diff options
Diffstat (limited to '16832-0.txt')
| -rw-r--r-- | 16832-0.txt | 16970 |
1 files changed, 16970 insertions, 0 deletions
diff --git a/16832-0.txt b/16832-0.txt new file mode 100644 index 0000000..851ce89 --- /dev/null +++ b/16832-0.txt @@ -0,0 +1,16970 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 16832 *** + + + +BEN-HUR + +Een verhaal uit den tijd van Jezus' omwandeling op aarde + + +Uit het Engelsch van + +LEWIS WALLACE + + +door + +ALMA + +(A.M.Th. Doedes) + + + * * * * * + + + +VOORBERICHT. + + +Gaarne schrijf ik, daartoe verzocht, een aanbevelend woord voor eene +nieuwe uitgave van dit boek, dat vertaald is met eene zorg en keurigheid +zulk een meesterstuk waardig. + +Niemand kan meer bereid zijn dan ik om te erkennen, dat een verhaal uit +den tijd van Jezus' omwandeling op aarde een genre is uiterst teeder en +zoo vol gevaar om het heilige niet heilig te houden, dat het er mede is, +als met afbeelden van den Christus, een ondernemen, dat een even vroom +gemoed als een zeldzaam talent vereischt. Geen oningewijde, niet door +hooger geest gedrevene, wage zich op het gebied van het heilige. + +Van de schrijver van Ben-Hur mag gezegd worden, dat hij het tijdperk, +waarin zijn verhaal valt, en in ruim gebied karakters, plaatsten en +omstandigheden zoo grondig kent, als alleen de ernstigste studie +mogelijk maakt. Telkens rijst het vermoeden, dat de schrijver meer +noodig geacht heeft dan boekenkennis, dat hij persoonlijk de plaatsen +heeft bezocht, dat hij uit het verledene als een ooggetuige doet +opdoemen. + +Uit het tijdvak, dat hij ons aanschouwelijk wil voorstellen, kan de +inhoud der evangeliën niet geheel verwijderd blijven, maar met welk eene +soberheid en eerbied voor de letter is dit geschied. Reeds terstond +blijkt dat bij den aanvang des verhaals, waar de schrijver niet een +eigen verdicht verhaal maakt van het weinige dat Mattheus van "de Wijzen +uit het Oosten" meedeelt, maar de kerkelijke legende van Caspar, +Melchior en Balthasar, de als zinnebeeld der Christus' heerschappij uit +Europa, Azië en Afrika gekomenen opneemt, om met eerbiediging van de +Schrift, zij het ook slechts één van de drie, den vromen Balthasar uit +Egypte, als type van het tijdvak in zijn verhaal op te nemen. In alles +wat den Heer zelve betreft, en dat niet meer is dan het volstrekt +noodige, is nergens in het minste den teugel aan de verbeelding gevierd, +en aan de Schrift, en aan deze alleen het woord gelaten. + +Door dit alles is het, dat het kunstwerk van WALLACE niet alleen aan +volwassenen maar niet minder voor jeugdigen kan worden aanbevolen, als +een geschrift, waaruit zij veel kunnen leeren om de Schrift beter te +verstaan, doch vooral ook meer van harte te waardeeren de herschepping, +die in de menschenwereld en in menschenharten door den beloofden en zoo +vurig verwachten Zoon des menschen is teweeggebracht. + +In de edelste harten van die dagen zien wij niet de heerschappij der +liefde met oppermacht heerschen, maar een zich buigen voor den machtigen +drang van wraakzucht en haat. Alleen één (en dit denkbeeldig) type, de +vrome Balthasar, schaduwt hoogere verwachtingen af; maar een edel type +van vleesch en bloed als Ben-Hur kan voor de oplossing van het +wereldraadsel door kruis en opstanding niet hooger reiken dan een +Joodsch koning, die door Galileesche legioenen de wereld overwinnen en +aan Jeruzalem in het wereldgebied de plaats van Rome schenken zal. + +Tegen welke wereldmachten de Zoon des menschen zonder de hulp van +wapenen, goud of wijsbegeerte zich te kampen heeft, wordt in de +keurigste tafereelen op elk levensgebied aanschouwelijk, en tevens zijn +recht gevoeld om stervende te kunnen zeggen: "ik heb de wereld +overwonnen." + +Waar zooveel in onze dagen van het lezen des Bijbels en grondig +bepeinzen van zijn inhoud afleidt, mag van dit boek, al is het een +verdicht verhaal, het tegendeel gezegd worden. Den nadenkende doet het +de wereld, die Jezus overwinnen kwam door haar in woord en daden de +liefde des Vaders te openbaren, in eigen natuurlijk hart terugvinden. +Geen zoo edel, dat van nature zich hooger zal durven plaatsen, dan +Ben-Hur. Voor dezen niets minder dan een van nieuws geboren worden +noodig, een zien met andere oogen, een liefhebben met een vernieuwden +geest des gemoeds. Wat voor hem, gelijk voor Nikodemus gold, voelen zij +ons niet minder van nabij te raken: "tenzij iemand van nieuws geboren +wordt, hij kan het koninkrijk Gods niet zien." De moordenaar op het +kruis was de eerste om dat met onbenevelden blik te aanschouwen. + +Na hem rust ons oog op Stefanus en op den plaatsvervanger des eersten +martelaars, Paulus, op dat hooge standpunt de voltooiing van den +wereldstrijd door het kruis aanschouwend. Hoevelen na hem hebben in +lijden, strijd en sterven de roemtaal van Rom. VIII herhaald, als een +Amen op het woord van de Zegepralende bij zijn heengaan: "Mij is gegeven +_alle_ macht in den hemel en op aarde, onderwijst _alle_ volken, ik ben +met u _al_ de dagen tot de voleinding der eeuwen." + +C.S.A. v. S. + + + * * * * * + + +BEN-HUR + + + +BOEK I. + + + * * * * * + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +IN DE WOESTIJN. + + +De Jebel es Zubleh is een bergketen, ruim vijftig mijlen lang, en zoo +smal, dat zij op de landkaart veel heeft van een rups, die van het +zuiden naar het noorden kruipt. Van den top der wit- en roodkleurige +klippen ziet men in het oosten niets dan de woestijn van Arabië. Een +dikke laag zand, door den Eufraat achtergelaten, bedekt het onderste +gedeelte van de bergketen en blijft daar liggen, want de berg strekt tot +een muur voor de weilanden van Moab en Ammon in het westen, die anders +een deel van de woestijn zouden uitmaken. + +De Arabier heeft den stempel zijner taal gedrukt op alles ten zuiden en +oosten van Judea; zoo is in het Arabisch de oude Jebel de vader van +tallooze wadi's[1], die, den weg kruisend, breeder en breeder worden, in +het regenseizoen de watermassa's naar de Jordaan afvoeren, of wel naar +haar laatsten vergaarbak, de Doode Zee. + +Uit een van deze wadi's, en wel uit de allerlaatste, die ten slotte de +bedding van de beek Jabbok wordt, kwam een reiziger te voorschijn, die +koers zette naar de woestijn. Op dezen persoon willen wij eerst de +aandacht vestigen. + +Naar zijn uiterlijk te oordelen moest hij vijfenveertig jaar oud zijn. +Zijn lange baard, eenmaal ravenzwart, begon sterk te grijzen; zijn +donkerkleurig gelaat was door een laag neerhangenden, rooden hoofddoek +slechts ten deele zichtbaar. Nu en dan sloeg hij de oogen op, groote +donkere oogen. Hij was gekleed in een lang, ruim gewaad, de gewone +oostersche dracht, en bereed, gemakkelijk liggende in een zonnetent, +een witten kameel. + +Ik geloof niet dat eenig westerling den indruk zal vergeten, dien de +eerste aanblik van een kameel, gezadeld en bepakt voor de reis door +de woestijn, op hem maakt. De gewoonte, zoo doodend voor andere +nieuwigheden, heeft hier slechts weinig invloed. Na menige reis per +karavaan, na jarenlang verblijf onder de Bedouïnen, zal de westerling, +waar hij ook zijn moge, telkens weer stilstaan, om het schip der +woestijn te zien voorbijgaan. De bekoring ligt waarlijk niet in het +uiterlijk van het dier, noch in zijne afmetingen, noch in zijn +onhoorbaren stap; neen, maar de woestijn omhult den kameel met al haar +geheimenissen, en hem aanschouwende denken wij aan die geheimenissen. + +De kameel, die juist uit de wadi kwam, mocht gerust aanspraak maken op +het gewone eerbewijs. Zijn kleur en hoogte, zijn breede voet, zijn +forsche bouw, zijn slanke, sierlijke nek, zijn kop, zijn stap, lang en +veerkrachtig, zijn tred, zeker en onhoorbaar, alles kenmerkte den +afstammeling van een oud Syrisch geslacht. + +Toen de kameel uit de wadi te voorschijn trad was hij de grens van El +Belka, het oude Ammon, overgegaan. Het was nog vroeg in de morgen. De +zon ging juist op, half omsluierd door een wazigen mist. Vóór hem lag +de woestijn, niet het gebied van het welzand, dat was verderop; maar de +regionen, waar de plantengroei minder begint te worden, en de grond +bezaaid is met blokken graniet en grijze en bruine steenen, waartusschen +hier en daar een kwijnende acacia zich omhoog werkt en enkele toefjes +gras opschieten. Eiken, braamstruiken en haagappelboomen lagen achter +hem, alsof zij, tot een zeker punt genaderd, door één blik op die dorre +woestenij van schrik verstijfd waren gebleven. Hier ook hield de begane +weg op. + +Maar dat hinderde den kameel niet. Alsof hij een innerlijken drang +gehoorzaamde, ging hij met versnelden pas op den oostenlijken horizon +toe. De wijd geopende neusgaten dronken gretig het frissche morgenwindje +in. Leeuwerik en rotszwaluw ontplooiden hunne vleugels, en witte +patrijzen, opgejaagd door den vreemden bezoeker, maakten zich piepend en +klokkend uit de voeten. Ter rechterzijde verhieven zich de heuvels van +den Jebel. Boven hun hoogste toppen zweefde een gier op breed +uitgespreide vlerken in steeds wijder wordende kringen. Van dit alles +zag de bewoner der tent echter niets; zijne oogen staarden droomerig +vooruit. Berijder en kameel beiden gaven den indruk, dat zij geleid +werden. + +Zoo ging het twee uren voort. Gedurende al dien tijd bleef de reiziger +in dezelfde houding liggen en keek niet rechts of links. Het landschap +was intusschen van voorkomen veranderd. Van den Jebel zag men nog +slechts aan den westelijken horizon de flauwe omtrekken. Hier en daar +lagen enkele groote bazaltsteenen, als voorposten, om de vijandige +machten in bedwang te houden. Zand, niets dan zand was wat het oog +ontwaarde, somtijds effen als aan het strand der zee, dan in heuveltjes +opgehoopt, hier als gekuifde golven, daar als zachte deining. Ook de +atmosfeer had eene verandering ondergaan. Dauw en mist waren opgetrokken, +de gansche omtrek schitterde in den vollen zonneschijn, de blauwe lucht +vonkelde en trilde in dien gloed. + +Weder gingen twee uren voorbij en nog altijd ging het voorwaarts in +dezelfde richting, zonder rust of oponthoud. De Jebel was uit het +gezicht verdwenen; de schaduw, die straks den reiziger volgde, viel nu +naar het noorden, en hield gelijken tred met hen, die haar afwierpen, +en nog verroerde de in gedachten verzonkene zich niet. + +Maar zie, juist toen de zon de middaghoogte bereikte, stond de kameel +uit eigen beweging stil, en slaakte een kreet, die den meester als uit +een vasten slaap deed ontwaken. Hij sloeg het tentgordijn open, keek +naar de zon, beschouwde lang en aandachtig het landschap, haalde diep +adem, en fluisterde met een bevredigden blik: Eindelijk! Eindelijk! Een +oogenblik later kruiste hij de handen over de borst, boog het hoofd, en +bad in stilte. Na het volbrengen van dezen plicht maakte hij zich gereed +om af te stijgen. Hij gaf den kameel het gewone teeken om te knielen. + +Behoedzaam gehoorzaamde het schrandere dier, de reiziger zette zijnen +voet op den slanken nek, en stond het volgende oogenblik op den grond. + + +Noot: [1] Doorwaadbare plekken. + + + * * * * * + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +DE DRIE REIZIGERS. + + +Wij willen thans den vreemdeling meer van nabij beschouwen. Hoewel niet +groot, is hij toch een flinke figuur. + +Nu hij het zijden koord, dat den hoofddoek op zijn plaats moet houden, +losgemaakt heeft, kunnen wij hem vrij in 't gezicht zien. De kleur was, +zooals reeds gezegd is, donkerbruin, bijna zwart; maar het lage breede +voorhoofd, de arendsneus, de bijzondere vorm der oogen, het lange +glanzende haar, dat hem in talrijke vlechten tot op de schouders +nederhing, waren de onmiskenbare teekenen van zijne afkomst. Zoo +Mizraïm, de stamvader der Egyptenaren. Zijne kleeding bestond uit een +lang wit katoenen hemd, met een gordel om het middel bevestigd, en langs +hals en borst met borduursel bezet. Daarover een bruin wollen bovenkleed, +met kleurige zijde gevoerd, en rondom afgezet met een matgelen rand. Aan +de voeten droeg hij sandalen, vastgebonden door fijn lederen riemen. +Opmerkelijk is, dat hij geen enkel wapen bij zich had, zelfs den stok +niet, waarmede de drijvers gewoonlijk hunne kameelen aanzetten, en dat +nog wel nu hij geheel alleen het gebied van luipaarden en leeuwen en +niet minder wilde natuurgenoten heeft betreden. Hij moet dus òf van +zeldzaam stoutmoedigen aard zijn, òf zich onder bijzondere bescherming +gevoelen. + +Door den langen rit waren zijne ledematen stijf geworden, daarom wreef +hij zich de handen, stampte met de voeten, wandelde wat op en neer, bij +tijd en wijle onderzoekend rondziende, alsof hij iemand verwachtte. Toen +zich echter nergens aan den horizon eenig teeken van leven vertoonde, +was hij blijkbaar teleurgesteld en hervatte hij zijn wandeling. Twijfel +aangaande de komst van den verwachte kwam niet bij hem op; want na een +poosje begon hij zijne bagage te ontpakken, alsof hij voornemens was +hier zijne tent op te slaan. En dat bleek ook werkelijk het geval te +zijn; want na met een spons de oogen en de neusgaten van zijn kameel te +hebben gereinigd, bracht hij een bundel staven te voorschijn, plantte de +langste in den grond en de andere in een kring daar omheen, overdekte ze +met een wit en rood gestreept tentdoek, spreidde een tapijt op den grond +en nam bezit van zijn kleine woning. Toen ging hij weer naar buiten en +zag nogmaals onderzoekend rond. Maar de uitgestrekte wildernis gaf niet +het minste teeken van leven. + +--Wij zijn ver van huis, mijn snelvoetige rijder! zeide hij en liefkoosde +zijn trouwen metgezel, wij zijn ver van huis; maar God is met ons, wij +moeten geduld oefenen. + +Nu nam hij een paar handenvol boonen uit een der zadelzakken, tot voeder +voor zijn dier, en zeide: Zij zullen komen. Hij die mij geleid heeft +leidt ook hen. Ik zal alles gereedmaken. + +Uit zijn voorraadschuur bracht hij de benoodigdheden tot een maaltijd in +de tent: borden uit palmbladen gevlochten, wijn in kleine lederzakken, +gedroogd schapevleesch, Syrische grannaatappels, Arabische dadels, kaas +en brood; schikte alles zorgvuldig op het tapijt en legde er ten slotte, +zooals dat bij beschaafde oosterlingen gebruikelijk is, zijden servetten +bij, drie in getal, waaruit zich laat opmaken hoevele gasten hij +verwachtte. + +Alles was nu gereed. Hij ging weer naar buiten, en zie! in het oosten +trof een donkere stip aan den horizon zijn oog. Als aan den grond +genageld bleef hij staan, de oogen wijd geopend, huiverend, als voelde +hij de aanraking van iets bovennatuurlijke,--de stip werd grooter en +grooter en kreeg ten laatste duidelijke omtrekken. Een weinig later kon +hij den dubbelganger van zijn eigen witten kameel onderkennen, dragende +op den rug een _houdah_, de reistent van den Hindoe. + +De Egyptenaar vouwde de handen en zag op naar den hemel. God alleen is +groot! riep hij diep ontroerd. + +De vreemdeling kwam nader en nader en hield eindelijk stil. Ook hij +scheen uit een droom te ontwaken. Hij zag den knielenden kameel, de +tent, en den man, die biddend in de opening stond. Hij vouwde de handen, +boog het hoofd en bad in stilte; daarna steeg ook hij uit en trad op den +Egyptenaar toe. Een oogenblik zag de een den ander aan, toen omhelsden +zij elkander. + +--Vrede zij u, o dienaar van den waren God, zeide de nieuw aangekomene. + +--En u, medebroeder in het ware geloof! vrede en welkom, antwoordde de +Egyptenaar hartelijk. + +De vreemdeling was lang en mager van gestalte, de oogen lagen diep in +hunne kassen, haar en baard waren wit, zijn gelaatskleur geelachtig +brons. Hij ook was ongewapend. Zijn kleeding was die van een Indiër, +geheel wit, behalve de muilen, die van rood leder vervaardigd waren. +Zijn voorkomen was deftig en statig, en hoogst ernstig. + +--God alleen is groot! zeide hij, zich weder oprichtende. + +En gezegend zijn zij die Hem dienen! antwoordde de Egyptenaar. Maar zie, +daar komt onze tochtgenoot. + +Hij wees naar het noorden, waar een derde kameel, wit als de hunne, met +snellen stap naderde. Zij wachtten, totdat ook hij stilhield, en zijn +berijder op hen toetrad. + +--Vrede zij met u, mijne broeders, zeide hij, den Hindoe omhelzende. En +de Hindoe antwoordde: Gods wil geschiede! + +De laatst gekomene was van een geheel ander type, dan zijne vrienden. +Zijn lichaamsbouw was fijner, zijn gelaatskleur blank, zijn golvende +lokken waren blond; uit zijn donkerblauwe oogen sprak een zacht gemoed +en een open eerlijk hart. Hij ging blootshoofds en was ongewapend. +Vijftig jaren, misschien meer, waren over zijn hoofd gegaan; maar de +veerkracht van lichaam en geest was nog onverminderd. Den man van het +vak behoefde men niet te zeggen tot welk volk hij behoorde, geheel zijn +uiterlijk teekende den Griek. + +Toen hij ook den Egyptenaar begroet had, zeide deze met trillende stem: +De Geest heeft mij het eerst hier gebracht, aan mij dus de eer van de +dienaar mijner broederen te zijn. De tent is opgeslagen, het maal is +gereed. Staat mij toe mijn plicht te vervullen. Hen daarop bij de hand +nemend, leidde hij hen binnen, ontdeed hen van hun schoeisel, wiesch +hunne voeten, goot water over hunne handen, en droogde ze af met een +doek. Nadat hij ook zijn eigen handen gewasschen had, zeide hij: Komt, +mijne broeders, laat ons eten, opdat wij sterk mogen zijn voor het werk +dat ons wacht. Tegelijkertijd kunnen wij elkander mededeelen wie wij +zijn en vanwaar wij komen. + +Dus genoodigd zetten ook de anderen zich neder, bogen het hoofd, vouwden +de handen op de borst en deden te zamen dit eenvoudig gebed: Vader van +allen--God! wat ons is voorgezet is Uwe gave. Neem onzen dank en zegen +ons, opdat wij mogen voortgaan met Uwen wil te doen. + +Bij die laatste woorden sloegen zij de oogen op, en zagen elkander +verbaasd aan. Ieder had gesproken in eene aan de anderen onbekende taal; +en toch begrepen zij volkomen wat gezegd was. Hunne ziel trilde van +heilige aandoening--zij gevoelden Gods tegenwoordigheid. + + + * * * * * + + +DERDE HOOFDSTUK. + +CASPAR DE GRIEK. + + +Volgens de toenmalige tijdrekening had het bovenvermelde plaats in de +maand December van het Romeinsche jaar 747. De lange rit door de +woestijn had onzen reizigers een goeden eetlust bezorgd, zij deden het +hun voorgezette maal eer aan, onder het genot van een teug goeden wijn, +daarna begon het gesprek. + +--Voor den reiziger in een vreemd land is niets zoo liefelijk, als zijn +naam te hooren van de lippen eens vriends, zeide de Egyptenaar, die als +gastheer den maaltijd geleid had. Vóór ons liggen vele dagen van +vriendschappelijk samenzijn. Daarom is het noodig dat wij elkander +leeren kennen. Laat dus, zoo gij het goed vindt, hij, die het laatst +hier kwam, beginnen met te spreken. + +Op bedaarden toon, als een die gewoon is zichzelf te beheerschen, begon +de Griek. Wat ik te vertellen heb, broeders, is zoo vreemd, dat ik bijna +niet weet waar ik beginnen zal, wat ik zeggen en wat ik zwijgen moet. Ik +begrijp mijzelf nog niet. Wat ik echter weet is, dat ik den wil doe van +Een, die machtig is, en dat ik mij daar onuitsprekelijk gelukkig in +gevoel. De gedachte aan het mij opgedragen werk wekt eene zoo +onbeschrijfelijke vreugde in mij, dat ik er niet aan twijfel, of het is +God, die het mij opdroeg. + +Hier zweeg hij een oogenblik, door zijn gevoel overweldigd. Na zich wat +hervat te hebben ging hij voort: Ver van hier, in het westen, ligt een +land, dat nooit vergeten zal worden, al was het alleen omdat de wereld +er zooveel aan te danken heeft. Ik zal zwijgen van de schoone kunsten, +van philosophie, welsprekenheid, dichtkunst, en van zijne +krijgsverrichtingen; want, mijne broeders, dit zal de roem van mijn land +wezen, dat Hij, dien wij gaan zoeken, in zijne taal verkondigd zal +worden aan de geheele wereld. Het land waarvan ik spreek is Griekenland. +Ik ben Caspar, de zoon van Kleanthes den Athener. Evenals voor de +meesten mijner landgenooten was de studie mijn lust en mijn leven. Twee +onzer grootste wijsgeeren leeren: de een, dat ieder mensch een +onsterfelijke ziel heeft, de ander, dat er slechts één God is, volmaakt +rechtvaardig. Van alle twistvragen, waarover de geleerden redetwistten, +vond ik deze alleen de moeite van het overdenken waard; want ik moest +toegeven dat er een tot nog toe onbekende verhouding bestaat tusschen +God en de ziel. Het verstand kan daarover tot zeker punt redeneeren +--dáár gekomen blijft men staan, als voor een hoogen muur. Om hulp roepen, +is het eenige dat ons rest. Dat deed ik dan ook, maar geen stem kwam van +achter den muur tot mij. + +In wanhoop ontvlood ik de stad en de scholen. In het noordelijk gedeelte +van mijn land, in Thessalië, is een berg, dien mijn volk voor de +verblijfplaats der goden houdt, met name van Zeus. Olympus heet hij. +Daarheen ging ik. Aan den zuid-oostkant van den berg vond ik een hol, +daar woonde ik geruimen tijd, in overdenkingen verzonken, of liever, +wachtende op de verhooring van mijn aanhoudend gebed om een openbaring. +Mijn geloof in God, den onzichtbare en tevens oppermachtige, was zoo +vast, dat ik het ook mogelijk achtte zóó naar Hem te smachten, dat Hij +medelijden met mij zou krijgen en mij zou antwoorden. + +--En dat heeft Hij gedaan! dat heeft Hij gedaan! riep de Hindoe, de +handen omhoog heffende. + +--Hoort verder, broeders, zeide de Griek, zijne aandoening bedwingende. +Van uit mijne kluis had ik het gezicht op de golf van Thermaï. Op +zekeren dag zag ik een man overboord vallen van een voorbijzeilend +schip. Hij bereikte al zwemmend de kust. Ik nam hem tot mij en verzorgde +hem. Hij was een Jood, wel onderwezen in de geschiedenis en wetten van +zijn volk, en van hem vernam ik, dat de God mijner gebeden werkelijk +bestond en sedert eeuwen hun wetgever, beschermer en koning was. Wat was +dat anders dan de openbaring waarvan ik droomde? Mijn geloof was niet +beschaamd geworden; God had mij geantwoord. + +--Zooals Hij allen antwoordt, die in het geloof tot Hem roepen, zeide de +Hindoe. + +--Maar helaas, merkte de Egyptenaar aan, hoe weinigen zijn wijs genoeg, +om te onderkennen wanneer Hij hun antwoordt. + +--Daar bleef het echter niet bij, vervolgde de Griek. De Jood vertelde +mij nog meer. Hij zeide dat de profeten, die in de eeuwen, welke op de +eerste openbaring volgden, met God wandelden en spraken, verklaard +hadden, dat Hij zou wederkomen. Hij noemde mij de namen dier profeten en +haalde uit de heilige boeken hun eigen woorden aan. Ook zeide hij, dat +die tweede komst op handen was, dat men er te Jeruzalem dagelijks naar +uitzag. Maar, de man zeide ook, dat, evenals God en de openbaring, +waarvan hij gesproken had, alleen voor de Joden geweest waren, dit ook +nu het geval zou zijn. Is er dan niets te hopen voor de andere +aardbewoners? vraagde ik. Neen, antwoordde hij op trotschen toon. Neen, +wij zijn het uitverkoren volk. Dat antwoord vernietigde echter mijne +hoop niet. Waarom zou zulk een God liefde en goedheid slechts tot één +land, tot één ras beperken? Ik wilde dat tot elken prijs onderzoeken. +Ten langen laatste kwam ik achter de waarheid en vernam, dat zijne +vaderen slechts de uitverkoren dienaars waren geweest, om de Waarheid +te bewaren, opdat de geheele wereld haar eenmaal zou leeren kennen en +behouden worden. + +Toen de Jood vertrokken was en ik mij weder alleen bevond, bad en +smeekte ik vurig, dat het mij vergund mocht worden dien Koning, als Hij +kwam, te zien en te aanbidden. + +Op zekeren avond zat ik voor mijne spelonk in gepeinzen verdiept, toen +ik plotseling boven de zee, of liever in de duisternis, die haar +bedekte, eene ster zag vonkelen. Langzaam steeg zij hooger en kwam +nader, tot boven den berg, en boven mijn hoofd, zoodat haar glans mij +bescheen. Ik viel neder en sliep na een poosje in. In den droom hoorde +ik een stem tot mij zeggende: "O Caspar, Gij gezegende. Uw geloof heeft +overwonnen. Met twee anderen, gekomen van de uiterste deelen der aarde, +zult gij Hem, den beloofde, zien en van Hem getuigen. In den morgenstond +zult gij opstaan en hun tegemoet reizen. Vertrouw op den Geest, die u +zal geleiden." En des morgens ontwaakte ik, door den Geest als door eene +zon verlicht. Ik legde mijn kluizenaarsgewaad af en kleede mij als +vanouds. Uit een verborgen schuilhoek nam ik den schat, dien ik met mij +gebracht had. Ik riep een voorbijzeilend schip aan, werd aan boord +genomen en te Antiochië aan wal gezet. Daar kocht ik den kameel met +toebehooren. Langs de tuinen en boomgaarden, die de boorden van de +Orontes sieren, reisde ik naar Emesa, Damascus, Bostra en Philadelphia, +tot hier. Ziet daar, broeders, mijne geschiedenis. Laat mij nu de uwe +mogen vernemen. + + + * * * * * + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +MELCHIOR. + + +De Egyptenaar en de Hindoe zagen elkander aan; de eerste wenkte met de +hand, de ander boog ten teeken van goedkeuring en begon: Onze broeder +heeft goed gesproken, mochten mijne woorden even verstandig zijn. Mijn +naam, broeders, is Melchior. Mijne taal is, zoo al niet de oudste op +aarde, dan toch de eerste, waarbij men zich van de schrijfkunst +bediende; ik bedoel het Sanskriet van Indië. Ik ben Hindoe van geboorte. +Mijn volk heeft van oudsher de paden der wetenschap betreden en blijven +bestaan, want zij zijn de bronnen van den godsdienst en van alle nuttige +kennis. + +Ik ben een geboren Brahmaan. Voorschriften regelden bijgevolg mijn leven +tot in de minste daad, tot in zijn laatste uur. Ik kon niet wandelen, +eten, drinken, of slapen, zonder gevaar te loopen van een der regelen +te overtreden. En de straf, mijne broeders, de straf zou mijne ziel +treffen. Van den aard der overtreding hing het af, of mijne ziel +opgenomen kon worden in den hemel, zij het ook den laagsten, dien van +Indra, of teruggedreven zou worden om te leven in een worm, een vlieg, +een visch, of een wild dier. De belooning voor volmaakte gehoorzaamheid +is de Zaligheid, een opgaan in het Brahma, hetgeen niet zoozeer een +zelfstandig bestaan, als wel een volkomen rust is. + +Toen mijn studietijd voorbij was en ik tot de tweede orde kon toegelaten +worden, dat wil zeggen, toen ik in het huwelijk mocht treden en een +eigen gezin hebben, begon ik naar alles een onderzoek in te stellen, +zelfs naar het Brahma; want voor het oog mijns geestes was een +schemerschijn van licht opgegaan, en mijne ziel smachtte er naar dat +licht van nabij te beschouwen. Eindelijk, na lange jaren zwoegens, stond +ik in het volle licht en aanschouwde den grondslag van het leven, het +ware beginsel van den godsdienst, den band tusschen de ziel en God: de +Liefde. + +Het ingevallen gelaat van den grijsaard schitterde van innerlijk geluk +en hij vouwde de handen tot een dankgebed. + +--De liefde is slechts gelukkig wanneer zij bezig is, zoo vervolgde hij. +Aan hetgeen men bereid is voor anderen te doen, kan men haar toetsen. +Ik kon niet rusten. Brahma had zooveel ellende over de wereld gebracht. + +Ik maakte mij op en reisde langs den Ganges tot waar de heilige stroom +zich in den Indische Oceaan uitstort. Ik hoopte rust te vinden in de +schaduw van den tempel aan Kapila gewijd, om mij daar met zijne jongeren +in het gebed te vereenigen. Maar tweemaal 's jaars kwamen gansche +scharen bedevaartgangers die plek bezoeken. Hunne ellende vuurde mijne +liefde aan. In het begin legde ik mijzelven met geweld het zwijgen op, +want één woord tegen het Brahma zou mij in het verderf storten, één +vriendschapsdienst aan de uitgeworpen Brahmanen bewezen, die zich naar +het verzengende strand sleepten om daar te sterven, één zegenbede, één +beker water--zou mij tot een van hen maken, verloren voor familie, land, +voorrechten, kaste. + +Maar de liefde overwon. Ik sprak tot de tempelbewoners, zij dreven mij +uit. Ik sprak tot de pelgrims, zij verjoegen mij met steenen. Op de +wegen trachtte ik te prediken, mijne hoorders ontvluchtten mij, of +zochten mij te dooden. Nergens in Indië kon ik ten slotte vrede of +veiligheid vinden--zelfs niet onder de uitgeworpenen; want hoewel zij +gevallen waren, zij bleven toch gelooven in het Brahma. Tot het uiterste +gebracht zocht ik een eenzame plek, waar ik voor allen, behalve voor +God, verborgen kon zijn. Ik volgde den Ganges tot aan zijne bronnen. +Zoo kwam ik in het Himalayagebergte. Mijn weg voerde mij langs +duizelingwekkende afgronden, over gletschers, nu in de hoogte, dan in de +diepte, totdat ik het wonderschoone meer Tao bereikte, aan den voet van +een drietal rotsen gelegen, die hare met eeuwigen sneeuw bedekte kruinen +hemelhoog in de lucht verheffen. Daar sloeg ik in volslagen eenzaamheid +mijne tent op, om er met God te verkeeren en mijn laatste uur te +verbeiden. + +Op zekeren avond wandelde ik langs het meer en riep overluid: Wanneer +zal God verschijnen en mij vrij maken? Is er dan geen verlossing? Toen +vertoonde zich plotseling een lichtvonk op den donkeren waterspiegel. +Weldra verrees een ster, die nader en nader kwam, totdat zij boven mijn +hoofd bleef staan. Haar glans verblindde mij. Ik viel ter aarde en toen +ik daar lag hoorde ik een stem, zeldzaam liefelijk, die tot mij zeide: +Uwe liefde heeft gezegepraald. Gezegend zijt gij, zoon van Indië! De +verlossing is nabij. Met twee anderen, komende van de uithoeken der +aarde, zult gij den Verlosser zien, en van zijne komst getuigen. Maak u +op in den morgenstond, en ga hun te gemoet. Stel al uw vertrouwen in den +Geest die u zal geleiden. + +Van dat oogenblik is het licht bij mij gebleven ten teeken dat de Geest +met mij was. + +Met het krieken van den dageraad aanvaardde ik den terugtocht langs +denzelfden weg, dien ik gekomen was. In een bergkloof vond ik een steen +van groote waarde, dien ik te Hurdwar verkocht. Ik reisde over Lahor, +Kabul en Yezd naar Ispahan. Daar kocht ik den kameel en toog naar +Bagdad. Zonder op een karavaan te wachten, zette ik onbevreesd alleen +mijne reis voort, want de Geest was en is nog met mij. Welk een eere +wacht ons, mijne broeders, wij zullen den verlosser zien--met hem +spreken--hem aanbidden!--Ik heb gezegd. + + + * * * * * + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +BALTHASAR. + + +De levendige Griek barstte los in betuigingen van blijdschap en +gelukwenschen, waarna de Egyptenaar met zijn gewonen ernst zeide: Gij +hebt veel geleden, mijn broeder, en ik verheug mij in uwe overwinning. +Wilt mij nu beiden uwe aandacht schenken, dan zal ik u mijn wedervaren +vertellen. + +Mijn naam is Balthasar. Ik ben te Alexandrië geboren uit een vorstelijk +en priesterlijk geslacht, en ontving eene mijnen rang passende +opvoeding. Al heel vroeg werd ik ontevreden. Mij was geleerd, dat na den +dood de ziel van voren af moet beginnen, van den laagsten trap opwaarts, +onverschillig hoe men zich gedurende zijn aardsche bestaan gedragen +heeft. Die gedachte verontrustte mij. Hoe? Word dan geen onderscheid +gemaakt tusschen boozen en goeden? Maar mij was niet verborgen gebleven +wat vele honderden jaren geleden in mijn land gebeurd was met het volk +der Hebreën, die als slaven onder ons woonden, en die beweerden den +eenigen waren God te dienen; hoe zij na vele wonderen en teekenen +uitgeleid werden, en hoe de Pharao, die hen met zijn leger achterna +zette, met allen, die hem vergezelden, den dood vond. + +Die God was niet onder ons vergeten, en hoe langer ik over alles +nadacht, des te dieper vatte de overtuiging post in mijne ziel, dat de +goden van mijn volk niets waren in vergelijking met den God der Hebreën. +Maar als die God, volmaakt rechtvaardig volgens hunne leer, over het lot +van levenden en dooden te beschikken heeft, dan behoefde ik mij niet +langer ongerust te maken, dan moest bij het sterven, wanneer de +scheiding plaats heeft tusschen ziel en lichaam, de ziel van den booze +verloren gaan, die van den goede echter tot een hooger leven ingaan, +niet het nirvana van den Boeddist, noch de negatieve rust van het +Brahma, o Melchior, noch in dien toestand, o Caspar, waarvan uwe +priesters leeren, maar tot een leven, een heerlijk, werkzaam, eeuwig +leven--een leven met God. + +Dat eenmaal vastgesteld zijnde, werd de begeerte in mij wakker, anderen +deelgenoot te maken van dat goede nieuws. + +Op zekeren dag begaf ik mij naar de aanzienlijke en meest bezochte wijk +van Alexandrië en sprak tot de menigte over God, de ziel, het goed en +het kwaad, en over den hemel, die den deugdzame wacht. U, Melchior, +steenigden zij; _mijne_ toehoorders lachten mij uit. Ik beproefde het +nogmaals, zij wierpen mij puntdichten naar het hoofd, bespotten mijnen +God en mijnen hemel. Lang dacht ik na over de oorzaak van het mislukken +mijner poging, eindelijk vond ik haar. + +Een dagreize van de stad verwijderd ligt een dorp, uitsluitend bewoond +door herders en tuiniers. Daarheen begaf ik mij en verzamelde in den +avond het volk rondom mij, mannen en vrouwen, de armsten onder de armen. +Hun verkondigde ik hetzelfde wat ik in de stad verkondigd had. Zij +lachten niet. Den volgenden avond sprak ik weder, en zij namen mijne +prediking met blijdschap aan en brachten haar op hunne beurt aan ieder, +dien zij ontmoetten. Toen keerde ik naar de stad terug en onder een +heerlijken sterrenhemel kwam ik tot de overtuiging: Die een hervorming +wenscht tot stand te brengen beginne niet bij de rijken en grooten; maar +ga liever tot hen, die niets bezitten, tot de armen en geringen. + +Nu ontwierp ik mijne plannen voor de toekomst. Allereerst verzekerde ik +mijne uitgestrekte bezittingen zóó, dat het inkomen vaststond en ten +allen tijde aangewend kon worden ten bate van hulpbehoevenden. Dat +volbracht zijnde begon ik mijne zwerftochten langs den Nijl, in de +dorpen, onder alle stammen; en predikte den Eénen waren God, een leven +in gerechtigheid, met den Hemel als belooning. Ik heb veel goed gewerkt, +hoeveel betaamt mij niet te zeggen. Ik weet dat velen bereid zijn Hem te +ontvangen, dien wij nu gaan zoeken. + +Hier zweeg de Egyptenaar een oogenblik stil, daarna vervolgde hij: In +die jaren, mijne broeders, kwelde mij ééne gedachte: Wat zou er van de +goede zaak worden, als ik heengegaan was? Zou zij met mij ophouden te +bestaan? Ik droomde van een organisatie, als de kroon op mijn werk. Ik +heb het beproefd, maar mocht niet slagen. Neen, de toestand der wereld +is van dien aard, dat, om het oude Egyptische geloof te herstellen, een +hervormer noodig is met meer dan menschelijke macht bekleed; hij moet +niet alleen komen in Gods naam, hij moet zijn woord met bewijzen kunnen +staven. Aarde en lucht zijn zoo vol van valsche godheden, dat een +terugkeer tot den Eénen waren God alleen kan plaats vinden langs +bloedige paden, dat wil zeggen: de bekeerlingen moeten liever willen +sterven, dan hun geloof prijsgeven. En wie anders kan in deze eeuw den +mensch tot zulk eene hoogte opvoeren, dan God alleen? Om het +menschengeslacht te redden moet Hij zichzelven wederom openbaren, moet +Hij persoonlijk komen. + +Nu begrijpt gij waarom ik niet slaagde met mijne organisatie. Ik miste +de bekrachtiging uit den hooge. Diep ternedergeslagen begaf ik mij in de +woestijn, om in de eenzaamheid, ver van alle menschen, Gods aangezicht +te zoeken. + +Steeds verder reisde ik, tot in het hart van Afrika. Langer dan een jaar +woonde ik in een spelonk, aan den oever van een groot meer. De vrucht +van den palmboom strekte mijn lichaam tot voedsel, het gebed mijne ziel. + +Op zekeren avond worstelde ik in het gebed met God. In het heldere water +weerspiegelden de sterren. Eene van die scheen hare plaats te verlaten. +Hooger en hooger steeg zij, stralend en vonkelend, totdat zij boven mijn +hoofd bleef staan. Ik viel neder en verborg mijn aangezicht. Een stem, +niet van de aarde, zeide: Gij hebt overwonnen. Gezegend zijt gij, de +verlossing is nabij. Met twee anderen, gekomen van de uiterste deelen +der aarde, zult gij den Zaligmaker zien en van hem getuigen. Maak u op +in den morgenstond en reis hun te gemoet. En wanneer gijlieden de stad +Jeruzalem zult bereikt hebben, vraag dan aan het volk: Waar is de +geboren Koning der Joden? want wij hebben zijne ster gezien in het +Oosten en zijn gekomen om hem te aanbidden. Stel al uw vertrouwen in den +Geest, die u zal geleiden. + +En het licht werd een innerlijke verlichting en bleef mij bij als +leidsman en gids. Het voerde mij naar Memphis, waar ik mijn kameel +kocht, vervolgens over Suez en Kufileh door de landen van Moab en Ammon. +God is met ons, broeders! + +Door innerlijken drang gedreven, reikten zij elkander de hand. + +--Mogen wij niet in dit alles een goddelijke bestiering zien? vraagde de +Egyptenaar. Wanneer wij den Heer gevonden hebben, zullen alle volken Hem +met ons aanbidden. En als wij van elkander scheiden, om een iegelijk +zijnen weg te gaan, dan zal de wereld een nieuwe les geleerd hebben--dat +de hemel veroverd kan worden niet door het zwaard, niet door menschelijke +wijsheid, maar door geloof, Liefde en Goede Werken. + +Nu traden zij naar buiten. Alles rondom hen sprak van rust. De zon +neigde ten ondergang, de kameelen sliepen. Een oogenblik beschouwden zij +zwijgend de schoon gekleurde lucht, toen keerden zij terug, bergden de +overblijfselen van het maal op, braken de tent af, bestegen hunne +kameelen en zetten de reis westwaarts voort onder aanvoering van den +Egyptenaar. + +De zilveren maan had de taak der dagvorstin overgenomen en bescheen +hunnen weg, toen eensklaps in de lucht vóór hen, ongeveer ter hoogte van +een heuveltop, een schitterend licht verscheen, dat zich samentrok tot +een stralend punt. Hunne harten klopten hoorbaar, en tot in het diepst +der ziel ontroerd, riepen zij als uit éénen mond: De ster! de ster! God +is met ons! + + + * * * * * + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +JOZEF EN MARIA. + + +In de westzijde van den muur, die Jeruzalem omringt, is de Bethlehem- of +Joppe-poort. De open ruimte, die er heen voert, is een van de +merkwaardigste punten bij de stad. Lang voordat David Sion met begeerige +oogen aanzag, stond daar een citadel, en bovengenoemde poort was er een +overblijfsel van. In Salomo's tijd werd dat plein als markt gebruikt; +kooplieden uit Egypte, Tyrus en Sidon boden er hunne waren aan. Bijna +3000 jaren zijn voorbijgegaan, en nog steeds kan men zich daar ter +plaatse van het noodige voorzien. Een speld of een pistool, een +komkommer of een kameel, een woning of een paard, een dadel of een tolk, +de reiziger kan zich aan de Joppe-poort van al deze dingen voorzien. +Soms kan het er zoo levendig toegaan, dat men onwillekeurig uitroept: +Wat moet die oude markt wel geweest zijn in de dagen van Herodes den +Bouwmeester! + +Welnu, ons verhaal voert ons juist naar die dagen en naar die markt. + +Volgens de Hebreeuwsche tijdrekenkunde viel de ontmoeting van de drie +wijzen, die wij in het vorige hoofdstuk beschreven, in den namiddag van +den 25sten December, in het 35ste regeeringsjaar van Herodes den Groote, +het 4de vóór het begin der Christelijke jaartelling. Daar bij de Joden +de dag met zonsopgang begon, was reeds in dat vroege uur alles leven en +beweging. Ja, zóó bezet was de markt, dat vele handelaars met hunne +uitstallingen een plaats hadden moeten zoeken aan de stadszijde der +poort. + +Het is intusschen de derde ure van den dag geworden. Velen zijn reeds +naar huis gegaan; maar het is of de toevloed van menschen niet +vermindert. Onder de nieuw aangekomenen trekt een groep, bestaande uit +een man, een vrouw en een ezel, vooral onze aandacht. De man hield het +dier bij den toom en leunde op zijn staf. Zijne kleeding was als die der +andere Joden en scheen nieuw te zijn. Zijn gelaat was kalm, dat van een +vijftigjarige; zijn zwarte baard begon te grijzen. Hij bezag het gewoel +rondom hem met den half nieuwsgierigen, half starenden blik van den +vreemdeling en provinciaal. Zijne gezellin, op den rug van den ezel in +een zadelkussen gezeten, droeg een ruim overkleed van donkere wollen +stof, terwijl een witte sluier haar hoofd bedekte. Nu en dan lichtte zij +den sluier even op, om te zien wat in hare omgeving voorviel; maar zoo +weinig, dat haar gelaat onzichtbaar bleef. Ten langen laatste werd de +man aangesproken: + +--Zijt gij niet Jozef van Nazareth? + +--Dat is mijn naam, luidde het antwoord, en gij? ah--ik zie het al. De +vrede Gods zij met u, mijn vriend, Rabbi Samuel! + +--En met u. De Rabbi hield op, zag de vrouw even aan en voegde er bij: +met u en al de uwen. Dit zeggende drukte hij zijn rechterhand tegen zijn +borst en groette de vrouw met een hoofdknik. + +Zij had haar sluier een weinig ter zijde geslagen, genoeg om te doen +zien, dat zij nog zeer jong was. + +--Naar de frischheid uwer kleeding te oordeelen, zeide de Rabbi, zou ik +denken, dat gij hier in de stad overnacht hebt. + +--Neen, antwoordde Jozef, wij konden gisteren niet verder komen dan +Bethanië, en zijn hedenmorgen vroeg vandaar vertrokken. + +--Hebt gij een lange reis in 't vooruitzicht? Naar Joppe misschien? + +--Wij zijn op weg naar Bethlehem. + +Het gelaat van den Rabbi betrok. Begrepen, zeide hij. Gij zijt in +Bethlehem geboren en gaat er nu met uwe dochter heen, om u volgens het +keizerlijk bevel te laten beschrijven. Hoe zijn de machtigen gevallen! + +--Dat is mijne dochter niet, zeide Jozef. + +De Rabbi lette niet op die aanmerking, hij vervolgde zijn eigen +gedachtengang en zeide: Wat doen de Zeloten in Galilea? + +--Ik ben timmerman, en Nazareth is een kleine plaats, antwoordde Jozef +voorzichtig. Ik heb geen tijd om deel te nemen aan twistvragen. + +--Maar gij zijt een Jood, vermaande de Rabbi, en nog wel uit het +geslacht van David. Het kan u onmogelijk behagen andere schatting te +betalen dan die, welke volgens onze wet aan Jehova toekomt. + +Jozef zweeg. + +--Ik zeg niets over het bedrag der schatting, vervolgde zijn vriend. +Dat is niet hoog, o neen. Maar dat zij ons schatting opleggen, dat is +schande. Zeg eens, is het waar, dat Judas zich voor den Messias +uitgeeft? Gij woont te midden van zijne volgelingen. + +--Ik heb zijne volgelingen hooren beweren dat hij de Messias is. + +Op dit oogenblik sloeg de vrouw haren sluier geheel weg, zoodat de Rabbi +haar vol in 't gelaat kon zien. Haar zeldzamen schoonheid en de +uitdrukking harer oogen troffen hem. + +--Uwe dochter is schoon, zeide hij nauw hoorbaar. + +--Zij is mijne dochter niet. + +Nu was de nieuwsgierigheid van den Rabbi opgewekt, waarom Jozef vervolgde: +Zij is de dochter van Joachim en Anna van Bethlehem, daar gij misschien +wel van gehoord hebt, want zij waren zeer gezien. + +--Zeker, antwoordde de Rabbi. Dat herinner ik mij best. Zij stamden in +rechte lijn van David af. Ik heb hen zelfs goed gekend. + +--Beiden zijn overleden, te Nazareth. Joachim was niet rijk; maar hij +liet toch een huis met hof na aan zijne twee dochters. Dit is zijn +jongste dochter, Maria. Om haar erfdeel te kunnen aanvaarden, moest zij +volgens de wet eene harer naaste verwanten huwen. Zij is thans mijne +vrouw. + +--En gij waart-- + +--Haar oom. + +--O zoo; en daar gij beiden te Bethlehem geboren zijt, moet gij er +beiden heen om u te laten inschrijven. De Rabbi vouwde de handen en zag +verontwaardigd ten hemel op. Nog leeft de God van Israël! Zijn is de +wrake! riep hij. Toen hij dat gezegd had keerde hij zich om en ging heen +zonder te groeten. + +Een nabijstaande Jood, Jozefs verbazing opmerkende, zeide: Rabbi Samuel +is een Zeloot. Judas zelf kan het hem niet verbeteren. + +Daar Jozef niet geneigd was een gesprek te beginnen, deed hij alsof hij +het niet hoorde, zag den buikriem van den ezel na, en gaf hem nog wat te +eten. Zoodra het dier naar behooren gevoederd was, begaf het gezelschap +zich weder op weg, en sloeg den weg naar Bethlehem in. Jozef wandelde +naast den ezel voort en wees Maria in het voorbijgaan op enkele +merkwaardigheden van den weg; maar het scheen alsof hare gedachten +elders waren. De zon steeg intusschen hooger aan den hemel en noopte de +jonge vrouw haren sluier op te slaan, ten einde wat meer lucht te +krijgen. Van deze gelegenheid willen wij gebruik maken om kennis met +haar te maken. + +Zij was niet ouder dan vijftien jaar. Haar gelaat, een zuiver ovaal, was +fijn van kleur, de neus onberispelijk, de kleine mond vol uitdrukking, +de oogen diep blauw, waren fraai van vorm. Het weelderige goudblonde +haar golfde vrij over hare schouders en reikte tot aan haar zadelkussen. +Voeg bij deze uiterlijke bekoorlijkheden een onbeschrijfelijke reinheid +en liefelijkheid, en gij hebt het beeld van haar, die ons door de +overlevering met de schoonste kleuren wordt geschilderd. Meer dan eens +sloeg zij de oogen ten hemel en bewogen zich hare lippen in stil gebed, +menigmaal hief zij het oog op en luisterde, alsof een onzichtbare tot +haar sprak. + +Zoo togen zij over de uitgestrekte vlakte en naderden de hoogte Mar +Elias, vanwaar zij Bethlehem konden zien liggen. Hier hielden zij een +oogenblik stil om te rusten, en daalden daarna af in de vallei, naar de +wel, eenmaal het tooneel der wonderbare daden van Davids sterke mannen. +In het dal wemelde het van menschen en dieren, zoodat Jozef reeds begon +te vreezen, dat er geen plaats meer voor hen zou te krijgen zijn in de +_khan_, of herberg. Hij zette den ezel tot meerderen spoed aan, en hield +zich geen enkelen keer op om wien ook te groeten, totdat hij de voor de +poort gelegen herberg bereikt had. + + + * * * * * + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +TE BETHLEHEM. + + +Om volkomen te begrijpen wat Jozef bij de herberg wedervoer, moeten wij +wèl bedenken, dat er een groot verschil is tusschen de Europeesche +herbergen en die van het Oosten. Die herbergen werden _khans_ genoemd, +een Perzisch woord, en waren, in haar eenvoudigsten vorm, niet anders +dan omheinde ruimten, dikwijls zonder huis of bedekking; maar altijd +gunstig gelegen wat water, schaduw en veiligheid betreft. Zoo waren de +herbergen waar Jakob een onderkomen vond, toen hij zich eene vrouw ging +zoeken in Padan-Aram, en nog kan men ze heden ten dage precies zoo +vinden op de halten in de woestijn. Daarentegen kon men, vooral op de +heirwegen tusschen groote steden, zooals Jeruzalem en Alexandrië, +uitnemende inrichtingen aantreffen, van alle gemakken voorzien; maar +gewoonlijk waren de herbergen niet veel meer dan het hoofdkwartier van +een Sheik, een gelegenheid voor bijeenkomsten, voor handel, enz., en +eerst in de laatste plaats een toevluchtsoord voor reizigers of +zwervelingen. Een andere eigenaardigheid, die den westerling zeker het +meest zal verbazen, was het volslagen gemis aan bediening. Geen waard of +waardin, geen zaakwaarnemer, geen kok, geen keuken. Een deurwachter aan +den ingang was het eenig zichtbaar bewijs van privaat eigendom. Was een +vreemdeling eenmaal toegelaten, dan kon hij er blijven zoolang hij +verkoos, zonder iemand rekenschap te geven. Een gevolg van die +inrichting was, dat iedere gast zijn eigen voedsel en kookgereedschap +medebrengen, of zich bij de in de khan aanwezige kooplieden van het +noodige voorzien moest. Datzelfde beginsel gold voor zijn nachtleger en +het voeder voor zijne lastdieren. Water, rust, onderkomen, bescherming, +was alles wat hij van den eigenaar verlangde, en die verkreeg hij om +niet. Mocht de vrede wel eens door twistgierigen verstoord worden in een +synagoge--in een khan nimmer. Men hield ze, en niet ten onrechte, in +hooge eere. + +Een stadje als Bethlehem bezat slechts één Sheik, bijgevolg ook één +khan, en hoewel Jozef in Bethlehem geboren was, had hij door zijn +jarenlange afwezigheid geen enkelen bekende meer, niemand wiens +gastvrijheid hij kon inroepen. Daarenboven kon het weken, ja maanden +duren, eer het werk der inschrijving afgeloopen was; de langzaamheid +toch van Romeinsche beamten was spreekwoordelijk geworden, zoodat Jozef, +al had hij zich tot iemand kunnen wenden, toch bezwaarlijk voor +onbepaalden tijd huisvesting had kunnen vragen voor zich en zijne vrouw. +Op de herberg was dus zijne hoop gevestigd. + +Naast den ingang van het gebouw zat de deurwachter op een boomstronk, +zijn speer tegen den muur, zijn hond naast zich. + +--De vrede van Jehova zij met u, zeide Jozef, hem groetend. + +--Datzelfde wensch ik u in ruime mate toe, antwoordde de man ernstig, +zonder van houding te veranderen. + +--Ik ben een Bethlehemiet, vervolgde Jozef. Is er nog plaats voor mij? + +--Neen, alles is bezet. + +--Misschien hebt gij mij wel hooren noemen--Jozef van Nazareth. Dit is +mijn vaderstad. Ik ben uit Davids geslacht. + +Op dit feit berustte Jozefs hoop. Baatte dat hem niet, dan was alle +verdere moeite tevergeefs, geld noch goede woorden vermochten dan iets +uit te werken. Tot den stam van Juda te behooren was reeds veel waard, +zich een zoon van David te mogen noemen, gold bij Israëlieten als de +hoogste eer, en zeker nergens meer dan in de stad Davids. Ook op den +deurwachter maakte het indruk. Hij verrees van zijne zitplaats en zeide +beleefd: Rabbi, gedurende de meer dan duizend jaren, waarin deze herberg +een toevluchtsoord is geweest voor vreemdelingen, werd nog nimmer aan +een goed man den toegang geweigerd, behalve wanneer er geen plaats was. +Indien men den vreemdeling zoo welwillend behandelt, hoeveel te meer den +zoon van David. Daarom nogmaals: Wees gegroet! en indien gij wilt, ga +dan met mij naar binnen, om u met eigen oogen te overtuigen, dat nergens +een hoekje vrij is, zelfs niet op het dak. Mag ik vragen wanneer gij +aangekomen zijt? + +--Zooëven. + +De deurwachter glimlachte. De vreemdeling, die in uwe poort is, zal zijn +als een ingeborene van het huis en gij zult hem liefhebben als uzelven, +leert ons de wet niet alzoo, Rabbi? En als de wet zoo spreekt, kan ik +dan tot iemand, die hier reeds eenigen tijd vertoeft, zeggen: Ga gij uws +weegs, hier is een ander, die uwe plaats komt innemen? + +Jozef zag peinzend voor zich. + +--En al mocht ik dat zeggen, aan wien zou dan die plaats toekomen? Zie +hoevelen daar staan te wachten, sommigen reeds den ganschen dag. + +--Wat brengt al die lieden hierheen? + +--Hetzelfde ongetwijfeld wat u brengt, Rabbi; het bevel van den Keizer. +Daarenboven is gisteren een karavaan van Damascus naar Arabië en +Neder-Egypte aangekomen. Deze mannen hier en die kameelen behooren er +toe. + +Nog liet Jozef zich niet afwijzen. Het voorplein is ruim, zeide hij. + +--Ja, maar volgepakt met balen zijden, en zakken specerijen, en goederen +van allerlei aard. + +Jozefs gelaat betrok.--Het is niet zoozeer voor mijzelven, dat ik blijf +aanhouden, maar ik heb mijne vrouw bij mij. De nachten zijn hier koud, +veel kouder dan te Nazareth. Zij kan niet in de open lucht slapen. Zou +er in de stad plaats te krijgen zijn? + +--Deze menschen, zeide de deurwachter, op een groepje wijzend, hebben +allen in de stad een onderkomen gezocht, maar tevergeefs. + +Jozef dacht een oogenblik na en zeide: Zij is zoo teer; als zij den +nacht onder den blooten hemel moet doorbrengen, zal de kou haar dooden. +Misschien hebt gij hare ouders nog gekend: Joachim en Anna. Zij hebben +vroeger ook in Bethlehem gewoond en waren evenals ik uit Davids +geslacht. + +--Zeker heb ik hen gekend. Het waren goede menschen. Ik was toen nog een +kind. Maar daar valt mij iets in. Al kan ik u niet in de herberg +opnemen, ik kan u toch ook niet wegzenden. Ik zal voor u doen wat ik +kan. Gij zult niet buiten overnachten. Roep uwe vrouw. Wij moeten ons +haasten, want de zon neigt reeds ten ondergang. + +--Niets liever dan dat, zeide Jozef, en keerde terug om zijne vrouw te +halen, die niet ver van daar op haren ezel gezeten zijn komst verbeidde. +Zij had haren sluier opgeslagen. + +--Blauwe oogen en gouden lokken, zeide de deurwachter haar aanziende. +Zoo zag de jonge koning er uit toen hij voor Saul op den harp speelde. + +De man nam den ezel bij den toom en zeide tot Jozef: Rabbi, volg mij. + +Over het voorplein van de herberg geleidde hij hen naar de achter het +huis gelegen omrasterde bewaarplaats voor lastdieren en vee, en vandaar +langs een smal en hobbelig pad naar een grauwen kalksteenheuvel. + +--Gij brengt ons naar de spelonk, zeide Jozef. + +--Ja, antwoordde hun geleider, en zich tot Maria wendende voegde hij er +bij: Uw voorvader David heeft meermalen gebruik gemaakt van die spelonk. +Als jongeling bracht hij er 's nachts de kudde zijns vaders onder dak en +later, als koning, moet hij er dikwijls met zijn gevolg gerust hebben. +Dezelfde kribben, waar zijne dieren aan gevoederd werden, zijn er nog. +In ieder geval zult gij op de plaats, waar Koning David geslapen heeft, +beter rusten, dan in het open veld. Zoo, hier zijn wij er. Zooals gij +ziet is voor de spelonk een schuurtje aangebracht, eigenlijk niet meer +dan een toegang tot de spelonk. Dit zeggende schoof hij den grendel weg, +opende de deur en noodigde hen uit om binnen te treden. + +De grot was ongeveer veertig voet lang, negen of tien voet hoog, en +veertien voet breed. Het was nog juist licht genoeg om te doen zien, dat +in het midden op de grond wat hooi en stroo lag en eenig aardewerk, een +duidelijk bewijs, dat ook andere reizigers hier vertoefd hadden. Langs +de wanden waren steenen kribben gemetseld, en over het algemeen zag het +er zindelijk uit. + +--Wat dunkt u hiervan? vraagde de deurwachter aan Maria. Zoudt gij hier +kunnen rusten? + +--Deze plek is heilig, antwoordde zij. + +--Dan kan ik weer naar mijn post terugkeeren. De vrede Gods zij met +ulieden. + +Zoodra zij alleen waren maakten zij de spelonk bewoonbaar en bereidden +zicht een nachtleger van hetgeen zij ter plaatse aanwezig vonden en zelf +medegebracht hadden. + + * * * * * + +Te middernacht, toen om en bij de herberg alles in de diepste rust +verkeerde, ontwaakte een der slapers op het dak en keek verschrikt in +het rond. Wat is er gebeurd? riep hij: Wat is dat voor een vreemd licht? +Wordt wakker, broeders! wordt wakker! + +De in hunnen slaap gestoorden richtten zich op en wreven zich in de +oogen, maar wat zij zagen bracht hen weldra volkomen tot bezinning. Uit +den hemel daalde een straal van licht neder, steeds breeder wordende +naarmate hij de aarde naderde, en den ganschen omtrek verlichtende. +Zelfs den moedigsten onder de aanwezigen durfde zijne stem verheffen +boven een zacht gefluister. + +--Hebt ge ooit iets dergelijks gezien? vraagde de een. + +--Het schijnt daar juist boven den berg te zijn. Ik begrijp volstrekt +niet wat het is, zeide een ander. + +--Zou er een ster gebarsten en gevallen zijn? vraagde een derde +sidderend. + +--Welneen, als een ster valt gaat haar licht uit. + +--Ik weet wat het is, riep een jonge man geruststellend. De herders +hebben een leeuw gezien en een vuur aangestoken, om hem van de kudden af +te houden. + +--Ja, dat zal het zijn, zeide een buurman verruimd van hart. Er waren +vandaag verscheidene herders in het veld. + +--Neen, neen, riep de eerste spreker, al brachten zij al het hout uit de +valleien van Judea bijeen, om er een vuur van te maken, het zou niet +zulk een hoog en sterk licht verspreiden. + +Zwijgend bleven de mannen het geheimzinnig schouwspel gadeslaan, totdat +een eerwaardig grijsaard de stilte verbrak met den uitroep: Broeders, +wat wij zien is de ladder, die onze vader Jakob in den droom +aanschouwde. Geloofd zij de God onzer vaderen! + + + * * * * * + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +DE GEBOORTE VAN CHRISTUS. + + +Ongeveer twee mijlen zuidoostelijk van Bethlehem ligt een vlakte, door +een heuvelrij van de stad gescheiden. Beschut tegen de noordenwinden, +en begroeid met vijgeboomen, dwergeiken en pijnboschjes, was zij een +kostelijke weide voor de kudden van zwervende herders. Aan den uitersten +rand stond een overoude schaapskooi van buitengewoon groote afmeting. +Bij een lang vergeten schermutseling was het gebouw van zijn dak beroofd +en half vernield. De daarbij behoorende omheinde ruimte was echter +ongedeerd gebleven, en dat was wel de hoofdszaak voor de herders, die er +hunne schapen wilden doen overnachten. + +Daags vóór de gebeurtenissen, in het vorige hoofdstuk vermeld, was een +zevental herders, die nieuwe weiden voor hunne kudden zochten, naar de +vlakte afgedaald, had zich 's avonds bij de schaapskooi gelegerd, een +groot vuur bij den ingang ontstoken, hun avondeten bereid, en zich +daarna ter ruste gelegd, één uitgezonderd, die de wacht moest houden. + +Het was een heerlijke nacht. Geen windje bewoog zich, de atmosfeer was +rein en zuiver, er heerschte een geheimzinnige stilte. De wachter stapte +vóór den ingang op en neder; hij verlangde naar het uur van middernacht, +wanneer hij afgelost zou worden. Eindelijk was zijn taak volbracht, nu +was het zijne beurt om te gaan rusten. Hij ging naar het vuur--maar wat +was dat? Een lichtglans omscheen hem, zacht en wit als het licht der +maan. Hij wachtte een oogenblik, het licht werd sterker; voorwerpen, die +hij niet had kunnen onderscheiden, werden op eenmaal zichtbaar, hij zag +de gansche vlakte en al wat er op was. Een huivering voer door zijne +leden, vreeze beving hem. Hij zag naar de lucht, de sterren waren +verdwenen; als door een venster viel een breede straal van licht uit den +hemel en werd steeds glansrijker. Hevig ontsteld riep hij zijne makkers: +Wordt wakker! Wordt wakker! + +De honden sloegen aan, de schapen drongen op elkander in, de herders +sprongen overeind en grepen naar de wapens. + +--Wat is er? riepen zij. Wat gebeurt daar? + +--Wat er is? De hemel staat in vuur! antwoordde de wachter. + +Plotseling werd het licht zoo verblindend sterk, dat zij hunne oogen met +de handen bedekten en van angst en schrik op de knieën vielen. Daar +hoorden zij een stem: Vreest niet; want ziet, ik verkondig u groote +blijdschap, die al den volke wezen zal.--Die stem, zoo zacht en +welluidend, stelde hen gerust. Zij hieven het hoofd op en zagen +eerbiedig in de richting, vanwaar de stem kwam. En zie, daar stond, door +een stralenden lichtschijn omgeven, een engelengedaante, gekleed in een +schitterend wit kleed. Boven zijn voorhoofd blonk een ster met zeldzamen +glans. Zegenend strekte hij de handen naar hen uit, zijn gelaat was +vriendelijk en van hemelsche schoonheid. + +Zij hadden dikwijls van de engelverschijningen in vroeger dagen gehoord, +en onder elkander daar wel eens over gesproken. Zij twijfelden dan ook +niet, maar zeiden in hun hart: De heerlijkheid Gods is tot ons gekomen, +en dit is de engel, dien God voormaals tot den profeet bij de rivier +Ulai zond. + +De engel vervolgde: Want heden is u geboren de Zaligmaker, welke is +Christus, de Heer, in de stad Davids. En dit zal u het teeken zijn: gij +zult het Kinderke vinden in doeken gewonden en liggende in de kribbe. + +De hemelbode zweeg. Hij had zijne boodschap overgebracht, toch toefde +hij nog, en terwijl de herders eerbiedig wachtten, breidde zich het +licht, waarvan de engel het middenpunt uitmaakte, meer en meer uit--en +was er met den engel een menigte des hemelschen heirlegers, prijzende +God en zeggende: Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in +menschen een welbehagen. + +Toen ontplooide de engel zachtkens zijne vleugelen, verhief zich +langzaam en statig in de lucht, en verdween weldra uit hunne oogen, het +licht met zich voerende; maar nog geruimen tijd klonk het liefelijk +engelenlied kun in de ooren. + +Toen de herders tot bezinning waren gekomen staarden zij elkander +sprakeloos aan, totdat een van allen zeide: Dat was Gabriël, Gods bode +bij de menschen. + +Niemand antwoordde. + +--Christus, de Heer, is geboren, zeide hij dat niet? + +--Ja, antwoordde een ander. + +--En zeide hij ook niet dat hij geboren is in de stad Davids? dat is dan +toch Bethlehem, daar ginds. En dat wij hem zouden vinden in doeken +gewonden? + +De herder, die het eerst gesproken had, staarde een oogenblik nadenkend +in het vuur, en zeide toen op beslisten toon: Er is slechts één plaats +in Bethlehem waar kribben zijn, slechts één, en dat is in de spelonk bij +de oude herberg. Broeders, laat ons gaan en zien wat er geschied is. +De priesters en schriftgeleerden verwachten den Messias reeds geruimen +tijd. Nu is hij geboren, en de Heer heeft ons een teeken gegeven, +waaraan wij hem kunnen kennen. Laat ons gaan en hem aanbidden. + +--Maar de kudden.... + +--Daar zal de Heer voor zorgen. Laat ons zoo snel mogelijk gaan. + +Toen maakten zij zich op en sloegen den weg naar Bethlehem in. De weg +voerde achter den berg om door de stad, totdat zij voor de deur der +herberg kwamen, waar een man de wacht hield. + +--Wat is uw verlangen? vraagde deze. + +--Wij hebben van nacht groote dingen gezien en gehoord, antwoordden zij. + +--Nu, wij ook hebben groote dingen gezien, maar gehoord hebben wij +niets. Wat hebt gij gehoord? + +--Breng ons eerst naar de spelonk achter de omtuining, opdat wij +zekerheid mogen verkrijgen, dan zullen wij u alles vertellen. + +--Noodelooze moeite. + +--Neen, de Christus is geboren. + +--De Christus! Hoe weet gij dat? + +Breng ons bij de spelonk, dan kunt gij het zelf zien. + +De wachter lachte spotachtig.--De Christus, zegt gij? En hoe zult gij +weten dat hij het is? + +--Ons is gezegd, dat hij in dezen nacht geboren is en nu in een kribbe +ligt, en er is slechts ééne plaats in Bethlehem, waar kribben zijn. + +--De spelonk? + +--Ja, breng er ons, opdat wij het met onze oogen mogen zien. + +Zij gingen over het voorplein, zonder dat iemand op hen lette, hoewel +sommigen het nog druk genoeg hadden over het wondervolle licht. De deur +van de spelonk stond open. Er brandde licht en zij traden zonder omslag +binnen. + +--Vrede zij u! zeide de wachter tot Jozef. Hier zijn eenige lieden, die +een jonggeborene zoeken, in doeken gewonden en liggende in een krib. + +Jozef ontroerde, en op de kribbe wijzende zeide hij: Daar is het kind. + +De herders kwamen behoedzaam nader en beschouwden het slapende kindeke +met stille aandacht. Dat is de Christus, zeide een van hen ten laatste. + +--De Christus! herhaalden allen, in aanbidding neerknielende. + +--Het is de Heer, en zijn lof is boven aarde en hemel verheven, juichte +de eerste spreker. + +De eenvoudige lieden, in wier hart geen plaats was voor twijfel, kusten +den zoom van Maria's gewaad, en gingen heen met vroolijke aangezichten. +In de herberg vertelden zij aan ieder, die het hooren wilde, wat hun +wedervaren was, en op hunnen terugweg naar de vallei zongen zij het +engelenlied: Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in +menschen een welbehagen. + +Het verhaal deed de rondte, en nog verscheidene dagen lang werd de +spelonk bezocht door tal van nieuwsgierigen, van wie sommigen geloofden; +maar het grootste gedeelte lachte en spotte. + + + * * * * * + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +HET BEZOEK VAN DE DRIE WIJZEN. + + +Elf dagen na de geboorte van het kindeke vinden wij de drie wijzen in de +nabijheid van Jeruzalem. Na de beek Kedron te zijn overgegaan ontmoetten +zij tal van lieden, die hen zonder uitzondering met nieuwsgierigen +blikken nazagen. Hoewel de handelsweg van het oosten naar het zuiden +over Judea voerde, en men bijgevolg, behalve in Rome, nergens zoovele +vreemdelingen van allerlei natiën aantrof als in Jeruzalem, trokken deze +drie mannen toch aller aandacht. + +Tegenover de graven der koningen zaten eenige vrouwen aan den weg. Zij +hadden een kind bij zich, en zoodra het de reizigers zag, klapte het in +de handjes en riep: Kijk, kijk, wat mooie belletjes! Wat groote kameelen! + +De belletjes waren van zilver, de kameelen, zooals wij weten, +buitengewoon groot en wit. Aan het tuig kon men zien, dat het gezelschap +een verre reis achter zich had, maar ook dat de eigenaars mannen van +aanzien waren. Bij de vrouwen gekomen hield het drietal stil, en vraagde +Balthasar, zich een weinig voorover buigende: Zeg mij, zijn wij nog ver +van Jeruzalem? + +--Neen, antwoordde eene der vrouwen, als de boomen op gindschen heuvel +wat lager waren zoudt gij de torens op de markt kunnen zien. + +De Egyptenaar zag zijne tochtgenooten veelbeteekend aan, en wendde zich +toen weder tot de vrouw met de vraag: Kunt gij mij ook zeggen waar de +geboren Koning der Joden is? + +De vrouwen keken elkander verwonderd aan, maar gaven geen antwoord. + +--Weet gij dat niet? herhaalde de Egyptenaar. + +--Neen, heer. + +--Nu, vertel dan maar aan iedereen, dat wij zijne ster gezien hebben in +het Oosten en gekomen zijn om hem te aanbidden. + +Dit gezegd hebbende reden zij verder. + +Anderen, die zij tegenkwamen, deden zij dezelfde vraag, maar met gelijke +uitkomst. Zoo vervuld waren zij van het doel hunner reis, dat zij geen +oog hadden voor het heerlijk panorama, dat zich voor hen ontplooide, +toen zij Jeruzalem naderden. Eindelijk waren zij bij de Damascuspoort, +die door een Romeinschen schildwacht bewaakt werd. Langzamerhand hadden +zich eenige nieuwsgierigen bij hen aangesloten, zoodat toen de +Egyptenaar stilhield, om bij den schildwacht inlichtingen te vragen, +onze reizigers het middelpunt werden van eene steeds aangroeiende +menigte. + +--Vrede zij u! zeide de Egyptenaar den schildwacht groetende, die den +groet onbeantwoord liet. + +--Wij zijn van verre gekomen om den geboren Koning der Joden te zien. +Kunt gij ons ook zeggen waar hij is? + +De soldaat lichtte zijn helmvizier op en riep iemand uit het wachthuis. +Uit de gang trad een hoofdman te voorschijn.--Uit den weg! riep hij de +menigte toe, die hem den weg versperde, en toen zij niet gauw genoeg +gehoorzaamde, maakte hij zich, links en rechts met zijn speer zwaaiende, +ruim baan. + +--Wat is er van uw verlangen? vraagde hij aan Balthasar. + +--Ik wilde weten waar de geboren Koning der Joden is. + +--Herodes? vraagde de hoofdman verwonderd. + +--Herodes werd door den Keizer tot Koning aangesteld, hem moeten wij dus +niet hebben. + +--Er is geen andere Koning der Joden. + +--Jawel, want wij hebben zijne ster gezien en zijn gekomen om hem te +aanbidden. + +De Romein begreep er niets van.--Ik ben geen Jood en kan u dus niet +helpen. Gaat naar de schriftgeleerden in den tempel, of naar Annas den +Hoogepriester, of beter nog naar Herodes zelf, en vraag het hem. Als er +een andere Koning der Joden is zal hij hem wel weten te vinden. + +Daarop joeg hij de omstanders uiteen, opdat de vreemdelingen door de +poort konden trekken. Zoodra zij echter in de stad waren zeide +Balthasar: Wij zullen goed doen met naar de herberg te gaan; het doel +onzer komst is bekend en vóór middernacht zal de geheele stad over ons +spreken. + + * * * * * + +Dienzelfden avond waren eenige vrouwen bezig met wasschen op de breede +trap, die naar den vijver Siloam voerde. Ieder had een aarden bak voor +zich. Op de onderste trede stond een meisje, dat onder het zingen van +een vroolijk liedje de vrouwen beurtelings van water voorzag. + +Terwijl zij daarmee bezig waren kwamen twee andere vrouwen naderbij, +beiden een ledigen waterkruik op den schouder dragende. + +--Vrede zij u! zeide eene van haar. + +De waschvrouwen staakten even den arbeid, sloegen hare handen droog en +beantwoordden den groet. + +--Het is reeds laat in den avond, het wordt tijd om uit te scheiden, +zeide een der laatst gekomenen. + +--Er is nog werk genoeg, was het antwoord. + +--Ja, maar er is een tijd om te rusten, en.... + +--Om nieuwtjes te hooren vertellen. + +--Wat voor nieuwtjes hebt gij? + +--Weet gij het dan nog niet? + +--Wat? + +--Zij zeggen, dat de Messias geboren is. + +--De Messias?! riepen de wasschende vrouwen in de hoogste verbazing. + +De beide anderen zetten hare watervaten neder en gingen er op zitten. +Ja, zeiden zij, dat wordt ten minste verteld. + +--Door wie? + +--Door iedereen. De geheele stad spreekt er van. + +--En wordt het geloofd? + +--Van middag zijn drie vreemde mannen gekomen over de beek Kedron. +Zij reden alle drie op witte kameelen, zoo groot als wij ze hier in +Jeruzalem nog nooit gezien hebben. Men kon wel zien dat het rijke +menschen zijn, want hun tentjes zijn van zijde, en de gespen en franje +aan de zadels en hoofdstellen van goud. De schelletjes zijn van zilver +en maken echte muziek. Niemand kent ze; zij zien er uit alsof zij van +het einde der wereld komen. Een van de drie deed telkens het woord en +vroeg aan iedereen onderweg, zelfs aan vrouwen en kinderen: Waar is de +geboren Koning der Joden? Niemand kon hem daarom antwoord geven; niemand +begreep wat zij bedoelden. Maar zij hielden vol: Wij hebben zijne ster +gezien in het Oosten en zijn gekomen om hem te aanbidden. Bij de poort +hebben zij het gevraagd aan den schildwacht, maar die wist het evenmin, +en heeft hun gezegd, dat zij het best deden met het aan Herodes te gaan +vragen. + +--Waar zijn zij nu? + +--In de herberg. Ieder gaat er naar toe om hen te zien. + +--Waar komen zij vandaan? + +--Dat weet niemand. Ik denk dat het Perzen zijn. Het zijn in ieder geval +wijze mannen, die met de sterren praten, zoo iets als profeten, +misschien wel als Elia of Jeremia. + +--Maar gij zegt, dat zij naar den Koning der Joden vragen, wien zouden +zij daarmee bedoelen? + +--Den Messias natuurlijk, die pas geboren moet zijn. + +Een van de vrouwen lachte en hervatte haar werk met de woorden: Komaan, +ik zal 't gelooven als ik hem zie. + +Een tweede volgde haar voorbeeld en zeide: Ik--ja, ik zal 't gelooven, +als ik hem dooden weer levend zie maken. + +Een derde zeide nadenkend: Men heeft hem lang verwacht. Voor mij zal het +genoeg zijn als ik hem een melaatsche zie genezen. + + + * * * * * + + +TIENDE HOOFDSTUK. + +HERODES EN DE WIJZEN. + + +Eenige uren later in den avond, tegen den tijd der eerste nachtwake, +vinden wij in het paleis op den berg Sion een vijftigtal mannen, +bijeengeroepen door Koning Herodes: hoogepriesters, schriftgeleerden, de +hoofden der verschillende godsdienstige partijen: Farizeën, Sadduceën en +Esseën. De zaal, waar de vergadering plaats had, was zeer ruim, en +volgens Romeinsche gewoonte ingericht. De vloer bestond uit marmerblokken +van verschillende kleur, de wanden, niet door vensters onderbroken, +waren saffraangeel beschilderd; een divan, in den vorm van de letter U +en van gele kussens voorzien, stond in het midden, de opening naar de +deur gekeerd. Aan het boveneinde van dien divan, dus in de buiging, +stond een bronzen drievoet. Daarboven hing een luchter met zeven armen, +die ieder een brandende lamp droegen. De divan en de luchter waren +zuiver Joodsch. + +De vergadering bestond hoofdzakelijk uit mannen van leeftijd, mannen met +lange baarden, vurige oogen, zware wenkbrauwen. Hunne kleeding was +behalve wat de kleur betreft volmaakt dezelfde. Hun uiterlijk was +ernstig, deftig, bijna patriarchaal. Aan het hoofdeneinde, achter den +drievoet, zat de voorzitter, rechts en links zijne medegenooten. + +In zijne jeugd groot en forsch van statuur, was de thans 106-jarige +Hillel, de Babyloniër, de eerwaardige voorzitter van den Grooten Raad, +uitwendig niet meer dan de schim van hetgeen hij vroeger was; maar zijn +helderheid van hoofd liet niets te wenschen over. Op den drievoet vóór +hem lag een met Hebreeuwsche letters beschreven perkamenten rol, achter +hem stond een rijkgekleede knaap op zijne bevelen te wachten. Het +geleerde gezelschap heeft een levendige woordenwisseling gevoerd, maar +is zooëven tot een besluit gekomen. Hunnen houding is rustig en de +eerwaardige Hillel roept den knaap tot zich. Eerbiedig treedt hij voor +zijnen meester. + +Ga den Koning melden, dat wij gereed zijn om op zijne vraag te +antwoorden, beveelt de grijsaard. + +De jongen snelt heen. + +Weinige oogenblikken later traden twee hoofdmannen binnen en plaatsten +zich naast de beide deurposten. Hen volgde op den voet een merkwaardige +persoonlijkheid: een oud man, bekleed met een purperen kleed, om het +middel bevestigd door een fijnbewerkten gouden gordel; een diadeem omgaf +het hoofd, de sandalen waren met kostbare edelsteenen versierd, in den +gordel stak een fraaie dolk. Zijn gang was moeilijk en hij leunde zwaar +op zijn staf. Niet voordat hij den divan bereikt had stond hij stil en +overzag de vergadering met hooghartigen blik, donker en dreigend, alsof +hij zich onder vijanden bevond. Het was Herodes de Groote--het lichaam +ondermijnd door kwalen, het geweten bezwaard door misdaden. Een waardig +gezel der Romeinsche Cesars, was hij op 67-jarigen leeftijd een +ijverzuchtig despoot, altijd vreezende dat iemand hem in zijne rechten +wilde treden. + +Nadat alle aanwezigen hem begroet hadden, ging Herodes rechtstreeks op +Hillel toe en zeide op meesterachtigen toon: Het antwoord! + +De patriarch hief het hoofd op, zag hem welwillend aan en zeide: De +vrede van den God Abrahams, Izaäks en Jakobs zij met u, o Koning!--Gij +hebt ons gevraagd waar de Messias geboren moet worden. (De Koning boog +toestemmend, de oogen onafgewend op den spreker gevestigd.) Nu dan, o +Koning, naar ons aller meening te Bethlehem in Judea. + +Hillel liet den blik rusten op de rol en las: Te Bethlehem in Judea; +want alzoo zegt de profeet: En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om +te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, die een +Heerscher zal zijn in Israël. + +Herodes' gelaat betrok. Nadenkend staarde hij op de rol. Ademlooze +stilte heerschte in de zaal, niemand waagde te spreken. Eindelijk keerde +de Koning zich om en ging heen. + +--Broeders, zeide Hillel, de vergadering is gesloten. + +Allen stonden op en verwijderden zich in groepen. + +--Simeon! riep Hillel. + +Een vijftigjarige man, nog krachtig en sterk, voegde zich dadelijk bij +hem. + +--Neem de heilige rol tot u, mijn zoon, en geleid mij naar den +draagstoel. + +Liefdevol en eerbiedig voldeed Simeon aan het verzoek zijns vaders, +wiens waardige opvolger hij eenmaal zijn zou. + + * * * * * + +Nog weder later op dienzelfden avond legden de drie wijzen zich in de +herberg ter ruste. Door een opening in het dak konden zij de lucht +bespieden, en bij het heerlijk stergeflonker dachten zij na over Gods +wonderlijke leiding. Maar hoe nu verder? Op welke wijze zou Hij zich +thans openbaren? Eindelijk waren zij dan in Jeruzalem; aan de poort +hadden zij naar hem gevraagd, dien zij zochten; zij hadden zijne +geboorte aangezegd, hun bleef niets over dan hem te vinden, en ook +daarin rekenden zij vast op de leiding des Geestes. Die Gods stem +beluisteren, of op een teeken des hemels wachten, kunnen niet slapen. + +Daar trad iemand op hen toe. Wordt wakker! riep hij, ik heb u iets te +zeggen daar haast bij is. + +Aanstonds sprongen zij overeind.--Van wien? vraagde de Egyptenaar. + +--Van Koning Herodes. + +--Zijt gij niet de deurwachter van deze herberg? + +--Die ben ik. + +--Wat verlangt de Koning van ons? + +--Zijn bode wacht buiten. Hij zal u antwoorden. + +--Zeg hem dat wij dadelijk zullen komen. + +--Gij hadt gelijk, broeder, zeide de Griek, toen de wachter zich +verwijderd had.--De vraag tot het volk op den weg en tot den schildwacht +aan de poort heeft ons bekend gemaakt. Ik ben vol ongeduld, laat ons +gaan. + +Haastig bonden zij hunne sandalen aan, sloegen hunne mantels om en +gingen naar buiten. + +--Weest gegroet, en vergeeft mij zoo ik ongeleegen kom; maar mijn +meester, de Koning, zendt mij om u ten paleize te noodigen, waar hij een +mondgesprek met u voeren wil, zeide de bode. + +Boven den ingang der herberg hing een brandende lamp; en bij haar licht +zagen de drie vrienden aan elkanders gelaat, dat de Geest op hen rustte. +Toen wenkte de Egyptenaar den deurwachter tot zich en fluisterde hem +toe: Gij weet waar onze goederen geborgen zijn op het voorplein en waar +onze kameelen rusten. Maak alles gereed terwijl wij weg zijn, opdat wij, +zoo het noodig mocht wezen, bij onze terugkomst dadelijk kunnen afreizen. + +Ik zal er voor zorgen, ga gerust, antwoordde de wachter. + +--Wij zijn gereed, zeide de Egyptenaar daarop tot den bode, breng ons +bij den Koning. + +De straten van de Heilige stad waren toen even nauw als in onze dagen, +maar lang niet zoo vuil en hobbelig; want de vorstelijke bouwheer was +zeer gesteld op reinheid en gemak. Zwijgend volgden de drie vrienden +hunnen leidsman, totdat zij aan een poort kwamen, waar bij een hoog +opvlammend vuur een paar schildwachten op post stonden. Door booggangen +en voorhoven, langs hooge trappen en tal van vertrekken bereikten zij +eindelijk een hoogen toren. Boven gekomen bleef hun gids staan, wees op +een open deur en zeide: Treedt binnen, de Koning wacht u. + +Een geur van sandelhout vervulde het koninklijk vertrek, dat met groote +weelde was ingericht. Vergulde en gebeeldhouwde zetels, muziekinstrumenten, +kostbaar vaatwerk, gouden kandelaars schitterden van licht, in Griekschen +stijl beschilderde muren--en te midden van dat alles zat de Koning op zijn +troon, gereed om hen te ontvangen. + +De drie mannen traden naderbij en bogen eerbiedig. De Koning schelde, +waarop een dienaar binnenkwam en drie zetels aanschoof. + +--Neem plaats, beval de Koning minzaam. + +Toen zij gezeten waren vervolgde hij: Hedenmiddag werd mij van de +Noordpoort bericht gezonden, dat drie vreemdelingen waren aangekomen, en +naar hun uiterlijk te oordeelen van verre kwamen. Zijt gijlieden dat? + +De Egyptenaar boog en antwoordde: Indien wij het niet waren zou de +machtige Herodes niet om ons gezonden hebben. Wij zijn die mannen. + +--Wie zijt gij? Vanwaar komt gij? vraagde de Koning, en voegde er op +veelbeteekenden toon bij: Dat ieder voor zichzelven spreke. + +In weinig woorden deelden zij hem beurtelings hun naam en afkomst mede +en langs welken weg zij de reis naar Jeruzalem genomen hadden. +Eenigszins teleurgesteld vraagde Herodes: Welke vraag hebt gij tot den +hoofdman aan de poort gericht? + +--Wij vraagden hem: Waar is de geboren koning der Joden? + +--Nu begrijp ik waarom het volk zoo opgewonden was. Is er dan een tweede +Koning der Joden? + +Onbevangen antwoordde de Egyptenaar: Er is een jonggeboren Koning. + +Een uitdrukking van smart kwam over het gelaat van den monarch, alsof +een pijnlijke herinnering hem kwelde. Dacht hij misschien aan zijne +onschuldige, vermoorde kinderen?--Niet hier! Niet bij mij! riep hij. + +Een oogenblik later, toen hij zich genoegzaam hersteld had, vraagde hij +met vaste stem: Waar is de nieuwe Koning? + +--Dat is het juist, o Koning, wat wij wenschen te vernemen. + +--Wat gij mij vertelt heeft veel van een sprookje. Op mijn leeftijd is +men al even nieuwsgierig als de kinderen. Het zou wreed zijn mij te lang +in spanning te laten. Vertelt mij daarom alles en ik zal u eeren, zooals +vorsten elkander eeren. Deelt mij alles mede wat gij van den jonggeborene +weet, en ik zal u naar hem helpen zoeken. Zoodra wij hem gevonden hebben, +zal ik voor hem doen wat ik kan; ik zal hem naar Jeruzalem laten komen +en hem een vorstelijke opvoeding geven. Ik zal van mijn invloed bij den +Keizer gebruik maken, om hem tot eer en aanzien te brengen. Van ijverzucht +zal tusschen ons geen sprake zijn, dat zweer ik u. Maar vertelt mij eerst +hoe gijlieden, door zeeën en woestijnen van elkander gescheiden, van zijne +geboorte gehoord hebt. + +--Dat zal ik u naar waarheid zeggen, o Koning. + +--Spreek, zeide Herodes. + +Balthasar stond op en sprak: Er is een almachtig God. + +Herodes ontstelde zichtbaar. + +--Die almachtige God beval ons hierheen te reizen en beloofde ons, dat +wij den Verlosser der wereld zouden zien, dat wij hem zouden zien en +aanbidden, en van zijne komst getuigen. Tot teeken zagen wij ieder op de +plaats waar wij ons bevonden eene ster. Gods Geest geleidde ons; o +Koning, Gods Geest op dit oogenblik met ons! + +Een wonderlijk gevoel doorstroomde de drie vrienden. De Griek bedwong +zich slechts met moeite. Herodes zag van den een naar den ander. +Achterdocht en onwil maakten zich van hem meester. Gij wilt mij wat +wijsmaken, zeide hij. Wat moet er volgen op de komst van den nieuwen +Koning? + +De verlossing der menschen. + +--Van wat? + +--Van zonde. + +--Hoe? + +--Door Geloof, Liefde en Goede Werken. + +--Dan--maar hier zweeg Herodes even, zonder dat één trek op zijn gelaat +verried wat in zijne ziel omging--zij gijlieden de herauten van den +Messias. Is dat alles? + +Balthasar boog toestemmend. + +Herodes drukte weder op den schelknop. Een dienaar verscheen.--Breng de +geschenken, beval de vorst. + +De dienaar ging, maar kwam weldra terug, en bood ieder der bezoekers +knielende een prachtig overkleed en een gouden gordel aan, welke +geschenken zij met Oostersche plichtplegingen aanvaardden. + +--Nog een woord, zeide Herodes, gij hebt gezegd dat gij een ster in het +Oosten hebt gezien. + +--Ja, antwoordde Balthasar, zijne ster, de ster van den jonggeborene. + +--Wanneer ongeveer? + +--Toen ons bevolen werd hierheen te gaan. + +Herodes stond op, ten teeken dat de audiëntie was afgeloopen. Van zijnen +troon dalende zeide hij vriendelijk: Indien gij, hooggeschatte mannen, +hetgeen ik gaarne geloof, werkelijk de herauten zijt van den jonggeboren +Messias, zoo weet dan, dat ik hedenavond de schriftgeleerden ondervraagd +heb over deze dingen. Eenparig getuigen zij, dat hij te Bethlehem in +Judea moest geboren worden. Daarom raad ik u: Gaat naar Bethlehem en +zoekt naarstiglijk totdat gij hem vindt. En als gij hem gevonden hebt, +komt dan weder, opdat ook ik moge gaan en hem aanbidden. Gaat in vrede +en niemand zal u overlast aandoen. Dit gezegd hebbende liet de Koning +hen alleen. + +Onmiddellijk daarop kwam 's Konings boodschapper binnen en geleidde de +drie mannen weder naar de herberg terug. Daar gekomen riep de Griek vol +geestdrift: Laat ons naar Bethlehem gaan, broeders, zooals de Koning ons +geraden heeft. + +--Ja, riep de Hindoe, de Geest getuigt binnen in mij. + +--Het geschiede, zeide Balthasar opgewekt. Onze kameelen staan gereed. + +Na den deurwachter voor zijne moeite rijkelijk beloond te hebben stegen +zij op, lieten zich den weg wijzen naar de Joppe-poort en vertrokken. +Toen zij in het open veld gekomen waren en langs denzelfden weg gingen, +dien Jozef en Maria zoo kort geleden begaan hadden, verscheen aan den +hemel een licht, in het begin zwak en onduidelijk. Hun hart klopte +hoorbaar. Het licht nam toe in kracht, zij sloten de oogen voor dien +glans; toen zij ze weer openden,--zie, daar was de ster weder, maar niet +onbewegelijk en hoog verheven als de andere sterren, neen, laag aan het +firmament en zich zachtkens voortbewegende. Toen vouwden zij de handen +en verheugden zich met groote vreugde. God is met ons! riepen zij +herhaaldelijk, totdat ten laatste de ster zich verhief en stil bleef +staan boven een afdak, gebouwd tegen de helling van een heuvel in de +nabijheid der stad. + + + * * * * * + + +ELFDE HOOFDSTUK. + +HET KINDEKE. + + +Het was de derde nachtwake. De bergtoppen in het oosten werden reeds +flauw verlicht door de opgaande zon; maar in de vallei heerschte nog +nachtelijk donker. De wachter op het dak der oude herberg van Bethlehem +luisterde huiverend van kou naar de eerste teekenen van ontwakend leven, +toen hij eensklaps een licht op den heuvel achter het huis ontwaarde. +Eerst meende hij dat het een toorts was, die iemand in de hand droeg, +daarna zag hij het voor een meteoor aan; het werd helderder en +helderder, en eindelijk zag hij dat het een ster was. Beangst door dat +vreemde verschijnsel wekte hij allen die in huis waren. De meesten +ijlden naar het platte dak. Het licht kwam steeds nader en wierp zijn +schijnsel over rotsen, boomen en wegen; zijn glans werd zoo sterk dat +de lieden de oogen moesten afwenden. De vreesachtigen vielen op hun +aangezicht ter aarde en baden, de meer stoutmoedigen bedekten wel hunne +oogen, maar beproefden toch gedurig naar het licht te kijken. + +Het duurde niet lang, of de herberg en hare geheele omgeving werden er +door verlicht. Zij, die durfden opzien, bemerkten, dat de ster stil +bleef staan boven den ingang der spelonk, waar het kind geboren was. Te +midden van de heerschenden onrust kwamen de drie wijzen bij de herberg, +stegen van hunne kameelen en begeerden binnengelaten te worden. Toen de +deurwachter in zoover van den schrik bekomen was, dat hij aan hun +verlangen kon voldoen, trok hij de grendels weg en opende de deur. In +dat ongewone licht zagen de kameelen er waarlijk spookachtig uit en het +vreemde, opgewonden voorkomen der drie reizigers was niet geschikt om +den man gerust te stellen. In plaats van naar buiten te komen trok hij +zich schuw terug en kon gedurende eenige minuten niet antwoorden op de +hem gedane vraag: Is dit niet Bethlehem in Judea? + +Eerst toen de anderen er bij kwamen schepte hij moed en zeide: Neen, dit +is slechts de herberg, de stad ligt verder. + +--Is hier niet een pasgeboren kind? + +De omstanders zagen elkander verbaasd aan; maar sommigen antwoordden +toch: Ja, ja. + +--Breng ons bij hem, riep de Griek ongeduldig. + +--Ja, breng ons bij hem, herhaalde Balthasar, want wij hebben zijne ster +gezien, dezelfde die gij daar boven het huis ziet, en zijn gekomen om +hem te aanbidden. + +De Hindoe vouwde de handen en zeide: Waarlijk God leeft! Haast u, haast +u! Wij hebben den Verlosser gevonden! Gezegend zijn wij boven alle +menschen! + +De lieden, die nog op het dak waren, kwamen ook beneden en volgden de +vreemdelingen, die door den wachter langs den ons bekenden weg gebracht +werden naar de spelonk. Toen zij echter zagen dat het regelrecht op de +ster afging, keerden sommigen uit angst terug, maar de overigen gingen +mede. Zoodra de drie vreemdelingen de spelonk naderden rees de ster +omhoog, al hooger en hooger in de lucht, om toen zij binnentraden uit +het gezicht te verdwijnen. + +Zij, die getuige waren van wat nu plaats had, moesten weldra erkennen, +dat tusschen de vreemdelingen en de ster een goddelijk verband bestond, +waar ook de bewoners van den stal in betrokken waren. Die maar +eenigszins kon drong mede naar binnen. In de spelonk brandde een +lantaarn, die licht genoeg verspreidde, om de drie reizigers den weg te +wijzen naar de moeder, die het kind in de armen hield. + +--Is dat uw kind? vraagde Balthasar aan Maria. + +En zij, die alles wat het kindeke betrof in haar hart bewaarde en +overlegde, hief het omhoog zoodat het licht op zijn gelaat viel en +zeide: Dat is mijn zoon. + +En zij vielen op de knieën en aanbaden hem. + +Zij zagen dat het kind volkomen gelijk was aan andere kinderen. Geen +stralenkrans of aardsche kroon sierde zijn hoofd. Zijn lippen openden +zich niet om te spreken. Hoorde het hunne vreugdebetuigingen, hunne +gebeden, het gaf geen teeken hoegenaamd, dat het die begreep; +integendeel, het deed wat andere kinderen zouden gedaan hebben--het +staarde met alle aandacht naar de vlam. + +Toen zij het kindeke hunne hulde gebracht hadden, stonden zij op, gingen +naar buiten naar hunne kameelen, en brachten hunne geschenken: goud en +wierook en myrrhe, die zij voor het kind nederlegden. Dit was dus de +Verlosser, om wien te zien zij van zooverre gekomen waren. Zonder te +twijfelen aanbaden zij hem. Waarom? Hun geloof berustte op de teekenen, +gegeven door Hem, dien wij als Vader hebben leeren kennen, en zij +behoorden tot dezulken voor wie zijne beloften zoo algenoegzaam zijn, +dat naar niets anders gevraagd wordt. Er waren slechts weinigen, die het +teeken gezien en de belofte vernomen hadden--de Moeder en Jozef, de +herders en zijzelven,--en die alle geloofden met een volkomen hart. + + + * * * * * + + +BOEK II. + + + * * * * * + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +ROME EN JUDEA. + + +Wij willen thans over een tijdruimte van 21 jaren heenstappen en staan +in het begin der regeering van Valerius Gratus, den vierden keizerlijken +gouverneur van Judea; een tijdvak, waarin Jeruzalem verdeeld werd door +velerlei staatkundige twisten. + +Herodes de Groote was een jaar na de geboorte van het kindeke +gestorven--een uiteinde zoo vreeselijk, dat de Christenwereld het +misschien niet ten onrechte als een straf der Goddelijke Gerechtigheid +beschouwt. Als alle eerzuchtige heerschers droomde hij van een dynastie +te grondvesten. Daarom bepaalde hij in zijn testament, dat het rijk +verdeeld zou worden onder zijne drie zonen, Antipas, Philippus en +Archelaüs, welke laatste tevens den koningstitel moest erven. Dat +testament moest natuurlijk door keizer Augustus bekrachtigd worden, die +dan ook alle bepalingen goedkeurde, uitgenomen ééne--hij weigerde +Archelaüs den titel van koning te verleenen, voordat deze van zijne +bekwaamheid en trouw bewijzen zou hebben gegeven. In plaats daarvan gaf +hij hem den titel van ethnarch. Als zoodanig heeft hij negen jaar +geregeerd en werd toen wegens wangedrag en onbekwaamheid afgezet en naar +Gallië verbannen. + +De keizer liet het daar niet bij. Hij trof de bewoners van Jeruzalem op +een wijze, die hun hoogmoed pijnlijk kwetste. Judea werd namelijk een +Romeinsche provincie verklaard en bij prefectuur van Syrië gevoegd. In +plaats dus dat een koning met vorstelijke praal in het paleis op den +berg Sion troonde, werd de stad bestuurd door een beambte van den +tweeden rang, onder den titel van procurator, die, om de vernedering nog +grievender te maken, niet eens te Jeruzalem mocht wonen, maar te Cesarea +verblijf moest houden. Maar wat hun het meest van alles moest krenken +was dat Samaria, het zoo diep verachte Samaria, aan Judea werd +toegevoegd om te zamen ééne provincie te vormen. + +Eén troost bleef het volk echter nog over en wel deze, dat de +hoogepriester het koninklijke paleis bewonen mocht en in schijn althans +de vierschaar spande. Veel te beteekenen had het niet, want de uitspraak +van een vonnis, de beslissing over leven en dood, berustten bij den +procurator. Het recht werd uitgeoefend in den naam en volgens de wetten +van Rome, en het paleis zelf werd behalve door den hoogepriester bewoond +door den Romeinschen beambte met al zijne trawanten. Toch was voor het +volk, dat van betere tijden droomde, eene zekere voldoening in het feit, +dat de hoogst aanwezige in het paleis een Jood was. Zijne tegenwoordigheid +herinnerde hun de beloften der profeten en den tijd, toen Jehova de +stammen regeerde door de zonen van Aäron; het strekte hun ten teeken dat +God hen niet verlaten had, en leerde hen met geduld wachten op de komst +van den zoon uit Judea's stam, die over Israël heerschen zou. + +Ruim tachtig jaren was Judea een provincie geweest van het Romeinsche +rijk, lang genoeg voor de keizers om te weten, dat de Jood met al zijn +trots gemakkelijk kon geregeerd worden, zoo men zijn godsdienst maar +eerbiedigde. Hierop acht gevende hadden Gratus' voorgangers zich +zorgvuldig onthouden van eenige bemoeiing met de heilige gebruiken +hunner onderdanen. Gratus sloeg echter een anderen weg in. Een van zijn +eerste openbare handelingen was de ontzetting van den hoogepriester +Annas, en de verheffing van Ismaël, den zoon van Fabus. Deze daad, +hetzij op bevel van Augustus gepleegd, of uit eigen beweging, wekte +groote ontevredenheid. Wij zullen den lezer niet vermoeien met een +uitvoerig verslag van de Joodsche politiek dier tijden, maar moeten er +toch tot beter begrip van ons verhaal met een enkel woord van gewagen. + +In die dagen waren in Judea twee partijen, die der aanzienlijken en die +des volks. Na Herodes' dood vereenigden die beide zich tegen Archelaüs, +en bestreden hem nu eens door list, dan door geweld van wapenen. Meer +dan eens weerklonken de heilige hallen op Moria van krijgsgeschreeuw. +Schoon uiterlijk vereenigd hielden de bondgenooten ieder hun eigen +belangen in het oog. De edelen haatten Joazar den hoogepriester, het +volk daarentegen hing hem van harte aan. Toen Archelaüs viel sleepte hij +Joazar mede in zijnen val. Annas werd door de edelen tot hoogepriester +gekozen. Dat gaf het sein tot scheiding, en van nu stonden de vroegere +bondgenoten vijandig tegenover elkander. Gedurende den strijd met den +ongelukkigen Archelaüs had de partij der edelen raadzaam geacht zich met +Rome te verbroederen, en van hen ging het plan uit om Judea tot een +Romeinsche provincie te maken. Nieuwe reden tot haat voor de volkspartij, +en toen Samaria aan Judea werd toegevoegd, geraakte de partij der edelen +verre in de minderheid en bleven zij zonder anderen steun dan het +keizerlijke hof en het prestige van hun rang en rijkdom. + +In weerwil daarvan wisten zij zich toch nog vijftien jaren lang, tot aan +de komst van Valerius Gratus, te handhaven in het paleis en in den +tempel. Annas, de door hen verkozen hoogepriester, had zijne macht trouw +gebruikt ten voordeele van zijn keizerlijken heer. Een Romeinsch +garnizoen bezette den burcht Antonia, een Romeinsche wacht bewaakte de +poorten van het paleis, een Romeinsch rechter deed uitspraak in de beide +rechten, een Romeinsch belastingssysteem, met groote gestrengheid +toegepast, drukte stad en land. Dagelijks werd het volk op duizenderlei +wijze gekweld en moest het zijne afhankelijkheid gevoelen. + +Toch vermocht Annas hen betrekkelijk rustig te houden. Rome bezat géén +trouwer vriend, en bij zijn aftreden werd zijn gemis diep gevoeld. +Zoodra Ismaël in zijne plaats het hoogepriesterlijk kleed had aangedaan, +verruilde Annas de tempelhoven met de raadzaal der volkspartij en wijdde +zich voortaan aan hare belangen. Het vuur, dat vijftien jaren gesmeuld +had, dreigde met vernieuwde kracht op te vlammen. Een maand na Ismaëls +verheffing tot hoogepriester achtte Gratus, de procurator, noodig hem te +Jeruzalem te bezoeken. Toen de Joden, die hem van de wallen uitfloten, +zagen, dat zijne wacht door de Noordpoort Jeruzalem binnentrok en naar +den burcht Antonis marcheerde, begrepen zij het ware doel zijner komst: +een gansche cohorte van Romeinsche legioenen werd aan het reeds +aanwezige garnizoen toegevoegd, en de strop om hun hals nauwer +aangehaald. Wee den overtreder, als de procurator soms noodig mocht +achter een voorbeeld te stellen. + + + * * * * * + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +MESSALA EN JUDA. + + +Op de hoogte van den stand van zaken, kunnen wij thans den lezer +verzoeken, ons in den geest te volgen naar een der tuinen van het paleis +op den berg Sion. Het is een warme namiddag in de maand Juli. De tuin is +aan alle zijden omgeven door gebouwen, van veranda's en galerijen +voorzien, en door open kolonnaden met elkander verbonden, zoodat de +wandelaar, indien er een windje waait, in de gelegenheid wordt gesteld +er zijn voordeel mede te doen. + +De aanleg van den hof is streelend voor het oog. Lanen, grasperken, +sierlijke heesters, enkele hooge boomen, bieden rijke afwisseling. +In het midden een springfontein, wier heldere waterstraal de naaste +omgeving koel houdt. + +Niet ver van die fontein zaten twee knapen van negentien en zeventien +jaar in ernstige gesprekken verdiept. Bij den eersten aanblik zou men +hen voor broeders gehouden hebben. Beiden waren zwart van haar en oogen, +beider gelaat was door de zon verbrand. De oudste zat blootshoofds. Een +ruime tunica, tot aan de knie reikend, was zijn eenig bekleedsel, zijn +lichtblauwe mantel strekte hem tot zitkussen. De tunica van fijne, +grijze wollen stof, met rood omboord en om het midden bevestigd met een +zilveren koord, maakt den Romein kenbaar, en, indien hij onder het +spreken wel eens uit de hoogte neerziet op zijn makker en hem als zijn +mindere behandelt, wie, die weet dat hij tot een der voornaamste +geslachten van Rome, het geslacht Messala, behoort, zal het hem euvel +duiden? + +In de bloedige oorlogen tusschen den eersten keizer en zijn groote +tegenstanders was een Messala de vriend geweest van Brutus. Later, toen +Octavianus om de kroon streed, ondersteunde Messala hem. Octavianus, +keizer Augustus geworden zijnde, gedacht zijne diensten en overlaadde +zijn geslacht met eerbewijzen. Toen Judea een provincie van het +Romeinsche rijk geworden was, zond hij den zoon van zijn ouden vriend +als ontvanger der belasting naar Jeruzalem, in welke hoedanigheid hij +met den hoogepriester het paleis bewoonde. De jongeling met wien wij +zooeven kennis maakten was zijn zoon, en die jeugdige Messala was er +niet weinig trotsch op, dat zijn grootvader in zoo nauwe betrekking +gestaan had tot de edelsten onder de Romeinen. + +De andere knaap was tengerder van gestalte. Zijn kleeding was van fijn +wit linnen, zooals men ze gewoonlijk in Jeruzalem droeg, en een laag in +den nek neerhangende doek beschermde zijn hoofd tegen de zonnestralen. +Zijn gelaat was van het zuiver Joodsche type. Was de schoonheid van den +Romein streng en klassiek, die van de Joodschen knaap was weelderig en +aanvallig. + +--Zeidet gij niet dat de nieuwe procurator morgen komt? vraagde de +jongste der knapen in het Grieksch, de taal die toen, vreemd genoeg, +in Judea overal gebruikelijk was onder het beschaafd publiek. + +--Ja, morgen, antwoordde Messala. + +--Wie heeft het u verteld? + +--Ik heb het Ismaël, den nieuwen gouverneur van het paleis, gij noemt +hem den hoogepriester, gisterenavond aan mijn vader hooren vertellen. +Ik geef toe, dat het meer geloofwaardig zou zijn, als een Egyptenaar, of +zelfs een Idumeër het gezegd had; daarom heb ik het van morgen aan een +hoofdman van den burcht gevraagd. Hij zeide dat alles voor de ontvangst +in gereedheid werd gebracht, dat de wapenknechten helmen en schilden +oppoetsten en de arenden verguldden; dat ongebruikte vertrekken schoon +gemaakt en gelucht werden, alsof men eene vermeerdering van garnizoen +wachtte; de lijfwacht misschien van den grooten heer. + +Een schaduw vloog over Juda's gelaat; hij staarde op den grond. + +--Herinnert gij u nog, vraagde Messala, dat wij hier in den tuin +afscheid van elkander namen, toen ik naar Rome ging? De vrede Gods +vergezelle u! dat waren uw laatste woorden, en ik zeide: Mogen de goden +u bewaren. Hoe lang is dat nu al geleden? + +--Vijf jaar, antwoordde de ander. + +--Nu, gij hebt alle reden van dankbaarheid jegens--ja, jegens wie? De +goden?... Wel, het doet er niet toe. Gij zijt flink opgegroeid, de +Grieken zouden u mooi noemen. Was Jupiter maar tevreden met één +Ganymedes, wat een kostelijke schenker zoudt gij dan niet voor den +keizer zijn. Maar zeg mij, Juda, waarom stelt gij zooveel belang in de +komst van den procurator? + +Juda sloeg de groote ogen op en zag zijnen vriend ernstig aan.--Ja, vijf +jaren, zeide hij. Ik herinner het mij nog heel goed. Gij gingt naar +Rome. Ik zag u wegrijden en weende, want ik had u lief. De jaren zijn +voorbijgegaan en gij zijt tot mij teruggekeerd, goed onderwezen, en +vorstelijk in uw voorkomen--neen, ik scherts niet; maar toch, toch wilde +ik dat gij dezelfde Messala waart van vroeger. + +--Neen, neen, geen Ganymedes, een orakel is mijn vriend Juda. Enkele +lessen bij mijn ouden leermeester in de rhetorica, vlak bij het Forum, +een weinig oefening in de kunst der mysteriën, en Delphi zal in u Apollo +zelven zien. Maar alle gekheid ter zijde, in welk opzicht ben ik niet de +Messala, die ik was bij mijn vertrek? Ik heb eenmaal onder het gehoor +gezeten van den grootsten philosoof onder de zon. Eén gezegde herinner +ik mij nog: Tracht uw tegenstander te begrijpen voordat gij hem +antwoordt.