summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/16043-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:48:03 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:48:03 -0700
commit25dc1d12ea79b2e89c17c00d8511768783299316 (patch)
treed45841f2868a7382ffe30a3c7fad3a44f6a92d9f /16043-8.txt
initial commit of ebook 16043HEADmain
Diffstat (limited to '16043-8.txt')
-rw-r--r--16043-8.txt14526
1 files changed, 14526 insertions, 0 deletions
diff --git a/16043-8.txt b/16043-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..4b44404
--- /dev/null
+++ b/16043-8.txt
@@ -0,0 +1,14526 @@
+Project Gutenberg's Mythen & Legenden van Japan, by F. Hadland Davis
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Mythen & Legenden van Japan
+
+Author: F. Hadland Davis
+
+Translator: B. C. Goudsmit
+
+Posting Date: July 26, 2009 [EBook #16043]
+First Posted: June 12, 2005
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK MYTHEN & LEGENDEN VAN JAPAN ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Distributed Proofreaders Team
+
+
+
+
+
+
+
+ Mythen & Legenden van Japan
+
+ Door
+
+ F. Hadland Davis
+
+ Voor Nederland bewerkt door
+ Dr B.C. Goudsmit
+
+
+
+
+
+Inhoud.
+
+
+ Inleiding
+ I. Het tijdperk der goden
+ II. Helden en Krijgslieden
+ III. De Bamboesnijder en het maanmeisje
+ IV. Legenden omtrent Buddha
+ V. Legenden omtrent vossen
+ VI. Jizo, de god van Kinderen
+ VII. De Legende in de Japansche Kunst
+ VIII. De Gelieven, die elkander alleen bij helderen hemel
+ bezoeken, en het kleed van veeren
+ IX. Legenden van den berg Fuji
+ X. Klokken
+ XI. Yuki-Onna, de Sneeuwvrouw
+ XII. Bloemen en Tuinen
+ XIII. Boomen
+ XIV. Spiegels
+ XV. Kwannon en Benten. Daikoku, Ebisu en Hotei
+ XVI. Poppen en Vlinders
+ XVII. Feestdagen
+ XVIII. De Lantaarn met Pioenrozen
+ XIX. Kobo Daishi, Nichiren en Shodo Shonin
+ XX. Waaiers
+ XXI. Donder
+ XXII. Dierenlegenden
+ XXIII. Legenden omtrent Vogels en Insecten
+ XXIV. Over thee
+ XXV. Legenden uit de Spokenwereld
+ XXVI. Drie Meisjes
+ XXVII. Legenden van de Zee
+ XXVIII. Bijgeloof
+ XXIX. Bovennatuurlijke Wezens
+ XXX. De Gedaanteverwisseling van Issunboshi, en Kintaro,
+ de gouden knaap
+ XXXI. Legenden van verschillenden aard
+ Goden en Godinnen
+ Register der eigennamen
+
+
+
+
+
+INLEIDING.
+
+
+Pierre Loti in _Madame Chrysanthème_, Gilbert en Sullivan in _De
+Mikado_, en Sir Edwin Arnold in _Zeeën en Landen_, hebben ons vroeger
+den indruk gegeven, dat Japan een echt sprookjesland in het Verre
+Oosten was. Wij verheugden ons in de liefelijkheid en vreemdheid
+van dat land, en nog meer in de liefelijkheid en vreemdheid van
+het Japansche volk. Wij lachten om hun averechtsche gebruiken,
+beschouwen de Japansche vrouw in haar rijk gekleurde _Kimono_ als
+iets zeer bekoorlijks en betooverends, en hadden een vaag begrip, dat
+de voornaamste kenmerken van Nippon de theehuizen en de _geisha's_
+waren. Voor twintig jaar vatten wij Japan niet ernstig op. Nog
+altijd luisteren wij naar de zoetvloeiende muziek van _De Mikado_,
+maar wij beschouwen Japan nu niet langer als een soort van artistiek
+fantasieartikel. Het Land van de Rijzende Zon is het Land der Verrezen
+Zon geworden, immers wij hebben geleerd, dat zijn vreemdheid, zijn
+feeachtige manieren en gewoonten niets waren dan de uiterlijke teekenen
+van een groote, voorwaartsschrijdende natie. Wij erkennen in onze
+dagen Japan als een groote macht in het Oosten, en de overwinning,
+door dat rijk op Rusland behaald, heeft zijn leger en zijn vloot over
+de geheele wereld beroemd gemaakt.
+
+De Japanners zijn altijd een nabootsende natie geweest, die gemakkelijk
+den godsdienst, de kunst en het maatschappelijk leven van China
+in zich heeft opgenomen en tot eigen voordeel gebruikt, en die,
+na haar eigen nationalen stempel te hebben gedrukt op datgene,
+wat zij aan het Hemelsche Rijk heeft ontleend, naar elders heeft
+uitgezien om materiaal te verkrijgen, waardoor zij haar positie
+kon versterken en vooruitbrengen. Die gave der nabootsing is één
+der meest karakteristieke eigenschappen van Japan. Steeds zijn de
+Japanners afkeerig geweest, om anderen inlichtingen te geven, maar
+ten allen tijde stonden zij gereed, te trachten zich iederen vorm
+van kennis te veroveren, die kon bijdragen tot hun vooruitgang. In
+de veertiende eeuw schreef Kenko in zijn _Tsure-dzure-gusa_: "Niets
+opent de oogen meer dan reizen, onverschillig waarheen", en de Japanner
+der twintigste eeuw heeft dien uitnemenden raad opgevolgd. Hij heeft
+wijd en zijd gereisd, en heeft een uitnemend gebruik gemaakt van
+zijn verschillende opmerkingen. De gave der nabootsing grenst bij
+den Japanner aan genie. Oost en West hebben tot de grootheid van het
+land bijgedragen, en het is voor menigeen onzer een reden tot groote
+verbazing, dat een land, dat zoolang geïsoleerd heeft gestaan en
+zoovele jaren in de boeien van het leenstelsel geklonken is geweest,
+binnen een betrekkelijk korte tijdsruimte ons Westersch stelsel
+van oorlogvoeren volkomen meester is geworden en evenzeer zich vele
+van onze ethische en sociale denkbeelden heeft eigen gemaakt en een
+wereldmacht is geworden. Maar de groote ontwikkeling van Japan moet
+niet geheel en al worden toegeschreven aan verstandige nabootsing,
+noch heeft het land zijn plaats in de voorste rij der volken met zulk
+een bliksemsnelheid ingenomen, als sommige schrijvers over Japan ons
+zouden willen doen gelooven.
+
+Wij hooren tegenwoordig heel wat over het Nieuwe Japan, en zijn
+veel te veel geneigd, de beteekenis van het Oude Japan te vergeten,
+waarop dan toch het tegenwoordige stelsel gegrondvest is. Japan
+heeft van Engeland, Duitschland en Amerika de geheele tegenwoordige
+oorlogstactiek geleerd. Het schafte zich een uitnemend leger en een
+krachtige vloot aan, op Westersche beginselen gegrondvest; doch men
+vergete niet, dat de groote krijgshelden van Japan uit den laatsten
+tijd, Togo en Oyama, in hun aderen nog iets van de oude kaste der
+_samurai_ hebben, en niettegenstaande al het moderne van hun wezen nog
+iets van den ouden toestand weerspiegelen. Het Japansche karakter
+is nog steeds Japansch en niet Westersch. Zijn grootheid wordt
+gevonden in zijn vaderlandsliefde, in zijn trouw en onuitroeibare
+liefde voor zijn land. De Shintodienst heeft den Japanner geleerd,
+de machtige dooden te vereeren; het Buddhisme heeft niet alleen zijn
+godsdienstige idealen in de hand gewerkt, maar ook medegewerkt aan
+zijn letterkunde en kunst, terwijl het Christendom ten gevolge heeft
+gehad, dat allerlei weldadige sociale verbeteringen zijn ingevoerd.
+
+Er zijn heel wat tegenstrijdige theorieën over het ontstaan van het
+Japansche ras, en wij hebben inderdaad geen vaststaande kennis omtrent
+dit onderwerp. De eerste bewoners van Japan waren waarschijnlijk
+de Ainoe's, een Arisch volk, dat misschien afkomstig was uit
+Noord-Oostazië in een tijd, toen de afstand tusschen de eilanden en
+het vasteland niet zoo groot was als heden ten dage. De Ainoe's werden
+opgevolgd door de Mongolen, die twee verschillende invallen deden; die
+overweldigers kostte het geen moeite hun voorgangers te onderwerpen;
+maar in den loop der tijden werden de Mongolen in noordelijke richting
+gedreven door Maleiers van de Philippijnsche eilanden. Porter zegt:
+"In het jaar 500 na Christus waren de Ainoe's, de Mongoolsche en de
+Maleische elementen der bevolking tot één natie samengesmolten, en
+wel ongeveer op dezelfde wijze als in Engeland het geval is geweest na
+den inval der Noormannen. Uit de nationale karaktertrekken kan worden
+afgeleid, dat de Ainoe's het weerstandsvermogen leverden, de Mongolen
+de verstandelijke eigenschappen, en de Maleiers die handigheid en dat
+aanpassingsvermogen, die het erfdeel zijn van zeelieden". [1] Andere
+gezaghebbende geleerden, zooals Baelz en Rein, zijn van meening, dat
+de Japanners Mongolen zijn, en hoewel zij door huwelijken zich met de
+Ainoe's hebben vermaagschapt, "zijn", zooals Professor B.H. Chamberlain
+schrijft, "de beide naties evenzeer van elkander verschillend als de
+blanken en roodhuiden in Noord-Amerika". In weerwil van het feit,
+dat men in Japan op den Ainoe neerziet, en hem beschouwt als een
+harigen oorspronkelijken bewoner van het land, die een voorwerp
+van belangstelling is voor den anthropoloog en den spellebaas, een
+arm, geminacht schepsel, dat den beer vereert als het zinnebeeld van
+kracht en woestheid, heeft hij toch zijn stempel op Japan gezet. Fuji
+was misschien wel een verbastering voor Huchi, of Fuchi, de Godin
+van het Vuur bij de Ainoe's, en het is niet twijfelachtig, dat die
+oorspronkelijke bewoners aan een groot aantal aardrijkskundige namen
+het aanzijn schonken (voornamelijk in het noorden van het eiland),
+die nog in onze dagen te herkennen zijn. Wij kunnen den invloed der
+Ainoe's volgen in enkele trekken van Japansch bijgeloof, zooals onder
+andere het geloof in den _Kappa_, of het riviermonster.
+
+De Chineezen noemden Japan Jih-pén, "de plaats, van waar de zon
+afkomstig is", omdat de eilandenzee gelegen was ten oosten van hun
+eigen koninkrijk, en ons woord Japan en Nippon zijn verbasteringen
+van Jih-pén. Marco Polo noemde het land Zipangu, en een oude naam
+voor Japan is "De-Weelderige-Riet-Vlakten-het-land-van-Versche-Rijst-
+Aren-van-duizend-Herfsten-van-Lange-Vijf-Honderd-Herfsten." Het
+verwondert ons niet, als wij zien, dat een zoo langdradige en
+beschrijvende naam door de Japanners van onzen tijd niet wordt
+gebruikt; maar het is niet van belang ontbloot, te weten, dat de
+oude naam voor Japan, Yamato, nog thans veel gebruikt wordt, terwijl
+Yamato Damashii beteekent: "De Geest van het Onoverwinnelijke Japan."
