summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/16832-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '16832-0.txt')
-rw-r--r--16832-0.txt16970
1 files changed, 16970 insertions, 0 deletions
diff --git a/16832-0.txt b/16832-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..851ce89
--- /dev/null
+++ b/16832-0.txt
@@ -0,0 +1,16970 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 16832 ***
+
+
+
+BEN-HUR
+
+Een verhaal uit den tijd van Jezus' omwandeling op aarde
+
+
+Uit het Engelsch van
+
+LEWIS WALLACE
+
+
+door
+
+ALMA
+
+(A.M.Th. Doedes)
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+VOORBERICHT.
+
+
+Gaarne schrijf ik, daartoe verzocht, een aanbevelend woord voor eene
+nieuwe uitgave van dit boek, dat vertaald is met eene zorg en keurigheid
+zulk een meesterstuk waardig.
+
+Niemand kan meer bereid zijn dan ik om te erkennen, dat een verhaal uit
+den tijd van Jezus' omwandeling op aarde een genre is uiterst teeder en
+zoo vol gevaar om het heilige niet heilig te houden, dat het er mede is,
+als met afbeelden van den Christus, een ondernemen, dat een even vroom
+gemoed als een zeldzaam talent vereischt. Geen oningewijde, niet door
+hooger geest gedrevene, wage zich op het gebied van het heilige.
+
+Van de schrijver van Ben-Hur mag gezegd worden, dat hij het tijdperk,
+waarin zijn verhaal valt, en in ruim gebied karakters, plaatsten en
+omstandigheden zoo grondig kent, als alleen de ernstigste studie
+mogelijk maakt. Telkens rijst het vermoeden, dat de schrijver meer
+noodig geacht heeft dan boekenkennis, dat hij persoonlijk de plaatsen
+heeft bezocht, dat hij uit het verledene als een ooggetuige doet
+opdoemen.
+
+Uit het tijdvak, dat hij ons aanschouwelijk wil voorstellen, kan de
+inhoud der evangeliën niet geheel verwijderd blijven, maar met welk eene
+soberheid en eerbied voor de letter is dit geschied. Reeds terstond
+blijkt dat bij den aanvang des verhaals, waar de schrijver niet een
+eigen verdicht verhaal maakt van het weinige dat Mattheus van "de Wijzen
+uit het Oosten" meedeelt, maar de kerkelijke legende van Caspar,
+Melchior en Balthasar, de als zinnebeeld der Christus' heerschappij uit
+Europa, Azië en Afrika gekomenen opneemt, om met eerbiediging van de
+Schrift, zij het ook slechts één van de drie, den vromen Balthasar uit
+Egypte, als type van het tijdvak in zijn verhaal op te nemen. In alles
+wat den Heer zelve betreft, en dat niet meer is dan het volstrekt
+noodige, is nergens in het minste den teugel aan de verbeelding gevierd,
+en aan de Schrift, en aan deze alleen het woord gelaten.
+
+Door dit alles is het, dat het kunstwerk van WALLACE niet alleen aan
+volwassenen maar niet minder voor jeugdigen kan worden aanbevolen, als
+een geschrift, waaruit zij veel kunnen leeren om de Schrift beter te
+verstaan, doch vooral ook meer van harte te waardeeren de herschepping,
+die in de menschenwereld en in menschenharten door den beloofden en zoo
+vurig verwachten Zoon des menschen is teweeggebracht.
+
+In de edelste harten van die dagen zien wij niet de heerschappij der
+liefde met oppermacht heerschen, maar een zich buigen voor den machtigen
+drang van wraakzucht en haat. Alleen één (en dit denkbeeldig) type, de
+vrome Balthasar, schaduwt hoogere verwachtingen af; maar een edel type
+van vleesch en bloed als Ben-Hur kan voor de oplossing van het
+wereldraadsel door kruis en opstanding niet hooger reiken dan een
+Joodsch koning, die door Galileesche legioenen de wereld overwinnen en
+aan Jeruzalem in het wereldgebied de plaats van Rome schenken zal.
+
+Tegen welke wereldmachten de Zoon des menschen zonder de hulp van
+wapenen, goud of wijsbegeerte zich te kampen heeft, wordt in de
+keurigste tafereelen op elk levensgebied aanschouwelijk, en tevens zijn
+recht gevoeld om stervende te kunnen zeggen: "ik heb de wereld
+overwonnen."
+
+Waar zooveel in onze dagen van het lezen des Bijbels en grondig
+bepeinzen van zijn inhoud afleidt, mag van dit boek, al is het een
+verdicht verhaal, het tegendeel gezegd worden. Den nadenkende doet het
+de wereld, die Jezus overwinnen kwam door haar in woord en daden de
+liefde des Vaders te openbaren, in eigen natuurlijk hart terugvinden.
+Geen zoo edel, dat van nature zich hooger zal durven plaatsen, dan
+Ben-Hur. Voor dezen niets minder dan een van nieuws geboren worden
+noodig, een zien met andere oogen, een liefhebben met een vernieuwden
+geest des gemoeds. Wat voor hem, gelijk voor Nikodemus gold, voelen zij
+ons niet minder van nabij te raken: "tenzij iemand van nieuws geboren
+wordt, hij kan het koninkrijk Gods niet zien." De moordenaar op het
+kruis was de eerste om dat met onbenevelden blik te aanschouwen.
+
+Na hem rust ons oog op Stefanus en op den plaatsvervanger des eersten
+martelaars, Paulus, op dat hooge standpunt de voltooiing van den
+wereldstrijd door het kruis aanschouwend. Hoevelen na hem hebben in
+lijden, strijd en sterven de roemtaal van Rom. VIII herhaald, als een
+Amen op het woord van de Zegepralende bij zijn heengaan: "Mij is gegeven
+_alle_ macht in den hemel en op aarde, onderwijst _alle_ volken, ik ben
+met u _al_ de dagen tot de voleinding der eeuwen."
+
+C.S.A. v. S.
+
+
+ * * * * *
+
+
+BEN-HUR
+
+
+
+BOEK I.
+
+
+ * * * * *
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+IN DE WOESTIJN.
+
+
+De Jebel es Zubleh is een bergketen, ruim vijftig mijlen lang, en zoo
+smal, dat zij op de landkaart veel heeft van een rups, die van het
+zuiden naar het noorden kruipt. Van den top der wit- en roodkleurige
+klippen ziet men in het oosten niets dan de woestijn van Arabië. Een
+dikke laag zand, door den Eufraat achtergelaten, bedekt het onderste
+gedeelte van de bergketen en blijft daar liggen, want de berg strekt tot
+een muur voor de weilanden van Moab en Ammon in het westen, die anders
+een deel van de woestijn zouden uitmaken.
+
+De Arabier heeft den stempel zijner taal gedrukt op alles ten zuiden en
+oosten van Judea; zoo is in het Arabisch de oude Jebel de vader van
+tallooze wadi's[1], die, den weg kruisend, breeder en breeder worden, in
+het regenseizoen de watermassa's naar de Jordaan afvoeren, of wel naar
+haar laatsten vergaarbak, de Doode Zee.
+
+Uit een van deze wadi's, en wel uit de allerlaatste, die ten slotte de
+bedding van de beek Jabbok wordt, kwam een reiziger te voorschijn, die
+koers zette naar de woestijn. Op dezen persoon willen wij eerst de
+aandacht vestigen.
+
+Naar zijn uiterlijk te oordelen moest hij vijfenveertig jaar oud zijn.
+Zijn lange baard, eenmaal ravenzwart, begon sterk te grijzen; zijn
+donkerkleurig gelaat was door een laag neerhangenden, rooden hoofddoek
+slechts ten deele zichtbaar. Nu en dan sloeg hij de oogen op, groote
+donkere oogen. Hij was gekleed in een lang, ruim gewaad, de gewone
+oostersche dracht, en bereed, gemakkelijk liggende in een zonnetent,
+een witten kameel.
+
+Ik geloof niet dat eenig westerling den indruk zal vergeten, dien de
+eerste aanblik van een kameel, gezadeld en bepakt voor de reis door
+de woestijn, op hem maakt. De gewoonte, zoo doodend voor andere
+nieuwigheden, heeft hier slechts weinig invloed. Na menige reis per
+karavaan, na jarenlang verblijf onder de Bedouïnen, zal de westerling,
+waar hij ook zijn moge, telkens weer stilstaan, om het schip der
+woestijn te zien voorbijgaan. De bekoring ligt waarlijk niet in het
+uiterlijk van het dier, noch in zijne afmetingen, noch in zijn
+onhoorbaren stap; neen, maar de woestijn omhult den kameel met al haar
+geheimenissen, en hem aanschouwende denken wij aan die geheimenissen.
+
+De kameel, die juist uit de wadi kwam, mocht gerust aanspraak maken op
+het gewone eerbewijs. Zijn kleur en hoogte, zijn breede voet, zijn
+forsche bouw, zijn slanke, sierlijke nek, zijn kop, zijn stap, lang en
+veerkrachtig, zijn tred, zeker en onhoorbaar, alles kenmerkte den
+afstammeling van een oud Syrisch geslacht.
+
+Toen de kameel uit de wadi te voorschijn trad was hij de grens van El
+Belka, het oude Ammon, overgegaan. Het was nog vroeg in de morgen. De
+zon ging juist op, half omsluierd door een wazigen mist. Vóór hem lag
+de woestijn, niet het gebied van het welzand, dat was verderop; maar de
+regionen, waar de plantengroei minder begint te worden, en de grond
+bezaaid is met blokken graniet en grijze en bruine steenen, waartusschen
+hier en daar een kwijnende acacia zich omhoog werkt en enkele toefjes
+gras opschieten. Eiken, braamstruiken en haagappelboomen lagen achter
+hem, alsof zij, tot een zeker punt genaderd, door één blik op die dorre
+woestenij van schrik verstijfd waren gebleven. Hier ook hield de begane
+weg op.
+
+Maar dat hinderde den kameel niet. Alsof hij een innerlijken drang
+gehoorzaamde, ging hij met versnelden pas op den oostenlijken horizon
+toe. De wijd geopende neusgaten dronken gretig het frissche morgenwindje
+in. Leeuwerik en rotszwaluw ontplooiden hunne vleugels, en witte
+patrijzen, opgejaagd door den vreemden bezoeker, maakten zich piepend en
+klokkend uit de voeten. Ter rechterzijde verhieven zich de heuvels van
+den Jebel. Boven hun hoogste toppen zweefde een gier op breed
+uitgespreide vlerken in steeds wijder wordende kringen. Van dit alles
+zag de bewoner der tent echter niets; zijne oogen staarden droomerig
+vooruit. Berijder en kameel beiden gaven den indruk, dat zij geleid
+werden.
+
+Zoo ging het twee uren voort. Gedurende al dien tijd bleef de reiziger
+in dezelfde houding liggen en keek niet rechts of links. Het landschap
+was intusschen van voorkomen veranderd. Van den Jebel zag men nog
+slechts aan den westelijken horizon de flauwe omtrekken. Hier en daar
+lagen enkele groote bazaltsteenen, als voorposten, om de vijandige
+machten in bedwang te houden. Zand, niets dan zand was wat het oog
+ontwaarde, somtijds effen als aan het strand der zee, dan in heuveltjes
+opgehoopt, hier als gekuifde golven, daar als zachte deining. Ook de
+atmosfeer had eene verandering ondergaan. Dauw en mist waren opgetrokken,
+de gansche omtrek schitterde in den vollen zonneschijn, de blauwe lucht
+vonkelde en trilde in dien gloed.
+
+Weder gingen twee uren voorbij en nog altijd ging het voorwaarts in
+dezelfde richting, zonder rust of oponthoud. De Jebel was uit het
+gezicht verdwenen; de schaduw, die straks den reiziger volgde, viel nu
+naar het noorden, en hield gelijken tred met hen, die haar afwierpen,
+en nog verroerde de in gedachten verzonkene zich niet.
+
+Maar zie, juist toen de zon de middaghoogte bereikte, stond de kameel
+uit eigen beweging stil, en slaakte een kreet, die den meester als uit
+een vasten slaap deed ontwaken. Hij sloeg het tentgordijn open, keek
+naar de zon, beschouwde lang en aandachtig het landschap, haalde diep
+adem, en fluisterde met een bevredigden blik: Eindelijk! Eindelijk! Een
+oogenblik later kruiste hij de handen over de borst, boog het hoofd, en
+bad in stilte. Na het volbrengen van dezen plicht maakte hij zich gereed
+om af te stijgen. Hij gaf den kameel het gewone teeken om te knielen.
+
+Behoedzaam gehoorzaamde het schrandere dier, de reiziger zette zijnen
+voet op den slanken nek, en stond het volgende oogenblik op den grond.
+
+
+Noot: [1] Doorwaadbare plekken.
+
+
+ * * * * *
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+DE DRIE REIZIGERS.
+
+
+Wij willen thans den vreemdeling meer van nabij beschouwen. Hoewel niet
+groot, is hij toch een flinke figuur.
+
+Nu hij het zijden koord, dat den hoofddoek op zijn plaats moet houden,
+losgemaakt heeft, kunnen wij hem vrij in 't gezicht zien. De kleur was,
+zooals reeds gezegd is, donkerbruin, bijna zwart; maar het lage breede
+voorhoofd, de arendsneus, de bijzondere vorm der oogen, het lange
+glanzende haar, dat hem in talrijke vlechten tot op de schouders
+nederhing, waren de onmiskenbare teekenen van zijne afkomst. Zoo
+Mizraïm, de stamvader der Egyptenaren. Zijne kleeding bestond uit een
+lang wit katoenen hemd, met een gordel om het middel bevestigd, en langs
+hals en borst met borduursel bezet. Daarover een bruin wollen bovenkleed,
+met kleurige zijde gevoerd, en rondom afgezet met een matgelen rand. Aan
+de voeten droeg hij sandalen, vastgebonden door fijn lederen riemen.
+Opmerkelijk is, dat hij geen enkel wapen bij zich had, zelfs den stok
+niet, waarmede de drijvers gewoonlijk hunne kameelen aanzetten, en dat
+nog wel nu hij geheel alleen het gebied van luipaarden en leeuwen en
+niet minder wilde natuurgenoten heeft betreden. Hij moet dus òf van
+zeldzaam stoutmoedigen aard zijn, òf zich onder bijzondere bescherming
+gevoelen.
+
+Door den langen rit waren zijne ledematen stijf geworden, daarom wreef
+hij zich de handen, stampte met de voeten, wandelde wat op en neer, bij
+tijd en wijle onderzoekend rondziende, alsof hij iemand verwachtte. Toen
+zich echter nergens aan den horizon eenig teeken van leven vertoonde,
+was hij blijkbaar teleurgesteld en hervatte hij zijn wandeling. Twijfel
+aangaande de komst van den verwachte kwam niet bij hem op; want na een
+poosje begon hij zijne bagage te ontpakken, alsof hij voornemens was
+hier zijne tent op te slaan. En dat bleek ook werkelijk het geval te
+zijn; want na met een spons de oogen en de neusgaten van zijn kameel te
+hebben gereinigd, bracht hij een bundel staven te voorschijn, plantte de
+langste in den grond en de andere in een kring daar omheen, overdekte ze
+met een wit en rood gestreept tentdoek, spreidde een tapijt op den grond
+en nam bezit van zijn kleine woning. Toen ging hij weer naar buiten en
+zag nogmaals onderzoekend rond. Maar de uitgestrekte wildernis gaf niet
+het minste teeken van leven.
+
+--Wij zijn ver van huis, mijn snelvoetige rijder! zeide hij en liefkoosde
+zijn trouwen metgezel, wij zijn ver van huis; maar God is met ons, wij
+moeten geduld oefenen.
+
+Nu nam hij een paar handenvol boonen uit een der zadelzakken, tot voeder
+voor zijn dier, en zeide: Zij zullen komen. Hij die mij geleid heeft
+leidt ook hen. Ik zal alles gereedmaken.
+
+Uit zijn voorraadschuur bracht hij de benoodigdheden tot een maaltijd in
+de tent: borden uit palmbladen gevlochten, wijn in kleine lederzakken,
+gedroogd schapevleesch, Syrische grannaatappels, Arabische dadels, kaas
+en brood; schikte alles zorgvuldig op het tapijt en legde er ten slotte,
+zooals dat bij beschaafde oosterlingen gebruikelijk is, zijden servetten
+bij, drie in getal, waaruit zich laat opmaken hoevele gasten hij
+verwachtte.
+
+Alles was nu gereed. Hij ging weer naar buiten, en zie! in het oosten
+trof een donkere stip aan den horizon zijn oog. Als aan den grond
+genageld bleef hij staan, de oogen wijd geopend, huiverend, als voelde
+hij de aanraking van iets bovennatuurlijke,--de stip werd grooter en
+grooter en kreeg ten laatste duidelijke omtrekken. Een weinig later kon
+hij den dubbelganger van zijn eigen witten kameel onderkennen, dragende
+op den rug een _houdah_, de reistent van den Hindoe.
+
+De Egyptenaar vouwde de handen en zag op naar den hemel. God alleen is
+groot! riep hij diep ontroerd.
+
+De vreemdeling kwam nader en nader en hield eindelijk stil. Ook hij
+scheen uit een droom te ontwaken. Hij zag den knielenden kameel, de
+tent, en den man, die biddend in de opening stond. Hij vouwde de handen,
+boog het hoofd en bad in stilte; daarna steeg ook hij uit en trad op den
+Egyptenaar toe. Een oogenblik zag de een den ander aan, toen omhelsden
+zij elkander.
+
+--Vrede zij u, o dienaar van den waren God, zeide de nieuw aangekomene.
+
+--En u, medebroeder in het ware geloof! vrede en welkom, antwoordde de
+Egyptenaar hartelijk.
+
+De vreemdeling was lang en mager van gestalte, de oogen lagen diep in
+hunne kassen, haar en baard waren wit, zijn gelaatskleur geelachtig
+brons. Hij ook was ongewapend. Zijn kleeding was die van een Indiër,
+geheel wit, behalve de muilen, die van rood leder vervaardigd waren.
+Zijn voorkomen was deftig en statig, en hoogst ernstig.
+
+--God alleen is groot! zeide hij, zich weder oprichtende.
+
+En gezegend zijn zij die Hem dienen! antwoordde de Egyptenaar. Maar zie,
+daar komt onze tochtgenoot.
+
+Hij wees naar het noorden, waar een derde kameel, wit als de hunne, met
+snellen stap naderde. Zij wachtten, totdat ook hij stilhield, en zijn
+berijder op hen toetrad.
+
+--Vrede zij met u, mijne broeders, zeide hij, den Hindoe omhelzende. En
+de Hindoe antwoordde: Gods wil geschiede!
+
+De laatst gekomene was van een geheel ander type, dan zijne vrienden.
+Zijn lichaamsbouw was fijner, zijn gelaatskleur blank, zijn golvende
+lokken waren blond; uit zijn donkerblauwe oogen sprak een zacht gemoed
+en een open eerlijk hart. Hij ging blootshoofds en was ongewapend.
+Vijftig jaren, misschien meer, waren over zijn hoofd gegaan; maar de
+veerkracht van lichaam en geest was nog onverminderd. Den man van het
+vak behoefde men niet te zeggen tot welk volk hij behoorde, geheel zijn
+uiterlijk teekende den Griek.
+
+Toen hij ook den Egyptenaar begroet had, zeide deze met trillende stem:
+De Geest heeft mij het eerst hier gebracht, aan mij dus de eer van de
+dienaar mijner broederen te zijn. De tent is opgeslagen, het maal is
+gereed. Staat mij toe mijn plicht te vervullen. Hen daarop bij de hand
+nemend, leidde hij hen binnen, ontdeed hen van hun schoeisel, wiesch
+hunne voeten, goot water over hunne handen, en droogde ze af met een
+doek. Nadat hij ook zijn eigen handen gewasschen had, zeide hij: Komt,
+mijne broeders, laat ons eten, opdat wij sterk mogen zijn voor het werk
+dat ons wacht. Tegelijkertijd kunnen wij elkander mededeelen wie wij
+zijn en vanwaar wij komen.
+
+Dus genoodigd zetten ook de anderen zich neder, bogen het hoofd, vouwden
+de handen op de borst en deden te zamen dit eenvoudig gebed: Vader van
+allen--God! wat ons is voorgezet is Uwe gave. Neem onzen dank en zegen
+ons, opdat wij mogen voortgaan met Uwen wil te doen.
+
+Bij die laatste woorden sloegen zij de oogen op, en zagen elkander
+verbaasd aan. Ieder had gesproken in eene aan de anderen onbekende taal;
+en toch begrepen zij volkomen wat gezegd was. Hunne ziel trilde van
+heilige aandoening--zij gevoelden Gods tegenwoordigheid.
+
+
+ * * * * *
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+CASPAR DE GRIEK.
+
+
+Volgens de toenmalige tijdrekening had het bovenvermelde plaats in de
+maand December van het Romeinsche jaar 747. De lange rit door de
+woestijn had onzen reizigers een goeden eetlust bezorgd, zij deden het
+hun voorgezette maal eer aan, onder het genot van een teug goeden wijn,
+daarna begon het gesprek.
+
+--Voor den reiziger in een vreemd land is niets zoo liefelijk, als zijn
+naam te hooren van de lippen eens vriends, zeide de Egyptenaar, die als
+gastheer den maaltijd geleid had. Vóór ons liggen vele dagen van
+vriendschappelijk samenzijn. Daarom is het noodig dat wij elkander
+leeren kennen. Laat dus, zoo gij het goed vindt, hij, die het laatst
+hier kwam, beginnen met te spreken.
+
+Op bedaarden toon, als een die gewoon is zichzelf te beheerschen, begon
+de Griek. Wat ik te vertellen heb, broeders, is zoo vreemd, dat ik bijna
+niet weet waar ik beginnen zal, wat ik zeggen en wat ik zwijgen moet. Ik
+begrijp mijzelf nog niet. Wat ik echter weet is, dat ik den wil doe van
+Een, die machtig is, en dat ik mij daar onuitsprekelijk gelukkig in
+gevoel. De gedachte aan het mij opgedragen werk wekt eene zoo
+onbeschrijfelijke vreugde in mij, dat ik er niet aan twijfel, of het is
+God, die het mij opdroeg.
+
+Hier zweeg hij een oogenblik, door zijn gevoel overweldigd. Na zich wat
+hervat te hebben ging hij voort: Ver van hier, in het westen, ligt een
+land, dat nooit vergeten zal worden, al was het alleen omdat de wereld
+er zooveel aan te danken heeft. Ik zal zwijgen van de schoone kunsten,
+van philosophie, welsprekenheid, dichtkunst, en van zijne
+krijgsverrichtingen; want, mijne broeders, dit zal de roem van mijn land
+wezen, dat Hij, dien wij gaan zoeken, in zijne taal verkondigd zal
+worden aan de geheele wereld. Het land waarvan ik spreek is Griekenland.
+Ik ben Caspar, de zoon van Kleanthes den Athener. Evenals voor de
+meesten mijner landgenooten was de studie mijn lust en mijn leven. Twee
+onzer grootste wijsgeeren leeren: de een, dat ieder mensch een
+onsterfelijke ziel heeft, de ander, dat er slechts één God is, volmaakt
+rechtvaardig. Van alle twistvragen, waarover de geleerden redetwistten,
+vond ik deze alleen de moeite van het overdenken waard; want ik moest
+toegeven dat er een tot nog toe onbekende verhouding bestaat tusschen
+God en de ziel. Het verstand kan daarover tot zeker punt redeneeren
+--dáár gekomen blijft men staan, als voor een hoogen muur. Om hulp roepen,
+is het eenige dat ons rest. Dat deed ik dan ook, maar geen stem kwam van
+achter den muur tot mij.
+
+In wanhoop ontvlood ik de stad en de scholen. In het noordelijk gedeelte
+van mijn land, in Thessalië, is een berg, dien mijn volk voor de
+verblijfplaats der goden houdt, met name van Zeus. Olympus heet hij.
+Daarheen ging ik. Aan den zuid-oostkant van den berg vond ik een hol,
+daar woonde ik geruimen tijd, in overdenkingen verzonken, of liever,
+wachtende op de verhooring van mijn aanhoudend gebed om een openbaring.
+Mijn geloof in God, den onzichtbare en tevens oppermachtige, was zoo
+vast, dat ik het ook mogelijk achtte zóó naar Hem te smachten, dat Hij
+medelijden met mij zou krijgen en mij zou antwoorden.
+
+--En dat heeft Hij gedaan! dat heeft Hij gedaan! riep de Hindoe, de
+handen omhoog heffende.
+
+--Hoort verder, broeders, zeide de Griek, zijne aandoening bedwingende.
+Van uit mijne kluis had ik het gezicht op de golf van Thermaï. Op
+zekeren dag zag ik een man overboord vallen van een voorbijzeilend
+schip. Hij bereikte al zwemmend de kust. Ik nam hem tot mij en verzorgde
+hem. Hij was een Jood, wel onderwezen in de geschiedenis en wetten van
+zijn volk, en van hem vernam ik, dat de God mijner gebeden werkelijk
+bestond en sedert eeuwen hun wetgever, beschermer en koning was. Wat was
+dat anders dan de openbaring waarvan ik droomde? Mijn geloof was niet
+beschaamd geworden; God had mij geantwoord.
+
+--Zooals Hij allen antwoordt, die in het geloof tot Hem roepen, zeide de
+Hindoe.
+
+--Maar helaas, merkte de Egyptenaar aan, hoe weinigen zijn wijs genoeg,
+om te onderkennen wanneer Hij hun antwoordt.
+
+--Daar bleef het echter niet bij, vervolgde de Griek. De Jood vertelde
+mij nog meer. Hij zeide dat de profeten, die in de eeuwen, welke op de
+eerste openbaring volgden, met God wandelden en spraken, verklaard
+hadden, dat Hij zou wederkomen. Hij noemde mij de namen dier profeten en
+haalde uit de heilige boeken hun eigen woorden aan. Ook zeide hij, dat
+die tweede komst op handen was, dat men er te Jeruzalem dagelijks naar
+uitzag. Maar, de man zeide ook, dat, evenals God en de openbaring,
+waarvan hij gesproken had, alleen voor de Joden geweest waren, dit ook
+nu het geval zou zijn. Is er dan niets te hopen voor de andere
+aardbewoners? vraagde ik. Neen, antwoordde hij op trotschen toon. Neen,
+wij zijn het uitverkoren volk. Dat antwoord vernietigde echter mijne
+hoop niet. Waarom zou zulk een God liefde en goedheid slechts tot één
+land, tot één ras beperken? Ik wilde dat tot elken prijs onderzoeken.
+Ten langen laatste kwam ik achter de waarheid en vernam, dat zijne
+vaderen slechts de uitverkoren dienaars waren geweest, om de Waarheid
+te bewaren, opdat de geheele wereld haar eenmaal zou leeren kennen en
+behouden worden.
+
+Toen de Jood vertrokken was en ik mij weder alleen bevond, bad en
+smeekte ik vurig, dat het mij vergund mocht worden dien Koning, als Hij
+kwam, te zien en te aanbidden.
+
+Op zekeren avond zat ik voor mijne spelonk in gepeinzen verdiept, toen
+ik plotseling boven de zee, of liever in de duisternis, die haar
+bedekte, eene ster zag vonkelen. Langzaam steeg zij hooger en kwam
+nader, tot boven den berg, en boven mijn hoofd, zoodat haar glans mij
+bescheen. Ik viel neder en sliep na een poosje in. In den droom hoorde
+ik een stem tot mij zeggende: "O Caspar, Gij gezegende. Uw geloof heeft
+overwonnen. Met twee anderen, gekomen van de uiterste deelen der aarde,
+zult gij Hem, den beloofde, zien en van Hem getuigen. In den morgenstond
+zult gij opstaan en hun tegemoet reizen. Vertrouw op den Geest, die u
+zal geleiden." En des morgens ontwaakte ik, door den Geest als door eene
+zon verlicht. Ik legde mijn kluizenaarsgewaad af en kleede mij als
+vanouds. Uit een verborgen schuilhoek nam ik den schat, dien ik met mij
+gebracht had. Ik riep een voorbijzeilend schip aan, werd aan boord
+genomen en te Antiochië aan wal gezet. Daar kocht ik den kameel met
+toebehooren. Langs de tuinen en boomgaarden, die de boorden van de
+Orontes sieren, reisde ik naar Emesa, Damascus, Bostra en Philadelphia,
+tot hier. Ziet daar, broeders, mijne geschiedenis. Laat mij nu de uwe
+mogen vernemen.
+
+
+ * * * * *
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+MELCHIOR.
+
+
+De Egyptenaar en de Hindoe zagen elkander aan; de eerste wenkte met de
+hand, de ander boog ten teeken van goedkeuring en begon: Onze broeder
+heeft goed gesproken, mochten mijne woorden even verstandig zijn. Mijn
+naam, broeders, is Melchior. Mijne taal is, zoo al niet de oudste op
+aarde, dan toch de eerste, waarbij men zich van de schrijfkunst
+bediende; ik bedoel het Sanskriet van Indië. Ik ben Hindoe van geboorte.
+Mijn volk heeft van oudsher de paden der wetenschap betreden en blijven
+bestaan, want zij zijn de bronnen van den godsdienst en van alle nuttige
+kennis.
+
+Ik ben een geboren Brahmaan. Voorschriften regelden bijgevolg mijn leven
+tot in de minste daad, tot in zijn laatste uur. Ik kon niet wandelen,
+eten, drinken, of slapen, zonder gevaar te loopen van een der regelen
+te overtreden. En de straf, mijne broeders, de straf zou mijne ziel
+treffen. Van den aard der overtreding hing het af, of mijne ziel
+opgenomen kon worden in den hemel, zij het ook den laagsten, dien van
+Indra, of teruggedreven zou worden om te leven in een worm, een vlieg,
+een visch, of een wild dier. De belooning voor volmaakte gehoorzaamheid
+is de Zaligheid, een opgaan in het Brahma, hetgeen niet zoozeer een
+zelfstandig bestaan, als wel een volkomen rust is.
+
+Toen mijn studietijd voorbij was en ik tot de tweede orde kon toegelaten
+worden, dat wil zeggen, toen ik in het huwelijk mocht treden en een
+eigen gezin hebben, begon ik naar alles een onderzoek in te stellen,
+zelfs naar het Brahma; want voor het oog mijns geestes was een
+schemerschijn van licht opgegaan, en mijne ziel smachtte er naar dat
+licht van nabij te beschouwen. Eindelijk, na lange jaren zwoegens, stond
+ik in het volle licht en aanschouwde den grondslag van het leven, het
+ware beginsel van den godsdienst, den band tusschen de ziel en God: de
+Liefde.
+
+Het ingevallen gelaat van den grijsaard schitterde van innerlijk geluk
+en hij vouwde de handen tot een dankgebed.
+
+--De liefde is slechts gelukkig wanneer zij bezig is, zoo vervolgde hij.
+Aan hetgeen men bereid is voor anderen te doen, kan men haar toetsen.
+Ik kon niet rusten. Brahma had zooveel ellende over de wereld gebracht.
+
+Ik maakte mij op en reisde langs den Ganges tot waar de heilige stroom
+zich in den Indische Oceaan uitstort. Ik hoopte rust te vinden in de
+schaduw van den tempel aan Kapila gewijd, om mij daar met zijne jongeren
+in het gebed te vereenigen. Maar tweemaal 's jaars kwamen gansche
+scharen bedevaartgangers die plek bezoeken. Hunne ellende vuurde mijne
+liefde aan. In het begin legde ik mijzelven met geweld het zwijgen op,
+want één woord tegen het Brahma zou mij in het verderf storten, één
+vriendschapsdienst aan de uitgeworpen Brahmanen bewezen, die zich naar
+het verzengende strand sleepten om daar te sterven, één zegenbede, één
+beker water--zou mij tot een van hen maken, verloren voor familie, land,
+voorrechten, kaste.
+
+Maar de liefde overwon. Ik sprak tot de tempelbewoners, zij dreven mij
+uit. Ik sprak tot de pelgrims, zij verjoegen mij met steenen. Op de
+wegen trachtte ik te prediken, mijne hoorders ontvluchtten mij, of
+zochten mij te dooden. Nergens in Indië kon ik ten slotte vrede of
+veiligheid vinden--zelfs niet onder de uitgeworpenen; want hoewel zij
+gevallen waren, zij bleven toch gelooven in het Brahma. Tot het uiterste
+gebracht zocht ik een eenzame plek, waar ik voor allen, behalve voor
+God, verborgen kon zijn. Ik volgde den Ganges tot aan zijne bronnen.
+Zoo kwam ik in het Himalayagebergte. Mijn weg voerde mij langs
+duizelingwekkende afgronden, over gletschers, nu in de hoogte, dan in de
+diepte, totdat ik het wonderschoone meer Tao bereikte, aan den voet van
+een drietal rotsen gelegen, die hare met eeuwigen sneeuw bedekte kruinen
+hemelhoog in de lucht verheffen. Daar sloeg ik in volslagen eenzaamheid
+mijne tent op, om er met God te verkeeren en mijn laatste uur te
+verbeiden.
+
+Op zekeren avond wandelde ik langs het meer en riep overluid: Wanneer
+zal God verschijnen en mij vrij maken? Is er dan geen verlossing? Toen
+vertoonde zich plotseling een lichtvonk op den donkeren waterspiegel.
+Weldra verrees een ster, die nader en nader kwam, totdat zij boven mijn
+hoofd bleef staan. Haar glans verblindde mij. Ik viel ter aarde en toen
+ik daar lag hoorde ik een stem, zeldzaam liefelijk, die tot mij zeide:
+Uwe liefde heeft gezegepraald. Gezegend zijt gij, zoon van Indië! De
+verlossing is nabij. Met twee anderen, komende van de uithoeken der
+aarde, zult gij den Verlosser zien, en van zijne komst getuigen. Maak u
+op in den morgenstond, en ga hun te gemoet. Stel al uw vertrouwen in den
+Geest die u zal geleiden.
+
+Van dat oogenblik is het licht bij mij gebleven ten teeken dat de Geest
+met mij was.
+
+Met het krieken van den dageraad aanvaardde ik den terugtocht langs
+denzelfden weg, dien ik gekomen was. In een bergkloof vond ik een steen
+van groote waarde, dien ik te Hurdwar verkocht. Ik reisde over Lahor,
+Kabul en Yezd naar Ispahan. Daar kocht ik den kameel en toog naar
+Bagdad. Zonder op een karavaan te wachten, zette ik onbevreesd alleen
+mijne reis voort, want de Geest was en is nog met mij. Welk een eere
+wacht ons, mijne broeders, wij zullen den verlosser zien--met hem
+spreken--hem aanbidden!--Ik heb gezegd.
+
+
+ * * * * *
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+BALTHASAR.
+
+
+De levendige Griek barstte los in betuigingen van blijdschap en
+gelukwenschen, waarna de Egyptenaar met zijn gewonen ernst zeide: Gij
+hebt veel geleden, mijn broeder, en ik verheug mij in uwe overwinning.
+Wilt mij nu beiden uwe aandacht schenken, dan zal ik u mijn wedervaren
+vertellen.
+
+Mijn naam is Balthasar. Ik ben te Alexandrië geboren uit een vorstelijk
+en priesterlijk geslacht, en ontving eene mijnen rang passende
+opvoeding. Al heel vroeg werd ik ontevreden. Mij was geleerd, dat na den
+dood de ziel van voren af moet beginnen, van den laagsten trap opwaarts,
+onverschillig hoe men zich gedurende zijn aardsche bestaan gedragen
+heeft. Die gedachte verontrustte mij. Hoe? Word dan geen onderscheid
+gemaakt tusschen boozen en goeden? Maar mij was niet verborgen gebleven
+wat vele honderden jaren geleden in mijn land gebeurd was met het volk
+der Hebreën, die als slaven onder ons woonden, en die beweerden den
+eenigen waren God te dienen; hoe zij na vele wonderen en teekenen
+uitgeleid werden, en hoe de Pharao, die hen met zijn leger achterna
+zette, met allen, die hem vergezelden, den dood vond.
+
+Die God was niet onder ons vergeten, en hoe langer ik over alles
+nadacht, des te dieper vatte de overtuiging post in mijne ziel, dat de
+goden van mijn volk niets waren in vergelijking met den God der Hebreën.
+Maar als die God, volmaakt rechtvaardig volgens hunne leer, over het lot
+van levenden en dooden te beschikken heeft, dan behoefde ik mij niet
+langer ongerust te maken, dan moest bij het sterven, wanneer de
+scheiding plaats heeft tusschen ziel en lichaam, de ziel van den booze
+verloren gaan, die van den goede echter tot een hooger leven ingaan,
+niet het nirvana van den Boeddist, noch de negatieve rust van het
+Brahma, o Melchior, noch in dien toestand, o Caspar, waarvan uwe
+priesters leeren, maar tot een leven, een heerlijk, werkzaam, eeuwig
+leven--een leven met God.
+
+Dat eenmaal vastgesteld zijnde, werd de begeerte in mij wakker, anderen
+deelgenoot te maken van dat goede nieuws.
+
+Op zekeren dag begaf ik mij naar de aanzienlijke en meest bezochte wijk
+van Alexandrië en sprak tot de menigte over God, de ziel, het goed en
+het kwaad, en over den hemel, die den deugdzame wacht. U, Melchior,
+steenigden zij; _mijne_ toehoorders lachten mij uit. Ik beproefde het
+nogmaals, zij wierpen mij puntdichten naar het hoofd, bespotten mijnen
+God en mijnen hemel. Lang dacht ik na over de oorzaak van het mislukken
+mijner poging, eindelijk vond ik haar.
+
+Een dagreize van de stad verwijderd ligt een dorp, uitsluitend bewoond
+door herders en tuiniers. Daarheen begaf ik mij en verzamelde in den
+avond het volk rondom mij, mannen en vrouwen, de armsten onder de armen.
+Hun verkondigde ik hetzelfde wat ik in de stad verkondigd had. Zij
+lachten niet. Den volgenden avond sprak ik weder, en zij namen mijne
+prediking met blijdschap aan en brachten haar op hunne beurt aan ieder,
+dien zij ontmoetten. Toen keerde ik naar de stad terug en onder een
+heerlijken sterrenhemel kwam ik tot de overtuiging: Die een hervorming
+wenscht tot stand te brengen beginne niet bij de rijken en grooten; maar
+ga liever tot hen, die niets bezitten, tot de armen en geringen.
+
+Nu ontwierp ik mijne plannen voor de toekomst. Allereerst verzekerde ik
+mijne uitgestrekte bezittingen zóó, dat het inkomen vaststond en ten
+allen tijde aangewend kon worden ten bate van hulpbehoevenden. Dat
+volbracht zijnde begon ik mijne zwerftochten langs den Nijl, in de
+dorpen, onder alle stammen; en predikte den Eénen waren God, een leven
+in gerechtigheid, met den Hemel als belooning. Ik heb veel goed gewerkt,
+hoeveel betaamt mij niet te zeggen. Ik weet dat velen bereid zijn Hem te
+ontvangen, dien wij nu gaan zoeken.
+
+Hier zweeg de Egyptenaar een oogenblik stil, daarna vervolgde hij: In
+die jaren, mijne broeders, kwelde mij ééne gedachte: Wat zou er van de
+goede zaak worden, als ik heengegaan was? Zou zij met mij ophouden te
+bestaan? Ik droomde van een organisatie, als de kroon op mijn werk. Ik
+heb het beproefd, maar mocht niet slagen. Neen, de toestand der wereld
+is van dien aard, dat, om het oude Egyptische geloof te herstellen, een
+hervormer noodig is met meer dan menschelijke macht bekleed; hij moet
+niet alleen komen in Gods naam, hij moet zijn woord met bewijzen kunnen
+staven. Aarde en lucht zijn zoo vol van valsche godheden, dat een
+terugkeer tot den Eénen waren God alleen kan plaats vinden langs
+bloedige paden, dat wil zeggen: de bekeerlingen moeten liever willen
+sterven, dan hun geloof prijsgeven. En wie anders kan in deze eeuw den
+mensch tot zulk eene hoogte opvoeren, dan God alleen? Om het
+menschengeslacht te redden moet Hij zichzelven wederom openbaren, moet
+Hij persoonlijk komen.
+
+Nu begrijpt gij waarom ik niet slaagde met mijne organisatie. Ik miste
+de bekrachtiging uit den hooge. Diep ternedergeslagen begaf ik mij in de
+woestijn, om in de eenzaamheid, ver van alle menschen, Gods aangezicht
+te zoeken.
+
+Steeds verder reisde ik, tot in het hart van Afrika. Langer dan een jaar
+woonde ik in een spelonk, aan den oever van een groot meer. De vrucht
+van den palmboom strekte mijn lichaam tot voedsel, het gebed mijne ziel.
+
+Op zekeren avond worstelde ik in het gebed met God. In het heldere water
+weerspiegelden de sterren. Eene van die scheen hare plaats te verlaten.
+Hooger en hooger steeg zij, stralend en vonkelend, totdat zij boven mijn
+hoofd bleef staan. Ik viel neder en verborg mijn aangezicht. Een stem,
+niet van de aarde, zeide: Gij hebt overwonnen. Gezegend zijt gij, de
+verlossing is nabij. Met twee anderen, gekomen van de uiterste deelen
+der aarde, zult gij den Zaligmaker zien en van hem getuigen. Maak u op
+in den morgenstond en reis hun te gemoet. En wanneer gijlieden de stad
+Jeruzalem zult bereikt hebben, vraag dan aan het volk: Waar is de
+geboren Koning der Joden? want wij hebben zijne ster gezien in het
+Oosten en zijn gekomen om hem te aanbidden. Stel al uw vertrouwen in den
+Geest, die u zal geleiden.
+
+En het licht werd een innerlijke verlichting en bleef mij bij als
+leidsman en gids. Het voerde mij naar Memphis, waar ik mijn kameel
+kocht, vervolgens over Suez en Kufileh door de landen van Moab en Ammon.
+God is met ons, broeders!
+
+Door innerlijken drang gedreven, reikten zij elkander de hand.
+
+--Mogen wij niet in dit alles een goddelijke bestiering zien? vraagde de
+Egyptenaar. Wanneer wij den Heer gevonden hebben, zullen alle volken Hem
+met ons aanbidden. En als wij van elkander scheiden, om een iegelijk
+zijnen weg te gaan, dan zal de wereld een nieuwe les geleerd hebben--dat
+de hemel veroverd kan worden niet door het zwaard, niet door menschelijke
+wijsheid, maar door geloof, Liefde en Goede Werken.
+
+Nu traden zij naar buiten. Alles rondom hen sprak van rust. De zon
+neigde ten ondergang, de kameelen sliepen. Een oogenblik beschouwden zij
+zwijgend de schoon gekleurde lucht, toen keerden zij terug, bergden de
+overblijfselen van het maal op, braken de tent af, bestegen hunne
+kameelen en zetten de reis westwaarts voort onder aanvoering van den
+Egyptenaar.
+
+De zilveren maan had de taak der dagvorstin overgenomen en bescheen
+hunnen weg, toen eensklaps in de lucht vóór hen, ongeveer ter hoogte van
+een heuveltop, een schitterend licht verscheen, dat zich samentrok tot
+een stralend punt. Hunne harten klopten hoorbaar, en tot in het diepst
+der ziel ontroerd, riepen zij als uit éénen mond: De ster! de ster! God
+is met ons!
+
+
+ * * * * *
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+JOZEF EN MARIA.
+
+
+In de westzijde van den muur, die Jeruzalem omringt, is de Bethlehem- of
+Joppe-poort. De open ruimte, die er heen voert, is een van de
+merkwaardigste punten bij de stad. Lang voordat David Sion met begeerige
+oogen aanzag, stond daar een citadel, en bovengenoemde poort was er een
+overblijfsel van. In Salomo's tijd werd dat plein als markt gebruikt;
+kooplieden uit Egypte, Tyrus en Sidon boden er hunne waren aan. Bijna
+3000 jaren zijn voorbijgegaan, en nog steeds kan men zich daar ter
+plaatse van het noodige voorzien. Een speld of een pistool, een
+komkommer of een kameel, een woning of een paard, een dadel of een tolk,
+de reiziger kan zich aan de Joppe-poort van al deze dingen voorzien.
+Soms kan het er zoo levendig toegaan, dat men onwillekeurig uitroept:
+Wat moet die oude markt wel geweest zijn in de dagen van Herodes den
+Bouwmeester!
+
+Welnu, ons verhaal voert ons juist naar die dagen en naar die markt.
+
+Volgens de Hebreeuwsche tijdrekenkunde viel de ontmoeting van de drie
+wijzen, die wij in het vorige hoofdstuk beschreven, in den namiddag van
+den 25sten December, in het 35ste regeeringsjaar van Herodes den Groote,
+het 4de vóór het begin der Christelijke jaartelling. Daar bij de Joden
+de dag met zonsopgang begon, was reeds in dat vroege uur alles leven en
+beweging. Ja, zóó bezet was de markt, dat vele handelaars met hunne
+uitstallingen een plaats hadden moeten zoeken aan de stadszijde der
+poort.
+
+Het is intusschen de derde ure van den dag geworden. Velen zijn reeds
+naar huis gegaan; maar het is of de toevloed van menschen niet
+vermindert. Onder de nieuw aangekomenen trekt een groep, bestaande uit
+een man, een vrouw en een ezel, vooral onze aandacht. De man hield het
+dier bij den toom en leunde op zijn staf. Zijne kleeding was als die der
+andere Joden en scheen nieuw te zijn. Zijn gelaat was kalm, dat van een
+vijftigjarige; zijn zwarte baard begon te grijzen. Hij bezag het gewoel
+rondom hem met den half nieuwsgierigen, half starenden blik van den
+vreemdeling en provinciaal. Zijne gezellin, op den rug van den ezel in
+een zadelkussen gezeten, droeg een ruim overkleed van donkere wollen
+stof, terwijl een witte sluier haar hoofd bedekte. Nu en dan lichtte zij
+den sluier even op, om te zien wat in hare omgeving voorviel; maar zoo
+weinig, dat haar gelaat onzichtbaar bleef. Ten langen laatste werd de
+man aangesproken:
+
+--Zijt gij niet Jozef van Nazareth?
+
+--Dat is mijn naam, luidde het antwoord, en gij? ah--ik zie het al. De
+vrede Gods zij met u, mijn vriend, Rabbi Samuel!
+
+--En met u. De Rabbi hield op, zag de vrouw even aan en voegde er bij:
+met u en al de uwen. Dit zeggende drukte hij zijn rechterhand tegen zijn
+borst en groette de vrouw met een hoofdknik.
+
+Zij had haar sluier een weinig ter zijde geslagen, genoeg om te doen
+zien, dat zij nog zeer jong was.
+
+--Naar de frischheid uwer kleeding te oordeelen, zeide de Rabbi, zou ik
+denken, dat gij hier in de stad overnacht hebt.
+
+--Neen, antwoordde Jozef, wij konden gisteren niet verder komen dan
+Bethanië, en zijn hedenmorgen vroeg vandaar vertrokken.
+
+--Hebt gij een lange reis in 't vooruitzicht? Naar Joppe misschien?
+
+--Wij zijn op weg naar Bethlehem.
+
+Het gelaat van den Rabbi betrok. Begrepen, zeide hij. Gij zijt in
+Bethlehem geboren en gaat er nu met uwe dochter heen, om u volgens het
+keizerlijk bevel te laten beschrijven. Hoe zijn de machtigen gevallen!
+
+--Dat is mijne dochter niet, zeide Jozef.
+
+De Rabbi lette niet op die aanmerking, hij vervolgde zijn eigen
+gedachtengang en zeide: Wat doen de Zeloten in Galilea?
+
+--Ik ben timmerman, en Nazareth is een kleine plaats, antwoordde Jozef
+voorzichtig. Ik heb geen tijd om deel te nemen aan twistvragen.
+
+--Maar gij zijt een Jood, vermaande de Rabbi, en nog wel uit het
+geslacht van David. Het kan u onmogelijk behagen andere schatting te
+betalen dan die, welke volgens onze wet aan Jehova toekomt.
+
+Jozef zweeg.
+
+--Ik zeg niets over het bedrag der schatting, vervolgde zijn vriend.
+Dat is niet hoog, o neen. Maar dat zij ons schatting opleggen, dat is
+schande. Zeg eens, is het waar, dat Judas zich voor den Messias
+uitgeeft? Gij woont te midden van zijne volgelingen.
+
+--Ik heb zijne volgelingen hooren beweren dat hij de Messias is.
+
+Op dit oogenblik sloeg de vrouw haren sluier geheel weg, zoodat de Rabbi
+haar vol in 't gelaat kon zien. Haar zeldzamen schoonheid en de
+uitdrukking harer oogen troffen hem.
+
+--Uwe dochter is schoon, zeide hij nauw hoorbaar.
+
+--Zij is mijne dochter niet.
+
+Nu was de nieuwsgierigheid van den Rabbi opgewekt, waarom Jozef vervolgde:
+Zij is de dochter van Joachim en Anna van Bethlehem, daar gij misschien
+wel van gehoord hebt, want zij waren zeer gezien.
+
+--Zeker, antwoordde de Rabbi. Dat herinner ik mij best. Zij stamden in
+rechte lijn van David af. Ik heb hen zelfs goed gekend.
+
+--Beiden zijn overleden, te Nazareth. Joachim was niet rijk; maar hij
+liet toch een huis met hof na aan zijne twee dochters. Dit is zijn
+jongste dochter, Maria. Om haar erfdeel te kunnen aanvaarden, moest zij
+volgens de wet eene harer naaste verwanten huwen. Zij is thans mijne
+vrouw.
+
+--En gij waart--
+
+--Haar oom.
+
+--O zoo; en daar gij beiden te Bethlehem geboren zijt, moet gij er
+beiden heen om u te laten inschrijven. De Rabbi vouwde de handen en zag
+verontwaardigd ten hemel op. Nog leeft de God van Israël! Zijn is de
+wrake! riep hij. Toen hij dat gezegd had keerde hij zich om en ging heen
+zonder te groeten.
+
+Een nabijstaande Jood, Jozefs verbazing opmerkende, zeide: Rabbi Samuel
+is een Zeloot. Judas zelf kan het hem niet verbeteren.
+
+Daar Jozef niet geneigd was een gesprek te beginnen, deed hij alsof hij
+het niet hoorde, zag den buikriem van den ezel na, en gaf hem nog wat te
+eten. Zoodra het dier naar behooren gevoederd was, begaf het gezelschap
+zich weder op weg, en sloeg den weg naar Bethlehem in. Jozef wandelde
+naast den ezel voort en wees Maria in het voorbijgaan op enkele
+merkwaardigheden van den weg; maar het scheen alsof hare gedachten
+elders waren. De zon steeg intusschen hooger aan den hemel en noopte de
+jonge vrouw haren sluier op te slaan, ten einde wat meer lucht te
+krijgen. Van deze gelegenheid willen wij gebruik maken om kennis met
+haar te maken.
+
+Zij was niet ouder dan vijftien jaar. Haar gelaat, een zuiver ovaal, was
+fijn van kleur, de neus onberispelijk, de kleine mond vol uitdrukking,
+de oogen diep blauw, waren fraai van vorm. Het weelderige goudblonde
+haar golfde vrij over hare schouders en reikte tot aan haar zadelkussen.
+Voeg bij deze uiterlijke bekoorlijkheden een onbeschrijfelijke reinheid
+en liefelijkheid, en gij hebt het beeld van haar, die ons door de
+overlevering met de schoonste kleuren wordt geschilderd. Meer dan eens
+sloeg zij de oogen ten hemel en bewogen zich hare lippen in stil gebed,
+menigmaal hief zij het oog op en luisterde, alsof een onzichtbare tot
+haar sprak.
+
+Zoo togen zij over de uitgestrekte vlakte en naderden de hoogte Mar
+Elias, vanwaar zij Bethlehem konden zien liggen. Hier hielden zij een
+oogenblik stil om te rusten, en daalden daarna af in de vallei, naar de
+wel, eenmaal het tooneel der wonderbare daden van Davids sterke mannen.
+In het dal wemelde het van menschen en dieren, zoodat Jozef reeds begon
+te vreezen, dat er geen plaats meer voor hen zou te krijgen zijn in de
+_khan_, of herberg. Hij zette den ezel tot meerderen spoed aan, en hield
+zich geen enkelen keer op om wien ook te groeten, totdat hij de voor de
+poort gelegen herberg bereikt had.
+
+
+ * * * * *
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+TE BETHLEHEM.
+
+
+Om volkomen te begrijpen wat Jozef bij de herberg wedervoer, moeten wij
+wèl bedenken, dat er een groot verschil is tusschen de Europeesche
+herbergen en die van het Oosten. Die herbergen werden _khans_ genoemd,
+een Perzisch woord, en waren, in haar eenvoudigsten vorm, niet anders
+dan omheinde ruimten, dikwijls zonder huis of bedekking; maar altijd
+gunstig gelegen wat water, schaduw en veiligheid betreft. Zoo waren de
+herbergen waar Jakob een onderkomen vond, toen hij zich eene vrouw ging
+zoeken in Padan-Aram, en nog kan men ze heden ten dage precies zoo
+vinden op de halten in de woestijn. Daarentegen kon men, vooral op de
+heirwegen tusschen groote steden, zooals Jeruzalem en Alexandrië,
+uitnemende inrichtingen aantreffen, van alle gemakken voorzien; maar
+gewoonlijk waren de herbergen niet veel meer dan het hoofdkwartier van
+een Sheik, een gelegenheid voor bijeenkomsten, voor handel, enz., en
+eerst in de laatste plaats een toevluchtsoord voor reizigers of
+zwervelingen. Een andere eigenaardigheid, die den westerling zeker het
+meest zal verbazen, was het volslagen gemis aan bediening. Geen waard of
+waardin, geen zaakwaarnemer, geen kok, geen keuken. Een deurwachter aan
+den ingang was het eenig zichtbaar bewijs van privaat eigendom. Was een
+vreemdeling eenmaal toegelaten, dan kon hij er blijven zoolang hij
+verkoos, zonder iemand rekenschap te geven. Een gevolg van die
+inrichting was, dat iedere gast zijn eigen voedsel en kookgereedschap
+medebrengen, of zich bij de in de khan aanwezige kooplieden van het
+noodige voorzien moest. Datzelfde beginsel gold voor zijn nachtleger en
+het voeder voor zijne lastdieren. Water, rust, onderkomen, bescherming,
+was alles wat hij van den eigenaar verlangde, en die verkreeg hij om
+niet. Mocht de vrede wel eens door twistgierigen verstoord worden in een
+synagoge--in een khan nimmer. Men hield ze, en niet ten onrechte, in
+hooge eere.
+
+Een stadje als Bethlehem bezat slechts één Sheik, bijgevolg ook één
+khan, en hoewel Jozef in Bethlehem geboren was, had hij door zijn
+jarenlange afwezigheid geen enkelen bekende meer, niemand wiens
+gastvrijheid hij kon inroepen. Daarenboven kon het weken, ja maanden
+duren, eer het werk der inschrijving afgeloopen was; de langzaamheid
+toch van Romeinsche beamten was spreekwoordelijk geworden, zoodat Jozef,
+al had hij zich tot iemand kunnen wenden, toch bezwaarlijk voor
+onbepaalden tijd huisvesting had kunnen vragen voor zich en zijne vrouw.
+Op de herberg was dus zijne hoop gevestigd.
+
+Naast den ingang van het gebouw zat de deurwachter op een boomstronk,
+zijn speer tegen den muur, zijn hond naast zich.
+
+--De vrede van Jehova zij met u, zeide Jozef, hem groetend.
+
+--Datzelfde wensch ik u in ruime mate toe, antwoordde de man ernstig,
+zonder van houding te veranderen.
+
+--Ik ben een Bethlehemiet, vervolgde Jozef. Is er nog plaats voor mij?
+
+--Neen, alles is bezet.
+
+--Misschien hebt gij mij wel hooren noemen--Jozef van Nazareth. Dit is
+mijn vaderstad. Ik ben uit Davids geslacht.
+
+Op dit feit berustte Jozefs hoop. Baatte dat hem niet, dan was alle
+verdere moeite tevergeefs, geld noch goede woorden vermochten dan iets
+uit te werken. Tot den stam van Juda te behooren was reeds veel waard,
+zich een zoon van David te mogen noemen, gold bij Israëlieten als de
+hoogste eer, en zeker nergens meer dan in de stad Davids. Ook op den
+deurwachter maakte het indruk. Hij verrees van zijne zitplaats en zeide
+beleefd: Rabbi, gedurende de meer dan duizend jaren, waarin deze herberg
+een toevluchtsoord is geweest voor vreemdelingen, werd nog nimmer aan
+een goed man den toegang geweigerd, behalve wanneer er geen plaats was.
+Indien men den vreemdeling zoo welwillend behandelt, hoeveel te meer den
+zoon van David. Daarom nogmaals: Wees gegroet! en indien gij wilt, ga
+dan met mij naar binnen, om u met eigen oogen te overtuigen, dat nergens
+een hoekje vrij is, zelfs niet op het dak. Mag ik vragen wanneer gij
+aangekomen zijt?
+
+--Zooëven.
+
+De deurwachter glimlachte. De vreemdeling, die in uwe poort is, zal zijn
+als een ingeborene van het huis en gij zult hem liefhebben als uzelven,
+leert ons de wet niet alzoo, Rabbi? En als de wet zoo spreekt, kan ik
+dan tot iemand, die hier reeds eenigen tijd vertoeft, zeggen: Ga gij uws
+weegs, hier is een ander, die uwe plaats komt innemen?
+
+Jozef zag peinzend voor zich.
+
+--En al mocht ik dat zeggen, aan wien zou dan die plaats toekomen? Zie
+hoevelen daar staan te wachten, sommigen reeds den ganschen dag.
+
+--Wat brengt al die lieden hierheen?
+
+--Hetzelfde ongetwijfeld wat u brengt, Rabbi; het bevel van den Keizer.
+Daarenboven is gisteren een karavaan van Damascus naar Arabië en
+Neder-Egypte aangekomen. Deze mannen hier en die kameelen behooren er
+toe.
+
+Nog liet Jozef zich niet afwijzen. Het voorplein is ruim, zeide hij.
+
+--Ja, maar volgepakt met balen zijden, en zakken specerijen, en goederen
+van allerlei aard.
+
+Jozefs gelaat betrok.--Het is niet zoozeer voor mijzelven, dat ik blijf
+aanhouden, maar ik heb mijne vrouw bij mij. De nachten zijn hier koud,
+veel kouder dan te Nazareth. Zij kan niet in de open lucht slapen. Zou
+er in de stad plaats te krijgen zijn?
+
+--Deze menschen, zeide de deurwachter, op een groepje wijzend, hebben
+allen in de stad een onderkomen gezocht, maar tevergeefs.
+
+Jozef dacht een oogenblik na en zeide: Zij is zoo teer; als zij den
+nacht onder den blooten hemel moet doorbrengen, zal de kou haar dooden.
+Misschien hebt gij hare ouders nog gekend: Joachim en Anna. Zij hebben
+vroeger ook in Bethlehem gewoond en waren evenals ik uit Davids
+geslacht.
+
+--Zeker heb ik hen gekend. Het waren goede menschen. Ik was toen nog een
+kind. Maar daar valt mij iets in. Al kan ik u niet in de herberg
+opnemen, ik kan u toch ook niet wegzenden. Ik zal voor u doen wat ik
+kan. Gij zult niet buiten overnachten. Roep uwe vrouw. Wij moeten ons
+haasten, want de zon neigt reeds ten ondergang.
+
+--Niets liever dan dat, zeide Jozef, en keerde terug om zijne vrouw te
+halen, die niet ver van daar op haren ezel gezeten zijn komst verbeidde.
+Zij had haren sluier opgeslagen.
+
+--Blauwe oogen en gouden lokken, zeide de deurwachter haar aanziende.
+Zoo zag de jonge koning er uit toen hij voor Saul op den harp speelde.
+
+De man nam den ezel bij den toom en zeide tot Jozef: Rabbi, volg mij.
+
+Over het voorplein van de herberg geleidde hij hen naar de achter het
+huis gelegen omrasterde bewaarplaats voor lastdieren en vee, en vandaar
+langs een smal en hobbelig pad naar een grauwen kalksteenheuvel.
+
+--Gij brengt ons naar de spelonk, zeide Jozef.
+
+--Ja, antwoordde hun geleider, en zich tot Maria wendende voegde hij er
+bij: Uw voorvader David heeft meermalen gebruik gemaakt van die spelonk.
+Als jongeling bracht hij er 's nachts de kudde zijns vaders onder dak en
+later, als koning, moet hij er dikwijls met zijn gevolg gerust hebben.
+Dezelfde kribben, waar zijne dieren aan gevoederd werden, zijn er nog.
+In ieder geval zult gij op de plaats, waar Koning David geslapen heeft,
+beter rusten, dan in het open veld. Zoo, hier zijn wij er. Zooals gij
+ziet is voor de spelonk een schuurtje aangebracht, eigenlijk niet meer
+dan een toegang tot de spelonk. Dit zeggende schoof hij den grendel weg,
+opende de deur en noodigde hen uit om binnen te treden.
+
+De grot was ongeveer veertig voet lang, negen of tien voet hoog, en
+veertien voet breed. Het was nog juist licht genoeg om te doen zien, dat
+in het midden op de grond wat hooi en stroo lag en eenig aardewerk, een
+duidelijk bewijs, dat ook andere reizigers hier vertoefd hadden. Langs
+de wanden waren steenen kribben gemetseld, en over het algemeen zag het
+er zindelijk uit.
+
+--Wat dunkt u hiervan? vraagde de deurwachter aan Maria. Zoudt gij hier
+kunnen rusten?
+
+--Deze plek is heilig, antwoordde zij.
+
+--Dan kan ik weer naar mijn post terugkeeren. De vrede Gods zij met
+ulieden.
+
+Zoodra zij alleen waren maakten zij de spelonk bewoonbaar en bereidden
+zicht een nachtleger van hetgeen zij ter plaatse aanwezig vonden en zelf
+medegebracht hadden.
+
+ * * * * *
+
+Te middernacht, toen om en bij de herberg alles in de diepste rust
+verkeerde, ontwaakte een der slapers op het dak en keek verschrikt in
+het rond. Wat is er gebeurd? riep hij: Wat is dat voor een vreemd licht?
+Wordt wakker, broeders! wordt wakker!
+
+De in hunnen slaap gestoorden richtten zich op en wreven zich in de
+oogen, maar wat zij zagen bracht hen weldra volkomen tot bezinning. Uit
+den hemel daalde een straal van licht neder, steeds breeder wordende
+naarmate hij de aarde naderde, en den ganschen omtrek verlichtende.
+Zelfs den moedigsten onder de aanwezigen durfde zijne stem verheffen
+boven een zacht gefluister.
+
+--Hebt ge ooit iets dergelijks gezien? vraagde de een.
+
+--Het schijnt daar juist boven den berg te zijn. Ik begrijp volstrekt
+niet wat het is, zeide een ander.
+
+--Zou er een ster gebarsten en gevallen zijn? vraagde een derde
+sidderend.
+
+--Welneen, als een ster valt gaat haar licht uit.
+
+--Ik weet wat het is, riep een jonge man geruststellend. De herders
+hebben een leeuw gezien en een vuur aangestoken, om hem van de kudden af
+te houden.
+
+--Ja, dat zal het zijn, zeide een buurman verruimd van hart. Er waren
+vandaag verscheidene herders in het veld.
+
+--Neen, neen, riep de eerste spreker, al brachten zij al het hout uit de
+valleien van Judea bijeen, om er een vuur van te maken, het zou niet
+zulk een hoog en sterk licht verspreiden.
+
+Zwijgend bleven de mannen het geheimzinnig schouwspel gadeslaan, totdat
+een eerwaardig grijsaard de stilte verbrak met den uitroep: Broeders,
+wat wij zien is de ladder, die onze vader Jakob in den droom
+aanschouwde. Geloofd zij de God onzer vaderen!
+
+
+ * * * * *
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+DE GEBOORTE VAN CHRISTUS.
+
+
+Ongeveer twee mijlen zuidoostelijk van Bethlehem ligt een vlakte, door
+een heuvelrij van de stad gescheiden. Beschut tegen de noordenwinden,
+en begroeid met vijgeboomen, dwergeiken en pijnboschjes, was zij een
+kostelijke weide voor de kudden van zwervende herders. Aan den uitersten
+rand stond een overoude schaapskooi van buitengewoon groote afmeting.
+Bij een lang vergeten schermutseling was het gebouw van zijn dak beroofd
+en half vernield. De daarbij behoorende omheinde ruimte was echter
+ongedeerd gebleven, en dat was wel de hoofdszaak voor de herders, die er
+hunne schapen wilden doen overnachten.
+
+Daags vóór de gebeurtenissen, in het vorige hoofdstuk vermeld, was een
+zevental herders, die nieuwe weiden voor hunne kudden zochten, naar de
+vlakte afgedaald, had zich 's avonds bij de schaapskooi gelegerd, een
+groot vuur bij den ingang ontstoken, hun avondeten bereid, en zich
+daarna ter ruste gelegd, één uitgezonderd, die de wacht moest houden.
+
+Het was een heerlijke nacht. Geen windje bewoog zich, de atmosfeer was
+rein en zuiver, er heerschte een geheimzinnige stilte. De wachter stapte
+vóór den ingang op en neder; hij verlangde naar het uur van middernacht,
+wanneer hij afgelost zou worden. Eindelijk was zijn taak volbracht, nu
+was het zijne beurt om te gaan rusten. Hij ging naar het vuur--maar wat
+was dat? Een lichtglans omscheen hem, zacht en wit als het licht der
+maan. Hij wachtte een oogenblik, het licht werd sterker; voorwerpen, die
+hij niet had kunnen onderscheiden, werden op eenmaal zichtbaar, hij zag
+de gansche vlakte en al wat er op was. Een huivering voer door zijne
+leden, vreeze beving hem. Hij zag naar de lucht, de sterren waren
+verdwenen; als door een venster viel een breede straal van licht uit den
+hemel en werd steeds glansrijker. Hevig ontsteld riep hij zijne makkers:
+Wordt wakker! Wordt wakker!
+
+De honden sloegen aan, de schapen drongen op elkander in, de herders
+sprongen overeind en grepen naar de wapens.
+
+--Wat is er? riepen zij. Wat gebeurt daar?
+
+--Wat er is? De hemel staat in vuur! antwoordde de wachter.
+
+Plotseling werd het licht zoo verblindend sterk, dat zij hunne oogen met
+de handen bedekten en van angst en schrik op de knieën vielen. Daar
+hoorden zij een stem: Vreest niet; want ziet, ik verkondig u groote
+blijdschap, die al den volke wezen zal.--Die stem, zoo zacht en
+welluidend, stelde hen gerust. Zij hieven het hoofd op en zagen
+eerbiedig in de richting, vanwaar de stem kwam. En zie, daar stond, door
+een stralenden lichtschijn omgeven, een engelengedaante, gekleed in een
+schitterend wit kleed. Boven zijn voorhoofd blonk een ster met zeldzamen
+glans. Zegenend strekte hij de handen naar hen uit, zijn gelaat was
+vriendelijk en van hemelsche schoonheid.
+
+Zij hadden dikwijls van de engelverschijningen in vroeger dagen gehoord,
+en onder elkander daar wel eens over gesproken. Zij twijfelden dan ook
+niet, maar zeiden in hun hart: De heerlijkheid Gods is tot ons gekomen,
+en dit is de engel, dien God voormaals tot den profeet bij de rivier
+Ulai zond.
+
+De engel vervolgde: Want heden is u geboren de Zaligmaker, welke is
+Christus, de Heer, in de stad Davids. En dit zal u het teeken zijn: gij
+zult het Kinderke vinden in doeken gewonden en liggende in de kribbe.
+
+De hemelbode zweeg. Hij had zijne boodschap overgebracht, toch toefde
+hij nog, en terwijl de herders eerbiedig wachtten, breidde zich het
+licht, waarvan de engel het middenpunt uitmaakte, meer en meer uit--en
+was er met den engel een menigte des hemelschen heirlegers, prijzende
+God en zeggende: Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in
+menschen een welbehagen.
+
+Toen ontplooide de engel zachtkens zijne vleugelen, verhief zich
+langzaam en statig in de lucht, en verdween weldra uit hunne oogen, het
+licht met zich voerende; maar nog geruimen tijd klonk het liefelijk
+engelenlied kun in de ooren.
+
+Toen de herders tot bezinning waren gekomen staarden zij elkander
+sprakeloos aan, totdat een van allen zeide: Dat was Gabriël, Gods bode
+bij de menschen.
+
+Niemand antwoordde.
+
+--Christus, de Heer, is geboren, zeide hij dat niet?
+
+--Ja, antwoordde een ander.
+
+--En zeide hij ook niet dat hij geboren is in de stad Davids? dat is dan
+toch Bethlehem, daar ginds. En dat wij hem zouden vinden in doeken
+gewonden?
+
+De herder, die het eerst gesproken had, staarde een oogenblik nadenkend
+in het vuur, en zeide toen op beslisten toon: Er is slechts één plaats
+in Bethlehem waar kribben zijn, slechts één, en dat is in de spelonk bij
+de oude herberg. Broeders, laat ons gaan en zien wat er geschied is.
+De priesters en schriftgeleerden verwachten den Messias reeds geruimen
+tijd. Nu is hij geboren, en de Heer heeft ons een teeken gegeven,
+waaraan wij hem kunnen kennen. Laat ons gaan en hem aanbidden.
+
+--Maar de kudden....
+
+--Daar zal de Heer voor zorgen. Laat ons zoo snel mogelijk gaan.
+
+Toen maakten zij zich op en sloegen den weg naar Bethlehem in. De weg
+voerde achter den berg om door de stad, totdat zij voor de deur der
+herberg kwamen, waar een man de wacht hield.
+
+--Wat is uw verlangen? vraagde deze.
+
+--Wij hebben van nacht groote dingen gezien en gehoord, antwoordden zij.
+
+--Nu, wij ook hebben groote dingen gezien, maar gehoord hebben wij
+niets. Wat hebt gij gehoord?
+
+--Breng ons eerst naar de spelonk achter de omtuining, opdat wij
+zekerheid mogen verkrijgen, dan zullen wij u alles vertellen.
+
+--Noodelooze moeite.
+
+--Neen, de Christus is geboren.
+
+--De Christus! Hoe weet gij dat?
+
+Breng ons bij de spelonk, dan kunt gij het zelf zien.
+
+De wachter lachte spotachtig.--De Christus, zegt gij? En hoe zult gij
+weten dat hij het is?
+
+--Ons is gezegd, dat hij in dezen nacht geboren is en nu in een kribbe
+ligt, en er is slechts ééne plaats in Bethlehem, waar kribben zijn.
+
+--De spelonk?
+
+--Ja, breng er ons, opdat wij het met onze oogen mogen zien.
+
+Zij gingen over het voorplein, zonder dat iemand op hen lette, hoewel
+sommigen het nog druk genoeg hadden over het wondervolle licht. De deur
+van de spelonk stond open. Er brandde licht en zij traden zonder omslag
+binnen.
+
+--Vrede zij u! zeide de wachter tot Jozef. Hier zijn eenige lieden, die
+een jonggeborene zoeken, in doeken gewonden en liggende in een krib.
+
+Jozef ontroerde, en op de kribbe wijzende zeide hij: Daar is het kind.
+
+De herders kwamen behoedzaam nader en beschouwden het slapende kindeke
+met stille aandacht. Dat is de Christus, zeide een van hen ten laatste.
+
+--De Christus! herhaalden allen, in aanbidding neerknielende.
+
+--Het is de Heer, en zijn lof is boven aarde en hemel verheven, juichte
+de eerste spreker.
+
+De eenvoudige lieden, in wier hart geen plaats was voor twijfel, kusten
+den zoom van Maria's gewaad, en gingen heen met vroolijke aangezichten.
+In de herberg vertelden zij aan ieder, die het hooren wilde, wat hun
+wedervaren was, en op hunnen terugweg naar de vallei zongen zij het
+engelenlied: Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in
+menschen een welbehagen.
+
+Het verhaal deed de rondte, en nog verscheidene dagen lang werd de
+spelonk bezocht door tal van nieuwsgierigen, van wie sommigen geloofden;
+maar het grootste gedeelte lachte en spotte.
+
+
+ * * * * *
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+HET BEZOEK VAN DE DRIE WIJZEN.
+
+
+Elf dagen na de geboorte van het kindeke vinden wij de drie wijzen in de
+nabijheid van Jeruzalem. Na de beek Kedron te zijn overgegaan ontmoetten
+zij tal van lieden, die hen zonder uitzondering met nieuwsgierigen
+blikken nazagen. Hoewel de handelsweg van het oosten naar het zuiden
+over Judea voerde, en men bijgevolg, behalve in Rome, nergens zoovele
+vreemdelingen van allerlei natiën aantrof als in Jeruzalem, trokken deze
+drie mannen toch aller aandacht.
+
+Tegenover de graven der koningen zaten eenige vrouwen aan den weg. Zij
+hadden een kind bij zich, en zoodra het de reizigers zag, klapte het in
+de handjes en riep: Kijk, kijk, wat mooie belletjes! Wat groote kameelen!
+
+De belletjes waren van zilver, de kameelen, zooals wij weten,
+buitengewoon groot en wit. Aan het tuig kon men zien, dat het gezelschap
+een verre reis achter zich had, maar ook dat de eigenaars mannen van
+aanzien waren. Bij de vrouwen gekomen hield het drietal stil, en vraagde
+Balthasar, zich een weinig voorover buigende: Zeg mij, zijn wij nog ver
+van Jeruzalem?
+
+--Neen, antwoordde eene der vrouwen, als de boomen op gindschen heuvel
+wat lager waren zoudt gij de torens op de markt kunnen zien.
+
+De Egyptenaar zag zijne tochtgenooten veelbeteekend aan, en wendde zich
+toen weder tot de vrouw met de vraag: Kunt gij mij ook zeggen waar de
+geboren Koning der Joden is?
+
+De vrouwen keken elkander verwonderd aan, maar gaven geen antwoord.
+
+--Weet gij dat niet? herhaalde de Egyptenaar.
+
+--Neen, heer.
+
+--Nu, vertel dan maar aan iedereen, dat wij zijne ster gezien hebben in
+het Oosten en gekomen zijn om hem te aanbidden.
+
+Dit gezegd hebbende reden zij verder.
+
+Anderen, die zij tegenkwamen, deden zij dezelfde vraag, maar met gelijke
+uitkomst. Zoo vervuld waren zij van het doel hunner reis, dat zij geen
+oog hadden voor het heerlijk panorama, dat zich voor hen ontplooide,
+toen zij Jeruzalem naderden. Eindelijk waren zij bij de Damascuspoort,
+die door een Romeinschen schildwacht bewaakt werd. Langzamerhand hadden
+zich eenige nieuwsgierigen bij hen aangesloten, zoodat toen de
+Egyptenaar stilhield, om bij den schildwacht inlichtingen te vragen,
+onze reizigers het middelpunt werden van eene steeds aangroeiende
+menigte.
+
+--Vrede zij u! zeide de Egyptenaar den schildwacht groetende, die den
+groet onbeantwoord liet.
+
+--Wij zijn van verre gekomen om den geboren Koning der Joden te zien.
+Kunt gij ons ook zeggen waar hij is?
+
+De soldaat lichtte zijn helmvizier op en riep iemand uit het wachthuis.
+Uit de gang trad een hoofdman te voorschijn.--Uit den weg! riep hij de
+menigte toe, die hem den weg versperde, en toen zij niet gauw genoeg
+gehoorzaamde, maakte hij zich, links en rechts met zijn speer zwaaiende,
+ruim baan.
+
+--Wat is er van uw verlangen? vraagde hij aan Balthasar.
+
+--Ik wilde weten waar de geboren Koning der Joden is.
+
+--Herodes? vraagde de hoofdman verwonderd.
+
+--Herodes werd door den Keizer tot Koning aangesteld, hem moeten wij dus
+niet hebben.
+
+--Er is geen andere Koning der Joden.
+
+--Jawel, want wij hebben zijne ster gezien en zijn gekomen om hem te
+aanbidden.
+
+De Romein begreep er niets van.--Ik ben geen Jood en kan u dus niet
+helpen. Gaat naar de schriftgeleerden in den tempel, of naar Annas den
+Hoogepriester, of beter nog naar Herodes zelf, en vraag het hem. Als er
+een andere Koning der Joden is zal hij hem wel weten te vinden.
+
+Daarop joeg hij de omstanders uiteen, opdat de vreemdelingen door de
+poort konden trekken. Zoodra zij echter in de stad waren zeide
+Balthasar: Wij zullen goed doen met naar de herberg te gaan; het doel
+onzer komst is bekend en vóór middernacht zal de geheele stad over ons
+spreken.
+
+ * * * * *
+
+Dienzelfden avond waren eenige vrouwen bezig met wasschen op de breede
+trap, die naar den vijver Siloam voerde. Ieder had een aarden bak voor
+zich. Op de onderste trede stond een meisje, dat onder het zingen van
+een vroolijk liedje de vrouwen beurtelings van water voorzag.
+
+Terwijl zij daarmee bezig waren kwamen twee andere vrouwen naderbij,
+beiden een ledigen waterkruik op den schouder dragende.
+
+--Vrede zij u! zeide eene van haar.
+
+De waschvrouwen staakten even den arbeid, sloegen hare handen droog en
+beantwoordden den groet.
+
+--Het is reeds laat in den avond, het wordt tijd om uit te scheiden,
+zeide een der laatst gekomenen.
+
+--Er is nog werk genoeg, was het antwoord.
+
+--Ja, maar er is een tijd om te rusten, en....
+
+--Om nieuwtjes te hooren vertellen.
+
+--Wat voor nieuwtjes hebt gij?
+
+--Weet gij het dan nog niet?
+
+--Wat?
+
+--Zij zeggen, dat de Messias geboren is.
+
+--De Messias?! riepen de wasschende vrouwen in de hoogste verbazing.
+
+De beide anderen zetten hare watervaten neder en gingen er op zitten.
+Ja, zeiden zij, dat wordt ten minste verteld.
+
+--Door wie?
+
+--Door iedereen. De geheele stad spreekt er van.
+
+--En wordt het geloofd?
+
+--Van middag zijn drie vreemde mannen gekomen over de beek Kedron.
+Zij reden alle drie op witte kameelen, zoo groot als wij ze hier in
+Jeruzalem nog nooit gezien hebben. Men kon wel zien dat het rijke
+menschen zijn, want hun tentjes zijn van zijde, en de gespen en franje
+aan de zadels en hoofdstellen van goud. De schelletjes zijn van zilver
+en maken echte muziek. Niemand kent ze; zij zien er uit alsof zij van
+het einde der wereld komen. Een van de drie deed telkens het woord en
+vroeg aan iedereen onderweg, zelfs aan vrouwen en kinderen: Waar is de
+geboren Koning der Joden? Niemand kon hem daarom antwoord geven; niemand
+begreep wat zij bedoelden. Maar zij hielden vol: Wij hebben zijne ster
+gezien in het Oosten en zijn gekomen om hem te aanbidden. Bij de poort
+hebben zij het gevraagd aan den schildwacht, maar die wist het evenmin,
+en heeft hun gezegd, dat zij het best deden met het aan Herodes te gaan
+vragen.
+
+--Waar zijn zij nu?
+
+--In de herberg. Ieder gaat er naar toe om hen te zien.
+
+--Waar komen zij vandaan?
+
+--Dat weet niemand. Ik denk dat het Perzen zijn. Het zijn in ieder geval
+wijze mannen, die met de sterren praten, zoo iets als profeten,
+misschien wel als Elia of Jeremia.
+
+--Maar gij zegt, dat zij naar den Koning der Joden vragen, wien zouden
+zij daarmee bedoelen?
+
+--Den Messias natuurlijk, die pas geboren moet zijn.
+
+Een van de vrouwen lachte en hervatte haar werk met de woorden: Komaan,
+ik zal 't gelooven als ik hem zie.
+
+Een tweede volgde haar voorbeeld en zeide: Ik--ja, ik zal 't gelooven,
+als ik hem dooden weer levend zie maken.
+
+Een derde zeide nadenkend: Men heeft hem lang verwacht. Voor mij zal het
+genoeg zijn als ik hem een melaatsche zie genezen.
+
+
+ * * * * *
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+HERODES EN DE WIJZEN.
+
+
+Eenige uren later in den avond, tegen den tijd der eerste nachtwake,
+vinden wij in het paleis op den berg Sion een vijftigtal mannen,
+bijeengeroepen door Koning Herodes: hoogepriesters, schriftgeleerden, de
+hoofden der verschillende godsdienstige partijen: Farizeën, Sadduceën en
+Esseën. De zaal, waar de vergadering plaats had, was zeer ruim, en
+volgens Romeinsche gewoonte ingericht. De vloer bestond uit marmerblokken
+van verschillende kleur, de wanden, niet door vensters onderbroken,
+waren saffraangeel beschilderd; een divan, in den vorm van de letter U
+en van gele kussens voorzien, stond in het midden, de opening naar de
+deur gekeerd. Aan het boveneinde van dien divan, dus in de buiging,
+stond een bronzen drievoet. Daarboven hing een luchter met zeven armen,
+die ieder een brandende lamp droegen. De divan en de luchter waren
+zuiver Joodsch.
+
+De vergadering bestond hoofdzakelijk uit mannen van leeftijd, mannen met
+lange baarden, vurige oogen, zware wenkbrauwen. Hunne kleeding was
+behalve wat de kleur betreft volmaakt dezelfde. Hun uiterlijk was
+ernstig, deftig, bijna patriarchaal. Aan het hoofdeneinde, achter den
+drievoet, zat de voorzitter, rechts en links zijne medegenooten.
+
+In zijne jeugd groot en forsch van statuur, was de thans 106-jarige
+Hillel, de Babyloniër, de eerwaardige voorzitter van den Grooten Raad,
+uitwendig niet meer dan de schim van hetgeen hij vroeger was; maar zijn
+helderheid van hoofd liet niets te wenschen over. Op den drievoet vóór
+hem lag een met Hebreeuwsche letters beschreven perkamenten rol, achter
+hem stond een rijkgekleede knaap op zijne bevelen te wachten. Het
+geleerde gezelschap heeft een levendige woordenwisseling gevoerd, maar
+is zooëven tot een besluit gekomen. Hunnen houding is rustig en de
+eerwaardige Hillel roept den knaap tot zich. Eerbiedig treedt hij voor
+zijnen meester.
+
+Ga den Koning melden, dat wij gereed zijn om op zijne vraag te
+antwoorden, beveelt de grijsaard.
+
+De jongen snelt heen.
+
+Weinige oogenblikken later traden twee hoofdmannen binnen en plaatsten
+zich naast de beide deurposten. Hen volgde op den voet een merkwaardige
+persoonlijkheid: een oud man, bekleed met een purperen kleed, om het
+middel bevestigd door een fijnbewerkten gouden gordel; een diadeem omgaf
+het hoofd, de sandalen waren met kostbare edelsteenen versierd, in den
+gordel stak een fraaie dolk. Zijn gang was moeilijk en hij leunde zwaar
+op zijn staf. Niet voordat hij den divan bereikt had stond hij stil en
+overzag de vergadering met hooghartigen blik, donker en dreigend, alsof
+hij zich onder vijanden bevond. Het was Herodes de Groote--het lichaam
+ondermijnd door kwalen, het geweten bezwaard door misdaden. Een waardig
+gezel der Romeinsche Cesars, was hij op 67-jarigen leeftijd een
+ijverzuchtig despoot, altijd vreezende dat iemand hem in zijne rechten
+wilde treden.
+
+Nadat alle aanwezigen hem begroet hadden, ging Herodes rechtstreeks op
+Hillel toe en zeide op meesterachtigen toon: Het antwoord!
+
+De patriarch hief het hoofd op, zag hem welwillend aan en zeide: De
+vrede van den God Abrahams, Izaäks en Jakobs zij met u, o Koning!--Gij
+hebt ons gevraagd waar de Messias geboren moet worden. (De Koning boog
+toestemmend, de oogen onafgewend op den spreker gevestigd.) Nu dan, o
+Koning, naar ons aller meening te Bethlehem in Judea.
+
+Hillel liet den blik rusten op de rol en las: Te Bethlehem in Judea;
+want alzoo zegt de profeet: En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om
+te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, die een
+Heerscher zal zijn in Israël.
+
+Herodes' gelaat betrok. Nadenkend staarde hij op de rol. Ademlooze
+stilte heerschte in de zaal, niemand waagde te spreken. Eindelijk keerde
+de Koning zich om en ging heen.
+
+--Broeders, zeide Hillel, de vergadering is gesloten.
+
+Allen stonden op en verwijderden zich in groepen.
+
+--Simeon! riep Hillel.
+
+Een vijftigjarige man, nog krachtig en sterk, voegde zich dadelijk bij
+hem.
+
+--Neem de heilige rol tot u, mijn zoon, en geleid mij naar den
+draagstoel.
+
+Liefdevol en eerbiedig voldeed Simeon aan het verzoek zijns vaders,
+wiens waardige opvolger hij eenmaal zijn zou.
+
+ * * * * *
+
+Nog weder later op dienzelfden avond legden de drie wijzen zich in de
+herberg ter ruste. Door een opening in het dak konden zij de lucht
+bespieden, en bij het heerlijk stergeflonker dachten zij na over Gods
+wonderlijke leiding. Maar hoe nu verder? Op welke wijze zou Hij zich
+thans openbaren? Eindelijk waren zij dan in Jeruzalem; aan de poort
+hadden zij naar hem gevraagd, dien zij zochten; zij hadden zijne
+geboorte aangezegd, hun bleef niets over dan hem te vinden, en ook
+daarin rekenden zij vast op de leiding des Geestes. Die Gods stem
+beluisteren, of op een teeken des hemels wachten, kunnen niet slapen.
+
+Daar trad iemand op hen toe. Wordt wakker! riep hij, ik heb u iets te
+zeggen daar haast bij is.
+
+Aanstonds sprongen zij overeind.--Van wien? vraagde de Egyptenaar.
+
+--Van Koning Herodes.
+
+--Zijt gij niet de deurwachter van deze herberg?
+
+--Die ben ik.
+
+--Wat verlangt de Koning van ons?
+
+--Zijn bode wacht buiten. Hij zal u antwoorden.
+
+--Zeg hem dat wij dadelijk zullen komen.
+
+--Gij hadt gelijk, broeder, zeide de Griek, toen de wachter zich
+verwijderd had.--De vraag tot het volk op den weg en tot den schildwacht
+aan de poort heeft ons bekend gemaakt. Ik ben vol ongeduld, laat ons
+gaan.
+
+Haastig bonden zij hunne sandalen aan, sloegen hunne mantels om en
+gingen naar buiten.
+
+--Weest gegroet, en vergeeft mij zoo ik ongeleegen kom; maar mijn
+meester, de Koning, zendt mij om u ten paleize te noodigen, waar hij een
+mondgesprek met u voeren wil, zeide de bode.
+
+Boven den ingang der herberg hing een brandende lamp; en bij haar licht
+zagen de drie vrienden aan elkanders gelaat, dat de Geest op hen rustte.
+Toen wenkte de Egyptenaar den deurwachter tot zich en fluisterde hem
+toe: Gij weet waar onze goederen geborgen zijn op het voorplein en waar
+onze kameelen rusten. Maak alles gereed terwijl wij weg zijn, opdat wij,
+zoo het noodig mocht wezen, bij onze terugkomst dadelijk kunnen afreizen.
+
+Ik zal er voor zorgen, ga gerust, antwoordde de wachter.
+
+--Wij zijn gereed, zeide de Egyptenaar daarop tot den bode, breng ons
+bij den Koning.
+
+De straten van de Heilige stad waren toen even nauw als in onze dagen,
+maar lang niet zoo vuil en hobbelig; want de vorstelijke bouwheer was
+zeer gesteld op reinheid en gemak. Zwijgend volgden de drie vrienden
+hunnen leidsman, totdat zij aan een poort kwamen, waar bij een hoog
+opvlammend vuur een paar schildwachten op post stonden. Door booggangen
+en voorhoven, langs hooge trappen en tal van vertrekken bereikten zij
+eindelijk een hoogen toren. Boven gekomen bleef hun gids staan, wees op
+een open deur en zeide: Treedt binnen, de Koning wacht u.
+
+Een geur van sandelhout vervulde het koninklijk vertrek, dat met groote
+weelde was ingericht. Vergulde en gebeeldhouwde zetels, muziekinstrumenten,
+kostbaar vaatwerk, gouden kandelaars schitterden van licht, in Griekschen
+stijl beschilderde muren--en te midden van dat alles zat de Koning op zijn
+troon, gereed om hen te ontvangen.
+
+De drie mannen traden naderbij en bogen eerbiedig. De Koning schelde,
+waarop een dienaar binnenkwam en drie zetels aanschoof.
+
+--Neem plaats, beval de Koning minzaam.
+
+Toen zij gezeten waren vervolgde hij: Hedenmiddag werd mij van de
+Noordpoort bericht gezonden, dat drie vreemdelingen waren aangekomen, en
+naar hun uiterlijk te oordeelen van verre kwamen. Zijt gijlieden dat?
+
+De Egyptenaar boog en antwoordde: Indien wij het niet waren zou de
+machtige Herodes niet om ons gezonden hebben. Wij zijn die mannen.
+
+--Wie zijt gij? Vanwaar komt gij? vraagde de Koning, en voegde er op
+veelbeteekenden toon bij: Dat ieder voor zichzelven spreke.
+
+In weinig woorden deelden zij hem beurtelings hun naam en afkomst mede
+en langs welken weg zij de reis naar Jeruzalem genomen hadden.
+Eenigszins teleurgesteld vraagde Herodes: Welke vraag hebt gij tot den
+hoofdman aan de poort gericht?
+
+--Wij vraagden hem: Waar is de geboren koning der Joden?
+
+--Nu begrijp ik waarom het volk zoo opgewonden was. Is er dan een tweede
+Koning der Joden?
+
+Onbevangen antwoordde de Egyptenaar: Er is een jonggeboren Koning.
+
+Een uitdrukking van smart kwam over het gelaat van den monarch, alsof
+een pijnlijke herinnering hem kwelde. Dacht hij misschien aan zijne
+onschuldige, vermoorde kinderen?--Niet hier! Niet bij mij! riep hij.
+
+Een oogenblik later, toen hij zich genoegzaam hersteld had, vraagde hij
+met vaste stem: Waar is de nieuwe Koning?
+
+--Dat is het juist, o Koning, wat wij wenschen te vernemen.
+
+--Wat gij mij vertelt heeft veel van een sprookje. Op mijn leeftijd is
+men al even nieuwsgierig als de kinderen. Het zou wreed zijn mij te lang
+in spanning te laten. Vertelt mij daarom alles en ik zal u eeren, zooals
+vorsten elkander eeren. Deelt mij alles mede wat gij van den jonggeborene
+weet, en ik zal u naar hem helpen zoeken. Zoodra wij hem gevonden hebben,
+zal ik voor hem doen wat ik kan; ik zal hem naar Jeruzalem laten komen
+en hem een vorstelijke opvoeding geven. Ik zal van mijn invloed bij den
+Keizer gebruik maken, om hem tot eer en aanzien te brengen. Van ijverzucht
+zal tusschen ons geen sprake zijn, dat zweer ik u. Maar vertelt mij eerst
+hoe gijlieden, door zeeën en woestijnen van elkander gescheiden, van zijne
+geboorte gehoord hebt.
+
+--Dat zal ik u naar waarheid zeggen, o Koning.
+
+--Spreek, zeide Herodes.
+
+Balthasar stond op en sprak: Er is een almachtig God.
+
+Herodes ontstelde zichtbaar.
+
+--Die almachtige God beval ons hierheen te reizen en beloofde ons, dat
+wij den Verlosser der wereld zouden zien, dat wij hem zouden zien en
+aanbidden, en van zijne komst getuigen. Tot teeken zagen wij ieder op de
+plaats waar wij ons bevonden eene ster. Gods Geest geleidde ons; o
+Koning, Gods Geest op dit oogenblik met ons!
+
+Een wonderlijk gevoel doorstroomde de drie vrienden. De Griek bedwong
+zich slechts met moeite. Herodes zag van den een naar den ander.
+Achterdocht en onwil maakten zich van hem meester. Gij wilt mij wat
+wijsmaken, zeide hij. Wat moet er volgen op de komst van den nieuwen
+Koning?
+
+De verlossing der menschen.
+
+--Van wat?
+
+--Van zonde.
+
+--Hoe?
+
+--Door Geloof, Liefde en Goede Werken.
+
+--Dan--maar hier zweeg Herodes even, zonder dat één trek op zijn gelaat
+verried wat in zijne ziel omging--zij gijlieden de herauten van den
+Messias. Is dat alles?
+
+Balthasar boog toestemmend.
+
+Herodes drukte weder op den schelknop. Een dienaar verscheen.--Breng de
+geschenken, beval de vorst.
+
+De dienaar ging, maar kwam weldra terug, en bood ieder der bezoekers
+knielende een prachtig overkleed en een gouden gordel aan, welke
+geschenken zij met Oostersche plichtplegingen aanvaardden.
+
+--Nog een woord, zeide Herodes, gij hebt gezegd dat gij een ster in het
+Oosten hebt gezien.
+
+--Ja, antwoordde Balthasar, zijne ster, de ster van den jonggeborene.
+
+--Wanneer ongeveer?
+
+--Toen ons bevolen werd hierheen te gaan.
+
+Herodes stond op, ten teeken dat de audiëntie was afgeloopen. Van zijnen
+troon dalende zeide hij vriendelijk: Indien gij, hooggeschatte mannen,
+hetgeen ik gaarne geloof, werkelijk de herauten zijt van den jonggeboren
+Messias, zoo weet dan, dat ik hedenavond de schriftgeleerden ondervraagd
+heb over deze dingen. Eenparig getuigen zij, dat hij te Bethlehem in
+Judea moest geboren worden. Daarom raad ik u: Gaat naar Bethlehem en
+zoekt naarstiglijk totdat gij hem vindt. En als gij hem gevonden hebt,
+komt dan weder, opdat ook ik moge gaan en hem aanbidden. Gaat in vrede
+en niemand zal u overlast aandoen. Dit gezegd hebbende liet de Koning
+hen alleen.
+
+Onmiddellijk daarop kwam 's Konings boodschapper binnen en geleidde de
+drie mannen weder naar de herberg terug. Daar gekomen riep de Griek vol
+geestdrift: Laat ons naar Bethlehem gaan, broeders, zooals de Koning ons
+geraden heeft.
+
+--Ja, riep de Hindoe, de Geest getuigt binnen in mij.
+
+--Het geschiede, zeide Balthasar opgewekt. Onze kameelen staan gereed.
+
+Na den deurwachter voor zijne moeite rijkelijk beloond te hebben stegen
+zij op, lieten zich den weg wijzen naar de Joppe-poort en vertrokken.
+Toen zij in het open veld gekomen waren en langs denzelfden weg gingen,
+dien Jozef en Maria zoo kort geleden begaan hadden, verscheen aan den
+hemel een licht, in het begin zwak en onduidelijk. Hun hart klopte
+hoorbaar. Het licht nam toe in kracht, zij sloten de oogen voor dien
+glans; toen zij ze weer openden,--zie, daar was de ster weder, maar niet
+onbewegelijk en hoog verheven als de andere sterren, neen, laag aan het
+firmament en zich zachtkens voortbewegende. Toen vouwden zij de handen
+en verheugden zich met groote vreugde. God is met ons! riepen zij
+herhaaldelijk, totdat ten laatste de ster zich verhief en stil bleef
+staan boven een afdak, gebouwd tegen de helling van een heuvel in de
+nabijheid der stad.
+
+
+ * * * * *
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+HET KINDEKE.
+
+
+Het was de derde nachtwake. De bergtoppen in het oosten werden reeds
+flauw verlicht door de opgaande zon; maar in de vallei heerschte nog
+nachtelijk donker. De wachter op het dak der oude herberg van Bethlehem
+luisterde huiverend van kou naar de eerste teekenen van ontwakend leven,
+toen hij eensklaps een licht op den heuvel achter het huis ontwaarde.
+Eerst meende hij dat het een toorts was, die iemand in de hand droeg,
+daarna zag hij het voor een meteoor aan; het werd helderder en
+helderder, en eindelijk zag hij dat het een ster was. Beangst door dat
+vreemde verschijnsel wekte hij allen die in huis waren. De meesten
+ijlden naar het platte dak. Het licht kwam steeds nader en wierp zijn
+schijnsel over rotsen, boomen en wegen; zijn glans werd zoo sterk dat
+de lieden de oogen moesten afwenden. De vreesachtigen vielen op hun
+aangezicht ter aarde en baden, de meer stoutmoedigen bedekten wel hunne
+oogen, maar beproefden toch gedurig naar het licht te kijken.
+
+Het duurde niet lang, of de herberg en hare geheele omgeving werden er
+door verlicht. Zij, die durfden opzien, bemerkten, dat de ster stil
+bleef staan boven den ingang der spelonk, waar het kind geboren was. Te
+midden van de heerschenden onrust kwamen de drie wijzen bij de herberg,
+stegen van hunne kameelen en begeerden binnengelaten te worden. Toen de
+deurwachter in zoover van den schrik bekomen was, dat hij aan hun
+verlangen kon voldoen, trok hij de grendels weg en opende de deur. In
+dat ongewone licht zagen de kameelen er waarlijk spookachtig uit en het
+vreemde, opgewonden voorkomen der drie reizigers was niet geschikt om
+den man gerust te stellen. In plaats van naar buiten te komen trok hij
+zich schuw terug en kon gedurende eenige minuten niet antwoorden op de
+hem gedane vraag: Is dit niet Bethlehem in Judea?
+
+Eerst toen de anderen er bij kwamen schepte hij moed en zeide: Neen, dit
+is slechts de herberg, de stad ligt verder.
+
+--Is hier niet een pasgeboren kind?
+
+De omstanders zagen elkander verbaasd aan; maar sommigen antwoordden
+toch: Ja, ja.
+
+--Breng ons bij hem, riep de Griek ongeduldig.
+
+--Ja, breng ons bij hem, herhaalde Balthasar, want wij hebben zijne ster
+gezien, dezelfde die gij daar boven het huis ziet, en zijn gekomen om
+hem te aanbidden.
+
+De Hindoe vouwde de handen en zeide: Waarlijk God leeft! Haast u, haast
+u! Wij hebben den Verlosser gevonden! Gezegend zijn wij boven alle
+menschen!
+
+De lieden, die nog op het dak waren, kwamen ook beneden en volgden de
+vreemdelingen, die door den wachter langs den ons bekenden weg gebracht
+werden naar de spelonk. Toen zij echter zagen dat het regelrecht op de
+ster afging, keerden sommigen uit angst terug, maar de overigen gingen
+mede. Zoodra de drie vreemdelingen de spelonk naderden rees de ster
+omhoog, al hooger en hooger in de lucht, om toen zij binnentraden uit
+het gezicht te verdwijnen.
+
+Zij, die getuige waren van wat nu plaats had, moesten weldra erkennen,
+dat tusschen de vreemdelingen en de ster een goddelijk verband bestond,
+waar ook de bewoners van den stal in betrokken waren. Die maar
+eenigszins kon drong mede naar binnen. In de spelonk brandde een
+lantaarn, die licht genoeg verspreidde, om de drie reizigers den weg te
+wijzen naar de moeder, die het kind in de armen hield.
+
+--Is dat uw kind? vraagde Balthasar aan Maria.
+
+En zij, die alles wat het kindeke betrof in haar hart bewaarde en
+overlegde, hief het omhoog zoodat het licht op zijn gelaat viel en
+zeide: Dat is mijn zoon.
+
+En zij vielen op de knieën en aanbaden hem.
+
+Zij zagen dat het kind volkomen gelijk was aan andere kinderen. Geen
+stralenkrans of aardsche kroon sierde zijn hoofd. Zijn lippen openden
+zich niet om te spreken. Hoorde het hunne vreugdebetuigingen, hunne
+gebeden, het gaf geen teeken hoegenaamd, dat het die begreep;
+integendeel, het deed wat andere kinderen zouden gedaan hebben--het
+staarde met alle aandacht naar de vlam.
+
+Toen zij het kindeke hunne hulde gebracht hadden, stonden zij op, gingen
+naar buiten naar hunne kameelen, en brachten hunne geschenken: goud en
+wierook en myrrhe, die zij voor het kind nederlegden. Dit was dus de
+Verlosser, om wien te zien zij van zooverre gekomen waren. Zonder te
+twijfelen aanbaden zij hem. Waarom? Hun geloof berustte op de teekenen,
+gegeven door Hem, dien wij als Vader hebben leeren kennen, en zij
+behoorden tot dezulken voor wie zijne beloften zoo algenoegzaam zijn,
+dat naar niets anders gevraagd wordt. Er waren slechts weinigen, die het
+teeken gezien en de belofte vernomen hadden--de Moeder en Jozef, de
+herders en zijzelven,--en die alle geloofden met een volkomen hart.
+
+
+ * * * * *
+
+
+BOEK II.
+
+
+ * * * * *
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+ROME EN JUDEA.
+
+
+Wij willen thans over een tijdruimte van 21 jaren heenstappen en staan
+in het begin der regeering van Valerius Gratus, den vierden keizerlijken
+gouverneur van Judea; een tijdvak, waarin Jeruzalem verdeeld werd door
+velerlei staatkundige twisten.
+
+Herodes de Groote was een jaar na de geboorte van het kindeke
+gestorven--een uiteinde zoo vreeselijk, dat de Christenwereld het
+misschien niet ten onrechte als een straf der Goddelijke Gerechtigheid
+beschouwt. Als alle eerzuchtige heerschers droomde hij van een dynastie
+te grondvesten. Daarom bepaalde hij in zijn testament, dat het rijk
+verdeeld zou worden onder zijne drie zonen, Antipas, Philippus en
+Archelaüs, welke laatste tevens den koningstitel moest erven. Dat
+testament moest natuurlijk door keizer Augustus bekrachtigd worden, die
+dan ook alle bepalingen goedkeurde, uitgenomen ééne--hij weigerde
+Archelaüs den titel van koning te verleenen, voordat deze van zijne
+bekwaamheid en trouw bewijzen zou hebben gegeven. In plaats daarvan gaf
+hij hem den titel van ethnarch. Als zoodanig heeft hij negen jaar
+geregeerd en werd toen wegens wangedrag en onbekwaamheid afgezet en naar
+Gallië verbannen.
+
+De keizer liet het daar niet bij. Hij trof de bewoners van Jeruzalem op
+een wijze, die hun hoogmoed pijnlijk kwetste. Judea werd namelijk een
+Romeinsche provincie verklaard en bij prefectuur van Syrië gevoegd. In
+plaats dus dat een koning met vorstelijke praal in het paleis op den
+berg Sion troonde, werd de stad bestuurd door een beambte van den
+tweeden rang, onder den titel van procurator, die, om de vernedering nog
+grievender te maken, niet eens te Jeruzalem mocht wonen, maar te Cesarea
+verblijf moest houden. Maar wat hun het meest van alles moest krenken
+was dat Samaria, het zoo diep verachte Samaria, aan Judea werd
+toegevoegd om te zamen ééne provincie te vormen.
+
+Eén troost bleef het volk echter nog over en wel deze, dat de
+hoogepriester het koninklijke paleis bewonen mocht en in schijn althans
+de vierschaar spande. Veel te beteekenen had het niet, want de uitspraak
+van een vonnis, de beslissing over leven en dood, berustten bij den
+procurator. Het recht werd uitgeoefend in den naam en volgens de wetten
+van Rome, en het paleis zelf werd behalve door den hoogepriester bewoond
+door den Romeinschen beambte met al zijne trawanten. Toch was voor het
+volk, dat van betere tijden droomde, eene zekere voldoening in het feit,
+dat de hoogst aanwezige in het paleis een Jood was. Zijne tegenwoordigheid
+herinnerde hun de beloften der profeten en den tijd, toen Jehova de
+stammen regeerde door de zonen van Aäron; het strekte hun ten teeken dat
+God hen niet verlaten had, en leerde hen met geduld wachten op de komst
+van den zoon uit Judea's stam, die over Israël heerschen zou.
+
+Ruim tachtig jaren was Judea een provincie geweest van het Romeinsche
+rijk, lang genoeg voor de keizers om te weten, dat de Jood met al zijn
+trots gemakkelijk kon geregeerd worden, zoo men zijn godsdienst maar
+eerbiedigde. Hierop acht gevende hadden Gratus' voorgangers zich
+zorgvuldig onthouden van eenige bemoeiing met de heilige gebruiken
+hunner onderdanen. Gratus sloeg echter een anderen weg in. Een van zijn
+eerste openbare handelingen was de ontzetting van den hoogepriester
+Annas, en de verheffing van Ismaël, den zoon van Fabus. Deze daad,
+hetzij op bevel van Augustus gepleegd, of uit eigen beweging, wekte
+groote ontevredenheid. Wij zullen den lezer niet vermoeien met een
+uitvoerig verslag van de Joodsche politiek dier tijden, maar moeten er
+toch tot beter begrip van ons verhaal met een enkel woord van gewagen.
+
+In die dagen waren in Judea twee partijen, die der aanzienlijken en die
+des volks. Na Herodes' dood vereenigden die beide zich tegen Archelaüs,
+en bestreden hem nu eens door list, dan door geweld van wapenen. Meer
+dan eens weerklonken de heilige hallen op Moria van krijgsgeschreeuw.
+Schoon uiterlijk vereenigd hielden de bondgenooten ieder hun eigen
+belangen in het oog. De edelen haatten Joazar den hoogepriester, het
+volk daarentegen hing hem van harte aan. Toen Archelaüs viel sleepte hij
+Joazar mede in zijnen val. Annas werd door de edelen tot hoogepriester
+gekozen. Dat gaf het sein tot scheiding, en van nu stonden de vroegere
+bondgenoten vijandig tegenover elkander. Gedurende den strijd met den
+ongelukkigen Archelaüs had de partij der edelen raadzaam geacht zich met
+Rome te verbroederen, en van hen ging het plan uit om Judea tot een
+Romeinsche provincie te maken. Nieuwe reden tot haat voor de volkspartij,
+en toen Samaria aan Judea werd toegevoegd, geraakte de partij der edelen
+verre in de minderheid en bleven zij zonder anderen steun dan het
+keizerlijke hof en het prestige van hun rang en rijkdom.
+
+In weerwil daarvan wisten zij zich toch nog vijftien jaren lang, tot aan
+de komst van Valerius Gratus, te handhaven in het paleis en in den
+tempel. Annas, de door hen verkozen hoogepriester, had zijne macht trouw
+gebruikt ten voordeele van zijn keizerlijken heer. Een Romeinsch
+garnizoen bezette den burcht Antonia, een Romeinsche wacht bewaakte de
+poorten van het paleis, een Romeinsch rechter deed uitspraak in de beide
+rechten, een Romeinsch belastingssysteem, met groote gestrengheid
+toegepast, drukte stad en land. Dagelijks werd het volk op duizenderlei
+wijze gekweld en moest het zijne afhankelijkheid gevoelen.
+
+Toch vermocht Annas hen betrekkelijk rustig te houden. Rome bezat géén
+trouwer vriend, en bij zijn aftreden werd zijn gemis diep gevoeld.
+Zoodra Ismaël in zijne plaats het hoogepriesterlijk kleed had aangedaan,
+verruilde Annas de tempelhoven met de raadzaal der volkspartij en wijdde
+zich voortaan aan hare belangen. Het vuur, dat vijftien jaren gesmeuld
+had, dreigde met vernieuwde kracht op te vlammen. Een maand na Ismaëls
+verheffing tot hoogepriester achtte Gratus, de procurator, noodig hem te
+Jeruzalem te bezoeken. Toen de Joden, die hem van de wallen uitfloten,
+zagen, dat zijne wacht door de Noordpoort Jeruzalem binnentrok en naar
+den burcht Antonis marcheerde, begrepen zij het ware doel zijner komst:
+een gansche cohorte van Romeinsche legioenen werd aan het reeds
+aanwezige garnizoen toegevoegd, en de strop om hun hals nauwer
+aangehaald. Wee den overtreder, als de procurator soms noodig mocht
+achter een voorbeeld te stellen.
+
+
+ * * * * *
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+MESSALA EN JUDA.
+
+
+Op de hoogte van den stand van zaken, kunnen wij thans den lezer
+verzoeken, ons in den geest te volgen naar een der tuinen van het paleis
+op den berg Sion. Het is een warme namiddag in de maand Juli. De tuin is
+aan alle zijden omgeven door gebouwen, van veranda's en galerijen
+voorzien, en door open kolonnaden met elkander verbonden, zoodat de
+wandelaar, indien er een windje waait, in de gelegenheid wordt gesteld
+er zijn voordeel mede te doen.
+
+De aanleg van den hof is streelend voor het oog. Lanen, grasperken,
+sierlijke heesters, enkele hooge boomen, bieden rijke afwisseling.
+In het midden een springfontein, wier heldere waterstraal de naaste
+omgeving koel houdt.
+
+Niet ver van die fontein zaten twee knapen van negentien en zeventien
+jaar in ernstige gesprekken verdiept. Bij den eersten aanblik zou men
+hen voor broeders gehouden hebben. Beiden waren zwart van haar en oogen,
+beider gelaat was door de zon verbrand. De oudste zat blootshoofds. Een
+ruime tunica, tot aan de knie reikend, was zijn eenig bekleedsel, zijn
+lichtblauwe mantel strekte hem tot zitkussen. De tunica van fijne,
+grijze wollen stof, met rood omboord en om het midden bevestigd met een
+zilveren koord, maakt den Romein kenbaar, en, indien hij onder het
+spreken wel eens uit de hoogte neerziet op zijn makker en hem als zijn
+mindere behandelt, wie, die weet dat hij tot een der voornaamste
+geslachten van Rome, het geslacht Messala, behoort, zal het hem euvel
+duiden?
+
+In de bloedige oorlogen tusschen den eersten keizer en zijn groote
+tegenstanders was een Messala de vriend geweest van Brutus. Later, toen
+Octavianus om de kroon streed, ondersteunde Messala hem. Octavianus,
+keizer Augustus geworden zijnde, gedacht zijne diensten en overlaadde
+zijn geslacht met eerbewijzen. Toen Judea een provincie van het
+Romeinsche rijk geworden was, zond hij den zoon van zijn ouden vriend
+als ontvanger der belasting naar Jeruzalem, in welke hoedanigheid hij
+met den hoogepriester het paleis bewoonde. De jongeling met wien wij
+zooeven kennis maakten was zijn zoon, en die jeugdige Messala was er
+niet weinig trotsch op, dat zijn grootvader in zoo nauwe betrekking
+gestaan had tot de edelsten onder de Romeinen.
+
+De andere knaap was tengerder van gestalte. Zijn kleeding was van fijn
+wit linnen, zooals men ze gewoonlijk in Jeruzalem droeg, en een laag in
+den nek neerhangende doek beschermde zijn hoofd tegen de zonnestralen.
+Zijn gelaat was van het zuiver Joodsche type. Was de schoonheid van den
+Romein streng en klassiek, die van de Joodschen knaap was weelderig en
+aanvallig.
+
+--Zeidet gij niet dat de nieuwe procurator morgen komt? vraagde de
+jongste der knapen in het Grieksch, de taal die toen, vreemd genoeg,
+in Judea overal gebruikelijk was onder het beschaafd publiek.
+
+--Ja, morgen, antwoordde Messala.
+
+--Wie heeft het u verteld?
+
+--Ik heb het Ismaël, den nieuwen gouverneur van het paleis, gij noemt
+hem den hoogepriester, gisterenavond aan mijn vader hooren vertellen.
+Ik geef toe, dat het meer geloofwaardig zou zijn, als een Egyptenaar, of
+zelfs een Idumeër het gezegd had; daarom heb ik het van morgen aan een
+hoofdman van den burcht gevraagd. Hij zeide dat alles voor de ontvangst
+in gereedheid werd gebracht, dat de wapenknechten helmen en schilden
+oppoetsten en de arenden verguldden; dat ongebruikte vertrekken schoon
+gemaakt en gelucht werden, alsof men eene vermeerdering van garnizoen
+wachtte; de lijfwacht misschien van den grooten heer.
+
+Een schaduw vloog over Juda's gelaat; hij staarde op den grond.
+
+--Herinnert gij u nog, vraagde Messala, dat wij hier in den tuin
+afscheid van elkander namen, toen ik naar Rome ging? De vrede Gods
+vergezelle u! dat waren uw laatste woorden, en ik zeide: Mogen de goden
+u bewaren. Hoe lang is dat nu al geleden?
+
+--Vijf jaar, antwoordde de ander.
+
+--Nu, gij hebt alle reden van dankbaarheid jegens--ja, jegens wie? De
+goden?... Wel, het doet er niet toe. Gij zijt flink opgegroeid, de
+Grieken zouden u mooi noemen. Was Jupiter maar tevreden met één
+Ganymedes, wat een kostelijke schenker zoudt gij dan niet voor den
+keizer zijn. Maar zeg mij, Juda, waarom stelt gij zooveel belang in de
+komst van den procurator?
+
+Juda sloeg de groote ogen op en zag zijnen vriend ernstig aan.--Ja, vijf
+jaren, zeide hij. Ik herinner het mij nog heel goed. Gij gingt naar
+Rome. Ik zag u wegrijden en weende, want ik had u lief. De jaren zijn
+voorbijgegaan en gij zijt tot mij teruggekeerd, goed onderwezen, en
+vorstelijk in uw voorkomen--neen, ik scherts niet; maar toch, toch wilde
+ik dat gij dezelfde Messala waart van vroeger.
+
+--Neen, neen, geen Ganymedes, een orakel is mijn vriend Juda. Enkele
+lessen bij mijn ouden leermeester in de rhetorica, vlak bij het Forum,
+een weinig oefening in de kunst der mysteriën, en Delphi zal in u Apollo
+zelven zien. Maar alle gekheid ter zijde, in welk opzicht ben ik niet de
+Messala, die ik was bij mijn vertrek? Ik heb eenmaal onder het gehoor
+gezeten van den grootsten philosoof onder de zon. Eén gezegde herinner
+ik mij nog: Tracht uw tegenstander te begrijpen voordat gij hem
+antwoordt.--Stel mij in de gelegenheid u te begrijpen.
+
+Een donkere blos steeg Juda naar 't gelaat onder Messala's spottenden
+blik; toch antwoordde hij op vasten toon: Ik bemerk dat gij uw tijd goed
+gebruikt hebt. Gij hebt veel kennis opgedaan, gij spreekt met groote
+gemakkelijkheid, maar in uwe woorden ligt een angel verborgen. Toen mijn
+vriend Messala wegging was zijne natuur giftvrij. Voor niets ter wereld
+zou hij zijn vriend gegriefd hebben.
+
+De Romein glimlachte, alsof hij zich gestreeld voelde en hief het hoofd
+trotsch omhoog. O, plechtstatige Juda, wij zijn niet te Dodona. Laat
+dien orakeltoon varen, druk u duidelijk uit. Waarmede heb ik u gegriefd?
+
+De ander haalde diep adem, trok de koorden van zijn kleed wat stijver
+aan en zeide: In die vijf jaren heb ik ook wel wat geleerd. Hillel moge
+niet gelijk staan met uw onderwijzer in de logica, en Simeon en Shammai
+niet in één adem te noemen zijn met uw leeraar bij het Forum; maar hunne
+leer gaat niet op verboden wegen. Die aan hunne voeten zit, gaat heen
+vervuld met de kennisse Gods, met de kennis der wet en van Israël; en de
+vrucht daarvan is liefde en eerbied voor alles wat daarop betrekking
+heeft. Door het bijwonen der vergaderingen van den Grooten Raad en het
+bestudeeren van hetgeen ik daar vernam, ben ik tot het inzicht gekomen,
+dat Judea niet is wat het vroeger was. Ik ken het onderscheid tusschen
+een onafhankelijk koninkrijk en de weinig beteekende provincie, die
+Judea thans is, en zou een nietswaardige zijn, ellendiger nog dan een
+Samaritaan, indien de vernedering van mijn land mij niet diep ter harte
+ging. Ismaël is niet de rechtmatige hoogepriester, en kan dat niet zijn,
+zoolang de edele Annas leeft; maar toch is hij een Leviet, een van de
+Godgewijden, die duizenden van jaren den Heer onzen God gediend hebben
+naar onze wetten. Zijn--
+
+Messala viel hem spotachtig lachend in de rede en zeide: O, nu begrijp
+ik u. Ismaël is, zegt gij, een indringer; maar dat ik een Idumeër eer
+gelooven zou dan hem steekt u,--bij alle goden van den Olympus, wat zijt
+gij, Joden, toch zeldzame wezens! Menschen en dingen, hemel en aarde
+veranderen, maar een Jood verandert nooit. Voor hem bestaat geen voor-
+of achterwaarts; hij is wat zijne voorvaders in het begin waren. Kijk,
+ik trek een cirkel in het zand--zoo! en toon mij nu eens aan, waarin het
+leven van een Jood verschilt. In de rondte, in de rondte, Abram hier,
+Izaäk en Jakob daar, God in het midden. En de cirkel,--bij den
+dondergod! de cirkel is nóg te groot. Ik zal een nieuwen trekken.
+
+Hij zweeg, zette zijn duim op den grond en draaide er met de
+uitgestrekte vingers omheen. Kijk, mijn duim wijst de plaats aan waar de
+tempel staat, met de vingertoppen trek ik de grenzen van Judea. Is er
+buiten die grenzen iets, dat ulieden belang inboezemt? De kunsten
+misschien? Herodes was een bouwmeester, daarom is hij vervloekt.
+Schilder- of beeldhouwkunst? Het beschouwen van hare voortbrengselen is
+zonde. De dichtkunst hebt gij gebonden aan uwe altaren. Wie van u waagt
+het als redenaar op te treden, behalve in de synagoge? In den oorlog
+verliest gij op de zevenden dag alles wat gij op de zes voorafgaande
+gewonnen hebt. Zoo is uw leven, uw gezichtskring. Wie zal mij ten kwade
+duiden als ik daarover lach? Wat is uw God, tevreden met de aanbidding
+van zulk een volk, vergeleken met onzen Jupiter, die ons zijne adelaars
+afstaat, om er de gansche wereld mee te veroveren? Hillel, Simeon,
+Shammai, wat zijn die allen, vergeleken met de meesters, die ons leeren
+dat alles wat geweten kan worden wetenswaard is?
+
+De Jood stond op, zijne oogen schoten vuur.
+
+--Neen, neen, blijf zitten, Juda, blijf zitten, riep Messala, de hand
+naar hem uitstrekkende.
+
+--Gij bespot mij.