--Stel mij in de gelegenheid u te begrijpen. + +Een donkere blos steeg Juda naar 't gelaat onder Messala's spottenden +blik; toch antwoordde hij op vasten toon: Ik bemerk dat gij uw tijd goed +gebruikt hebt. Gij hebt veel kennis opgedaan, gij spreekt met groote +gemakkelijkheid, maar in uwe woorden ligt een angel verborgen. Toen mijn +vriend Messala wegging was zijne natuur giftvrij. Voor niets ter wereld +zou hij zijn vriend gegriefd hebben. + +De Romein glimlachte, alsof hij zich gestreeld voelde en hief het hoofd +trotsch omhoog. O, plechtstatige Juda, wij zijn niet te Dodona. Laat +dien orakeltoon varen, druk u duidelijk uit. Waarmede heb ik u gegriefd? + +De ander haalde diep adem, trok de koorden van zijn kleed wat stijver +aan en zeide: In die vijf jaren heb ik ook wel wat geleerd. Hillel moge +niet gelijk staan met uw onderwijzer in de logica, en Simeon en Shammai +niet in één adem te noemen zijn met uw leeraar bij het Forum; maar hunne +leer gaat niet op verboden wegen. Die aan hunne voeten zit, gaat heen +vervuld met de kennisse Gods, met de kennis der wet en van Israël; en de +vrucht daarvan is liefde en eerbied voor alles wat daarop betrekking +heeft. Door het bijwonen der vergaderingen van den Grooten Raad en het +bestudeeren van hetgeen ik daar vernam, ben ik tot het inzicht gekomen, +dat Judea niet is wat het vroeger was. Ik ken het onderscheid tusschen +een onafhankelijk koninkrijk en de weinig beteekende provincie, die +Judea thans is, en zou een nietswaardige zijn, ellendiger nog dan een +Samaritaan, indien de vernedering van mijn land mij niet diep ter harte +ging. Ismaël is niet de rechtmatige hoogepriester, en kan dat niet zijn, +zoolang de edele Annas leeft; maar toch is hij een Leviet, een van de +Godgewijden, die duizenden van jaren den Heer onzen God gediend hebben +naar onze wetten. Zijn-- + +Messala viel hem spotachtig lachend in de rede en zeide: O, nu begrijp +ik u. Ismaël is, zegt gij, een indringer; maar dat ik een Idumeër eer +gelooven zou dan hem steekt u,--bij alle goden van den Olympus, wat zijt +gij, Joden, toch zeldzame wezens! Menschen en dingen, hemel en aarde +veranderen, maar een Jood verandert nooit. Voor hem bestaat geen voor- +of achterwaarts; hij is wat zijne voorvaders in het begin waren. Kijk, +ik trek een cirkel in het zand--zoo! en toon mij nu eens aan, waarin het +leven van een Jood verschilt. In de rondte, in de rondte, Abram hier, +Izaäk en Jakob daar, God in het midden. En de cirkel,--bij den +dondergod! de cirkel is nóg te groot. Ik zal een nieuwen trekken. + +Hij zweeg, zette zijn duim op den grond en draaide er met de +uitgestrekte vingers omheen. Kijk, mijn duim wijst de plaats aan waar de +tempel staat, met de vingertoppen trek ik de grenzen van Judea. Is er +buiten die grenzen iets, dat ulieden belang inboezemt? De kunsten +misschien? Herodes was een bouwmeester, daarom is hij vervloekt. +Schilder- of beeldhouwkunst? Het beschouwen van hare voortbrengselen is +zonde. De dichtkunst hebt gij gebonden aan uwe altaren. Wie van u waagt +het als redenaar op te treden, behalve in de synagoge? In den oorlog +verliest gij op de zevenden dag alles wat gij op de zes voorafgaande +gewonnen hebt. Zoo is uw leven, uw gezichtskring. Wie zal mij ten kwade +duiden als ik daarover lach? Wat is uw God, tevreden met de aanbidding +van zulk een volk, vergeleken met onzen Jupiter, die ons zijne adelaars +afstaat, om er de gansche wereld mee te veroveren? Hillel, Simeon, +Shammai, wat zijn die allen, vergeleken met de meesters, die ons leeren +dat alles wat geweten kan worden wetenswaard is? + +De Jood stond op, zijne oogen schoten vuur. + +--Neen, neen, blijf zitten, Juda, blijf zitten, riep Messala, de hand +naar hem uitstrekkende. + +--Gij bespot mij. + +--Luister nog even, zeide Messala lachend. Ik ben u werkelijk dankbaar, +dat gij het oude huis uwer vaderen verlaten hebt om mij hier te komen +verwelkomen en onze vroegere vriendschap weder aan te knoopen, indien +ons dat mogelijk is. Ga, zeide mijn leermeester bij zijn laatste les, +ga, en zoo gij beroemd wilt worden, bedenk dan dat Mars regeert en Eros +zijne oogen gevonden heeft. Hij bedoelde: liefde is niets, oorlog alles. +Zoo is het in Rome. Het huwelijk is de eerste stap tot echtscheiding. +Eros is gevallen, Mars regeert. Ik word soldaat; maar u, Juda, beklaag +ik, want wat kunt gij worden? + +Juda zweeg. + +--Ja, ik beklaag u, arme Juda. Van de school in de synagoge, dan naar +den tempel, en dan, o heerlijkheid, een zetel in het Sanhedrin. Een +leven zonder vooruitzichten! Maar ik--en Juda zag hem in het van +overmoed stralend gelaat,--maar ik--nog is de wereld niet veroverd. De +zee bergt onbekende eilanden. In het noorden leven nog volken, waarmede +wij een lans kunnen breken. Alexanders tocht naar het verre oosten te +voleindigen blijft nog voor den een of ander over. Hoevele gelegenheden +heeft een Romein dus om zich te onderscheiden. + +Na een korte pauze hervatte hij: een veldtocht naar Afrika, een +veldtocht naar Scythië, dan--een legioen! De meesten eindigen hunne +loopbaan daarmede, niet alzoo ik. Ik, bij Jupiter, welk een +vooruitzicht, ik zal mijn legioen opgeven voor een prefectuur. En wat +wil dat niet zeggen! een leven in Rome met geld--geld, wijn, vrouwen, +spelen, dichters bij het feestmaal, intriges aan het hof, dobbelspel het +gansche jaar door. Ziedaar het leven dat ik verlang--een voordeelige +prefectuur, en ik heb alles wat ik begeer. O Juda! hier is Syrië! Judea +is rijk; Antiochië een hoofdstad voor de goden. Ik word de opvolger van +Cyrenius, en gij--zult mijn geluk met mij deelen. + +Romeinsche sophisten en rederijkers zouden Messala waarschijnlijk +toegejuicht hebben; maar den jongen Jood klonken deze dingen vreemd in +de ooren. Het was zoo geheel anders dan hij gewoon was. De wetten en +zeden van zijn volk lieten satire noch humor toe, geen wonder dus dat +hij met gemengde gewaarwordingen naar zijn vriend luisterde, het eene +oogenblik verontwaardigd, het andere niet wetende wat er van te maken. +Messala's hooghartige houding had hem dadelijk onaangenaam getroffen, +weldra werd zij hem zeer hinderlijk, ten slotte onverdragelijk. In zulke +gevallen is men licht geneigd tot toorn, en niet dan met de grootste +moeite bedwong Juda zich, om met een stijf lachje te kunnen zeggen: +Ik heb wel eens hooren beweren, dat er menschen zijn, die met hunne +toekomst kunnen spotten; ik bemerk dat ik niet tot hun getal behoor. + +De Romein zag hem onderzoekend aan en zeide: Waarom zou men de waarheid +niet even goed in schertsenden vorm mogen voorstellen, als in een +parabel? Onlangs ging de groote Fulvia visschen; zij ving meer dan het +geheele overige gezelschap te samen. De reden daarvan was, zeide men, +dat zij een gouden haak aan haar hengel had. + +--Dan was wat gij daar straks zeidet niet alles in scherts gezegd? + +--Vriend Juda, ik zie dat ik u niet genoeg geboden heb. Zoodra ik +prefect ben, met Juda om mij te verrijken, maak ik u tot hoogepriester. + +Juda wendde zich toornig af. + +--Ga niet heen, bad Messala. + +De ander bleef besluiteloos staan. + +--Groote goden, Juda, wat wordt het warm! riep de Romein, om een wending +aan het gesprek te geven. Laat ons een plekje in de schaduw zoeken. + +Maar Juda antwoordde koel: Het is beter als wij van elkander gaan. +Ik wilde dat ik niet gekomen was. Ik zocht een vriend en vond-- + +--Een Romein, vulde Messala aan. + +Juda balde de vuisten krampachtig; maar zich nogmaals bedwingende ging +hij heen. Messala stond op, nam zijn mantel, wierp dien over zijn +schouder en volgde zijn vriend. Toen hij hem ingehaald had legde hij +zijn hand op Juda's schouder en liep naast hem voort. Weet gij nog wel, +zeide hij, dat wij als kinderen altijd zoo liepen, ik met mijn hand op +uw schouder? Laat ons zoo voortgaan tot aan de poort? + +Messala deed klaarblijkelijk zijn best om ernstig en vriendelijk te +zijn; maar zijn gelaat behield de gewone spotachtige uitdrukking. Juda +onttrok zich niet aan dat bewijs van toenadering. + +--Gij zijt een knaap, ik ben een man; sta mij toe als man tot u te +spreken. + +Het zelfbehagen, waarmede de Romein dit zeide, was werkelijk eenig. +Mentor, den jongen Telemachus wijze lessen gevende, had het hem niet +kunnen verbeteren. + +--Gelooft gij aan de Parcen? Maar 't is waar, ik vergat dat gij een +Sadduceër zijt. De Esseërs, dat zijn bij u de verstandige lieden; zij +gelooven aan de zusters. Ik ook. Wat zit dat drietal ons altijd in de +weg bij het plannen maken! Ik ben bezig een plan te maken. Ik baken mijn +weg af, hierheen en daarheen, bij Apollo, op het oogenblik dat ik de +hand uitstrek om mijn doel te bereiken, hoor ik achter mij haar schaar +knarsen. Ik zie om, en daar is zij!--Maar Juda, waarom werdt gij half +razend toen ik van de mogelijkheid sprak, dat ik Cyrenius zou opvolgen? +Dacht gij dat ik mijzelven wilde verrijken door uw Judea te plunderen? +En gesteld dat het zoo was, op een goeden dag zal de eene of andere +Romein dat zeker doen--waarom ik dan niet? + +Juda vertraagde zijnen stap. + +--Vreemde overheerschers hebben Judea onderdrukt, voordat de Romeinen +het onderwierpen, zeide hij op plechtigen toon. Waar zijn zij gebleven, +Messala? Judea heeft ze allen overleefd. Wat eenmaal was zal wederom +zijn. + +Op luchthartigen toon antwoordde Messala: De Parcen hebben nog meer +aanhangers behalve de Esseërs. Welkom, Juda, gij zijt een van de haren. + +--Neen, Messala, reken mij daar niet toe. Mijn geloof rust op de rots, +die de grondslag was van het geloof mijner vaderen--op het verbond van +den God van Israël. + +--Veel te hartstochtelijk, Juda! Wat zou mijn leermeester zich geërgerd +hebben, als ik mij in zijne tegenwoordigheid zoo had durven opwinden! Er +waren nog andere dingen, die ik u had willen vertellen; maar nu durf ik +niet. + +Zwijgend gingen zij een eind verder, toen begon Messala weer: Ik geloof +dat gij thans wel weder in staat zijt om naar mij te luisteren, vooral +omdat wat ik te zeggen heb uzelven betreft. Ik zou u, mijn schoone +Ganymedes, gaarne van dienst zijn. Ik houd van u, zooveel als ik maar +kan. Ik zeide u, dat ik van plan ben soldaat te worden. Waarom zoudt gij +mijn voorbeeld niet volgen? Waarom zoudt gij niet uit den engen cirkel +stappen, waarin uw leven besloten moet zijn, wanneer gij hier blijft? + +Juda gaf geen antwoord. + +--Wie zijn in onze dagen de wijzen? vervolgde Messala. Niet zij die hun +leven doorbrengen in twisten over doode zaken, over Baäls, Jupiters en +Jehova's, over wijsbegeerten en godsdiensten. Noem mij één grooten naam, +onverschillig waar gij hem vandaan haalt--uit Rome, Egypte, het Oosten, +of hier uit Jeruzalem, en Pluto moge mij hebben, als die naam niet +toebehoort aan een man, die zijn roem schiep uit het materiaal, dat het +tegenwoordige hem verschafte, die iets heilig achtte, dat hem niet +diende, en iets verachtte, dat hem zijn doelwit kon helpen bereiken. +Hoe was het met Herodes? Hoe met de Makkabeën? Hoe met den eersten en +tweeden keizer? Volg hen na. Begin vandaag nog. Rome is even +bereidwillig om u te helpen, als den Idumeër Antipater. + +De Joodschen knaap trilde van toorn, en daar de poort openstond +versnelde hij zijnen stap, om zoo spoedig mogelijk vrij te zijn. O Rome, +Rome, mompelde hij. + +--Wees wijs! zeide Messala. Geef de dwaasheden van Mozes en de +overleveringen op. Beschouw de werkelijkheid zooals zij is. Heb den moed +om de Parcen in de oogen te zien en zij zullen u zeggen: Judea is wat +Rome wil, dat het zijn zal. + +Thans waren zij aan de poort gekomen. Juda stond stil en zag Messala +aan, de oogen vol tranen. Ik begrijp u, zeide hij, omdat gij een Romein +zijt; gij kunt mij niet begrijpen, omdat ik een Israëliet ben. Gij hebt +mij pijn gedaan door mij te doen gevoelen, dat wij nooit meer de +vrienden kunnen zijn, die wij vroeger waren--nooit meer. Hier scheiden +wij. De vrede van den God mijner vaderen zij met u! + +Messala bood hem de hand, maar Juda ging de poort door en verdween. De +Romein bleef een oogwenk peinzend staan, toen ging ook hij verder met de +woorden: Het zij zoo. Eros is dood, Mars regeert! + + + * * * * * + + +DERDE HOOFDSTUK. + +JUDA THUIS. + + +Juda stapte intusschen haastig voort, verscheidene straten door, totdat +hij een hecht, vierkant gebouw bereikte, waar hij aanklopte. Toen hem +was opengedaan, trad hij een smalle gang in, aan beide zijden van +steenen banken voorzien, zwart van ouderdom. Aan het einde van die gang +voerde een trap van vijftien treden naar een binnenplaats, aan drie +zijden door het huis ingesloten, hetwelk beneden verdeeld was in vakken, +terwijl de bovenverdieping van terrassen voorzien was. De bedienden, die +af en aan gingen, het geluid van malende molensteenen, de kleedingstukken, +die aan de drooglijnen hingen, de kippen en duiven, de geiten, koeien, +ezels en paarden in de vakken gestald, een groote waterbak--alles toonde +duidelijk aan, dat deze binnenplaats voor huishoudelijke doeleinden +gebruikt werd. Aan de oostzijde was een tusschenmuur, waardoor een poort +toegang verleende tot een tweede plaats, ruim en vierkant, in een hof +herschapen door heesters en klimplanten, bloeiend en frisch gehouden +door een fontein in het midden. Hier waren de vakken tot vertrekjes +ingericht, hoog, luchtig, en van wit- en roodgestreepte voorhangsels +voorzien. Uit dezen hof voerde een trap naar de terrassen op de +bovenverdieping, vanwaar een tweede trap naar het platte dak leidde, dat +rondom door een borstwering omgeven was. Uit de geheele inrichting van +deze woning kon men zien, dat de bewoners lieden van aanzien waren. + +In den hof gekomen begaf Juda zich tusschen het bloeiend struikgewas +door naar de trap, om het terras te bereiken en zijn eigen kamer op te +zoeken. Het zware gordijn oplichtende, dat den toegang afsloot, trad hij +binnen en wierp zich voorover op den divan. Zoo bleef hij uren liggen, +totdat tegen den avond een vrouw op den drempel verscheen en zijn naam +noemde. Op zijn toestemming trad zij binnen. Het avondeten is gebruikt, +zeide zij, het is geheel donker. Heeft mijn zoon geen honger? + +--Neen. + +--Zijt gij ziek? + +--Ik heb slaap. + +--Uwe moeder heeft naar u gevraagd. + +--Waar is zij? + +--In het zomerhuisje op het dak. + +Juda richtte zich op en zat overeind. Heel goed, breng mij iets te eten. + +--Wat zal ik u brengen? + +--Wat gij wilt, Amrah. Ik en niet ziek; maar het is mij alles +onverschillig. Het leven lacht mij niet meer zoo vriendelijk toe als van +morgen. 't Is een nieuwe ziekte, Amrah; en gij, die mij zoo goed kent en +mij altijd in alles geholpen hebt, moet nu maar eens iets bedenken, dat +te gelijk tot voedsel en medicijn kan dienen. Breng mij dus wat gij +noodig oordeelt. + +Amrah's vragen en haar zachte sympathieke toon spraken van een innige +verhouding tusschen die beiden. Zij legde hare hand op zijn voorhoofd, +en verwijderde zich toen zeggende: Ik zal er voor zorgen. Een poosje +later kwam zij terug en bracht op een houten blad een beker wijn, een +kom melk, een paar sneedjes wittebrood, een stuk gebraden kip, honing en +zout, en een bronzen lamp. Nu schoof Amrah een tafeltje aan, zette het +blad daar op en knielde naast den divan neder om den knaap te bedienen. + +Oogenschijnlijk was zij een vrouw van vijftig jaren, donker van +uitzicht, donker van oogen. Een witte tulband bedekte haar hoofd, de +oorlapjes echter vrij latende, die het merkteeken droegen van haren +stand in de maatschappij. + +Zij was een Egyptische slavin, aan wie zelfs het heilige vijftigste jaar +niet de vrijheid zou hebben kunnen hergeven, wat zij overigens ook niet +begeerde, want de knaap, dien zij verzorgde, was haar lief als haar +leven. Zij had hem van zijn vroegste jeugd verpleegd en vond daarin haar +geluk. + +Hij sprak slechts eenmaal gedurende den maaltijd. Amrah, herinnert gij u +Messala nog, die vroeger soms heele dagen bij mij kwam? + +--Zeker. + +--Hij ging eenige jaren geleden naar Rome en is nu teruggekomen. Ik ben +van middag bij hem geweest. + +Een beweging van onwil maakte Amrah alles duidelijk. Ik begreep dadelijk +dat u iets onaangenaams was overkomen, zeide zij hartelijk. Ik heb nooit +van dien Messala gehouden. Vertel mij alles. + +Juda verviel echter in een mijmering en antwoordde op haar dringend +vragen alleen dit: Hij is zeer veranderd en ik wil niets meer met hem te +doen hebben. + +Toen Amrah het blad wegnam stond ook Juda op en begaf zich naar het +platte dak. + +In het oosten wordt het dak van het huis tot allerlei doeleinden +gebruikt. De hitte drijft gedurende de middaguren den gemaklievende in +de koele, donker gemaakte vertrekken. Zoodra echter de zon ten ondergang +neigt, komt hij naar buiten en begeeft zich op het platte dak zijner +woning, dat hem en de zijnen tot huiskamer, salon, speelplaats, +bidvertrek dient. Worden in kouder klimaat geen kosten gespaard om het +inwendige van een huis te verfraaien, in het oosten besteedt men de +meeste moeite om het platte dak geriefelijk, zelfs weelderig in te +richten. De hangende tuinen van Babylon kunnen ons een denkbeeld geven +hoever dat streven eindelijk ging. + +Juda stak het dak over naar de torenkamer in den noordwestelijken hoek +van het huis. Den voorhang ter zijde schuivende trad hij binnen. Het was +er donker; maar daar aan vier zijden boogvormige openingen waren +aangebracht, kon men de sterren aan den hemel zien schitteren. In een +van die openingen rustte een vrouw in halfliggende houding op een divan. +Toen zij hem hoorde naderen liet zij haren waaier op de knie zinken en +riep: Juda, mijn zoon! + +--Hier ben ik, moeder, antwoordde hij, en knielde voor haar neder, +terwijl zij beide armen om zijn hals sloeg en hem teederlijk kuste. + + + * * * * * + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +JUDA'S MOEDER. + + +De moeder hernam hare gemakkelijke houding en de zoon zette zich op den +grond, het hoofd tegen hare knie geleund. Beiden staarden door de +opening over de lagere huizen naar de bergen in het westen. Rondom hen +heerschte diepe stilte, alleen een zacht windje ruischte door de lucht. + +--Amrah heeft mij verteld dat u iets onaangenaams is overkomen, zeide +zij zacht.--Toen mijn Juda nog een kind was, mocht hij zich door +kleinigheden laten ontstemmen; maar nu hij een man geworden is moet hij +niet vergeten, dat hij eenmaal mijn held zal zijn. + +Zij sprak in de taal, waarvan men zich slechts zelden meer bediende; +maar die bij enkele aanzienlijke familiën in eere gehouden werd, om het +onderscheid tusschen Joden en Heidenen scherp af te teekenen, de taal, +waarin Rebekka en Rachel hare kinderen in slaap zongen. + +Die woorden stemden Juda weder tot nadenken. Na een poosje echter greep +hij de hand, waarmede zij hem koelte aanbracht, en zeide: Ja moeder, +vandaag is mij allerlei door het hoofd gegaan, waaraan ik nog nooit +gedacht heb. Zeg mij allereerst: wat moet ik worden? + +--Heb ik het u niet reeds gezegd? Gij moet mijn held worden. + +Hij kon haar gelaat niet zien, maar hij wist dat zij scherste. Op +ernstigen toon zeide hij: Wat zijt gij toch lief en goed, moeder. +Niemand kan ooit zooveel van mij houden als u. + +Hij kuste herhaaldelijk hare hand.--Ik begrijp wel waarom u mijne vraag +niet dadelijk wilt beantwoorden. Tot nu heeft mijn leven u behoord. Hoe +zacht, hoe liefelijk was uwe leiding. Ik wilde dat het altijd zoo kon +blijven; maar dat is onmogelijk. Het is des Heeren wil, dat ik eenmaal +mijzelven zal toebehooren--een droevige dag, een dag van scheiding wacht +ons. Laat ons moedig en ernstig zijn. Ik wil uw held worden; maar u moet +mij helpen. U kent de wet--ieder Israëliet moet een bepaalden werkkring +hebben. Ik zoo goed als een ander, en daarom vraag ik: Wat zal ik +worden? Zal ik de kudden verzorgen? of den akker bebouwen? of de zaag +ter hand nemen? of zal ik schrijver of schriftgeleerde worden? Wat zal +het zijn? Lieve, goede moeder, help mij het antwoord vinden. + +--Gamaliël heeft zeker vandaag een voordracht gehouden, zeide zij op +peinzenden toon. + +--'t Is mogelijk; maar ik was niet onder zijn gehoor. + +--Dan hebt gij gewandeld met Simeon, die, naar men zegt, het talent van +zijne familie geërfd heeft. + +--Neen, ik heb hem niet gezien. Ik ben in het paleis geweest, niet in +den tempel. Ik heb den jongen Messala een bezoek gebracht. + +Een zekere verandering in zijn toon trok de aandacht der moeder. Een +angstig voorgevoel versnelde haar harteklop. De waaier bleef weder +rusten. + +--Messala? Wat kon die zeggen om u onrustig te maken? + +--Hij is zeer veranderd, moeder. + +--Gij bedoelt, dat hij als Romein terugkwam? + +--Ja. + +--Romein, herhaalde zij half tot zichzelve, dat wil overal zeggen: +heerscher. Hoe lang is hij weg geweest? + +--Vijf jaar. + +Zij hief het hoofd een weinig op en staarde naar buiten. + +--Wat Messala zeide, moeder, was op zichzelf scherp genoeg; maar de +manier waarop hij het deed was soms overdragelijk. + +Ik geloof dat ik u begrijp. Rome, haar dichters, redenaars senatoren, +hovelingen, zij zijn allen evenzeer verzot op satire. + +--Ik geloof dat alle machtige volken trotsch zijn, zeide Juda, maar de +trots van dat volk lijkt nergens naar. Het is tegenwoordig zoo erg, dat +hunne goden ternauwernood aan hunnen spot ontkomen. + +--De goden! zeide de moeder levendig, meer dan één Romein heeft +goddelijke eerbewijzen als zijn recht geëischt. + +--Zie, moeder, Messala is altijd min of meer behept geweest met die +onaangename eigenschap. Toen hij nog een kind was heb ik hem meermalen +vreemdelingen zien bespotten, die toch door Herodes met eerbewijzen +worden ontvangen; maar mij liet hij altijd ongemoeid. Vandaag heeft hij +voor het eerst op gekscherenden toon gesproken over onze gebruiken en +onzen God. Ik heb voorgoed met hem gebroken. Maar nu, lieve moeder, +wilde ik gaarne met zekerheid weten, of er werkelijk een grond bestaat +voor de minachting, waarmede de Romein ons behandelt. In welk opzicht +ben ik zijn mindere? Waarom zou ik mij ooit, zelfs in tegenwoordigheid +des keizers, als een slaaf gevoelen? Zeg mij bovenal waarom ik niet, als +ik er den lust toe had, wereldsche eer in al haren omvang mag najagen? +Waarom mag ik het zwaard niet dragen en ten strijde trekken? Waarom mag +ik niet als dichter alle onderwerpen bezingen? Ik mag de edele metalen +bewerken, de kudden weiden, een koopman zijn, maar waarom niet een +kunstenaar, zooals de Grieken? Zeg mij dat, moeder, en dat is eigenlijk +wat mij kwelt: waarom mag een zoon van Israël niet alles doen wat een +Romein doet? + +De moeder richtte zich op en antwoordde: Mijn zoon, Messala was als kind +door zijnen omgang met u en uwe vriendjes bijna zelf een Jood; was hij +hier gebleven, dan zou hij mogelijk een jodengenoot geworden zijn; maar +de jaren in Rome doorgebracht hebben hunnen invloed doen gelden. Ik +verwonder mij niet over de verandering, maar--hare stem beefde--hij had +zich tegenover u althans in acht moeten nemen. Slechts een harde, wreede +natuur kan de eerste liefde vergeten. + +Zachtkens liet zij de hand op het hoofd haars zoons rusten. Zij wilde +hem antwoorden naar zijne behoeften; maar dat antwoord moest volkomen +bevredigend zijn. Zou zij daartoe in staat wezen? + +--Wat gij mij vraagt, mijn kind, is eigenlijk niet door eene vrouw te +beantwoorden. Geef mij tijd tot morgen, dan zal ik den wijzen Simeon-- + +--Neen, moeder, zend mij niet naar hem. + +--Wees gerust. Ik zal hem vragen bij ons te komen. + +--Neen, moeder, want ik heb iets anders noodig dan een onderwijzing. +Hij kan mij niet geven waar ik behoefte aan heb, dat kunt u echter wel. +Ik moet een besluit kunnen nemen, en daaraan kunt u alleen mij helpen. + +Zij zag smeekend op naar den hemel, alsof zij om wijsheid bad, en zeide: +Als wij voor onszelven recht begeeren gaat het niet aan onbillijk te +zijn jegens anderen. Door af te dingen op den moed van eenen overwonnen +vijand verkleinen wij onze eigene overwinning, en als de vijand sterk +genoeg is om ons den terugtocht af te snijden en tot onderwerping te +brengen, dan eischt de achting voor onszelven, dat wij naar een andere +oorzaak van ons ongeluk zoeken, liever dan zijne verdienste te +verdonkeren. Schep moed, mijn zoon. Messala stamt, zooals gij weet, uit +een oud aanzienlijk geslacht. Reeds ten tijde der Romeinsche republiek, +en hoe lang is dat al niet geleden, was het beroemd, en waren niet +weinigen in aanzienlijke betrekkingen geplaatst. Ik herinner mij slechts +één consul van dien naam; maar zij hadden allen den rang van Senatoren, +en hun patronaat was zeer gezocht, omdat zij altijd rijk zijn geweest. + +Als uw vriend vandaag gepocht had op zijne voorvaderen, dan had gij hem +echter, door op uw voorgeslacht te wijzen, beschaamd kunnen doen staan. +Had hij u, om zijne meerderheid te toonen, op de daden, den rang, den +rijkdom van zijne familie gewezen, hoewel dergelijke zinspelingen, +behalve wanneer het volstrekt noodig is, van kleingeestigheid getuigen, +dan hadt gij u ook daarin punt voor punt onbevreesd met hem kunnen +meten. + +Hier zweeg zij en dacht een oogenblik na. Toen vervolgde zij: Waarnaar +wordt de adeldom van een geslacht of familie berekend? Naar den duur van +hun bestaan, zou ik denken. Welnu, in dat opzicht moet een Romein +tegenover een Israëliet steeds het onderspit delven. Hij kan niet verder +terugrekenen, dan tot aan de stichting van Rome. Messala ook niet. Maar +wij? Hoe staat het met ons? + +Als er wat meer licht geweest was had Juda kunnen zien hoe de oogen +zijner moeder fonkelden. Stel voor een oogenblik, hernam zij, dat de +Romein ons den handschoen toewierp, ik zou hem vastberaden te gemoet +treden. Hare stem trilde, een liefelijke herinnering bracht een +wijziging in den vorm harer redeneering.--Uw vader, mijn zoon, is ter +ruste gelegd bij zijne vaderen; maar ik herinner mij als den dag van +gisteren het oogenblik, waarop hij en ik met tal van vrienden opgingen +naar den tempel, om u den Heer voor te stellen. Wij offerden de duiven, +ik gaf den priester uw naam op. In mijne tegenwoordigheid schreef hij +dien in het boek der geslachten van Israël: Juda, zoon van Ithamar, uit +het huis van Hur. Ik zou u niet kunnen zeggen wanneer men met die +inschrijvingen begonnen is. Wij weten echter dat die gewoonte reeds +bestond vóór den uittocht uit Egypte. Ik heb Hillel hooren zeggen, dat +Abraham het register met zijn eigen naam en de namen zijner zonen +geopend heeft, toen God hem riep om zich af te zonderen van de andere +volken, om hem tot den stamvader van zijn eigen uitverkoren volk te +maken. + +Ons volk heeft in menig opzicht de wet overtreden, maar op het +geslachtsregister heeft het altijd zeer nauwkeurig toegezien. Hillel +heeft zelf de boeken bestudeerd. Zij loopen over drie perioden: van de +belofte tot aan den tempelbouw, van den tempelbouw tot aan de +ballingschap, van de ballingschap tot op den huidigen dag. Eenmaal +slechts werd het onderbroken en wel op het einde der tweede periode; +maar toen het volk uit de ballingschap was teruggekeerd, heeft +Zerubbabel als een heilige plicht de Boeken in orde gebracht, en ons in +staat gesteld de lijn onzer afkomst gedurende volle twee duizend jaren +rugwaarts te volgen. + +Wat blijft nu over, denkt gij, van de Romeinsche pocherij op oud bloed? +Naar dien maatstaf gemeten zijn de zonen Israëls, die op gindsche bergen +de kudden weiden, edeler dan de edelsten onder de Romeinen. + +--En ik, moeder, wie ben ik volgens de Boeken? + +--Wat ik gezegd heb, mijn zoon, was een inleiding op uwe vraag. Als +Messala hier was zou hij kunnen zeggen, dat wij met zekerheid niet +verder kunnen terugrekenen dan tot den tijd, toen de Assyriërs Jeruzalem +innamen en den tempel van zijne kostbaarheden beroofden; maar dan zou ik +hem op Zerubbabels werk wijzen. Neen, onze registers zijn trouw en +waarachtig, en als gij zo naslaat in omgekeerde orde, eerst tot de +ballingschap, dan tot aan den bouw van den eersten tempel, terug tot aan +den uittocht uit Egypte, dan kunt gij met den vinger aantoonen, dat gij +lijnrecht afstamt van Hur, den tijdgenoot van Jozua. En is u dat niet +genoeg, neem de Torah en doorzoek het boek Numeri, en onder de +tweeënzeventig generaties na Adam kunt gij uw eigen stamvader vinden. + +Diepe stilte heerschte een tijdlang in het vertrek, toen zeide Juda: +Dank, lieve moeder, dank. Ziet u wel, dat ik gelijk had, toen ik er den +eerwaarden Hillel niet bij begeerde? Hij kon mij niet zoo goed helpen, +als u. Maar is om een geslacht waarlijk te adelen niets meer noodig dan +tijd? + +--O, nu vergeet gij, dat wij nog op iets anders dan op den tijd alleen +bogen. Wij beroemen ons voornamelijk daarop, dat wij door God zijn +uitverkoren. + +--U spreekt van het geheele volk, moeder, en ik van een enkel geslacht, +van onze familie. Wat heeft mijne familie gewrocht in de jaren na vader +Abraham, welke groote daden verheffen hen boven anderen? + +De moeder was niet dadelijk met een antwoord gereed. Zou zij zijne +bedoeling verkeerd begrepen hebben? De grootste voorzichtigheid werd +hier geëischt, dat voelde zij. Daarom zeide zij: Ik vermoed, mijn zoon, +dat ik met een werkelijken en niet met een denkbeeldigen vijand te doen +heb. Als Messala die vijand is, zeg het dan en laat mij niet in het +duister strijden. Vertel mij alles wat hij gezegd heeft. + + + * * * * * + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +EEN ISRAËLITISCHE VROUW. + + +Aldus aangemoedigd deelde Juda zijn moeder uitvoerig mede wat tusschen +hem en Messala was voorgevallen, en stond vooral stil bij de minachting, +waarmede deze over de Joden, hunne gebruiken en beperkten kring +gesproken had. De moeder luisterde zwijgend. Thans begreep zij alles. +Juda was naar het paleis gegaan in de verwachting van na lange scheiding +den speelmakker te zullen weervinden; in plaats daarvan vond hij een +man, die slechts van roem en rijkdom en macht droomde. Gekrenkt in zijn +trots en tevens van een ongekende eerzucht vervuld, was Juda +teruggekomen; de moeder zag het, en niet wetende in welke richting die +eerzucht zich zou ontwikkelen, sloeg haar, de vurige Jodin, de schrik om +'t hart. Indien hij eens afgetrokken werd van het aartsvaderlijk geloof! +Kon zij zich iets verschrikkelijkers voorstellen? Neen, dat moest zij +tot iederen prijs zien te voorkomen, en daarom begon zij op vasten, +bijna plechtigen toon: Ieder volk dat wat beteekent houdt zichzelf voor +het grootste. Wanneer de Romein uit de hoogte neerziet op den Israëliet +en hem bespot, dan doet hij slechts wat de Egyptenaar, de Assyriër en de +Macedoniër vóór hem gedaan hebben, en daar de spot tegen God gericht is, +zal het einde hetzelfde zijn. + +Er bestaat geen wet, die de opperheerschappij der natiën vaststelt; +daarom is de aanspraak op de opperheerschappij ijdel en de strijd +daarover tevergeefs. Heeft een volk zijn glanspunt bereikt en zijne taak +volbracht, dan sterft het òf zijn eigen dood, òf door toedoen van een +ander volk, dat zijne plaats inneemt, zijne macht erft en nieuwe namen +schrijft op zijne monumenten. Dat is de geschiedenis. + +Als iemand mij opdroeg God en den mensch op de eenvoudigste wijze te +symboliseeren, dan zou ik een rechte lijn en een cirkel trekken, en van +de lijn zou ik zeggen: dit is God, want hij beweegt zich onveranderlijk +vooruit, en van den cirkel: dit is de mensch, zijn voortgaan gelijkt een +kringloop. Daarmede wil ik niet zeggen, dat er geen verschil zou zijn +tusschen den voortgang der volken, want geen twee zijn volkomen aan +elkander gelijk. Het verschil ligt echter niet, zooals sommigen meenen, +in de grootte van den cirkel, dien zij beschrijven, maar in de sfeer, +waarin zij zich bewegen. De hoogste sfeer is het dichtst bij God. + +Laat ons nu eens zien in welken cirkel het volk der Hebreën en het volk +der Romeinen zich bewegen. Wil men weten in welke verhouding ze tot God +staan, men heeft slechts te letten op het gewone dagelijkse leven. +Daarvan wil ik alleen zeggen, dat Israël God meermalen heeft vergeten, +terwijl de Romeinen Hem nooit gekend hebben. Van vergelijking kan hier +dus geen sprake zijn. Uw vriend, of liever uw voormaligen vriend, heeft, +als ik u goed begrepen heb, beweerd dat wij geen dichters, geen +kunstenaars, of krijgshelden gehad hebben, dus geen groote mannen. Maar +wat is een groot man? Dat is iemand wiens leven doet zien, dat God hem, +zoo niet geroepen, dan toch in zijn werk bevestigd heeft. Een Pers werd +gebruikt om onze vaderen te tuchtigen, hij voerde ze in gevangenschap; +een andere Pers werd verkoren om aan hunne kinderen het heilige land +terug te geven; grooter dan die beiden was echter de Macedoniër, die de +verwoesting van Judea en van den tempel moest wreken. + +Wat die mannen in het bijzonder onderscheidde was, dat zij door God +uitverkoren werden, om zijnen raad te volbrengen. Dat zij heidenen waren +verkort hun roem niet. Houd dit vooral in het oog. Menigeen verkeert in +den waan, dat een man zich geen beter levensdoel kan kiezen, dan het +zwaard te trekken. Laat u daardoor echter niet misleiden. Dat de mensch +behoefte heeft om iets te aanbidden is een wet, die zich zal laten +gelden, zoolang er iets is dat wij niet begrijpen. Het gebed van den +barbaar is een angstkreet tot de Kracht, de eenige goddelijke +eigenschap, die hij bevatten kan; vandaar zijn geloof in helden. Wat is +Jupiter anders dan een Romeinse held? De Grieken waren de eersten, die +het Verstand boven de Kracht stelden. In Athene waren redenaar en +wijsgeer meer gezien dan de krijger. Den hardlooper moge men nog steeds +toejuichen, de schoonste lauwerkransen worden voor den zanger bewaard. + +Maar was de Griek de eerste, die het oude barbaarsche geloof liet varen? +Neen; die roem komt ons toe. Onze vaderen stelden God in de plaats van +al die valsche godheden. In onzen godsdienst werd de angstkreet +vervangen door het Hosanna en psalmgezang. De Hebreën en Grieken zochten +de menschen voorwaarts en opwaarts te voeren, maar helaas, de Romein, +die de geheele wereld wil overheerschen, stelt den oorlog als volstrekt +noodzakelijk voor, en heeft zijnen keizer geplaatst boven het verstand +en boven God, en hem tot het eenige begrip van macht en grootheid +gemaakt. + +De heerschappij der Grieken was de bloeitijd voor het genie. De +schitterende vernuften, de bekwaamste kunstenaars zijn uit dat volk +voortgekomen, zoo zelfs, dat in alles, behalve de krijgskunst, de Romein +bij hen ter schole moest gaan. Op het Forum neemt de redenaar den Griek +tot model, in ieder Romeinsch lied kunt gij den rhytmus der Grieken +opmerken. Als een Romein den mond opent om lessen van wijsheid of +zedenkunde te geven, of de geheimenissen der natuur te behandelen, dan +is hij òf een leerling van de eene of andere Griekse school, òf hij +ontleent zijne wijsheid aan hunne boeken. De Romein kan in niets op +oorspronkelijkheid aanspraak maken, behalve in het voeren van den krijg. +Zijne kampspelen zijn van Griekschen oorsprong, door bloedige +bijvoegselen genietbaar gemaakt voor zijn ruwen smaak. Zijn zogenaamde +godsdienst is samengesteld uit de godsdiensten van andere volken, zelfs +zijn Mars en Jupiter zijn aan den Olympus ontleend. + +Ziedaar, mijn zoon, de reden waarom alleen Israël de Grieken hunne +meerderheid kan betwisten, met hen om den voorrang kan strijden. Maar de +zelfzucht van den Romein is zoo hard en ondoordringbaar als metaal. +O, de godvergeten roovers! Onder hunnen voet beeft de aarde, als de +dorschvloer onder den vlegel der dorschers. Met de anderen zijn ook wij +afgevallen; ach, mijn zoon, het is hard dat te moeten erkennen! Onze +hoogste, heiligste plaatsen hebben zij genomen, en niemand kan zeggen +wat het einde zijn zal; maar dit weet ik--zij mogen Judea vernielen en +Jeruzalem, die liefelijke bloem, vertreden, Israëls roem zal blijven +stralen als een lichtende ster; want zijn geschiedenis is Gods +geschiedenis. Hij was hun wetgever op Sinaï, hun leidsman door de +woestijn, in den krijg hun aanvoerder, hun koning. Is het denkbaar, mijn +zoon, dat onze vaderen, met wie Jehova op zulk een wijze verkeerde, +niets van Hem zouden geleerd hebben? dat hunne gewone menschelijke +eigenschappen niet in zekere mate den invloed der goddelijke zonden +hebben ondergaan? dat zij, zelfs na verloop van vele eeuwen, in niets +het hemelsche zouden weerspiegelen? + +Zij zweeg eenige oogenblikken, daarna zeide zij: Het is waar, als men +onder kunst alleen de schilder- en beeldhouwkunst verstaat, dan heeft +Israël geen kunstenaars voortgebracht. + +Het kostte haar moeite deze bekentenis te moeten doen, want als +Sadduceeuwsche was het haar, in tegenstelling met de Pharizeën, +geoorloofd het schoone in iederen vorm lief te hebben, onverschillig +waaraan het zijn oorsprong te danken had. + +--Wil men ons echter rechtvaardig beoordelen, hernam zij, dan moet men +niet vergeten, dat het werk onzer handen gebonden was door het gebod: +Gij zult u geen gesneden beeld noch eenige gelijkenis maken; welks +bedoeling door de Sopherim hoogst willekeurig uitgebreid is. Evenmin +moet men vergeten, dat twee Israëlieten, Bezaliël en Aholiab, de +bouwmeesters van den eersten tabernakel, van wie geschreven staat dat +zij bedreven waren in alle handwerk, de cherubim van het verzoendeksel +gemaakt hebben, lang voordat Daedalus in Attica verscheen en met zijn +houten statuen in de beeldhouwkunst zulk een ommekeer teweegbracht, dat +de scholen van Corinthe en Aegina mogelijk werden en triomfeerden. Van +dicht goud waren de cherubim gemaakt, de beide vleugelen omhoog +uitbreidende, en hunne aangezichten waren tegenover elkander,--zoo staat +er geschreven. Wie zal durven beweren, dat zijn niet schoon waren? Of dat +zij niet de eerste statuen geweest zijn? + +--O, nu begrijp ik waarom de Grieken ons voorbijgestreefd zijn, zeide +Juda, die met de grootste belangstelling geluisterd had. En de +ark;--vloek over de Babyloniërs, die haar vernield hebben! + +--Neen, Juda, wees gerust. Zij is niet vernield; zij is verloren +geraakt, te goed verborgen in de eene of andere spelonk. Hillel en +Shammai gelooven beiden dat zij eenmaal, op 's Heeren tijd, +teruggevonden zal worden. Dan zal Israël evenals vanouds voor het +aangezicht des Heeren dansen en zingen. En zij, die dan het gelaat der +cherubim mogen aanschouwen, zouden, al hebben zij ook de elpenbeenen +Minerva gezien, als het mogelijk was den Jood de handen kussen, wiens +genie zulk een kunstwerk ontwierp. + +De moeder was in hare opgewondenheid welsprekend geworden. Zij hield +even stil om tot kalmte te komen. + +--Gij zijt zoo goed, moeder, zeide Juda dankbaar. Shammai zou niet beter +hebben kunnen spreken en Hillel evenmin. U hebt mij weder tot een echten +Israëliet gemaakt. + +--Vleier! Ik herhaal slechts wat ik Hillel heb hooren zeggen, toen hij +onlangs in mijne tegenwoordigheid met een Romeinsch sophist redetwistte. + +--Nu ja, maar u legt er het leven in. + +--Waar ben ik ook weer gebleven? vraagde zij. O ja, ik trachtte onzen +voorvaderen de eer te verzekeren van de eerste statuen gemaakt te +hebben. De beeldhouwkunst, Juda, is niet de eenige kunst; evenmin als de +kunst zelf het eenige is, dat groot genoemd mag worden. Ik stel mij de +groote mannen van vroegere eeuwen voor in groepen en afdeelingen, +volgens hunne nationaliteit; hier de Indiër, daar de Egyptenaar, ginds +de Assyriër, voortgaande onder trompetgeschal en met vliegende vanen, +terwijl rechts en links de voorgeslachten, als eerbiedige bewonderaars +geschaard staan. Ik hoor den Griek zeggen: Ha, de Helleen wijst den weg; +en de Romein antwoordt: Zwijg, uwe plaats is ingenomen door ons, wij +hebben u verre achtergelaten.--En zonder dat de strijders het bemerken +straalt boven die gansche schare een licht, het licht der Openbaring! +Wie zijn de dragers van dat licht? Het oude volk der Hebreën! Klopt uw +hart niet hooger bij die gedachte? Aan dat licht kennen wij hen. Weest +gezegend, onze vaderen, dienstknechten Gods, die het verbond bewaarden! +Gij zijt de leidslieden der menschheid, gij staat aan de spits, en al +ware iedere Romein een Cesar, gij zult die plaats niet verliezen! + +Juda was diep bewogen. Ga voort, bid ik u! riep hij. Het is mij, als +hoor ik het geluid van trommelen en reien. Ik wacht op Mirjam en de +vrouwen, die haar volgden. + +--Goed, mijn zoon. Als gij het gezang der profetes kunt hooren, dan kunt +gij in uwe verbeelding met mij aan en weg gaan staan, om de uitverkoornen +Israëls aan het hoofd van den optocht te zien voorbijtrekken. Daar komen +zij--eerst de patriarchen, dan de vaders der stammen. + +Het is mij als hoor ik de schelletjes hunner kameelen en het blaten +hunner kudden. Maar wie gaat daar zoo alleen te midden van de menigte? +Een oud man; maar zijn oog is niet verduisterd en zijn kracht niet +verzwakt. Hij zag onzen God van aangezicht tot aangezicht. Als de zon in +haren opgang staat hij daar--krijger, dichter, redenaar, wetgever, +profeet. Zijn roem verduistert den roem van alle anderen, zelfs van den +eersten en edelsten der Cesars. + +Op hem volgen de richters, dan de koningen, de zoon van Isaï, een held +in den krijg, een dichter van onsterfelijke gezangen; vervolgens zijn +zoon, die alle koningen overtreft in rijkdom en wijsheid. Buig u neder, +mijn zoon! Die nu komen zijn de eersten in hunne soort en tevens de +laatsten. Hun aangezicht is naar boven gericht, alsof zij naar een stem +uit den hemel luisteren. Hun leven was vol zorg, hunne kleederen rieken +naar graven en spelonken. Hoor! een vrouw onder hen spreekt: looft den +Heer, want Hij heeft heerlijk getriomfeerd! Buig u nog dieper voor hen, +mijn Juda; zij waren Gods dienaren en profeten, die in de toekomst +schouwden en opschreven wat zij zagen. Koningen verbleekten bij hunne +nadering, volken sidderden op het geluid hunner stem. De elementen +gehoorzaamden hun bevel. In hunne hand hielden zij zegen en vloek. Zie +den Thisbiet en zijnen knecht Elisa! Zie den droeven zoon van Hilkia! +Zie de drie jonge mannen, die het beeld weigerden te aanbidden; zie hem, +die op het feestmaal de sterrenwichelaars beschaamde. En daar, mijn +zoon, zie den zoon van Amos, van wien de wereld de belofte ontving van +den Messias! + +Zij haalde diep adem en ging toen voort: Ik heb u onze groote mannen +getoond, Juda, laat ons nu de besten van Rome bezien. Plaats tegenover +Mozes Cesar, en Tarquinius tegenover David; Sylaa tegenover een van de +Makkabeën; de besten der consuls tegenover de richters; Augustus +tegenover Salomo,--welk een vergelijking! + +Zij lachte verachtelijk. + +--Vergeef mij, ik dacht aan den waarzegger, die Julius Cesar waarschuwde +tegen den 15den der maand Maart, en stelde mij voor hoe hij de +ingewanden van een kuiken onderzocht, om de kwade voortekens te vinden. +Dank dan eens aan Elia, hoe hij den zoon van Achab voor den toorn Gods +waarschuwt. En ten slotte, met allen eerbied zij het gezegd, hoe zullen +wij Jehova en Jupiter beoordeelen, tenzij dan naar wat hunne dienaren +gedaan hebben in hunnen naam? Wat nu uwe toekomst betreft, mijn zoon, +dien de Heer, den God van Israël, niet Rome. Voor een zoon van Abraham +bestaat geen andere roem, dan die welke in 's Heeren dienst te behalen +is. + +--Mag ik dus soldaat worden? + +--Waarom niet? Heeft Mozes God niet den Heer der heirscharen genoemd? + +Beiden zwegen eenige oogenblikken, toen hernam de moeder: Ik geef u mijn +toestemming, indien gij namelijk den Heer onzen God en niet den keizer +zult dienen. + +Juda nam die voorwaarde aan, en daar moeder en zoon stil bleven zitten, +ieder in eigen gedachten verdiept, viel de knaap weldra in een zoete +sluimering. Toen stond de moeder op, legde hem een kussen onder het +hoofd, spreidde een deken over hem uit, en verliet zachtkens het +vertrek. + + + * * * * * + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +HET ONGELUK. + + +Toen Juda ontwaakte was de zon reeds boven de bergen verrezen; de duiven +fladderden over het platte dak, of zaten kirrend op den rand der +borstwering. In het zuidoosten staken de vergulde tinnen des tempels, +badend in de zonneschijn, heerlijk af tegen de diep blauwe lucht. Maar +daar had Juda geen oogen voor, want op den divan, vlak bij hem, zat een +bevallig meisje van ongeveer vijftien jaar. Zij speelde op de harp en +zong daarbij met zachte, welluidende stem. + +Toen zij haar lied geëindigd had liet zij de handen in den schoot rusten +en zag hem aan, als verwachtte zij dat hij het gesprek beginnen zou. Wij +willen van dat oogenblik gebruik maken, om het meisje aan onze lezers +voor te stellen en tevens enkele bijzonderheden mede te deelen aangaande +Juda's ouders. + +Herodes was tijdens zijn leven zeer mild geweest met het bewijzen van +vorstelijke gunstbetoon aan lieden, die hij onderscheiden wilde, zoodat +menig Israëliet in het bezit gekomen was van een groot vermogen. Trof +het nu samen, dat zulk een bevoorrechte bewijzen kon, dat hij in rechte +lijn afstamde van een beroemd man, met name uit het geslacht van Juda, +dan werd hij gerekend te behooren tot de "Vorsten van Jeruzalem", eene +onderscheiding, die hem de onderdanigheid zijner minder bevoorrechte +landslieden verzekerde en de achting, zoo niet meer, van de heidenen, +met wie maatschappelijk verkeer of handelsbetrekkingen hem in aanraking +brachten. + +De vader van Juda was één dier Vorsten van Jeruzalem geweest. Steeds +gedachtig aan zijne nationaliteit, die hij nooit verloochende, had hij +toch den koning trouw gediend, zoowel binnen-als buitenlands, en overal +had hij de achting verworven van aanzienlijken en geringen. Meermalen +met eene zending naar Rome belast, had hij de aandacht van Keizer +Augustus getrokken, die zich beijverde zijne vriendschap te winnen. +Dientengevolge was zijn huis vol van vorstelijke geschenken, zooals +purperen gewaden, elpenbeenen zetels, gouden drinkschalen; hoofdzakelijk +van groote waarde om de keizerlijke hand die ze hem vereerd had. Zulk +een man moest wel rijk zijn; maar hij dankte zijn vermogen niet alleen +aan zijn hooge begunstigers. Hij had de wet, die hem tot werken +verplichtte, gehoorzaamd; maar in plaats van zich tot één ambt te +bepalen, had hij zich een veelzijdigen werkkring geschapen. Tal van +herders, die in de vlakte en op de heuvelen rondom Jeruzalem de kudden +weidden, noemden hem heer; in zeesteden zoowel als in de binnenlanden +stichtte hij handelshuizen; zijne schepen brachten hem zilver uit +Spanje, welks mijnen onder de toenmaals bekende tot de rijkste gerekend +werden; en tweemalen 's jaars keerden zijne karavanen uit het Oosten +terug, beladen met zijden stoffen en specerijen. Hij was een geloovig +Hebreër, die stipt de wetten en gebruiken naleefde, een trouw bezoeker +van tempel en synagoge, goed onderwezen in de heilige Schriften. Het +verkeer met de wetgeleerden zocht hij bij voorkeur, en de achting, die +hij Hillel toedroeg, grensde aan vereering. Toch was hij niet eenzijdig. +Zijn gastvrijheid strekte zich uit tot de zonen van alle landen, ja de +Pharizeën beweerden zelfs, dat hij meer dan eens Samaritanen aan zijne +tafel ontvangen had. Was hij een heiden geweest en in leven gebleven, +dan zou hij mogelijk de mededinger van Herodes Atticus geworden zijn; +maar hij was nu tien jaren geleden in de kracht van den mannelijken +leeftijd op zee verongelukt, door geheel Judea betreurd. Met zijne +weduwe en zijn zoon hebben wij reeds kennis gemaakt, thans willen wij +zijn dochter beschouwen, het meisje, dat door haar gezang den broeder +wekte. + +Zij heette Tirza, en geleek sprekend op Juda. Haar gelaatstrekken, even +regelmatig als de zijne, waren dubbel bekoorlijk door de uitdrukking van +kinderlijke onschuld, die er over verspreid lag. Zij was in dit vroege +morgenuur hoogst eenvoudig gekleed. Een wijde tunica, vastgeknoopt op +den rechterschouder, en onder den linkerarm doorgaande, dekte haar +losjes en werd om het middel vastgehouden door een fijn gouden gordel. +Op het hoofd droeg zij een zijden mutsje met afhangende kwast. Gouden +oor- en vingerringen, kostbare arm- en enkelbanden, benevens een kunstig +bewerkt halssieraad, voltooiden haar toilet. Oogleden en vingertoppen +waren naar het toenmalig gebruik geverfd. Twee lange haarvlechten hingen +haar op den rug, terwijl op iedere wang vlak voor het oor een gekrulde +lok rustte. Een liefelijke, bevallige verschijning was de jeugdige Tirza +ongetwijfeld. + +--Heel mooi, Tirza, heel mooi! zeide Juda levendig. + +--Het lied? vraagde zij. + +--Ja, en de zangster ook. Waar hebt gij het opgedaan? + +--Herinnert gij u den Griek nog, die een paar weken geleden in het +theater zong? Men zei, dat hij lofzanger geweest was van Herodes en +zijne zuster Salome. Hij trad op na een paar kampvechters, terwijl er +heel wat leven en beweging was; maar zoodra hij begon te zingen werd het +zoo stil, dat ik woord voor woord kon verstaan. Hij heeft mij het lied +gegeven. + +--Maar hij zong in het Grieksch. + +--En ik in 't Hebreeuwsch. + +--Ja, ja, en daarom ben ik trotsch op mijn zusje. Hebt gij nog meer van +die liedjes? + +--Meer dan een zelfs; maar nu niet. Amrah zond mij om u te zeggen, dat +zij u hier uw ontbijt zal brengen en dat gij niet beneden hoeft te +komen. Zij had al hier moeten zijn. Zij denkt dat gij ziek zijt, dat u +gisteren iets verschrikkelijks is overkomen. Wat was het? Vertel het +mij, dan zal ik Amrah helpen om u beter te maken. Zij kent de +geneesmiddelen van de Egyptenaars; maar die geven niets. Ik heb echter +verscheidene Arabische recepten, die-- + +--Nog minder helpen, dan de Egyptische, zeide hij hoofdschuddend. + +--Meent ge dat waarlijk? Heel goed, dan zullen wij ze laten waar zij +zijn. Ik heb iets dat veel beter en zekerder helpt, een amulet, die, +ik weet niet hoe lang geleden, aan iemand van onze familie gegeven werd +door een Perzisch toovenaar. Kijk, en zij nam den ring uit haar +linkeroor--het inschrift is bijna uitgesleten. + +Hij nam den ring in de hand, bekeek hem, en gaf hem toen lachend +terug.--Al lag ik op sterven, Tirza, dan zou ik den amulet nog niet +willen gebruiken. Zulke dingen zijn afgoderij, en verboden waar voor +geloovige Israëlieten. Bewaar hem, maar draag hem niet meer. + +--Verboden! Volstrekt niet. Vaders moeder droeg hem altijd op Sabbat. +Ik weet niet hoevele zieken er wel door genezen zijn, stellig meer dan +drie. Hij is ook goedgekeurd; zie maar, hier is het merk van den Rabbi. + +--Ik hecht geen geloof aan amuletten. + +Zij zag hem verbaasd aan en vraagde: Wat zou Amrah daarvan zeggen? + +--Amrahs vader en moeder waren Egyptenaren. + +--Maar Gamaliël? + +--Die zegt dat het goddelooze, heidensche gebruiken zijn. + +Tirza bezag haren oorring en draaide hem besluiteloos rond. + +--Wat zal ik er dan mee doen? vraagde zij. + +--Draag hem, zusje. Hij staat u goed, hij maakt u mooi, hoewel gij dat +zonder zijne hulp ook zijt. + +Tevreden gesteld deed zij den ring weder in haar oor. Op hetzelfde +oogenblik trad Amrah binnen en bracht op een blad een waschkom, water en +handdoeken. Daar Juda niet tot de Pharizeën behoorde was de reiniging +spoedig afgeloopen. Amrah verwijderde zich weder en Tirza zette zich aan +het werk, om Juda's haar in orde te brengen. Telkenmale als zij een lok +naar genoegen geschikt had, liet zij hem in den kleinen metalen spiegel +zien, dien zij volgens het gebruik aan haren gordel had hangen. De +arbeid stoorde hun gesprek echter niet. + +--Hebt gij het al gehoord, Tirza? Ik ga weg. + +Verschrikt liet zij de handen in den schoot vallen. + +--Weg! Wanneer? Waarheen? Waarom? + +Hij lachte. Drie vragen te gelijk! Wat zijt ge toch nieuwsgierig. Ja, ik +ga weg. Gij weet, de wet eischt, dat ik mij een beroep kies. Onze vader +gaf mij het voorbeeld. Zelfs gij zoudt mij verachten, als ik de vruchten +van zijn vlijt en kennis in luiheid verteerde. Ik ga naar Rome. + +--O, dan ga ik mee. + +--Gij moet bij moeder blijven. Als we allebei weggingen zou zij van +verdriet sterven. + +Alle vroolijkheid week van haar gelaat.--Ja, natuurlijk. Maar moet gij +dáárvoor weggaan? Hier in Jeruzalem kunt gij alles leeren wat een +koopman weten moet. + +--Maar ik denk er niet aan koopman te worden. De wet eischt niet, dat de +zoon wordt wat de vader was. + +--Wat wilt gij dan worden? + +--Soldaat. + +--De tranen sprongen Tirza in de oogen.--Dan wordt gij doodgeslagen! + +--Toch alleen als het Gods wil is. En, Tirza, niet alle soldaten +sneuvelen. + +Zij sloeg hare armen om zijn hals, alsof zij hem terug wilde houden. + +--Wij waren zoo gelukkig, Juda; blijf bij ons. + +--Dat kan immers niet. Gijzelf gaat mettertijd ook heen. + +--Nooit. + +Hij glimlachte om den ernst, waarmede zij dat verzekerde.--Wie weet hoe +spoedig een vorst van Juda, of van een der andere stammen, mijne Tirza +komt weghalen, en wat zal dan van mij worden? + +Een droevig gesnik was haar eenig antwoord. + +--Het oorlogvoeren moet geleerd worden, vervolgde hij, en daarvoor moet +men ter schole gaan. De beste school is echter een Romeinsch kamp. + +--Gij zult toch niet voor Rome vechten? + +--Gij dus ook, gij zelfs haat Rome? Daarin schijnt de geheele wereld het +eens te zijn. Ja, Tirza, ik zal voor Rome strijden, maar om te leeren +hoe ik eenmaal Rome bestrijden moet. + +--Wanneer gaat gij? + +Maar Juda, die Amrah hoorde terugkomen, zeide: Stil, laat haar niets +merken van mijne plannen. + +De trouwe slavin trad binnen met het ontbijt en plaatste het blad op een +stoel voor de beide jongelieden. Juist zouden zij beginnen, toen hunne +aandacht afgeleid werd door een luid gedruisch op straat. + +--Het zijn soldaten van het Praetorium, riep Juda, die de muziek +herkende;--daar met ik naar kijken, een meteen sprong hij op en snelde +naar de borstwering. Tirza volgde hem en boog zich eveneens voorover om +beter te kunnen zien. Daar hun huis hooger was, dan de huizen in hun +naaste omgeving, konden zij tot aan den burcht Antonia de gansche buurt +overzien. De niet bijzonder breede straat was hier en daar door bruggen +overspannen, die weldra vol menschen en kinderen waren, door de muziek +daarheen gelokt. Muziek mocht het eigenlijk niet genoemd worden; want +wat het volk te hooren kreeg was niet veel meer, dan een vervaarlijk +trompetgeschal, begeleid door de schrille tonen van houten +blaasinstrumenten. + +Weldra kregen de kinderen Hur den optocht in 't gezicht. Eerst een +voorhoede van lichtgewapenden, voornamelijk slingeraars en +boogschutters, vervolgens een afdeeling zwaar gewapend voetvolk, van +groote schilden voorzien, dan de muzikanten, vervolgens geheel alleen +een hoofdman, maar op den voet gevolgd door een bereden wacht, daarna +weder een afdeeling zwaar gewapend voetvolk, die wel eindeloos scheen te +zijn. Het krijgshaftig voorkomen der mannen, het gelijktijdig op- en +neergaan der schilden, het glinsteren van gespen, helmen en borstplaten, +de wuivende vederbossen, de vaandels en speren, dat alles maakte diepen +indruk op den Joodschen knaap. Twee voorwerpen vooral trokken zijne +aandacht, de vergulde arend met de uitgespreide vlerken, die, zooals hij +wist, met goddelijke eerbewijzen uit den burcht gehaald was, en de +hoofdman, die alleen te midden der troepen reed. In volle wapenrusting, +maar het ongedekte hoofd met een lauwerkrans getooid, hield hij den +kommandostaf in de rechterhand. Hij was gezeten op een purperen dek in +plaats van op een zadel, en de leidsels waren met goud gestikt en met +zijden franje afgewerkt. + +Al heel spoedig bemerkte Juda, dat het volk bij het zien van dien +hoofdman zeer opgewonden werd. Zij drongen brutaal naar voren, en hieven +de vuisten dreigend omhoog, zij leunden zoover mogelijk over de +borstweringen der daken en wierpen hem allerlei scheldwoorden naar het +hoofd. Naarmate de stoet dichterbij kwam kon Juda duidelijk het +geschreeuw der menigte verstaan: Roover, tiran, vervloekte Romein! Weg +met Ismaël, geef ons Annas weder! + +Het ontging den knaap niet, dat de hoofdman, zooals ook natuurlijk was, +lang niet onverschillig bleef onder die behandeling. Zijn gelaat stond +donker en dreigend, zoodat de meer angstvalligen terugdeinsden. Aan de +lauwerkrans, dien de ruiter op het hoofd droeg, herkende Juda den +nieuwen Procurator van Judea: Valerius Gratus. + +Het onschuldige voorwerp van den haat der menigte wekte Juda's +medelijden, zoodat hij, toen de Romein den hoek van het huis zou +omslaan, zich nog verder voorover boog om te beter te kunnen zien. +Daarbij leunde hij met de hand op een stuk steen, dat reeds geruimen +tijd gebarsten en losgeraakt was. De drukking was sterk genoeg om het te +doen kantelen en vallen. De knaap ontstelde hevig en wilde den steen +grijpen, hetgeen van de straat gezien den indruk gaf, alsof hij iets van +zich wierp. Zijn poging mislukte, de steen liet geheel los en rolde naar +beneden. Juda schreeuwde zoo hard hij kon, om te waarschuwen. De +soldaten der lijfwacht keken op, zoo ook de procurator, maar op +datzelfde oogenblik viel de steen op hem, zoodat hij als dood achterover +zonk. Nu ontstond een groote ontsteltenis; de wachten stegen ijlings af +en beijverden zich om hunnen heer met een schild te dekken. Het volk +daarentegen, vast overtuigd dat de knaap met opzet den steen geworpen +had, juichte hem luide toe. + +Als vastgenageld stond de arme jongen nog op dezelfde plek, ten volle +beseffende welke vreeselijke gevolgen dit ongeluk na zich zou slepen. +Plotseling scheen een booze geest zich meester te maken van de +toeschouwers op de omliggende huizen. Doldriftig sloegen zij alles kort +en klein wat onder hun bereik was en wierpen dat in blinde woede de +Romeinsche soldaten naar het hoofd. Nu ontstond een bloedig gevecht, +waarin de soldaten natuurlijk overwinnaars bleven. De verwarring, de +slachting, de wanhoop waren vreeselijk om aan te zien. + +Doodsbleek richtte Juda zich op: O, Tirza, Tirza, wat zal er van ons +worden? + +Daar zij den steen niet had zien vallen, en verschrikt door het onzinnig +drijven op de daken niet meer op Juda gelet had, begreep zij het rechte +van de zaak niet, allerminst dat haar of de haren eenig gevaar +dreigde.--Wat is er dan gebeurd, wat doen zij toch? vraagde zij +verschrikt. + +--Ik heb den Romeinschen gouverneur gedood. De steen viel juist op hem. + +Haar gelaat werd nog bleeker dan het zijne. Zij sloeg de armen om hem +heen en zag hem zwijgend, diep bedroefd aan. + +--Ik deed het niet met opzet, Tirza, het was een ongeluk, zeide hij zoo +kalm mogelijk. + +--Wat zullen zij ons doen? vraagde zij. + +Hij luisterde naar het steeds toenemend rumoer en dacht aan het dreigend +gelaat van den procurator. Als hij niet dood was, wie kon dan zeggen +hoever zijn wraak gaan zou; en als hij wèl dood was, tot welke +uitbarstingen van woede zou de aanval van het volk de soldaten niet +kunnen opzweepen! Hij boog zich nogmaals over de borstwering, juist toen +de lijfwacht den procurator weder op het paard hielp stijgen.--Hij +leeft, Tirza, hij leeft! Gezegdend zij de God onzer vaderen! Met dien +uitroep en een opgehelderd gelaat wendde hij zich weder tot haar, om +hare vraag te beantwoorden.--Wees maar niet bang; ik zal hun wel zeggen +hoe het gekomen is, en zij zullen ons ter wille van onzen vader en de +diensten, die hij den keizer bewezen heeft, zeker ongemoeid laten. + +Hij geleidde haar naar de torenkamer; maar zien, eensklaps beefde het +dak onder hunne voeten, een hevig gekraak, alsof balken en deuren werden +ingeslagen, deed zich horen, gevolgd door een kreet van schrik en +ontzetting. Hij bleef staan en luisterde. Het geroep om hulp herhaalde +zich, het geluid van zware voetstappen deed het geheele huis dreunen, +vloeken, smeeken, jammeren, alles door elkander. De soldaten hadden de +noordpoort ingetrapt en waren meester van het terrein. Juda begreep +dadelijk dat het om hem te doen was. Zijne eerste opwelling was te +vluchten; maar waarheen? Alleen vleugelen konden hem redden. Trillend +van angst klemde Tirza zich aan hem vast. + +--O, Juda, wat is er toch gebeurd? + +Hij antwoordde niet. Hij hoorde dat de dienaren werden neergestooten; +en--wat deed men met zijn moeder! Hoorde hij daar niet hare stem?--Met +al de kracht die nog in hem was zeide hij: Blijf gij hier, Tirza, totdat +ik terugkom. Ik zal naar beneden gaan om te zien wat er gebeurd is. +Daarna kom ik u halen. + +Zijn stem was niet zoo vast, als hij wel gewild had. Zij drukte zich +tegen hem aan; maar daar hoorde hij zijne moeder weer luid om hulp +roepen. Hij aarzelde niet langer.--Kom dan, laat ons gaan, zeide hij. + +Beneden aan de trap was het terras vol van soldaten, die met ontbloot +zwaard het eene vertrek voor en het andere na doorzochten. Hier zag men +eenige vrouwen op de knieën liggen, luid smeekende om erbarmen. Maar +daar ginds in dien hoek, met gescheurde kleederen en loshangende haren, +worstelde een vrouw om zich los te rukken uit de handen van een +Romein,--op haar vloog Juda toe met den kreet: Moeder! moeder! Zij +strekte de handen naar hem uit; maar juist toen hij ze vatten zou werd +hij gegrepen en op zijde getrokken. Daar hoorde hij iemand met luide +stem zeggen: Daar is hij! + +Juda keek om en zag--Messala. + +--Wat, is dat de moordenaar?--die jongen? vraagde een statig man in +kostbare wapenrusting. + +--Alle goden! zeide Messala, dat is iets nieuws! Moet een man oud +geworden zijn om ten doode toe te kunnen haten? Hij is de schuldige, en +hier is zijn moeder, en dat is zijn zuster. De geheele familie bij +elkaar. + +Door liefde tot moeder en zuster gedrongen vergat Juda zijn twist met +den voormaligen vriend: Help haar, Messala! Denk aan onze vroegere +vriendschap en help haar. Ik--Juda--smeek er u om. + +Messala deed alsof hij het niet hoorde. Hij wendde zich tot den hoofdman +en zeide: Gij hebt hier mijne diensten niet meer noodig. Beneden op +straat is meer te doen. Weg met Eros, Mars regeert! + +Dit gezegd hebbende verdween hij. Juda begreep hem en in de bitterheid +zijner ziel bad hij: O God, als het uur der wrake geslagen is, laat haar +dan door mijne hand aan hem voltrokken worden. + +Met inspanning van alle krachten wist hij den hoofdman te bereiken.--O +heer, die vrouw is mijne moeder. Spaar haar en spaar mijne zuster. God +is rechtvaardig. Hij zal u genade voor genade bewijzen. + +De man scheen geroerd te zijn.--Naar den burcht met de vrouwen! riep +hij, maar doe ze geen kwaad. Ik zal ze van uwe hand eischen. Toen tot de +mannen, die Juda vasthielden: Bindt zijne handen, en brengt hem naar +buiten; hij zal zijne straf niet ontgaan. + +De moeder werd weggedragen. Tirza, door vrees verlamd, volgde haar +bewakers lijdelijk. Juda zag beiden voor het laatst aan, en sloeg toen +de handen voor het gelaat, alsof hij zich haar beeld onuitwischbaar +wilde inprenten. Indien hij een traan vergoot, niemand heeft het gezien. +Deze weinige oogenblikken waren voldoende geweest, om een volkomen +verandering in hem teweeg te brengen. Toen hij het hoofd weder ophief en +de armen uitstak, om zich te laten binden, was al wat nog kinderlijk aan +hem was verdwenen,--de jongeling was man geworden. + +Op de binnenplaats weerklonk trompetgeschal. De soldaten haastten zich +naar beneden. Menigeen, die het niet waagde met de bewijzen zijner +plunderzucht in de rijen ter verschijnen, wierp zijn buit weg, zoodat de +vloer overal met kostbare zaken bedekt was. Toen Juda beneden kwam, had +de stoet zich weer geordend en wachtte de aanvoerder slechts op de +uitvoering van zijn laatste bevelen. Tirza en hare moeder, benevens het +geheele dienstpersoneel, werden door de noordpoort uitgeleid, die wel +een ruïne geleek. Het gejammer der dienstboden, waarvan verscheidene +ingeboornen des huizes waren, was droevig om aan te hooren. Toen ten +slotte de paarden en het vee weggevoerd werden, begon Juda de wraak van +den procurator ten volle te begrijpen. Alles, tot het woonhuis toe, was +ten verderve gedoemd. Geen levende ziel, zoo luidde het bevel, mocht +binnen zijne muren blijven. Mochten er soms in Judea nog lieden gevonden +worden, vermetel genoeg om een Romeinschen beambte te willen vermoorden, +dan zou het lot der vorstelijke familie Hur hun tot waarschuwing kunnen +dienen, terwijl hunne tot eene ruïne vervallen woning den indruk +levendig zou houden. + +De hoofdman wachtte buiten, totdat een afdeeling soldaten de poort zoo +goed mogelijk weer in orde gebracht had. Het gevecht op straat was +geëindigd. Op de daken toonden hier en daar stofwolken aan, dat de rust +daarboven nog niet geheel hersteld was. De keizerlijke legioenen stonden +in 't gelid, even glansrijk als voorheen. Juda, die voor 't oogenblik +zichzelf geheel vergeten kon, had alleen aandacht voor de gevangenen, +waaronder hij tevergeefs zijne moeder en Tirza zocht. + +Daar verrees eensklaps van den grond, waar zij neergehurkt zat, eene +vrouw, en snelde naar de poort. Een paar van de wachten schoten toe om +haar te grijpen; maar zij ontkwam aan hunne handen onder vreugdegejuich +der toeschouwers. Zij baande zich een doortocht naar Juda, viel aan +zijne voeten neder en omvatte zijne knieën. + +--O, Amrah, goede Amrah, zeide hij, God helpe u, ik kan het niet. + +Het was haar onmogelijk te spreken. + +Hij boog zich tot haar neder en fluisterde: Leef, Amrah, voor Tirza en +mijne moeder. Zij zullen terugkomen, en-- + +Een soldaat trok haar weg; maar zij rukte zich los en snelde door de +poort en de gang naar den ledigen binnenhof. + +--Laat haar gaan, beval de hoofdman. Wij zullen het huis verzegelen, en +zij kan verhongeren. + +De manschappen hervatten hun werk, en toen zij aan dien kant gereed +waren, begaven zij zich naar de westzijde. Daar werd de poort eveneens +dicht gemaakt, waarna het oude paleis Hur vereenzaamd bleef staan. De +cohorte zette zich weder in beweging, terug naar den burcht, waar de +procurator eenige dagen rust hield, om van zijne wond te genezen en over +de gevangenen te beschikken. Tien dagen later bracht hij zijn bezoek aan +het paleis van den hoogepriester. + + + * * * * * + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +DE GEVANGENE. + + +Den volgende dag verscheen een detachement Romeinsche soldaten voor het +verlaten huis, en na de ingangen met was verzegeld te hebben, spijkerden +zij aan de muren een plakkaat, waarop in het Latijn deze woorden te +lezen stonden: + + DIT IS HET EIGENDOM VAN DEN KEIZER. + +Nog een dag later, tegen den middag, naderde een hoofdman met tien +ruiters het stadje Nazareth van de zuidzijde, dat is, komende van +Jeruzalem. Nazareth was toen een onbeduidend dorp, tegen den heuvelrand +gebouwd. De eenige straat, waarop het aanspraak kon maken, was niet veel +meer dan een veel begaan geitenpad. Aan de zuidzijde strekte zich de +groote vlakte uit van Esdrelon, en van een westelijken heuveltop kon men +de Middellandsche zee, de landen van gene zijde der Jordaan, en den berg +Hermon zien liggen. Wijngaarden, tuinen en weilanden boden een +afwisselenden aanblik, terwijl hier en daar een palmboschje aan het +landschap een oostersch karakter verleende. + +De huizen van Nazareth waren onaanzienlijk, vierkant, één verdieping +hoog, van platte daken voorzien, en met frisch groene wingerden +begroeid. Waren de heuvelen van Judea dor en bruin verbrand, bij de +grenslijn van Galilea hield dat naargeestig schouwspel op. + +Toen de ruiters het dorp naderden deden zij hun trompetgeschal +weerklinken, hetgeen een magische uitwerking had op de inwoners. Alle +hekken en deuren gingen open, ieder wilde de eerste zijn om de ongewone +bezoekers te zien. Dat de Nazareners jegens de Romeinsche soldaten alles +behalve welwillend gestemd waren, behoeven wij wel niet te verzekeren; +maar toen zij zagen wat het doel van den tocht was kreeg de +nieuwsgierigheid de bovenhand, en wetende dat de Romeinen halt zouden +maken bij de bron op de markt, verlieten zij hunne huizen en sloten zich +bij den troep aan. + +De ruiters voerden een gevangene mede, dat was het wat ieders aandacht +trok. Hij ging te voet, bloothoofds, half naakt, de handen op den rug +gebonden. De riem, die zijne polsen bijeenhield, was om den hals van een +paard geslagen. Het stof, door de ruiters opgejaagd, hulde hem in een +dikke wolk. Zijn houding was gebogen, zijn gang moeilijk, hij scheen +bijna te bezwijken. + +Bij de bron hielden de soldaten stil en stegen af. De gevangene zonk +uitgeput op den grond; de krachten begaven hem. Toen de dorpelingen +naderbij kwamen en zagen dat het niet veel meer dan een knaap was, +schudden zij medelijdend het hoofd en zouden hem, indien zij slechts +gedurfd hadden, gaarne geholpen hebben. + +Terwijl zij onder elkander beraadslaagden en de soldaten hun dorst +leschten, kwam van den kant van Sepphoria een man aanwandelen. Een vrouw +zag hem het eerst en riep: Kijk, daar komt de timmerman. Nu zullen wij +wel iets te hooren krijgen. + +De bedoelde persoon, een eerwaardig grijsaard met zilveren lokken en een +langen witten baard, naderde met langzamen tred. Over den schouder droeg +hij een bijl en een zaag, alles zwaar en grof. Bij de bron bleef hij +staan en overzag de schare. + +--O, Rabbi, goede Rabbi Jozef, zeide de vrouw en liep op hem toe, hier +is een gevangene. Vraag toch eens aan de soldaten hoe hij heet en wat +hij gedaan heeft, en wat zij met hem gaan doen. + +Het gelaat van den oude bleef onbewogen. Hij beschouwde echter den +gevangene en wendde zich toen tot den hoofdman. + +--De vrede des Heeren zij met u, zeide hij ernstig. + +--En die van de goden met u, antwoordde de Romein. + +--Komt gij uit Jeruzalem? + +--Ja. + +--Uw gevangene is nog zeer jong. + +--In jaren, ja. + +--Mag ik vragen wat hij gedaan heeft? + +--Hij is een moordenaar. + +Met groote verbazing ging dat woord van mond tot mond, maar Rabbi Jozef +vervolgde: Is hij een zoon van Israël? + +--Hij is een Jood, antwoordde de Romein droogjes. + +Het medelijden der omstanders, dat sterk verminderd was, groeide op eens +weer aan. + +--Ik weet niets van uwe stammen af, vervolgde de hoofdman, maar kan u +wel zeggen wie zijn familie is. Misschien hebt gij wel eens van een +zekeren Hur, een vorst van Jeruzalem, gehoord, Ben-Hur noemden zij hem. +Hij leefde ten tijde van Herodes. + +--Ik heb hem gekend, zeide Jozef. + +--Nu, dit is zijn zoon. + +Van alle kanten hoorde men uitroepen van medelijden en ontsteltenis, +hetgeen den hoofdman niet beviel. Daarom liet hij er snel op volgen: +Eergisteren heeft hij den edelen Gratus getracht te dooden, door hem een +steen op het hoofd te werpen, boven van het dak van zijns vaders huis. + +De Nazareners gaapten den jongen Ben-Hur aan, alsof hij een wild dier +was. + +--Heeft hij hem gedood? vraagde Jozef. + +--Neen. + +--Is hij veroordeeld? + +--Ja, tot de galeien, levenslang. + +--God helpe hem! zeide Jozef bewogen. + +Een jonge man, die met Jozef medegekomen, doch onopgemerkt gebleven was, +legde de bijl, die hij over den schouder droeg, neer, ging bedaard naar +de bron, vulde een kruik met water, en boog zich, voordat iemand het +verhinderen kon, over den gevangene om hem te laten drinken. Zacht legde +hij de hand op Juda's schouder, en toen de arme jongen de oogen opsloeg, +zag hij een gelaat om nooit te vergeten, het gelaat van een jonkman, +wiens donkerblauwe oogen hem zoo liefdevol en deelnemend aanstaarden, +dat hij zich in eens gewonnen gaf. Zijn gemoed, verhard door lichamelijk +lijden en zoo verbitterd door het geleden onrecht, dat het aan niets dan +aan wraak kon denken, smolt als was onder dien blik. Hij zette den mond +aan de kruik en dronk het frissche water met lange gretige teugen. Geen +van beiden sprak echter een enkel woord. Toen Juda gedronken had legde +zijn nieuwe vriend zijne hand als zegenend op het hoofd van den +gevangene, bracht vervolgens de kruik weder waar hij die gevonden had, +nam zijn bijl op en voegde zich weder bij Jozef. Aller oogen, zoowel van +de Romeinen als van de dorpelingen, volgenden hem. + +Nadat de soldaten ook de paarden te drinken hadden gegeven begaven zij +zich weder op marsch. Over den hoofdman scheen een verandering gekomen +te zijn. Met eigen hand toch hielp hij den gevangene opstaan en zette +hem achter een soldaat op het paard. + +De Nazareners keerden naar huis terug, onder hen Jozef en zijn metgezel. + +Dit was de eerste ontmoeting tusschen Juda en den zoon van Maria. + + + * * * * * + + +BOEK III. + + + * * * * * + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +QUINTUS ARRIUS. + + +De stad Misenum, eenige mijlen van Napels gelegen, heeft haren naam +gegeven aan het voorgebergte, welks sieraad zij was. Enkele ruïnes, +ziedaar alles wat van haar overbleef; maar in het jaar 24 der +Christelijke jaartelling was de plaats een van de belangrijkste aan de +westkust van Italië. Van den stadsmuur had men een heerlijk gezicht op +de blauwe golf van Napels met hare schilderachtige oevers, op den +rookenden Vesuvius, op Ischia hier en Capri daar, en ten slotte op +Rome's reservevloot, die voor Misenum ten anker lag. Een doorgang in den +stadsmuur voerde toen ter tijde naar een dam, die zich verscheidene +mijlen ver in zee uitstrekte. + +Op een koelen Septembermorgen werd de wachter op den muur boven den +doorgang uit zijne gepeinzen opgewekt door de nadering van een druk +pratend gezelschap. Hij zag even op en hernam zijn vorige houding. Het +gezelschap bestond uit twintig tot dertig personen; het meerendeel +slaven, die brandende fakkels droegen, welke een Indischen nardusgeur +verspreidden. De heeren gingen arm in arm vooraan. Een van hen, een +vijftigjarige, met een lauwerkrans om de slapen, scheen de held van een +of ander feest te zijn. Allen droegen ruime toga's van witte wollen +stof, met breede purperen randen afgezet. De wachter had met één blik +gezien, dat het lieden van aanzien waren, die na een nachtelijke partij +een vriend uitgeleide deden. + +--Neen, Quintus, zeide een van hen tot den bekranste, het staat Fortuna +niet mooi u zoo spoedig aan ons te ontrooven. Eerst gisteren van de reis +teruggekeerd, gaat gij ons nu reeds weder verlaten. + +--Bij Castor, zeide een tweede, waartoe dat klagen? Onze Quintus gaat +slechts herwinnen wat hij van nacht verloren heeft. Dobbelsteenen op een +zwalkend schip staan niet gelijk met dobbelsteenen aan den vasten wal, +is 't wel Quintus? + +--Beleedig Fortuna niet, waarschuwde een derde. Zij is niet blind of +wispelturig. Ontneemt zij hem ons bij tijd en wijle, zij brengt hem ons +toch altijd weer terug met nieuwe lauweren beladen. + +--De Grieken halen hem weg, zeide een ander. Aan hen de schuld; laat ons +dus de goden met rust laten. + +Zoo sprekende ging het gezelschap door de poort op den dam. Den zeeman +klonk het kabbelen der golven als een welkomstgroet in de ooren. Hij +haalde diep adem, alsof het zilte nat hem liefelijker was dan de nardus. +Ziet, sprak hij de hand opheffende, de wind waait uit het westen. Heb +dank, moeder Fortuna! + +De vrienden herhaalden den uitroep in koor, de slaven zwaaiden de +fakkels. + +--Daar komt zij! vervolgde hij, en wees op een naderende galei. Welk +zeeman zou een ander liefje begeeren? Is uwe Lucretia bevalliger, vriend +Cajus? + +Met stralende oogen keek hij naar de galei, die zijn lof waardig was. +Het witte zeil stond bol en de riemen gingen in volmaakte regelmaat en +met vleugelslag op en neder. Ja, zeide hij ernstig, den blik op het +vaartuig gericht, laat de goden rusten. Zij verschaffen ons de +gelegenheden en het is onze eigen schuld, als wij niet slagen. En wat de +Grieken betreft, Lentulus, de zeerovers die ik moet gaan straffen zijn +Grieken. Eene overwinning op hen behaald is van meer gewicht, dan +honderd op de Afrikanen. + +--Gij gaat dus naar de Egeïsche zee? + +--Ja, en daar ik zo spoedig mogelijk vertrek zal ik u de aanleidende +oorzaak vertellen; maar gij moet er niet buitenaf over spreken. Ik zou +niet gaarne willen, dat gij er den duumvir, zoo gij hem weder ontmoet, +over lastig valt; hij is mijn vriend. De handel tusschen Griekenland en +Alexandrië is, zooals gij misschien weet, bijna van evenveel beteekenis, +als die tusschen Alexandrië en Rome. Nu vergat het volk in dat gedeelte +der wereld de Cerealia te vieren, en Triptolemus gaf hun dientengevolge +een oogst, die het inzamelen ternauwernood waard was. Maar de handel is +zoo toegenomen, dat van geen staking hoe kort ook sprake kan zijn. + +Waarschijnlijk hebt gij ook gehoord van de Chersonesische zeerovers, die +in de golf van Euxine nestelen. Brutaler dan zij bestaan niet. Gisteren +werd te Rome bericht ontvangen, dat zij met een vloot den Bosphorus +waren afgeroeid, de galeien bij Byzantium en Chalcedon in den grond +hebben geboord en, op verderen buit belust, de Egeïsche zee opvoeren. +De korenkoopers, wier schepen op de Oost-Middellandsche zee zijn, hebben +een persoonlijk onderhoud met den keizer gehad. Dientengevolge +vertrekken heden nog van Ravenna een honderdtal galeien, en van +Misenum--hij zweeg even, alsof hij de nieuwsgierigheid zijner vrienden +wilde prikkelen--van Misenum één galei. + +--Gelukkige Quintus, wij wenschen u van harte geluk! + +--Deze opdracht is de voorloopster van een bevordering. Wij begroeten u +als duumvir, niet minder. + +--Quintus Arrius de duumvir--dat klinkt nog mooier dan Quintus Arrius de +tribuun. + +--Dank, hartelijk dank! antwoordde Quintus. Hadt gij lantaarnen bij u, +ik zou u auguren noemen. Ja, ik ga nog verder: ik zal u bewijzen dat gij +meesters in het raden zijt. Ziet en leest. + +Uit de plooien van zijn toga bracht hij een rol te voorschijn, +overhandigde die en zeide: Dit ontving ik van Sejanus, terwijl wij aan +den maaltijd waren. + +Die naam had een goeden klank onder de Romeinen, eerst later werd hij +berucht. + +--Sejanus! riepen zij als uit één mond, en staken de hoofden bij +elkander om het stuk te lezen. + + Sejanus aan C. Caecilius Rufus, Duumvir. + + Rome, XIX Kal. Sept. + De keizer heeft het goede nieuws vernomen aangaande Quintus Arrius, + den tribuun. Met name heeft hij den moed hooren roemen, door hem in + de westelijke zeeën betoond. Daarom beveelt hij dat genoemde + Quintus zonder verwijl naar het oosten verplaatst worde. + + Voorts is het de wil van onzen keizer, dat gij onmiddellijk een + honderdtal der best drieriemige galeien afzendt tegen de roovers, + die zich in de Egeïsche zee vertoond hebben, en dat aan Quintus het + bevel over die vloot worde opgedragen. + + Aan u, Caecilius, wordt de bezorging van een en ander overgelaten. + + De zaak dringt, zooals gij zien zult uit de berichten, die hier + bijgevoegd worden, opdat gij en Quintus er kennis van zoudt nemen. + SEJANUS. + +Arrius luisterde slechts ten halve. Het naderende vaartuig nam zijne +aandacht geheel in beslag. Nu zwaaide hij met een slip van zijn toga; +als antwoord op dat signaal werd op het schip een roode vaan geheeschen, +en het zeil ingehaald. De boeg werd landwaarts gekeerd, de riemslag +versneld,--Arrius sloeg het met welgevallen gade. Op zulk een +vaartuig kon men staat maken in den tijd van nood. + +--Bij alle goden! zeide een van de vrienden, hem de rol teruggevende, +wij mogen niet meer zeggen: onze vriend zal een groot man worden; hij is +het reeds. Hebt gij nog meer belangrijks voor ons? + +--Neen, was het antwoord. Wat gij zooeven vernomen hebt is thans reeds +oud nieuws in Rome, ten minste tusschen paleis en Forum. De duumvir is +voorzichtig; wat ik doen moet en waar ik mijn vloot kan vinden zal ik +straks aan boord vernemen. Als gij echter vandaag aan een der altaren +gaat offeren, bidt dan voor uwen vriend, die in de richting van Sicilië +vaart. Maar daar is het schip. Zijne bestuurders boezemen mij belang in, +want zij moeten met mij zeilen en strijden. Dit is geen gemakkelijke +kust om aan te leggen, ik heb dus een kostelijke gelegenheid om over +hunne vaardigheid te oordelen. + +--Wat? is het schip u dan vreemd? + +--Ik zie het nu voor de eerste maal, en weet zelfs niet, of ik er één +bekende op zal aantreffen. + +--Is dat niet gewaagd? + +--Neen, het doet niets ter zake. Op zee leert men elkander spoedig +kennen. In de ure des gevaars wordt onze liefde zoowel als onze haat +geboren. + +Het vaartuig behoorde tot de soort van oorlogsschepen, die op groote +snelheid en plotselinge wendingen waren berekend. Lang, smal, schoot het +als een zwaan door het water. Onder den boeg, in het water +vooruitspringend, was de snavel, uit hard hout vervaardigd en met ijzer +beslagen, die in den strijd als stormram dienst deed. Hecht lofwerk, +langs de volle lengte van het schip, begrensde de verschansing. +Daaronder waren drie rijen openingen voor de roeiriemen, aan iederen +kant zestig. Twee dikke touwen, die over den boeg liepen, gaven het +getal ankers aan, die op het voordek bewaard werden. De eenvoudige +inrichting van het verdek deed zien, dat men zich voornamelijk op de +roeiers verliet. + +Nagenoeg in het midden rees de mast omhoog, die door stangen en staggen +overeind werd gehouden. Het touwwerk diende om een groot vierkant zeil +te besturen. Behalve de manschap, die het zeil gereefd had, was van den +dam gezien nog slechts één man zichtbaar. Deze stond bij den boeg en +droeg een helm en schild. De honderdtwintig eikenhouten riemen, glanzend +wit gehouden door afwrijvingen met puimsteen, gingen zoo regelmatig op +en neer, alsof één hand ze bestuurde. De snelheid waarmee de galei +voortschoot was zoo groot, dat de vrienden van den tribuun hun hart +vasthielden. + +Eensklaps hief de man bij den boeg zijne hand op. Alle riemen gingen +naar boven, bleven een oogenblik omhoog en vielen toen pijlsnel neder. +Het water kookte en borrelde, de galei trilde tot in de voegen, en bleef +dan als verschrikt stil liggen. Een tweede handbeweging van den +commandant, en wederom gingen de riemen op, bleven omhoog en vielen; +maar ditmaal roeiden die van de rechterzijde vooruit, die van de +linkerzijde daarentegen achteruit. Tot driemalen werd deze manoeuvre +herhaald, toen draaide de galei als om hare as naar rechts, ving wind, +en legde zijwaarts bij den dam aan. + +Door die beweging kreeg men het achterschip beter te zien, waar, onder +het hooge gebeeldhouwde en fraai vergulde windhuisje, op een +verhevenheid de stuurman zat, een statige figuur in volle wapenrusting. + +Trompetgeschal weerklonk, en op dat signaal verscheen de bemanning op +het verdek, allen in groot tenue, met glinsterende helmen, schilden en +speren. Terwijl de soldaten front maakten, klommen de matrozen in den +mast en zetten zich op de ra. De officieren en muzikanten namen hunne +plaatsen in. Alles geschiedde met de grootste orde, zonder noodelooze +drukte. Zoodra de galei aan den dam lag werd van het stuurmansverdek een +plank naar den wal gelegd. + +Toen wendde de tribuun zich tot zijne vrienden en zeide met grooten +ernst: Mijn plicht roept mij, waarde vrienden. + +Hij nam den krans van zijn hoofd en gaf hem aan den dobbelaar. Neem gij +den krans, gunsteling der dobbelsteenen! Als ik terugkeer zal ik gaarne +mijn geluk weer beproeven. Overwin ik niet in den strijd, dan kom ik +niet terug. Hang den krans in uw atrium. + +Nu breidde hij de armen uit en omhelsde hen allen. + +--Mogen de goden u vergezellen, Quintus! riepen zij. + +--Vaartwel, zeide hij, groette de slaven, die met de fakkels zwaaiden, +met de hand en keerde zich toen naar het schip. Zoodra hij de plank +betreden had werden de trompetten geblazen, en boven het windhuisje +ontplooide zich de purperen vlag ten teeken dat de vlootvoogd aan boord +was. + + + * * * * * + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +DE ROMEINSCHE GALEI. + + +De tribuun stond op het verdek, met de order den duumvir in de hand en +sprak tot den overste der roeiers: Hoeveel mannen hebt gij? + +--Tweehonderd tweeënvijftig roeiers en tien om in te vallen. + +--Dat geeft een aflossing van.... + +--Vierentachtig. + +--Hoe dikwijls? + +--Om de twee uur. + +De tribuun dacht een oogenblik na, en zeide: Een zware dienst. Dat moet +veranderd worden, maar niet dadelijk, want wij moeten dag en nacht door. + +Toen wendde hij zich tot den loods: Hoeveel jaren dienst hebt gij? + +--Tweeëndertig. + +--Welke zeeën hebt gij voornamelijk bevaren? + +--Tusschen Rome en het oosten. + +--Uitnemend. + +De tribuun zag zijn order nogmaals in. + +--Onze weg gaat langs kaap Camponella, naar Messina. Dan langs de kust +van Calabrië, totdat gij Melite links hebt, dan--kent gij de sterren, +die in de Jonische zee den boventoon hebben? + +--Ja zeker. + +--Goed. Dan van Melito oostwaarts naar Cythera. Als de goden ons gunstig +zijn zullen wij het anker niet uitwerpen, voordat wij de baai van +Antemona binnen loopen. De tijd dringt: ik verlaat mij op u. + +Arrius was een voorzichtig man. Hij behoorde tot de soort van menschen, +die, terwijl zij den goden rijke offers brachten, niettemin van meening +waren, dat het welslagen eener onderneming meer afhing van eigen wijs +beleid, dan van gaven en beloften. Als held van het feest had hij den +ganschen nacht met drinken en spelen doorgebracht; maar de frissche +zeelucht riep den zeeman in hem wakker en hij dacht niet aan rust, +voordat hij zijn schip kende. Na met de officieren en de verschillende +opzichters gesproken te hebben, doorliep hij de galei van onder tot +boven en liet zich van alles volkomen op de hoogte brengen. Dat afgedaan +zijnde bleef hem alleen nog over zijn personeel te leeren kennen, en +daar dit het moeilijkste deel van zijn taak was en nogal tijd vereischte, +zette hij zich dadelijk aan den arbeid. + +Tegen den middag naderde de galei Paestum. De wind woei nog steeds uit +het westen en deed het zeil zwellen. De wachten waren verdeeld. Op het +voordek was een altaar opgericht en met zout en gerst bestrooid. De +tribuun had plechtige gebeden opgezonden tot Jupiter en Neptunus en de +Oceaniden, en onder het doen van velerlei geloften den wijn uitgegoten +en wierook gebrand. Thans zat hij, een recht krijgshaftige figuur, in de +groote kajuit, en bestudeerde de manschappen. + +De kajuit bevond zich in het midden der galei, was zesenvijftig voet +lang en dertig breed en ontving haar licht door drie breede luiken. De +zoldering rustte op twee rijen dunne palen, en in het midden verrees de +mast uit een gansche verzameling van bijlen en speren. Bij ieder luik +voerde rechts en links een trap naar beneden, en daar de luiken +openstonden had het licht er vrijen toegang. Deze ruimte was om zoo te +zeggen het hart van het schip, de plaats van samenkomst voor allen: +eetkamer, slaapkamer, exercitieveld. + +Aan het achtereinde der kajuit voerde een trapje naar een platform, +waarop de hortator, of overste der roeiers zat, die met een stokje de +maat aangaf voor de roeiers. Rechts van hem stond een wateruurwerk, om +de aflossingen naar te berekenen. Boven hem, op een nog hooger gelegen +platform, behoorlijk afgesloten door een vergulde balustrade, was het +kwartier van den tribuun. Van daar kon hij alles overzien. Een rustbed, +een tafel en een leunstoel, alles zeer gerieflijk en kostbaar, maakten +het ameublement uit. + +In dien armstoel gezeten hield Arrius een waakzaam oog over zijne +manschappen, die hem van hunnen kant ter sluik menigen blik toewierpen. +Het langst verwijlde zijne aandacht bij de roeiers. Wat hij daar zag was +overigens zeer eenvoudig. Langs de kajuit, aan de zijwanden van het +schip bevestigd, waren twintig bankjes aangebracht, ieder voor drie +roeiers, in dier voege, dat de tweede op de bank hooger zat dan de +eerste, en de derde hooger dan de tweede. De roeiers op de eerste en +tweede plaats zaten, die van de derde stonden, omdat hunne roeispanen +zooveel langer waren. Het bovengedeelte van de roeispanen was met lood +gevuld. Zij hingen in lenige lederen riemen, die een zwevende beweging +mogelijk maakten, maar tezelfder tijd groote bedrevenheid eischten, daar +een onverwachte golfslag den onoplettenden roeier in eens kon +omverwerpen. De zestig openingen waren even zoovele luchtkokers, zoodat +het hun niet aan frissche lucht behoefde te ontbreken. Licht ontvingen +zij door een traliewerk, dat tot vloer diende van de gang tusschen het +dek en de borstwering boven hun hoofd. + +In sommige opzichten had het lot dier armen dus nog erger kunnen zijn; +maar men moet zich niet verbeelden, dat hun leven genoeglijk was. Het +was hun streng verboden een woord met elkander te wisselen. Dag aan dag +namen zij zwijgend hunne plaatsen in, onder het werk konden zij elkander +niet aanzien, hun korte rusturen werden ingenomen door slaap en een +haastig maal. Nooit zag men hen lachen, nooit hoorde men hen zingen. Het +leven van deze rampzaligen geleek op een onderaardschen stroom, die +langzaam maar zonder ophouden voortzwoegt, totdat hij, onverschillig +waar, vervloeit. + +O, Zoon van Maria! In onzen tijd heeft het zwaard een hart--en dat +danken wij U! maar in de dagen, waarvan wij nu spreken, moesten de +gevangenen slavendienst verrichten op de wallen, in de straten en +mijnen, terwijl de handels- en oorlogsgaleien onverzadelijk waren. Bijna +ieder volk had zijn aandeel geleverd, meest krijgsgevangenen. Britten, +Libyërs, Scythen, Galliërs, Romeinsche boosdoeners, Gothen, Longobarden, +Joden, Ethiopiërs, Grieken, Kimbren, alles zat daar door elkander. + +Het roeien had niets om het verstand, hoe weinig ontwikkeld ook, bezig +te houden. De bewegingen waren zelfs bij onstuimig weer zeer automatisch. +Langzamerhand werden de ongelukkigen stompzinnig, geduldig, geesteloos, +terende op weinige maar liefelijke herinneringen, ten slotte geheel +verstompt en gewoon aan lijden en ontbering. + +Uur op uur zat de tribuun in zijn armstoel en overdacht al wat maar te +overdenken was; alleen niet het ongelukkig lot der slaven op de +roeiersbanken. Het kijken naar hunne regelmatige bewegingen ging hem na +een poosje vervelen. Tot afwisseling wilde hij eens trachten te +ontdekken, of er ook een bijzonder goede of slechte onder school. + +Dat het onnoodig werd geoordeeld de namen der veroordeelden bij te +houden, behoeven wij wel niet te verzekeren; het nummer van hun +zitplaats was voldoende om hen uit elkander te houden. De scherpe blik +van den tribuun ging alle rijen langs, totdat hij ten laatste op Nummer +60 bleef rusten. Deze roeier was nog zeer jong, zoo op het oog +nauwelijks twintig jaar. Behalve een doek om de lenden was hij, evenals +zijne lotgenooten, geheel naakt, waardoor zijne schoone vormen, zijn +krachtig spierweefsel op hun voordeeligst uitkwamen. De wijze waarop hij +zijn werk verrichte, kunstvaardigheid en kracht verradende, ja zijn +gehele houding trokken de aandacht van den tribuun, die eene bijzondere +voorliefde koesterde voor alles wat met athletische oefeningen in +verband stond, en zich vleide een kenner te zijn op dat gebied. + +Kon hij hem nu maar eens in het gelaat zien. Het hoofd was welgevormd en +werd gedragen door een forschen en toch slanken nek. Het profiel was +fijn en van Oostersche type, lang niet alledaagsch, zoodat de tribuun +werkelijk belang in hem ging stellen. + +Bij alle goden, zeide hij hardop, die knaap belooft wat. Ik moet weten +waar hij vandaan komt. + +De toeleg gelukte--de roeier keek om en zag den tribuun aan. + +--Een Jood! Nog een knaap. + +De onderzoekende blik van den tribuun dreef den slaaf het bloed naar de +wangen, zijn groote oogen werden nog grooter, de riem bleef rusten ... +daar sloeg de hortator met een toornig gebaar tegen de tafel. De roeier +schrikte, keek voor zich, en hervatte met verdubbelden ijver zijn werk. +Toen hij later nog eens naar den tribuun omzag steeg zijne verwondering +ten top--hij ontmoette een vriendelijk glimlachje. + +Intusschen stevende de galei de straat van Messina in, liet de stad van +dien naam rechts liggen, en keerde oostwaarts, den Etna met zijn +rookwolken achter zich latende. + +Telkens als Arrius naar zijn zetel op het platform terugkeerde zocht +zijn oog N°. 60 op, en moest hij bij zichzelven herhalen: Daar steekt +iets achter. Een Jood is geen barbaar. Ik moet weten wie hij is. + + + * * * * * + + +DERDE HOOFDSTUK. + +DE GALEISLAAF. + + +Vier dagen later vinden wij de Astrea, zoo heette de galei, in de +Jonische zee. De lucht was helder, de wind gunstig. Daar het niet +onmogelijk was de vloot in te halen vóór het aangewezen punt, bracht +Arrius een groot gedeelte van den dag op het dek door. Hij ging alles +zelf na en was over het algemeen zeer tevreden. N°. 60 verloor hij +intusschen niet uit het oog. + +--Kent gij den man, die daar juist zijn plaats verlaat? vraagde hij den +hortator, die een aflossing bevolen had. + +--N°. 60? + +--Ja. + +--De opzichter keek den roeier na en antwoordde: Zooals gij weet is het +schip eerst sedert een maand uit de hand van zijn maker gekomen, en de +mannen zijn al even nieuw voor mij, als het schip. + +--Hij is een Jood, zeide Arrius nadenkend. + +--De edele Quintus heeft een scherpen blik. + +--Hij is zeer jong, vervolgde Arrius. + +--Maar onze beste roeier. Ik heb zijn riem zien buigen tot brekens toe. + +--Hoe is zijn aard? + +--Hij is gehoorzaam, meer weet ik er niet van. Hij heeft mij slechts +eenmaal een verzoek gedaan. + +--Welk? + +--Hij vroeg mij, of ik hem bij afwisseling nu eens aan de rechter en dan +weer aan de linkerzij wilde plaatsen. + +--Gaf hij een reden op? + +--Ja. Hij had opgemerkt dat de mannen, die altijd aan denzelfden kant +werken, ten laatste scheef worden. Hij zei ook, dat men hem in geval van +storm of gevecht eensklaps aan den anderen kant kon noodig hebben, en +dan zou hij niet van zessen klaar zijn. + +--Zoo, zoo; dat is iets nieuws. Wat hebt gij meer van hem opgemerkt? + +--Hij is veel zindelijker dan de anderen. + +--Daarin is hij dan een Romein, zeide Arrius welvoldaan. + +--Weet gij niets van zijne geschiedenis? + +--Niets hoegenaamd. + +De tribuun dacht een oogenblik na en zeide toen: Mocht ik op het dek +zijn als zijn tijd om is, zend hem dan bij mij; maar alleen. + +Ongeveer twee uren later stond Arrius onder het windhuisje. De stuurman +zat aan 't roer, enkele matrozen lagen in de schaduw van het zeil te +slapen, op een van de stangen zat een wachter. Opziende zag de tribuun +N°. 60 naderen. + +--De hortator noemde u den edelen Quintus Arrius, en zeide, dat ik +volgens uw bevel hier moest komen. Hier ben ik. + +Arrius zag met bewondering naar het slanke gespierde lichaam en dacht +aan de arena. Het optreden van den jongeling trof hem. Zijn toon en +manier van spreken bewezen, dat hij zijn jeugd onder beschaafde lieden +doorgebracht had. Zijne oogen stonden helder en klaar, en de uitdrukking +was meer nieuwsgierig dan uitdagend. Den onderzoekenden trotschen blik +van den tribuun doorstond hij kalm, toonde geen spoor van haat of +wraakgevoel, alleen diep gewortelde droefheid. Dientengevolge liet de +tribuun zijn hoogen toon varen en sprak den slaaf vriendelijk toe: De +hortator heeft mij gezegd dat gij de beste roeier zijt. + +--Dat is heel vriendelijk van hem. + +--Zijt gij reeds lang in dienst? + +--Bijna drie jaar. + +--Aan de riemen? + +--Ja, ik heb geen dag rust gehad. + +--Het werk is zwaar. Menig volwassen man houdt het geen jaar uit en +gij--gij zijt nog zoo jong. + +--De edelen tribuun vergeet, dat de geest ook een woordje meespreekt. +Door zijn toedoen leeren de zwakken soms verdragen wat de sterken doet +bezwijken. + +--Naar uwe spraak te oordeelen zijt gij een Jood. + +--Mijne voorvaderen waren Hebreën lang voordat de eerste Romein bestond. + +--Gij zijt een echte Jood, even trotsch als al de anderen, zeide Arrius, +den verhoogden blos op het gelaat van den jongeling ziende. + +--Trots doet zich nooit zoo sterk gelden, dan wanneer hij geketend ligt. + +--Welke reden hebt gij dan om trotsch te zijn? + +--Dat ik een Jood ben. + +Arrius glimlachte. Ik ben nooit in Jeruzalem geweest, zeide hij, maar ik +heb wel van de vorsten van Jeruzalem gehoord. Ik heb er zelfs een van +gekend. Hij was koopman en voer ter zee. Hij was waard koning te zijn. +Tot welken stand behoort gij? + +--Ik moet u van de galeibank antwoorden. Ik ben een slaaf, maar mijn +vader was een vorst van Jeruzalem en voer als koopman ter zee. Keizer +Augustus kende hem en ontving hem met eerbewijzen aan zijn hof. + +--Hoe heette hij? + +--Ithamar, uit het huis van Hur. + +--Wat! riep de tribuun verbaasd, gij een zoon van Hur--gij? Na een +oogenblik zwijgen vraagde hij: Hoe zijt gij hier gekomen? + +Juda boog het hoofd, hij ademde zwaar. Toen hij zichzelven genoeg +meester was zag hij den tribuun flink aan en zeide: Ik werd beschuldigd +van een moordaanslag op Valerius Gratus, den procurator. + +--Gij! riep Arrius, wiens verbazing nog grooter werd. Gij die +moordenaar! Geheel Rome was er over verontwaardigd. Ik lag met mijn +schip te Lodinum, en hoorde het daar. + +Beiden zagen elkander zwijgend aan. Ik dacht dat het geslacht Hur +uitgeroeid was, zeide Arrius eindelijk. + +Een stroom van liefelijke herinneringen deed Juda's trots bezwijken, de +tranen vloeiden over zijne wangen. Moeder--moeder! en mijn lieve Tirza! +Waar zijn zij? O tribuun, edele tribuun, als gij iets aangaande haar +weet, riep hij, de handen smeekend opheffend, vertel het mij dan. Zeg +mij of zij nog leven, en waar dan, en hoe? O, ik bid u, zeg het mij dan. + +Al sprekende was hij tot vlak voor den tribuun getreden. + +--Drie jaren zijn voorbijgegaan sedert dien vreeselijken dag, vervolgde +hij, drie jaren, edele tribuun, en ieder uur was een marteling voor mij. +De arbeid was mijn enige afleiding. In al dien tijd heb ik geen woord, +geen enkel woord, met iemand gewisseld. O, konden wij, vergetenen, toch +ook maar zelf vergeten. Kon ik dat vreeselijk tooneel maar uit mijn +geheugen bannen! mijn zusje weggerukt van mijne zijde, en die laatste +blik van mijne moeder! In gevaren van pest, stormen en krijgsgewoel heb +ik gelachen, terwijl anderen baden, want de dood zou mij van mijne +ellende verlost hebben. Zeg mij, dat zij dood zijn, want zij kunnen toch +niet gelukkig zijn, zoolang zij over mijn lot in het onzekere verkeeren. +Ik heb haar stemmen 's nachts gehoord, ze roepen om mij. Ik heb ze op de +golven zien wandelen. O mijne moeder, mijn lieve moeder! En Tirza, mijn +zusje, zoo mooi, zoo lief, zoo aardig! Altijd vroolijk, altijd zingende. +En mijne hand, de mijne, heeft haar neergeveld! Ik-- + +--Bekent gij schuld? vraagde Arrius streng. + +De uitdrukking van Juda's gelaat veranderde als met een tooverslag. Zijn +stem werd scherper van toon, zijn geheele lichaam trilde, zijn oogen +schoten vuur, toen hij, de handen opheffende zeide: Gij kent den God +mijner vaderen, Jehova, den eenige. Bij zijne waarheid, zijne almacht, +en bij de liefde, waarmede hij Israël van den beginne heeft liefgehad, +betuig ik: Ik ben onschuldig! + +De tribuun was diep bewogen. + +--O edele Romein! vervolgde Ben-Hur, schenk mij geloof, en doe een +straal van licht vallen in mijne duisternis. + +Arrius wendde zich af en wandelde het dek op en neer. + +--Hebt gij een verhoor ondergaan? vraagde hij, eensklaps stilstaande. + +--Neen. + +De Romein zag verbaasd op. Niet verhoord--geen getuigen opgeroepen? Wie +heeft het vonnis over u uitgesproken? + +De Romeinen, het zij hier even herinnerd, waren nooit méér gesteld op +het in acht nemen van wettelijke formaliteiten, dan in den tijd van hun +verval. + +--Zij hebben mij gebonden en in de gevangenis geworpen. Ik zag niemand, +en niemand sprak tegen mij. Den volgenden dag werd ik door soldaten +weggebracht naar de galeien. + +--Wat hadt gij tot bewijs van uwe onschuld kunnen aanvoeren? + +--Ik was nog een kind, te jong om aan een moord te denken. Gratus was +mij geheel vreemd. Als ik hem had willen dooden zou ik een ander uur en +een andere plaats hebben uitgekozen. Hij reed te midden van zijne +troepen, en het was helder dag. Ik zou niet hebben kunnen ontkomen. Ik +behoorde tot een geslacht, dat met Rome op goeden voet stond. Mijn vader +was door den keizer met onderscheiding behandeld, om de diensten, die +hij den staat bewezen had. Wij hadden een groot fortuin te verliezen. +Niet alleen ik, maar ook mijne moeder en zuster zouden moeten boeten. +Ik had geen reden om zulk een misdaad te begaan, en de gedachte aan huis, +familie, geweten, Wet, zou mijne hand hebben tegengehouden, al was de +begeerte ook nog zoo sterk in mij geweest. Ik was niet krankzinnig. De +dood was te verkiezen boven de schande en, geloof mij, zoo denk ik er +nog over. + +--Wie was bij u, toen de procurator getroffen werd? + +--Ik was op het dak van ons huis. Tirza was bij mij. Zij stond naast +mij. Ik leunde over de borstwering om de soldaten te zien voorbijgaan. +Een losgeraakte steen kantelde door de drukking van mijne hand, en viel +op Gratus. Ik was doodelijk ontsteld. + +--Waar was uwe moeder? + +--Beneden in haar kamer. + +--Wat is van haar geworden? + +Ben-Hur balde de vuisten en hijgde naar adem. Ik weet het niet. Ik zag +dat zij haar meesleurden--dat is alles. Alle levende ziel werd uit het +huis verdreven, zelfs het stomme vee, en de poorten werden verzegeld. De +bedoeling was dat zij er niet meer zou terugkomen. Waar is zij? O, dat +ik het wist! Zij ten minste had er geen schuld aan. Ik kan vergeven,--maar +'t is waar, een slaaf moet maar zwijgen van vergeven of van wraak nemen. +Ik ben levenslang tot de galeien veroordeeld. + +Arrius luisterde aandachtig. Hij riep al zijne ondervinding met slaven +te hulp. Als dit comediespel was, dan was de Jood een geboren acteur; +maar was hij werkelijk onschuldig, met welk een blinde woede was men dan +tegen hem te werk gegaan! Een gansche familie weggevaagd, om voor een +ongeluk te boeten. Dat ging te ver.--De tribuun was een zeer streng man; +maar hij was ook rechtvaardig. Zijne onderhoorigen noemden hem den +goeden tribuun. + +In het verhaal van den jongeling was veel dat ten zijnen gunste sprak. +Misschien kende Arrius Valerius Gratus, maar voelde hij zich niet tot +hem aangetrokken. Misschien had hij den ouderen Hur gekend.... Hoe het +zij, ditmaal wist de tribuun met recht wat hij doen zou. Zijne macht aan +boord was onbeperkt. Alles noopte hem om genade te bewijzen. Hij +geloofde den jongen roeier. Maar, zooals hij tot zichzelf zeide, er was +geen haast bij, terwijl hij wèl haast had om Cythera te bereiken. Den +besten roeier vrij te geven, dat ging niet. Hij zou wachten, hij moest +nog meer zien te vernemen; hij moest ten minste zeker weten dat dit +vorst Hur was, en dat hij een goede inborst had. Gewoonlijk waren slaven +leugenaars. + +--Het is goed, zeide hij, gij kunt gaan. + +Ben-Hur boog, zag nog eenmaal zijnen gebieder aan, maar ontdekte niets +dat hem hoop kon geven. Langzaam wendde hij zich af, keek nog eenmaal om +en zeide: Indien gij bij geval weder aan mij denken mocht, edele tribuun, +wil u dan vooral herinneren, dat ik alleen om tijding gevraagd heb van +mijne moeder en zuster. + +Hij ging. Arrius volgde hem met bewonderende blikken. Bij alle goden, +dacht hij, met een weinig leiding zou hij in de arena kunnen schitteren. +Wat een looper! Welk een arm voor het zwaard!