+Zoo ook wordt van Japan gesproken als van het "Eiland van het
+Waterjuffertje". Men verhaalt in de oude Japansche _Kronieken_, dat
+de keizer in het jaar 630 vóór Christus een heuvel beklom, Waki
+Kamuno Hatsuma genaamd, van welks top hij het land van alle kanten
+kon overzien. Hij kwam diep onder den indruk van de schoonheid van
+het land en zeide, dat het geleek op "een waterjuffer, die haar
+achterdeel aflikt"; zoo kreeg het eiland den naam van Akitsu-Shima
+("Eiland van de Waterjuffer").
+
+De _Kojiki_, of "Geschiedrollen van Oude Zaken", voltooid in het jaar
+712 n.C., behandelt de oude overleveringen van het Japansche ras, te
+beginnen met de mythen, den grondslag van het Shintoïsme, en krijgt
+hoe langer hoe meer geschiedkundige waarde, totdat het eindigt met
+het jaar 628 n.C. Dr. W.G. Aston schrijft in _Een Geschiedenis der
+Japansche Literatuur_: "De _Kojiki_, hoe belangrijk ook voor een
+onderzoek naar de mythologie, de gewoonten, de taal en de legenden
+van het oudste Japan, is een treurig voortbrengsel, zoowel uit een
+letterkundig oogpunt als om het feitenmateriaal." Als geschiedkundig
+werk kan het niet vergeleken worden met de _Nihongi_, [2] een werk uit
+denzelfden tijd in het Chineesch; terwijl de taal een vreemd mengelmoes
+is van Chineesch en van Japansch, waarbij slechts weinig moeite is
+gedaan om het artistieke eigenschappen te schenken. De omstandigheden,
+waaronder het vervaardigd is, kunnen ons voor een deel verklaren, hoe
+het in een zoo eigenaardigen stijl is geschreven. Er wordt verhaald,
+dat een zekere Yasumaro, een man geleerd in het Chineesch, het opving
+van de lippen van een zekeren Hiyeda no Are, die een zóó voortreffelijk
+geheugen had, dat hij "met zijn mond kon herhalen al wat voor zijn
+oogen kwam, en in zijn hart alles opteekende, wat zijn oor trof." Het
+is mogelijk, dat Hiyeda no Are één der Kataribe of "Voordragers" was,
+wier taak het was, "oude woorden" voor te dragen voor den Mikado aan
+het Hof van Nara bij zekere plechtige openbare gelegenheden.
+
+De _Kojiki_ en de _Nihongi_ zijn de bronnen, waaruit wij de
+oorspronkelijke mythen en legenden van Japan hooren. In die boeken
+worden wij in kennis gesteld met Izanagi en Izanami, Ama-terasu,
+Susa-no-o, en een groot aantal andere godheden, en die verheven wezens
+leveren de stof voor verhalen, die zoowel vreemdsoortig als schoon,
+zoogenaamd humoristisch en somtijds eenigszins gruwelijk zijn. Wat
+kan men zich naïever voorstellen dan de vrijerij van Izanagi en
+Izanami, die op het denkbeeld kwamen om een huwelijk aan te gaan,
+nadat zij twee kwikstaarten hadden zien paren? In die oude mythe
+zien wij de sporen van de meerderheid van den man over de vrouw, een
+meerderheid, die in Japan tot in den laatsten tijd is blijven bestaan,
+ongetwijfeld onderhouden door Kaibara's _Onna Daigaku_ "Grootere
+Kennis voor Vrouwen". Maar in den lang voortgezetten twist tusschen
+de Godin der Zon en haar broeder, den Onstuimigen Jongeling, leggen
+de oude kroniekschrijvers den nadruk op de slechtheid van Susa-no-o;
+en Ama-terasu, een eigenaardige mengeling van het goddelijke en het
+vrouwelijke, wordt geschetst als een ideaal type eener Godin. Men
+leert haar kennen als een vrouw, die zich tot den oorlog toerust en
+vestingwerken maakt door op den grond te stampen, maar tevens wordt
+zij beschreven als een vrouw, die uit haar grot in een rots gluurt, om
+zich te spiegelen in den Heiligen Spiegel. Ama-terasu is de hoofdfiguur
+in de Japansche mythologie, immers van de Godin der Zon stammen de
+Mikado's af. In den cyclus van legenden, bekend als het Tijdperk der
+Goden, maken wij kennis met de Heilige Schatten, ontdekken wij den
+oorsprong van den Japanschen dans, en wandelen in onze verbeelding
+door de Hooge Vlakte des Hemels, zetten den voet op de Drijvende Brug,
+treden het Middenland der Riet-Vlakte binnen, slaan een blik in het
+Land van Yomi, en volgen Prins Uitdoovend Vuur naar het Paleis van
+den Zeekoning. De oude helden en krijgslieden worden altijd beschouwd
+als Goden van minderen rang, en de aard van het Shintoïsme heeft die
+goden, ook in verband met de vereering der voorouders, met menige
+hoogst boeiende legende omstraald. Om zijn kracht, bedrevenheid,
+volhardingsvermogen en een gelukkige handigheid om alle mogelijke
+moeilijkheden te overwinnen door een sluwe en scherpzinnige manier
+van handelen, moet de Japansche held uit den aard der zaak een hooge
+plaats innemen onder de beroemde krijgshelden van andere landen. Er
+is iets buitengewoons ridderlijks in de Japansche helden, dat wel
+de bijzondere aandacht verdient. De dapperste mannen zijn zij,
+die als kampioenen optreden voor de zwakkeren en die alle soorten
+van slechtheid en tyrannie weten te verhelpen, en wij vinden in den
+Japanschen held, die er ver van af is een onbekookte snoever te zijn,
+die eigenschappen op de meest voortreffelijke wijze terug. Hij is niet
+steeds boven critiek verheven, en somtijds vinden wij in hem een zweem
+van sluwheid, maar zulk een karaktertrek is bijzonder zeldzaam, en is
+zeker geen nationale karaktertrek. Een ingeboren liefde voor poëzie
+en voor alles wat schoon is, heeft haar beschavenden invloed gehad
+op den Japanschen held, met dit gevolg, dat zijn kracht vereenigd is
+met zachtheid van karakter.
+
+Benkei is één der meest beminnelijke Japansche helden. Hij had de
+kracht van verschillende mannen te zamen; zijn groote tact grensde aan
+het geniale, zijn zin voor humor was sterk ontwikkeld, en de meest
+liefhebbende onder de Japansche moeders kon niet meer vriendelijke
+zachtheid hebben getoond dan hij, toen de vrouw van zijn meester het
+leven schonk aan een kind.
+
+Toen Yoshitsune en Benkei aan het hoofd van het leger van Minamoto de
+Taira totaal verslagen hadden in het zeegevecht van Dano-Ura, wekte
+de schitterende overwinning de afgunst op van den Shogun, zoodat de
+twee groote veldheeren genoodzaakt waren, het land te verlaten. Wij
+volgen hen over de zee, over bergen, voortdurend hun talrijke vijanden
+verschalkend. Bij Matsue werd een groot leger uitgezonden tegen die
+ongelukkige strijders. De vuren der legerplaatsen strekten zich in
+een schitterende rij uit over de laatste plaats, waar Yoshitsune en
+Benkei nog rust vonden. In een vertrek was Yoshitsune met zijn vrouw
+en jeugdig kind. De Dood stond in het vertrek gereed, en het was
+beter, dat de Dood zou komen op bevel van Yoshitsune, dan op bevel
+van den vijand buiten de deur. Zijn kind werd door een bediende
+gedood, en terwijl hij het hoofd van zijn geliefde vrouw onder den
+linkerarm nam, stootte hij zijn zwaard diep in haar nek. Na dit te
+hebben volbracht, pleegde Yoshitsune zelfmoord (_hara-kiri_). [3]
+Benkei echter wachtte den vijand op. Hij stond met zijn groote beenen
+wijd uitgespreid, zijn rug tegen een rots gedrukt. Toen de dageraad
+aanbrak, stond hij nog altijd met uitgespreide beenen, terwijl zijn
+dapper lichaam door duizend pijlen was doorboord. Benkei was dood,
+maar vallen kon de krachtige held niet. De zon verrees over een man,
+die een ware held was, en die steeds getrouw was gebleven aan de
+eenmaal door hem uitgesproken woorden: "Waar mijn meester heengaat,
+hetzij ter overwinning, of in den dood, ik zal hem volgen."
+
+Japan is een bergachtig land, en in zulke landen verwachten wij een ras
+te zullen vinden van onverschrokken, dappere mannen, en het land der
+Rijzende Zon heeft ons dan ook menigen krijgsman geschonken, waardig
+gerangschikt te worden naast de Ridders van Koning Arthur. Meer dan
+één legende verhaalt van de vernietiging van duivels en booze geesten,
+en van de bevrijding van meisjes, die het ongeluk hadden hun gevangenen
+te zijn. De ééne held doodt een groot monster, dat op het dak van het
+paleis des Keizers neerhurkte, een ander doodt den Boozen Geest van
+Oyeyama, een ander stoot zijn zwaard in een reusachtige spin, weer een
+ander verslaat een slang. Alle Japansche helden, in welke onderneming
+zij ook betrokken zijn, vertoonen dien geest van avontuurlijkheid,
+die getrouwheid aan een eenmaal gekozen doel, die koele minachting
+voor gevaar en dood, die nog steeds ook in onzen tijd karakteristieke
+eigenschappen zijn van het Japansche volk.
+
+"De Bamboe-Snijder en het Maan-Meisje" (Hoofdstuk III) dankt zijn
+oorsprong aan een verhaal uit de tiende eeuw, _Taketori Monogatari_
+genaamd, en is het oudste voorbeeld van Japansche verdichting. De
+schrijver is onbekend, maar hij moet een grondige kennis gehad
+hebben van het hofleven in Kyoto. Al de karakters van die zoo
+bekoorlijke legende zijn Japansch, maar de meeste daarin voorkomende
+gebeurtenissen zijn ontleend aan China, een land, dat zoo rijk is aan
+schilderachtige feeën-verhalen. Dickins schrijft over de _Taketori
+Monogatari_: "Het kunstige en bevallige van de geschiedenis van
+de edele Kaguya is oorspronkelijk, haar ongedwongen pathos, haar
+natuurlijke liefelijkheid, zijn nergens aan ontleend, en in eenvoud,
+bekoorlijkheid en zuiverheid van gedachte, en uitdrukking heeft zij
+geen enkele mededingster onder de verdichtselen van het Middenrijk
+of van het Land der Waterjuffer."
