diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:49:33 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:49:33 -0700 |
| commit | c81c2d41d90cb2ad2a1ecbb253a320eab6e1afd8 (patch) | |
| tree | 933bf0319cba9dcab34aed99b6ddaa58647eb513 /16725-8.txt | |
Diffstat (limited to '16725-8.txt')
| -rw-r--r-- | 16725-8.txt | 3156 |
1 files changed, 3156 insertions, 0 deletions
diff --git a/16725-8.txt b/16725-8.txt new file mode 100644 index 0000000..e3c90f0 --- /dev/null +++ b/16725-8.txt @@ -0,0 +1,3156 @@ +The Project Gutenberg EBook of Sprookjes van Jean Macé, by Jean Macé + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Sprookjes van Jean Macé + +Author: Jean Macé + +Illustrator: Jan Wiegman + +Translator: Hermanna + +Release Date: September 19, 2005 [EBook #16725] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK SPROOKJES VAN JEAN MACÉ *** + + + + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + + + SPROOKJES + + VAN + + JEAN MACÉ. + + + VERTAALD DOOR HERMANNA. + + GEÏLLUSTREERD DOOR JAN WIEGMAN. + + + + + + + + + +I. + +DE KLEINE DEUGNIET. + + +Er was eens een kleine jongen, die zoo stout was, dat ieder er schande +over sprak. Hij sloeg de kindermeid, gooide moedwillig glazen en borden +stuk, stak zijn tong tegen zijn vader uit en durfde zijn arme moeder, +die hem, ondanks al zijn gebreken, hartelijk liefhad, boos van zich +af te duwen, als zij hem, midden in een driftbui, in haar armen wilde +nemen, om hem tot bedaren te brengen. + +Behalve zijn ouders, noemde niemand hem meer bij zijn eigenlijken +naam; men zei eenvoudig _Deugniet_ tegen hem, of wel _Verniel-al,_ +maar dat was zoo'n mondvol om uit te spreken. Als de kleine jongen +maar een spikkeltje eergevoel had gehad, zou hij er zich stellig erg +over hebben geschaamd, want zóó heette de hond bij hem thuis ook, +een echte woesteling, die alles kapot maakte. + +Deugniet schaamde zich echter nooit. + +Je denkt nu misschien, dat hij ook een nare jongen was om te zien. + +Integendeel, hij had wàt een aardig gezichtje en mooi, blond krulhaar, +waar zijn moeder niet weinig trotsch op was. Als hij in een goede bui +was--zoo'n bevlieging duurde helaas maar kort--kon hij er wezenlijk +uitzien om te stelen. + +Je kunt begrijpen hoeveel verdriet zijn ouders er van hadden, dat +hun jongetje in werkelijkheid zoo heel anders was, dan je, op zijn +uiterlijk afgaande, zoudt meenen. Niet alleen al de buren, neen, de +geheele stad sprak er over, hoe 'n groot leed het voor zulke brave, +algemeen geächte menschen moest wezen, zoo'n verschrikkelijk stout +kind te hebben. + +Iedereen wist er uit eigen ondervinding over mee te praten. De een +vertelde, dat Deugniet hem met een steen had gegooid, toen hij op +zekeren dag voor zijn deur een luchtje stond te scheppen,--de ander, +dat de bengel, na die hevige regenbui van laatst, met opzet in een +grooten plas had staan dansen, om de voorbijgangers met modder +te bespatten;--de melkvrouw zei tegen ieder, die 't hooren wou, +dat ze er voortaan wel voor zou oppassen, hem in de buurt van haar +blankgeschuurde emmers te laten komen--verbeeld je, onlangs had hij +er uit baldadigheid nog handenvol fijn zand ingegooid---en eindelijk +dreigde de politieagent, die zijn standplaats op den hoek der straat +had, zelfs, hem mee naar 't bureau te zullen nemen, als hij 't niet +wou laten, de kleine meisjes te knijpen, die, op weg naar school, +langs zijn huis moesten. + +Om kort te gaan, er werd zooveel over zijn ondeugendheid gesproken, dat +het ook een oude fee ter oore kwam, die zich, na jarenlang omzwerven, +op een stil plekje, niet ver van deze stad, had teruggetrokken. + +Fee Goed-Hart, zoo heette zij, was zóó goed, dat je je er eenvoudig +geen voorstelling van kunt maken, maar juist door haar buitengewone +goedheid, kon zij ook geen kwaad in haar omgeving dulden. Iets slechts +te _zien,_ maakte haar ziek en er zelfs maar over te _hooren praten,_ +benam haar wel een weeklang den eetlust. In den loop der jaren had +zij, in haar hoedanigheid van fee, reeds heel wat groote en kleine +kwaaddoeners gestraft, en hoewel zij nu eigenlijk van haar arbeid +rustte, besloot zij zich toch, terwille van Deugniet, nog eens op te +maken, om hem een les te geven, die tot zijn verbetering zou kunnen +strekken. Zij liet zijn ouders dus weten, dat zij hen op dien en dien +dag zou komen bezoeken. + +Fee Goed-Hart had een groote vermaardheid in 't gansche land. Ieder +rekende het zich tot een eer en vond 't een zeldzame onderscheiding, +haar in zijn huis te mogen ontvangen, want zij was niet kwistig met +haar bezoeken en leefde zoo stil en teruggetrokken, dat 't zelfs al +een bijzonderheid mocht heeten, als zij zich eens in de stad vertoonde. + +Deugniets ouders waren dan ook zeer ingenomen met het vooruitzicht +fee Goed-Hart bij zich te zullen zien en spaarden moeite noch kosten, +om de hooggeeerde gast waardig te ontvangen. + +Op den vroegen morgen van den gewichtigen dag ging de keukenmeid naar +de markt en deed daar een ruimen inslag van 't beste en 't fijnste, dat +er maar te koop was. Toen zij eindelijk weer thuis kwam, kon zij haar +groote boodschappenmand haast niet meer torsen, zoo'n massa was er in. + +Nu kwam 't heele huishouden in rep en roer. Het mooiste servies, +het fijnste kristal, werd voor den dag gehaald. Ook de ouderwetsche, +zilveren schotels, die anders veilig in groote kasten opgeborgen waren, +zouden bij deze bijzondere gelegenheid dienst moeten doen. + +Wat hadden allen 't druk! Het personeel was onvermoeid in de weer en +had de handen vol werk. Hier kwam er een met manden vol flesschen uit +den kelder; daar zag je een ander met uitgezochte vruchten beladen de +dessertkamer binnengaan. In de keuken was 't een heen-en-weer-gevlieg +en gedraaf, dat 't hoofd er je van om zou loopen--er was zooveel, +waaraan nog gedacht, waarvoor nog gezorgd moest worden. Maar niemand +klaagde over deze buitengewone drukte. Fee Goed-Hart was zóó bemind, +dat de menschen voor haar door 't vuur zouden zijn gegaan. + +"Wat zullen we vandaag met den jongen beginnen?" vroeg Deugniets vader +aan zijn vrouw. "Je weet, hoe onhebbelijk hij zich altijd in gezelschap +gedraagt. 't Kind zal ons voor de heele stad te schande maken, als +hij zich, ook in 't bijzijn der fee, niet verkiest in te binden. Zoo +iets wordt dan natuurlijk overal bekend, met dàt gevolg, dat wij ons, +als ouders van dien bengel, nergens meer zullen kunnen vertoonen." + +"Maak je niet bezorgd," sprak de goede moeder; "laat 't ventje maar +eens aan mij over. Om te beginnen zal ik er voor zorgen, dat hij er +keurig uitziet, 'k Zal zijn blonde krullen, die hem zoo goed staan, +met mijn gouden kam netjes in orde brengen, dan trek ik hem zijn mooie, +nieuwe pakje en zijn schoenen met gespen aan, en voorts zal ik hem zóó +op 't hart drukken toch vooral lief en gehoorzaam te zijn, dat je je +over zijn gedrag heel niet meer ongerust zult behoeven te maken. Je +zult zien, dat wij zelfs nog eer met hem zullen inleggen." + +Deugniets lieve moeder geloofde zoo graag het goede van haar kind. Ook +gunde zij hem zoo echt, straks mee aan te zitten aan den kostelijken +disch. Wat haarzelf betrof, zonder 't bijzijn van haar kleinen jongen +zou deze feestdag voor haar al 't feestelijke verloren hebben. + +Doch toen zij hem riep, omdat het tijd werd met 't opknappen te +beginnen, bleek 't, dat hij nergens te vinden was. De stoute jongen +had over fee Goed-Hart hooren spreken, en wist nu van angst niet waar +hij zich bergen zou. Waarom hij eigenlijk zoo bang voor haar was, +zou hij zelf niet hebben kunnen zeggen. + +Het kwaad brengt zijn eigen straf met zich mee. Daarom hebben zij, +die verkeerd doen, altijd een grooten, door niets anders te verklaren +angst voor alles, wat goed is. + +Toen Deugniet hoorde, dat hij geroepen werd, veranderde hij weer van +schuilplaats; zijn geweten liet hem geen rust, zie je! + +Allen waren nu in de weer om hem te zoeken. De tijd drong. Verbeeld +je eens, dat de fee kwam, voordat zijn moeder nog met hem klaar was! + +Eindelijk werd hij in het kamertje naast de keuken gevonden, +dat gebruikt werd om 't een en ander uit de hand te zetten. Maar +hoe? Dàt was het 'm juist! De stoute jongen zat met zijn vingers in +de vanille-vla, die er stond af te koelen! + +De keukenmeid slaakte luide jammerkreten, toen ze haar vla terugzag, +die heerlijke vla, waaraan zij zooveel zorg had besteed. Totaal +bedorven was ze. Er kon geen sprake van zijn _die_ nog op de tafel +te zetten en tijd om nieuwe te maken was er ook niet---och, och, +wat een ramp! + +Maar hoe ze ook klaagde en jammerde en tegen Deugniet uitvoer, er was +niets aan te doen, zij zou zich in 't onvermijdelijke moeten schikken +en vla zou vandaag van 't menu geschrapt moeten worden. + +Nog was zij niet tot bedaren gekomen, toen er een ongewoon tumult +op straat ontstond. Men hoorde paardengetrappel, hoera-geroep. In +vliegenden galop kwam fee Goed-Hart aanrijden. Allen spoedden zich +naar de voordeur. + +Deugniet werd voor 't oogenblik vergeten. Hij wist toen niets beters +te doen, dan zich weer zoo gauw mogelijk uit de voeten te maken en +holde naar den zolder, waar hij zich achter 't brandhout, dat hier +voor den winter opgestapeld lag, verstopte. + +Zijn arme moeder vond 't vreeselijk naar, hem op een dag als dezen +niet bij zich te hebben, maar 't was nu niet de tijd hierbij stil +te staan. Moedig drong zij haar tranen terug en trad zoo opgewekt +mogelijk naar voren, om de goede fee, die juist uit haar koets stapte, +te verwelkomen. + +Onder tallooze eerbetooningen werd zij naar de eetzaal geleid, waar +de overige gasten reeds aanwezig waren. + +Weldra nam 't gezelschap aan de groote, feestelijk gedekte tafel +plaats. + +Tegen 't einde van den maaltijd liet fee Goed-Hart haar blik door de +zaal gaan. + +"Waar is uw kleine jongen?" vroeg zij aan Deugniets moeder, die deze +vraag al onder vreezen en beven verwacht had. + +"Och mevrouw," gaf zij ten antwoord, "we hebben 't den heelen morgen +zoo volhandig gehad, dat er geen tijd is overgeschoten om hem netjes +aan te kleeden en in zijn huispakje durfde ik hem toch niet in uw +tegenwoordigheid te brengen." + +"Gij verheelt de waarheid," sprak de fee op strengen toon, "en daar +hebt gij ongelijk aan. Men bewijst kinderen een slechten dienst door te +trachten hun fouten te verbloemen. Stuur iemand om hem hier te halen, +zooals hij is; ik wensch hem op staanden voet te zien." + +De bedienden, die uitgezonden werden om Deugniet op te sporen, keerden +echter na eenigen tijd terug met de boodschap, dat hij nergens te +vinden was. + +Deugniets vader haalde zijn schouders op, maar zijn moeder kon 't niet +helpen, dat zij er eigenlijk, in haar hart, blij om was. Deugniet +stond niets goeds te wachten--dat begreep zij maar al te best. Fee +Goed-Hart liet niet met zich spotten, als er stoutheid in 't spel was; +stellig zou zij een strenge berisping, ja, mogelijk wel een flinke +straf voor hem klaar hebben. + +Maar de oude fee was niet van plan de zaak hiermee als afgedaan te +beschouwen. Zij had zich nu eenmaal de moeite getroost, terwille van +Deugniet, naar de stad te komen en wilde haar werk nu ook niet ten +halve doen. Eén wenk aan haar gunsteling, een dwerg, die gedurende +den maaltijd achter haar stoel had gestaan, was voldoende, om hem de +zaal uit te doen snellen. + +Deze dwerg--Grauwbaard werd hij genoemd naar zijn langen, grijzen +baard--bezat reuzenkrachten. Hij had zich meer in de breedte, dan in +de lengte ontwikkeld en zijn geweldig lange, knoestige armen zagen +er uit, als in elkaar gestrengelde, oude wingerdranken. + +'t Eigenaardigste aan hem was echter, dat hij ondeugende, kleine +jongens kon ruiken. Zooals een jachthond het spoor van een haas volgt, +zoo kon hij, op den reuk afgaande, in een ommezien zoo'n stouten, +kleinen bengel opsporen. + +Allereerst liep hij naar de keuken, vandaar ging hij naar boven, +de trap op naar de eerste verdieping, naar de tweede verdieping, nog +hooger en hooger, totdat hij op den zolder kwam en recht toe, recht +aan, op den houtstapel af schoot, waar je 't gescheurde broekje van +den vluchteling al tusschen de takkenbossen door zag schemeren. Zonder +een woord te zeggen, tilde hij hem met één hand aan zijn ceintuur op +en droeg hem zoo, met uitgestrekten arm naar de eetzaal, waar zijn +komst een hartelijk gelach veroorzaakte. Geen wonder! De arme Deugniet +zag er nu allesbehalve op zijn voordeeligst uit. Zijn verkreukelde +blouse was aan den eenen kant zwart van 't kolenhok, waar hij zich +vanochtend ook al verstopt had, en aan den anderen kant wit van 't +stukadoorsel der verschillende muren, waarmee hij in aanraking was +gekomen. In zijn verwarde krullen hingen takjes en droge blaadjes +van de takkenbossen, zonder nog te spreken van een groot spinneweb, +waar Grauwbaard hem doorheen had gesleept en dat nu aan flarden achter +hem aan wapperde. Zijn gezicht was vuurrood van boosheid en zat, van +'t puntje van zijn neus tot onder aan zijn kin, vol vla. Hij wrong +zich in allerlei bochten en spartelde geducht, om los te komen, +maar tevergeefs; de dwerg hield hem stevig vast. + +'t Was een potsierlijk schouwspel! + +Drie personen van 't gezelschap hadden echter hun ernst bewaard: in +de eerste plaats Deugniets vader, wiens gelaat groote ontevredenheid +uitdrukte, zijn moeder, wier oogen zich met tranen hadden gevuld, +en de oude fee, die den stouten jongen een dreigenden blik toewierp. + +"Waar kom jij vandaan, jongeheer en waarom heb ik je niet eerder hier +gezien?" zoo sprak zij hem aan. + +Deugniet antwoordde niet, maar vloog, zoo gauw de dwerg hem op den +grond zette, naar zijn moeder, om zijn gezicht, stampvoetend, in den +schoot van haar japon te verbergen. + +"Dat kind doet graag zijn eigen zin," zei de fee. "Welaan, ik zal hem +bij mijn vertrek een gave schenken, waarmee hij wel zeer ingenomen +zal wezen: + +_Ik ontsla hem voor immer, van wat hem zal mishagen._ + +Vaarwel, mevrouw," zoo vervolgde zij, zich tot Deugniets moeder +wendend, wier blanke hand onwillekeurig den ragebol van den kleinen +bengel streelde. "Vaarwel, mevrouw, ik beklaag u, dat ge zoo'n +kind hebt.--Ik zou u raden, hem nu allereerst maar eens een ferme +schoonmaakbeurt te geven; hij ziet er uit, om met geen tang aan +te raken." + +Vol majesteit verhief zij zich van haar zetel en begaf zich weer naar +haar koets, gevolgd door den trouwen Grauwbaard, die den sleep van +haar gewaad droeg. + +Haar gastheer en gastvrouw bleven als verslagen in de feestzaal achter +en ook den overigen aanwezigen, die nu geen lust meer tot lachen +hadden, was het onbehagelijk te moede. Zij dropen zoo stil mogelijk, +één voor één, af en verlieten het huis, van welks vernedering zij +getuige waren geweest. 