+
+--Luister nog even, zeide Messala lachend. Ik ben u werkelijk dankbaar,
+dat gij het oude huis uwer vaderen verlaten hebt om mij hier te komen
+verwelkomen en onze vroegere vriendschap weder aan te knoopen, indien
+ons dat mogelijk is. Ga, zeide mijn leermeester bij zijn laatste les,
+ga, en zoo gij beroemd wilt worden, bedenk dan dat Mars regeert en Eros
+zijne oogen gevonden heeft. Hij bedoelde: liefde is niets, oorlog alles.
+Zoo is het in Rome. Het huwelijk is de eerste stap tot echtscheiding.
+Eros is gevallen, Mars regeert. Ik word soldaat; maar u, Juda, beklaag
+ik, want wat kunt gij worden?
+
+Juda zweeg.
+
+--Ja, ik beklaag u, arme Juda. Van de school in de synagoge, dan naar
+den tempel, en dan, o heerlijkheid, een zetel in het Sanhedrin. Een
+leven zonder vooruitzichten! Maar ik--en Juda zag hem in het van
+overmoed stralend gelaat,--maar ik--nog is de wereld niet veroverd. De
+zee bergt onbekende eilanden. In het noorden leven nog volken, waarmede
+wij een lans kunnen breken. Alexanders tocht naar het verre oosten te
+voleindigen blijft nog voor den een of ander over. Hoevele gelegenheden
+heeft een Romein dus om zich te onderscheiden.
+
+Na een korte pauze hervatte hij: een veldtocht naar Afrika, een
+veldtocht naar Scythië, dan--een legioen! De meesten eindigen hunne
+loopbaan daarmede, niet alzoo ik. Ik, bij Jupiter, welk een
+vooruitzicht, ik zal mijn legioen opgeven voor een prefectuur. En wat
+wil dat niet zeggen! een leven in Rome met geld--geld, wijn, vrouwen,
+spelen, dichters bij het feestmaal, intriges aan het hof, dobbelspel het
+gansche jaar door. Ziedaar het leven dat ik verlang--een voordeelige
+prefectuur, en ik heb alles wat ik begeer. O Juda! hier is Syrië! Judea
+is rijk; Antiochië een hoofdstad voor de goden. Ik word de opvolger van
+Cyrenius, en gij--zult mijn geluk met mij deelen.
+
+Romeinsche sophisten en rederijkers zouden Messala waarschijnlijk
+toegejuicht hebben; maar den jongen Jood klonken deze dingen vreemd in
+de ooren. Het was zoo geheel anders dan hij gewoon was. De wetten en
+zeden van zijn volk lieten satire noch humor toe, geen wonder dus dat
+hij met gemengde gewaarwordingen naar zijn vriend luisterde, het eene
+oogenblik verontwaardigd, het andere niet wetende wat er van te maken.
+Messala's hooghartige houding had hem dadelijk onaangenaam getroffen,
+weldra werd zij hem zeer hinderlijk, ten slotte onverdragelijk. In zulke
+gevallen is men licht geneigd tot toorn, en niet dan met de grootste
+moeite bedwong Juda zich, om met een stijf lachje te kunnen zeggen:
+Ik heb wel eens hooren beweren, dat er menschen zijn, die met hunne
+toekomst kunnen spotten; ik bemerk dat ik niet tot hun getal behoor.
+
+De Romein zag hem onderzoekend aan en zeide: Waarom zou men de waarheid
+niet even goed in schertsenden vorm mogen voorstellen, als in een
+parabel? Onlangs ging de groote Fulvia visschen; zij ving meer dan het
+geheele overige gezelschap te samen. De reden daarvan was, zeide men,
+dat zij een gouden haak aan haar hengel had.
+
+--Dan was wat gij daar straks zeidet niet alles in scherts gezegd?
+
+--Vriend Juda, ik zie dat ik u niet genoeg geboden heb. Zoodra ik
+prefect ben, met Juda om mij te verrijken, maak ik u tot hoogepriester.
+
+Juda wendde zich toornig af.
+
+--Ga niet heen, bad Messala.
+
+De ander bleef besluiteloos staan.
+
+--Groote goden, Juda, wat wordt het warm! riep de Romein, om een wending
+aan het gesprek te geven. Laat ons een plekje in de schaduw zoeken.
+
+Maar Juda antwoordde koel: Het is beter als wij van elkander gaan.
+Ik wilde dat ik niet gekomen was. Ik zocht een vriend en vond--
+
+--Een Romein, vulde Messala aan.
+
+Juda balde de vuisten krampachtig; maar zich nogmaals bedwingende ging
+hij heen. Messala stond op, nam zijn mantel, wierp dien over zijn
+schouder en volgde zijn vriend. Toen hij hem ingehaald had legde hij
+zijn hand op Juda's schouder en liep naast hem voort. Weet gij nog wel,
+zeide hij, dat wij als kinderen altijd zoo liepen, ik met mijn hand op
+uw schouder? Laat ons zoo voortgaan tot aan de poort?
+
+Messala deed klaarblijkelijk zijn best om ernstig en vriendelijk te
+zijn; maar zijn gelaat behield de gewone spotachtige uitdrukking. Juda
+onttrok zich niet aan dat bewijs van toenadering.
+
+--Gij zijt een knaap, ik ben een man; sta mij toe als man tot u te
+spreken.
+
+Het zelfbehagen, waarmede de Romein dit zeide, was werkelijk eenig.
+Mentor, den jongen Telemachus wijze lessen gevende, had het hem niet
+kunnen verbeteren.
+
+--Gelooft gij aan de Parcen? Maar 't is waar, ik vergat dat gij een
+Sadduceër zijt. De Esseërs, dat zijn bij u de verstandige lieden; zij
+gelooven aan de zusters. Ik ook. Wat zit dat drietal ons altijd in de
+weg bij het plannen maken! Ik ben bezig een plan te maken. Ik baken mijn
+weg af, hierheen en daarheen, bij Apollo, op het oogenblik dat ik de
+hand uitstrek om mijn doel te bereiken, hoor ik achter mij haar schaar
+knarsen. Ik zie om, en daar is zij!--Maar Juda, waarom werdt gij half
+razend toen ik van de mogelijkheid sprak, dat ik Cyrenius zou opvolgen?
+Dacht gij dat ik mijzelven wilde verrijken door uw Judea te plunderen?
+En gesteld dat het zoo was, op een goeden dag zal de eene of andere
+Romein dat zeker doen--waarom ik dan niet?
+
+Juda vertraagde zijnen stap.
+
+--Vreemde overheerschers hebben Judea onderdrukt, voordat de Romeinen
+het onderwierpen, zeide hij op plechtigen toon. Waar zijn zij gebleven,
+Messala? Judea heeft ze allen overleefd. Wat eenmaal was zal wederom
+zijn.
+
+Op luchthartigen toon antwoordde Messala: De Parcen hebben nog meer
+aanhangers behalve de Esseërs. Welkom, Juda, gij zijt een van de haren.
+
+--Neen, Messala, reken mij daar niet toe. Mijn geloof rust op de rots,
+die de grondslag was van het geloof mijner vaderen--op het verbond van
+den God van Israël.
+
+--Veel te hartstochtelijk, Juda! Wat zou mijn leermeester zich geërgerd
+hebben, als ik mij in zijne tegenwoordigheid zoo had durven opwinden! Er
+waren nog andere dingen, die ik u had willen vertellen; maar nu durf ik
+niet.
+
+Zwijgend gingen zij een eind verder, toen begon Messala weer: Ik geloof
+dat gij thans wel weder in staat zijt om naar mij te luisteren, vooral
+omdat wat ik te zeggen heb uzelven betreft. Ik zou u, mijn schoone
+Ganymedes, gaarne van dienst zijn. Ik houd van u, zooveel als ik maar
+kan. Ik zeide u, dat ik van plan ben soldaat te worden. Waarom zoudt gij
+mijn voorbeeld niet volgen? Waarom zoudt gij niet uit den engen cirkel
+stappen, waarin uw leven besloten moet zijn, wanneer gij hier blijft?
+
+Juda gaf geen antwoord.
+
+--Wie zijn in onze dagen de wijzen? vervolgde Messala. Niet zij die hun
+leven doorbrengen in twisten over doode zaken, over Baäls, Jupiters en
+Jehova's, over wijsbegeerten en godsdiensten. Noem mij één grooten naam,
+onverschillig waar gij hem vandaan haalt--uit Rome, Egypte, het Oosten,
+of hier uit Jeruzalem, en Pluto moge mij hebben, als die naam niet
+toebehoort aan een man, die zijn roem schiep uit het materiaal, dat het
+tegenwoordige hem verschafte, die iets heilig achtte, dat hem niet
+diende, en iets verachtte, dat hem zijn doelwit kon helpen bereiken.
+Hoe was het met Herodes? Hoe met de Makkabeën? Hoe met den eersten en
+tweeden keizer? Volg hen na. Begin vandaag nog. Rome is even
+bereidwillig om u te helpen, als den Idumeër Antipater.
+
+De Joodschen knaap trilde van toorn, en daar de poort openstond
+versnelde hij zijnen stap, om zoo spoedig mogelijk vrij te zijn. O Rome,
+Rome, mompelde hij.
+
+--Wees wijs! zeide Messala. Geef de dwaasheden van Mozes en de
+overleveringen op. Beschouw de werkelijkheid zooals zij is. Heb den moed
+om de Parcen in de oogen te zien en zij zullen u zeggen: Judea is wat
+Rome wil, dat het zijn zal.
+
+Thans waren zij aan de poort gekomen. Juda stond stil en zag Messala
+aan, de oogen vol tranen. Ik begrijp u, zeide hij, omdat gij een Romein
+zijt; gij kunt mij niet begrijpen, omdat ik een Israëliet ben. Gij hebt
+mij pijn gedaan door mij te doen gevoelen, dat wij nooit meer de
+vrienden kunnen zijn, die wij vroeger waren--nooit meer. Hier scheiden
+wij. De vrede van den God mijner vaderen zij met u!
+
+Messala bood hem de hand, maar Juda ging de poort door en verdween. De
+Romein bleef een oogwenk peinzend staan, toen ging ook hij verder met de
+woorden: Het zij zoo. Eros is dood, Mars regeert!
+
+
+ * * * * *
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+JUDA THUIS.
+
+
+Juda stapte intusschen haastig voort, verscheidene straten door, totdat
+hij een hecht, vierkant gebouw bereikte, waar hij aanklopte. Toen hem
+was opengedaan, trad hij een smalle gang in, aan beide zijden van
+steenen banken voorzien, zwart van ouderdom. Aan het einde van die gang
+voerde een trap van vijftien treden naar een binnenplaats, aan drie
+zijden door het huis ingesloten, hetwelk beneden verdeeld was in vakken,
+terwijl de bovenverdieping van terrassen voorzien was. De bedienden, die
+af en aan gingen, het geluid van malende molensteenen, de kleedingstukken,
+die aan de drooglijnen hingen, de kippen en duiven, de geiten, koeien,
+ezels en paarden in de vakken gestald, een groote waterbak--alles toonde
+duidelijk aan, dat deze binnenplaats voor huishoudelijke doeleinden
+gebruikt werd. Aan de oostzijde was een tusschenmuur, waardoor een poort
+toegang verleende tot een tweede plaats, ruim en vierkant, in een hof
+herschapen door heesters en klimplanten, bloeiend en frisch gehouden
+door een fontein in het midden. Hier waren de vakken tot vertrekjes
+ingericht, hoog, luchtig, en van wit- en roodgestreepte voorhangsels
+voorzien. Uit dezen hof voerde een trap naar de terrassen op de
+bovenverdieping, vanwaar een tweede trap naar het platte dak leidde, dat
+rondom door een borstwering omgeven was. Uit de geheele inrichting van
+deze woning kon men zien, dat de bewoners lieden van aanzien waren.
+
+In den hof gekomen begaf Juda zich tusschen het bloeiend struikgewas
+door naar de trap, om het terras te bereiken en zijn eigen kamer op te
+zoeken. Het zware gordijn oplichtende, dat den toegang afsloot, trad hij
+binnen en wierp zich voorover op den divan. Zoo bleef hij uren liggen,
+totdat tegen den avond een vrouw op den drempel verscheen en zijn naam
+noemde. Op zijn toestemming trad zij binnen. Het avondeten is gebruikt,
+zeide zij, het is geheel donker. Heeft mijn zoon geen honger?
+
+--Neen.
+
+--Zijt gij ziek?
+
+--Ik heb slaap.
+
+--Uwe moeder heeft naar u gevraagd.
+
+--Waar is zij?
+
+--In het zomerhuisje op het dak.
+
+Juda richtte zich op en zat overeind. Heel goed, breng mij iets te eten.
+
+--Wat zal ik u brengen?
+
+--Wat gij wilt, Amrah. Ik en niet ziek; maar het is mij alles
+onverschillig. Het leven lacht mij niet meer zoo vriendelijk toe als van
+morgen. 't Is een nieuwe ziekte, Amrah; en gij, die mij zoo goed kent en
+mij altijd in alles geholpen hebt, moet nu maar eens iets bedenken, dat
+te gelijk tot voedsel en medicijn kan dienen. Breng mij dus wat gij
+noodig oordeelt.
+
+Amrah's vragen en haar zachte sympathieke toon spraken van een innige
+verhouding tusschen die beiden. Zij legde hare hand op zijn voorhoofd,
+en verwijderde zich toen zeggende: Ik zal er voor zorgen. Een poosje
+later kwam zij terug en bracht op een houten blad een beker wijn, een
+kom melk, een paar sneedjes wittebrood, een stuk gebraden kip, honing en
+zout, en een bronzen lamp. Nu schoof Amrah een tafeltje aan, zette het
+blad daar op en knielde naast den divan neder om den knaap te bedienen.
+
+Oogenschijnlijk was zij een vrouw van vijftig jaren, donker van
+uitzicht, donker van oogen. Een witte tulband bedekte haar hoofd, de
+oorlapjes echter vrij latende, die het merkteeken droegen van haren
+stand in de maatschappij.
+
+Zij was een Egyptische slavin, aan wie zelfs het heilige vijftigste jaar
+niet de vrijheid zou hebben kunnen hergeven, wat zij overigens ook niet
+begeerde, want de knaap, dien zij verzorgde, was haar lief als haar
+leven. Zij had hem van zijn vroegste jeugd verpleegd en vond daarin haar
+geluk.
+
+Hij sprak slechts eenmaal gedurende den maaltijd. Amrah, herinnert gij u
+Messala nog, die vroeger soms heele dagen bij mij kwam?
+
+--Zeker.
+
+--Hij ging eenige jaren geleden naar Rome en is nu teruggekomen. Ik ben
+van middag bij hem geweest.
+
+Een beweging van onwil maakte Amrah alles duidelijk. Ik begreep dadelijk
+dat u iets onaangenaams was overkomen, zeide zij hartelijk. Ik heb nooit
+van dien Messala gehouden. Vertel mij alles.
+
+Juda verviel echter in een mijmering en antwoordde op haar dringend
+vragen alleen dit: Hij is zeer veranderd en ik wil niets meer met hem te
+doen hebben.
+
+Toen Amrah het blad wegnam stond ook Juda op en begaf zich naar het
+platte dak.
+
+In het oosten wordt het dak van het huis tot allerlei doeleinden
+gebruikt. De hitte drijft gedurende de middaguren den gemaklievende in
+de koele, donker gemaakte vertrekken. Zoodra echter de zon ten ondergang
+neigt, komt hij naar buiten en begeeft zich op het platte dak zijner
+woning, dat hem en de zijnen tot huiskamer, salon, speelplaats,
+bidvertrek dient. Worden in kouder klimaat geen kosten gespaard om het
+inwendige van een huis te verfraaien, in het oosten besteedt men de
+meeste moeite om het platte dak geriefelijk, zelfs weelderig in te
+richten. De hangende tuinen van Babylon kunnen ons een denkbeeld geven
+hoever dat streven eindelijk ging.
+
+Juda stak het dak over naar de torenkamer in den noordwestelijken hoek
+van het huis. Den voorhang ter zijde schuivende trad hij binnen. Het was
+er donker; maar daar aan vier zijden boogvormige openingen waren
+aangebracht, kon men de sterren aan den hemel zien schitteren. In een
+van die openingen rustte een vrouw in halfliggende houding op een divan.
+Toen zij hem hoorde naderen liet zij haren waaier op de knie zinken en
+riep: Juda, mijn zoon!
+
+--Hier ben ik, moeder, antwoordde hij, en knielde voor haar neder,
+terwijl zij beide armen om zijn hals sloeg en hem teederlijk kuste.
+
+
+ * * * * *
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+JUDA'S MOEDER.
+
+
+De moeder hernam hare gemakkelijke houding en de zoon zette zich op den
+grond, het hoofd tegen hare knie geleund. Beiden staarden door de
+opening over de lagere huizen naar de bergen in het westen. Rondom hen
+heerschte diepe stilte, alleen een zacht windje ruischte door de lucht.
+
+--Amrah heeft mij verteld dat u iets onaangenaams is overkomen, zeide
+zij zacht.--Toen mijn Juda nog een kind was, mocht hij zich door
+kleinigheden laten ontstemmen; maar nu hij een man geworden is moet hij
+niet vergeten, dat hij eenmaal mijn held zal zijn.
+
+Zij sprak in de taal, waarvan men zich slechts zelden meer bediende;
+maar die bij enkele aanzienlijke familiën in eere gehouden werd, om het
+onderscheid tusschen Joden en Heidenen scherp af te teekenen, de taal,
+waarin Rebekka en Rachel hare kinderen in slaap zongen.
+
+Die woorden stemden Juda weder tot nadenken. Na een poosje echter greep
+hij de hand, waarmede zij hem koelte aanbracht, en zeide: Ja moeder,
+vandaag is mij allerlei door het hoofd gegaan, waaraan ik nog nooit
+gedacht heb. Zeg mij allereerst: wat moet ik worden?
+
+--Heb ik het u niet reeds gezegd? Gij moet mijn held worden.
+
+Hij kon haar gelaat niet zien, maar hij wist dat zij scherste. Op
+ernstigen toon zeide hij: Wat zijt gij toch lief en goed, moeder.
+Niemand kan ooit zooveel van mij houden als u.
+
+Hij kuste herhaaldelijk hare hand.--Ik begrijp wel waarom u mijne vraag
+niet dadelijk wilt beantwoorden. Tot nu heeft mijn leven u behoord. Hoe
+zacht, hoe liefelijk was uwe leiding. Ik wilde dat het altijd zoo kon
+blijven; maar dat is onmogelijk. Het is des Heeren wil, dat ik eenmaal
+mijzelven zal toebehooren--een droevige dag, een dag van scheiding wacht
+ons. Laat ons moedig en ernstig zijn. Ik wil uw held worden; maar u moet
+mij helpen. U kent de wet--ieder Israëliet moet een bepaalden werkkring
+hebben. Ik zoo goed als een ander, en daarom vraag ik: Wat zal ik
+worden? Zal ik de kudden verzorgen? of den akker bebouwen? of de zaag
+ter hand nemen? of zal ik schrijver of schriftgeleerde worden? Wat zal
+het zijn? Lieve, goede moeder, help mij het antwoord vinden.
+
+--Gamaliël heeft zeker vandaag een voordracht gehouden, zeide zij op
+peinzenden toon.
+
+--'t Is mogelijk; maar ik was niet onder zijn gehoor.
+
+--Dan hebt gij gewandeld met Simeon, die, naar men zegt, het talent van
+zijne familie geërfd heeft.
+
+--Neen, ik heb hem niet gezien. Ik ben in het paleis geweest, niet in
+den tempel. Ik heb den jongen Messala een bezoek gebracht.
+
+Een zekere verandering in zijn toon trok de aandacht der moeder. Een
+angstig voorgevoel versnelde haar harteklop. De waaier bleef weder
+rusten.
+
+--Messala? Wat kon die zeggen om u onrustig te maken?
+
+--Hij is zeer veranderd, moeder.
+
+--Gij bedoelt, dat hij als Romein terugkwam?
+
+--Ja.
+
+--Romein, herhaalde zij half tot zichzelve, dat wil overal zeggen:
+heerscher. Hoe lang is hij weg geweest?
+
+--Vijf jaar.
+
+Zij hief het hoofd een weinig op en staarde naar buiten.
+
+--Wat Messala zeide, moeder, was op zichzelf scherp genoeg; maar de
+manier waarop hij het deed was soms overdragelijk.
+
+Ik geloof dat ik u begrijp. Rome, haar dichters, redenaars senatoren,
+hovelingen, zij zijn allen evenzeer verzot op satire.
+
+--Ik geloof dat alle machtige volken trotsch zijn, zeide Juda, maar de
+trots van dat volk lijkt nergens naar. Het is tegenwoordig zoo erg, dat
+hunne goden ternauwernood aan hunnen spot ontkomen.
+
+--De goden! zeide de moeder levendig, meer dan één Romein heeft
+goddelijke eerbewijzen als zijn recht geëischt.
+
+--Zie, moeder, Messala is altijd min of meer behept geweest met die
+onaangename eigenschap. Toen hij nog een kind was heb ik hem meermalen
+vreemdelingen zien bespotten, die toch door Herodes met eerbewijzen
+worden ontvangen; maar mij liet hij altijd ongemoeid. Vandaag heeft hij
+voor het eerst op gekscherenden toon gesproken over onze gebruiken en
+onzen God. Ik heb voorgoed met hem gebroken. Maar nu, lieve moeder,
+wilde ik gaarne met zekerheid weten, of er werkelijk een grond bestaat
+voor de minachting, waarmede de Romein ons behandelt. In welk opzicht
+ben ik zijn mindere? Waarom zou ik mij ooit, zelfs in tegenwoordigheid
+des keizers, als een slaaf gevoelen? Zeg mij bovenal waarom ik niet, als
+ik er den lust toe had, wereldsche eer in al haren omvang mag najagen?
+Waarom mag ik het zwaard niet dragen en ten strijde trekken? Waarom mag
+ik niet als dichter alle onderwerpen bezingen? Ik mag de edele metalen
+bewerken, de kudden weiden, een koopman zijn, maar waarom niet een
+kunstenaar, zooals de Grieken? Zeg mij dat, moeder, en dat is eigenlijk
+wat mij kwelt: waarom mag een zoon van Israël niet alles doen wat een
+Romein doet?
+
+De moeder richtte zich op en antwoordde: Mijn zoon, Messala was als kind
+door zijnen omgang met u en uwe vriendjes bijna zelf een Jood; was hij
+hier gebleven, dan zou hij mogelijk een jodengenoot geworden zijn; maar
+de jaren in Rome doorgebracht hebben hunnen invloed doen gelden. Ik
+verwonder mij niet over de verandering, maar--hare stem beefde--hij had
+zich tegenover u althans in acht moeten nemen. Slechts een harde, wreede
+natuur kan de eerste liefde vergeten.
+
+Zachtkens liet zij de hand op het hoofd haars zoons rusten. Zij wilde
+hem antwoorden naar zijne behoeften; maar dat antwoord moest volkomen
+bevredigend zijn. Zou zij daartoe in staat wezen?
+
+--Wat gij mij vraagt, mijn kind, is eigenlijk niet door eene vrouw te
+beantwoorden. Geef mij tijd tot morgen, dan zal ik den wijzen Simeon--
+
+--Neen, moeder, zend mij niet naar hem.
+
+--Wees gerust. Ik zal hem vragen bij ons te komen.
+
+--Neen, moeder, want ik heb iets anders noodig dan een onderwijzing.
+Hij kan mij niet geven waar ik behoefte aan heb, dat kunt u echter wel.
+Ik moet een besluit kunnen nemen, en daaraan kunt u alleen mij helpen.
+
+Zij zag smeekend op naar den hemel, alsof zij om wijsheid bad, en zeide:
+Als wij voor onszelven recht begeeren gaat het niet aan onbillijk te
+zijn jegens anderen. Door af te dingen op den moed van eenen overwonnen
+vijand verkleinen wij onze eigene overwinning, en als de vijand sterk
+genoeg is om ons den terugtocht af te snijden en tot onderwerping te
+brengen, dan eischt de achting voor onszelven, dat wij naar een andere
+oorzaak van ons ongeluk zoeken, liever dan zijne verdienste te
+verdonkeren. Schep moed, mijn zoon. Messala stamt, zooals gij weet, uit
+een oud aanzienlijk geslacht. Reeds ten tijde der Romeinsche republiek,
+en hoe lang is dat al niet geleden, was het beroemd, en waren niet
+weinigen in aanzienlijke betrekkingen geplaatst. Ik herinner mij slechts
+één consul van dien naam; maar zij hadden allen den rang van Senatoren,
+en hun patronaat was zeer gezocht, omdat zij altijd rijk zijn geweest.
+
+Als uw vriend vandaag gepocht had op zijne voorvaderen, dan had gij hem
+echter, door op uw voorgeslacht te wijzen, beschaamd kunnen doen staan.
+Had hij u, om zijne meerderheid te toonen, op de daden, den rang, den
+rijkdom van zijne familie gewezen, hoewel dergelijke zinspelingen,
+behalve wanneer het volstrekt noodig is, van kleingeestigheid getuigen,
+dan hadt gij u ook daarin punt voor punt onbevreesd met hem kunnen
+meten.
+
+Hier zweeg zij en dacht een oogenblik na. Toen vervolgde zij: Waarnaar
+wordt de adeldom van een geslacht of familie berekend? Naar den duur van
+hun bestaan, zou ik denken. Welnu, in dat opzicht moet een Romein
+tegenover een Israëliet steeds het onderspit delven. Hij kan niet verder
+terugrekenen, dan tot aan de stichting van Rome. Messala ook niet. Maar
+wij? Hoe staat het met ons?
+
+Als er wat meer licht geweest was had Juda kunnen zien hoe de oogen
+zijner moeder fonkelden. Stel voor een oogenblik, hernam zij, dat de
+Romein ons den handschoen toewierp, ik zou hem vastberaden te gemoet
+treden. Hare stem trilde, een liefelijke herinnering bracht een
+wijziging in den vorm harer redeneering.--Uw vader, mijn zoon, is ter
+ruste gelegd bij zijne vaderen; maar ik herinner mij als den dag van
+gisteren het oogenblik, waarop hij en ik met tal van vrienden opgingen
+naar den tempel, om u den Heer voor te stellen. Wij offerden de duiven,
+ik gaf den priester uw naam op. In mijne tegenwoordigheid schreef hij
+dien in het boek der geslachten van Israël: Juda, zoon van Ithamar, uit
+het huis van Hur. Ik zou u niet kunnen zeggen wanneer men met die
+inschrijvingen begonnen is. Wij weten echter dat die gewoonte reeds
+bestond vóór den uittocht uit Egypte. Ik heb Hillel hooren zeggen, dat
+Abraham het register met zijn eigen naam en de namen zijner zonen
+geopend heeft, toen God hem riep om zich af te zonderen van de andere
+volken, om hem tot den stamvader van zijn eigen uitverkoren volk te
+maken.
+
+Ons volk heeft in menig opzicht de wet overtreden, maar op het
+geslachtsregister heeft het altijd zeer nauwkeurig toegezien. Hillel
+heeft zelf de boeken bestudeerd. Zij loopen over drie perioden: van de
+belofte tot aan den tempelbouw, van den tempelbouw tot aan de
+ballingschap, van de ballingschap tot op den huidigen dag. Eenmaal
+slechts werd het onderbroken en wel op het einde der tweede periode;
+maar toen het volk uit de ballingschap was teruggekeerd, heeft
+Zerubbabel als een heilige plicht de Boeken in orde gebracht, en ons in
+staat gesteld de lijn onzer afkomst gedurende volle twee duizend jaren
+rugwaarts te volgen.
+
+Wat blijft nu over, denkt gij, van de Romeinsche pocherij op oud bloed?
+Naar dien maatstaf gemeten zijn de zonen Israëls, die op gindsche bergen
+de kudden weiden, edeler dan de edelsten onder de Romeinen.
+
+--En ik, moeder, wie ben ik volgens de Boeken?
+
+--Wat ik gezegd heb, mijn zoon, was een inleiding op uwe vraag. Als
+Messala hier was zou hij kunnen zeggen, dat wij met zekerheid niet
+verder kunnen terugrekenen dan tot den tijd, toen de Assyriërs Jeruzalem
+innamen en den tempel van zijne kostbaarheden beroofden; maar dan zou ik
+hem op Zerubbabels werk wijzen. Neen, onze registers zijn trouw en
+waarachtig, en als gij zo naslaat in omgekeerde orde, eerst tot de
+ballingschap, dan tot aan den bouw van den eersten tempel, terug tot aan
+den uittocht uit Egypte, dan kunt gij met den vinger aantoonen, dat gij
+lijnrecht afstamt van Hur, den tijdgenoot van Jozua. En is u dat niet
+genoeg, neem de Torah en doorzoek het boek Numeri, en onder de
+tweeënzeventig generaties na Adam kunt gij uw eigen stamvader vinden.
+
+Diepe stilte heerschte een tijdlang in het vertrek, toen zeide Juda:
+Dank, lieve moeder, dank. Ziet u wel, dat ik gelijk had, toen ik er den
+eerwaarden Hillel niet bij begeerde? Hij kon mij niet zoo goed helpen,
+als u. Maar is om een geslacht waarlijk te adelen niets meer noodig dan
+tijd?
+
+--O, nu vergeet gij, dat wij nog op iets anders dan op den tijd alleen
+bogen. Wij beroemen ons voornamelijk daarop, dat wij door God zijn
+uitverkoren.
+
+--U spreekt van het geheele volk, moeder, en ik van een enkel geslacht,
+van onze familie. Wat heeft mijne familie gewrocht in de jaren na vader
+Abraham, welke groote daden verheffen hen boven anderen?
+
+De moeder was niet dadelijk met een antwoord gereed. Zou zij zijne
+bedoeling verkeerd begrepen hebben? De grootste voorzichtigheid werd
+hier geëischt, dat voelde zij. Daarom zeide zij: Ik vermoed, mijn zoon,
+dat ik met een werkelijken en niet met een denkbeeldigen vijand te doen
+heb. Als Messala die vijand is, zeg het dan en laat mij niet in het
+duister strijden. Vertel mij alles wat hij gezegd heeft.
+
+
+ * * * * *
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+EEN ISRAËLITISCHE VROUW.
+
+
+Aldus aangemoedigd deelde Juda zijn moeder uitvoerig mede wat tusschen
+hem en Messala was voorgevallen, en stond vooral stil bij de minachting,
+waarmede deze over de Joden, hunne gebruiken en beperkten kring
+gesproken had. De moeder luisterde zwijgend. Thans begreep zij alles.
+Juda was naar het paleis gegaan in de verwachting van na lange scheiding
+den speelmakker te zullen weervinden; in plaats daarvan vond hij een
+man, die slechts van roem en rijkdom en macht droomde. Gekrenkt in zijn
+trots en tevens van een ongekende eerzucht vervuld, was Juda
+teruggekomen; de moeder zag het, en niet wetende in welke richting die
+eerzucht zich zou ontwikkelen, sloeg haar, de vurige Jodin, de schrik om
+'t hart. Indien hij eens afgetrokken werd van het aartsvaderlijk geloof!
+Kon zij zich iets verschrikkelijkers voorstellen? Neen, dat moest zij
+tot iederen prijs zien te voorkomen, en daarom begon zij op vasten,
+bijna plechtigen toon: Ieder volk dat wat beteekent houdt zichzelf voor
+het grootste. Wanneer de Romein uit de hoogte neerziet op den Israëliet
+en hem bespot, dan doet hij slechts wat de Egyptenaar, de Assyriër en de
+Macedoniër vóór hem gedaan hebben, en daar de spot tegen God gericht is,
+zal het einde hetzelfde zijn.
+
+Er bestaat geen wet, die de opperheerschappij der natiën vaststelt;
+daarom is de aanspraak op de opperheerschappij ijdel en de strijd
+daarover tevergeefs. Heeft een volk zijn glanspunt bereikt en zijne taak
+volbracht, dan sterft het òf zijn eigen dood, òf door toedoen van een
+ander volk, dat zijne plaats inneemt, zijne macht erft en nieuwe namen
+schrijft op zijne monumenten. Dat is de geschiedenis.
+
+Als iemand mij opdroeg God en den mensch op de eenvoudigste wijze te
+symboliseeren, dan zou ik een rechte lijn en een cirkel trekken, en van
+de lijn zou ik zeggen: dit is God, want hij beweegt zich onveranderlijk
+vooruit, en van den cirkel: dit is de mensch, zijn voortgaan gelijkt een
+kringloop. Daarmede wil ik niet zeggen, dat er geen verschil zou zijn
+tusschen den voortgang der volken, want geen twee zijn volkomen aan
+elkander gelijk. Het verschil ligt echter niet, zooals sommigen meenen,
+in de grootte van den cirkel, dien zij beschrijven, maar in de sfeer,
+waarin zij zich bewegen. De hoogste sfeer is het dichtst bij God.
+
+Laat ons nu eens zien in welken cirkel het volk der Hebreën en het volk
+der Romeinen zich bewegen. Wil men weten in welke verhouding ze tot God
+staan, men heeft slechts te letten op het gewone dagelijkse leven.
+Daarvan wil ik alleen zeggen, dat Israël God meermalen heeft vergeten,
+terwijl de Romeinen Hem nooit gekend hebben. Van vergelijking kan hier
+dus geen sprake zijn. Uw vriend, of liever uw voormaligen vriend, heeft,
+als ik u goed begrepen heb, beweerd dat wij geen dichters, geen
+kunstenaars, of krijgshelden gehad hebben, dus geen groote mannen. Maar
+wat is een groot man? Dat is iemand wiens leven doet zien, dat God hem,
+zoo niet geroepen, dan toch in zijn werk bevestigd heeft. Een Pers werd
+gebruikt om onze vaderen te tuchtigen, hij voerde ze in gevangenschap;
+een andere Pers werd verkoren om aan hunne kinderen het heilige land
+terug te geven; grooter dan die beiden was echter de Macedoniër, die de
+verwoesting van Judea en van den tempel moest wreken.
+
+Wat die mannen in het bijzonder onderscheidde was, dat zij door God
+uitverkoren werden, om zijnen raad te volbrengen. Dat zij heidenen waren
+verkort hun roem niet. Houd dit vooral in het oog. Menigeen verkeert in
+den waan, dat een man zich geen beter levensdoel kan kiezen, dan het
+zwaard te trekken. Laat u daardoor echter niet misleiden. Dat de mensch
+behoefte heeft om iets te aanbidden is een wet, die zich zal laten
+gelden, zoolang er iets is dat wij niet begrijpen. Het gebed van den
+barbaar is een angstkreet tot de Kracht, de eenige goddelijke
+eigenschap, die hij bevatten kan; vandaar zijn geloof in helden. Wat is
+Jupiter anders dan een Romeinse held? De Grieken waren de eersten, die
+het Verstand boven de Kracht stelden. In Athene waren redenaar en
+wijsgeer meer gezien dan de krijger. Den hardlooper moge men nog steeds
+toejuichen, de schoonste lauwerkransen worden voor den zanger bewaard.
+
+Maar was de Griek de eerste, die het oude barbaarsche geloof liet varen?
+Neen; die roem komt ons toe. Onze vaderen stelden God in de plaats van
+al die valsche godheden. In onzen godsdienst werd de angstkreet
+vervangen door het Hosanna en psalmgezang. De Hebreën en Grieken zochten
+de menschen voorwaarts en opwaarts te voeren, maar helaas, de Romein,
+die de geheele wereld wil overheerschen, stelt den oorlog als volstrekt
+noodzakelijk voor, en heeft zijnen keizer geplaatst boven het verstand
+en boven God, en hem tot het eenige begrip van macht en grootheid
+gemaakt.
+
+De heerschappij der Grieken was de bloeitijd voor het genie. De
+schitterende vernuften, de bekwaamste kunstenaars zijn uit dat volk
+voortgekomen, zoo zelfs, dat in alles, behalve de krijgskunst, de Romein
+bij hen ter schole moest gaan. Op het Forum neemt de redenaar den Griek
+tot model, in ieder Romeinsch lied kunt gij den rhytmus der Grieken
+opmerken. Als een Romein den mond opent om lessen van wijsheid of
+zedenkunde te geven, of de geheimenissen der natuur te behandelen, dan
+is hij òf een leerling van de eene of andere Griekse school, òf hij
+ontleent zijne wijsheid aan hunne boeken. De Romein kan in niets op
+oorspronkelijkheid aanspraak maken, behalve in het voeren van den krijg.
+Zijne kampspelen zijn van Griekschen oorsprong, door bloedige
+bijvoegselen genietbaar gemaakt voor zijn ruwen smaak. Zijn zogenaamde
+godsdienst is samengesteld uit de godsdiensten van andere volken, zelfs
+zijn Mars en Jupiter zijn aan den Olympus ontleend.
+
+Ziedaar, mijn zoon, de reden waarom alleen Israël de Grieken hunne
+meerderheid kan betwisten, met hen om den voorrang kan strijden. Maar de
+zelfzucht van den Romein is zoo hard en ondoordringbaar als metaal.
+O, de godvergeten roovers! Onder hunnen voet beeft de aarde, als de
+dorschvloer onder den vlegel der dorschers. Met de anderen zijn ook wij
+afgevallen; ach, mijn zoon, het is hard dat te moeten erkennen! Onze
+hoogste, heiligste plaatsen hebben zij genomen, en niemand kan zeggen
+wat het einde zijn zal; maar dit weet ik--zij mogen Judea vernielen en
+Jeruzalem, die liefelijke bloem, vertreden, Israëls roem zal blijven
+stralen als een lichtende ster; want zijn geschiedenis is Gods
+geschiedenis. Hij was hun wetgever op Sinaï, hun leidsman door de
+woestijn, in den krijg hun aanvoerder, hun koning. Is het denkbaar, mijn
+zoon, dat onze vaderen, met wie Jehova op zulk een wijze verkeerde,
+niets van Hem zouden geleerd hebben? dat hunne gewone menschelijke
+eigenschappen niet in zekere mate den invloed der goddelijke zonden
+hebben ondergaan? dat zij, zelfs na verloop van vele eeuwen, in niets
+het hemelsche zouden weerspiegelen?
+
+Zij zweeg eenige oogenblikken, daarna zeide zij: Het is waar, als men
+onder kunst alleen de schilder- en beeldhouwkunst verstaat, dan heeft
+Israël geen kunstenaars voortgebracht.
+
+Het kostte haar moeite deze bekentenis te moeten doen, want als
+Sadduceeuwsche was het haar, in tegenstelling met de Pharizeën,
+geoorloofd het schoone in iederen vorm lief te hebben, onverschillig
+waaraan het zijn oorsprong te danken had.
+
+--Wil men ons echter rechtvaardig beoordelen, hernam zij, dan moet men
+niet vergeten, dat het werk onzer handen gebonden was door het gebod:
+Gij zult u geen gesneden beeld noch eenige gelijkenis maken; welks
+bedoeling door de Sopherim hoogst willekeurig uitgebreid is. Evenmin
+moet men vergeten, dat twee Israëlieten, Bezaliël en Aholiab, de
+bouwmeesters van den eersten tabernakel, van wie geschreven staat dat
+zij bedreven waren in alle handwerk, de cherubim van het verzoendeksel
+gemaakt hebben, lang voordat Daedalus in Attica verscheen en met zijn
+houten statuen in de beeldhouwkunst zulk een ommekeer teweegbracht, dat
+de scholen van Corinthe en Aegina mogelijk werden en triomfeerden. Van
+dicht goud waren de cherubim gemaakt, de beide vleugelen omhoog
+uitbreidende, en hunne aangezichten waren tegenover elkander,--zoo staat
+er geschreven. Wie zal durven beweren, dat zijn niet schoon waren? Of dat
+zij niet de eerste statuen geweest zijn?
+
+--O, nu begrijp ik waarom de Grieken ons voorbijgestreefd zijn, zeide
+Juda, die met de grootste belangstelling geluisterd had. En de
+ark;--vloek over de Babyloniërs, die haar vernield hebben!
+
+--Neen, Juda, wees gerust. Zij is niet vernield; zij is verloren
+geraakt, te goed verborgen in de eene of andere spelonk. Hillel en
+Shammai gelooven beiden dat zij eenmaal, op 's Heeren tijd,
+teruggevonden zal worden. Dan zal Israël evenals vanouds voor het
+aangezicht des Heeren dansen en zingen. En zij, die dan het gelaat der
+cherubim mogen aanschouwen, zouden, al hebben zij ook de elpenbeenen
+Minerva gezien, als het mogelijk was den Jood de handen kussen, wiens
+genie zulk een kunstwerk ontwierp.
+
+De moeder was in hare opgewondenheid welsprekend geworden. Zij hield
+even stil om tot kalmte te komen.
+
+--Gij zijt zoo goed, moeder, zeide Juda dankbaar. Shammai zou niet beter
+hebben kunnen spreken en Hillel evenmin. U hebt mij weder tot een echten
+Israëliet gemaakt.
+
+--Vleier! Ik herhaal slechts wat ik Hillel heb hooren zeggen, toen hij
+onlangs in mijne tegenwoordigheid met een Romeinsch sophist redetwistte.
+
+--Nu ja, maar u legt er het leven in.
+
+--Waar ben ik ook weer gebleven? vraagde zij. O ja, ik trachtte onzen
+voorvaderen de eer te verzekeren van de eerste statuen gemaakt te
+hebben. De beeldhouwkunst, Juda, is niet de eenige kunst; evenmin als de
+kunst zelf het eenige is, dat groot genoemd mag worden. Ik stel mij de
+groote mannen van vroegere eeuwen voor in groepen en afdeelingen,
+volgens hunne nationaliteit; hier de Indiër, daar de Egyptenaar, ginds
+de Assyriër, voortgaande onder trompetgeschal en met vliegende vanen,
+terwijl rechts en links de voorgeslachten, als eerbiedige bewonderaars
+geschaard staan. Ik hoor den Griek zeggen: Ha, de Helleen wijst den weg;
+en de Romein antwoordt: Zwijg, uwe plaats is ingenomen door ons, wij
+hebben u verre achtergelaten.--En zonder dat de strijders het bemerken
+straalt boven die gansche schare een licht, het licht der Openbaring!
+Wie zijn de dragers van dat licht? Het oude volk der Hebreën! Klopt uw
+hart niet hooger bij die gedachte? Aan dat licht kennen wij hen. Weest
+gezegend, onze vaderen, dienstknechten Gods, die het verbond bewaarden!
+Gij zijt de leidslieden der menschheid, gij staat aan de spits, en al
+ware iedere Romein een Cesar, gij zult die plaats niet verliezen!
+
+Juda was diep bewogen. Ga voort, bid ik u! riep hij. Het is mij, als
+hoor ik het geluid van trommelen en reien. Ik wacht op Mirjam en de
+vrouwen, die haar volgden.
+
+--Goed, mijn zoon. Als gij het gezang der profetes kunt hooren, dan kunt
+gij in uwe verbeelding met mij aan en weg gaan staan, om de uitverkoornen
+Israëls aan het hoofd van den optocht te zien voorbijtrekken. Daar komen
+zij--eerst de patriarchen, dan de vaders der stammen.
+
+Het is mij als hoor ik de schelletjes hunner kameelen en het blaten
+hunner kudden. Maar wie gaat daar zoo alleen te midden van de menigte?
+Een oud man; maar zijn oog is niet verduisterd en zijn kracht niet
+verzwakt. Hij zag onzen God van aangezicht tot aangezicht. Als de zon in
+haren opgang staat hij daar--krijger, dichter, redenaar, wetgever,
+profeet. Zijn roem verduistert den roem van alle anderen, zelfs van den
+eersten en edelsten der Cesars.
+
+Op hem volgen de richters, dan de koningen, de zoon van Isaï, een held
+in den krijg, een dichter van onsterfelijke gezangen; vervolgens zijn
+zoon, die alle koningen overtreft in rijkdom en wijsheid. Buig u neder,
+mijn zoon! Die nu komen zijn de eersten in hunne soort en tevens de
+laatsten. Hun aangezicht is naar boven gericht, alsof zij naar een stem
+uit den hemel luisteren. Hun leven was vol zorg, hunne kleederen rieken
+naar graven en spelonken. Hoor! een vrouw onder hen spreekt: looft den
+Heer, want Hij heeft heerlijk getriomfeerd! Buig u nog dieper voor hen,
+mijn Juda; zij waren Gods dienaren en profeten, die in de toekomst
+schouwden en opschreven wat zij zagen. Koningen verbleekten bij hunne
+nadering, volken sidderden op het geluid hunner stem. De elementen
+gehoorzaamden hun bevel. In hunne hand hielden zij zegen en vloek. Zie
+den Thisbiet en zijnen knecht Elisa! Zie den droeven zoon van Hilkia!
+Zie de drie jonge mannen, die het beeld weigerden te aanbidden; zie hem,
+die op het feestmaal de sterrenwichelaars beschaamde. En daar, mijn
+zoon, zie den zoon van Amos, van wien de wereld de belofte ontving van
+den Messias!
+
+Zij haalde diep adem en ging toen voort: Ik heb u onze groote mannen
+getoond, Juda, laat ons nu de besten van Rome bezien. Plaats tegenover
+Mozes Cesar, en Tarquinius tegenover David; Sylaa tegenover een van de
+Makkabeën; de besten der consuls tegenover de richters; Augustus
+tegenover Salomo,--welk een vergelijking!
+
+Zij lachte verachtelijk.
+
+--Vergeef mij, ik dacht aan den waarzegger, die Julius Cesar waarschuwde
+tegen den 15den der maand Maart, en stelde mij voor hoe hij de
+ingewanden van een kuiken onderzocht, om de kwade voortekens te vinden.
+Dank dan eens aan Elia, hoe hij den zoon van Achab voor den toorn Gods
+waarschuwt. En ten slotte, met allen eerbied zij het gezegd, hoe zullen
+wij Jehova en Jupiter beoordeelen, tenzij dan naar wat hunne dienaren
+gedaan hebben in hunnen naam? Wat nu uwe toekomst betreft, mijn zoon,
+dien de Heer, den God van Israël, niet Rome. Voor een zoon van Abraham
+bestaat geen andere roem, dan die welke in 's Heeren dienst te behalen
+is.
+
+--Mag ik dus soldaat worden?
+
+--Waarom niet? Heeft Mozes God niet den Heer der heirscharen genoemd?
+
+Beiden zwegen eenige oogenblikken, toen hernam de moeder: Ik geef u mijn
+toestemming, indien gij namelijk den Heer onzen God en niet den keizer
+zult dienen.
+
+Juda nam die voorwaarde aan, en daar moeder en zoon stil bleven zitten,
+ieder in eigen gedachten verdiept, viel de knaap weldra in een zoete
+sluimering. Toen stond de moeder op, legde hem een kussen onder het
+hoofd, spreidde een deken over hem uit, en verliet zachtkens het
+vertrek.
+
+
+ * * * * *
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+HET ONGELUK.
+
+
+Toen Juda ontwaakte was de zon reeds boven de bergen verrezen; de duiven
+fladderden over het platte dak, of zaten kirrend op den rand der
+borstwering. In het zuidoosten staken de vergulde tinnen des tempels,
+badend in de zonneschijn, heerlijk af tegen de diep blauwe lucht. Maar
+daar had Juda geen oogen voor, want op den divan, vlak bij hem, zat een
+bevallig meisje van ongeveer vijftien jaar. Zij speelde op de harp en
+zong daarbij met zachte, welluidende stem.
+
+Toen zij haar lied geëindigd had liet zij de handen in den schoot rusten
+en zag hem aan, als verwachtte zij dat hij het gesprek beginnen zou. Wij
+willen van dat oogenblik gebruik maken, om het meisje aan onze lezers
+voor te stellen en tevens enkele bijzonderheden mede te deelen aangaande
+Juda's ouders.
+
+Herodes was tijdens zijn leven zeer mild geweest met het bewijzen van
+vorstelijke gunstbetoon aan lieden, die hij onderscheiden wilde, zoodat
+menig Israëliet in het bezit gekomen was van een groot vermogen. Trof
+het nu samen, dat zulk een bevoorrechte bewijzen kon, dat hij in rechte
+lijn afstamde van een beroemd man, met name uit het geslacht van Juda,
+dan werd hij gerekend te behooren tot de "Vorsten van Jeruzalem", eene
+onderscheiding, die hem de onderdanigheid zijner minder bevoorrechte
+landslieden verzekerde en de achting, zoo niet meer, van de heidenen,
+met wie maatschappelijk verkeer of handelsbetrekkingen hem in aanraking
+brachten.
+
+De vader van Juda was één dier Vorsten van Jeruzalem geweest. Steeds
+gedachtig aan zijne nationaliteit, die hij nooit verloochende, had hij
+toch den koning trouw gediend, zoowel binnen-als buitenlands, en overal
+had hij de achting verworven van aanzienlijken en geringen. Meermalen
+met eene zending naar Rome belast, had hij de aandacht van Keizer
+Augustus getrokken, die zich beijverde zijne vriendschap te winnen.
+Dientengevolge was zijn huis vol van vorstelijke geschenken, zooals
+purperen gewaden, elpenbeenen zetels, gouden drinkschalen; hoofdzakelijk
+van groote waarde om de keizerlijke hand die ze hem vereerd had. Zulk
+een man moest wel rijk zijn; maar hij dankte zijn vermogen niet alleen
+aan zijn hooge begunstigers. Hij had de wet, die hem tot werken
+verplichtte, gehoorzaamd; maar in plaats van zich tot één ambt te
+bepalen, had hij zich een veelzijdigen werkkring geschapen. Tal van
+herders, die in de vlakte en op de heuvelen rondom Jeruzalem de kudden
+weidden, noemden hem heer; in zeesteden zoowel als in de binnenlanden
+stichtte hij handelshuizen; zijne schepen brachten hem zilver uit
+Spanje, welks mijnen onder de toenmaals bekende tot de rijkste gerekend
+werden; en tweemalen 's jaars keerden zijne karavanen uit het Oosten
+terug, beladen met zijden stoffen en specerijen. Hij was een geloovig
+Hebreër, die stipt de wetten en gebruiken naleefde, een trouw bezoeker
+van tempel en synagoge, goed onderwezen in de heilige Schriften. Het
+verkeer met de wetgeleerden zocht hij bij voorkeur, en de achting, die
+hij Hillel toedroeg, grensde aan vereering. Toch was hij niet eenzijdig.
+Zijn gastvrijheid strekte zich uit tot de zonen van alle landen, ja de
+Pharizeën beweerden zelfs, dat hij meer dan eens Samaritanen aan zijne
+tafel ontvangen had. Was hij een heiden geweest en in leven gebleven,
+dan zou hij mogelijk de mededinger van Herodes Atticus geworden zijn;
+maar hij was nu tien jaren geleden in de kracht van den mannelijken
+leeftijd op zee verongelukt, door geheel Judea betreurd. Met zijne
+weduwe en zijn zoon hebben wij reeds kennis gemaakt, thans willen wij
+zijn dochter beschouwen, het meisje, dat door haar gezang den broeder
+wekte.
+
+Zij heette Tirza, en geleek sprekend op Juda. Haar gelaatstrekken, even
+regelmatig als de zijne, waren dubbel bekoorlijk door de uitdrukking van
+kinderlijke onschuld, die er over verspreid lag. Zij was in dit vroege
+morgenuur hoogst eenvoudig gekleed. Een wijde tunica, vastgeknoopt op
+den rechterschouder, en onder den linkerarm doorgaande, dekte haar
+losjes en werd om het middel vastgehouden door een fijn gouden gordel.
+Op het hoofd droeg zij een zijden mutsje met afhangende kwast. Gouden
+oor- en vingerringen, kostbare arm- en enkelbanden, benevens een kunstig
+bewerkt halssieraad, voltooiden haar toilet. Oogleden en vingertoppen
+waren naar het toenmalig gebruik geverfd. Twee lange haarvlechten hingen
+haar op den rug, terwijl op iedere wang vlak voor het oor een gekrulde
+lok rustte. Een liefelijke, bevallige verschijning was de jeugdige Tirza
+ongetwijfeld.
+
+--Heel mooi, Tirza, heel mooi! zeide Juda levendig.
+
+--Het lied? vraagde zij.
+
+--Ja, en de zangster ook. Waar hebt gij het opgedaan?
+
+--Herinnert gij u den Griek nog, die een paar weken geleden in het
+theater zong? Men zei, dat hij lofzanger geweest was van Herodes en
+zijne zuster Salome. Hij trad op na een paar kampvechters, terwijl er
+heel wat leven en beweging was; maar zoodra hij begon te zingen werd het
+zoo stil, dat ik woord voor woord kon verstaan. Hij heeft mij het lied
+gegeven.
+
+--Maar hij zong in het Grieksch.
+
+--En ik in 't Hebreeuwsch.
+
+--Ja, ja, en daarom ben ik trotsch op mijn zusje. Hebt gij nog meer van
+die liedjes?
+
+--Meer dan een zelfs; maar nu niet. Amrah zond mij om u te zeggen, dat
+zij u hier uw ontbijt zal brengen en dat gij niet beneden hoeft te
+komen. Zij had al hier moeten zijn. Zij denkt dat gij ziek zijt, dat u
+gisteren iets verschrikkelijks is overkomen. Wat was het? Vertel het
+mij, dan zal ik Amrah helpen om u beter te maken. Zij kent de
+geneesmiddelen van de Egyptenaars; maar die geven niets. Ik heb echter
+verscheidene Arabische recepten, die--
+
+--Nog minder helpen, dan de Egyptische, zeide hij hoofdschuddend.
+
+--Meent ge dat waarlijk? Heel goed, dan zullen wij ze laten waar zij
+zijn. Ik heb iets dat veel beter en zekerder helpt, een amulet, die,
+ik weet niet hoe lang geleden, aan iemand van onze familie gegeven werd
+door een Perzisch toovenaar. Kijk, en zij nam den ring uit haar
+linkeroor--het inschrift is bijna uitgesleten.
+
+Hij nam den ring in de hand, bekeek hem, en gaf hem toen lachend
+terug.--Al lag ik op sterven, Tirza, dan zou ik den amulet nog niet
+willen gebruiken. Zulke dingen zijn afgoderij, en verboden waar voor
+geloovige Israëlieten. Bewaar hem, maar draag hem niet meer.
+
+--Verboden! Volstrekt niet. Vaders moeder droeg hem altijd op Sabbat.
+Ik weet niet hoevele zieken er wel door genezen zijn, stellig meer dan
+drie. Hij is ook goedgekeurd; zie maar, hier is het merk van den Rabbi.
+
+--Ik hecht geen geloof aan amuletten.
+
+Zij zag hem verbaasd aan en vraagde: Wat zou Amrah daarvan zeggen?
+
+--Amrahs vader en moeder waren Egyptenaren.
+
+--Maar Gamaliël?
+
+--Die zegt dat het goddelooze, heidensche gebruiken zijn.
+
+Tirza bezag haren oorring en draaide hem besluiteloos rond.
+
+--Wat zal ik er dan mee doen? vraagde zij.
+
+--Draag hem, zusje. Hij staat u goed, hij maakt u mooi, hoewel gij dat
+zonder zijne hulp ook zijt.
+
+Tevreden gesteld deed zij den ring weder in haar oor. Op hetzelfde
+oogenblik trad Amrah binnen en bracht op een blad een waschkom, water en
+handdoeken. Daar Juda niet tot de Pharizeën behoorde was de reiniging
+spoedig afgeloopen. Amrah verwijderde zich weder en Tirza zette zich aan
+het werk, om Juda's haar in orde te brengen. Telkenmale als zij een lok
+naar genoegen geschikt had, liet zij hem in den kleinen metalen spiegel
+zien, dien zij volgens het gebruik aan haren gordel had hangen. De
+arbeid stoorde hun gesprek echter niet.
+
+--Hebt gij het al gehoord, Tirza? Ik ga weg.
+
+Verschrikt liet zij de handen in den schoot vallen.
+
+--Weg! Wanneer? Waarheen? Waarom?
+
+Hij lachte. Drie vragen te gelijk! Wat zijt ge toch nieuwsgierig. Ja, ik
+ga weg. Gij weet, de wet eischt, dat ik mij een beroep kies. Onze vader
+gaf mij het voorbeeld. Zelfs gij zoudt mij verachten, als ik de vruchten
+van zijn vlijt en kennis in luiheid verteerde. Ik ga naar Rome.
+
+--O, dan ga ik mee.
+
+--Gij moet bij moeder blijven. Als we allebei weggingen zou zij van
+verdriet sterven.
+
+Alle vroolijkheid week van haar gelaat.--Ja, natuurlijk. Maar moet gij
+dáárvoor weggaan? Hier in Jeruzalem kunt gij alles leeren wat een
+koopman weten moet.
+
+--Maar ik denk er niet aan koopman te worden. De wet eischt niet, dat de
+zoon wordt wat de vader was.
+
+--Wat wilt gij dan worden?
+
+--Soldaat.
+
+--De tranen sprongen Tirza in de oogen.--Dan wordt gij doodgeslagen!
+
+--Toch alleen als het Gods wil is. En, Tirza, niet alle soldaten
+sneuvelen.
+
+Zij sloeg hare armen om zijn hals, alsof zij hem terug wilde houden.
+
+--Wij waren zoo gelukkig, Juda; blijf bij ons.
+
+--Dat kan immers niet. Gijzelf gaat mettertijd ook heen.
+
+--Nooit.
+
+Hij glimlachte om den ernst, waarmede zij dat verzekerde.--Wie weet hoe
+spoedig een vorst van Juda, of van een der andere stammen, mijne Tirza
+komt weghalen, en wat zal dan van mij worden?
+
+Een droevig gesnik was haar eenig antwoord.
+
+--Het oorlogvoeren moet geleerd worden, vervolgde hij, en daarvoor moet
+men ter schole gaan. De beste school is echter een Romeinsch kamp.
+
+--Gij zult toch niet voor Rome vechten?
+
+--Gij dus ook, gij zelfs haat Rome? Daarin schijnt de geheele wereld het
+eens te zijn. Ja, Tirza, ik zal voor Rome strijden, maar om te leeren
+hoe ik eenmaal Rome bestrijden moet.
+
+--Wanneer gaat gij?
+
+Maar Juda, die Amrah hoorde terugkomen, zeide: Stil, laat haar niets
+merken van mijne plannen.
+
+De trouwe slavin trad binnen met het ontbijt en plaatste het blad op een
+stoel voor de beide jongelieden. Juist zouden zij beginnen, toen hunne
+aandacht afgeleid werd door een luid gedruisch op straat.
+
+--Het zijn soldaten van het Praetorium, riep Juda, die de muziek
+herkende;--daar met ik naar kijken, een meteen sprong hij op en snelde
+naar de borstwering. Tirza volgde hem en boog zich eveneens voorover om
+beter te kunnen zien. Daar hun huis hooger was, dan de huizen in hun
+naaste omgeving, konden zij tot aan den burcht Antonia de gansche buurt
+overzien. De niet bijzonder breede straat was hier en daar door bruggen
+overspannen, die weldra vol menschen en kinderen waren, door de muziek
+daarheen gelokt. Muziek mocht het eigenlijk niet genoemd worden; want
+wat het volk te hooren kreeg was niet veel meer, dan een vervaarlijk
+trompetgeschal, begeleid door de schrille tonen van houten
+blaasinstrumenten.
+
+Weldra kregen de kinderen Hur den optocht in 't gezicht. Eerst een
+voorhoede van lichtgewapenden, voornamelijk slingeraars en
+boogschutters, vervolgens een afdeeling zwaar gewapend voetvolk, van
+groote schilden voorzien, dan de muzikanten, vervolgens geheel alleen
+een hoofdman, maar op den voet gevolgd door een bereden wacht, daarna
+weder een afdeeling zwaar gewapend voetvolk, die wel eindeloos scheen te
+zijn. Het krijgshaftig voorkomen der mannen, het gelijktijdig op- en
+neergaan der schilden, het glinsteren van gespen, helmen en borstplaten,
+de wuivende vederbossen, de vaandels en speren, dat alles maakte diepen
+indruk op den Joodschen knaap. Twee voorwerpen vooral trokken zijne
+aandacht, de vergulde arend met de uitgespreide vlerken, die, zooals hij
+wist, met goddelijke eerbewijzen uit den burcht gehaald was, en de
+hoofdman, die alleen te midden der troepen reed. In volle wapenrusting,
+maar het ongedekte hoofd met een lauwerkrans getooid, hield hij den
+kommandostaf in de rechterhand. Hij was gezeten op een purperen dek in
+plaats van op een zadel, en de leidsels waren met goud gestikt en met
+zijden franje afgewerkt.
+
+Al heel spoedig bemerkte Juda, dat het volk bij het zien van dien
+hoofdman zeer opgewonden werd. Zij drongen brutaal naar voren, en hieven
+de vuisten dreigend omhoog, zij leunden zoover mogelijk over de
+borstweringen der daken en wierpen hem allerlei scheldwoorden naar het
+hoofd. Naarmate de stoet dichterbij kwam kon Juda duidelijk het
+geschreeuw der menigte verstaan: Roover, tiran, vervloekte Romein! Weg
+met Ismaël, geef ons Annas weder!
+
+Het ontging den knaap niet, dat de hoofdman, zooals ook natuurlijk was,
+lang niet onverschillig bleef onder die behandeling. Zijn gelaat stond
+donker en dreigend, zoodat de meer angstvalligen terugdeinsden. Aan de
+lauwerkrans, dien de ruiter op het hoofd droeg, herkende Juda den
+nieuwen Procurator van Judea: Valerius Gratus.
+
+Het onschuldige voorwerp van den haat der menigte wekte Juda's
+medelijden, zoodat hij, toen de Romein den hoek van het huis zou
+omslaan, zich nog verder voorover boog om te beter te kunnen zien.
+Daarbij leunde hij met de hand op een stuk steen, dat reeds geruimen
+tijd gebarsten en losgeraakt was. De drukking was sterk genoeg om het te
+doen kantelen en vallen. De knaap ontstelde hevig en wilde den steen
+grijpen, hetgeen van de straat gezien den indruk gaf, alsof hij iets van
+zich wierp. Zijn poging mislukte, de steen liet geheel los en rolde naar
+beneden. Juda schreeuwde zoo hard hij kon, om te waarschuwen. De
+soldaten der lijfwacht keken op, zoo ook de procurator, maar op
+datzelfde oogenblik viel de steen op hem, zoodat hij als dood achterover
+zonk. Nu ontstond een groote ontsteltenis; de wachten stegen ijlings af
+en beijverden zich om hunnen heer met een schild te dekken. Het volk
+daarentegen, vast overtuigd dat de knaap met opzet den steen geworpen
+had, juichte hem luide toe.
+
+Als vastgenageld stond de arme jongen nog op dezelfde plek, ten volle
+beseffende welke vreeselijke gevolgen dit ongeluk na zich zou slepen.
+Plotseling scheen een booze geest zich meester te maken van de
+toeschouwers op de omliggende huizen. Doldriftig sloegen zij alles kort
+en klein wat onder hun bereik was en wierpen dat in blinde woede de
+Romeinsche soldaten naar het hoofd. Nu ontstond een bloedig gevecht,
+waarin de soldaten natuurlijk overwinnaars bleven. De verwarring, de
+slachting, de wanhoop waren vreeselijk om aan te zien.
+
+Doodsbleek richtte Juda zich op: O, Tirza, Tirza, wat zal er van ons
+worden?
+
+Daar zij den steen niet had zien vallen, en verschrikt door het onzinnig
+drijven op de daken niet meer op Juda gelet had, begreep zij het rechte
+van de zaak niet, allerminst dat haar of de haren eenig gevaar
+dreigde.--Wat is er dan gebeurd, wat doen zij toch? vraagde zij
+verschrikt.
+
+--Ik heb den Romeinschen gouverneur gedood. De steen viel juist op hem.
+
+Haar gelaat werd nog bleeker dan het zijne. Zij sloeg de armen om hem
+heen en zag hem zwijgend, diep bedroefd aan.
+
+--Ik deed het niet met opzet, Tirza, het was een ongeluk, zeide hij zoo
+kalm mogelijk.
+
+--Wat zullen zij ons doen? vraagde zij.
+
+Hij luisterde naar het steeds toenemend rumoer en dacht aan het dreigend
+gelaat van den procurator. Als hij niet dood was, wie kon dan zeggen
+hoever zijn wraak gaan zou; en als hij wèl dood was, tot welke
+uitbarstingen van woede zou de aanval van het volk de soldaten niet
+kunnen opzweepen! Hij boog zich nogmaals over de borstwering, juist toen
+de lijfwacht den procurator weder op het paard hielp stijgen.--Hij
+leeft, Tirza, hij leeft! Gezegdend zij de God onzer vaderen! Met dien
+uitroep en een opgehelderd gelaat wendde hij zich weder tot haar, om
+hare vraag te beantwoorden.--Wees maar niet bang; ik zal hun wel zeggen
+hoe het gekomen is, en zij zullen ons ter wille van onzen vader en de
+diensten, die hij den keizer bewezen heeft, zeker ongemoeid laten.
+
+Hij geleidde haar naar de torenkamer; maar zien, eensklaps beefde het
+dak onder hunne voeten, een hevig gekraak, alsof balken en deuren werden
+ingeslagen, deed zich horen, gevolgd door een kreet van schrik en
+ontzetting. Hij bleef staan en luisterde. Het geroep om hulp herhaalde
+zich, het geluid van zware voetstappen deed het geheele huis dreunen,
+vloeken, smeeken, jammeren, alles door elkander. De soldaten hadden de
+noordpoort ingetrapt en waren meester van het terrein. Juda begreep
+dadelijk dat het om hem te doen was. Zijne eerste opwelling was te
+vluchten; maar waarheen? Alleen vleugelen konden hem redden. Trillend
+van angst klemde Tirza zich aan hem vast.
+
+--O, Juda, wat is er toch gebeurd?
+
+Hij antwoordde niet. Hij hoorde dat de dienaren werden neergestooten;
+en--wat deed men met zijn moeder! Hoorde hij daar niet hare stem?--Met
+al de kracht die nog in hem was zeide hij: Blijf gij hier, Tirza, totdat
+ik terugkom. Ik zal naar beneden gaan om te zien wat er gebeurd is.
+Daarna kom ik u halen.
+
+Zijn stem was niet zoo vast, als hij wel gewild had. Zij drukte zich
+tegen hem aan; maar daar hoorde hij zijne moeder weer luid om hulp
+roepen. Hij aarzelde niet langer.--Kom dan, laat ons gaan, zeide hij.
+
+Beneden aan de trap was het terras vol van soldaten, die met ontbloot
+zwaard het eene vertrek voor en het andere na doorzochten. Hier zag men
+eenige vrouwen op de knieën liggen, luid smeekende om erbarmen. Maar
+daar ginds in dien hoek, met gescheurde kleederen en loshangende haren,
+worstelde een vrouw om zich los te rukken uit de handen van een
+Romein,--op haar vloog Juda toe met den kreet: Moeder! moeder! Zij
+strekte de handen naar hem uit; maar juist toen hij ze vatten zou werd
+hij gegrepen en op zijde getrokken. Daar hoorde hij iemand met luide
+stem zeggen: Daar is hij!
+
+Juda keek om en zag--Messala.
+
+--Wat, is dat de moordenaar?--die jongen? vraagde een statig man in
+kostbare wapenrusting.
+
+--Alle goden! zeide Messala, dat is iets nieuws! Moet een man oud
+geworden zijn om ten doode toe te kunnen haten? Hij is de schuldige, en
+hier is zijn moeder, en dat is zijn zuster. De geheele familie bij
+elkaar.
+
+Door liefde tot moeder en zuster gedrongen vergat Juda zijn twist met
+den voormaligen vriend: Help haar, Messala! Denk aan onze vroegere
+vriendschap en help haar. Ik--Juda--smeek er u om.
+
+Messala deed alsof hij het niet hoorde. Hij wendde zich tot den hoofdman
+en zeide: Gij hebt hier mijne diensten niet meer noodig. Beneden op
+straat is meer te doen. Weg met Eros, Mars regeert!
+
+Dit gezegd hebbende verdween hij. Juda begreep hem en in de bitterheid
+zijner ziel bad hij: O God, als het uur der wrake geslagen is, laat haar
+dan door mijne hand aan hem voltrokken worden.
+
+Met inspanning van alle krachten wist hij den hoofdman te bereiken.--O
+heer, die vrouw is mijne moeder. Spaar haar en spaar mijne zuster. God
+is rechtvaardig. Hij zal u genade voor genade bewijzen.
+
+De man scheen geroerd te zijn.--Naar den burcht met de vrouwen! riep
+hij, maar doe ze geen kwaad. Ik zal ze van uwe hand eischen. Toen tot de
+mannen, die Juda vasthielden: Bindt zijne handen, en brengt hem naar
+buiten; hij zal zijne straf niet ontgaan.
+
+De moeder werd weggedragen. Tirza, door vrees verlamd, volgde haar
+bewakers lijdelijk. Juda zag beiden voor het laatst aan, en sloeg toen
+de handen voor het gelaat, alsof hij zich haar beeld onuitwischbaar
+wilde inprenten. Indien hij een traan vergoot, niemand heeft het gezien.
+Deze weinige oogenblikken waren voldoende geweest, om een volkomen
+verandering in hem teweeg te brengen. Toen hij het hoofd weder ophief en
+de armen uitstak, om zich te laten binden, was al wat nog kinderlijk aan
+hem was verdwenen,--de jongeling was man geworden.
+
+Op de binnenplaats weerklonk trompetgeschal. De soldaten haastten zich
+naar beneden. Menigeen, die het niet waagde met de bewijzen zijner
+plunderzucht in de rijen ter verschijnen, wierp zijn buit weg, zoodat de
+vloer overal met kostbare zaken bedekt was. Toen Juda beneden kwam, had
+de stoet zich weer geordend en wachtte de aanvoerder slechts op de
+uitvoering van zijn laatste bevelen. Tirza en hare moeder, benevens het
+geheele dienstpersoneel, werden door de noordpoort uitgeleid, die wel
+een ruïne geleek. Het gejammer der dienstboden, waarvan verscheidene
+ingeboornen des huizes waren, was droevig om aan te hooren. Toen ten
+slotte de paarden en het vee weggevoerd werden, begon Juda de wraak van
+den procurator ten volle te begrijpen. Alles, tot het woonhuis toe, was
+ten verderve gedoemd. Geen levende ziel, zoo luidde het bevel, mocht
+binnen zijne muren blijven. Mochten er soms in Judea nog lieden gevonden
+worden, vermetel genoeg om een Romeinschen beambte te willen vermoorden,
+dan zou het lot der vorstelijke familie Hur hun tot waarschuwing kunnen
+dienen, terwijl hunne tot eene ruïne vervallen woning den indruk
+levendig zou houden.
+
+De hoofdman wachtte buiten, totdat een afdeeling soldaten de poort zoo
+goed mogelijk weer in orde gebracht had. Het gevecht op straat was
+geëindigd. Op de daken toonden hier en daar stofwolken aan, dat de rust
+daarboven nog niet geheel hersteld was. De keizerlijke legioenen stonden
+in 't gelid, even glansrijk als voorheen. Juda, die voor 't oogenblik
+zichzelf geheel vergeten kon, had alleen aandacht voor de gevangenen,
+waaronder hij tevergeefs zijne moeder en Tirza zocht.
+
+Daar verrees eensklaps van den grond, waar zij neergehurkt zat, eene
+vrouw, en snelde naar de poort. Een paar van de wachten schoten toe om
+haar te grijpen; maar zij ontkwam aan hunne handen onder vreugdegejuich
+der toeschouwers. Zij baande zich een doortocht naar Juda, viel aan
+zijne voeten neder en omvatte zijne knieën.
+
+--O, Amrah, goede Amrah, zeide hij, God helpe u, ik kan het niet.
+
+Het was haar onmogelijk te spreken.
+
+Hij boog zich tot haar neder en fluisterde: Leef, Amrah, voor Tirza en
+mijne moeder. Zij zullen terugkomen, en--
+
+Een soldaat trok haar weg; maar zij rukte zich los en snelde door de
+poort en de gang naar den ledigen binnenhof.
+
+--Laat haar gaan, beval de hoofdman. Wij zullen het huis verzegelen, en
+zij kan verhongeren.
+
+De manschappen hervatten hun werk, en toen zij aan dien kant gereed
+waren, begaven zij zich naar de westzijde. Daar werd de poort eveneens
+dicht gemaakt, waarna het oude paleis Hur vereenzaamd bleef staan. De
+cohorte zette zich weder in beweging, terug naar den burcht, waar de
+procurator eenige dagen rust hield, om van zijne wond te genezen en over
+de gevangenen te beschikken. Tien dagen later bracht hij zijn bezoek aan
+het paleis van den hoogepriester.
+
+
+ * * * * *
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+DE GEVANGENE.
+
+
+Den volgende dag verscheen een detachement Romeinsche soldaten voor het
+verlaten huis, en na de ingangen met was verzegeld te hebben, spijkerden
+zij aan de muren een plakkaat, waarop in het Latijn deze woorden te
+lezen stonden:
+
+ DIT IS HET EIGENDOM VAN DEN KEIZER.
+
+Nog een dag later, tegen den middag, naderde een hoofdman met tien
+ruiters het stadje Nazareth van de zuidzijde, dat is, komende van
+Jeruzalem. Nazareth was toen een onbeduidend dorp, tegen den heuvelrand
+gebouwd. De eenige straat, waarop het aanspraak kon maken, was niet veel
+meer dan een veel begaan geitenpad. Aan de zuidzijde strekte zich de
+groote vlakte uit van Esdrelon, en van een westelijken heuveltop kon men
+de Middellandsche zee, de landen van gene zijde der Jordaan, en den berg
+Hermon zien liggen. Wijngaarden, tuinen en weilanden boden een
+afwisselenden aanblik, terwijl hier en daar een palmboschje aan het
+landschap een oostersch karakter verleende.
+
+De huizen van Nazareth waren onaanzienlijk, vierkant, één verdieping
+hoog, van platte daken voorzien, en met frisch groene wingerden
+begroeid. Waren de heuvelen van Judea dor en bruin verbrand, bij de
+grenslijn van Galilea hield dat naargeestig schouwspel op.
+
+Toen de ruiters het dorp naderden deden zij hun trompetgeschal
+weerklinken, hetgeen een magische uitwerking had op de inwoners. Alle
+hekken en deuren gingen open, ieder wilde de eerste zijn om de ongewone
+bezoekers te zien. Dat de Nazareners jegens de Romeinsche soldaten alles
+behalve welwillend gestemd waren, behoeven wij wel niet te verzekeren;
+maar toen zij zagen wat het doel van den tocht was kreeg de
+nieuwsgierigheid de bovenhand, en wetende dat de Romeinen halt zouden
+maken bij de bron op de markt, verlieten zij hunne huizen en sloten zich
+bij den troep aan.
+
+De ruiters voerden een gevangene mede, dat was het wat ieders aandacht
+trok. Hij ging te voet, bloothoofds, half naakt, de handen op den rug
+gebonden. De riem, die zijne polsen bijeenhield, was om den hals van een
+paard geslagen. Het stof, door de ruiters opgejaagd, hulde hem in een
+dikke wolk. Zijn houding was gebogen, zijn gang moeilijk, hij scheen
+bijna te bezwijken.
+
+Bij de bron hielden de soldaten stil en stegen af. De gevangene zonk
+uitgeput op den grond; de krachten begaven hem. Toen de dorpelingen
+naderbij kwamen en zagen dat het niet veel meer dan een knaap was,
+schudden zij medelijdend het hoofd en zouden hem, indien zij slechts
+gedurfd hadden, gaarne geholpen hebben.
+
+Terwijl zij onder elkander beraadslaagden en de soldaten hun dorst
+leschten, kwam van den kant van Sepphoria een man aanwandelen. Een vrouw
+zag hem het eerst en riep: Kijk, daar komt de timmerman. Nu zullen wij
+wel iets te hooren krijgen.
+
+De bedoelde persoon, een eerwaardig grijsaard met zilveren lokken en een
+langen witten baard, naderde met langzamen tred. Over den schouder droeg
+hij een bijl en een zaag, alles zwaar en grof. Bij de bron bleef hij
+staan en overzag de schare.
+
+--O, Rabbi, goede Rabbi Jozef, zeide de vrouw en liep op hem toe, hier
+is een gevangene. Vraag toch eens aan de soldaten hoe hij heet en wat
+hij gedaan heeft, en wat zij met hem gaan doen.
+
+Het gelaat van den oude bleef onbewogen. Hij beschouwde echter den
+gevangene en wendde zich toen tot den hoofdman.
+
+--De vrede des Heeren zij met u, zeide hij ernstig.
+
+--En die van de goden met u, antwoordde de Romein.
+
+--Komt gij uit Jeruzalem?
+
+--Ja.
+
+--Uw gevangene is nog zeer jong.
+
+--In jaren, ja.
+
+--Mag ik vragen wat hij gedaan heeft?
+
+--Hij is een moordenaar.
+
+Met groote verbazing ging dat woord van mond tot mond, maar Rabbi Jozef
+vervolgde: Is hij een zoon van Israël?
+
+--Hij is een Jood, antwoordde de Romein droogjes.
+
+Het medelijden der omstanders, dat sterk verminderd was, groeide op eens
+weer aan.
+
+--Ik weet niets van uwe stammen af, vervolgde de hoofdman, maar kan u
+wel zeggen wie zijn familie is. Misschien hebt gij wel eens van een
+zekeren Hur, een vorst van Jeruzalem, gehoord, Ben-Hur noemden zij hem.
+Hij leefde ten tijde van Herodes.
+
+--Ik heb hem gekend, zeide Jozef.
+
+--Nu, dit is zijn zoon.
+
+Van alle kanten hoorde men uitroepen van medelijden en ontsteltenis,
+hetgeen den hoofdman niet beviel. Daarom liet hij er snel op volgen:
+Eergisteren heeft hij den edelen Gratus getracht te dooden, door hem een
+steen op het hoofd te werpen, boven van het dak van zijns vaders huis.
+
+De Nazareners gaapten den jongen Ben-Hur aan, alsof hij een wild dier
+was.
+
+--Heeft hij hem gedood? vraagde Jozef.
+
+--Neen.
+
+--Is hij veroordeeld?
+
+--Ja, tot de galeien, levenslang.
+
+--God helpe hem! zeide Jozef bewogen.
+
+Een jonge man, die met Jozef medegekomen, doch onopgemerkt gebleven was,
+legde de bijl, die hij over den schouder droeg, neer, ging bedaard naar
+de bron, vulde een kruik met water, en boog zich, voordat iemand het
+verhinderen kon, over den gevangene om hem te laten drinken. Zacht legde
+hij de hand op Juda's schouder, en toen de arme jongen de oogen opsloeg,
+zag hij een gelaat om nooit te vergeten, het gelaat van een jonkman,
+wiens donkerblauwe oogen hem zoo liefdevol en deelnemend aanstaarden,
+dat hij zich in eens gewonnen gaf. Zijn gemoed, verhard door lichamelijk
+lijden en zoo verbitterd door het geleden onrecht, dat het aan niets dan
+aan wraak kon denken, smolt als was onder dien blik. Hij zette den mond
+aan de kruik en dronk het frissche water met lange gretige teugen. Geen
+van beiden sprak echter een enkel woord. Toen Juda gedronken had legde
+zijn nieuwe vriend zijne hand als zegenend op het hoofd van den
+gevangene, bracht vervolgens de kruik weder waar hij die gevonden had,
+nam zijn bijl op en voegde zich weder bij Jozef. Aller oogen, zoowel van
+de Romeinen als van de dorpelingen, volgenden hem.
+
+Nadat de soldaten ook de paarden te drinken hadden gegeven begaven zij
+zich weder op marsch. Over den hoofdman scheen een verandering gekomen
+te zijn. Met eigen hand toch hielp hij den gevangene opstaan en zette
+hem achter een soldaat op het paard.
+
+De Nazareners keerden naar huis terug, onder hen Jozef en zijn metgezel.
+
+Dit was de eerste ontmoeting tusschen Juda en den zoon van Maria.
+
+
+ * * * * *
+
+
+BOEK III.
+
+
+ * * * * *
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+QUINTUS ARRIUS.
+
+
+De stad Misenum, eenige mijlen van Napels gelegen, heeft haren naam
+gegeven aan het voorgebergte, welks sieraad zij was. Enkele ruïnes,
+ziedaar alles wat van haar overbleef; maar in het jaar 24 der
+Christelijke jaartelling was de plaats een van de belangrijkste aan de
+westkust van Italië. Van den stadsmuur had men een heerlijk gezicht op
+de blauwe golf van Napels met hare schilderachtige oevers, op den
+rookenden Vesuvius, op Ischia hier en Capri daar, en ten slotte op
+Rome's reservevloot, die voor Misenum ten anker lag. Een doorgang in den
+stadsmuur voerde toen ter tijde naar een dam, die zich verscheidene
+mijlen ver in zee uitstrekte.
+
+Op een koelen Septembermorgen werd de wachter op den muur boven den
+doorgang uit zijne gepeinzen opgewekt door de nadering van een druk
+pratend gezelschap. Hij zag even op en hernam zijn vorige houding. Het
+gezelschap bestond uit twintig tot dertig personen; het meerendeel
+slaven, die brandende fakkels droegen, welke een Indischen nardusgeur
+verspreidden. De heeren gingen arm in arm vooraan. Een van hen, een
+vijftigjarige, met een lauwerkrans om de slapen, scheen de held van een
+of ander feest te zijn. Allen droegen ruime toga's van witte wollen
+stof, met breede purperen randen afgezet. De wachter had met één blik
+gezien, dat het lieden van aanzien waren, die na een nachtelijke partij
+een vriend uitgeleide deden.
+
+--Neen, Quintus, zeide een van hen tot den bekranste, het staat Fortuna
+niet mooi u zoo spoedig aan ons te ontrooven. Eerst gisteren van de reis
+teruggekeerd, gaat gij ons nu reeds weder verlaten.
+
+--Bij Castor, zeide een tweede, waartoe dat klagen? Onze Quintus gaat
+slechts herwinnen wat hij van nacht verloren heeft. Dobbelsteenen op een
+zwalkend schip staan niet gelijk met dobbelsteenen aan den vasten wal,
+is 't wel Quintus?
+
+--Beleedig Fortuna niet, waarschuwde een derde. Zij is niet blind of
+wispelturig. Ontneemt zij hem ons bij tijd en wijle, zij brengt hem ons
+toch altijd weer terug met nieuwe lauweren beladen.
+
+--De Grieken halen hem weg, zeide een ander. Aan hen de schuld; laat ons
+dus de goden met rust laten.
+
+Zoo sprekende ging het gezelschap door de poort op den dam. Den zeeman
+klonk het kabbelen der golven als een welkomstgroet in de ooren. Hij
+haalde diep adem, alsof het zilte nat hem liefelijker was dan de nardus.
+Ziet, sprak hij de hand opheffende, de wind waait uit het westen. Heb
+dank, moeder Fortuna!
+
+De vrienden herhaalden den uitroep in koor, de slaven zwaaiden de
+fakkels.
+
+--Daar komt zij! vervolgde hij, en wees op een naderende galei. Welk
+zeeman zou een ander liefje begeeren? Is uwe Lucretia bevalliger, vriend
+Cajus?
+
+Met stralende oogen keek hij naar de galei, die zijn lof waardig was.
+Het witte zeil stond bol en de riemen gingen in volmaakte regelmaat en
+met vleugelslag op en neder. Ja, zeide hij ernstig, den blik op het
+vaartuig gericht, laat de goden rusten. Zij verschaffen ons de
+gelegenheden en het is onze eigen schuld, als wij niet slagen. En wat de
+Grieken betreft, Lentulus, de zeerovers die ik moet gaan straffen zijn
+Grieken. Eene overwinning op hen behaald is van meer gewicht, dan
+honderd op de Afrikanen.
+
+--Gij gaat dus naar de Egeïsche zee?
+
+--Ja, en daar ik zo spoedig mogelijk vertrek zal ik u de aanleidende
+oorzaak vertellen; maar gij moet er niet buitenaf over spreken. Ik zou
+niet gaarne willen, dat gij er den duumvir, zoo gij hem weder ontmoet,
+over lastig valt; hij is mijn vriend. De handel tusschen Griekenland en
+Alexandrië is, zooals gij misschien weet, bijna van evenveel beteekenis,
+als die tusschen Alexandrië en Rome. Nu vergat het volk in dat gedeelte
+der wereld de Cerealia te vieren, en Triptolemus gaf hun dientengevolge
+een oogst, die het inzamelen ternauwernood waard was. Maar de handel is
+zoo toegenomen, dat van geen staking hoe kort ook sprake kan zijn.
+
+Waarschijnlijk hebt gij ook gehoord van de Chersonesische zeerovers, die
+in de golf van Euxine nestelen. Brutaler dan zij bestaan niet. Gisteren
+werd te Rome bericht ontvangen, dat zij met een vloot den Bosphorus
+waren afgeroeid, de galeien bij Byzantium en Chalcedon in den grond
+hebben geboord en, op verderen buit belust, de Egeïsche zee opvoeren.
+De korenkoopers, wier schepen op de Oost-Middellandsche zee zijn, hebben
+een persoonlijk onderhoud met den keizer gehad. Dientengevolge
+vertrekken heden nog van Ravenna een honderdtal galeien, en van
+Misenum--hij zweeg even, alsof hij de nieuwsgierigheid zijner vrienden
+wilde prikkelen--van Misenum één galei.
+
+--Gelukkige Quintus, wij wenschen u van harte geluk!
+
+--Deze opdracht is de voorloopster van een bevordering. Wij begroeten u
+als duumvir, niet minder.
+
+--Quintus Arrius de duumvir--dat klinkt nog mooier dan Quintus Arrius de
+tribuun.
+
+--Dank, hartelijk dank! antwoordde Quintus. Hadt gij lantaarnen bij u,
+ik zou u auguren noemen. Ja, ik ga nog verder: ik zal u bewijzen dat gij
+meesters in het raden zijt. Ziet en leest.
+
+Uit de plooien van zijn toga bracht hij een rol te voorschijn,
+overhandigde die en zeide: Dit ontving ik van Sejanus, terwijl wij aan
+den maaltijd waren.
+
+Die naam had een goeden klank onder de Romeinen, eerst later werd hij
+berucht.
+
+--Sejanus! riepen zij als uit één mond, en staken de hoofden bij
+elkander om het stuk te lezen.
+
+ Sejanus aan C. Caecilius Rufus, Duumvir.
+
+ Rome, XIX Kal. Sept.
+ De keizer heeft het goede nieuws vernomen aangaande Quintus Arrius,
+ den tribuun. Met name heeft hij den moed hooren roemen, door hem in
+ de westelijke zeeën betoond. Daarom beveelt hij dat genoemde
+ Quintus zonder verwijl naar het oosten verplaatst worde.
+
+ Voorts is het de wil van onzen keizer, dat gij onmiddellijk een
+ honderdtal der best drieriemige galeien afzendt tegen de roovers,
+ die zich in de Egeïsche zee vertoond hebben, en dat aan Quintus het
+ bevel over die vloot worde opgedragen.
+
+ Aan u, Caecilius, wordt de bezorging van een en ander overgelaten.
+
+ De zaak dringt, zooals gij zien zult uit de berichten, die hier
+ bijgevoegd worden, opdat gij en Quintus er kennis van zoudt nemen.
+ SEJANUS.
+
+Arrius luisterde slechts ten halve. Het naderende vaartuig nam zijne
+aandacht geheel in beslag. Nu zwaaide hij met een slip van zijn toga;
+als antwoord op dat signaal werd op het schip een roode vaan geheeschen,
+en het zeil ingehaald. De boeg werd landwaarts gekeerd, de riemslag
+versneld,--Arrius sloeg het met welgevallen gade. Op zulk een
+vaartuig kon men staat maken in den tijd van nood.
+
+--Bij alle goden! zeide een van de vrienden, hem de rol teruggevende,
+wij mogen niet meer zeggen: onze vriend zal een groot man worden; hij is
+het reeds. Hebt gij nog meer belangrijks voor ons?
+
+--Neen, was het antwoord. Wat gij zooeven vernomen hebt is thans reeds
+oud nieuws in Rome, ten minste tusschen paleis en Forum. De duumvir is
+voorzichtig; wat ik doen moet en waar ik mijn vloot kan vinden zal ik
+straks aan boord vernemen. Als gij echter vandaag aan een der altaren
+gaat offeren, bidt dan voor uwen vriend, die in de richting van Sicilië
+vaart. Maar daar is het schip. Zijne bestuurders boezemen mij belang in,
+want zij moeten met mij zeilen en strijden. Dit is geen gemakkelijke
+kust om aan te leggen, ik heb dus een kostelijke gelegenheid om over
+hunne vaardigheid te oordelen.
+
+--Wat? is het schip u dan vreemd?
+
+--Ik zie het nu voor de eerste maal, en weet zelfs niet, of ik er één
+bekende op zal aantreffen.
+
+--Is dat niet gewaagd?
+
+--Neen, het doet niets ter zake. Op zee leert men elkander spoedig
+kennen. In de ure des gevaars wordt onze liefde zoowel als onze haat
+geboren.
+
+Het vaartuig behoorde tot de soort van oorlogsschepen, die op groote
+snelheid en plotselinge wendingen waren berekend. Lang, smal, schoot het
+als een zwaan door het water. Onder den boeg, in het water
+vooruitspringend, was de snavel, uit hard hout vervaardigd en met ijzer
+beslagen, die in den strijd als stormram dienst deed. Hecht lofwerk,
+langs de volle lengte van het schip, begrensde de verschansing.
+Daaronder waren drie rijen openingen voor de roeiriemen, aan iederen
+kant zestig. Twee dikke touwen, die over den boeg liepen, gaven het
+getal ankers aan, die op het voordek bewaard werden. De eenvoudige
+inrichting van het verdek deed zien, dat men zich voornamelijk op de
+roeiers verliet.
+
+Nagenoeg in het midden rees de mast omhoog, die door stangen en staggen
+overeind werd gehouden. Het touwwerk diende om een groot vierkant zeil
+te besturen. Behalve de manschap, die het zeil gereefd had, was van den
+dam gezien nog slechts één man zichtbaar. Deze stond bij den boeg en
+droeg een helm en schild. De honderdtwintig eikenhouten riemen, glanzend
+wit gehouden door afwrijvingen met puimsteen, gingen zoo regelmatig op
+en neer, alsof één hand ze bestuurde. De snelheid waarmee de galei
+voortschoot was zoo groot, dat de vrienden van den tribuun hun hart
+vasthielden.
+
+Eensklaps hief de man bij den boeg zijne hand op. Alle riemen gingen
+naar boven, bleven een oogenblik omhoog en vielen toen pijlsnel neder.
+Het water kookte en borrelde, de galei trilde tot in de voegen, en bleef
+dan als verschrikt stil liggen. Een tweede handbeweging van den
+commandant, en wederom gingen de riemen op, bleven omhoog en vielen;
+maar ditmaal roeiden die van de rechterzijde vooruit, die van de
+linkerzijde daarentegen achteruit. Tot driemalen werd deze manoeuvre
+herhaald, toen draaide de galei als om hare as naar rechts, ving wind,
+en legde zijwaarts bij den dam aan.
+
+Door die beweging kreeg men het achterschip beter te zien, waar, onder
+het hooge gebeeldhouwde en fraai vergulde windhuisje, op een
+verhevenheid de stuurman zat, een statige figuur in volle wapenrusting.
+
+Trompetgeschal weerklonk, en op dat signaal verscheen de bemanning op
+het verdek, allen in groot tenue, met glinsterende helmen, schilden en
+speren. Terwijl de soldaten front maakten, klommen de matrozen in den
+mast en zetten zich op de ra. De officieren en muzikanten namen hunne
+plaatsen in. Alles geschiedde met de grootste orde, zonder noodelooze
+drukte. Zoodra de galei aan den dam lag werd van het stuurmansverdek een
+plank naar den wal gelegd.
+
+Toen wendde de tribuun zich tot zijne vrienden en zeide met grooten
+ernst: Mijn plicht roept mij, waarde vrienden.
+
+Hij nam den krans van zijn hoofd en gaf hem aan den dobbelaar. Neem gij
+den krans, gunsteling der dobbelsteenen! Als ik terugkeer zal ik gaarne
+mijn geluk weer beproeven. Overwin ik niet in den strijd, dan kom ik
+niet terug. Hang den krans in uw atrium.
+
+Nu breidde hij de armen uit en omhelsde hen allen.
+
+--Mogen de goden u vergezellen, Quintus! riepen zij.
+
+--Vaartwel, zeide hij, groette de slaven, die met de fakkels zwaaiden,
+met de hand en keerde zich toen naar het schip. Zoodra hij de plank
+betreden had werden de trompetten geblazen, en boven het windhuisje
+ontplooide zich de purperen vlag ten teeken dat de vlootvoogd aan boord
+was.
+
+
+ * * * * *
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+DE ROMEINSCHE GALEI.
+
+
+De tribuun stond op het verdek, met de order den duumvir in de hand en
+sprak tot den overste der roeiers: Hoeveel mannen hebt gij?
+
+--Tweehonderd tweeënvijftig roeiers en tien om in te vallen.
+
+--Dat geeft een aflossing van....
+
+--Vierentachtig.
+
+--Hoe dikwijls?
+
+--Om de twee uur.
+
+De tribuun dacht een oogenblik na, en zeide: Een zware dienst. Dat moet
+veranderd worden, maar niet dadelijk, want wij moeten dag en nacht door.
+
+Toen wendde hij zich tot den loods: Hoeveel jaren dienst hebt gij?
+
+--Tweeëndertig.
+
+--Welke zeeën hebt gij voornamelijk bevaren?
+
+--Tusschen Rome en het oosten.
+
+--Uitnemend.
+
+De tribuun zag zijn order nogmaals in.
+
+--Onze weg gaat langs kaap Camponella, naar Messina. Dan langs de kust
+van Calabrië, totdat gij Melite links hebt, dan--kent gij de sterren,
+die in de Jonische zee den boventoon hebben?
+
+--Ja zeker.
+
+--Goed. Dan van Melito oostwaarts naar Cythera. Als de goden ons gunstig
+zijn zullen wij het anker niet uitwerpen, voordat wij de baai van
+Antemona binnen loopen. De tijd dringt: ik verlaat mij op u.
+
+Arrius was een voorzichtig man. Hij behoorde tot de soort van menschen,
+die, terwijl zij den goden rijke offers brachten, niettemin van meening
+waren, dat het welslagen eener onderneming meer afhing van eigen wijs
+beleid, dan van gaven en beloften. Als held van het feest had hij den
+ganschen nacht met drinken en spelen doorgebracht; maar de frissche
+zeelucht riep den zeeman in hem wakker en hij dacht niet aan rust,
+voordat hij zijn schip kende. Na met de officieren en de verschillende
+opzichters gesproken te hebben, doorliep hij de galei van onder tot
+boven en liet zich van alles volkomen op de hoogte brengen. Dat afgedaan
+zijnde bleef hem alleen nog over zijn personeel te leeren kennen, en
+daar dit het moeilijkste deel van zijn taak was en nogal tijd vereischte,
+zette hij zich dadelijk aan den arbeid.
+
+Tegen den middag naderde de galei Paestum. De wind woei nog steeds uit
+het westen en deed het zeil zwellen. De wachten waren verdeeld. Op het
+voordek was een altaar opgericht en met zout en gerst bestrooid. De
+tribuun had plechtige gebeden opgezonden tot Jupiter en Neptunus en de
+Oceaniden, en onder het doen van velerlei geloften den wijn uitgegoten
+en wierook gebrand. Thans zat hij, een recht krijgshaftige figuur, in de
+groote kajuit, en bestudeerde de manschappen.
+
+De kajuit bevond zich in het midden der galei, was zesenvijftig voet
+lang en dertig breed en ontving haar licht door drie breede luiken. De
+zoldering rustte op twee rijen dunne palen, en in het midden verrees de
+mast uit een gansche verzameling van bijlen en speren. Bij ieder luik
+voerde rechts en links een trap naar beneden, en daar de luiken
+openstonden had het licht er vrijen toegang. Deze ruimte was om zoo te
+zeggen het hart van het schip, de plaats van samenkomst voor allen:
+eetkamer, slaapkamer, exercitieveld.
+
+Aan het achtereinde der kajuit voerde een trapje naar een platform,
+waarop de hortator, of overste der roeiers zat, die met een stokje de
+maat aangaf voor de roeiers. Rechts van hem stond een wateruurwerk, om
+de aflossingen naar te berekenen. Boven hem, op een nog hooger gelegen
+platform, behoorlijk afgesloten door een vergulde balustrade, was het
+kwartier van den tribuun. Van daar kon hij alles overzien. Een rustbed,
+een tafel en een leunstoel, alles zeer gerieflijk en kostbaar, maakten
+het ameublement uit.
+
+In dien armstoel gezeten hield Arrius een waakzaam oog over zijne
+manschappen, die hem van hunnen kant ter sluik menigen blik toewierpen.
+Het langst verwijlde zijne aandacht bij de roeiers. Wat hij daar zag was
+overigens zeer eenvoudig. Langs de kajuit, aan de zijwanden van het
+schip bevestigd, waren twintig bankjes aangebracht, ieder voor drie
+roeiers, in dier voege, dat de tweede op de bank hooger zat dan de
+eerste, en de derde hooger dan de tweede. De roeiers op de eerste en
+tweede plaats zaten, die van de derde stonden, omdat hunne roeispanen
+zooveel langer waren. Het bovengedeelte van de roeispanen was met lood
+gevuld. Zij hingen in lenige lederen riemen, die een zwevende beweging
+mogelijk maakten, maar tezelfder tijd groote bedrevenheid eischten, daar
+een onverwachte golfslag den onoplettenden roeier in eens kon
+omverwerpen. De zestig openingen waren even zoovele luchtkokers, zoodat
+het hun niet aan frissche lucht behoefde te ontbreken. Licht ontvingen
+zij door een traliewerk, dat tot vloer diende van de gang tusschen het
+dek en de borstwering boven hun hoofd.
+
+In sommige opzichten had het lot dier armen dus nog erger kunnen zijn;
+maar men moet zich niet verbeelden, dat hun leven genoeglijk was. Het
+was hun streng verboden een woord met elkander te wisselen. Dag aan dag
+namen zij zwijgend hunne plaatsen in, onder het werk konden zij elkander
+niet aanzien, hun korte rusturen werden ingenomen door slaap en een
+haastig maal. Nooit zag men hen lachen, nooit hoorde men hen zingen. Het
+leven van deze rampzaligen geleek op een onderaardschen stroom, die
+langzaam maar zonder ophouden voortzwoegt, totdat hij, onverschillig
+waar, vervloeit.
+
+O, Zoon van Maria! In onzen tijd heeft het zwaard een hart--en dat
+danken wij U! maar in de dagen, waarvan wij nu spreken, moesten de
+gevangenen slavendienst verrichten op de wallen, in de straten en
+mijnen, terwijl de handels- en oorlogsgaleien onverzadelijk waren. Bijna
+ieder volk had zijn aandeel geleverd, meest krijgsgevangenen. Britten,
+Libyërs, Scythen, Galliërs, Romeinsche boosdoeners, Gothen, Longobarden,
+Joden, Ethiopiërs, Grieken, Kimbren, alles zat daar door elkander.
+
+Het roeien had niets om het verstand, hoe weinig ontwikkeld ook, bezig
+te houden. De bewegingen waren zelfs bij onstuimig weer zeer automatisch.
+Langzamerhand werden de ongelukkigen stompzinnig, geduldig, geesteloos,
+terende op weinige maar liefelijke herinneringen, ten slotte geheel
+verstompt en gewoon aan lijden en ontbering.
+
+Uur op uur zat de tribuun in zijn armstoel en overdacht al wat maar te
+overdenken was; alleen niet het ongelukkig lot der slaven op de
+roeiersbanken. Het kijken naar hunne regelmatige bewegingen ging hem na
+een poosje vervelen. Tot afwisseling wilde hij eens trachten te
+ontdekken, of er ook een bijzonder goede of slechte onder school.
+
+Dat het onnoodig werd geoordeeld de namen der veroordeelden bij te
+houden, behoeven wij wel niet te verzekeren; het nummer van hun
+zitplaats was voldoende om hen uit elkander te houden. De scherpe blik
+van den tribuun ging alle rijen langs, totdat hij ten laatste op Nummer
+60 bleef rusten. Deze roeier was nog zeer jong, zoo op het oog
+nauwelijks twintig jaar. Behalve een doek om de lenden was hij, evenals
+zijne lotgenooten, geheel naakt, waardoor zijne schoone vormen, zijn
+krachtig spierweefsel op hun voordeeligst uitkwamen. De wijze waarop hij
+zijn werk verrichte, kunstvaardigheid en kracht verradende, ja zijn
+gehele houding trokken de aandacht van den tribuun, die eene bijzondere
+voorliefde koesterde voor alles wat met athletische oefeningen in
+verband stond, en zich vleide een kenner te zijn op dat gebied.
+
+Kon hij hem nu maar eens in het gelaat zien. Het hoofd was welgevormd en
+werd gedragen door een forschen en toch slanken nek. Het profiel was
+fijn en van Oostersche type, lang niet alledaagsch, zoodat de tribuun
+werkelijk belang in hem ging stellen.
+
+Bij alle goden, zeide hij hardop, die knaap belooft wat. Ik moet weten
+waar hij vandaan komt.
+
+De toeleg gelukte--de roeier keek om en zag den tribuun aan.
+
+--Een Jood! Nog een knaap.
+
+De onderzoekende blik van den tribuun dreef den slaaf het bloed naar de
+wangen, zijn groote oogen werden nog grooter, de riem bleef rusten ...
+daar sloeg de hortator met een toornig gebaar tegen de tafel. De roeier
+schrikte, keek voor zich, en hervatte met verdubbelden ijver zijn werk.
+Toen hij later nog eens naar den tribuun omzag steeg zijne verwondering
+ten top--hij ontmoette een vriendelijk glimlachje.
+
+Intusschen stevende de galei de straat van Messina in, liet de stad van
+dien naam rechts liggen, en keerde oostwaarts, den Etna met zijn
+rookwolken achter zich latende.
+
+Telkens als Arrius naar zijn zetel op het platform terugkeerde zocht
+zijn oog N°. 60 op, en moest hij bij zichzelven herhalen: Daar steekt
+iets achter. Een Jood is geen barbaar. Ik moet weten wie hij is.
+
+
+ * * * * *
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+DE GALEISLAAF.
+
+
+Vier dagen later vinden wij de Astrea, zoo heette de galei, in de
+Jonische zee. De lucht was helder, de wind gunstig. Daar het niet
+onmogelijk was de vloot in te halen vóór het aangewezen punt, bracht
+Arrius een groot gedeelte van den dag op het dek door. Hij ging alles
+zelf na en was over het algemeen zeer tevreden. N°. 60 verloor hij
+intusschen niet uit het oog.
+
+--Kent gij den man, die daar juist zijn plaats verlaat? vraagde hij den
+hortator, die een aflossing bevolen had.
+
+--N°. 60?
+
+--Ja.
+
+--De opzichter keek den roeier na en antwoordde: Zooals gij weet is het
+schip eerst sedert een maand uit de hand van zijn maker gekomen, en de
+mannen zijn al even nieuw voor mij, als het schip.
+
+--Hij is een Jood, zeide Arrius nadenkend.
+
+--De edele Quintus heeft een scherpen blik.
+
+--Hij is zeer jong, vervolgde Arrius.
+
+--Maar onze beste roeier. Ik heb zijn riem zien buigen tot brekens toe.
+
+--Hoe is zijn aard?
+
+--Hij is gehoorzaam, meer weet ik er niet van. Hij heeft mij slechts
+eenmaal een verzoek gedaan.
+
+--Welk?
+
+--Hij vroeg mij, of ik hem bij afwisseling nu eens aan de rechter en dan
+weer aan de linkerzij wilde plaatsen.
+
+--Gaf hij een reden op?
+
+--Ja. Hij had opgemerkt dat de mannen, die altijd aan denzelfden kant
+werken, ten laatste scheef worden. Hij zei ook, dat men hem in geval van
+storm of gevecht eensklaps aan den anderen kant kon noodig hebben, en
+dan zou hij niet van zessen klaar zijn.
+
+--Zoo, zoo; dat is iets nieuws. Wat hebt gij meer van hem opgemerkt?
+
+--Hij is veel zindelijker dan de anderen.
+
+--Daarin is hij dan een Romein, zeide Arrius welvoldaan.
+
+--Weet gij niets van zijne geschiedenis?
+
+--Niets hoegenaamd.
+
+De tribuun dacht een oogenblik na en zeide toen: Mocht ik op het dek
+zijn als zijn tijd om is, zend hem dan bij mij; maar alleen.
+
+Ongeveer twee uren later stond Arrius onder het windhuisje. De stuurman
+zat aan 't roer, enkele matrozen lagen in de schaduw van het zeil te
+slapen, op een van de stangen zat een wachter. Opziende zag de tribuun
+N°. 60 naderen.
+
+--De hortator noemde u den edelen Quintus Arrius, en zeide, dat ik
+volgens uw bevel hier moest komen. Hier ben ik.
+
+Arrius zag met bewondering naar het slanke gespierde lichaam en dacht
+aan de arena. Het optreden van den jongeling trof hem. Zijn toon en
+manier van spreken bewezen, dat hij zijn jeugd onder beschaafde lieden
+doorgebracht had. Zijne oogen stonden helder en klaar, en de uitdrukking
+was meer nieuwsgierig dan uitdagend. Den onderzoekenden trotschen blik
+van den tribuun doorstond hij kalm, toonde geen spoor van haat of
+wraakgevoel, alleen diep gewortelde droefheid. Dientengevolge liet de
+tribuun zijn hoogen toon varen en sprak den slaaf vriendelijk toe: De
+hortator heeft mij gezegd dat gij de beste roeier zijt.
+
+--Dat is heel vriendelijk van hem.
+
+--Zijt gij reeds lang in dienst?
+
+--Bijna drie jaar.
+
+--Aan de riemen?
+
+--Ja, ik heb geen dag rust gehad.
+
+--Het werk is zwaar. Menig volwassen man houdt het geen jaar uit en
+gij--gij zijt nog zoo jong.
+
+--De edelen tribuun vergeet, dat de geest ook een woordje meespreekt.
+Door zijn toedoen leeren de zwakken soms verdragen wat de sterken doet
+bezwijken.
+
+--Naar uwe spraak te oordeelen zijt gij een Jood.
+
+--Mijne voorvaderen waren Hebreën lang voordat de eerste Romein bestond.
+
+--Gij zijt een echte Jood, even trotsch als al de anderen, zeide Arrius,
+den verhoogden blos op het gelaat van den jongeling ziende.
+
+--Trots doet zich nooit zoo sterk gelden, dan wanneer hij geketend ligt.
+
+--Welke reden hebt gij dan om trotsch te zijn?
+
+--Dat ik een Jood ben.
+
+Arrius glimlachte. Ik ben nooit in Jeruzalem geweest, zeide hij, maar ik
+heb wel van de vorsten van Jeruzalem gehoord. Ik heb er zelfs een van
+gekend. Hij was koopman en voer ter zee. Hij was waard koning te zijn.
+Tot welken stand behoort gij?
+
+--Ik moet u van de galeibank antwoorden. Ik ben een slaaf, maar mijn
+vader was een vorst van Jeruzalem en voer als koopman ter zee. Keizer
+Augustus kende hem en ontving hem met eerbewijzen aan zijn hof.
+
+--Hoe heette hij?
+
+--Ithamar, uit het huis van Hur.
+
+--Wat! riep de tribuun verbaasd, gij een zoon van Hur--gij? Na een
+oogenblik zwijgen vraagde hij: Hoe zijt gij hier gekomen?
+
+Juda boog het hoofd, hij ademde zwaar. Toen hij zichzelven genoeg
+meester was zag hij den tribuun flink aan en zeide: Ik werd beschuldigd
+van een moordaanslag op Valerius Gratus, den procurator.
+
+--Gij! riep Arrius, wiens verbazing nog grooter werd. Gij die
+moordenaar! Geheel Rome was er over verontwaardigd. Ik lag met mijn
+schip te Lodinum, en hoorde het daar.
+
+Beiden zagen elkander zwijgend aan. Ik dacht dat het geslacht Hur
+uitgeroeid was, zeide Arrius eindelijk.
+
+Een stroom van liefelijke herinneringen deed Juda's trots bezwijken, de
+tranen vloeiden over zijne wangen. Moeder--moeder! en mijn lieve Tirza!
+Waar zijn zij? O tribuun, edele tribuun, als gij iets aangaande haar
+weet, riep hij, de handen smeekend opheffend, vertel het mij dan. Zeg
+mij of zij nog leven, en waar dan, en hoe? O, ik bid u, zeg het mij dan.
+
+Al sprekende was hij tot vlak voor den tribuun getreden.
+
+--Drie jaren zijn voorbijgegaan sedert dien vreeselijken dag, vervolgde
+hij, drie jaren, edele tribuun, en ieder uur was een marteling voor mij.
+De arbeid was mijn enige afleiding. In al dien tijd heb ik geen woord,
+geen enkel woord, met iemand gewisseld. O, konden wij, vergetenen, toch
+ook maar zelf vergeten. Kon ik dat vreeselijk tooneel maar uit mijn
+geheugen bannen! mijn zusje weggerukt van mijne zijde, en die laatste
+blik van mijne moeder! In gevaren van pest, stormen en krijgsgewoel heb
+ik gelachen, terwijl anderen baden, want de dood zou mij van mijne
+ellende verlost hebben. Zeg mij, dat zij dood zijn, want zij kunnen toch
+niet gelukkig zijn, zoolang zij over mijn lot in het onzekere verkeeren.
+Ik heb haar stemmen 's nachts gehoord, ze roepen om mij. Ik heb ze op de
+golven zien wandelen. O mijne moeder, mijn lieve moeder! En Tirza, mijn
+zusje, zoo mooi, zoo lief, zoo aardig! Altijd vroolijk, altijd zingende.
+En mijne hand, de mijne, heeft haar neergeveld! Ik--
+
+--Bekent gij schuld? vraagde Arrius streng.
+
+De uitdrukking van Juda's gelaat veranderde als met een tooverslag. Zijn
+stem werd scherper van toon, zijn geheele lichaam trilde, zijn oogen
+schoten vuur, toen hij, de handen opheffende zeide: Gij kent den God
+mijner vaderen, Jehova, den eenige. Bij zijne waarheid, zijne almacht,
+en bij de liefde, waarmede hij Israël van den beginne heeft liefgehad,
+betuig ik: Ik ben onschuldig!
+
+De tribuun was diep bewogen.
+
+--O edele Romein! vervolgde Ben-Hur, schenk mij geloof, en doe een
+straal van licht vallen in mijne duisternis.
+
+Arrius wendde zich af en wandelde het dek op en neer.
+
+--Hebt gij een verhoor ondergaan? vraagde hij, eensklaps stilstaande.
+
+--Neen.
+
+De Romein zag verbaasd op. Niet verhoord--geen getuigen opgeroepen? Wie
+heeft het vonnis over u uitgesproken?
+
+De Romeinen, het zij hier even herinnerd, waren nooit méér gesteld op
+het in acht nemen van wettelijke formaliteiten, dan in den tijd van hun
+verval.
+
+--Zij hebben mij gebonden en in de gevangenis geworpen. Ik zag niemand,
+en niemand sprak tegen mij. Den volgenden dag werd ik door soldaten
+weggebracht naar de galeien.
+
+--Wat hadt gij tot bewijs van uwe onschuld kunnen aanvoeren?
+
+--Ik was nog een kind, te jong om aan een moord te denken. Gratus was
+mij geheel vreemd. Als ik hem had willen dooden zou ik een ander uur en
+een andere plaats hebben uitgekozen. Hij reed te midden van zijne
+troepen, en het was helder dag. Ik zou niet hebben kunnen ontkomen. Ik
+behoorde tot een geslacht, dat met Rome op goeden voet stond. Mijn vader
+was door den keizer met onderscheiding behandeld, om de diensten, die
+hij den staat bewezen had. Wij hadden een groot fortuin te verliezen.
+Niet alleen ik, maar ook mijne moeder en zuster zouden moeten boeten.
+Ik had geen reden om zulk een misdaad te begaan, en de gedachte aan huis,
+familie, geweten, Wet, zou mijne hand hebben tegengehouden, al was de
+begeerte ook nog zoo sterk in mij geweest. Ik was niet krankzinnig. De
+dood was te verkiezen boven de schande en, geloof mij, zoo denk ik er
+nog over.
+
+--Wie was bij u, toen de procurator getroffen werd?
+
+--Ik was op het dak van ons huis. Tirza was bij mij. Zij stond naast
+mij. Ik leunde over de borstwering om de soldaten te zien voorbijgaan.
+Een losgeraakte steen kantelde door de drukking van mijne hand, en viel
+op Gratus. Ik was doodelijk ontsteld.
+
+--Waar was uwe moeder?
+
+--Beneden in haar kamer.
+
+--Wat is van haar geworden?
+
+Ben-Hur balde de vuisten en hijgde naar adem. Ik weet het niet. Ik zag
+dat zij haar meesleurden--dat is alles. Alle levende ziel werd uit het
+huis verdreven, zelfs het stomme vee, en de poorten werden verzegeld. De
+bedoeling was dat zij er niet meer zou terugkomen. Waar is zij? O, dat
+ik het wist! Zij ten minste had er geen schuld aan. Ik kan vergeven,--maar
+'t is waar, een slaaf moet maar zwijgen van vergeven of van wraak nemen.
+Ik ben levenslang tot de galeien veroordeeld.
+
+Arrius luisterde aandachtig. Hij riep al zijne ondervinding met slaven
+te hulp. Als dit comediespel was, dan was de Jood een geboren acteur;
+maar was hij werkelijk onschuldig, met welk een blinde woede was men dan
+tegen hem te werk gegaan! Een gansche familie weggevaagd, om voor een
+ongeluk te boeten. Dat ging te ver.--De tribuun was een zeer streng man;
+maar hij was ook rechtvaardig. Zijne onderhoorigen noemden hem den
+goeden tribuun.
+
+In het verhaal van den jongeling was veel dat ten zijnen gunste sprak.
+Misschien kende Arrius Valerius Gratus, maar voelde hij zich niet tot
+hem aangetrokken. Misschien had hij den ouderen Hur gekend.... Hoe het
+zij, ditmaal wist de tribuun met recht wat hij doen zou. Zijne macht aan
+boord was onbeperkt. Alles noopte hem om genade te bewijzen. Hij
+geloofde den jongen roeier. Maar, zooals hij tot zichzelf zeide, er was
+geen haast bij, terwijl hij wèl haast had om Cythera te bereiken. Den
+besten roeier vrij te geven, dat ging niet. Hij zou wachten, hij moest
+nog meer zien te vernemen; hij moest ten minste zeker weten dat dit
+vorst Hur was, en dat hij een goede inborst had. Gewoonlijk waren slaven
+leugenaars.
+
+--Het is goed, zeide hij, gij kunt gaan.
+
+Ben-Hur boog, zag nog eenmaal zijnen gebieder aan, maar ontdekte niets
+dat hem hoop kon geven. Langzaam wendde hij zich af, keek nog eenmaal om
+en zeide: Indien gij bij geval weder aan mij denken mocht, edele tribuun,
+wil u dan vooral herinneren, dat ik alleen om tijding gevraagd heb van
+mijne moeder en zuster.
+
+Hij ging. Arrius volgde hem met bewonderende blikken. Bij alle goden,
+dacht hij, met een weinig leiding zou hij in de arena kunnen schitteren.
+Wat een looper! Welk een arm voor het zwaard!--Halt! riep hij luid.
+
+Ben-Hur bleef staan. Wat zoudt gij doen als gij vrij waart? vraagde de
+tribuun.
+
+--De edele Arrius spot met mij, antwoordde de jongeling met bevende
+lippen.
+
+--Neen, bij alle goden, neen!
+
+--Dan wil ik u gaarne antwoorden. Vóór alle dingen zou ik mijn plicht
+doen. Ik zou mijzelven geen rust gunnen, voordat ik mijne moeder en
+Tirza weder thuis gebracht had. Iederen dag, ja ieder uur zou ik aan
+haar geluk wijden. Ik zou haar dienen, trouwer dan de trouwste slaaf.
+Zij hebben veel verloren; maar bij den God mijner vaderen, ik zou haar
+méér terugbezorgen!
+
+Zulk een antwoord had de Romein niet verwacht. Hij aarzelde een
+oogenblik. Maar, zeide hij, als uwe moeder en zuster dood waren, of niet
+gevonden konden worden, wat zoudt gij dan doen?
+
+Het gelaat van Ben-Hur werd met een doodelijken bleekheid overtogen. Hij
+staarde in de golven. Hij scheen een zwaren strijd te strijden. Toen hij
+tot bedaren gekomen was vraagde hij: Welk beroep ik zou kiezen?
+
+--Ja.
+
+--Tribuun, ik zal u naar waarheid antwoorden. Den avond vóór dien
+vreeselijken dag had mijne moeder mij toegestaan soldaat te worden. Daar
+wensch ik bij te blijven, en daar er in de geheele wereld slechts ééne
+leerschool is, zou ik daar heengaan.
+
+--De arena! riep Arrius.
+
+--Neen, een Romeinsch kamp.
+
+--Maar gij moet toch eerst de wapenen leeren hanteeren.
+
+Het is altijd gevaarlijk voor een meester een slaaf raad te geven.
+Arrius zag dadelijk zijne fout en veranderde van toon. Ga nu, zeide hij,
+en bouw geen hoop op wat wij nu verhandeld hebben. Wie weet of ik mij
+misschien wat met u heb willen vermaken. Of--indien gij er toch met hoop
+voor de toekomst aan denken wilt, kies dan tusschen den roem van een
+gladiator en den dienstplicht van een soldaat. Het eerste kan de gunst
+des keizers u bezorgen, als soldaat hebt gij op niet te hopen. Gij zijt
+geen Romein. Ga!
+
+Twee minuten later zat Ben-Hur weder op zijne plaats. Het zwaarste werk
+wordt gemakkelijk als het hart luchtig is. Het roeien viel Juda niet
+meer zoo hard. Een straal van hoop was in zijne ziel gevallen. Hij kon
+het niet onder woorden brengen, maar zijn gevoel zeide hem dat hij zich
+niet bedroog. Telkens als de waarschuwing van den tribuun: misschien heb
+ik mij met u willen vermaken,--hem voor den geest kwam, verdreef hij
+haar. Dat de groote man hem geroepen had en hem zijne geschiedenis had
+laten vertellen was het voedsel, waarmee hij zijn hongerige ziel voedde.
+Ja zeker, er zou iets goeds uit voortkomen. Hoopvol en dankbaar bad hij:
+o God, ik ben een echte zoon van het volk Israël, dat gij zoozeer bemind
+hebt. Help mij, o help mij!