+
+Wanneer men Japansche legenden bestudeert, wordt men voornamelijk
+getroffen door het universeele, dat haar kenmerkt, en door haar scherpe
+tegenstellingen. De meeste volken hebben de zon en de maan, de sterren
+en de bergen, en alle groote werken der Natuur als godheden vereerd;
+maar de Japanners hebben de roode bloesems der azalea's beschreven als
+de vuren der Goden, en de witte sneeuw van den Fuji als de gewaden van
+Goddelijke Wezens. Hun legenden zijn in ieder geval zeer poëtisch, en
+zij, die den Berg Fuji vereerden, hadden ook spookachtige verhalen te
+vertellen over het nietigste insect. Niet genoeg kan de nadruk gelegd
+worden op de liefde van Japan voor de Natuur. De oudste mythen, in
+de _Kojiki_ en de _Nihongi_ medegedeeld, zijn van zeer veel belang,
+maar zij kunnen niet worden vergeleken met de latere legenden,
+die een ziel hebben geschonken aan boomen, bloemen en vlinders,
+of met de vrome overleveringen, die zoo teeder en toch zoo krachtig
+de goddelijke beteekenis der Natuur hebben geopenbaard. Het Feest
+der Dooden kon alleen zijn voortgekomen bij een volk, waarvoor het
+schoone de voornaamste steun en de vreugde van het leven is, immers
+dat feest is niets anders dan een aanmaning, om terug te keeren tot
+hun oude aardsche schuilplaatsen in den zomertijd, om over de groene
+heuvels te trekken, die met pijnboomen bedekt zijn, langs kronkelende
+paden te wandelen, langs meer en zeestrand, te vertoeven in oude,
+geliefde tuinen, en huizen binnen te treden, waar zij zooveel kunnen
+zien, zonder zelf gezien te worden. Voor het gemoed van den Japanner,
+voor hem, die nog den geest van Prins Yamato heeft behouden, is de
+meest vurige beschrijving van het Paradijs der Buddhisten niet zoo
+schoon als Japan gedurende den zomertijd.
+
+Misschien is het maar gelukkig, dat de Japansche mythen, legenden,
+sprookjes en folklore niet uitsluitend poëtisch zijn, daar wij anders
+gevaar zouden loopen overladen te worden met te veel zoetigheid. Wij
+bewonderen de bogen van een Gothische Kathedraal niet minder,
+omdat wij een blik hebben geslagen op de monsterachtige waterspuwers
+aan den buitenkant van het gewijde gebouw; zoo vinden wij ook in de
+legenden van Japan vele groteske dingen, die in scherpe tegenstelling
+zijn met de overleveringen, verbonden aan den vriendelijken en
+liefhebbenden Jizo. Er is in de Japansche legenden een overvloed van
+ruw realisme. Wij worden afgestooten door den geliefkoosden maaltijd
+van den Dondergod, wij worden met verbazing vervuld door de toovermacht
+van vossen en katten; en de geschiedenis van "Hoïchi-zonder-ooren"
+en van den lijken-etenden priester zijn treffende voorbeelden van
+het samengaan van het betooverende met het afschuwelijke. In het ééne
+verhaal lachen wij om de grappen van een ketel, die kunsten vertoont,
+en in het andere worden wij bijna tot tranen toe bewogen, als wij van
+een ouden Japanschen beddedeken lezen, die fluisterde: "Mijn Oudere
+Broeder is waarschijnlijk koud? Ja, je bent waarschijnlijk koud?"
+
+Er zijn reeds verschillende boeken met Japansche sprookjes verschenen,
+maar nooit hebben wij tot nu toe een boek gehad, dat een zoo omvattende
+studie gaf over de mythen en legenden van een land, dat zoo rijk is
+aan wonderlijke en schoone overleveringen, en het is te hopen, dat
+het hier gegeven boek, het resultaat van veel heerlijken arbeid, een
+werkelijke bijdrage tot dit onderwerp zal zijn. Wij hebben geen poging
+gewaagd om een volledige verzameling Japansche mythen en legenden
+te verzamelen, omdat het aantal van deze als het ware ontelbaar is;
+maar wij hebben getracht met overleg een keuze te doen, die een
+juist denkbeeld van die mythen zal geven, en vele van de verhalen,
+in dit boek zullen voor de meeste lezers wel nieuw zijn.
+
+Lafcadio Hearn schrijft in één van zijn brieven: "De sprookjeswereld
+pakte mijn ziel weer aan, zacht en liefelijk--zooals een kind een
+vlinder aanpakt", en als ook wij ons in dien geest indenken, zullen
+wij reizen naar het Land der Goden, waar de groote Kobo Daishi op de
+lucht en op het stroomende water, en zelfs op onze harten iets van
+de tooverkracht en de poëzie van Oud Japan zal schrijven. Met Kobo
+Daishi tot gids zullen wij het verrijzen van den berg Fuji bijwonen,
+zullen wij wandelen in het Paleis van den Zeekoning en in het Land
+der Eeuwige jeugd, zullen wij de gevechten van machtige helden
+aanschouwen, luisteren naar de wijsheid van heiligen, de Hemelsche
+Rivier overtrekken op een brug van vogels, en ons, als wij vermoeid
+zijn, koesteren in de lange mouw van den eeuwiglachenden Jizo.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK I. HET TIJDPERK DER GODEN.
+
+
+
+In het begin.
+
+Volgens de overlevering waren in het eerste begin "Hemel en Aarde nog
+niet gescheiden, en de _In_ en _Yo_ nog niet verdeeld." Dit doet ons
+denken aan andere verhalen omtrent het ontstaan der wereld. De _In_
+en _Yo_, die overeenkomen met de Chineesche _Yang_ en _Yin_, waren
+het mannelijke en het vrouwelijke beginsel. Het was voor de oude
+Japansche schrijvers gemakkelijker, zich de schepping voor te stellen
+in termen, die niet zeer afweken van die, waarin zij zich de schepping
+voorstelden. In de Polynesische fabelleer vinden wij tamelijk wel
+dezelfde opvatting, waar Rangi en Papa Hemel en Aarde voorstellen;
+andere hiermede overeenkomende opvattingen worden ook gevonden in
+Egyptische en andere scheppingsverhalen. In bijna alle verhalen
+zien wij, hoe de mannelijke en de vrouwelijke beginsels een in het
+oog loopende, en trouwens ook zeer rationeele plaats innemen. In de
+_Nihongi_ wordt ons medegedeeld, dat die mannelijke en vrouwelijke
+beginsels "een chaotische massa vormden als een ei, dat duister
+bepaalde grenzen had en kiemen bevatte." Op een zeker oogenblik kwam
+dat ei tot leven, en het zuiverder en helderder gedeelte kwam er uit
+te voorschijn en vormde den Hemel, terwijl het zwaardere element zich
+afzette en de Aarde werd, hetgeen vergeleken werd "bij het drijven
+van een visch, die dartelt op de oppervlakte van het water." Een
+geheimzinnige gedaante, die geleek op een riethalm, kwam plotseling
+te voorschijn tusschen Hemel en Aarde, en veranderde even plotseling
+in een God, Kuni-toko-tachi genaamd. Wij kunnen de overige goddelijke
+geboorten overslaan, totdat wij komen aan de gewichtige godheden,
+bekend als Izanagi en Izanami. ("De man, die uitnoodigt" en "de vrouw,
+die uitnoodigt"). Hierover is een verrukkelijke mythe gesponnen.
+
+
+
+Izanagi en Izanami.
+
+Izanagi en Izanami stonden op de Drijvende Brug van den _Hemel_ en
+zagen in den afgrond neer. Zij vroegen elkander, of er ver beneden de
+groote Drijvende Brug een land gelegen was. Zij namen het besluit,
+daarnaar onderzoek te doen. Om dit te doen, lieten zij een juweelen
+speer neer en vonden zij den oceaan. Toen zij de speer iets optilden,
+droop er water af, dat stolde en het eiland Onogoro-jima ("Plotseling
+bevroren eiland") werd.
+
+Beide godheden daalden naar dat eiland af. Kort daarna verlangden zij
+man en vrouw te worden, hoewel zij uit den aard der zaak broeder en
+zuster waren; maar die bloedverwantschap is in het oosten nooit een
+reden geweest, die het huwelijk belette. De godheden richtten daarom
+een pilaar op het eiland op. Izanagi liep den éénen kant er omheen,
+Izanami den anderen kant. Toen zij elkander tegenkwamen, zeide Izanami:
+"Wat heerlijk! Ik heb een bekoorlijken jongeling ontmoet." Men zou
+gedacht hebben, dat een dergelijke naïeve opmerking Izanagi genoegen
+zou hebben gedaan; maar hij werd er juist erg boos over, en hij
+antwoordde: "Ik ben een man, en ontleen daaraan het recht het eerst
+te mogen spreken. Hoe komt het echter, dat gij, een vrouw, het eerst
+hebt gesproken? Dat is ongelukkig. Laat ons nog eens rondgaan." Zoo
+gingen de beide godheden opnieuw op weg. Zij ontmoetten elkander ten
+tweeden male, en nu maakte Izanagi de opmerking: "Hoe heerlijk! Ik
+heb een bekoorlijk meisje ontmoet." Korten tijd na dat zoo vernuftige
+huwelijksaanzoek, traden Izanagi en Izanami in het huwelijk.
+
+Toen Izanami het leven had geschonken aan eilanden, zeeën, rivieren,
+struiken en boomen, overlegde zij met haar meester en sprak zij: "Wij
+hebben nu het Groote-Acht-Eiland voortgebracht met de bergen, rivieren,
+kruiden en boomen. Waarom zouden wij niet iemand voortbrengen, die
+de Heer van het Heelal zal zijn?"
+
+De wensch van die godheden werd vervuld, want op het geschikste
+tijdstip werd Ama-terasu, de Godin der Zon, geboren. Zij stond bekend
+als "de Hemel-Verlichtende Groote Godheid", en was zóó buitengewoon
+schoon, dat haar ouders besloten, haar de Ladder des Hemels op te doen
+klimmen, ten einde in de hooge lucht voor eeuwig haar schitterenden
+zonneschijn op de aarde te doen stralen.
+
+Hun volgende kind was de Maan-God, Tsuki-yumi. Zijn zilveren glans
+was niet zoo schoon als de gouden uitstraling van zijn zuster, maar
+hij werd niettemin waardig geacht, haar echtgenoot te zijn. Daarop
+klom ook de Maan-God de Ladder des Hemels op. Spoedig raakten zij in
+twist, waarop Ama-terasu zeide: "Gij zijt een boosaardige godheid. Ik
+moet u niet van aangezicht tot aangezicht zien." Daarom werden zij een
+dag en een nacht van elkander gescheiden, en woonden zij afzonderlijk.
+
+Het volgende kind van Izanagi en Izanami was Susa-no-o ("De
+Onstuimige Jongeling"). Wij zullen ons later nog met Susa-no-o en zijn
+verrichtingen bezig houden en ons voor het oogenblik tevreden stellen,
+onze aandacht te beperken tot zijne ouders.
+
+Izanami schonk ook het leven aan den God van het Vuur, Kagu-tsuchi. De
+geboorte van dat kind maakte haar ernstig ziek. Izanagi knielde op
+den grond, bitter weenend en vreeselijk klagend. Maar zijn smart
+hielp hem niets, daar Izanami wegsloop naar het Land van Yomi (Hades).
+
+Haar echtgenoot kon echter zonder haar niet leven, en ging ook naar het
+Land van Yomi. Toen hij haar ontdekte, zeide zij met diep leedwezen:
+"Mijn heer en echtgenoot, waarom komt gij zoo laat? Ik heb reeds
+gegeten van het kookfornuis van Yomi. Maar ik ben nu op het punt mij
+neder te leggen om te rusten. Ik smeek u, niet naar mij te zien."
