diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:48:03 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:48:03 -0700 |
| commit | 25dc1d12ea79b2e89c17c00d8511768783299316 (patch) | |
| tree | d45841f2868a7382ffe30a3c7fad3a44f6a92d9f /16043-8.txt | |
Diffstat (limited to '16043-8.txt')
| -rw-r--r-- | 16043-8.txt | 14526 |
1 files changed, 14526 insertions, 0 deletions
diff --git a/16043-8.txt b/16043-8.txt new file mode 100644 index 0000000..4b44404 --- /dev/null +++ b/16043-8.txt @@ -0,0 +1,14526 @@ +Project Gutenberg's Mythen & Legenden van Japan, by F. Hadland Davis + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Mythen & Legenden van Japan + +Author: F. Hadland Davis + +Translator: B. C. Goudsmit + +Posting Date: July 26, 2009 [EBook #16043] +First Posted: June 12, 2005 + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK MYTHEN & LEGENDEN VAN JAPAN *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Distributed Proofreaders Team + + + + + + + + Mythen & Legenden van Japan + + Door + + F. Hadland Davis + + Voor Nederland bewerkt door + Dr B.C. Goudsmit + + + + + +Inhoud. + + + Inleiding + I. Het tijdperk der goden + II. Helden en Krijgslieden + III. De Bamboesnijder en het maanmeisje + IV. Legenden omtrent Buddha + V. Legenden omtrent vossen + VI. Jizo, de god van Kinderen + VII. De Legende in de Japansche Kunst + VIII. De Gelieven, die elkander alleen bij helderen hemel + bezoeken, en het kleed van veeren + IX. Legenden van den berg Fuji + X. Klokken + XI. Yuki-Onna, de Sneeuwvrouw + XII. Bloemen en Tuinen + XIII. Boomen + XIV. Spiegels + XV. Kwannon en Benten. Daikoku, Ebisu en Hotei + XVI. Poppen en Vlinders + XVII. Feestdagen + XVIII. De Lantaarn met Pioenrozen + XIX. Kobo Daishi, Nichiren en Shodo Shonin + XX. Waaiers + XXI. Donder + XXII. Dierenlegenden + XXIII. Legenden omtrent Vogels en Insecten + XXIV. Over thee + XXV. Legenden uit de Spokenwereld + XXVI. Drie Meisjes + XXVII. Legenden van de Zee + XXVIII. Bijgeloof + XXIX. Bovennatuurlijke Wezens + XXX. De Gedaanteverwisseling van Issunboshi, en Kintaro, + de gouden knaap + XXXI. Legenden van verschillenden aard + Goden en Godinnen + Register der eigennamen + + + + + +INLEIDING. + + +Pierre Loti in _Madame Chrysanthème_, Gilbert en Sullivan in _De +Mikado_, en Sir Edwin Arnold in _Zeeën en Landen_, hebben ons vroeger +den indruk gegeven, dat Japan een echt sprookjesland in het Verre +Oosten was. Wij verheugden ons in de liefelijkheid en vreemdheid +van dat land, en nog meer in de liefelijkheid en vreemdheid van +het Japansche volk. Wij lachten om hun averechtsche gebruiken, +beschouwen de Japansche vrouw in haar rijk gekleurde _Kimono_ als +iets zeer bekoorlijks en betooverends, en hadden een vaag begrip, dat +de voornaamste kenmerken van Nippon de theehuizen en de _geisha's_ +waren. Voor twintig jaar vatten wij Japan niet ernstig op. Nog +altijd luisteren wij naar de zoetvloeiende muziek van _De Mikado_, +maar wij beschouwen Japan nu niet langer als een soort van artistiek +fantasieartikel. Het Land van de Rijzende Zon is het Land der Verrezen +Zon geworden, immers wij hebben geleerd, dat zijn vreemdheid, zijn +feeachtige manieren en gewoonten niets waren dan de uiterlijke teekenen +van een groote, voorwaartsschrijdende natie. Wij erkennen in onze +dagen Japan als een groote macht in het Oosten, en de overwinning, +door dat rijk op Rusland behaald, heeft zijn leger en zijn vloot over +de geheele wereld beroemd gemaakt. + +De Japanners zijn altijd een nabootsende natie geweest, die gemakkelijk +den godsdienst, de kunst en het maatschappelijk leven van China +in zich heeft opgenomen en tot eigen voordeel gebruikt, en die, +na haar eigen nationalen stempel te hebben gedrukt op datgene, +wat zij aan het Hemelsche Rijk heeft ontleend, naar elders heeft +uitgezien om materiaal te verkrijgen, waardoor zij haar positie +kon versterken en vooruitbrengen. Die gave der nabootsing is één +der meest karakteristieke eigenschappen van Japan. Steeds zijn de +Japanners afkeerig geweest, om anderen inlichtingen te geven, maar +ten allen tijde stonden zij gereed, te trachten zich iederen vorm +van kennis te veroveren, die kon bijdragen tot hun vooruitgang. In +de veertiende eeuw schreef Kenko in zijn _Tsure-dzure-gusa_: "Niets +opent de oogen meer dan reizen, onverschillig waarheen", en de Japanner +der twintigste eeuw heeft dien uitnemenden raad opgevolgd. Hij heeft +wijd en zijd gereisd, en heeft een uitnemend gebruik gemaakt van +zijn verschillende opmerkingen. De gave der nabootsing grenst bij +den Japanner aan genie. Oost en West hebben tot de grootheid van het +land bijgedragen, en het is voor menigeen onzer een reden tot groote +verbazing, dat een land, dat zoolang geïsoleerd heeft gestaan en +zoovele jaren in de boeien van het leenstelsel geklonken is geweest, +binnen een betrekkelijk korte tijdsruimte ons Westersch stelsel +van oorlogvoeren volkomen meester is geworden en evenzeer zich vele +van onze ethische en sociale denkbeelden heeft eigen gemaakt en een +wereldmacht is geworden. Maar de groote ontwikkeling van Japan moet +niet geheel en al worden toegeschreven aan verstandige nabootsing, +noch heeft het land zijn plaats in de voorste rij der volken met zulk +een bliksemsnelheid ingenomen, als sommige schrijvers over Japan ons +zouden willen doen gelooven. + +Wij hooren tegenwoordig heel wat over het Nieuwe Japan, en zijn +veel te veel geneigd, de beteekenis van het Oude Japan te vergeten, +waarop dan toch het tegenwoordige stelsel gegrondvest is. Japan +heeft van Engeland, Duitschland en Amerika de geheele tegenwoordige +oorlogstactiek geleerd. Het schafte zich een uitnemend leger en een +krachtige vloot aan, op Westersche beginselen gegrondvest; doch men +vergete niet, dat de groote krijgshelden van Japan uit den laatsten +tijd, Togo en Oyama, in hun aderen nog iets van de oude kaste der +_samurai_ hebben, en niettegenstaande al het moderne van hun wezen nog +iets van den ouden toestand weerspiegelen. Het Japansche karakter +is nog steeds Japansch en niet Westersch. Zijn grootheid wordt +gevonden in zijn vaderlandsliefde, in zijn trouw en onuitroeibare +liefde voor zijn land. De Shintodienst heeft den Japanner geleerd, +de machtige dooden te vereeren; het Buddhisme heeft niet alleen zijn +godsdienstige idealen in de hand gewerkt, maar ook medegewerkt aan +zijn letterkunde en kunst, terwijl het Christendom ten gevolge heeft +gehad, dat allerlei weldadige sociale verbeteringen zijn ingevoerd. + +Er zijn heel wat tegenstrijdige theorieën over het ontstaan van het +Japansche ras, en wij hebben inderdaad geen vaststaande kennis omtrent +dit onderwerp. De eerste bewoners van Japan waren waarschijnlijk +de Ainoe's, een Arisch volk, dat misschien afkomstig was uit +Noord-Oostazië in een tijd, toen de afstand tusschen de eilanden en +het vasteland niet zoo groot was als heden ten dage. De Ainoe's werden +opgevolgd door de Mongolen, die twee verschillende invallen deden; die +overweldigers kostte het geen moeite hun voorgangers te onderwerpen; +maar in den loop der tijden werden de Mongolen in noordelijke richting +gedreven door Maleiers van de Philippijnsche eilanden. Porter zegt: +"In het jaar 500 na Christus waren de Ainoe's, de Mongoolsche en de +Maleische elementen der bevolking tot één natie samengesmolten, en +wel ongeveer op dezelfde wijze als in Engeland het geval is geweest na +den inval der Noormannen. Uit de nationale karaktertrekken kan worden +afgeleid, dat de Ainoe's het weerstandsvermogen leverden, de Mongolen +de verstandelijke eigenschappen, en de Maleiers die handigheid en dat +aanpassingsvermogen, die het erfdeel zijn van zeelieden". [1] Andere +gezaghebbende geleerden, zooals Baelz en Rein, zijn van meening, dat +de Japanners Mongolen zijn, en hoewel zij door huwelijken zich met de +Ainoe's hebben vermaagschapt, "zijn", zooals Professor B.H. Chamberlain +schrijft, "de beide naties evenzeer van elkander verschillend als de +blanken en roodhuiden in Noord-Amerika". In weerwil van het feit, +dat men in Japan op den Ainoe neerziet, en hem beschouwt als een +harigen oorspronkelijken bewoner van het land, die een voorwerp +van belangstelling is voor den anthropoloog en den spellebaas, een +arm, geminacht schepsel, dat den beer vereert als het zinnebeeld van +kracht en woestheid, heeft hij toch zijn stempel op Japan gezet. Fuji +was misschien wel een verbastering voor Huchi, of Fuchi, de Godin +van het Vuur bij de Ainoe's, en het is niet twijfelachtig, dat die +oorspronkelijke bewoners aan een groot aantal aardrijkskundige namen +het aanzijn schonken (voornamelijk in het noorden van het eiland), +die nog in onze dagen te herkennen zijn. Wij kunnen den invloed der +Ainoe's volgen in enkele trekken van Japansch bijgeloof, zooals onder +andere het geloof in den _Kappa_, of het riviermonster. + +De Chineezen noemden Japan Jih-pén, "de plaats, van waar de zon +afkomstig is", omdat de eilandenzee gelegen was ten oosten van hun +eigen koninkrijk, en ons woord Japan en Nippon zijn verbasteringen +van Jih-pén. Marco Polo noemde het land Zipangu, en een oude naam +voor Japan is "De-Weelderige-Riet-Vlakten-het-land-van-Versche-Rijst- +Aren-van-duizend-Herfsten-van-Lange-Vijf-Honderd-Herfsten." Het +verwondert ons niet, als wij zien, dat een zoo langdradige en +beschrijvende naam door de Japanners van onzen tijd niet wordt +gebruikt; maar het is niet van belang ontbloot, te weten, dat de +oude naam voor Japan, Yamato, nog thans veel gebruikt wordt, terwijl +Yamato Damashii beteekent: "De Geest van het Onoverwinnelijke Japan." +Zoo ook wordt van Japan gesproken als van het "Eiland van het +Waterjuffertje". Men verhaalt in de oude Japansche _Kronieken_, dat +de keizer in het jaar 630 vóór Christus een heuvel beklom, Waki +Kamuno Hatsuma genaamd, van welks top hij het land van alle kanten +kon overzien. Hij kwam diep onder den indruk van de schoonheid van +het land en zeide, dat het geleek op "een waterjuffer, die haar +achterdeel aflikt"; zoo kreeg het eiland den naam van Akitsu-Shima +("Eiland van de Waterjuffer"). + +De _Kojiki_, of "Geschiedrollen van Oude Zaken", voltooid in het jaar +712 n.C., behandelt de oude overleveringen van het Japansche ras, te +beginnen met de mythen, den grondslag van het Shintoïsme, en krijgt +hoe langer hoe meer geschiedkundige waarde, totdat het eindigt met +het jaar 628 n.C. Dr. W.G. Aston schrijft in _Een Geschiedenis der +Japansche Literatuur_: "De _Kojiki_, hoe belangrijk ook voor een +onderzoek naar de mythologie, de gewoonten, de taal en de legenden +van het oudste Japan, is een treurig voortbrengsel, zoowel uit een +letterkundig oogpunt als om het feitenmateriaal." Als geschiedkundig +werk kan het niet vergeleken worden met de _Nihongi_, [2] een werk uit +denzelfden tijd in het Chineesch; terwijl de taal een vreemd mengelmoes +is van Chineesch en van Japansch, waarbij slechts weinig moeite is +gedaan om het artistieke eigenschappen te schenken. De omstandigheden, +waaronder het vervaardigd is, kunnen ons voor een deel verklaren, hoe +het in een zoo eigenaardigen stijl is geschreven. Er wordt verhaald, +dat een zekere Yasumaro, een man geleerd in het Chineesch, het opving +van de lippen van een zekeren Hiyeda no Are, die een zóó voortreffelijk +geheugen had, dat hij "met zijn mond kon herhalen al wat voor zijn +oogen kwam, en in zijn hart alles opteekende, wat zijn oor trof." Het +is mogelijk, dat Hiyeda no Are één der Kataribe of "Voordragers" was, +wier taak het was, "oude woorden" voor te dragen voor den Mikado aan +het Hof van Nara bij zekere plechtige openbare gelegenheden. + +De _Kojiki_ en de _Nihongi_ zijn de bronnen, waaruit wij de +oorspronkelijke mythen en legenden van Japan hooren. In die boeken +worden wij in kennis gesteld met Izanagi en Izanami, Ama-terasu, +Susa-no-o, en een groot aantal andere godheden, en die verheven wezens +leveren de stof voor verhalen, die zoowel vreemdsoortig als schoon, +zoogenaamd humoristisch en somtijds eenigszins gruwelijk zijn. Wat +kan men zich naïever voorstellen dan de vrijerij van Izanagi en +Izanami, die op het denkbeeld kwamen om een huwelijk aan te gaan, +nadat zij twee kwikstaarten hadden zien paren? In die oude mythe +zien wij de sporen van de meerderheid van den man over de vrouw, een +meerderheid, die in Japan tot in den laatsten tijd is blijven bestaan, +ongetwijfeld onderhouden door Kaibara's _Onna Daigaku_ "Grootere +Kennis voor Vrouwen". Maar in den lang voortgezetten twist tusschen +de Godin der Zon en haar broeder, den Onstuimigen Jongeling, leggen +de oude kroniekschrijvers den nadruk op de slechtheid van Susa-no-o; +en Ama-terasu, een eigenaardige mengeling van het goddelijke en het +vrouwelijke, wordt geschetst als een ideaal type eener Godin. Men +leert haar kennen als een vrouw, die zich tot den oorlog toerust en +vestingwerken maakt door op den grond te stampen, maar tevens wordt +zij beschreven als een vrouw, die uit haar grot in een rots gluurt, om +zich te spiegelen in den Heiligen Spiegel. Ama-terasu is de hoofdfiguur +in de Japansche mythologie, immers van de Godin der Zon stammen de +Mikado's af. In den cyclus van legenden, bekend als het Tijdperk der +Goden, maken wij kennis met de Heilige Schatten, ontdekken wij den +oorsprong van den Japanschen dans, en wandelen in onze verbeelding +door de Hooge Vlakte des Hemels, zetten den voet op de Drijvende Brug, +treden het Middenland der Riet-Vlakte binnen, slaan een blik in het +Land van Yomi, en volgen Prins Uitdoovend Vuur naar het Paleis van +den Zeekoning. De oude helden en krijgslieden worden altijd beschouwd +als Goden van minderen rang, en de aard van het Shintoïsme heeft die +goden, ook in verband met de vereering der voorouders, met menige +hoogst boeiende legende omstraald. Om zijn kracht, bedrevenheid, +volhardingsvermogen en een gelukkige handigheid om alle mogelijke +moeilijkheden te overwinnen door een sluwe en scherpzinnige manier +van handelen, moet de Japansche held uit den aard der zaak een hooge +plaats innemen onder de beroemde krijgshelden van andere landen. Er +is iets buitengewoons ridderlijks in de Japansche helden, dat wel +de bijzondere aandacht verdient. De dapperste mannen zijn zij, +die als kampioenen optreden voor de zwakkeren en die alle soorten +van slechtheid en tyrannie weten te verhelpen, en wij vinden in den +Japanschen held, die er ver van af is een onbekookte snoever te zijn, +die eigenschappen op de meest voortreffelijke wijze terug. Hij is niet +steeds boven critiek verheven, en somtijds vinden wij in hem een zweem +van sluwheid, maar zulk een karaktertrek is bijzonder zeldzaam, en is +zeker geen nationale karaktertrek. Een ingeboren liefde voor poëzie +en voor alles wat schoon is, heeft haar beschavenden invloed gehad +op den Japanschen held, met dit gevolg, dat zijn kracht vereenigd is +met zachtheid van karakter. + +Benkei is één der meest beminnelijke Japansche helden. Hij had de +kracht van verschillende mannen te zamen; zijn groote tact grensde aan +het geniale, zijn zin voor humor was sterk ontwikkeld, en de meest +liefhebbende onder de Japansche moeders kon niet meer vriendelijke +zachtheid hebben getoond dan hij, toen de vrouw van zijn meester het +leven schonk aan een kind. + +Toen Yoshitsune en Benkei aan het hoofd van het leger van Minamoto de +Taira totaal verslagen hadden in het zeegevecht van Dano-Ura, wekte +de schitterende overwinning de afgunst op van den Shogun, zoodat de +twee groote veldheeren genoodzaakt waren, het land te verlaten. Wij +volgen hen over de zee, over bergen, voortdurend hun talrijke vijanden +verschalkend. Bij Matsue werd een groot leger uitgezonden tegen die +ongelukkige strijders. De vuren der legerplaatsen strekten zich in +een schitterende rij uit over de laatste plaats, waar Yoshitsune en +Benkei nog rust vonden. In een vertrek was Yoshitsune met zijn vrouw +en jeugdig kind. De Dood stond in het vertrek gereed, en het was +beter, dat de Dood zou komen op bevel van Yoshitsune, dan op bevel +van den vijand buiten de deur. Zijn kind werd door een bediende +gedood, en terwijl hij het hoofd van zijn geliefde vrouw onder den +linkerarm nam, stootte hij zijn zwaard diep in haar nek. Na dit te +hebben volbracht, pleegde Yoshitsune zelfmoord (_hara-kiri_). [3] +Benkei echter wachtte den vijand op. Hij stond met zijn groote beenen +wijd uitgespreid, zijn rug tegen een rots gedrukt. Toen de dageraad +aanbrak, stond hij nog altijd met uitgespreide beenen, terwijl zijn +dapper lichaam door duizend pijlen was doorboord. Benkei was dood, +maar vallen kon de krachtige held niet. De zon verrees over een man, +die een ware held was, en die steeds getrouw was gebleven aan de +eenmaal door hem uitgesproken woorden: "Waar mijn meester heengaat, +hetzij ter overwinning, of in den dood, ik zal hem volgen." + +Japan is een bergachtig land, en in zulke landen verwachten wij een ras +te zullen vinden van onverschrokken, dappere mannen, en het land der +Rijzende Zon heeft ons dan ook menigen krijgsman geschonken, waardig +gerangschikt te worden naast de Ridders van Koning Arthur. Meer dan +één legende verhaalt van de vernietiging van duivels en booze geesten, +en van de bevrijding van meisjes, die het ongeluk hadden hun gevangenen +te zijn. De ééne held doodt een groot monster, dat op het dak van het +paleis des Keizers neerhurkte, een ander doodt den Boozen Geest van +Oyeyama, een ander stoot zijn zwaard in een reusachtige spin, weer een +ander verslaat een slang. Alle Japansche helden, in welke onderneming +zij ook betrokken zijn, vertoonen dien geest van avontuurlijkheid, +die getrouwheid aan een eenmaal gekozen doel, die koele minachting +voor gevaar en dood, die nog steeds ook in onzen tijd karakteristieke +eigenschappen zijn van het Japansche volk. + +"De Bamboe-Snijder en het Maan-Meisje" (Hoofdstuk III) dankt zijn +oorsprong aan een verhaal uit de tiende eeuw, _Taketori Monogatari_ +genaamd, en is het oudste voorbeeld van Japansche verdichting. De +schrijver is onbekend, maar hij moet een grondige kennis gehad +hebben van het hofleven in Kyoto. Al de karakters van die zoo +bekoorlijke legende zijn Japansch, maar de meeste daarin voorkomende +gebeurtenissen zijn ontleend aan China, een land, dat zoo rijk is aan +schilderachtige feeën-verhalen. Dickins schrijft over de _Taketori +Monogatari_: "Het kunstige en bevallige van de geschiedenis van +de edele Kaguya is oorspronkelijk, haar ongedwongen pathos, haar +natuurlijke liefelijkheid, zijn nergens aan ontleend, en in eenvoud, +bekoorlijkheid en zuiverheid van gedachte, en uitdrukking heeft zij +geen enkele mededingster onder de verdichtselen van het Middenrijk +of van het Land der Waterjuffer." + +Wanneer men Japansche legenden bestudeert, wordt men voornamelijk +getroffen door het universeele, dat haar kenmerkt, en door haar scherpe +tegenstellingen. De meeste volken hebben de zon en de maan, de sterren +en de bergen, en alle groote werken der Natuur als godheden vereerd; +maar de Japanners hebben de roode bloesems der azalea's beschreven als +de vuren der Goden, en de witte sneeuw van den Fuji als de gewaden van +Goddelijke Wezens. Hun legenden zijn in ieder geval zeer poëtisch, en +zij, die den Berg Fuji vereerden, hadden ook spookachtige verhalen te +vertellen over het nietigste insect. Niet genoeg kan de nadruk gelegd +worden op de liefde van Japan voor de Natuur. De oudste mythen, in +de _Kojiki_ en de _Nihongi_ medegedeeld, zijn van zeer veel belang, +maar zij kunnen niet worden vergeleken met de latere legenden, +die een ziel hebben geschonken aan boomen, bloemen en vlinders, +of met de vrome overleveringen, die zoo teeder en toch zoo krachtig +de goddelijke beteekenis der Natuur hebben geopenbaard. Het Feest +der Dooden kon alleen zijn voortgekomen bij een volk, waarvoor het +schoone de voornaamste steun en de vreugde van het leven is, immers +dat feest is niets anders dan een aanmaning, om terug te keeren tot +hun oude aardsche schuilplaatsen in den zomertijd, om over de groene +heuvels te trekken, die met pijnboomen bedekt zijn, langs kronkelende +paden te wandelen, langs meer en zeestrand, te vertoeven in oude, +geliefde tuinen, en huizen binnen te treden, waar zij zooveel kunnen +zien, zonder zelf gezien te worden. Voor het gemoed van den Japanner, +voor hem, die nog den geest van Prins Yamato heeft behouden, is de +meest vurige beschrijving van het Paradijs der Buddhisten niet zoo +schoon als Japan gedurende den zomertijd. + +Misschien is het maar gelukkig, dat de Japansche mythen, legenden, +sprookjes en folklore niet uitsluitend poëtisch zijn, daar wij anders +gevaar zouden loopen overladen te worden met te veel zoetigheid. Wij +bewonderen de bogen van een Gothische Kathedraal niet minder, +omdat wij een blik hebben geslagen op de monsterachtige waterspuwers +aan den buitenkant van het gewijde gebouw; zoo vinden wij ook in de +legenden van Japan vele groteske dingen, die in scherpe tegenstelling +zijn met de overleveringen, verbonden aan den vriendelijken en +liefhebbenden Jizo. Er is in de Japansche legenden een overvloed van +ruw realisme. Wij worden afgestooten door den geliefkoosden maaltijd +van den Dondergod, wij worden met verbazing vervuld door de toovermacht +van vossen en katten; en de geschiedenis van "Hoïchi-zonder-ooren" +en van den lijken-etenden priester zijn treffende voorbeelden van +het samengaan van het betooverende met het afschuwelijke. In het ééne +verhaal lachen wij om de grappen van een ketel, die kunsten vertoont, +en in het andere worden wij bijna tot tranen toe bewogen, als wij van +een ouden Japanschen beddedeken lezen, die fluisterde: "Mijn Oudere +Broeder is waarschijnlijk koud? Ja, je bent waarschijnlijk koud?" + +Er zijn reeds verschillende boeken met Japansche sprookjes verschenen, +maar nooit hebben wij tot nu toe een boek gehad, dat een zoo omvattende +studie gaf over de mythen en legenden van een land, dat zoo rijk is +aan wonderlijke en schoone overleveringen, en het is te hopen, dat +het hier gegeven boek, het resultaat van veel heerlijken arbeid, een +werkelijke bijdrage tot dit onderwerp zal zijn. Wij hebben geen poging +gewaagd om een volledige verzameling Japansche mythen en legenden +te verzamelen, omdat het aantal van deze als het ware ontelbaar is; +maar wij hebben getracht met overleg een keuze te doen, die een +juist denkbeeld van die mythen zal geven, en vele van de verhalen, +in dit boek zullen voor de meeste lezers wel nieuw zijn. + +Lafcadio Hearn schrijft in één van zijn brieven: "De sprookjeswereld +pakte mijn ziel weer aan, zacht en liefelijk--zooals een kind een +vlinder aanpakt", en als ook wij ons in dien geest indenken, zullen +wij reizen naar het Land der Goden, waar de groote Kobo Daishi op de +lucht en op het stroomende water, en zelfs op onze harten iets van +de tooverkracht en de poëzie van Oud Japan zal schrijven. Met Kobo +Daishi tot gids zullen wij het verrijzen van den berg Fuji bijwonen, +zullen wij wandelen in het Paleis van den Zeekoning en in het Land +der Eeuwige jeugd, zullen wij de gevechten van machtige helden +aanschouwen, luisteren naar de wijsheid van heiligen, de Hemelsche +Rivier overtrekken op een brug van vogels, en ons, als wij vermoeid +zijn, koesteren in de lange mouw van den eeuwiglachenden Jizo. + + + + +HOOFDSTUK I. HET TIJDPERK DER GODEN. + + + +In het begin. + +Volgens de overlevering waren in het eerste begin "Hemel en Aarde nog +niet gescheiden, en de _In_ en _Yo_ nog niet verdeeld." Dit doet ons +denken aan andere verhalen omtrent het ontstaan der wereld. De _In_ +en _Yo_, die overeenkomen met de Chineesche _Yang_ en _Yin_, waren +het mannelijke en het vrouwelijke beginsel. Het was voor de oude +Japansche schrijvers gemakkelijker, zich de schepping voor te stellen +in termen, die niet zeer afweken van die, waarin zij zich de schepping +voorstelden. In de Polynesische fabelleer vinden wij tamelijk wel +dezelfde opvatting, waar Rangi en Papa Hemel en Aarde voorstellen; +andere hiermede overeenkomende opvattingen worden ook gevonden in +Egyptische en andere scheppingsverhalen. In bijna alle verhalen +zien wij, hoe de mannelijke en de vrouwelijke beginsels een in het +oog loopende, en trouwens ook zeer rationeele plaats innemen. In de +_Nihongi_ wordt ons medegedeeld, dat die mannelijke en vrouwelijke +beginsels "een chaotische massa vormden als een ei, dat duister +bepaalde grenzen had en kiemen bevatte." Op een zeker oogenblik kwam +dat ei tot leven, en het zuiverder en helderder gedeelte kwam er uit +te voorschijn en vormde den Hemel, terwijl het zwaardere element zich +afzette en de Aarde werd, hetgeen vergeleken werd "bij het drijven +van een visch, die dartelt op de oppervlakte van het water." Een +geheimzinnige gedaante, die geleek op een riethalm, kwam plotseling +te voorschijn tusschen Hemel en Aarde, en veranderde even plotseling +in een God, Kuni-toko-tachi genaamd. Wij kunnen de overige goddelijke +geboorten overslaan, totdat wij komen aan de gewichtige godheden, +bekend als Izanagi en Izanami. ("De man, die uitnoodigt" en "de vrouw, +die uitnoodigt"). Hierover is een verrukkelijke mythe gesponnen. + + + +Izanagi en Izanami. + +Izanagi en Izanami stonden op de Drijvende Brug van den _Hemel_ en +zagen in den afgrond neer. Zij vroegen elkander, of er ver beneden de +groote Drijvende Brug een land gelegen was. Zij namen het besluit, +daarnaar onderzoek te doen. Om dit te doen, lieten zij een juweelen +speer neer en vonden zij den oceaan. Toen zij de speer iets optilden, +droop er water af, dat stolde en het eiland Onogoro-jima ("Plotseling +bevroren eiland") werd. + +Beide godheden daalden naar dat eiland af. Kort daarna verlangden zij +man en vrouw te worden, hoewel zij uit den aard der zaak broeder en +zuster waren; maar die bloedverwantschap is in het oosten nooit een +reden geweest, die het huwelijk belette. De godheden richtten daarom +een pilaar op het eiland op. Izanagi liep den éénen kant er omheen, +Izanami den anderen kant. Toen zij elkander tegenkwamen, zeide Izanami: +"Wat heerlijk! Ik heb een bekoorlijken jongeling ontmoet." Men zou +gedacht hebben, dat een dergelijke naïeve opmerking Izanagi genoegen +zou hebben gedaan; maar hij werd er juist erg boos over, en hij +antwoordde: "Ik ben een man, en ontleen daaraan het recht het eerst +te mogen spreken. Hoe komt het echter, dat gij, een vrouw, het eerst +hebt gesproken? Dat is ongelukkig. Laat ons nog eens rondgaan." Zoo +gingen de beide godheden opnieuw op weg. Zij ontmoetten elkander ten +tweeden male, en nu maakte Izanagi de opmerking: "Hoe heerlijk! Ik +heb een bekoorlijk meisje ontmoet." Korten tijd na dat zoo vernuftige +huwelijksaanzoek, traden Izanagi en Izanami in het huwelijk. + +Toen Izanami het leven had geschonken aan eilanden, zeeën, rivieren, +struiken en boomen, overlegde zij met haar meester en sprak zij: "Wij +hebben nu het Groote-Acht-Eiland voortgebracht met de bergen, rivieren, +kruiden en boomen. Waarom zouden wij niet iemand voortbrengen, die +de Heer van het Heelal zal zijn?" + +De wensch van die godheden werd vervuld, want op het geschikste +tijdstip werd Ama-terasu, de Godin der Zon, geboren. Zij stond bekend +als "de Hemel-Verlichtende Groote Godheid", en was zóó buitengewoon +schoon, dat haar ouders besloten, haar de Ladder des Hemels op te doen +klimmen, ten einde in de hooge lucht voor eeuwig haar schitterenden +zonneschijn op de aarde te doen stralen. + +Hun volgende kind was de Maan-God, Tsuki-yumi. Zijn zilveren glans +was niet zoo schoon als de gouden uitstraling van zijn zuster, maar +hij werd niettemin waardig geacht, haar echtgenoot te zijn. Daarop +klom ook de Maan-God de Ladder des Hemels op. Spoedig raakten zij in +twist, waarop Ama-terasu zeide: "Gij zijt een boosaardige godheid. Ik +moet u niet van aangezicht tot aangezicht zien." Daarom werden zij een +dag en een nacht van elkander gescheiden, en woonden zij afzonderlijk. + +Het volgende kind van Izanagi en Izanami was Susa-no-o ("De +Onstuimige Jongeling"). Wij zullen ons later nog met Susa-no-o en zijn +verrichtingen bezig houden en ons voor het oogenblik tevreden stellen, +onze aandacht te beperken tot zijne ouders. + +Izanami schonk ook het leven aan den God van het Vuur, Kagu-tsuchi. De +geboorte van dat kind maakte haar ernstig ziek. Izanagi knielde op +den grond, bitter weenend en vreeselijk klagend. Maar zijn smart +hielp hem niets, daar Izanami wegsloop naar het Land van Yomi (Hades). + +Haar echtgenoot kon echter zonder haar niet leven, en ging ook naar het +Land van Yomi. Toen hij haar ontdekte, zeide zij met diep leedwezen: +"Mijn heer en echtgenoot, waarom komt gij zoo laat? Ik heb reeds +gegeten van het kookfornuis van Yomi. Maar ik ben nu op het punt mij +neder te leggen om te rusten. Ik smeek u, niet naar mij te zien." + +Izanagi, door nieuwsgierigheid bewogen, weigerde aan haar wensch +te voldoen. Het was duister in het land van Yomi, daarom haalde hij +zijn kam met vele tanden te voorschijn, brak een stuk af en stak dat +aan. Het gezicht, dat hem begroette, was afgrijselijk en ontzettend +afschuwwekkend. Zijn vroeger zoo schoone vrouw was nu een gezwollen +schepsel geworden, bedekt met etterende zweren. Acht verschillende +soorten van Dondergoden rustten op haar. De Donder van het Vuur, +de Aarde en de Bergen gluurden op hem, en bulderden met ontzaglijke +stemmen. + +Izanagi verschrikte hevig en walgde van het gezicht, terwijl hij zeide: +"Ik ben geheel onverwacht naar een afzichtelijk en bezoedeld land +gekomen". Zijn vrouw antwoordde: "Waarom hebt gij ook niet in acht +genomen, wat ik u heb bevolen? Nu is schande over mij gekomen". + +Izanami was zóó verontwaardigd op haar echtgenoot, omdat hij haar +afzondering niet had geëerbiedigd, dat zij de Acht Leelijke Vrouwen +van Yomi uitzond om hem te vervolgen. Izanagi trok zijn zwaard en +vluchtte naar de duistere streken van de Onderwereld. Onder het loopen +nam hij zijn hoofddeksel af en wierp dat op den grond. Het veranderde +onmiddellijk in een tros druiven. Toen de Leelijke Vrouwen dit zagen, +bukten zij en aten van de overheerlijke, zoete vruchten. Izanami zag, +dat zij stilhielden, en achtte het daarom verstandig, haar echtgenoot +zelf te vervolgen. + +Op dit oogenblik had Izanagi den Effen Doorgang van Yomi bereikt. Daar +plaatste hij een groote rots, en kwam toevallig tegenover Izanami +te staan. Men zou waarlijk niet gedacht hebben, dat Izanagi tijdens +zulke opwindende avonturen plechtig een echtscheiding zou hebben +uitgesproken. Maar toch was dit juist wat hij toen deed. Op zijn +voorstel antwoordde zijn vrouw: "Mijn waarde meester en echtgenoot, als +gij zoo spreekt, zal ik al wat leeft in één dag worgen". Dit klagende, +maar tevens dreigende antwoord oefende in het minst geen invloed uit +op Izanagi, die onmiddellijk antwoordde, dat hij zou zorgen, dat op +één dag niet minder dan vijftien honderd wezens zouden geboren worden. + +Bovenstaand antwoord blijkt inderdaad beslissend geweest te zijn, +immers als wij weer van Izanagi hooren spreken, is hij uit het Land +van Yomi ontsnapt, en is hij een nijdige vrouw en de Acht Leelijke +Vrouwen ontloopen. Nadat hij ontsnapt was, onderwierp hij zich aan +een groot aantal afwasschingen, bij wijze van reiniging, en daaruit +werden een groot aantal godheden geboren. Wij lezen in de _Nihongi_: +"Daarna, toen Izanagi zijn goddelijke taak had volbracht en toen zijn +geestelijke loopbaan op het punt stond een verandering te ondergaan, +bouwde hij zich een sombere verblijfplaats op het eiland Ahaji, +waar hij eeuwig in stilte en afzondering in het verborgene vertoefde." + + + +Ama-terasu en Susa-no-o. + +Susa-no-o, of de "Onstuimige Jongeling", was de broeder van Ama-terasu, +de Godin der Zon. Susa-no-o was een zeer ongewenschte godheid, +en in het Rijk der Japansche Goden was hij een beslist hinderlijk +element. Zijn karakter is zeer duidelijk in de _Nihongi_ geschetst, +misschien zelfs duidelijker dan dat van eenige andere godheid, in +die oude geschriften vermeld. Susa-no-o had een ontzettend slecht +humeur, dat zich dikwijls openbaarde in een aantal wreede en onedele +handelingen. Bovendien had hij, in weerwil van zijn langen baard, de +gewoonte voortdurend te huilen en te jammeren. Als een ander kind in +een gril een stuk speelgoed zou vernielen, zou de Onstuimige Jongeling, +als hij in ziedende drift ontstoken was, zonder een oogenblik te +waarschuwen het schoone groen der bergen doen verdorren, en bovendien +een aantal menschen een ontijdigen dood doen sterven. + +Zijn ouders, Izanagi en Izanami, waren door zijn wijze van optreden +in groote zorgen; zij besloten dan ook, na ernstig met elkander te +hebben overlegd, hun weerspannigen, ongezeglijken zoon naar het land +van Yomi te verbannen. Maar Susa-no-o had ook een woordje in die zaak +mede te spreken. Hij deed het volgende verzoek met de woorden: "Ik zal +nu uwe bevelen gehoorzamen en naar het Onder-Land (Yomi) gaan. Vóór +dien tijd wensch ik echter een korten tijd naar de Vlakte van den +Hoogen Hemel te gaan en een onderhoud te hebben met mijn oudere zuster +(Ama-terasu), waarna ik voor eeuwig zal verdwijnen". Dit schijnbaar zoo +onschuldige verzoek werd hem toegestaan, en Susa-no-o steeg op naar +den Hemel. Zijn vertrek veroorzaakte een groote beweging der zee, +en de heuvelen en bergen zuchtten zwaar. Ama-terasu hoorde nu dat +leven, en toen zij bemerkte, dat daardoor de aanstaande komst van haar +slechten broeder Susa-no-o werd aangekondigd, zeide zij bij zich zelf: +"Komt mijn jongere broeder met goede bedoelingen hier? Ik denk, dat +het zijn doel is, mij van mijn koninkrijk te berooven. Volgens de +opdracht, die onze ouders hun kinderen hebben gegeven, heeft ieder +van ons zijn hem uitsluitend toegewezen gebied. Waarom dus verwerpt +hij het koninkrijk, waarheen hij zich heeft te begeven, en drijft +hij de vermetelheid zoo ver, om hier te komen spionneeren?" + +Ama-terasu maakte zich toen gereed voor den strijd. Zij bond zich +het haar in knoopen, en hing er juweelen in, en om haar polsen +"een prachtig snoer met vijfhonderd Yasaka juweelen." Zij zag +er ontzagwekkend uit, toen zij nog bovendien over haar rug een +"pijlkoker met duizend pijlen" had geslagen en bovendien een tweeden +"pijlkoker met vijfhonderd pijlen", en toen zij daarbij nog haar +armen had beschermd met een soort kussens, om het terugspringen van +de pees van den boog zooveel mogelijk te dempen. Nadat zij zich aldus +voor een doodelijken strijd had toegerust, zwaaide zij haar boog, +greep het gevest van haar zwaard, en stampte telkens hard op den +grond, totdat zij een gat had gemaakt, dat wijd genoeg was, om als +verschansing dienst te doen. + +Al die uitgewerkte en vernuftige voorbereidingen waren vergeefsch. De +Onstuimige Jongeling deed zich volkomen voor als een boeteling. "Van +het begin af", zoo sprak hij, "is mijn hart niet zoo zwart geweest. Ik +ben op het punt voor eeuwig naar het Onder-Land te vertrekken, hoe +kon ik de gedachte verdragen, om te vertrekken, zonder nog eens voor +het laatst, u, mijn oudere zuster, van aangezicht tot aangezicht +te aanschouwen? Om die reden ben ik te voet de wolken en nevelen +doorgetrokken en ben ik van verren afstand hierheen gekomen. Het +verbaast mij, dat mijn oudere zuster van haar kant een zoo strenge +en stroeve houding tegen mij aanneemt." + +Ama-terasu hoorde die opmerking niet zonder eenig wantrouwen aan. De +liefde van Susa-no-o voor zijn bloedverwanten was niet gemakkelijk +in overeenstemming te brengen met zijn wreedheid. Daarom besloot zij +zijn oprechtheid op de proef te stellen door een merkwaardige wijze +van handelen, die wij hier niet behoeven te beschrijven. Voldoende +zij het te zeggen, dat de zuiverheid van hart en de oprechtheid +van den Onstuimigen Jongeling tegenover zijn zuster glansrijk te +voorschijn kwamen. + +Maar het goede gedrag van Susa-no-o was in werkelijkheid slechts van +korten duur. Ama-terasu had juist een groot aantal voortreffelijke +rijstvelden in den Hemel gemaakt. Enkele waren kort en andere waren +lang, en Ama-terasu was terecht trotsch op die rijstvelden. Maar +nauwelijks had zij het zaad in de lente gezaaid, of Susa-no-o vernielde +de scheidingen tusschen de velden en liet in den herfst een aantal +bonte veulens los. + +Op zekeren dag, toen hij zijn zuster zag in de heilige Weef-Zaal, +terwijl zij bezig was de kleederen der Goden te weven, maakte hij +een opening in de zoldering en wierp hij een gevild paard naar +beneden. Ama-terasu was zóó verschrikt, dat zij zich bij ongeluk +aan de weversspoel bezeerde. In woede ontstoken, besloot zij haar +verblijfplaats te verlaten; haar glinsterende kleederen daarom +bijeengarend, kroop zij de blauwe lucht af, trad een grot binnen, +maakte die stevig dicht, en bleef daar in eenzaamheid achter. + +De wereld was nu in duisternis gehuld, en men kende geen wisseling +meer van dag en nacht. Toen die ontzettende ramp had plaats +gegrepen, verzamelden zich de Tachtig Myriaden Goden aan den +oever der Rivier van den Hemel, en bespraken samen, hoe zij het +best Ama-terasu konden overreden, om den Hemel weer op nieuw te +begunstigen met haar schitterende glorie. Geen mindere Godheid dan de +"Gedachten-bijeenvoegende" bracht na diepzinnig overleg een aantal +zangvogels bijeen uit het Eeuwige Land. Na een aantal tooverformulieren +met een bot van een hertepoot over een vuur van schors van een +kerseboom, vervaardigden de Godheden een aantal gereedschappen, +blaasbalgen en smidsen. Sterren werden samengesmeed om een spiegel +te vormen, en ten slotte werden edelgesteenten en muziekinstrumenten +vervaardigd. + +Toen dit alles behoorlijk voltooid was, kwamen de Tachtig Myriaden +Goden naar beneden naar de grot in de rots, waar de Zon-Godin verborgen +was, en gaven een goed bestudeerde voorstelling. Aan de bovenste +takken van den Echten Sakaki Boom hingen zij de kostbare juweelen, +en aan de middelste takken den spiegel. Aan iederen kant was er een +luid gezang van vogels, wat slechts het voorspel was van wat moest +volgen. Nu nam Uzume ("Hemelsch-verontrustende-vrouw") een speer +in haar hand, bekranst met Eulalia gras, en maakte een kapsel van +den Echten Sakaki Boom. Daarna zette zij een tobbe omgekeerd neer, +en begon op bijzonder onwelvoegelijke wijze te dansen, totdat de +Tachtig Myriaden Goden in lachen uitbarstten. + +Dergelijke merkwaardige en buitengewone handelingen wekten +natuurlijk de nieuwsgierigheid op van Ama-terasu, en zij kwam dus te +voorschijn. Op nieuw werd de wereld door haar tegenwoordigheid in +goudglans gehuld. Op nieuw hield zij verblijf in de Vlakte van den +Hoogen Hemel, en Susa-no-o werd behoorlijk gekastijd en naar het Yomi +Land verbannen. + + + +Susa-no-o en de Slang. + +Bij de gewone tegenstrijdigheid van mythen en legenden, behoeft het +ons niet te verbazen, dat nergens meer eenige melding wordt gemaakt +van het leven van Susa-no-o in het Land van Yomi. Als wij hem weer +terugzien, is het buiten eenig verband met zijn gewonen, boosaardigen +aanleg. Wij vinden hem juist terug in een rol, die de Ridders van de +Ronde Tafel waardig is. Wij zijn volkomen in onzekerheid, of zijn +plotseling optreden als dolende ridder een listige zet van zijn +kant was met het oog op latere plannen, dan wel of het plotselinge +verdwijnen van zijn zuster uit den Hemel hem er toe geleid heeft, +voor goed zijn wijze van handelen te veranderen. + +Toen Susa-no-o uit den Hemel was afgedaald, kwam hij aan de rivier +Hi, in de provincie Idzumo. Hier werd hij gestoord door een weenend +geluid. Het was iets zóó ongewoons, een ander dan hem zelf te +hooren weenen, dat hij er dadelijk op uittrok, om de oorzaak dier +droefheid op te sporen. Spoedig ontdekte hij een ouden man en een +oude vrouw. Zij hadden een jong meisje tusschen zich in, dat zij +hartelijk liefkoosden en met medelijdende oogen aanstaarden, alsof +zij haar met tegenzin een laatst vaarwel toeriepen. Toen Susa-no-o +het oude paar vroeg, wie zij waren en waarom zij zoo weeklaagden, +antwoordde de oude man: "Ik ben een Aardsche Godheid, en mijn naam +is Ashi-nadzuchi ('Voet-slag-oude'). De naam van mijn vrouw is +Te-nadzuchi ('Hand-slag-oude'). Dit meisje is onze dochter, en haar +naam is Kushi-nada-hime ('Bewonderenswaardige-Inada-Prinses'). De +reden van onze droefheid is, dat wij vroeger acht kinderen, allen +dochters, bezeten hebben; maar ieder jaar is er ééne verslonden +door een achttakkige slang, en nu nadert de tijd, dat dit meisje zal +worden verslonden. Er is geen kans voor haar, om hieraan te ontkomen, +en daarom zijn wij zoo vreeselijk bedroefd." + +De Onstuimige Jongeling luisterde met de grootste aandacht naar dit +droevige verhaal, en daar hij zag, dat het meisje bijzonder schoon +was, bood hij zich aan, om de achttakkige slang te dooden, als haar +ouders haar hem ten huwelijk wilden geven als een passende belooning +voor zijn diensten. Dit verzoek werd bereidwillig toegestaan. + +Susa-no-o veranderde nu Kushi-nada-hime in een kam met veel tanden +en stak dien in zijn haar. Daarop verzocht hij het oude echtpaar, +een ruime hoeveelheid _saké_ te brouwen. Toen de _saké_ gereed was, +goot hij het brouwsel in acht kuipen en wachtte de komst van het +vreeselijke monster af. + +Eindelijk kwam de slang. Zij had acht koppen, en oogen rooder dan +wintergroen. Bovendien had zij acht staarten, en dennen en cypressen +groeiden op haar rug. Zij had een lengte van acht heuvels en acht +valleien. Haar logge wijze van beweging was uit den aard der zaak +langzaam, maar toen zij de _saké_ ontdekte, dronk iedere kop gretig +den verleidelijken drank, totdat de slang vreeselijk dronken werd en +in slaap viel. Daar Susa-no-o toen weinig meer had te vreezen, trok +hij zijn zwaard, dat tien span groot was, en hakte hij het groote +monster in kleine stukken. Toen hij één der staarten trof, werd zijn +zwaard gekorven en toen hij zich daar overheen bukte, ontdekte hij +een zwaard, dat de Murakumo-no-Tsurugi genoemd werd. Toen hij zag, dat +het een goddelijk zwaard was, gaf hij het aan de Goden van den Hemel. + +Nadat hij zijn taak met den besten uitslag had volbracht, veranderde +Susa-no-o zijn kam met vele tanden weer in Kushi-nada-hime, en kwam +tenslotte in Suga, dat gelegen was in de provincie Idzumo, teneinde +zijn huwelijk te kunnen sluiten. Hier vervaardigde hij het volgende +gedicht: + + + "Vele wolken verrijzen, + Aan alle zijden een veelvuldige heining, + Om daarbinnen de bruiden te ontvangen, + Zij vormen een veelvuldige heining-- + O! die veelvuldige heining!" + + + _Nihongi_. + + + + +De Goddelijke Boden. + + +In die dagen ontdekten de Goden, die in de Hooge Vlakte van den Hemel +verzameld waren, dat er in het Middenland van Riet-Vlakten (Idzumo) +voortdurend rustverstoringen waren. Men verhaalt, dat "Vlakten, +de rotsen, boomstammen en grassen nog steeds het vermogen hebben te +spreken. Des nachts maken zij een geraas gelijk aan dat van vurige +vlammen; over dag dwarrelen zij heen en weer als vliegen in de vijfde +maand." Bovendien waren er enkele godheden, die aanleiding gaven tot +klachten. De Goden besloten aan die rustverstoringen een einde te +maken, en na ernstig overleg besloot Taka-mi-musubi, zijn kleinzoon +Ninigi naar beneden te zenden, om het Middenland van Riet-Vlakten te +besturen, ten einde den oproerigen geest uit te roeien en vrede en +voorspoed in het land te brengen. Het werd noodzakelijk geacht boden te +zenden, om reeds te voren den weg te effenen. De eerste afgezant was +Ama-no-ho; maar daar hij drie jaar doorbracht in dat land zonder aan +de Goden verslag te doen, werd zijn zoon in zijn plaats gezonden. Hij +handelde volkomen als zijn vader, en tartte de bevelen der Hemelsche +Goden. De derde bode was Ame-waka ("Hemel-jonge-Prins"). Ook hij +was trouweloos, in weerwil van zijn edele wapens, en in plaats van +zijn plichten te vervullen, werd hij verliefd op Shita-teru-hime +("Mindere-glans-Prinses") die hij zich tot vrouw nam. + +De verzamelde Goden waren verontwaardigd over dat vertoef, en zonden +een fazant naar beneden, om na te gaan en te onderzoeken, wat er +in Idzumo gaande was. De fazant ging zitten op een cassiaboom voor +de deur van Ame-waka. Toen Ame-waka den vogel zag, schoot hij hem +onmiddellijk dood. De pijl drong door den vogel heen, steeg op tot +de Verblijfplaats der Goden, en werd weer teruggeslingerd, zoodat +hij den trouweloozen en luien Ame-waka doodde. + +Het geween van Mindere-glans-Prinses bereikte den Hemel, immers zij +had haar echtgenoot innig lief en herkende in zijn plotselingen dood +volstrekt niet de rechtvaardige wraak der Goden. Zij weende zóó luide +en zóó hartverscheurend, dat de Hemelsche Goden haar hoorden. Een +krachtige wind daalde neer, die het lichaam van Ame-waka naar de Hooge +Vlakte van den Hemel heendreef. Een doodenhuis werd gemaakt, waarin de +overledene gelegd werd. Gedurende acht dagen en acht nachten weerklonk +het gejammer en het geween. De wilde gans in de rivier, de reiger, +de ijsvogel, de musch en de fazant treurden met groote droefenis. + +Het geschiedde nu, dat een vriend van Ame-waka, Aji-shi-ki genaamd, +de treurige klaagliederen hoorde, die van den Hemel neerdaalden. Hij +betuigde daarom zijn deelneming in de droefenis. Hij geleek echter +zóózeer op den overledene, dat de ouders, bloedverwanten, vrouw en +kinderen van Ame-waka, toen zij hem zagen, uitriepen: "Onze heer is +nog in leven!" Dit hinderde Aji-shi-ki zóó zeer, dat hij zijn zwaard +trok en het doodenhuis neerhaalde, zoodat het op de Aarde neerviel +en de berg Moyama werd. + +Men zegt, dat het licht, dat Aji-shi-ki uitstraalde, zóó schitterend +was, dat het de oppervlakte van twee heuvels en twee valleien +verlichtte. Zij, die voor de lijkplechtigheden bijeengekomen waren, +zongen het volgende gezang: + + + "Zooals het snoer juweelen + Gedragen om den hals + Der Wevende maagd, + Die in den Hemel woont-- + O! de glans der juweelen, + Over twee valleien geworpen + Door Aji-suki-taka-hiko-ne!" + + "Naar den vijver ter zijde-- + Den vijver ter zijde + Van den rotsigen stroom, + Welks geulen worden doortrokken + Door de landmeisjes + Ver van den Hemel, + Kom hierheen, kom hierheen! + (De vrouwen zijn schoon) + En spreid dan uw net + In den vijver ter zijde + Van den rotsigen stroom." + + + _Nihongi_. + +Er werden toen weer twee andere goden naar het Middenland van +Riet-Vlakten gezonden, en die Goden slaagden in hun zending. Zij +keerden met een gunstig verslag naar den Hemel terug, en deelden mede, +dat alles nu gereed was voor de komst van het Verheven Kleinkind. + + + +De komst van het Verheven Kleinkind. + +Ama-terasu begiftigde haar kleinzoon Ninigi, of Prins +Rijst-Aar-Rossig-Overvloed, met ruime giften. Zij schonk hem kostbare +steenen van de bergtrappen des Hemels, witte kristallen ballen, en, wat +de kostbaarste gift van alle was, het goddelijke zwaard, dat Susa-no-o +in de slang had ontdekt. Zij gaf hem eveneens den sterrenspiegel, +waarin zij gekeken had, toen zij uit haar grot gluurde. Verschillende +godheden vergezelden Ninigi, en daaronder was ook die opgewekte, +vroolijke en dansende maagd Uzume begrepen, wier dansen, zooals men +zich zal herinneren, de Goden zooveel vreugde had verschaft. + +Ninigi en zijn metgezellen waren nauwelijks door de wolken +heengebroken, en aan den Weg naar den Hemel met zijn acht vertakkingen +gekomen, toen zij tot hun groote ontsteltenis een reusachtig wezen +ontdekten, met groote en helder schijnende oogen. Zijn uiterlijk +was zóó schrikwekkend, dat Ninigi en al zijn metgezellen, met +uitzondering van de vroolijke en betooverende Uzume, zich opmaakten +om terug te keeren en hun zending in den steek te laten. Maar Uzume +ging naar den reus toe en vroeg hem, wie het was, die hun tocht durfde +tegenhouden. De reus antwoordde: "Ik ben de Godheid der Veldwegen. Ik +kom mijn hulde bieden aan Ninigi, en verzoek de eer te mogen hebben, +hem tot gids te strekken. Keer naar uw meester terug, o schoone Uzume, +en breng hem de boodschap over." + +Uzume keerde daarop terug en bracht haar boodschap over aan de Goden, +die op zoo lafhartige wijze teruggeweken waren. Toen zij het goede +nieuws hoorden, verheugden zij zich zeer, braken ten tweede male +door de wolken heen, rustten uit op de Drijvende Brug van den Hemel, +en bereikten eindelijk den top van Takachihi. + +Het Verheven Kleinkind reisde, met de Godheid der Veldwegen als gids, +van het ééne deel van het rijk waarover hij zou regeeren, naar het +andere. Toen hij een bijzonder liefelijke plaats had bereikt, bouwde +hij een paleis. + +Nigini was zóó ingenomen met den dienst, dien de God der Veldwegen +hem had bewezen, dat hij dien reus de vroolijke Uzume tot vrouw gaf. + +Nadat Nigini op zoo romantische wijze zijn trouwen gids had beloond, +begon hij ook zelf het ontbranden van het liefdevuur in zijn borst te +voelen, toen hij op zekeren dag, op een wandeling langs de kust een +bijzonder lieftallig meisje zag. "Wie zijt gij, o schoone dame?" vroeg +Ninigi. Zij antwoordde: "Ik ben de dochter van den Bezitter van den +Grooten Berg. Mijn naam is Ko-no-Hana, de Prinses die de Bloemen en +Boomen doet bloeien." + +Ninigi werd verliefd op Ko-no-Hana. Met allen spoed ging hij naar +haar vader, Oho-yama, en verzocht dezen, hem wel haar hand te willen +schenken. + +Oho-yama had een oudere dochter, Iha-Naga, Prinses +Lang-als-de-Rotsen. Zooals haar naam doet vermoeden, was zij volstrekt +niet schoon, maar haar vader wenschte, dat de kinderen van Ninigi +eeuwig zouden blijven leven zooals de rotsen. Daarom bracht hij zijn +beide dochters naar Ninigi, en sprak hij de hoop uit, dat de keuze van +den minnaar op Iha-Naga zou vallen. Evenals Asschepoester, en niet +haar leelijke zusters, bij de kinderen van onze streken geliefd is, +zoo bleef ook Ninigi trouw aan zijn oorspronkelijke keuze, en wilde +zelfs geen blik slaan op Iha-Naga. Deze veronachtzaming maakte Prinses +Lang-als-de-Rotsen vreeselijk boos. Zij riep met meer heftigheid dan +bescheidenheid uit: "Als gij mij hadt gekozen, zoudt gij en uw kinderen +lang in het land hebben geleefd. Nu gij mijn zuster hebt gekozen, +zult gij met de uwen even snel omkomen als de bloesems der boomen, +en even snel als de jeugdige frischheid op het gelaat van mijn zuster." + +Toch leefde Ninigi en Ko-no-Hana een tijdlang samen gelukkig; maar +op zekeren dag werd Ninigi door jaloerschheid bevangen, waardoor hij +zijn gemoedsrust verloor. Hij had geen enkele reden, jaloersch te +zijn, en Ko-no-Hana nam hem zijn optreden ten hoogste kwalijk. Zij +trok zich terug in een houten hut, die zij in brand stak. Uit de +vlammen verrezen drie kleine jongens. Wij behoeven ons alleen maar +bezig te houden met twee van hen--Hoderi ("Schijnend-Vuur") en Hoori +("Uitdoovend-Vuur"). Zooals wij later zullen zien, was Hoori de +grootvader van den eersten Mikado van Japan. + + + + +In het Paleis van den Zeegod. + +Hoderi was een groot visscher, terwijl zijn jongere broeder, Hoori, +een volleerd jager was. Op zekeren dag riepen zij uit: "Laat ons bij +wijze van proef onze gaven omruilen." Dit deden zij, maar de oudste +broeder, die zeer goed visch kon vangen, kwam thuis zonder eenig wild, +toen hij op de jacht was getrokken. Hij gaf dus den boog en de pijlen +terug, en vroeg zijn broeder om den vischhaak. Het ongeluk wilde +echter, dat Hoori den vischhaak van zijn broeder had verloren. Het +edelmoedige aanbod, om een nieuwen haak te geven, werd met minachting +geweigerd. Hij weigerde eveneens, een boordevollen bak met vischhaken +aan te nemen. De oudere broeder antwoordde op dit aanbod: "Onder +deze haken zie ik niet mijn ouden vischhaak; hoewel er heel wat zijn, +wil ik ze niet hebben." + +Hoori nu was diep bedroefd over de norschheid van zijn broeder; +daarom ging hij naar het strand der zee en gaf daar uiting aan zijn +droefheid. Een vriendelijke oude man, Shiko-tsutsu no Oji genaamd +("Zoute-zee-oude"), zeide: "Waarom treurt gij hier?" Toen hij het +droeve verhaal had vernomen, antwoordde de oude man: "Treur niet +langer. Ik zal die zaak voor u in orde brengen." + +Getrouw aan zijn belofte, maakte de oude man een mand, zette +Hoori daarin, en deed die in zee zinken. Toen Hoori diep in het +water was neergedaald, kwam hij aan een liefelijk strand, dat rijk +was aan verschillende soorten zeegras van de meest fantastische +vormen. Hier liet hij de mand achter en kwam eindelijk aan het Paleis +van den Zeegod. Dit paleis maakte een ontzaglijken indruk. Het had +kasteelen, kleine torentjes en statige torens. Een bron stond aan +de deur, en boven die bron stond een cassiaboom. Hier bleef Hoori +in de heerlijke schaduw vertoeven. Hij had daar niet lang gestaan, +toen een schoone vrouw te voorschijn trad. Toen zij op het punt was, +water te scheppen, hief zij haar oogen op, zag den vreemdeling en +vertrok weer onmiddellijk met groote ontsteltenis, om haar vader en +moeder te vertellen, wat zij gezien had. + +De Zeegod maakte, toen hij het bericht vernam, een "achtvoudig +kussen" en leidde den vreemdeling naar binnen met de vraag, waaraan +hij de eer van zijn tegenwoordigheid te danken had. Toen Hoori hem +het droevige verlies mededeelde van den vischhaak van zijn broeder, +verzamelde de Zeegod alle visschen van zijn Koninkrijk, "zoowel die met +breede, als die met smalle vinnen". En toen de duizenden en duizenden +visschen verzameld waren, vroeg hen de Zeegod, of zij iets afwisten +van den verloren vischhaak. "Wij weten er niets van", antwoordden de +visschen. "Alleen de Roode-vrouw (de _tai_) had eenigen tijd geleden +een zeeren mond, en zij is niet verschenen." Daarop werd zij ontboden, +en toen haar mond werd geopend, werd de verloren vischhaak ontdekt. + +Hoori trouwde daarop met de dochter van den Zeegod, Toyo-tama +("Rijk-Juweel"), en zij leefden samen in het paleis onder de +zee. Gedurende drie jaren ging alles best, maar daarna kreeg Hoori +heimwee, en wilde hij zoo gaarne een blik slaan op zijn land, +misschien ook herinnerde hij zich, dat hij den vischhaak nog aan +zijn broeder moest teruggeven. Deze volstrekt niet onnatuurlijke +gedachten verontrustten het hart van de liefhebbende Toyo-tama, en +zij ging naar haar vader, om hem de reden van haar droefheid mede te +deelen. Maar de Zeegod, die altijd wellevend en hoffelijk was, nam +het gedrag van zijn schoonzoon volstrekt niet kwalijk. Integendeel, +hij gaf hem den vischhaak en zeide: "Als gij dezen vischhaak aan uw +ouderen broeder geeft, zeg dan tegen dien vischhaak heimelijk: 'Een +ongelukkige vischhaak!'" Evenzoo schonk hij Hoori den Juweel van het +Stijgende Water en dien van het Vallende Water en zeide: "Als gij den +Juweel van het Stijgende Water onderdompelt, zal het water plotseling +wassen, en zult gij uw ouderen broeder onder water doen zinken. Maar +voor het geval uw oudere broeder berouw heeft en vergiffenis vraagt, +zal, als gij den Juweel van het Vallende Water onderdompelt, het +water plotseling dalen, en zult gij hem dus redden. Indien gij hem +op die manier bejegent, zal hij zich uit eigen beweging onderwerpen." + +Juist toen Hoori op het punt stond te vertrekken, kwam zijn vrouw bij +hem en deelde hem mede, dat zij hem spoedig een kind zou schenken. Zij +zeide: "Op een dag, waarop de winden en de golven woeden, zal ik +vast en zeker naar het strand der zee komen. Bouw voor mij een huis, +en wacht daar op mij." + + + + +Hoderi en Hoori verzoenen zich. + +Toen Hoori zijn eigen huis bereikte, vond hij zijn ouderen broeder +weer, die zijn beleediging erkende en om vergiffenis smeekte, welke +hem gaarne werd verleend. + +Toyo-tama en haar jongere zuster trotseerden dapper de winden en +golven en kwamen aan het strand der zee. Daar had Hoori een hut +gebouwd, gedekt met veeren van den vischdief, en daar schonk zij op +den juisten tijd het leven aan een zoon. Toen Toyo-tama haar meester +met kroost had gezegend, veranderde zij in een draak en gleed zij +weer in zee terug. De zoon van Hoori huwde met zijn tante, en werd +de vader van vier kinderen, van wie één Kamu-Yamato-Iware-Biko was, +van wien men verhaalt, dat hij de eerste menschelijke Keizer van +Japan was, thans bekend onder den naam van Jimmu Tenno. + + + + +HOOFDSTUK II. HELDEN EN KRIJGSLIEDEN. + + + +Yorimasa. + +Langen tijd geleden werd een zekere keizer ernstig ziek. Hij kon des +nachts niet slapen, het gevolg van een afschuwelijk en onverklaarbaar +geluid, dat hij hoorde, en dat afkomstig was van het dak van het +paleis, dat de Purperen Zaal van de Noordster heette. Een groot +aantal van zijn hovelingen besloten op de loer te gaan liggen, +teneinde dien vreemden nachtelijken bezoeker op te wachten. Zoodra +de zon onderging, ontdekten zij, dat een donkere wolk opsteeg aan den +oostelijken horizon, en neerkwam op het dak van het paleis. Zij, die +de wacht hielden in het keizerlijk slaapvertrek, hoorden bijzondere +krabbelende geluiden, alsof dat wat oorspronkelijk een wolk scheen +te zijn, plotseling veranderd was in een beest met reusachtige en +krachtige klauwen. Nacht op nacht kwam de vreeselijke bezoeker, +en nacht op nacht werd de keizer hoe langer hoe zieker. Eindelijk +nam zijn ziekte zóózeer toe, dat allen, die in zijn dienst waren, +duidelijk zagen, dat de keizer zeker zou sterven, als niet iets kon +gedaan worden, om dat monster te verdelgen. + +Eindelijk werd uitgemaakt, dat Yorimasa de eenige ridder in het rijk +was, die dapper genoeg was, om Zijne Majesteit te verlossen van die +ontzettende beproeving. Yorimasa maakte dan ook met zorg gekozen +voorbereidselen voor den strijd. Hij nam zijn besten boog en zijn +beste pijlen met stalen punten, trok zijn wapenrusting aan, waarover +hij een jachtkleed droeg, en zette een deftige muts op in plaats van +zijn gewonen helm. + +Tegen zonsondergang legde hij zich buiten in een hinderlaag. Terwijl +hij daar afwachtte, wat zou geschieden, ratelde de donder boven zijn +hoofd, flikkerde de bliksem in de lucht en loeide de wind als een +bende woeste demonen. Maar Yorimasa was een dapper man, en de woede der +elementen ontmoetigde hem niet in het minst. Toen het middernacht werd, +zag hij hoe een zwarte wolk door de lucht heenvloog, en zich nederzette +op het dak van het paleis. Zij bleef liggen op den noordoostelijken +hoek. Nog eens flikkerde de bliksem in de lucht, en nu zag hij de +flikkerende oogen van een ontzaglijk dier. Na de juiste plaats van dit +vreemde monster met zorg te hebben vastgesteld, spande hij zijn boog, +totdat deze even rond was als de volle maan. In een volgend oogenblik +trof zijn pijl met stalen punt het doel. Er werd een vreeselijk +gebrul van woede gehoord, en daarna een vreeselijke smak, toen het +ontzaglijke monster van het dak van het paleis op den grond viel. + +Yorimasa en zijn makker holden vooruit en doodden het monster, dat +zij vóór zich zagen. Dat groote monster van den nacht was zoo groot +als een paard. Het had den kop van een aap, en zijn lichaam en zijn +klauwen waren als die van een tijger, terwijl het den staart had van +een slang en de vleugels van een vogel en de schubben van een draak. + +Het is niet te verwonderen, dat de keizer bevel gaf, dat de huid van +dat monster ten eeuwigen dage als een merkwaardigheid in de keizerlijke +schatkamer moest worden bewaard. Van het oogenblik af, dat het monster +dood was, verbeterde de gezondheid van den keizer snel, en Yorimasa +werd voor zijn diensten beloond door de aanbieding van een zwaard, +Shishiwo genaamd, wat beteekent "de Koning der Leeuwen". Hij kreeg +bovendien een hoogeren rang aan het Hof, en huwde ten slotte de Edele +Ayame, de schoonste der hofdames aan het Keizerlijke Hof. + + + + +Yoshitsune en Benkei. + +Wij kunnen Yoshitsune vergelijken met den Zwarten Prins of Hendrik +V, en Benkei met Little John, Will Scarlet en Friar Tuck [4] in één +vereenigd. Yoshitsune zou een zeer bijzondere held genoemd kunnen +worden, als niet zijn getrouwe wapendrager, Benkei, eveneens in de +Japansche geschiedenis en legende een rol had gespeeld. Maar thans +zijn wij gedwongen toe te geven, dat Benkei verreweg de grootste +held was. Hij stak niet alleen in lichaamsbouw boven zijn makkers +uit, maar hij overtrof zijn broederen ook in dapperheid, slimheid, +redzaamheid, en bovendien in bewonderenswaardige teederheid van +gemoed. Hier had men een man, die met het grootste gemak honderd +man kon verslaan, en met dezelfde rustige zekerheid de Buddhistische +geschriften kon verklaren. Hij kon over Yoshitsune weenen, toen hij +het om strategische overwegingen noodig achtte, hem hard te slaan +en kon met oneindige teederheid hulp verleenen, toen de vrouw van +zijn meester het leven schonk aan een zoon. Er was nog een andere +trek in het wisselende karakter van Benkei--zijn lust, om er iemand +in te laten loopen. De geschiedenis met den bel van Miidera [5] kan +tot bewijs hiervoor gelden, en evenzoo het rijke feest op kosten van +een aantal priesters; maar als hij iemand er in had laten loopen, +aarzelde hij nooit ten volle het gelag te betalen. Benkei merkte +bij zekere gelegenheid op: "Als er geloot moet worden, zorgt mijn +meester er wel voor, dat ik het kind van de rekening ben." Dit was +ongetwijfeld waar. Benkei stelde er altijd een eer in, het vuile werk +te doen, en als zijn meester hem vroeg, iets voor hem te verrichten, +was Benkei's eenige klacht, dat de taak niet zwaar genoeg was, hoewel +die taak in den regel werkelijk zóó gevaarlijk was, dat zij een dozijn +minder begaafde helden zou hebben vrees aangejaagd. + +Het verhaal zegt, dat Benkei reeds bij zijn geboorte lang haar had +en een volledig stel tanden, en dat hij bovendien zoo snel kon loopen +als de wind. Benkei was te forsch voor een gewoon Japansch huis. Als +hij het aanbeeld van Jinsaku sloeg, zonk dat nuttige voorwerp diep in +de aarde, en als brandhout droeg hij een grooten pijnboom aan. Toen +Benkei zeventien jaar oud was, werd hij priester in een Buddhistischen +tempel; maar dit belette hem niet, een schoone jonge maagd, Tamamushi +genaamd, op opzienbarende wijze te schaken. Wij zien onzen held zich +spoedig losbreken uit het priesterschap en uit de liefde, en zijn +volle aandacht wijden aan de opwekkende avonturen van een krijgsman, +die buiten de wet stond. Wij moeten hem hiervoor een korten tijd in +den steek laten, en eerst de geschiedenis verhalen van Yoshitsune, +ten einde duidelijk te maken, hoe hij het groote geluk had, Benkei +te ontmoeten en zich van diens hulp en vriendschap te verzekeren tot +aan zijn dood. + + + +Yoshitsune en de Taira. + +De vader van Yoshitsune, Yoshitomo, was gesneuveld in een grooten +slag tegen de Taira. In dien tijd was de Taira-stam oppermachtig, +en zijn wreede aanvoerder, Kiyomori, deed alles wat hij kon, om de +kinderen van Yoshitomo uit den weg te ruimen. Maar de moeder van +die kinderen, Tokiwa, vluchtte naar een schuilplaats, waarheen zij +ook haar kleinen medevoerde. Met karakteristieken Japanschen moed +stemde zij er eindelijk in toe, de vrouw te worden van den gehaten +Kiyomori. Zij deed dit, omdat dit de eenige was, om het leven van haar +kinderen te sparen. Het werd haar geoorloofd, Yoshitsune bij zich +te houden, en dagelijks fluisterde zij hem toe: "Gedenk uw vader, +Minamoto Yoshitomo! Word krachtig en wreek zijn dood, want hij is +gestorven door de hand der Taira." + +Toen Yoshitsune zeven jaar oud was, werd hij naar een klooster +gezonden, om als monnik te worden opgeleid. Hoewel hij ijverig was in +zijn studies, bewaarde de jonge knaap voortdurend de onverschrokken +woorden van zijn dappere, zelfopofferende moeder in zijn hart. Zij +wekten hem op en bezielden hem tot daden. Hij placht naar een bepaalde +vallei te gaan, waar hij zijn klein houten zwaard zwaaide, en onder het +zingen van gedeelten uit krijgszangen, uitviel tegen rotsen en steenen, +in de hoop, dat hij in de toekomst een groot krijgsman mocht worden, +en al de rampen en ongerechtigheden die door den Taira-stam op zijn +familie waren opgehoopt, kon wreken en goedmaken. + +In zekeren nacht werd hij, terwijl hij daarmede bezig was, door +een hevige onweersbui overvallen, en zag hij een ontzaglijken reus +vóór zich met een langen rooden neus en groote fonkelende oogen, +met klauwen als van een vogel, en gevederde vleugels. Terwijl hij +dapper stand hield, deed Yoshitsune navraag, wie die reus was, en werd +hem medegedeeld, dat het de Koning der Tengu was--dat wil zeggen, +de Koning der kaboutermannetjes uit de bergen, levendige wezentjes, +die zich herhaaldelijk bezig hielden met allerlei fantastische streken. + +De Koning der Tengu was Yoshitsune zeer vriendelijk gezind. Hij zeide, +dat hij zijn volharding bewonderde, en deelde hem mede, dat hij voor +hem was verschenen met de vriendelijke bedoeling, hem alles te leeren, +wat op het gebied der krijgskunde kon worden geleerd. Het onderwijs +vorderde op de meest bevredigende wijze, en het duurde niet lang, +of Yoshitsune kon minstens twintig kleine _tengu_ overwinnen, en die +groote vlugheid kwam Yoshitsune goed te pas, zooals wij verder in +dit verhaal zullen zien. + +Toen nu Yoshitsune vijftien jaar oud was, hoorde hij dat op den +berg Hiei een bijzonder woeste _bonze_ (priester) leefde, Benkei +genaamd. Benkei had een tijd lang ridders belaagd, die de Gojo Brug van +Kyoto overtrokken. Zijn wensch was, duizend zwaarden te bemachtigen, +en hij was zóó dapper, en tevens zulk een schurk, dat hij op ridders +niet minder dan negenhonderd negen en negentig zwaarden op onwettige +wijze had veroverd. Toen het bericht hiervan de ooren van Yoshitsune +had bereikt, besloot hij van het onderwijs van den Koning der Tengu een +goed gebruik te maken, om dien Benkei te dooden, ten einde op die wijze +hem, die de schrik van het land was geworden, onschadelijk te maken. + +Op zekeren avond trok Yoshitsune op weg, en ten einde den schijn +aan te nemen van volkomen onverschilligheid, speelde hij op de +fluit, totdat hij de Gojo Brug had bereikt. Onmiddellijk zag hij +een reusachtigen man op hem afkomen, in een zwarte wapenrusting, +die niemand anders was dan Benkei. Toen Benkei den jongeling zag, +beschouwde hij het als beneden zijn waardigheid, iemand aan te vallen, +die hem een zwakkeling voorkwam, een droomer, die voortreffelijk kon +fluitspelen, en ongetwijfeld ook een mooi gedicht kon vervaardigen op +de maan, die toen juist aan den hemel scheen, maar die volstrekt geen +krijgsman was. Die beleediging maakte Yoshitsune vreeselijk woedend, +en plotseling stootte hij de hellebaard van Benkei uit zijn hand. + + + +Yoshitsune en Benkei vechten. + +Benkei slaakte een kreet van woede, en sloeg er met zijn wapen in het +wilde op los. Maar de vlugheid, die hij van den Koning der _tengu_ +had geleerd, kwam Yoshitsune zeer te stade. Hij sprong van den éénen +naar den anderen kant, van voren naar achteren, en weer terug van +achteren naar voren, terwijl hij den reus met menige grap voor den +gek hield en telkens in een vroolijk gelach uitbarstte. Het wapen +van Benkei zwaaide voortdurend rond en trof nu eens de lucht, dan +weer de grond, maar raakte nooit zijn tegenstander. + +Eindelijk werd Benkei moede, en weder sloeg Yoshitsune de hellebaard +uit de hand van den reus. Toen Benkei trachtte zijn wapen weder op te +nemen, wist Yoshitsune hem een beentje te lichten, zoodat hij op handen +en voeten kwam te staan; de held besteeg nu met een triomfkreet den +tijdelijk viervoetigen Benkei. De reus was stom verbaasd over zijn +nederlaag, en toen hij hoorde, dat de overwinnaar niemand anders +was dan de zoon van den Edelen Yoshitomo, nam hij niet alleen zijn +nederlaag op waardige wijze op, maar verzocht hij, of hij van nu af +aan in den dienst mocht treden van den jeugdigen overwinnaar. + +Van dien tijd af vinden wij de namen van Yoshitsune en Benkei +steeds samen verbonden, en in al de verhalen van krijgslieden, +hetzij in Japan, hetzij elders, was er nooit een dapperder en meer +eensgezinde verbinding van kracht en vriendschap. Wij lezen, hoe +talrijke overwinningen zij op de Taira behaalden, en hoe zij hen naar +zee dreven, waar deze dan bij Dan-no-ura ontkwamen. + +Wij kennen nog een tweede legende in verband met Dan-no-ura. Yoshitsune +en zijn trouwe makker maakten zich gereed, in een schip van de +provincie Settsu over te steken naar Saikoku. Toen zij Dan-no-ura +bereikten, stak een vreeselijke storm op. Geheimzinnige stemmen +kwamen uit de zich opstapelende golven, een verwijderde echo van +wapengekletter, van voortsnellende schepen en het suizen van pijlen, +van het neervallen van duizend manschappen. Het geraas werd al luider +en luider, en uit de opgezweepte, schuimende koppen van de golven +verrees een spookachtige troep van den Taira-stam. Hun wapenrusting was +gescheurd en met bloed bevlekt, en zij staken hun wasemige armen uit, +terwijl zij trachtten de boot tegen te houden, waarin Yoshitsune en +Benkei voeren. Het was een spookachtige herinnering aan den slag bij +Dan-no-ura, toen de Taira een vreeselijke en onherstelbare nederlaag +hadden geleden. Toen Yoshitsune dien grooten spookachtigen troep +zag, riep hij om wraak, zelfs op de schimmen der gedoode Taira; maar +Benkei, die steeds listig en voorzichtig was, verzocht zijn meester, +zijn zwaard neer te leggen, en nam een rozenkrans ter hand en zeide +een aantal Buddhistische gebeden op. Over den troep geesten daalde +vrede neer, het gejammer hield op, en geleidelijk verdwenen zij weder +in de zee, die daarna kalm werd. + +De legende verhaalt ons, dat visschers nog altijd van tijd tot tijd +schimmenlegers uit zee zien oprijzen, die jammerklachten uiten en +met hun armen zwaaien. Men zegt, dat de kreeften met gevlekten rug de +schimmen zijn der Tairastrijders. Wij zullen later een andere legende +behandelen, die in verband staat met die ongelukkige geesten, die het +nooit moede worden, het tooneel van hun nederlaag weer op te zoeken. + + + +De Booze Geest van Oyeyama. + +Tijdens de regeering van Keizer Ichijo waren er in Kyoto een aantal +verhalen in omloop met betrekking tot een boozen geest, die op +den Berg Oye woonde. Die booze geest kon verschillende gedaanten +aannemen. Somtijds verscheen hij als een menschelijk wezen, en drong +heimelijk in Kyoto binnen, waar hij uit menig huis teer geliefde zonen +en dochters wegrukte. Hij nam die jongelingen en meisjes mede naar zijn +vesting op den berg, en--het is droevig te verhalen--na met hen den +spot te hebben gedreven, richtte hij met zijn makkers een groot feest +aan en verslond daar die arme jongelieden. Zelfs het onschendbare +Hof was niet beveiligd tegen die vreeselijke gebeurtenissen en op +zekeren dag verloor Kimitaka zijn schoone dochter. Zij was door den +Koning der Booze Geesten, Shutendoji, weggeroofd. + +Toen dit treurige nieuws de ooren van den Keizer bereikte, riep hij +zijn Raad te zamen, en overlegde hij, hoe zij dit vreeselijke monster +zouden kunnen dooden. Zijne Majesteit hoorde van zijn ministers, dat +Raiko een onverschrokken ridder was, en daarom raadden zij hem aan, +dat deze met enkele makkers op dit gevaarlijke maar eervolle avontuur +zoude worden uitgezonden. + +Raiko koos dus vijf metgezellen, en vertelde hen wat bevolen was, +en wel, dat zij een avontuurlijke reis moesten ondernemen, en +den Koning der Booze Geesten moesten dooden. Hij legde hun uit, +dat geslepenheid bij de uitvoering van hun plan zeer noodig was, +indien zij hoopten hun taak naar behooren te volbrengen, en dat het +verstandig zou zijn, zich te vermommen als priesters van het gebergte, +en hun wapenrusting en wapenen op hun rug te dragen, voorzichtig +verborgen in ransels, die geen achterdocht zouden wekken. Voordat +zij op weg gingen, trokken twee der ridders, om te bidden, naar den +tempel van Hachiman, den Oorlogsgod, twee naar het altaar van Kwannon, +de Godin der Barmhartigheid, en twee naar den tempel van Gongen. + +Toen de ridders gebeden hadden, dat hun onderneming mocht gezegend +worden, aanvaardden zij hun reis en bereikten na verloop van tijd +de provincie Tamba, terwijl zij onmiddellijk den berg Oye tegenover +zich zagen. De Booze Geest had zeker den vreeselijksten der bergen +gekozen. Machtige rotsen en groote donkere bosschen belemmerden hun +den weg in iedere richting, terwijl bijna bodemlooze afgronden zich +aan hen voordeden, waar die het minst verwacht werden. + +Toen de dappere ridders juist eenigszins moedeloos begonnen te +worden, verschenen plotseling drie oude mannen vóór hen. Het eerste +oogenblik werden deze nieuwe bezoekers met achterdocht aangezien, +maar later met de grootste vriendelijkheid en dankbaarheid. Die oude +mannen waren niemand minder dan de drie godheden, tot wie de ridders +gebeden hadden, voordat zij hun tocht aanvaardden. De oude mannen +boden Raiko een kruik met tooversaké aan, Shimben-Kidoku-Shu genaamd +("een hartsterking voor menschen, maar vergif voor booze geesten"), +en raadde hen aan, Shutendoji door een krijgslist er toe te bewegen +er van te drinken, waarna hij onmiddellijk verlamd zou worden en een +gemakkelijker prooi zou zijn voor zijn vijanden. Nauwelijks hadden +de oude mannen tooversaké gegeven en hun kostbaren raad daaraan +toegevoegd, of een wonderbaarlijk licht schitterde om hen heen, +terwijl zij in de wolken verdwenen. + +Raiko en zijn paladijnen beklommen, zeer verblijd met hetgeen geschied +was, verder den berg. Toen zij aan een stroom gekomen waren, zagen zij +daar een schoone vrouw, die bezig was een met bloed bevlekt gewaad +in het stroomende water te wasschen. Zij weende bitter, en wischte +haar tranen af met de lange mouw van haar _kimono_. Toen Raiko vroeg, +wie zij was, vertelde zij hem, dat zij een prinses was, en één der +ongelukkige gevangenen van den Koning der Booze Geesten. Toen men +haar had medegedeeld, dat het niemand anders was dan de groote Raiko, +die vóór haar stond, en dat hij en de andere ridders gekomen waren +om het afschuwelijke bergmonster te dooden, was zij onuitsprekelijk +verheugd, en voerde ten slotte den kleinen troep naar een groot paleis +van zwart ijzer, terwijl zij de schildwachten om den tuin leidde door +hen te zeggen, dat haar volgelingen arme priesters van den berg waren, +die een tijdelijke schuilplaats zochten. + +Nadat zij door lange gangen waren geloopen, kwamen Raiko en zijn +volgelingen in een reusachtige zaal. Aan het ééne uiteinde zat de +schrikwekkende Koning der Booze Geesten. Hij had een reusachtige +gestalte, met een helderroode huid en een massa wit haar. Toen Raiko +hem onderdanig mededeelde, wie zij waren, noodigde de Koning, terwijl +hij zijn vreugde verborg, hen uit plaats te nemen, en deel te nemen +aan den feestmaaltijd, die juist zou worden voortgezet. Daarop klapte +hij in zijn roode handen, en onmiddellijk kwamen een aantal schoone +meisjes binnenrennen met een overvloed van spijs en drank, en toen +Raiko haar aandachtig gadesloeg, begreep hij, dat zij eertijds in +gelukkige woningen in Kyoto hadden gewoond. + +Toen het feest in vollen gang was, haalde Raiko de kruik met de +tooversaké voor den dag, en verzocht den Koning der Booze Geesten +beleefd er van te proeven. Het monster dronk zonder aarzelen en zonder +eenig kwaad vermoeden een weinig van de saké, en vond die zóó lekker, +dat hij nog om een tweeden beker vroeg. Alle booze geesten dronken +van den tooverwijn, en terwijl zij dronken, dansten Raiko en zijn +metgezellen. + +De tooverdrank begon zijn werking te doen gevoelen. De Koning zelf +werd slaperig, totdat eindelijk hij en de andere booze geesten in +een diepen slaap vielen. Toen sprong Raiko overeind, en hij en zijn +makkers trokken snel hun wapenrusting aan en maakten zich gereed +voor den strijd. Ten tweeden male verschenen hem de drie godheden, +en zeiden tot Raiko: "Wij hebben de handen en voeten van den Boozen +Geest stevig gebonden, zoodat gij niets te vreezen hebt. Terwijl +de overige ridders zijn ledematen afhakken, moet gij hem het hoofd +afsnijden; dood daarna de overige _eni_, (booze geesten) en uw taak +zal volbracht zijn." Daarna verdwenen die goddelijke wezens plotseling. + + + +Raiko doodt den Boozen Geest. + +Raiko en de overige ridders naderden voorzichtig den slapenden Koning +der Booze Geesten met getrokken zwaarden. Met een reusachtigen zwaai +kwam het wapen van Raiko krakend neer op den nek van den Boozen +Geest. Nauwelijks was het hoofd van den romp gescheiden, of het vloog +in de lucht, terwijl rook en vuur uit zijn neusgaten spoten en den +dapperen Raiko brandden. Ten tweeden male viel hij met zijn zwaard +uit, en nu viel het afschuwelijke hoofd op den grond en bewoog zich +niet meer. Het duurde niet lang, of de dappere ridders hadden ook de +volgelingen van den Boozen Geest gedood. + +In een blijde stoet trokken zij uit het groote ijzeren paleis. De vijf +makkers van Raiko droegen het monsterachtige hoofd van den Koning, +en die afzichtige stoet werd gevolgd door een lange rij van gelukkige +meisjes, die eindelijk verlost waren uit haar vreeselijke gevangenis, +en er zich in verheugden weer te wandelen in de straten van Kyoto. + + + +De Tooverspin. + +Korten tijd nadat de gebeurtenis, hierboven geschetst, had plaats +gegrepen, werd de dappere Raiko ernstig ziek, en hij was genoodzaakt +zijn kamer te houden. Omstreeks middernacht bracht hem steeds een +kleine jongen een geneesmiddel. De jongen was aan Raiko niet bekend, +maar daar hij zulk een grooten stoet bedienden had, wekte dit in het +begin geen argwaan op. Raiko werd echter erger, in plaats beter, en +wel het ergst, onmiddellijk nadat hij het geneesmiddel had ingenomen; +daarom begon hij te vermoeden, dat de ééne of andere bovennatuurlijke +kracht de oorzaak was van zijn ziekte. + +Ten slotte vroeg Raiko zijn voornaamsten dienaar, of hij iets wist van +den knaap, die tegen middernacht bij hem kwam. Noch deze, noch iemand +anders bleek iets omtrent hem te weten. Van dat oogenblik af was de +achterdocht van Raiko in hooge mate opgewekt, zoodat hij besloot, +de zaak met zorg na te gaan. + +Toen het knaapje tegen middernacht terugkwam, wierp Raiko, in +plaats van het geneesmiddel te nemen, den beker naar diens hoofd, en +trachtte hem, na zijn zwaard te hebben getrokken, te dooden. Een luide +kreet van pijn weerklonk door het vertrek, maar op het oogenblik, +dat de knaap uit het vertrek wegvloog, wierp hij iets naar Raiko +toe. Het spreidde zich uit tot een reusachtig, wit kleverig web, +dat zich zóó stevig aan Raiko vasthechtte, dat hij zich nauwelijks +kon bewegen. Zoodra hij het web met zijn zwaard had doorgesneden, +omringde hem weer een ander. Raiko riep toen om hulp, en zijn eerste +bediende ontmoette den boosdoener in één der gangen en hield hem +met getrokken zwaard tegen. Ook over hem wierp de Booze Geest een +web. Toen het hem eindelijk gelukt was, zich los te maken, en hij +in staat was het vertrek zijns meesters binnen te hollen, zag hij, +dat Raiko eveneens het slachtoffer van de Tooverspin was geworden. + +De Tooverspin werd eindelijk ontdekt in een kelder, waar hij kermde +van de pijn, terwijl bloed uit een wond aan zijn kop stroomde, welke +wond door een zwaard was toegebracht. Onmiddellijk werd hij gedood, +en met zijn dood verdween ook de kwade invloed, die de oorzaak geweest +was van de ernstige ziekte van Raiko. Van dat oogenblik af kreeg de +held zijn gezondheid en kracht weer terug, terwijl er een weelderige +feestmaaltijd ter eere van de heugelijke gebeurtenis werd aangericht. + + + + +Een andere Lezing. + +Er is nog een andere lezing van deze legende, welke afkomstig is van +Kenko Hoshi; deze verschilt in een aantal bijzonderheden zóózeer van +de legende, die wij hebben medegedeeld, dat zij als een geheel nieuw +verhaal kan worden beschouwd. Als wij die lezing niet mededeelden, +zouden wij de legende berooven van haar sombersten vorm, die tot nu +toe voor den gewonen lezer niet toegankelijk is geweest [6]. + +Op zekeren dag vertrok Raiko uit Kyoto met Tsuna, den meest waardigen +van zijn volgelingen. Toen zij de vlakte van Rendai doortrokken, zagen +zij een doodshoofd in de lucht opstijgen, en voor hen wegvluchten, +alsof het door den wind werd voortgedreven, totdat het eindelijk +verdween op een plaats, Kagura ga Oka genaamd. + +Raiko en zijn metgezel bemerkten, zoodra zij het doodshoofd hadden +zien verdwijnen, een huis in puinhoopen vóór zich. Raiko trad dit +verwoeste huis binnen, en zag een oude vrouw zitten met een vreemd +uiterlijk. Zij was in het wit gekleed en had wit haar; zij opende haar +oogen met een klein stokje, en haar bovenste oogleden vielen als een +hoed over haar hoofd; daarna gebruikte zij het stokje om haar mond +te openen, en liet dan haar borst over haar knieën vallen. Daarna +sprak zij den verbaasden Raiko aldus aan: + +"Ik ben tweehonderd negentig jaar oud. Ik dien negen meesters, en in +het huis, waarin gij staat, dwalen booze geesten rond." + +Nadat hij die woorden had gehoord, wandelde Raiko de keuken binnen, +en toen hij een haastigen blik op de lucht had geslagen, zag hij, +dat een vreeselijke storm in aantocht was. Toen hij er op lette, +hoe de donkere wolken zich opeenpakten, hoorde hij een geluid van +spookachtige voetstappen, en traden een groot aantal spoken het vertrek +binnen, En dit waren niet de eenige bovennatuurlijke wezens, die Raiko +ontmoette, want onmiddellijk daarna zag hij een wezen, als een non +gekleed. Haar ontzettend klein lichaam was naakt tot aan haar middel, +haar gelaat was twee voet lang en "haar armen waren wit als sneeuw en +dun als draden." Een kort oogenblik lachte dit afschuwelijke wezen, +waarna het in den nevel verdween. + +Raiko hoorde met welgevallen naar het kraaien van een haan, en meende, +dat de spookachtige bezoekers hem niet meer zouden hinderen; maar +weder hoorde hij voetstappen, en nu zag hij geen afschuwelijke heks, +maar een bekoorlijke vrouw, "sierlijker dan de wilgentakken, als zij +door een zacht windje gewiegeld worden". Toen hij dit liefelijke +meisje aanstaarde, werden zijn oogen een oogenblik verblind door +haar schitterende schoonheid. Voordat hij het gezicht terugkreeg, +zag hij, dat hij gehuld was in ontelbare spinnewebben. Hij sloeg met +zijn zwaard naar haar, en toen verdween zij, terwijl het bleek, dat +hij de planken van den vloer had doorgehakt en den hoeksteen onder +den vloer had gebroken. + +Op dit oogenblik kwam Tsuna bij zijn meester, en zij bemerkten, dat het +zwaard bedekt was met bloed, en dat de punt in den strijd gebroken was. + +Na lang zoeken ontdekten Raiko en zijn onderhoorige een hol, waarin zij +een monster zagen met verschillende pooten en een kop van ontzaglijke +grootte, met donzig haar bedekt. Zijn groote oogen schenen als de +zon en de maan, terwijl hij luide kreunde: "Ik ben ziek en heb pijn." + +Toen Raiko en Tsuna naderbij kwamen, herkenden zij de afgebroken punt +van het zwaard, die uit het monster uitstak. De helden trokken het +schepsel toen uit zijn hol en hakten zijn hoofd af. Uit de diepe +wond in zijn buik kwamen negentienhonderd negentig doodshoofden +voor den dag en bovendien nog een aantal spinnen, zoo groot als +kinderen. Raiko en zijn geleider kwamen tot de ontdekking, dat het +monster vóór hen niets anders was dan de Spin op den Berg. Toen zij +het groote geraamte opensneden, vonden zij binnen de ingewanden de +spookachtige overblijfselen van een aantal menschenlijken. + + + +De Avonturen van Prins Yamato Take. + +Koning Keiko beval zijn jongsten zoon, Prins Yamato, weg te trekken +en een aantal roovers te dooden. Vóór zijn vertrek bad de Prins aan +de altaren van Isé, en smeekte, dat Ama-terasu, de Godin der Zon, zijn +onderneming zou zegenen. De tante van Prins Yamato was hoogepriesteres +in één der tempels te Isé, en hij deelde haar mede, welke taak zijn +vader hem had toevertrouwd. De brave dame was zeer verheugd, toen zij +dat nieuws hoorde, en schonk haar neef een kostbaar zilveren kleed, +met de mededeeling, dat het hem geluk zou brengen en hem misschien +later van dienst zou zijn. + +Toen Prins Yamato naar het paleis was teruggekeerd en afscheid van +zijn vader had genomen, verliet hij het hof, vergezeld van zijn +vrouw, Prinses Ototachibana, en een aantal beproefde volgelingen, +en begaf zich naar het Zuidelijk Eiland Kiushiu, dat door roovers +werd verpest. De streek was zóó ruw en ondoordringbaar, dat Prins +Yamato onmiddellijk zag, dat hij het ééne of andere listige plan +moest beramen, ten einde den vijand onverhoeds aan te vallen. + +Toen hij tot dit besluit was gekomen, vroeg hij Prinses Ototochibana, +hem het kostbare zijden kleed te brengen, dat zijn tante hem had +geschonken. Hij trok dit aan, daarbij naar alle waarschijnlijkheid +geholpen door zijn vrouw. Hij liet zijn haar vallen, stak daar een +kam in, en tooide zich op met juweelen. Toen hij in een spiegel zag, +was hij overtuigd, dat de vermomming volmaakt was, en dat hij er als +een bijzonder mooie vrouw uitzag. + +Zoo kostbaar aangekleed, ging hij de tent van zijn vijand binnen, +waar Kumaso en Takeru gezeten waren. Toevallig spraken zij juist +over den zoon des Konings en over zijn pogingen, hun rooverbende +uit te roeien. Toen zij opkeken, zagen zij, dat een schoone vrouw op +hen afkwam. + +Kumaso was zóó verheugd, dat hij den vermomden Prins toewenkte +en hem verzocht, zoo spoedig mogelijk wijn te schenken. Yamato was +bijzonder in zijn schik, dat hij dit kon doen. Hij wendde vrouwelijke +verlegenheid voor. Hij liep met zeer kleine stapjes, en keek schuin +uit zijn ooghoeken met al de verlegenheid van een bloode maagd. + +Kumaso dronk veel meer wijn dan goed voor hem was. Hij bleef voortgaan +met drinken, ten einde het genot te hebben, te zien, hoe aanminnig +dat liefelijke wezen den wijn voor hem inschonk. + +Toen Kumaso dronken was, wierp Prins Yamato de kruik met wijn neer, +trok zijn dolk uit de scheede, en stak hem dood. + +Toen Takeru zag, wat zijn broeder overkomen was, trachtte hij te +ontsnappen, maar Prins Yamato sprong op hem toe. Ten tweeden male +flikkerde zijn dolk in de lucht, en ook Takeru viel ter aarde. + +"Houd uw hand een oogenblik in", hijgde de stervende roover. "Ik +zou zoo gaarne willen weten, wie gij zijt en van waar gij gekomen +zijt. Tot nu toe dacht ik, dat mijn broeder en ik de sterkste mannen +van het rijk waren. Ik blijk mij echter vergist te hebben." + +"Ik ben Yamato" zeide de Prins, "de zoon van den Koning, die mij beval, +zulke roovers als gij te dooden!" "Sta mij toe, u een nieuwen naam +te geven", zeide de roover beleefd. "Van nu af aan zult gij Yamato +Take genoemd worden, daar gij de dapperste man in het land zijt." + +Na zoo gesproken te hebben, viel Takeru dood achterover. + + + +Het Houten Zwaard. + +Toen de Prins op den terugweg was naar de hoofdstad, ontmoette hij +weer een bandiet, Idzumo Takeru genaamd. Weer maakte hij gebruik van +een krijgslist, en deed zich voor, alsof hij dien kerel bijzonder +goed gezind was. Hij sneed een houten zwaard en sloeg dit met geweld +vast in de scheede van zijn eigen stalen wapen. Hij droeg dit telkens, +als hij dacht Takeru te ontmoeten. + +Bij zekere gelegenheid noodigde Prins Yamato Takeru uit, met hem in de +rivier Hinokawa te gaan zwemmen. Terwijl de roover stroomafwaarts zwom, +landde de Prins heimelijk, en na zich begeven te hebben naar de plaats +aan den oever, waar de kleeren van Takeru lagen, gelukte het hem, +diens zwaard tegen het zijne te verruilen, door zijn houten zwaard +te plaatsen, waar het scherpe stalen zwaard van Takeru gelegen was. + +Toen Takeru uit het water was gekomen en zijn kleeren had aangetrokken, +vroeg hem de Prins, zijn bekwaamheid in het hanteeren van het zwaard +te toonen, "Wij zullen," zoo sprak hij, "onderzoeken, wie van ons +beiden de beste krijgsman is." + +Daartoe volstrekt niet ongenegen, trachtte Takeru zijn zwaard uit +de scheede te trekken. Het bleef vastzitten, en daar het van hout +was, zou het hem natuurlijk toch niet van nut geweest zijn. Terwijl +de roover aldus druk bezig was, sloeg Yamato hem het hoofd af. Ten +tweede male was zijn slimheid hem te stade gekomen, en toen hij naar +het paleis terugkeerde, werd hij feestelijk onthaald, en ontving hij +een aantal kostbare geschenken van zijn koninklijken vader. + + + +Het "Gras-Klievende-Zwaard". + +Prins Yamato bleef niet lang in ledigheid in het paleis, want +zijn vader beval hem, weg te gaan, om een opstand der Ainu's in de +oostelijke provincies te onderdrukken. + +Toen de Prins gereed was te vertrekken, gaf hem de Koning een speer, +van een hulstboom vervaardigd, welke de "Achttien-Arm-Lange-Speer" werd +genoemd. Met dit kostbare geschenk bezocht Prins Yamato de tempels +van Isé. Zijn tante, de hooge-priesteres, begroette hem weer. Zij +luisterde met belangstelling naar alles, wat haar neef haar verhaalde, +en was bovenal verheugd, toen zij vernam hoe uitnemend het kleed, +dat zij hem had gegeven, hem te pas was gekomen. + +Toen zij naar zijn verhaal had geluisterd, ging zij den tempel binnen, +en bracht zij een zwaard mede en een zak, die vuursteenen bevatte. Zij +gaf deze als een afscheidsgeschenk aan Yamato. + +Het zwaard was het zwaard van Murakumo, dat behoorde tot de insigniën +van het Keizerlijk Huis van Japan. De Prins kon wel geen passender +geschenk hebben ontvangen. Dit zwaard behoorde eertijds, zooals men +zich zal herinneren, aan de Goden, en werd door Susa-no-o ontdekt. + +Na een langen tocht kwamen Prins Yamato en zijn volgelingen in de +provincie Suruga. De gouverneur ontving hen gastvrij, en bij wijze +van feestelijk onthaal organiseerden zij een hertenjacht. Onze held +was op zijn beurt nu ook eens het slachtoffer van de sluwheid zijner +tegenstanders, en voegde zich bij de jacht zonder eenige achterdocht. + +De Prins werd gebracht naar een