't Was te voorzien, dat zij niet zouden nalaten +straks aan de heele stad verslag van 't gebeurde te geven. + +Nu, het kon ook waarlijk geen kleinigheid heeten, dat fee Goed-Hart, +wier bezoek ieder zich tot zoo'n hooge eer rekende, ontevreden van +hier vertrokken was, niettegenstaande men alles in 't werk gesteld had, +om haar een schitterende ontvangst te bereiden! + +Deugniets vader zette zijn hoed op en liep wrevelig de deur uit, +met de woorden: "die bengel heeft ons voor allen tot schande gemaakt." + +Zijn moeder schreide zonder iets te zeggen en streelde nog altijd +werktuigelijk de verwarde krullen van den kleinen rustverstoorder, +terwijl ze over de eigenaardige gave nadacht, die de fee hem tot +afscheid geschonken had. + +Eindelijk stond zij op en nam Deugniet bij de hand. + +"Kom, mijn kind," sprak ze, "we zullen doen wat de fee heeft gezegd." + +Zij nam hem mee naar de slaapkamer en maakte aanstalten zijn gezicht +en zijn handen eens heerlijk met een groote, in helder, frisch water +gedoopte spons te wasschen. + +Deugniet, die nog onder den invloed verkeerde van wat er zooeven +was voorgevallen, liet haar eerst zonder tegenstribbelen begaan, +maar zoo gauw voelde hij 't koude water niet in neus en ooren komen, +of hij werd weerspannig en ontsnapte onder luid geschreeuw naar +'t andere eind van de kamer. + +"Neen, neen," riep hij uit alle macht; "het water is veel te koud en +te nat. Ik wil niet natgemaakt worden!" + +Zijn moeder had hem echter gauw weer opgevangen en ging, ondanks zijn +stampvoeten en gillen, weer met de groote spons over zijn gezicht. + +De noodlottige gave der fee trad evenwel reeds in werking. Het water +gehoorzaamde aan Deugniets bevel; ten einde het natmaken van zijn +gezicht te vermijden, golfde het ter rechter- en ter linkerzijde de +waschkom uit en wist de spons zoo goed te ontwijken, dat zij er geen +druppeltje van in zich kon opnemen en telkens weer kurkdroog uit de +kom te voorschijn kwam. + +Er was niets aan te doen. De kamer dreef van 't water, maar het +halfgewasschen gezicht van den kleinen jongen had er geen spatje van +mee gekregen, sedert hij zich zoo onvoorzichtig had uitgelaten. + +Deugniets arme moeder sloeg haar doornatte japon uit en wierp zich, +den strijd met 't onwillige water moede, mistroostig op een stoel. + +"Kom," zoo sprak zij na een poosje tot zichzelf, "laat ik hem tenminste +maar kammen, dan zal hij er toch niet meer zoo slordig uitzien." + +Zij nam 't kind op haar schoot en begon zijn krullen met haar mooien, +gouden kam te bewerken. Weldra stiet deze echter op een der droge +takjes, waar zich eenige fijne haartjes om verwikkeld hadden. Hoe +voorzichtig de goede moeder ze ook uit de war probeerde te halen, +Deugniet schreeuwde huizenhoog en wilde zich niet geduldig laten +helpen. + +"O, o, u doet me pijn!" riep hij uit; "ik wil niet meer gekamd worden!" + +Dadelijk bogen de tanden van den kam zich naar achteren en weigerden +verder door de blonde krullen te gaan. + +Deugniets moeder schrikte geducht. Gauw haalde ze een anderen kam, +maar deze deed helaas 't zelfde. + +Het dienstpersoneel kwam op haar wanhoopskreten aanloopen; ieder van +hen bracht zijn eigen kapgerei mee, maar tevergeefs, geen enkele kam +werd bereid gevonden Deugniets krullen uit de war te halen. Eindelijk +kwam de roskam van 't paard er zelfs bij te pas. Helaas, nauwelijks +had ook deze 't blonde haar aangeraakt, of hij legde zijn ijzeren +tanden plat en ging over Deugniets hoofd, zonder een enkel haartje +van zijn plaats te brengen. + +Deugniet zette groote oogen op en begon berouw te krijgen over +zijn ondoordachte woorden. Om je de waarheid te zeggen, was de +kleine bengel nogal ijdel en vond 't een allesbehalve plezierig +vooruitzicht, voortaan ongewasschen en ongekamd te moeten blijven +rondloopen. Hij begon dus uit alle macht te schreien, 't gewone +redmiddel van ondeugende, kleine jongens, die niet meer weten wat +zij zullen zeggen of doen. + +"Moeder moet me wasschen en kammen," riep hij snikkend uit, maar +nu was het daarvoor te laat. Wèl had de fee hem ontslagen van alles +wat hij vervelend vond, maar dit sloot niet in, dat nu ook al zijn +wenschen ingewilligd zouden worden. + +Om hem te troosten, wou zijn moeder hem zijn mooie, nieuwe pakje en +zijn schoenen met gespen aantrekken. Er was echter op dit oogenblik +geen land met hem te bezeilen. Buiten zichzelf van drift en boosheid, +gooide hij 't een, zoowel als 't ander, zoover mogelijk van zich af. + +"Ik wil mijn mooie, nieuwe pakje niet hebben," riep hij uit, "en +'k wil ook mijn schoenen met gespen niet aandoen. Ik wil een spons, +waar 't water uitdruipt en een kam, die door mijn haar gaat."-- + +Maar daar er geen spons te vinden was, die nat wou worden, noch een +kam, die door zijn krullen wou gaan, begon hij, na een tijdje misbaar +te hebben gemaakt, toch terug te krabbelen en vroeg uit zichzelf om +zijn mooie pakje en zijn schoenen met gespen. + +Weer wat nieuws! Het pakje en de schoenen hadden zijn woorden gehoord +en weigerden nu op hun beurt te komen, waar men niet op hen gesteld +was geweest. Het pakje vloog gewoon weg, toen hij 't wou grijpen; +hoe verder Deugniet de armen uitstrekte, des te hooger ging het en +eindelijk bleef het aan de zoldering hangen, vanwaar 't spotachtig +op hem scheen neer te zien. De schoenen deden al even mal op hun +manier. De eene werd plotseling zoo klein, dat zelfs een kat er zijn +pootje niet in zou hebben kunnen krijgen en de andere werd zoo groot, +dat Deugniet er wel twee voeten tegelijk in kon steken. + +Zijn moeder stuurde eerst het personeel weg, dat verbluft over 't +geen hier vandaag te zien was, als vastgeworteld in de kamer was +blijven staan; zij vond het al te naar voor haar kleinen jongen zoo +aangegaapt te worden in zijn vernedering. + +Toen zij alleen waren, trok zij hem aan haar borst. + +"Wat zal er nog van ons moeten worden, kind," zoo riep zij uit, +"als je je niet vast wilt voornemen, in 't vervolg dadelijk en zonder +tegen te stribbelen te gehoorzamen! Dit heeft de goede fee je willen +leeren, door de rampzalige gave, die zij je bij haar vertrek heeft +geschonken. Mijn jongen, luister goed en onthoud het voor je leven: +_als men kinderen iets gelast, dient het tot hun bestwil; geen grooter +ongeluk zou hun kunnen overkomen, dan zelf de vrije beschikking over +'t al of niet gehoorzamen te verkrijgen._ + +De fee heeft jou die vrije beschikking geschonken en nu bemerk je reeds +wat er de treurige gevolgen van zijn. Waak toch in 's Hemels naam over +jezelf, als je mij niet van verdriet wilt laten sterven, want ik voel, +dat 't mij onmogelijk zal zijn je ongelukkig te zien. En toch zal je +dit weldra worden, kind, ongelukkig, diep rampzalig, als je er mee +voortgaat jouw wil tegen dien van vader of moeder in te laten gaan." + +Deugniet was zoo dom niet, of hij begreep heel goed hoe waar deze +woorden waren. Ook hield hij veel van zijn moeder--welk kind, hoe +ondeugend ook, zou _dit_ kunnen laten?--Haar diepe smart en teedere +liefde deden zijn steenen hartje eindelijk smelten. Hij sloeg zijn +armen om haar hals, drukte zijn vuil snoetje tegen haar reine, blanke +wangen en veegde zoo de twee groote tranen weg, die stil naar beneden +gleden. Zij alleen hadden de macht de betoovering te verbreken, die +in werking was getreden, na zijn verklaring, niet meer nat gemaakt +te willen worden.-- + +Zoo waren moeder en zoon dus weer verzoend. Samen gingen ze nu naar +de huiskamer, waar op een aardig tafeltje van gepolijst notenhout de +boeken en schriften van den kleinen jongen gereed lagen. + +"Wees nu eens ijverig," sprak zijn moeder, terwijl zij hem op +'t voorhoofd kuste, "en leer als een lieve jongen het lesje, dat +je vanavond voor vader moet opzeggen. Wanneer de goede fee hoort, +dat je je best hebt gedaan, wordt zij misschien zachter jegens je +gestemd en zal ze er mogelijk toe te bewegen zijn, die noodlottige +gave weer terug te nemen." + +Als Deugniet het voor 't kiezen had gehad, zou hij den tuin in zijn +gevlogen. Nu hij echter pas, slag op slag, zulke harde lessen had +gehad, durfde hij niet tegen te spartelen en ging dus gehoorzaam aan +de tafel zitten. Met moed begon hij te leeren, maar ongelukkigerwijze +stiet hij al in den vierden regel op zoo'n moeielijk, lang woord, +dat de oude tegenzin plotseling weer de overhand kreeg. Dat lastige +woord bracht alles in de war. 't Was als een groote steen midden op +je pad, die je den doorgang verspert. Na vruchteloos getracht te +hebben er overheen te komen, gooide de ongeduldige, kleine jongen +'t boek spijtig op den grond. + +"Ik heb een hekel aan leeren; 'k wil van geen enkel boek meer iets +weten," riep hij driftig uit. + +"Wat is dàt nu?" vroeg zijn moeder en zag hem aan met een blik, +die hem aanstonds tot zichzelf bracht. "Is dàt wat je mij zooeven +beloofd hebt?" + +"Neen moeder," antwoordde hij beschaamd; "och, wees maar niet +boos!" Meteen raapte hij het boek op en wou weer aan zijn lesje +beginnen, maar, stel je voor, met geen mogelijkheid kon hij het open +krijgen. Zijn hevig ontstelde moeder spande eveneens al haar krachten +in----tevergeefs. + +Nu riep zij den koetsier en den huisknecht, beiden sterke mannen; ze +hielden 't boek ieder aan een kant van den band vast en trokken er uit +alle macht aan. Verloren moeite! Het wist van wikken noch verwegen. De +smid kwam er zelfs met beitel en hamer en de schrijnwerker met zijn +verschillende werktuigen aan te pas. Zij braken er hun gereedschappen +op stuk, maar 't boek bleef dicht. + +"Ik zal een ander nemen," zei Deugniet en stak zijn hand naar een +vertelselboek uit, dat hij heel mooi vond. Dit zat echter zoo stevig +aan de tafel vastgekleefd, dat er geen denken aan was het los te +krijgen. Een derde verdween, wanneer de kleine jongen 't wou grijpen +en verscheen zoo brutaal mogelijk weer, zoo gauw hij zijn hand had +teruggetrokken. Om kort te gaan, Deugniet had van geen enkel boek +meer iets willen weten,--nu wilden de boeken ook niets meer van +Deugniet weten. + +"Och, ongelukkig kind, wat heb je gedaan!" riep zijn moeder onder +tranen uit. "Nu bestaan er voortaan geen boeken voor je. Hoe zal je +dan nog iets kunnen leeren? Je zult je levenlang dom moeten blijven!" + +Haar tranen vloeiden zoo rijkelijk op het weerspannige boek, den +bewerker van al dit onheil, neer, dat 't geheel werd doorweekt en zich +zelfs onder den invloed van dezen veelvermogenden regen al begon te +openen. Maar nog bijtijds herinnerde het zich, wat 't aan zijn eer +verschuldigd was, schudde de tranen van zich af en sloot zich weer +met een knappend, droog geluid. + +Deugniet vond 't wel jammer, dat 't boek, waar die mooie verhalen in +stonden, voortaan voor hem gesloten zou blijven--de andere boeken +konden hem minder schelen; hij was nog niet verstandig genoeg om +er 't nut van in te zien--maar weet je wat hem 't ergst van alles +hinderde?--Dat zijn moeder zoo bedroefd was! + +Daardoor werd hij ook verdrietig en schreide met haar mee, terwijl +hij haar beloofde nooit meer ongehoorzaam te zullen zijn. + +Ondertusschen was zijn vader thuisgekomen, 't Werd tijd voor 't +avondeten. Van 's middags af had hij met groote stappen buiten de +stad gewandeld, ieder bekend gezicht vermijdend, omdat hij niet over +'t bezoek der fee, waarvan men natuurlijk reeds overal op de hoogte +zou zijn, aangesproken wou worden. + +Hij was moe van de lange wandeling en ontstemd door de herinnering +aan het tooneel van dien middag. Geen wonder, dat hij den kwâjongen, +die dit op zijn geweten had, niet al te vriendelijk gezind was. Maar +toen hij hem zóó aan tafel zag verschijnen, ontredderd, slordig en +vuil als hij was met zijn gescheurde kleeren, verwarde krullen en +nog grootendeels met vla besmeerd gezicht, steeg zijn toorn ten top. + +"Wat beteekent dat?" zoo wendde hij zich op barschen toon tot zijn +vrouw. "Zijn wij nog niet genoeg aan de kaak gesteld? Moeten we +nog dieper vernederd worden, dat je het klaarblijkelijk aan vreemde +menschen wilt overlaten dien kleinen schelm te komen wasschen?" + +Deugniets moeder hoorde dit onverdiende verwijt geduldig aan. Zij +durfde hem niet te vertellen, hoe de vork in den steel zat, bevreesd +als zij was, dat zijn toorn zich dan op 't kind zou ontladen. Hoe graag +wilde zij zelf onrecht lijden, wanneer zij er den kleinen jongen maar +straf door zou kunnen besparen! + +En hieraan had zij nog eens weer ongelijk, want nu kwam 't kind, +dat haar onrechtvaardig bejegend zag, in opstand tegen zijn goeden +vader, wiens ontevredenheid immers onder deze omstandigheden zoo +vanzelfsprekend was. Hoe toch kon hij zuiver oordeelen, zoo lang +hem de ware toedracht der zaak niet opgehelderd was?--Had Deugniet +maar bedacht, dat zijn eigen stoutheid de oorzaak van alles was en +hij zijn liefde voor zijn moeder niet beter zou kunnen bewijzen, dan +door eerlijk op te biechten, hoe alles zich had toegedragen! Nu deze +opstandige geest echter eenmaal, met een schijn van recht, in hem was +gevaren, verzette hij zich uit alle macht tegen zijn vader, zoodat hij, +brutaal-kortaf, 't bord soep afwees, dat deze voor hem had opgeschept. + +"Neen," riep Deugniet, "'k wil geen soep." + +Je moet weten, dat hij juist niet veel van deze soep hield; des te +gemakkelijker kon hij er dus voor bedanken. + +Nauwelijks had hij echter weer dat noodlottige "'k wil niet" gezegd, +of de soep vloog van 't bord en viel met zoo'n plons in de terrine +terug, dat ieder vol spatten kwam. + +'t Vest van Deugniets vader werd 't ergst bespat. Deze dacht, dat +de jongen hem de soep in 't gezicht had willen gooien--van zoo'n +stout kind kon men immers alles verwachten--en stond driftig op, +om hem een flinke kastijding te geven. + +Zijn vrouw hield hem echter nog bijtijds tegen. + +"Straf hem niet!" riep zij uit. "'t Arme ventje kan het niet +helpen. Hij is er toch al ongelukkig genoeg aan toe. Nu zal hij ook +nooit meer soep kunnen eten!" + +Door dit voorval kwam de geheele waarheid aan 't licht; zij kon nu +niet langer voor Deugniets vader verborgen blijven. + +Je kunt begrijpen, dat dit hem niet kalmer stemde. + +"'t Is wat moois," zei hij, "wat moeten we nu met dien bengel +beginnen? Ik wil zoo'n vuilpoes niet langer onder mijn oogen hebben, +dat is zeker. De aschman moet hem maar meenemen, of, als die niet +van hem gediend is, kan hij als scheepsjongen gaan varen. Aan boord +weten ze met zulke schelmen wel raad. Morgen zal ik er dadelijk werk +van maken. Nu moet hij naar bed; als hij slaapt, kan hij tenminste +geen streken uithalen." + +Deugniets moeder nam den jongen al bij de hand, om hem, uit vrees +voor een nieuwe ramp, zelf naar boven te brengen, maar dáár wou haar +man niets van hooren. + +"Volstrekt niet," zei hij, "dat zou maar verwennen wezen. Op zoo'n +manier zou hij zich nog gaan verbeelden een arm, beklagenswaardig +slachtoffer te zijn. Jij blijft hier; Marianne moet hem naar bed +brengen." + +Marianne was een stevige boerendeerne met een gezond, blozend +uiterlijk. Zij had al heel wat trappen en schoppen van Deugniet gehad, +maar wist hem toch nog altijd de baas te blijven. Ook nu pakte zij +hem met haar sterke armen eenvoudig op en droeg hem weg, alsof hij +een veertje was. + +Zoo gauw Deugniets moeder met haar man alleen was, deed zij al wat +in haar vermogen stond om hem, ten opzichte van zijn plannen met +den kleinen jongen, te vermurwen. Eindelijk slaagde zij er in hem +er af te brengen. 't Kind behoefde dan voorloopig nog niet naar 't +schip. Maar--'t was de laatste keer, dat hij genade voor recht liet +gelden, zoo sprak Deugniets vader met nadruk. Wanneer er weer iets +met den bengel voorviel, zou hij onverbiddelijk zijn. + +Onderwijl verliep de tijd. Een half uur was voorbij gegaan, sedert +Marianne den jongen had meegenomen--een uur zelfs was 't nu reeds +geleden, en nòg kwam zij niet terug! + +De arme moeder kon 't van ongerustheid niet langer uithouden. Zij liep +naar boven, naar de kamer van den kleinen jongen. Ik geef je te raden, +wat voor schouwspel zij daar zag! + +De dikke Marianne had zich aan 't ledikant vastgeklemd en probeerde +nu tevergeefs het tegen te houden, terwijl het haar, onder 't maken +van allerlei bokkesprongen, door de heele kamer meetrok. + +Natuurlijk had Deugniet dit weer op zijn geweten! + +Hij was zoo boos geweest, omdat hij zonder avondeten naar boven +was gezonden--'s middags had hij ook al niets gehad, zooals je je +zult herinneren--dat hij eerst ook niet naar bed had willen gaan, +en----nu hield het bed hem aan zijn woord. + +Al wou hij nù ook nog zoo graag gaan slapen, hij kwam er niet in, +hoor, geen denken aan! Zoo gauw hij maar naar het ledikant toeliep, +begon het te steigeren als een vurig paard. De matrassen golfden +op en neer als de baren van een onstuimige zee en de dekens dansten +dwarrelend door elkaar, waarbij ze den kleinen, ongehoorzamen bengel +telkens lustig om de ooren sloegen. + +Er was klaarblijkelijk niets aan te doen--hij zou den nacht op een +stoel moeten doorbrengen. + +Deze opeenhooping van ongelukken werd Deugniet te veel. Als hagel +waren de tegenspoeden sedert vanochtend op hem neergekomen. + +Hij verviel in een van zijn hevige driftbuien en rolde, woest om zich +heen slaande, over den grond. + +Zijn moeder, die erg veel medelijden met hem had, stak haar armen naar +hem uit. "Kom hier, kind," sprak ze met haar zachte, vriendelijke stem, +"dan zal ik je dicht tegen mij aandrukken en in mijn japon wikkelen, +om je vannacht warm te houden." + +Maar Deugniet wilde niet naar haar luisteren. Hij was buiten zichzelf +van drift en stiet zeker wel meer dan twintigmaal de beschermende +armen terug, die naar hem werden uitgestrekt. + +Eindelijk kwam hij wat tot bedaren. Doodmoe van al zijn schreien en +misbaar-maken, voelde hij nù groote behoefte aan rust. Zijn moeder +hield nog altijd haar armen open en zag hem met een weemoedigen +glimlach aan. Wat was er natuurlijker, dan dat Deugniet nu, in zijn +kalmere stemming, niet langer aan haar stille uitnoodiging weerstand +bood. Hij maakte reeds aanstalten om naar haar toe te vliegen, maar +werd door een onzichtbare hand teruggehouden, zoodat