiden waren met dezelfde gevoelens bezield, -beiden waren vastbesloten om den prijs te winnen. Beiden zouden zij zich -tot het uiterste inspannen om elkander te vernederen. Toch was het geen -blinde hartstocht, die het bloed van den Jood in beweging bracht. Hij -had een vast plan, en vertrouwend op zijn goed recht en vaste hand zette -hij zich tot taak, nooit beter daartoe gestemd dan nu. Met groote -behendigheid wist hij bij Cleanthes' val het dreigend gevaar te ontkomen, -en door een prachtige zwenking naast Messala te komen, zij het ook aan de -buitenzijde. - -Dat kunststuk was de scherpe blikken der toeschouwers niet ontgaan, en -de circus daverde van het herhaalde applaus. Toen vouwde Esther de -handen in dankbare verrukking. Sanballat bood, maar tevergeefs, trotsch -glimlachend opnieuw honderd sestertien aan, en de Romeinen vreesden -reeds dat Messala zijn gelijke, misschien wel zijn meester gevonden had! - -Zoo naast elkander voortrennend naderden die beiden den tweeden paal. -Hier was een kromming in de baan, en dien draai naar de eischen der -kunst te maken was een punt van eer voor de menners. De belangstelling -van het publiek was zoo groot, dat overal in den circus de diepste -stilte heerschte, en men voor het eerst een geratel der wagentjes -duidelijk hoorde. Nu scheen Messala op eens Ben-Hur te herkennen, en -terstond openbaarde zich de onbeschaamdheid van den Romein op ongehoorde -wijze. - ---Weg met Eros! Leve Mars! riep hij luide, zijn lange zweep zwaaiend. -Eros! Mars! herhaalde hij, en bracht Ben-Hurs fiere paarden een slag -toe, zooals zij nog nooit gevoeld hadden. - -Allen hadden het gezien. De verbazing was algemeen. De stilte werd -hoorbaar. Op de tribune van den consul hield zelfs de overmoedigste den -adem in, wachtend op hetgeen volgen zou. Slechts een oogenblik ... toen -barstte een storm van verwijten los. - -Het vierspan was verschrikt vooruitgesprongen. Niemand had ooit anders -dan in liefde de hand op hen gelegd,... wat konden de fijngevoelige -dieren onder zulk een onwaardige behandeling anders doen dan vluchten, -alsof de dood hen op de hielen zat? - -Ondervinding is de beste leermeesteres. Dat bleek ook nu. Vanwaar had -Ben-Hur zijn gespierde hand, zijn machtigen greep, die hem nu zoo goed -te stade kwamen? Had hij die niet te danken aan de roeispaan, waarmede -hij drie lange jaren de golven had doorsneden? En wat beteekende het -geweldige schokken van den wagen voor hem, die op de schuimende baren -gezwalkt had, nu eens hemelhoog opgeheven, dan weder neergesmakt in de -diepte? - -Onbeweeglijk bleef hij stand houden, gaf het vierspan den teugel, sprak -hen bemoedigend toe, en trachtte hen voorzichtig den gevaarlijken draai -te doen nemen. Voordat het volk van zijne verontwaardiging bekomen was, -was hij zijne paarden weer volkomen meester. Dat niet alleen. Bij den -eersten paal was hij Messala opnieuw ter zijde gekomen en had zich de -bewondering en genegenheid van alle niet-Romeinen veroverd. Zoo -duidelijk gaven zij lucht aan deze gevoelens, zoo heftig hadden zij -hunne afkeuring getoond, dat Messala, hoe onbeschaamd ook, zich wel -wachtte zijn euveldaad te herhalen. - -Toen de wagens om den paal zwenkten zag Esther, dat Ben-Hur wat bleeker -was dan voorheen, maar overigens kalm en bedaard. - -Zoodra de eerste rondtoer volbracht was klom een man op het uitstek aan -het westeinde en nam een van de houten ballen af. Datzelfde geschiedde -aan den overkant met de dolfijnen. - -Voort renden de twee, en op gelijke wijze verdwenen de tweede bal en de -tweede dolfijn. Toen de derde. Driemaal waren zij dus rond geweest. -Messala had zijn plaats aan den binnenkant nog steeds kunnen behouden, -nog vloog de Jood naast hem voort, nog volgden de drie anderen als te -voren. Het scheen een van die dubbelwedrennen te zijn, die later in Rome -zoo geliefd waren--Messala en Ben-Hur in den eersten, de Corinthier, -Sidonier en Byzantijner in den tweeden. - -Bij den vijfden rondgang gelukte het den Sidonier Ben-Hur op zijde te -komen, doch slechts voor een oogenblik. De zesde rondgang begon in de -gewone orde. Langzamerhand was de snelheid toegenomen. Menners en -paarden gevoelden dat de eindbeslissing naderde. - -Hadden van den aanvang de Romein en de Jood het meest de belangstelling -gaande gemaakt, thans begon men voor den laatste te vreezen. - ---Honderd sestertien op den Jood! riep Sanballat tegen de jonge -Romeinen, maar hij kreeg geen antwoord. - ---Een talent, vijf talenten, tien talenten, zooveel gij wilt! riep -Sanballat uittartend. - ---Kom maar hier, zeide een Romeinsche jonkman. - ---Doe het niet, waarschuwde een vriend. - ---Waarom niet? - ---Omdat Messala zijn grootste snelheid heeft bereikt. Zie hoe hij over -den rand van zijn wagen buigt en de teugels viert. En let dan eens op -den Jood. Ik vertrouw het niet. - ---Bij Herkules! antwoordde de ander droevig, als de goden onzen Messala -niet bijstaan zal de Jood winnen. Maar neen, nog niet! Jupiter met ons! - -Die kreet werd door de andere Romeinen overgenomen, totdat de lucht er -van daverde. - -Als het waar was dat Messala zijn uiterste snelheid bereikt had, een -voordeel had hij behaald, dat was zeker. Hij was Ben-Hur vooruit -gekomen. Zijne paarden hielden de koppen gebogen, van de tribune gezien -schenen zij met den buik den grond te raken, hunne neusgaten waren -bloedrood, hunne oogen sprongen bijna uit de kassen. Ja, de dieren deden -hun best. Hoelang zouden zij het kunnen volhouden? Zij waren eerst aan -het begin van den zesden rondgang. - -Voort vlogen zij. Toen zij den tweeden paal naderden stuurde Ben-Hur -zijn wagen vlak achter dien van Messala. De vreugde der Romeinen kende -geen mate. Zij schreeuwden, zij schaterden, zij wuifden met hunne -roodgouden sjerpen. Sanballat had druk werk om hunne weddenschappen op -te schrijven. - -Malluch, die op de galerij tegenover den Triomfboog zat, begon ongerust -te worden. De wenk, hem door Ben-Hur gegeven, om vooral te letten op de -zwenking bij de westelijke pilaren, was hem in het hoofd blijven hangen, -en daar had hij luchtkasteelen op gebouwd. Dit was de laatste rondgang -en nog was er niets gebeurd! Nog steeds volgde Ben-Hur den Romein op den -voet. - -Het gezelschap van Simonides zat doodstil, alleen Iras scheen vroolijk -en opgewekt te zijn. - -Zoo naderden de twee den eersten paal. Messala, bevreesd om zijn eigen -plaats te verliezen, ging bijna rakelings langs den muur, op gevaar af -van zijn wagen te pletter te slaan. - -Toen zij de kromming omgereden hadden was slechts een wagenspoor te -zien, zoo juist had de Jood den Romein gevolgd. - -Esther merkte op dat Ben-Hurs gelaat nog bleeker was dan straks, en -Simonides zeide tot Ilderim: Ik zou mij zeer moeten vergissen, goede -Sheik, als onze jonge vriend niet iets in het schild voert. Ik zie het -aan zijn gezicht;--en Ilderim antwoordde: Zaagt gij hoe frisch mijn -paarden er uitzien? Alsof zij pas van stal komen! Het echte rennen moet -nog beginnen! Maar nu opgelet! - -Nog een dolfijn, nog een bal stonden op de uitstekken. Het begin van het -einde was daar. - -De Sidonier beproefde met een laatste krachtsinspanning vooruit te -komen. De poging mislukte. De Byzantijner en de Corinthier probeerden -hetzelfde, maar slaagden evenmin; zoodat zij feitelijk afgedaan hadden. - -Alle toeschouwers, met uitzondering van de Romeinen, hoopten op Ben-Hur -en schreeuwden hem toe: Vooruit, Jood, geef den Arabieren den vrijen -teugel! Haal den binnenkant! Nu of nooit! Den binnenkant! Den -binnenkant! - -Zoo riepen zij hem van alle kanten toe en hingen over de balustrades en -staken smeekend de armen uit. - -Verstond hij hen niet, of kon hij niet sneller rijden? Reeds naderden -zij den tweeden paal en nog was hij in de achterhoede. - -Om den laatsten draai te maken begon Messala de teugels van de linkse -paarden aan te halen, hetgeen natuurlijk hun vaart een weinig -verminderde. Hij was vol moed. Aan meer dan een altaar had hij geloften -gedaan. Rome zou ook nu zegevieren. Slechts zeshonderd voet tusschen hem -en roem, rijkdom, bevordering, bevrediging van wraakgevoel! - -Op dat oogenblik zag Malluch van de galerij hoe Ben-Hur zich voorover -boog en de teugels vierde. Hij klapte met zijn lange zweep, en klapte -nogmaals en nogmaals. Hoewel hij de verschrikte dieren niet raakte was -in dat geluid toch iets, dat hen vooruit deed springen en voortvliegen -als een pijl uit den boog. Met een sprong waren zij den Romein op zijde. - -Messala, juist genaderd aan het gevaarlijke punt, hoorde iets verdachts, -maar durfde het hoofd niet omdraaien ten einde te zien wat Ben-Hur in -den zin had. Het roepen en schreeuwen van het volk maakte hem niet -wijzer. Boven alles uit hoorde hij eene stem vlak naast zich, en dat was -de stem van Ben-Hur. In het Arameesch, de taal van den Sheik, riep hij -zijne Arabieren toe: Voorwaarts Rigel! Vooruit Atair! Hoe nu, Antares! -Blijft gij achter? Oho, Aldabaran! Vlugste van allen! Ik hoor het gezang -in de tenten! Ik hoor de kinderen zingen van Rigel, Atair, en Antares, -van Aldebaran en van de victorie! en het jubelen neemt geen einde.--Goed -zoo! Morgen huiswaarts ... naar de zwarte tent ... ons thuis! Voorts -Antares! de meester wacht u!... Het is geschied! Haha! Haha! De -trotschaard is gevallen. Hij, die ons griefde, ligt in 't stof! Ons de -glorie! Ons de roem! Gedaan het werk--soho! halt! ho! - -Snel en eenvoudig was alles in zijn werk gegaan, Messala had bijna den -draai om den eindpaal volbracht, toen Ben-Hur met zeldzame vaardigheid -zijn kunststuk volbracht. - -Om den Romein voorbij te komen moest hij de baan oversteken en wel in de -kortst mogelijke lijn. Het publiek begreep zijn voornemen. Zij zagen hem -het teeken geven, en waren getuigen van het gevolg: de vier vlak naast -Messala's buitenste wiel ... Ben-Hurs binnenwiel, die het pakte ... een -luid gekraak, zoo luid dat allen in den circus het hoorden en er van -ontstelden ... en de wagen van den Romein lag omver, geheel vernield. -Messala, in de teugels verward, lag er onder. - -Het akelig tooneel werd nog ontzettender, doordat de Sidonier zijne -paarden niet op eens kon inhouden. In volle vaart reden zij over de -rampzaligen Messala en zijn wagen heen, op het steigerende slaande -vierspan in. Alsof er niets gebeurd was zette Ben-Hur in razende vaart -zijn tocht voort, gevolgd door den Corinthier en den Byzantijner. - -Alles stond op, sprong op de banken, en schreeuwde en juichte. -Intusschen lag Messala nog steeds onder de hoeven der spartelende -paarden, onder den gebroken wagen. Hij lag zoo stil, dat men hem voor -dood hield. Slechts enkelen wijdden hem een blik. De meesten volgden -Ben-Hur op zijn zegetocht. Zij hadden niet gezien, hoe hij de paarden -een weinig naar links stuurde en Messala's wiel met de punt van zijn -ijzeren as pakte, zoodat het te gruizel sprong. Maar de plotselinge -verandering van zijne geheele persoonlijkheid was hun niet ontgaan, den -gloed en de bezieling, die van hem uitgingen, hadden zij gevoeld; -begrepen de alles beheerschende toovermacht, waarmede hij op eens door -woord en gebaar zijne edele rossen bezielde. Welk een rennen! - -Toen de Byzantijner en Corinthier halfweg waren, had Ben-Hur den -eindpaal bereikt en was de zege behaald. - -De consul verrees van zijn zetel. Het volk schreeuwde zich heesch. De -prefect kwam naar voren en kroonde de overwinnaars. - -De gelukkige prijswinner onder de boksers was een blonde reusachtige -Noor. Zijn gelaat trok Ben-Hurs aandacht en weldra herkende hij in hem -zijn leermeester in het schermen te Rome, wiens geliefde scholier hij -geweest was. Van hem hief hij de oogen op naar Simonides en zijn -gezelschap. Zij groetten hem met de hand. Esther bleef zitten, maar Iras -stond op, lachte hem toe en wuifde met haar waaier--vriendschapsbewijzen, -die, zooals wij weten, voor Messala bestemd waren geweest. - -Nu vormde de stoet zich, zette zich onder het gejubel der menigte in -beweging, en verliet de arena door de Triomfpoort. - -De lang verbeide dag was voorbij. - - - * * * * * - - -VIJFTIENDE HOOFDSTUK. - -EENE NOODIGING. - - -Ben-Hur en Ilderim waren de rivier overgestoken en toefden daar nog, -totdat zij, zooals te voren bepaald was, te middernacht de karavaan -konden volgen, die dertig uren geleden reeds op reis was gegaan. - -De Sheik was overgelukkig. Hij had zijn jongen vriend vorstelijke -aanbiedingen gedaan; maar deze had alles afgeslagen, zeggende dat hij -volkomen tevreden was met de vernedering van zijn vijand. De edelmoedige -tweestrijd bleef lang onbeslist. - ---Bedenk toch, zeide de Sheik, wat gij voor mij gedaan hebt. In elke -tent tusschen de Akaba en den oceaan, van den Euphraat tot aan de -Scytische zee zal de roem van Mira en hare zonen bezongen worden; en -tegelijkertijd zullen zij mijn machtigen arm bezingen. Al de strijdbare -mannen, die zonder leidsman omzwerven, zullen tot mij komen en zich -onder mij scharen. Gij weet niet wat het zegt heerschappij te voeren -over de gansche woestijn, zooals nu voor mij weggelegd is. Ik zeg u het -zal mij zware schatting van handeldrijvenden opbrengen en groote -voorrechten van koningen bezorgen. Ja, bij Salomo's heerlijkheid! Als ik -den keizer om een gunst laat verzoeken, hij zal mijn bede niet afslaan. -En gij wilt niets, niets van mij aannemen? - -Ben-Hur antwoordde: Neen, Sheik. Ik heb immers een plaats in uw hart! -Dat de vermeerdering van uw macht en aanzien den Koning, die wij -verwachten, ten goede kome! Wie zal zeggen, of zij u niet tot dat doel -gegeven zijn? Waarschijnlijk heb ik uwe hulp noodig bij het werk, dat ik -ga ondernemen. Als ik nu voor uwe aanbiedingen bedank, kan ik later te -vrijmoediger bij u aankloppen. - -Hun gesprek werd afgebroken door de komst van twee boden: Malluch en een -onbekende. Malluch werd eerst toegelaten. - -De goede man was opgetogen over de behaalde zegepraal. Na eerst zijne -blijdschap lucht te hebben gegeven, zeide hij: Mijn goede meester heeft -mij opgedragen u mede te deelen, dat sommige der Romeinsche edellieden -weigeren aan hunne verplichting te voldoen. - -Ilderim sprong op en riep heftig: Wat! Het geheele Oosten moge beslissen, -of de zege eerlijk behaald is of niet! - ---Bedaar, edele Sheik, zeide Malluch. De prefect heeft den prijs doen -uitbetalen. - ---Dan is het goed. - ---Toen zij aanvoerden, dat Ben-Hur Messala's wiel verbrijzeld heeft, -lachte de prefect en herinnerde hun den zweepslag, dien Messala den -Arabieren in het begin gaf. - ---Weet gij ook iets van den Athener? - ---Die is dood. - ---Dood? En Messala? Is die ontkomen? Wat loopt dien Romeinschen -windbuilen toch altijd alles mee! riep Ilderim. - ---Hij is wel ontkomen, antwoordde Malluch, maar het leven zal hem tot -een last zijn. De geneesheeren zeggen, dat hij nooit meer zal kunnen -loopen. - -Ben-Hur zag zwijgend op naar den hemel. In den geest zag hij Messala, -evenals Simonides, hulpbehoevend, gedragen in een stoel, afhankelijk van -dienstboden. De oude man had een rein geweten, maar hoe zou deze -trotsche en eerzuchtige er zich in schikken? - ---Sanballat, vertelde Malluch verder, heeft veel last met Drusus en de -andere jongelieden, want zij weigerden de groote sommen te betalen, die -zij verloren hebben, en brachten de zaak voor den consul. Deze verwees -hen naar den Keizer. Messala weigerde eveneens te betalen, maar -Sanballat ging, in navolging van Drusus, naar den consul, waar de zaak -nog hangende is. De goedgezinden onder de Romeinen zeggen, dat het -eereschulden zijn, die betaald moeten worden, en alle andere partijen -scharen zich aan hunne zijde. - ---Wat zegt Simonides? vraagde Ben-Hur. - ---Die lacht en is recht voldaan. Als de Romein betaalt is hij geruineerd. -Weigert hij, dan is hij geschandvlekt. De Keizer zal moeten beslissen. -Het Oosten te beleedigen zou niet wijs zijn, met het oog op den veldtocht -tegen de Parthen. Sheik Ilderim te beleedigen zou gelijk staan met de -woestijn tegen zich in het harnas te jagen, en die heeft Maxentius juist -noodig voor zijne krijgsoperatien. Daarom zeide Simonides, dat gij u niet -ongerust behoeft te maken, want Messala zal betalen. - ---Dan kunnen wij vertrekken, zeide Ilderim, en wreef zich de handen. Wij -kunnen alles gerust aan u overlaten. Ik zal de paarden doen voorkomen. - ---Buiten staat nog een bode, zeide Malluch, wilt gij dien zien? - ---'t Is waar ook. Ik dacht niet meer aan hem. - -Malluch ging heen, en in zijn plaats trad een knaap binnen. Hij boog -voor den Sheik en zeide: Iras, de dochter van Balthasar, heeft mij -opgedragen den vriend haars vaders, Sheik Ilderim, geluk te wenschen met -de behaalde overwinning met zijn vierspan. - ---De dochter van mijn vriend is zeer vriendelijk, zeide Ilderim -vroolijk. Geef haar met mijn dank dezen ring tot een aandenken. - -Hij trok een kostbaren diamant van den vinger en reikte dien den -jongeling over. - ---Mijne meesteres, vervolgde de knaap, droeg mij ook op u te verzoeken -den jongeling Ben-Hur mede te deelen, dat zij met haar vader verblijf -houdt in het paleis van Idernee, waar zij den jongeling morgen na de -vierde ure verwacht om hem persoonlijk te kunnen geluk wenschen. - -De Sheik keek Ben-Hur aan, die met stralende oogen antwoordde: Met uw -goedvinden zal ik de schoone Egyptische bezoeken. - -Ilderim lachte en zeide: Zou niet een man zijne jeugd genieten? - -Toen keerde Ben-Hur zich tot den bode en zeide: Zeg tot haar, die u -zendt, dat ik, Ben-Hur, haar morgen bezoeken zal in het paleis Idernee, -op het door haar aangegeven uur. - -De knaap groette beleefd en ging heen. - -Te middernacht reisde Ilderim af, na zijn jongen vriend beloofd te -hebben een paard en een gids voor hem te zullen achterlaten. - - - * * * * * - - -ZESTIENDE HOOFDSTUK. - -IN DE VAL. - - -Den volgenden dag begaf Ben-Hur zich op den bepaalden tijd naar het -paleis Idernee, dat uitwendig geheel in Griekschen stijl was gebouwd. - -Langzaam trad hij binnen en ging de vestibule door. Hij was kalm -gestemd. Hij zou in de tegenwoordigheid van Iras komen. Zij wachtte hem -met scherts en zang, geestig, afwisselend, grillig, met grimlachjes, die -haar zoo lief stonden, met vriendelijke blikken en fluisterende stem. -Reeds eenmaal had zij hem doen roepen, dien avond van het roeitochtje op -het meer, en nu had zij weder om hem gezonden in dit schoone paleis. Hij -voelde zich gelukkig en droomerig gestemd. - -Toen hij de lange gang doorgegaan was kwam hij voor een gesloten -vleugeldeur, die bij zijne nadering vanzelf openging. Deze bijzonderheid -ging echter voor hem verloren, door de verbazing, die hem beving, over -hetgeen zich nu aan zijne oogen vertoonde. - -Voor zich zag hij het atrium van een Romeinsch huis, met zeldzame pracht -en weelde ingericht. Het vertrek was groot, hoe groot was niet met -juistheid te bepalen, want de blik verloor zich in de ruimte. Hij bleef -verbaasd staan. De fraai gepolijste mozaiekvloer stelde mythologische -onderwerpen voor. Langs de wanden stonden zetels en stoelen, alle -verschillend van vorm, en kunstig bewerkt, gebeeldhouwde tafels, -gemakkelijke divans, uitnoodigend tot rusten. De zoldering was -koepelvormig. In het midden bevond zich een opening, waardoor het licht -ongehinderd naar binnen stroomde. Het impluvium was omgeven door een -bronzen balustrade. De vergulde pilaren, die de zoldering droegen, -schitterden in den zonnegloed, en de weerspiegeling er van in den -gepolijsten vloer scheen uit een onpeilbare diepte op te komen. Verder -waren er kandelaars van phantastischen vorm, beelden en vazen, alles zoo -schoon, dat het uitstekend gepast zou hebben in het huis op den Palatijn, -dat Cicero van Crassus kocht, of in die andere villa, nog meer bekend om -haar buitensporige pracht: de villa van Scaurus te Tusculum. - -Nog altijd in droomerige stemming ging Ben-Hur van het een naar het -ander, bekoord door alles wat hij zag. Het hinderde hem niet dat hij een -poos moest wachten. Als Iras gereed was zou zij wel komen, of hem tot -zich laten roepen. In ieder deftig Romeinsch huis was het atrium de -plaats, waar men bezoekers ontving. Twee-, driemaal wandelde hij het -vertrek rond, stond stil onder de opening in de zoldering, en keek -peinzend naar de blauwe lucht boven zijn hoofd. Leunende tegen een -pilaar bestudeerde hij de afwisseling van licht en schaduw, maar nog -kwam er niemand. De tijd begon hem eindelijk lang te vallen ... waarom -kwam Iras niet? Weer beschouwde hij de mozaieken op den grond, maar zij -boeiden hem niet zooals straks. Gedurig hief hij het hoofd op om te -luisteren, langzamerhand begon hij ongeduldig te worden, en ten laatste -trof hem de doodelijke stilte, die in het huis heerschte. Deze maakte -hem onrustig en achterdochtig. Hij wilde er niet aan toegeven, lachte om -zijne dwaasheid, en zette zich nogmaals neer om een kandelaar te -bewonderen, zoo sierlijk en kunstig als hij nimmer gezien had. Maar de -stilte werd voel- en hoorbaar. Hij luisterde terwijl hij den kandelaar -bekeek, hij luisterde of hij niet een stap hoorde ... maar alles bleef -stil, het paleis scheen uitgestorven te zijn. - -Kon het misschien een vergissing wezen? Neen, de bode had gezegd, dat de -Egyptische hem zond, en dit was het paleis Idernee. Nu herinnerde hij -zich op eens, hoe geheimzinnig de deur was opengegaan, zoo geruischloos, -zoo vanzelf. Dat zou hij eens onderzoeken. - -Hij ging er heen. Hoe zacht hij ook liep, toch weerklonken zijne -voetstappen. Hij werd er zenuwachtig van. Het slot gehoorzaamde niet bij -zijn eerste voorzichtige poging om de deur te openen. Bij de tweede -beproefde hij het met alle macht; maar tevergeefs, de deur bleef -gesloten. Een voorgevoel van naderend onheil maakte zich van hem -meester, en hij bleef besluiteloos staan. - -Wie in Antiochie kon hem kwaad willen doen? - -Messala! - -En dit paleis? De vestibule was Egyptisch, de portiek Grieksch, maar -hier, in dit atrium, zag hij Rome. Alles rondom hem verried, dat een -Romein de eigenaar was. Plotseling veranderde het schoone atrium voor -hem van gedaante. Het was een val. - -Links en rechts waren verscheidene deuren, die waarschijnlijk tot -slaapkamers leidden. Hij trachtte ze te openen, maar zij waren alle -afgesloten. Zou hij kloppen? Neen, hij schaamde zich alarm te maken, en -wierp zich op een divan om na te denken. - -'t Was maar al te duidelijk, hij was een gevangene. Maar met welk doel? -En van wien? Had Messala hem dit aangedaan? Hij richtte zich op en -lachte smakelijk. Ieder meubel kon hem tot wapen dienen, de rustbanken -bij voorbeeld tot stormrammen. Hij was sterk, en woede en wanhoop konden -wonderen doen verrichten. - -Messala zelf kon niet bij hem komen. Hij zou nimmermeer kunnen loopen; -maar hij kon door anderen werken. Die gedachte deed Ben-Hur opspringen. -Hij verhief zijne stem en riep om hulp, maar de echo was zoo sterk dat -hij er van verschrikte. Weer dwong hij zich tot kalmte en besloot nog -een poos te wachten, voordat hij zich met geweld een doortocht maakte. - -Zoo verliep een half uur, een eeuwigheid in zijne schatting. Daar gingen -de vleugeldeuren plotseling onhoorbaar open, en werden even onhoorbaar -gesloten, zoo zacht dat hij er niets van merkte. Het geluid van -voetstappen trok allereerst zijne aandacht. Hij sprong op met een gevoel -van verlichting ... daar zal Iras eindelijk zijn! - -Maar ... het was een zeer zware stap. De vergulde pilaren waren tusschen -hem en de deur. Hij hoorde stemmen, zware mannenstemmen, en de taal, die -gesproken werd, kende hij niet. - -Na een algemeen overzicht van het vertrek genomen te hebben staken zij -schuin over, zoodat Ben-Hur de sprekers in 't gezicht kreeg. Het waren -twee mannen, forsch van gestalte en met korte tunica's. Zij behoorden -klaarblijkelijk niet tot het dienstpersoneel van het huis. Alles wat zij -zagen trok hunne aandacht. Zij stonden overal stil en betastten alles. -Het atrium was niet voor lieden van hun slag, toch was uit hunne geheele -manier van doen te bemerken, dat zij hier met een bepaalde bedoeling -kwamen. - -Het zal niemand verwonderen dat Ben-Hur een weinig zenuwachtig was -geworden; en toen hij nu in de reuzengestalte van den een den Noor -herkende, dien hij te Rome gekend had, en die gisteren in den circus -gekroond was als prijswinnaar bij het boksen, begreep hij, dat hem een -groot gevaar dreigde en hij zich op het ergste moest voorbereiden. -Instinctmatig gevoelde hij, dat hier geen sprake was van een toevallig -samentreffen, deze twee zochten hem. - -De metgezel van den Noor was nog jong, donker van haar en oogen, van de -Joodsche type. Beiden hadden het kostuum aan dat boksers van beroep in -de arena droegen. Ben-Hur behoefde niet langer te twijfelen: hij was -verraderlijk in dit paleis gelokt, om te midden van deze pracht door de -hand van den Noor te sterven. - -Niet wetende wat te doen volgde hij hunne bewegingen, en in dat laatste -stille oogenblik, met den dood voor oogen, herkreeg zijn geest de -noodige kalmte. Gisteren had hij Messala naar recht en billijkheid mogen -straffen, de God van Israel, die hem had bijgestaan, zou hem ook nu -helpen. Stond hij daarenboven niet aan het begin van een nieuw leven? -Wachtte hem niet een heilige taak: alles in gereedheid te brengen voor -den verwachten Koning? Mocht hij niet alle vrees laten varen? - -Hij maakte zijn gordel los, deed zijn hoofddoek af en wierp zijn wit -overkleed ter zijde. Gereed naar lichaam en ziel plaatste hij zich, de -armen over de borst gevouwen, tegen den pilaar en wachtte bedaard de -toekomst af. - -Het tweetal had een beeld bewonderd. Toen zij daarmede gereed waren, -keerde de Noor zich om, zeide iets in een onbekende taal, en wees op -Ben-Hur. Beiden traden op hem toe. - ---Wie zijt gij? vraagde hij in het Latijn. - -De Noor glimlachte en antwoordde: Barbaren. - ---Dit is het paleis Idernee. Wien zoekt gij? Blijft waar gij zijt en -antwoordt. - -Zijn toon maakte indruk. De vreemdelingen bleven staan en de reus -vraagde op zijne beurt: Wie zijt gij? - ---Een Romein. - -De reus wierp het hoofd achterover en lachte luid. Ik heb veel -wonderbaarlijks hooren vertellen, zeide hij, maar nooit dat een Jood een -Romein werd. - -Toen zijn vroolijkheid wat bedaard was, zeide hij weer iets tot zijn -makker en stapte vooruit. - ---Halt! riep Ben-Hur. Nog iets! - ---Spreek; maar gauw, zeide de reus. - ---Gij zijt Thor, de Noorman. - -De man zette groote oogen op. - ---Gij waart schermmeester te Rome. - ---Ja, zeide Thor. - ---Ik was uw leerling. - ---Neen, zeide Thor hoofdschuddend. Bij Thors hamer, nog nooit is een -Jood bij mij gekomen, om zich tot een vechtersbaas te laten maken. - ---Ik zal het u bewijzen. - ---Hoe dan? - ---Gij komt hier om mij te dooden. - ---Ja. - ---Laat uw makker tegen mij vechten, dan zal ik het u bewijzen aan zijn -lichaam. - -De reus lachte weer. Hij besprak het met zijn makker, die toestemmend -knikte, waarop de Noor zeide: Het zij zoo; maar wacht totdat ik het -teeken geef. - -Hij schoof een divan aan, strekte er zich gemakkelijk op uit en zeide: -Ziezoo, begin. - -Zonder aarzelen stapte Ben-Hur op zijn tegenpartij toe, die zich -terstond strijdvaardig tegenover hem plaatste. - -De vreemdeling, die in statuur en voorkomen sterk op hem geleek, lachte -vergenoegd, weinig vermoedende met wien hij te doen had. Beiden wisten -dat de afloop van den strijd doodelijk zou zijn. - -Ben-Hur deed een schijnaanval met zijn rechterhand. De ander pareerde en -stak den linkerarm een weinig vooruit. Voordat hij er op bedacht was -greep Ben-Hur hem met een ijzeren greep bij den pols. De overrompeling -was volkomen. Zich op zijn tegenstander te werpen, zijn arm om 's mans -hals te slaan, diens hoofd tegen zijn rechterschouder te drukken en hem -met de linkerhand vlak onder het oor een slag toe te brengen--dat alles -was het werk van een oogenblik. Geen tweede slag was noodig. De -ongelukkige viel neder, zonder een kreet te slaken. Hij was dood. - -Ben-Hur wendde zich tot Thor en zag hem vragend aan. - ---Bij alle leugens van Loke! riep deze, dat zou ik u niet kunnen -verbeteren. - -Opstaande beschouwde hij den jongen man van het hoofd tot de voeten met -ongeveinsde bewondering, en vervolgde toen: Dat was mijn handgreep. Gij -zijt geen Jood. Wie zijt gij? - ---Gij hebt Arrius, den duumvir gekend? - ---Quintus Arrius? Ja, hij was mijn schutspatroon. - ---Hij had een zoon. - ---Ja, ik heb dien knaap gekend, een aardige jongen. Hij had een vorst -onder de gladiatoren kunnen worden. De keizer had veel met hem op. -Ikzelf heb hem dien handgreep geleerd, en niemand doet het mij na, of -hij moet een hand en arm hebben als de mijne. Ik heb er menigen -lauwerkrans mee behaald. - ---Ik ben die zoon van Arrius. - -Thor kwam nader en bekeek hem oplettend. Zijne oogen straalden van -voldoening, en de hand uitstekend zeide hij: 't Is wat moois! Hij zei -dat ik hier een Jood zou vinden, en dat ik den goden een dienst zou -bewijzen, als ik dien Jood doodde. - ---Wie zei dat, Thor? vraagde Ben-Hur, de aangeboden hand schuddende. - ---Hij, Messala. - ---Wanneer? - ---Gisteravond. - ---En ik dacht dat hij zwaar gewond was? - ---Hij zal altijd kreupel zijn, maar ik moest bij zijn bed komen, waar -hij lag te kermen van pijn. - -Ben-Hur dacht even na. Hij begreep heel goed dat de Romein, zoo hij in -leven bleef, hem onverbiddelijk zou blijven vervolgen. Alleen de wraak -bleef hem over om het gebroken leven te verzoeten. Vandaar zijn -tegenspartelen om zijne schulden met Sanballat te vereffenen. Ben-Hur -berekende dit alles vluchtig, ook hoe zijn vijand hem zou kunnen -bemoeilijken in het werk, dat hij wilde ondernemen voor de nieuwen -koning. Deed hij niet wijs met het voorbeeld van den Romein te volgen? -De moordenaar toch, die gehuurd was om hem te dooden, zou zich ook laten -huren om den moordenaar onschadelijk te maken. Geld was geen bezwaar. De -verzoeking was groot. Reeds half meegesleept zag hij nog eenmaal naar -het arme slachtoffer, dat daar bleek en roerloos nederlag. Daar viel hem -iets in. - ---Thor, wat heeft Messala u gegeven om mij te dooden? - ---Duizend sestertien. - ---Gij zult ze hebben, en als gij nu doen wilt wat ik u vraag, zal ik er -nog drieduizend bij doen. - -De reus dacht overluid: Gisteren heb ik vijfduizend gewonnen, van den -Romein duizend, dat is zesduizend.--Geef mij vierduizend, goede Arrius, -vierduizend en dan zal ik alles voor u doen, wat gij verlangt. Geef mij -vier en ik zal dien bedriegelijken Messala dooden. Ik heb mijn hand maar -op zijn mond te houden ... zoo. - -Hij verduidelijkte zijn voorstel door zijne hand op zijn eigen mond te -drukken. - ---Ik begrijp u, zeide Ben-Hur, tienduizend sestertien is een mooie som. -Zij stelt u in staat om naar Rome terug te gaan en een taveerne te -openen bij den grooten circus, en daar te leven zooals den beroemsten -schermmeester betaamt! 