groote en woeste vlakte, met hoog +gras bedekt. Terwijl hij bezig was het wild op te jagen, ontdekte +hij plotseling vuur in zijn nabijheid. In een oogenblik tijds zag +hij vlammen en rookwolken in iedere richting opstijgen. Hij was +omringd door vuur, waaruit hij blijkbaar niet kon ontsnappen. Te +laat ontdekte de argelooze krijgsman, dat hij in een hinderlaag was +gevallen en dat het vuur hem wel dicht aan de schenen werd gelegd! + +Onze held opende de tasch, die zijn tante hem had gegeven, stak het +gras in zijn nabijheid in brand, en met het zwaard van Murakumo sneed +hij de groote groene halmen zoo snel mogelijk af. Nauwelijks had hij +dit gedaan, of de wind draaide plotseling om, en joeg de vlammen van +hem weg, zoodat de Prins ten slotte kon ontsnappen zonder zich ook +maar eenigszins te hebben gebrand. En zoo geschiedde het, dat het +zwaard van Murakumo bekend werd als het "Gras-Klievende-Zwaard". + + + + +Het Offer van Ototachibana. + +In al die avonturen was de Prins gevolgd door zijn getrouwe gade, +Prinses Ototachibana. Het is wel treurig te vertellen, maar onze +held, hoe voortreffelijk ook in den strijd, was lang niet zoo te +prijzen en te achten als echtgenoot. Hij zag op zijn vrouw neer en +behandelde haar met groote onverschilligheid. Zij had, arme ziel, +haar schoonheid verloren in den dienst van haar heer. Haar huid was +door de zon verbrand en haar kleederen waren bevlekt en gescheurd. Toch +klaagde zij nooit, en hoewel haar gelaat droevig werd, deed zij dapper +haar best, haar gewone zachtheid van karakter te behouden. + +Prins Yamato kwam nu toevallig in aanraking met de betooverende +Prinses Miyadzu. Haar kleederen waren bekoorlijk, haar huid zoo fijn en +zacht als kersenbloesem. Het duurde niet lang, of hij werd smoorlijk +op haar verliefd. Toen de tijd van vertrek voor hem naderde, zwoer +hij, dat hij spoedig zou terugkeeren en de schoone Prinses Miyadzu +tot zijn vrouw zou maken. Nauwelijks had hij die belofte afgelegd, +of hij keek op en zag Ototachibana, en op haar gelaat lag een blik +van diepe treurigheid. Maar Prins Yamato verhardde zijn gemoed en +reed weg, heimelijk besloten zijn belofte te houden. + +Toen Prins Yamato met vrouw en volgelingen de zeekust van Idzu +bereikte, wenschten zijn manschappen een aantal booten machtig te +worden, ten einde de zeeëngte van Kadzusa over te trekken. + +De Prins riep hooghartig: "Maar dit is niets dan een beekje! waartoe +zooveel booten? Ik zou er wel overheen kunnen springen!" + +Toen zij allen aan boord gestegen waren en de reis hadden aangevangen, +stak er een groote storm op. De golven stegen hemelhoog, de wind +loeide, de bliksem flikkerde in de donkere wolken, en de donder +bulderde. Het scheen wel, alsof de boot, die den Prins en zijn vrouw +droeg, noodzakelijk moest zinken, immers de storm was het werk van +Rin-Jin, den Koning der Zee, die vertoornd was over de trotsche en +dwaze woorden van Prins Yamato. + +Toen de bemanning de zeilen gereefd had, in de hoop het schip +weer vast te leggen, werd de storm heftiger in plaats van te gaan +liggen. Eindelijk stond Ototachibana op, en na haar heer vergiffenis +te hebben geschonken voor al het leed, dat deze haar had aangedaan, +besloot zij haar leven op te offeren, ten einde haar teer geliefden +echtgenoot te redden. + +Zoo sprak dan de trouwe Ototachibana: "O, Rin-Jin, de Prins, mijn +echtgenoot, heeft u met zijn pochen boos gemaakt. Ik, Ototachibana, +geef u mijn arm leven in de plaats van dat van Yamato Take. Ik werp +mij nu in uw groot golvend rijk, maar wilt gij dan ook van uw kant +mijn echtgenoot veilig naar de kust brengen." + +Na die woorden te hebben gesproken, sprong Ototachibana in de kokende +golven, die in een oogenblik tijds de dappere vrouw uit het gezicht +sleepten. Nauwelijks had zij dit offer gebracht, of de storm ging +liggen en de zon scheen aan een wolkeloozen hemel. + +Yamato Take bereikte zijn bestemming, en slaagde er in, den opstand +der Ainu's te onderdrukken. + +Onze held had ongetwijfeld misdreven in de wijze, waarop hij zijn +trouwe vrouw had behandeld. Eerst te laat leerde hij haar goedheid +op prijs stellen; maar tot zijn eer zij gezegd, dat hij haar tot aan +zijn dood in liefde bleef gedenken, terwijl Prinses Miyadzu geheel +vergeten werd. + + + + +Het Dooden van de Slang. + +Nadat aldus Yamato Take de opdracht van zijn vader had volbracht, +trok hij door de provincie Owari, totdat hij kwam in de provincie Omi. + +De provincie Omi leed onder een groote ramp. Velen waren in rouw, en +velen weenden en schreeuwden luid in hun smart. Toen de Prins navraag +deed naar de reden dier droefheid, hoorde hij, dat een groote slang +dagelijks van de bergen afdaalde en de dorpen binnenkwam, om zich te +voeden met een aantal ongelukkige inwoners. + +Prins Yamato ging onmiddellijk op weg om den berg Ibaki te beklimmen, +waar volgens de hem verstrekte mededeelingen de slang verblijf +hield. Omstreeks halfweg ontmoette hij het vreeselijke monster. De +Prins was zóó sterk, dat hij de slang doodde, door zijn bloote armen om +haar heen te slaan. Nauwelijks had hij dit gedaan, of plotseling viel +duisternis over het land en viel de regen in stroomen neder. Later +echter klaarde het weder op, en was onze held in staat, den berg af +te dalen. + +Toen hij zijn huis bereikte, bleek het, dat zijn voeten van een vreemde +pijn brandden, en bovendien, dat hij zich zeer ziek voelde. Hij +kwam tot de ontdekking, dat de slang hem had gestoken, en daar hij +te ziek was om zich te bewegen, werd hij naar een geneeskrachtige +bron gebracht. Hier kreeg hij volkomen zijn vroegere gezondheid en +kracht terug, en voor die zegeningen bracht hij dank aan Ama-terasu, +de Godin der Zon. + + + +De Avonturen van Momotaro. + +Op zekeren dag zag een oude vrouw, die aan den oever der rivier bezig +was haar kleeren te wasschen, toevallig een reusachtige perzik, +die op het water dreef. Het was verreweg de grootste perzik, die +zij ooit had gezien, en daar die oude vrouw en haar man bijzonder +arm waren, dacht zij er onmiddellijk aan, wat een uitnemend maal die +buitengewonen perzik zou opleveren. Toen zij geen stok kon vinden, +om daarmede de vrucht naar den oever te trekken, herinnerde zij zich +plotseling het volgende versje: + + + "Het verwijderde water is bitter, + Het nabijgelegen water is zoet; + Ga voorbij het verwijderde water, + En kom in het water zoo zoet." + + +Dit kleine liedje had het gewenschte gevolg. De perzik kwam hoe langer +hoe naderbij, totdat zij stil bleef liggen aan de voeten der oude +vrouw. Zij bukte en raapte haar op. Zij was zóó verheugd over haar +ontdekking, dat zij het niet kon uithouden, daar langer te blijven +wasschen, maar zich zoo spoedig mogelijk naar huis begaf. + +Toen haar echtgenoot 's avonds terugkeerde, met een bundel gras op +zijn rug, haalde de oude vrouw opgewonden de perzik uit de kast en +liet hem die zien. + +De oude man, die vermoeid en hongerig was, was evenals zijn vrouw +verheugd bij de gedachte aan een zoo heerlijk maal. Hij droeg spoedig +een mes aan, en was juist op het punt de perzik door te snijden, +toen die plotseling van zelf openging, en het schoonste kind, dat +men zich kan voorstellen, er met een vroolijken lach uitrolde. + +"Weest niet bevreesd," zeide de kleine knaap. "De Goden hebben gehoord, +hoezeer gij naar een kind hebt verlangd, en hebben mij gezonden, +om een troost en een verkwikking voor u te zijn in uw oude dagen." + +Het oude paar was zóó overstelpt van vreugde, dat zij nauwelijks +wisten, hoe zij zich moesten gedragen. Ieder van hen op de beurt +koesterde en liefkoosde het kind, en mompelde lieve en hartelijke +woordjes. Zij noemden hem Momotaro of "Zoon van een Perzik". + +Toen Momotaro vijftien jaar oud was, was hij veel langer en sterker +dan andere jongens van zijn leeftijd. In zijn aderen brandde de lust, +een dappere held te worden, en de ridderlijke heldenmoed, dier er +naar verlangde, onrecht te herstellen. + +Op zekeren dag kwam Momotaro bij zijn pleegvader en vroeg hem, of hij +hem wilde toestaan, een groote reis te ondernemen naar een zeker eiland +in de Noord-Oostelijke Zee, waar een aantal duivels woonden, die een +groote menigte onschuldige menschen hadden gevangen genomen, van wie +zij er velen verslonden. Hun boosaardigheid was boven beschrijving, +en Momotaro wenschte hen te dooden, de ongelukkige gevangenen te +bevrijden, en een grooten buit van het eiland mede te brengen, ten +einde dien met zijn pleegouders te deelen. + +De oude man was niet weinig verbaasd, toen hij dit onversaagde plan +vernam. Hij wist, dat Momotaro geen gewoon kind was. Hij was uit den +hemel gezonden, en hij was van oordeel, dat geen duivels ter wereld +hem kwaad konden doen. Op dien grond gaf de oude man eindelijk zijn +toestemming en zeide: "Ga, Momotaro, dood de duivels en breng vrede +aan het land." + +Toen de oude vrouw Momotaro een aantal rijstkoeken had gegeven, +nam de jongeling afscheid van zijn pleegouders, en trok hij uit, +om zijn tocht te beginnen. + + + + +De Zege van Momotaro. + + +Terwijl Momotaro onder een haag rustte en één der rijstkoeken at, +kwam een groote hond op hem af, die gromde en zijn tanden liet +zien. Bovendien kon de hond spreken, en vroeg Momotaro dreigend, hem +een rijstkoek te geven. "Ge moet mij òf een koek geven," zoo sprak hij, +"òf ik zal u dooden." + +Toen de hond echter hoorde, dat de beroemde Momotaro vóór hem stond, +nam hij zijn staart tusschen de pooten, en boog met den kop naar den +grond, terwijl hij verzocht den "Zoon van een Perzik" te mogen volgen +en hem alle diensten te mogen bewijzen, die in zijn macht lagen. + +Momotaro nam volgaarne dit aanbod aan, en nadat hij den hond een +halven koek had toegeworpen, gingen zij samen op weg. + +Zij hadden nog geen grooten afstand afgelegd, toen zij een aap +ontmoetten, die eveneens vroeg, in den dienst van Momotaro te worden +opgenomen. Dit werd toegestaan, maar het duurde eenigen tijd, voordat +de hond en de aap in vrede samen konden omgaan, zonder elkander te +willen bijten. + +Toen zij hun weg vervolgden, kwamen zij een fazant tegen. Nu ontwaakte +weer de ingeboren afgunst van den hond, en hij liep naar voren en +trachtte den schoon gevederden vogel te dooden. Momotaro scheidde de +vechtenden, en ten slotte werd ook de fazant opgenomen in den kleinen +stoet, terwijl hij keurig in de achterhoede marcheerde. + +Eindelijk bereikten Momotaro en zijn volgelingen de kust der +Noord-Oostelijke Zee. Hier vond onze held een boot, en na eenig +tegenspartelen van hond, aap en fazant, gingen zij allen aan boord, +en spoedig gleed het scheepje over de blauwe zee. + +Na dagen lang op den oceaan te hebben gevaren, zagen zij in de +verte een eiland. Momotaro beval den vogel weg te vliegen, als een +gevleugelde bode, om zijn komst aan te kondigen, en de duivels te +bevelen zich over te geven. + +De fazant vloog over de zee, en zette zich na de landing neer op het +dak van een groot kasteel, waar hij zijn schrikwekkende boodschap +toeschreeuwde, waaraan hij toevoegde, dat de duivels als teeken van +onderwerping hun horens moesten afbreken. + +De duivels lachten slechts om dat bevel en schudden hun horens en +hun ruig, rood haar. Daarna droegen zij ijzeren staven aan, die zij +woedend naar den vogel slingerden. De fazant ontweek verstandig de +werptuigen, en vloog naar het hoofd van een aantal duivels. + +Intusschen was Momotaro met zijn beide makkers geland. Nauwelijks +had hij dit gedaan, of hij zag twee schoone meisjes aan den oever van +een rivier weenen, terwijl zij met bloed gedrenkte kleeren uitwrongen. + +"Ach!" zoo spraken zij treurig, "wij zijn dochters van _daimyos_, +en zijn thans de gevangenen van den Boozen Geest, die Koning is over +dit vreeselijke eiland. Hij zal ons spoedig dooden, en er is, helaas, +niemand, om ons te hulp te komen." Na die opmerking te hebben gemaakt, +weenden de vrouwen op nieuw. + +"Dames", zeide Momotaro, "ik ben hier gekomen, met het doel uw booze +vijanden te verslaan. Wijst mij een weg, om gindsch kasteel binnen +te dringen." + +Aldus kwamen Momotaro, de hond en de aap door een smalle deur het +paleis binnen. Toen zij eenmaal de vesting waren binnengedrongen, +vochten zij hardnekkig. Een groot aantal duivels waren zóó verschrikt, +dat zij van de borstweringen afvielen, en te pletter vielen, terwijl +andere onmiddellijk gedood werden door Momotaro en zijn makkers. Allen +werden gedood behalve de Koning, doch deze besloot verstandig, zich +over te geven, en smeekte, dat zijn leven mocht gespaard worden. + +"Neen", zeide Momotaro woedend. "Ik wil uw laaghartig leven niet +sparen. Gij hebt een aantal onschuldige menschen gepijnigd en het +land jaren lang geplunderd." + +Na die woorden te hebben gesproken, stelde hij den Koning onder de +bewaking van den aap, en ging daarna door al de vertrekken van het +kasteel, terwijl hij de talrijke gevangenen, die hij daar vond, +bevrijdde. + +De terugreis was een vroolijke tocht. De hond en de fazant droegen +samen den schat, terwijl Momotaro den Koning medevoerde. + +Momotaro liet de twee dochters der _daimyos_ naar haar huis vertrekken, +benevens een aantal anderen, die op het eiland gevangen genomen +waren. Het geheele land verheugde zich in die overwinning, maar +niemand meer dan de pleegouders van Momotaro, die hun dagen verder +doorbrachten in vrede en overvloed, dank zij den grooten schat der +duivels, die Momotaro hun had geschonken. + + + + +"Mijn Heer Zak met Rijst". + +Op zekeren dag kwam de groote Hidesato bij een brug, die over het +schoone meer Biwa was gespannen. Hij was op het punt, de brug over +te trekken, toen hij een slangendraak in diepen slaap zag, die hem +in den weg lag. Hidesato klom zonder een oogenblik aarzelens over +het monster heen en vervolgde zijn weg. + +Hij was nog niet ver voortgeschreden, toen hij hoorde, dat iemand hem +riep. Hij zag om, en zag, dat op de plaats van den draak een man stond, +die met veel plichtplegingen voor hem boog. Het was een man met een +vreemd uiterlijk, op wiens rood haar een kroon geplaatst was in den +vorm van een draak. + +"Ik ben de Drakenkoning van het meer Biwa", zoo sprak de roodharige +man. "Een oogenblik geleden nam ik den vorm aan van een vreeselijk +monster, in de hoop, een sterveling te vinden, die niet bang voor mij +was. Gij, o Heer, hebt geen vrees getoond, en ik ben daarover zeer +verheugd. Een groote honderdpoot komt telkens van gindsche berg af, +komt mijn paleis binnen en dood mijn kinderen en kleinkinderen. Één +voor één zijn zij voedsel geworden voor dit ontzaglijke monster, en +ik vrees, dat, als er niets gedaan kan worden, om dat dier te dooden, +ik spoedig zelf het slachtoffer zal worden. Lang heb ik reeds op een +dapper sterveling gewacht. Alle mannen, die mij tot nu toe in mijn +drakengestalte hebben gezien, zijn weggeloopen. Gij zijt een dapper +man, en ik smeek u, mijn bitteren vijand te dooden." + +Hidesato, wien een avontuur altijd welkom was, te meer als er gevaar +aan verbonden was, stemde er onmiddellijk in toe, te probeeren, +wat hij voor den Drakenkoning kon doen. + +Toen Hidesato het paleis van den Drakenkoning bereikte, bleek het +een prachtig gebouw te zijn, nauwelijks minder schoon dan het paleis +van den Zeekoning zelf. Hij werd onthaald op gekristalliseerde +lotusbladeren en bloemen en at de lekkernijen, die te kust en te +keur hem werden voorgezet. Terwijl hij smulde, dansten tien kleine +goudvischjes, en vlak achter de goudvischjes maakten tien karpers +liefelijke muziek op de _koto_ en de _samisen_. Juist dacht Hidesato +er over na, hoe voortreffelijk hij onthaald was, en hoe bijzonder +lekker de wijn was, toen zij allen een vreeselijk leven hoorden, +als een dozijn donderslagen, die te gelijk losbraken. + +Hidesato en de Drakenkoning stonden haastig op en liepen naar het +balkon. Zij zagen, dat de berg Mikami nauwelijks te herkennen was, +daar hij van den top tot den voet bedekt was door den ontzaglijken +honderdpoot. In zijn kop gloeiden twee vuurballen en zijn honderd +pooten waren als een lange, kronkelende ketens lantarens. + +Hidesato deed een pijl op zijn boog en trok toen de pees met alle +kracht aan. De pijl vloog door de lucht en trof den honderdpoot in +het midden van den kop, maar sprong terug zonder een wond te hebben +veroorzaakt. Weer liet Hidesato een pijl voortsuizen, weer trof die +pijl het monster, maar weer viel hij op den grond, zonder schade te +hebben berokkend. Hidesato had nog slechts één pijl over. Plotseling +herinnerde hij zich de tooverwerking van menschelijk speeksel, +en daarom stak hij de punt van den laatst overgebleven pijl een +oogenblik in zijn mond, waarna hij dien haastig op den boog legde en +nauwkeurig mikte. + +De laatste pijl trof doel en doorboorde de hersenen van het +monster. Het bewoog zich niet langer; het licht in zijn oogen en +pooten verzwakte en ging eindelijk uit, en het meer Biwa, met zijn +onderzeesch paleis, werd in diepe duisternis gehuld. De donder raasde, +de bliksem flitste, en een oogenblik scheen het, alsof het paleis +van den Drakenkoning op den grond zou vallen. + +Den volgenden dag was ieder teeken van den storm verdwenen. De +lucht was helder. De zon scheen schitterend aan den hemel. En in het +fonkelende blauwe meer lag het lijk van den grooten honderdpoot. + +De Drakenkoning en zijn omgeving waren bijzonder verheugd, toen +zij zagen, dat hun gevreesde vijand gedood was. Hidesato werd weer +feestelijk onthaald, zelfs nog vorstelijker dan te voren. Toen hij +eindelijk vertrok, deed hij dit met een stoet van visschen, die +plotseling in mannen veranderden. De Drakenkoning schonk onze held +vijf kostbare gaven: twee klokken, een zak met rijst, een rol zijde +en een kookpan. + +De Drakenkoning vergezelde Hidesato tot aan de brug, en toen liet hij +schoorvoetend toe, dat onze held met den grooten stoet van dienaren, +die de geschenken droegen, wegtrok. + +Toen Hidesato zijn huis bereikte, legden de dienaren de geschenken +van den Drakenkoning neer en verdwenen plotseling. + +De geschenken waren geen gewone gaven. De zak met rijst was +onuitputtelijk, er was evenmin een einde aan de rol zijde, en in de +kookpan kon gekookt worden zonder vuur. Alleen de klokken hadden +geen magische eigenschappen; deze werden aan een naburigen tempel +aangeboden. Hidesato werd rijk, en zijn roem verspreidde zich wijd en +zijd. Het volk noemde hem nu niet langer Hidesato, maar Tawara Toda, +of "Mijn Heer Zak met Rijst". + + + + +HOOFDSTUK III. DE BAMBOESNIJDER EN HET MAANMEISJE. + + + +De komst van de Edele Vrouwe Kaguya. + + +Lang geleden leefde er een oude bamboesnijder, die den naam droeg van +Sanugi no Miyakko. Toen hij op zekeren dag met zijn hakmes bezig was +in een bamboeboschje, zag hij plotseling een wonderbaarlijk licht, +en bij nadere beschouwing ontdekte hij binnen in een riet een klein +schepseltje van buitengewone schoonheid. Hij nam voorzichtig het +tengere meisje op, dat slechts tien centimeter groot was, en droeg +het naar huis naar zijn vrouw. Het kleine meisje was zóó fijn, dat +het in een mandje moest worden opgekweekt. + +Het geschiedde nu, dat de bamboesnijder zijn gewone werkzaamheden +voortzette, maar dag en nacht vond hij, als hij het riet afsneed, +goud, en terwijl hij oorspronkelijk arm was geweest, verzamelde hij +nu een aanzienlijk vermogen. + +Nadat het meisje nog slechts drie maanden bij dat eenvoudige landvolk +had doorgebracht, groeide zij plotseling in lengte op tot een volwassen +maagd; en opdat zij in haar optreden en uiterlijk met dit heugelijke +en verwonderlijke feit in harmonie zou zijn, werden haar nu de haren, +die tot nu toe in lange vlechten over haar schouders lagen, op het +hoofd opgestoken. De bamboesnijder noemde het meisje later de Edele +Kaguya, of "Kostbaar-Slank-Bamboe-van-het-Herfstveld". Toen zij haar +naam had gekregen, werd een groot feest aangericht, waaraan alle +buren deelnamen. + + + +Het Vrijen naar de Edele Vrouwe Kaguya. + + + "Als een vrouw iets schooner is dan de groote menigte, + hoezeer verlangen dan mannen, haar schoonheid te + aanschouwen!"--_Taketori_. + + +De Edele Kaguya was nu de schoonste van alle vrouwen, en onmiddellijk +na het feest verspreidde zich de faam van haar schoonheid over het +geheele land. Zoogenaamde minnaars verzamelden zich om de heining +en bleven wachten in het voorportaal, in de hoop ten minste een +vluchtigen blik te kunnen slaan op die lieftallige maagd. Dag en +nacht wachtten die ongelukkige wezens, maar te vergeefs. Zij die van +nederige afkomst waren, begonnen langzamerhand in te zien, dat hun +vrijage nutteloos was. + +Maar vijf vermogende vrijers bleven het volhouden, en wilden hun +pogingen niet opgeven. Het waren Prins Ishizukuri en Prins Kuramochi, +de Sadaijin Dainagon Abe no Miushi, de Chiunagon Otomo no Miyuki en +Morotada, de Heer van Iso. Die vurige minnaars verdroegen "het ijs +en de wintersneeuw en de met onweer bezwangerde hitte van het midden +van den zomer met even groote vastberadenheid." Toen die aanzienlijke +vrijers den bamboesnijder ten slotte vroegen, zijn dochter aan één +van hen te schenken, antwoordde de oude man beleefd, dat het meisje in +werkelijkheid zijn dochter niet was, en dat zij, nu dit het geval was, +niet kon gedwongen worden aan zijn wenschen in die zaak te gehoorzamen. + +Eindelijk keerden de vrijers naar hun paleizen terug, maar bleven nog +met grootere volharding voortgaan met hun smeekingen. Zelfs de zoo +goedmoedige bamboesnijder begon bij de edele Kaguya aan te dringen, +en als zijn meening kenbaar te maken, dat het voor een zoo schoone +maagd passend was te huwen, terwijl zij toch uit de vijf edele vrijers +ongetwijfeld een goede keuze zou kunnen doen. Daarop antwoordde de +verstandige Kaguya: "Zóó schoon ben ik niet, dat ik zeker kan zijn +van de trouw van een man, en als ik zou moeten leven met een man, +wiens hart wispelturig bleek te zijn, wat een ellendig lot zou ik dan +hebben! Ik twijfel er niet aan, of de mannen van wie gij spreekt, +zijn aanzienlijke mannen, maar ik zou geen man willen huwen, wiens +hart niet op de proef was gesteld en niet door en door gekend was". + +Eindelijk werd afgesproken, dat Kaguya zou huwen met den vrijer, die +het waardigst bleek te zijn. Deze tijding bracht voor het oogenblik +hoop aan de vijf aanzienlijke vrijers, en bij het aanbreken van +den nacht kwamen zij bijeen vóór het huis, waar het meisje woonde, +"met fluitspel en gezang, onder begeleiding der zangmuziek, met +stappen op de maat en het openen en dichtslaan van waaiers". Alleen +de bamboesnijder ging naar buiten, om de Edelen voor hun serenade te +danken. Toen hij zijn huis weer was binnengetreden, ontvouwde Kaguya +aldus haar plan, om de vrijers op de proef te stellen: + +"In Tenjiku (het Noordelijk deel van Indië) is een steenen bedelnap, +die oudtijds door Buddha zelf gedragen werd; laat Prins Ishizukuri +dien gaan zoeken, en mij brengen. En op den berg Horai, die hoog +boven den Oostelijken Oceaan uitsteekt, groeit een boom met zilveren +wortels en een gouden stam en zuiver witte juweelen vruchten, en ik +verzoek Prins Kuramochi, daarheen te gaan, en een tak daarvan af te +breken en hierheen te brengen. Verder vervaardigen de menschen in +het land van Morokoshi kleederen van bont van het vel van de Rat die +tegen het Vuur bestand is, en ik verzoek den Dainagon, een dergelijk +kleed voor mij op te sporen. Dan eisch ik van den Chiunagon, dat hij +den juweel met de regenboogkleuren opspoort, die zijn glans diep in +den kop van den draak verbergt, en uit de handen van Heer Iso zou ik +gaarne de zeeschelp willen ontvangen, die de zwaluw hierheen brengt +over de breede vlakte der zee." + + + + +De Bedelnap van den Buddha. + +Nadat Prins Ishizukuri er lang over had nagedacht, of hij wel naar het +ver afgelegen Tenjiku zou gaan, om Buddha's bedelnap te zoeken, kwam +hij tot het besluit, dat een dergelijke onderneming volstrekt geen nut +had. Hij besloot daarom, den bedoelden nap na te maken. Sluw beraamde +hij zijn plannen, en droeg er zorg voor, dat de Edele Kaguya bericht +kreeg, dat hij werkelijk den tocht had ondernomen. In werkelijkheid +bleef die sluwe vrijer drie jaar lang in Yamato verborgen, en vond +na dien tijd in een klooster op een heuvel in Tochi een beker van +hoogen ouderdom, die lag op een altaar van Binzuru (de Helper in +Ziekte). Hij nam dien beker met zich mede, en wikkelde hem in brokaat, +en bevestigde aan het geschenk een kunstig nagebootsten tak bloesems. + +Toen Kaguya den beker beschouwde, vond zij er binnen in een rol, +waarop het volgende was geschreven: + + + "Over zeeën, over heuvels + Trok uw dienaar, en vermoeid + Gaat hij uitgeput te gronde: + Wat al tranen kost die steenen + Beker, + Wat een vloed van bittre tranen!" + + +Maar toen Kaguya ontdekte, dat de beker geen licht uitstraalde, wist +zij onmiddellijk, dat hij nooit aan Buddha had toebehoord. Zij zond +dan ook den beker terug met het volgende gedicht: + + + Van den hangenden droppel dauw + Is de voorbijgaande glans + Zelfs niet hierin: + Op den Heuvel van 't Duister, den Heuvel + Van Ogura, + Wat hooptet gij daar te vinden? + + +De Prins trachtte, na den beker te hebben weggeworpen, bovenstaand +verwijt om te zetten in een compliment aan de dame, die het had +neergeschreven, en antwoordde: + + + "Op schitt'rend lichten heuvel + Moet ied're glans + Verbleeken. + O, mocht verwijderd van het licht + Van uw schoonheid, + De glans van gindschen beker + Mijn trouw bewijzen!" + + +Dit was een keurig uitgedrukt compliment, afkomstig van een minnaar, +die niets dan een ijdele bluffer was. Die laatste poëtische +ontboezeming hielp hem echter niets, en de Prins vertrok, treurig +gestemd. + + + + +De Tak van den Berg Horai, die Juweelen droeg. + +Prins Kuramochi was even sluw als zijn voorganger, en verspreidde +overal het gerucht, dat hij op reis ging naar het land van Tsukushi, +om den Tak te halen, die Juweelen droeg. Doch inderdaad deed hij niets +anders dan zes man van de familie Uchimaro, beroemde handwerkslieden, +in dienst te nemen, en voor hen een schuilplaats machtig te worden, +die afgezonderd was van de verblijfplaats der menschen. Daar hield +hij zich zelf eveneens verborgen, met het doel de handwerkslieden +te leeren, hoe zij een Tak, die Juweelen droeg, konden maken, die +volmaakt overeen kwam met den tak, door de Edele Kaguya beschreven. + +Toen het werk voltooid was, ging hij op weg, om zijn opwachting bij +de schoone maagd te maken, die het volgende gedicht las, dat aan het +geschenk was vastgehecht: + + + "Al ware het met gevaar + Voor eigen leven, + Zonder den met Juweelen beladen Tak + In mijn handen, zou ik nooit + Hebben durven terugkeeren!" + + +De Edele Kaguya aanschouwde met smart den glinsterenden tak, en +luisterde zonder belangstelling naar het verzonnen verhaal van de +avonturen van den Prins. De Prins weidde uit over de verschrikkingen +der zee, over vreemde monsters, over geleden honger, over ziekten +en over beproevingen, door hem op den oceaan doorstaan. Daarna ging +de onverbeterlijke leugenaar voort te beschrijven, hoe zij aan een +hoogen berg gekomen waren, die uit de zee verrees, waar zij begroet +werden door een vrouw, die een zilveren schaal droeg, welke zij met +water vulde. Op den berg waren bewonderenswaardige bloemen en boomen, +en een rivier "met kleuren van den regenboog, geel als goud, wit +als zilver, blauw als kostbaar _ruri_ (lapis lazuli); en de rivier +was overspannen met bruggen, gebouwd van verschillende soorten van +edelsteenen, en daarnaast groeiden boomen, beladen met fonkelende +juweelen, en van één van die boomen brak ik den tak af, dien ik het +nu waag, aan de Edele Vrouwe Kaguya aan te bieden". + +Ongetwijfeld zou Kaguya gedwongen zijn geweest, aan dit vernuftige +verhaal geloof te schenken, indien niet op ditzelfde oogenblik de +zes handwerkslieden ten tooneele waren verschenen, die, door luide +betaling te eischen voor den door hen vervaardigden Juweelen-Tak, +het verraad van den Prins aan het daglicht brachten. Deze trok +zich daarop ijlings terug. Kaguya betaalde zelf de handwerkslieden, +ongetwijfeld gelukkig, dat zij zoo gemakkelijk was ontkomen. + + + +Het Kleed van Bont, dat tegen het Vuur bestand was. + +De Sadaijin (Linker Groote Minister) Abeno Miushi droeg een koopman, +Wokei genaamd, op, voor hem een kleed van bont te ontbieden, +vervaardigd van de Rat, die tegen het vuur bestand was, en toen het +koopvaardijschip uit het land van Morokoshi was teruggekeerd, had het +een kleed van bont onder de koopwaren, waarvan de Sadaijin in zijn +vurige begeerte dacht, dat dit het voorwerp van zijn wenschen was. Het +Bont-kleed rustte in een doos, en de Sadaijin, die vertrouwde op de +eerlijkheid van den koopman, beschreef het als een kleed "zeegroen +van kleur, waarvan de haren eindigden in punten van schitterend goud, +een schat van onvergelijkelijke schoonheid, die zelfs nog meer te +bewonderen was om zijn voortreffelijke zuiverheid dan om de eigenschap, +dat hij de vuurvlammen kon weerstaan". + +De Sadaijin, die er van verzekerd was als minnaar te zullen slagen, +ging verheugd op reis, om zijn geschenk aan de Edele Kaguya aan te +bieden, terwijl hij er het volgende gedicht aan toevoegde: + + + "Eind'loos is het minnevuur, + Dat mij zengt, doch onverzengd + Is het Bont-kleed: + Doch mijn mouwen zijn nu droog, + Heden toch zal ik haar zien!" + + +Eindelijk was de Sadaijin in de gelegenheid, zijn geschenk aan +Kaguya aan te bieden. Zij sprak toen den bamboesnijder, die steeds +op dergelijke oogenblikken ter juister tijd op het tooneel aanwezig +schijnt te zijn geweest, aldus toe: "Indien dit kleed midden in het +vuur wordt geworpen en niet verbrandt, dan zal ik weten, dat het +inderdaad het kleed is, dat tegen het vuur is bestand, en zal dan +niet langer het aanzoek van dezen minnaar afslaan". Een vuur werd +aangestoken, en het kleed werd in de vlammen geworpen, waarin het +onmiddellijk verging. "Toen de Sadaijin dit zag, werd zijn gelaat +zoo groen als gras, en hij stond daar verstomd toe te zien." Maar de +Edele Kaguya verheugde zich in stilte en zond de doos terug met het +volgende gedicht: + + + "Zonder dat een spoor zelfs restte, + Dat het Bontkleed zóó verbrandde, + Had ik nimmer durven droomen. + Jammer voor het schoone voorwerp! + 'k Had het nimmer zoo behandeld." + + + +De Juweel in den Drakenkop. + +De Chiunagon Otomo no Miyuki riep zijn huisgenooten bijeen en deelde +zijn volgelingen mede, dat hij wenschte, dat zij hem den Juweel in +den Drakenkop zouden brengen. + +Na eenige aarzeling deden zij het voorkomen, alsof zij uitgingen om +dien te zoeken. In dien tusschentijd was de Chiunagon er zóó zeker van, +dat zijn bedienden zouden slagen, dat hij zijn geheele huis overdadig +versierde met uitgelezen lakwerk in goud en zilver. Iedere kamer werd +met brokaat behangen, aan de paneelen werden schilderijen gehangen, +en over de zolder werden zijden kleeren gespannen. + +Het wachten moede, reisde de Chiunagon na eenigen tijd naar Naniwa en +ondervroeg de bewoners, of eenigen van zijn dienaren scheep gegaan +waren om den Draak te zoeken. De Chiunagon vernam, dat geen enkele +van zijn manschappen in Naniwa was gekomen, en zeer ontstemd over +die tijding ging hij zelf scheep met een stuurman. + +Toevallig was de Dondergod boos, en stond de zee hoog. Na enkele dagen +werd de storm zóó hevig en was de boot zóózeer het zinken nabij, +dat de stuurman het waagde de opmerking te maken: "Het huilen van +den wind en het bulderen der baren en het vreeselijk loeien van +den donder zijn teekenen van de woede van den God, die door mijn +Heer beleedigd wordt, daar hij den Draak uit de diepte wil dooden, +want door den Draak is de storm opgestoken; het zou dus goed zijn, +als mijn Heer een gebed opzond." + +Daar de Chiunagon door "een vreeselijke ziekte" was overvallen, is +het niet te verwonderen, dat hij gretig den raad van den stuurman +opvolgde. Hij bad niet minder dan duizend keer, waarbij hij uitweidde +over zijn dwaasheid, pogingen te willen aanwenden, den Draak te dooden, +en deed de plechtige belofte, dat hij den Heerscher der diepte met +rust zou laten. + +De donder hield op en de wolken verspreidden zich, maar de wind blies +nog even hevig als ooit. De stuurman deelde echter zijn meester mede, +dat het een gunstige wind was, die naar hun eigen land blies. + +Ten slotte bereikten zij het strand van Akashi, in Harima. Maar de +Chiunagon, die nog steeds ziek was en ontzettend beangst, hield vol, +dat zij op een woeste kust gedreven waren, en lag lang uit in de boot, +hevig sidderend, terwijl hij weigerde op te staan, toen de gouverneur +van het district zich deed aankondigen. + +Toen de Chiunagon eindelijk overtuigd was, dat zij niet op een +vreemde, woeste kust gedreven waren, stemde hij er in toe, aan land +te gaan. Geen wonder dat de gouverneur glimlachte, toen hij het +deerniswaardige uiterlijk zag van den uit het veld geslagen Heer, +geheel verkleumd, met gezwollen buik en oogen, zonder eenigen glans. + +Eindelijk werd de Chiunagon in een draagstoel naar zijn eigen huis +gedragen. Toen hij was aangekomen, vertelden hem zijn listige dienaren +ootmoedig, dat zij in hun nasporingen niet waren geslaagd. Daarop +begroette hen de Chiunagon: "Gij hebt goed gehandeld om met leege +handen terug te keeren. Gindsche Draak is zeker verwant met den +Dondergod, en iedereen die de hand aan hem slaat, om den juweel te +nemen, die in zijn kop schittert, zal zich in gevaar bevinden. Ik +zelf ben vreeselijk afgemat van inspanning en ontberingen, en ik +heb geen belooning gekregen. Kaguya belaagt de zielen en verwoest +de lichamen der menschen, en nooit meer zal ik haar woning opzoeken, +en evenmin zal ik u gelasten, uw schreden daarheen te richten." + +Men verhaalt, dat toen de vrouwen uit zijn gezin van het avontuur van +haar meester hoorden, "zij lachten totdat zij pijn in de zijde hadden, +terwijl de zijden kleederen, die hij voor de zoldering van zijn woning +had doen spannen, draad na draad door de kraaien werden weggevoerd, +om daar nesten mede te dekken." + + + +De Keizerlijke Jachtpartij. [7] + +De roem der schoonheid van de Edele Kaguya bereikte ook het Hof, en +de Mikado, verlangend haar te aanschouwen, zond één zijner hofdames, +Fusago, om de dochter van den Bamboesnijder te zien, en Zijne Majesteit +omtrent haar bekoorlijkheden rapport uit te brengen. + +Toen echter Fusago het huis van den Bamboesnijder bereikte, weigerde +de Edele Kaguya haar te zien. Daarom keerde de hofdame naar het Hof +terug en deelde de zaak aan den Mikado mede. Zijne Majesteit ontbood, +zeer ontstemd den Bamboesnijder, en gelastte hem, Kaguya naar het +Hof te brengen, opdat hij in de gelegenheid zou zijn, haar te zien, +en voegde er aan toe: "Het is niet onmogelijk, dat dan haar vader +tot belooning in den adelstand wordt opgenomen." + +De oude Bamboesnijder was een goede ziel, en op vriendelijke wijze +keurde hij het zonderlinge gedrag van zijn dochter af. Hoewel hij +op de hofgunst gesteld was, en waarschijnlijk er naar hunkerde, in +den adelstand te worden verheven, moet erkend worden, dat hij in de +eerste plaats trouw was aan zijn vaderlijke plichten. + +Toen hij, na zijn terugkeer, de zaak met Kaguya besprak, deelde zij +den ouden man mede, dat het, als zij gedwongen werd naar het Hof te +gaan, zeer zeker haar dood zou veroorzaken, en voegde zij er aan toe: +"De prijs van de adelbrieven van mijn vader zal de dood van zijn +kind zijn." + +De Bamboesnijder was diep onder den indruk van die woorden, en vertrok +ten tweede male naar het Hof, waar hij nederig de belissing van zijn +dochter bekend maakte. + +De Mikado, die niet duldde, dat hem iets werd geweigerd, zelfs niet +door een bijzonder schoone vrouw, beraamde het vernuftige plan, een +Keizerlijke jachtpartij te houden, en wel zóó, dat hij onverwachts +aan de woning van den Bamboesnijder zou komen, en misschien de dame +kon aanschouwen, die de wenschen van een Keizer durfde trotseeren. + +Op den dag, voor de Keizerlijke Jachtpartij bepaald, kwam dus de Mikado +de woning van den Bamboesnijder binnen. Nauwelijks was dit geschied, +of hij zag in het vertrek, waarin hij stond, een wonderlijk licht, +en in het licht niemand anders dan de Edele Kaguya. + +Zijne Majesteit trad naar voren en raakte de mouw der maagd aan, +waarna zij haar gelaat verborg, maar niet voordat de Mikado een +vluchtigen blik op haar had geslagen. Verbaasd door haar buitengewone +bekoorlijkheid, en geen acht slaande op haar verzet, beval hij, +dat een keizerlijke draagstoel zou worden gebracht; maar toen de +draagstoel aankwam, verdween de Edele Kaguya plotseling. De Keizer die +nu ontdekte, dat hij met geen sterfelijke maagd te doen had, riep uit: +"Het zal zijn, zooals gij het verlangt, jonge maagd; maar ik smeek, +dat gij weer uw vorigen vorm herneemt, opdat uw schoonheid weer eens +moge worden aanschouwd." + +Zoo hernam de Edele Kaguya weer haar schoone gestalte. Toen Zijne +Majesteit op het punt was, weggedragen te worden, maakte hij het +volgende gedicht: + + + "Droevig is de thuiskomst + Der Vorstlijke Jacht, + Vol van droefheid is het + Peinzende hart; + Want zij biedt weerstand en blijft terug, + De Edele Kaguya!" + + +De Edele Kaguya antwoordde daarop het volgende: + + + "Onder het dak begroeid met + Hoprank + Toefde zij vreedzame + Jaren. + Hoe kan zij wagen te staren + Op 't Paleis met zijn kostbaar gesteente?" + + + +Het Hemelsche Kleed van Vederen. + + +In het derde jaar na de Keizerlijke Jachtpartij, en in den lentetijd, +staarde Kaguya voortdurend naar de maan. In de zevende maand, toen de +maan vol was, nam de smart van Kaguya zóózeer toe, dat haar weenen de +meisjes, die in haar dienst waren, in droefheid dompelde. Eindelijk +kwamen zij bij den Bamboesnijder, en zeiden: "Langen tijd heeft +de Edele Kaguya de maan gadegeslagen, in zwaarmoedigheid toenemend +naarmate de maan toeneemt, en haar smart gaat nu alle maat te boven, +en bitter weent en jammert zij; daarom raden wij u aan, met haar +te spreken." + +Toen de Bamboesnijder met zijn dochter over haar droefenis sprak, +verzocht hij haar, hem de reden van haar smart mede te deelen, en +vernam hij, dat het gezicht der maan haar er toe bracht, na te denken +over de goddeloosheid der wereld. + +In de achtste maand vertelde Kaguya aan haar dienaressen, dat zij geen +gewone stervelinge was, maar dat haar geboorteplaats de hoofdstad +van het Maanland was, en dat de tijd nu nabij was, waarop het was +vastgesteld, dat zij de wereld moest verlaten en naar haar oude woning +moest terugkeeren. + +Niet alleen werd de Bamboesnijder door smart verteerd, toen hij +dit treurige nieuws vernam, maar ook de Mikado was diep bewogen, +toen hij van het voorgenomen vertrek der Edele Kaguya bericht +kreeg. Zijne Majesteit kreeg bericht, dat bij de volgende volle +maan een troepenafdeeling van dien helderschijnenden bol zou worden +neergezonden, om de Schoone Vrouwe weg te voeren, waarop hij besloot, +zich tegen dien hemelschen inval te verzetten. Hij beval, dat een wacht +van soldaten zou geplaatst worden bij het huis van den Bamboesnijder, +gewapend en gereed om, zoo noodig, hun pijlen op dat Maanvolk af te +schieten, die gaarne de Schoone Kaguya zouden weghalen. + +De oude Bamboesnijder dacht, dat de inval van de maan af, met een +dergelijke wacht, om zijn dochter te beschermen, volkomen vruchteloos +zou zijn. Kaguya echter trachtte de oude man hieromtrent helderder +denkbeelden te geven, en zeide: "Gij kunt nooit de overwinning behalen +over het volk van gindsch land, noch zal uw artillerie hun kwaad doen, +noch kunnen uw verdedigingswerken iets tegen hen baten, want iedere +deur zal bij hun nadering open vliegen, noch zal uw dapperheid u +helpen, want al zijt gij ook nog zoo stoutmoedig, als het Maanvolk +komt, zal uw strijd tegen hen vruchteloos zijn." Die opmerkingen +maakten den Bamboesnijder vreeselijk woedend. Hij hield staande, +dat zijn nagels in klauwen zouden veranderen--in één woord, dat hij +zulke onbeschaamde bezoekers uit de maan volkomen zou vernietigen. + +Terwijl nu de keizerlijke wacht rondom het huis van den Bamboesnijder, +op het dak en in iedere richting was opgesteld, ging de nacht +langzaam voorbij. Tegen het uur van de Rat [8] scheen er een +groote stralenkrans, die den glans van zon en maan overtrof, aan +den hemel. Terwijl het licht nog steeds scheen, naderde een groote +wolk, die een troepenafdeeling van het Maanvolk droeg. De wolk daalde +langzaam neer, totdat zij den grond naderde, en het Maanvolk stelde +zich in slagorde op. Toen de keizerlijke wacht hen zag, werd iedere +soldaat bevreesd bij dat vreemde schouwspel; maar eindelijk vatten +enkelen van hen zóóveel moed, dat zij hun bogen spanden en hun pijlen +deden wegvliegen; doch al die pijlen weken van hun richting af. + +Op de wolk rustte een wagen met een troonhemel, die schitterde van +gordijnen, van de fijnste wol vervaardigd, en uit dien wagen weerklonk +een krachtige stem, die sprak: "Kom hier, Miyakko Maro!" + +De Bamboesnijder kwam waggelend nader, om aan het bevel te gehoorzamen, +en kreeg voor zijn moeite niets anders te hooren van den aanvoerder +van het Maanvolk, dan een toespraak, die begon met: "Gij dwaas," en +die eindigde met een bevel, dat de Edele Vrouwe Kaguya zonder eenig +vertoef zou worden uitgeleverd. + +De wagen dreef omhoog op de wolk, totdat hij over het dak zweefde. Toen +riep dezelfde krachtige stem: "Heidaar, Kaguya! Hoe lang zijt gij +nog van plan, in deze treurige plaats te talmen?" + +Onmiddellijk werd de buitendeur van de provisiekamer en het inwendige +latwerk door de macht van het Maanvolk geopend en werd de Edele Kaguya +zichtbaar, met haar vrouwen om haar heen geschaard. + +De Edele Kaguya nam, voordat zij vertrok, afscheid van den +terneergebogen Bamboesnijder, en gaf hem een perkamentrol in handen, +waarop de volgende woorden waren geschreven: "Als ik in dit land +geboren was, zou ik het nooit hebben verlaten, voordat de tijd voor +mijn vader gekomen was, dat hij geen smart meer had te lijden ter +wille van zijn kind; maar nu moet ik de grenzen van deze wereld +verlaten, hoewel zeer tegen mijn wil. Mijn zijden mantel laat ik +hier achter als een herinnering, en als de maan den nacht verlicht, +laat dan mijn vader daarop staren. Nu moeten mijn oogen een laatsten +blik op u slaan, en moet ik tot gindsch firmament opstijgen, van waar +ik gaarne als een meteoor zou willen naar beneden vallen." + +Het Maanvolk had in een koffer een Hemelsch Kleed van Vederen +medegebracht en een paar druppels van het Levenselixer. Een der +Maanbewoners sprak tot de Edele Kaguya: "Proef, wat ik u bidden mag, +van dit Elixir, immers uw geest is besmet geworden met de grofheid +van deze bezoedelde wereld." + +De Edele Kaguya, was, nadat zij het Elixir had geproefd, juist +op het punt een weinig er van te wikkelen in den mantel, dien zij +achterliet, ten behoeve van den ouden Bamboesnijder, die haar zoozeer +had liefgehad, toen één van het Maanvolk haar dit belette en over haar +schouders het Hemelsche Kleed trachtte te werpen; waarop de Edele +Kaguya uitriep: "Heb nog een oogenblik geduld; hij, die dit kleed +aantrekt, verandert zijn hart, en ik heb nog iets te zeggen voordat +ik vertrek." Daarna schreef zij de volgende woorden aan den Mikado: + +"Uwe Majesteit verwaardigde zich, troepen te zenden om uw dienares +te beschermen, maar het mocht niet zoo zijn, en nu is het ellendige +oogenblik aangebroken, waarop zij gaat vertrekken met hen, die +gekomen zijn, om haar met zich mede te voeren. Het was haar niet +veroorloofd, uwe Majesteit te dienen, en het was buiten haar schuld, +dat zij niet gehoorzaamde aan het Keizerlijke bevel, en haar hart is +daarover met droefheid vervuld; misschien heeft Uwe Majesteit gedacht, +dat het Keizerlijke bevel niet begrepen was, en dat zich er tegen +verzette, en daarom zal het Uwe Majesteit toeschijnen, alsof het +haar aan goede vormen ontbrak, hetgeen zij niet zou willen, dat Uwe +Majesteit van haar dacht, en daarom legt zij nederig deze woorden aan +Uwe Keizerlijke voeten. En nu moet zij het Vederen Kleed aantrekken, +en in diepe smart haren Meester vaarwel zeggen." + +Nadat zij deze perkamenten rol den kapitein der troepen had +overhandigd, te gelijk met een schacht van bamboe, die het +Elixir bevatte, werd het Vederkleed over haar heen geworpen, +en oogenblikkelijk was elke herinnering aan haar aardsch bestaan +verdwenen. + +Daarna besteeg Kaguya den wagen, omringd door de troepen van het +Maanvolk, en de wolk steeg snel omhoog, totdat zij uit het gezicht +verdwenen was. + +De droefheid van den Bamboesnijder en den Mikado is niet te beschrijven +en kende geen grenzen. De laatste hield een ministerraad, en wenschte +te weten, wat de hoogste berg in het land was. Een der raadslieden +antwoordde: "In Suruga staat een berg, niet ver van de hoofdstad +verwijderd, die onder alle bergen van het land het hoogst naar den +hemel uitsteekt." Daarop vervaardigde Zijne Majesteit het volgende +gedicht: + + + "Haar nooit meer terug te zien! + Tranen van smart overstelpen mij, + En wat mij betreft, + Wat moet ik doen + Met het Levenselixir?" + + +Daarna werd de rol, door de Edele Kaguya beschreven, te zamen met het +Elixir aan Tsuki no Iwakasa gegeven. Hem werd bevolen, die te brengen +naar den top van den hoogsten berg in Suruga, en daar, staande op de +hoogste spits, de rol en het Levenselixir te verbranden. + +Tsuki no Iwakasa hoorde nederig het keizerlijke bevel aan, en nam een +afdeeling krijgslieden met zich mede, waarna hij den berg beklom en +deed zooals hem was bevolen. En van dien tijd af werd aan gindschen +berg de naam gegeven van de Fuji (_Fuji-yama_, Nooit Stervend), +en men verhaalt, dat de rook van dat verbranden nog steeds van zijn +hoogste spits opstijgt, om zich te vermengen met de wolken des hemels. + + + + +HOOFDSTUK IV. LEGENDEN OMTRENT BUDDHA. + + + +De Legende van den Gouden Lotus. + +De volgende legende is klaarblijkelijk niet van Japanschen +oorsprong. De Buddhistische priesters in Japan wisten, dat de +groote kracht van hun godsdienst niet lag in het uitroeien der +oude Shintogoden, maar in het met ontzaglijke scherpzinnigheid +aanpassen der goden aan de behoeften van hun eigen onderwijs. In +het hier gegeven geval heeft Japan van Indië en in minderen graad +van China geleend, indien wij ten minste den draak mogen beschouwen +als oorspronkelijk te behooren tot het Hemelsche Rijk. Wij hebben de +bewerking van Edward Greey op den voet gevolgd, en geven die hier, +omdat zij dikwijls voorkomt in de preeken van priesters uit Nippon, +en een bepaald Japansche kleur draagt. Wij zouden legenden van dien +aard gemakkelijk in twee lezingen kunnen geven, maar voor ons doel +is ééne voldoende. De twee overige legenden in dit hoofdstuk zijn +uitdrukkelijk Japansch. + +Toen Buddha zijn heilige overpeinzingen op den berg Dan-doku had +voleindigd, wandelde hij op weg naar de stad langzaam voort langs +een rotsachtig voetpad. De donkere schaduwen van den nacht kropen +over het land voort en er was overal diepe stilte. + +Toen de Buddha zijn bestemming naderde, hoorde hij dat iemand riep: +"_Shio-giyo mu-jiyo_" ("De uitwendige wijze van doen is niet altijd +een aanwijzing voor de natuurlijke geaardheid.") + +Buddha was over die woorden uiterst verheugd, en begeerde te vernemen, +wie zoo verstandig had gesproken. Telkens weer hoorde hij diezelfde +woorden, en na voortgegaan te zijn naar den rand van een afgrond, +keek hij neer in de vallei beneden hem, waar hij een vreeselijk +leelijken draak zag, die hem met woedende oogen aanstaarde. + +De Heilige Man ging toen op een rots zitten, en vroeg den draak, hoe +hij één van de diepste mysteriën van het Buddhisme had geleerd. Een zoo +diepzinnige wijsheid deed vermoeden, dat nog een groote overvloed van +geestelijke waarheden kon worden geopenbaard, en Buddha vroeg daarom, +dat de draak nog uiting zou geven aan andere wijze gezegden. + +Daarna riep de draak, na zich om de rots te hebben gekronkeld, +met luider stem: "_Ze-shio metsu-po!_" ("Alle levende dingen zijn +tegenstrijdig aan de wet van Buddha!"). + +Na die woorden te hebben geuit, was de draak eenigen tijd stil. Daarna +verzocht Buddha, nog een andere spreuk te mogen hooren. + +"_Shio-metsu metsu-i!_" ("Alle levende dingen moeten sterven!"), +schreeuwde de draak. + +Bij die woorden zag de draak op naar Buddha, en op zijn ijselijk +gelaat was een uitdrukking van ontzettenden honger. + +De draak zeide daarop tot Buddha, dat de volgende waarheid de laatste +was, en van zóó groote waarde, dat hij die niet kon openbaren, +zoolang zijn honger nog niet was gestild. + +Daarop merkte de Heilige Man op, dat hij den draak niets zou weigeren, +als hem slechts de vierde waarheid werd geopenbaard, en vroeg den +draak, wat hij verlangde. Toen Buddha hoorde, dat menschenvleesch +door den draak verlangd werd in ruil voor zijn laatste kostbare, +wijze spreuk, deelde de Meester den draak mede, dat zijn godsdienst +verbood, dat levende wezens gedood werden, maar dat hij ten behoeve +van het welzijn van zijn volk zijn eigen lichaam zou opofferen. + +De draak opende zijn grooten bek en zeide: "_Jaku-metsu I-raku!_" +("Het grootste geluk wordt ondervonden, nadat de ziel het lichaam +heeft verlaten!"). + +Buddha boog, en sprong toen in den gapenden bek van den draak. + +Nauwelijks had de Heilige Man de kaken van het monster aangeraakt, +of deze scheidden zich in acht deelen, en in één oogenblik veranderden +zij in de acht bloemblaadjes van den Gouden Lotus. + + + +De Bronzen Buddha van Kamakura en de Walvisch. [9] + + + + "Boven de oude zangen, vergaan tot asch en smart, + Waaronder Dood de godenbeelden en 't geboomte hult in nevelen + van zuchten, + (Waar is de tijd van Kamakura's vroeg'ren bloei gebleven?) + Zit de Daibutsu tot in eeuwigheid, het hart tot zwijgen opgevoerd." + _Yone Noguchi_. + + +De groote bronzen Buddha van Kamakura, of de Daibutsu, is ongetwijfeld +één der meest merkwaardige beelden van Japan. In vroegere tijden +was Kamakura de hoofdstad van Nippon. Het was een groote stad met +ongeveer een millioen inwoners, en was de zetel der Shoguns en de +Regenten uit het geslacht der Hojo's gedurende den veelbewogen tijd der +Middeleeuwen. Maar in weerwil van al de trouwe vereerders van Buddha, +die in Kamakura leefden, werd de stad bij twee gelegenheden verwoest, +totdat zij ten slotte haar belangrijkheid verloor. In onze dagen vindt +men in de plaats van de oude glorie rijstvelden en bosschen. Doch +storm en vuur hebben den tempel van Hachiman (den Oorlogsgod) en het +bronzen beeld van Buddha onaangetast gelaten. Een tijd lang rustte +dit reusachtige beeld in een tempel, maar nu staat het hoog boven de +boomen, met een ondoorgrondelijken glimlach op zijn groot gelaat, +met oogen vol vrede, die niet kon worden geschokt door de nietige +stormen der wereld. + +Legenden zijn bijna altijd eenvoudig en natuurlijk. Godheden worden, +zonder te letten op hun strengheid, tot een zeer menschelijk peil +teruggebracht. Er is een groote afstand tusschen de ingewikkelde +leeringen van Buddha en de geschiedenis van Amida Butsu en den +walvisch. In de volgende legende kan men een bijna pathetisch +verlangen lezen, om de grootheid van Buddha te bemantelen. De +reusachtige afmetingen van den Daibutzu zijn volstrekt niet in +overeenstemming met die merkwaardige voorliefde voor kleine dingen, +die een zoo karakteristiek kenmerk is van het Japansche volk. Er is +een speelsche ironie in dit verhaal, een verlangen om den grooten +Leeraar naar beneden te halen--al is het slechts, om hem een paar +armzalige centimeters kleiner voor te stellen. + +Zóóvele dingen schijnen ons in Japan ten onderste boven gezet te +worden, dat het ons niets verbaast, als wij ontdekken, dat de voeten op +den duimstok voor het meten van metalen en voor het meten van zachte, +buigzame stoffen niet gelijk zijn. Voor buigzame goederen wordt een +baleinen maat gebruikt, voor hard materiaal een metalen plaat. Er +is bij die maten een verschil van vijf centimeters, en de volgende +legende kan ons misschien wel verklaren, wat de oorzaak is van dit +oppervlakkig zoo vreemde verschil. + +De Bronzen Buddha is in zijn zittende houding vijftig voet hoog en +zeven en negentig voet in omtrek, terwijl de lengte van het gelaat +acht voet, de omtrek der duimen drie voet is. Het is waarschijnlijk +wel het grootste stuk brons in de wereld. Een zóó ontzaglijk groot +beeld maakte natuurlijk een bijzonderen indruk in de dagen, toen +Kamakura een bloeiende stad was, door den grooten veldheer Yoritomo +gebouwd. De wegen in en om de stad waren steeds dicht bezet met +pelgrims, die verlangden een blik te slaan op het jongste wonder, +en allen waren het er over eens, dat dit bronzen beeld het grootste +voorwerp op de geheele wereld was. + +Het is nu niet onmogelijk, dat enkele zeelieden, die dit wonder hadden +gezien, daarover keuvelden, terwijl zijn hun netten uitspreiden. Dit +moge inderdaad het geval geweest zijn of niet, zeker is het, dat een +groote walvisch, die in de Noordelijke Zee thuis behoorde, toevallig +over den Bronzen Buddha van Kamakura hoorde spreken, en daar hij van +oordeel was, dat hij veel grooter was dan eenig voorwerp aan land, kon +hem het denkbeeld, dat er misschien een mededinger was, volstrekt niet +bekoren. Hij achtte het onmogelijk, dat kleine menschen iets konden +vervaardigen, dat kon wedijveren met zijn ontzaglijk lichaam, en lachte +dus hartelijk over de groote dwaasheid van een dergelijke opvatting. + +Zijn lachen duurde echter niet lang. Hij was buitensporig jaloersch, +en toen hij hoorde van de talrijke pelgrimstochten naar Kamakura en van +de voortdurende bewondering, die opgewekt werd bij hen, die het beeld +hadden gezien, werd hij ontzettend boos, zweepte de zee tot schuim, +en snoot zijn neus met zulk een kracht, dat de andere schepselen der +zee hem een heel eind ontliepen. Zijn verlatenheid droeg er echter toe +bij, zijn droefheid te vermeerderen, en hij was buiten staat te eten +of te slapen, en werd ten gevolge daarvan mager. Ten slotte besloot +hij de zaak te bespreken met een bevrienden haai. + +De haai beantwoordde de opgewonden vragen van den walvisch met kalme +belangstelling, en stemde er in toe, naar de Zuidelijke Zee te gaan, +om de maat te nemen van het beeld, en het resultaat van zijn arbeid +aan zijn geschokten vriend mede te deelen. + +De haai ging op reis, totdat hij aan het strand kwam, waar hij +ongeveer een halve mijl ver in het binnenland het beeld boven zich +zag uitsteken. Daar hij niet op het droge kon loopen, was hij op het +punt het doel van zijn tocht op te geven, toen hij het geluk had, een +rat te ontdekken, die een uitstapje deed langs een jonk. Hij legde +de rat het doel van zijn zending uit, en verzocht dat schepseltje, +na het zeer te hebben gevleid, de maat te nemen van den Bronzen Buddha. + +De rat daalde dus van de jonk af, zwom aan land, en trad den donkeren +tempel binnen, waar de Groote Buddha stond. Eerst was zij zoozeer +onder den indruk van de pracht, die zij om zich heen zag, dat zij +niet zeker was, hoe zij moest handelen, om aan het verzoek van den +haai te voldoen. Eindelijk besloot zij, om het beeld heen te loopen en +daarbij haar voetstappen te tellen. Nadat zij die taak had volbracht, +bleek het, dat zij precies vijfduizend stappen gedaan had, en bij +haar terugkeer naar de jonk deelde zij den haai de maat mede van het +voetstuk van den Bronzen Buddha. + +De haai keerde, na de rat uitbundig te hebben bedankt, naar +de Noordelijke Zee terug, en deelde den walvisch mede, dat de +berichten over de afmetingen van dit ergernis wekkende beeld maar +al te waar waren. "Een gebrekkige kennis is een gevaarlijke zaak", +is klaarblijkelijk evenzeer toepasselijk op walvisschen, immers de +walvisch uit deze legende werd, nadat hij dit bericht had ontvangen, +nog woedender dan te voren. Zooals in een sprookje, dat al onze +westersche kinderen bekend is, deed hij tooverlaarzen aan, teneinde +te land even goed te kunnen reizen als hij altijd ter zee had gedaan. + +De walvisch bereikte tegen den nacht den tempel te Kamakura. Hij +ontdekte, dat de priesters naar bed waren gegaan en blijkbaar vast in +slaap waren. Hij klopte aan de deur. In plaats van het nare gemompel +van een slechts half ontwaakten priester, hoorde hij Buddha zelf +met een stem, die klonk als het geluid van een groote klok, zeggen: +"Kom binnen!" + +"Dat is onmogelijk", antwoordde de walvisch, "omdat ik te groot +ben. Wilt gij zoo goed zijn naar buiten te komen, en met mij te +spreken?" + +Toen Buddha ontdekte, wie zijn bezoeker was, en wat hij op zulk +een spookachtig uur verlangde, stapte hij goedgunstig van zijn +voetstuk af en kwam hij buiten den tempel. Van beide kanten was +er stomme verbazing. Als de walvisch knieën gehad had, zouden zij +ongetwijfeld in botsing zijn gekomen. Nu sloeg de walvisch zijn kop +tegen den grond. Wat Buddha betreft, ook deze was verbaasd, toen hij +een schepsel zag van zoo reusachtige afmetingen. + +Wij kunnen ons de ontsteltenis voorstellen van den opperpriester, +toen hij ontdekte, dat het voetstuk het beeld van zijn meester niet +meer droeg. Daar hij een vreemd gesprek hoorde buiten den tempel, +ging hij naar buiten, om te zien wat er gebeurde. De zeer ontstelde +priester werd uitgenoodigd, aan het twistgesprek deel te nemen, en +kreeg het verzoek de maat te nemen van het beeld en van den walvisch; +hij begon daarom de maat te nemen met zijn rozenkrans. Terwijl hij +daarmede bezig was, wachtten het beeld en de walvisch den uitslag +met ingehouden adem af. Toen de maat genomen was, bleek het, dat de +walvisch vijf centimeter langer was dan het beeld, en dat hij eveneens +grooter van omtrek was. + +De walvisch keerde veel ijdeler dan ooit naar de Noordelijke Zee terug, +terwijl het beeld naar zijn tempel terug keerde en weer ging zitten, +en daar is het tot op den huidigen dag gebleven, er waarschijnlijk niet +slechter van geworden, nu het ontdekt had, dat het niet volkomen zoo +groot was als het zich had voorgesteld. Handelaars in stukgoederen +en handelaars in hout en in ijzer spraken van dat oogenblik af, +dat er verschil zou zijn in wat beiden een voet zouden noemen--en +het verschil bedroeg vijf centimeters. + + + +Het kristal van Buddha. [10] + +In oude dagen leefde in Japan een beroemd Minister van Staat, Kamatari +genaamd. Kamatari nu had een eenige dochter, Kohaku Jo, die bijzonder +schoon was, en daarbij even goed als schoon. Zij was de vreugde van +het hart haars vaders, en hij besloot, dat, als zij huwde, niemand +minder in rang dan een Koning haar echtgenoot zou worden. Met dit +denkbeeld voortdurend voor den geest, weigerde hij standvastig de +aanzoeken om haar hand. + +Op zekeren dag was er een groote oploop op het binnenplein van +het paleis. Door de open poorten stroomden een groot aantal mannen +binnen, die een vaandel droegen, waarop een zijden draak op een gelen +achtergrond was gewerkt. Kamatari vernam, dat die mannen van het hof te +China gekomen waren, met een boodschap van Keizer Koso. De Keizer had +gehoord van de buitengewone schoonheid en de bijzondere lieftalligheid +van Kohaku Jo, en verlangde haar te huwen. Zooals dit in het Oosten +bij dergelijke gelegenheden gebruikelijk is, was het aanzoek van den +Keizer vergezeld van de belofte, dat indien Kohaku Jo zijn bruid zou +worden, hij haar zou toestaan datgene te kiezen uit zijn schatkamer, +wat zij naar haar eigen land zou willen zenden. + +Nadat Kamatari de afgevaardigden met behoorlijken luister en met de +vereischte plechtigheid had ontvangen en een geheele vleugel van zijn +paleis ter hunner beschikking had gesteld, keerde hij naar zijn eigen +vertrek terug en beval zijn dienaar, zijn dochter vóór hem te geleiden. + +Toen Kohaku het vertrek van haar vader was binnengetreden, boog zij +voor hem en bleef geduldig op de witte matten zitten, in afwachting van +het oogenblik, dat haar verheven vader het woord tot haar zou richten. + +Kamatari deelde haar mede, dat hij den Keizer van China als haar +echtgenoot had uitgekozen en het meisje weende, toen zij die tijding +hoorde. Zij was zoo gelukkig geweest in haar eigen huis, en China +scheen zoo ver verwijderd te zijn. Toen haar vader haar echter +voorspelde, dat zij in de toekomst nog meer geluk zou hebben dan zij +ooit in het verledene had gehad, droogde zij haar tranen en luisterde +naar de woorden van haar vader, misschien wel verbaasd over de +mededeeling, dat alle schatten van China aan haar eigen kleine voetjes +zouden worden gelegd. Zij was verheugd, toen haar vader haar zeide, +dat zij in staat zou gesteld worden, drie van die schatten naar den +tempel van Kofukuji te zenden, waar zij als klein kind gezegend was. + +Zoo dan gehoorzaamde Kohaku haar vader, met niet weinig bezorgdheid, +en niet weinig hartzeer. Haar gezellinnen weenden, toen zij het +nieuws hoorden, maar zij werden getroost, toen de moeder van Kohaku +haar vertelde, dat enkelen van haar zouden worden uitgekozen om haar +meesteres te vergezellen. + +Voordat Kohaku naar China wegzeilde, richtte zij haar schreden naar +den tempel van Kofukuji, en toen zij het heilige altaar genaderd was, +bad zij om bescherming op haar reis, en beloofde zij, dat zij, als +haar gebeden werden verhoord, China zou doen doorzoeken, om de drie +kostbaarste schatten van dat rijk te verkrijgen, en dat zij die als +een dankoffer naar den tempel zou zenden. + +Kohaku bereikte veilig China en werd door Keizer Koso met groote pracht +ontvangen. Haar kinderlijke vrees werd spoedig verdreven door de groote +vriendelijkheid van den Keizer. Immers hij betoonde haar heel wat meer +dan vriendelijkheid. Hij sprak haar toe in de taal van een minnaar: +"Na lange, lange dagen van treurig wachten heb ik de azalea van het +verwijderde gebergte verworven, en nu plant ik die in mijn tuin, +en groot is de vreugde van mijn hart!" [11] + +Keizer Koso leidde haar van het ééne paleis naar het andere, en +zij wist niet, welk paleis het schoonst was, maar haar Keizerlijke +echtgenoot wist, dat zij veel schooner was dan één van deze. Omhaar +bijzondere lieftalligheid wenschte hij, dat de herinnering daaraan ten +eeuwige dagen over de geheele lengte en breedte van China zou blijven +voortduren, ja zelfs tot buiten de grenzen van zijn rijk. "Daarom +riep hij zijn goudsmeden en tuiniers te zamen", zooals Madame Ozaki +verhaalt bij de beschrijving van dit sprookje, "en beval hen, voor +de Keizerin een weg te maken, zooals nog nooit in de geheele wijde +wereld bestaan had. De treden van dien weg moesten lotus-bloemen +zijn, gesneden uit goud en zilver, opdat zij daarover kon loopen, zoo +dikwijls zij rondzwierf onder de boomen of langs het meer, zoodat men +zou kunnen zeggen, dat haar schoone voetjes nooit werden bezoedeld, +door de aarde aan te raken; en sedert dien tijd hebben dichterlijke +minnaars en liefdedichters in China en Japan in gezangen en sonnetten +en in zoete gesprekken de voeten der vrouwen, die zij liefhebben, +'lotusvoeten' genoemd." + +Maar in weerwil van al de pracht, die Kohaku omringde, vergat zij +haar geboorteland niet en evenmin de gelofte, die zij in den tempel +van Kofukuji had afgelegd. Op zekeren dag deelde zij beschroomd den +Keizer haar gelofte mede, en daar hij maar al te zeer verheugd was, +een nieuwe gelegenheid te hebben, haar genoegen te doen, plaatste hij +zulk een schat van schoone en kostbare zaken vóór haar, dat het wel +scheen, alsof een uitgelezen sprookjeswereld van vroolijke kleuren +en volmaakte vormen plotseling voor haar voeten was ontstaan. Er +was daar zulk een rijkdom aan schitterende dingen, dat zij het zeer +moeilijk vond, een keuze te doen. Eindelijk vestigde zij haar keuze +op de volgende tooverschatten, een muziekinstrument, dat, als men er +op sloeg, eeuwig bleef doorspelen, een doos met inktsteen, die, als +het deksel werd opgetild, een onuitputtelijken voorraad Oost-Indischen +inkt bleek te bevatten, en ten slotte "een prachtig kristal, in welks +heldere diepte men, van welken kant men ook er in staarde, een beeld +zag van Buddha, rijdend op een witten olifant. Het kristal was van +bovennatuurlijken glans en schitterend als een ster, en ieder, die in +zijn heldere diepten staarde en de gezegende verschijning van Buddha +zag, had voor altijd gemoedsrust." [12] + +Nadat Kohaku eenigen tijd die schatten had bekeken, ontbood zij +Admiraal Banko en verzocht hem, ze veilig naar den tempel van Kofukuji +over te brengen. + +Alles ging voorspoedig met Admiraal Banko en zijn schip, totdat zij +in de Japansche wateren waren, op weg naar de baai van Shido-no-ura, +toen een heftige storm het schip heen en weer slingerde. De golven +rolden omhoog met de woestheid van wilde dieren, en voortdurend +flikkerde de bliksem aan den hemel, om een oogenblik het rollende +schip te verlichten, dat nu eens hoog opgeheven werd op een waterberg, +dan weer neergedompeld werd in een groene vallei, waaruit het nooit +meer scheen te kunnen verrijzen. + +Plotseling ging de storm liggen, even onverwachts als hij +was opgestoken. De ééne of andere fee had met haar hand al de +wolken weggevaagd, en een blauw en fonkelend tapijt over de zee +uitgespreid. De eerste gedachte van den admiraal was, hoe het stond +met de veiligheid der schatten, die hem waren toevertrouwd, en toen +hij naar beneden ging, vond hij het muziekinstrument en den inktsteen +volmaakt in den toestand, waarin hij die had achtergelaten, maar bleek +het, dat de kostbaarste der schatten, het Kristal van Buddha, niet te +vinden was. Hij dacht er over, zich het leven te benemen, zoozeer was +hij onder den indruk van het verlies; maar bij nader inzien zag hij, +dat het verstandiger zou zijn, in het leven te blijven, zoolang hij +nog iets kon doen, om het kristal te vinden. Daarom haastte hij zich +te landen, en deelde Kamatari zijn ijselijk ongeluk mede. + +Nauwelijks had Kamatari het bericht omtrent het Kristal van Buddha +vernomen, of die verstandige minister begreep, dat de Koning der Draken +van de Zee het gestolen had, en met dit doel de storm had veroorzaakt, +die hem in staat had gesteld, ongemerkt den schat te stelen. + +Kamatari bood aan een aantal visschers, die hij op het strand van +Shido-no-ura zag, een ruime belooning aan, als eenigen van hen zich +in zee zouden willen wagen, om het kristal terug te brengen. Alle +visschers boden daarop zich vrijwillig aan, maar na een aantal +vruchtelooze pogingen bleef het kostbare kleinood voortdurend onder +de hoede van den Zeekoning. + +Kamatari zag in zijn groote droefheid plotseling een arme vrouw, +die een kind in de armen droeg. Zij vroeg den grooten minister, of +zij in zee mocht afdalen om naar het kristal te zoeken, en in weerwil +van haar zwakheid sprak zij met overtuiging. Haar moederhart scheen +haar moed in te boezemen. Zij deed haar verzoek, omdat zij wenschte, +dat Kamatari, als het haar gelukte het kristal terug te brengen, ter +belooning haar zoontje zou opvoeden als _samurai_ [13], opdat hij in +zijn verder leven iets anders kon worden dan een eenvoudige visscher. + +Men zal zich herinneren, dat Kamatari in vroeger dagen eerzuchtig +was geweest ter wille van zijn dochter. Hij begreep dan ook volkomen +het verzoek der arme vrouw, en beloofde plechtig, dat hij, als zij +getrouw haar taak ten uitvoer bracht, gaarne haar wensch zou vervullen. + +De vrouw ging heen, en na haar bovenkleeren te hebben uitgetrokken, +en een touw om haar middel te hebben gebonden, waarin zij een mes +stak, was zij voor haar gevaarlijke reis gereed. Na het uiteinde van +het touw aan een aantal visschers te hebben gegeven, ging zij te water. + +Het eerste oogenblik zag de vrouw de vage omtrekken van rotsen, en +een wegvliegenden verschrikten visch, en het matte goud van het zand +onder haar voeten. Daarna zag zij plotseling de daken van het paleis +van den Zeekoning, een groot en schitterend gebouw van koraal, hier en +daar ondersteund door bossen veelkleurig zeegras. Het paleis geleek +op een kolossale pagode, met een aantal verdiepingen. De vrouw zwom +nader, om het meer van nabij te aanschouwen en zij bemerkte toen een +helder licht, schitterender dan het licht van verschillende manen en +zóó helder, dat het haar oogen verblindde. Het was het licht van het +kristal van Buddha, dat geplaatst was op de tinne van dat uitgestrekte +gebouw, en aan iederen kant van het schitterende kleinood waren +drakenwachters, diep in slaap, die zelfs in hun slaap schenen te waken! + +De vrouw zwom er heen, terwijl zij in haar dapper hart bad, dat de +draken zouden doorslapen, totdat zij buiten gevaar zou zijn en den +schat in haar bezit had. Nauwelijks had zij het kristal van zijn +rustplaats gerukt, of de wachters ontwaakten; zij strekten hun groote +klauwen uit en hun staarten zweepten woedend het water, en in een +oogenblik vervolgden zij haar met woede. De vrouw, die alles liever +wilde dan het kristal te verliezen, dat zij ten koste van zooveel +gevaren had gewonnen, sneed een wond in haar linker borst, en duwde +het kristal in de bloedende holte, terwijl zij haar hand tegen het +arme gewonde vleesch drukte, zonder dat zij een kreet van smart deed +hooren. Toen de draken bemerkten, dat het water donker gekleurd was +door het bloed der vrouw, keerden zij om, immers zeedraken zijn bang +voor het gezicht van bloed. + +De vrouw trok nu heftig aan het touw, en de visschers, die hoog +daarboven op de rotsen zaten, trokken haar met den grootsten spoed aan +land. Zij legden haar zacht neder op het strand, en zagen, dat haar +oogen gesloten waren, en dat haar borst vreeselijk bloedde. Kamatari +dacht eerst, dat de vrouw haar leven te vergeefs had gewaagd; maar +toen hij zich over haar heen boog, ontdekte hij de wond in haar +borst. Op dat oogenblik opende zij de oogen, en na het kleinood uit +de plaats genomen te hebben, waar zij het had verborgen, fluisterde +zij nog een paar woorden over de belofte van Kamatari, en viel toen +dood neder met een vredigen glimlach op het gelaat. + +Kamatari nam het kind dier vrouw mede naar huis en lette op zijn +opvoeding met al de liefdevolle zorg van een vader. Na verloop van tijd +werd hij, op volwassen leeftijd, een dappere _samurai_, en werd bij den +dood van Kamatari ook zelfs Rijksminister. Toen hij in latere jaren +de geschiedenis vernam van de zelfopofferende daad van zijn moeder, +liet hij een tempel bouwen in de baai van Shido-no-ura, ter herinnering +aan haar, die zoo dapper en trouw was geweest. Die tempel heet Shidoj, +hij wordt bezocht door vele bedevaartgangers, die zich nog tot op onzen +tijd den zieleadel van een arme schelpenverzamelaarster herinneren. + + + + +HOOFDSTUK V. LEGENDEN OVER VOSSEN. + + + +Inari, de Vossengod. + +De vos neemt een belangrijke plaats in onder de Japansche legenden, +en het onderwerp is van ver reikenden en ingewikkelden aard. [14] Inari +was oorspronkelijk de God van de Rijst, maar in de elfde eeuw werd hij +in verband gebracht met den Vossengod, en werden hem goede en kwade +eigenschappen, meestal de laatste, toegekend, en wel zóó overvloedig +en veelzijdig in haar toepassing, dat zij den westerschen lezer niet +weinig moeilijkheid veroorzaken. Alle vossen bezitten bovennatuurlijke +macht in bijna onbeperkte mate. Zij hebben het vermogen, oneindig ver +te zien; zij kunnen alles hooren en de geheime gedachten verstaan van +de menschheid in het algemeen, en bovendien bezitten zij het vermogen +van gedaante te verwisselen. Het voornaamste kenmerk van den slechten +vos is het vermogen menschelijke wezens te misleiden, en met dit doel +neemt hij de gedaante aan van een schoone vrouw; groot is dan ook het +aantal legenden, in dit verband verhaald. [15] Indien de schaduw van +een in een vrouw veranderde vos bij toeval op het water valt, dan komt +alleen de vos, en niet de schoone vrouw, voor den dag. Men verhaalt, +dat als een hond een dergelijke vrouw ziet, de vrouwelijke gedaante +onmiddellijk verdwijnt, en alleen de vos overblijft. + +Hoewel de legenden, die in Japan met den vos in betrekking staan, +meestal met booze eigenschappen samenhangen, treedt Inari somtijds +op als een weldoend wezen, een wezen, dat hoest en verkoudheid +geneest, dat den behoeftige rijkdom schenkt en het gebed eener vrouw +ten behoeve van haar kind verhoort. Een andere vriendelijke daad van +Inari, die wij ook wel hadden kunnen toeschrijven aan Jizo, is, dat +hij de kleine jongens en meisjes in staat stelt met moed de beproeving +te dragen, om met een niet al te goed scheermes te worden geschoren, +en eveneens de kleinen de bezwaren van een heet bad hielp trotseeren, +waarvan in Japan de temperatuur nooit lager is dan ruim 43° Celsius! + +Inari beloont niet zelden menschelijke wezens voor iedere vriendelijke +daad jegens een vos. Slechts een deel van zijn belooning kan echter +voor goede munt worden opgenomen. Het enkele goede, dat door +Inari wordt verricht--en wij hebben getracht, hem recht te doen +wedervaren--weegt geheel op tegen zijn ontelbare slechte daden, +die dikwijls van een vreeselijk wreeden aard zijn, zooals later zal +blijken. Het hier behandelde onderwerp: de vos in Japan is zeer juist +door Lafcadio Hearn beschreven als "spoken-dierkunde", en dit sluwe +en boosaardige dier is veel meer geraffineerd spookachtig dan onze +officieele en gebruikelijke geestverschijning met een lichtend gewaad +en rammelende ketens. + + + +Door den Duivel bezeten. + +Het door den duivel bezeten zijn moet volgens de dikwijls verkondigde +opvatting toegeschreven worden aan den slechten invloed van +vossen. Die vorm van bezetenheid is bekend als _kitsune-tsuki_. Het +slachtoffer is gewoonlijk een vrouw der mindere klasse, iemand, die +zeer teergevoelig is en vatbaar is voor alle mogelijke bijgeloof. Het +vraagstuk der bezetenheid is nog steeds een onopgelost vraagstuk, en +de onderzoekingen van Dr. Baelz, die verbonden is aan de Keizerlijke +Universiteit van Japan, schijnen te wijzen op het feit, dat het +bezeten zijn van menschelijke wezens door dieren, een wezenlijke +en verschrikkelijke waarheid is. Hij maakt de opmerking, dat een +vos gewoonlijk een vrouw binnentreedt òf door de borst, òf onder de +nagels der vingers, en dat de vos daar een zelfstandig, afzonderlijk +leven leidt, en meestal spreekt met een stem, die geheel afwijkt van +die van een mensch. + + + +De Steen des doods. [16] + + + + "De Steen des Doods staat in 't moeras + Bij wintersneeuw en zomergloed; + Het mos, dat hem bedekt, wordt grijs, + Toch zwerft de demon daar nog rond." + + "Kil waait de wind, en boven het moeras + Klinkt in het woud der uilen heesch gekras. + En onder de chrysanthemums, beneden, + Daar loert de vos, weergalmt van jakhals het geklaag, + Als over het moeras het herfstlicht gaat omlaag." + + + Naar _B.H. Chamberlain_. + + +De Buddha-priester Genno kwam na een langdurige, moeilijke reis naar +het moeras van Nasu, en was juist van plan, te gaan rusten onder de +schaduw van een grooten steen, toen een geest plotseling te voorschijn +kwam, en sprak: "Rust niet onder dezen steen. Dit is de Steen des +Doods. Mannen, vogels en dieren zijn omgekomen, alleen maar door hem +aan te raken!" + +Die geheimzinnige woorden ter waarschuwing wekten natuurlijk de +nieuwsgierigheid van Genno op, en hij verzocht, dat de geest hem het +genoegen zou doen, de geschiedenis van den Steen des Doods te verhalen. + +De geest begon toen aldus: "Lang geleden was er een schoone maagd, +die aan het Japansche Hof leefde. Zij was zóó bekoorlijk, dat zij het +Juweeltje werd genoemd. Haar wijsheid evenaarde haar schoonheid, zij +verstond toch de Buddhistische wetenschappen en de leer van Confucius, +de wetenschap en de poëzie van China." + + + + "Zoo, door natuur en kunst met schoonheid rijk belaân, + Biedt haar de Keizer zelf zijn trouwe liefde aan." + + Naar _B.H. Chamberlain_. + +"Op zekeren nacht," zoo vervolgde de geest, "gaf de Mikado een +groot feest in het Zomerpaleis, en daar verzamelde hij het vernuft, +de wijsheid en de schoonheid van het geheele land. Het was een +schitterend gezelschap, maar terwijl de gasten aten en dronken, +onder het hooren van de tonen van liefelijke muziek, verspreidde zich +duisternis over de groote zaal. Zwarte wolken ijlden door de lucht +en er was geen enkele ster te bekennen. Terwijl de gasten verstijfd +van vrees ter neder zaten, verhief zich een geheimzinnige wind. Hij +gierde door het Zomerpaleis en waaide al de lantarens uit. De volkomen +duisternis deed een paniek ontstaan, en gedurende de verwarring riep +één der aanwezigen: 'Een licht, een licht!'" + + + Er straalt van 's meisjes schoon gezicht + Een tooverachtig, schitt'rend licht! + 't Groeit aan en vult de keizerlijke zalen; + Verlicht paneelen en de schermen met zijn stralen.-- + Het vroeger somber duister van den nacht + Straalt als de volle maan in al haar pracht. + + Naar _B.H. Chamberlain_. + +"Van dat oogenblik af werd de Mikado sukkelend", zoo vervolgde +de geest. "Hij werd zóó ziek, dat de Hoftoovenaar ontboden werd, +en die verdienstelijke man ontdekte spoedig, wat de oorzaak was +van de ziekte van Zijne Majesteit. Met de kracht eener gevestigde +overtuiging verklaarde hij, dat het Juweeltje een ontuchtige vrouw en +een duivelin was, die met listige kunsten 's Keizers hart gevangen nam, +om den staat te gronde te richten. + +"De woorden van den Toovenaar veranderden de liefde van den Mikado +voor het Juweeltje in vurigen haat. Toen die toovenares met verachting +bejegend werd, nam zij haar oorspronkelijke gedaante aan, en wel +die van een vos, terwijl zij wegliep naar dezen steen in het moeras +van Nasu." + +De priester aanschouwde den geest met critischen blik. "Wie zijt +gij?" sprak hij eindelijk. + +"Ik ben de kwade geest, die eertijds huisde in de borst van het +Juweeltje! Ik woon nu voor eeuwig in den Steen des Doods". + +De goede Genno was vreeselijk verschrikt door die ontzettende +bekentenis, maar daar hij zich zijn plicht als priester herinnerde, +zeide hij: "Hoewel gij in goddeloosheid laag gezonken zijt, zult gij +weer tot deugd opstijgen. Neem dit priestergewaad en dezen bedelnap, +en laat mij u in den vorm van een vos zien." + +Daarop riep de booze geest op smartelijken toon: + + + "In het schitt'rend zonnelicht + Houd ik schuil mijn aangezicht, + Als Asama's bleeke gloed: + Met den nacht zal 'k hier weer zijn, + Schuld bekennend, 't hart vol pijn, + Reine wenschen in 't gemoed." + + Naar _B.H. Chamberlain_. + + +Na dit gezegd te hebben, verdween de geest plotseling. + +Genno liet zijn goede voornemens niet varen. Nog vuriger dan ooit te +voren streefde hij naar de redding van die dwalende ziel. Opdat zij +Nirvana mocht bereiken, offerde hij bloemen, brandde hij wierook, +en zegde hij de heilige Geschriften op, vóór den steen staande. + +Toen Genno die godsdienstige plichten had vervuld, zeide hij: +"Geest van den Steen des Doods, ik bezweer u! wat is er geschied in +een vroegere wereld, dat gij in deze wereld een zoo valsche gedaante +hebt aangenomen?" + +Plotseling spleet de Steen des Doods uiteen en verscheen de geest +weder onder den uitroep: + + + "In steenen zijn geesten, + Een stem klinkt in 't water; + De winden, zij loeien door 't hemelgewelf!" + + Naar _B.H. Chamberlain_. + + +Genno zag een bleeken lichtglans in zijn nabijheid, en in dat licht +ontdekte hij een vos, die plotseling in een schoone maagd veranderde. + +De geest van den Steen des Doods sprak nu aldus: "Ik ben het, +die eertijds, in Ind, de booze geest was, wien Prins Hazoku +eer bewees... In Groot Cathay nam ik den vorm aan van Hoji, de +echtgenoote van Keizer Iuwao; en in het Hof der Rijzende Zon werd ik +het vlekkelooze Juweeltje, de bijzit van Keizer Toba." + +De geest bekende Genno, dat zij in den vorm van het Juweeltje verderf +had willen brengen aan de Keizerlijke dynastie. "Reeds", zoo sprak de +geest, "maakte ik mijn plannen, overlegde ik, hoe ik den Mikado kon +doen sterven, en ik zou in mijn plannen zijn geslaagd, als niet de +Hoftoovenaar met zijn bovennatuurlijke macht had ingegrepen. Zooals +ik u verhaalde, werd ik van het Hof verdreven. Ik werd vervolgd +door honden en pijlen, en zonk eindelijk uitgeput in den Steen des +Doods. Van tijd tot tijd zwierf ik over het moeras. Nu heeft Buddha +medelijden met mij gehad, en hij heeft zijne priesters gezonden, om +den weg naar den waren godsdienst aan te wijzen en vrede te brengen". + +De legende besluit met de volgende vrome woorden, geuit door den nu +berouwvollen geest: + + + "Hoor, man van God, den eed, den duren eed, dien 'k zweer, + Aan u, wiens zegening mij naar den hemel voert, + Den eed, dien 'k houden zal, wat ook mijn hart beroert, + Vast, als de Steen des Doods, hier in het drassig meer. + Ik zweer, dat 'k voortaan leef als kind der deugd alleen! + Zoo sprak de geest, nu maagd, toen ze in 't moeras verdween." + + Naar _B.H. Chamberlain_ + + + + +Hoe Tokutaro door Vossen werd misleid. + +Tokutaro was absoluut ongeloovig op het gebied van de toovermacht +van vossen. Zijn ongeloovigheid ergerde een aantal van zijn makkers, +die hem uitdaagden, naar het moeras Maki te gaan. Als hem niets +overkwam, zou Tokutaro vijf maten wijn en een waarde aan visch van +duizend koperen cash [17] krijgen. Indien daarentegen Tokutaro door de +macht der vossen schade zou lijden, moest hij een even groot geschenk +aan zijn makkers geven. Tokutaro nam spottend de weddingschap aan, +en toen de nacht was aangebroken, vertrok hij naar het moeras Maki. + +Tokutaro had besloten, zeer slim en voorzichtig te zijn. Toen hij +zijn bestemming bereikt had, ontmoette hij een vos, die door een +bamboeboschje liep. Onmiddellijk daarna ontdekte hij de dochter van +den hoofdman van Boven-Horikané. Toen hij de vrouw vertelde, dat hij +voornemens was naar dat dorp te gaan, zeide zij, dat zij hetzelfde +voornemen had, en dat zij dus wel samen konden reizen. + +Daardoor was de achterdocht van Tokutaro opgewekt. Hij liep achter +de vrouw, terwijl hij te vergeefs naar een vossestaart zocht. Toen +zij Boven-Horikané hadden bereikt, kwamen de ouders van het meisje +naar buiten, die uiterst verbaasd waren, toen zij haar dochter zagen, +die gehuwd was en in een ander dorp woonde. + +Tokutaro zeide hun, met een hoogmoedig lachje van ingebeelde wijsheid, +dat het meisje vóór hem in werkelijkheid niet hun dochter was, maar +een vermomde vos. De ouders waren eerst verontwaardigd, en weigerden te +gelooven, wat Tokutaro hen had verhaald. Ten slotte overreedde hij hen, +het meisje in zijn handen te laten, terwijl zij in de voorraadkamer +zouden wachten op het resultaat. + +Tokutaro greep toen het meisje aan, en wierp haar ruw op den grond, +terwijl hij haar voortdurend beschimpte. Hij trapte op haar en pijnigde +haar op alle mogelijke wijzen, terwijl hij ieder oogenblik verwachtte, +dat het meisje in een vos zou veranderen. Maar zij deed niets dan ween +en, en riep erbarmelijk om haar ouders, teneinde haar te verlossen. + +Toen die onverbeterlijke ongeloovige zag, dat zijn pogingen tot nu +toe vruchteloos waren geweest, stapelde hij op den grond hout op, +en doodde hij haar op den brandstapel. Op dat oogenblik kwamen haar +ouders aanhollen en bonden hem aan een pilaar, terwijl zij hem woedend +van moord beschuldigden. + +Juist kwam een priester dien weg langs, en toen hij dat leven hoorde, +drong hij op een verklaring aan. Toen de ouders van het meisje hem +alles hadden verhaald, en nadat hij de verdediging van Tokutaro had +aangehoord, verzocht hij het echtpaar, het leven van den man te sparen, +opdat hij mettertijd een goed en vroom priester zou worden. Na eenig +tegenstreven werd dit eigenaardige verzoek toegestaan, en Tokutaro +knielde neer, om zijn hoofd te doen kaalscheren, uiterst gelukkig, +dat hij zoo gemakkelijk uit zijn ellendigen toestand werd bevrijd. + +Nauwelijks was het goddelooze hoofd van Tokutaro geschoren, of hij +hoorde een schaterend gelach, en werd hij wakker, terwijl hij aan een +uitgestrekt moeras gezeten was. Instinctmatig hief hij zijn hand op, +en ontdekte, dat vossen hem hadden kaalgeschoren, en hij dus zijn +weddenschap had verloren. + + + + +De dankbaarheid van een Vos. + +Na de hier besproken ijzige legende, waarin de slechte eigenschappen +van den vos worden beschreven, is het een opluchting een vos te mogen +ontmoeten, die tot groote zelfopoffering in staat was. + +Het geschiedde toch, dat op zekeren lentedag twee kleine jongens +betrapt werden op het vangen van een jonggeboren vosje. De man, +die getuige was van dit feit, had een vriendelijk gemoed, en toen +hij hoorde, dat de jongens het jonge dier gaarne wilden verkoopen, +gaf hij hun een halve _bu_ [18]. + +Toen de kinderen hoogst verheugd met het geld vertrokken waren, +ontdekte de man, dat het kleine diertje aan den voet gewond was. Hij +legde er onmiddellijk een zeker kruid op, waardoor de pijn spoedig +bedaarde. Toen hij op korten afstand een troep oude vossen zag, +die hem in het oog hielden liet hij edelmoedig het diertje loopen, +dat in snelle vaart naar zijn ouders sprong en hen voortdurend likte. + +Die goedhartige man nu had een zoon, die aan een vreemde ziekte +leed. Eindelijk schreef een beroemd geneesheer de lever van een +levenden vos voor als middel, dat nog tot genezing zou kunnen +leiden. Toen de ouders van den knaap dit hoorden, waren zij zeer +bedroefd, en wilden zij alleen de lever van een vos aannemen, +geleverd door iemand, die er zijn beroep van maakte op vossen +te jagen. Eindelijk droegen zij een buurman op, hun de lever te +verschaffen, terwijl zij beloofden, daarvoor ruim te betalen. + +Den volgenden avond werd de lever van een vos gebracht door een +vreemdeling, die geheel onbekend was bij de brave bewoners van het +huis. De bezoeker verklaarde, dat hij een bode was, gezonden door +den buurman, wien zij de boodschap hadden opgedragen. Toen echter +de buurman zelf kwam, bekende hij, dat hij, hoewel hij alle moeite +had gedaan om een vosselever te krijgen, daarin niet was geslaagd, +en daarom gekomen was, om zijn verontschuldigingen te maken. Hij was +stom verbaasd, toen hij het verhaal hoorde, dat hem door de ouders +van den lijdenden knaap werd gedaan. + +Den volgenden dag werd de vosselever tot geneesmiddel toebereid door +den genoemden geneesheer, waarop de jeugdige knaap onmiddellijk zijn +vroegere gezondheid terugkreeg. + +Des avonds verscheen een schoone jonge vrouw voor het bed der gelukkige +ouders. Zij vertelde, dat zij de moeder was van het vosje, dat door den +man was vrijgelaten, en dat zij uit dankbaarheid voor zijn goedheid +het vosje had gedood, terwijl haar echtgenoot, onder de vermomming +van den geheimzinnige bode, de verlangde lever had gebracht [19]. + + + + +Inari verhoort het gebed van een Vrouw. + +Zooals wij reeds vroeger hebben gezien, is Inari dikwijls bijzonder +goedgunstig. Er is een legende, dat een vrouw, die reeds een aantal +jaren gehuwd was en niet met een kind gezegend was, aan het altaar van +Inari haar gebeden opzond. Bij het eindigen van haar gebed schudden +de steenen vossen hun staarten, en begon er sneeuw te vallen. Zij +beschouwde die verschijnselen als gunstige voorteekenen. + +Toen de vrouw haar huis bereikte, sprak haar _yeta_ (bedelaar) aan, +en vroeg haar iets te eten. De vrouw gaf met groote goedhartigheid +dien ongelukkigen reiziger wat meel van roode boonen, het eenige +voedsel dat zij in huis had, en bood hem dat in een schotel aan. + +Den volgenden dag zag de echtgenoot dien schotel voor het altaar +liggen, waar zijn vrouw had gebeden. De bedelaar was niemand anders +dan Inari zelf, en de edelmoedigheid der vrouw werd ter rechter tijd +beloond door de geboorte van een kind. + + + + +De Gierigheid van Raiko. + +Raiko was een vermogend man, die in een zeker dorp woonde. In weerwil +van zijn ontzaglijke rijkdommen, die hij in zijn _obi_ (gordel) +bij zich droeg, was hij ontzettend gierig. Naarmate hij ouder werd, +nam zijn gierigheid toe, totdat hij er ten slotte over dacht, zijn +trouwe bedienden te ontslaan, die hem steeds zoo goed hadden gediend. + +Op zekeren dag werd Raiko zeer ziek, zelfs zóó, dat hij bijna wegteerde +ten gevolge van een vreeselijke koorts. Den tienden nacht van zijn +ziekte verscheen een arm gekleede _bozu_ (priester) aan zijn sponde, +die hem vroeg, hoe hij het maakte, en er aan toevoegde, dat hij reeds +lang gedacht had, dat de _oni_ hem zou wegvoeren. + +Door dit laatste gezegde, dat bovendien niet al te kiesch was +uitgedrukt, werd Raiko woedend, en hij eischte verontwaardigd, dat de +priester zou vertrekken. Maar de _bozu_ zeide hem in plaats van te +vertrekken, dat er maar één geneesmiddel was tegen zijn ziekte. Het +geneesmiddel was, dat Raiko zijn _obi_ zou losmaken en zijn geld +onder de armen zou verdeelen. Raiko werd nog driftiger over wat hij +als een groote onbeschoftheid van den priester beschouwde. Hij trok +een dolk van onder zijn kleed te voorschijn en trachtte den goedigen +_bozu_ te dooden. De priester vertelde Raiko zonder de minste vrees, +dat hij gehoord had van zijn gemeen voornemen, zijn brave dienaren te +ontslaan, en dat hij des nachts was gekomen, om den ouden man zijn +hartebloed af te tappen. "Nu is", zoo sprak de priester, "mijn doel +bereikt!" en na het uitspreken van die woorden blies hij het licht uit. + +De door en door verschrikte Raiko voelde nu, hoe een spookachtig +schepsel hem naderde. De oude man stak met zijn dolk in het wilde, +en veroorzaakte zulk een opschudding, dat zijn trouwe bedienden met +lantarens de kamer binnenstormden; toen zagen zij den vreeselijken +klauw van een monster naast de vloermat van den ouden man liggen. + +Toen de dienaren van Raiko met groote nauwgezetheid de kleine +bloedvlekken volgden, kwamen zij aan een kleinen berg aan het uiteinde +van den tuin, en in dien berg was een wijde opening, waaruit het +boveneinde van een ontzaglijke spin stak. Dit wezen vroeg de dienaren, +pogingen aan te wenden, om hun meester te overreden, de goden niet +aan te vallen en zich in de toekomst van inhaligheid te onthouden. + +Toen Raiko die woorden uit den mond zijner dienaren hoorde, berouwde +hem zijn vroeger leven en gaf hij groote geldsommen aan de armen. Inari +had de gedaante van een spin en van een priester aangenomen, om den +vroeger zoo gierigen man een goede les te geven. + + + + +HOOFDSTUK VI. JIZO, DE GOD VAN KINDEREN. + + + +De beteekenis van Jizo. + +Jizo, de God van kleine kinderen en de God, die de bewogen zee tot rust +brengt, is ongetwijfeld de meest beminnelijke der Buddhistische goden, +hoewel Kwannon, de Godin der Barmhartigheid, in eigenschappen veel met +hem overeenkomt. De meest populaire Goden, zoowel in het Oosten als +in het Westen, zijn die, welke de meest menschelijke eigenschappen +bezitten. Hoewel Jizo van Buddhistischen oorsprong is, is hij toch +in zijn wezen Japansch, en wij kunnen hem het best beschrijven als +de schepping van tallooze Japansche vrouwen, die er naar verlangd +hebben, in de Oneindigheid, in het omsluierde leven na den dood, +een wezen te plaatsen, dat een goddelijke Vader en Moeder zou zijn +voor de zielen hunner kleinen. En dit is het wat Jizo inderdaad is, +een God uitsluitend van het vrouwelijke hart, en niet een wezen, +dat heen en weer geslingerd wordt in de haarkloverijen van in +het debat vergrijsde theologen. Een bestudeering van den aard en +de karakteristieke eigenschappen van Jizo zal ons het beste doen +kennen, wat in de Japansche vrouwen wordt gevonden; immers hij +openbaart ons haar liefde, haar zin voor het schoone en haar oneindig +medelijden. Jizo heeft al de wijsheid van Buddha zelf, met dit verschil +dat Jizo Nirvana heeft op zijde geschoven, en niet op den Gouden Lotus +zit, maar door een heerlijk schoone zelfopoffering de goddelijke +speelmakker en beschermer van Japansche kinderen is geworden. Hij +is de God van glimlachjes en lange mouwen, de vijand van booze +geesten, en het éénige wezen, dat de wonde eener moeder kan genezen, +die haar kind door den dood heeft verloren. Er is een spreekwoord, +dat alle rivieren haar weg naar zee vinden. Voor de Japansche vrouw, +die haar kleine grafwaarts heeft gedragen, kronkelen alle rivieren +haar zilveren loop naar de plaats, waar de eeuwig wachtende en eeuwig +vriendelijke Jizo is. Dit is de reden, dat moeders, die haar kinderen +door den dood hebben verloren, gebeden schrijven op kleine strooken +papier, en die volgen, terwijl zij de rivieren afdrijven op weg naar +den grooten geestelijken Vader en de Moeder, die met een liefhebbende +glimlach al hun smeekingen zullen beantwoorden. + + + + +Aan het altaar van Jizo. + + + "Tegenover Jizo's altaar + Bloeien nu de kerseboomen, + Aan de wiegelende takken + Rijke bloesems zijn gekomen. + + "Tegen 't mos de rose scheemring, + Takjes door den wind bewogen, + Toonen 't beeld in al zijn kalmte, + Als de zon verlicht de oogen. + + "'k Pluk een tak in de ochtendscheemring, + En een stroom van rose blaâdren + In welriekend frissche luchten + Zich op 't wieglend gras vergaadren". + + "En in warme middaguren + Doe ik traag mijn vingers spelen, + Tusschen geurig zoete bloesems, + Die zich onder 't spel verdeelen." + + "Daalt de zon ter westerkimme, + Dan laat ik de hand weer zinken, + Jizo, bloesems, zijn verdwenen, + Aan de lucht geen sterren blinken". + + Naar _Clara A. Walsh_. + + + + +Jizo en Lafcadio Hearn. + +Lafcadio Hearn schrijft in één van zijn brieven [20]: "Er is een +vreemd gebruik in Izumo, dat u misschien wel belang inboezemt. Als er +een bruiloft gevierd wordt in de woning van een impopulair man op het +platte land, dragen de jonge mannen van het dorp een beeld van Jizo, +dat op den weg staat, naar de Zashiki, en kondigen de komst van den +God aan. (Dit geschiedt voornamelijk met een hebzuchtigen boer, of +een gierig gezin). Door den God wordt voedsel en wijn geëischt. De +leden van het gezin moeten binnenkomen, de godheid begroeten en al +de _saké_ en al het voedsel geven, dat geëischt wordt, zoolang er +nog wat in huis overblijft. Het is gevaarlijk, dit te weigeren; de +jonge boeren zouden waarschijnlijk het huis plunderen. Daarna wordt +het standbeeld weer op zijn plaats gezet. Het bezoek van Jizo wordt +zeer geducht. Het wordt nooit gebracht aan personen, die bemind zijn". + +Bij zekere gelegenheid wenschte Lafcadio Hearn, die een warme +bewondering had voor dien God, den kop en de armen van een gebroken +beeld van Jizo te herstellen. Zijn vrouw opperde bezwaren tegen hem, +en wij halen zijn eigenaardig antwoord aan, omdat het ons niet weinig +herinnert aan de laatste legende, die in dit hoofdstuk wordt vermeld: +"_Gomen, gomen!