het hem onmogelijk +was ook maar één stap in de richting van zijn moeder te doen. + +Dit was de genadeslag! Zijn laatste ongehoorzaamheid beroofde hem +voor altijd van 't voorrecht zijn moeder te omhelzen. + +Moeder en kind brachten den nacht op zes voet afstands van elkaar door, +en waren onmachtig dichter tot elkaar te naderen. + +Hoe droevig keken zij elkaar aan! + +Deugniet deed zich de bitterste verwijten en was zóó terneergeslagen, +als hij nooit eerder na een ondeugende bui was geweest. Geen wonder; +de toestand was nu ook veel en veel ernstiger: voor altijd uit moeders +armen buitengesloten te zijn, is dat niet het vreeselijkste, wat een +kind overkomen kan? + +Maar wie zal de wanhoop van zijn moeder beschrijven? + +Zij schreide niet en sprak geen woord--ze kon enkel het uit haar +armen verbannen kind met een verwilderden, ontzetten blik aanstaren, +vreezend, dat haar verstand deze groote smart niet zou kunnen +verwerken. + + + +II. + + +Toen de morgen eindelijk was aangebroken, stond zij op en zei met +vermoeide, treurige stem: "kom kind, wij zullen fee Goed-Hart gaan +opzoeken; ik zal je voorspraak bij haar zijn." + +Onwillekeurig stak zij den arm uit, om hem bij de hand te nemen, +doch deze werd door iets onzichtbaars teruggeduwd; zoo verliet zij +dus het huis, op eenigen afstand gevolgd door den kleinen jongen, +die niet meer het recht had naast zijn moeder te loopen. + +Fee Goed-Hart woonde op een mijl afstands van de stad in een groot, +door een prachtig park omgeven kasteel. Ieder had vrijen toegang tot +haar. Slechts een gewone, op manshoogte afgeschoren heg scheidde het +park van den weg en het hek was enkel met een klink gesloten. Moeder +en zoon ondervonden dus niet de minste verhindering op hun tocht naar +'t kasteel. + +Weldra stonden zij aan den voet van het bordes, waar Grauwbaard een +luchtje schepte. Het was vroeg in den ochtend. De oude fee was nog +niet bij de hand. Zij hield er van 's morgens haar gemak te nemen, +een zwakje, dat de goede dame zich te eerder veroorloofde, daar +niemand er immers schade door had. + +Zoo gauw vernam zij echter niet, dat er iemand was om haar te spreken, +of zij stond schielijk op en was in een oogwenk klaar, om de smeekbede +der bedroefde moeder aan te hooren. + +"Och mevrouw," sprak deze, haast zonder zich den tijd te gunnen haar +te begroeten, "och mevrouw, red ons, erbarm u over ons en neem de +vreeselijke gave toch terug, die ge mijn kind gisteren geschonken +hebt." + +"Ik zie 't al," zei de fee, met een zijdelingschen blik op Deugniets +ontredderd voorkomen, "hier hebben we een kleinen jongen, die zich niet +heeft willen laten opknappen. Nu, hij heeft zijn straf al beet. Des +te erger voor hem. Wat ik gezegd heb, blijft gezegd." + +"Och," hernam Deugniets moeder, "och mevrouw, is er dan geen enkel +middel om hem van dezen ban te ontheffen?" + +"Er is er wel een, maar dat is hard. Iemand zal zich voor hem moeten +opofferen, door gewillig en uit eigen beweging, de straf, voor wat +hij misdreven heeft, op zich te nemen." + +"O, is 't anders niet? Dàt is een kleinigheid. Ik ben er dadelijk toe +bereid, mevrouw. Wat moet er met mij gebeuren, opdat hij gewasschen zal +kunnen worden en weer een lief, schoon gezichtje zal kunnen krijgen?" + +"Om zijn gezichtje weer schoon en lief te maken, heb ik uw mooie +gelaatskleur noodig." + +"Neem mijn gelaatskleur, mevrouw, neem haar gerust! Wat zal ik met +schoonheid doen, als mijn dierbaar kind altijd vuil en onooglijk zal +moeten blijven!" + +Nog had zij niet uitgesproken, toen Grauwbaard naar voren kwam. In +de eene hand hield hij een schaal van bergkristal en in de andere +een Levantijnsche spons, die zoo zacht was als het fijnste batist. + +Met één handbeweging had de fee Deugniet gereinigd. Glimlachend +keek hij nu in den spiegel, dien Grauwbaard hem voorhield. Hij vond +'t zoo prettig er weer frisch en blozend uit te zien. + +Doch de lach bestierf hem op de lippen, toen hij zijn moeder wilde +aanzien, om haar op zijn beurt toe te lachen. + +Haar schoone koonen waren eensklaps verwelkt en haar eertijds zoo +blanke, zachte huid was nu taankleurig en gerimpeld, als die van een +stokoude vrouw. + +Zijzelf scheen er echter geen verdriet van te hebben; integendeel, +haar oogen straalden van blijdschap, terwijl zij naar haar kleinen +jongen keek, die er nu weer zoo frisch en aardig uitzag. + +"Wat hebt ge van 't mijne noodig," zoo vervolgde zij, "opdat zijn +mooie krullen gekamd en netjes in orde gebracht zullen kunnen worden?" + +"Om zijn krullebol netjes in orde te kunnen brengen, heb ik uw zware +haartressen noodig." + +"Neem ze mevrouw, o, neem ze gerust. Wat zal ik met een mooi kapsel +doen, als mijn lief kind altijd met wanordelijk haar zal moeten +blijven rondloopen." + +Nu kwam Grauwbaard met een diamanten kam aanzetten, waarmee de fee +Deugniets krullen in een oogwenk uit de war had gehaald, 't Kind liet +zich helpen, zonder zijn moeder te durven aanzien. Toen hij evenwel +klaar was en zich vermande de oogen naar haar op te heffen, kromp +zijn hartje ineen. Haar mooie, gitzwarte vlechten waren verdwenen en +een paar grijze pieken, die haar wanordelijk om 't hoofd fladderden, +hadden hun plaats ingenomen. Maar zij bemerkte 't niet eens. + +"Wat kan ik u geven, opdat hij weer mooie kleeren zal kunnen +dragen?" vroeg zij. + +"Om hem mooie kleeren te kunnen geven, heb ik de uwe noodig." + +"O mevrouw, neem ze, neem ze gerust! Wat behoef ik nog fraaie kleeren +te hebben, als mijn dierbaar kind er altijd slordig zal moeten +blijven uitzien!" + +Oogenblikkelijk bracht Grauwbaard de fee een met goud geborduurd, +miniatuur heerenrokje van fijn laken, een wit zijden broekje, +een fluweelen, met zilver afgezette muts en schoenen, die rijk met +edelgesteenten waren versierd. In twee tellen hadden die prachtige +kleeren Deugniets verkreukeld en gescheurd huispakje vervangen. Nog +nooit was de kleine jongen zoo mooi geweest. + +Hij kon een kreet van blijdschap niet weerhouden. Helaas veranderde +deze heel spoedig in een kreet van smart, toen hij bemerkte, dat zijn +moeder in lompen gehuld was, als een bedelares. + +Zij had evenwel voor niets anders oog, dan voor 't rijke kostuum van +haar zoon en lachte hem toe, waarbij haar witte tanden, 't eenige +overblijfsel van haar vroegere schoonheid, als parels blonken. + +"Wat vraagt ge van mij," zoo sprak zij nu tot de fee, "opdat hij +voortaan weer soep zal kunnen eten? De dokter heeft verklaard, dat +zijn gezondheid er van afhangt." + +"Opdat hij soep zal kunnen eten, heb ik uw tanden noodig." + +"Neem mijn tanden, ik sta ze graag af, mevrouw. Wat zal ik nog met +tanden doen, als mijn dierbaar kind niet het voedsel zal kunnen +gebruiken, dat goed voor hem is!" + +Zij had nog niet uitgesproken, toen Grauwbaard reeds met een blad +van koralijn kwam aandragen, waar een sierlijke schaal van Japansch +porselein op stond. Deze schaal, waarin de meest smakelijke soep +geurde, die ooit onder den neus van een kleinen jongen gedampt heeft, +bood hij Deugniet aan. + +'t Kind, dat in vier-en-twintig uur niets gegeten had, liet zich den +lepel niet tweemaal in de hand geven. Zijn verrukking was echter van +korten duur. Bij elken lepelvol, dien hij nam, hoorde men een tand +op den grond vallen. Niettegenstaande zijn ergen honger zou hij wel +dadelijk met eten hebben willen ophouden, maar hiervan wilde zijn +moeder, die er van genoot, dat haar kleine jongen, na alles wat hij +had doorgemaakt, zulk verkwikkend voedsel kreeg, volstrekt niets weten. + +Wat haarzelf betrof, zij hield 't dapper vol tot aan haar laatsten +tand. + +"En hiermee is 't toch, hoop ik, uit?" vroeg de fee. "Meer hebt ge +toch zeker niet te vragen?" + +"Niet meer?----O, mevrouw----!" + +"Maar ongelukkige vrouw, welke opofferingen wilt ge u dan nog meer +voor dat ondeugende kind getroosten?" + +"Het zijn geen opofferingen. Het maakt mij innig gelukkig hem +aan 't treurige lot, waarin hij zich verwikkeld had, te kunnen +ontrukken. Laat eens zien----Wat zult ge van mij moeten hebben, +opdat hij in 't vervolg weer in een bed zal kunnen slapen?" + +"Opdat hij in een bed zal kunnen slapen, moet gij afstand doen van +het uwe." + +"O, mevrouw, neem mijn bed toch! Waartoe zal ik een bed hebben, +als mijn dierbaar kind zijn nachten op den harden grond zal moeten +doorbrengen?" + +"Is er nog iets, dat ge mij wilt vragen?" + +"Ja mevrouw. Wat moet ik doen, opdat zijn boeken niet langer voor +hem gesloten zullen blijven en hij er uit zal kunnen leeren?" + +"Opdat zijn boeken niet langer voor hem gesloten zullen blijven, +moet gijzelf alles geven wat gij weet." + +"Ontneem mij gerust 't geen ik weet, mevrouw! Wat toch zal ik er mee +doen, als mijn dierbaar kind dom zal moeten blijven?" + +"Laat dit nu tenminste uw laatste verzoek zijn geweest!" + +"O, mevrouw, sta mij in 's Hemels naam nog één vraag toe! Dezen keer is +'t een bede voor mijzelf.-- Wat wilt gij van mij hebben, opdat ik weer +'t geluk zal mogen smaken, hem in mijn armen te drukken?" + +"Opdat gij 't geluk zult mogen smaken hem in uw armen te drukken, +moet gij afstand doen van al uw andere geluk." + +"Neem al 't andere, dat mij gelukkig maakt, mevrouw! Welk geluk kan er +nog voor mij bestaan, als ik mijn lief kind niet zal kunnen omhelzen?" + +Op een wenk van de fee wierp de kleine jongen zich nu, bevend, in de +armen zijner moeder. Hij huiverde, ondanks zichzelf, toen hij met haar +schamel kleed en geel, rimpelig vel in aanraking kwam en had moeite +niet terug te deinzen voor de kussen van haar tandeloozen mond. Maar +zóóvele bewijzen van liefde waren niet verloren geweest. Juist dit +alles wat zijn afkeer opwekte, vervulde hem terzelfder tijd met +onuitsprekelijke dankbaarheid en groote bewondering voor de goede +moeder, die zich zóó voor hem had opgeofferd. En toch besefte hij er +nog niet eens ten volle den omvang van.-- + +Wat haarzelf betrof, zij gaf zich geheel over aan 't haar +teruggeschonken geluk den kleinen jongen in haar armen te hebben en +drukte hem onstuimig aan haar hart, terwijl zij niet moede werd het +uit te roepen, hoe goed hij er nu weer uitzag. + +Zoo geheel ging zij op in wat hij herwonnen had, dat ze er volkomen +door vergat, wat zij er allemaal voor had moeten verliezen. + +Eindelijk namen zij afscheid. De gelukkige moeder wist maar niet hoe +zij de fee, die ze haar weldoenster noemde, genoeg zou kunnen bedanken. + +Grauwbaard, die niet voor niet in dienst bij fee Goed-Hart was, +schreide van ontroering. + +De fee zelf was ook zeer getroffen. Zij kon zich niet langer inhouden +en liep naar haar toe, op 't oogenblik dat zij de laatste trede van +'t bordes afdaalde, om haar op 't voorhoofd te kussen. + +"Schep moed, edele vrouw, en reken op mij,"--zoo sprak zij. + +Moed?--De verheugde moeder achtte zich te gelukkig om dien nog +noodig te hebben. Met lichten tred liep zij voort. Eindelijk kon +zij haar schat immers weer welverzadigd, gereinigd, ja, zelfs als +een prinsje gekleed, bij de hand houden----naar hartelust kon zij +hem liefkoozen----wat bekommerde zij zich dan over 't overige? Met +innige blijdschap dacht zij er aan, dat hij vanavond weer in zijn +lekker bedje zou kunnen slapen en genoot al bij voorbaat, wanneer zij +zich voorstelde, hoe knap en beroemd hij mettertijd zou worden. Zij +zag 't mooie boek, dat hij schrijven zou, als 't ware al voor zich +en verlustigde zich in allerlei droomen, waarin hij, als beroemde +schrijver of geleerde, de hoofdrol speelde.----De eerste firma van +'t land had zijn boek op extra zwaar papier gedrukt--'t sprak vanzelf, +dat zijn naam met groote letters op den band prijkte.--Zóó lag 't bij +alle boekhandelaren voor de ramen en trok ieders aandacht. De koning +liet hem zelfs bij zich ontbieden, om hem er mee geluk te wenschen en +de heeren van de Academie der Letterkunde beijverden zich hun kaartjes +bij den beroemden schrijver af te geven, als bewijs, hoezeer zij 't +op prijs zouden stellen, hem als lid in hun kring op te nemen.----Zóó +droomde de arme moeder, die, helaas, zelf niets meer wist. + +Dit werd zij gewaar, zoo gauw zij buiten 't park der fee waren +gekomen. Zij was den weg vergeten, ja, herinnerde zich zelfs niet meer +welken kant de stad uit lag----nog sterker, zij had de herinnering +aan haar huis totaal verloren. + +Deugniet besefte nu, beter dan zooeven, hoe groot 't offer was, dat +haar liefde hem had gebracht. Tevergeefs trachtte hij haar tot geleider +te strekken. Hij wist zelf den weg niet. Toen zij hierheen kwamen, +had hij er, als naar gewoonte, volstrekt geen acht op geslagen. Als +een onnadenkend, zorgeloos kind, dat gewend is in alles op anderen +te steunen, was hij meegeloopen.---- + +Zoo dwaalden zij nu den heelen dag buiten rond, zonder kans te zien +de stad weer te bereiken. + +Hoe meer de zon daalde, des te angstiger werd de kleine jongen; zijn +moeder voelde echter niets anders dan geluk over de bevrijding van +haar kind uit al zijn ellende. + +Tegen den avond werden zij eindelijk, nog ronddolend, door de bedienden +van het huis aangetroffen, die door Deugniets doodelijk ongerusten +vader waren uitgezonden, om zijn op zoo raadselachtige wijze verdwenen +vrouw en kind te zoeken. + +Eerst herkenden zij hen echter niet, zóó waren ze allebei +veranderd. Misschien zouden ze 't tweetal niet eens hebben opgemerkt, +als Deugniet, die naar alle kanten uitkeek, den koetsier niet in +'t oog gekregen en hem bij zijn naam geroepen had. Op zijn zeggen +wie hij was, betoonde de man zich heel verheugd hem terug te zien, +maar vroeg tevens, op een toon van verbazing, wie dan toch wel de +oude bedelares was, die hem zoo ver van huis had meegetroond. + +"Wel, 't is moeder!" riep hij uit. + +De koetsier en ook de andere bedienden begonnen ongeloovig te lachen, +maar de politie-agent, die de leiding van de expeditie had, gaf het +kind een ernstige berisping over zijn ongepaste aardigheid. Hoe kon hij +zulken zottepraat uitslaan, sprak de man; was 't al niet erg genoeg, +dat hij zoo maar met een wildvreemde vrouw van 't minste allooi was +weggeloopen? Moest hij haar nu ook nog voor zijn moeder uitgeven? Hoe +kon hij zóó den naam der brave, edele vrouw, die werkelijk zijn moeder +was, door het slijk sleuren.-- + +--Ieders toorn en verontwaardiging keerde zich nu tot de vreemde +bedelares, die den kleinen jongen zeker had willen ontvoeren. Er +was zelfs sprake van haar als kinderdievegge naar de gevangenis te +zullen brengen. + +Zij wist niets tot haar verdediging te zeggen, daar zij immers alles, +wat haarzelf betrof, vergeten was. Ze vergenoegde zich er mee, 't kind +in haar armen te drukken onder herhaalde betuigingen, dat hij haar +zoon was, haar dierbaar kind, dat zij aan zijn ongeluk ontrukt had en +dat door niets ter wereld meer van haar zou kunnen worden gescheiden. + +'t Was een geluk, dat men haar ten slotte voor iemand met gekrenkte +geestvermogens begon te houden. Dit stemde allen zachter jegens haar +en zoo werd 't nu ook oogluikend toegelaten, dat zij Deugniet, die +naar zijn vader terug werd gebracht, bleef vergezellen. + +Het was bijna nacht, toen zij in de stad kwamen. + +Marianne stond in de deur. + +"Zoo, ben je daar weer," riep zij uit, toen ze den kleinen jongen +gewaar werd. "Waar heb je toch gezeten, Deugniet? Je vader is +zóó ongerust. Juist is hij weer weggereden om de omstreken van den +grooten vijver af te zoeken; 't is al het derde paard, dat hij sedert +vanochtend berijdt. Als 't niet om je lieve moeder was geweest, van +wie we allen zooveel houden, zou ik hem misschien wel geraden hebben +nu maar rustig thuis te blijven en den Hemel te danken, dat hij van +je af was.----Maar vertel me eerst eens gauw, waar je je moeder toch +wel gelaten hebt!" + +"Moeder is hier," riep Deugniet, geheel van streek, uit, ontsteld +als hij was over den keer, dien de zaken nu schenen te nemen. "Hier +is zij; ik ben aldoor bij haar gebleven." + +"Foei, kind, houd dadelijk op met die flauwe grappen! Schaam je je +niet, je moeder, op een oogenblik als dit, nu we allen buiten onszelf +van ongerustheid over haar zijn, nog zoo te bespotten?