+
+
+ * * * * *
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+EEN LICHTSTRAAL
+
+
+In de baai van Antemona, ten oosten van het eiland Cythera, lagen de
+honderd galeien bijeen. De tribuun wijdde één dag aan de inspectie der
+vloot. Toen vertrok hij naar het eiland Naxos, het grootste van de
+Cycladen, dat halverwege de kust van Griekenland en Azië als een rots in
+zee omhoog rijst. Hier kon geen enkel voorbijzeilend schip aan zijn oog
+ontsnappen, en kon hij tevens de zeeroovers dadelijk nazetten, hetzij
+zij zich in de Egeïsche of in de Middellandsche zee vertoonden. Terwijl
+de vloot in goede orde koers zette naar de rotsachtige oevers van het
+eiland, kwam van het noorden een galei aanzeilen. Arrius ging haar te
+gemoet. Zij kwam rechtstreeks van Byzantium, en haar bevelhebber kon hem
+de bijzonderheden mededeelen, die hij noodig had te weten.
+
+De zeeroovers waren allen geboortig van de verder gelegen kusten der
+Zwarte zee. Zelfs Tanaïs was vertegenwoordigd. Met de grootste
+geheimzinnigheid hadden zij hunne toebereidselen gemaakt. Onverwachts
+hadden zij zich in den Tracischen Bosphorus vertoond, en de daar
+liggende vloot verbrand. Vandaar tot aan de Hellespont waren alle
+mogelijke schepen hun in handen gevallen. Hun eskader bestond uit zestig
+goed bemande en goed uitgeruste galeien. De bevelhebber was een Griek.
+Ook de loodsen, op al de Oostelijke zeeën goed bekend, waren Grieken.
+Zij hadden ongeloofelijk veel buit behaald, zoodat niet alleen op zee,
+maar ook in de steden angst en schrik heerschten. De handel stond bijna
+geheel stil.
+
+Waar bevonden de zeeroovers zich thans?
+
+Op deze vraag, voor Arrius van het meeste gewicht, kreeg hij nu het
+antwoord.
+
+Nadat de vijand Hephestia op het eiland Lemnos geplunderd had, was hij
+overgestoken naar de Thessalische eilanden en tusschen Euboea en Hellas
+verdwenen.
+
+Zoo luidde het bericht.
+
+Door het zeldzaam schouwspel uitgelokt hadden de bewoners van het eiland
+Naxos zich aan de kust verzameld en zagen zij Arrius' schoone vloot
+eensklaps den steven noordwaarts wenden. Zij hadden het stout bestaan
+der zeeroovers vernomen, en toen zij de witte zeilen naoogden grepen zij
+moed. Wat Rome met sterke hand vasthield verdedigde zij ten allen tijde;
+als tegengift voor de opgelegde schatting, gaf zij hare schatplichtigen
+bescherming en veiligheid.
+
+De tribuun was meer dan tevreden. De fortuin was hem gunstig. Zij had
+hem niet alleen dadelijke en zekere inlichtingen verschaft, maar ook
+zijne vijanden in een vaarwater gelokt, waar dood en verderf hen
+wachtte. Hij wist welke schade een enkele galei op een zee als de
+Middellandsche kon veroorzaken, en hoe bezwaarlijk zulk een galei te
+achterhalen en aan te vallen was. Hij wist ook, dat juist die
+omstandigheden zijn roem verhoogen zouden, indien het hem gelukte met
+een enkelen slag de vijandelijke vloot te vernielen.
+
+Als de lezer een kaart van Griekenland en de Egeïsche zee vóór zich
+neemt, zal hij zien dat het eiland Euboea zich als een bolwerk tegen
+Azië in de lengte langs de Grieksche kust uitstrekt, zoodat het kanaal
+tusschen vasteland en eiland bij een lengte van honderdtwintig mijlen
+nauwelijks acht breed is. De bocht in het noorden had eenmaal de vloot
+van Xerxes geborgen, thans hadden de overmoedige zeeroovers er zich
+genesteld. De steden langs den oever waren rijk en beloofden een
+kostelijken buit. Alles wel beschouwd meende Arrius te ogen aannemen,
+dat de roovers ergens ten zuiden van de Thermopylen zouden te vinden
+zijn. In dat geval kon hij niet beter doen, dan hen in het noorden en
+zuiden in te sluiten, maar dan ook zonder een minuut te verliezen. Hij
+zette dus tot den meest mogelijken spoed aan, met het gevolg dat zij nog
+vóór den nacht den berg Ocha in het gezicht kregen en de loods de kust
+van Euboea meldde.
+
+Op een gegeven teeken lieten de roeiers hunne riemen rusten. De tribuun
+verdeelde de vloot in twee deelen, ieder van vijftig galeien. De eene
+helft voerde hijzelf aan, om er het kanaal mede in te varen, terwijl de
+andere bevel kreeg zoo snel mogelijk het eiland aan de zeezijde om te
+varen en het kanaal aan den bovenkant in te sluiten.
+
+'t Is waar, geen van de afdeelingen had over zooveel mannen te beschikken
+als de vijand; maar zij hadden toch iets op dezen voor, onder anderen de
+strenge tucht, waaraan bij de bandeloozen troep, hoe onverschrokken ook,
+niet gedacht kon worden. Voorts rekende de tribuun er op, dat, zoo bijgeval
+de eene helft de nederlaag moest lijden, de andere den vijand in den rug
+zou aanvallen en gemakkelijk overmeesteren kon.
+
+Ben-Hur was op zijne plaats en werd iedere zes uur afgelost. De rust in
+de baai van Antemona had hem goed gedaan, zoodat het roeien hem niet
+vermoeide, en de hortator geen reden tot klagen had.
+
+Over het algemeen waardeert de mensch veel te weinig het rustig gevoel,
+dat hij smaakt, als hij een vast doel voor oogen heeft. Blindelings op
+een onbekend punt af te gaan is verschrikkelijk. De gewoonte had bij
+Ben-Hur dat gevoel slechts in slaap gesust, en dan nog maar ten deele.
+Als hij zoo uur op uur, soms dagen en nachten achtereen, op de
+onmetelijke wateren voortroeide, verlangde hij altijd te weten waar hij
+was en waarheen hij ging; maar na zijn onderhoud met den tribuun was dat
+verlangen veel levendiger, en nieuwe hoop bezielde hem. Het was hem als
+hoorde hij ieder geluid op het schip; hij luisterde er naar, alsof het
+zoovele stemmen waren, die hem iets kwamen vertellen. Hij zag naar het
+traliewerk boven zijn hoofd, en staarde in het licht dat hem zoo schaars
+werd toegemeten, verwachtende--hij wist zelf niet wat. Meer dan eens
+voelde hij een onweerstaanbaren lust om den hortator iets toe te roepen,
+wat natuurlijk ten strengste zou gestraft worden.
+
+Gedurende zijn langen diensttijd had hij geleerd uit het spel der
+zonnestralen af te leiden welken koers de galei nam. Die kennis was hem
+te pas gekomen na hun vertrek van Cythera. Daar hij in de meening
+verkeerde, dat zij in de richting van zijn vaderland zeilden, gaf hij
+nauwkeurig acht op iedere afwijking. De plotselinge wending naar het
+noorden deed hem smartelijk aan. De oorzaak kon hij in de verste verte
+niet bevroeden; want evenmin als de andere roeiers kende hij het doel
+der vaart en had daar ook niet het minste belang bij. Zijn plaats was op
+de roeiersbank, en daar bleef hij, hetzij zij voor anker lagen, of onder
+zeil waren. Eenmaal in deze drie jaren had hij het dek mogen betreden,
+en dat was geweest, toen de tribuun hem ontboden had. Hij wist niet dat
+zijn galei de aanvoerster was van een schoone, goed geordende vloot,
+wier roeiers op hunne beurt even onwetend waren als hij.
+
+Toen de zon haar laatste stralen in de kajuit wierp, ging het nog steeds
+noordwaarts. Het werd nacht, en nog kon Ben-Hur geen verandering
+bespeuren. Van het verdek drong een sterke wierookgeur tot hem door.
+
+--De tribuun offert bij het altaar, dacht hij. Zouden wij misschien
+slaags raken?
+
+Hij luisterde scherp toe. Hij had reeds verscheidene zeeslagen mee
+doorgemaakt, zonder er één gezien te hebben. Boven zijn hoofd had hij
+den strijd hooren woeden, zoodat hij met ieder geluid vertrouwd was
+geworden. Dus kende hij ook de verschillende toebereidselen voor den
+slag, waarvan zoowel bij Romeinen als Grieken het offeren aan de goden
+een der eerste was. De plechtigheid verschilde niet van die der
+offerande bij een afvaart, en zoodra hij ze in volle zee bespeurde wist
+hij waaraan zich te houden.
+
+Een slag had voor hem en zijne mederoeiers een eigenaardig belang; een
+nederlaag toch kon verandering brengen in hun toestand, hen misschien
+wel bevrijden, in ieder geval andere meesters geven, die wellicht minder
+zware diensten van hen zouden vorderen.
+
+Op den gewonen tijd werden de lichten ontstoken en bij de trappen
+opgehangen. De tribuun daalde van het verdek af. Op zijn bevel trokken
+de mariniers hunne wapenrusting aan. De werktuigen werden nagezien,
+speren, werpspietsen en pijlen werden in groote hoopen op den grond
+gelegd, benevens kruiken met ontvlambare olie en manden vol katoenen
+ballen. En toen Ben-Hur ten slotte zag, dat de tribuun zijn platform
+besteeg, zijn wapenrok aantrok, zijn helm en schild gereed hield,
+begreep hij goed geraden te hebben. Thans wachtte hem nog de zwaarste
+vernedering van zijne dienstbaarheid.
+
+Aan iedere roeiersplaats ging een ketting, van zware ringen voorzien.
+Van nummer tot nummer gaande legde de hortator den roeiers ketenen aan
+de voeten, zoodat zij in geval van tegenspoed geen kans van ontvluchten
+hadden.
+
+De ongelukkigen voelden de schande diep. Ben-Hur zeker het diepst. Wat
+zou hij niet hebben willen doen, om dàt te kunnen ontgaan! Weldra meldde
+hem het naderend gerinkel dat hij aan de beurt kwam,--zou de tribuun
+misschien voor hem in de bres springen?
+
+Men moge die gedachte aan ijdelheid toeschrijven, zeker is, dat zij hem
+op eens in beslag nam. Hij geloofde, dat de Romein voor hem een
+uitzondering zou maken, in ieder geval zou hij nu de ware gezindheid van
+den tribuun leeren kennen. Als hij in dit gewichtig oogenblik aan den
+armen slaaf dacht, zou Ben-Hur weten, dat de Romein hem boven zijn
+lotgenooten stelde, zou hij weten dat zijne hoop hem niet bedrogen had.
+
+Ben-Hur wachtte in de grootste spanning. Die paar minuten schenen hem
+een eeuwigheid toe. Bij iederen riemslag keek hij naar den tribuun, die,
+na zich gekleed te hebben, op zijn rustbank ging liggen om te slapen.
+Toen Nummer 60 dat zag lachte hij bitter en besloot niet meer dien kant
+uit te zien.
+
+De hortator kwam naderbij. Nu was hij bij Ben-Hurs buurman--het rinkelen
+der ketenen klonk hem afschuwelijker dan ooit in de ooren. Eindelijk N°.
+60. Met de kalmte der wanhoop liet Ben-Hur de riem rusten en stak den
+beambte zijn voet toe. Daar bewoog zich de tribuun--kwam overeind--wenkte
+den hortator.
+
+Het hart van den jongeling klopte tot berstens toe. De tribuun liet zijn
+oog op hem rusten. Ben-Hur nam zijnen riem weder op, het was hem alsof
+de geheele kajuit in een lichtglans baadde. Hij verstond geen woord van
+wat gesproken werd; maar dat was ook niet noodig--de ketting bleef
+hangen, de hortator keerde naar zijne plaats terug, en begon als altijd
+de maat te slaan. Als muziek klonk hem dat geluid in de ooren, en hij
+hanteerde zijn riem zoo flink, dat de hortator naar den tribuun ging en
+glimlachend zeide: Welk een krachtsontwikkeling!--En welk een vuur!
+antwoordde de tribuun. Bij alle goden! hij moet geen ketenen dragen, leg
+ze hem nooit meer aan.--Toen hij dat gezegd had legde hij zich weder ter
+ruste.
+
+Zoo gingen eenige uren voorbij. Pijlsnel schoot de galei over het kalme
+watervlak. Die niet aan het werk waren sliepen, Arrius op zijn platform,
+de mariniers op den grond. Eenmaal, tweemaal werd Ben-Hur afgelost, maar
+hij kon niet slapen. Drie jaren zwarte nacht en eindelijk een zonnestraal!
+Een schipbreukeling en eensklaps land. In zulke oogenblikken vliedt de
+slaap. Gedragen op de vleugelen der hoop vloog hij in zijne verbeelding
+verre vooruit. Vergeten alle kommer en verdriet, have en goed terug-
+gekregen, moeder en zuster weer bij hem--dat waren de hoofdgedachten, die
+hem tot den gelukkigsten mensch maakten. Dat hij in pijlsnelle vaart
+misschien dood en verderf te gemoet ging, had voor het oogenblik geen
+vat op hem. Zijn blijdschap was zoo groot, zoo volkomen, dat in zijn
+hart geen plaats meer was voor wraak. Messala, Gratus, Rome, en al de
+bittere, martelende herinneringen aan die namen verbonden, waren hem als
+de miasmen eener aarde, waaraan hij ontrukt was, waarboven hij vrij en
+hoog in reiner sfeer zweefde.
+
+In het geheimzinnige duister, dat het aanbreken der schemering
+voorafgaat, liep op het verdek der Astrea een wachter met haastigen stap
+naar het platform van den tribuun en wekte hem uit den slaap. Arrius
+sprong op, gordde zijn zwaard aan, zette zijn helm op, nam zijn schild
+en ging tot den hoofdman der mariniers.
+
+--De zeeroovers zijn vlak bij. Op, ten strijde! zeide hij en ging
+verder, kalm en vol vertrouwen, alsof hij niet twijfelde aan den uitslag.
+
+
+ * * * * *
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+DE ZEESLAG.
+
+
+Allen aan boord van de galei ontwaakten. De hoofdmannen begaven zich op
+hun post. De soldaten grepen naar de wapenen en werden op het verdek
+gevoerd, waar bergen van pijlen en werpspietsen reeds gereed lagen.
+Bij de middeltrap lagen de oliekruiken en vuurballen opgestapeld.
+Verscheidene lantaarns werden ontstoken; vaten werden met water gevuld.
+De afgeloste roeiers werden onder bewaking bij den hortator gebracht.
+Ben-Hur was een van hen. Boven zijn hoofd hoorde hij de laatste
+toebereidselen maken: het ophalen van het zeil, het uitspreiden van
+netten, het bekleeden van het want met ossenhuiden. Weldra werd alles
+weder stil, een stilte vol onbestemde, bange verwachting.
+
+Op een teeken van het verdek, dat den hortator door een onderofficier
+werd overgebracht, hielden de roeiers plotseling stil.
+
+Wat beteekende dat?
+
+Onder de honderdtwintig aan hunne banken geketende slaven was er zeker
+geen, die zich die vraag niet deed. Niet uit vaderlandsliefde, eerzucht,
+plichtgevoel, daar hadden zij mee afgedaan. Hulpeloos en blindelings
+gingen zij in het gevaar, en die gedachte deed hen een oogenblik
+sidderen. Wat ook gebeurde, het bracht hun geen voordeel: overwinnaars
+--zij bleven wat zij waren; overwonnen--zinken of verbranden, zij moesten
+het lot van hun schip deelen.
+
+Het was hun niet vergund te vragen hoe de zaken daarbuiten stonden. En
+wie was de vijand? Als het eens vrienden, broeders, landslieden waren?
+De lezer zal begrijpen, dat de Romeinen wel gedwongen waren om bij zulke
+gelegenheden hun rampzalige roeiers aan hunne zitplaatsen te kluisteren.
+
+Thans echter hadden zij weinig tijd om aan zulke dingen te denken. Een
+geluid als van roeiende galeien achter hen trok Ben-Hurs aandacht.
+Zouden zij een vloot aanvoeren, die zich tot den aanval gereedmaakte?
+vraagde hij zichzelven.
+
+Een tweede sein kwam van het dek tot hem. De riemen gingen neer en de
+galei zette zich nauwelijks merkbaar in beweging. Doodelijke stilte
+daarbinnen, doodelijke stilte daarbuiten; toch zetten zich alle roeiers
+instinctmatig schrap voor een mogelijken schok. Zelfs de galei scheen
+den toestand te vatten, zij lag stil, alsof zij zich, een tijger gelijk,
+tot den sprong voorbereidde.
+
+In zulke oogenblikken heeft men geen begrip van tijd. Ben-Hur kon
+onmogelijk nagaan hoe groot de afstand was, dien zij afgelegd hadden.
+Eindelijk weerklonken op het verdek de trompetten, lang, vol, klaar. De
+hortator sloeg de maat sneller en sneller; de roeiers roeiden met de
+uiterste krachtinspanning. Met onvergelijkelijke snelheid schoot de
+galei vooruit. Andere trompetten deden zich hooren--alle van achteren,
+geen enkele van voren. Dáár vernam men slechts een verward gedruisch van
+stemmen, een algemeen tumult. Plotseling deed zich een geweldige schok
+voelen, de roeiers vóór het platform van den hortator wankelden, sommige
+vielen. De galei schoot achteruit, hervatte zich, om zich dan weer met
+onweerstaanbare kracht op den tegenstander te werpen. Een akelig
+doordringend angstgeschrei deed zich hooren, het overstemde het
+trompetgeschal en het geraas door de aanzeiling veroorzaakt. Ben-Hur
+voelde dat hunne galei een andere vernielde, in den grond boorde. Zijne
+makkers zagen elkander verschrikt aan. Een triomfkreet op het verdek--de
+Romeinen hadden gezegevierd! Maar wie waren door de zee verzwolgen? Tot
+welke natie, tot welk land behoorden zij?
+
+Geen rust, geen oponthoud! Vooruit schoot de Astrea. Enkele soldaten
+kwamen in haast naar beneden, drenkten de katoenballen met olie en
+wierpen ze nog druipend aan hunne kameraden op de trappen toe. Alsof er
+niet reeds verschrikkingen genoeg waren, zou er nu nog de woede des
+vuurs aan toegevoegd worden.
+
+Op eens helde de galei zoo sterk naar éénen kant over, dat de roeiers
+slechts met moeite hun evenwicht bewaarden. Wederom de juichtonen der
+Romeinen en de wanhopige angstkreten der overwonnenen. De groote
+enterhaken aan den voorsteven hadden een vijandelijk schip gegrepen,
+omhoog geheven, en neergesmakt in de golven.
+
+Het krijgsgeschreeuw groeide steeds aan. Rechts, links, van voren, van
+achteren, een oorverdovend rumoer. Nu en dan verkondigde een geweldig
+kraken, gevolgd door hartverscheurend gekerm, dat wederom een schip
+overzeil was en de opvarenden met de golven worstelden.
+
+De Romeinen zagen echter aan hun kant ook menigeen vallen, die dan
+bloedend, stervend naar beneden gedragen en op de grond neergelegd werd.
+Ook begon de kajuit zich langzamerhand met rook te vullen en drong een
+afgrijselijke stank van brandende voorwerpen naar beneden. Snakkend naar
+adem begreep Ben-Hur, dat zij rakelings een brandende galei voorbijgingen,
+wier vastgeketende roeiers mede in de vlammen moesten omkomen.
+
+Intusschen was de Astrea aanhoudend in beweging gebleven. Eensklaps
+echter stopte zij. De riemen werden den roeiers uit de handen geslagen,
+zijzelven vielen van de banken. Op het verdek hoorde men een vervaarlijk
+leven, vervolgens het slaags raken van twee schepen. Doodelijk
+verschrikt zagen de roeiers rond, of er ook mogelijkheid van ontkomen
+was. Te midden van de algemeene ontsteltenis werd een dood lichaam naar
+beneden geworpen en kwam vlak bij Ben-Hur terecht. Het was een
+blondgelokte barbaar uit het noorden; maar hoe kwam hij hier? Een
+ijzeren vuist had hem van het vijandelijke schip gegrepen--neen, de
+Astrea zelve moest in de handen der vijanden zijn! Vochten de Romeinen
+dus op eigen bodem?
+
+Het werd de jongen Jood koud om 't hart. Arrius was in gevaar--misschien
+kampte hij op ditzelfde oogenblik om zijn leven. Indien hij gedood werd!
+Dat verhoede de God van Abraham! Moest zijn nieuw ontloken hoop, moesten
+zijn zoete droomen hoop en droomen blijven? Moeder, zuster, huis,
+vaderland, zou hij ze dan toch nooit terugzien? Het tumult boven zijn
+hoofd groeide aan, hij zag rondom zich--niets dan verwarring trof zijn
+oog: de roeiers verlamd van schrik, soldaten niet wetende waar zich te
+bergen. Alleen de hortator bleef onverschrokken op zijn post, sloeg,
+hoewel tevergeefs, als naar gewoonte de maat, wachtend op de bevelen van
+den tribuun--een illustratie van de onovertroffen discipline, die de
+wereld had overwonnen.
+
+Dat voorbeeld had een goede uitwerking op Ben-Hur. Hij trachtte zich te
+beheerschen en na te denken. Eer en plicht deden den Romein op het
+platform blijven, maar wat had hijzelf thans met zulke beweegredenen te
+doen? De roeiersbank was hem een gruwel, en wie zou er winst bij hebben,
+indien hij als slaaf omkwam? Voor hem was te leven een plicht. Zijn
+leven behoorde moeder en zuster. Levendiger dan ooit verrezen zij voor
+het oog zijns geestes. Hij zag hoe zij de armen naar hem uitstrekten,
+hij hoorde naar smeeken. Ja, aan die roepstem moest en zou hij gehoor
+geven. Hij sprong op,--maar stond weer stil. Helaas, een Romeinsch
+vonnis hield hem gevangen. Zoolang dat niet herroepen was baatte hem
+geen ontvluchten. In de wijde, wijde wereld was geen plekje, waar hij
+veilig was, als de Keizer hem opeischte. Op het land noch op de zee kon
+hij verborgen blijven, en wettige vrijheid had hij noodig, om in Judea
+te kunnen wonen, en den kinderplicht te vervullen, waaraan hij al zijne
+krachten wilde wijden. Hoe had hij gewacht en gehoopt op die vrijspraak,
+hoe vurig om haar gebeden! En hoe lang had hij moeten wachten!
+Eindelijk, eindelijk had zij hem toegelachen in de belofte van den
+tribuun; want wat anders zou de groote man bedoeld hebben? Maar als zijn
+weldoener nu moest vallen, wat dan? De dooden komen niet terug, om de
+beloften, tijdens hun leven gedaan, te vervullen. Neen, Arrius mocht
+niet sterven. En anders--beter met hem te vergaan, dan hem als
+galeislaaf te overleven.
+
+Nogmaals zag Ben-Hur rondom zich. Nog altijd woedde de strijd daarboven,
+nog altijd waren de twee galeien handgemeen. De roeiers deden wanhopige
+pogingen om aan hunne ketenen te ontkomen, en toen dat niet gelukte
+hieven zij een akelig gehuil aan. De wachten waren niet te zien, er was
+geen tucht meer. Ben-Hur bedacht zich niet langer, hij sprong op en
+snelde weg, niet om te vluchten, maar om den tribuun te zoeken.
+
+Halverwege de trap gekomen, hoog genoeg om een blik te kunnen werpen op
+den door het vuur gekleurden hemel, de ronddrijvende wrakken, den strijd
+aan boord, de talrijke aanvallers, de weinige verdedigers, voelde hij
+plotseling de trap onder zijne voeten uiteenslaan, zoodat hij ruggelings
+op den grond geworpen werd. Nog voordat hij zich op kon richten werd de
+bodem van het vaartuig vaneengereten, de kokende, bruisende golven
+stroomden naar binnen en verzwolgen allen.
+
+Of de jongeling in dezen uitersten nood iets tot zijne redding kon
+aanwenden valt te betwijfelen. Hoewel hij behalve zijn natuurlijke
+sterkte bovendien nog de krachten bezat, welke de natuur voor zulke
+buitengewone gevallen schijnt te bewaren, kon hij noch de eene, noch de
+andere aanwenden, daar de duisternis en de woeling van het water hem
+voor het oogenblik althans zijne bezinning ontroofden. Zelfs het
+inhouden van zijn adem geschiedde onwillekeurig. De indringende golven
+wierpen hem als een blok hout in de kajuit, waar hij verdronken zou
+zijn, indien hij niet met het schip naar omhoog gerezen was. Toen hij
+zich voelde opstijgen, sloeg hij instinctmatig de handen uit naar het
+eerste het beste wat hij grijpen kon--een plank, waaraan hij zich met
+alle macht vastklemde. De tijd, dien hij onder water doorbracht, scheen
+hem oneindig langer toe, dan in werkelijkheid het geval was. Eindelijk
+voelde hij lucht. Hij haalde diep adem, schudde zich het water uit de
+oogen, werkte zich op de plank en wierp een blik in het rond.
+
+Helaas, was hem de dood door verdrinking zeer nabij geweest, thans
+waarde hij rondom hem in velerlei gedaanten.
+
+De zee was bedekt door een half doorzichtbaren nevel van rook, hier en
+daar verbroken door schitterende lichtbundels. Dat moesten brandende
+schepen zijn. Nog woedde de strijd; maar wie zegevierde? Nu en dan
+zeilden binnen zijnen gezichtskring schepen voorbij,--waren het
+Romeinsche of vijandelijke? Verderop hoorde hij hoe vijandelijke
+vaartuigen met elkander in botsing kwamen. Het dreigende gevaar was
+echter dichterbij. Toen de Astrea zonk bevond zich, zooals wij weten, op
+het verdek niet alleen haar eigen bemanning, maar ook die van de twee
+galeien, die haar te gelijk hadden aangevallen en met haar naar de
+diepte waren gegaan. Van die velen dreven verscheidene te zamen naar de
+oppervlakte en zetten daar den strijd weer voort. Elkander vasthoudend
+in doodelijke omarming, of ook wel met zwaard of spies de een den ander
+onschadelijk trachtend te maken, hielden zij het water aanhoudend in
+beweging. Maar dat niet alleen. Hij begreep heel goed, dat de eerste de
+beste in staat zou zijn om hem dood te slaan ter wille van de plank die
+hem vlot hield. Hij moest dus trachten zoo spoedig mogelijk weg te
+komen.
+
+Op eens hoorde hij riemslagen en zag hij een galei op zich afkomen. De
+hooge voorsteven scheen hem dubbel hoog toe; de weerkaatsing van het
+roode schijnsel op het verguldsel en beeldhouwwerk deed haar op een
+reusachtige slang gelijken. Hij schoof de plank, zwaar en onhandelbaar
+als zij was, met alle kracht voort. De tijd was kostbaar, een halve
+seconde kon hem redding brengen, of in 't verderf storten.
+
+Daar dook eensklaps binnen armslengte een helm uit de baren op,
+vervolgens twee handen met uitgespreide vingers, groote sterke handen,
+die wat zij eenmaal gegrepen hadden niet licht zouden loslaten. Ben-Hur
+keerde zich verschrikt af. Nu kwam het geheele hoofd boven, vervolgens
+de armen, die woest om zich heen sloegen. Het hoofd viel achterover,
+zoodat het gelaat zichtbaar werd. De mond was wijd open, de oogen ook,
+maar het licht scheen er uit geweken te zijn, een akelige bleekheid deed
+vermoeden, dat de dood nabij was. Toch uitte Ben-Hur een kreet van
+vreugde, en toen de drenkeling weder dreigde te verzinken greep hij de
+ketting vast, die den helm onder de kin bevestigde, en trok hem naar
+zich toe. Hij had in den bewustelooze Arrius den tribuun herkend.
+
+Een tijdlang borrelde en schuimde het water geweldig, zoodat Ben-Hur
+alle krachten moest inspannen, om zijn plank niet te verliezen en tevens
+het hoofd van de Romein boven water te houden. De galei was voorbijgeroeid
+zonder hen te raken. Dwars door zwemmende soldaten heen, over gehelmde en
+ontbloote hoofden zette zij haren tocht voort. Een dof geraas, een luid
+geschreeuw deed Ben-Hur omzien, en wat hij zag vervulde hem met een zekere
+bevrediging: de Astrea was gewroken.
+
+De strijd was nog niet beëindigd, maar de tegenstand veranderde in
+algemeene vlucht. Wie hadden gezegevierd? Ben-Hur voelde dat zijne
+vrijheid en het leven van den tribuun grootendeels daarvan afhingen.
+Hij schoof den Romein de plank onder het lichaam, totdat zij hem droeg,
+waarna hij alleen te zorgen had, dat zijn beschermling er niet afgleed.
+Het was nu volkomen dag geworden. Links zag hij land, maar te ver
+verwijderd om het te kunnen bereiken. Hier en daar dreven
+schipbreukelingen als hij, en verkoolde of nog rookende wrakken.
+Verderop dreef een verlaten galei, het zeil aan flarden gereten; nog
+verder bewegelijke stippen, die, naar hij dacht, vluchtende of
+achtervolgende schepen konden zijn.
+
+Zoo ging een uur voorbij. Zijne bezorgdheid nam toe. Als niet spoedig
+hulp opdaagde moest Arrius sterven. Gedurig vreesde Ben-Hur dat hij
+reeds dood was, hij lag zoo stil. Hij deed hem den helm af, gespte toen
+met groote moeite het harnas los, en bevond dat het hart nog klopte,
+schoon zwak en onregelmatig. Dat gaf hem nieuwen moed om vol te houden.
+Er was niets voor hem te doen dan te wachten, en naar de gewoonte zijns
+volks te bidden.
+
+
+ * * * * *
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+VRIJ.
+
+
+Eindelijk sloeg Arrius tot groote vreugde van Ben-Hur de oogen op en
+keerden de levensgeesten weder. Zoodra hij spreken kon en na eenige
+vragen vernomen had door wien en hoe hij gered was, herinnerde hij zich
+alles van den geleverden slag. Het onzekere van de overwinning en de
+langdurige rust, indien hier van rust sprake kan zijn, deden het hunne
+om hem geheel tot bezinning te brengen. Na een poosje werd hij zeer
+spraakzaam.
+
+--Ik zie, zeide hij, dat onze redding afhangt van den uitslag van den
+strijd. Ik begrijp ook wat gij voor mij gedaan hebt. Gij hebt mij het
+leven gered met gevaar voor uzelven. Dat erken ik gaarne, en wat ook
+gebeuren moge, ik dank er u van harte voor. Als de fortuin mij gunstig
+is en wij goed en wel dit gevaar te boven komen, zal ik u toonen hoe een
+Romein van aanzien en macht zijn dankbaarheid bewijst. Maar het staat
+nog te bezien, of gij mij, in weerwil van uw goede bedoeling, werkelijk
+een dienst hebt bewezen. Daarom zou ik u de belofte willen afnemen, dat
+gij mij, zoo noodig, de grootste weldaad bewijzen zult, die de een
+mensch den ander bewijzen kan--wilt gij mij dat beloven?
+
+--Als het niets ongeoorloofds is al ik het doen, antwoordde Ben-Hur.
+
+Arrius bleef een oogenblik in gepeins verzonken.
+
+--Zijt gij werkelijk een zoon van Hur, den Jood? vraagde hij op eens.
+
+--Ja, heer.
+
+--Ik heb uw vader gekend.
+
+Juda kwam wat dichter bij den tribuun, daar diens stem nog zwak was. Hij
+luisterde met gespannen aandacht, en meende niet anders, of hij zou nu
+berichten van huis krijgen.
+
+Ik kende hem, had hem lief, vervolgde Arrius.
+
+Weder zweeg hij. Zijne gedachten schenen af te dwalen.
+
+--Het is onmogelijk, begon hij weer, dat gij, zijn zoon, niet gehoord
+zoudt hebben van Cato en Brutus. Dat waren groote mannen, en nooit
+grooter, dan in de ure van hunnen dood. Stervende lieten zij deze wet
+na. Een Romein mag zijn geluk niet overleven.--Luistert gij?
+
+--Ik luister.
+
+--De edelen van Rome zijn gewoon een ring te dragen. Zoo ook ik. Neem
+hem van mijn vinger.
+
+Hij stak Juda zijn hand toe, de jonkman voldeed aan zijn verzoek.
+
+--Steek hem nu aan je eigen vinger.
+
+Ben-Hur gehoorzaamde.
+
+--Dat kleinood kan u van dienst zijn, vervolgde de tribuun. Ik bezit een
+aanzienlijk vermogen. Zelfs in Rome ga ik voor rijk door. Ik heb geen
+familie. Toon den ring aan mijn zaakwaarnemer, gij zult hem in een villa
+bij Misenum vinden. Vertel hem hoe hij in uwe handen kwam en eisch van
+hem zooveel gij verlangt, of alles; hij zal u niets weigeren. Blijf ik
+leven, dan zal ik nog meer voor u doen. Ik zal u uwe vrijheid bezorgen
+en u aan uw volk en familie teruggeven; of wel, gij kunt u de loopbaan
+kiezen, die u het meest toelacht. Hebt gij mij begrepen?
+
+--Volkomen.
+
+--Welnu, beloof mij dan wat ik u vragen zal. Beloof het bij alle goden.
+
+--Neen, edele tribuun, ik ben een Israëliet.
+
+--Bij uw God dan, of doe het in den vorm, dien uwen geloofsgenooten de
+heiligste is. Beloof mij, dat gij doen zult wat ik vragen zal. Ik wacht
+uw antwoord. Beloof het mij.
+
+--Edele Arrius, uwe woorden doen mij vermoeden, dat er iets zeer
+gewichtigs zal volgen. Zeg mij eerst wat gij verlangt.
+
+--Zult gij het mij dan beloven?
+
+--Ik kan mij vooruit tot niets verbinden.--O tribuun, gezegend zij de
+God mijner vaderen! daar komt een galei.
+
+--Uit welken hoek?
+
+--Uit het noorden.
+
+--Kunt gij haar nationaliteit herkennen?
+
+--Neen, ik heb altijd op de roeiersbank gezeten.
+
+--Heeft zij een vlag in top?
+
+--Ik kan er geen zien, het is nog te ver af.
+
+Arrius zweeg eenige oogenblikken. Ten laatste vraagde hij: Houdt de
+galei nog koers hierheen?
+
+--Ja.
+
+--Kunt gij nu de vlag onderscheiden?
+
+--Zij heeft geen vlag.
+
+--Een ander kenteeken soms?
+
+--Een zeil. Het is een drieriemige galei, zij gaat zeer snel, dat is al
+wat ik er van zeggen kan.
+
+--Een Romeinsche galei zou, als zij overwinnaar was, verscheidene
+vlaggen in top voeren. Dit moet dus een vijandelijke zijn. Luister nu
+goed naar mij, terwijl het nog tijd is. Als die galei een zeeroover is
+zijt gij veilig. Zij zullen u wel niet uwe vrijheid hergeven, u
+waarschijnlijk weer op de roeiersbank zetten, maar zij zullen u niet
+dooden. Ik daarentegen--
+
+De tribuun aarzelde. Bij alle goden, zeide hij daarna op vasten toon, ik
+ben te oud om het verlies van mijne eer te overleven. Laat men in Rome
+vertellen hoe Quintus Arrius, omringd door vijanden, met zijn schip in
+de diepte verzonk, zooals dat een Romeinschen tribuun betaamt. Hoor nu
+wat ik van u verlang. Als de galei een vijandelijke is, stoot mij dan
+van de plank in zee en verdrink mij. Hoort gij? Zweer mij dat gij het
+doen zult.
+
+--Dat zweer ik niet, zeide Ben-Hur beslist, en ik ben evenmin van zins
+zulk een daad te bedrijven. De wet, waaraan ik onderworpen ben, stelt
+mij aansprakelijk voor uw leven. Neem den ring terug,--hij trok hem van
+zijn vinger,--neem hem terug,--met al uwe beloften. Het vonnis, dat mij
+levenslang tot de galeien veroordeelde, heeft mij tot een slaaf gemaakt,
+en toch ben ik geen slaaf. Maar ik ben evenmin uw vrijgelatene. Ik ben
+een zoon van Israël, en op dit oogenblik mijn eigen meester. Neem den
+ring terug.
+
+Arrius verroerde zich niet.
+
+--Gij weigert? vraagde Juda. Dan geef ik uw geschenk aan de zee, niet in
+toorn, niet in drift; maar om mij zelven vrij te maken van een vreeselijke
+verplichting.
+
+Dit zeggende slingerde hij den ring verre van zich. Arrius hoorde hem
+vallen en zinken, maar zag niet op.
+
+--Gij hebt dwaselijk gehandeld, zeide hij, zeer dwaas. Ik kan immers ook
+zonder uwe hulp sterven, en als ik dat doe, wat zal er dan van u worden?
+Die besloten heeft in den dood te gaan, sterft liever door de hand van
+een ander, om de eenvoudige reden, dat de ziel, welke wij volgens Plato
+bezitten, in opstand komt tegen zelfvernietiging; dat is alles. Als de
+galei een zeeroover is verlaat ik deze wereld. Mijn besluit staat vast.
+Ik ben een Romein. Goed, geluk en eer gaan boven alles. Toch zou ik
+gaarne van dienst zijn geweest; maar gij hebt niet gewild. De ring was
+in dit geval het eenige, dat mijn laatsten wil staven kon. Wij zijn
+beiden verloren. Ik zal sterven, het betreurende dat de overwinning en
+de roem mij ontgaan zijn. Gij zult nog een poosje leven, om dan eveneens
+te sterven, met berouw in 't hart, omdat gij door deze dwaasheid uwe
+kinderplichten ongedaan hebt moeten laten. Ik beklaag u.
+
+Ben-Hur begreep de gevolgen van zijne daad beter dan te voren. Toch
+berouwde zij hem niet.
+
+--In de drie jaren van mijne dienstbaarheid, o tribuun, waart gij de
+eerste die mij vriendelijkheid bewees.--Neen, neen, er was nog een
+ander!
+
+Zijne oogen werden vochtig, want op eenmaal stond het beeld hem voor den
+geest van den jongen man, die hem bij de bron te Nazareth te drinken had
+gegeven.
+
+--Maar, vervolgde hij, gij waart de eerste, die mij gevraagd heeft wie
+ik was; en al heb ik er ook, toen ik u uit de golven omhooghief, aan
+gedacht, dat gij mij uit mijne ellende kondt verlossen, toch redde ik u
+niet uit zelfzucht. Ik hoop dat gij mij zult willen gelooven.
+Daarenboven doet God mij thans duidelijk inzien, dat het doel waarnaar
+ik streef alleen langs wettigen weg te bereiken is. Ik wil liever met u
+sterven, dan uw dood op mijn geweten hebben. Ik ben even vastbesloten
+als gij. Al boodt gij mij geheel Rome, o tribuun, en al stond het in uwe
+macht dat aanbod tot werkelijkheid te maken, ik zou u toch niet dooden.
+Uw Cato en Brutus waren kinderen, vergeleken met den Hebreër, wiens
+wetten een Jood gehoorzamen moet.
+
+--Maar mijn verzoek. Hebt....
+
+--Zelfs al beveelt gij mij u te dooden, ik zal u niet gehoorzamen.
+
+Beiden zwegen en wachtten.
+
+Ben-Hur zag gedurig naar de naderende galei. Arrius lag met gesloten
+oogen, schijnbaar onverschillig.
+
+--Zijt gij er zeker van dat het een vijandelijke galei is? vraagde
+Ben-Hur.
+
+--Ik vermoed het, luidde het antwoord.
+
+--Zij houdt stil en zet een boot uit.
+
+--Kunt gij nu de vlag zien?
+
+--Is er geen ander teeken, waaraan men een Romeinsche galei herkennen
+kan?
+
+--Jawel, de Romeinschen voeren een helm op den top van den mast.
+
+--Dan kan ik u gelukwenschen. Ik zie den helm.
+
+Nog was Arrius er niet gerust op.
+
+--De mannen in het bootje nemen schipbreukelingen op. Zeeroovers zullen
+wel niet zoo medelijdend zijn.
+
+--Misschien hebben zij roeiers noodig, antwoordde Arrius, waarschijnlijk
+denkende aan de keeren, toen hij met hetzelfde doel drenkelingen
+opgevischt had.
+
+Ben-Hur volgde de bewegingen van het vreemde schip met de grootste
+nauwlettendheid.
+
+--De galei gaat verder, zeide hij.
+
+--Waarheen?
+
+--Rechts van ons drijft een galei, waarschijnlijk is zij verlaten. Daar
+gaat de andere op af. Nu legt zij aan. Nu gaan eenige mannen aan boord.
+
+Thans deed Arrius zijn oogen open en keek met aandacht naar de galei.
+Dank uwen God, zeide hij een oogenblik later, dank uwen God, zooals ik
+mijne goden dank. Een zeeroover zou dat schip doen zinken, niet redden.
+Daardoor, en door den helm op den mast, weet ik dat het een Romeinsche
+galei is. De zege is mijn. De Fortuin heeft mij niet verlaten. Wij zijn
+gered. Wuif met de hand, roep hen, gauw! Ik word duumvir, en gij! Ik heb
+uw vader gekend en had hem lief. Hij was een vorst in den vollen zin des
+woords. Hij heeft mij geleerd, dat een Jood geen barbaar is. Ik zal u
+met mij nemen. Ik zal u als mijn zoon aannemen. Dank uwen God en roep de
+matrozen. Gauw! De vervolging moet voortgezet worden. Geen van de
+roovers mag ontsnappen.
+
+Juda richtte zich op, wuifde met de hand en riep zoo hard hij kon de
+matrozen aan. Eindelijk gelukte het hem hunne aandacht te trekken. Zij
+roeiden op hem toe en namen de beide schipbreukelingen op.
+
+Arrius werd met alle mogelijke eerbewijzen op de galei ontvangen. Hij
+liet zich den afloop van het gevecht tot in de kleinste bijzonderheden
+verhalen. Nadat men alle nog levende drenkelingen gered en den buit
+geborgen had, liet hij opnieuw de commandantsvlag ontplooien en spoedde
+zich noordwaarts, om zich bij de vloot te voegen en de overwinning
+volkomen te maken. Volgens zijne berekening kwamen de vijftig schepen
+het kanaal van de noordzijde juist bijtijds inzeilen, en sneden de
+vluchtelingen den pas af, zoodat geen enkele ontkwam. Twintig
+vijandelijke galeien werden als buit medegevoerd, hetgeen den roem des
+overwinnaars niet weinig verhoogde.
+
+Bij zijne terugkomst te Misenum werd Arrius met de grootste geestdrift
+ontvangen. De hem vergezellende jonkman maakte weldra de nieuwsgierigheid
+van Arrius' vrienden gaande. Op hunne vragen wie hij was, vertelde de
+tribuun in warme bewoordingen hoe hij aan dien jongeling zijn leven te
+danken had, maar vermeed zorgvuldig zijn vroegere geschiedenis aan te
+roeren. Toen hij zijn verhaal geëindigd had riep hij Ben-Hur tot zich,
+vatte hem bij de hand en zeide: Lieve vrienden, dit is mijn zoon en
+erfgenaam, en daar hij eenmaal al het mijne zijn eigendom zal noemen,
+zal hij van nu af mijn naam dragen. Ik verzoek u allen hem in uwe
+vriendschap te doen deelen.
+
+Zoodra het den tribuun mogelijk was had de aanneming tot zoon geheel
+volgens de wet plaats. Zoo betoonde de Romein zijne dankbaarheid aan
+Ben-Hur en verschafte hem den toegang tot de hoogere Romeinsche kringen.
+Een maand na Arrius' terugkomst werd zijne overwinning op de zeeroovers
+glansrijk gevierd in het theater van Scaurus. De eene zijde van het
+gebouw was versierd met militaire tropeeën, waaronder de voorstevens der
+twintig vijandelijke galeien niet het minst de aandacht trokken.
+Daarboven stond in gulden letters geschreven: Veroverd op de zeeroovers
+in de golf van Euripus, door Quintus Arrius Duumvir.
+
+
+ * * * * *
+
+
+BOEK IV.
+
+
+ * * * * *
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+VIJF JAREN LATER.
+
+
+Wij zijn in de maand Juli van het jaar onzes Heeren 28, en wel in
+Antiochië, de koningin van het Oosten, en na Rome de machtigste, zoo
+niet de volkrijkste stad der wereld. Dat de buitensporige weelde en
+zedeloosheid van dien tijd zich van uit Rome over het geheele rijk
+verspreidden mag in twijfel getrokken worden. Die zich de moeite
+getroosten wil van alles nauwkeurig te onderzoeken zal tot het besluit
+komen, dat de zedenbedervende strooming van het Oosten uitging naar het
+Westen, met name van Antiochië, een der oudste zetels van Assyrische
+macht en prachtlievendheid.
+
+Een transportgalei liep, uit zee komende, den mond van den Orontes in.
+Het was voormiddag. De hitte was groot, toch waren alle reizigers op het
+dek, daaronder ook Ben-Hur.
+
+De vijf jaren, die sedert zijne bevrijding verloopen zijn, hebben den
+jongen Jood tot een krachtig man ontwikkeld. In een ruim wit kleed
+gehuld zag hij er zeer innemend uit. Reeds meer dan een uur had hij
+rustig in de schaduw van het zeil gezeten, en in dat uur hadden
+verscheidene reizigers, tot zijn eigen volk behoorende, een gesprek met
+hem trachten aan te knoopen, maar zonder te slagen. Hunne vragen had hij
+kort, schoon zeer beleefd, in de latijnsche taal beantwoord. Zijn
+beschaafde manier van spreken, zijn waardige houding, zijn
+teruggetrokkenheid schenen hunne nieuwsgierigheid in hooge mate te
+prikkelen. Daarenboven was in de uitdrukking van zijn gelaat iets dat
+den nauwlettenden beschouwer deed zeggen: die man heeft een verleden
+achter zich.
+
+De galei had in een der havens van Cyrus een Hebreër opgenomen van zeer
+fatsoenlijk, eerwaardig voorkomen. Ben-Hur voelde zich tot den man
+getrokken en deed hem een paar vragen. De antwoorden wonnen zijn
+vertrouwen, en leidden weldra tot een uitvoerig gesprek.
+
+Toen de galei van Cyprus afgevaren was achterhaalde zij twee andere
+vaartuigen, die eveneens de rivier opvoeren en zoodra zij in elkanders
+buurt waren tal van gele vlaggetjes heeschen. Iedereen wilde weten wat
+die vlaggetjes beduidden, maar niemand kon er een verklaring van geven,
+totdat een der reizigers den eerbiedwaardigen Hebreër om inlichting
+vraagde.
+
+--Die vlaggetjes, antwoordde hij, dienen niet om de nationaliteit
+kenbaar te maken. Zij zijn eenvoudig het kenteeken van den eigenaar.
+
+--Heeft die dan zoovele schepen?
+
+--Ja.
+
+--Kent gij hem?
+
+--Ik heb handel met hem gedreven.
+
+De passagiers zagen den grijsaard vragend aan, als om hem tot vertellen
+te noodigen. Ben-Hur luisterde met belangstelling.
+
+--Hij woont in Antiochië, vervolgde de Hebreër. Daar hij schatrijk is
+heeft men natuurlijk de oogen op hem gevestigd; maar men spreekt niet
+altijd welwillend over hem. Er heeft namelijk vroeger in Jeruzalem een
+vorst gewoond uit het aloude geslacht Hur.
+
+Juda deed zijn best om kalm te blijven, maar zijn hart begon sneller te
+kloppen.
+
+--Die vorst, ging de verhaler voort, was koopman en had een zeldzaam
+scherpen blik op de zaken. Hij zette belangrijke ondernemingen op touw,
+in 't Oosten zoowel als in 't Westen. In de groote steden vestigde hij
+bijkantoren. Dat in Antiochië werd beheerd door een zekeren Simonides,
+die in weerwil van zijn Griekschen naam toch een Israëliet was. De vorst
+verongelukte op zee. De zaken werden echter voortgezet en waarlijk met
+niet minder goed gevolg. Na een paar jaren werd het gezin van den vorst
+door een zwaren slag getroffen. Zijn eenige zoon trachtte den procurator
+Gratus te dooden in de straten van Jeruzalem. De aanslag mislukte en
+sedert is hij verdwenen.
+
+De Romein wreekte zich op het geheele gezin. Niemand werd gespaard. Het
+paleis werd verzegeld, op de goederen, ja, op alles wat het huis Hur
+toebehoorde, werd beslag gelegd. De procurator heelde zijne wond met een
+gouden pleister.
+
+De passagiers lachten.
+
+--Gij wilt zeggen dat hij het vermogen voor zich hield, zeide een van
+hen.
+
+--Zoo zegt men, antwoordde de Hebreër. Ik deel u het verhaal mede zooals
+het mij gedaan is. Simonides dan, die hier in Antiochië de agent van den
+vorst was, begon niet lang daarna handel te drijven voor eigen rekening
+en werd binnen ongeloofelijk korten tijd een der aanzienlijkste
+handelaren van de stad. In navolging van zijn heer zond hij karavanen
+naar Indië, en thans bezit hij genoeg galeien voor een koninklijke
+vloot. Men zegt dat niets hem ooit mislukt. Zijn kameelen sterven niet
+anders, dan door ouderdom. Zijn schepen gaan nooit te gronde. Werpt hij
+een stuk hout in zee, het keert als goud tot hem terug.
+
+--Hoe lang drijft hij handel voor zichzelf?
+
+--Nog niet volle tien jaren.
+
+--Dan moet hij met een aardigen duit op zak begonnen zijn.
+
+--Ja, men zegt dat de procurator zich alleen maar van 's vorsten
+bezittingen kon toeëigenen wat voorhanden was: zijn paarden, vee,
+huizen, land, schepen, en de opgestapelde goederen. Baar geld was echter
+nergens te vinden, hoewel er onnoemelijke sommen moeten geweest zijn.
+Wat daarvan geworden is bleef een onopgelost raadsel.
+
+--Niet voor mij, zeide een der reizigers met een grijnslach.
+
+--Ik begrijp wat gij bedoelt, antwoordde de Hebreër. Anderen koesterden
+dezelfde gedachte. Dat de oude Simonides er zichzelven mee in de hoogte
+gewerkt heeft, wordt algemeen geloofd. De procurator was ook van dat
+gevoelen. Tweemaal in vijf jaren heeft hij den koopman gevangengenomen
+en op de pijnbank gelegd.
+
+Juda's hand klemde zich krampachtig om het touw, waartegen hij leunde.
+
+--Men zegt, ging de grijsaard voort, dat zij den armen man letterlijk
+geradbraakt hebben. De laatste maal, dat ik hem zag, zat hij in een
+stoel in kussens weggedoken, als een vormlooze klomp.
+
+--Hoe vreeselijk! riepen sommige toehoorders.
+
+--Ja, wel vreeselijk. Ziekte kon zulk een misvorming niet teweeggebracht
+hebben. De pijnbank heeft echter niets op hem vermocht. Alles wat hij
+bezat was wettig het zijne, en hij maakte er een wettig gebruik van.
+Meer kon men niet uit hem krijgen. Tegenwoordig is hij gelukkig van alle
+vervolging ontheven. Hij heeft een verlofbrief om handel te drijven,
+door Tiberius zelf onderteekend.
+
+--Daar zal hij het noodige voor hebben moeten neertellen, riep een der
+omstanders.
+
+--Die schepen zijn van hem, zeide de Hebreër, de opmerking latende voor
+wat hij was. Zijne matrozen hebben de gewoonte elkander met het
+uitsteken van gele vlaggetjes te begroeten, hetgeen zooveel wil zeggen
+als: Onze reis is voorspoedig geweest.
+
+Hier eindigde het verhaal. Toen Juda een weinig later den Hebreër alleen
+vond vraagde hij: Hoe heette de principaal van dien koopman?
+
+--Ben-Hur; vorst van Jeruzalem.
+
+--Wat is er geworden van zijne familie?
+
+--De zoon werd naar de galeien gezonden. Ik veronderstel dat hij dood
+is. Langer dan een jaar houden de galeislaven het zelden uit. Van de
+weduwe en hare dochter heeft men sedert niets meer gehoord. Zij, die er
+meer van weten, willen er zich niet over uitlaten. Waarschijnlijk hebben
+zij haar leven beëindigd in een cel van een der Romeinsche burchten van
+Judea.
+
+Juda wandelde naar de voorplecht, zóó in gedachten verzonken, dat hij
+nauwelijks acht gaf op de oevers der rivier, die op dit punt bijzonder
+liefelijk waren en omzoomd met weelderige tuinen en sierlijke
+landhuizen. De gansche omgeving baadde in zonneschijn, alleen op zijn
+leven rustte een schaduw.
+
+Eenmaal slechts waakte hij op uit zijne gepeinzen, en dat was, toen door
+een kromming van de rivier het Park van Daphne zichtbaar werd.
+
+
+ * * * * *
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+TE ANTIOCHIË.
+
+
+Toen men de stad in 't gezicht kreeg waren de passagiers op het dek
+bijeengekomen, om van hare schoone ligging te genieten. De bejaarde Jood
+gaf ook nu weder de gewenschte inlichtingen.
+
+--De rivier keert zich hier naar het Westen, zeide hij. Ik herinner mij
+nog dat het water de wallen bespoelde; maar als Romeinsche onderdanen
+hebben wij in vrede geleefd, zoodat de handel in bloei toenam, en als
+een natuurlijk gevolg overal langs de rivier werven en dokken werden
+aangelegd. Ginds in het Zuiden ziet gij den berg Casius, of zooals men
+hier zegt, den Orontesberg, en daar tegenover in het Noorden den Amnus.
+Tusschen die beiden ligt de vlakte van Antiochië. Die bergen verderop
+zijn de Zwarte bergen, vanwaar de groote waterleiding het zuiverste
+water naar de stad voert, om de dorstige menschen te laven en de
+stoffige straten te besproeien. Het gebergte is met dichte bosschen
+bezet, die een rijke dierenwereld huisvesten.
+
+--Waar is het meer? vraagde een van de reizigers.
+
+--Ginds, in het Noorden. Men kan er te paard heengaan, of beter nog met
+een bootje; want het staat door een zijstroom met de rivier in
+verbinding.--Waar het Park van Daphne op lijkt? zeide hij, als antwoord
+op de vraag van een tweede. Dat kan niemand beschrijven; maar pas op.
+Apollo heeft het aangelegd en voltooid. Hijzelf geeft er de voorkeur aan
+boven den Olymp. Men gaat er heen om er een blik te werpen, slechts één,
+en men kan het niet weder verlaten. De Antiochiërs hebben een spreekwijze,
+die veelzeggend is: beter een worm te zijn en moerbeibladeren te eten in
+Daphne's Park, dan gast aan 's konings tafel.
+
+--Raadt gij mij dus er niet heen te gaan?
+
+--Niet ik. Gij zult gaan. Iedereen gaat, cynische philosofen,
+baardelooze knapen, vrouwen, priesters, allen gaan. Zoo zeker ben ik dat
+gij gaan zult, dat ik u een raad wil geven. Neem geen logies in de stad,
+dat is tijdverlies; maar ga in eens naar het dorp, vlak bij het Park
+gelegen. De weg daarheen leidt door een tuin vol frissche fonteinen.
+Maar let nu eens op den stadsmuur, dat meesterstuk van Heraeus, den
+grooten bouwkundige.
+
+Aller oogen volgden de aanwijzing van zijn vinger.
+
+--Dit gedeelte werd gebouwd door den eersten der Seleuciden. De 300
+jaren van zijn bestaan hebben het één gemaakt met de rots, waarop het
+staat.
+
+Het werk rechtvaardigde de lofspraak. Hoog, stevig en met tal van steile
+invalshoeken, boog de muur zuidwaarts, zoodat men hem niet langer volgen
+kon.
+
+--De muur heeft vierhonderd torens, alle waterreservoirs, vervolgde de
+Hebreër. Kijk, over den muur heen, zoo hoog als hij is, kunt gij in de
+verte twee bergen zien, dat zijn de twee toppen van den Sulpius. Het
+gebouw op den verst verwijderden top is de citadel, jaar in jaar uit
+bezet door een Romeinsch legioen. Daar tegenover verrijst de tempel van
+Jupiter, en daaronder het paleis van den legaat, een onneembare vesting.
+
+Op dit oogenblik begonnen de matrozen het zeil te bergen.
+
+--Het uur van scheiden is gekomen, zeide de grijsaard. Bij gindsche
+brug, die naar Seleucia voert, eindigt de vaart. Wat het schip ontlaadt
+voor verder vervoer neemt de kameel op. Wat is de stad gunstig gelegen,
+niet waar? Van haar behoef ik niet anders te zeggen, dan dat ieder, die
+het voorrecht had van haar te bezoeken, zich gelukkig mag noemen haar
+gezien te hebben.
+
+Hij zweeg, want de galei wendde den steven langzaam naar haar
+aanlegplaats onder den muur. Touwen werden uitgeworpen, de riemen werden
+ingehaald, de reis was beëindigd.
+
+Voordat Ben-Hur het vaartuig verliet zocht hij nog eenmaal den
+eerwaardigen Hebreër op.
+
+--Mag ik u nog even iets vragen, voordat ik u vaarwel zeg?
+
+De man boog toestemmend.
+
+--Wat gij ons van dien koopman hebt medegedeeld heeft mij begeerig
+gemaakt om hem te zien. Zeidet gij niet dat hij Simonides heet?
+
+--Ja; hij is een Jood met een Griekschen naam.
+
+--Waar kan ik hem vinden?
+
+De vreemdeling keek hem scherp aan. Toen antwoordde hij: Ik moet u eene
+teleurstelling besparen. Hij is geen geldschieter.
+
+--Evenmin als ik een geldleener ben, zeide Ben-Hur lachend.
+
+De grijsaard hief het hoofd op en dacht een oogenblik na.
+
+--Iedereen zou het natuurlijk vinden, zeide hij, zoo de rijkste koopman
+van Antiochië een huis bewoonde volgens zijn stand; maar hier zou men
+zich toch vergissen. Wilt gij hem een bezoek brengen, volg dan de rivier
+tot aan de brug. Daaronder woont hij in een gebouw, dat er uitziet als
+een stutbalk van den muur. Voor de deur is een breede aanlegplaats,
+altijd vol van goederen, die pas gelost zijn, of ingescheept moeten
+worden. De daar voor anker liggende schepen behooren hem toe. Gij zult
+het gemakkelijk vinden.
+
+--Ik dank u.
+
+--De vrede onzer vaderen zij met u.
+
+--En met u.
+
+Zoo scheidden zij.
+
+Twee lastdragers namen Ben-Hurs bagage op en vraagden zijne bevelen.
+
+--Naar de citadel, beval hij, waaruit men kon opmaken, dat hij een
+militaire betrekking vervulde.
+
+Twee groote straten, die elkander met een rechten hoek doorsneden,
+verdeelden de stad in vieren. Aan het einde van de eene straat verhief
+zich een vreemdsoortig gebouw, het Nymphaeum genaamd. Toen de dragers,
+daar gekomen, den hoek omsloegen, was Ben-Hur, ofschoon hij regelrecht
+van Rome kwam, verbaasd over de pracht, die zich voor zijne oogen
+ontvouwde. Rechts en links niets dan paleizen, terwijl de straat
+daartusschen van overdekte marmeren zuilengangen voorzien was, zoodat er
+afzonderlijke wegen voor voetgangers, vee, en wagens waren. Op bepaalde
+afstanden brachten ruischende springfonteinen koelte en verfrissching
+aan.
+
+Ben-Hur was niet in de stemming om van het schoone te genieten. De
+geschiedenis van Simonides vervolgde hem. Bij den Omphalus gekomen, een
+monument van vier bogen, die de straat overspanden, prachtig versierd,
+en opgericht door Epiphanes, den achtste der Seleuciden, veranderde hij
+plotseling van gedachte.
+
+--Ik zal van avond niet naar de citadel gaan, zeide hij tot de dragers.
+Breng mij naar een herberg, zoo dicht mogelijk bij de brug, die naar
+Seleucia voert.
+
+De mannen sloegen den weg derwaarts in, en brachten hem weldra bij een
+eenvoudig maar ruim gebouw, vlak bij de brug waaronder Simonides woonde.
+Hij bracht den nacht op het platte dak door. Telkens en telkens
+herhaalde hij bij zichzelven: Eindelijk zal ik dan van huis hooren, van
+moeder en mijn lieve kleine Tirza. Als zij nog leven zal ik ze vinden.
+
+
+ * * * * *
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+TELEURGESTELD.
+
+
+Den volgenden morgen vroeg maakte Ben-Hur zich op, om naar Simonides te
+gaan. Een van schietgaten voorziene poort aan het einde der stad voerde
+naar een gansche reeks van werven. Door een dichte, bedrijvige menigte
+heen bereikte hij de brug, waar hij even staan bleef, om het voor hem
+zeldzaam schouwspel in oogenschouw te nemen.
+
+Ja, dàt moest het huis van den koopman zijn, een grijs gebouw, geheel
+stijlloos, precies een stutbalk van den muur, alles zooals de reiziger
+gezegd had. Twee zware groote deuren verleenden toegang tot de werf. Een
+paar getraliede vierkante openingen deden dienst als vensters. In de
+voegen en spleten woekerde allerlei soort van onkruid en op sommige
+plaatsen waren de overigens kale steenen met mos bewassen.
+
+De deuren stonden open. Door de eene ging men in, door de andere uit.
+Drukte en haast spraken uit ieders bewegingen. Op de werf lagen allerlei
+soorten van goederen opgestapeld, en tal van halfnaakte slaven liepen af
+en aan. Onder de brug lag een gansche vloot van galeien ten anker,
+sommige bezig met laden, andere met lossen. Van elken mast woei een gele
+vlag.
+
+Niet lang bleef Ben-Hur daar staan. Zijn verlangen dreef hem verder.
+Eindelijk zou hij bericht van de zijnen kunnen krijgen, indien namelijk
+Simonides werkelijk in zijn vaders dienst geweest was. Maar zou de man
+hem als den zoon van zijnen heer willen erkennen? Wat toch sloot dat in?
+Afstand doen van zijne rijkdommen en van zijn stand, en weder tot den
+staat van dienstbaarheid terugkeeren. Was het niet een dwaasheid tot
+zulk een man te gaan met de eisch: Gij zijt mijn slaaf, geef mij al wat
+gij hebt en--uzelf?
+
+Het bewustzijn van zijn goed recht en de hoop op tijding van huis gaven
+Ben-Hur de kracht om zijn plan te volvoeren. Als het verhaal waar was,
+behoorde Simonides met al wat hij had hem toe. Om het geld gaf hij, dat
+moet gezegd worden, niets. Toen hij vastbesloten op de deur toetrad,
+legde hij bij zichzelven de gelofte af: Laat hij mij zeggen waar moeder
+en Tirza zijn, en ik geef hem onvoorwaardelijk zijne vrijheid terug.
+
+Met opgeheven hoofd trad hij binnen. Allereerst kwam hij in een ruim
+pakhuis, waar in volmaakte orde allerlei soorten van goederen
+opgestapeld lagen. Hoewel het er vrij duister en bedompt was, gingen
+sjouwers onophoudelijk af en aan, terwijl andere werklieden, van zaag en
+hamer voorzien, pakkisten ter verzending gereedmaakten. Langzaam liep
+hij tusschen de pakken door en vraagde zichzelven af, of de man, van
+wiens genie hier de overtuigende bewijzen waren, zijn vaders slaaf kon
+geweest zijn. Indien het antwoord toestemmend was, tot welke klasse had
+hij dan behoord? Zou hij, aangenomen dat hij een Jood was, de zoon van
+een lijfeigene geweest zijn? Of was hij een schuldenaar, of de zoon van
+een schuldenaar? Of was hij een dief en voor diefstal verkocht geworden?
+Deze overleggingen deden in het minst geen afbreuk aan de achting en
+bewondering, die hij bij al wat hij aanschouwde voor den handelaar ging
+gevoelen.
+
+Eindelijk hield een man hem staande en sprak hem aan.
+
+--Wat is er van uw verlangen?
+
+--Ik wenschte den handelaar Simonides te spreken.
+
+--Wil mij dan volgen.
+
+De man voerde hem het geheele pakhuis door tot aan een smalle trap.
+Boven gekomen bemerkte Ben-Hur, dat hij op het dak van het pakhuis
+stond. Vóór hem verrees een gebouwtje, van de kade onzichtbaar, een huis
+dus boven op een huis, en dat naast de brug onder den vrijen hemel
+verhief. Het dak, waarop hij stond, was door een lagen muur omgeven, en
+geleek wel een tuin door de keur van bloemen en gewassen, die er welig
+tierden. In die liefelijken omgeving maakte het vierkant steenen gebouw,
+welks muren, behalve door de voordeur, door geen enkelen opening
+onderbroken werden, een zonderlingen indruk. Een net onderhouden pad
+leidde tusschen bloeiende rozestruiken naar de deur. Den zoeten geur
+opsnuivend volgde Ben-Hur zijn leidsman naar binnen. Aan het einde van
+een donkere gang gekomen, hield deze stil voor een half opengeschoven
+gordijn.
+
+--Een vreemdeling, die den patroon wenscht ter spreken, riep de man, om
+onzen reiziger aan te dienen.
+
+Een heldere stem antwoordde: Laat hem binnenkomen.
+
+Een Romein zou het vertrek, waarin Ben-Hur thans kwam, zijn atrium
+genoemd hebben. De wanden waren in paneelen verdeeld, die op hunne beurt
+tot een soort van kantoorlessenaars waren ingericht en vol lagen met
+dikke rollen: de kasboeken van den koopman. Tusschen en rondom de
+paneelen waren prachtig gebeeldhouwde, roomkleurige plinten aangebracht.
+Boven een rand van vergulde ballen rees de zoldering koepelvormig
+omhoog. Het bovengedeelte van den koepel was met honderde pannen van
+violetkleurig mica belegd, waardoor het licht liefelijk getemperd naar
+binnen viel. Op den vloer lag een zoo dik tapijt, dat het geluid van
+voetstappen er zich geheel in verloor.
+
+In het midden der kamer bevonden zich twee personen, een man, half
+weggedoken in de kussens van een gemakkelijken leunstoel, en een
+bevallig jong meisje. Toen hij hen zag vloog Ben-Hur het bloed naar 't
+hoofd. Hij groette hen met een beleefde buiging, maar daardoor ontging
+hem, dat de grijsaard, toen hij hem aankeek, zichtbaar ontsteld zijne
+handen omhooghief.
+
+Toen Ben-Hur de oogen weer opsloeg vond hij vader en dochter in dezelfde
+houding, behalve dat de hand van het meisje thans op den schouder van
+den ouden man rustte. Beiden zagen hem onderzoekend aan.
+
+--Indien ik in u Simonides den koopman, den Jood, mag begroeten, dan zij
+de vrede van den God onzes vaders Abraham met u en de uwen.
+
+--Ik ben Simonides, van wien gij spreekt, van geboorte een Jood,
+antwoordde de man met een bijzonder klankrijke stem, en ik wensch u
+eveneens dien vrede toe, u tevens verzoekende mij te willen meedeelen
+met wien ik spreek.
+
+Ben-Hur had intusschen den man nauwlettend aangezien. Ach ja, het was
+zooals zijn medepassagier hem gezegd had. Simonides, die op een forsche
+kloeke gestalte had kunnen bogen, zat thans als een vormlooze massa in
+de kussens weggezonken. Een zijden deken bedekte zijn misvormde
+ledematen. Alleen het edelgevormde hoofd deed vermoeden wat hij eenmaal
+geweest moest zijn. Witte lokken en witte wenkbrauwen verhoogden den
+gloed der donkere oogen. Het gelaat was geheel kleurloos en met vele
+rimpels doorploegd. Het was het gelaat van een man, die eer de wereld in
+beweging zou brengen, dan door haar in beweging gebracht worden; een
+man, die eer zijn leven dan een voornemen of een levensdoel zou
+opofferen; een man van staal, alleen te treffen in wat hij liefhad.
+
+--Ik ben Juda, de zoon van Ithamar, in zijn leven het hoofd van het
+geslacht Hur, en vorst van Jeruzalem. Dit zeggende stak hij den oude
+beide handen toe.
+
+De rechterhand van den koopman, een uitgeteerde, misvormde hand, die op
+de deken rustte, sloot zich krampachtig; overigens bleef hij volkomen
+bedaard en gaf niet het minste teeken van verbazing of belangstelling.
+Kalm antwoordde hij: De geboren vorsten van Jeruzalem zijn altijd welkom
+in mijn huis. Gij zijt welkom. Esther, geef den jonkman een stoel.
+
+Het meisje gehoorzaamde en schoof een zetel aan, zeggende: De vrede van
+onzen God zij met u; ga zitten en rust.
+
+Ben-Hur maakte geen gebruik van den zetel; maar zeide op beleefden toon:
+Ik hoop dat de waardige Simonides mij niet voor een indringer zal
+aanzien. Gisteren naar Antiochië reizende, vernam ik dat hij mijn vader
+gekend heeft.
+
+--Ja, ik heb vorst Hur gekend. Wij hebben samen handel gedreven. Maar ga
+toch zitten, bid ik u; en, Esther, breng wijn voor den jonkman. Nehemia
+spreekt van een zoon van Hur, die over half Jeruzalem regeerde; een oud
+geslacht, zeer oud. In de dagen van Mozes en Jozua vonden zij reeds
+genade in de oogen des Heeren. Ik kan niet denken, dat een hunner
+afstammelingen een beker druivennat van de echte wijngaarden van Sorek,
+geplant op Hebrons heuvelen, zal weigeren.
+
+Nog voordat hij uitgesproken had bood Esther den bezoeker een beker wijn
+aan. Ben-Hur echter maakte een afwijzende beweging. Een verwonderde blik
+trof hem uit haar donkere, zachte oogen. Zij is lief en mooi, dacht hij,
+zoo lief en mooi zou Tirza ook zijn, als zij nog leefde. Arme Tirza!
+Toen zeide hij overluid: Neen, uw vader,--hij is immers uw vader ...?
+
+--Ik ben Esther, de dochter van Simonides, antwoordde zij fier.
+
+--Uw vader, schoone Esther, zal wanneer hij mij ten einde toe gehoord
+heeft kunnen begrijpen, dat ik vooralsnog niet van zijnen wijn drink. En
+gij zult er mij, hoop ik, niet minder goedgunstig om aanzien. Blijf, bid
+ik u, een oogenblik naast mij staan.
+
+Het meisje deed wat haar verzocht werd.
+
+--Simonides, zeide Ben-Hur op vasten toon, toen mijn vader stierf, had
+hij een vertrouwd bediende van uw naam, en mij is gezegd, dat gij die
+man zijt.
+
+Het gansche lichaam van den grijsaard trilde, krampachtig balde hij de
+vuist.
+
+--Esther, riep hij op strengen toon, kom hier! Als het kind uwer ouders
+is uwe plaats hier, niet daar, hoort gij?
+
+Het meisje zag verschrikt en verbaasd eerst haar vader, toen den
+bezoeker aan. Daarop zette zij den beker op tafel en ging gehoorzaam
+naar den ziekenstoel. Simonides greep hare hand en zeide op kalme toon:
+Ik ben oud geworden vóór mijn tijd door toedoen van menschen. Als hij,
+die u wat gij daar zeidet, verteld heeft, een met mijne geschiedenis
+bekend vriend is, dan moet hij u overtuigd hebben, dat ik niet anders
+dan achterdochtig kan zijn met betrekking tot mijne medemenschen. De God
+van Israël sta hem bij, die aan het einde zijns levens genoodzaakt is
+zoo te spreken. Ik heb slechts weinigen lief, maar die dan ook met mijn
+ganschen hart. Een van die--hij bracht op een onbeschrijfelijk teedere
+wijze Esthers hand aan zijne lippen--tot heden onverdeeld de mijne, was
+mij tot zulk een zoeten troost, dat ik zou sterven als zij van mij
+genomen werd.
+
+Esther boog zich over haren vader en kuste hem op het voorhoofd.
+
+--De andere liefde is slechts een herinnering, waarvan ik niets anders
+zeggen zal, dan dat zij als een zegen des Heeren een geheele familie
+omvat. Wist ik, ach wist ik maar waar zij zich ophouden!
+
+Ben-Hurs gelaat werd met een donkeren blos overtogen, en een stap nader
+tredend riep hij hartstochtelijk: Mijne moeder en zuster! Die bedoelt
+gij, niet waar?
+
+Esther zag verwonderd op; maar Simonides, zichzelf meester, zeide koel:
+Hoor mij ten einde. Omdat ik ben wat ik ben, en om de liefde waarvan ik
+sprak, eisch ik van u naar recht en billijkheid de bewijzen, dat gij
+zijt voor wien gij u uitgeeft. Daarna zal ik uwe vraag betreffende mijne
+verhouding tot vorst Hur beantwoorden. Hebt gij uwe bewijzen op schrift?
+Of brengt gij persoonlijke getuigen mee?
+
+De vraag was eenvoudig, en haar goed recht onbetwistbaar.
+
+Ben-Hur werd verlegen, stamelde een paar onsamenhangende woorden, en
+keerde zich besluiteloos af. Simonides hield aan: Geef mij de bewijzen,
+zeg ik. Leg ze mij voor, geef ze mij in handen!
+
+Maar Ben-Hur kon niets antwoorden. Aan die mogelijkheid had hij niet
+gedacht; en nu hij er voor stond, gingen zijne oogen eerst geheel open
+voor het vreeselijke feit, dat die drie jaren op de galeien alle
+bewijzen van zijne identiteit hadden weggevaagd. Nu zijne moeder en
+zuster spoorloos verdwenen waren, was er niemand, op wien hij zich kon
+beroepen. Bekenden had hij genoeg; maar dat baatte niet. Wat had zelfs
+Quintus Arrius, als hij hier bij hem was geweest, meer kunnen zeggen,
+dan waar hij hem gevonden had en dat hij voor zich overtuigd was den
+zoon van vorst Hur voor zich te zien? Maar, zooals wij straks zullen
+zien, de dappere Romeinsche krijger was niet meer. Juda had vroeger wel
+eens over zijne verlatenheid gezucht, maar nu eerst voelde hij ten volle
+wat het zegt niemand toe te behooren. Daar stond hij met gevouwen
+handen, afgewend gelaat, geheel verslagen. Simonides eerbiedigde die
+stille smart en wachtte zwijgend.
+
+--Meester Simonides, zeide Ben-Hur eindelijk, ik kan u alleen mijne
+levensgeschiedenis verhalen; maar ik doe het niet, tenzij gij zoolang uw
+oordeel wilt opschorten en met goedwilligheid naar mij wilt luisteren.
+
+--Spreek, zeide Simonides, ik luister te gewilliger daar ik niet ontkend
+heb, dat gij degeen zijt, voor wien gij u uitgeeft.
+
+Toen vertelde Ben-Hur in weinige, maar welsprekende woorden zijn
+wederwaardigheden. Daar wij die kennen tot aan het oogenblik van zijne
+landing te Misenum in gezelschap van Arrius, zullen wij bij dat punt
+zijn verhaal opvatten.
+
+--De keizer had mijn weldoener lief, vertrouwde hem volkomen, en
+overlaadde hem met eerbewijzen. De kooplieden uit het Oosten, die hem
+hunne veiligheid dankten, brachten kostbare geschenken aan, zoodat hij
+schatten op schatten stapelde. Mag een Jood zijn godsdienst vergeten,
+of zijn geboorteland, zoo dat de heilige grond onzer vaderen is? De
+waardige Arrius nam mij geheel volgens de Romeinsche wetten tot zoon
+aan, en ik deed wat ik kon om hem mijne dankbaarheid te toonen. Nooit
+was een kind zijn vader meer onderdanig dan ik hem. Hij had mij tot
+geleerde willen maken. In kunst, philosofie, rhetorica, oratorie, zou
+hij mij de beroemste meesters gegeven hebben. Die aanbiedingen sloeg ik
+af, omdat ik een Jood was, en zoomin den Heere God kon vergeten, als
+onze groote profeten of de stad door David en Salomo gebouwd. Vraagt gij
+soms waarom ik zijne andere gaven wèl aannam? Dan antwoord ik: Ik had
+hem lief, en ik hoopte eenmaal met zijne hulp den sluier op te lichten,
+die het lot van mijne moeder en zuster bedekte. Daarnevens had ik nog
+een ander doel voor oogen, waarover ik niets wil zeggen, dan dit, dat
+het mij een prikkel was om het krijgswezen grondig te bestudeeren, en
+mij in het hanteeren der wapenen te bekwamen. In worstelperk en circus
+heb ik mij dag aan dag geoefend, in het kamp niet minder, en overal heb
+ik naam gemaakt. De lauweren, die ik won--en aan de muren der villa te
+Misenum hangen er verscheidene--kwamen tot mij, als zoon van Arrius den
+duumvir, niet als den zoon mijns vaders. Alleen in mijne betrekking tot
+den Romein ben ik bij de Romeinen bekend. Tot bevordering van mijne
+plannen verliet ik Rome voor Antiochië, vast besloten om den Consul
+Maxentius in den oorlog tegen de Parthen te volgen, ten einde op het
+slagveld de hoogere kunst te leeren van de troepen ten strijde te
+voeren. De consul heeft mij toegelaten tot den kring zijner naaste
+omgeving. Maar gisteren, toen ons schip den Orontes opvoer, ontmoetten
+wij twee andere schepen, met gele vlaggen in top. Een medereiziger en
+landgenoot van Cyprus deelde ons mee, dat die schepen het eigendom waren
+van Simonides, den grootsten koopman van Antiochië. Hij vertelde ons van
+zijn wonderbaren voorspoed in den handel, van zijne vloot en karavanen,
+weinig vermoedende, dat een zijner hoorders persoonlijk het grootste
+belang stelde in hetgeen hij mededeelde. Hij zeide ook dat Simonides een
+Jood was, in vroeger jaren lijfeigene van vorst Hur. Tot besluit sprak
+hij van de wreedheden door Gratus gepleegd en het doel dier vervolging.
+
+Bij deze woorden boog Simonides het hoofd, terwijl Esther zich tegen hem
+aanvlijde, als wilde zij hem haar innig medelijden toonen. Slechts even;
+toen richtte Simonides zich weer op en zeide met heldere stem: Ik luister.
+
+--Ach, goede Simonides, antwoordde Ben-Hur, terwijl zijn geheele ziel
+uit zijne oogen sprak, ik zie dat gij nog niet overtuigd zijt, en dat de
+schaduw van verdenking nog op mij rust.
+
+Het gelaat van den koopman bleef koud en strak als marmer. Hij bewaarde
+het stilzwijgen.
+
+--Niet minder duidelijk zie ik de moeilijkheden van mijn toestand,
+vervolgde Ben-Hur. Mijne Romeinsche betrekking kan ik bewijzen, ik
+behoef mij slechts op den consul te beroepen, die als gast van den
+gouverneur dezer stad in Antiochië vertoeft; maar ik kan niet bewijzen
+dat ik de zoon mijns vaders ben. Die dat konden zijn dood, of verdwenen.
+
+Hij bedekte zijn gelaat met beide handen, waarop Esther naar hem toe
+ging, en hem den versmaden beker wijn nogmaals aanbood, met de woorden:
+De wijn komt uit het land, dat wij allen zoozeer liefhebben. Drink, bid
+ik u.
+
+Hare stem klonk zacht en liefelijk. Ben-Hur zag dat hare oogen vol
+tranen stonden. Hij nam de beker aan, zeggende: Dochter van Simonides,
+uw hart is vol goedheid. Dat onze God u zegene! Ik dank u.
+
+Toen wendde hij zich opnieuw tot den koopman.
+
+--Daar ik u niet bewijzen kan, dat ik mijn vaders zoon ben, trek ik
+mijne vraag terug. Gij zult mij niet wederzien. Alleen dit nog: Mijn
+bedoeling was niet u te doen terugkeeren tot dienstbaarheid, of
+rekenschap te eischen van uw vermogen. Welke ook de uitkomst mocht
+geweest zijn, ik zou gezegd hebben wat ik nu ook zeg: Alles wat gij door
+uw vlijt en talenten gewonnen hebt is het uwe. Behoud het in vrede. Ik
+heb het niet noodig. Toen de goede Quintus, mijn tweede vader, de reis
+aanvaardde, waarvan hij niet zou terugkeeren, maakte hij mij tot eenige
+erfgenaam van zijn vorstelijk vermogen. Mocht gij dus bijgeval later nog
+eens aan mij denken, laat het dan alleen zijn in verband met de vraag,
+die het voornaamste doel mijner komst was. Wat weet gij, wat kunt gij
+mij vertellen van mijne moeder en van Tirza, mijne zuster; zij, die in
+schoonheid en bevalligheid aan uwe beminnelijke dochter gelijk zou zijn?
+O zeg, wat kunt gij mij van haar vertellen?
+
+De tranen stroomden langs Esthers wangen, maar haar vader bleef
+onbewogen. Met vaste stem antwoordde hij: Ik heb gezegd dat ik vorst Hur
+gekend heb. Ik herinner mij vernomen te hebben, dat zijn gezin door vele
+rampen getroffen werd. Hij, die de weduwe van mijn vriend in het verderf
+stortte, is dezelfde, die ook mij vervolgd heeft. Ik wil nog verder
+gaan, en u zeggen dat ik naarstig onderzocht heb wat van de familie
+geworden is; maar--ik kan u niets van haar vertellen. Zij zijn als van
+den aardbodem verdwenen.
+
+Ben-Hur slaakte een diepen zucht. Dan--dan is weder een hoop vervlogen,
+zeide hij. Ik ben gewoon aan teleurstellingen. Ik bid u vergeef mij, zoo
+ik u moeite veroorzaakte, vergeef het ter wille van mijne smart. Ik heb
+nu niets meer om voor te leven dan mijne wraak. Vaarwel.
+
+Bij den uitgang keerde hij zich om en zeide eenvoudig: Ik dank u beiden.
+
+--De vrede Gods vergezelle u, zeide de koopman.
+
+Esther kon niet spreken, zij snikte luid.
+
+En zoo vertrok hij.
+
+
+ * * * * *
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+SIMONIDES.
+
+
+Nauwelijks was Ben-Hur de kamer uit, of Simonides scheen als uit den
+slaap te ontwaken. Zijn gelaat gloeide, zijn sombere oogen schoten vuur.
+Op levendigen toon zeide hij: Gauw, Esther, bel eens gauw!
+
+Zij ging naar de tafel en drukte op een knopje. Dadelijk daarop
+verscheen door een deur in den muur een bediende, die voor den koopman
+bleef staan en een eerbiedigen buiging maakte.
+
+--Hier, Malluch, dichter bij mijn stoel, beval de meester. Ik heb een
+werk voor u, dat niet mag mislukken, al viel de zon ook van den hemel.
+Luister! Zooëven verliet mij een jonkman, hij zal door het pakhuis gaan,
+slank, schoon, als Israëliet gekleed. Volg hem, zijn schaduw mag niet
+onafscheidelijker van hem zijn dan gij. Iederen avond doet gij mij weten
+waar hij is, wat hij doet, welk gezelschap hij opzoekt; en als gij
+zonder vrees voor ontdekking zijne gesprekken kunt afluisteren, breng ze
+mij dan woord voor woord over, met alles wat dienen kan om zijne
+gewoonten, zijne bedoelingen, zijn leven te leeren kennen. Begrepen? Ga
+gauw. Wacht, Malluch, luister nog even. Gaat hij de stad uit, volg hem,
+en doe u als vriend voor. Spreekt hij u aan, zeg wat gij wilt, alleen
+niet dat gij in mijn dienst zijt. Daarover gezwegen. Haast u! Spoed u
+voort!
+
+De man groette en ging heen.
+
+Toen wreef Simonides zijn vermagerde handen en lachte.
+
+--Welke dag is het vandaag, kind? vraagde hij vroolijk. Ik wil hem
+onthouden als een geluksdag. Zie den datum lachend na, en zeg hem mij
+lachend, Esther.
+
+Die vroolijkheid kwam haar onnatuurlijk voor, en om hem dat zachtkens te
+doen gevoelen antwoordde zij droevig: Wee mij, vader, zoo ik ooit dezen
+dag kon vergeten!
+
+Zijne handen vielen slap neer, hij boog het hoofd en zeide: Zeker,
+zeker, mijn kind. Dit is de twintigste dag van de vierde maand. Vandaag
+voor vijf jaren viel mijn lieve Rachel, uwe moeder, neer en stierf. Zij
+brachten mij thuis, gebroken, zooals gij mij nu ziet, en wij vonden haar
+bezweken door smart. O, voor mij was zij een struik kamfer in de
+wijngaarden van Engedi. Ik heb mijne myrrhe geplukt met mijne specerij.
+Ik heb mijne honigraten met mijnen honig gegeten. Wij begroeven haar op
+een eenzame plek, een graf uitgehouwen in den berg, niemand ligt bij
+haar. Maar zij liet mij in mijne duisternis een klein lichtje na, dat
+met de jaren toenam in glans. (Hij legde zijne hand op Esthers hoofd.)
+Lieve God, ik dank u, dat ik in mijne Esther mijne verlorene Rachel mag
+zien herleven!
+
+Toen lichtte hij het hoofd weder op en zeide, alsof een invallende
+gedachte hem trof: Is het niet klaarlichte dag daarbuiten?
+
+--Zoo was het toen de jonkman binnenkwam.
+
+--Laat Abimelech dan komen en mij naar den tuin brengen, waar ik de
+rivier en de schepen kan zien. Daar zal ik u zeggen waarom zooeven mijn
+mond lachte en mijne tong zong, en mijn hart opsprong binnen in mij, als
+een ree of jonge gazelle op de welriekende bergen.
+
+Op haar schellen kwam een tweede knecht en duwde op haar bevel den
+stoel, tot dat doel op wieltjes staande, de kamer uit, naar het dak van
+het lager gelegen huis, den tuin, zooals Simonides het noemde. Tusschen
+de schoonste, met de meeste zorg gekweekte bloemen door, werd hij naar
+een punt gerold, vanwaar hij de brug, de fonkelende rivier en de
+talrijke schepen overzien kon. Daar liet de knecht hem met Esther
+alleen.
+
+Het geraas, dat de arbeiders maakten, hinderde hem niet, evenmin als de
+drukte op de brug schuin boven zijn hoofd. Hij was daaraan gewoon en
+merkte het ternauwernood op.
+
+Esther zette zich op de armleuning van zijn stoel en streelde zijne
+hand, in afwachting dat hij spreken zou. Eindelijk begon hij op zijn
+gewonen kalmen toon. Zijn machtige wil had hem de zelfbeheersching
+teruggegeven.
+
+--Toen die jonkman sprak, Esther, heb ik u gadegeslagen, en meende te
+zien dat gij voor hem gewonnen waart.
+
+Het meisje sloeg de oogen neer en antwoordde: Als u bedoelt, vader, dat
+ik zijne woorden geloofde, ja, dan hebt u gelijk.
+
+--In uwe oogen is hij dus de zoon van vorst Hur?
+
+--Als hij het niet is....
+
+--Nu, wat dan, kind?
+
+--Ik ben uwe dienstmaagd, vader, sinds moeder Gods roepstem volgde. Aan
+uwe zijde staande heb ik gehoord en gezien hoe u op verstandige wijze
+handeldet met allerlei soort van mannen, die langs rechte of kromme
+paden winst zochten te behalen. Daarom zeg ik, als deze jonkman niet de
+vorst is, waarvoor hij zich uitgeeft, dan zag ik de leugen nog nimmer
+zoo goed de rol van waarheid en recht spelen.
+
+--Bij de wijsheid van Salomo, dochter, dat is een veelbeteekend woord.
+Gelooft gij dat uw vader zijn vaders lijfeigene was?
+
+--Mij dacht, hij vraagde alleen maar, of dat zoo was.
+
+--Wel, gij zijt een goed kind, Esther, met echt Joodsche scherpzinnigheid
+begaafd, en krachtig genoeg om een droevig verhaal te horen. Luister dus
+goed, want ik zal u iets van mijzelven vertellen, en van uwe moeder, en
+van vele dingen, die tot een verleden behooren, waarvan gij niets
+vermoedt, dingen, die den wraakgierigen Romein verborgen zijn gebleven
+ter wille van een stille hoop, en die ik u verzwegen heb, opdat uw
+gemoed zich tot den God Israëls zou keeren, als het riet naar de zon. Ik
+ben geboren in een spelonk in de vallei Hinnom, aan de zuidzijde van den
+berg Sion. Mijn vader en moeder waren Hebreeuwsche lijfeigenen. Zij
+verzorgden de olijf- en vijgeboomen in den Koningstuin bij Siloam. Toen
+ik groot genoeg was hielp ik hen. Zij behoorden tot de klasse, die tot
+altijddurenden dienst verplicht is. Ik werd later verkocht aan vorst
+Hur, na koning Herodes de rijkste inwoner van Jeruzalem. Die zond mij
+naar zijn magazijn in Alexandrië, waar ik meerderjarig werd. Ik diende
+hem zes jaar, in het zevende werd ik naar de wet van Mozes vrij.
+
+Esther klapte in de handen.
+
+--O, dan zijt gij niet zijn vaders lijfeigene!
+
+--Luister verder, kind. Er waren in die dagen wetgeleerden, die met
+groote heftigheid de stelling verdedigden, dat de kinderen van
+lijfeigenen levenslang tot den stand hunner ouders behooren; maar vorst
+Hur was rechtvaardig in alle dingen en een bekwaam uitlegger der Wet.
+Hij zeide, dat ik een gekochte Hebreeuwsche dienstknecht was en volgens
+de bedoeling van den grooten Wetgever in vrijheid kon uitgaan. Op
+gezegelde brieven, die ik trouw bewaard heb, verklaarde hij mij vrij.
+
+--En mijne moeder? vraagde Esther.
+
+--Gij zult alles hooren, kind. Heb maar geduld. Voordat ik uitgesproken
+heb zult gij zien, dat ik lichter mijzelf zou kunnen vergeten, dan uwe
+moeder.... Toen mijn diensttijd verstreken was, ging ik met het
+Paaschfeest op naar Jeruzalem. Mijn meester ontving mij in zijn huis.
+Ik had hem lief met mijn gansche hart en verzocht hem in zijn dienst te
+mogen blijven. Dat stond hij toe en ik diende hem nogmaals zeven jaren,
+maar thans als een gehuurde zoon van Israël. Hij droeg mij de leiding op
+van belangrijke ondernemingen ter zee, en het toezicht over zijne
+karavanen naar Suza en Persepolis. Het waren gevaarvolle tochten, kind,
+maar de Heer zegende alles wat ik ondernam. Ik bracht den vorst groot
+gewin aan en deed voor mezelf een schat van kennis op, zonder welke ik
+de verplichtingen, die mij later werden opgelegd, niet zou hebben kunnen
+nakomen. Op zekeren dag bevond ik mij te Jeruzalem in het huis van den
+vorst. Eene dienstmaagd kwam binnen met een schaal brood. Zij bood mij
+daarvan aan. Dat was de eerste maal dat ik uwe moeder zag. Ik kreeg haar
+lief. Niet lang daarna vraagde ik de vorst haar mij tot vrouw te geven.
+Hij antwoordde, dat zij een lijfeigene was, levenslang dienstbaar; maar
+dat hij haar om mijnentwil vrij zou laten. Zij had mij wederkeerig lief,
+maar voelde zich gelukkig waar zij was en nam haar aangeboden vrijheid
+niet aan. Telkens als ik te Jeruzalem kwam, hield ik bij haar aan, maar
+haar antwoord bleef onveranderlijk hetzelfde: dat zij mijne vrouw wilde
+worden, mits ik haar mededienstknecht werd. Onze vader Jakob diende
+tweemaal zeven jaren om zijne Rachel, kon ik dat niet voor de mijne
+doen? Maar uwe moeder zeide, dat ik een lijfeigene moest worden mijn
+leven lang, evenals zij. Ik ging heen, maar kwam terug. Zie maar,
+Esther, zie maar.
+
+Hij schoof zijn hoofddoek weg, wees op zijn linkeroor, en zeide: Ziet ge
+het litteeken van den priem?
+
+--Ik zie het, antwoordde zij. Wat hebt ge moeder liefgehad!
+
+--Ach, Esther, zij was mij dierbaarder dan Sulamith den koninklijken
+zanger; zij was mij een springader van levend water, als de stroomen van
+den Libanon. De vorst bracht mij op mijn verzoek voor de rechters,
+voerde mij terug naar zijne huisdeur, en doorpriemde mijn oor met den
+priem, zoodat ik voor eeuwig zijn dienstknecht was. Aldus heb ik mijne
+Rachel gewonnen. Was er ooit grooter liefde dan de mijne?
+
+Esther boog zich en kuste hem. Toen zwegen beiden een geruime poos.
+
+--Mijn meester verdronk op zee, de eerste droefheid die mij overkwam,
+vervolgde Simonides. Er was rouwgeklag in zijn huis en in het mijne,
+hier in Antiochië, waar ik toen reeds woonde. Let nu goed op, Esther.
+Toen de vorst stierf was ik opgeklommen tot eersten rentmeester.
+
+Alles wat hij bezat stond onder mijn beheer. Daaruit kunt gij zien dat
+hij mij volkomen vertrouwde en liefhad. Ik haastte mij naar Jeruzalem,
+om de weduwe rekening en verantwoording te doen. Zij bevestigde mij in
+mijn ambt. Ik legde mij met nog meer ijver op mijn werk toe. De zaak
+bloeide en breidde zich jaarlijks uit. Zoo gingen tien jaren voorbij,
+toen viel de slag, waarvan de jonge man straks gewaagde. Ik bedoel het
+ongeluk met den procurator Gratus. De Romein noemde het een poging tot
+moord. Onder dat voorwendsel legde hij, met toestemming van den keizer,
+ten eigen bate beslag op alles wat de weduwe bezat. Daar bleef het niet
+bij. Opdat geen herroeping van het vonnis mogelijk zou zijn, verwijderde
+hij alle belanghebbenden. Sedert dien vreeselijken dag is de familie Hur
+spoorloos verdwenen. De zoon, dien ik als kind gezien had, werd naar de
+galeien verwezen. De weduwe en de dochter zijn waarschijnlijk opgesloten
+in een der gevangenissen van Judea. Eenmaal achter de veroordeelden
+gesloten, zijn die holen aan grafspelonken gelijk. Weggevaagd zijn de
+armen, alsof de zee ze verzwolgen had. Wij konden niet eens te weten
+komen hoe zij stierven; neen, zelfs niet of zij dood zijn.
+
+Esthers oogen stonden vol tranen.
+
+--Uw hart is goed, Esther, evenals dat van uwen moeder, en ik bid God,
+dat het niet het lot moge ondergaan van het meerendeel der goede harten:
+vertrapt te worden door onmeedoogenden en blinden. Maar luister verder.
+Ik begaf mij dadelijk naar Jeruzalem, om mijne meesteres, zoo mogelijk,
+te helpen, maar werd bij de poort gegrepen en naar de burcht Antonia
+gebracht, waarom wist ik niet, totdat Gratus zelf verscheen en de gelden
+opeischte van het huis Hur, welke hij wist dat, naar Joodsch gebruik,
+door wissels van mijne handteekening voorzien, overal konden opgevraagd
+worden. Hij verlangde dat ik zijn bevel zou onderteekenen. Ik weigerde.
+Hij had de huizen, landerijen, goederen, schepen van hen, die ik diende,
+maar niet het geld. Ik wist dat ik, als God met mij bleef, het verlorene
+ruimschoots kon herwinnen. Ik weigerde den tiran te gehoorzamen. Hij
+deed mij op de pijnbank leggen. Ik bleef standvastig. Hij hergaf mij de
+vrijheid zonder zijn doel bereikt te hebben. Ik kwam thuis en begon
+handel te drijven op naam van Simonides van Antiochië, zooals ik dat
+vroeger deed op naam van vorst Hur van Jeruzalem. Gij weet, Esther, dat
+alles mij meeliep, dat het vorstelijk vermogen onder mijn beheer tot in
+het wonderbaarlijke aangroeide. Gij weet dat ik drie jaren later naar
+Cesarea ging, waar ik weder op bevel van Gratus gegrepen en gepijnigd
+werd, om mij de bekentenis af te persen, dat mijn geld en goed tot het
+door hem in beslag genomene behoorde. Gij weet, dat hij evenmin als
+vroeger iets op mij vermocht. Gebroken naar 't lichaam kwam ik thuis en
+vond mijne Rachel dood, van angst en droefheid over mij. De Heer onze
+God regeert; ik bleef in het leven. Van den keizer zelf kocht ik het
+privilegie, om over de geheele wereld handel te mogen drijven. Heden,
+geloofd zij Hij, die de wolken maakt tot zijne wagen en en op de winden
+wandelt, heden, Esther, is datgene wat mij als rentmeester was
+toevertrouwd tot een vermogen aangegroeid, waar een keizer van zou
+kunnen leven.
+
+Trots hief Simonides het hoofd op. Hunne oogen ontmoetten elkander, zij
+lazen elkanders gedachten.
+
+--Wat zal ik met den schat doen, Esther? vraagde hij, haar strak
+aanziende.
+
+--Vader, zeide zij zacht, heeft de rechtmatige eigenaar zich straks niet
+aangemeld?
+
+Zijn oog bleef vast op het hare gericht.
+
+--Maar gij, mijn kind, moet ik u als bedelares achterlaten?
+
+--Neen, vader; ben ik niet, omdat ik uw kind ben, zijne dienstmaagd? En
+van wie staat geschreven: Kracht en eer zijn haar kleedij, en zij zal in
+toekomstige tijden zich verblijden?
+
+Met een uitdrukking van innige liefde op het gelaat antwoordde hij: God
+is in vele opzichten goed voor mij geweest; gij, Esther, zijt het
+grootste bewijs van zijne gunst.
+
+Hij trok haar tot zich en kuste haar herhaaldelijk.
+
+--Hoor nu, zeide hij, waarom ik straks lachte. De jonge man was sprekend
+het evenbeeld van zijn vader, toen hij nog jong was. Mijn hart vloog hem
+te gemoet om hem te begroeten. Ik voelde dat mijn lijdenstijd voorbij
+was en mijn zwoegen geëindigd. Ik had het uit kunnen schreeuwen van
+blijdschap. Ik zou niets liever gedaan hebben, dan hem bij de hand
+nemen, hem de kasboeken toonen en zeggen: Zie, dat is alles het uwe, en
+ik ben uw dienstknecht, bereid om afgeroepen te worden. En dat zou ik
+gedaan hebben, Esther, dat zou ik gedaan hebben, zoo niet op dat
+oogenblik een drietal gedachten bij mij opgekomen was en mij weerhouden
+had. Ik moet zeker weten, dat hij de zoon mijns meesters is, dat was de
+eerste gedachte. Is hij dat, dan moet ik iets aangaande zijn karakter
+zien te vernemen; want, Esther, onder degenen, die in weelde geboren
+werden, zijn velen in wier hand de rijkdom tot een vloek werd....
+
+Hij zweeg even, toen vervolgde hij, trillend van moeilijk bedwongen
+hartstocht: Denk aan de folteringen, die de Romein mij heeft doen
+ondergaan, neen, niet Gratus alleen; de ellendelingen, die zijne bevelen
+ten uitvoer brachten, waren allen Romeinen en zij lachten bij mijne
+jammerkreten. Denk aan mijn verbrijzeld lichaam en aan de jaren die ik,
+de sterke man, in hulpbehoevendheid heb moeten doorbrengen. Denk aan uwe
+moeder in haar eenzaam graf. Denk aan het vreeselijke lijden van het
+gezin mijns meesters als zij nog leven, en aan het wreede van hunnen
+dood als zij niet meer zijn. Bedenk dat alles en zeg mij, zal dan geen
+enkele druppel bloed vergoten worden ten zoen? Zeg nu niet wat onze
+leeraars soms zeggen: De Wrake is des Heeren ... zijn niet zijne
+krijgsknechten talrijker dan zijne profeten? Luidt niet een van zijne
+geboden: Oog om oog, tand om tand? Al deze jaren door heb ik gedroomd
+van wraak, er om gebeden, haar voorbereid, geduld geoefend bij het
+aanschouwen van de vermeerdering mijner schatten, in het vaste geloof,
+dat zij mij eenmaal zouden helpen de goddeloozen te straffen. Toen nu de
+jonge man van zijne bedrevenheid in het voeren der wapenen sprak en er
+bijvoegde, dat hij een bepaald doel in het oog hield, kwam de derde
+gedachte, de gedachte van wraak, bij mij op, en die, Esther, deed mij
+onvermurwbaar blijven zoolang hij sprak en lachen toen hij vertrokken
+was.
+
+Esther liefkoosde zijne hand en zeide op peinzenden toon: Hij is weg;
+zal hij terugkomen?
+
+--Zeker; Malluch, de getrouwe, gaat met hem en zal hem wederbrengen, als
+ik gereed ben.
+
+--En wanneer zal dat wezen, vader?
+
+--Weldra, weldra. Hij denkt dat alle getuigen dood zijn. Er leeft nog
+één wezen dat hem herkennen zal, indien hij waarlijk mijn meesters zoon
+is.
+
+--Zijne moeder?
+
+--Neen, kind. Ik zal de getuige tegenover hem stellen. Tot zoolang
+willen wij deze zaak in des Heeren hand laten. Ik ben moe. Roep
+Abimelech.
+
+Esther deed wat haar gelast werd en vergezelde haren vader naar binnen.
+
+
+ * * * * *
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+DAPHNE'S PARK.
+
+
+Ben-Hur verliet het pakhuis met het bewustzijn, dat hij weer een nieuwe
+teleurstelling voegen kon bij de vele, die hij reeds had ondervonden in
+het zoeken naar zijne familie. Die gedachte was zeer neerdrukkend. Hij
+voelde zich zoo eenzaam en verlaten. Nu deze hoop vervlogen was, kwam
+het leven hem zoo dor en weinig belangrijk voor.
+
+Het koeltje dat hem van de rivier tegenwoei, lokte hem naar de
+landingsplaats. Daar schoot hem het gezegde van den reiziger te binnen:
+Beter een worm te zijn en moerbeiblaren te eten in Daphne's Park, dan
+gast aan 's Konings tafel. Hij keerde om en ging naar de herberg terug.
+
+--Waar de weg naar Daphne is? zeide de portier, verbaasd over de vraag,
+die Ben-Hur hem deed. Zijt gij hier voor 't eerst? Zoo, dan kunt gij
+dezen dag als den gelukkigsten van uw leven beschouwen. Gij kunt u niet
+in den weg vergissen. De eerste straat links voert naar den berg
+Sulpius, op wiens top een altaar van Jupiter staat en het Amphitheater.
+Volg die tot de derde kruisstraat, de Kolonnade van Herodes geheeten,
+sla daar rechts om en ga dwars door de oude stad naar de bronzen poort
+van Epiphanes. Daar begint de weg naar Daphne. Mogen de goden u
+beschermen!
+
+Ben-Hur begaf zich dadelijk op weg. De Kolonnade van Herodes was
+gemakkelijk te vinden, evenzoo de bronzen poort.
+
+Het was omstreeks de vierde ure van den dag, toen hij de stad achter
+zich liet, om in gezelschap van honderde andere wandelaars naar de
+beroemde tuinen te gaan. De weg was verdeeld in verschillende paden voor
+voetgangers, ruiters en wagens; deze laatste weder voor gaande en
+komende. Lage balustraden, op geregelde afstanden met fraaie standbeelden
+versierd, dienden tot scheidsmuur tusschen de verschillende paden.
+Rechts en links van den weg strekten zich goed onderhouden grasvelden
+uit, hier en daar met eiken en vijgen beplant, en van schaduwrijke
+prieëlen voorzien, een heerlijke rustplaats voor de vermoeiden onder de
+wandelaars. De paden voor de voetgangers waren met roode steentjes
+geplaveid, die voor de ruiters en wagens met wit zand bestrooid, zoo
+dik, dat het geen echo's van hoeven of wielen teruggaf. Het aantal
+springende fonteinen was verbazend groot, alle geschenken van koningen,
+die de stad bezocht hadden, en naar hunnen namen genoemd. Deze
+straatweg, onovertroffen in aanleg en schoonheid, liep van de stad tot
+aan den ingang van het Park over eene lengte van ruim vier mijlen.
+
+In zijn diepe neerslachtigheid lette Ben-Hur ternauwernood op al die
+pracht, noch op de hem omringende menigte. Daar kwam bij dat een
+provinciestad hem, den inwoner van Rome, weinig belang inboezemde. Het
+was immers onmogelijk, dat de provincies iets konden opleveren, wat men
+in Rome niet veel beter en mooier kon zien. Daarom stapte hij wat aan en
+drong door de groepjes heen, die hem den weg versperden, en veel te
+langzaam gingen naar zijn smaak. Toen hij Heracleia bereikt had, een
+klein dorp halverwege de stad en het Park, voelde hij zich een weinig
+vermoeid, maar tevens toegankelijker voor afleiding. Een paar geiten
+voortgeleid door een schoone vrouw, alle drie rijk versierd met bloemen
+en linten, trokken allereerst zijne aandacht. Toen bleef hij staan om
+naar een fraaien, sneeuwwitten, met frissche wingerdranken omhangen
+stier te zien, die op zijn breeden rug een mandje droeg, waarin een
+beeldschoon driejarig knaapje zat, den jongen Bacchus voorstellende, die
+het sap van rijpe druiven uitdrukt in een beker. Daar ging hem een paard
+voorbij, rijk opgetuigd, evenals zijn berijder. Hij glimlachte over de
+zelfbewuste fierheid van ruiter en ros beiden. Weldra hadden de hem
+voorbijsnellende wagens en paarden, zonder dat hij het zelf wist, zijn
+belangstelling ten volle gewekt. Na een poosje begon hij ook te letten
+op de menschen rondom hem. Hij zag dat zij van allerlei leeftijd en
+stand waren, en allen in feestgewaad. Hier was het gezelschap in 't wit,
+daar een in 't zwart; sommige hielden vlaggen in de hand, andere
+zwaaiden wierookvaten, sommige gingen langzaam voort onder het zingen
+van hymnen, andere liepen op de maat van fluiten en kleine trommen.
+Als dat iederen dag zoo naar Daphne stroomde, moest er toch iets
+buitengewoons te zien zijn! Eindelijk ging een luid gejubel op, men
+klapte in de handen ... de wandelaars hadden het doel van hunnen tocht
+bereikt. De sierlijken poort, die toegang verleende tot het gewijde
+Park, verrees voor zijn oog.
+
+Het gezang werd sterker, de muziek speelde lustiger. Gedragen door den
+stroom, en deelende in de algemeene geestdrift, trad hij naar binnen.
+Eén blik, en, in weerwil van zijn verfijnden Romeinsche smaak, was
+Ben-Hur opgetogen over hetgeen hij zag.
+
+Toen hij de poort, die een Griekschen tempel moest voorstellen,
+doorgegaan was, stond hij op een breede marmeren esplanade. Het wemelde
+er van menschen in feestklederen, waarvan de bonte kleuren aardig
+afstaken tegen de zilveren stralen der springfonteinen. Vóór hem, links,
+voerden net onderhouden wandelpaden naar een tuin, die ongemerkt
+overging in een bosch, waarboven een doorzichtige blauwe nevel hing.
+
+Ben-Hur staarde droomerig voor zich uit, onzeker waarheen te gaan. Op
+dat oogenblik riep een vrouw in zijn nabijheid: Mooi! Maar waar nu naar
+toe?
+
+Haar metgezel, getooid met een lauwerkrans, lachte en antwoordde:
+Waarheen, lieve domoor? Die vraag komt voort uit aardsche vrees, en
+waren wij niet overeengekomen om al die dingen in de stad achter te
+laten? De winden, die hier waaien, zijn de ademhalingen der goden.
+Wij willen ons door hen laten leiden.
+
+--Maar als wij eens verdwaalden?
+
+--Bang zieltje! Niemand is ooit in Daphne van den rechten weg
+afgedwaald, behalve zij, achter wie de poorten voorgoed gesloten werden.
+
+--Wie bedoelt gij? vraagde zij, nog niet geheel gerustgesteld.
+
+--Hen, die bezweken zijn voor de bekoringen der plaats, en er zich voor
+leven en dood aan verbonden hebben. Wacht! Laat ons hier blijven staan,
+dan zal ik u toonen wat ik bedoel.
+
+Het geluid van lichte snelle voetstappen deed zich hooren.
+
+De menigte maakte ruim baan, want daar kwamen zij aan, de ongelukkigen,
+waarop de man gezinspeeld had. Eenige jonge meisjes zweefden voor en
+langs hen heen, zingend en dansend op de maat harer tambourijnen. De
+vrouw drukte zich verschrikt tegen haar geleider aan, deze sloeg zijn
+arm beschermend om haar heen. Zijne oogen flikkerden. Het haar der
+danseressen golfde vrij over hare schouders, het gazen kleedje, dat
+ternauwernood haar leden dekte, liet haar volkomen vrij in al hare
+bewegingen. Zinnelijker dans zou bezwaarlijk uit te denken zijn. Eén
+ronde ... en weg waren zij, even snel en onhoorbaar als zij gekomen
+waren.
+
+--Nu, wat zegt ge daarvan? riep de man.
+
+--Wie zijn dat? vraagde zij.
+
+--Devadasi, priesteressen van den tempel van Apollo. Haar getal is
+legio. Zij vormen bij feestelijke gelegenheden het koor. Dit is haar
+tehuis. Soms brengen zij wel eens een bezoek aan andere steden, maar
+hare verdiensten moeten zij hier afgeven, om de woonplaats van den
+goddelijken zanger te verrijken. Willen wij nu verder gaan?
+
+Het volgend oogenblik was het paar verdwenen.
+
+Ben-Hur volgde hun voorbeeld en wandelde verder, waarheen wist hij niet.
+
+Een beeldhouwwerk trok allereerst zijne aandacht. Het bleek een centaur
+voor te stellen. Een opschrift deelde den onkundige mede, dat hij hier
+de beeltenis aanschouwde van Chiron, den veelbeminde van Apollo en
+Diana, door hen onderwezen in de geheimen der jacht, geneeskunst, muziek
+en profetie.
+
+Toen Ben-Hur door wilde wandelen, kwam juist de witte stier voorbij. Het
+kind zat nog in de mand, en leidde een processie; daarna kwam de vrouw
+met de geiten, gevolgd door de tambourijn- en fluitspelers. Daarachter
+een tweede processie van lieden, die geschenken brachten.
+
+--Waar gaat dat alles heen? vroeg iemand, en het antwoord luidde: De
+stier naar vader Jupijn, de geit naar Apollo.
+
+
+ * * * * *
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+GODSDIENST EEN DEKMANTEL.
+
+
+Ben-Hur volgde de processie naar het bosch, begrijpende dat hij zoodoende
+de belangrijkste punten van het Park te zien zou krijgen. Toen hij een
+eindweegs gegaan was kwam hij aan een open plek. Een zacht windje voerde
+welriekende geuren aan; wierook en rozengeur. Hij bleef staan en met hem
+vele anderen, om te zien vanwaar die geuren kwamen.
+
+--Daar is zeker een tuin, zeide hij tot een man, die naast hem stond.
+
+--Of een offerplaats voor Diana, of Pan, of een der boschgoden, luidde
+het antwoord in de Hebreeuwsche taal.
+
+Ben-Hur zag den spreker verbaasd aan. Een Hebreër? vraagde hij.
+
+De man antwoordde met een glimlach: Ik werd binnen Jeruzalems muren
+geboren.
+
+Ben-Hur was van plan het gesprek voort te zetten; maar de menigte drong
+vooruit, zoodat hij van den vreemdeling gescheiden raakte. Hij had
+slechts den tijd gehad om 's mans kleeding en gelaat op te nemen, een
+echt Joodsch type. Hij zou hem wel kunnen herkennen, dacht hij.
+
+Thans waren zij gekomen aan een punt, waar een zijpad een gunstige
+gelegenheid aanbood om zich van de luidruchtige processie af te
+scheiden. Ben-Hur maakte er gauw gebruik van.
+
+Eerst kwam hij aan een kreupelboschje, dat van den grooten weg gezien
+nog in den natuurstaat scheen te verkeeren. Een paar stappen waren
+echter voldoende, om hem ook hier de meesterhand te doen herkennen. De
+struiken stonden in bloei, of droegen reeds vrucht; de grond was bedekt
+met de heerlijkste bloemen: seringen en rozen, lelies en myrrhe,
+oleanders en aloë's, alle oude bekenden uit de valleien rondom Davids
+stad; en opdat niets aan het geluk der naiaden en nimfen zou ontbreken,
+stroomde een kabbelend beekje door deze bekoorlijke wildernis. Links en
+rechts kirden de tortels, en tal van andere gevederde zangers schenen
+slechts op zijne komst te wachten om een lied aan te heffen. Een
+nachtegaal bleef onbevreesd op zijn tak zitten, ofschoon Ben-Hur op
+armslengte voorbijging. Een patrijs liep vlak voor zijne voeten, piepend
+tegen de kleintjes, die haar volgden.
+
+Hij zette zich neder onder een citroenboom, die zijn wortels wijd
+uitstrekte om zich te laven aan de beek. Het nest van een duikertje hing
+vlak boven het kabbelend water en het diertje keek hem met zijn
+schrandere oogjes onbevreesd aan. Het vogeltje verklaart mij het geheim,
+dacht hij. Het wil zeggen: Ik ben niet bang voor u, want in dit
+liefelijke oord is Liefde de Wet.
+
+Na een korte rust stond hij op en wandelde verder, totdat hij bij een
+snel vliedende stroom kwam. Zijn weg voerde over een brug, vanwaar hij
+het uitzicht had op een bekoorlijk landschap. Vruchtbare valleien,
+heuvelen, meertjes, rotswerk, zomerhuisjes, groene weilanden, bedekt met
+kudden, ruischende watervallen, zoo kon men het niet bedenken, of deze
+uitgestrekte terreinen leverenden het op.
+
+Als om aan het geheel een godsdienstig karakter bij te zetten waren
+overal altaren in de open lucht gebouwd, elk door een in 't wit
+gekleeden priester bediend, terwijl processies, eveneens in 't wit,
+langzaam van het eene altaar naar het andere gingen, en de rook der
+offeranden in doorzichtige wolkjes naar boven steeg.
+
+Nu ging hem een licht op. Het Park was eigenlijk een onafzienbare
+tempel, een tempel zonder muren. Dit ging zijne verwachting verre te
+boven.
+
+Ben-Hur daalde af in de vallei. Daar graasde een kudde schapen. De
+herderin wenkte hem: Kom!
+
+Een weinig verder verhief zich midden op 't pad een altaar van zwart en
+wit marmer, en daarop een bronzen bekken met brandend reukwerk gevuld.
+Vlak daarbij stond een betooverend schoone vrouw met een wilgetak in de
+hand, en zoodra zij hem zag, wuifde zij hem toe en riep: Kom hier en
+toef een weinig!
+
+Nog verder kwam hij eene processie tegen. Aan het hoofd gingen eenige
+kleine meisjes, met kransen omhangen; maar dat was dan ook haar eenige
+bedekking. Zij zongen in koor, en werden gevolgd door een groep kleine
+jongens, eveneens naakt, en dansend op het gezang der meisjes. Hen
+volgden vrouwen met geschenken voor de altaren, specerijen en
+lekkernijen, hoogst eenvoudig, maar wel wat luchtig gekleed. In 't
+voorbijgaan staken zij hem de handen toe en riepen: Keer om en ga met
+ons!... Eene van haar, een Griekin, zong het volgend liedje:
+
+ Voor vandaag neem en geef ik;
+ Voor vandaag drink en leef ik;
+ 'k Denk niet aan den dag van morgen,
+ Die moet voor zichzelven zorgen.
+
+Zonder haar verder een blik waardig te keuren ging hij voort, totdat hij
+bij een schaduwrijk boschje kwam. Dat trok hem aan. Het gras was zoo
+groen en frisch, de boomen stonden niet dicht opeengedrongen en waren
+van verschillende soorten, ook van vreemden bodem hierheen gebracht:
+statige palmen, vijgen, laurierboomen, trotsche eiken, ceders,
+wedijverende in omvang met die van den Libanon, moerbeiboomen en
+platanen. Midden in het boschje stond een zeldzaam schoon beeld van
+Daphne. Aan den voet van het beeld lagen een knaap en een meisje in
+elkanders armen te slapen, zijn bijl en sikkel, haar mand en snoeimes
+lagen achteloos neergeworpen op een hoop verwelkte bloemen.
+
+Dat hinderde hem. Was hij onder den citroenboom tot de slotsom gekomen
+dat de bekoring van dit heerlijk oord gelegen was in: Liefde zonder
+vrees,--thans las hij als in een opengeslagen boek: Hier is Liefde de
+Wet, o ja; maar Liefde zonder Wet.
+
+
+ * * * * *
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+MALLUCH.
+
+
+Het beeld van Daphne links latende liggen begaf hij zich naar een
+boschje van cypressen, hoog en statig als de masten van een schip. Op
+eens weerklonk een vroolijk trompetgeschal. Rondziende om de oorzaak te
+ontdekken zag hij den Jood, dien hij eenige uren geleden ontmoet had, in
+het gras liggen. De man stond op en kwam naar hem toe.
+
+--Nogmaals, vrede zij u, zeide hij vriendelijk.
+
+--Dank u, antwoordde Ben-Hur en vraagde toen: Gaat gij mijn weg?
+
+--Ik ben op weg naar de renbaan, als dat uw weg is.
+
+--De renbaan!
+
+--Ja, het trompetgeschal, dat gij zooeven gehoord hebt, was het signaal
+voor de mededingers.
+
+--Goede vriend, zeide Ben-Hur levendig, ik ben hier onbekend. Als gij
+mij toestaat u te volgen zal het mij zeer verheugen.
+
+--Het zal mij een groot genoegen wezen. Hoor! Daar gaan de wagens reeds.
+
+Ben-Hur luisterde even, en stelde zich toen aan den nieuwen bekende
+voor, zeggende: Ik ben de zoon van Arrius, den duumvir, en gij?
+
+--Ik ben Malluch, een handelsbediende uit Antiochië.
+
+--Wel goede Malluch, die trompet en het gerammel van wielen, en het
+vooruitzicht van een wedren wekken mij geheel op. Ik heb eenige ervaring
+van die spelen en ben niet onbekend in de renperken van Rome. Laat ons
+gaan.
+
+Malluch bleef even staan, en zeide: De duumvir was een Romein en zijn
+zoon draagt de kleeding van een Jood?
+
+--De edele Arrius was mijn pleegvader, zeide Ben-Hur.
+
+--O zoo; vergeef mij zoo ik nieuwsgierig scheen.
+
+Zij verlieten het bosch en kwamen aan een uitgestrekt veld, dat tot
+renbaan was ingericht. Ten gerieve der toeschouwers was aan weerszijden
+voor overdekte staan- en zitplaatsen gezorgd, de laatste
+amphitheaterswijze.
+
+Ben-Hur telde de wagens, die de baan inreden, negen in 't geheel.