_ (Vergeef mij!) Ik meende alleen eenige vreugde te +schenken, naar ik hoopte. De Jizo, over wien ik u schreef, is niet die, +welken gij op de kerkhoven vindt; maar het is Jizo, die de zeeën wil +bewaken en tot rust brengen. Het is geen droevige soort, maar gij voelt +niet voor mijn denkbeeld, daarom heb ik mijn voornemen opgegeven. Het +was alleen een dwaas denkbeeld van papa. Maar toch weende de arme +Jizosama bitter, toen hij uw antwoord aan mij hoorde. Ik zeide hem: +'Ik kan het niet helpen, daar moeder San uw waren aard in twijfel trok, +en meent, dat gij de bewaker zijt van een kerkhof. Ik weet, dat gij +de redder zijt van zeeën en zeelieden. De Jizo weent zelfs nu nog.'" + + + +"De Droge Bedding van de Rivier der Zielen". + +Onder de aarde is de Sai-no-Kawara, of "de Droge Bedding van de Rivier +der Zielen". Dit is de plaats, waar alle kinderen na hun dood heengaan, +en, behalve de kinderen, zij die ongehuwd zijn gebleven. Hier spelen +de kleinen met den kleinen Jizo, en hier bouwen zij kleine torens van +steenen, want in de bedding dier rivier zijn zeer veel steenen. De +moeders van die kinderen, in de wereld boven hen, stapelen eveneens +steenen op rondom de beelden van Jizo, immers die kleine torens +stellen gebeden voor; zij zijn toovermiddelen tegen de _oni_, of +slechte geesten. Somtijds behalen de _oni_ in de Droge Bedding van +de Rivier der Zielen voor een oogenblik een tijdelijke overwinning, +en werpen de kleine torens omver, die de geesten der kinderen onder +zooveel gelach hebben opgebouwd. Als een dergelijk ongeluk geschiedt, +houdt het gelach op, en vliegen de kleinen naar Jizo om bescherming +te vinden. Hij verstopt hen in zijn lange mouwen, en jaagt met zijn +heiligen staf de _oni_ met roode oogen weg. + +De plaats, waar de zielen der kinderen vertoeven, is een schaduwrijke +en grijs getinte wereld van donkere heuvelen en valleien, waartusschen +de Sai-no-Kawari zich een weg kronkelt. Al de kinderen zijn gekleed +in korte, witte kleeren, en als somtijds de booze geesten hen +verschrikken, dan is Jizo er steeds, die hun tranen droogt, en is er +altijd iemand, die hen weer naar hun spookachtige spelen terugzendt. + +Het volgende loflied op Jizo, bekend als "De Legende van het Gonzen +der Sai-no-Kawari", geeft ons een prachtige en levendige voorstelling +van Jizo en van dat spookachtige land, waar kinderen spelen: + + + + +De Legende van het Gonzen der Sai-no-Kawara. + + + "Niet van deez' aarde is 't verhaal van de smarte, + 't Verhaal van de Sai-no-Kawara + Aan den voet van de sombere heuvels;-- + Niet van deez' aarde is 't verhaal; toch is het zoo droevig + te hooren. + Want in de Sai-no-Kawara verzameld + Zijn kind'ren, nog jeugdig van jaren, zoo velen,-- + Kind'ren slechts twee of drie jaar, + Kind'ren van vier of vijf, kinderen nog jonger dan tien. + In de Sai-no-Kawara zijn zij vereenigd. + En de stem van verlangen om beide hun ouders, + De stem, die weent om hun moeders en vaders-- + Is niet zooals die van 't geween van de kind'ren op aarde, + Maar een weenen zóó droevig te hooren, + Dat, als het gehoord werd, 't zou dringen door vleesch en door + beend're + En treurig is dan ook de taak, door hen te verrichten,-- + De steenen van 't bed der rivier te verzaam'len. + Om daarmeê de torens van hunne gebeden te bouwen. + De eerste dier torens, dat zijn de gebeden voor 't heil van + hun vaders; + De tweede dier torens, dat zijn de gebeden voor 't heil van + hun moeders; + De derde dier torens, dat zijn de gebeden voor broeders en zusters + en allen te huis, die zij minden. + Dit is overdag droeve ontspanning. + Maar telkens als de zon ter kimme zal gaan neigen, + Dan komen tot hen de demonen van de hel, de _Oni_, + En zeggen hun: "Wat is die arbeid hier door u verricht? + Helaas! uw ouders, die nog leven in de Shaba-wereld, + Zij doen niet anders dan uw lot beklagen van 's morgens vroeg + tot laat des avonds, + Ach, hoe treurig en hoe onbarmhartig! + Waarlijk, de oorzaak der smarten, door u geleden, + Is niets dan het klagen, 't gezucht uwer ouders." + En tevens zeggen zij ach, "laak ons niet!" + De geesten werpen neer de opgehoopte torens, + En met hun ijzeren staven verspreiden zij de steenen. + Maar zie! daar komt de leeraar Jizo, + Zoo vriend'lijk nadert hij de kind'ren in hun droefheid: + Mijn lieven, vreest toch niet! wees nimmer angstig! + Gij arme, jonge zielen, wier aardsch bestaan zoo kort was! + Te snel moest gij den tocht doen, den droeven, naar de Meido, + Den langen tocht, die voert naar het gebied der dooden! + Vertrouwt mij! 'k Ben uw Vader en Moeder in de Meido, + De vader aller kinderen, in het gebied der dooden!" + En om hen slaat hij teeder den schoot van 't schittrend kleed: + Zoo vriendlijk voelt hij mede met 't droevig lot der jeugd. + En hen, die nog niet loopen, biedt hij den steun van zijn _shakujo_ + [21], + Hij streelt, omhelst de kleinen, hij drukt hen aan zijn boezem, + Zoover gaat 't medelijden en mint hij de arme kleinen. + _Namu Amida Butsu!_ [22] + + Naar _Lafcadio Hearn_. + + +Die verblijfplaats van de zielen van kinderen is zeker geen ideaal +land. Het is Jizo, en niet zijn land, die zijn oorsprong heeft +in de harten der Japansche vrouwen. De strenge Buddhistische leer +van oorzaak en gevolg, van geboorte en wedergeboorte, is zelfs op +kleine kinderen van toepassing. Maar indien het Groote Wiel van het +Bestaan met onfeilbare kracht rondwentelt, en alleen gaat stilstaan, +als het verlangen naar niet-bestaan eindelijk in Nirvana vervuld is, +dan staat Jizo liefhebbend aan de voeten van het Noodlot, en maakt +het pad gemakkelijker, waarop de voeten van kleine kinderen zich zoo +zacht bewegen. + + + + +Het Hol van de Geesten der Kinderen. + +Er was in Japan een hol, bekend onder den naam van Kyu-Kukedo-San, +of Oud Hol, en diep daarin kan men een beeld van Jizo vinden, met +zijn mystieken juweel en zijn heiligen staf. Vóór Jizo staat een +kleine _torii_ [23] en een paar _gohei_ [24], beide symbolen van het +Shinto-geloof; maar, zooals Lafcadio Hearn opmerkt, "die vriendelijke +godheid heeft geen vijanden; aan den voet van den vriend van de +geesten der kinderen vereenigen zich beide geloofsopvattingen in +teedere eerbewijzen". Hier ontmoeten elkander de geesten van kleine +kinderen, die zachtkens samen fluisteren, terwijl zij zich telkens +buigen, om hun torens van steenen te bouwen. Des nachts kruipen zij +over de zee uit hun Droog Bed van de Rivier der Zielen, en bedekken +het zand in het hol met hun spookachtige voetstappen, terwijl zij +voortdurend die gebeden van steen opbouwen, onder het vriendelijk +lachen van Jizo over hun liefderijk werk. Zij vertrekken vóór de +opkomst van de zon, immers men zegt, dat de dooden er te beangst +voor zijn, te staren op de Godin der Zon, en voornamelijk zijn die +kinderen bevreesd voor haar heldere gouden oogen. + + + + +De Fontein van Jizo. + +Een ander schoon hol in zee bevat de Fontein van Jizo. Het is een +fontein van vloeiende melk, waar de zielen der kinderen haar dorst +lesschen. Moeders, die lijden aan gebrek aan melk, komen aan die +fontein en bidden tot Jizo, en moeders, die meer melk hebben dan +hun kinderen noodig hebben, bidden denzelfden God, dat hij wat van +haar melk wegneme en het geve aan de zielen van kinderen in zijn +uitgestrekt, schaduwrijk koninkrijk. En men zegt, dat Jizo hun +gebeden verhoort. + + + + +Hoe Jizo zich een goede daad herinnerde. + +Een vrouw, Soga Sadayoshi genaamd, voedde voor haar levensonderhoud +zijdewormen, en verzamelde hun zijde. Op zekeren dag, toen zij den +tempel van Ken-cho-ji bezocht, meende zij, dat een beeld van Jizo er +koud uitzag, en ging zij naar huis, vervaardigde een muts, keerde +daarmede terug, en plaatste die op het hoofd van Jizo, terwijl zij +zeide: "Was ik maar rijk genoeg, om u een kostbare bedekking te geven +voor uw geheele verheven lichaam; maar helaas! ik ben arm, en zelfs +deze muts, die ik u aanbied, is niet waardig, door uw goddelijken +geest te worden aangenomen." + +Op haar vijftigste jaar stierf de vrouw, en daar haar lichaam gedurende +drie dagen warm bleef, wilden haar bloedverwanten geen verlof geven, +haar te begraven. Op den avond van den derden dag echter keerde zij, +tot groote verbazing en vreugde van hen, die in haar nabijheid waren, +weer in het leven terug. + +Korten tijd nadat de vrouw weer haar gewone werkzaamheden had hervat, +verhaalde zij, hoe haar ziel verschenen was voor den grooten en +verschrikkelijken Emma-O, den Heer en Rechter der dooden, en hoe +dat gevreesde wezen op haar vertoornd geweest was, omdat zij in +strijd met de leerstellingen van Buddha tallooze zijdewormen had +gedood. Emma-O was zóó vertoornd geweest, dat hij bevolen had, haar in +een pot te werpen, die met gesmolten metaal was gevuld. Terwijl zij in +ontzettenden zielsangst het uitschreeuwde, kwam Jizo naast haar staan, +en toen hield het metaal onmiddellijk op, haar te branden. Nadat Jizo +vriendelijk met de vrouw had gesproken, voerde hij haar naar Emma-O, +en verzocht hem, dat aan haar, die eens één van zijn beelden had warm +gehouden, vergiffenis zou worden geschonken. En Emma-O vervulde den +wensch van den steeds liefhebbenden en medelijdenden God, en de vrouw +kon weder terugkeeren naar de zonnige wereld van Japan. + + + + +HOOFDSTUK VII. DE LEGENDE IN DE JAPANSCHE KUNST. + + + +De Beteekenis der Japansche Kunst. + +Sir Alfred East beschreef in zijn voordrachten over Japansche kunst +die kunst als "groot in kleine zaken, maar klein in groote zaken", en +dit is, in het algemeen gesproken, zeer juist. De Japansche kunstenaar +munt uit in het schilderen van bloemen, insecten en vogels. Hij slaagt +er voortreffelijk in, de kronkeling van een golf te schilderen, of een +tak met kersebloesems in het licht der volle maan, de vlucht van een +reiger, een groep pijnboomen, of een karper, die in een rivier zwemt; +maar die uitnemende gave van nauwkeurige en haarfijne detailleering +schijnt hem te hebben verhinderd, datgene te teekenen, wat wij een +groot genrestuk noemen, een historische tafereel met een groot aantal +figuren. Dat ernstige verlangen, om verschillende fragmenten naar de +Natuur te schilderen, was geen kleingeestig of academisch begrip. De +kunst was niet uitsluitend bestemd voor den _kakemono_, of hangende +rol, om in een nis van een Japansch huis te worden opgehangen, ten +einde een korten tijd te worden bewonderd, om dan weer door een ander +te worden vervangen. De kunst in Japan was universeel, zooals dit +in geen ander land ter wereld het geval is geweest; een goedkoope +handdoek had een behagelijk patroon, en zelfs speelkaarten waren, +in afwijking van de onze, kunstwerken. + +Men heeft dikwijls beweerd, dat de vrouw in de Japansche kunst +houterig is. Dit is inderdaad niet het geval, indien wij door houterig +verstaan: geheel zonder uitdrukking; maar het is noodzakelijk, dat +wij eerst iets weten omtrent de Japansche vrouw in het leven zelf, +voordat wij ons een denkbeeld kunnen vormen van de wijze, waarop zij +in de kunst wordt voorgesteld. Er is een schat van traditie achter +dat schijnbaar onbewegelijke gelaat. Het is een merkwaardig feit, +dat elk gelaat, zoolang wij nog niet gewend zijn aan de verschillende +Japansche typen, zóózeer op de andere gelijkt, dat er geen sprake is, +ze van elkander te kunnen onderscheiden, en wij zouden er toe kunnen +komen, te meenen, dat de natuur in Japan er mede tevreden is geweest, +dezelfde gelaatstrekken telkens te herhalen, doch zouden dan vergeten, +dat ook wij aan de Japanners op het eerste gezicht geen verschil +in type vertoonen. Het Japansche gelaat is in de kunst niet zonder +uitdrukking, maar het is een uitdrukking, die tamelijk afwijkt van die, +waarmede wij vertrouwd zijn, en dit is in het bijzonder het geval bij +het schilderen van Japansche vrouwen. De meesten van ons hebben een +aantal gekleurde prenten gezien, aan dit onderwerp gewijd, en die +niet de minste schaduw op het gelaat vertoonen. Wij zouden geneigd +zijn te beweren, dat dit weglaten van schaduw een bijzonder vlakke +uitdrukking aan het gelaat geeft, en daarom de opmerking te maken, +dat het ons voorgelegde werk van weinig kunst getuigt. Maar het is +inderdaad geen gebrek aan kunst, want het Japansche gelaat _is_ vlak, +en de kunstenaars uit dat land vergeten nooit dit karakteristieke +weer te geven. Gekleurde prenten, die Japansche vrouwen voorstellen, +drukken geen gemoedsbeweging uit--een glimlach, een gebaar van +smachtend verlangen ontbreekt; maar het zou verkeerd zijn, uit het +feit, dat wij zooveel negatieve eigenschappen vinden, te besluiten, +dat een gekleurde prent van dien aard geen gevoel uitdrukt, en dat +de algemeene indruk popperig en weinig belangrijk is. Wij moeten +er om denken, hoe lang de periode geduurd heeft, dat de Japansche +vrouw is onderdrukt geworden. Een slechts oppervlakkige studie van +die belangrijke verhandeling van Kaibaira, die bekend staat onder +den naam van _Onna Daigaku_, of "Meerdere Kennis voor Vrouwen", +zal ons leeren inzien, dat het de plicht van iedere Japansche vrouw +is, lieftallig, vriendelijk en deugdzaam te zijn; zonder morren te +gehoorzamen aan hen, die gezag over haar hebben, en bovenal haar +gevoelens te onderdrukken. Als wij dit alles in aanmerking nemen, +zullen wij geleidelijk tot de ontdekking komen, dat er kracht en geen +zwakheid is in een portret van een Japansche vrouw; een rustige en +waardige schoonheid, waarin elke opwelling in bedwang wordt gehouden, +als het ware gehuld in een wolk van strenge overlevering. Toch heeft +de Japansche vrouw, hoewel voortdurend omringd door de strengste tucht, +ons een type van vrouwelijkheid gegeven, dat voortreffelijk is in haar +ware innemendheid van karakter, en de Japansche kunstenaar heeft de +toovermacht van hare bekoring weten te vatten. In de buiging harer +lijnen geeft hij ons een beeld van de sierlijkheid van een door den +wind bewogen wilg, in de patronen op haar kleed de belofte van de +lente, en achter den kleinen, rooden mond een rijkdom van onbegrensde +mogelijkheden. + +Japan had haar kunst te danken aan het Buddhisme, en deze werd +ontwikkeld en onderhouden onder Chineeschen invloed. Het Buddhisme gaf +Nippon haar schilderkunst, haar wandversieringen en haar uitnemend +beeldhouwwerk. De Shinto-tempels waren streng en eenvoudig, die der +Buddhisten gevuld met alles, wat de kunst hun kon geven; en ten slotte, +en dit was niet de minst belangrijke factor, door het Buddhisme werd +in Japan de tuinbouwkunst ingevoerd, met al haar uitgewerkt en schoon +symbolisme. + +Een Japansch kunstcriticus heeft eens geschreven: "Indien te midden van +een penseelstreek een houw van een zwaard het penseel had doorgehakt, +zou deze gebloed hebben". Hieruit mogen wij afleiden, dat de Japansche +kunstenaar zijn geheele hart en zijn geheele ziel in zijn werk legde; +het was een deel van hem zelf, iets wat zijn leven beheerschte, +iets wat innig aan godsdienst verwant was. Het is dan ook niet te +verwonderen, dat hij, met die groote kracht achter zijn penseel, +in staat was die buitengewone levendigheid en beweeglijkheid aan +zijn werk te geven, die zoo treffend is weergegeven in portretten +van tooneelspelers. + +Hoewel wij tot nu toe den Japanschen kunstenaar alleen hebben +doorzien als een meester in kleine zaken, toch heeft hij met groote +trouw en met uitnemend gevolg de Goden en Godinnen van zijn land +voorgesteld, en een aantal van de mythen en legenden, die met dezen +samenhangen. Terwijl hij uitmuntte in het weergeven van het schoone, +niet minder muntte hij uit in de beschrijving van het afgrijselijke, +immers geen kunstenaar ter wereld, met uitzondering van die uit China, +is er in geslaagd, het bovennatuurlijke met beteren uitslag weer te +geven. Wat een verschil is er tusschen een uitnemende afbeelding +van Jizo of Buddha of Kwannon en de afbeelding van een Japanschen +boozen geest! Buitengewone schoonheid en leelijkheid kan men in de +Japansche kunst te vinden, en zij, die genot vinden in de talrijke +afbeeldingen van den berg Fuji en de kleuren der afbeeldingen van de +vrouwen van Utamaru, zal zich vol afschuw afwenden van de spookachtige +voorstellingen van bovennatuurlijke wezens. + + + + +De Goden van Geluk. + +Een aantal van de legendarische verhalen, die in dit boek worden +medegedeeld, zijn in beeld gebracht door Japansche kunstenaars, en +in dit hoofdstuk stellen wij ons voor, de legenden in de Japansche +kunst te behandelen, die tot nu toe nog niet zijn vermeld. Een +geliefkoosd onderwerp van den Japanschen kunstenaar is ongetwijfeld +dat van de Zeven Goden van het Geluk, welk onderwerp bijna altijd +wordt behandeld met dartele goede luim. Men vond daar Fukurokuju, +met een bijzonder groot hoofd, en vergezeld van een kraanvogel, een +hert of een schildpad; Daikoku, die op rijstbalen stond en door een +rat werd vergezeld; Ebisu, die een visch droeg; Hotei, den vroolijken +God van het Lachen, de personificatie van de uitdrukking: "Lach en +je zult dik worden". Dan was er Bishamon, die schitterde in zijn +wapenrusting, en die een speer en een afgodstempeltje droeg; Benten, +de Godin van Schoonheid, Rijkdom, Vruchtbaarheid en Nakomelingschap; +terwijl Jurojin zeer veel overeenkomst had met Fukurokuju. Die Zeven +Goden van het Geluk, of nauwkeuriger uitgedrukt, Zes Goden en één +Godin, schijnen hun oorsprong ontleend te hebben aan het Shintoisme, +Taoïsme, Buddhisme en het Brahmanisme, en zijn blijkbaar afkomstig +uit de zeventiende eeuw. + + + + +Het Schip met Wonderschatten. + +De Japansche kunstenaar houdt er van, om in verband met dit +onderwerp de Goden van het Geluk te schilderen als vroolijke en +gezellige passagiers aan boord van de _Takarabuna_, of het schip +met wonderschatten, waarvan wordt verhaald, dat het ieder jaar op +oudejaarsavond de haven binnenzeilt met geen mindere lading dan +den Hoed der Onzichtbaarheid, de Voorspoedbrengende Regenjas, den +Heiligen Sleutel, de Onuitputtelijke beurs, en andere merkwaardige +wonderschatten. Tegen dien tijd van het jaar worden afbeeldingen van +het Schip met Wonderschatten onder de houten peluwen der kinderen +geplaatst, en men zegt, dat dit gebruik de kinderen gelukkige droomen +brengt. + + + "Slaap, lieveling, totdat de bel der duisternis + De sterren brengt, beladen met een droom. + Want met dien droom zult gij ontwaken, + Tusschen lachen en gezang". + + _Yone Noguchi_. + + + + +Het Wonderdadige in de Japansche Kunst. + +Onder andere legenden is ook bekend die van Hidari Jingoro, den +beroemden beeldhouwer, wiens meesterstuk, toen het voltooid was, +levend werd, welke legende ons sterk herinnert aan de geschiedenis +van Pygmalion. Er zijn andere legenden verbonden aan het tot leven +wekken van Japansche kunstwerken. Het gebeurde eens, dat een aantal +boeren veel last ondervonden van de verwoesting in hunne tuinen, welke +verwoesting het gevolg was van een wild dier. Toevallig ontdekten +zij, dat de indringer een groot zwart paard was, en toen zij er +jacht op maakten, verdween het plotseling in een tempel. Toen zij +het gebouw binnentraden, zagen zij, dat de schilderij van Kanasoka, +die een zwarten hengst voorstelde, door de groote inspanning van even +te voren, dampte! De groote kunstenaar teekende er onmiddellijk een +touw op, dat het paard aan een paal vastbond, en van dat oogenblik +af bleven de tuinen der boeren ongedeerd. + +Het verhaal loopt, dat de groote kunstenaar Sesshiu, toen hij nog +een kleine jongen was, voor straf stevig werd vastgebonden in een +Buddhistischen tempel. Hij gebruikte toen zijn overvloedige tranen +als inkt, en zijn teen als penseel, en schetste op die wijze enkele +ratten op den vloer. Onmiddellijk werden die ratten levend en knaagden +het touw door, dat hun jeugdigen ontwerper had vastgebonden. + + + + +Hokusai. + +Er is iets meer dan enkel legende in die verhalen, als wij geloof +mogen hechten aan de woorden van den beroemden kunstenaar Hokusai, +wiens "Honderd Gezichten op Fuji" beschouwd worden als de schoonste +landschapschilderingen der Japansche kunstenaars. Hij schreef in de +inleiding van zijn werk: "Als ik negentig jaar oud ben, zal ik het +mysterie der dingen doorgronden; als ik honderd jaar ben, zal ik een +wonderbaarlijke hoogte hebben bereikt; en als ik honderd tien jaar +oud ben, zal alles, wat ik schilder, tot zelfs stipjes en lijnen, +levend zijn". Wij behoeven hier niet bij te voegen, dat Hokusai den +leeftijd van honderd tien jaar niet heeft bereikt. In de laatste +uren van zijn leven schreef hij de volgende regels, die later op zijn +graftombe geschreven zijn: + + + "Mijn ziel, veranderd in een Dwaallicht, + Kan rustig komen en verdwijnen over zomervelden". + + +Met dat krachtige dichterlijke gevoel, dat voor de Japanners zoo +kenschetsend is, beteekende de Eeuwigheid voor Hokusai een onbeperkten +tijd, waarin hij zijn geliefkoosd werk kon voortzetten--en hij al de +bewonderingswaardige streken van zijn penseel kon volmaken en daaraan +leven kon schenken. Evenals in het oude Egypte, zoo kan ook in het Oude +Japan, het leven hier namaals niet anders beteekenen dan waar geluk, +met periodiek herhaalde bezoeken op aarde, en in die opvatting ligt een +fijne en bijna pathetische paradox, die het als het ware voorstelt, +alsof de Eeuwigheid voortdurend beladen wordt met versche, aardsche +herinneringen. In beide landen zien wij, hoe de geest terug verlangt +naar zijn oude menschelijke verblijfplaatsen. In Egypte keerde de +ziel terug door middel van het lichaam, waarin zij vroeger gehuisd +had, en in Japan schonk het doodenfeest, elders door ons beschreven, +de gelegenheid, opgewekt van geest de wereld in Emma-O te verlaten en +gedurende drie dagen in het midden van Juli Japan te bezoeken, een +land, dat schooner en de zielen blijkbaar dierbaarder is dan eenige +voorstelling, die zich een Japanner van een leven na den dood kan +maken. Maar het blijkt, dat Hokusai het doet voorkomen, alsof zijn +bezoeken niet altijd in den zomer zullen plaats hebben, maar dat hij +veeleer herhaaldelijk in alle jaargetijden zal komen en verdwijnen. + +Een Japansch dichter heeft geschreven: + + + "'t Is vreeslijk, als men, sluipend, zacht + Een geest ziet zwerven onverwacht, + In 't holle van den nacht, + Den killen duistren nacht; + Een groenig-grijzen geest, + Een schim, eens mensch geweest, + Nu zonder kracht + Dwalende eenzaam in + Duisteren nacht. + + Naar _Clara A. Walsh_. + + + + +Geesten en Spoken. + +Het is nauwelijks minder schrikwekkend, geesten, spoken en andere +bovennatuurlijke wezens op een Japansche schilderij te ontmoeten. Wij +vinden geesten met lange halzen, die vreeselijk glurende gezichten +te dragen hebben. Hun hals is zóó lang, dat het schijnt, alsof het +spookachtige hoofd over alles heen en in alles kan zien met een +duivelsch en ontzettend genot. De _ghoul_, die in de Japansche kunst +wordt voorgesteld als een kind van drie jaar, heeft rossig bruin haar, +en zeer lange ooren, en wordt dikwijls geschilderd als bezig met het +eten van de nieren van lijken. Het afgrijselijke wordt in dit gedeelte +der Japansche kunst tot bijna in het ondragelijke op den voorgrond +gebracht, en de voorstelling, die een nog levend Japansch kunstenaar +ons geeft van een optocht van geesten, is zóó akelig en weerzinwekkend, +dat wij dien optocht zeker niet gaarne zouden tegenkomen op het midden +van den dag, en dus nog veel minder in het holle van den duisteren +nacht. [25] + + + + +Een Tuin met Doodshoofden. + +De voorstelling, die de Japansche kunstenaar van een tuin geeft, met +zijn pijnboomen en steenen lantarens, en meren, waarvan de oevers met +azalea's zijn beplant, is meestal bijzonder schoon. Hiroshige heeft, +zooals zooveel Japansche kunstenaars, een tuin geschilderd, waarop +sneeuw is gevallen; maar in één van zijn schilderijen schildert hij +de sneeuw, terwijl zij in een aantal doodshoofden verandert; hij +heeft die fantastische voorstelling ontleend aan de _Heike Monogatari_. + +Men moet zich niet voorstellen, dat de Japansche kunstenaar, als hij +het ééne of andere bovennatuurlijke wezen schildert of een tafereel +uit de ééne of andere mythe weergeeft, uitsluitend het afzichtelijke +en afgrijselijke aanpakt. Het afzichtelijke en afgrijselijke wordt +zeker met groote levendigheid en dramatische kracht geschilderd, +maar een aantal Japansche kunstenaars schilderen ook de Goden en +Godinnen van het Oude Japan met veel aanminnigheid en bekoorlijkheid. + + + +De Droom van Rosei [26]. + +De Japansche versierselen verduidelijken dikwijls een oude legende. Wij +zien somtijds op een _tsuba_ (gevest van een degen) een pijnboom met +menschen, die in de takken zitten. Één man draagt een banier, terwijl +twee andere op muziekinstrumenten spelen. Er is een aardige legende +aan die vreemde teekening verbonden, en hoewel die van Chineeschen +oorsprong is, verdient zij een plaats te vinden in dit werk, omdat +zij één van die fantastische Chineesche legenden is, die in de +Japansche litteratuur en kunst is ingeweven, in het kort één van +de geliefkoosde onderwerpen is geworden van Chineesche kunstenaars, +en van hen, die de _No_, of het lyrische drama van Nippon, bijwonen. + +Rosei bereikte in oude tijden de oude herberg van Kantan, zóó vermoeid +van zijn reis, dat hij onmiddellijk toen zijn hoofd zijn hoofdkussens +aanraakte, in slaap viel. Het was geen gewoon hoofdkussen, maar +kon zeer goed beschreven worden als het Tooverkussen der Droomen, +immers zoodra Rosei in slaap was gevallen, naderde hem een afgezant, +die zeide: "Ik ben door den Keizer van Ibara afgezonden, om u mede te +deelen, dat Zijne Majesteit wenscht afstand te doen van den troon en +u in zijn plaats te stellen. Wees zoo goed in den palankijn plaats te +nemen, die u wacht, en de dragers zullen u spoedig naar de hoofdstad +dragen." + +Rosei, ten hoogste verbaasd door wat hij had gezien en gehoord, +nam plaats in den palankijn, die bezaaid was met edelgesteenten van +schitterenden glans, en werd naar een prachtig land gevoerd, dat het +best in het volgende gedicht is beschreven: + + + Want nog nooit in die oude Keizerlijke zalen, + Zich badend in den glans, dien 't maanlicht uit deed stralen, + Of waar de draak zich heft op wolken in den Hooge, + Was er zoo groote wellust voor de oogen! + Met zilver en met goud was overdekt de grond. + Vier poorten in de hoeken van de zalen + Vertoonden, als men d' oogen rond liet dwalen, + Juweelen schoon als men nooit ergens vond, + En drommen in kleedij, die fonkelde van licht, + Vertoonden overal een schitterend gezicht. + Zóó schoon was 't al te zien, + Dat 't sterflijk oog misschien + Zich waande vóór de poort van 't schittrend hemelrijk. + Hier gaf het gansche volk van liefde en mildheid blijk, + Door 't bieden van de schoonste en edelste geschenken, + Zoo kostbaar als men zich 't gemunte goud kan denken. + En ginds de minderen, die deelden in het wonder, + Vazallen, naderend, vermetel, vol van moed, + Van wie een ieder fier zijn vaandel wapp'ren doet, + Dat 't gansche luchtruim vult met heldren kleurengloed, + Terwijl de lucht weerklinkt, als rolde luid de donder. + + Naar _B.H. Chamberlain_. + + +Rosei bevond zich in een tooverland, waar de Natuur òf haar natuurlijke +wetten vergat, òf door de bevolking van dat land tot nieuwe wonderen +gebracht werd. In het oosten was een zilveren hemel, waarover de gouden +zon scheen, en in het westen was er een gouden heuvel, waarover de +maan haar zilveren licht uitgoot. + + + De tijd wordt niet door herfst of lente aangeduid, + En zon zoowel als maan vergeet te spoeden langs haar weg, + Als zij het druk gewoel der rijke poorten zien. + + Naar _B.H. Chamberlain_. + + +Het geheele gronddenkbeeld van dit bekoorlijke verhaal schijnt uit +te drukken, dat dit land niet alleen een land was van eeuwige jeugd, +maar ook een land, waar de Natuur de jaargetijden samenvoegde, waar +altijd kleur en bloesem gevonden werd, en waar geen bloem verwelkte. + +Toen Rosei vijftig jaar in dit heerlijke land had geleefd en geregeerd, +kwam op zekeren dag een minister bij hem, en verzocht hem te drinken +van het Levenselixir, opdat hij, evenals zijn onderdanen, eeuwig +zou leven. + +De vorst dronk het Elixir, "te midden van de schitterendste pracht en +het grootste vreugdebetoon, ooit over een sterveling uitgegoten". Rosei +meende, dat hij den Dood had beroofd van hetgeen hem toekwam, en +bracht een leven van poëtische, ja zelfs zinnestreelende verrukking +door. Hij gaf weelderige feesten aan zijne hovelingen, feesten, +die zonder onderbreking de zon en de maan zagen, waar bekoorlijke +meisjes dansten, en waar eindeloos muziek en gezang werd gehoord. + +Het bleek echter, dat die vroolijke feesten, dat kleurig praalvertoon, +toch niet eeuwigdurend waren, want eindelijk werd Rosei wakker en +ontdekte hij, dat hij op "Kantans" peluw rustte. De zedenmeester komt +op dit oogenblik ten tooneele met het volgende gedicht: + + + "Maar wie dit goed bedenkt, + Ziet dat het leven steeds aan elk hetzelfde schenkt; + Komt eenmaal toch de dood--een eeuw van zaligheid + Zinkt als een schoone droom terug in d' eeuwigheid. + + Naar _B.H. Chamberlain_. + + +Rosei kwam na die fantastische ondervinding tot het besluit, dat +"het leven een droom" is, dat ook de eerzucht een droom is; en na +die Buddhistische leerstelling te hebben in zich opgenomen, keerde +hij naar zijn eigen huis terug. + + + +Een Kakemono Geestverschijning. [27] + +Sawara was een leerling in de woning van den kunstenaar Tenko, die +een vriendelijk en bekwaam onderwijzer was, terwijl Sawara, zelfs +reeds toen hij zijn kunstenaarsloopbaan aanving, veel voor de toekomst +beloofde. Kimi, de nicht van Tenko, wijdde haar geheelen tijd aan haar +oom en aan het bestuur van diens huishouding. Kimi was een schoone +maagd, en het duurde niet lang, of zij werd smoorlijk verliefd op +Sawara. De jonge leerling vond haar buitengewoon bekoorlijk, zelfs +zóó, dat hij, als het noodig was, voor haar wilde sterven, en in zijn +hart was hij heimelijk op haar verliefd. Hij deed in tegenstelling met +Kimi, van zijn liefde echter weinig naar buiten blijken, daar hij zijn +volle aandacht moest wijden aan zijn werk; wel was dit ook bij Kimi +het geval, maar terwijl bij Sawara zijn werk boven zijn liefde ging, +was voor Kimi alleen de liefde van beteekenis. + +Terwijl Tenko op zekeren dag een bezoek bracht, kwam Kimi naar Sawara +toe, en daar zij niet langer haar liefde kon bedwingen, deelde zij hem +mede, hoezeer zij hem liefhad, en vroeg, of hij haar wilde huwen. Nadat +zij dit verzoek had gedaan, zette zij thee voor haar minnaar neer, +en wachtte zijn antwoord af. + +Sawara deelde haar liefde, en zeide, dat het hem innig zou verheugen, +met haar te huwen, maar hij voegde er aan toe, dat het huwelijk +niet binnen de eerste twee of drie jaar kon plaats hebben, daar hij +zich eerst een zelfstandigen werkkring moest hebben verworven en een +beroemd kunstenaar moest geworden zijn. + +Sawara, die zijn kunstkennis wilde vermeerderen, besloot te gaan +studeeren onder een beroemd schilder, Myokei genaamd, en nadat hij +alles had geregeld, nam hij afscheid van zijn meester en van Kimi, +terwijl hij beloofde, dat hij dadelijk zou terugkeeren, als hij zich +een naam had verworven en een groot kunstenaar was geworden. + +Twee jaren gingen voorbij zonder dat Tenko of Kimi eenig nieuws van +Sawara vernamen. Een aantal aanbidders van Kimi kwamen telkens bij +haar oom met huwelijksaanzoeken, en Tenko overlegde bij zich zelf, wat +hij onder die omstandigheden zou doen, toen hij een brief ontving van +Myokei, waarin deze mededeelde, dat Sawara uitnemend werk leverde, +en dat hij wenschte, dat zijn voortreffelijke leerling met zijn +dochter zou huwen. + +Tenko meende, misschien wel niet ten onrechte, dat Sawara Kimi geheel +had vergeten, en dat hij niets beter kon doen dan haar ten huwelijk +te geven aan Yorozuya, een vermogend koopman, en zoo ook den wensch +te vervullen van Myokei, dat Sawara zou huwen met de dochter van den +grooten schilder. Met dat doel voor oogen besloot Tenko een list te +gebruiken, en riep hij Kimi bij zich en sprak: + +"Kimi, ik heb een brief ontvangen van Myokei, en ik vrees, dat +het treurige nieuws, dat die brief bevat, u zeer veel verdriet zal +doen. Myokei wenscht, dat Sawara met zijn dochter huwt, en ik heb hem +geantwoord, dat ik mijn volle toestemming geef voor die verbintenis. Ik +ben er zeker van, dat Sawara u heeft veronachtzaamd, en daarom ben +ik er op gesteld, dat gij met Yorozuya huwt, die, naar mijn innige +overtuiging, een voortreffelijk echtgenoot voor u zal zijn." + +Toen Kimi die woorden hoorden, weende zij bitter, en ging zonder een +woord te spreken naar haar kamer. + +Des morgens kwam Tenko in het vertrek van Kimi, maar zijn nicht was +verdwenen, en zelfs na een langdurig onderzoek, dat volgde, was hij +niet in staat te ontdekken, waar zij gebleven was. + +Toen Myokei het antwoord op zijn brief had ontvangen, deelde hij den +veelbelovenden kunstenaar mede, dat hij wenschte, dat hij zijn dochter +zou huwen, opdat er aldus een schildersfamilie zou worden gesticht; +maar Sawara was verbaasd, toen hij dit buitengewone nieuws vernam, +en vertelde dat hij de eer, van zijn schoonzoon te worden, niet kon +aannemen, omdat hij reeds verloofd was met de nicht van Tenko. + +Sawara zond nu, helaas te laat, brieven naar Kimi, en toen hij geen +antwoord kreeg, vertrok hij naar zijn oude woonplaats, kort na den +dood van Myokei. + +Toen hij de kleine woning bereikte, waar hij zijn eerste lessen in +de schilderkunst had ontvangen, vernam hij tot zijn groote ergernis, +dat Kimi haar ouden oom had verlaten, en na eenigen tijd trouwde hij +met Kiku ("Chrysanthemum"), de dochter van een vermogend landbouwer. + +Korten tijd na zijn huwelijk werd hem door den Heer van Aki opgedragen, +de zeven tooneelen der eilanden Kabakarijima te schilderen, die op +gouden schermen moesten worden aangebracht. Hij vertrok dadelijk naar +die eilanden en maakte een aantal ruwe schetsen. Terwijl hij daarmede +bezig was, ontmoette hij aan het strand een vrouw met een rood kleed +om de lendenen, en met loshangend haar, dat over haar schouders +viel. Zij droeg kreeften in haar mand, en zoodra zij Sawara zag, +herkenden zij hem. + +"Gij zijt Sawara en ik ben Kimi", zoo sprak zij, "met wien gij verloofd +zijt". "Het gerucht omtrent uw huwelijk met de dochter van Myokei was +valsch, en mijn hart is innig verheugd, want niets staat ons huwelijk +nu meer in den weg". + +"Helaas! arme, vreeselijk verongelijkte Kimi, dat kan niet geschieden", +antwoordde Sawara. "Ik dacht, dat gij Tenko hadt verlaten en mij +vergeten waart, en daar ik overtuigd was, dat dit werkelijk waar was, +heb ik Kiku, de dochter van een landbouwer, gehuwd". + +Kimi sprong als een opgejaagd hert, zonder een woord te zeggen, langs +het strand en trad haar kleine hut binnen, terwijl Sawara achter haar +aan holde en haar voortdurend bij haar naam riep. Hij zag voor zijn +oogen, hoe Kimi een mes opnam, en dat in haar hals stak; een volgend +oogenblik lag zij dood op den grond. Sawara weende, toen hij haar in +den dood aanschouwde, en lette op de vredige schoonheid van den Dood +op haar wangen, terwijl hij voor het eerst een stralenkrans zag in +haar door den wind uitgespreide haren. Zij was nu zóó schoon en zóó +liefelijk, dat hij, zoodra hij zijn tranen had bedwongen, een schets +maakte van de vrouw, die hem zóózeer had liefgehad, maar door het lot +zóó diep was getroffen. Boven het peil van den vloed begroef hij haar, +en toen hij zijn eigen huis had bereikt, haalde hij de ruwe schets te +voorschijn, schilderde een beeld van Kimi, en hing die als _Kakemono_ +aan den muur. + + + + +Kimi vindt vrede. + +Dienzelfden nacht werd hij wakker en ontdekte, dat het beeld op de +Kakemono tot leven was gewekt, en dat Kimi met de wond in haar hals +en met hangende haren vóór hem stond. Elken nacht keerde zij terug, +een stil en betreurenswaardig beeld, totdat ten slotte Sawara, die +niet langer in staat was, die beproeving te dragen, de _Kakemono_ +ten geschenke gaf aan den Tempel van Korinji, en zijn vrouw naar +haar ouders terugzond. De priesters van den tempel van Korinji baden +dagelijks voor de ziel van Kimi, en langzamerhand vond Kimi vrede en +rust, en kwelde zij ook Sawara niet meer. + + + + +HOOFDSTUK VIII: DE GELIEVEN, DIE ELKANDER ALLEEN BIJ HELDEREN HEMEL +BEZOEKEN, EN HET KLEED VAN VEEREN. + + + +De Sterrenhemel. + +Een van de meest romantische der oude Japansche feesten is het feest +van Tanabata, het Wevende Meisje. Het wordt gevierd op den zevenden dag +der zevende maand, en het was gebruikelijk, dat bij die gelegenheid +versch gesneden bamboe's werden geplaatst op de daken der huizen, of +dat zij in den grond werden gestoken, vlak bij de huizen. Gekleurde +strooken papier werden aan die bamboe's bevestigd, en op iedere +papierstrook was een gedicht geschreven ter eere van Tanabata en +haar echtgenoot Hikoboshi, zooals bij voorbeeld het volgende: "Daar +Tanabata sluimert tot aan het aanbreken van den dageraad, terwijl +haar lange mouwen opgerold zijn, wekt haar, o ooievaars, niet door uw +geklepper". Men zal zich van dit feest een betere voorstelling maken, +als wij de legende hebben beschreven, die daarmede samenhangt. + +De God van het Uitspansel had een bekoorlijke dochter, Tanabata +genaamd, die het grootste gedeelte van haar tijd doorbracht met het +weven van gewaden voor haar doorluchtigen vader. Op zekeren dag, toen +zij aan haar weefstoel zat, zag zij toevallig een schoonen jongeling, +die een os voortleidde, en onmiddellijk werd zij op hem verliefd. De +vader van Tanabata, die haar meest heimelijke gedachten kon raden, +stemde onmiddellijk in hun huwelijk toe. Ongelukkig echter hadden +zij elkander wel zeer innig, maar onverstandig lief, met dit gevolg, +dat Tanabata haar weven veronachtzaamde, terwijl de os van Hikoboshi +vrij kon ronddolen over de Hooge Vlakte des Hemels. De God van het +Uitspansel werd uiterst vertoornd, en beval, dat die al te vurige +gelieven in het vervolg door de Hemelsche rivier zouden gescheiden +zijn. In den zevenden nacht der zevende maand vormde, als het weer +gunstig was, een groote menigte vogels een brug over de rivier, en op +die wijze waren de gelieven in staat elkander te bezoeken. Het was +zelfs niet eens zeker, dat dit kort bezoek mogelijk was, immers als +het regende, was de Hemelsche rivier te breed, dan dat zij zelfs door +een groote brug van eksters kon worden overspannen, en de gelieven +waren dan gedwongen, weer een lang treurig jaar te wachten, voordat +er weer eenige kans was, elkander te ontmoeten. + +Het is dus niet te verwonderen, dat op het Feest van het Wevende Meisje +kleine kinderen zongen "_Tenki ni nari_" ("O, weer, wees helder!") In +ons land spot liefde met gesloten deuren, maar de Hemelsche Rivier +laat, als zij gezwollen is, niet met zich spotten. Als het helder +weer is en de Gelieven elkander dus bezoeken, na een jaar van droevig +wachten, schitteren de sterren, waarschijnlijk van de Lier en de Arend, +in vijf verschillende kleuren--blauw, groen, rood, geel en wit--en +dit is de reden, dat gedichten worden geschreven op papierstrooken +in die kleuren. + + + +Het Kleed van Veeren. [28] + + + + "O goddelijk geluid, dat klinkt in onze ooren, + De feeën zingen. Door het luchtruim doet zich hooren + Welluidend klokkenspel. Der englen luiten, + Cimbaal en tamboerijn en liefelijke fluiten + Weerklinken door de lucht, gekleurd door purperrood, + Alsof Someiro's westerglooiïng noodt + Van de ondergaande zon den glans en gloed te voelen, + Als golven hemelsblauw 't begroeide strand bespoelen. + Van Yukishima's wal jaagt de opgezweepte storm + De bloemen door het zwerk: maar nog verkwikt de vorm + Dier boomen sneeuwbelaân, die schittren in het licht, + Door 't prachtig kleurenspel des menschen aangezicht." + + _Ha-Goromo_. (Naar _B.H. Chamberlain_.) + + +Het was lente, en langs het met pijnboomen bedekte strand van Mio +werd het geluid van vogels gehoord. De blauwe zee danste en fonkelde +in den zonneschijn, en Hairukoo, een visscher, zat daar neer om +van het schitterende tooneel te genieten. Terwijl hij dit deed, +zag hij bij toeval een prachtig kleed van zuiver witte veeren aan +een pijnboom hangen. + +Toen Hairukoo op het punt stond het kleed van den boom af te nemen, +zag hij, dat een buitengewoon bekoorlijk meisje uit de zee naar hem +toekwam, en hem vroeg, of hij haar het kleed wilde teruggeven. + +Hairukoo keek met bijzondere bewondering naar het meisje en zeide: "Ik +vond het kleed en ben van plan het te houden, want het is een wonder, +waardig om geplaatst te worden onder de schatten van Japan. Neen, +ik kan het u bij mogelijkheid niet teruggeven." + +"Ach", riep het meisje diep ongelukkig. "Ik kan niet door de lucht +vliegen zonder mijn kleed van veeren; als gij er dus bij blijft, dat +gij het wilt houden, kan ik nooit meer naar mijn hemelsch verblijf +terugkeeren. Ach, brave visscher, ik smeek u, geef mij mijn kleed +terug!" + +De visscher, die wel een zeer hardvochtig man moet geweest zijn, +wilde zich niet laten vermurwen. "Hoe meer gij smeekt", zeide hij, +"des te meer ben ik besloten, te houden wat ik heb gevonden". + +Daarop antwoordde het meisje: + + + "O, beste visscher, spreek niet uit dat woord; + Hebt gij dan nooit van 't vogeltje gehoord, + Welks wieken zijn geknakt; kan 'k niet met veeren prijken, + Dan tracht ik te vergeefs den Hemel te bereiken", + + +Na eenige verdere besprekingen over dit onderwerp werd het hart van +den visscher eenigszins verteederd. "Ik zal u uw kleed van veeren +teruggeven," zoo sprak hij, "als gij oogenblikkelijk voor mij wilt +dansen." + +Daarop antwoordde het meisje: "Ik zal hier voor u den dans dansen, +die het Paleis van de Maan doet ronddraaien, zoodat zelfs een arme +sterveling zijn geheimen leert kennen. Maar ik kan niet dansen zonder +mijn veeren". + +"Neen", zeide de visscher wantrouwend. "Als ik u dat kleed geef, +zult gij wegvliegen, zonder voor mij te hebben gedanst". + +Het meisje werd ontzettend boos over die opmerking. "Stervelingen +mogen al hun beloften breken", zoo sprak zij, "maar bij de Hemelsche +Wezens zijn bedrog en onoprechtheid niet bekend". + +Na het hooren van die woorden schaamde zich de visscher vreeselijk, +en zonder een woord te antwoorden, gaf hij het meisje het kleed van +veeren terug. + +"Neen", zeide de visscher wantrouwend. "Als ik u dat kleed geef, +zult gij wegvliegen, zonder voor mij te hebben gedanst". + +Het meisje werd ontzettend boos over die opmerking. + +"Stervelingen mogen al hun beloften breken", zoo sprak zij, "maar +bij de Hemelsche Wezens zijn bedrog en onoprechtheid niet bekend". + +Na het hooren van die woorden schaamde zich de visscher vreeselijk, +en zonder een woord te antwoorden, gaf hij het meisje het kleed van +veeren terug. + + + + +Het Gezang van het Maanmeisje. + +Toen het meisje haar helder wit kleed had aangetrokken, tokkelde zij +de snaren van een luit en begon te dansen, en terwijl zij danste en +speelde, zong zij van vele vreemde en schoone dingen in verband met +haar verwijderde woning in de Maan. Zij zong van het reusachtige +Paleis van de Maan, waarin dertig vorsten heerschten, vijftien in +witte gewaden, als de maanschijf vol was, en vijftien in het zwart, +als de Maan afnam. Terwijl zij zong en speelde en danste, zegende +zij Japan en drukte den wensch uit, "dat het voortdurend meer moge +bloeien en groeien". + +De visscher mocht zich niet lang verheugen in die vriendelijke +vertooning van de bekwaamheid van het Maanmeisje, immers zeer spoedig +klopten haar lieflijke voetjes niet langer het zand. Zij steeg op +in de lucht, terwijl de witte veeren van haar kleed flikkerden tegen +de pijnboomen of tegen de blauwe lucht zelf. Zij steeg al hooger en +hooger, nog steeds spelend en zingend, tot boven de toppen der bergen, +al hooger en hooger, totdat haar gezang niet meer werd gehoord, +en zij het schitterende paleis van de Maan bereikte. + + + + +HOOFDSTUK IX. LEGENDEN VAN DEN BERG FUJI. + + + +De Berg van den Lotus en den Waaier. + +De Berg Fuji, of Fuji-yama ("De Nooit Stervende Berg"), schijnt wel +typisch Japansch te zijn. Zijn groote met een sneeuw kap gedekte kegel +gelijkt op een grooten omgekeerden waaier, terwijl de fijne strepen +langs zijn helling gelijken op het geraamte van een waaier. Een +inboorling uit dit land heeft den berg zeer juist aldus beschreven: +"De Fuji beheerscht het leven door zijn rustige schoonheid. Smart +wordt gestild, verlangen tot rust gebracht, vrede schijnt te stroomen +van die onveranderlijke verblijfplaats van den vrede, den bergtop van +den witten lotus". De vergelijking met een witten lotus is even juist +als die met den uitgespreiden waaier, want zij heeft betrekking op de +heilige bloem van Buddha, en haar acht spitsen zijn voor den geloovigen +Buddhist het symbool van de Acht Gaven: Gewaarwording, Bedoeling, +Spraak, Gedrag, Leven, Inspanning, Oplettendheid, Overdenking. De +algemeene indruk van den Fuji doet dus eendeels aan godsdienst denken, +en anderdeels aan een grooten waaier, groot en schoon genoeg, om +met sterren en snel voortvliegende wolken te coquetteeren. Dichters +en kunstenaars hebben beide in gelijke mate hun schatting aan lof +betaald aan dien onvergelijkelijken berg, en wij geven den volgenden +keurigen zang over dit blijkbaar onuitputtelijke onderwerp: + + + "Fuji Yama, + Geraakt door een goddlijken adem, + Keeren wij weer tot de gedaante van God. + Uw zwijgen is zingen. + Uw zingen 't gezang van den Hemel: + Ons land van koorts en van zorg + Wordt tot een woning van heerlijke rust. + De woning, ver van het land, + Waar menschen komen ter wereld + Alleen om te sterven. + Wij allen, Japansche dochters en zonen, + Die zingen uw pracht en uw majesteit, + Den trots van de Godheid, + Wij sluiten onze schaduw in uw boezem, + De zachtste plaats der eeuwigheid, + O, wonder met wit gelaat, + Onovertroffen gezicht, + O, verhevenheid en schoonheid! + De duizend stroomen dragen uw heilig beeld + Op hun gelaat; + Alle bergen heffen hun hoofden tot u op + Gelijk het stroomend getijde, + Als wachtten zij op uw beslissend bevel.... + Zie! hoe de zeeën, omgevend Japan, + Haar zang van hongrigen tand, wolfachtig begeeren, verliezen, + Gekust door de wiegelied zingende rust, + Bij 't zien van uw schaduw, + Als ware het in een droom van een lied. + Wij, u omgevend, vergeten te sterven: + Wel is lieflijk de Dood. + Maar zachter dan Dood is het leven. + Wij zijn wel sterf'lijk, maar zijn toch ook goden, + Onschuldige makkers van u, + O eeuwige Fuji". + + _Yone Noguchi._ + + +De Fuji is honderden jaren een bedevaartsoord geweest, en Lafcadio +Hearn heeft zijn top genoemd "het Hoogste Altaar der Zon". Nog steeds +houden een aantal pelgrims vast aan het oude Shinto gebruik om dien +heiligen berg te beklimmen, gekleed in witte gewaden en zeer breede +strooien hoeden, terwijl zij herhaaldelijk een bel luiden en zingen: +"Mogen onze zes zintuigen rein zijn, en het weer op den eerwaardigen +berg goed zijn". + +De Fuji was eertijds een bijzonder werkzame vulkaan. De laatste +uitbarsting had plaats in de jaren 1707--1708, en bedekte Tokyo, dat +op honderd kilometers verwijderd was, met een aschlaag van vijftien +centimeters. De naam Fuji zelf is waarschijnlijk afgeleid van Huchi +of Fuchi, de Godin van het Vuur bij de Ainu's; "immers", zoo schrijft +Chamberlain, "tot in bijna historische tijden vormde de streek rondom +den Fuji een deel van het land der Ainu's, en het geheele oostelijke +deel van Japan is bezaaid met namen die aan de Ainu's ontleend zijn". + + + + +De Godheden van den Fuji. + + +Sengen, de Godin van den Fuji, is eveneens bekend +onder den naam van Ko-no-hana-saku-ya-hime [29] +("Schitterend-bloeiend-als-de-bloemen-der-boomen"), en haar tempel is +op den top gelegen. Men verhaalt, dat de Godin in oude tijden verwijlde +in een lichtende wolk boven den krater, waar zij werd bediend door +onzichtbare bedienden, die gereed stonden om alle bedevaartgangers +naar beneden te werpen, die niet rein van harte waren. Een andere +godheid van dien berg is O-ana-mochi ("Bezitter van de Groote Opening, +of Krater"). Bovendien hebben wij nog de Lichtende Maagd, die zekeren +keizer in zijn verderf lokte. Op de plaats, waar hij verdween werd een +kleine tempel opgericht, waar hij nog steeds wordt aangebeden. Men +verhaalt, dat bij zekere gelegenheid een stortvloed van kostbare +juweelen van dien berg afrolde, en dat het zand, dat over dag wordt +opgejaagd door de voeten van tallooze pelgrims, in de diepte neervalt +en des nachts weder zijn vorige plaats herneemt. + + + + +De Fuji, de verblijfplaats van het Levenselixir. + +Het is niet te verwonderen, dat een aantal legenden ten opzichte van +dien eerwaardigen en aangebeden berg zijn ontstaan. Zooals zoovele +bergen in Japan en ook in andere Oostersche landen, stond hij in +verband met het Levenselixir. De woorden van den Japanschen dichter, +"Wij, die in uw nabijheid zijn, vergeten te sterven", schijnen, hoewel +niet lang geleden geschreven, de oude gedachte weer te geven. Wij +hebben reeds gezien in de legende van "De Bamboesnijder en het +Maanmeisje", dat de Edele Vrouwe Kaguya had bevolen, den Fuji te +bestijgen en daar het Levenselixir te verbranden, te gelijk met een +rol papier. + +De faam van den Fuji, zoo luidt een oude legende, bereikte de ooren +van een Keizer van China. Toen men hem had medegedeeld, dat die berg +was ontstaan in één enkelen nacht, vermoedde hij, dat de Fuji het +Levenselixir moest leveren. Daarvoor verzamelde hij een aantal schoone +jongelingen en meisjes om zich heen, en zette koers naar het Land +van de Rijzende Zon. De jonken vlogen voor den razenden wind als een +overvloed van gouden bloemblaadjes; maar na eenigen tijd ging de storm +liggen, en de Keizer en zijn volgelingen zagen den witten glans van +den Fuji vóór zich oprijzen. Toen de jonken op het strand gezet waren, +vormde de Keizer zijn volgelingen tot een stoet, en ging hij hun voor +naar den top van den berg, langzaam voortgaande. Uren achtereen klom +de stoet naar boven, terwijl de Keizer in zijn gouden gewaad steeds +vooraan liep, totdat het geluid van de zee niet langer werd gehoord, +en de duizend voeten zacht op de sneeuw trapten, waar vrede en het +eeuwige leven heerschten. Toen hij het einde van den tocht naderde, +ijlde de oude Keizer vroolijk vooruit, daar hij de eerste wilde zijn, +die van het Levenselixir dronk. En hij was dan ook de eerste, die +proefde van dat Leven, dat nooit oud wordt; doch toen zijn volgelingen +hem bereikten, zagen zij, dat hij op zijn rug lag met een glimlach +op het gelaat. Hij had inderdaad het Eeuwige Leven gevonden, maar +het was langs den weg van den Dood. + + + + +Bezoek van Sentaro aan het Land der Eeuwige Jeugd. + +Het verlangen om den Fuji het geheim van het Eeuwige leven +te ontworstelen, schijnt nooit met een goeden uitslag te zijn +bekroond. Een Chinees, Jofuku genaamd, bereikte den heiligen berg met +dit doel voor oogen. Hij slaagde evenmin, en keerde nooit naar zijn +eigen land terug; maar hij wordt beschouwd als een heilige, en zij, +die hetzelfde doel najagen, bidden ernstig aan zijn altaar. + +Sentaro bad eens bij zekere gelegenheid aan dat altaar, en ontving +daar een kleinen papieren kraanvogel, die, zoodra hij hem in handen +had gekregen, ontzaglijke afmetingen aannam. Op den rug van dien +grooten kraanvogel vloog Sentaro naar het Land der Eeuwige Jeugd, +waar de menschen, tot zijn verbazing, verschillende vergiften innamen, +en er naar verlangden te sterven! Sentaro werd dat land spoedig moede, +keerde naar zijn eigen land terug en besloot tevreden te zijn met de +gewone spanne tijds, die den mensch is toegekend--wat hij wel mocht +zijn, als men nagaat, dat hij reeds drie honderd jaar had doorgebracht +in het land, waar niemand stierf en ook niemand werd geboren. + + + + +De Godin van den Fuji. + +De moeder van Yosoji werd, evenals een groot aantal menschen in het +dorp waar zij woonde, door de pokken aangetast. Yosoji raadpleegde +den toovenaar Kamo Yamakiko hierover, want zijn moeder werd zóó ziek, +dat hij ieder oogenblik meende, dat zij hem door den dood zou worden +ontrukt. Kamo Yamakiko beval Yosoji naar een kleinen stroom te gaan, +die afstroomde vari de zuidwestelijke helling van den Fuji. "Dicht +bij den oorsprong van die rivier", sprak de toovenaar, "is een altaar, +gewijd aan den God van Langen Adem. Ga daar water halen, en geef het +uw moeder, want dat alleen zal haar genezen". + +Yosoji spoedde zich vol nieuwen moed op reis, doch toen hij op een +plaats gekomen was, waar drie wegen elkander kruisten, was hij in +moeilijkheid, welk pad hij zou kiezen. Juist terwijl hij daarover +nadacht, trad een bekoorlijk meisje, in het wit gekleed, uit het +bosch te voorschijn, en verzocht hem haar te volgen naar de plaats, +waar de kostbare stroom vloeide in de nabijheid van het altaar van +den God van Langen Adem. + +Toen zij den stroom bereikten, kreeg Yosoji het bevel, zelf te drinken, +en daarna de flesch met het parelende water voor zijn moeder te +vullen. Toen hij dit had gedaan, vergezelde hem het schoone meisje +naar de plaats, waar hij haar oorspronkelijk had gezien, en zeide: +"Kom weer over drie dagen bij mij op dezelfde plaats, want gij zult +een nieuwen voorraad van dit water noodig hebben". + +Na vijf bezoeken aan dat gewijde altaar verheugde zich Yosoji er over, +dat zijn moeder weer geheel hersteld was, en niet alleen zijn moeder, +maar ook een aantal van de dorpelingen, die eveneens het voorrecht +gehad hadden van dat water te drinken. De dapperheid van Yosoji +werd luide geprezen, en den toovenaar werden geschenken gezonden +als belooning voor zijn op het juiste oogenblik gegeven raad; maar +Yosoji, die een fatsoenlijke jongen was, wist zeer goed, dat die +lof uitsluitend toekwam aan het schoone meisje, dat hem tot gids had +gestrekt. Hij wilde haar nog hartelijker danken dan hij tot nu toe had +gedaan, en begaf zich met dat doel nog eens op reis naar den stroom. + +Toen Yosoji het altaar van den God van Langen Adem bereikte, bleek +het hem, dat de stroom was opgedroogd. Ten hoogste verbaasd en tevens +erg bedroefd knielde hij neer en bad hij, dat zij, die zoo goed voor +zijn moeder geweest was, vóór hem zou verschijnen, opdat hij haar +zoo hartelijk kon bedanken als zij verdiend had. Toen hij opstond, +zag hij het meisje vóór zich staan. + +Yosoji betuigde zijn dankbaarheid in warme en sierlijke bewoordingen, +en verzocht, den naam te mogen vernemen van haar, die zijn geleidster +was geweest en die zijn moeder haar oude gezondheid en kracht had +teruggegeven. Maar het meisje weigerde, terwijl zij hem vriendelijk +toelachte, haar naam te noemen. Nog steeds lachend, wierp zij een +cameliatak in de lucht, zoodat het scheen, dat de schoone bloesems +wenkten naar een onzichtbaren geest op grooten afstand. In antwoord op +dien wenk der bloemen kwam een wolk neder van den Fuji; deze omsloot +het bekoorlijke meisje en droeg haar naar den heiligen berg, van waar +zij gekomen was. Nu wist Yosoji, dat zijn geleidster niemand anders +was dan de Godin van den Fuji. Met verrukking boog hij zich ter aarde, +toen hij de vertrekkende gestalte nazag. Toen hij haar nastaarde, +wist hij in zijn hart, dat niet alleen dankbaarheid maar ook liefde +in hem was opgewekt. Terwijl hij nog geknield lag, wierp de Godin +van den Fuji den cameliatak neer, als een herinnering, maar misschien +ook als een teeken van haar liefde voor hem. + + + + +De Rip van Winkle van het Oude Japan. + +Wij hebben reeds verhaald, hoe de Fuji in één nacht is ontstaan, en de +volgende legende deelt ons mede, hoe dit merkwaardige feit zich heeft +voorgedragen. Wij hebben bij die legende nog een tweede gevoegd, die +van Chineeschen oorsprong is, omdat die twee goed bij elkander passen +en ons merkwaardig materiaal schenken met betrekking tot dien berg. + +Vele jaren geleden leefde in de toenmaals onvruchtbare vlakte van +Suruga een houthakker, Visu genaamd. Hij was een reus van lichaamsbouw, +en woonde in een hut met vrouw en kinderen. In zekeren nacht, toen +Visu juist op het punt was in slaap te vallen, hoorde hij een zeer +eigenaardig geluid, van onder den grond afkomstig, een geluid, dat +krachtiger en verschrikkelijker klonk dan donder. Visu, die meende, +dat hij met zijn gezin door een aardbeving zou worden gedood, nam met +spoed de jongere kinderen op en ijlde naar de deur van de hut, waar +hij een merkwaardig gezicht voor oogen kreeg. In plaats van de vroeger +woeste vlakte zag hij een grooten berg, uit welks top vlammentongen +opstegen en dichte rookwolken! Het gezicht van dien berg, die onder +de aarde was voortgetrokken over een weg van honderden mijlen en zoo +plotseling verrees in de vlakte van Suruga, was zóó schitterend, +dat Visu, met vrouw en kinderen, op den grond bleef zitten onder +de betoovering. Toen de zon den volgenden morgen verrees, zag Visu, +dat de berg opalen kleederen had aangetrokken. Dit alles maakte op +hem een zóó diepen indruk, dat hij den berg Fuji-yama noemde ("De +Nooit-stervende Berg"), en zoo heet hij nog ten huidigen dage. Een +zoo volmaakte schoonheid wekte bij den houthakker het denkbeeld op +van de eeuwigheid, waardoor ook de gedachte aan het Levenselixir is +opgewekt, die zoo dikwijls met dien berg is verbonden. + +Dagen aaneen zat Visu daar op den Fuji te staren en juist dacht hij er +over na, hoe prachtig het voor een zoo indrukwekkenden berg zou zijn, +als hij zijn eigen schoonheid kon aanschouwen, toen zich plotseling +een groot meer voor hem uitstrekte, dat de vorm had van een lint, +en dat daarom Biwa genoemd werd. [30] + + + + +De Avonturen van Visu. + +Op zekeren dag kreeg Visu een bezoek van een ouden priester, +die aldus tot hem sprak: "Brave houthakker, ik ben bang, dat gij +nooit bidt." Visu antwoordde: "Als gij een vrouw en een groot gezin +had te onderhouden, zoudt gij ook geen tijd hebben te bidden." Die +opmerking maakte den priester boos, en de oude man gaf den houthakker +een levendige beschrijving van het afgrijselijke lot, te worden +wedergeboren als een pad, of een muis, of een insect, en dat wel +gedurende millioenen jaren. Dergelijke sombere bijzonderheden waren +Visu niet zeer aangenaam, en daarom beloofde hij den priester, dat +hij in het vervolg zou bidden. "Werk en bid", zeide de priester, +toen hij afscheid nam. + +Ongelukkig echter was het, dat Visu niets anders deed dan bidden. Hij +bad gedurende den geheelen dag en weigerde iets te werken, zoodat zijn +rijst op het veld verrotte en zijn vrouw en kinderen gebrek leden. De +vrouw van Visu, die tot nu toe nooit een hard of bitter woord tot +haar echtgenoot had gesproken, werd nu vreeselijk boos, en riep, +terwijl zij op de uitgemergelde lichamen van haar kinderen wees: +"Sta op, Visu, neem uw bijl ter hand, en doe iets, dat voor ons +nuttiger is dan voortdurend gebeden te prevelen!" + +Visu was zóó vreeselijk verbaasd over hetgeen zijn vrouw had gezegd, +dat het eenigen tijd duurde, eer hij een geschikt antwoord kon +vinden. Toen hij eindelijk een antwoord gereed had, kwamen zijn +woorden krachtig en driftig tot de ooren der arme, verongelijkte +vrouw. "Vrouw", zoo sprak hij, "de Goden gaan voor. Gij zijt een +onbeschaamd schepsel, dat gij zoo tot mij durft te spreken, en ik wil +niets meer met u te doen hebben!" Visu nam zijn bijl op, en verliet, +zonder om te zien of afscheid te nemen, de hut, trok het bosch uit, en +besteeg den Fuji-Yama, waar een nevel hem voor aller blikken verborg. + +Toen Visu op den berg was gaan zitten, hoorde hij een zacht ritselend +geluid, en zag onmiddellijk daarna een vos in het kreupelhout +vliegen. Visu vond het nu bijzonder gelukkig, dat hij een vos zag, en +sprong op, terwijl hij zijn gebeden vergat, en holde heen en weder in +de hoop, dat hij dat kleine schepsel met zijn scherpen neus weer terug +zou vinden. Hij was juist van plan de jacht op te geven, toen hij, +zoodra hij een open ruimte in een bosch had bereikt, twee dames bij +een beek zag zitten, die zich vermaakten met _go_ [31] te spelen. De +houthakker geraakte zóó onder de betoovering, dat hij niets anders kon +doen dan zich neerzetten en haar gadeslaan. Er werd geen geluid gehoord +dan het zachte bewegen der stukken op het bord en het gezang van den +stroomenden beek. De dames letten in het geheel niet op Visu, want zij +schenen een vreemd spel te spelen, dat geen einde nam, en haar geheele +aandacht in beslag nam. Visu kon zijn oogen niet van die bekoorlijke +vrouwen afslaan. Hij beschouwde haar lange zwarte haren, en de vlugge +handjes, die telkens uit de groote zijden mouwen te voorschijn kwamen, +om de stukken te verzetten. Nadat hij daar driehonderd jaar had +gezeten, hoewel het hem niet langer was voorgekomen dan een enkelen +zomeravond, zag hij, dat één der beide dames een verkeerden zet had +gedaan. "Dat is mis, lieftallige dame!" riep hij opgewonden uit. In +een oogenblik veranderden die vrouwen in vossen [32] en holden weg. + +Toen Visu haar trachtte te achtervolgen, ontdekte hij tot zijn schrik, +dat zijn beenderen vreeselijk stijf, en zijn haren ontzettend gegroeid +waren, terwijl zijn baard den grond raakte. Tevens ontdekte hij, dat de +steel van zijn bijl, hoewel die van het taaiste hout was vervaardigd, +tot een hoopje stof was vergaan. + + + + +De Terugkomst van Visu. + +Na een aantal pijnlijke pogingen was Visu weer in staat op zijn +voeten te staan en uiterst langzaam naar zijn kleine woning terug +te keeren. Toen hij de plek bereikte, was hij verbaasd, dat hij geen +hut meer zag, en toen hij een oude vrouw zag staan, zeide hij: "Beste +vrouw, ik ben verbaasd, dat mijne kleine hut verdwenen is. Ik ben in +den namiddag eerst vertrokken en nu, met den avond, is zij verdwenen!" + +De oude vrouw, die meende, dat een krankzinnige haar toesprak, +vroeg naar zijn naam. Toen zij dien hoorde, riep zij uit: "Wel, gij +zijt zeker gek! Visu leefde driehonderd jaar geleden! Hij vertrok op +zekeren dag en is nooit meer teruggekomen". + +"_Driehonderd jaar!_" mompelde Visu. "Dat kan niet mogelijk zijn. Waar +zijn mijn goede vrouw en kinderen?" + +"Begraven!" kreet de oude vrouw uit, "en als waar is, wat gij zegt, +ook uw kleinkinderen. De Goden hebben uw ellendig leven verlengd, +als straf, omdat gij uw vrouw en jonge kinderen hebt verwaarloosd". + +Dikke tranen rolden langs de verweerde wangen van Visu, toen hij +met heesche stem zeide: "Ik heb mijn mannelijken leeftijd laten +verloren gaan. Ik heb gebeden, toen mijn lieve vrouw en kinderen +gebrek leden en recht hadden op den arbeid van mijn eertijds krachtige +handen. Oude vrouw, herinner u mijn laatste woorden: _als gij bidt, +werk dan tevens!_" + +Wij weten niet, hoe lang de arme, berouwvolle Visu nog leefde, nadat +hij van zijn vreemde avonturen was teruggekeerd. Men verhaalt, dat +zijn witte geest nog steeds op den Fuji-yama gezien wordt, als de +maan helder schijnt. + + + + +HOOFDSTUK X. KLOKKEN. + + + +De Klok van Enkakuji. + +Japansche klokken behooren tot de schoonste der wereld, immers zoowel +wat haar grootte, als wat haar bouw en versiering betreft, heeft de +vervaardiger van klokken te Nippon een hoogen trap van vaardigheid +verkregen. De grootste klok in Japan behoort aan den Jodo-tempel van +Chion, te Kyoto. Zij weegt vier en zeventig ton, en er zijn vijf +en zeventig man noodig, haar zóó te doen klinken, dat men uit die +kolossale metaalmassa den sterksten klank verkrijgt. De klok van +Enkakuji is de grootste klok van Kamakura. Zij dagteekent reeds +van het begin der dertiende eeuw en is anderhalve decimeter dik, +heeft een middellijn van bijna veertien decimeters, en is bijna +twee en halve meter hoog. Die klok is, in tegenstelling met onze +klokken, van boven tot beneden overal even wijd, een vorm, die aan +alle Japansche klokken gemeen is. Zij wordt geluid door middel van +een balk, die van de zoldering afhangt, en aan dien balk hangt een +touw. Als de balk met voldoende snelheid aan het slingeren gebracht +wordt, slaat hij tegen een stuk metaal ter zijde van de klok, dat de +gedaante heeft van een lotusbloem, en een krachtig geluid weerklinkt, +"diep als de donder, en vol als de lage tonen van een krachtig orgel". + + + + +De Terugkeer van Ono-no-Kimi. + +Toen Ono-no-Kimi stierf, kwam hij voor den Rechterstoel van Emma-O, +den Rechter over de Zielen, welke strenge godheid hem mededeelde, dat +hij te vroeg het aardsche leven had verlaten, en dat hij onmiddellijk +moest terugkeeren. Ono-no-Kimi beweerde, dat hij niet op zijn schreden +kon terugkeeren, daar hij den weg niet kende. Daarop zeide Emma-O: +"Als gij luistert naar de klok van Enkakuji, zult gij in staat zijn, +weder den weg naar de aarde terug te vinden." En Ono-no-Kimi ging +weg van den Rechterstoel, en op het geluid van de klok vond hij den +weg terug naar zijn vroegere woonplaats. + + + + +De Reuzenpriester. + +Bij zekere gelegenheid werd, naar het verhaal luidt, een priester +van reusachtige gestalte in het land gezien, en niemand kende zijn +naam of wist, waar vandaan hij gekomen was. Met onuitputtelijken +ijver doorkruiste hij het land in alle richtingen, van dorp tot +dorp, van stad tot stad, met de vermaning voor de klok van Enkakuji +te bidden. Toevallig werd ontdekt, dat die reuzenpriester niemand +anders was dan een verpersoonlijking van de heilige klok zelf. Dit +buitengewone nieuws had tot gevolg, dat een groote menigte zich nu +begaf naar de klok van Enkakuji en daar bad, en dat velen terugkeerden +nadat hun wenschen waren vervuld. Bij een andere gelegenheid heeft +die heilige klok van zelf een diep geluid voortgebracht. Hen die +ongeloovig waren en om het wonder lachten, troffen rampen, en zij +die in de wondermacht der heilige klok geloofden, werden met grooten +voorspoed beloond. + + + + +Een Vrouw en de Klok van Miidera. + +In het oude klooster van Miidera bevond zich een groote bronzen +klok. Deze liet iederen morgen en avond een helderen, krachtigen +toon hooren, en de oppervlakte schitterde als de fonkelende dauw. De +priesters stonden niet toe, dat een vrouw de klok deed klinken, omdat +zij van meening waren, dat daardoor het metaal zou worden bezoedeld +en dof werd, en hun zelf onheil zou overkomen. + +Toen een schoone vrouw, die in Kyoto woonde, dit hoorde, werd zij +bijzonder nieuwsgierig, en ten slotte, toen zij niet meer in staat was, +haar nieuwsgierigheid te bedwingen, zeide zij: "Ik ga die wonderlijke +klok van Miidera eens bekijken. Ik zal haar een zachten toon doen +voortbrengen, en in haar glinsterende oppervlakte, die grooter en +helderder is dan duizend spiegels, zal ik mijn gelaat verven en +poederen, en mijn haar opmaken." + +Eindelijk bereikte die ijdele en oneerbiedige vrouw het klokkenhuis, +waarin de groote klok was opgehangen, op een tijdstip, waarop +iedereen verdiept was in zijn heilige plichten. Zij keek in de +glinsterende klok en zag haar schoone oogen, blozende wangen en +lachende kuiltjes. Eindelijk strekte zij haar kleine vingers uit, +raakte zacht het glinsterende metaal aan, en bad, dat zij een even +grooten en schitterenden spiegel in eigendom mocht verkrijgen. Toen +de klok de vingers van die vrouw voelde, kromp het brons, dat zij +had aangeraakt, ineen, en liet het een kleine holte achter, terwijl +die plek al haar heerlijken glans verloor. + + + + +Benkei en de Klok. + +Benkei [33], de trouwe volgeling van Yoshitsune, kan met grond +beschreven worden als de sterke man van het Oude Japan. Zijn kracht +was wonderdadig, zooals uit de volgende legende blijkt. + +Toen Benkei nog een monnik was, verlangde hij vurig de klok van Miidera +te stelen en naar zijn eigen klooster te brengen. Daartoe bezocht hij +Miidera, en haakte op een geschikt oogenblik de groote klok los. De +eerste gedachte van Benkei was, haar den heuvel af te rollen, en +zich zoo de moeite te besparen, zulk een zwaar stuk metaal te dragen; +maar daar hij vreesde, dat de monniken het geluid zouden hooren, was +hij gedwongen zich gereed te maken, haar zelf de steile helling af te +dragen. Daarom maakte hij den dwarsbalk uit het klokkenhuis los, hing +de klok aan het ééne uiteinde, en--vermakelijke trek--zijn papieren +lantaarn aan het andere [34], en op die manier droeg hij zijn zwaren +last over een afstand van ongeveer zeven mijlen. + +Toen Benkei zijn tempel bereikte, vroeg hij onmiddellijk om +voedsel. Hij wist het klaar te spelen, een hoeveelheid voedsel te +verorberen, die een ijzeren soeppot vulde, van vijf voet in middellijn, +en toen hij daarmede klaar was, gaf hij een paar priesters verlof, +de gestolen klok van Miidera te slaan. Dit geschiedde, maar bij het +wegsterven der laatste tonen scheen het of zij riep: "Ik wil terug +naar Miidera! Ik wil terug naar Miidera!" + +Toen de priesters dit hoorden, waren zij verbaasd. De abt meende +echter, dat, indien de klok werd besprenkeld met wijwater, zij met +haar nieuwe verblijfplaats verzoend zou zijn; maar in weerwil van +dat wijwater, weeklaagde de klok voortdurend door met haar klagend +en hinderlijk geluid. Niemand werd meer door het geluid geërgerd dan +Benkei zelf. Het leek wel, alsof de klok hem en zijn lastige reis +bespotte. Ten slotte vloog hij, ondragelijk gekweld, naar het touw, +trok er aan, totdat de balk ver van de metalen klok verwijderd was, +en liet hem toen vallen, in de hoop, dat de kracht van den balk, +als hij in volle vaart op de klok neerkwam, een zoo eigenzinnige en +slecht opgevoede klok zou doen barsten. De snel bewogen balk viel +met een vreeselijken slag op de klok neer; maar deze brak niet. Weer +klonk door de lucht: "Ik wil terug naar Miidera!" en of de klok al +hard of zacht geslagen werd, altijd sprak zij dezelfde woorden. + +Ten slotte nam Benkei, nu razend van woede, de klok en den balk +op den schouder, en toen hij op den top van een berg was gekomen, +zette hij zijn last neer, en met een krachtigen schop liet hij die +in de vallei vallen, welke beneden hem lag. Eenige oogenblikken later +vonden de priesters van Miidera hun kostbare klok, en hingen die weer +verheugd op de gewone plaats op, en van dat oogenblik af hield zij +op te spreken, en klonk zij niet anders dan andere klokken. + + + + +Het Karma. + +De macht van het Karma is één van de Buddhistische leerstellingen, +en groot is het aantal verhalen, zoowel waar als mythisch, die in +verband met dit onderwerp worden verhaald. Van de eerste verhaalt +Lafcadio Hearn in "Kokoro" de treurige geschiedenis van een priester, +die het ongeluk had, dat hij de liefde opwekte van een groot aantal +vrouwen. Liever dan voor haar smeekingen te bezwijken, pleegde hij +zelfmoord door tusschen de spoorwegrails neder te knielen, en een +sneltrein een eind te doen maken aan zijn beproevingen. + +Het verhaal van "De Bamboesnijder en het Maanmeisje" geeft ons een +andere voorstelling van de beteekenis van het Karma. De Edele Kaguya +was uit haar woning in de maan verbannen, omdat zij aan een zinnelijken +hartstocht had toegegeven. Men zal zich nog wel herinneren, dat in haar +ballingschap haar zwakheid was verdwenen, en dat zij standvastig aan +die bijzondere misdaad weerstand bood zoolang zij op aarde vertoefde. + +Het Karma stelt volstrekt niet uitsluitend de macht voor van kwade +gedachten, hoewel het gewoonlijk wordt toegepast op menschelijke +hartstochten. In zijn diepere beteekenis beteekent het oorzaak en +gevolg--alle gedachten en alle daden, die niet geestelijk zijn, immers +door de macht van het Karma wordt de wereld en alles wat die bevat, +volgens de Buddhistische leer, bestuurd. De begeerte te leven is het +Karma. De begeerte, niet te bestaan, is het verbreken van het groote +rad van geboorte en wedergeboorte, en het bereiken van het Nirwana. + +Er zijn Japansche gelieven, die, tengevolge van bijzondere +omstandigheden, niet in staat zijn te huwen; maar zij maken er de +omstandigheden geen verwijt van. Zij beschouwen hun ongeluk als +het gevolg van een dwaling in een vroeger bestaan, zooals het +verbreken hunner huwelijksbelofte, of omdat zij elkander wreed +behandelden. Dergelijke gelieven meenen, dat zij, als zij zich aan +elkander vastbinden met een lijfgordel, en in een rivier of een meer +springen, bij hun wedergeboorte vereenigd zullen worden. + +Die zelfmoord van Japansche minnaars wordt _joshi_ genoemd, wat +beteekent "liefdesdood" of "hartstochtdood". Het Buddhisme verzet +zich krachtig tegen zelfmoord, en even sterk tegen een zoodanige +liefde, immers _joshi_ is er geen verlangen, de macht van het Karma +te vernietigen, maar die veeleer aan te kweeken. Zulke minnaars mogen +al vereenigd worden, maar volgens de leerstellingen van Buddha is een +verbintenis van dien aard een begoocheling, terwijl alleen Nirwana de +moeite waard is, er naar te streven. Wij lezen in de _Ratrana Sutra_: +"Hun oud Karma is uitgeput, geen nieuw Karma wordt voortgebracht; +hun harten zijn vrij van verlangen naar een toekomstig leven; daar de +reden van hun bestaan verwoest is, en er in hen geen nieuw verlangen +ontspringt, worden zij, de wijzen, als deze lamp uitgebluscht." + + + + +Een klok en de Macht van het Karma. + + + + "Er zijn een aantal wegen, die leiden tot het verwerven van + volmaakt geluk. Als wij ontdekken, dat wij op den slechten + weg zijn, is het onze plicht, dien te verlaten". + + _Bakin._ + + +Naast de oevers van de Hidaka vond men eertijds een wijd beroemd +theehuis, dat stond te midden van een liefelijk landschap naast een +heuvel, die de Drakenklauw heette. Het bekoorlijkste meisje in dat +theehuis was Kiyo, want zij was als "de geur van de witte lelies, +wanneer de wind, die neerwaait langs de hoogten der bergen, met +welriekende geuren beladen naar den reiziger afdaalt." + +Aan de overzijde der rivier stond een Buddhistische tempel, waar +de abt en een groot aantal priesters een eenvoudig en vroom leven +leidden. In het klokkenhuis van dien tempel hing een groote klok, +anderhalven decimeter dik, die een gewicht had van enkele tonnen. Het +was één van de regels van het klooster, dat geen van de priesters +visch of vleesch mocht eten of _saké_ mocht drinken, en het was +hen uitdrukkelijk verboden, zich in theehuizen op te houden, daar +zij anders hun geestelijken aard zouden verliezen en in de zondige +gewoonten van het vleesch zouden vallen. + +Één van de priesters echter zag toevallig, toen hij van een zekeren +tempel terugkeerde, de schoone Kiyo in den theetuin heen en weer dolen, +evenals een groote vlinder met helder gekleurde vleugels. Hij bleef +haar een oogenblik onbewegelijk gadeslaan, onder de sterke verleiding +den theetuin binnen te gaan en met dit bekoorlijke wezen te spreken, +maar daar hij zich zijn priesterlijke waardigheid herinnerde, stak +hij de rivier over en trad zijn tempel binnen. Hij kon echter dien +nacht niet slapen. De hartstocht van een vurige liefde was over hem +gekomen. Hij bad zijn rozenkrans en zeide stukken op uit de Heilige +Boeken van Buddha, maar dit alles bracht hem geen gemoedsrust. Tusschen +al zijn vrome gedachten kwam steeds het vriendelijke en luchthartige +gelaat van Kiyo voor den dag, en het leek hem, dat zij hem toeriep van +dien schoonen tuin uit, die aan de overzijde der rivier was gelegen. + +Zijn vurige liefde werd zóó krachtig, dat het niet lang duurde, of +hij onderdrukte zijn godsdienstige gevoelens, brak één van de regels +van den tempel en trad het verboden theehuis binnen. Hier vergat hij +volkomen zijn godsdienst, of wel vond hij een nieuwen eeredienst bij de +aanschouwing der schoone Kiyo, die hem ververschingen aanbood. Avond +aan avond sloop hij de rivier over en kwam hij onder de bekoring +van die vrouw. Zij beantwoordde zijn liefde met evenveel hartstocht, +zoodat het den dwalenden priester een oogenblik toescheen, alsof hij +in de bekoorlijkheden eener vrouw iets veel zoeters gevonden had dan +de mogelijkheid, het Nirwana te bereiken. + +Nadat de priester het meisje een aantal nachten had gezien, begon +zijn geweten aan hem te knagen, en tegen zijn onheilige liefde te +strijden. De macht van het Karma en de leerstelling van Buddha +streden met elkander in zijn borst. Het was een heftige strijd, +maar ten slotte week de liefde, hoewel, zooals wij zullen zien, de +ellendige gevolgen van den hartstocht niet waren opgeheven. Nadat de +priester zijn vleeschelijke liefde had uitgestooten, achtte hij het +verstandig, tegenover Kiyo zoo voorzichtig mogelijk op te treden, +uit vrees, dat zijn plotselinge ommekeer haar boos zou maken. + +Toen Kiyo den priester weerzag, nadat hij het vleesch had overwonnen, +merkte zij op, dat de blik in zijn oogen in de verte gericht was, +en dat de kalmte der zelfverloochening op zijn gelaat rustte. Zij +verdubbelde haar vrouwelijke listen en verlokkingen, vastbesloten +den priester weer naar zich toe te trekken, of, als dit niet gelukte, +hem door toovenarij een wreeden dood te doen sterven. + +Al de vleierijen en verlokkingen van Kiyo waren niet in staat, de +liefde weer in hart van den priester op te wekken, en daarom ging zij, +uitsluitend op wraak bedacht, naar buiten, in een wit gewaad gekleed, +en vertrok naar een zekeren berg, waar een tempel van Fudo [35] +stond. Fudo zat daar neer, door vuur omgeven, met een zwaard in de ééne +hand en een kluwen touw in de andere. Hier bad Kiyo met vreeselijken +hartstocht, dat die zoo monsterachtig uitziende God haar zou laten +zien, hoe zij den priester kon dooden, die haar vroeger had liefgehad. + +Van Fudo ging zij naar den tempel van Kompira [36], die alle magische +kunsten kent en in staat is de tooverkunst te onderwijzen. Hier bad +zij, dat haar de macht mocht worden geschonken, zich naar willekeur +in een drakenslang te veranderen. Na een aantal bezoeken onderwees +een spook met een langen neus (waarschijnlijk een _Tengu_), die +bij Kompira in dienst was, Kiyo in al de geheimen der magische en +tooverkunsten. Hij leerde dat meisje, dat eertijds zoo bekoorlijk was, +hoe zij zich kon veranderen in het vreeselijke wezen, waarin zij zich +wilde veranderen, ten einde een vurige wraak te kunnen uitoefenen. + +Nog steeds bezocht de priester Kiyo, maar nu niet langer als +minnaar. Door een aantal vermaningen trachtte hij den hartstocht van +dat meisje, dat hij eertijds had liefgehad, tot staan te brengen; maar +al die priesterlijke gesprekken maakten Kiyo nog des te meer besloten, +eindelijk de overwinning te behalen. Zij weende, smeekte, sloeg haar +schoon gevormde armen om hem heen; maar geen van haar verlokkingen +had eenige uitwerking, behalve dat zij den priester voor goed wegjoeg. + +Toen de priester juist op het punt stond afscheid te nemen, werd hij +doodelijk verschrikt, toen hij zag, dat de oogen van Kiyo plotseling +veranderden in die van een slang. Met een kreet van angst vloog hij +uit den theetuin weg, zwom de rivier over en verborg zich binnen in +de groote klok van den tempel. + +Kiyo hief haar tooverstaf op, mompelde een tooverformulier, en in een +oogenblik veranderden het liefelijke gelaat en de schoone gestalte van +het meisje in die van een drakenslang, die siste en vuur spuwde. Met +oogen, zoo groot en lichtend als de maan, kroop zij over den tuin, +zwom de rivier over en kwam in het klokkenhuis binnen. Haar gewicht +brak de kolommen, die het steunden, en de klok, met den priester er +binnen in, viel met een oorverdoovenden slag op den grond. + +Kiyo omhelsde de klok met een vreeselijke begeerte naar wraak. Zij +hield het metaal vast als in een schroef; zij omklemde de klok al +vaster en vaster, totdat het metaal gloeiend heet werd. De smeekingen +van den gevangen priester waren alle vergeefsch; en even vergeefsch +waren de ernstige smeekbeden van de andere priesters van den tempel, +die smeekten, dat Buddha den boozen geest zou verdelgen. Al heeter en +heeter werd de klok, en zij weerklonk van de deerniswaardige kreten +van den priester, die er in zat. Eindelijk werd zijn stem gesmoord, en +de klok smolt en liep samen tot een grooten plas gesmolten metaal. De +groote macht van het Karma had de klok vernield, en tevens den priester +en de drakenslang, die oorspronkelijk de bekoorlijke Kiyo geweest was. + + + + +HOOFDSTUK XI. YUKI-ONNA, DE SNEEUWVROUW. + + + + "De sombre winter houdt de aarde omkneld, + Maar toch daalt uit den hemel + Een bloesemregen. + En fladdrend komen witte blaadjes + Op aarde neder. + Komt uit de wolken + De lente dan zoo vroeg reeds aangesneld? + + _Kujohara No Fukayabu_. (Naar _Clara A. Walsh)_. + + + + +Yuki-Onna. + +De sneeuwtijd heeft in Japan zijn karakteristieke schoonheid en is een +geliefkoosd onderwerp bij Japansche dichters en kunstenaars. Beiden +behandelen dit onderwerp bijzonder artistiek, wat niet te verwonderen +is, daar in Nippon de witte vlokken vallen op de sierlijke daken +der Buddhistentempels op de feeërieke bruggen, die gelijken op de +bruggen, die men wel ziet op borden, waarop wilgen zijn afgebeeld, en +op de zoo prachtig gevormde steenen lantarens, die zoovele Japansche +tuinen versieren. Er is geen schooner sneeuwlandschap te vinden +dan in Japan, en daar het zoo bijzonder prachtig is, wekt het onze +verbazing op, dat Yuki-Onna, de Sneeuwvrouw, er verre van af is, een +welwillende en aantrekkelijke geest te zijn. Al de poëzie en al het +artistieke verdwijnt in haar kwaadaardige tegenwoordigheid, immers +zij vertegenwoordigt den dood met karakteristieke eigenschappen, +die niet ongelijk zijn aan dien van een vampier. Maar, zooals wij +reeds meermalen opmerkten, Japan is vol van scherpe en verrassende +contrasten, en het sierlijke en schoone komt in botsing met het +leelijke en afzichtelijke. Er is geen belofte van lente in de lange +witte gedaante van Yuki-Onna; haar mond toch is de mond des doods, +en haar ijskoude lippen zuigen het hartebloed uit haar ongelukkige +slachtoffers. + + + +De Sneeuwbruid. + +Mosaku en zijn leerling Minokichi reisden naar een bosch, dat niet +ver van hun dorp verwijderd was. Het was een bitterkoude nacht, waarin +zij hun bestemming bereikten en tegenover zich een kouden waterstroom +zagen. Zij wilden gaarne die rivier overtrekken, maar de veerman was +weggegaan, terwijl hij zijn boot aan de overzijde van het water had +achtergelaten, en daar het weer veel te ongunstig was om de rivier +over te zwemmen, waren zij blijde, dat zij een schuilplaats konden +vinden in de kleine hut van den veerman. + +Mosaku viel bijna onmiddellijk in slaap, nadat hij die nederige, +maar zoo vurig begeerde hut was binnengetreden. Minokichi lag echter +een geruimen tijd wakker, terwijl hij luisterde naar het geloei van +den wind en het snerpen van de sneeuw, die tegen de deur blies. + +Eindelijk viel Minokichi in slaap, maar spoedig werd hij weer opgewekt +door een sneeuwjacht, die op zijn gelaat neerviel. Het bleek hem, dat +de deur was opengewaaid en dat in de kamer eene schoone vrouw stond +in een schitterend wit gewaad. Een oogenblik bleef zij zoo staan; +daarna boog zij over Mosaku heen, terwijl haar adem te voorschijn +kwam als witte rook. Nadat zij aldus eenige minuten over den ouden +man gebogen had gestaan, draaide zij zich om naar Minokichi en hing +over hem heen. Hij trachtte het uit te schreeuwen, want de adem van +die vrouw was een ijskoude rukwind. Zij zeide hem, dat zij voornemens +was geweest hem te behandelen, zooals zij den ouden man naast hem had +behandeld, maar dat zij dit had nagelaten met het oog op zijn jeugd +en zijn schoonheid. Nadat zij Minokichi met een onmiddellijken dood +had bedreigd, als hij het waagde, eenig sterveling mede te deelen +wat hij had gezien, verdween zij plotseling. + +Daarop riep Minokichi zijn geliefden meester toe: "Mosaku, Mosuka, +word wakker! Er is iets verschrikkelijks gebeurd!" Maar hij kreeg +geen antwoord. Hij raakte in het duister de hand van zijn meester aan, +en ontdekte, dat die als een blok ijs was. Mosaku was dood! + +Den volgenden winter, toen Minokichi naar huis terugkeerde, ontmoette +hij toevallig een mooi meisje, Yuki genaamd. Zij vertelde hem, +dat zij op weg was naar Yedo, waar zij een plaats als dienstbode +zocht. Minokichi was bekoord van dat meisje, en hij ging zelfs zóóver, +dat hij haar vroeg, of zij reeds verloofd was, en toen hij hoorde, +dat dit niet het geval was, nam hij haar mede naar zijn eigen huis, +en huwde haar na verloop van tijd. + +Yuki schonk haar echtgenoot tien keurige en schoone kinderen, die +lichter van huidskleur waren dan de meeste kinderen. Toen de moeder van +Minokichi stierf, waren haar laatste woorden nog een lofrede op Yuki, +en die lofrede werd herhaald door een groot aantal der landlieden in +den omtrek. + +Op zekeren avond, terwijl Yuki bezig was te naaien, en