----Ga maar +gauw naar bed. Je zult wel aan rust toe zijn." + +Toen Deugniets goede moeder over zijn bed hoorde spreken, herinnerde +zij zich weer, wat zij met de fee overeengekomen was, en maakte +een eind aan de woordenwisseling, door tot haar zoon te zeggen: +"ja, ga naar bed, mijn jongen; je weet, dat de fee je dat nu heeft +toegestaan. Je zult zoo moe wezen! Slaap zacht. Ik zal hier op je +blijven wachten." + +Hij wilde er wat tegen inbrengen, maar waarschuwend hief zij den +vinger op en sprak met haar mooie, klankvol en welluidend gebleven +stem niets anders dan dit ééne woord: "gehoorzaam!" + +Bij 't vernemen van dit ernstige: "gehoorzaam!" doken tal van +schrikwekkende herinneringen voor hem op. Gedwee boog hij 't hoofd +en ging met Marianne mee, die hem wel wat hardhandiger aanpakte, +dan noodig was. + +Toen Deugniet behagelijk warm in zijn lekker bedje lag, moest +hij voortdurend aan zijn moeder denken, die buiten op hem wachtte +en die om zijnentwil zóó droevig veranderd was, dat niemand haar +herkende. Hoe vreeselijk boette zijn lieve moeder toch voor alles, +wat hij misdreven had. Met een beklemd hart lag hij te luisteren +naar het gekletter van den regen en het gehuil van den storm, die +vannacht met buitengewone heftigheid opstak. In het rammelen der +ramen, het gieren van den wind en het klepperen van luiken en deuren, +meende hij tallooze, verwijtende stemmen te hooren, die hem toeriepen, +dat hij een slechte zoon voor zoo'n lieve moeder was. + +Tegen den morgen viel hij eindelijk, uitgeput van de doorstane +vermoeienis en aandoeningen, in een zwaren, onrustigen slaap en +droomde toen van een in lompen gehulde vrouw met grijze haren, die +door de politie opgebracht werd, en telkens nog 't hoofd omkeerde, +alsof zij iemand zocht. + +Onderwijl was Deugniets vader, verslagen van smart door zijn +vruchteloos zoeken, thuisgekomen. + +Op 't vernemen van de blijde tijding, dat 't kind terecht was, had +hij weliswaar een kreet van vreugde geslaakt, doch hoe spoedig had +de wanhoop, helaas, weer de overhand over zijn blijdschap gekregen, +toen hij moest hooren, dat zijn lieve vrouw er niet bij was. Hij +wierp zich, aan de hevigste droefheid ten prooi, gekleed op een +canapé en bleef daar, met 't hoofd in de handen verborgen, liggen, +totdat de dag aanbrak. + +Toen het licht werd, vermande hij zich en ging naar boven, naar de +kamer van den kleinen jongen. Op 't gezicht van het slapende kind, +dat hij reeds voor altijd verloren had gewaand, begon de sterke man +te schreien en als een riet te beven. Hij kon zich niet meer inhouden +en knielde bij 't bed neer, terwijl hij den kleinen krullebol met +liefkoozingen overlaadde. + +Deugniet schrikte er van wakker. Eerst keek hij een oogenblik angstig +naar het ontroerde, met tranen overstroomde gelaat, dat zich zoo +dicht bij 't zijne bevond, maar weldra herkende hij zijn vader +en sloeg de armen om zijn hals, met de woorden: "vader, o, vader, +moeder is beneden, zij staat aldoor buiten. Ga toch gauw mee! Zij zal +'t zoo koud hebben!" + +Zijn vader keek hem, ten hoogste verwonderd, aan. + +"Ja," hernam het kind, "heusch waar, moeder is beneden. Niemand wou +'t gisteravond gelooven dat zij 't was, maar u zult haar toch stellig +wel herkennen." + +Hij kleedde zich schielijk aan en trok zijn vader toen mee. Buiten +voor de deur vonden zij werkelijk de arme vrouw, verkleumd en druipnat +terug. Haar gezicht helderde op, toen zij haar kleinen jongen zag. Zij +nam hem in haar armen en bewoog zich daarbij met zoo'n gemakkelijkheid, +alsof zij zich in haar salon, te midden van haar gasten, bevond. + +"Wat beteekent dat?" vroeg Deugniets vader, zich tot den jongen +wendend. "Wie is dat vriendelijke, oude vrouwtje?" + +"'t Is moeder," riep het kind uit, "mijn lieve, lieve moeder, die er +om mijnentwil zoo uitziet." + +"Kan 't mogelijk wezen?" sprak hij nu tot de vrouw,--"zoudt gij +werkelijk het bekoorlijke wezen zijn, dat ik sedert gisteren zoo +diep betreur?" + +Zij keek hem aan, zonder hem te herkennen. Toen omhelsde zij haar +kind weer en zei: "dit is mijn zoon; wat wilt ge van mij?" + +"Maar dan--" zoo hernam Deugniets vader in de grootste verbazing,--"dan +ben ik uw man!" + +"Gij?----ik weet het niet." + +"Wat moet ik hiervan denken!" riep de ongelukkige man geheel verslagen +uit. "Het is wèl de stèm van mijn vrouw, maar ik herken haar niet en +zij herkent mij evenmin." + +Daar kwam Marianne aan. Zij had haar mijnheer door het huis hooren +loopen en was nu ook vroeg opgestaan. + +De stevige meid nam de arme vrouw bij den arm en schudde haar ruw heen +en weer. "Ben je daar nog?" zei ze; "pak je gauw weg, kinderdievegge +en waag 't niet ooit weer terug te komen." + +Zij wilde haar de straat op sleepen, toen Deugniet zich, buiten +zichzelf van smart en angst, op haar wierp. Zijn hart zwol op in zijn +borst. Op dit oogenblik zou hij het tegen een bataljon soldaten hebben +kunnen opnemen. + +"Neen," riep hij uit, "neen, moeder _mag_ niet weggestuurd worden. Ik +wil niets meer houden van wat zij voor mij verkregen heeft. _Ik_ +moet vuil zijn, _ik_ moet buiten slapen,--dat heb _ik_ verdiend. Ik +wil naar de fee, om haar alles terug te brengen en zij moet 't weer +aan moeder geven!" + +Nog had hij niet uitgesproken, toen Marianne door een groote hand bij +'t middel gegrepen en met een sierlijken zwaai op de stoep neergezet +werd.--'t Was het werk van Grauwbaard, die plotseling in hun midden +verschenen was. Beleefd wendde hij zich nu tot het meisje met de +woorden: "een weinig plaats, alsjeblieft, voor mijn meesteres." + +Op 't zelfde oogenblik rees fee Goed-Hart voor hen uit den grond +op. Zij legde haar hand op den schouder der moeder en sprak: "uw +proeftijd is geëindigd; zij, die u dit heeft aangedaan, komt alles +weer herstellen." + +Toen kuste ze Deugniet op beide wangen en verdween met Grauwbaard, +een heerlijken geur achterlatend, die nog acht dagen lang duurde. + +Nadat Deugniets vader eenigszins bekomen was van zijn verbazing over +deze onverwachte verschijning, richtte hij den blik op zijn vrouw +en--zag haar weer terug in haar vroegere schoonheid. Haar hoofd was +weer gekroond met mooie, zwarte vlechten, haar gelaatskleur was rein +en blank en het prachtige kleed van Oostersche zijde, dat hij haar +zelf voor den feestdag van gisteren gegeven had, golfde in sierlijke +plooien om haar ranke gestalte. + +Zij zag hem aan.----Toen vielen zij elkaar, onuitsprekelijk gelukkig, +in de armen.-- + + + +Sedert dien werd de edele vrouw als een heilige door de heele +stad vereerd. Ieder ontblootte eerbiedig 't hoofd voor haar, doch +'t was algemeen bekend, dat men in haar tegenwoordigheid niet over +haar opofferingen moest spreken; zij bracht 't dan dadelijk op een +ander onderwerp. + +Wat Deugniet betreft, van dien dag af aan werd hij de liefste, +kleine jongen, dien je ooit hebt gezien. Hij gehoorzaamde zonder +tegenstribbelen en liet onmiddellijk zijn wenschen varen als hij wist, +dat hij er vader of moeder verdriet mee deed. + +Nooit meer hoorde je er hem over klagen, dat het water te koud was, of +de kam hem pijn deed. Evenmin dacht hij er over voor soep te bedanken, +als er iets anders op de tafel stond, waarvan hij meer hield. Hoe vroeg +hij soms ook naar bed moest, hij paste er wel voor op niet tegen te +spartelen, daar hij veel te bang was, weer aan zijn woord gehouden +te zullen worden. Hij minachtte voortaan zijn boeken ook niet meer, +want hij kon nooit vergeten tot hoe hoogen prijs ze hem teruggegeven +waren en eindelijk zou hij 't als een misdaad hebben beschouwd, zijn +moeder nog slechts één enkel keertje terug te stooten, wanneer zij +haar armen naar hem uitstak. + +Hij heette dan ook niet langer _Deugniet_; die leelijke naam had +voorgoed afgedaan. Iedereen noemde hem nu bij den naam, waarmee hij +gedoopt was, en zoo stond hij dus, in 't vervolg, allerwegen bekend +als: _de brave, kleine Jan_! + + + + +II. + +BLONDKOPJE + + +Er was eens een lief kind, dat wel iedereen gelukkig zou willen +maken. Hij had groote, blauwe oogen en zulk mooi, blond haar, dat +men hem in 't heele land niet anders dan _Blondkopje_ noemde. + +Dikwijls was hij er verdrietig over, dat hij nog niet groot en sterk +genoeg was, om nuttig te zijn en wanneer hij er naar verlangde een +man te worden, was 't alleen, om de macht te hebben veel goeds te +doen. Hij zou de wereld bewogen hebben, als hij 't gekund had. + +Zulke kleine kinderen zijn er niet veel, dat is waar! Tòch ontmoet +men ze wel eens; als een bewijs hiervan kan ons Blondkopje gelden. + +In die dagen leefde er een groot toovenaar, met wien de goede feeën +zeer bevriend waren. Zij schreven hem brieven uit alle oorden der +aarde. Deze briefwisseling ging al heel gemakkelijk in z'n werk. Je +moet weten, dat de feeën ieder in 't bezit waren van een tooverdoos +met een gaatje er in; zij schreven nu op een stukje papier, wat zij +den toovenaar te zeggen hadden, lieten het door 't gaatje in de doos +glijden en--hiermee was de zaak afgeloopen. Het stukje papier kwam +vanzelf op zijn bestemming aan; niemand had er verder iets voor te +doen. Je kunt denken, hoe geriefelijk dit voor de feeën was en hoe +gemakkelijk ook voor den toovenaar, om op de hoogte te blijven van +wat er in alle landen voorviel. + +Hij vernam op deze manier ook wat Blondkopje hinderde en werd er zóó +door getroffen, dat hij zich beter voelde worden--dat wil zeggen: +_machtiger_, want hij behoorde tot de toovenaars, wier macht wies +met hun goedheid. + +"O, o," zei hij, "daar hebben we nu een kind, dat machteloos meent te +zijn en mij toch al veel sterker heeft gemaakt dan ik was. Ik moest +hem maar eens een beetje te hulp komen." + +Hij bracht zijn kijker, waarmee hij op tweehonderd mijl afstands kon +zien, in de juiste richting en begon met een blik in 't huis van den +kleinen jongen te slaan. + +'t Was maar een gewoon huis, dat zich door niets van de andere huizen +der lange straat onderscheidde en dus geheel in de massa opging. De +straat zelf verdween in de uitgestrektheid der groote stad, die toch +niet eens de belangrijkste van het land kon genoemd worden en het +land, aanmerkelijk groot als 't was, scheen op zijn beurt toch maar +een stipje op den aardbol te zijn. Je kunt je dus zoo eenigszins +voorstellen, wat voor een plaatsje ons arm, klein ventje daar op innam. + +Hij zat op dit oogenblik geheel alleen in de kinderkamer voor een boek, +dat hem niet erg scheen te boeien. Je zag 't hem aan, dat zijn aandacht +telkens afdwaalde en hij zich veel liever bij zijn zusjes zou hebben +gevoegd, die bezig waren een groote schaal aardbeien van de steeltjes +te ontdoen. Moeder zou gelei maken: een gebeurtenis van belang voor +'t heele gezin en niet 't minst voor de kinderen. + +Om je de waarheid te zeggen, was Blondkopje wel wat lui. De toovenaar +bemerkte dit dadelijk aan de manier, waarop hij zijn boek heen +en weer draaide, zoodat 't meest ondersteboven vóór hem kwam te +liggen. Zijn gedachten waren klaarblijkelijk meer bij de gelei, +dan bij zijn les. Daarbij kwam nog, dat 't kind vlugge beentjes had, +die 't geen minuutje in rust konden uithouden. Op een keer hadden de +groote-menschen het er in zijn bijzijn over gehad, dat men vogeltjes +en kleine kinderen maar vrij moest laten rondspringen, daar dit een +wet van den goeden God is. Nu, dit was bij hem aan geen doovemans oor +gezegd. Hij paste het op de ruimst mogelijke wijze toe en zag er dan +ook hoegenaamd geen bezwaar in, ieder oogenblik even weg te wippen +van dat vervelende lessenboek, om een bezoek aan twee vroolijke +sijsjes te brengen, die even lustig door hun groote kooi sprongen, +als hij door de kamer. + +Of wel, hij liet zijn boek in den steek, om eens naar zijn "tuin" +te gaan kijken, een pot vol aarde, waarin hij op een winter, met zijn +zusjes, sinaasappelpitten had geplant. 't Waren nu al heele "boomen" +geworden van drie duim lengte, die duizendmaal meer gekoesterd werden, +dan die der vorsten in hun orangerieën. + +Dit alles zou echter niet veel tot den loop der wereld kunnen toe- +of afdoen.---- + +"Ik zal dat lieve ventje de meest belangrijke persoonlijkheid op aarde +maken," sprak de groote toovenaar. "Telkens als hij een overwinning +op zichzelf zal behalen, zullen alle menschen desgelijks doen." + +Hij bracht zijn kijker nu weer in een andere richting en ging eens +zien, wat er in zeker koninklijk paleis voorviel. Daar was een groote +menigte staatslieden met pruiken op, vergaderd, om er plechtig en +breedvoerig over te beraadslagen, van welke kleur de japon zou zijn, +die de vorstin op den kroningsdag zou dragen. + +Ons Blondkopje hield dus, van nu af aan, zonder het te weten, het +lot van 't gansche menschelijke geslacht in zijn handjes. + +Hij leerde er zijn les echter niet beter om. + +Toen hij bemerkte, dat zijn dierbare sinaasappel-"boomen" min of meer +droog stonden, gaf hij hun, druppelsgewijs, een glas water te drinken, +'t Was een toer dit zonder morsen te doen en zoo heel vlug kon hij +'t ook niet klaarspelen. Dit vond hij evenwel niet erg; zijn boek +liep immers niet weg? + +Nog was hij met zijn tuin bezig, toen een lieve, kleine fee, die +'t op zich had genomen een man van hem te maken, zonder kloppen de +kamer binnentrad. + +"Wel jongeheer," zei ze, wat ontevreden, "leeren we zóó onze les?" + +"O, maar ik kon mijn sinaasappelboomen toch niet laten verdrogen. Ze +hadden zoo'n ergen dorst.----Ik heb al een heel eind van mijn les +geleerd." + +"Zeg dat dan eens op!" + +Blondkopje probeerde 't, maar stond weldra met zijn mond vol tanden. + +"Kind, je doet mij verdriet," sprak de kleine fee en ging heen, +terwijl ze een traan wegwischte. + +Blondkopje keerde beschaamd naar zijn boek terug en begon nu met ernst +te leeren. Hij deed zijn best niet meer aan andere dingen te denken en +zijn beentjes in rust te houden. De sijsjes sprongen nog lustig heen +en weer, maar zij waren er ook niet voor geschapen om wat te leeren, +die arme, kleine diertjes! + +Een kwartier later kende Blondkopje zijn les en prompt ook. Hij was +dolblij en liep de goede fee achterna om 'm voor haar op te zeggen. + +Onderwijl had er een groote ommekeer op de heele aarde plaatsgehad. Al +de kleine straatjongens, die langs de wegen zwierven, hadden daar +hun knikkers en steenhoopen laten liggen, om, zoo hard ze konden, +schoolwaarts te loopen. Al de menschen, die in hun jeugd weinig +of niets hadden geleerd, waren met schaamte tot inzicht van hun +onwetendheid gekomen, zoodat de boekverkoopers, op 't onverwachtst +overvallen door een ongeduldige, weetgierige menigte, er mee verlegen +waren welke boeken ze te voorschijn zouden halen, om aan zoovele +verschillende aanvragen tegelijk te kunnen voldoen. + +Zij, die niets wisten, voelden zich door een onweerstaanbaren leerlust +aangegrepen en zij, die iets wisten, door den drang tot meer studie. De +grootste sterrekundigen zag je b.v. haastig naar de boekwinkels loopen, +om er naar allerlei handboeken over aardrijkskunde te vragen. + +Het was een algemeene omwenteling, en een gelukkige, in het rijk des +geestes en dit alles had Blondkopje alleen bewerkt door zijn les goed +te leeren. + +Als persoonlijke belooning kreeg hij een flinken kus op iedere wang +en mocht, toen 't uurtje voor 't vesperbrood was gekomen, aan een +feestelijk onthaal deelnemen, dat uit een grooten stapel boterhammen +met de aardbeien, die aan de vruchtenpan waren ontsnapt, bestond. Een +dame, die veel belang in de kinderen van dit gezin stelde, had er hun, +tot opluistering, een heelen pot room bij gestuurd. + +Er ging een gejuich op, toen zij deze traktatie zagen. + +Niets geeft je meer trek, dan flink te hebben gewerkt. + +Blondkopje, die niet precies een gulzigaard was, koos met zorg een +lekkere boterham uit--een met knappende korstjes, waarvan hij zooveel +hield. Hij was toch zoo blij, dat hij zijn les goed had gekend en +babbelde vroolijk, tusschen de hapjes door, terwijl hij zijn mooiste +aardbeien bedachtzaam op zij legde, om ze met den room voor het laatst +te bewaren. + +Zijn jongste broertje, wiens eetlust geen grenzen kende, had reeds +alles op, toen hij ternauwernood halverwege met zijn portie was +gekomen. Het ventje keek eerst met een begeerigen blik naar de rest +van de lekkere boterham, de dikke aardbeien en het schoteltje room +en wou er toen volstrekt wat van hebben. Daar hij er vreeselijken +trek in had, zou er stellig een huil- en schreeuwbui op gevolgd zijn, +als de oudste geen medelijden met het hongerige kereltje had gekregen +en hem goedhartig had laten meedeelen. + +'t Zou Blondkopje anders niets geen moeite gekost hebben alles alleen +op te eten. Hij had 't zoo met zorg en overleg klaargemaakt en 't +smaakte hem zoo heerlijk. + +De moeder der kinderen was onderwijl binnengekomen; zij verblijdde +zich over 't geen zij zag en glimlachte tegen haar jongen, die daardoor +ruimschoots voor zijn opoffering beloond was.