--Halt! riep hij luid. + +Ben-Hur bleef staan. Wat zoudt gij doen als gij vrij waart? vraagde de +tribuun. + +--De edele Arrius spot met mij, antwoordde de jongeling met bevende +lippen. + +--Neen, bij alle goden, neen! + +--Dan wil ik u gaarne antwoorden. Vóór alle dingen zou ik mijn plicht +doen. Ik zou mijzelven geen rust gunnen, voordat ik mijne moeder en +Tirza weder thuis gebracht had. Iederen dag, ja ieder uur zou ik aan +haar geluk wijden. Ik zou haar dienen, trouwer dan de trouwste slaaf. +Zij hebben veel verloren; maar bij den God mijner vaderen, ik zou haar +méér terugbezorgen! + +Zulk een antwoord had de Romein niet verwacht. Hij aarzelde een +oogenblik. Maar, zeide hij, als uwe moeder en zuster dood waren, of niet +gevonden konden worden, wat zoudt gij dan doen? + +Het gelaat van Ben-Hur werd met een doodelijken bleekheid overtogen. Hij +staarde in de golven. Hij scheen een zwaren strijd te strijden. Toen hij +tot bedaren gekomen was vraagde hij: Welk beroep ik zou kiezen? + +--Ja. + +--Tribuun, ik zal u naar waarheid antwoorden. Den avond vóór dien +vreeselijken dag had mijne moeder mij toegestaan soldaat te worden. Daar +wensch ik bij te blijven, en daar er in de geheele wereld slechts ééne +leerschool is, zou ik daar heengaan. + +--De arena! riep Arrius. + +--Neen, een Romeinsch kamp. + +--Maar gij moet toch eerst de wapenen leeren hanteeren. + +Het is altijd gevaarlijk voor een meester een slaaf raad te geven. +Arrius zag dadelijk zijne fout en veranderde van toon. Ga nu, zeide hij, +en bouw geen hoop op wat wij nu verhandeld hebben. Wie weet of ik mij +misschien wat met u heb willen vermaken. Of--indien gij er toch met hoop +voor de toekomst aan denken wilt, kies dan tusschen den roem van een +gladiator en den dienstplicht van een soldaat. Het eerste kan de gunst +des keizers u bezorgen, als soldaat hebt gij op niet te hopen. Gij zijt +geen Romein. Ga! + +Twee minuten later zat Ben-Hur weder op zijne plaats. Het zwaarste werk +wordt gemakkelijk als het hart luchtig is. Het roeien viel Juda niet +meer zoo hard. Een straal van hoop was in zijne ziel gevallen. Hij kon +het niet onder woorden brengen, maar zijn gevoel zeide hem dat hij zich +niet bedroog. Telkens als de waarschuwing van den tribuun: misschien heb +ik mij met u willen vermaken,--hem voor den geest kwam, verdreef hij +haar. Dat de groote man hem geroepen had en hem zijne geschiedenis had +laten vertellen was het voedsel, waarmee hij zijn hongerige ziel voedde. +Ja zeker, er zou iets goeds uit voortkomen. Hoopvol en dankbaar bad hij: +o God, ik ben een echte zoon van het volk Israël, dat gij zoozeer bemind +hebt. Help mij, o help mij! + + + * * * * * + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +EEN LICHTSTRAAL + + +In de baai van Antemona, ten oosten van het eiland Cythera, lagen de +honderd galeien bijeen. De tribuun wijdde één dag aan de inspectie der +vloot. Toen vertrok hij naar het eiland Naxos, het grootste van de +Cycladen, dat halverwege de kust van Griekenland en Azië als een rots in +zee omhoog rijst. Hier kon geen enkel voorbijzeilend schip aan zijn oog +ontsnappen, en kon hij tevens de zeeroovers dadelijk nazetten, hetzij +zij zich in de Egeïsche of in de Middellandsche zee vertoonden. Terwijl +de vloot in goede orde koers zette naar de rotsachtige oevers van het +eiland, kwam van het noorden een galei aanzeilen. Arrius ging haar te +gemoet. Zij kwam rechtstreeks van Byzantium, en haar bevelhebber kon hem +de bijzonderheden mededeelen, die hij noodig had te weten. + +De zeeroovers waren allen geboortig van de verder gelegen kusten der +Zwarte zee. Zelfs Tanaïs was vertegenwoordigd. Met de grootste +geheimzinnigheid hadden zij hunne toebereidselen gemaakt. Onverwachts +hadden zij zich in den Tracischen Bosphorus vertoond, en de daar +liggende vloot verbrand. Vandaar tot aan de Hellespont waren alle +mogelijke schepen hun in handen gevallen. Hun eskader bestond uit zestig +goed bemande en goed uitgeruste galeien. De bevelhebber was een Griek. +Ook de loodsen, op al de Oostelijke zeeën goed bekend, waren Grieken. +Zij hadden ongeloofelijk veel buit behaald, zoodat niet alleen op zee, +maar ook in de steden angst en schrik heerschten. De handel stond bijna +geheel stil. + +Waar bevonden de zeeroovers zich thans? + +Op deze vraag, voor Arrius van het meeste gewicht, kreeg hij nu het +antwoord. + +Nadat de vijand Hephestia op het eiland Lemnos geplunderd had, was hij +overgestoken naar de Thessalische eilanden en tusschen Euboea en Hellas +verdwenen. + +Zoo luidde het bericht. + +Door het zeldzaam schouwspel uitgelokt hadden de bewoners van het eiland +Naxos zich aan de kust verzameld en zagen zij Arrius' schoone vloot +eensklaps den steven noordwaarts wenden. Zij hadden het stout bestaan +der zeeroovers vernomen, en toen zij de witte zeilen naoogden grepen zij +moed. Wat Rome met sterke hand vasthield verdedigde zij ten allen tijde; +als tegengift voor de opgelegde schatting, gaf zij hare schatplichtigen +bescherming en veiligheid. + +De tribuun was meer dan tevreden. De fortuin was hem gunstig. Zij had +hem niet alleen dadelijke en zekere inlichtingen verschaft, maar ook +zijne vijanden in een vaarwater gelokt, waar dood en verderf hen +wachtte. Hij wist welke schade een enkele galei op een zee als de +Middellandsche kon veroorzaken, en hoe bezwaarlijk zulk een galei te +achterhalen en aan te vallen was. Hij wist ook, dat juist die +omstandigheden zijn roem verhoogen zouden, indien het hem gelukte met +een enkelen slag de vijandelijke vloot te vernielen. + +Als de lezer een kaart van Griekenland en de Egeïsche zee vóór zich +neemt, zal hij zien dat het eiland Euboea zich als een bolwerk tegen +Azië in de lengte langs de Grieksche kust uitstrekt, zoodat het kanaal +tusschen vasteland en eiland bij een lengte van honderdtwintig mijlen +nauwelijks acht breed is. De bocht in het noorden had eenmaal de vloot +van Xerxes geborgen, thans hadden de overmoedige zeeroovers er zich +genesteld. De steden langs den oever waren rijk en beloofden een +kostelijken buit. Alles wel beschouwd meende Arrius te ogen aannemen, +dat de roovers ergens ten zuiden van de Thermopylen zouden te vinden +zijn. In dat geval kon hij niet beter doen, dan hen in het noorden en +zuiden in te sluiten, maar dan ook zonder een minuut te verliezen. Hij +zette dus tot den meest mogelijken spoed aan, met het gevolg dat zij nog +vóór den nacht den berg Ocha in het gezicht kregen en de loods de kust +van Euboea meldde. + +Op een gegeven teeken lieten de roeiers hunne riemen rusten. De tribuun +verdeelde de vloot in twee deelen, ieder van vijftig galeien. De eene +helft voerde hijzelf aan, om er het kanaal mede in te varen, terwijl de +andere bevel kreeg zoo snel mogelijk het eiland aan de zeezijde om te +varen en het kanaal aan den bovenkant in te sluiten. + +'t Is waar, geen van de afdeelingen had over zooveel mannen te beschikken +als de vijand; maar zij hadden toch iets op dezen voor, onder anderen de +strenge tucht, waaraan bij de bandeloozen troep, hoe onverschrokken ook, +niet gedacht kon worden. Voorts rekende de tribuun er op, dat, zoo bijgeval +de eene helft de nederlaag moest lijden, de andere den vijand in den rug +zou aanvallen en gemakkelijk overmeesteren kon. + +Ben-Hur was op zijne plaats en werd iedere zes uur afgelost. De rust in +de baai van Antemona had hem goed gedaan, zoodat het roeien hem niet +vermoeide, en de hortator geen reden tot klagen had. + +Over het algemeen waardeert de mensch veel te weinig het rustig gevoel, +dat hij smaakt, als hij een vast doel voor oogen heeft. Blindelings op +een onbekend punt af te gaan is verschrikkelijk. De gewoonte had bij +Ben-Hur dat gevoel slechts in slaap gesust, en dan nog maar ten deele. +Als hij zoo uur op uur, soms dagen en nachten achtereen, op de +onmetelijke wateren voortroeide, verlangde hij altijd te weten waar hij +was en waarheen hij ging; maar na zijn onderhoud met den tribuun was dat +verlangen veel levendiger, en nieuwe hoop bezielde hem. Het was hem als +hoorde hij ieder geluid op het schip; hij luisterde er naar, alsof het +zoovele stemmen waren, die hem iets kwamen vertellen. Hij zag naar het +traliewerk boven zijn hoofd, en staarde in het licht dat hem zoo schaars +werd toegemeten, verwachtende--hij wist zelf niet wat. Meer dan eens +voelde hij een onweerstaanbaren lust om den hortator iets toe te roepen, +wat natuurlijk ten strengste zou gestraft worden. + +Gedurende zijn langen diensttijd had hij geleerd uit het spel der +zonnestralen af te leiden welken koers de galei nam. Die kennis was hem +te pas gekomen na hun vertrek van Cythera. Daar hij in de meening +verkeerde, dat zij in de richting van zijn vaderland zeilden, gaf hij +nauwkeurig acht op iedere afwijking. De plotselinge wending naar het +noorden deed hem smartelijk aan. De oorzaak kon hij in de verste verte +niet bevroeden; want evenmin als de andere roeiers kende hij het doel +der vaart en had daar ook niet het minste belang bij. Zijn plaats was op +de roeiersbank, en daar bleef hij, hetzij zij voor anker lagen, of onder +zeil waren. Eenmaal in deze drie jaren had hij het dek mogen betreden, +en dat was geweest, toen de tribuun hem ontboden had. Hij wist niet dat +zijn galei de aanvoerster was van een schoone, goed geordende vloot, +wier roeiers op hunne beurt even onwetend waren als hij. + +Toen de zon haar laatste stralen in de kajuit wierp, ging het nog steeds +noordwaarts. Het werd nacht, en nog kon Ben-Hur geen verandering +bespeuren. Van het verdek drong een sterke wierookgeur tot hem door. + +--De tribuun offert bij het altaar, dacht hij. Zouden wij misschien +slaags raken? + +Hij luisterde scherp toe. Hij had reeds verscheidene zeeslagen mee +doorgemaakt, zonder er één gezien te hebben. Boven zijn hoofd had hij +den strijd hooren woeden, zoodat hij met ieder geluid vertrouwd was +geworden. Dus kende hij ook de verschillende toebereidselen voor den +slag, waarvan zoowel bij Romeinen als Grieken het offeren aan de goden +een der eerste was. De plechtigheid verschilde niet van die der +offerande bij een afvaart, en zoodra hij ze in volle zee bespeurde wist +hij waaraan zich te houden. + +Een slag had voor hem en zijne mederoeiers een eigenaardig belang; een +nederlaag toch kon verandering brengen in hun toestand, hen misschien +wel bevrijden, in ieder geval andere meesters geven, die wellicht minder +zware diensten van hen zouden vorderen. + +Op den gewonen tijd werden de lichten ontstoken en bij de trappen +opgehangen. De tribuun daalde van het verdek af. Op zijn bevel trokken +de mariniers hunne wapenrusting aan. De werktuigen werden nagezien, +speren, werpspietsen en pijlen werden in groote hoopen op den grond +gelegd, benevens kruiken met ontvlambare olie en manden vol katoenen +ballen. En toen Ben-Hur ten slotte zag, dat de tribuun zijn platform +besteeg, zijn wapenrok aantrok, zijn helm en schild gereed hield, +begreep hij goed geraden te hebben. Thans wachtte hem nog de zwaarste +vernedering van zijne dienstbaarheid. + +Aan iedere roeiersplaats ging een ketting, van zware ringen voorzien. +Van nummer tot nummer gaande legde de hortator den roeiers ketenen aan +de voeten, zoodat zij in geval van tegenspoed geen kans van ontvluchten +hadden. + +De ongelukkigen voelden de schande diep. Ben-Hur zeker het diepst. Wat +zou hij niet hebben willen doen, om dàt te kunnen ontgaan! Weldra meldde +hem het naderend gerinkel dat hij aan de beurt kwam,--zou de tribuun +misschien voor hem in de bres springen? + +Men moge die gedachte aan ijdelheid toeschrijven, zeker is, dat zij hem +op eens in beslag nam. Hij geloofde, dat de Romein voor hem een +uitzondering zou maken, in ieder geval zou hij nu de ware gezindheid van +den tribuun leeren kennen. Als hij in dit gewichtig oogenblik aan den +armen slaaf dacht, zou Ben-Hur weten, dat de Romein hem boven zijn +lotgenooten stelde, zou hij weten dat zijne hoop hem niet bedrogen had. + +Ben-Hur wachtte in de grootste spanning. Die paar minuten schenen hem +een eeuwigheid toe. Bij iederen riemslag keek hij naar den tribuun, die, +na zich gekleed te hebben, op zijn rustbank ging liggen om te slapen. +Toen Nummer 60 dat zag lachte hij bitter en besloot niet meer dien kant +uit te zien. + +De hortator kwam naderbij. Nu was hij bij Ben-Hurs buurman--het rinkelen +der ketenen klonk hem afschuwelijker dan ooit in de ooren. Eindelijk N°. +60. Met de kalmte der wanhoop liet Ben-Hur de riem rusten en stak den +beambte zijn voet toe. Daar bewoog zich de tribuun--kwam overeind--wenkte +den hortator. + +Het hart van den jongeling klopte tot berstens toe. De tribuun liet zijn +oog op hem rusten. Ben-Hur nam zijnen riem weder op, het was hem alsof +de geheele kajuit in een lichtglans baadde. Hij verstond geen woord van +wat gesproken werd; maar dat was ook niet noodig--de ketting bleef +hangen, de hortator keerde naar zijne plaats terug, en begon als altijd +de maat te slaan. Als muziek klonk hem dat geluid in de ooren, en hij +hanteerde zijn riem zoo flink, dat de hortator naar den tribuun ging en +glimlachend zeide: Welk een krachtsontwikkeling!--En welk een vuur! +antwoordde de tribuun. Bij alle goden! hij moet geen ketenen dragen, leg +ze hem nooit meer aan.--Toen hij dat gezegd had legde hij zich weder ter +ruste. + +Zoo gingen eenige uren voorbij. Pijlsnel schoot de galei over het kalme +watervlak. Die niet aan het werk waren sliepen, Arrius op zijn platform, +de mariniers op den grond. Eenmaal, tweemaal werd Ben-Hur afgelost, maar +hij kon niet slapen. Drie jaren zwarte nacht en eindelijk een zonnestraal! +Een schipbreukeling en eensklaps land. In zulke oogenblikken vliedt de +slaap. Gedragen op de vleugelen der hoop vloog hij in zijne verbeelding +verre vooruit. Vergeten alle kommer en verdriet, have en goed terug- +gekregen, moeder en zuster weer bij hem--dat waren de hoofdgedachten, die +hem tot den gelukkigsten mensch maakten. Dat hij in pijlsnelle vaart +misschien dood en verderf te gemoet ging, had voor het oogenblik geen +vat op hem. Zijn blijdschap was zoo groot, zoo volkomen, dat in zijn +hart geen plaats meer was voor wraak. Messala, Gratus, Rome, en al de +bittere, martelende herinneringen aan die namen verbonden, waren hem als +de miasmen eener aarde, waaraan hij ontrukt was, waarboven hij vrij en +hoog in reiner sfeer zweefde. + +In het geheimzinnige duister, dat het aanbreken der schemering +voorafgaat, liep op het verdek der Astrea een wachter met haastigen stap +naar het platform van den tribuun en wekte hem uit den slaap. Arrius +sprong op, gordde zijn zwaard aan, zette zijn helm op, nam zijn schild +en ging tot den hoofdman der mariniers. + +--De zeeroovers zijn vlak bij. Op, ten strijde! zeide hij en ging +verder, kalm en vol vertrouwen, alsof hij niet twijfelde aan den uitslag. + + + * * * * * + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +DE ZEESLAG. + + +Allen aan boord van de galei ontwaakten. De hoofdmannen begaven zich op +hun post. De soldaten grepen naar de wapenen en werden op het verdek +gevoerd, waar bergen van pijlen en werpspietsen reeds gereed lagen. +Bij de middeltrap lagen de oliekruiken en vuurballen opgestapeld. +Verscheidene lantaarns werden ontstoken; vaten werden met water gevuld. +De afgeloste roeiers werden onder bewaking bij den hortator gebracht. +Ben-Hur was een van hen. Boven zijn hoofd hoorde hij de laatste +toebereidselen maken: het ophalen van het zeil, het uitspreiden van +netten, het bekleeden van het want met ossenhuiden. Weldra werd alles +weder stil, een stilte vol onbestemde, bange verwachting. + +Op een teeken van het verdek, dat den hortator door een onderofficier +werd overgebracht, hielden de roeiers plotseling stil. + +Wat beteekende dat? + +Onder de honderdtwintig aan hunne banken geketende slaven was er zeker +geen, die zich die vraag niet deed. Niet uit vaderlandsliefde, eerzucht, +plichtgevoel, daar hadden zij mee afgedaan. Hulpeloos en blindelings +gingen zij in het gevaar, en die gedachte deed hen een oogenblik +sidderen. Wat ook gebeurde, het bracht hun geen voordeel: overwinnaars +--zij bleven wat zij waren; overwonnen--zinken of verbranden, zij moesten +het lot van hun schip deelen. + +Het was hun niet vergund te vragen hoe de zaken daarbuiten stonden. En +wie was de vijand? Als het eens vrienden, broeders, landslieden waren? +De lezer zal begrijpen, dat de Romeinen wel gedwongen waren om bij zulke +gelegenheden hun rampzalige roeiers aan hunne zitplaatsen te kluisteren. + +Thans echter hadden zij weinig tijd om aan zulke dingen te denken. Een +geluid als van roeiende galeien achter hen trok Ben-Hurs aandacht. +Zouden zij een vloot aanvoeren, die zich tot den aanval gereedmaakte? +vraagde hij zichzelven. + +Een tweede sein kwam van het dek tot hem. De riemen gingen neer en de +galei zette zich nauwelijks merkbaar in beweging. Doodelijke stilte +daarbinnen, doodelijke stilte daarbuiten; toch zetten zich alle roeiers +instinctmatig schrap voor een mogelijken schok. Zelfs de galei scheen +den toestand te vatten, zij lag stil, alsof zij zich, een tijger gelijk, +tot den sprong voorbereidde. + +In zulke oogenblikken heeft men geen begrip van tijd. Ben-Hur kon +onmogelijk nagaan hoe groot de afstand was, dien zij afgelegd hadden. +Eindelijk weerklonken op het verdek de trompetten, lang, vol, klaar. De +hortator sloeg de maat sneller en sneller; de roeiers roeiden met de +uiterste krachtinspanning. Met onvergelijkelijke snelheid schoot de +galei vooruit. Andere trompetten deden zich hooren--alle van achteren, +geen enkele van voren. Dáár vernam men slechts een verward gedruisch van +stemmen, een algemeen tumult. Plotseling deed zich een geweldige schok +voelen, de roeiers vóór het platform van den hortator wankelden, sommige +vielen. De galei schoot achteruit, hervatte zich, om zich dan weer met +onweerstaanbare kracht op den tegenstander te werpen. Een akelig +doordringend angstgeschrei deed zich hooren, het overstemde het +trompetgeschal en het geraas door de aanzeiling veroorzaakt. Ben-Hur +voelde dat hunne galei een andere vernielde, in den grond boorde. Zijne +makkers zagen elkander verschrikt aan. Een triomfkreet op het verdek--de +Romeinen hadden gezegevierd! Maar wie waren door de zee verzwolgen? Tot +welke natie, tot welk land behoorden zij? + +Geen rust, geen oponthoud! Vooruit schoot de Astrea. Enkele soldaten +kwamen in haast naar beneden, drenkten de katoenballen met olie en +wierpen ze nog druipend aan hunne kameraden op de trappen toe. Alsof er +niet reeds verschrikkingen genoeg waren, zou er nu nog de woede des +vuurs aan toegevoegd worden. + +Op eens helde de galei zoo sterk naar éénen kant over, dat de roeiers +slechts met moeite hun evenwicht bewaarden. Wederom de juichtonen der +Romeinen en de wanhopige angstkreten der overwonnenen. De groote +enterhaken aan den voorsteven hadden een vijandelijk schip gegrepen, +omhoog geheven, en neergesmakt in de golven. + +Het krijgsgeschreeuw groeide steeds aan. Rechts, links, van voren, van +achteren, een oorverdovend rumoer. Nu en dan verkondigde een geweldig +kraken, gevolgd door hartverscheurend gekerm, dat wederom een schip +overzeil was en de opvarenden met de golven worstelden. + +De Romeinen zagen echter aan hun kant ook menigeen vallen, die dan +bloedend, stervend naar beneden gedragen en op de grond neergelegd werd. +Ook begon de kajuit zich langzamerhand met rook te vullen en drong een +afgrijselijke stank van brandende voorwerpen naar beneden. Snakkend naar +adem begreep Ben-Hur, dat zij rakelings een brandende galei voorbijgingen, +wier vastgeketende roeiers mede in de vlammen moesten omkomen. + +Intusschen was de Astrea aanhoudend in beweging gebleven. Eensklaps +echter stopte zij. De riemen werden den roeiers uit de handen geslagen, +zijzelven vielen van de banken. Op het verdek hoorde men een vervaarlijk +leven, vervolgens het slaags raken van twee schepen. Doodelijk +verschrikt zagen de roeiers rond, of er ook mogelijkheid van ontkomen +was. Te midden van de algemeene ontsteltenis werd een dood lichaam naar +beneden geworpen en kwam vlak bij Ben-Hur terecht. Het was een +blondgelokte barbaar uit het noorden; maar hoe kwam hij hier? Een +ijzeren vuist had hem van het vijandelijke schip gegrepen--neen, de +Astrea zelve moest in de handen der vijanden zijn! Vochten de Romeinen +dus op eigen bodem? + +Het werd de jongen Jood koud om 't hart. Arrius was in gevaar--misschien +kampte hij op ditzelfde oogenblik om zijn leven. Indien hij gedood werd! +Dat verhoede de God van Abraham! Moest zijn nieuw ontloken hoop, moesten +zijn zoete droomen hoop en droomen blijven? Moeder, zuster, huis, +vaderland, zou hij ze dan toch nooit terugzien? Het tumult boven zijn +hoofd groeide aan, hij zag rondom zich--niets dan verwarring trof zijn +oog: de roeiers verlamd van schrik, soldaten niet wetende waar zich te +bergen. Alleen de hortator bleef onverschrokken op zijn post, sloeg, +hoewel tevergeefs, als naar gewoonte de maat, wachtend op de bevelen van +den tribuun--een illustratie van de onovertroffen discipline, die de +wereld had overwonnen. + +Dat voorbeeld had een goede uitwerking op Ben-Hur. Hij trachtte zich te +beheerschen en na te denken. Eer en plicht deden den Romein op het +platform blijven, maar wat had hijzelf thans met zulke beweegredenen te +doen? De roeiersbank was hem een gruwel, en wie zou er winst bij hebben, +indien hij als slaaf omkwam? Voor hem was te leven een plicht. Zijn +leven behoorde moeder en zuster. Levendiger dan ooit verrezen zij voor +het oog zijns geestes. Hij zag hoe zij de armen naar hem uitstrekten, +hij hoorde naar smeeken. Ja, aan die roepstem moest en zou hij gehoor +geven. Hij sprong op,--maar stond weer stil. Helaas, een Romeinsch +vonnis hield hem gevangen. Zoolang dat niet herroepen was baatte hem +geen ontvluchten. In de wijde, wijde wereld was geen plekje, waar hij +veilig was, als de Keizer hem opeischte. Op het land noch op de zee kon +hij verborgen blijven, en wettige vrijheid had hij noodig, om in Judea +te kunnen wonen, en den kinderplicht te vervullen, waaraan hij al zijne +krachten wilde wijden. Hoe had hij gewacht en gehoopt op die vrijspraak, +hoe vurig om haar gebeden! En hoe lang had hij moeten wachten! +Eindelijk, eindelijk had zij hem toegelachen in de belofte van den +tribuun; want wat anders zou de groote man bedoeld hebben? Maar als zijn +weldoener nu moest vallen, wat dan? De dooden komen niet terug, om de +beloften, tijdens hun leven gedaan, te vervullen. Neen, Arrius mocht +niet sterven. En anders--beter met hem te vergaan, dan hem als +galeislaaf te overleven. + +Nogmaals zag Ben-Hur rondom zich. Nog altijd woedde de strijd daarboven, +nog altijd waren de twee galeien handgemeen. De roeiers deden wanhopige +pogingen om aan hunne ketenen te ontkomen, en toen dat niet gelukte +hieven zij een akelig gehuil aan. De wachten waren niet te zien, er was +geen tucht meer. Ben-Hur bedacht zich niet langer, hij sprong op en +snelde weg, niet om te vluchten, maar om den tribuun te zoeken. + +Halverwege de trap gekomen, hoog genoeg om een blik te kunnen werpen op +den door het vuur gekleurden hemel, de ronddrijvende wrakken, den strijd +aan boord, de talrijke aanvallers, de weinige verdedigers, voelde hij +plotseling de trap onder zijne voeten uiteenslaan, zoodat hij ruggelings +op den grond geworpen werd. Nog voordat hij zich op kon richten werd de +bodem van het vaartuig vaneengereten, de kokende, bruisende golven +stroomden naar binnen en verzwolgen allen. + +Of de jongeling in dezen uitersten nood iets tot zijne redding kon +aanwenden valt te betwijfelen. Hoewel hij behalve zijn natuurlijke +sterkte bovendien nog de krachten bezat, welke de natuur voor zulke +buitengewone gevallen schijnt te bewaren, kon hij noch de eene, noch de +andere aanwenden, daar de duisternis en de woeling van het water hem +voor het oogenblik althans zijne bezinning ontroofden. Zelfs het +inhouden van zijn adem geschiedde onwillekeurig. De indringende golven +wierpen hem als een blok hout in de kajuit, waar hij verdronken zou +zijn, indien hij niet met het schip naar omhoog gerezen was. Toen hij +zich voelde opstijgen, sloeg hij instinctmatig de handen uit naar het +eerste het beste wat hij grijpen kon--een plank, waaraan hij zich met +alle macht vastklemde. De tijd, dien hij onder water doorbracht, scheen +hem oneindig langer toe, dan in werkelijkheid het geval was. Eindelijk +voelde hij lucht. Hij haalde diep adem, schudde zich het water uit de +oogen, werkte zich op de plank en wierp een blik in het rond. + +Helaas, was hem de dood door verdrinking zeer nabij geweest, thans +waarde hij rondom hem in velerlei gedaanten. + +De zee was bedekt door een half doorzichtbaren nevel van rook, hier en +daar verbroken door schitterende lichtbundels. Dat moesten brandende +schepen zijn. Nog woedde de strijd; maar wie zegevierde? Nu en dan +zeilden binnen zijnen gezichtskring schepen voorbij,--waren het +Romeinsche of vijandelijke? Verderop hoorde hij hoe vijandelijke +vaartuigen met elkander in botsing kwamen. Het dreigende gevaar was +echter dichterbij. Toen de Astrea zonk bevond zich, zooals wij weten, op +het verdek niet alleen haar eigen bemanning, maar ook die van de twee +galeien, die haar te gelijk hadden aangevallen en met haar naar de +diepte waren gegaan. Van die velen dreven verscheidene te zamen naar de +oppervlakte en zetten daar den strijd weer voort. Elkander vasthoudend +in doodelijke omarming, of ook wel met zwaard of spies de een den ander +onschadelijk trachtend te maken, hielden zij het water aanhoudend in +beweging. Maar dat niet alleen. Hij begreep heel goed, dat de eerste de +beste in staat zou zijn om hem dood te slaan ter wille van de plank die +hem vlot hield. Hij moest dus trachten zoo spoedig mogelijk weg te +komen. + +Op eens hoorde hij riemslagen en zag hij een galei op zich afkomen. De +hooge voorsteven scheen hem dubbel hoog toe; de weerkaatsing van het +roode schijnsel op het verguldsel en beeldhouwwerk deed haar op een +reusachtige slang gelijken. Hij schoof de plank, zwaar en onhandelbaar +als zij was, met alle kracht voort. De tijd was kostbaar, een halve +seconde kon hem redding brengen, of in 't verderf storten. + +Daar dook eensklaps binnen armslengte een helm uit de baren op, +vervolgens twee handen met uitgespreide vingers, groote sterke handen, +die wat zij eenmaal gegrepen hadden niet licht zouden loslaten. Ben-Hur +keerde zich verschrikt af. Nu kwam het geheele hoofd boven, vervolgens +de armen, die woest om zich heen sloegen. Het hoofd viel achterover, +zoodat het gelaat zichtbaar werd. De mond was wijd open, de oogen ook, +maar het licht scheen er uit geweken te zijn, een akelige bleekheid deed +vermoeden, dat de dood nabij was. Toch uitte Ben-Hur een kreet van +vreugde, en toen de drenkeling weder dreigde te verzinken greep hij de +ketting vast, die den helm onder de kin bevestigde, en trok hem naar +zich toe. Hij had in den bewustelooze Arrius den tribuun herkend. + +Een tijdlang borrelde en schuimde het water geweldig, zoodat Ben-Hur +alle krachten moest inspannen, om zijn plank niet te verliezen en tevens +het hoofd van de Romein boven water te houden. De galei was voorbijgeroeid +zonder hen te raken. Dwars door zwemmende soldaten heen, over gehelmde en +ontbloote hoofden zette zij haren tocht voort. Een dof geraas, een luid +geschreeuw deed Ben-Hur omzien, en wat hij zag vervulde hem met een zekere +bevrediging: de Astrea was gewroken. + +De strijd was nog niet beëindigd, maar de tegenstand veranderde in +algemeene vlucht. Wie hadden gezegevierd? Ben-Hur voelde dat zijne +vrijheid en het leven van den tribuun grootendeels daarvan afhingen. +Hij schoof den Romein de plank onder het lichaam, totdat zij hem droeg, +waarna hij alleen te zorgen had, dat zijn beschermling er niet afgleed. +Het was nu volkomen dag geworden. Links zag hij land, maar te ver +verwijderd om het te kunnen bereiken. Hier en daar dreven +schipbreukelingen als hij, en verkoolde of nog rookende wrakken. +Verderop dreef een verlaten galei, het zeil aan flarden gereten; nog +verder bewegelijke stippen, die, naar hij dacht, vluchtende of +achtervolgende schepen konden zijn. + +Zoo ging een uur voorbij. Zijne bezorgdheid nam toe. Als niet spoedig +hulp opdaagde moest Arrius sterven. Gedurig vreesde Ben-Hur dat hij +reeds dood was, hij lag zoo stil. Hij deed hem den helm af, gespte toen +met groote moeite het harnas los, en bevond dat het hart nog klopte, +schoon zwak en onregelmatig. Dat gaf hem nieuwen moed om vol te houden. +Er was niets voor hem te doen dan te wachten, en naar de gewoonte zijns +volks te bidden. + + + * * * * * + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +VRIJ. + + +Eindelijk sloeg Arrius tot groote vreugde van Ben-Hur de oogen op en +keerden de levensgeesten weder. Zoodra hij spreken kon en na eenige +vragen vernomen had door wien en hoe hij gered was, herinnerde hij zich +alles van den geleverden slag. Het onzekere van de overwinning en de +langdurige rust, indien hier van rust sprake kan zijn, deden het hunne +om hem geheel tot bezinning te brengen. Na een poosje werd hij zeer +spraakzaam. + +--Ik zie, zeide hij, dat onze redding afhangt van den uitslag van den +strijd. Ik begrijp ook wat gij voor mij gedaan hebt. Gij hebt mij het +leven gered met gevaar voor uzelven. Dat erken ik gaarne, en wat ook +gebeuren moge, ik dank er u van harte voor. Als de fortuin mij gunstig +is en wij goed en wel dit gevaar te boven komen, zal ik u toonen hoe een +Romein van aanzien en macht zijn dankbaarheid bewijst. Maar het staat +nog te bezien, of gij mij, in weerwil van uw goede bedoeling, werkelijk +een dienst hebt bewezen. Daarom zou ik u de belofte willen afnemen, dat +gij mij, zoo noodig, de grootste weldaad bewijzen zult, die de een +mensch den ander bewijzen kan--wilt gij mij dat beloven? + +--Als het niets ongeoorloofds is al ik het doen, antwoordde Ben-Hur. + +Arrius bleef een oogenblik in gepeins verzonken. + +--Zijt gij werkelijk een zoon van Hur, den Jood? vraagde hij op eens. + +--Ja, heer. + +--Ik heb uw vader gekend. + +Juda kwam wat dichter bij den tribuun, daar diens stem nog zwak was. Hij +luisterde met gespannen aandacht, en meende niet anders, of hij zou nu +berichten van huis krijgen. + +Ik kende hem, had hem lief, vervolgde Arrius. + +Weder zweeg hij. Zijne gedachten schenen af te dwalen. + +--Het is onmogelijk, begon hij weer, dat gij, zijn zoon, niet gehoord +zoudt hebben van Cato en Brutus. Dat waren groote mannen, en nooit +grooter, dan in de ure van hunnen dood. Stervende lieten zij deze wet +na. Een Romein mag zijn geluk niet overleven.--Luistert gij? + +--Ik luister. + +--De edelen van Rome zijn gewoon een ring te dragen. Zoo ook ik. Neem +hem van mijn vinger. + +Hij stak Juda zijn hand toe, de jonkman voldeed aan zijn verzoek. + +--Steek hem nu aan je eigen vinger. + +Ben-Hur gehoorzaamde. + +--Dat kleinood kan u van dienst zijn, vervolgde de tribuun. Ik bezit een +aanzienlijk vermogen. Zelfs in Rome ga ik voor rijk door. Ik heb geen +familie. Toon den ring aan mijn zaakwaarnemer, gij zult hem in een villa +bij Misenum vinden. Vertel hem hoe hij in uwe handen kwam en eisch van +hem zooveel gij verlangt, of alles; hij zal u niets weigeren. Blijf ik +leven, dan zal ik nog meer voor u doen. Ik zal u uwe vrijheid bezorgen +en u aan uw volk en familie teruggeven; of wel, gij kunt u de loopbaan +kiezen, die u het meest toelacht. Hebt gij mij begrepen? + +--Volkomen. + +--Welnu, beloof mij dan wat ik u vragen zal. Beloof het bij alle goden. + +--Neen, edele tribuun, ik ben een Israëliet. + +--Bij uw God dan, of doe het in den vorm, dien uwen geloofsgenooten de +heiligste is. Beloof mij, dat gij doen zult wat ik vragen zal. Ik wacht +uw antwoord. Beloof het mij. + +--Edele Arrius, uwe woorden doen mij vermoeden, dat er iets zeer +gewichtigs zal volgen. Zeg mij eerst wat gij verlangt. + +--Zult gij het mij dan beloven? + +--Ik kan mij vooruit tot niets verbinden.--O tribuun, gezegend zij de +God mijner vaderen! daar komt een galei. + +--Uit welken hoek? + +--Uit het noorden. + +--Kunt gij haar nationaliteit herkennen? + +--Neen, ik heb altijd op de roeiersbank gezeten. + +--Heeft zij een vlag in top? + +--Ik kan er geen zien, het is nog te ver af. + +Arrius zweeg eenige oogenblikken. Ten laatste vraagde hij: Houdt de +galei nog koers hierheen? + +--Ja. + +--Kunt gij nu de vlag onderscheiden? + +--Zij heeft geen vlag. + +--Een ander kenteeken soms? + +--Een zeil. Het is een drieriemige galei, zij gaat zeer snel, dat is al +wat ik er van zeggen kan. + +--Een Romeinsche galei zou, als zij overwinnaar was, verscheidene +vlaggen in top voeren. Dit moet dus een vijandelijke zijn. Luister nu +goed naar mij, terwijl het nog tijd is. Als die galei een zeeroover is +zijt gij veilig. Zij zullen u wel niet uwe vrijheid hergeven, u +waarschijnlijk weer op de roeiersbank zetten, maar zij zullen u niet +dooden. Ik daarentegen-- + +De tribuun aarzelde. Bij alle goden, zeide hij daarna op vasten toon, ik +ben te oud om het verlies van mijne eer te overleven. Laat men in Rome +vertellen hoe Quintus Arrius, omringd door vijanden, met zijn schip in +de diepte verzonk, zooals dat een Romeinschen tribuun betaamt. Hoor nu +wat ik van u verlang. Als de galei een vijandelijke is, stoot mij dan +van de plank in zee en verdrink mij. Hoort gij? Zweer mij dat gij het +doen zult. + +--Dat zweer ik niet, zeide Ben-Hur beslist, en ik ben evenmin van zins +zulk een daad te bedrijven. De wet, waaraan ik onderworpen ben, stelt +mij aansprakelijk voor uw leven. Neem den ring terug,--hij trok hem van +zijn vinger,--neem hem terug,--met al uwe beloften. Het vonnis, dat mij +levenslang tot de galeien veroordeelde, heeft mij tot een slaaf gemaakt, +en toch ben ik geen slaaf. Maar ik ben evenmin uw vrijgelatene. Ik ben +een zoon van Israël, en op dit oogenblik mijn eigen meester. Neem den +ring terug. + +Arrius verroerde zich niet. + +--Gij weigert? vraagde Juda. Dan geef ik uw geschenk aan de zee, niet in +toorn, niet in drift; maar om mij zelven vrij te maken van een vreeselijke +verplichting. + +Dit zeggende slingerde hij den ring verre van zich. Arrius hoorde hem +vallen en zinken, maar zag niet op. + +--Gij hebt dwaselijk gehandeld, zeide hij, zeer dwaas. Ik kan immers ook +zonder uwe hulp sterven, en als ik dat doe, wat zal er dan van u worden? +Die besloten heeft in den dood te gaan, sterft liever door de hand van +een ander, om de eenvoudige reden, dat de ziel, welke wij volgens Plato +bezitten, in opstand komt tegen zelfvernietiging; dat is alles. Als de +galei een zeeroover is verlaat ik deze wereld. Mijn besluit staat vast. +Ik ben een Romein. Goed, geluk en eer gaan boven alles. Toch zou ik +gaarne van dienst zijn geweest; maar gij hebt niet gewild. De ring was +in dit geval het eenige, dat mijn laatsten wil staven kon. Wij zijn +beiden verloren. Ik zal sterven, het betreurende dat de overwinning en +de roem mij ontgaan zijn. Gij zult nog een poosje leven, om dan eveneens +te sterven, met berouw in 't hart, omdat gij door deze dwaasheid uwe +kinderplichten ongedaan hebt moeten laten. Ik beklaag u. + +Ben-Hur begreep de gevolgen van zijne daad beter dan te voren. Toch +berouwde zij hem niet. + +--In de drie jaren van mijne dienstbaarheid, o tribuun, waart gij de +eerste die mij vriendelijkheid bewees.--Neen, neen, er was nog een +ander! + +Zijne oogen werden vochtig, want op eenmaal stond het beeld hem voor den +geest van den jongen man, die hem bij de bron te Nazareth te drinken had +gegeven. + +--Maar, vervolgde hij, gij waart de eerste, die mij gevraagd heeft wie +ik was; en al heb ik er ook, toen ik u uit de golven omhooghief, aan +gedacht, dat gij mij uit mijne ellende kondt verlossen, toch redde ik u +niet uit zelfzucht. Ik hoop dat gij mij zult willen gelooven. +Daarenboven doet God mij thans duidelijk inzien, dat het doel waarnaar +ik streef alleen langs wettigen weg te bereiken is. Ik wil liever met u +sterven, dan uw dood op mijn geweten hebben. Ik ben even vastbesloten +als gij. Al boodt gij mij geheel Rome, o tribuun, en al stond het in uwe +macht dat aanbod tot werkelijkheid te maken, ik zou u toch niet dooden. +Uw Cato en Brutus waren kinderen, vergeleken met den Hebreër, wiens +wetten een Jood gehoorzamen moet. + +--Maar mijn verzoek. Hebt.... + +--Zelfs al beveelt gij mij u te dooden, ik zal u niet gehoorzamen. + +Beiden zwegen en wachtten. + +Ben-Hur zag gedurig naar de naderende galei. Arrius lag met gesloten +oogen, schijnbaar onverschillig. + +--Zijt gij er zeker van dat het een vijandelijke galei is? vraagde +Ben-Hur. + +--Ik vermoed het, luidde het antwoord. + +--Zij houdt stil en zet een boot uit. + +--Kunt gij nu de vlag zien? + +--Is er geen ander teeken, waaraan men een Romeinsche galei herkennen +kan? + +--Jawel, de Romeinschen voeren een helm op den top van den mast. + +--Dan kan ik u gelukwenschen. Ik zie den helm. + +Nog was Arrius er niet gerust op. + +--De mannen in het bootje nemen schipbreukelingen op. Zeeroovers zullen +wel niet zoo medelijdend zijn. + +--Misschien hebben zij roeiers noodig, antwoordde Arrius, waarschijnlijk +denkende aan de keeren, toen hij met hetzelfde doel drenkelingen +opgevischt had. + +Ben-Hur volgde de bewegingen van het vreemde schip met de grootste +nauwlettendheid. + +--De galei gaat verder, zeide hij. + +--Waarheen? + +--Rechts van ons drijft een galei, waarschijnlijk is zij verlaten. Daar +gaat de andere op af. Nu legt zij aan. Nu gaan eenige mannen aan boord. + +Thans deed Arrius zijn oogen open en keek met aandacht naar de galei. +Dank uwen God, zeide hij een oogenblik later, dank uwen God, zooals ik +mijne goden dank. Een zeeroover zou dat schip doen zinken, niet redden. +Daardoor, en door den helm op den mast, weet ik dat het een Romeinsche +galei is. De zege is mijn. De Fortuin heeft mij niet verlaten. Wij zijn +gered. Wuif met de hand, roep hen, gauw! Ik word duumvir, en gij! Ik heb +uw vader gekend en had hem lief. Hij was een vorst in den vollen zin des +woords. Hij heeft mij geleerd, dat een Jood geen barbaar is. Ik zal u +met mij nemen. Ik zal u als mijn zoon aannemen. Dank uwen God en roep de +matrozen. Gauw! De vervolging moet voortgezet worden. Geen van de +roovers mag ontsnappen. + +Juda richtte zich op, wuifde met de hand en riep zoo hard hij kon de +matrozen aan. Eindelijk gelukte het hem hunne aandacht te trekken. Zij +roeiden op hem toe en namen de beide schipbreukelingen op. + +Arrius werd met alle mogelijke eerbewijzen op de galei ontvangen. Hij +liet zich den afloop van het gevecht tot in de kleinste bijzonderheden +verhalen. Nadat men alle nog levende drenkelingen gered en den buit +geborgen had, liet hij opnieuw de commandantsvlag ontplooien en spoedde +zich noordwaarts, om zich bij de vloot te voegen en de overwinning +volkomen te maken. Volgens zijne berekening kwamen de vijftig schepen +het kanaal van de noordzijde juist bijtijds inzeilen, en sneden de +vluchtelingen den pas af, zoodat geen enkele ontkwam. Twintig +vijandelijke galeien werden als buit medegevoerd, hetgeen den roem des +overwinnaars niet weinig verhoogde. + +Bij zijne terugkomst te Misenum werd Arrius met de grootste geestdrift +ontvangen. De hem vergezellende jonkman maakte weldra de nieuwsgierigheid +van Arrius' vrienden gaande. Op hunne vragen wie hij was, vertelde de +tribuun in warme bewoordingen hoe hij aan dien jongeling zijn leven te +danken had, maar vermeed zorgvuldig zijn vroegere geschiedenis aan te +roeren. Toen hij zijn verhaal geëindigd had riep hij Ben-Hur tot zich, +vatte hem bij de hand en zeide: Lieve vrienden, dit is mijn zoon en +erfgenaam, en daar hij eenmaal al het mijne zijn eigendom zal noemen, +zal hij van nu af mijn naam dragen. Ik verzoek u allen hem in uwe +vriendschap te doen deelen. + +Zoodra het den tribuun mogelijk was had de aanneming tot zoon geheel +volgens de wet plaats. Zoo betoonde de Romein zijne dankbaarheid aan +Ben-Hur en verschafte hem den toegang tot de hoogere Romeinsche kringen. +Een maand na Arrius' terugkomst werd zijne overwinning op de zeeroovers +glansrijk gevierd in het theater van Scaurus. De eene zijde van het +gebouw was versierd met militaire tropeeën, waaronder de voorstevens der +twintig vijandelijke galeien niet het minst de aandacht trokken. +Daarboven stond in gulden letters geschreven: Veroverd op de zeeroovers +in de golf van Euripus, door Quintus Arrius Duumvir. + + + * * * * * + + +BOEK IV. + + + * * * * * + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +VIJF JAREN LATER. + + +Wij zijn in de maand Juli van het jaar onzes Heeren 28, en wel in +Antiochië, de koningin van het Oosten, en na Rome de machtigste, zoo +niet de volkrijkste stad der wereld. Dat de buitensporige weelde en +zedeloosheid van dien tijd zich van uit Rome over het geheele rijk +verspreidden mag in twijfel getrokken worden. Die zich de moeite +getroosten wil van alles nauwkeurig te onderzoeken zal tot het besluit +komen, dat de zedenbedervende strooming van het Oosten uitging naar het +Westen, met name van Antiochië, een der oudste zetels van Assyrische +macht en prachtlievendheid. + +Een transportgalei liep, uit zee komende, den mond van den Orontes in. +Het was voormiddag. De hitte was groot, toch waren alle reizigers op het +dek, daaronder ook Ben-Hur. + +De vijf jaren, die sedert zijne bevrijding verloopen zijn, hebben den +jongen Jood tot een krachtig man ontwikkeld. In een ruim wit kleed +gehuld zag hij er zeer innemend uit. Reeds meer dan een uur had hij +rustig in de schaduw van het zeil gezeten, en in dat uur hadden +verscheidene reizigers, tot zijn eigen volk behoorende, een gesprek met +hem trachten aan te knoopen, maar zonder te slagen. Hunne vragen had hij +kort, schoon zeer beleefd, in de latijnsche taal beantwoord. Zijn +beschaafde manier van spreken, zijn waardige houding, zijn +teruggetrokkenheid schenen hunne nieuwsgierigheid in hooge mate te +prikkelen. Daarenboven was in de uitdrukking van zijn gelaat iets dat +den nauwlettenden beschouwer deed zeggen: die man heeft een verleden +achter zich. + +De galei had in een der havens van Cyrus een Hebreër opgenomen van zeer +fatsoenlijk, eerwaardig voorkomen. Ben-Hur voelde zich tot den man +getrokken en deed hem een paar vragen. De antwoorden wonnen zijn +vertrouwen, en leidden weldra tot een uitvoerig gesprek. + +Toen de galei van Cyprus afgevaren was achterhaalde zij twee andere +vaartuigen, die eveneens de rivier opvoeren en zoodra zij in elkanders +buurt waren tal van gele vlaggetjes heeschen. Iedereen wilde weten wat +die vlaggetjes beduidden, maar niemand kon er een verklaring van geven, +totdat een der reizigers den eerbiedwaardigen Hebreër om inlichting +vraagde. + +--Die vlaggetjes, antwoordde hij, dienen niet om de nationaliteit +kenbaar te maken. Zij zijn eenvoudig het kenteeken van den eigenaar. + +--Heeft die dan zoovele schepen? + +--Ja. + +--Kent gij hem? + +--Ik heb handel met hem gedreven. + +De passagiers zagen den grijsaard vragend aan, als om hem tot vertellen +te noodigen. Ben-Hur luisterde met belangstelling. + +--Hij woont in Antiochië, vervolgde de Hebreër. Daar hij schatrijk is +heeft men natuurlijk de oogen op hem gevestigd; maar men spreekt niet +altijd welwillend over hem. Er heeft namelijk vroeger in Jeruzalem een +vorst gewoond uit het aloude geslacht Hur. + +Juda deed zijn best om kalm te blijven, maar zijn hart begon sneller te +kloppen. + +--Die vorst, ging de verhaler voort, was koopman en had een zeldzaam +scherpen blik op de zaken. Hij zette belangrijke ondernemingen op touw, +in 't Oosten zoowel als in 't Westen. In de groote steden vestigde hij +bijkantoren. Dat in Antiochië werd beheerd door een zekeren Simonides, +die in weerwil van zijn Griekschen naam toch een Israëliet was. De vorst +verongelukte op zee. De zaken werden echter voortgezet en waarlijk met +niet minder goed gevolg. Na een paar jaren werd het gezin van den vorst +door een zwaren slag getroffen. Zijn eenige zoon trachtte den procurator +Gratus te dooden in de straten van Jeruzalem. De aanslag mislukte en +sedert is hij verdwenen. + +De Romein wreekte zich op het geheele gezin. Niemand werd gespaard. Het +paleis werd verzegeld, op de goederen, ja, op alles wat het huis Hur +toebehoorde, werd beslag gelegd. De procurator heelde zijne wond met een +gouden pleister. + +De passagiers lachten. + +--Gij wilt zeggen dat hij het vermogen voor zich hield, zeide een van +hen. + +--Zoo zegt men, antwoordde de Hebreër. Ik deel u het verhaal mede zooals +het mij gedaan is. Simonides dan, die hier in Antiochië de agent van den +vorst was, begon niet lang daarna handel te drijven voor eigen rekening +en werd binnen ongeloofelijk korten tijd een der aanzienlijkste +handelaren van de stad. In navolging van zijn heer zond hij karavanen +naar Indië, en thans bezit hij genoeg galeien voor een koninklijke +vloot. Men zegt dat niets hem ooit mislukt. Zijn kameelen sterven niet +anders, dan door ouderdom. Zijn schepen gaan nooit te gronde. Werpt hij +een stuk hout in zee, het keert als goud tot hem terug. + +--Hoe lang drijft hij handel voor zichzelf? + +--Nog niet volle tien jaren. + +--Dan moet hij met een aardigen duit op zak begonnen zijn. + +--Ja, men zegt dat de procurator zich alleen maar van 's vorsten +bezittingen kon toeëigenen wat voorhanden was: zijn paarden, vee, +huizen, land, schepen, en de opgestapelde goederen. Baar geld was echter +nergens te vinden, hoewel er onnoemelijke sommen moeten geweest zijn. +Wat daarvan geworden is bleef een onopgelost raadsel. + +--Niet voor mij, zeide een der reizigers met een grijnslach. + +--Ik begrijp wat gij bedoelt, antwoordde de Hebreër. Anderen koesterden +dezelfde gedachte. Dat de oude Simonides er zichzelven mee in de hoogte +gewerkt heeft, wordt algemeen geloofd. De procurator was ook van dat +gevoelen. Tweemaal in vijf jaren heeft hij den koopman gevangengenomen +en op de pijnbank gelegd. + +Juda's hand klemde zich krampachtig om het touw, waartegen hij leunde. + +--Men zegt, ging de grijsaard voort, dat zij den armen man letterlijk +geradbraakt hebben. De laatste maal, dat ik hem zag, zat hij in een +stoel in kussens weggedoken, als een vormlooze klomp. + +--Hoe vreeselijk! riepen sommige toehoorders. + +--Ja, wel vreeselijk. Ziekte kon zulk een misvorming niet teweeggebracht +hebben. De pijnbank heeft echter niets op hem vermocht. Alles wat hij +bezat was wettig het zijne, en hij maakte er een wettig gebruik van. +Meer kon men niet uit hem krijgen. Tegenwoordig is hij gelukkig van alle +vervolging ontheven. Hij heeft een verlofbrief om handel te drijven, +door Tiberius zelf onderteekend. + +--Daar zal hij het noodige voor hebben moeten neertellen, riep een der +omstanders. + +--Die schepen zijn van hem, zeide de Hebreër, de opmerking latende voor +wat hij was. Zijne matrozen hebben de gewoonte elkander met het +uitsteken van gele vlaggetjes te begroeten, hetgeen zooveel wil zeggen +als: Onze reis is voorspoedig geweest. + +Hier eindigde het verhaal. Toen Juda een weinig later den Hebreër alleen +vond vraagde hij: Hoe heette de principaal van dien koopman? + +--Ben-Hur; vorst van Jeruzalem. + +--Wat is er geworden van zijne familie? + +--De zoon werd naar de galeien gezonden. Ik veronderstel dat hij dood +is. Langer dan een jaar houden de galeislaven het zelden uit. Van de +weduwe en hare dochter heeft men sedert niets meer gehoord. Zij, die er +meer van weten, willen er zich niet over uitlaten. Waarschijnlijk hebben +zij haar leven beëindigd in een cel van een der Romeinsche burchten van +Judea. + +Juda wandelde naar de voorplecht, zóó in gedachten verzonken, dat hij +nauwelijks acht gaf op de oevers der rivier, die op dit punt bijzonder +liefelijk waren en omzoomd met weelderige tuinen en sierlijke +landhuizen. De gansche omgeving baadde in zonneschijn, alleen op zijn +leven rustte een schaduw. + +Eenmaal slechts waakte hij op uit zijne gepeinzen, en dat was, toen door +een kromming van de rivier het Park van Daphne zichtbaar werd. + + + * * * * * + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +TE ANTIOCHIË. + + +Toen men de stad in 't gezicht kreeg waren de passagiers op het dek +bijeengekomen, om van hare schoone ligging te genieten. De bejaarde Jood +gaf ook nu weder de gewenschte inlichtingen. + +--De rivier keert zich hier naar het Westen, zeide hij. Ik herinner mij +nog dat het water de wallen bespoelde; maar als Romeinsche onderdanen +hebben wij in vrede geleefd, zoodat de handel in bloei toenam, en als +een natuurlijk gevolg overal langs de rivier werven en dokken werden +aangelegd. Ginds in het Zuiden ziet gij den berg Casius, of zooals men +hier zegt, den Orontesberg, en daar tegenover in het Noorden den Amnus. +Tusschen die beiden ligt de vlakte van Antiochië. Die bergen verderop +zijn de Zwarte bergen, vanwaar de groote waterleiding het zuiverste +water naar de stad voert, om de dorstige menschen te laven en de +stoffige straten te besproeien. Het gebergte is met dichte bosschen +bezet, die een rijke dierenwereld huisvesten. + +--Waar is het meer? vraagde een van de reizigers. + +--Ginds, in het Noorden. Men kan er te paard heengaan, of beter nog met +een bootje; want het staat door een zijstroom met de rivier in +verbinding.--Waar het Park van Daphne op lijkt? zeide hij, als antwoord +op de vraag van een tweede. Dat kan niemand beschrijven; maar pas op. +Apollo heeft het aangelegd en voltooid. Hijzelf geeft er de voorkeur aan +boven den Olymp. Men gaat er heen om er een blik te werpen, slechts één, +en men kan het niet weder verlaten. De Antiochiërs hebben een spreekwijze, +die veelzeggend is: beter een worm te zijn en moerbeibladeren te eten in +Daphne's Park, dan gast aan 's konings tafel. + +--Raadt gij mij dus er niet heen te gaan? + +--Niet ik. Gij zult gaan. Iedereen gaat, cynische philosofen, +baardelooze knapen, vrouwen, priesters, allen gaan. Zoo zeker ben ik dat +gij gaan zult, dat ik u een raad wil geven. Neem geen logies in de stad, +dat is tijdverlies; maar ga in eens naar het dorp, vlak bij het Park +gelegen. De weg daarheen leidt door een tuin vol frissche fonteinen. +Maar let nu eens op den stadsmuur, dat meesterstuk van Heraeus, den +grooten bouwkundige. + +Aller oogen volgden de aanwijzing van zijn vinger. + +--Dit gedeelte werd gebouwd door den eersten der Seleuciden. De 300 +jaren van zijn bestaan hebben het één gemaakt met de rots, waarop het +staat. + +Het werk rechtvaardigde de lofspraak. Hoog, stevig en met tal van steile +invalshoeken, boog de muur zuidwaarts, zoodat men hem niet langer volgen +kon. + +--De muur heeft vierhonderd torens, alle waterreservoirs, vervolgde de +Hebreër. Kijk, over den muur heen, zoo hoog als hij is, kunt gij in de +verte twee bergen zien, dat zijn de twee toppen van den Sulpius. Het +gebouw op den verst verwijderden top is de citadel, jaar in jaar uit +bezet door een Romeinsch legioen. Daar tegenover verrijst de tempel van +Jupiter, en daaronder het paleis van den legaat, een onneembare vesting. + +Op dit oogenblik begonnen de matrozen het zeil te bergen. + +--Het uur van scheiden is gekomen, zeide de grijsaard. Bij gindsche +brug, die naar Seleucia voert, eindigt de vaart. Wat het schip ontlaadt +voor verder vervoer neemt de kameel op. Wat is de stad gunstig gelegen, +niet waar? Van haar behoef ik niet anders te zeggen, dan dat ieder, die +het voorrecht had van haar te bezoeken, zich gelukkig mag noemen haar +gezien te hebben. + +Hij zweeg, want de galei wendde den steven langzaam naar haar +aanlegplaats onder den muur. Touwen werden uitgeworpen, de riemen werden +ingehaald, de reis was beëindigd. + +Voordat Ben-Hur het vaartuig verliet zocht hij nog eenmaal den +eerwaardigen Hebreër op. + +--Mag ik u nog even iets vragen, voordat ik u vaarwel zeg? + +De man boog toestemmend. + +--Wat gij ons van dien koopman hebt medegedeeld heeft mij begeerig +gemaakt om hem te zien. Zeidet gij niet dat hij Simonides heet? + +--Ja; hij is een Jood met een Griekschen naam. + +--Waar kan ik hem vinden? + +De vreemdeling keek hem scherp aan. Toen antwoordde hij: Ik moet u eene +teleurstelling besparen. Hij is geen geldschieter. + +--Evenmin als ik een geldleener ben, zeide Ben-Hur lachend. + +De grijsaard hief het hoofd op en dacht een oogenblik na. + +--Iedereen zou het natuurlijk vinden, zeide hij, zoo de rijkste koopman +van Antiochië een huis bewoonde volgens zijn stand; maar hier zou men +zich toch vergissen. Wilt gij hem een bezoek brengen, volg dan de rivier +tot aan de brug. Daaronder woont hij in een gebouw, dat er uitziet als +een stutbalk van den muur. Voor de deur is een breede aanlegplaats, +altijd vol van goederen, die pas gelost zijn, of ingescheept moeten +worden. De daar voor anker liggende schepen behooren hem toe. Gij zult +het gemakkelijk vinden. + +--Ik dank u. + +--De vrede onzer vaderen zij met u. + +--En met u. + +Zoo scheidden zij. + +Twee lastdragers namen Ben-Hurs bagage op en vraagden zijne bevelen. + +--Naar de citadel, beval hij, waaruit men kon opmaken, dat hij een +militaire betrekking vervulde. + +Twee groote straten, die elkander met een rechten hoek doorsneden, +verdeelden de stad in vieren. Aan het einde van de eene straat verhief +zich een vreemdsoortig gebouw, het Nymphaeum genaamd. Toen de dragers, +daar gekomen, den hoek omsloegen, was Ben-Hur, ofschoon hij regelrecht +van Rome kwam, verbaasd over de pracht, die zich voor zijne oogen +ontvouwde. Rechts en links niets dan paleizen, terwijl de straat +daartusschen van overdekte marmeren zuilengangen voorzien was, zoodat er +afzonderlijke wegen voor voetgangers, vee, en wagens waren. Op bepaalde +afstanden brachten ruischende springfonteinen koelte en verfrissching +aan. + +Ben-Hur was niet in de stemming om van het schoone te genieten. De +geschiedenis van Simonides vervolgde hem. Bij den Omphalus gekomen, een +monument van vier bogen, die de straat overspanden, prachtig versierd, +en opgericht door Epiphanes, den achtste der Seleuciden, veranderde hij +plotseling van gedachte. + +--Ik zal van avond niet naar de citadel gaan, zeide hij tot de dragers. +Breng mij naar een herberg, zoo dicht mogelijk bij de brug, die naar +Seleucia voert. + +De mannen sloegen den weg derwaarts in, en brachten hem weldra bij een +eenvoudig maar ruim gebouw, vlak bij de brug waaronder Simonides woonde. +Hij bracht den nacht op het platte dak door. Telkens en telkens +herhaalde hij bij zichzelven: Eindelijk zal ik dan van huis hooren, van +moeder en mijn lieve kleine Tirza. Als zij nog leven zal ik ze vinden. + + + * * * * * + + +DERDE HOOFDSTUK. + +TELEURGESTELD. + + +Den volgenden morgen vroeg maakte Ben-Hur zich op, om naar Simonides te +gaan. Een van schietgaten voorziene poort aan het einde der stad voerde +naar een gansche reeks van werven. Door een dichte, bedrijvige menigte +heen bereikte hij de brug, waar hij even staan bleef, om het voor hem +zeldzaam schouwspel in oogenschouw te nemen. + +Ja, dàt moest het huis van den koopman zijn, een grijs gebouw, geheel +stijlloos, precies een stutbalk van den muur, alles zooals de reiziger +gezegd had. Twee zware groote deuren verleenden toegang tot de werf. Een +paar getraliede vierkante openingen deden dienst als vensters. In de +voegen en spleten woekerde allerlei soort van onkruid en op sommige +plaatsen waren de overigens kale steenen met mos bewassen. + +De deuren stonden open. Door de eene ging men in, door de andere uit. +Drukte en haast spraken uit ieders bewegingen. Op de werf lagen allerlei +soorten van goederen opgestapeld, en tal van halfnaakte slaven liepen af +en aan. Onder de brug lag een gansche vloot van galeien ten anker, +sommige bezig met laden, andere met lossen. Van elken mast woei een gele +vlag. + +Niet lang bleef Ben-Hur daar staan. Zijn verlangen dreef hem verder. +Eindelijk zou hij bericht van de zijnen kunnen krijgen, indien namelijk +Simonides werkelijk in zijn vaders dienst geweest was. Maar zou de man +hem als den zoon van zijnen heer willen erkennen? Wat toch sloot dat in? +Afstand doen van zijne rijkdommen en van zijn stand, en weder tot den +staat van dienstbaarheid terugkeeren. Was het niet een dwaasheid tot +zulk een man te gaan met de eisch: Gij zijt mijn slaaf, geef mij al wat +gij hebt en--uzelf? + +Het bewustzijn van zijn goed recht en de hoop op tijding van huis gaven +Ben-Hur de kracht om zijn plan te volvoeren. Als het verhaal waar was, +behoorde Simonides met al wat hij had hem toe. Om het geld gaf hij, dat +moet gezegd worden, niets. Toen hij vastbesloten op de deur toetrad, +legde hij bij zichzelven de gelofte af: Laat hij mij zeggen waar moeder +en Tirza zijn, en ik geef hem onvoorwaardelijk zijne vrijheid terug. + +Met opgeheven hoofd trad hij binnen. Allereerst kwam hij in een ruim +pakhuis, waar in volmaakte orde allerlei soorten van goederen +opgestapeld lagen. Hoewel het er vrij duister en bedompt was, gingen +sjouwers onophoudelijk af en aan, terwijl andere werklieden, van zaag en +hamer voorzien, pakkisten ter verzending gereedmaakten. Langzaam liep +hij tusschen de pakken door en vraagde zichzelven af, of de man, van +wiens genie hier de overtuigende bewijzen waren, zijn vaders slaaf kon +geweest zijn. Indien het antwoord toestemmend was, tot welke klasse had +hij dan behoord? Zou hij, aangenomen dat hij een Jood was, de zoon van +een lijfeigene geweest zijn? Of was hij een schuldenaar, of de zoon van +een schuldenaar? Of was hij een dief en voor diefstal verkocht geworden? +Deze overleggingen deden in het minst geen afbreuk aan de achting en +bewondering, die hij bij al wat hij aanschouwde voor den handelaar ging +gevoelen. + +Eindelijk hield een man hem staande en sprak hem aan. + +--Wat is er van uw verlangen? + +--Ik wenschte den handelaar Simonides te spreken. + +--Wil mij dan volgen. + +De man voerde hem het geheele pakhuis door tot aan een smalle trap. +Boven gekomen bemerkte Ben-Hur, dat hij op het dak van het pakhuis +stond. Vóór hem verrees een gebouwtje, van de kade onzichtbaar, een huis +dus boven op een huis, en dat naast de brug onder den vrijen hemel +verhief. Het dak, waarop hij stond, was door een lagen muur omgeven, en +geleek wel een tuin door de keur van bloemen en gewassen, die er welig +tierden. In die liefelijken omgeving maakte het vierkant steenen gebouw, +welks muren, behalve door de voordeur, door geen enkelen opening +onderbroken werden, een zonderlingen indruk. Een net onderhouden pad +leidde tusschen bloeiende rozestruiken naar de deur. Den zoeten geur +opsnuivend volgde Ben-Hur zijn leidsman naar binnen. Aan het einde van +een donkere gang gekomen, hield deze stil voor een half opengeschoven +gordijn. + +--Een vreemdeling, die den patroon wenscht ter spreken, riep de man, om +onzen reiziger aan te dienen. + +Een heldere stem antwoordde: Laat hem binnenkomen. + +Een Romein zou het vertrek, waarin Ben-Hur thans kwam, zijn atrium +genoemd hebben. De wanden waren in paneelen verdeeld, die op hunne beurt +tot een soort van kantoorlessenaars waren ingericht en vol lagen met +dikke rollen: de kasboeken van den koopman. Tusschen en rondom de +paneelen waren prachtig gebeeldhouwde, roomkleurige plinten aangebracht. +Boven een rand van vergulde ballen rees de zoldering koepelvormig +omhoog. Het bovengedeelte van den koepel was met honderde pannen van +violetkleurig mica belegd, waardoor het licht liefelijk getemperd naar +binnen viel. Op den vloer lag een zoo dik tapijt, dat het geluid van +voetstappen er zich geheel in verloor. + +In het midden der kamer bevonden zich twee personen, een man, half +weggedoken in de kussens van een gemakkelijken leunstoel, en een +bevallig jong meisje. Toen hij hen zag vloog Ben-Hur het bloed naar 't +hoofd. Hij groette hen met een beleefde buiging, maar daardoor ontging +hem, dat de grijsaard, toen hij hem aankeek, zichtbaar ontsteld zijne +handen omhooghief. + +Toen Ben-Hur de oogen weer opsloeg vond hij vader en dochter in dezelfde +houding, behalve dat de hand van het meisje thans op den schouder van +den ouden man rustte. Beiden zagen hem onderzoekend aan. + +--Indien ik in u Simonides den koopman, den Jood, mag begroeten, dan zij +de vrede van den God onzes vaders Abraham met u en de uwen. + +--Ik ben Simonides, van wien gij spreekt, van geboorte een Jood, +antwoordde de man met een bijzonder klankrijke stem, en ik wensch u +eveneens dien vrede toe, u tevens verzoekende mij te willen meedeelen +met wien ik spreek. + +Ben-Hur had intusschen den man nauwlettend aangezien. Ach ja, het was +zooals zijn medepassagier hem gezegd had. Simonides, die op een forsche +kloeke gestalte had kunnen bogen, zat thans als een vormlooze massa in +de kussens weggezonken. Een zijden deken bedekte zijn misvormde +ledematen. Alleen het edelgevormde hoofd deed vermoeden wat hij eenmaal +geweest moest zijn. Witte lokken en witte wenkbrauwen verhoogden den +gloed der donkere oogen. Het gelaat was geheel kleurloos en met vele +rimpels doorploegd. Het was het gelaat van een man, die eer de wereld in +beweging zou brengen, dan door haar in beweging gebracht worden; een +man, die eer zijn leven dan een voornemen of een levensdoel zou +opofferen; een man van staal, alleen te treffen in wat hij liefhad. + +--Ik ben Juda, de zoon van Ithamar, in zijn leven het hoofd van het +geslacht Hur, en vorst van Jeruzalem. Dit zeggende stak hij den oude +beide handen toe. + +De rechterhand van den koopman, een uitgeteerde, misvormde hand, die op +de deken rustte, sloot zich krampachtig; overigens bleef hij volkomen +bedaard en gaf niet het minste teeken van verbazing of belangstelling. +Kalm antwoordde hij: De geboren vorsten van Jeruzalem zijn altijd welkom +in mijn huis. Gij zijt welkom. Esther, geef den jonkman een stoel. + +Het meisje gehoorzaamde en schoof een zetel aan, zeggende: De vrede van +onzen God zij met u; ga zitten en rust. + +Ben-Hur maakte geen gebruik van den zetel; maar zeide op beleefden toon: +Ik hoop dat de waardige Simonides mij niet voor een indringer zal +aanzien. Gisteren naar Antiochië reizende, vernam ik dat hij mijn vader +gekend heeft. + +--Ja, ik heb vorst Hur gekend. Wij hebben samen handel gedreven. Maar ga +toch zitten, bid ik u; en, Esther, breng wijn voor den jonkman. Nehemia +spreekt van een zoon van Hur, die over half Jeruzalem regeerde; een oud +geslacht, zeer oud. In de dagen van Mozes en Jozua vonden zij reeds +genade in de oogen des Heeren. Ik kan niet denken, dat een hunner +afstammelingen een beker druivennat van de echte wijngaarden van Sorek, +geplant op Hebrons heuvelen, zal weigeren. + +Nog voordat hij uitgesproken had bood Esther den bezoeker een beker wijn +aan. Ben-Hur echter maakte een afwijzende beweging. Een verwonderde blik +trof hem uit haar donkere, zachte oogen. Zij is lief en mooi, dacht hij, +zoo lief en mooi zou Tirza ook zijn, als zij nog leefde. Arme Tirza! +Toen zeide hij overluid: Neen, uw vader,--hij is immers uw vader ...? + +--Ik ben Esther, de dochter van Simonides, antwoordde zij fier. + +--Uw vader, schoone Esther, zal wanneer hij mij ten einde toe gehoord +heeft kunnen begrijpen, dat ik vooralsnog niet van zijnen wijn drink. En +gij zult er mij, hoop ik, niet minder goedgunstig om aanzien. Blijf, bid +ik u, een oogenblik naast mij staan. + +Het meisje deed wat haar verzocht werd. + +--Simonides, zeide Ben-Hur op vasten toon, toen mijn vader stierf, had +hij een vertrouwd bediende van uw naam, en mij is gezegd, dat gij die +man zijt. + +Het gansche lichaam van den grijsaard trilde, krampachtig balde hij de +vuist. + +--Esther, riep hij op strengen toon, kom hier! Als het kind uwer ouders +is uwe plaats hier, niet daar, hoort gij? + +Het meisje zag verschrikt en verbaasd eerst haar vader, toen den +bezoeker aan. Daarop zette zij den beker op tafel en ging gehoorzaam +naar den ziekenstoel. Simonides greep hare hand en zeide op kalme toon: +Ik ben oud geworden vóór mijn tijd door toedoen van menschen. Als hij, +die u wat gij daar zeidet, verteld heeft, een met mijne geschiedenis +bekend vriend is, dan moet hij u overtuigd hebben, dat ik niet anders +dan achterdochtig kan zijn met betrekking tot mijne medemenschen. De God +van Israël sta hem bij, die aan het einde zijns levens genoodzaakt is +zoo te spreken. Ik heb slechts weinigen lief, maar die dan ook met mijn +ganschen hart. Een van die--hij bracht op een onbeschrijfelijk teedere +wijze Esthers hand aan zijne lippen--tot heden onverdeeld de mijne, was +mij tot zulk een zoeten troost, dat ik zou sterven als zij van mij +genomen werd. + +Esther boog zich over haren vader en kuste hem op het voorhoofd. + +--De andere liefde is slechts een herinnering, waarvan ik niets anders +zeggen zal, dan dat zij als een zegen des Heeren een geheele familie +omvat. Wist ik, ach wist ik maar waar zij zich ophouden! + +Ben-Hurs gelaat werd met een donkeren blos overtogen, en een stap nader +tredend riep hij hartstochtelijk: Mijne moeder en zuster! Die bedoelt +gij, niet waar? + +Esther zag verwonderd op; maar Simonides, zichzelf meester, zeide koel: +Hoor mij ten einde. Omdat ik ben wat ik ben, en om de liefde waarvan ik +sprak, eisch ik van u naar recht en billijkheid de bewijzen, dat gij +zijt voor wien gij u uitgeeft. Daarna zal ik uwe vraag betreffende mijne +verhouding tot vorst Hur beantwoorden. Hebt gij uwe bewijzen op schrift? +Of brengt gij persoonlijke getuigen mee? + +De vraag was eenvoudig, en haar goed recht onbetwistbaar. + +Ben-Hur werd verlegen, stamelde een paar onsamenhangende woorden, en +keerde zich besluiteloos af. Simonides hield aan: Geef mij de bewijzen, +zeg ik. Leg ze mij voor, geef ze mij in handen! + +Maar Ben-Hur kon niets antwoorden. Aan die mogelijkheid had hij niet +gedacht; en nu hij er voor stond, gingen zijne oogen eerst geheel open +voor het vreeselijke feit, dat die drie jaren op de galeien alle +bewijzen van zijne identiteit hadden weggevaagd. Nu zijne moeder en +zuster spoorloos verdwenen waren, was er niemand, op wien hij zich kon +beroepen. Bekenden had hij genoeg; maar dat baatte niet. Wat had zelfs +Quintus Arrius, als hij hier bij hem was geweest, meer kunnen zeggen, +dan waar hij hem gevonden had en dat hij voor zich overtuigd was den +zoon van vorst Hur voor zich te zien? Maar, zooals wij straks zullen +zien, de dappere Romeinsche krijger was niet meer. Juda had vroeger wel +eens over zijne verlatenheid gezucht, maar nu eerst voelde hij ten volle +wat het zegt niemand toe te behooren. Daar stond hij met gevouwen +handen, afgewend gelaat, geheel verslagen. Simonides eerbiedigde die +stille smart en wachtte zwijgend. + +--Meester Simonides, zeide Ben-Hur eindelijk, ik kan u alleen mijne +levensgeschiedenis verhalen; maar ik doe het niet, tenzij gij zoolang uw +oordeel wilt opschorten en met goedwilligheid naar mij wilt luisteren. + +--Spreek, zeide Simonides, ik luister te gewilliger daar ik niet ontkend +heb, dat gij degeen zijt, voor wien gij u uitgeeft. + +Toen vertelde Ben-Hur in weinige, maar welsprekende woorden zijn +wederwaardigheden. Daar wij die kennen tot aan het oogenblik van zijne +landing te Misenum in gezelschap van Arrius, zullen wij bij dat punt +zijn verhaal opvatten. + +--De keizer had mijn weldoener lief, vertrouwde hem volkomen, en +overlaadde hem met eerbewijzen. De kooplieden uit het Oosten, die hem +hunne veiligheid dankten, brachten kostbare geschenken aan, zoodat hij +schatten op schatten stapelde. Mag een Jood zijn godsdienst vergeten, +of zijn geboorteland, zoo dat de heilige grond onzer vaderen is? De +waardige Arrius nam mij geheel volgens de Romeinsche wetten tot zoon +aan, en ik deed wat ik kon om hem mijne dankbaarheid te toonen. Nooit +was een kind zijn vader meer onderdanig dan ik hem. Hij had mij tot +geleerde willen maken. In kunst, philosofie, rhetorica, oratorie, zou +hij mij de beroemste meesters gegeven hebben. Die aanbiedingen sloeg ik +af, omdat ik een Jood was, en zoomin den Heere God kon vergeten, als +onze groote profeten of de stad door David en Salomo gebouwd. Vraagt gij +soms waarom ik zijne andere gaven wèl aannam? Dan antwoord ik: Ik had +hem lief, en ik hoopte eenmaal met zijne hulp den sluier op te lichten, +die het lot van mijne moeder en zuster bedekte. Daarnevens had ik nog +een ander doel voor oogen, waarover ik niets wil zeggen, dan dit, dat +het mij een prikkel was om het krijgswezen grondig te bestudeeren, en +mij in het hanteeren der wapenen te bekwamen. In worstelperk en circus +heb ik mij dag aan dag geoefend, in het kamp niet minder, en overal heb +ik naam gemaakt. De lauweren, die ik won--en aan de muren der villa te +Misenum hangen er verscheidene--kwamen tot mij, als zoon van Arrius den +duumvir, niet als den zoon mijns vaders. Alleen in mijne betrekking tot +den Romein ben ik bij de Romeinen bekend. Tot bevordering van mijne +plannen verliet ik Rome voor Antiochië, vast besloten om den Consul +Maxentius in den oorlog tegen de Parthen te volgen, ten einde op het +slagveld de hoogere kunst te leeren van de troepen ten strijde te +voeren. De consul heeft mij toegelaten tot den kring zijner naaste +omgeving. Maar gisteren, toen ons schip den Orontes opvoer, ontmoetten +wij twee andere schepen, met gele vlaggen in top. Een medereiziger en +landgenoot van Cyprus deelde ons mee, dat die schepen het eigendom waren +van Simonides, den grootsten koopman van Antiochië. Hij vertelde ons van +zijn wonderbaren voorspoed in den handel, van zijne vloot en karavanen, +weinig vermoedende, dat een zijner hoorders persoonlijk het grootste +belang stelde in hetgeen hij mededeelde. Hij zeide ook dat Simonides een +Jood was, in vroeger jaren lijfeigene van vorst Hur. Tot besluit sprak +hij van de wreedheden door Gratus gepleegd en het doel dier vervolging. + +Bij deze woorden boog Simonides het hoofd, terwijl Esther zich tegen hem +aanvlijde, als wilde zij hem haar innig medelijden toonen. Slechts even; +toen richtte Simonides zich weer op en zeide met heldere stem: Ik luister. + +--Ach, goede Simonides, antwoordde Ben-Hur, terwijl zijn geheele ziel +uit zijne oogen sprak, ik zie dat gij nog niet overtuigd zijt, en dat de +schaduw van verdenking nog op mij rust. + +Het gelaat van den koopman bleef koud en strak als marmer. Hij bewaarde +het stilzwijgen. + +--Niet minder duidelijk zie ik de moeilijkheden van mijn toestand, +vervolgde Ben-Hur. Mijne Romeinsche betrekking kan ik bewijzen, ik +behoef mij slechts op den consul te beroepen, die als gast van den +gouverneur dezer stad in Antiochië vertoeft; maar ik kan niet bewijzen +dat ik de zoon mijns vaders ben. Die dat konden zijn dood, of verdwenen. + +Hij bedekte zijn gelaat met beide handen, waarop Esther naar hem toe +ging, en hem den versmaden beker wijn nogmaals aanbood, met de woorden: +De wijn komt uit het land, dat wij allen zoozeer liefhebben. Drink, bid +ik u. + +Hare stem klonk zacht en liefelijk. Ben-Hur zag dat hare oogen vol +tranen stonden. Hij nam de beker aan, zeggende: Dochter van Simonides, +uw hart is vol goedheid. Dat onze God u zegene! Ik dank u. + +Toen wendde hij zich opnieuw tot den koopman. + +--Daar ik u niet bewijzen kan, dat ik mijn vaders zoon ben, trek ik +mijne vraag terug. Gij zult mij niet wederzien. Alleen dit nog: Mijn +bedoeling was niet u te doen terugkeeren tot dienstbaarheid, of +rekenschap te eischen van uw vermogen. Welke ook de uitkomst mocht +geweest zijn, ik zou gezegd hebben wat ik nu ook zeg: Alles wat gij door +uw vlijt en talenten gewonnen hebt is het uwe. Behoud het in vrede. Ik +heb het niet noodig. Toen de goede Quintus, mijn tweede vader, de reis +aanvaardde, waarvan hij niet zou terugkeeren, maakte hij mij tot eenige +erfgenaam van zijn vorstelijk vermogen. Mocht gij dus bijgeval later nog +eens aan mij denken, laat het dan alleen zijn in verband met de vraag, +die het voornaamste doel mijner komst was. Wat weet gij, wat kunt gij +mij vertellen van mijne moeder en van Tirza, mijne zuster; zij, die in +schoonheid en bevalligheid aan uwe beminnelijke dochter gelijk zou zijn? +O zeg, wat kunt gij mij van haar vertellen? + +De tranen stroomden langs Esthers wangen, maar haar vader bleef +onbewogen. Met vaste stem antwoordde hij: Ik heb gezegd dat ik vorst Hur +gekend heb. Ik herinner mij vernomen te hebben, dat zijn gezin door vele +rampen getroffen werd. Hij, die de weduwe van mijn vriend in het verderf +stortte, is dezelfde, die ook mij vervolgd heeft. Ik wil nog verder +gaan, en u zeggen dat ik naarstig onderzocht heb wat van de familie +geworden is; maar--ik kan u niets van haar vertellen. Zij zijn als van +den aardbodem verdwenen. + +Ben-Hur slaakte een diepen zucht. Dan--dan is weder een hoop vervlogen, +zeide hij. Ik ben gewoon aan teleurstellingen. Ik bid u vergeef mij, zoo +ik u moeite veroorzaakte, vergeef het ter wille van mijne smart. Ik heb +nu niets meer om voor te leven dan mijne wraak. Vaarwel. + +Bij den uitgang keerde hij zich om en zeide eenvoudig: Ik dank u beiden. + +--De vrede Gods vergezelle u, zeide de koopman. + +Esther kon niet spreken, zij snikte luid. + +En zoo vertrok hij. + + + * * * * * + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +SIMONIDES. + + +Nauwelijks was Ben-Hur de kamer uit, of Simonides scheen als uit den +slaap te ontwaken. Zijn gelaat gloeide, zijn sombere oogen schoten vuur. +Op levendigen toon zeide hij: Gauw, Esther, bel eens gauw! + +Zij ging naar de tafel en drukte op een knopje. Dadelijk daarop +verscheen door een deur in den muur een bediende, die voor den koopman +bleef staan en een eerbiedigen buiging maakte. + +--Hier, Malluch, dichter bij mijn stoel, beval de meester. Ik heb een +werk voor u, dat niet mag mislukken, al viel de zon ook van den hemel. +Luister! Zooëven verliet mij een jonkman, hij zal door het pakhuis gaan, +slank, schoon, als Israëliet gekleed. Volg hem, zijn schaduw mag niet +onafscheidelijker van hem zijn dan gij. Iederen avond doet gij mij weten +waar hij is, wat hij doet, welk gezelschap hij opzoekt; en als gij +zonder vrees voor ontdekking zijne gesprekken kunt afluisteren, breng ze +mij dan woord voor woord over, met alles wat dienen kan om zijne +gewoonten, zijne bedoelingen, zijn leven te leeren kennen. Begrepen? Ga +gauw. Wacht, Malluch, luister nog even. Gaat hij de stad uit, volg hem, +en doe u als vriend voor. Spreekt hij u aan, zeg wat gij wilt, alleen +niet dat gij in mijn dienst zijt. Daarover gezwegen. Haast u! Spoed u +voort! + +De man groette en ging heen. + +Toen wreef Simonides zijn vermagerde handen en lachte. + +--Welke dag is het vandaag, kind? vraagde hij vroolijk. Ik wil hem +onthouden als een geluksdag. Zie den datum lachend na, en zeg hem mij +lachend, Esther. + +Die vroolijkheid kwam haar onnatuurlijk voor, en om hem dat zachtkens te +doen gevoelen antwoordde zij droevig: Wee mij, vader, zoo ik ooit dezen +dag kon vergeten! + +Zijne handen vielen slap neer, hij boog het hoofd en zeide: Zeker, +zeker, mijn kind. Dit is de twintigste dag van de vierde maand. Vandaag +voor vijf jaren viel mijn lieve Rachel, uwe moeder, neer en stierf. Zij +brachten mij thuis, gebroken, zooals gij mij nu ziet, en wij vonden haar +bezweken door smart. O, voor mij was zij een struik kamfer in de +wijngaarden van Engedi. Ik heb mijne myrrhe geplukt met mijne specerij. +Ik heb mijne honigraten met mijnen honig gegeten. Wij begroeven haar op +een eenzame plek, een graf uitgehouwen in den berg, niemand ligt bij +haar. Maar zij liet mij in mijne duisternis een klein lichtje na, dat +met de jaren toenam in glans. (Hij legde zijne hand op Esthers hoofd.) +Lieve God, ik dank u, dat ik in mijne Esther mijne verlorene Rachel mag +zien herleven! + +Toen lichtte hij het hoofd weder op en zeide, alsof een invallende +gedachte hem trof: Is het niet klaarlichte dag daarbuiten? + +--Zoo was het toen de jonkman binnenkwam. + +--Laat Abimelech dan komen en mij naar den tuin brengen, waar ik de +rivier en de schepen kan zien. Daar zal ik u zeggen waarom zooeven mijn +mond lachte en mijne tong zong, en mijn hart opsprong binnen in mij, als +een ree of jonge gazelle op de welriekende bergen. + +Op haar schellen kwam een tweede knecht en duwde op haar bevel den +stoel, tot dat doel op wieltjes staande, de kamer uit, naar het dak van +het lager gelegen huis, den tuin, zooals Simonides het noemde. Tusschen +de schoonste, met de meeste zorg gekweekte bloemen door, werd hij naar +een punt gerold, vanwaar hij de brug, de fonkelende rivier en de +talrijke schepen overzien kon. Daar liet de knecht hem met Esther +alleen. + +Het geraas, dat de arbeiders maakten, hinderde hem niet, evenmin als de +drukte op de brug schuin boven zijn hoofd. Hij was daaraan gewoon en +merkte het ternauwernood op. + +Esther zette zich op de armleuning van zijn stoel en streelde zijne +hand, in afwachting dat hij spreken zou. Eindelijk begon hij op zijn +gewonen kalmen toon. Zijn machtige wil had hem de zelfbeheersching +teruggegeven. + +--Toen die jonkman sprak, Esther, heb ik u gadegeslagen, en meende te +zien dat gij voor hem gewonnen waart. + +Het meisje sloeg de oogen neer en antwoordde: Als u bedoelt, vader, dat +ik zijne woorden geloofde, ja, dan hebt u gelijk. + +--In uwe oogen is hij dus de zoon van vorst Hur? + +--Als hij het niet is.... + +--Nu, wat dan, kind? + +--Ik ben uwe dienstmaagd, vader, sinds moeder Gods roepstem volgde. Aan +uwe zijde staande heb ik gehoord en gezien hoe u op verstandige wijze +handeldet met allerlei soort van mannen, die langs rechte of kromme +paden winst zochten te behalen. Daarom zeg ik, als deze jonkman niet de +vorst is, waarvoor hij zich uitgeeft, dan zag ik de leugen nog nimmer +zoo goed de rol van waarheid en recht spelen. + +--Bij de wijsheid van Salomo, dochter, dat is een veelbeteekend woord. +Gelooft gij dat uw vader zijn vaders lijfeigene was? + +--Mij dacht, hij vraagde alleen maar, of dat zoo was. + +--Wel, gij zijt een goed kind, Esther, met echt Joodsche scherpzinnigheid +begaafd, en krachtig genoeg om een droevig verhaal te horen. Luister dus +goed, want ik zal u iets van mijzelven vertellen, en van uwe moeder, en +van vele dingen, die tot een verleden behooren, waarvan gij niets +vermoedt, dingen, die den wraakgierigen Romein verborgen zijn gebleven +ter wille van een stille hoop, en die ik u verzwegen heb, opdat uw +gemoed zich tot den God Israëls zou keeren, als het riet naar de zon. Ik +ben geboren in een spelonk in de vallei Hinnom, aan de zuidzijde van den +berg Sion. Mijn vader en moeder waren Hebreeuwsche lijfeigenen. Zij +verzorgden de olijf- en vijgeboomen in den Koningstuin bij Siloam. Toen +ik groot genoeg was hielp ik hen. Zij behoorden tot de klasse, die tot +altijddurenden dienst verplicht is. Ik werd later verkocht aan vorst +Hur, na koning Herodes de rijkste inwoner van Jeruzalem. Die zond mij +naar zijn magazijn in Alexandrië, waar ik meerderjarig werd. Ik diende +hem zes jaar, in het zevende werd ik naar de wet van Mozes vrij. + +Esther klapte in de handen. + +--O, dan zijt gij niet zijn vaders lijfeigene! + +--Luister verder, kind. Er waren in die dagen wetgeleerden, die met +groote heftigheid de stelling verdedigden, dat de kinderen van +lijfeigenen levenslang tot den stand hunner ouders behooren; maar vorst +Hur was rechtvaardig in alle dingen en een bekwaam uitlegger der Wet. +Hij zeide, dat ik een gekochte Hebreeuwsche dienstknecht was en volgens +de bedoeling van den grooten Wetgever in vrijheid kon uitgaan. Op +gezegelde brieven, die ik trouw bewaard heb, verklaarde hij mij vrij. + +--En mijne moeder? vraagde Esther. + +--Gij zult alles hooren, kind. Heb maar geduld. Voordat ik uitgesproken +heb zult gij zien, dat ik lichter mijzelf zou kunnen vergeten, dan uwe +moeder.... Toen mijn diensttijd verstreken was, ging ik met het +Paaschfeest op naar Jeruzalem. Mijn meester ontving mij in zijn huis. +Ik had hem lief met mijn gansche hart en verzocht hem in zijn dienst te +mogen blijven. Dat stond hij toe en ik diende hem nogmaals zeven jaren, +maar thans als een gehuurde zoon van Israël. Hij droeg mij de leiding op +van belangrijke ondernemingen ter zee, en het toezicht over zijne +karavanen naar Suza en Persepolis. Het waren gevaarvolle tochten, kind, +maar de Heer zegende alles wat ik ondernam. Ik bracht den vorst groot +gewin aan en deed voor mezelf een schat van kennis op, zonder welke ik +de verplichtingen, die mij later werden opgelegd, niet zou hebben kunnen +nakomen. Op zekeren dag bevond ik mij te Jeruzalem in het huis van den +vorst. Eene dienstmaagd kwam binnen met een schaal brood. Zij bood mij +daarvan aan. Dat was de eerste maal dat ik uwe moeder zag. Ik kreeg haar +lief. Niet lang daarna vraagde ik de vorst haar mij tot vrouw te geven. +Hij antwoordde, dat zij een lijfeigene was, levenslang dienstbaar; maar +dat hij haar om mijnentwil vrij zou laten. Zij had mij wederkeerig lief, +maar voelde zich gelukkig waar zij was en nam haar aangeboden vrijheid +niet aan. Telkens als ik te Jeruzalem kwam, hield ik bij haar aan, maar +haar antwoord bleef onveranderlijk hetzelfde: dat zij mijne vrouw wilde +worden, mits ik haar mededienstknecht werd. Onze vader Jakob diende +tweemaal zeven jaren om zijne Rachel, kon ik dat niet voor de mijne +doen? Maar uwe moeder zeide, dat ik een lijfeigene moest worden mijn +leven lang, evenals zij. Ik ging heen, maar kwam terug. Zie maar, +Esther, zie maar. + +Hij schoof zijn hoofddoek weg, wees op zijn linkeroor, en zeide: Ziet ge +het litteeken van den priem? + +--Ik zie het, antwoordde zij. Wat hebt ge moeder liefgehad! + +--Ach, Esther, zij was mij dierbaarder dan Sulamith den koninklijken +zanger; zij was mij een springader van levend water, als de stroomen van +den Libanon. De vorst bracht mij op mijn verzoek voor de rechters, +voerde mij terug naar zijne huisdeur, en doorpriemde mijn oor met den +priem, zoodat ik voor eeuwig zijn dienstknecht was. Aldus heb ik mijne +Rachel gewonnen. Was er ooit grooter liefde dan de mijne? + +Esther boog zich en kuste hem. Toen zwegen beiden een geruime poos. + +--Mijn meester verdronk op zee, de eerste droefheid die mij overkwam, +vervolgde Simonides. Er was rouwgeklag in zijn huis en in het mijne, +hier in Antiochië, waar ik toen reeds woonde. Let nu goed op, Esther. +Toen de vorst stierf was ik opgeklommen tot eersten rentmeester. + +Alles wat hij bezat stond onder mijn beheer. Daaruit kunt gij zien dat +hij mij volkomen vertrouwde en liefhad. Ik haastte mij naar Jeruzalem, +om de weduwe rekening en verantwoording te doen. Zij bevestigde mij in +mijn ambt. Ik legde mij met nog meer ijver op mijn werk toe. De zaak +bloeide en breidde zich jaarlijks uit. Zoo gingen tien jaren voorbij, +toen viel de slag, waarvan de jonge man straks gewaagde. Ik bedoel het +ongeluk met den procurator Gratus. De Romein noemde het een poging tot +moord. Onder dat voorwendsel legde hij, met toestemming van den keizer, +ten eigen bate beslag op alles wat de weduwe bezat. Daar bleef het niet +bij. Opdat geen herroeping van het vonnis mogelijk zou zijn, verwijderde +hij alle belanghebbenden. Sedert dien vreeselijken dag is de familie Hur +spoorloos verdwenen. De zoon, dien ik als kind gezien had, werd naar de +galeien verwezen. De weduwe en de dochter zijn waarschijnlijk opgesloten +in een der gevangenissen van Judea. Eenmaal achter de veroordeelden +gesloten, zijn die holen aan grafspelonken gelijk. Weggevaagd zijn de +armen, alsof de zee ze verzwolgen had. Wij konden niet eens te weten +komen hoe zij stierven; neen, zelfs niet of zij dood zijn. + +Esthers oogen stonden vol tranen. + +--Uw hart is goed, Esther, evenals dat van uwen moeder, en ik bid God, +dat het niet het lot moge ondergaan van het meerendeel der goede harten: +vertrapt te worden door onmeedoogenden en blinden. Maar luister verder. +Ik begaf mij dadelijk naar Jeruzalem, om mijne meesteres, zoo mogelijk, +te helpen, maar werd bij de poort gegrepen en naar de burcht Antonia +gebracht, waarom wist ik niet, totdat Gratus zelf verscheen en de gelden +opeischte van het huis Hur, welke hij wist dat, naar Joodsch gebruik, +door wissels van mijne handteekening voorzien, overal konden opgevraagd +worden. Hij verlangde dat ik zijn bevel zou onderteekenen. Ik weigerde. +Hij had de huizen, landerijen, goederen, schepen van hen, die ik diende, +maar niet het geld. Ik wist dat ik, als God met mij bleef, het verlorene +ruimschoots kon herwinnen. Ik weigerde den tiran te gehoorzamen. Hij +deed mij op de pijnbank leggen. Ik bleef standvastig. Hij hergaf mij de +vrijheid zonder zijn doel bereikt te hebben. Ik kwam thuis en begon +handel te drijven op naam van Simonides van Antiochië, zooals ik dat +vroeger deed op naam van vorst Hur van Jeruzalem. Gij weet, Esther, dat +alles mij meeliep, dat het vorstelijk vermogen onder mijn beheer tot in +het wonderbaarlijke aangroeide. Gij weet dat ik drie jaren later naar +Cesarea ging, waar ik weder op bevel van Gratus gegrepen en gepijnigd +werd, om mij de bekentenis af te persen, dat mijn geld en goed tot het +door hem in beslag genomene behoorde. Gij weet, dat hij evenmin als +vroeger iets op mij vermocht. Gebroken naar 't lichaam kwam ik thuis en +vond mijne Rachel dood, van angst en droefheid over mij. De Heer onze +God regeert; ik bleef in het leven. Van den keizer zelf kocht ik het +privilegie, om over de geheele wereld handel te mogen drijven. Heden, +geloofd zij Hij, die de wolken maakt tot zijne wagen en en op de winden +wandelt, heden, Esther, is datgene wat mij als rentmeester was +toevertrouwd tot een vermogen aangegroeid, waar een keizer van zou +kunnen leven. + +Trots hief Simonides het hoofd op. Hunne oogen ontmoetten elkander, zij +lazen elkanders gedachten. + +--Wat zal ik met den schat doen, Esther? vraagde hij, haar strak +aanziende. + +--Vader, zeide zij zacht, heeft de rechtmatige eigenaar zich straks niet +aangemeld? + +Zijn oog bleef vast op het hare gericht. + +--Maar gij, mijn kind, moet ik u als bedelares achterlaten? + +--Neen, vader; ben ik niet, omdat ik uw kind ben, zijne dienstmaagd? En +van wie staat geschreven: Kracht en eer zijn haar kleedij, en zij zal in +toekomstige tijden zich verblijden? + +Met een uitdrukking van innige liefde op het gelaat antwoordde hij: God +is in vele opzichten goed voor mij geweest; gij, Esther, zijt het +grootste bewijs van zijne gunst. + +Hij trok haar tot zich en kuste haar herhaaldelijk. + +--Hoor nu, zeide hij, waarom ik straks lachte. De jonge man was sprekend +het evenbeeld van zijn vader, toen hij nog jong was. Mijn hart vloog hem +te gemoet om hem te begroeten. Ik voelde dat mijn lijdenstijd voorbij +was en mijn zwoegen geëindigd. Ik had het uit kunnen schreeuwen van +blijdschap. Ik zou niets liever gedaan hebben, dan hem bij de hand +nemen, hem de kasboeken toonen en zeggen: Zie, dat is alles het uwe, en +ik ben uw dienstknecht, bereid om afgeroepen te worden. En dat zou ik +gedaan hebben, Esther, dat zou ik gedaan hebben, zoo niet op dat +oogenblik een drietal gedachten bij mij opgekomen was en mij weerhouden +had. Ik moet zeker weten, dat hij de zoon mijns meesters is, dat was de +eerste gedachte. Is hij dat, dan moet ik iets aangaande zijn karakter +zien te vernemen; want, Esther, onder degenen, die in weelde geboren +werden, zijn velen in wier hand de rijkdom tot een vloek werd.... + +Hij zweeg even, toen vervolgde hij, trillend van moeilijk bedwongen +hartstocht: Denk aan de folteringen, die de Romein mij heeft doen +ondergaan, neen, niet Gratus alleen; de ellendelingen, die zijne bevelen +ten uitvoer brachten, waren allen Romeinen en zij lachten bij mijne +jammerkreten. Denk aan mijn verbrijzeld lichaam en aan de jaren die ik, +de sterke man, in hulpbehoevendheid heb moeten doorbrengen. Denk aan uwe +moeder in haar eenzaam graf. Denk aan het vreeselijke lijden van het +gezin mijns meesters als zij nog leven, en aan het wreede van hunnen +dood als zij niet meer zijn. Bedenk dat alles en zeg mij, zal dan geen +enkele druppel bloed vergoten worden ten zoen? Zeg nu niet wat onze +leeraars soms zeggen: De Wrake is des Heeren ... zijn niet zijne +krijgsknechten talrijker dan zijne profeten? Luidt niet een van zijne +geboden: Oog om oog, tand om tand? Al deze jaren door heb ik gedroomd +van wraak, er om gebeden, haar voorbereid, geduld geoefend bij het +aanschouwen van de vermeerdering mijner schatten, in het vaste geloof, +dat zij mij eenmaal zouden helpen de goddeloozen te straffen. Toen nu de +jonge man van zijne bedrevenheid in het voeren der wapenen sprak en er +bijvoegde, dat hij een bepaald doel in het oog hield, kwam de derde +gedachte, de gedachte van wraak, bij mij op, en die, Esther, deed mij +onvermurwbaar blijven zoolang hij sprak en lachen toen hij vertrokken +was. + +Esther liefkoosde zijne hand en zeide op peinzenden toon: Hij is weg; +zal hij terugkomen? + +--Zeker; Malluch, de getrouwe, gaat met hem en zal hem wederbrengen, als +ik gereed ben. + +--En wanneer zal dat wezen, vader? + +--Weldra, weldra. Hij denkt dat alle getuigen dood zijn. Er leeft nog +één wezen dat hem herkennen zal, indien hij waarlijk mijn meesters zoon +is. + +--Zijne moeder? + +--Neen, kind. Ik zal de getuige tegenover hem stellen. Tot zoolang +willen wij deze zaak in des Heeren hand laten. Ik ben moe. Roep +Abimelech. + +Esther deed wat haar gelast werd en vergezelde haren vader naar binnen. + + + * * * * * + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +DAPHNE'S PARK. + + +Ben-Hur verliet het pakhuis met het bewustzijn, dat hij weer een nieuwe +teleurstelling voegen kon bij de vele, die hij reeds had ondervonden in +het zoeken naar zijne familie. Die gedachte was zeer neerdrukkend. Hij +voelde zich zoo eenzaam en verlaten. Nu deze hoop vervlogen was, kwam +het leven hem zoo dor en weinig belangrijk voor. + +Het koeltje dat hem van de rivier tegenwoei, lokte hem naar de +landingsplaats. Daar schoot hem het gezegde van den reiziger te binnen: +Beter een worm te zijn en moerbeiblaren te eten in Daphne's Park, dan +gast aan 's Konings tafel. Hij keerde om en ging naar de herberg terug. + +--Waar de weg naar Daphne is? zeide de portier, verbaasd over de vraag, +die Ben-Hur hem deed. Zijt gij hier voor 't eerst? Zoo, dan kunt gij +dezen dag als den gelukkigsten van uw leven beschouwen. Gij kunt u niet +in den weg vergissen. De eerste straat links voert naar den berg +Sulpius, op wiens top een altaar van Jupiter staat en het Amphitheater. +Volg die tot de derde kruisstraat, de Kolonnade van Herodes geheeten, +sla daar rechts om en ga dwars door de oude stad naar de bronzen poort +van Epiphanes. Daar begint de weg naar Daphne. Mogen de goden u +beschermen! + +Ben-Hur begaf zich dadelijk op weg. De Kolonnade van Herodes was +gemakkelijk te vinden, evenzoo de bronzen poort. + +Het was omstreeks de vierde ure van den dag, toen hij de stad achter +zich liet, om in gezelschap van honderde andere wandelaars naar de +beroemde tuinen te gaan. De weg was verdeeld in verschillende paden voor +voetgangers, ruiters en wagens; deze laatste weder voor gaande en +komende. Lage balustraden, op geregelde afstanden met fraaie standbeelden +versierd, dienden tot scheidsmuur tusschen de verschillende paden. +Rechts en links van den weg strekten zich goed onderhouden grasvelden +uit, hier en daar met eiken en vijgen beplant, en van schaduwrijke +prieëlen voorzien, een heerlijke rustplaats voor de vermoeiden onder de +wandelaars. De paden voor de voetgangers waren met roode steentjes +geplaveid, die voor de ruiters en wagens met wit zand bestrooid, zoo +dik, dat het geen echo's van hoeven of wielen teruggaf. Het aantal +springende fonteinen was verbazend groot, alle geschenken van koningen, +die de stad bezocht hadden, en naar hunnen namen genoemd. Deze +straatweg, onovertroffen in aanleg en schoonheid, liep van de stad tot +aan den ingang van het Park over eene lengte van ruim vier mijlen. + +In zijn diepe neerslachtigheid lette Ben-Hur ternauwernood op al die +pracht, noch op de hem omringende menigte. Daar kwam bij dat een +provinciestad hem, den inwoner van Rome, weinig belang inboezemde. Het +was immers onmogelijk, dat de provincies iets konden opleveren, wat men +in Rome niet veel beter en mooier kon zien. Daarom stapte hij wat aan en +drong door de groepjes heen, die hem den weg versperden, en veel te +langzaam gingen naar zijn smaak. Toen hij Heracleia bereikt had, een +klein dorp halverwege de stad en het Park, voelde hij zich een weinig +vermoeid, maar tevens toegankelijker voor afleiding. Een paar geiten +voortgeleid door een schoone vrouw, alle drie rijk versierd met bloemen +en linten, trokken allereerst zijne aandacht. Toen bleef hij staan om +naar een fraaien, sneeuwwitten, met frissche wingerdranken omhangen +stier te zien, die op zijn breeden rug een mandje droeg, waarin een +beeldschoon driejarig knaapje zat, den jongen Bacchus voorstellende, die +het sap van rijpe druiven uitdrukt in een beker. Daar ging hem een paard +voorbij, rijk opgetuigd, evenals zijn berijder. Hij glimlachte over de +zelfbewuste fierheid van ruiter en ros beiden. Weldra hadden de hem +voorbijsnellende wagens en paarden, zonder dat hij het zelf wist, zijn +belangstelling ten volle gewekt. Na een poosje begon hij ook te letten +op de menschen rondom hem. Hij zag dat zij van allerlei leeftijd en +stand waren, en allen in feestgewaad. Hier was het gezelschap in 't wit, +daar een in 't zwart; sommige hielden vlaggen in de hand, andere +zwaaiden wierookvaten, sommige gingen langzaam voort onder het zingen +van hymnen, andere liepen op de maat van fluiten en kleine trommen. +Als dat iederen dag zoo naar Daphne stroomde, moest er toch iets +buitengewoons te zien zijn! Eindelijk ging een luid gejubel op, men +klapte in de handen ... de wandelaars hadden het doel van hunnen tocht +bereikt. De sierlijken poort, die toegang verleende tot het gewijde +Park, verrees voor zijn oog. + +Het gezang werd sterker, de muziek speelde lustiger. Gedragen door den +stroom, en deelende in de algemeene geestdrift, trad hij naar binnen. +Eén blik, en, in weerwil van zijn verfijnden Romeinsche smaak, was +Ben-Hur opgetogen over hetgeen hij zag. + +Toen hij de poort, die een Griekschen tempel moest voorstellen, +doorgegaan was, stond hij op een breede marmeren esplanade. Het wemelde +er van menschen in feestklederen, waarvan de bonte kleuren aardig +afstaken tegen de zilveren stralen der springfonteinen. Vóór hem, links, +voerden net onderhouden wandelpaden naar een tuin, die ongemerkt +overging in een bosch, waarboven een doorzichtige blauwe nevel hing. + +Ben-Hur staarde droomerig voor zich uit, onzeker waarheen te gaan. Op +dat oogenblik riep een vrouw in zijn nabijheid: Mooi! Maar waar nu naar +toe? + +Haar metgezel, getooid met een lauwerkrans, lachte en antwoordde: +Waarheen, lieve domoor? Die vraag komt voort uit aardsche vrees, en +waren wij niet overeengekomen om al die dingen in de stad achter te +laten? De winden, die hier waaien, zijn de ademhalingen der goden. +Wij willen ons door hen laten leiden. + +--Maar als wij eens verdwaalden? + +--Bang zieltje! Niemand is ooit in Daphne van den rechten weg +afgedwaald, behalve zij, achter wie de poorten voorgoed gesloten werden. + +--Wie bedoelt gij? vraagde zij, nog niet geheel gerustgesteld. + +--Hen, die bezweken zijn voor de bekoringen der plaats, en er zich voor +leven en dood aan verbonden hebben. Wacht! Laat ons hier blijven staan, +dan zal ik u toonen wat ik bedoel. + +Het geluid van lichte snelle voetstappen deed zich hooren. + +De menigte maakte ruim baan, want daar kwamen zij aan, de ongelukkigen, +waarop de man gezinspeeld had. Eenige jonge meisjes zweefden voor en +langs hen heen, zingend en dansend op de maat harer tambourijnen. De +vrouw drukte zich verschrikt tegen haar geleider aan, deze sloeg zijn +arm beschermend om haar heen. Zijne oogen flikkerden. Het haar der +danseressen golfde vrij over hare schouders, het gazen kleedje, dat +ternauwernood haar leden dekte, liet haar volkomen vrij in al hare +bewegingen. Zinnelijker dans zou bezwaarlijk uit te denken zijn. Eén +ronde ... en weg waren zij, even snel en onhoorbaar als zij gekomen +waren. + +--Nu, wat zegt ge daarvan? riep de man. + +--Wie zijn dat? vraagde zij. + +--Devadasi, priesteressen van den tempel van Apollo. Haar getal is +legio. Zij vormen bij feestelijke gelegenheden het koor. Dit is haar +tehuis. Soms brengen zij wel eens een bezoek aan andere steden, maar +hare verdiensten moeten zij hier afgeven, om de woonplaats van den +goddelijken zanger te verrijken. Willen wij nu verder gaan? + +Het volgend oogenblik was het paar verdwenen. + +Ben-Hur volgde hun voorbeeld en wandelde verder, waarheen wist hij niet. + +Een beeldhouwwerk trok allereerst zijne aandacht. Het bleek een centaur +voor te stellen. Een opschrift deelde den onkundige mede, dat hij hier +de beeltenis aanschouwde van Chiron, den veelbeminde van Apollo en +Diana, door hen onderwezen in de geheimen der jacht, geneeskunst, muziek +en profetie. + +Toen Ben-Hur door wilde wandelen, kwam juist de witte stier voorbij. Het +kind zat nog in de mand, en leidde een processie; daarna kwam de vrouw +met de geiten, gevolgd door de tambourijn- en fluitspelers. Daarachter +een tweede processie van lieden, die geschenken brachten. + +--Waar gaat dat alles heen? vroeg iemand, en het antwoord luidde: De +stier naar vader Jupijn, de geit naar Apollo. + + + * * * * * + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +GODSDIENST EEN DEKMANTEL. + + +Ben-Hur volgde de processie naar het bosch, begrijpende dat hij zoodoende +de belangrijkste punten van het Park te zien zou krijgen. Toen hij een +eindweegs gegaan was kwam hij aan een open plek. Een zacht windje voerde +welriekende geuren aan; wierook en rozengeur. Hij bleef staan en met hem +vele anderen, om te zien vanwaar die geuren kwamen. + +--Daar is zeker een tuin, zeide hij tot een man, die naast hem stond. + +--Of een offerplaats voor Diana, of Pan, of een der boschgoden, luidde +het antwoord in de Hebreeuwsche taal. + +Ben-Hur zag den spreker verbaasd aan. Een Hebreër? vraagde hij. + +De man antwoordde met een glimlach: Ik werd binnen Jeruzalems muren +geboren. + +Ben-Hur was van plan het gesprek voort te zetten; maar de menigte drong +vooruit, zoodat hij van den vreemdeling gescheiden raakte. Hij had +slechts den tijd gehad om 's mans kleeding en gelaat op te nemen, een +echt Joodsch type. Hij zou hem wel kunnen herkennen, dacht hij. + +Thans waren zij gekomen aan een punt, waar een zijpad een gunstige +gelegenheid aanbood om zich van de luidruchtige processie af te +scheiden. Ben-Hur maakte er gauw gebruik van. + +Eerst kwam hij aan een kreupelboschje, dat van den grooten weg gezien +nog in den natuurstaat scheen te verkeeren. Een paar stappen waren +echter voldoende, om hem ook hier de meesterhand te doen herkennen. De +struiken stonden in bloei, of droegen reeds vrucht; de grond was bedekt +met de heerlijkste bloemen: seringen en rozen, lelies en myrrhe, +oleanders en aloë's, alle oude bekenden uit de valleien rondom Davids +stad; en opdat niets aan het geluk der naiaden en nimfen zou ontbreken, +stroomde een kabbelend beekje door deze bekoorlijke wildernis. Links en +rechts kirden de tortels, en tal van andere gevederde zangers schenen +slechts op zijne komst te wachten om een lied aan te heffen. Een +nachtegaal bleef onbevreesd op zijn tak zitten, ofschoon Ben-Hur op +armslengte voorbijging. Een patrijs liep vlak voor zijne voeten, piepend +tegen de kleintjes, die haar volgden. + +Hij zette zich neder onder een citroenboom, die zijn wortels wijd +uitstrekte om zich te laven aan de beek. Het nest van een duikertje hing +vlak boven het kabbelend water en het diertje keek hem met zijn +schrandere oogjes onbevreesd aan. Het vogeltje verklaart mij het geheim, +dacht hij. Het wil zeggen: Ik ben niet bang voor u, want in dit +liefelijke oord is Liefde de Wet. + +Na een korte rust stond hij op en wandelde verder, totdat hij bij een +snel vliedende stroom kwam. Zijn weg voerde over een brug, vanwaar hij +het uitzicht had op een bekoorlijk landschap. Vruchtbare valleien, +heuvelen, meertjes, rotswerk, zomerhuisjes, groene weilanden, bedekt met +kudden, ruischende watervallen, zoo kon men het niet bedenken, of deze +uitgestrekte terreinen leverenden het op. + +Als om aan het geheel een godsdienstig karakter bij te zetten waren +overal altaren in de open lucht gebouwd, elk door een in 't wit +gekleeden priester bediend, terwijl processies, eveneens in 't wit, +langzaam van het eene altaar naar het andere gingen, en de rook der +offeranden in doorzichtige wolkjes naar boven steeg. + +Nu ging hem een licht op. Het Park was eigenlijk een onafzienbare +tempel, een tempel zonder muren. Dit ging zijne verwachting verre te +boven. + +Ben-Hur daalde af in de vallei. Daar graasde een kudde schapen. De +herderin wenkte hem: Kom! + +Een weinig verder verhief zich midden op 't pad een altaar van zwart en +wit marmer, en daarop een bronzen bekken met brandend reukwerk gevuld. +Vlak daarbij stond een betooverend schoone vrouw met een wilgetak in de +hand, en zoodra zij hem zag, wuifde zij hem toe en riep: Kom hier en +toef een weinig! + +Nog verder kwam hij eene processie tegen. Aan het hoofd gingen eenige +kleine meisjes, met kransen omhangen; maar dat was dan ook haar eenige +bedekking. Zij zongen in koor, en werden gevolgd door een groep kleine +jongens, eveneens naakt, en dansend op het gezang der meisjes. Hen +volgden vrouwen met geschenken voor de altaren, specerijen en +lekkernijen, hoogst eenvoudig, maar wel wat luchtig gekleed. In 't +voorbijgaan staken zij hem de handen toe en riepen: Keer om en ga met +ons!... Eene van haar, een Griekin, zong het volgend liedje: + + Voor vandaag neem en geef ik; + Voor vandaag drink en leef ik; + 'k Denk niet aan den dag van morgen, + Die moet voor zichzelven zorgen. + +Zonder haar verder een blik waardig te keuren ging hij voort, totdat hij +bij een schaduwrijk boschje kwam. Dat trok hem aan. Het gras was zoo +groen en frisch, de boomen stonden niet dicht opeengedrongen en waren +van verschillende soorten, ook van vreemden bodem hierheen gebracht: +statige