+
+Izanagi, door nieuwsgierigheid bewogen, weigerde aan haar wensch
+te voldoen. Het was duister in het land van Yomi, daarom haalde hij
+zijn kam met vele tanden te voorschijn, brak een stuk af en stak dat
+aan. Het gezicht, dat hem begroette, was afgrijselijk en ontzettend
+afschuwwekkend. Zijn vroeger zoo schoone vrouw was nu een gezwollen
+schepsel geworden, bedekt met etterende zweren. Acht verschillende
+soorten van Dondergoden rustten op haar. De Donder van het Vuur,
+de Aarde en de Bergen gluurden op hem, en bulderden met ontzaglijke
+stemmen.
+
+Izanagi verschrikte hevig en walgde van het gezicht, terwijl hij zeide:
+"Ik ben geheel onverwacht naar een afzichtelijk en bezoedeld land
+gekomen". Zijn vrouw antwoordde: "Waarom hebt gij ook niet in acht
+genomen, wat ik u heb bevolen? Nu is schande over mij gekomen".
+
+Izanami was zóó verontwaardigd op haar echtgenoot, omdat hij haar
+afzondering niet had geëerbiedigd, dat zij de Acht Leelijke Vrouwen
+van Yomi uitzond om hem te vervolgen. Izanagi trok zijn zwaard en
+vluchtte naar de duistere streken van de Onderwereld. Onder het loopen
+nam hij zijn hoofddeksel af en wierp dat op den grond. Het veranderde
+onmiddellijk in een tros druiven. Toen de Leelijke Vrouwen dit zagen,
+bukten zij en aten van de overheerlijke, zoete vruchten. Izanami zag,
+dat zij stilhielden, en achtte het daarom verstandig, haar echtgenoot
+zelf te vervolgen.
+
+Op dit oogenblik had Izanagi den Effen Doorgang van Yomi bereikt. Daar
+plaatste hij een groote rots, en kwam toevallig tegenover Izanami
+te staan. Men zou waarlijk niet gedacht hebben, dat Izanagi tijdens
+zulke opwindende avonturen plechtig een echtscheiding zou hebben
+uitgesproken. Maar toch was dit juist wat hij toen deed. Op zijn
+voorstel antwoordde zijn vrouw: "Mijn waarde meester en echtgenoot, als
+gij zoo spreekt, zal ik al wat leeft in één dag worgen". Dit klagende,
+maar tevens dreigende antwoord oefende in het minst geen invloed uit
+op Izanagi, die onmiddellijk antwoordde, dat hij zou zorgen, dat op
+één dag niet minder dan vijftien honderd wezens zouden geboren worden.
+
+Bovenstaand antwoord blijkt inderdaad beslissend geweest te zijn,
+immers als wij weer van Izanagi hooren spreken, is hij uit het Land
+van Yomi ontsnapt, en is hij een nijdige vrouw en de Acht Leelijke
+Vrouwen ontloopen. Nadat hij ontsnapt was, onderwierp hij zich aan
+een groot aantal afwasschingen, bij wijze van reiniging, en daaruit
+werden een groot aantal godheden geboren. Wij lezen in de _Nihongi_:
+"Daarna, toen Izanagi zijn goddelijke taak had volbracht en toen zijn
+geestelijke loopbaan op het punt stond een verandering te ondergaan,
+bouwde hij zich een sombere verblijfplaats op het eiland Ahaji,
+waar hij eeuwig in stilte en afzondering in het verborgene vertoefde."
+
+
+
+Ama-terasu en Susa-no-o.
+
+Susa-no-o, of de "Onstuimige Jongeling", was de broeder van Ama-terasu,
+de Godin der Zon. Susa-no-o was een zeer ongewenschte godheid,
+en in het Rijk der Japansche Goden was hij een beslist hinderlijk
+element. Zijn karakter is zeer duidelijk in de _Nihongi_ geschetst,
+misschien zelfs duidelijker dan dat van eenige andere godheid, in
+die oude geschriften vermeld. Susa-no-o had een ontzettend slecht
+humeur, dat zich dikwijls openbaarde in een aantal wreede en onedele
+handelingen. Bovendien had hij, in weerwil van zijn langen baard, de
+gewoonte voortdurend te huilen en te jammeren. Als een ander kind in
+een gril een stuk speelgoed zou vernielen, zou de Onstuimige Jongeling,
+als hij in ziedende drift ontstoken was, zonder een oogenblik te
+waarschuwen het schoone groen der bergen doen verdorren, en bovendien
+een aantal menschen een ontijdigen dood doen sterven.
+
+Zijn ouders, Izanagi en Izanami, waren door zijn wijze van optreden
+in groote zorgen; zij besloten dan ook, na ernstig met elkander te
+hebben overlegd, hun weerspannigen, ongezeglijken zoon naar het land
+van Yomi te verbannen. Maar Susa-no-o had ook een woordje in die zaak
+mede te spreken. Hij deed het volgende verzoek met de woorden: "Ik zal
+nu uwe bevelen gehoorzamen en naar het Onder-Land (Yomi) gaan. Vóór
+dien tijd wensch ik echter een korten tijd naar de Vlakte van den
+Hoogen Hemel te gaan en een onderhoud te hebben met mijn oudere zuster
+(Ama-terasu), waarna ik voor eeuwig zal verdwijnen". Dit schijnbaar zoo
+onschuldige verzoek werd hem toegestaan, en Susa-no-o steeg op naar
+den Hemel. Zijn vertrek veroorzaakte een groote beweging der zee,
+en de heuvelen en bergen zuchtten zwaar. Ama-terasu hoorde nu dat
+leven, en toen zij bemerkte, dat daardoor de aanstaande komst van haar
+slechten broeder Susa-no-o werd aangekondigd, zeide zij bij zich zelf:
+"Komt mijn jongere broeder met goede bedoelingen hier? Ik denk, dat
+het zijn doel is, mij van mijn koninkrijk te berooven. Volgens de
+opdracht, die onze ouders hun kinderen hebben gegeven, heeft ieder
+van ons zijn hem uitsluitend toegewezen gebied. Waarom dus verwerpt
+hij het koninkrijk, waarheen hij zich heeft te begeven, en drijft
+hij de vermetelheid zoo ver, om hier te komen spionneeren?"
+
+Ama-terasu maakte zich toen gereed voor den strijd. Zij bond zich
+het haar in knoopen, en hing er juweelen in, en om haar polsen
+"een prachtig snoer met vijfhonderd Yasaka juweelen." Zij zag
+er ontzagwekkend uit, toen zij nog bovendien over haar rug een
+"pijlkoker met duizend pijlen" had geslagen en bovendien een tweeden
+"pijlkoker met vijfhonderd pijlen", en toen zij daarbij nog haar
+armen had beschermd met een soort kussens, om het terugspringen van
+de pees van den boog zooveel mogelijk te dempen. Nadat zij zich aldus
+voor een doodelijken strijd had toegerust, zwaaide zij haar boog,
+greep het gevest van haar zwaard, en stampte telkens hard op den
+grond, totdat zij een gat had gemaakt, dat wijd genoeg was, om als
+verschansing dienst te doen.
+
+Al die uitgewerkte en vernuftige voorbereidingen waren vergeefsch. De
+Onstuimige Jongeling deed zich volkomen voor als een boeteling. "Van
+het begin af", zoo sprak hij, "is mijn hart niet zoo zwart geweest. Ik
+ben op het punt voor eeuwig naar het Onder-Land te vertrekken, hoe
+kon ik de gedachte verdragen, om te vertrekken, zonder nog eens voor
+het laatst, u, mijn oudere zuster, van aangezicht tot aangezicht
+te aanschouwen? Om die reden ben ik te voet de wolken en nevelen
+doorgetrokken en ben ik van verren afstand hierheen gekomen. Het
+verbaast mij, dat mijn oudere zuster van haar kant een zoo strenge
+en stroeve houding tegen mij aanneemt."
+
+Ama-terasu hoorde die opmerking niet zonder eenig wantrouwen aan. De
+liefde van Susa-no-o voor zijn bloedverwanten was niet gemakkelijk
+in overeenstemming te brengen met zijn wreedheid. Daarom besloot zij
+zijn oprechtheid op de proef te stellen door een merkwaardige wijze
+van handelen, die wij hier niet behoeven te beschrijven. Voldoende
+zij het te zeggen, dat de zuiverheid van hart en de oprechtheid
+van den Onstuimigen Jongeling tegenover zijn zuster glansrijk te
+voorschijn kwamen.
+
+Maar het goede gedrag van Susa-no-o was in werkelijkheid slechts van
+korten duur. Ama-terasu had juist een groot aantal voortreffelijke
+rijstvelden in den Hemel gemaakt. Enkele waren kort en andere waren
+lang, en Ama-terasu was terecht trotsch op die rijstvelden. Maar
+nauwelijks had zij het zaad in de lente gezaaid, of Susa-no-o vernielde
+de scheidingen tusschen de velden en liet in den herfst een aantal
+bonte veulens los.
+
+Op zekeren dag, toen hij zijn zuster zag in de heilige Weef-Zaal,
+terwijl zij bezig was de kleederen der Goden te weven, maakte hij
+een opening in de zoldering en wierp hij een gevild paard naar
+beneden. Ama-terasu was zóó verschrikt, dat zij zich bij ongeluk
+aan de weversspoel bezeerde. In woede ontstoken, besloot zij haar
+verblijfplaats te verlaten; haar glinsterende kleederen daarom
+bijeengarend, kroop zij de blauwe lucht af, trad een grot binnen,
+maakte die stevig dicht, en bleef daar in eenzaamheid achter.
+
+De wereld was nu in duisternis gehuld, en men kende geen wisseling
+meer van dag en nacht. Toen die ontzettende ramp had plaats
+gegrepen, verzamelden zich de Tachtig Myriaden Goden aan den
+oever der Rivier van den Hemel, en bespraken samen, hoe zij het
+best Ama-terasu konden overreden, om den Hemel weer op nieuw te
+begunstigen met haar schitterende glorie. Geen mindere Godheid dan de
+"Gedachten-bijeenvoegende" bracht na diepzinnig overleg een aantal
+zangvogels bijeen uit het Eeuwige Land. Na een aantal tooverformulieren
+met een bot van een hertepoot over een vuur van schors van een
+kerseboom, vervaardigden de Godheden een aantal gereedschappen,
+blaasbalgen en smidsen. Sterren werden samengesmeed om een spiegel
+te vormen, en ten slotte werden edelgesteenten en muziekinstrumenten
+vervaardigd.
+
+Toen dit alles behoorlijk voltooid was, kwamen de Tachtig Myriaden
+Goden naar beneden naar de grot in de rots, waar de Zon-Godin verborgen
+was, en gaven een goed bestudeerde voorstelling. Aan de bovenste
+takken van den Echten Sakaki Boom hingen zij de kostbare juweelen,
+en aan de middelste takken den spiegel. Aan iederen kant was er een
+luid gezang van vogels, wat slechts het voorspel was van wat moest
+volgen. Nu nam Uzume ("Hemelsch-verontrustende-vrouw") een speer
+in haar hand, bekranst met Eulalia gras, en maakte een kapsel van
+den Echten Sakaki Boom. Daarna zette zij een tobbe omgekeerd neer,
+en begon op bijzonder onwelvoegelijke wijze te dansen, totdat de
+Tachtig Myriaden Goden in lachen uitbarstten.