-- + +Maar hij kreeg daarenboven nog een heel andere +belooning. Terzelfdertijd maakten de menschen, in alle landen van de +wereld, zich eensklaps ongerust over hen, die honger zouden kunnen +hebben. Iedereen liep naar zijn provisiekamer of kelder en begaf zich +dan, met levensmiddelen beladen, op weg, om overal naar hongerigen +en nooddruftigen te zoeken. + +Je zag niets anders op straat dan groote brooden, schotels vleesch, +zakken aardappelen en manden fruit, die men naar de woningen van +behoeftige gezinnen wilde brengen. Wie er een ontdekt had, haastte +zich er den overvloed binnen te laten treden en werd door de anderen +om zijn vondst benijd. + +De arme menschen konden hun oogen niet gelooven. Kinderen, die nog niet +wisten wat een koekje was, maakten nu kennis met dit merkwaardige +product van menschelijk vernuft en, wat nog nooit gebeurd was, +niemand ging dien dag zonder eten naar bed. + +Wat een triomf voor Blondkopje! Maar hij wist er niets van. + +Een groot vraagstuk nam hem op dit oogenblik geheel-en-al in +beslag. Blondkopje was een knap kereltje; dit had hij de kindermeid, +die hem verafgoodde en dolgraag met hem pronkte, tenminste vaak genoeg +hooren zeggen. + +Na de feestelijke boterham zouden de kinderen, om de pret te volmaken, +naar een speeltuin gaan, die druk door de jeugd van deze stad bezocht +werd. Zoo gauw de bordjes dus leeg waren geweest, waren zij naar +boven geloopen om zich klaar te maken voor den tocht. + +Ons Blondkopje bezat een zwart fluweelen pakje, waarin hij er, volgens +'t oordeel van de kindermeid, uitzag om te stelen. Zij kreeg 't dan +ook bij elke gelegenheid uit de kast om het hem aan te trekken, hoewel +'t feitelijk alleen voor bijzondere feestdagen bestemd was. De kleine +jongen liet er zich maar al te graag voor vinden, zoo'n ijdeltuit! Zijn +moeder knorde er over, maar het kwaad was geschied--zoo trotsch als +een pauw liep hij rond, als hij zijn mooie pakje aan had. + +Vandaag haalde de kindermeid 't ook voor den dag, tot groot plezier +van Blondkopje. + +Hij had er al één arm in, toen zijn groote zus binnenkwam. + +"Blondkopje," zei ze, "dàt pakje moet je niet aandoen; je daagsche +blouse is goed genoeg om er mee in 't zand te spelen." + +"Daar zit ik haast met mijn ellebogen door," pruttelde 't kind; +"'k zie er mee uit als straatjongen." + +"Kom, wees nu eens lief! Je weet wel, dat moeder 't niet graag heeft." + +Toen drong Blondkopje er niet verder op aan. Voor de vrees zijn +moeder verdriet te doen, moesten al de bedenkingen van hoogmoed en +ijdelheid zwichten. Hij trok dus zijn arm terug en deed gehoorzaam +zijn daagsche blouse aan, waarin hij zich straks kostelijk in den +speeltuin zou vermaken. + +Nauwelijks had hij zijn zuster gehoorzaamd, of onmiddellijk vloog de +hoogmoed de wereld uit. + +De aanzienlijkste, deftigste dames begonnen, zonder te weten waarom, +de eenvoudigste burgervrouwen te groeten. De heeren van het hof voelden +zich genoopt in 't voorbijgaan de boeren, die van de markt terugkwamen, +goedendag te zeggen. De menschen zochten in hun hoofd naar de redenen, +die zij tot nu toe hadden gehad om op elkaar neer te zien en elkaar +te verachten, en.. konden ze niet meer vinden. Je kunt er je geen +denkbeeld van maken hoe 'n algemeene verteedering er plaats had.-- + +Ook voelden de kleine jongens, die nummer één van de klas waren +geworden, zich bevrijd van de dwaze waanwijsheid, die hen zoo +belachelijk maakte. + +Wat deed ons Blondkopje onderwijl? + +Na dien prettigen middag was hij aan 't kibbelen geraakt met het +zusje, dat een jaar ouder was dan hijzelf. In zijn hart hield hij veel +van haar, maar weet je wat zoo vervelend was? Ze had een gebrekje, +waaraan zulke kleine juffertjes wel eens meer lijden... zij was een +echt spotvogeltje, dat niets liever deed dan plagen. + +Sedert haar broertje een paar maal in haar bijzijn verkondigd had, +dat hij dokter wou worden, noemde ze hem niet anders meer en had hem +nu ook, gedurende de heele wandeling naar huis, met dit groote woord +vervolgd, dat zij uitsprak met haar mond zoo wijd opengesperd als +zij maar kon. + +"Neen, ik heb er nu geen zin meer in dokter te worden," zei de arme +jongen eindelijk; "ik wil bisschop worden." + +Maar dit maakte de zaak nog maar erger... "mijnheer de bisschop" was +immers nog een veel mooiere benaming! Zij maakte er dan ook zoo'n ruim +gebruik van als maar mogelijk was en liet 't "mijnheer de bisschop" +regenen op den kleinen jongen. + +"Wanneer zal ik "mijnheer den bisschop" om zijn zegen kunnen +vragen?" vroeg zij ten laatste en maakte een heel diepe buiging +voor hem. + +"Dien kan je dadelijk krijgen," riep Blondkopje, bij wien het nu de +spuigaten uitliep, haar driftig toe, terwijl hij een liniaal greep, +die juist binnen zijn bereik lag, en er allerlei dreigende bewegingen +voor de oogen van zijn plaaggeest mee ging maken. + +Deze, die even rap met de hand als met de tong was, had weldra +een andere liniaal gepakt. Daar stonden ze nu tegenover elkaar. Als +kemphaantjes zetten zij zich in postuur en sloegen er ijverig op los, +waarbij zij echter zorg droegen niet de tegenpartij zelf, maar alleen +z'n wapen te raken. + +Op zeker oogenblik liet Blondkopje de zijne evenwel door een onhandigen +slag op de vingers van zijn zusje neerkomen, wat haar een kreet van +pijn deed slaken. + +Dadelijk was zijn drift bedaard. Hij gooide de leelijke liniaal, +die haar bezeerd had, ver van zich af, sloeg zijn armen om haar hals +en zei, met tranen in de oogen: "'t spijt me zoo erg, zus; ik zal +'t niet meer doen en hoor eens, je mag me net zoo vaak "mijnheer de +bisschop" noemen als je maar wilt."-- + +Hun vader, die de beste vader van de wereld was, kwam op 't geluid +van den strijd aanloopen en meende al heel boos te moeten worden.--Hoe +groot was echter zijn blijdschap, toen hij, bij 't binnenkomen, deze +hartelijke omhelzing van broer en zus aanschouwde. Hij drukte het +tweetal aan zijn hart en prees zich gelukkig, zulke lieve kinderen +te hebben.-- + +Er werden toentertijde groote oorlogen op de aarde gevoerd. De +menschen overtroffen elkaar in 't uitdenken van de vreeselijkste +moordtuigen, die allerwegen dood en vernieling moesten brengen. Dezen +hadden de samenstelling van ijzeren torens uitgevonden, die zich nog +sneller verplaatsen konden dan een galoppeerend paard. Als je daar in +zat, was je volkomen tegen elken aanval beveiligd, terwijl je zelf +ongehinderd den vijand kon dooden. Genen hadden machines verzonnen, +waarmee je brokken steen, zoo groot als halve bergen, mijlen ver weg +kon slingeren om er de soldaten van de tegenpartij bij duizenden, +als vliegen, onder te verpletteren. Iedere nieuwe uitvinding werd met +groote uitbarstingen van geestdrift door de strijders begroet, 't Was +te voorzien, dat er weldra niemand anders meer in 't leven zou zijn, +dan de uitvinders van die moordtuigen,--totdat 't gezegende oogenblik +aanbrak, waarop Blondkopjes liniaal de vingers van zijn zusje trof. + +Zoo gauw had het kind niet zijn wapen neergelegd, of deze hoog +oplaaiende oorlogswoede zakte als door tooverslag ineen. De menschen +ontdekten eensklaps, dat zij wel mal waren geweest, elkaar te dooden, +om te weten te komen wie gelijk had en besloten zich op 't oordeel +van hen, die den strijd gadesloegen, te beroepen. Zoo had er alom +een algemeene verbroedering plaats, van de generaals af, tot aan +de soldatenkinderen toe, die elkaar nu niet meer bij 't uitgaan der +scholen van leer gaven, zooals ze het vóór dezen hadden gedaan. + +Ons Blondkopje ging dien avond met een tevreden hartje naar bed, na +wel duizend liefkoozingen van de gansche familie te hebben ontvangen, +en vroeg zich bij 't inslapen nòg af, wanneer hij toch wel zoo groot +en sterk als een man zou wezen. + +Op 't zelfde uur gaf de aarde, nu van Onwetendheid, Ellende, Hoogmoed +en Oorlog bevrijd, zich aan de meest geestdriftige uitingen van +algemeenen jubel en blijdschap over en op al de bergen, van Noorwegen +tot in 't land der Patagoniërs, werden zulke groote vreugdevuren +ontstoken, dat men ze van de maan af zien kon. + +De groote toovenaar is er niet meer, kinderen, om zooveel gewicht te +geven aan de overwinningen, die jullie op jezelf kunt behalen. Toch +is er nog iets van overgebleven: ook tegenwoordig nog--gelooft het +maar vrij--zijn de kinderen sterker dan de menschen om het goede te +doen. Terwijl je ouders soms verplicht zijn zich geheel op te offeren, +om te verhinderen, dat je ongelukkig wordt, kan jullie hen reeds met +de kleinste opofferingen volkomen gelukkig maken. Al wordt de wereld er +niet eensklaps door veranderd, zooals in Blondkopjes tijd, deze kleine +daden van zelfverloochening--weest daarvan maar overtuigd--zullen toch +nooit voor haar verloren zijn. Alle druppels water, die er vallen, +vinden elkaar in de zee terug.-- + + + + +III. + +BIBI, BABA EN BOBO. + + +Bibi was een kleine spotvogel, + +Baba een kleine smulgraag, + +En Bobo een kleine luiwammes. + +Op zekeren dag gingen ze in een naburig bosch wandelen, +maar.... hielden zich niet aan de van huis meegekregen vermaning: +volstrekt niet verder te gaan dan tot een zeker punt. Zij waren op +den koop toe alle drie kleine, _ongehoorzame_ dingen, weet je! + +Om de waarheid gestand te doen, moet ik er evenwel bij zeggen, dat +dìt toch grootendeels Bibi's schuld was. + +Toen zij aan 't bewuste punt waren gekomen, was Bobo al moe en +had dus wel graag willen omkeeren, terwijl Baba, die zich bedacht, +dat de boterhammen over een half uurtje thuis zouden klaar staan, +er ook niet veel zin in had nog verder te gaan. + +Maar Bibi, die zich boven dit alles verheven voelde, lachte wat om +zulke bedenkingen. Zij sliepte de twee anderen uit en vierde haar +spotlust zoodanig bot, dat zij zich niet tegen haar durfden te +verzetten. Bobo schaamde zich over haar luiheid, Baba over haar +gulzigheid en zoo volgden ze allebei--hoewel schoorvoetend--'t +spotachtige, kleine nest.-- + +Hieruit zie je, hoe zwak je in je schoenen staat, als je gehoorzamen +wilt uit een andere beweegreden dan gehoorzaamheid, want als onze +beide kleine meisjes slechts aan 't verbod van vader en moeder hadden +gedacht, zouden zij in haar hartjes hebben gevoeld, dat zij 't bij +het rechte eind hadden en dus niet zoo bang voor spot zijn geweest. + +Om kort te gaan, zij waren alle drie ongehoorzaam en liepen verder +'t bosch in, dat doorsneden was door prachtige lanen; zóó lang waren +die, dat je er haast niet 't eind van kon zien. + +Wat was 't er mooi en prettig! De meisjes plukten bloemen, rolden +met elkaar over 't mos en luisterden naar de vroolijk kwinkeleerende +vogeltjes. Van tijd tot tijd zagen ze een muisje zijn spitse snuitje +uit een holletje steken, maar 't gauw terugtrekken als ze er een +van allen te dicht bij kwamen; of wel een groote hagedis maakte de +kinderen aan 't schrikken door plotseling uit 't gras te schieten en +een goed heenkomen op den weg te zoeken, waar 't vroolijke troepje +haar dan achtervolgde. Alles ging goed en plezierig, zoolang zij in +de laan bleven, die zoo recht was als een liniaal en dus heelemaal +geen gevaar voor verdwalen opleverde. Maar na een poosje stonden ze +eensklaps voor een klein, dichtbegroeid paadje, dat zich kronkelend +in 't kreupelhout verloor; Bibi vond het zóó aanlokkelijk, dat zij +'t vastbesloten insloeg. + +"Hè neen, laten we daar niet heengaan, we zullen nog verdwalen," +zei Bobo. + +"We moeten naar huis, 't is al zoo laat," riep Baba. "Toe, laten we +nu maar omkeeren." + +"Ik wil enkel tot aan die eerste kromming loopen," antwoordde +Bibi. "Gaan jullie mee! We moeten toch eens zien wat er dan volgt." + +De andere twee hielden zich doof. Toen ging 't geslepen, kleine nest +op den grond liggen. + +"O," riep ze, "wat een heerlijk plaatsje om uit te rusten en wat +staan hier overal 'n aardbeien!" + +Toen zij dit hoorden, kwamen ze allebei aanloopen: Baba, de smulgraag, +om er aardbeien te eten, Bobo, de luiwammes, om er languit op den +grond te liggen. Maar 't "heerlijke" plaatsje was vol steenen en +dorre takken en van aardbeien was niets te bespeuren. + +Bibi schaterde 't uit, toen zij de teleurgestelde gezichten van haar +vriendinnetjes zag. Ze nam Baba aan de hand. "We zullen verderop nog +wel aardbeien vinden," zei ze en trok haar uit alle macht mee. Bobo +moest toen wel volgen, maar 't ging voetje voor voetje, en ze was op +'t punt van te gaan schreien. + +Na de eerste kromming kwam een tweede, toen een derde.... Daarop +splitste het paadje zich in tweeën. Een reuzeneik, die zich ginds, +dicht aan den wegkant, in 't kreupelhout verhief, trok de aandacht +van juffertje Bibi. Zonder zich te bedenken liep ze er heen. Steeds +verder en verder troonde ze haar vriendinnetjes mee, iederen inval van +'t oogenblik volgend, zoodat, toen er eindelijk sprake van was langs +denzelfden weg naar huis terug te keeren, niemand meer wist welken +kant uit te moeten gaan. + +Groote ontsteltenis was er op de gezichtjes van Baba en Bobo te lezen, +maar Bibi hield zich groot. Zij stampvoette ongeduldig, kneep haar +dunne lippen op elkaar en keek met een geringschattenden blik naar +haar angstige kameraadjes, terwijl er een onvriendelijk licht in +haar zwarte oogen schitterde. "Loopen jullie mij maar na, bange, +kleine kippetjes," riep ze uit; "ik zal er wel voor zorgen, dat we +weer goed en wel thuiskomen." + +Maar met flink-zijn alleen, ben je niet geholpen, als je anderen tot +gids wilt strekken; je moet ook den weg weten! + +Na langen tijd geloopen te hebben, waren ze nog net even ver. Ze +hadden alle paadjes geprobeerd, waren dikwijls langs dezelfde punten +gekomen en hadden eigenlijk in een kringetje rondgedwaald. + +Bobo liet zich op den grond vallen en verklaarde schreiend, dat +zij geen voet meer kon verzetten. De groote, blauwe oogen van 't +lieve blondje smeekten welsprekender dan haar mondje 't zou hebben +kunnen doen, om ontferming. Een steenen hart zou er zelfs door +zijn getroffen. Maar Bibi, dat vinnige, kleine ding, liet zich niet +verteederen. Ze schudde haar door elkaar, om haar levensgeesten weer +wat op te wekken en poogde haar overeind te trekken. De arme Bobo +stribbelde niet tegen, maar liet zich gedurig weer als een zoutzak +op den grond neerploffen. + +"Jij bent een wandelaarster van 't jaar nul," zei Bibi. "We zullen +je hier nog alleen moeten laten liggen, als je niet flinker wilt zijn." + +Maar Baba kwam haar vriendinnetje te hulp. + +"Maak je niet ongerust, lieve Bobo," riep zij uit. "Ik laat je niet +aan je lot over, hoor! Rust eerst maar uit, dan zullen we samen naar +huis gaan." + +Zij boog haar vriendelijk vollemaansgezichtje naar haar toe en omhelsde +haar, om haar als 't ware moed in te spreken. + +"Als 'k hier enkel maar een klein stukje brood had," zei ze toen +zachtjes en zuchtte even, "dan zou 'k met alle genoegen zoo lang op +je wachten als je maar wilt." + +Bobo keek medelijdend naar haar. Toen viel haar blik op een mooie, +roode aardbei, die een paar voetstappen verder groeide. 't Was de +eerste aardbei, die ze op de wandeling ontdekten. Zij vergat haar +moeheid, kwam dadelijk overeind en liep op de aardbei af, die ze toen +triomfantelijk aan de arme, hongerige Baba bracht. + +"O, wat heerlijk!" zei deze, terwijl ze de vrucht in haar mond +stak. "Dank je wel, Bobo; wat ben je toch lief!" + +Onderwijl had Bibi, in 't volle besef van haar meerderheid, parmantig +met groote stappen op en neer geloopen. Baba's opgetogenheid stemde +haar knorrig. + +"Een mooie maaltijd voor iemand, die altijd honger heeft," riep ze +smalend uit. "Daar zal je niet ver mee komen!" + +Ongelukkigerwijze was dit maar al te waar. Door Bibi's ongevoelige +woorden werd Baba onzacht tot de werkelijkheid teruggebracht en +bespeurde weldra, dat haar eetlust eerder toe- dan afgenomen was na +'t gebruik van 't frissche, maar weinig voedzame hapje. Haar stemming +sloeg eensklaps om en zij smolt weg in tranen. + +Bobo hield haar gezelschap en begon ook te snikken. Maar Bibi, dat +stoute, kleine ding, deed niets dan lachen. + +De koningin der feeën, die juist door 't bosch kwam, hoorde dit. De +andere feeën hadden haar tot koningin verkozen, omdat zij de liefste +van haar allen was. Haar goedhartigheid was zoo groot, dat elk +verdriet, ook zelfs dat der booze menschen en ondeugende kinderen, +haar medelijden opwekte. + +Zij vertoonde zich eensklaps aan ons drietal in de gedaante van een +vriendelijk, oud vrouwtje, dat een takkenbos droeg, en richtte 't +woord tot de beide schreiende, kleine meisjes. + +"Wat scheelt er aan, kindertjes?" vroeg zij. "Is er soms iets, dat +ik voor jullie kan doen?" + +"Och," zei Bobo, "die arme Baba heeft zoo'n trek!" + +"Ja, maar dat is 't niet alleen," voegde Baba er aan toe; "die arme +Bobo is ook zoo moe. We zijn verdwaald en kunnen den weg naar huis +maar niet weer terugvinden." + +De goede fee keek de kinderen oplettend aan en bemerkte toen wel waar +de schoen wrong. + +"Stil maar," sprak ze; "ik zal jullie hulp zenden!" Meteen brak zij +twee takjes van haar sprokkelhout af en wierp die in de struiken. + +Een groot, sneeuwwit schaap kwam blatend aanloopen en wreef zijn +kop tegen Baba's roode wangen aan. 