't Zij zoo. Ik zal u vierduizend geven en dat -geld kunt gij verdienen zonder uwe handen met bloed te bezoedelen. -Luister. Uw vriend leek sprekend op mij, niet waar? - ---Ja, men zou zeggen twee appelen van een boom. - ---Welnu, ik zal zijn tunica aandoen, en hem mijne kleeren aantrekken. -Dan gaan we samen heen, en gij hebt uwe sestertien. - -Thor lachte dat hij schudde. Nog nooit werden tienduizend sestertien zoo -gemakkelijk gewonnen! Een taveerne bij den grooten circus, en dat door -een leugen te vertellen zonder een enkelen droppel bloed te vergieten! -Geef mij uwe hand, zoon van Arrius, en als gij weer terugkomt in Rome, -vergeet dan niet naar de taveerne van Thor den Noorman te vragen, want, -bij de bliksems van Wodan! ik zal u het beste voorzetten wat mijn kelder -bevat. - -Nu werden de kleederen verwisseld, en toen Ben-Hur den jonkman daar zag -liggen in zijn eigen Joodsch gewaad, was hij voldaan. De gelijkenis was -treffend. Als Thor zijn woord hield zou dit bedrog nooit uitkomen. - -Toen alles afgeloopen was tikte de Noor tegen de vleugeldeuren, die -opnieuw onhoorbaar geopend werden, en gezamelijk gingen zij naar buiten. -Bij het scheiden zeide Thor nogmaals: Mogen de goden u geleiden en -behoeden, zoon van Arrius! en verzuim niet bij uw terugkeer in Rome de -taveerne van Thor te bezoeken! - - * * * * * - -Dien avond deelde Ben-Hur zijnen vriend Simonides alles mede wat hem -overkomen was in het paleis van Idernee. Zij kwamen overeen, dat na een -paar dagen een onderzoek zou worden ingesteld naar den vermisten zoon -van Arrius. Tevens zou van het geval afgifte worden gedaan bij -Maxentius. Als het geheim niet uitlekte zouden Messala en Gratus gerust -en voldaan zijn, en kon Ben-Hur onbevreesd naar Jeruzalem terugkeeren om -zijne moeder en zuster te zoeken. - -Bij het afscheidnemen zat Simonides in zijn stoel op het terras, en gaf -den jongen meester zijn vaderlijken zegen. Esther deed hem uitgeleide -tot aan de trap. - ---Als ik moeder vind zult gij tot haar gaan en eene zuster voor Tirza -wezen, niet waar? vraagde hij en kuste haar tot afscheid. Vervolgens -begaf hij zich naar den overkant der rivier, waar Ilderim den vorigen -avond zijne tent had opgeslagen, en waar hij den gids zou vinden met de -paarden. - ---Dit is het uwe, zeide de Arabier. - -Ben-Hur keek, en zie het was Aldebaran: de vlugste en verstandigste van -Mira's zonen, na Sirius de lieveling van den Sheik. Hij wist dat het -hart van den ouden man het geschenk vergezelde. - -Dienzelfden avond werd het lijk uit het atrium weggedragen en in stilte -begraven, en vertrok een bode van Messala naar Gratus, om dezen de -blijde tijding te brengen dat Ben-Hur dood was, ditmaal ontwijfelbaar. - -Eene maand later werd bij den circus Maximus eene taveerne geopend met -het opschrift: - - THOR DE NOORMAN. - - - * * * * * - - -BOEK VI. - - - * * * * * - - -EERSTE HOOFDSTUK. - -DE GEVANGENEN. - - -Sedert den avond, waarop Ben-Hur Antiochie verliet om den Sheik in de -woestijn te volgen, zijn dertig dagen verloopen. Een groote verandering -heeft intusschen plaats gevonden--groot, voor zoover het de geschiedenis -geldt van onzen held. Valerius Gratus is vervangen door Pontius Pilatus. - -Deze verplaatsing kostte Simonides vijf talenten Romeinsch geld, in -klinkende munt uitbetaald aan Sejanus, die toen het hoogste toppunt van -zijn macht als gunsteling des Keizers bereikt had. - -Het doel van de onderhandeling met Sejanus was, dat Ben-Hur zonder groot -gevaar voor zichzelven in en bij Jeruzalem naar zijne moeder en zuster -zou kunnen zoeken. Op die wijze besteedde de trouwe dienstknecht de -gelden van Drusus en zijne makkers. Na het betalen van de weddenschappen -was de vriendschap dier jongelieden voor Messala veranderd in vijandschap, -omdat zij hem hun ongeluk weten. Wat Messala zelf betreft, het antwoord -op de vraag, of hij voor de gewedde sommen mocht aangesproken worden, ja -of neen, moest nog uit Rome komen. - -Hoe kort Pontius Pilatus aan het bestuur was, de Joden hadden reeds -ondervonden, dat de verandering niet in hun voordeel was. De kohorten, -die afgezonden waren om het garnizoen van den burcht Antonia te -vervangen, trokken des avonds laat de stad binnen, en het eerste wat men -den volgenden morgen te zien kreeg was, dat de muren van den ouden -burcht rondom versierd waren met borstbeelden van den ouden Keizer en -met Romeinsche adelaren. - -Een opgewonden menigte trok door de straten, afgezanten werden naar -Cesarea gezonden, waar Pilatus nog eenige dagen vertoefde, om hem -dringend te verzoeken de gehate voorwerpen weg te nemen. Vijf dagen en -nachten hielden zij stand voor de poorten van zijn paleis, waarna hij -deed weten dat hij hen in den circus zou te woord staan. Daar liet hij -hen door zijne soldaten omsingelen, maar zij boden blijmoedig hun leven -aan, indien zij slechts hun doel mochten bereiken. Dat werkte. Pilatus -gaf bevel de borstbeelden en adelaren naar Cesarea terug te zenden, waar -Gratus ze gedurende de elf jaren zijner regeering had bewaard. - -De slechtste mensch kan wel een goede daad verrichten. Zoo ook Pilatus. -Hij beval dat alle gevangenissen in Judea zouden nagezien worden, en -verlangde een lijst van de namen der gevangenen, met opgaaf van de -misdaden, waarvoor zij veroordeeld werden. Waarschijnlijk deed hij dit, -om later niet aansprakelijk te zijn voor hem onbekende dingen. Het volk -evenwel prees hem en was een tijdlang tevreden. - -Wat het onderzoek aan het licht bracht, was ongeloofelijk. Honderde -menschen, tegen wie geen beschuldiging was ingebracht, kregen hunne -vrijheid weder. Vele anderen, die men lang geleden gestorven waande, -kwamen te voorschijn. Nog erger was het, dat men gevangenissen vond, -wier bestaan niet alleen aan het volk onbekend was, maar die de -tegenwoordige gevangenbewaarders zelfs niet kenden. Een geval van dien -aard moeten wij hier vermelden: een vergeten gevangenis te Jeruzalem. - -De burcht Antonia, die zooals men zich zal herinneren twee derden -besloeg van de heilige area op den berg Moria, was oorspronkelijk een -door de Macedoniers gebouwd kasteel. Later maakte Johannes Hyrkanus het -tot een citadel ter verdediging van den Tempel, die toen ten tijde reeds -als onneembaar werd beschouwd. Herodes breidde haar nog verder uit, -verbreedde de muren, liet waterputten graven, bouwde tuighuizen, -barakken, magazijnen en gevangenissen van allerlei soort. Hij effende -het rotsachtige gedeelte van den berg, en liet er diepe kloven in -bouwen. Daar bouwde hij overheen. Het geheel verbond hij door een -prachtige zuilengang met den Tempel. Zoo verbouwd en versterkt viel de -burcht ten laatste in de handen der Romeinen, die hem volkomen wisten te -waardeeren en te gebruiken. - -Gedurende de regeering van Gratus had de Antonia dienst gedaan als -citadel en onderaardsche gevangenis, de schrik voor alle oproerigen. Wee -hen, wanneer de kohorten uit de poorten stroomden, om een oproer te -dempen! Wee den Jood, die dezelfde poorten als gevangene binnenging! - -Na deze korte uitweiding kunnen wij den draad van ons verhaal weer -opvatten. - - * * * * * - -Het bevel van den nieuwen procurator betreffende de gevangenen was op -den burcht Antonia ontvangen en stipt uitgevoerd. Twee dagen zijn -verloopen sedert de laatste van die ongelukkigen ter ondervraging was -voorgebracht. De lijst is zoo goed als gereed en ligt voor den -commandant op tafel. Binnen vijf minuten zal zij op weg gaan naar -Pilatus, die in het paleis op den berg Sion woont. - -Het bureau van den commandant is ruim en koel, en gemeubeld -overeenkomstig de waardigheid van den bevelhebber. - -Het is de zevende ure van den dag. De commandant is vermoeid. Zoodra de -lijst verzonden is, zal hij naar het platte dak van de zuilengang gaan, -daar in de open lucht wat beweging nemen, en zich vermaken met naar het -gewoel der Joden in de voorhoven des Tempels te kijken. Zijne klerken en -onderhoorigen verlangen eveneens heen te gaan. - -Daar verschijnt een man in de deur. Hij rammelt met een bos zware -sleutels, waardoor hij terstond de aandacht van den overste trekt. - ---Zoo, Gesius, kom binnen, zegt deze. Wat is er? - ---Commandant, luidt het antwoord, ik durf u bijna niet zeggen wat ik -gevonden heb. - ---Alweder een vergissing, Gesius? - ---Wist ik zeker dat het slechts een vergissing was, dan zou ik niet bang -zijn. - ---Een misdaad dus? Of nog erger ... een plichtverzuim. Men kan Cesar -uitlachen, de goden vloeken, en leven. Een beleediging echter, den -adelaren aangedaan, is ... nu, Gesius, gij weet wat er dan volgt. Ga -voort. - ---'t Is nu ongeveer acht jaren geleden, dat Valerius Gratus mij benoemde -tot bewaarder der gevangenissen in den burcht, antwoordde de man -ernstig. Ik herinner mij nog zeer goed den morgen, waarop ik mijn ambt -aanvaardde. Den vorigen dag was er een klein oproer geweest. De onzen -hadden vele Joden neergeslagen, maar wij hadden ook enkele verliezen te -betreuren. De aanleidende oorzaak was, zeide men, een moordaanslag op -Gratus. Hij werd door een steen aan het hoofd getroffen, zoodat hij van -zijn paard viel. Ik vond hem hier op dezelfde plaats zitten, waar gij nu -zit, commandant, met een verbonden hoofd. Hij gaf mij deze sleutels, -genommerd met de nommers der cellen. Dat waren de teekenen van mijn -ambt, ik mocht er mij nooit van scheiden, zeide hij. Op de tafel lag een -perkamentrol. Hij maakte ze open en zeide: Hier zijn de kaarten met den -platten grond der cellen, die in drie afdeelingen verdeeld, boven -elkander gebouwd zijn. Ik vertrouw ze u toe.--Ik nam ze aan, en Gratus -vervolgde: Nu hebt gij de sleutels en de platte gronden, ga en -doorwandel de geheele inrichting, bezoek elke cel en zie of alles in -orde is. Bemerkt gij iets waardoor de veiligheid in gevaar zou komen, -stel daar dan naar uw beste weten orde op, want gij zijt hier heer en -meester en hebt niemand boven u, dan mij alleen. - -Ik wilde heengaan, maar hij riep mij terug en zeide: Daar bedenk ik nog -iets. Geef mij den platten grond van de onderaardsche cellen.--Ik gaf -hem het verlangde. Hij spreidde de kaart voor zich uit op de tafel, wees -met den vinger op cel nommer vijf, en zeide: Hier, Gesius, deze cel. -Daar zitten drie mannen gevangen, gevaarlijke lieden, die achter een -staatsgeheim hebben weten te komen en hier voor hunne nieuwgierigheid -boeten. Tot straf zijn zij van oogen en tong beroofd, en levenslang -opgesloten. Zij mogen niets hebben dan water en brood, dat gij hun -toereikt door een gat in den muur, dat van buiten gesloten wordt met een -schuif. Hebt gij mij goed begrepen, Gesius? Ik antwoordde toestemmend. -Het is goed, zeide hij, en keek mij dreigend aan; maar pas op, Gesius, -dat gij het niet vergeet. De deur van hunne cel, nommer vijf,--en hij -legde er zijn vinger op, om meer nadruk te geven aan zijne woorden,--mag -nooit, onder geen enkel voorwendsel, geopend worden. Niemand mag er in -of uit, zelfs gij moogt er niet binnengaan. Maar als zij sterven? -vraagde ik. Als zij sterven, zei hij, zal die cel hun graf zijn. Zij -werden daar opgesloten om te sterven. De cel is met melaatschheid -besmet, begrijpt gij?--En daarmee liet hij mij gaan. - -Gesius zweeg en bracht uit de plooien van zijn overkleed drie rollen te -voorschijn, die hij op tafel uitspreidde, zeggende: Dit is de bedoelde -platte grond. - -De oogen van alle aanwezigen rustten op den platten grond. - ---Precies zoo, commandant, heb ik hem van Gratus ontvangen. Dit is cel -nommer V. - ---Ik zie het, zeide de commandant. Ga voort. De cel was met -melaatschheid besmet, zeidet gij. - ---Mag ik u een vraag doen, commandant? - ---Ja. - ---Moest ik niet gelooven dat de kaart betrouwbaar was? - ---Zeker. - ---Nu, zij is niet betrouwbaar, want er zijn niet vijf, maar zes cellen. -Ik zal u laten zien hoe de platte grond werkelijk is, of liever, hoe ik -mij voorstel dat hij is. - -Gesius nam een tafeltje en teekende er een losse schets op van zes -cellen, die hij den commandant ter hand stelde. - ---'t Is goed, zeide de commandant. Ik zal een nieuwen platten grond voor -u laten maken. Kom hem morgen bij mij halen. - -Meenende dat de zaak hiermede afgeloopen was stond hij op; maar Gesius -vervolgde: Hoor mij verder, heer. - ---Morgen, Gesius, ik heb nu geen tijd meer. - ---Maar, commandant, wat ik u mee te deelen heb kan geen uitstel lijden. - -De commandant ging weer zitten. - ---Ik zal kort zijn, zeide de gevangenbewaarder. Mag ik nog eene vraag -doen? Moest ik niet gelooven wat Gratus mij vertelde van de gevangenen -in cel vijf? - ---Natuurlijk. In die cel zaten drie gevangenen, staatgevangenen, blind -en stom. - ---Welnu, commandant, dat was niet waar. - ---Niet? - ---Hoor, en oordeel zelf, commandant. Zooals mij bevolen was bezocht ik -al de cellen, beginnende bij de bovenste en eindigende bij de onderste. -Het verbod om de deur van cel V te openen heb ik nimmer overtreden. De -drie mannen hebben die acht jaren hun water en brood altijd door het gat -in den muur gekregen. Gisteren mocht ik de deur openen op uw bevel, en -was zeer nieuwsgierig om de gevangenen te zien, die tegen alle -verwachting zoolang geleefd hebben. Het slot van de deur weigerde. Wij -trokken wat harder en toen viel de deur op zij. De scharnieren waren -door roest verteerd. In de cel vond ik slechts een man, oud, blind, -zonder tong, geheel naakt, deerniswaardig om te zien. Ik vraagde hem -naar zijne medegevangenen. Hij schudde van neen. Ik doorzocht de geheele -cel, maar kon geen spoor van hen ontdekken. De muren en de grond waren -geheel droog. Hadden hier drie gevangenen gezeten, en waren twee van hen -gestorven, dan zou ik toch hunne beenderen hebben moeten vinden. Van -melaatschheid was niet bij den armen afgeleefden grijsaard te bespeuren. - ---Gij denkt dus.... - ---Ik denk, commandant, dat er in die acht jaren slechts een man gevangen -heeft gezeten. - -De commandant zag Gesius scherp aan en zeide: Wees voorzichtig! Weet gij -wel waar gij Gratus van beschuldigt? - -Gesius boog het hoofd en zeide: Hij kon zich vergist hebben. - ---Neen, riep de commandant heftig, dat kon hij niet. Hebt gij niet zelf -gezegd dat gij acht jaren lang water en brood gegeven hebt voor drie -personen? - ---Gij hebt nog slechts de helft van het verhaal gehoord, commandant. Als -gij alles gehoord zult hebben, zult gij mij gelijk geven. Gij weet wat -ik met den man deed: ik liet hem een bad geven, haar en baard scheren en -aankleeden. Toen bracht ik hem naar buiten en liet hem in vrijheid -heengaan. Ik had met hem afgedaan. Een uur geleden kwam hij terug en -werd voor mij gebracht. Door allerlei gebaren, zelfs door tranen, gaf -hij zijn verlangen te kennen, om weer naar de cel teruggebracht te -worden. Ik gaf het bevel daartoe. Toen zij hem wegleidden keerde hij op -eens terug, viel op de knieen voor mij neder en beduidde mij, dat ikzelf -hem moest vergezellen. Ik voldeed aan zijn verzoek. De twee geheimzinnige -andere gevangenen speelden mij door het hoofd. Ik was er niet gerust op. -Nu ben ik blij, dat ik gehoor gaf aan zijn verlangen. - -Alle aanwezigen luisterden met gespannen aandacht, doodelijke stilte -heerschte in het vertrek. - ---Zoodra de gevangene bemerkte dat hij weer in zijn oude cel was, -vervolgde Gesius, greep hij mijne hand en geleidde mij naar een gat in -den muur, even groot als dat, waardoor wij gewoon waren hem zijn -rantsoen te geven. Gisteren was het aan mijne aandacht ontsnapt. Steeds -mijne hand vasthoudende legde hij zijn mond voor de opening en gaf een -schreeuw. Een zwakke stem antwoordde. Ik was verbaasd, trok hem op -zijde, en riep: Hola, wie daar? In het begin kreeg ik geen antwoord. -Ik riep nogmaals en hoorde toen deze woorden: O, God, ik dank U! -Commandant, het was de stem van een vrouw. Ik vraagde: Wie zijt gij? en -het antwoord luidde: Een Israelitische vrouw. Ik ben hier levend -begraven met mijne dochter. Help ons gauw, of wij sterven. - -Ik riep haar toe nog even geduld te hebben en spoedde mij tot u, om uwen -wil te vernemen. - -De commandant stond haastig op. Gij had gelijk, Gesius, zeide hij. Ik -begrijp er alles van. De kaart was valsch en het verhaal van de drie -gevangenen was een leugen. Er zijn betere Romeinen dan Valerius Gratus. - ---Ja, antwoordde de gevangenbewaarder. De oude man gaf twee porties -water en brood aan de vrouwen. - ---Welaan, zeide de commandant, zich tot zijne klerken wendende, daar hij -het niet kwaad vond eenigen tot getuigen te hebben, gaat allen mee. Wij -zullen die vrouwen in vrijheid stellen. - -Gesius was voldaan. Wij zullen den muur moeten doorbreken, zeide hij. Ik -heb de plaats ontdekt waar de deur geweest is. Zij was dichtgemetseld. - ---Roep terstond een paar werklieden met de noodige gereedschappen, zeide -de commandant tot een der klerken. Haast u, en laat het rapport liggen, -want dat zal morgen gewijzigd worden. - - - * * * * * - - -TWEEDE HOOFDSTUK. - -DE MELAATSCHEN. - - -Een Israelitische vrouw. Ik ben hier levend begraven met mijne dochter. -Help ons gauw, of wij sterven. - -Dat antwoord had Gesius ontvangen uit de cel, die op den verbeterden -platten grond als cel VI aangegeven staat. - -De lezer heeft zeker terstond begrepen wie die ongelukkigen waren, en -zich verheugd dat eindelijk Ben-Hurs moeder en zuster gevonden zijn. - -Op den morgen van hare gevangenneming had men haar naar de burcht -gebracht, waar Gratus haar dacht op te sluiten. Hij had den burcht -gekozen, omdat die meer onmiddellijk onder zijn beheer stond, en cel VI, -omdat deze door melaatschheid besmet was. Hij wilde de vrouwen niet -alleen opsluiten--hij verlangde dat zij een zekeren, zij het dan ook een -langzamen, dood zouden sterven. Dientengevolge werden zij bij nacht naar -beneden gebracht, zoodat niemand er iets van bemerkte. Diezelfde slaven -metselden daarna de deur dicht, en werden vervolgens naar een afgelegen -oord verplaatst, zoodat het geheim een geheim blijven kon. Om voor alle -mogelijke gevallen toch den schijn te bewaren, wilde hij de vrouwen niet -laten verhongeren, maar plaatste hij bovenvermelde armen gevangene in de -cel daarnaast, om haar van brood en water te voorzien. - -Zoo wist Gratus, onder voorwendsel van een troep moordenaars te straffen, -zich het vermogen der familie Hur toe te eigenen, waarvan geen penning de -keizerlijke schatkist bereikte. Ten besluite werd de toenmalige gevangen- -bewaarder verplaatst, een nieuwe platte grond ontworpen, en aan den nieuwen -bewaarder gegeven. Gratus bereikte volkomen zijn doel: de cel en hare -bewoonsters waren der vergetelheid prijs gegeven. - -Welk een leven voor moeder en dochter, acht jaren lang; voor haar, -opgevoed in weelde, weggerukt uit een werkzaam, liefdevol leven, -veroordeeld tot nietsdoen in een onderaardschen kerker, waar slechts een -smalle gleuf in den buitenmuur licht en lucht aanbracht! - -Treden wij de cel binnen. - -De twee vrouwen bevinden zich vlak bij het smalle luchtgat. De eene zit -op den grond, de andere leunt half liggende tegen haar aan. Bij het -schemerachtig licht zien wij, dat zij zonder eenige bedekking zijn. Van -kleeding geen spoor meer. Maar wat haar ook ontnomen werd, de liefde -bleef, daarvan spreekt haar geheele houding. Rijkdom vergaat, schoonheid -verdwijnt, hoop vervliegt, maar de liefde blijft, want de liefde is uit -God. - -Waar moeder en dochter neergezeten zijn, is de oneffen bodem geheel glad -geworden. Vermoedelijk hebben zij het grootste gedeelte van die lange -jaren op deze zelfde plaats gezeten, hare hoop op bevrijding koesterende -bij dat zwakke, maar toch vriendelijke licht. Als de lichtstraal naar -binnen viel, wisten zij dat het dag was. Als hij verdween, wisten zij -dat daarbuiten de nacht aanbrak, die toch nergens zoo lang en zoo -stikdonker kon zijn als bij haar. Daarbuiten! O, door die gleuf vlogen -hare gedachten de wereld in, om den zoon, den broeder te zoeken. Zij -zochten hem op de woelige zee, of op hare eilanden, nu in deze stad, dan -in gene, en overal vertoefde hij slechts vluchtig; want hij zocht haar -immers met rusteloos verlangen. Telkens en telkens hadden zij elkander -moed ingesproken door te zeggen: Hij vergeet ons niet. Zoolang hij leeft -is er hoop voor ons! - -Bij het flauwe licht dat in de cel heerscht zien wij, dat zij uiterlijk -droevig veranderd zijn, een verandering, niet alleen toe te schrijven -aan de langdurige gevangenschap. Waren moeder en dochter voorheen schoon -van aangezicht, zelfs de liefde zou dat niet meer van haar kunnen -getuigen. Het lange, ongekamde haar heeft een zonderlinge witte kleur. -De vrouwen zelf zien er vreemd en terugstootend uit ... is het misschien -een gevolg van gebrek aan lucht en licht, of van honger en dorst, daar -zij sedert het vertrek van haar armen buurman niets te eten of te -drinken hebben gehad? - -Tirza leunt tegen hare moeder en kreunt smartelijk. - ---Stil, kind, zegt de moeder. Zij zullen komen. God is goed. Wij hebben -nooit verzuimd tot Hem te bidden, wanneer daarginds in den Tempel de -bazuinen geblazen worden. Het moet de zevende ure zijn, want de zon -staat nog in 't zuiden. Laat ons op God vertrouwen. Hij is goed. - ---Ja, moeder, ik zal mijn best doen, antwoordt Tirza. Uw lijden is even -zwaar als het mijne; maar mijn tong brandt en mijn lippen zijn verdroogd. -Ach, waar zou Juda toch zijn? Zou hij ons nog ooit kunnen vinden? - -Beider stem klinkt ongelooflijk scherp, droog en onnatuurlijk. - ---Gisteren zag ik hem in mijn droom, kind, zoo duidelijk als ik u nu -zie. Wij moeten gelooven in droomen, dat weet gij wel, omdat onze -vaderen het ook deden. Onze God sprak dikwijls tot hen op die wijze. In -mijn droom stonden wij in den vrouwenvoorhof bij de Schoone Poort. Vele -vrouwen waren daar met ons, en hij kwam en stond achter de poort en -zocht ons. Mijn hart klopte hevig. Ik strekte de armen uit, en riep hem -luide bij zijn naam. Hij zag mij en hoorde mij, maar herkende mij niet. -Een oogenblik later was hij verdwenen. - ---Hij zal ons zeker niet herkennen, moeder, als hij ons vindt. Wij zijn -zoo veranderd. - ---'t Is mogelijk, maar ... de moeder zweeg, die gedachte was al te -pijnlijk. - ---Ach moeder, riep Tirza, water! al is het maar een droppel. - -De moeder werpt een wanhopigen blik in het rond. Het is haar alsof een -schaduw over het licht trekt. Zou dat de naderende dood zijn? Bijna -werktuigelijk zegt zij: Geduld, Tirza. Zij komen. Zij zullen weldra hier -zijn. - -Eensklaps meent zij een geluid te hooren bij de opening in de cel van -den blinde, door welk gat het verkeer met de menschenwereld daarbuiten -gedurende al die jaren had plaats gehad. - -Zij had zich niet vergist. Een oogenblik later weerklonk de bekende -kreet van haar ongelukkigen landgenoot door de ruimte. Beiden sprongen -op en kwamen naderbij. Daar hoorden zij iemand roepen: Hola! Wie daar? - -Dat waren de eerste woorden, die na jaren van doodelijke stilte tot haar -gesproken werden. Welk een ommekeer! Uit den dood tot het leven -teruggekeerd, en dat zoo op eenmaal! - -Zij antwoordde luide: Een Israelitische vrouw, die hier levend begraven -is met hare dochter. Help ons spoedig, of wij sterven. - ---Houd moed. Ik kom dadelijk terug. - -Moeder en dochter barstten in tranen uit. Zij waren gevonden. De hulp -was nabij! Vergeten waren, voor het oogenblik althans, pijn, honger, -dorst. Opnieuw lachte de hoop haar toe. - -Na een korte poos, de tijd dien Gesius noodig had gehad om zijn verslag -aan den commandant te doen, drong het geluid van hamerslagen tot de -gevangenen door. Ademloos luisterden zij, begrijpende wat dat beteekende. -De deur, die zoolang gesloten was geweest, werd opengebroken. De dag der -vrijheid brak eindelijk aan. - -De handen, die het werk verrichtten, waren sterk en bedreven, en wil was -goed. De slagen, eerst dof, werden steeds duidelijker verneembaar; nu en -dan viel een steen op den grond. Nu konden zij zelfs de stemmen der -werklieden hooren, en, o hoe heerlijk! daar zagen zij door een spleet -het schijnsel der toortsen. - ---O, moeder, riep Tirza, daar is Juda! Eindelijk heeft hij ons dan toch -gevonden! - -Weder viel een steen, en nog een, toen verscheidene te gelijk ... en de -deur was eindelijk open. Een met stof en kalk bedekte arbeider stapte de -cel binnen, een toorts ophoog houdende. Twee of drie volgden, eveneens -met fakkels, en stelden zich bij den ingang om den commandant door te -laten. - -Deze bleef echter staan, want de vrouwen vluchtten naar den uitersten -hoek, niet uit vrees, maar uit schaamte. Niet alleen uit schaamte -echter, want van uit den donkeren hoek, waar zij zich trachtten te -verbergen, werd den mannen een woord toegeroepen, het wanhopigste dat -over menschenlippen komen kan: Onrein! Onrein! Kom niet naderbij! - -Ontzet zagen zij elkander aan. - ---Onrein! Onrein! klonk het weer onbeschrijfelijk treurig uit den hoek. - -Zoo volbracht de arme vrouw haren plicht en gevoelde zij tegelijkertijd, -dat de zoo vurig begeerde vrijheid, van verre gezien zoo heerlijk en -uitlokkend, een Sodomsappel bleek te zijn. Zij en Tirza waren melaatsch. - -Weten onze lezers wat dat insloot? Een melaatsche werd als dood -beschouwd. Uit de stad verdreven mocht hij zijne betrekkingen slechts op -grooten afstand toespreken. Zijne woonplaats was bij andere melaatschen -in spelonken of wildernissen. Zag hij iemand naderen--uit de verte reeds -moest hij hem toeroepen: Onrein! Onrein!--Een wezen, dat zichzelf tot -afschuw was, en alleen van den dood uitkomst kon verwachten. - -Nog herinnerde de moeder zich den dag, waarop zij binnen in hare hand -iets vreemds gevoeld had, dat zij, maar tevergeefs, beproefd had weg te -wasschen. Eerst hechtte zij er niet veel aan, maar toen ook Tirza -hetzelfde aan hare hand opmerkte, werd zij ongerust. Haar dagelijksch -rantsoen van water was niet groot, toch gebruikten zij er elken dag een -gedeelte van om de aangetaste plek te reinigen. Maar het breidde zich -uit, de geheele hand werd ontstoken, het vel barstte op verschillende -plaatsen, de nagels vielen af. Zij leden niet veel pijn, maar voelden -zich voortdurend onwel. Later verdroogden hare lippen en vielen er -kloven in, en toen de moeder op zekeren morgen met angst in het hart -Tirza nauwkeurig beschouwde, zag zij haar vreeselijk vermoeden -bewaarheid: de wenkbrauwen van haar kind waren geheel wit. - -Wat zij toen doormaakte is niet te begrijpen. Sprakeloos en onbewegelijk -zat de arme vrouw een poos neder, slechts dat eene woord bij zichzelve -herhalende: melaatsch, melaatsch. - -Toen zij weer geregeld denken kon, was haar eerste gedachte het -vreeselijke geheim te verzwijgen en Tirza in gelukkige onwetendheid te -laten. Zelve hopeloos verdubbelde zij hare zorgen voor Tirza, en slaagde -er met de grootste zelfbeheersching in haar onkundig te laten, met -betrekking tot den aard harer ziekte, en wist zelfs de hoop bij haar -levendig te houden, dat zij van voorbijgaanden aard zou wezen. Zij -bedacht raadsels en spelletjes, vertelde geschiedenissen, oude en -nieuwe, luisterde met het grootste genot naar de liederen, die zij Tirza -herhaaldelijk deed zingen, en hief zelve de psalmen aan van den -koninklijken zanger, alles om voor een poos ten minste haar verdriet te -verzetten en hare ziel tot God op te heffen, die haar, evenals de -wereld, scheen vergeten te hebben. - -Langzaam maar zeker nam de kwaal toe. Na eenigen tijd werd het hoofdhaar -wit, vielen lippen en oogleden met gaten, werd het geheele lichaam met -blaren bedekt. Toen werd de keel aangedaan, werd hare stem heesch, -werden de gewrichten stijf. Nog maar weinig tijds, dan zou de ziekte de -bloedvaten en de beenderen aantasten--en zoo kon het vele jaren al erger -en erger worden, totdat eindelijk de dood haar kwam verlossen. - -Een dag van verschrikking was de dag, waarop de moeder het haar plicht -rekende aan Tirza den naam harer ziekte mede te deelen, en beiden in -wanhoop God smeekten, dat het einde spoedig daar mocht zijn. - -Maar men went aan alles. De zwaarbeproefden leerden na verloop van tijd -kalm te spreken over hare kwaal. Zij zagen welke vreeselijke verwoestingen -de ziekte aanrichtte, en klemden zich niettegenstaande dat aan het leven -vast. Een band bleef haar aan de aarde binden: Juda. Over hem spraken en -dachten zij. Zij twijfelden geen oogenblik aan zijne trouw en rekenden -er vast op, dat hij even sterk als zij naar eene wederontmoeting -verlangde. Zoo vertroostten zij elkander dag aan dag, ook, zooals wij -gezien hebben, toen Gesius haar, nadat zij twaalf uren honger en dorst -geleden hadden, weder moed kwam inspreken. - -De toortsen verlichtten de cel, de bevrijding was daar. God is goed, -riep de weduwe dankbaar. Die werkelijk dankbaar is voor een ontvangen -gunstbewijs vergeet voor 't oogenblik zijne ellende. - -Toen de commandant haar naderen wilde, vloden zij in een hoek, en -herinnerde de moeder zich wat haar plicht was. Daarom stootte zij dien -akeligen kreet uit: Onrein! Onrein! - -Ach, hoeveel kostte haar die plichtsbetrachting! Zelfs in de vreugd over -hare bevrijding was zij niet blind voor de gevolgen daarvan. Het oude, -gelukkige leven was voor altijd voorbij. Wilde zij de haar zoo dierbare -woning gaan opzoeken, dan zou zij reeds bij de poort moeten roepen: -Onrein!--De knaap van wien zij voortdurend gedroomd had zou, als hij -haar zag, op een afstand moeten blijven staan. Stak hij de handen naar -haar uit, dan zou juist hare liefde haar dwingen om hem toe te roepen: -Onrein! - -De commandant hoorde de waarschuwing. Hij ontstelde, maar bleef staan. - ---Wie zijt gij? vraagde hij. - ---Twee vrouwen, die van honger en dorst sterven. Maar kom niet bij ons -en raak de muren niet aan. De geheele cel is besmet! - ---Vertel mij uwe geschiedenis, vrouw. Zeg mij uw naam, en wanneer en -door wien en waarom gij hier gevangen zijt gezet. - ---In Jeruzalem woonde jaren geleden een vorst, Ben-Hur geheeten, -bevriend met vele edele Romeinen, zeer gehecht aan den keizer. Ik ben -zijn weduwe, en dit meisje is zijne dochter. Ik kan u niet zeggen waarom -wij hier begraven zijn, want ik weet het zelf niet, of het moest wezen -omdat wij rijk waren. Valerius Gratus kan u zeggen wie onze vijand was -en wanneer onze gevangenschap begonnen is. Ik weet het niet. Zie waartoe -men ons gebracht heeft. O, heb medelijden met ons! - -De atmosfeer was zwaar verpest, maar in weerwil daarvan riep de -commandant een der fakkeldragers tot zich om hem bij te lichten, en -schreef haar antwoord woordelijk op. Kort en bondig behelsde het een -geschiedenis, een aanklacht, en een bede. Een onbeschaafde vrouw zou -zich niet zoo beknopt hebben kunnen uitdrukken. De Romein moest haar -zijns ondanks gelooven en beklagen. - ---Gij zult terstond geholpen worden, zeide hij. Ik zal u eten en drinken -zenden. - ---En kleeren, en waschwater, bid ik u. - ---Het zal geschieden. - ---God is goed, zeide de weduwe schreiend. Moge zijn vrede met u zijn! - ---Ik mag u niet wederzien, antwoordde de commandant. Maar tegen den -avond zal ik u in vrijheid doen stellen. Gij kent de wet. Vaarwel! - -Weinige oogenblikken later brachten een paar slaven een badkuip, de -noodige hoeveelheid water, handdoeken, vrouwenkleeren, brood met -vleesch, en wijn, zetten het alles bij de opengebroken deur neer en -verwijderden zich toen zoo snel mogelijk. - -Halverwege de eerste nachtwake bracht men de beide gevangenen naar -buiten, en ademden zij vrijelijk de frissche lucht in. - -De sterren fonkelden boven haar hoofd, evenals van ouds. Zij -verlustigden zich een oogenblik in dien aanblik, maar toen vraagden ze -elkander droef te moede: Wat nu? Waarheen? - - - * * * * * - - -DERDE HOOFDSTUK. - -TERUGKEER. - - -Ongeveer terzelfder tijd dat Gesius voor den commandant verscheen, -beklom een voetreiziger den Olijfberg van de oostzijde. De weg was -oneffen en stoffig, alle planten waren bruin verschroeid, want het was -in het droge jaargetijde. Gelukkig was hij jong en sterk, en droeg hij -een luchtig, ruim gewaad. - -Hij vorderde slechts langzaam, en keek dikwijls rechts en links, alsof -hij na lange afwezigheid een welbekend landschap wederzag en zich -verzekeren wilde, dat alles onveranderd hetzelfde gebleven was. - -Toen hij eindelijk nabij den top kwam versnelde hij zijnen stap en liet -zich door niets meer ophouden, totdat hij de hoogte bereikt had en -verrukt over het schouwspel aan zijne voeten staan bleef. - -Die reiziger was Ben-Hur, en wat hem zoo bekoorde was Jeruzalem, de stad -Gods. - -Hij ging op een steen zitten, maakte den doek los, die zijn hoofd tegen -de zonnestralen beschutte, en verdiepte zich in zijne overpeinzingen, -den blik op de stad zijner vaderen gevestigd. - -De zon neigde ten ondergang. Een oogenblik rustte de vuurbol op de -toppen der westelijke bergen, den hemel, de muren eb de torens der stad -in gouden glans hullende. Daarop verdween hij. De stilte rondom hem -voerde Ben-Hurs gedachten naar de ouderlijke woning. Zijn oog dwaalde af -naar een punt ten noorden van den Tempel, daar moest het erfdeel zijner -vaderen liggen, als het huis ten minste nog bestond. - -De liefelijke rust, de zachte atmosfeer, bleven niet zonder invloed op -zijne gevoelens. Alle bittere gedachten, alle eerzuchtige plannen ter -zijde stellend, overdacht hij den plicht, die hem naar Jeruzalem -gebracht had. Terwijl hij met Ilderim in de woestijn was en als een -krijgsoverste het terrein verkende, kwam op zekeren avond een bode tot -hem met het bericht, dat Gratus afgezet en Pontius Pilatus in zijne -plaats aangesteld was. - -Messala was lichamelijk gebroken en hield hem voor dood; Gratus was van -zijne macht beroofd, en vertrokken--waarom zou hij dan het zoeken naar -moeder en zuster nog langer uitstellen? hij behoefde voor niets meer te -vreezen. Werd hem niet toegestaan zelf de gevangenissen van Judea te -onderzoeken, dan konden anderen dat toch voor hem doen. Werden de -verloornen gevonden, dan zou Pilatus haar zeker in vrijheid doen -stellen, want die ten minste had er geen belang bij haar nog langer -gevangen te houden. Met geld was in ieder geval veel te doen. Dan zou -hij zijne geliefden in veiligheid brengen, om zich daarna met een -volkomen hart geheel te wijden aan den Koning, die te komen stond. Zijn -besluit was dadelijk genomen. Ilderim keurde het plan goed en gaf hem -drie zijner stamgenooten mede, die Ben-Hur te Jericho achtergelaten had -met de paarden, terwijl hijzelf te voet de reis voortzette. Te Jeruzalem -zou Malluch zich bij hem voegen, en verder zou hij zich door de -omstandigheden laten leiden. - -Met het oog op zijne plannen zou het geraden zijn zich voor alle -mogelijke ambtenaren, inzonderheid de Romeinsche, verborgen te houden, -en het voornaamste werk aan Malluch over te laten, die zeer schrander en -behoedzaam was. - -Voor alle dingen moest uitgemaakt worden hoe zij de zaak zouden -aanpakken. Dat was hem nog niet recht helder. Het liefst zou hij met den -burcht Antonia willen beginnen, want hij wist, dat zich onder dit -sombere gebouw een doolhof van gevangenissen uitstrekte, juist geschikt -om lieden, die men uit den weg wilde ruimen, in zich op te nemen. -Daarenboven had hij met eigen oogen gezien hoe de soldaten zijne moeder -en Tirza de straat indreven, die rechtuit naar den burcht leidde. Waren -zij daar niet meer, dan kon hij er toch inlichtingen krijgen betreffende -haar lot. - -In het diepst zijner ziel leefde een stille hoop, die hem daarentegen -allereerst naar de ouderlijke woning trok. Door Simonides wist hij dat -Amrah nog leefde. Haar opzoeken en van haar hooren wat zij wist, moest -zoo spoedig mogelijk geschieden. De trouwe slavin had zich, zooals men -zich zal herinneren, op dien vreeselijken morgen losgerukt uit de handen -der soldaten en was het ledige huis binnen gevlogen, waar zij, met al -wat er verder in was, opgesloten werd. Simonides had haar sedert dien -tijd van het noodige voorzien, en zij was de eenige bewoonster gebleven -van het groote huis, dat Gratus, hoeveel moeite hij er zich ook voor -gaf, niet had kunnen verkoopen. De geschiedenis die er aan vast was -hield de koopers of huurders terug. Daarenboven had het den naam dat het -er spookte, misschien een gevolg van Amrah's ronddwalen door de -verschillende kamers, of op het platte dak. Kon hij haar te spreken -krijgen, wie weet of zij hem niet eenig licht zou kunnen verschaffen, en -daarom had hij besloten nog hedenavond tot haar te gaan. - -De avond was gevallen, toen Ben-Hur opstond en van den berg afdaalde. -Vlak bij de bedding van de beek Kedron ontmoette hij een herder, die -zijne schapen naar de markt bracht. Hij sloot zich bij dien man aan, en -trad aan zijne zijde door de Vischpoort de stad binnen. - - - * * * * * - - -VIERDE HOOFDSTUK. - -EEN ZWARE STRIJD. - - -Het was reeds geheel donker, toen Ben-Hur van den herder afscheid nam en -eene nauwe straat insloeg, die naar het zuidelijk gedeelte der stad -voerde. Enkele menschen, die hem tegenkwamen, groetten hem, en nog nooit -hadden de welbekende woorden hem zoo liefelijk in de ooren geklonken. -De huizen aan beide zijden der straat waren laag en somber. Alle deuren -waren gesloten. Het gevoel zijner eenzaamheid, de duisternis, de -onzekerheid, waarin hij verkeerde, dat alles stemde hem droevig. - -Zoo