+
+Dergelijke merkwaardige en buitengewone handelingen wekten
+natuurlijk de nieuwsgierigheid op van Ama-terasu, en zij kwam dus te
+voorschijn. Op nieuw werd de wereld door haar tegenwoordigheid in
+goudglans gehuld. Op nieuw hield zij verblijf in de Vlakte van den
+Hoogen Hemel, en Susa-no-o werd behoorlijk gekastijd en naar het Yomi
+Land verbannen.
+
+
+
+Susa-no-o en de Slang.
+
+Bij de gewone tegenstrijdigheid van mythen en legenden, behoeft het
+ons niet te verbazen, dat nergens meer eenige melding wordt gemaakt
+van het leven van Susa-no-o in het Land van Yomi. Als wij hem weer
+terugzien, is het buiten eenig verband met zijn gewonen, boosaardigen
+aanleg. Wij vinden hem juist terug in een rol, die de Ridders van de
+Ronde Tafel waardig is. Wij zijn volkomen in onzekerheid, of zijn
+plotseling optreden als dolende ridder een listige zet van zijn
+kant was met het oog op latere plannen, dan wel of het plotselinge
+verdwijnen van zijn zuster uit den Hemel hem er toe geleid heeft,
+voor goed zijn wijze van handelen te veranderen.
+
+Toen Susa-no-o uit den Hemel was afgedaald, kwam hij aan de rivier
+Hi, in de provincie Idzumo. Hier werd hij gestoord door een weenend
+geluid. Het was iets zóó ongewoons, een ander dan hem zelf te
+hooren weenen, dat hij er dadelijk op uittrok, om de oorzaak dier
+droefheid op te sporen. Spoedig ontdekte hij een ouden man en een
+oude vrouw. Zij hadden een jong meisje tusschen zich in, dat zij
+hartelijk liefkoosden en met medelijdende oogen aanstaarden, alsof
+zij haar met tegenzin een laatst vaarwel toeriepen. Toen Susa-no-o
+het oude paar vroeg, wie zij waren en waarom zij zoo weeklaagden,
+antwoordde de oude man: "Ik ben een Aardsche Godheid, en mijn naam
+is Ashi-nadzuchi ('Voet-slag-oude'). De naam van mijn vrouw is
+Te-nadzuchi ('Hand-slag-oude'). Dit meisje is onze dochter, en haar
+naam is Kushi-nada-hime ('Bewonderenswaardige-Inada-Prinses'). De
+reden van onze droefheid is, dat wij vroeger acht kinderen, allen
+dochters, bezeten hebben; maar ieder jaar is er ééne verslonden
+door een achttakkige slang, en nu nadert de tijd, dat dit meisje zal
+worden verslonden. Er is geen kans voor haar, om hieraan te ontkomen,
+en daarom zijn wij zoo vreeselijk bedroefd."
+
+De Onstuimige Jongeling luisterde met de grootste aandacht naar dit
+droevige verhaal, en daar hij zag, dat het meisje bijzonder schoon
+was, bood hij zich aan, om de achttakkige slang te dooden, als haar
+ouders haar hem ten huwelijk wilden geven als een passende belooning
+voor zijn diensten. Dit verzoek werd bereidwillig toegestaan.
+
+Susa-no-o veranderde nu Kushi-nada-hime in een kam met veel tanden
+en stak dien in zijn haar. Daarop verzocht hij het oude echtpaar,
+een ruime hoeveelheid _saké_ te brouwen. Toen de _saké_ gereed was,
+goot hij het brouwsel in acht kuipen en wachtte de komst van het
+vreeselijke monster af.
+
+Eindelijk kwam de slang. Zij had acht koppen, en oogen rooder dan
+wintergroen. Bovendien had zij acht staarten, en dennen en cypressen
+groeiden op haar rug. Zij had een lengte van acht heuvels en acht
+valleien. Haar logge wijze van beweging was uit den aard der zaak
+langzaam, maar toen zij de _saké_ ontdekte, dronk iedere kop gretig
+den verleidelijken drank, totdat de slang vreeselijk dronken werd en
+in slaap viel. Daar Susa-no-o toen weinig meer had te vreezen, trok
+hij zijn zwaard, dat tien span groot was, en hakte hij het groote
+monster in kleine stukken. Toen hij één der staarten trof, werd zijn
+zwaard gekorven en toen hij zich daar overheen bukte, ontdekte hij
+een zwaard, dat de Murakumo-no-Tsurugi genoemd werd. Toen hij zag, dat
+het een goddelijk zwaard was, gaf hij het aan de Goden van den Hemel.
+
+Nadat hij zijn taak met den besten uitslag had volbracht, veranderde
+Susa-no-o zijn kam met vele tanden weer in Kushi-nada-hime, en kwam
+tenslotte in Suga, dat gelegen was in de provincie Idzumo, teneinde
+zijn huwelijk te kunnen sluiten. Hier vervaardigde hij het volgende
+gedicht:
+
+
+ "Vele wolken verrijzen,
+ Aan alle zijden een veelvuldige heining,
+ Om daarbinnen de bruiden te ontvangen,
+ Zij vormen een veelvuldige heining--
+ O! die veelvuldige heining!"
+
+
+ _Nihongi_.
+
+
+
+
+De Goddelijke Boden.
+
+
+In die dagen ontdekten de Goden, die in de Hooge Vlakte van den Hemel
+verzameld waren, dat er in het Middenland van Riet-Vlakten (Idzumo)
+voortdurend rustverstoringen waren. Men verhaalt, dat "Vlakten,
+de rotsen, boomstammen en grassen nog steeds het vermogen hebben te
+spreken. Des nachts maken zij een geraas gelijk aan dat van vurige
+vlammen; over dag dwarrelen zij heen en weer als vliegen in de vijfde
+maand." Bovendien waren er enkele godheden, die aanleiding gaven tot
+klachten. De Goden besloten aan die rustverstoringen een einde te
+maken, en na ernstig overleg besloot Taka-mi-musubi, zijn kleinzoon
+Ninigi naar beneden te zenden, om het Middenland van Riet-Vlakten te
+besturen, ten einde den oproerigen geest uit te roeien en vrede en
+voorspoed in het land te brengen. Het werd noodzakelijk geacht boden te
+zenden, om reeds te voren den weg te effenen. De eerste afgezant was
+Ama-no-ho; maar daar hij drie jaar doorbracht in dat land zonder aan
+de Goden verslag te doen, werd zijn zoon in zijn plaats gezonden. Hij
+handelde volkomen als zijn vader, en tartte de bevelen der Hemelsche
+Goden. De derde bode was Ame-waka ("Hemel-jonge-Prins"). Ook hij
+was trouweloos, in weerwil van zijn edele wapens, en in plaats van
+zijn plichten te vervullen, werd hij verliefd op Shita-teru-hime
+("Mindere-glans-Prinses") die hij zich tot vrouw nam.
+
+De verzamelde Goden waren verontwaardigd over dat vertoef, en zonden
+een fazant naar beneden, om na te gaan en te onderzoeken, wat er
+in Idzumo gaande was. De fazant ging zitten op een cassiaboom voor
+de deur van Ame-waka. Toen Ame-waka den vogel zag, schoot hij hem
+onmiddellijk dood. De pijl drong door den vogel heen, steeg op tot
+de Verblijfplaats der Goden, en werd weer teruggeslingerd, zoodat
+hij den trouweloozen en luien Ame-waka doodde.
+
+Het geween van Mindere-glans-Prinses bereikte den Hemel, immers zij
+had haar echtgenoot innig lief en herkende in zijn plotselingen dood
+volstrekt niet de rechtvaardige wraak der Goden. Zij weende zóó luide
+en zóó hartverscheurend, dat de Hemelsche Goden haar hoorden. Een
+krachtige wind daalde neer, die het lichaam van Ame-waka naar de Hooge
+Vlakte van den Hemel heendreef. Een doodenhuis werd gemaakt, waarin de
+overledene gelegd werd. Gedurende acht dagen en acht nachten weerklonk
+het gejammer en het geween. De wilde gans in de rivier, de reiger,
+de ijsvogel, de musch en de fazant treurden met groote droefenis.
+
+Het geschiedde nu, dat een vriend van Ame-waka, Aji-shi-ki genaamd,
+de treurige klaagliederen hoorde, die van den Hemel neerdaalden. Hij
+betuigde daarom zijn deelneming in de droefenis. Hij geleek echter
+zóózeer op den overledene, dat de ouders, bloedverwanten, vrouw en
+kinderen van Ame-waka, toen zij hem zagen, uitriepen: "Onze heer is
+nog in leven!" Dit hinderde Aji-shi-ki zóó zeer, dat hij zijn zwaard
+trok en het doodenhuis neerhaalde, zoodat het op de Aarde neerviel
+en de berg Moyama werd.
+
+Men zegt, dat het licht, dat Aji-shi-ki uitstraalde, zóó schitterend
+was, dat het de oppervlakte van twee heuvels en twee valleien
+verlichtte. Zij, die voor de lijkplechtigheden bijeengekomen waren,
+zongen het volgende gezang:
+
+
+ "Zooals het snoer juweelen
+ Gedragen om den hals
+ Der Wevende maagd,
+ Die in den Hemel woont--
+ O! de glans der juweelen,
+ Over twee valleien geworpen
+ Door Aji-suki-taka-hiko-ne!"
+
+ "Naar den vijver ter zijde--
+ Den vijver ter zijde
+ Van den rotsigen stroom,
+ Welks geulen worden doortrokken
+ Door de landmeisjes
+ Ver van den Hemel,
+ Kom hierheen, kom hierheen!
+ (De vrouwen zijn schoon)
+ En spreid dan uw net
+ In den vijver ter zijde
+ Van den rotsigen stroom."
+
+
+ _Nihongi_.
+
+Er werden toen weer twee andere goden naar het Middenland van
+Riet-Vlakten gezonden, en die Goden slaagden in hun zending. Zij
+keerden met een gunstig verslag naar den Hemel terug, en deelden mede,
+dat alles nu gereed was voor de komst van het Verheven Kleinkind.
+
+
+
+De komst van het Verheven Kleinkind.
+
+Ama-terasu begiftigde haar kleinzoon Ninigi, of Prins
+Rijst-Aar-Rossig-Overvloed, met ruime giften. Zij schonk hem kostbare
+steenen van de bergtrappen des Hemels, witte kristallen ballen, en, wat
+de kostbaarste gift van alle was, het goddelijke zwaard, dat Susa-no-o
+in de slang had ontdekt. Zij gaf hem eveneens den sterrenspiegel,
+waarin zij gekeken had, toen zij uit haar grot gluurde. Verschillende
+godheden vergezelden Ninigi, en daaronder was ook die opgewekte,
+vroolijke en dansende maagd Uzume begrepen, wier dansen, zooals men
+zich zal herinneren, de Goden zooveel vreugde had verschaft.
+
+Ninigi en zijn metgezellen waren nauwelijks door de wolken
+heengebroken, en aan den Weg naar den Hemel met zijn acht vertakkingen
+gekomen, toen zij tot hun groote ontsteltenis een reusachtig wezen
+ontdekten, met groote en helder schijnende oogen. Zijn uiterlijk
+was zóó schrikwekkend, dat Ninigi en al zijn metgezellen, met
+uitzondering van de vroolijke en betooverende Uzume, zich opmaakten
+om terug te keeren en hun zending in den steek te laten. Maar Uzume
+ging naar den reus toe en vroeg hem, wie het was, die hun tocht durfde
+tegenhouden. De reus antwoordde: "Ik ben de Godheid der Veldwegen. Ik
+kom mijn hulde bieden aan Ninigi, en verzoek de eer te mogen hebben,
+hem tot gids te strekken. Keer naar uw meester terug, o schoone Uzume,
+en breng hem de boodschap over."