het licht +van een papieren lantaarn op haar gelaat viel, bracht Minokichi de +merkwaardige ervaring ter sprake, die hij had opgedaan in de hut van +den veerman. "Yuki", zoo sprak hij, "gij doet mij bijzonder denken +aan een schoone witte vrouw, die ik zag, toen ik achttien jaar oud +was. Zij doodde mijn meester met haar ijskouden adem. Ik ben er zeker +van, dat zij de één of andere vreemde geest was, en toch vind ik van +avond, dat gij op haar gelijkt!" + +Yuki wierp haar naaiwerk neer. Er was een afgrijselijke lach op haar +gelaat, toen zij zich dicht naar haar echtgenoot boog en schreeuwde: +"Ik was het, Yuki-Onna, die toen bij u kwam, en stil uw meester +doodde! O trouwelooze snoodaard, gij hebt uw belofte geschonden, dat +gij de zaak zoudt geheim houden, en als het niet was om onze slapende +kinderen, zou ik u nu dooden! Denk er om, als ze zich ooit hebben +te beklagen over uw gedrag jegens hen, zal ik het hooren en weten, +en zal ik in een nacht, dat de sneeuw valt, u onverbiddelijk dooden!" + +Daarna veranderde Yuki-Onna, de Sneeuwvrouw, in een witten nevel +en ging schreeuwend en huiverend door het rookkanaal, om nooit weer +terug te keeren. + + + + +De Spookachtige Bezoeker van Kyuzaemon. + +Volgens Gordon Smith, den schrijver van "Oude Sproken en Folklore +van Japan", "worden allen, die van sneeuw en koude omkomen, +sneeuwgeesten." Dat wil zeggen, allen die op die wijze omkomen, worden +vereenzelvigd met Yuki-Onna, de Sneeuwvrouw. De volgende legende is +ontleend aan het genoemde werk van Gordon Smith. + +Kyuzaemon, een arme landbouwer, had de blinden van zijn nederige +woning gesloten en was ter ruste gegaan. + +Kort vóór middernacht werd hij gewekt door een luid kloppen. Terwijl +hij naar de deur liep, riep hij uit: "Wie zijt gij? Wat wilt gij?" + +De vreemde bezoeker deed geen poging om op die vragen te antwoorden, +maar vroeg met den meesten aandrang voortdurend om voedsel en een +schuilplaats. De voorzichtige Kyuzaemon weigerde den bezoeker verlof, +binnen te treden, en nadat hij gezien had, dat zijn woning veilig was, +zou hij juist weer naar bed gaan, toen hij een vrouw naast zich zag +staan, gehuld in witte loshangende kleederen, terwijl haar haren over +de schouders vielen. + +"Waar hebt gij uw _geta_ gelaten?" vroeg de verschrikte landbouwer. + +De witte vrouw deelde hem mede, dat zij het was, die op zijn deur +had geklopt. "Ik heb geen _geta_ noodig", zoo sprak zij, "want ik heb +geen voeten! Ik vlieg over de met sneeuw bedekte boomen en zou naar +het volgende dorp zijn doorgegaan, maar de wind waaide vreeselijk +tegen mij aan, en ik wenschte een korten tijd te rusten." + +De landbouwer vertelde haar, hoe bang hij voor geesten was, waarop +de vrouw hem vroeg, of haar gastheer een _butsudan_ (familie-altaar) +bezat. Toen het bleek, dat hij dit bezat, beval zij hem den _butsudan_ +open te zetten en een lamp op te steken. Nadat dit geschied was, bad +de vrouw voor de opgehangen tafels der voorouders, en vergat daarbij +niet, er een gebed aan toe te voegen voor Kyuzaemon, die nog steeds +zeer geschokt was. + +Nadat zij haar gebeden voor den _butsudan_ had volbracht, vertelde +zij den landbouwer, dat zij Oyasu heette, en dat zij bij haar ouders +en echtgenoot Isaburo had gewoond. Toen zij stierf, verliet haar man +haar ouders, en het was haar bedoeling, hem te overreden, weer terug +te gaan en zijn schoonouders te ondersteunen. + +Kyuzaemon begon de zaak te begrijpen, terwijl hij bij zich zelf +mompelde: "Oyasu is in de sneeuw omgekomen, en dit is haar geest, dien +ik vóór mij zie." In weerwil van die herinnering was hij toch nog zeer +beangst. Hij ging naar het familie-altaar met sidderende schreden, en +herhaalde voortdurend: "Namu Amida Butsu!" ("Heil Almachtige Buddha!"). + +Eindelijk ging de landbouwer naar bed en viel in slaap. Hij werd +nog even wakker, toen hij den witten geest vaarwel hoorde mompelen; +maar voordat hij kon antwoorden was zij verdwenen. + +Den volgenden dag ging Kyuzaemon naar het naastbijgelegen dorp, +en bezocht Isaburo, dien hij nu weer aantrof in de woning van +zijn schoonvader. Isaburo deelde hem mede, dat hij herhaaldelijk +bezoeken had ontvangen van den geest van zijn vrouw in de gedaante +van Yuki-Onna. Na de zaak nog eens nauwkeurig te hebben nagegaan, +kwam Kyuzaemon tot de overtuiging, dat de Sneeuwvrouw voor Isaburo +was verschenen bijna onmiddellijk nadat zij hem een zoo geheimzinnig +bezoek had gebracht. Bij die gelegenheid had Isaburo haar beloofd, +haar wensch te vervullen, en noch hij, noch Kyuzaemon werden ooit +weer lastig gevallen door haar, die door de lucht trekt, als de sneeuw +hard neervalt. + + + + +HOOFDSTUK XII. BLOEMEN EN TUINEN. + + + "Al de vreugde van mijn bestaan is bijeengebracht rondom mijn + peluw, die mij mijn nachtrust schenkt; al de hoop van mijn + leven vind ik in de schoonheden der Natuur, die steeds mijn + oogen verkwikken." + + + +Japansche en Europeesche Tuinen. + +Er is in de meeste Europeesche tuinen niets bijzonder aesthetisch. Als +de tijd van het planten is aangebroken, brengt een trage oude +tuinman zijn planten in den grond. Wij zien dan later een grove +kleurenschittering--roode geraniums, gele calceolaria's, blauwe +lobelia's, het groene gras en de okerkleurige paden. En dit is het +kleureneffect van de meeste Europeesche tuinen, een kleureneffect, +dat de oogen vermoeit, en de bloemen zelf, die zóó onverstandig +geplant zijn, tot schande maakt. De waarheid is, dat wij de gave +van rangschikking der bloemen missen. Wij koopen bloemen, om den +tuin er fraai te doen uitzien, onder den indruk, dat fraaiheid een +abstracte eigenschap is, waaronder wij onze zomersche dagen zouden +willen doorbrengen. Een Engelschman trachtte eens den tuin van zijn +buitenverblijf op Japansche manier aan te leggen. Hij was bijzonder +trotsch op het resultaat en leidde op zekeren dag een Japanschen vriend +rond, om dien te zien. De Japansche vriend riep met bijzonder groote +beleefdheid uit: "Het is prachtig; wij hebben in Japan niets, dat +daarop gelijkt!" De Engelschman was niet geslaagd in zijn poging tot +nabootsing, omdat hij het tuinieren als een liefhebberij beschouwde, +terwijl in Japan een tuin iets is, dat onuitroeibaar met het leven +in Japan verbonden is. In Japan is het een oude eeredienst, waaraan +dichters en kunstenaars jaren in hun gedachten hebben gewijd, en +waarin ontroering, herinnering en godsdienst een rol spelen. + + + +De Liefde voor Bloemen, haar Groei en Symbolische Beteekenis. + + +Eén van de meest treffende, en zeker één van de aangenaamste +karaktertrekken der Japanners is hun innige liefde voor bloemen +en boomen. Vroolijke groepen gaan samen uit om de azalea's te zien +bloeien, of om de schitterende schoonheid van den kersenbloesem te +bewonderen, of de scharlakenroode glorie der ahornboomen. Dat "bloemen +bewonderen" maakt een integreerend deel uit van hun bestaan. Tot +zelfs de _Kimono_ der lachende kinderen ziet er uit als een kleine +bloementuin. Als gij hun landschap wegneemt, dan neemt gij tevens +hun zin voor poëzie weg, en, wat wij er bijna aan kunnen toevoegen, +ook het met de bloemen samenhangende deel van hun godsdienst, immers +de Japanner vereert bloemen en boomen op een wijze, die absoluut +ondenkbaar is bij den meer prozaïschen westerling. + +In de vorige lente boden de bloeiende magnolia's in den beroemden +plantentuin, Kew Gardens, een schitterend schouwspel aan. Maar er +waren slechts weinigen gekomen om die bladerlooze boomen te zien met +hun overvloed van op lotus gelijke bloesems. De toeschouwer, die van +het schouwspel het meest van allen genoot, was een kind dat onder +de welriekende takken zat, de gevallen bruine bloemblaadjes in haar +kleine bruine handjes verzamelde en een vreemd verhaaltje daaraan +vastknoopte. Maar in Japan, waar evenzeer de Magnolia's bloeien, +zouden een aantal kleine gedichten aan de takken worden vastgeknoopt, +en zouden er kleine gebakjes in den vorm dier bloemblaadjes worden +gemaakt. Misschien zou ook een tak van een magnolia in een vaas +gezet worden, als voorwerp van bewondering voor de leden van een +theegezelschap. En later zou het takje met bloesems zacht op een +rivier worden geplaatst of begraven worden met vreugde en met eerbied, +om de schoonheid, die het in zijn kort leven had ten toon gespreid. + +De liefde voor bloemen is slechts een klein onderdeel van de +liefde der Japanners voor de natuur. In die vereering heeft een +evolutieproces plaats gegrepen, zooals in iedere andere vereering, en +wij hellen over tot de meening, dat de Japanners zeer ver in die zaak +teruggaan en het allereerst begonnen zijn, rotsen en steenen lief te +hebben. Bij ons zijn rotsen en steenen alleen van belang voor geologen +en mineralogen, uitsluitend dus uit een wetenschappelijk oogpunt, +en het lijkt ons bijna ongeloofelijk toe, dat rotsen en steenen een +poëtische beteekenis kunnen hebben. Maar bij de Japanners is de zaak +geheel anders gesteld. De Japansche tuin is in zijn wezen een tuin, +die een beeld geeft van het landschap. De eigenaar van een tuin wordt +verrukt door een bepaald landschap. Dat vervolgt hem voortdurend en +wekt in hem eenige primitieve indrukken van genot op, die niet kunnen +ontleed worden. Hij brengt het voortdurend in zijn tuin vóór zich, +wel is waar in het klein, maar toch wonderlijk nauwkeurig. Zoo +wordt zijn tuin een plaats van heerlijke herinnering, maar niet +een plekje, met opzichtige bloemen overdekt, en met terrassen, die +geen beteekenis voor hem hebben, en hem geen poëzie voor zijn geest +schenken. Ongetwijfeld zijn Japansche tuinen met hun reusachtige +bloemen, opgewekten zonneschijn en het zoete geklingel van popperige +tooverklokjes, die opgehangen zijn aan de takken der boomen, het +schoonste, wat men zich in de wereld kan denken. + + + + +Japansche Tuinen. + +Er is één zaak, die ons bij Japansche tuinen treft, en die wij in onze +streken niet terugvinden, en wel de bewonderenswaardige zuinigheid, +die wij bij hun aanleg waarnemen. Bij ons wordt door de bewoners der +buitenwijken als verontschuldiging aangevoerd, dat hun miniatuurtuintje +veel te klein is, om dat mooi te maken. Te klein, om hem mooi te +maken? En de Japanner kan een allerliefst tuintje aanleggen in een +ruimte, die niet grooter is dan een soepbord? De noodzakelijkheid is de +moeder der uitvinding, en als wij de Natuur maar wat meer liefhadden, +zouden wij spoedig genoeg het middel vinden, om zelfs de kleinste +tuintjes aanlokkelijk te maken. De groote Japansche tuinarchitect, +Kobori-Enshiu, zeide eens, dat een ideale tuin moest zijn als "de +zoete eenzaamheid van een landschap, dat omwolkt is door het maanlicht, +met een waas van schemering tusschen de boomen." + +Er is heel wat geschreven over Japansche rotsen en steenen [37]. Wat +een poëzie wordt uitgedrukt door de namen van enkele van die +tuinsteenen--bij voorbeeld, "De Steen der Gemakkelijke Rust". Onder +de steenen aan de meren vindt men één, die heet "Steen der woeste +Golf," die ons dadelijk de Matsushima voor den geest roept, wier +golven tegen ontelbare rotsen gebroken worden. + +De steenen of houten lantarens zijn zeer belangrijke versierselen in +een Japanschen tuin. Het oorspronkelijke denkbeeld is ontleend aan +Korea, en zij zijn ook thans nog wel eens bekend als "Koreaansche +torens." Zij worden slechts zelden aangestoken, behalve in de tuinen +der tempels, maar zij hebben geen schitterend licht noodig om een +prachtig gezicht op te leveren. Zij zijn rijk aan barnsteen en groen +mos, en in den winter zijn zij met sneeuw bedekt, en maken den indruk +van spooklantarens van buitengewone schoonheid. Een andere vorm van +een Japansche tuin is de _Torii_, een eenvoudige boog van hout, in +den vorm van een Chineesche letter. Zij hebben een Shinto-oorsprong, +maar niemand heeft tot nu toe ontdekt, wat zij oorspronkelijk moesten +voorstellen, hoewel over dit onderwerp verschillende meeningen +zijn geuit. Die poorten, die nergens heenleiden, zijn in hooge mate +betooverend, en als men er naar ziet met de zee aan de voeten, is +het alsof men droomt van een oud sprookje uit de kinderdagen. + +De meren, watervallen, kleine bruggetjes, de treden over de +slingerpaden met zilverzand bedekt, zijn inderdaad een plaats +van afzondering. En daarbij dan nog de kleur van dien Japanschen +tuin! Iedere maand levert een ander kleurentafereel op, als de +pruimenboomen, de kersen- en de perzikenboomen in bloei staan. Terwijl +men door den tuin slentert tusschen dennenaalden, of terwijl men in +het heldere blauwe meer staart, kan men de azalea's aanschouwen. Als +er ooit een bloem is, die een verpersoonlijking is van kleur, dan is +het zeker de azalea. Zij is de regenboog onder de bloemen, en er is +nauwelijks één nuance van kleur, die niet in haar bloesem gevonden +wordt. Als men een azalea beschouwt, dan ziet men in de verfdoos der +Natuur zelf. En in een ander jaargetijde zien wij de iris met haar +purperen, gele en witte kleuren, of de schoone rooskleurige lotusbloem, +die zich met een kleine ontploffing op de kalme wateren opent, alsof +zij openlijk wil verkondigen, dat haar volmaaktheid nadert. Het laatste +kleurenfestijn van het jaar is te genieten, als de ahornboomen in +bloei staan. Ook wij hebben een prachtig karmozijnrood te bewonderen, +in de bladeren van onze braambessen, wanneer die liggen verborgen +in de vochtige hagen van den herfsttijd. In Japan zijn de ahornen +niet verborgen. Overal schijnen zij in een schitterende omlijsting +te leven. In den herfst schijnt het, alsof de ahornboomen wedijveren +met de ondergaande zon, immers in dat jaargetijde is Japan niet het +land van de rijzende zon, maar het land van de zon, die ondergaat +in een schitterend praalvertoon van roode bladeren. En is dit dan +het einde van den arbeid der Natuur in dat jaar? Neen, waarlijk +niet. Het laatst van alles komt de sneeuw, en haar schoonheid is +niet zoozeer in de zachte vlokken gelegen, als in de wijze, waarop +zij worden opgevangen en vastgehouden op de prachtige huisjes en +tempels en lantarens. Als men dan een Japanschen tuin ziet, dan ziet +men hoe de Natuur daarop den stempel van haar goedkeuring drukt. Het +sneeuwtafereel is misschien wel de schoonste penseelstreek der Natuur +in Japan; en het is een tafereel, dat dierbaar is aan de harten der +Japanners. In het midden van den zomer liet eens een Japansche Keizer +de miniatuurbergen van zijn tuinen bedekken met witte zijde, om de +gedachte te wekken aan een sneeuwlandschap, en ongetwijfeld ook, +om aan het landschap denkbeeldige koelte te schenken. Een slechts +oppervlakkige kennis der Japansche kunst zal reeds het feit openbaren, +dat de sneeuw een geliefd onderwerp is voor den Japanschen schilder. + + + + +De Natuur in Miniatuur. + +De Japanners zijn in het algemeen klein van gestalte, en hebben een +voorliefde voor kleine dingen. Lafcadio Hearn doet een allerliefst +verhaaltje omtrent een Japansche non, die met kinderen placht te +spelen en hun dan rijstkoekjes gaf niet grooter dan erwten, en thee +schonk in miniatuurkopjes. Haar liefde voor heel kleine dingen was +het gevolg van een groot verdriet, dat zij had geleden, maar wij zien +in die liefde der Japanners voor kleine voorwerpen iets pathetisch in +de natie als zoodanig. Hun liefde voor dwergboompjes, die honderden +jaren oud zijn, schijnt te zeggen: "Wees er trotsch op en blijde +mede, dat gij nooit groot wordt. Wij zijn een klein ras, en daarom +houden wij van kleine voorwerpen." De oude pijnboom, die dikwijls +niet hooger is dan een paar decimeters, drukt ons door zijn ouderdom +volstrekt niet, en wekt ook geen vrees op, juist omdat hij zoo klein +is. Wij westerlingen hebben wel eens de neiging gehad, de Japansche +dwergboomen als iets onnatuurlijks te beschouwen; maar zij zijn niets +onnatuurlijker dan de lach op het gelaat van het Japansche meisje, +en bewijst ons, dat de natie, evenals in oude tijden de Grieken, +nog steeds in harmonie is met de Natuur. + + + + +De Pijnboom. + +De pijnboom is het zinnebeeld van voorspoed en een lang leven. Daarom +zien wij dien boom bijna aan iedere tuindeur; en wij moeten toegeven, +dat een pijnboom een sierlijker talisman is dan een roestig oud +hoefijzer. In een Japansch tooneelspel vinden wij het volgende gezegde: +"Het zinnebeeld van onveranderlijkheid--geprezen zij hun roem tot het +einde der dagen--de roem van de twee pijnboomen, die samen oud zijn +geworden". Dit slaat op de beroemde pijnboomen van Takasago. Conder +[38] verhaalt ons, dat bij huwelijksfeesten "een tak van den +_mannelijken_ pijnboom geplaatst wordt in één vaas, en een tak van +den _vrouwelijken_ pijnboom in de andere. De algemeene vorm van beide +moet overeenkomen, maar de tak van den _vrouwelijken_ pijnboom, die +tegenover de andere vaas staat, moet iets beneden den overeenkomstigen +tak van den _mannelijken_ pijnboom zijn. Met andere woorden, hieruit +blijkt, dat het vraagstuk van het Vrouwenkiesrecht nog niet in Japan +bestaat, maar dat de Japansche vrouw nog onderworpen is aan haar heer +en meester, wat in Engeland een hoogst gevaarlijke uitdrukking zou +zijn. Het bovengenoemde symbool stelt 'een eeuwigdurende verbintenis' +voor, en is het zinnebeeld van den trouwen liefdeband, die tusschen +oude echtelieden bestaat." + + + + +Een Groot Liefhebber der Natuur. + +Kamo No Chomei was een Buddhistische kluizenaar der twaalfde eeuw, die +een boekje heeft geschreven, dat getiteld is Ho-jo-ki ("Opmerkingen +uit een Hut van Tien Voet"). In dat boekje beschrijft hij, hoe hij +het wereldsche leven vaarwel zeide en zijn verblijfplaats opsloeg +in een hut aan de helling van een berg. Chomei was gewoon te zingen, +te spelen en zijn geliefde boeken te lezen te midden der natuur. Hij +schrijft: "Toen het zestigste jaar van mijn leven, dat nu als een +dauwdroppel verdwijnt, naderde, maakte ik een nieuwe woonplaats gereed, +een soort van laatsten sprong, zooals een reiziger zich voor één +enkelen nacht een schuilplaats zoekt, of zooals een oude zijdeworm +zijn laatsten cocondraad spint." Wij zien, hoe hij, als gelukkige +oude man, langzaam over de heuvels strompelt, terwijl hij bloesems +op zijn tocht verzamelt en voortdurend met verheugde blikken den loop +en de geheimen der Natuur nagaat. Met een drogen humor schrijft hij: +"Ik behoef het mij niet moeilijk te maken, hoe ik de geboden streng +kan opvolgen, immers hoe zou ik, nu ik in volmaakte afzondering leef, +in verzoeking komen, die te breken?" Een geheel andere ervaring dan +die van sommigen onder de Indische kluizenaars, die in de eenzaamheid +een onuitputtelijken bron van verleiding zien! Maar Chomei was een +gelukkige ziel, en wij maken hier van hem melding om aan te toonen, +dat het hoofddoel van zijn leven niet was de dingen der wereld, maar +het werk der Natuur te bestudeeren op de heuvelen en in de dalen, +in de bloemen en de boomen, in het stroomende water en de wassende +maan. Om zijn eigen woorden aan te halen: "Gij zijt de wereld +ontvlucht, om het leven van een kluizenaar te leiden te midden van +de woeste bosschen en de heuvelen, om aldus uw ziel vrede te brengen, +en om te wandelen in de voetsporen van Buddha." + + + +Het Doodenfeest. + +In het Doodenfeest zien wij het krachtigste argument voor de liefde +van den Japanner voor de Natuur. Dat Doodenfeest is voortgekomen uit +de gedachte van een vrouw, en er is iets zóó teeders, zóó klagends in, +dat het alleen van een vrouw kan afkomstig zijn. In Juli keeren de +geesten van de dooden uit hun donkere woning terug. Kleine maaltijden +worden voor dat groote aantal geesten gereed gemaakt, en de lantarens +hangen op de kerkhoven en op de pijnboomen, die als het zinnebeeld +van voorspoed aan de tuindeuren staan. De Japanners waren gewoon +_hara-kiri_ [39] toe te passen, maar wij moeten niet vergeten, dat +hun zielen weer terugkomen om te wandelen in een land, dat één groote +tuin schijnt te zijn. En waarom komen zij terug? Zij komen met hun +zachte voetstappen terug over de heuvelen en ver weg van over de zee, +om nog eens naar de bloemen te zien en te wandelen in de tuinen, +waar zij zoovele gelukkige uren hadden doorgebracht. Zij komen, die +onzichtbare troep, als de zon helder straalt, als het schijnt, alsof de +bloesems, die op den wind drijven, plotseling in vlinders veranderen, +als het leven op zijn hoogtepunt is, als zij den dood en de duistere +plaats, waar Emma-O heerscht, niet langer kunnen verdragen. Wat een +tijd, om weer terug te keeren! Wat een stille hulde aan de Natuur, +dat die groote menigte zielen weer in haar armen terugkeert tijdens +het schitterendste gedeelte van den zomer. + + + + +De Japansche Vlag en de Chrysanthemum. + +De meesten onzer zijn bekend met de Japansche vlag, waarop een +roode zon op een witten achtergrond is geschilderd, en onze +eerste gedachte is natuurlijk, dat dit zinnebeeld oorspronkelijk +samenhing met de Zonnegodin. Doch wij zouden ons in dat geval +zeer vergissen. Astrologische voorstellingen werden in oude dagen +gevonden op de Chineesche vlaggen, en Chamberlain beschrijft ze +als volgt: "De Zon met de Kraai met Drie Pooten, die daarop woont, +de Maan met haar Haas [40] en haar Cassiaboom, de Roode Vogel, +die de Zeven sterrenbeelden voorstelt van het zuidelijke deel van +den Dierenriem, de Donkere Strijder (een Schildpad), die de zeven +noordelijke sterrenbeelden omhelst, de Azuren Draak, die de zeven +oostelijke, de Witte Tijger, die de zeven westelijke sterrenbeelden +omhelst, en een zevende vlag, die den 'Noordelijken Schepel' +(Groote Beer) voorstelt." De Chineesche vlaggen, waarop de zon +en de maan geteekend waren, waren in het bijzonder van belang, +omdat de zon een voorstelling is van den oudsten broeder van den +Keizer en de maan van zijn zuster. In de zevende eeuw namen de +Japanners die vlaggen over; maar na verloop van tijd schaften zij +een aantal van de vreemde astrologische teekeningen af, die zoo +dierbaar waren aan het hart der Chineezen. Toen in het jaar 1859 +een nationale vlag noodzakelijk was, werd de zonnevlag zonder eenige +toevoeging aangenomen; maar een enkele bol zonder stralen was niet +voldoende, en een meer uitgewerkte teekening werd uitgevoerd,--de +chrysanthemum met zestien bloemblaadjes. Wij kunnen niet anders dan +een vermoeden uitspreken omtrent het verband tusschen de zon en de +chrysanthemum. Beide werden in het oude China vereerd, en wij mogen +aannemen, dat de Japansche kunstenaar, toen hij de stralen van de +zon wilde uitbeelden, uitstekend materiaal vond, door de bloem van +een wilden chrysanthemum na te teekenen. + +De chrysanthemum is de nationale bloem van Japan, en aan Nippon danken +wij het kweeken van die bloem in onze streken. Mythologische tooneelen, +vooral dat van het schip met wonderschatten met de Goden van het +Geluk aan boord, zijn een geliefkoosde teekening, geheel gemaakt uit +tallooze chrysanthemums. Booten, kasteelen, bruggen en verscheidene +andere voorwerpen zijn met de grootste handigheid uit diezelfde bloem +gevormd. Japan is altijd gelukkig geweest in zijn keuze van namen, +en dit is nergens meer het geval geweest dan bij de namen, die het aan +zijn verschillende chrysanthemums heeft gegeven. Er is poëzie in namen +als "Slaperig Hoofd", "Gouden Dauw", "Witte Draak" en "Sterrennacht". + +De chrysanthemum is ongetwijfeld een passend symbool voor de +Keizerlijke vlag. Eens heeft hij, evenals de Engelsche roos als een +herkenningsteeken dienst gedaan in den Oorlog der Chrysanthemums, een +langdurigen burgeroorlog, die de natie verdeeld hield in twee vijandige +partijen. Thans is de chrysanthemum het symbool van een vereenigd Rijk. + + + + +Vrouw Wit en Vrouw Geel. + + +Lang geleden groeiden in een weide een witte en een gele chrysanthemum +vlak naast elkander. Op zekeren dag kwam een oude tuinman er langs, die +een bijzondere voorliefde kreeg voor Vrouw Geel. Hij zeide haar, dat, +als zij met hem mede wilde gaan, hij haar nog veel bekoorlijker zou +maken, dat hij haar lekker voedsel zou geven en prachtige kleederen. + +Vrouw Geel was zóó verrukt over wat de oude man zeide, dat zij haar +witte zuster geheel vergat en er in toestemde, opgetild te worden, +te worden gedragen in de armen van den ouden tuinman, en in zijn tuin +te worden geplaatst. + +Toen Vrouw Geel en haar meester vertrokken waren, weende Vrouw Wit +bitter. Haar eigen eenvoudige schoonheid was geminacht; maar, wat +nog veel erger was, zij was verplicht alleen in de weide achter te +blijven, zonder met haar zuster, aan wie zij zoozeer was gehecht, +te kunnen spreken. + +Dag aan dag werd Vrouw Geel in den tuin van haar meester al schooner +en schooner. Niemand zou nu de gewone veldbloem meer hebben herkend; +maar hoewel haar bloemblaadjes lang en gekruld waren en haar bladeren +zoo helder en goed verzorgd, dacht zij toch somtijds aan Vrouw Wit, +die eenzaam op het veld stond, en verbaasde zij er zich over, hoe +zij het uithield gedurende al die lange en eenzame uren. + +Op zekeren dag kwam een dorpshoofd in den tuin van den ouden man, +om een volmaakten chrysanthemum te zoeken, om dien naar zijn Heer te +brengen als een schets voor zijn wapen [41]. Hij deelde den ouden +man mede, dat hij geen mooien chrysanthemum noodig had met een +aantal lange bloemblaadjes. Wat hij noodig had, was een eenvoudige +witte chrysanthemum met zestien bloemblaadjes. De oude man nam het +dorpshoofd mede, om Vrouw Geel te zien; maar die bloem beviel hem niet, +en hij nam afscheid, na den tuinman voor zijn moeite te hebben bedankt. + +Op den terugweg kwam hij bij toeval op een veld, waar hij Vrouw +Wit zag weenen. Zij vertelde hem de droevige geschiedenis van haar +verlatenheid, en toen zij haar treurig verhaal had geëindigd, zeide +haar het dorpshoofd, dat hij Vrouw Geel had gezien, maar dat hij die +niet half zoo mooi vond als haar. Na die bemoedigende woorden droogde +Vrouw Wit haar oogen, en zij sprong zóó hoog op, dat zij bijna van +haar voetjes afbrak, toen de vriendelijke man haar meedeelde, dat +hij haar wilde hebben voor het wapen van zijn heer! + +Een oogenblik later werd de gelukkige Vrouw Wit in een draagstoel +weggevoerd. Toen zij het paleis van den _daimio_ bereikte, prezen allen +om het zeerst de merkwaardige volmaaktheid van haar vormen. Groote +kunstenaars kwamen van verre en nabij, zaten naast haar en schetsten de +bloem met de grootste bekwaamheid. Zij had spoedig geen spiegel meer +noodig, want na niet langen tijd zag zij haar schoon, wit gelaat op +de meest kostbare eigendommen van den _Daimio_. Zij zag het op zijn +wapenrusting en op zijn doozen, met goudlak bedekt, op zijn dekens, +kussens en kleeren. Als zij naar boven keek, kon zij haar gelaat +zien in groote gebeeldhouwde paneelen. Zij werd geschilderd, als +dreef zij een stroom af, en op alle mogelijke eigenaardige en schoone +manieren. Iedereen was het er over eens, dat de witte chrysanthemum, +met haar zestien bloemblaadjes, het mooiste wapen vormde van geheel +Japan. + +Terwijl het gelukkige gelaat van Vrouw Wit voor altijd vereeuwigd was +op de bezittingen van den _Daimio_, was het lot, dat Vrouw Geel trof, +diep beklagenswaardig. Zij had alleen voor zich zelf gebloeid en had +den lof harer bezoekers even begeerig ingezogen als den dauw op haar +fijn gekrulde bloemblaadjes. Op zekeren dag voelde zij echter een +stijfheid in haar beenderen, en een vermindering van haar overmaat van +levenskracht. Haar vroeger zoo trotsch hoofd viel voorover, en toen de +oude man haar vond, tilde hij haar op en wierp haar op een hoop afval. + + + +"Chrysanthemum-Oude-Man". [42] + + +Kikuo ("Chrysanthemum-Oude-Man") was de trouwe onderhoorige +van Tsugaru. Op zekeren dag werd de strijdmacht van zijn meester +vernietigd, en werden zijn kasteel en schoone landgoederen door den +vijand in bezit genomen; maar gelukkig waren Tsugaru en Kikuo in staat, +naar de bergen te ontsnappen. + +Kikuo, die de liefde van zijn meester voor bloemen kende, en vooral +voor den chrysanthemum, besloot die bloemen naar zijn beste vermogen +te kweeken, en door zoo te handelen het verdriet en de vernedering +van zijn meester in diens ballingschap iets te verminderen. + +Die pogingen verheugden Tsugaru zeer, maar ongelukkig werd deze +spoedig daarna ziek en stierf hij; de trouwe Kikuo weende over het +graf van zijn meester. Daarna keerde hij weer naar zijn werk terug, +en plantte chrysanthemums rondom het graf van zijn meester, totdat hij +een rand van bijna dertig meter breedte gemaakt had, zoodat de roode, +witte, rose, gele en bronskleurige bloesems hun welriekende geuren +in de lucht verspreidden tot verwondering van allen, die toevallig +dien weg uitkwamen. + +Toen Kikuo omstreeks twee en tachtig jaar oud was, vatte hij koude +en moest hij zijn nederige woning houden, waar hij ontzettende +pijnen leed. + +Op zekeren herfstnacht, toen hij wist, dat die geliefde bloemen, die +aan zijn meester gewijd waren, op haar schoonst waren, zag hij in de +veranda een aantal jonge kinderen. Toen hij ze aandachtig gadesloeg, +zag hij, dat het geen kinderen van deze wereld waren. + +Twee van die kleinen kwamen in de nabijheid van Kikuo en zeiden: +"Wij zijn de geesten van uw chrysanthemums, en zijn hier gekomen om +u te vertellen, hoezeer het ons spijt, dat gij ziek zijt. Gij hebt +ons met zoo groote zorg bewaakt en liefgehad. Er was eens een man +in China, Hozo genaamd, die achthonderd jaar oud werd door den dauw +te drinken van de bloemen der chrysanthemums. Gaarne zouden wij uw +dagen verlengen, maar helaas! de Goden hebben anders beschikt. Binnen +dertig dagen zult gij sterven." + +De oude man uitte den wensch, dat hij in vrede mocht sterven en drukte +zijn leedwezen uit, dat hij gedwongen was, al zijn chrysanthemums +achter te laten. + +"Luister" zeiden de jonge geesten: "wij hebben u allen liefgehad, +Kikuo, om alles wat gij voor ons gedaan hebt. Als gij sterft, zullen +ook wij sterven." Nauwelijks hadden zij die woorden gesproken, of +een windvlaag blies tegen de woning, en de geesten vertrokken. + +Kikuo werd erger in plaats van beter, en op den dertigsten dag stierf +hij. Toen bezoekers kwamen om de chrysanthemums te zien, die hij had +geplant, was alles verdwenen. De dorpelingen begroeven den ouden man +naast zijn meester, en in de meening, dat zij Kikuo genoegen deden, +plantten zij chrysanthemums naast zijn graf; maar deze gingen allen +dood, zoodra zij in den grond waren geplant. Over het graf groeit nu +alleen gras. De kinderzielen der chrysanthemums praten en zingen en +spelen met den geest van Kikuo. + + + + +De Violen-Bron. + +Shingé en haar kameniers maakten een uitstapje naar de Vallei +van Shimizutani, die tusschen de bergen Yoshino en Tsubosaka +gelegen was. Shingé, vol van vreugde over de lente, liep naar de +Violen-Bron, waar zij purperen, welriekende viooltjes in groote menigte +ontdekte. Zij was juist op het punt de welriekende bloemen te plukken, +toen een groote slang naderde, waarna zij onmiddellijk flauw viel. + +Toen haar kameniers haar vonden, zagen zij, dat haar lippen purper +gekleurd waren en dezelfde kleur hadden als de viooltjes, die haar +omgaven, en toen zij de slang zagen, die zich nog in de nabijheid +schuilhield, vreesden zij, dat haar meesteres zou sterven. Matsu had +de tegenwoordigheid van geest, om haar mand bloemen naar de slang te +werpen, die oogenblikkelijk wegkroop. + +Op datzelfde oogenblik verscheen een schoone jongeling, en terwijl +hij de meisjes zeide, dat hij geneesheer was, gaf hij Matsu een +geneesmiddel, dat zij haar meesteres moest toedienen. + +Terwijl Matsu Shingé de poeder in den mond bracht, nam de dokter een +stok op, verdween enkele oogenblikken en kwam daarna terug met de +doode slang in zijn handen. In dien tijd was Shingé weer bij kennis +gekomen, en vroeg zij naar den naam van den geneesheer, die haar het +leven had gered. Maar hij boog beleefd, ontweek haar vraag en nam +toen afscheid. Alleen Matsu wist, dat de naam van den redder harer +meesteres Yoshisawa was. + +Toen Shingé naar huis was gebracht, werd zij erger in plaats van +beter. De knapste geneesheeren kwamen aan haar bed, maar zij konden +niets doen om haar weder gezond te maken. + +Matsu wist, dat haar meesteres langzaam wegkwijnde van liefde voor +den schoonen man, die haar leven had gered, en daarom besprak zei de +zaak met haar meester Zembei. Matsu verhaalde hem, wat geschied was, +en zeide, dat, hoewel Yoshisawa van nederige afkomst was, daar hij tot +de Eta, de laagste kasten in Japan behoorde, die hun kost verdienen +met dieren te dooden en te villen, hij toch bijzonder hoffelijk en +welopgevoed was, en, wat vormen en optreden betreft, op een _samurai_ +geleek. "Niets", zoo sprak Matsu, "zal uw dochter haar gezondheid +teruggeven, als zij niet met dien schoonen geneesheer trouwt." + +Zoowel Zembei als zijn vrouw waren door die woorden terneergeslagen, +want Zembei was een aanzienlijke _daimio_, en kon zelfs geen oogenblik +het denkbeeld verdragen, dat zijn dochter iemand van de Eta-kaste zou +huwen. Toch stemde hij er in toe, inlichtingen omtrent Yoshisawa in te +winnen, en Matsu keerde naar haar meesteres terug met het bericht, dat +de zaak niet geheel hopeloos stond. Toen Matsu Shingé had verhaald, wat +haar vader voornemens was ten hare behoeve te doen, nam zij merkbaar +in beterschap toe, en was zij in staat weer voedsel tot zich te nemen. + +Toen Shingé bijna hersteld was, ontbood Zembei haar en zeide, dat hij +een nauwkeurig onderzoek omtrent Yoshisawa had ingesteld, en dat hij +onder geen omstandigheden zijn toestemming kon geven tot een huwelijk +met dezen. + +Shingé weende bitter, en langen tijd peinsde zij met een treurig +gemoed over haar verdriet. Den volgenden morgen was zij noch in huis, +noch in den tuin te vinden. In alle richtingen werd naar haar gezocht; +zelfs Yoshisawa zocht overal naar haar; maar zij die haar zochten, +vonden haar nergens. Geheimzinnig was zij verdwenen, beladen met een +verdriet zóó ontzettend groot, dat haar vader zich nu eerst rekenschap +gaf van zijn wreede beslissing. + +Na drie dagen werd zij gevonden op den bodem der Violen-Bron, en +korten tijd daarna maakte Yoshisawa, door droefheid overstelpt, +op dezelfde wijze een einde aan zijn leven. Men verhaalt, dat men +gedurende stormachtige nachten den geest van Shingé op de bron ziet +drijven, terwijl men in de nabijheid het geluid hoort van het kermen +van Yoshisawa. + + + + +De Geest van de Lotus Lelie. + + + + "Hernieuwing, o hernieuwing van Natuur en Leven! + O Bron verrijs! De Lotusknoppen splijten, 't hart geopend, + En zingen 't luide uit: "Namu Amida!" + + _Yone Noguchi_. + + +De lotus is de heilige bloem van het Buddhisme. Daar hij groeit uit +de modder, en zijn steel door het water opkweekt, en er uit zulk een +duister en slijkachtig begin een liefelijke bloem wordt voortgebracht, +is de lotus vergeleken met een deugdzaam man, die in deze zondige +wereld leeft. Dat de bloem voortdurend als zinnebeeld wordt gebruikt, +schijnt, zoo zegt Sir Monier Williams, het gevolg te zijn van het +feit, dat de bloem de vorm heeft van een wiel, waar de bloemblaadjes +de plaats van spaken innemen, zoodat hierin is uitgedrukt de leer +der eeuwigdurende kringen van het bestaan. Buddha wordt dikwijls +uitgebeeld zittende of staande op een gouden lotus, en de bloem +herinnert ons aan de Buddhistische _sutra_, die bekend staat als de +"Lotus der Goede Wet". + +Lafcadio Hearn beschrijft de lotus van het Paradijs aldus: "Zij +tuinieren, die bekoorlijke wezens!--Zij liefkoozen de lotusknoppen, +terwijl zij hun bloemblaadjes met iets hemelsch besprenkelen, dat haar +bloei bevordert. En wat voor lotusknoppen, met kleuren niet van deze +wereld. Sommige zijn opengesprongen; en in hun lichtende harten, in een +glans als dien van den dauw, zijn kleine, naakte kindertjes gezeten, +ieder met een kleinen lichtkrans. Dit zijn Zielen, nieuwe Buddha's, +_hotoke_ geboren tot gelukzaligheid. Sommigen zijn zeer, zeer klein; +andere zijn iets grooter; alle schijnen zichtbaar te groeien, want +hun bekoorlijke voedsters voeden hen met iets ambrozijns. Ik zie er +één die zijn lotuswieg heeft en door een hemelschen Jizo geleid wordt +naar de hoogere verwijderde heerlijkheid". + +Tot zoover de hemelsche lotus en zijn nauwe betrekking tot het +Buddhisme. In de volgende legende zien wij, hoe de bloem de +tooverkracht bezit, om kwade geesten weg te houden. + +In Kyoto brak een epidemische ziekte uit, waaraan duizenden menschen +bezweken. De ziekte verspreidde zich tot Idzumi, waar de Edele +Koriyama woonde, en Koriyama, zijn vrouw en kind, werden door de +ziekte aangetast. + +Op zekeren dag ontving Tada Samon, een hooggeplaatst ambtenaar in het +kasteel van Koriyama, een bezoek van een _yamabushi_ of kluizenaar +op een berg. Die man was zeer onder den indruk van de ziekte van +Koriyama, en zich tot Samon wendend zeide hij: "Al die ellende is het +gevolg van het binnenkomen van booze geesten in het kasteel. Ze zijn +gekomen, omdat de grachten rondom het kasteel droog zijn en geen lotus +bevatten. Als die grachten dadelijk met die heilige bloem beplant +waren, zouden de booze geesten vertrekken, en zouden uw meester, +zijn vrouw en kind weer herstellen." + +Samon was zeer getroffen door die verstandige woorden, en dien +kluizenaar werd verlof gegeven, lotus om het kasteel te planten. Toen +hij zijn taak had volbracht, vertrok hij op geheimzinnige wijze. + +Binnen een week was zoowel de Edele Koriyama, als zijn vrouw en kind +in staat op te staan en hun gewone bezigheden te hervatten; immers +toen waren de wallen hersteld, de grachten gevuld met zuiver water, +dat de knikkende knoppen van tallooze lotusbloemen weerkaatste. + +Vele jaren later, nadat ook de Edele Koriyama gestorven was, kwam +toevallig een jeugdige _samurai_ langs de grachten van het kasteel. Met +bewondering zag hij naar die bloemen, toen hij plotseling twee +bijzonder schoone knapen zag spelen aan den oever van het water. Hij +was juist op het punt, hen naar een veiliger plaats te brengen, +toen zij in de lucht sprongen en bij hun val onder het water verdwenen. + +De verbaasde _samurai_, die in de meening verkeerde, dat hij een paar +_kappa's_, [43] of booze watergeesten had gezien, trok zich haastig +naar het kasteel terug en vertelde daar zijn vreemd avontuur. Toen hij +zijn verhaal had gedaan, werden de grachten afgedregd en schoongemaakt, +maar niets van de verwachte kappa's kon worden ontdekt. + +Een tijd later zag een andere _samurai_, Murata Ippai, bij denzelfden +lotus een aantal schoone knaapjes. Hij trok zijn zwaard en sloeg +op hen in, terwijl hij den krachtigen geur van die heilige bloem +inademde bij iederen slag van zijn zwaard. Toen Ippai om zich heen +zag, om te zien, hoeveel van die vreemde wezentjes hij had gedood, +steeg een wolk van de meest verschillende kleuren voor hem op, een +wolk, die met een fijnen straal op zijn gelaat viel. + +Daar het te duister was om zich met zekerheid te vergewissen van den +aard en den omvang van zijn slachting, bleef Ippai den geheelen nacht +op die plek. Toen hij den volgenden morgen ontwaakte, zag hij met +groote afschuw dat hij alleen de koppen van een aantal lotusbloemen +had afgehakt. Daar hij wist, dat die weldadige bloem het leven van +den Edelen Koriyama had gered, en nu dat van zijn zoon beschermde, +werd Ippai met schaamte en berouw vervuld. Na een gebed gezegd te +hebben aan den oever van het water, pleegde hij _hara-kiri_. + + + + +De Geest van de Pioenroos. + +Het was vastgesteld, dat Prinses Aya zou huwen met den tweeden zoon van +den Edelen Ako. Alle schikkingen waren overeenkomstig de gebruiken in +Japan geheel genomen zonder de goedkeuring of toestemming der beide +betrokken partijen. + +Op zekeren avond wandelde Prinses Aya in den grooten tuin bij haar +woning, vergezeld van haar kameniers. De maan scheen helder op +haar geliefkoosd perk met pioenrozen naast een vijver, en hulde de +welriekende bloesems in een zilveren glans. Hier bleef zij toeven en +bukte zij om den geur van die bloemen in te ademen, toen haar voet +uitgleed, en zij zou gevallen zijn, als niet een schoone jonge man, +gekleed in een gewaad met geborduurde pioenrozen, haar bijtijds had +opgevangen. Hij verdween even snel en geheimzinnig als hij gekomen was, +voordat zij tijd had hem te danken. + +Het gebeurde nu, dat Prinses Aya kort na die gebeurtenis ernstig ziek +werd, zoodat de dag van haar huwelijk moest worden uitgesteld. De +geneeskundige hulp, die werd ingeroepen, was niet in staat, het +koortsachtige meisje weer haar gezondheid te doen herwinnen. + +De vader van Prinses Aya vroeg de meest geliefde kamenier van zijn +dochter, Sadayo, of zij op die droevige geschiedenis eenig licht +kon werpen. + +Sadayo, hoewel zij tot nu toe tot geheimhouding verplicht was, voelde +nu, dat de tijd was gekomen, dat het niet alleen verstandig, maar +dringend noodzakelijk was, om alles te vertellen, wat zij omtrent die +zaak wist. Zij deelde haar meesteres mede, dat Prinses Aya in vurige +liefde was ontstoken voor den jongen _samurai_, die het gewaad droeg, +waarop pioenrozen geborduurd waren; en zij voegde er aan toe, dat zij +vreesde, dat, als hij niet kon worden gevonden, haar jonge meesteres +zou sterven. + +Toen dien avond een beroemd muziekspeler de _biwa_ bespeelde in de +hoop, de zieke Prinses aangenaam bezig te houden, verscheen weer +achter de pioenrozen dezelfde jonge man in hetzelfde zijden gewaad. + +Ook den volgenden avond, terwijl Yae en Yakumo op de fluit en op de +_koto_ speelden, verscheen de jonge man weer. + +De vader van Prinses Aya besloot nu de zaak met groote zorg na te +gaan, en beval daartoe Maki Hiogo, zich in het zwart te kleeden en +zich den volgenden avond te verbergen in het perk met pioenrozen. + +Toen de volgende avond aanbrak, verborg zich Maki Hiogo tusschen de +pioenrozen, terwijl Yae en Yakumo liefelijke muziek maakten. Niet +lang nadat de muziek weerklonk, verscheen de geheimzinnige _samurai_ +weer. Maki Hiogo kwam uit zijn schuilplaats te voorschijn, met zijn +armen stevig om zijn vreemden bezoeker geslagen. Het scheen, alsof uit +zijn gevangene een wolk stroomde. Dit maakte hem duizelig, zoodat hij +op den grond viel; maar nog altijd hield hij den schoonen _samurai_ +stevig vast. + +Juist toen een troep soldaten zich haastig naar die plek begaven, +kreeg Maki Hiogo het bewustzijn terug. Hij zag naar beneden, in de +verwachting zijn gevangene te zien. Maar alles wat hij in zijn armen +hield, was een groote pioenroos! + +Op dat oogenblik voegden zich Prinses Aya en haar vader bij de +verbaasde groep en Vorst Naizen-no-jo begreep oogenblikkelijk den +toestand. "Ik zie nu", zoo sprak hij, "dat de geest van de pioenroos +een oogenblik geleden en ook bij vroegere gelegenheden de gedaante +van een jongen en schoonen _samurai_ heeft aangenomen. Mijn dochter, +gij moet die bloem nemen en haar met groote goedheid behandelen." + +Prinses Aya behoefde geen nadere verklaring te krijgen. Zij keerde +naar huis terug, plaatste de pioenroos in een vaas, en plaatste +die naast haar bed. Met den dag werd zij beter, terwijl haar bloem +prachtig bloeide. Toen Prinses Aya volkomen hersteld was, kwam de +Edele Ako naar het kasteel, met zijn tweeden zoon bij zich, die met +de Prinses zou huwen. Na korten tijd werd het huwelijk gesloten, +maar op datzelfde oogenblik was de prachtige pioen roos dood. + + + + +HOOFDSTUK XIII. BOOMEN. + + + "Op zekeren dag redetwistten Kinto Fujiwara, Opperste Raadadviseur + en de minister van Uji over de vraag, welke bloem de schoonste + was onder de lente- en herfstbloemen. De minister beweerde, dat de + Kers de schoonste was van de lentebloemen, de Chrysanthemum van de + herfstbloemen. Daarop zeide Kinto, 'hoe kan nu de kersen-bloesem + het schoonst zijn? Gij hebt de pruim vergeten.' Hun twistgesprek + beperkte zich ten slotte tot de voortreffelijkheid van Kers + en Pruim, terwijl aan andere bloemen weinig aandacht werd + geschonken. Eindelijk werd Kinto, die den minister niet wilde + hinderen, minder heftig in zijn betoog dan te voren, maar zeide: + 'Welnu, hetzij dan zoo: nemen wij dan aan, dat de Kers de schoonste + van de twee is; maar als gij eens den bloesem van de Roode Pruim + bij het aanbreken van een lentedag in de sneeuw hebt gezien, zult + gij niet langer haar schoonheid vergeten.' Dit was werkelijk een + kiesch en vriendelijk gezegde". + + _"De Tuin van Japan"_, door _F.T. Piggott._ + + + +Kers en Pruim. + +De schitterendste bloemenpracht wordt in Japan aangetroffen in de +maand April, zoodra de kersen in bloei komen, en zooals wij in de +bovenstaande aanhaling hebben gezien, zijn het de kers en de pruim, +die in de eerste plaats de gunst der Japanners genieten. De dichter +Motoöri schrijft: "Indien iemand u zou vragen naar het hart van +een echten Japanner, wijs dan naar den wilden kersenbloesem in de +zon", en Lafcadio Hearn heeft met een echt poëtisch inzicht den +kersenbloesem van Japan vergeleken met een zachten zonsondergang, +die als het ware uit de lucht is afgedaald en om de bladerlooze takken +is blijven hangen. + +De werkelijk groote wonderen der natuur zijn in staat, bij hen, die +voldoende gevoel hebben voor het schoone, een niet te omschrijven +verlangen achter te laten, een verdriet, dat zooveel liefelijkheid +weer verloren moet gaan; en dat zachte gevoel van smart, vermengd +met de verrukking, wordt gemakkelijk in veel van de Japansche poëzie +ontdekt. Het is een feit, waar wel de nadruk op mag worden gelegd, +omdat het een gemoedsgesteldheid openbaart, die rijk voorzien is van +een buitengewone liefde voor het schoone, dat smachtend verlangen +naar een bloemblaadje, dat nooit verdort, een kleur, die nooit +verbleekt. Korunushi zong aldus: + + + De meest verstarde mensch slaakt toch nog wel een zucht, + Als op hem nederdaalt een dwarrelende vlucht, + Van kersenbloesems dor. Die bloesems teer en fijn. + Dat zullen zeker wel des hemels tranen zijn"! + + Naar _B.H. Chamberlain._ + + +De hoogste lof, dien Japan aan de kers heeft gebracht, is deze: "De +kersenboomen in de dorpen, gelegen in het verwijderde gebergte moesten +hun bloesems terughouden totdat de bloemen in de stad verwelkt zijn, +immers dan zou het volk naar buiten trekken om ook die te zien." De +schoonheid van een Japansche vrouw wordt dikwijls in verband gebracht +met den bloesem der kersen, terwijl haar deugd wordt vergeleken met +den bloesem der pruimen. + + + +De Camelia. + +De Kostbare-Camelia van Yaegaki, met haar dubbelen stam en ontzaglijken +top is reeds zeer oud en wordt als zóó heilig beschouwd, dat zij +omgeven is door een schutting en dat steenen lampen daar omheen worden +geplaatst. De eigenaardige gedaante van den boom, met zijn dubbelen +stam, die weer in het midden samengroeit, heeft het aanzijn geschonken +aan het geloof, dat die buitengewone boom het symbool is van een +gelukkig huwelijksleven, en bovendien, dat goede geesten er in wonen, +die altijd bereid zijn, de vurige gebeden van minnaars te verhooren. + +De cameliaboom is niet altijd goed gezind. Er is een legende omtrent +een boom van die soort, die in den nacht in den tuin van een _samurai_ +te Matsue rondwandelde. De vreemde en onvermoeide wandelingen van den +boom werden zóó talrijk, dat ten laatste de boom werd neergehouwen +en men zegt, dat hij, toen hij neerviel, een stroom van bloed uitspoot. + + + +De Cryptomeria. + +Een andere boom, die hoog vereerd wordt, is de indrukwekkende +cryptomeria, en er is een van die boomen, die zich uitstrekt van +Utsunomiya tot Nikko, een afstand van ruim dertig kilometers. Één van +die boomen heeft een middellijn van twee meters; men verhaalt, dat deze +geplant is "door een deputatie, die achthonderd Buddhistische nonnen +uit de provincie Wakasa vertegenwoordigde." In een verder gedeelte +van dit hoofdstuk geven wij een legende, die met dien bijzonderen +boom in betrekking staat. + + + +Een Pijnboom en de God der Wegen. + +In den tuin van de groote _hakaba_ (kerkhof) der Kwannondera staat +een pijnboom, die rust op vier groote wortels, welken den vorm hebben +van reusachtige voeten. In de nabijheid van dien boom vindt men een +schutting, een altaar en een aantal _torii._ Voor het altaar rusten +miniatuurpaardjes, van stroo vervaardigd. Dit zijn offers aan Koshin, +den God der Wegen, als bede, dat de werkelijke paarden, waarvan +zij het symbool zijn, bewaard mogen blijven voor dood of ziekte. De +pijnboom staat echter niet altijd in verband met Koshin. Hij kan met +recht beschreven worden als de meest huiselijke Japansche boomen, want +hij neemt een in het oog vallende plaats in bij het Nieuwjaarsfeest +[44]--een boom, die aan de tuindeur moet worden geplant, omdat hij +geacht wordt geluk te brengen, en vooral gelukkige huwelijken. + + + +Een Boomgeest. + +Zooals wij in de volgende legenden zullen zien, is meer dan één der +Japansche boomsoorten bedeeld met bovennatuurlijke macht. Er is een +boomgeest, bekend als Ki-no-o-baké, die in staat is rond te wandelen en +verschillende vormen aan te nemen. De boomgeest spreekt slechts weinig, +en als hij gestoord wordt, verdwijnt hij in den stam of tusschen de +bladeren. De geest van den God Kojin [45] huist in den _enoki_-boom +aan dien God zijn alle oude kinderpoppen gewijd. + + + + +De Wonderbaarlijke Kastanje. + +Prinses Hinako-Nai-Shinno verzocht, dat haar kastanjes zouden worden +voorgezet; maar zij nam er slechts één, beet daarop en wierp die +weg. Deze schoot wortel, en op alle kastanjes, die later daaruit +voortkwamen, stonden de afdrukken van de kleine tandjes der Prinses. De +kastanjeboom had, toen hij haar bij haar dood wilde vereeren, zijn +toewijding op die wijze geopenbaard. + + + + +De Stille Pijnboom. + +Keizer Go-Toba, die een vreeselijken hekel had aan het kwaken van +kikvorschen, werd op zekeren dag gehinderd door een pijnboom, die +door den wind werd bewogen. Nadat Zijne Majesteit den boom luide had +bevolen, stil te zijn, bewoog zich de pijnboom nooit meer één enkel +oogenblik. Die gehoorzame boom was zóózeer onder den indruk van het +bevel, dat de hevigste wind niet alleen de takken niet bewoog, maar +zelfs de duizenden dennenaalden volkomen onbewegelijk liet. + + + +Wilgevrouwtje. [46] + + + + "Ik hoorde van 't magische wierook, dat oproept de ziel van wie + weg is; + Ach, kon ik wat daarvan branden, 's nachts, als ik eenzaam moet + wachten." + + _Uit het Japansch._ + + +In een zeker Japansch dorp groeide een groote wilgeboom. Geslacht na +geslacht werd die door het volk vereerd. In den zomer was hij een +rustplaats, een plaats, waar de dorpelingen bijeen kwamen, nadat +de inspanning en de hitte van den dag voorbij waren, en waar zij +bleven praten, totdat het maanlicht door de takken scheen. In den +winter was hij als een half geopend zonnescherm, dat bedekt was met +fonkelende sneeuw. + +Heitaro, een jeugdige landbouwer, woonde vlak bij den boom, +en daardoor was hij nog meer dan één van zijn makkers in innige +gemeenschap gekomen met den statigen wilgeboom. De boom was bijna +het eerst wat hij bij zijn ontwaken zag, en als hij van zijn werk op +zijn akkers naar huis terugkeerde, zag hij steeds met verlangen uit +naar zijn bekende gedaante. Dikwijls brandde hij een stuk hout onder +zijn takken, en knielde daar neder om te bidden. + +Op zekeren dag kwam een oud man uit dat dorp naar Heitaro, en vertelde +hem, dat de dorpsbewoners een brug over de rivier wilden bouwen, +en dat zij er bijzonder opgesteld waren, den grooten wilgeboom voor +timmerhout te gebruiken. + +"Voor timmerhout?" zeide Heitaro, terwijl hij zijn gelaat in +zijn handen verborg. "Mijn geliefde wilgeboom voor een brug, die +onophoudelijk het trappelen van voeten zal moeten dulden! Nooit, +nooit, oude man!" + +Toen Heitaro eenigszins zijn kalmte had teruggekregen, bood hij +den ouden man sommige van zijn eigen boomen aan, als hij en de +dorpsbewoners die voor timmerhout wilden aannemen en den ouden +wilgeboom wilden sparen. + +De oude man nam gaarne dit aanbod aan, en de wilgeboom bleef in het +dorp staan, zooals hij reeds zoovele jaren gestaan had. + +Toen Heitaro op zekeren avond onder den grooten wilgeboom zat, zag +hij plotseling een prachtig meisje dicht naast hem staan, die bedeesd +naar hem keek, alsof zij hem wilde toespreken. + +"Achtbare dame", zoo sprak hij, "ik zal naar huis gaan. Ik zie, +dat gij op iemand wacht. Heitaro is niet onvriendelijk jegens hen, +die liefhebben. + +"Hij komt nu niet meer", antwoordde het meisje lachend. + +"Zou zijn liefde bekoeld zijn? Ach, hoe vreeselijk is het, dat een +onechte liefde komt, en asch, en een graf achterlaat?" + +"Zijn liefde is niet bekoeld, waarde heer." + +"En toch komt hij niet? Wat voor een vreemde mysterie is dit?" + +"Hij is gekomen! Zijn hart is altijd hier geweest, hier onder dezen +wilgeboom." En met een stralenden glimlach verdween het meisje. + +Nachten achter elkander kwamen zij onder den ouden wilgeboom samen. De +bedeesdheid van het meisje was geheel verdwenen, en het scheen wel, +alsof zij van de lippen van Heitaro niet genoeg lof kon hooren over +den wilgeboom, waaronder zij zaten. + +Op zekeren avond zeide hij tot haar: "Lieve kleine, wilt gij mijn +vrouwtje worden--gij, die van den boom zelf af komstig schijn te zijn?" + +"Ja," zeide het meisje. "Noem mij Higo ('Wilg') en vraag, ter wille +van uw liefde voor mij, niet verder. Ik heb noch vader, noch moeder, +en de dag zal komen, dat gij het zult begrijpen." + +Heitaro en Higo huwden, en na verloop van tijd werd hun huwelijk +gezegend met een kind, dat zij Chiyodo noemden. Hun woning was +eenvoudig, maar de bewoners van het huisje waren de gelukkigste +menschen van geheel Japan. + +Terwijl dit gelukkige paar hun verschillende werkzaamheden verrichtten, +kwam er groot nieuws in het dorp. De dorpelingen waren er vol van, en +het duurde dan ook niet lang, of het bereikte de ooren van Heitaro. De +oud-Keizer Toba wilde in Kyoto een tempel bouwen gewijd aan Kwannon +[47], en zij, die daarover te zeggen hadden, zonden wijd en zijd om +timmerhout. De dorpelingen zeiden, dat zij tot de oprichting van +het heilige gebouw moesten bijdragen, door hun grooten wilgeboom +aan te bieden. Alle redeneeringen, alle overreding en alle beloften, +dat hij andere boomen zou leveren, waren vruchteloos, want noch hij, +noch iemand anders kon een zóó grooten en schoonen boom schenken als +den grooten wilgeboom. + +Heitaro ging naar huis en vertelde de zaak aan zijn vrouw: "Ach, +vrouwtje", zoo sprak hij, "zij zijn op het punt onzen dierbaren +wilgeboom te vellen! Voordat ik met u gehuwd was, zou ik het niet +hebben kunnen verdragen. Naar nu ik u bezit, kleintje, zal ik er +misschien ter eeniger tijd overheen komen". + +Dien nacht werd Heitaro gewekt door het hooren van een doordringenden +kreet. "Heitaro" zeide zijn vrouw, "het wordt donker!" De kamer +is vol gefluister. Zijt gij daar, Heitaro? Luister? Zij vellen den +wilgeboom. Zie, hoe zijn schaduw in het maanlicht siddert. Ik ben +de ziel van den wilgeboom! De dorpelingen dooden mij. O, hoe hakken +en trekken zij mij in stukken! Beste Heitaro, wat een pijn, wat een +pijn! Leg uw handen hier, en hier. Nu kunnen de slagen toch niet +vallen, niet waar?" + +"Mijn Wilgevrouwtje! Mijn Wilgevrouwtje!" snikte Heitaro. + +"Beste man", zeide Higo, met zacht stem, terwijl zij haar vochtig, +met den dood worstelend gelaat tegen het zijne aandrukte: "Ik ga +u verlaten. Een liefde als de onze kan niet worden uitgeroeid, hoe +hard de slagen ook neerkomen. Ik zal op u en Chiyodo wachten--Mijn +haar valt door de lucht neer! Mijn lichaam breekt!" + +Buiten werd een luid gekraak gehoord. De groote wilgeboom lag met +zijn groene bladeren ordeloos over den grond. Heitaro keek rond +naar haar, die hij meer liefhad dan iets op de wereld. Wilgevrouwtje +was verdwenen! + + + + +De Boom van den Eenoogigen Priester. + +In oude tijden stond op den top van den Oki-yama een tempel, gewijd +aan Fudo, een god, omgeven door vuur, met een zwaard in de ééne hand +en een touw in de andere. Twintig jaar lang had Yenoki zijn taak +vervuld, en één van zijn verplichtingen was, Fudo te bewaken, die in +een altaar zat, dat alleen toegankelijk was voor den hoogepriester +zelf. Gedurende al dien tijd had Yenoki getrouw zijn verplichtingen +vervuld, en had hij weerstand geboden aan de verleiding, haastig een +blik te slaan op dien bijzonder leelijken God. Toen hij nu op zekeren +morgen zag, dat de deur van het altaar niet volkomen gesloten was, +werd zijn nieuwsgierigheid hem te machtig en sloeg hij even een blik +naar binnen. Nauwelijks had hij dit gedaan, of hij werd stekeblind +aan één oog, en onderging de vernedering, dat hij in een _tengu_ +[48] veranderde. + +Na die betreurenswaardige gebeurtenis leefde hij nog een jaar +lang, maar daarna stierf hij. Zijn geest ging over in een grooten +cryptomeria-boom, die aan de oostelijke helling van den berg stond, +en van dien tijd af werd de geest van Yenoki aangeroepen door de +zeelieden, die door stormen op de Chineesche Zee werden geteisterd. Als +een licht van den boom helder brandde als antwoord op hun gebeden, +dan was dat een vast teeken, dat de storm zou gaan liggen. + +Aan den voet van den Oki-yama was een dorp, waar de jongelieden, +het is treurig te vermelden, slap waren in hun zedelijke +opvattingen. Gedurende het Doodenfeest voerden zij dansen uit, +bekend als de Bon Odori. Die dansen werden woest uitgevoerd en gingen +vergezeld van vurige en onzedelijke lief koozingen. Naarmate de jaren +voortgingen, werden de dansen hoe langer hoe bandeloozer, en het dorp +kreeg een slechten naam wegens de onzedelijke handelingen door het +jonge volk gepleegd. + +Na een bijzonder woeste viering van de Bon trok een jong meisje, Kimi +genaamd, uit, om haar minnaar, Kurosuke, op te sporen. In plaats van +hem te zien, zag zij een jongeling, die er bijzonder goed uit zag en +haar toelachte en voortdurend wenkte. Kimi vergat Kurosuke geheel +en al; ja zelfs, van dat oogenblik af haatte zij hem en volgde zij +met innig verlangen den haar verlokkenden jongeling. Negen schoone, +doch slechte meisjes verdwenen op dergelijke wijze uit het dorp, +en het was altijd dezelfde jongeling, die haar op die geheimzinnige +wijze van den goeden weg lokte. + +De ouderen van het dorp overlegden de zaak samen, en kwamen tot +de gevolgtrekking, dat de geest van Yenoki vertoornd was over de +buitensporigheden, die in verband stonden met het Bonfeest, en dat +die geest de gedaante van een schoonen jongeling had aangenomen, met +het doel een strenge vermaning toe te dienen. De Heer van Kishiwada +ontbood dus Sonobé bij zich, en beval hem te reizen naar den grooten +cryptomeria-boom op Oki-Yama. + +Toen Sonobé zijn bestemming had bereikt, sprak hij den ouden boom aldus +toe: "O, verblijfplaats van den geest van Yenoki, ik beschuldig u er +van, dat gij onze dochters hebt weggevoerd. Als dit zoo voortgaat, +zal ik den boom omhakken, zoodat gij genoodzaakt zult zijn, een andere +verblijfplaats voor u te zoeken." + +Nauwelijks had Sonobé gesproken, of de regen begon te vallen, en +hij hoorde het gerommel van een hevige aardbeving. Daarna verscheen +plotseling uit den boom de geest van Yenoki. Hij vertelde, dat een +aantal van de jongelieden uit het dorp van Sonobé door hun wangedrag +hadden gezondigd tegen de Goden, en dat hij, zooals ondersteld was, +den vorm had aangenomen van een schoonen jongeling, ten einde de +voornaamste der slechte meisjes te verwijderen. "Gij zult ze aan +boomen gebonden vinden op den tweeden top van dezen berg", zoo voegde +de geest van Yenoki er aan toe. "Ga, bevrijd ze, en geef haar verlof, +naar het dorp terug te keeren. Zij hebben niet alleen berouw over +haar dwaasheden, maar zullen ook haar invloed op anderen uitoefenen, +om een edeler en reiner leven te leiden." En na die woorden te hebben +gesproken, verdween weer Yenoki in zijn boom. + +Sonobé begaf zich naar den tweeden top van den berg en bevrijdde +de meisjes. Zij keerden naar haar woningen terug als deugdzame en +plichtgetrouwe dochters, en van dien dag af tot heden toe zijn de +Goden zeer tevreden geweest over het gedrag der inwoners van het dorp, +dat gelegen is aan den voet van den Oki-Yama. + + + + +Het Verbranden van Drie Dwergboompjes. + +Tijdens de regeering van Keizer Go-Fukakusa leefde er een beroemd +Rijksbestuurder, Saimyoji Tokiyori. Toen hij dertig jaar oud was, +trok hij zich terug naar een klooster, waar hij verscheidene jaren +vertoefde. Daar werd dikwijls zijn gemoedsvrede verstoord door verhalen +van boeren, die leden onder de behandeling, die zij van tyrannieke +ambtenaren ondervonden. Tokiyori echter voelde bijzonder veel voor +de welvaart van zijn volk, en nadat hij de zaak met groote zorg had +onderzocht, besloot hij, zich te vermommen, van de ééne plaats naar +de andere te reizen, en op de meest nauwgezette wijze te trachten, het +hart der armen te leeren kennen, en later alles in het werk te stellen, +om de slechte practijken der verschillende ambtenaren te onderdrukken. + +Dien ten gevolge vertrok Tokiyori uit op zijn uitnemende zending, +en kwam ten slotte te Sano, in de provincie Kozuki. Het was toen in +den wintertijd, en een vreeselijke sneeuwstorm was oorzaak, dat de +aanzienlijke wandelaar het spoor bijster werd. Na dood vermoeid uren +lang te hebben rondgezworven in de hoop een schuilplaats te vinden, +was hij juist van plan zich in het onvermijdelijke te schikken en +onder een boom te gaan slapen, toen hij tot zijn groote vreugde een +met stroo bedekt huisje zag, dat niet op grooten afstand aan den voet +van een heuvel stond. Hij ging naar dat huisje toe, en vertelde de +vrouw, die hem begroette, dat hij verdwaald was, en dat hij haar zeer +dankbaar zou zijn, als zij hem gedurende dien nacht een schuilplaats +zou willen verleenen. De brave vrouw zeide hem, dat het, daar haar +echtgenoot van huis was, niet gepast voor haar, als zijn echtgenoote, +zou zijn, een schuilplaats in haar woning aan een vreemdeling te +verleenen. Niet alleen dat Tokiyori dit antwoord niet kwalijk nam, maar +hij was bijzonder verheugd, niettegenstaande hij den ganschen nacht +in de sneeuw zou moeten doorbrengen, dat hij een zoo deugdzame vrouw +aantrof. Maar hij had zich nog niet ver van het huisje verwijderd, toen +hij een man hem hoorde roepen. Kokiyori bleef stilstaan, en dadelijk +zag hij, dat iemand hem wenkte. De man zeide, dat hij de echtgenoot +was van de vrouw, dien de vroegere Rijksbestuurder juist had verlaten, +en noodigde hem, dien hij voor een rondreizend priester aanzag, uit, +met hem terug te keeren, en gebruik te maken van de slechts eenvoudige +gastvrijheid, die hij hem kon aanbieden. + +Toen Tokiyori in de kleine woning gezeten was, werd hem een eenvoudig +maal voorgezet, en daar hij sedert den vorigen morgen niets had +gebruikt, deed hij het maal alle eer aan. Maar het feit, dat hem wel +gierst, maar geen rijst werd voorgezet, bewees den opmerkzamen Tokiyori +voldoende, dat in dat gezin wel armoede heerschte, maar dat daarmede +een milddadigheid gepaard ging, die hem in het hart greep. En dit was +nog niet alles, immers toen de maaltijd was afgeloopen, gingen zij +samen om het vuur zitten, dat op het punt was uit te gaan bij gebrek +aan brandstof. De brave huisheer keek in den bak, die de brandstof +moest bevatten. Maar helaas! de bak was leeg! Zonder een oogenblik te +aarzelen ging hij naar den tuin, die diep onder de sneeuw bedolven +was, en bracht drie potten met dwergboompjes mede naar binnen, een +pijnboom, een pruimeboom en een kerseboom. Nu moet men weten, dat +dwergboompjes in Japan op hooge waarde worden geschat; groote zorg +en veel tijd wordt daaraan besteed, en hun ouderdom en bijzondere +schoonheid hebben hen dierbaar gemaakt aan de bevolking van Nippon. In +weerwil van het verzet van Tokiyori, hakte zijn gastheer die boompjes +klein en maakte zoo een vroolijk vuurtje. + +Dit tooneel, dat nauwelijks door een westerling op zijn juiste +waarde kan worden geschat, bracht er Tokiyori toe, zijn gastheer +te ondervragen, vooral daar het bezit van die kostbare boompjes +bij hem een krachtig vermoeden wekte, dat die edelmoedige man +geen landbouwer van geboorte was, maar dat beroep had gekozen ten +gevolge van bijzondere omstandigheden. De Oud-Rijksbestuurder bleek +volkomen juist te hebben vermoed, en zijn gastheer vertelde met eenigen +tegenzin, dat hij een _samurai_ was, en dat hij Sano Genzalmon Tsuneyo +heette. Hij was verplicht geweest, zich aan den landbouw te wijden +ten gevolge van de oneerlijkheid van één van zijn bloedverwanten. + +Tokiyori herinnerde zich inderdaad den naam van dien _samurai_, en +sprak de meening uit, dat hij zich tot de regeering moest wenden, om +herstel van het geleden onrecht te vragen. Sano zeide, dat, aangezien +de goede en rechtvaardige bestuurder gestorven was (dit dacht hij +namelijk) en aangezien zijn opvolger nog zeer jong was, hij het als +een hopeloos pogen beschouwde, een verzoekschrift in te dienen. "Maar +in weerwil hiervan", zoo zeide hij tot zijn belangstellenden gast, +die met de grootste oplettendheid toeluisterde, "zal ik, als er ooit +een te wapen roepen zal plaats hebben, de eerste zijn om in Kamakura +te verschijnen. Juist die gedachte, dat misschien nog eens de dag +zal aanbreken, dat ik mijn vaderland van nut kan zijn, heeft de dagen +van mijn armoede verlicht." + +Het gesprek, dat hier door ons slechts in korte woorden is geschetst, +nam in werkelijkheid geruimen tijd in beslag en toen het geëindigd +was, was reeds een nieuwe dag aangebroken. En toen de tochtdeuren +waren opengezet, bleek, dat het zonlicht zich over een sneeuwvlakte +uitspreidde. Voordat hij afscheid nam, bedankte Tokiyori zijn gastheer +en gastvrouw hartelijk voor hun gastvrijheid. Toen de vriendelijke +bezoeker vertrokken was, herinnerde hij zich plotseling, dat hij +vergeten had, navraag te doen naar den naam van zijn gast. + +Toevallig had er de volgende lente een te wapen roepen plaats door +het gouvernement te Kamakura. Zoodra Sano het verblijdende nieuws +had gehoord, begaf hij zich op weg, om aan dien oproep gehoor te +geven. Zijn wapenrusting was uiterst haveloos, zijn hellebaard was met +roest bedekt, en zijn paard verkeerde in een treurigen toestand. Hij +maakte een treurig figuur onder de schitterende ridders, die hij in +Kamakura aantrof. Een aantal van die ridders maakten onvriendelijke +opmerkingen over hem, maar Sano verdroeg die onbeschaamdheden zonder +een woord te antwoorden. Terwijl hij daar stond, een rampzalig figuur, +onder de schitterende gelederen der _samurai_, die bij hem stonden, +naderde een heraut, die op een prachtig paard gezeten was, en die +een banier droeg, waarop het familiewapen van den Rijksbestuurder +was aangebracht. Met luider stem en zoo duidelijk mogelijk beval hij +den ridder, die de meest havelooze wapenrusting droeg, om voor zijn +meester te verschijnen. Sano gehoorzaamde met een bezwaard gemoed +aan dat bevel. Hij dacht, dat de Rijksbestuurder hem zou berispen, +dat hij onder een zoo sierlijk uitgedost gezelschap verscheen, in +zulk een armoedige uitrusting. + +De nederige ridder was verbaasd over het hartelijk welkom, dat hij +ontving, en hij was nog meer verbaasd, toen een dienaar de schermen, +die voor een aangrenzende kamer waren geplaatst, op zijde duwde, en +hij den Rijksbestuurder Saimyoji Tokiyori vóór zich zag, die niemand +anders was dan de priester, die een schuilplaats had gevonden in zijn +nederige woning. Tokiyori was het verbranden der drie dwergboompjes, +den pijnboom, den pruimeboom en den kerseboom, nog niet vergeten. Als +dank voor het offer, dat zonder eenige hoop op winstbejag zonder +aarzelen was gebracht, werden Sano de dertig dorpen teruggegeven, +waarvan hij beroofd was. Doch dit was niet meer dan Sano van rechtswege +toekwam; maar bovendien voelde de dankbare Tokiyori zich gedrongen, +dien trouwen ridder de dorpen Matsu-idu, Umeda en Sakurai aan te +bieden, een gelukkig denkbeeld, daar _matsu_, _ume_ en _sakura_ +de Japansche namen zijn voor pijnboom, pruimeboom en kerseboom. + + + + +De Gelieven onder den Pijnboom. + + + "De dageraad nadert, + En de rijp valt neer + Op de dennetakken; + Maar der blaad'ren groen + Verandert niet. + Ochtend en avond + Worden de blaadren verwijderd + Onder hun schaduw. + Toch ontbreken zij nooit. + Het is een feit, + Dat die denneboomen + Niet al hun blaadren doen vallen; + Frisch blijft hun groen, + Lange eeuwen, + Als de slepende Masaka wijnstok; + Zelfs onder altijd groene boomen-- + Het beeld van 't onveranderlijke-- + Is hun roem verspreid. + Als tot het laatst der dagen een symbool-- + De faam der dennen, die te zamen + Zijn oud geworden." + + _Takasago_ (Naar _W.G. Aston_). + + +De _Takasago_ wordt gewoonlijk beschouwd als één der schoonste onder +de _No_, of classieke drama's. De _No_ werd opgevoerd door schoon +gevormde spelers, die in een oud dialect speelden. Het behoorde tot die +periode van Japansche vormelijkheid, zoo juist beschreven als: "Een +Hemel om van te hooren, maar een Hel om te zien." Het onderwerp van +de _Takasago_ schijnt een overblijfsel te zijn van een phallusdienst, +die veelvuldig voorkomt in de geschiedenis van primitieve volken. De +pijnboom van Takasago is het symbool van een lang leven, en in het +volgende koor uit dit drama kunnen wij de groote macht van dien altijd +groenen boom leeren kennen: + + + "En nu, eindelooze wereld, + Zullen der dansende meisjes uitgespreide armen + In priesterlijk gewaad + Schadelijke invloeden wegjagen; + Haar handen, gevouwen, om in haar boezem te rusten, + Zullen allen het geluk omvatten; + Het loflied van duizenden herfsten + Het zal het volk geluk en zegen brengen, + En de zang van tienduizend jaren + Het leven des vorsten verlengen. + En al dien tijd + Zal de stem van het windje, + Dat waait door de dennen, + Die samen oud worden, + Vreugde ons schenken. + + +Nog in onzen tijd gelooft men aan de krachtdadige werking der +pijnboomen. Men ziet dit duidelijk bij het feest van San-ga-nichi, als +dennetakken gedurende de Nieuwjaarsfeesten de poorten versieren. Zoowel +dit gebruik der pijnboomen als dat van dit bijzondere No drama +ontleenen hun oorsprong aan den grooten pijnboom van Takasago, +waarover wij in de volgende legende zullen verhalen. + +In oude tijden woonde in Takasago een visscher met zijn vrouw en zijn +dochtertje Matsue. Nergens hield Matsue meer van, dan te zitten onder +den grooten pijnboom. Zij hield in het bijzonder van de dennenaalden, +die nooit schenen op te houden op den grond te vallen. Daarvan maakte +zij een prachtig gewaad en ceintuur, terwijl zij zeide: "Ik zal die +dennekleeren niet dragen vóór mijn trouwdag." + +Toen Matsue op zekeren dag onder den pijnboom zat, zong zij het +volgende lied: + + + "De meest verharde mensch slaakt toch nog wel een zucht, + Als op hem nederdaalt een dwarrelende vlucht + Van kersebloesems dor. Die bloesems teer en fijn. + Dat zullen zeker wel des hemels tranen zijn." + + +Terwijl zij zoo zong, stond, op de steile kust van Sumiyoshi, Teoyo, +die de vlucht van een reiger gadesloeg. Al hooger en hooger steeg +hij in de blauwe lucht, en Teoyo zag hem over het dorp vluchten, +waar het visschersgezin met hun dochter woonde. + +Teoyo was een jongman, die belust was op avonturen; daarom dacht hij, +dat het zeer aangenaam zou zijn, de zee over te zwemmen en het land +te onderzoeken, waarover de reiger gevlogen was. Dus dook hij op +zekeren morgen in zee, en zwom hij zóó hard en zóó lang, dat de arme +jongen de golven zag dwarrelen en dansen, en het breede hemelgewelf +zich zag nederbuigen, om hem te trachten aan te raken, daarop lag hij +bewusteloos op het water; maar toch waren de golven vriendelijk voor +hem, daar zij hem vooruitdrongen, totdat hij juist aanspoelde op de +plaats, waar Matsue onder den pijnboom zat. + +Matsue trok Teoyo voorzichtig voort tot onder de beschuttende takken en +legde hem neder op een bed van dennenaalden, waar hij spoedig weer bij +kennis kwam, en Matsue hartelijk voor haar vriendelijkheid bedankte. + +Teoyo keerde niet naar zijn eigen land terug, immers nadat een paar +gelukkige maanden waren voorbijgegaan, trouwde hij met Matsue; zooals +hij gezegd had, droeg zij op haar trouwdag haar gewaad en ceintuur +van dennenaalden. + +Toen de ouders van Matsue gestorven waren, deed dit verlies haar liefde +voor Teoyo nog toenemen. Hoe ouder zij werden, des te meer hadden zij +elkander lief. Iederen avond laat gingen zij bij maneschijn hand aan +hand naar den pijnboom en maakten zij met hun kleine harken een bed +voor den volgenden dag. + +Op zekeren nacht keek het groote zilveren gelaat van de maan door de +takken van den boom heen en zocht te vergeefs naar de oude gelieven, +die plachten te zitten op een bed van dennenaalden. Hun kleine harken +lagen naast elkander, en nog altijd wachtte de maan op de langzame +en strompelende stappen van de Gelieven onder den Pijnboom. Maar zij +kwamen dien nacht niet. Zij waren naar huis gegaan in de eeuwigdurende +rustplaats aan de Rivier der Zielen. Zij hadden zóóveel en zóó heerlijk +liefgehad, zoowel in hun ouderdom als in hun jeugd, dat de Goden +hun zielen toestond, weer terug te keeren en rondom den pijnboom te +wandelen, die gedurende zóóveel jaren hun liefde had gadegeslagen. Als +het volle maan is, fluisteren en lachen zij, en zingen zij, terwijl zij +de dennenaalden bijeenbrengen, en de zee zachtkens op het strand zingt. + + + + +HOOFDSTUK XIV. SPIEGELS. + + + "Zooals het zwaard de ziel is van een _samurai_, zoo is de spiegel + de ziel van een vrouw." + + "Als de spiegel dof is, is de ziel onrein." + + _Japansche Spreekwoorden._ + + + + +De Beteekenis der Japansche Spiegels. + +De oude Japansche metalen spiegels zijn cirkelvormig, met een bol +oppervlak, terwijl de achterzijde versierd is met relieffiguren van +bloemen, vogels en andere natuurtafereelen. Professor Chamberlain +schrijft: "Een bijzondere eigenaardigheid kenmerkt sommige +van die Japansche spiegels: het zonlicht, dat op de _voorzijde_ +wordt teruggekaatst, geeft een lichtend beeld van de figuren op de +_achterzijde!_ Een dergelijke vreemd verschijnsel heeft natuurlijk +de aandacht der geleerden getrokken." Het is hier de plaats niet, +de verschillende theorieën te vermelden, hierover gegeven; het +verschijnsel zelf boezemt ons meer belang in dan verklaring van het +verschijnsel; ongetwijfeld verklaart ons dit vreemde feit eenigermate +de magische beteekenis van spiegels uit Nippon. + +De groote grondgedachte, die aan de legenden omtrent Japansche spiegels +ten grondslag ligt, is deze, dat de spiegel, door het voortdurend +terugkaatsen van het gelaat van den eigenaar, de ziel zelf van +den bezitter naar zich toe trekt, en zooals wij later zullen zien, +kan men iets van datzelfde denkbeeld terugvinden, waar het oude, +maar zeer geliefde Japansche poppen betreft. + + + + +Hidari Jingoro. + +De beroemde beeldhouwer Hidari Jingoro werd bij zekere gelegenheid +plotseling verliefd op een zeer bekoorlijke vrouw, die hij op straat +ontmoette, toen hij zich naar zijn atelier begaf. Hij was zóózeer +betooverd door haar zeldzame schoonheid, dat hij, zoodra hij zijn +bestemming had bereikt, een beeld van haar begon te houwen. Tusschen +de gebeitelde kleeren plaatste hij een spiegel, en wel dien, welken +de bekoorlijke vrouw had laten vallen en dien haar ontstuimige +minnaar dadelijk had opgeraapt. Omdat die spiegel duizenden malen +dat schoone lichaam had teruggekaatst, had hij in zijn glinsterende +oppervlakte lichaam en ziel van zijn eigenares opgenomen, en ten +gevolge daarvan kwam het beeld tot leven, tot groote zaligheid zoowel +van den beeldhouwer als van het meisje. + + + +De Goddelijke Spiegel. + +Reeds lang voordat de Japansche spiegel een voorwerp van dagelijksch +gebruik in het huisgezin was geworden, had hij reeds een diepe +godsdienstige beteekenis in verband met het Shintoisme. De Goddelijke +Spiegel, waarin de zonnegodin staarde, berust te Isé. Er worden +andere spiegels gevonden in Shinto-tempels; die spiegels vormen in +werkelijkheid een voornaam bestanddeel van een tempel, die om zijn +eenvoud bekend is. De spiegel "stelt een menschelijke hart voor, dat, +als het volkomen vredig en zuiver is, het beeld van de godheid zelf +weerkaatst." Wij lezen in de _Kojiki_, dat Izanagi zijn kinderen +een gepolijste zilveren schijf aanbood, en hen beval dagelijks 's +morgens en 's avonds daarvoor te knielen en het teruggekaatste beeld +te onderzoeken. Hij beval hen ook, daarbij te denken aan hemelsche +dingen, hun hartstochten en alle slechte gedachten te onderdrukken, +opdat de schijf een reine en beminnelijke ziel zou weerkaatsen. + + + +De Ziel van een Spiegel. + +De tempel van Ogawachi-Myojin geraakte in verval, en de +Shinto-priester, die belast was met het toezicht op dien tempel, +Matsumura, reisde naar Kyoto, in de hoop, dat zijn verzoek aan den +Shogun, dat hij zijn toestemming zou geven tot het herstel van den +tempel, met een gunstigen uitslag zou worden bekroond. + +Matsumura en zijn gezin namen hun intrek in een huis te Kyoto, dat +den naam had bijzonder ongelukkig te zijn, en vele bewoners hadden +zich reeds in den put geworpen, die aan den noordoostelijken kant +van het huis gelegen was. Maar Matsumara trok zich van die verhalen +niets aan, en was volstrekt niet bevreesd voor booze geesten. + +In den zomer van dat jaar heerschte er in Kyoto groote droogte. Hoewel +de beddingen der rivieren opdroogden en een aantal putten bij gebrek +aan regen geen water meer bevatten, was de put in den tuin van +Matsumura tot overloopens vol. De ellende, die het gevolg was van het +gebrek aan water, dwong vele arme menschen, om bij Matsumura om water +te verzoeken, en niettegenstaande zij voortdurend water schepten, +verminderde het water in dien put volstrekt niet. + +Op zekeren dag vond men een lijk in den put liggen, en wel dat van +een bediende, die water was komen halen. In dit geval was zelfmoord +volkomen uitgesloten en het scheen onmogelijk, dat hij bij toeval +in het water was gevallen. Toen Matsumura van het ongeluk hoorde, +ging hij een onderzoek bij den put instellen. Tot zijn verbazing +bewoog zich het water met een vreemde schommelende beweging. Toen de +beweging verminderde, zag hij in het heldere water de gedaante van +een schoone jonge vrouw teruggekaatst. Zij raakte haar lippen aan +met _beni_. Eindelijk lachte zij hem toe. Het was een vreemdsoortige +glimlach, die Matsumura duizelig maakte, een glimlach, die alles +uitwischte behalve het prachtige gelaat der vrouw. Hij voelde een +bijna onweerstaanbaar verlangen, zich in het water te werpen, opdat +hij toch die betooverende vrouw mocht bereiken en vasthouden. Hij +streed echter krachtig tegen dat vreemde gevoel, en was na korten +tijd in staat het huis binnen te treden, waar hij bevel gaf, dat een +schutting om den put zou worden gebouwd, en dat van dat oogenblik af +niemand, onder welk voorwendsel ook, daar water mocht scheppen. + +Korten tijd daarna hield de droogte op. Gedurende drie dagen en +drie nachten viel het water voortdurend bij stroomen neder, en een +aardbeving deed de geheele stad schudden. Den derden nacht van den +storm werd er hard geklopt op de deur van Matsumura. De priester +ging zelf onderzoeken, wie zijn bezoeker wel zou zijn. Hij opende +de deur op een kier en zag nog eens de vrouw, die hij in den put had +gezien. Hij weigerde haar toe te laten, en vroeg, waarom zij zooveel +onschuldige en argelooze menschen aan den dood had prijs gegeven. + +De vrouw antwoordde hierop: "Helaas, goede priester, ik heb nooit +begeerd, menschelijke wezens in den dood te lokken. Het is de +Vergif-Draak, die in dien put huisde, en die mij tegen mijn wil +dwong de menschen in den dood te lokken. Maar nu hebben de Goden den +Vergif-Draak gedwongen, ergens anders te wonen, zoodat ik van nacht +in staat was de plaats te verlaten, waar ik gevangen zat. Er is nu +maar weinig water in den put, en als gij daarin een onderzoek doet, +zult gij mijn lichaam vinden. Zorg er ter wille van mij goed voor, en +ik zal niet in gebreke blijven, u te beloonen voor uw goedheid." Na +die woorden te hebben gesproken, verdween zij even plotseling als +zij verschenen was. + +Den volgenden dag werd de put door putten-reinigers nagezien en deze +vonden er oude haarversierselen in en een ouden metalen spiegel. + +Daar Matsumura een verstandig man was, nam hij den spiegel en reinigde +hij dien, in de meening, dat deze hem een oplossing van het geheim +zou geven. + +Op de achterzijde van den spiegel ontdekte hij verschillende +letterteekens. Een aantal van die eigenaardige letterteekens waren te +zeer uitgewischt om nog leesbaar te zijn, maar toch gelukte het hem, +"derde maand, de derde dag" te ontcijferen. In oude tijden heette +de derde maand Yayoi of Maand van Aangroeiïng, en daar hij zich +herinnerde, dat de vrouw zich Yayoi had genoemd, begreep Matsumura, +dat hij waarschijnlijk een bezoek had ontvangen van de Ziel van +den Spiegel. + +Matsumura droeg zooveel mogelijk zorg voor den spiegel. Hij liet dien +op nieuw verzilveren en polijsten en toen dit geschied was, legde hij +hem in een doos, die daarvoor opzettelijk was vervaardigd, en spiegel +en doos werden geplaatst in een daarvoor bestemd vertrek in het huis. + +Op zekeren dag, toen Matsumura in het vertrek gezeten was, waar de +spiegel geplaatst was, zag hij Yayoi vóór zich staan, die er nog +schooner uitzag dan ooit te voren, en de glans van haar schoonheid +was als het maanlicht in den zomer. Nadat zij Matsumura had begroet, +deelde zij hem mede, dat zij inderdaad de Ziel van den Spiegel +was, en verhaalde zij, hoe zij in het bezit geraakt was van Kamo, +een adellijke dame van het Keizerlijke Hof, en hoe zij een erfstuk +geworden was van het Huis Fujiwara, totdat zij gedurende het tijdperk +van Hogen, toen de geslachten der Taira en Minamoto in strijd geraakt +waren in een put werd geworpen en daar vergeten was. Nadat zij al die +dingen had medegedeeld en al de gruwelen, die zij had ondergaan onder +de tyrannie van den Vergift-Draak, smeekte Yayoi, dat Matsumura den +spiegel ten geschenke zou geven aan den Shogun, den Edelen Yoshimasa, +die een afstammeling was van haar vroegere eigenaars, terwijl zij +den priester grooten voorspoed beloofde, als hij dat deed. Voordat +Yayoi vertrok, raadde zij Matsumura aan, zijn woning onmiddellijk te +verlaten, daar het door een grooten watervloed zou worden weggespoeld. + +Den volgenden dag verliet Matsumura het huis, en zooals Yayoi had +voorspeld, werd bijna onmiddellijk daarna zijn laatste verblijfplaats +weggespoeld. + +Eindelijk was Matsumura in de gelegenheid, den spiegel aan den Shogun +Yoshimasa aan te bieden, te gelijk met een geschreven verhaal van die +vreemde gebeurtenis. De Shogun was zóó ingenomen met het geschenk, +dat hij niet alleen Matsumura persoonlijk een aantal geschenken gaf, +maar dat hij den priester ook een belangrijke som gelds aanbood voor +het wederopbouwen van zijn tempel. + + + +Een Spiegel en een Klok. + +Toen de priesters van Mugenyama een groote klok voor hun tempel +noodig hadden, vroegen zij de vrouwen in de buurt, om hare oude +bronzen spiegels ten geschenke te geven, als bijdragen voor het +benoodigde metaal. + +Honderden spiegels werden voor dit doel geschonken, en alle werden +gaarne aangeboden, met uitzondering van den spiegel, door de vrouw van +een landbouwer geschonken. Zoodra zij haar spiegel aan den priester +had ingeleverd, begon zij er berouw over te hebben, dat zij dien had +afgestaan. Zij herinnerde zich, hoe oud die spiegel was, hoe hij de +glimlachjes en tranen van haar moeder had weerkaatst, en zelfs die +van haar overgrootmoeder. Zoo dikwijls de vrouw van den landbouwer +naar den tempel ging, zag zij den spiegel, die zij zoo gaarne terug +had, op een grooten hoop achter een hek liggen. Zij herkende hem +aan een teekening op de achterzijde, die bekend was onder den naam +van de _Sho-Chiku-Bai_, of de drie zinnebeelden van den Pijnboom, +den Bamboe en de Pruim. Zij verlangde vurig, haar arm uit te steken +tusschen de tralies, en haar geliefden spiegel weg te rukken. Haar +ziel was gelegen in de spiegelende oppervlakte, en was vermengd met +de zielen, die daarin hadden gestaard, voordat zij geboren was. + +Toen men bezig was met het gieten van de klok van Mugenyama, ontdekten +de klokkengieters, dat één spiegel niet wilde smelten. De werklieden +zeiden, dat het metaal niet wilde smelten, omdat de eigenares later +berouw had gehad van haar gift, waardoor het metaal even hard was +geworden als het zelfzuchtige hart van de vrouw. + +Spoedig wist iedereen, wie de geefster geweest was van den spiegel, +die niet wilde smelten, en daarom verdronk zich de vrouw van den +landbouwer uit boosheid en schaamte, nadat zij eerst het volgende had +geschreven: "Als ik dood ben, zult gij mijn spiegel kunnen smelten en +alzoo de klok kunnen gieten. Mijn ziel zal naar hem toekomen, die de +klok bij het luiden breekt, en ik zal hem groote rijkdommen schenken." + +Toen de vrouw gestorven was, smolt haar oude spiegel onmiddellijk, +en de klok werd gegoten en op haar gewone plaats opgehangen. Daar een +aantal personen gehoord hadden van de boodschap, door de overleden +vrouw van den landbouwer achtergelaten, kwam er een groote menigte +naar den tempel, die één voor één de klok met ontzaglijk geweld +luidden, in de hoop haar te breken en dus groote rijkdommen te +verkrijgen. Dagen aaneen duurde dat luiden voort, totdat geraas ten +slotte zóó ondragelijk was, dat de priesters de klok in een moeras +rolden, waar zij voor het gezicht verborgen was. + + + +De Spiegel van Matsuyama. + +In oude tijden leefden in een afgelegen gedeelte van Japan een +man en zijn vrouw; zij waren gezegend met een klein meisje, dat de +lieveling en de afgod van haar ouders was. Op zekeren dag werd de +man voor zaken weggeroepen naar het verwijderde Kyoto. Voordat hij +wegging, zeide hij zijn dochter, dat hij, als zij braaf was en aan +haar moeder gehoorzaam zou zijn, haar een geschenk zou medebrengen, +dat zij op hoogen prijs zou stellen. Daarna nam de goede man afscheid, +terwijl moeder en dochter hem uitgeleide deden. + +Eindelijk kwam hij weer thuis, en nadat zijn vrouw en kind hem zijn +grooten hoed hadden afgenomen en zijn sandalen hadden uitgetrokken, +ging hij op de witte matten zitten en opende hij een mand van bamboe +en lette op den verlangenden blik van zijn dochtertje. Hij nam er +een prachtige pop uit en een verlakte doos met gebak, en plaatste die +in haar uitgestrekte handen. Nog eens stak hij zijn hand in de mand +en haalde er een metalen spiegel uit voor zijn vrouw. Zijn bolle +oppervlakte was schitterend gepolijst, terwijl op de achterzijde +pijnboomen en ooievaars waren gegraveerd. + +De vrouw van den goeden man had nooit te voren een spiegel gezien, +en toen zij er in keek, kreeg zij den indruk, dat een andere vrouw +haar aankeek, zoo dikwijls zij met toenemende verbazing een blik in +den spiegel sloeg. Haar man verklaarde haar het geheim, en verzocht +haar, goed voor den spiegel te zorgen. + +Korten tijd na die gelukkige thuiskomst en de uitdeeling dier +geschenken, werd de vrouw ernstig ziek. Even vóór haar dood liet +zij haar dochtertje bij zich komen en zeide: "Lieveling, zorg, als +ik dood ben, goed voor uw vader, Als ik u heb verlaten, zult gij mij +zeer missen. Maar neem dien spiegel, als gij u erg eenzaam en verlaten +voelt, kijk dan in den spiegel, en gij zult mij steeds zien." Nadat +zij die woorden had gesproken, stierf zij. + +Na verloop van tijd hertrouwde de man weer, en zijn vrouw was +volstrekt niet vriendelijk voor haar stiefdochter. Maar de kleine, +die zich de laatste woorden van haar moeder herinnerde, trok zich dan +in een hoekje terug en keek verlangend in den spiegel, waar het haar +toescheen, alsof zij het gelaat van haar dierbare moeder zag, niet +door smart verwrongen, zooals zij het op haar doodsbed had gezien, +maar jong en schoon. + +Op zekeren dag zag de stiefmoeder van het kind haar toevallig +in een hoek neergehurkt over een voorwerp, dat zij niet goed kon +onderscheiden, terwijl het in zich zelf iets mompelde. Die onwetende +vrouw, die een hekel had aan het kind en meende, dat haar stiefdochter +van haar kant ook een hekel aan haar had, verbeeldde zich, dat de +kleine de ééne of andere vreemde tooverkunst volbracht--misschien +wel, dat zij een beeldje maakte en daarin spelden stak. Vol van die +gedachte ging de stiefmoeder naar haar echtgenoot en vertelde hem, +dat zijn ondeugend kind haar best deed, haar door toovenarij te dooden. + +Toen het hoofd van het gezin dit ongeloofelijke verhaal had gehoord, +ging hij onmiddellijk naar de kamer van zijn dochter. Hij overviel +haar onverhoeds, en zoodra het meisje hem zag, liet zij den spiegel +in haar mouw vallen. Voor het eerst van haar leven werd haar vader, +die zooveel van haar hield, boos op haar, en hij vreesde, dat er +werkelijk eenige waarheid was in hetgeen zijn vrouw hem had verteld, +en onmiddellijk deelde hij haar dat mede. + +Toen zijn dochter die onrechtvaardige beschuldiging had gehoord, was +zij verbaasd over de woorden van haar vader, en zij zeide hem, dat zij +hem veel te veel liefhad, om ooit te trachten zijn vrouw te dooden of +zelfs haar dood te wenschen, daar zij wist, hoeveel hij van deze hield. + +"Wat houdt gij in uw mouw verborgen" vroeg haar vader, nog maar half +overtuigd, en nog altijd niet wetende, wat hij er van moest denken. + +"Den spiegel, dien gij moeder hebt geschonken, en dien zij mij op haar +sterfbed heeft gegeven. Zoo dikwijls ik in het glinsterende oppervlak +van den spiegel staar, zie ik het gelaat van mijn lieve moeder, jong +en schoon. Als mijn hart bedroefd is--en ach! dit is in den laatsten +tijd zoo dikwijls gebeurd--dan neem ik den spiegel in de hand, en het +gelaat van mijn moeder, met haar zachten, vriendelijken lach, brengt +mij vrede, en stelt mij in staat harde woorden en onvriendelijke +blikken te verdragen". + +Toen begreep de man alles en had zijn kind nog des te meer lief om haar +kinderliefde. Zelfs de stiefmoeder van het kind was, toen zij wist, +wat werkelijk was geschied, beschaamd en vroeg vergiffenis. En het +kind, dat geloofde, dat het moeders gelaat in den spiegel had gezien, +vergaf wat geschied was, en zorgen en verdriet verdwenen uit het huis. + + + + +HOOFDSTUK XV. KWANNON EN BENTEN. DAIKOKU, EBISU EN HOTEI. + + + "Aanbidding aan de groote barmhartige Kwannon, die boven het + geluid van het gebed naar beneden ziet." + + _Een Opschrift._ + + + +Kwannon. + +Kwannon, de Godin der Barmhartigheid, gelijkt in menig opzicht op +den niet minder barmhartigen en vriendelijken Jizo; immers beiden +deden afstand van de vreugde der Nirwana, ten einde vreugde en geluk +aan anderen te brengen. Kwannon is echter een godheid van een meer +ingewikkeld karakter dan Jizo, en hoewel zij meestal wordt uitgebeeld +als een zeer schoone en heilige Japansche vrouw, neemt zij toch een +aantal verschillende gedaanten aan. Wij kennen enkel Indische goden +en godinnen met tallooze handen, en Kwannon wordt somtijds afgebeeld +als Senjiu-Kwannon, of Kwannon-met-de-Duizend-Handen. [49] Iedere +hand bevat het ééne of andere voorwerp, als moest hierdoor worden +uitgedrukt, dat hier inderdaad een godin is, die in haar liefde bereid +is, al het mogelijke te schenken en zooveel als in haar vermogen is, +gebeden te verhooren. + +Vervolgens is er Jiu-ichi-men-Kwannon, de Kwannon +met-de-Elf-Gezichten. Hier wordt het gelaat van Kwannon voorgesteld als +"lachend met eeuwigdurende jeugd en oneindige teederheid", en in haar +schitterend uiterlijk wordt het ideaal van het goddelijk vrouwelijke +voorgesteld met een onbegrensde schoonheid van opvatting. In de +tiara van Jiu-ichi-men-Kwannon zijn heerlijke koppen, als het +ware een straling van kleine Kwannons. Somtijds neemt de tiara +van Kwannon een anderen vorm aan, zooals bij Bato-Kwannon, of +Kwannon-met-den-Paardekop. De naam is eenigszins misleidend, immers +zulk een sierlijk schepsel heeft in geen van de vormen, waaronder het +optreedt, iets van een paardekop. Afbeeldingen van dien bijzonderen +Kwannon doen ons een paard zien, in de tiara uitgesneden. Bato-Kwannon +is de Godin tot wie de landbouwers bidden voor de veiligheid en de +redding van hun paarden en hun vee, en men verhaalt, dat Bato-Kwannon +niet alleen stomme dieren beschermt, vooral die, welke werken voor het +menschdom, maar dat zij haar macht ook zóóver uitstrekt, dat zij hun +geesten beschermt, en hun kalmte schenkt en een gemakkelijker leven +dan zij op aarde leidden. In scherpe tegenstelling met de Kwannons, +die wij reeds hebben beschreven, is Hito-Koto-Kwannon, de Kwannon, +die slechts één enkel gebed wil beantwoorden. De Goden der Liefde +en der Wijsheid worden dikwijls voorgesteld in verbinding met die +Godin, en de "Acht en Twintig Volgelingen" zijn personificaties van +bepaalde sterrenbeelden. Maar in alle vormen, waarin Kwannon optreedt, +behoudt zij steeds dezelfde maagdelijke schoonheid, en die Godin +der Barmhartigheid wordt zeer eigenaardig, en niet ten onrechte, +wel eens de Japansche Madonna genoemd. + + + +Kwannon in de Chineesche Mythen. + +In China staat Kwannon bekend onder den naam van Kwanjin, en als +de geestelijke zoon van Amitâbha, maar die godheid treedt steeds +op als godin, zooals haar beeltenissen zoowel in China als in Japan +ons aantoonen. De Chineezen maken er aanspraak op, dat Kwanjin van +Chineeschen oorsprong is, en dat zij oorspronkelijk de dochter was +van den Koning der Tschou-dynastie. Zij werd door haar vader ter +dood veroordeeld, omdat zij weigerde te huwen, maar het zwaard van +den beul brak af, zonder een wond te veroorzaken. Men verhaalt, dat +haar geest later weer ter helle ging. Er was iets zóó stralend schoon +in den geest van Kwanjin, dat het feit harer tegenwoordigheid de Hel +in het Paradijs veranderde. De Koning der Onderwereld zond Kwanjin +terug naar de aarde, ten einde het sombere uitzicht van zijn rijk +te bewaren; hij liet haar op wonderbaarlijke wijze op een lotusbloem +overbrengen naar het eiland Pootoo. + + + +Een Incarnatie van Kwannon. + +Chujo Hime, een Buddhistische non, wordt meestal beschouwd als de +grootste Japansche kunstenares in het borduren, uit den ouden tijd, +en zij was, volgens de legende, een incarnatie van Kwannon. Chujo +Hime werd door haar stiefmoeder wreed behandeld, totdat zij zich ten +slotte terugtrok in den tempel van Toema-dera, en daar werkte zij aan +het wonderbaarlijke borduursel van lotusdraden, dat het Paradijs der +Buddhisten voorstelde. De schets is zóó voortreffelijk, dat wij ons +goed kunnen voorstellen, dat de Japanners gelooven, dat de Goden de +groote kunstenares bij haar werk hielpen. + + + +Kwannon de Moeder. + +Er is nog een ander merkwaardig borduurwerk, door Kano Hogai, dat +Kwannon voorstelt als de Goddelijke Moeder, die uit een kristallen +fleschje het water der schepping giet. Als dit water in een reeks van +blaasjes neervalt, blijkt het, dat ieder blaasje een klein kindje bevat +met eerbiedig gevouwen handen. Het is een prachtig stuk werk, en als +men na de artistieke schoonheid te hebben bewonderd, de technische +uitvoering bestudeert, dan zien wij, dat de uitvoering drie jaar +heeft geduurd, en dat 12 100 verschillende nuances van zijde, en +twaalf van gouddraad zijn gebruikt. + + + +De "Drie en dertig Plaatsen" aan Kwannon Gewijd. + +Er zijn drie en dertig tempels, aan Kwannon gewijd. Zij zijn alle +nauwkeurig genummerd, en worden gevonden in de provincies, in de +nabijheid van Kyoto. De volgende legende geeft misschien wel een +verklaring van den eerbied, die voor de Saikoku Sanju-san Sho (de +Drie en dertig Plaatsen) gekoesterd wordt. + +Toen de groote Buddhistische abt der achtste eeuw, Tokudo Shonin, +stierf, werd hij tot voor Emma-O, den Heerscher over de Dooden, +geleid. Het kasteel, waarin Emma-O woonde, schitterde van zilver en +goud, rose paarlen en alle soorten van glinsterende juweelen. Een +licht straalde ook uit van Emma-O, en die schrikwekkende God had +een glimlach op zijn gelaat. Hij ontving den uitnemenden abt met de +grootst mogelijke wellevendheid, en sprak hem aldus aan: + +"Tokudo Shonin, er zijn drie en dertig plaatsen, waar Kwannon haar +bijzondere gunst openbaart, want weet wel, in haar grenzenlooze +goedheid heeft zij zich in een aantal lichamen verdeeld, zoodat hij, +die om hulp roept, niet te vergeefs zal roepen. Helaas! de menschen +blijven op het slechte pad voortgaan, want zij weten van die heilige +tempels niets af. Zij leven hun schandelijk leven en gaan in een +groote en ontelbare menigte naar de Hel. O, hoe blind zijn zij, hoe +eigenzinnig, en hoe vol van verdwaasdheid! Als zij maar één enkele +bedevaart deden naar die drie en dertig tempels, die aan onze Vrouw van +Barmhartigheid zijn gewijd, dan zou een rein en wonderlijk licht van +hun voeten afschijnen, die geestelijk krachtig genoeg zouden worden, +om alle kwaad te verpletteren en de honderd zes en dertig hellen +tot stukken te verbrijzelen. Indien, in weerwil van die bedevaart, +iemand bij ongeluk in de Hel valt, dan zal ik zijn plaats innemen +en alle lijden op mij nemen; want, indien dit geschiedde, zou mijn +verhaal over vrede een leugen zijn, en zou ik werkelijk verdienen te +lijden. Hier is een lijst van de drie en dertig heilige tempels van +Kwannon. Breng die lijst naar de in onrust zijnde wereld van mannen +en vrouwen, en predik de eeuwigdurende barmhartigheid van Kwannon". + +Nadat Tokudo zorgvuldig geluisterd had naar alles, wat Emma-O hem +mededeelde, antwoordde hij: "Gij hebt mij met een zoodanige zending +vereerd, maar stervelingen zijn vol twijfelingen en vol vrees, en +zij zouden om het ééne of andere teeken vragen, waaruit de waarheid +kan blijken van wat ik hun vertel". + +Emma-O gaf den abt onmiddellijk zijn met juweelen bezet zegel, en +na afscheid van hem te hebben genomen, zond hij hem weg, na hem twee +bedienden te hebben medegegeven. + +Terwijl die vreemde gebeurtenissen in de Onderwereld plaats grepen, +bemerkten de leerlingen van Tokudo, dat niettegenstaande het lijk +van hun meester reeds drie dagen en drie nachten had neergelegen, het +vleesch nog niet koud was geworden. De getrouwe volgelingen begroeven +het lijk niet, daar zij meenden, dat hun meester nog niet dood was. En +dit was inderdaad het geval, want na eenigen tijd ontwaakte Tokudo +uit zijn bewusteloosheid, en hield hij in zijn rechter hand het met +juweelen bezette zegel van Emma-O. + +Tokudo liet er geen tijd overheen gaan, voordat hij zijn vreemde +avonturen verhaalde, en toen hij zijn verhaal had geëindigd, +ging hij met zijn leerlingen ter bedevaart naar de drie en dertig +heilige plaatsen, waarover de Godin der Barmhartigheid het bestuur +uitoefent. [50] + + + +Lijst der "Drie en dertig Plaatsen". + +Hier volgt een volledige lijst van de "Drie en dertig Plaatsen", +aan Kwannon gewijd: + + + 1. Fudaraku-ji, te Nachi, in Kishu. + 2. Kimii-dera, bij Wakayama, in Kishu. + 3. Kokawa-dera, in Kishu. + 4. Sefuku-ji, in Izumi. + 5. Fujii-dera, in Kawachi. + 6. Tsubosaka-dera, in Yamato. + 7. Oka-dera, in Yamato. + 8. Hase-dera, in Yamato. + 9. Nan-endo, te Nara, in Yamato. + 10. Mimuroto-dera, te Uji, in Yamashiro. + 11. Kami Daigo-dera, te Uji, in Yamashiro. + 12. Iwama-dera, in Omi. + 13. Ishiyama-dera, bij Otsu, in Omi. + 14. Miidera, bij Otsu, in Omi. + 15. Ima-Gumano, te Kyoto, in Yamashiro. + 16. Kiyomizu-dera, te Kyoto. + 17. Rokuhara-dera te Kyoto. + 18. Rokkaku-do, te Kyoto. + 19. Kodo te Kyoto. + 20. Yoshimine-dera, te Kyoto. + 21. Anoji, in Tamba. + 22. Sojiji, in Settsu. + 23. Katsuo-dera, in Settsu. + 24. Nakayma-dera, bij Kobe, in Settsu. + 25. Shin Kiyomizu-dera, in Harima. + 26. Hokkeji, in Harima. + 27. Shosha-san, in Harima. + 28. Nareai-ji, in Tango. + 29. Matsunoo-dera, in Wakasa. + 30. Chikubu-shima, eiland in het Meer Biwa, in Omi. + 31. Chomeiji, in Omi. + 32. Kwannonji, in Omi. + 33. Tanigumi-dera, bij Tarui, in Mino [51]. + + + +De "Zaal van de Tweede Maan". + +De Buddhistische tempel van Ni-gwarsu-do ("Zaal van de Tweede Maan") +bevat een klein koperen beeld van Kwannon. Het heeft de wonderbaarlijke +eigenschap, dat het warm is als levend vleesch, en sedert het beeld is +weggesloten, worden in den maand Februari bepaalde godsdienstoefeningen +gehouden ter eere van Kwannon, en den achttienden van iedere maand +wordt het heilige beeld tentoongesteld om aangebeden te worden. + + + +Kwannon en het Hert. + +Een oude kluizenaar, Saion Zenji genaamd, koos tot verblijfplaats den +berg Nariai, opdat hij in de gelegenheid zou zijn, de schoonheid +te aanschouwen van Ama-no-Hashidate, een smalle landtong met +pijnboomen bedekt, die het Meer Iwataki en de Baai Miyazu van elkander +scheidt. Ama-no-Hashidate wordt nog steeds beschouwd als één van de +_Sankei_, of "Drie Groote Tafereelen" van Japan, en nog steeds wordt +de berg Nariai beschouwd als de beste plek, van waar dit bekoorlijke +tafereel kan worden bewonderd. + +Op den Berg Nariai richtte die vriendelijke en heilige kluizenaar een +kleinen tempel op ter eere van Kwannon, niet ver van een eenzamen +pijnboom verwijderd. Hij bracht zijn gelukkige dagen door met neer +te zien op Ama-no-Hashidate en met de Buddhistische geschriften te +zingen, en zijn zoo vriendelijke inborst en vroom gedrag werden zeer +op prijs gesteld door het volk, dat kwam bidden in den kleinen tempel, +dien hij zoo liefdevol had opgericht voor zijn eigen genoegen en dat +van anderen. + +De verblijfplaats van den kluizenaar, die bij zacht en zonnig weder +zeer liefelijk was, was in den wintertijd somber, immers als het +sneeuwde, was de man van den omgang met menschen afgesloten. Op +zeker tijdstip viel de sneeuw zóó hevig neer, dat zij op sommige +plaatsen tot een hoogte van twintig voet lag opgestapeld. Dag aan dag +bleef het strenge weer voortduren, en eindelijk bleek het den armen +kluizenaar, dat hij hoegenaamd geen voedsel meer over had. Toen hij +op zekeren morgen toevallig naar buiten keek, zag hij een hert dood +in de sneeuw neerliggen. Toen hij het arme schepsel aanschouwde, +dat doodgevroren was, dacht hij er aan, dat het naar de opvatting +van Kwannon tegen de wet was, het vleesch van dieren te eten; maar +toen hij de zaak nog eens nauwkeuriger overwoog, kwam het hem voor, +dat hij zijn medeschepselen meer goed kon doen door van dat vleesch +te eten dan door zich te houden aan de strenge letter der wet en zich +te laten verhongeren in het gezicht van den overvloed. + +Toen Saion Zenji tot dit verstandige besluit was gekomen, ging hij +naar buiten en sneed een stuk van het wild af, kookte het, en at de +helft op, onder talrijke dankzeggingen voor zijn behoud. Het overige +gedeelte van het wild liet hij in zijn kookpan achter. + +Eindelijk smolt de sneeuw, en een aantal menschen gingen op weg van het +naburige dorp en bestegen den Berg Nariai, in de verwachting, dat hun +goede en teerbeminde kluizenaar, voor goed van deze wereld zou zijn +verdwenen. Toen zij den drempel naderden, hoorden zij verheugd, dat +de oude man met heldere en luidklinkende stem de heilige Buddhistische +Geschriften zong. + +Het volk uit het dorp verzamelde zich om den kluizenaar, terwijl hij +het verhaal van zijn redding deed. Toen zij uit nieuwsgierigheid +eens een blik sloegen in zijn kookpan, zagen zij tot hun stomme +verbazing, dat deze geen wild bevatte, maar een stuk hout, met +goudblad bedekt. Terwijl zij zich steeds nog verbaasden en niet +begrepen, wat dit beteekende, zagen zij naar het beeld van Kwannon +in den kleinen tempel en bleek het, dat een stuk uit haar lendenen +was gesneden, en toen zij het stuk hout daarin pasten, was de wond +genezen. Toen begrepen de oude kluizenaar en het volk, dat zich om hem +had verzameld, dat het hert niemand anders geweest was dan Kwannon, +die in haar onbegrensde liefde en teedere barmhartigheid haar eigen +goddelijk vleesch ten offer had gebracht. + + + +Benten. + + + "De wilde bloemen worden slap, de ahornblaadren, + Door vingers van de vorst geraakt, zij buigen zich ter aard'; + Maar op den boezem van de zee + Verwelken niet de bloemen uit het nat geboren + Der golven, als de bloesems op het land, + Noch voelen zij de kilheid van des Najaars hand", + + _Yasuhide_ (Naar _Clara A. Walsh_.) + + +Benten, de Godin der Zee, is tevens één der zeven Godheden van het +Geluk, en in romantischen zin wordt zij beschouwd als de Godin van +Liefde, Schoonheid en Welsprekendheid. In de Japansche kunst wordt zij +voorgesteld, rijdende op een draak of slang, wat wel de verklaring +kan zijn van het feit, dat in sommige streken slangen als heilig +worden beschouwd. Op afbeeldingen wordt Benten weergegeven met acht +armen. Zes handen zijn boven haar hoofd uitgestoken en houden een boog, +een pijl, een wiel, een zwaard, een sleutel en een heilig juweel, +terwijl zij haar beide overige handen eerbiedig in gebed gekruist +houdt. Zij gelijkt in menig opzicht op Kwannon, en beelden van de +twee godinnen worden dikwijls bij elkander gezien, maar de tempels +van Benten worden gewoonlijk op eilanden gevonden. + + + +Benten en de Draak. + +Wij hebben er reeds melding van gemaakt, dat Benten op een draak rijdt, +en de volgende legende kan misschien met die bijzondere voorstelling +in verband gebracht worden. + +In een zeker hol leefde een geduchte draak, die de kinderen van het +dorp Koshigoe verslond. In de zesde eeuw besloot Benten een einde +te maken aan het ongepaste gedrag van het monster, en na een groote +aardbeving te hebben doen ontstaan, ging zij op de loer liggen in +de wolken boven het hol, waar de gevreesde draak zijn woonplaats +had gevestigd. Benten daalde toen uit de wolken neder, trad het hol +binnen, huwde den draak, en was zoo, door haar uitstekenden invloed, +in staat, een einde te maken aan de slachting van kleine kinderen. Bij +de aankomst van Benten verrees uit de zee het bekende eiland Enoshima +[52], dat op den huidigen dag gewijd is gebleven aan de Godin der Zee. + + + +Benten-van-het-Geboorte-Water. + +Hanagaki Baishu, een jong dichter en geleerde, woonde een groot +feest bij, dat gehouden werd ter viering van den wederopbouw van den +tempel van Amadera. Hij wandelde door het schoone park en bereikte op +zijn wandeling ook de plaats van een fontein, waar hij dikwijls zijn +dorst had gelescht. Hij zag, dat wat oorspronkelijk een fontein was +geweest, nu een vijver was geworden, en bovendien, dat aan één der +hoeken van den vijver een bord stond, waarop de woorden geschreven +waren _Tanjo-Sui_ ("Geboorte-Water") en tevens een kleine, maar +aantrekkelijke tempel, aan Benten gewijd. Terwijl Baishu oplettend +de veranderingen in het park van den tempel naging, voerde de wind +een prachtig geschreven minnedicht naar zijn voeten. Hij raapte het +op en ontdekte, dat het door een vrouwenhand was geschreven, dat de +letters prachtig gevormd waren, en dat de inkt nog versch was. + +Baishu keerde naar huis terug en las en herlas het gedicht. Het +duurde niet lang, of hij werd verliefd op de schrijfster, en besloot +ten slotte haar te huwen. Eindelijk ging hij naar den tempel van +Benten-van-het-Geboorte-Water en riep: "O, Godin, kom mij te hulp, +en sta mij bij in mijn pogingen, de vrouw te vinden, die deze door den +wind naar mij toegevoerde verzen heeft geschreven!" Na zoo gebeden te +hebben, besloot hij een godsdienstoefening van zeven dagen te houden, +en den zevenden nacht te bestemmen aan onafgebroken vereering vóór +den heiligen tempel van Benten, in het park van Amadera. + +Gedurende den zevenden nacht van zijn nachtwake hoorde Baishu een +stem, die riep om toegelaten te worden door de hoofdpoort van het +park van den tempel. De poort werd geopend, en een oud man, in +staatsiekleederen en met een zwarte muts op zijn hoofd, kwam naar +voren en knielde zwijgend voor den tempel van Benten. Daarna werd de +buitendeur van den tempel geheimzinnig geopend, en een bamboe-gordijn +werd gedeeltelijk opgetild, waarbij een schoone knaap te voorschijn +kwam, die den ouden man aldus toesprak: "Wij hebben medelijden met +een jong man, die een liefdeband wenscht te sluiten, en wij hebben u +geroepen, om die zaak te onderzoeken, en na te gaan, of gij de jonge +lieden niet samen kunt brengen". + +De oude man boog, en trok toen uit zijn mouw een touw, dat hij om +het middel van Baishu bond, terwijl hij een uiteinde aanstak aan een +lantaarn van den tempel, en onderwijl met de hand wuifde, alsof hij +een geest wenkte, om uit den donkeren nacht te voorschijn te komen. In +een oogenblik kwam een jonge maagd het park van den tempel binnen, +en terwijl zij met haar waaier haar lief gezicht halverwege bedekte, +knielde zij naast Baishu neder. + +Daarna sprak de schoone knaap Baishu aldus toe: "Wij hebben uw gebed +gehoord, en het is ons gebleken, dat gij in den laatsten tijd veel hebt +geleden. De vrouw, die gij lief hebt, is nu naast u geplaatst". En +na die woorden te hebben gesproken, vertrok de goddelijke jongeling, +en de oude man verliet het park bij den tempel. + +Toen Baishu zijn dank had gebracht aan Benten-van-het-Geboorte-Water, +ging hij naar huis. Toen hij de straat bereikte buiten het park, zag +hij een jong meisje, en herkende hij haar dadelijk als het meisje, dat +hij liefhad. Baishu sprak haar aan, en toen zij antwoordde, vervulden +de vriendelijkheid en liefelijkheid van haar stem den jongen man +met vreugde. Zij wandelden te zamen door de stille straten, totdat +zij ten slotte aan het huis kwamen, waar Baishu woonde. Er was een +oogenblik van diep zwijgen, en daarna zeide het meisje: "Benten heeft +mij u tot vrouw gegeven", en de gelieven traden beiden het huis binnen. + +Het huwelijk was buitengewoon voorspoedig, en de gelukkige Baishu +ontdekte, dat zijn vrouw, behalve in andere huiselijke deugden, ook +volmaakt bedreven was in de kunst, bloemen te rangschikken, en dat +haar fijne manier van schrijven niet minder aangenaam was te zien dan +haar bekoorlijke schilderijen. Baishu wist niets van haar familie +af, maar daar zij hem geschonken was door de godin Benten, achtte +hij het onnoodig, haar daarnaar te vragen. Er was slechts één ding, +dat den verliefden Baishu vreemd voorkwam, en dat was, dat de buren +totaal onkundig schenen te zijn van de tegenwoordigheid van zijn vrouw. + +Toen Baishu op zekeren dag in een afgelegen gedeelte van Kyoto +wandelde, zag hij, dat een bediende hem van de voordeur van een +particuliere woning toewenkte. De man kwam naar hem toe, boog +eerbiedig en zeide: "Wilt gij u wel verwaardigen, dit huis binnen +te treden? Mijn meester verlangt er naar, de eer te hebben, met u +te spreken". Baishu, die niets afwist van den bediende of van diens +meester, was niet weinig verbaasd over die vreemde begroeting, maar +hij liet zich toch naar de ontvangkamer geleiden en daar sprak de +bewoner van het huis hem aldus toe: + +"Ik bied u zeer nederig mijn verschooning aan voor de weinig vormelijke +wijze, waarop ik u heb uitgenoodigd, maar ik meen gehandeld te hebben +in overeenstemming met een boodschap, die ik van de godin Benten heb +ontvangen. Ik heb een dochter, en daar ik er zeer op gesteld ben, een +goeden echtgenoot voor haar te vinden, heb ik de door haar geschreven +gedichten naar alle tempels van Benten in Kyoto gezonden. De Godin +is mij nu in een droom verschenen en heeft mij medegedeeld, dat zij +een uitnemenden echtgenoot voor mijn dochter had, en dat hij mij den +volgenden winter zou bezoeken. Ik heb eerst niet veel gewicht gehecht +aan dien droom; maar den vorigen nacht is Benten mij weer in den droom +verschenen, en zeide zij mij, dat den volgenden dag de echtgenoot, +dien zij voor mijn dochter had gekozen, mij een bezoek zou brengen, +en dat ik dan alles omtrent het huwelijk kon in orde brengen. De +Godin beschreef het uiterlijk zóó nauwkeurig, dat ik er zeker van ben, +dat gij de aanstaande echtgenoot van mijn dochter zijt." + +Die vreemde woorden vervulden Baishu met droefenis, en toen zijn +beleefde gastheer voorstelde, hem met het meisje in kennis te brengen, +was hij niet moedig genoeg, om zijn zoogenaamden schoonvader te +vertellen, dat hij reeds een vrouw had. Baishu volgde zijn gastheer +in een ander vertrek en tot zijn verbazing en vreugde bleek het hem, +dat de dochter des huizes niemand anders was dan zijn eigen vrouw! En +toch was er een fijn onderscheid tusschen beiden, immers de vrouw, +die hem nu toelachte, was het lichaam van zijn vrouw, en zij die hem +verschenen was voor den tempel van Benten-van-het-Geboorte-Water, +was haar ziel. Men verhaalt ons, dat Benten dit wonder had volbracht +ter wille van haar vereerders, en zoo geschiedde het, dat Baishu een +vreemdsoortig dubbel huwelijksleven had met de vrouw, die hij liefhad. + + + +Daikoku. + +Daikoku, de God van den Rijkdom, Ebisu zijn zoon, de God van den +Arbeid, en Hotei, de God van het Lachen en van de Tevredenheid, +behooren tot dien kring der godheden, die bekend staan onder den +naam van de Goden van het Geluk. Daikoku wordt voorgesteld met een +Tooverhamer, die het teeken draagt van den Juweel, die den mannelijken +en vrouwelijken geest personifieert, en beteekent een scheppende +godheid. Een slag van zijn hamer brengt rijkdom, en zijn tweede +attribuut is de Rat. Daikoku is, zooals men licht zal begrijpen, +een bijzonder populaire godheid, en hij wordt dikwijls geschilderd +als een voorspoedige Chineesche mijnheer, rijk uitgedost, terwijl +hij meestal wordt voorgesteld staande op balen rijst, met een zak +vol kostbare zaken op zijn schouder. Die vroolijke en weldadige God +wordt ook wel voorgesteld, zittende op balen rijst, of zijn schatten +vertoonend aan een of ander gretig kind, dat vol verwachting naar +die schatten ziet; ook wel wordt hij voorgesteld, de Roode Zon met +de ééne hand tegen zijn borst houdend, terwijl hij den Tooverhamer +met de andere hand vasthoudt. + + + +De Rat van Daikoku. + +Het attribuut van Daikoku, een Rat, heeft een zinnebeeldige en een +zedelijke beteekenis, in verband met den rijkdom, die in den zak van +den God verborgen is. De Rat wordt dikwijls voorgesteld òf in een +baal met rijst, waaruit zijn kop uitsteekt, of terwijl deze binnen +in den zak zit, òf terwijl hij met den Hamer speelt; somtijds ziet +men een groot aantal ratten. + +Volgens een oude legende werden de Buddhisten afgunstig op +Daikoku. Zij overlegden samen, en besloten ten slotte, dat zij +den te populairen Daikoku uit den weg zouden ruimen, aan wien de +Japanners gebeden en wierook aanboden. Emma-O, de Heerscher der +Dooden, beloofde zijn sluwsten en verstandigsten _oni_, Shiro te +zenden, die, zooals hij zeide geen moeite zou hebben, den God van +den Rijkdom te overmeesteren. Shiro, wien door een musch den weg +werd gewezen, ging naar het kasteel van Daikoku, maar hoewel hij +hoog en laag speurde, hij kon den eigenaar niet vinden. Eindelijk +ontdekte Shiro een groot magazijn, waarin hij den God van den Rijkdom +zag zitten. Daikoku riep zijn Rat en beval hem te onderzoeken, wie +het waagde hem lastig te vallen. Toen de Rat Shiro zag, rende hij +in den tuin en bracht een takje hulst mede, waarmede hij den _oni_ +verjoeg. Tot op den huidigen dag blijft Daikoku één der meest populaire +Japansche Goden. Men zegt, dat deze gebeurtenis de oorsprong is van +het oudejaarsavond-toovermiddel, dat bestaat uit een hulstblad en +een vleeschpin, of een hulsttakje, bevestigd op den drempel van de +deur van een huis, om den terugkeer van den _oni_ te beletten. + + + +De Zes Daikoku's. + + +1. Makura Daikoku, de gewone vorm, met een Hamer op een lotusblad. +2. Ojikara Daikoku, met zwaard en _vajra_. +3. Bika Daikoku, een priester met een Hamer in de rechter hand en + een zwaard met een _vajra_-gevest in de linker hand. +4. Yasha Daikoku, met het Wiel der Wet in de rechter hand. +5. Shinda Daikoku, een knaap, zittend met een kristal in de linker + hand. +6. Mahakara Daikoku, een zittende vrouw, met een baal rijst op + haar hoofd. + + + +Ebisu. + +Ebisu en zijn vader Daikoku worden gewoonlijk te zamen uitgebeeld: +de God van den Rijkdom gezeten op balen rijst, terwijl hij de Roode +Zon met één hand tegen zijn borst drukt, en met de andere den rijkdom +schenkenden Hamer vasthoudt, terwijl Ebisu wordt uitgebeeld met een +hengel en een grooten _tai_ visch onder den arm. + + + +Hotei. + +Hotei, de God van het Lachen en der Tevredenheid, is één der komiekste +der Japansche Goden. Hij wordt als uitermate dik voorgesteld, terwijl +hij op zijn rug een linnen zak (ho-tei) draagt, waaraan hij zijn naam +ontleent. In dien zak pakt hij de kostbare zaken in, maar als hij in +een bijzonder speelsche bui is, gebruikt hij dien als een bewaarplaats +voor vroolijke en nieuwsgierige kinderen. Somtijds wordt Hotei +voorgesteld, gezeten in een gebroken en bijzonder haveloos rijtuig, +dat wordt voortgetrokken door jongens; in die gedaante is hij bekend +als de Wagen-Priester. Ook wordt hij geschilderd met een Chineeschen +waaier in de ééne hand, en zijn zak in de andere, of terwijl hij op +het ééne uiteinde van een stok den zak met kostbare zaken en op het +andere uiteinde een knaap laat balanceeren. + + + + +HOOFDSTUK XVI. POPPEN EN VLINDERS. + + + "Ik vroeg eens een bekoorlijk Japansch meisje: 'Hoe kan een pop + leven?' 'Wel,' antwoordde zij, 'als gij er genoeg van houdt, + zal zij leven!'" + + _Lafcadio Hearn._ + + + +De Engelsche en Japansche Poppen. + +Onze poppen, met haar lichtblond haar, blauwe oogen en gemaakte +lachjes, strekken zeker niet tot eer en roem van de poppenmakers, +als het geacht moet worden, dat zij eenige gelijkenis dienen te +vertoonen met levende kinderen. Als zij horizontaal gehouden worden, +zal er iets in haar kopjes tikken en zullen haar blauwe oogen zich +sluiten of liever gezegd achterover rollen; knijpt men ze, dan zullen +zij een geluid geven dat eenigszins doet denken aan de woorden: +"Papa! Mama!" en toch hebben zij, in weerwil van die mechanische +kunstgrepen niets in haar voordeel dan de liefde van korten duur, +haar door een kind betoond. Spoedig breken zij, of loopen zij gevaar, +dat op ieder oogenblik een broertje ze het hoofd afbreekt of op andere +wijze voor goed beschadigt. + +In Japan echter is de pop niet alleen een stuk speelgoed, waardoor +kleine meisjes zich voorstellen, moedertjes te zijn, maar in vroeger +dagen werd zij als het middel beschouwd, om van vrouwen moeders te +maken. Lafcadio Hearn schrijft hierover: "En als gij een dergelijke, +door een Japansche moeder vervaardigde pop ziet, die haar handen kan +uitsteken, haar naakte voetjes kan bewegen en haar hoofd kan omdraaien, +dan zoudt gij, al werd zij vlak bij u gehouden, er bijna tegen opzien, +een weddenschap aan te gaan, dat het maar een pop is." Het is die +treffende gelijkenis, die waarschijnlijk de oorzaak is van de vreemde +en schoone liefde, die aan Japansche poppen verbonden is. + + + +Levende Poppen. + +Er was een tijd, dat men meende, dat sommige poppen werkelijk levend +werden en in haar kleine lichamen een menschelijke ziel kregen, en +dat geloof is niets anders dan een echo van het oude denkbeeld, dat +rijke liefde het beeld van een levend iets tot leven kan wekken. In +het Oude Japan ging de pop over van het ééne geslacht op het volgende, +en bleef somtijds volkomen ongeschonden gedurende een periode van +meer dan honderd jaar. Een pop, die honderd jaar lang in de armen van +kleine kinderen was gekoesterd, van voedsel was voorzien, geregeld +iederen nacht naar bed was gebracht en het voorwerp van voortdurende +liefkozingen was geweest, moest ongetwijfeld wonderen doen in de +dichterlijke verbeelding van een gelukkig en kinderlijk volk. + +De kleine pop, bekend als O-Hina-San valt niet binnen het gebied van +deze studie; zij was eenvoudig een stuk speelgoed en niets meer. Wij +hebben hier alleen de levensgroote poppen te bespreken, die poppen, +die zoo uitnemend kleine kinderen voorstellen van twee of drie +jaar. De meisjespop van die soort draagt den naam van O-Toku-San en de +jongenspop van Tokutaro-San. Men geloofde, dat, als die poppen, hoe dan +ook, slecht behandeld of verwaarloosd werden, zij zouden huilen, boos +zouden worden en ongeluk zouden brengen over haar bezitters. Bovendien +hadden zij nog een aantal andere bovennatuurlijke gaven. + +In een zeker gezin was er een Tokutaro-San, die bijna niet minder +vereerd werd dan Kishibojin, de Godin, tot wie Japansche vrouwen +en kinderen bidden. Die Tokutaro-San werd door kinderlooze echtparen +geleend. Zij gaven hem nieuwe kleeren en verzorgden hem met liefdevolle +zorgen, daar zij er van overtuigd waren, dat een dergelijke pop, +die een ziel bezat, hen gelukkig zou maken, door hun gebeden om een +kind te verhooren. Tokutaro-San was volgens de legende zeer levendig +en vlug, want toen het huis in brand vloog, rende hij haastig den +tuin in, om zich te redden! + + + +De Laatste Rustplaats van een Pop. + +Wat gebeurt er met een Japansche pop, als zij eindelijk na een lang en +gelukkig leven breekt? Hoewel zij voor goed dood wordt geacht, worden +haar overblijfselen met den grootsten eerbied behandeld. Zij wordt +niet met vuil of afval weggeworpen of verbrand, of zelfs eerbiedig op +stroomend water gelegd, zooals dikwijls met doode Japansche bloemen +geschiedt. Zij wordt niet begraven, maar aan Kojin gewijd, een godheid, +die dikwijls wordt voorgesteld met een aantal armen. Men stelt zich +voor, dat Kojin huist in een _enoki_-boom, en tegenover dien boom is +een klein altaar en _torii_. Hier worden de overblijfselen van een oude +pop eerbiedig neergelegd. Haar klein gelaat moge al gekrabd zijn, haar +zijden kleed gescheurd en verschoten, haar armen en beenen gebroken, +zij had vroeger een ziel, en had eens de geheimzinnige _begeerte_ +het moederschap te schenken aan haar, die het verlangden. + +Op den derden Maart wordt het Feest der Meisjes gevierd. Het is bekend +als _Jomi no Sekku_, of _Hina Matsuri_, of het Poppenfeest. + + + +Vlinders. + + + "Waar bijeenverzameld liggen + Zachte bloesems, dra vergaan, + Waait daar soms een enkel blaadje + Op zijn vroeg'ren boomtak aan? + Neen, 't was een vlinder, zoo licht als een blad, + Die zich in 't luchtruim verheven had." + + _Arakida Mortitake_. + (Naar _Clara A. Walsh_.) + + +De vlinder staat in China meer dan in Japan in betrekking met legenden +en folk-lore. De Chineesche geleerde Rosan had, zoo wordt gezegd, +bezoek ontvangen van twee meisjesgeesten, die hem onthaalden op +spookachtige verhalen omtrent die insecten met hun prachtig gekleurde +vleugels. + +Het is meer dan waarschijnlijk, dat de legenden omtrent vlinders, die +van Japan bekend zijn, aan China zijn ontleend. Japansche dichters +en kunstenaars vonden er genoegen in, als hun beroepsnaam namen te +kiezen zooals "Vlinderboom", "Eenzame Vlinder", "Vlinderhulp" en +dergelijke. Zulke denkbeelden, hoewel waarschijnlijk van Chineeschen +oorsprong, deden een beroep op de aesthetische gevoelens van het +Japansche volk, en het is niet twijfelachtig, of de Japanners speelden +in vroegere dagen het romantische vlinderspel. Keizer Genso was gewoon +de vlinders te gebruiken, om voor hem een keuze te doen voor zijn +minnerijen. Bij een wijnfeest in zijn tuin moesten schoone dames +opgesloten vlinders loslaten. Die schoongekleurde insecten vlogen +dan rond en zetten zich neer op de schoonste meisjes, en die meisjes +ontvingen dan dadelijk de gunst van den Keizer. + + + +Vlinders, die iets goeds, en die iets slechts voorspelden. + +In Japan werd de vlinder een tijd lang beschouwd als de ziel van een +levenden man of levende vrouw. Als hij een ontvangkamer binnenkwam en +zich vastzette achter het bamboescherm, dan was dit een zeker bewijs, +dat de persoon, die hij vertegenwoordigde, binnen kort in dat huis zou +komen. De aanwezigheid van een vlinder werd als een goed voorteeken +beschouwd, hoewel natuurlijk alles afhing van den persoon, die met +den vlinder vereenzelvigd was. + +De vlinder was niet altijd de voorbode van goede tijdingen. Toen +Taira-no-Masakado in het geheim een oproer voorbereidde, was Kyoto +het tooneel van een zwerm vlinders, en de bevolking, die ze zag, was +zeer verschrikt. Lafcadio Hearn geeft als zijn meening te kennen, +dat die vlinders de geesten kunnen zijn van hen, die bestemd waren +in het gevecht te sneuvelen, de geesten van de levenden, die een +voorgevoel hadden van een spoedig naderen van den dood. Vlinders +kunnen ook de zielen der dooden zijn, en zij verschijnen dikwijls +onder die gedaante, ten einde kenbaar te maken, dat zij voor goed +afscheid nemen van het lichaam. + + + +"De Vliegende Haarspeld van Kocho". + +Het Japansche drama maakt herhaaldelijk van de spookachtige beteekenis +der vlinders gebruik. In het tooneelspel, dat bekend staat als _De +Vliegende Haarspeld van Kocho_, pleegt de heldin, Kocho, zelfmoord, +op grond van valsche beschuldigingen en wreede behandeling. Haar +minnaar tracht te ontdekken, wie de oorzaak van haar ontijdigen dood +is geweest. Op een zeker oogenblik verandert Kocho's haarspeld in een +vlinder, welke blijft zweven boven de schuilplaats van den misdadiger, +die al die ellende heeft veroorzaakt. + + + +De Witte Vlinder. + +Er is een vreemde en roerende Japansche legende, die in verband +staat met den vlinder. Een oude man, Takahama genaamd, woonde in een +huisje achter het kerkhof van den tempel van Sozanji. Hij was een +uiterst beminnelijk man en bij al zijn buren dan ook zeer geliefd, +hoewel de meesten hem als eenigszins krankzinnig beschouwden. Zijn +krankzinnigheid bestond, naar het scheen, uitsluitend in het feit, +dat hij nooit was getrouwd en nooit het verlangen had uitgesproken +naar intiemen omgang met vrouwen. + +Op een zekeren Zondag werd hij ernstig ziek, en wel zóó ziek, dat hij +zijn schoonzuster met haar zoon liet ontbieden. Zij kwamen beiden, en +deden alles wat in hun macht was, om in zijn laatste levensuren zijn +lijden te verzachten. Terwijl zij waakten, viel Takahama in slaap; maar +nauwelijks was hij in rust, of een groote witte vlinder vloog de kamer +binnen, en bleef stil zitten op het hoofdkussen van den lijder. De +jonge man trachtte dien met een waaier te verdrijven, maar driemaal +kwam hij terug, alsof hij er tegen opzag, den zieke te verlaten. + +Eindelijk joeg de neef van Takahama hem op naar den tuin, waarna +hij door de tuindeur naar het kerkhof vloog, dat aan den overkant +gelegen was, waar hij bleef zitten op het graf van een vrouw en +daarna geheimzinnig verdween. Toen de jonge man den grafsteen nader +beschouwde, zag hij, dat er de naam "Akiko" op was geschreven, en +tevens een beschrijving, hoe Akiko op achttienjarigen leeftijd was +gestorven. Hoewel de grafsteen met mos was bedekt en wel vijftig jaar +geleden moest zijn opgericht, zag de jonge man, dat hij door bloemen +omringd was, en dat de kleine waterbak onlangs was gevuld. + +Toen de jonge man naar huis terugkeerde, bleek het, dat in dien +tusschentijd Takahama was gestorven; hij keerde toen naar zijn moeder +terug en vertelde haar, wat hij op het kerkhof had gezien. + +"Akiko?" mompelde zijn moeder. "Toen uw oom jong was, was hij met +Akiko verloofd. Zij stierf kort vóór haar trouwdag aan de tering. Toen +Akiko deze wereld verliet, besloot uw oom, nooit te huwen en steeds +in de nabijheid van haar graf te blijven wonen. Al die jaren lang is +hij zijn gelofte getrouw gebleven, en hield zijn hart al de zoete +herinneringen aan zijn eenige liefde. Dagelijks ging Takahama naar +het kerkhof, zoowel als de lucht geurig was van de zomerzoelte, als +wanneer zij bezwangerd was met vallende sneeuw. Dagelijks ging hij +naar het graf en bad voor haar heil, maakte den grafsteen schoon +en plaatste daarop bloemen. Toen Takahama stervende was, en hij +die hem zoo dierbare taak niet meer kon volbrengen, kwam Akiko hem +bezoeken. Die witte vlinder was haar vriendelijke en liefhebbende +ziel." Voordat Takahama naar het Land van de Gele Lente vertrok, +kon hij wel woorden gemompeld hebben zooals die van Yone Noguchi: + + + "Daar waar de bloemen slapen, + Slaap ik, Goddank! van avond. + O, kom, o vlinder kom. [53] + + + + +HOOFDSTUK XVII. FEESTDAGEN. + + + +Nieuwjaar. + +De _San-ga-nichi_, of "drie dagen" van het Nieuwe Jaar, is één van +de belangrijkste van de Japansche feestgetijden, want de Japanners +vieren het nieuwjaarsfeest veel feestelijker dan wij. Zij beschouwen +de eerste drie dagen van het jaar als een geschikte gelegenheid, +om zich voorspoed en geluk voor de toekomst te verzekeren, en om dit +gedaan te krijgen, worden een aantal vreemde en oude gebruiken in acht +genomen. Voordat de huizen worden versierd, heeft er eerst een afdoende +winterschoonmaak plaats. "In oude tijden", zoo schrijft Mevrouw Salwey, +"werd dit gebruik in acht genomen zoowel aan het Hof van den Keizer +als in de hut van den boer, en wel zóó nauwgezet, dat het Hof van den +Shogun opzichters leverde, die rondgingen met versierde stoffers, +om het werk der bedienden na te zien, en die hun officieele bezems +over richels en spleten bewogen, terwijl zij daarbij hun tooverroeden +op een bepaalde wijze zwaaiden, om daarmede het Chineesche teeken, +dat water beteekende, aan te duiden." Niet alleen wordt het geheele +huis door en door gereinigd en alles op zijn plaats gezet, maar men +wordt verlost van de booze geesten, door erwten en boonen uit de open +_shoji_ te werpen, of ook wel papiersnippers. + +Bij het Nieuwjaarfeest worden de huizen en deurposten versierd met +koorden van stroo, en deze worden dikwijls zóó gemaakt, dat zij +de getallen drie, vijf of zeven voorstellen, welke getallen bij de +Chineezen als gelukkig worden beschouwd. Het voornaamste voedsel, +dat bij die gelegenheid wordt gegeten, bestaat uit zeekreeften (wier +gebogen en oud uiterlijk op een lang leven wijst), sinaasappels en +enkele soorten van eetbaar zeegras. Bovendien zijn er spiegelkoeken, +in verband met de Zonnegodin, en die koeken, die uit rijst bestaan, +worden gegeten met de sinaasappelen en de zeekreeften, en opgediend +op zuiver witte bakken. Een andere belangrijke versiering mag niet +over het hoofd gezien worden, en wel de takken van een pijnboom. Die +takken zijn het zinnebeeld van een lang leven, en om de ééne of andere +niet bekende reden worden zij verbrand, zoodra het feest is afgeloopen. + +Één van de meest schilderachtige gebruiken, dat met dit feest in +verband staat en dat in het bijzonder op kinderen een grooten indruk +maakt, is het Spookschip met de Zeven Goden van het Geluk aan boord, +waarover wij reeds vroeger hebben gesproken. [54] + + + + +De Feestdag voor Jongens. + +De _Tango no Sekku_, of Feestdag voor Jongens, wordt gevierd op +den 5_den_ Mei, en dient, om de Japansche jeugd met krijgshaftige +eigenschappen te bezielen. Het is de dag, waarop overal vlaggen worden +gezien, waarop de daken der huizen met irisbladeren worden versierd, +zoodat de vlag der Natuur en de vlag door menschenhanden vervaardigd, +beide in het oog vallen op dien vroolijken feestdag, die algemeen +bekend staat onder den naam van het Vlaggenfeest. De knapen krijgen +dien dag kleine beeldjes ten geschenke, die bepaalde groote helden +uit het verleden voorstellen, terwijl oude zwaarden, bogen, pijlen, +speren en dergelijke van het ééne geslacht van kinderen aan het andere +worden overgegeven. + +Misschien is wel de meest op den voorgrond tredende trek van dit feest +de papieren vlag, die de gedaante heeft van een karper. Zij is hol, +en als zij met wind wordt gevuld, heeft zij het voorkomen, alsof +zij krachtig door de lucht vliegt. De karper is meer dan een gewoon +symbool van den ruwen oorlogsgeest, want hij is het zinnebeeld van +vasthoudendheid in den opzet en van ontembaren moed. Zooals de karper +tegen den stroom opzwemt, zoo wordt van de Japansche jeugd verwacht, +dat zij tegen de krachtigste stroomingen van den tegenspoed kan +strijden. Dit denkbeeld is waarschijnlijk ontleend aan de betooverende +Chineesche legende van den Drakenkarper, wien het na een langen +strijd gelukte, voorbij de watervallen van den Drakenpoort te zwemmen, +en die duizend jaar leefde, totdat hij eindelijk in de lucht opsteeg. + + + + +Het Doodenfeest. + +Het Doodenfeest, of _Bommatsuri_, moet hier worden besproken, omdat +het veel bevat, dat mythisch is. De opvatting van den Japanschen +boer omtrent een toekomstig leven is niet bijzonder opgewekt. Na den +dood wordt het lichaam onmiddellijk gewasschen en geschoren en dan +gestoken in een helder wit gewaad--in werkelijkheid het gewaad van +een pelgrim. Om den nek wordt een zakje gehangen met drie of zes +_rin_ [55], welk aantal afhangt van de gewoonten der plaats, waar +de overledene gewoond heeft, en die _rin_ worden met den overledene +begraven. Het denkbeeld, om munten met dooden te begraven, is ontleend +aan het geloof, dat allen die sterven, met uitzondering van kinderen, +moeten reizen naar de Sanzu-no-Kawa, of "De Rivier der Drie Wegen". Aan +den oever van die sombere rivier wacht Sodzu-Baba, de Oude Vrouw der +Drie Wegen, de komst af van de zielen, te gelijk met haar echtgenoot, +Ten-Datsu-Ba. Als geen drie _rin_ aan de Oude Vrouw worden betaald, +neemt zij de witte kleeren van den doode weg, en hangt zij die, zonder +op zijn smeekingen te letten, aan de boomen op. Dan is er nog de niet +minder angstwekkende Emma-O, de Heerscher der Dooden; en als wij bij +die sombere figuren nog voegen enkele van die verschrikkingen van +de hellen der Buddhisten, dan behoeft het geen verbazing te wekken, +dat de zachtzinnige en poëtische Japanner een feest heeft ingesteld, +dat een aangename, zij het dan ook slechts een korte vertroosting +schenkt van de verschrikkingen van den Hades. + +Het feest heeft plaats van 13 tot 15 Juli. In dien tijd van het jaar +zijn de meeste huizen niets dan geraamten, daar zij aan alle kanten aan +de zomerbries toegang verschaffen. Men loopt in de lichtst mogelijk +gewaden rond. De vlinders vermaken zich, in ontelbare hoeveelheden +rondvliegend over een koel lotusveld of zich neerzettend op de purperen +bloemblaadjes van een iris. De Fuji steekt zijn grooten kop in de +heldere blauwe lucht uit, en draagt als een witte sluier een strook +van snel wegsmeltende sneeuw. + +Als de ochtend van den 13_den_ Juli aanbreekt, worden nieuwe matten van +rijststroo op alle Buddhistische altaren witgespreid en op de kleine +tempels in huis. Ieder Japansch huis houdt dien dag een eigenaardig +nauwkeurig omschreven maal gereed voor de groote menigte geesten. + +Tegen het ondergaan van de zon zijn de straten helder verlicht door +de vlammen der fakkels, en de ingangen der huizen hebben een vroolijk +aanzien door de helder gekleurde lantarens. Zij, voor wie dit feest +in bijzondere mate geldt, en dus niet als voor ieder ander--dat wil +zeggen, zij, die kort geleden iemand hebben verloren, die hun dierbaar +was--gaan dien nacht naar buiten, om de kerkhoven te bezoeken, waar zij +bidden, offers brengen, wierook branden en water uitgieten. Lantarens +worden aangestoken en bamboevazen met bloemen gevuld. + +Op den avond van den 15_den_ Juli worden de geesten van den Kring +der Boetedoening of Gakido gevoed, en bovendien al die geesten, die +onder de levenden geen vrienden hebben, die voor hen zorgen. Er is +een legende, die betrekking heeft op dit bijzonder onderdeel van het +Doodenfeest. Dai-Mokenren, een groot leerling van Buddha, kreeg eens +toestemming, de ziel van zijn moeder in de Gakido te bezoeken. Hij +had zóó bitter verdriet over haar ontzettend lijden, dat hij haar een +kom gaf, die het meest uitgelezen voedsel bevatte. Maar iederen keer, +als zij trachtte er van te eten, veranderde het voedsel plotseling +in vuur, en eindelijk in asch. Toen vroeg Mokenren Buddha, hem te +willen mededeelen, wat hij kon doen om het lijden van zijn moeder +te verzachten. Hem werd toen bevolen, om de schimmen der groote +priesters in alle landen "op den vijftienden dag der zevende maand" +te spijzigen. Toen dit geschied was, keerde Mokenren terug en vond +zijn moeder weer, springende van vreugde. In dien gelukkigen dans na +veel beproevingen vinden wij de sporen terug van den oorsprong der +_Bon-odori_, die plaats heeft in den derden nacht van het feest. + +Als de avond van den derden nacht aanbreekt, worden voorbereidselen +gemaakt voor het vertrek der geesten. Duizenden bootjes worden +volgeladen met voedsel en met vriendelijke afscheidsgroeten. De +vertrekkende geesten stappen in die bootjes. Liefhebbende handen +plaatsen die brooze bark op rivier, meer of zee. Een kleine lantaren +brandt aan den voorsteven, terwijl lichtblauwe wolken van wierook +van den achtersteven opstijgen. Hearn schrijft: "Langs alle kreken, +rivieren en kanalen gaan de spookachtige vloten flikkerend naar zee; +en de geheele zee glinstert over den geheelen horizon van de lichten +der dooden, en de zeewind is welriekend door het wierook." + +Er is een pathetische bekoring in dat feest. Het is volstrekt niet +alleen in Japan, dat het gevierd wordt; immers het komt overeen met +het Indische _Sraddha_; maar in Japan wordt het aangeraakt door een +fijnere en meer betooverende schoonheid. Niemand is tot nu toe in staat +geweest, den oorsprong der _Torii_ onfeilbaar vast te stellen, die +wonderlijke poort, die nergens heenleidt. Wat een bekoorlijke ingang of +uitgang voor een troep ronddolende schimmen! Wat een prachtige plaats +voor geesten is een Japansche tuin, met zijn meren en maanvormige +brug, zijn steenen lantarens, zijn paden met zilverzand, om daarin +te spelen en bij tijden te droomen! En wat een prachtige straat om +daarin te wandelen is voor geesten de Eeuwigdurende Straat, die zóó +nabij is aan de straat van Oude Mannen! In de volgende bewoordingen +geeft Yone Noguchi de tooverpracht weer van een Japansche nacht, +één van die drie nachten, als de zielen in aanraking komen met oude +aardsche herinneringen: + + + "De geurig purpren bries van een Japanschen nacht! + De oude maan, die als een tooverschip vol goud + Begint te wieg'len door de zee der droomen: + (Ik hoor den nooit gehoorden Schoonheidszang in 't schip der maan, + Ik hoor zelfs 't zacht gefluister van hun gouden kleed). + Die honderden lantarens, in liefde brandend en gebed, + Bewegen zich langs weg en straat, als dolende herinnering. + De zilveren muziek van 't houten schoeisel der Japansche meisjes! + Zijn dit niet kleine geesten, gekomen uit den boezem van den + ouden tijd? + Heeft hun terugkomst soms ten doel, hun duizend wenschen, reeds + vergeten, te vervullen? + Hoe groot is toch de fantaisie van den Japanschen nacht + Geboren uit de oude liefde en onvervulde wenschen! + De droeve minnezang in den Japanschen nacht, + De _samisen_ muziek van hartstocht en van tranen! + De droeve harteklacht door duisternis en liefde!" + + + +Het Lachfeest van Wasa. + +In den loop van het jaar worden er een aantal andere Japansche feesten +gevierd, en twee daarvan, het Poppenfeest en het Feest van Tanabata, +het Wevende Meisje, zijn reeds vroeger door ons besproken. Misschien +is het Lachfeest van Wasa wel het meest vreemde onder al de Japansche +feesten. Gedurende de maand October vormen een aantal oude mannen +een optocht, waarbij zij twee kisten vol met sinaasappelen dragen, +en persimonpruimen op stokken gestoken. Die oude mannen worden gevolgd +door kinderen met dezelfde vruchten op bamboestokken. Op het oogenblik, +waarop de aanvoerder den tempel nadert, draait hij zich om en trekt +een allerbespottelijkst gezicht, dat onmiddellijk gevolgd wordt door +een onbedaarlijke lachbui. Die onweerstaanbare vroolijkheid berust +op de volgende legende. + +De Goden waren gewoon in de maand October bijeen te komen in +een grooten tempel te Izumo; het doel van hun bijeenkomst was, de +liefdesaangelegenheden van het volk in orde te brengen. Toen de Goden +in den tempel zaten, zeide één van hen: "Waar is Miwa Daimyo-jin?" Alle +Goden keken overal naar hem uit, maar hij kon niet gevonden worden. Nu +was Miwa Daimyo-jin erg doof, en daardoor had hij zich vergist in +den grooten dag, waarop de Goden te zamen kwamen. Toen hij te Izumo +aankwam, was de bijeenkomst reeds ontbonden en alle Goden lachten +uitgelaten, toen zij dit hoorden, een gelach, dat jaar aan jaar wordt +herhaald bij het Lachfeest, waarover wij hebben gesproken. + + + +De Torii. + +Wij hebben in dit hoofdstuk en reeds vroeger melding gemaakt van +de _torii_, en hoewel de verschillende autoriteiten op dit gebied +verschillen in hun opvatting omtrent gebruik en oorsprong, is het +onderwerp zeer aantrekkelijk en de studie overwaard. Volgens de +populaire opvatting beteekent het woord _torii_ "hoenderplaats" +of "vogelrustplaats." Op den top van dien indrukwekkende poort +verkondigden de hoenders het aanbreken van den dageraad, en +waarschuwden door hun gekraai de priesters om met hen morgengebeden +te beginnen. In één legende wordt ons medegedeeld, dat de zon op +aarde neerdaalt in den vorm van den Ho-Ho Vogel, den bode van liefde, +vrede en welgezindheid, en dat zij op één der _torii_ rust. + +Chamberlain is van meening, dat de afleiding van "vogelrustplaats" +en de daaraan ontleende theorieën onjuist zijn, en gelooft, dat +de _torii_ oorspronkelijk uit Azië afkomstig zijn. Hij schrijft in +_Japansche Zaken_: "De Koreanen richten daarmede veel overeenkomende +poorten op in de nabijheid van hun koninklijke paleizen; de Chineesche +_p'ai lou_, die dienen, om de deugden van mannelijke of vrouwelijke +verdienstelijke personen te vermelden, schijnen in vorm en in gebruik +verwant te zijn; en het voorkomen van het woord _turan_ in Noord-Indie +en van het woord _tori_ in Centraal-Indië, waarmede poorten worden +aangeduid met vormen, die met de _torii_ treffend overeenkomen, geeft +ons veel te denken." Dr. Aston is evenzeer de meening toegedaan, +dat de _torii_ van buiten zijn ingevoerd, "maar is van oordeel, +dat er vroeger een andere naam aan verbonden was, die oorspronkelijk +'drempel' moet hebben beteekend, voordat er de tegenwoordige gewijde +begrippen aan verbonden waren." [56] + +Mevrouw Salway schrijft naar aanleiding van den bouw van die poorten: +"De oudste _torii_ van Japan... waren vervaardigd van gewoon +ongevernist hout. Zij werden gemaakt van rechte, hooge boomstammen +in hun natuurlijken toestand, hoewel zij somtijds beroofd waren +van hun buitenschors. Later werd het hout geverfd in een donkere +vermiljoenkleur, misschien wel om het effect te verhoogen als de +achtergrond dicht begroeid was". Hoewel de _torii_ oorspronkelijk met +het Shintoïsme verbonden waren, werden zij later ook door de Buddhisten +overgenomen, die de eenvoudige maar schoone constructie aanzienlijk +wijzigden door de hoeken der horizontale balken naar boven te buigen, +en door opschriften daarop aan te brengen en verschillende soorten +van versieringen. + + + + +"Het Voetbankje van den Koning". + +Wat ook de oorsprong en de beteekenis der Shinto _torii_ mogen zijn, +niemand zal hun bijzondere schoonheid ontkennen, en velen zullen +met ons van oordeel zijn, dat het de schoonste poort ter wereld +is. Misschien is de schoonste _torii_ die, welke voor den tempel van +Itsukushima staat op het eiland Myajima, en deze wordt "Het Voetbankje +van den Koning", "De Poorts des Lichts", of "de Waterpoort van het +Heilige Eiland" genoemd. + +Mevrouw Salway schrijft: "Is niet die Poort het symbool van de Goede +Richting, volgens de leerstellingen van den Shinto Eeredienst, +het Doel, waarnaar het gelaat moet gericht worden--'De Weg der +Goden'. Zijn het niet waarschuwers, die hun mystieke boodschap als in +eigenaardige teekens van den Heerscher der Goden voor de opkomende +en ondergaande zon schrijven, terwijl zij door hun tegenwoordigheid +de dichte weelderigheid der geheimzinnige lanen vergrooten, en zich +weerspiegelen in de donkere, stille rivieren of de zilveren rimpels +der Binnenzee?" Wij moet tevreden zijn met die liefelijke verklaring +van het symbolisme der _torii_, want zij voert ons door de poort van +tegenstrijdige theorieën, en geeft ons iets, dat ons meer voldoet +dan de ingewikkelde vertakkingen der woordafleiding. + + + + +HOOFDSTUK XVIII. DE LANTAARN MET PIOENROZEN. [57] + + + +"Ochtenddauw". + +Tsuyu ("Ochtenddauw") was de eenige dochter van Iijima. Toen haar vader +hertrouwde, vond zij, dat zij niet gelukkig met haar stiefmoeder kon +samenwonen, zoodat er voor haar een afzonderlijke woning werd gebouwd, +waar zij met haar dienstbode Yoné woonde. + +Op zekeren dag kreeg Tsuyu een bezoek van den huisdokter, Yamamoto +Shijo, die vergezeld was van een schoonen jongen _samurai_, Hagiwara +Shinzaburo genaamd. De jongelieden werden op elkander verliefd, en +bij het vertrek fluisterde Tsuyu tot Shinzaburo: "_Denk er om! als +gij mij niet weer komt opzoeken, zal ik zeker sterven!_" + +Shinzaburo had het beste voornemen, de schoone Tsuyu zoo dikwijls +mogelijk te bezoeken. Maar de etiquette verbood hem, haar alleen te +spreken, zoodat hij verplicht was te vertrouwen op de belofte van den +ouden geneesheer, dat hij hem zou medenemen naar de villa, waar zijn +geliefde woonde. De oude dokter echter, die meer had gezien dan het +jonge volk had gemeend, onthield er zich met opzet van, zijn belofte +te houden. + +Tsuyu, die meende, dat de jonge schoone _samurai_ haar ontrouw was +geworden, kwijnde langzaam weg en stierf. Haar trouwe dienstbode Yoné +stierf eveneens kort daarna, daar zij zich niet in staat gevoelde +zonder haar meesteres te leven, en zij werden naast elkander begraven +op het kerkhof van Shin-Banzui-In. + +Korten tijd nadat die droevige gebeurtenis had plaats gegrepen, bezocht +de oude dokter Shinzaburo en vertelde hem in alle bijzonderheden den +dood van Tsuyu en haar dienstbode. + +Shinzaburo voelde den slag hevig. Dag en nacht was het meisje in zijn +gedachten. Hij schreef haar naam op een grafsteen, plaatste offers +daarvoor, en zegde een aantal gebeden op. + + + + +De Dooden keeren terug. + +Toen de eerste dag van het Doodenfeest aanbrak, zette hij voedsel op +de Plank der Zielen en hing hij lantarens op, om de geesten gedurende +hun kort aardsch verblijf den weg te wijzen. Daar de nacht warm was +en het juist volle maan was, ging hij in zijn warande zitten en bleef +hij wachten. Hij was er van overtuigd, dat al die voorbereidselen +niet vergeefsch zouden zijn, en hij geloofde in zijn hart, dat de +ziel van Tsuyu bij hem zou komen. + +Plotseling werd de stilte verbroken door het geluid van _kara-kon, +kara-kon_, het zachte geklepper van de _geta_ van vrouwen. Er was +iets vreemds en spookachtigs in dat geluid. Shinzaburo stond op +en keek over de heining heen. Hij zag twee vrouwen. De ééne droeg +een langwerpige lantaarn met zilveren pioenrozen aan den bovenkant +vastgestoken; de andere droeg een mooi kleed, bedekt met patronen +van herfstbloesems. Een volgend oogenblik herkende hij de liefelijke +gedaante van Tsuyu en haar dienstbode Yoné. + +Toen Yoné had medegedeeld, dat de gemeene oude dokter beiden had +verhaald, dat Shinzaburo dood was, en de jonge _samurai_ zijn +bezoeksters evenzoo had medegedeeld, dat hij ook uit dezelfde bron +had vernomen, dat zijn geliefde en haar dienstbode uit het leven +waren gescheiden, traden beide vrouwen het huis binnen, en brachten +zij daar den nacht door, terwijl zij even vóór het opkomen der zon +naar huis terugkeerden. Nachten achtereen kwamen zij op diezelfde +geheimzinnige wijze en altijd droeg Yoné de brandende lantaarn met +pioenrozen, terwijl beiden altijd op hetzelfde uur vertrokken. + + + + +Een Spion. + +In zekeren nacht hoorde toevallig Tomozo, een der bedienden +van Shinzaburo, die naast zijn meester huisde, het geluid van een +vrouwenstem in het vertrek van zijn meester. Hij loerde door een spleet +in één der schuifdeuren, en zag bij het licht der lantaarn, die binnen +de kamer brandde, dat zijn meester met een vreemde vrouw sprak onder +het muskietennet. Hun gesprek had iets zóó eigenaardigs, dat Tomozo +besloot, te trachten het gelaat der vrouw te aanschouwen. Toen dit hem +eindelijk gelukte, rezen zijn haren te berge en beefde hij vreeselijk, +daar hij het gelaat van een doode vrouw zag, een vrouw, die reeds lang +gestorven was. Er was geen vleesch op haar vingers, immers wat vroeger +haar vingers geweest waren, was nu een bos rammelende beenderen. Alleen +het bovengedeelte van haar lichaam was stoffelijk; beneden haar middel +was niets dan een flauwe, zich bewegende schaduw. Terwijl Tomozo +met afschuw op een zoo afschrikwekkend tafereel staarde, sprong de +gestalte van een tweede vrouw binnen in de kamer op. Zij vloog af op +de spleet en op het oog van Tomozo daarachter. Met een kreet van schrik +vluchtte de spionneerende Tomozo naar het huis van Hukuodo Yusai. + + + + +De Raad van Yusai. + +Yusai was een man, doorkneed in alle soorten van mysteries; maar toch +maakte de geschiedenis van Tomozo een diepen indruk op hem, en hij +luisterde naar iedere bijzonderheid met de groote verbazing. Toen de +bediende de toedracht der zaak volledig had verteld, deelde Yusai +hem mede, dat zijn meester een veroordeeld man was, als het bleek, +dat de vrouw een geest was, daar liefde tusschen een levende en een +doode steeds eindigde met den ondergang van den levende. + +Doch onafhankelijk van die critische beoordeeling van die vreemde +gebeurtenis, deed Yusai bovendien practische stappen, om den jongen +_samurai_ voor een zoo droevig lot te bewaren. Den volgenden morgen +besprak hij de zaak met Shinzaburo, en vertelde hem tamelijk duidelijk, +dat hij een geest had liefgehad, en dat het, hoe eer hij zich van dien +geest had losgemaakt, des te beter voor hem zou zijn. Hij eindigde +zijn gesprek, met den jongen man den raad te geven, naar het district +Shitaya, in Yanaka-no-Sasaki, te gaan, de plaats, waar die vrouwen +volgens haar bewering woonden. + + + + +Het Geheim wordt onthuld. + +Shinzaburo volgde den raad van Yusai, maar nergens in Yanaka-no-Sasaki +kon hij de woonplaats van Tsuyu vinden. Toen hij op de terugreis was, +liep hij toevallig door den tempel Shin-Banzui-In. Daar zag hij twee +graven naast elkander, het ééne zonder eenig bijzonder kenteeken +en zeer eenvoudig, het andere echter groot en schoon, versierd +met een lantaarn met pioenrozen, die zachtjes door den wind werd +bewogen. Shinzaburo herinnerde zich, dat die lantaarn volkomen gelijk +was aan die, welke door Yoné werd gedragen, en een altaardienaar deelde +hem mede, dat die graven die van Tsuyu en Yoné waren. Toen begreep +hij de vreemde beteekenis van de woorden van Yoné: "_Wij gingen weg, +en vonden een zeer kleine woning in Yanaka-no-Sasaki. Wij kunnen +daar nauwelijks leven, door eenigen privaten arbeid te verrichten._" +Haar huis was dus een graf. De geest van Yoné droeg de lantaarn met +pioenrozen, en de geest van Tsuyu sloeg haar vleeschlooze armen om +den hals van den jeugdigen _samurai_. + + + + +Heilige Toovermiddelen. + +Shinzaburo, die nu ten volle bewust was van het afgrijselijke van den +toestand, keerde haastig naar huis terug en vroeg raad aan den wijzen, +verzienden Yusai. Die geleerde man bekende, dat hij niet in staat was, +hem verder in die zaak te helpen, maar raadde hem aan, naar Ryoseki +den hoogepriester van den tempel Shin-Banzui-In, te gaan, en gaf hem +een brief mede, waarin was uitgelegd, wat er was geschied. + +Onbewogen luisterde Ryoseki naar het verhaal van Shinzaburo, daar +hij zooveel verhalen had gehoord, die op hetzelfde onderwerp, de +noodlottige macht van Karma, betrekking hadden. Hij gaf den jongen +man een klein gouden beeld van Buddha, en zeide hem, dat hij dit op +zijn bloote lichaam moest dragen, daar het dan den levende tegen +den doode zou beschermen. Ook gaf hij hem een heilige _sutra_, +"Schatten-Regenende Sutra" genaamd, terwijl hij hem aanbeval, +die iederen avond in huis op te zeggen; en ten slotte gaf hij hem +een pakje heilige teksten. Hij moest iedere heilige strook over een +opening in zijn huis plakken. + +Tegen den nacht was alles in het huis van Shinzaburo in orde +gebracht. Alle openingen waren met heilige teksten beplakt, en de lucht +weerklonk van het opzeggen der "Schatten-Regenende Sutra", terwijl +het kleine gouden beeld van Buddha zich op de borst van den _samurai_ +heen en weer bewoog. Maar toch keerde de vrede dien nacht niet terug +in het gemoed van Shinzaburo. Geen slaap sloot zijn vermoeide oogen, en +juist op het oogenblik, dat een klok uit den tempel ophield te luiden, +hoorde hij weer op nieuw het oude _karan-koron, karan-koron_, het zacht +geklepper der spookachtige _geta_! Daarna hield het geluid op. Vrees +en vreugde streden met elkander in het hart van Shinzaburo. Hij hield +op met het opzeggen der heilige _sutra_ en keek naar buiten in het +donker. Weer zag hij Tsuyu en haar dienstbode met de lantaarn met +pioenrozen. Nooit had Tsuyu er zoo schoon en verlokkelijk uitgezien; +maar een namelooze vrees hield hem terug. Met doodelijken angst hoorde +hij de vrouwen samen spreken. Hij hoorde Yoné vertellen, dat zijne +liefde verdwenen was, daar zijn deuren gesloten waren, om hem tegen +haar te beveiligen; en hij hoorde Tsuyu klagen en weenen. Eindelijk +liepen de vrouwen rond naar de achterzijde van het huis. Maar noch +van achteren noch van voren konden zij het huis binnentreden, zóó +groot was de macht van de heilige woorden van Buddha. + + + + +Het Verraad. + +Toen alle pogingen van Yoné, om in het huis van Shinzaburo binnen +te komen, vruchteloos waren, ging zij nacht aan nacht naar Tomozo +en smeekte hem, de heilige teksten uit de woning van zijn meester te +verwijderen. Telkens op nieuw beloofde Tomozo uit ontzetttende vrees, +dit te doen, maar bij het aanbreken van den dag werd hij weer moedig +en besloot hij den man niet te bedriegen, die altijd zoo goed voor +hem was geweest, en wien hij zooveel verschuldigd was. In zekeren +nacht weigerde Yoné echter, nog langer zich voor den gek te laten +houden. Zij bedreigde Tomozo met haar afschuwelijken haat, als hij +niet één der heilige teksten verwijderde, en bovendien trok zij een +zóó verschrikkelijk gezicht, dat Tomozo bijna van schrik bezweek. + +Toevallig werd Miné, de vrouw van Tomozo, wakker en hoorde zij +een vreemde vrouw met haar man spreken. Toen de vrouwelijke geest +verdwenen was, gaf Miné haar echtgenoot den listigen raad, dat hij +er in zou toestemmen, aan het verzoek van Yoné te voldoen, als deze +hem met honderd _ryo_ zou willen beloonen. + +Twee nachten later, toen die slechte dienaar zijn belooning had +ontvangen, gaf hij Yoné het gouden beeldje van Buddha, nam één van de +heilige teksten uit het huis van zijn meester weg, en verbrandde op een +akker de _sutra_, die zijn meester placht op te zeggen. Dit stelde Yoné +en haar meesteres in staat, nog eens het huis van Shinzaburo binnen +te treden, en van dat oogenblik af begon weer die afgrijselijke liefde +voor de doode, onder den invloed van de geheimzinnige macht van Karma. + +Toen Tomozo den volgenden ochtend het huis betrad, om zooals +gewoonlijk zijn meester te roepen, kreeg hij op zijn kloppen +geen antwoord. Eindelijk trad hij het vertrek binnen en daar lag +zijn meester dood onder het muskietennet, en naast hem lagen de +witte beenderen van een vrouw. De beenderen van "Morgendauw" waren +gestrengeld om den nek van hem, die haar te zeer had bemind, van hem, +die haar zóó hartstochtelijk had liefgehad, dat het ten slotte zijn +verderf was geweest. + + + + +HOOFDSTUK XIX. KOBO DAISHI, NICHIREN, EN SHODO SHOHIN. + + + "Toen hij stierf, was het alsof een helder licht in het midden + van een donkeren nacht was uitgegaan." + + _Namudaishi_ (Naar _Arthur Lloyd)_. + + + +De "Namudaishi". + +Kobo Daishi [58] ("Eer aan den Grooten Leeraar"), die in het jaar +774 na Christus geboren was, was de heiligste en beroemdste van de +Japansche Buddhistische heiligen. Hij stichtte de Shingon-Shu, een +Buddhistische secte, die bekend was om haar tooverformulieren en om +haar duistere en geheimzinnige leerstellingen, en men verhaalt ook, +dat hij de uitvinder is van het _Hiragana_ lettergrepenschrift, een +vorm van loopend schrift. In de _Namudaishi_, een Japansch gedicht +over het leven van dien grooten heilige, lezen wij, dat Kobo Daishi +uit China een molensteen medebracht, en enkele zaden van de theeplant, +en zoo weer het gebruik van dien drank deed herleven, die in onbruik +was geraakt. In hetzelfde gedicht wordt ook vermeld, dat het Kobo +Daishi was, die de wereld het gebruik van steenkool leerde. Hij was +vermaard als een groot prediker, maar was niet minder beroemd als +schoonschrijver, schilder, beeldhouwer en reiziger. + + + + +"Een Goddelijk Wonder." + +Kobo Daishi is echter voornamelijk bekend wegens de buitengewone +wonderen, die hij volbracht heeft, en talloos is het aantal legenden, +waarbij hij betrokken is. Reeds bij zijn geboorte werden wonderen +waargenomen, immers toen hij geboren werd, scheen er een helder licht, +en hij kwam ter wereld, met gevouwen handen, als in gebed. Toen hij +slechts vijf jaar oud was, zat hij reeds onder de lotusbloemen en +hield hij gesprekken met Buddha en hij hield alle wijsheid, die hij zoo +verwierf, geheim. Zijn hart werd bewogen door de droefheid en pijnen +der menschheid. Toen hij op den berg Shashin stond, trachtte hij zijn +eigen leven op te offeren als zoenoffer, maar werd daarin verhinderd +door een aantal engelen, die niet wilden, dat die vurige ziel door +den dood onderging, voordat hij zijn bestemming had bereikt. Bij +zekere gelegenheid bouwde hij een pagode van klei, en onmiddellijk +werd hij omringd door de Vier Hemelsche Koningen (oorspronkelijk +Hindu-godheden). De Keizerlijke Bode, die juist voorbijkwam, toen dit +wonder geschiedde, was uiterst verbaasd, en beschreef den jongen Kobo +Daishi als "een goddelijk wonder". Terwijl hij te Muroto was in Tosa, +en met zijn gebeden bezig was, viel, zooals ons in de _Namudaishi_ +wordt medegedeeld, een heldere ster uit den Hemel en kwam in zijn +mond, terwijl tegen middernacht een kwaadaardige draak op hem aanviel, +"maar hij spuwde daarop, en doodde hem met zijn speeksel." + +In zijn negentiende jaar droeg hij de zwarte zijden kleeren van +een Buddhistenpriester, en met een ijver, die hem nooit in den steek +liet, zocht hij naar meer licht. "Velen zijn de wegen", zoo sprak hij, +"maar het Buddhisme is de beste weg van alle." Gedurende zijn mystieke +studiën kreeg hij een boek in handen, dat de Shingon-leer bevatte, +een leer, die treffende overeenkomst heeft met oude Egyptische +bespiegelingen. Het boek was zóó duister, dat het zelfs Kobo Daishi +niet gelukte, het volkomen meester te worden; maar volstrekt niet +afgeschrikt, kreeg hij van den Keizer verlof naar China te reizen, +waar hij ten slotte de diepe geheimen van dat boek ontwarde, +en een zóódanigen trap van heiligheid bereikte, dat deze aan het +wonderbaarlijke grensde. + + + + +Gohitsu-Osho. + +Toen Kobo Daishi in China was, ontbood hem de Keizer, die van zijn +roem gehoord had, en vroeg hem, of hij den naam van één der kamers +in het Keizerlijk paleis nog eens wilde schrijven, daar die naam +was weggevaagd door den uitwisschenden vinger van den Tijd. Kobo +Daishi schreef, met een penseel in iedere hand, één in zijn mond en +twee tusschen de teenen, de verlangde letters op den muur, en naar +aanleiding van die buitengewone verrichting noemde de Keizer hem +Gohitsu-Osho ("De Priester, die met vijf penseelen schrijft"). + + + + +Het schrijven op de Lucht en op het Water. + +Terwijl Kobo Daishi nog in China was, ontmoette hij een jongen knaap, +die aan den oever van een rivier stond. "Als gij Kobo Daishi zijt", +zoo sprak deze, "wees dan wel zoo goed en schrijf op de lucht, want +ik heb gehoord dat geen wonder boven uw macht is." + +Kobo Daishi tilde zijn penseel op; dit bewoog zich snel in de lucht, +en in de blauwe lucht werd schrift gezien, en wel letterteekens, +volmaakt van vorm en verwonderlijk schoon. + +Toen de knaap eveneens op de lucht had geschreven en daarbij geen +mindere vaardigheid had getoond, zeide hij tot Kobo Daishi: "Wij +hebben beiden op de lucht geschreven. Nu verzoek ik u, te willen +schrijven op die stroomende rivier." + +Kobo Daishi stemde onmiddellijk toe. Weer bewoog zich het penseel, +en nu kwam er een gedicht op het water te voorschijn, en wel een +gedicht tot lof van die bijzondere rivier. De letters bleven een +oogenblik staan en werden toen door den snellen stroom weggevoerd. + +Er schijnt een wedstrijd in tooverkracht te hebben bestaan tusschen +de beide bewerkers van wonderen, immers nauwelijks waren de letters +uit het gezicht verdwenen, of ook de knaap schreef op het stroomende +water het teeken van den Draak en dit bleef stil staan. + +Kobo Daishi, die een groot geleerde was, bemerkte onmiddellijk, +dat de knaap de _ten_ had vergeten, een punt, die bij dit teeken +behoorde. Toen Kobo Daishi hem op die vergissing opmerkzaam maakte, +erkende de knaap, dat hij de _ten_ had vergeten, en vroeg, of de +beroemde heilige die er in wilde plaatsen. Nauwelijks had Kobo Daishi +dit gedaan, of het teeken van den Draak veranderde in een werkelijken +Draak. Zijn staart zweepte de wateren, donderwolken ijlden door de +lucht en de bliksem flikkerde. Een volgend oogenblik rees de Draak +uit het water op en steeg ten hemel. + +Hoewel de toovermacht van Kobo Daishi die van den knaap overtrof, +vroeg hij hem, wie hij toch was en de knaap antwoordde: "Ik ben Monju +Bosatu, de Meester der Wijsheid". Na die woorden te hebben gesproken, +werd hij verlicht door een stralend licht; de schoonheid der Goden +scheen op zijn gelaat, en evenals de Draak steeg hij ten hemel. + + + + +Hoe Kobo Daishi de Ten schilderde. + +Bij zekere gelegenheid vergat Kobo Daishi de _ten_ op een tegel, +die boven één der poorten van het paleis des Keizers was geplaatst +[59]. De keizer beval, dat ladders zouden worden gebracht, maar Kobo +Daishi bleef op den grond staan, zonder van de ladders gebruik te +maken en wierp zijn penseel in de hoogte, dat de _ten_ teekende en +toen weer in zijn hand terugviel. + + + + +Kino Momoye en Onomo Toku. + +Kino Momoye maakte zich eens vroolijk over enkele van de letterteekens +van Kobo Daishi, en zeide, dat één van die karakters geleek op +een verwaanden worstelaar. Den nacht, nadat hij die flauwe grap +had verteld, droomde Momoye, dat een worstelaar hem slag op slag +toediende, en zelfs dat zijn tegenstander op zijn lichaam sprong en +hem vreeselijke pijnen berokkende. Momoye werd wakker, en schreeuwde +hard in zijn doodsangst; terwijl hij schreeuwde, zag hij, dat de +worstelaar plotseling veranderde in het letterteeken, waarover hij +zoo onverstandig had gelachen. Het steeg in de lucht en keerde terug +naar de plaats, waar het vandaan was gekomen. + +Momoye was niet de eenige, die onvoorzichtig spotte met het werk van +den grooten Kobo Daishi. De legende verhaalt, dat een zekere Onomu Toku +zeide, dat het letterteeken _Shu_ van den heilige veel meer had van het +letterteeken "rijst". Dien nacht was er voor Onomu Toku alle reden, +berouw te hebben over zijn dwaasheid, immers in zijn droom kreeg het +letterteeken _Shu_ een menschelijke gedaante en werd het een reiniger +van rijst, die het lichaam van den boosdoener op en neer bewoog op de +wijze van hamers, die gebruikt werden om de rijst te kloppen. Toen +Onomu Toku ontwaakte, bleek het, dat zijn lichaam met builen bedekt +was, en dat zijn vleesch op verschillende plaatsen bloedde. + + + + +De Terugkeer van Kobo Daishi. + +Toen Kobo Daishi op het punt stond China te verlaten en naar zijn +eigen vaderland terug te keeren, ging hij naar het strand der zee en +wierp hij zijn _vajra_ [60] over de golven der zee, en men vond die +later hangen aan den tak van een pijnboom te Takano, in Japan. + +Wij weten geen bijzonderheden omtrent de reis van Kobo Daishi naar zijn +eigen land; maar onmiddellijk na zijn aankomst bracht hij dankoffers +voor de goddelijke bescherming, die hij gedurende zijn reizen had +genoten. Op den Naakten Berg maakte hij gebruik van zóó krachtige +tooverformulieren, dat de vroeger geheel dorre berg overdekt werd +met bloemen en boomen. + +Kobo Daishi werd, naarmate de tijd voortschreed, voortdurend +heiliger. Gedurende een godsdienstig twistgesprek vloeide het +Goddelijke Licht van hem uit, en steeds bleef hij voortgaan, een +aantal wonderen te volbrengen. Hij maakte brak water zuiver, gaf de +dooden het leven weder, en bleef in gemeenschap en in overleg met +enkele goden. Bij een zekere gelegenheid verscheen Inari [61], de +God van de Rijst, op den berg Fushimé, en nam uit de handen van den +grooten heilige het offer in ontvangst, dat hij opdroeg. "Wij samen, +gij en ik", zoo sprak Kobo Daishi, "zullen dit volk beschermen". + + + + +De Dood van Kobo Daishi. + +Die merkwaardige heilige stierf in het jaar 834 na Christus, en volgens +de berichten weende een groote menigte, zoowel leeken als priesters, +op het kerkhof te Okunoin, in Koya, waar hij begraven is. Zijn dood +maakte echter volstrekt niet plotseling een einde aan de wonderen, +die door hem werden verricht; immers toen Keizer Saga stierf, +"werd zijn doodkist op geheimzinnige wijze door de lucht naar Koya +gebracht en Kobo zelf verrichtte, na uit zijn graf te zijn verrezen, +de begrafenis-ceremoniën." En ook dit was nog niet het einde van +de door hem verrichte wonderen, immers Keizer Uda ontving van Kobo +Daishi den heiligen Doop. Toen de Keizerlijke Boodschapper, die den +tempel bezocht, waar Kobo Daishi vereerd werd, niet in staat was, +het gelaat van dien grooten heilige te zien, "leidde Kobo de hand +van den aanbidder, en liet hem zijn knie aanraken. Nooit, zoolang +hij leefde, vergat de Boodschapper dat gevoel!" + + + + +Het Wonderdadige Beeld. + +In Kawasaki is een tempel, aan Kobo Daishi gewijd. De legende van die +plaats schrijft haar roep van heiligheid toe aan een beeld van Kobo +Daishi, dat door dien heilige zelf was gesneden tijdens zijn verblijf +in China, en dat door hem aan de golven was toevertrouwd. Het dreef +naar de kust, waar het gevangen werd in het net van een visscher, en +verrichtte, toen het aan land was gebracht, een aantal buitengewone +wonderen. De boomen in het park om den tempel, die gekweekt zijn in de +gedaante van jonken onder zeil, zijn een getuigenis van de vereering, +door de zeelieden aan dit heilige beeld bewezen. [62] + + + + +Nichiren. + +Nichiren was de stichter der Buddhistische secte, die naar +hem heet. Zijn naam beteekent Zonnelotus, en werd hem gegeven, +omdat zijn moeder droomde, dat de zon op een lotus rustte, toen +hij verwekt werd. Nichiren was een beeldenstormer van een zeer +geprononceerd karakter. Hij had door openbaring een volledige +kennis van Buddhistische mysteriën gekregen, hoewel men, als men +de geschiedenis van zijn leven leest, zou hebben ondersteld, dat +hij zijn merkwaardige godsdienstige kennis door inspannende studie +had verworven. Tijdens zijn leven werd Japan geteisterd door een +vreeselijke aardbeving, gevolgd door een verwoestenden orkaan, door +pest en hongersnood. Die rampen waren zóó verschrikkelijk, dat men +bad, liever te mogen sterven dan te midden van zulk een algemeene +ellende te moeten leven. Nichiren zag in die groote rampen de hand +van het Noodlot. Hij zag, dat godsdienst en politiek verdorven waren +geworden, en dat de Natuur in opstand was gekomen tegen het groote +aantal ongerechtigheden, die toen bestonden. Nichiren zag in, dat +het Buddhisme niet langer uit de eenvoudige leerstellingen van Buddha +bestond. Hij had zóó ijverig gestudeerd in de boeken der verschillende +Buddhistische secten, dat het hem bleek, dat de priesters Shaka Muni +(den Buddha) hadden verwaarloosd en in zijn plaats Amida aanbaden, +een vorm, waarin zich Buddha openbaarde. En dit was nog niet het einde +van hun ketterij, want het bleek hem, dat priesters en bevolking ook +Kwannon en andere godheden aanbaden. Nichiren wenschte die godheden aan +kant te zetten en het Buddhisme in zijn oude zuiverheid en eenvoud van +opvatting te herstellen. Hij riep in één van zijn leerredenen uit: +"Ontwaakt, mannen, ontwaakt! Ontwaakt en ziet om u heen. Niemand +is geboren met twee vaders of met twee moeders. Ziet naar den hemel +boven u: er zijn geen twee zonnen aan den hemel. Ziet naar de aarde +aan uw voeten: geen twee koningen kunnen gelijktijdig over een land +regeeren." Met andere woorden, hij duidde hiermede aan, dat niemand +twee meesters kan dienen, en de eenige meester, dien hij waardig +achtte gediend en aanbeden te worden, was Buddha zelf. Door dit +geloof trachtte hij de gewone _mantra_, _Namu Amida Butsu_ weer te +vervangen door _Namu Myoho Renge Kyo_ ("O, de Schrift van den Lotus +der Wonderbaarlijke Wet!") + +Nichiren schreef _Rissho Ankoku Ron_ ("Boek om het Land tot Rust te +Brengen"), dat de voorspelling bevatte van een Mongoolschen inval +en een aantal heftige aanvallen tegen de andere Buddhistische +secten. Eindelijk was Hojo Tokiyori verplicht hem voor den tijd +van dertig jaar naar Ito te verbannen. Hij ontsnapte echter en +hernieuwde zijn heftige aanvallen op de andere secten. De vijanden +van Nichiren zochten hulp bij den Regent Tokimune, die besloot, dat +de monnik onthoofd moest worden, en de wraakgierige Nichiren werd +ten slotte naar de kust van Koshigoye gezonden, om ter dood te worden +gebracht. Terwijl hij den noodlottigen slag afwachtte, bad Nichiren +tot Buddha en het zwaard brak, toen het zijn hals aanraakte. En dit was +niet het eenige wonder, want onmiddellijk na het breken van het zwaard +trof een bliksemschicht het paleis te Kamakura, en een hemelsch licht +omgaf den heiligen Nichiren. De beambte, die met de terechtstelling +was belast, kwam sterk onder den indruk van die bovennatuurlijke +gebeurtenissen, en hij zond een bode naar den Regent, om uitstel +der terechtstelling te vragen. Tokimune had echter reeds iemand te +paard gezonden, die het bericht bracht, dat aan Nichiren genade was +geschonken, en beide mannen kwamen elkaar te gemoet bij een rivier, +die thans Yukiai genoemd wordt ("Ontmoetingsplaats.") + +De wondervolle redding van Nichiren werd gevolgd door een nog heviger +aanval op hen, die hij beschouwde als niet tot den waren godsdienst +te behooren. Weer werd hij verbannen, en eindelijk koos hij den berg +Minobu tot verblijfplaats. Men zegt, dat een schoone vrouw naar dien +berg kwam, terwijl Nichiren bezig was te bidden. Toen de groote heilige +haar zag, zeide hij: "Neem weer uw natuurlijke gedaante aan." Nadat de +vrouw water had gedronken, veranderde zij in een slang van omstreeks +twintig voet lengte, met ijzeren tanden en gouden schubben. + + + + +Shodo Shonin. + +Shodo Shonin was de stichter van den eersten Buddhistischen tempel te +Nikko, en de volgende legende heeft, naar men meent, geleid tot den +bouw der heilige brug van Nikko. Toen Shodo Shonin op zekeren dag op +reis was, zag hij vier wolken van een vreemden vorm van de aarde in +de lucht opstijgen. Hij haastte zich voort, ten einde ze duidelijker +te kunnen zien, maar kon niet ver voorttrekken, daar het hem bleek, +dat zijn weg versperd werd door een woesten bergstroom. Terwijl +hij bad om een middel, om zijn reis voort te zetten, verscheen een +reusachtige gestalte vóór hem, gekleed in blauwe en zwarte kleederen, +met een halsband van doodshoofden. Het geheimzinnige wezen schreeuwde +hem van den overkant deze woorden toe: "Ik zal u helpen, zooals +ik vroeger Hiuen heb geholpen." Na die woorden te hebben gesproken, +wierp de Godheid twee blauwe en groene slangen over de rivier heen en +zoo was de priester in staat over de brug van slangen den bergstroom +over te trekken. Toen Shodo Shonin de andere oever had bereikt, +verdwenen de God en zijn blauwe en groene slangen. + + + + +HOOFDSTUK XX. WAAIERS. + + + +De Beteekenis van den Japanschen Waaier. + +"Hare wapenen zijn een glimlach en een kleine waaier." Die aanhaling +uit Yone Noguchi geeft slechts een beeld van één gedaante van den +Japanschen waaier, de gedaante, waarmede wij, Europeanen, bekend +zijn. De Japanschen waaier is niet alleen een sierlijk vrouwelijk +speelgoed, dat gebruikt moet worden te zamen met een glimlach +of met oogen, die van achter het ééne of andere voortreffelijk +bloemenpatroon te voorschijn gluren. De waaier van Nippon heeft +een bekoorlijke geschiedenis, die geheel valt buiten de innemende +kunst van coquetteeren, en zij die in dit onderwerp belangstellen, +doen goed, het werk van Mevrouw C.M. Salwey, _Japansche Waaiers_ te +bestudeeren. Daarin zal de lezer vinden, dat de waaier uit het Land +der Rijzende Zon een aantal belangrijke diensten heeft bewezen. Hij +is door oude krijgslieden op het slagveld gebruikt als een middel, +hun bevelen kracht bij te zetten. Bij één gelegenheid was hij het +mikpunt van den boog van Nasu no Yoichi, en hoewel de door de zon +duidelijk uitkomende waaier in den wind wapperde, gebonden aan een +stok, die aan den dolboord van één der schepen van de Taira bevestigd +was, wist Yoichi hem neer te halen. + + + "Helaas, de waaier! + Nu wrakhout op zee. + De naam van vorst Nasu + Yoichi, bekwaam met den boog. + Is overal verspreid." + + +Een bepaalde Japansche waaier van reusachtige grootte wordt gebruikt +bij het feest der Zonnegodin in Ise. Er wordt een aardige geschiedenis +verhaald omtrent de weduwe van Atsumori, die non was geworden, en die +een priester had genezen, door hem te verkoelen door middel van den +eersten dichtslaanden waaier, die door haar zou zijn uitgevonden. Één +der meest belangrijke gedeelten van de Japanschen waaiers, zooals +trouwens van de waaiers in het algemeen, is de haak, en daarover +is de volgende legende bekend. Kashima stak bij zekere gelegenheid +zijn zwaard door de aarde, met het doel de wereld te doen stilstaan, +en aldus aardbevingen te voorkomen, een verschijnsel, dat nog steeds +in Japan ontzettend veel voorkomt. Daarop veranderde het zwaard in +steenen, en werd het _Kanamé ishi_ of de Haakrots genoemd, en dit +zou de oorsprong zijn van den naam _Kanamé_, die op Japansche waaiers +wordt toegepast. + +Mevrouw C.M. Salwey verhaalt ons in een artikel, dat tot titel draagt: +_Over symboliek en symbolische ceremoniën der Japanners_ [63], dat +de dichtslaande waaier een symbool is van het leven. Zij schrijft: +"De haak aan het uiteinde is het symbool van den aanvang, de daarvan +straalsgewijze uitgaande leden drukken den levensweg uit... De +uitwendige deelen van het raam stellen de ouders voor, de inwendige +de kinderen, om aan te toonen, dat kinderen hun geheele leven onder +toezicht moeten staan." Op het raam is dikwijls het oog van een kat +aangebracht, wat een beeld is van het snel voortschrijden van den +tijd, of ook wel vindt men er een reeks cirkels op, de ééne in den +anderen geschakeld--een niet volledig patroon, dat moet aantoonen, +dat "leven en wijsheid nooit kunnen worden uitgeput." + +Er is een legende met betrekking tot den Japanschen waaier, die +allerliefst is, en waarbij noch van oorlog, noch van wijsbegeerte +sprake is. Hoewel de verhalen van den Japanschen waaier wijd verspreid +en van zeer afwisselenden aard zijn, de meer teedere zijde spreekt +het sterkst tot ons. De Japansche waaier, waarop een liefdedicht is +geschreven en waarbij een liefdeshistorie op den achtergrond staat, +is de waaier, die altijd het dierbaarst zal zijn voor hen, die nog +steeds in hun hart een plaatsje vrij hebben voor het romantische. De +volgende legende is ontleend aan _het Dagboek van een Winde_. + + + +De Liefde van Asagao. + + + "De morgenstralen + Hebben met bloemblad en bloemkelk in 't ronde + Het hengsel van mijn emmer omwonden. + Ik wil niet gaarne verbreken de banden + Van die zachte lieflijke handen. + Den put en den emmer liet ik dus staan, + Ach, bied mij, beroofde, wat water aan". + + _Uit het Japansch_. (Naar _Sir Edward Arnold_.) + + +Komagawa Miyagi, een onderhoorige van één der _daimio's_, kwam in een +voorstad van Kyoto. Daar het een warme zomeravond was, huurde hij een +boot, en terwijl hij al zijn zorgen op zijde zette, volgde hij met den +blik een aantal meisjes met licht gekleurde kleeren, die bezig waren +glimwormen te vangen. Die heldere insecten glinsterden in de lucht en +op het gras, zoodat de lachende meisjes gelegenheid te over hadden, +die levende juweelen te vangen, en ze een oogenblik in het haar te +plaatsen, op haar opgehouden vinger, of tegen een zijden bloem op +een _kimono_. + +Terwijl Komagawa dit aardige tooneel gadesloeg, zag hij, dat één +der dames moeite had met haar boot. Komagawa kwam haar onmiddellijk +te hulp en dadelijk werd hij smoorlijk op haar verliefd. Zij bleven +samen in een koelen inham der rivier toeven, en bekommerden zich niet +langer om glimwormen, daar beiden vurig begeerden elkander hun liefde +te betuigen. + +Om hun huwelijksbeloften te bezegelen, ruilden beide gelieven, +volgens een oud gebruik, hun waaiers. Op den waaier van Miyuki was +een winde geteekend. Komagawa schreef een gedicht over die liefelijke +bloem op zijn eigen waaier, voordat hij dien aanbood aan het meisje, +dat hij beminde. Zoo wisselden zij niet alleen hun huwelijksbeloften, +maar ook hun waaiers, en de winde zoowel in beeld als in vers werd +het pand van hun trouw. + +Na een tijd gingen de gelieven van elkander weg, om eenige dagen +later elkander weer te Akasha te ontmoeten, waar hun booten toevallig +vlak langs elkander heen voeren. Toen zij heel wat vriendelijke en +lieve woordjes hadden gewisseld, keerden zij ieder naar hun eigen +woning terug. + +Toen Miyuki haar woning bereikte, nog stralend van geluk bij het +denken aan haar trouwe liefde, ontdekte zij, dat haar ouders reeds +een huwelijk voor haar hadden in orde gemaakt met iemand, dien het +arme meisje nooit te voren had gezien. + +Miyuki hoorde dat bericht met een droevig hart. Zij wist, dat +kinderen verplicht waren, hun ouders te gehoorzamen, en toen zij +op haar _futon_ neerlag, deed zij haar uiterste best aan den wensen +harer ouders te gehoorzamen. Maar de strijd bleek vruchteloos te zijn, +immers het beeld van haar minnaar kwam haar voortdurend voor den geest, +en evenzoo de rivier en de flikkerende glimwormen. Zij stond dus op, +kroop het huis uit en wandelde naar een bepaalde stad, in de hoop +Komagawa te vinden, doch bij haar aankomst bleek het haar, dat hij +vertrokken was, niemand wist waarheen. + +Die bittere teleurstelling trof Miyuki ontzettend, en dagen achtereen +weende zij. Haar zilte tranen stroomden zóó aanhoudend, dat zij +spoedig stekeblind werd, een even hulpeloos wezen als "een vogel +zonder veeren of een visch zonder vinnen". + +Nadat Miyuki eenigen tijd aan haar smart had toegegeven, kwam zij tot +de overtuiging, dat zij, als zij niet van gebrek wilde omkomen, iets +moest doen, om in haar levensonderhoud te voorzien. Zij besloot gebruik +te maken van haar uitstekende stem, en op straat of in theehuizen te +zingen. Haar stem, verbonden met haar schoon en roerend gelaat, vond +onmiddellijk erkenning. Het publiek weende over haar droevig gezang +zonder te weten waarom. Zij zong met voorliefde het kleine gedicht +over de winde, dat Komagawa op zijn waaier had geschreven, daarom +noemde het publiek, dat haar hoorde zingen, haar Asagao ("Winde"). + +Het blinde meisje werd van de ééne plaats naar de andere geleid door +haar vriendin Asaka ("Zachte Geur") totdat deze door iemand vermoord +werd, en