+
+--Ik wensch de menners geluk, zeide hij opgeruimd. Ik dacht dat men zich
+hier in 't Oosten vergenoegde met een tweespan; maar zij zijn eerzuchtig
+en wagen zich aan de vorstelijke vier. Laat ons zien wat zij er van
+maken.
+
+Acht vierspannen gingen voorbij, sommige stapvoets, andere in draf,
+uitnemend bestuurd. Toen naderde het negende in vollen galop.
+
+Ben-Hur uitte een kreet van bewondering. Ik ben in de keizerlijke
+stallen geweest, Malluch, zeide hij; maar bij onzen vader Abraham, zulke
+paarden zag ik nimmer.
+
+Pijlsnel vlogen zij voorbij. Een oogenblik later geraakten zij eensklaps
+in de war. Achter zich hoorde Ben-Hur een kreet van woede. Hij keerde
+zich om en zag op een van de bovenste banken een grijsaard, ter prooi
+aan de grootste opgewondenheid. Een lange, witte baard golfde hem op de
+borst. Sommige der omstanders begonnen te lachen.
+
+--Zij moesten ten minste achting hebben voor zijn baard.... Wie is hij?
+vraagde Ben-Hur.
+
+--Een aanzienlijk man uit de woestijn. Sheik Ilderim heet hij, eigenaar
+van vele kameelen. Zijn paarden, zegt men, zijn van het zuiverste ras,
+afstammelingen van de beste renners van den eersten Pharao, antwoordde
+Malluch.
+
+De menner deed intusschen al wat hij kon om zijn vierspan tot kalmte te
+brengen, maar tevergeefs. Elke mislukte poging maakte den Sheik
+onrustiger.
+
+--Abaddon! riep hij met schelle stem tot een zijner dienstknechten,
+gauw, haast u! Grijp ze! Loop! Hoort gij mij niet? Het zijn vrije
+kinderen der woestijn, evenals gijzelf!
+
+De paarden werden wilder en wilder.
+
+--Vervloekte Romein! riep de Sheik en balde de vuist tegen den menner;
+zwoer hij niet bij al zijn valsche goden, dat hij wist hoe men er mee om
+moet gaan?... Blijf van mij af, zeg ik!... Ik wil het zeggen dat
+iedereen het hoort.... Zij zouden als arenden vliegen, zei hij, en toch
+zacht zijn als jonge lammeren. Vervloekt zij hij! Zie hen aan, de
+weergaloozen! Als hij waagt hen met de zweep aan te raken, dan--
+
+Het overige van den zin ging verloren in woedend tandengeknars. Abaddon!
+riep hij een oogenblik later, Asalthiël! Gaat dan toch en houdt ze
+tegen! Spreekt tot hen! Eén woord is voldoende! O dwaas, die ik was, om
+een Romein te vertrouwen!
+
+Ben-Hur, die den Sheik meende te begrijpen, kon voor hem gevoelen. Hij
+wist dat niet zoozeer gekwetste ijdelheid, niet angst over den uitslag
+van den wedren, hem in zulk een toestand bracht; maar de bezorgde
+teedere liefde voor zijn dieren, die bij den woestijnbewoner gewoonlijk
+aan hartstocht grenst.
+
+'t Waren dan ook prachtexemplaren, kastanjebruin van kleur, volmaakt
+gelijk aan elkander, en zoo goed geëvenredigd, dat zij kleiner toonden,
+dan zij werkelijk waren. De kleine koppen, fijne ooren, de wijdgeopende
+neusgaten, vuurrood van binnen, de sierlijk gewelfde halzen, de
+prachtige dikke manen, die tot op de schouders en borst neerhingen,
+terwijl de voorhoofdlokken aan uitgerafelde zijde deden denken, de
+schoon gevormde pooten--alles kenmerkte het edelste Arabische ras. Wild
+steigerend sloegen zij de lucht met hun glanzig zwarte, dikke, lange
+staarten. De Sheik noemde ze weergaloos, en hij had gelijk.
+
+Bij deze tweede en nadere beschouwing begreep Ben-Hur ten volle in welke
+verhouding de dieren tot hun meester moesten staan. Opgegroeid onder
+zijn oog, het voorwerp van zijne bijzondere zorgen bij dag, het
+onderwerp zijner droomen bij nacht, met zijn gezin de zwarte tent in de
+woestijn deelende, had hij hen lief als zijne kinderen. Opdat zij hem
+een triomf over de hooghartige, gehate Romeinen zouden doen behalen, had
+de oude man zijn lievelingen naar de stad gebracht. Hij twijfelde niet
+aan hunne overwinning, als hij maar een vertrouwbaren wagenmenner kon
+vinden, die behalve de bekwaamheid ook den tact bezat om met hen om te
+gaan. Het was hem, den Sheik en Arabier, onmogelijk koel toeschouwer te
+blijven, en later den onhandige met een scherpe vermaning weg te zenden,
+zooals een Westerling allicht zou gedaan hebben,--hij moest zijn woede
+openlijk lucht geven.
+
+Nog voordat de Sheik van zijne drift bekomen was, hadden een dozijn
+handen de paarden bij 't gebit gegrepen en tot staan gebracht. Thans
+verscheen de tiende wagen in de renbaan. In afwijking van de andere
+waren hier menner, wagen en paarden geheel uitgedost zooals zij op den
+dag van den wedstrijd in den circus zouden verschijnen.
+
+Daar de Romeinschen strijdwagens algemeen bekend zijn behoeven wij ze
+hier niet nader te beschrijven. De eerste mededingers waren stilzwijgend
+ontvangen; toen deze laatste de baan inreed klapten verscheidene
+toeschouwers in de handen en juichten hem luide toe, zoodat weldra de
+algemeene aandacht op hem gevestigd was. De twee middelste paarden waren
+zwart, de twee buitenste sneeuwwit. Hunne staarten waren op Romeinsche
+manier kort gesneden, evenzoo hunne manen, die daarenboven met roode en
+gele linten doorvlochten waren. De wagen zelf was een waar kunststuk.
+Het schoone geheel trok ten zeerste Ben-Hurs aandacht, en de menner--wie
+kon dat zijn? De toejuichingen deden vermoeden dat hij een aanzienlijk
+persoon, misschien wel een vorst was. Men zal zich herinneren dat zelfs
+de keizers Nero en Commodus gaarne deelnamen aan wedrennen. Ben-Hur
+stond op en drong door tot de onderste rij, vlak bij de borstwering.
+
+Nog een paar minuten en hij kreeg den wagenmenner vlak in 't gezicht.
+Deze had een vriend naast zich, in de taal der klassieken een Myrtilus
+geheeten, hetgeen mannen van aanzien, die aan wedrennen deelnamen,
+geoorloofd was. Ben-Hur kon alleen den menner zien, recht overeind
+staande in zijnen wagen, de teugels verscheidene malen om zijn lichaam
+gewonden. Hij droeg een lichtroode tunica, in de rechterhand hield hij
+de zweep, in de linker de vier leidsels. De houding was uitermate
+sierlijk en opgewekt. Toejuichingen en handgeklap werden met kalme
+onverschilligheid ontvangen. Ben-Hur stond aan den grond genageld--zijn
+instinct en geheugen hadden hem niet bedrogen: dat was Messala.
+
+Aan de keus der paarden, aan den prachtigen wagen, aan de houding,
+bovenal aan de trotsche uitdrukking op het koele, scherpe gelaat, zag
+Ben-Hur, dat Messala onveranderd dezelfde gebleven was: hooghartig,
+overmoedig, eerzuchtig, cynisch, onverschillig.
+
+
+ * * * * *
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+BIJ DE BRON.
+
+
+Toen Ben-Hur zich met anderen gereedmaakte om heen te gaan, stond een
+Arabier op en riep met luide stem: Gij mannen van het Oosten en van het
+Westen, hoort! De goede Sheik Ilderim groet u. Met vier paarden, zonen
+van Koning Salomo's lievelingsrossen, kwam hij naar Antiochië om aan de
+wedrennen deel te nemen. Hij heeft een bekwaam menner noodig voor zijne
+paarden. Wie ze naar wensch voor hem besturen wil zal hij met rijkdom
+overladen. Maakt dit aanbod bekend, hier, daar in de stad, in den
+circus, overal waar de sterken samenkomen. Zoo zegt mijn meester, Sheik
+Ilderim de Edelmoedige.
+
+De proclamatie verwekte veel beweging. Vóór den nacht zou zij zeker alom
+in Antiochië besproken worden. Ben-Hur keek besluiteloos van den heraut
+naar den Sheik. Malluch dacht dat hij zich aan zou melden, en voelde
+zich werkelijk verlicht, toen de jonkman zich tot hem keerde met de
+vraag: Waar nu heen?
+
+Malluch antwoordde lachend: Indien gij als anderen wilt doen, die het
+Park voor de eerste maal bezoeken, dan laat u vóór alle dingen
+waarzeggen.
+
+--Waarzeggen? Dat klinkt wel wat heidensch; maar 't zij zoo. Laat ons
+naar de godin gaan.
+
+--Neen, zoon van Arrius, deze Apollodienaars hebben een betere manier
+dan dat. In plaats van een samenspraak met een Pythia of Sibylle,
+verkoopen zij u een gewoon papyrusblad, slechts even gedroogd. Dat laten
+zij u in het water dompelen van een zekere bron, waarna gij er, in een
+versje, uwe toekomst op voorspeld vindt.
+
+Ben-Hur, die eerst met belangstelling geluisterd had, antwoordde op
+somberen toon: Sommige menschen behoeven zich niet over hunne toekomst
+te bekommeren.
+
+--Wilt gij dan liever naar de tempels gaan?
+
+--De tempels zijn Grieksch, niet waar?
+
+--Zoo noemt men ze ten minste.
+
+--De Grieken zijn meesters in de schoone kunsten, maar in de bouwkunst
+hebben zij de afwisseling opgeofferd aan strakke schoonheid. Hun tempels
+zijn alle volkomen hetzelfde. Hoe heet de bron waar gij van verteldet?
+
+--Castalia.
+
+--O, die! Ja, die is over de gansche aarde beroemd. Daarheen dus.
+
+Malluch sloeg, onder het gaan, zijn metgezel in stilte gade, en bemerkte
+dat zijn opgewektheid voor het oogenblik althans verdwenen was. Voor de
+wandelaars had hij geen oog; de wonderwerken, die zij voorbijgingen,
+ontlokten hem geen enkelen uitroep van verbazing. Zwijgend, ja gemelijk
+vervolgde hij zijnen weg.
+
+Die verandering van stemming was aan de onverwachte verschijning van
+Messala te wijten. Het verledene stond hem op eens zoo levendig voor den
+geest. Het scheen hem nauwelijks een uur geleden, dat men hem met geweld
+van zijne moeder wegrukte, nauwelijks een uur geleden, dat de Romein
+zijn ouderlijk huis liet dichtspijkeren. Hij herdacht de drie vreeselijke
+jaren op de galeien, waarin hij behalve zijn werk weinig anders te doen
+had, dan van wraak te droomen, waarvan Messala het middelpunt was.
+Gratus, was hij gewoon tot zichzelven te zeggen, mocht desnoods
+ontsnappen; maar Messala--nooit! Want wie, zoo vraagde hij telkens weer
+opnieuw, wees ons aan, toen de vervolgers het huis binnendrongen? En
+toen ik smeekte om hulp, niet voor mijzelf, wie bespotte mij toen en
+ging lachend heen?... En altijd weer eindigden die overleggingen met de
+bede: Ten dage dat ik hem ontmoet, o God van Jakob, help mij dan! Help
+mij een gepaste wraak te vinden!
+
+En nu was de ontmoeting nabij! Misschien zou Ben-Hur er anders over
+gedacht hebben als hij Messala arm en lijdend had teruggevonden; maar
+dat was niet het geval. Hij vond hem op het toppunt van glorie, van
+aanzien en macht.
+
+Wat Malluch dus voor een voorbijgaande neerslachtigheid hield, was
+ernstig overleg wanneer hij zich tegenover Messala zou kunnen stellen en
+op welke wijze hij die ontmoeting tot een onvergetelijke zou kunnen
+maken.
+
+Na een poosje kwamen zij aan een breede eikenlaan, druk bezocht door
+groepjes wandelaars, paardrijders, vrouwen in draagstoelen. Aan het
+einde der laan daalde de weg zacht glooiend af in een groene vlakte, die
+aan de eene zijde door een steilen rotswand afgesloten was. Hier bevond
+zich de beroemde bron Castalia.
+
+Ben-Hur baande zich een weg door de menigte, die zich rondom de bron
+verdrong. Een zwart marmeren bassin ving het water op, dat met kracht
+uit de rots stroomde, om na veel borrelen en schuimen als door een
+trechter te verdwijnen.
+
+Naast het bassin zat onder een rots uitgehouwen afdak een priester. De
+lange baard, en de kap, die zijn hoofd bedekte, gaven hem het voorkomen
+van een kluizenaar. Uit de gedragingen der omstanders kon men moeilijk
+opmaken wat hier eigenlijk het aantrekkingspunt was, de altijd vlietende
+bron, of de altijd aanwezige priester. Hij hoorde, zag, werd gezien,
+maar sprak nooit. Bij tijd en wijle bood een bezoeker hem een geldstuk
+aan, waarvoor de priester een papyrusblad in ruil gaf. De kooper haastte
+zich dan om het blad in het bekken te doopen, hield het vervolgens tegen
+het licht, om weldra beloond te worden met de verschijning van eenige
+dichtregelen, en al had die poëzie meestal weinig verdienste, de goede
+naam der bron leed er niet onder.
+
+Voordat Ben-Hur echter het orakel kon raadplegen naderde een nieuw
+gezelschap, welks verschijning de algemeene nieuwsgierigheid opwekte.
+
+Een groote witte kameel, geleid door een drijver te paard, droeg op den
+rug een buitengewoon breede, rijk met goud versierde zonnetent. Twee
+andere ruiters, met lange speren in de hand, volgden de kameel.
+
+--Wat een mooi dier! zeide iemand.
+
+--Zeker een vreemde vorst, zeide een ander.
+
+--Neen, een koning.
+
+--Een koning zou op een olifant zitten!
+
+--Bij Apollo, vrienden, zeide een vijfde, 't zijn geen koningen of
+vorsten, 't zijn twee vrouwen!
+
+Terwijl de lieden er zich nog druk over maakten, hadden de vreemdelingen
+de bron bereikt. De kameel beantwoordde van nabij gezien volkomen aan de
+verwachting. Nog nooit had een der aanwezigen prachtiger dier aanschouwd.
+Wat groote zwarte oogen, wat fijn wit haar, wat goed gevormde pooten,
+zoo onhoorbaar van stap en toch zoo krachtig!... zijns gelijke was er
+niet. Hoe goed pasten die gouden franjes en kwasten en die rinkelende
+zilveren belletjes bij hem!
+
+Maar wie waren die man en die vrouw onder de tent?
+
+De oogen van allen waren op hen gevestigd.
+
+De man was zeer oud, de vrouw nog jong en zeer schoon. Zij was gehuld in
+kanten sluiers van zeldzaam fijn weefsel. Boven den elleboog droeg zij
+armbanden, in den vorm van slangen, door fijne gouden kettinkjes aan de
+armbanden om den pols verbonden. De kleine handen waren met kostbare
+ringen versierd. Op het hoofd droeg zij een netje van gouddraad met
+bloedkoralen doorregen, en rondom afgezet met muntstukjes, zoodat zij
+aan den voorkant op haar voorhoofd rustten. Van haar hoogen zetel zag
+zij kalm en tevreden op het volk neer, oogenschijnlijk zóó bezig met het
+te bestudeeren, dat zij niets merkte van de nieuwsgierigheid, die
+zijzelve opwekte. Tegen alle gewoonte in, daar aanzienlijke vrouwen zich
+nimmer in het openbaar met ongedekt gelaat vertoonden, zat zij daar met
+weggeslagen sluier.
+
+Het was een mooi ovaal gezichtje, donker en toch doorschijnend van tint.
+De half geopende lippen lieten twee rijen blinkend witte tandjes zien.
+
+Nu wendde zij zich tot den drijver, een forsch gebouwd Ethiopiër, die
+den kameel tot vlak bij het bassin leidde en hem deed neerknielen. Zij
+reikte den man een beker toe, om dien aan de bron te vullen.
+
+Op datzelfde oogenblik werd de door hare komst veroorzaakte stilte
+verbroken door het geluid van wielen en paardengetrappel. Met luide
+kreten van schrik stoven allen links en rechts.
+
+--Pas op, de Romein is van plan er op in te rijden! waarschuwde Malluch
+en vloog op zij.
+
+Ben-Hur keek om en zag Messala, die met zijn vierspan regelrecht op het
+volk aankwam. Ditmaal kon hij hem duidelijk in 't gelaat zien.
+
+Het uiteenstuiven van de menigte bracht den kameel in groot gevaar.
+Reeds waren de paarden vlak bij hem en nog lag hij met gesloten oogen te
+rusten en te herkauwen, zich veilig voelend bij zijn meester. De
+Ethiopiër wrong de handen in wanhoop. De grijsaard in de tent rees
+overeind, als dacht hij aan vluchten; maar behalve dat de stramheid
+zijner leden hem dat belette, kon hij toch in de ure des gevaars zijne
+waardigheid niet vergeten. En wat zijne dochter betreft, voor haar was
+het in ieder geval te laat om nog aan ontkomen te denken.
+
+Ben-Hur stond er het dichtst bij en riep Messala toe: Halt! Zie dan toch
+wat gij doet! Terug! Terug!
+
+De patriciër lachte hartelijk, en ziende dat hem geen keus bleef sprong
+Ben-Hur toe, greep de twee bijdehandsche paarden in den teugel, en rukte
+hem met inspanning van alle krachten op zij. Vervloekte Romein! riep hij
+Messala toe, bekommert gij u dan zoo weinig om het leven van een ander?!
+
+De twee paarden steigerden en trokken de andere mee. De wagen dreigde te
+kantelen. Messala hield zich slechts met de grootste moeite staande,
+terwijl zijn goedhartige Myrtilus achterover tuimelde in het gras. Toen
+zij zagen dat het gevaar geweken was lachten al de omstanders den Romein
+van harte uit.
+
+Messala toonde zich thans in grenzenlooze onbeschaamdheid. Zich van de
+teugels losmakend sprong hij uit den wagen, liep om den kameel heen,
+keek Ben-Hur in het voorbijgaand achteloos aan en zeide toen tot de twee
+vreemdelingen: Vergeeft het mij, bid ik u. Ik ben Messala, en bij onze
+moeder aarde zweer ik u, dat ik u en den kameel niet zag. Wat deze goede
+lieden betreft, ik rekende misschien te veel op mijne behendigheid, ik
+wilde mij ten hunnen koste vermaken, en zie, het lachen is aan hen. Moge
+het hun goed bekomen!
+
+De onverschillige blik en handbeweging, die deze woorden vergezelden,
+pasten er uitstekend bij. Om te hooren wat hij nog verder mocht te
+zeggen hebben, hielden de lieden zich bedaard. Messala gaf zijn metgezel
+een wenk om den wagen te verwijderen en wendde zich vervolgens
+vrijmoedig tot het meisje.
+
+--Gij zijt waarschijnlijk verwant aan den eerwaardigen grijsaard, wiens
+vergiffenis, zoo zij mij nu nog onthouden wordt, ik later met te grooter
+ijver zal trachten te verwerven; zijne dochter misschien?
+
+Zij gaf geen antwoord.
+
+--Bij Pallas, gij zijt schoon! Wees voorzichtig, opdat Apollo u niet
+voor zijn verloren liefje houde! Ik zou gaarne willen weten welk land
+zich beroemen mag uw vaderland te zijn? Neen! wend u niet af! Vergeef
+het mij! De zon van Indië straalt mij toe uit uwe oogen; Egypte heeft op
+uwe lippen zijn zegel gedrukt. Keer u niet af, schoone jonkvrouw,
+voordat gij mij genade geschonken hebt. Zeg mij ten minste, dat gij mij
+vergiffenis schenkt.
+
+Zonder Messala verder een blik te gunnen, wenkte zij Ben-Hur tot zich en
+vraagde met een vriendelijk lachje: Zoudt gij zoo goed willen zijn om
+dezen beker met water te vullen? Mijn vader heeft dorst.
+
+--Uw gehoorzaame dienaar, antwoordde Ben-Hur.
+
+--O vreemdelinge, gij zijt even wreed als schoon, zeide Messala, haar
+met de hand toewuivende. Als Apollo u niet weghaalt, zult gij mij
+weerzien. Daar ik uw vaderland niet ken, kan ik u niet aan de gunst
+zijner goden aanbevelen, daarom beveel ik u aan de gunst van--mijzelven
+aan!
+
+Dit gezegd hebbende ging hij naar den wagen terug, die hem stond te
+wachten. Het meisje zag hem na, en wat ook in haar oog te lezen heeft
+mogen staan, geen misnoegen.
+
+Ben-Hur bracht haar den beker en nadat de grijsaard gedronken had,
+bracht zij dien zelve aan haar lippen en bood hem daarna met
+onnavolgbare gratie Ben-Hur aan. Behoud hem, bidden wij u, zeide zij.
+Hij is vol zegenwenschen, alle voor u!
+
+Nu deed de Ethiopiër den kameel opstaan; maar op het punt van vertrekken
+riep de grijsaard Ben-Hur toe: Wacht even! Ik moet u spreken.
+
+Ben-Hur trad nader.
+
+--Gij hebt den vreemdeling een grooten dienst bewezen. Er is slechts één
+God. In zijn heiligen naam dank ik u. Ik ben Balthasar de Egyptenaar. In
+het groote Palmbosch, aan gene zijde van de Daphne gelegen, heeft Sheik
+Ilderim de Edelmoedige zijn tenten opgeslagen. Wij zijn zijne gasten.
+Bezoek ons daar. Gij zult ons zeer welkom zijn.
+
+Ben-Hur boog eerbiedig voor den grijsaard en staarde vader en dochter
+nog geruimen tijd na.
+
+
+ * * * * *
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+PLANNEN VAN WRAAK.
+
+
+In den regel is er geen zekerder middel om iemands tegenzin op te
+wekken, dan uit te blinken waar hij zich laf gedroeg. Malluch maakte
+hierop gelukkig een uitzondering. Wat hij gezien had deed Ben-Hur in
+zijne achting rijzen. Moed en wellevendheid bezat hij ongetwijfeld. Kon
+hij nu slechts een blik slaan in het verleden van den jongen man, dan
+zou meester Simonides tevreden kunnen zijn over dien eersten dag.
+
+Zooveel wist hij reeds; Ben-Hur was een Jood en de aangenomen zoon van
+een Romein. Verder begreep de slimme man, dat er tusschen Messala en den
+zoon van den duumvir iets was. Maar wat? Hoe kon hij achter de waarheid
+komen?
+
+In deze moeilijkheid kwam Ben-Hur zelf hem te hulp. Hij legde de hand op
+Malluchs arm en voerde hem met zich uit het gedrang der menigte, die
+zich weer om den priester en de bron verzameld had.
+
+--Goede Malluch, zeide hij, mag een man zijne moeder vergeten?
+
+Op die vraag was Malluch allerminst voorbereid. Hij keek Ben-Hur aan, om
+te zien wat hij bedoelde. Hij zag niets dan een gloeiende plek op iedere
+wang en onderdrukte tranen in de sombere oogen. Beslist antwoordde hij:
+Neen; nooit. Als hij een Israëliet is, nooit! Mijn eerste les in de
+synagoge was het gezegde van den zoon van Sirach: Eer uwen vader met uw
+gansche ziel en vergeet nooit wat gij uwe moeder gekost hebt.
+
+Ben-Hurs oogen fonkelden.
+
+--Die woorden, Malluch, roepen mijne jeugd in mijne herinnering terug,
+en bewijzen dat gij een echte Jood zijt. Ik geloof dat ik u vertrouwen
+kan.
+
+Hij liet Malluchs arm los en drukte de hand op zijn hart, alsof hij pijn
+gevoelde. Mijn vader, zeide hij, was een man van aanzien, met eere
+bekend in Jeruzalem, waar hij woonde. Mijne moeder was bij zijn dood in
+de kracht van haar leven. Woorden kunnen niet uitdrukken hoe goed en hoe
+schoon zij was. Iedereen roemde haar om de goede werken, die zij deed.
+Een vriendelijke toekomst lachte ons tegen. Ik had een jongere zuster,
+en wij waren zoo gelukkig, dat ik volkomen instemde met het woord van
+den Rabbijn: God kon niet overal wezen, daarom schiep Hij moeders.--Op
+zekeren dag overkwam aan een hooggeplaatst Romein een ongeluk, juist
+toen hij ons huis voorbijreed. Zijne soldaten vlogen naar binnen en
+grepen ons. Sedert heb ik mijne moeder en zuster niet meer gezien. Ik
+weet niet of zij dood zijn, of nog leven. Ik weet niet wat van haar
+geworden is. Maar, Malluch, die Romein, die met zijn vierspan lachend op
+het volk kwam inrijden, was tegenwoordig bij onze scheiding. Hij leverde
+ons over aan onze vijanden. Hij hoorde mijne moeder om genade smeeken
+voor hare kinderen en hij lachte, toen zij haar wegsleurden. Het is
+moeilijk te zeggen wat het diepst in de herinnering gegrift blijft,
+liefde of haat. Vandaag herkende ik hem reeds in de verte, en, Malluch,
+hij kent en bewaart het geheim, waarvoor ik mijn leven zou willen geven.
+Hij weet óf zij leven, en waar, en hoe. En zijn zij gestorven, hij weet
+waar hare beenderen rusten.
+
+--En zou hij het niet willen zeggen?
+
+--Neen.
+
+--Waarom niet?
+
+--Ik ben een Jood, en hij is een Romein.
+
+--Maar Romeinen hebben een tong, en de Joden, hoezeer ook door hen
+veracht, kunnen op middelen zinnen om die tong los te maken.
+
+--Voor zulken als hij? Neen; en daarenboven is het een staatsgeheim.
+Mijn vaders bezittingen werden alle verbeurd verklaard en verdeeld.
+
+Malluch knikte met het hoofd, als begreep hij er alles van, en vraagde
+toen opnieuw: Heeft hij u niet herkend?
+
+--Dat kon hij niet. Ik werd levend dood verklaard, en ben sinds lang als
+dood beschouwd.
+
+--Het verbaast mij dat gij hem niet doodgeslagen hebt, zeide Malluch
+hartstochtelijk.
+
+--Daarmee zou ik mijzelven voorgoed de gelegenheid benomen hebben, om
+partij van hem te trekken. De dood, dat weet gij, bewaart een geheim nog
+beter dan een schuldig Romein. Maar zijn straf zal hij niet ontgaan, en
+als gij mij helpen wilt, zal ik zeker slagen.
+
+--Hij is een Romein, zeide Malluch, en ik behoor tot den stam van Juda.
+Ik zal u helpen. Indien gij het verlangt zal ik mijne belofte met een
+eed bevestigen.
+
+--Geef mij uw hand, dat is voldoende.
+
+Na met een handdruk de afspraak bezegeld te hebben zeide Ben-Hur:
+Datgene waarmede ik u belasten zal, is niet moeilijk, goede vriend, en
+zal uw geweten niet bezwaren. Laat ons nu verder gaan.
+
+Een poosje later begon hij weer: Kent gij Sheik Ilderim?
+
+--Ja.
+
+--Waar is dat Palmbosch? of liever: hoever is dat van hier?
+
+Malluch aarzelde een oogenblik. Hij dacht aan het geschenk der schoone
+vreemdelinge. Zou het mogelijk zijn dat de jonge man zijn verdriet wilde
+gaan verzetten door een liefdesavontuur? Hij liet echter niets merken en
+antwoordde: Dat Palmbosch ligt twee uur te paard van Daphne. Een vlugge
+kameel brengt er u in een uur.
+
+--Zoo. En die wedrennen, daar gij mij van verteldet, zijn die publiek?
+en wanneer zullen zij plaats vinden?
+
+Die vragen deden iets vermoeden en wekten Malluchs nieuwsgierigheid.
+
+--O ja, antwoordde hij, zij zullen prachtig zijn. De prefect is rijk en
+zeer aan geld gehecht. Een invloedrijk vriend aan 't hof te hebben is
+echter wel een opoffering waard, en daarom maakt hij zooveel drukte voor
+den consul Maxentius, die hier komt om de laatste toebereidselen te
+treffen voor een veldtocht tegen de Parthen. De inwoners van Antiochië
+weten uit ondervinding, dat die toebereidselen geld onder de menschen
+brengen en hebben verlof gevraagd, om den prefect te helpen den grooten
+man naar waarde te ontvangen. Een maand geleden zijn herauten naar de
+vier windstreken uitgezonden, om de kampspelen en wedrennen aan te
+kondigen. De naam van den prefect zou op zichzelf reeds voldoende
+zekerheid geven voor de noodige afwisseling; maar wanneer Antiochië zich
+bij hem aansluit, zijn alle eilanden en de zeesteden zeker van iets
+buitengewoons, en kunnen wij op een uitgelezen publiek rekenen. De
+uitgeloofde prijzen zijn vorstelijk.
+
+--En de circus? Ik heb gehoord dat die lui die ná den circus Maximus de
+beste is.
+
+--Die van Rome? Wel, de onze heeft plaats voor tweemaal honderdduizend
+menschen, de uwe voor vijf-en-zeventigduizend meer. De uwe is van
+marmer, de onze ook. Wat de inrichting betreft staan zij gelijk.
+
+--Zijn de wetten dezelfde?
+
+Malluch glimlachte. Als Antiochië beproeven wilde oorspronkelijk te
+zijn, zou Rome niet de koningin wezen, die zij is, zoon van Arrius! De
+wetten van den circus Maximus zijn oppermachtig, behalve op één punt:
+dáár mogen slechts vier wagens te gelijk afrijden, hier gaan ze alle te
+zamen, onverschillig hoeveel.
+
+--Dat is naar Grieksche manier, zeide Ben-Hur.
+
+--Ja, Antiochië is meer Grieksch, dan Romeinsch.
+
+--En mag men zijn eigen wagen kiezen?
+
+--Ja, en de paarden ook. Daarin is ieder vrij.
+
+--Nog iets, Malluch, wanneer zullen de wedrennen gehouden worden?
+
+--Laat eens zien. Morgen ... neen, overmorgen, als ten minste, om op zijn
+Romeinsch te spreken, de zeegoden hem goedgunstig zijn, komt de consul.
+Ja, op den zesden dag na dezen beginnen de feesten.
+
+--De tijd is kort, Malluch, maar voldoende. Bij de profeten van Israël!
+Ik zal weder naar de teugels grijpen. Maar wacht! Weet gij zeker dat
+Messala meedoet?
+
+Nu doorzag Malluch het geheele plan. Ja, dat was een heerlijke
+gelegenheid om den Romein te vernederen; maar hij had geen Israëliet
+moeten zijn, om niet snel de kansen te berekenen. Bezorgd vraagde hij:
+Hebt gij er meer aan gedaan?
+
+--Vrees niet, mijn vriend. Vraag maar eens te Rome wie daar de vorst der
+wagenmenners genoemd wordt. Bij de laatste groote wedrennen bood de
+keizer zelf mij zijne gunst aan, indien ik zijne paarden in het
+strijdperk wilde voeren.
+
+--En hebt gij dat geweigerd? vraagde Malluch levendig.
+
+--Ik ben een Israëliet, antwoordde de ander ernstig. Al draag ik een
+Romeinschen naam, ik wilde niet iets doen, dat mijn vaders naam
+benadeelen kon in de voorhoven van onzen Tempel. In de kampscholen kon
+ik mij aan dergelijke oefeningen wijden, in den circus zelf zou mijn
+optreden een gruwel zijn in de oogen mijner geloofsgenooten, en als ik
+hier aan de wedrennen deel neem, dan, Malluch, ik zweer het u, zal het
+niet zijn om den prijs te behalen.
+
+--Hola! zweer niet te gauw. De prijs is 10,000 sestertiën, een vermogen
+op zichzelf.
+
+--Niet voor mij, al was het tienmaal zooveel. Neen, er is wat beters.
+Deze wedrennen zullen mij dienen om mijn vijand te vernederen. Wraak is
+door de wet geoorloofd. Maar gij hebt mij nog niet geantwoord. Weet gij
+zeker dat Messala meedoet?
+
+--Ja. Messala doet mee. Het staat overal aangeplakt. Iederen dag komt
+hij zich oefenen.
+
+--Zoo, en dat is dus het vierspan, waarmede hij in het strijdperk zal
+komen? Dank voor uwe inlichtingen, Malluch! Gij zijt mij heerlijk van
+dienst geweest. Ik ben voldaan. Wijs mij nu zoo gauw mogelijk den weg
+naar Sheik Ilderim en leid mij bij hem in. Hoe komen wij er het snelst?
+Zijn paarden mochten anders al eens besproken zijn.
+
+--Het best is dat wij regelrecht naar het dorp gaan, dat is gelukkig
+vlak bij. Daar moeten wij twee vlugge kameelen zien te huren, dan zijn
+wij er in een uur.
+
+--Voorwaarts dan, zeide Ben-Hur.
+
+Het dorp bestond uit niets dan paleizen in fraaie tuinen, benevens
+eenige vorstelijk ingerichte herbergen. Kameelen waren gemakkelijk te
+krijgen en zoo konden de twee reizigers zich weldra op weg begeven naar
+het beroemde Palmbosch.
+
+
+ * * * * *
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+HET PALMBOSCH.
+
+
+De landstreek die zij doorreden was heuvelachtig en goed bebouwd, een
+ware lusthof. Geen plekje was vergeten. De steile heuvelhellingen waren
+terrasvormig aangelegd. Tegen de omtuiningen slingerden zich weelderige
+wingerdranken omhoog, die den voorbijgangers, behalve zeer gewenschte
+schaduw, de belofte gaven van kostelijke druiven en parelenden wijn.
+Op de meloenvelden en tusschen abrikozen- en vijgeboschjes lagen de
+witgepleisterde huizen der landlieden verspreid; alles sprak van
+overvloed en vrede, en stemde het hart tot vroolijken levensmoed.
+Af en toe kreeg men een kijkje op het Taurusgebergte en den Libanon,
+waartusschen de Orontes als een zilveren draad kalm zijn weg vervolgde.
+
+Het duurde niet lang of onze vrienden hadden de rivier bereikt. Nu ging
+hun weg over heuvelen en door dalen, steeds met den stroom mede. Was het
+landschap in vollen bladerdos van eik en laurier en moerbeiboomen, van
+geurenden jasmijn en haagappelboomen, de rivier tintelde onder de
+zonnestralen en sprak met hare vele op- en afvarende schepen van de zee,
+van vergelegen landen, van beroemde plaatsen en begeerlijke dingen.
+
+De twee vrienden reden door totdat zij aan een meer kwamen, helder, diep
+en effen, dat door het vloedwater der rivier onderhouden werd. Een oude
+palmboom beheerschte den inham. Bij dien palm sloegen zij links om en
+riep Malluch op vroolijken toon: Het Palmbosch! Het Palmbosch!
+
+Met uitzondering van de bekoorlijksten oasen in Arabië, of de
+Ptolemeïesche landerijen aan den Nijl, kon men bezwaarlijk een
+heerlijker oord vinden. Ontelbare dadelpalmen, patriarchen in hunne
+soort, verhieven hunne kruinen ten hemel. Aan het koele, heldere water,
+dat onder den grond verder stroomde, hadden die reuzen hun groei en
+langen levensduur te danken. Was het park van Daphne boven dit te
+verkiezen? En alsof de palmen Ben-Hurs gedachten raadden en de schaal
+ten hunnen gunste wilden doen overslaan, wuifden zij hem vriendelijk toe
+en brachten hem verkoeling aan.
+
+--Let eens op dezen reus, zeide Malluch, op een eerwaardigen palm
+wijzend. Elke ring op den bast duidt een jaar leven aan. Tel ze van
+wortel tot aan den top, en als de Sheik u zegt, dat het bosch geplant
+is, voordat iemand in Antiochië iets van de Seleuciden wist, geloof hem
+dan vrij.
+
+Een volmaakt schoone palm te beschouwen, zonder dat men onder zijn
+invloed in vervoering geraakt, is niet wel denkbaar. Vandaar dat hem van
+den beginne alle eer bewezen is en de kunstenaars der eerste koningen
+hem als model kozen voor de pilaren hunner paleizen en tempels.
+Diezelfde gewaarwording deed Ben-Hur zeggen: Toen ik Sheik Ilderim van
+morgen zag vond ik hem een zeer gewoon man. Hoe komt hij, een zoon van
+Edom, in het bezit van dezen lusthof? en hoe heeft hij hem uit de
+klauwen der Romeinsche gouverneurs kunnen houden?
+
+--De stamboom van dezen Sheik klimt tot in de grijze oudheid op, zeide
+Malluch. Al zijne voorvaders waren Sheik. Een van hen heeft eenmaal een
+vervolgden koning het leven gered. Het verhaal gaat, dat die Sheik den
+koning duizend ruiters leende, die hem nu hier dan daar in de wildernis
+verborgen, totdat zich eene gelegenheid aanbood om hem te wreken, zijne
+vijanden te verslaan, en den koning troon en rijk terug te geven. De
+koning vergat de bewezen diensten niet, maar noodigde den Sheik uit om
+zijne tent in deze streek op te slaan, en gaf hem het meer en de boomen
+en het land tusschen de rivier en de naastbijgelegen bergen tot eene
+erfelijke bezitting.
+
+--En heeft niemand hem ooit die bezitting betwist?
+
+--De verschillende overheerschers hebben het verstandig geoordeeld op
+goeden voet te blijven met den stam, die door den Heer gezegend is met
+strijdbare helden en paarden en kameelen en rijkdommen, zoodat zij
+meester zijn van vele heirwegen tusschen de groote steden, en den handel
+naar welgevallen kunnen belemmeren of beschermen. Zelfs de prefect in de
+Citadel is blijde, wanneer de Sheik met zijne vrouwen en kinderen en
+zijn ganschen stoet de eenzaamheid der woestijn verlaat, om voor een
+poos in dit heerlijk oord zijne tenten op te slaan.
+
+--Maar hoe komt het dan, dat de Sheik straks het uur vervloekte, waarin
+hij een Romein zijn vertrouwen geschonken had? Als de keizer hem gehoord
+had, zou hij zeker gezegd hebben: zulk een vriend begeer ik niet. Weg
+met hem!
+
+--Ja, wat dat betreft, Ilderim heeft een grief tegen Rome, zeide Malluch
+met een glimlach. Drie jaren geleden trokken de Parthen langs den weg
+van Bozra naar Damascus en vielen een karavaan aan, die onder anderen de
+schatting van een in de buurt gelegen district vervoerde. Zij sloegen
+alle gevangenen dood, hetgeen de beambten te Rome hadden kunnen
+vergeven, indien slechts de keizerlijke schatten behouden en naar Rome
+gezonden waren. De pachters, die voor de slachting aansprakelijk waren,
+beklaagden zich bij den keizer. Deze veroordeelde Herodes in de kosten,
+en Herodes verhaalde de schade op Ilderim, wien hij van plichtverzuim
+beschuldigde. De Sheik kwam in hooger beroep bij den keizer; maar deze
+gaf een antwoord, waar niemand wijs uit kon worden. De oude man heeft
+zich dat sterk aangetrokken en wacht slechts op een gelegenheid om zich
+te wreken.
+
+--Hij kan toch niets doen, Malluch.
+
+--Dat is te zeggen.... Maar zie, de gastvrijheid begint reeds. De
+kinderen spreken u aan.
+
+De kameelen bleven stilstaan en Ben-Hur zag, dat eenige kleine meisjes
+hem mandjes met dadels aanboden. Hij nam ze met vriendelijken dank.
+
+Toen zij weer verder reden zeide Malluch: Ik ben zeer bevriend met den
+koopman Simonides, en zoo heb ik ook kennis gemaakt met zijne vrienden,
+waaronder Sheik Ilderim een eerste plaats bekleedt. Ik heb hem meermalen
+ontmoet. Een paar weken geleden bracht hij Simonides een bezoek. Ik was
+in de kamer, en daar hij zeer opgewonden scheen, wilde ik mij verwijderen;
+maar hijzelf verbood het, zeggende: Gij zijt een Israëliet, blijf dus
+hier en luister, want ik heb een vreemde geschiedenis te verhalen.--Vele
+jaren geleden kwamen drie reizigers bij hem, een Hindoe, een Griek en
+een Egyptenaar. Zij reden op kameelen, de mooiste die hij ooit gezien
+had, en alle drie wit. Zij bleven die nacht bij hem. Den volgenden
+morgen vertelden zij hem wie zij waren en vanwaar zij kwamen. Alle drie
+hadden zij eene ster gezien en eene stem gehoord, die hun beval naar
+Jeruzalem te gaan, en te vragen naar den jonggeboren Koning der Joden.
+Zij gingen, en de ster geleidde hen van Jeruzalem naar Bethlehem, waar
+zij in een spelonk het pasgeboren kind vonden, dat zij aanbaden en
+geschenken gaven. Zij gingen niet naar Herodes terug, het was Herodes de
+Groote, overtuigd dat die hen dooden zou, maar kwamen bij Sheik Ilderim,
+die hen in zijne tenten verborg, totdat zij de terugreis durfden
+aanvaarden.
+
+--Dat is zeker een vreemde geschiedenis, zeide Ben-Hur. Maar waar zegt
+gij dat zij te Jeruzalem naar vragen moesten?
+
+--Zij moesten vragen: Waar is de geboren Koning der Joden?
+
+--Was dat alles?
+
+--Er was nog wat bij; maar dat herinner ik mij niet meer.
+
+--En vonden zij het kind?
+
+--Ja, en aanbaden het.
+
+--'t Is vreemd, Malluch.
+
+--Ilderim is een ernstig man, al is hij ook, evenals alle Arabieren,
+licht ontvlambaar. Een leugen uit zijn mond is ondenkbaar.
+
+--Heeft Ilderim nooit meer van die drie mannen gehoord?
+
+--Wel, dat was het juist wat hij Simonides kwam vertellen bij dat
+laatste bezoek. Den vorigen avond was de Egyptenaar onverwacht weer bij
+hem gekomen.
+
+--Herkende hij hem dan?
+
+--Ja, aan zijn manier van spreken en doen, en hij bereed denzelfden
+witten kameel, en gaf denzelfden naam op: Balthasar, den Egyptenaar.
+
+--Wat zegt gij? Dien naam gaf de oude man aan de bron mij ook op! En de
+jonkvrouw was zijne dochter.
+
+Een oogenblik later zeide hij: Zij moesten dus vragen naar hem, die de
+Koning der Joden zou zijn?
+
+--Neen, antwoordde Malluch, zij moesten naar den geboren Koning der
+Joden vragen. Die woorden heeft de Sheik altijd onthouden en hij wacht
+op de komst van dien Koning. Niets kan zijn geloof aan het wankelen
+brengen, dat hij komen zal.
+
+--Hoe ... als Koning?
+
+--Ja, om Rome's macht te fnuiken.
+
+Ben-Hur bleef in gedachten verzonken en zeide toen: De Sheik is een uit
+velen, die onrecht hebben te wreken; maar het is immers onmogelijk,
+Malluch, dat iemand anders dan een Herodes Koning der Joden zou zijn,
+zoolang Rome Rome is?... Maar om op het verhaal terug te komen; wat
+antwoordde Simonides?
+
+--Simonides is een wijs man. Ik luisterde, en hij zeide ... maar hoor!
+daar komt iemand ons achterop.
+
+Paardengetrappel weerklonk, het kwam nader en nader, en zie, daar was de
+Sheik zelf met zijn gevolg, ook de vier Arabische paarden en de wagen.
+Zoodra hij hen zag riep den grijsaard: welkom en vrede!... Ha! Zijt gij
+het, mijn goede vriend Malluch? Welkom! Brengt gij mij tijding van mijn
+vriend Simonides? Moge de God zijner vaderen hem nog lang bij het leven
+bewaren! Volgt mij, opdat ik u verfrisschingen voorzette.
+
+Zij volgden hem tot aan de deur zijner tent, waar hij hun een verkoelenden
+drank aanbood.
+
+Zoodra zij naar binnen waren gegaan nam Malluch den Sheik ter zijde, om
+iets met hem te bespreken, waarna hij tot Ben-Hur terugkeerde en zeide:
+Ik heb den Sheik over u gesproken, hij is uw vriend, het verdere laat ik
+dus aan u over. Ik moet nu naar de stad, waar ik hedenavond gewacht word.
+Morgen kom ik terug en hoop dan bij u te blijven tot na den afloop der
+feesten.
+
+Met wederzijdsche zegenbeden scheidden zij en vertrok Malluch.
+
+
+ * * * * *
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+MALLUCHS RAPPORT.
+
+
+Het was laat in den avond. Het maanlicht bescheen de gebouwen op den
+berg Sulpius, en twee derden van Antiochië's inwoners zochten op de
+platte daken der huizen koelte en verfrissching. Ook Simonides had zich
+naar het terras laten brengen en liet den blik rusten op de rivier en de
+ten anker liggende schepen. De muur achter hem wierp een breede schaduw
+op het water. Esther stond voor hem met een blad, dat zijn eenvoudig
+avondeten bevatte: luchtig gebakken koeken, wat honig en een kom melk.
+
+--Malluch is laat, zeide hij, en verried alzoo waar zijne gedachten
+toefden.
+
+--Zou hij nog komen? vraagde Esther.
+
+--Als hij niet op zee of in de woestijn is, zal hij komen, antwoordde
+Simonides beslist.
+
+--Hij zou kunnen schrijven.
+
+--Als hij vèr weg moest, zou hij mij dat dadelijk gemeld hebben; daar
+hij dat niet gedaan heeft, weet ik dat hij komen zal.
+
+--Ik hoop het, zeide zij zacht.
+
+Iets in haar toon trof hem. Hij keek op en zei: Zou het u genoegen doen,
+als hij kwam?
+
+--Ja vader.
+
+--Waarom? vertel mij dat eens.
+
+--Omdat ... omdat de jonge man....
+
+--Onze meester is. Woudt ge dat zeggen, Esther?
+
+--Ja vader.
+
+--En gij vindt, dat ik hem niet moet laten gaan zonder hem te zeggen,
+dat hij komen kan als het hem behaagt, om ons met alles wat wij bezitten
+tot zich te nemen; alles, Esther: de schepen, het geld, de slaven, het
+huis, en het machtig krediet, dat als een mantel van fijn goud en zilver
+voor mij geweven werd door den grootsten beschermengel der menschen:
+welslagen.
+
+Zij antwoordde niet.
+
+--Laat het u koud? vraagde hij met iets bitters in zijn toon. Ach, kind,
+ik weet bij ondervinding, dat wat van te voren ondragelijk scheen
+doorstaan kan worden, als men er maar eerst vóór staat, zelfs het
+ergste, zelfs de pijnbank. Dat zal met den dood waarschijnlijk ook wel
+het geval zijn. En volgens die beschouwing kan de slavernij, waarin wij
+ons gaan begeven, na een poos liefelijk worden. 't Is mij nu reeds een
+aangename gedachte, dat onze meester een gunsteling der fortuin blijkt
+te zijn. Zijn vermogen heeft hem niets gekost, geen zorg, geen droppel
+zweet, niet eens een gedachte. Onverwacht valt het hem voor de voeten.
+En, Esther, wat mijn ijdelheid niet weinig streelt, hij krijgt wat hij
+voor geen schatten kon koopen, hij krijgt u, mijn lieveling, mijn parel,
+u, bloempje van mijn gestorven Rachel.
+
+Hij trok haar tot zich en kuste haar tweemaal; de eerste kus gold
+haarzelve, de tweede hare moeder.
+
+--Spreek zo niet, vader, zeide zij, laat ons beter van hem denken. Hij
+weet wat droefheid is en zal ons de vrijheid geven.
+
+--Gij hebt een fijn instinct, Esther, en gij weet dat ik dikwijls op uw
+oordeel af ga;... hoor, daar komt iemand; heb ik het u niet gezegd? daar
+is Malluch! Nu zullen wij zien wat wij van onzen jongen meester te
+wachten hebben.
+
+--Vrede zij u, meester Simonides, zeide Malluch diep buigend, en ook u,
+voortreffelijkste der dochters.
+
+Simonides beantwoordde den groet en vraagde toen: Wat hebt gij mij van
+den jongen man te vertellen?
+
+Eenvoudig en zakelijk gaf Malluch een verslag hoe hij den dag had
+doorgebracht. Simonides luisterde aandachtig en liet hem ongestoord
+vertellen.
+
+--Dank, hartelijk dank, Malluch, gij hebt uitstekend gehouden, zeide
+hij, toen het verhaal uit was. Niemand zou het kunnen verbeteren. En tot
+welk volk meent gij dat hij behoort?
+
+--Tot het volk van Israël, meester, tot den stam van Juda.
+
+--Weet gij het zeker?
+
+--Zeer zeker.
+
+--Hij schijnt u niet veel van zijn leven verteld te hebben.
+
+--Hij heeft geleerd voorzichtig te zijn. Eerst na zijn optreden bij de
+Castaliabron werd hij vertrouwelijk.
+
+--Een vervloekte plaats, die bron. Waarom ging hij er heen?
+
+--Ik zou zeggen uit nieuwsgierigheid; maar toen hij er was, toonde hij
+niet de minste belangstelling. Goede meester, de jonge man heeft een
+verborgen kommer, en hij ging naar het Park, denk ik, zooals wij naar
+het graf gaan met onze dooden--hij ging zijn kommer begraven.
+
+--Niet onmogelijk, Malluch; maar de vloek van dezen tijd is
+verspilzucht ... hebt gij daar iets van gemerkt? Pronkte hij met geld?
+Met Romeinsche of Joodsche munten?
+
+--Neen, meester.
+
+--Maar Malluch, op de plaats die zooveel gelegenheid tot dwaasheid
+geeft,... ik bedoel waar zooveel te eten en te drinken is, heeft hij u
+zeker wel een en ander aangeboden?
+
+--Hij heeft niet gegeten of gedronken, voordat wij in Ilderims tent
+waren.
+
+--Kondt gij uit wat hij zeide of deed opmaken wat zijn geheime drijfveer
+is?
+
+--Hoe bedoelt gij dat? vraagde Malluch.
+
+--Wel, gij weet dat wij voor ons spreken en handelen, vooral bij
+gewichtige aangelegenheden, een beweegreden hebben. Wat hebt gij te dien
+opzichte bij hem opgemerkt?
+
+--Daarop, meester Simonides, kan ik met zekerheid antwoorden. Hij wil
+zijne moeder en zuster opsporen, dat allereerst. Dan heeft hij een wrok
+tegen Rome, en daar die Messala van wien ik u vertelde iets met het hem
+aangedane onrecht te maken heeft, wil hij niet rusten voordat hij hem
+vernederd heeft. De ontmoeting bij de bron bood hem de gelegenheid, maar
+hij liet die voorbijgaan, omdat ze hem niet publiek genoeg was.
+
+--Die Messala heeft veel invloed, zeide Simonides.
+
+--Ja, maar de volgende ontmoeting zal in den circus plaats vinden.
+
+--Zoo ... en dan?
+
+--De zoon van Arrius zal winnen.
+
+--Hoe weet gij dat?
+
+Malluch glimlachte en zeide: Ik oordeel naar wat hij zegt.
+
+--Naar dat alleen?
+
+--Neen, ook naar den geest, die hem bezielt.
+
+--Inderdaad? Maar Malluch, beperkt hij zijn wraak tot de enkelen, die
+hem onrecht aandeden, of tot het geheele volk? Meer nog, is die
+wraaklust slechts een gril van een gevoeligen knaap, of is hij de
+ingewortelde dorst naar wraak voortkomende uit een vertrapt mannenhart?
+Gij weet, Malluch, het zinnen op wraak, dat alleen in den geest wortel
+heeft geschoten, is een ijdele droom, die bij den eersten helderen dag
+verdwijnt, terwijl de wraak, tot hartstocht geworden, een ziekte is, die
+opklimt naar de hersenen, en zich met hart en geest beiden voedt.
+
+Simonides had snel en met saamgeknepen handen gesproken, alsof hij de
+kwaal, die hij beschreef, bij ondervinding kende.
+
+--Goede meester, zeide Malluch, dat ik den jonkman voor een Israëliet
+houd is allereerst om zijn gloeienden haat. Hij bedwong zich, maar toch
+zag ik hem opvlammen, eerst toen hij weten wilde wat Ilderim tegen Rome
+heeft, daarna toen ik hem van de drie mannen verhaalde, die den geboren
+Koning der Joden zochten.
+
+--Wat zeide hij dan? Zijn eigen woorden, Malluch!
+
+--Hij wilde precies weten wat zij gezegd hadden: De Koning, of de
+geboren Koning. Daar maakte hij onderscheid tusschen. Toen vertelde ik
+hem wat Ilderim gezegd had: dat de koning komen zou om Rome te
+verdelgen.--Het bloed steeg hem naar de wangen en hij zeide: Wie anders
+dan een Herodes kan koning zijn, zoolang Rome Rome blijft?
+
+Simonides zag een poos zwijgend voor zich en zeide toen: 't Is goed,
+Malluch. Laat u wat te eten geven en maak u gereed om morgen naar het
+Palmbosch te gaan. Gij moet den jongen man helpen zijn plan te
+volvoeren. Ik zal u een brief aan Ilderim meegeven. Misschien, voegde
+hij er zachtjes bij, zal ikzelf bij de wedrennen in den circus
+verschijnen.
+
+Malluch vertrok. Simonides dronk van de melk en scheen verruimd van zin
+en opgewekt te zijn.
+
+--Zet dat maar weg, Esther, en kom dan weer hier.
+
+Het meisje gehoorzaamde.
+
+--Wat is God goed voor mij, zeide hij op innigen toon. Zijn weg is in
+het duister; maar somtijds staat Hij ons toe iets van zijne wegen te
+begrijpen. Ik ben oud, lieve, en maak mij gereed om heen te gaan; maar
+zie, ter zelfder ure, toen ik alle hoop had opgegeven, zendt Hij mij een
+lichtstraal, die mij geheel opvroolijkt. Ik zie waarom ik dien bepaalden
+weg heb moeten gaan. Een omstandigheid zoo groot, dat zij een
+wedergeboorte voor de geheele wereld zal zijn, maakt het mij duidelijk.
+Ik begrijp waarom mij zoo groote rijkdom geschonken werd, ik zie waartoe
+hij bestemd is. Waarlijk, mijn kind, ik begin weer op te leven.
+
+Esther vlijde zich tegen hem aan, alsof zij zijne gedachten weder bij
+het tegenwoordige wilde bepalen.
+
+--De koning is geboren, vervolgde hij op droomerigen toon, en moet
+volwassen zijn. Balthasar zegt, dat hij een zuigeling was op moeders
+schoot, toen hij hem zag en zijne geschenken aanbood, en Ilderim
+beweert, dat het in December achtentwintig jaar geleden was, dat
+Balthasar met zijne vrienden in de woestijn tot hem kwam. Lang zal de
+koning dus niet meer toeven te komen. Vandaag, morgen kan het gebeuren!
+Heilige vaders van Israël, welk eene gedachte! 't Is mij als hoor ik
+oude muren kraken, als hoor ik het gejoel van een volslagen ommekeer; o!
+en om alles te kronen scheurt de aarde vaneen, om Rome op te slokken. En
+de volkeren zien het en lachen en zingen: Rome is gevallen en wij zijn
+er nog!
+
+Hij zweeg even, lachte genoegelijk en zeide: Wel, Esther, wat zegt gij
+daarvan? Voorwaar, de geestdrift eens zangers komt over mij, de
+bezieling van Mirjam en David. Mijne gedachten die zich bezig moesten
+houden met cijfers en teekens, zijn vol van het geschal der cymbalen,
+van harptonen, en het vreugdegejubel eener groote menigte, staande
+rondom een nieuw opgerichten troon. Ik wil daar voor 't oogenblik niet
+langer aan denken, alleen dit nog, lieve, als de koning komt zal hij
+geld en mannen noodig hebben, want daar hij, evenals wij allen, van eene
+vrouw geboren is, zal hij ten slotte een mensch zijn als wij,
+onderworpen aan de menschelijke natuur, zooals gij en ik. Ziet gij nu
+den weg, dien ik en de jonkman, onze meester, moeten loopen? Die weg
+voert ons tot roem en wraak.
+
+Esther bleef zitten en zweeg. Toen herinnerde Simonides zich, dat niet
+alle menschen zich over hetzelfde verheugen kunnen,--hij herinnerde zich
+dat hij tegen eene vrouw sprak.
+
+--Waar denkt ge aan, Esther? vraagde hij op zijn gewonen toon. Als uwe
+gedachten den vorm hebben van een wensch, zeg het mij dan, mijn kind,
+terwijl ik nog de macht bezit om hem te vervullen. Want zij is
+wispelturig, de macht, en houdt hare vleugelen altijd uitgebreid om zóó
+weg te kunnen vliegen.
+
+Zij antwoordde met bijna kinderlijken eenvoud: Laat hem halen, vader,
+laat hem nog van avond halen, en laat hem niet naar den circus gaan.
+
+--Aha! zeide hij op gerekten toon, en staarde op de rivier, waar de
+schaduwen steeds donkerder werden, sedert de maan achter den Sulpius
+gezonken was en de verlichting der stad overgelaten had aan het
+twijfelachtig schijnsel der sterren. Zullen wij het zeggen, lezer?
+Simonides was ijverzuchtig. Zou zij liefde hebben opgevat voor den
+jongen meester? Neen, o neen, dat kon niet. Zij was nog te jong. Maar de
+gedachte liet hem niet los, die mogelijkheid maakte hem koud en stil.
+Zij was zestien jaar. Hij wist het heel goed. Op haar laatsten
+verjaardag had zij hem begeleid naar de scheepstimmerwerf, waar een
+nieuwe galei van stapel zou loopen, en op de gele vlag, die zoo lustig
+in den wind wapperde, stond de naam Esther. Zoo hadden zij dien dag
+samen gevierd. Zestien jaar, hij wist het heel goed, en toch trof het
+hem als iets nieuws. Er zijn van die dingen, die ons, als wij ze goed
+nadenken, pijnlijk aandoen, bij voorbeeld dat wij oud worden, dat wij
+sterven moeten. Zulk een onbestemde pijnlijke gewaarwording maakte zich
+thans van hem meester en ontlokte hem een diepen zucht. Alsof het niet
+genoeg was, dat zij een lijfeigene werd, zou zij ook haren meester
+gevoelens toedragen, wier innigheid en teederheid hij zoo goed kende,
+omdat zij tot heden onverdeeld aan hem waren gewijd. De demon, wiens
+taak het is ons met vrees en bittere gedachten te martelen, doet zelden
+zijn werk ten halve. Door de smart van 't oogenblik vergat de moedige
+grijsaard zijne plannen voor de toekomst en den wondervollen koning, die
+er het middelpunt van was. Met een geweldigen krachtinspanning, wist hij
+zich echter te bedwingen en vraagde kalm: Niet naar den circus laten
+gaan, waarom niet, kind?
+
+--Het is geen plaats voor een zoon van Israël, vader.
+
+--Rabbijnsche opvattingen, Esther! Is dat alles?
+
+Zijn toon was onderzoekend en drong door tot haar hart, dat luid begon
+te kloppen, zoo luid, dat zij niet dadelijk kon antwoorden.
+
+--De jonkman zal het vermogen hebben, zeide Simonides vriendelijk, hij
+zal de schepen hebben en het geld, alles, Esther, alles. In weerwil
+daarvan voelde ik mij net arm; want ik behield u en uwe liefde, die mij
+zoo mijne gestorven Rachel herinnert. Zeg mij, zal hij die ook hebben?
+
+Zij boog zich neder en leunde met het hoofd tegen hem aan.
+
+--Spreek, Esther, ik zal sterker zijn, als ik het weet. Onzekerheid
+maakt zwak.
+
+Zij richtte zich op en sprak op vasten toon: Wees getroost, lieve vader,
+ik zal u nooit verlaten. Al moest ik hem liefhebben, ik zal altijd uwe
+dienstmaagd blijven. Ja, vader, hij is schoon in mijne oogen, en zijne
+manier van spreken trok mij aan. Ik beef als ik denken moet, dat gevaren
+hem dreigen. Ja, vader, ik zou meer dan blijde zijn, als ik hem
+wederzag. Maar onbeantwoorde liefde kan nooit volmaakte liefde zijn;
+daarom wil ik geduldig wachten, en niet vergeten dat ik uwe en moeders
+dochter ben.
+
+--Een zegen des Heeren zijt gij, Esther! Een zegen om mij rijk te doen
+blijven, al moet ik ook al het andere verliezen. En bij zijn heiligen
+Naam en het eeuwige leven zweer ik, dat u geen leed zal aangedaan
+worden.
+
+Een weinig later liet hij een dienaar roepen, die den stoel naar binnen
+rolde. Daar zat hij nog een poos na te denken over de komst des konings,
+terwijl Esther hare legerstede opzocht en spoedig den slaap der onschuld
+sliep.
+
+
+ * * * * *
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+EEN ROMEINSCH DRINKGELAG.
+
+
+Het paleis, schuins tegenover Simonides' woning aan den anderen oever
+der rivier gelegen, was volgens de overlevering door den vermaarden
+Epiphanes gebouwd, en beantwoordde geheel aan de eischen, die men zulk
+eene woonplaats stellen mag. De muur, die over het geheele eiland langs
+den waterkant opgetrokken was en dienen moest tot beschutting tegen den
+stroom en beveiliging tegen mogelijke invallen, heette het paleis
+ongeschikt te maken tot voortdurende bewoning, zoodat de legaten zich
+een ander paleis lieten bouwen op de westelijke helling van den Sulpius.
+Het ontbrak echter niet aan lieden, die ronduit beweerden, dat die
+verhuizing niets te maken had met gezondheidsmaatregelen, maar dat de
+ware reden gezocht moest worden in de onmiddellijke nabijheid der groote
+citadel, die den legaten een gevoel van veiligheid gaf. Die opvatting
+scheen wel de ware te zijn, want onder meer merkte men op, dat het oude
+paleis steeds in bewoonbaren staat gehouden werd, en dat, wanneer een
+consul, een generaal, een vorst, of eenig ander machthebbende Antiochië
+bezocht, hem het eiland-paleis als verblijf werd aangewezen.
+
+Daar wij slechts met één vertrek in het oude gebouw te doen hebben, mag
+de lezer zich het overtollige voorstellen naar eigen believen en staat
+het hem vrij de tuinen, baden, buiten- en binnenpleinen, vertrekken en
+paviljoenen, alles zoo weelderig mogelijk ingericht, op eigen
+gelegenheid te doorwandelen.
+
+Het vertrek, waarheen wij ons thans begeven, zou in dezen tegenwoordigen
+tijd een zaal genoemd worden. Het was zeer ruim en met gepolijst marmer
+bevloerd. Kunstige pijlers, in den vorm van Atlasgestalten, droegen de
+zoldering, en langs de muren was een met Indisch zijde overtrokken divan
+aangebracht. Het meubilair bestond uit tafels en zetels in Egyptischen
+stijl. Vijf reusachtige bronzen kronen verspreidden een zee van licht.
+
+Een honderdtal personen is in deze zaal vergaderd. Sommigen zitten bij
+de tafels, anderen loopen heen en weder, weder anderen hebben het zich
+op den divan gemakkelijk gemaakt. Zij zijn allen jong, sommigen
+ternauwernood de kinderschoenen ontwassen.
+
+Dat zij allen Italianen en voor het grootste gedeelte Romeinen zijn
+lijdt geen twijfel. Zij spreken zuiver Latijn, en zijn naar Romeinsche
+gewoonte gekleed, in tunica's met korte mouwen en korten schoot, welke
+kleedij juist geschikt is voor het klimaat van Antiochië en in de
+overmatig warme zaal volkomen op hare plaats is. Hier en daar liggen op
+den divan toga's en mantels, waaronder met purper omzoomde, achteloos
+neergeworpen. Ook ziet men er slapende gasten in gemakkelijke houding
+uitgestrekt; of de hitte en de vermoeienis hen zoo hebben aangegrepen,
+of dat Bacchus er schuld aan heeft, zullen wij maar niet onderzoeken.
+
+Er wordt druk en luid gepraat, uitbundig gelachen, hartstochtelijk
+gespeeld.
+
+Het meerendeel dier jongelieden behoorde tot het militaire gevolg van
+den consul en moest hier zijne komst afwachten.
+
+Laat in de nacht trad een nieuw gezelschap de zaal binnen, en begaf
+zich, eerst onopgemerkt, naar de middentafel. Men kon hun aanzien dat
+zij juist van een slemppartij kwamen. Sommigen konden zich slechts met
+moeite op de been houden. De aanvoerder droeg een krans om het hoofd,
+ten teeken dat hij de koning van het feest, misschien wel de gastheer
+was geweest. De wijn had geen bijzondere uitwerking op hem gehad, of het
+moest zijn om zijn mannelijk schoon te verhoogen. Met hooger gekleurde
+wangen en stralende oogen stapte hij fier vooruit, ofschoon zijne
+houding en de manier, waarop hij de ruime witte toga om de schouders had
+geplooid, wel wat theatraal was voor iemand in volkomen nuchteren staat.
+
+Zonder zich om iemand of iets te bekommeren maakte hij voor zich en
+zijne makkers plaats, en toen hij eindelijk in het midden der zaal bleef
+stilstaan en zijn blik over de spelers liet gaan, keerden zij zich allen
+tot hem en begroetten hem met een luiden juichtoon: Ha! Messala! Messala!
+
+De meer verwijderden hoorden den kreet en namen hem over. Dadelijk
+werden de groepjes ontbonden, de dobbelsteenen neergeworpen, en snelden
+allen naar het midden der zaal.
+
+Messala nam die eerbewijzen als vanzelf-sprekend aan. Weldra zou blijken
+waaraan hij deze populariteit te danken had.
+
+--Uwe gezondheid, Drusus, mijn vriend, zeide hij tot den speler aan
+zijne rechterhand, uwe gezondheid. Laat mij uw tafeltje[2] eens zien.
+
+Hij nam de wassen blaadjes, zag de aanteekeningen vluchtig door en wierp
+ze op de tafel.
+
+--Denaries, enkel denaries, muntstukken voor sjouwers en waterdragers,
+zeide hij met een hoonenden lach. Bij de doos van Pandora, waar gaat
+Rome heen, wanneer een Cesar geheele nachten zit te spelen in de hoop
+dat Fortuna hem een armzalige denarie in den schoot zal werpen!
+
+De telg der Drusussen bloosde tot achter de ooren, maar zijne makkers
+overschreeuwden zijn antwoord door hun geroep: Messala! Messala!
+
+--Mannen van den Tiber, zeide hij, een der jongelieden de dobbelsteenen
+uit de hand nemend, wie is de meest door de goden bevoorrechte? De
+Romein. Wie stelt den volken de wet? De Romein. Wie is dus rechtens
+beheerscher der wereld?
+
+De gemakkelijk tot geestdrift op te winden jeugdige krijgers namen hem
+het woord uit den mond en schreeuwden om het hardst: De Romein! De
+Romein!
+
+--En toch, en toch, zeide hij langzaam, om hunne nieuwsgierigheid te
+prikkelen, toch is er een, beter dan de besten van Rome.
+
+Trots wierp hij het hoofd achterover, en toen geen antwoord volgde ging
+hij voort: Hoort gij? Er is een beter dan de besten van Rome.
+
+--Hercules! riep een.
+
+--Of Bacchus! schreeuwde een ander.
+
+--Neen, Jupiter! Jupiter! donderde de menigte.
+
+--Noem hem dan! riepen allen.
+
+--Dat wil ik, zeide hij, zoodra er wat stilte gekomen was. Hij, die bij
+Rome's volmaaktheid de volmaaktheid van het Oosten gevoegd heeft; hij,
+die aan het zegevierende Westen de Oostersche kunst heeft toegevoegd.
+
+--Bij Apollo, zijn beste is ten slotte toch de Romein, riep een, en
+daarop lachten allen en klapten in de handen.
+
+--In het Oosten, vervolgde Messala, hebben wij geen andere goden, dan
+wijn, vrouwen, en goed geluk, en de uitnemendste van deze drie is goed
+geluk. Daarom voeren wij tot motto: Wie durft wat ik durf?--zoowel in
+den Senaat, als in den krijg. Bovenal echter past het bij hem, die het
+beste zoekt en voor het ergste niet terugdeinst.
+
+Thans sloeg hij een gemoedelijken, vertrouwelijken toon aan, zonder
+echter zijne overmacht prijs te geven, en zeide: In de groote kast in de
+citadel heb ik vijf talenten gereed geld liggen. Hier is het bewijs.
+
+Uit zijn toga bracht hij een perkamentrol te voorschijn, wierp die op de
+tafel en vervolgde onder diep stilzwijgen, terwijl de oogen van allen op
+hem rustten: Dat is de som die ik durf wagen. Wie van u durft hetzelfde
+te doen?... Gij zwijgt? Is het te veel? Ik zal er een talent afnemen,
+slechts drie!... Om twee dan ... Niet?... Een dan ... een ten minste ...
+een ter eere van de rivier, aan wier oevers gij geboren werdt! Rome in
+het Oosten tegen Rome in het Westen! De barbaarsche Orontes tegen den
+heiligen Tiber!
+
+Hij schudde de dobbelsteenen en wachtte even.
+
+--De Orontes tegen den Tiber! herhaalde hij luider en met klem.
+
+Niemand bewoog zich. Toen wierp hij de dobbelsteenen op de tafel en nam
+lachend het bewijs weer tot zich. Bij Jupiter! riep hij, nu weet ik
+waarom gij naar Antiochië zijt gekomen: om uw fortuin te maken of te
+verbeteren. Hier, Cecilius!
+
+--Present! riep een stem achter hem.--Hier ben ik.
+
+--Ga, beval Messala, en laat de dienaren de kannen en bekers en
+drinkschalen hier brengen. Hebben deze onze landslieden geen beurzen, ik
+wil zien of zij beter gezegend zijn met magen. Haast u!
+
+Toen keerde hij zich met een luiden lach tot Drusus en zeide: Vergeef
+het mij, mijn vriend; ik wilde deze fraaie jonge vogels van ons oude
+Rome slechts op de proef stellen. Kom, Drusus, kom!
+
+Hij nam de steenen weer op en schudde ze vroolijk.
+
+--Hier! Voor welke som gij wilt. Beproef uw geluk.
+
+De noodiging was vriendelijk, innemend. Drusus kon haar niet wederstaan.
+
+--Bij de nimfen, ja, zeide hij lachend. Ik zal met u spelen, Messala,
+om ... een denarie.
+
+Een zeer jeugdigen knaap keek Messala van de overzijde der tafel
+aandachtig aan. Plotseling keerde deze zich tot hem en vraagde: Wie zijt
+gij?
+
+De knaap trok zich snel terug.
+
+--Neen, bij Castor en Pollux! Zoo meende ik het niet. Het is onder
+mannen gewoonte, als zij zaken doen, aanteekeningen te houden. Ik heb
+een klerk noodig. Wilt gij dien post vervullen?
+
+De jongeling nam dadelijk zijn tafeltje ter hand, gereed om op te
+schrijven.
+
+--Wacht even, Messala, zeide Drusus. Het is misschien niet goed door
+eene vraag de dobbelsteenen op te houden, maar daar schiet mij iets te
+binnen, en ik moet het wagen, al sloeg Venus mij met haar gordel.
+
+--Ik zal gooien en de steenen zoolang bedekken, dan kan het geen kwaad;
+en de daad bij het woord voegende vervolgde hij: Voor den dag met uwe
+vraag!
+
+--Hebt gij een zekeren Quintus Arrius wel eens gezien?
+
+--De duumvir?
+
+--Neen, zijn zoon.
+
+--Ik wist niet dat hij een zoon had.
+
+--Weet gij waarom ik het vraag? Omdat Pollux niet sterker gelijken kan
+op Castor, dan Arrius op u.
+
+--Ja, dat is zoo! riepen tien, twintig stemmen te gelijk. Zijn oogen,
+zijn gelaat!
+
+--Wat een dwaasheid, zeide een ander geërgerd. Messala is een Romein,
+Arrius een Jood.
+
+--Daar hebt gij gelijk in, merkte een derde op. Hij is een Jood, of
+Momus leende zijne moeder het verkeerde masker.
+
+Het gesprek dreigde in twist te ontaarden, maar Messala kwam
+tusschenbeide.
+
+--De wijn is nog niet gekomen, Drusus, zeide hij. Wat Arrius betreft, ik
+zal gelooven wat gij zegt. Vertel mij dus wat gij van hem weet.
+
+--Wel, hij moge dan Jood of Romein zijn, en bij den grooten Pan, met
+allen eerbied voor uwe gevoelens, Messala, deze Arrius is schoon,
+dapper, en verstandig. De keizer bood hem zijne gunst en bescherming
+aan, maar hij weigerde die aan te nemen. Zijn optreden was zeer
+geheimzinnig, en hij houdt zich op een afstand, alsof hij zich voor
+beter of voor slechter houdt, dan wij anderen. In het worstelperk was
+hij onovertroffen. Hij speelde met de blauwoogige reuzen van den Rijn en
+de hoornlooze stieren van Sarmatië, alsof het wilgetakken waren. De
+duumvir heeft hem zijn geheele vermogen vermaakt. Hij heeft zich met
+waren hartstocht in den wapenhandel geoefend en is vervuld van den
+oorlog. Maxentius nam hem op in zijn gevolg, en hij zou met ons zijn
+scheep gegaan, maar wij verloren hem te Ravenna. In weerwil daarvan is
+hij in welstand hier aangekomen. Wij hebben hedenmorgen van hem gehoord.
+In plaats van naar het paleis of de citadel te gaan, heeft hij zijn
+bagage achtergelaten in de herberg en is wederom verdwenen.
+
+Messala, die eerst slechts ten halve geluisterd had, werd langzamerhand
+nieuwsgierig. Toen Drusus zweeg hief hij zijne hand op en riep: Hallo,
+Caius, hoort ge dat?
+
+Een jongeling, die schuin achter hem stond, zijn Myrtilus, of metgezel
+bij de dagelijksche oefeningen in de renbaan, antwoordde, verheugd over
+de eer hem aangedaan: Deed ik dat niet, mijn Messala, dan was ik niet
+waard uw vriend te zijn.
+
+--Herinnert gij u den man, die u van middag in het stof heeft doen
+bijten?
+
+--Bij Bacchus! Is mijn schouder niet bont en blauw om het mij in
+gedachtenis te doen blijven?
+
+--Wees dan het Noodlot dankbaar, want ik heb uw vijand gevonden. Let
+maar op.
+
+Hierop keerde hij zich tot Drusus: Vertel ons meer van hem; van hem, die
+zoowel Jood als Romein is, bij Phoebus, eene vereeniging die een centaur
+aanminnig zou maken! Hoe kleedt hij zich, Drusus?
+
+--Als een Jood.
+
+--Hoort gij het, Caius? zeide Messala, de knaap is jong, dat is één. Hij
+heeft het gelaat van een Romein, twee. Hij draagt het liefst kleeren van
+een Jood,--drie. En in het worstelperk behaalt men roem en fortuin door
+het omverwerpen van een paard, of het doen kantelen van een wagen, al
+naar dat verlangd wordt--vier. Drusus, help mijn vriend verder.
+Ongetwijfeld spreekt deze Arrius verscheidene talen, anders kon hij niet
+vandaag Jood, morgen Romein zijn. Maar kan hij zich ook in de schoone
+taal der Atheners vloeiend uitdrukken?
+
+--Die spreekt hij zoo zuiver, Messala, dat hij er gerust als redenaar in
+zou kunnen optreden.
+
+--Hoort gij het wel, Caius? die knaap kan op zijn Grieksch een vrouw
+begroeten, dat is dus vijf. Wat zegt gij er van?
+
+--Gij hebt hem gevonden, mijn vriend, antwoordde Caius, of ik ben Caius
+niet.
+
+--Vergeef mij, Drusus, dat ik dus in raadselen spreek, zeide Messala op
+zijn gewone innemende manier. Bij alle goden, ik zou uwe nieuwsgierigheid
+niet willen spannen tot brekens toe; maar help mij nu tot aan het einde.
+Gij vondt, geloof ik, iets geheimzinnigs in het optreden van dien zoon
+van Arrius. Vertel mij daar wat van.
+
+--Och, niets bijzonders, zeide Drusus, een kindersprookje. Toen Arrius,
+de vader, uitzeilde om de zeerovers te straffen, bezat hij vrouw noch
+kind. Hij keerde terug met een jongeling ... hem van wien wij spreken, en
+nam hem den volgenden dag tot zoon aan.
+
+--Tot zoon aan? herhaalde Messala. Bij alle goden! Drusus, dat is een
+belangwekkend geval. Waar vond de duumvir den knaap? En wie was hij?
+
+--Wie kan u daar het antwoord op geven, wie dan de jonge Arrius zelf? In
+de hitte van de strijd verloor de duumvir, toen nog tribuun, zijn galei.
+Een terugkeerend schip vond hem en den knaap, de eenig overgeblevenen
+van de commandantsgalei, drijvende op een en dezelfde plank. Ik geef u
+het verhaal zooals ik het van de redders hoorde, dat in ieder geval
+nooit tegengesproken is. Zij beweren dat de metgezel van den duumvir een
+Jood was.
+
+--Een Jood! herhaalde Messala.
+
+--En een galeislaaf.
+
+--Hoe dat, Drusus, een galeislaaf?
+
+--Toen die beiden opgehaald werden, had de duumvir zijn wapenrusting
+aan, de ander het kostuum van een roeier.
+
+Messala richtte zich op in zijn volle lengte. Een galeislaaf, herhaalde
+hij op peinzenden toon.
+
+Op dit oogenblik brachten eenige slaven groote kannen wijn, schalen met
+vruchten en confituren, en weer anderen bekers van allerlei model, het
+grootste gedeelte van zilver. Dat gezicht bracht Messala weer op dreef.
+Hij sprong op een stoel. Mannen van den Tiber, riep hij met luide stem,
+laat ons het wachten op onzen veldheer veranderen in een feest ter eere
+van Bacchus. Wien kiest gij tot voorzitter?
+
+Drusus stond op. Wien anders dan den gastheer zelf? vraagde hij.
+Spreekt, Romeinen.
+
+Een luid gejuich was het antwoord.
+
+Messala nam den krans van zijn hoofd, reikte hem aan Drusus over, die op
+de tafel sprong, en hem ten aanschouwe van allen weer plechtig op het
+hoofd van Messala zette, waardoor hij hem tot voorzitter kroonde.
+
+--Te gelijk met mij, zeide hij, zijn eenige vrienden in de kamer
+gekomen, die juist van tafel waren opgestaan. Breng volgens oud gebruik
+dengene hier, die het meest door den wijn bevangen is.
+
+Eenige stemmen antwoordden: Hier is hij! Hier!
+
+En van den grond, waar hij neergezegen was, werd een knaap opgebeurd,
+zoo schoon van gelaat, dat hij voor den wijngod zelven kon doorgaan,
+maar de kroon zou hem van 't hoofd zijn gevallen, en de staf uit zijne
+hand.
+
+--Zet hem op de tafel, beval de voorzitter.
+
+Men gehoorzaamde, maar de knaap zakte ineen.
+
+--Ondersteun hem, Drusus!
+
+Drusus nam de slaper in zijn armen en hield hem overeind.
+
+Nu sprak Messala onder diep stilzwijgen tot den bezwijmde: O Bacchus,
+grootste der goden, wees ons hedennacht goedgunstig. In mijnen naam en
+in dien mijner metgezellen beloof ik dezen krans aan uw altaar in het
+Park van Daphne.
+
+Hij maakte een diepe buiging, zette den krans weer op, ontblootte de
+dobbelsteenen, bekeek ze, en zeide lachend: Ziehier Drusus, bij den ezel
+van Silenus, de denarie is voor mij!
+
+Een oorverdoovend gejubel deed de zaal op hare grondvesten daveren, ...
+het drinkgelag nam een aanvang.
+
+
+Noot: [2] Dun houten blaadje, met was bestreken, waar men met een stift
+op schreef.
+
+
+ * * * * *
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+IN DE TENT.
+
+
+Sheik Ilderim was een te gewichtig man om met een klein gevolg te
+reizen. Hij had, als de aanzienlijkste en oudste onder de vorsten der
+woestijn, den naam van zijnen stam weten op te houden. In de steden gold
+hij voor een der rijkste grondbezitters, en daar hij werkelijk zeer rijk
+was in geld, zoowel als in slaven, kameelen, paarden en groot en klein
+vee, voerde hij gaarne een hoogen staat, die hem niet alleen in aanzien
+deed stijgen bij vreemden, maar zijne ijdelheid streelde en hem allerlei
+gemakken aanbracht.
+
+Al spraken wij van zijne tent in het Palmbosch, in werkelijkheid had hij
+er een _dowar_, dat wil zeggen, hij had drie groote tenten: eene voor
+zich, eene voor bezoekers, eene voor zijne meestgeliefde vrouw en hare
+bedienden; en zeven kleinere voor zijne slaven en zijne lijfwacht,
+sterke dappere mannen, goed vertrouwd met boog, speer en paarden.
+
+Hoewel hij in het Palmbosch natuurlijk veilig was, had hij, daar men
+wijs doet met zich aan de gewone orde te houden, de door de tenten
+begrensde ruimte voor zijne koeien, kameelen en geiten bestemd, en voor
+zulke bezittingen, die een leeuw of een dief in verzoeking konden
+brengen.
+
+Overal en ten allen tijde volgde Ilderim de gebruiken van zijn volk tot
+in de kleinste bijzonderheden; dientengevolge was zijn leven in het
+Palmbosch eene voortzetting van zijn leven in de woestijn, een echt
+aartsvaderlijk leven--het herdersleven van het oude Israël.
+
+Op den morgen zijner aankomst in het Palmbosch had Ilderim de karavaan
+doen stilhouden en een speer in den grond gestoken, zeggende: Hier, sla
+hier mijne tent op. De opening naar het Zuiden, het meer vóór ons, en
+deze kinderen der woestijn tot een beschutting boven ons hoofd, als wij
+bij zonsondergang de avondkoelte willen genieten.
+
+Bij deze laatste woorden ging hij naar drie zware palmboomen en klopte
+tegen hun bast, zooals hij zijne paarden op den nek geklopt zou hebben.
+
+Wie anders dan de Sheik had het recht om der karavaan: halt toe te
+roepen, of van de tent te bevelen: hier worde zij opgeslagen?--De speer
+werd uit den grond gerukt, en in de gemaakte opening de eerste paal voor
+de tent geplant, het middenschot voor de groote voordeur. Vervolgens
+werden acht andere palen ingeslagen, in het geheel drie rijen palen,
+telkens drie op een rij. Toen werden de vrouwen en kinderen geroepen, om
+het tentedoek te ontpakken. Niemand anders dan de vrouwen mochten dat
+doen, want waren zij het niet, die de bruine geiten der kudden
+geschoren, het haar tot een draad gesponnen, dien draad tot doek
+geweven, en de doeken aaneengenaaid hadden, om tot een dak te dienen,
+donkerbruin, in werkelijkheid maar op een afstand zwart als de tenten
+van Kedar? Hoe vroolijk spande ten besluite het gezamenlijk
+dienstpersoneel van den Sheik het tentedoek van paal tot paal, de pinnen
+inslaande en de koorden vastmakende, daar waar het behoorde! En als
+eindelijk de matten wanden opgericht en bevestigd waren, in welke
+angstige spanning werd dan het oordeel van den meester afgewacht! Hoe
+gelukkig waren zij, toen hij, na alles van binnen en van buiten bekeken
+te hebben, goedkeurend knikte en vriendelijk zeide: Goed gedaan! maakt
+nu den dowar in orde naar uw beste weten en hedenavond zullen wij het
+brood met arak besproeien, en de melk met honing verzoeten, en aan
+iederen haard zal een bokje gebraden worden. Wij zullen geen gebrek
+hebben aan zoet water, want het meer is onze bron; de lastdieren en de
+kudde zullen niet hongeren, want hier is overvloed van groen gras. God
+zij met u, kinderen! Gaat aan 't werk.
+
+Vroolijk trok de troep af, om hunne eigene tenten op te slaan. Een paar
+bleven achter om de tent van den Sheik te meubileeren: de mannen spanden
+een gordijn langs de middelste palenrij, waardoor de tent in tweeën
+gedeeld werd, de eene helft voor den Sheik, de andere voor zijn paarden,
+de afstammelingen van Salomo's renners. Tegen den middelsten paal werd
+het wapenrek opgesteld, en met speren, bogen, pijlen en schilden
+behangen; bovenop het zwaard van den meester, welks gevest schitterde
+van edelsteenen. Aan het eene eind van het rek hingen zij de tuigen der
+paarden, aan het andere de kleederen van den meester: zijn wollen en
+linnen gewaden, tunica's en broeken, en zijn vele kleurige tulbanden.
+
+Intusschen hielden de vrouwen zich onledig met het ontpakken van den
+divan. In den vorm van een hoefijzer, de opening naar de deur gekeerd,
+stelden zij hem op, bedekten hem met kussens en peluwen, en hingen er
+gordijnen om. Rondom den divan legden zij een karpet, en in de
+binnenruimte evenzoo, tot aan de deur der tent. Toen vulden zij de
+kannen en kruiken met water en hingen de lederzakken met arak op. Welk
+Arabier zou Sheik Ilderim niet gelukkig prijzen in zijne tent bij het
+zoetwatermeer, onder de schaduw der palmen van zijn erfdeel!
+
+In de hier beschreven tent hebben wij Ben-Hur verlaten.
+
+De bedienden stonden reeds gereed om de bevelen des meesters te volgen.
+Een van hen ontbond zijne sandalen, een ander die van den bezoeker.
+Vervolgens hielpen zij de beide ruiters zich ontdoen van hunne bestoven
+kleeren, en een frisch wit linnen gewaad aantrekken.
+
+--Kom mede en rust, zeide de gastheer hartelijk in het Hebreeuwsch, en
+geleidde hem naar den divan.
+
+--Ik ga hier zitten, en mijn gast daar, zeide hij tot eene dienstmaagd,
+die zich aanstonds beijverde de kussens op te schudden en goed te
+leggen, waarna de beide mannen op den divan plaats namen en zich de
+voeten lieten wasschen met frisch water uit het meer.
+
+--Een onzer spreekwoorden in de woestijn luidt, dat een goede eetlust de
+belofte is van een lang leven, zeide Ilderim. Hoe staat het met den uwe?
+
+--Daarnaar berekend, goede Sheik, zal ik honderd jaar kunnen leven. Ik
+ben een hongerige wolf aan uwe deur, antwoordde Ben-Hur.
+
+--Welnu, ik zal u niet als een wolf wegzenden. Ik zal u het beste van
+mijn kudde voorzetten.
+
+Ilderim klapte in de handen, waarop een bediende binnentrad.
+
+--Ga naar den vreemdeling in de bezoekerstent en zeg, dat ik, Ilderim,
+hem toebid, dat zijn vrede bestendig moge zijn, als het stroomen der
+wateren.
+
+De man boog zich.
+
+--Meld hem verder, vervolgde de Sheik, dat ik nog een gast heb
+meegebracht om brood mede te breken. Als Balthasar, de wijze, het maal
+met ons wil deelen, zullen wij met ons drieën wezen, en het deel der
+vogelen zal er niet kleiner om zijn.
+
+De man ging heen.
+
+--Laat ons thans rust nemen, zeide de Sheik en maakte het zich
+gemakkelijk op den divan. Ben-Hur volgde zijn voorbeeld, en toen hij
+gereed was, vervolgde de Sheik op ernstigen toon: Dat gij mijn gast
+zijt, van mijn wijn gedronken hebt, en straks met mij eten zult, mag mij
+niet verhinderen u te vragen: Wie zijt gij?
+
+--Sheik Ilderim, zeide Ben-Hur, kalm den onderzoekenden blik van den
+grijsaard doorstaande, ik bid u, meen niet dat ik uw billijke vraag
+ontwijken wil; maar was er in uw leven nooit een tijd, waarin de
+beantwoording van zulk een vraag een misdaad zou geweest zijn jegens uwe
+ouders?
+
+--Bij Salomo's heerlijkheid, ja, antwoordde Ilderim. Zelfverraad is in
+sommige gevallen even laag, als het verraden van een geheelen stam.
+
+--Dank, goede Sheik! Nooit kwam er beter antwoord uit uwen mond. Nu weet
+ik, dat gij slechts de zekerheid verlangt te hebben, dat gij uw
+vertrouwen niet aan een onwaardige zult schenken en dat die zekerheid
+van meer belang voor u is, dan mijne levensgeschiedenis.
+
+De Sheik boog het hoofd. Ben-Hur haastte zich van deze stemming partij
+te trekken en zeide: Voor alle dingen wil ik u mededeelen, dat ik geen
+Romein ben, zooals mijn naam u zou doen denken.
+
+Ilderim zag zijnen gast oplettend aan.
+
+--Vervolgens dat ik een Israëliet ben uit den stam van Juda. Dat niet
+alleen. Ik ben een Jood en koester een wrok tegen Rome, waarbij de uwe
+slechts kinderspel is.
+
+De grijsaard plukte zenuwachtig aan zijn baard en trok de wenkbrauwen
+samen.
+
+--Nog meer; ik zweer u, Sheik Ilderim, ik zweer u bij het verbond, dat
+de Heer met mijne vaderen gemaakt heeft, als gij mij helpen wilt de
+wraak te nemen, die ik zoek, dan zullen de uitgeloofde prijs en de eer
+bij de wedrennen de uwe zijn.
+
+Ilderim hief het hoofd op, zijn oogen straalden; men kon zien dat het
+voorstel hem toelachte.
+
+--Genoeg, zeide hij. Als aan den wortel uwer tong een leugen verborgen
+ligt, zou Salomo zelf niet veilig voor u geweest zijn. Dat gij geen
+Romein zijt, dat gij als Jood een wrok tegen Rome hebt en wraak wil
+nemen, geloof ik. Maar hoe staat het met uwe vaardigheid? Welke
+ondervinding hebt gij in wedrennen met wagens? En de paarden--kunt gij
+ze aan uwen wil onderwerpen, zoodat zij u kennen, zoodat zij komen als
+gij ze roept, loopen, rennen als gij het beveelt, met inspanning van
+alle krachten tot bezwijkens toe, om hen dan in het beslissend oogenblik
+te bezielen tot een laatste inspanning, de krachtigste van alle, die tot
+overwinning voert? Die gave, mijn zoon, is niet ieder gegeven. Ik heb
+een koning gekend, die over millioenen menschen heerschte, maar zich
+niet de achting van een paard kon verwerven. Begrijp mij wel, ik spreek
+niet van gewone dieren, wier taak is te slaven voor slaven; wier bloed
+verbasterd werd, wier geheele uiterlijk het innerlijk teekent:
+geestelijk dooden. Neen, ik spreek van renpaarden als de mijne, koningen
+in hunne soort, wier stamboom opklimt tot in de stoeterijen van den
+eersten Pharao, mijne makkers en vrienden, medebewoners van mijne tent,
+die door een langdurig verkeer met mij opgevoerd zijn tot een ongekende
+hoogte, wier instinct aan eens menschen verstand gelijk is geworden,
+wier zintuigen met onze ziel gelijk staan, die evenals wij eerzucht,
+liefde, haat, tegenzin kennen; helden in den krijg, kinderen in
+vertrouwen. Hallo, hier!
+
+Een bediende trad naar voren.
+
+--Laat mijn Arabieren binnenkomen!
+
+De man trok het gordijn in het midden der tent open, waardoor een
+groepje paarden zichtbaar werd, die een oogenblik aarzelden en staan
+bleven, alsof zij niet zeker waren van de noodiging.
+
+--Komt, zeide Ilderim, waarom blijft ge staan? Wat heb ik dat niet het
+uwe is? Komt, zeg ik.
+
+Zij kwamen langzaam nader.
+
+--Zoon van Israël, zeide hun meester, uw Mozes was een groot man; maar,
+ha, ha, ha! ik moet lachen wanneer ik bedenk, dat hij uwe vaderen
+toestond den trekos en den ezel te gebruiken, maar hun verbood paarden
+in eigendom te bezitten. Denkt gij, dat hij dat gedaan zou hebben, als
+hij dezen en dien, en dien daar gezien had?
+
+Zoo sprekend legde hij zijne hand op den naastbijstaanden Arabier en
+liefkoosde hem met onbeschrijfelijke teederheid.
+
+--Dat is een misverstand, Sheik, een misverstand, zeide Ben-Hur
+levendig. Mozes was een krijgsman, zoowel als de van God beminde
+wetgever, en zou hij dan geen paarden gehad hebben?
+
+Een welgevormde kop met groote zachte oogen, zacht als die eener ree,
+half verborgen door de dikke voorhoofdlokken, vlijde zich bijna tegen
+hem aan, neusgaten en bovenlip in gestadige beweging, alsof zij vragen
+wilde: Wie zijt gij?
+
+Ben-Hur herkende een van het vierspan uit het renperk en stak het
+schoone dier zijn open hand toe.
+
+--Zij zullen u zeggen, de lasteraars, mogen hunne dagen verkort worden,
+sprak de Sheik heftig, zij zullen u zeggen, dat onze paarden afkomstig
+zijn van de Niseïsche velden in Perzië. God gaf den Arabier een
+onmetelijke zandvlakte, met eenige kale bergen en hier en daar een bron
+van bitter water, en zeide tot hem: Zie uw land! En toen de arme man
+klaagde, erbarmde de Almachtige zich over hem en zeide: Wees goedsmoeds!
+want Ik zal u zegenen boven anderen. De Arabier hoorde het, dankte, en
+ging vol vertrouwen den beloofden zegen zoeken. Eerst reisde hij langs
+de grenzen, maar tevergeefs. Toen maakte hij zich een pad door de
+woestijn en ging voort, altijd verder, totdat hij in het hart der
+wildernis een vruchtbaar eiland vond, liefelijk om te zien, en op dat
+eiland graasden een kudde kameelen en een kudde paarden! Hij nam ze
+vroolijk tot zich en verzorgde ze met de grootste oplettendheid, als de
+beste gave Gods. En van dat groene eiland stammen alle paarden, die op
+aarde te vinden zijn, ook die van de Neseïsche weilanden. Zelfs naar het
+Noorden verspreidden zij zich, tot aan de vreeselijke valleien, die
+voortdurend geteisterd worden door stormwinden uit de zee. Twijfel niet
+aan de waarheid van dit verhaal. Is het niet waar, moge dan geen enkele
+amulet meer van kracht zijn voor een Arabier. Maar wacht, ik zal u de
+bewijzen voorleggen.
+
+Hij klapte in de handen.
+
+--Breng mij de registers van den stam, zeide hij tot den binnentredenden
+slaaf.
+
+Onder het wachten speelde hij met de paarden, liefkoosde hen, streek
+hunne manen glad, en gaf ieder van hen een bewijs zijner gunst. Weldra
+verschenen zes mannen met zes cederhouten kisten, die zij voor den Sheik
+nederzetten.
+
+--Neen, zeide Ilderim, dat bedoelde ik niet. Alleen het stamboek van de
+paarden,--deze kist. Open die en zet de andere weg.
+
+De kist werd geopend. Haar inhoud bleek te bestaan uit een massa ivoren
+tafeltjes, door ringen van zilverdraad bijeengehouden, en daar de
+tafeltjes zoo dun waren als glas, hield iedere ring verscheidene
+honderdtallen.
+
+--Ik weet, mijn zoon, zeide Ilderim, met welke zorg de schriftgeleerden
+in den tempel van de Heilige Stad de namen der jonggeboornen opschrijven
+en bewaren, opdat ieder Israëliet zijn geslachtslijst kan narekenen, al
+klom zij ook op tot voor den tijd der patriarchen. Mijne vaderen, moge
+hun aandenken altijd groen blijven! oordeelden het niet zondig dat
+denkbeeld over te nemen en op hun stomme dienaren toe te passen. Bezie
+die tafeltjes!
+
+Ben-Hur nam een der ringen, en spreidde de tafeltjes uit. Zij waren vol
+met Arabische hiëroglyphen, die er met de gloeiende punt van een metalen
+staafje ingebrand waren.
+
+--Kunt gij ze lezen, zoon van Israël?
+
+--Neen. Wil mij hare meening verklaren.
+
+--Weet dan: ieder tafeltje draagt den naam van een rasveulen, en wel van
+een, dat vele eeuwen geleden in onzen stam geboren werd, benevens de
+namen van zijne ouders. Bezie ze nauwkeurig en let er op hoe oud zij
+zijn, des te gemakkelijker zal het u vallen te gelooven wat ik zeg.
+
+Sommige tafeltjes waren bijna afgesleten, alle waren geel van ouderdom.
+
+--In die kist bewaar ik de geschiedenis van dit viertal. Ik kan u met de
+stukken bewijzen uit welken stam zij gesproten zijn; zie, hoe die eene
+uwe aandacht zoekt te trekken en om een liefkoozing vraagt! Zooals deze
+thans tot ons komen, kwamen hunne vaders vele eeuwen her tot mijne
+vaderen in hunne tent, om uit de hand hunner heeren hunne maat gerst te
+ontvangen en toegesproken te worden als kinderen, en op eigenaardige
+manier hun dank te betuigen. En nu, zoon van Israël, geloof mij vrij,
+ben ik een vorst der woestijnen, zij zijn mijne eerste dienaren! Ontneem
+ze mij en ik word een zieke gelijk, door de karavaan achtergelaten om te
+sterven. Aan hen dank ik mijn onverminderd gezag op de groote heirwegen;
+en dat zal stand houden, zoolang ik de kracht bezit om mij van hen te
+bedienen. Ik zou u wonderen kunnen verhalen, door hunne voorzaten
+verricht. Misschien doe ik het later wel eens; voor het oogenblik zij u
+genoeg, dat zij bij een terugtocht nooit werden achterhaald, bij een
+vervolging altijd slaagden. Vergeet echter niet, dat was in de woestijn
+en onder 't zadel;... hoe het komt weet ik niet, maar mijn hart klopt
+onrustig om hunnentwil. Zij zijn voor het eerst in 't gareel geweest en
+wat is niet noodig om den prijs te behalen! Eerzucht, snelheid,
+volharding bezitten zij. Vind ik iemand voor hen, dien zij als meester
+kunnen erkennen, dan zullen zij den prijs behalen. Zoon van Israël, als
+gij die man zijt, dan zweer ik u, dat gij den dag, die u hier bracht,
+gelukkig zult noemen. Spreek nu voor uzelven.
+
+--Nu begrijp ik, zeide Ben-Hur, waarom een Arabier na zijne kinderen
+zijne paarden het liefst heeft, en ik begrijp ook waarom de Arabische
+paarden van alle de beste zijn; maar, goede Sheik, ik wil niet dat gij
+mij alleen naar mijne woorden beoordeelt, want gij weet het: beloften
+van menschen kunnen falen. Stel mij morgen op de proef en laat mij uw
+vierspan probeeren.
+
+Ilderims gelaat straalde van genoegen. Hij wilde spreken, maar Ben-Hur
+vervolgde: Nog een woordje, goede Sheik. Laat ik u dit mogen zeggen: In
+Rome heb ik veel geleerd, waarvan ik niet dacht dat het mij ooit te pas
+zou komen. Geloof mij, al zijn deze uwe zonen der woestijn ieder
+afzonderlijk als de wind zoo vlug, zij zullen het onderspit delven, zoo
+zij niet geleerd hebben gezamelijk in het gareel te loopen; want bedenk
+dit, Sheik, van ieder viertal is een de vlugste en een de langzaamste.
+Zoo was het vandaag. De menner kon den vlugste der vier niet krijgen tot
+een verstandig samenwerken met den traagsten. Mijn proefneming zal
+misschien niet beter uitvallen; maar in dat geval zal ik het u zeggen.
+Kan ik er hen echter toe krijgen zich naar mijn wil te voegen, zoodat de
+vier als één loopen, dan zijn de sestertiën en de lauwerkrans voor u, de
+wraak voor mij. Wat dunkt u?
+
+Ilderim had aandachtig geluisterd. Glimlachend zeide hij: Ik denk beter
+van u, zoon van Israël. Wij hebben een spreekwoord: als gij het eten met
+woorden kookt beloof ik u een oceaan van boter.--Morgen zult gij de
+paarden hebben.
+
+Op dat oogenblik was er beweging aan de achterdeur der tent. Ons
+avondeten, zeide de Sheik, en mijn vriend Balthasar, met wien gij kennis
+zult maken. Hij heeft eene geschiedenis te vertellen, die voor een
+Israëliet allerbelangrijkst is.
+
+Tot de knechts zeide hij: Neemt de kist weg, en brengt de paarden naar
+hun vertrek.
+
+En zoo geschiedde het.
+
+
+ * * * * *
+
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+ILDERIMS GASTMAAL.
+
+
+Als de lezer zich den maaltijd van de drie wijzen in de woestijn nog
+herinnert, zal hij zich gemakkelijk de toebereidselen in Ilderims tent
+kunnen voorstellen. Het eenige verschil was: meer gerechten en betere
+bediening.
+
+Op het karpet voor den divan weren drie kleedjes gelegd en een gedekte
+tafel neergezet. Tegen een der zijwanden werd een draagbare oven
+geplaatst, onder toezicht van eene slavin, wier taak het was het
+gezelschap van heete koeken te voorzien.
+
+Intusschen was Balthasar naar den divan geleid, waar Ilderim en Ben-Hur
+hem staande opwachtten. Hij droeg een ruim zwart overkleed en was
+langzaam en statig in zijne bewegingen.
+
+--Vrede zij u, mijn vriend, zeide Ilderim, vrede en welkom.
+
+De Egyptenaar antwoordde: de zegen van God Almachtig, den eenigen waren
+God, zij met u en de uwen.
+
+Zijne manier van spreken maakte diepen indruk op Ben-Hur.
+
+--Deze jonkman, Balthasar, zeide de Sheik, zijn hand op Ben-Hurs arm
+leggend, zal hedenavond brood met ons breken.
+
+De Egyptenaar zag den jonkman onderzoekend aan, waarop de Sheik
+vervolgde: Ik heb hem beloofd, dat hij mijne paarden mag probeeren, en
+als het goed gaat zal hij er in den circus mee optreden.
+
+Balthasar staarde Ben-Hur zwijgend aan.
+
+--Hij kwam met goede aanbevelingen, ging Ilderim voort, die niets van
+dat zwijgen begreep. Overeenkomstig die aanbevelingen stel ik hem u voor
+als den zoon van Arrius, den edelen Romeinschen duumvir, hoewel hijzelf
+zich een Israëliet noemt uit den stam van Juda, en, bij mijn baard, ik
+geloof wat hij zegt.
+
+--Weet dan, edelmoedige Sheik, zeide Balthasar, dat mijn leven vandaag
+in gevaar geweest is en ik hier niet zitten zou, zoo niet een jonkman,
+het evenbeeld van dezen uwen gast, tusschenbeide getreden was en mij
+gered had, toen alle anderen vloden.
+
+Toen wendde hij zich tot Ben-Hur en vraagde: Waart gij dat niet?
+
+--Wat zal ik u zeggen, zeide Ben-Hur bescheiden. Ik ben degeen die de
+paarden van den onbescheiden Romein tot staan bracht, toen zij bij de
+bron Castalia op uw kameel instormden. Uwe dochter gaf mij dezen beker.
+
+Uit de plooien van zijn tunica bracht hij den beker te voorschijn en
+overhandigde hem aan Balthasar.
+
+Een glans van blijdschap kwam over het gelaat van de Egyptenaar. De Heer
+heeft u vandaag tot mij gezonden, eerst bij de bron en nu hier, zeide
+hij bewogen en reikte Ben-Hur de hand. Ik dank Hem, en dank gij Hem ook,
+want door zijne genade kan ik u naar verdienste beloonen. De beker is de
+uwe. Behoud hem.
+
+Nu verhaalde Ben-Hur in antwoord op Ilderims vragenden blik het voorval
+bij de bron.
+
+--Wat! zeide de Sheik tot zijn jeugdigen gast. Daar hebt gij mij niets
+van verteld, terwijl gij mij geen betere aanbeveling hadt kunnen
+brengen. Ben ik niet een Arabier en Sheik van mijn stam van
+honderdduizenden? En is Balthasar niet mijn gast? zoodat hetgeen gij aan
+hem gedaan hebt, hetzij goed of kwaad, aan mij gedaan is? Waar zoudt gij
+belooning zoeken, anders dan hier? En wiens hand moet u die geven, zoo
+niet de mijne?
+
+--Goede Sheik, ik bid u, spaar mij. Ik kwam niet om eene belooning, en
+opdat zelfs de schijn niet op mij ruste, zoo weet dat ik uw geringsten
+slaaf ter hulpe zou gesneld zijn, indien zulks noodig was geweest.
+
+Hoe is uw naam ook weer? vraagde Balthasar. De Sheik noemde een
+Romeinsche naam, niet waar?
+
+--Arrius, de zoon van Arrius den duumvir.
+
+--En toch zijt gij geen Romein?
+
+--Mijn familie was Joodsch.
+
+--Wat, zegt gij? Leven zij niet meer?
+
+De vraag was eenvoudig en natuurlijk; maar gelukkig voorkwam Ilderim het
+antwoord.
+
+--Komt, zeide hij, de maaltijd is gereed.
+
+Een oogenblik later zaten zij aan tafel, op Oostersche manier. Dienaren
+brachten water en handdoeken, zij waschten zich de handen, toen gaf de
+Sheik een teeken, en de Egyptenaar bad op plechtigen toon: Vader van
+allen, God! Wat wij hebben is van U; neem onzen dank aan en zegen ons,
+opdat wij mogen voortgaan met Uwen wil te doen.
+
+De tafel was rijkelijk van het noodige voorzien: luchtige koeken, heet
+van het vuur, groenten uit den moestuin, vleesch in verschillenden vorm,
+geitenmelk, honing en boter, alles gebruikt zonder de toevoegselen der
+hedendaagsche gewoonten: messen, vorken, lepels. Gedurende dit gedeelte
+van den maaltijd werd weinig gesproken, want zij hadden honger. Maar
+toen het dessert op tafel kwam werd het anders, en zij waren weldra in
+een ernstig gesprek verdiept.
+
+Onder zulk een gezelschap: een Arabier, een Jood, en een Egyptenaar,
+allen geloovende aan éénen God, kon in die dagen slechts één onderwerp
+van gesprek zijn; en wie van de aanzittenden moest als spreker optreden,
+zoo niet hij, wien de Godheid bijna persoonlijk verschenen was, die haar
+in de ster had leeren kennen, die hare stem had gehoord, en zoo
+wonderbaar door den geest Gods geleid was? En waarvan zou hij spreken,
+zo niet van datgene, waarvan hij geroepen was te getuigen?
+
+
+ * * * * *
+
+
+VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
+
+GEHEIMENISSEN.
+
+
+De zon was ondergegaan. De bergen wierpen een donkere schaduw over het
+Palmbosch en lieten geen plaats voor de zachte violettinten, die bij den
+overgang van dag op nacht het oog zoo liefelijk kunnen streelen. De
+nacht viel vroeg en snel in. Om het duister in de tent te verdrijven
+brachten de slaven vier bronzen kandelaars, één op elken hoek der tafel.
+Iedere kandelaar had vier armen, en iedere arm droeg een zilveren lamp.
+Bij het schijnsel van dit licht zaten de dischgenooten nog geruimen tijd
+te praten in de Syrische taal, die in die streken algemeen gebruikelijk
+was.
+
+De Egyptenaar verhaalde aan Ben-Hur zijne ontmoeting met de twee
+vrienden, en berekende met den Sheik, dat het in December achtentwintig
+jaar geleden was, dat hij en zijne metgezellen met haast het Joodsche
+land verlaten en in zijne tent gewoond hadden.
+
+Ben-Hur luisterde met groote belangstelling, als naar een openbaring van
+het hoogste belang voor de geheele wereld, en bovenal voor het volk
+Israël.
+
+De lezer bedenke, dat de jonge Israëliet sedert zijn vroegste jeugd van
+den Messias gehoord had. In de school had hij de profetieën dienaangaande
+hooren voorlezen. De komst van den langverwachte was het onderwerp van
+veler gesprekken. In de synagogen, in den Tempel, op feest- en
+vastendagen, in het openbaar en in de stille binnenkamer verkondigden de
+Joodsche leeraars den Messias, totdat alle kinderen Israëls, waar zij
+zich ook bevonden, naar Hem uitzagen. De groote vraag was: Wanneer zal
+Hij komen? Want dàt Hij komen zou als Koning der Joden, als wereldsch
+koning, als hun koning, dit stond vast. Door hen zou Hij de wereld
+veroveren, en haar ten hunnen bate en in den naam van God voor altijd
+aan zich onderwerpen.
+
+Maar wat was de reden dat Israël geen oog had gehad voor dat kind van
+Bethlehem? Hoe kwam het dat hij er nooit van gehoord had? Balthasar
+moest hem opheldering geven: Waar was dat kind nu? En wat moest het
+doen?
+
+--Kon ik u dat maar zeggen, antwoordde Balthasar. Wist ik maar waar hij
+zich ophoudt, ik zou mij dadelijk opmaken en tot hem gaan. Zeeën noch
+bergen zouden mij kunnen weerhouden.
+
+--Hebt gij getracht hem te vinden? vraagde Ben-Hur.
+
+--Zeker. Zoodra ik afscheid genomen had van mijn vriend Ilderim stelde
+ik een onderzoek in, om te vernemen wat van het kind geworden was. Een
+jaar was echter voorbijgegaan, en ik wilde niet zelf naar Judea
+terugkeeren, omdat Herodes nog steeds op den troon zat, even
+bloeddorstig als altijd. Bij mijn terugkomst in Egypte vond ik eenige
+vrienden, die mijn verhaal van de dingen, die ik gezien en gehoord had,
+aanhoorden en geloofden, eenige weinigen, die zich met mij verheugden
+over den Verlosser, ons geboren. Een paar van hen gingen in mijne plaats
+naar Judea, om persoonlijk een onderzoek in te stellen. Zij gingen eerst
+naar Bethlehem en vonden de herberg en de grot, maar de deurwachter, hij
+die ons naar de spelonk gebracht had, was er niet meer. De koning had
+hem opontboden, niemand in Bethlehem had meer van hem gehoord.
+
+--Maar zij vonden toch zeker getuigen van het gebeurde?
+
+--Ja, bloedige getuigen. Een stadje in rouw, moeders treurend om hare
+kinderkens. Want gij moet weten dat Herodes, toen hij bemerkte dat wij
+stil vertrokken waren, soldaten naar Bethlehem zond, om al de
+jonggeboornen te dooden. Geen enkel ontkwam. Mijne vrienden waren in hun
+geloof versterkt geworden, maar zij brachten mij de tijding, dat het
+kind vermoord was met de andere.
+
+--Dood! riep Ben-Hur, dat is verschrikkelijk! 't Is dus dood?
+
+--Neen, mijn vriend, dat heb ik niet gezegd. Ik zeide dat mijne vrienden
+die tijding meebrachten. Ik geloofde het toen niet en ik geloof het nog
+niet.
+
+--Hebt gij dan een bijzondere openbaring ontvangen?
+
+--Dat juist niet. De Geest zou ons geleiden tot de plaats, waar het kind
+zich bevond. Toen wij uit de grot kwamen was de ster verdwenen. De
+laatste aanwijzing, die wij ontvingen, was die, welke ons langs een
+anderen weg deed terugkeeren, zoodat wij bij Sheik Ilderim kwamen.
+
+--Ja, dat hebt gij mij toen ook verteld, bevestigde deze.
+
+--Al heb ik geen bijzondere aanwijzing, zeide Balthasar, zoo heb ik toch
+veel over deze dingen nagedacht, en mijn geloof, dat verzeker ik u, is
+op dit oogenblik nog even sterk, als toen de Geest mij beval de reis
+naar Jeruzalem te aanvaarden. Indien gij wilt zal ik u zeggen waarom ik
+geloof dat het kind nog leeft.
+
+De Sheik en Ben-Hur bogen toestemmend en luisterden met hun gansche
+aandacht.
+
+--Wij drieën gelooven in God, en Hij is de Waarheid. De heuvelen mogen
+tot stof verwaaien, en de zeeën opdrogen, maar Zijn Woord blijft
+bestaan, omdat het de Waarheid is. De stem, die tot mij sprak bij het
+meer, was Zijne stem en zeide: Gezegend zijt gij, zoon van Mizraïm. De
+verlossing is nabij. Met twee anderen van het uiterste der aarde zult
+gij den Verlosser zien!--Ik heb den Verlosser gezien, maar de verlossing
+moet nog komen. Begrijpt gij het nu? Als het kind gedood werd is er
+niemand, die de verlossing kan aanbrengen; dan moet de belofte onvervuld
+blijven. Het kind werd geboren om de wereld te verlossen, en zoolang die
+belofte niet vervuld is, kan niets, zelfs de dood niet, hem van zijn
+werk scheiden. Ziedaar de eerste grond van mijn geloof. Nu mijn tweede.
+
+--Wilt gij niet een teug wijn nemen? vraagde de gastheer.
+
+Nadat Balthasar zich verfrischt had, vervolgde hij: De Verlosser, dien
+ik gezien heb, was van eene vrouw geboren, van nature ons gelijk, en dus
+onderworpen aan alle kwaad, ook aan den dood. Beschouwen wij nu het
+werk, dat hem wachtte. Was het niet een taak alleen voor mannenkracht
+berekend? voor een wijs, sterk, verstandig man? Om dat te worden moest
+het kind opgroeien, zooals wij. Denk nu eens aan de gevaren, die hem in
+dien tusschentijd konden bedreigen. De bestaande regeering was hem
+vijandig. Herodes was zijn vijand, en wat zou Rome voor hem zijn? En
+Israël ... dat Israël hem niet zou aannemen was de reden, waarom Herodes
+alle kinderen te Bethlehem liet dooden. Begrijpt gij het nu? Was er
+zekerder weg om zijn hulpelooze jonkheid te behoeden, dan door hem
+verborgen te houden? Daarom zeg ik telkens tegen mijzelven: Hij is niet
+dood, maar houdt zich stil, en daar zijn werk nog niet volbracht is, zal
+hij wederkomen. Ziedaar de gronden voor mijn geloof. Is er iets tegen te
+zeggen?
+
+Ilderims oogen fonkelden en Ben-Hur zeide vroolijk: Door mij zeker niet.
+Wat verder?
+
+--Is dat niet genoeg, mijn zoon? Wachten moet onze leus zijn. Hij leeft
+en bewaart vooralsnog zijn geheim, hetzij als veelbelovende bloesem, of
+als rijpende vrucht. Maar, vasthoudende aan de belofte staat mijn geloof
+onwankelbaar vast,--hij leeft.
+
+--Waar denkt gij, dat hij is? vraagde Ben-Hur aarzelend.
+
+--Eenige weken geleden zat ik in mijn huis aan den Nijl, in gedachten
+verzonken. Ik zeide tot mijzelf: Een dertigjarige man moet zijn
+arbeidsveld bebouwd en beplant hebben, want daarna komt de zomer en
+nadert de tijd, waarin gemaaid moet worden. Het kind, dacht ik verder,
+is nu bijna dertig jaar. Zijn tijd om te zaaien is daar. Ik stelde
+mijzelven dezelfde vraag, die gij mij zooeven deedt, en tot antwoord
+maakte ik mij op en kwam hierheen, om in de nabijheid te zijn van het
+land, dat God aan uwe vaderen gegeven heeft. Want waar anders zal hij
+verschijnen dan in Judea? In welke stad zal hij zijn werk beginnen, zoo
+niet in Jeruzalem? Wie moeten de eersten zijn om de zegeningen te
+ontvangen, die hij zal aanbrengen, zoo niet de kinderen Abrahams, Izaäks
+en Jakobs? Als mij bevolen werd: Ga, zoek hem,--dan zou ik alle
+gehuchten en dorpen langs de hellingen der bergen van Judea en Galilea
+tot aan het Jordaandal doortrekken. Daar moet hij zich ophouden. Daar
+heeft hij wellicht dezen zelfden avond, staande voor een eenvoudige
+woning of op een heuveltop, de zon zien ondergaan met de gedachte, dat
+hij weder een dag nader was gekomen aan den tijd, waarop hijzelf het
+licht der wereld zal worden.
+
+Balthasar zweeg. Niet alleen de gastheer en Ben-Hur, maar ook de
+dienaren hadden, door zijn geestdrift opgewekt, het gevoel alsof de
+onzichtbare in hun midden was. Eindelijk verbrak Ben-Hur de stilte.
+
+--Ik zie, goede Balthasar, zeide hij, dat gij buitengewoon begunstigd
+zijt. Ik zie ook, dat gij inderdaad een wijs man zijt. Ik kan u niet
+zeggen hoe dankbaar ik ben voor hetgeen gij ons verhaald hebt. Gij hebt
+mij op groote dingen voorbereid. Voltooi het werk, bid ik u, en deel mij
+alles mede wat gij weet aangaande de zending van hem, dien gij verwacht,
+en dien ook ik van nu als een geloovig zoon van Juda verwachten zal. Hij
+zal een Verlosser zijn, zegt gij, zal hij ook niet koning der Joden
+wezen?
+
+--Mijn zoon, antwoordde Balthasar, zijne zending is vooralsnog een
+verborgenheid Gods. Wat ik daaromtrent denk ontleen ik aan hetgeen de
+stem tot mij sprak in verband met de gebeden, waarop zij een antwoord
+was. Zullen wij dat nog eens nader beschouwen?
+
+--Gaarne, mijn vader.
+
+--De reden van mijn onrust, begon Balthasar, die mij drong in Alexandrië
+en in de dorpen langs den Nijl te prediken, en die mij ten laatste in de
+eenzaamheid dreef, was de rampzalige toestand van het menschdom,
+veroorzaakt, naar ik geloof, door het verlies van de kennis Gods. Ik was
+bedroefd over de ellende van mijn geslacht, niet van een enkele klasse,
+maar van allen. Zoo diep zijn zij gevallen, dat, naar mij voorkwam, geen
+verlossing mogelijk was, tenzij God zelf die ter hand wilde nemen, en ik
+bad tot Hem: O God, openbaar U aan mij!--Uwe goede werken heb ik
+overwonnen. De Verlossing komt, gij zult uw Verlosser zien. Aldus sprak
+de stem, en met dat antwoord reisde ik goedsmoeds naar Jeruzalem. Maar
+wie moeten verlost worden? De geheele wereld. En hoe zal dat geschieden?
+Wees sterk, zoon van Arrius! Ik weet wat de menschen zeggen: dat geen
+geluk mogelijk is, zoolang Rome niet verwoest is. De ellende zou dus
+niet uit onkunde met betrekking tot God, maar uit het wanbestuur der
+vorsten voortkomen? Neen, neen! de Verlossing kan niet voor een
+staatkundig doel zijn, kan niet ten oogmerk hebben machten en tronen
+omver te werpen, alleen opdat anderen hunne plaatsen zouden innemen. Als
+dat het doel moest zijn, zou de wijsheid Gods niet langer ondoorgrondelijk
+zijn. Ik zeg u, al spreek ik misschien slechts als een blinde tot een
+blinde, hij die komt zal een Verlosser zijn van zielen. Verlossing wil
+zeggen, dat God weder op aarde wonen zal en de gerechtigheid heerschen,
+opdat zijn verblijf mogelijk zij.