+
+Uzume keerde daarop terug en bracht haar boodschap over aan de Goden,
+die op zoo lafhartige wijze teruggeweken waren. Toen zij het goede
+nieuws hoorden, verheugden zij zich zeer, braken ten tweede male
+door de wolken heen, rustten uit op de Drijvende Brug van den Hemel,
+en bereikten eindelijk den top van Takachihi.
+
+Het Verheven Kleinkind reisde, met de Godheid der Veldwegen als gids,
+van het ééne deel van het rijk waarover hij zou regeeren, naar het
+andere. Toen hij een bijzonder liefelijke plaats had bereikt, bouwde
+hij een paleis.
+
+Nigini was zóó ingenomen met den dienst, dien de God der Veldwegen
+hem had bewezen, dat hij dien reus de vroolijke Uzume tot vrouw gaf.
+
+Nadat Nigini op zoo romantische wijze zijn trouwen gids had beloond,
+begon hij ook zelf het ontbranden van het liefdevuur in zijn borst te
+voelen, toen hij op zekeren dag, op een wandeling langs de kust een
+bijzonder lieftallig meisje zag. "Wie zijt gij, o schoone dame?" vroeg
+Ninigi. Zij antwoordde: "Ik ben de dochter van den Bezitter van den
+Grooten Berg. Mijn naam is Ko-no-Hana, de Prinses die de Bloemen en
+Boomen doet bloeien."
+
+Ninigi werd verliefd op Ko-no-Hana. Met allen spoed ging hij naar
+haar vader, Oho-yama, en verzocht dezen, hem wel haar hand te willen
+schenken.
+
+Oho-yama had een oudere dochter, Iha-Naga, Prinses
+Lang-als-de-Rotsen. Zooals haar naam doet vermoeden, was zij volstrekt
+niet schoon, maar haar vader wenschte, dat de kinderen van Ninigi
+eeuwig zouden blijven leven zooals de rotsen. Daarom bracht hij zijn
+beide dochters naar Ninigi, en sprak hij de hoop uit, dat de keuze van
+den minnaar op Iha-Naga zou vallen. Evenals Asschepoester, en niet
+haar leelijke zusters, bij de kinderen van onze streken geliefd is,
+zoo bleef ook Ninigi trouw aan zijn oorspronkelijke keuze, en wilde
+zelfs geen blik slaan op Iha-Naga. Deze veronachtzaming maakte Prinses
+Lang-als-de-Rotsen vreeselijk boos. Zij riep met meer heftigheid dan
+bescheidenheid uit: "Als gij mij hadt gekozen, zoudt gij en uw kinderen
+lang in het land hebben geleefd. Nu gij mijn zuster hebt gekozen,
+zult gij met de uwen even snel omkomen als de bloesems der boomen,
+en even snel als de jeugdige frischheid op het gelaat van mijn zuster."
+
+Toch leefde Ninigi en Ko-no-Hana een tijdlang samen gelukkig; maar
+op zekeren dag werd Ninigi door jaloerschheid bevangen, waardoor hij
+zijn gemoedsrust verloor. Hij had geen enkele reden, jaloersch te
+zijn, en Ko-no-Hana nam hem zijn optreden ten hoogste kwalijk. Zij
+trok zich terug in een houten hut, die zij in brand stak. Uit de
+vlammen verrezen drie kleine jongens. Wij behoeven ons alleen maar
+bezig te houden met twee van hen--Hoderi ("Schijnend-Vuur") en Hoori
+("Uitdoovend-Vuur"). Zooals wij later zullen zien, was Hoori de
+grootvader van den eersten Mikado van Japan.
+
+
+
+
+In het Paleis van den Zeegod.
+
+Hoderi was een groot visscher, terwijl zijn jongere broeder, Hoori,
+een volleerd jager was. Op zekeren dag riepen zij uit: "Laat ons bij
+wijze van proef onze gaven omruilen." Dit deden zij, maar de oudste
+broeder, die zeer goed visch kon vangen, kwam thuis zonder eenig wild,
+toen hij op de jacht was getrokken. Hij gaf dus den boog en de pijlen
+terug, en vroeg zijn broeder om den vischhaak. Het ongeluk wilde
+echter, dat Hoori den vischhaak van zijn broeder had verloren. Het
+edelmoedige aanbod, om een nieuwen haak te geven, werd met minachting
+geweigerd. Hij weigerde eveneens, een boordevollen bak met vischhaken
+aan te nemen. De oudere broeder antwoordde op dit aanbod: "Onder
+deze haken zie ik niet mijn ouden vischhaak; hoewel er heel wat zijn,
+wil ik ze niet hebben."
+
+Hoori nu was diep bedroefd over de norschheid van zijn broeder;
+daarom ging hij naar het strand der zee en gaf daar uiting aan zijn
+droefheid. Een vriendelijke oude man, Shiko-tsutsu no Oji genaamd
+("Zoute-zee-oude"), zeide: "Waarom treurt gij hier?" Toen hij het
+droeve verhaal had vernomen, antwoordde de oude man: "Treur niet
+langer. Ik zal die zaak voor u in orde brengen."
+
+Getrouw aan zijn belofte, maakte de oude man een mand, zette
+Hoori daarin, en deed die in zee zinken. Toen Hoori diep in het
+water was neergedaald, kwam hij aan een liefelijk strand, dat rijk
+was aan verschillende soorten zeegras van de meest fantastische
+vormen. Hier liet hij de mand achter en kwam eindelijk aan het Paleis
+van den Zeegod. Dit paleis maakte een ontzaglijken indruk. Het had
+kasteelen, kleine torentjes en statige torens. Een bron stond aan
+de deur, en boven die bron stond een cassiaboom. Hier bleef Hoori
+in de heerlijke schaduw vertoeven. Hij had daar niet lang gestaan,
+toen een schoone vrouw te voorschijn trad. Toen zij op het punt was,
+water te scheppen, hief zij haar oogen op, zag den vreemdeling en
+vertrok weer onmiddellijk met groote ontsteltenis, om haar vader en
+moeder te vertellen, wat zij gezien had.
+
+De Zeegod maakte, toen hij het bericht vernam, een "achtvoudig
+kussen" en leidde den vreemdeling naar binnen met de vraag, waaraan
+hij de eer van zijn tegenwoordigheid te danken had. Toen Hoori hem
+het droevige verlies mededeelde van den vischhaak van zijn broeder,
+verzamelde de Zeegod alle visschen van zijn Koninkrijk, "zoowel die met
+breede, als die met smalle vinnen". En toen de duizenden en duizenden
+visschen verzameld waren, vroeg hen de Zeegod, of zij iets afwisten
+van den verloren vischhaak. "Wij weten er niets van", antwoordden de
+visschen. "Alleen de Roode-vrouw (de _tai_) had eenigen tijd geleden
+een zeeren mond, en zij is niet verschenen." Daarop werd zij ontboden,
+en toen haar mond werd geopend, werd de verloren vischhaak ontdekt.
+
+Hoori trouwde daarop met de dochter van den Zeegod, Toyo-tama
+("Rijk-Juweel"), en zij leefden samen in het paleis onder de
+zee. Gedurende drie jaren ging alles best, maar daarna kreeg Hoori
+heimwee, en wilde hij zoo gaarne een blik slaan op zijn land,
+misschien ook herinnerde hij zich, dat hij den vischhaak nog aan
+zijn broeder moest teruggeven. Deze volstrekt niet onnatuurlijke
+gedachten verontrustten het hart van de liefhebbende Toyo-tama, en
+zij ging naar haar vader, om hem de reden van haar droefheid mede te
+deelen. Maar de Zeegod, die altijd wellevend en hoffelijk was, nam
+het gedrag van zijn schoonzoon volstrekt niet kwalijk. Integendeel,
+hij gaf hem den vischhaak en zeide: "Als gij dezen vischhaak aan uw
+ouderen broeder geeft, zeg dan tegen dien vischhaak heimelijk: 'Een
+ongelukkige vischhaak!'" Evenzoo schonk hij Hoori den Juweel van het
+Stijgende Water en dien van het Vallende Water en zeide: "Als gij den
+Juweel van het Stijgende Water onderdompelt, zal het water plotseling
+wassen, en zult gij uw ouderen broeder onder water doen zinken. Maar
+voor het geval uw oudere broeder berouw heeft en vergiffenis vraagt,
+zal, als gij den Juweel van het Vallende Water onderdompelt, het
+water plotseling dalen, en zult gij hem dus redden. Indien gij hem
+op die manier bejegent, zal hij zich uit eigen beweging onderwerpen."
+
+Juist toen Hoori op het punt stond te vertrekken, kwam zijn vrouw bij
+hem en deelde hem mede, dat zij hem spoedig een kind zou schenken. Zij
+zeide: "Op een dag, waarop de winden en de golven woeden, zal ik
+vast en zeker naar het strand der zee komen. Bouw voor mij een huis,
+en wacht daar op mij."
+
+
+
+
+Hoderi en Hoori verzoenen zich.
+
+Toen Hoori zijn eigen huis bereikte, vond hij zijn ouderen broeder
+weer, die zijn beleediging erkende en om vergiffenis smeekte, welke
+hem gaarne werd verleend.
+
+Toyo-tama en haar jongere zuster trotseerden dapper de winden en
+golven en kwamen aan het strand der zee. Daar had Hoori een hut
+gebouwd, gedekt met veeren van den vischdief, en daar schonk zij op
+den juisten tijd het leven aan een zoon. Toen Toyo-tama haar meester
+met kroost had gezegend, veranderde zij in een draak en gleed zij
+weer in zee terug. De zoon van Hoori huwde met zijn tante, en werd
+de vader van vier kinderen, van wie één Kamu-Yamato-Iware-Biko was,
+van wien men verhaalt, dat hij de eerste menschelijke Keizer van
+Japan was, thans bekend onder den naam van Jimmu Tenno.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK II. HELDEN EN KRIJGSLIEDEN.
+
+
+
+Yorimasa.
+
+Langen tijd geleden werd een zekere keizer ernstig ziek. Hij kon des
+nachts niet slapen, het gevolg van een afschuwelijk en onverklaarbaar
+geluid, dat hij hoorde, en dat afkomstig was van het dak van het
+paleis, dat de Purperen Zaal van de Noordster heette. Een groot
+aantal van zijn hovelingen besloten op de loer te gaan liggen,
+teneinde dien vreemden nachtelijken bezoeker op te wachten. Zoodra
+de zon onderging, ontdekten zij, dat een donkere wolk opsteeg aan den
+oostelijken horizon, en neerkwam op het dak van het paleis. Zij, die
+de wacht hielden in het keizerlijk slaapvertrek, hoorden bijzondere
+krabbelende geluiden, alsof dat wat oorspronkelijk een wolk scheen
+te zijn, plotseling veranderd was in een beest met reusachtige en
+krachtige klauwen. Nacht op nacht kwam de vreeselijke bezoeker,
+en nacht op nacht werd de keizer hoe langer hoe zieker. Eindelijk
+nam zijn ziekte zóózeer toe, dat allen, die in zijn dienst waren,
+duidelijk zagen, dat de keizer zeker zou sterven, als niet iets kon
+gedaan worden, om dat monster te verdelgen.