Asayo dus alleen achterbleef, om haar duistere tochten te +volbrengen, zonder een vriendelijke hand om haar te geleiden. Er +was slechts één gedachte, die Asagao troostte, en dat was deze, +dat zij misschien tijdens haar zwerftochten toevallig haar minnaar +zou ontmoeten. + +Toen een paar jaren voorbij waren gegaan, wilde het toeval, +dat Komagawa, vergezeld van Iwashiro Takita, door zijn Daimio +voor zaken was uitgezonden. Op hun reis kwamen zij een theehuis +binnen. Iwashiro Takita was knorrig en uit zijn humeur, en zat in +somber stilzwijgen neder, zonder dat hij zich verwaardigde, op zijn +omgeving te letten. Komagawa echter keek rond, en zag op een scherm +het gedicht, dat hij op de winde had vervaardigd, hetzelfde gedicht, +dat hij zoo liefdevol voor Asagao had opgeteekend. Terwijl hij over +die zaak nadacht, kwam de eigenaar van het theehuis het vertrek +binnen. Komagawa ondervroeg hem over dit kleine minnedicht, en de +eigenaar van het theehuis deed het volgende verhaal: + +"Het is een uiterst treurige geschiedenis", zoo sprak hij. "Het gedicht +werd gezongen door een arm blind meisje. Zij liep weg uit haar huis, +omdat zij niet kon huwen met den man, dien haar ouders voor haar hadden +gekozen. Zij was niet in staat in die verbintenis toe te stemmen, +omdat zij reeds een minnaar had 'en dien minnaar' zoekt zij over het +geheele land, steeds dit liedje over de winde zingend, in de hoop, +dat zij te eeniger tijd het geluk mag hebben, hem te ontmoeten. Edele +Heer, zij is juist op dit oogenblik in mijn theetuin!" + +Komawaga kon nauwelijks zijn vreugde verbergen, terwijl hij verzocht, +dat de eigenaar van het theehuis de blinde vrouw zou binnen brengen. + +Een oogenblik later stond Asagao vóór hem. Hij zag in haar fijn en +teer gelaat nog een nieuwe schoonheid, en wel die van de hoop, de +schoonheid van een liefde, die helder en rein was gebleven gedurende +de lange, droevige jaren van wachten. + +Asagao tokkelde de _samisen_ [64]. Liefelijk en zacht zong zij: + + + "De stroom van zilvren regen viel, zij bevochtigde d'arme winde, + De zachte dauw op de blaadjes en bloemen werd door de afgunstige + zonne verwijderd." + + +Komagawa luisterde gespannen toe, verlangend te mogen spreken, +verlangend zijn liefde te openbaren, maar hij bleef zwijgen, omdat +zijn slecht opgevoede reisgenoot in de kamer bleef. Hij keek naar +haar donkere oogen, die naar hem toe gekeerd waren, maar zij waren +zonder uitdrukking, daar zij niets konden zien. Nog steeds tokkelde +zij de _samisen_, en nog steeds klonk haar stem liefelijk en zacht +en onuitsprekelijk aandoenlijk in het vertrek. Met een diep bedroefd +hart en zonder een woord van liefde stuurde hij haar weg met de +gebruikelijke gave. Zij vertrok uit het vertrek, als het ware +bewust van een nieuwe, bittere smart. Er was iets in de stem van +haar begunstiger, dat bijzonder teeder was, iets dat haar diep trof, +en dit deed haar hart pijn, en deed haar smartelijk aan, zonder dat +zij wist waarom. + +Den volgenden dag gaf Komagawa den eigenaar van het theehuis een +waaier, terwijl hij zeide: "Geef dezen waaier met dit geld aan +Asagao. Zij zal het wel begrijpen." Na die woorden gesproken te hebben, +vervolgde Komagawa met zijn metgezel zijn reis. + +Toen Asagao den waaier had ontvangen, betastte zij dien heftig met +haar kleine, witte vingers. "Wie heeft mij dien waaier en dat geld +gegeven?" vroeg zij. "Ach, vertel mij, hoe de waaier er uit ziet. Is +er ook een teekening van een winde op?" + +De eigenaar van het theehuis keek haar vriendelijk aan. "Hij, voor +wien gij gisterenavond gezongen hebt, gaf u dien waaier," zeide +hij. "Er is een teekening van een winde op". + +Asagao gaf een kreet van vreugde. "Gisterenavond," sprak zij zacht, +"was ik weer samen met mijn minnaar! En nu, en nu ......" + +Op datzelfde oogenblik kwam een bediende uit de oude woning van Asagao, +die zeide, dat hij door haar ouders was gezonden, om haar weer terug +te brengen. Maar Asagao, die haar oude liefde getrouw bleef, besloot +ook nu nog in haar tegenstand te volharden. + +Nu wilde het toeval, dat de eigenaar van dit theehuis vroeger in dienst +was geweest bij den vader van Asagao. Hij had in die hoedanigheid een +groote misdaad gedaan, die den dood verdiende; maar de vader van Asagao +had medelijden met hem gehad. Hij had hem met een som gelds ontslagen, +waardoor de misdadiger in staat werd gesteld, een zaak voor zichzelf +op te zetten. Bij deze gelegenheid dacht de eigenaar van het theehuis +na over de goedheid, die hem betoond was, en besloot hij _seppuki_ +te plegen, opdat het kind van zijn vroegeren meester haar gezicht +zou herkrijgen door middel van zijn lever. [65] + +Zoo pleegde dus de eigenaar van het theehuis zelfmoord, en Asagao +kreeg haar gezicht weer terug. Dienzelfden nacht trok zij, hoewel een +vreeselijke storm was losgebroken, op weg, om haar minnaar te zoeken, +vergezeld door een trouwe kleine schaar bedienden. Den geheelen nacht +reisde het meisje over ruwe en hobbelige wegen. Zij lette nauwelijks op +den heftigen regen of op haar bloedende voeten. Zij werd aangezet door +een gelukkige liefde, door de zoete hoop, haar minnaar terug te zien. + +Toen zij een berg beklom, die nu in het zonlicht baadde, verbeeldde +zij zich een stem te hooren, die haar naam riep. Zij keek om zich +heen en ontdekte Komagawa. Toen daalde vrede over haar neer. Al de +ellende van een langdurig zoeken en bijna eindeloos wachten was +voorgoed vergeten, en binnen korten tijd huwden de gelieven. De +winde, of de glorie van den morgen, is een bloem, die slechts enkele +uren bloeit; maar de liefde van Asagao had de schoonheid der winde, +verbonden met de kracht en den langen levensduur van den pijnboom. In +hun huwelijksleven bleven zij trouw aan de gelofte, die zij op hun +waaiers hadden afgelegd, en na haar blindheid en na veel lijden kon +Asagao haar liefelijk hoofd opheffen naar den dauw en den zonneschijn +der beschermende armen van haar minnaar. + + + + +HOOFDSTUK XXI. DONDER. + + + "De aarde is vol salpeter en zwavel, die opstijgen in den vorm + van nevel, en die, na zich in de lucht te hebben verbonden, + een damp worden, die de eigenschap van buskruit heeft. Als die + damp de hevige hitte der zon bereikt, ontploft hij, als een + natuurlijk gas; en het ontzettende geluid wordt over de geheele + wereld gehoord. De schok, die dieren treft en vogels, die door + de wolken trekken, slingert ze op den grond. Daarom zijn donder + en bliksem, en de schepselen, die uit de wolken neerslaan, niet + één en dezelfde zaak." + + "_Shin-rai-ki_." (Verslag van den Donder). + + + +Raiden. + +Er zijn een aantal vreemdsoortige legenden met betrekking tot den +donder, en in Bakins _Kumono Tayema Ama Yo No Tsuki_ [66] ("De Maan, +die door een Scheur in een Wolk schijnt in een Regenachtigen Nacht"), +heeft de beroemde Japansche romanschrijver, die een innig geloof heeft +in een aantal bijgeloovigheden van zijn land, heel wat te vertellen met +betrekking tot Raiden, den God van den Donder, en de bovennatuurlijke +wezens, die met hem in betrekking staan. Raiden wordt gewoonlijk +uitgebeeld met een roode huid, met het gelaat van een boozen geest, +met twee klauwen aan iederen voet, terwijl hij op zijn rug een groot +wiel van trommels draagt. Men vindt hem dikwijls in gezelschap van +Fugin of van zijn zoon Raitaro. Toen de Mongolen een inval trachtten te +doen in Japan, werd hun dat belet door een grooten storm, en volgens de +legende ontsnapten slechts drie man om de gebeurtenis te verhalen. De +bijstand van Raiden ten gunste van Japan wordt in de Japansche kunst +dikwijls uitgebeeld. Hij wordt voorgesteld als zittende op de wolken, +terwijl hij den bliksem uitzendt, en een stortvloed van pijlen op de +invallers afschiet. In China wordt de Dondergod beschouwd als een +wezen, dat steeds op den uitkijk staat naar slecht volk. Als hij +die vindt, schiet de Godin van den bliksem een spiegel af op hen, +die de God wil treffen. + + + + +Het Donderdier. + +Raiju, of het Donderdier, blijkt nauwer verbonden te zijn met den +bliksem dan met den donder. Hij wordt gezien in vormen, die gelijken +op een wezel, das of aap. In de _Shin-rai-ki_ ("Verslag van den +Donder") lezen wij het volgende: "Op den twee en twintigsten dag +der zesde maand van het tweede jaar van Meiwa (Juli 1766), viel een +Donderdier te Oyama (Groote Berg) in de provincie Sagami. Het werd +door een landbouwer gevangen, die het naar Yedo bracht en het voor +geld op de Riyo-goku Brug liet zien. Het schepsel was iets grooter +dan een kat, en geleek op een wezel: het had zwart haar, en vijf +klauwen aan iederen poot. Als het goed weer was, was het zeer zacht +en tam; maar vóór en tijdens een storm was het vreeselijk woest en +onhandelbaar." In China wordt het Donderdier beschreven als een dier +met "den kop van een aap, hoogroode lippen, oogen als spiegels en +twee scherpe klauwen aan iederen poot." Tijdens een storm springt het +Japansche Donderdier van den éénen boom op den anderen, en als het +blijkt, dat enkele van die boomen door den bliksem zijn getroffen, +dan meent men, dat dit het woeste werk is van de klauwen van het +Donderdier. Dat wezen heeft, naar men zegt, evenals de Dondergod zelf, +een bepaalde voorliefde voor menschelijke navels, zoodat dan ook om +die reden vele bijgeloovige menschen tijdens een onweersbui trachten +zoo mogelijk op hun buik te liggen. Boomschors, door het Donderdier +afgescheurd, wordt zorgvuldig bewaard, en is, naar men meent, een +uitstekend geneesmiddel tegen kiespijn. + + + + +De Dondervogel en de Dondervrouw. + +Raicho, de Dondervogel, gelijkt op een kraai, maar hij heeft sporen +van vleesch, die, zoodra zij hard tegen elkander geslagen worden, +geluid voortbrengen. Het is de vogel, op wien de Keizer van Goto-bain +doelde in het volgende gedicht: + + + "In de schaduw van den pijnboom van Shiro-Yama + Rusten dondervogels, die den nacht daar doorbrengen." + + +Die vogels voeden zich met den boomkikker _rai_ (donder genaamd), +en vliegen altijd tijdens een onweer in de lucht rond. + +Er is omtrent Kaminari (Dondervrouw) weinig bekend, behalve dat zij +bij zekere gelegenheid moet verschenen zijn in de gestalte van een +Chineesche Keizerin. + + + + +Vreemde Denkbeelden. + +Bakin maakt de opmerking, dat bij hen, die bevreesd zijn voor den +donder, de _In_, of het vrouwelijke beginsel de overhand heeft, terwijl +bij hen, die niet bevreesd zijn, de _Yo_ of het mannelijke beginsel +overheerschend is. Dezelfde schrijver wijst op het volgende gebruik +ten opzichte van hen, die ziek zijn ten gevolge van een donderbui, +en wij vestigen er de aandacht op, dat de nadruk gelegd wordt op +_donder_ als de verwoestenden kracht--dus eer een heftig geluid dan +een fel licht: "Als iemand door den donder is getroffen, laat hem +dan op zijn rug liggen en leg een levenden karper in zijn boezem. Als +de karper zich beweegt en springt, zal de patiënt herstellen. Dit is +onfeilbaar waar. Als de donder het vleesch verschroeit, brand dan _Ko_ +(wierook) onder den neus van den lijder. Dit zal hem aan het hoesten +maken, en de betoovering van den Dondergod verbreken." + + + + +Het Kind van den Dondergod. + +De meeste legenden, die met Raiden en zijn verwante geesten in +betrekking staan, zijn van een kwaadaardige natuur; maar in het +volgende verhaal zien wij, dat het kind van den Dondergod grooten +voorspoed aanbracht. + +Dicht bij den Berg Hakuzan leefde eens een zeer arme landbouwer, +Bimbo genaamd. Zijn stukje land was bijzonder klein, en hoewel hij +daarop werkte van den vroegen morgen tot laat op den avond, kostte +het hem groote moeite, voor zich en zijn vrouw genoeg rijst daarvan +binnen te halen. + +Op zekeren dag zag Bimbo na een langdurige droogte treurig naar zijn +verdorde rijsthalmen. Toen hij daar zoo stond, en vreesde voor gebrek +in de naaste toekomst, daalde plotseling de regen neder, vergezeld van +heftige donderslagen. Toen Bimbo op het punt was een schuilplaats te +zoeken tegen den storm, werd hij bijna verblind door een bliksemstraal, +en hij bad vurig tot Buddha om bescherming. Nadat hij dit had gedaan, +keek hij om zich heen, en tot zijn verbazing zag hij een klein +jongetje, dat lachte en kraaide, terwijl het op den grond lag. + +Bimbo nam het knaapje in zijn armen, en droeg het teeder naar zijn +nederige woning, waar zijn vrouw het met verrassing en genoegen +begroette. Het kind werd Raitaro, het Kind van den Donder, genoemd, +en leidde bij zijn pleegouders een gelukkig leven, terwijl het zich +tegenover hen zeer gehoorzaam gedroeg. Hij speelde nooit met andere +kinderen, want hij vond het heerlijk in de velden rond te dolen en den +stroom gade te slaan en de snelle vlucht der wolken boven zijn hoofd. + +Met de komst van Raitaro kwamen ook welvaart en voorspoed in Bimbo's +woning binnen, immers Raitaro kon de wolken naar zich toe wenken +en ze bevelen, regendroppels uitsluitend te doen neervallen op het +veld van zijn pleegvader. Toen Raikaro tot een schoonen jongeling van +achttien jaar was opgegroeid, bedankte hij het echtpaar nog eens voor +alles wat zij voor hem gedaan hadden, en deelde hun mede, dat hij nu +afscheid van hen moest nemen. + +Bijna voordat de jongeling had uitgesproken, veranderde hij plotseling +in een kleinen witten draak, bleef nog een oogenblik talmen en vloog +toen weg. + +Het oude paar rende naar de deur. Naarmate de witte draak in den hemel +opsteeg, werd hij al grooter en grooter, totdat hij achter een groote +wolk was verdwenen. + +Toen Bimbo en zijn vrouw gestorven waren, werd een witte draak op +hun graftombe gebeeldhouwd ter herinnering aan Raitaro, het Kind van +den Donder. + + + + +Shokuro en de Dondergod. + +Shokuro, die op goeden voet wilde staan met Toru, het hoofd van zijn +district, beloofde hem den Dondergod te zullen pakken. "Indien ik", +zoo sprak Shokuro, "den navel van een mensch zou kunnen vastbinden aan +het uiteinde van een vlieger, en dien op een stormachtigen dag zou +oplaten, zou ik Raiden zeker kunnen pakken, daar de Dondergod niet +in staat zou zijn aan zulk een maaltijd weerstand te bieden. Het is +echter moeilijk een navel meester te worden." + +Met dit doel ging Shokuro op reis, om voedsel voor den Dondergod +te zoeken. Toen hij een boschje bereikte, zag hij een schoone vrouw, +Chiyo genaamd. Zonder de minste gewetenswroeging doodde hij het meisje, +en na zijn doel te hebben bereikt, wierp hij haar lijk in een diepe +gracht. Hij ging toen met een verlicht gemoed op weg. + +Raiden zag, terwijl hij op een wolk gezeten was, het lijk van het +meisje in een gracht liggen. Hij daalde snel neer, en daar hij onder de +bekoring kwam van de schoonheid van Chiyo, nam hij een navel uit zijn +mond, en gaf haar het leven terug, waarna zij samen de lucht in vlogen. + +Eenige dagen later was Shokuro buiten, terwijl hij jacht maakte op +den Dondergod, en zijn vlieger met zijn afgrijselijk aanhangsel hoog +over de boomen heen en weer vloog in den krachtigen wind. Chiyo zag +den vlieger, en daalde hoe langer hoe meer. Eindelijk pakte zij hem +en zag zij, wat er aan bevestigd was. Ten diepste verontwaardigd keek +zij naar beneden, om te zien wie den vlieger opliet, en was zij ten +hoogste verbaasd, toen zij haar moordenaar herkende. Op dat oogenblik +daalde Raiden woedend neer, doch alleen om zwaar gekastijd te worden +door Shokuro, die daarna vrede sloot met Chiyo, en later een beroemd +man in zijn dorp werd. Dit is inderdaad een vreemde geschiedenis! + + + + +HOOFDSTUK XXII. DIERENLEGENDEN. + + +Dieren met Tooverkracht. + +Een aantal van de volgende verhalen zijn sprookjes, die een Japansche +moeder aan haar kind vertelt, want verhalen van dieren maken over +de geheele wereld een diepen indruk op het gemoed van het kind. Wel +werden zij in het algemeen beschouwd als sprookjes, maar er zit toch +een zóó groote legendarische achtergrond achter, dat het noodzakelijk +is, ze op te nemen in een boek als het onze, daar zij er toe bijdragen, +ons onderwerp in een lichtere gemoedsstemming te illustreeren, waar +het wonderbaarlijke met het humoristische vermengd is. Wij hebben +een afzonderlijk hoofdstuk gewijd aan vossenlegenden, omdat dit +onderwerp zoo belangrijk is, maar wij moeten toch in het oog houden, +dat de bovennatuurlijke karakteristieke eigenschappen van dat dier +evenzeer van toepassing zijn op den das en de kat, immers in de +Japansche legenden worden alle drie dieren in verband gebracht met +onnoemelijk veel kattekwaad en boosaardigheid. + + + + +De Haas. + +Men neemt aan, dat de haas, evenals de vos, de schildpad, de +kraanvogel en de tijger, een fabelachtig hoogen leeftijd bereikt, +die zich tot niet minder dan duizend jaar uitstrekt. In Taoïstische +legenden wordt vermeld, dat de haas in de maan woont, en dat hij met +stamper en vijzel de kruiden fijnstampt, waaruit het Levenselixir +bestaat, terwijl hij volgens andere legenden, zooals wij vroeger +hebben gezien, rijst fijnstampt. Shaka Muni (Buddha) zou zich volgens +de legenden in den vorm van een haas hebben opgeofferd, ten einde +den honger van Indra te stillen, die het dier naar de maan sleepte, +ten einde zijn bewondering te toonen. Het vel van den haas wordt wit, +zoodra hij vijfhonderd jaar oud is. Wij geven hieronder de beroemde +legende uit de _Kojiki_, bekend als "De Witte Haas van Inaba". + + + +De Witte Haas van Inaba. + + +In oude dagen waren er één en tachtig broeders, die Prinsen van Japan +waren. Met uitzondering van één broeder waren zij twistziek van aard, +en brachten zij hun tijd door met zich jegens elkander op allerlei +manieren kinderachtig jaloersch te betoonen. Ieder wenschte over +het geheele rijk te heerschen, en bovendien had ieder het ongeluk, +dat hij met Prinses van Yakami, in Inaba, wilde trouwen. Hoewel die +tachtig Prinsen het in bijna alles oneens waren, in één opzicht waren +zij eensgezind, en dat wel in hun hardnekkigen haat tegen den éénen +broeder, die in ieder opzicht zachtmoedig en vredelievend was. + +Eindelijk besloten, na heel wat nijdige woorden, de tachtig broeders, +de Prinses van Yakami te gaan bezoeken, terwijl ieder der broeders het +vaste besluit had genomen, de gelukkige minnaar te zullen zijn. De +zachte en vriendelijke broeder vergezelde hen, niet om naar de hand +der Prinses te dingen, maar als een bediende, die een grooten en +zwaren zak op zijn rug droeg. + +Eindelijk kwamen de tachtig Prinsen, die hun zoo slecht behandelden +broeder ver achter zich hadden gelaten, bij kaap Keta aan. Zij waren +op het punt, hun reis te vervolgen, toen zij een witten haas op den +grond zagen liggen, die er ellendig uitzag, en die geheel van zijn +haren was beroofd. + +De tachtig Prinsen, die bijzonder schik hadden in den treurigen +toestand van den haas, zeiden: "Als gij wilt, dat uw haren weer +aangroeien, dan moet gij in zee gaan baden, en als gij dat hebt gedaan, +loop dan naar den top van een hoogen berg, en laat den wind over u +waaien." Na dit gezegd te hebben, vervolgden de tachtig hartelooze +Prinsen hun weg. + +De haas ging onmiddellijk in zee, verheugd over het vooruitzicht, +dat hij zijn mooi wit vel weer zou terugkrijgen. Na gebaad te hebben, +liep hij naar den top van een berg en ging daar liggen; maar spoedig +begreep hij, dat de koude wind, die blies op een vel, dat pas in +zout water was ondergedompeld geweest, dat vel deed barsten en aan +stukken springen. Bij de vernedering, dat hij geen haren meer had, +voegde zich nu de lichamelijke pijn, en hij kwam tot de ontdekking, +dat de tachtig Prinsen hem schandelijk hadden bedrogen. + +Terwijl de haas daar onder ondragelijke pijnen op den berg lag, +kwam de vriendelijke en zachtaardige broeder aanstappen met loome +schreden, moeilijk vooruitkomend, omdat hij zulk een zwaren zak had +te dragen. Toen hij den weenenden haas zag, vroeg hij, hoe het kwam, +dat het arme dier er zoo ongelukkig aan toe was. + +"Wees zoo vriendelijk, even te blijven stilstaan," sprak de haas, +"en ik zal u vertellen, hoe dat alles is geschied. Ik wilde van +het eiland Oki naar Kaap Keta oversteken, daarom zeide ik aan de +krokodillen: 'Ik zou zoo gaarne willen weten, hoeveel krokodillen +er in zee, en hoeveel hazen er op het land zijn. Staat mij toe, +dat ik begin met u te tellen.' Na deze woorden te hebben gesproken, +plaatsten de krokodillen zich op een lange rij, die zich uitstrekte +van het eiland Oki tot Kaap Keta. Ik liep over hun harde lichamen +heen, en telde ieder afzonderlijk, terwijl ik overstapte. Toen ik +den laatsten krokodil bereikt had zeide ik: 'O dwaze krokodillen, +het kan mij niets schelen, hoeveel krokodillen er in zee zijn, of +hoeveel hazen op het land! Ik had u alleen als een brug noodig, om +mijn bestemming te kunnen bereiken.' Helaas! mijn ellendige pocherij +kwam mij duur te staan, want de laatste krokodil tilde zijn kop op +en beet mijn geheele vel af!" + +"Nu", zoo sprak de zachtmoedige broeder, "ik moet zeggen, dat gij +ongelijk hadt en verdiendet voor uw dwaasheid gestraft te worden. Is +dit het einde van uw verhaal?" + +"Neen," zoo vervolgde de haas. "Nauwelijks had ik die onwaardige +behandeling ondergaan, of de tachtig Prinsen kwamen bij mij, en +maakten mij wijs, dat ik zou kunnen worden genezen door zout water en +wind. Helaas! Daar ik niet wist, dat zij mij voor den gek hielden, +volgde ik hun voorschriften op, met het ellendige gevolg, dat mijn +lichaam gebarsten is en mij vreeselijk pijn doet." + +"Baad u in helder zoet water, arme vriend", zoo sprak de goede broeder, +"en als gij dat gedaan hebt, strooi dan het stuifmeel van duinhelm +over den grond en rol u daar in. Dit zal zeer zeker uw pijn stillen, +uw vel genezen en uw haren weer doen groeien." + +De haas wandelde langzaam naar de rivier, baadde in het water en rolde +zich in het stuifmeel van duinhelm. Nauwelijks had hij dit gedaan, +of zijn vel was genezen, en weer was hij bedekt met een dik haren +kleed. De dankbare haas rende naar zijn weldoener. "Die tachtig gemeene +en wreede broeders van u", zoo sprak hij, "zullen nooit de hand van +de Prinses van Inaba winnen. Gij zijt het, die met haar zult huwen, +en die over het land zult regeeren." + +De voorspelling van den haas werd vervuld, immers de tachtig Prinsen +slaagden niet in hun zending, terwijl de broeder, die goed en +vriendelijk was geweest voor den witten haas, met de schoone Prinses +trouwde en de Koning van het land werd. + + + + +De Knetterende Berg. + +Een oude man en zijn vrouw hielden een witten haas. Op zekeren dag +kwam een das, die het voedsel opat, dat voor het troetelkind bestemd +was. Het boosaardige dier was op het punt de plaat te poetsen, toen de +oude man, die zag wat er gebeurd was, den das aan een boom vastbond, +en daarna naar een naburig bosch ging, om hout te hakken. + +Toen de oude man vertrokken was, begon de das te huilen en de oude +vrouw te smeeken, het touw los te maken. Nauwelijks had de vrouw dat +gedaan of de das zwoer wraak over de behandeling, hem door den ouden +man aangedaan, en holde weg. + +Toen de goede witte haas hoorde, wat geschied was, ging hij op weg, +om zijn meester te waarschuwen; maar tijdens zijn afwezigheid kwam de +das terug, doodde de oude vrouw, nam haar gedaante aan, en veranderde +haar lichaam in soep. "Ik heb een heerlijke soep klaar gemaakt," zoo +sprak de das, toen de oude man van den berg was teruggekeerd. "Gij +zult wel honger hebben en vermoeid zijn: ga zitten en eet smakelijk!" + +De oude man, die volstrekt niet op verraad bedacht was, at de soep +op en zeide, dat zij heerlijk was. + +"Heerlijk?" zoo bespotte hem de das. "Ge hebt uw eigen vrouw +opgegeten! Haar beenderen liggen daar ginds in den hoek", en na die +woorden gesproken te hebben, verdween hij. + +Terwijl de oude man overstelpt was door smart, en terwijl hij weende +en zijn lot betreurde, keerde de haas terug, begreep onmiddellijk den +toestand, en liep snel naar den berg, vast besloten den dood van zijn +ongelukkige oude meesteres te wreken. + +Toen de haas den berg bereikte, zag hij den das, die een bundel stokken +op zijn rug droeg. Zachtjes kroop de haas nader en stak, zonder dat +de das het merkte, de stokken in brand, die onmiddellijk begonnen te +knetteren. "Wat een vreemd geluid is dit," zeide de das. "Wat is het?" + +"De Knetterende Berg", antwoordde de haas. + +Het vuur begon den das te branden, daarom sprong hij in een rivier +en bluschte de vlammen uit; maar toen hij weer uit het water kwam, +bleek het, dat zijn rug deerlijk verbrand was, en de pijn, die hij +leed, veroorzaakt was door een pap met peper er in, die de verheugde +haas voor dat doel had klaargemaakt. + +Toen de das weer genezen was, zag hij toevallig den haas bij een boot +staan, die deze had vervaardigd. + +"Waar gaat gij in dat vaartuig naar toe?" vroeg de das. + +"Naar de maan," antwoordde de haas, "Hebt ge misschien lust met mij +mede te gaan?" + +"Niet in jouw boot!" zeide de das. "Ik ken uw streken op den +Knetterenden Berg maar al te goed. Maar ik zal een boot van klei voor +mij zelf bouwen, en wij zullen naar de maan reizen." + +De houten boot van den haas en de boot van klei van den das dreven de +rivier af. Maar spoedig begon de boot van den das te breken. De haas +lachte hem hoonend uit en doodde zijn vijand met zijn roeispaan. Toen +het trouwe dier later naar den ouden man was teruggekeerd, ontving +hij veel lof en ondervond hij de meest liefderijke verzorging van +zijn dankbaren meester. + + + + +De Das. + +De das heeft in de legenden veel gemeen met den vos. Hij kan zoowel +de gedaante van een mensch aannemen als die der maan; maar in een +aantal legenden wordt hij beschreven als een wezen vol humor, dat +genoegen schept in een oolijke grap. De das wordt in de legende en in +de kunst dikwijls uitgebeeld _terwijl hij een taptoe_ slaat op zijn +vooruitstekenden buik, die den vorm heeft van een trommel, en om die +reden worden Japansche clowns in Engeland dikwijls dassen genoemd. + + + + +Kadzutoyo en de Das. + +Op zekeren dag gingen Kadzutoyo en zijn onderhoorige uit visschen. Zij +hadden heel wat visch gevangen, en waren op het punt naar huis terug te +keeren, toen een vreeselijke regenbui losbarstte, zoodat zij gedwongen +waren te schuilen onder een wilgenboom. Nadat zij een tijd geschuild +hadden, bleek het, dat er nog geen sprake van was dat de regen zou +ophouden, en daar het reeds donker werd, besloten zij, in weerwil van +het ongunstige weder, hun reis te vervolgen. Zij waren nog niet veel +verder voortgetrokken, toen zij een jong meisje zagen, dat bitter +weende. Kadzutoyo keek haar met argwaan aan, maar zijn onderhoorige +was bekoord door de groote schoonheid van het meisje en vroeg wie zij +was, en waarom zij in zulk een stormachtigen nacht buiten bleef toeven. + +"Ach! goede heer," zeide het meisje, nog steeds weenende, "mijn verhaal +is erg droevig. Ik heb langen tijd de beleedigingen en wreedheden van +mijn slechte stiefmoeder verdragen, die mij bitter haat. Maar van daag +spuwde zij mij en sloeg zij mij. Ik kon die bittere vernedering niet +langer verdragen, en ik was op weg naar mijn tante, die in gindsch dorp +woont, om daar rust en een schuilplaats te vinden, toen ik neergeveld +werd door een vreemde ziekte, en gedwongen werd hier achter te blijven, +totdat de pijn was bedaard." + +Deze woorden maakten op den goedhartigen onderhoorige een vreeselijken +indruk, en hij werd smoorlijk verliefd op het schoone meisje, maar +Kadzutoyo trok, na de zaak met groote zorgvuldigheid te hebben +overwogen, zijn zwaard en sloeg haar het hoofd af. + +"Ach! heer," zeide de onderhoorige, "wat een vreeselijke daad is +dit! Hoe kunt ge een onschuldig meisje dooden? Geloof mij, gij zult +voor uw dwaasheid moeten boeten". + +"Gij begrijpt het niet," antwoordde Kadzutoyo, "maar het eenige wat +ik vraag, is dat gij over de zaak het stilzwijgen bewaart". + +Toen zij thuiskwamen, viel Kadzutoyo spoedig in slaap; maar zijn +onderhoorige ging, nadat hij had liggen tobben over den moord op +het schoone meisje, naar de ouders van zijn heer en vertelde hun de +geheele treurige geschiedenis. + +De vader van Kadzutoyo was woedend van drift, toen hij het droevige +verhaal hoorde. Hij ging dadelijk naar de kamer van zijn zoon, maakte +hem wakker, en zeide: "O, ellendige moordenaar! Hoe is het mogelijk, +dat gij een onschuldig meisje hebt kunnen dooden, zonder dat zij +daartoe eenige aanleiding heeft gegeven! Gij hebt den eervollen naam +van een _Samurai_ te schande gemaakt, een naam, die een waarborg moet +zijn voor ware ridderlijkheid en voor de verdediging van zwakken en +hulpeloozen. Gij hebt schande over ons huis gebracht, en het is mijn +plicht, u het leven te benemen." Na die woorden gesproken te hebben, +trok hij zijn zwaard. + +"O Heer", antwoordde Kadzutoyo, zonder bij het flikkerende wapen een +spier te vertrekken, "gij, evenmin als mijn onderhoorige begrijpt de +zaak. Het is mij gegeven, enkele geheimen op te lossen, en gewapend met +die wetenschap, verzeker ik u, dat ik mij niet schuldig heb gemaakt +aan een dergelijke misdaad als gij u voorstelt, maar dat ik mij den +eervollen naam van _samurai_ waardig heb gemaakt. Het meisje, dat ik +met mijn zwaard onthoofdde, was niet sterfelijk. Ga morgen, dit verzoek +ik u, met een bediende naar de plaats, waar dit tooneel zich heeft +afgespeeld. Als gij het lijk van een meisje vindt, behoeft gij mij het +leven niet te benemen, want dan zal ik mij zelf de buik opensnijden". + +Den volgenden morgen vroeg, toen de zon nauwelijks aan den hemel +was verschenen, trok de vader van Kadzutoyo, te gelijk met zijn +bedienden, op reis. Toen zij de plaats bereikten, waar het drama zich +had afgespeeld, zag de vader niet, zooals hij gemeend had, het lijk +van een mooi meisje op den weg liggen, maar het lijk van een grooten +das, waarvan de kop was afgesneden. + +Toen de vader weer thuis kwam, ondervroeg hij zijn zoon: "Hoe komt +het dat, wat aan uw onderhoorige een meisje toescheen, aan u een das +leek te zijn?" + +"O Heer", antwoordde Kadzutoyo, "het schepsel, dat ik verleden nacht +zag, leek mij een meisje, maar haar schoonheid was een vreemde, en +volstrekt niet zooals de schoonheid van aardsche vrouwen. Bovendien +bemerkte ik, dat hoewel het hard regende, de kleeren van dat wezen +niet nat werden, en toen ik dat vreemde verschijnsel had opgemerkt, +begreep ik dadelijk, dat de vrouw niemand anders was dan de ééne of +andere kwade geest. Het schepsel nam de gedaante aan van een lieftallig +meisje, ten einde mij door haar tallooze bekoringen te betooveren, +in de hoop, dat zij onze visch zou krijgen." + +De oude vorst was met bewondering vervuld over de slimheid van zijn +zoon. Toen hij zooveel scherpzinnigheid en voorzichtigheid had ontdekt, +besloot hij afstand te doen van de regeering en Kadzutoyo in zijn +plaats tot Vorst uit te roepen. + + + + +De Wonderbaarlijke Theeketel. + +Op zekeren dag zette een priester van den Morinji-tempel zijn +ouden theeketel op het vuur, om een kop thee te zetten. Nauwelijks +had de ketel het vuur aangeraakt, of hij veranderde plotseling in +den kop, den staart en de pooten van een das. De jonge priesters +werden in den tempel geroepen om dat buitengewone verschijnsel te +aanschouwen. Terwijl zij in stomme verbazing toekeken, sprong de +das op met het lichaam van een ketel, vloog de kamer door en vloog +eindelijk door de lucht. De uitgelaten das vloog voortdurend de kamer +rond, en de priesters slaagden er eerst na een aantal pogingen in, +het dier te vangen en het in een doos op te bergen. + +Korten tijd nadat dit geschied was, kwam een ketellapper in den tempel, +en de priester meende, dat het een uitstekend denkbeeld zou zijn, als +hij den goeden man er toe kon brengen, zijn merkwaardigen theeketel +te koopen. Daarom haalde hij den ketel uit zijn doos, want deze had nu +weer zijn gewonen vorm aangenomen, en begon hij te onderhandelen, met +het gevolg, dat de niets vermoedende ketellapper den ketel kocht en met +zich meenam, in de overtuiging dat hij dien dag goede zaken had gemaakt +bij den koop van een zoodanig artikel voor een zoo redelijken prijs. + +Dien nacht werd de ketellapper wakker bij het hooren van een vreemd +geluid dicht bij zijn hoofdkussen. Hij keek van onder de dekens uit +en zag, dat de ketel, dien hij gekocht had, volstrekt geen ketel was, +maar een slimme en levende das. + +Toen de ketellapper zijn vrienden van zijn merkwaardigen metgezel +verhaalde, zeiden zij: "Gij zijt een gelukkige kerel en wij raden u +aan, dien das in het openbaar te vertoonen, want hij is verstandig +genoeg om te springen en op het koord te dansen. Onder de begeleiding +van muziek en zang kunt gij ongetwijfeld met dat vreemde wezen een +reeks van nieuwe vermakelijkheden op touw zetten, die overal de +aandacht zullen trekken, en heel wat meer geld zullen inbrengen dan +gij met al uw ketellappen bij mogelijkheid zoudt kunnen verdienen." + +De ketellapper volgde dien voortreffelijken raad, en de roep van +zijn kunstenmakenden das verspreidde zich wijd en zijd. Vorsten en +vorstinnen kwamen de vertooning bezoeken, en hij verwierf zich door +de vorstelijke bescherming en de gunst van het gewone publiek een +groot vermogen. Toen de ketellapper dat vermogen had bijeengegaard, +gaf hij den ketel weer terug aan den Morinji-tempel, waar hij als +een kostbare schat werd vereerd. + + + + +De Kat. + + + "Voed een hond drie dagen, en hij zal zich uw vriendelijkheid + drie jaar herinneren; voed een kat drie jaar, en zij zal uw + vriendelijkheid binnen drie dagen vergeten." + + Een Japansch Spreekwoord. + + +De Japansche kat, met of zonder staart, is lang niet populair, +want dit dier en de venijnige slang waren de eenige twee schepsels, +die niet weenden bij den dood van Buddha. De katten uit Nippon +schijnen onder een vloek te staan, en grootendeels moeten zij zich +zelf weten te helpen, en moeten zij dus op haar bovennatuurlijke +macht vertrouwen. Evenals vossen en dassen, kunnen zij menschelijke +wezens betooveren. Chamberlain schrijft in zijn _Japansche Zaken_: +"Onder Europeanen kan men dikwijls hooren, hoe een oneerbiedig mensch +een leelijke, humeurige oude vrouw een kat noemt. In Japan, het +land waar alles onderste boven is gekeerd, wordt in het dagelijksch +leven die naam dikwijls gegeven aan de jongsten en bekoorlijksten van +het vrouwelijk geslacht--de zangmeisjes". De vergelijking komt ons +vreemd voor, maar de toespeling hangt ongetwijfeld samen met de gaven +der betoovering, die zoowel het zangmeisje als de kat bezitten. De +Japansche kat wordt echter door de zeelieden met een gunstig oog +aangezien, en de _mike-neko_, of de driekleurige kat, wordt op hooge +waarde geschat. Zeelieden hebben over de geheele wereld den naam van +bijgeloovig te zijn, en de Japansche zeelieden doen alle mogelijke +moeite een scheepskat machtig te worden, in de overtuiging, dat dit +dier den geest der diepte van hun schip zal afhouden. Vele zeelieden +koesteren de meening, dat de zielen van hen, die op de zee verdrinken, +nooit rust zullen vinden; zij gelooven, dat zij eeuwigdurend in +de golven op de loer liggen en schreeuwen en jammeren, als jonken +passeeren. Voor hen is de branding, die op het strand slaat, niets +anders dan de witte, grijpende handen van ontelbare geesten, en zij +gelooven, dat de zee gevuld is met _O-baké_, achtbare geesten. De +Japansche kat heeft, naar men beweert, het toezicht over de dooden. + + + + +De Vampierkat. + +Prins Hizen, een aanzienlijk lid van het geslacht Nabéshima, dwaalde +in den tuin met O Toyo, de gunstelinge onder zijn dames. Toen de zon +onderging, gingen zij naar het paleis terug, doch letten er niet op, +dat zij door een groote kat werden gevolgd. + +O Toyo ging naar haar kamer en viel in slaap. Tegen middernacht werd +zij wakker en keek om zich heen, daar zij een gevoel had, alsof er +een akelige verschijning in het vertrek aanwezig was. Eindelijk zag +zij, dat een reusachtige kat in haar onmiddellijke nabijheid lag +neergehurkt, en voordat zij om hulp kon roepen, sprong het dier op +haar lichaam en worgde haar. Daarna maakte het dier een gat onder de +veranda, begroef het lijk en nam den vorm aan van de schoone O Toyo. + +De Prins, die niets afwist van hetgeen geschied was, bleef de +valsche O Toyo liefhebben, zonder te weten, dat hij een walgelijk dier +liefkoosde. Langzamerhand kwam hij tot de ontdekking, dat zijn krachten +afnamen en het duurde niet lang, of hij werd gevaarlijk ziek. Er werden +geneesheeren ontboden, maar zij konden niets doen om den koninklijken +lijder te genezen. Men merkte op, dat hij het meest leed gedurende +den nacht, en dat hij door vreeselijke droomen gekweld werd. Daar dit +het geval was, besloten zijn raadslieden, dat honderd dienaren bij hun +meester zouden zitten en gedurende zijn slaap de wacht zouden houden. + +De wacht ging de ziekenkamer binnen, maar even vóór tienen werd zij +overvallen door een geheimzinnige slaperigheid. Toen allen in slaap +waren, kroop de zoogenaamde O Toyo in het vertrek en maakte den Prins +onrustig tot aan het aanbreken van den dag. Nacht aan nacht kwamen de +dienaren bij hun meester de wacht houden, maar steeds vielen zij op +hetzelfde uur in slaap, en zelfs drie bijzonder getrouwe raadslieden +ondergingen eveneens dat lot. + +Gedurende dien tijd werd de Prins hoe langer hoe zieker, en ten slotte +werd een priester, Ruiten genaamd, aangesteld om te zijnen behoeve +te bidden. In zekeren nacht, toen hij met zijn smeekingen bezig +was, hoorde hij een vreemd geluid, dat van den tuin uitging. Toen +hij uit het raam keek, zag hij, dat een jonge soldaat zich stond te +wasschen. Nadat hij zich gewasschen had, ging hij vóór een Buddhabeeld +staan, en bad zoo ijverig mogelijk voor het herstel van den Prins. + +Ruiten, die zich er in verheugde, zooveel ijver en trouw waar te nemen, +verzocht den jongen man, zijn huis binnen te treden, en toen hij dit +gedaan had, vroeg hij naar zijn naam. + +"Ik ben Ito Soda," sprak de jonge man, "en ben als infanterist in +Nabéshima in garnizoen. Ik heb van de ziekte van den Prins vernomen +en verlang er naar, de eer te hebben, hem op te passen; maar daar +ik een lagen rang bekleed, is het niet voegzaam, dat ik in zijn +tegenwoordigheid verschijn. Toch heb ik Buddha gebeden, dat het leven +van den Prins gespaard blijve. Ik ben van oordeel, dat Prins Hizen +betooverd is, en als ik bij hem mocht blijven, zou ik mijn uiterste +best doen, den kwaden geest te ontdekken en te verpletteren, die de +oorzaak is van zijn ziekte." + +Ruiten kreeg van dit optreden een zóó gunstigen indruk, dat hij den +volgenden dag één der raadslieden ging raadplegen, en na langdurige +besprekingen werd het zóó geschikt, dat Ito Soda met de honderd +dienaren de wacht zou houden. + +Toen Ito Soda het koninklijke vertrek binnentrad, zag hij, dat zijn +meester in het midden van het vertrek sliep, en tevens merkte hij +op, dat de honderd dienaren kalm in de kamer zaten te keuvelen, +in de hoop, dat zij in staat zouden zijn de naderende slaperigheid +te verdrijven. Tegen tien uur waren alle dienaren, in weerwil van +hun pogingen, in slaap gevallen. Ito Soda trachtte zijn oogen open +te houden, maar een zwaar gevoel overviel hem langzamerhand, en hij +begreep, dat hij, als hij wilde wakker blijven, zijn toevlucht moest +nemen tot de uiterste maatregelen. Nadat hij zorgvuldig geolied +papier over de matten had uitgespreid, stak hij zijn dolk in zijn +dij. De heftige pijn, die hij voelde, hield een tijdlang den slaap +uit zijn oogen, maar na een tijd voelde hij, dat zijn oogen weer +dichtvielen. Besloten de betoovering te ontdekken, die de dienaren de +baas was geweest, draaide hij zijn mes in zijn dij, en vermeerderde +zoo de pijn, terwijl hij trouw de wacht bleef houden, en het bloed +voortdurend op het geoliede papier droop. + +Terwijl Ito Soda de wacht hield, zag hij, dat de schuifdeuren zich +openden en dat een schoone vrouw zacht het vertrek binnensloop. Met +een glimlach zag zij, hoe de dienaren in slaap waren, en zij was op +het punt den Prins te naderen, toen zij Ito Soda bemerkte. Nadat +zij hem kortaf had toegesproken, naderde zijn den Prins en vroeg +hem, hoe het met hem was, maar de Prins was te ziek, om daarop te +antwoorden. Ito Soda lette op iedere beweging en meende, dat zij den +Prins trachtte te betooveren, maar haar kwade bedoelingen werden +voortdurend verijdeld door de onbevreesde blikken van Ito Soda, +en ten slotte was zij verplicht weg te gaan. + +Des morgens ontwaakten de dienaren, en waren van schaamte vervuld, toen +zij vernamen, hoe Ito Soda de wacht had gehouden. De raadslieden prezen +den jongen soldaat luide om zijn trouw en zijn zeldzame heldhaftigheid, +en hem werd bevolen dien nacht weder de wacht te houden. Dit deed hij, +en weer trad de zoogenaamde O Toyo de ziekenkamer binnen, en evenals +den vorigen nacht was zij gedwongen te vertrekken zonder in staat +geweest te zijn haar betoovering over den Prins te werpen. + +Men ontdekte ook, dat zoodra de trouwe Soda de wacht had betrokken, +de Prins in staat was een rustigen slaap te genieten, en tevens, +dat hij begon te herstellen; immers de zoogenaamde O Toyo bleef, +nadat zij bij twee gelegenheden in haar pogingen had gefaald, voor +goed weg, en de wacht werd niet meer door geheimzinnige slaperigheid +overvallen. Soda ging onder den indruk van die vreemde omstandigheden +naar één der raadsleden en deelde hem mede, dat de zoogenaamde O Toyo +de ééne of andere soort van booze geest was. + +Dien nacht vatte Soda het plan op, zich naar het vertrek van dit +wezen te begeven en te trachten haar te dooden, terwijl hij alles zóó +regelde, dat er, indien zij zou ontsnappen, acht dienaren buiten op +wacht zouden staan, om haar te pakken en onmiddellijk te verslaan. + +Op het vastgestelde uur ging Soda naar het vertrek van het schepsel, +onder voorwendsel, dat hij een boodschap namens den Prins bracht. + +"Wat is uw boodschap?" vroeg de vrouw. + +"Wees zoo beleefd dezen brief te lezen," antwoordde Soda, en na +die woorden gesproken te hebben, trok hij zijn dolk en wilde hij +haar dooden. + +De zoogenaamde O Toyo greep een hellebaard en trachtte haar +tegenstander te treffen. De slagen volgden elkaar op, maar toen zij +eindelijk begreep, dat de vlucht beter voor haar was dan het volharden +in den strijd, wierp zij haar wapen weg, en in een oogenblik veranderde +het bekoorlijke meisje in een kat en sprong op het dak. De acht man, +die buiten op wacht stonden, om in geval van nood op te treden, +schoten op de kat, maar het gelukte het dier, hun te ontsnappen. + +De kat rende in volle vaart naar de bergen en hinderde de bevolking, +die in de nabijheid woonde, geweldig, doch werd ten slotte gedood +tijdens een jacht, die door Prins Hizen was geregeld. De Prins werd +weer beter, en Ito Soda ontving de eerbewijzen en de belooning, +die hij zoo rijkelijk had verdiend. + + + + +De Hond. + +In het algemeen gesproken, wordt de hond in Japan beschouwd als een +goedgezind dier, en in de meeste legenden gedraagt hij zich goed; +maar op de Oki-eilanden gelooven een aantal inwoners, dat alle honden +de bovennatuurlijke macht hebben, die op andere plaatsen aan de vossen +worden toegeschreven. Chamberlain zegt: "De menschelijke wezens, die +met de honden een verbond hebben gesloten, worden _inu-gami-mochi_ +genoemd--wat beteekent 'eigenaars van een hondgod'. Als de geest van +zulk een met magische eigenschappen bedeelden hond er op uitgaat om +kwaad te doen, blijft zijn lichaam achter, en wordt hoe langer hoe +zwakker, terwijl het zelfs somtijds uitteert en sterft. Als dit het +geval is, kiest de geest bij zijn terugkomst zijn woning in het lichaam +van een toovenaar, die daarna machtiger wordt dan ooit te voren." + + + + +Shippeitaro en de Spookkatten. + +Een ridder zocht eens een schuilplaats in een eenzamen en vervallen +tempel op een berg. Tegen middernacht werd hij gewekt door het hooren +van een vreemd geluid. Toen hij rondkeek zag hij een aantal katten, +die dansten en gilden en schreeuwden, en herhaaldelijk hoorde hij de +woorden: "_Vertel het niet aan Shippeitaro_" + +Tegen middernacht verdwenen de katten plotseling, er heerschte stilte +in den vervallen tempel, en onze krijgsman was in staat zijn slaap +te hervatten. + +Den volgenden morgen verliet de jonge ridder het spookhuis, en kwam +aan één of twee kleine gebouwen in de nabijheid van een dorp. Toen +hij één van die huizen voorbijkwam, hoorde hij een luid gejammer en +geklaag, en vroeg hij naar de oorzaak van het verdriet. + +"Helaas!" zeiden zij, die zich in de nabijheid van den ridder bevonden, +"gij moogt wel vragen, waarom wij zoo diep bedroefd zijn. Van nacht +zal de berggeest onze schoonste maagd in een groote kooi naar den +vervallen tempel dragen, waar gij den nacht hebt doorgebracht, en tegen +den morgen zal zij door den boozen berggeest worden verslonden. Ieder +jaar verliezen wij op die wijze een meisje, en er is niemand om ons +te helpen." + +De ridder, door die treurige woorden diep bewogen, en begeerig van +dienst te zijn, zeide: "Wie of wat is Shippeitaro? De booze geesten +in den vervallen tempel gebruikten herhaaldelijk dien naam." + +"Shippeitaro", zoo sprak één der omstanders, "is een dappere en +prachtige hond, en is het eigendom van den hoogsten ambtenaar van +onzen Vorst." + +De ridder spoedde zich voort, terwijl het hem gelukte Shippeitaro voor +één nacht in zijn bezit te krijgen, en nam den hond met zich mede +terug naar het huis van de weenende ouders. Reeds was de kooi voor +het meisje gereed gezet, en in die kooi plaatste hij Shippeitaro, +en zoo bereikte hij met een aantal jonge mannen, die hem moesten +bijstaan, den door spoken bezochten tempel. Maar de jonge mannen +wilden niet op den berg blijven, daar zij doodelijk bevreesd waren, +en na hun taak te hebben volbracht, gingen zij weer terug, zoodat de +ridder en de hond alleen achterbleven. + +Tegen middernacht kwamen de spookkatten terug, terwijl zij een kater +in hun midden hadden van ontzaglijke grootte, die vreeselijke woest +was. Zoodra het monster de kooi zag, sprong hij met kreten van vreugde +er om heen, door zijn makkers vergezeld. + +Toen de ridder een gunstig oogenblik had gevonden, opende hij de kooi; +Shippeirato sprong er uit en hield de groote kat in zijn tanden. Een +oogenblik later trok zijn meester zijn zwaard en doodde het boosaardige +monster. De andere katten waren te zeer verbaasd over wat zij zagen, +dan dat zij er aan dachten te ontsnappen, en de flinke Shippeitaro +maakte korte metten met die dieren. Zoo werd het dorp niet langer +verontrust door de plunderingen van den berggeest, en getrouw aan +zijn ridderplicht gaf de ridder al de eer aan den flinken Shippeitaro. + + + + +De oude Man die de boomen deed bloeien. + +Toen eens een oude man en zijn vrouw in den tuin bezig waren, werd +hun hond plotseling zeer opgewonden terwijl hij zijn kop boog en op +één bepaalde plaats den grond besnuffelde. De oude menschen, die in +de meening verkeerden, dat hun lieveling iets lekkers had gevonden +om te eten, brachten een spade en begonnen te graven, en tot hun +verbazing groeven zij een groot aantal goudstukken en zilverstukken +op, en bovendien een groote hoeveelheid kostbare schatten. Met dien +zooeven verworven rijkdom in hun bezit, liet het oude paar geen tijd +verloren gaan, om aalmoezen onder de armen te verdeelen. + +Toen de naaste buren hoorden, welk fortuintje de oude lieden gehad +hadden, lokten zij den hond en spreidden zij alle soorten van +lekkernijen voor hem uit, in de hoop, dat het dier ook hun groote +diensten zou bewijzen. Maar de hond, die bij vroegere gelegenheden +door zijn gastheeren slechts was behandeld, weigerde te eten, en op +het laatst sleepte het paar den hond nijdig in den tuin. Onmiddellijk +begon de hond te snuffelen, en juist waar hij snuffelde, begon het +hebzuchtige volk te graven; maar zij groeven geen schatten op, en al +wat zij vonden was niets dan waardelooze afval. Het oude paar doodde +in hun nabijheid en onder hun teleurstelling den hond en begroeven +hem onder een pijnboom. + +De brave oude man hoorde toevallig later, wat zijn trouwen hond was +overkomen, en erg bedroefd ging hij naar de plek, waar zijn lieveling +begraven was, en plaatste voedsel en bloemen op zijn graf, onder het +vergieten van heete tranen. + +Dien nacht kwam de geest van den hond naar zijn meester, en zeide: +"Hak den boom om, waar ik begraven ben, en maak van het hout een +mortier, en denk aan mij, zoo dikwijls gij dien gebruikt." + +De oude man voerde de instructies uit, en hij ontdekte, dat, zoodra +hij de rijstkorrels in den houten mortier fijnstampte, iedere korrel +in een kostbaren schat veranderde. + +De slechte buren, die den hond hadden geleend, hadden niet de minste +gewetenswroeging, om ook den mortier te leenen, maar bij dat slechte +volk veranderde de rijst onmiddellijk in vuil, zoodat zij in hun +nijdigheid den kostbaren mortier stuksloegen en verbrandden. + +Ten tweeden male verscheen de geest van den hond vóór zijn meester, +en deelde hem mede, wat er gebeurd was, terwijl hij er aan toevoegde: +"Als gij de asch van den mortier over verdorde boomen strooit, zullen +zij onmiddellijk vol bloesems komen", en na die woorden te hebben +gesproken, verdween de geest. + +De goedhartige oude man verzamelde de asch, en na die in een mand te +hebben geplaatst, reisde hij van dorp tot dorp en van stad tot stad, +en wierp de asch over verdorde boomen; zooals de hond had beloofd, +kwamen die plotseling in bloei. Een prins hoorde van die wonderen, +en beval den ouden man vóór hem te verschijnen, bij welke gelegenheid +hij hem verzocht zijn wondermacht te laten zien. Dit deed de oude man, +en innig verheugd verdween hij met de talrijke vorstelijke geschenken, +die hij had gekregen. + +De buren van den ouden man, die van die wonderen hadden gehoord, +verzamelden de overgebleven asch van den wonderbaarlijken mortier, +en de slechte man trok zelf het land door, terwijl hij beweerde, dat +hij in staat was verdorde of doode boomen te doen herleven. Evenals de +oorspronkelijke bewerker van wonderen, verscheen de hebzuchtige oude +man in het paleis; hem werd opgedragen een verdorden boom weer levend +te maken. De oude man klom in een boom en verstrooide de asch, maar +de boom bleef nog steeds dor en de asch verblindde den Prins en deed +hem bijna stikken. Daarop werd de oude bedrieger half doodgeslagen, +en hij vertrok in een hoogst ongelukkigen toestand. + +De vriendelijke oude man liet, na zijn buren over hun slechtheid te +hebben berispt, hen toch in zijn rijkdom deelen, en het echtpaar, +dat vroeger gemeen, wreed en slim geleefd had, leidde in het vervolg +een goed en deugdzaam leven. + + + De Zeekwal en de Aap. [67] + +Rin-Jin, de Koning der Zee, koos als vrouw een jonge, schoone +Drakenprinses. Zij waren nog niet lang getrouwd, toen de schoone +Koningin ziek werd, en alle adviezen en alle zorgen van de beste +geneeskundigen van het land waren vruchteloos. + +"Ach", snikte de Koningin, "er is maar één ding, dat mij van mijn +ziekte kan genezen". + +"Wat is dat?" vroeg Rin-Jin. + +"Als ik de lever van een levenden aap eet, zal ik onmiddellijk +genezen. Zie, wat ik u bidden mag, dat gij een lever van een aap voor +mij krijgt, want ik weet, dat niets anders mijn leven zal redden." + +Daarom riep Rin-Jin een zeekwal naar zich toe, en zeide: "Ik wensch, +dat gij aan land zwemt en met een levenden aap op uw rug terugkeert, +want ik wil zijn lever gebruiken, opdat onze Koningin haar gezondheid +herkrijge. Gij zijt het eenige schepsel, dat die taak kan volbrengen, +want gij alleen hebt voeten en zijt in staat op het strand te +loopen. Om den aap te overreden, te komen, moet gij hem vertellen +van de wonderen der diepte en van de zeldzame schoonheden van mijn +groot paleis, met zijn parelen op den bodem en zijn muren van koraal". + +De zeekwal, die zich verheugde, dat de gezondheid en het geluk van +haar meesteres van den goeden uitslag van haar onderneming afhing, +verloor geen tijd met naar een eiland te zwemmen. Nauwelijks was zij +aan land gestapt, of zij zag een prachtigen aap, die in de takken +van een pijnboom speelde. + +"Zeg eens!" sprak de zeekwal, "ik vind dit eiland erg leelijk. Wat +een vervelend en ellendig leven moet gij hier leiden! Ik kom uit +het Rijk der Zee, waar Rin-Jin regeert in een groot en prachtig +paleis. Misschien zoudt gij er lust in hebben, een nieuw land te +zien, waar overvloed van vruchten is en waar het altijd prachtig weer +is. Als gij dat prettig vindt, klim dan op mijn rug, en ik zal u met +veel genoegen naar het Rijk der Zee medenemen". + +"Ik neem gaarne uw uitnoodiging aan", zeide de aap, terwijl hij uit +den boom nederdaalde, en rustig op den rug van de zeekwal ging zitten. + +"Tusschen twee haakjes", zeide de zeekwal, toen hij ongeveer de helft +van de terugreis had afgelegd, "Ik onderstel, dat gij uw lever hebt +medegebracht, niet waar?" + +"Wat een persoonlijke vraag!" antwoordde de aap. "Waarom vraagt +gij dit?" + +"Onze Zeekoningin is gevaarlijk ziek", zeide de dwaze zeekwal, +"en alleen de lever van een levenden aap kan haar leven redden. Als +wij in het paleis komen, zal een dokter uw lever gebruiken en mijn +meesteres zal weer herstellen". + +"Ach kom!" riep de aap uit, "ik had gewild, dat gij mij dit hadt +medegedeeld, voordat wij het eiland hadden verlaten. Geloof mij, gij +vergist u, waarde zeekwal. Ik heb een aantal levers op een pijnboom +hangen, en ik had u gaarne een willen afstaan, om het leven van uw +Koningin te sparen. Als gij mij naar het eiland wilt terugbrengen, +zal ik er een halen. Het is bijzonder ongelukkig, dat ik vergeten +heb een lever mede te brengen." + +De lichtgeloovige zeekwal draaide om en zwom weer naar het eiland +terug. Oogenblikkelijk nadat de zeekwal het strand had bereikt, +sprong de aap van haar rug en sprong rond op de takken van een boom. + +"_Lever_", zeide de aap grinnikend, "spraakt ge van _lever_? Jij, +dwaze oude zeekwal, je zult nooit mijn lever krijgen!" + +Eindelijk bereikte de zeekwal het paleis, en vertelde Rin-Jin zijn +treurig verhaal. De Zeekoning werd razend van drift. "Slaat haar +murw!" riep hij tot zijn omgeving. "Slaat die dwaze kwal zóólang, +totdat zij geen bot meer in haar lichaam heeft!" + +Zoo verloor de zeekwal na dat ongelukkige uur haar schaal, en alle +zeekwallen, die na haar dood in zee geboren zijn, missen haar schaal, +en zijn tot op den huidigen dag niets anders dan gelei gebleven. + + + + +Het Bronzen Paard. + +Op den feestdag van de _Minige_, of "Het ontsnappen van het Lichaam", +rijdt, zooals men zegt, de Godheid van Kitzuki, Oho-Kuninushi, door de +straten op het Bronzen Paard. De ceremonies, aan dat feest verbonden, +zijn van een zóó geheimzinnigen aard, dat alleen de dienstdoende +priester het geheim na zijn dood aan zijn zoon kan mededeelen door +tusschenkomst van den geest van den overledene. De groote gesneden +draak van Kitzuki kroop, naar men meende, bij zekere gelegenheid +over de daken van een aantal huizen, maar toen zijn houten strot was +doorgesneden, bleef hij eenvoudig een kunstwerk, dat de bewoners niet +langer last veroorzaakte. Ook bronzen wild uit Matsue, een hert en een +hinde, had wonderbaarlijke macht, en kon des nachts door de straten +rennen. Die bezoeken waren zóó talrijk en zóó lastig, dat eindelijk +hun koppen werden afgesneden, en zoo kwamen hun dolle sprongen tot een +einde. De reusachtige schildpad van den Gesshoji tempel, een steenen +kolos, omstreeks zestien voet hoog, werd herhaaldelijk aangetroffen, +terwijl zij pogingen aanwendde, een vijver, met lotus bedekt, over te +zwemmen. Dit wezen werd evenals dat, wat wij zooeven hebben vermeld, +verminkt, en zijn middernachtelijke tochten werden voor goed gestuit. + + + + +HOOFDSTUK XXIII. LEGENDEN OMTRENT VOGELS EN INSECTEN. + + + +Vogels. + +Wij hebben reeds gewezen op enkele vogels, waarvan in Japansche +legenden melding wordt gemaakt, den fazant in het verhaal van Momotaro, +den _Ho-Ho_ Vogel, de Brug van Eksters in het verhaal van Tanabata, +het geheimzinnige licht, dat van den blauwen reiger zou hebben +uitgestraald, den Dondervogel, enz. De _Sekirei_ of kwikstaartjes +zijn gewijd aan Izanagi en Izanami, immers het was door die vogels, +dat die godheden voor het eerst de kunst der liefde leerden kennen, +en zelfs niet de God der Vogelverschrikkers kan hen verschrikken. Toen +de groote held Yamato-take stierf, veranderde hij, naar men meent, +in een witten vogel, en wij lezen in de Ho-joki [68], dat Chomei +zich verbeeldde, dat hij in het geluid van een goudfazant de kreten +van zijn moeder hoorde. Mythische schepselen, zooals de _Tengu_, +hebben bepaalde eigenschappen van vogels, maar toch kunnen zij niet +onder de vogels gerangschikt worden, en om die reden worden zij op +een andere plaats in dit boek behandeld. + + + +De Haan. + +De God van Mionoseki heeft een hekel aan hanen en hennen en aan alles +wat met die vogels samenhangt, de bevolking eerbiedigt dien duidelijk +uitgesproken weerzin. Bij zekere gelegenheid werd een stoomboot, +kort nadat zij in volle zee was gekomen, door een hevigen storm +overvallen, en de meening was, dat de God van Mionoseki, die God +der zeelieden is, ernstig moet beleedigd zijn geweest. Ten slotte +ontdekte de kapitein, dat één van zijn passagiers een pijp rookte, +versierd met een afbeelding van een kraaienden haan. De pijp werd +onmiddellijk in zee geworpen, en de storm ging liggen. + +Wij zijn in staat de reden van de haat van den God tegen den haan uit +de volgende legende af te leiden. In de _Kojiki_ lezen wij, dat de +zoon van de Godheid van Kitsuki menig uur in Mionoseki doorbracht +met het vangen van vogels en visschen. In die dagen was de haan +zijn vertrouwde vriend, en het was de plicht van dien vogel, hard te +kraaien, als de tijd voor den God was aangebroken, om van de jacht +terug te keeren. Eens op een keer vergat de haan echter te kraaien; +ten gevolge daarvan verloor de God, in zijn haast om in zijn boot +terug te keeren, één van zijn roeiriemen, zoodat hij verplicht was, +het schip met zijn handen voort te drijven, die hevig door visschen +gebeten werden. + + + + +Hoe Yoritomo door twee duiven werd gered. + +Toen Yoritomo in een gevecht tegen Oba-Kage-chika verslagen was, werd +hij gedwongen zich met zes van zijn volgelingen terug te trekken. Zij +holden in volle vaart door een bosch, en toen zij een langen hollen +boom vonden, kropen zij daar in, om daar een schuilplaats in te vinden. + +Te gelijker tijd zeide Oba Kage-chika aan zijn neef Oba Kagetoki: +"Ga naar Yoritomo zoeken, want ik heb alle reden te gelooven, dat +hij in dit bosch verborgen is. Ik zal mijn manschappen zóó opstellen, +dat het onmogelijk is voor onzen vijand, te vluchten." + +Oba Kagetoki vertrok, volstrekt niet ingenomen met de zending, want +hij was eertijds met Yoritomo zeer bevriend geweest. Toen hij den +hollen boom bereikte en door een gat in den stam zag, dat zijn oude +vriend daarin verborgen was, kreeg hij medelijden met hem, en keerde +hij naar zijn neef terug, terwijl hij zeide: "Ik geloof, dat Yoritomo, +onze vijand, niet in het bosch is." + +Toen Oba-Kage-chika die woorden hoorde, riep hij woedend: "Je +liegt! Hoe is het mogelijk, dat Yoritomo zoo spoedig is kunnen +ontsnappen, terwijl mijn manschappen om het bosch gelegerd waren en +op wacht stonden? Wijs mij den weg, en ik zal u met enkelen van mijn +manschappen volgen. Geen listen of kunsten dezen keer, beste neef, +of ge zult er streng voor gestraft worden." + +Na verloop van tijd bereikte de troep den hollen boom, en Kage-chika +was op het punt, den boom binnen te gaan, toen zijn neef uitriep: +"Blijf hier staan! Wat is dat voor dwaasheid? Kunt ge niet zien, +dat er een spinneweb over de opening gesponnen is? Hoe zou iemand +in den boom kunnen zijn gekropen, zonder het web te breken? Laat ons +ergens anders onzen tijd nuttiger besteden". + +Maar Kage-chika was nog altijd achterdochtig tegenover zijn neef, +en hij stak zijn boog in den hollen stam. Deze raakte bijna den +ineengedoken Yorikomo aan, toen twee witte duiven plotseling uit de +holte vlogen. + +"Helaas!" riep Kage-chika uit, "gij hebt gelijk, onze vijand kan +hier niet verborgen zijn, want duiven en een spinneweb zouden dit +niet mogelijk maken". + +Door de tijdige hulp van twee duiven en een spinneweb was het den +grooten held Yoritomo mogelijk gemaakt, te ontsnappen, en toen hij +in latere jaren Shogun werd, liet hij tempels bouwen voor Hachiman, +den Oorlogsgod, uit dankbaarheid voor zijn bevrijding, immers de +duiven worden in Japan beschouwd als de boden van den oorlog en niet +van den vrede, zooals dit bij ons het geval is. + + + + +De Hototogisu. + + + Een eenzame stem! + Riep soms de maan? + 't Was slechts de _Hototogisu._ + + _Uit het Japansch_. + + +Er is een geheimzinnige vogel, de _Hototogisu_, die op klagenden toon +zijn eigen naam roept, terwijl hij dien aldus in losse lettergrepen +verdeelt: _ho-to-to-gi-su_. Volgens de legende is het geen aardsche +vogel, maar trekt hij weg uit het Rijk van den Dood op het einde van +Mei, en waarschuwt alle boeren, die hem zien, dat de tijd gekomen +is, de rijst te zaaien. Sommigen verklaren het geluid van den +vogel als beteekende het: "Is de _Kakemono_ opgehangen?" anderen, +dat het zachtkens herhaalt: "Het is nu bepaald beter naar huis terug +te keeren." Die laatste verklaring is typisch Japansch, want als men +meent, dat de zielen in den zomer terugkeeren, dan is het niet vreemd +te meenen, dat ten minste één der vogels naar de oude bosschen en +stroomen en heuvelen van Nippon terugvliegt. + + + + +De Musch, waarvan de tong is uitgesneden. + +Een nijdige oude vrouw was aan haar waschtobbe, toen de lievelingsmusch +van haar buurman al de stijfsel opat, daar zij die voor gewoon +voedsel aanzag. De oude vrouw was zóó boos over het gebeurde, dat +zij de tong van de musch uitsneed, en de ongelukkige vogel vloog weg +naar een berg. Toen het oude paar, aan hetwelk de musch toebehoorde, +vernomen had, wat geschied was, verlieten zij hun huis en ondernamen +zij een groote reis, totdat de fortuin hun zóó gunstig was, dat zij +hun lievelingsmusch terugvonden. + +De musch was niet minder verheugd, toen zij haar meester en meesteres +had terugvonden, en verzocht hen, haar woning binnen te treden. Toen +zij dit gedaan hadden, werden zij onthaald op een groote hoeveelheid +visch en _saké_, en werden zij bediend door de vrouw, de kinderen +en kleinkinderen van de musch, en niet tevreden met die daden van +gastvrijheid, danste het gevederde dier een hopsasa, de Musschendans +genaamd. + +Toen het tijd was voor het oude paar, om naar huis terug te keeren, +bracht de musch twee rieten manden en zeide: "De ééne is zwaar, +en de andere is licht. Welke zoudt gij liefst willen hebben?" + +"O, de lichte", antwoordde het oude paar, "want wij zijn oud en de +reis is lang". + +Toen de oude lieden hun huis hadden bereikt, openden zij de mand, en +tot hun vreugde en verbazing ontdekten zij goud en zilver, juweelen +en zijde. Zoo snel konden zij de kostbare zaken niet uit de mand +halen, of een onuitputtelijke voorraad kwam daarvoor in de plaats, +zoodat de wonderbaarlijke mand met schatten niet kon geledigd worden; +het gelukkige oude paar werd rijk en voorspoedig. + +Het duurde niet lang, of de oude vrouw, die de tong van de musch had +uitgesneden, hoorde van den voorspoed van haar buren; zij haastte zich +dan ook te informeeren, waar die wonderbaarlijke musch te zien was. + +Nadat zij daaromtrent zekerheid had gekregen, kostte het haar geen +moeite de musch te vinden. Toen de vogel haar zag, vroeg hij, welke +der twee manden zij het liefst zou willen medenemen, de zware of de +lichte. De wreede en hebzuchtige oude vrouw koos de zware, daar zij +meende, dat daarin meer schatten waren dan in de lichte; maar toen +zij, hijgende van inspanning haar huis had bereikt, en de mand opende, +sprongen duivels op haar toe, die haar in stukken trokken. + + + + +Een edel Offer. + +Er was eens een man, die er dol op was, vogels te schieten. Hij +had twee dochters, trouwe volgelingen van Buddha, en ieder op haar +beurt wees op de dwaasheid van die wreede liefhebberij van haar +vader, en smeekte hem niet roekeloos het leven van een schepsel te +verwoesten. Maar de man was koppig en wilde niet luisteren naar +de smeekingen van zijn dochters. Eens verzocht een buurman hem, +twee ooievaars te schieten, en hij beloofde dit te doen. Toen de +vrouwen hoorden, wat haar vader voornemens was te doen, zeiden zij: +"Laten wij ons in heldere witte kleeren kleeden en van nacht naar +het strand gaan, want het is een plaats, die druk door ooievaars +bezocht wordt. Indien vader één van ons bij ongeluk doodt in plaats +van de ooievaars, zal het een goede les voor hem zijn, en zal hij +zeker berouw hebben over zijn snood gedrag, dat in strijd is met de +zachtmoedige leerstellingen van Buddha." + +Dien nacht ging de man naar het strand, en de bewolkte lucht maakte +het voor hem moeilijk, ooievaars te herkennen. Eindelijk zag hij +echter twee witte voorwerpen in de verte. Hij schoot; onmiddellijk +vielen de lichamen neer, en hij liep naar de plaats waar zij lagen, +maar hij ontdekte, dat hij zijn beide edele, zelfopofferende dochters +had getroffen. Door smart terneergeslagen, richtte hij een brandstapel +op en verbrandde hij de lijken van zijn arme kinderen. Na dit alles +verricht te hebben, schoor hij zijn hoofd, ging in de bosschen en +werd een kluizenaar. + + + + +Een paar vogels Phoenix. + +Een handig meisje, Saijosen genaamd, was bezig met borduren. Op +zekeren dag bezocht haar een oud man, en zeide: "Borduur voor mij +op een stuk doek een paar vogels phoenix". Saijosen willigde gaarne +dit verzoek in; toen nu de vogels geborduurd waren, sloot de oude +man zijn oogen en wees met zijn vinger naar de vogels. Onmiddellijk +werden de vogels levend, en het meisje en de oude man stegen op hun +rug en verdwenen in de lucht. + + + + +Insecten. + +Er is reeds veel geschreven over de Japansche _Semi_, of +boomkrekeltjes, en het lijkt ons vreemd, dat die kleine schepseltjes +zouden worden gekocht en in kleine kooien geplaatst, waar zij op +bijzonder liefelijke wijze zingen. Lafcadio Hearn doet ons in Kotto +een pathetisch verhaal over één van die insecten. Hij vertelt ons, +dat zijn bediende vergat het diertje voedsel te geven, en dat het +langzamerhand ophield te zingen, en ten slotte genoodzaakt was zijn +eigen teere ledematen op te eten. + +Het gezang van de _minminzemi_ gelijkt op dat van een Buddhistischen +priester, terwijl de groene _Semi_ of _higurashi_ een geluid maakt +als van een zacht klinkend klokje. Als men een gedroogden kever bij +zich draagt, neemt, zoo meent men, iemands voorraad kleeren toe. Bij +de legenden, die hier volgen, moet men er aan denken, dat naar de +leerstellingen der Buddhisten ieder leven heilig is, en bovendien +dat de Buddhisten gelooven, dat de ziel van een man of vrouw om de +ééne of andere zonde zelfs in het kleine lichaam van een insect kan +binnentreden. + + + + +Waterjuffers. + + + "De gouden middagzon, die licht en warmte geeft, + Zij werpt haar stralen, waar de waterjuffer zweeft, + Die, roodgekleurd, doorklieft de ijle lucht, + Waar niets verstoort der dagen kalme vlucht!" + + Naar _Clara A. Walsh._ + + +De waterjuffer wordt dikwijls in de Japansche poëzie vermeld, +maar nergens meer pathetisch dan in de volgende regels, door Chiyo +geschreven na den dood van haar zoontje: + + + "Hoe ver zou hij wel hebben rondgedwaald, + En op zijn tocht de waterjuffer ingehaald?" + + +Chiyo geeft in die schoone regels veel te denken, want in haar +moederliefde is er geen droevige voorstelling van den Dood. Zij +beschouwt het toekomstige leven van haar kind als den gelukkigsten +speeltijd. Ook in deze regels vindt men het Japansche denkbeeld van +de terugkomst van de ziel. + +De bekoorlijkste Japansche waterjuffer wordt _Tenshi-tombo_, "de +Waterjuffer van den Keizer" genoemd. Er is een grootere soort, die bij +voorkeur door kinderen wordt gezocht, en van die soort zijn er veel +meer wijfjes dan mannetjes. Jongens binden een wijfje aan een boom, +en zingen: "Gij, mannetje, Koning van Korea, schaamt gij u niet, om +van de Koningin van het Oosten weg te vluchten?" Dit vreemde gezang +is een toespeling op de verovering van Korea, zooals de legende, +waarnaar wij later zullen wijzen, vermeldt; het gevolg van dit gezang +is, dat het mannetje er op afkomt. Men gelooft ook, dat wanneer de +ééne of andere figuur in de lucht wordt geteekend, dit de macht heeft, +de waterjuffer te verlammen, die men wenscht te vangen. + + + +De Terugkeer van Tama. + +Kazariya Kyubei, een koopman, had een dienstbode, Tama genaamd. Tama +werkte goed en opgewekt, maar zij was slordig op haar kleeren. Op +zekeren dag, toen zij vijf jaren in dienst van Kyubei was geweest, +zeide haar meester tot haar: "Tama, hoe komt het, dat gij in afwijking +van de meeste meisjes geen verlangen schijnt te hebben, er op zijn +voordeeligst uit te zien? Als ge uitgaat, draagt ge uw werkkleeren. Bij +dergelijke gelegenheden moest ge eigenlijk een mooi gewaad dragen." + +"Goede meester", zeide Tama, "gij hebt gelijk, dat gij mij berispt, +daar gij niet weet, waarom ik gedurende al die jaren oude kleeren +heb gedragen, en geen poging heb in het werk gesteld, mij zoo goed +mogelijk te kleeden. Toen mijn vader en mijn moeder stierven, was ik +nog een kind, en daar ik geen broers of zusters had, was het mijn +taak Buddhistische godsdienstplechtigheden te doen verrichten ten +behoeve van mijn ouders. Opdat dit zou kunnen geschieden, heb ik +het geld gespaard, dat gij mij hebt gegeven, en voor mij zelf zoo +weinig mogelijk uitgegeven. Nu zijn de grafsteenen in den Jorakuji +tempel geplaatst en daar ik de priesters mijn geld heb gegeven, zijn +de godsdienstige plechtigheden volbracht. Mijn wensch is vervuld, +en terwijl ik u om vergiffenis vraag, beloof ik u, dat ik mij in het +vervolg beter zal kleeden." + +Voordat Tama stierf, vroeg zij haar meesteres, het overgebleven geld, +dat zij gespaard had, te bewaren. Korten tijd na haar dood kwam +een groote waterjuffer het huis van Kyubei binnen. Het was in dat +jaargetijde, het tijdperk der grootste koude, heel iets bijzonders, +als waterjuffers gezien werden, en de meester van het huis was dan ook +bijzonder verbaasd. Met de grootste zorg zette hij het insect buiten +de deur; maar onmiddellijk vloog het terug, en zoo dikwijls het werd +verwijderd, kwam het weer binnen. "Die waterjuffer", zoo sprak de vrouw +van Kyubei, "zou wel Tama kunnen zijn." Kyubei sneed een klein stukje +uit de vleugels van het insect, en droeg toen het diertje een heel eind +ver buiten zijn woning. Maar den volgenden dag keerde het weer terug, +waarop Kyubei de vleugels van het lichaam van het insect rood verfde, +en het nog veel verder buiten zijn woning droeg. Twee dagen later +kwam het insect weer terug, en de kerf in zijn vleugels, en het rood, +waarmede het bedekt was, lieten geen twijfel over den geest van Kyubei +en zijn vrouw, dat dit volhardende insect inderdaad Tama was. + +"Ik meen", zeide de vrouw van Kyubei, "dat Tama naar ons is +teruggekeerd, omdat zij verlangt, dat wij iets voor haar zullen +doen. Ik heb het geld, dat zij mij verzocht te houden. Laten wij het +aan de priesters geven, opdat deze voor haar ziel kunnen bidden." Toen +zij deze woorden had gesproken, viel het insect dood op den grond. + +Kyubei en zijn vrouw plaatsten de waterjuffer in een doos, en gingen +met het geld van Tama naar de priesters. Een _sutra_ werd over het +lijk van het insect uitgesproken, waarna het behoorlijk in den tuin +van tempel werd begraven. + + + + +Sanemori en Shiwan. + +Sanemori, die een groot krijgsman was, was eens, op een paard gezeten, +bezig een vijand te bevechten. Tijdens het gevecht gleed zijn paard +uit en rolde in een rijstveld. Het gevolg van dit ongeluk was, dat +zijn tegenstander in de gelegenheid was hem te dooden, en van dat +oogenblik af werd Sanemori een insect, dat de rijst opat, en bekend was +onder de landbouwers van Izumo als Sanemori-San. Gedurende bepaalde +zomernachten steken de boeren in hun rijstvelden vuren aan, om het +insect aan te trekken; zij spelen op fluiten en slaan op tamboerijnen, +onder den uitroep: "O, eerwaardige Sanemori, verwaardig u, hierheen +te komen!" Daarna worden godsdienstige ceremonies volbracht, en een +nabootsing in stroo van een ruiter te paard wordt òf verbrand òf in +het water geworpen. Men gelooft, dat die ceremonie het gunstige gevolg +heeft, dat de velden verlost worden van het insect, dat de rijst opeet. + +Van den _Skiwan_, een klein geel insect, dat leeft van komkommers, +wordt verhaald, dat hij eertijds een geneesheer is geweest. Die +geneesheer was, daar hij in een samenzwering betrokken was, +gedwongen zijn woonplaats te verlaten, maar toen hij trachtte te +ontsnappen, raakte zijn voet verward, in de kronkelende ranken van een +komkommerbed, en werd door zijn vervolgers gedood. Zijn vertoornde +geest werd een _shiwan_, en van dien dag af tot op onzen tijd leeft +dat insect van komkommers. + + + + +Glimwormen. + + + "Voor dezen wilgeboom schijnt de tijd van uitbotten in de de + duisternis te zijn teruggekeerd--zie naar de glimwormen." + + +In de oude dagen was het jachtmaken op glimwormen één van de +uitspanningen van aanzienlijke edelen, doch tegenwoordig is het +alleen het tijdverdrijf van kinderen. Maar die jachtpartijen hebben +niets van haar schilderachtigheid verloren, en dat lichtgevende +insect is het onderwerp geweest van menig schoon gedicht, zooals: +"O, die slimme glimwormen! als zij worden opgejaagd, verbergen zij +zich in het maanlicht!" + +Maar ook volwassen personen gaan er met denzelfden ijver op uit, +glimwormen te bewonderen, als zij bloemen gaan bekijken. Voor den +geest van die groote minnaars der Natuur gelijken de glimwormen op +de schitterende bloemblaadjes van een vreemde lichtgevende bloem, +of op een aantal flikkerende sterren, die de lucht hebben verlaten, +om op aarde te wandelen. In den zomertijd bezoeken duizenden menschen +Uji, om de _Hotani-Kassen_, of strijd der glimwormen te zien. Van den +oever der rivier vliegen myriaden van die glinsterende insecten heen +en weer, en in een oogenblik vormen zij een groote zilverkleurige +wolk. De wolk breekt en de stroomende rivier, die een oogenblik te +voren zoo donker was als zwart fluweel, wordt een kronkelende streep +glinsterende juweelen. Het is dan ook geen wonder, dat de Japansche +dichter uitroept: "Zie ik alleen glimwormen, die met den stroom +wegdrijven? Of drijft de Nacht zelf weg, met zijn wemelende sterren?" + +Er is een legende verbonden aan dit betooverende schouwspel. Men meent, +dat de Minamoto-Glimworm en de Taira-Glimworm de geesten zijn van de +oude krijgslieden der Minamoto- en Taira-stammen. In den nacht van +den twintigsten dag van de vierde maand leveren zij een hevig gevecht +op de Uji Rivier. In dien nacht worden alle opgesloten glimwormen +losgelaten, opdat zij weder de oude gevechten der stammen uit de +twaalfde eeuw zouden leveren. De beteekenis der glimwormen als +geesten wordt bovendien versterkt door het feit, dat die insecten +bij voorkeur ronddwalen rondom wilgeboomen--de boomen, die in Japan +het meest met geestverschijningen samenhangen. In oude tijden meende +men, dat glimwormen geneeskundige eigenschappen bezaten. Zalf van +glimwormen maakte, zoo beweerde men, alle vergiften onschadelijk, +en bovendien had die zalf de macht, booze geesten te verdrijven en +een woning te behoeden tegen de aanvallen van roovers. + + + + +Een vreemde Droom. + +Een jonge man uit Matsue keerde van een bruiloft terug, toen hij vlak +voor zijn huis een glimworm zag. Hij bleef een oogenblik stilstaan, +verbaasd, dat hij in een kouden winternacht een dergelijk insect +zag, terwijl er sneeuw op den grond lag. Toen hij daar stond na te +denken, vloog een glimworm naar hem toe; de jonge man sloeg er naar +met zijn stok, maar het insect vloog weg en ging naar den tuin, die +aan den zijnen grensde. Den volgenden dag begaf hij zich naar het +huis van zijn buurman, en was hij op het punt zijn ervaringen van +den vorigen nacht te vertellen, toen de oudste dochter van het gezin +de kamer binnenkwam, en uitriep: "Ik had niet het minste vermoeden, +dat gij hier waart, en toch waart gij een oogenblik te voren in mijn +gedachten. Den vorigen nacht droomde ik, dat ik een glimworm werd. Het +leek alles heel echt en heel mooi, en terwijl ik heen en weer vloog, +zag ik u en vloog naar u toe, met het plan, u te vertellen, dat ik +had leeren vliegen, maar gij duwdet mij met uw stok op zij, en dat +voorval maakt mij nog altijd zenuwachtig." + +Toen de jonge man die woorden van de lippen van zijn verloofde had +gehoord, zweeg hij over het voorgevallene. + + + +De "Wraak van Kanshiro. [69] + +In het dorp Funakami woonde een godvruchtige oude boer, Kanshiro +genaamd. Ieder jaar deed de oude man verschillende bedevaarten +naar bepaalde tempels, waar hij bad en den zegen der goden +afsmeekte. Eindelijk echter werd hij zóó zwak en hulpeloos, dat +hij overtuigd was, dat zijn aardsche dagen geteld waren, en dat hij +waarschijnlijk nog juist de kracht zou hebben, om één bezoek te brengen +aan de groote tempels te Ise. Toen de dorpsbewoners dit edele besluit +vernamen, gaven zij hem met groote milddadigheid een som geld, opdat +de hooggewaardeerde oude boer die aan de heilige tempels zou schenken. + +Kanshiro ging op zijn pelgrimstocht met het geld in een zak, dien +hij om zijn nek droeg. Het weer was bijzonder heet, en de hitte en +de vermoeienis van de reis maakten den ouden man zóó ziek, dat hij +verplicht was enkele dagen in het dorp Myojo te blijven. Hij ging naar +een kleine herberg en vroeg Jimpachi den herbergier, zijn geld voor +hem te bewaren, terwijl hij er bij voegde, dat het een offerande was, +die hij bracht aan de Goden te Ise. Jimpachi nam het geld, en beloofde +den ouden man, dat hij er goed voor zou waken, en dat hij bovendien +voor hem zou zorgen. + +Den zesden dag betaalde de oude man, hoewel nog ver van hersteld, +zijn rekening, nam den zak van den herbergier terug, en ging verder op +reis. Daar Kanshiro een aantal bedevaartgangers in de nabijheid zag, +keek hij niet in den zak, maar verborg dien zorgvuldig in den grooten +zak, die een geringe hoeveelheid kleeren en voedsel bevatte. + +Toen Kanshiro ten slotte onder een pijnboom ging rusten, haalde +hij den zak met geld te voorschijn en keek er in. Helaas! Het geld +was gestolen, en steenen van hetzelfde gewicht waren daarvoor in de +plaats gelegd. De oude man keerde snel naar den herbergier terug, en +verzocht hem het geld terug te geven. Jimpachi werd ontzettend boos, +en ranselde hem flink af. + +De arme oude man kroop weg uit het dorp, en bereikte drie dagen +later met zeldzame krachtsinspanning de heilige tempels te Ise. Hij +verkocht zijn eigendommen, om het geld terug te betalen, dat zijn +brave buurlieden hem hadden gegeven, en met geld, dat overgebleven was, +zette hij zijn pelgrimstocht voort, totdat hij tenslotte verplicht was, +om voedsel te bedelen. + +Drie jaar later ging Kanshiro naar het dorp Myoto, en vond dat de +herbergier, die hem zoo slecht had behandeld, er nu betrekkelijk goed +aan toe was, en in een groot huis woonde. De oude man ging naar hem +toe en zeide: "Gij hebt heilig geld van mij ontvangen, en ik heb mijn +geringe bezittingen verkocht, ten einde het terug te betalen aan hen, +die het mij hadden gegeven. Van dat oogenblik af ben ik een bedelaar +geweest, maar wees er zeker van, dat de wraak u zal bereiken!" + +Jimpachi vervloekte den ouden man en vertelde hem, dat hij zijn +geld niet had gestolen. Toen de twist op zijn hevigst was, greep +een politieagent hem aan, en sleepte hem weg uit het huis, terwijl +hij hem zeide, dat hij gevangen genomen zou worden, als hij durfde +terug keeren. Aan het uiteinde van het dorp stierf de oude man, en +een vriendelijke priester bracht zijn lijk naar een tempel, verbrandde +het eerbiedig, en droeg een aantal heilige gebeden op voor zijn goede +en trouwe ziel. + +Onmiddellijk na den dood van Kanshiro werd Jimpachi bang voor wat hij +had gedaan, en werd hij zóó ziek, dat hij gedwongen was het bed te +houden. Toen hij volkomen hulpeloos ter neder lag, vlogen een aantal +glimwormen uit het graf van den boer, en omgaven het muskieten-gordijn +van Jimpachi, terwijl zij het trachtten door te breken. Een aantal +dorpelingen kwamen Jimpachi te hulp en doodden vele glimwormen, maar +de stroom van glinsterende insecten, die uit het graf van Kanshiro +vlogen, verminderde in het geheel niet. Honderden werden gedood, +maar duizenden kwamen daarvoor in de plaats. De kamer was helder +verlicht door den glans der glimwormen, en het muskietengordijn zonk +onder voortdurend toenemende gewicht. Bij dit merkwaardigen gezicht +fluisterden sommigen der dorpsbewoners: "Jimpachi zal dan toch wel het +geld van den ouden man hebben gestolen. Dit is de wraak van Kanshiro." + +Juist terwijl zij spraken, brak het gordijn door, en de glimwormen +vlogen in de oogen, ooren, mond en neus van den verschrikten +Jimpachi. Twintig dagen lang schreeuwde hij luid om vergiffenis; maar +hem werd geen vergiffenis geschonken. De stroom van glinsterende, +nijdige insecten werd al dikker en dikker, totdat zij ten slotte den +boosaardigen Jimpachi doodden; van dat oogenblik af verdwenen zij +voor goed. + + + + +HOOFDSTUK XXIV. OVER THEE. [70] + + + "De eerste kop bevochtigt mijn lippen en keel, de tweede kop + verbreekt mijn eenzaamheid, de derde kop doorzoekt het diepste + van mijn wezen.... De vierde kop wekt een lichte uitwaseming + op--al het kwade van het leven gaat door mijn poriën weg. Bij den + vijfden kop ben ik gezuiverd; de zesde kop roept mij naar het + rijk der onsterfelijken. De zevende kop--ach, maar ik kon niet + meer tot mij nemen! Ik voel alleen den adem van den koelen wind, + die in mijn mouwen opstijgt. Waar is Horaisan [71] Laat mij op + die zachte bries voortrijden en daarheen voortdrijven." + + _Lotung._ + + +Theedrinken in Europa en in Japan. + +In Europa beschouwen wij de thee eenvoudig als een drank, een +verfrisschend en zacht opwekkingsmiddel, waarbij dames met haar +vriendinnen plegen te babbelen. Er is niets romantisch in onze +theepotten en theeketels en lepeltjes; zij komen uit de keuken +en worden weer in de keuken teruggebracht met voorgeschreven +regelmatigheid. Wij maken eenige stereotiepe opmerkingen over thee, +en kunnen nauwkeurig den prijs opgeven, dien onze grootouders voor +dien drank betaalden. Wij hebben onze vaste meening, in hoeverre +thee liever met of zonder suiker moet genomen worden, en hebben het +dikwijls een krachtig middel gevonden, om hoofdpijn te verdrijven. + +Toen de thee omstreeks 1650 tot Europa doordrong, werd er melding +van gemaakt als van "dien uitstekenden en door alle geneesheeren +aanbevolen Chineeschen drank, door de Chineezen Tcha, en door andere +naties Tay, ook wel Tee genaamd." In 1711 merkte de Spectator op: +"Ik zou deze mijn overpeinzingen op een bij zondere wijze aanbevelen +aan alle ordelijke gezinnen, die elken morgen een uur aan hun thee, +brood en boter besteden; en zou hen ernstig willen aanraden in hun +eigen belang, om te bevelen, dat dit blad hun stipt wordt uitgereikt +en door hen als een deel van hunne uitrusting bij de thee wordt +beschouwd." Dr. Johnson gaf van zich zelf een beschrijving als van een +"verstokt en schaamteloos theedrinker, die gedurende twintig jaar zijn +maaltijden verdunde alleen met dit afgietsel van den betooverenden +drank; die zijn avonden met thee verkortte, in den middernacht troost +vond in thee, en met thee den ochtend verwelkomde." Maar er is niets +romantisch, geen oude traditie aan ons theedrinken verbonden. Misschien +is het maar goed, dat de dames, die in onze deftige salons zitten, +niet bekend zijn met de sombere en pathetische legende, die verhaalt +hoe een Buddhistische priester tijdens zijn overpeinzingen in slaap +viel. Toen hij wakker werd, sneed hij zijn oogleden af, die zoozeer +gezondigd hadden, en wierp ze op den grond, waar zij onmiddellijk +veranderden in de eerste theeplant. + +In Japan is het theedrinken een godsdienstige handeling geworden. Het +is evenzeer een maatschappelijke handeling als een tijd voor +rustige overpeinzing. De uitgewerkte ceremonies bij de thee, +_cha-no-yu_, hebben haar thee-ceremoniemeesters, etiquette en talrijke +plechtigheden. Een kop Japansche thee is verbonden met geestelijke +en artistieke beschaving. Maar voordat wij deze zeer belangwekkende +ceremonies bespreken, moeten wij iets leeren omtrent de beteekenis +van thee in China, want het drinken van dien drank in het Hemelsche +Rijk, verbonden met het kostbaarste en zeldzaamste porcelein en met +aesthetische en godsdienstige gedachten, heeft tot de vereering van +de thee in het Land der Goden geleid. + + + + +Thee in China. + +De theeplant, afkomstig uit Zuidelijk China, werd oorspronkelijk als +een geneesmiddel beschouwd. Bij de classieke schrijvers komt zij voor +onder de namen _Tou_, _Tseh_, _Chung_, _Kha_ en _Ming_, en werd op +hoogen prijs gesteld om haar geneeskrachtige eigenschappen. Zij werd +als een uitnemend waschmiddel beschouwd, om de oogen te versterken, en +zij had bovendien de macht, vermoeienis te bannen, den wil te sterken, +en de ziel te verheugen. Somtijds werd er een deeg van gemaakt, +en men meende, dat het een afdoend middel was tegen rheumatische +pijnen. De Taoïsten gingen zelfs zóóver, dat zij beweerden, dat +thee één van de bestanddeelen was van het Levenselixer, terwijl de +Buddhistenpriesters die dronken, zoo dikwijls zij het noodig achtten +om gedurende de lange uren van den nacht te peinzen en te overdenken. + + + + +Luwuh en de Chaking. + +In de vierde en vijfde eeuw blijkt de thee een zeer geliefkoosde +drank te zijn geweest onder de bevolking der Yangtse-Kiang Vallei. In +dien tijd ook werden de dichters welsprekend bij het verkondigen +van haar lof. Maar in die dagen was de thee een walgelijk brouwsel, +want het werd gekookt met rijst, zout, gember, sinaasappel-schillen, +en niet zelden met uien! Lawuh echter, die in de achtste eeuw leefde, +keurde het vreemde brouwsel af, dat wij zooeven genoemd hebben. Hij +was de eerste Chineesche theemeester, en niet alleen, dat hij de thee +idealiseerde, maar met een helder poëtisch inzicht begreep hij, dat +de plechtigheden bij het drinken bevorderlijk waren aan de harmonie +en de orde in het het dagelijksch leven. + +In zijn _Chaking_ ("De Heilige Schrift van Thee") beschrijft hij den +aard der theeplant, en hoe haar bladeren moeten worden verzameld en +uitgezocht. Hij was van oordeel, dat de beste bladeren plooien moesten +hebben als de leeren laarzen van Tartaarsche ruiters, gekruld moesten +zijn als de keellap van een krachtigen os, moesten worden losgevouwen +als een nevel, die uit een ravijn opstijgt, moesten glinsteren als +een meer, door den westenwind bewogen, en vochtig en zacht moesten +zijn als fijne aarde, juist te voren door den regen bespoeld. Luwuh +beschrijft de verschillende gereedschappen, die met de plechtigheid +van het theedrinken verbonden zijn, en beweert, dat de groene drank +moet worden gedronken uit blauwe porceleinen koppen. Hij behandelt in +bijzonderheden de keuze van het water, en de wijze, hoe het gekookt +moet worden. In poëtische bewoordingen beschrijft hij de drie trappen +van koken. Hij vergelijkt de kleine belletjes bij het begin van het +koken met de oogen van visschen, de kleine belletjes bij het tweede +koken met een fontein, gekroond met opgehoopte kristallenknopjes, en +het laatste kooksel wordt beschreven als gelijkend op het verrijzen +van kleine golven. De laatste hoofdstukken van de _Chaking_ behandelen +de gewone en niet-orthodoxe methoden van theedrinken, en de vurige +meester geeft een lijst van beroemde theedrinkers, en somt de beroemde +Chineesche theeplantages op. Het bekoorlijke werk van Luwuh werd als +een meesterstuk beschouwd. Hij was in hoog aanzien bij Keizer Taisung, +trok een aantal leerlingen naar zich toe, en werd beschouwd als de +grootste autoriteit op het gebied van thee en theedrinken. Zijn roem +hield niet op bij zijn dood, immers sedert zijn dood is hij door +Chineesche handelaars in thee als een beschermgod vereerd. + + + + +De Japansche Theeceremonies. + +Men meent, dat de groote Buddhistische heilige, Dengyo Daishi, de thee +uit China in Japan invoerde in het jaar 805. In ieder geval stond het +theedrinken in Nippon in verband met het Buddhisme, en voornamelijk +met de Zen-secte, die zoovele van de Taoïstische leerstellingen had +overgenomen. De priesters van die orde dronken thee uit één enkelen +kom voor het beeld van Bodhi Dharma (Daruma). Zij deden dit in den +geest van aanbidding en beschouwden het theedrinken als een heilig +sacrament. Het was die plechtigheid bij de Zen-secte, die uitsluitend +van godsdienstigen aard was, welke zich ten slotte ontwikkelde tot +de Japansche theeceremonies. + +"De theeceremonies", zoo schrijft Professor B.H. Chamberlain, +"hebben gedurende de zes of zeven honderd jaren van haar bestaan +drie gedaanteverwisselingen ondergaan. Zij hebben een geneeskundig +godsdienstigen trap, een wellustigen, en ten slotte een aesthetischen +trap doorloopen. Op den godsdienstigen trap schreef de Buddhistische +priester Eisai een korte verhandeling, die tot titel droeg _De +Heilige Invloed van het Theedrinken_, waarin hij beweerde, dat +die drank de macht had, kwade geesten te verdrijven. Hij voerde +een godsdienstige plechtigheid