+
+Ben-Hur kon zijne teleurstelling niet verbergen. Hij boog het hoofd, en
+ofschoon hij niet overtuigd was, voelde hij zich niet dadelijk in staat
+om de zienswijze van den Egyptenaar te bestrijden. Ook Ilderim schudde
+ongeloovig het hoofd. Na een oogenblik zwijgens zeide de eerste: Vader,
+naar wien moest gij aan de poorten van Jeruzalem vragen?
+
+--Ik moest aan het volk vragen: Waar is de geboren Koning der Joden?
+
+--En gij zaagt hem in de grot te Bethlehem?
+
+--Wij zagen en aanbaden hem en boden hem geschenken aan: goud, wierook,
+myrrhe.
+
+--Wanneer gij de feiten bespreekt, mijn vader, dan is u te hooren en te
+gelooven één; maar wat uwe zienswijze aangaat kan ik niet begrijpen welk
+soort van Koning gij van het kind wilt maken. Ik kan den koning niet
+scheiden van zijne macht en plichten.
+
+--Mijn zoon, antwoordde Balthasar, gij ziet nu slechts den titel: Koning
+der Joden. Vestigt gij echter uwen blik op de daarachter liggende
+geheimenis, dan zal de steen des aanstoots verdwijnen. Over den titel
+één woord. Uw volk, Israël, heeft betere dagen gezien, dagen waarin God
+uw volk zijn volk noemde, en door de profeten met hen verkeerde. Welnu,
+indien Hij hun in die dagen den Verlosser beloofde, dien ik gezien heb,
+hem beloofde als Koning der Joden, dan moet de verschijning ook gelijk
+zijn aan de belofte. Begrijpt gij nu de beteekenis van mijne vraag aan
+de poort?--Ja, gij begrijpt haar, en ik behoef er niets meer van te
+zeggen. Misschien denkt gij aan de waardigheid van het Kind; als dat zoo
+is, denk dan even na--moest het de opvolger van Herodes zijn?
+
+Kon God zijn uitverkorene niet iets beters bereiden? Wilt gij het wezen
+der zaak, waarover wij spreken, vatten, zie dan hooger op, bid ik u!
+Vraag liever waarvan hij, dien wij verwachten, koning zal zijn; want dat
+is de sleutel van de verborgenheid, die niemand begrijpen zal zonder
+dien sleutel. Er is een koninkrijk op aarde, ofschoon het niet van de
+aarde is, een koninkrijk grooter in omvang dan de aarde, grooter dan de
+zee en de aarde. Zijn bestaan is een feit, en wij doorwandelen het
+zonder het te zien. Niemand zal dit rijk aanschouwen, voordat hij zijn
+eigen ziel heeft leeren kennen; want het koninkrijk is niet voor hem,
+maar voor zijne ziel. De heerlijkheid, die ons in dat rijk wacht, is zoo
+groot, dat wij haar ons niet kunnen voorstellen--eenig en
+onvergelijkelijk.
+
+--Uwe woorden, vader, zijn mij een raadsel, ik heb nooit van zulk een
+koninkrijk gehoord.
+
+--Ik ook niet, verzekerde Ilderim.
+
+--En ik mag er niet meer van zeggen, zeide Balthasar, de oogen ootmoetig
+neerslaande. Wat het is, waartoe het dient, hoe men er komen kan, zal
+niemand vernemen, voordat het kind komt, om er als zijn eigendom bezit
+van te nemen. Hij brengt den sleutel van de onzichtbare poort, die hij
+ontsluiten zal voor zijne uitverkoornen, waartoe allen zullen behooren,
+die hem liefhebben, want dezulken alleen zullen de verlosten zijn.
+
+Een lange pauze volgde. Daar niemand een opmerking maakte zeide
+Balthasar ten laatste: Goede Sheik, morgen of overmorgen ga ik voor
+eenigen tijd naar de stad. Mijne dochter verlangt de toebereidselen voor
+de feesten te zien. Het uur van mijn vertrek hoop ik u nader op te
+geven. U, mijn zoon, zal ik zeker nog zien. Ik wensch u beiden vrede en
+goeden nacht.
+
+Zij stonden allen van tafel op. De Sheik en Ben-Hur zagen den Egyptenaar
+na, totdat hij buiten de tent was.
+
+--Sheik Ilderim, zeide de jongeling, ik heb van avond vreemde dingen
+gehoord. Sta mij toe, bid ik u, een weinig langs het meer te wandelen,
+opdat ik ze rustig overdenke.
+
+--Ga, ik volg u straks.
+
+Zij wieschen hunnen handen, waarna een bediende Ben-Hur zijne sandalen
+bracht.
+
+
+ * * * * *
+
+
+ZESTIENDE HOOFDSTUK.
+
+OVERDENKINGEN.
+
+
+Op een kleinen afstand van den dowar stond een groep palmen, die hunne
+schaduw half over het water, half over het land wierpen. Een nachtegaal
+zong in de takken zijn lied. Ben-Hur bleef er staan naar luisteren. Op
+ieder ander oogenblik zou het gezang van den vogel afleiding aan zijne
+gedachten gegeven hebben; nu niet, want de meedeelingen van den
+Egyptenaar lagen hem als een pak op het hart. Er was voor hem zelfs in
+de liefelijkste muziek geen muziek, zoolang lichaam en geest niet tot
+rust gekomen waren.
+
+De nacht was stil. Geen enkel golfje brak op het oeverzand. De hemel was
+bezaaid met sterren, al de oude bekenden op haar gewone plaats.
+
+Ben-Hur liep onrustig heen en weer. Zijn levendige verbeelding voerde
+hem in gedachten naar de zuidelijke streken, waar Balthasar als
+kluizenaar geleefd had. Het meer met zijn onbeweeglijken spiegel
+verplaatste hem in den geest naar de oevers van den Nijl, waar de wijze
+man in het gebed verzonken was, toen de Geest zich aan hem openbaarde.
+Indien het wonder zich eens herhaalde--en wel aan hem? Hij vreesde,
+nochtans wenschte, ja zelfs verwachtte hij de verschijning.
+
+Toen zijn opgewondenheid eindelijk wat bedaarde, kwam er orde in zijne
+gedachten.
+
+Zijn levensdoel kennen wij. Als hij zijne toekomst overdacht was hij
+telkenmale op een gaping gestuit, die hij niet bij machte was aan te
+vullen, een gaping zoo wijd, dat hij den overkant slechts flauw kon
+onderscheiden. Naar welk doel zou hij streven, als hij eindelijk tot
+bevelhebber bevorderd was? Een opstand tegen de Romeinen lag natuurlijk
+in zijn plan, maar om de lieden daartoe te bewegen, moest hij een goede
+reden of een voorwendsel kunnen aanvoeren, en hen op een betere toekomst
+kunnen wijzen. Die een onrecht te herstellen heeft, strijdt in den regel
+goed; maar oneindig beter hij, wien het geleden onrecht tot drijfveer
+is, om naar een betere toestand te streven, een toestand, waarin hij
+balsem vindt voor zijne wonden, loon voor zijn dapperheid, dank voor
+zijne moeite, en bij zijnen dood een roemrijk gedenken.
+
+Vóór alle dingen zou Ben-Hur, wilde hij op aanhangers kunnen rekenen, en
+dat zouden natuurlijk zijne landgenooten zijn, oorzaak en gevolg van den
+opstand moeten verklaren. Allen zuchtten onder hetzelfde juk, dat af te
+schudden was een heilige, bezielende plicht.
+
+Reden tot opstand was er dus; maar de gevolgen, welke zouden die zijn?
+De uren en dagen, die hij aan de overdenking van dit deel zijner plannen
+gewijd had, waren talloos vele, en altijd was hij tot dezelfde
+onbevredigde slotsom gekomen: een onbestemde, nevelachtige, algemeene
+voorstelling van nationale vrijheid. Was dat voldoende? Hij kon niet
+zeggen: neen; want dat zou zijn hoop den genadeslag hebben toegebracht;
+hij huiverde om ja te zeggen, omdat zijn verstand wel beter wist.
+Evenmin kon hij zich wijsmaken, dat Israël in staat zou zijn, om geheel
+alleen Rome te bestrijden. Hij kende de hulpmiddelen van dien machtigen
+vijand. Een verbond van alle volken zou iets kunnen uitrichten, maar,
+helaas! dat was onmogelijk, tenzij--en hoelang had hij niet over die
+mogelijkheid nagedacht, tenzij uit een der onderdrukte volken een held
+mocht voortkomen, wiens krijgsverrichtingen de gansche aarde met zijn
+roem vervullen zouden. Welk een glorie voor Judea, indien dat het
+Macedonië van den nieuwen Alexander zou blijken te zijn! Helaas, onder
+de rabbijnen was dapperheid wel mogelijk, maar tucht niet te verwachten.
+En dan het verwijt van Messala in den tuin van Herodes: Wat gijlieden in
+zes dagen wint, verliest gij den zevenden dag.
+
+Zoo kwam het dat hij geen licht in de zaak had gezien. God alleen wist
+óf de verwachte held komen zou. Vandaar dat hij Malluchs verslag van
+Balthasars wederwaardigheden met een zekere voldoening had aangehoord
+--de moeilijkheid was opgelost, de held uiteindelijk gevonden, en nog
+wel een zoon uit den stam van Juda, een Koning der Joden! En achter den
+held, de wereld onder de wapenen!
+
+Ben-Hurs hart had sterker geklopt toen hij zich voor een oogenblik
+Jeruzalem als hoofdstad der wereld dacht, en Sion de zetel van de
+overheerscher. Hoe bevoorrecht had hij zich geacht, dat hij den man, die
+den koning gezien had, in Ilderims tenten zou ontmoeten. Hij zou hem
+zien, hem hooren, en van hem alles vernemen wat hij wist van de ophanden
+zijnde verandering, voornamelijk het tijdstip, waarop het geschieden
+zou. Indien het ophanden was, zou hij van den veldtocht met Maxentius
+afzien, en voorbereidingen treffen om de stammen onder de wapenen te
+brengen, opdat Israël gereed mocht zijn, wanneer de groote dag der wrake
+aanbrak.
+
+Nu had, zooals wij weten, Ben-Hur het verhaal van Balthasar zelven
+vernomen. Was hij voldaan?
+
+Een schaduw, donkerder dan die der palmen, rustte op hem--de schaduw der
+onzekerheid, die meer het koninkrijk gold, dan wel den koning.
+
+Hoe moet ik mij dat koninkrijk voorstellen? Hoe zal het zijn? vraagde
+Ben-Hur zichzelven gedurig.
+
+--Hoe zal dat koninkrijk zijn?
+
+Ons, lezer, heeft het kind zelf geantwoord; maar Ben-Hur moest zich
+vergenoegen met de woorden van Balthasar: Op aarde, nochtans niet van de
+aarde; niet voor menschen, maar voor hunne zielen, en toch een
+heerschappij van onbeschrijfelijken luister.
+
+Was het wonder, dat die woorden den jonkman zeer raadselachtig
+voorkwamen?
+
+--Dat is geen menschenwerk, zeide hij half wanhopig. De koning van zulk
+een rijk heeft geen menschen noodig; geen raadslieden, geen soldaten.
+De aarde zou geheel vernieuwd moeten worden, en nieuwe grondbeginselen
+zouden de plaats van de tegenwoordige moeten innemen. Niet door geweld
+van wapenen,... maar door wat dan?
+
+Nogmaals, lezer, wat voor ons vaststaat kon hij nog niet zien. De macht,
+die in de Liefde gelegen is, was den menschen toen nog niet bekend.
+Nooit had iemand hun verkondigd, dat liefde machtiger is dan geweld.
+
+Te midden van die overleggingen voelde hij een hand op zijn schouder.
+
+--Ik heb een woord aan u, zoon van Arrius, zeide Ilderim, één woordje en
+dan keer ik naar mijne tent terug, want het is laat in den nacht.
+
+--Ik luister, Sheik.
+
+--Wat de dingen aangaat, die gij zooëven gehoord hebt, zeide Ilderim,
+geloof alles, behalve datgene wat de Egyptenaar zeide over het nieuwe
+koninkrijk. Laat dat rusten, totdat gij Simonides gehoord hebt, een goed
+man uit Antiochië, met wien ik u in kennis zal brengen. De Egyptenaar
+gaf u zijne droomerijen ten beste. Simonides is verstandiger. Hij zal u
+de uitspraken uwer profeten voorleggen, waaruit hij onwederlegbaar kan
+aantoonen, dat de verwachte feitelijk koning der Joden zijn zal--koning
+zooals Herodes was, alleen beter en luisterrijker. En dan, gij begrijpt
+mij, zullen wij het zoete der wraak smaken. Ik heb gezegd. Vrede zij u!
+
+Ben-Hur staarde hem na en zeide bitter: Alweder Simonides! Simonides
+hier, Simonides daar; dan door den een, dan door den ander! Het schijnt
+alsof ik aan den leiband van mijn vaders dienaar zal mogen loopen. Die
+weet ten minste vast te houden wat het mijne is. Daarom is hij in ieder
+geval rijker, zoo niet verstandiger, dan de Egyptenaar. Bij hem zal ik
+zeker niet ter schole gaan!--Maar, wat is dat? Daar wordt gezongen ...
+een vrouwenstem. Het komt hierheen.
+
+Langzaam keerde een bootje terug van een roeitochtje op het meer. De
+zangster in het kleine vaartuig deed haar liefelijke stem over de stille
+wateren klinken. Weldra kon hij de woorden verstaan. Het was een
+Grieksch lied, een lied van verlangen, aangrijpend en innig.
+
+Toen het bootje voorbijgevaren was slaakte Ben-Hur een diepen zucht.
+Dat moest den dochter van Balthasar zijn, zeide hij zacht. Wat zingt zij
+heerlijk! En wat was zij schoon!
+
+Zijn hart begon sneller te kloppen; maar tegelijkertijd verrees voor zijn
+geestesoog een ander gelaat, jeugdiger en even bevallig--kinderlijker en
+zachter, hoewel niet zoo hartstochtelijk.
+
+--Ester! zeide hij glimlachend. Ik wenschte een ster te zien, en zij is
+mij gezonden.
+
+Hij keerde zich om en ging langzaam naar zijne tent terug.
+
+In dat hart, zoo vol van het geleden onrecht en van wraakzuchtige
+plannen, was geen plaats voor liefde geweest. Was dit misschien het
+begin van eene verandering ten goede? En van wie ging die invloed uit?
+
+Ester had hem een beker aangereikt.... De Egyptische eveneens.
+
+En beiden waren hem gelijktijdig onder de palmen verschenen!
+
+Wie van de twee zal het zijn?
+
+
+ * * * * *
+
+
+BOEK V.
+
+
+ * * * * *
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+GRATUS WORDT GEWAARSCHUWD.
+
+
+'s Morgens na de bacchanaliën in de zaal van het paleis lagen de jonge
+patriciërs hun roes uit te slapen op den divan. Al stapte Maxentius
+heden aan wal, al liep alles in de stad uit om den veldheer te
+ontvangen, al kwam het legioen in groot tenue van den Sulpius, al zou
+van Nymphaeum tot Omphalus een pracht ontwikkeld worden, die alles wat
+men tot hiertoe gezien had overtrof, zij zouden blijven liggen zooals
+zij neergevallen, of door de dienaren neergelegd waren.
+
+Eén maakte echter een uitzondering. Toen het volkomen dag geworden was
+stond Messala op, nam den krans van zijn hoofd, ten teeken dat het feest
+beëindigd was, wikkelde zich in zijn mantel, wierp een laatsten blik op
+zijne makkers, en begaf zich zonder een woord te spreken naar zijn
+kwartier. Cicero zou niet meer deftigheid de Senaatskamer hebben kunnen
+verlaten.
+
+Drie uren later traden twee koeriers zijne kamer binnen, en ontvingen
+uit zijne hand een verzegeld pakje, duplicaten van een brief aan
+Valerius Gratus, den procurator, die nog steeds in Cesarea woonde. Dat
+de brieven een spoedige en zekere bezorging vereischten blijkt uit dien
+maatregel.
+
+De inhoud was als volgt:
+
+ Messala groet Gratus.
+
+ Ik heb u een wonderlijke geschiedenis te verhalen, die, ofschoon
+ zij gedeeltelijk nog slechts een vermoeden is, ongetwijfeld uwe
+ belangstelling in hooge mate zal opwekken.
+
+ Vergun mij, voordat ik verder ga, uw geheugen een weinig te hulp te
+ komen. Gij herinnert u wellicht vele jaren geleden te Jeruzalem het
+ gezin van een aanzienlijk man, uit het aloude geslacht Hur. Mocht
+ uw geheugen u soms in de steek laten, dan hebt gij, wanneer ik mij
+ niet vergis, een litteeken aan uw hoofd, dat u alles wel weer voor
+ den geest zal kunnen brengen.
+
+ Maar ter zake. Tot straf van den aanslag op uw leven--mogen ter
+ wille van onze gewetensrust alle goden verhoeden, dat het ooit
+ blijkt een ongeluk geweest te zijn!--tot straf dan werd het geheele
+ gezin in hechtenis genomen, werden korte metten met hen gemaakt, en
+ hunne bezittingen verbeurd verklaard. En daar deze strafdoening
+ onder goedkeuring van onzen keizer geschiedde, die even rechtvaardig
+ was als wijs,--mogen zijne altaren altijd met bloemen versierd zijn!
+ --behoeven wij ons niet te schamen over de sommen, die ons uit die
+ bron toevloeiden, iets, waarvoor ik u nooit dankbaar genoeg zijn kan,
+ gewis niet zoolang ik in het vrije bezit blijf van het aandeel, dat
+ mij werd toegewezen.
+
+ Voorts herinner ik u de wijze maatregelen, die gij genomen hebt om
+ ons doel te bereiken: het stilzwijgen, en een zekeren maar
+ natuurlijken dood van de betrokken personen.
+
+ Gij zult u herinneren welke straf gij de moeder en de zuster van
+ den booswicht hebt opgelegd, en indien ik nu vriendelijk verzoek
+ van u te mogen vernemen, of zij nog leven, dan wel of zij gestorven
+ zijn, ben ik te zeer van uwe welwilligheid overtuigd, mijn Gratus,
+ om aan de toezending van een antwoord uwerzijds te twijfelen.
+
+ Als meer onmiddellijk in verband staande met de zaak, die mij
+ bezighoudt, neem ik intusschen de vrijheid u te herinneren, dat de
+ misdadiger zelf levenslang tot de galeien werd veroordeeld; zoo
+ luidde het bevel. Met eigen oogen las ik het ontvangbewijs van zijn
+ lichaam, geteekend door den bevelhebber van de galei, die hem
+ opnam.
+
+ Schenk mij nu uw onverdeelde aandacht, voortreffelijke Gratus!
+
+ Den gewonnen levensduur van een tot de galeien veroordeelde in
+ aanmerking genomen, moest de rechtvaardig gestrafte op zijn minst
+ reeds vijf jaren dood zijn, of beter gezegd, moest een van de
+ drieduizend Oceaniden hem tot echtgenoot genomen hebben. En als gij
+ een oogenblik zwakheid door de vingers wilt zien, o deugdzaamste
+ der menschen, daar ik hem in zijne jeugd beminde en daar hij schoon
+ van aangezicht was (ik had de gewoonte hem mijn Ganymedes te
+ noemen), had hij eigenlijk de allerschoonste dochter van die
+ uitgebreide familie in de armen moeten vallen.
+
+ In de meening verkeerende dat hij dood was, heb ik volle acht jaren
+ ongestoord genoten van het fortuin, dat ik hem in zeker opzicht te
+ danken heb. Ik erken dat, zonder daarmee evenwel mijne verplichting
+ jegens u te willen verkleinen.
+
+ Maar hoor nu verder. Toen ik gisteravond een feest leidde van
+ eenige jongelieden, pas van Rome gekomen, vernam ik een zonderlinge
+ geschiedenis. Maxentius, de consul, wordt, zooals gij weet, vandaag
+ hier verwacht, om een veldtocht tegen de Parthen te openen. Onder
+ de eerzuchtigen, die hem wenschen te vergezellen, bevindt zich een
+ zoon van den overleden duumvir Quintus Arrius. Ik had aanleiding om
+ nauwkeurig onderzoek naar hem te doen. Toen Arrius uittoog om de
+ zeerovers te tuchtigen, wier vernietiging hem in hoog aanzien
+ bracht, had hij geen familie. Toen hij van dien tocht terugkeerde,
+ bracht hij een erfgenaam met zich mede. Blijf nu bedaard, gelijk
+ den eigenaar betaamt van zoovele talenten zilvers in gangbare
+ munt ... de zoon en erfgenaam van wien ik spreek is hij, dien gij
+ naar de galeien zondt. Dezelfde Ben-Hur, die reeds lang geleden op
+ de roeiersbank had moeten bezwijken, keerde terug als een man van
+ fortuin, aanzien, misschien zelfs als Romeinsch burger, om zich
+ te ... ziet ge, gij zit te vast om bezorgd te moeten zijn; maar ik,
+ mijn Gratus, ik ben in gevaar ... onnoodig u te zeggen van wat. Wie
+ zou het weten, als gij het niet weet?
+
+ Zegt gij tot dit alles: o-ho?
+
+ Toen Arrius, de vader, met de zeerovers slaags raakte, zonk zijn
+ schip. Van de geheele bemanning ontkwamen slechts twee: Arrius
+ zelf, en de bovengenoemde, zijn erfgenaam. Hunne redders
+ verklaarden, dat de jeugdige metgezel van den tribuun het kostuum
+ van een galeislaaf droeg.
+
+ Mij dunkt dit is overtuigend; maar opdat gij niet weder o-ho! zoudt
+ zeggen, deel ik u mede, dat ik gisteren toevallig den geheimzinnigen
+ zoon van Arrius van aangezicht tot aangezicht gezien heb, en ik
+ verklaar u bij dezen, dat, hoewel ik hem eerst niet herkende, hij
+ dezelfde Ben-Hur is, die jaren geleden mijn speelmakker was,
+ dezelfden Ben-Hur, die, als hij een mannenhart in de borst heeft,
+ in ditzelfde uur op wraak zint, (dat zou ik in zijne plaats ook
+ doen) wraak, die met niets minder dan het leven genoegen neemt;
+ wraak voor zijn vaderland, moeder, zuster, zichzelf en--ik noem 't
+ het laatst, ofschoon gij wellicht zoudt meenen, dat het 't eerst
+ moest genoemd worden--voor zijn verloren fortuin.
+
+ En nu, mijn weldoener en vriend! mijn Gratus, in aanmerking
+ nemende, dat uwe sestertiën in gevaar verkeeren, wier verlies het
+ ergste is wat iemand van uwen hoogen staat kan overkomen, geloof
+ ik, dat gij niet langer o-ho! zult zeggen, maar ernstig zult gaan
+ overleggen hoe wij hierin hebben te handelen. Ik stel mij, dat
+ spreekt vanzelf, onder uwe bescherming en wacht uwe aanwijzingen.
+
+ Ik verlustig mij, als ik mij voorstel, hoe gij dezen brief zult
+ ontvangen. Ik zie hoe gij hem eerst met een zeer ernstig gelaat,
+ dan glimlachende, doorloopt, om ten slotte zonder aarzelen kort en
+ bondig uw oordeel uit te spreken.
+
+ Het is nog vroeg in den morgen. Over een uur zend ik twee boden
+ uit, ieder met een verzegeld afschrift van dezen brief. Een zal
+ over land gaan, de ander over zee. Zoo belangerijk acht ik het, dat
+ gij zoo spoedig mogelijk onderricht zoudt zijn aangaande de
+ verschijning van onzen vijand in dit gedeelte der Romeinsche
+ wereld.
+
+ Ik zal uw antwoord afwachten.
+
+ Ben-Hurs gaan en komen zal natuurlijk afhangen van zijn meester,
+ den consul, die, al spant hij zich nog zoo in, niet binnen de maand
+ gereed zal komen. Gij weet wat het zeggen wil een leger te
+ verzamelen en uit te rusten, dat werkdadig op moet treden in een
+ onherbergzaam, woest oord.
+
+ Gisteren zag ik den Jood in het Park van Daphne, en als hij daar op
+ het oogenblik niet is, dan is hij toch zeker in de buurt, om mij
+ gemakkelijk te maken hem in 't oog te houden. Ja, indien gij mij
+ vraagdet: Waar denkt gij dat hij is? dan zou ik met volle
+ overtuiging zeggen: hij is in het Palmbosch, in de tent van Sheik
+ Ilderim, den verrader, die ons niet veel langer moet mogen
+ trotseeren. Laat het u niet verwonderen, indien Maxentius als
+ eerste krijgsoperatie den Arabier inscheept naar Rome.
+
+ Ik treed zoo in bijzonderheden omtrent de verblijfplaats van den
+ Jood, omdat het u, verheven man, van nut kan zijn bij het nemen van
+ een besluit ten zijnen opzichte. Zooveel weet ik toch wel, dat bij
+ ieder plan drie gewichtige zaken in het oog moeten gehouden worden:
+ tijd, plaats en middelen.
+
+ Indien gij oordeelt, dat hier de plaats is, aarzel dan niet de zaak
+ toe te vertrouwen aan uwen hartelijk liefhebbenden vriend, die uw
+ bekwaamste leerling zou wenschen te zijn. Vaarwel!
+ XII. Kal. Jul. Antiochië.
+
+ * * * * *
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+VOORBEREIDING.
+
+
+Ongeveer op hetzelfde oogenblik, dat de koeriers met de brieven
+Messala's woning verlieten, trad Ben-Hur Ilderims tent binnen. Hij had
+een bad genomen in het meer, vervolgens ontbeten, en verscheen nu in een
+korte Romeinsche tunica zonder mouwen.
+
+De Sheik groette hem van den divan.
+
+--Vrede zij u, zoon van Arrius, zeide hij, terwijl zijn oog met
+bewondering op den jongeling rustte, die in het volle bewustzijn van
+kracht en macht voor hem stond. De paarden zijn gereed. Ik ben gereed.
+En gij?
+
+--Den vrede, dien gij mij toewenscht, bid ik u wederkeerig toe, goede
+Sheik. Ik dank u voor zooveel welwillendheid. Ik ben gereed.
+
+Ilderim klapte in zijn handen.
+
+--Ik zal de paarden hier laten komen. Zet u neder.
+
+--Zijn zij reeds opgetuigd?
+
+--Neen.
+
+--Vergun mij dan, Sheik, dat ik het zelf doe. Het is noodig, dat ik
+kennis maak met uwe Arabieren. Ik moet ze bij name kennen, zoodat ik
+tegen ieder in 't bijzonder spreken kan. Ook moet ik hun aard leeren
+kennen, daar het met hen is als met de menschen: zijn zij overmoedig,
+niets beter dan een bestraffing; zijn zij schuchter, niets beter dan lof
+en aanmoediging. Laat de dienaren mij het tuig brengen.
+
+--En den wagen? vraagde de Sheik.
+
+--Vandaag niet. Geef mij liever een vijfde paard. Het moet even vlug
+zijn als de andere.
+
+Ilderim keek hem verwonderd aan; maar zonder opheldering te vragen riep
+hij een der slaven.
+
+--Laat hen het tuig voor de vier brengen, en den teugel voor Sirius,
+beval hij.
+
+Toen stond de Sheik op en zeide tot Ben-Hur: Sirius is mijn lieveling en
+ik ben de zijne, zoon van Arrius. Sedert twintig jaren zijn wij kameraden
+--in de tent, in den strijd, op alle pleisterplaatsen der woestijn. Ik zal
+hem u laten zien.
+
+Hij ging naar het gordijn, schoof het weg, en liet Ben-Hur binnentreden.
+De paarden kwamen gezamelijk tot hem. Een van hen, met een kleinen kop,
+levendige oogen, sierlijk gewelfden nek, breede borst, manen als
+vrouwenlokken zoo zacht en golvend, hinnikte vroolijk, zoodra hij
+Ilderim zag.
+
+--Goed dier, zeide de Sheik, den donkerbruinen kop streelend. Goed dier,
+goeden morgen!--en zich daarop tot Ben-Hur keerende, voegde hij er bij:
+Dat is Sirius, de vader van de vier anderen. Mira, de moeder, wacht op
+onze terugkomst, daar zij te kostbaar is om aan de gevaren der reis te
+worden blootgesteld. Daarenboven betwijfel ik zeer, zoon van Arrius, of
+de stam hare afwezigheid zou kunnen verdragen. Zij is hun trots. Zij
+vereeren haar. Indien zij over hunne lichamen wilde galoppeeren zouden
+zij lachen. Tienduizend ruiters, zonen der woestijn, zullen vandaag
+vragen: Hebt gij ook iets van Mira gehoord? en op het antwoord: Zij is
+welvarend, zullen zij zeggen: God is goed! God zij geloofd!
+
+--Mira, Sirius, namen van sterren, is het zoo niet, Sheik? vraagde
+Ben-Hur, terwijl hij eerst de vier en toen den vader liefkoosde.
+
+--En waarom niet? antwoordde Ilderim. Hebt gij wel eens een nacht in de
+woestijn onder den blooten hemel doorgebracht?
+
+--Neen.
+
+--Dan kunt gij ook niet beseffen hoe wij, Arabieren, van de sterren
+afhankelijk zijn. Uit dankbaarheid geven wij hare namen aan onze
+lievelingspaarden. Al mijne voorvaderen hadden hunne Mira's, zooals ik
+de mijne heb. Deze kinderen doen eveneens aan sterren denken. Die daar
+is Rigel, en deze is Antares; ginds is Atair, en die, waar gij juist
+naar toe gaat, is Aldebaran, de jongste van de kroost; maar wie ooit het
+onderspit mocht delven, niet hij! Tegen den wind in zou hij u dragen,
+totdat gij duizelt. Hij zal gaan waar gij dat verlangt, zoon van Arrius,
+ja, bij de heerlijkheid van Salomo! indien gij het zoudt durven bestaan,
+hij zou u brengen tot in de kaken van den leeuw.
+
+Het tuig werd gebracht. Met eigen hand legde Ben-Hur den paarden het
+gebit in den mond. Met eigen hand leidde hij hen buiten de tent, en
+ordende de teugels.
+
+--Breng mij Sirius, zeide hij.
+
+Met één sprong zat hij op den rug van het paard. Een Arabier zou hem dat
+niet hebben kunnen verbeteren.
+
+--En de teugels!
+
+Men gaf ze hem.
+
+--Goede Sheik, zeide hij, ik ben gereed. Laat een gids voor mij uit
+gaan, om mij het veld te wijzen, en zend eenige mannen met water.
+
+Het afrijden geschiedde zonder eenige moeite. De paarden waren niet
+schrikachtig. Het scheen alsof een stilzwijgende overeenkomst bestond
+tusschen hen en den nieuwen menner, die met de grootste kalmte en
+zekerheid optrad.
+
+Hij hield zich geheel aan de gewone orde bij het rijden, behalve dat hij
+Sirius bereed, in plaats van in een wagen te staan. Ilderim glimlachte
+met voldoening en zeide zacht: Dat is geen Romein, neen, waarlijk niet!
+
+Hij volgde te voet. Al de tentbewoners sloten zich bij hem aan, mannen,
+vrouwen, kinderen, allen met de grootste belangstelling vervuld voor de
+dingen, die komen zouden.
+
+Het veld bleek ten volle voor de dressuur geschikt te zijn. Ben-Hur liet
+het vierspan eerst langzaam en in rechte lijnen rijden, daarna in steeds
+wijder wordende cirkels. Vervolgens liet hij hen in draf loopen, daarna
+in galop. Eindelijk maakte hij de cirkels kleiner en kleiner, en tot
+besluit liet hij zijn gespan op de meest willekeurige wijze draven, nu
+hier, dan daar, rechts, links, voorwaarts, zonder een oogenblik
+oponthoud. Zoo ging een uur voorbij. Toen reed hij stapvoets naar
+Ilderim.
+
+--Het is afgeloopen; nu niets dan geregelde oefening, zeide hij. Ik
+wensch u geluk, Sheik Ilderim, dat gij zulke dienaren hebt. Zie,
+vervolgde hij, terwijl hij afsteeg en op de paarden wees, zie, hun huid
+is nog even glanzig, hun adem even licht, als toen ik begon. Ik wensch u
+van harte geluk! Er zou heel wat moeten gebeuren, indien wij niet de
+overwinning behalen en onze....
+
+Hij hield op, bloosde, boog. Zijn oog had Balthasar ontdekt, die met
+twee dicht gesluierde vrouwen in de nabijheid stond. Eene van die meende
+hij te herkennen ... ja, dacht hij, zij is het, de Egyptische!
+
+Ilderim vervolgde den afgebroken volzin. De overwinning en onze wraak!
+Zoon van Arrius, ik ben niet langer bevreesd. Ik ben blijde. Gij zijt de
+man. Zij het einde gelijk het begin, en gij zult ervaren wat in de hand
+eens Arabiers verborgen is, die de middelen bezit om te beloonen.
+
+--Ik dank u, goede Sheik, hernam Ben-Hur op bescheiden toon. Laat nu de
+bedienden water brengen voor de paarden.
+
+Met eigen hand liet hij ze drinken. Toen gesteeg hij Sirius weder en
+zette de oefening voort; evenals te voren van stappen tot draven, van
+draven tot galoppeeren overgaande, om hen eindelijk met lossen teugel in
+vollen ren over het veld te laten vliegen.
+
+Het was voor de toeschouwers een waar genot. Luide toejuichingen vielen
+den kundigen menner ten deel, die zijn vierspan tot zoo volmaakte
+eenheid wist te brengen, zonder dat het de dieren eenige inspanning
+scheen te kosten.
+
+Midden onder de oefeningen verscheen Malluch op het tooneel. Hij zocht
+den Sheik. Ik heb een boodschap voor u, Sheik, zeide hij, gebruik
+makende van een rustig oogenblik, een boodschap van Simonides, den
+koopman.
+
+--Simonides, riep de Arabier. Ah! 't is wel. Moge Abaddon al zijne
+vijanden vernietigen!
+
+--Hij droeg mij op u dezen brief te geven, met het verzoek hem dadelijk
+te lezen.
+
+Ilderim verbrak het zegel van het pakje, dat Malluch hem overhandigde,
+en nam twee brieven uit een omslag van fijn linnen.
+
+
+No. 1.
+
+ SIMONIDES AAN SHEIK ILDERIM HEIL!
+
+ Mijn vriend! Wees vóór alle dingen verzekerd, dat gij eene plaats
+ in het binnenste mijns harten inneemt.
+
+ Vervolgens: In uw dowar bevindt zich een jongmensch met een zeer
+ gunstig voorkomen, die zich de zoon van Arrius noemt. Dat is hij
+ door aanneming. Hij is mij zeer lief. Hij heeft een veelbewogen
+ leven achter zich, waaruit ik u enkele bijzonderheden zal
+ meedeelen. Kom morgen of overmorgen, opdat ik u die geschiedenis
+ vertelle, en uwen raad inwinne.
+
+ Willig intusschen al zijne verzoeken in voor zoover zij niet
+ strijden tegen de eer. Moeten er onkosten gemaakt worden, ik sta
+ voor alles in. Verzwijg, dat ik in den jongeling belang stel.
+
+ Breng mij in herinnering bij uwen anderen gast. Hij, zijne dochter,
+ gijzelf en allen, die gij in uw gevolg wenscht mede te brengen,
+ zullen mijne gasten zijn op den dag der wedrennen. Ik heb reeds
+ plaatsen besproken.
+
+ U en al den uwen vrede!
+
+ Hoe zou ik mij anders kunnen noemen, mijn vriend, dan uw vriend?
+
+No. 2.
+
+ SIMONIDES AAN SHEIK ILDERIM HEIL!
+
+ Mijn vriend! uit mijne rijke ervaring zend ik u een waarschuwend
+ woord.
+
+ Er is iets dat allen, die niet Romeinen zijn en die geld en goed
+ bezitten, als waarschuwing beschouwen, dat is: De komst met
+ volmacht van den eenen of anderen hooggeplaatsten Romein.
+
+ Heden komt de consul Maxentius. Wees gewaarschuwd.
+
+ Een woord van raad.
+
+ Zal een samenzwering tegen u gelukken, dan moeten de Herodianen van
+ de partij zijn. Gij hebt groote bezittingen op hun grondgebied.
+ Daarom, wees op uwe hoede.
+
+ Zend hedenmorgen een boodschap aan uw getrouwe wachters langs de
+ wegen, die van Antiochië naar het zuiden voeren, en beveel hun
+ iederen gaanden en komenden koerier te onderzoeken. Vinden zij
+ vertrouwelijke mededeelingen aangaande u of uwe zaken, dat zij ze u
+ dan ter inzage zenden.
+
+ Gij moest dit reeds gisteren ontvangen hebben, maar het is nog niet
+ te laat, indien gij onmiddellijk handelt. Al hebben heden morgen
+ koeriers Antiochië verlaten, uwe boodschappers kennen de bijwegen,
+ en kunnen hen vóór zijn. Aarzel niet. Verbrand dit na lezing.
+
+Ilderim las en herlas de brieven, bergde ze weder in den linnen omslag
+en stak het pak tusschen zijn gordel.
+
+De oefeningen in het veld waren bijna beëindigd. Zij hadden in 't geheel
+ongeveer twee uren geduurd. Na den afloop reed Ben-Hur stapvoets naar de
+plek, waar Ilderim zich bevond.
+
+--Als gij het goedvindt, Sheik, zeide hij, zal ik uwe Arabieren naar de
+tent terugbrengen, en dezen middag weer met hen rijden.
+
+--Gij moogt tot na de wedrennen naar welgevallen over hen beschikken,
+zoon van Arrius. Gij hebt in twee uren meer van hen gedaan gekregen, dan
+de Romein--mogen de jakhalzen zijne beenderen afknagen!--in even zoovele
+weken. Wij zullen winnen!
+
+Ben-Hur bleef bij de paarden, totdat zij naar behooren verzorgd waren.
+Toen nam hij een bad in het meer, dronk een beker arak met den Sheik,
+die bijzonder opgewekt was, kleedde zich weder naar Joodsch gebruik, en
+wandelde met Malluch naar een schaduwrijke plek.
+
+Veel werd tusschen die beiden besproken, maar daar niet alles voor ons
+van belang is, zullen wij slechts bij één punt stilstaan.
+
+--Ik zal u een brief meegeven aan den herbergier bij de Seleusische
+brug, zeide Ben-Hur. Daar is mijn goed. Bezorg het mij vandaag nog, als
+gij kunt. En, goede Malluch, indien het niet te veel van u gevergd is....
+
+Malluch verklaarde zich volkomen bereid, om hem in alles van dienst te
+zijn.
+
+--Dank, Malluch, dank. Ik houd u aan dat woord, mij herinnerende dat wij
+broeders zijn van één stam, en dat de vijand een Romein is. Daarenboven
+zijt gij een man van zaken, hetgeen naar ik vrees Sheik Ilderim niet is.
+
+--Arabieren zijn dat zelden.
+
+--Neen, en hoe slim zij ook zijn mogen, het is toch goed zelf de dingen
+na te zien. Om dus te zorgen, dat bij de wedrennen alles volkomen naar
+recht gaat, zoudt gij mij veel genoegen doen door naar het bureau van
+den circus te gaan en te zien, of de Sheik aan alle verplichtingen
+voldaan heeft. Indien gij een afschrift van de bepalingen kunt krijgen,
+zou mij dat zeer aangenaam zijn. Ik zou gaarne willen weten welke kleur
+ik dragen moet, en wat het nummer is van mijn stal. Is hij naast dien
+van Messala, dan is het goed. Zoo niet, tracht dan een ruiling te
+bewerkstelligen, zoodat ik naast den Romein kom. Hebt gij een goed
+geheugen, Malluch?
+
+--Het heeft mij wel eens in de steek gelaten, zoon van Arrius, maar
+nooit wanneer het hart mij te hulp kwam, zooals nu.
+
+--Dan wil ik het er op wagen u nog met iets anders te belasten. Ik zag
+gisteren, dat Messala trotsch was op zijn wagen, en met recht, want die
+van den keizer zijn nauwelijks mooier. Kunt gij dat niet tot een
+voorwendsel nemen om hem van nabij te bekijken, en te onderzoeken of hij
+licht of zwaar is? Ik zou gaarne nauwkeurig zijn gewicht en afmetingen
+hebben, en, Malluch, al moest al het andere er bij inschieten, zorg dat
+gij mij precies kunt opgeven, hoe hoog de as boven de grond is. Hebt gij
+het goed begrepen, Malluch? Ik wil niet dat de Romein iets boven mij
+voor heeft. Om zijn pracht geef ik niets. Als ik win zal die zijn val te
+zwaarder en mijn zegepraal te grooter maken. Heeft hij echter iets, dat
+van een gewonen wagen verschilt, dan moet ik het weten.
+
+--Ik begrijp u, zeide Malluch. Ik moet met een touw de hoogte van het
+middelpunt der as tot aan den grond meten.
+
+--Juist. Dat is alles. Laat ons nu naar den dowar terugkeeren.
+
+Vóór de tent vonden zij een bediende, die hun een verfrisschenden drank
+aanbood, waar zij zich heerlijk aan te goed deden. Kort daarop keerde
+Malluch naar de stad terug.
+
+Gedurende hunne afwezigheid had de Sheik een zijner Arabieren, als
+koerier, naar zijne wachters afgezonden met de orders, die Simonides hem
+aan de hand gedaan had. Zekerheidshalve had hij alleen een mondelinge
+boodschap meegegeven.
+
+
+ * * * * *
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+OP HET MEER.
+
+
+--Iras, de dochter van Balthasar, zendt mij met een groet en een
+boodschap, zeide een bediende tot Ben-Hur, die het zich in de tent
+gemakkelijk had gemaakt.
+
+--Geef mij de boodschap.
+
+--Zij vraagt of gij haar bij een roeitochtje op het meer zoudt willen
+vergezellen?
+
+--Ik zal zelf het antwoord brengen. Zeg haar dat.
+
+Hij kleedde zich haastig en was binnen weinige oogenblikken gereed, om
+zich naar de schoone Egyptische te begeven.
+
+De avond begon reeds te vallen. De bergen wierpen hunne schaduw over het
+Palmbosch. In de verte hoorde men het getjingel van de belletjes der
+schapen, het loeien van het vee, en de stemmen der herders, die de
+kudden huiswaarts dreven. Sheik Ilderim had ook de middagoefeningen
+bijgewoond, daarna was hij naar de stad gegaan, ingevolge de
+uitnoodiging van Simonides. Het was mogelijk dat hij vóór den nacht
+terugkwam, maar niet waarschijnlijk. Ben-Hur was dus alleen en vrij om
+te gaan spelevaren op het meer.
+
+Aan de kleine trap van de aanlegplaats gekomen bleef hij op de bovenste
+trede staan, getroffen door hetgeen hij zag. Daar lag op het
+spiegelgladde water een sierlijke, ranke boot. Een Ethiopiër, de
+kameeldrijver, dien wij reeds bij de Castaliabron gezien hebben, zat op
+de roeiersbank. Zijn gitzwarte huid stak sterk af tegen het sneeuwwit
+zijner kleeding. De achtersteven van het bootje was met kussens en
+tapijten van Tyrische roode stof belegd. De Egyptische zat aan het roer,
+als weggezonken in doorzichtige sluiers en Indische sjaals. Hare
+onberispelijk schoon gevormde armen waren onbedekt, schouders en hals
+door een dunnen zijden doek tegen de avondlucht beveiligd. Als Ben-Hur
+den indruk, dien de schoone Iras op hem maakte, onder woorden had moeten
+brengen, zou hij waarschijnlijk geantwoord hebben met de woorden van den
+koninklijken zanger: Uwe lippen zijn gelijk een scharlaken rooden draad;
+uwe slapen zijn gelijk een stuk granaatappel in uwe lokken. Sta op,
+mijne liefste, mijne schoone, kom hierheen; want zie! de winter is
+voorbij gegaan, de regentijd is over; de bloemen ontluiken op de aarde;
+de tijd der zangvogels is gekomen, en de stem der tortelduiven wordt in
+het land gehoord....
+
+--Kom, zeide zij, ziende dat hij staan bleef. Kom, of ik zou denken dat
+gij een slecht zeeman zijt.
+
+Hij werd verlegen. Wist zij iets van zijn leven op zee? Hij daalde snel
+naar beneden en zette zich op de ledige plaats tegenover haar.
+
+--Ik was bang voor....
+
+--Waarvoor?
+
+--Dat ik de boot zou doen zinken, antwoordde hij glimlachend.
+
+--Wacht daarmee totdat wij in dieper vaarwater zijn, zeide zij, en gaf
+den Ethiopiër een wenk om van wal te steken.
+
+Indien Ben-Hur wars van alle zachtere gevoelens geweest was, dan zou hij
+het nu toch hard te verantwoorden hebben gehad. De Egyptische was zoo
+gezeten, dat hij haar altijd zien moest, haar, die hij reeds in zijne
+gedachten met Sulamith vergeleken had. Met die stralende oogen op hem
+gericht zou hij de sterren, indien zij wegbleven, niet eens missen. De
+nacht mocht zijn donkeren sluier over het aardrijk uitspreiden, haar
+blik zou hem tot eene verlichting zijn. En voorts, dat de verbeelding
+nooit vrijer haar spel kan spelen, dan wanneer men jong van hart in
+aangenaam gezelschap zachtkens voortglijdt over het water op een zoelen
+zomeravond en onder liefelijk stargeflonker--wie zal het ontkennen? Het
+is zoo gemakkelijk alsdan onmerkbaar uit het alledaagsche in het ideale
+over te gaan.
+
+--Geef mij het roer, zeide hij.
+
+--Neen, antwoordde zij, dat ware de verhouding omkeeren. Verzocht ik u
+niet met mij te gaan varen? Ik sta bij u in de schuld en wensch met de
+betaling te beginnen. Gij moogt spreken en ik zal luisteren, of ik zal
+spreken en gij zult luisteren. De keuze is aan u; maar ik zal bepalen
+waarheen wij gaan.
+
+--En waarheen dan?
+
+--Alweer bang?
+
+--O schoone Egyptische, ik deed u slechts de eerste vraag van iederen
+gevangene.
+
+--Noem mij Egypte.
+
+--ik zou u liever Iras noemen.
+
+--Onder dien naam moogt gij aan mij denken, maar noem mij liever Egypte.
+
+--Egypte is een land.
+
+--Ja, ja, en welk een land!
+
+--Ha! wij varen dus naar Egypte!
+
+--Was dàt waar! Wat zou ik blijde zijn, zeide zij met een zucht.
+
+--Gij geeft dus niets om mij?
+
+--O, nu zie ik, dat gij er nooit geweest zijt.
+
+--Neen, nooit.
+
+--Egypte is het land waar geen ongelukkigen zijn, het heerlijkste land
+van de gansche aarde, de moeder van al de goden, en daarom bovenmate
+gezegend. Daar, zoon van Arrius, daar ontvangt de gelukkige steeds
+vermeerdering van geluk, terwijl de ellendigen, al drinken zij slechts
+eenmaal van het water der heilige rivier, lachen en juichen, als
+kinderen zoo blij.
+
+--Zijn de armen daar dan anders dan overal elders?
+
+--De armsten in Egypte hebben de minste behoeften. Zij verlangen alleen
+genoeg te hebben; verder gaan hunne wenschen niet. En hoe weinig dat is,
+kan een Griek of Romein niet beseffen.
+
+--Maar ik ben noch Griek noch Romein.
+
+Iras lachte.
+
+--Ik heb een tuin vol rozen, zeide zij. In het midden staat een boom,
+die alle andere in rijkdom van bloei overtreft. Waar denkt gij, dat hij
+vandaan kwam?
+
+--Uit Perzië, het vaderland der rozen.
+
+--Neen.
+
+--Uit Indië dan.
+
+--Neen.
+
+--Dan van een der Grieksche eilanden.
+
+--Ik zal het u vertellen, zeide zij. Een reiziger vond hem, kwijnende
+aan den weg op de vlakte van Rephaïm.
+
+--O, in Juda!
+
+--Ik plantte hem in den pas door den Nijl overstroomden bodem. De
+zuidenwindjes speelden door zijne takken en kweekten hem op, de zon
+kuste hem vol medelijden ... toen kon het niet anders, of hij moest
+groeien en bloeien. Nu sta ik in zijne schaduw en beloont hij mij door
+zijn liefelijke geuren voor de moeite, die ik mij voor hem gegeven heb.
+Zoo de rozen, zoo ook de mannen van Israël. Waar zullen zij tot
+volmaaktheid komen, anders dan in Egypte?
+
+--Mozes was slechts één uit millioenen.
+
+--Neen, er was een droomenuitlegger. Vergeet gij dien?
+
+--De vriendelijke Pharao's zijn dood.
+
+--O ja, de rivier, aan wier oever zij woonden, zingt hun een slaaplied
+toe in hunne graven. Nochtans schijnt dezelfde zon over hetzelfde volk.
+
+--Alexandrië is een Romeinsche stad.
+
+--Zij heeft slechts van schepter verwisseld. Cesar ontnam haar dien van
+het zwaard, en gaf haar in ruil dien van de wetenschap. Ga met mij naar
+het Brucheium en ik zal u de wijsheid der volken toonen; naar het
+Serapeion en gij aanschouwt het volmaakte in de bouwkunde; naar de
+Bibliotheek, en gij kunt de onsterfelijken lezen; naar den Schouwburg,
+waar de helden der Grieken en Hindoe's voor u ten tooneele worden
+gevoerd; naar de kade, waar gij den handel in zijn glorie kunt zien.
+Doorwandel de straten met mij, zoon van Arrius, als de avond gedaald is,
+en gij zult de verhalen hooren, die de menschen sedert onheugelijke
+tijden vermaakt hebben, en de liederen, die nimmer, nimmer zullen
+sterven.
+
+Onder het luisteren werd Ben-Hur in gedachten teruggevoerd naar dien
+laatsten avond in het ouderlijk huis te Jeruzalem, toen zijne moeder met
+niet minder geestdrift over Israëls verdwenen grootheid gesproken had.
+
+--Nu begrijp ik waarom gij wildet, dat ik u Egypte zou noemen. Wilt gij
+mij een lied zingen, als ik u bij dien naam noem? Ik heb u gisteravond
+beluisterd.
+
+--Dat was een lofzang aan den Nijl, antwoordde zij, een klaagzang, dien
+ik aanhef, als ik mij verbeeld den adem der woestijnen te ruiken, en den
+golfslag van den dierbaren ouden stroom te hooren. Laat ik u liever iets
+geven in Indiaanschen trant. Als wij in Alexandrië komen, zal ik u
+brengen naar den hoek der straat, waar gij het eene dochter van de
+Ganges kunt hooren zingen.
+
+En met een stem, zoo liefelijk, dat ook de ongevoeligste naar haar zou
+hebben moeten luisteren, zong Iras haar lied.
+
+Toen zij beëindigd had en Ben-Hur haar zijnen dank wilde betuigen,
+schuurde de boot over het zand en liep op den oever.
+
+--Dat is een korte reis naar Egypte! riep de jonkman.
+
+--En een nog korter oponthoud! antwoordde zij, toen de Ethiopiër met een
+krachtigen stoot het vaartuig weeder vlot maakte.
+
+--Nu zult gij mij toch het roer geven.
+
+--O neen, zeide zij lachende. Voor u de wagen, voor mij de boot. Wij
+zijn aan den uithoek van het meer. Ik zie wel dat ik niet te gelijk
+sturen en zingen moet. Daar wij in Egypte geweest zijn, willen wij nu
+naar het Park van Daphne gaan.
+
+--En geen liedje om den weg te korten? vraagde hij smeekend.
+
+--Vertel mij iets van den Romein, tegen wien gij vandaag zoo flink
+optrad, vraagde zij.
+
+Die vraag deed Ben-Hur onaangenaam aan.
+
+--Ik wenschte dat dit de Nijl was, zeide hij ontwijkend. De koningen en
+koninginnen, die zoolang geslapen hebben, moesten uit hunne graven komen
+en met ons varen.
+
+--Zij behoorden tot de kolossen en zouden onze boot doen zinken. De
+dwergen zouden verkieslijker zijn. Maar vertel mij nu iets van den
+Romein. Hij is een slecht mensch, niet waar?
+
+--Dat kan ik u niet zeggen.
+
+--Stamt hij uit een adellijk geslacht, en is hij rijk?
+
+--Ik kan niet over zijn rijkdom oordeelen.
+
+--Wat had hij mooie paarden! En zijn wagen! Het binnenste was verguld en
+de wielen waren van ivoor. En wat is hij vermetel! Het volk lachte toen
+hij wegreed, en hij had ze toch bijna overreden.
+
+Zij lachte bij de herinnering.
+
+--Ja, wat een volk! zeide Ben-Hur bitter.
+
+--Hij behoort zeker tot de monsters, die in Rome opgroeien--Apollo's,
+roofgierig als Cerberus. Woont hij in Antiochië?
+
+--Misschien wel.
+
+--Egypte zou hem beter lijken dan Syrië.
+
+--Bezwaarlijk, antwoordde Ben-Hur. Cleopatra is dood.
+
+Op dat oogenblik kregen zij de brandende lampen voor de deur der tent in
+'t gezicht.
+
+--De dowar! riep Iras.
+
+--Dus zijn wij niet in Egypte geweest. Ik heb Karnak, noch Philae, noch
+Abydos gezien. Dit is niet de Nijl. Ik heb slechts een lied uit Indië
+gehoord en ben in den droom uit spelevaren geweest.
+
+--Philae, Karnak. Betreur liever dat gij Ramses te Aboo Simbul niet
+gezien hebt. Als men daar naar kijkt valt het zoo gemakkelijk aan God te
+denken, den Schepper van hemel en aarde. Maar waarom zoudt gij treuren?
+Laat ons de rivier opvaren, en al kan ik dan niet zingen, omdat ik
+gezegd heb, dat ik het niet meer doen zou, ik kan u toch van Egypte
+vertellen.
+
+--Ja, doe dat. Ga voort totdat de morgen aanbreekt en de avond en de
+volgende morgen! zeide Ben-Hur hartstochtelijk.
+
+--Waarover zal ik vertellen? Over de wiskunstenaars?
+
+--O neen.
+
+--Over de wijsgeren?
+
+--Neen, neen.
+
+--Over de toovenaars en sterrenwichelaars?
+
+--Dat zou kunnen.
+
+--Over den oorlog?
+
+--Ja.
+
+--Over de liefde?
+
+--Ja.
+
+--Ik zal u een middel tegen de liefde aan de hand doen. Het is de
+geschiedenis van een koningin. Luister aandachtig. De papyrusrol,
+waaraan het verhaal ontleend werd, is aan de hand der heldin zelve
+ontwrongen. Het moet een ware gebeurtenis zijn.
+
+ NENEHOFRA
+
+ Vele honderden jaren geleden woonde te Essouan een meisje, zoo
+ bekoorlijk, dat de natuur zelve zich over haar verheugde. Als zij
+ voorbijging klapwiekten de vogeltjes om haar te begroeten, hieven
+ de witte lotusbloemen zich op uit het water om haar te aanschouwen,
+ vertraagde de stroom zijnen loop, wuifden de palmen hunne pluimen.
+ Zij schenen te zeggen, de een: ik deelde haar mee van mijn
+ vroolijkheid; de ander: ik van mijne reinheid; een derde: ik van
+ mijne bevalligheid.
+
+ Op twaalfjarigen leeftijd was Nenehofra het sieraad van Essouan.
+ Toen zij zestien was, sprak men door het gansche land over hare
+ schoonheid, en toen zij twintig was ging er geen dag voorbij, die
+ niet vorsten der woestijn op snelle kemelen en aanzienlijke
+ Egyptenaren in vergulde barken voor hare deur bracht. Die allen
+ echter gingen ongetroost heen en vertelden overal: Ik heb haar
+ gezien. Dat is geen sterflijke vrouw, maar Hathor zelve.
+
+ De koning van het land was de grijze Oretes. Hij had den leeftijd
+ van hondertien jaren bereikt. Zesenenzeventig jaren had hij over
+ Egypte geregeerd. Onder zijn verstandig bestuur waren land en volk
+ tot groote welvaart gekomen. Hij woonde te Memphis, waar hij zijn
+ schoonste paleis en arsenalen had. De vrouw van den goeden koning
+ stierf. Daar hij haar zeer had liefgehad treurde en weeklaagde hij
+ over haar en was ontroostbaar. Een hoveling, die dat opmerkte,
+ waagde op zekeren dag tot hem te zeggen: Koning Oretes, het
+ verwondert mij dat iemand, zoo wijs en groot, niet zou weten hoe
+ men een droefheid als deze kan genezen. Zeg mij hoe, zeide de
+ koning. De hoveling kuste driemaal den grond en antwoordde, wel
+ wetende dat de doode hem niet kon hooren: Te Essouan woont
+ Nenehofra, zoo schoon als de schoone Hathor zelve. Ontbied haar.
+ Zij heeft alle vorsten afgewezen, en ik weet niet hoevele koningen;
+ maar wie kan neen zeggen tot Oretes?
+
+ * * * * *
+
+ Nenehofra zakte met een talrijk gevolg den Nijl af naar Memphis.
+ Toen de koning haar zag deed hij haar naast zich zitten op zijnen
+ troon, deed den uraeus om haren arm, kuste haar, en maakte haar tot
+ koningin. Dat was den wijzen Oretes niet genoeg. Hij smachtte naar
+ liefde, en verlangde een koningin, die hem gelukkig gevoelde in
+ zijne liefde. Hij behandelde haar met groote tederheid, toonde haar
+ al wat hij bezat, leidde haar door zijne schatkameren en zeide: O
+ Nenehofra, geef mij één kus uit liefde en dit alles is het uwe.
+
+ Denkende dat zij mettertijd gelukkig zou zijn,--was zij het al niet
+ reeds?--kuste zij hem twee-, driemaal in weerwil van zijne
+ honderden jaren.
+
+ In het eerste jaar voelde zij zich gelukkig, en dat vloog om. In
+ het derde jaar was zij rampzalig, en het kroop voorbij. Toen gingen
+ haar de oogen open: wat zij voor liefde had aangezien was
+ machtsbegoocheling geweest. Ach, had die begoocheling mogen
+ voortduren!
+
+ Zij werd droefgeestig. Zij stortte vele tranen. Haar lach
+ verstomde. De rozen op haar wangen verbleekten. Zij kwijnde
+ langzaam maar zeker weg. Geen middelen baatten, noch van
+ toovenaars, noch van geneesheeren. Nenehofra werd als hopeloos
+ opgegeven.
+
+ Oretes koos een crypt voor haar uit in de graven der koninginnen,
+ en riep de voornaamste beeldhouwers en schilders naar Memphis, om
+ de crypt zoo prachtig mogelijk te versieren.
+
+ --O gij, schoon als Hathor zelf, mijn koningin! zeide Oretes, zeg
+ mij, bid ik u, wat u deert, want ik zie u voor mijne oogen
+ wegsterven.
+
+ --Gij zoudt mij niet meer liefhebben, als ik het u zeide, luidde
+ haar antwoord.
+
+ --U niet liefhebben? Ik zal er u te liever om hebben. IK zweer het
+ bij het oog van Osiris. Spreek!
+
+ --Nu dan, zeide zij. In een spelonk bij Essouan woont een
+ anachoreet, de oudste en heiligste van allen. Zijn naam is Menopha.
+ Hij was mijn leermeester. Hij zal u zeggen wat gij verlangt te
+ weten, en u het middel aan de hand doen om mij te genezen. Ontbied
+ hem.
+
+ * * * * *
+
+ --Spreek, zeide Oretes tot Menopha in het paleis te Memphis. En
+ Menopha antwoordde: Machtige koning, als gij nog jong waart zou ik
+ niet antwoorden, omdat mijn leven mij nog lief is. Nu echter wil ik
+ u zeggen dat de koningin de straf voor eene misdaad draagt.
+
+ --Een misdaad! riep Oretes toornig.
+
+ --Ja, aan haarzelve begaan. Nenehofra groeide op onder mijne oogen
+ en maakte mij deelgenoot van al hare geheimen, onder anderen, dat
+ zij Barbec, den zoon van haar vaders tuinier, beminde. Met die
+ liefde in het hart kwam zij tot u, o koning. Aan die liefde sterft
+ zij.
+
+ --Waar is de zoon van dien tuinier?
+
+ --In Essouan.
+
+ De koning ging naar buiten en gaf twee bevelen. Tot een zijner
+ dienaren zei hij: Ga naar Essouan en breng mij een jongeling,
+ genaamd Barbec. Gij zult hem vinden in den tuin van den vader der
+ koningin.
+
+ En tot de anderen dienstknecht zeide hij: Verzamel eenige
+ werklieden en gereedschap en maak op het meer Chemnis een eiland,
+ dat, voorzien van een tempel, een paleis, een lusthof met
+ vruchtdragende boomen, een wijngaard, drijven kan waarheen de
+ winden waaien. Laat het gereed zijn tegen afnemende maand.
+
+ Tot de koningin zeide hij: Schep moed. Ik weet alles en heb om
+ Barbec gezonden.
+
+ Nenehofra kuste zijne handen.
+
+ --Gij zult hem hebben, vervolgde Oretes, en hij u, en niemand zal u
+ storen, een geheel jaar lang.
+
+ Zij viel aan zijne voeten. Hij hief haar op en kuste haar, en de
+ rozen keerden weer op hare wangen, en de lach kwam terug op hare
+ lippen.
+
+ * * * * *
+
+ Een geheel jaar woonden Nenehofra en Barbec, de tuinier, op het
+ drijvend eiland. Geen oord zoo bekoorlijk. Een geheel jaar zonder
+ iemand te zien, opgaande in elkander. Toen keerde Nenehofra naar
+ het paleis te Memphis terug.
+
+ --Welnu, van wien houdt gij het meest? vraagde Oretes.
+
+ Zij kuste hem op de wang en zeide: Neem mij terug, goed koning,
+ want ik ben genezen.
+
+ Oretes lachte hartelijk in weerwil van zijne honderdveertien jaren.
+
+ --Dan is dus waar wat Menopha zeide! Hahaha! 't Is waar. Liefde
+ wordt door liefde genezen.
+
+ --Zoo is het, zeide zij.
+
+ Plotseling veranderde hij van houding. Zijn aangezicht was
+ vreeselijk om te zien.
+
+ --Zoo heb ik het niet bevonden, zeide hij.
+
+ Nenehofra deinsde verschrikt achteruit.
+
+ --Misdadige, zeide de koning. De beleediging Oretes, den man,
+ aangedaan, kan hij u vergeven; maar de beleediging Oretes, den
+ koning, aangedaan, moet gestraft worden.
+
+ Zij wierp zich voor zijne voeten.
+
+ --Stil! zeide hij. Gij zijt dood.
+
+ Hij klapte in de handen ... een akelige processie trad binnen,
+ parschieten of balsemers, ieder met een attribuut van zijne
+ afschuwelijke kunst in de hand.
+
+ De koning wees op Nenehofra, en zeide: Zij is dood. Doet uw werk.
+
+ * * * * *
+
+ Nenehofra, de schoone, werd na tweeënzeventig dagen naar de crypt
+ gedragen, een jaar te voren voor haar uitgekozen, en daar bij hare
+ koninklijke voorgangsters neergelegd. Maar er werd geen plechtige
+ ommegang ter harer eere gehouden op het heilige meer.
+
+ * * * * *
+
+Toen Iras zweeg zeide Ben-Hur, die zich aan hare voeten had neergevlijd:
+Menopha had ongelijk.
+
+--Hoezoo?
+
+--Liefde leeft door lief te hebben.
+
+--Dan zou er dus geen middel tegen zijn?
+
+--Jawel. Oretes heeft het gevonden.
+
+--Welk dan?
+
+--De dood.
+
+--Gij zijt een goed hoorder, zoon van Arrius.
+
+Onder meer dergelijke gesprekken en verhalen vlogen de uren voorbij.
+Toen zij eindelijk aan wal stapten zeide zij: Morgen gaan wij naar de
+stad.
+
+--Maar gij komt bij de wedrennen?
+
+--Zeker.
+
+--Ik zal u mijne kleur zenden.
+
+Daarmee scheidden zij.
+
+
+ * * * * *
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+DE BRIEF IS ONDERSCHEPT.
+
+
+Ilderim keerde den volgende dag tegen de derde ure naar den dowar terug.
+Toen hij van zijn paard steeg, trad een zijner mannen naderbij en zeide:
+Sheik, mij is opgedragen u dit pak te overhandigen met verzoek het
+dadelijk te lezen.
+
+Ilderim nam het pakje aan en zag dat het zegel reeds verbroken was. Het
+opschrift luidde: Aan Valerius Gratus te Cesarea.
+
+--Lucifer hale hem! bromde de Sheik, toen hij zag, dat de brief in het
+Latijn geschreven was. Grieksch en Arabisch schrift kon hij lezen; maar
+van dezen brief in Romeinsche letters kon hij alleen den naam: Messala,
+ontcijferen.
+
+--Waar is de jonge Jood? vraagde hij.
+
+--Naar het veld, met de paarden, antwoordde een bediende.
+
+De Sheik deed den brief in den omslag, stak het pak tusschen zijn
+gordel, en steeg weer te paard. Op dat oogenblik verscheen een
+vreemdeling, die oogenschijnlijk van de stad kwam.
+
+--Ik wilde gaarne Sheik Ilderim, den Edelmoedige, spreken, zeide hij.
+
+Taal en kleeding verrieden den Romein.
+
+Al kon hij het schrift der Romeinen niet lezen, hunne taal kon hij
+spreken. Dus antwoordde de Arabier op waardigen toon: Ik ben Sheik
+Ilderim.
+
+--Ik heb gehoord, dat gij een menner zoekt voor de wedrennen, zeide de
+vreemdeling.
+
+--Ga uws weegs. Ik ben reeds voorzien, sprak de Sheik, en maakte zich
+gereed om weg te rijden; maar de man draalde nog en zeide: Sheik, ik ben
+een liefhebber van paarden. Men zegt dat de uwe alle andere in schoonheid
+overtreffen.
+
+De oude man was getroffen. Hij trok den teugel aan, alsof hij op het
+punt stond van voor de vleierij te zwichten; maar na korte weifeling
+hernam hij: Niet vandaag, niet vandaag. Op een anderen keer zal ik ze u
+laten zien. Ik heb het nu te druk.
+
+Hij reed naar het veld, terwijl de vreemdeling glimlachend naar de stad
+terugkeerde. Hij had zijne opdracht vervuld.
+
+Iederen volgende dag, tot aan den dag der wedrennen, kwam een man, soms
+twee of drie, tot den Sheik in het Palmbosch, onder voorwendsel van zich
+als menner te willen verhuren.
+
+Op deze wijze hield Messala de wacht over Ben-Hur.
+
+
+ * * * * *
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+BEN-HUR LEEST DEN BRIEF.
+
+
+Den Sheik wachtte bedaard, totdat Ben-Hur na volbrachten arbeid de
+paarden een oogenblik rust gaf.
+
+--Van avond, Sheik, heb ik met Sirius afgedaan. Morgen zal ik den wagen
+nemen, zeide de jonkman.
+
+--Dan reeds? vraagde Ilderim.
+
+--Ja, met zulke schrandere dieren is men spoedig zeker van zijne zaak.
+Deze hier, Aldebaran, is de vlugste. Antares is de langzaamste. Toch zal
+hij winnen; want, Sheik, hij kan den ganschen dag rennen en tegen
+zonsondergang zijn grootste snelheid ontwikkelen.
+
+--Dat is zoo, zeide Ilderim.
+
+--Eén ding echter vrees ik. In zijne begeerte om de zege te behalen
+schroomt een Romein niet de eer te bevlekken. Bij al hunne spelen zijn
+zij volleerd in streken en niet het minst bij wedrennen met wagens. Als
+zij paarden, menner, of wagen kunnen benadeelen of beschadigen, zullen
+zij het niet laten. Daarom, goede Sheik, zie wel toe! Laat, totdat de
+wedrennen gehouden zijn, uwe paarden aan geen enkel vreemdeling zien.
+Wilt gij volkomen veilig wezen, laat hen dan geen minuut alleen. Volgt
+gij mijn raad, dan behoeven wij ons over den uitslag niet te bekommeren.
+
+Bij de deur der tent stegen zij af.
+
+--Uw wens zal geschieden, zoon van Arrius. Niemand zal hen genaken
+behalve mijne getrouwen. Dezen nacht zal ik wachten uitzetten. Maar zie
+eens hier en help mij met uw Latijn.
+
+Hij gaf den brief en noodigde hem naast zich op den divan. Daar, zeide
+hij, lees, en lees overluid. Vertaal het in de taal uwer vaderen. Latijn
+is mij een gruwel.
+
+Ben-Hur gevoelde zich zeer opgewekt en begon zonder erg te lezen:
+Messala aan Gratus.... Hij hield op. Een bang voorgevoel deed hem koud om
+'t hart worden. Ilderim merkte zijne ontroering op.
+
+--Hoe nu? Ik wacht.
+
+Ben-Hur verontschuldigde zich en begon opnieuw.
+
+De lezer heeft reeds begrepen, dat een der door Messala afgezonden
+koeriers aangehouden was en het duplicaat van den brief aan Gratus zich
+thans in handen van Ben-Hur bevond.
+
+Toen hij aan de zinsnede gekomen was, waar Messala het geheugen van
+Gratus zocht te hulp te komen, beefde zijne stem. Tot tweemalen zelfs
+moest hij ophouden om zijne zelfbeheersching te herwinnen. Met
+inspanning van alle krachten las hij verder: Voorts herinner ik u de
+wijze maatregelen, die gij genomen hebt, om ons doel te bereiken: het
+stilzwijgen en een zekeren maar natuurlijken dood van de betrokken
+personen.
+
+Hij kon het niet langer uithouden. De brief viel op den grond en hij
+bedekte zijn gelaat met beide handen.
+
+--Zij zijn dood ... dood. Ik alleen ben overgebleven, steunde hij.
+
+De Sheik had hem zwijgend en met deelneming gadegeslagen. Nu stond hij
+op en zeide: Zoon Van Arrius, ik moet u om vergeving vragen. Lees den
+brief voor uzelf. Als gij u sterk genoeg voelt om mij het overige mede
+te deelen, doe het mij dan weten, en ik zal terugkeeren.
+
+Zoodra hij alleen was wierp Ben-Hur zich op den divan en gaf zich aan
+zijne droefheid over. Toen hij wat bekomen was nam hij den brief weder
+ter hand en hervatte de lezing. Gij zult u herinneren, zoo luidde het
+verder, welke straf gij de moeder en de zuster van den booswicht hebt
+opgelegd, en indien ik nu vriendelijk verzoek van u te mogen vernemen,
+of zij nog leven, dan wel of zij gestorven zijn ... Ben-Hur sprong op, of
+zij dood zijn! Hij weet het niet! Gezegend zij de naam des Heeren! Nog
+is er hoop.--Bemoedigd las hij den brief ten einde. Zij zijn niet dood,
+zeide hij eenige oogenblikken peinzens, zij zijn niet dood, anders zou
+hij er van gehoord hebben.
+
+Een tweede lezing bevestigde hem in zijne meening. Daarna zond hij om
+den Sheik.
+
+--Toen ik in uwe gastvrije tent kwam, zeide hij, zoodra zij weder te
+zamen waren, had ik mij voorgenomen niet meer van mijzelven te
+vertellen, dan noodig was om u te doen zien, dat gij mij uwe paarden
+gerust kondt toevertrouwen. Maar nu ik, op eene voor mij onverklaarbare
+wijze, dezen brief in handen moest krijgen, voel ik mij gedrongen u met
+mijn verleden bekend te maken. Ik word in dit voornemen versterkt door
+den inhoud van dit schrijven, waaruit ik zie dat dezelfde vijand ons
+beiden bedreigt. Wij zullen ons gezamelijk tegenover hem moeten stellen.
+Ik zal u den brief voorlezen en verklaren. Dan zal u duidelijk worden
+waarom ik straks mijne zelfbeheersching verloor, en mij in uwe oogen
+misschien kinderachtig aanstelde.
+
+De Sheik bewaarde het stilzwijgen en luisterde aandachtig, totdat
+Ben-Hur aan de zinsnede kwam, die hèm betrof: Gisteren zag ik den Jood
+in het park van Daphne, en als hij daar op dit oogenblik niet is, dan is
+hij toch zeker in de buurt, om mij gemakkelijk te maken hem in 't oog te
+houden. Ja, indien gij mij vraagdet: waar denkt gij dat hij is? dan zou
+ik uit volle overtuiging zeggen: Hij is in het Palmbosch, in de tent van
+Sheik Ilderim, den verrader.
+
+--Verrader!... Ik? riep de oude man opstuivende.
+
+--Nog even geduld, Sheik. Dat is Messala's gevoelen. Hoor zijn
+bedreiging: in de tent van Sheik Ilderim, den verrader, die ons niet
+veel langer moet mogen trotseeren. Laat het u niet verwonderen, indien
+Maxentius, als eerste krijgsoperatie, den Arabier inscheept naar Rome.
+
+--Naar Rome! Mij? Ilderim ... Sheik van tienduizend gewapende ruiters!
+Mij naar Rome inschepen!
+
+Hij sprong van zijne zitplaats op en riep in ziedenden toorn: Wanneer,
+o wanneer zal aan deze onbeschaamdheid een einde komen? Ik ben een vrij
+man. Vrij is mijn volk. Moeten wij als slaven sterven? Of erger nog,
+moet ik als een hond aan mijn meesters voeten kruipen? Moet ik zijne
+hand likken uit vrees voor slaag? Wat het mijne is zou het mijne niet
+zijn? Ik zou een Romein moeten danken, dat ik mag adem halen? O, dat ik
+nog jong was! O, kon ik twintig jaren van mijn leeftijd afdoen ... of
+tien ... of vijf!
+
+Knarsetandend en met de handen zwaaiend liep hij heen en weer, bleef
+toen eensklaps voor Ben-Hur staan, en vatte hem met sterken greep bij
+den schouder.
+
+--Indien ik in uwe plaats was, zoon van Arrius, even jong als gij, even
+sterk, even geoefend in den krijg, had ik een drijfveer, die mij tot
+wraak aanzette, een beweegreden als de uwe, die wraak tot een heiligen
+plicht maakt--weg met alle geheimzinnigheid tusschen u en mij! Zoon van
+Hur, zoon van Hur, ik zeg....
+
+Bij het hooren van zijn waren naam stolde Ben-Hur het bloed in de
+aderen. Ontzet, verbaasd, zag hij den Arabier aan.
+
+--Zoon van Hur, ik zeg u, indien ik was als gij, indien ik zulk een
+groot onrecht had te wreken en zulke herinneringen met mij moest
+omdragen, ik zou niet willen, niet kunnen rusten. Bij al mijn eigen
+grieven zou ik die van de geheele wereld voegen, en mijzelven aan de
+wraak wijden. Van land tot land zou ik trekken om de menschen wakker te
+schudden. Geen vrijheidsoorlog, waar ik niet deel aan nam. Geen strijd
+tegen Rome, waarbij ik niet in de voorste rijen stond. Ik zou mij
+desnoods bij de Parthen aansluiten. Indien het mij aan soldaten ontbrak,
+ik zou het toch niet opgeven--hahaha! Bij den luister van Salomo! ik zou
+tot de wolven gaan! Van leeuwen en tijgers zou ik vrienden maken, in de
+hoop dat ik ze tegen den gemeenschappelijken vijand zou kunnen
+aanvoeren. Ik zou mij van ieder wapen bedienen. Ik zou geen kwartier
+vragen en geen kwartier geven! Alles wat Romeinsch was zou ik met vuur
+verdelgen. Al wie Romein van geboorte was zou ik met het zwaard dooden.
+Des nachts zou ik de goden bidden, de goede en de kwade evenzeer, mij
+hunne verschrikkingen bij te zetten: stormen, droogte, hitte, koude, en
+al de namelooze vergiften, die zij in de lucht loslaten, al de duizend
+oorzaken, waardoor de menschen ter zee en te land omkomen. O, ik zou
+niet kunnen slapen. Ik ... ik....
+
+De Sheik hield op uit gebrek aan adem. Ben-Hur had, om de waarheid te
+zeggen, slechts met een half oor geluisterd naar die hartstochtelijke
+ontboezemingen. Voor de eerste maal in vele jaren had de jongeling zich
+bij zijn waren naam hooren toespreken. Eén mensch kende hem dus. Eén ten
+minste geloofde hem zonder naar bewijzen te vragen, en die eene was een
+Arabier uit de woestijn!
+
+Hoe kwam de man aan deze wetenschap? Door den brief? Die sprak wel is
+waar iets van de wreedheden, waardoor zijn geslacht te gronde was
+gericht, die verhaalde van zijne geschiedenis, maar de Sheik was in een
+veel te opgewonden stemming geweest om de gevolgtrekking te hebben
+kunnen maken. Neen, iemand anders moest hem hebben ingelicht. Uitwendig
+kalm vraagde hij: Goede Sheik, zeg mij, hoe komt gij aan dezen brief?
+
+--Mijne lieden bewaken de wegen tusschen de steden, antwoordde Ilderim.
+Zij ontnamen hem een koerier, die van Antiochië kwam.
+
+--Weet men, dat zij in uw dienst zijn?
+
+--Neen, in de oogen der wereld zijn zij roovers, die ik te vangen en te
+dooden heb.
+
+--Sheik, gij noemdet mij zoon van Hur, mijn vaders naam. Ik wist niet
+dat iemand hier mij kende. Vanwaar kent gij mij?
+
+Ilderim antwoordde niet dadelijk. Eindelijk zeide hij: Ik ken u, maar ik
+heb voor 't oogenblik geen vrijheid om u meer te zeggen.
+
+--Geen vrijheid? Is er dan iemand, die u dat verhindert?
+
+De Sheik zweeg en wilde heengaan; maar toen hij Ben-Hurs teleurstelling
+zag, keerde hij terug en zeide: Laat ons hier voorloopig over zwijgen.
+Ik ga naar de stad. Als ik terugkom mag ik misschien ronduit met u
+spreken. Geef mij den brief.
+
+Ilderim rolde den papyrus zorgvuldig op, deed hem weder in den omslag,
+en werd plotseling weer een en al ijver. Wat is uw antwoord? vraagde
+hij. Ik zeide u wat ik doen zou, als ik in uwe plaats was, maar gij hebt
+mij geen antwoord gegeven.
+
+--Ik was van plan, Sheik, om u te antwoorden en ik zal het ook doen.
+Al wat gij gezegd hebt neem ik over, voor zoover de uitvoering in mijn
+vermogen ligt. Sedert lang reeds heb ik mijzelf aan de wraak gewijd.
+Vijf jaren lang was dat mijn eenige gedachte. Ik heb mij geen rust
+gegund. De genoegens der jeugd heb ik niet gekend. Ik heb mij door Rome
+zelf laten leeren, hoe ik mij wreken moet. Ik bezocht er de beroemste
+leeraren, niet die in de redekunst of wijsbegeerte, helaas! daar had ik
+geen tijd voor. In alles wat voor een krijgsman onmisbaar is heb ik mij
+laten onderrichten. Ik sloot mij aan bij de kampvechters in den circus.
+De schermmeesters van het Romeinsche kamp namen mij als hun leerling aan
+en waren trotsch op mij. Ja, Sheik, ik ben soldaat, maar de dingen
+waarvan ik droom eischen, dat ik bevelhebber word. Daarom sloot ik mij
+aan bij den veldtocht tegen de Parthen. Is die afgeloopen en spaart God
+mij leven en krachten, dan ... dan zal ik een geduchte, door Rome zelf
+gevormde krijger zijn. Dan zal Rome mij met Romeinsche levens betalen
+voor hetgeen zij mij heeft doen lijden. Dat is mijn antwoord, Sheik.
+
+Ilderim omhelsde en kuste hem, en zeide op hartstochtelijken toon:
+Indien uw God u niet bijstaat, zoon van Hur, dan leeft hij niet meer.
+Maar weet dit, om uw doel te bereiken kunt gij vrijelijk beschikken over
+al wat ik heb: manschappen, paarden, kameelen, en de woestijn tot
+legerplaats. Ik zweer het u. Voor het oogenblik genoeg. Vóór den nacht
+zult gij mij zien, of van mij hooren.
+
+Kort daarop reed hij af en sloeg den weg in naar Antiochië.
+
+
+ * * * * *
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+EENE OPROEPING.
+
+
+De onderschepte brief was op vele punten van groot belang voor Ben-Hur.
+De schrijver toch bekende met zoovele woorden dat hij medegewerkt had om
+de familie Hur uit den weg te ruimen, dat hij de plannen goedgekeurd
+had, dat hij zijn aandeel had ontvangen van de verbeurd verklaarde
+goederen, dat hem de onverwachte verschijning van den hoofdpersoon in
+het drama zeer ongelegen kwam en hij er niet veel goeds van verwachtte,
+en dat hij, om een waarborg voor de toekomst te hebben, bereid was tot
+alles wat zijn medeplichtige in Cesarea hem zou aanraden te doen.
+
+Toen Ilderim de tent verliet had Ben-Hur dus rijke stof tot
+overpeinzing. Hier moest dadelijk in voorzien worden. Zijne belagers
+waren sluw en machtig. Indien zij bevreesd waren voor hem, hij had nog
+veel meer reden om hen te vreezen. Hij trachtte den toestand rustig
+onder de oogen te zien, maar hij kon niet. Telkens werd hij door zijn
+gevoel overstelpt. Zijne moeder en zuster leefden nog, dat geloofde hij
+zeker. Het was hem, alsof de ontdekking voor de hand lag. Ja, God zelf
+zou hem te hulp komen, hem paste geduldig te wachten. Dat geduldig
+wachten zou hem echter gemakkerlijk vallen, als hij grond had gehad om
+te hopen, dat zijne geliefden in even gunstige omstandigheden verkeerden
+als hijzelf, maar wat wist hij daarvan?
+
+Om zich een weinig te verzetten wandelde hij het bosch in, waar de
+lieden druk bezig waren met het inzamelen van dadels, niet zoo druk
+echter, of zij konden wel een praatje met hem maken en van hunne
+vruchten aanbieden. Bij het meer toefde hij het langst, en die zachte
+kabbelende golfjes brachten hem de schoone Iras te binnen. Van haar
+vlogen zijne gedachten naar Balthasar en den Koning der Joden.
+
+Met Balthasars denkbeelden omtrent dat koninkrijk kon hij zich echter
+niet vereenigen. Een rijk dat uit zielen zou bestaan kwam hem zeer
+onwaarschijnlijk, bijna onmogelijk voor. Een koninkrijk Judea
+daarentegen--dat had bestaan, en kon dus weer in 't leven geroepen
+worden. Hij stelde zich dat gaarne voor en dan liefst nog machtiger en
+rijker dan het eerste koninkrijk, onder een nieuwen koning, wijzer en
+machtiger nog dan Salomo, een koning, onder wiens vanen hij zou kunnen
+dienen en zijne wraak aan Rome kunnen koelen.
+
+In die stemming keerde hij naar den dowar terug. Na het middagmaal
+gebruikt te hebben deed Ben-Hur den wagen buiten brengen, om hem te
+keuren. Geen enkel deel liet hij ongemoeid. Met groot genoegen zag hij
+dat het een Grieksch model was, in zijn oog verkieslijker boven het
+Romeinsche, breeder tusschen de wielen, lager en sterker. De meerdere
+zwaarte zou ruimschoots vergoed worden door de zeldzame eigenschappen
+van het vierspan.
+
+Nu bracht hij de paarden uit, spande ze voor den wagen en reed naar het
+veld, waar hij verscheidene uren bleef. Toen hij 's avonds terugkeerde
+had hij zijne opgeruimdheid herkregen en stond zijn plan vast om de zaak
+Messala te laten rusten, totdat hij als overwinnaar of overwonnene uit
+het strijdperk zou komen. Hij wilde onder geen beding het genoegen
+missen van zijn tegenstander voor aller oog te vernederen. Aan de
+mogelijkheid, dat nog andere mededingers konden optreden, scheen hij
+niet te denken. Zijn vertrouwen in den uitslag was onwankelbaar. Hij
+rekende op zijne bekwaamheid en op de onovertroffen paarden. De Romein
+mag oppassen, niet waar Antares, brave Aldebaran? niet waar goede Rigel,
+en gij vorstelijke Atair? hij mag oppassen! zoo sprak hij in de rusturen
+het vierspan toe, en zij verstonden hem.
+
+Toen het donker werd zat Ben-Hur in de deur der tent op Ilderim te
+wachten. Hij was volstrekt niet ongeduldig of onrustig. De Sheik zou in
+ieder geval van zich doen hooren. Of die kalmte toe te schrijven was aan
+de beweging in de open lucht, of aan het daarna genomen bad, of aan het
+smakelijke maal, waaraan hij alle eer bewezen had, of aan de reactie,
+die gewoonlijk op diepe neerslachtigheid volgt, weten wij niet. Hij had
+een gevoel, dat zijne zaak in Gods hand rustte en daar was zij veilig.
+Eindelijk hoorde hij een ruiter naderen, en weldra stond Malluch voor
+hem.
+
+--Zoon van Arrius, zeide hij vroolijk, ik breng u de groeten van Sheik
+Ilderim. Hij verzoekt u naar de stad te komen. Hij wacht u.
+
+Ben-Hur onthield zich van vragen, en ging naar de paarden. Aldebaran
+kwam hem te gemoet, als om zijne diensten aan te bieden. Ben-Hur
+liefkoosde hem in het voorbijgaan, maar koos een ander paard. Het
+vierspan moest voor de wedrennen bewaard blijven. Een kwartier later
+waren beide mannen op weg naar Antiochië.
+
+Op korten afstand van de Seleucische brug staken zij met een veerschuit
+de rivier over, reden langs den rechteroever voort, gingen daarna door
+middel van een andere schuit naar den linkeroever terug en reden de stad
+van de westzijde binnen. De omweg was lang, maar Ben-Hur begreep dat
+Malluch goede redenen had voor dien voorzorgsmaatregel. Zij vervolgden
+hunnen weg tot aan de werf van Simonides. Daar hield Malluch zijn paard
+in en zeide: Hier moeten wij zijn!
+
+Ben-Hur herkende de plaats en vraagde: Waar is de Sheik?
+
+--Ik zal u tot hem brengen. Ga maar mee, luidde het antwoord.
+
+Een bediende nam de paarden over, en nog voordat Ben-Hur tot bezinning
+gekomen was, stond hij voor de deur van het huis op het pakhuis, was hij
+binnengegaan, en hoorde hij de stem, die hij zich nog zeer goed
+herinnerde, zeggen: Kom binnen en wees welkom!
+
+
+ * * * * *
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+ERKEND.
+
+
+Malluch geleidde hem niet verder dan tot aan de kamer. Ben-Hur trad
+alleen het vertrek binnen. Het was hetzelfde, waar Simonides hem den
+vorigen keer ontvangen had. Alles was onveranderd gebleven, alleen stond
+nu dicht bij den armstoel een fraaie, zeer hooge metalen standaard met
+zes armen, die zes helder brandende zilveren lampen droegen. Drie
+personen bevonden zich in de kamer: Simonides, Ilderim, Esther.
+
+Ben-Hur zag van den een naar den ander ... wat moest dat beduiden? Wat
+verlangde men van hem?
+
+Daar verbrak Simonides de stilte: Zoon van Hur, zeide hij langzaam en
+duidelijk, ik groet u met den vrede van den God onzer vaderen.
+
+De grijsaard liet, terwijl hij sprak, zijne doordringende zwarte oogen
+op den jongen rusten en kruiste toen zijne handen over de borst. Houding
+en groet konden niet worden misverstaan.
+
+--Simonides, zeide Ben-Hur ontroerd, dien vrede neem ik aan. Als een
+zoon tot zijnen vader sprekende, bid ik hem u ook toe. Dit eene echter
+verzoek ik: laat ons elkander volkomen begrijpen.
+
+Op deze kiesche wijze trachtte hij de verhouding van heer tot dienstbare
+op zijde te zetten, en daarvoor in de plaats een hoogere en heiligere te
+stellen.
+
+Simonides liet zijne handen weder op de deken rusten en zeide tot Esther:
+Een zetel voor den meester, mijn kind!
+
+Haastig schoof zij een lagen stoel aan en wachtte op nader order, onzeker
+waar hem te plaatsen.
+
+Ben-Hur trad naderbij, zette hem aan Simonides' voeten en zeide: Hier
+wil ik zitten.
+
+Zijne oogen ontmoetten de hare, slechts een oogenblik, doch die blik
+deed beiden goed. Hij had hare dankbaarheid, zij zijne edelmoedigheid
+begrepen.
+
+Simonides boog het hoofd, slaakte een zucht van verlichting en zeide:
+Geef mij nu de papieren, Esther.
+
+Zij opende een der paneelen in den muur, nam er een rol uit, en gaf die
+haren vader.
+
+--Gij hebt gelijk, zoon van Hur, begon Simonides, de papieren
+ontrollende, laat ons elkander goed begrijpen. Dat verzoek voorziende,
+heb ik alles in orde gebracht en leg ik u hier een opgaaf voor hetgeen
+tot een volkomen begrip noodig is. Zij omvat twee zaken: het vermogen en
+onze onderlingen verhouding. Wat hier geschreven staat zal u alles
+duidelijk maken. Wilt gij het nu lezen?
+
+Ben-Hur nam de rol aan en zag naar Ilderim.
+
+--Neen, zeide Simonides, laat de tegenwoordigheid van den Sheik u niet
+weerhouden. Bij de verrekening is een getuige noodig. Aan het slot, op
+de plaats waar zulks behoort, zult gij zijn naamtekening vinden. Hij
+weet alles. Hij is uw vriend. Alles wat hij voor mij geweest is zal hij
+voor u zijn.
+
+Ilderim knikte en zeide ernstig: Gij hebt het gezegd.
+
+Ben-Hur antwoordde: Ik heb zijne vriendschap reeds mogen ondervinden,
+maar moet mij die nog waardig betoonen. Sta mij toe, Simonides, die
+papieren later rustig na te zien. Neem ze voor het oogenblik terug en
+als het u niet te veel vermoeit, deel mij dan kort den inhoud mede.
+
+Simonides nam de rol weder tot zich.
+
+--Kom hier, Esther, zeide hij, en neem blad voor blad van mij over,
+opdat zij niet verward raken.
+
+Zij zette zich naast hem en leunde zacht tegen zijn schouder, zoodat
+vader en dochter te zamen rekening en verantwoording schenen te doen.
+
+--Dit, zeide Simonides, het eerste blad ontrollende, doet u zien welke
+som gelds ik voor uwen vader beheerde,--het kapitaal dat ik uit de
+handen der Romeinen redde. Van de overige bezittingen kon ik niets
+redden dan het geld. Dank ons Joodsch wisselsysteem konden de roovers
+daar niet aan komen. De geheele som bestond uit gelden, die ik in Rome,
+Alexandrië, Carthago en andere steden had uitstaan, en bedroeg 120
+talenten.
+
+Hij gaf het blad aan Ester en nam een volgend. Met die 120 talenten,
+zeide hij, begon ik handel te drijven. Hoor nu de verantwoording.
+
+Aan schepen 60 talenten.
+ " goederen in voorraad 110 "
+ " cargo's in transport 75 "
+ " pakhuizen 10 "
+ " kameelen, paarden, enz. 20 "
+ " in te vorderen gelden 54 "
+ " los geld 224 "
+
+ 553 talenten.
+
+Voeg nu bij die 553 talenten winst het kapitaal, dat ik van uwen vader
+onder mij had, en gij krijgt 673 talenten, alles rechtens het uwe. Dat
+maakt u, zoon van Ithamar, tot een van de rijksten onder de rijken.
+
+Hij nam de papieren van Esther over, rolde ze met uitzondering van één
+weder op en bood ze Ben-Hur aan.
+
+De kwalijk verborgen trotsch in zijne manier van doen was niet
+beleedigend, maar alleszins verklaarbaar, en kwam voort uit het gevoel
+van een wèlvolbrachten arbeid.
+
+--En nu, zeide hij zachter, is er niets, nee niets, dat gij niet doen
+kunt.
+
+Dit oogenblik was een zeer gewichtig oogenblik voor allen. Simonides
+kruiste nogmaals de handen over de borst. Esther keek verlegen voor
+zich, Ilderim bewoog zich zenuwachtig.
+
+Met de rol in de hand stond Ben-Hur op van zijn zetel, en met moeite
+zijn aandoening bedwingende, sprak hij: Deze mededeelingen zijn voor mij
+als een lichtstraal uit den hemel na een langen bangen nacht, zóó lang
+dat hij mij eindeloos toescheen, en zóó donker dat ik alle hoop had
+opgegeven. Mijn eerste dank zij aan God gebracht, die mij niet verlaten
+heeft, en mijn tweede aan u, Simonides. Uwe trouw weegt tegen de
+wreedheid van anderen op, en herstelt mijn geloof in de menschheid. Gij
+zegt: er is niets dat ik niet doen kan? Zoo zij het! Zal iemand mij in
+zulk een gewichtig oogenblik overtreffen in grootmoedigheid?... U roep
+ik tot getuige, o Sheik! Hoor mijne woorden en onthoud ze! En gij,
+Esther, goede engel van deze goeden man, uw vader, luister gij ook!
+
+Hij strekte de hand, waarin hij de rol hield, naar Simonides uit en
+vervolgde: Alles wat in deze papieren opgeschreven staat: de schepen,
+huizen, kameelen, paarden, gelden, dat alles geef ik u, Simonides,
+terug. Het is voor u en de uwen, voor altijd.
+
+Esther glimlachte door hare tranen heen. Ilderims oogen glinsterden van
+aandoening. Simonides alleen bleef kalm.
+
+--Met ééne uitzondering echter en op ééne voorwaarde, hernam Ben-Hur.
+De 120 talenten, die mijne vader toebehooren, wensch ik terug te hebben.
+Vervolgens roep ik uwe hulp in bij het zoeken naar mijne moeder en
+zuster, waartoe gij, indien het noodig mocht zijn, uw fortuin
+beschikbaar stelt, evenals ik het mijne.
+
+Simonides was diep bewogen. Hij strekte de hand uit en zeide: Ik begrijp
+u, zoon van Hur, en ik dank God dat Hij u zóó tot mij gezonden heeft.
+Zooals ik uwen vader, en later zijne nagedachtenis, gediend heb, zal ik
+ook u dienen. Maar op uwe voorwaarde kan ik niet ingaan. Hier is nog een
+blad. Neem het en lees. Lees overluid.
+
+Ben-Hur nam het blad en las: Opgave van de lijfeigenen van Hur,
+ingeschreven door Simonides, rentmeester van het vermogen:
+
+1. Amrah, de Egyptische, huisbewaarster te Jeruzalem.
+2. Simonides, rentmeester te Antiochië.
+3. Esther, des rentmeesters dochter.
+
+Nooit was het Ben-Hur, wanneer hij Simonides als zijn dienstknecht
+beschouwde, in het hoofd gekomen, dat volgens de wet de dochter de
+dienstbaarheid des vaders deelde. Dacht hij aan de schoone Esther, dan
+was het als mededingster van Iras. Die onverwachte mededeeling deed hem
+onaangenaam aan. Verward, verlegen keek hij haar aan, en verlegen sloeg
+zij de oogen neer. Toen zeide hij: De eigenaar van 600 talenten is
+inderdaad rijk en mag doen wat hem behaagt; maar zeldzamer dan het geld,
+kostbaarder dan de bezitting is de geest, die den schat vergaarde, is
+het hart, dat onbedorven bleef bij zooveel rijkdom. O Simonides, en gij,
+schoone Esther, vreest niet! Sheik Ilderim zal mij opnieuw tot getuige
+zijn. In hetzelfde oogenblik, waarop ik u als mijne dienaren leer
+kennen, spreek ik u vrij. Wat ik hier mondeling verklaar zal ik
+schriftelijk bevestigen. Is dat voldoende? Kan ik nog meer doen?
+
+--Zoon van Hur, zeide Simonides, waarlijk gij maakt ons het dienen
+licht. Ik vergiste mij. Er zijn dingen die gij niet kunt doen. Gij kunt
+ons niet vrij maken voor de wet. Ik ben levenslang uw dienstknecht,
+omdat ik op zekeren dag uwen vader naar de deurpost volgde. Mijn oor
+draagt nog het litteeken van den priem.
+
+--Deed mijn vader dat?
+
+--Veroordeel hem niet, riep Simonides. Hij deed het op mijn verzoek, en
+nooit heeft die stap mij berouwd. Het was de prijs, dien ik voor mijne
+Rachel betaalde, de moeder van mijn kind. Zij wilde de mijne niet
+worden, tenzij ik werd wat zij was.
+
+--Was zij dan eene lijfeigene?
+
+--Ja.
+
+Ben-Hur liep, zijne onmacht diep gevoelende, de kamer op en neer. Ik was
+reeds rijk, zeide hij, dank de goedheid van den edelen Arrius. Nu komt
+dit vorstelijk vermogen er bij benevens de geest, die het verzamelde.
+Heeft God daar niet een bedoeling mee? Raad mij, Simonides. Doe mij zien
+wat recht is in dezen. Help mij mijn naam waardig te zijn.
+
+Simonides' gelaat straalde van geluk.
+
+--O zoon mijns meesters, ik zal meer doen dan u helpen. Ik zal u dienen
+met hart en ziel. Mijn lichaam is, helaas, te gronde gericht in uwen
+dienst, maar met mijn verstand en hart wil ik u dienen. Stel mij daarom
+wettig aan tot datgene, wat ik mijzelven gemaakt heb.
+
+--Spreek! riep Ben-Hur blijde.
+
+--Benoem mij tot rentmeester van uw vermogen, opdat ik het recht hebbe
+om er voor te zorgen.
+
+--Gaarne. Beschouw u van dit oogenblik als mijn rentmeester. Of wilt gij
+het schriftelijk hebben?
+
+--Uw woord is mij genoeg. Zoo was het met den vader, zoo zij het met den
+zoon. En nu, indien wij elkander goed begrepen hebben....
+
+--Ik voor mij, ja, zeide Ben-Hur.
+
+--En gij, dochter van Rachel, spreek! zeide Simonides. Een oogenblik
+stond Esther besluiteloos. Toen trad zij op Ben-Hur toe en zeide
+onbeschrijfelijk lieftallig: Ik ben niet beter dan mijne moeder, en daar
+zij is heengegaan, bid ik u, laat mij voor mijnen vader mogen zorgen.
+
+Ben-Hur nam haar bij de hand, geleidde haar naar haren vader en zeide:
+Gij zijt een goede dochter. Uw wensch zal geschieden.
+
+
+ * * * * *
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+HET NIEUWE KONINKRIJK.
+
+
+Simonides was de eerste, die het stilzwijgen verbrak. Hij herinnerde
+zich dat hij de gastheer was. Esther, zeide hij, het is reeds laat in
+den avond. Voordat wij verder gaan moest gij ons wat ter verfrissching
+voortzetten.
+
+Zij schelde, waarop een dienstmaagd brood en wijn bracht en het
+gezelschap aanbood. Toen allen bediend waren, zeide Simonides tot
+Ben-Hur: Meester, ons leven zal in het vervolg zijn als twee stromen,
+die elkander ontmoetten, samenvloeiden, en zoo vereenigd hun weg
+vervolgen. Daarom is noodig dat geen wolkje onzen horizon verduistere.
+Ik liet u den vorigen keer vertrekken in de meening, dat ik uwe
+aanspraken niet liet gelden. Toch was dat niet zoo. Esther kan getuigen,
+dat ik u terstond herkende. Dat ik u niet aan uw lot overliet, daarvan
+is Malluch het bewijs.
+
+--Malluch! riep Ben-Hur.
+
+--Die aan zijn stoel gebonden is moet vele en vèrreikende handen hebben.
+Zoo heb ik er verscheidene en Malluch is een van de beste. Soms ook roep
+ik de hulp in van goede vrienden, zooals Sheik Ilderim den edelmoedige.
+Hij kan u zeggen, of ik u vergat of verloochende.
+
+Ben-Hur zag den Arabier aan en zeide: Hebt gij dus hier gehoord wie ik
+ben, goede Sheik?
+
+Ilderim knikte toestemmend.
+
+--Meester, vervolgde Simonides, hoe kunnen wij een mensch beoordeelen,
+dan door hem te beproeven? Ik herkende u terstond. Gij waart het
+evenbeeld uws vaders; maar ik wist niet tot welke soort van menschen gij
+behoordet. Voor sommigen is rijkdom een vloek. Waart gij een van die?
+Dat moest Malluch voor mij uitvinden. Duid hem dat niet ten kwade. Hij
+bracht mij niets den goed van u over.
+
+--Neen, ik neem het hem niet kwalijk, zeide de jonkman hartelijk. Er was
+wijsheid in uwe goedheid.
+
+--Die woorden doen mij goed, zeide de koopman aangedaan. Alle vrees voor
+misverstand is verdwenen. Nu mogen de rivieren te zamen haren loop
+vervolgen, waarheen God ze leidt.
+
+Na een oogenblik zwijgens ging hij voort: Als ik terugzie op de
+vervlogen jaren, zeg ik, evenals gij, meester: Ik zie Gods hand. Wat is
+zijn bedoeling?... Want het vermogen is in mijne handen vertienvoudigd,
+en ik was dikwijls verbaasd over dien wasdom. Ik zag, dat een ander oog
+dan het mijne over mijne ondernemingen waakte. De _samoems_, die schrik
+der woestijnen, spaarden mijne karavanen. De stormen, die zoovele
+schepen te gronde richtten, dreven de mijne slechts te sneller de
+veilige haven binnen. En het opmerkelijkste is, dat ik, gebondene, zoo
+afhankelijk van anderen, nooit schade leed door mijne agenten, nooit. De
+elementen dienden mij, en al mijne onderhoorigen waren getrouw.
+
+--Ja, dat is opmerkelijk, zeide Ben-Hur.
+
+--Daarom vraag ik: Wat kan God er mede bedoelen, vervolgde de grijsaard.
+Jarenlang reeds wacht ik op een antwoord. Ik geloofde, dat Hij mij op
+zijn tijd het antwoord zou geven. Ik geloof, dat Hij het gedaan heeft.
+Vele jaren geleden vertoefde ik te Jeruzalem en zat op zekeren avond met
+mijne vrouw buiten aan den weg, dicht bij de graven der koningen, toen
+drie vreemdelingen op witte kameelen naderden en bij ons stilhielden.
+Een van hen vraagde mij: Waar is de geboren Koning der Joden? Want wij
+hebben zijne ster in het oosten gezien en zijn gekomen om hem te
+aanbidden.--Ik begreep hem niet, maar volgde hem tot aan de Damascuspoort,
+en aan ieder, dien zij tegenkwamen, deed hij dezelfde vraag. Later vergat
+ik deze ontmoeting, hoewel er in die dagen veel over gesproken werd, alsof
+de komst van de Messias ophanden was. Helaas, helaas, wat zijn zelfs de
+verstandigsten onder ons nog kinderen. Als God over de aarde wandelt zijn
+zijne voetstappen soms eeuwen van elkander verwijderd. Hebt gij Balthasar
+reeds ontmoet?
+
+--Ja, hij heeft mij zijne geschiedenis verteld, antwoordde Ben-Hur.
+
+--Een wonder, een waar wonder, zeide Simonides. Toen hij het mij
+vertelde scheen ik het antwoord te hooren, waarop ik zoo lang had
+gewacht. Gods doel werd mij op eenmaal duidelijk. Arm zal de Koning
+zijn, als hij komt, arm en zonder vrienden, zonder gevolg, zonder leger,
+zonder steden of burchten. Zijn koninkrijk zal nog moeten gesticht
+worden en Rome zal moeten gefnuikt en vernietigd worden. Zie, meester,
+gij, toegerust met kracht, geoefend in den krijg, overladen met
+rijkdommen, zie, welke gelegenheid God u geeft! Zal zijn doel niet uw
+doel zijn? Kan iemand tot heerlijker werk geroepen worden?
+
+--Maar het Koninkrijk? vraagde Ben-Hur. Balthasar zegt, dat het uit
+zielen zal bestaan.
+
+Fier hief Simonides het hoofd op. Een spottende glimlach speelde om
+zijne lippen. Zijn nationaaltrots ontvlamde.
+
+--Balthasar is getuige geweest van vreemde dingen, dat is waar, en als
+hij spreekt luister ik eerbiedig, want hij heeft ze gezien en gehoord.
+Maar--hij is een zoon van Egypte. Hij is niet eens een proseliet. Wij
+kunnen niet aannemen, dat hij meer dan een ander weten zou van Gods
+plannen met ons volk. De profeten ontvingen hun licht rechtstreeks uit
+den hemel, hij ook, dat is zoo; maar zij zijn velen in getal, hij staat
+alleen. Jehova blijft altijd dezelfde. Ik moet de profeten gelooven.
+Breng mij de Tora, Esther.
+
+Terwijl zij het verlangde ging halen, vervolgde hij: Mag het getuigenis
+van een geheel volk veronachtzaamd worden, meester? Al reist gij van
+Tyrus, dat in het noorden bij de zee ligt, tot de hoofdstad van Edom,
+die in het zuiden in de woestijn ligt, gij zult niet één zoon van
+Abraham vinden, die u zeggen zal, dat het koninkrijk, hetwelk de Koning
+voor ons, kinderen des Verbonds, komt oprichten, niet voor deze wereld
+zou zijn. Neen, het zal een koninkrijk zijn van onzen vader David. En
+hoe komen zij aan dat geloof, denkt gij? Wij zullen zien.
+
+Esther kwam terug met een aantal rollen, in bruin linnen omslagen
+gewikkeld. De namen der profeten waren er met gouden letters op gestikt.
+
+--Houd ze voor mij vast, kind, en geef mij die, waar ik om vraag, zeide
+Simonides, en zich tot Ben-Hur wendende, vervolgde hij: Gelooft gij de
+profeten, meester? Ik weet, dat gij ze gelooft, evenals uwe
+ouders.--Esther, geef mij het boek van den profeet Jesaja.
+
+Met luide stem las hij: Het volk, dat in duisternis zat, heeft een groot
+licht gezien, en die gezeten waren in het land der schaduwen des doods,
+dengenen is een licht opgegaan. Want een kind is ons geboren en een Zoon
+is ons gegeven, en de heerschappij zal op zijn schouder zijn.... Der
+grootheid dezer heerschappij en des vredes zal geen einde zijn op den
+troon van David en in zijn koninkrijk, om dat te bevestigen, en dat te
+sterken met gericht en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid
+toe.--Gelooft gij de profeten, meester?... Esther, geef mij nu de
+woorden van den profeet Micha.
+
+En wederom las hij overluid: En gij, Bethlehem Efrata, zijt gij klein om
+te wezen onder de duizenden van Juda, uit u zal mij voortkomen die een
+heerscher zal zijn in Israël.... Meester, dat is het kindeke, dat
+Balthasar gezien heeft en aangebeden in de spelonk.
+
+Hij las verder: Ziet, de dagen komen, spreekt de Heer, dat ik aan David
+een rechtvaardige Spruit zal verwekken, die zal koning zijnde regeeren,
+en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde. In
+zijne dagen zal Juda verlost worden, en Israël zeker wonen ... hoort gij
+wel, meester, als een koning zal hij heerschen! Gelooft gij de
+profeten ... Esther, geef mij nu het boek van den profeet Daniël.
+
+Hij deed de rol open en las: Ziet, er kwam één met de wolken des hemels,
+als eens menschen zoon, en hem werd gegeven heerschappij, en eere, en
+het koninkrijk, dat hem alle volken, natiën en tongen eeren zouden.
+Zijne heerschappij is eene eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal,
+en zijn koninkrijk zal niet verdorven worden. Gelooft gij de profeten,
+meester?
+
+--'t Is genoeg, riep Ben-Hur. Ik geloof!
+
+--Welnu, als de koning komt, arm en aan alles behoefte hebbende, zal dan
+mijn meester hem niet uit zijn overvloed helpen?
+
+--Ja, zeker, tot mijn laatsten penning en tot mijn laatsten ademtocht.
+Maar waarom zegt gij, dat hij in armoede zal komen?
+
+--Esther, geef mij de profetie van Zacharia. Luister, meester: Verheug u
+zeer, gij dochter Zions, zie, uw Koning komt, rechtvaardig, en hij is
+een Heiland; arm en rijdende op eenen ezel, en op een veulen, een jong
+der ezelinnen.
+
+Ben-Hur wendde de blik af.
+
+--Wat ziet gij? vraagde Simonides.
+
+--Rome, antwoordde hij somber. Ik zie Rome met hare legioenen. Ik heb
+met hen in hunne legerplaatsen verkeerd, ik ken hen!
+
+--O zoo, zeide Simonides. Welnu, gij zult de aanvoerder zijn van de
+legioenen des Konings, en uit millioenen kunnen kiezen.
+
+--Millioenen?
+
+--Bekommer u niet over zijne macht, zeide de grijsaard nadenkend. Gij
+steldet u zooeven den koning voor, komende tot het zijne in nederigheid.
+Gij zaagt hem, om het zoo uit te drukken, aan den éénen kant, en gij
+vraagdet: Wat kan hij doen?
+
+--Ja, dat waren mijne gedachten.
+
+--O, meester, ging Simonides voort, gij weet niet hoe sterk ons Israël
+is. Gij stelt u ons volk voor als een oud man, weenende bij de rivieren
+van Babylon. Maar ga met het volgende Paaschfeest naar Jeruzalem, naar
+den tempel, en zie rondom u. De belofte van God aan onzen vader Jakob,
+komende van Paddan Aram, was een wet, waaronder ons volk niet heeft
+opgehouden zich te vermenigvuldigen, zelfs niet in de ballingschap. Wij
+vermeerderden onder den druk der Egyptenaren. Rome's overheersching is
+weldadig voor ons geweest. Wij zijn in waarheid tot een volk, tot eene
+groote menigte geworden. En dat niet alleen, meester. Om waarlijk de
+kracht van Israël te leeren kennen, hetgeen hetzelfde is als te
+berekenen wat de koning doen kan, moet gij niet alleen stilstaan bij de
+natuurlijke vermenigvuldiging, maar ook de verspreiding van het geloof
+in het oog houden, dat zich nu tot over de geheele wereld heeft
+verspreid. Voorts, men is gewoon van Jeruzalem te spreken alsof dat
+Israël was, en Jeruzalem is toch slechts als een steen van den tempel,
+of als het hart in een lichaam. Zie af van de legioenen, hoe sterk zij
+ook zijn mogen, en tel de menigte der getrouwen, die op den ouden
+alarmkreet wachten: naar uwe tenten, o Israël!... Tel de overgeblevenen
+in Perzië, kinderen van hen, die niet mede wilden terugkeeren; tel de
+broederen, die de markten van Egypte en Afrika vullen; tel de
+Hebreeuwsche kolonisten, die in het Westen handel drijven, in Lodinum en
+in de koopsteden van Spanje; tel hen en hunne proselieten in Griekenland
+en op de eilanden, in Pontus, en ook hier in Antiochië, en mijnentwege
+ook hen, die daar nederliggen in de schaduw der onheilige muren van Rome
+zelf. Tel de aanbidders van den Heer onzen God, die hunne tenten hebben
+opgeslagen in de woestijnen, hier in onze nabijheid, zoowel als in de
+woestijnen van Egypte, en in de streken langs de Kaspische zee, en in de
+oude landen van Gog en Magog; voeg er hen bij, die jaarlijks giften
+zenden aan den tempel. En als gij ophoudt met tellen, meester, beschouw
+dan het heirleger van strijdbare mannen, dat u wacht ... een koninkrijk,
+gereedgemaakt voor hem, die recht en gerechtigheid zal uitoefenen op
+aarde, zoowel in Rome als in Zion. Dan hebt gij het antwoord op uwe
+vraag. Wat Israël doen kan, dat kan de koning doen.
+
+Simonides had met vuur gesproken. Op Ilderim werkte die taal als
+bazuingeklank. O, dat ik weder jong was! riep hij en sprong op van zijn
+stoel.
+
+Ben-Hur bleef een oogenblik in gedachten verzonken, toen zeide hij:
+Toegegeven dat de koning komen zal en dat zijne heerschappij zijn zal
+als die van Salomo; onderstelt ook, dat ik bereid ben om mijzelf en al
+het mijne aan hem en zijne zaak te wijden; toegegeven zelfs, dat Gods
+leidingen met mij, en uw zeldzaam welslagen daarmede in verband
+staan--hoe dan verder? Zullen wij bouwen als blinden? Zullen wij wachten
+totdat de koning komt? of totdat hij om mij zendt? Gij, die zooveel
+ouder zijt en zooveel meer ondervinding hebt, licht mij voor!
+
+Simonides antwoordde: Wij hebben geen keus. Deze brief (hij hief
+Messala's brief omhoog) dwingt ons tot handelen. Wij zijn niet sterk
+genoeg, om aan de voorgestelde verbintenis tusschen Messala en Gratus
+het hoofd te bieden. Daartoe missen wij den noodigen invloed te Rome, en
+de vereischte kracht hier. Zij zullen u dooden, als wij afwachten. Zie
+mij aan en oordeel over hunne barmhartigheid.
+
+Hij huiverde bij de vreeselijke herinnering. Na zich bedwongen te
+hebben, vervolgde hij: Goede meester, hoe sterk zijt gij--in het willen?
+
+Ben-Hur begreep hem niet.
+
+--Ik weet nog zoo goed hoe mij de wereld toelachte, toen ik jong was,
+zeide Simonides.
+
+--En toch waart gij in staat om een groot offer te brengen, zeide
+Ben-Hur.
+
+--Ja, uit liefde.
+
+--Zijn er niet nog andere, even sterke drijfveeren?
+
+Simonides schudde ontkennend het hoofd.
+
+--Wraak dan?
+
+Dat was de lont in 't kruit. De oogen van den grijsaard flikkerden.
+Zijne handen beefden. Hij antwoordde snel: Op wraaknemen heeft de Jood
+recht. De wet gebiedt het.
+
+--Zelfs een kameel onthoudt het onrecht, dat hem aangedaan werd, riep
+Ilderim opgewonden.
+
+--Er is een werk, zeide Simonides, een werk voor den koning, dat gedaan
+moet worden vóór zijne komst. Wij mogen niet in twijfel trekken, dat
+Israël zijne rechterhand zal zijn; maar helaas, die rechterhand is een
+hand des vredes, ongeoefend in den krijg. Onder al die millioenen is
+niet één geoefende kohorte, niet één aanvoerder. De huurlingen der
+Herodianen tel ik niet mee, want zij moeten slechts dienen om ons te
+onderdrukken. De toestand is juist zooals de Romeinen dien verlangen.
+Hunne staatkunde heeft goede vruchten gedragen voor hunne tirannie. Een
+ommekeer is echter ophanden. De herder zal zich aangorden tot den
+strijd, en zal naar speer en zwaard grijpen. Het weiden der schapen moet
+plaats maken voor den kamp tegen leeuwen. De koning, mijn zoon, moet
+iemand aan zijne rechterhand hebben. Wie zal dat zijn? wie anders dan
+hij die het werk goed verstaat?
+
+Ben-Hurs gelaat gloeide bij dat vooruitzicht. Toen zeide hij: Jawel,
+maar verklaar u nader. Een werk te moeten verrichten, en de wijze
+waarop, zijn twee verschillende zaken.
+
+Simonides nam een teug wijn en hervatte: De Sheik en gij, meester, zult
+de hoofdleiders zijn, ieder met een bepaalde opdracht. Ik blijf hier, om
+te zorgen, dat de bron niet opdroogt. Gij gaat naar Jeruzalem, van daar
+naar de woestijn, en telt de strijdbare mannen, verdeelt hen in
+afdeelingen en kiest hoofdlieden over tien en hoofdmannen over honderd,
+oefent de manschappen in den wapenhandel, brengt in geheime bergplaatsen
+wapens bijeen. Voor dit doel, ja voor alles, zend ik u telkens het
+noodige geld. Gij begint te Perea, gaat vervolgens naar Galilea, vanwaar
+gij Jeruzalem gemakkelijk bereiken kunt. In Perea hebt gij de woestijn
+achter u liggen, en Ilderim vlak bij u. Hij bewaakt de heirwegen, zoodat
+niets geschiedt zonder uwe voorkennis. Hij zal u op velerlei wijze van
+dienst zijn. Tot op het oogenblik van handelen zal niemand weten wat
+hier besproken is. Ik werk achter de schermen. Met Ilderim heb ik de
+zaak reeds besproken. Wat is uw antwoord?
+
+Ben-Hur zag den Sheik aan.
+
+--'t Is zooals hij zegt, zoon van Hur, antwoordde de Arabier. Ik heb
+mijn woord gegeven en daarmede is hij tevreden; maar ik zal mijzelven
+met al de strijdbare mannen van mijnen stam onder eede aan u verbinden.
+
+Simonides, Ilderim en Esther zagen Ben-Hur in gespannen verwachting aan.
+
+Op droevigen toon begon hij: Voor iedereen staat een vreugdebeker
+geschonken, dien hij vroeger of later aan de lippen zet--voor iedereen,
+behalve voor mij. Ik zie, Simonides, en edelmoedigen Sheik, ik zie
+waarheen dat voorstel leidt. Neem ik het aan en volg ik dien weg, dan
+zeg ik den vrede vaarwel met alle hoopvolle verwachtingen, die zich
+daaraan vastknoopen. Ga ik die geopende deur binnen, dan sluiten de
+poorten van het rustige leven zich voor altijd achter mij, want Rome
+bewaakt ze. Ik ben vogelvrij verklaard. Men zal mij overal vervolgen.
+In de graven nabij de steden, in de eenzame spelonken zal ik moeten
+wonen, zal ik mijn brood eten en mijn hoofd nederleggen.
+
+Een gesmoord snikken onderbrak zijn woorden. Allen zagen Esther aan, die
+haar gelaat in de handen verborg.
+
+--Arm kind, zeide haar vader deelnemend; maar hij kon niet meer zeggen,
+want ook zijne stem beefde.
+
+--Dat doet mij goed, Simonides, zeide de jonkman. Men draagt een hard
+lot beter, als men weet, dat iemand mede lijdt. Laat mij voortgaan.... Ik
+wilde zeggen, dat ik geen andere keus heb, dan het werk te aanvaarden,
+dat gij mij aanwijst; en daar een roemlooze dood mij wacht als ik hier
+blijf, zoo zal ik terstond aan het werk gaan.
+
+--Zullen wij onze overeenkomst op schrift brengen? vraagde Simonides als
+man van zaken.
+
+--Uw woord is mij voldoende, antwoordde Ben-Hur.