+
+Eindelijk werd uitgemaakt, dat Yorimasa de eenige ridder in het rijk
+was, die dapper genoeg was, om Zijne Majesteit te verlossen van die
+ontzettende beproeving. Yorimasa maakte dan ook met zorg gekozen
+voorbereidselen voor den strijd. Hij nam zijn besten boog en zijn
+beste pijlen met stalen punten, trok zijn wapenrusting aan, waarover
+hij een jachtkleed droeg, en zette een deftige muts op in plaats van
+zijn gewonen helm.
+
+Tegen zonsondergang legde hij zich buiten in een hinderlaag. Terwijl
+hij daar afwachtte, wat zou geschieden, ratelde de donder boven zijn
+hoofd, flikkerde de bliksem in de lucht en loeide de wind als een
+bende woeste demonen. Maar Yorimasa was een dapper man, en de woede der
+elementen ontmoetigde hem niet in het minst. Toen het middernacht werd,
+zag hij hoe een zwarte wolk door de lucht heenvloog, en zich nederzette
+op het dak van het paleis. Zij bleef liggen op den noordoostelijken
+hoek. Nog eens flikkerde de bliksem in de lucht, en nu zag hij de
+flikkerende oogen van een ontzaglijk dier. Na de juiste plaats van dit
+vreemde monster met zorg te hebben vastgesteld, spande hij zijn boog,
+totdat deze even rond was als de volle maan. In een volgend oogenblik
+trof zijn pijl met stalen punt het doel. Er werd een vreeselijk
+gebrul van woede gehoord, en daarna een vreeselijke smak, toen het
+ontzaglijke monster van het dak van het paleis op den grond viel.
+
+Yorimasa en zijn makker holden vooruit en doodden het monster, dat
+zij vóór zich zagen. Dat groote monster van den nacht was zoo groot
+als een paard. Het had den kop van een aap, en zijn lichaam en zijn
+klauwen waren als die van een tijger, terwijl het den staart had van
+een slang en de vleugels van een vogel en de schubben van een draak.
+
+Het is niet te verwonderen, dat de keizer bevel gaf, dat de huid van
+dat monster ten eeuwigen dage als een merkwaardigheid in de keizerlijke
+schatkamer moest worden bewaard. Van het oogenblik af, dat het monster
+dood was, verbeterde de gezondheid van den keizer snel, en Yorimasa
+werd voor zijn diensten beloond door de aanbieding van een zwaard,
+Shishiwo genaamd, wat beteekent "de Koning der Leeuwen". Hij kreeg
+bovendien een hoogeren rang aan het Hof, en huwde ten slotte de Edele
+Ayame, de schoonste der hofdames aan het Keizerlijke Hof.
+
+
+
+
+Yoshitsune en Benkei.
+
+Wij kunnen Yoshitsune vergelijken met den Zwarten Prins of Hendrik
+V, en Benkei met Little John, Will Scarlet en Friar Tuck [4] in één
+vereenigd. Yoshitsune zou een zeer bijzondere held genoemd kunnen
+worden, als niet zijn getrouwe wapendrager, Benkei, eveneens in de
+Japansche geschiedenis en legende een rol had gespeeld. Maar thans
+zijn wij gedwongen toe te geven, dat Benkei verreweg de grootste
+held was. Hij stak niet alleen in lichaamsbouw boven zijn makkers
+uit, maar hij overtrof zijn broederen ook in dapperheid, slimheid,
+redzaamheid, en bovendien in bewonderenswaardige teederheid van
+gemoed. Hier had men een man, die met het grootste gemak honderd
+man kon verslaan, en met dezelfde rustige zekerheid de Buddhistische
+geschriften kon verklaren. Hij kon over Yoshitsune weenen, toen hij
+het om strategische overwegingen noodig achtte, hem hard te slaan
+en kon met oneindige teederheid hulp verleenen, toen de vrouw van
+zijn meester het leven schonk aan een zoon. Er was nog een andere
+trek in het wisselende karakter van Benkei--zijn lust, om er iemand
+in te laten loopen. De geschiedenis met den bel van Miidera [5] kan
+tot bewijs hiervoor gelden, en evenzoo het rijke feest op kosten van
+een aantal priesters; maar als hij iemand er in had laten loopen,
+aarzelde hij nooit ten volle het gelag te betalen. Benkei merkte
+bij zekere gelegenheid op: "Als er geloot moet worden, zorgt mijn
+meester er wel voor, dat ik het kind van de rekening ben." Dit was
+ongetwijfeld waar. Benkei stelde er altijd een eer in, het vuile werk
+te doen, en als zijn meester hem vroeg, iets voor hem te verrichten,
+was Benkei's eenige klacht, dat de taak niet zwaar genoeg was, hoewel
+die taak in den regel werkelijk zóó gevaarlijk was, dat zij een dozijn
+minder begaafde helden zou hebben vrees aangejaagd.
+
+Het verhaal zegt, dat Benkei reeds bij zijn geboorte lang haar had
+en een volledig stel tanden, en dat hij bovendien zoo snel kon loopen
+als de wind. Benkei was te forsch voor een gewoon Japansch huis. Als
+hij het aanbeeld van Jinsaku sloeg, zonk dat nuttige voorwerp diep in
+de aarde, en als brandhout droeg hij een grooten pijnboom aan. Toen
+Benkei zeventien jaar oud was, werd hij priester in een Buddhistischen
+tempel; maar dit belette hem niet, een schoone jonge maagd, Tamamushi
+genaamd, op opzienbarende wijze te schaken. Wij zien onzen held zich
+spoedig losbreken uit het priesterschap en uit de liefde, en zijn
+volle aandacht wijden aan de opwekkende avonturen van een krijgsman,
+die buiten de wet stond. Wij moeten hem hiervoor een korten tijd in
+den steek laten, en eerst de geschiedenis verhalen van Yoshitsune,
+ten einde duidelijk te maken, hoe hij het groote geluk had, Benkei
+te ontmoeten en zich van diens hulp en vriendschap te verzekeren tot
+aan zijn dood.
+
+
+
+Yoshitsune en de Taira.
+
+De vader van Yoshitsune, Yoshitomo, was gesneuveld in een grooten
+slag tegen de Taira. In dien tijd was de Taira-stam oppermachtig,
+en zijn wreede aanvoerder, Kiyomori, deed alles wat hij kon, om de
+kinderen van Yoshitomo uit den weg te ruimen. Maar de moeder van
+die kinderen, Tokiwa, vluchtte naar een schuilplaats, waarheen zij
+ook haar kleinen medevoerde. Met karakteristieken Japanschen moed
+stemde zij er eindelijk in toe, de vrouw te worden van den gehaten
+Kiyomori. Zij deed dit, omdat dit de eenige was, om het leven van haar
+kinderen te sparen. Het werd haar geoorloofd, Yoshitsune bij zich
+te houden, en dagelijks fluisterde zij hem toe: "Gedenk uw vader,
+Minamoto Yoshitomo! Word krachtig en wreek zijn dood, want hij is
+gestorven door de hand der Taira."
+
+Toen Yoshitsune zeven jaar oud was, werd hij naar een klooster
+gezonden, om als monnik te worden opgeleid. Hoewel hij ijverig was in
+zijn studies, bewaarde de jonge knaap voortdurend de onverschrokken
+woorden van zijn dappere, zelfopofferende moeder in zijn hart. Zij
+wekten hem op en bezielden hem tot daden. Hij placht naar een bepaalde
+vallei te gaan, waar hij zijn klein houten zwaard zwaaide, en onder het
+zingen van gedeelten uit krijgszangen, uitviel tegen rotsen en steenen,
+in de hoop, dat hij in de toekomst een groot krijgsman mocht worden,
+en al de rampen en ongerechtigheden die door den Taira-stam op zijn
+familie waren opgehoopt, kon wreken en goedmaken.
+
+In zekeren nacht werd hij, terwijl hij daarmede bezig was, door
+een hevige onweersbui overvallen, en zag hij een ontzaglijken reus
+vóór zich met een langen rooden neus en groote fonkelende oogen,
+met klauwen als van een vogel, en gevederde vleugels. Terwijl hij
+dapper stand hield, deed Yoshitsune navraag, wie die reus was, en werd
+hem medegedeeld, dat het de Koning der Tengu was--dat wil zeggen,
+de Koning der kaboutermannetjes uit de bergen, levendige wezentjes,
+die zich herhaaldelijk bezig hielden met allerlei fantastische streken.
+
+De Koning der Tengu was Yoshitsune zeer vriendelijk gezind. Hij zeide,
+dat hij zijn volharding bewonderde, en deelde hem mede, dat hij voor
+hem was verschenen met de vriendelijke bedoeling, hem alles te leeren,
+wat op het gebied der krijgskunde kon worden geleerd. Het onderwijs
+vorderde op de meest bevredigende wijze, en het duurde niet lang,
+of Yoshitsune kon minstens twintig kleine _tengu_ overwinnen, en die
+groote vlugheid kwam Yoshitsune goed te pas, zooals wij verder in
+dit verhaal zullen zien.
+
+Toen nu Yoshitsune vijftien jaar oud was, hoorde hij dat op den
+berg Hiei een bijzonder woeste _bonze_ (priester) leefde, Benkei
+genaamd. Benkei had een tijd lang ridders belaagd, die de Gojo Brug van
+Kyoto overtrokken. Zijn wensch was, duizend zwaarden te bemachtigen,
+en hij was zóó dapper, en tevens zulk een schurk, dat hij op ridders
+niet minder dan negenhonderd negen en negentig zwaarden op onwettige
+wijze had veroverd. Toen het bericht hiervan de ooren van Yoshitsune
+had bereikt, besloot hij van het onderwijs van den Koning der Tengu een
+goed gebruik te maken, om dien Benkei te dooden, ten einde op die wijze
+hem, die de schrik van het land was geworden, onschadelijk te maken.
+
+Op zekeren avond trok Yoshitsune op weg, en ten einde den schijn
+aan te nemen van volkomen onverschilligheid, speelde hij op de
+fluit, totdat hij de Gojo Brug had bereikt. Onmiddellijk zag hij
+een reusachtigen man op hem afkomen, in een zwarte wapenrusting,
+die niemand anders was dan Benkei. Toen Benkei den jongeling zag,
+beschouwde hij het als beneden zijn waardigheid, iemand aan te vallen,
+die hem een zwakkeling voorkwam, een droomer, die voortreffelijk kon
+fluitspelen, en ongetwijfeld ook een mooi gedicht kon vervaardigen op
+de maan, die toen juist aan den hemel scheen, maar die volstrekt geen
+krijgsman was. Die beleediging maakte Yoshitsune vreeselijk woedend,
+en plotseling stootte hij de hellebaard van Benkei uit zijn hand.
+
+
+
+Yoshitsune en Benkei vechten.