palmen, vijgen, laurierboomen, trotsche eiken, ceders, +wedijverende in omvang met die van den Libanon, moerbeiboomen en +platanen. Midden in het boschje stond een zeldzaam schoon beeld van +Daphne. Aan den voet van het beeld lagen een knaap en een meisje in +elkanders armen te slapen, zijn bijl en sikkel, haar mand en snoeimes +lagen achteloos neergeworpen op een hoop verwelkte bloemen. + +Dat hinderde hem. Was hij onder den citroenboom tot de slotsom gekomen +dat de bekoring van dit heerlijk oord gelegen was in: Liefde zonder +vrees,--thans las hij als in een opengeslagen boek: Hier is Liefde de +Wet, o ja; maar Liefde zonder Wet. + + + * * * * * + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +MALLUCH. + + +Het beeld van Daphne links latende liggen begaf hij zich naar een +boschje van cypressen, hoog en statig als de masten van een schip. Op +eens weerklonk een vroolijk trompetgeschal. Rondziende om de oorzaak te +ontdekken zag hij den Jood, dien hij eenige uren geleden ontmoet had, in +het gras liggen. De man stond op en kwam naar hem toe. + +--Nogmaals, vrede zij u, zeide hij vriendelijk. + +--Dank u, antwoordde Ben-Hur en vraagde toen: Gaat gij mijn weg? + +--Ik ben op weg naar de renbaan, als dat uw weg is. + +--De renbaan! + +--Ja, het trompetgeschal, dat gij zooeven gehoord hebt, was het signaal +voor de mededingers. + +--Goede vriend, zeide Ben-Hur levendig, ik ben hier onbekend. Als gij +mij toestaat u te volgen zal het mij zeer verheugen. + +--Het zal mij een groot genoegen wezen. Hoor! Daar gaan de wagens reeds. + +Ben-Hur luisterde even, en stelde zich toen aan den nieuwen bekende +voor, zeggende: Ik ben de zoon van Arrius, den duumvir, en gij? + +--Ik ben Malluch, een handelsbediende uit Antiochië. + +--Wel goede Malluch, die trompet en het gerammel van wielen, en het +vooruitzicht van een wedren wekken mij geheel op. Ik heb eenige ervaring +van die spelen en ben niet onbekend in de renperken van Rome. Laat ons +gaan. + +Malluch bleef even staan, en zeide: De duumvir was een Romein en zijn +zoon draagt de kleeding van een Jood? + +--De edele Arrius was mijn pleegvader, zeide Ben-Hur. + +--O zoo; vergeef mij zoo ik nieuwsgierig scheen. + +Zij verlieten het bosch en kwamen aan een uitgestrekt veld, dat tot +renbaan was ingericht. Ten gerieve der toeschouwers was aan weerszijden +voor overdekte staan- en zitplaatsen gezorgd, de laatste +amphitheaterswijze. + +Ben-Hur telde de wagens, die de baan inreden, negen in 't geheel. + +--Ik wensch de menners geluk, zeide hij opgeruimd. Ik dacht dat men zich +hier in 't Oosten vergenoegde met een tweespan; maar zij zijn eerzuchtig +en wagen zich aan de vorstelijke vier. Laat ons zien wat zij er van +maken. + +Acht vierspannen gingen voorbij, sommige stapvoets, andere in draf, +uitnemend bestuurd. Toen naderde het negende in vollen galop. + +Ben-Hur uitte een kreet van bewondering. Ik ben in de keizerlijke +stallen geweest, Malluch, zeide hij; maar bij onzen vader Abraham, zulke +paarden zag ik nimmer. + +Pijlsnel vlogen zij voorbij. Een oogenblik later geraakten zij eensklaps +in de war. Achter zich hoorde Ben-Hur een kreet van woede. Hij keerde +zich om en zag op een van de bovenste banken een grijsaard, ter prooi +aan de grootste opgewondenheid. Een lange, witte baard golfde hem op de +borst. Sommige der omstanders begonnen te lachen. + +--Zij moesten ten minste achting hebben voor zijn baard.... Wie is hij? +vraagde Ben-Hur. + +--Een aanzienlijk man uit de woestijn. Sheik Ilderim heet hij, eigenaar +van vele kameelen. Zijn paarden, zegt men, zijn van het zuiverste ras, +afstammelingen van de beste renners van den eersten Pharao, antwoordde +Malluch. + +De menner deed intusschen al wat hij kon om zijn vierspan tot kalmte te +brengen, maar tevergeefs. Elke mislukte poging maakte den Sheik +onrustiger. + +--Abaddon! riep hij met schelle stem tot een zijner dienstknechten, +gauw, haast u! Grijp ze! Loop! Hoort gij mij niet? Het zijn vrije +kinderen der woestijn, evenals gijzelf! + +De paarden werden wilder en wilder. + +--Vervloekte Romein! riep de Sheik en balde de vuist tegen den menner; +zwoer hij niet bij al zijn valsche goden, dat hij wist hoe men er mee om +moet gaan?... Blijf van mij af, zeg ik!... Ik wil het zeggen dat +iedereen het hoort.... Zij zouden als arenden vliegen, zei hij, en toch +zacht zijn als jonge lammeren. Vervloekt zij hij! Zie hen aan, de +weergaloozen! Als hij waagt hen met de zweep aan te raken, dan-- + +Het overige van den zin ging verloren in woedend tandengeknars. Abaddon! +riep hij een oogenblik later, Asalthiël! Gaat dan toch en houdt ze +tegen! Spreekt tot hen! Eén woord is voldoende! O dwaas, die ik was, om +een Romein te vertrouwen! + +Ben-Hur, die den Sheik meende te begrijpen, kon voor hem gevoelen. Hij +wist dat niet zoozeer gekwetste ijdelheid, niet angst over den uitslag +van den wedren, hem in zulk een toestand bracht; maar de bezorgde +teedere liefde voor zijn dieren, die bij den woestijnbewoner gewoonlijk +aan hartstocht grenst. + +'t Waren dan ook prachtexemplaren, kastanjebruin van kleur, volmaakt +gelijk aan elkander, en zoo goed geëvenredigd, dat zij kleiner toonden, +dan zij werkelijk waren. De kleine koppen, fijne ooren, de wijdgeopende +neusgaten, vuurrood van binnen, de sierlijk gewelfde halzen, de +prachtige dikke manen, die tot op de schouders en borst neerhingen, +terwijl de voorhoofdlokken aan uitgerafelde zijde deden denken, de +schoon gevormde pooten--alles kenmerkte het edelste Arabische ras. Wild +steigerend sloegen zij de lucht met hun glanzig zwarte, dikke, lange +staarten. De Sheik noemde ze weergaloos, en hij had gelijk. + +Bij deze tweede en nadere beschouwing begreep Ben-Hur ten volle in welke +verhouding de dieren tot hun meester moesten staan. Opgegroeid onder +zijn oog, het voorwerp van zijne bijzondere zorgen bij dag, het +onderwerp zijner droomen bij nacht, met zijn gezin de zwarte tent in de +woestijn deelende, had hij hen lief als zijne kinderen. Opdat zij hem +een triomf over de hooghartige, gehate Romeinen zouden doen behalen, had +de oude man zijn lievelingen naar de stad gebracht. Hij twijfelde niet +aan hunne overwinning, als hij maar een vertrouwbaren wagenmenner kon +vinden, die behalve de bekwaamheid ook den tact bezat om met hen om te +gaan. Het was hem, den Sheik en Arabier, onmogelijk koel toeschouwer te +blijven, en later den onhandige met een scherpe vermaning weg te zenden, +zooals een Westerling allicht zou gedaan hebben,--hij moest zijn woede +openlijk lucht geven. + +Nog voordat de Sheik van zijne drift bekomen was, hadden een dozijn +handen de paarden bij 't gebit gegrepen en tot staan gebracht. Thans +verscheen de tiende wagen in de renbaan. In afwijking van de andere +waren hier menner, wagen en paarden geheel uitgedost zooals zij op den +dag van den wedstrijd in den circus zouden verschijnen. + +Daar de Romeinschen strijdwagens algemeen bekend zijn behoeven wij ze +hier niet nader te beschrijven. De eerste mededingers waren stilzwijgend +ontvangen; toen deze laatste de baan inreed klapten verscheidene +toeschouwers in de handen en juichten hem luide toe, zoodat weldra de +algemeene aandacht op hem gevestigd was. De twee middelste paarden waren +zwart, de twee buitenste sneeuwwit. Hunne staarten waren op Romeinsche +manier kort gesneden, evenzoo hunne manen, die daarenboven met roode en +gele linten doorvlochten waren. De wagen zelf was een waar kunststuk. +Het schoone geheel trok ten zeerste Ben-Hurs aandacht, en de menner--wie +kon dat zijn? De toejuichingen deden vermoeden dat hij een aanzienlijk +persoon, misschien wel een vorst was. Men zal zich herinneren dat zelfs +de keizers Nero en Commodus gaarne deelnamen aan wedrennen. Ben-Hur +stond op en drong door tot de onderste rij, vlak bij de borstwering. + +Nog een paar minuten en hij kreeg den wagenmenner vlak in 't gezicht. +Deze had een vriend naast zich, in de taal der klassieken een Myrtilus +geheeten, hetgeen mannen van aanzien, die aan wedrennen deelnamen, +geoorloofd was. Ben-Hur kon alleen den menner zien, recht overeind +staande in zijnen wagen, de teugels verscheidene malen om zijn lichaam +gewonden. Hij droeg een lichtroode tunica, in de rechterhand hield hij +de zweep, in de linker de vier leidsels. De houding was uitermate +sierlijk en opgewekt. Toejuichingen en handgeklap werden met kalme +onverschilligheid ontvangen. Ben-Hur stond aan den grond genageld--zijn +instinct en geheugen hadden hem niet bedrogen: dat was Messala. + +Aan de keus der paarden, aan den prachtigen wagen, aan de houding, +bovenal aan de trotsche uitdrukking op het koele, scherpe gelaat, zag +Ben-Hur, dat Messala onveranderd dezelfde gebleven was: hooghartig, +overmoedig, eerzuchtig, cynisch, onverschillig. + + + * * * * * + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +BIJ DE BRON. + + +Toen Ben-Hur zich met anderen gereedmaakte om heen te gaan, stond een +Arabier op en riep met luide stem: Gij mannen van het Oosten en van het +Westen, hoort! De goede Sheik Ilderim groet u. Met vier paarden, zonen +van Koning Salomo's lievelingsrossen, kwam hij naar Antiochië om aan de +wedrennen deel te nemen. Hij heeft een bekwaam menner noodig voor zijne +paarden. Wie ze naar wensch voor hem besturen wil zal hij met rijkdom +overladen. Maakt dit aanbod bekend, hier, daar in de stad, in den +circus, overal waar de sterken samenkomen. Zoo zegt mijn meester, Sheik +Ilderim de Edelmoedige. + +De proclamatie verwekte veel beweging. Vóór den nacht zou zij zeker alom +in Antiochië besproken worden. Ben-Hur keek besluiteloos van den heraut +naar den Sheik. Malluch dacht dat hij zich aan zou melden, en voelde +zich werkelijk verlicht, toen de jonkman zich tot hem keerde met de +vraag: Waar nu heen? + +Malluch antwoordde lachend: Indien gij als anderen wilt doen, die het +Park voor de eerste maal bezoeken, dan laat u vóór alle dingen +waarzeggen. + +--Waarzeggen? Dat klinkt wel wat heidensch; maar 't zij zoo. Laat ons +naar de godin gaan. + +--Neen, zoon van Arrius, deze Apollodienaars hebben een betere manier +dan dat. In plaats van een samenspraak met een Pythia of Sibylle, +verkoopen zij u een gewoon papyrusblad, slechts even gedroogd. Dat laten +zij u in het water dompelen van een zekere bron, waarna gij er, in een +versje, uwe toekomst op voorspeld vindt. + +Ben-Hur, die eerst met belangstelling geluisterd had, antwoordde op +somberen toon: Sommige menschen behoeven zich niet over hunne toekomst +te bekommeren. + +--Wilt gij dan liever naar de tempels gaan? + +--De tempels zijn Grieksch, niet waar? + +--Zoo noemt men ze ten minste. + +--De Grieken zijn meesters in de schoone kunsten, maar in de bouwkunst +hebben zij de afwisseling opgeofferd aan strakke schoonheid. Hun tempels +zijn alle volkomen hetzelfde. Hoe heet de bron waar gij van verteldet? + +--Castalia. + +--O, die! Ja, die is over de gansche aarde beroemd. Daarheen dus. + +Malluch sloeg, onder het gaan, zijn metgezel in stilte gade, en bemerkte +dat zijn opgewektheid voor het oogenblik althans verdwenen was. Voor de +wandelaars had hij geen oog; de wonderwerken, die zij voorbijgingen, +ontlokten hem geen enkelen uitroep van verbazing. Zwijgend, ja gemelijk +vervolgde hij zijnen weg. + +Die verandering van stemming was aan de onverwachte verschijning van +Messala te wijten. Het verledene stond hem op eens zoo levendig voor den +geest. Het scheen hem nauwelijks een uur geleden, dat men hem met geweld +van zijne moeder wegrukte, nauwelijks een uur geleden, dat de Romein +zijn ouderlijk huis liet dichtspijkeren. Hij herdacht de drie vreeselijke +jaren op de galeien, waarin hij behalve zijn werk weinig anders te doen +had, dan van wraak te droomen, waarvan Messala het middelpunt was. +Gratus, was hij gewoon tot zichzelven te zeggen, mocht desnoods +ontsnappen; maar Messala--nooit! Want wie, zoo vraagde hij telkens weer +opnieuw, wees ons aan, toen de vervolgers het huis binnendrongen? En +toen ik smeekte om hulp, niet voor mijzelf, wie bespotte mij toen en +ging lachend heen?... En altijd weer eindigden die overleggingen met de +bede: Ten dage dat ik hem ontmoet, o God van Jakob, help mij dan! Help +mij een gepaste wraak te vinden! + +En nu was de ontmoeting nabij! Misschien zou Ben-Hur er anders over +gedacht hebben als hij Messala arm en lijdend had teruggevonden; maar +dat was niet het geval. Hij vond hem op het toppunt van glorie, van +aanzien en macht. + +Wat Malluch dus voor een voorbijgaande neerslachtigheid hield, was +ernstig overleg wanneer hij zich tegenover Messala zou kunnen stellen en +op welke wijze hij die ontmoeting tot een onvergetelijke zou kunnen +maken. + +Na een poosje kwamen zij aan een breede eikenlaan, druk bezocht door +groepjes wandelaars, paardrijders, vrouwen in draagstoelen. Aan het +einde der laan daalde de weg zacht glooiend af in een groene vlakte, die +aan de eene zijde door een steilen rotswand afgesloten was. Hier bevond +zich de beroemde bron Castalia. + +Ben-Hur baande zich een weg door de menigte, die zich rondom de bron +verdrong. Een zwart marmeren bassin ving het water op, dat met kracht +uit de rots stroomde, om na veel borrelen en schuimen als door een +trechter te verdwijnen. + +Naast het bassin zat onder een rots uitgehouwen afdak een priester. De +lange baard, en de kap, die zijn hoofd bedekte, gaven hem het voorkomen +van een kluizenaar. Uit de gedragingen der omstanders kon men moeilijk +opmaken wat hier eigenlijk het aantrekkingspunt was, de altijd vlietende +bron, of de altijd aanwezige priester. Hij hoorde, zag, werd gezien, +maar sprak nooit. Bij tijd en wijle bood een bezoeker hem een geldstuk +aan, waarvoor de priester een papyrusblad in ruil gaf. De kooper haastte +zich dan om het blad in het bekken te doopen, hield het vervolgens tegen +het licht, om weldra beloond te worden met de verschijning van eenige +dichtregelen, en al had die poëzie meestal weinig verdienste, de goede +naam der bron leed er niet onder. + +Voordat Ben-Hur echter het orakel kon raadplegen naderde een nieuw +gezelschap, welks verschijning de algemeene nieuwsgierigheid opwekte. + +Een groote witte kameel, geleid door een drijver te paard, droeg op den +rug een buitengewoon breede, rijk met goud versierde zonnetent. Twee +andere ruiters, met lange speren in de hand, volgden de kameel. + +--Wat een mooi dier! zeide iemand. + +--Zeker een vreemde vorst, zeide een ander. + +--Neen, een koning. + +--Een koning zou op een olifant zitten! + +--Bij Apollo, vrienden, zeide een vijfde, 't zijn geen koningen of +vorsten, 't zijn twee vrouwen! + +Terwijl de lieden er zich nog druk over maakten, hadden de vreemdelingen +de bron bereikt. De kameel beantwoordde van nabij gezien volkomen aan de +verwachting. Nog nooit had een der aanwezigen prachtiger dier aanschouwd. +Wat groote zwarte oogen, wat fijn wit haar, wat goed gevormde pooten, +zoo onhoorbaar van stap en toch zoo krachtig!... zijns gelijke was er +niet. Hoe goed pasten die gouden franjes en kwasten en die rinkelende +zilveren belletjes bij hem! + +Maar wie waren die man en die vrouw onder de tent? + +De oogen van allen waren op hen gevestigd. + +De man was zeer oud, de vrouw nog jong en zeer schoon. Zij was gehuld in +kanten sluiers van zeldzaam fijn weefsel. Boven den elleboog droeg zij +armbanden, in den vorm van slangen, door fijne gouden kettinkjes aan de +armbanden om den pols verbonden. De kleine handen waren met kostbare +ringen versierd. Op het hoofd droeg zij een netje van gouddraad met +bloedkoralen doorregen, en rondom afgezet met muntstukjes, zoodat zij +aan den voorkant op haar voorhoofd rustten. Van haar hoogen zetel zag +zij kalm en tevreden op het volk neer, oogenschijnlijk zóó bezig met het +te bestudeeren, dat zij niets merkte van de nieuwsgierigheid, die +zijzelve opwekte. Tegen alle gewoonte in, daar aanzienlijke vrouwen zich +nimmer in het openbaar met ongedekt gelaat vertoonden, zat zij daar met +weggeslagen sluier. + +Het was een mooi ovaal gezichtje, donker en toch doorschijnend van tint. +De half geopende lippen lieten twee rijen blinkend witte tandjes zien. + +Nu wendde zij zich tot den drijver, een forsch gebouwd Ethiopiër, die +den kameel tot vlak bij het bassin leidde en hem deed neerknielen. Zij +reikte den man een beker toe, om dien aan de bron te vullen. + +Op datzelfde oogenblik werd de door hare komst veroorzaakte stilte +verbroken door het geluid van wielen en paardengetrappel. Met luide +kreten van schrik stoven allen links en rechts. + +--Pas op, de Romein is van plan er op in te rijden! waarschuwde Malluch +en vloog op zij. + +Ben-Hur keek om en zag Messala, die met zijn vierspan regelrecht op het +volk aankwam. Ditmaal kon hij hem duidelijk in 't gelaat zien. + +Het uiteenstuiven van de menigte bracht den kameel in groot gevaar. +Reeds waren de paarden vlak bij hem en nog lag hij met gesloten oogen te +rusten en te herkauwen, zich veilig voelend bij zijn meester. De +Ethiopiër wrong de handen in wanhoop. De grijsaard in de tent rees +overeind, als dacht hij aan vluchten; maar behalve dat de stramheid +zijner leden hem dat belette, kon hij toch in de ure des gevaars zijne +waardigheid niet vergeten. En wat zijne dochter betreft, voor haar was +het in ieder geval te laat om nog aan ontkomen te denken. + +Ben-Hur stond er het dichtst bij en riep Messala toe: Halt! Zie dan toch +wat gij doet! Terug! Terug! + +De patriciër lachte hartelijk, en ziende dat hem geen keus bleef sprong +Ben-Hur toe, greep de twee bijdehandsche paarden in den teugel, en rukte +hem met inspanning van alle krachten op zij. Vervloekte Romein! riep hij +Messala toe, bekommert gij u dan zoo weinig om het leven van een ander?! + +De twee paarden steigerden en trokken de andere mee. De wagen dreigde te +kantelen. Messala hield zich slechts met de grootste moeite staande, +terwijl zijn goedhartige Myrtilus achterover tuimelde in het gras. Toen +zij zagen dat het gevaar geweken was lachten al de omstanders den Romein +van harte uit. + +Messala toonde zich thans in grenzenlooze onbeschaamdheid. Zich van de +teugels losmakend sprong hij uit den wagen, liep om den kameel heen, +keek Ben-Hur in het voorbijgaand achteloos aan en zeide toen tot de twee +vreemdelingen: Vergeeft het mij, bid ik u. Ik ben Messala, en bij onze +moeder aarde zweer ik u, dat ik u en den kameel niet zag. Wat deze goede +lieden betreft, ik rekende misschien te veel op mijne behendigheid, ik +wilde mij ten hunnen koste vermaken, en zie, het lachen is aan hen. Moge +het hun goed bekomen! + +De onverschillige blik en handbeweging, die deze woorden vergezelden, +pasten er uitstekend bij. Om te hooren wat hij nog verder mocht te +zeggen hebben, hielden de lieden zich bedaard. Messala gaf zijn metgezel +een wenk om den wagen te verwijderen en wendde zich vervolgens +vrijmoedig tot het meisje. + +--Gij zijt waarschijnlijk verwant aan den eerwaardigen grijsaard, wiens +vergiffenis, zoo zij mij nu nog onthouden wordt, ik later met te grooter +ijver zal trachten te verwerven; zijne dochter misschien? + +Zij gaf geen antwoord. + +--Bij Pallas, gij zijt schoon! Wees voorzichtig, opdat Apollo u niet +voor zijn verloren liefje houde! Ik zou gaarne willen weten welk land +zich beroemen mag uw vaderland te zijn? Neen! wend u niet af! Vergeef +het mij! De zon van Indië straalt mij toe uit uwe oogen; Egypte heeft op +uwe lippen zijn zegel gedrukt. Keer u niet af, schoone jonkvrouw, +voordat gij mij genade geschonken hebt. Zeg mij ten minste, dat gij mij +vergiffenis schenkt. + +Zonder Messala verder een blik te gunnen, wenkte zij Ben-Hur tot zich en +vraagde met een vriendelijk lachje: Zoudt gij zoo goed willen zijn om +dezen beker met water te vullen? Mijn vader heeft dorst. + +--Uw gehoorzaame dienaar, antwoordde Ben-Hur. + +--O vreemdelinge, gij zijt even wreed als schoon, zeide Messala, haar +met de hand toewuivende. Als Apollo u niet weghaalt, zult gij mij +weerzien. Daar ik uw vaderland niet ken, kan ik u niet aan de gunst +zijner goden aanbevelen, daarom beveel ik u aan de gunst van--mijzelven +aan! + +Dit gezegd hebbende ging hij naar den wagen terug, die hem stond te +wachten. Het meisje zag hem na, en wat ook in haar oog te lezen heeft +mogen staan, geen misnoegen. + +Ben-Hur bracht haar den beker en nadat de grijsaard gedronken had, +bracht zij dien zelve aan haar lippen en bood hem daarna met +onnavolgbare gratie Ben-Hur aan. Behoud hem, bidden wij u, zeide zij. +Hij is vol zegenwenschen, alle voor u! + +Nu deed de Ethiopiër den kameel opstaan; maar op het punt van vertrekken +riep de grijsaard Ben-Hur toe: Wacht even! Ik moet u spreken. + +Ben-Hur trad nader. + +--Gij hebt den vreemdeling een grooten dienst bewezen. Er is slechts één +God. In zijn heiligen naam dank ik u. Ik ben Balthasar de Egyptenaar. In +het groote Palmbosch, aan gene zijde van de Daphne gelegen, heeft Sheik +Ilderim de Edelmoedige zijn tenten opgeslagen. Wij zijn zijne gasten. +Bezoek ons daar. Gij zult ons zeer welkom zijn. + +Ben-Hur boog eerbiedig voor den grijsaard en staarde vader en dochter +nog geruimen tijd na. + + + * * * * * + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +PLANNEN VAN WRAAK. + + +In den regel is er geen zekerder middel om iemands tegenzin op te +wekken, dan uit te blinken waar hij zich laf gedroeg. Malluch maakte +hierop gelukkig een uitzondering. Wat hij gezien had deed Ben-Hur in +zijne achting rijzen. Moed en wellevendheid bezat hij ongetwijfeld. Kon +hij nu slechts een blik slaan in het verleden van den jongen man, dan +zou meester Simonides tevreden kunnen zijn over dien eersten dag. + +Zooveel wist hij reeds; Ben-Hur was een Jood en de aangenomen zoon van +een Romein. Verder begreep de slimme man, dat er tusschen Messala en den +zoon van den duumvir iets was. Maar wat? Hoe kon hij achter de waarheid +komen? + +In deze moeilijkheid kwam Ben-Hur zelf hem te hulp. Hij legde de hand op +Malluchs arm en voerde hem met zich uit het gedrang der menigte, die +zich weer om den priester en de bron verzameld had. + +--Goede Malluch, zeide hij, mag een man zijne moeder vergeten? + +Op die vraag was Malluch allerminst voorbereid. Hij keek Ben-Hur aan, om +te zien wat hij bedoelde. Hij zag niets dan een gloeiende plek op iedere +wang en onderdrukte tranen in de sombere oogen. Beslist antwoordde hij: +Neen; nooit. Als hij een Israëliet is, nooit! Mijn eerste les in de +synagoge was het gezegde van den zoon van Sirach: Eer uwen vader met uw +gansche ziel en vergeet nooit wat gij uwe moeder gekost hebt. + +Ben-Hurs oogen fonkelden. + +--Die woorden, Malluch, roepen mijne jeugd in mijne herinnering terug, +en bewijzen dat gij een echte Jood zijt. Ik geloof dat ik u vertrouwen +kan. + +Hij liet Malluchs arm los en drukte de hand op zijn hart, alsof hij pijn +gevoelde. Mijn vader, zeide hij, was een man van aanzien, met eere +bekend in Jeruzalem, waar hij woonde. Mijne moeder was bij zijn dood in +de kracht van haar leven. Woorden kunnen niet uitdrukken hoe goed en hoe +schoon zij was. Iedereen roemde haar om de goede werken, die zij deed. +Een vriendelijke toekomst lachte ons tegen. Ik had een jongere zuster, +en wij waren zoo gelukkig, dat ik volkomen instemde met het woord van +den Rabbijn: God kon niet overal wezen, daarom schiep Hij moeders.--Op +zekeren dag overkwam aan een hooggeplaatst Romein een ongeluk, juist +toen hij ons huis voorbijreed. Zijne soldaten vlogen naar binnen en +grepen ons. Sedert heb ik mijne moeder en zuster niet meer gezien. Ik +weet niet of zij dood zijn, of nog leven. Ik weet niet wat van haar +geworden is. Maar, Malluch, die Romein, die met zijn vierspan lachend op +het volk kwam inrijden, was tegenwoordig bij onze scheiding. Hij leverde +ons over aan onze vijanden. Hij hoorde mijne moeder om genade smeeken +voor hare kinderen en hij lachte, toen zij haar wegsleurden. Het is +moeilijk te zeggen wat het diepst in de herinnering gegrift blijft, +liefde of haat. Vandaag herkende ik hem reeds in de verte, en, Malluch, +hij kent en bewaart het geheim, waarvoor ik mijn leven zou willen geven. +Hij weet óf zij leven, en waar, en hoe. En zijn zij gestorven, hij weet +waar hare beenderen rusten. + +--En zou hij het niet willen zeggen? + +--Neen. + +--Waarom niet? + +--Ik ben een Jood, en hij is een Romein. + +--Maar Romeinen hebben een tong, en de Joden, hoezeer ook door hen +veracht, kunnen op middelen zinnen om die tong los te maken. + +--Voor zulken als hij? Neen; en daarenboven is het een staatsgeheim. +Mijn vaders bezittingen werden alle verbeurd verklaard en verdeeld. + +Malluch knikte met het hoofd, als begreep hij er alles van, en vraagde +toen opnieuw: Heeft hij u niet herkend? + +--Dat kon hij niet. Ik werd levend dood verklaard, en ben sinds lang als +dood beschouwd. + +--Het verbaast mij dat gij hem niet doodgeslagen hebt, zeide Malluch +hartstochtelijk. + +--Daarmee zou ik mijzelven voorgoed de gelegenheid benomen hebben, om +partij van hem te trekken. De dood, dat weet gij, bewaart een geheim nog +beter dan een schuldig Romein. Maar zijn straf zal hij niet ontgaan, en +als gij mij helpen wilt, zal ik zeker slagen. + +--Hij is een Romein, zeide Malluch, en ik behoor tot den stam van Juda. +Ik zal u helpen. Indien gij het verlangt zal ik mijne belofte met een +eed bevestigen. + +--Geef mij uw hand, dat is voldoende. + +Na met een handdruk de afspraak bezegeld te hebben zeide Ben-Hur: +Datgene waarmede ik u belasten zal, is niet moeilijk, goede vriend, en +zal uw geweten niet bezwaren. Laat ons nu verder gaan. + +Een poosje later begon hij weer: Kent gij Sheik Ilderim? + +--Ja. + +--Waar is dat Palmbosch? of liever: hoever is dat van hier? + +Malluch aarzelde een oogenblik. Hij dacht aan het geschenk der schoone +vreemdelinge. Zou het mogelijk zijn dat de jonge man zijn verdriet wilde +gaan verzetten door een liefdesavontuur? Hij liet echter niets merken en +antwoordde: Dat Palmbosch ligt twee uur te paard van Daphne. Een vlugge +kameel brengt er u in een uur. + +--Zoo. En die wedrennen, daar gij mij van verteldet, zijn die publiek? +en wanneer zullen zij plaats vinden? + +Die vragen deden iets vermoeden en wekten Malluchs nieuwsgierigheid. + +--O ja, antwoordde hij, zij zullen prachtig zijn. De prefect is rijk en +zeer aan geld gehecht. Een invloedrijk vriend aan 't hof te hebben is +echter wel een opoffering waard, en daarom maakt hij zooveel drukte voor +den consul Maxentius, die hier komt om de laatste toebereidselen te +treffen voor een veldtocht tegen de Parthen. De inwoners van Antiochië +weten uit ondervinding, dat die toebereidselen geld onder de menschen +brengen en hebben verlof gevraagd, om den prefect te helpen den grooten +man naar waarde te ontvangen. Een maand geleden zijn herauten naar de +vier windstreken uitgezonden, om de kampspelen en wedrennen aan te +kondigen. De naam van den prefect zou op zichzelf reeds voldoende +zekerheid geven voor de noodige afwisseling; maar wanneer Antiochië zich +bij hem aansluit, zijn alle eilanden en de zeesteden zeker van iets +buitengewoons, en kunnen wij op een uitgelezen publiek rekenen. De +uitgeloofde prijzen zijn vorstelijk. + +--En de circus? Ik heb gehoord dat die lui die ná den circus Maximus de +beste is. + +--Die van Rome? Wel, de onze heeft plaats voor tweemaal honderdduizend +menschen, de uwe voor vijf-en-zeventigduizend meer. De uwe is van +marmer, de onze ook. Wat de inrichting betreft staan zij gelijk. + +--Zijn de wetten dezelfde? + +Malluch glimlachte. Als Antiochië beproeven wilde oorspronkelijk te +zijn, zou Rome niet de koningin wezen, die zij is, zoon van Arrius! De +wetten van den circus Maximus zijn oppermachtig, behalve op één punt: +dáár mogen slechts vier wagens te gelijk afrijden, hier gaan ze alle te +zamen, onverschillig hoeveel. + +--Dat is naar Grieksche manier, zeide Ben-Hur. + +--Ja, Antiochië is meer Grieksch, dan Romeinsch. + +--En mag men zijn eigen wagen kiezen? + +--Ja, en de paarden ook. Daarin is ieder vrij. + +--Nog iets, Malluch, wanneer zullen de wedrennen gehouden worden? + +--Laat eens zien. Morgen ... neen, overmorgen, als ten minste, om op zijn +Romeinsch te spreken, de zeegoden hem goedgunstig zijn, komt de consul. +Ja, op den zesden dag na dezen beginnen de feesten. + +--De tijd is kort, Malluch, maar voldoende. Bij de profeten van Israël! +Ik zal weder naar de teugels grijpen. Maar wacht! Weet gij zeker dat +Messala meedoet? + +Nu doorzag Malluch het geheele plan. Ja, dat was een heerlijke +gelegenheid om den Romein te vernederen; maar hij had geen Israëliet +moeten zijn, om niet snel de kansen te berekenen. Bezorgd vraagde hij: +Hebt gij er meer aan gedaan? + +--Vrees niet, mijn vriend. Vraag maar eens te Rome wie daar de vorst der +wagenmenners genoemd wordt. Bij de laatste groote wedrennen bood de +keizer zelf mij zijne gunst aan, indien ik zijne paarden in het +strijdperk wilde voeren. + +--En hebt gij dat geweigerd? vraagde Malluch levendig. + +--Ik ben een Israëliet, antwoordde de ander ernstig. Al draag ik een +Romeinschen naam, ik wilde niet iets doen, dat mijn vaders naam +benadeelen kon in de voorhoven van onzen Tempel. In de kampscholen kon +ik mij aan dergelijke oefeningen wijden, in den circus zelf zou mijn +optreden een gruwel zijn in de oogen mijner geloofsgenooten, en als ik +hier aan de wedrennen deel neem, dan, Malluch, ik zweer het u, zal het +niet zijn om den prijs te behalen. + +--Hola! zweer niet te gauw. De prijs is 10,000 sestertiën, een vermogen +op zichzelf. + +--Niet voor mij, al was het tienmaal zooveel. Neen, er is wat beters. +Deze wedrennen zullen mij dienen om mijn vijand te vernederen. Wraak is +door de wet geoorloofd. Maar gij hebt mij nog niet geantwoord. Weet gij +zeker dat Messala meedoet? + +--Ja. Messala doet mee. Het staat overal aangeplakt. Iederen dag komt +hij zich oefenen. + +--Zoo, en dat is dus het vierspan, waarmede hij in het strijdperk zal +komen? Dank voor uwe inlichtingen, Malluch! Gij zijt mij heerlijk van +dienst geweest. Ik ben voldaan. Wijs mij nu zoo gauw mogelijk den weg +naar Sheik Ilderim en leid mij bij hem in. Hoe komen wij er het snelst? +Zijn paarden mochten anders al eens besproken zijn. + +--Het best is dat wij regelrecht naar het dorp gaan, dat is gelukkig +vlak bij. Daar moeten wij twee vlugge kameelen zien te huren, dan zijn +wij er in een uur. + +--Voorwaarts dan, zeide Ben-Hur. + +Het dorp bestond uit niets dan paleizen in fraaie tuinen, benevens +eenige vorstelijk ingerichte herbergen. Kameelen waren gemakkelijk te +krijgen en zoo konden de twee reizigers zich weldra op weg begeven naar +het beroemde Palmbosch. + + + * * * * * + + +TIENDE HOOFDSTUK. + +HET PALMBOSCH. + + +De landstreek die zij doorreden was heuvelachtig en goed bebouwd, een +ware lusthof. Geen plekje was vergeten. De steile heuvelhellingen waren +terrasvormig aangelegd. Tegen de omtuiningen slingerden zich weelderige +wingerdranken omhoog, die den voorbijgangers, behalve zeer gewenschte +schaduw, de belofte gaven van kostelijke druiven en parelenden wijn. +Op de meloenvelden en tusschen abrikozen- en vijgeboschjes lagen de +witgepleisterde huizen der landlieden verspreid; alles sprak van +overvloed en vrede, en stemde het hart tot vroolijken levensmoed. +Af en toe kreeg men een kijkje op het Taurusgebergte en den Libanon, +waartusschen de Orontes als een zilveren draad kalm zijn weg vervolgde. + +Het duurde niet lang of onze vrienden hadden de rivier bereikt. Nu ging +hun weg over heuvelen en door dalen, steeds met den stroom mede. Was het +landschap in vollen bladerdos van eik en laurier en moerbeiboomen, van +geurenden jasmijn en haagappelboomen, de rivier tintelde onder de +zonnestralen en sprak met hare vele op- en afvarende schepen van de zee, +van vergelegen landen, van beroemde plaatsen en begeerlijke dingen. + +De twee vrienden reden door totdat zij aan een meer kwamen, helder, diep +en effen, dat door het vloedwater der rivier onderhouden werd. Een oude +palmboom beheerschte den inham. Bij dien palm sloegen zij links om en +riep Malluch op vroolijken toon: Het Palmbosch! Het Palmbosch! + +Met uitzondering van de bekoorlijksten oasen in Arabië, of de +Ptolemeïesche landerijen aan den Nijl, kon men bezwaarlijk een +heerlijker oord vinden. Ontelbare dadelpalmen, patriarchen in hunne +soort, verhieven hunne kruinen ten hemel. Aan het koele, heldere water, +dat onder den grond verder stroomde, hadden die reuzen hun groei en +langen levensduur te danken. Was het park van Daphne boven dit te +verkiezen? En alsof de palmen Ben-Hurs gedachten raadden en de schaal +ten hunnen gunste wilden doen overslaan, wuifden zij hem vriendelijk toe +en brachten hem verkoeling aan. + +--Let eens op dezen reus, zeide Malluch, op een eerwaardigen palm +wijzend. Elke ring op den bast duidt een jaar leven aan. Tel ze van +wortel tot aan den top, en als de Sheik u zegt, dat het bosch geplant +is, voordat iemand in Antiochië iets van de Seleuciden wist, geloof hem +dan vrij. + +Een volmaakt schoone palm te beschouwen, zonder dat men onder zijn +invloed in vervoering geraakt, is niet wel denkbaar. Vandaar dat hem van +den beginne alle eer bewezen is en de kunstenaars der eerste koningen +hem als model kozen voor de pilaren hunner paleizen en tempels. +Diezelfde gewaarwording deed Ben-Hur zeggen: Toen ik Sheik Ilderim van +morgen zag vond ik hem een zeer gewoon man. Hoe komt hij, een zoon van +Edom, in het bezit van dezen lusthof? en hoe heeft hij hem uit de +klauwen der Romeinsche gouverneurs kunnen houden? + +--De stamboom van dezen Sheik klimt tot in de grijze oudheid op, zeide +Malluch. Al zijne voorvaders waren Sheik. Een van hen heeft eenmaal een +vervolgden koning het leven gered. Het verhaal gaat, dat die Sheik den +koning duizend ruiters leende, die hem nu hier dan daar in de wildernis +verborgen, totdat zich eene gelegenheid aanbood om hem te wreken, zijne +vijanden te verslaan, en den koning troon en rijk terug te geven. De +koning vergat de bewezen diensten niet, maar noodigde den Sheik uit om +zijne tent in deze streek op te slaan, en gaf hem het meer en de boomen +en het land tusschen de rivier en de naastbijgelegen bergen tot eene +erfelijke bezitting. + +--En heeft niemand hem ooit die bezitting betwist? + +--De verschillende overheerschers hebben het verstandig geoordeeld op +goeden voet te blijven met den stam, die door den Heer gezegend is met +strijdbare helden en paarden en kameelen en rijkdommen, zoodat zij +meester zijn van vele heirwegen tusschen de groote steden, en den handel +naar welgevallen kunnen belemmeren of beschermen. Zelfs de prefect in de +Citadel is blijde, wanneer de Sheik met zijne vrouwen en kinderen en +zijn ganschen stoet de eenzaamheid der woestijn verlaat, om voor een +poos in dit heerlijk oord zijne tenten op te slaan. + +--Maar hoe komt het dan, dat de Sheik straks het uur vervloekte, waarin +hij een Romein zijn vertrouwen geschonken had? Als de keizer hem gehoord +had, zou hij zeker gezegd hebben: zulk een vriend begeer ik niet. Weg +met hem! + +--Ja, wat dat betreft, Ilderim heeft een grief tegen Rome, zeide Malluch +met een glimlach. Drie jaren geleden trokken de Parthen langs den weg +van Bozra naar Damascus en vielen een karavaan aan, die onder anderen de +schatting van een in de buurt gelegen district vervoerde. Zij sloegen +alle gevangenen dood, hetgeen de beambten te Rome hadden kunnen +vergeven, indien slechts de keizerlijke schatten behouden en naar Rome +gezonden waren. De pachters, die voor de slachting aansprakelijk waren, +beklaagden zich bij den keizer. Deze veroordeelde Herodes in de kosten, +en Herodes verhaalde de schade op Ilderim, wien hij van plichtverzuim +beschuldigde. De Sheik kwam in hooger beroep bij den keizer; maar deze +gaf een antwoord, waar niemand wijs uit kon worden. De oude man heeft +zich dat sterk aangetrokken en wacht slechts op een gelegenheid om zich +te wreken. + +--Hij kan toch niets doen, Malluch. + +--Dat is te zeggen.... Maar zie, de gastvrijheid begint reeds. De +kinderen spreken u aan. + +De kameelen bleven stilstaan en Ben-Hur zag, dat eenige kleine meisjes +hem mandjes met dadels aanboden. Hij nam ze met vriendelijken dank. + +Toen zij weer verder reden zeide Malluch: Ik ben zeer bevriend met den +koopman Simonides, en zoo heb ik ook kennis gemaakt met zijne vrienden, +waaronder Sheik Ilderim een eerste plaats bekleedt. Ik heb hem meermalen +ontmoet. Een paar weken geleden bracht hij Simonides een bezoek. Ik was +in de kamer, en daar hij zeer opgewonden scheen, wilde ik mij verwijderen; +maar hijzelf verbood het, zeggende: Gij zijt een Israëliet, blijf dus +hier en luister, want ik heb een vreemde geschiedenis te verhalen.--Vele +jaren geleden kwamen drie reizigers bij hem, een Hindoe, een Griek en +een Egyptenaar. Zij reden op kameelen, de mooiste die hij ooit gezien +had, en alle drie wit. Zij bleven die nacht bij hem. Den volgenden +morgen vertelden zij hem wie zij waren en vanwaar zij kwamen. Alle drie +hadden zij eene ster gezien en eene stem gehoord, die hun beval naar +Jeruzalem te gaan, en te vragen naar den jonggeboren Koning der Joden. +Zij gingen, en de ster geleidde hen van Jeruzalem naar Bethlehem, waar +zij in een spelonk het pasgeboren kind vonden, dat zij aanbaden en +geschenken gaven. Zij gingen niet naar Herodes terug, het was Herodes de +Groote, overtuigd dat die hen dooden zou, maar kwamen bij Sheik Ilderim, +die hen in zijne tenten verborg, totdat zij de terugreis durfden +aanvaarden. + +--Dat is zeker een vreemde geschiedenis, zeide Ben-Hur. Maar waar zegt +gij dat zij te Jeruzalem naar vragen moesten? + +--Zij moesten vragen: Waar is de geboren Koning der Joden? + +--Was dat alles? + +--Er was nog wat bij; maar dat herinner ik mij niet meer. + +--En vonden zij het kind? + +--Ja, en aanbaden het. + +--'t Is vreemd, Malluch. + +--Ilderim is een ernstig man, al is hij ook, evenals alle Arabieren, +licht ontvlambaar. Een leugen uit zijn mond is ondenkbaar. + +--Heeft Ilderim nooit meer van die drie mannen gehoord? + +--Wel, dat was het juist wat hij Simonides kwam vertellen bij dat +laatste bezoek. Den vorigen avond was de Egyptenaar onverwacht weer bij +hem gekomen. + +--Herkende hij hem dan? + +--Ja, aan zijn manier van spreken en doen, en hij bereed denzelfden +witten kameel, en gaf denzelfden naam op: Balthasar, den Egyptenaar. + +--Wat zegt gij? Dien naam gaf de oude man aan de bron mij ook op! En de +jonkvrouw was zijne dochter. + +Een oogenblik later zeide hij: Zij moesten dus vragen naar hem, die de +Koning der Joden zou zijn? + +--Neen, antwoordde Malluch, zij moesten naar den geboren Koning der +Joden vragen. Die woorden heeft de Sheik altijd onthouden en hij wacht +op de komst van dien Koning. Niets kan zijn geloof aan het wankelen +brengen, dat hij komen zal. + +--Hoe ... als Koning? + +--Ja, om Rome's macht te fnuiken. + +Ben-Hur bleef in gedachten verzonken en zeide toen: De Sheik is een uit +velen, die onrecht hebben te wreken; maar het is immers onmogelijk, +Malluch, dat iemand anders dan een Herodes Koning der Joden zou zijn, +zoolang Rome Rome is?... Maar om op het verhaal terug te komen; wat +antwoordde Simonides? + +--Simonides is een wijs man. Ik luisterde, en hij zeide ... maar hoor! +daar komt iemand ons achterop. + +Paardengetrappel weerklonk, het kwam nader en nader, en zie, daar was de +Sheik zelf met zijn gevolg, ook de vier Arabische paarden en de wagen. +Zoodra hij hen zag riep den grijsaard: welkom en vrede!... Ha! Zijt gij +het, mijn goede vriend Malluch? Welkom! Brengt gij mij tijding van mijn +vriend Simonides? Moge de God zijner vaderen hem nog lang bij het leven +bewaren! Volgt mij, opdat ik u verfrisschingen voorzette. + +Zij volgden hem tot aan de deur zijner tent, waar hij hun een verkoelenden +drank aanbood. + +Zoodra zij naar binnen waren gegaan nam Malluch den Sheik ter zijde, om +iets met hem te bespreken, waarna hij tot Ben-Hur terugkeerde en zeide: +Ik heb den Sheik over u gesproken, hij is uw vriend, het verdere laat ik +dus aan u over. Ik moet nu naar de stad, waar ik hedenavond gewacht word. +Morgen kom ik terug en hoop dan bij u te blijven tot na den afloop der +feesten. + +Met wederzijdsche zegenbeden scheidden zij en vertrok Malluch. + + + * * * * * + + +ELFDE HOOFDSTUK. + +MALLUCHS RAPPORT. + + +Het was laat in den avond. Het maanlicht bescheen de gebouwen op den +berg Sulpius, en twee derden van Antiochië's inwoners zochten op de +platte daken der huizen koelte en verfrissching. Ook Simonides had zich +naar het terras laten brengen en liet den blik rusten op de rivier en de +ten anker liggende schepen. De muur achter hem wierp een breede schaduw +op het water. Esther stond voor hem met een blad, dat zijn eenvoudig +avondeten bevatte: luchtig gebakken koeken, wat honig en een kom melk. + +--Malluch is laat, zeide hij, en verried alzoo waar zijne gedachten +toefden. + +--Zou hij nog komen? vraagde Esther. + +--Als hij niet op zee of in de woestijn is, zal hij komen, antwoordde +Simonides beslist. + +--Hij zou kunnen schrijven. + +--Als hij vèr weg moest, zou hij mij dat dadelijk gemeld hebben; daar +hij dat niet gedaan heeft, weet ik dat hij komen zal. + +--Ik hoop het, zeide zij zacht. + +Iets in haar toon trof hem. Hij keek op en zei: Zou het u genoegen doen, +als hij kwam? + +--Ja vader. + +--Waarom? vertel mij dat eens. + +--Omdat ... omdat de jonge man.... + +--Onze meester is. Woudt ge dat zeggen, Esther? + +--Ja vader. + +--En gij vindt, dat ik hem niet moet laten gaan zonder hem te zeggen, +dat hij komen kan als het hem behaagt, om ons met alles wat wij bezitten +tot zich te nemen; alles, Esther: de schepen, het geld, de slaven, het +huis, en het machtig krediet, dat als een mantel van fijn goud en zilver +voor mij geweven werd door den grootsten beschermengel der menschen: +welslagen. + +Zij antwoordde niet. + +--Laat het u koud? vraagde hij met iets bitters in zijn toon. Ach, kind, +ik weet bij ondervinding, dat wat van te voren ondragelijk scheen +doorstaan kan worden, als men er maar eerst vóór staat, zelfs het +ergste, zelfs de pijnbank. Dat zal met den dood waarschijnlijk ook wel +het geval zijn. En volgens die beschouwing kan de slavernij, waarin wij +ons gaan begeven, na een poos liefelijk worden. 't Is mij nu reeds een +aangename gedachte, dat onze meester een gunsteling der fortuin blijkt +te zijn. Zijn vermogen heeft hem niets gekost, geen zorg, geen droppel +zweet, niet eens een gedachte. Onverwacht valt het hem voor de voeten. +En, Esther, wat mijn ijdelheid niet weinig streelt, hij krijgt wat hij +voor geen schatten kon koopen, hij krijgt u, mijn lieveling, mijn parel, +u, bloempje van mijn gestorven Rachel. + +Hij trok haar tot zich en kuste haar tweemaal; de eerste kus gold +haarzelve, de tweede hare moeder. + +--Spreek zo niet, vader, zeide zij, laat ons beter van hem denken. Hij +weet wat droefheid is en zal ons de vrijheid geven. + +--Gij hebt een fijn instinct, Esther, en gij weet dat ik dikwijls op uw +oordeel af ga;... hoor, daar komt iemand; heb ik het u niet gezegd? daar +is Malluch! Nu zullen wij zien wat wij van onzen jongen meester te +wachten hebben. + +--Vrede zij u, meester Simonides, zeide Malluch diep buigend, en ook u, +voortreffelijkste der dochters. + +Simonides beantwoordde den groet en vraagde toen: Wat hebt gij mij van +den jongen man te vertellen? + +Eenvoudig en zakelijk gaf Malluch een verslag hoe hij den dag had +doorgebracht. Simonides luisterde aandachtig en liet hem ongestoord +vertellen. + +--Dank, hartelijk dank, Malluch, gij hebt uitstekend gehouden, zeide +hij, toen het verhaal uit was. Niemand zou het kunnen verbeteren. En tot +welk volk meent gij dat hij behoort? + +--Tot het volk van Israël, meester, tot den stam van Juda. + +--Weet gij het zeker? + +--Zeer zeker. + +--Hij schijnt u niet veel van zijn leven verteld te hebben. + +--Hij heeft geleerd voorzichtig te zijn. Eerst na zijn optreden bij de +Castaliabron werd hij vertrouwelijk. + +--Een vervloekte plaats, die bron. Waarom ging hij er heen? + +--Ik zou zeggen uit nieuwsgierigheid; maar toen hij er was, toonde hij +niet de minste belangstelling. Goede meester, de jonge man heeft een +verborgen kommer, en hij ging naar het Park, denk ik, zooals wij naar +het graf gaan met onze dooden--hij ging zijn kommer begraven. + +--Niet onmogelijk, Malluch; maar de vloek van dezen tijd is +verspilzucht ... hebt gij daar iets van gemerkt? Pronkte hij met geld? +Met Romeinsche of Joodsche munten? + +--Neen, meester. + +--Maar Malluch, op de plaats die zooveel gelegenheid tot dwaasheid +geeft,... ik bedoel waar zooveel te eten en te drinken is, heeft hij u +zeker wel een en ander aangeboden? + +--Hij heeft niet gegeten of gedronken, voordat wij in Ilderims tent +waren. + +--Kondt gij uit wat hij zeide of deed opmaken wat zijn geheime drijfveer +is? + +--Hoe bedoelt gij dat? vraagde Malluch. + +--Wel, gij weet dat wij voor ons spreken en handelen, vooral bij +gewichtige aangelegenheden, een beweegreden hebben. Wat hebt gij te dien +opzichte bij hem opgemerkt? + +--Daarop, meester Simonides, kan ik met zekerheid antwoorden. Hij wil +zijne moeder en zuster opsporen, dat allereerst. Dan heeft hij een wrok +tegen Rome, en daar die Messala van wien ik u vertelde iets met het hem +aangedane onrecht te maken heeft, wil hij niet rusten voordat hij hem +vernederd heeft. De ontmoeting bij de bron bood hem de gelegenheid, maar +hij liet die voorbijgaan, omdat ze hem niet publiek genoeg was. + +--Die Messala heeft veel invloed, zeide Simonides. + +--Ja, maar de volgende ontmoeting zal in den circus plaats vinden. + +--Zoo ... en dan? + +--De zoon van Arrius zal winnen. + +--Hoe weet gij dat? + +Malluch glimlachte en zeide: Ik oordeel naar wat hij zegt. + +--Naar dat alleen? + +--Neen, ook naar den geest, die hem bezielt. + +--Inderdaad? Maar Malluch, beperkt hij zijn wraak tot de enkelen, die +hem onrecht aandeden, of tot het geheele volk? Meer nog, is die +wraaklust slechts een gril van een gevoeligen knaap, of is hij de +ingewortelde dorst naar wraak voortkomende uit een vertrapt mannenhart? +Gij weet, Malluch, het zinnen op wraak, dat alleen in den geest wortel +heeft geschoten, is een ijdele droom, die bij den eersten helderen dag +verdwijnt, terwijl de wraak, tot hartstocht geworden, een ziekte is, die +opklimt naar de hersenen, en zich met hart en geest beiden voedt. + +Simonides had snel en met saamgeknepen handen gesproken, alsof hij de +kwaal, die hij beschreef, bij ondervinding kende. + +--Goede meester, zeide Malluch, dat ik den jonkman voor een Israëliet +houd is allereerst om zijn gloeienden haat. Hij bedwong zich, maar toch +zag ik hem opvlammen, eerst toen hij weten wilde wat Ilderim tegen Rome +heeft, daarna toen ik hem van de drie mannen verhaalde, die den geboren +Koning der Joden zochten. + +--Wat zeide hij dan? Zijn eigen woorden, Malluch! + +--Hij wilde precies weten wat zij gezegd hadden: De Koning, of de +geboren Koning. Daar maakte hij onderscheid tusschen. Toen vertelde ik +hem wat Ilderim gezegd had: dat de koning komen zou om Rome te +verdelgen.--Het bloed steeg hem naar de wangen en hij zeide: Wie anders +dan een Herodes kan koning zijn, zoolang Rome Rome blijft? + +Simonides zag een poos zwijgend voor zich en zeide toen: 't Is goed, +Malluch. Laat u wat te eten geven en maak u gereed om morgen naar het +Palmbosch te gaan. Gij moet den jongen man helpen zijn plan te +volvoeren. Ik zal u een brief aan Ilderim meegeven. Misschien, voegde +hij er zachtjes bij, zal ikzelf bij de wedrennen in den circus +verschijnen. + +Malluch vertrok. Simonides dronk van de melk en scheen verruimd van zin +en opgewekt te zijn. + +--Zet dat maar weg, Esther, en kom dan weer hier. + +Het meisje gehoorzaamde. + +--Wat is God goed voor mij, zeide hij op innigen toon. Zijn weg is in +het duister; maar somtijds staat Hij ons toe iets van zijne wegen te +begrijpen. Ik ben oud, lieve, en maak mij gereed om heen te gaan; maar +zie, ter zelfder ure, toen ik alle hoop had opgegeven, zendt Hij mij een +lichtstraal, die mij geheel opvroolijkt. Ik zie waarom ik dien bepaalden +weg heb moeten gaan. Een omstandigheid zoo groot, dat zij een +wedergeboorte voor de geheele wereld zal zijn, maakt het mij duidelijk. +Ik begrijp waarom mij zoo groote rijkdom geschonken werd, ik zie waartoe +hij bestemd is. Waarlijk, mijn kind, ik begin weer op te leven. + +Esther vlijde zich tegen hem aan, alsof zij zijne gedachten weder bij +het tegenwoordige wilde bepalen. + +--De koning is geboren, vervolgde hij op droomerigen toon, en moet +volwassen zijn. Balthasar zegt, dat hij een zuigeling was op moeders +schoot, toen hij hem zag en zijne geschenken aanbood, en Ilderim +beweert, dat het in December achtentwintig jaar geleden was, dat +Balthasar met zijne vrienden in de woestijn tot hem kwam. Lang zal de +koning dus niet meer toeven te komen. Vandaag, morgen kan het gebeuren! +Heilige vaders van Israël, welk eene gedachte! 't Is mij als hoor ik +oude muren kraken, als hoor ik het gejoel van een volslagen ommekeer; o! +en om alles te kronen scheurt de aarde vaneen, om Rome op te slokken. En +de volkeren zien het en lachen en zingen: Rome is gevallen en wij zijn +er nog! + +Hij zweeg even, lachte genoegelijk en zeide: Wel, Esther, wat zegt gij +daarvan? Voorwaar, de geestdrift eens zangers komt over mij, de +bezieling van Mirjam en David. Mijne gedachten die zich bezig moesten +houden met cijfers en teekens, zijn vol van het geschal der cymbalen, +van harptonen, en het vreugdegejubel eener groote menigte, staande +rondom een nieuw opgerichten troon. Ik wil daar voor 't oogenblik niet +langer aan denken, alleen dit nog, lieve, als de koning komt zal hij +geld en mannen noodig hebben, want daar hij, evenals wij allen, van eene +vrouw geboren is, zal hij ten slotte een mensch zijn als wij, +onderworpen aan de menschelijke natuur, zooals gij en ik. Ziet gij nu +den weg, dien ik en de jonkman, onze meester, moeten loopen? Die weg +voert ons tot roem en wraak. + +Esther bleef zitten en zweeg. Toen herinnerde Simonides zich, dat niet +alle menschen zich over hetzelfde verheugen kunnen,--hij herinnerde zich +dat hij tegen eene vrouw sprak. + +--Waar denkt ge aan, Esther? vraagde hij op zijn gewonen toon. Als uwe +gedachten den vorm hebben van een wensch, zeg het mij dan, mijn kind, +terwijl ik nog de macht bezit om hem te vervullen. Want zij is +wispelturig, de macht, en houdt hare vleugelen altijd uitgebreid om zóó +weg te kunnen vliegen. + +Zij antwoordde met bijna kinderlijken eenvoud: Laat hem halen, vader, +laat hem nog van avond halen, en laat hem niet naar den circus gaan. + +--Aha! zeide hij op gerekten toon, en staarde op de rivier, waar de +schaduwen steeds donkerder werden, sedert de maan achter den Sulpius +gezonken was en de verlichting der stad overgelaten had aan het +twijfelachtig schijnsel der sterren. Zullen wij het zeggen, lezer? +Simonides was ijverzuchtig. Zou zij liefde hebben opgevat voor den +jongen meester? Neen, o neen, dat kon niet. Zij was nog te jong. Maar de +gedachte liet hem niet los, die mogelijkheid maakte hem koud en stil. +Zij was zestien jaar. Hij wist het heel goed. Op haar laatsten +verjaardag had zij hem begeleid naar de scheepstimmerwerf, waar een +nieuwe galei van stapel zou loopen, en op de gele vlag, die zoo lustig +in den wind wapperde, stond de naam Esther. Zoo hadden zij dien dag +samen gevierd. Zestien jaar, hij wist het heel goed, en toch trof het +hem als iets nieuws. Er zijn van die dingen, die ons, als wij ze goed +nadenken, pijnlijk aandoen, bij voorbeeld dat wij oud worden, dat wij +sterven moeten. Zulk een onbestemde pijnlijke gewaarwording maakte zich +thans van hem meester en ontlokte hem een diepen zucht. Alsof het niet +genoeg was, dat zij een lijfeigene werd, zou zij ook haren meester +gevoelens toedragen, wier innigheid en teederheid hij zoo goed kende, +omdat zij tot heden onverdeeld aan hem waren gewijd. De demon, wiens +taak het is ons met vrees en bittere gedachten te martelen, doet zelden +zijn werk ten halve. Door de smart van 't oogenblik vergat de moedige +grijsaard zijne plannen voor de toekomst en den wondervollen koning, die +er het middelpunt van was. Met een geweldigen krachtinspanning, wist hij +zich echter te bedwingen en vraagde kalm: Niet naar den circus laten +gaan, waarom niet, kind? + +--Het is geen plaats voor een zoon van Israël, vader. + +--Rabbijnsche opvattingen, Esther! Is dat alles? + +Zijn toon was onderzoekend en drong door tot haar hart, dat luid begon +te kloppen, zoo luid, dat zij niet dadelijk kon antwoorden. + +--De jonkman zal het vermogen hebben, zeide Simonides vriendelijk, hij +zal de schepen hebben en het geld, alles, Esther, alles. In weerwil +daarvan voelde ik mij net arm; want ik behield u en uwe liefde, die mij +zoo mijne gestorven Rachel herinnert. Zeg mij, zal hij die ook hebben? + +Zij boog zich neder en leunde met het hoofd tegen hem aan. + +--Spreek, Esther, ik zal sterker zijn, als ik het weet. Onzekerheid +maakt zwak. + +Zij richtte zich op en sprak op vasten toon: Wees getroost, lieve vader, +ik zal u nooit verlaten. Al moest ik hem liefhebben, ik zal altijd uwe +dienstmaagd blijven. Ja, vader, hij is schoon in mijne oogen, en zijne +manier van spreken trok mij aan. Ik beef als ik denken moet, dat gevaren +hem dreigen. Ja, vader, ik zou meer dan blijde zijn, als ik hem +wederzag. Maar onbeantwoorde liefde kan nooit volmaakte liefde zijn; +daarom wil ik geduldig wachten, en niet vergeten dat ik uwe en moeders +dochter ben. + +--Een zegen des Heeren zijt gij, Esther! Een zegen om mij rijk te doen +blijven, al moet ik ook al het andere verliezen. En bij zijn heiligen +Naam en het eeuwige leven zweer ik, dat u geen leed zal aangedaan +worden. + +Een weinig later liet hij een dienaar roepen, die den stoel naar binnen +rolde. Daar zat hij nog een poos na te denken over de komst des konings, +terwijl Esther hare legerstede opzocht en spoedig den slaap der onschuld +sliep. + + + * * * * * + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + +EEN ROMEINSCH DRINKGELAG. + + +Het paleis, schuins tegenover Simonides' woning aan den anderen oever +der rivier gelegen, was volgens de overlevering door den vermaarden +Epiphanes gebouwd, en beantwoordde geheel aan de eischen, die men zulk +eene woonplaats stellen mag. De muur, die over het geheele eiland langs +den waterkant opgetrokken was en dienen moest tot beschutting tegen den +stroom en beveiliging tegen mogelijke invallen, heette het paleis +ongeschikt te maken tot voortdurende bewoning, zoodat de legaten zich +een ander paleis lieten bouwen op de westelijke helling van den Sulpius. +Het ontbrak echter niet aan lieden, die ronduit beweerden, dat die +verhuizing niets te maken had met gezondheidsmaatregelen, maar dat de +ware reden gezocht moest worden in de onmiddellijke nabijheid der groote +citadel, die den legaten een gevoel van veiligheid gaf. Die opvatting +scheen wel de ware te zijn, want onder meer merkte men op, dat het oude +paleis steeds in bewoonbaren staat gehouden werd, en dat, wanneer een +consul, een generaal, een vorst, of eenig ander machthebbende Antiochië +bezocht, hem het eiland-paleis als verblijf werd aangewezen. + +Daar wij slechts met één vertrek in het oude gebouw te doen hebben, mag +de lezer zich het overtollige voorstellen naar eigen believen en staat +het hem vrij de tuinen, baden, buiten- en binnenpleinen, vertrekken en +paviljoenen, alles zoo weelderig mogelijk ingericht, op eigen +gelegenheid te doorwandelen. + +Het vertrek, waarheen wij ons thans begeven, zou in dezen tegenwoordigen +tijd een zaal genoemd worden. Het was zeer ruim en met gepolijst marmer +bevloerd. Kunstige pijlers, in den vorm van Atlasgestalten, droegen de +zoldering, en langs de muren was een met Indisch zijde overtrokken divan +aangebracht. Het meubilair bestond uit tafels en zetels in Egyptischen +stijl. Vijf reusachtige bronzen kronen verspreidden een zee van licht. + +Een honderdtal personen is in deze zaal vergaderd. Sommigen zitten bij +de tafels, anderen loopen heen en weder, weder anderen hebben het zich +op den divan gemakkelijk gemaakt. Zij zijn allen jong, sommigen +ternauwernood de kinderschoenen ontwassen. + +Dat zij allen Italianen en voor het grootste gedeelte Romeinen zijn +lijdt geen twijfel. Zij spreken zuiver Latijn, en zijn naar Romeinsche +gewoonte gekleed, in tunica's met korte mouwen en korten schoot, welke +kleedij juist geschikt is voor het klimaat van Antiochië en in de +overmatig warme zaal volkomen op hare plaats is. Hier en daar liggen op +den divan toga's en mantels, waaronder met purper omzoomde, achteloos +neergeworpen. Ook ziet men er slapende gasten in gemakkelijke houding +uitgestrekt; of de hitte en de vermoeienis hen zoo hebben aangegrepen, +of dat Bacchus er schuld aan heeft, zullen wij maar niet onderzoeken. + +Er wordt druk en luid gepraat, uitbundig gelachen, hartstochtelijk +gespeeld. + +Het meerendeel dier jongelieden behoorde tot het militaire gevolg van +den consul en moest hier zijne komst afwachten. + +Laat in de nacht trad een nieuw gezelschap de zaal binnen, en begaf +zich, eerst onopgemerkt, naar de middentafel. Men kon hun aanzien dat +zij juist van een slemppartij kwamen. Sommigen konden zich slechts met +moeite op de been houden. De aanvoerder droeg een krans om het hoofd, +ten teeken dat hij de koning van het feest, misschien wel de gastheer +was geweest. De wijn had geen bijzondere uitwerking op hem gehad, of het +moest zijn om zijn mannelijk schoon te verhoogen. Met hooger gekleurde +wangen en stralende oogen stapte hij fier vooruit, ofschoon zijne +houding en de manier, waarop hij de ruime witte toga om de schouders had +geplooid, wel wat theatraal was voor iemand in volkomen nuchteren staat. + +Zonder zich om iemand of iets te bekommeren maakte hij voor zich en +zijne makkers plaats, en toen hij eindelijk in het midden der zaal bleef +stilstaan en zijn blik over de spelers liet gaan, keerden zij zich allen +tot hem en begroetten hem met een luiden juichtoon: Ha! Messala! Messala! + +De meer verwijderden hoorden den kreet en namen hem over. Dadelijk +werden de groepjes ontbonden, de dobbelsteenen neergeworpen, en snelden +allen naar het midden der zaal. + +Messala nam die eerbewijzen als vanzelf-sprekend aan. Weldra zou blijken +waaraan hij deze populariteit te danken had. + +--Uwe gezondheid, Drusus, mijn vriend, zeide hij tot den speler aan +zijne rechterhand, uwe gezondheid. Laat mij uw tafeltje[2] eens zien. + +Hij nam de wassen blaadjes, zag de aanteekeningen vluchtig door en wierp +ze op de tafel. + +--Denaries, enkel denaries, muntstukken voor sjouwers en waterdragers, +zeide hij met een hoonenden lach. Bij de doos van Pandora, waar gaat +Rome heen, wanneer een Cesar geheele nachten zit te spelen in de hoop +dat Fortuna hem een armzalige denarie in den schoot zal werpen! + +De telg der Drusussen bloosde tot achter de ooren, maar zijne makkers +overschreeuwden zijn antwoord door hun geroep: Messala! Messala! + +--Mannen van den Tiber, zeide hij, een der jongelieden de dobbelsteenen +uit de hand nemend, wie is de meest door de goden bevoorrechte? De +Romein. Wie stelt den volken de wet? De Romein. Wie is dus rechtens +beheerscher der wereld? + +De gemakkelijk tot geestdrift op te winden jeugdige krijgers namen hem +het woord uit den mond en schreeuwden om het hardst: De Romein! De +Romein! + +--En toch, en toch, zeide hij langzaam, om hunne nieuwsgierigheid te +prikkelen, toch is er een, beter dan de besten van Rome. + +Trots wierp hij het hoofd achterover, en toen geen antwoord volgde ging +hij voort: Hoort gij? Er is een beter dan de besten van Rome. + +--Hercules! riep een. + +--Of Bacchus! schreeuwde een ander. + +--Neen, Jupiter! Jupiter! donderde de menigte. + +--Noem hem dan! riepen allen. + +--Dat wil ik, zeide hij, zoodra er wat stilte gekomen was. Hij, die bij +Rome's volmaaktheid de volmaaktheid van het Oosten gevoegd heeft; hij, +die aan het zegevierende Westen de Oostersche kunst heeft toegevoegd. + +--Bij Apollo, zijn beste is ten slotte toch de Romein, riep een, en +daarop lachten allen en klapten in de handen. + +--In het Oosten, vervolgde Messala, hebben wij geen andere goden, dan +wijn, vrouwen, en goed geluk, en de uitnemendste van deze drie is goed +geluk. Daarom voeren wij tot motto: Wie durft wat ik durf?--zoowel in +den Senaat, als in den krijg. Bovenal echter past het bij hem, die het +beste zoekt en voor het ergste niet terugdeinst. + +Thans sloeg hij een gemoedelijken, vertrouwelijken toon aan, zonder +echter zijne overmacht prijs te geven, en zeide: In de groote kast in de +citadel heb ik vijf talenten gereed geld liggen. Hier is het bewijs. + +Uit zijn toga bracht hij een perkamentrol te voorschijn, wierp die op de +tafel en vervolgde onder diep stilzwijgen, terwijl de oogen van allen op +hem rustten: Dat is de som die ik durf wagen. Wie van u durft hetzelfde +te doen?... Gij zwijgt? Is het te veel? Ik zal er een talent afnemen, +slechts drie!... Om twee dan ... Niet?... Een dan ... een ten minste ... +een ter eere van de rivier, aan wier oevers gij geboren werdt! Rome in +het Oosten tegen Rome in het Westen! De barbaarsche Orontes tegen den +heiligen Tiber! + +Hij schudde de dobbelsteenen en wachtte even. + +--De Orontes tegen den Tiber! herhaalde hij luider en met klem. + +Niemand bewoog zich. Toen wierp hij de dobbelsteenen op de tafel en nam +lachend het bewijs weer tot zich. Bij Jupiter! riep hij, nu weet ik +waarom gij naar Antiochië zijt gekomen: om uw fortuin te maken of te +verbeteren. Hier, Cecilius! + +--Present! riep een stem achter hem.--Hier ben ik. + +--Ga, beval Messala, en laat de dienaren de kannen en bekers en +drinkschalen hier brengen. Hebben deze onze landslieden geen beurzen, ik +wil zien of zij beter gezegend zijn met magen. Haast u! + +Toen keerde hij zich met een luiden lach tot Drusus en zeide: Vergeef +het mij, mijn vriend; ik wilde deze fraaie jonge vogels van ons oude +Rome slechts op de proef stellen. Kom, Drusus, kom! + +Hij nam de steenen weer op en schudde ze vroolijk. + +--Hier! Voor welke som gij wilt. Beproef uw geluk. + +De noodiging was vriendelijk, innemend. Drusus kon haar niet wederstaan. + +--Bij de nimfen, ja, zeide hij lachend. Ik zal met u spelen, Messala, +om ... een denarie. + +Een zeer jeugdigen knaap keek Messala van de overzijde der tafel +aandachtig aan. Plotseling keerde deze zich tot hem en vraagde: Wie zijt +gij? + +De knaap trok zich snel terug. + +--Neen, bij Castor en Pollux! Zoo meende ik het niet. Het is onder +mannen gewoonte, als zij zaken doen, aanteekeningen te houden. Ik heb +een klerk noodig. Wilt gij dien post vervullen? + +De jongeling nam dadelijk zijn tafeltje ter hand, gereed om op te +schrijven. + +--Wacht even, Messala, zeide Drusus. Het is misschien niet goed door +eene vraag de dobbelsteenen op te houden, maar daar schiet mij iets te +binnen, en ik moet het wagen, al sloeg Venus mij met haar gordel. + +--Ik zal gooien en de steenen zoolang bedekken, dan kan het geen kwaad; +en de daad bij het woord voegende vervolgde hij: Voor den dag met uwe +vraag! + +--Hebt gij een zekeren Quintus Arrius wel eens gezien? + +--De duumvir? + +--Neen, zijn zoon. + +--Ik wist niet dat hij een zoon had. + +--Weet gij waarom ik het vraag? Omdat Pollux niet sterker gelijken kan +op Castor, dan Arrius op u. + +--Ja, dat is zoo! riepen tien, twintig stemmen te gelijk. Zijn oogen, +zijn gelaat! + +--Wat een dwaasheid, zeide een ander geërgerd. Messala is een Romein, +Arrius een Jood. + +--Daar hebt gij gelijk in, merkte een derde op. Hij is een Jood, of +Momus leende zijne moeder het verkeerde masker. + +Het gesprek dreigde in twist te ontaarden, maar Messala kwam +tusschenbeide. + +--De wijn is nog niet gekomen, Drusus, zeide hij. Wat Arrius betreft, ik +zal gelooven wat gij zegt. Vertel mij dus wat gij van hem weet. + +--Wel, hij moge dan Jood of Romein zijn, en bij den grooten Pan, met +allen eerbied voor uwe gevoelens, Messala, deze Arrius is schoon, +dapper, en verstandig. De keizer bood hem zijne gunst en bescherming +aan, maar hij weigerde die aan te nemen. Zijn optreden was zeer +geheimzinnig, en hij houdt zich op een afstand, alsof hij zich voor +beter of voor slechter houdt, dan wij anderen. In het worstelperk was +hij onovertroffen. Hij speelde met de blauwoogige reuzen van den Rijn en +de hoornlooze stieren van Sarmatië, alsof het wilgetakken waren. De +duumvir heeft hem zijn geheele vermogen vermaakt. Hij heeft zich met +waren hartstocht in den wapenhandel geoefend en is vervuld van den +oorlog. Maxentius nam hem op in zijn gevolg, en hij zou met ons zijn +scheep gegaan, maar wij verloren hem te Ravenna. In weerwil daarvan is +hij in welstand hier aangekomen. Wij hebben hedenmorgen van hem gehoord. +In plaats van naar het paleis of de citadel te gaan, heeft hij zijn +bagage achtergelaten in de herberg en is wederom verdwenen. + +Messala, die eerst slechts ten halve geluisterd had, werd langzamerhand +nieuwsgierig. Toen Drusus zweeg hief hij zijne hand op en riep: Hallo, +Caius, hoort ge dat? + +Een jongeling, die schuin achter hem stond, zijn Myrtilus, of metgezel +bij de dagelijksche oefeningen in de renbaan, antwoordde, verheugd over +de eer hem aangedaan: Deed ik dat niet, mijn Messala, dan was ik niet +waard uw vriend te zijn. + +--Herinnert gij u den man, die u van middag in het stof heeft doen +bijten? + +--Bij Bacchus! Is mijn schouder niet bont en blauw om het mij in +gedachtenis te doen blijven? + +--Wees dan het Noodlot dankbaar, want ik heb uw vijand gevonden. Let +maar op. + +Hierop keerde hij zich tot Drusus: Vertel ons meer van hem; van hem, die +zoowel Jood als Romein is, bij Phoebus, eene vereeniging die een centaur +aanminnig zou maken! Hoe kleedt hij zich, Drusus? + +--Als een Jood. + +--Hoort gij het, Caius? zeide Messala, de knaap is jong, dat is één. Hij +heeft het gelaat van een Romein, twee. Hij draagt het liefst kleeren van +een Jood,--drie. En in het worstelperk behaalt men roem en fortuin door +het omverwerpen van een paard, of het doen kantelen van een wagen, al +naar dat verlangd wordt--vier. Drusus, help mijn vriend verder. +Ongetwijfeld spreekt deze Arrius verscheidene talen, anders kon hij niet +vandaag Jood, morgen Romein zijn. Maar kan hij zich ook in de schoone +taal der Atheners vloeiend uitdrukken? + +--Die spreekt hij zoo zuiver, Messala, dat hij er gerust als redenaar in +zou kunnen optreden. + +--Hoort gij het wel, Caius? die knaap kan op zijn Grieksch een vrouw +begroeten, dat is dus vijf. Wat zegt gij er van? + +--Gij hebt hem gevonden, mijn vriend, antwoordde Caius, of ik ben Caius +niet. + +--Vergeef mij, Drusus, dat ik dus in raadselen spreek, zeide Messala op +zijn gewone innemende manier. Bij alle goden, ik zou uwe nieuwsgierigheid +niet willen spannen tot brekens toe; maar help mij nu tot aan het einde. +Gij vondt, geloof ik, iets geheimzinnigs in het optreden van dien zoon +van Arrius. Vertel mij daar wat van. + +--Och, niets bijzonders, zeide Drusus, een kindersprookje. Toen Arrius, +de vader, uitzeilde om de zeerovers te straffen, bezat hij vrouw noch +kind. Hij keerde terug met een jongeling ... hem van wien wij spreken, en +nam hem den volgenden dag tot zoon aan. + +--Tot zoon aan? herhaalde Messala. Bij alle goden! Drusus, dat is een +belangwekkend geval. Waar vond de duumvir den knaap? En wie was hij? + +--Wie kan u daar het antwoord op geven, wie dan de jonge Arrius zelf? In +de hitte van de strijd verloor de duumvir, toen nog tribuun, zijn galei. +Een terugkeerend schip vond hem en den knaap, de eenig overgeblevenen +van de commandantsgalei, drijvende op een en dezelfde plank. Ik geef u +het verhaal zooals ik het van de redders hoorde, dat in ieder geval +nooit tegengesproken is. Zij beweren dat de metgezel van den duumvir een +Jood was. + +--Een Jood! herhaalde Messala. + +--En een galeislaaf. + +--Hoe dat, Drusus, een galeislaaf? + +--Toen die beiden opgehaald werden, had de duumvir zijn wapenrusting +aan, de ander het kostuum van een roeier. + +Messala richtte zich op in zijn volle lengte. Een galeislaaf, herhaalde +hij op peinzenden toon. + +Op dit oogenblik brachten eenige slaven groote kannen wijn, schalen met +vruchten en confituren, en weer anderen bekers van allerlei model, het +grootste gedeelte van zilver. Dat gezicht bracht Messala weer op dreef. +Hij sprong op een stoel. Mannen van den Tiber, riep hij met luide stem, +laat ons het wachten op onzen veldheer veranderen in een feest ter eere +van Bacchus. Wien kiest gij tot voorzitter? + +Drusus stond op. Wien anders dan den gastheer zelf? vraagde hij. +Spreekt, Romeinen. + +Een luid gejuich was het antwoord. + +Messala nam den krans van zijn hoofd, reikte hem aan Drusus over, die op +de tafel sprong, en hem ten aanschouwe van allen weer plechtig op het +hoofd van Messala zette, waardoor hij hem tot voorzitter kroonde. + +--Te gelijk met mij, zeide hij, zijn eenige vrienden in de kamer +gekomen, die juist van tafel waren opgestaan. Breng volgens oud gebruik +dengene hier, die het meest door den wijn bevangen is. + +Eenige stemmen antwoordden: Hier is hij! Hier! + +En van den grond, waar hij neergezegen was, werd een knaap opgebeurd, +zoo schoon van gelaat, dat hij voor den wijngod zelven kon doorgaan, +maar de kroon zou hem van 't hoofd zijn gevallen, en de staf uit zijne +hand. + +--Zet hem op de tafel, beval de voorzitter. + +Men gehoorzaamde, maar de knaap zakte ineen. + +--Ondersteun hem, Drusus! + +Drusus nam de slaper in zijn armen en hield hem overeind. + +Nu sprak Messala onder diep stilzwijgen tot den bezwijmde: O Bacchus, +grootste der goden, wees ons hedennacht goedgunstig. In mijnen naam en +in dien mijner metgezellen beloof ik dezen krans aan uw altaar in het +Park van Daphne. + +Hij maakte een diepe buiging, zette den krans weer op, ontblootte de +dobbelsteenen, bekeek ze, en zeide lachend: Ziehier Drusus, bij den ezel +van Silenus, de denarie is voor mij! + +Een oorverdoovend gejubel deed de zaal op hare grondvesten daveren, ... +het drinkgelag nam een aanvang. + + +Noot: [2] Dun houten blaadje, met was bestreken, waar men met een stift +op schreef. + + + * * * * * + + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + +IN DE TENT. + + +Sheik Ilderim was een te gewichtig man om met een klein gevolg te +reizen. Hij had, als de aanzienlijkste en oudste onder de vorsten der +woestijn, den naam van zijnen stam weten op te houden. In de steden gold +hij voor een der rijkste grondbezitters, en daar hij werkelijk zeer rijk +was in geld, zoowel als in slaven, kameelen, paarden en groot en klein +vee, voerde hij gaarne een hoogen staat, die hem niet alleen in aanzien +deed stijgen bij vreemden, maar zijne ijdelheid streelde en hem allerlei +gemakken aanbracht. + +Al spraken wij van zijne tent in het Palmbosch, in werkelijkheid had hij +er een _dowar_, dat wil zeggen, hij had drie groote tenten: eene voor +zich, eene voor bezoekers, eene voor zijne meestgeliefde vrouw en hare +bedienden; en zeven kleinere voor zijne slaven en zijne lijfwacht, +sterke dappere mannen, goed vertrouwd met boog, speer en paarden. + +Hoewel hij in het Palmbosch natuurlijk veilig was, had hij, daar men +wijs doet met zich aan de gewone orde te houden, de door de tenten +begrensde ruimte voor zijne koeien, kameelen en geiten bestemd, en voor +zulke bezittingen, die een leeuw of een dief in verzoeking konden +brengen. + +Overal en ten allen tijde volgde Ilderim de gebruiken van zijn volk tot +in de kleinste bijzonderheden; dientengevolge was zijn leven in het +Palmbosch eene voortzetting van zijn leven in de woestijn, een echt +aartsvaderlijk leven--het herdersleven van het oude Israël. + +Op den morgen zijner aankomst in het Palmbosch had Ilderim de karavaan +doen stilhouden en een speer in den grond gestoken, zeggende: Hier, sla +hier mijne tent op. De opening naar het Zuiden, het meer vóór ons, en +deze kinderen der woestijn tot een beschutting boven ons hoofd, als wij +bij zonsondergang de avondkoelte willen genieten. + +Bij deze laatste woorden ging hij naar drie zware palmboomen en klopte +tegen hun bast, zooals hij zijne paarden op den nek geklopt zou hebben. + +Wie anders dan de Sheik had het recht om der karavaan: halt toe te +roepen, of van de tent te bevelen: hier worde zij opgeslagen?--De speer +werd uit den grond gerukt, en in de gemaakte opening de eerste paal voor +de tent geplant, het middenschot voor de groote voordeur. Vervolgens +werden acht andere palen ingeslagen, in het geheel drie rijen palen, +telkens drie op een rij. Toen werden de vrouwen en kinderen geroepen, om +het tentedoek te ontpakken. Niemand anders dan de vrouwen mochten dat +doen, want waren zij het niet, die de bruine geiten der kudden +geschoren, het haar tot een draad gesponnen, dien draad tot doek +geweven, en de doeken aaneengenaaid hadden, om tot een dak te dienen, +donkerbruin, in werkelijkheid maar op een afstand zwart als de tenten +van Kedar? Hoe vroolijk spande ten besluite het gezamenlijk +dienstpersoneel van den Sheik het tentedoek van paal tot paal, de pinnen +inslaande en de koorden vastmakende, daar waar het behoorde! En als +eindelijk de matten wanden opgericht en bevestigd waren, in welke +angstige spanning werd dan het oordeel van den meester afgewacht! Hoe +gelukkig waren zij, toen hij, na alles van binnen en van buiten bekeken +te hebben, goedkeurend knikte en vriendelijk zeide: Goed gedaan! maakt +nu den dowar in orde naar uw beste weten en hedenavond zullen wij het +brood met arak besproeien, en de melk met honing verzoeten, en aan +iederen haard zal een bokje gebraden worden. Wij zullen geen gebrek +hebben aan zoet water, want het meer is onze bron; de lastdieren en de +kudde zullen niet hongeren, want hier is overvloed van groen gras. God +zij met u, kinderen! Gaat aan 't werk. + +Vroolijk trok de troep af, om hunne eigene tenten op te slaan. Een paar +bleven achter om de tent van den Sheik te meubileeren: de mannen spanden +een gordijn langs de middelste palenrij, waardoor de tent in tweeën +gedeeld werd, de eene helft voor den Sheik, de andere voor zijn paarden, +de afstammelingen van Salomo's renners. Tegen den middelsten paal werd +het wapenrek opgesteld, en met speren, bogen, pijlen en schilden +behangen; bovenop het zwaard van den meester, welks gevest schitterde +van edelsteenen. Aan het eene eind van het rek hingen zij de tuigen der +paarden, aan het andere de kleederen van den meester: zijn wollen en +linnen gewaden, tunica's en broeken, en zijn vele kleurige tulbanden. + +Intusschen hielden de vrouwen zich onledig met het ontpakken van den +divan. In den vorm van een hoefijzer, de opening naar de deur gekeerd, +stelden zij hem op, bedekten hem met kussens en peluwen, en hingen er +gordijnen om. Rondom den divan legden zij een karpet, en in de +binnenruimte evenzoo, tot aan de deur der tent. Toen vulden zij de +kannen en kruiken met water en hingen de lederzakken met arak op. Welk +Arabier zou Sheik Ilderim niet gelukkig prijzen in zijne tent bij het +zoetwatermeer, onder de schaduw der palmen van zijn erfdeel! + +In de hier beschreven tent hebben wij Ben-Hur verlaten. + +De bedienden stonden reeds gereed om de bevelen des meesters te volgen. +Een van hen ontbond zijne sandalen, een ander die van den bezoeker. +Vervolgens hielpen zij de beide ruiters zich ontdoen van hunne bestoven +kleeren, en een frisch wit linnen gewaad aantrekken. + +--Kom mede en rust, zeide de gastheer hartelijk in het Hebreeuwsch, en +geleidde hem naar den divan. + +--Ik ga hier zitten, en mijn gast daar, zeide hij tot eene dienstmaagd, +die zich aanstonds beijverde de kussens op te schudden en goed te +leggen, waarna de beide mannen op den divan plaats namen en zich de +voeten lieten wasschen met frisch water uit het meer. + +--Een onzer spreekwoorden in de woestijn luidt, dat een goede eetlust de +belofte is van een lang leven, zeide Ilderim. Hoe staat het met den uwe? + +--Daarnaar berekend, goede Sheik, zal ik honderd jaar kunnen leven. Ik +ben een hongerige wolf aan uwe deur, antwoordde Ben-Hur. + +--Welnu, ik zal u niet als een wolf wegzenden. Ik zal u het beste van +mijn kudde voorzetten. + +Ilderim klapte in de handen, waarop een bediende binnentrad. + +--Ga naar den vreemdeling in de bezoekerstent en zeg, dat ik, Ilderim, +hem toebid, dat zijn vrede bestendig moge zijn, als het stroomen der +wateren. + +De man boog zich. + +--Meld hem verder, vervolgde de Sheik, dat ik nog een gast heb +meegebracht om brood mede te breken. Als Balthasar, de wijze, het maal +met ons wil deelen, zullen wij met ons drieën wezen, en het deel der +vogelen zal er niet kleiner om zijn. + +De man ging heen. + +--Laat ons thans rust nemen, zeide de Sheik en maakte het zich +gemakkelijk op den divan. Ben-Hur volgde zijn voorbeeld, en toen hij +gereed was, vervolgde de Sheik op ernstigen toon: Dat gij mijn gast +zijt, van mijn wijn gedronken hebt, en straks met mij eten zult, mag mij +niet verhinderen u te vragen: Wie zijt gij? + +--Sheik Ilderim, zeide Ben-Hur, kalm den onderzoekenden blik van den +grijsaard doorstaande, ik bid u, meen niet dat ik uw billijke vraag +ontwijken wil; maar was er in uw leven nooit een tijd, waarin de +beantwoording van zulk een vraag een misdaad zou geweest zijn jegens uwe +ouders? + +--Bij Salomo's heerlijkheid, ja, antwoordde Ilderim. Zelfverraad is in +sommige gevallen even laag, als het verraden van een geheelen stam. + +--Dank, goede Sheik! Nooit kwam er beter antwoord uit uwen mond. Nu weet +ik, dat gij slechts de zekerheid verlangt te hebben, dat gij uw +vertrouwen niet aan een onwaardige zult schenken en dat die zekerheid +van meer belang voor u is, dan mijne levensgeschiedenis. + +De Sheik boog het hoofd. Ben-Hur haastte zich van deze stemming partij +te trekken en zeide: Voor alle dingen wil ik u mededeelen, dat ik geen +Romein ben, zooals mijn naam u zou doen denken. + +Ilderim zag zijnen gast oplettend aan. + +--Vervolgens dat ik een Israëliet ben uit den stam van Juda. Dat niet +alleen. Ik ben een Jood en koester een wrok tegen Rome, waarbij de uwe +slechts kinderspel is. + +De grijsaard plukte zenuwachtig aan zijn baard en trok de wenkbrauwen +samen. + +--Nog meer; ik zweer u, Sheik Ilderim, ik zweer u bij het verbond, dat +de Heer met mijne vaderen gemaakt heeft, als gij mij helpen wilt de +wraak te nemen, die ik zoek, dan zullen de uitgeloofde prijs en de eer +bij de wedrennen de uwe zijn. + +Ilderim hief het hoofd op, zijn oogen straalden; men kon zien dat het +voorstel hem toelachte. + +--Genoeg, zeide hij. Als aan den wortel uwer tong een leugen verborgen +ligt, zou Salomo zelf niet veilig voor u geweest zijn. Dat gij geen +Romein zijt, dat gij als Jood een wrok tegen Rome hebt en wraak wil +nemen, geloof ik. Maar hoe staat het met uwe vaardigheid? Welke +ondervinding hebt gij in wedrennen met wagens? En de paarden--kunt gij +ze aan uwen wil onderwerpen, zoodat zij u kennen, zoodat zij komen als +gij ze roept, loopen, rennen als gij het beveelt, met inspanning van +alle krachten tot bezwijkens toe, om hen dan in het beslissend oogenblik +te bezielen tot een laatste inspanning, de krachtigste van alle, die tot +overwinning voert? Die gave, mijn zoon, is niet ieder gegeven. Ik heb +een koning gekend, die over millioenen menschen heerschte, maar zich +niet de achting van een paard kon verwerven. Begrijp mij wel, ik spreek +niet van gewone dieren, wier taak is te slaven voor slaven; wier bloed +verbasterd werd, wier geheele uiterlijk het innerlijk teekent: +geestelijk dooden. Neen, ik spreek van renpaarden als de mijne, koningen +in hunne soort, wier stamboom opklimt tot in de stoeterijen van den +eersten Pharao, mijne makkers en vrienden, medebewoners van mijne tent, +die door een langdurig verkeer met mij opgevoerd zijn tot een ongekende +hoogte, wier instinct aan eens menschen verstand gelijk is geworden, +wier zintuigen met onze ziel gelijk staan, die evenals wij eerzucht, +liefde, haat, tegenzin kennen; helden in den krijg, kinderen in +vertrouwen. Hallo, hier! + +Een bediende trad naar voren. + +--Laat mijn Arabieren binnenkomen! + +De man trok het gordijn in het midden der tent open, waardoor een +groepje paarden zichtbaar werd, die een oogenblik aarzelden en staan +bleven, alsof zij niet zeker waren van de noodiging. + +--Komt, zeide Ilderim, waarom blijft ge staan? Wat heb ik dat niet het +uwe is? Komt, zeg ik. + +Zij kwamen langzaam nader. + +--Zoon van Israël, zeide hun meester, uw Mozes was een groot man; maar, +ha, ha, ha! ik moet lachen wanneer ik bedenk, dat hij uwe vaderen +toestond den trekos en den ezel te gebruiken, maar hun verbood paarden +in eigendom te bezitten. Denkt gij, dat hij dat gedaan zou hebben, als +hij dezen en dien, en dien daar gezien had? + +Zoo sprekend legde hij zijne hand op den naastbijstaanden Arabier en +liefkoosde hem met onbeschrijfelijke teederheid. + +--Dat is een misverstand, Sheik, een misverstand, zeide Ben-Hur +levendig. Mozes was een krijgsman, zoowel als de van God beminde +wetgever, en zou hij dan geen paarden gehad hebben? + +Een welgevormde kop met groote zachte oogen, zacht als die eener ree, +half verborgen door de dikke voorhoofdlokken, vlijde zich bijna tegen +hem aan, neusgaten en bovenlip in gestadige beweging, alsof zij vragen +wilde: Wie zijt gij? + +Ben-Hur herkende een van het vierspan uit het renperk en stak het +schoone dier zijn open hand toe. + +--Zij zullen u zeggen, de lasteraars, mogen hunne dagen verkort worden, +sprak de Sheik heftig, zij zullen u zeggen, dat onze paarden afkomstig +zijn van de Niseïsche velden in Perzië. God gaf den Arabier een +onmetelijke zandvlakte, met eenige kale bergen en hier en daar een bron +van bitter water, en zeide tot hem: Zie uw land! En toen de arme man +klaagde, erbarmde de Almachtige zich over hem en zeide: Wees goedsmoeds! +want Ik zal u zegenen boven anderen. De Arabier hoorde het, dankte, en +ging vol vertrouwen den beloofden zegen zoeken. Eerst reisde hij langs +de grenzen, maar tevergeefs. Toen maakte hij zich een pad door de +woestijn en ging voort, altijd verder, totdat hij in het hart der +wildernis een vruchtbaar eiland vond, liefelijk om te zien, en op dat +eiland graasden een kudde kameelen en een kudde paarden! Hij nam ze +vroolijk tot zich en verzorgde ze met de grootste oplettendheid, als de +beste gave Gods. En van dat groene eiland stammen alle paarden, die op +aarde te vinden zijn, ook die van de Neseïsche weilanden. Zelfs naar het +Noorden verspreidden zij zich, tot aan de vreeselijke valleien, die +voortdurend geteisterd worden door stormwinden uit de zee. Twijfel niet +aan de waarheid van dit verhaal. Is het niet waar, moge dan geen enkele +amulet meer van kracht zijn voor een Arabier. Maar wacht, ik zal u de +bewijzen voorleggen. + +Hij klapte in de handen. + +--Breng mij de registers van den stam, zeide hij tot den binnentredenden +slaaf. + +Onder het wachten speelde hij met de paarden, liefkoosde hen, streek +hunne manen glad, en gaf ieder van hen een bewijs zijner gunst. Weldra +verschenen zes mannen met zes cederhouten kisten, die zij voor den Sheik +nederzetten. + +--Neen, zeide Ilderim, dat bedoelde ik niet. Alleen het stamboek van de +paarden,--deze kist. Open die en zet de andere weg. + +De kist werd geopend. Haar inhoud bleek te bestaan uit een massa ivoren +tafeltjes, door ringen van zilverdraad bijeengehouden, en daar de +tafeltjes zoo dun waren als glas, hield iedere ring verscheidene +honderdtallen. + +--Ik weet, mijn zoon, zeide Ilderim, met welke zorg de schriftgeleerden +in den tempel van de Heilige Stad de namen der jonggeboornen opschrijven +en bewaren, opdat ieder Israëliet zijn geslachtslijst kan narekenen, al +klom zij ook op tot voor den tijd der patriarchen. Mijne vaderen, moge +hun aandenken altijd groen blijven! oordeelden het niet zondig dat +denkbeeld over te nemen en op hun stomme dienaren toe te passen. Bezie +die tafeltjes! + +Ben-Hur nam een der ringen, en spreidde de tafeltjes uit. Zij waren vol +met Arabische hiëroglyphen, die er met de gloeiende punt van een metalen +staafje ingebrand waren. + +--Kunt gij ze lezen, zoon van Israël? + +--Neen. Wil mij hare meening verklaren. + +--Weet dan: ieder tafeltje draagt den naam van een rasveulen, en wel van +een, dat vele eeuwen geleden in onzen stam geboren werd, benevens de +namen van zijne ouders. Bezie ze nauwkeurig en let er op hoe oud zij +zijn, des te gemakkelijker zal het u vallen te gelooven wat ik zeg. + +Sommige tafeltjes waren bijna afgesleten, alle waren geel van ouderdom. + +--In die kist bewaar ik de geschiedenis van dit viertal. Ik kan u met de +stukken bewijzen uit welken stam zij gesproten zijn; zie, hoe die eene +uwe aandacht zoekt te trekken en om een liefkoozing vraagt! Zooals deze +thans tot ons komen, kwamen hunne vaders vele eeuwen her tot mijne +vaderen in hunne tent, om uit de hand hunner heeren hunne maat gerst te +ontvangen en toegesproken te worden als kinderen, en op eigenaardige +manier hun dank te betuigen. En nu, zoon van Israël, geloof mij vrij, +ben ik een vorst der woestijnen, zij zijn mijne eerste dienaren! Ontneem +ze mij en ik word een zieke gelijk, door de karavaan achtergelaten om te +sterven. Aan hen dank ik mijn onverminderd gezag op de groote heirwegen; +en dat zal stand houden, zoolang ik de kracht bezit om mij van hen te +bedienen. Ik zou u wonderen kunnen verhalen, door hunne voorzaten +verricht. Misschien doe ik het later wel eens; voor het oogenblik zij u +genoeg, dat zij bij een terugtocht nooit werden achterhaald, bij een +vervolging altijd slaagden. Vergeet echter niet, dat was in de woestijn +en onder 't zadel;... hoe het komt weet ik niet, maar mijn hart klopt +onrustig om hunnentwil. Zij zijn voor het eerst in 't gareel geweest en +wat is niet noodig om den prijs te behalen! Eerzucht, snelheid, +volharding bezitten zij. Vind ik iemand voor hen, dien zij als meester +kunnen erkennen, dan zullen zij den prijs behalen. Zoon van Israël, als +gij die man zijt, dan zweer ik u, dat gij den dag, die u hier bracht, +gelukkig zult noemen. Spreek nu voor uzelven. + +--Nu begrijp ik, zeide Ben-Hur, waarom een Arabier na zijne kinderen +zijne paarden het liefst heeft, en ik begrijp ook waarom de Arabische +paarden van alle de beste zijn; maar, goede Sheik, ik wil niet dat gij +mij alleen naar mijne woorden beoordeelt, want gij weet het: beloften +van menschen kunnen falen. Stel mij morgen op de proef en laat mij uw +vierspan probeeren. + +Ilderims gelaat straalde van genoegen. Hij wilde spreken, maar Ben-Hur +vervolgde: Nog een woordje, goede Sheik. Laat ik u dit mogen zeggen: In +Rome heb ik veel geleerd, waarvan ik niet dacht dat het mij ooit te pas +zou komen. Geloof mij, al zijn deze uwe zonen der woestijn ieder +afzonderlijk als de wind zoo vlug, zij zullen het onderspit delven, zoo +zij niet geleerd hebben gezamelijk in het gareel te loopen; want bedenk +dit, Sheik, van ieder viertal is een de vlugste en een de langzaamste. +Zoo was het vandaag. De menner kon den vlugste der vier niet krijgen tot +een verstandig samenwerken met den traagsten. Mijn proefneming zal +misschien niet beter uitvallen; maar in dat geval zal ik het u zeggen. +Kan ik er hen echter toe krijgen zich naar mijn wil te voegen, zoodat de +vier als één loopen, dan zijn de sestertiën en de lauwerkrans voor u, de +wraak voor mij. Wat dunkt u? + +Ilderim had aandachtig geluisterd. Glimlachend zeide hij: Ik denk beter +van u, zoon van Israël. Wij hebben een spreekwoord: als gij het eten met +woorden kookt beloof ik u een oceaan van boter.--Morgen zult gij de +paarden hebben. + +Op dat oogenblik was er beweging aan de achterdeur der tent. Ons +avondeten, zeide de Sheik, en mijn vriend Balthasar, met wien gij kennis +zult maken. Hij heeft eene geschiedenis te vertellen, die voor een +Israëliet allerbelangrijkst is. + +Tot de knechts zeide hij: Neemt de kist weg, en brengt de paarden naar +hun vertrek. + +En zoo geschiedde het. + + + * * * * * + + +VEERTIENDE HOOFDSTUK. + +ILDERIMS GASTMAAL. + + +Als de lezer zich den maaltijd van de drie wijzen in de woestijn nog +herinnert, zal hij zich gemakkelijk de toebereidselen in Ilderims tent +kunnen voorstellen. Het eenige verschil was: meer gerechten en betere +bediening. + +Op het karpet voor den divan weren drie kleedjes gelegd en een gedekte +tafel neergezet. Tegen een der zijwanden werd een draagbare oven +geplaatst, onder toezicht van eene slavin, wier taak het was het +gezelschap van heete koeken te voorzien. + +Intusschen was Balthasar naar den divan geleid, waar Ilderim en Ben-Hur +hem staande opwachtten. Hij droeg een ruim zwart overkleed en was +langzaam en statig in zijne bewegingen. + +--Vrede zij u, mijn vriend, zeide Ilderim, vrede en welkom. + +De Egyptenaar antwoordde: de zegen van God Almachtig, den eenigen waren +God, zij met u en de uwen. + +Zijne manier van spreken maakte diepen indruk op Ben-Hur. + +--Deze jonkman, Balthasar, zeide de Sheik, zijn hand op Ben-Hurs arm +leggend, zal hedenavond brood met ons breken. + +De Egyptenaar zag den jonkman onderzoekend aan, waarop de Sheik +vervolgde: Ik heb hem beloofd, dat hij mijne paarden mag probeeren, en +als het goed gaat zal hij er in den circus mee optreden. + +Balthasar staarde Ben-Hur zwijgend aan. + +--Hij kwam met goede aanbevelingen, ging Ilderim voort, die niets van +dat zwijgen begreep. Overeenkomstig die aanbevelingen stel ik hem u voor +als den zoon van Arrius, den edelen Romeinschen duumvir, hoewel hijzelf +zich een Israëliet noemt uit den stam van Juda, en, bij mijn baard, ik +geloof wat hij zegt. + +--Weet dan, edelmoedige Sheik, zeide Balthasar, dat mijn leven vandaag +in gevaar geweest is en ik hier niet zitten zou, zoo niet een jonkman, +het evenbeeld van dezen uwen gast, tusschenbeide getreden was en mij +gered had, toen alle anderen vloden. + +Toen wendde hij zich tot Ben-Hur en vraagde: Waart gij dat niet? + +--Wat zal ik u zeggen, zeide Ben-Hur bescheiden. Ik ben degeen die de +paarden van den onbescheiden Romein tot staan bracht, toen zij bij de +bron Castalia op uw kameel instormden. Uwe dochter gaf mij dezen beker. + +Uit de plooien van zijn tunica bracht hij den beker te voorschijn en +overhandigde hem aan Balthasar. + +Een glans van blijdschap kwam over het gelaat van de Egyptenaar. De Heer +heeft u vandaag tot mij gezonden, eerst bij de bron en nu hier, zeide +hij bewogen en reikte Ben-Hur de hand. Ik dank Hem, en dank gij Hem ook, +want door zijne genade kan ik u naar verdienste beloonen. De beker is de +uwe. Behoud hem. + +Nu verhaalde Ben-Hur in antwoord op Ilderims vragenden blik het voorval +bij de bron. + +--Wat! zeide de Sheik tot zijn jeugdigen gast. Daar hebt gij mij niets +van verteld, terwijl gij mij geen betere aanbeveling hadt kunnen +brengen. Ben ik niet een Arabier en Sheik van mijn stam van +honderdduizenden? En is Balthasar niet mijn gast? zoodat hetgeen gij aan +hem gedaan hebt, hetzij goed of kwaad, aan mij gedaan is? Waar zoudt gij +belooning zoeken, anders dan hier? En wiens hand moet u die geven, zoo +niet de mijne? + +--Goede Sheik, ik bid u, spaar mij. Ik kwam niet om eene belooning, en +opdat zelfs de schijn niet op mij ruste, zoo weet dat ik uw geringsten +slaaf ter hulpe zou gesneld zijn, indien zulks noodig was geweest. + +Hoe is uw naam ook weer? vraagde Balthasar. De Sheik noemde een +Romeinsche naam, niet waar? + +--Arrius, de zoon van Arrius den duumvir. + +--En toch zijt gij geen Romein? + +--Mijn familie was Joodsch. + +--Wat, zegt gij? Leven zij niet meer? + +De vraag was eenvoudig en natuurlijk; maar gelukkig voorkwam Ilderim het +antwoord. + +--Komt, zeide hij, de maaltijd is gereed. + +Een oogenblik later zaten zij aan tafel, op Oostersche manier. Dienaren +brachten water en handdoeken, zij waschten zich de handen, toen gaf de +Sheik een teeken, en de Egyptenaar bad op plechtigen toon: Vader van +allen, God! Wat wij hebben is van U; neem onzen dank aan en zegen ons, +opdat wij mogen voortgaan met Uwen wil te doen. + +De tafel was rijkelijk van het noodige voorzien: luchtige koeken, heet +van het vuur, groenten uit den moestuin, vleesch in verschillenden vorm, +geitenmelk, honing en boter, alles gebruikt zonder de toevoegselen der +hedendaagsche gewoonten: messen, vorken, lepels. Gedurende dit gedeelte +van den maaltijd werd weinig gesproken, want zij hadden honger. Maar +toen het dessert op tafel kwam werd het anders, en zij waren weldra in +een ernstig gesprek verdiept. + +Onder zulk een gezelschap: een Arabier, een Jood, en een Egyptenaar, +allen geloovende aan éénen God, kon in die dagen slechts één onderwerp +van gesprek zijn; en wie van de aanzittenden moest als spreker optreden, +zoo niet hij, wien de Godheid bijna persoonlijk verschenen was, die haar +in de ster had leeren kennen, die hare stem had gehoord, en zoo +wonderbaar door den geest Gods geleid was? En waarvan zou hij spreken, +zo niet van datgene, waarvan hij geroepen was te getuigen? + + + * * * * * + + +VIJFTIENDE HOOFDSTUK. + +GEHEIMENISSEN. + + +De zon was ondergegaan. De bergen wierpen een donkere schaduw over het +Palmbosch en lieten geen plaats voor de zachte violettinten, die bij den +overgang van dag op nacht het oog zoo liefelijk kunnen streelen. De +nacht viel vroeg en snel in. Om het duister in de tent te verdrijven +brachten de slaven vier bronzen kandelaars, één op elken hoek der tafel. +Iedere kandelaar had vier armen, en iedere arm droeg een zilveren lamp. +Bij het schijnsel van dit licht zaten de dischgenooten nog geruimen tijd +te praten in de Syrische taal, die in die streken algemeen gebruikelijk +was. + +De Egyptenaar verhaalde aan Ben-Hur zijne ontmoeting met de twee +vrienden, en berekende met den Sheik, dat het in December achtentwintig +jaar geleden was, dat hij en zijne metgezellen met haast het Joodsche +land verlaten en in zijne tent gewoond hadden. + +Ben-Hur luisterde met groote belangstelling, als naar een openbaring van +het hoogste belang voor de geheele wereld, en bovenal voor het volk +Israël. + +De lezer bedenke, dat de jonge Israëliet sedert zijn vroegste jeugd van +den Messias gehoord had. In de school had hij de profetieën dienaangaande +hooren voorlezen. De komst van den langverwachte was het onderwerp van +veler gesprekken. In de synagogen, in den Tempel, op feest- en +vastendagen, in het openbaar en in de stille binnenkamer verkondigden de +Joodsche leeraars den Messias, totdat alle kinderen Israëls, waar zij +zich ook bevonden, naar Hem uitzagen. De groote vraag was: Wanneer zal +Hij komen? Want dàt Hij komen zou als Koning der Joden, als wereldsch +koning, als hun koning, dit stond vast. Door hen zou Hij de wereld +veroveren, en haar ten hunnen bate en in den naam van God voor altijd +aan zich onderwerpen. + +Maar wat was de reden dat Israël geen oog had gehad voor dat kind van +Bethlehem? Hoe kwam het dat hij er nooit van gehoord had? Balthasar +moest hem opheldering geven: Waar was dat kind nu? En wat moest het +doen? + +--Kon ik u dat maar zeggen, antwoordde Balthasar. Wist ik maar waar hij +zich ophoudt, ik zou mij dadelijk opmaken en tot hem gaan. Zeeën noch +bergen zouden mij kunnen weerhouden. + +--Hebt gij getracht hem te vinden? vraagde Ben-Hur. + +--Zeker. Zoodra ik afscheid genomen had van mijn vriend Ilderim stelde +ik een onderzoek in, om te vernemen wat van het kind geworden was. Een +jaar was echter voorbijgegaan, en ik wilde niet zelf naar Judea +terugkeeren, omdat Herodes nog steeds op den troon zat, even +bloeddorstig als altijd. Bij mijn terugkomst in Egypte vond ik eenige +vrienden, die mijn verhaal van de dingen, die ik gezien en gehoord had, +aanhoorden en geloofden, eenige weinigen, die zich met mij verheugden +over den Verlosser, ons geboren. Een paar van hen gingen in mijne plaats +naar Judea, om persoonlijk een onderzoek in te stellen. Zij gingen eerst +naar Bethlehem en vonden de herberg en de grot, maar de deurwachter, hij +die ons naar de spelonk gebracht had, was er niet meer. De koning had +hem opontboden, niemand in Bethlehem had meer van hem gehoord. + +--Maar zij vonden toch zeker getuigen van het gebeurde? + +--Ja, bloedige getuigen. Een stadje in rouw, moeders treurend om hare +kinderkens. Want gij moet weten dat Herodes, toen hij bemerkte dat wij +stil vertrokken waren, soldaten naar Bethlehem zond, om al de +jonggeboornen te dooden. Geen enkel ontkwam. Mijne vrienden waren in hun +geloof versterkt geworden, maar zij brachten mij de tijding, dat het +kind vermoord was met de andere. + +--Dood! riep Ben-Hur, dat is verschrikkelijk! 't Is dus dood? + +--Neen, mijn vriend, dat heb ik niet gezegd. Ik zeide dat mijne vrienden +die tijding meebrachten. Ik geloofde het toen niet en ik geloof het nog +niet. + +--Hebt gij dan een bijzondere openbaring ontvangen? + +--Dat juist niet. De Geest zou ons geleiden tot de plaats, waar het kind +zich bevond. Toen wij uit de grot kwamen was de ster verdwenen. De +laatste aanwijzing, die wij ontvingen, was die, welke ons langs een +anderen weg deed terugkeeren, zoodat wij bij Sheik Ilderim kwamen. + +--Ja, dat hebt gij mij toen ook verteld, bevestigde deze. + +--Al heb ik geen bijzondere aanwijzing, zeide Balthasar, zoo heb ik toch +veel over deze dingen nagedacht, en mijn geloof, dat verzeker ik u, is +op dit oogenblik nog even sterk, als toen de Geest mij beval de reis +naar Jeruzalem te aanvaarden. Indien gij wilt zal ik u zeggen waarom ik +geloof dat het kind nog leeft. + +De Sheik en Ben-Hur bogen toestemmend en luisterden met hun gansche +aandacht. + +--Wij drieën gelooven in God, en Hij is de Waarheid. De heuvelen mogen +tot stof verwaaien, en de zeeën opdrogen, maar Zijn Woord blijft +bestaan, omdat het de Waarheid is. De stem, die tot mij sprak bij het +meer, was Zijne stem en zeide: Gezegend zijt gij, zoon van Mizraïm. De +verlossing is nabij. Met twee anderen van het uiterste der aarde zult +gij den Verlosser zien!--Ik heb den Verlosser gezien, maar de verlossing +moet nog komen. Begrijpt gij het nu? Als het kind gedood werd is er +niemand, die de verlossing kan aanbrengen; dan moet de belofte onvervuld +blijven. Het kind werd geboren om de wereld te verlossen, en zoolang die +belofte niet vervuld is, kan niets, zelfs de dood niet, hem van zijn +werk scheiden. Ziedaar de eerste grond van mijn geloof. Nu mijn tweede. + +--Wilt gij niet een teug wijn nemen? vraagde de gastheer. + +Nadat Balthasar zich verfrischt had, vervolgde hij: De Verlosser, dien +ik gezien heb, was van eene vrouw geboren, van nature ons gelijk, en dus +onderworpen aan alle kwaad, ook aan den dood. Beschouwen wij nu het +werk, dat hem wachtte. Was het niet een taak alleen voor mannenkracht +berekend? voor een wijs, sterk, verstandig man? Om dat te worden moest +het kind opgroeien, zooals wij. Denk nu eens aan de gevaren, die hem in +dien tusschentijd konden bedreigen. De bestaande regeering was hem +vijandig. Herodes was zijn vijand, en wat zou Rome voor hem zijn? En +Israël ... dat Israël hem niet zou aannemen was de reden, waarom Herodes +alle kinderen te Bethlehem liet dooden. Begrijpt gij het nu? Was er +zekerder weg om zijn hulpelooze jonkheid te behoeden, dan door hem +verborgen te houden? Daarom zeg ik telkens tegen mijzelven: Hij is niet +dood, maar houdt zich stil, en daar zijn werk nog niet volbracht is, zal +hij wederkomen. Ziedaar de gronden voor mijn geloof. Is er iets tegen te +zeggen? + +Ilderims oogen fonkelden en Ben-Hur zeide vroolijk: Door mij zeker niet. +Wat verder? + +--Is dat niet genoeg, mijn zoon? Wachten moet onze leus zijn. Hij leeft +en bewaart vooralsnog zijn geheim, hetzij als veelbelovende bloesem, of +als rijpende vrucht. Maar, vasthoudende aan de belofte staat mijn geloof +onwankelbaar vast,--hij leeft. + +--Waar denkt gij, dat hij is? vraagde Ben-Hur aarzelend. + +--Eenige weken geleden zat ik in mijn huis aan den Nijl, in gedachten +verzonken. Ik zeide tot mijzelf: Een dertigjarige man moet zijn +arbeidsveld bebouwd en beplant hebben, want daarna komt de zomer en +nadert de tijd, waarin gemaaid moet worden. Het kind, dacht ik verder, +is nu bijna dertig jaar. Zijn tijd om te zaaien is daar. Ik stelde +mijzelven dezelfde vraag, die gij mij zooeven deedt, en tot antwoord +maakte ik mij op en kwam hierheen, om in de nabijheid te zijn van het +land, dat God aan uwe vaderen gegeven heeft. Want waar anders zal hij +verschijnen dan in Judea? In welke stad zal hij zijn werk beginnen, zoo +niet in Jeruzalem? Wie moeten de eersten zijn om de zegeningen te +ontvangen, die hij zal aanbrengen, zoo niet de kinderen Abrahams, Izaäks +en Jakobs? Als mij bevolen werd: Ga, zoek hem,--dan zou ik alle +gehuchten en dorpen langs de hellingen der bergen van Judea en Galilea +tot aan het Jordaandal doortrekken. Daar moet hij zich ophouden. Daar +heeft hij wellicht dezen zelfden avond, staande voor een eenvoudige +woning of op een heuveltop, de zon zien ondergaan met de gedachte, dat +hij weder een dag nader was gekomen aan den tijd, waarop hijzelf het +licht der wereld zal worden. + +Balthasar zweeg. Niet alleen de gastheer en Ben-Hur, maar ook de +dienaren hadden, door zijn geestdrift opgewekt, het gevoel alsof de +onzichtbare in hun midden was. Eindelijk verbrak Ben-Hur de stilte. + +--Ik zie, goede Balthasar, zeide hij, dat gij buitengewoon begunstigd +zijt. Ik zie ook, dat gij inderdaad een wijs man zijt. Ik kan u niet +zeggen hoe dankbaar ik ben voor hetgeen gij ons verhaald hebt. Gij hebt +mij op groote dingen voorbereid. Voltooi het werk, bid ik u, en deel mij +alles mede wat gij weet aangaande de zending van hem, dien gij verwacht, +en dien ook ik van nu als een geloovig zoon van Juda verwachten zal. Hij +zal een Verlosser zijn, zegt gij, zal hij ook niet koning der Joden +wezen? + +--Mijn zoon, antwoordde Balthasar, zijne zending is vooralsnog een +verborgenheid Gods. Wat ik daaromtrent denk ontleen ik aan hetgeen de +stem tot mij sprak in verband met de gebeden, waarop zij een antwoord +was. Zullen wij dat nog eens nader beschouwen? + +--Gaarne, mijn vader. + +--De reden van mijn onrust, begon Balthasar, die mij drong in Alexandrië +en in de dorpen langs den Nijl te prediken, en die mij ten laatste in de +eenzaamheid dreef, was de rampzalige toestand van het menschdom, +veroorzaakt, naar ik geloof, door het verlies van de kennis Gods. Ik was +bedroefd over de ellende van mijn geslacht, niet van een enkele klasse, +maar van allen. Zoo diep zijn zij gevallen, dat, naar mij voorkwam, geen +verlossing mogelijk was, tenzij God zelf die ter hand wilde nemen, en ik +bad tot Hem: O God, openbaar U aan mij!