kwam hij bij het diepe waterbekken, thans bekend als de vijver van -Bethesda. Voor hem verhief zich de burcht Antonia als een zwarte -dreigende steenklomp. Hij bleef staan. Zoo sterk, zoo hecht en -onaantastbaar verhief zich het gevaarte, dat hij het wanhopige van zijn -streven gevoelde. Als zijne moeder achter die muren zuchtte, wat -vermocht hij dan om haar te redden?... Door geweld niets. Werpspietsen -en stormrammen zouden tevergeefs hunne kracht op de rots beproeven; -list ... ach, die wordt zoo gemakkelijk verijdeld. En God, de laatste -toevlucht van hulpbehoevenden, toeft dikwijls zoo lang met zijne hulp! - -Met sombere voorgevoelens in 't hart ging hij verder, de volgende straat -in. Een nachtverblijf zou hij zich later wel zoeken in de nieuwe wijk -Bezetha, waar een herberg was; nu eerst naar Amrah. - -Juist ging de maan op en verspreidde naar zilveren glans over de tot nog -toe onzichtbare voorwerpen in het westen, zoodat de hooge torens op den -berg Sion helder en klaar tegen den donkeren achtergrond afstaken. - -Eindelijk bereikte hij het ouderlijke huis. Voor de noordpoort bleef hij -staan en las het aanplakbiljet: Dit is het eigendom des keizers. - -Sedert dien vreeselijken dag was niemand door die poort in- of -uitgegaan. Zou hij als naar gewoonte kloppen? Hij wist, dat het -vergeefsche moeite zou zijn, toch kon hij de verzoeking niet wederstaan. -Amrah zou het wellicht hooren en uit een der vensters kijken. Hij raapte -een steen van den grond, ging de brede trappen op en klopte driemaal. -Slechts de echo antwoordde. Hij klopte nogmaals, en nogmaals, doch -bemerkte geen teeken van leven. Hij ging naar den overkant der straat en -bespiedde de vensters, doch er was niets te zien. Hij liep het huis -om--ook daar was de deur verzegeld en van een opschrift voorzien. -Ben-Hur las het en ontstak in woede. Hij rukte het opschrift af, wierp -het op den grond en vertrapte het. Toen zette hij zich neder op de stoep -en bad dat de nieuwen koning toch spoedig komen mocht. Langzamerhand -werd hij kalmer, de vermoeienis na de langen dagreis deed zich gevoelen, -hij strekte zich uit en viel weldra in slaap. - -Een weinig later kwamen twee vrouwen de straat af van de andere zijde. -Angstvallig vervolgden zij haren weg en bleven dikwijls staan om te -luisteren. Bij den hoek van het huis gekomen hielden zij stil, en zeide -eene van haar met gedempte stem: Dit is het, Tirza! - -Tirza zag het huis aan, greep haar moeders hand, boog het hoofd, en -begon te weenen. - ---Laat ons verder gaan, mijn kind, want zoodra het dag wordt jagen zij -ons de stad uit. - ---Ach, ik had het bijna vergeten, snikte Tirza. Ik verbeelde mij dat wij -naar huis gingen. Maar wij zijn melaatsch en hebben geen tehuis. Wij -behooren tot de dooden! - ---Kom, Tirza, wij hebben nu niets te vreezen. Kom mee, zeide de moeder -troostend. - -'t Was waar, reeds alleen door het opsteken harer handen zouden zij een -geheel leger op de vlucht hebben kunnen drijven. - -Met onhoorbaren tred slopen zij, twee spookgestalten gelijk, den hoek -om, totdat zij voor de poort kwamen en het opschrift lazen: Dit is het -eigendom des keizers. - -Toen wrong de moeder in stomme smart hare handen, hief de oogen ten -hemel en kermde overluid. - ---Moeder, wat scheelt er aan? U doet mij schrikken! - ---Ach, kind, hij is dood! - ---Wie, moeder? - ---Uw broeder! Zij hebben hem alles afgenomen, zelfs dit huis! Nu zal hij -ons nooit kunnen helpen! - ---Wat moeten wij doen, moeder? - ---Morgen, mijn kind, moeten wij aan den weg gaan zitten en bedelen, -zooals de melaatschen dat gewoon zijn. Wij moeten bedelen, of--! - ---Laat ons sterven, moeder, liever sterven! - ---Neen, zeide de moeder op vasten toon. God heeft onzen tijd bepaald, en -wij gelooven in Hem. Wij zullen op Hem blijven vertrouwen, ook hierin. -Kom! - -Al sprekende had zij Tirza's hand gevat en spoedde zich naar de -westzijde van het huis, steeds dicht langs den muur loopende. Daar zij -nergens iemand zagen, gingen zij door, maar schrikten terug voor het -heldere maanlicht, dat de straat bescheen. De moeder hervatte zich -echter spoedig, wierp een smartelijken blik op de vensters aan deze -zijde van het huis, en stapte moedig vooruit in het licht, Tirza met -zich voerend. - -Nu kon men eerst recht zien hoe vreeselijk de verwoesting was, die de -ziekte had teweeggebracht. Lippen, wangen, oogen, handen droegen er de -sporen van, maar het afzichtelijkst was wel het hoofdhaar, dat in lange, -stijve, klamme lokken neerhing, en evenals de wenkbrauwen een akelig -witte kleur had. Moeder en dochter waren niet van elkander te -onderscheiden, beiden waren even onnatuurlijk verouderd. - ---Stil, zeide de moeder op eenmaal, daar ligt iemand op de stoep te -slapen, een man. - -Snel staken zij de straat over en gingen in de schaduw voort, totdat zij -tegenover de poort kwamen, waar zij bleven stilstaan. - ---Blijf even hier. De man slaapt, ik wil beproeven of de poort dicht is. - -Dit zeggende stak zij de straat over en duwde zacht tegen een der -deuren, maar juist op dat oogenblik slaakte de vreemdeling een zucht, -bewoog zich onrustig in zijn slaap en draaide het hoofd om, zoodat zijn -gelaat duidelijk zichtbaar werd. Zij zag hem aan en ontstelde hevig, -keek nogmaals, bukte zich een weinig, kwam weer overeind, vouwde de -handen en hief de oogen ten hemel in stil gebed. Een oogenblik slechts, -toen ging zij ijlings naar Tirza terug. - ---Kind, Tirza! dat is mijn zoon, uw broeder! fluisterde zij zacht, greep -hare dochter bij de hand en vervolgde: Laat ons hem samen aanschouwen, -even slechts, en dan, o God, help dan uwe dienstmaagden! - -Onhoorbaar staken zij de straat over. Toen zij vlak bij hem waren gekomen, -bleven zij staan. Een van zijne handen was afgegleden en rustte op de -stoep. Tirza viel op hare knieen en wilde die hand kussen, maar de moeder -trok haar terug. Pas op, kind, vermaande zij, wat woudt gij doen? Onrein! -Onrein! - -De arme Tirza week verschrikt achteruit, alsof haar broeder de melaatsche -was. - -Ben-Hur was schoon om aan te zien. Zijn gelaat was verbrand door de zon, -mar de lippen waren rood, de tanden wit, en de golvende baard verborg -niet den fraaien vorm van kin en hals. Hoe schoon was hij in zijn -moeders oogen! Hoe smachtte zij er naar hem in hare armen te nemen en -aan haar hart te drukken. Waaruit putte zij de kracht om niet aan dat -verlangen toe te geven? Juist uit hare liefde voor hem. Voor niets ter -wereld zou zij, de melaatsche, een kus hebben willen drukken op zijne -wang. Toch wilde zij hem aanraken. Op hetzelfde oogenblik dat zij hem -vond, moest zij voor altijd afscheid van hem nemen, dat, zij wist het, -werd van haar geeischt. Bittere, bittere gedachte! - -Zij knielde naast hem neder en drukte zacht hare lippen tegen de zool -van zijn sandaal, hoe bestoven die ook was; zij kuste die nog eens en -nog eens. Haar gansche ziel lag in die kussen. - -Daar bewoog hij zich weer en prevelde in zijn slaap: Moeder ... Amrah, -waar is ... - -Het was bijna te veel voor de arme vrouw. Zij drukte haar gelaat tegen -de steenen, om haar snikken te smoren, want haar hart dreigde te breken. -Bijna wenschte zij dat hij wakker mocht worden. Hij dacht immers aan -haar in den slaap, en mocht hij dan niet weten, dat zij zoo dicht bij -hem was? Maar de tijd drong. Zij stonden op ... nog een langen blik, een -laatste blik, en weer staken zij de straat over. In de schaduw zetten -zij zich neer, wachtend, ja, waarop? Op het een of ander, zij wisten -zelf niet wat. - -Nog niet lang hadden zij zoo gezeten, of een andere vrouw kwam den hoek -van het huis om. Zij zagen haar duidelijk: een kleine vrouw, gebogen van -houding, donker van kleur, eenvoudig, maar netjes gekleed. Zij had een -mand met eetwaren bij zich. - -Toen zij den man op de stoep bemerkte bleef zij staan, bezon zich echter -en kwam zachtkens naderbij. Zonder hem aan te raken ging zij naar de -poort, en stak hare hand door eene in de linkerdeur aangebrachte -opening. - -Een van de planken week op zij, de vrouw schoof er de mand door en wilde -zelve volgen, toen zij, door nieuwsgierigheid gedreven, nog even staan -bleef om een blik op het gelaat van den vreemdeling te werpen. - -De toeschouwers van den overkant hoorden een verbaasden uitroep, zagen -dat de vrouw haren oogen wreef, alsof zij een droombeeld dacht te -zien,--zij zagen haar zich over hem heenbuigen, de hand des slapers -vatten en met kussen overdekken ... wat moeder en zuster ook zoo gaarne -zouden gedaan hebben, maar niet durfden. - -Door die aanraking gewekt trok Ben-Hur zijne hand terug, en zag -tegelijkertijd de vrouw aan. Daar sprong hij overeind en riep blijde: -Amrah! o Amrah! Zijt gij daar eindelijk? - -Zij antwoordde niet, maar viel hem om den hals en snikte luid. - ---Goede Amrah, hoorde zijne moeder hem zeggen, wat ben ik blij u te -zien; maar zeg mij gauw wat gij van moeder en Tirza weet. Waar zijn zij? -Gij hebt haar natuurlijk gezien. Zijn zij thuis? - -Maar Amrah schreide slechts te heviger. Tirza maakte een beweging, maar -de moeder, haar voornemen radende, hield haar tegen en fluisterde: Ga -niet, voor niets ter wereld. Onrein! Onrein! - -Neen, al moest haar hart ook breken, haar zoon zou niet worden wat zij -waren. - ---Woudt gij naar binnen gaan? vraagde Ben-Hur aan Amrah. Kom dan. Ik ga -met u mee. De Romeinen, dat 's Heeren wraak hen treffe, liegen. Dat is -mijn huis. Kom, Amrah, laat ons naar binnen gaan. - -Zij traden binnen en sloten de deur, die nooit meer open zou gaan voor -de arme moeder en hare dochter. Zij hadden het offer gebracht. Zij bogen -zich diep in het stof. Men vond haar den volgenden morgen, en dreef haar -met steenen de stad uit. Weg met u! Gij behoort tot de dooden! Gaat naar -de dooden! riep men haar na. - - - * * * * * - - -VIJFDE HOOFDSTUK. - -AMRAHS TROUW. - - -Als de hedendaagsche reiziger den Koningstuin bij Jeruzalem bezoeken -wil, neemt hij zijnen weg door de bedding der beek Kedron, of langs den -Gihon en Hinnom, tot aan de oude fontein Rogel, drinkt dan van het -heerlijke water, en staat stil, want hij heeft het uiterste punt bereikt -van het bezienswaardige in die richting. Hij werpt een blik op de groote -steenen, die de bron omringen, onderzoekt hoe diep zij wel is, glimlacht -over de primitieve manier van waterscheppen, en geeft misschien een -aalmoes aan de arme ziel, die er de wacht bij houdt. Keert hij zich -daarna om, dan rusten zijne oogen op de bergen Moria en Sion ten -noorden, den Berg der Ergernis aan zijne rechterhand, en den Berg van -den Slechten Raad ter linkerzijde, welke bergen hij, zoo hij ten minste -thuis is in de bijbelsche geschiedenis en in de overlevering, met groote -belangstelling zal gadeslaan. - -De beide laatste bergen zijn vol spelonken en holen, die toen ten tijde, -evenals de graven in het dal, tot woonplaats strekten aan de uit de stad -verdreven melaatschen. - -Op den tweeden morgen na de gebeurtenissen in het vorige hoofdstuk -vermeld, begaf Amrah zich naar de bron Rogel, en ging bedaard op een -steen zitten. Zij had een waterkruik bij zich en een mandje, waarvan de -inhoud met een sneeuwwitten doek bedekt was. Toen zij gezeten was, -maakte zij haar hoofddoek los, vouwde de handen om hare knieen en -staarde peinzend naar den Akker des Pottenbakkers, later Akeldama -genoemd. - -Het was nog zeer vroeg, nog niet volkomen dag en zij was de eerste bij -de bron. Niet lang daarna echter kwam een man met een touw en een leeren -emmer en hield zich gereed om water te putten. Men kon indien men dat -verkoos zichzelf helpen, maar anders was hij bereid om voor een -kleinigheid de grootste kruiken te vullen. - -Amrah bleef stil zitten en bewaarde het zwijgen. Na een poosje vraagde -de man, of zij haar kruik soms gevuld wilde hebben, en toen zij -antwoordde: Nog niet,--lette hij verder niet op haar. Toen het volkomen -dag geworden was, kwamen zijne gewone klanten, zoodat hij zijne handen -vol werk had. - -Terwijl Amrah nog altijd zit te wachten en uit te kijken, zullen wij -zien met welk doel zij daar kwam. - -Zij was gewoon 's avonds ter markt te gaan. Onopgemerkt sloop zij dan -het huis uit, en begaf zich naar de winkels bij de Vischpoort, in het -oosten der stad, waar zij hare inkoopen deed, om daarna weder even -geheimzinnig in huis te komen. Hoe gelukkig zij was, dat zij haar jongen -meester weer bij zich had, kan men zich voorstellen. Zij kon hem echter -niets vertellen van zijne moeder en zuster. Hij trachtte haar over te -halen een andere woning te betrekken, maar zij was er niet toe te -bewegen. Gaarne zou zij gezien hebben, dat hij zijn oude kamer weer -betrokken had, die onveranderd dezelfde gebleven was, maar het gevaar -van ontdekt te worden was te groot, en hij wilde zoo min mogelijk de -aandacht trekken. Hij bleef dus bij zijn voornemen om in de herberg der -wijk Bezetha te overnachten, en beloofde Amrah zoo dikwijls mogelijk bij -haar te zullen komen, maar altijd 's avonds laat. Hiermede moest zij -zich tevreden stellen, en van nu was zij op niets anders bedacht, dan -hoe zij hem genoegen zou kunnen doen. Dat het kind intusschen man -geworden was scheen niet bij haar te wegen, en de mogelijkheid dat zijn -smaak veranderd kon zijn, kwam niet bij haar op, waarom zij hem als van -ouds dacht te bedienen. Zij herinnerde zich nog goed waar hij het meest -van gehouden had, en nam zich voor te zorgen dat zij daar altijd genoeg -van in huis had. Daarom ging zij de volgenden avond wat vroeger uit dan -gewoonlijk, en terwijl zij een winkel binnenging om honig te koopen -gebeurde het, dat zij op een groepje menschen stuitte, geschaard rondom -een werkman, die hun een verhaal deed. - -Wat dat voor een verhaal was, zal de lezer wel begrijpen, als hij -verneemt, dat de verteller een der werklieden was, die den commandant -van den burcht Antonia bijgelicht hadden, toen hij de gevangenen in cel -VI bezocht. Hij vertelde alles wat hij gehoord en gezien had tot in de -kleinste bijzonderheden, ook den naam der ongelukkige slachtoffers. - -Met welke gevoelens de trouwe Amrah naar die tijding luisterde valt niet -te beschrijven. Zij deed hare inkoopen en keerde als in een droom -huiswaarts. Welk eene verrassing kon zij den jongen meester nu bereiden! -Zij had zijne moeder gevonden! - -Thuis gekomen bergde zij het gekochte weg, en lachte en schreide te -gelijk. Eensklaps bleef zij onbewegelijk staan en dacht een oogenblik -na. Ach, het zou immers zijn dood wezen, als hij hooren moest, dat zijne -moeder en zuster melaatsch waren! Zonder twijfel zou hij naar dat oord -der verschrikking bij den berg gaan en de besmette spelonken doorzoeken, -totdat hij ze gevonden had. Dan zou de ziekte ook hem aantasten en zou -hij haar lot moeten deelen. Zij wrong wanhopig de handen. Wat moest zij -doen! - -Evenals menigeen voor en na haar hielp de liefde haar uit den nood. - -De melaatschen, dat wist zij, waren gewoon 's morgens hunne holen te -verlaten, om het benoodigde drinkwater uit de bron Rogel te halen. Zij -brachten hunne waterkruiken mede, zetten die op den grond, en stonden -dan van verre te wachten, totdat zij gevuld waren. De wet was -onverbiddelijk en liet geen onderscheid toe tusschen rijken of armen. -Hare meesteres en Tirza zouden dit ook moeten doen. - -Zoo besloot Amrah dan niets te zeggen van hetgeen zij gehoord had, maar -eerst naar de bron te gaan en daar te wachten. Honger en dorst zouden de -ongelukkigen derwaarts drijven, en zij geloofde zeker haar op het eerste -gezicht te zullen herkennen; zoo niet, dan zouden zij het haar doen. - -Intusschen kwam Ben-Hur thuis en had veel met haar te bespreken. Morgen -zou Malluch komen, dan zouden zij terstond met het onderzoek beginnen. -Hij verlangde er vurig naar. Om zich wat afleiding te bezorgen wilde hij -de heilige plaatsen op den tempelberg gaan bezoeken. Het geheim woog de -arme Amrah wel zwaar op het hart, maar zij wist zich te beheerschen en -zweeg. - -Na zijn vertrek zette zij zich aan den arbeid en maakte eenige -kostelijke spijzen gereed. Zoodra de sterren verbleekten en de eerste -morgenschemering aanbrak pakte zij hare mand vol, nam een waterkruik en -sloeg den weg in naar de bron Rogel, waar wij haar zien wachten. - -Kort na zonsopgang, toen de bezoekers vele waren en de man de handen vol -werk had, toen zelfs een half dozijn emmers te gelijk werd neergelaten, -daar iedereen zich haastte om weg te komen, voordat de koele morgen -plaats maakte voor de hitte des daags, kwamen ook de arme spelonkbewoners -te voorschijn. Zij naderden in groepjes, vrouwen met kruiken op den -schouder, oude en zwakke mannen leunende op krukken en stokken, of op -den schouder van een jongere, sommige zelfs op draagbaren uitgestrekt, -ook enkele kinderen. Van hare zitplaats hield Amrah trouw de wacht. Meer -dan eens meende zij haar te zien, dien zij zocht. Dat zij op den berg -waren betwijfelde zij niet; dat zij komen moesten en zouden wist zij. -Als al de anderen gereed waren zouden zij komen, dat stond bij haar -vast. - -Aan den voet van den berg was een grafspelonk, die meer dan eens Amrah's -opmerkzaamheid getrokken had door haar wijden ingang. Een bijzonder -groote steen lag bij de opening. Gedurende het heetst van den dag wierp -de zon hare stralen in het oogenschijnlijk onbewoonde en onbewoonbare -hol. En zie, juist uit die spelonk zag de geduldige Egyptische tot hare -verbazing twee vrouwen komen, waarvan de eene de andere leidde en -steunde. Beider haar was wit, beiden schenen reeds oud te zijn, maar -hare kleeding was netjes en goed. Zij zagen rondom zich, alsof alles -haar vreemd was. Verbeeldde Amrah het zich, of schrikten die twee, toen -zij hare deelgenooten in de ellende zagen? 't Waren maar kleinigheden, -die zij opmerkte, maar zij deden haar hart sneller kloppen en hare -aandacht uitsluitend op die twee vrouwen vestigen. - -De twee melaatschen bleven een oogenblik bij den steen staan, en gingen -toen langzaam en alsof het loopen haar moeilijk viel naar de bron, -waarop verscheidene stemmen haar toeriepen te blijven waar zij waren; -maar 't scheen alsof zij het niet begrepen, want zij gingen door. De -putbewaarder nam eenige steentjes op om haar daarmede te verdrijven, de -omstanders wierpen haar vloeken naar 't hoofd, en de andere melaatschen -riepen luid: Onrein! Onrein! - ---Ja zeker, dacht Amrah, die twee zijn vreemd en kennen de gebruiken der -melaatschen niet. - -Zij stond op, ging haar te gemoet met haar mandje en kruik, en terstond -hield het rumoer aan de bron op. - ---Hoe dwaas, zeide een lachend, zulk goed eten aan de dooden te geven! - ---En er nog wel zoo ver voor te komen, zeide een ander. Ik zou ze -tenminste aan de poort bescheiden. - -Amrah stoorde zich niet aan de praatjes en volgde de inspraak van haar -hart. Toch was zij er nog niet geheel zeker van. Als zij zich eens -vergiste! De moed ontzonk haar bijna, en hoe dichter zij bij de twee -vrouwen kwam, des te meer raakte zij aan het twijfelen. Op een afstand -van tien of twaalf voetstappen bleef zij staan. Kon dat de geliefde -meesteres zijn, wier edele trekken zij zoo trouw in dankbaar aandenken -bewaard had? En kon dat Tirza zijn, die zij van klein af verzorgd had, -met wie zij gespeeld had? Dat de lieve, mooie, vroolijke Tirza, de -zonnestraal in het groote huis? Onmogelijk. Het aanschouwen dier -rampzaligen maakte haar ziek. - ---Dit zijn oude vrouwen, zeide zij tot zichzelve. Ik heb ze vroeger -nooit gezien; ik zal maar teruggaan. - -Zij keerde zich om en ging. - ---Amrah! riep een der beide melaatschen. - ---Wie roept mij? vraagde Amrah bevend. - ---Amrah! - ---Wie zijt gij? vraagde zij. - ---Wij zijn, die gij zoekt. - -Amrah viel op hare knieen. - ---O lieve, lieve meesteres! Uw God, die ook de mijne is, zij geloofd en -geprezen, dat ik u heb mogen vinden! - -De trouwe ziel kroop op de knieen naar haar toe. - ---Pas op, Amrah! Kom niet dichterbij. Onrein! Onrein! - -Amrah, dus tegengehouden, bedekte haar gelaat met beide handen en snikte -zoo luid, dat de menschen bij de bron het hoorden. Eensklaps richtte zij -zich op en vraagde: Lieve meesteres, waar is Tirza toch? - ---Hier ben ik, Amrah, hier! Zoudt gij mij wat water willen geven? - -Amrah sprong op, streek zich het haar uit de oogen, en nam den doek van -haar mandje. Zie, sprak zij, ik heb wat brood en vleesch voor u -meegebracht. - ---Dat is goed van u, Amrah. Wilt gij nu wat water voor ons halen? dan -nemen wij het mee naar de spelonk. Meer moogt gij vandaag niet voor ons -doen. - -De lieden bij de bron, die dit alles van verre hadden gadegeslagen, -gingen voor Amrah op zijde, en hielpen haar zelfs de kruik vullen, -zoozeer wekte haar zichtbare droefheid hun medelijden op. - ---Wie zijn dat? vraagde eene vrouw. - -Zacht antwoordde Amrah: Zij zijn goed voor mij geweest. - -Toen de kruik gevuld was zette zij die op haar schouder en spoedde zich -naar de melaatschen terug. In haren ijver zou zij tot vlak bij haar -gegaan zijn, maar de kreet: Onrein! Onrein! hield haar nog intijds -tegen. Zij zette de kruik naast het mandje, en ging een paar stappen -terug. - ---Hartelijk dank, goede Amrah, gij hebt braaf gehandeld. - ---Kan ik nog iets voor u doen? - -De moeder had de kruik reeds opgenomen en hoewel zij versmachtte van -dorst zette zij haar weder op den grond en zeide: Ja. Ik weet dat Juda -thuis gekomen is. Ik zag hem eergisteravond op de stoep liggen slapen, -en ik zag u, toen gij hem wakker maaktet. - -Amrah sloeg de handen ineen en riep: Dat zaagt gij, en kwaamt niet bij -ons. - ---Dat mocht ik immers niet doen. Ach, Amrah, ik kan mijn zoon nooit meer -in de armen nemen, hem nooit meer aan mijn hart drukken. Amrah, ik weet -dat gij hem liefhebt, niet waar? - ---Ja, ja, ik wil als 't noodig is voor hem sterven, riep de trouwe ziel. - ---Welnu, geef mij daar een bewijs van. - ---Al wat gij wilt. - ---Dan moogt gij hem niet zeggen waar en hoe gij ons gevonden hebt. -Anders niet. - ---Maar hij zoekt u overal! Hij is van verre gekomen om u te zoeken! - ---Hij mag ons niet vinden. Hij mag niet worden wat wij zijn. Luister, -Amrah. Blijf ons dagelijks van het noodige voorzien, zooals gij heden -deedt. Het zal niet lang noodig zijn, neen, niet lang. Kom 's morgens en -'s avonds en vertel ons van hem; maar tegen hem geen woord over ons. -Belooft gij mij dat, Amrah? drong de moeder met trillende stem. - ---Ach, 't zal mij zoo zwaar vallen te zien hoe hij u overal loopt te -zoeken, en hem dan niet te kunnen of te mogen zeggen, dat u nog leeft! - ---Kunt ge hem zeggen dat gij ons gezond en wel hebt aangetroffen, Amrah? - -Amrah snikte. - ---Neen, vervolgde de moeder, en daarom moet gij zwijgen. Ga nu, en kom -van avond terug, dan zien wij naar u uit. Tot zoolang, vaarwel! - -Amrah bleef geknield liggen, totdat moeder en dochter in de spelonk -verdwenen waren. Toen keerde zij bedroefd huiswaarts. Dienzelfden avond -kwam zij terug en deed dat voortaan dag aan dag, zoodat het de -uitgestootenen aan niets ontbrak. De spelonk, hoe eenzaam en verlaten -ook, was toch niet zoo somber, als de cel in den burcht. Het daglicht -stroomde naar binnen, zij waren in de vrije natuur, en het valt -gemakkelijker geloovig den dood te verbeiden onder de open lucht, dan in -een onderaardschen kerker. - - - * * * * * - - -ZESDE HOOFDSTUK. - -DE KAMPVECHTER. - - -Aan den morgen van den eersten dag der zevende maand Tishri in 't -Hebreeuwsch, October bij ons, verrees Ben-Hur van zijne legerstede in de -herberg,--ontevreden met de geheele wereld. - -Na de aankomst van Malluch, nu anderhalve maand geleden, waren zij -dadelijk aan het werk getogen. Malluch begaf zich allereerst naar den -burcht Antonia, en wendde zich rechtstreeks tot den commandant, wien hij -een omstandig verhaal deed aangaande het gebeurde met de familie Hur, en -duidelijk deed uitkomen, dat bij het ongeluk aan Gratus overkomen geen -sprake kon zijn van boosaardig opzet. Het doel van zijne nasporingen -was, zeide hij, ingeval de ongelukkigen nog leefden, den keizer een -smeekschrift aan te bieden, met verzoek om herstel van eer, rechten en -goederen. Zulk een smeekschrift zou, daar twijfelde hij niet aan, een -nauwkeurig onderzoek ten gevolge hebben, een onderzoek, waarvoor de -vrienden der familie volstrekt niet vreesden. - -Tot antwoord deelde de commandant hem mede, dat de vrouwen in cel VI -gevonden waren, en gaf hem de memorie ter inzage, die hijzelf opgesteld -had, ja, stond zelfs toe dat Malluch er een afschrift van nam. - -Daarop haastte deze zich terug naar Ben-Hur. - -De jonkman was verplet hij het hooren van de vreeselijke tijding. Zijne -smart was te groot om in tranen of hartstochtelijke uitbarstingen van -woede verluchting te kunnen vinden. Doodsbleek bleef hij langen tijd -voor zich uit staren, nu en dan bij zichzelven herhalende: Melaatsch! -Zij--, moeder en Tirza--zij melaatsch! Hoe lang, o God, hoe lang? - -Het eene oogenblik was hij vol van deernis, het volgende smachtte hij er -naar wraak te nemen. Eindelijk stond hij op. - ---Ik moet ze gaan zoeken, Malluch! Misschien zijn zij stervend! - ---Waar wilt gij zoeken? vraagde deze. - ---Er is maar eene plaats, waarheen zij hebben kunnen gaan. - -Malluch trachtte het hem te ontraden, en slaagde er eindelijk in hem te -overtuigen van de noodzakelijkheid er zich persoonlijk buiten te houden -en alles aan hem, Malluch, over te laten. Te zamen gingen zij naar de -poort tegenover den Berg van den Slechten Raad, sinds onheugelijke -tijden de plaats, waar de melaatschen aan den weg zaten te bedelen. Daar -bleven zij den ganschen dag, deelden aalmoezen uit, vraagden overal of -men de twee vrouwen ook gezien had, en beloofden een rijke belooning aan -ieder, die hare verblijfplaats kon aanwijzen. Dat hielden zij anderhalve -maand lang dagelijks vol. De melaatschen, voor wie de uitgeloofde -belooning een machtige drijfveer was, doorzochten ijverig den omtrek, -maar tevergeefs. Ook de bewoonsters van de groote spelonk bij de bron -werden meer dan eens ondervraagd, maar zij wisten haar geheim te -bewaren. - ---Waar kunnen zij toch gebleven zijn? vraagde Ben-Hur eindelijk -ontmoedigd, om er dan in bitterheid des gemoeds op te laten volgen: Ach, -zij zijn zeker dood; weggegaan--de wildernis in, en daar omgekomen. -Moeder dood--Tirza dood--ik alleen overgebleven. En waarvoor? Hoe lang, -o Heer, God mijner vaderen, hoe lang zal Rome mogen blijven bestaan? - -Toornig, hopeloos, wraakzuchtig trad hij den voorhof van de herberg in, -en vond dien vol met menschen, welke gedurende den nacht waren -aangekomen. Terwijl hij zijn ontbijt gebruikte luisterde hij naar hunne -gesprekken. Een gezelschap trok hem vooral aan. Het bestond uit sterk -gebouwde, geharde jonge mannen, wier manieren en spraak verrieden, dat -zij uit de provincie kwamen. Uit hun oogopslag, uit de houding van hun -hoofd sprak een geest, dien men niet bij de mindere klasse van Jeruzalem -opmerkte, de geest, die een gevolg is van het vrije gezonde leven in een -bergachtige streek. Weldra vernam hij, dat zij uit Galilea kwamen, en -hoofdzakelijk naar Jeruzalem gekomen waren om deel te nemen aan het -feest der Trompetten, dat op dien dag zou gevierd worden. Nu werd zijne -belangstelling nog grooter, want in Galilea hoopte hij allereerst hulp -te vinden voor het werk, dat hij weldra moest aanvaarden. - -Terwijl hij hen gadesloeg en naging wat hij met een legioen van zulke -mannen, gedrild naar de strenge Romeinsche wetten, al niet zou kunnen -uitrichten, kwam een man de herberg binnenloopen met gloeiend gelaat en -schitterende oogen. - ---Wat doet gij hier? vraagde hij de Galileers. De rabbijnen en Oudsten -gaan juist uit den Tempel naar Pilatus. Haast u en komt mee, dan sluiten -wij ons bij hen aan. - -In een oogwenk had hij de Galileers rondom zich. - -Naar Pilatus? Waarvoor? - ---Zij hebben eene samenzwering ontdekt. Pilatus wil zijne nieuwe -waterleiding betalen met geld uit den Tempelschat. - ---Wat? Met het heilige geld? riepen verscheidene mannen met vlammende -blikken. Het is geld van God. Laat hij probeeren er een penning van te -nemen, als hij durft! - ---Komt dan! riep de boodschapper. De stoet is al over de brug; geheel -Jeruzalem is uitgeloopen en volgt hen. Wij zijn misschien noodig. Maak -voort! - -Snel wierpen de mannen hun overtollige bovenkleeren af, en stonden daar -blootshoofds en in de korte tunica zonder mouwen, die zij gewoon waren -te dragen bij den veldarbeid, of bij de visscherij, de kleedij, waarin -zij de kudden weidden op de bergen en de rijpe druiven plukten in den -wijngaard. - ---Wij zijn gereed, zeiden zij, hun gordels vaster aantrekkende. - -Toen sprak Ben-Hur hen aan. Mannen van Galilea, zeide hij, ik ben een -zoon van Juda. Mag ik met u gaan? - ---Het zal misschien tot een gevecht moeten komen. - ---Welnu, in dat geval zal ik niet de eerste zijn, die op de vlucht gaat. - -Zij zagen hem lachend aan en de bode zeide: Gij ziet er sterk genoeg -uit. Kom mee! - -Ben-Hur wierp zijn opperkleed af. Gij denkt dus dat er gevochten zal -worden? vraagde bij koeltjes. - ---Ja. - ---Met wie? - ---Met de wacht. - ---Legioenen? - ---Op wie anders kunnen de Romeinen zich verlaten? - ---Welke wapenen hebt gij? - -Niemand antwoordde. - ---Nu, zeide hij, wij zullen ons zoo goed mogelijk moeten verweren. Maar -zou het niet verstandig zijn, als wij een aanvoerder kozen? De legioenen -hebben er ook altijd een, en handelen daardoor eenparig. - -De Galileers staarden hem verbaasd aan, alsof zij van zoo iets nooit -gehoord hadden. - ---Laat ons ten minste afspreken bij elkander te blijven, zeide hij. Ik -ben gereed. Gijlieden ook? - ---Ja, laat ons gaan. - -De herberg, het zij hier even herinnerd, stond te Bezetha, de nieuwe -stad, en om naar het Praetorium te gaan, zooals de Romeinen hoogdravend -het paleis van Herodes op den berg Sion noemden, moesten onze vrienden -de laaglanden ten noorden en westen van den Tempel oversteken. Na den -heuvel Akra te zijn omgetrokken, bereikten zij den toren Mariamne. -Vandaar was men in een paar minuten bij de groote poort van het paleis. -Overal ontmoetten zij op hun weg lieden, die zich met hetzelfde doel -hadden opgemaakt. Toen zij ten laatste de poort van het Praetorium -bereikten, was de stoet van rabbijnen en Oudsten juist naar binnen -gegaan met een groot gevolg achter zich, terwijl een nog grootere, -luidruchtige menigte buiten wachtte. - -Een centurio bewaakte met een goed gewapende wacht den ingang. De zon -wierp haar gloeiende stralen op de helmen en schilden der soldaten, maar -bleven onbewegelijk staan, even onverschillig voor het oogenverblindend -geflikker, als voor het gejoel der menigte. Door de openstaande bronzen -poorten stroomden tal van burgers naar binnen, terwijl een veel kleiner -getal er uit kwam. - ---Wat is er aan de hand? vraagde een Galileer aan een man, die naar -buiten kwam. - ---Niets, antwoordde deze. De rabbi's staan voor de deur van het paleis -en verlangen Pilatus te zien. Hij heeft geweigerd naar buiten te komen. -Nu hebben zij hem doen weten, dat zij niet weg zullen gaan, voordat hij -hen gehoord heeft. Zij wachten nog. - ---Laat ons naar binnen gaan, zeide Ben-Hur bedaard, want hij zag wat -zijne eenvoudige makkers waarschijnlijk niet zagen--dat men hier niet -alleen met een verschil tusschen de rabbi's en den procurator te doen -had, maar dat het eene zaak was, waar een beslissing op moest volgen, en -dat nu maar de vraag was wie zijn zin zou krijgen. - -Zij traden binnen en kwamen in een voorhof, aan weerszijden met boomen -beplant en van banken voorzien. Zich rechts keerend ging het gezelschap -naar een ruime vierkante plaats, aan wier westzijde de woning van den -procurator lag. Daar bewoog zich een opgewonden menigte. De oogen van -allen waren op eene in een breeden doorgang aangebrachte deur gericht, -die gesloten was. Onder dien doorgang was een tweede wacht geschaard. - -Het gedrang was zoo groot dat onze vrienden, al wilden zij nog zoo -gaarne, niet vooruit konden komen. Zij bleven dus waar zij waren en -gaven nauwlettend acht op wat er gebeurde. In de voorste rijen konden -zij de hooge tulbanden der rabbijnen zien, wier ongeduld zich telkens -openbaarde in den kreet: Pilatus, als gij procurator wilt zijn, kom dan -naar buiten! - -Eenmaal kwam een der voorsten terug en baande zich een weg door de -menigte; zijn gelaat gloeide van toorn. Israel wordt hier niet geteld, -riep hij met luide stem. Op dezen gewijden grond behandelt men ons, -alsof wij Romeinsche honden waren. - ---Zal hij niet buiten komen, denkt gij? - ---Buiten komen? Heeft hij niet reeds driemaal geweigerd? - ---Wat zullen de rabbijnen doen? - ---Wat zij te Cesarea deden: hier blijven wachten, totdat hij naar hen -luistert. - ---Hij zal toch den Tempelschat niet durven aanraken, denkt gij wel? -vraagde een der Galileers. - ---Wie zal het zeggen! Heeft niet een Romein het heilige der heiligen -ontreinigd? Is iets heilig voor een Romein? - -Een uur ging voorbij, en ofschoon Pilatus hen geen antwoord waardig -keurde, hielden de rabbijnen stand. Zoo ook de scharen. Tegen den middag -begon het te regenen, hetgeen niet verhinderde, dat de menigte -aangroeide en steeds rumoeriger en ontevredener werd. Kom naar buiten! -Kom buiten! klonk het onophoudelijk. - -Intusschen hield Ben-Hur zijne Galileesche vrienden bijeen. Hij -vermoedde dat de hoogmoed den Romein weldra zijn voorzichtigheid zou -doen vergeten en het einde spoedig daar zou zijn. Pilatus wachtte -slechts totdat het volk zelf hem een voorwendsel zou geven, om tot -geweld zijn toevlucht te nemen. - -Het einde kwam dan ook werkelijk spoedig genoeg. - -Eensklaps hoorde men dat er slagen vielen, gevolgd door luide kreten van -pijn en woede. Alles geraakte in beweging. De eerwaardige mannen voor de -portiek keken verschrikt om. Het volk in de achterhoede drong vooruit, -die in het midden stonden trachtten achteruit te wijken, en gedurende -een oogenblik was de drukking van twee kanten verschrikkelijk. Duizenden -stemmen vraagden wat er gebeurd was, maar niemand kon het antwoord -geven. - -Ben-Hur behield zijne bedaardheid. Kunt gij zien wat daar geschiedt? -vraagde hij een der zijnen. - ---Neen. - ---Ik zal u optillen. - -Hij greep den man met beide handen om het middel en tilde hem van den -grond. - ---Wat ziet ge? - ---Mannen met knuppels gewapend. Zij slaan op het volk in. Zij zijn als -Joden gekleed. - ---Wie zijn het? - ---Romeinen! vermomde Romeinen! Zij slaan er duchtig op los. Daar slaan -zij een rabbi neer,--een oud man! Zij sparen niemand. - -Ben-Hur zette hem weer op den grond. - ---Mannen van Galilea, zeide hij, het is een list van Pilatus. Als gij -doen wilt wat ik zeg, zullen wij eens gauw met die knuppelaars -afrekenen. - ---Ja, ja! riepen zij eenstemmig. - ---Laat ons dan teruggaan naar de boomen bij de poort, die zullen ons van -dienst kunnen zijn. Komt! - -Zij liepen zoo hard zij konden terug, en met vereende krachten braken -zij de dikste takken van de boomen. In korten tijd waren ook zij -gewapend. Juist wilden zij optrekken, toen de menigte als razend op de -vlucht sloeg en hun den weg dreigde af te snijden. Het was een geweldig -rumoer: schreeuwen, kermen, vloeken. - ---Langs den muur! beval Ben-Hur. Langs den muur! Laat den hoop -voorbijgaan! - -Zij gehoorzaamden, drukten zich tegen den muur aan hunne rechterzijde, -ontkwamen op die wijze het gevaar van te worden meegesleurd door den -machtigen stroom, en drongen stap voor stap vooruit, totdat ten laatste -de voorplaats bereikt was. - ---Blijft nu bijeen, en volgt mij! riep Ben-Hur. - -Zijn meesterschap was ten volle erkend, en toen hij zich tusschen de -woedende menigte wierp, volgden zij hem als een eenig man. - -Toen nu de Romeinen, die nog steeds met hunne knuppels zwaaiden en zich -vroolijk maakten, als zij eenigen van het volk neersloegen, handgemeen -werden met de Galileers, vlug van leden, vurig van geest, en eveneens -gewapend, waren zij op hunne beurt verrast. Het tieren en razen werd -heftiger, de slagen volgden elkander sneller en moorddadiger. Ben-Hur -verrichtte wonderen van dapperheid. Zijn geoefende sterke hand miste -nooit haar doel. Hij was te gelijk strijder en aanvoerder, altijd -vooraan, altijd in 't heetst van het gevecht. In zijn krijgsgeschreeuw -was iets dat zijne volgers bezielde en zijne vijanden met bezorgdheid -vervulde. Weldra begonnen de Romeinen te wijken, eindelijk sloegen zij -op de vlucht. De Galileers zouden hen tot aan de portiek hebben willen -vervolgen, maar Ben-Hur hield hen wijselijk tegen. - ---Niet verder, mannen! riep hij. Daar komt de hoofdman met de wacht. Zij -hebben zwaarden en schilden. Tegen hen zijn wij niet opgewassen. Wij -hebben ons flink gehouden; laat ons terugtrekken, de poort uit, terwijl -wij nog kunnen. - -Langzaam trokken zij af. Gedurig moesten zij over hunne gevallen -broeders heenstappen; sommige leefden nog en vraagden kermend om hulp. -Maar de gesneuvelden waren niet allen Joden. Dat was een troostrijke -gedachte. - -De hoofdman riep hen spot- en scheldwoorden na, maar Ben-Hur lachte hem -uit en antwoordde in het Latijn: Als wij Joodsche honden zijn, zijt -gijlieden Romeinsche jakhalzen. Blijf maar, wij zullen wel terugkeeren! - -De Galileers juichten hem toe en gingen lachend verder. Buiten de poort -stond een saamgepakte menigte, straten, daken, berghelling, alles was -vol met menschen, die hunne verontwaardiging luide lucht gaven. - -De wacht aan de buitenzijde liet de Galileers ongemoeid door. Toen zij -een eindweegs gegaan waren, zeide Ben-Hur tot de Galileers: Broeders, -gij hebt u dapper geweerd. Laat ons nu afscheid nemen, maar komt van -avond bij mij in de herberg te Bethanie. Ik heb u een voorstel te doen -in het belang van het geheele volk van Israel. - ---Wie zijt gij? vraagden zij. - -Een zoon van Juda. Zult gij komen? - ---Ja, wij zullen komen. - -Dit afgesproken zijnde ging ieder zijns weegs. - -Op bevel van Pilatus werden de dooden en gewonden weggedragen. Onder het -volk was veel geween; maar die getuigen geweest waren van de overwinning -der Galileers onder aanvoering van den onbekenden jongen held, vertelden -overal wat er geschied was, en wachtten in spanning, of hij nog van zich -zou doen hooren. - -Zoo had Ben-Hur den eersten stap gedaan om zich vrienden te maken onder -de Galileers, en zich den weg gebaand tot grootere daden in dienst des -Konings, die te komen stond. - -Met welk gevolg zullen wij weldra zien. - - - * * * * * - - -BOEK VII. - - - * * * * * - - -EERSTE HOOFDSTUK. - -DE HERAUT. - - -De samenkomst in de herberg te Bethanie had dienzelfden avond plaats. -Van daar begaf Ben-Hur zich met zijne volgelingen naar Galilea, waar men -reeds van zijn moedig optreden gehoord had. Nog voor het einde van den -winter had hij drie legioenen bijeen vergaderd en naar Romeinsche wijze -ingericht. Hij zou gemakkelijk het dubbele getal hebben kunnen -verzamelen, want de krijgsmansgeest was in het dappere volk ontwaakt. -Zoowel tegenover Rome als tegenover Herodus Antipas waren echter de -grootste voorzichtigheid en geheimhouding noodzakelijk. Zich dus voor -het oogenblik tevreden stellende met drie legioenen, spande hij alle -krachten in om hen te gewennen aan strenge tucht en gemeenschappelijken -arbeid. Tot dat doel bracht hij de hoofdlieden naar de woeste streken -van Trachonitis, en onderwees hen in het hanteeren der wapenen, -inzonderheid van werpspies en zwaard, en in het aanvoeren van -manschappen. Daarop zond hij hen naar huis terug, om op hunne beurt -anderen te onderwijzen. Na weinig tijds waren deze oefeningen een -geliefkoosde uitspanning onder het volk geworden. - -Natuurlijk vereischte deze werkzaamheid veel geduld, beleid, ijver en -opoffering, hoedanigheden die onontbeerlijk zijn, zal men anderen kunnen -bezielen. Hoe zwoegde hij van den ochtend tot den avond, zichzelf geheel -vergetende! Toch zou hij niet geslaagd zijn zonder de hulp van Simonides, -die hem van wapenen en geld voorzag, en van Ilderim, die hem proviand -bezorgde en overal wachten had uitgezet. - -Voor de Galileers had hij niets dan lof. Onder dien naam waren de -stammen Aser, Zebulon, Issaschar en Nafthali begrepen, die het land -bewoonden, hun weleer door Mozes aangewezen. De Joden, die in den omtrek -des Tempels geboren waren, verachtten hunne noordelijke broederen, maar -zelfs de Talmud leerde: De Galileer bemint de eer, de Jood het geld. - -Hun haat tegen Rome was even vurig als hunne liefde voor het vaderland. -Bij elken opstand waren zij de eersten om aan te vallen en de laatsten -om te wijken. Honderdvijftigduizend Galileesche mannen hebben hun leven -gelaten in den laatsten kamp tegen Rome. Voor de groote feesten trokken -zij als geordende legerscharen op naar Jeruzalem en kampeerden in het -open veld. Toch waren zij zeer vrijzinnig, en zelfs toegevend voor het -heidendom. Op de schoone steden door Herodes in Romeinschen trant -gebouwd, vooral op Sepphoris en Tiberias, waren zij zeer trotsch en -droegen voor den bouw naar vermogen bij. Mannen uit alle oorden der -wereld hadden hunnen woonstede onder hen en leefden er in vrede. Tot -roem van den Hebreeuwschen naam brachten zij dichters en profeten voort, -met name den zanger van het hooglied en Hosea. - -Op een volk met zoo rijke verbeelding, zoo hooghartig, dapper en trouw, -moest het verhaal van de aanstaande komst des nieuwen konings machtig -werken. Dat zijn doel was Rome ten onder te brengen zou reeds voldoende -geweest zijn, om hem te winnen voor Ben-Hurs plannen, doch toen men hun -daarenboven verzekerde, dat de koning de wereld zou regeeren en een rijk -zou stichten, nog machtiger dan dat van Cesar, nog heerlijker dan dat -van Salomo, en dat die heerschappij eeuwig zou voortduren, stroomden zij -toe, en wijdden zij zich met lichaam en ziel aan 's konings zaak. Zij -vraagden Ben-Hur vanwaar hij deze dingen wist--en hij wees hen op de -profeten, en vertelde hun van Balthasar, die in Antiochie op de komst -des konings wachtte. Dat voldeed hen, want het was de oude -Messiasbelofte, naar wier vervulling zij reeds zoo lang hadden -uitgezien. De droom zou dus eindelijk verwezenlijkt worden. - -De wintermaanden gingen voorbij. De lente kwam, en zoo voortreffelijk -was hij met alles geslaagd, dat hij tot zichzelven en zijne volgelingen -mocht zeggen: laat de koning nu maar komen. Hij heeft slechts te bevelen -waar hij zijnen troon wil opgericht zien--wij zijn gereed om hem op -zijnen troon te handhaven. - -De Galileers kenden hunnen aanvoerder alleen als een zoon van Juda. Een -anderen naam had hij hun niet opgegeven. - - * * * * * - -Op zekeren avond zat Ben-Hur in Trachonitis met een paar van zijne -Galileesche vrienden voor de spelonk, waar hij zijn hoofdkwartier had -opgeslagen, toen een Arabische bode kwam aanrijden en hem een brief -overhandigde. Hij verbrak het zegel en las: - - Jeruzalem IV Nisan. - - Een profeet is opgestaan, van wien men zegt dat hij Elias is. Hij - heeft jarenlang in de wildernis geleefd, en in onze oogen is bij - een profeet. Zijne taal maakt hem ook als zoodanig openbaar. In - zijne prediking wijst bij steeds op een, grooter dan hijzelf, die - weldra komen zal. Hij houdt zich op aan den oostelijken oever van - den Jordaan. Ik ben hem gaan zien en hooren, en geloof vast dat - degeen op wien hij wacht de koning is, dien gij verwacht. Kom en - oordeel zelf. Geheel Jeruzalem gaat tot den profeet, en de plaats - waar hij vertoeft is zoo vol, als de Olijfberg gedurende de laatste - dagen van het Paaschfeest. - - Malluch. - -Ben-Hurs gelaat werd met een glans van vreugde overtogen. Mijne vrienden, -zeide hij, ons wachten is ten einde. De heraut van den koning is verschenen -en heeft zijne komst aangekondigd. - -Nadat hij hun den brief had voorgelezen, verheugden zij zich allen met -groote blijdschap. - ---Maakt u dus gereed, vervolgde hij, en keert morgenochtend huiswaarts. -Doet al de uwen weten, dat zij zich gereed houden om op te trekken, -zoodra ik het sein geef. Ik zal gaan zien, of de komst van den koning -werkelijk zoo nabij is en het u doen weten. - -Hij ging de spelonk binnen om een brief te schrijven aan Ilderim en aan -Simonides, waarin hij hun de zoo even ontvangen tijding mededeelde. De -brieven verzond hij door ijlboden. 's Avonds, toen de sterren aan den -hemel flonkerden, steeg hij te paard en begaf zich met een Arabischen -gids op weg naar den Jordaan. Zijn plan was den weg te volgen tusschen -Rabbath Ammon en Damascus, den weg, dien de karavanen gewoonlijk namen. - -De gids was vertrouwbaar. Aldebaran was vlug;--tegen middernacht hadden -zij het lavagebied reeds achter zich en waren zij op weg naar het Zuiden. - - - * * * * * - - -TWEEDE HOOFDSTUK. - -EEN VERRASSING. - - -Ben-Hur had gehoopt met het aanbreken van den dag een veilige rustplaats -te zullen bereiken, maar de morgenstond overviel hem in de woestijn, en -hij zette de reis voort, daar de gids hem verzekerde, dat zij weldra aan -een door hooge rotsen ingesloten dal zouden komen, waar hij een bron, -moerbeiboomen en gras in overvloed zou vinden. - -Nadat zij eenigen tijd zwijgend hadden doorgereden, vestigde de gids, -die aanhoudend rondkeek, zijne aandacht op een gezelschap, dat, hoewel -nog verre achter hen, denzelfden weg scheen te volgen. - ---Het is een gezadelde kameel, zeide de gids een oogenblik later. - ---Zijn er geleiders bij? vraagde Ben-Hur. - ---Neen ... of ja, er is een man te paard bij, zeker de drijver. - -Een weinig later kon Ben-Hur zelf den kameel onderscheiden. Hij was wit -en buitengewoon groot, en herinnerde hem terstond het schoone dier, dat -hij bij de Castaliabron gezien had. Geen ander was dien kameel gelijk. -Zijne gedachten vlogen terug naar de Egyptische, ongemerkt liet hij zijn -paard langzamer gaan. Eindelijk zag hij dat de kameel een overdekte -zonnetent droeg, waarin twee personen zaten. Als dat eens Balthasar en -Iras waren? Zou hij zich aan hen bekend maken? Maar dat was immers niet -mogelijk! Wat zouden zij hier in de woestijn doen, zij alleen? - -Terwijl hij de mogelijkheid of onmogelijkheid overdacht, was de kameel -hem reeds op zijde gekomen. Hij hoorde het gerinkel der belletjes en zag -de rijke versiering, die het volk aan de Castaliabron zoozeer bekoord -had; ook den Ethiopier herkende hij. Toen de kameel het paard had -ingehaald hield hij stil, en zag Ben-Hur de verbaasde oogen van Iras op -zich gevestigd. - ---De zegen van den waren God zij met u, zeide Balthasar. - ---En met u en de uwen, antwoordde Ben-Hur. - ---Mijne oogen zijn verzwakt door de jaren, zeide Balthasar, maar toch -meen ik in u den zoon uit het huis van Hur te herkennen, dien ik onlangs -ontmoet heb, als den geeerden gast van Ilderim. - ---En gij zijt Balthasar, de wijze Egyptenaar, wiens gesprek over zekere -heilige zaken mij nog in de ooren klinkt, te meer daar diezelfde zaak -mij de reis door deze wildernis deed aanvaarden. En wat bracht u hier -zoo alleen? - ---Hij, die op God vertrouwt, is nooit alleen, en God is overal, zeide -Balthasar ernstig. Maar in antwoord op uwe vraag diene, dat een -karavaan, op weg naar Alexandrie, ons op korten afstand volgt, en daar -zij Jeruzalem denkt aan te doen, dacht het mij goed gebruik te maken van -haar geleide tot aan de Heilige Stad, waarheen ik op reis ben. Zij gaat -mij echter te langzaam, daarom reden wij hedenmorgen vooruit. Voor -roovers op den weg zijn wij niet bang, want wij hebben een geleibrief -van Sheik Ilderim, en tegen roofdieren is God onze beschutting. - ---De geleibrief van den Sheik is van kracht zoover de woestijn zich -uitstrekt, en de leeuw, die dezen vorst der kameelen inhaalt, moet zeker -nog geboren worden, zeide Ben-Hur, het dier op den hals kloppende. - ---Ja, zeide Iras, maar ook hij verlangt naar het verbreken van zijn -vasten. Koningen voelen daar ook wel de gevolgen van. Indien gij -werkelijk de Ben-Hur zijt, dien ik het genoegen heb gehad reeds vroeger -te ontmoeten, zal het u zeker een genoegen zijn ons den weg te wijzen -naar een bron, want wij verlangen naar een teug frisch water. - ---Schoone Egyptische, antwoordde hij, ik kan met u gevoelen. Kunt gij -nog vijf minuten geduld oefenen, dan zal ik u bij eene bron brengen, -wier water niet onderdoet voor dat van de beroemde Castaliabron. - -Dit gezegd hebbende reed Ben-Hur vooruit met den gids, daar het gesprek -onder het rijden toch niet kon worden voortgezet. Na een korten rit kwam -het gezelschap aan een _wady_. Hare bedding was zeer week door de regens -van de laatste dagen en voerde vrij steil naar beneden. Weldra echter -werd zij breeder en verliep ten slotte in een vruchtbare vallei, die, na -de zandige eentonige vlakte, den indruk maakte van een paradijs. Eenige -bloeiende oleanders, wier schitterend roode bloemen dadelijk de aandacht -tot zich trokken, waren het sieraad van dit liefelijk oord. Een statige -palmboom verhief zijn kruin ten hemel en bood den reizigers rust en -koelte aan onder zijn breede takken. Een moerbezienboschje ter -linkerzijde gaf de plaats aan waar de bron te vinden was. - -Het water stroomde uit een rotsspleet, die door een zorgende hand -verbreed was, en waarboven in groote letters het woord GOD in het -Hebreeuwsch gegraveerd stond. Zonder twijfel had hij, die de letters in -den steen gegrift had, hier dagen lang getoefd, en op deze wijze zijne -dankbaarheid geuit. - -Ben-Hur en de gids stegen af, de Ethiopier deed den kameel nederknielen, -zoodat Balthasar en Iras de tent konden verlaten. - -De Egyptenaar keerde zijn gelaat naar het Oosten, vouwde de handen -eerbiedig en bad. - ---Geef mij een beker, beval Iras ongeduldig, en toen de Ethiopier haar -onhandig een kristallen beker had gebracht, zeide zij tot Ben-Hur: Ik -zal u bedienen. - -Te zamen wandelden zij naar de bron. Hij wilde water voor haar scheppen, -maar zij stond het hem niet toe, knielde neder, vulde zelve den beker en -bood hem dien aan. - ---Neen, neen, zeide hij, het is aan mij u dezen dienst te bewijzen. - -Zij bleef echter aandringen, er bijvoegende: Wij, Egyptenaren, zoon van -Hur, hebben een spreekwoord: Beter de schenker te zijn van den gelukkige, -dan raadsman van een koning. - -Nu voegde Balthasar zich bij hen. - ---Wij zijn u zeer verplicht, zeide hij, deze vallei is liefelijk; het -gras, de boomen, de schaduw noodigen ons tot een rustig verblijf. De -bron fonkelt in den zonneschijn en spreekt tot mij van een God vol -liefde. Blijf bij ons en zit met ons aan. - ---Laat ik u dan eerst met een dronk mogen verkwikken, zeide de jonkman, -hem een vollen beker aanbiedende. - -Intusschen had de slaaf de tent opgeslagen en alles voor het ontbijt in -gereedheid gebracht, waaraan door de reizigers alle eer bewezen werd. - - - * * * * * - - -DERDE HOOFDSTUK. - -ONSTERFELIJKHEID. - - -De koele atmosfeer, de schoone bloemen, de sabbatsstilte, alleen -verbroken door het zachte ruischen van het water en het gonzen der -insecten, brachten den Egyptenaar in een opgewekte stemming. - ---Toen wij u inhaalden, zoon van Hur, zeide hij, was uw gelaat naar -Jeruzalem gekeerd. Mag ik u vragen of dat het doel uwer reis is? - ---Ja, ik ben op weg naar de Heilige Stad. - ---Wij ook, en daar ik mijne krachten sparen moet wensch ik er zoo -spoedig mogelijk te zijn. Kunt gij mij ook zeggen, of er een korter weg -is, dan die over Rabbath Ammon? - ---Ik ga over Gerasa, en Rabbath Gilead, dat is veel korter, maar ook -vermoeiender. - ---Ik verlang naar het einde van de reis, zeide Balthasar. In den -laatsten tijd droomde ik telkens denzelfden droom. Herhaaldelijk hoorde -ik een stem, die mij toeriep: Haast u, maak u op! Hij, dien gij zoolang -verwacht hebt, staat te komen. - ---Gij bedoelt hem, die de koning der Joden zal worden? vraagde Ben-Hur -verbaasd. - ---Juist. - ---Hebt gij dus nog niets van hem gehoord? - ---Niets, behalve die woorden van mijn droom. - ---Ziehier dan een tijding, die u zal verheugen. - -Uit de plooien van zijn gewaad haalde Ben-Hur den brief van Malluch te -voorschijn. Balthasar strekte er de hand naar uit en las hem hardop. -Toen hief hij zijne oogen dankend op naar den hemel. Hij deed geen -vragen, maar twijfelde ook niet. - ---Hoe goed zijt gij voor mij geweest, o God, zeide hij. Vergun mij, bid -ik u, den Messias te zien, opdat ik hem moge aanbidden, en laat uw -dienstknecht heengaan in vrede. - -De eenvoudige, vertrouwelijke bede maakte diepen indruk op Ben-Hur. -Nooit had hij zoo Gods tegenwoordigheid gevoeld. Het was hem, alsof God -hier persoonlijk bij hem was, een vriend, wien zij alles konden vragen, -een vader, die al zijne kinderen evenzeer liefhad, een vader voor den -zoon van Israel, zoowel als voor den heiden, een vader voor allen, wien -allen naderen mochten zonder tusschenkomst van priesters of leeraars. De -gedachte, dat zulk een God de menschheid een Verlosser zou kunnen zenden -in plaats van een koning, kwam hem niet meer zoo vreemd voor, de vraag -kwam zelfs bij hem op, of het niet veel meer overeenkomstig was met het -wezen Gods. Daarom zeide hij: Denkt gij nu nog dat hij als Verlosser zal -optreden en niet als koning? - ---Wat zal ik daarop zeggen? antwoordde Balthasar. De geest, die mij -weleer geleidde, is mij niet meer verschenen sinds ik u ontmoette in de -tent van den goeden Sheik; ten minste niet op de vroegere wijze. Maar ik -geloof dat die geest nu in mijne droomen tot mij spreekt. Een andere -openbaring heb ik niet. - ---Ja maar, zeide Ben-Hur, gij dacht dat hij een koning zou zijn, hoewel -niet als de vorsten der aarde. Gij dacht dat zijne heerschappij -geestelijk zou zijn, niet van deze wereld. - ---O ja, luidde het antwoord, en dat geloof ik nog. Ik zie dat er -verschil is in onze verwachting. Gij gaat om een koning van menschen te -ontmoeten, ik ga om een behouder van zielen te zien. - -Hij hield even op, alsof hij naar de juiste woorden zocht om zijne -meening duidelijk te maken. - ---Laat mij trachten, zoon van Hur, u een juist begrip te geven van mijn -geloof. Als ik u gezegd zal hebben waarom de geestelijke heerschappij, -die hij zal uitoefenen, in ieder opzicht uitnemender is, dan enkel -koninklijke pracht, zult gij mij beter begrijpen. Ik kan niet met -zekerheid zeggen wanneer het denkbeeld, dat ieder mensch eene ziel -heeft, ontstaan is. Waarschijnlijk brachten de eerste menschen het mede -uit den hof in Eden. Dat het nooit geheel verloren ging weten wij allen. -Waarom zou ieder mensch eene ziel hebben? Laat ons daar eens even bij -stilstaan. Zich neder te leggen en te sterven, op te houden te bestaan -werd nooit door eenig mensch begeerd. Allen zonder onderscheid zullen in -het diepst hunner ziel wel op iets beters gehoopt hebben. De monumenten -der volken zijn zoovele protesten tegen de vernietiging na den dood, -evenzoo hunne standbeelden en opschriften, evenzoo de geschiedenis. -De grootste onzer Egyptische koningen liet zijne beeltenis in een rots -uithouwen. Dagelijks ging hij er met zijn gevolg heen om het werk te -zien. Eindelijk was het gereed, de gelijkenis was treffend. Mogen wij -ons nu niet voorstellen, dat hij, voor dat kunstwerk staande, gedacht -heeft: Laat de dood vrij komen, ik leef in de toekomst voort!... Hij -heeft zijn wensch gehad. Het beeld staat er nog. - -Maar waar bestaat het voortleven in, dat hij zich dus verzekerde? Alleen -in de herinnering der menschen--een roem, vergankelijk als het schijnsel -der maan op het groote beeld. En wat is intusschen van den koning -geworden? In de koninklijke graven ligt een gebalsemd lichaam, dat -eenmaal het zijne was. Maar waar, zoon van Hur, is de koning zelf? Is -hij in het niet verzonken? Tweeduizend jaren zijn verloopen sedert hij -op deze aarde leefde, als gij en ik. Was met zijn laatste ademtocht -alles voor hem afgedaan? Zeggen wij ja, dan brengen wij eene -beschuldiging in tegen God. Wij nemen daarom een beter en werkelijk -leven na den dood aan, iets wat meer is dan een voortleven in de -herinnering. Daarom gaf God ons bij de geboorte eene ziel, die -onsterfelijk is. Denk nu eens aan het genot, dat in de gedachte ligt: -Wij hebben een ziel. Deze gedachte ontneemt den dood zijne verschrikking, -door het sterven te maken tot een verandering voor beter, en het -begraven tot het zaaien van een zaad, waaruit een nieuw leven zal -ontspruiten. Zie mij, oude man, aan, verzwakt naar het lichaam. Weldra -zal het graf mij ontvangen, maar dan ook openen zich voor mij de -onzichtbare deuren van Gods heerlijk huis, om mij, dat is mijne bevrijde -onsterfelijke ziel, op te nemen. O, had ik woorden om dat heerlijke -leven te schetsen! Zeg niets, dat ik er niets met zekerheid van weet. -Dit weet ik, en dat is mij genoeg: een ziel te bezitten sluit in deel te -hebben aan een goddelijke eigenschap. Zulk een verloste ziel heeft niets -meer met het stof, met het onreine te maken; zij leeft in volkomen -reinheid. Zal ik, dit geloovende, dan nog met mijzelven of met u gaan -redeneeren over de bijomstandigheden? Over den vorm van mijne ziel, of -over de behoefte aan spijs en drank, of hoe mijne ziel bekleed zal zijn? -Neen, dat laat ik gerust aan God over. Het schoone in deze wereld komt -alles uit zijne hand. Hij bekleedt de lelie, Hij geeft de roos haar -kleurenpracht, Hij roept den dauwdroppel te voorschijn. De harmonie in -de natuur is door Hem ontstaan. Hij maakt ons voor dit leven geschikt en -stelde zijne voorwaarden vast. Zij zijn van dien aard, dat ik met volle -gerustheid mijne ziel en het leven na den dood in zijne handen stel. Ik -weet dat Hij mij liefheeft. - -Balthasar zweeg. Ben-Hur, ja zelfs Iras, was aangedaan. Voor den eerste -ging een licht op. Hij begon in te zien, dat een geestelijk koningschap -voor de menschheid van nog grooter belang kon zijn, dan een aardsch -koninkrijk, en dat een Verlosser, meer dan de machtigste koning, een -Gode waardige gave zou zijn. - -Na eenigen tijd verbrak Balthasar het stilzwijgen en zeide: Het wordt -tijd dat wij opbreken en onze reis vervolgen. Ik brand van verlangen om -hem te zien, die mijne gedachten geheel vervult. Laat dat verlangen -mijne verontschuldiging zijn, zoon van Hur, als ik u tot spoed aanzet. - -Terwijl de Ethiopier alles weer opbergde bracht de Arabische gids de -paarden voor, en weldra was het gezelschap op weg om de karavaan in te -halen, die hen naar alle waarschijnlijkheid reeds vooruit gekomen was. - - - * * * * * - - -VIERDE HOOFDSTUK. - -DE HERAUT EN ZIJN KONING. - - -Op den derden dag van de reis nam het gezelschap tegen den middag een -weinig rust bij de beek Jabbok. Zij troffen daar ruim honderd mannen -aan, grootendeels uit Perea, die hier met hetzelfde doel als zij -vertoefden. Nauwelijks waren zij afgestapt, of een man trad op hen toe -met een kruik water en bood hun een frisschen dronk aan, van welk aanbod -zij gaarne gebruik maakten. De man bekeek intusschen den kameel en -zeide: Wat een prachtig dier! Ik kom juist van den Jordaan, waar het -dezer dagen druk bezocht is door reizigers van nabij en van verre, maar -geen van hunne kameelen kan in de schaduw staan van dezen. Mag ik vragen -van welk ras hij is? - -Balthasar bevredigde zijne nieuwsgierigheid en ging toen wat rusten, -maar Ben-Hur vraagde: Waar is het zoo druk? - ---Te Bethabara. - ---Daar placht het vroeger heel eenzaam te zijn, zeide Ben-Hur, hoe komt -het daar nu zoo vol? - ---O, ik zie het al, zeide de vreemdeling, gij komt ook van buitenaf en -hebt het goede nieuws nog niet gehoord. - ---Welk goed nieuws? - ---Er is een man uit de woestijn gekomen, een heilig man, die een nieuwe -leer predikt. Hij noemt zich Johannes, den zoon van Zacharia, en hij -zegt, dat hij de voorlooper is van den Messias. Men verhaalt van hem, -dat hij van jongsaf gewoond heeft in een spelonk bij Engedi, en zijn -tijd doorbracht met bidden en vasten. Geheele scharen gaan uit om hem te -hooren. Ik ben er ook geweest. - ---En deze mannen? Komen die er ook vandaan? - ---Verscheidene, maar de meesten moeten nog gaan. - ---Wat predikt hij? - ---Een nieuwe leer, zooals nog nooit in Israel verkondigd werd, zegt men. -Hij spreekt over bekeering en over den doop. De rabbi's weten niet wat -zij van hem denken moeten. Sommigen vraagden hem of hij de Christus is, -of Elia, maar hij antwoordt allen, die hem zulke vragen doen: Ik ben de -stem des roependen in de woestijn, maakt den weg des Heeren recht! - -Op dit oogenblik werd hij weggeroepen. Kort daarna maakten Balthasar en -Ben-Hur zich weder op, zoodat zij den volgenden dag het doel hunner reis -bereikten. - -Een levendig tafereel trof hun oog. Een menigte tenten was langs de -rivier opgeslagen, terwijl de beide oevers zwart van menschen waren. -Toen ons gezelschap aankwam ontstond er beweging onder de schare, -waaruit zij opmaakten, dat de spreker zijn rede geeindigd had. - ---'t Beste wat wij kunnen doen is, dat wij hier blijven staan, zeide -Ben-Hur, misschien komt de Nazireer dezen weg langs. - -Het volk was te zeer vervuld van het gehoorde om acht te slaan op de -nieuw aangekomenen. Deze bleven waar zij waren en zagen gansche -gezelschappen langs zich heen trekken. Reeds vreesden zij, dat zij den -Nazireer heden niet meer te zien zouden krijgen, toen zij een man zagen -naderen, wiens uiterlijk zoo zonderling was, dat zij voor niets anders -meer oogen hadden. Lange zwarte lokken omgaven zijn vermagerd, ernstig -gelaat, waarin een paar groote fonkelende oogen terstond de aandacht -trokken. Hij was gekleed in een kemelharen kleed, met een leeren gordel -om de lendenen. In zijne hand hield hij een staf, hoewel hij geen steun -behoefde, want zijn gang teekende kracht en vastberadenheid. Vorschend -zag hij rond, alsof hij iemand zocht. - -De schoone Egyptische zag den zoon der woestijn verbaasd, ja met onwil -aan. Zij wenkte Ben-Hur tot zich en vraagde spotachtig: Is dat de heraut -van uwen koning? - ---Dat is de Nazireer, antwoordde hij, zonder haar aan te zien. - -Om de waarheid te zeggen--hijzelf was meer dan teleurgesteld. Hoewel hij -dikwijls gehoord had van de asceten, die in Engedi woonden, hunne -kleeding, hunne onverschilligheid voor wereldsche gemakken, hunne -afgezonderde levenswijze, hunne boetedoeningen kende, en hoewel hij -geweten had dat hij een Nazireer zou zien, die zichzelven aankondigde -als: eene stem des roependen in de woestijn, had hij toch gehoopt, dat -de heraut van den grooten koning eenig uiterlijk kenteeken van macht en -aanzien zou vertoonen. Dezen woestijnbewoner met de oogen volgende dacht -hij aan de hovelingen in het keizerlijke paleis te Rome, en de -vergelijking deed hem beschaamd, verward en verlegen antwoorden: Het is -de Nazireer. - -Met Balthasar was het geheel anders. Hij wist dat Gods wegen niet zijn -als der menschen wegen. Hij had den Verlosser als een kind in de kribbe -zien liggen en was dus voorbereid op grooten eenvoud bij het optreden -van den godsgezant. Hij verwachtte geen koning. Met gevouwen handen -bleef hij zitten en zacht bewogen zich zijne lippen als in een gebed. - -Op dit oogenblik naderde iemand van de andere zijde, den Nazireer te -gemoet. Nauwelijks had deze hem in het oog gekregen, of hij bleef staan -en hief zijn staf op, ten einde de aandacht des volks tot zich te -trekken. Groote stilte heerschte op eenmaal onder de bewegelijke schare, -en toen de Dooper zag, dat hij zijn doel bereikt had, wees hij met zijn -staf op den persoon, die langzaam nader kwam. Ook Ben-Hur en Balthasar -volgden de aanwijzing en zagen een rijzig slank gebouwd man, met een -gelaat, dat men niet licht vergeten zou. Het lange bruingouden haar was -in het midden gescheiden. De groote donkerblauwe oogen straalden met -liefelijken glans onder het open voorhoofd, en de uitdrukking van zijn -geheele wezen was rustig en edel. Hij droeg een lang wit linnen gewaad -met wijde mouwen, en een talith, het daarbij behoorende wit linnen -overkleed, onderaan met blauw afgezet. De door de wet aan de rabbijnen -voorgeschreven wit en blauwe kwasten versierden zijn kleed. Zijne -sandalen waren van de eenvoudigste soort. - -Daar riep de Dooper met luide stem: Zie het Lam Gods, dat de zonde der -wereld wegneemt! - -De indruk, dien deze woorden maakten, was zeer groot, voor Balthasar -overweldigend. Het werd hem vergund den Verlosser der menschheid -nogmaals te zien. Daar stond Hij, naar wien hij zoo lang smachtend had -uitgezien, het ideaal zijner droomen, volmaakt in gestalte, gelaat, -houding. Nogmaals riep de Dooper: Zie het Lam Gods, dat de zonde der -wereld wegneemt! Deze is het van welken ik gezegd heb: na mij komt een -man, die voor mij geworden is, want hij was eer dan ik. En ik kende hem -niet; maar opdat hij aan Israel geopenbaard zou worden, daarom ben ik -gekomen, doopende met water. Ik heb den Geest zien nederdalen uit den -hemel, gelijk eene duif, en hij bleef op hem. En ik kende hem niet; maar -die mij gezonden heeft om te doopen met water, die had mij gezegd: Op -welken gij den Geest zult zien nederdalen, en op hem blijven, deze is -het, die met den Heiligen Geest doopt. En ik heb gezien, en heb getuigd, -dat deze de Zoon van God is. - ---Dat is hij, dat is hij! riep Balthasar, sloeg de oogen naar boven, en -viel door aandoening overmand achterover in zijnen zetel. - -Met geheel andere gewaarwordingen beschouwde Ben-Hur den vreemdeling. -Hij was niet ongevoelig voor de reinheid, den ootmoed, de heiligheid, -die zijn gelaat uitdrukte: Wie is hij? En wat is hij? Messias of -koning?