+
+--En mij ook, zeide Ilderim.
+
+Op deze eenvoudige wijze werd het verbond gesloten, dat een volslagen
+ommekeer zou brengen in Ben-Hurs leven. Hij voegde er dus onmiddellijk
+bij: Zoo zij het dan!
+
+--Moge de God van Abraham onze hulp zijn! riep Simonides vurig.
+
+--En nu nog iets, mijne vrienden, zeide Ben-Hur op vroolijker toon,
+met uw goedvinden zal ik mij vrij houden tot na de feesten.
+Hoogstwaarschijnlijk zal Messala geen plannen tegen mij smeden, voordat
+hij antwoord heeft ontvangen van den procurator. Dat kan hij op zijn
+vroegst hebben zeven dagen na de verzending van den brief: Hem in den
+circus te ontmoeten is een genoegen, dat ik voor niets ter wereld zou
+willen missen.
+
+Ilderim stemde dadelijk toe en Simonides zeide: Heel goed, want dat
+oponthoud zal mij tijd geven om u een dienst te bewijzen. Ik hoorde u
+spreken over uwe erfenis van den edelen Arrius. Bestaat die in roerende
+of onroerende goederen?
+
+--Een villa bij Misenum en huizen in Rome.
+
+--Dan stel ik u voor die bezittingen te verkoopen en de gelden veilig
+te beleggen. Geef mij opgave en volmacht, dan zal ik terstond een
+zaakgelastigde afzenden. Wij zullen ditmaal ten minste de keizerlijke
+roovers vóór zijn.
+
+--Morgen zult gij opgaaf en volmacht hebben.
+
+--Dan is ons werk voor hedenavond afgeloopen, zeide Simonides, en
+Ilderim voegde er bij: En goed ook!
+
+--Geef ons nu wat te eten, Esther, zeide haar vader. Sheik Ilderim zal
+ons het genoegen doen van tot morgen bij ons te blijven. En gij, meester?
+
+--Laat de paarden voorkomen, zeide Ben-Hur. Ik keer naar het Palmbosch
+terug. Als ik nu ga zal mijn vijand er niets van merken, en uwe Arabieren,
+Sheik, zullen blij zijn als zij mij terugzien.
+
+Bij het aanbreken van den dageraad stapten Ben-Hur en Malluch voor de
+deur der tent af.
+
+
+ * * * * *
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+BEN-HURS BESLUIT.
+
+
+Den volgenden avond stond Ben-Hur met Esther op het terras van het
+groote pakhuis. Op de aanlegplaats beneden hen heerschte groote drukte
+met opladen van balen en kisten. Tal van sjouwers liepen af en aan, die
+bij het licht der flikkerende toortsen aan de dienende geesten uit
+phantastische sprookjes deden denken. Een galei werd geladen om binnen
+weinige oogenblikken te vertrekken. Simonides was nog op zijn kantoor,
+waar hij den bevelhebber de laatste bevelen gaf, om zonder oponthoud
+naar Ostia, de zeehaven van Rome, te zeilen, daar een passagier af te
+zetten, en dan bedaarder op de Spaansche stad Valencia aan te houden.
+Die passagier is de agent, die het landgoed en de huizen van Arrius zal
+verkoopen. Als de ankers gelicht zijn en de galei zee heeft gekozen, zal
+Ben-Hur onherroepelijk gebonden zijn aan het werk, dat hij den vorigen
+avond aanvaardde. Nog kan terugtreden, indien hij spijt gevoelt over de
+afspraak. Hij is de meester, en heeft slechts te spreken.
+
+Misschien doorkruiste een dergelijke gedachte zijn hoofd, toen hij daar
+met de armen over elkander het drukke tooneel gadesloeg. Jong, schoon,
+rijk, nog kort geleden verkeerende in de beste kringen van Rome, zou het
+niet te verwonderen geweest zijn, zoo hij weinig lust gevoelde om zich
+te begeven op de doornige paden, waar plicht of eerzucht hem mochten
+roepen, en waar zoovele gevaren dreigden. Wij kunnen ons zelfs
+voorstellen welke beweegredenen zich aan hem opdrongen: het onvruchtbare
+van tegen den Keizer te strijden, de onzekerheid die alles wat den
+Koning en zijne komst betrof omgaf, het gemak, de eer, de hooge staat,
+die hem toelachten, en het sterkst van alles het heerlijke gevoel van
+een tehuis gevonden te hebben, met vrienden om het leven aangenaam te
+maken.
+
+Slechts zij, die langen tijd eenzaam rondgedoold hebben, kunnen de
+kracht van dit laatste begrijpen. Zonder het te bedoelen kwam Esther
+deze aanvechtingen versterken.
+
+--Zijt gij wel eens te Rome geweest? vraagde hij haar.
+
+--Neen, luidde het antwoord.
+
+--Zoudt gij er niet eens heen willen?
+
+--Neen, liever niet.
+
+--Waarom niet?
+
+--Ik ben bang voor Rome.
+
+Hij zag haar oplettend aan. In het schemerlicht kon hij haar gelaat niet
+goed onderscheiden; maar zij herinnerde hem Tirza. Plotseling beving hem
+een gevoel van teederheid. Op dien vreeselijke morgen had zijne arme
+zuster juist zoo naast hem gestaan. Ach, waar was zij? Ja, Esther deed
+hem aan Tirza denken, en hoe zou hij haar dan als zijn lijfeigene kunnen
+beschouwen?
+
+--Ik kan niet aan Rome denken, vervolgde zij, als aan een stad van
+paleizen en tempels, vol met vroolijke menschen. Zij is voor mij een
+monster, dat zich meester heeft gemaakt van een schoon land en de
+inwoners met dood en verderf bedreigt, een monster, dat niet te
+overwinnen is, een verscheurend dier, dat zich met bloed voedt.
+Waarom ... zij aarzelde en zweeg.
+
+--Ga voort, zeide Ben-Hur vriendelijk.
+
+--Waarom, vraagde zij, wilt gij Rome tot uwe vijandin maken? Waarom niet
+liever vrede gesloten en rust hebben? Gij hebt veel verdriet gehad en
+alles verdragen. Gij zijt aan de hinderlagen, u door uwe vijanden
+gelegd, gelukkig ontkomen. Uw jeugd is door smart en leed verduisterd;
+waarom zoudt gij er uw verdere levensdagen door laten vergiftigen?
+
+Haar stem klonk overredend. Hij ontroerde en vraagde: Wat woudt gij dan,
+dat ik deed?
+
+Zij antwoordde met een wedervraag: Is uw villa bij Misenum heel mooi?
+
+--O ja. Het is een paleis te midden van fraaie tuinen, met fonteinen en
+beelden in schaduwrijke lanen; heuvels bedekt met wijngaarden, en zoo
+hoog gelegen dat men een heerlijk uitzicht heeft op Napels en den
+Vesuvius en de blauwe zee. De Keizer heeft niet ver vandaar ook een
+villa; maar algemeen word gezegd, dat de villa van Arrius de mooiste is.
+
+--En is het leven daar rustig?
+
+--Als er geen bezoekers kwamen heerschten er rust en stilte. Nu mijn
+weldoener gestorven is en ik hier ben wordt de stilte door niets
+gebroken, dan door het gefluister der bedienden of het tjilpen der
+vogels, of het ruischen der fonteinen. Bloemen verwelken en nieuwe
+bloemen ontluiken, het zonlicht maakt plaats voor de schaduwen van den
+nacht, dat is de eenige afwisseling. Dat leven, Esther, was voor mij te
+stil. Het maakte mij rusteloos, door mij altijd levendig te doen
+gevoelen, dat ik, die zooveel te doen heb, langzamerhand lui werd, en
+mij liet binden door zijden koorden, en aan het einde van mijn leven
+niets zou hebben om op terug te zien. Maar waarom vraagdet gij dat?
+
+--Goede meester....
+
+--Neen, Esther, dat niet. Noem mij vriend, of broeder, als ge wilt. Ik
+ben uw meester niet, en wil het niet zijn. Noem mij broeder.
+
+De duisternis belette hem den blos van vreugde op haar gelaat en de
+glans in hare oogen te zien. Na een oogenblik vervolgde zij: Ik kan niet
+begrijpen, dat gij de voorkeur geeft aan een leven van--van--
+
+--Geweld, en misschien van bloedvergieten, zeide hij, den zin voltooiend.
+
+--Ja, antwoordde zij, in plaats van het rustige leven op de schoone
+villa.
+
+--Esther, gij vergist u. Van voorkeur geven is geen sprake. De Romein
+is niet zoo vriendelijk. Ik ga uit nooddwang. Hier blijven wil zeggen
+sterven. En ga ik naar Misenum, dan is het einde hetzelfde: een
+vergiftigde drank, de dolk van een sluipmoordenaar, of een door een
+meineed verkregen vonnis. Messala en de procurator Gratus hebben zich
+verrijkt met mijn vaders bezittingen. Het geroofde te behouden is voor
+hen van het grootste belang. Een vreedzame schikking is ondenkbaar,
+omdat zij een bekentenis zou insluiten. En dan--ach Esther, al was dat
+ook mogelijk, ik geloof niet, dat ik er in zou bewilligen. Voor mij geen
+vrede, neen, zelfs niet in de koele boschjes der lieve oude villa. Voor
+mij geen vrede, zoolang mijne moeder en zuster niet gevonden zijn. En
+als ik haar vind, moet ik dan het haar aangedane leed niet wreken? Zoo
+zij door geweld zijn omgebracht, moeten dan de moordenaars niet gestraft
+worden? Ja, want zij zouden mij in mijne droomen vervolgen. Zelfs de
+heiligste liefde met al hare vindingrijkheid zou mijn geweten niet in
+slaap kunnen wiegen.
+
+--Is het zoo erg? vraagde zij bevend. Kan niets daartegen gedaan worden?
+
+Ben-Hur nam hare hand in de zijne: Houdt gij zooveel van mij?
+
+--Ja, antwoordde zij eenvoudig.
+
+Op eenmaal dacht hij aan de Egyptische, zoo geheel anders dan Esther,
+zoo uitdagend, zoo geestig, zoo schoon, zoo betooverend. Hij bracht het
+handje naar zijne lippen en liet het toen weder los.
+
+--Gij zult eene tweede Tirza voor mij zijn, Esther.
+
+--Wie is Tirza?
+
+--Het zusje, dat de Romein mij ontstal, en dat ik zoeken en vinden moet,
+vóórdat ik aan rust of geluk kan denken.
+
+Op dat oogenblik viel een lichtstraal schuin over het terras. Zich
+omkeerende zagen zij, dat een bediende Simonides in zijn rolstoel naar
+buiten bracht. Zij voegden zich bij hem, en lieten het spreken
+grootendeels aan hem over.
+
+Intusschen lichtte de galei het anker en zette onder het gejubel van
+vroolijke matrozen koers naar de zee. De teerling was geworpen. Ben-Hur
+had zich verbonden aan de zaak van den koning, die te komen stond.
+
+
+ * * * * *
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+HET PROGRAMMA.
+
+
+Daags voor de spelen werden Ilderims paarden en wagens naar de stad
+gebracht en dicht bij den circus gestald. Maar daar bleef het niet bij.
+De tenten werden afgebroken, paarden en kameelen gezadeld en bepakt, en
+toen verliet de gansche karavaan, het vee voor zich uitdrijvende, het
+schaduwrijke plekje in het Palmbosch. Werd Ilderim, zooals hij vermoedde,
+bespied, wat nood? Weldra zou alles, wat hij aan waarde met zich had
+genomen, op weg naar de woestijn zijn, buiten bereik van wien ook.
+
+Noch hij noch Ben-Hur overschatten den invloed van Messala. Zij waren
+van oordeel, dat hij eerst na afloop van den wedren tegen hen zou
+optreden. Delfde hij het onderspit, en wel door toedoen van Ben-Hur, dan
+konden zij zich op het ergste voorbereiden. Waarschijnlijk zou hij dan
+niet eens den raad van Gratus afwachten.
+
+Met het oog hierop hadden zij hunne plannen gemaakt, en alles voorbereid
+tot een overhaast vertrek.
+
+Welgemoed reden zij naast elkander voort, vol vertrouwen op den dag van
+morgen. Onderweg kwamen zij Malluch tegen. De brave man verraadde door
+woord noch blik, dat hij de verhouding van den jongen man tot Simonides
+kende of van hun verbond kennis droeg. Hij groette als naar gewoonte, en
+reikte den Sheik een papier over, zeggende: Hier heb ik het programma
+van de spelen. Het is zooeven uitgekomen. Gij zult uwe paarden
+aangekondigd zien voor den wedren, ook de volgorde van de
+vermakelijkheden.
+
+Terwijl de Sheik het papier inzag, zeide Malluch tot Ben-Hur: Ik wensch
+u geluk, zoon van Arrius. Morgen zult ge met Messala in het strijdperk
+treden. Aan alle verplichtingen is voldaan. De ondernemer heeft het mij
+zelf gezegd.
+
+--Heb dank, Malluch, zeide Ben-Hur.
+
+--Uwe kleur is wit, vervolgde de ander. Die van Messala rood en goud.
+Het is reeds overal bekend, want de jongens op straat bieden al lintjes
+en strikjes te koop aan. Morgen zal iedere Arabier en iedere Jood met
+wit versierd zijn. In den circus zult gij zien dat wit en rood met goud,
+gelijkelijk op de galerijen gedragen worden.
+
+--Op de galerijen, ja--maar niet op de tribune tegenover de Porta
+Pompae.
+
+--Neen, daar zal rood met goud overheerschend zijn. Maar als wij
+winnen,--Malluch lachte smakelijk bij die gedachte,--hoe zullen die
+heertjes dan sidderen. Zij gaan natuurlijk aan 't wedden. In hunne
+minachting voor alles wat niet Romeinsch is zullen zij twee, drie, vijf
+zetten tegen een op Messala. Het past eigenlijk niet voor een Jood van
+goeden naam zijn geld er aan te wagen; maar ik wil u in vertrouwen
+zeggen, dat ik een vriend achter den zetel van den consul plaatsen zal,
+om weddenschappen aan te nemen van drie, vijf, of tien tegen een, hoe
+hoog zij ook in hunne verdwaasdheid mochten willen gaan. Ik heb hem tot
+dat doel een wissel van 6000 sikkel gegeven.
+
+--Neen, Malluch, een Romein wedt alleen met Romeinsch geld. Zoek uw
+vriend nog van avond op en stel zooveel sestertiën tot zijne
+beschikking, als gij noodig oordeelt. En, Malluch, zeg hem vooral dat
+hij weddenschappen moet zien aan te gaan met Messala en diens vrienden,
+Ilderims vierspan tegen dat van Messala.
+
+Malluch dacht even na.
+
+--Dat zal de aandacht van allen op u vestigen.
+
+--Dat is juist wat ik verlang.
+
+--Ik begrijp het, jawel!
+
+--Als gij mij een genoegen wilt doen, Malluch, tracht dan het publiek
+opmerkzaam te maken op den wedstrijd tusschen Messala en mij.
+
+--Daar zie ik wel kans toe, antwoordde Malluch. Ik zal buitengewoon
+hooge sommen inzetten. Worden zij aangenomen, zooveel te beter.
+
+Malluch zag Ben-Hur onderzoekend aan, terwijl deze half tot zichzelven
+zeide: Zou ik mij niet schadeloos stellen voor den aan mij gepleegden
+roof? Zulk een gelegenheid komt misschien nooit meer terug. En als ik
+niet alleen zijn trots fnuikte, maar hem daarenboven geheel te gronde
+kon richten, dan ...! Onze vader Jakob zou daar niets tegen kunnen
+hebben. Ja, het moet. Luister, Malluch. Bepaal u niet tot sestertiën.
+Jaag hen op tot talenten. Als zij durven vijf, tien, twintig talenten,
+desnoods vijftig, als gij met Messala zelf kunt laten wedden.
+
+--Dat zijn verbazende sommen. Dan zou ik borg moeten kunnen stellen.
+
+--Goed. Ga naar Simonides en vraag hem die zaak voor mij in orde te
+brengen. Zeg hem, dat ik er mijn hart op gezet heb mijn vijand te
+vernietigen, en dat zich nooit betere gelegenheid kan voordoen. De God
+onzer vaderen zij met ons! Ga, beste Malluch. Laat de gelegenheid u niet
+ontsnappen.
+
+Vol vuur wilde Malluch zich verwijderen, maar bedacht zich intijds en
+zeide: Nog iets, heer. Ik kon niet dicht genoeg bij Messala's wagen
+komen, daarom heeft iemand anders de maat voor mij genomen. Hij zeide,
+dat de as een handbreed hooger van den grond was dan de uwe.
+
+--Een handbreed! Zooveel? riep de jonkman vroolijk en fluisterde toen
+Malluch in het oor: Daar gij een zoon van Juda zijt en trouw voor uwen
+stamgenoot, moet gij zorgen, dat gij een plaats krijgt vooraan op de
+galerij tegenover den triomfboog. Let dan maar goed op telkens als wij
+daar den draai maken. Let goed op, want als het geluk mij dient zal
+ik ... maar neen, ik zeg verder niets. Zorg maar dat gij daar komt te
+zitten.
+
+Op dat oogenblik uitte Ilderim een kreet van verbazing.
+
+--Ha! Wat is dat! Lees! riep hij tot Ben-Hur.
+
+Deze nam het blad, dat, door den prefect der provincie onderteekend,
+zooveel was als ons hedendaagsch programma, en uitvoerig de
+verschillende vermakelijkheden beschreef. Eerst zou een luisterrijke
+optocht gehouden worden, gevolgd door de gewone eerbewijzen aan den god
+Consus, daarna wedloopen, springen, worstelen, boksen. De namen der
+deelnemers met opgave van nationaliteit en leerschool waren alle
+aangegeven, benevens hunne vroegere overwinningen. Dit gedeelte van het
+programma zag Ben-Hur vluchtig door; maar toen hij aan de beschrijving
+van den wedren kwam las hij die bedaard en rustig. Zij begon met de
+mededeeling, dat de liefhebbers een zeldzaam genot wachtte, vermeldde
+daarna, dat de prijs zou bestaan uit 100,000 sestertiën en een
+lauwerkrans, en ging toen tot bijzonderheden over. Zes vierspannen waren
+ingeschreven, die, om den strijd te belangwekkender te maken, alle te
+gelijk zouden afrijden. Daarop volgde eene beschrijving van de
+vierspannen.
+
+I. Een vierspan van Lysippus den Corinthiër--twee schimmels, een vos en
+een bles. Verleden jaar te Alexandrië en te Corinthe den prijs behaald.
+Menner: Lysippus. Kleur: geel.
+
+II. Een vierspan van Messala den Romein--twee witte, twee zwarte.
+Verleden jaar prijswinners bij de Circensische spelen in den Circus
+Maximus. Menner: Messala. Kleur: rood en goud.
+
+III. Een vierspan van Cleanthes den Athener--drie schimmels, een vos.
+Verleden jaar prijswinners bij de Istmische spelen. Menner: Cleanthes.
+Kleur: groen.
+
+IV. Een vierspan van Dicaeus den Byzantijner--twee zwarte, een schimmel,
+een vos. Prijswinners te Byzantium. Menner: Dicaeus. Kleur: zwart.
+
+V. Een vierspan van Admetus den Sidoniër--alle schimmels. Driemaal
+prijswinners te Cesarea. Menner: Admetus. Kleur: blauw.
+
+IV. Een vierspan van Ilderim, Sheik der woestijn--alle vier vossen,
+eerste renners. Menner: Ben-Hur, een Jood. Kleur: wit.
+
+Menner: Ben-Hur, een Jood!
+
+Waarom dien naam opgegeven in plaats van Arrius?
+
+Ben-Hur zag den Sheik vragend aan. Nu begreep hij de reden van Ilderims
+uitroep. Beiden kwamen tot dezelfde slotsom: dat had Messala gedaan!
+
+
+ * * * * *
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+DE WEDDENSCHAPPEN.
+
+
+Den avond voor de feesten heerschte in Antiochië groote drukte. Een
+dichte menschenmassa bewoog zich door de straten, voornamelijk langs de
+Kolonnade van Herodes. Men kon zich dan ook moeilijk iets denken, dat
+meer geschikt was om wandelaars te lokken, dan die breede overdekte
+paden, met hunne sierlijke marmeren bogen. Overal brandde licht, overal
+heerschte vroolijkheid: gezang, gelach, gedruisch van stemmen.
+
+Schier alle nationaliteiten waren vertegenwoordigd in hunne verschillende
+kleederdrachten, hetgeen niet weinig bijbracht tot verlevendiging van het
+tooneel.
+
+Eéne bijzonderheid zou onze aandacht zeker getrokken hebben, en wel dat
+bijna iedereen de kleur van een der zes menners droeg, hetzij in de vorm
+van een sjerp of rozet, of een veer op de muts. Men behoefde niet lang
+rond te zien om te bemerken, dat drie kleuren den boventoon voerden:
+groen, wit, en rood met goud.
+
+Wij willen ons thans niet buiten ophouden, maar een kijkje nemen in het
+paleis op het eiland.
+
+De vijf groote kroonlichten branden. Het gezelschap, dat wij in de zaal
+vinden, in nagenoeg hetzelfde als dat, waarmede wij den vorige keer
+kennis maakten. Op den divan liggen ook nu slapers en mantels, en op de
+tafels rollen weder de dobbelsteenen. Het meerendeel der aanwezigen doet
+echter niets. Men wandelt op en neer, men gaapt, men zegt nietsbeteekende
+aardigheden. Eigenlijk vervelen zij zich. Hun voornaamste werk is gedaan,
+zij hebben hun tafeltjes volgeschreven met weddenschappen op het
+hardloopen, het worstelen, het boksen, op alles, behalve op den wedren,
+en wel om de eenvoudige reden, dat niemand een enkelen denarie met hen
+verwedden wil tegen Messala.
+
+Allen dragen zijne kleuren. Dat hij de nederlaag zou kunnen lijden wordt
+niet mogelijk geacht. Hij heeft immers de beste school doorgemaakt!
+Zijne paarden hebben den prijs behaald in den Circus Maximus! En,
+bovenal, hij is immers een Romein!
+
+Messala zelf zit gemakkelijk in een hoek van den divan, het middelpunt
+van een groep bewonderende vrienden. Zij hebben het natuurlijk druk over
+den dag van morgen.
+
+Daar komen Drusus en Cecilius binnen. De eerste valt naast Messala op
+den divan, met den uitroep: Bij Bacchus, ik ben moe!
+
+--Waar zijt gij geweest? vraagde Messala.
+
+--Overal. Wat een menigte menschen is er op de been! Het zal morgen in
+den circus ongenaakbaar zijn.
+
+--Hebt gij ook iets bijzonders gezien?
+
+--Neen.
+
+--Zoo? zeide Cecilius. Gij vergeet dien optocht van Witten.
+
+'t Is waar ook. Wij kwamen een langen stoet Witten tegen met een banier.
+Maar ... hahaha!
+
+--Ga voort, zeide Messala. Wat verder?
+
+--Och, 't was een partijtje Arabieren, en wat Joden uit Jeruzalem. Dat
+was alles.
+
+--Neen, Messala, zeide Cecilius. Drusus is bang om uitgelachen te
+worden, maar ik niet alzoo.
+
+--Welnu, spreek gij dan.
+
+--Wel, wij hielden den troep staande, en--
+
+--En vraagden of zij een weddenschap met ons wilden aangaan, viel Drusus
+zijn vriend lachend in de rede. Een jongen stapte naar voren, en zei ja.
+Ik nam mijn tafeltje en zeide: Op wien woudt gij wedden? Op Ben-Hur, den
+Jood, antwoordde hij. Toen zeide ik: Om hoeveel zullen wij wedden? Hij
+antwoordde ... hahaha! O, Messala, ik moest zóó lachen, 't was zoo gek,
+hahaha!
+
+Messala keek Cecilius vragend aan, en deze zeide: een sikkel;--welke
+mededeeling een luid en algemeen gelach veroorzaakte.
+
+--En wat deed Drusus? vraagde Messala.
+
+--Natuurlijk bedankte hij voor de eer.
+
+Bij de deur ontstond eenig rumoer, dat al sterker en sterker werd en
+zelfs Cecilius deed opstaan, om te gaan zien wat de reden kon zijn.
+Luide kreten van: Een witte! een witte! klonken hem tegen.
+
+Hierheen, hierheen! riepen sommigen.
+
+De spelers verlieten hun spel, de slapers ontwaakten, wreven zich de
+oogen uit, haalden hunne tafeltjes voor den dag en naderden den kring,
+die zich om den vreemdeling gevormd had.
+
+--Ik bied u....
+
+En ik....
+
+--Ik ... schreeuwden zij door elkander.
+
+De persoon, die zoo stormachtig begroet werd, was niemand anders, dan de
+Jood van Cyprus, door wien Ben-Hur allereerst van Simonides gehoord had.
+Hij was in het wit gekleed, en trad beleefd groetend vooruit. Langzaam
+en statig ging hij naar de middeltafel, zette zich neder en wuifde met
+de hand. Een kostbaar juweel aan zijnen vinger bracht niet weinig bij
+tot het verkrijgen van de gewenschte stilte.
+
+--Romeinen, edele Romeinen, ik groet u, zeide hij.
+
+--Die is leuk! zeide Drusus. Wie is hij?
+
+--Een Jood--Sanballat heet hij, leverancier aan het leger, woont in
+Rome, geducht rijk geworden door leveranciers, die hij nooit levert. Hij
+zint altijd op kwaad, maar ditmaal zullen wij hem in zijn eigen strikken
+vangen.
+
+Messala stond op, terwijl hij dit zeide, en voegde zich bij de anderen.
+
+--Ik hoorde op straat, zeide Sanballat, zijn tafeltje ter hand nemend,
+dat men in het paleis ontevreden is, omdat niemand tegen Messala wil
+wedden. Gij ziet mijne kleur. Ter zake dus. Wat biedt gij mij? Eerst
+kansen, daarna de som.
+
+Zijne stoutmoedigheid overblufte de jonge Romeinen.
+
+--Kom, hernam hij, ik heb niet veel tijd. De consul wacht mij bij zich.
+
+Dat werkte.
+
+--Twee tegen een, riep een half dozijn stemmen.
+
+--Hoe nu? vraagde Sanballat verbaasd. Twee tegen een? En gij wedt op een
+Romein?
+
+--Drie dan!
+
+--Niet meer dan drie? Een Romein tegen een Jood! Zeg vier!
+
+--'t Is goed, vier! riep een knaap, door dien spot getergd.
+
+--Vijf. Zeg vijf, liet Sanballat er onmiddellijk op volgen.
+
+Diepe stilte heerschte in de zaal.
+
+--De consul wacht op mij. Ik heb niet veel tijd meer.
+
+De stilte werd benauwend.
+
+--Zeg vijf. Voor de eer van Rome vijf.
+
+--'t Is goed, laat het vijf zijn, zeide Messala.
+
+Sanballat glimlachte en deed alsof hij wilde gaan schrijven. Als de
+keizer morgen sterft, zeide hij, behoeft Rome niet verlegen te staan.
+Hier is ten minste nog een, die moed bezit. Zeg zes!
+
+--Goed. Zes, antwoordde Messala, en werd met een stormachtig applaus
+beloond.
+
+--Zes tegen een dus, herhaalde Messala. Zes tegen een. Het onderscheid
+tusschen een Romein en een Jood. Schrijf het bedrag op. Maar vlug. De
+consul mocht u laten roepen en dan was ik mijn winst kwijt.
+
+Sanballat liet hem lachen, schreef, en bood zijn tafeltje aan Messala.
+
+--Lees, lees! riepen zijne vrienden.
+
+Messala las met luide stem:
+
+ Mem. Wedren met wagens. Messala van Rome wedt met Sanballat,
+ eveneens van Rome, dat hij Ben-Hur den Jood zal verslaan. Bedrag
+ der weddenschap: twintig talenten. Kansen: Zes tegen een.
+
+ Getuigen: ............
+
+ Sanballat.
+
+Doodelijke stilte alom. Als aan den grond genageld stonden de
+jongelieden. Messala staarde op het memorandum, de oogen van de anderen
+rustten op hem. Hij voelde die blikken en overlegde wat te doen. Zoo
+kort geleden nog had hij op deze zelfde plek den meester gespeeld over
+zijne makkers. Weigerde hij te teekenen, dan was hij van zijn voetstuk
+gevallen. Toch kon hij niet teekenen, want hij bezat geen honderd
+talenten, nauwelijks een vijfde van die som. Alles schemerde hem voor de
+oogen. Hij stond sprakeloos en werd doodsbleek. Daar viel hem iets in.
+
+--Gij Jood, zeide hij, zoudt gij twintig talenten bezitten? Bewijs!
+
+Een fijne glimlach speelde om Sanballats lippen.
+
+--Ziedaar! zeide hij en overhandigde Messala een blad papier.
+
+Weder las Messala met luide stem:
+
+ Antiochië, den 16den Tammuz.
+
+ Toonder dezes, Sanballat van Rome, heeft bij mij gedeponeerd vijftig
+ talenten, Romeinsch geld.
+ Simonides.
+
+--Vijftig talenten! Vijftig talenten! riepen de jongelieden verbaasd.
+
+Nu kwam Drusus zijn vriend te hulp. Bij Herkules! riep hij, dat blad
+liegt, en de Jood liegt. Wie, behalve de keizer, heeft zoo op eens
+vijftig talenten ter beschikking? Weg met den onbeschaamden Witte!
+
+Hij was driftig en stak ook de anderen aan. Sanballat bleef echter
+bedaard, en glimlachte weder. Eindelijk zeide Messala: Stil! Een tegen
+een, vrienden! Een tegen een, ter liefde van onzen ouden Romeinschen
+naam.
+
+Met dat woord beheerschte hij weder den toestand.
+
+--Welaan, Jood, zeide hij tegen Sanballat, ik wedde zes tegen een, niet
+waar?
+
+--Ja, antwoordde de ander bedaard.
+
+--Welnu, laat dan aan mij over het bedrag vast te stellen.
+
+--Goed; maar onder beding, dat de som niet te gering zij, antwoordde
+Sanballat.
+
+--Schrijf dan vijf in plaats van twintig.
+
+--Kunt gij daarover beschikken?
+
+--Bij de moeder der Goden, ik zal u het bewijs geven.
+
+--Niet noodig. Het woord van zulk een dapper Romein is mij genoeg. Maar
+maak het liever tot een even getal. Zeg zes, en ik zal schrijven.
+
+--Het zij zoo.
+
+Daarop verwisselden zij van tafeltjes.
+
+Sanballat stond op en zag rond. Uitdagende spot was op zijn gelaat te
+lezen. Beter dan iemand wist hij wien hij voor zich had.
+
+--Romeinen, durft gij nog een weddenschap aan te gaan? Vijf talenten
+tegen vijf, dat wit winnen zal. Ik daag u allen te zamen uit.
+
+Algemeene verbazing.
+
+--Wat? riep Sanballat luide. Moet morgen in den circus verteld worden,
+dat een Jood in het paleis geweest is, waar de bloem der Romeinsche
+edellieden verzameld was, en dat hij vijf talenten inzette, maar dat
+niemand hem aandurfde? Dat is te erg.
+
+--Genoeg, onbeschaamde! riep Drusus. Schrijf de uitdaging op en leg ze
+hier op tafel neer. Als morgen blijkt, dat gij werkelijk zooveel geld op
+een verloren zaak kunt zetten, dan beloof ik, Drusus, u, dat ik de
+weddenschap aanneem.
+
+Weder schreef Sanballat het vereischte stuk en zeide doodbedaard:
+Ziehier, Drusus, ik laat het stuk in uwe handen. Als het geteekend is,
+zend het mij dan, voordat de wedrennen beginnen. Ik heb een plaats vlak
+bij den consul tegenover de Porta Pompae. Vrede zij u allen!
+
+Hij boog en vertrok, onverschillig voor de spotternijen, die zij hem ten
+besluite deden hooren.
+
+Dienzelfden avond nog vloog het verhaal van de onzinnige weddenschap als
+een loopende vuurtje door de stad. Ook Ben-Hur hoorde er van, met
+bijvoeging, dat Messala's geheele fortuin op het spel stond. Hij had
+zich met zijn vierspan ter rust begeven en nooit sliep hij beter dan
+dien nacht.
+
+
+ * * * * *
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+DE CIRCUS.
+
+
+De circus te Antiochië stond op den zuidelijken oever der rivier,
+tegenover het eiland, en was wat den vorm betreft als andere gebouwen
+van die soort. De spelen waren in vollen zin des woords een geschenk aan
+het volk, dat wil zeggen: iedereen had vrijen toegang.
+
+Lang voordat de deuren opengingen verzamelde zich in de naburige straten
+een dichte menigte, want hoe groot en ruim het gebouw ook zijn mocht,
+ieder wilde de eerste zijn, uit vrees dat hij geen plaats zou krijgen.
+
+Nauwelijks was de morgenschemering aangebroken, of de toegang werd
+geopend en het volk stroomde naar binnen, om bezit te nemen van de voor
+hem bestemde plaatsen. Zij hadden hun ontbijt bij zich en brachten de
+uren, die nog verloopen moesten, voordat de spelen begonnen, slapende en
+etende door.
+
+De meer aanzienlijken, die besproken plaatsen hadden, kwamen met de
+eerste uren van den dag, en toen de zonnewijzer van de citadel de tweede
+ure aangaf, daalde het garnizoen in volle wapenrusting en met vliegende
+vanen van den berg Sulpius af. Toen de achterhoede over de brug verdween,
+was Antiochië letterlijk leeggeloopen.
+
+Die geen plaats hadden kunnen krijgen in den circus hadden zich naar de
+rivier begeven, om den consul, die in het eiland-paleis logeerde, in
+zijn fraaie bark te zien landen. Toen de groote man aan wal stapte werd
+hem door het legioen de militaire eer bewezen, waarna de stoet den
+circus binnentrok.
+
+Met de derde ure kondigde trompetgeschal de opening van het feest aan.
+Het rumoer verstomt. De oogen van meer dan honderdduizend menschen
+vestigen zich in gespannen verwachting op een en hetzelfde punt, op de
+Porta Pompae, waar de autoriteiten en kampspelers in feestelijken
+optocht zullen binnenkomen.
+
+Daar zijn zij. Eerst de koorzangers en muzikanten, dan de prefect en
+het stedelijk bestuur, in prachtgewaad en met kransen op het hoofd,
+vervolgens de beelden der goden, sommige gedragen, andere in prachtig
+versierde wagentjes, daarna de kampvechters, ieder in zijn bijzonder
+kostuum. Langzaam gaat de processie voort. Het is een schoon en
+indrukwekkend gezicht, en lokt een eindeloos gejubel uit.
+
+De ontvangst der athleten is bijzonder luidruchtig, want er is niemand
+onder de toeschouwers, die niet op hen gewed heeft, al is het nog zoo
+weinig. Men roept hen bij hunne namen, men werpt hun bloemen en kransen
+toe. De vierspannen sluiten den optocht. De fiere rossen, de prachtige
+wagens boeien aller oogen, de menners niet minder. Hunne fijne wollen
+tunica's, kort en zonder mouwen, zijn van de hun toegewezen kleuren. Een
+man te paard begeleidt iederen wagen, behalve dien van Ben-Hur. Deze had
+om de eene of andere reden, misschien uit wantrouwen, voor die eer
+bedankt. De andere menners dragen een helm, hij niet.
+
+De toeschouwers staan op van hunne zitplaatsen, men juicht, men jubelt,
+en een regen van bloemen daalt neer op de paarden, de wagens, de menners.
+
+Alle aanwezigen, mannen, vrouwen en kinderen, dragen een strikje op de
+borst, of in het haar, de kleur van een der menners, maar ofschoon alle
+kleuren vertegenwoordigd zijn, voeren wit, en rood met goud, den
+boventoon. De oorzaak hiervan is te zoeken in het nationaliteitsgevoel.
+De buitenlieden: Syriërs, Joden en Arabieren, hopen den Jood te zien
+zegepralen. De burgers van Antiochië en de Romeinen rekenen er op den
+Romein als overwinnaar uit het strijdperk te zien treden. De Grieken
+zijn verdeeld tusschen den Corinthiër en den Athener. De steden
+Byzantium en Sidon zijn schaars vertegenwoordigd.
+
+Naarmate de stoet voorttrekt neemt de geestdrift toe. Messala! Messala!
+Ben-Hur! Ben-Hur! weerklinkt het luider en luider, en toen men eindelijk
+de arena door de Porta Pompea verliet, wist Ben-Hur dat zijn gebed
+verhoord was. Het Oosten wachtte in spanning den uitslag af van zijn
+strijd met Messala.
+
+
+ * * * * *
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+DE AFRIT.
+
+
+Te drie uur des namiddags volgens onze tijdrekening was het grootste
+gedeelte van het programma afgeloopen. De wedren alleen moest nog
+gehouden worden. Maar eerst zou er een pauze zijn, opdat de toeschouwers
+zich wat zouden kunnen verfrisschen. De deuren werden geopend, de
+meerderheid stroomde naar buiten, om zich in de nabijgelegen winkels van
+het noodige te voorzien. Zij, die liever bleven zitten, praatten,
+geeuwden, rekten zich uit, raadpleegden hunne tafeltjes, en bespraken
+hun verlies of winst.
+
+Diegenen van de burgerij, welke om verschillende redenen verkozen hadden
+alleen den wedren bij te wonen, maakten van de pauze gebruik, om zich
+naar de voor hen besproken plaatsen te begeven. Door dit uur te kiezen
+trokken zij het minst de aandacht en gaven niemand aanstoot.
+
+Tot deze klasse behoorden Simonides en zijn gezelschap, die hunne plaatsen
+hadden bij den hoofdingang tegenover den consul.
+
+Toen vier bedienden den koopman in zijn stoel naar binnen droegen, staken
+allen de hoofden bij elkander. Iemande noemde zijn naam, en weldra ging
+hij van mond tot mond. Allen bogen zich over de leuning om den man te
+zien, van wiens rijkdom en treurig lot verschillende praatjes in omloop
+waren. Ook Ilderim werd door velen herkend en met warmte begroet; maar
+niemand wist te zeggen wie Balthasar en de twee dicht gesluierde vrouwen
+waren, die hen vergezelden. Toen zij gezeten waren zag de eene, Esther,
+verlegen voor zich en trok haar sluier dichter voor 't gelaat; maar de
+andere, Iras, liet hem afglijden, en keek vrijmoedig om zich heen.
+
+Een weinig later kwamen eenige werklieden en spanden een met wit krijt
+bestreken touw dwars over de arena, vóór den eersten eindpaal. Terwijl
+zij daar nog mee bezig waren, traden zes mannen door de Porta Pompae
+binnen en stelden zich voor de zes stallen. Nu ontstond een algemeen
+fluisteren en wijzen.
+
+--Kijk, de groene gaat naar nummer vier, daar is dus de Athener.
+
+--En Messala is in nummer twee.
+
+--De Corinthiër ...!
+
+--O, zie eens naar de witte! Kijk, hij gaat naar nummer een.
+
+--Neen, daar blijft de zwarte staan, de witte moet naar nummer twee.
+
+--O ja, gij hebt gelijk.
+
+Deze deurwachters droegen tunica's van de kleuren der mededingende
+menners; zoodat, toen zij hunne plaatsen innamen, iedereen wist in
+welken stal zijn uitverkoren held het sein tot den afrit verbeidde.
+
+--Hebt gij Messala wel eens gezien? vraagde Iras aan Esther.
+
+--Neen, antwoordde zij, en huiverde op het hooren van dien gevreesden
+naam.
+
+--Hij is schoon als Apollo, hernam Iras.
+
+--Zou hij dan zóóveel schooner zijn dan Ben-Hur, dacht Esther.
+
+Een oogenblik later hoorde zij Ilderim tot haren vader zeggen: Ja, zijn
+stal is nummer twee, links van de Porta Pompae,--en begrijpende, dat zij
+over den jongen meester spraken, keek zij naar dien kant. Ook slechts
+even, toen hulde zij zich nog dichter in haar sluier, en zond een innig
+smeekgebed tot God omhoog.
+
+Nu voegde Sanballat zich bij hen.
+
+--Sheik, zeide hij, ik ben even in den stal geweest. De paardjes bevinden
+zich in den besten welstand.
+
+Ilderims oogen glinsterden van voldoening, maar hij antwoordde bedaard:
+Mochten zij het onderspit delven, dan hoop ik dat dit voor een ander dan
+Messala zal zijn.
+
+--Zie, zeide Sanballat, zich tot Simonides wendende, hier is iets dat u
+belang zal inboezemen. Ik deelde u reeds mede, dat ik gisteren een
+weddenschap met Messala heb aangegaan, en het aanbod tot een tweede
+achterliet, die mij, zoo het aangenomen werd, hedenmorgen moest bezorgd
+worden. Hier is zij,... en dit zeggende overhandigde hij Simonides een
+tafeltje.
+
+Simonides nam het en las het memorandum met aandacht.
+
+--In orde, zeide hij. Van morgen lieten zij mij vragen, of het waar was,
+dat gij over zooveel geld te beschikken hadt. Bewaar het tafeltje goed.
+Verliest gij, welnu, gij weet waar gij u vervoegen kunt. Wint gij--O
+mijn vriend! als gij wint, pas dan op. Laat niet toe, dat zij u
+ontsnappen. Dwing hen u tot den laatsten penning te betalen. Zij zouden
+het ons ook doen.
+
+--Verlaat u op mij, antwoordde Sanballat.
+
+--Wilt gij niet bij ons komen zitten? vraagde Simonides.
+
+--'t Is heel vriendelijk van u, maar als ik niet bij den consul blijf
+wordt jong Rome te overmoedig.
+
+De pauze was afgeloopen. Trompetgeschal riep de afwezigen naar hunne
+plaatsen terug. Tegelijkertijd verschenen eenige bedienden in de arena,
+klommen op den scheidsmuur, gingen naar een uitstekje bij den tweeden
+paal aan het westeinde en legden er zes houten ballen op. Vervolgens
+keerden zij terug naar den eersten paal en legden op een dergelijk
+uitstekje zes houten dolfijnen.
+
+--Wat beteekenen die ballen en die visschen, Sheik? vraagde Balthasar.
+
+--Hebt gij nog nooit een wedren bijgewoond?
+
+--Neen, dit is de eerste maal.
+
+--Wel, daar telt men mede. Na iederen rondgang wordt een bal en een
+visch weggenomen.
+
+De voorbereidingen waren afgeloopen. Een trompetter stond gereed om op
+het bevel van den prefect het signaal te blazen. Het gejoel en gepraat
+verstomde. In gespannen verwachting keerden alle hoofden zich naar de
+nog gesloten stallen, waar de zes mededingers wachtten.
+
+De ongewone kleur op het gelaat van Simonides toonde duidelijk, dat hij
+alles behalve kalm was, terwijl Ilderim onrustig in zijn baard woelde.
+
+--Let nu op den Romein, zeide Iras tot Esther, die met een kloppend hart
+naar Ben-Hur uitzag.
+
+Een kort schril trompetgeschal, en de zes opzichters traden naar voren
+om, zoo de paarden wild mochten zijn, hulp te kunnen verleenen. Weer
+werd de trompet geblazen, en tegelijkertijd werden de deuren der stallen
+opengeworpen.
+
+Eerst verschenen de bereden begeleiders der mededingers, vijf in getal,
+want Ben-Hur had zooals wij weten voor die eer bedankt. Het witte touw
+werd neergelaten om hen te laten voorbijgaan, daarna weer omhoog
+gehaald. De vijf ruiters waren prachtig uitgedost, maar bijna niemand
+lette op hen. De open stallen hielden aller aandacht geboeid.
+
+Het touw werd nogmaals neergelaten, en als een stormwind vlogen de zes
+vierspannen naar buiten. De onafzienbare menschenmassa verrees van hare
+zitplaatsen en deed de lucht weergalmen van haar gejuich. Dit was het
+oogenblik, waar zij zoo geduldig op gewacht hadden, waar zij dagen lang
+over gesproken hadden.
+
+--Daar is hij! riep Iras en wees op Messala.
+
+--Ik zie hem, antwoordde Esther, maar haar blik volgde Ben-Hur. Zij had
+haar sluier weggeslagen en begreep op dat oogenblik hoe men, onder het
+bewonderend oog der menigte, zelfs den dood onvervaard leert trotseeren.
+
+De deelnemers waren thans voor alle toeschouwers goed te zien, maar toch
+was de wedren nog niet begonnen. Eerst moesten zij het witte touw veilig
+achter zich hebben.
+
+De lijn was gespannen om den afrit volkomen gelijktijdig te doen plaats
+vinden. Om er niet door tegengehouden te worden, en zoodoende reeds bij
+het begin tot de achterblijvers te behooren, moesten zij er zijn, juist
+op het oogenblik, dat de lijn viel. Maar dan nog was de groote vraag,
+wie op de baan aan de binnenzijde naast den scheidsmuur kwam. Dat was
+het doelwit van aller streven. De gelukkige, die zich deze plaats wist
+te veroveren, had van den beginne iets voor boven de anderen.
+
+Dat streven, de daaraan verbonden gevaren en gevolgen waren bij de
+toeschouwers zeer goed bekend, en daarom wachtten allen dan ook ademloos
+op den uitslag.
+
+De arena baadde in licht, maar de menners lieten zich niet verblinden.
+Strak was hun oog gevestigd op het touw en op den begeerden binnenkant.
+
+Zoo renden dan alle zes in pijlsnelle vaart naar een en hetzelfde punt
+en scheen een botsing onvermijdelijk.
+
+De tot aan het touw af te leggen baan was ongeveer tweehonderdvijftig
+voet lang. Hier werden een scherp oog, een vaste hand, een kalme geest
+vereischt. Eén blik ter zijde en het was gedaan.
+
+De mededingers naderden het touw gelijktijdig. Daar werd het signaal
+geblazen, het touw viel neer en geen minuut te vroeg, want reeds sloeg,
+toen het viel, de hoef van een van Messala's paarden er tegen. Volstrekt
+niet verschrikt vierde de Romein de teugels en met een luiden jubelkreet
+nam hij de veelbegeerde baan naast den muur in bezit.
+
+--Jupiter met ons! Jupiter met ons! schreeuwden de Romeinen, buiten
+zichzelven van vreugde.
+
+Toen Messala inreed greep de bronzen leeuwenkop aan het einde van zijne
+as den voorpoot van het bijdehandsche paard des Atheners, zoodat het
+tegen zijnen buurman viel. Beide wankelden, steigerden en versperden
+daardoor den weg. De duizenden hielden ontzet den adem in, alleen van de
+tribune, waar de consul zat, herhaalde zich het vreugdegejuich.
+
+--Jupiter met ons! riep Drusus zoo hard hij kon.
+
+--Hij wint, hij wint! Jupiter met ons! schreeuwden zijne makkers, toen
+zij Messala vooruit zagen schieten.
+
+De zoo ongelukkig opgehouden Athener had nu alleen nog den Corinthiër
+aan zijne rechterhand en wilde zijn vierspan daarheen sturen, maar het
+ongeluk vervolgde hem. Het wiel van den Byzantijner, die ter linkerzijde
+reed, trof het achterste rad van zijn wagen, zoodat hij kantelde. Een
+luid gekraak, een kreet van woede en smart, en daar lag de arme
+Cleanthes onder de hoeven zijner eigene paarden! 't Was een
+ijzingwekkend schouwspel. Esther bedekte zich het gelaat met de handen.
+
+Voort vlogen de Corinthiër, de Byzantijner, de Sidoniër. Sanballat zag
+naar Ben-Hur en wendde zich toen tot Drusus en zijne vrienden.
+
+--Honderd sestertiën op den Jood! riep hij.
+
+--Aangenomen! antwoordde Drusus.
+
+--Nog eens honderd sestertiën op den Jood! riep Sanballat weder.
+
+Niemand scheen hem te hooren. Zij hadden al hunne aandacht noodig voor
+hetgeen in de renbaan gebeurde en riepen tot heesch wordens toe:
+Messala! Messala! Jupiter met ons!
+
+Toen Esther zich vermande om weer op te zien, waren eenige mannen bezig
+met het wegvoeren van de paarden en het gebroken wagentje. Andere
+droegen den gewonde uit de arena, terwijl de aanwezige Grieken zich luid
+beklaagden en om wraak riepen. Daar zag Esther op eenmaal Ben-Hur met
+den Romein samen op één lijn. Hen volgden op den voet de drie overigen:
+de Sidoniër, de Corinthiër, en de Byzantijner. De wedren was in vollen
+gang. De duizenden hingen in gespannen verwachting over de balustrades.
+
+
+ * * * * *
+
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+DE WEDREN.
+
+
+Zooals wij gezien hebben was Ben-Hur, bij het begin van den strijd om de
+plaatsen, aan de buitenzijde. Was hij voor een oogenblik als de anderen
+half verblind door het schelle licht, het gelukte hem toch zijn
+tegenstander te herkennen. Beiden waren met dezelfde gevoelens bezield,
+beiden waren vastbesloten om den prijs te winnen. Beiden zouden zij zich
+tot het uiterste inspannen om elkander te vernederen. Toch was het geen
+blinde hartstocht, die het bloed van den Jood in beweging bracht. Hij
+had een vast plan, en vertrouwend op zijn goed recht en vaste hand zette
+hij zich tot taak, nooit beter daartoe gestemd dan nu. Met groote
+behendigheid wist hij bij Cleanthes' val het dreigend gevaar te ontkomen,
+en door een prachtige zwenking naast Messala te komen, zij het ook aan de
+buitenzijde.
+
+Dat kunststuk was de scherpe blikken der toeschouwers niet ontgaan, en
+de circus daverde van het herhaalde applaus. Toen vouwde Esther de
+handen in dankbare verrukking. Sanballat bood, maar tevergeefs, trotsch
+glimlachend opnieuw honderd sestertiën aan, en de Romeinen vreesden
+reeds dat Messala zijn gelijke, misschien wel zijn meester gevonden had!
+
+Zoo naast elkander voortrennend naderden die beiden den tweeden paal.
+Hier was een kromming in de baan, en dien draai naar de eischen der
+kunst te maken was een punt van eer voor de menners. De belangstelling
+van het publiek was zoo groot, dat overal in den circus de diepste
+stilte heerschte, en men voor het eerst een geratel der wagentjes
+duidelijk hoorde. Nu scheen Messala op eens Ben-Hur te herkennen, en
+terstond openbaarde zich de onbeschaamdheid van den Romein op ongehoorde
+wijze.
+
+--Weg met Eros! Leve Mars! riep hij luide, zijn lange zweep zwaaiend.
+Eros! Mars! herhaalde hij, en bracht Ben-Hurs fiere paarden een slag
+toe, zooals zij nog nooit gevoeld hadden.
+
+Allen hadden het gezien. De verbazing was algemeen. De stilte werd
+hoorbaar. Op de tribune van den consul hield zelfs de overmoedigste den
+adem in, wachtend op hetgeen volgen zou. Slechts één oogenblik ... toen
+barstte een storm van verwijten los.
+
+Het vierspan was verschrikt vooruitgesprongen. Niemand had ooit anders
+dan in liefde de hand op hen gelegd,... wat konden de fijngevoelige
+dieren onder zulk een onwaardige behandeling anders doen dan vluchten,
+alsof de dood hen op de hielen zat?
+
+Ondervinding is de beste leermeesteres. Dat bleek ook nu. Vanwaar had
+Ben-Hur zijn gespierde hand, zijn machtigen greep, die hem nu zoo goed
+te stade kwamen? Had hij die niet te danken aan de roeispaan, waarmede
+hij drie lange jaren de golven had doorsneden? En wat beteekende het
+geweldige schokken van den wagen voor hem, die op de schuimende baren
+gezwalkt had, nu eens hemelhoog opgeheven, dan weder neergesmakt in de
+diepte?
+
+Onbeweeglijk bleef hij stand houden, gaf het vierspan den teugel, sprak
+hen bemoedigend toe, en trachtte hen voorzichtig den gevaarlijken draai
+te doen nemen. Voordat het volk van zijne verontwaardiging bekomen was,
+was hij zijne paarden weer volkomen meester. Dat niet alleen. Bij den
+eersten paal was hij Messala opnieuw ter zijde gekomen en had zich de
+bewondering en genegenheid van alle niet-Romeinen veroverd. Zoo
+duidelijk gaven zij lucht aan deze gevoelens, zoo heftig hadden zij
+hunne afkeuring getoond, dat Messala, hoe onbeschaamd ook, zich wel
+wachtte zijn euveldaad te herhalen.
+
+Toen de wagens om den paal zwenkten zag Esther, dat Ben-Hur wat bleeker
+was dan voorheen, maar overigens kalm en bedaard.
+
+Zoodra de eerste rondtoer volbracht was klom een man op het uitstek aan
+het westeinde en nam een van de houten ballen af. Datzelfde geschiedde
+aan den overkant met de dolfijnen.
+
+Voort renden de twee, en op gelijke wijze verdwenen de tweede bal en de
+tweede dolfijn. Toen de derde. Driemaal waren zij dus rond geweest.
+Messala had zijn plaats aan den binnenkant nog steeds kunnen behouden,
+nog vloog de Jood naast hem voort, nog volgden de drie anderen als te
+voren. Het scheen een van die dubbelwedrennen te zijn, die later in Rome
+zoo geliefd waren--Messala en Ben-Hur in den eersten, de Corinthiër,
+Sidoniër en Byzantijner in den tweeden.
+
+Bij den vijfden rondgang gelukte het den Sidoniër Ben-Hur op zijde te
+komen, doch slechts voor een oogenblik. De zesde rondgang begon in de
+gewone orde. Langzamerhand was de snelheid toegenomen. Menners en
+paarden gevoelden dat de eindbeslissing naderde.
+
+Hadden van den aanvang de Romein en de Jood het meest de belangstelling
+gaande gemaakt, thans begon men voor den laatste te vreezen.
+
+--Honderd sestertiën op den Jood! riep Sanballat tegen de jonge
+Romeinen, maar hij kreeg geen antwoord.
+
+--Een talent, vijf talenten, tien talenten, zooveel gij wilt! riep
+Sanballat uittartend.
+
+--Kom maar hier, zeide een Romeinsche jonkman.
+
+--Doe het niet, waarschuwde een vriend.
+
+--Waarom niet?
+
+--Omdat Messala zijn grootste snelheid heeft bereikt. Zie hoe hij over
+den rand van zijn wagen buigt en de teugels viert. En let dan eens op
+den Jood. Ik vertrouw het niet.
+
+--Bij Herkules! antwoordde de ander droevig, als de goden onzen Messala
+niet bijstaan zal de Jood winnen. Maar neen, nog niet! Jupiter met ons!
+
+Die kreet werd door de andere Romeinen overgenomen, totdat de lucht er
+van daverde.
+
+Als het waar was dat Messala zijn uiterste snelheid bereikt had, één
+voordeel had hij behaald, dat was zeker. Hij was Ben-Hur vooruit
+gekomen. Zijne paarden hielden de koppen gebogen, van de tribune gezien
+schenen zij met den buik den grond te raken, hunne neusgaten waren
+bloedrood, hunne oogen sprongen bijna uit de kassen. Ja, de dieren deden
+hun best. Hoelang zouden zij het kunnen volhouden? Zij waren eerst aan
+het begin van den zesden rondgang.
+
+Voort vlogen zij. Toen zij den tweeden paal naderden stuurde Ben-Hur
+zijn wagen vlak achter dien van Messala. De vreugde der Romeinen kende
+geen mate. Zij schreeuwden, zij schaterden, zij wuifden met hunne
+roodgouden sjerpen. Sanballat had druk werk om hunne weddenschappen op
+te schrijven.
+
+Malluch, die op de galerij tegenover den Triomfboog zat, begon ongerust
+te worden. De wenk, hem door Ben-Hur gegeven, om vooral te letten op de
+zwenking bij de westelijke pilaren, was hem in het hoofd blijven hangen,
+en daar had hij luchtkasteelen op gebouwd. Dit was de laatste rondgang
+en nog was er niets gebeurd! Nog steeds volgde Ben-Hur den Romein op den
+voet.
+
+Het gezelschap van Simonides zat doodstil, alleen Iras scheen vroolijk
+en opgewekt te zijn.
+
+Zoo naderden de twee den eersten paal. Messala, bevreesd om zijn eigen
+plaats te verliezen, ging bijna rakelings langs den muur, op gevaar af
+van zijn wagen te pletter te slaan.
+
+Toen zij de kromming omgereden hadden was slechts één wagenspoor te
+zien, zoo juist had de Jood den Romein gevolgd.
+
+Esther merkte op dat Ben-Hurs gelaat nog bleeker was dan straks, en
+Simonides zeide tot Ilderim: Ik zou mij zeer moeten vergissen, goede
+Sheik, als onze jonge vriend niet iets in het schild voert. Ik zie het
+aan zijn gezicht;--en Ilderim antwoordde: Zaagt gij hoe frisch mijn
+paarden er uitzien? Alsof zij pas van stal komen! Het echte rennen moet
+nog beginnen! Maar nu opgelet!
+
+Nog één dolfijn, nog één bal stonden op de uitstekken. Het begin van het
+einde was daar.
+
+De Sidoniër beproefde met een laatste krachtsinspanning vooruit te
+komen. De poging mislukte. De Byzantijner en de Corinthiër probeerden
+hetzelfde, maar slaagden evenmin; zoodat zij feitelijk afgedaan hadden.
+
+Alle toeschouwers, met uitzondering van de Romeinen, hoopten op Ben-Hur
+en schreeuwden hem toe: Vooruit, Jood, geef den Arabieren den vrijen
+teugel! Haal den binnenkant! Nu of nooit! Den binnenkant! Den
+binnenkant!
+
+Zoo riepen zij hem van alle kanten toe en hingen over de balustrades en
+staken smeekend de armen uit.
+
+Verstond hij hen niet, of kon hij niet sneller rijden? Reeds naderden
+zij den tweeden paal en nog was hij in de achterhoede.
+
+Om den laatsten draai te maken begon Messala de teugels van de linkse
+paarden aan te halen, hetgeen natuurlijk hun vaart een weinig
+verminderde. Hij was vol moed. Aan meer dan één altaar had hij geloften
+gedaan. Rome zou ook nu zegevieren. Slechts zeshonderd voet tusschen hem
+en roem, rijkdom, bevordering, bevrediging van wraakgevoel!
+
+Op dat oogenblik zag Malluch van de galerij hoe Ben-Hur zich voorover
+boog en de teugels vierde. Hij klapte met zijn lange zweep, en klapte
+nogmaals en nogmaals. Hoewel hij de verschrikte dieren niet raakte was
+in dat geluid toch iets, dat hen vooruit deed springen en voortvliegen
+als een pijl uit den boog. Met één sprong waren zij den Romein op zijde.
+
+Messala, juist genaderd aan het gevaarlijke punt, hoorde iets verdachts,
+maar durfde het hoofd niet omdraaien ten einde te zien wat Ben-Hur in
+den zin had. Het roepen en schreeuwen van het volk maakte hem niet
+wijzer. Boven alles uit hoorde hij ééne stem vlak naast zich, en dat was
+de stem van Ben-Hur. In het Arameesch, de taal van den Sheik, riep hij
+zijne Arabieren toe: Voorwaarts Rigel! Vooruit Atair! Hoe nu, Antares!
+Blijft gij achter? Oho, Aldabaran! Vlugste van allen! Ik hoor het gezang
+in de tenten! Ik hoor de kinderen zingen van Rigel, Atair, en Antares,
+van Aldebaran en van de victorie! en het jubelen neemt geen einde.--Goed
+zoo! Morgen huiswaarts ... naar de zwarte tent ... ons thuis! Voorts
+Antares! de meester wacht u!... Het is geschied! Haha! Haha! De
+trotschaard is gevallen. Hij, die ons griefde, ligt in 't stof! Ons de
+glorie! Ons de roem! Gedaan het werk--soho! halt! ho!
+
+Snel en eenvoudig was alles in zijn werk gegaan, Messala had bijna den
+draai om den eindpaal volbracht, toen Ben-Hur met zeldzame vaardigheid
+zijn kunststuk volbracht.
+
+Om den Romein voorbij te komen moest hij de baan oversteken en wel in de
+kortst mogelijke lijn. Het publiek begreep zijn voornemen. Zij zagen hem
+het teeken geven, en waren getuigen van het gevolg: de vier vlak naast
+Messala's buitenste wiel ... Ben-Hurs binnenwiel, die het pakte ... een
+luid gekraak, zoo luid dat allen in den circus het hoorden en er van
+ontstelden ... en de wagen van den Romein lag omver, geheel vernield.
+Messala, in de teugels verward, lag er onder.
+
+Het akelig tooneel werd nog ontzettender, doordat de Sidoniër zijne
+paarden niet op eens kon inhouden. In volle vaart reden zij over de
+rampzaligen Messala en zijn wagen heen, op het steigerende slaande
+vierspan in. Alsof er niets gebeurd was zette Ben-Hur in razende vaart
+zijn tocht voort, gevolgd door den Corinthiër en den Byzantijner.
+
+Alles stond op, sprong op de banken, en schreeuwde en juichte.
+Intusschen lag Messala nog steeds onder de hoeven der spartelende
+paarden, onder den gebroken wagen. Hij lag zoo stil, dat men hem voor
+dood hield. Slechts enkelen wijdden hem een blik. De meesten volgden
+Ben-Hur op zijn zegetocht. Zij hadden niet gezien, hoe hij de paarden
+een weinig naar links stuurde en Messala's wiel met de punt van zijn
+ijzeren as pakte, zoodat het te gruizel sprong. Maar de plotselinge
+verandering van zijne geheele persoonlijkheid was hun niet ontgaan, den
+gloed en de bezieling, die van hem uitgingen, hadden zij gevoeld;
+begrepen de alles beheerschende toovermacht, waarmede hij op eens door
+woord en gebaar zijne edele rossen bezielde. Welk een rennen!
+
+Toen de Byzantijner en Corinthiër halfweg waren, had Ben-Hur den
+eindpaal bereikt en was de zege behaald.
+
+De consul verrees van zijn zetel. Het volk schreeuwde zich heesch. De
+prefect kwam naar voren en kroonde de overwinnaars.
+
+De gelukkige prijswinner onder de boksers was een blonde reusachtige
+Noor. Zijn gelaat trok Ben-Hurs aandacht en weldra herkende hij in hem
+zijn leermeester in het schermen te Rome, wiens geliefde scholier hij
+geweest was. Van hem hief hij de oogen op naar Simonides en zijn
+gezelschap. Zij groetten hem met de hand. Esther bleef zitten, maar Iras
+stond op, lachte hem toe en wuifde met haar waaier--vriendschapsbewijzen,
+die, zooals wij weten, voor Messala bestemd waren geweest.
+
+Nu vormde de stoet zich, zette zich onder het gejubel der menigte in
+beweging, en verliet de arena door de Triomfpoort.
+
+De lang verbeide dag was voorbij.
+
+
+ * * * * *
+
+
+VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
+
+EENE NOODIGING.
+
+
+Ben-Hur en Ilderim waren de rivier overgestoken en toefden daar nog,
+totdat zij, zooals te voren bepaald was, te middernacht de karavaan
+konden volgen, die dertig uren geleden reeds op reis was gegaan.
+
+De Sheik was overgelukkig. Hij had zijn jongen vriend vorstelijke
+aanbiedingen gedaan; maar deze had alles afgeslagen, zeggende dat hij
+volkomen tevreden was met de vernedering van zijn vijand. De edelmoedige
+tweestrijd bleef lang onbeslist.
+
+--Bedenk toch, zeide de Sheik, wat gij voor mij gedaan hebt. In elke
+tent tusschen de Akaba en den oceaan, van den Euphraat tot aan de
+Scytische zee zal de roem van Mira en hare zonen bezongen worden; en
+tegelijkertijd zullen zij mijn machtigen arm bezingen. Al de strijdbare
+mannen, die zonder leidsman omzwerven, zullen tot mij komen en zich
+onder mij scharen. Gij weet niet wat het zegt heerschappij te voeren
+over de gansche woestijn, zooals nu voor mij weggelegd is. Ik zeg u het
+zal mij zware schatting van handeldrijvenden opbrengen en groote
+voorrechten van koningen bezorgen. Ja, bij Salomo's heerlijkheid! Als ik
+den keizer om een gunst laat verzoeken, hij zal mijn bede niet afslaan.
+En gij wilt niets, niets van mij aannemen?
+
+Ben-Hur antwoordde: Neen, Sheik. Ik heb immers een plaats in uw hart!
+Dat de vermeerdering van uw macht en aanzien den Koning, die wij
+verwachten, ten goede kome! Wie zal zeggen, of zij u niet tot dat doel
+gegeven zijn? Waarschijnlijk heb ik uwe hulp noodig bij het werk, dat ik
+ga ondernemen. Als ik nu voor uwe aanbiedingen bedank, kan ik later te
+vrijmoediger bij u aankloppen.
+
+Hun gesprek werd afgebroken door de komst van twee boden: Malluch en een
+onbekende. Malluch werd eerst toegelaten.
+
+De goede man was opgetogen over de behaalde zegepraal. Na eerst zijne
+blijdschap lucht te hebben gegeven, zeide hij: Mijn goede meester heeft
+mij opgedragen u mede te deelen, dat sommige der Romeinsche edellieden
+weigeren aan hunne verplichting te voldoen.
+
+Ilderim sprong op en riep heftig: Wat! Het geheele Oosten moge beslissen,
+of de zege eerlijk behaald is of niet!
+
+--Bedaar, edele Sheik, zeide Malluch. De prefect heeft den prijs doen
+uitbetalen.
+
+--Dan is het goed.
+
+--Toen zij aanvoerden, dat Ben-Hur Messala's wiel verbrijzeld heeft,
+lachte de prefect en herinnerde hun den zweepslag, dien Messala den
+Arabieren in het begin gaf.
+
+--Weet gij ook iets van den Athener?
+
+--Die is dood.
+
+--Dood? En Messala? Is die ontkomen? Wat loopt dien Romeinschen
+windbuilen toch altijd alles mee! riep Ilderim.
+
+--Hij is wel ontkomen, antwoordde Malluch, maar het leven zal hem tot
+een last zijn. De geneesheeren zeggen, dat hij nooit meer zal kunnen
+loopen.
+
+Ben-Hur zag zwijgend op naar den hemel. In den geest zag hij Messala,
+evenals Simonides, hulpbehoevend, gedragen in een stoel, afhankelijk van
+dienstboden. De oude man had een rein geweten, maar hoe zou deze
+trotsche en eerzuchtige er zich in schikken?
+
+--Sanballat, vertelde Malluch verder, heeft veel last met Drusus en de
+andere jongelieden, want zij weigerden de groote sommen te betalen, die
+zij verloren hebben, en brachten de zaak voor den consul. Deze verwees
+hen naar den Keizer. Messala weigerde eveneens te betalen, maar
+Sanballat ging, in navolging van Drusus, naar den consul, waar de zaak
+nog hangende is. De goedgezinden onder de Romeinen zeggen, dat het
+eereschulden zijn, die betaald moeten worden, en alle andere partijen
+scharen zich aan hunne zijde.
+
+--Wat zegt Simonides? vraagde Ben-Hur.
+
+--Die lacht en is recht voldaan. Als de Romein betaalt is hij geruïneerd.
+Weigert hij, dan is hij geschandvlekt. De Keizer zal moeten beslissen.
+Het Oosten te beleedigen zou niet wijs zijn, met het oog op den veldtocht
+tegen de Parthen. Sheik Ilderim te beleedigen zou gelijk staan met de
+woestijn tegen zich in het harnas te jagen, en die heeft Maxentius juist
+noodig voor zijne krijgsoperatiën. Daarom zeide Simonides, dat gij u niet
+ongerust behoeft te maken, want Messala zal betalen.
+
+--Dan kunnen wij vertrekken, zeide Ilderim, en wreef zich de handen. Wij
+kunnen alles gerust aan u overlaten. Ik zal de paarden doen voorkomen.
+
+--Buiten staat nog een bode, zeide Malluch, wilt gij dien zien?
+
+--'t Is waar ook. Ik dacht niet meer aan hem.
+
+Malluch ging heen, en in zijn plaats trad een knaap binnen. Hij boog
+voor den Sheik en zeide: Iras, de dochter van Balthasar, heeft mij
+opgedragen den vriend haars vaders, Sheik Ilderim, geluk te wenschen met
+de behaalde overwinning met zijn vierspan.
+
+--De dochter van mijn vriend is zeer vriendelijk, zeide Ilderim
+vroolijk. Geef haar met mijn dank dezen ring tot een aandenken.
+
+Hij trok een kostbaren diamant van den vinger en reikte dien den
+jongeling over.
+
+--Mijne meesteres, vervolgde de knaap, droeg mij ook op u te verzoeken
+den jongeling Ben-Hur mede te deelen, dat zij met haar vader verblijf
+houdt in het paleis van Idernee, waar zij den jongeling morgen na de
+vierde ure verwacht om hem persoonlijk te kunnen geluk wenschen.
+
+De Sheik keek Ben-Hur aan, die met stralende oogen antwoordde: Met uw
+goedvinden zal ik de schoone Egyptische bezoeken.
+
+Ilderim lachte en zeide: Zou niet een man zijne jeugd genieten?
+
+Toen keerde Ben-Hur zich tot den bode en zeide: Zeg tot haar, die u
+zendt, dat ik, Ben-Hur, haar morgen bezoeken zal in het paleis Idernee,
+op het door haar aangegeven uur.
+
+De knaap groette beleefd en ging heen.
+
+Te middernacht reisde Ilderim af, na zijn jongen vriend beloofd te
+hebben een paard en een gids voor hem te zullen achterlaten.
+
+
+ * * * * *
+
+
+ZESTIENDE HOOFDSTUK.
+
+IN DE VAL.
+
+
+Den volgenden dag begaf Ben-Hur zich op den bepaalden tijd naar het
+paleis Idernee, dat uitwendig geheel in Griekschen stijl was gebouwd.
+
+Langzaam trad hij binnen en ging de vestibule door. Hij was kalm
+gestemd. Hij zou in de tegenwoordigheid van Iras komen. Zij wachtte hem
+met scherts en zang, geestig, afwisselend, grillig, met grimlachjes, die
+haar zoo lief stonden, met vriendelijke blikken en fluisterende stem.
+Reeds eenmaal had zij hem doen roepen, dien avond van het roeitochtje op
+het meer, en nu had zij weder om hem gezonden in dit schoone paleis. Hij
+voelde zich gelukkig en droomerig gestemd.
+
+Toen hij de lange gang doorgegaan was kwam hij voor een gesloten
+vleugeldeur, die bij zijne nadering vanzelf openging. Deze bijzonderheid
+ging echter voor hem verloren, door de verbazing, die hem beving, over
+hetgeen zich nu aan zijne oogen vertoonde.
+
+Vóór zich zag hij het atrium van een Romeinsch huis, met zeldzame pracht
+en weelde ingericht. Het vertrek was groot, hoe groot was niet met
+juistheid te bepalen, want de blik verloor zich in de ruimte. Hij bleef
+verbaasd staan. De fraai gepolijste mozaïekvloer stelde mythologische
+onderwerpen voor. Langs de wanden stonden zetels en stoelen, alle
+verschillend van vorm, en kunstig bewerkt, gebeeldhouwde tafels,
+gemakkelijke divans, uitnoodigend tot rusten. De zoldering was
+koepelvormig. In het midden bevond zich een opening, waardoor het licht
+ongehinderd naar binnen stroomde. Het impluvium was omgeven door een
+bronzen balustrade. De vergulde pilaren, die de zoldering droegen,
+schitterden in den zonnegloed, en de weerspiegeling er van in den
+gepolijsten vloer scheen uit een onpeilbare diepte op te komen. Verder
+waren er kandelaars van phantastischen vorm, beelden en vazen, alles zoo
+schoon, dat het uitstekend gepast zou hebben in het huis op den Palatijn,
+dat Cicero van Crassus kocht, of in die andere villa, nog meer bekend om
+haar buitensporige pracht: de villa van Scaurus te Tusculum.
+
+Nog altijd in droomerige stemming ging Ben-Hur van het een naar het
+ander, bekoord door alles wat hij zag. Het hinderde hem niet dat hij een
+poos moest wachten. Als Iras gereed was zou zij wel komen, of hem tot
+zich laten roepen. In ieder deftig Romeinsch huis was het atrium de
+plaats, waar men bezoekers ontving. Twee-, driemaal wandelde hij het
+vertrek rond, stond stil onder de opening in de zoldering, en keek
+peinzend naar de blauwe lucht boven zijn hoofd. Leunende tegen een
+pilaar bestudeerde hij de afwisseling van licht en schaduw, maar nog
+kwam er niemand. De tijd begon hem eindelijk lang te vallen ... waarom
+kwam Iras niet? Weer beschouwde hij de mozaïeken op den grond, maar zij
+boeiden hem niet zooals straks. Gedurig hief hij het hoofd op om te
+luisteren, langzamerhand begon hij ongeduldig te worden, en ten laatste
+trof hem de doodelijke stilte, die in het huis heerschte. Deze maakte
+hem onrustig en achterdochtig. Hij wilde er niet aan toegeven, lachte om
+zijne dwaasheid, en zette zich nogmaals neer om een kandelaar te
+bewonderen, zoo sierlijk en kunstig als hij nimmer gezien had. Maar de
+stilte werd voel- en hoorbaar. Hij luisterde terwijl hij den kandelaar
+bekeek, hij luisterde of hij niet een stap hoorde ... maar alles bleef
+stil, het paleis scheen uitgestorven te zijn.
+
+Kon het misschien een vergissing wezen? Neen, de bode had gezegd, dat de
+Egyptische hem zond, en dit was het paleis Idernee. Nu herinnerde hij
+zich op eens, hoe geheimzinnig de deur was opengegaan, zoo geruischloos,
+zoo vanzelf. Dat zou hij eens onderzoeken.
+
+Hij ging er heen. Hoe zacht hij ook liep, toch weerklonken zijne
+voetstappen. Hij werd er zenuwachtig van. Het slot gehoorzaamde niet bij
+zijn eerste voorzichtige poging om de deur te openen. Bij de tweede
+beproefde hij het met alle macht; maar tevergeefs, de deur bleef
+gesloten. Een voorgevoel van naderend onheil maakte zich van hem
+meester, en hij bleef besluiteloos staan.
+
+Wie in Antiochië kon hem kwaad willen doen?
+
+Messala!
+
+En dit paleis? De vestibule was Egyptisch, de portiek Grieksch, maar
+hier, in dit atrium, zag hij Rome. Alles rondom hem verried, dat een
+Romein de eigenaar was. Plotseling veranderde het schoone atrium voor
+hem van gedaante. Het was een val.
+
+Links en rechts waren verscheidene deuren, die waarschijnlijk tot
+slaapkamers leidden. Hij trachtte ze te openen, maar zij waren alle
+afgesloten. Zou hij kloppen? Neen, hij schaamde zich alarm te maken, en
+wierp zich op een divan om na te denken.
+
+'t Was maar al te duidelijk, hij was een gevangene. Maar met welk doel?
+En van wien? Had Messala hem dit aangedaan? Hij richtte zich op en
+lachte smakelijk. Ieder meubel kon hem tot wapen dienen, de rustbanken
+bij voorbeeld tot stormrammen. Hij was sterk, en woede en wanhoop konden
+wonderen doen verrichten.
+
+Messala zelf kon niet bij hem komen. Hij zou nimmermeer kunnen loopen;
+maar hij kon door anderen werken. Die gedachte deed Ben-Hur opspringen.
+Hij verhief zijne stem en riep om hulp, maar de echo was zoo sterk dat
+hij er van verschrikte. Weer dwong hij zich tot kalmte en besloot nog
+een poos te wachten, voordat hij zich met geweld een doortocht maakte.
+
+Zoo verliep een half uur, een eeuwigheid in zijne schatting. Daar gingen
+de vleugeldeuren plotseling onhoorbaar open, en werden even onhoorbaar
+gesloten, zoo zacht dat hij er niets van merkte. Het geluid van
+voetstappen trok allereerst zijne aandacht. Hij sprong op met een gevoel
+van verlichting ... daar zal Iras eindelijk zijn!
+
+Maar ... het was een zeer zware stap. De vergulde pilaren waren tusschen
+hem en de deur. Hij hoorde stemmen, zware mannenstemmen, en de taal, die
+gesproken werd, kende hij niet.
+
+Na een algemeen overzicht van het vertrek genomen te hebben staken zij
+schuin over, zoodat Ben-Hur de sprekers in 't gezicht kreeg. Het waren
+twee mannen, forsch van gestalte en met korte tunica's. Zij behoorden
+klaarblijkelijk niet tot het dienstpersoneel van het huis. Alles wat zij
+zagen trok hunne aandacht. Zij stonden overal stil en betastten alles.
+Het atrium was niet voor lieden van hun slag, toch was uit hunne geheele
+manier van doen te bemerken, dat zij hier met een bepaalde bedoeling
+kwamen.
+
+Het zal niemand verwonderen dat Ben-Hur een weinig zenuwachtig was
+geworden; en toen hij nu in de reuzengestalte van den een den Noor
+herkende, dien hij te Rome gekend had, en die gisteren in den circus
+gekroond was als prijswinnaar bij het boksen, begreep hij, dat hem een
+groot gevaar dreigde en hij zich op het ergste moest voorbereiden.
+Instinctmatig gevoelde hij, dat hier geen sprake was van een toevallig
+samentreffen, deze twee zochten hem.
+
+De metgezel van den Noor was nog jong, donker van haar en oogen, van de
+Joodsche type. Beiden hadden het kostuum aan dat boksers van beroep in
+de arena droegen. Ben-Hur behoefde niet langer te twijfelen: hij was
+verraderlijk in dit paleis gelokt, om te midden van deze pracht door de
+hand van den Noor te sterven.
+
+Niet wetende wat te doen volgde hij hunne bewegingen, en in dat laatste
+stille oogenblik, met den dood voor oogen, herkreeg zijn geest de
+noodige kalmte. Gisteren had hij Messala naar recht en billijkheid mogen
+straffen, de God van Israël, die hem had bijgestaan, zou hem ook nu
+helpen. Stond hij daarenboven niet aan het begin van een nieuw leven?
+Wachtte hem niet een heilige taak: alles in gereedheid te brengen voor
+den verwachten Koning? Mocht hij niet alle vrees laten varen?
+
+Hij maakte zijn gordel los, deed zijn hoofddoek af en wierp zijn wit
+overkleed ter zijde. Gereed naar lichaam en ziel plaatste hij zich, de
+armen over de borst gevouwen, tegen den pilaar en wachtte bedaard de
+toekomst af.
+
+Het tweetal had een beeld bewonderd. Toen zij daarmede gereed waren,
+keerde de Noor zich om, zeide iets in een onbekende taal, en wees op
+Ben-Hur. Beiden traden op hem toe.
+
+--Wie zijt gij? vraagde hij in het Latijn.
+
+De Noor glimlachte en antwoordde: Barbaren.
+
+--Dit is het paleis Idernee. Wien zoekt gij? Blijft waar gij zijt en
+antwoordt.
+
+Zijn toon maakte indruk. De vreemdelingen bleven staan en de reus
+vraagde op zijne beurt: Wie zijt gij?
+
+--Een Romein.
+
+De reus wierp het hoofd achterover en lachte luid. Ik heb veel
+wonderbaarlijks hooren vertellen, zeide hij, maar nooit dat een Jood een
+Romein werd.
+
+Toen zijn vroolijkheid wat bedaard was, zeide hij weer iets tot zijn
+makker en stapte vooruit.
+
+--Halt! riep Ben-Hur. Nog iets!
+
+--Spreek; maar gauw, zeide de reus.
+
+--Gij zijt Thor, de Noorman.
+
+De man zette groote oogen op.
+
+--Gij waart schermmeester te Rome.
+
+--Ja, zeide Thor.
+
+--Ik was uw leerling.
+
+--Neen, zeide Thor hoofdschuddend. Bij Thors hamer, nog nooit is een
+Jood bij mij gekomen, om zich tot een vechtersbaas te laten maken.
+
+--Ik zal het u bewijzen.
+
+--Hoe dan?
+
+--Gij komt hier om mij te dooden.
+
+--Ja.
+
+--Laat uw makker tegen mij vechten, dan zal ik het u bewijzen aan zijn
+lichaam.
+
+De reus lachte weer. Hij besprak het met zijn makker, die toestemmend
+knikte, waarop de Noor zeide: Het zij zoo; maar wacht totdat ik het
+teeken geef.
+
+Hij schoof een divan aan, strekte er zich gemakkelijk op uit en zeide:
+Ziezoo, begin.
+
+Zonder aarzelen stapte Ben-Hur op zijn tegenpartij toe, die zich
+terstond strijdvaardig tegenover hem plaatste.
+
+De vreemdeling, die in statuur en voorkomen sterk op hem geleek, lachte
+vergenoegd, weinig vermoedende met wien hij te doen had. Beiden wisten
+dat de afloop van den strijd doodelijk zou zijn.
+
+Ben-Hur deed een schijnaanval met zijn rechterhand. De ander pareerde en
+stak den linkerarm een weinig vooruit. Voordat hij er op bedacht was
+greep Ben-Hur hem met een ijzeren greep bij den pols. De overrompeling
+was volkomen. Zich op zijn tegenstander te werpen, zijn arm om 's mans
+hals te slaan, diens hoofd tegen zijn rechterschouder te drukken en hem
+met de linkerhand vlak onder het oor een slag toe te brengen--dat alles
+was het werk van een oogenblik. Geen tweede slag was noodig. De
+ongelukkige viel neder, zonder een kreet te slaken. Hij was dood.
+
+Ben-Hur wendde zich tot Thor en zag hem vragend aan.
+
+--Bij alle leugens van Loke! riep deze, dat zou ik u niet kunnen
+verbeteren.
+
+Opstaande beschouwde hij den jongen man van het hoofd tot de voeten met
+ongeveinsde bewondering, en vervolgde toen: Dat was mijn handgreep. Gij
+zijt geen Jood. Wie zijt gij?
+
+--Gij hebt Arrius, den duumvir gekend?
+
+--Quintus Arrius? Ja, hij was mijn schutspatroon.
+
+--Hij had een zoon.
+
+--Ja, ik heb dien knaap gekend, een aardige jongen. Hij had een vorst
+onder de gladiatoren kunnen worden. De keizer had veel met hem op.
+Ikzelf heb hem dien handgreep geleerd, en niemand doet het mij na, of
+hij moet een hand en arm hebben als de mijne. Ik heb er menigen
+lauwerkrans mee behaald.
+
+--Ik ben die zoon van Arrius.
+
+Thor kwam nader en bekeek hem oplettend. Zijne oogen straalden van
+voldoening, en de hand uitstekend zeide hij: 't Is wat moois! Hij zei
+dat ik hier een Jood zou vinden, en dat ik den goden een dienst zou
+bewijzen, als ik dien Jood doodde.
+
+--Wie zei dat, Thor? vraagde Ben-Hur, de aangeboden hand schuddende.
+
+--Hij, Messala.
+
+--Wanneer?
+
+--Gisteravond.
+
+--En ik dacht dat hij zwaar gewond was?
+
+--Hij zal altijd kreupel zijn, maar ik moest bij zijn bed komen, waar
+hij lag te kermen van pijn.
+
+Ben-Hur dacht even na. Hij begreep heel goed dat de Romein, zoo hij in
+leven bleef, hem onverbiddelijk zou blijven vervolgen. Alleen de wraak
+bleef hem over om het gebroken leven te verzoeten. Vandaar zijn
+tegenspartelen om zijne schulden met Sanballat te vereffenen. Ben-Hur
+berekende dit alles vluchtig, ook hoe zijn vijand hem zou kunnen
+bemoeilijken in het werk, dat hij wilde ondernemen voor de nieuwen
+koning. Deed hij niet wijs met het voorbeeld van den Romein te volgen?
+De moordenaar toch, die gehuurd was om hem te dooden, zou zich ook laten
+huren om den moordenaar onschadelijk te maken. Geld was geen bezwaar. De
+verzoeking was groot. Reeds half meegesleept zag hij nog eenmaal naar
+het arme slachtoffer, dat daar bleek en roerloos nederlag. Daar viel hem
+iets in.
+
+--Thor, wat heeft Messala u gegeven om mij te dooden?
+
+--Duizend sestertiën.
+
+--Gij zult ze hebben, en als gij nu doen wilt wat ik u vraag, zal ik er
+nog drieduizend bij doen.
+
+De reus dacht overluid: Gisteren heb ik vijfduizend gewonnen, van den
+Romein duizend, dat is zesduizend.--Geef mij vierduizend, goede Arrius,
+vierduizend en dan zal ik alles voor u doen, wat gij verlangt. Geef mij
+vier en ik zal dien bedriegelijken Messala dooden. Ik heb mijn hand maar
+op zijn mond te houden ... zoo.
+
+Hij verduidelijkte zijn voorstel door zijne hand op zijn eigen mond te
+drukken.
+
+--Ik begrijp u, zeide Ben-Hur, tienduizend sestertiën is een mooie som.
+Zij stelt u in staat om naar Rome terug te gaan en een taveerne te
+openen bij den grooten circus, en daar te leven zooals den beroemsten
+schermmeester betaamt! 't Zij zoo. Ik zal u vierduizend geven en dat
+geld kunt gij verdienen zonder uwe handen met bloed te bezoedelen.
+Luister. Uw vriend leek sprekend op mij, niet waar?
+
+--Ja, men zou zeggen twee appelen van één boom.
+
+--Welnu, ik zal zijn tunica aandoen, en hem mijne kleeren aantrekken.
+Dan gaan we samen heen, en gij hebt uwe sestertiën.
+
+Thor lachte dat hij schudde. Nog nooit werden tienduizend sestertiën zoo
+gemakkelijk gewonnen! Een taveerne bij den grooten circus, en dat door
+een leugen te vertellen zonder een enkelen droppel bloed te vergieten!
+Geef mij uwe hand, zoon van Arrius, en als gij weer terugkomt in Rome,
+vergeet dan niet naar de taveerne van Thor den Noorman te vragen, want,
+bij de bliksems van Wodan! ik zal u het beste voorzetten wat mijn kelder
+bevat.
+
+Nu werden de kleederen verwisseld, en toen Ben-Hur den jonkman daar zag
+liggen in zijn eigen Joodsch gewaad, was hij voldaan. De gelijkenis was
+treffend. Als Thor zijn woord hield zou dit bedrog nooit uitkomen.
+
+Toen alles afgeloopen was tikte de Noor tegen de vleugeldeuren, die
+opnieuw onhoorbaar geopend werden, en gezamelijk gingen zij naar buiten.
+Bij het scheiden zeide Thor nogmaals: Mogen de goden u geleiden en
+behoeden, zoon van Arrius! en verzuim niet bij uw terugkeer in Rome de
+taveerne van Thor te bezoeken!
+
+ * * * * *
+
+Dien avond deelde Ben-Hur zijnen vriend Simonides alles mede wat hem
+overkomen was in het paleis van Idernee. Zij kwamen overeen, dat na een
+paar dagen een onderzoek zou worden ingesteld naar den vermisten zoon
+van Arrius. Tevens zou van het geval afgifte worden gedaan bij
+Maxentius. Als het geheim niet uitlekte zouden Messala en Gratus gerust
+en voldaan zijn, en kon Ben-Hur onbevreesd naar Jeruzalem terugkeeren om
+zijne moeder en zuster te zoeken.
+
+Bij het afscheidnemen zat Simonides in zijn stoel op het terras, en gaf
+den jongen meester zijn vaderlijken zegen. Esther deed hem uitgeleide
+tot aan de trap.
+
+--Als ik moeder vind zult gij tot haar gaan en eene zuster voor Tirza
+wezen, niet waar? vraagde hij en kuste haar tot afscheid. Vervolgens
+begaf hij zich naar den overkant der rivier, waar Ilderim den vorigen
+avond zijne tent had opgeslagen, en waar hij den gids zou vinden met de
+paarden.
+
+--Dit is het uwe, zeide de Arabier.
+
+Ben-Hur keek, en zie het was Aldebaran: de vlugste en verstandigste van
+Mira's zonen, na Sirius de lieveling van den Sheik. Hij wist dat het
+hart van den ouden man het geschenk vergezelde.
+
+Dienzelfden avond werd het lijk uit het atrium weggedragen en in stilte
+begraven, en vertrok een bode van Messala naar Gratus, om dezen de
+blijde tijding te brengen dat Ben-Hur dood was, ditmaal ontwijfelbaar.
+
+Eene maand later werd bij den circus Maximus eene taveerne geopend met
+het opschrift:
+
+ THOR DE NOORMAN.
+
+
+ * * * * *
+
+
+BOEK VI.
+
+
+ * * * * *
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+DE GEVANGENEN.
+
+
+Sedert den avond, waarop Ben-Hur Antiochië verliet om den Sheik in de
+woestijn te volgen, zijn dertig dagen verloopen. Een groote verandering
+heeft intusschen plaats gevonden--groot, voor zoover het de geschiedenis
+geldt van onzen held. Valerius Gratus is vervangen door Pontius Pilatus.
+
+Deze verplaatsing kostte Simonides vijf talenten Romeinsch geld, in
+klinkende munt uitbetaald aan Sejanus, die toen het hoogste toppunt van
+zijn macht als gunsteling des Keizers bereikt had.
+
+Het doel van de onderhandeling met Sejanus was, dat Ben-Hur zonder groot
+gevaar voor zichzelven in en bij Jeruzalem naar zijne moeder en zuster
+zou kunnen zoeken. Op die wijze besteedde de trouwe dienstknecht de
+gelden van Drusus en zijne makkers. Na het betalen van de weddenschappen
+was de vriendschap dier jongelieden voor Messala veranderd in vijandschap,
+omdat zij hem hun ongeluk weten. Wat Messala zelf betreft, het antwoord
+op de vraag, of hij voor de gewedde sommen mocht aangesproken worden, ja
+of neen, moest nog uit Rome komen.
+
+Hoe kort Pontius Pilatus aan het bestuur was, de Joden hadden reeds
+ondervonden, dat de verandering niet in hun voordeel was. De kohorten,
+die afgezonden waren om het garnizoen van den burcht Antonia te
+vervangen, trokken des avonds laat de stad binnen, en het eerste wat men
+den volgenden morgen te zien kreeg was, dat de muren van den ouden
+burcht rondom versierd waren met borstbeelden van den ouden Keizer en
+met Romeinsche adelaren.
+
+Een opgewonden menigte trok door de straten, afgezanten werden naar
+Cesarea gezonden, waar Pilatus nog eenige dagen vertoefde, om hem
+dringend te verzoeken de gehate voorwerpen weg te nemen. Vijf dagen en
+nachten hielden zij stand voor de poorten van zijn paleis, waarna hij
+deed weten dat hij hen in den circus zou te woord staan. Daar liet hij
+hen door zijne soldaten omsingelen, maar zij boden blijmoedig hun leven
+aan, indien zij slechts hun doel mochten bereiken. Dat werkte. Pilatus
+gaf bevel de borstbeelden en adelaren naar Cesarea terug te zenden, waar
+Gratus ze gedurende de elf jaren zijner regeering had bewaard.
+
+De slechtste mensch kan wel een goede daad verrichten. Zoo ook Pilatus.
+Hij beval dat alle gevangenissen in Judea zouden nagezien worden, en
+verlangde een lijst van de namen der gevangenen, met opgaaf van de
+misdaden, waarvoor zij veroordeeld werden. Waarschijnlijk deed hij dit,
+om later niet aansprakelijk te zijn voor hem onbekende dingen. Het volk
+evenwel prees hem en was een tijdlang tevreden.
+
+Wat het onderzoek aan het licht bracht, was ongeloofelijk. Honderde
+menschen, tegen wie geen beschuldiging was ingebracht, kregen hunne
+vrijheid weder. Vele anderen, die men lang geleden gestorven waande,
+kwamen te voorschijn. Nog erger was het, dat men gevangenissen vond,
+wier bestaan niet alleen aan het volk onbekend was, maar die de
+tegenwoordige gevangenbewaarders zelfs niet kenden. Eén geval van dien
+aard moeten wij hier vermelden: een vergeten gevangenis te Jeruzalem.
+
+De burcht Antonia, die zooals men zich zal herinneren twee derden
+besloeg van de heilige area op den berg Moria, was oorspronkelijk een
+door de Macedoniërs gebouwd kasteel. Later maakte Johannes Hyrkanus het
+tot een citadel ter verdediging van den Tempel, die toen ten tijde reeds
+als onneembaar werd beschouwd. Herodes breidde haar nog verder uit,
+verbreedde de muren, liet waterputten graven, bouwde tuighuizen,
+barakken, magazijnen en gevangenissen van allerlei soort. Hij effende
+het rotsachtige gedeelte van den berg, en liet er diepe kloven in
+bouwen. Daar bouwde hij overheen. Het geheel verbond hij door een
+prachtige zuilengang met den Tempel. Zoo verbouwd en versterkt viel de
+burcht ten laatste in de handen der Romeinen, die hem volkomen wisten te
+waardeeren en te gebruiken.
+
+Gedurende de regeering van Gratus had de Antonia dienst gedaan als
+citadel en onderaardsche gevangenis, de schrik voor alle oproerigen. Wee
+hen, wanneer de kohorten uit de poorten stroomden, om een oproer te
+dempen! Wee den Jood, die dezelfde poorten als gevangene binnenging!
+
+Na deze korte uitweiding kunnen wij den draad van ons verhaal weer
+opvatten.
+
+ * * * * *
+
+Het bevel van den nieuwen procurator betreffende de gevangenen was op
+den burcht Antonia ontvangen en stipt uitgevoerd. Twee dagen zijn
+verloopen sedert de laatste van die ongelukkigen ter ondervraging was
+voorgebracht. De lijst is zoo goed als gereed en ligt voor den
+commandant op tafel. Binnen vijf minuten zal zij op weg gaan naar
+Pilatus, die in het paleis op den berg Sion woont.
+
+Het bureau van den commandant is ruim en koel, en gemeubeld
+overeenkomstig de waardigheid van den bevelhebber.
+
+Het is de zevende ure van den dag. De commandant is vermoeid. Zoodra de
+lijst verzonden is, zal hij naar het platte dak van de zuilengang gaan,
+daar in de open lucht wat beweging nemen, en zich vermaken met naar het
+gewoel der Joden in de voorhoven des Tempels te kijken. Zijne klerken en
+onderhoorigen verlangen eveneens heen te gaan.
+
+Daar verschijnt een man in de deur. Hij rammelt met een bos zware
+sleutels, waardoor hij terstond de aandacht van den overste trekt.
+
+--Zoo, Gesius, kom binnen, zegt deze. Wat is er?
+
+--Commandant, luidt het antwoord, ik durf u bijna niet zeggen wat ik
+gevonden heb.
+
+--Alweder een vergissing, Gesius?
+
+--Wist ik zeker dat het slechts een vergissing was, dan zou ik niet bang
+zijn.
+
+--Een misdaad dus? Of nog erger ... een plichtverzuim. Men kan Cesar
+uitlachen, de goden vloeken, en leven. Een beleediging echter, den
+adelaren aangedaan, is ... nu, Gesius, gij weet wat er dan volgt. Ga
+voort.
+
+--'t Is nu ongeveer acht jaren geleden, dat Valerius Gratus mij benoemde
+tot bewaarder der gevangenissen in den burcht, antwoordde de man
+ernstig. Ik herinner mij nog zeer goed den morgen, waarop ik mijn ambt
+aanvaardde. Den vorigen dag was er een klein oproer geweest. De onzen
+hadden vele Joden neergeslagen, maar wij hadden ook enkele verliezen te
+betreuren. De aanleidende oorzaak was, zeide men, een moordaanslag op
+Gratus. Hij werd door een steen aan het hoofd getroffen, zoodat hij van
+zijn paard viel. Ik vond hem hier op dezelfde plaats zitten, waar gij nu
+zit, commandant, met een verbonden hoofd. Hij gaf mij deze sleutels,
+genommerd met de nommers der cellen. Dat waren de teekenen van mijn
+ambt, ik mocht er mij nooit van scheiden, zeide hij. Op de tafel lag een
+perkamentrol. Hij maakte ze open en zeide: Hier zijn de kaarten met den
+platten grond der cellen, die in drie afdeelingen verdeeld, boven
+elkander gebouwd zijn. Ik vertrouw ze u toe.--Ik nam ze aan, en Gratus
+vervolgde: Nu hebt gij de sleutels en de platte gronden, ga en
+doorwandel de geheele inrichting, bezoek elke cel en zie of alles in
+orde is. Bemerkt gij iets waardoor de veiligheid in gevaar zou komen,
+stel daar dan naar uw beste weten orde op, want gij zijt hier heer en
+meester en hebt niemand boven u, dan mij alleen.
+
+Ik wilde heengaan, maar hij riep mij terug en zeide: Daar bedenk ik nog
+iets. Geef mij den platten grond van de onderaardsche cellen.--Ik gaf
+hem het verlangde. Hij spreidde de kaart voor zich uit op de tafel, wees
+met den vinger op cel nommer vijf, en zeide: Hier, Gesius, deze cel.
+Daar zitten drie mannen gevangen, gevaarlijke lieden, die achter een
+staatsgeheim hebben weten te komen en hier voor hunne nieuwgierigheid
+boeten. Tot straf zijn zij van oogen en tong beroofd, en levenslang
+opgesloten. Zij mogen niets hebben dan water en brood, dat gij hun
+toereikt door een gat in den muur, dat van buiten gesloten wordt met een
+schuif. Hebt gij mij goed begrepen, Gesius? Ik antwoordde toestemmend.
+Het is goed, zeide hij, en keek mij dreigend aan; maar pas op, Gesius,
+dat gij het niet vergeet. De deur van hunne cel, nommer vijf,--en hij
+legde er zijn vinger op, om meer nadruk te geven aan zijne woorden,--mag
+nooit, onder geen enkel voorwendsel, geopend worden. Niemand mag er in
+of uit, zelfs gij moogt er niet binnengaan. Maar als zij sterven?
+vraagde ik. Als zij sterven, zei hij, zal die cel hun graf zijn. Zij
+werden daar opgesloten om te sterven. De cel is met melaatschheid
+besmet, begrijpt gij?--En daarmee liet hij mij gaan.
+
+Gesius zweeg en bracht uit de plooien van zijn overkleed drie rollen te
+voorschijn, die hij op tafel uitspreidde, zeggende: Dit is de bedoelde
+platte grond.
+
+De oogen van alle aanwezigen rustten op den platten grond.
+
+--Precies zoo, commandant, heb ik hem van Gratus ontvangen. Dit is cel
+nommer V.
+
+--Ik zie het, zeide de commandant. Ga voort. De cel was met
+melaatschheid besmet, zeidet gij.
+
+--Mag ik u een vraag doen, commandant?
+
+--Ja.
+
+--Moest ik niet gelooven dat de kaart betrouwbaar was?
+
+--Zeker.
+
+--Nu, zij is niet betrouwbaar, want er zijn niet vijf, maar zes cellen.
+Ik zal u laten zien hoe de platte grond werkelijk is, of liever, hoe ik
+mij voorstel dat hij is.
+
+Gesius nam een tafeltje en teekende er een losse schets op van zes
+cellen, die hij den commandant ter hand stelde.
+
+--'t Is goed, zeide de commandant. Ik zal een nieuwen platten grond voor
+u laten maken. Kom hem morgen bij mij halen.
+
+Meenende dat de zaak hiermede afgeloopen was stond hij op; maar Gesius
+vervolgde: Hoor mij verder, heer.
+
+--Morgen, Gesius, ik heb nu geen tijd meer.
+
+--Maar, commandant, wat ik u mee te deelen heb kan geen uitstel lijden.
+
+De commandant ging weer zitten.
+
+--Ik zal kort zijn, zeide de gevangenbewaarder. Mag ik nog eene vraag
+doen? Moest ik niet gelooven wat Gratus mij vertelde van de gevangenen
+in cel vijf?
+
+--Natuurlijk. In die cel zaten drie gevangenen, staatgevangenen, blind
+en stom.
+
+--Welnu, commandant, dat was niet waar.
+
+--Niet?
+
+--Hoor, en oordeel zelf, commandant. Zooals mij bevolen was bezocht ik
+al de cellen, beginnende bij de bovenste en eindigende bij de onderste.
+Het verbod om de deur van cel V te openen heb ik nimmer overtreden. De
+drie mannen hebben die acht jaren hun water en brood altijd door het gat
+in den muur gekregen. Gisteren mocht ik de deur openen op uw bevel, en
+was zeer nieuwsgierig om de gevangenen te zien, die tegen alle
+verwachting zoolang geleefd hebben. Het slot van de deur weigerde. Wij
+trokken wat harder en toen viel de deur op zij. De scharnieren waren
+door roest verteerd. In de cel vond ik slechts één man, oud, blind,
+zonder tong, geheel naakt, deerniswaardig om te zien. Ik vraagde hem
+naar zijne medegevangenen. Hij schudde van neen. Ik doorzocht de geheele
+cel, maar kon geen spoor van hen ontdekken. De muren en de grond waren
+geheel droog. Hadden hier drie gevangenen gezeten, en waren twee van hen
+gestorven, dan zou ik toch hunne beenderen hebben moeten vinden. Van
+melaatschheid was niet bij den armen afgeleefden grijsaard te bespeuren.
+
+--Gij denkt dus....
+
+--Ik denk, commandant, dat er in die acht jaren slechts één man gevangen
+heeft gezeten.
+
+De commandant zag Gesius scherp aan en zeide: Wees voorzichtig! Weet gij
+wel waar gij Gratus van beschuldigt?
+
+Gesius boog het hoofd en zeide: Hij kon zich vergist hebben.
+
+--Neen, riep de commandant heftig, dat kon hij niet. Hebt gij niet zelf
+gezegd dat gij acht jaren lang water en brood gegeven hebt voor drie
+personen?
+
+--Gij hebt nog slechts de helft van het verhaal gehoord, commandant. Als
+gij alles gehoord zult hebben, zult gij mij gelijk geven. Gij weet wat
+ik met den man deed: ik liet hem een bad geven, haar en baard scheren en
+aankleeden. Toen bracht ik hem naar buiten en liet hem in vrijheid
+heengaan. Ik had met hem afgedaan. Een uur geleden kwam hij terug en
+werd vóór mij gebracht. Door allerlei gebaren, zelfs door tranen, gaf
+hij zijn verlangen te kennen, om weer naar de cel teruggebracht te
+worden. Ik gaf het bevel daartoe. Toen zij hem wegleidden keerde hij op
+eens terug, viel op de knieën voor mij neder en beduidde mij, dat ikzelf
+hem moest vergezellen. Ik voldeed aan zijn verzoek. De twee geheimzinnige
+andere gevangenen speelden mij door het hoofd. Ik was er niet gerust op.
+Nu ben ik blij, dat ik gehoor gaf aan zijn verlangen.
+
+Alle aanwezigen luisterden met gespannen aandacht, doodelijke stilte
+heerschte in het vertrek.
+
+--Zoodra de gevangene bemerkte dat hij weer in zijn oude cel was,
+vervolgde Gesius, greep hij mijne hand en geleidde mij naar een gat in
+den muur, even groot als dat, waardoor wij gewoon waren hem zijn
+rantsoen te geven. Gisteren was het aan mijne aandacht ontsnapt. Steeds
+mijne hand vasthoudende legde hij zijn mond voor de opening en gaf een
+schreeuw. Een zwakke stem antwoordde. Ik was verbaasd, trok hem op
+zijde, en riep: Hola, wie daar? In het begin kreeg ik geen antwoord.
+Ik riep nogmaals en hoorde toen deze woorden: O, God, ik dank U!
+Commandant, het was de stem van een vrouw. Ik vraagde: Wie zijt gij? en
+het antwoord luidde: Een Israëlitische vrouw. Ik ben hier levend
+begraven met mijne dochter. Help ons gauw, of wij sterven.
+
+Ik riep haar toe nog even geduld te hebben en spoedde mij tot u, om uwen
+wil te vernemen.
+
+De commandant stond haastig op. Gij had gelijk, Gesius, zeide hij. Ik
+begrijp er alles van. De kaart was valsch en het verhaal van de drie
+gevangenen was een leugen. Er zijn betere Romeinen dan Valerius Gratus.
+
+--Ja, antwoordde de gevangenbewaarder. De oude man gaf twee porties
+water en brood aan de vrouwen.
+
+--Welaan, zeide de commandant, zich tot zijne klerken wendende, daar hij
+het niet kwaad vond eenigen tot getuigen te hebben, gaat allen mee. Wij
+zullen die vrouwen in vrijheid stellen.
+
+Gesius was voldaan. Wij zullen den muur moeten doorbreken, zeide hij. Ik
+heb de plaats ontdekt waar de deur geweest is. Zij was dichtgemetseld.
+
+--Roep terstond een paar werklieden met de noodige gereedschappen, zeide
+de commandant tot een der klerken. Haast u, en laat het rapport liggen,
+want dat zal morgen gewijzigd worden.
+
+
+ * * * * *
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+DE MELAATSCHEN.
+
+
+Een Israëlitische vrouw. Ik ben hier levend begraven met mijne dochter.
+Help ons gauw, of wij sterven.
+
+Dat antwoord had Gesius ontvangen uit de cel, die op den verbeterden
+platten grond als cel VI aangegeven staat.
+
+De lezer heeft zeker terstond begrepen wie die ongelukkigen waren, en
+zich verheugd dat eindelijk Ben-Hurs moeder en zuster gevonden zijn.
+
+Op den morgen van hare gevangenneming had men haar naar de burcht
+gebracht, waar Gratus haar dacht op te sluiten. Hij had den burcht
+gekozen, omdat die meer onmiddellijk onder zijn beheer stond, en cel VI,
+omdat deze door melaatschheid besmet was. Hij wilde de vrouwen niet
+alleen opsluiten--hij verlangde dat zij een zekeren, zij het dan ook een
+langzamen, dood zouden sterven. Dientengevolge werden zij bij nacht naar
+beneden gebracht, zoodat niemand er iets van bemerkte. Diezelfde slaven
+metselden daarna de deur dicht, en werden vervolgens naar een afgelegen
+oord verplaatst, zoodat het geheim een geheim blijven kon. Om voor alle
+mogelijke gevallen toch den schijn te bewaren, wilde hij de vrouwen niet
+laten verhongeren, maar plaatste hij bovenvermelde armen gevangene in de
+cel daarnaast, om haar van brood en water te voorzien.
+
+Zoo wist Gratus, onder voorwendsel van een troep moordenaars te straffen,
+zich het vermogen der familie Hur toe te eigenen, waarvan geen penning de
+keizerlijke schatkist bereikte. Ten besluite werd de toenmalige gevangen-
+bewaarder verplaatst, een nieuwe platte grond ontworpen, en aan den nieuwen
+bewaarder gegeven. Gratus bereikte volkomen zijn doel: de cel en hare
+bewoonsters waren der vergetelheid prijs gegeven.
+
+Welk een leven voor moeder en dochter, acht jaren lang; voor haar,
+opgevoed in weelde, weggerukt uit een werkzaam, liefdevol leven,
+veroordeeld tot nietsdoen in een onderaardschen kerker, waar slechts een
+smalle gleuf in den buitenmuur licht en lucht aanbracht!
+
+Treden wij de cel binnen.
+
+De twee vrouwen bevinden zich vlak bij het smalle luchtgat. De eene zit
+op den grond, de andere leunt half liggende tegen haar aan. Bij het
+schemerachtig licht zien wij, dat zij zonder eenige bedekking zijn. Van
+kleeding geen spoor meer. Maar wat haar ook ontnomen werd, de liefde
+bleef, daarvan spreekt haar geheele houding. Rijkdom vergaat, schoonheid
+verdwijnt, hoop vervliegt, maar de liefde blijft, want de liefde is uit
+God.
+
+Waar moeder en dochter neergezeten zijn, is de oneffen bodem geheel glad
+geworden. Vermoedelijk hebben zij het grootste gedeelte van die lange
+jaren op deze zelfde plaats gezeten, hare hoop op bevrijding koesterende
+bij dat zwakke, maar toch vriendelijke licht. Als de lichtstraal naar
+binnen viel, wisten zij dat het dag was. Als hij verdween, wisten zij
+dat daarbuiten de nacht aanbrak, die toch nergens zoo lang en zoo
+stikdonker kon zijn als bij haar. Daarbuiten! O, door die gleuf vlogen
+hare gedachten de wereld in, om den zoon, den broeder te zoeken. Zij
+zochten hem op de woelige zee, of op hare eilanden, nu in deze stad, dan
+in gene, en overal vertoefde hij slechts vluchtig; want hij zocht haar
+immers met rusteloos verlangen. Telkens en telkens hadden zij elkander
+moed ingesproken door te zeggen: Hij vergeet ons niet. Zoolang hij leeft
+is er hoop voor ons!
+
+Bij het flauwe licht dat in de cel heerscht zien wij, dat zij uiterlijk
+droevig veranderd zijn, een verandering, niet alleen toe te schrijven
+aan de langdurige gevangenschap. Waren moeder en dochter voorheen schoon
+van aangezicht, zelfs de liefde zou dat niet meer van haar kunnen
+getuigen. Het lange, ongekamde haar heeft een zonderlinge witte kleur.
+De vrouwen zelf zien er vreemd en terugstootend uit ... is het misschien
+een gevolg van gebrek aan lucht en licht, of van honger en dorst, daar
+zij sedert het vertrek van haar armen buurman niets te eten of te
+drinken hebben gehad?
+
+Tirza leunt tegen hare moeder en kreunt smartelijk.
+
+--Stil, kind, zegt de moeder. Zij zullen komen. God is goed. Wij hebben
+nooit verzuimd tot Hem te bidden, wanneer daarginds in den Tempel de
+bazuinen geblazen worden. Het moet de zevende ure zijn, want de zon
+staat nog in 't zuiden. Laat ons op God vertrouwen. Hij is goed.
+
+--Ja, moeder, ik zal mijn best doen, antwoordt Tirza. Uw lijden is even
+zwaar als het mijne; maar mijn tong brandt en mijn lippen zijn verdroogd.
+Ach, waar zou Juda toch zijn? Zou hij ons nog ooit kunnen vinden?
+
+Beider stem klinkt ongelooflijk scherp, droog en onnatuurlijk.
+
+--Gisteren zag ik hem in mijn droom, kind, zoo duidelijk als ik u nu
+zie. Wij moeten gelooven in droomen, dat weet gij wel, omdat onze
+vaderen het ook deden. Onze God sprak dikwijls tot hen op die wijze. In
+mijn droom stonden wij in den vrouwenvoorhof bij de Schoone Poort. Vele
+vrouwen waren daar met ons, en hij kwam en stond achter de poort en
+zocht ons. Mijn hart klopte hevig. Ik strekte de armen uit, en riep hem
+luide bij zijn naam. Hij zag mij en hoorde mij, maar herkende mij niet.
+Een oogenblik later was hij verdwenen.
+
+--Hij zal ons zeker niet herkennen, moeder, als hij ons vindt. Wij zijn
+zoo veranderd.
+
+--'t Is mogelijk, maar ... de moeder zweeg, die gedachte was al te
+pijnlijk.
+
+--Ach moeder, riep Tirza, water! al is het maar één droppel.
+
+De moeder werpt een wanhopigen blik in het rond. Het is haar alsof een
+schaduw over het licht trekt. Zou dat de naderende dood zijn? Bijna
+werktuigelijk zegt zij: Geduld, Tirza. Zij komen. Zij zullen weldra hier
+zijn.
+
+Eensklaps meent zij een geluid te hooren bij de opening in de cel van
+den blinde, door welk gat het verkeer met de menschenwereld daarbuiten
+gedurende al die jaren had plaats gehad.
+
+Zij had zich niet vergist. Een oogenblik later weerklonk de bekende
+kreet van haar ongelukkigen landgenoot door de ruimte. Beiden sprongen
+op en kwamen naderbij. Daar hoorden zij iemand roepen: Hola! Wie daar?
+
+Dat waren de eerste woorden, die na jaren van doodelijke stilte tot haar
+gesproken werden. Welk een ommekeer! Uit den dood tot het leven
+teruggekeerd, en dat zoo op eenmaal!
+
+Zij antwoordde luide: Een Israëlitische vrouw, die hier levend begraven
+is met hare dochter. Help ons spoedig, of wij sterven.
+
+--Houd moed. Ik kom dadelijk terug.
+
+Moeder en dochter barstten in tranen uit. Zij waren gevonden. De hulp
+was nabij! Vergeten waren, voor het oogenblik althans, pijn, honger,
+dorst. Opnieuw lachte de hoop haar toe.
+
+Na een korte poos, de tijd dien Gesius noodig had gehad om zijn verslag
+aan den commandant te doen, drong het geluid van hamerslagen tot de
+gevangenen door. Ademloos luisterden zij, begrijpende wat dat beteekende.
+De deur, die zoolang gesloten was geweest, werd opengebroken. De dag der
+vrijheid brak eindelijk aan.
+
+De handen, die het werk verrichtten, waren sterk en bedreven, en wil was
+goed. De slagen, eerst dof, werden steeds duidelijker verneembaar; nu en
+dan viel een steen op den grond. Nu konden zij zelfs de stemmen der
+werklieden hooren, en, o hoe heerlijk! daar zagen zij door een spleet
+het schijnsel der toortsen.
+
+--O, moeder, riep Tirza, daar is Juda! Eindelijk heeft hij ons dan toch
+gevonden!
+
+Weder viel een steen, en nog een, toen verscheidene te gelijk ... en de
+deur was eindelijk open. Een met stof en kalk bedekte arbeider stapte de
+cel binnen, een toorts ophoog houdende. Twee of drie volgden, eveneens
+met fakkels, en stelden zich bij den ingang om den commandant door te
+laten.
+
+Deze bleef echter staan, want de vrouwen vluchtten naar den uitersten
+hoek, niet uit vrees, maar uit schaamte. Niet alleen uit schaamte
+echter, want van uit den donkeren hoek, waar zij zich trachtten te
+verbergen, werd den mannen een woord toegeroepen, het wanhopigste dat
+over menschenlippen komen kan: Onrein! Onrein! Kom niet naderbij!
+
+Ontzet zagen zij elkander aan.
+
+--Onrein! Onrein! klonk het weer onbeschrijfelijk treurig uit den hoek.
+
+Zoo volbracht de arme vrouw haren plicht en gevoelde zij tegelijkertijd,
+dat de zoo vurig begeerde vrijheid, van verre gezien zoo heerlijk en
+uitlokkend, een Sodomsappel bleek te zijn. Zij en Tirza waren melaatsch.
+
+Weten onze lezers wat dat insloot? Een melaatsche werd als dood
+beschouwd. Uit de stad verdreven mocht hij zijne betrekkingen slechts op
+grooten afstand toespreken. Zijne woonplaats was bij andere melaatschen
+in spelonken of wildernissen. Zag hij iemand naderen--uit de verte reeds
+moest hij hem toeroepen: Onrein! Onrein!--Een wezen, dat zichzelf tot
+afschuw was, en alleen van den dood uitkomst kon verwachten.
+
+Nog herinnerde de moeder zich den dag, waarop zij binnen in hare hand
+iets vreemds gevoeld had, dat zij, maar tevergeefs, beproefd had weg te
+wasschen. Eerst hechtte zij er niet veel aan, maar toen ook Tirza
+hetzelfde aan hare hand opmerkte, werd zij ongerust. Haar dagelijksch
+rantsoen van water was niet groot, toch gebruikten zij er elken dag een
+gedeelte van om de aangetaste plek te reinigen. Maar het breidde zich
+uit, de geheele hand werd ontstoken, het vel barstte op verschillende
+plaatsen, de nagels vielen af. Zij leden niet veel pijn, maar voelden
+zich voortdurend onwel. Later verdroogden hare lippen en vielen er
+kloven in, en toen de moeder op zekeren morgen met angst in het hart
+Tirza nauwkeurig beschouwde, zag zij haar vreeselijk vermoeden
+bewaarheid: de wenkbrauwen van haar kind waren geheel wit.
+
+Wat zij toen doormaakte is niet te begrijpen. Sprakeloos en onbewegelijk
+zat de arme vrouw een poos neder, slechts dat ééne woord bij zichzelve
+herhalende: melaatsch, melaatsch.
+
+Toen zij weer geregeld denken kon, was haar eerste gedachte het
+vreeselijke geheim te verzwijgen en Tirza in gelukkige onwetendheid te
+laten. Zelve hopeloos verdubbelde zij hare zorgen voor Tirza, en slaagde
+er met de grootste zelfbeheersching in haar onkundig te laten, met
+betrekking tot den aard harer ziekte, en wist zelfs de hoop bij haar
+levendig te houden, dat zij van voorbijgaanden aard zou wezen. Zij
+bedacht raadsels en spelletjes, vertelde geschiedenissen, oude en
+nieuwe, luisterde met het grootste genot naar de liederen, die zij Tirza
+herhaaldelijk deed zingen, en hief zelve de psalmen aan van den
+koninklijken zanger, alles om voor een poos ten minste haar verdriet te
+verzetten en hare ziel tot God op te heffen, die haar, evenals de
+wereld, scheen vergeten te hebben.
+
+Langzaam maar zeker nam de kwaal toe. Na eenigen tijd werd het hoofdhaar
+wit, vielen lippen en oogleden met gaten, werd het geheele lichaam met
+blaren bedekt. Toen werd de keel aangedaan, werd hare stem heesch,
+werden de gewrichten stijf. Nog maar weinig tijds, dan zou de ziekte de
+bloedvaten en de beenderen aantasten--en zoo kon het vele jaren al erger
+en erger worden, totdat eindelijk de dood haar kwam verlossen.
+
+Een dag van verschrikking was de dag, waarop de moeder het haar plicht
+rekende aan Tirza den naam harer ziekte mede te deelen, en beiden in
+wanhoop God smeekten, dat het einde spoedig daar mocht zijn.
+
+Maar men went aan alles. De zwaarbeproefden leerden na verloop van tijd
+kalm te spreken over hare kwaal. Zij zagen welke vreeselijke verwoestingen
+de ziekte aanrichtte, en klemden zich niettegenstaande dat aan het leven
+vast. Eén band bleef haar aan de aarde binden: Juda. Over hem spraken en
+dachten zij. Zij twijfelden geen oogenblik aan zijne trouw en rekenden
+er vast op, dat hij even sterk als zij naar eene wederontmoeting
+verlangde. Zoo vertroostten zij elkander dag aan dag, ook, zooals wij
+gezien hebben, toen Gesius haar, nadat zij twaalf uren honger en dorst
+geleden hadden, weder moed kwam inspreken.
+
+De toortsen verlichtten de cel, de bevrijding was daar. God is goed,
+riep de weduwe dankbaar. Die werkelijk dankbaar is voor een ontvangen
+gunstbewijs vergeet voor 't oogenblik zijne ellende.
+
+Toen de commandant haar naderen wilde, vloden zij in een hoek, en
+herinnerde de moeder zich wat haar plicht was. Daarom stootte zij dien
+akeligen kreet uit: Onrein! Onrein!