--Uwe goede werken heb ik +overwonnen. De Verlossing komt, gij zult uw Verlosser zien. Aldus sprak +de stem, en met dat antwoord reisde ik goedsmoeds naar Jeruzalem. Maar +wie moeten verlost worden? De geheele wereld. En hoe zal dat geschieden? +Wees sterk, zoon van Arrius! Ik weet wat de menschen zeggen: dat geen +geluk mogelijk is, zoolang Rome niet verwoest is. De ellende zou dus +niet uit onkunde met betrekking tot God, maar uit het wanbestuur der +vorsten voortkomen? Neen, neen! de Verlossing kan niet voor een +staatkundig doel zijn, kan niet ten oogmerk hebben machten en tronen +omver te werpen, alleen opdat anderen hunne plaatsen zouden innemen. Als +dat het doel moest zijn, zou de wijsheid Gods niet langer ondoorgrondelijk +zijn. Ik zeg u, al spreek ik misschien slechts als een blinde tot een +blinde, hij die komt zal een Verlosser zijn van zielen. Verlossing wil +zeggen, dat God weder op aarde wonen zal en de gerechtigheid heerschen, +opdat zijn verblijf mogelijk zij. + +Ben-Hur kon zijne teleurstelling niet verbergen. Hij boog het hoofd, en +ofschoon hij niet overtuigd was, voelde hij zich niet dadelijk in staat +om de zienswijze van den Egyptenaar te bestrijden. Ook Ilderim schudde +ongeloovig het hoofd. Na een oogenblik zwijgens zeide de eerste: Vader, +naar wien moest gij aan de poorten van Jeruzalem vragen? + +--Ik moest aan het volk vragen: Waar is de geboren Koning der Joden? + +--En gij zaagt hem in de grot te Bethlehem? + +--Wij zagen en aanbaden hem en boden hem geschenken aan: goud, wierook, +myrrhe. + +--Wanneer gij de feiten bespreekt, mijn vader, dan is u te hooren en te +gelooven één; maar wat uwe zienswijze aangaat kan ik niet begrijpen welk +soort van Koning gij van het kind wilt maken. Ik kan den koning niet +scheiden van zijne macht en plichten. + +--Mijn zoon, antwoordde Balthasar, gij ziet nu slechts den titel: Koning +der Joden. Vestigt gij echter uwen blik op de daarachter liggende +geheimenis, dan zal de steen des aanstoots verdwijnen. Over den titel +één woord. Uw volk, Israël, heeft betere dagen gezien, dagen waarin God +uw volk zijn volk noemde, en door de profeten met hen verkeerde. Welnu, +indien Hij hun in die dagen den Verlosser beloofde, dien ik gezien heb, +hem beloofde als Koning der Joden, dan moet de verschijning ook gelijk +zijn aan de belofte. Begrijpt gij nu de beteekenis van mijne vraag aan +de poort?--Ja, gij begrijpt haar, en ik behoef er niets meer van te +zeggen. Misschien denkt gij aan de waardigheid van het Kind; als dat zoo +is, denk dan even na--moest het de opvolger van Herodes zijn? + +Kon God zijn uitverkorene niet iets beters bereiden? Wilt gij het wezen +der zaak, waarover wij spreken, vatten, zie dan hooger op, bid ik u! +Vraag liever waarvan hij, dien wij verwachten, koning zal zijn; want dat +is de sleutel van de verborgenheid, die niemand begrijpen zal zonder +dien sleutel. Er is een koninkrijk op aarde, ofschoon het niet van de +aarde is, een koninkrijk grooter in omvang dan de aarde, grooter dan de +zee en de aarde. Zijn bestaan is een feit, en wij doorwandelen het +zonder het te zien. Niemand zal dit rijk aanschouwen, voordat hij zijn +eigen ziel heeft leeren kennen; want het koninkrijk is niet voor hem, +maar voor zijne ziel. De heerlijkheid, die ons in dat rijk wacht, is zoo +groot, dat wij haar ons niet kunnen voorstellen--eenig en +onvergelijkelijk. + +--Uwe woorden, vader, zijn mij een raadsel, ik heb nooit van zulk een +koninkrijk gehoord. + +--Ik ook niet, verzekerde Ilderim. + +--En ik mag er niet meer van zeggen, zeide Balthasar, de oogen ootmoetig +neerslaande. Wat het is, waartoe het dient, hoe men er komen kan, zal +niemand vernemen, voordat het kind komt, om er als zijn eigendom bezit +van te nemen. Hij brengt den sleutel van de onzichtbare poort, die hij +ontsluiten zal voor zijne uitverkoornen, waartoe allen zullen behooren, +die hem liefhebben, want dezulken alleen zullen de verlosten zijn. + +Een lange pauze volgde. Daar niemand een opmerking maakte zeide +Balthasar ten laatste: Goede Sheik, morgen of overmorgen ga ik voor +eenigen tijd naar de stad. Mijne dochter verlangt de toebereidselen voor +de feesten te zien. Het uur van mijn vertrek hoop ik u nader op te +geven. U, mijn zoon, zal ik zeker nog zien. Ik wensch u beiden vrede en +goeden nacht. + +Zij stonden allen van tafel op. De Sheik en Ben-Hur zagen den Egyptenaar +na, totdat hij buiten de tent was. + +--Sheik Ilderim, zeide de jongeling, ik heb van avond vreemde dingen +gehoord. Sta mij toe, bid ik u, een weinig langs het meer te wandelen, +opdat ik ze rustig overdenke. + +--Ga, ik volg u straks. + +Zij wieschen hunnen handen, waarna een bediende Ben-Hur zijne sandalen +bracht. + + + * * * * * + + +ZESTIENDE HOOFDSTUK. + +OVERDENKINGEN. + + +Op een kleinen afstand van den dowar stond een groep palmen, die hunne +schaduw half over het water, half over het land wierpen. Een nachtegaal +zong in de takken zijn lied. Ben-Hur bleef er staan naar luisteren. Op +ieder ander oogenblik zou het gezang van den vogel afleiding aan zijne +gedachten gegeven hebben; nu niet, want de meedeelingen van den +Egyptenaar lagen hem als een pak op het hart. Er was voor hem zelfs in +de liefelijkste muziek geen muziek, zoolang lichaam en geest niet tot +rust gekomen waren. + +De nacht was stil. Geen enkel golfje brak op het oeverzand. De hemel was +bezaaid met sterren, al de oude bekenden op haar gewone plaats. + +Ben-Hur liep onrustig heen en weer. Zijn levendige verbeelding voerde +hem in gedachten naar de zuidelijke streken, waar Balthasar als +kluizenaar geleefd had. Het meer met zijn onbeweeglijken spiegel +verplaatste hem in den geest naar de oevers van den Nijl, waar de wijze +man in het gebed verzonken was, toen de Geest zich aan hem openbaarde. +Indien het wonder zich eens herhaalde--en wel aan hem? Hij vreesde, +nochtans wenschte, ja zelfs verwachtte hij de verschijning. + +Toen zijn opgewondenheid eindelijk wat bedaarde, kwam er orde in zijne +gedachten. + +Zijn levensdoel kennen wij. Als hij zijne toekomst overdacht was hij +telkenmale op een gaping gestuit, die hij niet bij machte was aan te +vullen, een gaping zoo wijd, dat hij den overkant slechts flauw kon +onderscheiden. Naar welk doel zou hij streven, als hij eindelijk tot +bevelhebber bevorderd was? Een opstand tegen de Romeinen lag natuurlijk +in zijn plan, maar om de lieden daartoe te bewegen, moest hij een goede +reden of een voorwendsel kunnen aanvoeren, en hen op een betere toekomst +kunnen wijzen. Die een onrecht te herstellen heeft, strijdt in den regel +goed; maar oneindig beter hij, wien het geleden onrecht tot drijfveer +is, om naar een betere toestand te streven, een toestand, waarin hij +balsem vindt voor zijne wonden, loon voor zijn dapperheid, dank voor +zijne moeite, en bij zijnen dood een roemrijk gedenken. + +Vóór alle dingen zou Ben-Hur, wilde hij op aanhangers kunnen rekenen, en +dat zouden natuurlijk zijne landgenooten zijn, oorzaak en gevolg van den +opstand moeten verklaren. Allen zuchtten onder hetzelfde juk, dat af te +schudden was een heilige, bezielende plicht. + +Reden tot opstand was er dus; maar de gevolgen, welke zouden die zijn? +De uren en dagen, die hij aan de overdenking van dit deel zijner plannen +gewijd had, waren talloos vele, en altijd was hij tot dezelfde +onbevredigde slotsom gekomen: een onbestemde, nevelachtige, algemeene +voorstelling van nationale vrijheid. Was dat voldoende? Hij kon niet +zeggen: neen; want dat zou zijn hoop den genadeslag hebben toegebracht; +hij huiverde om ja te zeggen, omdat zijn verstand wel beter wist. +Evenmin kon hij zich wijsmaken, dat Israël in staat zou zijn, om geheel +alleen Rome te bestrijden. Hij kende de hulpmiddelen van dien machtigen +vijand. Een verbond van alle volken zou iets kunnen uitrichten, maar, +helaas! dat was onmogelijk, tenzij--en hoelang had hij niet over die +mogelijkheid nagedacht, tenzij uit een der onderdrukte volken een held +mocht voortkomen, wiens krijgsverrichtingen de gansche aarde met zijn +roem vervullen zouden. Welk een glorie voor Judea, indien dat het +Macedonië van den nieuwen Alexander zou blijken te zijn! Helaas, onder +de rabbijnen was dapperheid wel mogelijk, maar tucht niet te verwachten. +En dan het verwijt van Messala in den tuin van Herodes: Wat gijlieden in +zes dagen wint, verliest gij den zevenden dag. + +Zoo kwam het dat hij geen licht in de zaak had gezien. God alleen wist +óf de verwachte held komen zou. Vandaar dat hij Malluchs verslag van +Balthasars wederwaardigheden met een zekere voldoening had aangehoord +--de moeilijkheid was opgelost, de held uiteindelijk gevonden, en nog +wel een zoon uit den stam van Juda, een Koning der Joden! En achter den +held, de wereld onder de wapenen! + +Ben-Hurs hart had sterker geklopt toen hij zich voor een oogenblik +Jeruzalem als hoofdstad der wereld dacht, en Sion de zetel van de +overheerscher. Hoe bevoorrecht had hij zich geacht, dat hij den man, die +den koning gezien had, in Ilderims tenten zou ontmoeten. Hij zou hem +zien, hem hooren, en van hem alles vernemen wat hij wist van de ophanden +zijnde verandering, voornamelijk het tijdstip, waarop het geschieden +zou. Indien het ophanden was, zou hij van den veldtocht met Maxentius +afzien, en voorbereidingen treffen om de stammen onder de wapenen te +brengen, opdat Israël gereed mocht zijn, wanneer de groote dag der wrake +aanbrak. + +Nu had, zooals wij weten, Ben-Hur het verhaal van Balthasar zelven +vernomen. Was hij voldaan? + +Een schaduw, donkerder dan die der palmen, rustte op hem--de schaduw der +onzekerheid, die meer het koninkrijk gold, dan wel den koning. + +Hoe moet ik mij dat koninkrijk voorstellen? Hoe zal het zijn? vraagde +Ben-Hur zichzelven gedurig. + +--Hoe zal dat koninkrijk zijn? + +Ons, lezer, heeft het kind zelf geantwoord; maar Ben-Hur moest zich +vergenoegen met de woorden van Balthasar: Op aarde, nochtans niet van de +aarde; niet voor menschen, maar voor hunne zielen, en toch een +heerschappij van onbeschrijfelijken luister. + +Was het wonder, dat die woorden den jonkman zeer raadselachtig +voorkwamen? + +--Dat is geen menschenwerk, zeide hij half wanhopig. De koning van zulk +een rijk heeft geen menschen noodig; geen raadslieden, geen soldaten. +De aarde zou geheel vernieuwd moeten worden, en nieuwe grondbeginselen +zouden de plaats van de tegenwoordige moeten innemen. Niet door geweld +van wapenen,... maar door wat dan? + +Nogmaals, lezer, wat voor ons vaststaat kon hij nog niet zien. De macht, +die in de Liefde gelegen is, was den menschen toen nog niet bekend. +Nooit had iemand hun verkondigd, dat liefde machtiger is dan geweld. + +Te midden van die overleggingen voelde hij een hand op zijn schouder. + +--Ik heb een woord aan u, zoon van Arrius, zeide Ilderim, één woordje en +dan keer ik naar mijne tent terug, want het is laat in den nacht. + +--Ik luister, Sheik. + +--Wat de dingen aangaat, die gij zooëven gehoord hebt, zeide Ilderim, +geloof alles, behalve datgene wat de Egyptenaar zeide over het nieuwe +koninkrijk. Laat dat rusten, totdat gij Simonides gehoord hebt, een goed +man uit Antiochië, met wien ik u in kennis zal brengen. De Egyptenaar +gaf u zijne droomerijen ten beste. Simonides is verstandiger. Hij zal u +de uitspraken uwer profeten voorleggen, waaruit hij onwederlegbaar kan +aantoonen, dat de verwachte feitelijk koning der Joden zijn zal--koning +zooals Herodes was, alleen beter en luisterrijker. En dan, gij begrijpt +mij, zullen wij het zoete der wraak smaken. Ik heb gezegd. Vrede zij u! + +Ben-Hur staarde hem na en zeide bitter: Alweder Simonides! Simonides +hier, Simonides daar; dan door den een, dan door den ander! Het schijnt +alsof ik aan den leiband van mijn vaders dienaar zal mogen loopen. Die +weet ten minste vast te houden wat het mijne is. Daarom is hij in ieder +geval rijker, zoo niet verstandiger, dan de Egyptenaar. Bij hem zal ik +zeker niet ter schole gaan!--Maar, wat is dat? Daar wordt gezongen ... +een vrouwenstem. Het komt hierheen. + +Langzaam keerde een bootje terug van een roeitochtje op het meer. De +zangster in het kleine vaartuig deed haar liefelijke stem over de stille +wateren klinken. Weldra kon hij de woorden verstaan. Het was een +Grieksch lied, een lied van verlangen, aangrijpend en innig. + +Toen het bootje voorbijgevaren was slaakte Ben-Hur een diepen zucht. +Dat moest den dochter van Balthasar zijn, zeide hij zacht. Wat zingt zij +heerlijk! En wat was zij schoon! + +Zijn hart begon sneller te kloppen; maar tegelijkertijd verrees voor zijn +geestesoog een ander gelaat, jeugdiger en even bevallig--kinderlijker en +zachter, hoewel niet zoo hartstochtelijk. + +--Ester! zeide hij glimlachend. Ik wenschte een ster te zien, en zij is +mij gezonden. + +Hij keerde zich om en ging langzaam naar zijne tent terug. + +In dat hart, zoo vol van het geleden onrecht en van wraakzuchtige +plannen, was geen plaats voor liefde geweest. Was dit misschien het +begin van eene verandering ten goede? En van wie ging die invloed uit? + +Ester had hem een beker aangereikt.... De Egyptische eveneens. + +En beiden waren hem gelijktijdig onder de palmen verschenen! + +Wie van de twee zal het zijn? + + + * * * * * + + +BOEK V. + + + * * * * * + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +GRATUS WORDT GEWAARSCHUWD. + + +'s Morgens na de bacchanaliën in de zaal van het paleis lagen de jonge +patriciërs hun roes uit te slapen op den divan. Al stapte Maxentius +heden aan wal, al liep alles in de stad uit om den veldheer te +ontvangen, al kwam het legioen in groot tenue van den Sulpius, al zou +van Nymphaeum tot Omphalus een pracht ontwikkeld worden, die alles wat +men tot hiertoe gezien had overtrof, zij zouden blijven liggen zooals +zij neergevallen, of door de dienaren neergelegd waren. + +Eén maakte echter een uitzondering. Toen het volkomen dag geworden was +stond Messala op, nam den krans van zijn hoofd, ten teeken dat het feest +beëindigd was, wikkelde zich in zijn mantel, wierp een laatsten blik op +zijne makkers, en begaf zich zonder een woord te spreken naar zijn +kwartier. Cicero zou niet meer deftigheid de Senaatskamer hebben kunnen +verlaten. + +Drie uren later traden twee koeriers zijne kamer binnen, en ontvingen +uit zijne hand een verzegeld pakje, duplicaten van een brief aan +Valerius Gratus, den procurator, die nog steeds in Cesarea woonde. Dat +de brieven een spoedige en zekere bezorging vereischten blijkt uit dien +maatregel. + +De inhoud was als volgt: + + Messala groet Gratus. + + Ik heb u een wonderlijke geschiedenis te verhalen, die, ofschoon + zij gedeeltelijk nog slechts een vermoeden is, ongetwijfeld uwe + belangstelling in hooge mate zal opwekken. + + Vergun mij, voordat ik verder ga, uw geheugen een weinig te hulp te + komen. Gij herinnert u wellicht vele jaren geleden te Jeruzalem het + gezin van een aanzienlijk man, uit het aloude geslacht Hur. Mocht + uw geheugen u soms in de steek laten, dan hebt gij, wanneer ik mij + niet vergis, een litteeken aan uw hoofd, dat u alles wel weer voor + den geest zal kunnen brengen. + + Maar ter zake. Tot straf van den aanslag op uw leven--mogen ter + wille van onze gewetensrust alle goden verhoeden, dat het ooit + blijkt een ongeluk geweest te zijn!--tot straf dan werd het geheele + gezin in hechtenis genomen, werden korte metten met hen gemaakt, en + hunne bezittingen verbeurd verklaard. En daar deze strafdoening + onder goedkeuring van onzen keizer geschiedde, die even rechtvaardig + was als wijs,--mogen zijne altaren altijd met bloemen versierd zijn! + --behoeven wij ons niet te schamen over de sommen, die ons uit die + bron toevloeiden, iets, waarvoor ik u nooit dankbaar genoeg zijn kan, + gewis niet zoolang ik in het vrije bezit blijf van het aandeel, dat + mij werd toegewezen. + + Voorts herinner ik u de wijze maatregelen, die gij genomen hebt om + ons doel te bereiken: het stilzwijgen, en een zekeren maar + natuurlijken dood van de betrokken personen. + + Gij zult u herinneren welke straf gij de moeder en de zuster van + den booswicht hebt opgelegd, en indien ik nu vriendelijk verzoek + van u te mogen vernemen, of zij nog leven, dan wel of zij gestorven + zijn, ben ik te zeer van uwe welwilligheid overtuigd, mijn Gratus, + om aan de toezending van een antwoord uwerzijds te twijfelen. + + Als meer onmiddellijk in verband staande met de zaak, die mij + bezighoudt, neem ik intusschen de vrijheid u te herinneren, dat de + misdadiger zelf levenslang tot de galeien werd veroordeeld; zoo + luidde het bevel. Met eigen oogen las ik het ontvangbewijs van zijn + lichaam, geteekend door den bevelhebber van de galei, die hem + opnam. + + Schenk mij nu uw onverdeelde aandacht, voortreffelijke Gratus! + + Den gewonnen levensduur van een tot de galeien veroordeelde in + aanmerking genomen, moest de rechtvaardig gestrafte op zijn minst + reeds vijf jaren dood zijn, of beter gezegd, moest een van de + drieduizend Oceaniden hem tot echtgenoot genomen hebben. En als gij + een oogenblik zwakheid door de vingers wilt zien, o deugdzaamste + der menschen, daar ik hem in zijne jeugd beminde en daar hij schoon + van aangezicht was (ik had de gewoonte hem mijn Ganymedes te + noemen), had hij eigenlijk de allerschoonste dochter van die + uitgebreide familie in de armen moeten vallen. + + In de meening verkeerende dat hij dood was, heb ik volle acht jaren + ongestoord genoten van het fortuin, dat ik hem in zeker opzicht te + danken heb. Ik erken dat, zonder daarmee evenwel mijne verplichting + jegens u te willen verkleinen. + + Maar hoor nu verder. Toen ik gisteravond een feest leidde van + eenige jongelieden, pas van Rome gekomen, vernam ik een zonderlinge + geschiedenis. Maxentius, de consul, wordt, zooals gij weet, vandaag + hier verwacht, om een veldtocht tegen de Parthen te openen. Onder + de eerzuchtigen, die hem wenschen te vergezellen, bevindt zich een + zoon van den overleden duumvir Quintus Arrius. Ik had aanleiding om + nauwkeurig onderzoek naar hem te doen. Toen Arrius uittoog om de + zeerovers te tuchtigen, wier vernietiging hem in hoog aanzien + bracht, had hij geen familie. Toen hij van dien tocht terugkeerde, + bracht hij een erfgenaam met zich mede. Blijf nu bedaard, gelijk + den eigenaar betaamt van zoovele talenten zilvers in gangbare + munt ... de zoon en erfgenaam van wien ik spreek is hij, dien gij + naar de galeien zondt. Dezelfde Ben-Hur, die reeds lang geleden op + de roeiersbank had moeten bezwijken, keerde terug als een man van + fortuin, aanzien, misschien zelfs als Romeinsch burger, om zich + te ... ziet ge, gij zit te vast om bezorgd te moeten zijn; maar ik, + mijn Gratus, ik ben in gevaar ... onnoodig u te zeggen van wat. Wie + zou het weten, als gij het niet weet? + + Zegt gij tot dit alles: o-ho? + + Toen Arrius, de vader, met de zeerovers slaags raakte, zonk zijn + schip. Van de geheele bemanning ontkwamen slechts twee: Arrius + zelf, en de bovengenoemde, zijn erfgenaam. Hunne redders + verklaarden, dat de jeugdige metgezel van den tribuun het kostuum + van een galeislaaf droeg. + + Mij dunkt dit is overtuigend; maar opdat gij niet weder o-ho! zoudt + zeggen, deel ik u mede, dat ik gisteren toevallig den geheimzinnigen + zoon van Arrius van aangezicht tot aangezicht gezien heb, en ik + verklaar u bij dezen, dat, hoewel ik hem eerst niet herkende, hij + dezelfde Ben-Hur is, die jaren geleden mijn speelmakker was, + dezelfden Ben-Hur, die, als hij een mannenhart in de borst heeft, + in ditzelfde uur op wraak zint, (dat zou ik in zijne plaats ook + doen) wraak, die met niets minder dan het leven genoegen neemt; + wraak voor zijn vaderland, moeder, zuster, zichzelf en--ik noem 't + het laatst, ofschoon gij wellicht zoudt meenen, dat het 't eerst + moest genoemd worden--voor zijn verloren fortuin. + + En nu, mijn weldoener en vriend! mijn Gratus, in aanmerking + nemende, dat uwe sestertiën in gevaar verkeeren, wier verlies het + ergste is wat iemand van uwen hoogen staat kan overkomen, geloof + ik, dat gij niet langer o-ho! zult zeggen, maar ernstig zult gaan + overleggen hoe wij hierin hebben te handelen. Ik stel mij, dat + spreekt vanzelf, onder uwe bescherming en wacht uwe aanwijzingen. + + Ik verlustig mij, als ik mij voorstel, hoe gij dezen brief zult + ontvangen. Ik zie hoe gij hem eerst met een zeer ernstig gelaat, + dan glimlachende, doorloopt, om ten slotte zonder aarzelen kort en + bondig uw oordeel uit te spreken. + + Het is nog vroeg in den morgen. Over een uur zend ik twee boden + uit, ieder met een verzegeld afschrift van dezen brief. Een zal + over land gaan, de ander over zee. Zoo belangerijk acht ik het, dat + gij zoo spoedig mogelijk onderricht zoudt zijn aangaande de + verschijning van onzen vijand in dit gedeelte der Romeinsche + wereld. + + Ik zal uw antwoord afwachten. + + Ben-Hurs gaan en komen zal natuurlijk afhangen van zijn meester, + den consul, die, al spant hij zich nog zoo in, niet binnen de maand + gereed zal komen. Gij weet wat het zeggen wil een leger te + verzamelen en uit te rusten, dat werkdadig op moet treden in een + onherbergzaam, woest oord. + + Gisteren zag ik den Jood in het Park van Daphne, en als hij daar op + het oogenblik niet is, dan is hij toch zeker in de buurt, om mij + gemakkelijk te maken hem in 't oog te houden. Ja, indien gij mij + vraagdet: Waar denkt gij dat hij is? dan zou ik met volle + overtuiging zeggen: hij is in het Palmbosch, in de tent van Sheik + Ilderim, den verrader, die ons niet veel langer moet mogen + trotseeren. Laat het u niet verwonderen, indien Maxentius als + eerste krijgsoperatie den Arabier inscheept naar Rome. + + Ik treed zoo in bijzonderheden omtrent de verblijfplaats van den + Jood, omdat het u, verheven man, van nut kan zijn bij het nemen van + een besluit ten zijnen opzichte. Zooveel weet ik toch wel, dat bij + ieder plan drie gewichtige zaken in het oog moeten gehouden worden: + tijd, plaats en middelen. + + Indien gij oordeelt, dat hier de plaats is, aarzel dan niet de zaak + toe te vertrouwen aan uwen hartelijk liefhebbenden vriend, die uw + bekwaamste leerling zou wenschen te zijn. Vaarwel! + XII. Kal. Jul. Antiochië. + + * * * * * + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +VOORBEREIDING. + + +Ongeveer op hetzelfde oogenblik, dat de koeriers met de brieven +Messala's woning verlieten, trad Ben-Hur Ilderims tent binnen. Hij had +een bad genomen in het meer, vervolgens ontbeten, en verscheen nu in een +korte Romeinsche tunica zonder mouwen. + +De Sheik groette hem van den divan. + +--Vrede zij u, zoon van Arrius, zeide hij, terwijl zijn oog met +bewondering op den jongeling rustte, die in het volle bewustzijn van +kracht en macht voor hem stond. De paarden zijn gereed. Ik ben gereed. +En gij? + +--Den vrede, dien gij mij toewenscht, bid ik u wederkeerig toe, goede +Sheik. Ik dank u voor zooveel welwillendheid. Ik ben gereed. + +Ilderim klapte in zijn handen. + +--Ik zal de paarden hier laten komen. Zet u neder. + +--Zijn zij reeds opgetuigd? + +--Neen. + +--Vergun mij dan, Sheik, dat ik het zelf doe. Het is noodig, dat ik +kennis maak met uwe Arabieren. Ik moet ze bij name kennen, zoodat ik +tegen ieder in 't bijzonder spreken kan. Ook moet ik hun aard leeren +kennen, daar het met hen is als met de menschen: zijn zij overmoedig, +niets beter dan een bestraffing; zijn zij schuchter, niets beter dan lof +en aanmoediging. Laat de dienaren mij het tuig brengen. + +--En den wagen? vraagde de Sheik. + +--Vandaag niet. Geef mij liever een vijfde paard. Het moet even vlug +zijn als de andere. + +Ilderim keek hem verwonderd aan; maar zonder opheldering te vragen riep +hij een der slaven. + +--Laat hen het tuig voor de vier brengen, en den teugel voor Sirius, +beval hij. + +Toen stond de Sheik op en zeide tot Ben-Hur: Sirius is mijn lieveling en +ik ben de zijne, zoon van Arrius. Sedert twintig jaren zijn wij kameraden +--in de tent, in den strijd, op alle pleisterplaatsen der woestijn. Ik zal +hem u laten zien. + +Hij ging naar het gordijn, schoof het weg, en liet Ben-Hur binnentreden. +De paarden kwamen gezamelijk tot hem. Een van hen, met een kleinen kop, +levendige oogen, sierlijk gewelfden nek, breede borst, manen als +vrouwenlokken zoo zacht en golvend, hinnikte vroolijk, zoodra hij +Ilderim zag. + +--Goed dier, zeide de Sheik, den donkerbruinen kop streelend. Goed dier, +goeden morgen!--en zich daarop tot Ben-Hur keerende, voegde hij er bij: +Dat is Sirius, de vader van de vier anderen. Mira, de moeder, wacht op +onze terugkomst, daar zij te kostbaar is om aan de gevaren der reis te +worden blootgesteld. Daarenboven betwijfel ik zeer, zoon van Arrius, of +de stam hare afwezigheid zou kunnen verdragen. Zij is hun trots. Zij +vereeren haar. Indien zij over hunne lichamen wilde galoppeeren zouden +zij lachen. Tienduizend ruiters, zonen der woestijn, zullen vandaag +vragen: Hebt gij ook iets van Mira gehoord? en op het antwoord: Zij is +welvarend, zullen zij zeggen: God is goed! God zij geloofd! + +--Mira, Sirius, namen van sterren, is het zoo niet, Sheik? vraagde +Ben-Hur, terwijl hij eerst de vier en toen den vader liefkoosde. + +--En waarom niet? antwoordde Ilderim. Hebt gij wel eens een nacht in de +woestijn onder den blooten hemel doorgebracht? + +--Neen. + +--Dan kunt gij ook niet beseffen hoe wij, Arabieren, van de sterren +afhankelijk zijn. Uit dankbaarheid geven wij hare namen aan onze +lievelingspaarden. Al mijne voorvaderen hadden hunne Mira's, zooals ik +de mijne heb. Deze kinderen doen eveneens aan sterren denken. Die daar +is Rigel, en deze is Antares; ginds is Atair, en die, waar gij juist +naar toe gaat, is Aldebaran, de jongste van de kroost; maar wie ooit het +onderspit mocht delven, niet hij! Tegen den wind in zou hij u dragen, +totdat gij duizelt. Hij zal gaan waar gij dat verlangt, zoon van Arrius, +ja, bij de heerlijkheid van Salomo! indien gij het zoudt durven bestaan, +hij zou u brengen tot in de kaken van den leeuw. + +Het tuig werd gebracht. Met eigen hand legde Ben-Hur den paarden het +gebit in den mond. Met eigen hand leidde hij hen buiten de tent, en +ordende de teugels. + +--Breng mij Sirius, zeide hij. + +Met één sprong zat hij op den rug van het paard. Een Arabier zou hem dat +niet hebben kunnen verbeteren. + +--En de teugels! + +Men gaf ze hem. + +--Goede Sheik, zeide hij, ik ben gereed. Laat een gids voor mij uit +gaan, om mij het veld te wijzen, en zend eenige mannen met water. + +Het afrijden geschiedde zonder eenige moeite. De paarden waren niet +schrikachtig. Het scheen alsof een stilzwijgende overeenkomst bestond +tusschen hen en den nieuwen menner, die met de grootste kalmte en +zekerheid optrad. + +Hij hield zich geheel aan de gewone orde bij het rijden, behalve dat hij +Sirius bereed, in plaats van in een wagen te staan. Ilderim glimlachte +met voldoening en zeide zacht: Dat is geen Romein, neen, waarlijk niet! + +Hij volgde te voet. Al de tentbewoners sloten zich bij hem aan, mannen, +vrouwen, kinderen, allen met de grootste belangstelling vervuld voor de +dingen, die komen zouden. + +Het veld bleek ten volle voor de dressuur geschikt te zijn. Ben-Hur liet +het vierspan eerst langzaam en in rechte lijnen rijden, daarna in steeds +wijder wordende cirkels. Vervolgens liet hij hen in draf loopen, daarna +in galop. Eindelijk maakte hij de cirkels kleiner en kleiner, en tot +besluit liet hij zijn gespan op de meest willekeurige wijze draven, nu +hier, dan daar, rechts, links, voorwaarts, zonder een oogenblik +oponthoud. Zoo ging een uur voorbij. Toen reed hij stapvoets naar +Ilderim. + +--Het is afgeloopen; nu niets dan geregelde oefening, zeide hij. Ik +wensch u geluk, Sheik Ilderim, dat gij zulke dienaren hebt. Zie, +vervolgde hij, terwijl hij afsteeg en op de paarden wees, zie, hun huid +is nog even glanzig, hun adem even licht, als toen ik begon. Ik wensch u +van harte geluk! Er zou heel wat moeten gebeuren, indien wij niet de +overwinning behalen en onze.... + +Hij hield op, bloosde, boog. Zijn oog had Balthasar ontdekt, die met +twee dicht gesluierde vrouwen in de nabijheid stond. Eene van die meende +hij te herkennen ... ja, dacht hij, zij is het, de Egyptische! + +Ilderim vervolgde den afgebroken volzin. De overwinning en onze wraak! +Zoon van Arrius, ik ben niet langer bevreesd. Ik ben blijde. Gij zijt de +man. Zij het einde gelijk het begin, en gij zult ervaren wat in de hand +eens Arabiers verborgen is, die de middelen bezit om te beloonen. + +--Ik dank u, goede Sheik, hernam Ben-Hur op bescheiden toon. Laat nu de +bedienden water brengen voor de paarden. + +Met eigen hand liet hij ze drinken. Toen gesteeg hij Sirius weder en +zette de oefening voort; evenals te voren van stappen tot draven, van +draven tot galoppeeren overgaande, om hen eindelijk met lossen teugel in +vollen ren over het veld te laten vliegen. + +Het was voor de toeschouwers een waar genot. Luide toejuichingen vielen +den kundigen menner ten deel, die zijn vierspan tot zoo volmaakte +eenheid wist te brengen, zonder dat het de dieren eenige inspanning +scheen te kosten. + +Midden onder de oefeningen verscheen Malluch op het tooneel. Hij zocht +den Sheik. Ik heb een boodschap voor u, Sheik, zeide hij, gebruik +makende van een rustig oogenblik, een boodschap van Simonides, den +koopman. + +--Simonides, riep de Arabier. Ah! 't is wel. Moge Abaddon al zijne +vijanden vernietigen! + +--Hij droeg mij op u dezen brief te geven, met het verzoek hem dadelijk +te lezen. + +Ilderim verbrak het zegel van het pakje, dat Malluch hem overhandigde, +en nam twee brieven uit een omslag van fijn linnen. + + +No. 1. + + SIMONIDES AAN SHEIK ILDERIM HEIL! + + Mijn vriend! Wees vóór alle dingen verzekerd, dat gij eene plaats + in het binnenste mijns harten inneemt. + + Vervolgens: In uw dowar bevindt zich een jongmensch met een zeer + gunstig voorkomen, die zich de zoon van Arrius noemt. Dat is hij + door aanneming. Hij is mij zeer lief. Hij heeft een veelbewogen + leven achter zich, waaruit ik u enkele bijzonderheden zal + meedeelen. Kom morgen of overmorgen, opdat ik u die geschiedenis + vertelle, en uwen raad inwinne. + + Willig intusschen al zijne verzoeken in voor zoover zij niet + strijden tegen de eer. Moeten er onkosten gemaakt worden, ik sta + voor alles in. Verzwijg, dat ik in den jongeling belang stel. + + Breng mij in herinnering bij uwen anderen gast. Hij, zijne dochter, + gijzelf en allen, die gij in uw gevolg wenscht mede te brengen, + zullen mijne gasten zijn op den dag der wedrennen. Ik heb reeds + plaatsen besproken. + + U en al den uwen vrede! + + Hoe zou ik mij anders kunnen noemen, mijn vriend, dan uw vriend? + +No. 2. + + SIMONIDES AAN SHEIK ILDERIM HEIL! + + Mijn vriend! uit mijne rijke ervaring zend ik u een waarschuwend + woord. + + Er is iets dat allen, die niet Romeinen zijn en die geld en goed + bezitten, als waarschuwing beschouwen, dat is: De komst met + volmacht van den eenen of anderen hooggeplaatsten Romein. + + Heden komt de consul Maxentius. Wees gewaarschuwd. + + Een woord van raad. + + Zal een samenzwering tegen u gelukken, dan moeten de Herodianen van + de partij zijn. Gij hebt groote bezittingen op hun grondgebied. + Daarom, wees op uwe hoede. + + Zend hedenmorgen een boodschap aan uw getrouwe wachters langs de + wegen, die van Antiochië naar het zuiden voeren, en beveel hun + iederen gaanden en komenden koerier te onderzoeken. Vinden zij + vertrouwelijke mededeelingen aangaande u of uwe zaken, dat zij ze u + dan ter inzage zenden. + + Gij moest dit reeds gisteren ontvangen hebben, maar het is nog niet + te laat, indien gij onmiddellijk handelt. Al hebben heden morgen + koeriers Antiochië verlaten, uwe boodschappers kennen de bijwegen, + en kunnen hen vóór zijn. Aarzel niet. Verbrand dit na lezing. + +Ilderim las en herlas de brieven, bergde ze weder in den linnen omslag +en stak het pak tusschen zijn gordel. + +De oefeningen in het veld waren bijna beëindigd. Zij hadden in 't geheel +ongeveer twee uren geduurd. Na den afloop reed Ben-Hur stapvoets naar de +plek, waar Ilderim zich bevond. + +--Als gij het goedvindt, Sheik, zeide hij, zal ik uwe Arabieren naar de +tent terugbrengen, en dezen middag weer met hen rijden. + +--Gij moogt tot na de wedrennen naar welgevallen over hen beschikken, +zoon van Arrius. Gij hebt in twee uren meer van hen gedaan gekregen, dan +de Romein--mogen de jakhalzen zijne beenderen afknagen!--in even zoovele +weken. Wij zullen winnen! + +Ben-Hur bleef bij de paarden, totdat zij naar behooren verzorgd waren. +Toen nam hij een bad in het meer, dronk een beker arak met den Sheik, +die bijzonder opgewekt was, kleedde zich weder naar Joodsch gebruik, en +wandelde met Malluch naar een schaduwrijke plek. + +Veel werd tusschen die beiden besproken, maar daar niet alles voor ons +van belang is, zullen wij slechts bij één punt stilstaan. + +--Ik zal u een brief meegeven aan den herbergier bij de Seleusische +brug, zeide Ben-Hur. Daar is mijn goed. Bezorg het mij vandaag nog, als +gij kunt. En, goede Malluch, indien het niet te veel van u gevergd is.... + +Malluch verklaarde zich volkomen bereid, om hem in alles van dienst te +zijn. + +--Dank, Malluch, dank. Ik houd u aan dat woord, mij herinnerende dat wij +broeders zijn van één stam, en dat de vijand een Romein is. Daarenboven +zijt gij een man van zaken, hetgeen naar ik vrees Sheik Ilderim niet is. + +--Arabieren zijn dat zelden. + +--Neen, en hoe slim zij ook zijn mogen, het is toch goed zelf de dingen +na te zien. Om dus te zorgen, dat bij de wedrennen alles volkomen naar +recht gaat, zoudt gij mij veel genoegen doen door naar het bureau van +den circus te gaan en te zien, of de Sheik aan alle verplichtingen +voldaan heeft. Indien gij een afschrift van de bepalingen kunt krijgen, +zou mij dat zeer aangenaam zijn. Ik zou gaarne willen weten welke kleur +ik dragen moet, en wat het nummer is van mijn stal. Is hij naast dien +van Messala, dan is het goed. Zoo niet, tracht dan een ruiling te +bewerkstelligen, zoodat ik naast den Romein kom. Hebt gij een goed +geheugen, Malluch? + +--Het heeft mij wel eens in de steek gelaten, zoon van Arrius, maar +nooit wanneer het hart mij te hulp kwam, zooals nu. + +--Dan wil ik het er op wagen u nog met iets anders te belasten. Ik zag +gisteren, dat Messala trotsch was op zijn wagen, en met recht, want die +van den keizer zijn nauwelijks mooier. Kunt gij dat niet tot een +voorwendsel nemen om hem van nabij te bekijken, en te onderzoeken of hij +licht of zwaar is? Ik zou gaarne nauwkeurig zijn gewicht en afmetingen +hebben, en, Malluch, al moest al het andere er bij inschieten, zorg dat +gij mij precies kunt opgeven, hoe hoog de as boven de grond is. Hebt gij +het goed begrepen, Malluch? Ik wil niet dat de Romein iets boven mij +voor heeft. Om zijn pracht geef ik niets. Als ik win zal die zijn val te +zwaarder en mijn zegepraal te grooter maken. Heeft hij echter iets, dat +van een gewonen wagen verschilt, dan moet ik het weten. + +--Ik begrijp u, zeide Malluch. Ik moet met een touw de hoogte van het +middelpunt der as tot aan den grond meten. + +--Juist. Dat is alles. Laat ons nu naar den dowar terugkeeren. + +Vóór de tent vonden zij een bediende, die hun een verfrisschenden drank +aanbood, waar zij zich heerlijk aan te goed deden. Kort daarop keerde +Malluch naar de stad terug. + +Gedurende hunne afwezigheid had de Sheik een zijner Arabieren, als +koerier, naar zijne wachters afgezonden met de orders, die Simonides hem +aan de hand gedaan had. Zekerheidshalve had hij alleen een mondelinge +boodschap meegegeven. + + + * * * * * + + +DERDE HOOFDSTUK. + +OP HET MEER. + + +--Iras, de dochter van Balthasar, zendt mij met een groet en een +boodschap, zeide een bediende tot Ben-Hur, die het zich in de tent +gemakkelijk had gemaakt. + +--Geef mij de boodschap. + +--Zij vraagt of gij haar bij een roeitochtje op het meer zoudt willen +vergezellen? + +--Ik zal zelf het antwoord brengen. Zeg haar dat. + +Hij kleedde zich haastig en was binnen weinige oogenblikken gereed, om +zich naar de schoone Egyptische te begeven. + +De avond begon reeds te vallen. De bergen wierpen hunne schaduw over het +Palmbosch. In de verte hoorde men het getjingel van de belletjes der +schapen, het loeien van het vee, en de stemmen der herders, die de +kudden huiswaarts dreven. Sheik Ilderim had ook de middagoefeningen +bijgewoond, daarna was hij naar de stad gegaan, ingevolge de +uitnoodiging van Simonides. Het was mogelijk dat hij vóór den nacht +terugkwam, maar niet waarschijnlijk. Ben-Hur was dus alleen en vrij om +te gaan spelevaren op het meer. + +Aan de kleine trap van de aanlegplaats gekomen bleef hij op de bovenste +trede staan, getroffen door hetgeen hij zag. Daar lag op het +spiegelgladde water een sierlijke, ranke boot. Een Ethiopiër, de +kameeldrijver, dien wij reeds bij de Castaliabron gezien hebben, zat op +de roeiersbank. Zijn gitzwarte huid stak sterk af tegen het sneeuwwit +zijner kleeding. De achtersteven van het bootje was met kussens en +tapijten van Tyrische roode stof belegd. De Egyptische zat aan het roer, +als weggezonken in doorzichtige sluiers en Indische sjaals. Hare +onberispelijk schoon gevormde armen waren onbedekt, schouders en hals +door een dunnen zijden doek tegen de avondlucht beveiligd. Als Ben-Hur +den indruk, dien de schoone Iras op hem maakte, onder woorden had moeten +brengen, zou hij waarschijnlijk geantwoord hebben met de woorden van den +koninklijken zanger: Uwe lippen zijn gelijk een scharlaken rooden draad; +uwe slapen zijn gelijk een stuk granaatappel in uwe lokken. Sta op, +mijne liefste, mijne schoone, kom hierheen; want zie! de winter is +voorbij gegaan, de regentijd is over; de bloemen ontluiken op de aarde; +de tijd der zangvogels is gekomen, en de stem der tortelduiven wordt in +het land gehoord.... + +--Kom, zeide zij, ziende dat hij staan bleef. Kom, of ik zou denken dat +gij een slecht zeeman zijt. + +Hij werd verlegen. Wist zij iets van zijn leven op zee? Hij daalde snel +naar beneden en zette zich op de ledige plaats tegenover haar. + +--Ik was bang voor.... + +--Waarvoor? + +--Dat ik de boot zou doen zinken, antwoordde hij glimlachend. + +--Wacht daarmee totdat wij in dieper vaarwater zijn, zeide zij, en gaf +den Ethiopiër een wenk om van wal te steken. + +Indien Ben-Hur wars van alle zachtere gevoelens geweest was, dan zou hij +het nu toch hard te verantwoorden hebben gehad. De Egyptische was zoo +gezeten, dat hij haar altijd zien moest, haar, die hij reeds in zijne +gedachten met Sulamith vergeleken had. Met die stralende oogen op hem +gericht zou hij de sterren, indien zij wegbleven, niet eens missen. De +nacht mocht zijn donkeren sluier over het aardrijk uitspreiden, haar +blik zou hem tot eene verlichting zijn. En voorts, dat de verbeelding +nooit vrijer haar spel kan spelen, dan wanneer men jong van hart in +aangenaam gezelschap zachtkens voortglijdt over het water op een zoelen +zomeravond en onder liefelijk stargeflonker--wie zal het ontkennen? Het +is zoo gemakkelijk alsdan onmerkbaar uit het alledaagsche in het ideale +over te gaan. + +--Geef mij het roer, zeide hij. + +--Neen, antwoordde zij, dat ware de verhouding omkeeren. Verzocht ik u +niet met mij te gaan varen? Ik sta bij u in de schuld en wensch met de +betaling te beginnen. Gij moogt spreken en ik zal luisteren, of ik zal +spreken en gij zult luisteren. De keuze is aan u; maar ik zal bepalen +waarheen wij gaan. + +--En waarheen dan? + +--Alweer bang? + +--O schoone Egyptische, ik deed u slechts de eerste vraag van iederen +gevangene. + +--Noem mij Egypte. + +--ik zou u liever Iras noemen. + +--Onder dien naam moogt gij aan mij denken, maar noem mij liever Egypte. + +--Egypte is een land. + +--Ja, ja, en welk een land! + +--Ha! wij varen dus naar Egypte! + +--Was dàt waar! Wat zou ik blijde zijn, zeide zij met een zucht. + +--Gij geeft dus niets om mij? + +--O, nu zie ik, dat gij er nooit geweest zijt. + +--Neen, nooit. + +--Egypte is het land waar geen ongelukkigen zijn, het heerlijkste land +van de gansche aarde, de moeder van al de goden, en daarom bovenmate +gezegend. Daar, zoon van Arrius, daar ontvangt de gelukkige steeds +vermeerdering van geluk, terwijl de ellendigen, al drinken zij slechts +eenmaal van het water der heilige rivier, lachen en juichen, als +kinderen zoo blij. + +--Zijn de armen daar dan anders dan overal elders? + +--De armsten in Egypte hebben de minste behoeften. Zij verlangen alleen +genoeg te hebben; verder gaan hunne wenschen niet. En hoe weinig dat is, +kan een Griek of Romein niet beseffen. + +--Maar ik ben noch Griek noch Romein. + +Iras lachte. + +--Ik heb een tuin vol rozen, zeide zij. In het midden staat een boom, +die alle andere in rijkdom van bloei overtreft. Waar denkt gij, dat hij +vandaan kwam? + +--Uit Perzië, het vaderland der rozen. + +--Neen. + +--Uit Indië dan. + +--Neen. + +--Dan van een der Grieksche eilanden. + +--Ik zal het u vertellen, zeide zij. Een reiziger vond hem, kwijnende +aan den weg op de vlakte van Rephaïm. + +--O, in Juda! + +--Ik plantte hem in den pas door den Nijl overstroomden bodem. De +zuidenwindjes speelden door zijne takken en kweekten hem op, de zon +kuste hem vol medelijden ... toen kon het niet anders, of hij moest +groeien en bloeien. Nu sta ik in zijne schaduw en beloont hij mij door +zijn liefelijke geuren voor de moeite, die ik mij voor hem gegeven heb. +Zoo de rozen, zoo ook de mannen van Israël. Waar zullen zij tot +volmaaktheid komen, anders dan in Egypte? + +--Mozes was slechts één uit millioenen. + +--Neen, er was een droomenuitlegger. Vergeet gij dien? + +--De vriendelijke Pharao's zijn dood. + +--O ja, de rivier, aan wier oever zij woonden, zingt hun een slaaplied +toe in hunne graven. Nochtans schijnt dezelfde zon over hetzelfde volk. + +--Alexandrië is een Romeinsche stad. + +--Zij heeft slechts van schepter verwisseld. Cesar ontnam haar dien van +het zwaard, en gaf haar in ruil dien van de wetenschap. Ga met mij naar +het Brucheium en ik zal u de wijsheid der volken toonen; naar het +Serapeion en gij aanschouwt het volmaakte in de bouwkunde; naar de +Bibliotheek, en gij kunt de onsterfelijken lezen; naar den Schouwburg, +waar de helden der Grieken en Hindoe's voor u ten tooneele worden +gevoerd; naar de kade, waar gij den handel in zijn glorie kunt zien. +Doorwandel de straten met mij, zoon van Arrius, als de avond gedaald is, +en gij zult de verhalen hooren, die de menschen sedert onheugelijke +tijden vermaakt hebben, en de liederen, die nimmer, nimmer zullen +sterven. + +Onder het luisteren werd Ben-Hur in gedachten teruggevoerd naar dien +laatsten avond in het ouderlijk huis te Jeruzalem, toen zijne moeder met +niet minder geestdrift over Israëls verdwenen grootheid gesproken had. + +--Nu begrijp ik waarom gij wildet, dat ik u Egypte zou noemen. Wilt gij +mij een lied zingen, als ik u bij dien naam noem? Ik heb u gisteravond +beluisterd. + +--Dat was een lofzang aan den Nijl, antwoordde zij, een klaagzang, dien +ik aanhef, als ik mij verbeeld den adem der woestijnen te ruiken, en den +golfslag van den dierbaren ouden stroom te hooren. Laat ik u liever iets +geven in Indiaanschen trant. Als wij in Alexandrië komen, zal ik u +brengen naar den hoek der straat, waar gij het eene dochter van de +Ganges kunt hooren zingen. + +En met een stem, zoo liefelijk, dat ook de ongevoeligste naar haar zou +hebben moeten luisteren, zong Iras haar lied. + +Toen zij beëindigd had en Ben-Hur haar zijnen dank wilde betuigen, +schuurde de boot over het zand en liep op den oever. + +--Dat is een korte reis naar Egypte! riep de jonkman. + +--En een nog korter oponthoud! antwoordde zij, toen de Ethiopiër met een +krachtigen stoot het vaartuig weeder vlot maakte. + +--Nu zult gij mij toch het roer geven. + +--O neen, zeide zij lachende. Voor u de wagen, voor mij de boot. Wij +zijn aan den uithoek van het meer. Ik zie wel dat ik niet te gelijk +sturen en zingen moet. Daar wij in Egypte geweest zijn, willen wij nu +naar het Park van Daphne gaan. + +--En geen liedje om den weg te korten? vraagde hij smeekend. + +--Vertel mij iets van den Romein, tegen wien gij vandaag zoo flink +optrad, vraagde zij. + +Die vraag deed Ben-Hur onaangenaam aan. + +--Ik wenschte dat dit de Nijl was, zeide hij ontwijkend. De koningen en +koninginnen, die zoolang geslapen hebben, moesten uit hunne graven komen +en met ons varen. + +--Zij behoorden tot de kolossen en zouden onze boot doen zinken. De +dwergen zouden verkieslijker zijn. Maar vertel mij nu iets van den +Romein. Hij is een slecht mensch, niet waar? + +--Dat kan ik u niet zeggen. + +--Stamt hij uit een adellijk geslacht, en is hij rijk? + +--Ik kan niet over zijn rijkdom oordeelen. + +--Wat had hij mooie paarden! En zijn wagen! Het binnenste was verguld en +de wielen waren van ivoor. En wat is hij vermetel! Het volk lachte toen +hij wegreed, en hij had ze toch bijna overreden. + +Zij lachte bij de herinnering. + +--Ja, wat een volk! zeide Ben-Hur bitter. + +--Hij behoort zeker tot de monsters, die in Rome opgroeien--Apollo's, +roofgierig als Cerberus. Woont hij in Antiochië? + +--Misschien wel. + +--Egypte zou hem beter lijken dan Syrië. + +--Bezwaarlijk, antwoordde Ben-Hur. Cleopatra is dood. + +Op dat oogenblik kregen zij de brandende lampen voor de deur der tent in +'t gezicht. + +--De dowar! riep Iras. + +--Dus zijn wij niet in Egypte geweest. Ik heb Karnak, noch Philae, noch +Abydos gezien. Dit is niet de Nijl. Ik heb slechts een lied uit Indië +gehoord en ben in den droom uit spelevaren geweest. + +--Philae, Karnak. Betreur liever dat gij Ramses te Aboo Simbul niet +gezien hebt. Als men daar naar kijkt valt het zoo gemakkelijk aan God te +denken, den Schepper van hemel en aarde. Maar waarom zoudt gij treuren? +Laat ons de rivier opvaren, en al kan ik dan niet zingen, omdat ik +gezegd heb, dat ik het niet meer doen zou, ik kan u toch van Egypte +vertellen. + +--Ja, doe dat. Ga voort totdat de morgen aanbreekt en de avond en de +volgende morgen! zeide Ben-Hur hartstochtelijk. + +--Waarover zal ik vertellen? Over de wiskunstenaars? + +--O neen. + +--Over de wijsgeren? + +--Neen, neen. + +--Over de toovenaars en sterrenwichelaars? + +--Dat zou kunnen. + +--Over den oorlog? + +--Ja. + +--Over de liefde? + +--Ja. + +--Ik zal u een middel tegen de liefde aan de hand doen. Het is de +geschiedenis van een koningin. Luister aandachtig. De papyrusrol, +waaraan het verhaal ontleend werd, is aan de hand der heldin zelve +ontwrongen. Het moet een ware gebeurtenis zijn. + + NENEHOFRA + + Vele honderden jaren geleden woonde te Essouan een meisje, zoo + bekoorlijk, dat de natuur zelve zich over haar verheugde. Als zij + voorbijging klapwiekten de vogeltjes om haar te begroeten, hieven + de witte lotusbloemen zich op uit het water om haar te aanschouwen, + vertraagde de stroom zijnen loop, wuifden de palmen hunne pluimen. + Zij schenen te zeggen, de een: ik deelde haar mee van mijn + vroolijkheid; de ander: ik van mijne reinheid; een derde: ik van + mijne bevalligheid. + + Op twaalfjarigen leeftijd was Nenehofra het sieraad van Essouan. + Toen zij zestien was, sprak men door het gansche land over hare + schoonheid, en toen zij twintig was ging er geen dag voorbij, die + niet vorsten der woestijn op snelle kemelen en aanzienlijke + Egyptenaren in vergulde barken voor hare deur bracht. Die allen + echter gingen ongetroost heen en vertelden overal: Ik heb haar + gezien. Dat is geen sterflijke vrouw, maar Hathor zelve. + + De koning van het land was de grijze Oretes. Hij had den leeftijd + van hondertien jaren bereikt. Zesenenzeventig jaren had hij over + Egypte geregeerd. Onder zijn verstandig bestuur waren land en volk + tot groote welvaart gekomen. Hij woonde te Memphis, waar hij zijn + schoonste paleis en arsenalen had. De vrouw van den goeden koning + stierf. Daar hij haar zeer had liefgehad treurde en weeklaagde hij + over haar en was ontroostbaar. Een hoveling, die dat opmerkte, + waagde op zekeren dag tot hem te zeggen: Koning Oretes, het + verwondert mij dat iemand, zoo wijs en groot, niet zou weten hoe + men een droefheid als deze kan genezen. Zeg mij hoe, zeide de + koning. De hoveling kuste driemaal den grond en antwoordde, wel + wetende dat de doode hem niet kon hooren: Te Essouan woont + Nenehofra, zoo schoon als de schoone Hathor zelve. Ontbied haar. + Zij heeft alle vorsten afgewezen, en ik weet niet hoevele koningen; + maar wie kan neen zeggen tot Oretes? + + * * * * * + + Nenehofra zakte met een talrijk gevolg den Nijl af naar Memphis. + Toen de koning haar zag deed hij haar naast zich zitten op zijnen + troon, deed den uraeus om haren arm, kuste haar, en maakte haar tot + koningin. Dat was den wijzen Oretes niet genoeg. Hij smachtte naar + liefde, en verlangde een koningin, die hem gelukkig gevoelde in + zijne liefde. Hij behandelde haar met groote tederheid, toonde haar + al wat hij bezat, leidde haar door zijne schatkameren en zeide: O + Nenehofra, geef mij één kus uit liefde en dit alles is het uwe. + + Denkende dat zij mettertijd gelukkig zou zijn,--was zij het al niet + reeds?--kuste zij hem twee-, driemaal in weerwil van zijne + honderden jaren. + + In het eerste jaar voelde zij zich gelukkig, en dat vloog om. In + het derde jaar was zij rampzalig, en het kroop voorbij. Toen gingen + haar de oogen open: wat zij voor liefde had aangezien was + machtsbegoocheling geweest. Ach, had die begoocheling mogen + voortduren! + + Zij werd droefgeestig. Zij stortte vele tranen. Haar lach + verstomde. De rozen op haar wangen verbleekten. Zij kwijnde + langzaam maar zeker weg. Geen middelen baatten, noch van + toovenaars, noch van geneesheeren. Nenehofra werd als hopeloos + opgegeven. + + Oretes koos een crypt voor haar uit in de graven der koninginnen, + en riep de voornaamste beeldhouwers en schilders naar Memphis, om + de crypt zoo prachtig mogelijk te versieren. + + --O gij, schoon als Hathor zelf, mijn koningin! zeide Oretes, zeg + mij, bid ik u, wat u deert, want ik zie u voor mijne oogen + wegsterven. + + --Gij zoudt mij niet meer liefhebben, als ik het u zeide, luidde + haar antwoord. + + --U niet liefhebben? Ik zal er u te liever om hebben. IK zweer het + bij het oog van Osiris. Spreek! + + --Nu dan, zeide zij. In een spelonk bij Essouan woont een + anachoreet, de oudste en heiligste van allen. Zijn naam is Menopha. + Hij was mijn leermeester. Hij zal u zeggen wat gij verlangt te + weten, en u het middel aan de hand doen om mij te genezen. Ontbied + hem. + + * * * * * + + --Spreek, zeide Oretes tot Menopha in het paleis te Memphis. En + Menopha antwoordde: Machtige koning, als gij nog jong waart zou ik + niet antwoorden, omdat mijn leven mij nog lief is. Nu echter wil ik + u zeggen dat de koningin de straf voor eene misdaad draagt. + + --Een misdaad! riep Oretes toornig. + + --Ja, aan haarzelve begaan. Nenehofra groeide op onder mijne oogen + en maakte mij deelgenoot van al hare geheimen, onder anderen, dat + zij Barbec, den zoon van haar vaders tuinier, beminde. Met die + liefde in het hart kwam zij tot u, o koning. Aan die liefde sterft + zij. + + --Waar is de zoon van dien tuinier? + + --In Essouan. + + De koning ging naar buiten en gaf twee bevelen. Tot een zijner + dienaren zei hij: Ga naar Essouan en breng mij een jongeling, + genaamd Barbec. Gij zult hem vinden in den tuin van den vader der + koningin. + + En tot de anderen dienstknecht zeide hij: Verzamel eenige + werklieden en gereedschap en maak op het meer Chemnis een eiland, + dat, voorzien van een tempel, een paleis, een lusthof met + vruchtdragende boomen, een wijngaard, drijven kan waarheen de + winden waaien. Laat het gereed zijn tegen afnemende maand. + + Tot de koningin zeide hij: Schep moed. Ik weet alles en heb om + Barbec gezonden. + + Nenehofra kuste zijne handen. + + --Gij zult hem hebben, vervolgde Oretes, en hij u, en niemand zal u + storen, een geheel jaar lang. + + Zij viel aan zijne voeten. Hij hief haar op en kuste haar, en de + rozen keerden weer op hare wangen, en de lach kwam terug op hare + lippen. + + * * * * * + + Een geheel jaar woonden Nenehofra en Barbec, de tuinier, op het + drijvend eiland. Geen oord zoo bekoorlijk. Een geheel jaar zonder + iemand te zien, opgaande in elkander. Toen keerde Nenehofra naar + het paleis te Memphis terug. + + --Welnu, van wien houdt gij het meest? vraagde Oretes. + + Zij kuste hem op de wang en zeide: Neem mij terug, goed koning, + want ik ben genezen. + + Oretes lachte hartelijk in weerwil van zijne honderdveertien jaren. + + --Dan is dus waar wat Menopha zeide! Hahaha! 't Is waar. Liefde + wordt door liefde genezen. + + --Zoo is het, zeide zij. + + Plotseling veranderde hij van houding. Zijn aangezicht was + vreeselijk om te zien. + + --Zoo heb ik het niet bevonden, zeide hij. + + Nenehofra deinsde verschrikt achteruit. + + --Misdadige, zeide de koning. De beleediging Oretes, den man, + aangedaan, kan hij u vergeven; maar de beleediging Oretes, den + koning, aangedaan, moet gestraft worden. + + Zij wierp zich voor zijne voeten. + + --Stil! zeide hij. Gij zijt dood. + + Hij klapte in de handen ... een akelige processie trad binnen, + parschieten of balsemers, ieder met een attribuut van zijne + afschuwelijke kunst in de hand. + + De koning wees op Nenehofra, en zeide: Zij is dood. Doet uw werk. + + * * * * * + + Nenehofra, de schoone, werd na tweeënzeventig dagen naar de crypt + gedragen, een jaar te voren voor haar uitgekozen, en daar bij hare + koninklijke voorgangsters neergelegd. Maar er werd geen plechtige + ommegang ter harer eere gehouden op het heilige meer. + + * * * * * + +Toen Iras zweeg zeide Ben-Hur, die zich aan hare voeten had neergevlijd: +Menopha had ongelijk. + +--Hoezoo? + +--Liefde leeft door lief te hebben. + +--Dan zou er dus geen middel tegen zijn? + +--Jawel. Oretes heeft het gevonden. + +--Welk dan? + +--De dood. + +--Gij zijt een goed hoorder, zoon van Arrius. + +Onder meer dergelijke gesprekken en verhalen vlogen de uren voorbij. +Toen zij eindelijk aan wal stapten zeide zij: Morgen gaan wij naar de +stad. + +--Maar gij komt bij de wedrennen? + +--Zeker. + +--Ik zal u mijne kleur zenden. + +Daarmee scheidden zij. + + + * * * * * + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +DE BRIEF IS ONDERSCHEPT. + + +Ilderim keerde den volgende dag tegen de derde ure naar den dowar terug. +Toen hij van zijn paard steeg, trad een zijner mannen naderbij en zeide: +Sheik, mij is opgedragen u dit pak te overhandigen met verzoek het +dadelijk te lezen. + +Ilderim nam het pakje aan en zag dat het zegel reeds verbroken was. Het +opschrift luidde: Aan Valerius Gratus te Cesarea. + +--Lucifer hale hem! bromde de Sheik, toen hij zag, dat de brief in het +Latijn geschreven was. Grieksch en Arabisch schrift kon hij lezen; maar +van dezen brief in Romeinsche letters kon hij alleen den naam: Messala, +ontcijferen. + +--Waar is de jonge Jood? vraagde hij. + +--Naar het veld, met de paarden, antwoordde een bediende. + +De Sheik deed den brief in den omslag, stak het pak tusschen zijn +gordel, en steeg weer te paard. Op dat oogenblik verscheen een +vreemdeling, die oogenschijnlijk van de stad kwam. + +--Ik wilde gaarne Sheik Ilderim, den Edelmoedige, spreken, zeide hij. + +Taal en kleeding verrieden den Romein. + +Al kon hij het schrift der Romeinen niet lezen, hunne taal kon hij +spreken. Dus antwoordde de Arabier op waardigen toon: Ik ben Sheik +Ilderim. + +--Ik heb gehoord, dat gij een menner zoekt voor de wedrennen, zeide de +vreemdeling. + +--Ga uws weegs. Ik ben reeds voorzien, sprak de Sheik, en maakte zich +gereed om weg te rijden; maar de man draalde nog en zeide: Sheik, ik ben +een liefhebber van paarden. Men zegt dat de uwe alle andere in schoonheid +overtreffen. + +De oude man was getroffen. Hij trok den teugel aan, alsof hij op het +punt stond van voor de vleierij te zwichten; maar na korte weifeling +hernam hij: Niet vandaag, niet vandaag. Op een anderen keer zal ik ze u +laten zien. Ik heb het nu te druk. + +Hij reed naar het veld, terwijl de vreemdeling glimlachend naar de stad +terugkeerde. Hij had zijne opdracht vervuld. + +Iederen volgende dag, tot aan den dag der wedrennen, kwam een man, soms +twee of drie, tot den Sheik in het Palmbosch, onder voorwendsel van zich +als menner te willen verhuren. + +Op deze wijze hield Messala de wacht over Ben-Hur. + + + * * * * * + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +BEN-HUR LEEST DEN BRIEF. + + +Den Sheik wachtte bedaard, totdat Ben-Hur na volbrachten arbeid de +paarden een oogenblik rust gaf. + +--Van avond, Sheik, heb ik met Sirius afgedaan. Morgen zal ik den wagen +nemen, zeide de jonkman. + +--Dan reeds? vraagde Ilderim. + +--Ja, met zulke schrandere dieren is men spoedig zeker van zijne zaak. +Deze hier, Aldebaran, is de vlugste. Antares is de langzaamste. Toch zal +hij winnen; want, Sheik, hij kan den ganschen dag rennen en tegen +zonsondergang zijn grootste snelheid ontwikkelen. + +--Dat is zoo, zeide Ilderim. + +--Eén ding echter vrees ik. In zijne begeerte om de zege te behalen +schroomt een Romein niet de eer te bevlekken. Bij al hunne spelen zijn +zij volleerd in streken en niet het minst bij wedrennen met wagens. Als +zij paarden, menner, of wagen kunnen benadeelen of beschadigen, zullen +zij het niet laten. Daarom, goede Sheik, zie wel toe! Laat, totdat de +wedrennen gehouden zijn, uwe paarden aan geen enkel vreemdeling zien. +Wilt gij volkomen veilig wezen, laat hen dan geen minuut alleen. Volgt +gij mijn raad, dan behoeven wij ons over den uitslag niet te bekommeren. + +Bij de deur der tent stegen zij af. + +--Uw wens zal geschieden, zoon van Arrius. Niemand zal hen genaken +behalve mijne getrouwen. Dezen nacht zal ik wachten uitzetten. Maar zie +eens hier en help mij met uw Latijn. + +Hij gaf den brief en noodigde hem naast zich op den divan. Daar, zeide +hij, lees, en lees overluid. Vertaal het in de taal uwer vaderen. Latijn +is mij een gruwel. + +Ben-Hur gevoelde zich zeer opgewekt en begon zonder erg te lezen: +Messala aan Gratus.... Hij hield op. Een bang voorgevoel deed hem koud om +'t hart worden. Ilderim merkte zijne ontroering op. + +--Hoe nu? Ik wacht. + +Ben-Hur verontschuldigde zich en begon opnieuw. + +De lezer heeft reeds begrepen, dat een der door Messala afgezonden +koeriers aangehouden was en het duplicaat van den brief aan Gratus zich +thans in handen van Ben-Hur bevond. + +Toen hij aan de zinsnede gekomen was, waar Messala het geheugen van +Gratus zocht te hulp te komen, beefde zijne stem. Tot tweemalen zelfs +moest hij ophouden om zijne zelfbeheersching te herwinnen. Met +inspanning van alle krachten las hij verder: Voorts herinner ik u de +wijze maatregelen, die gij genomen hebt, om ons doel te bereiken: het +stilzwijgen en een zekeren maar natuurlijken dood van de betrokken +personen. + +Hij kon het niet langer uithouden. De brief viel op den grond en hij +bedekte zijn gelaat met beide handen. + +--Zij zijn dood ... dood. Ik alleen ben overgebleven, steunde hij. + +De Sheik had hem zwijgend en met deelneming gadegeslagen. Nu stond hij +op en zeide: Zoon Van Arrius, ik moet u om vergeving vragen. Lees den +brief voor uzelf. Als gij u sterk genoeg voelt om mij het overige mede +te deelen, doe het mij dan weten, en ik zal terugkeeren. + +Zoodra hij alleen was wierp Ben-Hur zich op den divan en gaf zich aan +zijne droefheid over. Toen hij wat bekomen was nam hij den brief weder +ter hand en hervatte de lezing. Gij zult u herinneren, zoo luidde het +verder, welke straf gij de moeder en de zuster van den booswicht hebt +opgelegd, en indien ik nu vriendelijk verzoek van u te mogen vernemen, +of zij nog leven, dan wel of zij gestorven zijn ... Ben-Hur sprong op, of +zij dood zijn! Hij weet het niet! Gezegend zij de naam des Heeren! Nog +is er hoop.--Bemoedigd las hij den brief ten einde. Zij zijn niet dood, +zeide hij eenige oogenblikken peinzens, zij zijn niet dood, anders zou +hij er van gehoord hebben. + +Een tweede lezing bevestigde hem in zijne meening. Daarna zond hij om +den Sheik. + +--Toen ik in uwe gastvrije tent kwam, zeide hij, zoodra zij weder te +zamen waren, had ik mij voorgenomen niet meer van mijzelven te +vertellen, dan noodig was om u te doen zien, dat gij mij uwe paarden +gerust kondt toevertrouwen. Maar nu ik, op eene voor mij onverklaarbare +wijze, dezen brief in handen moest krijgen, voel ik mij gedrongen u met +mijn verleden bekend te maken. Ik word in dit voornemen versterkt door +den inhoud van dit schrijven, waaruit ik zie dat dezelfde vijand ons +beiden bedreigt. Wij zullen ons gezamelijk tegenover hem moeten stellen. +Ik zal u den brief voorlezen en verklaren. Dan zal u duidelijk worden +waarom ik straks mijne zelfbeheersching verloor, en mij in uwe oogen +misschien kinderachtig aanstelde. + +De Sheik bewaarde het stilzwijgen en luisterde aandachtig, totdat +Ben-Hur aan de zinsnede kwam, die hèm betrof: Gisteren zag ik den Jood +in het park van Daphne, en als hij daar op dit oogenblik niet is, dan is +hij toch zeker in de buurt, om mij gemakkelijk te maken hem in 't oog te +houden. Ja, indien gij mij vraagdet: waar denkt gij dat hij is? dan zou +ik uit volle overtuiging zeggen: Hij is in het Palmbosch, in de tent van +Sheik Ilderim, den verrader. + +--Verrader!... Ik? riep de oude man opstuivende. + +--Nog even geduld, Sheik. Dat is Messala's gevoelen. Hoor zijn +bedreiging: in de tent van Sheik Ilderim, den verrader, die ons niet +veel langer moet mogen trotseeren. Laat het u niet verwonderen, indien +Maxentius, als eerste krijgsoperatie, den Arabier inscheept naar Rome. + +--Naar Rome! Mij? Ilderim ... Sheik van tienduizend gewapende ruiters! +Mij naar Rome inschepen! + +Hij sprong van zijne zitplaats op en riep in ziedenden toorn: Wanneer, +o wanneer zal aan deze onbeschaamdheid een einde komen? Ik ben een vrij +man. Vrij is mijn volk. Moeten wij als slaven sterven? Of erger nog, +moet ik als een hond aan mijn meesters voeten kruipen? Moet ik zijne +hand likken uit vrees voor slaag? Wat het mijne is zou het mijne niet +zijn? Ik zou een Romein moeten danken, dat ik mag adem halen? O, dat ik +nog jong was! O, kon ik twintig jaren van mijn leeftijd afdoen ... of +tien ... of vijf! + +Knarsetandend en met de handen zwaaiend liep hij heen en weer, bleef +toen eensklaps voor Ben-Hur staan, en vatte hem met sterken greep bij +den schouder. + +--Indien ik in uwe plaats was, zoon van Arrius, even jong als gij, even +sterk, even geoefend in den krijg, had ik een drijfveer, die mij tot +wraak aanzette, een beweegreden als de uwe, die wraak tot een heiligen +plicht maakt--weg met alle geheimzinnigheid tusschen u en mij! Zoon van +Hur, zoon van Hur, ik zeg.... + +Bij het hooren van zijn waren naam stolde Ben-Hur het bloed in de +aderen. Ontzet, verbaasd, zag hij den Arabier aan. + +--Zoon van Hur, ik zeg u, indien ik was als gij, indien ik zulk een +groot onrecht had te wreken en zulke herinneringen met mij moest +omdragen, ik zou niet willen, niet kunnen rusten. Bij al mijn eigen +grieven zou ik die van de geheele wereld voegen, en mijzelven aan de +wraak wijden. Van land tot land zou ik trekken om de menschen wakker te +schudden. Geen vrijheidsoorlog, waar ik niet deel aan nam. Geen strijd +tegen Rome, waarbij ik niet in de voorste rijen stond. Ik zou mij +desnoods bij de Parthen aansluiten. Indien het mij aan soldaten ontbrak, +ik zou het toch niet opgeven--hahaha! Bij den luister van Salomo! ik zou +tot de wolven gaan! Van leeuwen en tijgers zou ik vrienden maken, in de +hoop dat ik ze tegen den gemeenschappelijken vijand zou kunnen +aanvoeren. Ik zou mij van ieder wapen bedienen. Ik zou geen kwartier +vragen en geen kwartier geven! Alles wat Romeinsch was zou ik met vuur +verdelgen. Al wie Romein van geboorte was zou ik met het zwaard dooden. +Des nachts zou ik de goden bidden, de goede en de kwade evenzeer, mij +hunne verschrikkingen bij te zetten: stormen, droogte, hitte, koude, en +al de namelooze vergiften, die zij in de lucht loslaten, al de duizend +oorzaken, waardoor de menschen ter zee en te land omkomen. O, ik zou +niet kunnen slapen. Ik ... ik.... + +De Sheik hield op uit gebrek aan adem. Ben-Hur had, om de waarheid te +zeggen, slechts met een half oor geluisterd naar die hartstochtelijke +ontboezemingen. Voor de eerste maal in vele jaren had de jongeling zich +bij zijn waren naam hooren toespreken. Eén mensch kende hem dus. Eén ten +minste geloofde hem zonder naar bewijzen te vragen, en die eene was een +Arabier uit de woestijn! + +Hoe kwam de man aan deze wetenschap? Door den brief? Die sprak wel is +waar iets van de wreedheden, waardoor zijn geslacht te gronde was +gericht, die verhaalde van zijne geschiedenis, maar de Sheik was in een +veel te opgewonden stemming geweest om de gevolgtrekking te hebben +kunnen maken. Neen, iemand anders moest hem hebben ingelicht. Uitwendig +kalm vraagde hij: Goede Sheik, zeg mij, hoe komt gij aan dezen brief? + +--Mijne lieden bewaken de wegen tusschen de steden, antwoordde Ilderim. +Zij ontnamen hem een koerier, die van Antiochië kwam. + +--Weet men, dat zij in uw dienst zijn? + +--Neen, in de oogen der wereld zijn zij roovers, die ik te vangen en te +dooden heb. + +--Sheik, gij noemdet mij zoon van Hur, mijn vaders naam. Ik wist niet +dat iemand hier mij kende. Vanwaar kent gij mij? + +Ilderim antwoordde niet dadelijk. Eindelijk zeide hij: Ik ken u, maar ik +heb voor 't oogenblik geen vrijheid om u meer te zeggen. + +--Geen vrijheid? Is er dan iemand, die u dat verhindert? + +De Sheik zweeg en wilde heengaan; maar toen hij Ben-Hurs teleurstelling +zag, keerde hij terug en zeide: Laat ons hier voorloopig over zwijgen. +Ik ga naar de stad. Als ik terugkom mag ik misschien ronduit met u +spreken. Geef mij den brief. + +Ilderim rolde den papyrus zorgvuldig op, deed hem weder in den omslag, +en werd plotseling weer een en al ijver. Wat is uw antwoord? vraagde +hij. Ik zeide u wat ik doen zou, als ik in uwe plaats was, maar gij hebt +mij geen antwoord gegeven. + +--Ik was van plan, Sheik, om u te antwoorden en ik zal het ook doen. +Al wat gij gezegd hebt neem ik over, voor zoover de uitvoering in mijn +vermogen ligt. Sedert lang reeds heb ik mijzelf aan de wraak gewijd. +Vijf jaren lang was dat mijn eenige gedachte. Ik heb mij geen rust +gegund. De genoegens der jeugd heb ik niet gekend. Ik heb mij door Rome +zelf laten leeren, hoe ik mij wreken moet. Ik bezocht er de beroemste +leeraren, niet die in de redekunst of wijsbegeerte, helaas! daar had ik +geen tijd voor. In alles wat voor een krijgsman onmisbaar is heb ik mij +laten onderrichten. Ik sloot mij aan bij de kampvechters in den circus. +De schermmeesters van het Romeinsche kamp namen mij als hun leerling aan +en waren trotsch op mij. Ja, Sheik, ik ben soldaat, maar de dingen +waarvan ik droom eischen, dat ik bevelhebber word. Daarom sloot ik mij +aan bij den veldtocht tegen de Parthen. Is die afgeloopen en spaart God +mij leven en krachten, dan ... dan zal ik een geduchte, door Rome zelf +gevormde krijger zijn. Dan zal Rome mij met Romeinsche levens betalen +voor hetgeen zij mij heeft doen lijden. Dat is mijn antwoord, Sheik. + +Ilderim omhelsde en kuste hem, en zeide op hartstochtelijken toon: +Indien uw God u niet bijstaat, zoon van Hur, dan leeft hij niet meer. +Maar weet dit, om uw doel te bereiken kunt gij vrijelijk beschikken over +al wat ik heb: manschappen, paarden, kameelen, en de woestijn tot +legerplaats. Ik zweer het u. Voor het oogenblik genoeg. Vóór den nacht +zult gij mij zien, of van mij hooren. + +Kort daarop reed hij af en sloeg den weg in naar Antiochië. + + + * * * * * + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +EENE OPROEPING. + + +De onderschepte brief was op vele punten van groot belang voor Ben-Hur. +De schrijver toch bekende met zoovele woorden dat hij medegewerkt had om +de familie Hur uit den weg te ruimen, dat hij de plannen goedgekeurd +had, dat hij zijn aandeel had ontvangen van de verbeurd verklaarde +goederen, dat hem de onverwachte verschijning van den hoofdpersoon in +het drama zeer ongelegen kwam en hij er niet veel goeds van verwachtte, +en dat hij, om een waarborg voor de toekomst te hebben, bereid was tot +alles wat zijn medeplichtige in Cesarea hem zou aanraden te doen. + +Toen Ilderim de tent verliet had Ben-Hur dus rijke stof tot +overpeinzing. Hier moest dadelijk in voorzien worden. Zijne belagers +waren sluw en machtig. Indien zij bevreesd waren voor hem, hij had nog +veel meer reden om hen te vreezen. Hij trachtte den toestand rustig +onder de oogen te zien, maar hij kon niet. Telkens werd hij door zijn +gevoel overstelpt. Zijne moeder en zuster leefden nog, dat geloofde hij +zeker. Het was hem, alsof de ontdekking voor de hand lag. Ja, God zelf +zou hem te hulp komen, hem paste geduldig te wachten. Dat geduldig +wachten zou hem echter gemakkerlijk vallen, als hij grond had gehad om +te hopen, dat zijne geliefden in even gunstige omstandigheden verkeerden +als hijzelf, maar wat wist hij daarvan? + +Om zich een weinig te verzetten wandelde hij het bosch in, waar de +lieden druk bezig waren met het inzamelen van dadels, niet zoo druk +echter, of zij konden wel een praatje met hem maken en van hunne +vruchten aanbieden. Bij het meer toefde hij het langst, en die zachte +kabbelende golfjes brachten hem de schoone Iras te binnen. Van haar +vlogen zijne gedachten naar Balthasar en den Koning der Joden. + +Met Balthasars denkbeelden omtrent dat koninkrijk kon hij zich echter +niet vereenigen. Een rijk dat uit zielen zou bestaan kwam hem zeer +onwaarschijnlijk, bijna onmogelijk voor. Een koninkrijk Judea +daarentegen--dat had bestaan, en kon dus weer in 't leven geroepen +worden. Hij stelde zich dat gaarne voor en dan liefst nog machtiger en +rijker dan het eerste koninkrijk, onder een nieuwen koning, wijzer en +machtiger nog dan Salomo, een koning, onder wiens vanen hij zou kunnen +dienen en zijne wraak aan Rome kunnen koelen. + +In die stemming keerde hij naar den dowar terug. Na het middagmaal +gebruikt te hebben deed Ben-Hur den wagen buiten brengen, om hem te +keuren. Geen enkel deel liet hij ongemoeid. Met groot genoegen zag hij +dat het een Grieksch model was, in zijn oog verkieslijker boven het +Romeinsche, breeder tusschen de wielen, lager en sterker. De meerdere +zwaarte zou ruimschoots vergoed worden door de zeldzame eigenschappen +van het vierspan. + +Nu bracht hij de paarden uit, spande ze voor den wagen en reed naar het +veld, waar hij verscheidene uren bleef. Toen hij 's avonds terugkeerde +had hij zijne opgeruimdheid herkregen en stond zijn plan vast om de zaak +Messala te laten rusten, totdat hij als overwinnaar of overwonnene uit +het strijdperk zou komen. Hij wilde onder geen beding het genoegen +missen van zijn tegenstander voor aller oog te vernederen. Aan de +mogelijkheid, dat nog andere mededingers konden optreden, scheen hij +niet te denken. Zijn vertrouwen in den uitslag was onwankelbaar. Hij +rekende op zijne bekwaamheid en op de onovertroffen paarden. De Romein +mag oppassen, niet waar Antares, brave Aldebaran? niet waar goede Rigel, +en gij vorstelijke Atair? hij mag oppassen! zoo sprak hij in de rusturen +het vierspan toe, en zij verstonden hem. + +Toen het donker werd zat Ben-Hur in de deur der tent op Ilderim te +wachten. Hij was volstrekt niet ongeduldig of onrustig. De Sheik zou in +ieder geval van zich doen hooren. Of die kalmte toe te schrijven was aan +de beweging in de open lucht, of aan het daarna genomen bad, of aan het +smakelijke maal, waaraan hij alle eer bewezen had, of aan de reactie, +die gewoonlijk op diepe neerslachtigheid volgt, weten wij niet. Hij had +een gevoel, dat zijne zaak in Gods hand rustte en daar was zij veilig. +Eindelijk hoorde hij een ruiter naderen, en weldra stond Malluch voor +hem. + +--Zoon van Arrius, zeide hij vroolijk, ik breng u de groeten van Sheik +Ilderim. Hij verzoekt u naar de stad te komen. Hij wacht u. + +Ben-Hur onthield zich van vragen, en ging naar de paarden. Aldebaran +kwam hem te gemoet, als om zijne diensten aan te bieden. Ben-Hur +liefkoosde hem in het voorbijgaan, maar koos een ander paard. Het +vierspan moest voor de wedrennen bewaard blijven. Een kwartier later +waren beide mannen op weg naar Antiochië. + +Op korten afstand van de Seleucische brug staken zij met een veerschuit +de rivier over, reden langs den rechteroever voort, gingen daarna door +middel van een andere schuit naar den linkeroever terug en reden de stad +van de westzijde binnen. De omweg was lang, maar Ben-Hur begreep dat +Malluch goede redenen had voor dien voorzorgsmaatregel. Zij vervolgden +hunnen weg tot aan de werf van Simonides. Daar hield Malluch zijn paard +in en zeide: Hier moeten wij zijn! + +Ben-Hur herkende de plaats en vraagde: Waar is de Sheik? + +--Ik zal u tot hem brengen. Ga maar mee, luidde het antwoord. + +Een bediende nam de paarden over, en nog voordat Ben-Hur tot bezinning +gekomen was, stond hij voor de deur van het huis op het pakhuis, was hij +binnengegaan, en hoorde hij de stem, die hij zich nog zeer goed +herinnerde, zeggen: Kom binnen en wees welkom! + + + * * * * * + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +ERKEND. + + +Malluch geleidde hem niet verder dan tot aan de kamer. Ben-Hur trad +alleen het vertrek binnen. Het was hetzelfde, waar Simonides hem den +vorigen keer ontvangen had. Alles was onveranderd gebleven, alleen stond +nu dicht bij den armstoel een fraaie, zeer hooge metalen standaard met +zes armen, die zes helder brandende zilveren lampen droegen. Drie +personen bevonden zich in de kamer: Simonides, Ilderim, Esther. + +Ben-Hur zag van den een naar den ander ... wat moest dat beduiden? Wat +verlangde men van hem? + +Daar verbrak Simonides de stilte: Zoon van Hur, zeide hij langzaam en +duidelijk, ik groet u met den vrede van den God onzer vaderen. + +De grijsaard liet, terwijl hij sprak, zijne doordringende zwarte oogen +op den jongen rusten en kruiste toen zijne handen over de borst. Houding +en groet konden niet worden misverstaan. + +--Simonides, zeide Ben-Hur ontroerd, dien vrede neem ik aan. Als een +zoon tot zijnen vader sprekende, bid ik hem u ook toe. Dit eene echter +verzoek ik: laat ons elkander volkomen begrijpen. + +Op deze kiesche wijze trachtte hij de verhouding van heer tot dienstbare +op zijde te zetten, en daarvoor in de plaats een hoogere en heiligere te +stellen. + +Simonides liet zijne handen weder op de deken rusten en zeide tot Esther: +Een zetel voor den meester, mijn kind! + +Haastig schoof zij een lagen stoel aan en wachtte op nader order, onzeker +waar hem te plaatsen. + +Ben-Hur trad naderbij, zette hem aan Simonides' voeten en zeide: Hier +wil ik zitten. + +Zijne oogen ontmoetten de hare, slechts een oogenblik, doch die blik +deed beiden goed. Hij had hare dankbaarheid, zij zijne edelmoedigheid +begrepen. + +Simonides boog het hoofd, slaakte een zucht van verlichting en zeide: +Geef mij nu de papieren, Esther. + +Zij opende een der paneelen in den muur, nam er een rol uit, en gaf die +haren vader. + +--Gij hebt gelijk, zoon van Hur, begon Simonides, de papieren +ontrollende, laat ons elkander goed begrijpen. Dat verzoek voorziende, +heb ik alles in orde gebracht en leg ik u hier een opgaaf voor hetgeen +tot een volkomen begrip noodig is. Zij omvat twee zaken: het vermogen en +onze onderlingen verhouding. Wat hier geschreven staat zal u alles +duidelijk maken. Wilt gij het nu lezen? + +Ben-Hur nam de rol aan en zag naar Ilderim. + +--Neen, zeide Simonides, laat de tegenwoordigheid van den Sheik u niet +weerhouden. Bij de verrekening is een getuige noodig. Aan het slot, op +de plaats waar zulks behoort, zult gij zijn naamtekening vinden. Hij +weet alles. Hij is uw vriend. Alles wat hij voor mij geweest is zal hij +voor u zijn. + +Ilderim knikte en zeide ernstig: Gij hebt het gezegd. + +Ben-Hur antwoordde: Ik heb zijne vriendschap reeds mogen ondervinden, +maar moet mij die nog waardig betoonen. Sta mij toe, Simonides, die +papieren later rustig na te zien. Neem ze voor het oogenblik terug en +als het u niet te veel vermoeit, deel mij dan kort den inhoud mede. + +Simonides nam de rol weder tot zich. + +--Kom hier, Esther, zeide hij, en neem blad voor blad van mij over, +opdat zij niet verward raken. + +Zij zette zich naast hem en leunde zacht tegen zijn schouder, zoodat +vader en dochter te zamen rekening en verantwoording schenen te doen. + +--Dit, zeide Simonides, het eerste blad ontrollende, doet u zien welke +som gelds ik voor uwen vader beheerde,--het kapitaal dat ik uit de +handen der Romeinen redde. Van de overige bezittingen kon ik niets +redden dan het geld. Dank ons Joodsch wisselsysteem konden de roovers +daar niet aan komen. De geheele som bestond uit gelden, die ik in Rome, +Alexandrië, Carthago en andere steden had uitstaan, en bedroeg 120 +talenten. + +Hij gaf het blad aan Ester en nam een volgend. Met die 120 talenten, +zeide hij, begon ik handel te drijven. Hoor nu de verantwoording. + +Aan schepen 60 talenten. + " goederen in voorraad 110 " + " cargo's in transport 75 " + " pakhuizen 10 " + " kameelen, paarden, enz. 20 " + " in te vorderen gelden 54 " + " los geld 224 " + + 553 talenten. + +Voeg nu bij die 553 talenten winst het kapitaal, dat ik van uwen vader +onder mij had, en gij krijgt 673 talenten, alles rechtens het uwe. Dat +maakt u, zoon van Ithamar, tot een van de rijksten onder de rijken. + +Hij nam de papieren van Esther over, rolde ze met uitzondering van één +weder op en bood ze Ben-Hur aan. + +De kwalijk verborgen trotsch in zijne manier van doen was niet +beleedigend, maar alleszins verklaarbaar, en kwam voort uit het gevoel +van een wèlvolbrachten arbeid. + +--En nu, zeide hij zachter, is er niets, nee niets, dat gij niet doen +kunt. + +Dit oogenblik was een zeer gewichtig oogenblik voor allen. Simonides +kruiste nogmaals de handen over de borst. Esther keek verlegen voor +zich, Ilderim bewoog zich zenuwachtig. + +Met de rol in de hand stond Ben-Hur op van zijn zetel, en met moeite +zijn aandoening bedwingende, sprak hij: Deze mededeelingen zijn voor mij +als een lichtstraal uit den hemel na een langen bangen nacht, zóó lang +dat hij mij eindeloos toescheen, en zóó donker dat ik alle hoop had +opgegeven. Mijn eerste dank zij aan God gebracht, die mij niet verlaten +heeft, en mijn tweede aan u, Simonides. Uwe trouw weegt tegen de +wreedheid van anderen op, en herstelt mijn geloof in de menschheid. Gij +zegt: er is niets dat ik niet doen kan? Zoo zij het! Zal iemand mij in +zulk een gewichtig oogenblik overtreffen in grootmoedigheid?... U roep +ik tot getuige, o Sheik! Hoor mijne woorden en onthoud ze! En gij, +Esther, goede engel van deze goeden man, uw vader, luister gij ook! + +Hij strekte de hand, waarin hij de rol hield, naar Simonides uit en +vervolgde: Alles wat in deze papieren opgeschreven staat: de schepen, +huizen, kameelen, paarden, gelden, dat alles geef ik u, Simonides, +terug. Het is voor u en de uwen, voor altijd. + +Esther glimlachte door hare tranen heen. Ilderims oogen glinsterden van +aandoening. Simonides alleen bleef kalm. + +--Met ééne uitzondering echter en op ééne voorwaarde, hernam Ben-Hur. +De 120 talenten, die mijne vader toebehooren, wensch ik terug te hebben. +Vervolgens roep ik uwe hulp in bij het zoeken naar mijne moeder en +zuster, waartoe gij, indien het noodig mocht zijn, uw fortuin +beschikbaar stelt, evenals ik het mijne. + +Simonides was diep bewogen. Hij strekte de hand uit en zeide: Ik begrijp +u, zoon van Hur, en ik dank God dat Hij u zóó tot mij gezonden heeft. +Zooals ik uwen vader, en later zijne nagedachtenis, gediend heb, zal ik +ook u dienen. Maar op uwe voorwaarde kan ik niet ingaan. Hier is nog een +blad. Neem het en lees. Lees overluid. + +Ben-Hur nam het blad en las: Opgave van de lijfeigenen van Hur, +ingeschreven door Simonides, rentmeester van het vermogen: + +1. Amrah, de Egyptische, huisbewaarster te Jeruzalem. +2. Simonides, rentmeester te Antiochië. +3. Esther, des rentmeesters dochter. + +Nooit was het Ben-Hur, wanneer hij Simonides als zijn dienstknecht +beschouwde, in het hoofd gekomen, dat volgens de wet de dochter de +dienstbaarheid des vaders deelde. Dacht hij aan de schoone Esther, dan +was het als mededingster van Iras. Die onverwachte mededeeling deed hem +onaangenaam aan. Verward, verlegen keek hij haar aan, en verlegen sloeg +zij de oogen neer. Toen zeide hij: De eigenaar van 600 talenten is +inderdaad rijk en mag doen wat hem behaagt; maar zeldzamer dan het geld, +kostbaarder dan de bezitting is de geest, die den schat vergaarde, is +het hart, dat onbedorven bleef bij zooveel rijkdom. O Simonides, en gij, +schoone Esther, vreest niet! Sheik Ilderim zal mij opnieuw tot getuige +zijn. In hetzelfde oogenblik, waarop ik u als mijne dienaren leer +kennen, spreek ik u vrij. Wat ik hier mondeling verklaar zal ik +schriftelijk bevestigen. Is dat voldoende? Kan ik nog meer doen? + +--Zoon van Hur, zeide Simonides, waarlijk gij maakt ons het dienen +licht. Ik vergiste mij. Er zijn dingen die gij niet kunt doen. Gij kunt +ons niet vrij maken voor de wet. Ik ben levenslang uw dienstknecht, +omdat ik op zekeren dag uwen vader naar de deurpost volgde. Mijn oor +draagt nog het litteeken van den priem. + +--Deed mijn vader dat? + +--Veroordeel hem niet, riep Simonides. Hij deed het op mijn verzoek, en +nooit heeft die stap mij berouwd. Het was de prijs, dien ik voor mijne +Rachel betaalde, de moeder van mijn kind. Zij wilde de mijne niet +worden, tenzij ik werd wat zij was. + +--Was zij dan eene lijfeigene? + +--Ja. + +Ben-Hur liep, zijne onmacht diep gevoelende, de kamer op en neer. Ik was +reeds rijk, zeide hij, dank de goedheid van den edelen Arrius. Nu komt +dit vorstelijk vermogen er bij benevens de geest, die het verzamelde. +Heeft God daar niet een bedoeling mee? Raad mij, Simonides. Doe mij zien +wat recht is in dezen. Help mij mijn naam waardig te zijn. + +Simonides' gelaat straalde van geluk. + +--O zoon mijns meesters, ik zal meer doen dan u helpen. Ik zal u dienen +met hart en ziel. Mijn lichaam is, helaas, te gronde gericht in uwen +dienst, maar met mijn verstand en hart wil ik u dienen. Stel mij daarom +wettig aan tot datgene, wat ik mijzelven gemaakt heb. + +--Spreek! riep Ben-Hur blijde. + +--Benoem mij tot rentmeester van uw vermogen, opdat ik het recht hebbe +om er voor te zorgen. + +--Gaarne. Beschouw u van dit oogenblik als mijn rentmeester. Of wilt gij +het schriftelijk hebben? + +--Uw woord is mij genoeg. Zoo was het met den vader, zoo zij het met den +zoon. En nu, indien wij elkander goed begrepen hebben.... + +--Ik voor mij, ja, zeide Ben-Hur. + +--En gij, dochter van Rachel, spreek! zeide Simonides. Een oogenblik +stond Esther besluiteloos. Toen trad zij op Ben-Hur toe en zeide +onbeschrijfelijk lieftallig: Ik ben niet beter dan mijne moeder, en daar +zij is heengegaan, bid ik u, laat mij voor mijnen vader mogen zorgen. + +Ben-Hur nam haar bij de hand, geleidde haar naar haren vader en zeide: +Gij zijt een goede dochter. Uw wensch zal geschieden. + + + * * * * * + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +HET NIEUWE KONINKRIJK. + + +Simonides was de eerste, die het stilzwijgen verbrak. Hij herinnerde +zich dat hij de gastheer was. Esther, zeide hij, het is reeds laat in +den avond. Voordat wij verder gaan moest gij ons wat ter verfrissching +voortzetten. + +Zij schelde, waarop een dienstmaagd brood en wijn bracht en het +gezelschap aanbood. Toen allen bediend waren, zeide Simonides tot +Ben-Hur: Meester, ons leven zal in het vervolg zijn als twee stromen, +die elkander ontmoetten, samenvloeiden, en zoo vereenigd hun weg +vervolgen. Daarom is noodig dat geen wolkje onzen horizon verduistere. +Ik liet u den vorigen keer vertrekken in de meening, dat ik uwe +aanspraken niet liet gelden. Toch was dat niet zoo. Esther kan getuigen, +dat ik u terstond herkende. Dat ik u niet aan uw lot overliet, daarvan +is Malluch het bewijs. + +--Malluch! riep Ben-Hur. + +--Die aan zijn stoel gebonden is moet vele en vèrreikende handen hebben. +Zoo heb ik er verscheidene en Malluch is een van de beste. Soms ook roep +ik de hulp in van goede vrienden, zooals Sheik Ilderim den edelmoedige. +Hij kan u zeggen, of ik u vergat of verloochende. + +Ben-Hur zag den Arabier aan en zeide: Hebt gij dus hier gehoord wie ik +ben, goede Sheik? + +Ilderim knikte toestemmend. + +--Meester, vervolgde Simonides, hoe kunnen wij een mensch beoordeelen, +dan door hem te beproeven? Ik herkende u terstond. Gij waart het +evenbeeld uws vaders; maar ik wist niet tot welke soort van menschen gij +behoordet. Voor sommigen is rijkdom een vloek. Waart gij een van die? +Dat moest Malluch voor mij uitvinden. Duid hem dat niet ten kwade. Hij +bracht mij niets den goed van u over. + +--Neen, ik neem het hem niet kwalijk, zeide de jonkman hartelijk. Er was +wijsheid in uwe goedheid. + +--Die woorden doen mij goed, zeide de koopman aangedaan. Alle vrees voor +misverstand is verdwenen. Nu mogen de rivieren te zamen haren loop +vervolgen, waarheen God ze leidt. + +Na een oogenblik zwijgens ging hij voort: Als ik terugzie op de +vervlogen jaren, zeg ik, evenals gij, meester: Ik zie Gods hand. Wat is +zijn bedoeling?... Want het vermogen is in mijne handen vertienvoudigd, +en ik was dikwijls verbaasd over dien wasdom. Ik zag, dat een ander oog +dan het mijne over mijne ondernemingen waakte. De _samoems_, die schrik +der woestijnen, spaarden mijne karavanen. De stormen, die zoovele +schepen te gronde richtten, dreven de mijne slechts te sneller de +veilige haven binnen. En het opmerkelijkste is, dat ik, gebondene, zoo +afhankelijk van anderen, nooit schade leed door mijne agenten, nooit. De +elementen dienden mij, en al mijne onderhoorigen waren getrouw. + +--Ja, dat is opmerkelijk, zeide Ben-Hur. + +--Daarom vraag ik: Wat kan God er mede bedoelen, vervolgde de grijsaard. +Jarenlang reeds wacht ik op een antwoord. Ik geloofde, dat Hij mij op +zijn tijd het antwoord zou geven. Ik geloof, dat Hij het gedaan heeft. +Vele jaren geleden vertoefde ik te Jeruzalem en zat op zekeren avond met +mijne vrouw buiten aan den weg, dicht bij de graven der koningen, toen +drie vreemdelingen op witte kameelen naderden en bij ons stilhielden. +Een van hen vraagde mij: Waar is de geboren Koning der Joden? Want wij +hebben zijne ster in het oosten gezien en zijn gekomen om hem te +aanbidden.--Ik begreep hem niet, maar volgde hem tot aan de Damascuspoort, +en aan ieder, dien zij tegenkwamen, deed hij dezelfde vraag. Later vergat +ik deze ontmoeting, hoewel er in die dagen veel over gesproken werd, alsof +de komst van de Messias ophanden was. Helaas, helaas, wat zijn zelfs de +verstandigsten onder ons nog kinderen. Als God over de aarde wandelt zijn +zijne voetstappen soms eeuwen van elkander verwijderd. Hebt gij Balthasar +reeds ontmoet? + +--Ja, hij heeft mij zijne geschiedenis verteld, antwoordde Ben-Hur. + +--Een wonder, een waar wonder, zeide Simonides. Toen hij het mij +vertelde scheen ik het antwoord te hooren, waarop ik zoo lang had +gewacht. Gods doel werd mij op eenmaal duidelijk. Arm zal de Koning +zijn, als hij komt, arm en zonder vrienden, zonder gevolg, zonder leger, +zonder steden of burchten. Zijn koninkrijk zal nog moeten gesticht +worden en Rome zal moeten gefnuikt en vernietigd worden. Zie, meester, +gij, toegerust met kracht, geoefend in den krijg, overladen met +rijkdommen, zie, welke gelegenheid God u geeft! Zal zijn doel niet uw +doel zijn? Kan iemand tot heerlijker werk geroepen worden? + +--Maar het Koninkrijk? vraagde Ben-Hur. Balthasar zegt, dat het uit +zielen zal bestaan. + +Fier hief Simonides het hoofd op. Een spottende glimlach speelde om +zijne lippen. Zijn nationaaltrots ontvlamde. + +--Balthasar is getuige geweest van vreemde dingen, dat is waar, en als +hij spreekt luister ik eerbiedig, want hij heeft ze gezien en gehoord. +Maar--hij is een zoon van Egypte. Hij is niet eens een proseliet. Wij +kunnen niet aannemen, dat hij meer dan een ander weten zou van Gods +plannen met ons volk. De profeten ontvingen hun licht rechtstreeks uit +den hemel, hij ook, dat is zoo; maar zij zijn velen in getal, hij staat +alleen. Jehova blijft altijd dezelfde. Ik moet de profeten gelooven. +Breng mij de Tora, Esther. + +Terwijl zij het verlangde ging halen, vervolgde hij: Mag het getuigenis +van een geheel volk veronachtzaamd worden, meester? Al reist gij van +Tyrus, dat in het noorden bij de zee ligt, tot de hoofdstad van Edom, +die in het zuiden in de woestijn ligt, gij zult niet één zoon van +Abraham vinden, die u zeggen zal, dat het koninkrijk, hetwelk de Koning +voor ons, kinderen des Verbonds, komt oprichten, niet voor deze wereld +zou zijn. Neen, het zal een koninkrijk zijn van onzen vader David. En +hoe komen zij aan dat geloof, denkt gij? Wij zullen zien. + +Esther kwam terug met een aantal rollen, in bruin linnen omslagen +gewikkeld. De namen der profeten waren er met gouden letters op gestikt. + +--Houd ze voor mij vast, kind, en geef mij die, waar ik om vraag, zeide +Simonides, en zich tot Ben-Hur wendende, vervolgde hij: Gelooft gij de +profeten, meester? Ik weet, dat gij ze gelooft, evenals uwe +ouders.--Esther, geef mij het boek van den profeet Jesaja. + +Met luide stem las hij: Het volk, dat in duisternis zat, heeft een groot +licht gezien, en die gezeten waren in het land der schaduwen des doods, +dengenen is een licht opgegaan. Want een kind is ons geboren en een Zoon +is ons gegeven, en de heerschappij zal op zijn schouder zijn.... Der +grootheid dezer heerschappij en des vredes zal geen einde zijn op den +troon van David en in zijn koninkrijk, om dat te bevestigen, en dat te +sterken met gericht en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid +toe.