--Vorstelijk was zijn voorkomen niet. Op dat kalm, vriendelijk -gelaat ziende was de gedachte aan oorlog en heerschzucht hem eene -ontwijding. Hij voelde dat Balthasar gelijk had, en Simonides ongelijk. -Neen, zeide hij tot zichzelven, deze man is niet gekomen om den troon -van Salomo weder op te bouwen. Hij heeft noch den aard, noch de gaven -van Herodes. Een koning moge hij wezen, maar niet van een rijk, grooter -en machtiger dan Rome. - -Het gelaat van dien man kwam hem niet onbekend voor ... waar had hij het -meer gezien? Hij peinsde en peinsde, en ja, daar zag hij in den geest op -eenmaal in het verre verleden het tooneel bij de bron te Nazareth weer. -Hij zag zichzelven, neergezonken op den stoffigen weg; hij zag de jonkman -met de gevulde waterkruik tot zich komen om hem te laten drinken; hij -zag weder die oogen vol liefde en mededoogen op zich gevestigd. Wat de -Dooper zeide ging voor hem verloren, alleen de laatste woorden drongen -tot hem door: Deze is de Zoon van God! - -Ben-Hur sprong van zijn paard om aan de voeten van zijnen weldoener neer -te knielen, maar Iras riep hem tot zich: Zoon van Hur, kom hier en help -mij! Mijn vader sterft! - -Hij bleef staan, keek om, en snelde naar haar toe. Zij gaf hem een beker -en hij liep naar de rivier om water te halen. Toen hij terugkwam was de -vreemdeling verdwenen. - -Zoodra Balthasar bijgekomen was vraagde hij: Waar is hij? - ---Wie? vraagde Iras. - ---Hij, de Zoon van God, dien ik daareven zag! - ---Gelooft gij dat ook? vraagde Iras zacht aan Ben-Hur. - ---Het is een tijd van wonderen. Laat ons wachten, luidde zijn antwoord. - -Den volgenden dag was op die plaats weer een groote schare bijeen. Ook -onze vrienden waren aanwezig. - -Midden in zijne rede brak de Dooper af en riep met luide stem: Zie het -Lam Gods! - -De aanwijzing van den Dooper volgende zagen zij weder den vreemdeling. -Toen Ben-Hur zijn heilig gelaat, zoo vol majesteit en mededoogen, -aanschouwde, viel hem eensklaps iets in. Ja, dacht hij, Balthasar heeft -gelijk, maar Simonides ook. Kan de Messias niet te gelijkertijd koning -zijn? - -Hij wendde zich tot iemand die naast hem stond en vraagde: Wie is dat? - -Met een spottend lachje antwoordde de man: Dat is de zoon van een -timmerman uit Nazareth. - - - * * * * * - - -BOEK VIII. - - - * * * * * - - -EERSTE HOOFDSTUK. - -ESTHER EN IRAS. - - ---Esther! laat mij een beker water brengen! - ---Wilt gij niet liever wijn hebben, vader? - ---Beide dan. - -Dit gesprek had plaats in het zomerhuis op het platte dak van het paleis -der familie Hur te Jeruzalem, en terwijl Esther zich haastte om aan den -wensch van haren vader te voldoen, kwam een bediende de trap op en -overhandigde haar een verzegeld pakje. - -De lezer moet weten, dat het nu 21 Maart is volgens onze tijdrekening, -ongeveer drie jaren na de aankondiging van den Christus te Bethabara. -Malluch had voor Ben-Hur, die het verval der ouderlijke woning niet -langer kon aanzien, het huis gekocht van Pilatus, en het geheel laten -opknappen en verfraaien, zoodat er niets overbleef, dat het droevig -tooneel van vroeger kon herinneren. Men meene echter niet dat Ben-Hur -openlijk als de eigenaar was opgetreden. Hij meende dat het uur daartoe -nog niet geslagen was, evenmin als voor het dragen van zijn vaders naam. -Het grootste gedeelte van zijn tijd bracht hij door met in Galilea alles -voor te bereiden, opdat hij gereed mocht zijn, als de Nazarener hem -noodig zou hebben, de Nazarener, die hem dagelijks onbegrijpelijker -toescheen, en hem door de wonderen, die hij deed, in een staat van -spanning en twijfel hield, zoowel aangaande zijn karakter, als aangaande -zijne zending. Enkele malen kwam hij op naar Jeruzalem, en vertoefde dan -in het ouderlijke huis, echter altijd als vreemdeling en gast. - -Deze bezoeken waren echter niet alleen om uit te rusten van den arbeid. -Balthasar en Iras woonden mede in het paleis, en de bekoorlijkheid der -dochter hield hem nog steeds gevangen, terwijl haar vader, hoewel naar -het lichaam verzwakt, hem wist te boeien door vurige betoogen over de -goddelijkheid van hem, die het land doorging goed doende. - -Wat Simonides en Esther betreft, zij waren eerst een drietal dagen -geleden uit Antiochie herwaarts gekomen. De reis was zeer vermoeiend -geweest voor den koopman, doch eenmaal hier gevoelde hij zich uitermate -gelukkig, dat hij weer in zijn vaderland was. Het grootste gedeelte van -den dag bracht hij door op het platte dak. Hier zag hij de zon opgaan en -ondergaan, hier bracht de wind hem van over de heuvelen nieuwe -levenskracht aan. - -Daarom vergat hij echter de zaken niet, o neen. Elken dag ontving hij -bericht van Sanballat, die het kantoor in Antiochie waarnam, en elken -dag zond hij Sanballat de noodige aanwijzingen, zoo uitvoerig, dat zelfs -een oningewijde moeilijk zou hebben kunnen dwalen. - -Esther ging intusschen naar haar zomerhuisje terug met het pakje in de -hand. Zij bezag het zegel, herkende het voor dat van Ben-Hur, en -versnelde met blozend gelaat haren stap. Simonides bekeek eveneens het -zegel alvorens het pakje te openen, reikte haar toen den brief toe, die -er in was, zeggende: Lees, mijn kind. - -Hij zag haar aan, terwijl hij sprak, en zijn gelaat betrok. - ---Ik zie dat gij reeds weet van wien dit komt, Esther. - ---Ja, vader. Van onzen jongen meester. - -Hoewel zij langzaam, als met moeite sprak, zagen hare lieve oogen hem -trouwhartig aan. - ---Gij hebt hem lief, Esther. - ---Ja, vader. - ---Hebt ge er over nagedacht wat dat zeggen wil? - ---Ja, vader. Ik heb mijn best gedaan om niet anders aan hem te denken, -dan als aan den meester, dien ik toebehoor. Het heeft mij echter niet -veel geholpen. - ---Goed kind! Gij lijkt op uwe moeder, Esther. God vergeve mij, maar uwe -liefde zou misschien niet ijdel geweest zijn, als ik behouden had wat ik -had, zooals ik had kunnen doen. Geld is macht. - ---Dan zou ik er veel slechter aan toe zijn, vader. Dan zou ik niet waard -zijn, dat hij mij aanzag, en kon ik niet trotsch zijn op u. Zal ik u nu -den brief voorlezen? - ---Wacht nog even, kind. Om uw zelfswil moet ik u het ergste zeggen. 't -Is misschien minder zwaar voor u, als wij het samen onder de oogen zien. -Hij heeft een ander lief, mijn kind. - ---Ik weet het, zeide zij ernstig. - ---De Egyptische heeft hem in hare netten gevangen, vervolgde hij. Zij is -zeer geslepen en daarenboven schoon, maar zij heeft geen hart. De -dochter, die haren vader veracht, zal haren echtgenoot ongelukkig maken. - ---Veracht zij haar vader? - ---Ja. Haar vader is een wijs man, en, voor een heiden, op bijzondere -wijze begenadigd. Zijn geloof strekt hem tot eer, maar zij lacht er mee. -Gisteren hoorde ik haar zeggen: De dwaasheden der jeugd zijn vergefelijk. -Den ouderdom betaamt wijsheid. Heeft een grijsaard die verloren, dan wordt -het tijd dat hij sterft.--Dat zeide zij met het oog op haren vader. Wreede -woorden, die men uit den mond van een Romein kon verwachten. Gij, mijn -kind, zult, wat er ook van mij worde, nooit zeggen: het wordt tijd dat hij -sterft. Neen, want uwe moeder was eene dochter Israels. - -Met tranen in de oogen kuste zij zijne hand en zeide: En ik ben het kind -van mijne moeder. - ---Ach, mijn kind, hernam haar vader na een kort zwijgen, als hij eenmaal -de Egyptische getrouwd heeft, zal hij met wroeging aan u terug denken, -want dan zal hij bemerken, dat zij hem slechts gebruiken zal om hare -eerzucht te dienen. Rome is het middelpunt van hare droomen. Voor haar -is hij de zoon van Arrius den duumvir, niet de zoon van Hur, vorst van -Jeruzalem. - ---Red hem, vader, smeekte zij, red hem, het is nog niet te laat. - -Met een twijfelachtig lachje antwoordde hij: Een verdrinkende laat zich -redden, een verliefde niet. - ---U hebt toch invloed op hem. Hij staat zoo alleen in de wereld! Toon -hem het gevaar, waarin hij verkeert. Zeg hem hoe gevaarlijk de Egyptische -is! - ---Dat zou hem uit hare handen kunnen redden, maar zou het hem aan u -geven? Ach neen. Ik zou toch niet kunnen zeggen: mijne dochter heeft u -lief.... - ---Maar vader, viel zij hem in de rede, dat bedoel ik immers niet! Ik -dacht alleen aan hem, niet aan mijzelve. Zal ik u nu den brief voorlezen? - ---Ja, doe dat. - -Zij begon dadelijk, blijde dat zij dit onderwerp kon laten rusten. - - Nisan, den 8sten dag. - - Op den weg van Galilea naar Jeruzalem. - - De Nazarener bevindt zich ook op dezen weg. Zonder dat hij het weet - volg ik met een legioen. Een tweede legioen volgt ons op korten - afstand. Het Paaschfeest is de dekmantel voor het groote getal - Galileers. Toen de Nazarener zich op weg begaf zeide hij: Wij gaan - op naar Jeruzalem en het zal alles volbracht worden aan den Zoon - des menschen wat geschreven is door de profeten. - - Ons wachten spoedt ten einde. Vrede zij u, Simonides. - - In haast. - - BEN-HUR. - -Esther gaf den brief aan haren vader terug. Het kostte haar moeite hare -tranen te bedwingen. In den brief stond geen enkel woord aan haar, zelfs -aan den groet had zij geen deel. En hoe gemakkelijk had hij kunnen -schrijven: Vrede zij u en de uwen. Voor het eerst in haar leven gevoelde -zij den prikkel der ijverzucht. - ---Den achtsten dag, zeide Simonides, en wat hebben wij vandaag? - ---Den negenden, antwoordde Esther. - ---Zoo, dan zijn zij nu wellicht te Bethanie. - ---Dan zullen wij hem dus misschien van avond zien, zeide zij. - ---Best mogelijk, want morgen is het feest der ongezuurde brooden, en hij -zal het willen vieren, evenals de Nazarener. Misschien zullen wij hen -beiden zien, Esther. - -Het gesprek werd afgebroken door de komst van den bediende met wijn en -water, en even daarna kwam ook Iras boven. - -Nog nooit had Esther de Egyptische zoo schoon gezien als hedenavond. Als -in een wolk van gaas gehuld, voorhoofd, hals en armen met juweelen -versierd, zweefde zij naderbij. Een glans van genoegen lag op haar -gelaat. Esther drong zich onwillekeurig dichter tegen haar vader aan. - ---Vrede zij u, Simonides, en u, lieftallige Esther, zeide Iras. Gij -herinnert mij, goede vriend, als ik het zeggen mag zonder u te -beleedigen, de priesters in Perzie, die 's avonds op het dak van hunne -tempels stijgen, om de ondergaande zon hunne gebeden na te zenden. Als -die godsdienst u misschien niet bekend is, wil ik mijnen vader roepen, -om u in te lichten. Hij stamt van de Magiers af. - ---Schoone Egyptische, antwoordde de koopman ernstig, uw vader is een -goed man, die het mij niet kwalijk zal nemen, als ik u zeg, dat zijne -Perzische wetenschap het minste deel van zijne wijsheid uitmaakt. - -Iras fronste de wenkbrauwen. Om ook philosophisch te spreken, zeide zij, -bij minste behoort meeste. Mag ik vragen, wat het grootste deel is van -die zeldzame eigenschap, wijsheid, die gij hem toeschrijft? - -Simonides zag haar doordringend aan. De ware wijsheid, zeide hij, -streeft omhoog naar God, de hoogste wijsheid is de kennis van God, en -van allen, die ik ken, bezit niemand die in zoo hooge mate, als mijn -goede vriend Balthasar. - -Om een eind aan het gesprek te maken dronk hij langzaam zijn beker leeg. -Iras keerde zich ontstemd tot Esther, zeggende: Een man, die millioenen -bezit en geheele vloten op zee heeft, kan niet begrijpen wat vrouwen -vermaakt. Kom, ga met mij naar de borstwering, dan kunnen wij ongestoord -praten. - -Esther deed wat haar verzocht werd en zij gingen naar dezelfde plek, -waar jaren geleden Ben-Hur met zijn zuster gestaan had, om naar de -soldaten te kijken. - ---Zijt gij wel eens te Rome geweest? vraagde zij. - ---Neen. - ---Hebt gij nooit verlangd er heen te gaan? - ---Neen. - ---Och, wat hebt gij nog weinig van het leven genoten! riep zij meewarig, -maar 't volgende oogenblik lachte zij luid en zeide: O, mijn lief -onnoozel duifje, de vogeltjes, die hun nestje bouwen in het oor van de -sphinx bij Memphis, zijn al even wijs, als gij! - -Ziende dat Esther verlegen werd, vervolgde zij op vertrouwelijken toon: -Vergeef het mij, ik zeide het maar uit gekheid. Laat ik een pleistertje -leggen op de wond, en u vertellen wat ik aan niemand anders zou vertellen. - -Zij lachte vriendelijk, maar zag Esther tegelijkertijd onderzoekend aan -en zeide: De koning komt. - -Esther zag verwonderd op. - ---De Nazarener, vervolgde Iras, over wien uw vader en de mijne het zoo -druk hebben, voor wien Ben-Hur al die moeite doet. De Nazarener komt -morgen in de stad, en Ben-Hur komt van avond. - -Esther trachtte zich goed te houden, maar het gelukte haar niet. Iras -bracht lachend een brief uit haar gordel te voorschijn en zeide: Hier -heb ik zijn belofte. Luister! - -Daar weerklonken haastige stappen in de straat. Zij boog zich over den -rand der borstwering om te zien, en sloeg in blijde verrukking de handen -in elkaar. Gezegend zij Isis! riep zij, hij is het! Ben-Hur in eigen -persoon! Dat is een goed voorteeken! Hij komt terwijl ik aan hem denk! -Kom, Esther, geef mij een kus! - -Fier hief het Joodsche meisje het hoofd op. Hare wangen gloeiden, hare -oogen fonkelden. Haar zacht gemoed was diep gegriefd. Voor haar zelfs -geen groet in zijn schrijven aan Simonides, en deze Egyptische had een -eigenhandig geschreven brief van hem! Zij vraagde: hebt gij hemzelf -lief, of hebt gij Rome nog liever? - -Iras ging een stap achteruit, en vraagde scherp: Wat gaat u dat aan, -dochter van Simonides? - -Esther begon bevend: Hij is mijn.... - -Zij had willen zeggen: mijn meester, maar zij veranderde dit snel in: -mijn vaders vriend. - ---Niets meer? Nu, gij moogt uw kussen houden. Andere en betere wachten -mij. - -Zij keerde zich af, om weg te gaan, maar fluisterde nog even over haar -schouder: Ik ga ze halen! - -Esther zag haar na en barstte in tranen uit, tranen van schaamte en -gekwetste liefde. - -Reeds fonkelden de sterren aan den nachtelijken hemel, voordat zij hare -zelfbeheersching teruggekregen had, en kalm genoeg was om naar haar -vader terug te gaan, en hare plaats aan zijne zijde in te nemen. Dat was -haar plicht, daar moest zij haar leven aan wijden, en om der waarheid -getrouw te zijn, nu de hartstochtelijkheid harer droefheid voorbij was, -nam zij blijmoedig hare taak weer op. - - - * * * * * - - -TWEEDE HOOFDSTUK. - -BEN-HURS MEDELIJDEN. - - -Ongeveer een uur later kwamen Ben-Hur en Iras te zamen in de groote -zaal, waar zij Balthasar, Simonides en Esther reeds bijeen vonden. Nadat -de jonkman Balthasar gegroet had keerde hij zich tot Simonides, maar -bleef, Esther ziende, verbaasd staan. Dat zij zich tot zulk een -volmaakte schoonheid ontwikkelen zou had hij drie jaren geleden niet -gedacht. Hij herstelde zich echter spoedig en zeide: Vrede zij u, -lieftallige Esther, en u, Simonides. De zegen des Heeren zij uw deel, -al was het alleen omdat gij een vader voor den vaderlooze geweest zijt. - ---Wees welkom in uw vaders huis, zeide Simonides hartelijk. Zet u neder, -en vertel ons van uwe reizen en van uw werk en van den leeraar uit -Nazareth. Ga toch zitten, bid ik u, dan luisteren wij allen. - ---Ja, antwoordde Ben-Hur, ik heb u veel van hem te vertellen. Ik heb hem -gedurende verscheidene dagen nauwlettend gadegeslagen. Ik heb hem in -moeilijke, zeer moeilijke omstandigheden gezien, en moet getuigen dat -hij, hoewel hij een mensch is als ik, toch ook meer dan een mensch is. - -Hier werd hij gestoord door het binnentreden van eene dienstmaagd. Hij -keek om en riep blijde: Daar is Amrah! Goede, lieve Amrah! - -De trouwe dienstmaagd kuste zijne handen, en op zijne vraag: Hebt ge nog -niets van haar gehoord, niets? sprongen haar de tranen in de oogen. - ---Gods wil geschiede! zeide hij treurig. - -Na een oogenblik van stilte, waarin hij zijne aandoening meester -trachtte te worden, zeide hij: Ga zitten, Amrah,--hier. Niet? Dan aan -mijne voeten, want ik heb mijne vrienden veel te vertellen van den -Nazarener. Ik zal beginnen met u te verhalen wat ik hem heb zien doen. -Morgen komt hij in de stad om op te gaan naar den Tempel, dien hij zijn -vaders huis noemt en waar hij, zooals algemeen verwacht wordt, den -beslissenden stap zal doen. Morgen zullen wij dus zien wie gelijk heeft, -gij, Balthasar, of Simonides. - -Balthasar wreef zich in de handen en vraagde: Waar zal ik hem kunnen -zien? - ---Het gedrang zal groot zijn, antwoordde de jonkman. Ik denk dat gij -niet beter doen kunt, dan met u allen naar het dak van den Voorhof van -Salomo te gaan. - ---Kunt gij ons begeleiden? - ---Neen, mijne vrienden zullen mij noodig hebben bij den optocht. - ---Optocht! riep Simonides. Komt hij dan met gevolg? - ---Dat niet precies. Hij heeft twaalf mannen bij zich, allen uit den -minderen stand. Zij reizen te voet, onverschillig voor wind, regen, of -zonneschijn. Als zij vermoeid zijn zetten zij zich aan den weg neder -om te rusten, en doen aan alles eerder denken, dan aan edellieden en -vorsten. Slechts wanneer de leeraar het hoofd ontbloot ziet men dat hij -de aanvoerder is, hun leermeester, hun meerdere, maar tevens hun vriend. -Maar wat zoudt gij zeggen van een man, die rijk kon zijn door de steenen -aan den weg in goud te veranderen, en die toch arm is uit vrije keus? - ---De Grieken zouden hem een philosoof noemen, zeide Iras. - ---Neen, dochter, antwoordde Balthasar, de philosofen hadden nooit de -macht om zoo iets te doen. - ---Hoe weet gij, dat deze mensch die macht wel heeft? - ---Ik heb hem water in wijn zien veranderen, zeide Ben-Hur. - ---Hoe wonderlijk! riep Simonides. Maar dat schijnt mij nog niet zoo -vreemd toe als dat hij arm wil leven, terwijl hij rijk zou kunnen zijn. -Is hij werkelijk zoo arm? - ---Hij bezit niets, en benijdt niemand zijn rijkdom. Hij beklaagt veeleer -de rijken. Dat echter daargelaten, wat zegt gij hiervan: ik zag hem -zeven brooden en twee visschen vermenigvuldigen tot een voorraad zoo -groot, dat er spijs was voor vijfduizend menschen en er nog manden vol -overbleven. Dat heb ik den Nazarener zien doen. - ---Hebt gij hem dat zien doen? - ---Ja, en ik heb meegegeten van den visch en van het brood. Maar nog -wonderlijker dingen heb ik gezien. Wat dunkt u van iemand die zoo groote -genezende kracht bezit, dat de zieken slechts den zoom van zijn kleed -behoeven aan te raken, om gezond te worden, ja dat het zelfs voldoende -is van verre tot hem te roepen? Dat heb ik meer dan eens bijgewoond. -Toen wij uit Jericho kwamen riepen twee blinden tot hem om hulp, hij -raakte hunne oogen aan en zij konden zien. Een anderen keer brachten zij -een verlamde tot hem en hij zeide alleen: Ga heen naar uw huis,--en ik -zag den man gezond wegwandelen. Wat zegt gij daar wel van? - -Simonides kon geen woorden vinden. - ---Sommigen zeiden, dat dit duivelskunsten waren, gelooft gij dat soms -ook? Ik zal u nog grooter dingen vertellen, die ik hem ook heb zien -doen. Denk aan die vreeselijke ziekte, waarvan alleen de dood verlossen -kan: de melaatschheid. - -Hier werd Amrah onrustig en luisterde met gespannen aandacht. - ---Ja, vervolgde Ben-Hur met toenemenden ernst, ja, luistert naar wat ik -nu ga vertellen. Toen ik met hem in Galilea was kwam een melaatsche tot -hem en riep: Heer, indien gij wilt, gij kunt mij reinigen!--Hij hoorde -de smeekbede, raakte den verworpeling aan met de hand en zeide: Ik wil, -word gereinigd.--En terstond was hij geheel gezond, zoo gezond als wij -allen. Een anderen keer kwamen tien melaatschen tot hem en vielen voor -hem neer, roepende: Meester, meester, ontferm u over ons!--Ik was er bij -en hoorde hem antwoorden: Gaat heen, en vertoont uzelven den priester. - ---En waren zij beter? - ---Ja, zij waren nog niet lang op weg, of de ziekte was geheel van hen -geweken. - ---Nog nooit heb ik van zulke dingen gehoord; nog nooit, zeide Simonides -zacht. - -Het gezelschap verviel na deze mededeelingen in diep stilzwijgen. -Ongemerkt stond Amrah op en verwijderde zich onhoorbaar. - ---Gij kunt begrijpen, dat al die dingen een diepen indruk op mij gemaakt -hebben, zeide Ben-Hur, doch mijne twijfelingen en verbazing zouden nog -grooter worden. Mijne Galileers begonnen langzamerhand ongeduldig te -worden, het zwaard brandde hun in de handen, en zij verlangden niets -liever dan handelend te mogen optreden. Ik zelf werd ook ongeduldig, -want alles was gereed. Daarom wilden wij hem openlijk, desnoods met -geweld, tot koning kronen, maar hij verdween uit ons midden. Toen wij -hem weer zagen was het in een scheepje op het meer. Wat anderen bekoort: -rijkdom, macht, koninklijke eer, dat alles laat hem onbewogen. Wat dunkt -u daarvan, Simonides? - -Simonides antwoordde niet dadelijk. Eindelijk zeide hij: - ---De Heer leeft, evenzoo het woord zijner profeten. Laat ons geduld -oefenen. - ---Zoo zij het, beaamde Balthasar. - ---Ik heb nog meer te vertellen, vervolgde Ben-Hur, nog grootere dingen. -Wij waren op weg naar Nain. Vlak bij de poort kwamen wij een -begrafenisstoet tegen. De Nazarener bleef staan om de treurenden te -laten voorbijgaan. Eene vrouw volgde bitter schreiende. Ik zag dat hij -door medelijden bewogen werd. Hij trad op haar toe, en sprak haar aan. -De dragers stonden stil, hij raakte de baar aan en zeide tot den doode: -Jongeling, ik zeg u sta op!--En terstond zat de doode overeind en sprak. - ---God alleen heeft zoo groote macht! riep Balthasar. - ---Alles wat ik u vertel, heb ik zelf gezien, zeide Ben-Hur, en ik kan u -nog meer verhalen. In Bethanie was een van zijne vrienden gestorven, -Lazarus geheeten. Reeds had hij vier dagen in het graf gelegen toen de -Nazarener er bij kwam. Hij liet den steen wegnemen, en wij allen zagen -het lijk liggen, dat reeds overging tot ontbinding. Met luide stem -hoorde ik hem roepen: Lazarus, kom uit!--Ik kan u niet zeggen wat ik -gevoelde, toen de doode, aan die stem gehoorzamend, zich oprichtte en -tot ons kwam, in grafdoeken gewikkeld. Ontbindt hem, zeide de Nazarener, -en laat hem gaan. En toen de hoofddoek van hem was weggenomen, had zijn -gelaat weer de gewone kleur, en was hij volkomen dezelfde als voor zijne -ziekte. Hij leeft nog en ontvangt vele bezoeken. Als gij wilt kunt gij -er morgen naar toe gaan, en uzelven overtuigen. Maar nu vraag ik u: Wat -moet ik denken van dezen man? Is hij niet meer dan een gewoon mensch? - -De toon waarop hij dit vraagde was zeer ernstig, en nog lang na -middernacht zat het gezelschap bijeen, om de zaak van alle kanten te -bezien, want Simonides kon zijne opvatting van de voorspellingen der -profeten niet laten varen, terwijl Ben-Hur beweerde dat Balthasar en -Simonides beiden gelijk hadden: de Nazarener was ongetwijfeld de -Verlosser, zooals de eerste meende, maar ook de toekomstige koning, -waarvoor de laatste hem hield. - ---Wij zullen het morgen gewaar worden. Vrede zij met u allen. Met deze -woorden nam Ben-Hur afscheid. - - - * * * * * - - -DERDE HOOFDSTUK. - -EEN BLIJDE TIJDING. - - -Zoodra den volgenden morgen de Schaapspoort geopend werd, ging Amrah met -haar mand aan den arm de stad uit. De wachters deden haar geen vragen, -daar zij even regelmatig verscheen als de opgaande zon. Men wist dat zij -de trouwe dienstmaagd was van den een of ander, en daarmede stelde men -zich tevreden. - -Zij sloeg den weg in naar de vallei ten oosten der stad gelegen. De -donkergroene helling van den Olijfberg was bezaaid met witte tenten, de -tijdelijke woningen van de feestgangers. 't Was echter nog te vroeg voor -de vreemdelingen om buiten te zijn: alles sliep nog gerust. Eerst kwam -zij aan Gethsemane, toen langs de graven bij den kruisweg naar Bethanie, -vervolgens aan het dorp Siloam. Zij scheen ongewone haast te hebben, -maar haar ijver was grooter dan hare krachten, die haar bijwijlen -schenen te begeven. - -Hoe vroeg het nog was, toch zat haar ongelukkige meesteres reeds buiten -voor de grot. Tirza sliep nog. Vreeselijk was de vordering, die de -ziekte in die drie jaren gemaakt had. Wetende hoe zij er uitzag, bleef -zij altijd zorgvuldig gesluierd. Zelfs Tirza mocht haar bijna nooit -aanschouwen. Thans echter, in de eerste morgenschemering, had zij het -hoofd ontbloot, om de frissche lucht in te ademen, want zij wist, dat -geen sterveling haar zien kon. Sneeuwwit was het lange haar. Oogleden, -neus, lippen, wangen waren weggeteerd, de hals was akelig ontstoken. -Eene van hare handen rustte op haren schoot. De nagels waren afgevallen, -de vingers gedeeltelijk ontvleesd, gedeeltelijk dik opgezwollen. Zoo was -zij over het geheele lichaam. Geen wonder, dat de vroeger zoo statige -vrouw zich gemakkelijk aan alle nasporingen van haren zoon had kunnen -onttrekken. Zij was gewoon, dat Amrah bij de bron verscheen voor alle -anderen, om dan op een steen halfweg bron en heuvel, het voedsel en de -waterkruik neer te zetten. - -Dit korte bezoek was nog de eenige lichtstraal op haar pad. Dan vraagde -zij naar haren zoon, en Amrah vertelde haar wat zij wist van zijn werk -en bezigheden, en van de vluchtige bezoeken, die hij aan zijn vaders -huis bracht. Op zulke dagen zat de arme moeder den ganschen dag -onbewegelijk voor hare spelonk, met de oogen gericht op het dak van den -Tempel, waarachter haar huis lag, het geliefde huis, waarin haar zoon nu -vertoefde. Niets bond haar meer aan het leven. Tirza was reeds zoo goed -als dood, en zijzelve smachtte naar het einde. De natuur rondom haar was -niet geschikt om haar op te beuren; insecten en vogels vermeden de -streek, alsof zij ook bang waren voor besmetting. Van plantengroei was -niet veel te bemerken; de weinige struiken, ja zelfs de dunne -grassprietjes, verdorden onder den adem der winden, die langs de -berghelling streken. Waarheen zij den blik ook wendde zag zij grafsteden -en nogmaals grafsteden, die te meer de aandacht trokken, omdat zij alle -opnieuw gewit waren, ten einde de van buiten gekomen feestgangers te -waarschuwen. - -Terwijl zij zoo in de morgenschemering zat te peinzen, zag zij -plotseling een vrouw den heuvel beklimmen. Weldra herkende zij Amrah. -In plaats van hare mand zooals gewoonlijk neer te zetten, kwam zij -regelrecht op de spelonk af. De weduwe verrees van hare zitplaats en -deed de gewone waarschuwing hooren, maar Amrah stoorde er zich niet aan, -en eer zij er op bedacht was lag Amrah aan de voeten van hare meesteres -en kuste onder hartstochtelijke snikken den zoom van haar kleed. -Tevergeefs beproefde de melaatsche zich van haar los te maken, en toen -zij zag, dat het onmogelijk was, riep zij op smartelijken toon: Hoe kunt -ge zoo doen? Is dit de manier, waarop gij ons uwe liefde bewijst? Nu -zijt gij ook verloren, en moogt nooit meer naar huis teruggaan. Wie zal -ons nu voortaan eten brengen? O Amrah! Nu zijn wij allen te zamen -verloren! - ---Wees toch niet boos op mij, snikte de trouwe ziel, het hoofd nog -dieper buigende. - ---Ach, Amrah, vervolgde de weduwe, was de vloek die op ons rust, niet -reeds zwaar genoeg om te dragen, dat gij ons het eenige, dat wij nog -hadden, moet ontnemen? vraagde zij. - -Op dit oogenblik verscheen Tirza, door het luide spreken gewekt, in de -opening der spelonk. - ---Wat is er moeder? Is dat Amrah? vraagde zij. De arme was nagenoeg -blind. - -Nu stond Amrah op en zeide met onvaste stem: O lieve meesteres! Ik heb -niets misdaan. Ik breng u goede tijding! - ---Van Juda? - ---Ja. Hij kent een man, die de macht heeft u te genezen. Hij spreekt -slechts een woord, en de zieken worden gezond, zelfs de dooden worden -levend. Ik kom u halen om u bij hem te brengen. - ---Arme Amrah! zeide Tirza meewarig. - ---Neen, neen, riep Amrah, die zeer goed begreep wat die uitroep -bedoelde, zoo waar de God van Israel leeft, ik spreek de waarheid. Kom -maar mee; wij hebben geen tijd te verliezen. Hij komt hier langs op zijn -weg naar de stad. Eet gauw wat en laat ons gaan. - -De moeder luisterde aandachtig. Misschien had zij reeds iets aangaande -hem gehoord, want zijne wonderdaden waren door het geheele land bekend -geworden. Wie is hij? vraagde zij. En hoe weet gij het? - ---Juda vertelde het gisterenavond. - ---Is Juda dan thuis? - ---Ja. - ---Heeft hij gezegd, dat gij het ons moest komen vertellen? - ---Neen; hij denkt dat gij dood zijt. - ---In vroeger jaren heeft een profeet eens een melaatsche genezen, zeide -de moeder tot Tirza, maar die was door God gezonden. Zeg mij, Amrah, hoe -weet Juda dat deze man die macht bezit? - ---Hij volgde hem op zijne reizen en hoorde de melaatschen tot hem -roepen, en zag ze hersteld weggaan. Den eersten keer was het een -melaatsche, later tien te gelijk, en zij werden allen hersteld. - -De moeder aarzelde niet langer. Zij vroeg niet naar het hoe en wat, zij -geloofde de feiten en zeide tot Tirza: Kind, dat moet de Messias zijn. -Ik herinner mij, dat Jeruzalem jaren geleden in opschudding kwam, omdat -er gezegd werd, dat hij geboren was. Hoe lang het geleden is weet ik -niet meer, maar hij zou nu reeds volwassen moeten zijn. Ja, het kan niet -anders ... hij is het. Laat ons wat eten, en dan zoo spoedig mogelijk met -Amrah meegaan. - -Het ontbijt was weldra afgeloopen, en het drietal begaf zich op weg. Nu -stuitten zij echter op een moeilijkheid. Amrah had gezegd, dat de -Nazarener van Bethanie moest komen, maar vandaar leidden drie wegen naar -Jeruzalem. Een over den Olijfberg, een tweede langs zijn voet, en de -derde langs den Berg der Ergernis. Deze drie waren nu wel niet ver van -elkander verwijderd, maar toch ver genoeg om den Nazarener mis te -loopen, indien zij niet denzelfden weg kozen, welken hij nam. - -Na een korte beraadslaging besloten zij eerst naar Bethfage te gaan, om -zich verder door de omstandigheden te laten leiden. - -Zij daalden dus den berg af in de richting van den Koningstuin en bleven -even staan om te rusten. - ---Ik durf dezen weg niet vervolgen, zeide de moeder. Het zal hier druk -worden. Wij doen beter met de menschen te ontwijken en over den Berg der -Ergernis te gaan. - -Toen Tirza dit hoorde ontzonk haar de moed. Daar hare voeten zeer -gezwollen waren kostte het loopen haar groote moeite. - ---Die berg is steil, moeder. Ik kan onmogelijk klimmen. - ---'t Is om ons leven en onze gezondheid te doen mijn kind. Zie, daar -komen reeds vrouwen om water te scheppen. Zij zullen ons steenigen, als -wij hier blijven. Kom, wees sterk, mijn kind. - -Zoo trachtte de moeder, die zelve bijna niet voort kon, hare dochter te -bemoedigen, en nu kwam Amrah haar te hulp. Na de eerste opwelling had -zij de zieken niet aangeraakt, thans echter ging de trouwe ziel naar -Tirza en zeide: Leun op mij. Ik ben wel oud, maar sterk genoeg, en het -is niet ver meer. Zoo; ziet gij wel, nu gaat het al veel beter. - -De weg was moeilijk, maar toen zij eenmaal boven waren en staan bleven -om adem te scheppen hadden zij een heerlijk gezicht op den Tempel met -zijne terrassen, en op Sion met zijne vele witte torens, die in het -zonlicht schitterden. - ---O hoe mooi! riep de weduwe. Zie toch, Tirza, zie eens naar het gouden -beslag van de Schoone Poort! Wat glinstert dat in de zon! Weet gij nog -wel, hoe dikwijls wij er onder door zijn gegaan? Zal het niet heerlijk -zijn dat weder te kunnen doen? En ons huis is er niet ver vandaan! Daar -wacht Juda ons! - -Nu begonnen zij den berg aan de andere zijde af te dalen. Hoewel Amrah -al hare krachten inspande, om Tirza te ondersteunen, kermde de arme toch -bij elken stap, ja meermalen moest zij luide aan hare smarten lucht -geven. Aan den voet des bergs gekomen zeeg zij uitgeput neder. - ---Ga maar alleen verder met Amrah, moeder, ik kan niet meer. - ---Neen, kind. Wat zou het mij baten, zoo ik alleen gezond werd, en gij -niet? En wat zou ik Juda moeten antwoorden, als hij naar u vraagt? - ---Zeg hem, dat ik hem liefgehad heb. - -De arme moeder wist niet wat te doen. Zij dacht er niet aan haar kind te -verlaten, maar de hoop op redding te moeten laten varen, nu die zoo -nabij scheen, deed den beker overloopen. Maar zie, in dat oogenblik van -grooten nood zag zij van den tegenovergestelden kant een wandelaar -aankomen. - ---Moed gevat, Tirza! zeide zij. Daar komt iemand aan, die ons zeggen kan -waar de Nazarener op 't oogenblik is. - -Amrah richtte Tirza een weinig op, en zoo wachtten zij den vreemdeling -af. - ---Ach, moeder, gij vergeet wat wij zijn. De man zal zich uit de voeten -maken, en ons misschien eerst nog een steen naar het hoofd werpen. - ---Wij zullen zien, luidde het antwoord. - -Ja, de moeder wist zelve maar al te goed welke behandeling uitgeworpenen -als zij te wachten hadden. - -De melaatschen stonden aan den rand van een smallen weg, zoodat de -wandelaar haar rakelings voorbij moest gaan. Zoodra hij binnen het -bereik harer stem was deed de weduwe het waarschuwende: Onrein! Onrein! -hooren. Tot hare verbazing liep hij door. - -Wat zoekt gij? vraagde hij, toen hij vlak bij haar was. - ---Wees voorzichtig, zeide de weduwe met waardigheid. Ik heb u -gewaarschuwd. - -Vrouw, ik ben een volgeling van hem, die slechts een woord behoeft te -spreken tot dezulken als gij, en zij zijn genezen. Ik ben niet bevreesd. - ---Gij bedoelt den Rabbi uit Nazareth? - ---Den beloofden Messias. - ---Is het waar, dat hij vandaag naar de stad gaat? - ---Ja. Hij is nu te Bethfage. - ---Langs welken weg zal hij komen? - ---Langs dezen. - -De weduwe vouwde de handen en sloeg de oogen dankend naar den hemel op. - ---Voor wien houdt gij hem? vraagde de man bewogen. - ---Voor den Zoon van God! antwoordde zij. - ---Blijf dan niet hier, want daar een groote schare hem volgt, staat gij -beter bij dat rotsblok onder gindschen boom. Roep hem aan zoodra hij -nadert, roept beiden en weest niet bevreesd. Hij zal u hooren. Ik ga -naar de stad, om het volk te waarschuwen dat hij komt. Vrede zij met u -en de uwen! - -Hebt gij het gehoord, Tirza? De Nazarener komt langs dezen weg, en hij -zal ons helpen. Kom nu mee, een paar stappen maar! - -Dus aangemoedigd liet Tirza zich door Amrah overeind helpen. - ---Wacht even; zeide Amrah, de vreemdeling komt terug. - ---Ik bedenk, goede vrouw, zeide hij, dat de zon hoog aan den hemel zal -staan, voordat de Nazarener komt. Ik kan in de stad het noodige krijgen, -en daarom wilde ik u mijn waterflesch geven. Gij zult er meer behoefte -aan hebben dan ik. Neem haar en heb goeden moed. Roep luide tot hem. - -Dit zeggende bood hij de weduwe zijn gevulde waterflesch aan. In plaats -van ze op den grond te leggen, gaf hij ze haar in de hand. - ---Zijt gij een Jood? vraagde zij verbaasd. - ---Ja; maar beter nog; ik ben een volgeling van den Christus, die ons -dagelijks door woorden en voorbeeld leert wat ik nu doe. De wereld kende -reeds lang het woord liefde, zonder het echter te verstaan. Vaarwel! - -Langzaam begaven de vrouwen zich naar het door hem aangewezen punt, waar -zij door ieder, die voorbijging, gezien en gehoord konden worden. Zij -zetten zich onder den boom neder, en dronken van het water. Weldra viel -Tirza in slaap, en om haar niet te storen zwegen de beide anderen. - - - * * * * * - - -VIERDE HOOFDSTUK. - -GENEZEN. - - -Langzamerhand werd de weg meer en meer bevolkt door menschen, die zich -naar Bethfage spoedden. Tegen de vierde ure van den dag kwam een groote -schare over den Olijfberg, en toen zij naderbij kwamen zagen de vrouwen, -dat allen een palmtak in de hand hielden. Terwijl zij het ongewone -schouwspel gadesloegen, werd hare aandacht getrokken door een verwijderd -gedruisch van stemmen en zagen zij een menigte menschen van den anderen -kant komen. Nu wekte de moeder Tirza, zeggende: Hij komt! Deze menschen -voor ons komen uit de stad om hem te begroeten, en die anderen zijn -zijne vrienden die hem begeleiden. Het zou mij niet verwonderen zoo de -twee groepen hier op dit punt samentroffen. - ---Ik vrees, dat hij ons dan niet zal kunnen hooren, moeder. - -Diezelfde gedachte was ook reeds bij de weduwe opgerezen. Amrah, zeide -zij, heeft Juda ook gezegd wat die tien melaatschen tot den Nazarener -riepen? - ---Zij riepen: Heer, ontferm u over ons. Of: Meester, ontferm u over ons. - ---Dat alleen? - ---Ja, dat alleen, voor zooveel ik weet. - ---En toch was het voldoende, zeide de weduwe zacht. - ---Ja, antwoordde Amrah. Juda zei, dat hij hen geheel hersteld zag -weggaan. - -Intusschen naderde de schare langzaam. Toen de voorsten in 't gezicht -waren, werd de aandacht der vrouwen allereerst getroffen door een man, -die te midden van een naar het scheen uitgelezen gezelschap reed. Hij -was blootshoofds en geheel in 't wit gekleed. Hij staarde voor zich uit -en deelde volstrekt niet in de opgewondenheid zijner volgelingen. Het -gejubel vermocht de droefgeestige uitdrukking van zijn gelaat niet te -verdrijven. Zijn golvende lokken, door het zonlicht beschenen, vormden -een gouden stralenkrans om het edelgevormde hoofd. De juichende schare -achter hem strekte zich tot in het oneindige uit. Niemand behoefde den -melaatschen te zeggen, dat dit de Nazarener, de wonderdoener was. - ---Tirza, daar is hij! Daar is hij! Kom, mijn kind! riep de moeder, en -knielde naast de rots op den weg neder. Tirza en Amrah voegden zich -terstond bij haar. - -Op ditzelfde oogenblik hielden de stedelingen stand, en begonnen met -hunne palmtakken te wuiven en te roepen: Hosanna den Zone Davids! -Gezegend is hij die komt in den naam des Heeren. Hosanna in de hoogste -hemelen! - -De duizenden, die den Nazarener vergezelden, namen den jubeltoon over, -zoodat het door de lucht weergalmde. Het geroep der arme melaatschen -ging er geheel door verloren. Maar voor haar was het: nu of nooit. Ging -deze gelegenheid voorbij, dan moesten zij voor altijd de hoop laten -varen. - ---Dichterbij, Tirza! Dichterbij! Hij kan ons niet hooren, zeide de -moeder. - -Zij stond op en trad bevend naar voren, hief de handen smeekend omhoog, -en riep zoo hard zij kon. De lieden zagen haar, en verstomden, door -ontzetting en afschuw bevangen. Tirza, die achter hare moeder stond, -zonk van zwakte en angst ineen. - ---Melaatschen! Melaatschen! - ---Steenig ze! - ---Sla ze dood! die van God vervloekten! - -Deze en dergelijke kreten vermengden zich met de hosanna's dergenen, die -te veraf waren om de oorzaak der stoornis te onderscheiden. Zij, die in -de onmiddellijke nabijheid van den Rabbi waren, en zijn goddelijk -mededoogen kenden, zagen hem zwijgend aan, wel wetende wat hij doen zou, -en maakten ruimbaan voor hem, toen hij op de vrouw toereed. Zij zag hem -in het vriendelijk gelaat en schepte troost uit zijn bemoedigenden -glimlach. - ---Meester, Meester! riep zij, gij ziet onze ellende, gij kunt ons -reinigen. Erbarm u over ons! - ---Gelooft gij, dat ik dat doen kan? - ---Ja, Heer. Gij zijt degeen, van wien de profeten gesproken hebben, gij -zijt de Messias! - ---Vrouw, groot is uw geloof, u geschiede gelijk gij wilt. - -Een oogenblik nog toefde hij, de schare rondom zich vergetende, een -oogenblik, toen reed hij verder, terwijl de geredde met een van dank -overvloeiend hart luide riep: Eere zij God in den hooge! Gezegend zij de -Zone Davids! - -Terstond daarop omgaf hem de schare met haar vreugdebetoon en onttrok -hem aan haar oog. In dankbare verrukking drukte de moeder Tirza aan haar -hart, juichende: Wij zijn gered! Hij is waarlijk de Messias. - -Zij bleven geknield liggen, totdat de menschenmassa langzaam achter den -berg verdween. Toen het gezang en gejuich in de verte zich verloor, werd -het wonder in de melaatschen gewrocht. - -Eerst gevoelden zij, dat haar bloed als vernieuwd door de aderen -stroomde, sterker en sneller, zoodat het verzwakte lichaam een -onbeschrijfelijk weldadig gevoel van terugkeerende kracht gewaarwerd. -Zij voelden de plaag letterlijk wijken. Haar vleesch keerde weder, de -verduisterde oogen straalden met den ouden glans--gereinigd waren zij -van hare afzichtelijke krankte. Nu voelden zij zich ook naar den geest -herleven, nameloos geluk doortrilde haar. - -Van deze genezing was, behalve Amrah, nog iemand anders getuige. Zooals -wij weten was Ben-Hur den Nazarener zooveel mogelijk gevolgd, en die -zich de gesprekken van den vorigen avond herinnert, zal zich niet -verwonderen, dat hij bij den stoet was, die den Rabbi begeleidde. Hij -was getuige van de bede der melaatsche, hij zag de vreeselijke sporen -der ziekte op haar gelaat, hij hoorde het antwoord, dat zij ontving, -en hoewel hij reeds meer dan eens tegenwoordig geweest was bij zulke -genezingen, hadden zij nog niets van hare belangwekkendheid voor hem -verloren. Daarenboven was de strijd in zijn binnenste met betrekking tot -de zending van den Nazarener nog altijd niet beslist. Daarom liet hij -den stroom voorbij gaan, en zette zich op een steen aan den weg neder, -om te zien hoe de genezing in haar werk zou gaan. - -Van zijne plaats wierp hij dezen en genen een blik van verstandhouding -toe, Galileers, die onder hunne lange gewaden het korte zwaard verborgen -droegen. Toen allen voorbij waren naderde hem een Arabier met twee -paarden. - ---Blijf hier staan, zeide Ben-Hur, hem tot zich wenkend. Aldebaran zal -mij straks met verdubbelden spoed naar de stad brengen. - -Hij liefkoosde het schoone dier en keerde zich toen om, ten einde de -twee vrouwen te gaan toespreken, in wie hij het grootste belang stelde, -als toonbeelden eener bovenaardsche wondermacht. Voortgaande keek hij -toevallig naar de witte rots en zag een welbekende gedaante staan, het -gelaat in de handen verborgen. - ---Wat! zeide hij, staat Amrah daar?