't Was van een aardig eekhoorntje +vergezeld, dat zonder complimenten op Bobo's schouders sprong. + +"En jij, klein ding?" zei de oude vrouw toen tegen Bibi; "heb jij +niets noodig?" + +"Neen, moedertje," antwoordde juffertje Bibi uit de hoogte; "honger +heb ik niet en 'k ben ook niet moe. Ik heb die twee zeurpieten zelfs +hartelijk uitgelachen, omdat ze zoo flauw zijn." + +"O, ben je van die kracht!" zei de fee, ontevreden over den toon, +dien 't meisje aansloeg. "Nu, voor een spotvogeltje, dat graag eens +lachen wil, heb ik ook nog wel iets." + +Onmiddellijk na 't uitspreken van deze woorden was ze verdwenen en +zagen de kinderen een aapje, dat potsierlijke sprongen om Bibi heen +maakte en grijnzend allerlei malle gezichten tegen haar trok. + +Bibi was er verrukt over, dat dit grappige diertje _haar_ toebedeeld +was. Zij nam 't in haar armen en overlaadde 't met liefkoozingen. Maar +'t aapje scheen er niets op gesteld te zijn; 't liet een nijdig +gebrom hooren, dat Bibi echter deed schateren van het lachen. Alles +vond ze even komiek van 't diertje; ze zou 't hebben kunnen opeten, +van louter opgetogenheid. + +Maar ondertusschen waren de verdwaalde kinderen toch nog geen stapje +dichter bij huis gekomen. Baba stak haar hand in de wollige vacht van +haar schaap en droomde met open oogen van een boterham, die zij voor +zich uit zag dansen, terwijl Bobo haar eekhoorntje in gedachten over +zijn snorbaardje streek. + +Baba, die de meeste haast had, verbrak 't eerst het stilzwijgen. "Hoe +komen we nu thuis?" vroeg ze. + +"Maak je niet bezorgd," sprak 't schaap; "ik weet den weg." + +En het goede dier zette zich in beweging en liep op een sukkeldrafje +den juisten kant uit, gevolgd door zijn meesteresje, dat Bobo aan +den arm nam, met de vermaning maar goed op haar te leunen. + +Bibi stak den draak met 't tweetal. 't Was wat moois, zei ze, om je +door een schaap te laten leiden! Zij wou daarom de tegenovergestelde +richting nemen, maar daar haar aapje uit haar armen ontsnapte, moest +zij 't wel naloopen. Het diertje bleef de anderen hardnekkig volgen en +zoo ging zij tegen wil en dank ook mee met den stoet.--Ze bleef echter +in de achterhoede en vermaakte er zich mee haar kameraadjes allerlei +mallepraat na te roepen; zij waren "averechtsche" herderinnetjes, +zei ze, want zij lieten zich door 't schaap den weg wijzen in plaats +van hetzelf te leiden----zóó dom waren ze, dat zij de dieren moesten +volgen.----Bibi was er onuitputtelijk in, allerlei geestigheden over +ditzelfde onderwerp te berde te brengen.-- + +Baba, de smulgraag, die geheel en al door haar verlangen naar een +boterham beheerscht werd, deed niets dan klagen en schreien. Ze had +toch zoo'n honger, verklaarde ze gedurig. Eindelijk wendde zij zich +rechtstreeks tot haar schaap. "Och," zei ze, "je weet hier zoo goed +den weg, kan jij me nu niet ergens wat aanwijzen, dat ik zou kunnen +opeten?" + +Colas, zoo heette het schaap, antwoordde: "ik kan er je op wijzen, +lieve kind, niet zoo gulzig te zijn en je maag 't zwijgen op te +leggen als de maaltijd--zooals vandaag--vertraagd wordt. Wat zou ik +wel moeten beginnen als ik niet op m'n tijd honger wist te lijden, +ik, dien men langs den rand der wegen leidt om de grassprietjes af +te knabbelen, die er tusschen de steenen groeien!" + +"Maar je hebt dan toch tenminste iets te eten," hernam Baba. + +"Ja, maar nooit iets naar mijn zin. Doch ik klaag er niet over, omdat +het nu eenmaal zoo is. Doe zooals ik en maak het je tot een gewoonte je +moedig en flink naar alle omstandigheden te schikken. Als iets _moet_, +dan _kan_ het ook; onthoud dàt, meisjelief!--Je avondeten zal er je +des te lekkerder om smaken, nu je tusschen den middag geen boterham +hebt gehad." + +Baba was nog wel niet overtuigd, maar zij durfde nu toch niet meer te +klagen in de tegenwoordigheid van zoo'n verstandig dier. Zij begon +daarom over andere dingen met haar schaap te praten en weldra waren +ze samen zoo genoegelijk aan 't babbelen, dat zij er de verleidelijke +boterham, die haar aldoor voor den geest gezweefd en zoo ongelukkig +gemaakt had, doordat ze niet te bereiken was geweest, geheel door +vergat. + +Bobo was ook aan 't praten geraakt met haar diertje, haar eekhoorntje, +dat Cascaret heette, zooals hij haar aanstonds had verteld.--Zij +klaagde erg over pijn in de beenen en zei, dat zij groote blaren aan +de voeten had en stellig nog ziek van moeheid zou worden. + +"Lief meesteresje," sprak Cascaret, terwijl hij zijn staart als een +vederbos boven zijn kopje uitspreidde, "ik geloof, dat je je moeheid +minder zoudt voelen, als je er niet zooveel aan dacht. Kijk eens, hoe +fijn ik gebouwd ben en wat voor teere pootjes ik gekregen heb; die zien +er nog anders uit dan jouw beenen. Toch spring ik behendig en vroolijk +van tak tot tak in de hoogste boomen, 't geen veel vermoeiender is dan +kalm over den beganen grond te wandelen. Laten we eens doen wie het +eerst bij dien beuk is; je zult zien, dat je moeheid dan over gaat." + +"O neen, neen," zei Bobo op klagenden toon, "daar geloof ik niets van!" + +"Kijk eens wat een mooie noten ginds groeien, en daar staat ook een +groote, wilde appelboom. Wat zou hij gauw geplunderd zijn, als hier +kleine jongens langskwamen!" + +"O, dat is heerlijk!" riep Bobo blij uit. "Och Cascaret, wees eens lief +en haal wat appels en noten voor die arme Baba; ze heeft zoo'n honger!" + +Cascaret was er dadelijk toe bereid. Met vlugge sprongetjes begaf +hij zich op weg en deed daarna nog zooveel reisjes naar den appelboom +en zooveel onderzoekingstochten in den noteboom, dat Baba eindelijk +verklaarde verzadigd te zijn. + +Bobo genoot er zóó van haar te zien smullen, dat zij er bijna haar +heele moeheid door vergat en voortwandelde, zonder meer één klacht +te slaken. + +Toen kreeg Baba op haar beurt een goeden inval. + +"Colas," zei ze tegen haar schaap, "wil je mij een grooten dienst +doen?" + +"Wel, laat 's hooren!" + +"Je hebt zoo'n breeden rug; toe, laat mijn lieve Bobo daar wat op +zitten. Ze zal zoo heerlijk in je dichte, zachte wol kunnen rusten +en is zóó licht, dat je er niet moe van zult worden." + +Het schaap was te goedhartig om haar dit te weigeren. Het liet zich op +zijn knieën neer, zoodat Bobo gemakkelijk op zijn rug kon komen. Zij +hield zich vast aan zijn vacht en zat daar als een koninginnetje. De +brave Colas draafde voort, alsof hij niets te dragen had. + +Zoo hadden de goedhartige vriendinnetjes elkaar dus geholpen. Nu hadden +zij niets meer dat haar hinderde, want vrees voor verdwalen hoefden ze +ook niet te hebben, daar Colas immers den weg wel wist. Geen wonder, +dat ze den tocht in de vroolijkste stemming voortzetten. + +Frisch en blij klonken haar stemmetjes, terwijl ze een aardig liedje +aanhieven, dat zóó begon: "Er was eens een herderinnetje."-- + +Bibi volgde steeds in de achterhoede. Haar aapje en zij zaten elkaar +voortdurend in letterlijken en figuurlijken zin in 't haar. Hoewel +'t diertje haar soms gevoelig kneep en beet, moest Bibi er toch om +schaterlachen; 't had zulke koddige manieren en maakte zulke malle +grimassen.-- + +Eindelijk kreeg ze er echter genoeg van. 't Was dan ook wel een ietwat +twijfelachtig vermaak, vindt je niet? Zij legde er een stapje op en +haalde de vroolijke zangstertjes van lieverlede in. + +De mooie, groote noten en gave appels, waarvan zij Baba en ook Bobo +had zien genieten, hadden haar in herinnering gebracht, dat ze in +lang niets genuttigd had. Hoe graag zou zij nu ook wat te knabbelen +willen hebben! Ten laatste besloot zij de hulp in te roepen van haar, +die ze daarnet zoo hardvochtig behandeld had. + +"Och Bobo," zei ze, "zou je eekhoorntje voor mij ook niet wat kunnen +halen?" + +Bobo, wier hartje niet den minsten wrok koesterde, fluisterde Cascaret +even een paar woorden in. Toen schoot 't gewillige diertje als een +pijl uit den boog den grooten noteboom in, die op de een of andere +manier hier in 't bosch verzeild was geraakt, en kwam dadelijk daarop +met een mooie noot terug. Handig ontdeed hij deze van den groenen +bolster, kraakte haar tusschen zijn lange voortanden en bood Bibi de +pit toen zoo bevallig mogelijk met zijn rechtervoorpootje aan. + +Doch op 't oogenblik, dat deze de hand uitstak om haar aan te nemen, +gritste 't ondeugende aapje 't begeerlijke hapje voor haar oogen weg, +liep er gauw een eindje mee door en ging toen op zijn achterpootjes +zitten om de noot lekker op te knabbelen, terwijl hij schuin met +een uittartenden blik naar zijn meesteresje keek. Als 't maar niet +haarzelf gegolden had, zou Bibi zeker in lachen zijn uitgebarsten, +zoo potsierlijk liet 't diertje zijn oogjes rollen; maar nu was zij +er niet voor in de stemming. + +Een tweede noot onderging 't zelfde lot en toen 't kleine meisje er +ten laatste in geslaagd was een derde te grijpen, rukte de aap haar +die uit de handen, voordat zij er nog een stukje van had geproefd. + +Zij moest 't dus opgeven, 't Scheen, dat zij niet van Bobo's +goedhartigheid mocht profiteeren. + +De flinke Bibi was nu toch wel wat in haar wiek geschoten. Daardoor +kwam 't zeker, dat zij nu ook op eens bemerkte moe te zijn. Ze vroeg +of ze ook eens op 't schaap zou mogen zitten. + +Colas leende er zich gewillig toe. Hij liet zich nog eens weer +op zijn knieën neer en wachtte geduldig, totdat hij een andere +berijdster zou hebben gekregen. Maar zij hadden geen rekening met +'t boosaardige aapje gehouden, dat nu eensklaps op 't vreedzame dier +toeschoot en het zoo hard aan de ooren trok, dat 't geweldige sprongen +ging maken. Juffertje Bibi viel zoo lang als ze was op den grond; +ze belandde in de dorens en kreeg zulke leelijke schrammen op gezicht +en handen, dat ze er volkomen genoeg van had en er niet om vroeg nog +eens weer op 't schaap te mogen zitten. Zij sleepte zich verdrietig +voort en was meer geneigd tot schreien dan tot spotten. + +Gelukkig hadden ze nu het einde van 't bosch bereikt. Colas had een +dwarspad genomen en zoo zagen onze kleine meisjes op een oogenblik +dat zij het 't minst verwachtten, eensklaps, dat zij vlak bij huis +waren. Baba en Bobo zetten 't juichend op een loopen en Colas dartelde +met Cascaret om haar beidjes heen, om te toonen, dat zij in haar +blijdschap deelden. + +'t Aapje was aan den boschrand blijven zitten en keek Bibi onafgewend +na, die te moe en te verdrietig was om als de anderen te doen en +hinkend voortsukkelde. Toen zij 't diertje niet meer naast zich zag, +keerde zij zich om en wou 't roepen. Daar ontdekte ze 't aan den zoom +van 't bosch. 't Zat er doodkalm zijn kopje te krabben en rimpels in +zijn neusje te trekken, alsof het Bibi uitlachte. + +Boos liep zij op 't aapje af. + +"Je houdt me voor den mal;--je bent een ondeugend ding, dat nergens +anders toe deugt dan om kwaad te doen", riep ze driftig uit; "pas op, +ik zal je wel krijgen." + +Bibi zou 't diertje hebben geslagen, als zij 't had kunnen pakken, +maar 't sprong op zij, werd grooter en grooter en veranderde in +een schoone, prachtig gekleede vrouw, die een gouden ring droeg, +'t Was de feëenkoningin zelf. Zij had deze vermomming aangenomen om +'t spotvogeltje eens aan den lijve te laten voelen en ondervinden +hoe leelijk haar gebrek was. + +"En nu, juffertje", sprak de fee, "begrijp je, hoop ik, hoezeer men +in de schatting van anderen daalt, door hen te bespotten en uit te +lachen. Je vriendinnetjes hebben óók fouten, die zij moeten verbeteren, +maar zij zijn goedhartig en met goedheid is alles te herstellen. Je +ziet hoe _zij_ zich uit de moeilijkheden hebben weten te redden, +terwijl _jij_, die je zoozeer boven haar verheven voelde, omdat je +flinker en sterker bent, als een stumperd achteraan komt, hongerig +en te moe haast, om nog een voet te verzetten. Laat het aapje van +zooeven je in de gedachten komen, als je weer eens lust mocht krijgen +je meerderheid ten koste van anderen te toonen en denk er dan aan, +kind, dat men jou zal verfoeien zooals jij dit boosaardige diertje +nu hebt verfoeid, hoewel je er eerst om lachen moest." + +'t Kind was uit 't veld geslagen, maar nog niet overtuigd. Haar +hartje verzette zich uit alle macht tegen het gehoorde en werd hard +en onbuigzaam als een klomp ijs. Op dit oogenblik kon zij nog niets +anders zien dan de vernedering, die voor haar uit dit avontuur was +voortgekomen.-- + +"Zij hebben elk een mooi geschenk gekregen", riep ze schreiend uit, +"en ik heb niets." + +"Neen, mijn kind," hernam de goede fee, "maar ik wil je iets geven dat +'t hare duizendmaal te boven gaat". + +Zij nam Bibi in haar armen en drukte haar aan haar hart, dat +overvloeide van goedheid. 't Kleine meisje voelde 't hare eensklaps +smelten als een ijsschots, die men op 't vuur legt. + +Zoo kwam Bibi dus met een geheel veranderd hartje thuis. Moedig en +ferm als zij al was, gebruikte ze voortaan haar flinkheid om zwakken +bij te staan en te versterken, in plaats van zich, zooals vroeger, +op haar kracht te beroemen en den spot met de zwakheden van anderen te +drijven. En veel later, toen zij zelf kleine meisjes en jongens had, +zei zij meermalen tegen haar kinderen: "ieder heeft zijn eigenaardig +gebrek, maar vergeet 't niet, lieve kinderen, dat van den spotter is +misschien nog wel het ergste, daar 't immers van hardvochtigheid en +liefdeloosheid getuigt."-- + + + + + + +CHAPTER IV + +IV. +DE GROOTE GELEERDE. + + +Er was eens een jongetje, dat altijd nummer één op school was. Alle +prijzen waren voor hem: die voor taal, voor rekenen, voor geschiedenis, +voor aardrijkskunde----komt, noemen jullie nog maar eens een paar +vakken op! + +Na de prijsuitdeeling toog hij dus met een heelen stapel boeken onder +den arm naar huis en had zooveel kransen veroverd, dat hij er heelemaal +onder bedolven was. De menschen bleven zelfs op straat staan, om naar +hem te kijken en den volgenden dag vertelde zijn kindermeid met ophef +aan ieder, die 't hooren wou op de markt, hoe knap haar jongeheer was; +ja, hij was al een groot geleerde, beweerde ze. + +Dit een en ander maakte ons kereltje wel wat hoogmoedig; dat moet +gezegd worden! Zoo kwam hij er dus geleidelijk toe, een hoogen dunk +van zichzelf te krijgen. + +Er woonde een klein meisje naast hem, dat dikwijls met hem speelde. Zij +kon niet zoo gemakkelijk leeren, maar had een heel lief karakter. Tegen +iedereen was ze zacht en aardig en nooit zou ze 's avonds, voordat +zij slapen ging, vergeten den goeden God met haar gansche hartje te +bidden haar braaf en vriendelijk te maken. + +Onze groote geleerde begon weldra op dit eenvoudige vriendinnetje +neer te zien. Op zekeren dag bedacht hij bij zichzelf, dat zoo'n +klein, dom ding toch eigenlijk volstrekt geen gezelschap voor hem +was en 't niet kwaad zou zijn zich eens op de hoogte te stellen van +'t geen zij eigenlijk wist. Dáárvan zou 't dan afhangen, of hij haar +ook voortaan nog met zijn vriendschap zou kunnen vereeren. + +Toen 't kind hem op een keer kwam vragen met haar mee naar huis te +gaan, om 't mooie prentenboek te zien, dat zij van haar petemoei +gekregen had, deed hij erg koel en uit de hoogte. 't Kleine meisje +wist niet hoe zij 't had; zóó had zij haar kameraadje nog nooit gezien! + +"Ik weet niet, of ik wel met je kan blijven omgaan," zei hij; "in +ieder geval zou ik eerst wel eens willen hooren, of je in staat bent +een gewone breuk in een tiendeelige over te brengen." + +Zij begon te lachen. "O, daar heb ik nog niets van gehad. Ik begin +pas aan de deeling." + +"'t Is niet om te lachen. Ik spreek in vollen ernst. Dan moet je mij +tenminste het verschil tusschen een volstrekten en een betrekkelijken +hoofdzin zeggen." + +"Gisteren hebben we 't er op school nog over gehad, maar ik weet er +niets meer van." + +"Zoo, 't is wat moois! Dan zal ik je ook wel niet behoeven te vragen +in welk jaar Rome gesticht is?" + +"Wat een malle vraag; je weet toch wel, dat we daar nog lang niet +aan toe zijn." + +"'t Wordt hoe langer hoe fraaier. 