--Gelooft gij de profeten, meester?... Esther, geef mij nu de +woorden van den profeet Micha. + +En wederom las hij overluid: En gij, Bethlehem Efrata, zijt gij klein om +te wezen onder de duizenden van Juda, uit u zal mij voortkomen die een +heerscher zal zijn in Israël.... Meester, dat is het kindeke, dat +Balthasar gezien heeft en aangebeden in de spelonk. + +Hij las verder: Ziet, de dagen komen, spreekt de Heer, dat ik aan David +een rechtvaardige Spruit zal verwekken, die zal koning zijnde regeeren, +en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde. In +zijne dagen zal Juda verlost worden, en Israël zeker wonen ... hoort gij +wel, meester, als een koning zal hij heerschen! Gelooft gij de +profeten ... Esther, geef mij nu het boek van den profeet Daniël. + +Hij deed de rol open en las: Ziet, er kwam één met de wolken des hemels, +als eens menschen zoon, en hem werd gegeven heerschappij, en eere, en +het koninkrijk, dat hem alle volken, natiën en tongen eeren zouden. +Zijne heerschappij is eene eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, +en zijn koninkrijk zal niet verdorven worden. Gelooft gij de profeten, +meester? + +--'t Is genoeg, riep Ben-Hur. Ik geloof! + +--Welnu, als de koning komt, arm en aan alles behoefte hebbende, zal dan +mijn meester hem niet uit zijn overvloed helpen? + +--Ja, zeker, tot mijn laatsten penning en tot mijn laatsten ademtocht. +Maar waarom zegt gij, dat hij in armoede zal komen? + +--Esther, geef mij de profetie van Zacharia. Luister, meester: Verheug u +zeer, gij dochter Zions, zie, uw Koning komt, rechtvaardig, en hij is +een Heiland; arm en rijdende op eenen ezel, en op een veulen, een jong +der ezelinnen. + +Ben-Hur wendde de blik af. + +--Wat ziet gij? vraagde Simonides. + +--Rome, antwoordde hij somber. Ik zie Rome met hare legioenen. Ik heb +met hen in hunne legerplaatsen verkeerd, ik ken hen! + +--O zoo, zeide Simonides. Welnu, gij zult de aanvoerder zijn van de +legioenen des Konings, en uit millioenen kunnen kiezen. + +--Millioenen? + +--Bekommer u niet over zijne macht, zeide de grijsaard nadenkend. Gij +steldet u zooeven den koning voor, komende tot het zijne in nederigheid. +Gij zaagt hem, om het zoo uit te drukken, aan den éénen kant, en gij +vraagdet: Wat kan hij doen? + +--Ja, dat waren mijne gedachten. + +--O, meester, ging Simonides voort, gij weet niet hoe sterk ons Israël +is. Gij stelt u ons volk voor als een oud man, weenende bij de rivieren +van Babylon. Maar ga met het volgende Paaschfeest naar Jeruzalem, naar +den tempel, en zie rondom u. De belofte van God aan onzen vader Jakob, +komende van Paddan Aram, was een wet, waaronder ons volk niet heeft +opgehouden zich te vermenigvuldigen, zelfs niet in de ballingschap. Wij +vermeerderden onder den druk der Egyptenaren. Rome's overheersching is +weldadig voor ons geweest. Wij zijn in waarheid tot een volk, tot eene +groote menigte geworden. En dat niet alleen, meester. Om waarlijk de +kracht van Israël te leeren kennen, hetgeen hetzelfde is als te +berekenen wat de koning doen kan, moet gij niet alleen stilstaan bij de +natuurlijke vermenigvuldiging, maar ook de verspreiding van het geloof +in het oog houden, dat zich nu tot over de geheele wereld heeft +verspreid. Voorts, men is gewoon van Jeruzalem te spreken alsof dat +Israël was, en Jeruzalem is toch slechts als een steen van den tempel, +of als het hart in een lichaam. Zie af van de legioenen, hoe sterk zij +ook zijn mogen, en tel de menigte der getrouwen, die op den ouden +alarmkreet wachten: naar uwe tenten, o Israël!... Tel de overgeblevenen +in Perzië, kinderen van hen, die niet mede wilden terugkeeren; tel de +broederen, die de markten van Egypte en Afrika vullen; tel de +Hebreeuwsche kolonisten, die in het Westen handel drijven, in Lodinum en +in de koopsteden van Spanje; tel hen en hunne proselieten in Griekenland +en op de eilanden, in Pontus, en ook hier in Antiochië, en mijnentwege +ook hen, die daar nederliggen in de schaduw der onheilige muren van Rome +zelf. Tel de aanbidders van den Heer onzen God, die hunne tenten hebben +opgeslagen in de woestijnen, hier in onze nabijheid, zoowel als in de +woestijnen van Egypte, en in de streken langs de Kaspische zee, en in de +oude landen van Gog en Magog; voeg er hen bij, die jaarlijks giften +zenden aan den tempel. En als gij ophoudt met tellen, meester, beschouw +dan het heirleger van strijdbare mannen, dat u wacht ... een koninkrijk, +gereedgemaakt voor hem, die recht en gerechtigheid zal uitoefenen op +aarde, zoowel in Rome als in Zion. Dan hebt gij het antwoord op uwe +vraag. Wat Israël doen kan, dat kan de koning doen. + +Simonides had met vuur gesproken. Op Ilderim werkte die taal als +bazuingeklank. O, dat ik weder jong was! riep hij en sprong op van zijn +stoel. + +Ben-Hur bleef een oogenblik in gedachten verzonken, toen zeide hij: +Toegegeven dat de koning komen zal en dat zijne heerschappij zijn zal +als die van Salomo; onderstelt ook, dat ik bereid ben om mijzelf en al +het mijne aan hem en zijne zaak te wijden; toegegeven zelfs, dat Gods +leidingen met mij, en uw zeldzaam welslagen daarmede in verband +staan--hoe dan verder? Zullen wij bouwen als blinden? Zullen wij wachten +totdat de koning komt? of totdat hij om mij zendt? Gij, die zooveel +ouder zijt en zooveel meer ondervinding hebt, licht mij voor! + +Simonides antwoordde: Wij hebben geen keus. Deze brief (hij hief +Messala's brief omhoog) dwingt ons tot handelen. Wij zijn niet sterk +genoeg, om aan de voorgestelde verbintenis tusschen Messala en Gratus +het hoofd te bieden. Daartoe missen wij den noodigen invloed te Rome, en +de vereischte kracht hier. Zij zullen u dooden, als wij afwachten. Zie +mij aan en oordeel over hunne barmhartigheid. + +Hij huiverde bij de vreeselijke herinnering. Na zich bedwongen te +hebben, vervolgde hij: Goede meester, hoe sterk zijt gij--in het willen? + +Ben-Hur begreep hem niet. + +--Ik weet nog zoo goed hoe mij de wereld toelachte, toen ik jong was, +zeide Simonides. + +--En toch waart gij in staat om een groot offer te brengen, zeide +Ben-Hur. + +--Ja, uit liefde. + +--Zijn er niet nog andere, even sterke drijfveeren? + +Simonides schudde ontkennend het hoofd. + +--Wraak dan? + +Dat was de lont in 't kruit. De oogen van den grijsaard flikkerden. +Zijne handen beefden. Hij antwoordde snel: Op wraaknemen heeft de Jood +recht. De wet gebiedt het. + +--Zelfs een kameel onthoudt het onrecht, dat hem aangedaan werd, riep +Ilderim opgewonden. + +--Er is een werk, zeide Simonides, een werk voor den koning, dat gedaan +moet worden vóór zijne komst. Wij mogen niet in twijfel trekken, dat +Israël zijne rechterhand zal zijn; maar helaas, die rechterhand is een +hand des vredes, ongeoefend in den krijg. Onder al die millioenen is +niet één geoefende kohorte, niet één aanvoerder. De huurlingen der +Herodianen tel ik niet mee, want zij moeten slechts dienen om ons te +onderdrukken. De toestand is juist zooals de Romeinen dien verlangen. +Hunne staatkunde heeft goede vruchten gedragen voor hunne tirannie. Een +ommekeer is echter ophanden. De herder zal zich aangorden tot den +strijd, en zal naar speer en zwaard grijpen. Het weiden der schapen moet +plaats maken voor den kamp tegen leeuwen. De koning, mijn zoon, moet +iemand aan zijne rechterhand hebben. Wie zal dat zijn? wie anders dan +hij die het werk goed verstaat? + +Ben-Hurs gelaat gloeide bij dat vooruitzicht. Toen zeide hij: Jawel, +maar verklaar u nader. Een werk te moeten verrichten, en de wijze +waarop, zijn twee verschillende zaken. + +Simonides nam een teug wijn en hervatte: De Sheik en gij, meester, zult +de hoofdleiders zijn, ieder met een bepaalde opdracht. Ik blijf hier, om +te zorgen, dat de bron niet opdroogt. Gij gaat naar Jeruzalem, van daar +naar de woestijn, en telt de strijdbare mannen, verdeelt hen in +afdeelingen en kiest hoofdlieden over tien en hoofdmannen over honderd, +oefent de manschappen in den wapenhandel, brengt in geheime bergplaatsen +wapens bijeen. Voor dit doel, ja voor alles, zend ik u telkens het +noodige geld. Gij begint te Perea, gaat vervolgens naar Galilea, vanwaar +gij Jeruzalem gemakkelijk bereiken kunt. In Perea hebt gij de woestijn +achter u liggen, en Ilderim vlak bij u. Hij bewaakt de heirwegen, zoodat +niets geschiedt zonder uwe voorkennis. Hij zal u op velerlei wijze van +dienst zijn. Tot op het oogenblik van handelen zal niemand weten wat +hier besproken is. Ik werk achter de schermen. Met Ilderim heb ik de +zaak reeds besproken. Wat is uw antwoord? + +Ben-Hur zag den Sheik aan. + +--'t Is zooals hij zegt, zoon van Hur, antwoordde de Arabier. Ik heb +mijn woord gegeven en daarmede is hij tevreden; maar ik zal mijzelven +met al de strijdbare mannen van mijnen stam onder eede aan u verbinden. + +Simonides, Ilderim en Esther zagen Ben-Hur in gespannen verwachting aan. + +Op droevigen toon begon hij: Voor iedereen staat een vreugdebeker +geschonken, dien hij vroeger of later aan de lippen zet--voor iedereen, +behalve voor mij. Ik zie, Simonides, en edelmoedigen Sheik, ik zie +waarheen dat voorstel leidt. Neem ik het aan en volg ik dien weg, dan +zeg ik den vrede vaarwel met alle hoopvolle verwachtingen, die zich +daaraan vastknoopen. Ga ik die geopende deur binnen, dan sluiten de +poorten van het rustige leven zich voor altijd achter mij, want Rome +bewaakt ze. Ik ben vogelvrij verklaard. Men zal mij overal vervolgen. +In de graven nabij de steden, in de eenzame spelonken zal ik moeten +wonen, zal ik mijn brood eten en mijn hoofd nederleggen. + +Een gesmoord snikken onderbrak zijn woorden. Allen zagen Esther aan, die +haar gelaat in de handen verborg. + +--Arm kind, zeide haar vader deelnemend; maar hij kon niet meer zeggen, +want ook zijne stem beefde. + +--Dat doet mij goed, Simonides, zeide de jonkman. Men draagt een hard +lot beter, als men weet, dat iemand mede lijdt. Laat mij voortgaan.... Ik +wilde zeggen, dat ik geen andere keus heb, dan het werk te aanvaarden, +dat gij mij aanwijst; en daar een roemlooze dood mij wacht als ik hier +blijf, zoo zal ik terstond aan het werk gaan. + +--Zullen wij onze overeenkomst op schrift brengen? vraagde Simonides als +man van zaken. + +--Uw woord is mij voldoende, antwoordde Ben-Hur. + +--En mij ook, zeide Ilderim. + +Op deze eenvoudige wijze werd het verbond gesloten, dat een volslagen +ommekeer zou brengen in Ben-Hurs leven. Hij voegde er dus onmiddellijk +bij: Zoo zij het dan! + +--Moge de God van Abraham onze hulp zijn! riep Simonides vurig. + +--En nu nog iets, mijne vrienden, zeide Ben-Hur op vroolijker toon, +met uw goedvinden zal ik mij vrij houden tot na de feesten. +Hoogstwaarschijnlijk zal Messala geen plannen tegen mij smeden, voordat +hij antwoord heeft ontvangen van den procurator. Dat kan hij op zijn +vroegst hebben zeven dagen na de verzending van den brief: Hem in den +circus te ontmoeten is een genoegen, dat ik voor niets ter wereld zou +willen missen. + +Ilderim stemde dadelijk toe en Simonides zeide: Heel goed, want dat +oponthoud zal mij tijd geven om u een dienst te bewijzen. Ik hoorde u +spreken over uwe erfenis van den edelen Arrius. Bestaat die in roerende +of onroerende goederen? + +--Een villa bij Misenum en huizen in Rome. + +--Dan stel ik u voor die bezittingen te verkoopen en de gelden veilig +te beleggen. Geef mij opgave en volmacht, dan zal ik terstond een +zaakgelastigde afzenden. Wij zullen ditmaal ten minste de keizerlijke +roovers vóór zijn. + +--Morgen zult gij opgaaf en volmacht hebben. + +--Dan is ons werk voor hedenavond afgeloopen, zeide Simonides, en +Ilderim voegde er bij: En goed ook! + +--Geef ons nu wat te eten, Esther, zeide haar vader. Sheik Ilderim zal +ons het genoegen doen van tot morgen bij ons te blijven. En gij, meester? + +--Laat de paarden voorkomen, zeide Ben-Hur. Ik keer naar het Palmbosch +terug. Als ik nu ga zal mijn vijand er niets van merken, en uwe Arabieren, +Sheik, zullen blij zijn als zij mij terugzien. + +Bij het aanbreken van den dageraad stapten Ben-Hur en Malluch voor de +deur der tent af. + + + * * * * * + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +BEN-HURS BESLUIT. + + +Den volgenden avond stond Ben-Hur met Esther op het terras van het +groote pakhuis. Op de aanlegplaats beneden hen heerschte groote drukte +met opladen van balen en kisten. Tal van sjouwers liepen af en aan, die +bij het licht der flikkerende toortsen aan de dienende geesten uit +phantastische sprookjes deden denken. Een galei werd geladen om binnen +weinige oogenblikken te vertrekken. Simonides was nog op zijn kantoor, +waar hij den bevelhebber de laatste bevelen gaf, om zonder oponthoud +naar Ostia, de zeehaven van Rome, te zeilen, daar een passagier af te +zetten, en dan bedaarder op de Spaansche stad Valencia aan te houden. +Die passagier is de agent, die het landgoed en de huizen van Arrius zal +verkoopen. Als de ankers gelicht zijn en de galei zee heeft gekozen, zal +Ben-Hur onherroepelijk gebonden zijn aan het werk, dat hij den vorigen +avond aanvaardde. Nog kan terugtreden, indien hij spijt gevoelt over de +afspraak. Hij is de meester, en heeft slechts te spreken. + +Misschien doorkruiste een dergelijke gedachte zijn hoofd, toen hij daar +met de armen over elkander het drukke tooneel gadesloeg. Jong, schoon, +rijk, nog kort geleden verkeerende in de beste kringen van Rome, zou het +niet te verwonderen geweest zijn, zoo hij weinig lust gevoelde om zich +te begeven op de doornige paden, waar plicht of eerzucht hem mochten +roepen, en waar zoovele gevaren dreigden. Wij kunnen ons zelfs +voorstellen welke beweegredenen zich aan hem opdrongen: het onvruchtbare +van tegen den Keizer te strijden, de onzekerheid die alles wat den +Koning en zijne komst betrof omgaf, het gemak, de eer, de hooge staat, +die hem toelachten, en het sterkst van alles het heerlijke gevoel van +een tehuis gevonden te hebben, met vrienden om het leven aangenaam te +maken. + +Slechts zij, die langen tijd eenzaam rondgedoold hebben, kunnen de +kracht van dit laatste begrijpen. Zonder het te bedoelen kwam Esther +deze aanvechtingen versterken. + +--Zijt gij wel eens te Rome geweest? vraagde hij haar. + +--Neen, luidde het antwoord. + +--Zoudt gij er niet eens heen willen? + +--Neen, liever niet. + +--Waarom niet? + +--Ik ben bang voor Rome. + +Hij zag haar oplettend aan. In het schemerlicht kon hij haar gelaat niet +goed onderscheiden; maar zij herinnerde hem Tirza. Plotseling beving hem +een gevoel van teederheid. Op dien vreeselijke morgen had zijne arme +zuster juist zoo naast hem gestaan. Ach, waar was zij? Ja, Esther deed +hem aan Tirza denken, en hoe zou hij haar dan als zijn lijfeigene kunnen +beschouwen? + +--Ik kan niet aan Rome denken, vervolgde zij, als aan een stad van +paleizen en tempels, vol met vroolijke menschen. Zij is voor mij een +monster, dat zich meester heeft gemaakt van een schoon land en de +inwoners met dood en verderf bedreigt, een monster, dat niet te +overwinnen is, een verscheurend dier, dat zich met bloed voedt. +Waarom ... zij aarzelde en zweeg. + +--Ga voort, zeide Ben-Hur vriendelijk. + +--Waarom, vraagde zij, wilt gij Rome tot uwe vijandin maken? Waarom niet +liever vrede gesloten en rust hebben? Gij hebt veel verdriet gehad en +alles verdragen. Gij zijt aan de hinderlagen, u door uwe vijanden +gelegd, gelukkig ontkomen. Uw jeugd is door smart en leed verduisterd; +waarom zoudt gij er uw verdere levensdagen door laten vergiftigen? + +Haar stem klonk overredend. Hij ontroerde en vraagde: Wat woudt gij dan, +dat ik deed? + +Zij antwoordde met een wedervraag: Is uw villa bij Misenum heel mooi? + +--O ja. Het is een paleis te midden van fraaie tuinen, met fonteinen en +beelden in schaduwrijke lanen; heuvels bedekt met wijngaarden, en zoo +hoog gelegen dat men een heerlijk uitzicht heeft op Napels en den +Vesuvius en de blauwe zee. De Keizer heeft niet ver vandaar ook een +villa; maar algemeen word gezegd, dat de villa van Arrius de mooiste is. + +--En is het leven daar rustig? + +--Als er geen bezoekers kwamen heerschten er rust en stilte. Nu mijn +weldoener gestorven is en ik hier ben wordt de stilte door niets +gebroken, dan door het gefluister der bedienden of het tjilpen der +vogels, of het ruischen der fonteinen. Bloemen verwelken en nieuwe +bloemen ontluiken, het zonlicht maakt plaats voor de schaduwen van den +nacht, dat is de eenige afwisseling. Dat leven, Esther, was voor mij te +stil. Het maakte mij rusteloos, door mij altijd levendig te doen +gevoelen, dat ik, die zooveel te doen heb, langzamerhand lui werd, en +mij liet binden door zijden koorden, en aan het einde van mijn leven +niets zou hebben om op terug te zien. Maar waarom vraagdet gij dat? + +--Goede meester.... + +--Neen, Esther, dat niet. Noem mij vriend, of broeder, als ge wilt. Ik +ben uw meester niet, en wil het niet zijn. Noem mij broeder. + +De duisternis belette hem den blos van vreugde op haar gelaat en de +glans in hare oogen te zien. Na een oogenblik vervolgde zij: Ik kan niet +begrijpen, dat gij de voorkeur geeft aan een leven van--van-- + +--Geweld, en misschien van bloedvergieten, zeide hij, den zin voltooiend. + +--Ja, antwoordde zij, in plaats van het rustige leven op de schoone +villa. + +--Esther, gij vergist u. Van voorkeur geven is geen sprake. De Romein +is niet zoo vriendelijk. Ik ga uit nooddwang. Hier blijven wil zeggen +sterven. En ga ik naar Misenum, dan is het einde hetzelfde: een +vergiftigde drank, de dolk van een sluipmoordenaar, of een door een +meineed verkregen vonnis. Messala en de procurator Gratus hebben zich +verrijkt met mijn vaders bezittingen. Het geroofde te behouden is voor +hen van het grootste belang. Een vreedzame schikking is ondenkbaar, +omdat zij een bekentenis zou insluiten. En dan--ach Esther, al was dat +ook mogelijk, ik geloof niet, dat ik er in zou bewilligen. Voor mij geen +vrede, neen, zelfs niet in de koele boschjes der lieve oude villa. Voor +mij geen vrede, zoolang mijne moeder en zuster niet gevonden zijn. En +als ik haar vind, moet ik dan het haar aangedane leed niet wreken? Zoo +zij door geweld zijn omgebracht, moeten dan de moordenaars niet gestraft +worden? Ja, want zij zouden mij in mijne droomen vervolgen. Zelfs de +heiligste liefde met al hare vindingrijkheid zou mijn geweten niet in +slaap kunnen wiegen. + +--Is het zoo erg? vraagde zij bevend. Kan niets daartegen gedaan worden? + +Ben-Hur nam hare hand in de zijne: Houdt gij zooveel van mij? + +--Ja, antwoordde zij eenvoudig. + +Op eenmaal dacht hij aan de Egyptische, zoo geheel anders dan Esther, +zoo uitdagend, zoo geestig, zoo schoon, zoo betooverend. Hij bracht het +handje naar zijne lippen en liet het toen weder los. + +--Gij zult eene tweede Tirza voor mij zijn, Esther. + +--Wie is Tirza? + +--Het zusje, dat de Romein mij ontstal, en dat ik zoeken en vinden moet, +vóórdat ik aan rust of geluk kan denken. + +Op dat oogenblik viel een lichtstraal schuin over het terras. Zich +omkeerende zagen zij, dat een bediende Simonides in zijn rolstoel naar +buiten bracht. Zij voegden zich bij hem, en lieten het spreken +grootendeels aan hem over. + +Intusschen lichtte de galei het anker en zette onder het gejubel van +vroolijke matrozen koers naar de zee. De teerling was geworpen. Ben-Hur +had zich verbonden aan de zaak van den koning, die te komen stond. + + + * * * * * + + +TIENDE HOOFDSTUK. + +HET PROGRAMMA. + + +Daags voor de spelen werden Ilderims paarden en wagens naar de stad +gebracht en dicht bij den circus gestald. Maar daar bleef het niet bij. +De tenten werden afgebroken, paarden en kameelen gezadeld en bepakt, en +toen verliet de gansche karavaan, het vee voor zich uitdrijvende, het +schaduwrijke plekje in het Palmbosch. Werd Ilderim, zooals hij vermoedde, +bespied, wat nood? Weldra zou alles, wat hij aan waarde met zich had +genomen, op weg naar de woestijn zijn, buiten bereik van wien ook. + +Noch hij noch Ben-Hur overschatten den invloed van Messala. Zij waren +van oordeel, dat hij eerst na afloop van den wedren tegen hen zou +optreden. Delfde hij het onderspit, en wel door toedoen van Ben-Hur, dan +konden zij zich op het ergste voorbereiden. Waarschijnlijk zou hij dan +niet eens den raad van Gratus afwachten. + +Met het oog hierop hadden zij hunne plannen gemaakt, en alles voorbereid +tot een overhaast vertrek. + +Welgemoed reden zij naast elkander voort, vol vertrouwen op den dag van +morgen. Onderweg kwamen zij Malluch tegen. De brave man verraadde door +woord noch blik, dat hij de verhouding van den jongen man tot Simonides +kende of van hun verbond kennis droeg. Hij groette als naar gewoonte, en +reikte den Sheik een papier over, zeggende: Hier heb ik het programma +van de spelen. Het is zooeven uitgekomen. Gij zult uwe paarden +aangekondigd zien voor den wedren, ook de volgorde van de +vermakelijkheden. + +Terwijl de Sheik het papier inzag, zeide Malluch tot Ben-Hur: Ik wensch +u geluk, zoon van Arrius. Morgen zult ge met Messala in het strijdperk +treden. Aan alle verplichtingen is voldaan. De ondernemer heeft het mij +zelf gezegd. + +--Heb dank, Malluch, zeide Ben-Hur. + +--Uwe kleur is wit, vervolgde de ander. Die van Messala rood en goud. +Het is reeds overal bekend, want de jongens op straat bieden al lintjes +en strikjes te koop aan. Morgen zal iedere Arabier en iedere Jood met +wit versierd zijn. In den circus zult gij zien dat wit en rood met goud, +gelijkelijk op de galerijen gedragen worden. + +--Op de galerijen, ja--maar niet op de tribune tegenover de Porta +Pompae. + +--Neen, daar zal rood met goud overheerschend zijn. Maar als wij +winnen,--Malluch lachte smakelijk bij die gedachte,--hoe zullen die +heertjes dan sidderen. Zij gaan natuurlijk aan 't wedden. In hunne +minachting voor alles wat niet Romeinsch is zullen zij twee, drie, vijf +zetten tegen een op Messala. Het past eigenlijk niet voor een Jood van +goeden naam zijn geld er aan te wagen; maar ik wil u in vertrouwen +zeggen, dat ik een vriend achter den zetel van den consul plaatsen zal, +om weddenschappen aan te nemen van drie, vijf, of tien tegen een, hoe +hoog zij ook in hunne verdwaasdheid mochten willen gaan. Ik heb hem tot +dat doel een wissel van 6000 sikkel gegeven. + +--Neen, Malluch, een Romein wedt alleen met Romeinsch geld. Zoek uw +vriend nog van avond op en stel zooveel sestertiën tot zijne +beschikking, als gij noodig oordeelt. En, Malluch, zeg hem vooral dat +hij weddenschappen moet zien aan te gaan met Messala en diens vrienden, +Ilderims vierspan tegen dat van Messala. + +Malluch dacht even na. + +--Dat zal de aandacht van allen op u vestigen. + +--Dat is juist wat ik verlang. + +--Ik begrijp het, jawel! + +--Als gij mij een genoegen wilt doen, Malluch, tracht dan het publiek +opmerkzaam te maken op den wedstrijd tusschen Messala en mij. + +--Daar zie ik wel kans toe, antwoordde Malluch. Ik zal buitengewoon +hooge sommen inzetten. Worden zij aangenomen, zooveel te beter. + +Malluch zag Ben-Hur onderzoekend aan, terwijl deze half tot zichzelven +zeide: Zou ik mij niet schadeloos stellen voor den aan mij gepleegden +roof? Zulk een gelegenheid komt misschien nooit meer terug. En als ik +niet alleen zijn trots fnuikte, maar hem daarenboven geheel te gronde +kon richten, dan ...! Onze vader Jakob zou daar niets tegen kunnen +hebben. Ja, het moet. Luister, Malluch. Bepaal u niet tot sestertiën. +Jaag hen op tot talenten. Als zij durven vijf, tien, twintig talenten, +desnoods vijftig, als gij met Messala zelf kunt laten wedden. + +--Dat zijn verbazende sommen. Dan zou ik borg moeten kunnen stellen. + +--Goed. Ga naar Simonides en vraag hem die zaak voor mij in orde te +brengen. Zeg hem, dat ik er mijn hart op gezet heb mijn vijand te +vernietigen, en dat zich nooit betere gelegenheid kan voordoen. De God +onzer vaderen zij met ons! Ga, beste Malluch. Laat de gelegenheid u niet +ontsnappen. + +Vol vuur wilde Malluch zich verwijderen, maar bedacht zich intijds en +zeide: Nog iets, heer. Ik kon niet dicht genoeg bij Messala's wagen +komen, daarom heeft iemand anders de maat voor mij genomen. Hij zeide, +dat de as een handbreed hooger van den grond was dan de uwe. + +--Een handbreed! Zooveel? riep de jonkman vroolijk en fluisterde toen +Malluch in het oor: Daar gij een zoon van Juda zijt en trouw voor uwen +stamgenoot, moet gij zorgen, dat gij een plaats krijgt vooraan op de +galerij tegenover den triomfboog. Let dan maar goed op telkens als wij +daar den draai maken. Let goed op, want als het geluk mij dient zal +ik ... maar neen, ik zeg verder niets. Zorg maar dat gij daar komt te +zitten. + +Op dat oogenblik uitte Ilderim een kreet van verbazing. + +--Ha! Wat is dat! Lees! riep hij tot Ben-Hur. + +Deze nam het blad, dat, door den prefect der provincie onderteekend, +zooveel was als ons hedendaagsch programma, en uitvoerig de +verschillende vermakelijkheden beschreef. Eerst zou een luisterrijke +optocht gehouden worden, gevolgd door de gewone eerbewijzen aan den god +Consus, daarna wedloopen, springen, worstelen, boksen. De namen der +deelnemers met opgave van nationaliteit en leerschool waren alle +aangegeven, benevens hunne vroegere overwinningen. Dit gedeelte van het +programma zag Ben-Hur vluchtig door; maar toen hij aan de beschrijving +van den wedren kwam las hij die bedaard en rustig. Zij begon met de +mededeeling, dat de liefhebbers een zeldzaam genot wachtte, vermeldde +daarna, dat de prijs zou bestaan uit 100,000 sestertiën en een +lauwerkrans, en ging toen tot bijzonderheden over. Zes vierspannen waren +ingeschreven, die, om den strijd te belangwekkender te maken, alle te +gelijk zouden afrijden. Daarop volgde eene beschrijving van de +vierspannen. + +I. Een vierspan van Lysippus den Corinthiër--twee schimmels, een vos en +een bles. Verleden jaar te Alexandrië en te Corinthe den prijs behaald. +Menner: Lysippus. Kleur: geel. + +II. Een vierspan van Messala den Romein--twee witte, twee zwarte. +Verleden jaar prijswinners bij de Circensische spelen in den Circus +Maximus. Menner: Messala. Kleur: rood en goud. + +III. Een vierspan van Cleanthes den Athener--drie schimmels, een vos. +Verleden jaar prijswinners bij de Istmische spelen. Menner: Cleanthes. +Kleur: groen. + +IV. Een vierspan van Dicaeus den Byzantijner--twee zwarte, een schimmel, +een vos. Prijswinners te Byzantium. Menner: Dicaeus. Kleur: zwart. + +V. Een vierspan van Admetus den Sidoniër--alle schimmels. Driemaal +prijswinners te Cesarea. Menner: Admetus. Kleur: blauw. + +IV. Een vierspan van Ilderim, Sheik der woestijn--alle vier vossen, +eerste renners. Menner: Ben-Hur, een Jood. Kleur: wit. + +Menner: Ben-Hur, een Jood! + +Waarom dien naam opgegeven in plaats van Arrius? + +Ben-Hur zag den Sheik vragend aan. Nu begreep hij de reden van Ilderims +uitroep. Beiden kwamen tot dezelfde slotsom: dat had Messala gedaan! + + + * * * * * + + +ELFDE HOOFDSTUK. + +DE WEDDENSCHAPPEN. + + +Den avond voor de feesten heerschte in Antiochië groote drukte. Een +dichte menschenmassa bewoog zich door de straten, voornamelijk langs de +Kolonnade van Herodes. Men kon zich dan ook moeilijk iets denken, dat +meer geschikt was om wandelaars te lokken, dan die breede overdekte +paden, met hunne sierlijke marmeren bogen. Overal brandde licht, overal +heerschte vroolijkheid: gezang, gelach, gedruisch van stemmen. + +Schier alle nationaliteiten waren vertegenwoordigd in hunne verschillende +kleederdrachten, hetgeen niet weinig bijbracht tot verlevendiging van het +tooneel. + +Eéne bijzonderheid zou onze aandacht zeker getrokken hebben, en wel dat +bijna iedereen de kleur van een der zes menners droeg, hetzij in de vorm +van een sjerp of rozet, of een veer op de muts. Men behoefde niet lang +rond te zien om te bemerken, dat drie kleuren den boventoon voerden: +groen, wit, en rood met goud. + +Wij willen ons thans niet buiten ophouden, maar een kijkje nemen in het +paleis op het eiland. + +De vijf groote kroonlichten branden. Het gezelschap, dat wij in de zaal +vinden, in nagenoeg hetzelfde als dat, waarmede wij den vorige keer +kennis maakten. Op den divan liggen ook nu slapers en mantels, en op de +tafels rollen weder de dobbelsteenen. Het meerendeel der aanwezigen doet +echter niets. Men wandelt op en neer, men gaapt, men zegt nietsbeteekende +aardigheden. Eigenlijk vervelen zij zich. Hun voornaamste werk is gedaan, +zij hebben hun tafeltjes volgeschreven met weddenschappen op het +hardloopen, het worstelen, het boksen, op alles, behalve op den wedren, +en wel om de eenvoudige reden, dat niemand een enkelen denarie met hen +verwedden wil tegen Messala. + +Allen dragen zijne kleuren. Dat hij de nederlaag zou kunnen lijden wordt +niet mogelijk geacht. Hij heeft immers de beste school doorgemaakt! +Zijne paarden hebben den prijs behaald in den Circus Maximus! En, +bovenal, hij is immers een Romein! + +Messala zelf zit gemakkelijk in een hoek van den divan, het middelpunt +van een groep bewonderende vrienden. Zij hebben het natuurlijk druk over +den dag van morgen. + +Daar komen Drusus en Cecilius binnen. De eerste valt naast Messala op +den divan, met den uitroep: Bij Bacchus, ik ben moe! + +--Waar zijt gij geweest? vraagde Messala. + +--Overal. Wat een menigte menschen is er op de been! Het zal morgen in +den circus ongenaakbaar zijn. + +--Hebt gij ook iets bijzonders gezien? + +--Neen. + +--Zoo? zeide Cecilius. Gij vergeet dien optocht van Witten. + +'t Is waar ook. Wij kwamen een langen stoet Witten tegen met een banier. +Maar ... hahaha! + +--Ga voort, zeide Messala. Wat verder? + +--Och, 't was een partijtje Arabieren, en wat Joden uit Jeruzalem. Dat +was alles. + +--Neen, Messala, zeide Cecilius. Drusus is bang om uitgelachen te +worden, maar ik niet alzoo. + +--Welnu, spreek gij dan. + +--Wel, wij hielden den troep staande, en-- + +--En vraagden of zij een weddenschap met ons wilden aangaan, viel Drusus +zijn vriend lachend in de rede. Een jongen stapte naar voren, en zei ja. +Ik nam mijn tafeltje en zeide: Op wien woudt gij wedden? Op Ben-Hur, den +Jood, antwoordde hij. Toen zeide ik: Om hoeveel zullen wij wedden? Hij +antwoordde ... hahaha! O, Messala, ik moest zóó lachen, 't was zoo gek, +hahaha! + +Messala keek Cecilius vragend aan, en deze zeide: een sikkel;--welke +mededeeling een luid en algemeen gelach veroorzaakte. + +--En wat deed Drusus? vraagde Messala. + +--Natuurlijk bedankte hij voor de eer. + +Bij de deur ontstond eenig rumoer, dat al sterker en sterker werd en +zelfs Cecilius deed opstaan, om te gaan zien wat de reden kon zijn. +Luide kreten van: Een witte! een witte! klonken hem tegen. + +Hierheen, hierheen! riepen sommigen. + +De spelers verlieten hun spel, de slapers ontwaakten, wreven zich de +oogen uit, haalden hunne tafeltjes voor den dag en naderden den kring, +die zich om den vreemdeling gevormd had. + +--Ik bied u.... + +En ik.... + +--Ik ... schreeuwden zij door elkander. + +De persoon, die zoo stormachtig begroet werd, was niemand anders, dan de +Jood van Cyprus, door wien Ben-Hur allereerst van Simonides gehoord had. +Hij was in het wit gekleed, en trad beleefd groetend vooruit. Langzaam +en statig ging hij naar de middeltafel, zette zich neder en wuifde met +de hand. Een kostbaar juweel aan zijnen vinger bracht niet weinig bij +tot het verkrijgen van de gewenschte stilte. + +--Romeinen, edele Romeinen, ik groet u, zeide hij. + +--Die is leuk! zeide Drusus. Wie is hij? + +--Een Jood--Sanballat heet hij, leverancier aan het leger, woont in +Rome, geducht rijk geworden door leveranciers, die hij nooit levert. Hij +zint altijd op kwaad, maar ditmaal zullen wij hem in zijn eigen strikken +vangen. + +Messala stond op, terwijl hij dit zeide, en voegde zich bij de anderen. + +--Ik hoorde op straat, zeide Sanballat, zijn tafeltje ter hand nemend, +dat men in het paleis ontevreden is, omdat niemand tegen Messala wil +wedden. Gij ziet mijne kleur. Ter zake dus. Wat biedt gij mij? Eerst +kansen, daarna de som. + +Zijne stoutmoedigheid overblufte de jonge Romeinen. + +--Kom, hernam hij, ik heb niet veel tijd. De consul wacht mij bij zich. + +Dat werkte. + +--Twee tegen een, riep een half dozijn stemmen. + +--Hoe nu? vraagde Sanballat verbaasd. Twee tegen een? En gij wedt op een +Romein? + +--Drie dan! + +--Niet meer dan drie? Een Romein tegen een Jood! Zeg vier! + +--'t Is goed, vier! riep een knaap, door dien spot getergd. + +--Vijf. Zeg vijf, liet Sanballat er onmiddellijk op volgen. + +Diepe stilte heerschte in de zaal. + +--De consul wacht op mij. Ik heb niet veel tijd meer. + +De stilte werd benauwend. + +--Zeg vijf. Voor de eer van Rome vijf. + +--'t Is goed, laat het vijf zijn, zeide Messala. + +Sanballat glimlachte en deed alsof hij wilde gaan schrijven. Als de +keizer morgen sterft, zeide hij, behoeft Rome niet verlegen te staan. +Hier is ten minste nog een, die moed bezit. Zeg zes! + +--Goed. Zes, antwoordde Messala, en werd met een stormachtig applaus +beloond. + +--Zes tegen een dus, herhaalde Messala. Zes tegen een. Het onderscheid +tusschen een Romein en een Jood. Schrijf het bedrag op. Maar vlug. De +consul mocht u laten roepen en dan was ik mijn winst kwijt. + +Sanballat liet hem lachen, schreef, en bood zijn tafeltje aan Messala. + +--Lees, lees! riepen zijne vrienden. + +Messala las met luide stem: + + Mem. Wedren met wagens. Messala van Rome wedt met Sanballat, + eveneens van Rome, dat hij Ben-Hur den Jood zal verslaan. Bedrag + der weddenschap: twintig talenten. Kansen: Zes tegen een. + + Getuigen: ............ + + Sanballat. + +Doodelijke stilte alom. Als aan den grond genageld stonden de +jongelieden. Messala staarde op het memorandum, de oogen van de anderen +rustten op hem. Hij voelde die blikken en overlegde wat te doen. Zoo +kort geleden nog had hij op deze zelfde plek den meester gespeeld over +zijne makkers. Weigerde hij te teekenen, dan was hij van zijn voetstuk +gevallen. Toch kon hij niet teekenen, want hij bezat geen honderd +talenten, nauwelijks een vijfde van die som. Alles schemerde hem voor de +oogen. Hij stond sprakeloos en werd doodsbleek. Daar viel hem iets in. + +--Gij Jood, zeide hij, zoudt gij twintig talenten bezitten? Bewijs! + +Een fijne glimlach speelde om Sanballats lippen. + +--Ziedaar! zeide hij en overhandigde Messala een blad papier. + +Weder las Messala met luide stem: + + Antiochië, den 16den Tammuz. + + Toonder dezes, Sanballat van Rome, heeft bij mij gedeponeerd vijftig + talenten, Romeinsch geld. + Simonides. + +--Vijftig talenten! Vijftig talenten! riepen de jongelieden verbaasd. + +Nu kwam Drusus zijn vriend te hulp. Bij Herkules! riep hij, dat blad +liegt, en de Jood liegt. Wie, behalve de keizer, heeft zoo op eens +vijftig talenten ter beschikking? Weg met den onbeschaamden Witte! + +Hij was driftig en stak ook de anderen aan. Sanballat bleef echter +bedaard, en glimlachte weder. Eindelijk zeide Messala: Stil! Een tegen +een, vrienden! Een tegen een, ter liefde van onzen ouden Romeinschen +naam. + +Met dat woord beheerschte hij weder den toestand. + +--Welaan, Jood, zeide hij tegen Sanballat, ik wedde zes tegen een, niet +waar? + +--Ja, antwoordde de ander bedaard. + +--Welnu, laat dan aan mij over het bedrag vast te stellen. + +--Goed; maar onder beding, dat de som niet te gering zij, antwoordde +Sanballat. + +--Schrijf dan vijf in plaats van twintig. + +--Kunt gij daarover beschikken? + +--Bij de moeder der Goden, ik zal u het bewijs geven. + +--Niet noodig. Het woord van zulk een dapper Romein is mij genoeg. Maar +maak het liever tot een even getal. Zeg zes, en ik zal schrijven. + +--Het zij zoo. + +Daarop verwisselden zij van tafeltjes. + +Sanballat stond op en zag rond. Uitdagende spot was op zijn gelaat te +lezen. Beter dan iemand wist hij wien hij voor zich had. + +--Romeinen, durft gij nog een weddenschap aan te gaan? Vijf talenten +tegen vijf, dat wit winnen zal. Ik daag u allen te zamen uit. + +Algemeene verbazing. + +--Wat? riep Sanballat luide. Moet morgen in den circus verteld worden, +dat een Jood in het paleis geweest is, waar de bloem der Romeinsche +edellieden verzameld was, en dat hij vijf talenten inzette, maar dat +niemand hem aandurfde? Dat is te erg. + +--Genoeg, onbeschaamde! riep Drusus. Schrijf de uitdaging op en leg ze +hier op tafel neer. Als morgen blijkt, dat gij werkelijk zooveel geld op +een verloren zaak kunt zetten, dan beloof ik, Drusus, u, dat ik de +weddenschap aanneem. + +Weder schreef Sanballat het vereischte stuk en zeide doodbedaard: +Ziehier, Drusus, ik laat het stuk in uwe handen. Als het geteekend is, +zend het mij dan, voordat de wedrennen beginnen. Ik heb een plaats vlak +bij den consul tegenover de Porta Pompae. Vrede zij u allen! + +Hij boog en vertrok, onverschillig voor de spotternijen, die zij hem ten +besluite deden hooren. + +Dienzelfden avond nog vloog het verhaal van de onzinnige weddenschap als +een loopende vuurtje door de stad. Ook Ben-Hur hoorde er van, met +bijvoeging, dat Messala's geheele fortuin op het spel stond. Hij had +zich met zijn vierspan ter rust begeven en nooit sliep hij beter dan +dien nacht. + + + * * * * * + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + +DE CIRCUS. + + +De circus te Antiochië stond op den zuidelijken oever der rivier, +tegenover het eiland, en was wat den vorm betreft als andere gebouwen +van die soort. De spelen waren in vollen zin des woords een geschenk aan +het volk, dat wil zeggen: iedereen had vrijen toegang. + +Lang voordat de deuren opengingen verzamelde zich in de naburige straten +een dichte menigte, want hoe groot en ruim het gebouw ook zijn mocht, +ieder wilde de eerste zijn, uit vrees dat hij geen plaats zou krijgen. + +Nauwelijks was de morgenschemering aangebroken, of de toegang werd +geopend en het volk stroomde naar binnen, om bezit te nemen van de voor +hem bestemde plaatsen. Zij hadden hun ontbijt bij zich en brachten de +uren, die nog verloopen moesten, voordat de spelen begonnen, slapende en +etende door. + +De meer aanzienlijken, die besproken plaatsen hadden, kwamen met de +eerste uren van den dag, en toen de zonnewijzer van de citadel de tweede +ure aangaf, daalde het garnizoen in volle wapenrusting en met vliegende +vanen van den berg Sulpius af. Toen de achterhoede over de brug verdween, +was Antiochië letterlijk leeggeloopen. + +Die geen plaats hadden kunnen krijgen in den circus hadden zich naar de +rivier begeven, om den consul, die in het eiland-paleis logeerde, in +zijn fraaie bark te zien landen. Toen de groote man aan wal stapte werd +hem door het legioen de militaire eer bewezen, waarna de stoet den +circus binnentrok. + +Met de derde ure kondigde trompetgeschal de opening van het feest aan. +Het rumoer verstomt. De oogen van meer dan honderdduizend menschen +vestigen zich in gespannen verwachting op een en hetzelfde punt, op de +Porta Pompae, waar de autoriteiten en kampspelers in feestelijken +optocht zullen binnenkomen. + +Daar zijn zij. Eerst de koorzangers en muzikanten, dan de prefect en +het stedelijk bestuur, in prachtgewaad en met kransen op het hoofd, +vervolgens de beelden der goden, sommige gedragen, andere in prachtig +versierde wagentjes, daarna de kampvechters, ieder in zijn bijzonder +kostuum. Langzaam gaat de processie voort. Het is een schoon en +indrukwekkend gezicht, en lokt een eindeloos gejubel uit. + +De ontvangst der athleten is bijzonder luidruchtig, want er is niemand +onder de toeschouwers, die niet op hen gewed heeft, al is het nog zoo +weinig. Men roept hen bij hunne namen, men werpt hun bloemen en kransen +toe. De vierspannen sluiten den optocht. De fiere rossen, de prachtige +wagens boeien aller oogen, de menners niet minder. Hunne fijne wollen +tunica's, kort en zonder mouwen, zijn van de hun toegewezen kleuren. Een +man te paard begeleidt iederen wagen, behalve dien van Ben-Hur. Deze had +om de eene of andere reden, misschien uit wantrouwen, voor die eer +bedankt. De andere menners dragen een helm, hij niet. + +De toeschouwers staan op van hunne zitplaatsen, men juicht, men jubelt, +en een regen van bloemen daalt neer op de paarden, de wagens, de menners. + +Alle aanwezigen, mannen, vrouwen en kinderen, dragen een strikje op de +borst, of in het haar, de kleur van een der menners, maar ofschoon alle +kleuren vertegenwoordigd zijn, voeren wit, en rood met goud, den +boventoon. De oorzaak hiervan is te zoeken in het nationaliteitsgevoel. +De buitenlieden: Syriërs, Joden en Arabieren, hopen den Jood te zien +zegepralen. De burgers van Antiochië en de Romeinen rekenen er op den +Romein als overwinnaar uit het strijdperk te zien treden. De Grieken +zijn verdeeld tusschen den Corinthiër en den Athener. De steden +Byzantium en Sidon zijn schaars vertegenwoordigd. + +Naarmate de stoet voorttrekt neemt de geestdrift toe. Messala! Messala! +Ben-Hur! Ben-Hur! weerklinkt het luider en luider, en toen men eindelijk +de arena door de Porta Pompea verliet, wist Ben-Hur dat zijn gebed +verhoord was. Het Oosten wachtte in spanning den uitslag af van zijn +strijd met Messala. + + + * * * * * + + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + +DE AFRIT. + + +Te drie uur des namiddags volgens onze tijdrekening was het grootste +gedeelte van het programma afgeloopen. De wedren alleen moest nog +gehouden worden. Maar eerst zou er een pauze zijn, opdat de toeschouwers +zich wat zouden kunnen verfrisschen. De deuren werden geopend, de +meerderheid stroomde naar buiten, om zich in de nabijgelegen winkels van +het noodige te voorzien. Zij, die liever bleven zitten, praatten, +geeuwden, rekten zich uit, raadpleegden hunne tafeltjes, en bespraken +hun verlies of winst. + +Diegenen van de burgerij, welke om verschillende redenen verkozen hadden +alleen den wedren bij te wonen, maakten van de pauze gebruik, om zich +naar de voor hen besproken plaatsen te begeven. Door dit uur te kiezen +trokken zij het minst de aandacht en gaven niemand aanstoot. + +Tot deze klasse behoorden Simonides en zijn gezelschap, die hunne plaatsen +hadden bij den hoofdingang tegenover den consul. + +Toen vier bedienden den koopman in zijn stoel naar binnen droegen, staken +allen de hoofden bij elkander. Iemande noemde zijn naam, en weldra ging +hij van mond tot mond. Allen bogen zich over de leuning om den man te +zien, van wiens rijkdom en treurig lot verschillende praatjes in omloop +waren. Ook Ilderim werd door velen herkend en met warmte begroet; maar +niemand wist te zeggen wie Balthasar en de twee dicht gesluierde vrouwen +waren, die hen vergezelden. Toen zij gezeten waren zag de eene, Esther, +verlegen voor zich en trok haar sluier dichter voor 't gelaat; maar de +andere, Iras, liet hem afglijden, en keek vrijmoedig om zich heen. + +Een weinig later kwamen eenige werklieden en spanden een met wit krijt +bestreken touw dwars over de arena, vóór den eersten eindpaal. Terwijl +zij daar nog mee bezig waren, traden zes mannen door de Porta Pompae +binnen en stelden zich voor de zes stallen. Nu ontstond een algemeen +fluisteren en wijzen. + +--Kijk, de groene gaat naar nummer vier, daar is dus de Athener. + +--En Messala is in nummer twee. + +--De Corinthiër ...! + +--O, zie eens naar de witte! Kijk, hij gaat naar nummer een. + +--Neen, daar blijft de zwarte staan, de witte moet naar nummer twee. + +--O ja, gij hebt gelijk. + +Deze deurwachters droegen tunica's van de kleuren der mededingende +menners; zoodat, toen zij hunne plaatsen innamen, iedereen wist in +welken stal zijn uitverkoren held het sein tot den afrit verbeidde. + +--Hebt gij Messala wel eens gezien? vraagde Iras aan Esther. + +--Neen, antwoordde zij, en huiverde op het hooren van dien gevreesden +naam. + +--Hij is schoon als Apollo, hernam Iras. + +--Zou hij dan zóóveel schooner zijn dan Ben-Hur, dacht Esther. + +Een oogenblik later hoorde zij Ilderim tot haren vader zeggen: Ja, zijn +stal is nummer twee, links van de Porta Pompae,--en begrijpende, dat zij +over den jongen meester spraken, keek zij naar dien kant. Ook slechts +even, toen hulde zij zich nog dichter in haar sluier, en zond een innig +smeekgebed tot God omhoog. + +Nu voegde Sanballat zich bij hen. + +--Sheik, zeide hij, ik ben even in den stal geweest. De paardjes bevinden +zich in den besten welstand. + +Ilderims oogen glinsterden van voldoening, maar hij antwoordde bedaard: +Mochten zij het onderspit delven, dan hoop ik dat dit voor een ander dan +Messala zal zijn. + +--Zie, zeide Sanballat, zich tot Simonides wendende, hier is iets dat u +belang zal inboezemen. Ik deelde u reeds mede, dat ik gisteren een +weddenschap met Messala heb aangegaan, en het aanbod tot een tweede +achterliet, die mij, zoo het aangenomen werd, hedenmorgen moest bezorgd +worden. Hier is zij,... en dit zeggende overhandigde hij Simonides een +tafeltje. + +Simonides nam het en las het memorandum met aandacht. + +--In orde, zeide hij. Van morgen lieten zij mij vragen, of het waar was, +dat gij over zooveel geld te beschikken hadt. Bewaar het tafeltje goed. +Verliest gij, welnu, gij weet waar gij u vervoegen kunt. Wint gij--O +mijn vriend! als gij wint, pas dan op. Laat niet toe, dat zij u +ontsnappen. Dwing hen u tot den laatsten penning te betalen. Zij zouden +het ons ook doen. + +--Verlaat u op mij, antwoordde Sanballat. + +--Wilt gij niet bij ons komen zitten? vraagde Simonides. + +--'t Is heel vriendelijk van u, maar als ik niet bij den consul blijf +wordt jong Rome te overmoedig. + +De pauze was afgeloopen. Trompetgeschal riep de afwezigen naar hunne +plaatsen terug. Tegelijkertijd verschenen eenige bedienden in de arena, +klommen op den scheidsmuur, gingen naar een uitstekje bij den tweeden +paal aan het westeinde en legden er zes houten ballen op. Vervolgens +keerden zij terug naar den eersten paal en legden op een dergelijk +uitstekje zes houten dolfijnen. + +--Wat beteekenen die ballen en die visschen, Sheik? vraagde Balthasar. + +--Hebt gij nog nooit een wedren bijgewoond? + +--Neen, dit is de eerste maal. + +--Wel, daar telt men mede. Na iederen rondgang wordt een bal en een +visch weggenomen. + +De voorbereidingen waren afgeloopen. Een trompetter stond gereed om op +het bevel van den prefect het signaal te blazen. Het gejoel en gepraat +verstomde. In gespannen verwachting keerden alle hoofden zich naar de +nog gesloten stallen, waar de zes mededingers wachtten. + +De ongewone kleur op het gelaat van Simonides toonde duidelijk, dat hij +alles behalve kalm was, terwijl Ilderim onrustig in zijn baard woelde. + +--Let nu op den Romein, zeide Iras tot Esther, die met een kloppend hart +naar Ben-Hur uitzag. + +Een kort schril trompetgeschal, en de zes opzichters traden naar voren +om, zoo de paarden wild mochten zijn, hulp te kunnen verleenen. Weer +werd de trompet geblazen, en tegelijkertijd werden de deuren der stallen +opengeworpen. + +Eerst verschenen de bereden begeleiders der mededingers, vijf in getal, +want Ben-Hur had zooals wij weten voor die eer bedankt. Het witte touw +werd neergelaten om hen te laten voorbijgaan, daarna weer omhoog +gehaald. De vijf ruiters waren prachtig uitgedost, maar bijna niemand +lette op hen. De open stallen hielden aller aandacht geboeid. + +Het touw werd nogmaals neergelaten, en als een stormwind vlogen de zes +vierspannen naar buiten. De onafzienbare menschenmassa verrees van hare +zitplaatsen en deed de lucht weergalmen van haar gejuich. Dit was het +oogenblik, waar zij zoo geduldig op gewacht hadden, waar zij dagen lang +over gesproken hadden. + +--Daar is hij! riep Iras en wees op Messala. + +--Ik zie hem, antwoordde Esther, maar haar blik volgde Ben-Hur. Zij had +haar sluier weggeslagen en begreep op dat oogenblik hoe men, onder het +bewonderend oog der menigte, zelfs den dood onvervaard leert trotseeren. + +De deelnemers waren thans voor alle toeschouwers goed te zien, maar toch +was de wedren nog niet begonnen. Eerst moesten zij het witte touw veilig +achter zich hebben. + +De lijn was gespannen om den afrit volkomen gelijktijdig te doen plaats +vinden. Om er niet door tegengehouden te worden, en zoodoende reeds bij +het begin tot de achterblijvers te behooren, moesten zij er zijn, juist +op het oogenblik, dat de lijn viel. Maar dan nog was de groote vraag, +wie op de baan aan de binnenzijde naast den scheidsmuur kwam. Dat was +het doelwit van aller streven. De gelukkige, die zich deze plaats wist +te veroveren, had van den beginne iets voor boven de anderen. + +Dat streven, de daaraan verbonden gevaren en gevolgen waren bij de +toeschouwers zeer goed bekend, en daarom wachtten allen dan ook ademloos +op den uitslag. + +De arena baadde in licht, maar de menners lieten zich niet verblinden. +Strak was hun oog gevestigd op het touw en op den begeerden binnenkant. + +Zoo renden dan alle zes in pijlsnelle vaart naar een en hetzelfde punt +en scheen een botsing onvermijdelijk. + +De tot aan het touw af te leggen baan was ongeveer tweehonderdvijftig +voet lang. Hier werden een scherp oog, een vaste hand, een kalme geest +vereischt. Eén blik ter zijde en het was gedaan. + +De mededingers naderden het touw gelijktijdig. Daar werd het signaal +geblazen, het touw viel neer en geen minuut te vroeg, want reeds sloeg, +toen het viel, de hoef van een van Messala's paarden er tegen. Volstrekt +niet verschrikt vierde de Romein de teugels en met een luiden jubelkreet +nam hij de veelbegeerde baan naast den muur in bezit. + +--Jupiter met ons! Jupiter met ons! schreeuwden de Romeinen, buiten +zichzelven van vreugde. + +Toen Messala inreed greep de bronzen leeuwenkop aan het einde van zijne +as den voorpoot van het bijdehandsche paard des Atheners, zoodat het +tegen zijnen buurman viel. Beide wankelden, steigerden en versperden +daardoor den weg. De duizenden hielden ontzet den adem in, alleen van de +tribune, waar de consul zat, herhaalde zich het vreugdegejuich. + +--Jupiter met ons! riep Drusus zoo hard hij kon. + +--Hij wint, hij wint! Jupiter met ons! schreeuwden zijne makkers, toen +zij Messala vooruit zagen schieten. + +De zoo ongelukkig opgehouden Athener had nu alleen nog den Corinthiër +aan zijne rechterhand en wilde zijn vierspan daarheen sturen, maar het +ongeluk vervolgde hem. Het wiel van den Byzantijner, die ter linkerzijde +reed, trof het achterste rad van zijn wagen, zoodat hij kantelde. Een +luid gekraak, een kreet van woede en smart, en daar lag de arme +Cleanthes onder de hoeven zijner eigene paarden! 't Was een +ijzingwekkend schouwspel. Esther bedekte zich het gelaat met de handen. + +Voort vlogen de Corinthiër, de Byzantijner, de Sidoniër. Sanballat zag +naar Ben-Hur en wendde zich toen tot Drusus en zijne vrienden. + +--Honderd sestertiën op den Jood! riep hij. + +--Aangenomen! antwoordde Drusus. + +--Nog eens honderd sestertiën op den Jood! riep Sanballat weder. + +Niemand scheen hem te hooren. Zij hadden al hunne aandacht noodig voor +hetgeen in de renbaan gebeurde en riepen tot heesch wordens toe: +Messala! Messala! Jupiter met ons! + +Toen Esther zich vermande om weer op te zien, waren eenige mannen bezig +met het wegvoeren van de paarden en het gebroken wagentje. Andere +droegen den gewonde uit de arena, terwijl de aanwezige Grieken zich luid +beklaagden en om wraak riepen. Daar zag Esther op eenmaal Ben-Hur met +den Romein samen op één lijn. Hen volgden op den voet de drie overigen: +de Sidoniër, de Corinthiër, en de Byzantijner. De wedren was in vollen +gang. De duizenden hingen in gespannen verwachting over de balustrades. + + + * * * * * + + +VEERTIENDE HOOFDSTUK. + + +DE WEDREN. + + +Zooals wij gezien hebben was Ben-Hur, bij het begin van den strijd om de +plaatsen, aan de buitenzijde. Was hij voor een oogenblik als de anderen +half verblind door het schelle licht, het gelukte hem toch zijn +tegenstander te herkennen. Beiden waren met dezelfde gevoelens bezield, +beiden waren vastbesloten om den prijs te winnen. Beiden zouden zij zich +tot het uiterste inspannen om elkander te vernederen. Toch was het geen +blinde hartstocht, die het bloed van den Jood in beweging bracht. Hij +had een vast plan, en vertrouwend op zijn goed recht en vaste hand zette +hij zich tot taak, nooit beter daartoe gestemd dan nu. Met groote +behendigheid wist hij bij Cleanthes' val het dreigend gevaar te ontkomen, +en door een prachtige zwenking naast Messala te komen, zij het ook aan de +buitenzijde. + +Dat kunststuk was de scherpe blikken der toeschouwers niet ontgaan, en +de circus daverde van het herhaalde applaus. Toen vouwde Esther de +handen in dankbare verrukking. Sanballat bood, maar tevergeefs, trotsch +glimlachend opnieuw honderd sestertiën aan, en de Romeinen vreesden +reeds dat Messala zijn gelijke, misschien wel zijn meester gevonden had! + +Zoo naast elkander voortrennend naderden die beiden den tweeden paal. +Hier was een kromming in de baan, en dien draai naar de eischen der +kunst te maken was een punt van eer voor de menners. De belangstelling +van het publiek was zoo groot, dat overal in den circus de diepste +stilte heerschte, en men voor het eerst een geratel der wagentjes +duidelijk hoorde. Nu scheen Messala op eens Ben-Hur te herkennen, en +terstond openbaarde zich de onbeschaamdheid van den Romein op ongehoorde +wijze. + +--Weg met Eros! Leve Mars! riep hij luide, zijn lange zweep zwaaiend. +Eros! Mars! herhaalde hij, en bracht Ben-Hurs fiere paarden een slag +toe, zooals zij nog nooit gevoeld hadden. + +Allen hadden het gezien. De verbazing was algemeen. De stilte werd +hoorbaar. Op de tribune van den consul hield zelfs de overmoedigste den +adem in, wachtend op hetgeen volgen zou. Slechts één oogenblik ... toen +barstte een storm van verwijten los. + +Het vierspan was verschrikt vooruitgesprongen. Niemand had ooit anders +dan in liefde de hand op hen gelegd,... wat konden de fijngevoelige +dieren onder zulk een onwaardige behandeling anders doen dan vluchten, +alsof de dood hen op de hielen zat? + +Ondervinding is de beste leermeesteres. Dat bleek ook nu. Vanwaar had +Ben-Hur zijn gespierde hand, zijn machtigen greep, die hem nu zoo goed +te stade kwamen? Had hij die niet te danken aan de roeispaan, waarmede +hij drie lange jaren de golven had doorsneden? En wat beteekende het +geweldige schokken van den wagen voor hem, die op de schuimende baren +gezwalkt had, nu eens hemelhoog opgeheven, dan weder neergesmakt in de +diepte? + +Onbeweeglijk bleef hij stand houden, gaf het vierspan den teugel, sprak +hen bemoedigend toe, en trachtte hen voorzichtig den gevaarlijken draai +te doen nemen. Voordat het volk van zijne verontwaardiging bekomen was, +was hij zijne paarden weer volkomen meester. Dat niet alleen. Bij den +eersten paal was hij Messala opnieuw ter zijde gekomen en had zich de +bewondering en genegenheid van alle niet-Romeinen veroverd. Zoo +duidelijk gaven zij lucht aan deze gevoelens, zoo heftig hadden zij +hunne afkeuring getoond, dat Messala, hoe onbeschaamd ook, zich wel +wachtte zijn euveldaad te herhalen. + +Toen de wagens om den paal zwenkten zag Esther, dat Ben-Hur wat bleeker +was dan voorheen, maar overigens kalm en bedaard. + +Zoodra de eerste rondtoer volbracht was klom een man op het uitstek aan +het westeinde en nam een van de houten ballen af. Datzelfde geschiedde +aan den overkant met de dolfijnen. + +Voort renden de twee, en op gelijke wijze verdwenen de tweede bal en de +tweede dolfijn. Toen de derde. Driemaal waren zij dus rond geweest. +Messala had zijn plaats aan den binnenkant nog steeds kunnen behouden, +nog vloog de Jood naast hem voort, nog volgden de drie anderen als te +voren. Het scheen een van die dubbelwedrennen te zijn, die later in Rome +zoo geliefd waren--Messala en Ben-Hur in den eersten, de Corinthiër, +Sidoniër en Byzantijner in den tweeden. + +Bij den vijfden rondgang gelukte het den Sidoniër Ben-Hur op zijde te +komen, doch slechts voor een oogenblik. De zesde rondgang begon in de +gewone orde. Langzamerhand was de snelheid toegenomen. Menners en +paarden gevoelden dat de eindbeslissing naderde. + +Hadden van den aanvang de Romein en de Jood het meest de belangstelling +gaande gemaakt, thans begon men voor den laatste te vreezen. + +--Honderd sestertiën op den Jood! riep Sanballat tegen de jonge +Romeinen, maar hij kreeg geen antwoord. + +--Een talent, vijf talenten, tien talenten, zooveel gij wilt! riep +Sanballat uittartend. + +--Kom maar hier, zeide een Romeinsche jonkman. + +--Doe het niet, waarschuwde een vriend. + +--Waarom niet? + +--Omdat Messala zijn grootste snelheid heeft bereikt. Zie hoe hij over +den rand van zijn wagen buigt en de teugels viert. En let dan eens op +den Jood. Ik vertrouw het niet. + +--Bij Herkules! antwoordde de ander droevig, als de goden onzen Messala +niet bijstaan zal de Jood winnen. Maar neen, nog niet! Jupiter met ons! + +Die kreet werd door de andere Romeinen overgenomen, totdat de lucht er +van daverde. + +Als het waar was dat Messala zijn uiterste snelheid bereikt had, één +voordeel had hij behaald, dat was zeker. Hij was Ben-Hur vooruit +gekomen. Zijne paarden hielden de koppen gebogen, van de tribune gezien +schenen zij met den buik den grond te raken, hunne neusgaten waren +bloedrood, hunne oogen sprongen bijna uit de kassen. Ja, de dieren deden +hun best. Hoelang zouden zij het kunnen volhouden? Zij waren eerst aan +het begin van den zesden rondgang. + +Voort vlogen zij. Toen zij den tweeden paal naderden stuurde Ben-Hur +zijn wagen vlak achter dien van Messala. De vreugde der Romeinen kende +geen mate. Zij schreeuwden, zij schaterden, zij wuifden met hunne +roodgouden sjerpen. Sanballat had druk werk om hunne weddenschappen op +te schrijven. + +Malluch, die op de galerij tegenover den Triomfboog zat, begon ongerust +te worden. De wenk, hem door Ben-Hur gegeven, om vooral te letten op de +zwenking bij de westelijke pilaren, was hem in het hoofd blijven hangen, +en daar had hij luchtkasteelen op gebouwd. Dit was de laatste rondgang +en nog was er niets gebeurd! Nog steeds volgde Ben-Hur den Romein op den +voet. + +Het gezelschap van Simonides zat doodstil, alleen Iras scheen vroolijk +en opgewekt te zijn. + +Zoo naderden de twee den eersten paal. Messala, bevreesd om zijn eigen +plaats te verliezen, ging bijna rakelings langs den muur, op gevaar af +van zijn wagen te pletter te slaan. + +Toen zij de kromming omgereden hadden was slechts één wagenspoor te +zien, zoo juist had de Jood den Romein gevolgd. + +Esther merkte op dat Ben-Hurs gelaat nog bleeker was dan straks, en +Simonides zeide tot Ilderim: Ik zou mij zeer moeten vergissen, goede +Sheik, als onze jonge vriend niet iets in het schild voert. Ik zie het +aan zijn gezicht;--en Ilderim antwoordde: Zaagt gij hoe frisch mijn +paarden er uitzien? Alsof zij pas van stal komen! Het echte rennen moet +nog beginnen! Maar nu opgelet! + +Nog één dolfijn, nog één bal stonden op de uitstekken. Het begin van het +einde was daar. + +De Sidoniër beproefde met een laatste krachtsinspanning vooruit te +komen. De poging mislukte. De Byzantijner en de Corinthiër probeerden +hetzelfde, maar slaagden evenmin; zoodat zij feitelijk afgedaan hadden. + +Alle toeschouwers, met uitzondering van de Romeinen, hoopten op Ben-Hur +en schreeuwden hem toe: Vooruit, Jood, geef den Arabieren den vrijen +teugel! Haal den binnenkant! Nu of nooit! Den binnenkant! Den +binnenkant! + +Zoo riepen zij hem van alle kanten toe en hingen over de balustrades en +staken smeekend de armen uit. + +Verstond hij hen niet, of kon hij niet sneller rijden? Reeds naderden +zij den tweeden paal en nog was hij in de achterhoede. + +Om den laatsten draai te maken begon Messala de teugels van de linkse +paarden aan te halen, hetgeen natuurlijk hun vaart een weinig +verminderde. Hij was vol moed. Aan meer dan één altaar had hij geloften +gedaan. Rome zou ook nu zegevieren. Slechts zeshonderd voet tusschen hem +en roem, rijkdom, bevordering, bevrediging van wraakgevoel! + +Op dat oogenblik zag Malluch van de galerij hoe Ben-Hur zich voorover +boog en de teugels vierde. Hij klapte met zijn lange zweep, en klapte +nogmaals en nogmaals. Hoewel hij de verschrikte dieren niet raakte was +in dat geluid toch iets, dat hen vooruit deed springen en voortvliegen +als een pijl uit den boog. Met één sprong waren zij den Romein op zijde. + +Messala, juist genaderd aan het gevaarlijke punt, hoorde iets verdachts, +maar durfde het hoofd niet omdraaien ten einde te zien wat Ben-Hur in +den zin had. Het roepen en schreeuwen van het volk maakte hem niet +wijzer. Boven alles uit hoorde hij ééne stem vlak naast zich, en dat was +de stem van Ben-Hur. In het Arameesch, de taal van den Sheik, riep hij +zijne Arabieren toe: Voorwaarts Rigel! Vooruit Atair! Hoe nu, Antares! +Blijft gij achter? Oho, Aldabaran! Vlugste van allen! Ik hoor het gezang +in de tenten! Ik hoor de kinderen zingen van Rigel, Atair, en Antares, +van Aldebaran en van de victorie! en het jubelen neemt geen einde.--Goed +zoo! Morgen huiswaarts ... naar de zwarte tent ... ons thuis! Voorts +Antares! de meester wacht u!... Het is geschied! Haha! Haha! De +trotschaard is gevallen. Hij, die ons griefde, ligt in 't stof! Ons de +glorie! Ons de roem! Gedaan het werk--soho! halt! ho! + +Snel en eenvoudig was alles in zijn werk gegaan, Messala had bijna den +draai om den eindpaal volbracht, toen Ben-Hur met zeldzame vaardigheid +zijn kunststuk volbracht. + +Om den Romein voorbij te komen moest hij de baan oversteken en wel in de +kortst mogelijke lijn. Het publiek begreep zijn voornemen. Zij zagen hem +het teeken geven, en waren getuigen van het gevolg: de vier vlak naast +Messala's buitenste wiel ... Ben-Hurs binnenwiel, die het pakte ... een +luid gekraak, zoo luid dat allen in den circus het hoorden en er van +ontstelden ... en de wagen van den Romein lag omver, geheel vernield. +Messala, in de teugels verward, lag er onder. + +Het akelig tooneel werd nog ontzettender, doordat de Sidoniër zijne +paarden niet op eens kon inhouden. In volle vaart reden zij over de +rampzaligen Messala en zijn wagen heen, op het steigerende slaande +vierspan in. Alsof er niets gebeurd was zette Ben-Hur in razende vaart +zijn tocht voort, gevolgd door den Corinthiër en den Byzantijner. + +Alles stond op, sprong op de banken, en schreeuwde en juichte. +Intusschen lag Messala nog steeds onder de hoeven der spartelende +paarden, onder den gebroken wagen. Hij lag zoo stil, dat men hem voor +dood hield. Slechts enkelen wijdden hem een blik. De meesten volgden +Ben-Hur op zijn zegetocht. Zij hadden niet gezien, hoe hij de paarden +een weinig naar links stuurde en Messala's wiel met de punt van zijn +ijzeren as pakte, zoodat het te gruizel sprong. Maar de plotselinge +verandering van zijne geheele persoonlijkheid was hun niet ontgaan, den +gloed en de bezieling, die van hem uitgingen, hadden zij gevoeld; +begrepen de alles beheerschende toovermacht, waarmede hij op eens door +woord en gebaar zijne edele rossen bezielde. Welk een rennen! + +Toen de Byzantijner en Corinthiër halfweg waren, had Ben-Hur den +eindpaal bereikt en was de zege behaald. + +De consul verrees van zijn zetel. Het volk schreeuwde zich heesch. De +prefect kwam naar voren en kroonde de overwinnaars. + +De gelukkige prijswinner onder de boksers was een blonde reusachtige +Noor. Zijn gelaat trok Ben-Hurs aandacht en weldra herkende hij in hem +zijn leermeester in het schermen te Rome, wiens geliefde scholier hij +geweest was. Van hem hief hij de oogen op naar Simonides en zijn +gezelschap. Zij groetten hem met de hand. Esther bleef zitten, maar Iras +stond op, lachte hem toe en wuifde met haar waaier--vriendschapsbewijzen, +die, zooals wij weten, voor Messala bestemd waren geweest. + +Nu vormde de stoet zich, zette zich onder het gejubel der menigte in +beweging, en verliet de arena door de Triomfpoort. + +De lang verbeide dag was voorbij. + + + * * * * * + + +VIJFTIENDE HOOFDSTUK. + +EENE NOODIGING. + + +Ben-Hur en Ilderim waren de rivier overgestoken en toefden daar nog, +totdat zij, zooals te voren bepaald was, te middernacht de karavaan +konden volgen, die dertig uren geleden reeds op reis was gegaan. + +De Sheik was overgelukkig. Hij had zijn jongen vriend vorstelijke +aanbiedingen gedaan; maar deze had alles afgeslagen, zeggende dat hij +volkomen tevreden was met de vernedering van zijn vijand. De edelmoedige +tweestrijd bleef lang onbeslist. + +--Bedenk toch, zeide de Sheik, wat gij voor mij gedaan hebt. In elke +tent tusschen de Akaba en den oceaan, van den Euphraat tot aan de +Scytische zee zal de roem van Mira en hare zonen bezongen worden; en +tegelijkertijd zullen zij mijn machtigen arm bezingen. Al de strijdbare +mannen, die zonder leidsman omzwerven, zullen tot mij komen en zich +onder mij scharen. Gij weet niet wat het zegt heerschappij te voeren +over de gansche woestijn, zooals nu voor mij weggelegd is. Ik zeg u het +zal mij zware schatting van handeldrijvenden opbrengen en groote +voorrechten van koningen bezorgen. Ja, bij Salomo's heerlijkheid! Als ik +den keizer om een gunst laat verzoeken, hij zal mijn bede niet afslaan. +En gij wilt niets, niets van mij aannemen? + +Ben-Hur antwoordde: Neen, Sheik. Ik heb immers een plaats in uw hart! +Dat de vermeerdering van uw macht en aanzien den Koning, die wij +verwachten, ten goede kome! Wie zal zeggen, of zij u niet tot dat doel +gegeven zijn? Waarschijnlijk heb ik uwe hulp noodig bij het werk, dat ik +ga ondernemen. Als ik nu voor uwe aanbiedingen bedank, kan ik later te +vrijmoediger bij u aankloppen. + +Hun gesprek werd afgebroken door de komst van twee boden: Malluch en een +onbekende. Malluch werd eerst toegelaten. + +De goede man was opgetogen over de behaalde zegepraal. Na eerst zijne +blijdschap lucht te hebben gegeven, zeide hij: Mijn goede meester heeft +mij opgedragen u mede te deelen, dat sommige der Romeinsche edellieden +weigeren aan hunne verplichting te voldoen. + +Ilderim sprong op en riep heftig: Wat! Het geheele Oosten moge beslissen, +of de zege eerlijk behaald is of niet! + +--Bedaar, edele Sheik, zeide Malluch. De prefect heeft den prijs doen +uitbetalen. + +--Dan is het goed. + +--Toen zij aanvoerden, dat Ben-Hur Messala's wiel verbrijzeld heeft, +lachte de prefect en herinnerde hun den zweepslag, dien Messala den +Arabieren in het begin gaf. + +--Weet gij ook iets van den Athener? + +--Die is dood. + +--Dood? En Messala? Is die ontkomen? Wat loopt dien Romeinschen +windbuilen toch altijd alles mee! riep Ilderim. + +--Hij is wel ontkomen, antwoordde Malluch, maar het leven zal hem tot +een last zijn. De geneesheeren zeggen, dat hij nooit meer zal kunnen +loopen. + +Ben-Hur zag zwijgend op naar den hemel. In den geest zag hij Messala, +evenals Simonides, hulpbehoevend, gedragen in een stoel, afhankelijk van +dienstboden. De oude man had een rein geweten, maar hoe zou deze +trotsche en eerzuchtige er zich in schikken? + +--Sanballat, vertelde Malluch verder, heeft veel last met Drusus en de +andere jongelieden, want zij weigerden de groote sommen te betalen, die +zij verloren hebben, en brachten de zaak voor den consul. Deze verwees +hen naar den Keizer. Messala weigerde eveneens te betalen, maar +Sanballat ging, in navolging van Drusus, naar den consul, waar de zaak +nog hangende is. De goedgezinden onder de Romeinen zeggen, dat het +eereschulden zijn, die betaald moeten worden, en alle andere partijen +scharen zich aan hunne zijde. + +--Wat zegt Simonides? vraagde Ben-Hur. + +--Die lacht en is recht voldaan. Als de Romein betaalt is hij geruïneerd. +Weigert hij, dan is hij geschandvlekt. De Keizer zal moeten beslissen. +Het Oosten te beleedigen zou niet wijs zijn, met het oog op den veldtocht +tegen de Parthen. Sheik Ilderim te beleedigen zou gelijk staan met de +woestijn tegen zich in het harnas te jagen, en die heeft Maxentius juist +noodig voor zijne krijgsoperatiën. Daarom zeide Simonides, dat gij u niet +ongerust behoeft te maken, want Messala zal betalen. + +--Dan kunnen wij vertrekken, zeide Ilderim, en wreef zich de handen. Wij +kunnen alles gerust aan u overlaten. Ik zal de paarden doen voorkomen. + +--Buiten staat nog een bode, zeide Malluch, wilt gij dien zien? + +--'t Is waar ook. Ik dacht niet meer aan hem. + +Malluch ging heen, en in zijn plaats trad een knaap binnen. Hij boog +voor den Sheik en zeide: Iras, de dochter van Balthasar, heeft mij +opgedragen den vriend haars vaders, Sheik Ilderim, geluk te wenschen met +de behaalde overwinning met zijn vierspan. + +--De dochter van mijn vriend is zeer vriendelijk, zeide Ilderim +vroolijk. Geef haar met mijn dank dezen ring tot een aandenken. + +Hij trok een kostbaren diamant van den vinger en reikte dien den +jongeling over. + +--Mijne meesteres, vervolgde de knaap, droeg mij ook op u te verzoeken +den jongeling Ben-Hur mede te deelen, dat zij met haar vader verblijf +houdt in het paleis van Idernee, waar zij den jongeling morgen na de +vierde ure verwacht om hem persoonlijk te kunnen geluk wenschen. + +De Sheik keek Ben-Hur aan, die met stralende oogen antwoordde: Met uw +goedvinden zal ik de schoone Egyptische bezoeken. + +Ilderim lachte en zeide: Zou niet een man zijne jeugd genieten? + +Toen keerde Ben-Hur zich tot den bode en zeide: Zeg tot haar, die u +zendt, dat ik, Ben-Hur, haar morgen bezoeken zal in het paleis Idernee, +op het door haar aangegeven uur. + +De knaap groette beleefd en ging heen. + +Te middernacht reisde Ilderim af, na zijn jongen vriend beloofd te +hebben een paard en een gids voor hem te zullen achterlaten. + + + * * * * * + + +ZESTIENDE HOOFDSTUK. + +IN DE VAL. + + +Den volgenden dag begaf Ben-Hur zich op den bepaalden tijd naar het +paleis Idernee, dat uitwendig geheel in Griekschen stijl was gebouwd. + +Langzaam trad hij binnen en ging de vestibule door. Hij was kalm +gestemd. Hij zou in de tegenwoordigheid van Iras komen. Zij wachtte hem +met scherts en zang, geestig, afwisselend, grillig, met grimlachjes, die +haar zoo lief stonden, met vriendelijke blikken en fluisterende stem. +Reeds eenmaal had zij hem doen roepen, dien avond van het roeitochtje op +het meer, en nu had zij weder om hem gezonden in dit schoone paleis. Hij +voelde zich gelukkig en droomerig gestemd. + +Toen hij de lange gang doorgegaan was kwam hij voor een gesloten +vleugeldeur, die bij zijne nadering vanzelf openging. Deze bijzonderheid +ging echter voor hem verloren, door de verbazing, die hem beving, over +hetgeen zich nu aan zijne oogen vertoonde. + +Vóór zich zag hij het atrium van een Romeinsch huis, met zeldzame pracht +en weelde ingericht. Het vertrek was groot, hoe groot was niet met +juistheid te bepalen, want de blik verloor zich in de ruimte. Hij bleef +verbaasd staan. De fraai gepolijste mozaïekvloer stelde mythologische +onderwerpen voor. Langs de wanden stonden zetels en stoelen, alle +verschillend van vorm, en kunstig bewerkt, gebeeldhouwde tafels, +gemakkelijke divans, uitnoodigend tot rusten. De zoldering was +koepelvormig. In het midden bevond zich een opening, waardoor het licht +ongehinderd naar binnen stroomde. Het impluvium was omgeven door een +bronzen balustrade. De vergulde pilaren, die de zoldering droegen, +schitterden in den zonnegloed, en de weerspiegeling er van in den +gepolijsten vloer scheen uit een onpeilbare diepte op te komen. Verder +waren er kandelaars van phantastischen vorm, beelden en vazen, alles zoo +schoon, dat het uitstekend gepast zou hebben in het huis op den Palatijn, +dat Cicero van Crassus kocht, of in die andere villa, nog meer bekend om +haar buitensporige pracht: de villa van Scaurus te Tusculum. + +Nog altijd in droomerige stemming ging Ben-Hur van het een naar het +ander, bekoord door alles wat hij zag. Het hinderde hem niet dat hij een +poos moest wachten. Als Iras gereed was zou zij wel komen, of hem tot +zich laten roepen. In ieder deftig Romeinsch huis was het atrium de +plaats, waar men bezoekers ontving. Twee-, driemaal wandelde hij het +vertrek rond, stond stil onder de opening in de zoldering, en keek +peinzend naar de blauwe lucht boven zijn hoofd. Leunende tegen een +pilaar bestudeerde hij de afwisseling van licht en schaduw, maar nog +kwam er niemand. De tijd begon hem eindelijk lang te vallen ... waarom +kwam Iras niet? Weer beschouwde hij de mozaïeken op den grond, maar zij +boeiden hem niet zooals straks. Gedurig hief hij het hoofd op om te +luisteren, langzamerhand begon hij ongeduldig te worden, en ten laatste +trof hem de doodelijke stilte, die in het huis heerschte. Deze maakte +hem onrustig en achterdochtig. Hij wilde er niet aan toegeven, lachte om +zijne dwaasheid, en zette zich nogmaals neer om een kandelaar te +bewonderen, zoo sierlijk en kunstig als hij nimmer gezien had. Maar de +stilte werd voel- en hoorbaar. Hij luisterde terwijl hij den kandelaar +bekeek, hij luisterde of hij niet een stap hoorde ... maar alles bleef +stil, het paleis scheen uitgestorven te zijn. + +Kon het misschien een vergissing wezen? Neen, de bode had gezegd, dat de +Egyptische hem zond, en dit was het paleis Idernee. Nu herinnerde hij +zich op eens, hoe geheimzinnig de deur was opengegaan, zoo geruischloos, +zoo vanzelf. Dat zou hij eens onderzoeken. + +Hij ging er heen. Hoe zacht hij ook liep, toch weerklonken zijne +voetstappen. Hij werd er zenuwachtig van. Het slot gehoorzaamde niet bij +zijn eerste voorzichtige poging om de deur te openen. Bij de tweede +beproefde hij het met alle macht; maar tevergeefs, de deur bleef +gesloten. Een voorgevoel van naderend onheil maakte zich van hem +meester, en hij bleef besluiteloos staan. + +Wie in Antiochië kon hem kwaad willen doen? + +Messala! + +En dit paleis? De vestibule was Egyptisch, de portiek Grieksch, maar +hier, in dit atrium, zag hij Rome. Alles rondom hem verried, dat een +Romein de eigenaar was. Plotseling veranderde het schoone atrium voor +hem van gedaante. Het was een val. + +Links en rechts waren verscheidene deuren, die waarschijnlijk tot +slaapkamers leidden. Hij trachtte ze te openen, maar zij waren alle +afgesloten. Zou hij kloppen? Neen, hij schaamde zich alarm te maken, en +wierp zich op een divan om na te denken. + +'t Was maar al te duidelijk, hij was een gevangene. Maar met welk doel? +En van wien? Had Messala hem dit aangedaan? Hij richtte zich op en +lachte smakelijk. Ieder meubel kon hem tot wapen dienen, de rustbanken +bij voorbeeld tot stormrammen. Hij was sterk, en woede en wanhoop konden +wonderen doen verrichten. + +Messala zelf kon niet bij hem komen. Hij zou nimmermeer kunnen loopen; +maar hij kon door anderen werken. Die gedachte deed Ben-Hur opspringen. +Hij verhief zijne stem en riep om hulp, maar de echo was zoo sterk dat +hij er van verschrikte. Weer dwong hij zich tot kalmte en besloot nog +een poos te wachten, voordat hij zich met geweld een doortocht maakte. + +Zoo verliep een half uur, een eeuwigheid in zijne schatting. Daar gingen +de vleugeldeuren plotseling onhoorbaar open, en werden even onhoorbaar +gesloten, zoo zacht dat hij er niets van merkte. Het geluid van +voetstappen trok allereerst zijne aandacht. Hij sprong op met een gevoel +van verlichting ... daar zal Iras eindelijk zijn! + +Maar ... het was een zeer zware stap. De vergulde pilaren waren tusschen +hem en de deur. Hij hoorde stemmen, zware mannenstemmen, en de taal, die +gesproken werd, kende hij niet. + +Na een algemeen overzicht van het vertrek genomen te hebben staken zij +schuin over, zoodat Ben-Hur de sprekers in 't gezicht kreeg. Het waren +twee mannen, forsch van gestalte en met korte tunica's. Zij behoorden +klaarblijkelijk niet tot het dienstpersoneel van het huis. Alles wat zij +zagen trok hunne aandacht. Zij stonden overal stil en betastten alles. +Het atrium was niet voor lieden van hun slag, toch was uit hunne geheele +manier van doen te bemerken, dat zij hier met een bepaalde bedoeling +kwamen. + +Het zal niemand verwonderen dat Ben-Hur een weinig zenuwachtig was +geworden; en toen hij nu in de reuzengestalte van den een den Noor +herkende, dien hij te Rome gekend had, en die gisteren in den circus +gekroond was als prijswinnaar bij het boksen, begreep hij, dat hem een +groot gevaar dreigde en hij zich op het ergste moest voorbereiden. +Instinctmatig gevoelde hij, dat hier geen sprake was van een toevallig +samentreffen, deze twee zochten hem. + +De metgezel van den Noor was nog jong, donker van haar en oogen, van de +Joodsche type. Beiden hadden het kostuum aan dat boksers van beroep in +de arena droegen. Ben-Hur behoefde niet langer te twijfelen: hij was +verraderlijk in dit paleis gelokt, om te midden van deze pracht door de +hand van den Noor te sterven. + +Niet wetende wat te doen volgde hij hunne bewegingen, en in dat laatste +stille oogenblik, met den dood voor oogen, herkreeg zijn geest de +noodige kalmte. Gisteren had hij Messala naar recht en billijkheid mogen +straffen, de God van Israël, die hem had bijgestaan, zou hem ook nu +helpen. Stond hij daarenboven niet aan het begin van een nieuw leven? +Wachtte hem niet een heilige taak: alles in gereedheid te brengen voor +den verwachten Koning? Mocht hij niet alle vrees laten varen? + +Hij maakte zijn gordel los, deed zijn hoofddoek af en wierp zijn wit +overkleed ter zijde. Gereed naar lichaam en ziel plaatste hij zich, de +armen over de borst gevouwen, tegen den pilaar en wachtte bedaard de +toekomst af. + +Het tweetal had een beeld bewonderd. Toen zij daarmede gereed waren, +keerde de Noor zich om, zeide iets in een onbekende taal, en wees op +Ben-Hur. Beiden traden op hem toe. + +--Wie zijt gij? vraagde hij in het Latijn. + +De Noor glimlachte en antwoordde: Barbaren. + +--Dit is het paleis Idernee. Wien zoekt gij? Blijft waar gij zijt en +antwoordt. + +Zijn toon maakte indruk. De vreemdelingen bleven staan en de reus +vraagde op zijne beurt: Wie zijt gij? + +--Een Romein. + +De reus wierp het hoofd achterover en lachte luid. Ik heb veel +wonderbaarlijks hooren vertellen, zeide hij, maar nooit dat een Jood een +Romein werd. + +Toen zijn vroolijkheid wat bedaard was, zeide hij weer iets tot zijn +makker en stapte vooruit. + +--Halt! riep Ben-Hur. Nog iets! + +--Spreek; maar gauw, zeide de reus. + +--Gij zijt Thor, de Noorman. + +De man zette groote oogen op. + +--Gij waart schermmeester te Rome. + +--Ja, zeide Thor. + +--Ik was uw leerling. + +--Neen, zeide Thor hoofdschuddend. Bij Thors hamer, nog nooit is een +Jood bij mij gekomen, om zich tot een vechtersbaas te laten maken. + +--Ik zal het u bewijzen. + +--Hoe dan? + +--Gij komt hier om mij te dooden. + +--Ja. + +--Laat uw makker tegen mij vechten, dan zal ik het u bewijzen aan zijn +lichaam. + +De reus lachte weer. Hij besprak het met zijn makker, die toestemmend +knikte, waarop de Noor zeide: Het zij zoo; maar wacht totdat ik het +teeken geef. + +Hij schoof een divan aan, strekte er zich gemakkelijk op uit en zeide: +Ziezoo, begin. + +Zonder aarzelen stapte Ben-Hur op zijn tegenpartij toe, die zich +terstond strijdvaardig tegenover hem plaatste. + +De vreemdeling, die in statuur en voorkomen sterk op hem geleek, lachte +vergenoegd, weinig vermoedende met wien hij te doen had. Beiden wisten +dat de afloop van den strijd doodelijk zou zijn. + +Ben-Hur deed een schijnaanval met zijn rechterhand. De ander pareerde en +stak den linkerarm een weinig vooruit. Voordat hij er op bedacht was +greep Ben-Hur hem met een ijzeren greep bij den pols. De overrompeling +was volkomen. Zich op zijn tegenstander te werpen, zijn arm om 's mans +hals te slaan, diens hoofd tegen zijn rechterschouder te drukken en hem +met de linkerhand vlak onder het oor een slag toe te brengen--dat alles +was het werk van een oogenblik. Geen tweede slag was noodig. De +ongelukkige viel neder, zonder een kreet te slaken. Hij was dood. + +Ben-Hur wendde zich tot Thor en zag hem vragend aan. + +--Bij alle leugens van Loke! riep deze, dat zou ik u niet kunnen +verbeteren. + +Opstaande beschouwde hij den jongen man van het hoofd tot de voeten met +ongeveinsde bewondering, en vervolgde toen: Dat was mijn handgreep. Gij +zijt geen Jood. Wie zijt gij? + +--Gij hebt Arrius, den duumvir gekend? + +--Quintus Arrius? Ja, hij was mijn schutspatroon. + +--Hij had een zoon. + +--Ja, ik heb dien knaap gekend, een aardige jongen. Hij had een vorst +onder de gladiatoren kunnen worden. De keizer had veel met hem op. +Ikzelf heb hem dien handgreep geleerd, en niemand doet het mij na, of +hij moet een hand en arm hebben als de mijne. Ik heb er menigen +lauwerkrans mee behaald. + +--Ik ben die zoon van Arrius. + +Thor kwam nader en bekeek hem oplettend. Zijne oogen straalden van +voldoening, en de hand uitstekend zeide hij: 't Is wat moois! Hij zei +dat ik hier een Jood zou vinden, en dat ik den goden een dienst zou +bewijzen, als ik dien Jood doodde. + +--Wie zei dat, Thor? vraagde Ben-Hur, de aangeboden hand schuddende. + +--Hij, Messala. + +--Wanneer? + +--Gisteravond. + +--En ik dacht dat hij zwaar gewond was? + +--Hij zal altijd kreupel zijn, maar ik moest bij zijn bed komen, waar +hij lag te kermen van pijn. + +Ben-Hur dacht even na. Hij begreep heel goed dat de Romein, zoo hij in +leven bleef, hem onverbiddelijk zou blijven vervolgen. Alleen de wraak +bleef hem over om het gebroken leven te verzoeten. Vandaar zijn +tegenspartelen om zijne schulden met Sanballat te vereffenen. Ben-Hur +berekende dit alles vluchtig, ook hoe zijn vijand hem zou kunnen +bemoeilijken in het werk, dat hij wilde ondernemen voor de nieuwen +koning. Deed hij niet wijs met het voorbeeld van den Romein te volgen? +De moordenaar toch, die gehuurd was om hem te dooden, zou zich ook laten +huren om den moordenaar onschadelijk te maken. Geld was geen bezwaar. De +verzoeking was groot. Reeds half meegesleept zag hij nog eenmaal naar +het arme slachtoffer, dat daar bleek en roerloos nederlag. Daar viel hem +iets in. + +--Thor, wat heeft Messala u gegeven om mij te dooden? + +--Duizend sestertiën. + +--Gij zult ze hebben, en als gij nu doen wilt wat ik u vraag, zal ik er +nog drieduizend bij doen. + +De reus dacht overluid: Gisteren heb ik vijfduizend gewonnen, van den +Romein duizend, dat is zesduizend.--Geef mij vierduizend, goede Arrius, +vierduizend en dan zal ik alles voor u doen, wat gij verlangt. Geef mij +vier en ik zal dien bedriegelijken Messala dooden. Ik heb mijn hand maar +op zijn mond te houden ... zoo. + +Hij verduidelijkte zijn voorstel door zijne hand op zijn eigen mond te +drukken. + +--Ik begrijp u, zeide Ben-Hur, tienduizend sestertiën is een mooie som. +Zij stelt u in staat om naar Rome terug te gaan en een taveerne te +openen bij den grooten circus, en daar te leven zooals den beroemsten +schermmeester betaamt! 't Zij zoo. Ik zal u vierduizend geven en dat +geld kunt gij verdienen zonder uwe handen met bloed te bezoedelen. +Luister. Uw vriend leek sprekend op mij, niet waar? + +--Ja, men zou zeggen twee appelen van één boom. + +--Welnu, ik zal zijn tunica aandoen, en hem mijne kleeren aantrekken. +Dan gaan we samen heen, en gij hebt uwe sestertiën. + +Thor lachte dat hij schudde. Nog nooit werden tienduizend sestertiën zoo +gemakkelijk gewonnen! Een taveerne bij den grooten circus, en dat door +een leugen te vertellen zonder een enkelen droppel bloed te vergieten! +Geef mij uwe hand, zoon van Arrius, en als gij weer terugkomt in Rome, +vergeet dan niet naar de taveerne van Thor den Noorman te vragen, want, +bij de bliksems van Wodan! ik zal u het beste voorzetten wat mijn kelder +bevat. + +Nu werden de kleederen verwisseld, en toen Ben-Hur den jonkman daar zag +liggen in zijn eigen Joodsch gewaad, was hij voldaan. De gelijkenis was +treffend. Als Thor zijn woord hield zou dit bedrog nooit uitkomen. + +Toen alles afgeloopen was tikte de Noor tegen de vleugeldeuren, die +opnieuw onhoorbaar geopend werden, en gezamelijk gingen zij naar buiten. +Bij het scheiden zeide Thor nogmaals: Mogen de goden u geleiden en +behoeden, zoon van Arrius! en verzuim niet bij uw terugkeer in Rome de +taveerne van Thor te bezoeken! + + * * * * * + +Dien avond deelde Ben-Hur zijnen vriend Simonides alles mede wat hem +overkomen was in het paleis van Idernee. Zij kwamen overeen, dat na een +paar dagen een onderzoek zou worden ingesteld naar den vermisten zoon +van Arrius. Tevens zou van het geval afgifte worden gedaan bij +Maxentius. Als het geheim niet uitlekte zouden Messala en Gratus gerust +en voldaan zijn, en kon Ben-Hur onbevreesd naar Jeruzalem terugkeeren om +zijne moeder en zuster te zoeken. + +Bij het afscheidnemen zat Simonides in zijn stoel op het terras, en gaf +den jongen meester zijn vaderlijken zegen. Esther deed hem uitgeleide +tot aan de trap. + +--Als ik moeder vind zult gij tot haar gaan en eene zuster voor Tirza +wezen, niet waar? vraagde hij en kuste haar tot afscheid. Vervolgens +begaf hij zich naar den overkant der rivier, waar Ilderim den vorigen +avond zijne tent had opgeslagen, en waar hij den gids zou vinden met de +paarden. + +--Dit is het uwe, zeide de Arabier. + +Ben-Hur keek, en zie het was Aldebaran: de vlugste en verstandigste van +Mira's zonen, na Sirius de lieveling van den Sheik. Hij wist dat het +hart van den ouden man het geschenk vergezelde. + +Dienzelfden avond werd het lijk uit het atrium weggedragen en in stilte +begraven, en vertrok een bode van Messala naar Gratus, om dezen de +blijde tijding te brengen dat Ben-Hur dood was, ditmaal ontwijfelbaar. + +Eene maand later werd bij den circus Maximus eene taveerne geopend met +het opschrift: + + THOR DE NOORMAN. + + + * * * * * + + +BOEK VI. + + + * * * * * + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +DE GEVANGENEN. + + +Sedert den avond, waarop Ben-Hur Antiochië verliet om den Sheik in de +woestijn te volgen, zijn dertig dagen verloopen. Een groote verandering +heeft intusschen plaats gevonden--groot, voor zoover het de geschiedenis +geldt van onzen held. Valerius Gratus is vervangen door Pontius Pilatus. + +Deze verplaatsing kostte Simonides vijf talenten Romeinsch geld, in +klinkende munt uitbetaald aan Sejanus, die toen het hoogste toppunt van +zijn macht als gunsteling des Keizers bereikt had. + +Het doel van de onderhandeling met Sejanus was, dat Ben-Hur zonder groot +gevaar voor zichzelven in en bij Jeruzalem naar zijne moeder en zuster +zou kunnen zoeken. Op die wijze besteedde de trouwe dienstknecht de +gelden van Drusus en zijne makkers. Na het betalen van de weddenschappen +was de vriendschap dier jongelieden voor Messala veranderd in vijandschap, +omdat zij hem hun ongeluk weten. Wat Messala zelf betreft, het antwoord +op de vraag, of hij voor de gewedde sommen mocht aangesproken worden, ja +of neen, moest nog uit Rome komen. + +Hoe kort Pontius Pilatus aan het bestuur was, de Joden hadden reeds +ondervonden, dat de verandering niet in hun voordeel was. De kohorten, +die afgezonden waren om het garnizoen van den burcht Antonia te +vervangen, trokken des avonds laat de stad binnen, en het eerste wat men +den volgenden morgen te zien kreeg was, dat de muren van den ouden +burcht rondom versierd waren met borstbeelden van den ouden Keizer en +met Romeinsche adelaren. + +Een opgewonden menigte trok door de straten, afgezanten werden naar +Cesarea gezonden, waar Pilatus nog eenige dagen vertoefde, om hem +dringend te verzoeken de gehate voorwerpen weg te nemen. Vijf dagen en +nachten hielden zij stand voor de poorten van zijn paleis, waarna hij +deed weten dat hij hen in den circus zou te woord staan. Daar liet hij +hen door zijne soldaten omsingelen, maar zij boden blijmoedig hun leven +aan, indien zij slechts hun doel mochten bereiken. Dat werkte. Pilatus +gaf bevel de borstbeelden en adelaren naar Cesarea terug te zenden, waar +Gratus ze gedurende de elf jaren zijner regeering had bewaard. + +De slechtste mensch kan wel een goede daad verrichten. Zoo ook Pilatus. +Hij beval dat alle gevangenissen in Judea zouden nagezien worden, en +verlangde een lijst van de namen der gevangenen, met opgaaf van de +misdaden, waarvoor zij veroordeeld werden. Waarschijnlijk deed hij dit, +om later niet aansprakelijk te zijn voor hem onbekende dingen. Het volk +evenwel prees hem en was een tijdlang tevreden. + +Wat het onderzoek aan het licht bracht, was ongeloofelijk. Honderde +menschen, tegen wie geen beschuldiging was ingebracht, kregen hunne +vrijheid weder. Vele anderen, die men lang geleden gestorven waande, +kwamen te voorschijn. Nog erger was het, dat men gevangenissen vond, +wier bestaan niet alleen aan het volk onbekend was, maar die de +tegenwoordige gevangenbewaarders zelfs niet kenden. Eén geval van dien +aard moeten wij hier vermelden: een vergeten gevangenis te Jeruzalem. + +De burcht Antonia, die zooals men zich zal herinneren twee derden +besloeg van de heilige area op den berg Moria, was oorspronkelijk een +door de Macedoniërs gebouwd kasteel. Later maakte Johannes Hyrkanus het +tot een citadel ter verdediging van den Tempel, die toen ten tijde reeds +als onneembaar werd beschouwd. Herodes breidde haar nog verder uit, +verbreedde de muren, liet waterputten graven, bouwde tuighuizen, +barakken, magazijnen en gevangenissen van allerlei soort. Hij effende +het rotsachtige gedeelte van den berg, en liet er diepe kloven in +bouwen. Daar bouwde hij overheen. Het geheel verbond hij door een +prachtige zuilengang met den Tempel. Zoo verbouwd en versterkt viel de +burcht ten laatste in de handen der Romeinen, die hem volkomen wisten te +waardeeren en te gebruiken. + +Gedurende de regeering van Gratus had de Antonia dienst gedaan als +citadel en onderaardsche gevangenis, de schrik voor alle oproerigen. Wee +hen, wanneer de kohorten uit de poorten stroomden, om een oproer te +dempen! Wee den Jood, die dezelfde poorten als gevangene binnenging! + +Na deze korte uitweiding kunnen wij den draad van ons verhaal weer +opvatten. + + * * * * * + +Het bevel van den nieuwen procurator betreffende de gevangenen was op +den burcht Antonia ontvangen en stipt uitgevoerd. Twee dagen zijn +verloopen sedert de laatste van die ongelukkigen ter ondervraging was +voorgebracht. De lijst is zoo goed als gereed en ligt voor den +commandant op tafel. Binnen vijf minuten zal zij op weg gaan naar +Pilatus, die in het paleis op den berg Sion woont. + +Het bureau van den commandant is ruim en koel, en gemeubeld +overeenkomstig de waardigheid van den bevelhebber. + +Het is de zevende ure van den dag. De commandant is vermoeid. Zoodra de +lijst verzonden is, zal hij naar het platte dak van de zuilengang gaan, +daar in de open lucht wat beweging nemen, en zich vermaken met naar het +gewoel der Joden in de voorhoven des Tempels te kijken. Zijne klerken en +onderhoorigen verlangen eveneens heen te gaan. + +Daar verschijnt een man in de deur. Hij rammelt met een bos zware +sleutels, waardoor hij terstond de aandacht van den overste trekt. + +--Zoo, Gesius, kom binnen, zegt deze. Wat is er? + +--Commandant, luidt het antwoord, ik durf u bijna niet zeggen wat ik +gevonden heb. + +--Alweder een vergissing, Gesius? + +--Wist ik zeker dat het slechts een vergissing was, dan zou ik niet bang +zijn. + +--Een misdaad dus? Of nog erger ... een plichtverzuim. Men kan Cesar +uitlachen, de goden vloeken, en leven. Een beleediging echter, den +adelaren aangedaan, is ... nu, Gesius, gij weet wat er dan volgt. Ga +voort. + +--'t Is nu ongeveer acht jaren geleden, dat Valerius Gratus mij benoemde +tot bewaarder der gevangenissen in den burcht, antwoordde de man +ernstig. Ik herinner mij nog zeer goed den morgen, waarop ik mijn ambt +aanvaardde. Den vorigen dag was er een klein oproer geweest. De onzen +hadden vele Joden neergeslagen, maar wij hadden ook enkele verliezen te +betreuren. De aanleidende oorzaak was, zeide men, een moordaanslag op +Gratus. Hij werd door een steen aan het hoofd getroffen, zoodat hij van +zijn paard viel. Ik vond hem hier op dezelfde plaats zitten, waar gij nu +zit, commandant, met een verbonden hoofd. Hij gaf mij deze sleutels, +genommerd met de nommers der cellen. Dat waren de teekenen van mijn +ambt, ik mocht er mij nooit van scheiden, zeide hij. Op de tafel lag een +perkamentrol. Hij maakte ze open en zeide: Hier zijn de kaarten met den +platten grond der cellen, die in drie afdeelingen verdeeld, boven +elkander gebouwd zijn. Ik vertrouw ze u toe.--Ik nam ze aan, en Gratus +vervolgde: Nu hebt gij de sleutels en de platte gronden, ga en +doorwandel de geheele inrichting, bezoek elke cel en zie of alles in +orde is. Bemerkt gij iets waardoor de veiligheid in gevaar zou komen, +stel daar dan naar uw beste weten orde op, want gij zijt hier heer en +meester en hebt niemand boven u, dan mij alleen. + +Ik wilde heengaan, maar hij riep mij terug en zeide: Daar bedenk ik nog +iets. Geef mij den platten grond van de onderaardsche cellen.--Ik gaf +hem het verlangde. Hij spreidde de kaart voor zich uit op de tafel, wees +met den vinger op cel nommer vijf, en zeide: Hier, Gesius, deze cel. +Daar zitten drie mannen gevangen, gevaarlijke lieden, die achter een +staatsgeheim hebben weten te komen en hier voor hunne nieuwgierigheid +boeten. Tot straf zijn zij van oogen en tong beroofd, en levenslang +opgesloten. Zij mogen niets hebben dan water en brood, dat gij hun +toereikt door een gat in den muur, dat van buiten gesloten wordt met een +schuif. Hebt gij mij goed begrepen, Gesius? Ik antwoordde toestemmend. +Het is goed, zeide hij, en keek mij dreigend aan; maar pas op, Gesius, +dat gij het niet vergeet. De deur van hunne cel, nommer vijf,--en hij +legde er zijn vinger op, om meer nadruk te geven aan zijne woorden,--mag +nooit, onder geen enkel voorwendsel, geopend worden. Niemand mag er in +of uit, zelfs gij moogt er niet binnengaan. Maar als zij sterven? +vraagde ik. Als zij sterven, zei hij, zal die cel hun graf zijn. Zij +werden daar opgesloten om te sterven. De cel is met melaatschheid +besmet, begrijpt gij?--En daarmee liet hij mij gaan. + +Gesius zweeg en bracht uit de plooien van zijn overkleed drie rollen te +voorschijn, die hij op tafel uitspreidde, zeggende: Dit is de bedoelde +platte grond. + +De oogen van alle aanwezigen rustten op den platten grond. + +--Precies zoo, commandant, heb ik hem van Gratus ontvangen. Dit is cel +nommer V. + +--Ik zie het, zeide de commandant. Ga voort. De cel was met +melaatschheid besmet, zeidet gij. + +--Mag ik u een vraag doen, commandant? + +--Ja. + +--Moest ik niet gelooven dat de kaart betrouwbaar was? + +--Zeker. + +--Nu, zij is niet betrouwbaar, want er zijn niet vijf, maar zes cellen. +Ik zal u laten zien hoe de platte grond werkelijk is, of liever, hoe ik +mij voorstel dat hij is. + +Gesius nam een tafeltje en teekende er een losse schets op van zes +cellen, die hij den commandant ter hand stelde. + +--'t Is goed, zeide de commandant. Ik zal een nieuwen platten grond voor +u laten maken. Kom hem morgen bij mij halen. + +Meenende dat de zaak hiermede afgeloopen was stond hij op; maar Gesius +vervolgde: Hoor mij verder, heer. + +--Morgen, Gesius, ik heb nu geen tijd meer. + +--Maar, commandant, wat ik u mee te deelen heb kan geen uitstel lijden. + +De commandant ging weer zitten. + +--Ik zal kort zijn, zeide de gevangenbewaarder. Mag ik nog eene vraag +doen? Moest ik niet gelooven wat Gratus mij vertelde van de gevangenen +in cel vijf? + +--Natuurlijk. In die cel zaten drie gevangenen, staatgevangenen, blind +en stom. + +--Welnu, commandant, dat was niet waar. + +--Niet? + +--Hoor, en oordeel zelf, commandant. Zooals mij bevolen was bezocht ik +al de cellen, beginnende bij de bovenste en eindigende bij de onderste. +Het verbod om de deur van cel V te openen heb ik nimmer overtreden. De +drie mannen hebben die acht jaren hun water en brood altijd door het gat +in den muur gekregen. Gisteren mocht ik de deur openen op uw bevel, en +was zeer nieuwsgierig om de gevangenen te zien, die tegen alle +verwachting zoolang geleefd hebben. Het slot van de deur weigerde. Wij +trokken wat harder en toen viel de deur op zij. De scharnieren waren +door roest verteerd. In de cel vond ik slechts één man, oud, blind, +zonder tong, geheel naakt, deerniswaardig om te zien. Ik vraagde hem +naar zijne medegevangenen. Hij schudde van neen. Ik doorzocht de geheele +cel, maar kon geen spoor van hen ontdekken. De muren en de grond waren +geheel droog. Hadden hier drie gevangenen gezeten, en waren twee van hen +gestorven, dan zou ik toch hunne beenderen hebben moeten vinden. Van +melaatschheid was niet bij den armen afgeleefden grijsaard te bespeuren. + +--Gij denkt dus.... + +--Ik denk, commandant, dat er in die acht jaren slechts één man gevangen +heeft gezeten. + +De commandant zag Gesius scherp aan en zeide: Wees voorzichtig! Weet gij +wel waar gij Gratus van beschuldigt? + +Gesius boog het hoofd en zeide: Hij kon zich vergist hebben. + +--Neen, riep de commandant heftig, dat kon hij niet. Hebt gij niet zelf +gezegd dat gij acht jaren lang water en brood gegeven hebt voor drie +personen? + +--Gij hebt nog slechts de helft van het verhaal gehoord, commandant. Als +gij alles gehoord zult hebben, zult gij mij gelijk geven. Gij weet wat +ik met den man deed: ik liet hem een bad geven, haar en baard scheren en +aankleeden. Toen bracht ik hem naar buiten en liet hem in vrijheid +heengaan. Ik had met hem afgedaan. Een uur geleden kwam hij terug en +werd vóór mij gebracht. Door allerlei gebaren, zelfs door tranen, gaf +hij zijn verlangen te kennen, om weer naar de cel teruggebracht te +worden. Ik gaf het bevel daartoe. Toen zij hem wegleidden keerde hij op +eens terug, viel op de knieën voor mij neder en beduidde mij, dat ikzelf +hem moest vergezellen. Ik voldeed aan zijn verzoek. De twee geheimzinnige +andere gevangenen speelden mij door het hoofd. Ik was er niet gerust op. +Nu ben ik blij, dat ik gehoor gaf aan zijn verlangen. + +Alle aanwezigen luisterden met gespannen aandacht, doodelijke stilte +heerschte in het vertrek. + +--Zoodra de gevangene bemerkte dat hij weer in zijn oude cel was, +vervolgde Gesius, greep hij mijne hand en geleidde mij naar een gat in +den muur, even groot als dat, waardoor wij gewoon waren hem zijn +rantsoen te geven. Gisteren was het aan mijne aandacht ontsnapt. Steeds +mijne hand vasthoudende legde hij zijn mond voor de opening en gaf een +schreeuw. Een zwakke stem antwoordde. Ik was verbaasd, trok hem op +zijde, en riep: Hola, wie daar? In het begin kreeg ik geen antwoord. +Ik riep nogmaals en hoorde toen deze woorden: O, God, ik dank U! +Commandant, het was de stem van een vrouw. Ik vraagde: Wie zijt gij? en +het antwoord luidde: Een Israëlitische vrouw. Ik ben hier levend +begraven met mijne dochter. Help ons gauw, of wij sterven. + +Ik riep haar toe nog even geduld te hebben en spoedde mij tot u, om uwen +wil te vernemen. + +De commandant stond haastig op. Gij had gelijk, Gesius, zeide hij. Ik +begrijp er alles van. De kaart was valsch en het verhaal van de drie +gevangenen was een leugen. Er zijn betere Romeinen dan Valerius Gratus. + +--Ja, antwoordde de gevangenbewaarder. De oude man gaf twee porties +water en brood aan de vrouwen. + +--Welaan, zeide de commandant, zich tot zijne klerken wendende, daar hij +het niet kwaad vond eenigen tot getuigen te hebben, gaat allen mee. Wij +zullen die vrouwen in vrijheid stellen. + +Gesius was voldaan. Wij zullen den muur moeten doorbreken, zeide hij. Ik +heb de plaats ontdekt waar de deur geweest is. Zij was dichtgemetseld. + +--Roep terstond een paar werklieden met de noodige gereedschappen, zeide +de commandant tot een der klerken. Haast u, en laat het rapport liggen, +want dat zal morgen gewijzigd worden. + + + * * * * * + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +DE MELAATSCHEN. + + +Een Israëlitische vrouw. Ik ben hier levend begraven met mijne dochter. +Help ons gauw, of wij sterven. + +Dat antwoord had Gesius ontvangen uit de cel, die op den verbeterden +platten grond als cel VI aangegeven staat. + +De lezer heeft zeker terstond begrepen wie die ongelukkigen waren, en +zich verheugd dat eindelijk Ben-Hurs moeder en zuster gevonden zijn. + +Op den morgen van hare gevangenneming had men haar naar de burcht +gebracht, waar Gratus haar dacht op te sluiten. Hij had den burcht +gekozen, omdat die meer onmiddellijk onder zijn beheer stond, en cel VI, +omdat deze door melaatschheid besmet was. Hij wilde de vrouwen niet +alleen opsluiten--hij verlangde dat zij een zekeren, zij het dan ook een +langzamen, dood zouden sterven. Dientengevolge werden zij bij nacht naar +beneden gebracht, zoodat niemand er iets van bemerkte. Diezelfde slaven +metselden daarna de deur dicht, en werden vervolgens naar een afgelegen +oord verplaatst, zoodat het geheim een geheim blijven kon. Om voor alle +mogelijke gevallen toch den schijn te bewaren, wilde hij de vrouwen niet +laten verhongeren, maar plaatste hij bovenvermelde armen gevangene in de +cel daarnaast, om haar van brood en water te voorzien. + +Zoo wist Gratus, onder voorwendsel van een troep moordenaars te straffen, +zich het vermogen der familie Hur toe te eigenen, waarvan geen penning de +keizerlijke schatkist bereikte. Ten besluite werd de toenmalige gevangen- +bewaarder verplaatst, een nieuwe platte grond ontworpen, en aan den nieuwen +bewaarder gegeven. Gratus bereikte volkomen zijn doel: de cel en hare +bewoonsters waren der vergetelheid prijs gegeven. + +Welk een leven voor moeder en dochter, acht jaren lang; voor haar, +opgevoed in weelde, weggerukt uit een werkzaam, liefdevol leven, +veroordeeld tot nietsdoen in een onderaardschen kerker, waar slechts een +smalle gleuf in den buitenmuur licht en lucht aanbracht! + +Treden wij de cel binnen. + +De twee vrouwen bevinden zich vlak bij het smalle luchtgat. De eene zit +op den grond, de andere leunt half liggende tegen haar aan. Bij het +schemerachtig licht zien wij, dat zij zonder eenige bedekking zijn. Van +kleeding geen spoor meer. Maar wat haar ook ontnomen werd, de liefde +bleef, daarvan spreekt haar geheele houding. Rijkdom vergaat, schoonheid +verdwijnt, hoop vervliegt, maar de liefde blijft, want de liefde is uit +God. + +Waar moeder en dochter neergezeten zijn, is de oneffen bodem geheel glad +geworden. Vermoedelijk hebben zij het grootste gedeelte van die lange +jaren op deze zelfde plaats gezeten, hare hoop op bevrijding koesterende +bij dat zwakke, maar toch vriendelijke licht. Als de lichtstraal naar +binnen viel, wisten zij dat het dag was. Als hij verdween, wisten zij +dat daarbuiten de nacht aanbrak, die toch nergens zoo lang en zoo +stikdonker kon zijn als bij haar. Daarbuiten! O, door die gleuf vlogen +hare gedachten de wereld in, om den zoon, den broeder te zoeken. Zij +zochten hem op de woelige zee, of op hare eilanden, nu in deze stad, dan +in gene, en overal vertoefde hij slechts vluchtig; want hij zocht haar +immers met rusteloos verlangen. Telkens en telkens hadden zij elkander +moed ingesproken door te zeggen: Hij vergeet ons niet. Zoolang hij leeft +is er hoop voor ons! + +Bij het flauwe licht dat in de cel heerscht zien wij, dat zij uiterlijk +droevig veranderd zijn, een verandering, niet alleen toe te schrijven +aan de langdurige gevangenschap. Waren moeder en dochter voorheen schoon +van aangezicht, zelfs de liefde zou dat niet meer van haar kunnen +getuigen. Het lange, ongekamde haar heeft een zonderlinge witte kleur. +De vrouwen zelf zien er vreemd en terugstootend uit ... is het misschien +een gevolg van gebrek aan lucht en licht, of van honger en dorst, daar +zij sedert het vertrek van haar armen buurman niets te eten of te +drinken hebben gehad? + +Tirza leunt tegen hare moeder en kreunt smartelijk. + +--Stil, kind, zegt de moeder. Zij zullen komen. God is goed. Wij hebben +nooit verzuimd tot Hem te bidden, wanneer daarginds in den Tempel de +bazuinen geblazen worden. Het moet de zevende ure zijn, want de zon +staat nog in 't zuiden. Laat ons op God vertrouwen. Hij is goed. + +--Ja, moeder, ik zal mijn best doen, antwoordt Tirza. Uw lijden is even +zwaar als het mijne; maar mijn tong brandt en mijn lippen zijn verdroogd. +Ach, waar zou Juda toch zijn? Zou hij ons nog ooit kunnen vinden? + +Beider stem klinkt ongelooflijk scherp, droog en onnatuurlijk. + +--Gisteren zag ik hem in mijn droom, kind, zoo duidelijk als ik u nu +zie. Wij moeten gelooven in droomen, dat weet gij wel, omdat onze +vaderen het ook deden. Onze God sprak dikwijls tot hen op die wijze. In +mijn droom stonden wij in den vrouwenvoorhof bij de Schoone Poort. Vele +vrouwen waren daar met ons, en hij kwam en stond achter de poort en +zocht ons. Mijn hart klopte hevig. Ik strekte de armen uit, en riep hem +luide bij zijn naam. Hij zag mij en hoorde mij, maar herkende mij niet. +Een oogenblik later was hij verdwenen. + +--Hij zal ons zeker niet herkennen, moeder, als hij ons vindt. Wij zijn +zoo veranderd. + +--'t Is mogelijk, maar ... de moeder zweeg, die gedachte was al te +pijnlijk. + +--Ach moeder, riep Tirza, water! al is het maar één droppel. + +De moeder werpt een wanhopigen blik in het rond. Het is haar alsof een +schaduw over het licht trekt. Zou dat de naderende dood zijn? Bijna +werktuigelijk zegt zij: Geduld, Tirza. Zij komen. Zij zullen weldra hier +zijn. + +Eensklaps meent zij een geluid te hooren bij de opening in de cel van +den blinde, door welk gat het verkeer met de menschenwereld daarbuiten +gedurende al die jaren had plaats gehad. + +Zij had zich niet vergist. Een oogenblik later weerklonk de bekende +kreet van haar ongelukkigen landgenoot door de ruimte. Beiden sprongen +op en kwamen naderbij. Daar hoorden zij iemand roepen: Hola! Wie daar? + +Dat waren de eerste woorden, die na jaren van doodelijke stilte tot haar +gesproken werden. Welk een ommekeer! Uit den dood tot het leven +teruggekeerd, en dat zoo op eenmaal! + +Zij antwoordde luide: Een Israëlitische vrouw, die hier levend begraven +is met hare dochter. Help ons spoedig, of wij sterven. + +--Houd moed. Ik kom dadelijk terug. + +Moeder en dochter barstten in tranen uit. Zij waren gevonden. De hulp +was nabij! Vergeten waren, voor het oogenblik althans, pijn, honger, +dorst. Opnieuw lachte de hoop haar toe. + +Na een korte poos, de tijd dien Gesius noodig had gehad om zijn verslag +aan den commandant te doen, drong het geluid van hamerslagen tot de +gevangenen door. Ademloos luisterden zij, begrijpende wat dat beteekende. +De deur, die zoolang gesloten was geweest, werd opengebroken. De dag der +vrijheid brak eindelijk aan. + +De handen, die het werk verrichtten, waren sterk en bedreven, en wil was +goed. De slagen, eerst dof, werden steeds duidelijker verneembaar; nu en +dan viel een steen op den grond. Nu konden zij zelfs de stemmen der +werklieden hooren, en, o hoe heerlijk! daar zagen zij door een spleet +het schijnsel der toortsen. + +--O, moeder, riep Tirza, daar is Juda! Eindelijk heeft hij ons dan toch +gevonden! + +Weder viel een steen, en nog een, toen verscheidene te gelijk ... en de +deur was eindelijk open. Een met stof en kalk bedekte arbeider stapte de +cel binnen, een toorts ophoog houdende. Twee of drie volgden, eveneens +met fakkels, en stelden zich bij den ingang om den commandant door te +laten. + +Deze bleef echter staan, want de vrouwen vluchtten naar den uitersten +hoek, niet uit vrees, maar uit schaamte. Niet alleen uit schaamte +echter, want van uit den donkeren hoek, waar zij zich trachtten te +verbergen, werd den mannen een woord toegeroepen, het wanhopigste dat +over menschenlippen komen kan: Onrein! Onrein! Kom niet naderbij! + +Ontzet zagen zij elkander aan. + +--Onrein! Onrein! klonk het weer onbeschrijfelijk treurig uit den hoek. + +Zoo volbracht de arme vrouw haren plicht en gevoelde zij tegelijkertijd, +dat de zoo vurig begeerde vrijheid, van verre gezien zoo heerlijk en +uitlokkend, een Sodomsappel bleek te zijn. Zij en Tirza waren melaatsch. + +Weten onze lezers wat dat insloot? Een melaatsche werd als dood +beschouwd. Uit de stad verdreven mocht hij zijne betrekkingen slechts op +grooten afstand toespreken. Zijne woonplaats was bij andere melaatschen +in spelonken of wildernissen. Zag hij iemand naderen--uit de verte reeds +moest hij hem toeroepen: Onrein! Onrein!--Een wezen, dat zichzelf tot +afschuw was, en alleen van den dood uitkomst kon verwachten. + +Nog herinnerde de moeder zich den dag, waarop zij binnen in hare hand +iets vreemds gevoeld had, dat zij, maar tevergeefs, beproefd had weg te +wasschen. Eerst hechtte zij er niet veel aan, maar toen ook Tirza +hetzelfde aan hare hand opmerkte, werd zij ongerust. Haar dagelijksch +rantsoen van water was niet groot, toch gebruikten zij er elken dag een +gedeelte van om de aangetaste plek te reinigen. Maar het breidde zich +uit, de geheele hand werd ontstoken, het vel barstte op verschillende +plaatsen, de nagels vielen af. Zij leden niet veel pijn, maar voelden +zich voortdurend onwel. Later verdroogden hare lippen en vielen er +kloven in, en toen de moeder op zekeren morgen met angst in het hart +Tirza nauwkeurig beschouwde, zag zij haar vreeselijk vermoeden +bewaarheid: de wenkbrauwen van haar kind waren geheel wit. + +Wat zij toen doormaakte is niet te begrijpen. Sprakeloos en onbewegelijk +zat de arme vrouw een poos neder, slechts dat ééne woord bij zichzelve +herhalende: melaatsch, melaatsch. + +Toen zij weer geregeld denken kon, was haar eerste gedachte het +vreeselijke geheim te verzwijgen en Tirza in gelukkige onwetendheid te +laten. Zelve hopeloos verdubbelde zij hare zorgen voor Tirza, en slaagde +er met de grootste zelfbeheersching in haar onkundig te laten, met +betrekking tot den aard harer ziekte, en wist zelfs de hoop bij haar +levendig te houden, dat zij van voorbijgaanden aard zou wezen. Zij +bedacht raadsels en spelletjes, vertelde geschiedenissen, oude en +nieuwe, luisterde met het grootste genot naar de liederen, die zij Tirza +herhaaldelijk deed zingen, en hief zelve de psalmen aan van den +koninklijken zanger, alles om voor een poos ten minste haar verdriet te +verzetten en hare ziel tot God op te heffen, die haar, evenals de +wereld, scheen vergeten te hebben. + +Langzaam maar zeker nam de kwaal toe. Na eenigen tijd werd het hoofdhaar +wit, vielen lippen en oogleden met gaten, werd het geheele lichaam met +blaren bedekt. Toen werd de keel aangedaan, werd hare stem heesch, +werden de gewrichten stijf. Nog maar weinig tijds, dan zou de ziekte de +bloedvaten en de beenderen aantasten--en zoo kon het vele jaren al erger +en erger worden, totdat eindelijk de dood haar kwam verlossen. + +Een dag van verschrikking was de dag, waarop de moeder het haar plicht +rekende aan Tirza den naam harer ziekte mede te deelen, en beiden in +wanhoop God smeekten, dat het einde spoedig daar mocht zijn. + +Maar men went aan alles. De zwaarbeproefden leerden na verloop van tijd +kalm te spreken over hare kwaal. Zij zagen welke vreeselijke verwoestingen +de ziekte aanrichtte, en klemden zich niettegenstaande dat aan het leven +vast. Eén band bleef haar aan de aarde binden: Juda. Over hem spraken en +dachten zij. Zij twijfelden geen oogenblik aan zijne trouw en rekenden +er vast op, dat hij even sterk als zij naar eene wederontmoeting +verlangde. Zoo vertroostten zij elkander dag aan dag, ook, zooals wij +gezien hebben, toen Gesius haar, nadat zij twaalf uren honger en dorst +geleden hadden, weder moed kwam inspreken. + +De toortsen verlichtten de cel, de bevrijding was daar. God is goed, +riep de weduwe dankbaar. Die werkelijk dankbaar is voor een ontvangen +gunstbewijs vergeet voor 't oogenblik zijne ellende. + +Toen de commandant haar naderen wilde, vloden zij in een hoek, en +herinnerde de moeder zich wat haar plicht was. Daarom stootte zij dien +akeligen kreet uit: Onrein! Onrein! + +Ach, hoeveel kostte haar die plichtsbetrachting! Zelfs in de vreugd over +hare bevrijding was zij niet blind voor de gevolgen daarvan. Het oude, +gelukkige leven was voor altijd voorbij. Wilde zij de haar zoo dierbare +woning gaan opzoeken, dan zou zij reeds bij de poort moeten roepen: +Onrein!