--en liep regelrecht op haar toe. -Amrah! wat doet gij hier? - -Daar zag de oude vrouw op, viel voor hem neer op de knieen, verblind -door tranen, bijna sprakeloos door diepe ontroering. - ---O, meester, hoe goed is God! - -Een onverklaarbaar voorgevoel zeide hem, dat hare tegenwoordigheid op de -eene of andere wijze met die der beide vrouwen in verband stond. Hij -keerde zich haastig om, en bleef als aan den grond genageld staan. Het -was alsof zijn hart ophield te kloppen, hij kon geen woord uitbrengen. - -De vrouw, die hij met den Nazarener had zien spreken, stond daar met -gevouwen handen, terwijl de tranen haar over de wangen stroomden. De -verandering, die zij ondergaan had, zou op zichzelf reeds zijne -verbazing gerechtvaardigd hebben, maar er was nog een andere reden. Was -het een zinsbegoocheling? of was er een treffende gelijkenis tusschen -die vrouw en zijne moeder? Zoo had zij er uitgezien op dien morgen, toen -de Romein haar uit zijne armen rukte! Alleen het haar begon hier en daar -te grijzen, maar dat liet zich hierdoor verklaren, dat de macht, welke -het wonder gewrocht had, de verloopen jaren in aanmerking had genomen. - -En die andere naast haar? Tirza? Schoon en liefelijk, alleen wat ouder -dan op dien laatsten morgen, toen zij voor hem zong. Hij had beiden -reeds lang dood gewaand, en de tijd had zijne smart gelenigd. Hij -betreurde haar nog altijd, maar zij waren uit zijne droomen en plannen -voor de toekomst weggevallen. - -Zijne oogen niet geloovende, greep hij Amrah bij den arm en riep: Zeg -mij toch of ik goed zie! - ---Ja, ja, spreek maar tot haar! - -Nu aarzelde hij niet langer, maar vloog naar haar toe met den kreet: -Moeder, beste moeder, hier ben ik! - -In het volgend oogenblik waren de zoo wreed gescheiden weer vereenigd, -en omhelsden elkander innig. - -Toen de eerste vreugde bedaard was, zeide de moeder: Kinderen, laat ons -God danken! Laat ons het nieuwe leven beginnen met erkenning van Hem, -die ons dit geluk bereidt. - -Zij knielden neder, Amrah volgde hun voorbeeld, en als een jubelpsalm -rees het gebed der begenadigde vrouw omhoog. - -Daarna vraagde zij: Wat nu, mijn zoon? Waar zullen wij naar toe gaan? - ---Ja, zeide Juda, tot de werkelijkheid teruggeroepen, wij hebben nog een -plicht te vervullen. - -Hoezeer hij ook verlangde haar naar huis te brengen, en hare -geschiedenis te hooren, hij bedwong zijn ongeduld, en herinnerde haar -hetgeen de Wet van herstelde melaatschen eischte. Toen riep hij den -Arabier tot zich, en beval hem de paarden naar de poort van Bethesda -te brengen en daar op hem te wachten. Vervolgens begaven zij zich -gezamenlijk op weg naar den Berg der Ergernis; maar o! hoe anders was -de wandeling ditmaal. Zij konden zich snel en gemakkelijk bewegen, en -bereikten weldra een nieuw uitgehouwen graf naast dat van Absalom. Daar -het leeg was, namen de vrouwen er bezit van, terwijl Ben-Hur verder ging -om zoo spoedig mogelijk de noodige maatregelen te treffen. - - - * * * * * - - -VIJFDE HOOFDSTUK. - -ONGEDULD. - - -Een paar uren later sloeg hij dicht bij de graven der Koningen twee -tenten op, die hij zoo gemakkelijk mogelijk inrichtte. Daarheen bracht -hij moeder en zuster, totdat zij van den priester een getuigschrift van -volkomen herstel zouden gekregen hebben. - -Intusschen was de jonkman door dit verkeer volgens de wet zelf onrein -geworden, zoodat hij zich onthouden moest van elke deelneming, hoe -gering ook, aan het ophanden zijnde feest. Hij kon bij zijne geliefden -in de tenten blijven. Wat hadden zij elkander veel te vertellen! Onder -het luisteren naar het lijdensverhaal zijner moeder dwong hij zich tot -kalmte, maar zijn bloed kookte, en zijn dorst naar wraak werd steeds -grooter. - -In deze stemming ontwierp hij de dolste plannen. De gelegenheden van -de heirwegen drongen zich aan hem op: hij zou een opstand in Galilea -verwekken, of met zijne strijdbare mannen Romeinsche reizigers op de -wegen overvallen; zelfs de zee, anders zijn schrikbeeld, werd hem door -zijne verbeelding voorgehouden, als een geschikt terrein tot plundering -van galeien en kooplieden. Maar zijn beter oordeel behield de overhand -boven een oogenblikkelijken hartstocht. Telkens weder kwam hij tot de -oude slotsom--dat slechts een oorlog van geheel Israel tegen Rome iets -zou kunnen uitrichten; en al zijne overleggingen, zijn vragen en hopen, -keerden tot hun uitgangspunt terug ... den Nazarener. Als die maar wilde -opstaan en den volke toeroepen: Hoor, Israel! Ik ben de van God -beloofde, de geboren koning der Joden! Ik kom om te heerschen zooals de -profeten gesproken hebben. Staat op als een eenig man, en brengt de -wereld aan uwe voeten! - -Als de Nazarener zoo optrad, dan zou men wat zien gebeuren! Hoe zouden -de bazuinen schallen om de massa ten strijde te roepen! Zou de Nazarener -het doen? - -In zijn verlangen om het werk te beginnen verloor Ben-Hur de tweeledige -natuur van den Godsgezant uit het oog, en dacht niet aan de mogelijkheid, -dat het goddelijke in hem het menschelijke zou kunnen te boven gaan. In -het wonder aan zijne moeder en Tirza gewrocht zag hij eene macht groot -genoeg, om een Joodschen troon op te richten en te handhaven, eene macht -groot genoeg, om de maatschappij te hervormen, en de menschheid tot een -geheiligd gelukkig gezin te vereenigen. Was het eenmaal zoo ver, dan zou -niemand durven loochenen, dat het een den Zone Gods waardig werk geweest -was. - -Intusschen waren bij de beek Kedron in de nieuwe stadswijk Bezetha, -voornamelijk langs de wegen naar de Damascuspoort, allerlei tijdelijke -verblijfplaatsen voor de feestgangers opgeslagen. Ben-Hur bezocht de -vreemdelingen, onderhield zich met hen, en verwonderde zich dagelijks -meer over hun groot aantal. Toen hij daarenboven tot de ontdekking kwam -dat alle deelen der wereld vertegenwoordigd waren ... de beide kusten der -Middellandsche zee, Indie, de noordelijke provincien van Europa ... toen -hij bedacht dat die lieden, ofschoon zij hem menigmaal begroetten in een -taal, die ver afgeweken was van het oude Hebreeuwsch der vaderen, toch -allen hetzelfde doel beoogden, drong zich een nieuw denkbeeld aan hem -op. Zou hij misschien den Nazarener verkeerd begrepen hebben? Zou hij -misschien onder den schijn van geduldig wachten in het geheim alles -hebben voorbereid, om zoodoende zijne geschiktheid voor de roemrijke -taak die hem wachtte te bewijzen? De gelegenheid die zich thans aanbood -was veel geschikter, dan toen de Galileers hem bij het meer Genesareth -met geweld koning hadden willen maken. Toen zouden hem slechts een paar -duizend menschen bijgevallen zijn, heden zouden millioenen aan zijne -roepstem gehoor geven. - -Dezen gedachtengang volgende kwam Ben-Hur tot het besluit, dat de -Nazarener achter zijn zachtmoedig voorkomen en onbegrijpelijke -zelfverloochening staatkundige plannen verborg. - -Herhaaldelijk kwamen ernstig, door de zon gebruinde mannen Ben-Hur aan -de tent bezoeken. Hij ontving hen altijd alleen, en als zijne moeder hem -vroeg wie dat waren, antwoordde hij steeds: Goede vrienden uit Galilea. - -Door hen kwam hij op de hoogte van alles wat de Nazarener deed, en van -de plannen zijner vijanden, zoowel rabbijnen als Romeinen. Hij wist dat -het leven van zijn held bedreigd werd, maar hij kon niet gelooven, dat -iemand tijdens het feest een aanslag zou durven wagen. Zijn groote roem -en populariteit, de aanwezigheid van zoovele vreemden in en rondom de -stad waarborgden, meende hij, de veiligheid van den Nazarener. Maar -bovenal rustte zijn vertrouwen op de wondermacht van den Christus. De -zaak uit een zuiver menschelijk oogpunt beziende, hield hij het voor -onmogelijk, dat de bezitter van zulk eene macht over leven en dood, zoo -dikwijls aangewend ten bate van anderen, haar niet voor zichzelven zou -gebruiken. - -Het was volgens onze tijdrekening de vijfentwintigste Maart. Aan den -avond van dien dag kon Ben-Hur zijn ongeduld niet langer bedwingen en -reed naar de stad, met de belofte van spoedig te zullen terugkeeren. -Zijn paard was flink en draafde lustig voort. De huizen, die hij -voorbijreed, waren leeg, de vuren voor de tenten waren uitgedoofd, de -weg was eenzaam en verlaten, want het was de avond voor het feest en het -volk was naar den Tempel gestroomd, om de paaschlammeren te slachten, -wier bloed door de priesters opgevangen en naar de altaren gebracht -werd. Door de groote Noordpoort reed Ben-Hur Jeruzalem binnen, het -heerlijke roemrijke Jeruzalem, zooals het voor de verwoesting was. - - - * * * * * - - -ZESDE HOOFDSTUK. - -ONTMASKERD. - - -Ben-Hur stapte af voor de deur eener herberg, waar hij zijn paard in de -hoede van zijn Arabischen bediende achterliet. Met haastigen stap ging -hij naar huis, en vraagde allereerst naar Malluch; toen die niet thuis -bleek te zijn naar Balthasar en Simonides. Het antwoord luidde, dat de -beide grijsaards zich in draagstoelen naar buiten hadden laten brengen, -om ook iets van het feest te zien. - -Terwijl hij nog met den knecht sprak, werd het gordijn voor de deur -weggeschoven, en trad Iras binnen, waarop de bediende heenging. - -Door de gebeurtenissen der laatste dagen geheel in beslag genomen, had -Ben-Hur weinig aan de schoone Egyptische gedacht, maar zoodra hij haar -zag, liet de oude invloed zich weder gelden. Vroolijk ging hij haar te -gemoet, maar bleef op eens verbaasd staan. Tot nog toe had zij hem -onverholen hare genegenheid betoond. Maar nu! Een vreemde had zij niet -koeler kunnen ontvangen. - ---Gij komt juist bijtijds, zoon van Hur, zeide zij. Ik wilde u dank -zeggen voor uwe gastvrijheid, want na morgen zal ik niet meer in de -gelegenheid zijn dat te doen. - -Ben-Hur maakte een lichte buiging zonder zijne oogen van haar af te -wenden. - ---Ik weet, dat het onder dobbelaars gewoonte is, vervolgde zij, na -afloop van het spel de rekening op te maken, en den gelukkigen winner te -bekronen. Wij hebben een spel gespeeld, het heeft vele dagen en weken -geduurd. Waarom zouden wij, nu het uit is, niet eveneens nagaan wie van -ons den krans moet hebben? - -Niet recht wetende wat hij van haar denken moest antwoordde Ben-Hur -luchtig: Als een vrouw op het een of ander haar zinnen gezet heeft, moet -een man haar daarin ter wille zijn. - ---Zeg mij, zeide zij met een onaangenaam lachje, zeg mij, Vorst van -Jeruzalem, waar is hij, de zoon des timmermans van Nazareth, van wien -men onlangs zulke groote verwachtingen had? - -Met een gebaar van ongeduld antwoordde hij: Ik ben zijn bewaker niet. - ---Heeft hij Rome al omvergeworpen? - -Toornig wilde Ben-Hur antwoorden, maar zij vervolgde: Waar heeft hij -zijn zetel opgeslagen? En zijn paleis? Hij heeft wel dooden opgewekt, -het zou hem dus geen moeite kosten als met een tooverslag een gouden -huis te doen ontstaan. Hij behoeft maar met den voet te stampen en een -woord te spreken, en het huis staat daar, zoo mooi, als men het slechts -verlangen kan. - -Hij behoefde er niet meer aan te twijfelen, dat zij in ernst sprak. De -vragen waren beleedigend, haar toon en houding bepaald onvriendelijk. -Hij voelde, dat hij voorzichtig moest zijn, en zeide zacht: Laat ons nog -een dag, desnoods nog een week wachten, voordat wij oordeelen. - -Zonder op zijne woorden te letten vervolgde zij: En hoe komt het, dat ik -u in zulk eene kleeding zie? Dat is niet de dracht der stadhouders van -Indie, of van onderkoningen, waar dan ook. Ik heb eenmaal een Perzisch -satraap gezien. Hij droeg een zijden tulband en een mantel van -goudlaken; het gevest en de scheede van zijn zwaard glinsterden van -kostbare edelsteenen. Ik dacht dat Osiris hem iets van den glans der zon -had afgestaan. Ik vrees, dat gij nog niet in uwe heerschappij bevestigd -zijt, de heerschappij, die ik met u zou deelen. - ---De dochter van mijn wijzen gast is vriendelijker dan zij zelve -vermoedt; zij doet mij zien, dat Isis een hart kan kussen zonder het -beter te maken. - -Hij sprak met koude hoffelijkheid en Iras antwoordde, al spelende met -haar halsketting: De zoon van Hur is zeer slim. Ik zag uw droomenden -koning zijn intocht in de stad houden. Gij hadt ons gezegd, dat hij zich -op dien dag tot koning der Joden zou laten uitroepen. Ik zag een hem -begeleidenden stoet van den berg afdalen, en hoorde hun gezang. 't Was -een mooi gezicht, die wuivende palmtakken. Ik zocht naar een koninklijke -verschijning in hun midden: een ruiter in het vorstelijk purper, of een -statigen krijger in een strijdwagen, met schild en speer gewapend. Ik -zocht naar zijn lijfwacht. Het zou mij goed hebben gedaan een vorst van -Jeruzalem aan het hoofd eener kohorte van de Galileesche legioenen te -zien! - -Zij wierp haren toehoorder een uitdagenden blik toe, en lachte toen -luid, alsof zij in den geest iets zeer belachelijks aanschouwde. - ---In stede van een triomfeerenden Sesostris, vervolgde zij, of van een -gewapenden Cesar, hahaha! zag ik een man met tranen in de oogen op een -ezelsveulen gezeten. De koning! de Zoon van God! de Verlosser der -wereld! Hahaha! - -In spijt van zichzelven kon Ben-Hur zijn verlegenheid niet verbergen. -Voordat hij zich hersteld had, ging zij voort: Toch verliet ik mijne -plaats niet, Vorst van Jeruzalem. Evenmin lachte ik. Ik zeide tot -mijzelve: Geduld! In den Tempel zal hij zich in zijne ware gedaante -vertoonen, zooals dat een held betaamt, die de wereld in bezit gaat -nemen. Ik zag hem de poort van Suzanna binnengaan. Ik zag hem stilhouden -voor de Schoone Poort. Duizenden menschen stonden in de voorhoven van -den Tempel, op de trappen; allen wachtten in hooge spanning op zijne -proclamatie. In mijne verbeelding hoorde ik de steunsels van het -machtige Rome kraken. Hahaha! O Vorst! bij de ziel van Salomo, uw koning -wikkelde zich dichter in zijn overkleed en wandelde weg, zonder zijn -mond geopend te hebben, en ... het Romeinsche rijk bestaat nog. - -Geen vertoogen van Balthasar, geen wonderen voor zijn oogen verricht, -hadden vermocht wat het door Iras geschilderde tafereel uitwerkte. - -Dat zich afwenden van de Schoone Poort--gaf de Nazarener zelf daarmede -niet duidelijk te kennen, dat hij het door-hem op te richten koninkrijk -niet beschouwd wilde hebben als een aardsch koninkrijk? - ---Dochter van Balthasar, zeide hij waardig, als dit het spel is, waarvan -gij spraakt, neem den krans; ik moet hem u toekennen. Laat ons echter -een einde maken aan dit woordenspel. Dat gij er een doel mede hebt, -geloof ik zeker. Spreek het vrij uit en ik zal u antwoorden. Daarna -kunnen wij ieder zijn eigen weg gaan, en vergeten dat wij elkander ooit -ontmoet hebben. Spreek! Ik luister--indien gij ten minste een anderen -toon wilt aanslaan. - -Zij zag hem een oogenblik onderzoekend aan, overleggende wat zij doen -zou, misschien ook om zijn wilskracht te beproeven, en zeide toen -koeltjes: Gij kunt vertrekken. Ga! - ---Vrede zij u, antwoordde hij, en ging naar de deur. Toen hij er vlak -bij was, riep zij hem terug. - ---Nog een woord. - -Hij bleef staan, en zag om. - ---Bedenk dat ik alles van u weet. - ---Waarin bestaat dat alles? vraagde hij terugkomende. - -Zij zag hem aan met verstrooiden blik. - ---Gij hebt meer van een Romein, zoon van Hur, dan een uwer Joodsche -broederen. - ---Ben ik zoo verschillend van mijne landgenooten? vraagde hij -onverschillig. - ---De halfgoden zijn allen Romeinen, zeide zij. - ---Is dat alles wat gij van mij weet? - ---De gelijkenis is niet voor mij verloren. Het zou er mij toe kunnen -brengen u te redden. - ---Mij te redden? - -Haar vingers speelden met het sieraad aan haren hals en haar stem klonk -innemend en zacht; maar het trappelen van haar voetje maande hem tot -voorzichtigheid. - ---Er was een Jood, een ontvluchte galeislaaf, die een man doodde in het -paleis Idernee, zeide zij langzaam. - -Ben-Hur ontstelde. - ---Diezelfde Jood versloeg hier in Jeruzalem op het voorplein van het -praetorium verscheidene Romeinsche soldaten, diezelfde Jood heeft onder -zijne bevelen drie welgeoefende legioenen uit Galilea, om hedennacht den -Romeinschen procurator gevangen te nemen; diezelfde Jood heeft alles -voorbereid tot een oorlog met Rome, en Sheik Ilderim is een van zijne -bondgenoten. - -Nog dichterbij komende, fluisterde zij: Gij hebt in Rome gewoond. -Gesteld dat deze dingen gefluisterd werden in ooren, die wij kennen? -Aha! gij verschiet van kleur? - -Hij ging een stap achteruit met de uitdrukking op het gelaat van een -man, die, meenende met een poes te spelen, onverwacht een tijgerjong -voor zich ziet. - -Zij vervolgde: gij zijt bekend aan het hof, gij kent den machtigen -Sejanus. Gesteld dat hem werd medegedeeld, dat diezelfde Jood de rijkste -man is van het Oosten, ja van het geheele keizerrijk, dan zouden de -visschen van den Tiber waarschijnlijk wel op iets anders onthaald -worden, dan op hun gewone voedsel, niet waar? En welke prachtige -voorstellingen zouden daarna in den Circus gegeven worden! Het -Romeinsche volk te vermaken is een schoone kunst, maar het geld te -verzamelen, om het te kunnen blijven vermaken, is nog grooter kunst; en -heeft ooit eenig kunstenaar daarin Sejanus geevenaard? - -Ben-Hur wendde al zijne zelfbeheersching aan, om kalm te blijven, en -zeide bedaard: Welaan, dochter van Egypte, dank zij uwe listigheid hebt -gij mij in uwe macht, 't Zal u zeker genoegen doen mij te hooren -bekennen, dat ik geen genade van u verwacht. Ik zou u kunnen dooden; -doch gij zijt eene vrouw. De woestijn is bereid om mij te ontvangen, en -ofschoon de Romeinen uitstekende menschenjagers zijn, zouden zij mij -daar toch lang en ver moeten zoeken, voordat ze mij vingen; want de -wildernis herbergt duizenden trouwe, gewapende mannen. Maar al hebt gij -mij in uwe netten weten te krijgen--dwaas die ik was! een antwoord zijt -gij mij schuldig: Wie heeft u dat alles aangaande mij verteld? -Vluchteling of banneling, het zal mij een troost zijn mijnen verrader -den vloek na te laten van een man, wiens leven niets dan ellende heeft -gekend. Wie heeft u dat alles aangaande mij medegedeeld? - -Was het een kunstgreep, was het oprecht gemeend,--de uitdrukking van -Iras' gelaat werd zachter. - ---In mijn vaderland vindt men kunstenaars, die schilderijen maken van -veelkleurige schelpjes, welke zij aan het strand der zee vonden, en in -stukken sloegen, om ze daarna tot een geheel samen te voegen. Ziet gij -niet wat zij, die een geheim willen uitvorschen, daaruit kunnen leeren? -Het zij u genoeg te weten, dat ik van den een dit, van den ander dat -vernam, en weldra een geheel kon samenstellen, dat mij meesteres maakte -van het fortuin en het leven van een man met wien ... ik niet recht weet -wat ik doen zal. - ---Neen, dat is mij niet genoeg, zeide Ben-Hur onbewogen. Morgen zult gij -wel weten wat gij met mij doen zult ... mij misschien vermoorden. - ---Dat is zoo, antwoordde zij snel en met nadruk. Nu dan. Enkele dingen -vernam ik door Sheik Ilderim, toen hij op zekeren avond met mijn vader -een onderhoud had in de woestijn. 't Was stil, heel stil, en de wanden -eener tent zijn, om de waarheid te zeggen, geen voldoende beschutting -tegen ooren, die daar buiten luisteren naar den vleugelslag van -nachtvlinders. Andere bijzonderheden kreeg ik van.... - ---Welnu? van wien? - ---Van den zoon van Hur zelf. - ---Heeft niemand anders er toe bijgedragen? - ---Neen, niemand. - -Ben-Hur slaakte een zucht van verlichting en zeide: Dank voor uwe -mededeeling. Het zou niet beleefd zijn den machtigen Sejanus op u te -laten wachten. Vaarwel! - -Tot nog toe had hij met ongedekten hoofde voor haar gestaan; nu nam hij -den doek, die over zijn arm hing, schikte zich dien om het hoofd en -wilde zich verwijderen. Maar zij hield hem tegen, en stak in haren ijver -de hand naar hem uit. - ---Blijf! zeide zij. - -Hij zag haar aan zonder echter de aangeboden hand te nemen, en begreep -uit hare geheele manier van doen, dat het voornaamste nog komen moest. - ---Blijf, en geloof vrij, dat ik weet waarom de edele Arrius u tot zijn -erfgenaam maakte. Bij alle goden van Egypte, ik beef als ik er aan denk, -dat gij, zoo dapper en edelmoedig, den onbarmhartigen Sejanus in handen -zoudt vallen. Gij hebt een gedeelte van uw jeugd in de atria der groote -wereldstad doorgebracht, bedenk wat in tegenstelling daarmede de -woestijn voor u zijn moet. O, ik heb medelijden met u! En als ge doen -wilt wat ik zeg, zal ik u redden. Dat zweer ik u bij onze heilige Isis! - -Het vuur, waarmede zij gesproken had, deed haar aangezicht gloeien; -zelden had hij haar zoo schoon gezien. - ---Eenmaal hadt gij een vriend, vervolgde zij. Gij waart toen nog een -knaap. Op zekeren dag kreegt gij twist en werdt vijanden. Vele jaren -later zaagt gij hem in den circus te Antiochie. - ---Messala! - ---Ja, Messala. Gij waart zijn schuldeischer. Laat het verledene vergeven -en vergeten zijn; schenk hem uwe vriendschap weder; geef hem zijn geld -terug, dat hij bij de groote weddenschap verloor; red hem! De zes -talenten zijn voor u zoo goed als niets, niet zooveel als het afvallend -blad van een lommerrijken boom; maar voor hem.... Ach, hij gaat daarheen -met een verbrijzeld lichaam! O Ben-Hur, edele vorst! voor een Romein als -hij, uit een edel geslacht gesproten, is armoede nog erger dan de dood. -Red hem, ach, red hem! - -Als de snelheid, waarmede zij sprak, dienen moest, om hem het nadenken -te beletten, dan vergiste zij zich deerlijk. Zijne gevoelens ten -opzichte van Messala waren voor geene wijziging vatbaar. Het was hem, -alsof hij zijn vijand over haar schouder naar hem zag gluren, met de -oude trotsche, overmoedige uitdrukking. - ---Messala krijgt van mij niets, sprak hij vastberaden. Als Romein -veroordeel ik den Romein. Maar zeg mij, zond hijzelf u tot mij met dit -verzoek? - ---Hij heeft een edele natuur en beoordeelde u daarnaar. - ---Zeg mij, gij, die hem zoo goed schijnt te kennen, zeg mij, zou hij in -het omgekeerde geval voor mij doen wat hij nu van mij vraagt? Antwoord -ter wille van de waarheid! - ---O, begon zij, hij is.... - ---Een Romein, wilt gij zeggen; en gij bedoelt daarmede, dat ik, een -Jood, niet moet eischen, dat een en dezelfde maatstaf gebruikt zal -worden voor hem en voor mij. Dus omdat ik een Jood ben, moet ik hem -mijne winst laten, omdat hij een Romein is. Als gij nog meer te zeggen -hebt, dochter van Balthasar, spreek dan, want waarlijk! moest mijn bloed -nog tot grooter kookhitte komen, dan zou ik in u misschien niet langer -eene vrouw zien, maar de spion van den Romein. Spreek dus, maar maak het -kort. - -Zij ging een stap achteruit. Uit hare oogen en stem sprak al de boosheid -van hare natuur. - ---Gij meent, dat ik u zou kunnen beminnen, nadat ik Messala gezien had? -Zulken als gij zijn geboren om hem te dienen. Hij zou tevreden zijn -geweest, indien gij hem zijne zes talenten teruggegeven hadt; maar ik -zeg u, bij die zes zult gij er twintig voegen, hoort gij? Voor iederen -kus, dien gij mij gegeven hebt, al was het met mijne toestemming, zult -gij mij betalen. Gij zult er voor betalen, dat ik u zoo lang verdragen, -ja begunstigd heb, al deed ik het ook om hem te dienen. De oude -Simonides is uw rentmeester. Indien hij mij morgenmiddag niet een wissel -ter hand stelt voor zesentwintig talenten, dan zult gij met den -machtigen Sejanus hebben af te rekenen. Wees wijs! en nu vaarwel. - -Zij wilde de kamer verlaten, maar hij trad haar in den weg. - ---Wanneer gij Messala ziet, hier of in Rome, vandaag of morgen, wil hem -dan van mijnentwege deze boodschap overbrengen: Zeg hem, dat ik al het -geld terug heb, dat hij mij ontstal, toen hij zich een deel van mijn -vaders bezittingen toeeigende. Zeg hem, dat ik van de galeien, waarheen -hij mij zond, levend ben teruggekomen, en dat ik gezond en krachtig, mij -verheug over zijne armoede en schande. Zeg hem, dat de lichaamspijnen, -hem door mijne hand toegebracht, een straf zijn van den God van Israel -voor het verraad, dat hij aan onschuldigen gepleegd heeft; zeg hem, dat -mijne moeder en zuster, die met zijn medeweten opgesloten werden in eene -besmette cel van den burcht Antonia, opdat zij daar aan melaatschheid -zouden sterven, leven, en gezond zijn door het machtwoord van den -Nazarener, dien gij veracht. Zeg hem, dat zij, om de maat van mijn geluk -vol te maken, mij teruggegeven zijn, en dat ik tot haar ga, om in hare -liefde meer dan voldoening te vinden voor de onreine hartstochten, die -gij op hem overbrengt. Zeg hem, dat de machtige Sejanus, als hij zich -opmaakt om mij van mijn eigendom te berooven, niets zal vinden, want -alles, wat ik van den duumvir geerfd heb, is verkocht, en de opbrengst -is in veiligheid gebracht. Zeg hem, dat dit huis en de goederen, waar -Simonides handel mede drijft, gedekt zijn door keizerlijken vrijbrief. -Zeg hem, dat ik hem mijnen vloek niet in woorden zend, maar dat ik hem -aan u overlaat, opdat gij elkander wederkeerig ten vloek zoudt zijn. Ga -nu, ik ga ook. - -Hij geleidde haar naar de deur en hield beleefd een voorhang tegen, -terwijl zij naar buiten ging. - - - * * * * * - - -ZEVENDE HOOFDSTUK. - -DE BLINDDOEK AFGEVALLEN. - - -Ben-Hur verliet de zaal vrij wat minder opgewekt, dan hij haar -binnengetreden was; zijn stap was langzamer, hij liet het hoofd hangen. -De ontdekking dat iemand, al heeft hij ook al zijne ledematen gebroken, -toch nog gezond van hersenen kan zijn, gaf hem veel te denken. - -Dat hij de Egyptische zelf niet verdacht had van in Messala's belang -werkzaam te zijn, maar zich blindelings had overgegeven aan de -betoovering, die van haar uitging, wondde zijne ijdelheid. - ---Nu herinner ik mij, dacht hij, dat zij in het minst niet -verontwaardigd was over de handelwijze van den onbeschaamden Romein bij -de bron van Castalia. Ik herinner mij ook, dat zij van den beginne met -ingenomenheid over hem sprak. En ... aha!... nu behoef ik niet langer te -vragen, aan wie ik dat geval in het paleis Idernee te danken had. - ---God zij gedankt! riep hij na een oogenblik nadenkens overluid, dat die -vrouw mijn hart niet omstrikt had! Ik zie nu in dat het geen liefde was, -die ik voor haar gevoelde. - -Alsof hem een pak van het hart gevallen was, begaf hij zich verruimd van -zin naar het platte dak. Boven gekomen bleef hij stilstaan. Kon -Balthasar haar medeplichtige zijn? Neen, neen. Een eerwaardig grijsaard -als hij kan niet huichelen. Balthasar is een goed man. - -Gerustgesteld ging hij verder. De volle maan stond hoog aan den hemel, -maar verbleekte door den gloed der vuren, die in de straten en op de -pleinen ontstoken waren. Van alle zijden weerklonk het gezang van -psalmen en lofzangen. Onwillekeurig bleef hij staan luisteren. De -tallooze stemmen schenen hem toe te roepen: Aldus, zoon van Juda, -getuigen wij van onze trouw aan den Heer onzen God, en onze liefde tot -het land, dat Hij ons gegeven heeft. O, dat een Gideon mocht optreden, -of een David, of een Makkabeer!--Wij zijn gereed. - -In den geest zag hij den Nazarener, wiens vriendelijk gelaat allerminst -aan oorlog deed denken, veeleer aan vrede en liefde, en zoo drong de -oude vraag zich weder aan hem op: Wie is hij toch? - -Ben-Hur wierp een blik over de borstwering, keerde zich toen om en -wandelde toen werktuiglijk naar het zomerhuisje. Laat hen het ergste -doen wat zij kunnen, zeide hij langzaam voortgaande. Ik kan den Romein -geen vergiffenis schenken. Ik wil mijn fortuin niet met hem deelen, maar -evenmin wil ik de stad mijner vaderen ontvluchten. Liever roep ik de -Galileers te hulp en laat ik het zwaard voor mij beslissen. Door dappere -daden zal ik de stammen voor mij winnen. Hij, die Mozes verwekte, zal -ook ons een aanvoerder toezenden, als ik niet slaag. Blijkt het, dat de -Nazarener niet de aangewezen persoon is, dan een ander uit de velen, die -hun leven willen laten voor de vrijheid. - -Het zomerhuisje was van binnen slechts flauw verlicht, toen Ben-Hur -binnentrad. Hij zag den armstoel van Simonides in den hoek geschoven, -vanwaar men het beste uitzicht had over de markt. - ---De goede man is teruggekeerd, dacht hij. Als hij niet slaapt, zal ik -hem even toespreken. - -Hij naderde den stoel met zachten tred. Over de hooge rugleuning -glurende zag hij, dat Esther in den stoel zat te slapen, half verborgen -onder de deken. Hare ademhaling was zacht en regelmatig. Op eens slaakte -zij een diepen zucht. Was het de zucht, of de eenzaamheid, waarin hij -haar aantrof,--genoeg, hij kreeg den indruk dat deze slaap meer een -gevolg was van uitputting na droefheid, dan van vermoeidheid. Met de -handen op de rugleuning rustend, dacht hij een oogenblik na. - ---Ik zal haar niet wekken. Ik heb haar niets te zeggen, niets, of het -moest zijn, dat ik haar liefheb. Zij is eene dochter uit den stam van -Juda, schoon en lieftallig, geheel verschillend van de Egyptische. Bij -die is alles ijdelheid, bij haar alles waarheid, daar eerzucht, hier -plicht, daar zelfzucht, hier zelfverloochening.... Neen, de vraag is niet -of ik haar liefheb, maar of zij mij liefheeft! Zij was mij van den -beginne genegen. Ik ben dien avond op het terras te Antiochie nog niet -vergeten, toen zij mij zoo kinderlijk smeekte Rome niet tot mijn -vijandin te maken. Ik heb haar lief. Niemand weet, dat ik moeder en -Tirza teruggevonden heb. Hoe zal zij zich met mij verheugen, haar van -harte verwelkomen. Voor moeder zal zij eene tweede dochter wezen, in -Tirza vindt zij eene zuster. Ik zou haar kunnen wekken en dit alles -vertellen, maar eerst moet de Egyptische toovenares weg, en alles -vergeten zijn. Ik zal heengaan en een ander, een beter oogenblik -afwachten. Ik zal wachten. Slaap zacht, schoone Esther! trouw kind, -dochter van Juda! - -Hij ging heen, even stil als hij gekomen was. - - - * * * * * - - -ACHTSTE HOOFDSTUK. - -HET VERRAAD. - - -De straten waren vol gaanden en komenden. Hier en daar stonden groepjes -geschaard rondom de vuren, waar vleesch gebraden, gezongen en -feestgevierd werd. De geur van het gebraad, vermengd met den reuk van -brandend cederhout, vervulde de lucht; en daar bij deze gelegenheid alle -Israelieten elkander als broeders begroetten en de gastvrijheid geen -grenzen kende, werd Ben-Hur bij elken stap begroet, terwijl de groepjes -rondom het vuur hem toeriepen: Kom, en eet met ons. Wij zijn broeders in -de liefde Gods!