'k Zou er haast wat op durven te +verwedden, dat je me de Loire-departementen zelfs niet zult kunnen +opnoemen." + +Zij hield zich stil. Haar aardrijkskundige kennis strekte zich nog +niet tot de omgeving van de Loire uit. + +"Och, och," zei ze eindelijk tegen haar gestrengen examinator, +"wat heb jij vandaag toch! Laten we nu alsjeblieft maar uitscheiden; +we zijn immers niet op school! Ga maar mee, dan zal ik je mijn boek +laten kijken. Er staan verhalen in, die je wel mooi zult vinden." + +"Klein ding," sprak hij op beschermenden toon, "om zulke verhaaltjes +geef ik niets; 'k vind er geen steek aan. Je begrijpt toch wel, dat +ik er veel te knap voor ben. Neen, we kunnen niet meer met elkaar +omgaan. Dat zou heel niet passen." + +'t Arme, kleine meisje kon geen ander antwoord vinden dan tranen, +want zij hield veel van haar geleerd buurtje en vond 't hard hem, +ter wille van de Loire-departementen en den volstrekten hoofdzin, +als vriendje te moeten verliezen. Zij kon er maar niet toe besluiten +zonder hem naar huis terug te keeren. + +Terwijl zij hem nog met een smeekenden blik aan stond te kijken, +kwam haar petemoei eensklaps binnen. + +Zij was een eerwaardige, oude dame, die tal van deugden in 't +verborgen bezat; ze trad weinig op den voorgrond en dit zal je niet +verwonderen, als je haar naam hoort: zij heette fee Nederigheid. Op +prijsuitdeelingen, waar kleine kinderen met lauwerkransen op 't hoofd +trotsch en fier, als zegepralende generaals, vandaan komen, had zij +'t niet erg begrepen. + +Toch wilde zij er niets tegen zeggen, want, al is nederigheid een +schoone zaak, in den levensstrijd heeft men ook nog andere wapens +noodig en 't kan zijn nut hebben de kiem van ijver en eerzucht +in 't hart der kinderen te leggen, als men er menschen van wil +maken. Zij liet hen dus maar met hun lauweren gaan, wel wetend, +dat de nederigheid mettertijd vanzelf zou komen tot hen, die eens +waarlijk groot zouden zijn. + +Wat den anderen betrof, vond zij 't wel wat hard hun dit kleine +beetje ijdelen roem te ontnemen, dat immers alles was, waarmee zij +'t zouden moeten doen. + +'t Verdriet van haar lief petekind ging haar echter na aan 't hart +en daarom kwam zij den onverdragelijken wijsneus, die haar tranen +had doen vloeien, eens gauw bestraffen. + +"Je weet dus niets, mijn kind?" zoo sprak zij 't kleine meisje +vriendelijk aan. "Laat ik je ook eens een vraag voorleggen: zou je +mij ook kunnen vertellen wat men moet doen om braaf te leven?" + +"O, petemoei, dat is niet moeielijk! Men moet den goeden God +gehoorzamen en alle menschen liefhebben, zooals Hij." + +"Dat is al iets. Maar ik heb zoo'n idee, dat dit toch niet voldoende +zal wezen om 't kameraadje van zoo'n geleerden bol te zijn." + +"Ga eens mee, vriendje," vervolgde zij, zich tot den jongen +wendend. "Je bent te knap om bij kleine meisjes op visite te gaan; +'t gezelschap van geleerden en letterkundigen zal je nu beter voegen." + +Zij nam hem bij de hand. + +Plotseling bevond hij zich in een der zalen van het observatorium, +waar iemand met een eerbiedwaardig voorkomen, aan een lange tafel, +voor een massa papieren vol cijfers, gezeten was. + +Deze was voorzeker een groot geleerde. + +Hij had aan aardmetingen gewerkt, een arbeid, die nog heel wat meerdere +en andere moeielijkheden met zich brengt, dan al de regels van drie +te zamen. Hij had het licht, dat 72000 mijl per seconde aflegt, in +zijn loop gevolgd en berekend hoeveel jaren 't noodig heeft om van de +sterren, die onze naaste buren zijn, tot ons te komen. Hij woog de +zon en de maan met de pen in de hand, als op een weegschaal en kon +door zijn berekeningen van te voren de baan, die de hemellichamen +door de ons omringende, oneindige ruimten af zullen leggen, bepalen. + +Toen fee Nederigheid hem goedendag gewenscht had, glimlachte hij +vriendschappelijk en begroette haar als een oude bekende. + +"Professor," zei ze, "hier breng ik u een geleerde, die gaarne een +wetenschappelijk gesprek met u wil voeren." + +De professor kende geen grooter genoegen dan zijn kennis mee te deelen +aan hen, die dit wenschten. Hij stak den kleinen jongen zijn hand toe. + +"Ik maak u mijn compliment," sprak hij, "een geleerde en dat op uw +leeftijd, dat is al heel mooi! Wilt ge mij een komeet helpen zoeken, +die wij reeds sinds een maand verwachten? Ik tracht juist op dit +oogenblik na te speuren, wat haar onderweg heeft kunnen ophouden. Wij +zullen onze nasporingen nu te zamen vervolgen." + +Kometen zoeken! Dit was wel wat te kras voor onzen scholier, die +ternauwernood in de juiste termen zou hebben kunnen omschrijven wat +een komeet eigenlijk is. + +Blozend wees hij 't voorstel af. + +"Wel, dan zullen we eens een vraagstuk op 't gebied van gezichtkunde, +of op dat der klankwetenschap of dat der waterweegkunde behandelen, +naar uw keus." + +'t Kind wist zich van verlegenheid en schaamte niet meer te bergen. 't +Werd hem groen en geel voor de oogen. + +"Ge kent de logarithmen tenminste?" + +Half schreiend antwoordde onze knappe bol, dat hij die beesten niet +kende, maar wel een gewone breuk in een tiendeelige kon overbrengen. + +De echte geleerde keek fee Nederigheid verwonderd aan en wilde +haar vragen wat voor soort van geleerde zij toch wel bij hem had +gebracht. Doch zij liet er hem niet den tijd toe. + +"Professor," sprak ze, "een klein meisje van mijn kennis zegt, dat +men om braaf te leven den goeden God gehoorzamen en alle menschen +liefhebben moet zooals Hij. Gaat uw wetenschap de hare nu _ver_ +te boven?" + +"God beware mij er voor, dat ik mij daarop zou durven te beroemen. 't +Lieve kind heeft alles gezegd, wat er te zeggen valt." + +"Laten we verder gaan," sprak de fee tot haar metgezel. "Je ziet wel, +dat 't hier niets voor je is." + +Weldra traden zij een ruim huis binnen, dat door een groot +geschiedkundige werd bewoond. 't Was niets dan boeken, wat je +er zag. Van beneden tot boven waren op alle mogelijke plaatsen +langs de muren planken aangebracht, waar ze in lange rijen, als in +slagorde, gerangschikt stonden. Er waren boeken van zulke kolossale +afmetingen, dat een volwassen man er nog een heele vracht aan zou +hebben; ook waren er exemplaren bij, die zoo klein waren, dat hij ze +in zijn vestzakje zou kunnen steken. Je zag er staaltjes van al de +boekbanden, die de boekbinders, sedert er boeken ingebonden worden, +hebben uitgevonden: gele, roode, witte, zwarte, in alle kleuren waren +ze vertegenwoordigd. Je hadt er banden van perkament, van kalfsleer, +kunstig uitgesneden hout, bewerkt leer, waar figuren ingedrukt +zijn, banden met zilveren sloten, banden van met goud doorstikt +marokijn----kortom, een rijken overvloed. + +Ook waren er zelfs oude boeken uit den tijd der Romeinen bij. Deze +zijn van een lang stuk boomschors gemaakt, dat echter een bijzondere +bewerking heeft ondergaan, zoodat het aan beide einden over twee +groote, houten rollen kan worden opgerold. Naarmate men met zijn +lectuur vordert, laat men de rollen in omgekeerde richting loopen. + +Nu, zij, die in deze boeken hebben gelezen, kunnen er zich op beroemen +geleerden te zijn; dàt kan je maar gerust gelooven! + +Zij gingen eerst naar een groote zaal, die aan de geschiedenis der +Egyptenaren, Pheniciërs, Babyloniërs en Perzen gewijd was. + +Om de boeken te lezen, die hier te vinden waren, had de eigenaar +dezer bibliotheek Hebreeuwsch, Arabisch, Oud- en Nieuw-Perzisch +en nog een heeleboel meer talen, waarvan ik den naam vergeten ben, +moeten leeren. Hij kon ook de hieroglyphen ontcijferen, die men op +de Egyptische obelisken vindt, dat spreekt vanzelf, maar dit alles +was hem nog niet voldoende; hij kon er maar niet overheen komen, +dat hij geen Chineesch geleerd had,----verbeeldt je! + +Dan volgde de zaal der Grieksche geschiedenis; natuurlijk kende de +geschiedkundige Grieksch.--Dan de zaal der Romeinsche geschiedenis; +ik behoef je niet te zeggen, dat hij Latijn kende, en niet enkel het +Latijn, dat men op 't gymnasium leert, maar ook het oude Latijn der +vroegste tijden. + +Van hieruit zag men nog een heele reeks andere zalen, die alle +afzonderlijk aan de geschiedenis van een volk gewijd waren, en op de +andere verdiepingen waren er nog veel meer. + +Zij gingen echter niet verder. + +De geschiedkundige zat in de zaal der Romeinsche geschiedenis in een +dik, Duitsch boek verdiept, dat een ander misschien vervelend zou +vinden, maar hem zeer scheen te boeien, daar hij de tegenwoordigheid +zijner bezoekers niet gewaar werd, voordat zij vlak bij hem stonden. + +Geheel en al in de war gebracht door 't gezicht van zooveel boeken, +had de kleine jongen de fee gesmeekt hem niet als geleerde voor +te stellen;----hij had immers hoogstens nog maar den inhoud van +schoolboekjes in zijn bolletje. + +Toen de groote geschiedkundige 't hoofd opheffend fee Nederigheid +zag, schoof hij zijn boek weg en stak haar haastig beide handen toe, +alsof hij een oude vriendin begroette. + +"Welkom, welkom," riep hij uit; "ik weet maar al te goed, hoezeer ik +u noodig heb!" + +"Professor," sprak zij, "hier is een jongen, die nog wel geen geleerde +is, maar toch weet in welk jaar Rome gesticht is." + +Hij glimlachte even. + +"Ben je heel zeker van het jaartal, vriendje?" + +"O ja, heel zeker. Gisteren heb ik die heele bladzijde nog opgezegd, +zonder een enkele fout te maken." + +"Zoo, dan ben je knapper dan ik, want _ik_ voel er me niet volkomen +zeker van. Er zijn zelfs menschen, die er door hun studie toe gekomen +zijn te beweren, dat Romulus nooit heeft bestaan. Ik geloof echter, +dat _zij_ te ver gaan." + +Daar 't gezichtje van het kind de grootste verbazing uitdrukte, +wees hij naar de boeken in 't rond, die zich als bergruggen tot aan +de zoldering der zaal verhieven. "Als je slechts het vierde deel +der dwalingen en leugens kende, die daarin staan, zou je je minder +over mijn woorden verwonderen, mijn jongen. Zij, die niets weten, +zijn de eenigen, die nergens aan twijfelen." + +"Professor," sprak de fee toen, "ik ken een klein meisje en zij zegt, +dat men om braaf te leven den goeden God gehoorzamen en alle menschen +liefhebben moet zooals Hij.--Twijfelt gij ook _hieraan_?" + +"De Hemel beware mij er voor! Er valt niet te twijfelen aan 't geen +dat lieve kind gezegd heeft." + +Onze jeugdige geleerde begon zich o, zoo klein te voelen. + +"Ik zie 't wel, vriendje," zei de fee met een schalksch glimlachje, +"dat je in 't gezelschap van professoren toch niet erg op je plaats +bent. Nu zal ik je bij de grootste auteur van den tegenwoordigen tijd +brengen; die zal je stellig minder vrees inboezemen. Je kunt je hart +dan eens aan een gesprek over taalregels ophalen." + +De grootste auteur van dien tijd was een vrouw. Zij ontving fee +Nederigheid zoo hartelijk mogelijk in een salon, dat op alle andere +salons in de wereld geleek. + +Onze kleine baas voelde zich aanmerkelijk verlicht in de +tegenwoordigheid van zoo'n eenvoudige dame, die geen enkel bijzonder +kenmerk had, of 't zouden haar groote, zwarte oogen moeten zijn, +waarin vonken schitterden. Zijn beide vorige nederlagen hadden hem +evenwel beschroomd gemaakt; hij durfde niet 't eerst te spreken. + +"Mevrouw," zoo begon de fee, "hier is een kind, dat zijn taalregels +goed geleerd heeft en er wel eens met u over zou willen praten." + +De dame, die de welwillendheid zelve tegenover kinderen was, begon +te lachen. + +"Dat wordt dan een gesprek, waarin ik niet erg zal uitblinken," +antwoordde zij. "Ik schrijf maar, zooals 't mij voor den geest komt en +houd mij niet precies aan de regels. Doch als je er plezier in hebt, +beste jongen, ga dan je gang maar. Waarover wou je praten?" + +"Over 't verschil dat er bestaat tusschen een volstrekten en een +betrekkelijken hoofdzin." + +Zij lachte nog meer. + +"Toen ik klein was, hoorde je nooit van deze termen. Ik weet niet +eens goed wat zij willen zeggen en kan er trouwens ook best buiten." + +De jongen wist niet meer hoe hij kijken moest. De fee, die zijn +verlegenheid wel zag, kwam tusschenbeide en sprak: "mevrouw, ik ken +een klein meisje, dat zegt: om braaf te leven, moet men den goeden +God gehoorzamen en alle menschen liefhebben zooals Hij.--Denkt u, +dat men hier ook buiten kan?" + +"Er zijn ongelukkig genoeg veel menschen, die dit meenen, maar zij +worden er op de een of andere manier toch altijd voor gestraft. Als zij +hier was, zou ik dat lieve, kleine ding eens hartelijk omhelzen. Wat +zij gezegd heeft, is iets, waar wij 't geen van allen buiten kunnen +stellen." + +"We hebben vooralsnog wel weinig succes," hernam de fee, terwijl +zij zich tot den verbijsterden taalkundige wendde, "maar wij willen +daarom den moed toch niet verliezen. We zullen 't heele rijtje van +je vakken volgen. + +Laat eens zien----nu is dus de aardrijkskunde aan de beurt." + +Dadelijk voelde hij zich als door een hevigen warrelwind opgeheven +en meegevoerd. + +Toen hij weer tot zichzelf kwam, bevond hij zich in een groote, fraai +gebouwde zaal, waar overal kaarten aan den wand hingen. Ons vriendje +herkende wel in 't algemeen den omtrek en vorm der landen, maar vond +er geen der geographische verdeelingen, waaraan zijn oog gewend was, +op terug. + +"Waar zijn wij?" vroeg hij aan de fee. + +"In 't hartje van Afrika, kind, in het meest beschaafde land, dat +er op dit oogenblik op de aarde te vinden is. Deze zaal is een der +schoollokalen van dat land. Je ziet mij verbaasd aan! Ja, mijn jongen, +we hebben een heel tijdperk overgesprongen, tweeduizend jaren liggen +er tusschen nu en 't oogenblik, waarop je zooeven leefde." + +Terwijl zij nog sprak, gingen de deuren open en traden de scholieren +binnen; de kleine jongens kwamen van dezen, de kleine meisjes van +genen kant 't lokaal in. Er waren blondjes en bruintjes, blozende +en bleeke, kleine en lange, bedaarde en drukke kinderen bij, precies +zooals tegenwoordig,--en allen hadden een blanke huid. + +"Ik dacht, dat hier enkel maar zwartjes woonden," zei 't kind tegen +de fee. + +"'t Is al heel, heel lang geleden sinds het blanke ras zich van de +heele aarde meester heeft gemaakt. Wat je in je aardrijkskundeboek +over de verschillende menschenrassen hebt gelezen, is dus nu van +geenerlei beteekenis meer." + +De meester verscheen op zijn beurt. + +'t Was een lange, deftig gekleede mijnheer, die twee ridderordes op de +borst droeg; het ambt van onderwijzer was n.l. een der meest eervolle, +die men in dit land kende en mannen van de grootste verdienste en +beteekenis stroomden in menigte te zamen, als er een plaats vacant +was. Zij, die er voor in aanmerking wenschten te komen, hielden +dan beurt om beurt school en werden door de kinderen gekozen of +wel verworpen.-- + +De les begon. Onze kleine vent had er zich al op voorbereid er niets +van te zullen begrijpen en keek daarom heel verwonderd op, toen hij +den meester Fransch hoorde spreken. Weliswaar hielp hem dit nog niet +veel, daar al de aardrijkskundige namen veranderd waren en er groote +steden, beroemde rivieren en bloeiende gewesten werden opgenoemd, +waarvan hij nog nooit had hooren spreken. + +De fee, die wel bemerkte hoe verbluft hij keek, nam nu 't woord. + +"Meester," zei ze, "leert ge den kinderen de departementen van 't +Loire-gebied niet?" + +De onderwijzer, die een man van groote verdienste was, boog voor fee +Nederigheid, want dat is de gewoonte van verdienstelijke mannen door +alle tijden heen. + +"Loire, zegt u? Ik heb dien naam wel eens in een heel oud +aardrijkskundeboek vol dwaalbegrippen gelezen, waarin zich trouwens +ook al de onkunde van dien tijd verraadt, want er staat volstrekt +niets in over het groote land, dat wij bewonen, maar de departementen, +waarover u spreekt, bestaan al lang niet meer. 't Heele land is tijdens +de aardbeving van 't jaar 2500 in den schoot der aarde verzonken en +er zwemmen nu visschen over de hoofdsteden dier oude departementen." + +De fee wendde zich hierop tot een klein meisje, dat de les zoo +aandachtig mogelijk volgde. "Mijn kind," sprak ze, "zou jij me wel +kunnen zeggen wat men doen moet om braaf te leven?" + +"Men moet," zoo gaf het kind ten antwoord, "den goeden God gehoorzamen +en alle menschen liefhebben zooals Hij." + + + +Ternauwernood had zij deze woorden gesproken, of onze geleerde vriend +bevond zich weer thuis, in gezelschap van de fee en zijn verstooten +buurtje, dat hem smeekend aankeek.