in, in verband met de vereering der +voorouders, vergezeld met het slaan van trommen en het verbranden +van vuurwerk. Eisai schreef zijn verhandeling met de bedoeling, +Minamoto-no-Sanetomo te bekeeren van zijn misdadige liefde voor den +wijnbeker, en trachtte de voortreffelijkheid der theeplant boven het +druivensap aan te toonen." Het blijkt dat de theeceremonies in den +loop der tijden haar godsdienstige beteekenis verloren. "De Daimio's", +zoo schrijft Chamberlain, "die daaraan deelnamen lagen op rustbanken, +bedekt met tijgervellen en vellen van luipaarden. De muren der ruime +vertrekken, waarin de gasten waren verzameld, waren niet alleen +behangen met Buddhistische teekeningen, maar met damasten brokaat, +met gouden en zilveren vaatwerk, en zwaarden met schitterende +scheeden. Kostbare reukwerken werden gebrand, zeldzame visschen +en vreemde vogels werden opgedischt met suikerwerk en wijn, en de +aardigheid van het feest bestond hierin, dat men moest raden, waar +de grondstof voor iederen kop thee was voortgebracht; want er werden +zooveel mogelijk soorten binnengebracht, om als _gezelschapsspel_ +of als raadsel dienst te doen.... Voor iederen keer, dat men goed +geraden had, ontving de oplosser één der schatten ten geschenke, die +rondom het vertrek hingen. Maar hij mocht die niet zelf medenemen. De +regels der theeceremonies, zooals zij toen beoefend werden, eischten, +dat alle kostbare en zeldzame dingen, die tentoongesteld waren, door +de winners ten geschenke werden gegeven aan de zang- en dansmeisjes, +van wie steeds een groot aantal tegenwoordig waren, om het gezelschap +bij hun feest bij te staan." + +Die vorm van theeceremonies, die inderdaad een vreeselijk onzedelijke +slemppartij blijkt geweest te zijn, gaf een beeld van het weelderige +en losbandige tijdperk, waarin die theeceremonies plaats hadden. De +theeceremonie, in haar meer blijvenden en karakteristieken vorm, +was bestemd, alle gemeene vertooningen op zijde te zetten, een +zeker bedrag aan godsdienst en wijsbegeerte te omvatten, en bovenal +een middel te schenken, om de kunst en de schoonheid der Natuur te +bestudeeren. De theesalon werd niet een plaats voor drinkgelagen, +maar een plaats, waar de reiziger vrede zou kunnen vinden in plechtige +overpeinzing. Zelfs het tuinpad, dat naar de theekamer leidt, had +zijn symbolische beteekenis, want het beteekende den eersten trap +naar zelf-verlichting. De volgende regels geven een denkbeeld van de +voorstelling, die Kobori Enshiu zich maakt van het pad, dat naar de +theekamer leidt: + + + "Een groep zomerboomen, + Een deel van de zee, + Een bleeke avondmaan". + + +Zulk een tafereel was bestemd, den reiziger een denkbeeld te geven van +geestelijk licht. De boomen, de zee en de maan wekten oude droomen, +en hun aanwezigheid was de reden, dat de gast verlangend was, over te +gaan naar de grootere vreugden van den theesalon. Geen _samurai_ mocht +met zijn zwaard in het geurige heiligdom van den vrede binnentreden, +en in een aantal theesalons was er een lage deur, waardoor de gasten +binnenkwamen met gebogen hoofd, als een teeken van nederigheid. In +stilte maakten de gasten een diepe buiging vóór een _kakomono_ of +vóór een eenvoudige schoone bloem op de _tokonoma_ (alkoof), en gingen +dan op de matten zitten. Als zij dit gedaan hadden, kwam de gastheer +binnen, en hoorde men het water in den ketel met een muzikaal geluid +koken, het gevolg van enkele stukken ijzer, die daarin lagen. Zelfs +het koken van het water in den ketel was verbonden met een poëtische +gedachte, want het gezang van water en metaal moest een voorstelling +geven van "de echo's van een waterval, door wolken bedekt, van een +verwijderde zee, die tegen de rotsen breekt, van een regenvlaag, die +door een bamboebosch vliegt, of van het suizen van pijnboomen op den +één of anderen verwijderden heuvel". Er was een gevoel van harmonie +in den theesalon. Het licht was als het zachte licht van den avond, +en de kleederen van het gezelschap waren even rustig en stemmig als de +grijze vleugels van een nachtvlinder. In dat rustige vertrek dronken +de gasten hun thee en peinsden, en keerden weder beter en krachtiger +in de wereld terug, nadat zij in stilte het schoone en het edele in +godsdienst, kunst en natuur hadden overdacht en beschouwd. "Daar zij +voortdurend in harmonie trachtten te zijn met den grooten rhythmus der +natuur, waren zij steeds voorbereid, het onbekende binnen te treden." + + + + +De Dood van Rikiu. + +Rikiu was één der grootste theemeesters, en langen tijd bleef hij de +vriend van Taiko-Hideyoshi; maar de tijd waarin hij leefde, was vol +verraad. Er waren velen, die afgunstig waren op Rikiu, velen, die op +zijn dood loerden. Toen een verkoeling ontstond tusschen Hideyoshi en +Rikiu, maakten de vijanden van den grooten theemeester gebruik van +die verkoeling en verspreidden het gerucht, dat Rikiu van plan was, +vergif te doen in een kop thee, en dat aan zijn edelen beschermer +aan te bieden. Spoedig vernam Hideyoshi dat gerucht, en zonder de +moeite te nemen, de zaak nader te onderzoeken, veroordeelde hij Rikiu, +zelfmoord te plegen. + +Den laatsten dag, dat de beroemde theemeester leefde, noodigde hij +een aantal van zijn leerlingen uit, hem te bezoeken bij zijn laatste +theeceremonie. Terwijl zij in het tuinpad wandelden, leek het, alsof +geesten in de ritselende paden fluisterden. Toen de leerlingen den +theesalon binnentraden, zagen zij een _kakemono_ in de _tokonoma_ +hangen, en toen zij hun bedroefde oogen ophieven, zagen zij, dat +het geschrift het voorbijgaan van alle aardsche dingen beschreef. Er +was poëzie in het gezang van den theeketel, maar het was een droevig +gezang, als het klagende geluid van een insect. Rikiu kwam kalm en +waardig in den theesalon, volgens de gewoonte liet hij den voornaamsten +gast de verschillende voorwerpen bewonderen, die met de thee-ceremonie +in verband stonden. Toen alle gasten die hadden beschouwd, met een +bloedend hart hun schoonheid bewonderend, bood Rikiu iederen leerling +een aandenken aan. Hij nam zijn eigen theekop in de hand en zeide: +"Nooit meer zal die kop, bezoedeld door de lippen van het ongeluk, +door een mensch gebruikt worden". Na die woorden gesproken te hebben, +brak hij den kop ten bewijze, dat de thee-ceremonie geëindigd was, +en de gasten namen een droevig afscheid. Slechts één bleef achter, +om getuige te zijn, niet van het drinken van nog een kop thee, maar +van den dood van Rikiu. De groote meester trok zijn bovenkleeren uit, +en toen kwam het reine witte Doodskleed voor den dag. Nog altijd even +kalm en waardig, keek hij naar zijn dolk, en zeide hij met onbewogen +stem het volgende vers op: + + + "Een welkom zij u gewijd, + O zwaard der eeuwigheid! + Door Buddha + En ook door Daruma + Hebt gij uw weg gebaand." + + +Hij, die het oude gedicht placht aan te halen, "aan hen, die alleen +naar bloemen verlangen, zou ik gaarne de in vollen bloei staande +lente willen laten zien, die woont in de zwellende knoppen op de +heuvelen met sneeuw bedekt", heeft de Japansche thee-ceremonie met +een onsterfelijke bloem gekroond. + + + + +De Legende der Theeplant. [72] + +Daruma was een Indische wijze, wiens beeld, zooals wij reeds gezien +hebben, in verband stond met het theedrinken als godsdienstig gebruik +door de Zen-secte in Japan. Men zegt, dat hij de zoon was van een +Hindoe-koning, en onderwijs had genoten van Panyatara. Toen hij zijn +studies had voleindigd, trok hij zich terug naar Lo Yang, waar hij +gedurende negen jaar in gepeins bleef zitten. In die periode werd de +wijze in verzoeking gebracht op de wijze van den Heiligen Antonius, +Hij worstelde tegen die verzoekingen, door aanhoudend de heilige +geschriften op te zeggen; maar het telkens herhalen van het woord +"juweel" verloor zijn geestelijke beteekenis, en werd in verband +gebracht met den edelsteen, die gedragen werd in het oor van zekere +bekoorlijke vrouw. Zelfs het woord "lotus", dat alle ware Buddhisten +zoo heilig is, was niet langer het symbool van Buddha, en deed Daruma +denken aan het openen van den schoonen mond van een meisje. Zijn +verzoekingen namen toe, en hij werd overgebracht naar een Indische +stad, waar hij zich bevond onder een groote menigte aanbidders. Hij +zag vreemde godheden met afschuwelijke symbolen op hun voorhoofd, en +Rajah's en Prinsen, die op olifanten reden, en die omringd waren door +een groot gezelschap dansmeisjes. De groote menschenmassa trok voort +en daarbij ook Daruma, totdat zij aan een tempel kwamen met tallooze +tinnen, een tempel bedekt met een menigte onreine gedaanten, en het +leek Daruma, dat hij de vrouw zag en kuste, die de beteekenis van den +juweel en den lotus had veranderd. Daarop verdween de verschijning +plotseling, en Daruma werd wakker, en ontdekte, dat hij onder den +Chineeschen hemel zat. De wijze, die tijdens zijn overpeinzing in slaap +was gevallen had ernstig berouw, dat hij zijn godsdienstige plichten +had verwaarloosd, en na een mes uit zijn gordel te hebben genomen, +sneed hij zijn oogleden af en wierp die op den grond, terwijl hij +zeide: "O Gij Volkomen Ontwaakte!" De oogleden veranderden in de +theeplant, waarvan een drank werd vervaardigd, die den slaap kon +verdrijven en vrome Buddhistische priesters in staat stelde hun +nachtwaken te houden. + + + + +Daruma. + +Daruma wordt meestal voorgesteld zonder beenen, want volgens een +andere lezing der legende, die wij zooeven hebben medegedeeld, +verloor hij zijn beenen door de negenjarige overpeinzing. _Netsuke_ +[73]-snijders stellen hem voor in een plechtig, zakvormig gewaad, +met een zuur gezicht en oogen zonder oogleden. Somtijds wordt hij in +de Japansche kunst voorgesteld, omgeven door spinnewebben, en er is +een schalksche wijziging van den heilige, waar hij is voorgesteld als +een vrouwelijke Daruma, wat een speelsche hatelijkheid is op Japansche +vrouwen, van wie niet kan worden verwacht, dat zij negen jaar lang +kunnen zwijgen! Dikwijls wordt een uil in verband gebracht met Daruma, +en op zijn tocht naar Japan wordt hij uitgebeeld, op de golven staande, +gesteund door een gierststengel. Drie jaar na den dood van Daruma zag +men hem wandelen over de westelijke bergen van China, en men zag, +dat hij één schoen in zijn rechter hand droeg. Toen het graf van +Daruma op bevel van den Keizer werd geopend, bleek dit slechts één +schoen te bevatten, dien de heilige vergeten had mede te nemen. [74] + + + + +HOOFDSTUK XXV. LEGENDEN UIT DE SPOKENWERELD. [75] + + + +"Hoïchi zonder Ooren." + +In de verhalen omtrent Yoshitsune en zijn trouwen dienaar Benkei +hebben wij reeds melding gemaakt van den slag bij Dan-no-ura, den +laatsten strijd tusschen de Taira en de Minamoto stammen. [76] In +dat groote zeegevecht kwamen de Taira om, en tevens hun jonge Keizer +Antoku Tenno. Het merkwaardige tafereel wordt in de _Heike Monogatari_ +(vertaling van W.G. Aston) aldus beschreven: + +"Deze wereld is het gebied der smart, een verwijderde plek, klein +als een gierstkorrel. Maar onder de golven is een prachtige stad, +het Reine Land van Volmaakt Geluk genoemd. Daarheen voer ik u." Met +zoodanige woorden kalmeerde zij hem. Het kind bond toen zijn strik +op het hoofd vast aan het Keizerlijke kleed dat de kleur had van een +bergduif en treurig vouwde hij zijn vriendelijke handjes samen. Eerst +wendde hij zich naar het Oosten, en nam afscheid van den tempel van +den grooten God van Ise en den tempel van Hachiman. Daarna wendde hij +zich naar het Westen, en riep den naam van Buddha aan. Toen hij dit +had gedaan, nam Niidono hem moedig in haar armen, en na hem te hebben +gevleid met de woorden, 'Er is een stad ver weg onder de golven,' +zonk zij op den bodem ter diepte van duizend vademen. + +Men zegt, dat zevenhonderd jaar na dien grooten zeestrijd de zee en +de kust in de nabijheid door de geesten van den Taira stam werden +bezocht. Geheimzinnige vuren schenen op de golven, en de lucht was +gevuld met het geluid van strijd. Om de ongelukkige geesten tot +rust te brengen, werd de tempel van Amidaji te Akamagaséki gebouwd, +en werd er dichtbij een kerkhof aangelegd, en daarop verschillende +gedenksteenen geplaatst, waarop de namen van den verdronken keizer en +zijn voornaamste volgelingen waren gegrift. Die tempel en dat kerkhof +brachten de spookverschijningen tot op zekere hoogte tot rust, maar +van tijd tot tijd geschiedden er een aantal vreemde dingen, zooals +wij uit de volgende legende zullen zien. + +Er leefde eens in den tempel van Amidaji een blinde priester Hoïchi +genaamd. Hij was beroemd om zijn voordragen en zijn wonderbaarlijke +bekwaamheid in het spelen op de _biwa_ (een luit met vier snaren), +en hij had er bijzonder veel genoegen in, verhalen voor te dragen, +die in verband stonden met den langdurigen oorlog tusschen de Taira +en de Minamoto stammen. + +Eens op een avond was Hoïchi alleen in den tempel achtergelaten, en +daar het een zeer warme avond was, bleef hij op de veranda zitten, +waar hij herhaaldelijk op zijn _biwa_ speelde. Terwijl hij daarmede +druk bezig was, hoorde hij iemand naderen, die den kleinen achtertuin +van den tempel overstak. + +Daarna riep een diepe stem van onder de veranda: "Hoïchi!" En nog +eens klonk de stem: "Hoichi!" + +Hoïchi, die daardoor zeer ontsteld werd, antwoordde, dat hij blind was, +en gaarne wilde weten, wie zijn bezoeker was. + +"Mijn meester," zoo sprak de vreemdeling, "houdt zich thans te +Akamagaséki op met een aantal volgelingen, en hij is daarheen gegaan, +om het tooneel van den slag bij Dan-no-ura te aanschouwen. Hij heeft +gehoord, hoe voortreffelijk gij het verhaal van den strijd voordraagt, +en heeft mij bevolen, u vóór hem te geleiden, opdat gij hem uw +bekwaamheid kunt toonen. Breng uw _biwa_ mede en volg mij. Mijn meester +en zijn doorluchtig gezelschap wachten op uw geëerde tegenwoordigheid." + +Hoïchi, die meende, dat de vreemdeling de één of andere edele _samurai_ +was, gehoorzaamde onmiddellijk. Hij trok zijn sandalen aan en nam +zijn _biwa_ mede. Met ijzeren hand geleide hem de vreemdeling, en +zij liepen haastig voort. Hoïchi hoorde wapengekletter naast zich; +maar hij was geen oogenblik bevreesd, en hij verheugde zich in het +vooruitzicht van de eer, zijn bekwaamheid te kunnen toonen voor een +uitgezocht gezelschap. + +Toen hij aan de poort kwam, riep de vreemdeling luide: "_Kaimon!_" +Onmiddellijk werden de grendels van de poort verwijderd en werd deze +geopend, waarna beide mannen naar binnen gingen. Daarna werd het +geluid gehoord van een aantal voeten, die naderden, en een geritsel +als van schermen, die geopend werden. Hoïchi werd geholpen bij het +beklimmen van een aantal trappen, en toen hij boven was gekomen, +werd hem bevolen, zijn sandalen achter te laten. Een vrouw leidde hem +toen bij de hand voort, totdat hij zich in een groot vertrek bevond, +waar hij meende, dat een groot gezelschap bijeen was. Hij hoorde het +onderdrukt gefluister van stemmen en de zachte beweging van zijden +gewaden. Toen Hoïchi had plaats genomen op een kussen, verzocht hem +de vrouw, die hem geleid had, de geschiedenis te vertellen van den +grooten slag bij Dan-no-ura. + +Hoïchi begon te zingen onder begeleiding van zijn _biwa_. Zijn +bekwaamheid was zóó groot, dat de snaren van zijn muziekinstrument +het geluid van roeiriemen, de beweging van schepen, het geschreeuw +der bemanning, het geluid der zich verheffende baren en het snorren +van pijlen schenen na te bootsen. Een zacht gemompel van goedkeuring +begroette Hoïchi's prachtige voordracht. Aangemoedigd door die bewijzen +van tevredenheid, zong en speelde hij nog prachtiger en kunstiger +voort. Toen hij begon te zingen van den dood der vrouwen en kinderen, +het zich in zee storten van Niidono met den jeugdigen keizer in haar +armen, begon het gezelschap te weenen en te jammeren. + +Toen Hoïchi geëindigd had, zeide hem de vrouw, die hem had geleid, +dat haar meester zeer ingenomen was met zijn voordracht, en dat hij +verlangde, dat hij ook de zes volgende nachten voor hem zou spelen. "De +bediende," voegde zij er aan toe, "die u van nacht hier bracht, zal +morgen op hetzelfde uur uw tempel bezoeken. Gij moet die bezoeken +geheim houden, en kunt nu naar huis terugkeeren". + +Weer geleidde de vrouw Hoïchi door het vertrek, en na de trappen +bereikt te hebben, werd hij door denzelfden bediende teruggeleid naar +de veranda aan de achterzijde van den tempel waar hij woonde. + +Den volgenden nacht werd Hoïchi weer weggeleid, om het gezelschap +te onderhouden, en weer werd zijn voordracht bewonderd. Maar nu werd +ook zijn afwezigheid ontdekt, en bij zijn terugkomst vroeg hem zijn +medepriester er naar. Hoïchi ontweek de vraag van zijn vriend, en +zeide hem, dat hij alleen maar even uit was geweest, om een private +aangelegenheid te behandelen. + +Zijn collega was volstrekt niet voldaan. Hij betreurde de +stilzwijgendheid van Hoïchi en vreesde, dat er iets niet in den haak +was, en dat misschien wel de blinde priester door booze geesten +was betooverd geworden. Hij beval daarom de mannelijke bedienden, +streng de wacht te houden over Hoïchi, en hem te volgen, als hij den +volgenden nacht weer den tempel zou verlaten. + +Weer verliet Hoïchi zijn woning. De mannelijke bedienden staken haastig +hun lantarens aan en volgden hem zoo haastig mogelijk; maar hoewel +zij snel liepen, overal rondzagen en voortdurend onderzoek deden, +gelukte het hun niet Hoïchi te ontdekken, of iets omtrent hem gewaar +te worden. Op hun terugtocht schrikten zij echter, toen zij het geluid +van een _biwa_ hoorden op het kerkhof van den tempel, en toen zij die +sombere plaats binnentraden, zagen zij den blinden priester zitten. Hij +zat op het graf van Antoku Tenno, den jeugdigen keizer, waar hij +zijn _biwa_ luid deed klinken en tegelijk met luider stem het verhaal +zong van den slag bij Dan-no-ura. Aan weerszijden van hem fonkelden +geheimzinnige vlammen, als een groote menigte brandende kaarsen. + +"Hoïchi! Hoïchi!" riepen de mannen. "Houd onmiddellijk op met +spelen! Gij zijt betooverd, Hoïchi!" Maar de blinde priester bleef +doorspelen en zingen, naar het scheen, in een vreemden en ijselijken +droomtoestand verkeerend. + +De mannelijke bedienden gingen toen tot krachtiger maatregelen +over. Zij schudden hem heen en weer, en riepen in zijn oor: "Hoïchi, +kom dadelijk met ons terug!" + +De blinde priester berispte hen, en zeide, dat een dergelijke +stoornis door het aanzienlijke gezelschap, waar hij zich bevond, +niet zou worden geduld. + +De mannen sleepten nu Hoïchi met geweld mede. Toen hij den tempel +bereikte, werden hem zijn natte kleeren uitgetrokken, en werd hem +spijs en drank voorgezet. + +Hoïchi's ambtgenoot was toen vreeselijk boos, en volkomen terecht +drong hij aan op een volledige verklaring van zijn vreemd gedrag. Na +langdurige aarzeling verhaalde Hoïchi zijn vriend alles, wat hem +was overkomen. Toen hij zijn vreemde avonturen had verhaald, zeide +de priester: + +"Arme vriend! Ge hadt mij dit eer moeten verteld hebben. Gij hebt +niet het deftige huis van een aanzienlijk man bezocht, maar gij +hebt op gindsch kerkhof gezeten voor het graf van Antoku Tenno. Uwe +groote gaven hebben de geesten van den Tairastam opgeroepen. Hoïchi, +gij verkeert in groot gevaar, want gij hebt u, door aan die geesten +te gehoorzamen, ongetwijfeld in hun macht geplaatst, en vroeg of +laat zullen zij u dooden. Het is ongelukkig, dat ik tegen den nacht +ontboden ben, om een godsdienstplechtigheid te vervullen, maar voordat +ik wegga, zal ik er voor zorgen, dat uw lichaam met heilige teksten +bedekt wordt." + +Vóór het aanbreken van den nacht werd Hoïchi ontkleed, en een +tempeldienaar schreef met penseelen op zijn lichaam de tektsten van de +_sutra_, die bekend staat als _Hannya-Shin-Kyo_. Die tektsten werden +geschreven op zijn borst, hoofd, rug, gelaat, nek, beenen, armen en +voeten, ja zelfs op de zolen van zijn voeten. Daarna sprak de priester: +"Hoïchi, gij zult van nacht weer weggeroepen worden. Blijf stil zitten, +zeg niets, en blijf voortdurend peinzen. Als gij die dingen doet, +zal u geen kwaad overkomen." + +Dien nacht zat Hoïchi alleen in de veranda, terwijl hij nauwelijks +een spier bewoog en zeer zacht adem haalde. + +Weer hoorde hij het geluid van voetstappen. "Hoïchi!" riep een diepe +stem. Maar de blinde priester antwoordde niet. Hij bleef doodstil +zitten, in den grootsten angst. + +Telkens werd zijn naam weer gehoord, doch zonder eenig resultaat. "Dit +geeft niets", bromde de vreemdeling. "Ik moet zien, waar de kerel +is". De vreemdeling sprong in de veranda en ging vóór Hoïchi staan, +die over zijn geheele lichaam beefde, ontzet over den toestand. + +"Ha!" riep de vreemdeling. "Dit is de _biwa_, maar in plaats van den +speler zie ik--niets dan twee ooren! Nu begrijp ik, waarom hij niet +antwoordde. Hij heeft geen mond, alleen zijn beide ooren! die ooren +zal ik naar mijn meester brengen!" + +Een oogenblik later werden Hoïchi de ooren van het hoofd getrokken, +maar in weerwil van de vreeselijke pijn gaf de blinde priester geen +geluid. Daarna vertrok de vreemdeling, en toen zijn voetstappen +waren weggestorven, was het eenige geluid, dat Hoïchi hoorde, het +druppelen van het bloed op de veranda, en zoo vond de priester bij +zijn terugkomst den ongelukkigen man. + +"Arme Hoïchi!" riep de priester. "Het is mijn eigen schuld. Ik +vertrouwde erop, dat mijn tempeldienaar heilige teksten op ieder deel +van uw lichaam zou schrijven. Hij verzuimde dit echter op uw ooren +te doen. Ik had er op moeten letten, dat hij mijn bevelen behoorlijk +uitvoerde. Maar gij zult in het vervolg niet meer door die geesten +gehinderd worden." Sedert dien tijd was de blinde priester bekend +onder den naam van _Mimi-nashi-Hoïchi_, "Hoïchi de Man zonder ooren." + + + + +De Lijken-eter. + +Muso Kokushi, een priester, verdwaalde, toen hij door de provincie +Mino zwierf. Daar hij er aan wanhoopte, een menschelijke woning te +vinden, was hij op het punt, in de open lucht te gaan slapen, toen +hij toevallig een kleine kluizenaarswoning (_anjitsu_) ontdekte. + +Een oude priester begroette hem, en Muso verzocht, dat hij hem voor +één nacht een schuilplaats zou willen geven. "Neen", antwoordde de +oude priester nijdig, "ik verleen nooit iemand een schuilplaats. In +gindsche vallei zult gij een gehucht vinden; zoek daar een schuilplaats +voor één nacht." + +Met deze tamelijk onbeleefde woorden vertrok Muso, en toen hij het +gehucht bereikt had, werd hij gastvrij opgenomen in de woning van +het dorpshoofd. Zoodra hij het voornaamste vertrek binnentrad, zag +de priester, dat daar een aantal menschen verzameld waren. Hem werd +een afzonderlijk vertrek aangewezen, en hij was op het punt in slaap +te vallen, toen hij klagende geluiden hoorde, en korten tijd daarna +verscheen een jonge man vóór hem, die een lantaarn in zijn hand hield. + +"Goede priester", zeide deze, "ik moet u zeggen, dat mijn vader +onlangs gestorven is. Wij wilden u dit niet bij uw komst mededeelen, +omdat gij vermoeid waart en veel rust noodig hadt. Al de menschen, +die gij in het voornaamste vertrek bijeen zaagt, waren gekomen, +om den doode eer te bewijzen. Nu moeten wij allen weggaan, want +dit is de gewoonte in ons dorp als iemand sterft, omdat vreemde en +vreeselijke dingen met lijken gebeuren, als zij alleen gelaten worden; +maar misschien zult gij, die een priester zijt, niet bang zijn om +achter te blijven bij het lijk van mijn armen vader." + +Muso antwoordde, dat hij volstrekt niet bang was, en zeide den jongen +man, dat hij een lijkdienst zou houden en bij den gestorvene den +wacht zou houden, zoolang het gezelschap afwezig was. Daarop verliet +de jonge man te zamen met de overige rouwdragers het huis, en Muso +bleef achter, om zijn eenzame nachtwake te houden. + +Nadat Muso den lijkdienst had verricht, bleef hij verscheidene uren +peinzen. Toen de nacht ver gevorderd was, zag hij, dat een vreemde +gedaante in het vertrek was, die er zóó verschrikkelijk uitzag, dat +de priester zich noch kon bewegen noch kon spreken. De gedaante kwam +naderbij, tilde het lijk op en verslond het snel. Niet tevreden met dit +afgrijselijke maal, at de geheimzinnige gedaante ook de doodenoffers +op, en verdween daarna. + +Den volgenden morgen keerden de dorpsbewoners terug, en zij waren +volstrekt niet verbaasd, toen zij hoorden, dat het lijk verdwenen +was. Nadat Muso zijn vreemd avontuur had verhaald, vroeg hij, of de +priester op den heuvel niet somtijds den lijkdienst verrichtte. "Ik +bezocht hem den vorigen nacht in zijn _anjitsu_, en hoewel hij mij +een onderkomen weigerde, zeide hij mij, waar ik een rustplaats zou +kunnen vinden." + +De dorpsbewoners waren over die woorden zeer verbaasd, en vertelden +Muso, dat er volstrekt geen priester of _anjitsu_ op gindschen heuvel +was. Zij waren zoo positief mogelijk in hun beweringen, en verzekerden, +dat Muso door den één of anderen boozen geest hieromtrent moest zijn +bedrogen. Muso antwoordde niet, en korten tijd later vertrok hij, +vast besloten zoo mogelijk het geheim te onthullen. + +Het kostte Muso volstrekt geen moeite de _anjitsu_ terug te vinden. De +oude priester kwam naar buiten, en trad hem tegemoet, boog, en zeide, +dat hij spijt had van zijn vroegere onbeleefdheid. "Ik schaam mij," +voegde hij er aan toe, "niet alleen, omdat ik u geen schuilplaats heb +verleend, maar ook omdat gij mij in mijn ware gedaante hebt gezien. Gij +hebt mij een lijk en de doodenoffers zien verslinden. Ik ben, helaas, +goede man, een _jikininki_ (menschenetend spook), en als gij mij wilt +aanhooren, zal ik u mijn ellendigen toestand duidelijk maken. + +"Jaren geleden was ik in dit district priester, en ik volbracht een +groot aantal lijkdiensten; maar ik was geen trouwe priester, want +het was niet uit waren godsdienstzin, dat ik mijn taak verrichtte, +en ik dacht alleen aan de goede en schoone kleeren, die ik door mijn +beroep kon verdienen. Om die reden werd ik als _jikininki_ herboren, +en heb daarom de lijken verslonden van allen, die in dit district +gestorven zijn. Ik smeek u, heb toch medelijden met mijn ellendig lot, +en zeg ten mijnen behoeve enkele gebeden op, opdat ik spoedig weer +vrede vinde en opdat mijn groote slechtheid een einde neme." + +Onmiddellijk nadat die woorden gesproken waren, verdwenen de kluizenaar +en zijn kluis plotseling, en Muso bleek geknield te zijn voor een met +mos bedekt graf, dat waarschijnlijk het graf was van den ongelukkigen +priester. + + + + +De Spookmoeder. + +Een bleeke vrouw strompelde een straat af, Nakabaramachi genaamd; zij +ging een winkel binnen en kocht een geringe hoeveelheid _midzu-ame_ +[77]. Elken avond kwam zij tegen den nacht terug, steeds bleek +en verwilderd, en zonder ooit een woord te zeggen. De winkelier, +die een welwillende belangstelling voor haar koesterde, volgde haar +eens op een avond, maar toen hij zag, dat zij een kerkhof binnenging, +keerde hij terug, verbaasd en beangst. + +Weer kwam de geheimzinnige vrouw in den kleinen winkel, maar nu +kocht zij geen _midsu-ame_, maar wenkte zij den winkelier haar +te volgen. De bleeke vrouw liep de straat af, gevolgd door den +koopman in barnsteenstroop en enkelen van zijn vrienden. Toen zij +het kerkhof bereikten, verdween de vrouw in een graf, en zij, die +er buiten stonden, hoorden kindergehuil. Toen het graf geopend was, +zagen zij het lijk van de vrouw, die zij gevolgd hadden, en naast +haar lag een levend kind, dat lachte bij het licht van de lantarens, +en dat zijn kleine handjes uitstrekte naar een kop _midzu-ame_. De +vrouw was in der tijd te vroeg begraven en haar kind in het graf +geboren. Iederen avond ging de stilzwijgende moeder van het kerkhof +weg, om voedsel voor haar kind te halen. + + + + +De Futon van Tottori. + +In Tottori was een kleine en eenvoudige herberg. Het was een nieuwe +herberg, en daar de herbergier arm was, was hij verplicht, die te +voorzien van goederen, die afkomstig waren uit een tweedehandswinkel +in de buurt. Zijn eerste gast was een koopman, die met buitengewone +beleefdheid werd behandeld, en die veel warme _saké_ kreeg. Toen de +koopman den verfrisschenden rijstwijn had gedronken, ging hij rusten +en viel hij in slaap. Hij had nog niet lang gesluimerd, of hij hoorde +het geluid van kinderstemmen in zijn kamer en hoorde hen op treurigen +toon roepen: "Is mijn oudste Broeder niet erg koud?" "Neen, jij bent +zeker koud?" Telkens herhaalden de kinderen die klagende woorden. De +koopman, die dacht, dat bij ongeluk kinderen in zijn kamer verdwaald +waren, berispte hen zachtmoedig en maakte zich gereed weer in slaap +te gaan. Na een oogenblik stilte riepen de kinderen weer: "Is mijn +oudste Broeder niet erg koud?" "Neen, jij bent zeker koud?" Die +woorden werden telkens herhaald en de gast bemerkte verstijfd van +schrik, dat de stemmen uit zijn _futon_ (deken) afkomstig waren. + +Haastig ging hij den trap af en vertelde den herbergier, wat geschied +was. De herbergier was boos. "Gij hebt te veel warme _saké_ gedronken," +zeide hij. "De warme _saké_ heeft u kwade droomen gebracht." Maar de +gast betaalde zijn rekening en zocht ergens anders een onderkomen. + +Den volgenden nacht sliep een andere gast in de betooverde kamer, +en ook hij hoorde dezelfde geheimzinnige stemmen, betaalde den +herbergier en vertrok haastig. De herbergier kwam toen zelf het vertrek +binnen. Hij hoorde de treurige kinderkreten, die uit de _futon_ te +voorschijn kwamen, en was nu wel verplicht de vreemde geschiedenis +te gelooven, die zijn twee gasten hem hadden verteld. + +Den volgenden dag ging de herbergier naar de tweedehandswinkel, waar +hij de _futon_ had gekregen, en deed navraag naar de zaak. Nadat hij +van den eenen winkel naar den anderen was gegaan, hoorde hij eindelijk +het volgende verhaal over de geheimzinnige _futon_: + +Er woonde eens in Tottori een arme man, met zijn vrouw en twee +kinderen, die zes en acht jaar oud waren. De ouders stierven, en de +arme kinderen waren verplicht hun weinige bezittingen te verkoopen, +totdat zij eindelijk niets anders over hadden dan een dunne en +versleten _futon_, om hen des nachts te dekken. Ten slotte hadden +zij geen geld om de huishuur te betalen, of zich eenig voedsel te +verschaffen. + +Toen de tijd der ergste koude was gekomen, hoopte de sneeuw zich zóó +dik om de nederige woning op, dat de kinderen niets anders wisten +te doen, dan de _futon_ om zich heen te trekken, en elkander op +hun gewone vriendelijke, pathetische wijze toe te fluisteren: "Is +mijn oudste Broeder niet erg koud?" "Neen, jij bent zeker koud?" En +terwijl zij snikkend die woorden spraken, omvatten zij elkander, +bevreesd voor de duisternis en den snerpenden, ijskouden wind. + +Terwijl hun arme lichaampjes elkander omvat hielden, ten einde elkander +te verwarmen, kwam de hardvochtige huisheer binnen, en toen hij zag, +dat er niemand was, om de huishuur te betalen, joeg hij de kinderen +het huis uit, met niet anders gedekt dan met een dunne _kimono_. Zij +trachtten den tempel van Kwannon te bereiken, maar de sneeuw lag +te dik, en zij verborgen zich achter hun oud huis. Een deken van +sneeuw bedekte hen, en zij vielen in slaap aan den barmhartigen +boezem der Goden, en werden begraven op het kerkhof van den Tempel +van Kwannon-met-de-Duizend-Armen. + +Toen de herbergier die droevige geschiedenis had gehoord, gaf hij de +_futon_ aan de priesters van den tempel van Kwannon, gebeden werden +opgezegd voor de zielen der kinderen, en van dat uur af hield de +_futon_ op, de genoemde klagende geluiden voort te brengen. + + + + +De Terugkeer. + +In het dorp Mochida-no-ura woonde een boer. Hij was vreeselijk arm, +maar toch bracht zijn vrouw zes kinderen ter wereld. Onmiddellijk +nadat een kind was geboren, wierp de wreede vader het in de rivier +en beweerde, dat het bij de geboorte gestorven was, zoodat al zijn +zes kinderen op die verschrikkelijke manier vermoord werden. + +Na verloop van jaren geraakte de boer in betere omstandigheden, +en toen hem een zevende kind, een jongen, geboren werd, was hij +bijzonder gelukkig en had hij het kind innig lief. + +Op zekeren avond nam de vader het kind in zijn armen, en wandelde +er mede in den tuin, terwijl hij in verrukking fluisterde: "Wat een +heerlijke zomeravond!" + +Het kind, dat toen eerst vijf maanden oud was, nam een oogenblik de +wijze van uitdrukking van een volwassene over, en zeide: "De maan +schijnt precies zóó, als toen gij mij laatst in het water wierpt!" + +Toen het kind die woorden had gesproken, werd hij weer gelijk aan +andere kinderen; maar de boer, die nu eerst doordrongen was van het +verschrikkelijke van zijn misdaad, werd onmiddellijk daarna priester. + + + + +De Liefde op de proef gesteld. + +Er was eens een mooi meisje, wie, in strijd met de Japansche +gewoonte, was toegestaan, haar eigen echtgenoot te kiezen. Een +aantal vrijers dongen naar haar hand, en brachten haar geschenken +en schoone gedichten, en spraken veel lieve woordjes tot haar. Zij +sprak vriendelijk tot iederen vrijer en zeide: "Ik zal trouwen met +den man, die dapper genoeg is, om een bepaalde proef te doorstaan, +die ik hem zal opleggen, en wat die proef ook moge zijn, ik verwacht, +dat hij, op de onschendbare eer van een _samurai_, het geheim niet +zal openbaren." De vrijers aanvaardden onmiddellijk die voorwaarden, +maar één voor één verlieten zij haar, met afschuw op hun gelaat, +lieten hun vrijerij in den steek, maar repten met geen enkel woord +van het vreemde en vreeselijke geheim. + +Eindelijk kwam een arme _samurai_, wiens eenige rijkdom in zijn zwaard +bestond, bij het meisje, en zeide haar, dat hij bereid was, iedere +proef te doorstaan, hoe zwaar ook, om haar als zijn vrouw te krijgen. + +Toen zij 's avonds het avondmaal hadden gebruikt, verliet het meisje +het vertrek, en keerde lang na middernacht terug, in een wit gewaad +gekleed. Zij gingen samen het huis uit, door tallooze straten, waar +honden blaften, en toen naar buiten, totdat zij op een groot kerkhof +kwamen. Hier ging het meisje vooraan, terwijl de _samurai_ volgde, +met de hand op zijn zwaard. + +Toen de vrijer in staat was, door de duisternis heen te zien, zag hij, +dat het meisje den grond met een spade weggroef. Zij groef met groote +haast, en tilde eindelijk het deksel op van een kist. Het volgende +oogenblik haalde zij het lijk van een kind er uit, trok er een arm +af, brak dien, en begon er een stuk van op te eten, terwijl zij haar +vrijer een ander stuk toewierp en uitriep: "Als gij mij lief hebt, +eet dan wat ik eet!" + +Zonder een oogenblik te aarzelen, ging de _samurai_ aan den +rand van het graf zitten, en begon zijn helft van den arm op te +eten. "Heerlijk!" riep hij uit, "geef mij nog een stukje!" Op dit +punt verdwijnt gelukkig plotseling het huiveringwekkende der legende, +want noch de _samurai_ noch het meisje hadden van een lijk gegeten--de +arm was gemaakt van het heerlijkste gebak! + +Het meisje sprong met een kreet van vreugde overeind, en zeide: +"Eindelijk heb ik een dapper man gevonden! Ik zal met u trouwen, +want gij zijt de echtgenoot, naar wien ik altijd heb verlangd, en +dien ik tot van nacht nooit heb gevonden." + + + + +HOOFDSTUK XXVI. DRIE MEISJES. + + + +Het Meisje van Unai. + +Het Meisje van Unai woonde bij haar ouders in het dorp Ashinóya. Zij +was bijzonder mooi, en zij had twee vurige en volhardende +minnaars--Mubara, die uit dezelfde landstreek afkomstig was, en Chinu, +die uit Izumi kwam. Die twee minnaars konden even goed tweelingen +geweest zijn, want zij kwamen met elkander overeen in leeftijd, +uiterlijk, gelaat en lichaamsbouw. Ongelukkig hadden beiden haar +met denzelfden hartstocht lief, zoodat het onmogelijk was, tusschen +beiden eenig verschil te ontdekken. Hun geschenken waren dezelfde, +en er scheen geen verschil te zijn in de wijze, waarop zij hun liefde +betuigden. Wij krijgen een goed denkbeeld van het geheele uiterlijk +van die twee minnaars, als wij kennis maken met het volgende fragment +uit het gedicht van Mushimaro over dit onderwerp: + + + "Jaloersch bemint dit dappere paar + De liefelijke maagd: + Elk met de hand op 't gevest van zijn zwaard + Terwijl hij een pijlkoker draagt. + + "Die pijlkoker hangt op den rug van den held; + En een sneeuwwitte houten boog + Rust in beider krachtige, stevige hand; + Zoo hielden ze elkander vijandig in 't oog." + + Naar _B.H. Chamberlain_. + + +Intusschen werd het Meisje van Unai droevig van gemoed. Zij nam de +gaven van Mubara of Chinu nooit aan, en toch deed het haar leed, +dat zij hen maand aan maand zag staan aan de poort, terwijl zij geen +oogenblik in de vurige uitdrukking van hun gevoelens van liefde voor +haar verslapten. + +De ouders van het Meisje van Unai schenen het ingewikkelde van den +toestand niet te hebben ingezien, want zij zeiden haar: "Het is droevig +voor ons, om den last van uw ongepast gedrag te moeten dragen, nu gij +van maand tot maand en van jaar tot jaar op de meest zorgelooze wijze +anderen smart doet lijden. Als gij het aanzoek van den één aanneemt, +zal de liefde van den ander na korten tijd ophouden." + +Die goed bedoelde woorden brachten het arme Meisje van Unai geen +troost of geen hulp; daarom ontboden de ouders de minnaars, legden +den treurigen toestand bloot en besloten, dat hij, die een watervogel +zou schieten, welke zwom in de rivier Ikuta, die langs het platvorm +stroomde, waarop het huis was gebouwd, hun dochter ten huwelijk +zou verkrijgen. + +De minnaars waren met die beslissing ten zeerste ingenomen, en +verlangden er naar, dat er een einde zou komen aan die wreede +onzekerheid. Op hetzelfde oogenblik spanden zij hun bogen, en te +gelijk troffen hun pijlen den vogel, de ééne in den kop en de andere +in den staart, zoodat geen van beiden er zich op kon beroemen de +beste schutter te zijn. Toen het Meisje van Unai zag, hoe hopeloos +de zaak stond, riep zij uit: + + + "Het is genoeg! De golf, die ik ginds zie naken, + Zal aan mijn zielestrijd een droevig einde maken: + Wel noemt men Settsu's stroom den stroom van 't leven, + Maar mij zal die rivier een laatste rustplaats geven." + + Naar _B.H. Chamberlain_. + + +Na die melodramatische woorden wierp zij zich van het platvorm in de +golvende wateren beneden haar. + +De ouders van het meisje, die het tooneel bijwoonden, schreeuwden +en raasden op het platvorm, terwijl de trouwe minnaars in de rivier +sprongen. De één hield den voet van het meisje, de ander haar hand +vast, en oogenblikkelijk zonken alle drie in de diepte weg. Het meisje +werd daarna begraven tusschen haar beide minnaars, en tot op den +huidigen dag is de plaats bekend als "Het Graf van het Meisje". In +het graf van Mubara was een holle bamboe-stok gelegd, met een boog, +een pijlkoker en een lang zwaard; maar in het graf van Chinu was +niets geplaatst. + +Eenigen tijd daarna kwam een vreemdeling in de nabijheid van +het graf en werd plotseling opgeschrikt door het geluid van een +hevig gevecht. Hij zond zijn dienaren er heen, om de zaak te +onderzoeken, maar zij kwamen terug met de mededeeling, dat zij +niets buitengewoons konden hooren of zien. Terwijl de vreemdeling +over de liefdesgeschiedenis van het Meisje van Unai zat te peinzen, +viel hij in slaap. Dit was nauwelijks geschied, of hij zag vóór zich, +op den grond geknield, een man met bloed bevlekt, die hem mededeelde, +dat hij zeer lastig gevallen werd door de vervolgingen van een vijand, +en die hem vroeg, of de vreemdeling hem zijn zwaard wilde leenen. Met +eenige aarzeling werd dit verzoek toegestaan. Toen de vreemdeling +ontwaakte, helde hij over tot de meening, dat de geheele zaak een droom +was geweest; maar het was geen voorbijgaand nachtelijk droombeeld, +want niet alleen miste hij zijn zwaard, maar hoorde hij ook in zijn +onmiddellijke nabijheid het geraas van een hevig gevecht. Daarna hield +het wapengekletter plotseling op, en weer stond de met bloed bevlekte +man vóór hem, die aldus sprak: "Door uw welwillende hulp heb ik den +vijand verslagen, die mij al die jaren heeft onderdrukt." Hieruit +kunnen wij afleiden, dat in de geesteswereld Chinu zijn mededinger +bevocht en versloeg, en na een aantal jaren van bittere jaloezie was +hij eindelijk in staat het Meisje van Unai de zijne te noemen. + + + +Het Graf van het Meisje Unai. + + + "Ik sta bij het graf, waar nu rust + Van Unai de lieflijke maagd, + Die een aantal jaloersche minnaars + Bij haar leven zoozeer had behaagd. + + "Dat graf moet tot 't laatst van de jaren + Verkonden het lot van de maagd, + Die zelfs nog na eeuwen en eeuwen + Toekomstige mannen behaagt. + + "En stapelt op den straatweg + Men steenen tot bergen zoo hoog, + Die zoolang als de wolken drijven, + Daar blijven voor ons oog. + + "Als een pelgrim dit pad mocht betreden, + Laat hem dan naar die steenblokken zien, + En bij 't graf van de maagd droevig weenen; + De bewoners van 't dorp bovendien + + "Nooit stillen hun bittere tranen + Maar scharen zich om haar graf. + Laat de eeuwen haar noodlot verkonden, + En de smart, die haar sterven ons gaf. + + "Tot ook ik op het laatst hier zal staren + Op het graf, dat haar bergt voor mijn oog, + En ik droevig terug zal denken, + Aan den tijd, die zóó snel vervloog." + + _Sakimaro_ (Naar _B.H. Chamberlain_). + + + + + +Het Meisje van Katsushika. + + + + "Daar waar in 't verre oostersch land, + Bij 't ochtendgloren kraait de haan, + Vertelt het landvolk een verhaal, + Uit tijden, dood en lang vergaan. + + "Van 't meisje uit Katsushika, + Wier gordel, helderblauw, + Het grofste linnen kleed omsloot, + En rok van arme vrouw. + + "Wier voet geen schoen ooit had omklemd + Of kam geraakt het haar. + Geen koningin, hoe rijk getooid + Te vergelijken waar. + + "Met 't meisje, dat daar lachend stond, + Een bloem in lentetijd, + In schoonheid, liefheid zóó volmaakt + Als maanlichts heerlijkheid. + + "Gelijk een zwerm van motten, die + Om 't helder kaarslicht dwaalt, + Gelijk een boot de haven zoekt, + Als 's avonds schaduw daalt. + + "Zoo kwamen zwermen vrijers aan, + Doch zij sprak: 'Laat mij gaan, + k Ben slechts een nederige maagd + En kort is mijn bestaan'. + + "Daar waar de golven met geweld + Luid beuken 't kale strand, + Heeft 't meisje van Katsushika + Voor goed haar vaderland. + + "Ja! 't is een lied uit ouden tijd; + Maar als 't mijn ooren streelt, + Dan rijst voor mij of 't gisteren was, + Haar vriendlijk, lieflijk beeld." + + + Naar _B.H. Chamberlain_. + + +Chamberlain voegt de volgende opmerking bij de vertaling van deze +Japansche ballade: "Bij de weinig vaststaande overlevering, die echter +ongetwijfeld zeer oud is, en die in bovenstaande ballade is behouden +gebleven, kan uit authentieke bron niets worden gevoegd. De fantasie +van het volk heeft echter de leemten aangevuld, en voert een wreede +stiefmoeder ten tooneele, die, zonder dat zij iets gevoelt voor de +toewijding van het meisje, dat dagelijks water voor haar schept uit +de eenige bron, waarvan zij het water wenscht te drinken, zóó boos +op haar is, omdat zij door haar schitterende schoonheid minnaars +naar het huis lokt, dat het arme meisje zich ten slotte verdrinkt, +waarna de buren haar als een godin beschouwen en een tempel ter +harer eere oprichten. Zoowel de tempel als de bron behooren tot de +merkwaardigheden in de omstreken van Tokyo, die nog steeds worden +bezocht." + + + + +Het Meisje met de houten Kom. + +In lang vervlogen tijden leefde een oud echtpaar met hun eenig kind, +een meisje van merkwaardige bekoorlijkheid en schoonheid. Toen de +oude man ziek werd en stierf, werd zijn weduwe hoe langer hoe meer +bezorgd over het toekomstige geluk van haar dochter. + +Op zekeren dag riep zij haar kind bij zich en sprak: "Mijn lieve, uw +vader ligt op gindsch kerkhof, en ik moet, daar ik oud en zwak ben, +hem spoedig volgen. De gedachte, dat ik u alleen in de wereld moet +achterlaten, baart mij veel zorg, want gij zijt schoon, en schoonheid +is een verleiding en een verstrikking voor mannen. Al de reinheid +van een witte bloem kan niet beletten, dat zij wordt geplukt en in +het slijk wordt gescheurd. Mijn kind, uw gelaat is al te schoon. Het +moet voor de begeerige oogen der mannen verborgen worden, daar het +anders de oorzaak zal zijn, dat gij van uw goed en rein leven vervalt +in een leven van schande." + +Na die woorden gesproken te hebben, plaatste zij een verlakte +kom op het hoofd van het meisje, zoodat het haar bekoorlijkheden +bedekte. "Draag die kom altijd, mijn lieve," sprak de moeder, "want +dit zal u beschermen als ik dood ben." + +Korten tijd nadat zij die liefderijke daad had volbracht, stierf de +oude vrouw, en het meisje was verplicht haar brood te verdienen met op +de rijstvelden te werken. Het was een zwaar en onaangenaam werk, maar +het meisje hield zich dapper en zwoegde van den morgen tot den avond +zonder een oogenblik te morren. Telkens gaf haar vreemd uiterlijk +aanleiding tot veel besprekingen, en over het geheele land stond +zij bekend als het "Meisje met de Kom op het Hoofd." De jonge mannen +lachten haar uit en trachtten onder de kom te kijken, en niet weinigen +zelfs trachtten het houten hoofddeksel van haar hoofd te trekken, +maar het kon niet worden verwijderd, en de jongelieden moesten zich +onder gelach en spotternij tevreden stellen met een enkele blik op +het benedengedeelte van het gelaat. Het arme meisje verdroeg die ruwe +behandeling met een geduldig, maar bezwaard gemoed, daar zij meende, +dat door de liefde en de wijsheid van haar moeder later een dag van +vreugde zou aanbreken, die een ruime vergoeding zou zijn voor al +haar droefheid. + +Op zekeren dag sloeg een rijke landbouwer het meisje gade, dat op +zijn rijstvelden werkte. Hij werd getroffen door haar ijver en de +snelle en uitnemende wijze, waarop zij haar taak volbracht. Hij had +schik in die gebogen en vlijtige kleine gestalte, en lachte niet om +de houten kom op haar hoofd. Na haar gedurende korten tijd te hebben +gadegeslagen, kwam hij op het meisje af en sprak: "Ge werkt goed en +babbelt niet met uw makkers. Ik wensch, dat ge op mijn rijstvelden +werkt tot aan het einde van den oogst." + +Toen de oogst was binnengehaald en de winter was aangebroken, vroeg +haar de rijke landbouwer, die een hoe langer hoe gunstiger indruk van +het meisje had gekregen, en die verlangde haar van dienst te zijn, zijn +huisgenoote te willen worden. "Mijn vrouw is ziek," voegde hij er aan +toe, "en ik zou gaarne willen, dat gij haar voor mij kwaamt oppassen." + +Het meisje nam dankbaar dit voor haar zoo geschikte aanbod aan. Zij +verpleegde de zieke vrouw met de grootste zorg, want dezelfde +rustige ijver, dien zij op het rijstveld openbaarde, kenmerkte ook +haar vriendelijk werk in de ziekenkamer. Daar de landbouwer en zijn +vrouw geen dochter hadden, hechtten zij zich zeer aan die wees en +beschouwden zij haar als hun eigen kind. + +Na eenigen tijd keerde de oudste zoon van den landbouwer naar zijn oude +woning terug. Hij was een verstandig jongmensch, die in het vroolijke +Kyoto ijverig had gestudeerd en een afkeer had van een vroolijk leven +vol feesten en lichtzinnige vermaken. Zijn vader en moeder verwachtten, +dat hun zoon zich spoedig in het ouderlijke huis en in die omgeving +zou vervelen, en dagelijks vreesden zij, dat hij bij hen zou komen, +om afscheid te nemen en weer terug te keeren naar de residentie van +den Mikado. Maar tot ieders verbazing gaf de zoon van den landbouwer +volstrekt niet het verlangen te kennen, zijn oude woning te verlaten. + +Op zekeren dag kwam de jonge man bij zijn vader en vroeg: "Wie is +dat meisje in ons huis, en waarom draagt zij een leelijke kom op +het hoofd?" + +Toen de landbouwer het droevige verhaal van het meisje had gedaan, +was zijn zoon diep bewogen; maar toch kon hij niet nalaten, een weinig +om de kom te lachen. Het lachen van den jongen man duurde echter +niet lang. Dag aan dag werd hij meer door het meisje bekoord. Telkens +gluurde hij naar het half verborgen gelaat van het meisje, en kwam hij +al meer en meer onder den indruk van haar vriendelijke manieren en haar +edel karakter. Het duurde niet lang, of zijn bewondering ging in liefde +over, en hij besloot dat hij zou trouwen met het "Meisje met de Kom op +het Hoofd". De meesten van zijn familieleden verzetten zich tegen die +verbintenis. Zij zeiden: "Zij is in haar soort inderdaad uitstekend, +maar zij is niets anders dan een gewone dienstbode. Zij draagt die +kom, om hen die onverstandig zijn, te verlokken, en wij gelooven niet, +dat die kom schoone gelaatstrekken bedekt, maar juist dient, om haar +leelijkheid te verbergen. Zoek ergens anders een vrouw, want wij zullen +dat eerzuchtige en intrigeerende meisje niet in onzen kring toelaten." + +Van dat oogenblik af had het meisje veel te lijden. Bittere +en hatelijke toespelingen kreeg zij te hooren, en zelfs haar +meesteres, die vóór dien tijd zoo lief en vriendelijk was geweest, +koos tegen haar partij. Maar de landbouwer veranderde niet in zijn +goede gezindheid jegens haar. Hij hield nog altijd van het meisje, +en had er volstrekt niets op tegen, dat zij de vrouw van zijn zoon zou +worden, maar ten gevolge van de heftige opmerkingen van zijn vrouw en +zijn bloedverwanten durfde hij zijn wenschen in die zaak niet bekend +te maken. + +Al die tegenwerking, die daarenboven op zeer onvriendelijke +wijze werd geuit, maakte den jongen man nog begeeriger zijn doel +te bereiken. Eindelijk gaven zijn moeder en zijn bloedverwanten, +toen zij zagen, dat op hun wenschen geen acht geslagen werd, hun +toestemming tot het huwelijk, maar op onvriendelijke wijze. + +De jonge man, die meende, dat nu alle moeilijkheden waren uit den weg +geruimd, ging verheugd naar het meisje met de Kom op het Hoofd toe, +en zeide: "Alle lastige tegenwerking is geëindigd, en nu verhindert +ons niets, te trouwen." + +"Neen", antwoordde het vrome meisje, terwijl zij bitter weende, "ik +kan niet met u trouwen. Ik ben niets dan een dienstbode in het huis +van uw vader, en daarom zou het ongepast zijn, als ik uw bruid werd." + +De jonge man sprak vriendelijk met haar. Herhaaldelijk gaf hij uiting +aan zijn zoo vurige liefde voor haar, hij trachtte haar te overreden, +hij smeekte; maar het meisje wilde niet toegeven. Haar houding maakte +de bloedverwanten erg boos. Zij zeiden, dat het meisje hen allen voor +den gek had gehouden, daar zij volstrekt niet begrepen, dat zij den +zoon van den landbouwer innig liefhad, en dat zij in haar trouw hart +overtuigd was, dat dit huwelijk alleen tweedracht kon brengen in het +gezin, dat haar in haar armoede een schuilplaats had aangeboden. + +Dien nacht huilde het meisje zich in slaap, en in haar slaap verscheen +haar moeder vóór haar, en sprak: "Mijn lief kind, laat uw goed hart +niet langer verdriet hebben. Trouw met den zoon van den landbouwer, +en alles zal weer in orde komen." Het meisje ontwaakte de volgenden +morgen, het hart vol vreugde, en toen haar minnaar bij haar kwam en +haar nog eens vroeg, of zij zijn bruid wilde worden, stemde zij er +met een liefelijken glimlach in toe. + +Er werden groote toebereidselen voor de bruiloft gemaakt, en toen de +gasten bijeengekomen waren, meende men, dat het hoog tijd was, dat +zij de houten kom van haar hoofd verwijderde. Zij zelf trachtte die +af te nemen, maar de kom bleef op haar hoofd vastzitten. Toen enkelen +van de familieleden met herhaalde onvriendelijke opmerkingen haar +te hulp kwamen, uitte de kom vreemde kreten en zuchtte. Ten slotte +naderde de bruidegom het meisje en zeide: "Laat die behandeling u +geen verdriet aandoen. Gij zijt mij even lief met als zonder kom", +en na die woorden te hebben gesproken, beval hij, dat de plechtigheid +voortgang zou hebben. + +Daarna werden de bekers met wijn in het met gasten gevulde vertrek +gebracht, en in overeenstemming met de gebruiken werd van de bruid +en den bruidegom verwacht, dat zij samen de "Driemaal drie" zouden +drinken ter eere van hun verbintenis. Op het oogenblik waarop het +meisje den beker aan haar lippen bracht, brak de kom op haar hoofd +met groot geraas, en viel er goud en zilver uit, en tevens allerlei +soorten van edelgesteenten, zoodat het meisje, dat eens doodarm was +geweest, nu een rijke huwelijksgift bezat. De gasten waren verbaasd, +toen zij de groote hoeveelheid schitterende juweelen, goud en zilver +zagen, maar nog meer verbaasd waren zij, toen zij opkeken en zagen, +dat de bruid het mooiste meisje uit geheel Japan was. + + + + +HOOFDSTUK XXVII. LEGENDEN VAN DE ZEE. + + + + "Ach! dat de witte golven, + Die Ise's zee beroeren, + Toch niets dan bloemen waren, + Opdat ik ze kon plukken, + Als gave voor mijn liefste." + + _Prins Aki_ (Naar _W.G. Aston_). + + +Het Getijde der terugkeerende Geesten. + +Op den laatsten dag van het Feest der Dooden is de zee bedekt +met tallooze _shoryobune_ (geestenschepen), immers op dien dag, +_Hotoke-umi_, wat Buddha-vloed beteekent, of het Getijde der +terugkeerende Geesten, gaan de geesten weer naar hun geestenwereld +terug. De zee glinstert van het licht der gestorven geesten, en van +over de golven komt het geluid van geesten, die samen fluisteren. Geen +sterfelijk wezen zou er een oogenblik aan denken, te midden van een +zoo heilig gezelschap zee te kiezen; immers dien nacht behoort de +zee de dooden toe; het is hun lange weg naar het rijk, waar Emma-O +oppermachtig regeert. + +Somtijds echter geschiedt het, dat een schip de haven niet bereikt +vóór het vertrek der geestenschepen, en bij die gelegenheid komen de +dooden uit de diepte te voorschijn, steken hun armen uit, en smeeken, +dat hun emmers worden uitgereikt. De zeelieden geven aan dit verzoek +toe, maar geven de geesten een bodemloozen emmer, immers als zij de +dooden emmers geven met een bodem er in, zouden de booze geesten die +gebruiken, om het schip te doen zinken. + + + + +Urashima. + + + "Suminóye heeft lente; op zijn stranden, + Daar dalen de nevelen neer, + Ik sta aan den oever te peinzen, + En denk aan den tijd van weleer. + Ik denk aan de wereld van vroeger, + Bij het glijden van boot aan boot, + Aan den visschersknaap Urashima, + Die zoo van het visschen genoot." + + Naar _B.H. Chamberlain_. + + +"De legende van Urashima," zoo schrijft Chamberlain in zijn _Japansche +poëzie_, "is één van de oudste Japansche legenden, en sporen daarvan +worden zelfs in de officieele gedenkboeken gevonden." In de populaire +lezing, die wij hieronder geven, komt het "Eeuwiggroene land", dat +genoemd wordt in de Japansche Ballade "De Visschersknaap Urashima", +voor als het Drakenpaleis. Chamberlain zegt: "Het woord Drakenpaleis is +in het Japansche _ryukyu_, ook wel _ryugu_, wat eveneens de Japansche +uitspraak is van den naam der eilanden, die wij Luchu, en de Chineezen +Liu-Kiu noemen, en men heeft ook wel beweerd, dat het Drakenpaleis niet +anders zou zijn dan een fantastischen naam, door den een of anderen +schipbreukeling gegeven aan die zonnige zuidelijke eilanden, waarvan +de bewoners zich nog altijd zelfs boven hun Japansche en Chineesche +naburen onderscheiden door hun groote liefde voor den draak als een +artistieke en bouwkundige versiering. Er is één ode in de _Man-Yoshu_, +die aan dit denkbeeld eenige waarschijnlijkheid geeft, daar die van +den sinaasappel zegt, dat deze het eerst in Japan zou zijn ingevoerd +uit het 'Eeuwiggroene Land', dat in het zuiden is gelegen." + + + + +Urashima en de Schildpad. + +Urashima, die in een klein visschersdorp woonde, Midzunoe genaamd, +in de provincie Tango, ging eens uit visschen. Onder zijn vangst +behoorde ook een schildpad, en daar, naar men beweert, schildpadden +duizenden jaren leven, liet de bedachtzame Urashima het dier weder in +zee terugkeeren, deed nieuw aas aan zijn haak, en wachtte geduldig +af, totdat een visch toebeet. Doch alleen de zee deed zijn hengel +zachtkens op en neer gaan. De zon brandde op zijn hoofd, totdat +Urashima eindelijk in slaap viel. + +Hij had nog niet lang geslapen, toen hij iemand hoorde +roepen: "Urashima, Urashima!" + +Het was een zóó liefelijke, zóó verlokkende stem, dat de visschersknaap +in zijn boot opstond en in iedere richting rondkeek, totdat hij +dezelfde schildpad zag, die hij zoo vriendelijk aan haar vochtige +woning had teruggegeven. De schildpad, die de gave had, zeer vloeiend +te spreken, dankte Urashima uitbundig voor zijn vriendelijkheid, +en bood aan, hem te brengen naar de _ryukyu_, of het Paleis van den +Drakenkoning. + +De uitnoodiging werd dankbaar aanvaard, en na op den rug van de +schildpad te zijn geklommen, gleed Urashima over de zee voort met een +geweldige vaart, en het merkwaardigste feit was, dat het hem bleek, +dat zijn kleeren volkomen droog bleven. + + + + +In het Paleis van den Zeekoning. + +Toen hij in het Paleis van den Zeekoning gekomen was, kwamen brasem, +bot, tong en inktvisch naar buiten, om Urashima hartelijk welkom te +heeten. Nadat zij hun vreugde over zijn komst hadden te kennen gegeven, +geleidden die vazallen van den Drakenkoning den visschersknaap naar een +binnenvertrek, waar de schoone Prinses Otohime met haar dienststoet +gezeten was. De Prinses was gekleed in schitterende kleeren, rood en +goudgekleurd, alle tinten van golven, waarop het zonlicht schijnt. + +De Prinses vertelde toen, dat zij de vorm van een schildpad had +aangenomen, om de vriendelijkheid van zijn gemoed op de proef te +stellen. Gelukkig was de proef uitnemend uitgevallen, en tot belooning +voor zijn deugd bood zij aan, zijn bruid te worden in een land, +waar eeuwige jeugd en voortdurende zomer heerschten. + +Bedeesd aanvaardde Urashima de hooge eer, die hem ten deel +viel. Nauwelijks had hij zijn toestemming gegeven, of een groote +menigte visschen kwam voor den dag, gekleed in lange, plechtige +gewaden, terwijl hun vinnen groote koralen bakken droegen, die +met zeldzame lekkernijen waren beladen. Daarop dronk het gelukkige +bruidspaar den huwelijksbeker met saké gevuld, en terwijl zij dronken, +speelden sommige visschen een zachte en liefelijke muziek, terwijl +andere zongen, en een aantal van hen, met zilveren schubben en gouden +staarten, vreemde dansen uitvoerden op het witte strand. + +Nadat de feestelijkheden geëindigd waren, liet Otohime haar echtgenoot +al de schoonheden en wonderen zien van het paleis haar vaders. Het +grootste wonder van alle was, dat daar een land was, waar alle +jaargetijden te zamen vertoefden. [78] Als hij den blik naar het +oosten sloeg, zag Urashima pruimen- en kersenboomen in vollen bloei, +terwijl vlinders met heldere vleugels over de bloesems heenstreken, en +in de verte scheen het, alsof de heldere bloemblaadjes en de vlinders +plotseling waren overgegaan in het gezang van een wonderschoonen +nachtegaal. In het zuiden zag hij boomen in de volle glorie van den +zomer, en hoorde hij het liefelijke geluid van den krekel. Sloeg hij +het oog naar het westen, dan glinsterden de ahornboomen in de takken +van den herfst, zoodat Urashima, als hij een ander geweest was dan +een eenvoudige, nederige visscher, zich het volgende gedicht zou +hebben voor den geest geroepen: + + + "O, zeg mij toch, Godin van 't vliedend najaarslicht, + Aan hoeveel weefgetouwen gij uw taak verricht, + Als gij bekwaam van hand, vuurroode blaadren weeft, + Van d' ahornboom in 't beeld, dat gij ons vriendlijk geeft, + En alle heuvelen met kleurenpracht bezaait, + Een wellust voor het oog, bij iedren wind, die waait!" + + Naar _Clara A. Walsh_. + + +Het was inderdaad een "rijk borduurwerk", want toen Urashima zich naar +het noorden richtte, zag hij een groote uitgestrektheid, onder sneeuw +bedolven, en een ontzaglijken vijver, met ijs bedekt. Alle jaargetijden +vertoefden te gelijker tijd in het schoone land, waar de Natuur haar +onbegrensde rijkdommen aan schoonheid ten volle had ten toon gespreid. + +Nadat Urashima drie dagen in het Paleis van den Zeekoning had vertoefd +en een aantal wonderbaarlijke zaken had gezien, herinnerde hij zich +plotseling zijn bejaarde ouders en gevoelde hij een sterk verlangen, +dezen te gaan opzoeken. Toen hij naar zijn vrouw toeging en haar op +de hoogte stelde van zijn verlangen, om naar huis terug te keeren, +begon Otohime te weenen, en trachtte zij hem te overreden, nog een +dag te wachten. Maar Urashima wilde in die zaak niet toegeven. "Ik +moet gaan," zeide hij, "maar ik zal u slechts één dag alleen laten. Ik +zal weer terugkomen, mijn lieve vrouw." + + + + +De thuiskomst van Urashima. + +Toen gaf Otohime haar echtgenoot een geschenk ter herinnering aan +hun liefde. Het heette de _Tamate-Bako_ ("Doos van de Juweelen +Hand"). Zij zeide hem, dat hij onder geen omstandigheden de doos +mocht openen, en Urashima nam afscheid, na beloofd te hebben haar +wensch te volbrengen, besteeg een groote schildpad, en was spoedig in +zijn eigen land teruggekeerd. Te vergeefs zag hij uit naar het huis +van zijn vader. Geen spoor was daarvan meer te bekennen. De hut was +verdwenen, alleen de kleine rivier was overgebleven. + +Zeer verbaasd vroeg Urashima een voetganger naar bijzonderheden, +en hij vernam van dezen, dat een visschersknaap, Urashima genaamd, +drie honderd jaar geleden in zee was gevallen en was verdronken, en +dat zijn vader, broeders en hun kleinkinderen reeds lang ter ruste +gegaan waren. Daarna herinnerde zich Urashima plotseling, dat het +rijk van den zeekoning een goddelijk land was, waar een dag naar +menschelijke berekening drie honderd jaar duurde. + +De gedachten van Urashima waren uiterst somber, want allen, die hij op +aarde had liefgehad, waren gestorven. Daarna hoorde hij het ruischen +der zee, en herinnerde zich de liefelijke Otohime, en het land, waar +de jaargetijden zich vereenigden en een viervoudig praalvertoon van +hun schoonheid maakten--het land, waar boomen smaragden tot bladeren +en robijnen tot bessen hadden, waar de visschen lange gewaden droegen +en zongen, dansten en speelden. De zee klonk luider in de ooren van +Urashima. Riep Otohime hem? Maar geen weg opende zich voor hem, geen +welwillende schildpad kwam op het tooneel, om hem te dragen naar +de plaats, waar zijn vrouw hem wachtte. "De doos! de doos!" zeide +Urashima zacht, "als ik dat geheimzinnige geschenk van mijn vrouw open, +kan het misschien wel den weg openbaren." + +Urashima maakte den roodzijden draad los, en langzaam, met vrees in +het hart, tilde hij het deksel van de doos op. Plotseling kwam er +een kleine witte wolk uit; deze bleef een oogenblik toeven, en rolde +toen ver weg over de zee. Maar een heilige belofte was verbroken, +en Urashima veranderde van een schoonen jongeling in een gerimpelden +grijsaard. Hij strompelde vooruit, terwijl zijn witte haren en baard +in den wind fladderden. Hij keek uit naar de zee, en viel toen dood +op het strand. + +Chamberlain schrijft: "Het graf van Urashima, met zijn hengel, de +doos, hem door het meisje geschonken, en twee steenen, die groote +waarde moeten bezitten, worden nog altijd in één der tempels te +Kanagawa vertoond." + + + + +Het Land van de Ochtendkalmte. + +Chosen, het Land van de Ochtendkalmte, was de oude naam voor Korea +[79], en hoe poëtisch die naam moge zijn, zij was volstrekt niet van +toepassing op den feitelijken toestand. In zijn vroegere geschiedenis +was het een land, tegen zich zelf verdeeld, en later ondervond het de +ellende van de invallende legers van China en Japan, daargelaten nog +de kleine schermutselingen met andere landen. Ongetwijfeld is er een +zekere pathetische kalmte in het Korea van onzen tijd, maar het is +de kalmte van een reeds lang overwonnen en vervolgde natie. Het ligt +nu in de hand van Japan, of de Koreanen weer uit de lijfeigenschap +zullen verrijzen en weer iets van die oude kloekmoedigheid zullen +terugkrijgen, die eertijds een zoo op den voorgrond tredend kenmerk +was van de mannen uit het noorden van dat land. + +Reeds lang geleden kwam Korea onder de betoovering van de Chineesche +beschaving, en nog steeds gevoelt het volk de nawerking daarvan. Japan +ontleende aan Korea, wat Korea aan China had ontleend. Omdat Japan, +toen het alles had uitgeput, wat het van Korea en China kon leeren, +zijn blikken naar het westen richtte, werd het na verloop van tijd, +nu ook de voortgaande stroom van gedachten en daden krachtig door de +Japanners bleef vloeien, een wereldmacht, terwijl Korea een rampzalig +voorbeeld bleef van een bijna volkomen stilstaand land. + +Toen Japan er in geslaagd was Korea te overtuigen, dat alleen +Japan haar trouwe gids kon zijn, kwam Rusland als een dief in den +nacht en plaatste een militaire voorpost te Wiju. Daaruit kwam de +Russisch-Japansche oorlog voort, en Korea werd een Japansche kolonie, +een proefveld voor sociale en politieke hervormingen. Japan had +langen tijd op Korea gewacht. Moge het tenslotte blijken, niet een +woelig en oproerig land, maar inderdaad het Land van de Ochtendkalmte +te zijn. Korea heeft in het verleden meegewerkt aan de grootheid +van Japan, door het in aanraking te brengen met den godsdienst, +de kunst en de letterkunde van China. Het is nu de beurt van Japan, +een verarmd land te helpen, en als de Ochtendkalmte verbonden is met +de Rijzende Zon, moet er vrede en voorspoed in het nieuwe grondgebied +van Japan heerschen. + +Longford schrijft in _De Geschiedenis van Korea_ met betrekking tot +den inval van Keizerin Jingo: "Dr Aston.... zet met minachting het +geheele verhaal als een mythe op zijde, en zegt, dat het berust +op twee geheel verschillende geschiedkundige feiten--dat er ten +tijde van den beweerden inval een Keizerin van Japan was, een vrouw +met een krachtigen wil en met groote bekwaamheid, en dat er niet +één, maar verschillende Japansche invallen in Korea plaats grepen, +hoewel in latere tijdperken, toen de Japanners niet meer steeds zoo +voortreffelijk slaagden, als zij beweren, dat bij die Keizerin het +geval was." Wij geven hier de schilderachtige legende van Japans +eersten inval in Korea. + + + + +De getijde-juweelen. + +In zekeren nacht had Keizerin Jingo, toen zij in haar tent lag te +slapen, een vreemden droom. Zij droomde, dat een geest haar naderde +en haar vertelde van een wonderbaarlijk land, een land in het westen, +dat rijk was aan schatten van goud en zilver, een oogverblindend land, +schoon te aanschouwen, als een prachtige vrouw. De geest vertelde +haar, dat de naam van dat land Chosen (Korea) was, en dat het aan +Japan zou kunnen toebehooren, als dit wilde optrekken en dat rijke +land wilde veroveren. + +Den volgenden dag stelde Keizerin Jingo haar echtgenoot op de hoogte +van haar droom; maar de Keizer, een onverstandig man, en laag bij den +grond, geloofde niet in droomen. Daar zijn vrouw hem echter bleef +voortdrijven in de richting van dat in zijn oog dwaze plan, beklom +hij een hoogen berg, en ziende in de richting der ondergaande zon, +zag hij in het westen geen land. Toen de Keizer van den berg was +neergedaald, deelde hij zijn vrouw mede, dat hij in geen geval zijn +toestemming wilde geven, om een inval te doen in een land en dat te +trachten te veroveren, waarvan het bestaan alleen zou moeten blijken +uit een verwarden droom. Maar de Goden waren vertoornd op den Keizer, +en spoedig nadat hij zijn toestemming had geweigerd, sneuvelde hij +in een veldslag. + + + +Het Geschenk van Drakenkoning. + +Toen de Keizerin Jingo alleenheerscheres werd, besloot zij het land +op te zoeken, waarvan zij in haar droom had gehoord; maar daar zij +besloten was haar krijgstocht niet tot een onbeduidende en tamme zaak +te maken, deed zij een beroep op den Berggeest, om haar hout en ijzer +voor haar schepen te leveren. De Geest der Velden schonk haar rijst +en granen voor haar leger, terwijl de Geest van het Gras haar hennep +voor touwen schonk. De God van den Wind was haar plan welgezind, +en beloofde, haar schepen naar Korea te blazen. Al de geesten kwamen +voor den dag in overeenstemming met de wenschen van Keizerin Jingo, +behalve Isora, de Geest van het Zeestrand. + +Isora was een luie knaap, en toen hij eindelijk boven de golven der zee +voor den dag kwam, deed hij dit zonder een rijke toerusting, want hij +was bedekt met slijk en schelpen, en zeegras bedekte zijn onoogelijke +persoonlijkheid. Toen de Keizerin hem zag, beval zij hem, naar den +Drakenkoning te gaan en hem te vragen, haar de Getijde-Juweelen +te schenken. + +Isora gehoorzaamde, dook in het water neer, en stond dadelijk voor +den Drakenkoning, wien hij zijn verzoek deed. De Drakenkoning nam de +Getijde-Juweelen uit een mand, plaatste die op een groote schelp, +en beval Isora, dadelijk met dit kostbare geschenk naar Keizerin +Jingo terug te keeren. + +Isora sprong uit het paleis van zijn meester naar de oppervlakte der +zee, en Keizerin Jingo plaatste de Getijde-Juweelen in haar gordel. + + + + +De Tocht. + +Toen nu de Keizerin den Juweel van het Rijzende Water en dien van +het Vallende Water had gekregen, liet zij drieduizend schepen bouwen +en van stapel loopen, en aanvaardde zij in de tiende maand haar +grooten tocht. Haar vloot was nog niet ver van de kust, toen een +hevige storm opstak, zoodat de schepen tegen elkander botsten en +naar alle waarschijnlijkheid op den bodem der zee zouden zinken. De +Drakenkoning beval echter groote zeemonsters, ter hulp te snellen; +sommigen tilden de schepen op hun groote ruggen, anderen stutten +hun koppen tegen de achterstevens van een aantal schepen, of duwden +ze zoo door een bewogen zee voort, die de schepen bijna zou hebben +teruggedreven naar de plaats van vertrek. Machtige drakenvisschen +verleenden daarbij hun hulp, door van achteren te duwen en te blazen, +door de scheepskabels in hun bek te houden en zoo de schepen met +verbazende snelheid voort te sleepen. Zoodra de storm bedaard was, +verdwenen de zeemonsters en de drakenvisschen. + + + + +Het wegwerpen der Getijde-Juweelen. + +Eindelijk zagen Keizerin Jingo en haar leger de verwijderde bergen +van Korea boven den horizon verrijzen. Toen zij de kust naderden, +bemerkten zij, dat het geheele Koreaansche leger op het strand +stond met hun schepen, gereed om van stapel te loopen op het eerste +bevel. Zoodra de Koreaansche schildwachten de Japansche vloot zagen, +gaven zij bevel aan boord te gaan, en onmiddellijk schoot een groote +menigte oorlogsschepen over het water. + +De Keizerin zag dit alles met ongestoorde kalmte aan. Zij wist, +dat de overwinning of de nederlaag van haar leger geheel in haar +macht lag. Toen de Koreaansche schepen haar vloot naderden, wierp +zij den juweel van het Vallende Water in zee. Zoodra deze het water +had aangeraakt, liep het water van onder de kielen der Koreaansche +schepen weg, zoodat zij op droog land strandden. De Koreanen, die aan +geen toovenarij dachten en die meenden, dat hun toestand het gevolg +was van de eb, en bovendien, dat de Japansche schepen moesten te +gronde gaan, sprongen van hun schepen en vlogen over het zand. Doch +nu spanden de Japansche boogschutters hun bogen, en een dichte wolk +van pijlen vloog door de lucht, en doodde honderden vijanden. Toen +de Koreanen in de onmiddellijke nabijheid van de Japansche schepen +gekomen waren, wierp de Keizerin den Juweel van het Rijzende +Water in het water. Onmiddellijk kwam een groote golf aanrollen, +en verwoestte bijna het geheele Koreaansche leger. Het was nu voor +de Japanners gemakkelijk, te landen en het land te veroveren. De +koning van Korea gaf zich over, en de keizerin keerde naar haar eigen +land terug, beladen met zijde en juweelen, boeken en schilderijen, +tijgervellen en kostbare gewaden. Toen de Getijde-Juweelen door de +Keizerin waren weggeworpen, bleven zij niet lang op den bodem van +den oceaan liggen. Isora nam ze haastig op en bracht ze terug naar +den Drakenkoning. + + + + +Prins Ojin. + +Kort na den terugkeer van Keizerin Jingo, schonk zij het leven aan +een zoon, Ojin genaamd. Toen Ojin was opgegroeid tot een schoonen +en verstandigen jongen, deed zijn moeder hem het verhaal van de +wonderbaarlijke Getijde-Juweelen, en drukte den wensch uit, dat ook +hij ze in zijn bezit zou krijgen, opdat hij eer en roem aan Japan +zou brengen. + +Op zekeren dag nam de Eerste Minister, van wien verhaald werd, dat +hij driehonderd zestig jaar oud was en de raadgever van niet minder +dan vijf Mikado's was geweest, Ojin met zich mede in een keizerlijk +oorlogsschip. Het schip gleed over de zee met zijn goudzijden +zeilen. De Eerste Minister riep met luider stem den Drakenkoning toe, +den jeugdigen Ojin de Getijde-Juweelen te geven. + +Onmiddellijk begonnen de golven rondom het schip vreeselijk te +schuimen, en onder donderend geweld verscheen de Drakenkoning +zelf, met een levend schepsel van een vervaarlijk uiterlijk, tot +helm. Daarna verrees uit het water een ontzaglijke schelp, waarin de +Getijde-Juweelen in de diepte glinsterden. Na die juweelen te nebben +aangeboden onder het houden van een korte toespraak, keerde hij weer +naar zijn machtig groen koninkrijk terug. + + + + +Het Dooden van de Zeeslang. [80] + +Oribe Shima had den grooten vorst Hojo Takatoki beleedigd en was +ten gevolge daarvan naar Kamishina, één der Oki-eilanden verbannen, +en gedwongen zijn schoone dochter Tokoyo te verlaten, die hij innig +lief had. + +Eindelijk kon Tokoyo de scheiding niet langer uithouden, en besloot +zij haar vader op te zoeken. Daarom ondernam zij een groote reis, +en toen zij te Akasaki, in de provincie Hoki, was gekomen, van welke +kustplaats de Oki-eilanden bij helder weder zichtbaar waren, smeekte +zij verschillende visschers, haar naar haar bestemming te roeien. Maar +de visschers lachten haar uit, en raadden haar aan, haar dwaas plan +op te geven en naar huis terug te keeren. Het meisje wilde echter +niet naar hun raad luisteren, en tegen het invallen van den nacht +besteeg zij het kleinste vaartuig, dat zij kon vinden, en door middel +van een gunstigen wind en voortdurend roeien, kwam het dappere meisje +eindelijk in één der rotsachtige inhammen der Oki-eilanden. + +Dien nacht sliep Tokoyo vast, en des morgens nam zij voedsel tot +zich. Toen zij haar maaltijd had geëindigd, vroeg zij een visscher, +waar zij haar vader kon vinden. "Ik heb nooit van Oribe Shima hooren +spreken", antwoordde de visscher, "en als hij verbannen is, raad ik +u aan, u van verder onderzoek te onthouden, daar het anders wel uw +beider dood ten gevolge zou kunnen hebben." + +Dien nacht sliep de treurige Tokoyo aan den voet van een altaar, aan +Buddha gewijd. Haar slaap werd spoedig verstoord door handgeklap, en +toen zij opkeek, zag zij een weenend meisje gekleed in een wit gewaad, +terwijl een priester naast haar stond. Op het oogenblik waarop de +priester het meisje over de rotsen in de bulderende zee wilde werpen, +sprong Tokoyo op en hield het meisje bij den arm. + +De priester vertelde, dat in dien nacht, den dertienden Juni, de +Slangengod, bekend onder den naam van Yofuné-Nushi, een jong meisje +als offer opeischte, en dat, als dit jaarlijksche offer niet werd +gebracht, de God vertoornd werd en vreeselijke stormen veroorzaakte. + +"Goede Heer," zoo sprak Tokoyo, "ik ben blijde, dat ik de gelegenheid +heb gehad het leven van het arme meisje te redden. Gaarne bied ik +mij zelf in haar plaats aan, want ik ben droevig van gemoed, omdat ik +niet in staat ben geweest mijn vader te vinden. Geef hem dezen brief, +want mijn laatste woorden van liefde en afscheid zijn aan hem gewijd." + +Na aldus te hebben gesproken, nam Tokoyo het witte gewaad van +het meisje, en hulde zich daarin, en nadat zij gebeden had tot +het beeld van Buddha, plaatste zij een kleinen dolk tusschen de +tanden en wierp zij zich in de stormachtige zee. Zij zonk neer in +het door de maan verlichte water, totdat zij kwam in een groot hol, +waar zij een standbeeld zag van Hojo Takatoki, die haar armen vader +in ballingschap had gezonden. Zij was op het punt het beeld op haar +rug te binden, toen een groote witte slang uit het hol kroop, met +nijdig glinsterende oogen. Tokoyo, die begreep, dat dit schepsel +niemand anders was dan Yofuné-Nushi, trok haar dolk en stak dien in +het rechter oog van den God. Die onverwachte aanval was oorzaak, dat +de slang zich in het hol terugtrok, maar de dappere Tokoyo ging de +slang achterna en bracht haar een tweeden steek toe, en wel nu in het +hart van het dier. Een oogenblik strompelde Yofuné-Nushi blindelings +voort, maar onmiddellijk daarna viel het dier met een kreet van pijn +dood op den bodem van het hol neer. + +Tijdens dit avontuur stonden de priester en het meisje op de rotsen, +en keken naar de plek, waar Tokoyo verdwenen was, terwijl zij innig +baden voor den vrede van haar droevige ziel. Toen zij daar stonden +te bidden, zagen zij Tokoyo aan de oppervlakte van het water komen, +terwijl zij een beeld droeg en een ontzaglijk monster, dat op een +visch geleek. De priester kwam haastig het meisje te hulp, trok haar +op het strand, plaatste het beeld op een hooge rots en maakte zich +meester van het lichaam van de Witte Zeeslang. + +Na verloop van tijd werd die merkwaardige geschiedenis ter kennis +gebracht van Tameyoshi, den bestuurder van dit eiland, die op zijn +beurt het vreemde avontuur aan Hojo Takatoki mededeelde. Takatoki +echter had geruimen tijd geleden aan een ziekte, die de bekwaamheid +der geleerdste geneesheeren had getart; het bleek nu, dat hij zijn +gezondheid terugkreeg juist op het oogenblik, waarop zijn beeld, +dat door den één of anderen balling was vervloekt geworden en in zee +geworpen, weer te voorschijn was gekomen. Toen Hojo Takatoki vernam, +dat het dappere meisje de dochter was van den verbannen Oribe Shima, +zond hij hem met den grootsten spoed naar zijn eigen woonplaats terug, +waar hij nog langen tijd met zijn dochter in vrede en voorspoed leefde. + + + + +De Geest van het Zwaard. + +In zekeren nacht ging een jonk voor anker liggen bij Kaap Fudo, en +nadat verschillende voorbereidselen gemaakt waren, vielen zoowel de +kapitein, Tarada genaamd, als de bemanning op dek in slaap. Tegen het +uur van middernacht werd Tarada gewekt door een vreemd stommelend +geluid, dat van den bodem der zee scheen voort te komen. Toen hij +toevallig keek in de richting van den boeg van het schip, zag hij +een mooi meisje, gekleed in het wit, terwijl van haar een glinsterend +licht uitstraalde. + +Toen Tarada zijn bemanning had gewekt, naderde hij het meisje, dat +zeide: "Mijn eenige wensch is weer naar de aarde terug te keeren." Na +die woorden te hebben gesproken, verdween zij tusschen de golven. + +Den volgenden dag ging Tarada aan land, en vroeg aan verscheidene +personen, die in Amakura woonden, of zij wel eens gehoord hadden van +een prachtig meisje, als het ware badend in een phosphoresceerend +licht. Één der dorpsbewoners antwoordde het volgende: "Wij hebben het +meisje, dat gij beschrijft, nooit gezien, maar eenigen tijd geleden +werden wij verontrust door stommelende geluiden, die afkomstig schenen +te zijn van Kaap Fudo, en van dat oogenblik af hebben die geheimzinnige +geluiden veroorzaakt, dat geen visch onze baai is binnengekomen. Het +is mogelijk, dat het meisje, dat gij gezien hebt, de geest van het +ééne of andere arme meisje is geweest, dat in zee is verdronken, +en dat het geluid, dat wij hoorden, niets anders is dan de toorn van +den Zeegod over het feit, dat een lijk of menschelijke beenderen het +water verontreinigen". + +Daarop werd besloten, dat de stomme Sankichi in zee zou duiken, en elk +lijk, dat hij daar zou vinden, naar boven zou brengen. Daarop ging +Sankichi aan boord van de jonk van Tarada, en na van zijn vrienden +afscheid te hebben genomen, dook hij in het water onder. Hij zocht +nauwlettend, maar kon geen spoor van een lijk of van menschelijke +beenderen ontdekken. Eindelijk echter ontdekte hij iets, dat geleek op +een zwaard, in zijde gewikkeld, en toen hij het omhulsel losmaakte, +vond hij, dat het inderdaad een zwaard was, schitterend helder +en zonder een enkele vlek of eenig gebrek. Sankichi kwam naar de +oppervlakte terug en werd dadelijk aan boord opgenomen. De arme man +werd voorzichtig op het dek gelegd, maar hij viel van uitputting +flauw. Zijn koud lichaam werd haastig gewreven en vuren werden +aangestoken. Na zeer korten tijd kwam Sankichi weer bij kennis, +en kon hij het zwaard laten zien, en bijzonderheden omtrent zijn +avonturen mededeelen. + +Een ambtenaar, Naruse Tsushimanokami genaamd, was van meening, dat het +zwaard een heilige schat was, en op zijn aanbeveling werd het geplaatst +in een tempel, en aan Fudo gewijd. Sankichi bewaakte het kostbare wapen +met de grootste trouw, en Kaap Fudo werd bekend onder den naam van de +Kaap van het Zwaard der Vrouw. Tot vreugde der visschersbevolking, +kwamen de visschen, nu de geest van het wapen was tevreden gesteld, +weer in de baai terug. + + + + +De Liefde van O Cho San. + + + + "'t Is vandaag de tiende Juni. Vall' in stroomen neer de regen! + Want ik zou mijn teer beminde O Cho San zoo gaarne ontmoeten." + + Naar _R. Gordon Smith_. + + +Op het afgezonderde eiland Hatsushima, dat beroemd is om zijn _suisenn_ +(narcissen), leefde eens een prachtig schoon meisje, Cho genaamd, en al +de jongelieden van het eiland verlangden vurig, met haar te huwen. Op +zekeren dag ging de schoone Shinsaku, die vrijmoediger was dan de +overige jongelieden, naar Gisuke, den broeder van Cho, en zeide hem, +dat hij zoo vurig verlangde, diens schoone zuster te huwen. Gisuke +maakte geen tegenwerpingen, en nadat de vrijer vertrokken was, liet +hij Cho bij zich komen en zeide: "Shinsaku wenscht uw echtgenoot te +worden. Ik houd van den visscher en ben van meening, dat ge, als gij +met hem trouwt, een goed huwelijk zult doen. Ge zijt nu achttien jaar +oud, en het is dus hoog tijd dat ge trouwt." + +O Cho San kon zich volkomen vereenigen met de meening van haar broeder, +en afgesproken werd, dat het huwelijk drie dagen later zou worden +voltrokken. Ongelukkig waren die dagen juist dagen van tweedracht +op het eiland, immers toen de overige vrijers onder de visschers het +nieuws hoorden, begonnen zij den vroeger zoo populairen Shinsaku te +haten, en bovendien verwaarloosden zij hun werk door hun voortdurende +onderlinge gevechten. Die betreurenswaardige tooneelen wierpen een +zóó donkere schaduw op het eertijds zoo gelukkige eiland Hatsushima, +dat O Cho San en haar minnaar besloten, dat zij ter wille van den +algemeenen vrede liever niet zouden trouwen. + +Dit edele offer had echter niet de gewenschte uitwerking, immers de +dertig minnaars bleven elkander nog bevechten en verwaarloosden nog +altijd hun beroep. O Cho San besloot toen, een nog grooter offer te +brengen. Zij schreef teedere afscheidsbrieven aan haar broeder en aan +Shinsaku, en na dien bij den slapenden Gisuke te hebben achtergelaten, +sloop zij stil het huis uit in een stormachtigen nacht op den 10_den_ +Juni. Zij deed groote steenen in haar schoone mouwen, en wierp zich +toen in zee. + +Den volgenden dag lazen Gisuke en Shinsaku de brieven, die zij van +O Cho San hadden ontvangen, en door smart overweldigd, zochten zij +het strand af, waar zij de strooien sandalen van Cho vonden. De beide +mannen waren toen overtuigd, dat het schoone meisje zich werkelijk van +het leven had beroofd, en korten tijd daarna werd haar lichaam uit +de zee aangespoeld, waarna het begraven werd. Op haar graf plaatste +Shinsaku veel bloemen, terwijl hij voortdurend weende. + +Op zekeren avond besloot Shinsaku, die niet in staat was langer zijn +smart te dragen, zich van het leven te berooven in de meening, dat hij +dan den geest van O Cho San zou ontmoeten. Terwijl hij een tijd lang +toefde bij het graf van het meisje, meende hij haar witten geest te +zien, en terwijl hij herhaaldelijk haar naam fluisterde, rende hij +naar haar toe. Op dit oogenblik kwam Gisuke, door het leven wakker +geschrikt het huis uit, en vond hij Shinsaku, die zich vastklemde +aan het graf van zijn geliefde. + +Toen Shinsaku zijn vriend verhaald had, dat hij den geest van O Cho +San had gezien, en van plan was zich van het leven te berooven, ten +einde voor eeuwig met haar vereenigd te zijn, antwoordde Gisuke aldus: +"Shinsaku, uw liefde voor mijn arme zuster is groot, maar gij kunt haar +het best beminnen, door haar in deze wereld te dienen. Als de groote +Goden u roepen, zult gij haar ontmoeten, maar wacht met vertrouwen en +moed dat oogenblik af, want alleen een dapper en tevens liefhebbend +hart is O Cho San waardig. Laat ons samen een tempel bouwen en dien +aan mijn zuster wijden, en houd uw liefde krachtig en rein, door +nooit met iemand anders te huwen." + +De dertig vrijers, die zoo weinig mannelijk gevoel hadden getoond, +kwamen nu tot het volle bewustzijn van de smart, die zij hadden +veroorzaakt, en om hun berouw te toonen, hielpen zij mede aan den +bouw van den tempel voor het ongelukkige meisje, waar nog tot heden +ten dage den 10_den_ Juni een plechtigheid plaats heeft, waarbij de +geest van O Cho San in den regen verschijnt. + + + + +De Geest van den Grooten Awabi. + +Den ochtend nadat een groote aardbeving het visschersdorp Nanao had +geteisterd, bleek het, dat op een afstand van enkele mijlen van de kust +een rots was te voorschijn gekomen als het resultaat van de beroering +in de aardkorst, en dat bovendien de zee vreeselijk modderachtig +was geworden. In zekeren nacht voeren een aantal visschers langs de +rots, toen zij vlak bij zich een hoogst merkwaardig licht zagen, dat +scheen naar boven te komen van den bodem der zee, met een glans, die de +helderheid der zon evenaarde. De visschers haalden de roeiriemen binnen +en staarden met ontzaglijke verbazing op het wonderbare schouwspel, +maar toen het licht plotseling vergezeld werd van een dof gerommel, +werden de zeelieden beangst voor een nieuwe aardbeving en keerden +zij met grooten spoed naar Nanao terug. + +Den derden dag daarna namen de prachtige stralen uit de diepte in +helderheid toe, zoodat zij, die op het strand van Nanao stonden, ze +duidelijk konden zien, en de bijgeloovige visschers werden al meer +en meer bevreesd. Alleen Kansuke en zijn zoon Matakichi waren moedig +genoeg, om uit visschen te gaan. Op den terugweg bereikten zij het +Rotseiland, en trokken hun vischnet in, toen Kansuki zijn evenwicht +verloor en in zee viel. + +Hoewel de oude Kansuke een goed zwemmer was, zakte hij als een steen en +kwam hij niet meer aan de oppervlakte. Matakichi, die dit vreemd vond, +dook in het water, bijna verblind door de geheimzinnige stralen, die +wij reeds beschreven hebben. Toen hij eindelijk den bodem bereikte, +ontdekte hij tallooze _awabi_ (parelschelpen), en in het midden der +groep één van zeer groote afmeting. Van al die schelpen straalde +een schitterend licht uit, en hoewel het onder water even helder +was als in het volle daglicht, kon Matakichi geen spoor van zijn +vader vinden. Eindelijk was hij gedwongen weer naar de oppervlakte +op te stijgen, doch ontdekte toen, dat de ruwe zee zijn boot had +gebroken. Ten slotte echter bereikte hij, zich voortwerkend op een stuk +wrakhout, met behulp van een gunstigen wind en een gunstige strooming, +de kust van Nanao, en deed hij de dorpsbewoners een verslag van zijn +merkwaardige avonturen en van het verlies van zijn ouden vader. + +Matakichi, die diep bedroefd was over den dood van zijn vader, ging +naar den ouden dorpspriester en verzocht dien waardigen geestelijke, +dat hij hem als één van zijn leerlingen zou aannemen, opdat hij +met des te beter resultaat voor den geest van zijn vader zou kunnen +bidden. De priester stemde daarin gaarne toe, en ongeveer drie weken +later stevenden zij naar het Rotseiland, waar beiden vurig baden voor +de ziel van Kansuke. + +Dien nacht werd de oude priester met een schok wakker en zag hij +een ouden man naast zijn bed zitten. Met een diepe buiging sprak de +vreemdeling aldus: "Ik ben de geest van den Grooten Awabi, en ik ben +meer dan duizend jaar oud. Ik woon in de zee naast het Rotseiland, en +van morgen hoorde ik u bidden voor de ziel van Kansuke. Helaas! goede +priester, uw gebeden hebben een diepen indruk op mij gemaakt, maar +met schaamte en smart beken ik, dat ik Kansuke heb verslonden. Ik +heb mijn volgelingen bevolen ergens anders heen te trekken, en ten +einde te boeten voor mijn misdaad, zal ik mij van mijn ellendig leven +berooven, opdat de parel, die binnen in mij zit, aan Matakichi kan +worden gegeven." Na die woorden te hebben gesproken, verdween de +geest van den Grooten Awabi plotseling. + +Toen Matakichi den volgenden morgen ontwaakte en de blinden opende, +ontdekte hij den ontzaglijken _awabi_, dien hij bij het Rotseiland +had gezien. Hij nam dien mede naar den ouden priester, die, na het +verhaal van zijn leerling te hebben aangehoord, een verslag gaf van +zijn eigen ondervindingen. De groote parel en de schelp van den _awabi_ +werden in den tempel geplaatst, en het lichaam werd eerbiedig begraven. + + + + +HOOFDSTUK XXVIII. BIJGELOOF. + + + +Japansch Bijgeloof. + +Het hier genoemde onderwerp is van bijzondere beteekenis, +daar het dient, ons aan te wijzen, langs welken weg een aantal +mythen en legenden en meer in het bijzonder folklore, zich hebben +ontwikkeld. Bijgeloof is als het ware het ruwe materiaal, waaruit +tallooze vreemde godsdienstige begrippen zich tot sprookjes hebben +ontwikkeld, en een onderzoek van het onderwerp zal ons doen zien, +hoe de geest van den landman bepaalde bovennatuurlijke krachten tracht +tegen te gaan of ze in het dagelijksch leven tot zijn voordeel tracht +te doen strekken. In deze bladzijden zijn reeds een aantal vormen van +bijgeloof vermeld, en in dit hoofdstuk zullen wij diegene bespreken, +welke nog niet elders behandeld zijn. Het is nauwelijks noodig er +op te wijzen, dat al die voorbeelden van bijgeloof, gekozen uit een +rijke bron van vreemde godsdienstige