--Maar hij dankte hen allen vriendelijk en haastte zich -voort, daar hij van plan was zijn paard op te halen aan de herberg, en -naar de tenten bij de beek Kedron terug te keeren. - -Om daar te komen, moest hij de straat oversteken, die weldra door het -droevigst tooneel, dat de christenheid kent, vermaard zou worden. Ook -daar waren de feestelijkheden in vollen gang. De straat afziende, zag -hij een optocht met fakkellicht naderen! Waar zij langs kwamen verstomde -het gezang. Zijne verbazing klom, toen hij te midden van rook en vonken -speren zag flikkeren, waaruit hij begreep, dat het Romeinsche soldaten -waren. Wat deden zij, die vervloekte Romeinen, bij een Joodsche -processie? Dat was iets ongehoords, en hij bleef staan om te zien wat -dat beteekenen moest. - -De maan scheen helder; maar alsof maan en sterren en straatvuren en het -licht uit vensters en open deuren niet voldoende waren om alles buiten -te verlichten, droegen sommige deelnemers aan den optocht bovendien -brandende lantaarns, en daar Ben-Hur begreep, dat er iets bijzonders te -doen moest zijn, koos hij een geschikte plaats uit, om elk der -voorbijtrekkenden aandachtig op te nemen. De toortsen en lantaarnen -werden door bedienden gedragen, die met knuppels of puntige stokken -gewapend waren. Hun plicht was allereerst de hoogmogenden onder hen: -oudsten, priesters, rabbi's met lange baarden, zware wenkbrauwen en -haviksneuzen, bij te lichten op den ongelijken, steenachtigen weg. Wat -kon toch het doel van hun tocht zijn? Niet naar den tempel, want -daarheen voerde een andere weg. En hun plannen ... als die van vreedzamen -aard waren, waartoe dan de soldaten? - -Toen de stoet hem voorbijging, werd zijne aandacht voornamelijk -getrokken door drie personen, die in de eerste rijen gingen. In den man -links herkende hij een hoofdman der tempelwacht, die meest rechts liep -was een priester, den middelsten daarentegen herkende hij niet dadelijk, -want hij leunde onder het voortgaan zwaar op de beide anderen, en liet -het hoofd hangen, als om het gelaat te verbergen. Zijn voorkomen deed -aan een boosdoener denken, die den schrik van zijne gevangenneming nog -niet te boven was gekomen. Ontegenzeglijk was hij, zoo niet de oorzaak -van het optrekken der soldaten, dan toch of hun gids, of een onmisbaar -getuige. Kon Ben-Hur achter zijn naam komen, dan zou hij het overige -misschien wel kunnen raden. Zonder iets te zeggen, trad hij den priester -op zijde, en stapte naast hem voort. Als de man nu maar zijn hoofd wilde -opheffen! En zie! daar deed hij het, zoodat het licht der lantaarnen op -zijn bleek, door vrees vertrokken gelaat viel. Daar Ben-Hur den -Nazarener zoo dikwijls op zijne tochten gevolgd was, kende hij de -discipelen, zoowel als den meester; en toen hij nu dat verschrikte -gelaat zag, riep hij luid: Iskariot! - -Langzaam keerde de ongelukkige het hoofd om, keek Ben-Hur aan en bewoog -zijne lippen, alsof hij iets wilde zeggen, maar de priester kwam -tusschenbeide. - ---Wat woudt gij? Ga weg! zeide hij tot Ben-Hur, en duwde hem op zij. De -jonkman liet het zich welgevallen, wachtte een betere gelegenheid af, en -sloot zich weder bij den stoet aan. Zij gingen tusschen den heuvel -Bezetha en den burcht Antonia door, langs het badwater Bethesda naar de -Schaapspoort. Overal waren menschen en overal werd feestgevierd. Ter -eere van het feest stonden de deuren der poort wijd open. Voorwaarts -ging het, altijd voorwaarts, nu het dal in, dat naar de beek Kedron -leidde. Aan de andere zijde zag men den Olijfberg met zijn donker -geboomte. Dof weerklonken de voetstappen der mannen in de nachtelijke -stilte. Nog een klein eindje, en toen sloegen zij links om naar een -olijvenhof, die aan den voorkant door een steenen muurtje afgesloten -was. Ben-Hur wist dat in dien hof niets was, dan eenige knoestige -boomen, wat gras, en een in de rots uitgehouwen trog, die gebruikt werd -voor het treden van de olijven. Terwijl hij zich verbaasd afvraagde wat -zij in dit uur op eene zoo eenzame plaats te doen konden hebben, stond -de troep plotseling stil. In de voorhoede hoorde men luid spreken. Er -ontstond een onverklaarbare verwarring; alleen de soldaten hielden -stand. In een oogwenk had Ben-Hur zich uit het gedrang weten te redden, -om vooruit te snellen. Weldra bevond hij zich voor een poortje zonder -deur, dat toegang verleende tot den hof. Hij bleef staan om het tooneel -te overzien. - -In de poort stond een man met witte kleederen bekleed, blootshoofds, de -handen op de borst gevouwen, een gedaante hem maar al te goed bekend ... -de Nazarener! Zijne discipelen stonden achter hem geschaard; zij zagen -er ontsteld uit, de meester zelf stond daar als een toonbeeld van -verheven rust. - -Tegenover deze vreedzame gestalte hield de bende stil, onthutst, gereed -om op een machtwoord uit zijnen mond uiteen te stuiven en weg te loopen. -Ben-Hur wierp een vluchtigen blik op hem, op de menigte, op Judas -Iskariot, en nu begreep hij het doel van den tocht. Hier stond de -verrader, daar de verradene. De lieden met knuppels en stokken gewapend -en de soldaten waren gekomen om hem gevangen te nemen. - -Niemand kan met zekerheid zeggen wat hij doen zal, voordat het oogenblik -van handelen daar is. Ben-Hur stond voor iets, waarop hij zich jarenlang -had voorbereid. De man, voor wiens veiligheid hij moest waken, op wiens -leven hij al zijne hoop gebouwd had, verkeerde in lijfsgevaar,--en toch -deed hij niets. De menschelijke natuur is vol van zulke tegenstrijdigheden. -De groote kalmte echter, waarmede de geheimnisvolle Nazarener de menigte -te gemoet trad, hield hem tegen, want hij verwachtte dat de meester gebruik -zou maken van zijne wondermacht, om zich uit dit dreigend gevaar te redden. -Vrede, liefde en vergevensgezindheid waren de grondtonen geweest van zijn -leer; zou hij zijne prediking in praktijk brengen? Hij was Heer over leven -en dood. Welk gebruik zou hij nu van die macht maken? Zichzelven verdedigen? -En hoe dan? Een woord, een wenk, eene gedachte was voldoende. Dat een -wonder, iets bovennatuurlijks gebeuren zou, geloofde Ben-Hur vast, en in -dat geloof wachtte hij. Maar hij mat den Nazarener naar zichzelven af, naar -den menschelijken maatstaf. - -Daar weerklonk des Meesters heldere stem. - ---Wien zoekt gij? - ---Jezus den Nazarener, antwoordde de priester. - ---Ik ben het. - -Op het hooren van deze zeer eenvoudige woorden weken de aanvallers eenige -schreden achteruit, de vreesachtigen vielen ter aarde. - -Zij zouden hem waarschijnlijk alleen gelaten hebben en weggegaan zijn, -indien niet Judas naar voren gekomen was en gezegd had: Wees gegroet, -Meester. - -Dit zeggende kuste Judas hem. - ---Judas, zeide de Nazarener zacht, verraadt gij den Zoon des Menschen -met een kus? Waarom zijt gij hier gekomen? - -Daar hij geen antwoord kreeg, wendde de Meester zich weder tot de schare. - ---Wien zoekt gij? - ---Jezus van Nazareth. - ---Ik heb u gezegd, dat ik het ben. Indien gij dan mij zoekt laat dezen -henengaan. - -De rabbi's traden op hem toe, en hun voornemen radende kwamen sommigen -zijner discipelen, voor wie hij in de bres gesprongen was, naderbij. Een -van hen hief zijn zwaard op en sloeg een man zijn oor af, maar zonder te -kunnen verhinderen dat de Meester gevangen werd genomen. - -En nog steeds stond Ben-Hur stil! - -Terwijl men de touwen bracht om hem te binden, verrichtte de Nazarener -eene liefdedaad, die meer nog dan eenige andere zijne oneindige liefde -en zachtmoedigheid deed zien. - ---Laat ze tot hiertoe geworden, zeide hij, raakte het oor van den -gewonden dienstknecht aan, en heelde het. - -Vrienden en vijanden beiden stonden verbaasd, laatstgenoemden daarover, -dat hij zoo iets kon doen, de eersten, dat hij het wilde doen. - -Neen, neen! Hij zal niet toelaten, dat zij hem binden! dacht Ben-Hur. - ---Steek uw zwaard in de scheede. De beker, dien mij de Vader gegeven -heeft, zou ik dien niet drinken? - -Van den voorbarigen discipel keerde de Nazarener zich tot zijne -vijanden: Zijt gij gekomen als tot een dief, met zwaarden en stokken om -mij gevangen te nemen? Dagelijks was ik bij u in den Tempel en gij hebt -mij niet gegrepen, maar dit is uwe ure en de macht der duisternis. - -De bende vatte moed en omringde hem. Toen Ben-Hur rondzag naar de -discipelen waren zij weg, niet een was gebleven. - -De Nazarener werd gebonden,--hij die zijne vijanden met een ademtocht -zou hebben kunnen vernietigen. Waarom wilde hij zichzelven niet redden? -Wat was die drinkbeker, dien zijn vader hem gegeven had te drinken? En -wie was die vader? Altemaal geheimen, die alleen de Nazarener onthullen -kon. - -Nu maakte de bende zich gereed om naar de stad terug te keeren, de -soldaten voorop. Ben-Hur werd beangst. Hij was niet met zichzelf -tevreden. Hij wist waar de Nazarener te vinden was,--daar, waar de -meeste flambouwen waren. Op eens nam hij een besluit. Hij moest hem nog -eenmaal zien, hem eene vraag voorleggen. Haastig ontdeed hij zich van -zijn overkleed en hoofddoek, wierp ze op het muurtje, en vloog de bende -achterna. - -Het gelukte hem na eenig dringen den man te bereiken, die de einden van -het touw vasthield, waarmede de gevangene behouden was. - -De Nazarener liep langzaam, met gebogen hoofd, de handen op den rug -gebonden, en alsof hij niets merkte van hetgeen rondom hem voorviel. -Voor hem uit gingen priesters en oudsten, in drukke gesprekken verdiept, -en telkens naar hunne prooi omziende. Toen zij de brug genaderd waren, -nam Ben-Hur den bewaker het touw uit de hand, en trad den gevangene op -zijde. - ---Meester, sprak hij zacht en snel, hoort gij mij, Meester? Een woord -slechts. Zeg mij.... De man, wien hij het touw ontnomen had, wilde het -terug hebben. - ---Meester, zeg mij, ging Ben-Hur voort, gaat gij vrijwillig mede? - -De menigte sloot zich meer aaneen en vraagde hem dreigend: Mensch, wie -zijt gij? - ---Ach, Meester, zeide Ben-Hur haastig, zijn stem scherp door angst, ik -ben uw vriend. Zeg mij, ik smeek het u, wilt gij, dat ik u te hulp kom? - -De Nazarener zag niet op, en gaf niet het minste teeken van herkenning. - -Maar nu drongen de wachters op hem in. Van alle kanten werd geroepen: -Hij is een van hen. Grijpt hem! Slaat hem dood! Met een wanhopige -krachtsinspanning rukte Ben-Hur zich los, keerde zich, links en rechts -slaande, om, en brak door den kring heen, die hem dreigde in te sluiten. -Zijn kleed moest hij in handen laten van een wachter, die hem reeds -gegrepen had, zoodat hij naakt van hen moest vlieden. Gelukkig kon hij -zich in de donkere kloof voor iedere oog verbergen. - -Toen alles stil geworden was, keerde hij naar den olijvenhof terug, om -zijn overkleed te halen, begaf zich van daar naar de herberg, besteeg -zijn paard en reed spoorslags naar de tenten zijner moeder bij de graven -der Koningen. Onder het voortrijden nam hij het besluit den volgenden -dag den Nazarener te bezoeken, weinig vermoedende, dat deze nog -dienzelfden avond naar het huis van Annas gebracht was, om terstond -verhoord te worden. - -Met een bezwaard hart ging de jonkman ter ruste. Moedeloos wierp hij -zich op zijn leger om en om, aan slapen viel voor hem niet te denken, -want het leed geen twijfel: het Joodsche koninkrijk, waar hij van -gedroomd had, loste zich op in wat het was--een droom. - - - * * * * * - - -NEGENDE HOOFDSTUK. - -NAAR DEN KRUISHEUVEL. - - -Den volgenden morgen tegen de tweede ure reden twee mannen in galop naar -Ben-Hurs tent, stapten af, en vraagden hem te zien. - -Hij was nog niet opgestaan, doch beval dat men hen binnen zou laten. - ---Vrede zij u, broeders, zeide hij, want het waren twee vertrouwde -hoofdlieden van het Galileesche legioen. Neemt plaats! - ---Neen, antwoordde de oudste kortaf. Zitten en rusten wil zooveel zeggen -als den Nazarener te laten sterven. Sta op, zoon van Juda, en ga met ons. -Het oordeel is uitgesproken, de kruispaal wordt opgericht. - -Ben-Hur staarde den spreker ontsteld aan. Het kruis! was alles wat hij -zeggen kon. - ---Zij hebben hem van nacht gevangengenomen en gevonnist, vervolgde de -man. Met het aanbreken van den dag brachten zij hem voor Pilatus. -Tweemaal verklaarde de Romein hem voor niet schuldig; tweemaal weigerde -hij hem over te leveren. Eindelijk waschte hij zijne handen, en zeide: -Ik ben onschuldig aan het bloed van dezen rechtvaardige! en zij -antwoordden.... - ---Wie antwoordde? - ---De priesters en het volk! Zij antwoordden: Zijn bloed kome over ons en -over onze kinderen. - ---Heilige vader Abraham! riep Ben-Hur. Moet een Romein welwillender zijn -voor een Israeliet, dan zijn stamgenooten! En als--o, als hij werkelijk -de Zoon Gods is, wie zal dan ooit die bloedschuld afwasschen? Het mag -niet gebeuren,--ten strijde, broeders, ten strijde! - -Hij klapte in de handen. - ---De paarden voor, vlug! beval hij den binnentredenden Arabier. Laat -Amrah mij schoone kleederen geven en breng gij mijn zwaard!... De tijd -is gekomen om voor Israel te sterven, vrienden! Wacht mij buiten, ik kom -aanstonds. - -Hij at een stuk brood, dronk een beker wijn, en reed weldra weg. - ---Waarheen? vraagde de hoofdman. - ---De legioenen bijeenroepen. - ---Helaas! riep de man, zijne handen omhoogheffend. - ---Waarom helaas? - ---Ach, heer, zeide de man beschaamd, mijn vriend en ik zijn u alleen -getrouw gebleven. Al de anderen loopen de priesters na. - ---Wat willen zij dan? vraagde Ben-Hur en hield zijn paard in. - ---Hem dooden. - ---Toch niet den Nazarener? - ---Gij hebt het gezegd. - -Ben-Hur zag nu den een, dan den ander aan. In den geest hoorde hij weder -de woorden van den vorige avond: den drinkbeker, dien mij de Vader -gegeven heeft, zal ik dien niet drinken? - -Hij hoorde weer zijn eigen vraag: wilt gij dat ik u te hulp kom?--Neen, -zeide hij tot zichzelf: Zijn dood kan niet afgewend worden. Hij heeft er -van den beginne alles van geweten. Die dood wordt hem opgelegd door een -wil, hooger dan de zijne: van wien anders dan van God? Als hij er in -toestemt, als hij vrijwillig gaat, wat zal dan een gewoon mensch doen? - -Ben-Hur zag de plannen in duigen vallen, die hij gebouwd had op de -getrouwheid der Galileers. Hun afval maakte inderdaad aan alles een -einde. Maar hoe zonderling dat het juist hedenmorgen moest gebeuren! Een -bange vrees bekroop hem. Kon het zijn dat zijn plannenmaken, zijn werk, -de wijze, waarop hij zijn geld besteed had, slechts verzet geweest was -tegen Gods raadsbesluiten? - ---Laat ons naar Golgotha gaan, zeide hij op doffen toon. - -Zij reden te midden van een opgewonden menigte, die in dezelfde richting -ging, als zijzelve. De geheele streek ten noorden der stad scheen op de -been te zijn. - -Hoorende dat de wacht met den veroordeelde ongeveer bij de groote witte -torens van Herodes moest zijn, reden de drie vrienden daarheen. In de -vallei bij den vijver van Hiskia werd het onmogelijk tegen den stroom -van menschen in te gaan, zoodat zij verplicht waren af te stijgen en -achter een huis een gunstiger oogenblik af te wachten. Een half uur, een -uur vloog voorbij, nog steeds ging de stroom onverminderd langs onze -vrienden. Aan het einde van dien tijd had hij kunnen zeggen: Ik heb alle -standen van Jeruzalem vertegenwoordigd gezien, al de sekten van Judea, -al de stammen Israels, en al de nationaliteiten der aarde. De Libysche -Jood, de Jood uit Egypte, de Jood van den Rijn; in een woord: de Joden -van alle oostersche en westersche landen en van alle bekende eilanden -trokken langs hem heen, te voet, te paard, of op kameelen gezeten, in -draagstoelen, in wagens, gekleed in alle mogelijke kleederdrachten, maar -met de zonderlinge overeenkomst in gelaatstrekken, die nog heden ten -dage de kinderen Israels kenmerkt, al hebben zij ook veel geleden door -verandering van levenswijze. Die allen drongen voorwaarts om een armen -Nazarener te zien sterven, een misdadiger tusschen misdadigers. - -Behalve die duizenden Joden, waren er nog duizenden anderen, die de -Joden haatten en verachtten: Grieken, Romeinen, Arabieren, Syriers, -Afrikanen, Egyptenaren, zoodat de geheele wereld bij de kruisiging -tegenwoordig scheen te zullen zijn. - -In weerwil van de ontzettende menschenmassa heerschte een akelige -stilte, die alleen nu en dan verbroken werd door een hoefslag op den -steenachtigen bodem, het geratel van wielen, of een uitroep van -verbazing. Daaruit begreep Ben-Hur, dat het vreemdelingen waren, in de -stad gekomen om het Paaschfeest te vieren, die dus geen aandeel hadden -in de veroordeeling des Nazareners. - -Eindelijk hoorde hij in de richting der groote torens een verward -gedruisch van stemmen. - ---Hoor, daar komen zij! zeide een der twee Galileesche hoofdlieden. - -De voorbijgaanden bleven staan om te luisteren; toen het rumoer echter -naderkwam, zagen zij elkander aan en gingen huiverend verder. Het woest -getier nam toe ... daar zag Ben-Hur de bedienden van Simonides naderen. -Esther ging naast haar vaders draagstoel, een gesloten draagstoel volgde -hen. - ---Vrede zij u, Simonides; en u, Esther, zeide Ben-Hur hun te gemoet -tredende. Als gij op weg zijt naar Golgotha, blijft dan hier, totdat de -stoet voorbij is, dan vergezel ik u. Hier achter het huis is plaats -genoeg. - -De koopman hief het hoofd op en zeide: Vraag het Balthasar. Wat hij wil -is mij goed. Hij zit in den draagstoel. - -Ben-Hur schoof het gordijn open. De Egyptenaar lag achterover; zijn -vermagerd gelaat was zeer vervallen, hij geleek een doode. Ben-Hur -herhaalde zijn voorstel. - ---Kunnen wij hem zien? vraagde Balthasar. - ---Den Nazarener? Ja, hij moet hier langs komen. - ---O God, riep de oude man bewogen, nog eenmaal moet ik hem zien! Welk -een vreeselijke dag is dit voor de wereld. - -Een oogenblik later stond het geheele gezelschap in de schaduw van het -huis. Zij spraken weinig, waarschijnlijk waren zij bevreesd elkander -hunne gedachten mede te deelen. Eindelijk kwam de stoet in 't gezicht. - ---Zie, zeide Ben-Hur op bitteren toon, die nu komen zijn Jeruzalemmers. - -De voorhoede bestond uit een hoop kwajongens, die luid schreeuwden: De -koning der Joden! Plaats voor den koning der Joden! - -Simonides sloeg den joelenden troep een oogenblik gade en zeide ernstig: -Als dezen tot hunne erfenis ingaan, dan, wee de schoone stad van Salomo! - -Een afdeeling soldaten in volle wapenrusting volgde, in koele -onverschilligheid rechts noch links ziende. - -Toen kwam de Nazarener. - -Hij scheen den dood nabij te zijn. Telkens dreigde hij neer te zinken. -Zijne bloote voeten lieten bloederige sporen achter op de straatsteenen. -Een houten plankje met opschrift was hem om den hals gebonden. Een -kroon, van doornen gevlochten, was hem diep op het hoofd gedrukt, en uit -de daardoor veroorzaakte wonden druppelde bloed. Zijn handen waren -saamgebonden. Even buiten de stad was hij uitgeput neergevallen, -bezweken onder den last van het zware kruishout, dat een ter dood -veroordeelde verplicht was zelf te dragen naar de plaats der -terechtstelling. - -Thans droeg een man uit het volk het voor hem. Vier soldaten gingen -naast den gevangene, om hem te beveiligen tegen de menigte, die -niettegenstaande dat toch bij tijd en wijle wist door te breken, om hem -met stokken te slaan en te bespuwen. Geen geluid ontsnapte aan zijnen -mond, geen berisping of klacht liet hij hooren; ook zag hij niet op, -totdat hij bij het huis kwam, waar Ben-Hur en zijne vrienden stonden te -wachten. - -Esther drukte zich tegen haren vader aan, en hij, de man zoo gewoon zich -te beheerschen, beefde sterk van ontroering. Balthasar viel sprakeloos -achterover. Zelfs Ben-Hur riep in zielsangst uit: O Heere God! - -Alsof de Nazarener hunne gevoelens raadde, of den uitroep hoorde, keerde -hij zijn lijdend gelaat naar het gezelschap, en zag hen aan, ieder -afzonderlijk. Die blik bleef hun levenslang bij. Zij gevoelden, dat hij -aan hen dacht, niet aan zichzelf, dat de brekende oogen hun den zegen -toebaden, dien hij niet vermocht uit te spreken. - ---Waar zijn uwe legioenen, zoon van Hur? vraagde Simonides plotseling -opwakend. - ---Daar kan Annas u beter op antwoorden dan ik. - ---Wat! Zijn zij u afgevallen? - ---Op deze twee na. - ---Dan is alles verloren! Dan moet deze rechtvaardigen mensch sterven. - -Het gelaat van Simonides werd zenuwachtig vertrokken, terwijl hij sprak. -Hij liet het hoofd zinken. Met al zijne kracht had hij Ben-Hur gesteund -in zijne onderneming, dezelfde hoop had hem daarbij gedragen--nu werd -haar voorgoed de bodem ingedrukt. - -Op den Nazarener volgden twee mannen, die insgelijks een kruis droegen. - ---Wie zijn dat? vraagde Ben-Hur aan de Galileers. - ---Twee moordenaars, die veroordeeld zijn om met den Nazarener te sterven. - -Vooraan in de volgende afdeeling ging de tempelwacht, dan volgden naar -rang de leden van het Sanhedrin, voorts een groote menigte priesters in -lange witte gewaden, met breede kleurrijke gordels. - ---Zie eens hoeveel priesters! zeide Ben-Hur. - ---Ja! antwoordde Simonides. Nu ik er die allen bij zie, ben ik overtuigd. -Nu staat onomstootelijk bij mij vast, dat de veroordeelde, die daar -heengaat met het opschrift om den hals, werkelijk degeen is, waarvoor -het opschrift hem uitgeeft: De koning der Joden. Een gewoon mensch, een -bedrieger, een misdadiger, werd nimmer zulk een uitgeleide gegeven. Want -ziet! hem volgen de volken, Jeruzalem en Israel. Kon ik maar opstaan en -hem navolgen! - -Ben-Hur luisterde in stomme verbazing toe. Alsof Simonides toen eerst -gewaar werd, dat hij zich tegen zijne gewoonte door zijn gevoel had -laten meeslepen, zeide hij op ongeduldigen toon: Vraag wat Balthasar er -van denkt, bid ik u, en laat ons gaan. Daar komt het gepeupel van -Jeruzalem aan. - -Toen sprak Esther: Ik zie daar eenige vrouwen, zij loopen te weenen. Wie -zijn dat? - -Haar vingerwijzing volgend zagen zij vier vrouwen, die bitter bedroefd -volgden. Eene van haar leunde op den arm van een man met een zacht en -vriendelijk uiterlijk. - -Ben-Hur antwoordde: Die man is de discipel, van wien de Meester het -meest houdt. De vrouw, die op zijn arm leunt, is Maria, de moeder van -den Nazarener; de anderen zijn vriendinnen uit Galilea. - -Met oogen vol tranen zag Esther de schreiende vrouwen na, totdat zij uit -het gezicht verdwenen waren. - ---Kom, zeide Simonides, laat ons verder gaan. - -Ben-Hur hoorde hem niet, hij was te zeer getroffen door de tegenstelling: -de woeste, bloeddorstige menschenmassa tegenover de zachtmoedigheid van -den Nazarener, die het land was doorgegaan goeddoende, zieken genezende, -armen weldoende. Plotseling schoot hem door de ziel hoeveel hijzelf aan -dien man verplicht was. Hij dacht aan dien morgen, toen hijzelf een -gevangene was, in de macht van Romeinsche soldaten, en ook, zooals hij -meende, een zekeren, vreeselijken dood tegemoet ging. De verfrisschende -dronk water, dien de Nazarener hem gereikt had aan de bron van Nazareth, -de goddelijke uitdrukking van zijn gelaat, de wonderlijke genezing van -zijne moeder en Tirza op Palmzondag, dat alles stond hem weer zoo helder -voor oogen. De gedachte dat hij onmachtig was, om nu op zijne beurt hulp -te brengen, deed hem pijn. Heftige zelfbeschuldigingen kwelden hem. Hij -had de Galileers beter moeten bewaken, hun hunne plichten onder 't oog -moeten brengen, want nu, ach nu, was het oogenblik van handelen daar! -Als hij nu zijn slag kon slaan, zou het gepeupel uiteenstuiven, de -Nazarener de vrijheid herkrijgen, Israel te wapen vliegen en de kamp om -Israels vrijheid eindelijk gestreden worden. De kostbare tijd verliep, -de gunstige gelegenheid ging voorbij, misschien voor altijd! O God van -Abraham! Kon er dan niets gedaan worden? Niets? - -Op dat oogenblik werd zijne aandacht getrokken door een troepje -Galileers. Hij baande zich een weg door de menigte en haalde hen in. - ---Volgt mij, riep hij. Ik heb u wat te zeggen. - -Zij gehoorzaamden en volgden hem naar zijne schuilplaats. Daar sprak hij -tot hen: Gijlieden behoort tot degenen, die een zwaard van mij hebt -ontvangen. Gij hebt u bereid verklaard om voor de vrijheid, voor den -koning, die komen zou, ten strijde te trekken. Gij hebt uwe wapenen bij -u. Nu is het tijd om ze te gebruiken. Gaat, roept onze broederen bijeen, -en zegt hun, dat ik u allen op Golgotha wacht, om voor den Nazarener in -de bres te springen. Haast u! De Nazarener is de koning, en de vrijheid -sterft met hem. - -Zij zagen hem eerbiedig aan, maar verroerden zich niet. - ---Verstaat gij mij niet? vraagde hij ongeduldig. - -Toen antwoordde een van hen: Zoon van Juda, gij zijt de bedrogene, niet -wij, die van u de wapenen ontvingen. De Nazarener is de koning niet, en -heeft ook niet den geest van een koning. Wij waren tegenwoordig bij zijn -intocht in Jeruzalem, wij zagen hem in den Tempel, hij is ons en Israel -bitter tegengevallen. Bij de Schoone Poort keerde hij God den rug toe en -weigerde den troon van David in bezit te nemen. Hij is geen koning en -Galilea, volgt hem niet. Hij moet sterven. Maar luister, zoon van Juda. -Wij hebben uwe wapenen en zijn bereid het zwaard te trekken om voor de -vrijheid te strijden. Laat het zijn voor de vrijheid! Dan scharen wij -ons op den kruisheuvel allen rondom u. - -Ben-Hur stond op een tweesprong. Had hij dit voorstel aangenomen, den -vrijheidsoorlog begonnen, de wereldgeschiedenis zou misschien anders -geworden zijn dan zij is; maar dan ook zou zij door menschen, niet door -God geregeld zijn--iets dat nooit was, en nooit zijn zal. Hij geraakte -een oogenblik in verwarring; een onverklaarbaar gevoel beving hem, -hoewel hij het later aan den invloed des Nazareners toeschreef; want -toen deze uit den doode was opgestaan, begreep hij dat zijn dood noodig -was geweest, om het geloof aan de opstanding te bevestigen, zonder welk -geloof de christenheid haar grondslag zou missen. Die oogenblikkelijke -verwarring maakte hem ongeschikt om tot een besluit te komen. Hij stond -daar hulpeloos, en kon geen woord uitbrengen. Hij sloeg de handen voor -zijn gelaat en voelde zijn lichaam schokken door den strijd tusschen -zijn wil en een hoogere macht. - ---Kom, wij wachten op u! riep Simonides ten vierden male. - -Als in een droom volgde hij den stoel en de draagbaar. Esther liep naast -hem. Evenals Balthasar en zijne medereizigers in de woestijn werd thans -ook hij voortgeleid door een onwederstaanbaren innerlijken drang. - - - * * * * * - - -TIENDE HOOFDSTUK. - -HET EINDE. - - -Toen ons gezelschap den kruisheuvel bereikte, ging Ben-Hur hun voor, -om hun eene plaats te bezorgen. Hoe het hem mogelijk geweest was zich -een weg te banen door de menigte heeft hij nooit geweten, evenmin -langs welken weg er kwam, of hoeveel tijd het hem kostte. Als een -slaapwandelaar, niets hoorende noch opmerkende, was hij voortgegaan. -In zulk een toestand vermocht bij al even weinig als een kind tot -verhindering van de vreeselijke misdaad, waarvan hij getuige zou zijn. -Gods raadsbesluiten zijn dikwijls raadselachtig, zoo ook de middelen, -die Hij kiest, om zijn doel te bereiken. - -Op een gegeven oogenblik maakte Ben-Hur halt. Plotseling werd de ban, -die hem gevangen hield, verbroken, en kon hij het tooneel rondom zich -overzien. - -De top van den heuvel Golgotha had den vorm van een schedel. Het was er -dor en stoffig, zonder eenigen plantengroei, met uitzondering van enkele -armzalige hysopstengels. De voor de kruisiging bestemde plek was afgezet -door Romeinsche soldaten, die de steeds aangroeiende menschenmassa het -verder voorwaarts dringen moest beletten. Een hoofdman over honderd -voerde het bevel over de soldaten. Ben-Hur was tot aan de uiterste grens -der voor de toeschouwers bestemde ruimte gekomen, en stond met het -gelaat naar het Noordwesten gekeerd. Waarheen hij den blik ook wendde, -in het dal of op de omliggende heuvelen, overal menschen en weder -menschen, duizenden wier harten in gespannen verwachting klopten, niet -voor de twee moordenaars, wier lot hen onverschillig liet, maar voor -hetgeen met den Nazarener gebeuren zou. Duizenden harten sloegen -sneller, hetzij uit haat, uit vrees, of uit nieuwsgierigheid, nu hij, -die hen allen met goddelijke liefde liefhad, voor hen in den dood zou -gaan. - -Op den heuvel, te midden van de tempelwacht, stond de priesterschaar, -trotsch en overmoedig. Nog hoogerop den top, zoodat hij voor ieders -oogen zichtbaar was, stond de Nazarener, lijdende, gebogen, stil. Een -der soldaten had hem uit spotlust een riet in de hand gegeven, om als -schepter dienst te doen. Gelach, gejoel, verwenschingen weerklonken van -alle zijden. - -Aller oogen waren op den Nazarener gevestigd. Was het uit medelijden, of -uit andere oorzaak--in Ben-Hurs gemoed had een ommekeer plaats. -Duidelijker en steeds duidelijker zag hij dat er iets beters is, dan het -beste van dit leven--iets zooveel beter, dat het een zwakke met kracht -kan aangorden, om het hevigste zielelijden, zoowel als de grootste -lichaamssmarten te verduren; iets dat den dood met blijdschap kan doen -verwachten. Hij moest ten laatste erkennen, dat de Nazarener gekomen -was, om allen, die zich willen laten leiden, over de grens van het -aardsche te voeren in het rijk, dat hem bereid was door God. Het was hem -eensklaps, als hoorde hij weder de woorden van den Nazarener, toenmaals -niet begrepen, en bijna vergeten: Ik ben de Opstanding en het Leven. - -Telkens en telkens moest hij die woorden herhalen, zij namen vorm aan en -leven. - ---Wie is het Leven en wie is de Opstanding? herhaalde hij, starende op -den lijdenden Meester, en eensklaps was het Ben-Hur, alsof hij -antwoordde: Ik! - -Terstond daarop daalde een vrede in zijne ziel, zooals hij nog nooit -gesmaakt had, een vrede, die een einde maakte aan allen twijfel, aan -alle hinken op twee gedachten, en het begin was van geloof en liefde en -een vaste overtuiging. - -Het geluid van hamerslagen wekte hem uit deze droomerige stemming. Op -den heuveltop bemerkte hij, wat hem tot nu ontgaan was, eenige -werklieden, die alles voor de kruisiging gereedmaakten. De kuilen waren -reeds gegraven, de palen moesten alleen nog ingedreven worden. - -Zeg den lieden, dat zij zich haasten, zeide een der priesters tot den -hoofdman. De veroordeelden moeten voor zonsondergang dood en begraven -zijn, opdat het land niet onrein worde. Dat eischt de Wet. - -Een der soldaten trad op den Nazarener toe en bood hem te drinken, maar -hij weigerde. Toen kwam een ander bij hem, nam hem het opschrift van den -hals, en bevestigde dat aan het bovengedeelte van het kruis. Hiermede -waren de voorbereidingen afgeloopen. - -De kruisen zijn gereed, zeide de hoofdman tot den priester. - ---Laat de godslasteraar het eerst zijne straf ontvangen, antwoordde hij. -De Zoon van God moet zichzelven kunnen redden. Wij zullen zien. - -De lieden, die de toebereidselen hadden kunnen gadeslaan, en tot op dit -oogenblik aan hun ongeduld lucht hadden gegeven door onophoudelijk -schreeuwen, zwegen op eenmaal, zoodat een doodelijke stilte ontstond. -Het vreeselijk oogenblik was gekomen: de slachtoffers zouden aan het -kruis genageld worden. Toen de soldaten den Nazarener aangrepen om hem -te kruisigen voer den toeschouwers eene rilling door de leden; zelfs de -ruwsten onder hen beefden. Later beweerden sommigen, dat de lucht -plotseling afgekoeld was en hen deed huiveren. - ---Wat is het benauwend stil, fluisterde Esther haar vader toe. - -Hij, zich de folteringen herinnerende, die hijzelf ondergaan had, trok -haar tot zich en zeide diep ontroerd: Zie een anderen kant uit, kind, -kijk er niet naar. Wie weet of niet allen, die er naar zien, de -onschuldigen zoowel als de schuldigen, van nu vervloekt zullen zijn. - -Zich tot Ben-Hur keerende, zeide hij met toenemende ontroering: Als onze -God zijne hand niet spoedig uitstrekt is Israel verloren, en zijn wij -allen verloren. - -Ben-Hur antwoordde kalm: Mijn geest is opgetrokken geweest, en heeft -vernomen waarom dit geschieden moet. De Nazarener wil het, God wil het. -Laat ons stil zijn en bidden. - -Toen vestigde hij opnieuw zijne oogen op den heuvel, en het was hem als -vernam hij wederom de woorden: Ik ben de Opstanding en het Leven. - -Eerbiedig boog hij het hoofd, alsof werkelijk iemand tot hem gesproken -had. - -Intusschen werd daarboven het werk voortgezet. De wacht ontdeed den -veroordeelde van zijne kleeding, zoodat hij naakt stond voor aller oog. -Op den rug zag men nog de bloedige sporen der geeselslagen; toch werd -hij meedoogenloos uitgestrekt op het kruis--eerst de armen op den -dwarsbalk. De nagelen waren scherp, met een paar slagen waren zij door -de handpalmen gedreven. De knieen werden opgetrokken, totdat de -voetzolen tegen den paal rustten, de eene voet werd op den anderen -gelegd, en een nagel door beide gedreven. Dof klonken de hamerslagen. -Zij, die 't niet konden hooren, zagen toch den hamer vallen en beefden -van vrees. Het slachtoffer van deze gruweldaad liet geen kreet, geen -woord van tegenspraak hooren, niets, waarover een vijand kon spotten, of -dat een vriend moest bejammeren. - ---In welke richting moet hij zien? vraagde een soldaat. - ---Met het aangezicht naar den Tempel, antwoordde een der priesters. -Stervend moet hij zien, dat het heiligdom niet door hem geleden heeft. - -De werklieden namen het kruis op en droegen het naar de plaats, waar het -in den grond gezet moest worden. Op een gegeven oogenblik zetten zij het -overeind in den daarvoor bestemden kuil. Daar hing dan nu het lichaam -van den Nazarener in zijn volle zwaarte aan de bloedende handen. Nog -uitte hij geen kreet van smart--alleen een bede kwam over zijne lippen: -Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. - -Met luid gejuich werd het kruis, thans voor ieder zichtbaar en scherp -tegen de lucht afgeteekend,begroet, en allen, die het opschrift konden -lezen, haastten zich het te ontcijferen. Die het gelezen had, deelde het -aan zijn buurman mede, en zoo ging het van mond tot mond, tot groot -vermaak der menigte. Van alle kanten hoorde men: Wees gegroet, gij -koning der Joden! - -De priesters echter, die het gewicht van dit opschrift beter begrepen, -verzochten den hoofdman het te verwijderen, maar tevergeefs; en aldus -moest de stervende Koning noemen op de stad zijner vaderen, die hem zoo -schandelijk ondankbaar had uitgeworpen. Dicht bij het kruis stonden -eenige weenende vrouwen, waaronder zijne moeder met den discipel die hij -liefhad. Hen ziende, riep hij zijne moeder toe: Vrouw, zie uwen zoon. En -tot den discipel: Zie uwe moeder. - -Nu werden ook de twee moordenaars gekruisigd, een ter rechterzijde en -een ter linkerzijde van den Koning der Joden. Het volk intusschen spotte -en riep: Ha, als gij de koning der Joden zijt, verlos dan uzelven, en -kom af van het kruis!