--De knaap van wien zij voortdurend gedroomd had zou, als hij +haar zag, op een afstand moeten blijven staan. Stak hij de handen naar +haar uit, dan zou juist hare liefde haar dwingen om hem toe te roepen: +Onrein! + +De commandant hoorde de waarschuwing. Hij ontstelde, maar bleef staan. + +--Wie zijt gij? vraagde hij. + +--Twee vrouwen, die van honger en dorst sterven. Maar kom niet bij ons +en raak de muren niet aan. De geheele cel is besmet! + +--Vertel mij uwe geschiedenis, vrouw. Zeg mij uw naam, en wanneer en +door wien en waarom gij hier gevangen zijt gezet. + +--In Jeruzalem woonde jaren geleden een vorst, Ben-Hur geheeten, +bevriend met vele edele Romeinen, zeer gehecht aan den keizer. Ik ben +zijn weduwe, en dit meisje is zijne dochter. Ik kan u niet zeggen waarom +wij hier begraven zijn, want ik weet het zelf niet, of het moest wezen +omdat wij rijk waren. Valerius Gratus kan u zeggen wie onze vijand was +en wanneer onze gevangenschap begonnen is. Ik weet het niet. Zie waartoe +men ons gebracht heeft. O, heb medelijden met ons! + +De atmosfeer was zwaar verpest, maar in weerwil daarvan riep de +commandant een der fakkeldragers tot zich om hem bij te lichten, en +schreef haar antwoord woordelijk op. Kort en bondig behelsde het een +geschiedenis, een aanklacht, en een bede. Een onbeschaafde vrouw zou +zich niet zoo beknopt hebben kunnen uitdrukken. De Romein moest haar +zijns ondanks gelooven en beklagen. + +--Gij zult terstond geholpen worden, zeide hij. Ik zal u eten en drinken +zenden. + +--En kleeren, en waschwater, bid ik u. + +--Het zal geschieden. + +--God is goed, zeide de weduwe schreiend. Moge zijn vrede met u zijn! + +--Ik mag u niet wederzien, antwoordde de commandant. Maar tegen den +avond zal ik u in vrijheid doen stellen. Gij kent de wet. Vaarwel! + +Weinige oogenblikken later brachten een paar slaven een badkuip, de +noodige hoeveelheid water, handdoeken, vrouwenkleeren, brood met +vleesch, en wijn, zetten het alles bij de opengebroken deur neer en +verwijderden zich toen zoo snel mogelijk. + +Halverwege de eerste nachtwake bracht men de beide gevangenen naar +buiten, en ademden zij vrijelijk de frissche lucht in. + +De sterren fonkelden boven haar hoofd, evenals van ouds. Zij +verlustigden zich een oogenblik in dien aanblik, maar toen vraagden ze +elkander droef te moede: Wat nu? Waarheen? + + + * * * * * + + +DERDE HOOFDSTUK. + +TERUGKEER. + + +Ongeveer terzelfder tijd dat Gesius voor den commandant verscheen, +beklom een voetreiziger den Olijfberg van de oostzijde. De weg was +oneffen en stoffig, alle planten waren bruin verschroeid, want het was +in het droge jaargetijde. Gelukkig was hij jong en sterk, en droeg hij +een luchtig, ruim gewaad. + +Hij vorderde slechts langzaam, en keek dikwijls rechts en links, alsof +hij na lange afwezigheid een welbekend landschap wederzag en zich +verzekeren wilde, dat alles onveranderd hetzelfde gebleven was. + +Toen hij eindelijk nabij den top kwam versnelde hij zijnen stap en liet +zich door niets meer ophouden, totdat hij de hoogte bereikt had en +verrukt over het schouwspel aan zijne voeten staan bleef. + +Die reiziger was Ben-Hur, en wat hem zoo bekoorde was Jeruzalem, de stad +Gods. + +Hij ging op een steen zitten, maakte den doek los, die zijn hoofd tegen +de zonnestralen beschutte, en verdiepte zich in zijne overpeinzingen, +den blik op de stad zijner vaderen gevestigd. + +De zon neigde ten ondergang. Een oogenblik rustte de vuurbol op de +toppen der westelijke bergen, den hemel, de muren eb de torens der stad +in gouden glans hullende. Daarop verdween hij. De stilte rondom hem +voerde Ben-Hurs gedachten naar de ouderlijke woning. Zijn oog dwaalde af +naar een punt ten noorden van den Tempel, daar moest het erfdeel zijner +vaderen liggen, als het huis ten minste nog bestond. + +De liefelijke rust, de zachte atmosfeer, bleven niet zonder invloed op +zijne gevoelens. Alle bittere gedachten, alle eerzuchtige plannen ter +zijde stellend, overdacht hij den plicht, die hem naar Jeruzalem +gebracht had. Terwijl hij met Ilderim in de woestijn was en als een +krijgsoverste het terrein verkende, kwam op zekeren avond een bode tot +hem met het bericht, dat Gratus afgezet en Pontius Pilatus in zijne +plaats aangesteld was. + +Messala was lichamelijk gebroken en hield hem voor dood; Gratus was van +zijne macht beroofd, en vertrokken--waarom zou hij dan het zoeken naar +moeder en zuster nog langer uitstellen? hij behoefde voor niets meer te +vreezen. Werd hem niet toegestaan zelf de gevangenissen van Judea te +onderzoeken, dan konden anderen dat toch voor hem doen. Werden de +verloornen gevonden, dan zou Pilatus haar zeker in vrijheid doen +stellen, want die ten minste had er geen belang bij haar nog langer +gevangen te houden. Met geld was in ieder geval veel te doen. Dan zou +hij zijne geliefden in veiligheid brengen, om zich daarna met een +volkomen hart geheel te wijden aan den Koning, die te komen stond. Zijn +besluit was dadelijk genomen. Ilderim keurde het plan goed en gaf hem +drie zijner stamgenooten mede, die Ben-Hur te Jericho achtergelaten had +met de paarden, terwijl hijzelf te voet de reis voortzette. Te Jeruzalem +zou Malluch zich bij hem voegen, en verder zou hij zich door de +omstandigheden laten leiden. + +Met het oog op zijne plannen zou het geraden zijn zich voor alle +mogelijke ambtenaren, inzonderheid de Romeinsche, verborgen te houden, +en het voornaamste werk aan Malluch over te laten, die zeer schrander en +behoedzaam was. + +Vóór alle dingen moest uitgemaakt worden hoe zij de zaak zouden +aanpakken. Dat was hem nog niet recht helder. Het liefst zou hij met den +burcht Antonia willen beginnen, want hij wist, dat zich onder dit +sombere gebouw een doolhof van gevangenissen uitstrekte, juist geschikt +om lieden, die men uit den weg wilde ruimen, in zich op te nemen. +Daarenboven had hij met eigen oogen gezien hoe de soldaten zijne moeder +en Tirza de straat indreven, die rechtuit naar den burcht leidde. Waren +zij daar niet meer, dan kon hij er toch inlichtingen krijgen betreffende +haar lot. + +In het diepst zijner ziel leefde een stille hoop, die hem daarentegen +allereerst naar de ouderlijke woning trok. Door Simonides wist hij dat +Amrah nog leefde. Haar opzoeken en van haar hooren wat zij wist, moest +zoo spoedig mogelijk geschieden. De trouwe slavin had zich, zooals men +zich zal herinneren, op dien vreeselijken morgen losgerukt uit de handen +der soldaten en was het ledige huis binnen gevlogen, waar zij, met al +wat er verder in was, opgesloten werd. Simonides had haar sedert dien +tijd van het noodige voorzien, en zij was de eenige bewoonster gebleven +van het groote huis, dat Gratus, hoeveel moeite hij er zich ook voor +gaf, niet had kunnen verkoopen. De geschiedenis die er aan vast was +hield de koopers of huurders terug. Daarenboven had het den naam dat het +er spookte, misschien een gevolg van Amrah's ronddwalen door de +verschillende kamers, of op het platte dak. Kon hij haar te spreken +krijgen, wie weet of zij hem niet eenig licht zou kunnen verschaffen, en +daarom had hij besloten nog hedenavond tot haar te gaan. + +De avond was gevallen, toen Ben-Hur opstond en van den berg afdaalde. +Vlak bij de bedding van de beek Kedron ontmoette hij een herder, die +zijne schapen naar de markt bracht. Hij sloot zich bij dien man aan, en +trad aan zijne zijde door de Vischpoort de stad binnen. + + + * * * * * + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +EEN ZWARE STRIJD. + + +Het was reeds geheel donker, toen Ben-Hur van den herder afscheid nam en +eene nauwe straat insloeg, die naar het zuidelijk gedeelte der stad +voerde. Enkele menschen, die hem tegenkwamen, groetten hem, en nog nooit +hadden de welbekende woorden hem zoo liefelijk in de ooren geklonken. +De huizen aan beide zijden der straat waren laag en somber. Alle deuren +waren gesloten. Het gevoel zijner eenzaamheid, de duisternis, de +onzekerheid, waarin hij verkeerde, dat alles stemde hem droevig. + +Zoo kwam hij bij het diepe waterbekken, thans bekend als de vijver van +Bethesda. Voor hem verhief zich de burcht Antonia als een zwarte +dreigende steenklomp. Hij bleef staan. Zoo sterk, zoo hecht en +onaantastbaar verhief zich het gevaarte, dat hij het wanhopige van zijn +streven gevoelde. Als zijne moeder achter die muren zuchtte, wat +vermocht hij dan om haar te redden?... Door geweld niets. Werpspietsen +en stormrammen zouden tevergeefs hunne kracht op de rots beproeven; +list ... ach, die wordt zoo gemakkelijk verijdeld. En God, de laatste +toevlucht van hulpbehoevenden, toeft dikwijls zoo lang met zijne hulp! + +Met sombere voorgevoelens in 't hart ging hij verder, de volgende straat +in. Een nachtverblijf zou hij zich later wel zoeken in de nieuwe wijk +Bezetha, waar een herberg was; nu eerst naar Amrah. + +Juist ging de maan op en verspreidde naar zilveren glans over de tot nog +toe onzichtbare voorwerpen in het westen, zoodat de hooge torens op den +berg Sion helder en klaar tegen den donkeren achtergrond afstaken. + +Eindelijk bereikte hij het ouderlijke huis. Voor de noordpoort bleef hij +staan en las het aanplakbiljet: Dit is het eigendom des keizers. + +Sedert dien vreeselijken dag was niemand door die poort in- of +uitgegaan. Zou hij als naar gewoonte kloppen? Hij wist, dat het +vergeefsche moeite zou zijn, toch kon hij de verzoeking niet wederstaan. +Amrah zou het wellicht hooren en uit een der vensters kijken. Hij raapte +een steen van den grond, ging de brede trappen op en klopte driemaal. +Slechts de echo antwoordde. Hij klopte nogmaals, en nogmaals, doch +bemerkte geen teeken van leven. Hij ging naar den overkant der straat en +bespiedde de vensters, doch er was niets te zien. Hij liep het huis +om--ook daar was de deur verzegeld en van een opschrift voorzien. +Ben-Hur las het en ontstak in woede. Hij rukte het opschrift af, wierp +het op den grond en vertrapte het. Toen zette hij zich neder op de stoep +en bad dat de nieuwen koning toch spoedig komen mocht. Langzamerhand +werd hij kalmer, de vermoeienis na de langen dagreis deed zich gevoelen, +hij strekte zich uit en viel weldra in slaap. + +Een weinig later kwamen twee vrouwen de straat af van de andere zijde. +Angstvallig vervolgden zij haren weg en bleven dikwijls staan om te +luisteren. Bij den hoek van het huis gekomen hielden zij stil, en zeide +eene van haar met gedempte stem: Dit is het, Tirza! + +Tirza zag het huis aan, greep haar moeders hand, boog het hoofd, en +begon te weenen. + +--Laat ons verder gaan, mijn kind, want zoodra het dag wordt jagen zij +ons de stad uit. + +--Ach, ik had het bijna vergeten, snikte Tirza. Ik verbeelde mij dat wij +naar huis gingen. Maar wij zijn melaatsch en hebben geen tehuis. Wij +behooren tot de dooden! + +--Kom, Tirza, wij hebben nu niets te vreezen. Kom mee, zeide de moeder +troostend. + +'t Was waar, reeds alleen door het opsteken harer handen zouden zij een +geheel leger op de vlucht hebben kunnen drijven. + +Met onhoorbaren tred slopen zij, twee spookgestalten gelijk, den hoek +om, totdat zij voor de poort kwamen en het opschrift lazen: Dit is het +eigendom des keizers. + +Toen wrong de moeder in stomme smart hare handen, hief de oogen ten +hemel en kermde overluid. + +--Moeder, wat scheelt er aan? U doet mij schrikken! + +--Ach, kind, hij is dood! + +--Wie, moeder? + +--Uw broeder! Zij hebben hem alles afgenomen, zelfs dit huis! Nu zal hij +ons nooit kunnen helpen! + +--Wat moeten wij doen, moeder? + +--Morgen, mijn kind, moeten wij aan den weg gaan zitten en bedelen, +zooals de melaatschen dat gewoon zijn. Wij moeten bedelen, of--! + +--Laat ons sterven, moeder, liever sterven! + +--Neen, zeide de moeder op vasten toon. God heeft onzen tijd bepaald, en +wij gelooven in Hem. Wij zullen op Hem blijven vertrouwen, ook hierin. +Kom! + +Al sprekende had zij Tirza's hand gevat en spoedde zich naar de +westzijde van het huis, steeds dicht langs den muur loopende. Daar zij +nergens iemand zagen, gingen zij door, maar schrikten terug voor het +heldere maanlicht, dat de straat bescheen. De moeder hervatte zich +echter spoedig, wierp een smartelijken blik op de vensters aan deze +zijde van het huis, en stapte moedig vooruit in het licht, Tirza met +zich voerend. + +Nu kon men eerst recht zien hoe vreeselijk de verwoesting was, die de +ziekte had teweeggebracht. Lippen, wangen, oogen, handen droegen er de +sporen van, maar het afzichtelijkst was wel het hoofdhaar, dat in lange, +stijve, klamme lokken neerhing, en evenals de wenkbrauwen een akelig +witte kleur had. Moeder en dochter waren niet van elkander te +onderscheiden, beiden waren even onnatuurlijk verouderd. + +--Stil, zeide de moeder op eenmaal, daar ligt iemand op de stoep te +slapen, een man. + +Snel staken zij de straat over en gingen in de schaduw voort, totdat zij +tegenover de poort kwamen, waar zij bleven stilstaan. + +--Blijf even hier. De man slaapt, ik wil beproeven of de poort dicht is. + +Dit zeggende stak zij de straat over en duwde zacht tegen een der +deuren, maar juist op dat oogenblik slaakte de vreemdeling een zucht, +bewoog zich onrustig in zijn slaap en draaide het hoofd om, zoodat zijn +gelaat duidelijk zichtbaar werd. Zij zag hem aan en ontstelde hevig, +keek nogmaals, bukte zich een weinig, kwam weer overeind, vouwde de +handen en hief de oogen ten hemel in stil gebed. Een oogenblik slechts, +toen ging zij ijlings naar Tirza terug. + +--Kind, Tirza! dat is mijn zoon, uw broeder! fluisterde zij zacht, greep +hare dochter bij de hand en vervolgde: Laat ons hem samen aanschouwen, +even slechts, en dan, o God, help dan uwe dienstmaagden! + +Onhoorbaar staken zij de straat over. Toen zij vlak bij hem waren gekomen, +bleven zij staan. Een van zijne handen was afgegleden en rustte op de +stoep. Tirza viel op hare knieën en wilde die hand kussen, maar de moeder +trok haar terug. Pas op, kind, vermaande zij, wat woudt gij doen? Onrein! +Onrein! + +De arme Tirza week verschrikt achteruit, alsof haar broeder de melaatsche +was. + +Ben-Hur was schoon om aan te zien. Zijn gelaat was verbrand door de zon, +mar de lippen waren rood, de tanden wit, en de golvende baard verborg +niet den fraaien vorm van kin en hals. Hoe schoon was hij in zijn +moeders oogen! Hoe smachtte zij er naar hem in hare armen te nemen en +aan haar hart te drukken. Waaruit putte zij de kracht om niet aan dat +verlangen toe te geven? Juist uit hare liefde voor hem. Voor niets ter +wereld zou zij, de melaatsche, een kus hebben willen drukken op zijne +wang. Toch wilde zij hem aanraken. Op hetzelfde oogenblik dat zij hem +vond, moest zij voor altijd afscheid van hem nemen, dat, zij wist het, +werd van haar geëischt. Bittere, bittere gedachte! + +Zij knielde naast hem neder en drukte zacht hare lippen tegen de zool +van zijn sandaal, hoe bestoven die ook was; zij kuste die nog eens en +nog eens. Haar gansche ziel lag in die kussen. + +Daar bewoog hij zich weer en prevelde in zijn slaap: Moeder ... Amrah, +waar is ... + +Het was bijna te veel voor de arme vrouw. Zij drukte haar gelaat tegen +de steenen, om haar snikken te smoren, want haar hart dreigde te breken. +Bijna wenschte zij dat hij wakker mocht worden. Hij dacht immers aan +haar in den slaap, en mocht hij dan niet weten, dat zij zoo dicht bij +hem was? Maar de tijd drong. Zij stonden op ... nog één langen blik, een +laatste blik, en weer staken zij de straat over. In de schaduw zetten +zij zich neer, wachtend, ja, waarop? Op het een of ander, zij wisten +zelf niet wat. + +Nog niet lang hadden zij zoo gezeten, of een andere vrouw kwam den hoek +van het huis om. Zij zagen haar duidelijk: een kleine vrouw, gebogen van +houding, donker van kleur, eenvoudig, maar netjes gekleed. Zij had een +mand met eetwaren bij zich. + +Toen zij den man op de stoep bemerkte bleef zij staan, bezon zich echter +en kwam zachtkens naderbij. Zonder hem aan te raken ging zij naar de +poort, en stak hare hand door eene in de linkerdeur aangebrachte +opening. + +Een van de planken week op zij, de vrouw schoof er de mand door en wilde +zelve volgen, toen zij, door nieuwsgierigheid gedreven, nog even staan +bleef om een blik op het gelaat van den vreemdeling te werpen. + +De toeschouwers van den overkant hoorden een verbaasden uitroep, zagen +dat de vrouw haren oogen wreef, alsof zij een droombeeld dacht te +zien,--zij zagen haar zich over hem heenbuigen, de hand des slapers +vatten en met kussen overdekken ... wat moeder en zuster ook zoo gaarne +zouden gedaan hebben, maar niet durfden. + +Door die aanraking gewekt trok Ben-Hur zijne hand terug, en zag +tegelijkertijd de vrouw aan. Daar sprong hij overeind en riep blijde: +Amrah! o Amrah! Zijt gij daar eindelijk? + +Zij antwoordde niet, maar viel hem om den hals en snikte luid. + +--Goede Amrah, hoorde zijne moeder hem zeggen, wat ben ik blij u te +zien; maar zeg mij gauw wat gij van moeder en Tirza weet. Waar zijn zij? +Gij hebt haar natuurlijk gezien. Zijn zij thuis? + +Maar Amrah schreide slechts te heviger. Tirza maakte een beweging, maar +de moeder, haar voornemen radende, hield haar tegen en fluisterde: Ga +niet, voor niets ter wereld. Onrein! Onrein! + +Neen, al moest haar hart ook breken, haar zoon zou niet worden wat zij +waren. + +--Woudt gij naar binnen gaan? vraagde Ben-Hur aan Amrah. Kom dan. Ik ga +met u mee. De Romeinen, dat 's Heeren wraak hen treffe, liegen. Dat is +mijn huis. Kom, Amrah, laat ons naar binnen gaan. + +Zij traden binnen en sloten de deur, die nooit meer open zou gaan voor +de arme moeder en hare dochter. Zij hadden het offer gebracht. Zij bogen +zich diep in het stof. Men vond haar den volgenden morgen, en dreef haar +met steenen de stad uit. Weg met u! Gij behoort tot de dooden! Gaat naar +de dooden! riep men haar na. + + + * * * * * + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +AMRAHS TROUW. + + +Als de hedendaagsche reiziger den Koningstuin bij Jeruzalem bezoeken +wil, neemt hij zijnen weg door de bedding der beek Kedron, of langs den +Gihon en Hinnom, tot aan de oude fontein Rogel, drinkt dan van het +heerlijke water, en staat stil, want hij heeft het uiterste punt bereikt +van het bezienswaardige in die richting. Hij werpt een blik op de groote +steenen, die de bron omringen, onderzoekt hoe diep zij wel is, glimlacht +over de primitieve manier van waterscheppen, en geeft misschien een +aalmoes aan de arme ziel, die er de wacht bij houdt. Keert hij zich +daarna om, dan rusten zijne oogen op de bergen Moria en Sion ten +noorden, den Berg der Ergernis aan zijne rechterhand, en den Berg van +den Slechten Raad ter linkerzijde, welke bergen hij, zoo hij ten minste +thuis is in de bijbelsche geschiedenis en in de overlevering, met groote +belangstelling zal gadeslaan. + +De beide laatste bergen zijn vol spelonken en holen, die toen ten tijde, +evenals de graven in het dal, tot woonplaats strekten aan de uit de stad +verdreven melaatschen. + +Op den tweeden morgen na de gebeurtenissen in het vorige hoofdstuk +vermeld, begaf Amrah zich naar de bron Rogel, en ging bedaard op een +steen zitten. Zij had een waterkruik bij zich en een mandje, waarvan de +inhoud met een sneeuwwitten doek bedekt was. Toen zij gezeten was, +maakte zij haar hoofddoek los, vouwde de handen om hare knieën en +staarde peinzend naar den Akker des Pottenbakkers, later Akeldama +genoemd. + +Het was nog zeer vroeg, nog niet volkomen dag en zij was de eerste bij +de bron. Niet lang daarna echter kwam een man met een touw en een leeren +emmer en hield zich gereed om water te putten. Men kon indien men dat +verkoos zichzelf helpen, maar anders was hij bereid om voor een +kleinigheid de grootste kruiken te vullen. + +Amrah bleef stil zitten en bewaarde het zwijgen. Na een poosje vraagde +de man, of zij haar kruik soms gevuld wilde hebben, en toen zij +antwoordde: Nog niet,--lette hij verder niet op haar. Toen het volkomen +dag geworden was, kwamen zijne gewone klanten, zoodat hij zijne handen +vol werk had. + +Terwijl Amrah nog altijd zit te wachten en uit te kijken, zullen wij +zien met welk doel zij daar kwam. + +Zij was gewoon 's avonds ter markt te gaan. Onopgemerkt sloop zij dan +het huis uit, en begaf zich naar de winkels bij de Vischpoort, in het +oosten der stad, waar zij hare inkoopen deed, om daarna weder even +geheimzinnig in huis te komen. Hoe gelukkig zij was, dat zij haar jongen +meester weer bij zich had, kan men zich voorstellen. Zij kon hem echter +niets vertellen van zijne moeder en zuster. Hij trachtte haar over te +halen een andere woning te betrekken, maar zij was er niet toe te +bewegen. Gaarne zou zij gezien hebben, dat hij zijn oude kamer weer +betrokken had, die onveranderd dezelfde gebleven was, maar het gevaar +van ontdekt te worden was te groot, en hij wilde zoo min mogelijk de +aandacht trekken. Hij bleef dus bij zijn voornemen om in de herberg der +wijk Bezetha te overnachten, en beloofde Amrah zoo dikwijls mogelijk bij +haar te zullen komen, maar altijd 's avonds laat. Hiermede moest zij +zich tevreden stellen, en van nu was zij op niets anders bedacht, dan +hoe zij hem genoegen zou kunnen doen. Dat het kind intusschen man +geworden was scheen niet bij haar te wegen, en de mogelijkheid dat zijn +smaak veranderd kon zijn, kwam niet bij haar op, waarom zij hem als van +ouds dacht te bedienen. Zij herinnerde zich nog goed waar hij het meest +van gehouden had, en nam zich voor te zorgen dat zij daar altijd genoeg +van in huis had. Daarom ging zij de volgenden avond wat vroeger uit dan +gewoonlijk, en terwijl zij een winkel binnenging om honig te koopen +gebeurde het, dat zij op een groepje menschen stuitte, geschaard rondom +een werkman, die hun een verhaal deed. + +Wat dat voor een verhaal was, zal de lezer wel begrijpen, als hij +verneemt, dat de verteller een der werklieden was, die den commandant +van den burcht Antonia bijgelicht hadden, toen hij de gevangenen in cel +VI bezocht. Hij vertelde alles wat hij gehoord en gezien had tot in de +kleinste bijzonderheden, ook den naam der ongelukkige slachtoffers. + +Met welke gevoelens de trouwe Amrah naar die tijding luisterde valt niet +te beschrijven. Zij deed hare inkoopen en keerde als in een droom +huiswaarts. Welk eene verrassing kon zij den jongen meester nu bereiden! +Zij had zijne moeder gevonden! + +Thuis gekomen bergde zij het gekochte weg, en lachte en schreide te +gelijk. Eensklaps bleef zij onbewegelijk staan en dacht een oogenblik +na. Ach, het zou immers zijn dood wezen, als hij hooren moest, dat zijne +moeder en zuster melaatsch waren! Zonder twijfel zou hij naar dat oord +der verschrikking bij den berg gaan en de besmette spelonken doorzoeken, +totdat hij ze gevonden had. Dan zou de ziekte ook hem aantasten en zou +hij haar lot moeten deelen. Zij wrong wanhopig de handen. Wat moest zij +doen! + +Evenals menigeen voor en na haar hielp de liefde haar uit den nood. + +De melaatschen, dat wist zij, waren gewoon 's morgens hunne holen te +verlaten, om het benoodigde drinkwater uit de bron Rogel te halen. Zij +brachten hunne waterkruiken mede, zetten die op den grond, en stonden +dan van verre te wachten, totdat zij gevuld waren. De wet was +onverbiddelijk en liet geen onderscheid toe tusschen rijken of armen. +Hare meesteres en Tirza zouden dit ook moeten doen. + +Zoo besloot Amrah dan niets te zeggen van hetgeen zij gehoord had, maar +eerst naar de bron te gaan en daar te wachten. Honger en dorst zouden de +ongelukkigen derwaarts drijven, en zij geloofde zeker haar op het eerste +gezicht te zullen herkennen; zoo niet, dan zouden zij het haar doen. + +Intusschen kwam Ben-Hur thuis en had veel met haar te bespreken. Morgen +zou Malluch komen, dan zouden zij terstond met het onderzoek beginnen. +Hij verlangde er vurig naar. Om zich wat afleiding te bezorgen wilde hij +de heilige plaatsen op den tempelberg gaan bezoeken. Het geheim woog de +arme Amrah wel zwaar op het hart, maar zij wist zich te beheerschen en +zweeg. + +Na zijn vertrek zette zij zich aan den arbeid en maakte eenige +kostelijke spijzen gereed. Zoodra de sterren verbleekten en de eerste +morgenschemering aanbrak pakte zij hare mand vol, nam een waterkruik en +sloeg den weg in naar de bron Rogel, waar wij haar zien wachten. + +Kort na zonsopgang, toen de bezoekers vele waren en de man de handen vol +werk had, toen zelfs een half dozijn emmers te gelijk werd neergelaten, +daar iedereen zich haastte om weg te komen, voordat de koele morgen +plaats maakte voor de hitte des daags, kwamen ook de arme spelonkbewoners +te voorschijn. Zij naderden in groepjes, vrouwen met kruiken op den +schouder, oude en zwakke mannen leunende op krukken en stokken, of op +den schouder van een jongere, sommige zelfs op draagbaren uitgestrekt, +ook enkele kinderen. Van hare zitplaats hield Amrah trouw de wacht. Meer +dan eens meende zij haar te zien, dien zij zocht. Dat zij op den berg +waren betwijfelde zij niet; dat zij komen moesten en zouden wist zij. +Als al de anderen gereed waren zouden zij komen, dat stond bij haar +vast. + +Aan den voet van den berg was een grafspelonk, die meer dan eens Amrah's +opmerkzaamheid getrokken had door haar wijden ingang. Een bijzonder +groote steen lag bij de opening. Gedurende het heetst van den dag wierp +de zon hare stralen in het oogenschijnlijk onbewoonde en onbewoonbare +hol. En zie, juist uit die spelonk zag de geduldige Egyptische tot hare +verbazing twee vrouwen komen, waarvan de eene de andere leidde en +steunde. Beider haar was wit, beiden schenen reeds oud te zijn, maar +hare kleeding was netjes en goed. Zij zagen rondom zich, alsof alles +haar vreemd was. Verbeeldde Amrah het zich, of schrikten die twee, toen +zij hare deelgenooten in de ellende zagen? 't Waren maar kleinigheden, +die zij opmerkte, maar zij deden haar hart sneller kloppen en hare +aandacht uitsluitend op die twee vrouwen vestigen. + +De twee melaatschen bleven een oogenblik bij den steen staan, en gingen +toen langzaam en alsof het loopen haar moeilijk viel naar de bron, +waarop verscheidene stemmen haar toeriepen te blijven waar zij waren; +maar 't scheen alsof zij het niet begrepen, want zij gingen door. De +putbewaarder nam eenige steentjes op om haar daarmede te verdrijven, de +omstanders wierpen haar vloeken naar 't hoofd, en de andere melaatschen +riepen luid: Onrein! Onrein! + +--Ja zeker, dacht Amrah, die twee zijn vreemd en kennen de gebruiken der +melaatschen niet. + +Zij stond op, ging haar te gemoet met haar mandje en kruik, en terstond +hield het rumoer aan de bron op. + +--Hoe dwaas, zeide één lachend, zulk goed eten aan de dooden te geven! + +--En er nog wel zoo ver voor te komen, zeide een ander. Ik zou ze +tenminste aan de poort bescheiden. + +Amrah stoorde zich niet aan de praatjes en volgde de inspraak van haar +hart. Toch was zij er nog niet geheel zeker van. Als zij zich eens +vergiste! De moed ontzonk haar bijna, en hoe dichter zij bij de twee +vrouwen kwam, des te meer raakte zij aan het twijfelen. Op een afstand +van tien of twaalf voetstappen bleef zij staan. Kon dat de geliefde +meesteres zijn, wier edele trekken zij zoo trouw in dankbaar aandenken +bewaard had? En kon dat Tirza zijn, die zij van klein af verzorgd had, +met wie zij gespeeld had? Dat de lieve, mooie, vroolijke Tirza, de +zonnestraal in het groote huis? Onmogelijk. Het aanschouwen dier +rampzaligen maakte haar ziek. + +--Dit zijn oude vrouwen, zeide zij tot zichzelve. Ik heb ze vroeger +nooit gezien; ik zal maar teruggaan. + +Zij keerde zich om en ging. + +--Amrah! riep een der beide melaatschen. + +--Wie roept mij? vraagde Amrah bevend. + +--Amrah! + +--Wie zijt gij? vraagde zij. + +--Wij zijn, die gij zoekt. + +Amrah viel op hare knieën. + +--O lieve, lieve meesteres! Uw God, die ook de mijne is, zij geloofd en +geprezen, dat ik u heb mogen vinden! + +De trouwe ziel kroop op de knieën naar haar toe. + +--Pas op, Amrah! Kom niet dichterbij. Onrein! Onrein! + +Amrah, dus tegengehouden, bedekte haar gelaat met beide handen en snikte +zoo luid, dat de menschen bij de bron het hoorden. Eensklaps richtte zij +zich op en vraagde: Lieve meesteres, waar is Tirza toch? + +--Hier ben ik, Amrah, hier! Zoudt gij mij wat water willen geven? + +Amrah sprong op, streek zich het haar uit de oogen, en nam den doek van +haar mandje. Zie, sprak zij, ik heb wat brood en vleesch voor u +meegebracht. + +--Dat is goed van u, Amrah. Wilt gij nu wat water voor ons halen? dan +nemen wij het mee naar de spelonk. Meer moogt gij vandaag niet voor ons +doen. + +De lieden bij de bron, die dit alles van verre hadden gadegeslagen, +gingen voor Amrah op zijde, en hielpen haar zelfs de kruik vullen, +zoozeer wekte haar zichtbare droefheid hun medelijden op. + +--Wie zijn dat? vraagde eene vrouw. + +Zacht antwoordde Amrah: Zij zijn goed voor mij geweest. + +Toen de kruik gevuld was zette zij die op haar schouder en spoedde zich +naar de melaatschen terug. In haren ijver zou zij tot vlak bij haar +gegaan zijn, maar de kreet: Onrein! Onrein! hield haar nog intijds +tegen. Zij zette de kruik naast het mandje, en ging een paar stappen +terug. + +--Hartelijk dank, goede Amrah, gij hebt braaf gehandeld. + +--Kan ik nog iets voor u doen? + +De moeder had de kruik reeds opgenomen en hoewel zij versmachtte van +dorst zette zij haar weder op den grond en zeide: Ja. Ik weet dat Juda +thuis gekomen is. Ik zag hem eergisteravond op de stoep liggen slapen, +en ik zag u, toen gij hem wakker maaktet. + +Amrah sloeg de handen ineen en riep: Dat zaagt gij, en kwaamt niet bij +ons. + +--Dat mocht ik immers niet doen. Ach, Amrah, ik kan mijn zoon nooit meer +in de armen nemen, hem nooit meer aan mijn hart drukken. Amrah, ik weet +dat gij hem liefhebt, niet waar? + +--Ja, ja, ik wil als 't noodig is voor hem sterven, riep de trouwe ziel. + +--Welnu, geef mij daar een bewijs van. + +--Al wat gij wilt. + +--Dan moogt gij hem niet zeggen waar en hoe gij ons gevonden hebt. +Anders niet. + +--Maar hij zoekt u overal! Hij is van verre gekomen om u te zoeken! + +--Hij mag ons niet vinden. Hij mag niet worden wat wij zijn. Luister, +Amrah. Blijf ons dagelijks van het noodige voorzien, zooals gij heden +deedt. Het zal niet lang noodig zijn, neen, niet lang. Kom 's morgens en +'s avonds en vertel ons van hem; maar tegen hem geen woord over ons. +Belooft gij mij dat, Amrah? drong de moeder met trillende stem. + +--Ach, 't zal mij zoo zwaar vallen te zien hoe hij u overal loopt te +zoeken, en hem dan niet te kunnen of te mogen zeggen, dat u nog leeft! + +--Kunt ge hem zeggen dat gij ons gezond en wel hebt aangetroffen, Amrah? + +Amrah snikte. + +--Neen, vervolgde de moeder, en daarom moet gij zwijgen. Ga nu, en kom +van avond terug, dan zien wij naar u uit. Tot zoolang, vaarwel! + +Amrah bleef geknield liggen, totdat moeder en dochter in de spelonk +verdwenen waren. Toen keerde zij bedroefd huiswaarts. Dienzelfden avond +kwam zij terug en deed dat voortaan dag aan dag, zoodat het de +uitgestootenen aan niets ontbrak. De spelonk, hoe eenzaam en verlaten +ook, was toch niet zoo somber, als de cel in den burcht. Het daglicht +stroomde naar binnen, zij waren in de vrije natuur, en het valt +gemakkelijker geloovig den dood te verbeiden onder de open lucht, dan in +een onderaardschen kerker. + + + * * * * * + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +DE KAMPVECHTER. + + +Aan den morgen van den eersten dag der zevende maand Tishri in 't +Hebreeuwsch, October bij ons, verrees Ben-Hur van zijne legerstede in de +herberg,--ontevreden met de geheele wereld. + +Na de aankomst van Malluch, nu anderhalve maand geleden, waren zij +dadelijk aan het werk getogen. Malluch begaf zich allereerst naar den +burcht Antonia, en wendde zich rechtstreeks tot den commandant, wien hij +een omstandig verhaal deed aangaande het gebeurde met de familie Hur, en +duidelijk deed uitkomen, dat bij het ongeluk aan Gratus overkomen geen +sprake kon zijn van boosaardig opzet. Het doel van zijne nasporingen +was, zeide hij, ingeval de ongelukkigen nog leefden, den keizer een +smeekschrift aan te bieden, met verzoek om herstel van eer, rechten en +goederen. Zulk een smeekschrift zou, daar twijfelde hij niet aan, een +nauwkeurig onderzoek ten gevolge hebben, een onderzoek, waarvoor de +vrienden der familie volstrekt niet vreesden. + +Tot antwoord deelde de commandant hem mede, dat de vrouwen in cel VI +gevonden waren, en gaf hem de memorie ter inzage, die hijzelf opgesteld +had, ja, stond zelfs toe dat Malluch er een afschrift van nam. + +Daarop haastte deze zich terug naar Ben-Hur. + +De jonkman was verplet hij het hooren van de vreeselijke tijding. Zijne +smart was te groot om in tranen of hartstochtelijke uitbarstingen van +woede verluchting te kunnen vinden. Doodsbleek bleef hij langen tijd +voor zich uit staren, nu en dan bij zichzelven herhalende: Melaatsch! +Zij--, moeder en Tirza--zij melaatsch! Hoe lang, o God, hoe lang? + +Het eene oogenblik was hij vol van deernis, het volgende smachtte hij er +naar wraak te nemen. Eindelijk stond hij op. + +--Ik moet ze gaan zoeken, Malluch! Misschien zijn zij stervend! + +--Waar wilt gij zoeken? vraagde deze. + +--Er is maar ééne plaats, waarheen zij hebben kunnen gaan. + +Malluch trachtte het hem te ontraden, en slaagde er eindelijk in hem te +overtuigen van de noodzakelijkheid er zich persoonlijk buiten te houden +en alles aan hem, Malluch, over te laten. Te zamen gingen zij naar de +poort tegenover den Berg van den Slechten Raad, sinds onheugelijke +tijden de plaats, waar de melaatschen aan den weg zaten te bedelen. Daar +bleven zij den ganschen dag, deelden aalmoezen uit, vraagden overal of +men de twee vrouwen ook gezien had, en beloofden een rijke belooning aan +ieder, die hare verblijfplaats kon aanwijzen. Dat hielden zij anderhalve +maand lang dagelijks vol. De melaatschen, voor wie de uitgeloofde +belooning een machtige drijfveer was, doorzochten ijverig den omtrek, +maar tevergeefs. Ook de bewoonsters van de groote spelonk bij de bron +werden meer dan eens ondervraagd, maar zij wisten haar geheim te +bewaren. + +--Waar kunnen zij toch gebleven zijn? vraagde Ben-Hur eindelijk +ontmoedigd, om er dan in bitterheid des gemoeds op te laten volgen: Ach, +zij zijn zeker dood; weggegaan--de wildernis in, en daar omgekomen. +Moeder dood--Tirza dood--ik alleen overgebleven. En waarvoor? Hoe lang, +o Heer, God mijner vaderen, hoe lang zal Rome mogen blijven bestaan? + +Toornig, hopeloos, wraakzuchtig trad hij den voorhof van de herberg in, +en vond dien vol met menschen, welke gedurende den nacht waren +aangekomen. Terwijl hij zijn ontbijt gebruikte luisterde hij naar hunne +gesprekken. Eén gezelschap trok hem vooral aan. Het bestond uit sterk +gebouwde, geharde jonge mannen, wier manieren en spraak verrieden, dat +zij uit de provincie kwamen. Uit hun oogopslag, uit de houding van hun +hoofd sprak een geest, dien men niet bij de mindere klasse van Jeruzalem +opmerkte, de geest, die een gevolg is van het vrije gezonde leven in een +bergachtige streek. Weldra vernam hij, dat zij uit Galilea kwamen, en +hoofdzakelijk naar Jeruzalem gekomen waren om deel te nemen aan het +feest der Trompetten, dat op dien dag zou gevierd worden. Nu werd zijne +belangstelling nog grooter, want in Galilea hoopte hij allereerst hulp +te vinden voor het werk, dat hij weldra moest aanvaarden. + +Terwijl hij hen gadesloeg en naging wat hij met een legioen van zulke +mannen, gedrild naar de strenge Romeinsche wetten, al niet zou kunnen +uitrichten, kwam een man de herberg binnenloopen met gloeiend gelaat en +schitterende oogen. + +--Wat doet gij hier? vraagde hij de Galileërs. De rabbijnen en Oudsten +gaan juist uit den Tempel naar Pilatus. Haast u en komt mee, dan sluiten +wij ons bij hen aan. + +In een oogwenk had hij de Galileërs rondom zich. + +Naar Pilatus? Waarvoor? + +--Zij hebben eene samenzwering ontdekt. Pilatus wil zijne nieuwe +waterleiding betalen met geld uit den Tempelschat. + +--Wat? Met het heilige geld? riepen verscheidene mannen met vlammende +blikken. Het is geld van God. Laat hij probeeren er een penning van te +nemen, als hij durft! + +--Komt dan! riep de boodschapper. De stoet is al over de brug; geheel +Jeruzalem is uitgeloopen en volgt hen. Wij zijn misschien noodig. Maak +voort! + +Snel wierpen de mannen hun overtollige bovenkleeren af, en stonden daar +blootshoofds en in de korte tunica zonder mouwen, die zij gewoon waren +te dragen bij den veldarbeid, of bij de visscherij, de kleedij, waarin +zij de kudden weidden op de bergen en de rijpe druiven plukten in den +wijngaard. + +--Wij zijn gereed, zeiden zij, hun gordels vaster aantrekkende. + +Toen sprak Ben-Hur hen aan. Mannen van Galilea, zeide hij, ik ben een +zoon van Juda. Mag ik met u gaan? + +--Het zal misschien tot een gevecht moeten komen. + +--Welnu, in dat geval zal ik niet de eerste zijn, die op de vlucht gaat. + +Zij zagen hem lachend aan en de bode zeide: Gij ziet er sterk genoeg +uit. Kom mee! + +Ben-Hur wierp zijn opperkleed af. Gij denkt dus dat er gevochten zal +worden? vraagde bij koeltjes. + +--Ja. + +--Met wie? + +--Met de wacht. + +--Legioenen? + +--Op wie anders kunnen de Romeinen zich verlaten? + +--Welke wapenen hebt gij? + +Niemand antwoordde. + +--Nu, zeide hij, wij zullen ons zoo goed mogelijk moeten verweren. Maar +zou het niet verstandig zijn, als wij een aanvoerder kozen? De legioenen +hebben er ook altijd een, en handelen daardoor eenparig. + +De Galileërs staarden hem verbaasd aan, alsof zij van zoo iets nooit +gehoord hadden. + +--Laat ons ten minste afspreken bij elkander te blijven, zeide hij. Ik +ben gereed. Gijlieden ook? + +--Ja, laat ons gaan. + +De herberg, het zij hier even herinnerd, stond te Bezetha, de nieuwe +stad, en om naar het Praetorium te gaan, zooals de Romeinen hoogdravend +het paleis van Herodes op den berg Sion noemden, moesten onze vrienden +de laaglanden ten noorden en westen van den Tempel oversteken. Na den +heuvel Akra te zijn omgetrokken, bereikten zij den toren Mariamne. +Vandaar was men in een paar minuten bij de groote poort van het paleis. +Overal ontmoetten zij op hun weg lieden, die zich met hetzelfde doel +hadden opgemaakt. Toen zij ten laatste de poort van het Praetorium +bereikten, was de stoet van rabbijnen en Oudsten juist naar binnen +gegaan met een groot gevolg achter zich, terwijl een nog grootere, +luidruchtige menigte buiten wachtte. + +Een centurio bewaakte met een goed gewapende wacht den ingang. De zon +wierp haar gloeiende stralen op de helmen en schilden der soldaten, maar +bleven onbewegelijk staan, even onverschillig voor het oogenverblindend +geflikker, als voor het gejoel der menigte. Door de openstaande bronzen +poorten stroomden tal van burgers naar binnen, terwijl een veel kleiner +getal er uit kwam. + +--Wat is er aan de hand? vraagde een Galileër aan een man, die naar +buiten kwam. + +--Niets, antwoordde deze. De rabbi's staan voor de deur van het paleis +en verlangen Pilatus te zien. Hij heeft geweigerd naar buiten te komen. +Nu hebben zij hem doen weten, dat zij niet weg zullen gaan, voordat hij +hen gehoord heeft. Zij wachten nog. + +--Laat ons naar binnen gaan, zeide Ben-Hur bedaard, want hij zag wat +zijne eenvoudige makkers waarschijnlijk niet zagen--dat men hier niet +alleen met een verschil tusschen de rabbi's en den procurator te doen +had, maar dat het eene zaak was, waar een beslissing op moest volgen, en +dat nu maar de vraag was wie zijn zin zou krijgen. + +Zij traden binnen en kwamen in een voorhof, aan weerszijden met boomen +beplant en van banken voorzien. Zich rechts keerend ging het gezelschap +naar een ruime vierkante plaats, aan wier westzijde de woning van den +procurator lag. Daar bewoog zich een opgewonden menigte. De oogen van +allen waren op eene in een breeden doorgang aangebrachte deur gericht, +die gesloten was. Onder dien doorgang was een tweede wacht geschaard. + +Het gedrang was zoo groot dat onze vrienden, al wilden zij nog zoo +gaarne, niet vooruit konden komen. Zij bleven dus waar zij waren en +gaven nauwlettend acht op wat er gebeurde. In de voorste rijen konden +zij de hooge tulbanden der rabbijnen zien, wier ongeduld zich telkens +openbaarde in den kreet: Pilatus, als gij procurator wilt zijn, kom dan +naar buiten! + +Eenmaal kwam een der voorsten terug en baande zich een weg door de +menigte; zijn gelaat gloeide van toorn. Israël wordt hier niet geteld, +riep hij met luide stem. Op dezen gewijden grond behandelt men ons, +alsof wij Romeinsche honden waren. + +--Zal hij niet buiten komen, denkt gij? + +--Buiten komen? Heeft hij niet reeds driemaal geweigerd? + +--Wat zullen de rabbijnen doen? + +--Wat zij te Cesarea deden: hier blijven wachten, totdat hij naar hen +luistert. + +--Hij zal toch den Tempelschat niet durven aanraken, denkt gij wel? +vraagde een der Galileërs. + +--Wie zal het zeggen! Heeft niet een Romein het heilige der heiligen +ontreinigd? Is iets heilig voor een Romein? + +Een uur ging voorbij, en ofschoon Pilatus hen geen antwoord waardig +keurde, hielden de rabbijnen stand. Zoo ook de scharen. Tegen den middag +begon het te regenen, hetgeen niet verhinderde, dat de menigte +aangroeide en steeds rumoeriger en ontevredener werd. Kom naar buiten! +Kom buiten! klonk het onophoudelijk. + +Intusschen hield Ben-Hur zijne Galileesche vrienden bijeen. Hij +vermoedde dat de hoogmoed den Romein weldra zijn voorzichtigheid zou +doen vergeten en het einde spoedig daar zou zijn. Pilatus wachtte +slechts totdat het volk zelf hem een voorwendsel zou geven, om tot +geweld zijn toevlucht te nemen. + +Het einde kwam dan ook werkelijk spoedig genoeg. + +Eensklaps hoorde men dat er slagen vielen, gevolgd door luide kreten van +pijn en woede. Alles geraakte in beweging. De eerwaardige mannen voor de +portiek keken verschrikt om. Het volk in de achterhoede drong vooruit, +die in het midden stonden trachtten achteruit te wijken, en gedurende +een oogenblik was de drukking van twee kanten verschrikkelijk. Duizenden +stemmen vraagden wat er gebeurd was, maar niemand kon het antwoord +geven. + +Ben-Hur behield zijne bedaardheid. Kunt gij zien wat daar geschiedt? +vraagde hij een der zijnen. + +--Neen. + +--Ik zal u optillen. + +Hij greep den man met beide handen om het middel en tilde hem van den +grond. + +--Wat ziet ge? + +--Mannen met knuppels gewapend. Zij slaan op het volk in. Zij zijn als +Joden gekleed. + +--Wie zijn het? + +--Romeinen! vermomde Romeinen! Zij slaan er duchtig op los. Daar slaan +zij een rabbi neer,--een oud man! Zij sparen niemand. + +Ben-Hur zette hem weer op den grond. + +--Mannen van Galilea, zeide hij, het is een list van Pilatus. Als gij +doen wilt wat ik zeg, zullen wij eens gauw met die knuppelaars +afrekenen. + +--Ja, ja! riepen zij eenstemmig. + +--Laat ons dan teruggaan naar de boomen bij de poort, die zullen ons van +dienst kunnen zijn. Komt! + +Zij liepen zoo hard zij konden terug, en met vereende krachten braken +zij de dikste takken van de boomen. In korten tijd waren ook zij +gewapend. Juist wilden zij optrekken, toen de menigte als razend op de +vlucht sloeg en hun den weg dreigde af te snijden. Het was een geweldig +rumoer: schreeuwen, kermen, vloeken. + +--Langs den muur! beval Ben-Hur. Langs den muur! Laat den hoop +voorbijgaan! + +Zij gehoorzaamden, drukten zich tegen den muur aan hunne rechterzijde, +ontkwamen op die wijze het gevaar van te worden meegesleurd door den +machtigen stroom, en drongen stap voor stap vooruit, totdat ten laatste +de voorplaats bereikt was. + +--Blijft nu bijeen, en volgt mij! riep Ben-Hur. + +Zijn meesterschap was ten volle erkend, en toen hij zich tusschen de +woedende menigte wierp, volgden zij hem als een eenig man. + +Toen nu de Romeinen, die nog steeds met hunne knuppels zwaaiden en zich +vroolijk maakten, als zij eenigen van het volk neersloegen, handgemeen +werden met de Galileërs, vlug van leden, vurig van geest, en eveneens +gewapend, waren zij op hunne beurt verrast. Het tieren en razen werd +heftiger, de slagen volgden elkander sneller en moorddadiger. Ben-Hur +verrichtte wonderen van dapperheid. Zijn geoefende sterke hand miste +nooit haar doel. Hij was te gelijk strijder en aanvoerder, altijd +vooraan, altijd in 't heetst van het gevecht. In zijn krijgsgeschreeuw +was iets dat zijne volgers bezielde en zijne vijanden met bezorgdheid +vervulde. Weldra begonnen de Romeinen te wijken, eindelijk sloegen zij +op de vlucht. De Galileërs zouden hen tot aan de portiek hebben willen +vervolgen, maar Ben-Hur hield hen wijselijk tegen. + +--Niet verder, mannen! riep hij. Daar komt de hoofdman met de wacht. Zij +hebben zwaarden en schilden. Tegen hen zijn wij niet opgewassen. Wij +hebben ons flink gehouden; laat ons terugtrekken, de poort uit, terwijl +wij nog kunnen. + +Langzaam trokken zij af. Gedurig moesten zij over hunne gevallen +broeders heenstappen; sommige leefden nog en vraagden kermend om hulp. +Maar de gesneuvelden waren niet allen Joden. Dat was een troostrijke +gedachte. + +De hoofdman riep hen spot- en scheldwoorden na, maar Ben-Hur lachte hem +uit en antwoordde in het Latijn: Als wij Joodsche honden zijn, zijt +gijlieden Romeinsche jakhalzen. Blijf maar, wij zullen wel terugkeeren! + +De Galileërs juichten hem toe en gingen lachend verder. Buiten de poort +stond een saamgepakte menigte, straten, daken, berghelling, alles was +vol met menschen, die hunne verontwaardiging luide lucht gaven. + +De wacht aan de buitenzijde liet de Galileërs ongemoeid door. Toen zij +een eindweegs gegaan waren, zeide Ben-Hur tot de Galileërs: Broeders, +gij hebt u dapper geweerd. Laat ons nu afscheid nemen, maar komt van +avond bij mij in de herberg te Bethanië. Ik heb u een voorstel te doen +in het belang van het geheele volk van Israël. + +--Wie zijt gij? vraagden zij. + +Een zoon van Juda. Zult gij komen? + +--Ja, wij zullen komen. + +Dit afgesproken zijnde ging ieder zijns weegs. + +Op bevel van Pilatus werden de dooden en gewonden weggedragen. Onder het +volk was veel geween; maar die getuigen geweest waren van de overwinning +der Galileërs onder aanvoering van den onbekenden jongen held, vertelden +overal wat er geschied was, en wachtten in spanning, of hij nog van zich +zou doen hooren. + +Zoo had Ben-Hur den eersten stap gedaan om zich vrienden te maken onder +de Galileërs, en zich den weg gebaand tot grootere daden in dienst des +Konings, die te komen stond. + +Met welk gevolg zullen wij weldra zien. + + + * * * * * + + +BOEK VII. + + + * * * * * + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +DE HERAUT. + + +De samenkomst in de herberg te Bethanië had dienzelfden avond plaats. +Van daar begaf Ben-Hur zich met zijne volgelingen naar Galilea, waar men +reeds van zijn moedig optreden gehoord had. Nog vóór het einde van den +winter had hij drie legioenen bijeen vergaderd en naar Romeinsche wijze +ingericht. Hij zou gemakkelijk het dubbele getal hebben kunnen +verzamelen, want de krijgsmansgeest was in het dappere volk ontwaakt. +Zoowel tegenover Rome als tegenover Herodus Antipas waren echter de +grootste voorzichtigheid en geheimhouding noodzakelijk. Zich dus voor +het oogenblik tevreden stellende met drie legioenen, spande hij alle +krachten in om hen te gewennen aan strenge tucht en gemeenschappelijken +arbeid. Tot dat doel bracht hij de hoofdlieden naar de woeste streken +van Trachonitis, en onderwees hen in het hanteeren der wapenen, +inzonderheid van werpspies en zwaard, en in het aanvoeren van +manschappen. Daarop zond hij hen naar huis terug, om op hunne beurt +anderen te onderwijzen. Na weinig tijds waren deze oefeningen een +geliefkoosde uitspanning onder het volk geworden. + +Natuurlijk vereischte deze werkzaamheid veel geduld, beleid, ijver en +opoffering, hoedanigheden die onontbeerlijk zijn, zal men anderen kunnen +bezielen. Hoe zwoegde hij van den ochtend tot den avond, zichzelf geheel +vergetende! Toch zou hij niet geslaagd zijn zonder de hulp van Simonides, +die hem van wapenen en geld voorzag, en van Ilderim, die hem proviand +bezorgde en overal wachten had uitgezet. + +Voor de Galileërs had hij niets dan lof. Onder dien naam waren de +stammen Aser, Zebulon, Issaschar en Nafthali begrepen, die het land +bewoonden, hun weleer door Mozes aangewezen. De Joden, die in den omtrek +des Tempels geboren waren, verachtten hunne noordelijke broederen, maar +zelfs de Talmud leerde: De Galileër bemint de eer, de Jood het geld. + +Hun haat tegen Rome was even vurig als hunne liefde voor het vaderland. +Bij elken opstand waren zij de eersten om aan te vallen en de laatsten +om te wijken. Honderdvijftigduizend Galileesche mannen hebben hun leven +gelaten in den laatsten kamp tegen Rome. Voor de groote feesten trokken +zij als geordende legerscharen op naar Jeruzalem en kampeerden in het +open veld. Toch waren zij zeer vrijzinnig, en zelfs toegevend voor het +heidendom. Op de schoone steden door Herodes in Romeinschen trant +gebouwd, vooral op Sepphoris en Tiberias, waren zij zeer trotsch en +droegen voor den bouw naar vermogen bij. Mannen uit alle oorden der +wereld hadden hunnen woonstede onder hen en leefden er in vrede. Tot +roem van den Hebreeuwschen naam brachten zij dichters en profeten voort, +met name den zanger van het hooglied en Hosea. + +Op een volk met zoo rijke verbeelding, zoo hooghartig, dapper en trouw, +moest het verhaal van de aanstaande komst des nieuwen konings machtig +werken. Dat zijn doel was Rome ten onder te brengen zou reeds voldoende +geweest zijn, om hem te winnen voor Ben-Hurs plannen, doch toen men hun +daarenboven verzekerde, dat de koning de wereld zou regeeren en een rijk +zou stichten, nog machtiger dan dat van Cesar, nog heerlijker dan dat +van Salomo, en dat die heerschappij eeuwig zou voortduren, stroomden zij +toe, en wijdden zij zich met lichaam en ziel aan 's konings zaak. Zij +vraagden Ben-Hur vanwaar hij deze dingen wist--en hij wees hen op de +profeten, en vertelde hun van Balthasar, die in Antiochië op de komst +des konings wachtte. Dat voldeed hen, want het was de oude +Messiasbelofte, naar wier vervulling zij reeds zoo lang hadden +uitgezien. De droom zou dus eindelijk verwezenlijkt worden. + +De wintermaanden gingen voorbij. De lente kwam, en zoo voortreffelijk +was hij met alles geslaagd, dat hij tot zichzelven en zijne volgelingen +mocht zeggen: laat de koning nu maar komen. Hij heeft slechts te bevelen +waar hij zijnen troon wil opgericht zien--wij zijn gereed om hem op +zijnen troon te handhaven. + +De Galileërs kenden hunnen aanvoerder alleen als een zoon van Juda. Een +anderen naam had hij hun niet opgegeven. + + * * * * * + +Op zekeren avond zat Ben-Hur in Trachonitis met een paar van zijne +Galileesche vrienden voor de spelonk, waar hij zijn hoofdkwartier had +opgeslagen, toen een Arabische bode kwam aanrijden en hem een brief +overhandigde. Hij verbrak het zegel en las: + + Jeruzalem IV Nisan. + + Een profeet is opgestaan, van wien men zegt dat hij Elias is. Hij + heeft jarenlang in de wildernis geleefd, en in onze oogen is bij + een profeet. Zijne taal maakt hem ook als zoodanig openbaar. In + zijne prediking wijst bij steeds op één, grooter dan hijzelf, die + weldra komen zal. Hij houdt zich op aan den oostelijken oever van + den Jordaan. Ik ben hem gaan zien en hooren, en geloof vast dat + degeen op wien hij wacht de koning is, dien gij verwacht. Kom en + oordeel zelf. Geheel Jeruzalem gaat tot den profeet, en de plaats + waar hij vertoeft is zoo vol, als de Olijfberg gedurende de laatste + dagen van het Paaschfeest. + + Malluch. + +Ben-Hurs gelaat werd met een glans van vreugde overtogen. Mijne vrienden, +zeide hij, ons wachten is ten einde. De heraut van den koning is verschenen +en heeft zijne komst aangekondigd. + +Nadat hij hun den brief had voorgelezen, verheugden zij zich allen met +groote blijdschap. + +--Maakt u dus gereed, vervolgde hij, en keert morgenochtend huiswaarts. +Doet al de uwen weten, dat zij zich gereed houden om op te trekken, +zoodra ik het sein geef. Ik zal gaan zien, of de komst van den koning +werkelijk zoo nabij is en het u doen weten. + +Hij ging de spelonk binnen om een brief te schrijven aan Ilderim en aan +Simonides, waarin hij hun de zoo even ontvangen tijding mededeelde. De +brieven verzond hij door ijlboden. 's Avonds, toen de sterren aan den +hemel flonkerden, steeg hij te paard en begaf zich met een Arabischen +gids op weg naar den Jordaan. Zijn plan was den weg te volgen tusschen +Rabbath Ammon en Damascus, den weg, dien de karavanen gewoonlijk namen. + +De gids was vertrouwbaar. Aldebaran was vlug;--tegen middernacht hadden +zij het lavagebied reeds achter zich en waren zij op weg naar het Zuiden. + + + * * * * * + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +EEN VERRASSING. + + +Ben-Hur had gehoopt met het aanbreken van den dag een veilige rustplaats +te zullen bereiken, maar de morgenstond overviel hem in de woestijn, en +hij zette de reis voort, daar de gids hem verzekerde, dat zij weldra aan +een door hooge rotsen ingesloten dal zouden komen, waar hij een bron, +moerbeiboomen en gras in overvloed zou vinden. + +Nadat zij eenigen tijd zwijgend hadden doorgereden, vestigde de gids, +die aanhoudend rondkeek, zijne aandacht op een gezelschap, dat, hoewel +nog verre achter hen, denzelfden weg scheen te volgen. + +--Het is een gezadelde kameel, zeide de gids een oogenblik later. + +--Zijn er geleiders bij? vraagde Ben-Hur. + +--Neen ... of ja, er is een man te paard bij, zeker de drijver. + +Een weinig later kon Ben-Hur zelf den kameel onderscheiden. Hij was wit +en buitengewoon groot, en herinnerde hem terstond het schoone dier, dat +hij bij de Castaliabron gezien had. Geen ander was dien kameel gelijk. +Zijne gedachten vlogen terug naar de Egyptische, ongemerkt liet hij zijn +paard langzamer gaan. Eindelijk zag hij dat de kameel een overdekte +zonnetent droeg, waarin twee personen zaten. Als dat eens Balthasar en +Iras waren? Zou hij zich aan hen bekend maken? Maar dat was immers niet +mogelijk! Wat zouden zij hier in de woestijn doen, zij alleen? + +Terwijl hij de mogelijkheid of onmogelijkheid overdacht, was de kameel +hem reeds op zijde gekomen. Hij hoorde het gerinkel der belletjes en zag +de rijke versiering, die het volk aan de Castaliabron zoozeer bekoord +had; ook den Ethiopiër herkende hij. Toen de kameel het paard had +ingehaald hield hij stil, en zag Ben-Hur de verbaasde oogen van Iras op +zich gevestigd. + +--De zegen van den waren God zij met u, zeide Balthasar. + +--En met u en de uwen, antwoordde Ben-Hur. + +--Mijne oogen zijn verzwakt door de jaren, zeide Balthasar, maar toch +meen ik in u den zoon uit het huis van Hur te herkennen, dien ik onlangs +ontmoet heb, als den geëerden gast van Ilderim. + +--En gij zijt Balthasar, de wijze Egyptenaar, wiens gesprek over zekere +heilige zaken mij nog in de ooren klinkt, te meer daar diezelfde zaak +mij de reis door deze wildernis deed aanvaarden. En wat bracht u hier +zoo alleen? + +--Hij, die op God vertrouwt, is nooit alleen, en God is overal, zeide +Balthasar ernstig. Maar in antwoord op uwe vraag diene, dat een +karavaan, op weg naar Alexandrië, ons op korten afstand volgt, en daar +zij Jeruzalem denkt aan te doen, dacht het mij goed gebruik te maken van +haar geleide tot aan de Heilige Stad, waarheen ik op reis ben. Zij gaat +mij echter te langzaam, daarom reden wij hedenmorgen vooruit. Voor +roovers op den weg zijn wij niet bang, want wij hebben een geleibrief +van Sheik Ilderim, en tegen roofdieren is God onze beschutting. + +--De geleibrief van den Sheik is van kracht zoover de woestijn zich +uitstrekt, en de leeuw, die dezen vorst der kameelen inhaalt, moet zeker +nog geboren worden, zeide Ben-Hur, het dier op den hals kloppende. + +--Ja, zeide Iras, maar ook hij verlangt naar het verbreken van zijn +vasten. Koningen voelen daar ook wel de gevolgen van. Indien gij +werkelijk de Ben-Hur zijt, dien ik het genoegen heb gehad reeds vroeger +te ontmoeten, zal het u zeker een genoegen zijn ons den weg te wijzen +naar een bron, want wij verlangen naar een teug frisch water. + +--Schoone Egyptische, antwoordde hij, ik kan met u gevoelen. Kunt gij +nog vijf minuten geduld oefenen, dan zal ik u bij eene bron brengen, +wier water niet onderdoet voor dat van de beroemde Castaliabron. + +Dit gezegd hebbende reed Ben-Hur vooruit met den gids, daar het gesprek +onder het rijden toch niet kon worden voortgezet. Na een korten rit kwam +het gezelschap aan een _wady_. Hare bedding was zeer week door de regens +van de laatste dagen en voerde vrij steil naar beneden. Weldra echter +werd zij breeder en verliep ten slotte in een vruchtbare vallei, die, na +de zandige eentonige vlakte, den indruk maakte van een paradijs. Eenige +bloeiende oleanders, wier schitterend roode bloemen dadelijk de aandacht +tot zich trokken, waren het sieraad van dit liefelijk oord. Een statige +palmboom verhief zijn kruin ten hemel en bood den reizigers rust en +koelte aan onder zijn breede takken. Een moerbeziënboschje ter +linkerzijde gaf de plaats aan waar de bron te vinden was. + +Het water stroomde uit een rotsspleet, die door een zorgende hand +verbreed was, en waarboven in groote letters het woord GOD in het +Hebreeuwsch gegraveerd stond. Zonder twijfel had hij, die de letters in +den steen gegrift had, hier dagen lang getoefd, en op deze wijze zijne +dankbaarheid geuit. + +Ben-Hur en de gids stegen af, de Ethiopiër deed den kameel nederknielen, +zoodat Balthasar en Iras de tent konden verlaten. + +De Egyptenaar keerde zijn gelaat naar het Oosten, vouwde de handen +eerbiedig en bad. + +--Geef mij een beker, beval Iras ongeduldig, en toen de Ethiopiër haar +onhandig een kristallen beker had gebracht, zeide zij tot Ben-Hur: Ik +zal u bedienen. + +Te zamen wandelden zij naar de bron. Hij wilde water voor haar scheppen, +maar zij stond het hem niet toe, knielde neder, vulde zelve den beker en +bood hem dien aan. + +--Neen, neen, zeide hij, het is aan mij u dezen dienst te bewijzen. + +Zij bleef echter aandringen, er bijvoegende: Wij, Egyptenaren, zoon van +Hur, hebben een spreekwoord: Beter de schenker te zijn van den gelukkige, +dan raadsman van een koning. + +Nu voegde Balthasar zich bij hen. + +--Wij zijn u zeer verplicht, zeide hij, deze vallei is liefelijk; het +gras, de boomen, de schaduw noodigen ons tot een rustig verblijf. De +bron fonkelt in den zonneschijn en spreekt tot mij van een God vol +liefde. Blijf bij ons en zit met ons aan. + +--Laat ik u dan eerst met een dronk mogen verkwikken, zeide de jonkman, +hem een vollen beker aanbiedende. + +Intusschen had de slaaf de tent opgeslagen en alles voor het ontbijt in +gereedheid gebracht, waaraan door de reizigers alle eer bewezen werd. + + + * * * * * + + +DERDE HOOFDSTUK. + +ONSTERFELIJKHEID. + + +De koele atmosfeer, de schoone bloemen, de sabbatsstilte, alleen +verbroken door het zachte ruischen van het water en het gonzen der +insecten, brachten den Egyptenaar in een opgewekte stemming. + +--Toen wij u inhaalden, zoon van Hur, zeide hij, was uw gelaat naar +Jeruzalem gekeerd. Mag ik u vragen of dat het doel uwer reis is? + +--Ja, ik ben op weg naar de Heilige Stad. + +--Wij ook, en daar ik mijne krachten sparen moet wensch ik er zoo +spoedig mogelijk te zijn. Kunt gij mij ook zeggen, of er een korter weg +is, dan die over Rabbath Ammon? + +--Ik ga over Gerasa, en Rabbath Gilead, dat is veel korter, maar ook +vermoeiender. + +--Ik verlang naar het einde van de reis, zeide Balthasar. In den +laatsten tijd droomde ik telkens denzelfden droom. Herhaaldelijk hoorde +ik een stem, die mij toeriep: Haast u, maak u op! Hij, dien gij zoolang +verwacht hebt, staat te komen. + +--Gij bedoelt hem, die de koning der Joden zal worden? vraagde Ben-Hur +verbaasd. + +--Juist. + +--Hebt gij dus nog niets van hem gehoord? + +--Niets, behalve die woorden van mijn droom. + +--Ziehier dan een tijding, die u zal verheugen. + +Uit de plooien van zijn gewaad haalde Ben-Hur den brief van Malluch te +voorschijn. Balthasar strekte er de hand naar uit en las hem hardop. +Toen hief hij zijne oogen dankend op naar den hemel. Hij deed geen +vragen, maar twijfelde ook niet. + +--Hoe goed zijt gij voor mij geweest, o God, zeide hij. Vergun mij, bid +ik u, den Messias te zien, opdat ik hem moge aanbidden, en laat uw +dienstknecht heengaan in vrede. + +De eenvoudige, vertrouwelijke bede maakte diepen indruk op Ben-Hur. +Nooit had hij zoo Gods tegenwoordigheid gevoeld. Het was hem, alsof God +hier persoonlijk bij hem was, een vriend, wien zij alles konden vragen, +een vader, die al zijne kinderen evenzeer liefhad, een vader voor den +zoon van Israël, zoowel als voor den heiden, een vader voor allen, wien +allen naderen mochten zonder tusschenkomst van priesters of leeraars. De +gedachte, dat zulk een God de menschheid een Verlosser zou kunnen zenden +in plaats van een koning, kwam hem niet meer zoo vreemd voor, de vraag +kwam zelfs bij hem op, of het niet veel meer overeenkomstig was met het +wezen Gods. Daarom zeide hij: Denkt gij nu nog dat hij als Verlosser zal +optreden en niet als koning? + +--Wat zal ik daarop zeggen? antwoordde Balthasar. De geest, die mij +weleer geleidde, is mij niet meer verschenen sinds ik u ontmoette in de +tent van den goeden Sheik; ten minste niet op de vroegere wijze. Maar ik +geloof dat die geest nu in mijne droomen tot mij spreekt. Een andere +openbaring heb ik niet. + +--Ja maar, zeide Ben-Hur, gij dacht dat hij een koning zou zijn, hoewel +niet als de vorsten der aarde. Gij dacht dat zijne heerschappij +geestelijk zou zijn, niet van deze wereld. + +--O ja, luidde het antwoord, en dat geloof ik nog. Ik zie dat er +verschil is in onze verwachting. Gij gaat om een koning van menschen te +ontmoeten, ik ga om een behouder van zielen te zien. + +Hij hield even op, alsof hij naar de juiste woorden zocht om zijne +meening duidelijk te maken. + +--Laat mij trachten, zoon van Hur, u een juist begrip te geven van mijn +geloof. Als ik u gezegd zal hebben waarom de geestelijke heerschappij, +die hij zal uitoefenen, in ieder opzicht uitnemender is, dan enkel +koninklijke pracht, zult gij mij beter begrijpen. Ik kan niet met +zekerheid zeggen wanneer het denkbeeld, dat ieder mensch eene ziel +heeft, ontstaan is. Waarschijnlijk brachten de eerste menschen het mede +uit den hof in Eden. Dat het nooit geheel verloren ging weten wij allen. +Waarom zou ieder mensch eene ziel hebben? Laat ons daar eens even bij +stilstaan. Zich neder te leggen en te sterven, op te houden te bestaan +werd nooit door eenig mensch begeerd. Allen zonder onderscheid zullen in +het diepst hunner ziel wel op iets beters gehoopt hebben. De monumenten +der volken zijn zoovele protesten tegen de vernietiging na den dood, +evenzoo hunne standbeelden en opschriften, evenzoo de geschiedenis. +De grootste onzer Egyptische koningen liet zijne beeltenis in een rots +uithouwen. Dagelijks ging hij er met zijn gevolg heen om het werk te +zien. Eindelijk was het gereed, de gelijkenis was treffend. Mogen wij +ons nu niet voorstellen, dat hij, voor dat kunstwerk staande, gedacht +heeft: Laat de dood vrij komen, ik leef in de toekomst voort!... Hij +heeft zijn wensch gehad. Het beeld staat er nog. + +Maar waar bestaat het voortleven in, dat hij zich dus verzekerde? Alleen +in de herinnering der menschen--een roem, vergankelijk als het schijnsel +der maan op het groote beeld. En wat is intusschen van den koning +geworden? In de koninklijke graven ligt een gebalsemd lichaam, dat +eenmaal het zijne was. Maar waar, zoon van Hur, is de koning zelf? Is +hij in het niet verzonken? Tweeduizend jaren zijn verloopen sedert hij +op deze aarde leefde, als gij en ik. Was met zijn laatste ademtocht +alles voor hem afgedaan? Zeggen wij ja, dan brengen wij eene +beschuldiging in tegen God. Wij nemen daarom een beter en werkelijk +leven na den dood aan, iets wat meer is dan een voortleven in de +herinnering. Daarom gaf God ons bij de geboorte eene ziel, die +onsterfelijk is. Denk nu eens aan het genot, dat in de gedachte ligt: +Wij hebben een ziel. Deze gedachte ontneemt den dood zijne verschrikking, +door het sterven te maken tot een verandering voor beter, en het +begraven tot het zaaien van een zaad, waaruit een nieuw leven zal +ontspruiten. Zie mij, oude man, aan, verzwakt naar het lichaam. Weldra +zal het graf mij ontvangen, maar dan ook openen zich voor mij de +onzichtbare deuren van Gods heerlijk huis, om mij, dat is mijne bevrijde +onsterfelijke ziel, op te nemen. O, had ik woorden om dat heerlijke +leven te schetsen! Zeg niets, dat ik er niets met zekerheid van weet. +Dit weet ik, en dat is mij genoeg: een ziel te bezitten sluit in deel te +hebben aan een goddelijke eigenschap. Zulk een verloste ziel heeft niets +meer met het stof, met het onreine te maken; zij leeft in volkomen +reinheid. Zal ik, dit geloovende, dan nog met mijzelven of met u gaan +redeneeren over de bijomstandigheden? Over den vorm van mijne ziel, of +over de behoefte aan spijs en drank, of hoe mijne ziel bekleed zal zijn? +Neen, dat laat ik gerust aan God over. Het schoone in deze wereld komt +alles uit zijne hand. Hij bekleedt de lelie, Hij geeft de roos haar +kleurenpracht, Hij roept den dauwdroppel te voorschijn. De harmonie in +de natuur is door Hem ontstaan. Hij maakt ons voor dit leven geschikt en +stelde zijne voorwaarden vast. Zij zijn van dien aard, dat ik met volle +gerustheid mijne ziel en het leven na den dood in zijne handen stel. Ik +weet dat Hij mij liefheeft. + +Balthasar zweeg. Ben-Hur, ja zelfs Iras, was aangedaan. Voor den eerste +ging een licht op. Hij begon in te zien, dat een geestelijk koningschap +voor de menschheid van nog grooter belang kon zijn, dan een aardsch +koninkrijk, en dat een Verlosser, meer dan de machtigste koning, een +Gode waardige gave zou zijn. + +Na eenigen tijd verbrak Balthasar het stilzwijgen en zeide: Het wordt +tijd dat wij opbreken en onze reis vervolgen. Ik brand van verlangen om +hem te zien, die mijne gedachten geheel vervult. Laat dat verlangen +mijne verontschuldiging zijn, zoon van Hur, als ik u tot spoed aanzet. + +Terwijl de Ethiopiër alles weer opbergde bracht de Arabische gids de +paarden voor, en weldra was het gezelschap op weg om de karavaan in te +halen, die hen naar alle waarschijnlijkheid reeds vooruit gekomen was. + + + * * * * * + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +DE HERAUT EN ZIJN KONING. + + +Op den derden dag van de reis nam het gezelschap tegen den middag een +weinig rust bij de beek Jabbok. Zij troffen daar ruim honderd mannen +aan, grootendeels uit Perea, die hier met hetzelfde doel als zij +vertoefden. Nauwelijks waren zij afgestapt, of een man trad op hen toe +met een kruik water en bood hun een frisschen dronk aan, van welk aanbod +zij gaarne gebruik maakten. De man bekeek intusschen den kameel en +zeide: Wat een prachtig dier! Ik kom juist van den Jordaan, waar het +dezer dagen druk bezocht is door reizigers van nabij en van verre, maar +geen van hunne kameelen kan in de schaduw staan van dezen. Mag ik vragen +van welk ras hij is? + +Balthasar bevredigde zijne nieuwsgierigheid en ging toen wat rusten, +maar Ben-Hur vraagde: Waar is het zoo druk? + +--Te Bethabara. + +--Daar placht het vroeger heel eenzaam te zijn, zeide Ben-Hur, hoe komt +het daar nu zoo vol? + +--O, ik zie het al, zeide de vreemdeling, gij komt ook van buitenaf en +hebt het goede nieuws nog niet gehoord. + +--Welk goed nieuws? + +--Er is een man uit de woestijn gekomen, een heilig man, die een nieuwe +leer predikt. Hij noemt zich Johannes, den zoon van Zacharia, en hij +zegt, dat hij de voorlooper is van den Messias. Men verhaalt van hem, +dat hij van jongsaf gewoond heeft in een spelonk bij Engedi, en zijn +tijd doorbracht met bidden en vasten. Geheele scharen gaan uit om hem te +hooren. Ik ben er ook geweest. + +--En deze mannen? Komen die er ook vandaan? + +--Verscheidene, maar de meesten moeten nog gaan. + +--Wat predikt hij? + +--Een nieuwe leer, zooals nog nooit in Israël verkondigd werd, zegt men. +Hij spreekt over bekeering en over den doop. De rabbi's weten niet wat +zij van hem denken moeten. Sommigen vraagden hem of hij de Christus is, +of Elia, maar hij antwoordt allen, die hem zulke vragen doen: Ik ben de +stem des roependen in de woestijn, maakt den weg des Heeren recht! + +Op dit oogenblik werd hij weggeroepen. Kort daarna maakten Balthasar en +Ben-Hur zich weder op, zoodat zij den volgenden dag het doel hunner reis +bereikten. + +Een levendig tafereel trof hun oog. Een menigte tenten was langs de +rivier opgeslagen, terwijl de beide oevers zwart van menschen waren. +Toen ons gezelschap aankwam ontstond er beweging onder de schare, +waaruit zij opmaakten, dat de spreker zijn rede geëindigd had. + +--'t Beste wat wij kunnen doen is, dat wij hier blijven staan, zeide +Ben-Hur, misschien komt de Nazireër dezen weg langs. + +Het volk was te zeer vervuld van het gehoorde om acht te slaan op de +nieuw aangekomenen. Deze bleven waar zij waren en zagen gansche +gezelschappen langs zich heen trekken. Reeds vreesden zij, dat zij den +Nazireër heden niet meer te zien zouden krijgen, toen zij een man zagen +naderen, wiens uiterlijk zoo zonderling was, dat zij voor niets anders +meer oogen hadden. Lange zwarte lokken omgaven zijn vermagerd, ernstig +gelaat, waarin een paar groote fonkelende oogen terstond de aandacht +trokken. Hij was gekleed in een kemelharen kleed, met een leeren gordel +om de lendenen. In zijne hand hield hij een staf, hoewel hij geen steun +behoefde, want zijn gang teekende kracht en vastberadenheid. Vorschend +zag hij rond, alsof hij iemand zocht. + +De schoone Egyptische zag den zoon der woestijn verbaasd, ja met onwil +aan. Zij wenkte Ben-Hur tot zich en vraagde spotachtig: Is dat de heraut +van uwen koning? + +--Dat is de Nazireër, antwoordde hij, zonder haar aan te zien. + +Om de waarheid te zeggen--hijzelf was meer dan teleurgesteld. Hoewel hij +dikwijls gehoord had van de asceten, die in Engedi woonden, hunne +kleeding, hunne onverschilligheid voor wereldsche gemakken, hunne +afgezonderde levenswijze, hunne boetedoeningen kende, en hoewel hij +geweten had dat hij een Nazireër zou zien, die zichzelven aankondigde +als: eene stem des roependen in de woestijn, had hij toch gehoopt, dat +de heraut van den grooten koning eenig uiterlijk kenteeken van macht en +aanzien zou vertoonen. Dezen woestijnbewoner met de oogen volgende dacht +hij aan de hovelingen in het keizerlijke paleis te Rome, en de +vergelijking deed hem beschaamd, verward en verlegen antwoorden: Het is +de Nazireër. + +Met Balthasar was het geheel anders. Hij wist dat Gods wegen niet zijn +als der menschen wegen. Hij had den Verlosser als een kind in de kribbe +zien liggen en was dus voorbereid op grooten eenvoud bij het optreden +van den godsgezant. Hij verwachtte geen koning. Met gevouwen handen +bleef hij zitten en zacht bewogen zich zijne lippen als in een gebed. + +Op dit oogenblik naderde iemand van de andere zijde, den Nazireër te +gemoet. Nauwelijks had deze hem in het oog gekregen, of hij bleef staan +en hief zijn staf op, ten einde de aandacht des volks tot zich te +trekken. Groote stilte heerschte op eenmaal onder de bewegelijke schare, +en toen de Dooper zag, dat hij zijn doel bereikt had, wees hij met zijn +staf op den persoon, die langzaam nader kwam. Ook Ben-Hur en Balthasar +volgden de aanwijzing en zagen een rijzig slank gebouwd man, met een +gelaat, dat men niet licht vergeten zou. Het lange bruingouden haar was +in het midden gescheiden. De groote donkerblauwe oogen straalden met +liefelijken glans onder het open voorhoofd, en de uitdrukking van zijn +geheele wezen was rustig en edel. Hij droeg een lang wit linnen gewaad +met wijde mouwen, en een talith, het daarbij behoorende wit linnen +overkleed, onderaan met blauw afgezet. De door de wet aan de rabbijnen +voorgeschreven wit en blauwe kwasten versierden zijn kleed. Zijne +sandalen waren van de eenvoudigste soort. + +Daar riep de Dooper met luide stem: Zie het Lam Gods, dat de zonde der +wereld wegneemt! + +De indruk, dien deze woorden maakten, was zeer groot, voor Balthasar +overweldigend. Het werd hem vergund den Verlosser der menschheid +nogmaals te zien. Daar stond Hij, naar wien hij zoo lang smachtend had +uitgezien, het ideaal zijner droomen, volmaakt in gestalte, gelaat, +houding. Nogmaals riep de Dooper: Zie het Lam Gods, dat de zonde der +wereld wegneemt! Deze is het van welken ik gezegd heb: na mij komt een +man, die vóór mij geworden is, want hij was eer dan ik. En ik kende hem +niet; maar opdat hij aan Israël geopenbaard zou worden, daarom ben ik +gekomen, doopende met water. Ik heb den Geest zien nederdalen uit den +hemel, gelijk eene duif, en hij bleef op hem. En ik kende hem niet; maar +die mij gezonden heeft om te doopen met water, die had mij gezegd: Op +welken gij den Geest zult zien nederdalen, en op hem blijven, deze is +het, die met den Heiligen Geest doopt. En ik heb gezien, en heb getuigd, +dat deze de Zoon van God is. + +--Dat is hij, dat is hij! riep Balthasar, sloeg de oogen naar boven, en +viel door aandoening overmand achterover in zijnen zetel. + +Met geheel andere gewaarwordingen beschouwde Ben-Hur den vreemdeling. +Hij was niet ongevoelig voor de reinheid, den ootmoed, de heiligheid, +die zijn gelaat uitdrukte: Wie is hij? En wat is hij? Messias of +koning?--Vorstelijk was zijn voorkomen niet. Op dat kalm, vriendelijk +gelaat ziende was de gedachte aan oorlog en heerschzucht hem eene +ontwijding. Hij voelde dat Balthasar gelijk had, en Simonides ongelijk. +Neen, zeide hij tot zichzelven, deze man is niet gekomen om den troon +van Salomo weder op te bouwen. Hij heeft noch den aard, noch de gaven +van Herodes. Een koning moge hij wezen, maar niet van een rijk, grooter +en machtiger dan Rome. + +Het gelaat van dien man kwam hem niet onbekend voor ... waar had hij het +meer gezien? Hij peinsde en peinsde, en ja, daar zag hij in den geest op +eenmaal in het verre verleden het tooneel bij de bron te Nazareth weer. +Hij zag zichzelven, neergezonken op den stoffigen weg; hij zag de jonkman +met de gevulde waterkruik tot zich komen om hem te laten drinken; hij +zag weder die oogen vol liefde en mededoogen op zich gevestigd. Wat de +Dooper zeide ging voor hem verloren, alleen de laatste woorden drongen +tot hem door: Deze is de Zoon van God! + +Ben-Hur sprong van zijn paard om aan de voeten van zijnen weldoener neer +te knielen, maar Iras riep hem tot zich: Zoon van Hur, kom hier en help +mij! Mijn vader sterft! + +Hij bleef staan, keek om, en snelde naar haar toe. Zij gaf hem een beker +en hij liep naar de rivier om water te halen. Toen hij terugkwam was de +vreemdeling verdwenen. + +Zoodra Balthasar bijgekomen was vraagde hij: Waar is hij? + +--Wie? vraagde Iras. + +--Hij, de Zoon van God, dien ik daareven zag! + +--Gelooft gij dat ook? vraagde Iras zacht aan Ben-Hur. + +--Het is een tijd van wonderen. Laat ons wachten, luidde zijn antwoord. + +Den volgenden dag was op die plaats weer een groote schare bijeen. Ook +onze vrienden waren aanwezig. + +Midden in zijne rede brak de Dooper af en riep met luide stem: Zie het +Lam Gods! + +De aanwijzing van den Dooper volgende zagen zij weder den vreemdeling. +Toen Ben-Hur zijn heilig gelaat, zoo vol majesteit en mededoogen, +aanschouwde, viel hem eensklaps iets in. Ja, dacht hij, Balthasar heeft +gelijk, maar Simonides ook. Kan de Messias niet te gelijkertijd koning +zijn? + +Hij wendde zich tot iemand die naast hem stond en vraagde: Wie is dat? + +Met een spottend lachje antwoordde de man: Dat is de zoon van een +timmerman uit Nazareth. + + + * * * * * + + +BOEK VIII. + + + * * * * * + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +ESTHER EN IRAS. + + +--Esther! laat mij een beker water brengen! + +--Wilt gij niet liever wijn hebben, vader? + +--Beide dan. + +Dit gesprek had plaats in het zomerhuis op het platte dak van het paleis +der familie Hur te Jeruzalem, en terwijl Esther zich haastte om aan den +wensch van haren vader te voldoen, kwam een bediende de trap op en +overhandigde haar een verzegeld pakje. + +De lezer moet weten, dat het nu 21 Maart is volgens onze tijdrekening, +ongeveer drie jaren na de aankondiging van den Christus te Bethabara. +Malluch had voor Ben-Hur, die het verval der ouderlijke woning niet +langer kon aanzien, het huis gekocht van Pilatus, en het geheel laten +opknappen en verfraaien, zoodat er niets overbleef, dat het droevig +tooneel van vroeger kon herinneren. Men meene echter niet dat Ben-Hur +openlijk als de eigenaar was opgetreden. Hij meende dat het uur daartoe +nog niet geslagen was, evenmin als voor het dragen van zijn vaders naam. +Het grootste gedeelte van zijn tijd bracht hij door met in Galilea alles +voor te bereiden, opdat hij gereed mocht zijn, als de Nazarener hem +noodig zou hebben, de Nazarener, die hem dagelijks onbegrijpelijker +toescheen, en hem door de wonderen, die hij deed, in een staat van +spanning en twijfel hield, zoowel aangaande zijn karakter, als aangaande +zijne zending. Enkele malen kwam hij op naar Jeruzalem, en vertoefde dan +in het ouderlijke huis, echter altijd als vreemdeling en gast. + +Deze bezoeken waren echter niet alleen om uit te rusten van den arbeid. +Balthasar en Iras woonden mede in het paleis, en de bekoorlijkheid der +dochter hield hem nog steeds gevangen, terwijl haar vader, hoewel naar +het lichaam verzwakt, hem wist te boeien door vurige betoogen over de +goddelijkheid van hem, die het land doorging goed doende. + +Wat Simonides en Esther betreft, zij waren eerst een drietal dagen +geleden uit Antiochië herwaarts gekomen. De reis was zeer vermoeiend +geweest voor den koopman, doch eenmaal hier gevoelde hij zich uitermate +gelukkig, dat hij weer in zijn vaderland was. Het grootste gedeelte van +den dag bracht hij door op het platte dak. Hier zag hij de zon opgaan en +ondergaan, hier bracht de wind hem van over de heuvelen nieuwe +levenskracht aan. + +Daarom vergat hij echter de zaken niet, o neen. Elken dag ontving hij +bericht van Sanballat, die het kantoor in Antiochië waarnam, en elken +dag zond hij Sanballat de noodige aanwijzingen, zóó uitvoerig, dat zelfs +een oningewijde moeilijk zou hebben kunnen dwalen. + +Esther ging intusschen naar haar zomerhuisje terug met het pakje in de +hand. Zij bezag het zegel, herkende het voor dat van Ben-Hur, en +versnelde met blozend gelaat haren stap. Simonides bekeek eveneens het +zegel alvorens het pakje te openen, reikte haar toen den brief toe, die +er in was, zeggende: Lees, mijn kind. + +Hij zag haar aan, terwijl hij sprak, en zijn gelaat betrok. + +--Ik zie dat gij reeds weet van wien dit komt, Esther. + +--Ja, vader. Van onzen jongen meester. + +Hoewel zij langzaam, als met moeite sprak, zagen hare lieve oogen hem +trouwhartig aan. + +--Gij hebt hem lief, Esther. + +--Ja, vader. + +--Hebt ge er over nagedacht wat dat zeggen wil? + +--Ja, vader. Ik heb mijn best gedaan om niet anders aan hem te denken, +dan als aan den meester, dien ik toebehoor. Het heeft mij echter niet +veel geholpen. + +--Goed kind! Gij lijkt op uwe moeder, Esther. God vergeve mij, maar uwe +liefde zou misschien niet ijdel geweest zijn, als ik behouden had wat ik +had, zooals ik had kunnen doen. Geld is macht. + +--Dan zou ik er veel slechter aan toe zijn, vader. Dan zou ik niet waard +zijn, dat hij mij aanzag, en kon ik niet trotsch zijn op u. Zal ik u nu +den brief voorlezen? + +--Wacht nog even, kind. Om uw zelfswil moet ik u het ergste zeggen. 't +Is misschien minder zwaar voor u, als wij het samen onder de oogen zien. +Hij heeft een ander lief, mijn kind. + +--Ik weet het, zeide zij ernstig. + +--De Egyptische heeft hem in hare netten gevangen, vervolgde hij. Zij is +zeer geslepen en daarenboven schoon, maar zij heeft geen hart. De +dochter, die haren vader veracht, zal haren echtgenoot ongelukkig maken. + +--Veracht zij haar vader? + +--Ja. Haar vader is een wijs man, en, voor een heiden, op bijzondere +wijze begenadigd. Zijn geloof strekt hem tot eer, maar zij lacht er mee. +Gisteren hoorde ik haar zeggen: De dwaasheden der jeugd zijn vergefelijk. +Den ouderdom betaamt wijsheid. Heeft een grijsaard die verloren, dan wordt +het tijd dat hij sterft.--Dat zeide zij met het oog op haren vader. Wreede +woorden, die men uit den mond van een Romein kon verwachten. Gij, mijn +kind, zult, wat er ook van mij worde, nooit zeggen: het wordt tijd dat hij +sterft. Neen, want uwe moeder was eene dochter Israëls. + +Met tranen in de oogen kuste zij zijne hand en zeide: En ik ben het kind +van mijne moeder. + +--Ach, mijn kind, hernam haar vader na een kort zwijgen, als hij eenmaal +de Egyptische getrouwd heeft, zal hij met wroeging aan u terug denken, +want dan zal hij bemerken, dat zij hem slechts gebruiken zal om hare +eerzucht te dienen. Rome is het middelpunt van hare droomen. Voor haar +is hij de zoon van Arrius den duumvir, niet de zoon van Hur, vorst van +Jeruzalem. + +--Red hem, vader, smeekte zij, red hem, het is nog niet te laat. + +Met een twijfelachtig lachje antwoordde hij: Een verdrinkende laat zich +redden, een verliefde niet. + +--U hebt toch invloed op hem. Hij staat zoo alleen in de wereld! Toon +hem het gevaar, waarin hij verkeert. Zeg hem hoe gevaarlijk de Egyptische +is! + +--Dat zou hem uit hare handen kunnen redden, maar zou het hem aan u +geven? Ach neen. Ik zou toch niet kunnen zeggen: mijne dochter heeft u +lief.... + +--Maar vader, viel zij hem in de rede, dat bedoel ik immers niet! Ik +dacht alleen aan hem, niet aan mijzelve. Zal ik u nu den brief voorlezen? + +--Ja, doe dat. + +Zij begon dadelijk, blijde dat zij dit onderwerp kon laten rusten. + + Nisan, den 8sten dag. + + Op den weg van Galilea naar Jeruzalem. + + De Nazarener bevindt zich ook op dezen weg. Zonder dat hij het weet + volg ik met een legioen. Een tweede legioen volgt ons op korten + afstand. Het Paaschfeest is de dekmantel voor het groote getal + Galileërs. Toen de Nazarener zich op weg begaf zeide hij: Wij gaan + op naar Jeruzalem en het zal alles volbracht worden aan den Zoon + des menschen wat geschreven is door de profeten. + + Ons wachten spoedt ten einde. Vrede zij u, Simonides. + + In haast. + + BEN-HUR. + +Esther gaf den brief aan haren vader terug. Het kostte haar moeite hare +tranen te bedwingen. In den brief stond geen enkel woord aan haar, zelfs +aan den groet had zij geen deel. En hoe gemakkelijk had hij kunnen +schrijven: Vrede zij u en de uwen. Voor het eerst in haar leven gevoelde +zij den prikkel der ijverzucht. + +--Den achtsten dag, zeide Simonides, en wat hebben wij vandaag? + +--Den negenden, antwoordde Esther. + +--Zoo, dan zijn zij nu wellicht te Bethanië. + +--Dan zullen wij hem dus misschien van avond zien, zeide zij. + +--Best mogelijk, want morgen is het feest der ongezuurde brooden, en hij +zal het willen vieren, evenals de Nazarener. Misschien zullen wij hen +beiden zien, Esther. + +Het gesprek werd afgebroken door de komst van den bediende met wijn en +water, en even daarna kwam ook Iras boven. + +Nog nooit had Esther de Egyptische zoo schoon gezien als hedenavond. Als +in een wolk van gaas gehuld, voorhoofd, hals en armen met juweelen +versierd, zweefde zij naderbij. Een glans van genoegen lag op haar +gelaat. Esther drong zich onwillekeurig dichter tegen haar vader aan. + +--Vrede zij u, Simonides, en u, lieftallige Esther, zeide Iras. Gij +herinnert mij, goede vriend, als ik het zeggen mag zonder u te +beleedigen, de priesters in Perzië, die 's avonds op het dak van hunne +tempels stijgen, om de ondergaande zon hunne gebeden na te zenden. Als +die godsdienst u misschien niet bekend is, wil ik mijnen vader roepen, +om u in te lichten. Hij stamt van de Magiërs af. + +--Schoone Egyptische, antwoordde de koopman ernstig, uw vader is een +goed man, die het mij niet kwalijk zal nemen, als ik u zeg, dat zijne +Perzische wetenschap het minste deel van zijne wijsheid uitmaakt. + +Iras fronste de wenkbrauwen. Om ook philosophisch te spreken, zeide zij, +bij minste behoort meeste. Mag ik vragen, wat het grootste deel is van +die zeldzame eigenschap, wijsheid, die gij hem toeschrijft? + +Simonides zag haar doordringend aan. De ware wijsheid, zeide hij, +streeft omhoog naar God, de hoogste wijsheid is de kennis van God, en +van allen, die ik ken, bezit niemand die in zoo hooge mate, als mijn +goede vriend Balthasar. + +Om een eind aan het gesprek te maken dronk hij langzaam zijn beker leeg. +Iras keerde zich ontstemd tot Esther, zeggende: Een man, die millioenen +bezit en geheele vloten op zee heeft, kan niet begrijpen wat vrouwen +vermaakt. Kom, ga met mij naar de borstwering, dan kunnen wij ongestoord +praten. + +Esther deed wat haar verzocht werd en zij gingen naar dezelfde plek, +waar jaren geleden Ben-Hur met zijn zuster gestaan had, om naar de +soldaten te kijken. + +--Zijt gij wel eens te Rome geweest? vraagde zij. + +--Neen. + +--Hebt gij nooit verlangd er heen te gaan? + +--Neen. + +--Och, wat hebt gij nog weinig van het leven genoten! riep zij meewarig, +maar 't volgende oogenblik lachte zij luid en zeide: O, mijn lief +onnoozel duifje, de vogeltjes, die hun nestje bouwen in het oor van de +sphinx bij Memphis, zijn al even wijs, als gij! + +Ziende dat Esther verlegen werd, vervolgde zij op vertrouwelijken toon: +Vergeef het mij, ik zeide het maar uit gekheid. Laat ik een pleistertje +leggen op de wond, en u vertellen wat ik aan niemand anders zou vertellen. + +Zij lachte vriendelijk, maar zag Esther tegelijkertijd onderzoekend aan +en zeide: De koning komt. + +Esther zag verwonderd op. + +--De Nazarener, vervolgde Iras, over wien uw vader en de mijne het zoo +druk hebben, voor wien Ben-Hur al die moeite doet. De Nazarener komt +morgen in de stad, en Ben-Hur komt van avond. + +Esther trachtte zich goed te houden, maar het gelukte haar niet. Iras +bracht lachend een brief uit haar gordel te voorschijn en zeide: Hier +heb ik zijn belofte. Luister! + +Daar weerklonken haastige stappen in de straat. Zij boog zich over den +rand der borstwering om te zien, en sloeg in blijde verrukking de handen +in elkaar. Gezegend zij Isis! riep zij, hij is het! Ben-Hur in eigen +persoon! Dat is een goed voorteeken! Hij komt terwijl ik aan hem denk! +Kom, Esther, geef mij een kus! + +Fier hief het Joodsche meisje het hoofd op. Hare wangen gloeiden, hare +oogen fonkelden. Haar zacht gemoed was diep gegriefd. Voor haar zelfs +geen groet in zijn schrijven aan Simonides, en deze Egyptische had een +eigenhandig geschreven brief van hem! Zij vraagde: hebt gij hemzelf +lief, of hebt gij Rome nog liever? + +Iras ging een stap achteruit, en vraagde scherp: Wat gaat u dat aan, +dochter van Simonides? + +Esther begon bevend: Hij is mijn.... + +Zij had willen zeggen: mijn meester, maar zij veranderde dit snel in: +mijn vaders vriend. + +--Niets meer? Nu, gij moogt uw kussen houden. Andere en betere wachten +mij. + +Zij keerde zich af, om weg te gaan, maar fluisterde nog even over haar +schouder: Ik ga ze halen! + +Esther zag haar na en barstte in tranen uit, tranen van schaamte en +gekwetste liefde. + +Reeds fonkelden de sterren aan den nachtelijken hemel, voordat zij hare +zelfbeheersching teruggekregen had, en kalm genoeg was om naar haar +vader terug te gaan, en hare plaats aan zijne zijde in te nemen. Dat was +haar plicht, daar moest zij haar leven aan wijden, en om der waarheid +getrouw te zijn, nu de hartstochtelijkheid harer droefheid voorbij was, +nam zij blijmoedig hare taak weer op. + + + * * * * * + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +BEN-HURS MEDELIJDEN. + + +Ongeveer een uur later kwamen Ben-Hur en Iras te zamen in de groote +zaal, waar zij Balthasar, Simonides en Esther reeds bijeen vonden. Nadat +de jonkman Balthasar gegroet had keerde hij zich tot Simonides, maar +bleef, Esther ziende, verbaasd staan. Dat zij zich tot zulk een +volmaakte schoonheid ontwikkelen zou had hij drie jaren geleden niet +gedacht. Hij herstelde zich echter spoedig en zeide: Vrede zij u, +lieftallige Esther, en u, Simonides. De zegen des Heeren zij uw deel, +al was het alleen omdat gij een vader voor den vaderlooze geweest zijt. + +--Wees welkom in uw vaders huis, zeide Simonides hartelijk. Zet u neder, +en vertel ons van uwe reizen en van uw werk en van den leeraar uit +Nazareth. Ga toch zitten, bid ik u, dan luisteren wij allen. + +--Ja, antwoordde Ben-Hur, ik heb u veel van hem te vertellen. Ik heb hem +gedurende verscheidene dagen nauwlettend gadegeslagen. Ik heb hem in +moeilijke, zeer moeilijke omstandigheden gezien, en moet getuigen dat +hij, hoewel hij een mensch is als ik, toch ook meer dan een mensch is. + +Hier werd hij gestoord door het binnentreden van eene dienstmaagd. Hij +keek om en riep blijde: Daar is Amrah! Goede, lieve Amrah! + +De trouwe dienstmaagd kuste zijne handen, en op zijne vraag: Hebt ge nog +niets van haar gehoord, niets? sprongen haar de tranen in de oogen. + +--Gods wil geschiede! zeide hij treurig. + +Na een oogenblik van stilte, waarin hij zijne aandoening meester +trachtte te worden, zeide hij: Ga zitten, Amrah,--hier. Niet? Dan aan +mijne voeten, want ik heb mijne vrienden veel te vertellen van den +Nazarener. Ik zal beginnen met u te verhalen wat ik hem heb zien doen. +Morgen komt hij in de stad om op te gaan naar den Tempel, dien hij zijn +vaders huis noemt en waar hij, zooals algemeen verwacht wordt, den +beslissenden stap zal doen. Morgen zullen wij dus zien wie gelijk heeft, +gij, Balthasar, of Simonides. + +Balthasar wreef zich in de handen en vraagde: Waar zal ik hem kunnen +zien? + +--Het gedrang zal groot zijn, antwoordde de jonkman. Ik denk dat gij +niet beter doen kunt, dan met u allen naar het dak van den Voorhof van +Salomo te gaan. + +--Kunt gij ons begeleiden? + +--Neen, mijne vrienden zullen mij noodig hebben bij den optocht. + +--Optocht! riep Simonides. Komt hij dan met gevolg? + +--Dat niet precies. Hij heeft twaalf mannen bij zich, allen uit den +minderen stand. Zij reizen te voet, onverschillig voor wind, regen, of +zonneschijn. Als zij vermoeid zijn zetten zij zich aan den weg neder +om te rusten, en doen aan alles eerder denken, dan aan edellieden en +vorsten. Slechts wanneer de leeraar het hoofd ontbloot ziet men dat hij +de aanvoerder is, hun leermeester, hun meerdere, maar tevens hun vriend. +Maar wat zoudt gij zeggen van een man, die rijk kon zijn door de steenen +aan den weg in goud te veranderen, en die toch arm is uit vrije keus? + +--De Grieken zouden hem een philosoof noemen, zeide Iras. + +--Neen, dochter, antwoordde Balthasar, de philosofen hadden nooit de +macht om zoo iets te doen. + +--Hoe weet gij, dat deze mensch die macht wel heeft? + +--Ik heb hem water in wijn zien veranderen, zeide Ben-Hur. + +--Hoe wonderlijk! riep Simonides. Maar dat schijnt mij nog niet zoo +vreemd toe als dat hij arm wil leven, terwijl hij rijk zou kunnen zijn. +Is hij werkelijk zoo arm? + +--Hij bezit niets, en benijdt niemand zijn rijkdom. Hij beklaagt veeleer +de rijken. Dat echter daargelaten, wat zegt gij hiervan: ik zag hem +zeven brooden en twee visschen vermenigvuldigen tot een voorraad zóó +groot, dat er spijs was voor vijfduizend menschen en er nog manden vol +overbleven. Dat heb ik den Nazarener zien doen. + +--Hebt gij hem dat zien doen? + +--Ja, en ik heb meegegeten van den visch en van het brood. Maar nog +wonderlijker dingen heb ik gezien. Wat dunkt u van iemand die zoo groote +genezende kracht bezit, dat de zieken slechts den zoom van zijn kleed +behoeven aan te raken, om gezond te worden, ja dat het zelfs voldoende +is van verre tot hem te roepen? Dat heb ik meer dan eens bijgewoond. +Toen wij uit Jericho kwamen riepen twee blinden tot hem om hulp, hij +raakte hunne oogen aan en zij konden zien. Een anderen keer brachten zij +een verlamde tot hem en hij zeide alleen: Ga heen naar uw huis,--en ik +zag den man gezond wegwandelen. Wat zegt gij daar wel van? + +Simonides kon geen woorden vinden. + +--Sommigen zeiden, dat dit duivelskunsten waren, gelooft gij dat soms +ook? Ik zal u nog grooter dingen vertellen, die ik hem ook heb zien +doen. Denk aan die vreeselijke ziekte, waarvan alleen de dood verlossen +kan: de melaatschheid. + +Hier werd Amrah onrustig en luisterde met gespannen aandacht. + +--Ja, vervolgde Ben-Hur met toenemenden ernst, ja, luistert naar wat ik +nu ga vertellen. Toen ik met hem in Galilea was kwam een melaatsche tot +hem en riep: Heer, indien gij wilt, gij kunt mij reinigen!--Hij hoorde +de smeekbede, raakte den verworpeling aan met de hand en zeide: Ik wil, +word gereinigd.--En terstond was hij geheel gezond, zoo gezond als wij +allen. Een anderen keer kwamen tien melaatschen tot hem en vielen voor +hem neer, roepende: Meester, meester, ontferm u over ons!--Ik was er bij +en hoorde hem antwoorden: Gaat heen, en vertoont uzelven den priester. + +--En waren zij beter? + +--Ja, zij waren nog niet lang op weg, of de ziekte was geheel van hen +geweken. + +--Nog nooit heb ik van zulke dingen gehoord; nog nooit, zeide Simonides +zacht. + +Het gezelschap verviel na deze mededeelingen in diep stilzwijgen. +Ongemerkt stond Amrah op en verwijderde zich onhoorbaar. + +--Gij kunt begrijpen, dat al die dingen een diepen indruk op mij gemaakt +hebben, zeide Ben-Hur, doch mijne twijfelingen en verbazing zouden nog +grooter worden. Mijne Galileërs begonnen langzamerhand ongeduldig te +worden, het zwaard brandde hun in de handen, en zij verlangden niets +liever dan handelend te mogen optreden. Ik zelf werd ook ongeduldig, +want alles was gereed. Daarom wilden wij hem openlijk, desnoods met +geweld, tot koning kronen, maar hij verdween uit ons midden. Toen wij +hem weer zagen was het in een scheepje op het meer. Wat anderen bekoort: +rijkdom, macht, koninklijke eer, dat alles laat hem onbewogen. Wat dunkt +u daarvan, Simonides? + +Simonides antwoordde niet dadelijk. Eindelijk zeide hij: + +--De Heer leeft, evenzoo het woord zijner profeten. Laat ons geduld +oefenen. + +--Zoo zij het, beaamde Balthasar. + +--Ik heb nog meer te vertellen, vervolgde Ben-Hur, nog grootere dingen. +Wij waren op weg naar Naïn. Vlak bij de poort kwamen wij een +begrafenisstoet tegen. De Nazarener bleef staan om de treurenden te +laten voorbijgaan. Eene vrouw volgde bitter schreiende. Ik zag dat hij +door medelijden bewogen werd. Hij trad op haar toe, en sprak haar aan. +De dragers stonden stil, hij raakte de baar aan en zeide tot den doode: +Jongeling, ik zeg u sta op!--En terstond zat de doode overeind en sprak. + +--God alleen heeft zoo groote macht! riep Balthasar. + +--Alles wat ik u vertel, heb ik zelf gezien, zeide Ben-Hur, en ik kan u +nog meer verhalen. In Bethanië was een van zijne vrienden gestorven, +Lazarus geheeten. Reeds had hij vier dagen in het graf gelegen toen de +Nazarener er bij kwam. Hij liet den steen wegnemen, en wij allen zagen +het lijk liggen, dat reeds overging tot ontbinding. Met luide stem +hoorde ik hem roepen: Lazarus, kom uit!--Ik kan u niet zeggen wat ik +gevoelde, toen de doode, aan die stem gehoorzamend, zich oprichtte en +tot ons kwam, in grafdoeken gewikkeld. Ontbindt hem, zeide de Nazarener, +en laat hem gaan. En toen de hoofddoek van hem was weggenomen, had zijn +gelaat weer de gewone kleur, en was hij volkomen dezelfde als voor zijne +ziekte. Hij leeft nog en ontvangt vele bezoeken. Als gij wilt kunt gij +er morgen naar toe gaan, en uzelven overtuigen. Maar nu vraag ik u: Wat +moet ik denken van dezen man? Is hij niet meer dan een gewoon mensch? + +De toon waarop hij dit vraagde was zeer ernstig, en nog lang na +middernacht zat het gezelschap bijeen, om de zaak van alle kanten te +bezien, want Simonides kon zijne opvatting van de voorspellingen der +profeten niet laten varen, terwijl Ben-Hur beweerde dat Balthasar en +Simonides beiden gelijk hadden: de Nazarener was ongetwijfeld de +Verlosser, zooals de eerste meende, maar ook de toekomstige koning, +waarvoor de laatste hem hield. + +--Wij zullen het morgen gewaar worden. Vrede zij met u allen. Met deze +woorden nam Ben-Hur afscheid. + + + * * * * * + + +DERDE HOOFDSTUK. + +EEN BLIJDE TIJDING. + + +Zoodra den volgenden morgen de Schaapspoort geopend werd, ging Amrah met +haar mand aan den arm de stad uit. De wachters deden haar geen vragen, +daar zij even regelmatig verscheen als de opgaande zon. Men wist dat zij +de trouwe dienstmaagd was van den een of ander, en daarmede stelde men +zich tevreden. + +Zij sloeg den weg in naar de vallei ten oosten der stad gelegen. De +donkergroene helling van den Olijfberg was bezaaid met witte tenten, de +tijdelijke woningen van de feestgangers. 