opvattingen, uit den aard der +zaak uiterst primitief zijn, misschien echter met uitzondering van +die, welke in betrekking staan met de classieke kunst van waarzeggen, +die eigen is aan de minder ontwikkelde standen van Japan. + + + + +Menschenoffers. + +In voorhistorische tijden bezat de boog, naar men meende, +bovennatuurlijke macht. Op wonderbaarlijke wijze zou hij op het dak in +iemands huis komen, als een teeken, dat de oudste ongehuwde dochter +moest worden opgeofferd. Zij werd dus levend begraven, opdat haar +vleesch door de Godheid der Wilde Dieren kon worden verslonden. Later +echter was de boog niet langer de boodschap van een wreede godheid, +want hij verloor langzamerhand zijn afschuwelijke beteekenis, en is +nu het symbool van veiligheid geworden. Tot op onzen tijd kan men +hem bevestigd zien aan den nok van een dak, en wordt hij beschouwd +als een geluk brengend toovermiddel. + +Wij kennen nog een tweede voorbeeld van menschenoffers in de oude +afstootende gewoonten, om iemand levend te begraven, in de meening, dat +hierdoor de stevigheid van een brug of een kasteel wordt vergroot. In +den ouden tijd, toen gedwongen arbeid aan de orde van den dag was, +had men ongelukkig slechts weinig ontzag voor de heiligheid van het +menschelijke leven. Zij die zonder belooning arbeidden, stonden onder +toezicht van een meedoogenloos opziener, die aan zijn bevelen kracht +bijzette door middel van een speer. Hij was ieder oogenblik gereed +allen te dooden, die lui of in eenig opzicht weerspannig waren, en +heel wat lijken werden in het metselwerk geworpen. Als een rivier +moest worden afgedamd, of een vesting met grooten spoed moest worden +gebouwd, was dit betreurenswaardige gebruik voortdurend in zwang. + +Als een nieuwe brug gebouwd werd, waren haar nut en langdurig bestaan +verzekerd, niet alleen door menschenoffers of door smart, maar +somtijds ook door geluk. Het waren alleen menschen van een bijzonder +gelukkige gemoedsstemming, wien werd toegestaan, over een nieuwe brug +te loopen. Het verhaal is bekend, dat de Matsue-brug het eerst werd +overgetrokken door twee vroolijke, oude mannen, die ieder een gezin +van twaalf kinderen hadden, bij welken overtocht zij vergezeld waren +van hun vrouwen, kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. Die +vroolijke optocht had plaats onder veel vreugdebetoon en het afsteken +van vuurwerk. Het denkbeeld, dat geluk bijdraagt tot den gelukkigen +bouw en de stevigheid van een Japansche brug, is een aardige gedachte, +maar ongelukkig is de oude brug van Matsue, die nu vervangen is door +een andere, die veel minder schilderachtig is, verbonden met een zeer +onaangename overlevering. + +Toen Horio Yoshiharu _Daimio_ van Izumo werd, vatte hij het plan op een +brug te bouwen over de onstuimige rivier bij Matsue. Hoewel er heel wat +menschen aan werkzaam waren, om zijn wenschen ten uitvoer te brengen, +wilde het werk niet vlotten. Tallooze groote steenen werden in het +voortsnellende water geworpen met de bedoeling, daardoor een stevigen +grondslag te leggen, waarop de pijlers moesten worden opgetrokken, +maar een groot aantal steenen spoelden weg, en zoodra de brug een +tastbaren vorm begon aan te nemen, werd hij door den bruisenden stroom +vernield. Men meende, dat de geesten van den stroom vertoornd waren, +en men achtte het noodig, ten einde die te verzoenen, een menschenoffer +te brengen. Daarom werd een man levend begraven onder de middelsten +pijler, waar het water het onstuimigst was. Toen dat geschied was, +vorderde het werk voorspoedig, en gedurende driehonderd jaar bleef +de brug ongeschonden. Het ongelukkige slachtoffer was Gensuke, en dit +was dan ook de naam, aan den middelsten pijler gegeven. Men verhaalt, +dat in nachten, waarin de maan niet schijnt, een geheimzinnig rood +licht van dien pijler uitstraalt--de spookachtige uitstroomingen van +den armen Gensuke. + + + + +Classieke waarzeggerij. + +Een der meest populaire vormen van Japansch bijgeloof hangt samen met +waarzeggerij, en de leer van Confucius heeft niet weinig bijgedragen +tot haar populariteit. De _Yih-King_, of "Boek der Veranderingen", +is de voornaamste bron dier kunst, en Confucius besteedde zóóveel +tijd aan de studie van dit geheimzinnige werk, dat, naar men verhaalt, +de lederen riemen, die gebruikt werden om de bladen bijeen te houden, +tijdens zijn leven driemaal moesten worden hernieuwd. Die _Yih-King_ +werd begonnen door Fu Hsi, tweeduizend jaar vóór de geboorte van +Christus, en Confucius voegde daar veel nieuwe bouwstoffen aan +toe. Een meer ingewikkelde wijze, om de toekomst te lezen dan door +middel van een groot aantal verschillende figuren, kan men zich niet +voorstellen. Een zóó ingewikkeld stelsel van waarzeggen werd uit +den aard der zaak uitsluitend de wetenschap van enkele uitverkoren +geleerden, maar na verloop van tijd onderging het verschillende +wijzigingen. Het verloor tot op zekere hoogte zijn meest classiek +uiterlijk, en een groot aantal Japansche waarzeggers traden in het land +op, die voor een gering loon in de toekomst lazen, en dat wel zonder +den stempel te dragen van een diepe studie in den _Yih-King_. Een +betrekkelijk eenvoudige vorm van waarzeggen is die, waarbij vijftig +staafjes gebruikt worden, die op een bijzondere wijze worden +door elkander geschud, en de wijze, waarop ten slotte de staafjes +gerangschikt liggen, geeft het antwoord op de gestelde vragen. Een +aantal van de tegenwoordige waarzeggers in Japan zijn niets anders +dan kwakzalvers, die gebruik maken van de lichtgeloovigheid van hen, +die hun diensten inroepen, zonder dat zij goed op de hoogte zijn van de +kunst, die zij uitoefenen. Maar in oude tijden stond het waarzeggen met +gewijde ceremonies in verband. Het was voor den waarzegger, evenals +voor den ouden wapensmid, noodzakelijk zich voor zijn taak voor te +bereiden. Van hem werd geëischt, dat hij zijn lichaam met de grootste +zorg reinigde, dat hij in een afgezonderd vertrek ging zitten en +het ingewikkelde proces van het schudden der staafjes met eerbiedigen +geest volbracht. Op een bepaald oogenblik moest hij zijn oogen sluiten, +een tijdlang den adem inhouden en zijn gedachten concentreeren op het +waarzeggen; de oude waarzegger toch meende, evenals de oude Shinto +priester, dat hij het bovennatuurlijke te hulp riep. + + + + +Andere vormen van waarzeggerij. + +Bij andere vormen van waarzeggerij, die geen deskundige verklaring +vereischen, meent men, dat de toekomst kan worden geopenbaard door +de barsten en lijnen van het bot van een eenigszins verbranden +reebout, een methode, die veel overeenkomst heeft met de oude +Engelsche gewoonte van voorspellen uit botten van dieren. Het was +niet altijd gemakkelijk, een reebout te krijgen, en daar de barsten +en andere teekenen van meer belang waren dan het bot zelf, gebruikte +men na verloop van tijd gebrande schalen van schildpadden. Daar +haarkammen meestal van dat materiaal waren vervaardigd, was een +vrouw, door haar kam te laten verkolen, in staat de lijnen te lezen +en zoo de trouw en andere eigenschappen van haar minnaar te leeren +kennen. Meisjes waren gewoon in de toekomst te lezen, en na te gaan, +wat deze voor haar in den schoot had, door laat in den avond uit +te gaan en de losse opmerkingen van voorbijgangers met elkander te +verbinden. Deze wijze van voorspellen is bekend onder den naam van +_tsuji-ura_, maar zij is volstrekt niet uitsluitend aan Japan eigen, +want zij wordt ook nog dikwijls in Europa, voornamelijk in Engeland, +door bijgeloovige menschen toegepast. Een verliefd meisje trachtte +te ontdekken, of haar liefde wel of niet beantwoord werd, door een +stok in den grond te plaatsen, en dien met verschillende offers +te omgeven, ter wijl zij lette op de gesprekken van reizigers, +welke dien kant uitkwamen. [81] Een latere en meer uitgewerkte +ontwikkeling van dien vorm van waarzeggen vereischte drie meisjes, +en de gebruikte methode was deze: De jonge meisjes gingen naar een +kruispunt van wegen, en herhaalden driemaal een smeekbede aan den +God der Wegen. Als zij die Godheid hadden aangeroepen, wierpen zij +rijst op den grond, immers rijst heeft de macht, kwade geesten te +verdrijven. De meisjes wreven daarna haar vingers tegen de tanden van +een borstel van beukenhout, omdat _tsuge_, het Japansche woord voor +beukenhout, tevens "vertellen" beteekent. Na die voorbereidselen ging +ieder van haar in een verschillenden stand staan, en voegden zij de +opmerkingen der voorbijgangers tot één geheel samen. Somtijds werd +ook een tijding omtrent de toekomst ontvangen, terwijl hij, die iets +omtrent de toekomst wilde weten, onder een brug stond en luisterde naar +het getrappel der voeten, en somtijds ook meende men, dat een priester +die al inademend floot, het ééne of andere voorteeken kon openbaren. + + + + +Ongelukkige Jaren en Dagen. + +Men meent, dat bepaalde levensperioden bijzonder ongelukkig zijn. Het +vijf en twintigste, twee en veertigste en één en zestigste jaar in +het leven van een man worden als ongelukkig beschouwd, terwijl de +ongelukkige jaren van het leven eener vrouw het negentiende, drie en +dertigste en zeven en dertigste zijn. Ten einde gedurende die perioden +rampen te voorkomen, is het noodzakelijk veel tijd te besteden +aan godsdienstige oefeningen. Mannen en vrouwen wordt afgeraden, +een reis te ondernemen tijdens het zestiende, vijf en twintigste, +vier en dertigste, drie en veertigste, twee en vijftigste en één +en zestigste jaar. Als bijgeloovige vrouwen een nieuw kleedingstuk +wenschen te vervaardigen, spreken zij een tooverspreuk uit en strooien +zij later drie snuifjes zout op de mouw bij den schouder. Geen vrouw +kon zonder nadeel haar naald gebruiken op een "apen" dag, maar veel +liever moest zij daarvoor een "vogel" dag gebruiken. Indien het werk +op den eerstgenoemden dag ondernomen wordt, is er gevaar voor, dat het +kleed scheurt of verbrandt; maar als het gewaad op den laatstgenoemden +dag wordt vervaardigd, zal het de schoonheid en duurzaamheid hebben +van de veeren van een vogel. + + + + +Kinderen. + +Als een tand van een kind uitvalt, wordt die onder de dakpannen +weggeworpen, met den wensch, dat hij vervangen wordt door dien van een +boozen geest. Somtijds wordt de tand van een kleinen jongen of een jong +meisje op den grond geworpen met het verzoek, dat die vervangen wordt +door dien van een rat. Kinderen zijn tegen nachtmerrie beveiligd, +als het woord "hondje" op hun voorhoofd wordt geschreven; en als +aan die voorzorg nog is toegevoegd een teekening van den _Baku_, +Eter van Droomen, zal het zeker zijn, dat de slaap van den kleinen +van rustigen aard zal zijn. Het woord "hond" op het voorhoofd van een +kind geschreven, is een beveiliging tegen de betoovering door vossen +en dassen. + +Sommige kunstmiddeltjes, die den roep hebben kinderziekten te +genezen, zijn hoogst merkwaardig. Bloed, uit een hanekam getapt, +geneest een slechte spijsvertering, terwijl uitslag op het hoofd +kan verdreven worden door herhaaldelijk de volgende woorden uit te +spreken: "In de lange lentedagen kan het onkruid verwijderd worden, +maar in den tuin moet het oogenblikkelijk uitgeroeid worden." Zelfs +een Japansche zuigeling huilt van tijd tot tijd, maar als een rood +zakje, dat hondenhaar bevat, aan zijn rug is vastgemaakt, zal het +oogenblikkelijk ophouden te huilen en zal het klagende geween plaats +maken voor glimlachjes. Blindheid is dikwijls het gevolg van pokken, +maar die ramp kan vermeden worden, door zeven erwten in een put te +werpen, onder het opzeggen van zeven gebeden, en daarna al het water +uit den put te scheppen. + + + + +Toovermiddelen. + +Een groot aantal Japansche toovermiddelen bestaan uit stukjes +papier, die een opschrift dragen, dat ten doel heeft rampen af te +weren. Een ander middel is een papier, beschreven met den naam van +een godheid. Men geeft het den vorm van een lange strook, die door +de arme lieden aan den buitenkant van hun woningen wordt bevestigd, +terwijl zij, die niet tegen armoede hebben te kampen, het beschouwen +als een deel van het huiselijk altaar. De afdruk van de hand van +een kind, die, zooals Chamberlain schrijft, verkregen wordt door +de hand eerst met inkt te bevochtigen en haar daarna op een vel +papier te drukken, weert, zooals gezegd wordt, kwade invloeden +af. Brokstukken van tempels, rijstkorrels, die zóó gesneden zijn, +dat zij de Geluksgoden voorstellen, kleine _sutra's_, copieën van +den voetafdruk, van Buddha, en een aantal ander vreemde invallen, +behooren tot de veelvuldige Japansche toovermiddelen. + + + + +Het wenkende Blad. + +Er is een zekere Japansche boom, _tegashiwa_ genaamd, waarvan de +bladeren in vorm eenige overeenkomst hebben met een hand. In oude +tijden kreeg een _samurai_, als hij verplicht was zijn huis te +verlaten, onmiddellijk vóór zijn vertrek een _tai_ (baars), die +werd opgediend op een blad van een _tegashiwa_-boom. Dit was zijn +afscheidsmaal, en als de _samurai_ den visch had gegeten, werd het +blad boven de deur gehangen, waarbij de gedachte voorzat, dat dit hem +op reis zou doen behouden blijven en hem weer veilig naar huis zou +doen terugkeeren. Het was niet zoozeer de vorm als wel de beweging +van het _tegashiwa_-blad, die aanleiding gaf tot die aardige gedachte, +want het blad scheen, als het door den wind werd bewogen, op de gewone +bekoorlijke Japansche wijze te wenken. + + + + +Bimbogami. + +Gewoonlijk ziet men, dat droge erwten een afdoend middel zijn om booze +geesten te verdrijven, maar Bimbogami, de God der Armoede, is niet +zoo gemakkelijk te overwinnen. Er is iets pathetisch in het denkbeeld, +dat de armoede beschouwd moet worden als een koppige en ongewenschte +knaap, want hier komen wij op het terrein der werkelijkheid. Hoewel +Bimbogami geen aandacht slaat op de droge erwten, kan hij toch door +andere middelen verjaagd worden. + +Het houtskoolvuur in een Japansche keuken wordt tot een heerlijken +gloed aangeblazen door middel van een werktuig, _hifukidake_ genaamd, +een bamboebuis--een meer artistieken en eenvoudigen vorm van blaasbalg, +waar de opgeblazen wangen de plaats innemen van onzen door de +hand bewogen leeren zak. Spoedig reeds knapt de bamboebuis door de +ontzettende hitte. Zoodra dit het geval is, wordt een koperen munt +binnen in de buis geplaatst, een tooverformulier wordt uitgesproken, +en daarna wordt de "blaaspijp" òf op de straat òf in een rivier +geworpen. Men meent steeds, dat het wegwerpen van de onbruikbare +bamboebuis het gedwongen vertrek van Bimbogami beteekent. De meesten +van ons kennen wel het Doodskloppertje, dat als een horloge in onze +meubels tikt. In Japan wordt het _Bimbomushi_, of "Armoede-Insect" +genoemd. Zijn tikken voorspelt niet den naderenden dood, zooals in +ons land het geval is, maar het is een teeken van de ongewenschte +aanwezigheid van den God der Armoede in de Japansche woning. + + + + +HOOFDSTUK XXIX. BOVENNATUURLIJKE WEZENS. + + + +De Kappa. + +De _Kappa_ is een riviermonster, een harig schepsel met het lichaam +van een schildpad en met schubbige beenderen. Zijn kop gelijkt +eenigszins op dien van een aap, en boven op den kop is een holte, +die een geheimzinnige vloeistof bevat, welke de bron moet zijn van +de groote macht van het schepsel. Het grootste genot van den _Kappa_ +is, menschelijke wezens uit te dagen tot een tweegevecht, en de +ongelukkige man, die een zoodanige uitnoodiging krijgt, kan die niet +afslaan. Hoewel de _Kappa_ woest en twistziek is, is hij niettemin +uiterst beleefd. De reiziger, die zijn onverbiddelijke oproeping +krijgt, maakt voor het monster een diepe buiging. De beleefde Kappa +beantwoordt de buiging, en terwijl hij zijn kop buigt, stroomt +de vloeistof, die hem zijn kracht verleent, uit de holte in zijn +schedel, en daar hij dan zwak wordt, verdwijnen zijn oorlogszuchtige +karaktertrekken onmiddellijk. Maar het is even ongelukkig den _Kappa_ +te overwinnen, als door hem te worden afgeranseld, immers de tijdelijke +roem der overwinning wordt spoedig gevolgd door het wegkwijnen van den +ongelukkigen reiziger. De _Kappa_ heeft de neigingen van een vampier, +want hij slaat de menschen in het water, als zij in de rivier of in +het meer baden, en zuigt hun bloed uit. In een bepaald gedeelte van +Japan heet het, dat hij ieder jaar twee slachtoffers eischt. Als hij +uit het water naar boven komt, wordt zijn huid bleek, en langzamerhand +verkwijnt hij, alsof hij lijdt aan een vreeselijke ziekte. + +In Izuma noemen de dorpsbewoners den _Kappa_ gewoonlijk _Kawako_ +("Het kind der Rivier"). Bij Matsue is een klein gehucht gelegen, +Kawachi-mura genoemd, en aan den oever der rivier is een kleine tempel, +bekend onder den naam van Kawako-no-miya, dat wil zeggen de tempel +van den _Kawako_ of _Kappa_, welke tempel een geschrift bevat, dat +door dat riviermonster onderteekend is. Omtrent dat geschrift wort +de volgende legende verhaald. + + + +De belofte van den Kappa. + +In oude tijden leefde in de rivier de Kawachi een _Kappa_, die er +zijn gewoonte van maakte, een aantal dorpsbewoners te pakken en te +dooden en bovendien een aantal van hun huisdieren. Op zekeren dag +ging een paard de rivier in, en de _Kappa_ verrekte op de één of +andere wijze zijn nek, toen hij het paard trachtte te pakken, maar +in weerwil van de ondragelijke pijn wilde hij zijn slachtoffer niet +loslaten. Het beangste paard sprong op den oever der rivier en holde +in een naburige weide, terwijl de _Kappa_ nog steeds het verschrikte +paard vasthield. De eigenaar van het paard bond, geholpen door een +aantal dorpsbewoners, het Kind der Rivier stevig vast. "Laat ons +dat afgrijselijke schepsel dooden," zoo spraken de boeren, "want hij +heeft zeker een aantal afschuwelijke misdaden gepleegd, en wij zouden +verstandig handelen, als wij ons van zulk een afschuwelijk monster +verlosten." "Neen," antwoordde de eigenaar van het paard, "wij zullen +hem niet dooden. Wij zullen hem laten zweren, dat hij nooit één van de +bewoners of van de huisdieren van dit dorp zal dooden." Een geschrift +werd dus gereedgemaakt, en den _Kappa_ werd gevraagd het door te lezen, +en na dit gedaan te hebben, het met zijn naam te onderteekenen. "Ik +kan niet schrijven," antwoordde de berouwvolle _Kappa_, "maar ik zal +mijn hand in inkt doopen en die op het geschrift drukken." Toen het +schepsel zijn merk op het stuk had gedrukt, werd hij losgelaten en +werd hem toegestaan naar de rivier terug te keeren, en van dien tijd +af tot heden toe is de _Kappa_ getrouw gebleven aan zijn belofte. + + + + +De Tengu. + +Wij hebben reeds vroeger melding gemaakt van den _Tengu_, en wel in +het verhaal van Yoshitsune en Benkei. [82] Men zal zich herinneren, dat +in die legende Yoshitsune, één der grootste krijgslieden van het Oude +Japan, de krijgskunst leerde van den Koning der _Tengu_. Chamberlain +beschrijft de _Tengu_ als "een soort van aardgeesten, die rondwaren +over de bergen en in de bosschen, en die een aantal guitenstreken +uithalen. Zij hebben eenige verwantschap met vogels; want zij +hebben vleugels en een snavel, en somtijds klauwen. Maar dikwijls +wordt de snavel een breede en ontzaglijk lange menschelijke neus, +en het geheele schepsel wordt als menschelijk voorgesteld, daar er +niets vogelachtigs overblijft dan de waaier van veeren, waarmede het +dier zich verkoelt. Dikwijls is het in bladeren gehuld, en draagt het +een kleine muts op zijn kop. In één woord, de _Tengu_ zijn goden van +minderen rang, en zijn volleerd in de schermkunst en in het gebruik van +wapenen in het algemeen. De teekens, waarmede de naam wordt geschreven, +beteekenen 'hemelsche hond', doch deze naam leidt op een dwaalspoor, +daar het schepsel geen gelijkenis heeft met een hond, en zooals wij +reeds beschreven hebben, voor een deel er uitziet als een mensch, +voor een deel als een vogel." Er zijn nog andere overleveringen +omtrent het woord _Tengu_, die van geheel anderen aard zijn; men +verhaalt immers, dat Keizer Jomei dien naam gaf aan een meteoor, +"die het luchtruim doorkliefde van oost naar west, onder een krachtige +ontploffing." Bovendien is er een nog oudere lezing, volgens welke de +_Tengu_ uitgevloeid waren uit Susa-no-o, den Ontstuimigen Jongeling, +en ook nog, dat er vrouwelijke booze geesten waren met koppen van +dieren en groote ooren en neuzen van een zóó ontzaglijke lengte, +dat zij daarop menschen konden voortdragen en met dien last duizenden +mijlen zonder vermoeienis konden voortvliegen, terwijl bovendien hun +tanden zóó sterk en zóó scherp waren, dat die vrouwelijke demonen +zwaarden en speren konden doorbijten. Nog steeds gelooft men, dat +de _Tengu_ bepaalde bosschen bewoont, en de schuilplaatsen van hooge +bergen. In het algemeen gesproken is de _Tengu_ geen kwaadaardig wezen, +want hij heeft een sterk gevoel voor humor en is er dol op, iemand +goedmoedig in het ootje te nemen. Somtijds echter verstopt de _Tengu_ +menschelijke wezens op geheimzinnige wijze, en als zij eindelijk +naar huis terugkeeren, zijn zij volslagen krankzinnig geworden. Dit +vreemde verschijnsel is bekend onder den naam van _Tengu-kakushi_, +of door een _Tengu_ verstopt. + + + + +Tobikawa bootst een Tengu na. + +Tobikawa, die in zijn jonge jaren een worstelaar geweest was en in +Matsue woonde, bracht zijn tijd door met het jagen en dooden van +vossen. Hij hechtte geen geloof aan de verschillende bijgeloovige +opvattingen omtrent het dier, en algemeen was men van meening, dat +zijn groote kracht hem beveiligde tegen de toovenarij van vossen. Er +waren echter onder de bewoners van Matsue enkelen, die voorspelden, +dat Tobikawa tot een ontijdig einde zou komen ten gevolge van zijn +vermetele daden en zijn ongeloof in bovennatuurlijke krachten. Tobikawa +hield er bijzonder van, de menschen voor den gek te houden; hij had +zelfs eens de brutaliteit de gedaante van een _Tengu_ in hoofdzaken na +te bootsen, zooals de veeren, den langen neus, de klauwen enz. Nadat +hij zich zoo had vermomd, klom hij in een boom, die in een heilig +boschje stond. Dadelijk zagen de boeren hem, en daar zij dachten, +dat het wezen, dat zij zagen, een _Tengu_ was, begonnen zij hem te +aanbidden, en heel wat offeranden rondom den boom te plaatsen. Doch +helaas! de treurige voorspelling werd vervuld, want terwijl de +vroolijke Tobikawa de acrobatische kluchten van een _Tengu_ nadeed, +gleed hij van een tak af en werd hij gedood. + + + + +De Avonturen van Kiuchi Heizayemon. + +Wij hebben reeds gesproken van den _Tengu-kakushi_, en de volgende +legende geeft een goed geteekende beschrijving van die bovennatuurlijke +gebeurtenis. + +Op zekeren avond verdween plotseling een zekere ondergeschikte +bediende, Kiuchi Heizayemon. Toen de vrienden van Kiuchi gehoord +hadden, wat gebeurd was, gingen zij in alle richtingen naar hem +zoeken. Na langdurige nasporingen vonden zij zijn klompen, zijn scheede +en zijn zwaard; maar de scheede was gebogen als het gekromde hengsel +van een theeketel. Nauwelijks hadden zij die treurige ontdekking +gedaan, of zij zagen ook den gordel van Kiuchi, die in drie stukken +was gesneden. Tegen middernacht hoorden zij, die aan het zoeken +waren, een vreemd geschreeuw, een stem, die om hulp riep. Suzuki +Shichiro, één van den troep, zag juist op, toen hij een vreemd, +gevleugeld wezen zag staan op het dak van een tempel. Toen de overige +deelgenooten aan den tocht zich bij hun makker hadden gevoegd, zagen +zij allen op naar die vreemde figuur, waarop één zeide: "Ik geloof, +dat het niets anders is dan een zonnescherm, dat zich in den wind +heen en weer beweegt." "Laat ons trachten hieromtrent zekerheid te +krijgen", antwoordde Suzuki Shichiro, en na dit gezegd te hebben, +verhief hij zijn stem en riep hij zoo hard mogelijk: "Zijt gij de +verdwenen Kiuchi?" "Ja", was het antwoord, "en ik verzoek u, dat gij +mij zoo spoedig mogelijk van boven dezen tempel weghaalt". + +Toen Kiuchi van het dak van den tempel naar beneden was gebracht, viel +hij flauw, en bleef drie dagen lang bewusteloos. Toen hij eindelijk +weer bij kennis was gekomen, gaf hij het volgende verslag van zijn +vreemd avontuur. + +"Den avond waarop ik verdween, hoorde ik iemand herhaaldelijk hardop +mijn naam roepen, en toen ik naar buiten ging, ontdekte ik een monnik, +in het zwart gekleed, die luidkeels 'Heizayemon!' riep. Naast den +monnik stond een man van ontzaglijken lichaamsbouw; zijn gelaat was +rood, en zijn hangende haren vielen tot op den grond. 'Klim op gindsch +dak' riep hij woest. Ik weigerde een spitsboef met zulk een ongunstig +uiterlijk te gehoorzamen, en trok mijn zwaard, maar in een oogenblik +boog hij het lemmer om en brak hij de scheede in stukken. Daarna +werd mijn gordel ruw afgetrokken en in drie stukken gesneden. Toen +die zaken waren geschied, werd ik op een dak gedragen en daar hard +afgeranseld. Maar nog was het einde van mijn ellende niet bereikt, +want nadat ik was afgeranseld, werd ik gedwongen op een ronden bak +te gaan zitten. In een oogenblik werd ik in de lucht rondgedraaid, +en de bak droeg mij in razende vaart door een aantal landstreken +heen. Toen het mij bleek, dat ik tien dagen lang door het luchtruim +was voortgedreven, bad ik tot Buddha, en bevond mij, zooals ik dacht, +op den top van een berg, maar in werkelijkheid was het niet anders dan +het dak van den tempel, van waar gij, mijn makkers, mij hebt bevrijd." + + + + +Een geloof in den Tengu uit onzen tijd. + +Kapitein Brinkley deelt ons in _Japan en China_ mede, dat tot zelfs nog +in het jaar 1860 de ambtenaren van het Gouvernement te Yedo openlijk +voor hun geloof in bovennatuurlijke wezens uitkwamen. Voordat de +_Shogun_ Nikko zou bezoeken, werd op hun bevel de volgende kennisgeving +aangeplakt in de nabijheid der praalgraven: + + + "_Aan den Tengu en overige Demonen_ + + "Daar onze _Shogun_ voornemens is in April van het volgende jaar + de praalgraven te Nikko te bezoeken, moeten gij, _Tengu_ en andere + Demonen, die op deze bergen woont, u van hier verwijderen totdat + de _Shogun_ zijn bezoek heeft volbracht. + + "(Geteekend) _Mizuno_, Heer van Dewa. + + "Juli 1860." + + +De plaatselijke autoriteiten waren nog niet tevreden met een dergelijke +kennisgeving. Nadat zij behoorlijk de _Tengu_ en overige demonen in +kennis hadden gesteld met de komst van den Shogun, werden de juiste +bergen, waar die wezens mochten verwijlen tijdens het bezoek van den +vorst, bij name aangeduid. + + + +De Bergman en de Bergvrouw. + +Het lichaam der Bergvrouw is bedekt met lange witte haren. Zij wordt +beschouwd als een menscheneetster (Kijo), en is als zoodanig bekend +in de Japansche mythen. Zij heeft behalve haar kannibalen-neigingen, +ook de eigenschap als een mot te kunnen rondvliegen en ongebaande +bergen gemakkelijk door te trekken. + +De Bergman gelijkt, naar beweerd wordt, op een grooten, zwartharigen +aap. Hij is bijzonder sterk, en vindt er absoluut geen bezwaar +in, voedsel uit de dorpen te stelen. Hij is echter steeds gereed, +houthakkers te hulp te komen, en wil gaarne hout dragen in ruil voor +een baal rijst. Het is vergeefsche moeite, hem te pakken of te dooden, +want elken aanval, van welken aard ook, op den Bergman, brengt ongeluk, +en somtijds zelfs den dood aan de aanvallers. + + + + +Sennin. + +De _Sennin_ zijn bergkluizenaars, en groot is het aantal legenden, dat +omtrent hen bekend is. Hoewel zij een menschelijke gedaante hebben, +zijn zij toch tevens onsterfelijk, en ingewijd in de tooverkunst. De +eerste groote Japansche _sennin_ was Yosho, die in het jaar 870 n.C. te +Noto geboren was. Even vóór zijn geboorte droomde zijn moeder, dat +zij de zon had ingeslikt, een droom, die de wonderbare macht van haar +kind voorspelde. Yosho was vlijtig en vroom, en bracht het grootste +gedeelte van zijn tijd door met het bestudeeren van de "Lotus van de +Wet". Hij leefde hoogst eenvoudig en wist zijn dagelijksch rantsoen +terug te brengen tot één gierstkorrel. Hij vertrok van de aarde in het +jaar 901, na groote bovennatuurlijke macht te hebben verkregen. Zijn +mantel liet hij aan den tak van een boom hangen met een rol, waarop +deze woorden geschreven waren: "Ik laat mijn mantel na aan Emmei +van Dogen-ji". Na verloop van tijd werd ook Emmei een _sennin_, +en was hij in staat, evenals zijn meester een aantal wonderen te +verrichten. Korten tijd na het verdwijnen van Yosho werd zijn vader +ernstig ziek, en hij bad vurig, dat hij zijn beminden zoon terug mocht +zien. Als antwoord op zijn gebeden, werd de stem van Yosho gehoord, +die de "Lotus van de Wet" opzegde. Toen hij daarmede klaar was, +zeide hij tot zijn diep bedroefden vader: "Indien op den 18_den_ +van iedere maand bloemen worden geofferd en wierook wordt verbrand, +zal mijn geest neerdalen en u begroeten, aangetrokken door den geur +der bloemen en den blauwen rook van den wierook." + + + + +De Sennin en de Kunst. + +Dikwijls worden de _Sennin_ in de Japansche kunst uitgebeeld: Chokoro, +die zijn tooverpaard van een reusachtigen pompoen losmaakt; Gama +met zijn tooverpadde; Tekkai, die zijn ziel in de ruimte wegblaast; +Roko, die zich op een vliegende schildpad in evenwicht houdt; en Kumé, +die van zijn wolkenwagen viel, omdat hij, in strijd met zijn heilig +beroep, het beeld van een schoon meisje liefhad, dat in de rivier +werd teruggekaatst. + + + + +Wonderbaarlijke Lichten. + +Er zijn verschillende soorten van vuurverschijningen in Japan. Zoo +vindt men de geestenvlam, het demonenlicht, de vossenvlam, den +flikkerenden pilaar, de dassenvlam, de drakentoorts en de lamp van +Buddha. Bovendien zegt men, dat van sommige vogels, zooals de blauwe +reiger, bovennatuurlijk licht uitstraalt door de huid heen, uit den +mond en uit de oogen. Er zijn ook vuurwielen, of boden uit den Hades, +behalve de vlammen, die uit het kerkhof te voorschijn komen. + + + + +Een Vuurbol. + +Van het begin van Maart tot het einde van Juni kan men in de provincie +Settsu een vuurbol zien rusten op den top van een boom, en in dien +vuurbol is een menschelijk gelaat. In oude dagen leefde er in Nikaido, +een district van Settsu, een priester, Nikobo genaamd, beroemd om +zijn macht, kwade geesten en allerlei soorten van kwade invloeden +uit te bannen. Toen de vrouw van den plaatselijken gouverneur ziek +werd, werd Nikobo verzocht haar te bezoeken en te zien, wat hij kon +doen, om haar weer haar gezondheid terug te geven. Nikobo willigde +dit verzoek gaarne in, en bracht verscheidene dagen door naast het +bed der lijdende dame. Met grooten ijver paste hij zijn kunst van +geesten uitbannen toe, en na verloop van tijd genas de vrouw van den +gouverneur. Maar de vriendelijke en goedhartige Nikobo ontving geen +dank voor wat hij had gedaan; integendeel: de gouverneur werd jaloersch +op hem, beschuldigde hem van een lage misdaad en liet hem ter dood +brengen. De ziel van Nikobo vlamde in woede op en nam den vorm aan +van een wonderbaarlijken vuurbol, die bleef zweven over de woning van +den moordenaar. Het vreemde licht, met het terecht woedende gelaat, +dat daaruit voor den dag kwam, had de gewenschte uitwerking, daar de +gouverneur door een hevige koorts werd aangetast, die hem ten slotte +doodde. Ieder jaar, op den reeds genoemden tijd, brengt de geest van +Nikobo een bezoek aan de plaats van zijn lijden en zijn wraak. + + + + +De worstelende Geesten. + +In de provincie Omi, aan den voet der Katadaheuvels, is een +meer. Tijdens de bewolkte nachten in het begin van den herfst verrijst +een vuurbol aan den oever van het meer, die zich, als hij naar de +heuvelen drijft, uitzet en weer inkrimpt. Als hij tot manshoogte +gestegen is, vertoont hij twee lichtgevende gezichten, die zich +langzaam ontwikkelen tot de lichamen van twee naakte worstelaars, +die aan elkander zijn vastgehecht en die woedend strijden. De vuurbol +met zijn woeste worstelaars drijft langzaam weg naar een eenzame plek +in de Katada-heuvels. Hij is volkomen onschadelijk zoolang niemand +er zich mede bemoeit, maar hij duldt niet, dat hij in zijn voortgang +wordt gestuit. Volgens een legende in verband met dit verschijnsel +zou een zekere worstelaar, die nooit een nederlaag had geleden, +tegen middernacht de komst van dien vuurbol hebben afgewacht. Toen +de vuurbol hem bereikte, trachtte hij dien met geweld naar beneden +te halen, maar de lichtende bol vervolgde zijn weg, en sleepte den +dwazen worstelaar een heel eind met zich mede. + + + + +Baku. + +Bijgeloovige menschen in Japan zijn er van overtuigd, dat booze +droomen het gevolg zijn van booze geesten, en het bovennatuurlijke +wezen, _Baku_ genoemd, staat bekend als de Eter van Droomen. De _Baku_ +is, zooals zooveel mythologische wezens, een merkwaardig mengsel van +verschillende diersoorten. Hij heeft den kop van een leeuw, den romp +van een paard, den staart van een koe en de pooten van een tijger. In +een oud Japansch boek vindt men een aantal booze droomen vermeld, +zooals twee slangen, ineengestrengeld, een vos met de stem van een +man, kleeren met bloed bevlekt, een sprekenden rijstpot en nog meer +andere. Als een Japansche boer uit een nare nachtmerrie wakker wordt, +roept hij: "O _Baku!_ verslind mijn boozen droom." Er was een tijd, +dat men afbeeldingen van den _Baku_ in de Japansche huizen ophing en +diens naam op de kussens schreef. Men geloofde, dat, als de _Baku_ +er toe kon gebracht worden, een naren droom op te eten, het wezen de +macht had, dien in geluk te veranderen. + + + +De witte Saké van den Shojo. [83] + +De _Shojo_ is een zeemonster met vuurrood haar, en die bijzonder +gaarne groote hoeveelheden heilige witte saké drinkt. De volgende +legende zal ons een denkbeeld geven van dat schepsel en van den aard +van zijn geliefkoosden drank. + +Wij hebben reeds melding gemaakt van de wonderbaarlijke verschijning +van den Fuji. [84] Op den dag, waarop dit wonder had plaats gegrepen, +werd een arm man, Yurine genaamd, die in de nabijheid woonde, +gevaarlijk ziek, en toen hij voelde, dat zijn dagen geteld waren, +wenschte hij vóór zijn dood nog een kop _saké_ te drinken. Maar in de +kleine hut was geen rijstwijn, en zijn jongen, Koyuri, die zoo mogelijk +den laatsten wensch van zijn vader wilde vervullen, liep langs het +strand met een flesch in zijn hand. Hij was nog niet ver van huis, +toen hij hoorde, dat iemand hem bij zijn naam riep. Toen hij rondzag, +ontdekte hij twee wezens, vreemd van uiterlijk, met lang rood haar +en een huid, die de kleur had van rooden kersenbloesem, terwijl zij +gordels van groen zeegras om de lendenen droegen. Toen hij naderbij +kwam, bemerkte hij, dat die wezens witte _saké_ dronken uit breede +platte kommen, die zij voortdurend uit een groote steenen kruik vulden. + +"Mijn vader is stervende," zeide de knaap, "en hij zou vóór zijn +dood nog zoo gaarne een kop _saké_ willen drinken. Maar helaas! wij +zijn arm, en ik weet niet, hoe ik dien laatsten wensch van hem kan +vervullen." + +"Ik zal uw flesch met deze witte _saké_ vullen," zoo sprak één der +beide schepsels, en toen hij dit gedaan had, ijlde Koyuri naar zijn +vader terug. + +De oude man dronk gretig de witte _saké_. "Breng mij nog wat, want +dit is geen gewone wijn. De drank heeft mij kracht geschonken, en +reeds nu voel ik nieuw leven door mijn oude aderen stroomen." + +Koyuri keerde dus naar het strand der zee terug, en de roodharige +wezens gaven hem gaarne nog meer van hun wijn, ja zelfs gaven zij +hem voldoende _saké_ voor vijf dagen, en toen die tijd verloopen was, +was Yurine weer geheel hersteld. + +Yurine had echter een buurman, Mamikiko genaamd; toen deze hoorde, +dat Yurine onlangs een flinke hoeveelheid _saké_ had gekregen, werd hij +jaloersch, want hij hield zeer veel van een kop rijstwijn. Eens bezocht +hij Koyuri en ondervroeg hem naar aanleiding van die zaak, terwijl +hij zeide: "Laat mij de _saké_ proeven." Met ruwe hand ontrukte hij +den knaap de flesch, en begon te drinken, doch trok dadelijk bij het +drinken een vies gezicht. "Dit is geen _saké_", riep hij woedend uit: +"het is vuil water," en na die woorden te hebben gesproken, begon hij +den jongen te slaan, terwijl hij uitriep: "Breng mij naar dat roode +volk, waarvan ge mij verteld hebt. Ik wil van hen goede _saké_ hebben, +en laat het pak slaag, dat ik je gegeven heb, een waarschuwing voor +je zijn, om mij nooit meer voor den gek te houden." + +Koyuri en Manikiko gingen samen langs het strand, en kwamen spoedig +op de plaats, waar de roodharige wezens bezig waren te drinken. Toen +Koyuri hen zag, begon hij te weenen. + +"Waarom huilt gij?" sprak één der beide wezens. "Uw vader heeft toch +niet reeds al de _saké_ opgedronken?" + +"Neen", antwoordde de knaap, "maar mij heeft een ongeluk getroffen. De +man, dien ik heb meegebracht, Mamikiko genaamd, dronk wat van +de _saké_, spuwde het onmiddellijk uit, en wierp het overige weg, +terwijl hij zeide, dat ik hem voor den gek hield en hem vuil water +te drinken had gegeven. Wees zoo goed, mij nog wat _saké_ voor mijn +vader mede te geven." + +De roodharige man vulde de flesch, en verkneuterde zich in de +onaangename ervaring, die Mamikiko had opgedaan. + +"Ik zou ook wel een kop _saké_ willen hebben", zeide Mamikiko. "Wilt +gij mij ook wat laten nemen?" + +Nadat hem daartoe verlof was gegeven, vulde Mamikiko den grootsten kop +dien hij kon vinden, terwijl hij genoot van den heerlijken geur. Maar +nauwelijks had hij de _saké_ geproefd, of hij werd misselijk en maakte +het wezen een vreeselijk standje. + +De roode man antwoordde toen: "Gij weet zeker niet, dat ik een _Shojo_ +ben, en dat ik woon naast het paleis van den Zeedraak. Toen ik hoorde +van de plotselinge verschijning van den Fuji, kwam ik hier om den berg +te zien, er van overtuigd, dat een zoodanige gebeurtenis een goed +voorteeken was en een voorspelling van den voorspoed en het eeuwig +bestaan van Japan. Toen ik genoot van de schoonheid van dien prachtigen +berg, ontmoette ik Koyuri en had het geluk het leven van zijn braven +vader te redden door hem wat te geven van onze heilige witte _saké_, +die de jeugd aan menschelijke wezens teruggeeft en hun een langer +leven schenkt, terwijl zij den _Shojo_ onsterfelijkheid schenkt. De +vader van Koyuri is een braaf man, en de _saké_ was dus in staat haar +volle weldadige werking op hem uit te oefenen; maar gij zijt gierig +en zelfzuchtig, en voor al dergelijke menschen is _saké_ vergif. + +"_Vergif?_" kermde Mamikiko, die nu dood ongelukkig was. "Goede +_Shojo_, heb medelijden met mij en red mijn leven!" + +De _Shojo_ gaf hem een poeder en zeide: "Neem dit in _saké_ in, +en heb berouw over uw slechtheid." + +Mamikiko deed wat hem bevolen was, en vond de _saké_ nu +verrukkelijk. Hij liet geen tijd verloren gaan met vriendschap te +sluiten met Yurine, en eenige jaren later vestigden zij zich aan de +zuidelijke helling van den Fuji, brouwden de witte _saké_ van den +_Shojo,_ en leefden nog driehonderd jaar. + + + + +De Draak. + +De Draak is ongetwijfeld het beroemdste der mythische dieren, maar +hoewel hij van Chineeschen oorsprong is, is hij langzamerhand nauw +verbonden met de Japansche mythologie. Het wezen leeft grootendeels in +een oceaan, rivier of meer, maar het heeft ook het vermogen te vliegen, +en heerscht over wolken en stormen. De Draak van China en die van +Japan gelijken op elkander, met dit verschil, dat de Japansche Draak +drie klauwen, en die van het hemelsche Rijk vijf klauwen heeft. Men +beweert, dat de Chineesche Keizer Yao de zoon van een draak was, en +zeer veel heerschers van dat rijk werden in overdrachtelijken zin +"van een drakengezicht voorzien" genoemd. De Draak heeft den kop +van een kameel, het gewei van een hert, de ooren van een haas, de +schubben van een karper, de pooten van een tijger, en klauwen, die +op die van een arend gelijken. Bovendien heeft hij bakkebaarden, een +schitterenden juweel onder zijn kin, en een toestel boven op den kop, +dat hem in staat stelt naar willekeur naar den Hemel op te stijgen. Dit +is slechts een algemeene beschrijving en is niet toepasselijk op +alle draken; sommige draken toch hebben zóó merkwaardige koppen, +dat zij niet kunnen worden vergeleken met iets, dat in het dierenrijk +gevonden wordt. De adem van den draak verandert in wolken, waaruit òf +regen òf vuur te voorschijn komt. Hij kan zijn lichaam uitzetten of +inkrimpen, en kan verschillende gedaanteverwisselingen ondergaan en +zich onzichtbaar maken. Zoowel in de Chineesche als in de Japansche +mythologie staat het water in nauw verband met den draak, zooals wij +reeds gezien hebben in de geschiedenis van Urashima, Keizerin Jingo +en de avonturen van Hoori. + +De Draak (_Tatsu_) is één der teekens van den Dierenriem, en de vier +zeeën, die volgens de oud-Chineesche opvatting de bewoonbare aarde +begrensden, werden geregeerd door vier Drakenkoningen. De Hemelsche +Draak heerschte over de verblijfplaatsen der Goden, de Onstoffelijke +Draak heerschte over den regen, de Aarddraak wees de rivieren haar +loop aan, en de Draak der Verborgen Schatten bewaakte de edele metalen +en edelgesteenten. + +Een witte Draak, die in een vijver te Yamashiro verblijf hield, +veranderde zich om de vijftig jaar in een vogel, _O-Goncho_ genaamd, +met een stem, die geleek op het huilen van een wolf. Zoo dikwijls die +vogel verscheen, bracht hij een grooten hongersnood met zich mede. Bij +zekere gelegenheid bood de Gele Draak, Fuk Hi, terwijl deze aan de Gele +Rivier stond, hem een rol aan met geheimzinnige letterteekens. Volgens +die legende zou dit de oorsprong zijn van het Chineesche letterschrift. + + + + +HOOFDSTUK XXX. DE GEDAANTEVERWISSELING VAN ISSUNBOSHI, EN KINTARO, +DE GOUDEN KNAAP. + + + +Een Gebed tot Keizerin Jingo. + +Een oud gehuwd paar ging naar het altaar der tot godheid verheven +Keizerin Jingo [85], en bad, dat zij met een kind gezegend mochten +worden, zelfs al was het niet grooter dan één van hun vingers. Een +stem werd vernomen van achter het bamboegordijn van het altaar, en de +oude lieden kregen de mededeeling, dat hun wensch zou worden verhoord. + +Na verloop van tijd bracht de oude vrouw een kind ter wereld, en +toen zij en haar echtgenoot ontdekten, dat dit miniatuurschepseltje +niet grooter was dan een lid van hun vinger, werden zij vreeselijk +boos en dachten, dat Keizerin Jingo hen zeer gemeen had behandeld, +hoewel deze inderdaad hun gebed letterlijk had verhoord. + + + + +Een "Één-Duims Priester". + +De kleine knaap kreeg den naam van Issunboshi ("Één-Duims Priester"), +en dagelijks verwachtten zijn ouders, dat hij plotseling zou opgroeien +zooals andere jongens; maar op zijn dertiende jaar was hij nog even +klein als bij zijn geboorte. Langzamerhand werden zijn ouders razend, +daar het hun ijdelheid kwetste, als zij hoorden, hoe de buren hun zoon +Duimpje of Graankorrel noemden. Zij hadden er zóóveel verdriet van, +dat zij ten slotte besloten, Issunboshi weg te zenden. + +De jongen klaagde volstrekt niet. Hij verzocht zijn moeder, hem een +naald, een soepkommetje en een eetstokje te geven, en met die zaken +ging hij op avontuur uit. + + + + +Issunboshi wordt page. + +Zijn soepkommetje diende hem als boot, die hij met zijn eetstokje +voortstuurde langs de rivier. Op die wijze bereikte hij eindelijk +Kyoto. Issunboshi zwierf door die stad, totdat hij een groote overdekte +poort zag. Zonder de geringste aarzeling liep hij naar binnen, en +na den ingang van een huis te hebben bereikt, riep hij met een zwak +stemmetje: "Ik zou gaarne beleefd inlichtingen willen ontvangen." + +Prins Sanjo hoorde zelf het stemmetje, en het duurde eenigen tijd, +eer hij kon ontdekken, waar het geluid van daan kwam. Zoodra dit het +geval was, was hij zeer verheugd met zijn ontdekking, en toen de kleine +man vroeg, of hij in het huis van den Prins mocht wonen, werd zijn +verzoek gaarne ingewilligd. De knaap werd spoedig ieders lieveling +en werd aangesteld als page van Prinses Sanjo. In die hoedanigheid +vergezelde hij zijn meesteres overal, en hoe klein hij ook was, hij +wist de eer en de waardigheid van zijn positie naar waarde te schatten. + + + + +Een ontmoeting met Oni. + +Eens gingen Prinses Sanjo en haar page naar den Tempel van Kwannon, de +Godin der Barmhartigheid, "onder wier voeten draken van de elementen +en de lotussen der Reinheid geplaatst zijn." Toen zij den tempel +verlieten, sprongen twee _oni_ (booze geesten) op hen af. Issunboshi +nam zijn naald-zwaard uit het holle strootje, waarin het geplaatst +was, en na zoo luid mogelijk de _oni_ te hebben bedreigd, zwaaide +hij zijn kleine wapen voor hun leelijk gelaat heen en weer. + +Één dier wezens lachte. "Wel", zoo sprak hij minachtend, "ik zou je +kunnen opslokken, zooals een vischdief een forel opslokt, en wat nog +meer zegt, mijn grappige kleine zaadkorrel, ik zal het werkelijk doen." + +De _oni_ opende zijn mond, en Issunboshi gleed door een ontzaglijk +keelgat, totdat hij eindelijk was afgezakt in de groote donkere maag +van het schepsel. Issunboshi, volstrekt niet uit het veld geslagen, +begon met zijn zwaard in de maag te boren. De booze geest schreeuwde +het uit van de pijn en hoestte verschrikkelijk, waardoor de kleine +man weer in de zonnige wereld terugkeerde. + +De tweede _oni_, die den nood van zijn makker had bijgewoond, was +vreeselijk boos, en trachtte ook den merkwaardigen kleinen page op +te slokken, maar dat lukte hem niet. Dezen keer klom Issunboshi in +één der neusgaten van het schepsel, en toen hij het einde had bereikt +van wat hem een groote en donkere tunnel toescheen, begon hij door de +oogen van den _oni_ heen te boren. Het schepsel liep woedend van pijn, +zoo hard hij loopen kon, weg, gevolgd door zijn gillenden makker. + +Wij behoeven nauwelijks te zeggen, hoe verheugd de Prinses was +over de dapperheid van haar page, en het is niet te verwonderen, +dat zij hem zeide, er van overtuigd te zijn, dat haar vader hem zou +beloonen, zoodra hij de tijding van de vreeselijke ontmoeting zou +hebben vernomen. + + + + +De Tooverhamer. + +Op weg naar huis nam de Prinses toevallig een houten hamertje +op. "O!" zeide zij, "dit moet één der booze _oni_ hebben laten vallen, +en het is ongetwijfeld een geluk brengende hamer. Gij hebt slechts +een wensch uit te spreken, en daarna met den hamer op den grond te +slaan, en welken wensch gij ook uitspreekt, die wensch wordt steeds +verhoord. Mijn dappere Issunboshi, zeg mij, wat gij het liefst zoudt +willen, en ik zal met den hamer op den grond slaan." + +Na een oogenblik nadenken zeide de kleine man: "Edele Prinses, ik +zou wel zoo groot willen zijn als de andere menschen." + +De Prinses sloeg met den hamer op den grond, terwijl zij den wensch +van haar page luide herhaalde. In een oogenblik tijd was Issunboshi +van een aardig dwergje veranderd in een knaap van dezelfde gestalte +als andere jongens van zijn leeftijd. + +Die wonderbaarlijke gebeurtenissen wekten de belangstelling op van den +Keizer, en Issunboshi werd ontboden om vóór hem te verschijnen. De +Keizer was zóó ingenomen met den knaap, dat hij hem een aantal +geschenken gaf en hem een hoog staatsambt opdroeg. Na verloop van +tijd werd Issunboshi een aanzienlijk edelman en huwde hij met de +jongste dochter van Prins Sanjo. + + + + +Kintaro, de Gouden Knaap. + +Sakata Kurando was officier van de lijfwacht des Keizers, en hoewel +hij een dapper man was, ten zeerste bekwaam in de krijgskunst, had +hij een bijzonder vriendelijk karakter; hij nu werd tijdens zijn +militaire loopbaan verliefd op een schoone dame, Yaégiri genaamd. Na +eenigen tijd viel Kurando in ongenade en was hij verplicht het Hof +te verlaten en een reizend koopman in tabak te worden. Het gelukte +Yaégiri, die zich de vlucht van haar minnaar zeer aantrok, uit haar +huis te ontvluchten, en zij reisde het land heen en weer, in de hoop +Kurando te ontmoeten. Eindelijk vond zij hem, maar de ongelukkige +man, die ongetwijfeld zijn vernedering diep gevoelde en zeer onder +den indruk was van het weinig deftige van zijn beroep, maakte aan +zijn vernedering een einde door zich het ongelukkige leven te benemen. + + + + +Dieren als Makkers. + +Toen Yaégiri haar minnaar had begraven, ging zij naar den Berg +Ashigara, waar zij het leven schonk aan een kind, Kintaro of +de Gouden Knaap genaamd. Nu had Kintaro een merkwaardig groote +lichaamkracht. Toen hij nog slechts een paar jaar oud was, schonk zijn +moeder hem een bijl, waarmede hij even snel en even gemakkelijk boomen +velde als de meest geoefende houthakker. De Ashigara was een eenzame +troostelooze plek, en daar er geen kinderen waren, met wie Kintaro +kon spelen, koos hij zich de beren, herten, hazen en apen tot makkers, +en in korten tijd was hij in staat hun vreemde taal te spreken. + +Toen Kintaro eens op den berg zat met zijn gunstelingen om zich +heen, trachtte hij zijn makkers te overreden om onderling een +vriendschappelijken worstelwedstrijd te houden. Een vriendelijke oude +beer was met dit voorstel ten zeerste ingenomen, en begon onmiddellijk +den grond uit te graven, en de aarde op te hoopen tot een soort +kleinen troonhemel. Toen dit geschied was, worstelden een haas en een +aap samen, terwijl een hert er bij stond om beiden aan te moedigen en +toe te zien, dat de strijd op eerlijke wijze geleverd werd. Het bleek, +dat beide dieren tegen elkander waren opgewassen, en Kintaro beloonde +hen beiden op tactvolle wijze met aanlokkelijke rijstkoeken. + +Na op die wijze een heerlijken namiddag te hebben doorgebracht, +nam Kintaro den terugtocht aan, gevolgd door zijn verknochte +vrienden. Eindelijk kwamen zij aan een rivier, doch nu waren de +dieren nieuwsgierig, hoe zij een zoo breede strook water zouden +overtrekken; maar zie, Kintara sloeg zijn krachtige armen om een +boom, die aan den oever groeide, en sloeg dien zóó over de rivier, +dat hij een brug vormde. Toevallig was de beroemde held Yorimitsu met +zijn onderhoorigen getuige van dit bewijs van ongeloofelijke kracht; +het is dus niet te verwonderen, dat hij aan Watanabé Isuna zeide: +"Die knaap is iets heel bijzonders. Tracht uit te vinden waar hij +woont, en zie alles omtrent hem te weten te komen." + + + + +Een beroemd Krijgsman. + +Watanabé Isuna volgde na dit bevel Kintaro en trad het huis binnen, +waar hij met zijn moeder woonde. "Mijn meester", zoo sprak hij +"de edele Yorimitsu, draagt mij op te trachten te weten te komen, +wie uw zoo bewonderenswaardige zoon eigenlijk is." Toen Yaégiri haar +levensgeschiedenis had verhaald en haar bezoeker had medegedeeld, +dat haar jongen de zoon was van Sakata Kurando, vertrok de dienaar +van Yorimitsu en vertelde zijn meester al wat hij had gehoord. + +Yorimitsu was zóózeer ingenomen met wat Watanabé Isuna hem had +verteld, dat hij zelf naar Yaégiri ging en zeide: "Als gij mij uw +jongen afstaat, zal ik hem in mijn dienst nemen." De vrouw stemde +gaarne daarin toe, en de Gouden Knaap ging met den grooten held weg, +die hem den naam gaf van Sakata Kintoki. Hij werd na verloop van tijd +een beroemd krijgsman, en zijn bewonderenswaardige daden zijn nog +altijd een geliefkoosd onderwerp voor verhalen. De kinderen beschouwen +hem als hun geliefkoosden held, en de kleine jongens, die zoo gaarne +de kracht en de dapperheid van Sakata Kintoki zouden willen evenaren, +dragen zijn portret bij zich. + + + + +HOOFDSTUK XXXI. LEGENDEN VAN VERSCHILLENDEN AARD. + + + +Kato Sayemon. + +Kato Sayemon woonde in het paleis van den Shogun Ashikaga, waar hij +zijn afzonderlijke vertrekken had, en daar er in die dagen geen +oorlog was, leefde hij rustig met zijn vrouw en bijwijven. Kato +Sayemon was een man, die van weelde en gemak hield, en hij beschouwde +huiselijken vrede als de grootste van alle aardsche zegeningen. Hij +was in gemoede overtuigd, dat er onder al zijn lachende, wellevende +vrouwen niets dan harmonie was, en die gedachte maakte voor hem het +leven bijzonder aangenaam. + +Op zekeren avond ging Kato Sayemon naar den tuin van het paleis en was +verrukt over de zich voortdurend voortbewegende wolk van glimwormen en +was nauwelijks minder verheugd over het liefelijke gezang van sommige +visschen. "Wat een bekoorlijk tafereel", mompelde Sayemon, "en wat +leven wij in een verrukkelijke wereld! Buigingen en glimlachjes en +slaafsche nederigheid bij mijn vrouwen. O, het is alles wonderschoon +en heerlijk! Ik wilde wel, dat het leven voortdurend zoo bleef." + +Nadat hij zoo op de meest zelfvoldane wijze uiting had gegeven aan +zijn gedachten, kwam hij toevallig langs het vertrek van zijn vrouw, +en keek hij met een liefhebbend en welwillend oog naar binnen. Hij +zag, dat zijn vrouw _go_ speelde met één van zijn bijwijven. "Wat een +beleefde welvoegelijkheid," mompelde Sayemon. "Maar wacht even! Wat +is dit voor een vreemde geschiedenis? De haren van mijn vrouw en +die van mijn bijwijf zijn in slangen veranderd, die haar koppen in +woede opheffen en dooreenstrengelen. Voortdurend lachen en buigen die +vrouwen en bewegen zij haar stukken met goed gemanierde bekoorlijkheid +en gratie. Vriendelijke woorden komen van haar lippen, maar de slangen +van haar haren bespotten haar, immers die ineengestrengelde reptielen +spreken van bittere jaloezie in haar hart." + +De schoone droom van huiselijk geluk was bij Sayemon voor goed uit. "Ik +zal weggaan", zoo sprak hij, "en een Buddhistisch priester worden. Ik +zal de woedende kwaadaardigheid en den nijd van mijn vrouw en bijwijven +achterlaten en ik zal in het onderwijs van den Gezegenden Buddha den +waren vrede vinden." + +Den volgenden ochtend verliet Sayemon heimelijk het paleis, en hoewel +men overal naar hem zocht, kon hij niet worden gevonden. Omstreeks +een week later vereenvoudigde de vrouw van Sayemon de inrichting van +het huisgezin en bleef rustig wonen met haar zoontje, Ishidomaro. Twee +jaren gingen voorbij, zonder dat er tijding kwam van haar echtgenoot. + +Eindelijk ging de vrouw van Sayemon met het kind uit, om den verdwenen +man te zoeken. Vijf jaar lang zwierven zij door het land, totdat +zij ten slotte in een dorpje in Kishu kwamen, waar een oude man de +vermoeide en door de reis vreeselijk uitgeputte reizigers mededeelde, +dat Sayemon tegenwoordig priester was, en dat hij een jaar geleden +nog altijd in den tempel van Kongobuji woonde op den Berg Koya. + +Den volgenden dag, toen de vrouw en haar kind aan den tempel van +Kongobuji gekomen waren, bleek het, dat geen vrouwen den tempel mochten +binnentreden; daarom beklom Ishidomaro, na met zorg naar de bevelen +van zijn moeder te hebben geluisterd, alleen den berg. Toen de knaap +na een langen steilen tocht den tempel bereikte, zag hij een monnik en +zeide; "troont hier een priester, Kato Sayemon genaamd? Ik ben zijn +zoontje en mijn moeder wacht mij in gindsche vallei. Vijf jaar lang +hebben wij naar hem gezocht, en de liefde, die in onze harten leeft, +zal hem ons zeker doen vinden." + +De priester, die niemand anders was dan Sayemon zelf, sprak zijn +zoon aldus aan: "Het spijt mij, dat ik u moet zeggen, dat uw reis +vergeefsch is geweest, want niemand van den naam van Kato Sayemon +woont in dezen tempel." + +Sayemon sprak uiterlijk kalm, maar in zijn hart was er strijd tusschen +zijn godsdienst en de liefde voor zijn zoon. + +Daar hij echter wist, dat hij zijn vrouw en kind goed verzorgd had +achtergelaten, onderwierp hij zich aan de leerstellingen van Buddha, +en onderdrukte hij zijn vaderlijk gevoel. + +Ishidomaro was echter niet voldaan, want instinctmatig voelde hij, +dat de man, die vóór hem stond, in werkelijkheid zijn vader was, en +daarom sprak hij den priester nog eens aldus aan: "Goede priester, +op mijn linker oog is een wrat, en mijn moeder heeft mij verteld, +dat mijn vader op zijn linker oog een dergelijke wrat heeft, waaraan +ik hem onmiddellijk kan herkennen. Gij hebt diezelfde wrat, en in mijn +ziel ben ik overtuigd, dat gij mijn vader zijt." En na die woorden te +hebben gesproken, weende de knaap bitter, terwijl hij verlangde naar +de armen, die zich niet openden om het ongelukkige kind te liefkoozen +en te vertroetelen. + +Sayemons gevoelens werden weer op de proef gesteld, maar met een +krachtige poging om zijn aandoening te bedwingen, zeide hij: "Het +kenteeken, waarvan gij spreekt, komt zeer algemeen voor. Ik ben bepaald +uw vader niet, gij zoudt verstandig doen uw tranen te drogen en hem +ergens anders te zoeken." Na die woorden te hebben gesproken, liet +de priester den knaap achter, ten einde een avonddienst te verrichten. + +Sayemon bleef in den tempel leven. Hij had in den dienst van Buddha +vrede gevonden, en wat er met zijn vrouw en kind gebeurde, liet +hem koud. + + + + +Hoe een oud Man zijn gezwel verloor. + +Er was eens een oud man, die een gezwel op zijn rechter wang +had. Dat gezwel, dat hem zeer mismaakte, veroorzaakte hem heel +wat onaangenaamheid, en hij had dan ook veel geld besteed, om er +van verlost te worden. Hij nam verschillende geneesmiddelen in en +gebruikte heel wat waschwatertjes, maar in plaats dat het gezwel +verdween of zelfs kleiner werd, nam het in grootte toe. + +Op zekeren avond laat, toen de oude man naar huis terugkeerde, +met brandhout beladen, werd hij door een vreeselijke onweersbui +overvallen en was hij verplicht, een schuilplaats te zoeken in een +hollen boom. Toen de storm was gaan liggen en toen hij juist op +het punt was, zijn reis voort te zetten, was hij verbaasd, toen hij +een vroolijk gejuich in zijn onmiddellijke nabijheid hoorde. Nadat +hij uit zijn schuilplaats naar buiten keek, zag hij tot zijn groote +verbazing een aantal demonen dansen en zingen en drinken. Hun dansen +was zóó vreemdsoortig, dat de oude man alle voorzichtigheid uit het +oog verliezend, begon te lachen, en eindelijk den boom verliet, om +de uitvoering des te beter te kunnen zien. Terwijl hij daar stond +toe te zien, zag hij, dat een der geesten alleen stond te dansen, +en bovendien, dat de aanvoerder van het gezelschap volstrekt niet +ingenomen was met zijn lompe hansworsterijen. Eindelijk sprak de +aanvoerder dier geesten: "Genoeg! Is er dan niemand, die beter kan +dansen dan die kerel?" + +Toen de oude man die woorden hoorde, scheen het alsof zijn jeugd +weer terugkeerde, en daar hij in vroeger dagen een volleerd danser +geweest was, bood hij zich aan, om zijn bekwaamheid te toonen. Zoo +danste de oude man dan voor die vreemde verzameling van demonen, die +hem met zijn uitvoering gelukwenschten, hem een kop saké aanboden, +en verzochten, dat hij hun het genoegen zou doen, nog een aantal +andere dansen te vertoonen. + +De oude man was bijzonder verheugd over de wijze, waarop hij was +ontvangen, en toen de aanvoerder der geesten hem verzocht den volgenden +nacht nog eens weer voor hem te dansen, stemde hij daar bereidwillig +in toe. "Dat is goed", zeide de aanvoerder, "maar gij moet een pand +achterlaten. Ik zie, dat gij een gezwel op uw rechter wang hebt, +en dat is een uitnemend pand. Laat mij het van u wegnemen." Zonder +eenige pijn te veroorzaken, verwijderde het hoofd der troep het gezwel, +en na dat buitengewone kunststuk te hebben verricht, verdwenen hij +en zijn makkers plotseling. + +Toen de oude man naar zijn huis terugkeerde, voelde hij telkens met +zijn hand naar zijn rechter wang, en kon zich nauwelijks voorstellen, +dat hij ten slotte, na jaren lang mismaakt te zijn geweest, +zoo gelukkig was, van zijn lastig en onooglijk gezwel bevrijd te +zijn. Eindelijk trad hij zijn nederige woning binnen, en zijn oude +vrouw was niet minder gelukkig met wat er gebeurd was. + +Een booze en norsche oude man woonde vlak naast dit oude +paar. Jarenlang had hij een gezwel op zijn linker wang gehad, dat +voor geen enkele geneeskundige behandeling had willen wijken. Toen hij +van het fortuintje van zijn buurman hoorde, ging hij naar hem toe en +luisterde naar diens vreemde avonturen bij de geesten. De goede oude +man deelde zijn buurman mede, waar hij den hollen boom kon vinden, +en raadde hem aan, zich daar vóór zonsondergang in te verbergen. + +De booze oude man vond den hollen boom en ging daar binnen in. Hij +was daar nauwelijks langer dan enkele minuten in verborgen geweest, +toen hij met vreugde de geesten zag verschijnen. Dadelijk zeide één +van het gezelschap: "Het duurt lang, eer de oude man komt. Ik was er +anders van overtuigd geweest, dat hij zijn belofte zou houden." + +Bij die woorden kroop de oude man uit zijn schuilplaats, bewoog zijn +waaier op en neer en begon te dansen, maar, ongelukkig, kon hij +volstrekt niet dansen, en zijn gekke bokkesprongen wekten dan ook +de ontevredenheid der geesten ten zeerste op. "Gij danst vreeselijk +slecht", zeide één van den troep, "en hoe eer gij ophoudt, hoe liever +het ons zal zijn; maar voordat gij vertrekt, zullen wij u het pand +teruggeven, dat gij gisteren avond bij ons hebt achtergelaten." Na die +woorden te hebben gesproken, wierp de geest het gezwel naar den rechter +wang van den ouden man, waar het dadelijk stevig bleef vastzitten, +en niet meer kon worden verwijderd. Zoo ging de slechte oude man, +die de demonen had trachten te bedriegen, weg, met een gezwel op +iederen kant van zijn gelaat. + + + +Een Japansche Gulliver. [86] + + +Shikaiya Wasobioye, was een inwoner van Nagasaki, en was ontzaglijk +geleerd, maar had een afschuw van bezoekers. In de achtste maand +vertrok hij in zijn boot om de bewonderaars der volle maan te +ontvluchten, en was reeds een eind ver voortgegaan, toen de lucht +een dreigend aanzien aannam; daarom trachtte hij terug te keeren, +maar de wind scheurde zijn zeilen en brak zijn mast. De arme man werd +gedurende drie maanden op de golven heen en weer bewogen, totdat hij +ten slotte aan de Modderzee kwam, waar hij bijna van honger omkwam, +daar in die buurt geen visschen konden worden gevangen. + +Eindelijk bereikte hij een bergachtig land, waar de lucht liefelijk +was van den geur van verscheidene bloemen, en op dat eiland vond hij +een bron, waarvan de wateren hem nieuw leven schonken. Eindelijk +ontmoette Wasobioye Jofuku, die hem door de straten der hoofdstad +geleidde, waar al de bewoners hun tijd doorbrachten met het najagen +van genoegens. Op dat eiland bestond noch dood noch ziekte; maar het +feit, dat het leven hier eeuwig duurde, werd door velen als een last +beschouwd, dien zij trachtten van zich af te schudden door de magische +kunst van den dood te bestudeeren, en de macht van vergiftig voedsel, +zooals sommige vischsoorten, die besprenkeld waren met roet, en het +vleesch van meerminnen. + +Nadat er twintig jaar verstreken waren, kreeg Wasobioye een tegenzin +tegen het eiland, en toen zijn pogingen, zich het leven te benemen, +geen resultaat hadden, ging hij op reis naar de Drie Duizend Werelden, +die in de Buddhistische Geschriften vermeld worden. Daarna bezocht +hij het Land van den Eindeloozen Overvloed, het Land van het Bedrog, +het Land van de Volgelingen van het Oude, het Land van de Paradoxen, +en ten slotte het Land van de Reuzen. + +Nadat Wasobioye vijf maanden lang op den rug van een ooievaar in +volslagen duisternis was voortgetrokken, bereikte hij eindelijk een +land, waar de zon weer scheen, waar boomen honderd voet in omtrek +waren, waar het onkruid zoo hoog was als bamboe en de menschen zestig +voet hoog. In dat vreemde land nam een reus Wasobioye op, droeg hem +naar zijn huis, en voedde hem met één enkelen monsterachtig groote +rijstkorrel, door middel van eetstokjes, die zoo groot waren als een +kleine boom. Een paar weken lang trachtte Wasobioye zijn gastheer te +onderwijzen in de leerstellingen der oude wereld, waar hij van daan +kwam, maar de reus lachte hem uit en zeide hem, dat zulk een dwerg +niet kon geacht worden de gebruiken van groote menschen te begrijpen, +daar hun verstand in overeenstemming moest zijn met hun grootte. + + + + +De Juweelen-tranen van Samébito. + +Toen Totaro eens de Lange Brug van Séta overtrok, zag hij een wezen, +dat er vreemd uitzag. Het had het lichaam van een man, met een huid +zwarter dan die van een neger; zijn oogen glinsterden als smaragden, +en zijn baard was als die van een draak. Totaro was niet weinig +verschrikt, toen hij zulk een buitengewoon monster zag; maar in zijn +groene oogen lag zóóveel pathos, dat Totaro het waagde, eenige vragen +tot hem te richten, waarop het vreemde wezen antwoordde: + +"Ik ben Samébito" ("een Haaimensch"), "en tot voor korten tijd was +ik in dienst van de Acht Groote Drakenkoningen als een ondergeschikt +beambte van het Drakenpaleis. Ik werd om een kleine overtreding uit dat +heerlijke verblijf weggezonden, en werd zelfs uit de zee verbannen. Van +dat oogenblik af heb ik mij vreeselijk ongelukkig gevoeld, zonder +een schuilplaats, en niet in staat voedsel te krijgen. Heb medelijden +met mij, brave Heer! Vind een schuilplaats voor mij, en geef mij wat +te eten." + +Het gemoed van Totaro werd bewogen door den ootmoed van Samébito, +en hij bracht hem naar een vijver in zijn tuin en gaf hem een ruimen +voorraad voedsel. Op die rustige en afgezonderde plek bleef het +vreemde wezen uit de zee omstreeks een halfjaar. + +In den zomer van dat jaar was er een groote bedevaartstocht van +vrouwen naar den tempel van Miidera, gelegen in de naburige stad +Otsu. Totaro woonde het feest bij en zag daar een buitengewoon +bekoorlijk meisje. "Haar gelaat was schoon en rein als sneeuw; en +de liefelijkheid van haar lippen gaven den aanschouwer duidelijk te +kennen, dat wat over die lippen kwam, zoo zoet zou klinken als de +stem van een nachtegaal, die op een pruimenboom zingt." + +Totaro ontbrandde plotseling in liefde voor het meisje. Hij ontdekte, +dat zij Tamana heette, dat zij ongehuwd was, en dit zou blijven, totdat +een jonge man haar als huwelijksgift een mandje met niet minder dan +tienduizend juweelen zou aanbieden. Toen Totaro vernam, dat dit schoone +meisje alleen kon worden gewonnen door wat hem een onmogelijk geschenk +toescheen, keerde hij met een bezwaard gemoed naar huis terug. Hoe +meer hij echter over de schoone Tamana nadacht, des te meer werd hij +op haar verliefd. Maar helaas! niemand, minder rijk dan een prins, +kon zulk een huwelijksgift bij elkander krijgen--tienduizend juweelen! + +Totaro tobde zóó lang, totdat hij ziek werd, en toen een dokter hem +kwam bezoeken, schudde deze het hoofd en zeide: "Ik kan niets voor +u doen, want geen geneesmiddel is in staat de ziekte der liefde te +genezen." En na die woorden te hebben gesproken, verliet hij hem. + +Samébito ontving het bericht van de ziekte van zijn meester; zoodra +hem nu dat treurige nieuws bereikte, verliet hij den vijver in den +tuin en kwam de kamer van Totaro binnen. + +Totaro sprak niet meer over zijn eigen ellende. Hij was vol +belangstelling voor het heil van dat schepsel uit de zee. + +"Wie zal u, Samébito, voedsel geven, als ik dood ben?" zoo sprak +hij droevig. + +Toen Samébito zag, dat zijn brave meester stervende was, slaakte hij +een vreemden kreet en begon hij te weenen. Hij weende groote tranen +bloed, maar zoodra deze den grond hadden aangeraakt, veranderden zij +plotseling in glinsterende robijnen. + +Toen Totaro die juweelen-tranen zag, schreeuwde hij het uit van +vreugde, en van dat uur af keerde nieuw leven in hem terug. "Ik +zal in het leven blijven! Ik zal in het leven blijven!" zoo riep +hij opgewonden van vreugde, uit. "Mijn beste vriend, gij hebt mij +ruimschoots het voedsel en de beschutting vergoed, die ik u heb +gegeven. Uw wonderbaarlijke tranen hebben mij onbeschrijfelijk veel +geluk gebracht." + +Daarop hield Samébito op met weenen, en hij vroeg zijn meester, +hem wel de oorzaak van zijn spoedig herstel te willen mededeelen. + +Daarop vertelde Totaro den Haaimensch zijn liefdesgeschiedenis +en deelde hij hem mede, welke huwelijksgift de familie van Tamana +eischte. "Ik dacht," zoo voegde Totaro er aan toe, "dat ik nooit +in staat zou zijn, tienduizend juweelen bijeen te krijgen, en het +was die gedachte, die mij zoozeer den dood nabij heeft gebracht. Nu +zijn uw tranen in juweelen veranderd, en daarmede zal het meisje mijn +vrouw worden." + +Totaro ging gretig voort met het tellen der juweelen. "Niet +genoeg! Niet genoeg!" riep hij met ontzaglijke teleurstelling +uit. "Ach, Samébito, wees zoo goed en huil nog wat langer!" + +Die woorden maakten Samébito boos. "Denkt ge, dat ik als een vrouw kan +huilen, zoo dikwijls als ik wil? Mijn tranen komen uit mijn hart en +zijn het uiterlijke teeken van diepe en ware droefenis. Ik kan niet +meer huilen, want ge zijt genezen. De tijd is thans aangebroken om +te lachen en vroolijk te zijn, niet om te huilen." + +"Als ik geen tienduizend juweelen heb, kan ik de schoone Tamana +niet huwen," sprak Totaro. "Wat moet ik beginnen? Ach, beste vriend, +huil voor mij, huil!" + +Samébito was een vriendelijk schepsel. Na een korte tusschenpooze +zeide hij: "Ik kan van daag geen tranen meer storten; laat ons morgen +naar de lange brug van Séta gaan, en een goeden voorraad wijn en +visch mede nemen. Misschien dat ik, als ik op de brug zit en naar het +Drakenpaleis staar, weer zal weenen, als ik aan mijn verloren woning +denk, waarheen ik zoo gaarne zou willen terugkeeren." + +Den volgenden morgen gingen zij naar de brug van Séta, en nadat +Samébito een groote hoeveelheid wijn had medegenomen, staarde hij in +de richting van het Drakenrijk. Terwijl hij dit deed, vulden zijn +oogen zich met tranen, roode tranen, die in robijnen veranderden, +zoodra zij de brug aanraakten. Totaro raapte, zonder zich ernstig +om de smart van zijn vriend te bekommeren, de juweelen op, en vond +eindelijk, dat hij tienduizend schitterende robijnen bij elkander had. + +Op datzelfde oogenblik hoorden zij den klank van liefelijke muziek, +en uit het water verrees een op wolken gelijkend paleis, waarop al +de kleuren der ondergaande zon schitterden. Samébito gaf een kreet +van vreugde en sprong op de leuning van de brug, terwijl hij zeide: +"Vaarwel mijn meester! De Drakenkoningen roepen mij"! Met die woorden +sprong hij van de brug, en keerde weer naar zijn oude woning terug. + +Totaro liet geen tijd voorbijgaan met het aanbieden van het mandje +met tienduizend juweelen aan de ouders van Tamana, en na eenigen tijd +trouwde hij met hun liefelijke dochter. + + + + +GODEN EN GODINNEN. + + +_Aizen-Myo-o_. De God der Liefde. + +_Aji-shi-ki_. Een Shinto God, die aangezien werd voor zijn overleden +vriend _Ame-waka_. + +_Ama-no-ho_. De eerste der Goddelijke Boden, die gezonden werden om +den weg voor de komst van _Ninigi_ voor te bereiden. + +_Ama-terasu_. De Zonnegodin. + +_Ame-waka_. Hemel-jonge Prins, en één der Goddelijke Boden. + +_Amida_. Een Buddhistische godheid, oorspronkelijk een abstractie, +het ideaal van het onbegrensde licht. De _Daibutsu_ te Kamakura +vertegenwoordigt dien God. + +_Anan_. Een neef van Buddha, en, evenals Bishamon, begiftigd met +groote kennis en een wonderbaarlijk geheugen. + +_Benten_. Eén der Zeven Goden van het Geluk. + +_Bimbogami_. De God der Armoede. + +_Binzuru_. Een leerling van Buddha, en door de lagere standen vereerd +om zijn wonderbaarlijke macht, alle menschelijke ziekten te genezen. + +_Bishamon_. De God van den Rijkdom en eveneens van den Oorlog. + +_Bosatsu_. Een uitdrukking, gebezigd voor Buddhistische heiligen. + +_Buddha_. Zie _Shaka_. + +_Daikoku_. De God van den Rijkdom. + +_Dainichi Nyorai_. Een personificatie van reinheid en wijsheid. Eén +der Buddhistische Drie-eenheid. + +_Daishi_. "Groote Leeraar", een uitdrukking, toegepast op een aantal +Buddhistische heiligen. + +_Daruma_. Een volgeling van Buddha. + +_Dosojin_. De God der wegen. + +_Ebisu_. Een God van Geluk en Dagelijksch Voedsel. Hij is de beschermer +van eerlijken arbeid, en wordt voorgesteld als een visscher met een +_tai_-visch in de hand. + +_Ekibiogami_. De God van de Pest. + +_Emma-O_. De Heerscher van de Hel en de Rechter van de Dooden. + +_Fu Daishi_. Een onder de Goden opgenomen Chineesche priester. + +_Fudo_. De God der Wijsheid. + +_Fugen_. De beschermgod van hen, die in een bijzonderen vorm van +geestverrukking hun overpeinzingen verrichten. Gewoonlijk wordt hij +afgebeeld zittende aan de rechterhand van _Shaka_. + +_Fukurokuju_. Een Geluksgod, die een lang leven en wijsheid voorspelt. + +_Gaki_. Kwade Goden. + +_Go-chi Nyorai_. De Vijf Buddha's van Overpeinzing: _Yakushi_, _Taho_, +_Dainichi_, _Ashuku_ en _Shaka_. + +_Gongen_. Een algemeene naam voor de incarnaties van Buddha's volgens +de Shinto-leer. Ook toegepast op onder de goden opgenomen helden. + +_Gwakko Bosatsu_. Een Buddhistische maangod. + +_Hachiman_. De Oorlogsgod. Hij is de onder de Goden opgenomen Keizer +Ojin, de beschermer van den Minamoto stam. + +_Hoderi_. "Schijnend Vuur", zoon van _Ninigi_. + +_Hoori_. "Uitdoovend Vuur", zoon van _Ninigi_. + +_Hoso-no-kami_. De God der Pokken. + +_Hotei_. Een God van het Geluk, het type van Tevredenheid. + +_Hotoke_. De naam van alle Buddha's, en meestal toegepast op de dooden +in het algemeen. + +_Ida Ten_. Een beschermer van het Buddhisme. + +_Iha-naga_. "Prinses Lang-als-de-Rotsen", oudste dochter van den +Geest der Bergen. + +_Inari_. De Godin van de Rijst, ook in verband met den Vossengod. + +_Isora_. De Geest van de Zeekust. + +_Izanagi_ en _Izanami_. De Scheppers van Japan, van wie de godheden +uit het Shinto Pantheon zijn voortgekomen. + +_Jizo_. De God der Kinderen. + +_Jurojin_. Een God van het Geluk. + +_Kami_. Algemeene naam voor alle Shinto godheden. + +_Kasho_. Eén der grootste leerlingen van Buddha. + +_Kaze-no-Kami_. De God van den Wind en der Verkoudheden. + +_Kengyu_. De landbouwende minnaar van het Wevende Meisje. + +_Ken-ro-ji-jin_. De Aardgod. + +_Kishi Bojin_. Een Indische Godin, door de Japanners vereerd als de +beschermster van Kinderen. + +_Kobo Daishi_. Een onder de goden opgenomen Buddhistische wijze. + +_Kodomo-no-inari_. De Vossengod der Kinderen. + +_Kojin_. De God van de Keuken. Versleten poppen worden aan die +godheid geofferd. + +_Kokuzo Bosatsu_. Een vrouwelijke Buddhistische heilige. + +_Kompira_. Een Buddhistische godheid van duisteren oorsprong, +vereenzelvigd met _Susa-no-o_ en andere Shinto-Goden. + +_Koshin_. De God der Wegen. Een vergoding van den dag van den Aap, +voorgesteld door de Drie Mystieke Apen. + +_Kuni-toko-tachi_. "De Aardsche Eeuwig Staande." Een zelf geschapen +Shinto-God. + +_Kwannon_. De Godin der Barmhartigheid, in verschillende vormen +voorgesteld: + + + 1. _Sho-Kwannon_. (Kwannon de Wijze). + 2. _Ju-ichi-men Kwannon_ (met Elf Gezichten.) + 3. _Sen ju Kwannon_ (met Duizend Handen). + 4. _Ba-to-Kwannon_ (met Paardenkop). + 5. _Nyo-i-rin Kwannon_ (Almachtig). + + +_Marishiten_. Zij is in het Japansche en Chineesche Buddhisme +voorgesteld als de Koningin des Hemels. Zij heeft acht armen, waarvan +twee de symbolen van zon en maan vasthouden. In de Brahmaansche +godgeleerdheid is zij de verpersoonlijking van het Licht, en tevens +een naam van Krishna. + +_Maya Bunin_. De moeder van Buddha. + +_Miroku_. De opvolger van Buddha, en bekend als de Buddhistische +Messias. + +_Miwa-daimyo-jin_. De godheid, die in verband staat met het Lachfeest +van Wasa. + +_Monju Bosatu_. De Heer der Wijsheid. + +_Musubi-no-Kami_. De God van het Huwelijk. + +_Nikko Bosatsu_. Een Buddhistische Zonnegod. + +_Ninigi_. De Kleinzoon van Ama-terasu, de Zonnegodin. + +_Ni_-O. Twee reusachtige en woeste Koningen, die de buitenpoorten +van tempels bewaken. + +_Nominosukune_. De beschermgod der worstelaars. + +_Nyorai_. Een eeretitel van alle Buddha's. + +_O-ana-mochi_. "Bezitter van de Groote Opening" van den Fuji. + +_Oho-yama_. De Geest der Bergen. + +_Onamuji_ of _Okuni-nushi_. Zoon van _Susa-no-o_. Hij regeerde in +Izumo, maar trok zich terug ten gunste van _Ninigi_. + +_Oni_. Een algemeene naam voor booze geesten. + +_Otohime_. De dochter van den Drakenkoning. + +_Raiden_. De Dondergod. + +_Raitaro_. De zoon van den Dondergod. + +_Rakan_. Een naam, gebruikt om den volmaakten heilige en eveneens de +onmiddellijke leerlingen van Buddha uit te drukken. + +_Roku-bu-ten_. Een gemeenschappelijke naam voor de Buddhistische +Goden _Bonten_, _Tai-shaku_ en den _Shi-Tenno_. + +_Rin-jin_. De Draak of Zeekoning. + +_Saruta-hiko_. Een aardsche godheid, die _Ninigi_ begroette. + +_Sengen_. De Godin van den Fuji. Ook bekend als _Asama_ of +_Ko-no-Hana-Saku-ya-Hime_, "De Prinses, die de Bloemen der Boomen +laat bloeien." + +_Shaka-muni_. De stichter van het Buddhisme, ook wel Gautama genoemd, +maar meestal bekend als Buddha. + +_Sharihotsu_. De wijste van Buddha's tien voornaamste leerlingen. + +_Shichi-fukujin_. De Zeven Goden van het Geluk: _Ebisu_, _Daikoku_, +_Benten_, _Fukurokuju_, _Bishamon_, _Jurojin_ en _Hotei_. + +_Shita-teru-hime_. "Mindere-glans-Prinses" en vrouw van _Ame-waka_. + +_Shi-tenno_. De Vier Hemelsche Koningen, die de aarde tegen Booze +Geesten beschermen, en die ieder een vierde gedeelte van den horizon +verdedigen. Hun namen zijn, _Jikoku_, Oosten; _Komoku_, Zuiden; +_Zocho_, Westen; en _Tamon_, ook _Bishamon_, Noorden genoemd. Hun +beeltenissen zijn geplaatst in de binnenpoort van den tempel. + +_Shoden_. De Indische Ganesa, de Godin der Wijsheid. + +_Sohodo-no-kami_. De God der Vogelverschrikkers. + +_Sukuna-bikona_ Een godheid, uit den hemel gezonden, om _Onamuji_ +bij te staan, om zijn rijk tot rust te brengen. + +_Susa-no-o_. "De onstuimige Jongeling", broeder der Zonnegodin. + +_Taishaku_. De Brahmaansche God Indra. + +_Tanabata_ of _Shokujo_. Het Wevende Meisje. + +_Ten_. Een titel, overeenkomend met het Sanskrit _Dêva_ + +_Tenjin_. De God van het Schoonschrift. + +_Tennin_. Vrouwelijke Buddhistische Engelen. + +_Toshogu_ De naam, als godheid, van den grooten Shogun Ieyasu of +Gongen Sama. + +_Toyokuni_. De naam, als godheid, van Hideyoshi. + +_Toyo-tama_. De dochter van den Drakenkoning. + +_Toyo-uke-hime_. De Shinto-godin van de Aarde of het Voedsel. + +_Tsuki-yumi_. De Maangod. + +_Uzume_. De Godin van het Dansen. + +_Yakushi Nyorai_. "De Genezende Buddha." + +_Yofuné Nushi_. De Slanggod. + +_Yuki-Onna_. De Sneeuwvrouw. + + + + +AANTEEKENIGEN + + +[1] _De Volle Erkenning van Japan_, door _Robert P. Porter_. + +[2] _Kroniek van Japan_, voltooid in 720 n.C., behandelt op zeer +belangwekkende wijze de mythen, legenden, poëzie en geschiedenis van +de oudste tijden af tot aan het jaar 697 n.C. + +[3] De buik opensnijden. + +[4] Drie personen, voorkomende in Robin Hood. Men vindt ze genoemd in +"de Talisman en in Ivanhoe" van Walter Scott. + +[5] Hoofdstuk X. + +[6] Deze lezing wordt gevonden in den _Catalogus van Japansche en +Chineesche schilderwerken in het Britsch Museum_, door Dr. William +Anderson. + +[7] De Vijfde Taak, die van Heer Iso, wordt hier niet behandeld. De +geschiedenis is plat en weinig belangrijk. Het zij voldoende, mede +te deelen, dat ook de tocht van Heer Iso, om de Zeeschelp te zoeken, +vergeefsch was. + +[8] Van middernacht tot twee uur 's morgens. "Jaren, dagen en uren", +zoo schrijft Professor B.H. Chamberlain, "werden alle gerekend te +behooren tot één der teekenen van den dierenriem." + +[9] Ontleend aan de Sprookjes van Oud Japan, door W.E. Griffis. + +[10] Ontleend aan het _Kristal van Buddha_, door Madame Yei Ozaki. + +[11] Madame Ozaki. + +[12] Madame Ozaki. + +[13] Samurai was een Japansche kaste, waaruit de ambtenaren en +officieren voortkwamen. + +[14] De vreemde, bovennatuurlijke eigenschappen van den vos zijn +niet uitsluitend van Japanschen oorsprong. Tallooze voorbeelden van +de tooverkracht van den vos vindt men in Chineesche legenden. Zie +_Vreemde Sprookjes uit een Chineesch Studeervertrek_, door H.A. Giles. + +[15] Zie het _Land van de Gele Lente, en andere Japansche Sprookjes_ +van den schrijver van dit werk. + +[16] "De Steen des Doods" is ongetwijfeld één der meest merkwaardige +vossenlegenden. Zij leert ons een kwaadaardigen vos kennen, +die den vorm eener verleidelijke vrouw aanneemt bij meer dan één +verschijning. Zij komt dan en verdwijnt als een verlokkend, maar +verderf brengend wezen, een soort van Japansche opvatting van Fata +Morgana. De legende is ontleend aan een _No_, of lyrisch drama, +vertaald door Professor B.H. Chamberlain. + +[17] De _cash_, een munt, die nu niet meer in gebruik is, kwam ongeveer +met een stuiver overeen. + +[18] Ongeveer 40 cents. + +[19] De lever, zoowel van dieren als van menschen, komt in de Japansche +legenden dikwijls voor als geneesmiddel voor verschillende ziekten. + +[20] _De Japansche Brieven van Lafcadio Hearn_, uitgegeven door +Elizabeth Bisland. + +[21] Heilige staf. + +[22] "Heil Almachtige Buddha!" + +[23] Een poort. + +[24] Een Tooverroede, waaraan strooken wit papier afhangen, die in +kleine, hoekige bossen (gohei) gesneden zijn, die de offers moeten +voorstellen van kleedingsstof, die oudtijds op feestdagen gebonden +werden aan takken van den heiligen cleyeraboom.--B.H. Chamberlain. + +[25] Zie _Oude Sproken en Folk-lore van Japan_, door R. Gordon Smith. + +[26] Ontleend aan het _No_ drama, vertaald door B.H. Chamberlain. + +[27] Zie _Oude Sproken en Folk-lore van Japan_ door R. Gordon +Smith. Een Kakemono is een prent, tusschen twee houten staven +bevestigd, die kan worden opgerold of aan den muur gehangen. + +[28] Het onderwerp van dit verhaal heeft veel overeenkomst met een +Noorsche legende. Zie William Morris, _Het Land ten Oosten van de +Zon en ten Westen van de Maan_. + +[29] Zij was gehuwd met Ninigi. (Zie blz. 14). + +[30] Hier is eenige verwarring in het spel, want in werkelijkheid ligt +het meer Biwa een paar honderd kilometers van den Fuji verwijderd, +een afstand, die te groot is, dan dat zelfs een wonderberg zich +daarin zou kunnen spiegelen. De legende verhaalt, dat de Fuji in één +enkelen nacht uit de aarde te voorschijn kwam, terwijl het meer Biwa +gelijktijdig daalde. Chamberlain zegt: "zouden wij hier niet een echo +hebben van een vroegere uitbarsting, die leidde tot het ontstaan, +niet van het Meer Biwa......maar van één van de tallooze kleine meren +aan den voet van den berg?" + +[31] Een spel, uit China ingevoerd, en dat op het schaakspel gelijkt, +doch dat iets ingewikkelder is dan ons gewone schaakspel. + +[32] Over de vossenlegenden hebben wij reeds in het Vijfde Hoofdstuk +gesproken. + +[33] Zie Hoofdstuk II. + +[34] Van daar de Japansche uitdrukking: "Lantaarn en klok, wie van +de twee is de zwaarste?" + +[35] Fudo is niet, zooals men gewoonlijk meent, de God van het Vuur, +maar wordt vereenzelvigd met Dainichi, den God der Wijsheid. Het +is niet volkomen duidelijk, waarom Kiyo Fudo opzocht, wiens heilig +zwaard de wijsheid zinnebeeldig voorstelt, terwijl zijn vuur de macht +voorstelt, en het kluwen touw dient om de hartstochten te binden. + +[36] Kompira was oorspronkelijk een Indische God, die door de +middeleeuwsche-Shinto-vereerders vereenzelvigd werd met Susa-no-o, +den broeder der Zonnegodin, die, zooals wij reeds gezien hebben, +er maar al te zeer behagen in schepte, ondeugende streken uit te halen. + +[37] Men raadplege hierover, Florence du Cane, _Bloemen en Tuinen +van Japan_. + +[38] Schrijver van verschillende werken over Bloemen in Japan. + +[39] _Hara-kiri_ of _seppuku_ is de uitdrukking, die onder de klasse +der _samurai_ voor zelfmoord wordt gebruikt. Voor nadere bijzonderheden +zie men _"Sprookjes van het Oude Japan"_, door A.B. Mitford (Lord +Redesdale). + +[40] Tot in onzen tijd gelooven de Japansche boeren aan den Haas in +de Maan. Dit dier brengt zijn tijd door met het fijnstampen van rijst +in een mortier en het maken van koeken daarvan. De oorsprong van dit +denkbeeld moet waarschijnlijk in een woordspelling gezocht worden, +immers "rijstkoek" en "volle maan" worden beide uitgedrukt door het +woord _mochi_. + +[41] De Chrysanthemum met zestien bloembladeren is één van de +wapens der Keizerlijke familie, terwijl het andere de bloemen en de +bladeren van de Paulownia voorstelt. Het zijn in Japan niet alleen +de aanzienlijken, die een wapen voeren. Het wapen wordt nog altijd +gedragen op het bovengedeelte van hun oorspronkelijke kleeding, aan +iederen kant van de borst, op beide mouwen en achter op den nek. Bij +voorkeur worden de teekeningen ontleend aan vogels, het bamboe, +waaiers, Chineesche letters, enz. + +[42] Dit verhaal en de volgende van dit Hoofdstuk zijn ontleend aan +"Oude Sproken en Folklore van Japan," door _R. Gordon Smith_. + +[43] Zie over kappa's: hoofdstuk XXIX. + +[44] Zie Hoofdstuk XVII. + +[45] Zie Hoofdstuk XVI. + +[46] Dit verhaal en dat wat volgt zijn ontleend aan _Oude Sproken en +Folk-lore van Japan_, door R. Gordon Smith. + +[47] Zie Hoofstuk XV. + +[48] Een wezen met een langen neus. Zie hierover blz. 22. + +[49] De titel is niet nauwkeurig, want in werkelijkheid heeft Kwannon +in die gedaante slechts veertig handen. Ongetwijfeld is de bedoeling +van dien naam, een voorstelling te geven van de milddadigheid dier +Godin. + +[50] "In navolging van de oorspronkelijke Drie en dertig Heilige +Plaatsen zijn er ook drie en dertig heilige plaatsen in oostelijk +Japan gesticht, en ook in het district Chichibu." _Murray's Handboek +van Japan_, door _B.H. Chamberlain_ en _W.B. Mason_. + +[51] Zie Murray's Handboek van Japan. + +[52] Zie _Een blik op het Onbekende Japan_, door _Lafcadio Hearn_, +deel I, blz. 62-104. + +[53] Legenden in verband met andere insecten worden in Hoofdstuk +XXIII behandeld. + +[54] Hoofdstuk VII. "Legenden in de Japansche Kunst". + +[55] Japansche munt. + +[56] _Japansche Zaken_, door _B.H. Chamberlain_. + +[57] Dit verhaal, hoewel door een Chineesch sprookje ingegeven, is, wat +de locale kleur betreft, Japansch, en maakt op huiveringwekkende wijze +de macht van Karma of het menschelijke verlangen duidelijk, waarover +in Hoofdstuk X is gesproken. Wij hebben de voorstelling van Lafcadio +Hearn gevolgd, zooals die voorkomt in "_In Spookachtig Japan_". + +[58] De naam van den heilige was bij zijn leven Kukai. Kobo Daishi +was een titel, die hem na zijn dood was gegeven, en onder dien naam +is hij meestal bekend. + +[59] Van daar het Japansche spreekwoord: "Zelfs Kobo Daishi schreef +wel eens verkeerd." + +[60] Een werktuig, dan dient als betooveringsmiddel, en dat eenigszins +op een bliksemflits gelijkt. + +[61] In een later tijdperk was Inari bekend als de Vossengod. Zie +Hoofstuk V. + +[62] _Murray, Handboek van Japan_, door _B.H. Chamberlain_ en +_W.B. Mason_. + +[63] _Asiatic Quarterly Review_, October 1894. + +[64] "De _samisen_ of 'drie snaren', dat nu het geliefkoosde +muziekinstrument is van de zangmeisjes en van de lagere standen +in het algemeen, schijnt eerst omstreeks 1700 uit Manilla te zijn +ingevoerd". _Japansche Zaken_, door _B.H. Chamberlain_. + +[65] De lever, zoowel van een mensch als van een dier, had, zoo +meende men in Japan, merkwaardige geneeskundige eigenschappen. Er +wordt dikwijls in Japansche legenden melding van gemaakt, maar het +denkbeeld is waarschijnlijk ontleend aan de vreemdste pharmacopee +der geheele wereld, die van China. + +[66] Vertaald door Edward Greey, onder den titel "_Een gevangene +der Liefde_". + +[67] De drie mystieke Apen spelen een rol in de Japansche +legenden. Mizaru wordt voorgesteld met zijn handen voor zijn oogen, +Kikazaru met zijn handen over zijn ooren, en Iwazaru met zijn handen +op zijn mond. Die mystieke apen zijn een zinnebeeld van "Hem die geen +kwaad ziet, hem die geen kwaad hoort, hem die geen kwaad spreekt." + +[68] Vertaald door _F. Victor Dickens_. + +[69] Ontleend aan Oude Sproken en Folklore van Japan door R. Gordon +Smith. + +[70] Het grootste gedeelte van de stof, in dit hoofdstuk behandeld, +is ontleend aan het _Theeboek_, door Okakura-Kakuzo, en wij bevelen +dit aardige boek aan allen aan, die in dat onderwerp belangstellen. + +[71] Het Chineesche Paradijs. + +[72] Een volledig verhaal van die schoone legende vindt men in Lafcadio +Hearn, _Sommige Chineesche geesten_. + +[73] "Oorspronkelijk een soort knop voor de medicijndoos of den +tabakszak, van hout of ivoor gesneden." _Japansche Zaken_, door +_B.H.Chamberlain_. + +[74] Een verwijzing naar Yuki-Daruma, of Sneeuw-Daruma, en +speelgoed-Daruma, _Okiagari-koboshi_, ("De Opstaande Kleine Priester") +zal men vinden in Lafcadio Hearn, _Een Japansch Mengelwerk_. + +[75] De Legenden in dit hoofdstuk zijn ontleend aan verhalen uit +Lafcadio +Hearn, _Kwaidan_ en _Blikken in het Onbekende Japan._ + +[76] Zie Hoofdstuk II. + +[77] Een stroop, uit mout vervaardigd, die aan kinderen wordt gegeven +als melk niet beschikbaar is. + +[78] Zie "De Droom van Rosei" in Hoofdstuk VII, blz. 101. + +[79] Zie de _Geschiedenis van Korea_, door _Joseph H. Longford_. + +[80] Deze legende, en die, welke in dit hoofdstuk volgen, zijn ontleend +aan _Oude Sproken en Folklore van Japan_ door R. Gordon Smith. + +[81] Deze wijze van voorspellen is van bijzonder belang, immers de stok +is het symbool van den God der Wegen, de Godheid, die uit den staf +van Izanagi was gevormd, dien hij, zooals men zich zal herinneren, +achter zich wierp, toen hij in de Onderwereld vervolgd werd door de +Acht Leelijke Vrouwen. + +[82] Zie Hoofdstuk II. + +[83] Ontleend aan _Oude Sproken en Folk-lore van Japan_, door +_R. Gordon Smith_. + +[84] _Zie_ Hoofdstuk IX. + +[85] Het onder de goden opnemen van aanzienlijke dooden is één van +de instellingen van het Shintoïsme. + +[86] Ontleend aan de vertaling van Prof. _B.H. Chamberlain_ in de +_Handelingen van het Aziatisch Genootschap van Japan_, Deel VII. + + + + + + +End of Project Gutenberg's Mythen & Legenden van Japan, by F. Hadland Davis + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK MYTHEN & LEGENDEN VAN JAPAN *** + +***** This file should be named 16043-8.txt or 16043-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/6/0/4/16043/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Distributed Proofreaders Team + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