--Ja, zeide een priester, als hij dat doet, zullen -wij in hem gelooven.--Anderen schudden het hoofd, zeggende: Hij wilde -den Tempel afbreken en in drie dagen weder opbouwen, maar zichzelven kan -hij niet verlossen.--En verder anderen: Hij heeft zichzelven den Zoon -van God genoemd; laat ons zien, of God hem zal redden!--Zoo beschimpte -en hoonde hem het volk, en ook de oversten en de soldaten bespotten hem -en riepen: Indien gij de koning der Joden zijt, zoo verlos uzelven!--Zelfs -een der boosdoeners, die gekruisigd waren, lasterde hem en zeide: Indien -gij de Christus zijt, verlos uzelven en ons! - -De omstanders lachten en juichten hen toe, en toen zij zich stilhielden, -om te hooren of er antwoord komen zou, zeide de andere moordenaar: -Vreest gij ook God niet? Wij ontvangen straf naar wat wij gedaan hebben; -maar deze heeft niets onbehoorlijks gedaan. De toehoorders waren verbaasd, -maar hunne verbazing zou nog grooter worden; want de moordenaar zeide tot -den Nazarener: Heer, gedenk mijner, wanneer gij in uw koninkrijk komt. - -Simonides ontstelde hevig. Wanneer gij in uw koninkrijk komt!... dat was -het punt van verschil tusschen Balthasar en hem, waar zij zoo dikwijls -over gesproken hadden, waar zij het nooit eens over konden worden. - ---Hebt gij dat gehoord? vraagde Ben-Hur hem. Het koninkrijk kan dus niet -van deze wereld zijn. Die man getuigt, dat de koning zoo aanstonds zijn -koninkrijk zal binnengaan ... dat is hetzelfde wat ik in mijn droom -hoorde. - ---Stil! zeide Simonides, stil, bid ik u! Misschien antwoordt de -Nazarener daar op. - -Het antwoord kwam werkelijk. Met luide, heldere stem zeide de koning: -Voorwaar, voorwaar zeg ik u, heden zult gij met mij zijn in het -paradijs! - -Simonides luisterde ademloos toe, of er nog wat op volgen zou. Toen -vouwde hij de handen en zeide: 't is genoeg, o Heer, 't is genoeg! De -nevel is opgetrokken. Ik zie met andere oogen, met oogen des geloofs, -zooals Balthasar. - -De trouwe dienstknecht had ten laatste zijn loon ontvangen. Werd zijn -verbrijzeld lichaam ook niet geheeld, werd de herinnering van het -doorgestane lijden, van de jaren in bitterheid des gemoeds doorgebracht, -niet van hem genomen--een nieuw licht was voor hem opgegaan, een nieuw -leven had hij leeren kennen, een leven na dit tijdelijke. Paradijs -heette het! Daar zou hij het koninkrijk vinden, waarvan hij gedroomd -had--en den koning. Een volkomen vrede daalde neder in zijn hart. - -Onder de priesters echter heerschten verbazing en schrik. Hoe nu? Zij -hadden den Nazarener aan het kruis doen nagelen, omdat hij zich voor den -Messias uitgegeven had; en zie, aan het kruis hield hij niet alleen die -bewering vol, maar beloofde daarenboven nog het Paradijs aan een -misdadiger!... Huns ondanks verbleekten zij. Vanwaar had deze mensch -zijn vertrouwen, zoo hij niet in de Waarheid stond? En de Waarheid--was -dat niet God? Er behoefde niet veel bij te komen om hen allen op de -vlucht te jagen. - -De zon had de middaghoogte bereikt. De tempel, de paleizen, de torens -groot en klein, straalden in ongeevenaarden glans. Eensklaps werd de -lucht verduisterd. In den beginne nauw merkbaar nam de schemering toe en -trok ieders aandacht. Het lachen en spotten verstomde, men zag elkander -vragend aan, men hief de oogen op naar den hemel, men zocht de -zonneschijf, men staarde naar de bergen--overal hetzelfde vreemde -verschijnsel. - ---Het is slechts een mist, of een voorbijtrekkende wolk, zeide -Simonides, om Esther gerust te stellen. Het zal dadelijk voorbij zijn. - -Ben-Hur was van een ander gevoelen. Het is niet een mist of -voorbijtrekkende wolk, zeide hij. De geesten in de lucht, de profeten en -heiligen verduisteren de zon, opdat de natuur en zijzelven niet langer -het akelig schouwspel zouden zien. Ik zeg u, Simonides, zoo waarachtig -de Heer onze God leeft, hij die daar hangt is de Zoon van God! - -Dit gezegd hebbende wendde hij zich tot Balthasar, die op de knieen lag, -en legde de hand op zijnen schouder. Wijze Egyptenaar, hoor mij! Gij -alleen hadt gelijk--de Nazarener is waarlijk Gods Zoon. - -Balthasar trok hem tot zich en antwoordde met zwakke stem: Ik zag hem -als een kind in de kribbe liggen, het is dus niet vreemd, dat ik hem -eerder kende dan gij! maar o! dat ik dezen dag beleven moet! Ach, dat ik -met mijne broeders gestorven ware! Gelukkige Melchior! Gelukkige Caspar! - ---Wees getroost, zeide Ben-Hur. Misschien zijn zij hier ook tegenwoordig! - -De tijd verliep, maar er kwam geen verandering in het geheimzinnig -duister. - ---Laat ons naar huis gaan, bad Esther ten tweeden en ten derden male. -God toont ons zijn ongenoegen, vader. Ik ben bang, en wie weet wat er -nog verder gebeuren zal. - -Maar Simonides wilde niet; integendeel, toen hij bemerkte, dat vele -menschen heengingen, drong hij er op aan, dat Balthasar en Ben-Hur hem -tot dichter bij het kruis zouden volgen. - -De soldaten, die de wacht hielden, gevoelden zich ook niet op hun gemak. -Gedurig zagen zij naar dien eenen kruiseling--een bijgeloovige vrees -beving hen. De priesters en schriftgeleerden stonden dicht opeen -geschaard. Het vreemde natuurverschijnsel bracht een geduchten stoot toe -aan hun zelfvertrouwen. Verscheidene van hen waren goed onderwezen in de -sterrenkunde, en vertrouwd met veel wat de groote massa in die dagen -schrik aanjoeg. Toen het zonnelicht begon te verflauwen toonden zij zich -uitermate verbaasd, en overlegden met elkander wat het wezen kon. Niet -een zonsverduistering, meenden zij, want het was volle maan. En daar -geen van hen een antwoord had op de vraag die aller hart vervulde, daar -geen van hen de duisternis op dat uur verklaren kon, verbonden zij haar -in het diepst hunner ziel met den Nazarener. - -Hoe langer het natuurverschijnsel duurde, hoe angstiger zij werden. Geen -enkele beweging van den Nazarener ontging hun oog; niet dan fluisterend -durfden zij met elkander spreken. Als hij eens werkelijk de Messias was, -wat dan? - -Bevend wachtten zij op de dingen, die komen zouden. - -Ben-Hur bad, dat het einde verhaast mocht worden. Hij merkte dat Esther -zich aan haren vader vastklemde, haar angst onderdrukkende om hem niet -te hinderen. - ---Wees niet bang, hoorde hij Simonides zeggen. Blijf, en wacht met mij. -Al wordt gij tweemaal zoo oud als ik, gij zult nimmer iets zien, dat van -zoo groot gewicht is voor de menschenwereld, en er kunnen nog meer -openbaringen komen. Laat ons tot het einde blijven. - -Twee en een half uur waren verstreken. De ademhaling van den Nazarener -werd zwaarder; het einde naderde. Zoo kort nog maar aan het kruis, en nu -reeds stervende? De tijding ging van mond tot mond, toen werd alles -stil. De wind ging liggen, een verstikkende damp vervulde de lucht, bij -de duisternis kwam nog die benauwende hitte. Daar hoorde men op eens van -het kruis de droeve, ach, zoo droeve klacht: Mijn God, mijn God, waarom -hebt Gij mij verlaten? - -De stem schrikte allen op, die haar hoorden. Een vooral sneed zij door -de ziel. Bij de soldaten stond een vat, gevuld met wijn en water. -Gevoelden zij zich uit medelijden opgewekt om een der lijders een -lafenis te brengen, dan konden zij met een spons de lippen der -ongelukkigen bevochtigen. - -Terwijl Ben-Hur die mogelijkheid overdacht, en zich daarbij herinnerde -hoe de Nazarener hem bij de bron te Nazareth verkwikt had, riep deze: -Mij dorst! - -Nu bedacht Ben-Hur zich niet langer. Haastig de spons en den daarbij -behoorenden rietstok grijpende, doopte hij de spons in den wijn en -snelde naar het kruis. - ---Houd op! riepen de omstanders. Houd op! - -Zonder op hen te letten liep hij door en bracht de spons aan de lippen -van zijnen Heer. Nu kon hij duidelijk het gelaat van den stervende zien. -Door bloed bevlekt blonk het niettemin met een bovenaardschen glans. De -oogen waren wijd geopend en gevestigd op iets voor hem alleen zichtbaar -in de verre hemelen. Voldoening, ja triomf, spraken uit het woord, dat -het slachtoffer nu deed hooren: Het is volbracht! - -Zoo sterft een held, na het volbrengen van een groote daad, met een -juichtoon op de lippen. - -Reeds begonnen de oogen te breken; langzaam zonk het gekroonde hoofd op -de hijgende borst. Ben-Hur dacht, dat de strijd volstreden was, maar de -scheidende ziel spande zich nog eenmaal in, en de omstanders hoorden -deze woorden: Vader, in uwe handen beveel ik mijnen geest. - -Eene rilling voer den stervende door de leden, een luide smartkreet -ontsnapte de beknelde borst ... toen was het werk, het aardsche leven, -afgeloopen. - -Ben-Hur keerde tot zijne vrienden terug en zeide eenvoudig: Het is -gedaan, hij is dood. - -In een ongelooflijk korten tijd wisten alle aanwezigen het. Het volk had -zijn zin, de Nazarener was dood; toch zagen zij elkander ontzet aan. -Zijn bloed was over hen gekomen! En terwijl zij elkander aanstaarden -begon de grond te beven. Een ieder greep zijn buurman aan om staande te -blijven. In een oogwenk was de duisternis verdwenen en kwam de zon weder -te voorschijn. Voor de oogen der beangsten was het, alsof het middelste -kruis op den heuveltop zich al hooger en hooger in de blauwe lucht -verhief en met zijn last tot aan den hemel reikte. En ieder die den -Nazarener bespot had, ieder, die hem geslagen had, die ingestemd had met -den kreet: kruis hem! kruis hem!--ieder, die in den stoet had meegeloopen, -ieder, die hem in zijn hart dood gewenscht had, kreeg een gevoel, alsof -hijzelf meer dan iemand anders schuld had aan het gebeurde, en hij zich, -als zijn leven hem lief was, zoo spoedig mogelijk uit de voeten moest -maken. Zij haastten zich om weg te komen. Zij sloegen op de vlucht, te -paard, te voet, in wagens. Maar de aardbeving vervolgde hen, alsof zij -vertoornd was over hetgeen zij gedaan hadden, en opkwam voor de zaak van -den onschuldig ter dood gebrachte. Zij wierp hen terneer, en deed het -bloed in hunne aderen stollen door het onheilspellend gekraak en -gerommel onder hunne voeten. Zij sloegen op hunne borst en schreeuwden -van vrees. Zijn bloed was op hen gekomen! De geboren Jeruzalemmer, de -vreemdeling, priester, leek, Sadduceer en Farizeer, allen tuimelden over -en door elkander. Riepen zij tot God, zoo antwoordde de verwoede aarde -in toorn en behandelde hen allen gelijkelijk,--het bloed van den -Nazarener was over hen allen gekomen! - -Toen de rust wedergekeerd was op den kruisheuvel, zag men daar alleen -nog den discipel, dien Jezus liefhad, de vrouwen die Hem gevolgd waren -van uit Galilea, den hoofdman en zijne soldaten, en Ben-Hur met zijne -vrienden. Deze laatsten hadden geen tijd om de vluchtelingen na te zien: -zij hadden zelf genoeg te doen. - ---Zet u hier neder, zeide Ben-Hur tot Esther, haar een plaats bereidend -aan de voeten haars vaders. Bedek uw gelaat en zie niet op, maar vestig -uw vertrouwen op God en op den rechtvaardige, die zoo schandelijk -vermoord is. - ---Neen, zeide Simonides eerbiedig, laat ons voortaan van hem spreken als -van den Christus. - ---Zoo zij het, antwoordde Ben-Hur. - -Plotseling schudde de heuvel onder hen. Het angstgeschreeuw der twee -moordenaars was vreeselijk om aan te hooren. Ofschoon duizelig van den -schok had Ben-Hur tijd om naar Balthasar te zien, en zag hem onbewegelijk -op den grond liggen. Hij ging naar hem toe en riep hem bij name--geen -antwoord. De goede man was dood! - -Toen herinnerde Ben-Hur zich, dat hij een luiden kreet gehoord had, -alsof hij een terugslag was op het laatste woord van den Nazarener, maar -hij had er op dat oogenblik niet verder over nagedacht. Thans begreep -hij het: de geest van den Egyptenaar had des Meesters geest begeleid tot -over de grenzen van zijn koninkrijk, eene eer hem vergund na het lange -leven in geloof, liefde en goede werken. - -De bedienden van Balthasar hadden hun meester alleen gelaten, en waren -gevlucht, maar toen alles was afgeloopen droegen de twee Galileers den -doode naar de stad terug. - -Het was een droevige stoet, die op dien gedenkwaardigen dag de zuidpoort -van het paleis Hur tegen zonsondergang binnentrok. Ongeveer op hetzelfde -uur werd het lichaam des Heren afgenomen van het kruis. - -Het stoffelijk overschot van Balthasar werd in de zaal nedergelegd. Alle -bedienden beweenden hem oprecht, want hij bezat de liefde van allen met -wie hij verkeerd had; maar toen zij zijn gelaat zagen, zoo tevreden en -gelukkig, droogden zij hunne tranen, zeggende: Het is wel met hem. Hij -is nu gelukkiger dan van morgen. - -Ben-Hur wilde Iras in eigen persoon den dood haars vaders mededeelen. -Hij stelde zich hare droefheid voor; zij was nu alleen in de wereld. Dit -was het oogenblik om haar vergiffenis te schenken en te beklagen. Hij -herinnerde zich, dat hij verzuimd had te vragen waarom zij zich dien -morgen niet bij het gezelschap had gevoegd. Hij had zelfs niet aan haar -gedacht. Daarover beschaamd was hij bereid alles goed te maken, te meer -nu hij een treurmare had te brengen. - -Hij schudde den voorhang van hare deur; de schelletjes rinkelden, maar -hij ontving geen antwoord. Hij riep haar bij den naam, riep nogmaals, -maar alles bleef stil. Hij schoof het gordijn ter zijde, en ging naar -binnen. Zij was er niet. Hij klom haastig naar het platte dak om haar te -zoeken, ook daar was zij niet. Hij ondervraagde de bedienden, doch geen -van hen had haar dien dag gezien. Nadat hij het geheele huis doorzocht -had keerde Ben-Hur terug naar de zaal, nam de plaats naast den doode in, -waar zij had behooren te zitten, en overdacht de groote barmhartigheid -van Christus voor zijn trouwen dienstknecht. Bij de poort van het -Paradijs blijven alle droefheden dezes levens, ook verlatenheid en -veronachtzaming terug. Zij bestaan niet meer voor hen, die de rust zijn -ingegaan. - -Toen de begrafenis was afgeloopen, op den negenden dag na de reiniging -zijner moeder en zuster, en de wet vervuld was, bracht Ben-Hur beiden -thuis, en van dien dag bogen allen in dat huis zich in aanbidding neder -voor God den Vader en zijn Zoon Jezus Christus. - - - * * * * * - - -ELFDE HOOFDSTUK. - -DE KATAKOMBEN. - - -Vijf jaren na de kruisiging zat Esther, de echtgenoote van Ben-Hur, in -het woonvertrek van de schoone villa bij Misenum, die hij teruggekocht -had. Het was middag. De warme Italiaansche zon koesterde de rozen en -wingerden in den tuin. De kamer was naar Romeinsche wijze ingericht, -doch Esther zelve droeg de kleederen eener Joodsche vrouw. Op een -leeuwenhuid, in een hoek uitgespreid, zaten twee kindertjes te spelen -met Tirza. - -De tijd had Esther vriendelijk behandeld. Zij was schooner dan ooit en -straalde van geluk. - -Daar trad een bediende binnen en zeide: In het atrium staat eene vrouw, -die u verlangt te spreken. - ---Laat zij binnenkomen. Ik zal haar hier ontvangen. - -De vreemde kwam binnen. Esther stond op en wilde haar toespreken, doch -aarzelde, verschoot van kleur en week achteruit, zeggende: Ik heb u -vroeger meer gezien. Gij zijt.... - ---Ik ben Iras, de dochter van Balthasar. - -Esther overwon haar tegenzin en bood de bezoekster een zetel aan. - ---Neen, zeide Iras koel. Ik blijf maar kort. - -De twee vrouwen zagen elkander onderzoekend aan. De arme Iras was zeer -vervallen. Nog bezat de slanke gestalte haar vroegere gratie, maar haar -wezen droeg den stempel van een in zonde doorgebracht leven. De -uitdrukking van haar gelaat was brutaal, de groote oogen somber, de -wangen kleurloos. Een harde trek lag om haar mond, en een algeheele -verwaarloozing maakte haar oud voor haar tijd. - ---Zijn dat uwe kinderen? met deze vraag verbrak zij het stilzwijgen. - -Esther wendde den blik naar hen en glimlachte. Ja, wilt gij ze niet -zien? - ---Ik zou ze maar verschrikken. - -Toen kwam zij dichter bij Esther, en daar deze onwillekeurig terugweek, -zeide zij : Wees niet bang. Ik heb een boodschap voor uw man. Zeg hem, -dat zijn vijand dood is, dat ikzelf hem gedood heb, om de matelooze -ellende, die hij over mij gebracht heeft. - ---Zijn vijand? - ---Ja, Messala. Zeg uw man verder, dat ik voor het nadeel, dat ik hem heb -willen berokkenen, zoo zwaar gestraft ben, dat zelfs hij mij beklagen -zou. - -De tranen kwamen Esther in de oogen; zij wilde spreken. - ---Neen, zeide Iras, ik vraag geen tranen of medelijden. Zeg hem ten -slotte, dat volgens mijne ondervinding een Romein geen mensch is maar -een beest. Vaarwel! - -Zij keerde zich om en wilde heengaan, Esther volgde haar. - ---Blijf nog wat, en wacht totdat mijn man thuis komt. Hij is niet boos -op u. Hij heeft overal naar u gezocht. Hij zal uw vriend wezen, ik zal -uwe vriendin zijn. Wij zijn christenen. - -Maar de andere wilde niet. - ---Neen, zeide zij, wat ik ben werd ik door eigen keus. Het zal niet lang -meer duren. - ---Maar, zeide Esther aarzelend, kunnen wij dan niets voor u doen? Kan ik -niets.... - -Het gelaat der Egyptische verzachtte, een flauwe glimlach speelde om -haren mond. Zij zag naar den grond. Ja, zeide zij, ik zou.... - -Esther Volgde haar blik, en begrijpende wat in haar omging, zeide zij: -Doe het maar. - -Iras ging tot hen en kuste beiden. Toen ging zij zwijgend naar de deur -en was verdwenen, voordat Esther haar kon tegenhouden. - -Toen Ben-Hur dit bezoek vernam, werd hem zekerheid wat hij reeds lang -vermoed had, namelijk dat Iras op den dag der kruisiging haar vader -verlaten had om Messala te volgen. Hij ging terstond op weg en deed -overal onderzoek naar haar. Tevergeefs. Zij zagen of hoorden nooit meer -van haar. De blauwe wateren, stralende in den zonneschijn, hebben hunne -geheimen. Konden zij spreken, misschien zouden zij ons vertellen waar de -Egyptische gebleven was. - -Simonides leefde nog verscheidene jaren. In het tiende jaar van Nero's -regeering legde hij zijne betrekking als hoofd van het handelshuis te -Antiochie neer. Tot het laatst was zijn hoofd helder gebleven en zijn -hart goed, en had bij voorspoed gehad bij al wat hij ondernam. - -Op zekeren avond van datzelfde jaar zat hij in zijn rolstoel op het -welbekende terras te Antiochie, met zijn kinderen en kleinkinderen. Het -laatste van zijne schepen lag voor anker, al de anderen waren verkocht. -In de vervlogen jaren hadden zij slechts eenmaal droefheid gekend, en -dat was, toen de moeder van Ben-Hur stierf. Hun christelijk geloof had -hen die smart stil doen dragen en op een blijde hereeniging leeren -hopen. - -Het zooeven besproken schip was den vorigen dag aangekomen, en had -droevige berichten medegebracht over de vervolging der Christenen door -Nero te Rome. Het gezelschap zat de zaak te bespreken, toen Malluch, de -oude getrouwe, boven kwam, en Ben-Hur een pakket brieven overhandigde. - ---Wie brengt dat? vraagde hij na het vluchtig ingezien te hebben. - ---Een Arabier. - ---Waar is hij? - ---Hij vertrok onmiddellijk. - ---Luister, zeide Ben-Hur tot Simonides, en las het volgende: - - Ik, Ilderim, zoon van Ilderim den Edelmoedige, en Sheik van den - stam van Ilderim, aan Juda, den zoon van Hur. - - Weet, o vriend mijn vaders, hoe mijn vader u liefhad. Lees wat ik u - hierbij zend, en gij zult het weten. Zijn wil is mijn wil, daarom - is datgene wat hij u schonk het uwe. Alles wat de Parthen hem - ontnomen hebben in den grooten slag, waarin zij hem overwonnen, heb - ik hun weder ontnomen: inliggend geschrift met andere zaken, en de - nakomelingschap van Myra, die tijdens zijn leven de moeder was van - zoovele sterren. - - Vrede zij u en al de uwen. - - Deze stem uit de woestijn is de stem van ILDERIM, Sheik. - -Vervolgens ontrolde Ben-Hur een papyrusrol, geel van ouderdom. Hij las: - - Ilderim, bijgenaamd de Edelmoedige, Sheik van den stam van Ilderim, - aan den zoon die mij opvolgt. - - Alles wat ik heb, mijn zoon, zal het uwe zijn ten dage van uwe - opvolging, behalve de bezitting bij Antiochie, bekend onder den - naam van het Palmbosch. Dat schenk ik aan den zoon van Hur, die ons - zooveel roem deed behalen in den circus--aan hem en aan de zijnen - voor altijd. - - Eerbiedig deze beschikking van uwen vader. - - ILDERIM, de Edelmoedige, Sheik. - - - ---Wat zegt gij daarvan? riep Ben-Hur verbaasd. - -Esther nam de brieven en las ze nog eens vergenoegd over. Simonides -bleef zwijgen. Zijne oogen rustten op het schip, hij dacht na. Eindelijk -zeide hij: - ---Zoon van Hur, de God onzer vaderen heeft u zeer gezegend in de laatste -jaren. Gij hebt veel reden tot dankbaarheid. Wordt het niet eindelijk tijd -te overleggen wat God wil, dat gij doen zult met zijn goede gaven--uw -groot fortuin, dat nog steeds toeneemt? - ---Al wat ik bezit heb ik bestemd voor den dienst van den gever; niet -slechts een gedeelte, maar alles. De vraag is alleen nog: Hoe kan ik -mijn geld het best dienstbaar maken voor zijne zaak? Geef gij mij daarop -het antwoord. - -Simonides antwoordde: Ik weet dat gij hier in Antiochie veel hebt -besteed voor de gemeente des Heeren. Heden komt te gelijk met het -geschenk van onzen ouden vriend het bericht van de vervolging onzer -broederen in Rome. Dat opent ons een nieuw veld. Het licht moet in de -hoofdstad niet uitgebluscht worden. - ---Zeg mij hoe ik het kan onderhouden. - ---Dat zal ik u zeggen. De Romeinen, zelfs deze Nero, houden twee dingen -heilig--ik weet geen andere daaraan gelijk--dat is: de asch hunner -dooden, en alle begraafplaatsen. Kunt gij voor den dienst onzes Heeren -geen tempels bouwen boven den grond, bouw ze dan onder den grond, en -breng er, om ze voor ontheiliging te bewaren, de lichamen van allen, die -in het christelijk geloof ontslapen. - -Ben-Hur stond haastig op en zeide: Dat is een grootsche gedachte. Ik zal -er dadelijk mee beginnen. De tijd dringt tot spoed. Het schip dat de -tijding bracht van het lijden onzer broederen, zal mij naar Rome voeren. -Ik ga morgen. - -Zich tot Malluch wendende zei hij: Zorg dat het schip gereed zij, gij -zult met mij gaan. - ---Dat is goed, zeide Simonides. - ---En wat zegt Esther? vraagde Ben-Hur. - -Haar antwoord luidde: Zoo zult gij den Heer het best dienen. Laat ik u -geen beletsel zijn, maar met u gaan en u helpen. - - * * * * * - -Mochten mijne lezers ooit het voorrecht smaken van Rome te bezoeken, dat -zij dan niet verzuimen de Katakomben van S. Calixtus te gaan zien; die -van ouderen datum zijn dan die van S. Sebastiano, om met eigen oogen te -aanschouwen wat het vermogen van Ben-Hur heeft gewrocht. Uit dat groote -graf verspreidde zich het Christendom, om het heidendom in Rome van den -troon te stooten. - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Ben-Hur, by Lewis Wallace - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK BEN-HUR *** - -***** This file should be named 16832.txt or 16832.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - https://www.gutenberg.org/1/6/8/2/16832/ - -Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe. - -Updated editions will replace the previous one--the old editions -will be renamed. - -Creating the works from public domain print editions means that no -one owns a United States copyright in these works, so the Foundation -(and you!) can copy and distribute it in the United States without -permission and without paying copyright royalties. Special rules, -set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to -copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to -protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project -Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you -charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you -do not charge anything for copies of this eBook, complying with the -rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose -such as creation of derivative works, reports, performances and -research. They may be modified and printed and given away--you may do -practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is -subject to the trademark license, especially commercial -redistribution. - - - -*** START: FULL LICENSE *** - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project -Gutenberg-tm License (available with this file or online at -https://gutenberg.org/license). - - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm -electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy -all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. -If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project -Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the -terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or -entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement -and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic -works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" -or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project -Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the -collection are in the public domain in the United States. If an -individual work is in the public domain in the United States and you are -located in the United States, we do not claim a right to prevent you from -copying, distributing, performing, displaying or creating derivative -works based on the work as long as all references to Project Gutenberg -are removed. Of course, we hope that you will support the Project -Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by -freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of -this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with -the work. You can easily comply with the terms of this agreement by -keeping this work in the same format with its attached full Project -Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in -a constant state of change. If you are outside the United States, check -the laws of your country in addition to the terms of this agreement -before downloading, copying, displaying, performing, distributing or -creating derivative works based on this work or any other Project -Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning -the copyright status of any work in any country outside the United -States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate -access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently -whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the -phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project -Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, -copied or distributed: - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived -from the public domain (does not contain a notice indicating that it is -posted with permission of the copyright holder), the work can be copied -and distributed to anyone in the United States without paying any fees -or charges. If you are redistributing or providing access to a work -with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the -work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 -through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the -Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or -1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional -terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked -to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the -permission of the copyright holder found at the beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any -word processing or hypertext form. However, if you provide access to or -distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than -"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version -posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), -you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a -copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon -request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other -form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm -License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided -that - -- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is - owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he - has agreed to donate royalties under this paragraph to the - Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments - must be paid within 60 days following each date on which you - prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax - returns. Royalty payments should be clearly marked as such and - sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the - address specified in Section 4, "Information about donations to - the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." - -- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or - destroy all copies of the works possessed in a physical medium - and discontinue all use of and all access to other copies of - Project Gutenberg-tm works. - -- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any - money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days - of receipt of the work. - -- You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm -electronic work or group of works on different terms than are set -forth in this agreement, you must obtain permission in writing from -both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael -Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the -Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -public domain works in creating the Project Gutenberg-tm -collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic -works, and the medium on which they may be stored, may contain -"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or -corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual -property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a -computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by -your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium with -your written explanation. The person or entity that provided you with -the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a -refund. If you received the work electronically, the person or entity -providing it to you may choose to give you a second opportunity to -receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy -is also defective, you may demand a refund in writing without further -opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER -WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO -WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. -If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the -law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be -interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by -the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any -provision of this agreement shall not void the remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance -with this agreement, and any volunteers associated with the production, -promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, -harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, -that arise directly or indirectly from any of the following which you do -or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm -work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any -Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. - - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of computers -including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists -because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from -people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. -To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 -and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive -Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at -https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent -permitted by U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. -Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered -throughout numerous locations. Its business office is located at -809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email -business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact -information can be found at the Foundation's web site and official -page at https://pglaf.org - -For additional contact information: - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To -SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any -particular state visit https://pglaf.org - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including including checks, online payments and credit card -donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate - - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic -works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm -concept of a library of electronic works that could be freely shared -with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project -Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. - - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. -unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily -keep eBooks in compliance with any particular paper edition. - - -Most people start at our Web site which has the main PG search facility: - - https://www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