't Was echter nog te vroeg voor +de vreemdelingen om buiten te zijn: alles sliep nog gerust. Eerst kwam +zij aan Gethsemané, toen langs de graven bij den kruisweg naar Bethanië, +vervolgens aan het dorp Siloam. Zij scheen ongewone haast te hebben, +maar haar ijver was grooter dan hare krachten, die haar bijwijlen +schenen te begeven. + +Hoe vroeg het nog was, toch zat haar ongelukkige meesteres reeds buiten +voor de grot. Tirza sliep nog. Vreeselijk was de vordering, die de +ziekte in die drie jaren gemaakt had. Wetende hoe zij er uitzag, bleef +zij altijd zorgvuldig gesluierd. Zelfs Tirza mocht haar bijna nooit +aanschouwen. Thans echter, in de eerste morgenschemering, had zij het +hoofd ontbloot, om de frissche lucht in te ademen, want zij wist, dat +geen sterveling haar zien kon. Sneeuwwit was het lange haar. Oogleden, +neus, lippen, wangen waren weggeteerd, de hals was akelig ontstoken. +Eene van hare handen rustte op haren schoot. De nagels waren afgevallen, +de vingers gedeeltelijk ontvleesd, gedeeltelijk dik opgezwollen. Zoo was +zij over het geheele lichaam. Geen wonder, dat de vroeger zoo statige +vrouw zich gemakkelijk aan alle nasporingen van haren zoon had kunnen +onttrekken. Zij was gewoon, dat Amrah bij de bron verscheen vóór alle +anderen, om dan op een steen halfweg bron en heuvel, het voedsel en de +waterkruik neer te zetten. + +Dit korte bezoek was nog de eenige lichtstraal op haar pad. Dan vraagde +zij naar haren zoon, en Amrah vertelde haar wat zij wist van zijn werk +en bezigheden, en van de vluchtige bezoeken, die hij aan zijn vaders +huis bracht. Op zulke dagen zat de arme moeder den ganschen dag +onbewegelijk voor hare spelonk, met de oogen gericht op het dak van den +Tempel, waarachter haar huis lag, het geliefde huis, waarin haar zoon nu +vertoefde. Niets bond haar meer aan het leven. Tirza was reeds zoo goed +als dood, en zijzelve smachtte naar het einde. De natuur rondom haar was +niet geschikt om haar op te beuren; insecten en vogels vermeden de +streek, alsof zij ook bang waren voor besmetting. Van plantengroei was +niet veel te bemerken; de weinige struiken, ja zelfs de dunne +grassprietjes, verdorden onder den adem der winden, die langs de +berghelling streken. Waarheen zij den blik ook wendde zag zij grafsteden +en nogmaals grafsteden, die te meer de aandacht trokken, omdat zij alle +opnieuw gewit waren, ten einde de van buiten gekomen feestgangers te +waarschuwen. + +Terwijl zij zoo in de morgenschemering zat te peinzen, zag zij +plotseling een vrouw den heuvel beklimmen. Weldra herkende zij Amrah. +In plaats van hare mand zooals gewoonlijk neer te zetten, kwam zij +regelrecht op de spelonk af. De weduwe verrees van hare zitplaats en +deed de gewone waarschuwing hooren, maar Amrah stoorde er zich niet aan, +en eer zij er op bedacht was lag Amrah aan de voeten van hare meesteres +en kuste onder hartstochtelijke snikken den zoom van haar kleed. +Tevergeefs beproefde de melaatsche zich van haar los te maken, en toen +zij zag, dat het onmogelijk was, riep zij op smartelijken toon: Hoe kunt +ge zoo doen? Is dit de manier, waarop gij ons uwe liefde bewijst? Nu +zijt gij ook verloren, en moogt nooit meer naar huis teruggaan. Wie zal +ons nu voortaan eten brengen? O Amrah! Nu zijn wij allen te zamen +verloren! + +--Wees toch niet boos op mij, snikte de trouwe ziel, het hoofd nog +dieper buigende. + +--Ach, Amrah, vervolgde de weduwe, was de vloek die op ons rust, niet +reeds zwaar genoeg om te dragen, dat gij ons het eenige, dat wij nog +hadden, moet ontnemen? vraagde zij. + +Op dit oogenblik verscheen Tirza, door het luide spreken gewekt, in de +opening der spelonk. + +--Wat is er moeder? Is dat Amrah? vraagde zij. De arme was nagenoeg +blind. + +Nu stond Amrah op en zeide met onvaste stem: O lieve meesteres! Ik heb +niets misdaan. Ik breng u goede tijding! + +--Van Juda? + +--Ja. Hij kent een man, die de macht heeft u te genezen. Hij spreekt +slechts één woord, en de zieken worden gezond, zelfs de dooden worden +levend. Ik kom u halen om u bij hem te brengen. + +--Arme Amrah! zeide Tirza meewarig. + +--Neen, neen, riep Amrah, die zeer goed begreep wat die uitroep +bedoelde, zoo waar de God van Israël leeft, ik spreek de waarheid. Kom +maar mee; wij hebben geen tijd te verliezen. Hij komt hier langs op zijn +weg naar de stad. Eet gauw wat en laat ons gaan. + +De moeder luisterde aandachtig. Misschien had zij reeds iets aangaande +hem gehoord, want zijne wonderdaden waren door het geheele land bekend +geworden. Wie is hij? vraagde zij. En hoe weet gij het? + +--Juda vertelde het gisterenavond. + +--Is Juda dan thuis? + +--Ja. + +--Heeft hij gezegd, dat gij het ons moest komen vertellen? + +--Neen; hij denkt dat gij dood zijt. + +--In vroeger jaren heeft een profeet eens een melaatsche genezen, zeide +de moeder tot Tirza, maar die was door God gezonden. Zeg mij, Amrah, hoe +weet Juda dat deze man die macht bezit? + +--Hij volgde hem op zijne reizen en hoorde de melaatschen tot hem +roepen, en zag ze hersteld weggaan. Den eersten keer was het één +melaatsche, later tien te gelijk, en zij werden allen hersteld. + +De moeder aarzelde niet langer. Zij vroeg niet naar het hoe en wat, zij +geloofde de feiten en zeide tot Tirza: Kind, dat moet de Messias zijn. +Ik herinner mij, dat Jeruzalem jaren geleden in opschudding kwam, omdat +er gezegd werd, dat hij geboren was. Hoe lang het geleden is weet ik +niet meer, maar hij zou nu reeds volwassen moeten zijn. Ja, het kan niet +anders ... hij is het. Laat ons wat eten, en dan zoo spoedig mogelijk met +Amrah meegaan. + +Het ontbijt was weldra afgeloopen, en het drietal begaf zich op weg. Nu +stuitten zij echter op een moeilijkheid. Amrah had gezegd, dat de +Nazarener van Bethanië moest komen, maar vandaar leidden drie wegen naar +Jeruzalem. Een over den Olijfberg, een tweede langs zijn voet, en de +derde langs den Berg der Ergernis. Deze drie waren nu wel niet ver van +elkander verwijderd, maar toch ver genoeg om den Nazarener mis te +loopen, indien zij niet denzelfden weg kozen, welken hij nam. + +Na een korte beraadslaging besloten zij eerst naar Bethfagé te gaan, om +zich verder door de omstandigheden te laten leiden. + +Zij daalden dus den berg af in de richting van den Koningstuin en bleven +even staan om te rusten. + +--Ik durf dezen weg niet vervolgen, zeide de moeder. Het zal hier druk +worden. Wij doen beter met de menschen te ontwijken en over den Berg der +Ergernis te gaan. + +Toen Tirza dit hoorde ontzonk haar de moed. Daar hare voeten zeer +gezwollen waren kostte het loopen haar groote moeite. + +--Die berg is steil, moeder. Ik kan onmogelijk klimmen. + +--'t Is om ons leven en onze gezondheid te doen mijn kind. Zie, daar +komen reeds vrouwen om water te scheppen. Zij zullen ons steenigen, als +wij hier blijven. Kom, wees sterk, mijn kind. + +Zoo trachtte de moeder, die zelve bijna niet voort kon, hare dochter te +bemoedigen, en nu kwam Amrah haar te hulp. Na de eerste opwelling had +zij de zieken niet aangeraakt, thans echter ging de trouwe ziel naar +Tirza en zeide: Leun op mij. Ik ben wel oud, maar sterk genoeg, en het +is niet ver meer. Zoo; ziet gij wel, nu gaat het al veel beter. + +De weg was moeilijk, maar toen zij eenmaal boven waren en staan bleven +om adem te scheppen hadden zij een heerlijk gezicht op den Tempel met +zijne terrassen, en op Sion met zijne vele witte torens, die in het +zonlicht schitterden. + +--O hoe mooi! riep de weduwe. Zie toch, Tirza, zie eens naar het gouden +beslag van de Schoone Poort! Wat glinstert dat in de zon! Weet gij nog +wel, hoe dikwijls wij er onder door zijn gegaan? Zal het niet heerlijk +zijn dat weder te kunnen doen? En ons huis is er niet ver vandaan! Daar +wacht Juda ons! + +Nu begonnen zij den berg aan de andere zijde af te dalen. Hoewel Amrah +al hare krachten inspande, om Tirza te ondersteunen, kermde de arme toch +bij elken stap, ja meermalen moest zij luide aan hare smarten lucht +geven. Aan den voet des bergs gekomen zeeg zij uitgeput neder. + +--Ga maar alleen verder met Amrah, moeder, ik kan niet meer. + +--Neen, kind. Wat zou het mij baten, zoo ik alleen gezond werd, en gij +niet? En wat zou ik Juda moeten antwoorden, als hij naar u vraagt? + +--Zeg hem, dat ik hem liefgehad heb. + +De arme moeder wist niet wat te doen. Zij dacht er niet aan haar kind te +verlaten, maar de hoop op redding te moeten laten varen, nu die zoo +nabij scheen, deed den beker overloopen. Maar zie, in dat oogenblik van +grooten nood zag zij van den tegenovergestelden kant een wandelaar +aankomen. + +--Moed gevat, Tirza! zeide zij. Daar komt iemand aan, die ons zeggen kan +waar de Nazarener op 't oogenblik is. + +Amrah richtte Tirza een weinig op, en zoo wachtten zij den vreemdeling +af. + +--Ach, moeder, gij vergeet wat wij zijn. De man zal zich uit de voeten +maken, en ons misschien eerst nog een steen naar het hoofd werpen. + +--Wij zullen zien, luidde het antwoord. + +Ja, de moeder wist zelve maar al te goed welke behandeling uitgeworpenen +als zij te wachten hadden. + +De melaatschen stonden aan den rand van een smallen weg, zoodat de +wandelaar haar rakelings voorbij moest gaan. Zoodra hij binnen het +bereik harer stem was deed de weduwe het waarschuwende: Onrein! Onrein! +hooren. Tot hare verbazing liep hij door. + +Wat zoekt gij? vraagde hij, toen hij vlak bij haar was. + +--Wees voorzichtig, zeide de weduwe met waardigheid. Ik heb u +gewaarschuwd. + +Vrouw, ik ben een volgeling van hem, die slechts één woord behoeft te +spreken tot dezulken als gij, en zij zijn genezen. Ik ben niet bevreesd. + +--Gij bedoelt den Rabbi uit Nazareth? + +--Den beloofden Messias. + +--Is het waar, dat hij vandaag naar de stad gaat? + +--Ja. Hij is nu te Bethfagé. + +--Langs welken weg zal hij komen? + +--Langs dezen. + +De weduwe vouwde de handen en sloeg de oogen dankend naar den hemel op. + +--Voor wien houdt gij hem? vraagde de man bewogen. + +--Voor den Zoon van God! antwoordde zij. + +--Blijf dan niet hier, want daar een groote schare hem volgt, staat gij +beter bij dat rotsblok onder gindschen boom. Roep hem aan zoodra hij +nadert, roept beiden en weest niet bevreesd. Hij zal u hooren. Ik ga +naar de stad, om het volk te waarschuwen dat hij komt. Vrede zij met u +en de uwen! + +Hebt gij het gehoord, Tirza? De Nazarener komt langs dezen weg, en hij +zal ons helpen. Kom nu mee, een paar stappen maar! + +Dus aangemoedigd liet Tirza zich door Amrah overeind helpen. + +--Wacht even; zeide Amrah, de vreemdeling komt terug. + +--Ik bedenk, goede vrouw, zeide hij, dat de zon hoog aan den hemel zal +staan, voordat de Nazarener komt. Ik kan in de stad het noodige krijgen, +en daarom wilde ik u mijn waterflesch geven. Gij zult er meer behoefte +aan hebben dan ik. Neem haar en heb goeden moed. Roep luide tot hem. + +Dit zeggende bood hij de weduwe zijn gevulde waterflesch aan. In plaats +van ze op den grond te leggen, gaf hij ze haar in de hand. + +--Zijt gij een Jood? vraagde zij verbaasd. + +--Ja; maar beter nog; ik ben een volgeling van den Christus, die ons +dagelijks door woorden en voorbeeld leert wat ik nu doe. De wereld kende +reeds lang het woord liefde, zonder het echter te verstaan. Vaarwel! + +Langzaam begaven de vrouwen zich naar het door hem aangewezen punt, waar +zij door ieder, die voorbijging, gezien en gehoord konden worden. Zij +zetten zich onder den boom neder, en dronken van het water. Weldra viel +Tirza in slaap, en om haar niet te storen zwegen de beide anderen. + + + * * * * * + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +GENEZEN. + + +Langzamerhand werd de weg meer en meer bevolkt door menschen, die zich +naar Bethfagé spoedden. Tegen de vierde ure van den dag kwam een groote +schare over den Olijfberg, en toen zij naderbij kwamen zagen de vrouwen, +dat allen een palmtak in de hand hielden. Terwijl zij het ongewone +schouwspel gadesloegen, werd hare aandacht getrokken door een verwijderd +gedruisch van stemmen en zagen zij een menigte menschen van den anderen +kant komen. Nu wekte de moeder Tirza, zeggende: Hij komt! Deze menschen +vóór ons komen uit de stad om hem te begroeten, en die anderen zijn +zijne vrienden die hem begeleiden. Het zou mij niet verwonderen zoo de +twee groepen hier op dit punt samentroffen. + +--Ik vrees, dat hij ons dan niet zal kunnen hooren, moeder. + +Diezelfde gedachte was ook reeds bij de weduwe opgerezen. Amrah, zeide +zij, heeft Juda ook gezegd wat die tien melaatschen tot den Nazarener +riepen? + +--Zij riepen: Heer, ontferm u over ons. Of: Meester, ontferm u over ons. + +--Dat alleen? + +--Ja, dat alleen, voor zooveel ik weet. + +--En toch was het voldoende, zeide de weduwe zacht. + +--Ja, antwoordde Amrah. Juda zei, dat hij hen geheel hersteld zag +weggaan. + +Intusschen naderde de schare langzaam. Toen de voorsten in 't gezicht +waren, werd de aandacht der vrouwen allereerst getroffen door een man, +die te midden van een naar het scheen uitgelezen gezelschap reed. Hij +was blootshoofds en geheel in 't wit gekleed. Hij staarde voor zich uit +en deelde volstrekt niet in de opgewondenheid zijner volgelingen. Het +gejubel vermocht de droefgeestige uitdrukking van zijn gelaat niet te +verdrijven. Zijn golvende lokken, door het zonlicht beschenen, vormden +een gouden stralenkrans om het edelgevormde hoofd. De juichende schare +achter hem strekte zich tot in het oneindige uit. Niemand behoefde den +melaatschen te zeggen, dat dit de Nazarener, de wonderdoener was. + +--Tirza, daar is hij! Daar is hij! Kom, mijn kind! riep de moeder, en +knielde naast de rots op den weg neder. Tirza en Amrah voegden zich +terstond bij haar. + +Op ditzelfde oogenblik hielden de stedelingen stand, en begonnen met +hunne palmtakken te wuiven en te roepen: Hosanna den Zone Davids! +Gezegend is hij die komt in den naam des Heeren. Hosanna in de hoogste +hemelen! + +De duizenden, die den Nazarener vergezelden, namen den jubeltoon over, +zoodat het door de lucht weergalmde. Het geroep der arme melaatschen +ging er geheel door verloren. Maar voor haar was het: nu of nooit. Ging +deze gelegenheid voorbij, dan moesten zij voor altijd de hoop laten +varen. + +--Dichterbij, Tirza! Dichterbij! Hij kan ons niet hooren, zeide de +moeder. + +Zij stond op en trad bevend naar voren, hief de handen smeekend omhoog, +en riep zoo hard zij kon. De lieden zagen haar, en verstomden, door +ontzetting en afschuw bevangen. Tirza, die achter hare moeder stond, +zonk van zwakte en angst ineen. + +--Melaatschen! Melaatschen! + +--Steenig ze! + +--Sla ze dood! die van God vervloekten! + +Deze en dergelijke kreten vermengden zich met de hosanna's dergenen, die +te veraf waren om de oorzaak der stoornis te onderscheiden. Zij, die in +de onmiddellijke nabijheid van den Rabbi waren, en zijn goddelijk +mededoogen kenden, zagen hem zwijgend aan, wel wetende wat hij doen zou, +en maakten ruimbaan voor hem, toen hij op de vrouw toereed. Zij zag hem +in het vriendelijk gelaat en schepte troost uit zijn bemoedigenden +glimlach. + +--Meester, Meester! riep zij, gij ziet onze ellende, gij kunt ons +reinigen. Erbarm u over ons! + +--Gelooft gij, dat ik dat doen kan? + +--Ja, Heer. Gij zijt degeen, van wien de profeten gesproken hebben, gij +zijt de Messias! + +--Vrouw, groot is uw geloof, u geschiede gelijk gij wilt. + +Een oogenblik nog toefde hij, de schare rondom zich vergetende, één +oogenblik, toen reed hij verder, terwijl de geredde met een van dank +overvloeiend hart luide riep: Eere zij God in den hooge! Gezegend zij de +Zone Davids! + +Terstond daarop omgaf hem de schare met haar vreugdebetoon en onttrok +hem aan haar oog. In dankbare verrukking drukte de moeder Tirza aan haar +hart, juichende: Wij zijn gered! Hij is waarlijk de Messias. + +Zij bleven geknield liggen, totdat de menschenmassa langzaam achter den +berg verdween. Toen het gezang en gejuich in de verte zich verloor, werd +het wonder in de melaatschen gewrocht. + +Eerst gevoelden zij, dat haar bloed als vernieuwd door de aderen +stroomde, sterker en sneller, zoodat het verzwakte lichaam een +onbeschrijfelijk weldadig gevoel van terugkeerende kracht gewaarwerd. +Zij voelden de plaag letterlijk wijken. Haar vleesch keerde weder, de +verduisterde oogen straalden met den ouden glans--gereinigd waren zij +van hare afzichtelijke krankte. Nu voelden zij zich ook naar den geest +herleven, nameloos geluk doortrilde haar. + +Van deze genezing was, behalve Amrah, nog iemand anders getuige. Zooals +wij weten was Ben-Hur den Nazarener zooveel mogelijk gevolgd, en die +zich de gesprekken van den vorigen avond herinnert, zal zich niet +verwonderen, dat hij bij den stoet was, die den Rabbi begeleidde. Hij +was getuige van de bede der melaatsche, hij zag de vreeselijke sporen +der ziekte op haar gelaat, hij hoorde het antwoord, dat zij ontving, +en hoewel hij reeds meer dan eens tegenwoordig geweest was bij zulke +genezingen, hadden zij nog niets van hare belangwekkendheid voor hem +verloren. Daarenboven was de strijd in zijn binnenste met betrekking tot +de zending van den Nazarener nog altijd niet beslist. Daarom liet hij +den stroom voorbij gaan, en zette zich op een steen aan den weg neder, +om te zien hoe de genezing in haar werk zou gaan. + +Van zijne plaats wierp hij dezen en genen een blik van verstandhouding +toe, Galileërs, die onder hunne lange gewaden het korte zwaard verborgen +droegen. Toen allen voorbij waren naderde hem een Arabier met twee +paarden. + +--Blijf hier staan, zeide Ben-Hur, hem tot zich wenkend. Aldebaran zal +mij straks met verdubbelden spoed naar de stad brengen. + +Hij liefkoosde het schoone dier en keerde zich toen om, ten einde de +twee vrouwen te gaan toespreken, in wie hij het grootste belang stelde, +als toonbeelden eener bovenaardsche wondermacht. Voortgaande keek hij +toevallig naar de witte rots en zag een welbekende gedaante staan, het +gelaat in de handen verborgen. + +--Wat! zeide hij, staat Amrah daar?--en liep regelrecht op haar toe. +Amrah! wat doet gij hier? + +Daar zag de oude vrouw op, viel voor hem neer op de knieën, verblind +door tranen, bijna sprakeloos door diepe ontroering. + +--O, meester, hoe goed is God! + +Een onverklaarbaar voorgevoel zeide hem, dat hare tegenwoordigheid op de +eene of andere wijze met die der beide vrouwen in verband stond. Hij +keerde zich haastig om, en bleef als aan den grond genageld staan. Het +was alsof zijn hart ophield te kloppen, hij kon geen woord uitbrengen. + +De vrouw, die hij met den Nazarener had zien spreken, stond daar met +gevouwen handen, terwijl de tranen haar over de wangen stroomden. De +verandering, die zij ondergaan had, zou op zichzelf reeds zijne +verbazing gerechtvaardigd hebben, maar er was nog een andere reden. Was +het een zinsbegoocheling? of was er een treffende gelijkenis tusschen +die vrouw en zijne moeder? Zóó had zij er uitgezien op dien morgen, toen +de Romein haar uit zijne armen rukte! Alleen het haar begon hier en daar +te grijzen, maar dat liet zich hierdoor verklaren, dat de macht, welke +het wonder gewrocht had, de verloopen jaren in aanmerking had genomen. + +En die andere naast haar? Tirza? Schoon en liefelijk, alleen wat ouder +dan op dien laatsten morgen, toen zij voor hem zong. Hij had beiden +reeds lang dood gewaand, en de tijd had zijne smart gelenigd. Hij +betreurde haar nog altijd, maar zij waren uit zijne droomen en plannen +voor de toekomst weggevallen. + +Zijne oogen niet geloovende, greep hij Amrah bij den arm en riep: Zeg +mij toch of ik goed zie! + +--Ja, ja, spreek maar tot haar! + +Nu aarzelde hij niet langer, maar vloog naar haar toe met den kreet: +Moeder, beste moeder, hier ben ik! + +In het volgend oogenblik waren de zoo wreed gescheiden weer vereenigd, +en omhelsden elkander innig. + +Toen de eerste vreugde bedaard was, zeide de moeder: Kinderen, laat ons +God danken! Laat ons het nieuwe leven beginnen met erkenning van Hem, +die ons dit geluk bereidt. + +Zij knielden neder, Amrah volgde hun voorbeeld, en als een jubelpsalm +rees het gebed der begenadigde vrouw omhoog. + +Daarna vraagde zij: Wat nu, mijn zoon? Waar zullen wij naar toe gaan? + +--Ja, zeide Juda, tot de werkelijkheid teruggeroepen, wij hebben nog een +plicht te vervullen. + +Hoezeer hij ook verlangde haar naar huis te brengen, en hare +geschiedenis te hooren, hij bedwong zijn ongeduld, en herinnerde haar +hetgeen de Wet van herstelde melaatschen eischte. Toen riep hij den +Arabier tot zich, en beval hem de paarden naar de poort van Bethesda +te brengen en daar op hem te wachten. Vervolgens begaven zij zich +gezamenlijk op weg naar den Berg der Ergernis; maar o! hoe anders was +de wandeling ditmaal. Zij konden zich snel en gemakkelijk bewegen, en +bereikten weldra een nieuw uitgehouwen graf naast dat van Absalom. Daar +het leeg was, namen de vrouwen er bezit van, terwijl Ben-Hur verder ging +om zoo spoedig mogelijk de noodige maatregelen te treffen. + + + * * * * * + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +ONGEDULD. + + +Een paar uren later sloeg hij dicht bij de graven der Koningen twee +tenten op, die hij zoo gemakkelijk mogelijk inrichtte. Daarheen bracht +hij moeder en zuster, totdat zij van den priester een getuigschrift van +volkomen herstel zouden gekregen hebben. + +Intusschen was de jonkman door dit verkeer volgens de wet zelf onrein +geworden, zoodat hij zich onthouden moest van elke deelneming, hoe +gering ook, aan het ophanden zijnde feest. Hij kon bij zijne geliefden +in de tenten blijven. Wat hadden zij elkander veel te vertellen! Onder +het luisteren naar het lijdensverhaal zijner moeder dwong hij zich tot +kalmte, maar zijn bloed kookte, en zijn dorst naar wraak werd steeds +grooter. + +In deze stemming ontwierp hij de dolste plannen. De gelegenheden van +de heirwegen drongen zich aan hem op: hij zou een opstand in Galilea +verwekken, of met zijne strijdbare mannen Romeinsche reizigers op de +wegen overvallen; zelfs de zee, anders zijn schrikbeeld, werd hem door +zijne verbeelding voorgehouden, als een geschikt terrein tot plundering +van galeien en kooplieden. Maar zijn beter oordeel behield de overhand +boven een oogenblikkelijken hartstocht. Telkens weder kwam hij tot de +oude slotsom--dat slechts een oorlog van geheel Israël tegen Rome iets +zou kunnen uitrichten; en al zijne overleggingen, zijn vragen en hopen, +keerden tot hun uitgangspunt terug ... den Nazarener. Als die maar wilde +opstaan en den volke toeroepen: Hoor, Israël! Ik ben de van God +beloofde, de geboren koning der Joden! Ik kom om te heerschen zooals de +profeten gesproken hebben. Staat op als een eenig man, en brengt de +wereld aan uwe voeten! + +Als de Nazarener zóó optrad, dan zou men wat zien gebeuren! Hoe zouden +de bazuinen schallen om de massa ten strijde te roepen! Zou de Nazarener +het doen? + +In zijn verlangen om het werk te beginnen verloor Ben-Hur de tweeledige +natuur van den Godsgezant uit het oog, en dacht niet aan de mogelijkheid, +dat het goddelijke in hem het menschelijke zou kunnen te boven gaan. In +het wonder aan zijne moeder en Tirza gewrocht zag hij eene macht groot +genoeg, om een Joodschen troon op te richten en te handhaven, eene macht +groot genoeg, om de maatschappij te hervormen, en de menschheid tot één +geheiligd gelukkig gezin te vereenigen. Was het eenmaal zoo ver, dan zou +niemand durven loochenen, dat het een den Zone Gods waardig werk geweest +was. + +Intusschen waren bij de beek Kedron in de nieuwe stadswijk Bezetha, +voornamelijk langs de wegen naar de Damascuspoort, allerlei tijdelijke +verblijfplaatsen voor de feestgangers opgeslagen. Ben-Hur bezocht de +vreemdelingen, onderhield zich met hen, en verwonderde zich dagelijks +meer over hun groot aantal. Toen hij daarenboven tot de ontdekking kwam +dat alle deelen der wereld vertegenwoordigd waren ... de beide kusten der +Middellandsche zee, Indië, de noordelijke provinciën van Europa ... toen +hij bedacht dat die lieden, ofschoon zij hem menigmaal begroetten in een +taal, die ver afgeweken was van het oude Hebreeuwsch der vaderen, toch +allen hetzelfde doel beoogden, drong zich een nieuw denkbeeld aan hem +op. Zou hij misschien den Nazarener verkeerd begrepen hebben? Zou hij +misschien onder den schijn van geduldig wachten in het geheim alles +hebben voorbereid, om zoodoende zijne geschiktheid voor de roemrijke +taak die hem wachtte te bewijzen? De gelegenheid die zich thans aanbood +was veel geschikter, dan toen de Galileërs hem bij het meer Genesareth +met geweld koning hadden willen maken. Toen zouden hem slechts een paar +duizend menschen bijgevallen zijn, heden zouden millioenen aan zijne +roepstem gehoor geven. + +Dezen gedachtengang volgende kwam Ben-Hur tot het besluit, dat de +Nazarener achter zijn zachtmoedig voorkomen en onbegrijpelijke +zelfverloochening staatkundige plannen verborg. + +Herhaaldelijk kwamen ernstig, door de zon gebruinde mannen Ben-Hur aan +de tent bezoeken. Hij ontving hen altijd alleen, en als zijne moeder hem +vroeg wie dat waren, antwoordde hij steeds: Goede vrienden uit Galilea. + +Door hen kwam hij op de hoogte van alles wat de Nazarener deed, en van +de plannen zijner vijanden, zoowel rabbijnen als Romeinen. Hij wist dat +het leven van zijn held bedreigd werd, maar hij kon niet gelooven, dat +iemand tijdens het feest een aanslag zou durven wagen. Zijn groote roem +en populariteit, de aanwezigheid van zoovele vreemden in en rondom de +stad waarborgden, meende hij, de veiligheid van den Nazarener. Maar +bovenal rustte zijn vertrouwen op de wondermacht van den Christus. De +zaak uit een zuiver menschelijk oogpunt beziende, hield hij het voor +onmogelijk, dat de bezitter van zulk eene macht over leven en dood, zoo +dikwijls aangewend ten bate van anderen, haar niet voor zichzelven zou +gebruiken. + +Het was volgens onze tijdrekening de vijfentwintigste Maart. Aan den +avond van dien dag kon Ben-Hur zijn ongeduld niet langer bedwingen en +reed naar de stad, met de belofte van spoedig te zullen terugkeeren. +Zijn paard was flink en draafde lustig voort. De huizen, die hij +voorbijreed, waren leeg, de vuren voor de tenten waren uitgedoofd, de +weg was eenzaam en verlaten, want het was de avond vóór het feest en het +volk was naar den Tempel gestroomd, om de paaschlammeren te slachten, +wier bloed door de priesters opgevangen en naar de altaren gebracht +werd. Door de groote Noordpoort reed Ben-Hur Jeruzalem binnen, het +heerlijke roemrijke Jeruzalem, zooals het vóór de verwoesting was. + + + * * * * * + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +ONTMASKERD. + + +Ben-Hur stapte af voor de deur eener herberg, waar hij zijn paard in de +hoede van zijn Arabischen bediende achterliet. Met haastigen stap ging +hij naar huis, en vraagde allereerst naar Malluch; toen die niet thuis +bleek te zijn naar Balthasar en Simonides. Het antwoord luidde, dat de +beide grijsaards zich in draagstoelen naar buiten hadden laten brengen, +om ook iets van het feest te zien. + +Terwijl hij nog met den knecht sprak, werd het gordijn voor de deur +weggeschoven, en trad Iras binnen, waarop de bediende heenging. + +Door de gebeurtenissen der laatste dagen geheel in beslag genomen, had +Ben-Hur weinig aan de schoone Egyptische gedacht, maar zoodra hij haar +zag, liet de oude invloed zich weder gelden. Vroolijk ging hij haar te +gemoet, maar bleef op eens verbaasd staan. Tot nog toe had zij hem +onverholen hare genegenheid betoond. Maar nu! Een vreemde had zij niet +koeler kunnen ontvangen. + +--Gij komt juist bijtijds, zoon van Hur, zeide zij. Ik wilde u dank +zeggen voor uwe gastvrijheid, want na morgen zal ik niet meer in de +gelegenheid zijn dat te doen. + +Ben-Hur maakte een lichte buiging zonder zijne oogen van haar af te +wenden. + +--Ik weet, dat het onder dobbelaars gewoonte is, vervolgde zij, na +afloop van het spel de rekening op te maken, en den gelukkigen winner te +bekronen. Wij hebben een spel gespeeld, het heeft vele dagen en weken +geduurd. Waarom zouden wij, nu het uit is, niet eveneens nagaan wie van +ons den krans moet hebben? + +Niet recht wetende wat hij van haar denken moest antwoordde Ben-Hur +luchtig: Als een vrouw op het een of ander haar zinnen gezet heeft, moet +een man haar daarin ter wille zijn. + +--Zeg mij, zeide zij met een onaangenaam lachje, zeg mij, Vorst van +Jeruzalem, waar is hij, de zoon des timmermans van Nazareth, van wien +men onlangs zulke groote verwachtingen had? + +Met een gebaar van ongeduld antwoordde hij: Ik ben zijn bewaker niet. + +--Heeft hij Rome al omvergeworpen? + +Toornig wilde Ben-Hur antwoorden, maar zij vervolgde: Waar heeft hij +zijn zetel opgeslagen? En zijn paleis? Hij heeft wel dooden opgewekt, +het zou hem dus geen moeite kosten als met een tooverslag een gouden +huis te doen ontstaan. Hij behoeft maar met den voet te stampen en één +woord te spreken, en het huis staat daar, zoo mooi, als men het slechts +verlangen kan. + +Hij behoefde er niet meer aan te twijfelen, dat zij in ernst sprak. De +vragen waren beleedigend, haar toon en houding bepaald onvriendelijk. +Hij voelde, dat hij voorzichtig moest zijn, en zeide zacht: Laat ons nog +een dag, desnoods nog een week wachten, voordat wij oordeelen. + +Zonder op zijne woorden te letten vervolgde zij: En hoe komt het, dat ik +u in zulk eene kleeding zie? Dat is niet de dracht der stadhouders van +Indië, of van onderkoningen, waar dan ook. Ik heb eenmaal een Perzisch +satraap gezien. Hij droeg een zijden tulband en een mantel van +goudlaken; het gevest en de scheede van zijn zwaard glinsterden van +kostbare edelsteenen. Ik dacht dat Osiris hem iets van den glans der zon +had afgestaan. Ik vrees, dat gij nog niet in uwe heerschappij bevestigd +zijt, de heerschappij, die ik met u zou deelen. + +--De dochter van mijn wijzen gast is vriendelijker dan zij zelve +vermoedt; zij doet mij zien, dat Isis een hart kan kussen zonder het +beter te maken. + +Hij sprak met koude hoffelijkheid en Iras antwoordde, al spelende met +haar halsketting: De zoon van Hur is zeer slim. Ik zag uw droomenden +koning zijn intocht in de stad houden. Gij hadt ons gezegd, dat hij zich +op dien dag tot koning der Joden zou laten uitroepen. Ik zag een hem +begeleidenden stoet van den berg afdalen, en hoorde hun gezang. 't Was +een mooi gezicht, die wuivende palmtakken. Ik zocht naar een koninklijke +verschijning in hun midden: een ruiter in het vorstelijk purper, of een +statigen krijger in een strijdwagen, met schild en speer gewapend. Ik +zocht naar zijn lijfwacht. Het zou mij goed hebben gedaan een vorst van +Jeruzalem aan het hoofd eener kohorte van de Galileesche legioenen te +zien! + +Zij wierp haren toehoorder een uitdagenden blik toe, en lachte toen +luid, alsof zij in den geest iets zeer belachelijks aanschouwde. + +--In stede van een triomfeerenden Sesostris, vervolgde zij, of van een +gewapenden Cesar, hahaha! zag ik een man met tranen in de oogen op een +ezelsveulen gezeten. De koning! de Zoon van God! de Verlosser der +wereld! Hahaha! + +In spijt van zichzelven kon Ben-Hur zijn verlegenheid niet verbergen. +Voordat hij zich hersteld had, ging zij voort: Toch verliet ik mijne +plaats niet, Vorst van Jeruzalem. Evenmin lachte ik. Ik zeide tot +mijzelve: Geduld! In den Tempel zal hij zich in zijne ware gedaante +vertoonen, zooals dat een held betaamt, die de wereld in bezit gaat +nemen. Ik zag hem de poort van Suzanna binnengaan. Ik zag hem stilhouden +voor de Schoone Poort. Duizenden menschen stonden in de voorhoven van +den Tempel, op de trappen; allen wachtten in hooge spanning op zijne +proclamatie. In mijne verbeelding hoorde ik de steunsels van het +machtige Rome kraken. Hahaha! O Vorst! bij de ziel van Salomo, uw koning +wikkelde zich dichter in zijn overkleed en wandelde weg, zonder zijn +mond geopend te hebben, en ... het Romeinsche rijk bestaat nog. + +Geen vertoogen van Balthasar, geen wonderen voor zijn oogen verricht, +hadden vermocht wat het door Iras geschilderde tafereel uitwerkte. + +Dat zich afwenden van de Schoone Poort--gaf de Nazarener zelf daarmede +niet duidelijk te kennen, dat hij het door-hem op te richten koninkrijk +niet beschouwd wilde hebben als een aardsch koninkrijk? + +--Dochter van Balthasar, zeide hij waardig, als dit het spel is, waarvan +gij spraakt, neem den krans; ik moet hem u toekennen. Laat ons echter +een einde maken aan dit woordenspel. Dat gij er een doel mede hebt, +geloof ik zeker. Spreek het vrij uit en ik zal u antwoorden. Daarna +kunnen wij ieder zijn eigen weg gaan, en vergeten dat wij elkander ooit +ontmoet hebben. Spreek! Ik luister--indien gij ten minste een anderen +toon wilt aanslaan. + +Zij zag hem een oogenblik onderzoekend aan, overleggende wat zij doen +zou, misschien ook om zijn wilskracht te beproeven, en zeide toen +koeltjes: Gij kunt vertrekken. Ga! + +--Vrede zij u, antwoordde hij, en ging naar de deur. Toen hij er vlak +bij was, riep zij hem terug. + +--Nog één woord. + +Hij bleef staan, en zag om. + +--Bedenk dat ik alles van u weet. + +--Waarin bestaat dat alles? vraagde hij terugkomende. + +Zij zag hem aan met verstrooiden blik. + +--Gij hebt meer van een Romein, zoon van Hur, dan een uwer Joodsche +broederen. + +--Ben ik zoo verschillend van mijne landgenooten? vraagde hij +onverschillig. + +--De halfgoden zijn allen Romeinen, zeide zij. + +--Is dat alles wat gij van mij weet? + +--De gelijkenis is niet voor mij verloren. Het zou er mij toe kunnen +brengen u te redden. + +--Mij te redden? + +Haar vingers speelden met het sieraad aan haren hals en haar stem klonk +innemend en zacht; maar het trappelen van haar voetje maande hem tot +voorzichtigheid. + +--Er was een Jood, een ontvluchte galeislaaf, die een man doodde in het +paleis Idernee, zeide zij langzaam. + +Ben-Hur ontstelde. + +--Diezelfde Jood versloeg hier in Jeruzalem op het voorplein van het +praetorium verscheidene Romeinsche soldaten, diezelfde Jood heeft onder +zijne bevelen drie welgeoefende legioenen uit Galilea, om hedennacht den +Romeinschen procurator gevangen te nemen; diezelfde Jood heeft alles +voorbereid tot een oorlog met Rome, en Sheik Ilderim is een van zijne +bondgenoten. + +Nog dichterbij komende, fluisterde zij: Gij hebt in Rome gewoond. +Gesteld dat deze dingen gefluisterd werden in ooren, die wij kennen? +Aha! gij verschiet van kleur? + +Hij ging een stap achteruit met de uitdrukking op het gelaat van een +man, die, meenende met een poes te spelen, onverwacht een tijgerjong +voor zich ziet. + +Zij vervolgde: gij zijt bekend aan het hof, gij kent den machtigen +Sejanus. Gesteld dat hem werd medegedeeld, dat diezelfde Jood de rijkste +man is van het Oosten, ja van het geheele keizerrijk, dan zouden de +visschen van den Tiber waarschijnlijk wel op iets anders onthaald +worden, dan op hun gewone voedsel, niet waar? En welke prachtige +voorstellingen zouden daarna in den Circus gegeven worden! Het +Romeinsche volk te vermaken is een schoone kunst, maar het geld te +verzamelen, om het te kunnen blijven vermaken, is nog grooter kunst; en +heeft ooit eenig kunstenaar daarin Sejanus geëvenaard? + +Ben-Hur wendde al zijne zelfbeheersching aan, om kalm te blijven, en +zeide bedaard: Welaan, dochter van Egypte, dank zij uwe listigheid hebt +gij mij in uwe macht, 't Zal u zeker genoegen doen mij te hooren +bekennen, dat ik geen genade van u verwacht. Ik zou u kunnen dooden; +doch gij zijt eene vrouw. De woestijn is bereid om mij te ontvangen, en +ofschoon de Romeinen uitstekende menschenjagers zijn, zouden zij mij +daar toch lang en ver moeten zoeken, voordat ze mij vingen; want de +wildernis herbergt duizenden trouwe, gewapende mannen. Maar al hebt gij +mij in uwe netten weten te krijgen--dwaas die ik was! één antwoord zijt +gij mij schuldig: Wie heeft u dat alles aangaande mij verteld? +Vluchteling of banneling, het zal mij een troost zijn mijnen verrader +den vloek na te laten van een man, wiens leven niets dan ellende heeft +gekend. Wie heeft u dat alles aangaande mij medegedeeld? + +Was het een kunstgreep, was het oprecht gemeend,--de uitdrukking van +Iras' gelaat werd zachter. + +--In mijn vaderland vindt men kunstenaars, die schilderijen maken van +veelkleurige schelpjes, welke zij aan het strand der zee vonden, en in +stukken sloegen, om ze daarna tot één geheel samen te voegen. Ziet gij +niet wat zij, die een geheim willen uitvorschen, daaruit kunnen leeren? +Het zij u genoeg te weten, dat ik van den een dit, van den ander dat +vernam, en weldra een geheel kon samenstellen, dat mij meesteres maakte +van het fortuin en het leven van een man met wien ... ik niet recht weet +wat ik doen zal. + +--Neen, dat is mij niet genoeg, zeide Ben-Hur onbewogen. Morgen zult gij +wel weten wat gij met mij doen zult ... mij misschien vermoorden. + +--Dat is zoo, antwoordde zij snel en met nadruk. Nu dan. Enkele dingen +vernam ik door Sheik Ilderim, toen hij op zekeren avond met mijn vader +een onderhoud had in de woestijn. 't Was stil, heel stil, en de wanden +eener tent zijn, om de waarheid te zeggen, geen voldoende beschutting +tegen ooren, die daar buiten luisteren naar den vleugelslag van +nachtvlinders. Andere bijzonderheden kreeg ik van.... + +--Welnu? van wien? + +--Van den zoon van Hur zelf. + +--Heeft niemand anders er toe bijgedragen? + +--Neen, niemand. + +Ben-Hur slaakte een zucht van verlichting en zeide: Dank voor uwe +mededeeling. Het zou niet beleefd zijn den machtigen Sejanus op u te +laten wachten. Vaarwel! + +Tot nog toe had hij met ongedekten hoofde voor haar gestaan; nu nam hij +den doek, die over zijn arm hing, schikte zich dien om het hoofd en +wilde zich verwijderen. Maar zij hield hem tegen, en stak in haren ijver +de hand naar hem uit. + +--Blijf! zeide zij. + +Hij zag haar aan zonder echter de aangeboden hand te nemen, en begreep +uit hare geheele manier van doen, dat het voornaamste nog komen moest. + +--Blijf, en geloof vrij, dat ik weet waarom de edele Arrius u tot zijn +erfgenaam maakte. Bij alle goden van Egypte, ik beef als ik er aan denk, +dat gij, zoo dapper en edelmoedig, den onbarmhartigen Sejanus in handen +zoudt vallen. Gij hebt een gedeelte van uw jeugd in de atria der groote +wereldstad doorgebracht, bedenk wat in tegenstelling daarmede de +woestijn voor u zijn moet. O, ik heb medelijden met u! En als ge doen +wilt wat ik zeg, zal ik u redden. Dat zweer ik u bij onze heilige Isis! + +Het vuur, waarmede zij gesproken had, deed haar aangezicht gloeien; +zelden had hij haar zoo schoon gezien. + +--Eenmaal hadt gij een vriend, vervolgde zij. Gij waart toen nog een +knaap. Op zekeren dag kreegt gij twist en werdt vijanden. Vele jaren +later zaagt gij hem in den circus te Antiochië. + +--Messala! + +--Ja, Messala. Gij waart zijn schuldeischer. Laat het verledene vergeven +en vergeten zijn; schenk hem uwe vriendschap weder; geef hem zijn geld +terug, dat hij bij de groote weddenschap verloor; red hem! De zes +talenten zijn voor u zoo goed als niets, niet zooveel als het afvallend +blad van een lommerrijken boom; maar voor hem.... Ach, hij gaat daarheen +met een verbrijzeld lichaam! O Ben-Hur, edele vorst! voor een Romein als +hij, uit een edel geslacht gesproten, is armoede nog erger dan de dood. +Red hem, ach, red hem! + +Als de snelheid, waarmede zij sprak, dienen moest, om hem het nadenken +te beletten, dan vergiste zij zich deerlijk. Zijne gevoelens ten +opzichte van Messala waren voor geene wijziging vatbaar. Het was hem, +alsof hij zijn vijand over haar schouder naar hem zag gluren, met de +oude trotsche, overmoedige uitdrukking. + +--Messala krijgt van mij niets, sprak hij vastberaden. Als Romein +veroordeel ik den Romein. Maar zeg mij, zond hijzelf u tot mij met dit +verzoek? + +--Hij heeft een edele natuur en beoordeelde u daarnaar. + +--Zeg mij, gij, die hem zoo goed schijnt te kennen, zeg mij, zou hij in +het omgekeerde geval voor mij doen wat hij nu van mij vraagt? Antwoord +ter wille van de waarheid! + +--O, begon zij, hij is.... + +--Een Romein, wilt gij zeggen; en gij bedoelt daarmede, dat ik, een +Jood, niet moet eischen, dat een en dezelfde maatstaf gebruikt zal +worden voor hem en voor mij. Dus omdat ik een Jood ben, moet ik hem +mijne winst laten, omdat hij een Romein is. Als gij nog meer te zeggen +hebt, dochter van Balthasar, spreek dan, want waarlijk! moest mijn bloed +nog tot grooter kookhitte komen, dan zou ik in u misschien niet langer +eene vrouw zien, maar de spion van den Romein. Spreek dus, maar maak het +kort. + +Zij ging een stap achteruit. Uit hare oogen en stem sprak al de boosheid +van hare natuur. + +--Gij meent, dat ik u zou kunnen beminnen, nadat ik Messala gezien had? +Zulken als gij zijn geboren om hem te dienen. Hij zou tevreden zijn +geweest, indien gij hem zijne zes talenten teruggegeven hadt; maar ik +zeg u, bij die zes zult gij er twintig voegen, hoort gij? Voor iederen +kus, dien gij mij gegeven hebt, al was het met mijne toestemming, zult +gij mij betalen. Gij zult er voor betalen, dat ik u zoo lang verdragen, +ja begunstigd heb, al deed ik het ook om hem te dienen. De oude +Simonides is uw rentmeester. Indien hij mij morgenmiddag niet een wissel +ter hand stelt voor zesentwintig talenten, dan zult gij met den +machtigen Sejanus hebben af te rekenen. Wees wijs! en nu vaarwel. + +Zij wilde de kamer verlaten, maar hij trad haar in den weg. + +--Wanneer gij Messala ziet, hier of in Rome, vandaag of morgen, wil hem +dan van mijnentwege deze boodschap overbrengen: Zeg hem, dat ik al het +geld terug heb, dat hij mij ontstal, toen hij zich een deel van mijn +vaders bezittingen toeëigende. Zeg hem, dat ik van de galeien, waarheen +hij mij zond, levend ben teruggekomen, en dat ik gezond en krachtig, mij +verheug over zijne armoede en schande. Zeg hem, dat de lichaamspijnen, +hem door mijne hand toegebracht, een straf zijn van den God van Israël +voor het verraad, dat hij aan onschuldigen gepleegd heeft; zeg hem, dat +mijne moeder en zuster, die met zijn medeweten opgesloten werden in eene +besmette cel van den burcht Antonia, opdat zij daar aan melaatschheid +zouden sterven, leven, en gezond zijn door het machtwoord van den +Nazarener, dien gij veracht. Zeg hem, dat zij, om de maat van mijn geluk +vol te maken, mij teruggegeven zijn, en dat ik tot haar ga, om in hare +liefde meer dan voldoening te vinden voor de onreine hartstochten, die +gij op hem overbrengt. Zeg hem, dat de machtige Sejanus, als hij zich +opmaakt om mij van mijn eigendom te berooven, niets zal vinden, want +alles, wat ik van den duumvir geërfd heb, is verkocht, en de opbrengst +is in veiligheid gebracht. Zeg hem, dat dit huis en de goederen, waar +Simonides handel mede drijft, gedekt zijn door keizerlijken vrijbrief. +Zeg hem, dat ik hem mijnen vloek niet in woorden zend, maar dat ik hem +aan u overlaat, opdat gij elkander wederkeerig ten vloek zoudt zijn. Ga +nu, ik ga ook. + +Hij geleidde haar naar de deur en hield beleefd een voorhang tegen, +terwijl zij naar buiten ging. + + + * * * * * + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +DE BLINDDOEK AFGEVALLEN. + + +Ben-Hur verliet de zaal vrij wat minder opgewekt, dan hij haar +binnengetreden was; zijn stap was langzamer, hij liet het hoofd hangen. +De ontdekking dat iemand, al heeft hij ook al zijne ledematen gebroken, +toch nog gezond van hersenen kan zijn, gaf hem veel te denken. + +Dat hij de Egyptische zelf niet verdacht had van in Messala's belang +werkzaam te zijn, maar zich blindelings had overgegeven aan de +betoovering, die van haar uitging, wondde zijne ijdelheid. + +--Nu herinner ik mij, dacht hij, dat zij in het minst niet +verontwaardigd was over de handelwijze van den onbeschaamden Romein bij +de bron van Castalia. Ik herinner mij ook, dat zij van den beginne met +ingenomenheid over hem sprak. En ... aha!... nu behoef ik niet langer te +vragen, aan wie ik dat geval in het paleis Idernee te danken had. + +--God zij gedankt! riep hij na een oogenblik nadenkens overluid, dat die +vrouw mijn hart niet omstrikt had! Ik zie nu in dat het geen liefde was, +die ik voor haar gevoelde. + +Alsof hem een pak van het hart gevallen was, begaf hij zich verruimd van +zin naar het platte dak. Boven gekomen bleef hij stilstaan. Kon +Balthasar haar medeplichtige zijn? Neen, neen. Een eerwaardig grijsaard +als hij kan niet huichelen. Balthasar is een goed man. + +Gerustgesteld ging hij verder. De volle maan stond hoog aan den hemel, +maar verbleekte door den gloed der vuren, die in de straten en op de +pleinen ontstoken waren. Van alle zijden weerklonk het gezang van +psalmen en lofzangen. Onwillekeurig bleef hij staan luisteren. De +tallooze stemmen schenen hem toe te roepen: Aldus, zoon van Juda, +getuigen wij van onze trouw aan den Heer onzen God, en onze liefde tot +het land, dat Hij ons gegeven heeft. O, dat een Gideon mocht optreden, +of een David, of een Makkabeër!--Wij zijn gereed. + +In den geest zag hij den Nazarener, wiens vriendelijk gelaat allerminst +aan oorlog deed denken, veeleer aan vrede en liefde, en zoo drong de +oude vraag zich weder aan hem op: Wie is hij toch? + +Ben-Hur wierp een blik over de borstwering, keerde zich toen om en +wandelde toen werktuiglijk naar het zomerhuisje. Laat hen het ergste +doen wat zij kunnen, zeide hij langzaam voortgaande. Ik kan den Romein +geen vergiffenis schenken. Ik wil mijn fortuin niet met hem deelen, maar +evenmin wil ik de stad mijner vaderen ontvluchten. Liever roep ik de +Galileërs te hulp en laat ik het zwaard voor mij beslissen. Door dappere +daden zal ik de stammen voor mij winnen. Hij, die Mozes verwekte, zal +ook ons een aanvoerder toezenden, als ik niet slaag. Blijkt het, dat de +Nazarener niet de aangewezen persoon is, dan een ander uit de velen, die +hun leven willen laten voor de vrijheid. + +Het zomerhuisje was van binnen slechts flauw verlicht, toen Ben-Hur +binnentrad. Hij zag den armstoel van Simonides in den hoek geschoven, +vanwaar men het beste uitzicht had over de markt. + +--De goede man is teruggekeerd, dacht hij. Als hij niet slaapt, zal ik +hem even toespreken. + +Hij naderde den stoel met zachten tred. Over de hooge rugleuning +glurende zag hij, dat Esther in den stoel zat te slapen, half verborgen +onder de deken. Hare ademhaling was zacht en regelmatig. Op eens slaakte +zij een diepen zucht. Was het de zucht, of de eenzaamheid, waarin hij +haar aantrof,--genoeg, hij kreeg den indruk dat deze slaap meer een +gevolg was van uitputting na droefheid, dan van vermoeidheid. Met de +handen op de rugleuning rustend, dacht hij een oogenblik na. + +--Ik zal haar niet wekken. Ik heb haar niets te zeggen, niets, of het +moest zijn, dat ik haar liefheb. Zij is eene dochter uit den stam van +Juda, schoon en lieftallig, geheel verschillend van de Egyptische. Bij +die is alles ijdelheid, bij haar alles waarheid, daar eerzucht, hier +plicht, daar zelfzucht, hier zelfverloochening.... Neen, de vraag is niet +of ik haar liefheb, maar of zij mij liefheeft! Zij was mij van den +beginne genegen. Ik ben dien avond op het terras te Antiochië nog niet +vergeten, toen zij mij zoo kinderlijk smeekte Rome niet tot mijn +vijandin te maken. Ik heb haar lief. Niemand weet, dat ik moeder en +Tirza teruggevonden heb. Hoe zal zij zich met mij verheugen, haar van +harte verwelkomen. Voor moeder zal zij eene tweede dochter wezen, in +Tirza vindt zij eene zuster. Ik zou haar kunnen wekken en dit alles +vertellen, maar eerst moet de Egyptische toovenares weg, en alles +vergeten zijn. Ik zal heengaan en een ander, een beter oogenblik +afwachten. Ik zal wachten. Slaap zacht, schoone Esther! trouw kind, +dochter van Juda! + +Hij ging heen, even stil als hij gekomen was. + + + * * * * * + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +HET VERRAAD. + + +De straten waren vol gaanden en komenden. Hier en daar stonden groepjes +geschaard rondom de vuren, waar vleesch gebraden, gezongen en +feestgevierd werd. De geur van het gebraad, vermengd met den reuk van +brandend cederhout, vervulde de lucht; en daar bij deze gelegenheid alle +Israëlieten elkander als broeders begroetten en de gastvrijheid geen +grenzen kende, werd Ben-Hur bij elken stap begroet, terwijl de groepjes +rondom het vuur hem toeriepen: Kom, en eet met ons. Wij zijn broeders in +de liefde Gods!--Maar hij dankte hen allen vriendelijk en haastte zich +voort, daar hij van plan was zijn paard op te halen aan de herberg, en +naar de tenten bij de beek Kedron terug te keeren. + +Om daar te komen, moest hij de straat oversteken, die weldra door het +droevigst tooneel, dat de christenheid kent, vermaard zou worden. Ook +daar waren de feestelijkheden in vollen gang. De straat afziende, zag +hij een optocht met fakkellicht naderen! Waar zij langs kwamen verstomde +het gezang. Zijne verbazing klom, toen hij te midden van rook en vonken +speren zag flikkeren, waaruit hij begreep, dat het Romeinsche soldaten +waren. Wat deden zij, die vervloekte Romeinen, bij een Joodsche +processie? Dat was iets ongehoords, en hij bleef staan om te zien wat +dat beteekenen moest. + +De maan scheen helder; maar alsof maan en sterren en straatvuren en het +licht uit vensters en open deuren niet voldoende waren om alles buiten +te verlichten, droegen sommige deelnemers aan den optocht bovendien +brandende lantaarns, en daar Ben-Hur begreep, dat er iets bijzonders te +doen moest zijn, koos hij een geschikte plaats uit, om elk der +voorbijtrekkenden aandachtig op te nemen. De toortsen en lantaarnen +werden door bedienden gedragen, die met knuppels of puntige stokken +gewapend waren. Hun plicht was allereerst de hoogmogenden onder hen: +oudsten, priesters, rabbi's met lange baarden, zware wenkbrauwen en +haviksneuzen, bij te lichten op den ongelijken, steenachtigen weg. Wat +kon toch het doel van hun tocht zijn? Niet naar den tempel, want +daarheen voerde een andere weg. En hun plannen ... als die van vreedzamen +aard waren, waartoe dan de soldaten? + +Toen de stoet hem voorbijging, werd zijne aandacht voornamelijk +getrokken door drie personen, die in de eerste rijen gingen. In den man +links herkende hij een hoofdman der tempelwacht, die meest rechts liep +was een priester, den middelsten daarentegen herkende hij niet dadelijk, +want hij leunde onder het voortgaan zwaar op de beide anderen, en liet +het hoofd hangen, als om het gelaat te verbergen. Zijn voorkomen deed +aan een boosdoener denken, die den schrik van zijne gevangenneming nog +niet te boven was gekomen. Ontegenzeglijk was hij, zoo niet de oorzaak +van het optrekken der soldaten, dan toch òf hun gids, òf een onmisbaar +getuige. Kon Ben-Hur achter zijn naam komen, dan zou hij het overige +misschien wel kunnen raden. Zonder iets te zeggen, trad hij den priester +op zijde, en stapte naast hem voort. Als de man nu maar zijn hoofd wilde +opheffen! En zie! daar deed hij het, zoodat het licht der lantaarnen op +zijn bleek, door vrees vertrokken gelaat viel. Daar Ben-Hur den +Nazarener zoo dikwijls op zijne tochten gevolgd was, kende hij de +discipelen, zoowel als den meester; en toen hij nu dat verschrikte +gelaat zag, riep hij luid: Iskariot! + +Langzaam keerde de ongelukkige het hoofd om, keek Ben-Hur aan en bewoog +zijne lippen, alsof hij iets wilde zeggen, maar de priester kwam +tusschenbeide. + +--Wat woudt gij? Ga weg! zeide hij tot Ben-Hur, en duwde hem op zij. De +jonkman liet het zich welgevallen, wachtte een betere gelegenheid af, en +sloot zich weder bij den stoet aan. Zij gingen tusschen den heuvel +Bezetha en den burcht Antonia door, langs het badwater Bethesda naar de +Schaapspoort. Overal waren menschen en overal werd feestgevierd. Ter +eere van het feest stonden de deuren der poort wijd open. Voorwaarts +ging het, altijd voorwaarts, nu het dal in, dat naar de beek Kedron +leidde. Aan de andere zijde zag men den Olijfberg met zijn donker +geboomte. Dof weerklonken de voetstappen der mannen in de nachtelijke +stilte. Nog een klein eindje, en toen sloegen zij links om naar een +olijvenhof, die aan den voorkant door een steenen muurtje afgesloten +was. Ben-Hur wist dat in dien hof niets was, dan eenige knoestige +boomen, wat gras, en een in de rots uitgehouwen trog, die gebruikt werd +voor het treden van de olijven. Terwijl hij zich verbaasd afvraagde wat +zij in dit uur op eene zoo eenzame plaats te doen konden hebben, stond +de troep plotseling stil. In de voorhoede hoorde men luid spreken. Er +ontstond een onverklaarbare verwarring; alleen de soldaten hielden +stand. In een oogwenk had Ben-Hur zich uit het gedrang weten te redden, +om vooruit te snellen. Weldra bevond hij zich voor een poortje zonder +deur, dat toegang verleende tot den hof. Hij bleef staan om het tooneel +te overzien. + +In de poort stond een man met witte kleederen bekleed, blootshoofds, de +handen op de borst gevouwen, een gedaante hem maar al te goed bekend ... +de Nazarener! Zijne discipelen stonden achter hem geschaard; zij zagen +er ontsteld uit, de meester zelf stond daar als een toonbeeld van +verheven rust. + +Tegenover deze vreedzame gestalte hield de bende stil, onthutst, gereed +om op een machtwoord uit zijnen mond uiteen te stuiven en weg te loopen. +Ben-Hur wierp een vluchtigen blik op hem, op de menigte, op Judas +Iskariot, en nu begreep hij het doel van den tocht. Hier stond de +verrader, daar de verradene. De lieden met knuppels en stokken gewapend +en de soldaten waren gekomen om hem gevangen te nemen. + +Niemand kan met zekerheid zeggen wat hij doen zal, voordat het oogenblik +van handelen daar is. Ben-Hur stond voor iets, waarop hij zich jarenlang +had voorbereid. De man, voor wiens veiligheid hij moest waken, op wiens +leven hij al zijne hoop gebouwd had, verkeerde in lijfsgevaar,--en toch +deed hij niets. De menschelijke natuur is vol van zulke tegenstrijdigheden. +De groote kalmte echter, waarmede de geheimnisvolle Nazarener de menigte +te gemoet trad, hield hem tegen, want hij verwachtte dat de meester gebruik +zou maken van zijne wondermacht, om zich uit dit dreigend gevaar te redden. +Vrede, liefde en vergevensgezindheid waren de grondtonen geweest van zijn +leer; zou hij zijne prediking in praktijk brengen? Hij was Heer over leven +en dood. Welk gebruik zou hij nu van die macht maken? Zichzelven verdedigen? +En hoe dan? Eén woord, één wenk, ééne gedachte was voldoende. Dat een +wonder, iets bovennatuurlijks gebeuren zou, geloofde Ben-Hur vast, en in +dat geloof wachtte hij. Maar hij mat den Nazarener naar zichzelven af, naar +den menschelijken maatstaf. + +Daar weerklonk des Meesters heldere stem. + +--Wien zoekt gij? + +--Jezus den Nazarener, antwoordde de priester. + +--Ik ben het. + +Op het hooren van deze zeer eenvoudige woorden weken de aanvallers eenige +schreden achteruit, de vreesachtigen vielen ter aarde. + +Zij zouden hem waarschijnlijk alleen gelaten hebben en weggegaan zijn, +indien niet Judas naar voren gekomen was en gezegd had: Wees gegroet, +Meester. + +Dit zeggende kuste Judas hem. + +--Judas, zeide de Nazarener zacht, verraadt gij den Zoon des Menschen +met een kus? Waarom zijt gij hier gekomen? + +Daar hij geen antwoord kreeg, wendde de Meester zich weder tot de schare. + +--Wien zoekt gij? + +--Jezus van Nazareth. + +--Ik heb u gezegd, dat ik het ben. Indien gij dan mij zoekt laat dezen +henengaan. + +De rabbi's traden op hem toe, en hun voornemen radende kwamen sommigen +zijner discipelen, voor wie hij in de bres gesprongen was, naderbij. Een +van hen hief zijn zwaard op en sloeg een man zijn oor af, maar zonder te +kunnen verhinderen dat de Meester gevangen werd genomen. + +En nog steeds stond Ben-Hur stil! + +Terwijl men de touwen bracht om hem te binden, verrichtte de Nazarener +eene liefdedaad, die meer nog dan eenige andere zijne oneindige liefde +en zachtmoedigheid deed zien. + +--Laat ze tot hiertoe geworden, zeide hij, raakte het oor van den +gewonden dienstknecht aan, en heelde het. + +Vrienden en vijanden beiden stonden verbaasd, laatstgenoemden daarover, +dat hij zoo iets kon doen, de eersten, dat hij het wilde doen. + +Neen, neen! Hij zal niet toelaten, dat zij hem binden! dacht Ben-Hur. + +--Steek uw zwaard in de scheede. De beker, dien mij de Vader gegeven +heeft, zou ik dien niet drinken? + +Van den voorbarigen discipel keerde de Nazarener zich tot zijne +vijanden: Zijt gij gekomen als tot een dief, met zwaarden en stokken om +mij gevangen te nemen? Dagelijks was ik bij u in den Tempel en gij hebt +mij niet gegrepen, maar dit is uwe ure en de macht der duisternis. + +De bende vatte moed en omringde hem. Toen Ben-Hur rondzag naar de +discipelen waren zij weg, niet één was gebleven. + +De Nazarener werd gebonden,--hij die zijne vijanden met een ademtocht +zou hebben kunnen vernietigen. Waarom wilde hij zichzelven niet redden? +Wat was die drinkbeker, dien zijn vader hem gegeven had te drinken? En +wie was die vader? Altemaal geheimen, die alleen de Nazarener onthullen +kon. + +Nu maakte de bende zich gereed om naar de stad terug te keeren, de +soldaten voorop. Ben-Hur werd beangst. Hij was niet met zichzelf +tevreden. Hij wist waar de Nazarener te vinden was,--daar, waar de +meeste flambouwen waren. Op eens nam hij een besluit. Hij moest hem nog +eenmaal zien, hem ééne vraag voorleggen. Haastig ontdeed hij zich van +zijn overkleed en hoofddoek, wierp ze op het muurtje, en vloog de bende +achterna. + +Het gelukte hem na eenig dringen den man te bereiken, die de einden van +het touw vasthield, waarmede de gevangene behouden was. + +De Nazarener liep langzaam, met gebogen hoofd, de handen op den rug +gebonden, en alsof hij niets merkte van hetgeen rondom hem voorviel. +Voor hem uit gingen priesters en oudsten, in drukke gesprekken verdiept, +en telkens naar hunne prooi omziende. Toen zij de brug genaderd waren, +nam Ben-Hur den bewaker het touw uit de hand, en trad den gevangene op +zijde. + +--Meester, sprak hij zacht en snel, hoort gij mij, Meester? Eén woord +slechts. Zeg mij.... De man, wien hij het touw ontnomen had, wilde het +terug hebben. + +--Meester, zeg mij, ging Ben-Hur voort, gaat gij vrijwillig mede? + +De menigte sloot zich meer aaneen en vraagde hem dreigend: Mensch, wie +zijt gij? + +--Ach, Meester, zeide Ben-Hur haastig, zijn stem scherp door angst, ik +ben uw vriend. Zeg mij, ik smeek het u, wilt gij, dat ik u te hulp kom? + +De Nazarener zag niet op, en gaf niet het minste teeken van herkenning. + +Maar nu drongen de wachters op hem in. Van alle kanten werd geroepen: +Hij is een van hen. Grijpt hem! Slaat hem dood! Met een wanhopige +krachtsinspanning rukte Ben-Hur zich los, keerde zich, links en rechts +slaande, om, en brak door den kring heen, die hem dreigde in te sluiten. +Zijn kleed moest hij in handen laten van een wachter, die hem reeds +gegrepen had, zoodat hij naakt van hen moest vlieden. Gelukkig kon hij +zich in de donkere kloof voor iedere oog verbergen. + +Toen alles stil geworden was, keerde hij naar den olijvenhof terug, om +zijn overkleed te halen, begaf zich van daar naar de herberg, besteeg +zijn paard en reed spoorslags naar de tenten zijner moeder bij de graven +der Koningen. Onder het voortrijden nam hij het besluit den volgenden +dag den Nazarener te bezoeken, weinig vermoedende, dat deze nog +dienzelfden avond naar het huis van Annas gebracht was, om terstond +verhoord te worden. + +Met een bezwaard hart ging de jonkman ter ruste. Moedeloos wierp hij +zich op zijn leger om en om, aan slapen viel voor hem niet te denken, +want het leed geen twijfel: het Joodsche koninkrijk, waar hij van +gedroomd had, loste zich op in wat het was--een droom. + + + * * * * * + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +NAAR DEN KRUISHEUVEL. + + +Den volgenden morgen tegen de tweede ure reden twee mannen in galop naar +Ben-Hurs tent, stapten af, en vraagden hem te zien. + +Hij was nog niet opgestaan, doch beval dat men hen binnen zou laten. + +--Vrede zij u, broeders, zeide hij, want het waren twee vertrouwde +hoofdlieden van het Galileesche legioen. Neemt plaats! + +--Neen, antwoordde de oudste kortaf. Zitten en rusten wil zooveel zeggen +als den Nazarener te laten sterven. Sta op, zoon van Juda, en ga met ons. +Het oordeel is uitgesproken, de kruispaal wordt opgericht. + +Ben-Hur staarde den spreker ontsteld aan. Het kruis! was alles wat hij +zeggen kon. + +--Zij hebben hem van nacht gevangengenomen en gevonnist, vervolgde de +man. Met het aanbreken van den dag brachten zij hem voor Pilatus. +Tweemaal verklaarde de Romein hem voor niet schuldig; tweemaal weigerde +hij hem over te leveren. Eindelijk waschte hij zijne handen, en zeide: +Ik ben onschuldig aan het bloed van dezen rechtvaardige! en zij +antwoordden.... + +--Wie antwoordde? + +--De priesters en het volk! Zij antwoordden: Zijn bloed kome over ons en +over onze kinderen. + +--Heilige vader Abraham! riep Ben-Hur. Moet een Romein welwillender zijn +voor een Israëliet, dan zijn stamgenooten! En als--o, als hij werkelijk +de Zoon Gods is, wie zal dan ooit die bloedschuld afwasschen? Het mag +niet gebeuren,--ten strijde, broeders, ten strijde! + +Hij klapte in de handen. + +--De paarden voor, vlug! beval hij den binnentredenden Arabier. Laat +Amrah mij schoone kleederen geven en breng gij mijn zwaard!... De tijd +is gekomen om voor Israël te sterven, vrienden! Wacht mij buiten, ik kom +aanstonds. + +Hij at een stuk brood, dronk een beker wijn, en reed weldra weg. + +--Waarheen? vraagde de hoofdman. + +--De legioenen bijeenroepen. + +--Helaas! riep de man, zijne handen omhoogheffend. + +--Waarom helaas? + +--Ach, heer, zeide de man beschaamd, mijn vriend en ik zijn u alleen +getrouw gebleven. Al de anderen loopen de priesters na. + +--Wat willen zij dan? vraagde Ben-Hur en hield zijn paard in. + +--Hem dooden. + +--Toch niet den Nazarener? + +--Gij hebt het gezegd. + +Ben-Hur zag nu den een, dan den ander aan. In den geest hoorde hij weder +de woorden van den vorige avond: den drinkbeker, dien mij de Vader +gegeven heeft, zal ik dien niet drinken? + +Hij hoorde weer zijn eigen vraag: wilt gij dat ik u te hulp kom?--Neen, +zeide hij tot zichzelf: Zijn dood kan niet afgewend worden. Hij heeft er +van den beginne alles van geweten. Die dood wordt hem opgelegd door een +wil, hooger dan de zijne: van wien anders dan van God? Als hij er in +toestemt, als hij vrijwillig gaat, wat zal dan een gewoon mensch doen? + +Ben-Hur zag de plannen in duigen vallen, die hij gebouwd had op de +getrouwheid der Galileërs. Hun afval maakte inderdaad aan alles een +einde. Maar hoe zonderling dat het juist hedenmorgen moest gebeuren! Een +bange vrees bekroop hem. Kon het zijn dat zijn plannenmaken, zijn werk, +de wijze, waarop hij zijn geld besteed had, slechts verzet geweest was +tegen Gods raadsbesluiten? + +--Laat ons naar Golgotha gaan, zeide hij op doffen toon. + +Zij reden te midden van een opgewonden menigte, die in dezelfde richting +ging, als zijzelve. De geheele streek ten noorden der stad scheen op de +been te zijn. + +Hoorende dat de wacht met den veroordeelde ongeveer bij de groote witte +torens van Herodes moest zijn, reden de drie vrienden daarheen. In de +vallei bij den vijver van Hiskia werd het onmogelijk tegen den stroom +van menschen in te gaan, zoodat zij verplicht waren af te stijgen en +achter een huis een gunstiger oogenblik af te wachten. Een half uur, een +uur vloog voorbij, nog steeds ging de stroom onverminderd langs onze +vrienden. Aan het einde van dien tijd had hij kunnen zeggen: Ik heb alle +standen van Jeruzalem vertegenwoordigd gezien, al de sekten van Judea, +al de stammen Israëls, en al de nationaliteiten der aarde. De Libysche +Jood, de Jood uit Egypte, de Jood van den Rijn; in één woord: de Joden +van alle oostersche en westersche landen en van alle bekende eilanden +trokken langs hem heen, te voet, te paard, of op kameelen gezeten, in +draagstoelen, in wagens, gekleed in alle mogelijke kleederdrachten, maar +met de zonderlinge overeenkomst in gelaatstrekken, die nog heden ten +dage de kinderen Israëls kenmerkt, al hebben zij ook veel geleden door +verandering van levenswijze. Die allen drongen voorwaarts om een armen +Nazarener te zien sterven, een misdadiger tusschen misdadigers. + +Behalve die duizenden Joden, waren er nog duizenden anderen, die de +Joden haatten en verachtten: Grieken, Romeinen, Arabieren, Syriërs, +Afrikanen, Egyptenaren, zoodat de geheele wereld bij de kruisiging +tegenwoordig scheen te zullen zijn. + +In weerwil van de ontzettende menschenmassa heerschte een akelige +stilte, die alleen nu en dan verbroken werd door een hoefslag op den +steenachtigen bodem, het geratel van wielen, of een uitroep van +verbazing. Daaruit begreep Ben-Hur, dat het vreemdelingen waren, in de +stad gekomen om het Paaschfeest te vieren, die dus geen aandeel hadden +in de veroordeeling des Nazareners. + +Eindelijk hoorde hij in de richting der groote torens een verward +gedruisch van stemmen. + +--Hoor, daar komen zij! zeide een der twee Galileesche hoofdlieden. + +De voorbijgaanden bleven staan om te luisteren; toen het rumoer echter +naderkwam, zagen zij elkander aan en gingen huiverend verder. Het woest +getier nam toe ... daar zag Ben-Hur de bedienden van Simonides naderen. +Esther ging naast haar vaders draagstoel, een gesloten draagstoel volgde +hen. + +--Vrede zij u, Simonides; en u, Esther, zeide Ben-Hur hun te gemoet +tredende. Als gij op weg zijt naar Golgotha, blijft dan hier, totdat de +stoet voorbij is, dan vergezel ik u. Hier achter het huis is plaats +genoeg. + +De koopman hief het hoofd op en zeide: Vraag het Balthasar. Wat hij wil +is mij goed. Hij zit in den draagstoel. + +Ben-Hur schoof het gordijn open. De Egyptenaar lag achterover; zijn +vermagerd gelaat was zeer vervallen, hij geleek een doode. Ben-Hur +herhaalde zijn voorstel. + +--Kunnen wij hem zien? vraagde Balthasar. + +--Den Nazarener? Ja, hij moet hier langs komen. + +--O God, riep de oude man bewogen, nog eenmaal moet ik hem zien! Welk +een vreeselijke dag is dit voor de wereld. + +Een oogenblik later stond het geheele gezelschap in de schaduw van het +huis. Zij spraken weinig, waarschijnlijk waren zij bevreesd elkander +hunne gedachten mede te deelen. Eindelijk kwam de stoet in 't gezicht. + +--Zie, zeide Ben-Hur op bitteren toon, die nu komen zijn Jeruzalemmers. + +De voorhoede bestond uit een hoop kwajongens, die luid schreeuwden: De +koning der Joden! Plaats voor den koning der Joden! + +Simonides sloeg den joelenden troep een oogenblik gade en zeide ernstig: +Als dezen tot hunne erfenis ingaan, dan, wee de schoone stad van Salomo! + +Een afdeeling soldaten in volle wapenrusting volgde, in koele +onverschilligheid rechts noch links ziende. + +Toen kwam de Nazarener. + +Hij scheen den dood nabij te zijn. Telkens dreigde hij neer te zinken. +Zijne bloote voeten lieten bloederige sporen achter op de straatsteenen. +Een houten plankje met opschrift was hem om den hals gebonden. Een +kroon, van doornen gevlochten, was hem diep op het hoofd gedrukt, en uit +de daardoor veroorzaakte wonden druppelde bloed. Zijn handen waren +saamgebonden. Even buiten de stad was hij uitgeput neergevallen, +bezweken onder den last van het zware kruishout, dat een ter dood +veroordeelde verplicht was zelf te dragen naar de plaats der +terechtstelling. + +Thans droeg een man uit het volk het voor hem. Vier soldaten gingen +naast den gevangene, om hem te beveiligen tegen de menigte, die +niettegenstaande dat toch bij tijd en wijle wist door te breken, om hem +met stokken te slaan en te bespuwen. Geen geluid ontsnapte aan zijnen +mond, geen berisping of klacht liet hij hooren; ook zag hij niet op, +totdat hij bij het huis kwam, waar Ben-Hur en zijne vrienden stonden te +wachten. + +Esther drukte zich tegen haren vader aan, en hij, de man zoo gewoon zich +te beheerschen, beefde sterk van ontroering. Balthasar viel sprakeloos +achterover. Zelfs Ben-Hur riep in zielsangst uit: O Heere God! + +Alsof de Nazarener hunne gevoelens raadde, of den uitroep hoorde, keerde +hij zijn lijdend gelaat naar het gezelschap, en zag hen aan, ieder +afzonderlijk. Die blik bleef hun levenslang bij. Zij gevoelden, dat hij +aan hen dacht, niet aan zichzelf, dat de brekende oogen hun den zegen +toebaden, dien hij niet vermocht uit te spreken. + +--Waar zijn uwe legioenen, zoon van Hur? vraagde Simonides plotseling +opwakend. + +--Daar kan Annas u beter op antwoorden dan ik. + +--Wat! Zijn zij u afgevallen? + +--Op deze twee na. + +--Dan is alles verloren! Dan moet deze rechtvaardigen mensch sterven. + +Het gelaat van Simonides werd zenuwachtig vertrokken, terwijl hij sprak. +Hij liet het hoofd zinken. Met al zijne kracht had hij Ben-Hur gesteund +in zijne onderneming, dezelfde hoop had hem daarbij gedragen--nu werd +haar voorgoed de bodem ingedrukt. + +Op den Nazarener volgden twee mannen, die insgelijks een kruis droegen. + +--Wie zijn dat? vraagde Ben-Hur aan de Galileërs. + +--Twee moordenaars, die veroordeeld zijn om met den Nazarener te sterven. + +Vooraan in de volgende afdeeling ging de tempelwacht, dan volgden naar +rang de leden van het Sanhedrin, voorts een groote menigte priesters in +lange witte gewaden, met breede kleurrijke gordels. + +--Zie eens hoeveel priesters! zeide Ben-Hur. + +--Ja! antwoordde Simonides. Nu ik er die allen bij zie, ben ik overtuigd. +Nu staat onomstootelijk bij mij vast, dat de veroordeelde, die daar +heengaat met het opschrift om den hals, werkelijk degeen is, waarvoor +het opschrift hem uitgeeft: De koning der Joden. Een gewoon mensch, een +bedrieger, een misdadiger, werd nimmer zulk een uitgeleide gegeven. Want +ziet! hem volgen de volken, Jeruzalem en Israël. Kon ik maar opstaan en +hem navolgen! + +Ben-Hur luisterde in stomme verbazing toe. Alsof Simonides toen eerst +gewaar werd, dat hij zich tegen zijne gewoonte door zijn gevoel had +laten meeslepen, zeide hij op ongeduldigen toon: Vraag wat Balthasar er +van denkt, bid ik u, en laat ons gaan. Daar komt het gepeupel van +Jeruzalem aan. + +Toen sprak Esther: Ik zie daar eenige vrouwen, zij loopen te weenen. Wie +zijn dat? + +Haar vingerwijzing volgend zagen zij vier vrouwen, die bitter bedroefd +volgden. Eene van haar leunde op den arm van een man met een zacht en +vriendelijk uiterlijk. + +Ben-Hur antwoordde: Die man is de discipel, van wien de Meester het +meest houdt. De vrouw, die op zijn arm leunt, is Maria, de moeder van +den Nazarener; de anderen zijn vriendinnen uit Galilea. + +Met oogen vol tranen zag Esther de schreiende vrouwen na, totdat zij uit +het gezicht verdwenen waren. + +--Kom, zeide Simonides, laat ons verder gaan. + +Ben-Hur hoorde hem niet, hij was te zeer getroffen door de tegenstelling: +de woeste, bloeddorstige menschenmassa tegenover de zachtmoedigheid van +den Nazarener, die het land was doorgegaan goeddoende, zieken genezende, +armen weldoende. Plotseling schoot hem door de ziel hoeveel hijzelf aan +dien man verplicht was. Hij dacht aan dien morgen, toen hijzelf een +gevangene was, in de macht van Romeinsche soldaten, en ook, zooals hij +meende, een zekeren, vreeselijken dood tegemoet ging. De verfrisschende +dronk water, dien de Nazarener hem gereikt had aan de bron van Nazareth, +de goddelijke uitdrukking van zijn gelaat, de wonderlijke genezing van +zijne moeder en Tirza op Palmzondag, dat alles stond hem weer zoo helder +voor oogen. De gedachte dat hij onmachtig was, om nu op zijne beurt hulp +te brengen, deed hem pijn. Heftige zelfbeschuldigingen kwelden hem. Hij +had de Galileërs beter moeten bewaken, hun hunne plichten onder 't oog +moeten brengen, want nu, ach nu, was het oogenblik van handelen daar! +Als hij nu zijn slag kon slaan, zou het gepeupel uiteenstuiven, de +Nazarener de vrijheid herkrijgen, Israël te wapen vliegen en de kamp om +Israëls vrijheid eindelijk gestreden worden. De kostbare tijd verliep, +de gunstige gelegenheid ging voorbij, misschien voor altijd! O God van +Abraham! Kon er dan niets gedaan worden? Niets? + +Op dat oogenblik werd zijne aandacht getrokken door een troepje +Galileërs. Hij baande zich een weg door de menigte en haalde hen in. + +--Volgt mij, riep hij. Ik heb u wat te zeggen. + +Zij gehoorzaamden en volgden hem naar zijne schuilplaats. Daar sprak hij +tot hen: Gijlieden behoort tot degenen, die een zwaard van mij hebt +ontvangen. Gij hebt u bereid verklaard om voor de vrijheid, voor den +koning, die komen zou, ten strijde te trekken. Gij hebt uwe wapenen bij +u. Nu is het tijd om ze te gebruiken. Gaat, roept onze broederen bijeen, +en zegt hun, dat ik u allen op Golgotha wacht, om voor den Nazarener in +de bres te springen. Haast u! De Nazarener is de koning, en de vrijheid +sterft met hem. + +Zij zagen hem eerbiedig aan, maar verroerden zich niet. + +--Verstaat gij mij niet? vraagde hij ongeduldig. + +Toen antwoordde een van hen: Zoon van Juda, gij zijt de bedrogene, niet +wij, die van u de wapenen ontvingen. De Nazarener is de koning niet, en +heeft ook niet den geest van een koning. Wij waren tegenwoordig bij zijn +intocht in Jeruzalem, wij zagen hem in den Tempel, hij is ons en Israël +bitter tegengevallen. Bij de Schoone Poort keerde hij God den rug toe en +weigerde den troon van David in bezit te nemen. Hij is geen koning en +Galilea, volgt hem niet. Hij moet sterven. Maar luister, zoon van Juda. +Wij hebben uwe wapenen en zijn bereid het zwaard te trekken om voor de +vrijheid te strijden. Laat het zijn voor de vrijheid! Dan scharen wij +ons op den kruisheuvel allen rondom u. + +Ben-Hur stond op een tweesprong. Had hij dit voorstel aangenomen, den +vrijheidsoorlog begonnen, de wereldgeschiedenis zou misschien anders +geworden zijn dan zij is; maar dan ook zou zij door menschen, niet door +God geregeld zijn--iets dat nooit was, en nooit zijn zal. Hij geraakte +een oogenblik in verwarring; een onverklaarbaar gevoel beving hem, +hoewel hij het later aan den invloed des Nazareners toeschreef; want +toen deze uit den doode was opgestaan, begreep hij dat zijn dood noodig +was geweest, om het geloof aan de opstanding te bevestigen, zonder welk +geloof de christenheid haar grondslag zou missen. Die oogenblikkelijke +verwarring maakte hem ongeschikt om tot een besluit te komen. Hij stond +daar hulpeloos, en kon geen woord uitbrengen. Hij sloeg de handen voor +zijn gelaat en voelde zijn lichaam schokken door den strijd tusschen +zijn wil en een hoogere macht. + +--Kom, wij wachten op u! riep Simonides ten vierden male. + +Als in een droom volgde hij den stoel en de draagbaar. Esther liep naast +hem. Evenals Balthasar en zijne medereizigers in de woestijn werd thans +ook hij voortgeleid door een onwederstaanbaren innerlijken drang. + + + * * * * * + + +TIENDE HOOFDSTUK. + +HET EINDE. + + +Toen ons gezelschap den kruisheuvel bereikte, ging Ben-Hur hun voor, +om hun eene plaats te bezorgen. Hoe het hem mogelijk geweest was zich +een weg te banen door de menigte heeft hij nooit geweten, evenmin +langs welken weg er kwam, of hoeveel tijd het hem kostte. Als een +slaapwandelaar, niets hoorende noch opmerkende, was hij voortgegaan. +In zulk een toestand vermocht bij al even weinig als een kind tot +verhindering van de vreeselijke misdaad, waarvan hij getuige zou zijn. +Gods raadsbesluiten zijn dikwijls raadselachtig, zoo ook de middelen, +die Hij kiest, om zijn doel te bereiken. + +Op een gegeven oogenblik maakte Ben-Hur halt. Plotseling werd de ban, +die hem gevangen hield, verbroken, en kon hij het tooneel rondom zich +overzien. + +De top van den heuvel Golgotha had den vorm van een schedel. Het was er +dor en stoffig, zonder eenigen plantengroei, met uitzondering van enkele +armzalige hysopstengels. De voor de kruisiging bestemde plek was afgezet +door Romeinsche soldaten, die de steeds aangroeiende menschenmassa het +verder voorwaarts dringen moest beletten. Een hoofdman over honderd +voerde het bevel over de soldaten. Ben-Hur was tot aan de uiterste grens +der voor de toeschouwers bestemde ruimte gekomen, en stond met het +gelaat naar het Noordwesten gekeerd. Waarheen hij den blik ook wendde, +in het dal of op de omliggende heuvelen, overal menschen en weder +menschen, duizenden wier harten in gespannen verwachting klopten, niet +voor de twee moordenaars, wier lot hen onverschillig liet, maar voor +hetgeen met den Nazarener gebeuren zou. Duizenden harten sloegen +sneller, hetzij uit haat, uit vrees, of uit nieuwsgierigheid, nu hij, +die hen allen met goddelijke liefde liefhad, voor hen in den dood zou +gaan. + +Op den heuvel, te midden van de tempelwacht, stond de priesterschaar, +trotsch en overmoedig. Nog hoogerop den top, zoodat hij voor ieders +oogen zichtbaar was, stond de Nazarener, lijdende, gebogen, stil. Een +der soldaten had hem uit spotlust een riet in de hand gegeven, om als +schepter dienst te doen. Gelach, gejoel, verwenschingen weerklonken van +alle zijden. + +Aller oogen waren op den Nazarener gevestigd. Was het uit medelijden, of +uit andere oorzaak--in Ben-Hurs gemoed had een ommekeer plaats. +Duidelijker en steeds duidelijker zag hij dat er iets beters is, dan het +beste van dit leven--iets zooveel beter, dat het een zwakke met kracht +kan aangorden, om het hevigste zielelijden, zoowel als de grootste +lichaamssmarten te verduren; iets dat den dood met blijdschap kan doen +verwachten. Hij moest ten laatste erkennen, dat de Nazarener gekomen +was, om allen, die zich willen laten leiden, over de grens van het +aardsche te voeren in het rijk, dat hem bereid was door God. Het was hem +eensklaps, als hoorde hij weder de woorden van den Nazarener, toenmaals +niet begrepen, en bijna vergeten: Ik ben de Opstanding en het Leven. + +Telkens en telkens moest hij die woorden herhalen, zij namen vorm aan en +leven. + +--Wie is het Leven en wie is de Opstanding? herhaalde hij, starende op +den lijdenden Meester, en eensklaps was het Ben-Hur, alsof hij +antwoordde: Ik! + +Terstond daarop daalde een vrede in zijne ziel, zooals hij nog nooit +gesmaakt had, een vrede, die een einde maakte aan allen twijfel, aan +alle hinken op twee gedachten, en het begin was van geloof en liefde en +een vaste overtuiging. + +Het geluid van hamerslagen wekte hem uit deze droomerige stemming. Op +den heuveltop bemerkte hij, wat hem tot nu ontgaan was, eenige +werklieden, die alles voor de kruisiging gereedmaakten. De kuilen waren +reeds gegraven, de palen moesten alleen nog ingedreven worden. + +Zeg den lieden, dat zij zich haasten, zeide een der priesters tot den +hoofdman. De veroordeelden moeten voor zonsondergang dood en begraven +zijn, opdat het land niet onrein worde. Dat eischt de Wet. + +Een der soldaten trad op den Nazarener toe en bood hem te drinken, maar +hij weigerde. Toen kwam een ander bij hem, nam hem het opschrift van den +hals, en bevestigde dat aan het bovengedeelte van het kruis. Hiermede +waren de voorbereidingen afgeloopen. + +De kruisen zijn gereed, zeide de hoofdman tot den priester. + +--Laat de godslasteraar het eerst zijne straf ontvangen, antwoordde hij. +De Zoon van God moet zichzelven kunnen redden. Wij zullen zien. + +De lieden, die de toebereidselen hadden kunnen gadeslaan, en tot op dit +oogenblik aan hun ongeduld lucht hadden gegeven door onophoudelijk +schreeuwen, zwegen op eenmaal, zoodat een doodelijke stilte ontstond. +Het vreeselijk oogenblik was gekomen: de slachtoffers zouden aan het +kruis genageld worden. Toen de soldaten den Nazarener aangrepen om hem +te kruisigen voer den toeschouwers eene rilling door de leden; zelfs de +ruwsten onder hen beefden. Later beweerden sommigen, dat de lucht +plotseling afgekoeld was en hen deed huiveren. + +--Wat is het benauwend stil, fluisterde Esther haar vader toe. + +Hij, zich de folteringen herinnerende, die hijzelf ondergaan had, trok +haar tot zich en zeide diep ontroerd: Zie een anderen kant uit, kind, +kijk er niet naar. Wie weet of niet allen, die er naar zien, de +onschuldigen zoowel als de schuldigen, van nu vervloekt zullen zijn. + +Zich tot Ben-Hur keerende, zeide hij met toenemende ontroering: Als onze +God zijne hand niet spoedig uitstrekt is Israël verloren, en zijn wij +allen verloren. + +Ben-Hur antwoordde kalm: Mijn geest is opgetrokken geweest, en heeft +vernomen waarom dit geschieden moet. De Nazarener wil het, God wil het. +Laat ons stil zijn en bidden. + +Toen vestigde hij opnieuw zijne oogen op den heuvel, en het was hem als +vernam hij wederom de woorden: Ik ben de Opstanding en het Leven. + +Eerbiedig boog hij het hoofd, alsof werkelijk iemand tot hem gesproken +had. + +Intusschen werd daarboven het werk voortgezet. De wacht ontdeed den +veroordeelde van zijne kleeding, zoodat hij naakt stond voor aller oog. +Op den rug zag men nog de bloedige sporen der geeselslagen; toch werd +hij meedoogenloos uitgestrekt op het kruis--eerst de armen op den +dwarsbalk. De nagelen waren scherp, met een paar slagen waren zij door +de handpalmen gedreven. De knieën werden opgetrokken, totdat de +voetzolen tegen den paal rustten, de eene voet werd op den anderen +gelegd, en een nagel door beide gedreven. Dof klonken de hamerslagen. +Zij, die 't niet konden hooren, zagen toch den hamer vallen en beefden +van vrees. Het slachtoffer van deze gruweldaad liet geen kreet, geen +woord van tegenspraak hooren, niets, waarover een vijand kon spotten, of +dat een vriend moest bejammeren. + +--In welke richting moet hij zien? vraagde een soldaat. + +--Met het aangezicht naar den Tempel, antwoordde een der priesters. +Stervend moet hij zien, dat het heiligdom niet door hem geleden heeft. + +De werklieden namen het kruis op en droegen het naar de plaats, waar het +in den grond gezet moest worden. Op een gegeven oogenblik zetten zij het +overeind in den daarvoor bestemden kuil. Daar hing dan nu het lichaam +van den Nazarener in zijn volle zwaarte aan de bloedende handen. Nog +uitte hij geen kreet van smart--alleen een bede kwam over zijne lippen: +Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. + +Met luid gejuich werd het kruis, thans voor ieder zichtbaar en scherp +tegen de lucht afgeteekend,begroet, en allen, die het opschrift konden +lezen, haastten zich het te ontcijferen. Die het gelezen had, deelde het +aan zijn buurman mede, en zoo ging het van mond tot mond, tot groot +vermaak der menigte. Van alle kanten hoorde men: Wees gegroet, gij +koning der Joden! + +De priesters echter, die het gewicht van dit opschrift beter begrepen, +verzochten den hoofdman het te verwijderen, maar tevergeefs; en aldus +moest de stervende Koning noemen op de stad zijner vaderen, die hem zoo +schandelijk ondankbaar had uitgeworpen. Dicht bij het kruis stonden +eenige weenende vrouwen, waaronder zijne moeder met den discipel die hij +liefhad. Hen ziende, riep hij zijne moeder toe: Vrouw, zie uwen zoon. En +tot den discipel: Zie uwe moeder. + +Nu werden ook de twee moordenaars gekruisigd, een ter rechterzijde en +een ter linkerzijde van den Koning der Joden. Het volk intusschen spotte +en riep: Ha, als gij de koning der Joden zijt, verlos dan uzelven, en +kom af van het kruis!--Ja, zeide een priester, als hij dat doet, zullen +wij in hem gelooven.--Anderen schudden het hoofd, zeggende: Hij wilde +den Tempel afbreken en in drie dagen weder opbouwen, maar zichzelven kan +hij niet verlossen.--En verder anderen: Hij heeft zichzelven den Zoon +van God genoemd; laat ons zien, of God hem zal redden!--Zoo beschimpte +en hoonde hem het volk, en ook de oversten en de soldaten bespotten hem +en riepen: Indien gij de koning der Joden zijt, zoo verlos uzelven!--Zelfs +een der boosdoeners, die gekruisigd waren, lasterde hem en zeide: Indien +gij de Christus zijt, verlos uzelven en ons! + +De omstanders lachten en juichten hen toe, en toen zij zich stilhielden, +om te hooren of er antwoord komen zou, zeide de andere moordenaar: +Vreest gij ook God niet? Wij ontvangen straf naar wat wij gedaan hebben; +maar deze heeft niets onbehoorlijks gedaan. De toehoorders waren verbaasd, +maar hunne verbazing zou nog grooter worden; want de moordenaar zeide tot +den Nazarener: Heer, gedenk mijner, wanneer gij in uw koninkrijk komt. + +Simonides ontstelde hevig. Wanneer gij in uw koninkrijk komt!... dat was +het punt van verschil tusschen Balthasar en hem, waar zij zoo dikwijls +over gesproken hadden, waar zij het nooit eens over konden worden. + +--Hebt gij dat gehoord? vraagde Ben-Hur hem. Het koninkrijk kan dus niet +van deze wereld zijn. Die man getuigt, dat de koning zoo aanstonds zijn +koninkrijk zal binnengaan ... dat is hetzelfde wat ik in mijn droom +hoorde. + +--Stil! zeide Simonides, stil, bid ik u! Misschien antwoordt de +Nazarener daar op. + +Het antwoord kwam werkelijk. Met luide, heldere stem zeide de koning: +Voorwaar, voorwaar zeg ik u, heden zult gij met mij zijn in het +paradijs! + +Simonides luisterde ademloos toe, of er nog wat op volgen zou. Toen +vouwde hij de handen en zeide: 't is genoeg, o Heer, 't is genoeg! De +nevel is opgetrokken. Ik zie met andere oogen, met oogen des geloofs, +zooals Balthasar. + +De trouwe dienstknecht had ten laatste zijn loon ontvangen. Werd zijn +verbrijzeld lichaam ook niet geheeld, werd de herinnering van het +doorgestane lijden, van de jaren in bitterheid des gemoeds doorgebracht, +niet van hem genomen--een nieuw licht was voor hem opgegaan, een nieuw +leven had hij leeren kennen, een leven na dit tijdelijke. Paradijs +heette het! Daar zou hij het koninkrijk vinden, waarvan hij gedroomd +had--en den koning. Een volkomen vrede daalde neder in zijn hart. + +Onder de priesters echter heerschten verbazing en schrik. Hoe nu? Zij +hadden den Nazarener aan het kruis doen nagelen, omdat hij zich voor den +Messias uitgegeven had; en zie, aan het kruis hield hij niet alleen die +bewering vol, maar beloofde daarenboven nog het Paradijs aan een +misdadiger!... Huns ondanks verbleekten zij. Vanwaar had deze mensch +zijn vertrouwen, zoo hij niet in de Waarheid stond? En de Waarheid--was +dat niet God? Er behoefde niet veel bij te komen om hen allen op de +vlucht te jagen. + +De zon had de middaghoogte bereikt. De tempel, de paleizen, de torens +groot en klein, straalden in ongeëvenaarden glans. Eensklaps werd de +lucht verduisterd. In den beginne nauw merkbaar nam de schemering toe en +trok ieders aandacht. Het lachen en spotten verstomde, men zag elkander +vragend aan, men hief de oogen op naar den hemel, men zocht de +zonneschijf, men staarde naar de bergen--overal hetzelfde vreemde +verschijnsel. + +--Het is slechts een mist, of een voorbijtrekkende wolk, zeide +Simonides, om Esther gerust te stellen. Het zal dadelijk voorbij zijn. + +Ben-Hur was van een ander gevoelen. Het is niet een mist of +voorbijtrekkende wolk, zeide hij. De geesten in de lucht, de profeten en +heiligen verduisteren de zon, opdat de natuur en zijzelven niet langer +het akelig schouwspel zouden zien. Ik zeg u, Simonides, zoo waarachtig +de Heer onze God leeft, hij die daar hangt is de Zoon van God! + +Dit gezegd hebbende wendde hij zich tot Balthasar, die op de knieën lag, +en legde de hand op zijnen schouder. Wijze Egyptenaar, hoor mij! Gij +alleen hadt gelijk--de Nazarener is waarlijk Gods Zoon. + +Balthasar trok hem tot zich en antwoordde met zwakke stem: Ik zag hem +als een kind in de kribbe liggen, het is dus niet vreemd, dat ik hem +eerder kende dan gij! maar o! dat ik dezen dag beleven moet! Ach, dat ik +met mijne broeders gestorven ware! Gelukkige Melchior! Gelukkige Caspar! + +--Wees getroost, zeide Ben-Hur. Misschien zijn zij hier ook tegenwoordig! + +De tijd verliep, maar er kwam geen verandering in het geheimzinnig +duister. + +--Laat ons naar huis gaan, bad Esther ten tweeden en ten derden male. +God toont ons zijn ongenoegen, vader. Ik ben bang, en wie weet wat er +nog verder gebeuren zal. + +Maar Simonides wilde niet; integendeel, toen hij bemerkte, dat vele +menschen heengingen, drong hij er op aan, dat Balthasar en Ben-Hur hem +tot dichter bij het kruis zouden volgen. + +De soldaten, die de wacht hielden, gevoelden zich ook niet op hun gemak. +Gedurig zagen zij naar dien éénen kruiseling--een bijgeloovige vrees +beving hen. De priesters en schriftgeleerden stonden dicht opeen +geschaard. Het vreemde natuurverschijnsel bracht een geduchten stoot toe +aan hun zelfvertrouwen. Verscheidene van hen waren goed onderwezen in de +sterrenkunde, en vertrouwd met veel wat de groote massa in die dagen +schrik aanjoeg. Toen het zonnelicht begon te verflauwen toonden zij zich +uitermate verbaasd, en overlegden met elkander wat het wezen kon. Niet +een zonsverduistering, meenden zij, want het was volle maan. En daar +geen van hen een antwoord had op de vraag die aller hart vervulde, daar +geen van hen de duisternis op dat uur verklaren kon, verbonden zij haar +in het diepst hunner ziel met den Nazarener. + +Hoe langer het natuurverschijnsel duurde, hoe angstiger zij werden. Geen +enkele beweging van den Nazarener ontging hun oog; niet dan fluisterend +durfden zij met elkander spreken. Als hij eens werkelijk de Messias was, +wat dan? + +Bevend wachtten zij op de dingen, die komen zouden. + +Ben-Hur bad, dat het einde verhaast mocht worden. Hij merkte dat Esther +zich aan haren vader vastklemde, haar angst onderdrukkende om hem niet +te hinderen. + +--Wees niet bang, hoorde hij Simonides zeggen. Blijf, en wacht met mij. +Al wordt gij tweemaal zoo oud als ik, gij zult nimmer iets zien, dat van +zoo groot gewicht is voor de menschenwereld, en er kunnen nog meer +openbaringen komen. Laat ons tot het einde blijven. + +Twee en een half uur waren verstreken. De ademhaling van den Nazarener +werd zwaarder; het einde naderde. Zoo kort nog maar aan het kruis, en nu +reeds stervende? De tijding ging van mond tot mond, toen werd alles +stil. De wind ging liggen, een verstikkende damp vervulde de lucht, bij +de duisternis kwam nog die benauwende hitte. Daar hoorde men op eens van +het kruis de droeve, ach, zoo droeve klacht: Mijn God, mijn God, waarom +hebt Gij mij verlaten? + +De stem schrikte allen op, die haar hoorden. Eén vooral sneed zij door +de ziel. Bij de soldaten stond een vat, gevuld met wijn en water. +Gevoelden zij zich uit medelijden opgewekt om een der lijders een +lafenis te brengen, dan konden zij met een spons de lippen der +ongelukkigen bevochtigen. + +Terwijl Ben-Hur die mogelijkheid overdacht, en zich daarbij herinnerde +hoe de Nazarener hem bij de bron te Nazareth verkwikt had, riep deze: +Mij dorst! + +Nu bedacht Ben-Hur zich niet langer. Haastig de spons en den daarbij +behoorenden rietstok grijpende, doopte hij de spons in den wijn en +snelde naar het kruis. + +--Houd op! riepen de omstanders. Houd op! + +Zonder op hen te letten liep hij door en bracht de spons aan de lippen +van zijnen Heer. Nu kon hij duidelijk het gelaat van den stervende zien. +Door bloed bevlekt blonk het niettemin met een bovenaardschen glans. De +oogen waren wijd geopend en gevestigd op iets voor hem alleen zichtbaar +in de verre hemelen. Voldoening, ja triomf, spraken uit het woord, dat +het slachtoffer nu deed hooren: Het is volbracht! + +Zoo sterft een held, na het volbrengen van een groote daad, met een +juichtoon op de lippen. + +Reeds begonnen de oogen te breken; langzaam zonk het gekroonde hoofd op +de hijgende borst. Ben-Hur dacht, dat de strijd volstreden was, maar de +scheidende ziel spande zich nog eenmaal in, en de omstanders hoorden +deze woorden: Vader, in uwe handen beveel ik mijnen geest. + +Eene rilling voer den stervende door de leden, een luide smartkreet +ontsnapte de beknelde borst ... toen was het werk, het aardsche leven, +afgeloopen. + +Ben-Hur keerde tot zijne vrienden terug en zeide eenvoudig: Het is +gedaan, hij is dood. + +In een ongelooflijk korten tijd wisten alle aanwezigen het. Het volk had +zijn zin, de Nazarener was dood; toch zagen zij elkander ontzet aan. +Zijn bloed was over hen gekomen! En terwijl zij elkander aanstaarden +begon de grond te beven. Een ieder greep zijn buurman aan om staande te +blijven. In een oogwenk was de duisternis verdwenen en kwam de zon weder +te voorschijn. Voor de oogen der beangsten was het, alsof het middelste +kruis op den heuveltop zich al hooger en hooger in de blauwe lucht +verhief en met zijn last tot aan den hemel reikte. En ieder die den +Nazarener bespot had, ieder, die hem geslagen had, die ingestemd had met +den kreet: kruis hem! kruis hem!--ieder, die in den stoet had meegeloopen, +ieder, die hem in zijn hart dood gewenscht had, kreeg een gevoel, alsof +hijzelf meer dan iemand anders schuld had aan het gebeurde, en hij zich, +als zijn leven hem lief was, zoo spoedig mogelijk uit de voeten moest +maken. Zij haastten zich om weg te komen. Zij sloegen op de vlucht, te +paard, te voet, in wagens. Maar de aardbeving vervolgde hen, alsof zij +vertoornd was over hetgeen zij gedaan hadden, en opkwam voor de zaak van +den onschuldig ter dood gebrachte. Zij wierp hen terneer, en deed het +bloed in hunne aderen stollen door het onheilspellend gekraak en +gerommel onder hunne voeten. Zij sloegen op hunne borst en schreeuwden +van vrees. Zijn bloed was op hen gekomen! De geboren Jeruzalemmer, de +vreemdeling, priester, leek, Sadduceër en Farizeër, allen tuimelden over +en door elkander. Riepen zij tot God, zoo antwoordde de verwoede aarde +in toorn en behandelde hen allen gelijkelijk,--het bloed van den +Nazarener was over hen allen gekomen! + +Toen de rust wedergekeerd was op den kruisheuvel, zag men daar alleen +nog den discipel, dien Jezus liefhad, de vrouwen die Hem gevolgd waren +van uit Galilea, den hoofdman en zijne soldaten, en Ben-Hur met zijne +vrienden. Deze laatsten hadden geen tijd om de vluchtelingen na te zien: +zij hadden zelf genoeg te doen. + +--Zet u hier neder, zeide Ben-Hur tot Esther, haar een plaats bereidend +aan de voeten haars vaders. Bedek uw gelaat en zie niet op, maar vestig +uw vertrouwen op God en op den rechtvaardige, die zoo schandelijk +vermoord is. + +--Neen, zeide Simonides eerbiedig, laat ons voortaan van hem spreken als +van den Christus. + +--Zoo zij het, antwoordde Ben-Hur. + +Plotseling schudde de heuvel onder hen. Het angstgeschreeuw der twee +moordenaars was vreeselijk om aan te hooren. Ofschoon duizelig van den +schok had Ben-Hur tijd om naar Balthasar te zien, en zag hem onbewegelijk +op den grond liggen. Hij ging naar hem toe en riep hem bij name--geen +antwoord. De goede man was dood! + +Toen herinnerde Ben-Hur zich, dat hij een luiden kreet gehoord had, +alsof hij een terugslag was op het laatste woord van den Nazarener, maar +hij had er op dat oogenblik niet verder over nagedacht. Thans begreep +hij het: de geest van den Egyptenaar had des Meesters geest begeleid tot +over de grenzen van zijn koninkrijk, eene eer hem vergund na het lange +leven in geloof, liefde en goede werken. + +De bedienden van Balthasar hadden hun meester alleen gelaten, en waren +gevlucht, maar toen alles was afgeloopen droegen de twee Galileërs den +doode naar de stad terug. + +Het was een droevige stoet, die op dien gedenkwaardigen dag de zuidpoort +van het paleis Hur tegen zonsondergang binnentrok. Ongeveer op hetzelfde +uur werd het lichaam des Heren afgenomen van het kruis. + +Het stoffelijk overschot van Balthasar werd in de zaal nedergelegd. Alle +bedienden beweenden hem oprecht, want hij bezat de liefde van allen met +wie hij verkeerd had; maar toen zij zijn gelaat zagen, zoo tevreden en +gelukkig, droogden zij hunne tranen, zeggende: Het is wèl met hem. Hij +is nu gelukkiger dan van morgen. + +Ben-Hur wilde Iras in eigen persoon den dood haars vaders mededeelen. +Hij stelde zich hare droefheid voor; zij was nu alleen in de wereld. Dit +was het oogenblik om haar vergiffenis te schenken en te beklagen. Hij +herinnerde zich, dat hij verzuimd had te vragen waarom zij zich dien +morgen niet bij het gezelschap had gevoegd. Hij had zelfs niet aan haar +gedacht. Daarover beschaamd was hij bereid alles goed te maken, te meer +nu hij een treurmare had te brengen. + +Hij schudde den voorhang van hare deur; de schelletjes rinkelden, maar +hij ontving geen antwoord. Hij riep haar bij den naam, riep nogmaals, +maar alles bleef stil. Hij schoof het gordijn ter zijde, en ging naar +binnen. Zij was er niet. Hij klom haastig naar het platte dak om haar te +zoeken, ook daar was zij niet. Hij ondervraagde de bedienden, doch geen +van hen had haar dien dag gezien. Nadat hij het geheele huis doorzocht +had keerde Ben-Hur terug naar de zaal, nam de plaats naast den doode in, +waar zij had behooren te zitten, en overdacht de groote barmhartigheid +van Christus voor zijn trouwen dienstknecht. Bij de poort van het +Paradijs blijven alle droefheden dezes levens, ook verlatenheid en +veronachtzaming terug. Zij bestaan niet meer voor hen, die de rust zijn +ingegaan. + +Toen de begrafenis was afgeloopen, op den negenden dag na de reiniging +zijner moeder en zuster, en de wet vervuld was, bracht Ben-Hur beiden +thuis, en van dien dag bogen allen in dat huis zich in aanbidding neder +voor God den Vader en zijn Zoon Jezus Christus. + + + * * * * * + + +ELFDE HOOFDSTUK. + +DE KATAKOMBEN. + + +Vijf jaren na de kruisiging zat Esther, de echtgenoote van Ben-Hur, in +het woonvertrek van de schoone villa bij Misenum, die hij teruggekocht +had. Het was middag. De warme Italiaansche zon koesterde de rozen en +wingerden in den tuin. De kamer was naar Romeinsche wijze ingericht, +doch Esther zelve droeg de kleederen eener Joodsche vrouw. Op een +leeuwenhuid, in een hoek uitgespreid, zaten twee kindertjes te spelen +met Tirza. + +De tijd had Esther vriendelijk behandeld. Zij was schooner dan ooit en +straalde van geluk. + +Daar trad een bediende binnen en zeide: In het atrium staat eene vrouw, +die u verlangt te spreken. + +--Laat zij binnenkomen. Ik zal haar hier ontvangen. + +De vreemde kwam binnen. Esther stond op en wilde haar toespreken, doch +aarzelde, verschoot van kleur en week achteruit, zeggende: Ik heb u +vroeger meer gezien. Gij zijt.... + +--Ik ben Iras, de dochter van Balthasar. + +Esther overwon haar tegenzin en bood de bezoekster een zetel aan. + +--Neen, zeide Iras koel. Ik blijf maar kort. + +De twee vrouwen zagen elkander onderzoekend aan. De arme Iras was zeer +vervallen. Nog bezat de slanke gestalte haar vroegere gratie, maar haar +wezen droeg den stempel van een in zonde doorgebracht leven. De +uitdrukking van haar gelaat was brutaal, de groote oogen somber, de +wangen kleurloos. Een harde trek lag om haar mond, en een algeheele +verwaarloozing maakte haar oud voor haar tijd. + +--Zijn dat uwe kinderen? met deze vraag verbrak zij het stilzwijgen. + +Esther wendde den blik naar hen en glimlachte. Ja, wilt gij ze niet +zien? + +--Ik zou ze maar verschrikken. + +Toen kwam zij dichter bij Esther, en daar deze onwillekeurig terugweek, +zeide zij : Wees niet bang. Ik heb een boodschap voor uw man. Zeg hem, +dat zijn vijand dood is, dat ikzelf hem gedood heb, om de matelooze +ellende, die hij over mij gebracht heeft. + +--Zijn vijand? + +--Ja, Messala. Zeg uw man verder, dat ik voor het nadeel, dat ik hem heb +willen berokkenen, zoo zwaar gestraft ben, dat zelfs hij mij beklagen +zou. + +De tranen kwamen Esther in de oogen; zij wilde spreken. + +--Neen, zeide Iras, ik vraag geen tranen of medelijden. Zeg hem ten +slotte, dat volgens mijne ondervinding een Romein geen mensch is maar +een beest. Vaarwel! + +Zij keerde zich om en wilde heengaan, Esther volgde haar. + +--Blijf nog wat, en wacht totdat mijn man thuis komt. Hij is niet boos +op u. Hij heeft overal naar u gezocht. Hij zal uw vriend wezen, ik zal +uwe vriendin zijn. Wij zijn christenen. + +Maar de andere wilde niet. + +--Neen, zeide zij, wat ik ben werd ik door eigen keus. Het zal niet lang +meer duren. + +--Maar, zeide Esther aarzelend, kunnen wij dan niets voor u doen? Kan ik +niets.... + +Het gelaat der Egyptische verzachtte, een flauwe glimlach speelde om +haren mond. Zij zag naar den grond. Ja, zeide zij, ik zou.... + +Esther Volgde haar blik, en begrijpende wat in haar omging, zeide zij: +Doe het maar. + +Iras ging tot hen en kuste beiden. Toen ging zij zwijgend naar de deur +en was verdwenen, voordat Esther haar kon tegenhouden. + +Toen Ben-Hur dit bezoek vernam, werd hem zekerheid wat hij reeds lang +vermoed had, namelijk dat Iras op den dag der kruisiging haar vader +verlaten had om Messala te volgen. Hij ging terstond op weg en deed +overal onderzoek naar haar. Tevergeefs. Zij zagen of hoorden nooit meer +van haar. De blauwe wateren, stralende in den zonneschijn, hebben hunne +geheimen. Konden zij spreken, misschien zouden zij ons vertellen waar de +Egyptische gebleven was. + +Simonides leefde nog verscheidene jaren. In het tiende jaar van Nero's +regeering legde hij zijne betrekking als hoofd van het handelshuis te +Antiochië neer. Tot het laatst was zijn hoofd helder gebleven en zijn +hart goed, en had bij voorspoed gehad bij al wat hij ondernam. + +Op zekeren avond van datzelfde jaar zat hij in zijn rolstoel op het +welbekende terras te Antiochïe, met zijn kinderen en kleinkinderen. Het +laatste van zijne schepen lag voor anker, al de anderen waren verkocht. +In de vervlogen jaren hadden zij slechts eenmaal droefheid gekend, en +dat was, toen de moeder van Ben-Hur stierf. Hun christelijk geloof had +hen die smart stil doen dragen en op een blijde hereeniging leeren +hopen. + +Het zooeven besproken schip was den vorigen dag aangekomen, en had +droevige berichten medegebracht over de vervolging der Christenen door +Nero te Rome. Het gezelschap zat de zaak te bespreken, toen Malluch, de +oude getrouwe, boven kwam, en Ben-Hur een pakket brieven overhandigde. + +--Wie brengt dat? vraagde hij na het vluchtig ingezien te hebben. + +--Een Arabier. + +--Waar is hij? + +--Hij vertrok onmiddellijk. + +--Luister, zeide Ben-Hur tot Simonides, en las het volgende: + + Ik, Ilderim, zoon van Ilderim den Edelmoedige, en Sheik van den + stam van Ilderim, aan Juda, den zoon van Hur. + + Weet, o vriend mijn vaders, hoe mijn vader u liefhad. Lees wat ik u + hierbij zend, en gij zult het weten. Zijn wil is mijn wil, daarom + is datgene wat hij u schonk het uwe. Alles wat de Parthen hem + ontnomen hebben in den grooten slag, waarin zij hem overwonnen, heb + ik hun weder ontnomen: inliggend geschrift met andere zaken, en de + nakomelingschap van Myra, die tijdens zijn leven de moeder was van + zoovele sterren. + + Vrede zij u en al de uwen. + + Deze stem uit de woestijn is de stem van ILDERIM, Sheik. + +Vervolgens ontrolde Ben-Hur een papyrusrol, geel van ouderdom. Hij las: + + Ilderim, bijgenaamd de Edelmoedige, Sheik van den stam van Ilderim, + aan den zoon die mij opvolgt. + + Alles wat ik heb, mijn zoon, zal het uwe zijn ten dage van uwe + opvolging, behalve de bezitting bij Antiochië, bekend onder den + naam van het Palmbosch. Dat schenk ik aan den zoon van Hur, die ons + zooveel roem deed behalen in den circus--aan hem en aan de zijnen + voor altijd. + + Eerbiedig deze beschikking van uwen vader. + + ILDERIM, de Edelmoedige, Sheik. + + + +--Wat zegt gij daarvan? riep Ben-Hur verbaasd. + +Esther nam de brieven en las ze nog eens vergenoegd over. Simonides +bleef zwijgen. Zijne oogen rustten op het schip, hij dacht na. Eindelijk +zeide hij: + +--Zoon van Hur, de God onzer vaderen heeft u zeer gezegend in de laatste +jaren. Gij hebt veel reden tot dankbaarheid. Wordt het niet eindelijk tijd +te overleggen wat God wil, dat gij doen zult met zijn goede gaven--uw +groot fortuin, dat nog steeds toeneemt? + +--Al wat ik bezit heb ik bestemd voor den dienst van den gever; niet +slechts een gedeelte, maar alles. De vraag is alleen nog: Hoe kan ik +mijn geld het best dienstbaar maken voor zijne zaak? Geef gij mij daarop +het antwoord. + +Simonides antwoordde: Ik weet dat gij hier in Antiochïe veel hebt +besteed voor de gemeente des Heeren. Heden komt te gelijk met het +geschenk van onzen ouden vriend het bericht van de vervolging onzer +broederen in Rome. Dat opent ons een nieuw veld. Het licht moet in de +hoofdstad niet uitgebluscht worden. + +--Zeg mij hoe ik het kan onderhouden. + +--Dat zal ik u zeggen. De Romeinen, zelfs deze Nero, houden twee dingen +heilig--ik weet geen andere daaraan gelijk--dat is: de asch hunner +dooden, en alle begraafplaatsen. Kunt gij voor den dienst onzes Heeren +geen tempels bouwen boven den grond, bouw ze dan onder den grond, en +breng er, om ze voor ontheiliging te bewaren, de lichamen van allen, die +in het christelijk geloof ontslapen. + +Ben-Hur stond haastig op en zeide: Dat is een grootsche gedachte. Ik zal +er dadelijk mee beginnen. De tijd dringt tot spoed. Het schip dat de +tijding bracht van het lijden onzer broederen, zal mij naar Rome voeren. +Ik ga morgen. + +Zich tot Malluch wendende zei hij: Zorg dat het schip gereed zij, gij +zult met mij gaan. + +--Dat is goed, zeide Simonides. + +--En wat zegt Esther? vraagde Ben-Hur. + +Haar antwoord luidde: Zoo zult gij den Heer het best dienen. Laat ik u +geen beletsel zijn, maar met u gaan en u helpen. + + * * * * * + +Mochten mijne lezers ooit het voorrecht smaken van Rome te bezoeken, dat +zij dan niet verzuimen de Katakomben van S. Calixtus te gaan zien; die +van ouderen datum zijn dan die van S. Sebastiano, om met eigen oogen te +aanschouwen wat het vermogen van Ben-Hur heeft gewrocht. Uit dat groote +graf verspreidde zich het Christendom, om het heidendom in Rome van den +troon te stooten. + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 16832 *** |