-- + +"Vindt je nu niet, beste jongen, dat _haar_ kennis die van jou ver +te boven gaat?" vroeg de fee. "Je hebt nu zelf de waarde kunnen +peilen van wat _jij_ weet en deze menschen van groote beteekenis, +tegenover wie _jouw_ kennis in 't niet zonk, bogen zich eerbiedig +voor de _hare_. Niemand weet iets, dat hierboven gaat, niemand +twijfelt er aan, niemand kan 't er buiten stellen----en dit zal zoo +blijven--onwrikbaar vast--duizenden bij duizenden jaren nà ons." + +"Zoo," sprak de kleine jongen wat gemelijk, "als dat alles toch niets +beteekent, behoef ik me dus op school ook niet zoo in te spannen." + +"Hoor me zoo'n schelm eens aan," riep de fee lachend uit. "Ik wist +'t wel, dat je die gevolgtrekking zoudt maken! Neen, mijn kind, +zoo moet je niet redeneeren. De professoren, wier wetenschap je +overweldigde en verschrikte, wisten niets meer dan jij nu, toen ze op +jouw leeftijd waren. Als zij toen ook niet zoo flink hadden gewerkt +als jij nu doet, zouden zij nooit zoover zijn gekomen. De eenige weg +tot geleerdheid is studie, volhardende studie.--En de dame, wie de +taalkundige termen, die jij hebt geleerd, onbekend waren, heeft in +haar schooltijd weer andere geleerd, die 't zelfde beteekenden! De +namen zijn veranderd, maar de zaken zelf niet. 't Zal nog te bezien +staan welke wijze van uitdrukking feitelijk de beste is.--Voorts is +'t ook niet een reden om niets meer aan aardrijkskunde te doen, +dat de aarde, die je bewoont, na jouw tijd zal veranderen. Al je +vrienden veranderen, jijzelf ook----vindt je dit een beletsel om nu +als kameraden met elkaar om te gaan?----Neen, neen, ik heb je alleen +willen doen inzien, hoe dom en verkeerd 't van je was hoogmoedig +op je kleine beetje kennis te zijn en dit nog wel hooger te stellen +dan de kennis, die men niet in 't hoofd, maar in 't hart bewaart, de +eenige, waarbuiten men niet kan, de eenige zekere, de eenige noodige, +de eenige, die nooit verandert.--Geef mijn lief petekind nu een kus +en ga dan haar prentenboek bekijken; dat heb je wel verdiend." + +De kleine jongen omhelsde het kleine meisje, dat hem beide armpjes om +den hals sloeg. Daarop ging hij de mooie platen bekijken en las ook de +verhalen, die hem nog allerlei soort van dingen leerden, waarvan hij +nooit gedroomd had, en later, toen zijn kindermeid weer in zijn bijzijn +herhaalde, dat hij een groot geleerde was, zei hij tot zichzelf, dat er +slechts één enkele wetenschap is, zoowel voor kleinen als voor grooten: + +_Den goeden God gehoorzamen en alle menschen liefhebben zooals Hij.--_ + + + + +V. + +DE WAARHEIDSKETTING + + +Er was eens een klein meisje, dat jokte alsof het gedrukt stond. + +Sommige kinderen jokken zonder blikken of blozen. Een leugentje, +desnoods een groote leugen, schijnt hun de meest gewone zaak van de +wereld toe en de meest gëoorloofde ook, als zij er maar door geholpen +worden; ontheffing van een lastigen plicht of straf, 't verkrijgen van +een pleziertje, streeling van hun eigenliefde,----dat zijn allemaal +dingen, waarvoor ze dadelijk zoo'n jokken bij de hand hebben. + +Ons kleine meisje was daar ook heel sterk in. De waarheid bestond +eenvoudig niet voor haar; alle uitvluchten waren wettig, mits zij ze +ingang kon doen vinden. Langen tijd namen haar ouders alles voor goede +munt aan, wat zij hun verkoos te vertellen, doch toen hun oogen er +eindelijk voor gëopend werden, dat zij hun maar wat op de mouw speldde, +hadden zij niet meer 't geringste vertrouwen in haar. 't Is wel treurig +als ouders geen geloof meer aan de woorden van hun kinderen kunnen +hechten. Wat een verdriet moet dit voor hen zijn en wat een zorg ook +voor de toekomst! Want hoe gaat 't met leugenaars? Zij vervallen van +kwaad tot erger. Een klein, oogenschijnlijk onschuldig jokkentje is +misschien 't begin, maar wie zal zeggen tot welke grove ondeugden +'t mettertijd voert? Hoe vreeselijk voor ouders zich dan voor hun +kinderen te moeten schamen!--Hoe ontzettend toch, als kinderen schande +over hun ouders brengen.---- + +Vruchteloos trachtten de vader en de moeder van deze kleine jokkebrok +haar van haar gebrek te genezen. Na allerlei--helaas zonder gevolg--te +hebben aangewend, besloten zij met haar naar den alom beroemden +toovenaar Merlin te gaan, wiens waarheidsliefde spreekwoordelijk was. + +Van alle kanten werden er kleine leugenaars en leugenaarsters naar +hem toegebracht, om door hem van hun ondeugd afgeholpen te worden. + +Toovenaar Merlin woonde in een glazen paleis, waarvan al de muren +doorschijnend waren. Nooit kwam 't hem in den zin een enkele zijner +daden te verbloemen of, 't zij door spreken, 't zij door zwijgen, +een titteltje van de waarheid af te wijken. + +Je weet immers wel, dat je ook kunt jokken door te _zwijgen_, als je +zoudt hebben moeten spreken? + +Hij kon leugenaars al op een mijl afstands ruiken; denkt eens aan--en +toen 't kleine meisje zijn paleis naderde, werd hij zoo onpasselijk, +dat hij azijn moest branden, om de lucht te zuiveren. + +De moeder van onze kleine jokkebrok begon met een hevig kloppend +hart, blozend van schaamte, een vrij verward verhaal. Zij wilde hem +uitleggen door welke treurige kwaal haar dochtertje aangetast was, +doch geraakte zoo onder den indruk van de schande, die daarin lag, +dat zij haar gedachten haast niet onder woorden kon brengen. + +Toovenaar Merlin viel haar echter al aanstonds in de rede. + +"Ik weet er reeds alles van," sprak hij. "Een uur geleden rook ik +haar al; 'k heb het er door te kwaad gehad----dat is een eerste +leugenaarster!" + +De ouders van 't kleine meisje bemerkten, dat de faam zijn kundigheden +niet overdreven had. 't Kind zelf wist zich van verlegenheid niet +te bergen en trachtte zich in de plooien van den rok harer moeder +te verschuilen. Deze wilde haar maar al te graag een schuilplaats +geven, verschrikt als zij was door de wending, die 't onderhoud nam, +en haar vader ging vóór haar staan om haar, zoo noodig, te kunnen +verdedigen, want het gelaat van den toovenaar scheen niets goeds te +voorspellen. Zij wilden allebei wel graag, dat hij hun kind van haar +gebrek afhielp, maar 't moest op een zachte manier gebeuren en kwaad +mocht hij haar niet doen. + +"Stelt u gerust," zei Merlin, die hun angst zag, "ik gebruik geen +geweld voor dit soort gebreken. Staat mij slechts toe 't juffertje +een geschenk aan te bieden, dat haar wel naar den zin zal wezen." + +Hij opende een kast en haalde er een prachtig halssnoer van +onvergelijkelijk schoon gezette amethisten uit, dat door een agrave +van diamanten van 't zuiverste water, welker schittering verblindend +was, gesloten werd. + +Toovenaar Merlin deed het kleine meisje dit sieraad om den hals, +terwijl hij haar ouders met een welwillend gebaar hun afscheid gaf. + +"Weest verder niet bezorgd," zei hij, "uw dochtertje neemt een zekeren +waarheidswachter mee." + +Met een kleur van plezier wilde 't kind hen volgen, verrukt als ze +was er zoo goed afgekomen te zijn, doch Merlin riep haar terug. + +"Over een jaar kom ik naar mijn ketting kijken," sprak hij en zag +haar aan met oogen, die geen gekheid verstonden. "Tot zoo lang moet +je hem onafgebroken dragen. Wee over je, als je 't waagt hem ook maar +voor een enkele minuut af te doen; 't ongeluk is dan niet te overzien." + +"O, ik wil hem veel te graag altijd om houden; hij is zoo mooi!" + +Je moet weten, dat dit halssnoer niets meer of minder dan de beroemde +waarheidsketting was--in oude boeken wordt hij meermalen genoemd--die +'t vermogen heeft alle soorten leugens te ontmaskeren. + +Toen onze leugenaarster thuis was gekomen, moest ze den volgenden dag +weer naar school en daar ze lang afwezig was geweest, kwamen al de +andere kleine meisjes schielijk op haar af en overstelpten haar met +vragen, zooals 't bij jullie op school in zoo'n geval zeker ook gaat. + +Er was maar één roep over dien prachtigen ketting, dat kan je +begrijpen! + +"Wat ben je mooi! Hoe kom je daaraan? Waar ben je toch zoo'n tijd +geweest?" weerklonk 't van alle kanten. + +Jokkebrok paste er wel voor op haar kameraadjes te vertellen bij +wien ze geweest was. Als je in dien tijd zei, dat je een bezoek aan +toovenaar Merlin had gebracht, wist ieder dadelijk hoe laat het sloeg, +want zijn vermaardheid als geneesheer der leugenaars was wijd en +zijd verbreid. + +"Ik ben lang ziek geweest," gaf ze daarom brutaalweg ten antwoord, +"en toen ik beter was, heb ik dezen mooien ketting gekregen." + +Er ging één kreet uit alle monden tegelijk op. + +De diamanten van de agrave, die zooeven nog zoo prachtig fonkelden +en schitterden, waren eensklaps glansloos geworden, en veranderden +nu in stukjes waardeloos glas. + +"Jazeker, ik ben ziek geweest. Vinden jullie dit zoo vreemd, dat je +zoo'n misbaar maakt?" + +Op deze herhaling van haar leugen veranderden de amethisten op hun +beurt in leelijke, geelachtige keisteentjes. + +Een nieuwe kreet weerklonk er. Aller blikken waren op het halssnoer +gericht. + +Nu keek zij er zelf ook naar en beefde van schrik. + +"Ik ben bij toovenaar Merlin geweest," zei ze, in haar schulp gekropen, +want zij begreep hoe de vork in den steel zat en durfde haar leugen +dus niet langer vol te houden. + +Nauwelijks had zij de waarheid bekend, of de ketting vertoonde zich +weer in zijn vorige pracht, maar 't gelach, dat rondom haar opsteeg, +prikkelde haar zoo, dat ze er behoefte aan voelde dien vernederenden +indruk zooveel mogelijk uit te wisschen en zich weer in haar eer +te herstellen. + +"Jullie behoeven niet zoo te lachen!" riep zij uit; "wat denk je toch +wel? Hij heeft ons vorstelijk ontvangen, dàt zeg ik je; hij had ons +zijn rijtuig reeds naar de naburige stad tegemoet gezonden om ons +af te halen en wàt een mooi rijtuig was 't, dat kan je maar gerust +gelooven! Zes witte paarden, en kussens van roze satijn met gouden +eikels er aan,--zonder nog van den koetsier--een bepoederden neger--en +de drie deftige lakeien, die achterop stonden, te spreken. Toen wij aan +zijn paleis kwamen, dat geheel van jaspis en porphyr opgetrokken is, +zagen wij, dat hij al in de vestibule op ons stond te wachten. Hij +liep ons tegemoet en geleidde ons naar de eetzaal, waar ons een +keur van gerechten werd voorgezet, waarvan ik je de namen maar niet +eens zal opnoemen, omdat je er stellig toch nooit van hebt hooren +spreken. Eerst was er----" + +De lachbuien, die de kinderen, sedert 't begin van dit mooie verhaal, +al met moeite onderdrukt hadden, barstten op dit oogenblik met zoo +groote luidruchtigheid los, dat zij plotseling midden in haar zin bleef +steken. Onwillekeurig richtte zij den blik op den ongeluksketting en +beefde weer van schrik en ontsteltenis. Bij iedere bijzonderheid, +die zij verzonnen had, was hij, zonder dat zij 't bemerkt had, al +langer en langer geworden, zoodat hij nu reeds tot haar voeten kwam. + +"Je maakt er een heeleboel bij!" riepen de kleine meisjes, gierend +van pret, uit. + +"Nu ja, stil maar; we zijn te voet gekomen en er maar vijf minuten +gebleven." + +Het halssnoer nam onmiddellijk weer zijn gewone afmeting aan. + +"En de ketting, de ketting, hoe kom je daaraan?" + +"Toovenaar Merlin heeft hem mij, zonder iets te zeggen, present gedaan; +waarschijn----" + +Zij had geen tijd er meer bij te voegen. Het noodlottige halssnoer +kromp in, werd nauwer en nauwer, zoodat haar keel er door toegeknepen +werd en zij 't erg benauwd kreeg. + +Zij haastte zich daarom, er, terwijl ze 't nog kon, deze woorden uit +te stooten: "hij heeft gezegd, dat ik een eerste leugenaarster ben." + +Aanstonds bevrijd van den druk, die haar bijna had doen stikken, +vervolgde zij, schreiend van schaamte en verdriet: "Daarom heeft hij +mij dezen ketting gegeven; 't is een waarheidswachter, zei hij.--Ik +was er nog wel zoo blij mee! 't Is me wat moois!" + +Haar kameraadjes hadden nu toch medelijden met haar. Lieve meisjes +als ze waren, verplaatsten zij zich in haar toestand, en vonden de +gedachte nooit meer een titteltje van de waarheid af te kunnen wijken, +toch wel iets benauwends hebben. + +Kunnen jullie daar ook voor voelen, of sta je zoo vast in je schoenen, +dat je nooit, nooit een jokkentje gebruikt? "Je bent wel mal," zei +de slimste van het troepje. + +"Als ik je was, hield ik den ketting niet om, hoor! Hij is wel mooi, +maar ook vreeselijk hinderlijk. Wie belet je hem af te doen en weg +te stoppen, dan heb je er geen last meer van." + +'t Arme jokkebrokje hield zich stil. + +Dadelijk begon 't halssnoer te dansen, zóó te dansen, dat de amethisten +en diamanten tegen elkaar aansloegen en een leven van belang maakten. + +"O, je verzwijgt stellig iets!" riepen de kinderen, die weer opnieuw +begonnen te lachen, 't Was ook zoo'n koddig gezicht, die dansende +ketting! + +"Och, ik heb er nu eenmaal geen zin in hem af te doen." + +Al woester en woester werd de dans der edelsteenen. + +"Neen, neen, dat is de ware reden niet! Biecht 't eens eerlijk op!" + +"Nu, vooruit dan maar; 't geeft toch niets of ik 't al probeer iets +voor jullie verborgen te houden. Hij heeft me streng verboden hem af +te doen. Als ik 't toch waag, zal er een groot ongeluk gebeuren." + +Oogenblikkelijk hing de ketting weer zoo stil als te voren. + +Je begrijpt nu wel, dat 't, met zoo'n metgezel, die veranderde, +als men de waarheid verdraaide, langer werd, als men er wat bij +maakte, inkromp, als men er wat afliet en begon te dansen, als men +wat verzweeg, een metgezel bovendien, van wien men zich niet kon +ontdoen, zelfs voor de ergste leugenaarster niet meer mogelijk was, +niet recht in den weg der waarheid te wandelen. + +En toen zij er eenmaal maar goed van doordrongen was, dat elke leugen +nutteloos zou zijn en op 't oogenblik zelf reeds ontdekt zou worden, +kostte het haar niet al te veel moeite geheel met haar slechte gewoonte +te breken. + +Wat was er 't gevolg van? Na eenigen tijd geregeld de waarheid te +hebben gesproken, omdat ze er toe gedwongen werd, ging zij weldra +de leugen ook om haarzelfs wil verfoeien. Zij bevond er zich zoo +goed bij, niet meer te jokken, haar geweten was zóó verlicht en haar +hart zóó rustig, dat zij ook uit zichzelf graag op dezen weg wilde +voortgaan. Het werk van den ketting was hiermee dus afgedaan.-- + +Toovenaar Merlin wist dit, anders zou hij geen toovenaar geweest zijn, +nietwaar? Hoewel 't jaar nog niet verstreken was, kwam hij 't halssnoer +dus halen, om 't voor een ander leugenachtig kind te gebruiken.---- + +Wat er van dezen merkwaardigen ketting der waarheid geworden is, +heeft niemand mij kunnen zeggen. Na den dood van den grooten Merlin +is hij verdwenen; men meent, dat de erfgenamen van den toovenaar, +bang voor de verwoestingen, die hij op aarde zou kunnen aanrichten, +hier de hand in gehad hebben, 't Is mogelijk! Voor vele menschen +en kinderen zou 't stellig een ramp zijn, als men hun dit halssnoer +eens ging om doen.--'t Praatje loopt, dat Afrika-reizigers, het om +den hals van een negerkoning, die niet kon liegen, gezien hebben, +maar zij hebben dit nooit kunnen bewijzen. Wat er van aan is? Ik weet +'t niet--men is er nog altijd op uit den waarheidsketting te zoeken +en als ik een kleine jokkebrok was, zou ik geen gerust oogenblik meer +hebben, want, verbeeldt je, dat men hem eens weer terugvond! + + + + + + +INHOUD. + + + + Blz. + I. De kleine Deugniet 5 + II. Blondkopje 56 + III. Bibi, Baba en Bobo 75 + IV. De groote geleerde 94 + V. De waarheidsketting 115 + + + + + + + + + + +GEHEEL IN DEZELFDE UITVOERING VERSCHEEN IN: + +"ONS SCHEMERUURTJE" + +BIBLIOTHEEK VOOR HET KIND: + + +1. _Ida Heijermans_, VERTELLINGEN. + +2. _Gebrs. Grimm_, SPROOKJES. + +3. _H.C. Andersen_, SPROOKJES. + +4. ONZE OUDE VERSJES. + +5. _Ida Heijermans_, UIT TANTE'S JEUGD. + +6. TIJL UILENSPIEGEL. + +7. _Ida Heijermans_, ZOO MOOI ALS ZONNESCHIJN. + +8. _Jean Macé_, SPROOKJES. + + +No. 1-4 à 60 cts. ing., 75 cts. geb. + +No. 5-8 à 70 cts. ing., 85 cts. geb. + + + + + + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Sprookjes van Jean Macé, by Jean Macé + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK SPROOKJES VAN JEAN MACÉ *** + +***** This file should be named 16725-8.txt or 16725-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/6/7/2/16725/ + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