+
+Ach, hoeveel kostte haar die plichtsbetrachting! Zelfs in de vreugd over
+hare bevrijding was zij niet blind voor de gevolgen daarvan. Het oude,
+gelukkige leven was voor altijd voorbij. Wilde zij de haar zoo dierbare
+woning gaan opzoeken, dan zou zij reeds bij de poort moeten roepen:
+Onrein!--De knaap van wien zij voortdurend gedroomd had zou, als hij
+haar zag, op een afstand moeten blijven staan. Stak hij de handen naar
+haar uit, dan zou juist hare liefde haar dwingen om hem toe te roepen:
+Onrein!
+
+De commandant hoorde de waarschuwing. Hij ontstelde, maar bleef staan.
+
+--Wie zijt gij? vraagde hij.
+
+--Twee vrouwen, die van honger en dorst sterven. Maar kom niet bij ons
+en raak de muren niet aan. De geheele cel is besmet!
+
+--Vertel mij uwe geschiedenis, vrouw. Zeg mij uw naam, en wanneer en
+door wien en waarom gij hier gevangen zijt gezet.
+
+--In Jeruzalem woonde jaren geleden een vorst, Ben-Hur geheeten,
+bevriend met vele edele Romeinen, zeer gehecht aan den keizer. Ik ben
+zijn weduwe, en dit meisje is zijne dochter. Ik kan u niet zeggen waarom
+wij hier begraven zijn, want ik weet het zelf niet, of het moest wezen
+omdat wij rijk waren. Valerius Gratus kan u zeggen wie onze vijand was
+en wanneer onze gevangenschap begonnen is. Ik weet het niet. Zie waartoe
+men ons gebracht heeft. O, heb medelijden met ons!
+
+De atmosfeer was zwaar verpest, maar in weerwil daarvan riep de
+commandant een der fakkeldragers tot zich om hem bij te lichten, en
+schreef haar antwoord woordelijk op. Kort en bondig behelsde het een
+geschiedenis, een aanklacht, en een bede. Een onbeschaafde vrouw zou
+zich niet zoo beknopt hebben kunnen uitdrukken. De Romein moest haar
+zijns ondanks gelooven en beklagen.
+
+--Gij zult terstond geholpen worden, zeide hij. Ik zal u eten en drinken
+zenden.
+
+--En kleeren, en waschwater, bid ik u.
+
+--Het zal geschieden.
+
+--God is goed, zeide de weduwe schreiend. Moge zijn vrede met u zijn!
+
+--Ik mag u niet wederzien, antwoordde de commandant. Maar tegen den
+avond zal ik u in vrijheid doen stellen. Gij kent de wet. Vaarwel!
+
+Weinige oogenblikken later brachten een paar slaven een badkuip, de
+noodige hoeveelheid water, handdoeken, vrouwenkleeren, brood met
+vleesch, en wijn, zetten het alles bij de opengebroken deur neer en
+verwijderden zich toen zoo snel mogelijk.
+
+Halverwege de eerste nachtwake bracht men de beide gevangenen naar
+buiten, en ademden zij vrijelijk de frissche lucht in.
+
+De sterren fonkelden boven haar hoofd, evenals van ouds. Zij
+verlustigden zich een oogenblik in dien aanblik, maar toen vraagden ze
+elkander droef te moede: Wat nu? Waarheen?
+
+
+ * * * * *
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+TERUGKEER.
+
+
+Ongeveer terzelfder tijd dat Gesius voor den commandant verscheen,
+beklom een voetreiziger den Olijfberg van de oostzijde. De weg was
+oneffen en stoffig, alle planten waren bruin verschroeid, want het was
+in het droge jaargetijde. Gelukkig was hij jong en sterk, en droeg hij
+een luchtig, ruim gewaad.
+
+Hij vorderde slechts langzaam, en keek dikwijls rechts en links, alsof
+hij na lange afwezigheid een welbekend landschap wederzag en zich
+verzekeren wilde, dat alles onveranderd hetzelfde gebleven was.
+
+Toen hij eindelijk nabij den top kwam versnelde hij zijnen stap en liet
+zich door niets meer ophouden, totdat hij de hoogte bereikt had en
+verrukt over het schouwspel aan zijne voeten staan bleef.
+
+Die reiziger was Ben-Hur, en wat hem zoo bekoorde was Jeruzalem, de stad
+Gods.
+
+Hij ging op een steen zitten, maakte den doek los, die zijn hoofd tegen
+de zonnestralen beschutte, en verdiepte zich in zijne overpeinzingen,
+den blik op de stad zijner vaderen gevestigd.
+
+De zon neigde ten ondergang. Een oogenblik rustte de vuurbol op de
+toppen der westelijke bergen, den hemel, de muren eb de torens der stad
+in gouden glans hullende. Daarop verdween hij. De stilte rondom hem
+voerde Ben-Hurs gedachten naar de ouderlijke woning. Zijn oog dwaalde af
+naar een punt ten noorden van den Tempel, daar moest het erfdeel zijner
+vaderen liggen, als het huis ten minste nog bestond.
+
+De liefelijke rust, de zachte atmosfeer, bleven niet zonder invloed op
+zijne gevoelens. Alle bittere gedachten, alle eerzuchtige plannen ter
+zijde stellend, overdacht hij den plicht, die hem naar Jeruzalem
+gebracht had. Terwijl hij met Ilderim in de woestijn was en als een
+krijgsoverste het terrein verkende, kwam op zekeren avond een bode tot
+hem met het bericht, dat Gratus afgezet en Pontius Pilatus in zijne
+plaats aangesteld was.
+
+Messala was lichamelijk gebroken en hield hem voor dood; Gratus was van
+zijne macht beroofd, en vertrokken--waarom zou hij dan het zoeken naar
+moeder en zuster nog langer uitstellen? hij behoefde voor niets meer te
+vreezen. Werd hem niet toegestaan zelf de gevangenissen van Judea te
+onderzoeken, dan konden anderen dat toch voor hem doen. Werden de
+verloornen gevonden, dan zou Pilatus haar zeker in vrijheid doen
+stellen, want die ten minste had er geen belang bij haar nog langer
+gevangen te houden. Met geld was in ieder geval veel te doen. Dan zou
+hij zijne geliefden in veiligheid brengen, om zich daarna met een
+volkomen hart geheel te wijden aan den Koning, die te komen stond. Zijn
+besluit was dadelijk genomen. Ilderim keurde het plan goed en gaf hem
+drie zijner stamgenooten mede, die Ben-Hur te Jericho achtergelaten had
+met de paarden, terwijl hijzelf te voet de reis voortzette. Te Jeruzalem
+zou Malluch zich bij hem voegen, en verder zou hij zich door de
+omstandigheden laten leiden.
+
+Met het oog op zijne plannen zou het geraden zijn zich voor alle
+mogelijke ambtenaren, inzonderheid de Romeinsche, verborgen te houden,
+en het voornaamste werk aan Malluch over te laten, die zeer schrander en
+behoedzaam was.
+
+Vóór alle dingen moest uitgemaakt worden hoe zij de zaak zouden
+aanpakken. Dat was hem nog niet recht helder. Het liefst zou hij met den
+burcht Antonia willen beginnen, want hij wist, dat zich onder dit
+sombere gebouw een doolhof van gevangenissen uitstrekte, juist geschikt
+om lieden, die men uit den weg wilde ruimen, in zich op te nemen.
+Daarenboven had hij met eigen oogen gezien hoe de soldaten zijne moeder
+en Tirza de straat indreven, die rechtuit naar den burcht leidde. Waren
+zij daar niet meer, dan kon hij er toch inlichtingen krijgen betreffende
+haar lot.
+
+In het diepst zijner ziel leefde een stille hoop, die hem daarentegen
+allereerst naar de ouderlijke woning trok. Door Simonides wist hij dat
+Amrah nog leefde. Haar opzoeken en van haar hooren wat zij wist, moest
+zoo spoedig mogelijk geschieden. De trouwe slavin had zich, zooals men
+zich zal herinneren, op dien vreeselijken morgen losgerukt uit de handen
+der soldaten en was het ledige huis binnen gevlogen, waar zij, met al
+wat er verder in was, opgesloten werd. Simonides had haar sedert dien
+tijd van het noodige voorzien, en zij was de eenige bewoonster gebleven
+van het groote huis, dat Gratus, hoeveel moeite hij er zich ook voor
+gaf, niet had kunnen verkoopen. De geschiedenis die er aan vast was
+hield de koopers of huurders terug. Daarenboven had het den naam dat het
+er spookte, misschien een gevolg van Amrah's ronddwalen door de
+verschillende kamers, of op het platte dak. Kon hij haar te spreken
+krijgen, wie weet of zij hem niet eenig licht zou kunnen verschaffen, en
+daarom had hij besloten nog hedenavond tot haar te gaan.
+
+De avond was gevallen, toen Ben-Hur opstond en van den berg afdaalde.
+Vlak bij de bedding van de beek Kedron ontmoette hij een herder, die
+zijne schapen naar de markt bracht. Hij sloot zich bij dien man aan, en
+trad aan zijne zijde door de Vischpoort de stad binnen.
+
+
+ * * * * *
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+EEN ZWARE STRIJD.
+
+
+Het was reeds geheel donker, toen Ben-Hur van den herder afscheid nam en
+eene nauwe straat insloeg, die naar het zuidelijk gedeelte der stad
+voerde. Enkele menschen, die hem tegenkwamen, groetten hem, en nog nooit
+hadden de welbekende woorden hem zoo liefelijk in de ooren geklonken.
+De huizen aan beide zijden der straat waren laag en somber. Alle deuren
+waren gesloten. Het gevoel zijner eenzaamheid, de duisternis, de
+onzekerheid, waarin hij verkeerde, dat alles stemde hem droevig.
+
+Zoo kwam hij bij het diepe waterbekken, thans bekend als de vijver van
+Bethesda. Voor hem verhief zich de burcht Antonia als een zwarte
+dreigende steenklomp. Hij bleef staan. Zoo sterk, zoo hecht en
+onaantastbaar verhief zich het gevaarte, dat hij het wanhopige van zijn
+streven gevoelde. Als zijne moeder achter die muren zuchtte, wat
+vermocht hij dan om haar te redden?... Door geweld niets. Werpspietsen
+en stormrammen zouden tevergeefs hunne kracht op de rots beproeven;
+list ... ach, die wordt zoo gemakkelijk verijdeld. En God, de laatste
+toevlucht van hulpbehoevenden, toeft dikwijls zoo lang met zijne hulp!
+
+Met sombere voorgevoelens in 't hart ging hij verder, de volgende straat
+in. Een nachtverblijf zou hij zich later wel zoeken in de nieuwe wijk
+Bezetha, waar een herberg was; nu eerst naar Amrah.
+
+Juist ging de maan op en verspreidde naar zilveren glans over de tot nog
+toe onzichtbare voorwerpen in het westen, zoodat de hooge torens op den
+berg Sion helder en klaar tegen den donkeren achtergrond afstaken.
+
+Eindelijk bereikte hij het ouderlijke huis. Voor de noordpoort bleef hij
+staan en las het aanplakbiljet: Dit is het eigendom des keizers.
+
+Sedert dien vreeselijken dag was niemand door die poort in- of
+uitgegaan. Zou hij als naar gewoonte kloppen? Hij wist, dat het
+vergeefsche moeite zou zijn, toch kon hij de verzoeking niet wederstaan.
+Amrah zou het wellicht hooren en uit een der vensters kijken. Hij raapte
+een steen van den grond, ging de brede trappen op en klopte driemaal.
+Slechts de echo antwoordde. Hij klopte nogmaals, en nogmaals, doch
+bemerkte geen teeken van leven. Hij ging naar den overkant der straat en
+bespiedde de vensters, doch er was niets te zien. Hij liep het huis
+om--ook daar was de deur verzegeld en van een opschrift voorzien.
+Ben-Hur las het en ontstak in woede. Hij rukte het opschrift af, wierp
+het op den grond en vertrapte het. Toen zette hij zich neder op de stoep
+en bad dat de nieuwen koning toch spoedig komen mocht. Langzamerhand
+werd hij kalmer, de vermoeienis na de langen dagreis deed zich gevoelen,
+hij strekte zich uit en viel weldra in slaap.
+
+Een weinig later kwamen twee vrouwen de straat af van de andere zijde.
+Angstvallig vervolgden zij haren weg en bleven dikwijls staan om te
+luisteren. Bij den hoek van het huis gekomen hielden zij stil, en zeide
+eene van haar met gedempte stem: Dit is het, Tirza!
+
+Tirza zag het huis aan, greep haar moeders hand, boog het hoofd, en
+begon te weenen.
+
+--Laat ons verder gaan, mijn kind, want zoodra het dag wordt jagen zij
+ons de stad uit.
+
+--Ach, ik had het bijna vergeten, snikte Tirza. Ik verbeelde mij dat wij
+naar huis gingen. Maar wij zijn melaatsch en hebben geen tehuis. Wij
+behooren tot de dooden!
+
+--Kom, Tirza, wij hebben nu niets te vreezen. Kom mee, zeide de moeder
+troostend.
+
+'t Was waar, reeds alleen door het opsteken harer handen zouden zij een
+geheel leger op de vlucht hebben kunnen drijven.
+
+Met onhoorbaren tred slopen zij, twee spookgestalten gelijk, den hoek
+om, totdat zij voor de poort kwamen en het opschrift lazen: Dit is het
+eigendom des keizers.
+
+Toen wrong de moeder in stomme smart hare handen, hief de oogen ten
+hemel en kermde overluid.
+
+--Moeder, wat scheelt er aan? U doet mij schrikken!
+
+--Ach, kind, hij is dood!
+
+--Wie, moeder?
+
+--Uw broeder! Zij hebben hem alles afgenomen, zelfs dit huis! Nu zal hij
+ons nooit kunnen helpen!
+
+--Wat moeten wij doen, moeder?
+
+--Morgen, mijn kind, moeten wij aan den weg gaan zitten en bedelen,
+zooals de melaatschen dat gewoon zijn. Wij moeten bedelen, of--!
+
+--Laat ons sterven, moeder, liever sterven!
+
+--Neen, zeide de moeder op vasten toon. God heeft onzen tijd bepaald, en
+wij gelooven in Hem. Wij zullen op Hem blijven vertrouwen, ook hierin.
+Kom!
+
+Al sprekende had zij Tirza's hand gevat en spoedde zich naar de
+westzijde van het huis, steeds dicht langs den muur loopende. Daar zij
+nergens iemand zagen, gingen zij door, maar schrikten terug voor het
+heldere maanlicht, dat de straat bescheen. De moeder hervatte zich
+echter spoedig, wierp een smartelijken blik op de vensters aan deze
+zijde van het huis, en stapte moedig vooruit in het licht, Tirza met
+zich voerend.
+
+Nu kon men eerst recht zien hoe vreeselijk de verwoesting was, die de
+ziekte had teweeggebracht. Lippen, wangen, oogen, handen droegen er de
+sporen van, maar het afzichtelijkst was wel het hoofdhaar, dat in lange,
+stijve, klamme lokken neerhing, en evenals de wenkbrauwen een akelig
+witte kleur had. Moeder en dochter waren niet van elkander te
+onderscheiden, beiden waren even onnatuurlijk verouderd.
+
+--Stil, zeide de moeder op eenmaal, daar ligt iemand op de stoep te
+slapen, een man.
+
+Snel staken zij de straat over en gingen in de schaduw voort, totdat zij
+tegenover de poort kwamen, waar zij bleven stilstaan.
+
+--Blijf even hier. De man slaapt, ik wil beproeven of de poort dicht is.
+
+Dit zeggende stak zij de straat over en duwde zacht tegen een der
+deuren, maar juist op dat oogenblik slaakte de vreemdeling een zucht,
+bewoog zich onrustig in zijn slaap en draaide het hoofd om, zoodat zijn
+gelaat duidelijk zichtbaar werd. Zij zag hem aan en ontstelde hevig,
+keek nogmaals, bukte zich een weinig, kwam weer overeind, vouwde de
+handen en hief de oogen ten hemel in stil gebed. Een oogenblik slechts,
+toen ging zij ijlings naar Tirza terug.
+
+--Kind, Tirza! dat is mijn zoon, uw broeder! fluisterde zij zacht, greep
+hare dochter bij de hand en vervolgde: Laat ons hem samen aanschouwen,
+even slechts, en dan, o God, help dan uwe dienstmaagden!
+
+Onhoorbaar staken zij de straat over. Toen zij vlak bij hem waren gekomen,
+bleven zij staan. Een van zijne handen was afgegleden en rustte op de
+stoep. Tirza viel op hare knieën en wilde die hand kussen, maar de moeder
+trok haar terug. Pas op, kind, vermaande zij, wat woudt gij doen? Onrein!
+Onrein!
+
+De arme Tirza week verschrikt achteruit, alsof haar broeder de melaatsche
+was.
+
+Ben-Hur was schoon om aan te zien. Zijn gelaat was verbrand door de zon,
+mar de lippen waren rood, de tanden wit, en de golvende baard verborg
+niet den fraaien vorm van kin en hals. Hoe schoon was hij in zijn
+moeders oogen! Hoe smachtte zij er naar hem in hare armen te nemen en
+aan haar hart te drukken. Waaruit putte zij de kracht om niet aan dat
+verlangen toe te geven? Juist uit hare liefde voor hem. Voor niets ter
+wereld zou zij, de melaatsche, een kus hebben willen drukken op zijne
+wang. Toch wilde zij hem aanraken. Op hetzelfde oogenblik dat zij hem
+vond, moest zij voor altijd afscheid van hem nemen, dat, zij wist het,
+werd van haar geëischt. Bittere, bittere gedachte!
+
+Zij knielde naast hem neder en drukte zacht hare lippen tegen de zool
+van zijn sandaal, hoe bestoven die ook was; zij kuste die nog eens en
+nog eens. Haar gansche ziel lag in die kussen.
+
+Daar bewoog hij zich weer en prevelde in zijn slaap: Moeder ... Amrah,
+waar is ...
+
+Het was bijna te veel voor de arme vrouw. Zij drukte haar gelaat tegen
+de steenen, om haar snikken te smoren, want haar hart dreigde te breken.
+Bijna wenschte zij dat hij wakker mocht worden. Hij dacht immers aan
+haar in den slaap, en mocht hij dan niet weten, dat zij zoo dicht bij
+hem was? Maar de tijd drong. Zij stonden op ... nog één langen blik, een
+laatste blik, en weer staken zij de straat over. In de schaduw zetten
+zij zich neer, wachtend, ja, waarop? Op het een of ander, zij wisten
+zelf niet wat.
+
+Nog niet lang hadden zij zoo gezeten, of een andere vrouw kwam den hoek
+van het huis om. Zij zagen haar duidelijk: een kleine vrouw, gebogen van
+houding, donker van kleur, eenvoudig, maar netjes gekleed. Zij had een
+mand met eetwaren bij zich.
+
+Toen zij den man op de stoep bemerkte bleef zij staan, bezon zich echter
+en kwam zachtkens naderbij. Zonder hem aan te raken ging zij naar de
+poort, en stak hare hand door eene in de linkerdeur aangebrachte
+opening.
+
+Een van de planken week op zij, de vrouw schoof er de mand door en wilde
+zelve volgen, toen zij, door nieuwsgierigheid gedreven, nog even staan
+bleef om een blik op het gelaat van den vreemdeling te werpen.
+
+De toeschouwers van den overkant hoorden een verbaasden uitroep, zagen
+dat de vrouw haren oogen wreef, alsof zij een droombeeld dacht te
+zien,--zij zagen haar zich over hem heenbuigen, de hand des slapers
+vatten en met kussen overdekken ... wat moeder en zuster ook zoo gaarne
+zouden gedaan hebben, maar niet durfden.
+
+Door die aanraking gewekt trok Ben-Hur zijne hand terug, en zag
+tegelijkertijd de vrouw aan. Daar sprong hij overeind en riep blijde:
+Amrah! o Amrah! Zijt gij daar eindelijk?
+
+Zij antwoordde niet, maar viel hem om den hals en snikte luid.
+
+--Goede Amrah, hoorde zijne moeder hem zeggen, wat ben ik blij u te
+zien; maar zeg mij gauw wat gij van moeder en Tirza weet. Waar zijn zij?
+Gij hebt haar natuurlijk gezien. Zijn zij thuis?
+
+Maar Amrah schreide slechts te heviger. Tirza maakte een beweging, maar
+de moeder, haar voornemen radende, hield haar tegen en fluisterde: Ga
+niet, voor niets ter wereld. Onrein! Onrein!
+
+Neen, al moest haar hart ook breken, haar zoon zou niet worden wat zij
+waren.
+
+--Woudt gij naar binnen gaan? vraagde Ben-Hur aan Amrah. Kom dan. Ik ga
+met u mee. De Romeinen, dat 's Heeren wraak hen treffe, liegen. Dat is
+mijn huis. Kom, Amrah, laat ons naar binnen gaan.
+
+Zij traden binnen en sloten de deur, die nooit meer open zou gaan voor
+de arme moeder en hare dochter. Zij hadden het offer gebracht. Zij bogen
+zich diep in het stof. Men vond haar den volgenden morgen, en dreef haar
+met steenen de stad uit. Weg met u! Gij behoort tot de dooden! Gaat naar
+de dooden! riep men haar na.
+
+
+ * * * * *
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+AMRAHS TROUW.
+
+
+Als de hedendaagsche reiziger den Koningstuin bij Jeruzalem bezoeken
+wil, neemt hij zijnen weg door de bedding der beek Kedron, of langs den
+Gihon en Hinnom, tot aan de oude fontein Rogel, drinkt dan van het
+heerlijke water, en staat stil, want hij heeft het uiterste punt bereikt
+van het bezienswaardige in die richting. Hij werpt een blik op de groote
+steenen, die de bron omringen, onderzoekt hoe diep zij wel is, glimlacht
+over de primitieve manier van waterscheppen, en geeft misschien een
+aalmoes aan de arme ziel, die er de wacht bij houdt. Keert hij zich
+daarna om, dan rusten zijne oogen op de bergen Moria en Sion ten
+noorden, den Berg der Ergernis aan zijne rechterhand, en den Berg van
+den Slechten Raad ter linkerzijde, welke bergen hij, zoo hij ten minste
+thuis is in de bijbelsche geschiedenis en in de overlevering, met groote
+belangstelling zal gadeslaan.
+
+De beide laatste bergen zijn vol spelonken en holen, die toen ten tijde,
+evenals de graven in het dal, tot woonplaats strekten aan de uit de stad
+verdreven melaatschen.
+
+Op den tweeden morgen na de gebeurtenissen in het vorige hoofdstuk
+vermeld, begaf Amrah zich naar de bron Rogel, en ging bedaard op een
+steen zitten. Zij had een waterkruik bij zich en een mandje, waarvan de
+inhoud met een sneeuwwitten doek bedekt was. Toen zij gezeten was,
+maakte zij haar hoofddoek los, vouwde de handen om hare knieën en
+staarde peinzend naar den Akker des Pottenbakkers, later Akeldama
+genoemd.
+
+Het was nog zeer vroeg, nog niet volkomen dag en zij was de eerste bij
+de bron. Niet lang daarna echter kwam een man met een touw en een leeren
+emmer en hield zich gereed om water te putten. Men kon indien men dat
+verkoos zichzelf helpen, maar anders was hij bereid om voor een
+kleinigheid de grootste kruiken te vullen.
+
+Amrah bleef stil zitten en bewaarde het zwijgen. Na een poosje vraagde
+de man, of zij haar kruik soms gevuld wilde hebben, en toen zij
+antwoordde: Nog niet,--lette hij verder niet op haar. Toen het volkomen
+dag geworden was, kwamen zijne gewone klanten, zoodat hij zijne handen
+vol werk had.
+
+Terwijl Amrah nog altijd zit te wachten en uit te kijken, zullen wij
+zien met welk doel zij daar kwam.
+
+Zij was gewoon 's avonds ter markt te gaan. Onopgemerkt sloop zij dan
+het huis uit, en begaf zich naar de winkels bij de Vischpoort, in het
+oosten der stad, waar zij hare inkoopen deed, om daarna weder even
+geheimzinnig in huis te komen. Hoe gelukkig zij was, dat zij haar jongen
+meester weer bij zich had, kan men zich voorstellen. Zij kon hem echter
+niets vertellen van zijne moeder en zuster. Hij trachtte haar over te
+halen een andere woning te betrekken, maar zij was er niet toe te
+bewegen. Gaarne zou zij gezien hebben, dat hij zijn oude kamer weer
+betrokken had, die onveranderd dezelfde gebleven was, maar het gevaar
+van ontdekt te worden was te groot, en hij wilde zoo min mogelijk de
+aandacht trekken. Hij bleef dus bij zijn voornemen om in de herberg der
+wijk Bezetha te overnachten, en beloofde Amrah zoo dikwijls mogelijk bij
+haar te zullen komen, maar altijd 's avonds laat. Hiermede moest zij
+zich tevreden stellen, en van nu was zij op niets anders bedacht, dan
+hoe zij hem genoegen zou kunnen doen. Dat het kind intusschen man
+geworden was scheen niet bij haar te wegen, en de mogelijkheid dat zijn
+smaak veranderd kon zijn, kwam niet bij haar op, waarom zij hem als van
+ouds dacht te bedienen. Zij herinnerde zich nog goed waar hij het meest
+van gehouden had, en nam zich voor te zorgen dat zij daar altijd genoeg
+van in huis had. Daarom ging zij de volgenden avond wat vroeger uit dan
+gewoonlijk, en terwijl zij een winkel binnenging om honig te koopen
+gebeurde het, dat zij op een groepje menschen stuitte, geschaard rondom
+een werkman, die hun een verhaal deed.
+
+Wat dat voor een verhaal was, zal de lezer wel begrijpen, als hij
+verneemt, dat de verteller een der werklieden was, die den commandant
+van den burcht Antonia bijgelicht hadden, toen hij de gevangenen in cel
+VI bezocht. Hij vertelde alles wat hij gehoord en gezien had tot in de
+kleinste bijzonderheden, ook den naam der ongelukkige slachtoffers.
+
+Met welke gevoelens de trouwe Amrah naar die tijding luisterde valt niet
+te beschrijven. Zij deed hare inkoopen en keerde als in een droom
+huiswaarts. Welk eene verrassing kon zij den jongen meester nu bereiden!
+Zij had zijne moeder gevonden!
+
+Thuis gekomen bergde zij het gekochte weg, en lachte en schreide te
+gelijk. Eensklaps bleef zij onbewegelijk staan en dacht een oogenblik
+na. Ach, het zou immers zijn dood wezen, als hij hooren moest, dat zijne
+moeder en zuster melaatsch waren! Zonder twijfel zou hij naar dat oord
+der verschrikking bij den berg gaan en de besmette spelonken doorzoeken,
+totdat hij ze gevonden had. Dan zou de ziekte ook hem aantasten en zou
+hij haar lot moeten deelen. Zij wrong wanhopig de handen. Wat moest zij
+doen!
+
+Evenals menigeen voor en na haar hielp de liefde haar uit den nood.
+
+De melaatschen, dat wist zij, waren gewoon 's morgens hunne holen te
+verlaten, om het benoodigde drinkwater uit de bron Rogel te halen. Zij
+brachten hunne waterkruiken mede, zetten die op den grond, en stonden
+dan van verre te wachten, totdat zij gevuld waren. De wet was
+onverbiddelijk en liet geen onderscheid toe tusschen rijken of armen.
+Hare meesteres en Tirza zouden dit ook moeten doen.
+
+Zoo besloot Amrah dan niets te zeggen van hetgeen zij gehoord had, maar
+eerst naar de bron te gaan en daar te wachten. Honger en dorst zouden de
+ongelukkigen derwaarts drijven, en zij geloofde zeker haar op het eerste
+gezicht te zullen herkennen; zoo niet, dan zouden zij het haar doen.
+
+Intusschen kwam Ben-Hur thuis en had veel met haar te bespreken. Morgen
+zou Malluch komen, dan zouden zij terstond met het onderzoek beginnen.
+Hij verlangde er vurig naar. Om zich wat afleiding te bezorgen wilde hij
+de heilige plaatsen op den tempelberg gaan bezoeken. Het geheim woog de
+arme Amrah wel zwaar op het hart, maar zij wist zich te beheerschen en
+zweeg.
+
+Na zijn vertrek zette zij zich aan den arbeid en maakte eenige
+kostelijke spijzen gereed. Zoodra de sterren verbleekten en de eerste
+morgenschemering aanbrak pakte zij hare mand vol, nam een waterkruik en
+sloeg den weg in naar de bron Rogel, waar wij haar zien wachten.
+
+Kort na zonsopgang, toen de bezoekers vele waren en de man de handen vol
+werk had, toen zelfs een half dozijn emmers te gelijk werd neergelaten,
+daar iedereen zich haastte om weg te komen, voordat de koele morgen
+plaats maakte voor de hitte des daags, kwamen ook de arme spelonkbewoners
+te voorschijn. Zij naderden in groepjes, vrouwen met kruiken op den
+schouder, oude en zwakke mannen leunende op krukken en stokken, of op
+den schouder van een jongere, sommige zelfs op draagbaren uitgestrekt,
+ook enkele kinderen. Van hare zitplaats hield Amrah trouw de wacht. Meer
+dan eens meende zij haar te zien, dien zij zocht. Dat zij op den berg
+waren betwijfelde zij niet; dat zij komen moesten en zouden wist zij.
+Als al de anderen gereed waren zouden zij komen, dat stond bij haar
+vast.
+
+Aan den voet van den berg was een grafspelonk, die meer dan eens Amrah's
+opmerkzaamheid getrokken had door haar wijden ingang. Een bijzonder
+groote steen lag bij de opening. Gedurende het heetst van den dag wierp
+de zon hare stralen in het oogenschijnlijk onbewoonde en onbewoonbare
+hol. En zie, juist uit die spelonk zag de geduldige Egyptische tot hare
+verbazing twee vrouwen komen, waarvan de eene de andere leidde en
+steunde. Beider haar was wit, beiden schenen reeds oud te zijn, maar
+hare kleeding was netjes en goed. Zij zagen rondom zich, alsof alles
+haar vreemd was. Verbeeldde Amrah het zich, of schrikten die twee, toen
+zij hare deelgenooten in de ellende zagen? 't Waren maar kleinigheden,
+die zij opmerkte, maar zij deden haar hart sneller kloppen en hare
+aandacht uitsluitend op die twee vrouwen vestigen.
+
+De twee melaatschen bleven een oogenblik bij den steen staan, en gingen
+toen langzaam en alsof het loopen haar moeilijk viel naar de bron,
+waarop verscheidene stemmen haar toeriepen te blijven waar zij waren;
+maar 't scheen alsof zij het niet begrepen, want zij gingen door. De
+putbewaarder nam eenige steentjes op om haar daarmede te verdrijven, de
+omstanders wierpen haar vloeken naar 't hoofd, en de andere melaatschen
+riepen luid: Onrein! Onrein!
+
+--Ja zeker, dacht Amrah, die twee zijn vreemd en kennen de gebruiken der
+melaatschen niet.
+
+Zij stond op, ging haar te gemoet met haar mandje en kruik, en terstond
+hield het rumoer aan de bron op.
+
+--Hoe dwaas, zeide één lachend, zulk goed eten aan de dooden te geven!
+
+--En er nog wel zoo ver voor te komen, zeide een ander. Ik zou ze
+tenminste aan de poort bescheiden.
+
+Amrah stoorde zich niet aan de praatjes en volgde de inspraak van haar
+hart. Toch was zij er nog niet geheel zeker van. Als zij zich eens
+vergiste! De moed ontzonk haar bijna, en hoe dichter zij bij de twee
+vrouwen kwam, des te meer raakte zij aan het twijfelen. Op een afstand
+van tien of twaalf voetstappen bleef zij staan. Kon dat de geliefde
+meesteres zijn, wier edele trekken zij zoo trouw in dankbaar aandenken
+bewaard had? En kon dat Tirza zijn, die zij van klein af verzorgd had,
+met wie zij gespeeld had? Dat de lieve, mooie, vroolijke Tirza, de
+zonnestraal in het groote huis? Onmogelijk. Het aanschouwen dier
+rampzaligen maakte haar ziek.
+
+--Dit zijn oude vrouwen, zeide zij tot zichzelve. Ik heb ze vroeger
+nooit gezien; ik zal maar teruggaan.
+
+Zij keerde zich om en ging.
+
+--Amrah! riep een der beide melaatschen.
+
+--Wie roept mij? vraagde Amrah bevend.
+
+--Amrah!
+
+--Wie zijt gij? vraagde zij.
+
+--Wij zijn, die gij zoekt.
+
+Amrah viel op hare knieën.
+
+--O lieve, lieve meesteres! Uw God, die ook de mijne is, zij geloofd en
+geprezen, dat ik u heb mogen vinden!
+
+De trouwe ziel kroop op de knieën naar haar toe.
+
+--Pas op, Amrah! Kom niet dichterbij. Onrein! Onrein!
+
+Amrah, dus tegengehouden, bedekte haar gelaat met beide handen en snikte
+zoo luid, dat de menschen bij de bron het hoorden. Eensklaps richtte zij
+zich op en vraagde: Lieve meesteres, waar is Tirza toch?
+
+--Hier ben ik, Amrah, hier! Zoudt gij mij wat water willen geven?
+
+Amrah sprong op, streek zich het haar uit de oogen, en nam den doek van
+haar mandje. Zie, sprak zij, ik heb wat brood en vleesch voor u
+meegebracht.
+
+--Dat is goed van u, Amrah. Wilt gij nu wat water voor ons halen? dan
+nemen wij het mee naar de spelonk. Meer moogt gij vandaag niet voor ons
+doen.
+
+De lieden bij de bron, die dit alles van verre hadden gadegeslagen,
+gingen voor Amrah op zijde, en hielpen haar zelfs de kruik vullen,
+zoozeer wekte haar zichtbare droefheid hun medelijden op.
+
+--Wie zijn dat? vraagde eene vrouw.
+
+Zacht antwoordde Amrah: Zij zijn goed voor mij geweest.
+
+Toen de kruik gevuld was zette zij die op haar schouder en spoedde zich
+naar de melaatschen terug. In haren ijver zou zij tot vlak bij haar
+gegaan zijn, maar de kreet: Onrein! Onrein! hield haar nog intijds
+tegen. Zij zette de kruik naast het mandje, en ging een paar stappen
+terug.
+
+--Hartelijk dank, goede Amrah, gij hebt braaf gehandeld.
+
+--Kan ik nog iets voor u doen?
+
+De moeder had de kruik reeds opgenomen en hoewel zij versmachtte van
+dorst zette zij haar weder op den grond en zeide: Ja. Ik weet dat Juda
+thuis gekomen is. Ik zag hem eergisteravond op de stoep liggen slapen,
+en ik zag u, toen gij hem wakker maaktet.
+
+Amrah sloeg de handen ineen en riep: Dat zaagt gij, en kwaamt niet bij
+ons.
+
+--Dat mocht ik immers niet doen. Ach, Amrah, ik kan mijn zoon nooit meer
+in de armen nemen, hem nooit meer aan mijn hart drukken. Amrah, ik weet
+dat gij hem liefhebt, niet waar?
+
+--Ja, ja, ik wil als 't noodig is voor hem sterven, riep de trouwe ziel.
+
+--Welnu, geef mij daar een bewijs van.
+
+--Al wat gij wilt.
+
+--Dan moogt gij hem niet zeggen waar en hoe gij ons gevonden hebt.
+Anders niet.
+
+--Maar hij zoekt u overal! Hij is van verre gekomen om u te zoeken!
+
+--Hij mag ons niet vinden. Hij mag niet worden wat wij zijn. Luister,
+Amrah. Blijf ons dagelijks van het noodige voorzien, zooals gij heden
+deedt. Het zal niet lang noodig zijn, neen, niet lang. Kom 's morgens en
+'s avonds en vertel ons van hem; maar tegen hem geen woord over ons.
+Belooft gij mij dat, Amrah? drong de moeder met trillende stem.
+
+--Ach, 't zal mij zoo zwaar vallen te zien hoe hij u overal loopt te
+zoeken, en hem dan niet te kunnen of te mogen zeggen, dat u nog leeft!
+
+--Kunt ge hem zeggen dat gij ons gezond en wel hebt aangetroffen, Amrah?
+
+Amrah snikte.
+
+--Neen, vervolgde de moeder, en daarom moet gij zwijgen. Ga nu, en kom
+van avond terug, dan zien wij naar u uit. Tot zoolang, vaarwel!
+
+Amrah bleef geknield liggen, totdat moeder en dochter in de spelonk
+verdwenen waren. Toen keerde zij bedroefd huiswaarts. Dienzelfden avond
+kwam zij terug en deed dat voortaan dag aan dag, zoodat het de
+uitgestootenen aan niets ontbrak. De spelonk, hoe eenzaam en verlaten
+ook, was toch niet zoo somber, als de cel in den burcht. Het daglicht
+stroomde naar binnen, zij waren in de vrije natuur, en het valt
+gemakkelijker geloovig den dood te verbeiden onder de open lucht, dan in
+een onderaardschen kerker.
+
+
+ * * * * *
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+DE KAMPVECHTER.
+
+
+Aan den morgen van den eersten dag der zevende maand Tishri in 't
+Hebreeuwsch, October bij ons, verrees Ben-Hur van zijne legerstede in de
+herberg,--ontevreden met de geheele wereld.
+
+Na de aankomst van Malluch, nu anderhalve maand geleden, waren zij
+dadelijk aan het werk getogen. Malluch begaf zich allereerst naar den
+burcht Antonia, en wendde zich rechtstreeks tot den commandant, wien hij
+een omstandig verhaal deed aangaande het gebeurde met de familie Hur, en
+duidelijk deed uitkomen, dat bij het ongeluk aan Gratus overkomen geen
+sprake kon zijn van boosaardig opzet. Het doel van zijne nasporingen
+was, zeide hij, ingeval de ongelukkigen nog leefden, den keizer een
+smeekschrift aan te bieden, met verzoek om herstel van eer, rechten en
+goederen. Zulk een smeekschrift zou, daar twijfelde hij niet aan, een
+nauwkeurig onderzoek ten gevolge hebben, een onderzoek, waarvoor de
+vrienden der familie volstrekt niet vreesden.
+
+Tot antwoord deelde de commandant hem mede, dat de vrouwen in cel VI
+gevonden waren, en gaf hem de memorie ter inzage, die hijzelf opgesteld
+had, ja, stond zelfs toe dat Malluch er een afschrift van nam.
+
+Daarop haastte deze zich terug naar Ben-Hur.
+
+De jonkman was verplet hij het hooren van de vreeselijke tijding. Zijne
+smart was te groot om in tranen of hartstochtelijke uitbarstingen van
+woede verluchting te kunnen vinden. Doodsbleek bleef hij langen tijd
+voor zich uit staren, nu en dan bij zichzelven herhalende: Melaatsch!
+Zij--, moeder en Tirza--zij melaatsch! Hoe lang, o God, hoe lang?
+
+Het eene oogenblik was hij vol van deernis, het volgende smachtte hij er
+naar wraak te nemen. Eindelijk stond hij op.
+
+--Ik moet ze gaan zoeken, Malluch! Misschien zijn zij stervend!
+
+--Waar wilt gij zoeken? vraagde deze.
+
+--Er is maar ééne plaats, waarheen zij hebben kunnen gaan.
+
+Malluch trachtte het hem te ontraden, en slaagde er eindelijk in hem te
+overtuigen van de noodzakelijkheid er zich persoonlijk buiten te houden
+en alles aan hem, Malluch, over te laten. Te zamen gingen zij naar de
+poort tegenover den Berg van den Slechten Raad, sinds onheugelijke
+tijden de plaats, waar de melaatschen aan den weg zaten te bedelen. Daar
+bleven zij den ganschen dag, deelden aalmoezen uit, vraagden overal of
+men de twee vrouwen ook gezien had, en beloofden een rijke belooning aan
+ieder, die hare verblijfplaats kon aanwijzen. Dat hielden zij anderhalve
+maand lang dagelijks vol. De melaatschen, voor wie de uitgeloofde
+belooning een machtige drijfveer was, doorzochten ijverig den omtrek,
+maar tevergeefs. Ook de bewoonsters van de groote spelonk bij de bron
+werden meer dan eens ondervraagd, maar zij wisten haar geheim te
+bewaren.
+
+--Waar kunnen zij toch gebleven zijn? vraagde Ben-Hur eindelijk
+ontmoedigd, om er dan in bitterheid des gemoeds op te laten volgen: Ach,
+zij zijn zeker dood; weggegaan--de wildernis in, en daar omgekomen.
+Moeder dood--Tirza dood--ik alleen overgebleven. En waarvoor? Hoe lang,
+o Heer, God mijner vaderen, hoe lang zal Rome mogen blijven bestaan?
+
+Toornig, hopeloos, wraakzuchtig trad hij den voorhof van de herberg in,
+en vond dien vol met menschen, welke gedurende den nacht waren
+aangekomen. Terwijl hij zijn ontbijt gebruikte luisterde hij naar hunne
+gesprekken. Eén gezelschap trok hem vooral aan. Het bestond uit sterk
+gebouwde, geharde jonge mannen, wier manieren en spraak verrieden, dat
+zij uit de provincie kwamen. Uit hun oogopslag, uit de houding van hun
+hoofd sprak een geest, dien men niet bij de mindere klasse van Jeruzalem
+opmerkte, de geest, die een gevolg is van het vrije gezonde leven in een
+bergachtige streek. Weldra vernam hij, dat zij uit Galilea kwamen, en
+hoofdzakelijk naar Jeruzalem gekomen waren om deel te nemen aan het
+feest der Trompetten, dat op dien dag zou gevierd worden. Nu werd zijne
+belangstelling nog grooter, want in Galilea hoopte hij allereerst hulp
+te vinden voor het werk, dat hij weldra moest aanvaarden.
+
+Terwijl hij hen gadesloeg en naging wat hij met een legioen van zulke
+mannen, gedrild naar de strenge Romeinsche wetten, al niet zou kunnen
+uitrichten, kwam een man de herberg binnenloopen met gloeiend gelaat en
+schitterende oogen.
+
+--Wat doet gij hier? vraagde hij de Galileërs. De rabbijnen en Oudsten
+gaan juist uit den Tempel naar Pilatus. Haast u en komt mee, dan sluiten
+wij ons bij hen aan.
+
+In een oogwenk had hij de Galileërs rondom zich.
+
+Naar Pilatus? Waarvoor?
+
+--Zij hebben eene samenzwering ontdekt. Pilatus wil zijne nieuwe
+waterleiding betalen met geld uit den Tempelschat.
+
+--Wat? Met het heilige geld? riepen verscheidene mannen met vlammende
+blikken. Het is geld van God. Laat hij probeeren er een penning van te
+nemen, als hij durft!
+
+--Komt dan! riep de boodschapper. De stoet is al over de brug; geheel
+Jeruzalem is uitgeloopen en volgt hen. Wij zijn misschien noodig. Maak
+voort!
+
+Snel wierpen de mannen hun overtollige bovenkleeren af, en stonden daar
+blootshoofds en in de korte tunica zonder mouwen, die zij gewoon waren
+te dragen bij den veldarbeid, of bij de visscherij, de kleedij, waarin
+zij de kudden weidden op de bergen en de rijpe druiven plukten in den
+wijngaard.
+
+--Wij zijn gereed, zeiden zij, hun gordels vaster aantrekkende.
+
+Toen sprak Ben-Hur hen aan. Mannen van Galilea, zeide hij, ik ben een
+zoon van Juda. Mag ik met u gaan?
+
+--Het zal misschien tot een gevecht moeten komen.
+
+--Welnu, in dat geval zal ik niet de eerste zijn, die op de vlucht gaat.
+
+Zij zagen hem lachend aan en de bode zeide: Gij ziet er sterk genoeg
+uit. Kom mee!
+
+Ben-Hur wierp zijn opperkleed af. Gij denkt dus dat er gevochten zal
+worden? vraagde bij koeltjes.
+
+--Ja.
+
+--Met wie?
+
+--Met de wacht.
+
+--Legioenen?
+
+--Op wie anders kunnen de Romeinen zich verlaten?
+
+--Welke wapenen hebt gij?
+
+Niemand antwoordde.
+
+--Nu, zeide hij, wij zullen ons zoo goed mogelijk moeten verweren. Maar
+zou het niet verstandig zijn, als wij een aanvoerder kozen? De legioenen
+hebben er ook altijd een, en handelen daardoor eenparig.
+
+De Galileërs staarden hem verbaasd aan, alsof zij van zoo iets nooit
+gehoord hadden.
+
+--Laat ons ten minste afspreken bij elkander te blijven, zeide hij. Ik
+ben gereed. Gijlieden ook?
+
+--Ja, laat ons gaan.
+
+De herberg, het zij hier even herinnerd, stond te Bezetha, de nieuwe
+stad, en om naar het Praetorium te gaan, zooals de Romeinen hoogdravend
+het paleis van Herodes op den berg Sion noemden, moesten onze vrienden
+de laaglanden ten noorden en westen van den Tempel oversteken. Na den
+heuvel Akra te zijn omgetrokken, bereikten zij den toren Mariamne.
+Vandaar was men in een paar minuten bij de groote poort van het paleis.
+Overal ontmoetten zij op hun weg lieden, die zich met hetzelfde doel
+hadden opgemaakt. Toen zij ten laatste de poort van het Praetorium
+bereikten, was de stoet van rabbijnen en Oudsten juist naar binnen
+gegaan met een groot gevolg achter zich, terwijl een nog grootere,
+luidruchtige menigte buiten wachtte.
+
+Een centurio bewaakte met een goed gewapende wacht den ingang. De zon
+wierp haar gloeiende stralen op de helmen en schilden der soldaten, maar
+bleven onbewegelijk staan, even onverschillig voor het oogenverblindend
+geflikker, als voor het gejoel der menigte. Door de openstaande bronzen
+poorten stroomden tal van burgers naar binnen, terwijl een veel kleiner
+getal er uit kwam.
+
+--Wat is er aan de hand? vraagde een Galileër aan een man, die naar
+buiten kwam.
+
+--Niets, antwoordde deze. De rabbi's staan voor de deur van het paleis
+en verlangen Pilatus te zien. Hij heeft geweigerd naar buiten te komen.
+Nu hebben zij hem doen weten, dat zij niet weg zullen gaan, voordat hij
+hen gehoord heeft. Zij wachten nog.
+
+--Laat ons naar binnen gaan, zeide Ben-Hur bedaard, want hij zag wat
+zijne eenvoudige makkers waarschijnlijk niet zagen--dat men hier niet
+alleen met een verschil tusschen de rabbi's en den procurator te doen
+had, maar dat het eene zaak was, waar een beslissing op moest volgen, en
+dat nu maar de vraag was wie zijn zin zou krijgen.
+
+Zij traden binnen en kwamen in een voorhof, aan weerszijden met boomen
+beplant en van banken voorzien. Zich rechts keerend ging het gezelschap
+naar een ruime vierkante plaats, aan wier westzijde de woning van den
+procurator lag. Daar bewoog zich een opgewonden menigte. De oogen van
+allen waren op eene in een breeden doorgang aangebrachte deur gericht,
+die gesloten was. Onder dien doorgang was een tweede wacht geschaard.
+
+Het gedrang was zoo groot dat onze vrienden, al wilden zij nog zoo
+gaarne, niet vooruit konden komen. Zij bleven dus waar zij waren en
+gaven nauwlettend acht op wat er gebeurde. In de voorste rijen konden
+zij de hooge tulbanden der rabbijnen zien, wier ongeduld zich telkens
+openbaarde in den kreet: Pilatus, als gij procurator wilt zijn, kom dan
+naar buiten!
+
+Eenmaal kwam een der voorsten terug en baande zich een weg door de
+menigte; zijn gelaat gloeide van toorn. Israël wordt hier niet geteld,
+riep hij met luide stem. Op dezen gewijden grond behandelt men ons,
+alsof wij Romeinsche honden waren.
+
+--Zal hij niet buiten komen, denkt gij?
+
+--Buiten komen? Heeft hij niet reeds driemaal geweigerd?
+
+--Wat zullen de rabbijnen doen?
+
+--Wat zij te Cesarea deden: hier blijven wachten, totdat hij naar hen
+luistert.
+
+--Hij zal toch den Tempelschat niet durven aanraken, denkt gij wel?
+vraagde een der Galileërs.
+
+--Wie zal het zeggen! Heeft niet een Romein het heilige der heiligen
+ontreinigd? Is iets heilig voor een Romein?
+
+Een uur ging voorbij, en ofschoon Pilatus hen geen antwoord waardig
+keurde, hielden de rabbijnen stand. Zoo ook de scharen. Tegen den middag
+begon het te regenen, hetgeen niet verhinderde, dat de menigte
+aangroeide en steeds rumoeriger en ontevredener werd. Kom naar buiten!
+Kom buiten! klonk het onophoudelijk.
+
+Intusschen hield Ben-Hur zijne Galileesche vrienden bijeen. Hij
+vermoedde dat de hoogmoed den Romein weldra zijn voorzichtigheid zou
+doen vergeten en het einde spoedig daar zou zijn. Pilatus wachtte
+slechts totdat het volk zelf hem een voorwendsel zou geven, om tot
+geweld zijn toevlucht te nemen.
+
+Het einde kwam dan ook werkelijk spoedig genoeg.
+
+Eensklaps hoorde men dat er slagen vielen, gevolgd door luide kreten van
+pijn en woede. Alles geraakte in beweging. De eerwaardige mannen voor de
+portiek keken verschrikt om. Het volk in de achterhoede drong vooruit,
+die in het midden stonden trachtten achteruit te wijken, en gedurende
+een oogenblik was de drukking van twee kanten verschrikkelijk. Duizenden
+stemmen vraagden wat er gebeurd was, maar niemand kon het antwoord
+geven.
+
+Ben-Hur behield zijne bedaardheid. Kunt gij zien wat daar geschiedt?
+vraagde hij een der zijnen.
+
+--Neen.
+
+--Ik zal u optillen.
+
+Hij greep den man met beide handen om het middel en tilde hem van den
+grond.
+
+--Wat ziet ge?
+
+--Mannen met knuppels gewapend. Zij slaan op het volk in. Zij zijn als
+Joden gekleed.
+
+--Wie zijn het?
+
+--Romeinen! vermomde Romeinen! Zij slaan er duchtig op los. Daar slaan
+zij een rabbi neer,--een oud man! Zij sparen niemand.
+
+Ben-Hur zette hem weer op den grond.
+
+--Mannen van Galilea, zeide hij, het is een list van Pilatus. Als gij
+doen wilt wat ik zeg, zullen wij eens gauw met die knuppelaars
+afrekenen.
+
+--Ja, ja! riepen zij eenstemmig.
+
+--Laat ons dan teruggaan naar de boomen bij de poort, die zullen ons van
+dienst kunnen zijn. Komt!
+
+Zij liepen zoo hard zij konden terug, en met vereende krachten braken
+zij de dikste takken van de boomen. In korten tijd waren ook zij
+gewapend. Juist wilden zij optrekken, toen de menigte als razend op de
+vlucht sloeg en hun den weg dreigde af te snijden. Het was een geweldig
+rumoer: schreeuwen, kermen, vloeken.
+
+--Langs den muur! beval Ben-Hur. Langs den muur! Laat den hoop
+voorbijgaan!
+
+Zij gehoorzaamden, drukten zich tegen den muur aan hunne rechterzijde,
+ontkwamen op die wijze het gevaar van te worden meegesleurd door den
+machtigen stroom, en drongen stap voor stap vooruit, totdat ten laatste
+de voorplaats bereikt was.
+
+--Blijft nu bijeen, en volgt mij! riep Ben-Hur.
+
+Zijn meesterschap was ten volle erkend, en toen hij zich tusschen de
+woedende menigte wierp, volgden zij hem als een eenig man.
+
+Toen nu de Romeinen, die nog steeds met hunne knuppels zwaaiden en zich
+vroolijk maakten, als zij eenigen van het volk neersloegen, handgemeen
+werden met de Galileërs, vlug van leden, vurig van geest, en eveneens
+gewapend, waren zij op hunne beurt verrast. Het tieren en razen werd
+heftiger, de slagen volgden elkander sneller en moorddadiger. Ben-Hur
+verrichtte wonderen van dapperheid. Zijn geoefende sterke hand miste
+nooit haar doel. Hij was te gelijk strijder en aanvoerder, altijd
+vooraan, altijd in 't heetst van het gevecht. In zijn krijgsgeschreeuw
+was iets dat zijne volgers bezielde en zijne vijanden met bezorgdheid
+vervulde. Weldra begonnen de Romeinen te wijken, eindelijk sloegen zij
+op de vlucht. De Galileërs zouden hen tot aan de portiek hebben willen
+vervolgen, maar Ben-Hur hield hen wijselijk tegen.
+
+--Niet verder, mannen! riep hij. Daar komt de hoofdman met de wacht. Zij
+hebben zwaarden en schilden. Tegen hen zijn wij niet opgewassen. Wij
+hebben ons flink gehouden; laat ons terugtrekken, de poort uit, terwijl
+wij nog kunnen.
+
+Langzaam trokken zij af. Gedurig moesten zij over hunne gevallen
+broeders heenstappen; sommige leefden nog en vraagden kermend om hulp.
+Maar de gesneuvelden waren niet allen Joden. Dat was een troostrijke
+gedachte.
+
+De hoofdman riep hen spot- en scheldwoorden na, maar Ben-Hur lachte hem
+uit en antwoordde in het Latijn: Als wij Joodsche honden zijn, zijt
+gijlieden Romeinsche jakhalzen. Blijf maar, wij zullen wel terugkeeren!
+
+De Galileërs juichten hem toe en gingen lachend verder. Buiten de poort
+stond een saamgepakte menigte, straten, daken, berghelling, alles was
+vol met menschen, die hunne verontwaardiging luide lucht gaven.
+
+De wacht aan de buitenzijde liet de Galileërs ongemoeid door. Toen zij
+een eindweegs gegaan waren, zeide Ben-Hur tot de Galileërs: Broeders,
+gij hebt u dapper geweerd. Laat ons nu afscheid nemen, maar komt van
+avond bij mij in de herberg te Bethanië. Ik heb u een voorstel te doen
+in het belang van het geheele volk van Israël.
+
+--Wie zijt gij? vraagden zij.
+
+Een zoon van Juda. Zult gij komen?
+
+--Ja, wij zullen komen.
+
+Dit afgesproken zijnde ging ieder zijns weegs.
+
+Op bevel van Pilatus werden de dooden en gewonden weggedragen. Onder het
+volk was veel geween; maar die getuigen geweest waren van de overwinning
+der Galileërs onder aanvoering van den onbekenden jongen held, vertelden
+overal wat er geschied was, en wachtten in spanning, of hij nog van zich
+zou doen hooren.
+
+Zoo had Ben-Hur den eersten stap gedaan om zich vrienden te maken onder
+de Galileërs, en zich den weg gebaand tot grootere daden in dienst des
+Konings, die te komen stond.
+
+Met welk gevolg zullen wij weldra zien.
+
+
+ * * * * *
+
+
+BOEK VII.
+
+
+ * * * * *
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+DE HERAUT.
+
+
+De samenkomst in de herberg te Bethanië had dienzelfden avond plaats.
+Van daar begaf Ben-Hur zich met zijne volgelingen naar Galilea, waar men
+reeds van zijn moedig optreden gehoord had. Nog vóór het einde van den
+winter had hij drie legioenen bijeen vergaderd en naar Romeinsche wijze
+ingericht. Hij zou gemakkelijk het dubbele getal hebben kunnen
+verzamelen, want de krijgsmansgeest was in het dappere volk ontwaakt.
+Zoowel tegenover Rome als tegenover Herodus Antipas waren echter de
+grootste voorzichtigheid en geheimhouding noodzakelijk. Zich dus voor
+het oogenblik tevreden stellende met drie legioenen, spande hij alle
+krachten in om hen te gewennen aan strenge tucht en gemeenschappelijken
+arbeid. Tot dat doel bracht hij de hoofdlieden naar de woeste streken
+van Trachonitis, en onderwees hen in het hanteeren der wapenen,
+inzonderheid van werpspies en zwaard, en in het aanvoeren van
+manschappen. Daarop zond hij hen naar huis terug, om op hunne beurt
+anderen te onderwijzen. Na weinig tijds waren deze oefeningen een
+geliefkoosde uitspanning onder het volk geworden.
+
+Natuurlijk vereischte deze werkzaamheid veel geduld, beleid, ijver en
+opoffering, hoedanigheden die onontbeerlijk zijn, zal men anderen kunnen
+bezielen. Hoe zwoegde hij van den ochtend tot den avond, zichzelf geheel
+vergetende! Toch zou hij niet geslaagd zijn zonder de hulp van Simonides,
+die hem van wapenen en geld voorzag, en van Ilderim, die hem proviand
+bezorgde en overal wachten had uitgezet.
+
+Voor de Galileërs had hij niets dan lof. Onder dien naam waren de
+stammen Aser, Zebulon, Issaschar en Nafthali begrepen, die het land
+bewoonden, hun weleer door Mozes aangewezen. De Joden, die in den omtrek
+des Tempels geboren waren, verachtten hunne noordelijke broederen, maar
+zelfs de Talmud leerde: De Galileër bemint de eer, de Jood het geld.
+
+Hun haat tegen Rome was even vurig als hunne liefde voor het vaderland.
+Bij elken opstand waren zij de eersten om aan te vallen en de laatsten
+om te wijken. Honderdvijftigduizend Galileesche mannen hebben hun leven
+gelaten in den laatsten kamp tegen Rome. Voor de groote feesten trokken
+zij als geordende legerscharen op naar Jeruzalem en kampeerden in het
+open veld. Toch waren zij zeer vrijzinnig, en zelfs toegevend voor het
+heidendom. Op de schoone steden door Herodes in Romeinschen trant
+gebouwd, vooral op Sepphoris en Tiberias, waren zij zeer trotsch en
+droegen voor den bouw naar vermogen bij. Mannen uit alle oorden der
+wereld hadden hunnen woonstede onder hen en leefden er in vrede. Tot
+roem van den Hebreeuwschen naam brachten zij dichters en profeten voort,
+met name den zanger van het hooglied en Hosea.
+
+Op een volk met zoo rijke verbeelding, zoo hooghartig, dapper en trouw,
+moest het verhaal van de aanstaande komst des nieuwen konings machtig
+werken. Dat zijn doel was Rome ten onder te brengen zou reeds voldoende
+geweest zijn, om hem te winnen voor Ben-Hurs plannen, doch toen men hun
+daarenboven verzekerde, dat de koning de wereld zou regeeren en een rijk
+zou stichten, nog machtiger dan dat van Cesar, nog heerlijker dan dat
+van Salomo, en dat die heerschappij eeuwig zou voortduren, stroomden zij
+toe, en wijdden zij zich met lichaam en ziel aan 's konings zaak. Zij
+vraagden Ben-Hur vanwaar hij deze dingen wist--en hij wees hen op de
+profeten, en vertelde hun van Balthasar, die in Antiochië op de komst
+des konings wachtte. Dat voldeed hen, want het was de oude
+Messiasbelofte, naar wier vervulling zij reeds zoo lang hadden
+uitgezien. De droom zou dus eindelijk verwezenlijkt worden.
+
+De wintermaanden gingen voorbij. De lente kwam, en zoo voortreffelijk
+was hij met alles geslaagd, dat hij tot zichzelven en zijne volgelingen
+mocht zeggen: laat de koning nu maar komen. Hij heeft slechts te bevelen
+waar hij zijnen troon wil opgericht zien--wij zijn gereed om hem op
+zijnen troon te handhaven.
+
+De Galileërs kenden hunnen aanvoerder alleen als een zoon van Juda. Een
+anderen naam had hij hun niet opgegeven.
+
+ * * * * *
+
+Op zekeren avond zat Ben-Hur in Trachonitis met een paar van zijne
+Galileesche vrienden voor de spelonk, waar hij zijn hoofdkwartier had
+opgeslagen, toen een Arabische bode kwam aanrijden en hem een brief
+overhandigde. Hij verbrak het zegel en las:
+
+ Jeruzalem IV Nisan.
+
+ Een profeet is opgestaan, van wien men zegt dat hij Elias is. Hij
+ heeft jarenlang in de wildernis geleefd, en in onze oogen is bij
+ een profeet. Zijne taal maakt hem ook als zoodanig openbaar. In
+ zijne prediking wijst bij steeds op één, grooter dan hijzelf, die
+ weldra komen zal. Hij houdt zich op aan den oostelijken oever van
+ den Jordaan. Ik ben hem gaan zien en hooren, en geloof vast dat
+ degeen op wien hij wacht de koning is, dien gij verwacht. Kom en
+ oordeel zelf. Geheel Jeruzalem gaat tot den profeet, en de plaats
+ waar hij vertoeft is zoo vol, als de Olijfberg gedurende de laatste
+ dagen van het Paaschfeest.
+
+ Malluch.
+
+Ben-Hurs gelaat werd met een glans van vreugde overtogen. Mijne vrienden,
+zeide hij, ons wachten is ten einde. De heraut van den koning is verschenen
+en heeft zijne komst aangekondigd.
+
+Nadat hij hun den brief had voorgelezen, verheugden zij zich allen met
+groote blijdschap.
+
+--Maakt u dus gereed, vervolgde hij, en keert morgenochtend huiswaarts.
+Doet al de uwen weten, dat zij zich gereed houden om op te trekken,
+zoodra ik het sein geef. Ik zal gaan zien, of de komst van den koning
+werkelijk zoo nabij is en het u doen weten.
+
+Hij ging de spelonk binnen om een brief te schrijven aan Ilderim en aan
+Simonides, waarin hij hun de zoo even ontvangen tijding mededeelde. De
+brieven verzond hij door ijlboden. 's Avonds, toen de sterren aan den
+hemel flonkerden, steeg hij te paard en begaf zich met een Arabischen
+gids op weg naar den Jordaan. Zijn plan was den weg te volgen tusschen
+Rabbath Ammon en Damascus, den weg, dien de karavanen gewoonlijk namen.
+
+De gids was vertrouwbaar. Aldebaran was vlug;--tegen middernacht hadden
+zij het lavagebied reeds achter zich en waren zij op weg naar het Zuiden.
+
+
+ * * * * *
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+EEN VERRASSING.
+
+
+Ben-Hur had gehoopt met het aanbreken van den dag een veilige rustplaats
+te zullen bereiken, maar de morgenstond overviel hem in de woestijn, en
+hij zette de reis voort, daar de gids hem verzekerde, dat zij weldra aan
+een door hooge rotsen ingesloten dal zouden komen, waar hij een bron,
+moerbeiboomen en gras in overvloed zou vinden.
+
+Nadat zij eenigen tijd zwijgend hadden doorgereden, vestigde de gids,
+die aanhoudend rondkeek, zijne aandacht op een gezelschap, dat, hoewel
+nog verre achter hen, denzelfden weg scheen te volgen.
+
+--Het is een gezadelde kameel, zeide de gids een oogenblik later.
+
+--Zijn er geleiders bij? vraagde Ben-Hur.
+
+--Neen ... of ja, er is een man te paard bij, zeker de drijver.
+
+Een weinig later kon Ben-Hur zelf den kameel onderscheiden. Hij was wit
+en buitengewoon groot, en herinnerde hem terstond het schoone dier, dat
+hij bij de Castaliabron gezien had. Geen ander was dien kameel gelijk.
+Zijne gedachten vlogen terug naar de Egyptische, ongemerkt liet hij zijn
+paard langzamer gaan. Eindelijk zag hij dat de kameel een overdekte
+zonnetent droeg, waarin twee personen zaten. Als dat eens Balthasar en
+Iras waren? Zou hij zich aan hen bekend maken? Maar dat was immers niet
+mogelijk! Wat zouden zij hier in de woestijn doen, zij alleen?
+
+Terwijl hij de mogelijkheid of onmogelijkheid overdacht, was de kameel
+hem reeds op zijde gekomen. Hij hoorde het gerinkel der belletjes en zag
+de rijke versiering, die het volk aan de Castaliabron zoozeer bekoord
+had; ook den Ethiopiër herkende hij. Toen de kameel het paard had
+ingehaald hield hij stil, en zag Ben-Hur de verbaasde oogen van Iras op
+zich gevestigd.
+
+--De zegen van den waren God zij met u, zeide Balthasar.
+
+--En met u en de uwen, antwoordde Ben-Hur.
+
+--Mijne oogen zijn verzwakt door de jaren, zeide Balthasar, maar toch
+meen ik in u den zoon uit het huis van Hur te herkennen, dien ik onlangs
+ontmoet heb, als den geëerden gast van Ilderim.
+
+--En gij zijt Balthasar, de wijze Egyptenaar, wiens gesprek over zekere
+heilige zaken mij nog in de ooren klinkt, te meer daar diezelfde zaak
+mij de reis door deze wildernis deed aanvaarden. En wat bracht u hier
+zoo alleen?
+
+--Hij, die op God vertrouwt, is nooit alleen, en God is overal, zeide
+Balthasar ernstig. Maar in antwoord op uwe vraag diene, dat een
+karavaan, op weg naar Alexandrië, ons op korten afstand volgt, en daar
+zij Jeruzalem denkt aan te doen, dacht het mij goed gebruik te maken van
+haar geleide tot aan de Heilige Stad, waarheen ik op reis ben. Zij gaat
+mij echter te langzaam, daarom reden wij hedenmorgen vooruit. Voor
+roovers op den weg zijn wij niet bang, want wij hebben een geleibrief
+van Sheik Ilderim, en tegen roofdieren is God onze beschutting.
+
+--De geleibrief van den Sheik is van kracht zoover de woestijn zich
+uitstrekt, en de leeuw, die dezen vorst der kameelen inhaalt, moet zeker
+nog geboren worden, zeide Ben-Hur, het dier op den hals kloppende.
+
+--Ja, zeide Iras, maar ook hij verlangt naar het verbreken van zijn
+vasten. Koningen voelen daar ook wel de gevolgen van. Indien gij
+werkelijk de Ben-Hur zijt, dien ik het genoegen heb gehad reeds vroeger
+te ontmoeten, zal het u zeker een genoegen zijn ons den weg te wijzen
+naar een bron, want wij verlangen naar een teug frisch water.
+
+--Schoone Egyptische, antwoordde hij, ik kan met u gevoelen. Kunt gij
+nog vijf minuten geduld oefenen, dan zal ik u bij eene bron brengen,
+wier water niet onderdoet voor dat van de beroemde Castaliabron.
+
+Dit gezegd hebbende reed Ben-Hur vooruit met den gids, daar het gesprek
+onder het rijden toch niet kon worden voortgezet. Na een korten rit kwam
+het gezelschap aan een _wady_. Hare bedding was zeer week door de regens
+van de laatste dagen en voerde vrij steil naar beneden. Weldra echter
+werd zij breeder en verliep ten slotte in een vruchtbare vallei, die, na
+de zandige eentonige vlakte, den indruk maakte van een paradijs. Eenige
+bloeiende oleanders, wier schitterend roode bloemen dadelijk de aandacht
+tot zich trokken, waren het sieraad van dit liefelijk oord. Een statige
+palmboom verhief zijn kruin ten hemel en bood den reizigers rust en
+koelte aan onder zijn breede takken. Een moerbeziënboschje ter
+linkerzijde gaf de plaats aan waar de bron te vinden was.
+
+Het water stroomde uit een rotsspleet, die door een zorgende hand
+verbreed was, en waarboven in groote letters het woord GOD in het
+Hebreeuwsch gegraveerd stond. Zonder twijfel had hij, die de letters in
+den steen gegrift had, hier dagen lang getoefd, en op deze wijze zijne
+dankbaarheid geuit.
+
+Ben-Hur en de gids stegen af, de Ethiopiër deed den kameel nederknielen,
+zoodat Balthasar en Iras de tent konden verlaten.
+
+De Egyptenaar keerde zijn gelaat naar het Oosten, vouwde de handen
+eerbiedig en bad.
+
+--Geef mij een beker, beval Iras ongeduldig, en toen de Ethiopiër haar
+onhandig een kristallen beker had gebracht, zeide zij tot Ben-Hur: Ik
+zal u bedienen.
+
+Te zamen wandelden zij naar de bron. Hij wilde water voor haar scheppen,
+maar zij stond het hem niet toe, knielde neder, vulde zelve den beker en
+bood hem dien aan.
+
+--Neen, neen, zeide hij, het is aan mij u dezen dienst te bewijzen.
+
+Zij bleef echter aandringen, er bijvoegende: Wij, Egyptenaren, zoon van
+Hur, hebben een spreekwoord: Beter de schenker te zijn van den gelukkige,
+dan raadsman van een koning.
+
+Nu voegde Balthasar zich bij hen.
+
+--Wij zijn u zeer verplicht, zeide hij, deze vallei is liefelijk; het
+gras, de boomen, de schaduw noodigen ons tot een rustig verblijf. De
+bron fonkelt in den zonneschijn en spreekt tot mij van een God vol
+liefde. Blijf bij ons en zit met ons aan.
+
+--Laat ik u dan eerst met een dronk mogen verkwikken, zeide de jonkman,
+hem een vollen beker aanbiedende.
+
+Intusschen had de slaaf de tent opgeslagen en alles voor het ontbijt in
+gereedheid gebracht, waaraan door de reizigers alle eer bewezen werd.
+
+
+ * * * * *
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+ONSTERFELIJKHEID.
+
+
+De koele atmosfeer, de schoone bloemen, de sabbatsstilte, alleen
+verbroken door het zachte ruischen van het water en het gonzen der
+insecten, brachten den Egyptenaar in een opgewekte stemming.
+
+--Toen wij u inhaalden, zoon van Hur, zeide hij, was uw gelaat naar
+Jeruzalem gekeerd. Mag ik u vragen of dat het doel uwer reis is?
+
+--Ja, ik ben op weg naar de Heilige Stad.
+
+--Wij ook, en daar ik mijne krachten sparen moet wensch ik er zoo
+spoedig mogelijk te zijn. Kunt gij mij ook zeggen, of er een korter weg
+is, dan die over Rabbath Ammon?
+
+--Ik ga over Gerasa, en Rabbath Gilead, dat is veel korter, maar ook
+vermoeiender.
+
+--Ik verlang naar het einde van de reis, zeide Balthasar. In den
+laatsten tijd droomde ik telkens denzelfden droom. Herhaaldelijk hoorde
+ik een stem, die mij toeriep: Haast u, maak u op! Hij, dien gij zoolang
+verwacht hebt, staat te komen.
+
+--Gij bedoelt hem, die de koning der Joden zal worden? vraagde Ben-Hur
+verbaasd.
+
+--Juist.
+
+--Hebt gij dus nog niets van hem gehoord?
+
+--Niets, behalve die woorden van mijn droom.
+
+--Ziehier dan een tijding, die u zal verheugen.
+
+Uit de plooien van zijn gewaad haalde Ben-Hur den brief van Malluch te
+voorschijn. Balthasar strekte er de hand naar uit en las hem hardop.
+Toen hief hij zijne oogen dankend op naar den hemel. Hij deed geen
+vragen, maar twijfelde ook niet.
+
+--Hoe goed zijt gij voor mij geweest, o God, zeide hij. Vergun mij, bid
+ik u, den Messias te zien, opdat ik hem moge aanbidden, en laat uw
+dienstknecht heengaan in vrede.
+
+De eenvoudige, vertrouwelijke bede maakte diepen indruk op Ben-Hur.
+Nooit had hij zoo Gods tegenwoordigheid gevoeld. Het was hem, alsof God
+hier persoonlijk bij hem was, een vriend, wien zij alles konden vragen,
+een vader, die al zijne kinderen evenzeer liefhad, een vader voor den
+zoon van Israël, zoowel als voor den heiden, een vader voor allen, wien
+allen naderen mochten zonder tusschenkomst van priesters of leeraars. De
+gedachte, dat zulk een God de menschheid een Verlosser zou kunnen zenden
+in plaats van een koning, kwam hem niet meer zoo vreemd voor, de vraag
+kwam zelfs bij hem op, of het niet veel meer overeenkomstig was met het
+wezen Gods. Daarom zeide hij: Denkt gij nu nog dat hij als Verlosser zal
+optreden en niet als koning?
+
+--Wat zal ik daarop zeggen? antwoordde Balthasar. De geest, die mij
+weleer geleidde, is mij niet meer verschenen sinds ik u ontmoette in de
+tent van den goeden Sheik; ten minste niet op de vroegere wijze. Maar ik
+geloof dat die geest nu in mijne droomen tot mij spreekt. Een andere
+openbaring heb ik niet.
+
+--Ja maar, zeide Ben-Hur, gij dacht dat hij een koning zou zijn, hoewel
+niet als de vorsten der aarde. Gij dacht dat zijne heerschappij
+geestelijk zou zijn, niet van deze wereld.
+
+--O ja, luidde het antwoord, en dat geloof ik nog. Ik zie dat er
+verschil is in onze verwachting. Gij gaat om een koning van menschen te
+ontmoeten, ik ga om een behouder van zielen te zien.
+
+Hij hield even op, alsof hij naar de juiste woorden zocht om zijne
+meening duidelijk te maken.
+
+--Laat mij trachten, zoon van Hur, u een juist begrip te geven van mijn
+geloof. Als ik u gezegd zal hebben waarom de geestelijke heerschappij,
+die hij zal uitoefenen, in ieder opzicht uitnemender is, dan enkel
+koninklijke pracht, zult gij mij beter begrijpen. Ik kan niet met
+zekerheid zeggen wanneer het denkbeeld, dat ieder mensch eene ziel
+heeft, ontstaan is. Waarschijnlijk brachten de eerste menschen het mede
+uit den hof in Eden. Dat het nooit geheel verloren ging weten wij allen.
+Waarom zou ieder mensch eene ziel hebben? Laat ons daar eens even bij
+stilstaan. Zich neder te leggen en te sterven, op te houden te bestaan
+werd nooit door eenig mensch begeerd. Allen zonder onderscheid zullen in
+het diepst hunner ziel wel op iets beters gehoopt hebben. De monumenten
+der volken zijn zoovele protesten tegen de vernietiging na den dood,
+evenzoo hunne standbeelden en opschriften, evenzoo de geschiedenis.
+De grootste onzer Egyptische koningen liet zijne beeltenis in een rots
+uithouwen. Dagelijks ging hij er met zijn gevolg heen om het werk te
+zien. Eindelijk was het gereed, de gelijkenis was treffend. Mogen wij
+ons nu niet voorstellen, dat hij, voor dat kunstwerk staande, gedacht
+heeft: Laat de dood vrij komen, ik leef in de toekomst voort!... Hij
+heeft zijn wensch gehad. Het beeld staat er nog.
+
+Maar waar bestaat het voortleven in, dat hij zich dus verzekerde? Alleen
+in de herinnering der menschen--een roem, vergankelijk als het schijnsel
+der maan op het groote beeld. En wat is intusschen van den koning
+geworden? In de koninklijke graven ligt een gebalsemd lichaam, dat
+eenmaal het zijne was. Maar waar, zoon van Hur, is de koning zelf? Is
+hij in het niet verzonken? Tweeduizend jaren zijn verloopen sedert hij
+op deze aarde leefde, als gij en ik. Was met zijn laatste ademtocht
+alles voor hem afgedaan? Zeggen wij ja, dan brengen wij eene
+beschuldiging in tegen God. Wij nemen daarom een beter en werkelijk
+leven na den dood aan, iets wat meer is dan een voortleven in de
+herinnering. Daarom gaf God ons bij de geboorte eene ziel, die
+onsterfelijk is. Denk nu eens aan het genot, dat in de gedachte ligt:
+Wij hebben een ziel. Deze gedachte ontneemt den dood zijne verschrikking,
+door het sterven te maken tot een verandering voor beter, en het
+begraven tot het zaaien van een zaad, waaruit een nieuw leven zal
+ontspruiten. Zie mij, oude man, aan, verzwakt naar het lichaam. Weldra
+zal het graf mij ontvangen, maar dan ook openen zich voor mij de
+onzichtbare deuren van Gods heerlijk huis, om mij, dat is mijne bevrijde
+onsterfelijke ziel, op te nemen. O, had ik woorden om dat heerlijke
+leven te schetsen! Zeg niets, dat ik er niets met zekerheid van weet.
+Dit weet ik, en dat is mij genoeg: een ziel te bezitten sluit in deel te
+hebben aan een goddelijke eigenschap. Zulk een verloste ziel heeft niets
+meer met het stof, met het onreine te maken; zij leeft in volkomen
+reinheid. Zal ik, dit geloovende, dan nog met mijzelven of met u gaan
+redeneeren over de bijomstandigheden? Over den vorm van mijne ziel, of
+over de behoefte aan spijs en drank, of hoe mijne ziel bekleed zal zijn?
+Neen, dat laat ik gerust aan God over. Het schoone in deze wereld komt
+alles uit zijne hand. Hij bekleedt de lelie, Hij geeft de roos haar
+kleurenpracht, Hij roept den dauwdroppel te voorschijn. De harmonie in
+de natuur is door Hem ontstaan. Hij maakt ons voor dit leven geschikt en
+stelde zijne voorwaarden vast. Zij zijn van dien aard, dat ik met volle
+gerustheid mijne ziel en het leven na den dood in zijne handen stel. Ik
+weet dat Hij mij liefheeft.
+
+Balthasar zweeg. Ben-Hur, ja zelfs Iras, was aangedaan. Voor den eerste
+ging een licht op. Hij begon in te zien, dat een geestelijk koningschap
+voor de menschheid van nog grooter belang kon zijn, dan een aardsch
+koninkrijk, en dat een Verlosser, meer dan de machtigste koning, een
+Gode waardige gave zou zijn.
+
+Na eenigen tijd verbrak Balthasar het stilzwijgen en zeide: Het wordt
+tijd dat wij opbreken en onze reis vervolgen. Ik brand van verlangen om
+hem te zien, die mijne gedachten geheel vervult. Laat dat verlangen
+mijne verontschuldiging zijn, zoon van Hur, als ik u tot spoed aanzet.
+
+Terwijl de Ethiopiër alles weer opbergde bracht de Arabische gids de
+paarden voor, en weldra was het gezelschap op weg om de karavaan in te
+halen, die hen naar alle waarschijnlijkheid reeds vooruit gekomen was.
+
+
+ * * * * *
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+DE HERAUT EN ZIJN KONING.
+
+
+Op den derden dag van de reis nam het gezelschap tegen den middag een
+weinig rust bij de beek Jabbok. Zij troffen daar ruim honderd mannen
+aan, grootendeels uit Perea, die hier met hetzelfde doel als zij
+vertoefden. Nauwelijks waren zij afgestapt, of een man trad op hen toe
+met een kruik water en bood hun een frisschen dronk aan, van welk aanbod
+zij gaarne gebruik maakten. De man bekeek intusschen den kameel en
+zeide: Wat een prachtig dier! Ik kom juist van den Jordaan, waar het
+dezer dagen druk bezocht is door reizigers van nabij en van verre, maar
+geen van hunne kameelen kan in de schaduw staan van dezen. Mag ik vragen
+van welk ras hij is?
+
+Balthasar bevredigde zijne nieuwsgierigheid en ging toen wat rusten,
+maar Ben-Hur vraagde: Waar is het zoo druk?
+
+--Te Bethabara.
+
+--Daar placht het vroeger heel eenzaam te zijn, zeide Ben-Hur, hoe komt
+het daar nu zoo vol?
+
+--O, ik zie het al, zeide de vreemdeling, gij komt ook van buitenaf en
+hebt het goede nieuws nog niet gehoord.
+
+--Welk goed nieuws?
+
+--Er is een man uit de woestijn gekomen, een heilig man, die een nieuwe
+leer predikt. Hij noemt zich Johannes, den zoon van Zacharia, en hij
+zegt, dat hij de voorlooper is van den Messias. Men verhaalt van hem,
+dat hij van jongsaf gewoond heeft in een spelonk bij Engedi, en zijn
+tijd doorbracht met bidden en vasten. Geheele scharen gaan uit om hem te
+hooren. Ik ben er ook geweest.
+
+--En deze mannen? Komen die er ook vandaan?
+
+--Verscheidene, maar de meesten moeten nog gaan.
+
+--Wat predikt hij?
+
+--Een nieuwe leer, zooals nog nooit in Israël verkondigd werd, zegt men.
+Hij spreekt over bekeering en over den doop. De rabbi's weten niet wat
+zij van hem denken moeten. Sommigen vraagden hem of hij de Christus is,
+of Elia, maar hij antwoordt allen, die hem zulke vragen doen: Ik ben de
+stem des roependen in de woestijn, maakt den weg des Heeren recht!
+
+Op dit oogenblik werd hij weggeroepen. Kort daarna maakten Balthasar en
+Ben-Hur zich weder op, zoodat zij den volgenden dag het doel hunner reis
+bereikten.
+
+Een levendig tafereel trof hun oog. Een menigte tenten was langs de
+rivier opgeslagen, terwijl de beide oevers zwart van menschen waren.
+Toen ons gezelschap aankwam ontstond er beweging onder de schare,
+waaruit zij opmaakten, dat de spreker zijn rede geëindigd had.
+
+--'t Beste wat wij kunnen doen is, dat wij hier blijven staan, zeide
+Ben-Hur, misschien komt de Nazireër dezen weg langs.
+
+Het volk was te zeer vervuld van het gehoorde om acht te slaan op de
+nieuw aangekomenen. Deze bleven waar zij waren en zagen gansche
+gezelschappen langs zich heen trekken. Reeds vreesden zij, dat zij den
+Nazireër heden niet meer te zien zouden krijgen, toen zij een man zagen
+naderen, wiens uiterlijk zoo zonderling was, dat zij voor niets anders
+meer oogen hadden. Lange zwarte lokken omgaven zijn vermagerd, ernstig
+gelaat, waarin een paar groote fonkelende oogen terstond de aandacht
+trokken. Hij was gekleed in een kemelharen kleed, met een leeren gordel
+om de lendenen. In zijne hand hield hij een staf, hoewel hij geen steun
+behoefde, want zijn gang teekende kracht en vastberadenheid. Vorschend
+zag hij rond, alsof hij iemand zocht.
+
+De schoone Egyptische zag den zoon der woestijn verbaasd, ja met onwil
+aan. Zij wenkte Ben-Hur tot zich en vraagde spotachtig: Is dat de heraut
+van uwen koning?
+
+--Dat is de Nazireër, antwoordde hij, zonder haar aan te zien.
+
+Om de waarheid te zeggen--hijzelf was meer dan teleurgesteld. Hoewel hij
+dikwijls gehoord had van de asceten, die in Engedi woonden, hunne
+kleeding, hunne onverschilligheid voor wereldsche gemakken, hunne
+afgezonderde levenswijze, hunne boetedoeningen kende, en hoewel hij
+geweten had dat hij een Nazireër zou zien, die zichzelven aankondigde
+als: eene stem des roependen in de woestijn, had hij toch gehoopt, dat
+de heraut van den grooten koning eenig uiterlijk kenteeken van macht en
+aanzien zou vertoonen. Dezen woestijnbewoner met de oogen volgende dacht
+hij aan de hovelingen in het keizerlijke paleis te Rome, en de
+vergelijking deed hem beschaamd, verward en verlegen antwoorden: Het is
+de Nazireër.
+
+Met Balthasar was het geheel anders. Hij wist dat Gods wegen niet zijn
+als der menschen wegen. Hij had den Verlosser als een kind in de kribbe
+zien liggen en was dus voorbereid op grooten eenvoud bij het optreden
+van den godsgezant. Hij verwachtte geen koning. Met gevouwen handen
+bleef hij zitten en zacht bewogen zich zijne lippen als in een gebed.
+
+Op dit oogenblik naderde iemand van de andere zijde, den Nazireër te
+gemoet. Nauwelijks had deze hem in het oog gekregen, of hij bleef staan
+en hief zijn staf op, ten einde de aandacht des volks tot zich te
+trekken. Groote stilte heerschte op eenmaal onder de bewegelijke schare,
+en toen de Dooper zag, dat hij zijn doel bereikt had, wees hij met zijn
+staf op den persoon, die langzaam nader kwam. Ook Ben-Hur en Balthasar
+volgden de aanwijzing en zagen een rijzig slank gebouwd man, met een
+gelaat, dat men niet licht vergeten zou. Het lange bruingouden haar was
+in het midden gescheiden. De groote donkerblauwe oogen straalden met
+liefelijken glans onder het open voorhoofd, en de uitdrukking van zijn
+geheele wezen was rustig en edel. Hij droeg een lang wit linnen gewaad
+met wijde mouwen, en een talith, het daarbij behoorende wit linnen
+overkleed, onderaan met blauw afgezet. De door de wet aan de rabbijnen
+voorgeschreven wit en blauwe kwasten versierden zijn kleed. Zijne
+sandalen waren van de eenvoudigste soort.
+
+Daar riep de Dooper met luide stem: Zie het Lam Gods, dat de zonde der
+wereld wegneemt!
+
+De indruk, dien deze woorden maakten, was zeer groot, voor Balthasar
+overweldigend. Het werd hem vergund den Verlosser der menschheid
+nogmaals te zien. Daar stond Hij, naar wien hij zoo lang smachtend had
+uitgezien, het ideaal zijner droomen, volmaakt in gestalte, gelaat,
+houding. Nogmaals riep de Dooper: Zie het Lam Gods, dat de zonde der
+wereld wegneemt! Deze is het van welken ik gezegd heb: na mij komt een
+man, die vóór mij geworden is, want hij was eer dan ik. En ik kende hem
+niet; maar opdat hij aan Israël geopenbaard zou worden, daarom ben ik
+gekomen, doopende met water. Ik heb den Geest zien nederdalen uit den
+hemel, gelijk eene duif, en hij bleef op hem. En ik kende hem niet; maar
+die mij gezonden heeft om te doopen met water, die had mij gezegd: Op
+welken gij den Geest zult zien nederdalen, en op hem blijven, deze is
+het, die met den Heiligen Geest doopt. En ik heb gezien, en heb getuigd,
+dat deze de Zoon van God is.
+
+--Dat is hij, dat is hij! riep Balthasar, sloeg de oogen naar boven, en
+viel door aandoening overmand achterover in zijnen zetel.
+
+Met geheel andere gewaarwordingen beschouwde Ben-Hur den vreemdeling.
+Hij was niet ongevoelig voor de reinheid, den ootmoed, de heiligheid,
+die zijn gelaat uitdrukte: Wie is hij? En wat is hij? Messias of
+koning?--Vorstelijk was zijn voorkomen niet. Op dat kalm, vriendelijk
+gelaat ziende was de gedachte aan oorlog en heerschzucht hem eene
+ontwijding. Hij voelde dat Balthasar gelijk had, en Simonides ongelijk.
+Neen, zeide hij tot zichzelven, deze man is niet gekomen om den troon
+van Salomo weder op te bouwen. Hij heeft noch den aard, noch de gaven
+van Herodes. Een koning moge hij wezen, maar niet van een rijk, grooter
+en machtiger dan Rome.
+
+Het gelaat van dien man kwam hem niet onbekend voor ... waar had hij het
+meer gezien? Hij peinsde en peinsde, en ja, daar zag hij in den geest op
+eenmaal in het verre verleden het tooneel bij de bron te Nazareth weer.
+Hij zag zichzelven, neergezonken op den stoffigen weg; hij zag de jonkman
+met de gevulde waterkruik tot zich komen om hem te laten drinken; hij
+zag weder die oogen vol liefde en mededoogen op zich gevestigd. Wat de
+Dooper zeide ging voor hem verloren, alleen de laatste woorden drongen
+tot hem door: Deze is de Zoon van God!
+
+Ben-Hur sprong van zijn paard om aan de voeten van zijnen weldoener neer
+te knielen, maar Iras riep hem tot zich: Zoon van Hur, kom hier en help
+mij! Mijn vader sterft!
+
+Hij bleef staan, keek om, en snelde naar haar toe. Zij gaf hem een beker
+en hij liep naar de rivier om water te halen. Toen hij terugkwam was de
+vreemdeling verdwenen.
+
+Zoodra Balthasar bijgekomen was vraagde hij: Waar is hij?
+
+--Wie? vraagde Iras.
+
+--Hij, de Zoon van God, dien ik daareven zag!
+
+--Gelooft gij dat ook? vraagde Iras zacht aan Ben-Hur.
+
+--Het is een tijd van wonderen. Laat ons wachten, luidde zijn antwoord.
+
+Den volgenden dag was op die plaats weer een groote schare bijeen. Ook
+onze vrienden waren aanwezig.
+
+Midden in zijne rede brak de Dooper af en riep met luide stem: Zie het
+Lam Gods!
+
+De aanwijzing van den Dooper volgende zagen zij weder den vreemdeling.
+Toen Ben-Hur zijn heilig gelaat, zoo vol majesteit en mededoogen,
+aanschouwde, viel hem eensklaps iets in. Ja, dacht hij, Balthasar heeft
+gelijk, maar Simonides ook. Kan de Messias niet te gelijkertijd koning
+zijn?
+
+Hij wendde zich tot iemand die naast hem stond en vraagde: Wie is dat?
+
+Met een spottend lachje antwoordde de man: Dat is de zoon van een
+timmerman uit Nazareth.
+
+
+ * * * * *
+
+
+BOEK VIII.
+
+
+ * * * * *
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+ESTHER EN IRAS.
+
+
+--Esther! laat mij een beker water brengen!
+
+--Wilt gij niet liever wijn hebben, vader?
+
+--Beide dan.
+
+Dit gesprek had plaats in het zomerhuis op het platte dak van het paleis
+der familie Hur te Jeruzalem, en terwijl Esther zich haastte om aan den
+wensch van haren vader te voldoen, kwam een bediende de trap op en
+overhandigde haar een verzegeld pakje.
+
+De lezer moet weten, dat het nu 21 Maart is volgens onze tijdrekening,
+ongeveer drie jaren na de aankondiging van den Christus te Bethabara.
+Malluch had voor Ben-Hur, die het verval der ouderlijke woning niet
+langer kon aanzien, het huis gekocht van Pilatus, en het geheel laten
+opknappen en verfraaien, zoodat er niets overbleef, dat het droevig
+tooneel van vroeger kon herinneren. Men meene echter niet dat Ben-Hur
+openlijk als de eigenaar was opgetreden. Hij meende dat het uur daartoe
+nog niet geslagen was, evenmin als voor het dragen van zijn vaders naam.
+Het grootste gedeelte van zijn tijd bracht hij door met in Galilea alles
+voor te bereiden, opdat hij gereed mocht zijn, als de Nazarener hem
+noodig zou hebben, de Nazarener, die hem dagelijks onbegrijpelijker
+toescheen, en hem door de wonderen, die hij deed, in een staat van
+spanning en twijfel hield, zoowel aangaande zijn karakter, als aangaande
+zijne zending. Enkele malen kwam hij op naar Jeruzalem, en vertoefde dan
+in het ouderlijke huis, echter altijd als vreemdeling en gast.
+
+Deze bezoeken waren echter niet alleen om uit te rusten van den arbeid.
+Balthasar en Iras woonden mede in het paleis, en de bekoorlijkheid der
+dochter hield hem nog steeds gevangen, terwijl haar vader, hoewel naar
+het lichaam verzwakt, hem wist te boeien door vurige betoogen over de
+goddelijkheid van hem, die het land doorging goed doende.
+
+Wat Simonides en Esther betreft, zij waren eerst een drietal dagen
+geleden uit Antiochië herwaarts gekomen. De reis was zeer vermoeiend
+geweest voor den koopman, doch eenmaal hier gevoelde hij zich uitermate
+gelukkig, dat hij weer in zijn vaderland was. Het grootste gedeelte van
+den dag bracht hij door op het platte dak. Hier zag hij de zon opgaan en
+ondergaan, hier bracht de wind hem van over de heuvelen nieuwe
+levenskracht aan.
+
+Daarom vergat hij echter de zaken niet, o neen. Elken dag ontving hij
+bericht van Sanballat, die het kantoor in Antiochië waarnam, en elken
+dag zond hij Sanballat de noodige aanwijzingen, zóó uitvoerig, dat zelfs
+een oningewijde moeilijk zou hebben kunnen dwalen.
+
+Esther ging intusschen naar haar zomerhuisje terug met het pakje in de
+hand. Zij bezag het zegel, herkende het voor dat van Ben-Hur, en
+versnelde met blozend gelaat haren stap. Simonides bekeek eveneens het
+zegel alvorens het pakje te openen, reikte haar toen den brief toe, die
+er in was, zeggende: Lees, mijn kind.
+
+Hij zag haar aan, terwijl hij sprak, en zijn gelaat betrok.
+
+--Ik zie dat gij reeds weet van wien dit komt, Esther.
+
+--Ja, vader. Van onzen jongen meester.
+
+Hoewel zij langzaam, als met moeite sprak, zagen hare lieve oogen hem
+trouwhartig aan.
+
+--Gij hebt hem lief, Esther.
+
+--Ja, vader.
+
+--Hebt ge er over nagedacht wat dat zeggen wil?
+
+--Ja, vader. Ik heb mijn best gedaan om niet anders aan hem te denken,
+dan als aan den meester, dien ik toebehoor. Het heeft mij echter niet
+veel geholpen.
+
+--Goed kind! Gij lijkt op uwe moeder, Esther. God vergeve mij, maar uwe
+liefde zou misschien niet ijdel geweest zijn, als ik behouden had wat ik
+had, zooals ik had kunnen doen. Geld is macht.
+
+--Dan zou ik er veel slechter aan toe zijn, vader. Dan zou ik niet waard
+zijn, dat hij mij aanzag, en kon ik niet trotsch zijn op u. Zal ik u nu
+den brief voorlezen?
+
+--Wacht nog even, kind. Om uw zelfswil moet ik u het ergste zeggen. 't
+Is misschien minder zwaar voor u, als wij het samen onder de oogen zien.
+Hij heeft een ander lief, mijn kind.
+
+--Ik weet het, zeide zij ernstig.
+
+--De Egyptische heeft hem in hare netten gevangen, vervolgde hij. Zij is
+zeer geslepen en daarenboven schoon, maar zij heeft geen hart. De
+dochter, die haren vader veracht, zal haren echtgenoot ongelukkig maken.
+
+--Veracht zij haar vader?
+
+--Ja. Haar vader is een wijs man, en, voor een heiden, op bijzondere
+wijze begenadigd. Zijn geloof strekt hem tot eer, maar zij lacht er mee.
+Gisteren hoorde ik haar zeggen: De dwaasheden der jeugd zijn vergefelijk.
+Den ouderdom betaamt wijsheid. Heeft een grijsaard die verloren, dan wordt
+het tijd dat hij sterft.--Dat zeide zij met het oog op haren vader. Wreede
+woorden, die men uit den mond van een Romein kon verwachten. Gij, mijn
+kind, zult, wat er ook van mij worde, nooit zeggen: het wordt tijd dat hij
+sterft. Neen, want uwe moeder was eene dochter Israëls.
+
+Met tranen in de oogen kuste zij zijne hand en zeide: En ik ben het kind
+van mijne moeder.
+
+--Ach, mijn kind, hernam haar vader na een kort zwijgen, als hij eenmaal
+de Egyptische getrouwd heeft, zal hij met wroeging aan u terug denken,
+want dan zal hij bemerken, dat zij hem slechts gebruiken zal om hare
+eerzucht te dienen. Rome is het middelpunt van hare droomen. Voor haar
+is hij de zoon van Arrius den duumvir, niet de zoon van Hur, vorst van
+Jeruzalem.
+
+--Red hem, vader, smeekte zij, red hem, het is nog niet te laat.
+
+Met een twijfelachtig lachje antwoordde hij: Een verdrinkende laat zich
+redden, een verliefde niet.
+
+--U hebt toch invloed op hem. Hij staat zoo alleen in de wereld! Toon
+hem het gevaar, waarin hij verkeert. Zeg hem hoe gevaarlijk de Egyptische
+is!
+
+--Dat zou hem uit hare handen kunnen redden, maar zou het hem aan u
+geven? Ach neen. Ik zou toch niet kunnen zeggen: mijne dochter heeft u
+lief....
+
+--Maar vader, viel zij hem in de rede, dat bedoel ik immers niet! Ik
+dacht alleen aan hem, niet aan mijzelve. Zal ik u nu den brief voorlezen?
+
+--Ja, doe dat.
+
+Zij begon dadelijk, blijde dat zij dit onderwerp kon laten rusten.
+
+ Nisan, den 8sten dag.
+
+ Op den weg van Galilea naar Jeruzalem.
+
+ De Nazarener bevindt zich ook op dezen weg. Zonder dat hij het weet
+ volg ik met een legioen. Een tweede legioen volgt ons op korten
+ afstand. Het Paaschfeest is de dekmantel voor het groote getal
+ Galileërs. Toen de Nazarener zich op weg begaf zeide hij: Wij gaan
+ op naar Jeruzalem en het zal alles volbracht worden aan den Zoon
+ des menschen wat geschreven is door de profeten.
+
+ Ons wachten spoedt ten einde. Vrede zij u, Simonides.
+
+ In haast.
+
+ BEN-HUR.
+
+Esther gaf den brief aan haren vader terug. Het kostte haar moeite hare
+tranen te bedwingen. In den brief stond geen enkel woord aan haar, zelfs
+aan den groet had zij geen deel. En hoe gemakkelijk had hij kunnen
+schrijven: Vrede zij u en de uwen. Voor het eerst in haar leven gevoelde
+zij den prikkel der ijverzucht.
+
+--Den achtsten dag, zeide Simonides, en wat hebben wij vandaag?
+
+--Den negenden, antwoordde Esther.
+
+--Zoo, dan zijn zij nu wellicht te Bethanië.
+
+--Dan zullen wij hem dus misschien van avond zien, zeide zij.
+
+--Best mogelijk, want morgen is het feest der ongezuurde brooden, en hij
+zal het willen vieren, evenals de Nazarener. Misschien zullen wij hen
+beiden zien, Esther.
+
+Het gesprek werd afgebroken door de komst van den bediende met wijn en
+water, en even daarna kwam ook Iras boven.
+
+Nog nooit had Esther de Egyptische zoo schoon gezien als hedenavond. Als
+in een wolk van gaas gehuld, voorhoofd, hals en armen met juweelen
+versierd, zweefde zij naderbij. Een glans van genoegen lag op haar
+gelaat. Esther drong zich onwillekeurig dichter tegen haar vader aan.
+
+--Vrede zij u, Simonides, en u, lieftallige Esther, zeide Iras. Gij
+herinnert mij, goede vriend, als ik het zeggen mag zonder u te
+beleedigen, de priesters in Perzië, die 's avonds op het dak van hunne
+tempels stijgen, om de ondergaande zon hunne gebeden na te zenden. Als
+die godsdienst u misschien niet bekend is, wil ik mijnen vader roepen,
+om u in te lichten. Hij stamt van de Magiërs af.
+
+--Schoone Egyptische, antwoordde de koopman ernstig, uw vader is een
+goed man, die het mij niet kwalijk zal nemen, als ik u zeg, dat zijne
+Perzische wetenschap het minste deel van zijne wijsheid uitmaakt.
+
+Iras fronste de wenkbrauwen. Om ook philosophisch te spreken, zeide zij,
+bij minste behoort meeste. Mag ik vragen, wat het grootste deel is van
+die zeldzame eigenschap, wijsheid, die gij hem toeschrijft?
+
+Simonides zag haar doordringend aan. De ware wijsheid, zeide hij,
+streeft omhoog naar God, de hoogste wijsheid is de kennis van God, en
+van allen, die ik ken, bezit niemand die in zoo hooge mate, als mijn
+goede vriend Balthasar.
+
+Om een eind aan het gesprek te maken dronk hij langzaam zijn beker leeg.
+Iras keerde zich ontstemd tot Esther, zeggende: Een man, die millioenen
+bezit en geheele vloten op zee heeft, kan niet begrijpen wat vrouwen
+vermaakt. Kom, ga met mij naar de borstwering, dan kunnen wij ongestoord
+praten.
+
+Esther deed wat haar verzocht werd en zij gingen naar dezelfde plek,
+waar jaren geleden Ben-Hur met zijn zuster gestaan had, om naar de
+soldaten te kijken.
+
+--Zijt gij wel eens te Rome geweest? vraagde zij.
+
+--Neen.
+
+--Hebt gij nooit verlangd er heen te gaan?
+
+--Neen.
+
+--Och, wat hebt gij nog weinig van het leven genoten! riep zij meewarig,
+maar 't volgende oogenblik lachte zij luid en zeide: O, mijn lief
+onnoozel duifje, de vogeltjes, die hun nestje bouwen in het oor van de
+sphinx bij Memphis, zijn al even wijs, als gij!
+
+Ziende dat Esther verlegen werd, vervolgde zij op vertrouwelijken toon:
+Vergeef het mij, ik zeide het maar uit gekheid. Laat ik een pleistertje
+leggen op de wond, en u vertellen wat ik aan niemand anders zou vertellen.
+
+Zij lachte vriendelijk, maar zag Esther tegelijkertijd onderzoekend aan
+en zeide: De koning komt.
+
+Esther zag verwonderd op.
+
+--De Nazarener, vervolgde Iras, over wien uw vader en de mijne het zoo
+druk hebben, voor wien Ben-Hur al die moeite doet. De Nazarener komt
+morgen in de stad, en Ben-Hur komt van avond.
+
+Esther trachtte zich goed te houden, maar het gelukte haar niet. Iras
+bracht lachend een brief uit haar gordel te voorschijn en zeide: Hier
+heb ik zijn belofte. Luister!
+
+Daar weerklonken haastige stappen in de straat. Zij boog zich over den
+rand der borstwering om te zien, en sloeg in blijde verrukking de handen
+in elkaar. Gezegend zij Isis! riep zij, hij is het! Ben-Hur in eigen
+persoon! Dat is een goed voorteeken! Hij komt terwijl ik aan hem denk!
+Kom, Esther, geef mij een kus!
+
+Fier hief het Joodsche meisje het hoofd op. Hare wangen gloeiden, hare
+oogen fonkelden. Haar zacht gemoed was diep gegriefd. Voor haar zelfs
+geen groet in zijn schrijven aan Simonides, en deze Egyptische had een
+eigenhandig geschreven brief van hem! Zij vraagde: hebt gij hemzelf
+lief, of hebt gij Rome nog liever?
+
+Iras ging een stap achteruit, en vraagde scherp: Wat gaat u dat aan,
+dochter van Simonides?
+
+Esther begon bevend: Hij is mijn....
+
+Zij had willen zeggen: mijn meester, maar zij veranderde dit snel in:
+mijn vaders vriend.
+
+--Niets meer? Nu, gij moogt uw kussen houden. Andere en betere wachten
+mij.
+
+Zij keerde zich af, om weg te gaan, maar fluisterde nog even over haar
+schouder: Ik ga ze halen!
+
+Esther zag haar na en barstte in tranen uit, tranen van schaamte en
+gekwetste liefde.
+
+Reeds fonkelden de sterren aan den nachtelijken hemel, voordat zij hare
+zelfbeheersching teruggekregen had, en kalm genoeg was om naar haar
+vader terug te gaan, en hare plaats aan zijne zijde in te nemen. Dat was
+haar plicht, daar moest zij haar leven aan wijden, en om der waarheid
+getrouw te zijn, nu de hartstochtelijkheid harer droefheid voorbij was,
+nam zij blijmoedig hare taak weer op.
+
+
+ * * * * *
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+BEN-HURS MEDELIJDEN.
+
+
+Ongeveer een uur later kwamen Ben-Hur en Iras te zamen in de groote
+zaal, waar zij Balthasar, Simonides en Esther reeds bijeen vonden. Nadat
+de jonkman Balthasar gegroet had keerde hij zich tot Simonides, maar
+bleef, Esther ziende, verbaasd staan. Dat zij zich tot zulk een
+volmaakte schoonheid ontwikkelen zou had hij drie jaren geleden niet
+gedacht. Hij herstelde zich echter spoedig en zeide: Vrede zij u,
+lieftallige Esther, en u, Simonides. De zegen des Heeren zij uw deel,
+al was het alleen omdat gij een vader voor den vaderlooze geweest zijt.
+
+--Wees welkom in uw vaders huis, zeide Simonides hartelijk. Zet u neder,
+en vertel ons van uwe reizen en van uw werk en van den leeraar uit
+Nazareth. Ga toch zitten, bid ik u, dan luisteren wij allen.
+
+--Ja, antwoordde Ben-Hur, ik heb u veel van hem te vertellen. Ik heb hem
+gedurende verscheidene dagen nauwlettend gadegeslagen. Ik heb hem in
+moeilijke, zeer moeilijke omstandigheden gezien, en moet getuigen dat
+hij, hoewel hij een mensch is als ik, toch ook meer dan een mensch is.
+
+Hier werd hij gestoord door het binnentreden van eene dienstmaagd. Hij
+keek om en riep blijde: Daar is Amrah! Goede, lieve Amrah!
+
+De trouwe dienstmaagd kuste zijne handen, en op zijne vraag: Hebt ge nog
+niets van haar gehoord, niets? sprongen haar de tranen in de oogen.
+
+--Gods wil geschiede! zeide hij treurig.
+
+Na een oogenblik van stilte, waarin hij zijne aandoening meester
+trachtte te worden, zeide hij: Ga zitten, Amrah,--hier. Niet? Dan aan
+mijne voeten, want ik heb mijne vrienden veel te vertellen van den
+Nazarener. Ik zal beginnen met u te verhalen wat ik hem heb zien doen.
+Morgen komt hij in de stad om op te gaan naar den Tempel, dien hij zijn
+vaders huis noemt en waar hij, zooals algemeen verwacht wordt, den
+beslissenden stap zal doen. Morgen zullen wij dus zien wie gelijk heeft,
+gij, Balthasar, of Simonides.
+
+Balthasar wreef zich in de handen en vraagde: Waar zal ik hem kunnen
+zien?
+
+--Het gedrang zal groot zijn, antwoordde de jonkman. Ik denk dat gij
+niet beter doen kunt, dan met u allen naar het dak van den Voorhof van
+Salomo te gaan.
+
+--Kunt gij ons begeleiden?
+
+--Neen, mijne vrienden zullen mij noodig hebben bij den optocht.
+
+--Optocht! riep Simonides. Komt hij dan met gevolg?
+
+--Dat niet precies. Hij heeft twaalf mannen bij zich, allen uit den
+minderen stand. Zij reizen te voet, onverschillig voor wind, regen, of
+zonneschijn. Als zij vermoeid zijn zetten zij zich aan den weg neder
+om te rusten, en doen aan alles eerder denken, dan aan edellieden en
+vorsten. Slechts wanneer de leeraar het hoofd ontbloot ziet men dat hij
+de aanvoerder is, hun leermeester, hun meerdere, maar tevens hun vriend.
+Maar wat zoudt gij zeggen van een man, die rijk kon zijn door de steenen
+aan den weg in goud te veranderen, en die toch arm is uit vrije keus?
+
+--De Grieken zouden hem een philosoof noemen, zeide Iras.
+
+--Neen, dochter, antwoordde Balthasar, de philosofen hadden nooit de
+macht om zoo iets te doen.
+
+--Hoe weet gij, dat deze mensch die macht wel heeft?
+
+--Ik heb hem water in wijn zien veranderen, zeide Ben-Hur.
+
+--Hoe wonderlijk! riep Simonides. Maar dat schijnt mij nog niet zoo
+vreemd toe als dat hij arm wil leven, terwijl hij rijk zou kunnen zijn.
+Is hij werkelijk zoo arm?
+
+--Hij bezit niets, en benijdt niemand zijn rijkdom. Hij beklaagt veeleer
+de rijken. Dat echter daargelaten, wat zegt gij hiervan: ik zag hem
+zeven brooden en twee visschen vermenigvuldigen tot een voorraad zóó
+groot, dat er spijs was voor vijfduizend menschen en er nog manden vol
+overbleven. Dat heb ik den Nazarener zien doen.
+
+--Hebt gij hem dat zien doen?
+
+--Ja, en ik heb meegegeten van den visch en van het brood. Maar nog
+wonderlijker dingen heb ik gezien. Wat dunkt u van iemand die zoo groote
+genezende kracht bezit, dat de zieken slechts den zoom van zijn kleed
+behoeven aan te raken, om gezond te worden, ja dat het zelfs voldoende
+is van verre tot hem te roepen? Dat heb ik meer dan eens bijgewoond.
+Toen wij uit Jericho kwamen riepen twee blinden tot hem om hulp, hij
+raakte hunne oogen aan en zij konden zien. Een anderen keer brachten zij
+een verlamde tot hem en hij zeide alleen: Ga heen naar uw huis,--en ik
+zag den man gezond wegwandelen. Wat zegt gij daar wel van?
+
+Simonides kon geen woorden vinden.
+
+--Sommigen zeiden, dat dit duivelskunsten waren, gelooft gij dat soms
+ook? Ik zal u nog grooter dingen vertellen, die ik hem ook heb zien
+doen. Denk aan die vreeselijke ziekte, waarvan alleen de dood verlossen
+kan: de melaatschheid.
+
+Hier werd Amrah onrustig en luisterde met gespannen aandacht.
+
+--Ja, vervolgde Ben-Hur met toenemenden ernst, ja, luistert naar wat ik
+nu ga vertellen. Toen ik met hem in Galilea was kwam een melaatsche tot
+hem en riep: Heer, indien gij wilt, gij kunt mij reinigen!--Hij hoorde
+de smeekbede, raakte den verworpeling aan met de hand en zeide: Ik wil,
+word gereinigd.--En terstond was hij geheel gezond, zoo gezond als wij
+allen. Een anderen keer kwamen tien melaatschen tot hem en vielen voor
+hem neer, roepende: Meester, meester, ontferm u over ons!--Ik was er bij
+en hoorde hem antwoorden: Gaat heen, en vertoont uzelven den priester.
+
+--En waren zij beter?
+
+--Ja, zij waren nog niet lang op weg, of de ziekte was geheel van hen
+geweken.
+
+--Nog nooit heb ik van zulke dingen gehoord; nog nooit, zeide Simonides
+zacht.
+
+Het gezelschap verviel na deze mededeelingen in diep stilzwijgen.
+Ongemerkt stond Amrah op en verwijderde zich onhoorbaar.
+
+--Gij kunt begrijpen, dat al die dingen een diepen indruk op mij gemaakt
+hebben, zeide Ben-Hur, doch mijne twijfelingen en verbazing zouden nog
+grooter worden. Mijne Galileërs begonnen langzamerhand ongeduldig te
+worden, het zwaard brandde hun in de handen, en zij verlangden niets
+liever dan handelend te mogen optreden. Ik zelf werd ook ongeduldig,
+want alles was gereed. Daarom wilden wij hem openlijk, desnoods met
+geweld, tot koning kronen, maar hij verdween uit ons midden. Toen wij
+hem weer zagen was het in een scheepje op het meer. Wat anderen bekoort:
+rijkdom, macht, koninklijke eer, dat alles laat hem onbewogen. Wat dunkt
+u daarvan, Simonides?
+
+Simonides antwoordde niet dadelijk. Eindelijk zeide hij:
+
+--De Heer leeft, evenzoo het woord zijner profeten. Laat ons geduld
+oefenen.
+
+--Zoo zij het, beaamde Balthasar.
+
+--Ik heb nog meer te vertellen, vervolgde Ben-Hur, nog grootere dingen.
+Wij waren op weg naar Naïn. Vlak bij de poort kwamen wij een
+begrafenisstoet tegen. De Nazarener bleef staan om de treurenden te
+laten voorbijgaan. Eene vrouw volgde bitter schreiende. Ik zag dat hij
+door medelijden bewogen werd. Hij trad op haar toe, en sprak haar aan.
+De dragers stonden stil, hij raakte de baar aan en zeide tot den doode:
+Jongeling, ik zeg u sta op!--En terstond zat de doode overeind en sprak.
+
+--God alleen heeft zoo groote macht! riep Balthasar.
+
+--Alles wat ik u vertel, heb ik zelf gezien, zeide Ben-Hur, en ik kan u
+nog meer verhalen. In Bethanië was een van zijne vrienden gestorven,
+Lazarus geheeten. Reeds had hij vier dagen in het graf gelegen toen de
+Nazarener er bij kwam. Hij liet den steen wegnemen, en wij allen zagen
+het lijk liggen, dat reeds overging tot ontbinding. Met luide stem
+hoorde ik hem roepen: Lazarus, kom uit!--Ik kan u niet zeggen wat ik
+gevoelde, toen de doode, aan die stem gehoorzamend, zich oprichtte en
+tot ons kwam, in grafdoeken gewikkeld. Ontbindt hem, zeide de Nazarener,
+en laat hem gaan. En toen de hoofddoek van hem was weggenomen, had zijn
+gelaat weer de gewone kleur, en was hij volkomen dezelfde als voor zijne
+ziekte. Hij leeft nog en ontvangt vele bezoeken. Als gij wilt kunt gij
+er morgen naar toe gaan, en uzelven overtuigen. Maar nu vraag ik u: Wat
+moet ik denken van dezen man? Is hij niet meer dan een gewoon mensch?
+
+De toon waarop hij dit vraagde was zeer ernstig, en nog lang na
+middernacht zat het gezelschap bijeen, om de zaak van alle kanten te
+bezien, want Simonides kon zijne opvatting van de voorspellingen der
+profeten niet laten varen, terwijl Ben-Hur beweerde dat Balthasar en
+Simonides beiden gelijk hadden: de Nazarener was ongetwijfeld de
+Verlosser, zooals de eerste meende, maar ook de toekomstige koning,
+waarvoor de laatste hem hield.
+
+--Wij zullen het morgen gewaar worden. Vrede zij met u allen. Met deze
+woorden nam Ben-Hur afscheid.
+
+
+ * * * * *
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+EEN BLIJDE TIJDING.
+
+
+Zoodra den volgenden morgen de Schaapspoort geopend werd, ging Amrah met
+haar mand aan den arm de stad uit. De wachters deden haar geen vragen,
+daar zij even regelmatig verscheen als de opgaande zon. Men wist dat zij
+de trouwe dienstmaagd was van den een of ander, en daarmede stelde men
+zich tevreden.
+
+Zij sloeg den weg in naar de vallei ten oosten der stad gelegen. De
+donkergroene helling van den Olijfberg was bezaaid met witte tenten, de
+tijdelijke woningen van de feestgangers. 't Was echter nog te vroeg voor
+de vreemdelingen om buiten te zijn: alles sliep nog gerust. Eerst kwam
+zij aan Gethsemané, toen langs de graven bij den kruisweg naar Bethanië,
+vervolgens aan het dorp Siloam. Zij scheen ongewone haast te hebben,
+maar haar ijver was grooter dan hare krachten, die haar bijwijlen
+schenen te begeven.
+
+Hoe vroeg het nog was, toch zat haar ongelukkige meesteres reeds buiten
+voor de grot. Tirza sliep nog. Vreeselijk was de vordering, die de
+ziekte in die drie jaren gemaakt had. Wetende hoe zij er uitzag, bleef
+zij altijd zorgvuldig gesluierd. Zelfs Tirza mocht haar bijna nooit
+aanschouwen. Thans echter, in de eerste morgenschemering, had zij het
+hoofd ontbloot, om de frissche lucht in te ademen, want zij wist, dat
+geen sterveling haar zien kon. Sneeuwwit was het lange haar. Oogleden,
+neus, lippen, wangen waren weggeteerd, de hals was akelig ontstoken.
+Eene van hare handen rustte op haren schoot. De nagels waren afgevallen,
+de vingers gedeeltelijk ontvleesd, gedeeltelijk dik opgezwollen. Zoo was
+zij over het geheele lichaam. Geen wonder, dat de vroeger zoo statige
+vrouw zich gemakkelijk aan alle nasporingen van haren zoon had kunnen
+onttrekken. Zij was gewoon, dat Amrah bij de bron verscheen vóór alle
+anderen, om dan op een steen halfweg bron en heuvel, het voedsel en de
+waterkruik neer te zetten.
+
+Dit korte bezoek was nog de eenige lichtstraal op haar pad. Dan vraagde
+zij naar haren zoon, en Amrah vertelde haar wat zij wist van zijn werk
+en bezigheden, en van de vluchtige bezoeken, die hij aan zijn vaders
+huis bracht. Op zulke dagen zat de arme moeder den ganschen dag
+onbewegelijk voor hare spelonk, met de oogen gericht op het dak van den
+Tempel, waarachter haar huis lag, het geliefde huis, waarin haar zoon nu
+vertoefde. Niets bond haar meer aan het leven. Tirza was reeds zoo goed
+als dood, en zijzelve smachtte naar het einde. De natuur rondom haar was
+niet geschikt om haar op te beuren; insecten en vogels vermeden de
+streek, alsof zij ook bang waren voor besmetting. Van plantengroei was
+niet veel te bemerken; de weinige struiken, ja zelfs de dunne
+grassprietjes, verdorden onder den adem der winden, die langs de
+berghelling streken. Waarheen zij den blik ook wendde zag zij grafsteden
+en nogmaals grafsteden, die te meer de aandacht trokken, omdat zij alle
+opnieuw gewit waren, ten einde de van buiten gekomen feestgangers te
+waarschuwen.
+
+Terwijl zij zoo in de morgenschemering zat te peinzen, zag zij
+plotseling een vrouw den heuvel beklimmen. Weldra herkende zij Amrah.
+In plaats van hare mand zooals gewoonlijk neer te zetten, kwam zij
+regelrecht op de spelonk af. De weduwe verrees van hare zitplaats en
+deed de gewone waarschuwing hooren, maar Amrah stoorde er zich niet aan,
+en eer zij er op bedacht was lag Amrah aan de voeten van hare meesteres
+en kuste onder hartstochtelijke snikken den zoom van haar kleed.
+Tevergeefs beproefde de melaatsche zich van haar los te maken, en toen
+zij zag, dat het onmogelijk was, riep zij op smartelijken toon: Hoe kunt
+ge zoo doen? Is dit de manier, waarop gij ons uwe liefde bewijst? Nu
+zijt gij ook verloren, en moogt nooit meer naar huis teruggaan. Wie zal
+ons nu voortaan eten brengen? O Amrah! Nu zijn wij allen te zamen
+verloren!
+
+--Wees toch niet boos op mij, snikte de trouwe ziel, het hoofd nog
+dieper buigende.
+
+--Ach, Amrah, vervolgde de weduwe, was de vloek die op ons rust, niet
+reeds zwaar genoeg om te dragen, dat gij ons het eenige, dat wij nog
+hadden, moet ontnemen? vraagde zij.
+
+Op dit oogenblik verscheen Tirza, door het luide spreken gewekt, in de
+opening der spelonk.
+
+--Wat is er moeder? Is dat Amrah? vraagde zij. De arme was nagenoeg
+blind.
+
+Nu stond Amrah op en zeide met onvaste stem: O lieve meesteres! Ik heb
+niets misdaan. Ik breng u goede tijding!
+
+--Van Juda?
+
+--Ja. Hij kent een man, die de macht heeft u te genezen. Hij spreekt
+slechts één woord, en de zieken worden gezond, zelfs de dooden worden
+levend. Ik kom u halen om u bij hem te brengen.
+
+--Arme Amrah! zeide Tirza meewarig.
+
+--Neen, neen, riep Amrah, die zeer goed begreep wat die uitroep
+bedoelde, zoo waar de God van Israël leeft, ik spreek de waarheid. Kom
+maar mee; wij hebben geen tijd te verliezen. Hij komt hier langs op zijn
+weg naar de stad. Eet gauw wat en laat ons gaan.
+
+De moeder luisterde aandachtig. Misschien had zij reeds iets aangaande
+hem gehoord, want zijne wonderdaden waren door het geheele land bekend
+geworden. Wie is hij? vraagde zij. En hoe weet gij het?
+
+--Juda vertelde het gisterenavond.
+
+--Is Juda dan thuis?
+
+--Ja.
+
+--Heeft hij gezegd, dat gij het ons moest komen vertellen?
+
+--Neen; hij denkt dat gij dood zijt.
+
+--In vroeger jaren heeft een profeet eens een melaatsche genezen, zeide
+de moeder tot Tirza, maar die was door God gezonden. Zeg mij, Amrah, hoe
+weet Juda dat deze man die macht bezit?
+
+--Hij volgde hem op zijne reizen en hoorde de melaatschen tot hem
+roepen, en zag ze hersteld weggaan. Den eersten keer was het één
+melaatsche, later tien te gelijk, en zij werden allen hersteld.
+
+De moeder aarzelde niet langer. Zij vroeg niet naar het hoe en wat, zij
+geloofde de feiten en zeide tot Tirza: Kind, dat moet de Messias zijn.
+Ik herinner mij, dat Jeruzalem jaren geleden in opschudding kwam, omdat
+er gezegd werd, dat hij geboren was. Hoe lang het geleden is weet ik
+niet meer, maar hij zou nu reeds volwassen moeten zijn. Ja, het kan niet
+anders ... hij is het. Laat ons wat eten, en dan zoo spoedig mogelijk met
+Amrah meegaan.
+
+Het ontbijt was weldra afgeloopen, en het drietal begaf zich op weg. Nu
+stuitten zij echter op een moeilijkheid. Amrah had gezegd, dat de
+Nazarener van Bethanië moest komen, maar vandaar leidden drie wegen naar
+Jeruzalem. Een over den Olijfberg, een tweede langs zijn voet, en de
+derde langs den Berg der Ergernis. Deze drie waren nu wel niet ver van
+elkander verwijderd, maar toch ver genoeg om den Nazarener mis te
+loopen, indien zij niet denzelfden weg kozen, welken hij nam.
+
+Na een korte beraadslaging besloten zij eerst naar Bethfagé te gaan, om
+zich verder door de omstandigheden te laten leiden.
+
+Zij daalden dus den berg af in de richting van den Koningstuin en bleven
+even staan om te rusten.
+
+--Ik durf dezen weg niet vervolgen, zeide de moeder. Het zal hier druk
+worden. Wij doen beter met de menschen te ontwijken en over den Berg der
+Ergernis te gaan.
+
+Toen Tirza dit hoorde ontzonk haar de moed. Daar hare voeten zeer
+gezwollen waren kostte het loopen haar groote moeite.
+
+--Die berg is steil, moeder. Ik kan onmogelijk klimmen.
+
+--'t Is om ons leven en onze gezondheid te doen mijn kind. Zie, daar
+komen reeds vrouwen om water te scheppen. Zij zullen ons steenigen, als
+wij hier blijven. Kom, wees sterk, mijn kind.
+
+Zoo trachtte de moeder, die zelve bijna niet voort kon, hare dochter te
+bemoedigen, en nu kwam Amrah haar te hulp. Na de eerste opwelling had
+zij de zieken niet aangeraakt, thans echter ging de trouwe ziel naar
+Tirza en zeide: Leun op mij. Ik ben wel oud, maar sterk genoeg, en het
+is niet ver meer. Zoo; ziet gij wel, nu gaat het al veel beter.
+
+De weg was moeilijk, maar toen zij eenmaal boven waren en staan bleven
+om adem te scheppen hadden zij een heerlijk gezicht op den Tempel met
+zijne terrassen, en op Sion met zijne vele witte torens, die in het
+zonlicht schitterden.
+
+--O hoe mooi! riep de weduwe. Zie toch, Tirza, zie eens naar het gouden
+beslag van de Schoone Poort! Wat glinstert dat in de zon! Weet gij nog
+wel, hoe dikwijls wij er onder door zijn gegaan? Zal het niet heerlijk
+zijn dat weder te kunnen doen? En ons huis is er niet ver vandaan! Daar
+wacht Juda ons!
+
+Nu begonnen zij den berg aan de andere zijde af te dalen. Hoewel Amrah
+al hare krachten inspande, om Tirza te ondersteunen, kermde de arme toch
+bij elken stap, ja meermalen moest zij luide aan hare smarten lucht
+geven. Aan den voet des bergs gekomen zeeg zij uitgeput neder.
+
+--Ga maar alleen verder met Amrah, moeder, ik kan niet meer.
+
+--Neen, kind. Wat zou het mij baten, zoo ik alleen gezond werd, en gij
+niet? En wat zou ik Juda moeten antwoorden, als hij naar u vraagt?
+
+--Zeg hem, dat ik hem liefgehad heb.
+
+De arme moeder wist niet wat te doen. Zij dacht er niet aan haar kind te
+verlaten, maar de hoop op redding te moeten laten varen, nu die zoo
+nabij scheen, deed den beker overloopen. Maar zie, in dat oogenblik van
+grooten nood zag zij van den tegenovergestelden kant een wandelaar
+aankomen.
+
+--Moed gevat, Tirza! zeide zij. Daar komt iemand aan, die ons zeggen kan
+waar de Nazarener op 't oogenblik is.
+
+Amrah richtte Tirza een weinig op, en zoo wachtten zij den vreemdeling
+af.
+
+--Ach, moeder, gij vergeet wat wij zijn. De man zal zich uit de voeten
+maken, en ons misschien eerst nog een steen naar het hoofd werpen.
+
+--Wij zullen zien, luidde het antwoord.
+
+Ja, de moeder wist zelve maar al te goed welke behandeling uitgeworpenen
+als zij te wachten hadden.
+
+De melaatschen stonden aan den rand van een smallen weg, zoodat de
+wandelaar haar rakelings voorbij moest gaan. Zoodra hij binnen het
+bereik harer stem was deed de weduwe het waarschuwende: Onrein! Onrein!
+hooren. Tot hare verbazing liep hij door.
+
+Wat zoekt gij? vraagde hij, toen hij vlak bij haar was.
+
+--Wees voorzichtig, zeide de weduwe met waardigheid. Ik heb u
+gewaarschuwd.
+
+Vrouw, ik ben een volgeling van hem, die slechts één woord behoeft te
+spreken tot dezulken als gij, en zij zijn genezen. Ik ben niet bevreesd.
+
+--Gij bedoelt den Rabbi uit Nazareth?
+
+--Den beloofden Messias.
+
+--Is het waar, dat hij vandaag naar de stad gaat?
+
+--Ja. Hij is nu te Bethfagé.
+
+--Langs welken weg zal hij komen?
+
+--Langs dezen.
+
+De weduwe vouwde de handen en sloeg de oogen dankend naar den hemel op.
+
+--Voor wien houdt gij hem? vraagde de man bewogen.
+
+--Voor den Zoon van God! antwoordde zij.
+
+--Blijf dan niet hier, want daar een groote schare hem volgt, staat gij
+beter bij dat rotsblok onder gindschen boom. Roep hem aan zoodra hij
+nadert, roept beiden en weest niet bevreesd. Hij zal u hooren. Ik ga
+naar de stad, om het volk te waarschuwen dat hij komt. Vrede zij met u
+en de uwen!
+
+Hebt gij het gehoord, Tirza? De Nazarener komt langs dezen weg, en hij
+zal ons helpen. Kom nu mee, een paar stappen maar!
+
+Dus aangemoedigd liet Tirza zich door Amrah overeind helpen.
+
+--Wacht even; zeide Amrah, de vreemdeling komt terug.
+
+--Ik bedenk, goede vrouw, zeide hij, dat de zon hoog aan den hemel zal
+staan, voordat de Nazarener komt. Ik kan in de stad het noodige krijgen,
+en daarom wilde ik u mijn waterflesch geven. Gij zult er meer behoefte
+aan hebben dan ik. Neem haar en heb goeden moed. Roep luide tot hem.
+
+Dit zeggende bood hij de weduwe zijn gevulde waterflesch aan. In plaats
+van ze op den grond te leggen, gaf hij ze haar in de hand.
+
+--Zijt gij een Jood? vraagde zij verbaasd.
+
+--Ja; maar beter nog; ik ben een volgeling van den Christus, die ons
+dagelijks door woorden en voorbeeld leert wat ik nu doe. De wereld kende
+reeds lang het woord liefde, zonder het echter te verstaan. Vaarwel!
+
+Langzaam begaven de vrouwen zich naar het door hem aangewezen punt, waar
+zij door ieder, die voorbijging, gezien en gehoord konden worden. Zij
+zetten zich onder den boom neder, en dronken van het water. Weldra viel
+Tirza in slaap, en om haar niet te storen zwegen de beide anderen.
+
+
+ * * * * *
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+GENEZEN.
+
+
+Langzamerhand werd de weg meer en meer bevolkt door menschen, die zich
+naar Bethfagé spoedden. Tegen de vierde ure van den dag kwam een groote
+schare over den Olijfberg, en toen zij naderbij kwamen zagen de vrouwen,
+dat allen een palmtak in de hand hielden. Terwijl zij het ongewone
+schouwspel gadesloegen, werd hare aandacht getrokken door een verwijderd
+gedruisch van stemmen en zagen zij een menigte menschen van den anderen
+kant komen. Nu wekte de moeder Tirza, zeggende: Hij komt! Deze menschen
+vóór ons komen uit de stad om hem te begroeten, en die anderen zijn
+zijne vrienden die hem begeleiden. Het zou mij niet verwonderen zoo de
+twee groepen hier op dit punt samentroffen.
+
+--Ik vrees, dat hij ons dan niet zal kunnen hooren, moeder.
+
+Diezelfde gedachte was ook reeds bij de weduwe opgerezen. Amrah, zeide
+zij, heeft Juda ook gezegd wat die tien melaatschen tot den Nazarener
+riepen?
+
+--Zij riepen: Heer, ontferm u over ons. Of: Meester, ontferm u over ons.
+
+--Dat alleen?
+
+--Ja, dat alleen, voor zooveel ik weet.
+
+--En toch was het voldoende, zeide de weduwe zacht.
+
+--Ja, antwoordde Amrah. Juda zei, dat hij hen geheel hersteld zag
+weggaan.
+
+Intusschen naderde de schare langzaam. Toen de voorsten in 't gezicht
+waren, werd de aandacht der vrouwen allereerst getroffen door een man,
+die te midden van een naar het scheen uitgelezen gezelschap reed. Hij
+was blootshoofds en geheel in 't wit gekleed. Hij staarde voor zich uit
+en deelde volstrekt niet in de opgewondenheid zijner volgelingen. Het
+gejubel vermocht de droefgeestige uitdrukking van zijn gelaat niet te
+verdrijven. Zijn golvende lokken, door het zonlicht beschenen, vormden
+een gouden stralenkrans om het edelgevormde hoofd. De juichende schare
+achter hem strekte zich tot in het oneindige uit. Niemand behoefde den
+melaatschen te zeggen, dat dit de Nazarener, de wonderdoener was.
+
+--Tirza, daar is hij! Daar is hij! Kom, mijn kind! riep de moeder, en
+knielde naast de rots op den weg neder. Tirza en Amrah voegden zich
+terstond bij haar.
+
+Op ditzelfde oogenblik hielden de stedelingen stand, en begonnen met
+hunne palmtakken te wuiven en te roepen: Hosanna den Zone Davids!
+Gezegend is hij die komt in den naam des Heeren. Hosanna in de hoogste
+hemelen!
+
+De duizenden, die den Nazarener vergezelden, namen den jubeltoon over,
+zoodat het door de lucht weergalmde. Het geroep der arme melaatschen
+ging er geheel door verloren. Maar voor haar was het: nu of nooit. Ging
+deze gelegenheid voorbij, dan moesten zij voor altijd de hoop laten
+varen.
+
+--Dichterbij, Tirza! Dichterbij! Hij kan ons niet hooren, zeide de
+moeder.
+
+Zij stond op en trad bevend naar voren, hief de handen smeekend omhoog,
+en riep zoo hard zij kon. De lieden zagen haar, en verstomden, door
+ontzetting en afschuw bevangen. Tirza, die achter hare moeder stond,
+zonk van zwakte en angst ineen.
+
+--Melaatschen! Melaatschen!
+
+--Steenig ze!
+
+--Sla ze dood! die van God vervloekten!
+
+Deze en dergelijke kreten vermengden zich met de hosanna's dergenen, die
+te veraf waren om de oorzaak der stoornis te onderscheiden. Zij, die in
+de onmiddellijke nabijheid van den Rabbi waren, en zijn goddelijk
+mededoogen kenden, zagen hem zwijgend aan, wel wetende wat hij doen zou,
+en maakten ruimbaan voor hem, toen hij op de vrouw toereed. Zij zag hem
+in het vriendelijk gelaat en schepte troost uit zijn bemoedigenden
+glimlach.
+
+--Meester, Meester! riep zij, gij ziet onze ellende, gij kunt ons
+reinigen. Erbarm u over ons!
+
+--Gelooft gij, dat ik dat doen kan?
+
+--Ja, Heer. Gij zijt degeen, van wien de profeten gesproken hebben, gij
+zijt de Messias!
+
+--Vrouw, groot is uw geloof, u geschiede gelijk gij wilt.
+
+Een oogenblik nog toefde hij, de schare rondom zich vergetende, één
+oogenblik, toen reed hij verder, terwijl de geredde met een van dank
+overvloeiend hart luide riep: Eere zij God in den hooge! Gezegend zij de
+Zone Davids!
+
+Terstond daarop omgaf hem de schare met haar vreugdebetoon en onttrok
+hem aan haar oog. In dankbare verrukking drukte de moeder Tirza aan haar
+hart, juichende: Wij zijn gered! Hij is waarlijk de Messias.
+
+Zij bleven geknield liggen, totdat de menschenmassa langzaam achter den
+berg verdween. Toen het gezang en gejuich in de verte zich verloor, werd
+het wonder in de melaatschen gewrocht.
+
+Eerst gevoelden zij, dat haar bloed als vernieuwd door de aderen
+stroomde, sterker en sneller, zoodat het verzwakte lichaam een
+onbeschrijfelijk weldadig gevoel van terugkeerende kracht gewaarwerd.
+Zij voelden de plaag letterlijk wijken. Haar vleesch keerde weder, de
+verduisterde oogen straalden met den ouden glans--gereinigd waren zij
+van hare afzichtelijke krankte. Nu voelden zij zich ook naar den geest
+herleven, nameloos geluk doortrilde haar.
+
+Van deze genezing was, behalve Amrah, nog iemand anders getuige. Zooals
+wij weten was Ben-Hur den Nazarener zooveel mogelijk gevolgd, en die
+zich de gesprekken van den vorigen avond herinnert, zal zich niet
+verwonderen, dat hij bij den stoet was, die den Rabbi begeleidde. Hij
+was getuige van de bede der melaatsche, hij zag de vreeselijke sporen
+der ziekte op haar gelaat, hij hoorde het antwoord, dat zij ontving,
+en hoewel hij reeds meer dan eens tegenwoordig geweest was bij zulke
+genezingen, hadden zij nog niets van hare belangwekkendheid voor hem
+verloren. Daarenboven was de strijd in zijn binnenste met betrekking tot
+de zending van den Nazarener nog altijd niet beslist. Daarom liet hij
+den stroom voorbij gaan, en zette zich op een steen aan den weg neder,
+om te zien hoe de genezing in haar werk zou gaan.
+
+Van zijne plaats wierp hij dezen en genen een blik van verstandhouding
+toe, Galileërs, die onder hunne lange gewaden het korte zwaard verborgen
+droegen. Toen allen voorbij waren naderde hem een Arabier met twee
+paarden.
+
+--Blijf hier staan, zeide Ben-Hur, hem tot zich wenkend. Aldebaran zal
+mij straks met verdubbelden spoed naar de stad brengen.
+
+Hij liefkoosde het schoone dier en keerde zich toen om, ten einde de
+twee vrouwen te gaan toespreken, in wie hij het grootste belang stelde,
+als toonbeelden eener bovenaardsche wondermacht. Voortgaande keek hij
+toevallig naar de witte rots en zag een welbekende gedaante staan, het
+gelaat in de handen verborgen.
+
+--Wat! zeide hij, staat Amrah daar?--en liep regelrecht op haar toe.
+Amrah! wat doet gij hier?
+
+Daar zag de oude vrouw op, viel voor hem neer op de knieën, verblind
+door tranen, bijna sprakeloos door diepe ontroering.
+
+--O, meester, hoe goed is God!
+
+Een onverklaarbaar voorgevoel zeide hem, dat hare tegenwoordigheid op de
+eene of andere wijze met die der beide vrouwen in verband stond. Hij
+keerde zich haastig om, en bleef als aan den grond genageld staan. Het
+was alsof zijn hart ophield te kloppen, hij kon geen woord uitbrengen.
+
+De vrouw, die hij met den Nazarener had zien spreken, stond daar met
+gevouwen handen, terwijl de tranen haar over de wangen stroomden. De
+verandering, die zij ondergaan had, zou op zichzelf reeds zijne
+verbazing gerechtvaardigd hebben, maar er was nog een andere reden. Was
+het een zinsbegoocheling? of was er een treffende gelijkenis tusschen
+die vrouw en zijne moeder? Zóó had zij er uitgezien op dien morgen, toen
+de Romein haar uit zijne armen rukte! Alleen het haar begon hier en daar
+te grijzen, maar dat liet zich hierdoor verklaren, dat de macht, welke
+het wonder gewrocht had, de verloopen jaren in aanmerking had genomen.
+
+En die andere naast haar? Tirza? Schoon en liefelijk, alleen wat ouder
+dan op dien laatsten morgen, toen zij voor hem zong. Hij had beiden
+reeds lang dood gewaand, en de tijd had zijne smart gelenigd. Hij
+betreurde haar nog altijd, maar zij waren uit zijne droomen en plannen
+voor de toekomst weggevallen.
+
+Zijne oogen niet geloovende, greep hij Amrah bij den arm en riep: Zeg
+mij toch of ik goed zie!
+
+--Ja, ja, spreek maar tot haar!
+
+Nu aarzelde hij niet langer, maar vloog naar haar toe met den kreet:
+Moeder, beste moeder, hier ben ik!
+
+In het volgend oogenblik waren de zoo wreed gescheiden weer vereenigd,
+en omhelsden elkander innig.
+
+Toen de eerste vreugde bedaard was, zeide de moeder: Kinderen, laat ons
+God danken! Laat ons het nieuwe leven beginnen met erkenning van Hem,
+die ons dit geluk bereidt.
+
+Zij knielden neder, Amrah volgde hun voorbeeld, en als een jubelpsalm
+rees het gebed der begenadigde vrouw omhoog.
+
+Daarna vraagde zij: Wat nu, mijn zoon? Waar zullen wij naar toe gaan?
+
+--Ja, zeide Juda, tot de werkelijkheid teruggeroepen, wij hebben nog een
+plicht te vervullen.
+
+Hoezeer hij ook verlangde haar naar huis te brengen, en hare
+geschiedenis te hooren, hij bedwong zijn ongeduld, en herinnerde haar
+hetgeen de Wet van herstelde melaatschen eischte. Toen riep hij den
+Arabier tot zich, en beval hem de paarden naar de poort van Bethesda
+te brengen en daar op hem te wachten. Vervolgens begaven zij zich
+gezamenlijk op weg naar den Berg der Ergernis; maar o! hoe anders was
+de wandeling ditmaal. Zij konden zich snel en gemakkelijk bewegen, en
+bereikten weldra een nieuw uitgehouwen graf naast dat van Absalom. Daar
+het leeg was, namen de vrouwen er bezit van, terwijl Ben-Hur verder ging
+om zoo spoedig mogelijk de noodige maatregelen te treffen.
+
+
+ * * * * *
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+ONGEDULD.
+
+
+Een paar uren later sloeg hij dicht bij de graven der Koningen twee
+tenten op, die hij zoo gemakkelijk mogelijk inrichtte. Daarheen bracht
+hij moeder en zuster, totdat zij van den priester een getuigschrift van
+volkomen herstel zouden gekregen hebben.
+
+Intusschen was de jonkman door dit verkeer volgens de wet zelf onrein
+geworden, zoodat hij zich onthouden moest van elke deelneming, hoe
+gering ook, aan het ophanden zijnde feest. Hij kon bij zijne geliefden
+in de tenten blijven. Wat hadden zij elkander veel te vertellen! Onder
+het luisteren naar het lijdensverhaal zijner moeder dwong hij zich tot
+kalmte, maar zijn bloed kookte, en zijn dorst naar wraak werd steeds
+grooter.
+
+In deze stemming ontwierp hij de dolste plannen. De gelegenheden van
+de heirwegen drongen zich aan hem op: hij zou een opstand in Galilea
+verwekken, of met zijne strijdbare mannen Romeinsche reizigers op de
+wegen overvallen; zelfs de zee, anders zijn schrikbeeld, werd hem door
+zijne verbeelding voorgehouden, als een geschikt terrein tot plundering
+van galeien en kooplieden. Maar zijn beter oordeel behield de overhand
+boven een oogenblikkelijken hartstocht. Telkens weder kwam hij tot de
+oude slotsom--dat slechts een oorlog van geheel Israël tegen Rome iets
+zou kunnen uitrichten; en al zijne overleggingen, zijn vragen en hopen,
+keerden tot hun uitgangspunt terug ... den Nazarener. Als die maar wilde
+opstaan en den volke toeroepen: Hoor, Israël! Ik ben de van God
+beloofde, de geboren koning der Joden! Ik kom om te heerschen zooals de
+profeten gesproken hebben. Staat op als een eenig man, en brengt de
+wereld aan uwe voeten!
+
+Als de Nazarener zóó optrad, dan zou men wat zien gebeuren! Hoe zouden
+de bazuinen schallen om de massa ten strijde te roepen! Zou de Nazarener
+het doen?
+
+In zijn verlangen om het werk te beginnen verloor Ben-Hur de tweeledige
+natuur van den Godsgezant uit het oog, en dacht niet aan de mogelijkheid,
+dat het goddelijke in hem het menschelijke zou kunnen te boven gaan. In
+het wonder aan zijne moeder en Tirza gewrocht zag hij eene macht groot
+genoeg, om een Joodschen troon op te richten en te handhaven, eene macht
+groot genoeg, om de maatschappij te hervormen, en de menschheid tot één
+geheiligd gelukkig gezin te vereenigen. Was het eenmaal zoo ver, dan zou
+niemand durven loochenen, dat het een den Zone Gods waardig werk geweest
+was.
+
+Intusschen waren bij de beek Kedron in de nieuwe stadswijk Bezetha,
+voornamelijk langs de wegen naar de Damascuspoort, allerlei tijdelijke
+verblijfplaatsen voor de feestgangers opgeslagen. Ben-Hur bezocht de
+vreemdelingen, onderhield zich met hen, en verwonderde zich dagelijks
+meer over hun groot aantal. Toen hij daarenboven tot de ontdekking kwam
+dat alle deelen der wereld vertegenwoordigd waren ... de beide kusten der
+Middellandsche zee, Indië, de noordelijke provinciën van Europa ... toen
+hij bedacht dat die lieden, ofschoon zij hem menigmaal begroetten in een
+taal, die ver afgeweken was van het oude Hebreeuwsch der vaderen, toch
+allen hetzelfde doel beoogden, drong zich een nieuw denkbeeld aan hem
+op. Zou hij misschien den Nazarener verkeerd begrepen hebben? Zou hij
+misschien onder den schijn van geduldig wachten in het geheim alles
+hebben voorbereid, om zoodoende zijne geschiktheid voor de roemrijke
+taak die hem wachtte te bewijzen? De gelegenheid die zich thans aanbood
+was veel geschikter, dan toen de Galileërs hem bij het meer Genesareth
+met geweld koning hadden willen maken. Toen zouden hem slechts een paar
+duizend menschen bijgevallen zijn, heden zouden millioenen aan zijne
+roepstem gehoor geven.
+
+Dezen gedachtengang volgende kwam Ben-Hur tot het besluit, dat de
+Nazarener achter zijn zachtmoedig voorkomen en onbegrijpelijke
+zelfverloochening staatkundige plannen verborg.
+
+Herhaaldelijk kwamen ernstig, door de zon gebruinde mannen Ben-Hur aan
+de tent bezoeken. Hij ontving hen altijd alleen, en als zijne moeder hem
+vroeg wie dat waren, antwoordde hij steeds: Goede vrienden uit Galilea.
+
+Door hen kwam hij op de hoogte van alles wat de Nazarener deed, en van
+de plannen zijner vijanden, zoowel rabbijnen als Romeinen. Hij wist dat
+het leven van zijn held bedreigd werd, maar hij kon niet gelooven, dat
+iemand tijdens het feest een aanslag zou durven wagen. Zijn groote roem
+en populariteit, de aanwezigheid van zoovele vreemden in en rondom de
+stad waarborgden, meende hij, de veiligheid van den Nazarener. Maar
+bovenal rustte zijn vertrouwen op de wondermacht van den Christus. De
+zaak uit een zuiver menschelijk oogpunt beziende, hield hij het voor
+onmogelijk, dat de bezitter van zulk eene macht over leven en dood, zoo
+dikwijls aangewend ten bate van anderen, haar niet voor zichzelven zou
+gebruiken.
+
+Het was volgens onze tijdrekening de vijfentwintigste Maart. Aan den
+avond van dien dag kon Ben-Hur zijn ongeduld niet langer bedwingen en
+reed naar de stad, met de belofte van spoedig te zullen terugkeeren.
+Zijn paard was flink en draafde lustig voort. De huizen, die hij
+voorbijreed, waren leeg, de vuren voor de tenten waren uitgedoofd, de
+weg was eenzaam en verlaten, want het was de avond vóór het feest en het
+volk was naar den Tempel gestroomd, om de paaschlammeren te slachten,
+wier bloed door de priesters opgevangen en naar de altaren gebracht
+werd. Door de groote Noordpoort reed Ben-Hur Jeruzalem binnen, het
+heerlijke roemrijke Jeruzalem, zooals het vóór de verwoesting was.
+
+
+ * * * * *
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+ONTMASKERD.
+
+
+Ben-Hur stapte af voor de deur eener herberg, waar hij zijn paard in de
+hoede van zijn Arabischen bediende achterliet. Met haastigen stap ging
+hij naar huis, en vraagde allereerst naar Malluch; toen die niet thuis
+bleek te zijn naar Balthasar en Simonides. Het antwoord luidde, dat de
+beide grijsaards zich in draagstoelen naar buiten hadden laten brengen,
+om ook iets van het feest te zien.
+
+Terwijl hij nog met den knecht sprak, werd het gordijn voor de deur
+weggeschoven, en trad Iras binnen, waarop de bediende heenging.
+
+Door de gebeurtenissen der laatste dagen geheel in beslag genomen, had
+Ben-Hur weinig aan de schoone Egyptische gedacht, maar zoodra hij haar
+zag, liet de oude invloed zich weder gelden. Vroolijk ging hij haar te
+gemoet, maar bleef op eens verbaasd staan. Tot nog toe had zij hem
+onverholen hare genegenheid betoond. Maar nu! Een vreemde had zij niet
+koeler kunnen ontvangen.
+
+--Gij komt juist bijtijds, zoon van Hur, zeide zij. Ik wilde u dank
+zeggen voor uwe gastvrijheid, want na morgen zal ik niet meer in de
+gelegenheid zijn dat te doen.
+
+Ben-Hur maakte een lichte buiging zonder zijne oogen van haar af te
+wenden.
+
+--Ik weet, dat het onder dobbelaars gewoonte is, vervolgde zij, na
+afloop van het spel de rekening op te maken, en den gelukkigen winner te
+bekronen. Wij hebben een spel gespeeld, het heeft vele dagen en weken
+geduurd. Waarom zouden wij, nu het uit is, niet eveneens nagaan wie van
+ons den krans moet hebben?
+
+Niet recht wetende wat hij van haar denken moest antwoordde Ben-Hur
+luchtig: Als een vrouw op het een of ander haar zinnen gezet heeft, moet
+een man haar daarin ter wille zijn.
+
+--Zeg mij, zeide zij met een onaangenaam lachje, zeg mij, Vorst van
+Jeruzalem, waar is hij, de zoon des timmermans van Nazareth, van wien
+men onlangs zulke groote verwachtingen had?
+
+Met een gebaar van ongeduld antwoordde hij: Ik ben zijn bewaker niet.
+
+--Heeft hij Rome al omvergeworpen?
+
+Toornig wilde Ben-Hur antwoorden, maar zij vervolgde: Waar heeft hij
+zijn zetel opgeslagen? En zijn paleis? Hij heeft wel dooden opgewekt,
+het zou hem dus geen moeite kosten als met een tooverslag een gouden
+huis te doen ontstaan. Hij behoeft maar met den voet te stampen en één
+woord te spreken, en het huis staat daar, zoo mooi, als men het slechts
+verlangen kan.
+
+Hij behoefde er niet meer aan te twijfelen, dat zij in ernst sprak. De
+vragen waren beleedigend, haar toon en houding bepaald onvriendelijk.
+Hij voelde, dat hij voorzichtig moest zijn, en zeide zacht: Laat ons nog
+een dag, desnoods nog een week wachten, voordat wij oordeelen.
+
+Zonder op zijne woorden te letten vervolgde zij: En hoe komt het, dat ik
+u in zulk eene kleeding zie? Dat is niet de dracht der stadhouders van
+Indië, of van onderkoningen, waar dan ook. Ik heb eenmaal een Perzisch
+satraap gezien. Hij droeg een zijden tulband en een mantel van
+goudlaken; het gevest en de scheede van zijn zwaard glinsterden van
+kostbare edelsteenen. Ik dacht dat Osiris hem iets van den glans der zon
+had afgestaan. Ik vrees, dat gij nog niet in uwe heerschappij bevestigd
+zijt, de heerschappij, die ik met u zou deelen.
+
+--De dochter van mijn wijzen gast is vriendelijker dan zij zelve
+vermoedt; zij doet mij zien, dat Isis een hart kan kussen zonder het
+beter te maken.
+
+Hij sprak met koude hoffelijkheid en Iras antwoordde, al spelende met
+haar halsketting: De zoon van Hur is zeer slim. Ik zag uw droomenden
+koning zijn intocht in de stad houden. Gij hadt ons gezegd, dat hij zich
+op dien dag tot koning der Joden zou laten uitroepen. Ik zag een hem
+begeleidenden stoet van den berg afdalen, en hoorde hun gezang. 't Was
+een mooi gezicht, die wuivende palmtakken. Ik zocht naar een koninklijke
+verschijning in hun midden: een ruiter in het vorstelijk purper, of een
+statigen krijger in een strijdwagen, met schild en speer gewapend. Ik
+zocht naar zijn lijfwacht. Het zou mij goed hebben gedaan een vorst van
+Jeruzalem aan het hoofd eener kohorte van de Galileesche legioenen te
+zien!
+
+Zij wierp haren toehoorder een uitdagenden blik toe, en lachte toen
+luid, alsof zij in den geest iets zeer belachelijks aanschouwde.
+
+--In stede van een triomfeerenden Sesostris, vervolgde zij, of van een
+gewapenden Cesar, hahaha! zag ik een man met tranen in de oogen op een
+ezelsveulen gezeten. De koning! de Zoon van God! de Verlosser der
+wereld! Hahaha!
+
+In spijt van zichzelven kon Ben-Hur zijn verlegenheid niet verbergen.
+Voordat hij zich hersteld had, ging zij voort: Toch verliet ik mijne
+plaats niet, Vorst van Jeruzalem. Evenmin lachte ik. Ik zeide tot
+mijzelve: Geduld! In den Tempel zal hij zich in zijne ware gedaante
+vertoonen, zooals dat een held betaamt, die de wereld in bezit gaat
+nemen. Ik zag hem de poort van Suzanna binnengaan. Ik zag hem stilhouden
+voor de Schoone Poort. Duizenden menschen stonden in de voorhoven van
+den Tempel, op de trappen; allen wachtten in hooge spanning op zijne
+proclamatie. In mijne verbeelding hoorde ik de steunsels van het
+machtige Rome kraken. Hahaha! O Vorst! bij de ziel van Salomo, uw koning
+wikkelde zich dichter in zijn overkleed en wandelde weg, zonder zijn
+mond geopend te hebben, en ... het Romeinsche rijk bestaat nog.
+
+Geen vertoogen van Balthasar, geen wonderen voor zijn oogen verricht,
+hadden vermocht wat het door Iras geschilderde tafereel uitwerkte.
+
+Dat zich afwenden van de Schoone Poort--gaf de Nazarener zelf daarmede
+niet duidelijk te kennen, dat hij het door-hem op te richten koninkrijk
+niet beschouwd wilde hebben als een aardsch koninkrijk?
+
+--Dochter van Balthasar, zeide hij waardig, als dit het spel is, waarvan
+gij spraakt, neem den krans; ik moet hem u toekennen. Laat ons echter
+een einde maken aan dit woordenspel. Dat gij er een doel mede hebt,
+geloof ik zeker. Spreek het vrij uit en ik zal u antwoorden. Daarna
+kunnen wij ieder zijn eigen weg gaan, en vergeten dat wij elkander ooit
+ontmoet hebben. Spreek! Ik luister--indien gij ten minste een anderen
+toon wilt aanslaan.
+
+Zij zag hem een oogenblik onderzoekend aan, overleggende wat zij doen
+zou, misschien ook om zijn wilskracht te beproeven, en zeide toen
+koeltjes: Gij kunt vertrekken. Ga!
+
+--Vrede zij u, antwoordde hij, en ging naar de deur. Toen hij er vlak
+bij was, riep zij hem terug.
+
+--Nog één woord.
+
+Hij bleef staan, en zag om.
+
+--Bedenk dat ik alles van u weet.
+
+--Waarin bestaat dat alles? vraagde hij terugkomende.
+
+Zij zag hem aan met verstrooiden blik.
+
+--Gij hebt meer van een Romein, zoon van Hur, dan een uwer Joodsche
+broederen.
+
+--Ben ik zoo verschillend van mijne landgenooten? vraagde hij
+onverschillig.
+
+--De halfgoden zijn allen Romeinen, zeide zij.
+
+--Is dat alles wat gij van mij weet?
+
+--De gelijkenis is niet voor mij verloren. Het zou er mij toe kunnen
+brengen u te redden.
+
+--Mij te redden?
+
+Haar vingers speelden met het sieraad aan haren hals en haar stem klonk
+innemend en zacht; maar het trappelen van haar voetje maande hem tot
+voorzichtigheid.
+
+--Er was een Jood, een ontvluchte galeislaaf, die een man doodde in het
+paleis Idernee, zeide zij langzaam.
+
+Ben-Hur ontstelde.
+
+--Diezelfde Jood versloeg hier in Jeruzalem op het voorplein van het
+praetorium verscheidene Romeinsche soldaten, diezelfde Jood heeft onder
+zijne bevelen drie welgeoefende legioenen uit Galilea, om hedennacht den
+Romeinschen procurator gevangen te nemen; diezelfde Jood heeft alles
+voorbereid tot een oorlog met Rome, en Sheik Ilderim is een van zijne
+bondgenoten.
+
+Nog dichterbij komende, fluisterde zij: Gij hebt in Rome gewoond.
+Gesteld dat deze dingen gefluisterd werden in ooren, die wij kennen?
+Aha! gij verschiet van kleur?
+
+Hij ging een stap achteruit met de uitdrukking op het gelaat van een
+man, die, meenende met een poes te spelen, onverwacht een tijgerjong
+voor zich ziet.
+
+Zij vervolgde: gij zijt bekend aan het hof, gij kent den machtigen
+Sejanus. Gesteld dat hem werd medegedeeld, dat diezelfde Jood de rijkste
+man is van het Oosten, ja van het geheele keizerrijk, dan zouden de
+visschen van den Tiber waarschijnlijk wel op iets anders onthaald
+worden, dan op hun gewone voedsel, niet waar? En welke prachtige
+voorstellingen zouden daarna in den Circus gegeven worden! Het
+Romeinsche volk te vermaken is een schoone kunst, maar het geld te
+verzamelen, om het te kunnen blijven vermaken, is nog grooter kunst; en
+heeft ooit eenig kunstenaar daarin Sejanus geëvenaard?
+
+Ben-Hur wendde al zijne zelfbeheersching aan, om kalm te blijven, en
+zeide bedaard: Welaan, dochter van Egypte, dank zij uwe listigheid hebt
+gij mij in uwe macht, 't Zal u zeker genoegen doen mij te hooren
+bekennen, dat ik geen genade van u verwacht. Ik zou u kunnen dooden;
+doch gij zijt eene vrouw. De woestijn is bereid om mij te ontvangen, en
+ofschoon de Romeinen uitstekende menschenjagers zijn, zouden zij mij
+daar toch lang en ver moeten zoeken, voordat ze mij vingen; want de
+wildernis herbergt duizenden trouwe, gewapende mannen. Maar al hebt gij
+mij in uwe netten weten te krijgen--dwaas die ik was! één antwoord zijt
+gij mij schuldig: Wie heeft u dat alles aangaande mij verteld?
+Vluchteling of banneling, het zal mij een troost zijn mijnen verrader
+den vloek na te laten van een man, wiens leven niets dan ellende heeft
+gekend. Wie heeft u dat alles aangaande mij medegedeeld?
+
+Was het een kunstgreep, was het oprecht gemeend,--de uitdrukking van
+Iras' gelaat werd zachter.
+
+--In mijn vaderland vindt men kunstenaars, die schilderijen maken van
+veelkleurige schelpjes, welke zij aan het strand der zee vonden, en in
+stukken sloegen, om ze daarna tot één geheel samen te voegen. Ziet gij
+niet wat zij, die een geheim willen uitvorschen, daaruit kunnen leeren?
+Het zij u genoeg te weten, dat ik van den een dit, van den ander dat
+vernam, en weldra een geheel kon samenstellen, dat mij meesteres maakte
+van het fortuin en het leven van een man met wien ... ik niet recht weet
+wat ik doen zal.
+
+--Neen, dat is mij niet genoeg, zeide Ben-Hur onbewogen. Morgen zult gij
+wel weten wat gij met mij doen zult ... mij misschien vermoorden.
+
+--Dat is zoo, antwoordde zij snel en met nadruk. Nu dan. Enkele dingen
+vernam ik door Sheik Ilderim, toen hij op zekeren avond met mijn vader
+een onderhoud had in de woestijn. 't Was stil, heel stil, en de wanden
+eener tent zijn, om de waarheid te zeggen, geen voldoende beschutting
+tegen ooren, die daar buiten luisteren naar den vleugelslag van
+nachtvlinders. Andere bijzonderheden kreeg ik van....
+
+--Welnu? van wien?
+
+--Van den zoon van Hur zelf.
+
+--Heeft niemand anders er toe bijgedragen?
+
+--Neen, niemand.
+
+Ben-Hur slaakte een zucht van verlichting en zeide: Dank voor uwe
+mededeeling. Het zou niet beleefd zijn den machtigen Sejanus op u te
+laten wachten. Vaarwel!
+
+Tot nog toe had hij met ongedekten hoofde voor haar gestaan; nu nam hij
+den doek, die over zijn arm hing, schikte zich dien om het hoofd en
+wilde zich verwijderen. Maar zij hield hem tegen, en stak in haren ijver
+de hand naar hem uit.
+
+--Blijf! zeide zij.
+
+Hij zag haar aan zonder echter de aangeboden hand te nemen, en begreep
+uit hare geheele manier van doen, dat het voornaamste nog komen moest.
+
+--Blijf, en geloof vrij, dat ik weet waarom de edele Arrius u tot zijn
+erfgenaam maakte. Bij alle goden van Egypte, ik beef als ik er aan denk,
+dat gij, zoo dapper en edelmoedig, den onbarmhartigen Sejanus in handen
+zoudt vallen. Gij hebt een gedeelte van uw jeugd in de atria der groote
+wereldstad doorgebracht, bedenk wat in tegenstelling daarmede de
+woestijn voor u zijn moet. O, ik heb medelijden met u! En als ge doen
+wilt wat ik zeg, zal ik u redden. Dat zweer ik u bij onze heilige Isis!
+
+Het vuur, waarmede zij gesproken had, deed haar aangezicht gloeien;
+zelden had hij haar zoo schoon gezien.
+
+--Eenmaal hadt gij een vriend, vervolgde zij. Gij waart toen nog een
+knaap. Op zekeren dag kreegt gij twist en werdt vijanden. Vele jaren
+later zaagt gij hem in den circus te Antiochië.
+
+--Messala!
+
+--Ja, Messala. Gij waart zijn schuldeischer. Laat het verledene vergeven
+en vergeten zijn; schenk hem uwe vriendschap weder; geef hem zijn geld
+terug, dat hij bij de groote weddenschap verloor; red hem! De zes
+talenten zijn voor u zoo goed als niets, niet zooveel als het afvallend
+blad van een lommerrijken boom; maar voor hem.... Ach, hij gaat daarheen
+met een verbrijzeld lichaam! O Ben-Hur, edele vorst! voor een Romein als
+hij, uit een edel geslacht gesproten, is armoede nog erger dan de dood.
+Red hem, ach, red hem!
+
+Als de snelheid, waarmede zij sprak, dienen moest, om hem het nadenken
+te beletten, dan vergiste zij zich deerlijk. Zijne gevoelens ten
+opzichte van Messala waren voor geene wijziging vatbaar. Het was hem,
+alsof hij zijn vijand over haar schouder naar hem zag gluren, met de
+oude trotsche, overmoedige uitdrukking.
+
+--Messala krijgt van mij niets, sprak hij vastberaden. Als Romein
+veroordeel ik den Romein. Maar zeg mij, zond hijzelf u tot mij met dit
+verzoek?
+
+--Hij heeft een edele natuur en beoordeelde u daarnaar.
+
+--Zeg mij, gij, die hem zoo goed schijnt te kennen, zeg mij, zou hij in
+het omgekeerde geval voor mij doen wat hij nu van mij vraagt? Antwoord
+ter wille van de waarheid!
+
+--O, begon zij, hij is....
+
+--Een Romein, wilt gij zeggen; en gij bedoelt daarmede, dat ik, een
+Jood, niet moet eischen, dat een en dezelfde maatstaf gebruikt zal
+worden voor hem en voor mij. Dus omdat ik een Jood ben, moet ik hem
+mijne winst laten, omdat hij een Romein is. Als gij nog meer te zeggen
+hebt, dochter van Balthasar, spreek dan, want waarlijk! moest mijn bloed
+nog tot grooter kookhitte komen, dan zou ik in u misschien niet langer
+eene vrouw zien, maar de spion van den Romein. Spreek dus, maar maak het
+kort.
+
+Zij ging een stap achteruit. Uit hare oogen en stem sprak al de boosheid
+van hare natuur.
+
+--Gij meent, dat ik u zou kunnen beminnen, nadat ik Messala gezien had?
+Zulken als gij zijn geboren om hem te dienen. Hij zou tevreden zijn
+geweest, indien gij hem zijne zes talenten teruggegeven hadt; maar ik
+zeg u, bij die zes zult gij er twintig voegen, hoort gij? Voor iederen
+kus, dien gij mij gegeven hebt, al was het met mijne toestemming, zult
+gij mij betalen. Gij zult er voor betalen, dat ik u zoo lang verdragen,
+ja begunstigd heb, al deed ik het ook om hem te dienen. De oude
+Simonides is uw rentmeester. Indien hij mij morgenmiddag niet een wissel
+ter hand stelt voor zesentwintig talenten, dan zult gij met den
+machtigen Sejanus hebben af te rekenen. Wees wijs! en nu vaarwel.
+
+Zij wilde de kamer verlaten, maar hij trad haar in den weg.
+
+--Wanneer gij Messala ziet, hier of in Rome, vandaag of morgen, wil hem
+dan van mijnentwege deze boodschap overbrengen: Zeg hem, dat ik al het
+geld terug heb, dat hij mij ontstal, toen hij zich een deel van mijn
+vaders bezittingen toeëigende. Zeg hem, dat ik van de galeien, waarheen
+hij mij zond, levend ben teruggekomen, en dat ik gezond en krachtig, mij
+verheug over zijne armoede en schande. Zeg hem, dat de lichaamspijnen,
+hem door mijne hand toegebracht, een straf zijn van den God van Israël
+voor het verraad, dat hij aan onschuldigen gepleegd heeft; zeg hem, dat
+mijne moeder en zuster, die met zijn medeweten opgesloten werden in eene
+besmette cel van den burcht Antonia, opdat zij daar aan melaatschheid
+zouden sterven, leven, en gezond zijn door het machtwoord van den
+Nazarener, dien gij veracht. Zeg hem, dat zij, om de maat van mijn geluk
+vol te maken, mij teruggegeven zijn, en dat ik tot haar ga, om in hare
+liefde meer dan voldoening te vinden voor de onreine hartstochten, die
+gij op hem overbrengt. Zeg hem, dat de machtige Sejanus, als hij zich
+opmaakt om mij van mijn eigendom te berooven, niets zal vinden, want
+alles, wat ik van den duumvir geërfd heb, is verkocht, en de opbrengst
+is in veiligheid gebracht. Zeg hem, dat dit huis en de goederen, waar
+Simonides handel mede drijft, gedekt zijn door keizerlijken vrijbrief.
+Zeg hem, dat ik hem mijnen vloek niet in woorden zend, maar dat ik hem
+aan u overlaat, opdat gij elkander wederkeerig ten vloek zoudt zijn. Ga
+nu, ik ga ook.
+
+Hij geleidde haar naar de deur en hield beleefd een voorhang tegen,
+terwijl zij naar buiten ging.
+
+
+ * * * * *
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+DE BLINDDOEK AFGEVALLEN.
+
+
+Ben-Hur verliet de zaal vrij wat minder opgewekt, dan hij haar
+binnengetreden was; zijn stap was langzamer, hij liet het hoofd hangen.
+De ontdekking dat iemand, al heeft hij ook al zijne ledematen gebroken,
+toch nog gezond van hersenen kan zijn, gaf hem veel te denken.
+
+Dat hij de Egyptische zelf niet verdacht had van in Messala's belang
+werkzaam te zijn, maar zich blindelings had overgegeven aan de
+betoovering, die van haar uitging, wondde zijne ijdelheid.
+
+--Nu herinner ik mij, dacht hij, dat zij in het minst niet
+verontwaardigd was over de handelwijze van den onbeschaamden Romein bij
+de bron van Castalia. Ik herinner mij ook, dat zij van den beginne met
+ingenomenheid over hem sprak. En ... aha!... nu behoef ik niet langer te
+vragen, aan wie ik dat geval in het paleis Idernee te danken had.
+
+--God zij gedankt! riep hij na een oogenblik nadenkens overluid, dat die
+vrouw mijn hart niet omstrikt had! Ik zie nu in dat het geen liefde was,
+die ik voor haar gevoelde.
+
+Alsof hem een pak van het hart gevallen was, begaf hij zich verruimd van
+zin naar het platte dak. Boven gekomen bleef hij stilstaan. Kon
+Balthasar haar medeplichtige zijn? Neen, neen. Een eerwaardig grijsaard
+als hij kan niet huichelen. Balthasar is een goed man.
+
+Gerustgesteld ging hij verder. De volle maan stond hoog aan den hemel,
+maar verbleekte door den gloed der vuren, die in de straten en op de
+pleinen ontstoken waren. Van alle zijden weerklonk het gezang van
+psalmen en lofzangen. Onwillekeurig bleef hij staan luisteren. De
+tallooze stemmen schenen hem toe te roepen: Aldus, zoon van Juda,
+getuigen wij van onze trouw aan den Heer onzen God, en onze liefde tot
+het land, dat Hij ons gegeven heeft. O, dat een Gideon mocht optreden,
+of een David, of een Makkabeër!--Wij zijn gereed.
+
+In den geest zag hij den Nazarener, wiens vriendelijk gelaat allerminst
+aan oorlog deed denken, veeleer aan vrede en liefde, en zoo drong de
+oude vraag zich weder aan hem op: Wie is hij toch?
+
+Ben-Hur wierp een blik over de borstwering, keerde zich toen om en
+wandelde toen werktuiglijk naar het zomerhuisje. Laat hen het ergste
+doen wat zij kunnen, zeide hij langzaam voortgaande. Ik kan den Romein
+geen vergiffenis schenken. Ik wil mijn fortuin niet met hem deelen, maar
+evenmin wil ik de stad mijner vaderen ontvluchten. Liever roep ik de
+Galileërs te hulp en laat ik het zwaard voor mij beslissen. Door dappere
+daden zal ik de stammen voor mij winnen. Hij, die Mozes verwekte, zal
+ook ons een aanvoerder toezenden, als ik niet slaag. Blijkt het, dat de
+Nazarener niet de aangewezen persoon is, dan een ander uit de velen, die
+hun leven willen laten voor de vrijheid.
+
+Het zomerhuisje was van binnen slechts flauw verlicht, toen Ben-Hur
+binnentrad. Hij zag den armstoel van Simonides in den hoek geschoven,
+vanwaar men het beste uitzicht had over de markt.
+
+--De goede man is teruggekeerd, dacht hij. Als hij niet slaapt, zal ik
+hem even toespreken.
+
+Hij naderde den stoel met zachten tred. Over de hooge rugleuning
+glurende zag hij, dat Esther in den stoel zat te slapen, half verborgen
+onder de deken. Hare ademhaling was zacht en regelmatig. Op eens slaakte
+zij een diepen zucht. Was het de zucht, of de eenzaamheid, waarin hij
+haar aantrof,--genoeg, hij kreeg den indruk dat deze slaap meer een
+gevolg was van uitputting na droefheid, dan van vermoeidheid. Met de
+handen op de rugleuning rustend, dacht hij een oogenblik na.
+
+--Ik zal haar niet wekken. Ik heb haar niets te zeggen, niets, of het
+moest zijn, dat ik haar liefheb. Zij is eene dochter uit den stam van
+Juda, schoon en lieftallig, geheel verschillend van de Egyptische. Bij
+die is alles ijdelheid, bij haar alles waarheid, daar eerzucht, hier
+plicht, daar zelfzucht, hier zelfverloochening.... Neen, de vraag is niet
+of ik haar liefheb, maar of zij mij liefheeft! Zij was mij van den
+beginne genegen. Ik ben dien avond op het terras te Antiochië nog niet
+vergeten, toen zij mij zoo kinderlijk smeekte Rome niet tot mijn
+vijandin te maken. Ik heb haar lief. Niemand weet, dat ik moeder en
+Tirza teruggevonden heb. Hoe zal zij zich met mij verheugen, haar van
+harte verwelkomen. Voor moeder zal zij eene tweede dochter wezen, in
+Tirza vindt zij eene zuster. Ik zou haar kunnen wekken en dit alles
+vertellen, maar eerst moet de Egyptische toovenares weg, en alles
+vergeten zijn. Ik zal heengaan en een ander, een beter oogenblik
+afwachten. Ik zal wachten. Slaap zacht, schoone Esther! trouw kind,
+dochter van Juda!
+
+Hij ging heen, even stil als hij gekomen was.
+
+
+ * * * * *
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+HET VERRAAD.
+
+
+De straten waren vol gaanden en komenden. Hier en daar stonden groepjes
+geschaard rondom de vuren, waar vleesch gebraden, gezongen en
+feestgevierd werd. De geur van het gebraad, vermengd met den reuk van
+brandend cederhout, vervulde de lucht; en daar bij deze gelegenheid alle
+Israëlieten elkander als broeders begroetten en de gastvrijheid geen
+grenzen kende, werd Ben-Hur bij elken stap begroet, terwijl de groepjes
+rondom het vuur hem toeriepen: Kom, en eet met ons. Wij zijn broeders in
+de liefde Gods!--Maar hij dankte hen allen vriendelijk en haastte zich
+voort, daar hij van plan was zijn paard op te halen aan de herberg, en
+naar de tenten bij de beek Kedron terug te keeren.
+
+Om daar te komen, moest hij de straat oversteken, die weldra door het
+droevigst tooneel, dat de christenheid kent, vermaard zou worden. Ook
+daar waren de feestelijkheden in vollen gang. De straat afziende, zag
+hij een optocht met fakkellicht naderen! Waar zij langs kwamen verstomde
+het gezang. Zijne verbazing klom, toen hij te midden van rook en vonken
+speren zag flikkeren, waaruit hij begreep, dat het Romeinsche soldaten
+waren. Wat deden zij, die vervloekte Romeinen, bij een Joodsche
+processie? Dat was iets ongehoords, en hij bleef staan om te zien wat
+dat beteekenen moest.
+
+De maan scheen helder; maar alsof maan en sterren en straatvuren en het
+licht uit vensters en open deuren niet voldoende waren om alles buiten
+te verlichten, droegen sommige deelnemers aan den optocht bovendien
+brandende lantaarns, en daar Ben-Hur begreep, dat er iets bijzonders te
+doen moest zijn, koos hij een geschikte plaats uit, om elk der
+voorbijtrekkenden aandachtig op te nemen. De toortsen en lantaarnen
+werden door bedienden gedragen, die met knuppels of puntige stokken
+gewapend waren. Hun plicht was allereerst de hoogmogenden onder hen:
+oudsten, priesters, rabbi's met lange baarden, zware wenkbrauwen en
+haviksneuzen, bij te lichten op den ongelijken, steenachtigen weg. Wat
+kon toch het doel van hun tocht zijn? Niet naar den tempel, want
+daarheen voerde een andere weg. En hun plannen ... als die van vreedzamen
+aard waren, waartoe dan de soldaten?
+
+Toen de stoet hem voorbijging, werd zijne aandacht voornamelijk
+getrokken door drie personen, die in de eerste rijen gingen. In den man
+links herkende hij een hoofdman der tempelwacht, die meest rechts liep
+was een priester, den middelsten daarentegen herkende hij niet dadelijk,
+want hij leunde onder het voortgaan zwaar op de beide anderen, en liet
+het hoofd hangen, als om het gelaat te verbergen. Zijn voorkomen deed
+aan een boosdoener denken, die den schrik van zijne gevangenneming nog
+niet te boven was gekomen. Ontegenzeglijk was hij, zoo niet de oorzaak
+van het optrekken der soldaten, dan toch òf hun gids, òf een onmisbaar
+getuige. Kon Ben-Hur achter zijn naam komen, dan zou hij het overige
+misschien wel kunnen raden. Zonder iets te zeggen, trad hij den priester
+op zijde, en stapte naast hem voort. Als de man nu maar zijn hoofd wilde
+opheffen! En zie! daar deed hij het, zoodat het licht der lantaarnen op
+zijn bleek, door vrees vertrokken gelaat viel. Daar Ben-Hur den
+Nazarener zoo dikwijls op zijne tochten gevolgd was, kende hij de
+discipelen, zoowel als den meester; en toen hij nu dat verschrikte
+gelaat zag, riep hij luid: Iskariot!
+
+Langzaam keerde de ongelukkige het hoofd om, keek Ben-Hur aan en bewoog
+zijne lippen, alsof hij iets wilde zeggen, maar de priester kwam
+tusschenbeide.
+
+--Wat woudt gij? Ga weg! zeide hij tot Ben-Hur, en duwde hem op zij. De
+jonkman liet het zich welgevallen, wachtte een betere gelegenheid af, en
+sloot zich weder bij den stoet aan. Zij gingen tusschen den heuvel
+Bezetha en den burcht Antonia door, langs het badwater Bethesda naar de
+Schaapspoort. Overal waren menschen en overal werd feestgevierd. Ter
+eere van het feest stonden de deuren der poort wijd open. Voorwaarts
+ging het, altijd voorwaarts, nu het dal in, dat naar de beek Kedron
+leidde. Aan de andere zijde zag men den Olijfberg met zijn donker
+geboomte. Dof weerklonken de voetstappen der mannen in de nachtelijke
+stilte. Nog een klein eindje, en toen sloegen zij links om naar een
+olijvenhof, die aan den voorkant door een steenen muurtje afgesloten
+was. Ben-Hur wist dat in dien hof niets was, dan eenige knoestige
+boomen, wat gras, en een in de rots uitgehouwen trog, die gebruikt werd
+voor het treden van de olijven. Terwijl hij zich verbaasd afvraagde wat
+zij in dit uur op eene zoo eenzame plaats te doen konden hebben, stond
+de troep plotseling stil. In de voorhoede hoorde men luid spreken. Er
+ontstond een onverklaarbare verwarring; alleen de soldaten hielden
+stand. In een oogwenk had Ben-Hur zich uit het gedrang weten te redden,
+om vooruit te snellen. Weldra bevond hij zich voor een poortje zonder
+deur, dat toegang verleende tot den hof. Hij bleef staan om het tooneel
+te overzien.
+
+In de poort stond een man met witte kleederen bekleed, blootshoofds, de
+handen op de borst gevouwen, een gedaante hem maar al te goed bekend ...
+de Nazarener! Zijne discipelen stonden achter hem geschaard; zij zagen
+er ontsteld uit, de meester zelf stond daar als een toonbeeld van
+verheven rust.
+
+Tegenover deze vreedzame gestalte hield de bende stil, onthutst, gereed
+om op een machtwoord uit zijnen mond uiteen te stuiven en weg te loopen.
+Ben-Hur wierp een vluchtigen blik op hem, op de menigte, op Judas
+Iskariot, en nu begreep hij het doel van den tocht. Hier stond de
+verrader, daar de verradene. De lieden met knuppels en stokken gewapend
+en de soldaten waren gekomen om hem gevangen te nemen.
+
+Niemand kan met zekerheid zeggen wat hij doen zal, voordat het oogenblik
+van handelen daar is. Ben-Hur stond voor iets, waarop hij zich jarenlang
+had voorbereid. De man, voor wiens veiligheid hij moest waken, op wiens
+leven hij al zijne hoop gebouwd had, verkeerde in lijfsgevaar,--en toch
+deed hij niets. De menschelijke natuur is vol van zulke tegenstrijdigheden.
+De groote kalmte echter, waarmede de geheimnisvolle Nazarener de menigte
+te gemoet trad, hield hem tegen, want hij verwachtte dat de meester gebruik
+zou maken van zijne wondermacht, om zich uit dit dreigend gevaar te redden.
+Vrede, liefde en vergevensgezindheid waren de grondtonen geweest van zijn
+leer; zou hij zijne prediking in praktijk brengen? Hij was Heer over leven
+en dood. Welk gebruik zou hij nu van die macht maken? Zichzelven verdedigen?
+En hoe dan? Eén woord, één wenk, ééne gedachte was voldoende. Dat een
+wonder, iets bovennatuurlijks gebeuren zou, geloofde Ben-Hur vast, en in
+dat geloof wachtte hij. Maar hij mat den Nazarener naar zichzelven af, naar
+den menschelijken maatstaf.
+
+Daar weerklonk des Meesters heldere stem.
+
+--Wien zoekt gij?
+
+--Jezus den Nazarener, antwoordde de priester.
+
+--Ik ben het.
+
+Op het hooren van deze zeer eenvoudige woorden weken de aanvallers eenige
+schreden achteruit, de vreesachtigen vielen ter aarde.
+
+Zij zouden hem waarschijnlijk alleen gelaten hebben en weggegaan zijn,
+indien niet Judas naar voren gekomen was en gezegd had: Wees gegroet,
+Meester.
+
+Dit zeggende kuste Judas hem.
+
+--Judas, zeide de Nazarener zacht, verraadt gij den Zoon des Menschen
+met een kus? Waarom zijt gij hier gekomen?
+
+Daar hij geen antwoord kreeg, wendde de Meester zich weder tot de schare.
+
+--Wien zoekt gij?
+
+--Jezus van Nazareth.
+
+--Ik heb u gezegd, dat ik het ben. Indien gij dan mij zoekt laat dezen
+henengaan.
+
+De rabbi's traden op hem toe, en hun voornemen radende kwamen sommigen
+zijner discipelen, voor wie hij in de bres gesprongen was, naderbij. Een
+van hen hief zijn zwaard op en sloeg een man zijn oor af, maar zonder te
+kunnen verhinderen dat de Meester gevangen werd genomen.
+
+En nog steeds stond Ben-Hur stil!
+
+Terwijl men de touwen bracht om hem te binden, verrichtte de Nazarener
+eene liefdedaad, die meer nog dan eenige andere zijne oneindige liefde
+en zachtmoedigheid deed zien.
+
+--Laat ze tot hiertoe geworden, zeide hij, raakte het oor van den
+gewonden dienstknecht aan, en heelde het.
+
+Vrienden en vijanden beiden stonden verbaasd, laatstgenoemden daarover,
+dat hij zoo iets kon doen, de eersten, dat hij het wilde doen.
+
+Neen, neen! Hij zal niet toelaten, dat zij hem binden! dacht Ben-Hur.
+
+--Steek uw zwaard in de scheede. De beker, dien mij de Vader gegeven
+heeft, zou ik dien niet drinken?
+
+Van den voorbarigen discipel keerde de Nazarener zich tot zijne
+vijanden: Zijt gij gekomen als tot een dief, met zwaarden en stokken om
+mij gevangen te nemen? Dagelijks was ik bij u in den Tempel en gij hebt
+mij niet gegrepen, maar dit is uwe ure en de macht der duisternis.
+
+De bende vatte moed en omringde hem. Toen Ben-Hur rondzag naar de
+discipelen waren zij weg, niet één was gebleven.
+
+De Nazarener werd gebonden,--hij die zijne vijanden met een ademtocht
+zou hebben kunnen vernietigen. Waarom wilde hij zichzelven niet redden?
+Wat was die drinkbeker, dien zijn vader hem gegeven had te drinken? En
+wie was die vader? Altemaal geheimen, die alleen de Nazarener onthullen
+kon.
+
+Nu maakte de bende zich gereed om naar de stad terug te keeren, de
+soldaten voorop. Ben-Hur werd beangst. Hij was niet met zichzelf
+tevreden. Hij wist waar de Nazarener te vinden was,--daar, waar de
+meeste flambouwen waren. Op eens nam hij een besluit. Hij moest hem nog
+eenmaal zien, hem ééne vraag voorleggen. Haastig ontdeed hij zich van
+zijn overkleed en hoofddoek, wierp ze op het muurtje, en vloog de bende
+achterna.
+
+Het gelukte hem na eenig dringen den man te bereiken, die de einden van
+het touw vasthield, waarmede de gevangene behouden was.
+
+De Nazarener liep langzaam, met gebogen hoofd, de handen op den rug
+gebonden, en alsof hij niets merkte van hetgeen rondom hem voorviel.
+Voor hem uit gingen priesters en oudsten, in drukke gesprekken verdiept,
+en telkens naar hunne prooi omziende. Toen zij de brug genaderd waren,
+nam Ben-Hur den bewaker het touw uit de hand, en trad den gevangene op
+zijde.
+
+--Meester, sprak hij zacht en snel, hoort gij mij, Meester? Eén woord
+slechts. Zeg mij.... De man, wien hij het touw ontnomen had, wilde het
+terug hebben.
+
+--Meester, zeg mij, ging Ben-Hur voort, gaat gij vrijwillig mede?
+
+De menigte sloot zich meer aaneen en vraagde hem dreigend: Mensch, wie
+zijt gij?
+
+--Ach, Meester, zeide Ben-Hur haastig, zijn stem scherp door angst, ik
+ben uw vriend. Zeg mij, ik smeek het u, wilt gij, dat ik u te hulp kom?
+
+De Nazarener zag niet op, en gaf niet het minste teeken van herkenning.
+
+Maar nu drongen de wachters op hem in. Van alle kanten werd geroepen:
+Hij is een van hen. Grijpt hem! Slaat hem dood! Met een wanhopige
+krachtsinspanning rukte Ben-Hur zich los, keerde zich, links en rechts
+slaande, om, en brak door den kring heen, die hem dreigde in te sluiten.
+Zijn kleed moest hij in handen laten van een wachter, die hem reeds
+gegrepen had, zoodat hij naakt van hen moest vlieden. Gelukkig kon hij
+zich in de donkere kloof voor iedere oog verbergen.
+
+Toen alles stil geworden was, keerde hij naar den olijvenhof terug, om
+zijn overkleed te halen, begaf zich van daar naar de herberg, besteeg
+zijn paard en reed spoorslags naar de tenten zijner moeder bij de graven
+der Koningen. Onder het voortrijden nam hij het besluit den volgenden
+dag den Nazarener te bezoeken, weinig vermoedende, dat deze nog
+dienzelfden avond naar het huis van Annas gebracht was, om terstond
+verhoord te worden.
+
+Met een bezwaard hart ging de jonkman ter ruste. Moedeloos wierp hij
+zich op zijn leger om en om, aan slapen viel voor hem niet te denken,
+want het leed geen twijfel: het Joodsche koninkrijk, waar hij van
+gedroomd had, loste zich op in wat het was--een droom.
+
+
+ * * * * *
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+NAAR DEN KRUISHEUVEL.
+
+
+Den volgenden morgen tegen de tweede ure reden twee mannen in galop naar
+Ben-Hurs tent, stapten af, en vraagden hem te zien.
+
+Hij was nog niet opgestaan, doch beval dat men hen binnen zou laten.
+
+--Vrede zij u, broeders, zeide hij, want het waren twee vertrouwde
+hoofdlieden van het Galileesche legioen. Neemt plaats!
+
+--Neen, antwoordde de oudste kortaf. Zitten en rusten wil zooveel zeggen
+als den Nazarener te laten sterven. Sta op, zoon van Juda, en ga met ons.
+Het oordeel is uitgesproken, de kruispaal wordt opgericht.
+
+Ben-Hur staarde den spreker ontsteld aan. Het kruis! was alles wat hij
+zeggen kon.
+
+--Zij hebben hem van nacht gevangengenomen en gevonnist, vervolgde de
+man. Met het aanbreken van den dag brachten zij hem voor Pilatus.
+Tweemaal verklaarde de Romein hem voor niet schuldig; tweemaal weigerde
+hij hem over te leveren. Eindelijk waschte hij zijne handen, en zeide:
+Ik ben onschuldig aan het bloed van dezen rechtvaardige! en zij
+antwoordden....
+
+--Wie antwoordde?
+
+--De priesters en het volk! Zij antwoordden: Zijn bloed kome over ons en
+over onze kinderen.
+
+--Heilige vader Abraham! riep Ben-Hur. Moet een Romein welwillender zijn
+voor een Israëliet, dan zijn stamgenooten! En als--o, als hij werkelijk
+de Zoon Gods is, wie zal dan ooit die bloedschuld afwasschen? Het mag
+niet gebeuren,--ten strijde, broeders, ten strijde!
+
+Hij klapte in de handen.
+
+--De paarden voor, vlug! beval hij den binnentredenden Arabier. Laat
+Amrah mij schoone kleederen geven en breng gij mijn zwaard!... De tijd
+is gekomen om voor Israël te sterven, vrienden! Wacht mij buiten, ik kom
+aanstonds.
+
+Hij at een stuk brood, dronk een beker wijn, en reed weldra weg.
+
+--Waarheen? vraagde de hoofdman.
+
+--De legioenen bijeenroepen.
+
+--Helaas! riep de man, zijne handen omhoogheffend.
+
+--Waarom helaas?
+
+--Ach, heer, zeide de man beschaamd, mijn vriend en ik zijn u alleen
+getrouw gebleven. Al de anderen loopen de priesters na.
+
+--Wat willen zij dan? vraagde Ben-Hur en hield zijn paard in.
+
+--Hem dooden.
+
+--Toch niet den Nazarener?
+
+--Gij hebt het gezegd.
+
+Ben-Hur zag nu den een, dan den ander aan. In den geest hoorde hij weder
+de woorden van den vorige avond: den drinkbeker, dien mij de Vader
+gegeven heeft, zal ik dien niet drinken?
+
+Hij hoorde weer zijn eigen vraag: wilt gij dat ik u te hulp kom?--Neen,
+zeide hij tot zichzelf: Zijn dood kan niet afgewend worden. Hij heeft er
+van den beginne alles van geweten. Die dood wordt hem opgelegd door een
+wil, hooger dan de zijne: van wien anders dan van God? Als hij er in
+toestemt, als hij vrijwillig gaat, wat zal dan een gewoon mensch doen?
+
+Ben-Hur zag de plannen in duigen vallen, die hij gebouwd had op de
+getrouwheid der Galileërs. Hun afval maakte inderdaad aan alles een
+einde. Maar hoe zonderling dat het juist hedenmorgen moest gebeuren! Een
+bange vrees bekroop hem. Kon het zijn dat zijn plannenmaken, zijn werk,
+de wijze, waarop hij zijn geld besteed had, slechts verzet geweest was
+tegen Gods raadsbesluiten?
+
+--Laat ons naar Golgotha gaan, zeide hij op doffen toon.
+
+Zij reden te midden van een opgewonden menigte, die in dezelfde richting
+ging, als zijzelve. De geheele streek ten noorden der stad scheen op de
+been te zijn.
+
+Hoorende dat de wacht met den veroordeelde ongeveer bij de groote witte
+torens van Herodes moest zijn, reden de drie vrienden daarheen. In de
+vallei bij den vijver van Hiskia werd het onmogelijk tegen den stroom
+van menschen in te gaan, zoodat zij verplicht waren af te stijgen en
+achter een huis een gunstiger oogenblik af te wachten. Een half uur, een
+uur vloog voorbij, nog steeds ging de stroom onverminderd langs onze
+vrienden. Aan het einde van dien tijd had hij kunnen zeggen: Ik heb alle
+standen van Jeruzalem vertegenwoordigd gezien, al de sekten van Judea,
+al de stammen Israëls, en al de nationaliteiten der aarde. De Libysche
+Jood, de Jood uit Egypte, de Jood van den Rijn; in één woord: de Joden
+van alle oostersche en westersche landen en van alle bekende eilanden
+trokken langs hem heen, te voet, te paard, of op kameelen gezeten, in
+draagstoelen, in wagens, gekleed in alle mogelijke kleederdrachten, maar
+met de zonderlinge overeenkomst in gelaatstrekken, die nog heden ten
+dage de kinderen Israëls kenmerkt, al hebben zij ook veel geleden door
+verandering van levenswijze. Die allen drongen voorwaarts om een armen
+Nazarener te zien sterven, een misdadiger tusschen misdadigers.
+
+Behalve die duizenden Joden, waren er nog duizenden anderen, die de
+Joden haatten en verachtten: Grieken, Romeinen, Arabieren, Syriërs,
+Afrikanen, Egyptenaren, zoodat de geheele wereld bij de kruisiging
+tegenwoordig scheen te zullen zijn.
+
+In weerwil van de ontzettende menschenmassa heerschte een akelige
+stilte, die alleen nu en dan verbroken werd door een hoefslag op den
+steenachtigen bodem, het geratel van wielen, of een uitroep van
+verbazing. Daaruit begreep Ben-Hur, dat het vreemdelingen waren, in de
+stad gekomen om het Paaschfeest te vieren, die dus geen aandeel hadden
+in de veroordeeling des Nazareners.
+
+Eindelijk hoorde hij in de richting der groote torens een verward
+gedruisch van stemmen.
+
+--Hoor, daar komen zij! zeide een der twee Galileesche hoofdlieden.
+
+De voorbijgaanden bleven staan om te luisteren; toen het rumoer echter
+naderkwam, zagen zij elkander aan en gingen huiverend verder. Het woest
+getier nam toe ... daar zag Ben-Hur de bedienden van Simonides naderen.
+Esther ging naast haar vaders draagstoel, een gesloten draagstoel volgde
+hen.
+
+--Vrede zij u, Simonides; en u, Esther, zeide Ben-Hur hun te gemoet
+tredende. Als gij op weg zijt naar Golgotha, blijft dan hier, totdat de
+stoet voorbij is, dan vergezel ik u. Hier achter het huis is plaats
+genoeg.
+
+De koopman hief het hoofd op en zeide: Vraag het Balthasar. Wat hij wil
+is mij goed. Hij zit in den draagstoel.
+
+Ben-Hur schoof het gordijn open. De Egyptenaar lag achterover; zijn
+vermagerd gelaat was zeer vervallen, hij geleek een doode. Ben-Hur
+herhaalde zijn voorstel.
+
+--Kunnen wij hem zien? vraagde Balthasar.
+
+--Den Nazarener? Ja, hij moet hier langs komen.
+
+--O God, riep de oude man bewogen, nog eenmaal moet ik hem zien! Welk
+een vreeselijke dag is dit voor de wereld.
+
+Een oogenblik later stond het geheele gezelschap in de schaduw van het
+huis. Zij spraken weinig, waarschijnlijk waren zij bevreesd elkander
+hunne gedachten mede te deelen. Eindelijk kwam de stoet in 't gezicht.
+
+--Zie, zeide Ben-Hur op bitteren toon, die nu komen zijn Jeruzalemmers.
+
+De voorhoede bestond uit een hoop kwajongens, die luid schreeuwden: De
+koning der Joden! Plaats voor den koning der Joden!
+
+Simonides sloeg den joelenden troep een oogenblik gade en zeide ernstig:
+Als dezen tot hunne erfenis ingaan, dan, wee de schoone stad van Salomo!
+
+Een afdeeling soldaten in volle wapenrusting volgde, in koele
+onverschilligheid rechts noch links ziende.
+
+Toen kwam de Nazarener.
+
+Hij scheen den dood nabij te zijn. Telkens dreigde hij neer te zinken.
+Zijne bloote voeten lieten bloederige sporen achter op de straatsteenen.
+Een houten plankje met opschrift was hem om den hals gebonden. Een
+kroon, van doornen gevlochten, was hem diep op het hoofd gedrukt, en uit
+de daardoor veroorzaakte wonden druppelde bloed. Zijn handen waren
+saamgebonden. Even buiten de stad was hij uitgeput neergevallen,
+bezweken onder den last van het zware kruishout, dat een ter dood
+veroordeelde verplicht was zelf te dragen naar de plaats der
+terechtstelling.
+
+Thans droeg een man uit het volk het voor hem. Vier soldaten gingen
+naast den gevangene, om hem te beveiligen tegen de menigte, die
+niettegenstaande dat toch bij tijd en wijle wist door te breken, om hem
+met stokken te slaan en te bespuwen. Geen geluid ontsnapte aan zijnen
+mond, geen berisping of klacht liet hij hooren; ook zag hij niet op,
+totdat hij bij het huis kwam, waar Ben-Hur en zijne vrienden stonden te
+wachten.
+
+Esther drukte zich tegen haren vader aan, en hij, de man zoo gewoon zich
+te beheerschen, beefde sterk van ontroering. Balthasar viel sprakeloos
+achterover. Zelfs Ben-Hur riep in zielsangst uit: O Heere God!
+
+Alsof de Nazarener hunne gevoelens raadde, of den uitroep hoorde, keerde
+hij zijn lijdend gelaat naar het gezelschap, en zag hen aan, ieder
+afzonderlijk. Die blik bleef hun levenslang bij. Zij gevoelden, dat hij
+aan hen dacht, niet aan zichzelf, dat de brekende oogen hun den zegen
+toebaden, dien hij niet vermocht uit te spreken.
+
+--Waar zijn uwe legioenen, zoon van Hur? vraagde Simonides plotseling
+opwakend.
+
+--Daar kan Annas u beter op antwoorden dan ik.
+
+--Wat! Zijn zij u afgevallen?
+
+--Op deze twee na.
+
+--Dan is alles verloren! Dan moet deze rechtvaardigen mensch sterven.
+
+Het gelaat van Simonides werd zenuwachtig vertrokken, terwijl hij sprak.
+Hij liet het hoofd zinken. Met al zijne kracht had hij Ben-Hur gesteund
+in zijne onderneming, dezelfde hoop had hem daarbij gedragen--nu werd
+haar voorgoed de bodem ingedrukt.
+
+Op den Nazarener volgden twee mannen, die insgelijks een kruis droegen.
+
+--Wie zijn dat? vraagde Ben-Hur aan de Galileërs.
+
+--Twee moordenaars, die veroordeeld zijn om met den Nazarener te sterven.
+
+Vooraan in de volgende afdeeling ging de tempelwacht, dan volgden naar
+rang de leden van het Sanhedrin, voorts een groote menigte priesters in
+lange witte gewaden, met breede kleurrijke gordels.
+
+--Zie eens hoeveel priesters! zeide Ben-Hur.
+
+--Ja! antwoordde Simonides. Nu ik er die allen bij zie, ben ik overtuigd.
+Nu staat onomstootelijk bij mij vast, dat de veroordeelde, die daar
+heengaat met het opschrift om den hals, werkelijk degeen is, waarvoor
+het opschrift hem uitgeeft: De koning der Joden. Een gewoon mensch, een
+bedrieger, een misdadiger, werd nimmer zulk een uitgeleide gegeven. Want
+ziet! hem volgen de volken, Jeruzalem en Israël. Kon ik maar opstaan en
+hem navolgen!
+
+Ben-Hur luisterde in stomme verbazing toe. Alsof Simonides toen eerst
+gewaar werd, dat hij zich tegen zijne gewoonte door zijn gevoel had
+laten meeslepen, zeide hij op ongeduldigen toon: Vraag wat Balthasar er
+van denkt, bid ik u, en laat ons gaan. Daar komt het gepeupel van
+Jeruzalem aan.
+
+Toen sprak Esther: Ik zie daar eenige vrouwen, zij loopen te weenen. Wie
+zijn dat?
+
+Haar vingerwijzing volgend zagen zij vier vrouwen, die bitter bedroefd
+volgden. Eene van haar leunde op den arm van een man met een zacht en
+vriendelijk uiterlijk.
+
+Ben-Hur antwoordde: Die man is de discipel, van wien de Meester het
+meest houdt. De vrouw, die op zijn arm leunt, is Maria, de moeder van
+den Nazarener; de anderen zijn vriendinnen uit Galilea.
+
+Met oogen vol tranen zag Esther de schreiende vrouwen na, totdat zij uit
+het gezicht verdwenen waren.
+
+--Kom, zeide Simonides, laat ons verder gaan.
+
+Ben-Hur hoorde hem niet, hij was te zeer getroffen door de tegenstelling:
+de woeste, bloeddorstige menschenmassa tegenover de zachtmoedigheid van
+den Nazarener, die het land was doorgegaan goeddoende, zieken genezende,
+armen weldoende. Plotseling schoot hem door de ziel hoeveel hijzelf aan
+dien man verplicht was. Hij dacht aan dien morgen, toen hijzelf een
+gevangene was, in de macht van Romeinsche soldaten, en ook, zooals hij
+meende, een zekeren, vreeselijken dood tegemoet ging. De verfrisschende
+dronk water, dien de Nazarener hem gereikt had aan de bron van Nazareth,
+de goddelijke uitdrukking van zijn gelaat, de wonderlijke genezing van
+zijne moeder en Tirza op Palmzondag, dat alles stond hem weer zoo helder
+voor oogen. De gedachte dat hij onmachtig was, om nu op zijne beurt hulp
+te brengen, deed hem pijn. Heftige zelfbeschuldigingen kwelden hem. Hij
+had de Galileërs beter moeten bewaken, hun hunne plichten onder 't oog
+moeten brengen, want nu, ach nu, was het oogenblik van handelen daar!
+Als hij nu zijn slag kon slaan, zou het gepeupel uiteenstuiven, de
+Nazarener de vrijheid herkrijgen, Israël te wapen vliegen en de kamp om
+Israëls vrijheid eindelijk gestreden worden. De kostbare tijd verliep,
+de gunstige gelegenheid ging voorbij, misschien voor altijd! O God van
+Abraham! Kon er dan niets gedaan worden? Niets?
+
+Op dat oogenblik werd zijne aandacht getrokken door een troepje
+Galileërs. Hij baande zich een weg door de menigte en haalde hen in.
+
+--Volgt mij, riep hij. Ik heb u wat te zeggen.
+
+Zij gehoorzaamden en volgden hem naar zijne schuilplaats. Daar sprak hij
+tot hen: Gijlieden behoort tot degenen, die een zwaard van mij hebt
+ontvangen. Gij hebt u bereid verklaard om voor de vrijheid, voor den
+koning, die komen zou, ten strijde te trekken. Gij hebt uwe wapenen bij
+u. Nu is het tijd om ze te gebruiken. Gaat, roept onze broederen bijeen,
+en zegt hun, dat ik u allen op Golgotha wacht, om voor den Nazarener in
+de bres te springen. Haast u! De Nazarener is de koning, en de vrijheid
+sterft met hem.
+
+Zij zagen hem eerbiedig aan, maar verroerden zich niet.
+
+--Verstaat gij mij niet? vraagde hij ongeduldig.
+
+Toen antwoordde een van hen: Zoon van Juda, gij zijt de bedrogene, niet
+wij, die van u de wapenen ontvingen. De Nazarener is de koning niet, en
+heeft ook niet den geest van een koning. Wij waren tegenwoordig bij zijn
+intocht in Jeruzalem, wij zagen hem in den Tempel, hij is ons en Israël
+bitter tegengevallen. Bij de Schoone Poort keerde hij God den rug toe en
+weigerde den troon van David in bezit te nemen. Hij is geen koning en
+Galilea, volgt hem niet. Hij moet sterven. Maar luister, zoon van Juda.
+Wij hebben uwe wapenen en zijn bereid het zwaard te trekken om voor de
+vrijheid te strijden. Laat het zijn voor de vrijheid! Dan scharen wij
+ons op den kruisheuvel allen rondom u.
+
+Ben-Hur stond op een tweesprong. Had hij dit voorstel aangenomen, den
+vrijheidsoorlog begonnen, de wereldgeschiedenis zou misschien anders
+geworden zijn dan zij is; maar dan ook zou zij door menschen, niet door
+God geregeld zijn--iets dat nooit was, en nooit zijn zal. Hij geraakte
+een oogenblik in verwarring; een onverklaarbaar gevoel beving hem,
+hoewel hij het later aan den invloed des Nazareners toeschreef; want
+toen deze uit den doode was opgestaan, begreep hij dat zijn dood noodig
+was geweest, om het geloof aan de opstanding te bevestigen, zonder welk
+geloof de christenheid haar grondslag zou missen. Die oogenblikkelijke
+verwarring maakte hem ongeschikt om tot een besluit te komen. Hij stond
+daar hulpeloos, en kon geen woord uitbrengen. Hij sloeg de handen voor
+zijn gelaat en voelde zijn lichaam schokken door den strijd tusschen
+zijn wil en een hoogere macht.
+
+--Kom, wij wachten op u! riep Simonides ten vierden male.
+
+Als in een droom volgde hij den stoel en de draagbaar. Esther liep naast
+hem. Evenals Balthasar en zijne medereizigers in de woestijn werd thans
+ook hij voortgeleid door een onwederstaanbaren innerlijken drang.
+
+
+ * * * * *
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+HET EINDE.
+
+
+Toen ons gezelschap den kruisheuvel bereikte, ging Ben-Hur hun voor,
+om hun eene plaats te bezorgen. Hoe het hem mogelijk geweest was zich
+een weg te banen door de menigte heeft hij nooit geweten, evenmin
+langs welken weg er kwam, of hoeveel tijd het hem kostte. Als een
+slaapwandelaar, niets hoorende noch opmerkende, was hij voortgegaan.
+In zulk een toestand vermocht bij al even weinig als een kind tot
+verhindering van de vreeselijke misdaad, waarvan hij getuige zou zijn.
+Gods raadsbesluiten zijn dikwijls raadselachtig, zoo ook de middelen,
+die Hij kiest, om zijn doel te bereiken.
+
+Op een gegeven oogenblik maakte Ben-Hur halt. Plotseling werd de ban,
+die hem gevangen hield, verbroken, en kon hij het tooneel rondom zich
+overzien.
+
+De top van den heuvel Golgotha had den vorm van een schedel. Het was er
+dor en stoffig, zonder eenigen plantengroei, met uitzondering van enkele
+armzalige hysopstengels. De voor de kruisiging bestemde plek was afgezet
+door Romeinsche soldaten, die de steeds aangroeiende menschenmassa het
+verder voorwaarts dringen moest beletten. Een hoofdman over honderd
+voerde het bevel over de soldaten. Ben-Hur was tot aan de uiterste grens
+der voor de toeschouwers bestemde ruimte gekomen, en stond met het
+gelaat naar het Noordwesten gekeerd. Waarheen hij den blik ook wendde,
+in het dal of op de omliggende heuvelen, overal menschen en weder
+menschen, duizenden wier harten in gespannen verwachting klopten, niet
+voor de twee moordenaars, wier lot hen onverschillig liet, maar voor
+hetgeen met den Nazarener gebeuren zou. Duizenden harten sloegen
+sneller, hetzij uit haat, uit vrees, of uit nieuwsgierigheid, nu hij,
+die hen allen met goddelijke liefde liefhad, voor hen in den dood zou
+gaan.
+
+Op den heuvel, te midden van de tempelwacht, stond de priesterschaar,
+trotsch en overmoedig. Nog hoogerop den top, zoodat hij voor ieders
+oogen zichtbaar was, stond de Nazarener, lijdende, gebogen, stil. Een
+der soldaten had hem uit spotlust een riet in de hand gegeven, om als
+schepter dienst te doen. Gelach, gejoel, verwenschingen weerklonken van
+alle zijden.
+
+Aller oogen waren op den Nazarener gevestigd. Was het uit medelijden, of
+uit andere oorzaak--in Ben-Hurs gemoed had een ommekeer plaats.
+Duidelijker en steeds duidelijker zag hij dat er iets beters is, dan het
+beste van dit leven--iets zooveel beter, dat het een zwakke met kracht
+kan aangorden, om het hevigste zielelijden, zoowel als de grootste
+lichaamssmarten te verduren; iets dat den dood met blijdschap kan doen
+verwachten. Hij moest ten laatste erkennen, dat de Nazarener gekomen
+was, om allen, die zich willen laten leiden, over de grens van het
+aardsche te voeren in het rijk, dat hem bereid was door God. Het was hem
+eensklaps, als hoorde hij weder de woorden van den Nazarener, toenmaals
+niet begrepen, en bijna vergeten: Ik ben de Opstanding en het Leven.
+
+Telkens en telkens moest hij die woorden herhalen, zij namen vorm aan en
+leven.
+
+--Wie is het Leven en wie is de Opstanding? herhaalde hij, starende op
+den lijdenden Meester, en eensklaps was het Ben-Hur, alsof hij
+antwoordde: Ik!
+
+Terstond daarop daalde een vrede in zijne ziel, zooals hij nog nooit
+gesmaakt had, een vrede, die een einde maakte aan allen twijfel, aan
+alle hinken op twee gedachten, en het begin was van geloof en liefde en
+een vaste overtuiging.
+
+Het geluid van hamerslagen wekte hem uit deze droomerige stemming. Op
+den heuveltop bemerkte hij, wat hem tot nu ontgaan was, eenige
+werklieden, die alles voor de kruisiging gereedmaakten. De kuilen waren
+reeds gegraven, de palen moesten alleen nog ingedreven worden.
+
+Zeg den lieden, dat zij zich haasten, zeide een der priesters tot den
+hoofdman. De veroordeelden moeten voor zonsondergang dood en begraven
+zijn, opdat het land niet onrein worde. Dat eischt de Wet.
+
+Een der soldaten trad op den Nazarener toe en bood hem te drinken, maar
+hij weigerde. Toen kwam een ander bij hem, nam hem het opschrift van den
+hals, en bevestigde dat aan het bovengedeelte van het kruis. Hiermede
+waren de voorbereidingen afgeloopen.
+
+De kruisen zijn gereed, zeide de hoofdman tot den priester.
+
+--Laat de godslasteraar het eerst zijne straf ontvangen, antwoordde hij.
+De Zoon van God moet zichzelven kunnen redden. Wij zullen zien.
+
+De lieden, die de toebereidselen hadden kunnen gadeslaan, en tot op dit
+oogenblik aan hun ongeduld lucht hadden gegeven door onophoudelijk
+schreeuwen, zwegen op eenmaal, zoodat een doodelijke stilte ontstond.
+Het vreeselijk oogenblik was gekomen: de slachtoffers zouden aan het
+kruis genageld worden. Toen de soldaten den Nazarener aangrepen om hem
+te kruisigen voer den toeschouwers eene rilling door de leden; zelfs de
+ruwsten onder hen beefden. Later beweerden sommigen, dat de lucht
+plotseling afgekoeld was en hen deed huiveren.
+
+--Wat is het benauwend stil, fluisterde Esther haar vader toe.
+
+Hij, zich de folteringen herinnerende, die hijzelf ondergaan had, trok
+haar tot zich en zeide diep ontroerd: Zie een anderen kant uit, kind,
+kijk er niet naar. Wie weet of niet allen, die er naar zien, de
+onschuldigen zoowel als de schuldigen, van nu vervloekt zullen zijn.
+
+Zich tot Ben-Hur keerende, zeide hij met toenemende ontroering: Als onze
+God zijne hand niet spoedig uitstrekt is Israël verloren, en zijn wij
+allen verloren.
+
+Ben-Hur antwoordde kalm: Mijn geest is opgetrokken geweest, en heeft
+vernomen waarom dit geschieden moet. De Nazarener wil het, God wil het.
+Laat ons stil zijn en bidden.
+
+Toen vestigde hij opnieuw zijne oogen op den heuvel, en het was hem als
+vernam hij wederom de woorden: Ik ben de Opstanding en het Leven.
+
+Eerbiedig boog hij het hoofd, alsof werkelijk iemand tot hem gesproken
+had.
+
+Intusschen werd daarboven het werk voortgezet. De wacht ontdeed den
+veroordeelde van zijne kleeding, zoodat hij naakt stond voor aller oog.
+Op den rug zag men nog de bloedige sporen der geeselslagen; toch werd
+hij meedoogenloos uitgestrekt op het kruis--eerst de armen op den
+dwarsbalk. De nagelen waren scherp, met een paar slagen waren zij door
+de handpalmen gedreven. De knieën werden opgetrokken, totdat de
+voetzolen tegen den paal rustten, de eene voet werd op den anderen
+gelegd, en een nagel door beide gedreven. Dof klonken de hamerslagen.
+Zij, die 't niet konden hooren, zagen toch den hamer vallen en beefden
+van vrees. Het slachtoffer van deze gruweldaad liet geen kreet, geen
+woord van tegenspraak hooren, niets, waarover een vijand kon spotten, of
+dat een vriend moest bejammeren.
+
+--In welke richting moet hij zien? vraagde een soldaat.
+
+--Met het aangezicht naar den Tempel, antwoordde een der priesters.
+Stervend moet hij zien, dat het heiligdom niet door hem geleden heeft.
+
+De werklieden namen het kruis op en droegen het naar de plaats, waar het
+in den grond gezet moest worden. Op een gegeven oogenblik zetten zij het
+overeind in den daarvoor bestemden kuil. Daar hing dan nu het lichaam
+van den Nazarener in zijn volle zwaarte aan de bloedende handen. Nog
+uitte hij geen kreet van smart--alleen een bede kwam over zijne lippen:
+Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.
+
+Met luid gejuich werd het kruis, thans voor ieder zichtbaar en scherp
+tegen de lucht afgeteekend,begroet, en allen, die het opschrift konden
+lezen, haastten zich het te ontcijferen. Die het gelezen had, deelde het
+aan zijn buurman mede, en zoo ging het van mond tot mond, tot groot
+vermaak der menigte. Van alle kanten hoorde men: Wees gegroet, gij
+koning der Joden!
+
+De priesters echter, die het gewicht van dit opschrift beter begrepen,
+verzochten den hoofdman het te verwijderen, maar tevergeefs; en aldus
+moest de stervende Koning noemen op de stad zijner vaderen, die hem zoo
+schandelijk ondankbaar had uitgeworpen. Dicht bij het kruis stonden
+eenige weenende vrouwen, waaronder zijne moeder met den discipel die hij
+liefhad. Hen ziende, riep hij zijne moeder toe: Vrouw, zie uwen zoon. En
+tot den discipel: Zie uwe moeder.
+
+Nu werden ook de twee moordenaars gekruisigd, een ter rechterzijde en
+een ter linkerzijde van den Koning der Joden. Het volk intusschen spotte
+en riep: Ha, als gij de koning der Joden zijt, verlos dan uzelven, en
+kom af van het kruis!--Ja, zeide een priester, als hij dat doet, zullen
+wij in hem gelooven.--Anderen schudden het hoofd, zeggende: Hij wilde
+den Tempel afbreken en in drie dagen weder opbouwen, maar zichzelven kan
+hij niet verlossen.--En verder anderen: Hij heeft zichzelven den Zoon
+van God genoemd; laat ons zien, of God hem zal redden!--Zoo beschimpte
+en hoonde hem het volk, en ook de oversten en de soldaten bespotten hem
+en riepen: Indien gij de koning der Joden zijt, zoo verlos uzelven!--Zelfs
+een der boosdoeners, die gekruisigd waren, lasterde hem en zeide: Indien
+gij de Christus zijt, verlos uzelven en ons!
+
+De omstanders lachten en juichten hen toe, en toen zij zich stilhielden,
+om te hooren of er antwoord komen zou, zeide de andere moordenaar:
+Vreest gij ook God niet? Wij ontvangen straf naar wat wij gedaan hebben;
+maar deze heeft niets onbehoorlijks gedaan. De toehoorders waren verbaasd,
+maar hunne verbazing zou nog grooter worden; want de moordenaar zeide tot
+den Nazarener: Heer, gedenk mijner, wanneer gij in uw koninkrijk komt.
+
+Simonides ontstelde hevig. Wanneer gij in uw koninkrijk komt!... dat was
+het punt van verschil tusschen Balthasar en hem, waar zij zoo dikwijls
+over gesproken hadden, waar zij het nooit eens over konden worden.
+
+--Hebt gij dat gehoord? vraagde Ben-Hur hem. Het koninkrijk kan dus niet
+van deze wereld zijn. Die man getuigt, dat de koning zoo aanstonds zijn
+koninkrijk zal binnengaan ... dat is hetzelfde wat ik in mijn droom
+hoorde.
+
+--Stil! zeide Simonides, stil, bid ik u! Misschien antwoordt de
+Nazarener daar op.
+
+Het antwoord kwam werkelijk. Met luide, heldere stem zeide de koning:
+Voorwaar, voorwaar zeg ik u, heden zult gij met mij zijn in het
+paradijs!
+
+Simonides luisterde ademloos toe, of er nog wat op volgen zou. Toen
+vouwde hij de handen en zeide: 't is genoeg, o Heer, 't is genoeg! De
+nevel is opgetrokken. Ik zie met andere oogen, met oogen des geloofs,
+zooals Balthasar.
+
+De trouwe dienstknecht had ten laatste zijn loon ontvangen. Werd zijn
+verbrijzeld lichaam ook niet geheeld, werd de herinnering van het
+doorgestane lijden, van de jaren in bitterheid des gemoeds doorgebracht,
+niet van hem genomen--een nieuw licht was voor hem opgegaan, een nieuw
+leven had hij leeren kennen, een leven na dit tijdelijke. Paradijs
+heette het! Daar zou hij het koninkrijk vinden, waarvan hij gedroomd
+had--en den koning. Een volkomen vrede daalde neder in zijn hart.
+
+Onder de priesters echter heerschten verbazing en schrik. Hoe nu? Zij
+hadden den Nazarener aan het kruis doen nagelen, omdat hij zich voor den
+Messias uitgegeven had; en zie, aan het kruis hield hij niet alleen die
+bewering vol, maar beloofde daarenboven nog het Paradijs aan een
+misdadiger!... Huns ondanks verbleekten zij. Vanwaar had deze mensch
+zijn vertrouwen, zoo hij niet in de Waarheid stond? En de Waarheid--was
+dat niet God? Er behoefde niet veel bij te komen om hen allen op de
+vlucht te jagen.
+
+De zon had de middaghoogte bereikt. De tempel, de paleizen, de torens
+groot en klein, straalden in ongeëvenaarden glans. Eensklaps werd de
+lucht verduisterd. In den beginne nauw merkbaar nam de schemering toe en
+trok ieders aandacht. Het lachen en spotten verstomde, men zag elkander
+vragend aan, men hief de oogen op naar den hemel, men zocht de
+zonneschijf, men staarde naar de bergen--overal hetzelfde vreemde
+verschijnsel.
+
+--Het is slechts een mist, of een voorbijtrekkende wolk, zeide
+Simonides, om Esther gerust te stellen. Het zal dadelijk voorbij zijn.
+
+Ben-Hur was van een ander gevoelen. Het is niet een mist of
+voorbijtrekkende wolk, zeide hij. De geesten in de lucht, de profeten en
+heiligen verduisteren de zon, opdat de natuur en zijzelven niet langer
+het akelig schouwspel zouden zien. Ik zeg u, Simonides, zoo waarachtig
+de Heer onze God leeft, hij die daar hangt is de Zoon van God!
+
+Dit gezegd hebbende wendde hij zich tot Balthasar, die op de knieën lag,
+en legde de hand op zijnen schouder. Wijze Egyptenaar, hoor mij! Gij
+alleen hadt gelijk--de Nazarener is waarlijk Gods Zoon.
+
+Balthasar trok hem tot zich en antwoordde met zwakke stem: Ik zag hem
+als een kind in de kribbe liggen, het is dus niet vreemd, dat ik hem
+eerder kende dan gij! maar o! dat ik dezen dag beleven moet! Ach, dat ik
+met mijne broeders gestorven ware! Gelukkige Melchior! Gelukkige Caspar!
+
+--Wees getroost, zeide Ben-Hur. Misschien zijn zij hier ook tegenwoordig!
+
+De tijd verliep, maar er kwam geen verandering in het geheimzinnig
+duister.
+
+--Laat ons naar huis gaan, bad Esther ten tweeden en ten derden male.
+God toont ons zijn ongenoegen, vader. Ik ben bang, en wie weet wat er
+nog verder gebeuren zal.
+
+Maar Simonides wilde niet; integendeel, toen hij bemerkte, dat vele
+menschen heengingen, drong hij er op aan, dat Balthasar en Ben-Hur hem
+tot dichter bij het kruis zouden volgen.
+
+De soldaten, die de wacht hielden, gevoelden zich ook niet op hun gemak.
+Gedurig zagen zij naar dien éénen kruiseling--een bijgeloovige vrees
+beving hen. De priesters en schriftgeleerden stonden dicht opeen
+geschaard. Het vreemde natuurverschijnsel bracht een geduchten stoot toe
+aan hun zelfvertrouwen. Verscheidene van hen waren goed onderwezen in de
+sterrenkunde, en vertrouwd met veel wat de groote massa in die dagen
+schrik aanjoeg. Toen het zonnelicht begon te verflauwen toonden zij zich
+uitermate verbaasd, en overlegden met elkander wat het wezen kon. Niet
+een zonsverduistering, meenden zij, want het was volle maan. En daar
+geen van hen een antwoord had op de vraag die aller hart vervulde, daar
+geen van hen de duisternis op dat uur verklaren kon, verbonden zij haar
+in het diepst hunner ziel met den Nazarener.
+
+Hoe langer het natuurverschijnsel duurde, hoe angstiger zij werden. Geen
+enkele beweging van den Nazarener ontging hun oog; niet dan fluisterend
+durfden zij met elkander spreken. Als hij eens werkelijk de Messias was,
+wat dan?
+
+Bevend wachtten zij op de dingen, die komen zouden.
+
+Ben-Hur bad, dat het einde verhaast mocht worden. Hij merkte dat Esther
+zich aan haren vader vastklemde, haar angst onderdrukkende om hem niet
+te hinderen.
+
+--Wees niet bang, hoorde hij Simonides zeggen. Blijf, en wacht met mij.
+Al wordt gij tweemaal zoo oud als ik, gij zult nimmer iets zien, dat van
+zoo groot gewicht is voor de menschenwereld, en er kunnen nog meer
+openbaringen komen. Laat ons tot het einde blijven.
+
+Twee en een half uur waren verstreken. De ademhaling van den Nazarener
+werd zwaarder; het einde naderde. Zoo kort nog maar aan het kruis, en nu
+reeds stervende? De tijding ging van mond tot mond, toen werd alles
+stil. De wind ging liggen, een verstikkende damp vervulde de lucht, bij
+de duisternis kwam nog die benauwende hitte. Daar hoorde men op eens van
+het kruis de droeve, ach, zoo droeve klacht: Mijn God, mijn God, waarom
+hebt Gij mij verlaten?
+
+De stem schrikte allen op, die haar hoorden. Eén vooral sneed zij door
+de ziel. Bij de soldaten stond een vat, gevuld met wijn en water.
+Gevoelden zij zich uit medelijden opgewekt om een der lijders een
+lafenis te brengen, dan konden zij met een spons de lippen der
+ongelukkigen bevochtigen.
+
+Terwijl Ben-Hur die mogelijkheid overdacht, en zich daarbij herinnerde
+hoe de Nazarener hem bij de bron te Nazareth verkwikt had, riep deze:
+Mij dorst!
+
+Nu bedacht Ben-Hur zich niet langer. Haastig de spons en den daarbij
+behoorenden rietstok grijpende, doopte hij de spons in den wijn en
+snelde naar het kruis.
+
+--Houd op! riepen de omstanders. Houd op!
+
+Zonder op hen te letten liep hij door en bracht de spons aan de lippen
+van zijnen Heer. Nu kon hij duidelijk het gelaat van den stervende zien.
+Door bloed bevlekt blonk het niettemin met een bovenaardschen glans. De
+oogen waren wijd geopend en gevestigd op iets voor hem alleen zichtbaar
+in de verre hemelen. Voldoening, ja triomf, spraken uit het woord, dat
+het slachtoffer nu deed hooren: Het is volbracht!
+
+Zoo sterft een held, na het volbrengen van een groote daad, met een
+juichtoon op de lippen.
+
+Reeds begonnen de oogen te breken; langzaam zonk het gekroonde hoofd op
+de hijgende borst. Ben-Hur dacht, dat de strijd volstreden was, maar de
+scheidende ziel spande zich nog eenmaal in, en de omstanders hoorden
+deze woorden: Vader, in uwe handen beveel ik mijnen geest.
+
+Eene rilling voer den stervende door de leden, een luide smartkreet
+ontsnapte de beknelde borst ... toen was het werk, het aardsche leven,
+afgeloopen.
+
+Ben-Hur keerde tot zijne vrienden terug en zeide eenvoudig: Het is
+gedaan, hij is dood.
+
+In een ongelooflijk korten tijd wisten alle aanwezigen het. Het volk had
+zijn zin, de Nazarener was dood; toch zagen zij elkander ontzet aan.
+Zijn bloed was over hen gekomen! En terwijl zij elkander aanstaarden
+begon de grond te beven. Een ieder greep zijn buurman aan om staande te
+blijven. In een oogwenk was de duisternis verdwenen en kwam de zon weder
+te voorschijn. Voor de oogen der beangsten was het, alsof het middelste
+kruis op den heuveltop zich al hooger en hooger in de blauwe lucht
+verhief en met zijn last tot aan den hemel reikte. En ieder die den
+Nazarener bespot had, ieder, die hem geslagen had, die ingestemd had met
+den kreet: kruis hem! kruis hem!--ieder, die in den stoet had meegeloopen,
+ieder, die hem in zijn hart dood gewenscht had, kreeg een gevoel, alsof
+hijzelf meer dan iemand anders schuld had aan het gebeurde, en hij zich,
+als zijn leven hem lief was, zoo spoedig mogelijk uit de voeten moest
+maken. Zij haastten zich om weg te komen. Zij sloegen op de vlucht, te
+paard, te voet, in wagens. Maar de aardbeving vervolgde hen, alsof zij
+vertoornd was over hetgeen zij gedaan hadden, en opkwam voor de zaak van
+den onschuldig ter dood gebrachte. Zij wierp hen terneer, en deed het
+bloed in hunne aderen stollen door het onheilspellend gekraak en
+gerommel onder hunne voeten. Zij sloegen op hunne borst en schreeuwden
+van vrees. Zijn bloed was op hen gekomen! De geboren Jeruzalemmer, de
+vreemdeling, priester, leek, Sadduceër en Farizeër, allen tuimelden over
+en door elkander. Riepen zij tot God, zoo antwoordde de verwoede aarde
+in toorn en behandelde hen allen gelijkelijk,--het bloed van den
+Nazarener was over hen allen gekomen!
+
+Toen de rust wedergekeerd was op den kruisheuvel, zag men daar alleen
+nog den discipel, dien Jezus liefhad, de vrouwen die Hem gevolgd waren
+van uit Galilea, den hoofdman en zijne soldaten, en Ben-Hur met zijne
+vrienden. Deze laatsten hadden geen tijd om de vluchtelingen na te zien:
+zij hadden zelf genoeg te doen.
+
+--Zet u hier neder, zeide Ben-Hur tot Esther, haar een plaats bereidend
+aan de voeten haars vaders. Bedek uw gelaat en zie niet op, maar vestig
+uw vertrouwen op God en op den rechtvaardige, die zoo schandelijk
+vermoord is.
+
+--Neen, zeide Simonides eerbiedig, laat ons voortaan van hem spreken als
+van den Christus.
+
+--Zoo zij het, antwoordde Ben-Hur.
+
+Plotseling schudde de heuvel onder hen. Het angstgeschreeuw der twee
+moordenaars was vreeselijk om aan te hooren. Ofschoon duizelig van den
+schok had Ben-Hur tijd om naar Balthasar te zien, en zag hem onbewegelijk
+op den grond liggen. Hij ging naar hem toe en riep hem bij name--geen
+antwoord. De goede man was dood!
+
+Toen herinnerde Ben-Hur zich, dat hij een luiden kreet gehoord had,
+alsof hij een terugslag was op het laatste woord van den Nazarener, maar
+hij had er op dat oogenblik niet verder over nagedacht. Thans begreep
+hij het: de geest van den Egyptenaar had des Meesters geest begeleid tot
+over de grenzen van zijn koninkrijk, eene eer hem vergund na het lange
+leven in geloof, liefde en goede werken.
+
+De bedienden van Balthasar hadden hun meester alleen gelaten, en waren
+gevlucht, maar toen alles was afgeloopen droegen de twee Galileërs den
+doode naar de stad terug.
+
+Het was een droevige stoet, die op dien gedenkwaardigen dag de zuidpoort
+van het paleis Hur tegen zonsondergang binnentrok. Ongeveer op hetzelfde
+uur werd het lichaam des Heren afgenomen van het kruis.
+
+Het stoffelijk overschot van Balthasar werd in de zaal nedergelegd. Alle
+bedienden beweenden hem oprecht, want hij bezat de liefde van allen met
+wie hij verkeerd had; maar toen zij zijn gelaat zagen, zoo tevreden en
+gelukkig, droogden zij hunne tranen, zeggende: Het is wèl met hem. Hij
+is nu gelukkiger dan van morgen.
+
+Ben-Hur wilde Iras in eigen persoon den dood haars vaders mededeelen.
+Hij stelde zich hare droefheid voor; zij was nu alleen in de wereld. Dit
+was het oogenblik om haar vergiffenis te schenken en te beklagen. Hij
+herinnerde zich, dat hij verzuimd had te vragen waarom zij zich dien
+morgen niet bij het gezelschap had gevoegd. Hij had zelfs niet aan haar
+gedacht. Daarover beschaamd was hij bereid alles goed te maken, te meer
+nu hij een treurmare had te brengen.
+
+Hij schudde den voorhang van hare deur; de schelletjes rinkelden, maar
+hij ontving geen antwoord. Hij riep haar bij den naam, riep nogmaals,
+maar alles bleef stil. Hij schoof het gordijn ter zijde, en ging naar
+binnen. Zij was er niet. Hij klom haastig naar het platte dak om haar te
+zoeken, ook daar was zij niet. Hij ondervraagde de bedienden, doch geen
+van hen had haar dien dag gezien. Nadat hij het geheele huis doorzocht
+had keerde Ben-Hur terug naar de zaal, nam de plaats naast den doode in,
+waar zij had behooren te zitten, en overdacht de groote barmhartigheid
+van Christus voor zijn trouwen dienstknecht. Bij de poort van het
+Paradijs blijven alle droefheden dezes levens, ook verlatenheid en
+veronachtzaming terug. Zij bestaan niet meer voor hen, die de rust zijn
+ingegaan.
+
+Toen de begrafenis was afgeloopen, op den negenden dag na de reiniging
+zijner moeder en zuster, en de wet vervuld was, bracht Ben-Hur beiden
+thuis, en van dien dag bogen allen in dat huis zich in aanbidding neder
+voor God den Vader en zijn Zoon Jezus Christus.
+
+
+ * * * * *
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+DE KATAKOMBEN.
+
+
+Vijf jaren na de kruisiging zat Esther, de echtgenoote van Ben-Hur, in
+het woonvertrek van de schoone villa bij Misenum, die hij teruggekocht
+had. Het was middag. De warme Italiaansche zon koesterde de rozen en
+wingerden in den tuin. De kamer was naar Romeinsche wijze ingericht,
+doch Esther zelve droeg de kleederen eener Joodsche vrouw. Op een
+leeuwenhuid, in een hoek uitgespreid, zaten twee kindertjes te spelen
+met Tirza.
+
+De tijd had Esther vriendelijk behandeld. Zij was schooner dan ooit en
+straalde van geluk.
+
+Daar trad een bediende binnen en zeide: In het atrium staat eene vrouw,
+die u verlangt te spreken.
+
+--Laat zij binnenkomen. Ik zal haar hier ontvangen.
+
+De vreemde kwam binnen. Esther stond op en wilde haar toespreken, doch
+aarzelde, verschoot van kleur en week achteruit, zeggende: Ik heb u
+vroeger meer gezien. Gij zijt....
+
+--Ik ben Iras, de dochter van Balthasar.
+
+Esther overwon haar tegenzin en bood de bezoekster een zetel aan.
+
+--Neen, zeide Iras koel. Ik blijf maar kort.
+
+De twee vrouwen zagen elkander onderzoekend aan. De arme Iras was zeer
+vervallen. Nog bezat de slanke gestalte haar vroegere gratie, maar haar
+wezen droeg den stempel van een in zonde doorgebracht leven. De
+uitdrukking van haar gelaat was brutaal, de groote oogen somber, de
+wangen kleurloos. Een harde trek lag om haar mond, en een algeheele
+verwaarloozing maakte haar oud voor haar tijd.
+
+--Zijn dat uwe kinderen? met deze vraag verbrak zij het stilzwijgen.
+
+Esther wendde den blik naar hen en glimlachte. Ja, wilt gij ze niet
+zien?
+
+--Ik zou ze maar verschrikken.
+
+Toen kwam zij dichter bij Esther, en daar deze onwillekeurig terugweek,
+zeide zij : Wees niet bang. Ik heb een boodschap voor uw man. Zeg hem,
+dat zijn vijand dood is, dat ikzelf hem gedood heb, om de matelooze
+ellende, die hij over mij gebracht heeft.
+
+--Zijn vijand?
+
+--Ja, Messala. Zeg uw man verder, dat ik voor het nadeel, dat ik hem heb
+willen berokkenen, zoo zwaar gestraft ben, dat zelfs hij mij beklagen
+zou.
+
+De tranen kwamen Esther in de oogen; zij wilde spreken.
+
+--Neen, zeide Iras, ik vraag geen tranen of medelijden. Zeg hem ten
+slotte, dat volgens mijne ondervinding een Romein geen mensch is maar
+een beest. Vaarwel!
+
+Zij keerde zich om en wilde heengaan, Esther volgde haar.
+
+--Blijf nog wat, en wacht totdat mijn man thuis komt. Hij is niet boos
+op u. Hij heeft overal naar u gezocht. Hij zal uw vriend wezen, ik zal
+uwe vriendin zijn. Wij zijn christenen.
+
+Maar de andere wilde niet.
+
+--Neen, zeide zij, wat ik ben werd ik door eigen keus. Het zal niet lang
+meer duren.
+
+--Maar, zeide Esther aarzelend, kunnen wij dan niets voor u doen? Kan ik
+niets....
+
+Het gelaat der Egyptische verzachtte, een flauwe glimlach speelde om
+haren mond. Zij zag naar den grond. Ja, zeide zij, ik zou....
+
+Esther Volgde haar blik, en begrijpende wat in haar omging, zeide zij:
+Doe het maar.
+
+Iras ging tot hen en kuste beiden. Toen ging zij zwijgend naar de deur
+en was verdwenen, voordat Esther haar kon tegenhouden.
+
+Toen Ben-Hur dit bezoek vernam, werd hem zekerheid wat hij reeds lang
+vermoed had, namelijk dat Iras op den dag der kruisiging haar vader
+verlaten had om Messala te volgen. Hij ging terstond op weg en deed
+overal onderzoek naar haar. Tevergeefs. Zij zagen of hoorden nooit meer
+van haar. De blauwe wateren, stralende in den zonneschijn, hebben hunne
+geheimen. Konden zij spreken, misschien zouden zij ons vertellen waar de
+Egyptische gebleven was.
+
+Simonides leefde nog verscheidene jaren. In het tiende jaar van Nero's
+regeering legde hij zijne betrekking als hoofd van het handelshuis te
+Antiochië neer. Tot het laatst was zijn hoofd helder gebleven en zijn
+hart goed, en had bij voorspoed gehad bij al wat hij ondernam.
+
+Op zekeren avond van datzelfde jaar zat hij in zijn rolstoel op het
+welbekende terras te Antiochïe, met zijn kinderen en kleinkinderen. Het
+laatste van zijne schepen lag voor anker, al de anderen waren verkocht.
+In de vervlogen jaren hadden zij slechts eenmaal droefheid gekend, en
+dat was, toen de moeder van Ben-Hur stierf. Hun christelijk geloof had
+hen die smart stil doen dragen en op een blijde hereeniging leeren
+hopen.
+
+Het zooeven besproken schip was den vorigen dag aangekomen, en had
+droevige berichten medegebracht over de vervolging der Christenen door
+Nero te Rome. Het gezelschap zat de zaak te bespreken, toen Malluch, de
+oude getrouwe, boven kwam, en Ben-Hur een pakket brieven overhandigde.
+
+--Wie brengt dat? vraagde hij na het vluchtig ingezien te hebben.
+
+--Een Arabier.
+
+--Waar is hij?
+
+--Hij vertrok onmiddellijk.
+
+--Luister, zeide Ben-Hur tot Simonides, en las het volgende:
+
+ Ik, Ilderim, zoon van Ilderim den Edelmoedige, en Sheik van den
+ stam van Ilderim, aan Juda, den zoon van Hur.
+
+ Weet, o vriend mijn vaders, hoe mijn vader u liefhad. Lees wat ik u
+ hierbij zend, en gij zult het weten. Zijn wil is mijn wil, daarom
+ is datgene wat hij u schonk het uwe. Alles wat de Parthen hem
+ ontnomen hebben in den grooten slag, waarin zij hem overwonnen, heb
+ ik hun weder ontnomen: inliggend geschrift met andere zaken, en de
+ nakomelingschap van Myra, die tijdens zijn leven de moeder was van
+ zoovele sterren.
+
+ Vrede zij u en al de uwen.
+
+ Deze stem uit de woestijn is de stem van ILDERIM, Sheik.
+
+Vervolgens ontrolde Ben-Hur een papyrusrol, geel van ouderdom. Hij las:
+
+ Ilderim, bijgenaamd de Edelmoedige, Sheik van den stam van Ilderim,
+ aan den zoon die mij opvolgt.
+
+ Alles wat ik heb, mijn zoon, zal het uwe zijn ten dage van uwe
+ opvolging, behalve de bezitting bij Antiochië, bekend onder den
+ naam van het Palmbosch. Dat schenk ik aan den zoon van Hur, die ons
+ zooveel roem deed behalen in den circus--aan hem en aan de zijnen
+ voor altijd.
+
+ Eerbiedig deze beschikking van uwen vader.
+
+ ILDERIM, de Edelmoedige, Sheik.
+
+
+
+--Wat zegt gij daarvan? riep Ben-Hur verbaasd.
+
+Esther nam de brieven en las ze nog eens vergenoegd over. Simonides
+bleef zwijgen. Zijne oogen rustten op het schip, hij dacht na. Eindelijk
+zeide hij:
+
+--Zoon van Hur, de God onzer vaderen heeft u zeer gezegend in de laatste
+jaren. Gij hebt veel reden tot dankbaarheid. Wordt het niet eindelijk tijd
+te overleggen wat God wil, dat gij doen zult met zijn goede gaven--uw
+groot fortuin, dat nog steeds toeneemt?
+
+--Al wat ik bezit heb ik bestemd voor den dienst van den gever; niet
+slechts een gedeelte, maar alles. De vraag is alleen nog: Hoe kan ik
+mijn geld het best dienstbaar maken voor zijne zaak? Geef gij mij daarop
+het antwoord.
+
+Simonides antwoordde: Ik weet dat gij hier in Antiochïe veel hebt
+besteed voor de gemeente des Heeren. Heden komt te gelijk met het
+geschenk van onzen ouden vriend het bericht van de vervolging onzer
+broederen in Rome. Dat opent ons een nieuw veld. Het licht moet in de
+hoofdstad niet uitgebluscht worden.
+
+--Zeg mij hoe ik het kan onderhouden.
+
+--Dat zal ik u zeggen. De Romeinen, zelfs deze Nero, houden twee dingen
+heilig--ik weet geen andere daaraan gelijk--dat is: de asch hunner
+dooden, en alle begraafplaatsen. Kunt gij voor den dienst onzes Heeren
+geen tempels bouwen boven den grond, bouw ze dan onder den grond, en
+breng er, om ze voor ontheiliging te bewaren, de lichamen van allen, die
+in het christelijk geloof ontslapen.
+
+Ben-Hur stond haastig op en zeide: Dat is een grootsche gedachte. Ik zal
+er dadelijk mee beginnen. De tijd dringt tot spoed. Het schip dat de
+tijding bracht van het lijden onzer broederen, zal mij naar Rome voeren.
+Ik ga morgen.
+
+Zich tot Malluch wendende zei hij: Zorg dat het schip gereed zij, gij
+zult met mij gaan.
+
+--Dat is goed, zeide Simonides.
+
+--En wat zegt Esther? vraagde Ben-Hur.
+
+Haar antwoord luidde: Zoo zult gij den Heer het best dienen. Laat ik u
+geen beletsel zijn, maar met u gaan en u helpen.
+
+ * * * * *
+
+Mochten mijne lezers ooit het voorrecht smaken van Rome te bezoeken, dat
+zij dan niet verzuimen de Katakomben van S. Calixtus te gaan zien; die
+van ouderen datum zijn dan die van S. Sebastiano, om met eigen oogen te
+aanschouwen wat het vermogen van Ben-Hur heeft gewrocht. Uit dat groote
+graf verspreidde zich het Christendom, om het heidendom in Rome van den
+troon te stooten.
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 16832 ***