+
+Benkei slaakte een kreet van woede, en sloeg er met zijn wapen in het
+wilde op los. Maar de vlugheid, die hij van den Koning der _tengu_
+had geleerd, kwam Yoshitsune zeer te stade. Hij sprong van den éénen
+naar den anderen kant, van voren naar achteren, en weer terug van
+achteren naar voren, terwijl hij den reus met menige grap voor den
+gek hield en telkens in een vroolijk gelach uitbarstte. Het wapen
+van Benkei zwaaide voortdurend rond en trof nu eens de lucht, dan
+weer de grond, maar raakte nooit zijn tegenstander.
+
+Eindelijk werd Benkei moede, en weder sloeg Yoshitsune de hellebaard
+uit de hand van den reus. Toen Benkei trachtte zijn wapen weder op te
+nemen, wist Yoshitsune hem een beentje te lichten, zoodat hij op handen
+en voeten kwam te staan; de held besteeg nu met een triomfkreet den
+tijdelijk viervoetigen Benkei. De reus was stom verbaasd over zijn
+nederlaag, en toen hij hoorde, dat de overwinnaar niemand anders
+was dan de zoon van den Edelen Yoshitomo, nam hij niet alleen zijn
+nederlaag op waardige wijze op, maar verzocht hij, of hij van nu af
+aan in den dienst mocht treden van den jeugdigen overwinnaar.
+
+Van dien tijd af vinden wij de namen van Yoshitsune en Benkei
+steeds samen verbonden, en in al de verhalen van krijgslieden,
+hetzij in Japan, hetzij elders, was er nooit een dapperder en meer
+eensgezinde verbinding van kracht en vriendschap. Wij lezen, hoe
+talrijke overwinningen zij op de Taira behaalden, en hoe zij hen naar
+zee dreven, waar deze dan bij Dan-no-ura ontkwamen.
+
+Wij kennen nog een tweede legende in verband met Dan-no-ura. Yoshitsune
+en zijn trouwe makker maakten zich gereed, in een schip van de
+provincie Settsu over te steken naar Saikoku. Toen zij Dan-no-ura
+bereikten, stak een vreeselijke storm op. Geheimzinnige stemmen
+kwamen uit de zich opstapelende golven, een verwijderde echo van
+wapengekletter, van voortsnellende schepen en het suizen van pijlen,
+van het neervallen van duizend manschappen. Het geraas werd al luider
+en luider, en uit de opgezweepte, schuimende koppen van de golven
+verrees een spookachtige troep van den Taira-stam. Hun wapenrusting was
+gescheurd en met bloed bevlekt, en zij staken hun wasemige armen uit,
+terwijl zij trachtten de boot tegen te houden, waarin Yoshitsune en
+Benkei voeren. Het was een spookachtige herinnering aan den slag bij
+Dan-no-ura, toen de Taira een vreeselijke en onherstelbare nederlaag
+hadden geleden. Toen Yoshitsune dien grooten spookachtigen troep
+zag, riep hij om wraak, zelfs op de schimmen der gedoode Taira; maar
+Benkei, die steeds listig en voorzichtig was, verzocht zijn meester,
+zijn zwaard neer te leggen, en nam een rozenkrans ter hand en zeide
+een aantal Buddhistische gebeden op. Over den troep geesten daalde
+vrede neer, het gejammer hield op, en geleidelijk verdwenen zij weder
+in de zee, die daarna kalm werd.
+
+De legende verhaalt ons, dat visschers nog altijd van tijd tot tijd
+schimmenlegers uit zee zien oprijzen, die jammerklachten uiten en
+met hun armen zwaaien. Men zegt, dat de kreeften met gevlekten rug de
+schimmen zijn der Tairastrijders. Wij zullen later een andere legende
+behandelen, die in verband staat met die ongelukkige geesten, die het
+nooit moede worden, het tooneel van hun nederlaag weer op te zoeken.
+
+
+
+De Booze Geest van Oyeyama.
+
+Tijdens de regeering van Keizer Ichijo waren er in Kyoto een aantal
+verhalen in omloop met betrekking tot een boozen geest, die op
+den Berg Oye woonde. Die booze geest kon verschillende gedaanten
+aannemen. Somtijds verscheen hij als een menschelijk wezen, en drong
+heimelijk in Kyoto binnen, waar hij uit menig huis teer geliefde zonen
+en dochters wegrukte. Hij nam die jongelingen en meisjes mede naar zijn
+vesting op den berg, en--het is droevig te verhalen--na met hen den
+spot te hebben gedreven, richtte hij met zijn makkers een groot feest
+aan en verslond daar die arme jongelieden. Zelfs het onschendbare
+Hof was niet beveiligd tegen die vreeselijke gebeurtenissen en op
+zekeren dag verloor Kimitaka zijn schoone dochter. Zij was door den
+Koning der Booze Geesten, Shutendoji, weggeroofd.
+
+Toen dit treurige nieuws de ooren van den Keizer bereikte, riep hij
+zijn Raad te zamen, en overlegde hij, hoe zij dit vreeselijke monster
+zouden kunnen dooden. Zijne Majesteit hoorde van zijn ministers, dat
+Raiko een onverschrokken ridder was, en daarom raadden zij hem aan,
+dat deze met enkele makkers op dit gevaarlijke maar eervolle avontuur
+zoude worden uitgezonden.
+
+Raiko koos dus vijf metgezellen, en vertelde hen wat bevolen was,
+en wel, dat zij een avontuurlijke reis moesten ondernemen, en
+den Koning der Booze Geesten moesten dooden. Hij legde hun uit,
+dat geslepenheid bij de uitvoering van hun plan zeer noodig was,
+indien zij hoopten hun taak naar behooren te volbrengen, en dat het
+verstandig zou zijn, zich te vermommen als priesters van het gebergte,
+en hun wapenrusting en wapenen op hun rug te dragen, voorzichtig
+verborgen in ransels, die geen achterdocht zouden wekken. Voordat
+zij op weg gingen, trokken twee der ridders, om te bidden, naar den
+tempel van Hachiman, den Oorlogsgod, twee naar het altaar van Kwannon,
+de Godin der Barmhartigheid, en twee naar den tempel van Gongen.
+
+Toen de ridders gebeden hadden, dat hun onderneming mocht gezegend
+worden, aanvaardden zij hun reis en bereikten na verloop van tijd
+de provincie Tamba, terwijl zij onmiddellijk den berg Oye tegenover
+zich zagen. De Booze Geest had zeker den vreeselijksten der bergen
+gekozen. Machtige rotsen en groote donkere bosschen belemmerden hun
+den weg in iedere richting, terwijl bijna bodemlooze afgronden zich
+aan hen voordeden, waar die het minst verwacht werden.
+
+Toen de dappere ridders juist eenigszins moedeloos begonnen te
+worden, verschenen plotseling drie oude mannen vóór hen. Het eerste
+oogenblik werden deze nieuwe bezoekers met achterdocht aangezien,
+maar later met de grootste vriendelijkheid en dankbaarheid. Die oude
+mannen waren niemand minder dan de drie godheden, tot wie de ridders
+gebeden hadden, voordat zij hun tocht aanvaardden. De oude mannen
+boden Raiko een kruik met tooversaké aan, Shimben-Kidoku-Shu genaamd
+("een hartsterking voor menschen, maar vergif voor booze geesten"),
+en raadde hen aan, Shutendoji door een krijgslist er toe te bewegen
+er van te drinken, waarna hij onmiddellijk verlamd zou worden en een
+gemakkelijker prooi zou zijn voor zijn vijanden. Nauwelijks hadden
+de oude mannen tooversaké gegeven en hun kostbaren raad daaraan
+toegevoegd, of een wonderbaarlijk licht schitterde om hen heen,
+terwijl zij in de wolken verdwenen.
+
+Raiko en zijn paladijnen beklommen, zeer verblijd met hetgeen geschied
+was, verder den berg. Toen zij aan een stroom gekomen waren, zagen zij
+daar een schoone vrouw, die bezig was een met bloed bevlekt gewaad
+in het stroomende water te wasschen. Zij weende bitter, en wischte
+haar tranen af met de lange mouw van haar _kimono_. Toen Raiko vroeg,
+wie zij was, vertelde zij hem, dat zij een prinses was, en één der
+ongelukkige gevangenen van den Koning der Booze Geesten. Toen men
+haar had medegedeeld, dat het niemand anders was dan de groote Raiko,
+die vóór haar stond, en dat hij en de andere ridders gekomen waren
+om het afschuwelijke bergmonster te dooden, was zij onuitsprekelijk
+verheugd, en voerde ten slotte den kleinen troep naar een groot paleis
+van zwart ijzer, terwijl zij de schildwachten om den tuin leidde door
+hen te zeggen, dat haar volgelingen arme priesters van den berg waren,
+die een tijdelijke schuilplaats zochten.
+
+Nadat zij door lange gangen waren geloopen, kwamen Raiko en zijn
+volgelingen in een reusachtige zaal. Aan het ééne uiteinde zat de
+schrikwekkende Koning der Booze Geesten. Hij had een reusachtige
+gestalte, met een helderroode huid en een massa wit haar. Toen Raiko
+hem onderdanig mededeelde, wie zij waren, noodigde de Koning, terwijl
+hij zijn vreugde verborg, hen uit plaats te nemen, en deel te nemen
+aan den feestmaaltijd, die juist zou worden voortgezet. Daarop klapte
+hij in zijn roode handen, en onmiddellijk kwamen een aantal schoone
+meisjes binnenrennen met een overvloed van spijs en drank, en toen
+Raiko haar aandachtig gadesloeg, begreep hij, dat zij eertijds in
+gelukkige woningen in Kyoto hadden gewoond.
+
+Toen het feest in vollen gang was, haalde Raiko de kruik met de
+tooversaké voor den dag, en verzocht den Koning der Booze Geesten
+beleefd er van te proeven. Het monster dronk zonder aarzelen en zonder
+eenig kwaad vermoeden een weinig van de saké, en vond die zóó lekker,
+dat hij nog om een tweeden beker vroeg. Alle booze geesten dronken
+van den tooverwijn, en terwijl zij dronken, dansten Raiko en zijn
+metgezellen.
+
+De tooverdrank begon zijn werking te doen gevoelen. De Koning zelf
+werd slaperig, totdat eindelijk hij en de andere booze geesten in
+een diepen slaap vielen. Toen sprong Raiko overeind, en hij en zijn
+makkers trokken snel hun wapenrusting aan en maakten zich gereed
+voor den strijd. Ten tweeden male verschenen hem de drie godheden,
+en zeiden tot Raiko: "Wij hebben de handen en voeten van den Boozen
+Geest stevig gebonden, zoodat gij niets te vreezen hebt. Terwijl
+de overige ridders zijn ledematen afhakken, moet gij hem het hoofd
+afsnijden; dood daarna de overige _eni_, (booze geesten) en uw taak
+zal volbracht zijn." Daarna verdwenen die goddelijke wezens plotseling.
+
+
+
+Raiko doodt den Boozen Geest.
+
+Raiko en de overige ridders naderden voorzichtig den slapenden Koning
+der Booze Geesten met getrokken zwaarden. Met een reusachtigen zwaai
+kwam het wapen van Raiko krakend neer op den nek van den Boozen
+Geest. Nauwelijks was het hoofd van den romp gescheiden, of het vloog
+in de lucht, terwijl rook en vuur uit zijn neusgaten spoten en den
+dapperen Raiko brandden. Ten tweeden male viel hij met zijn zwaard
+uit, en nu viel het afschuwelijke hoofd op den grond en bewoog zich
+niet meer. Het duurde niet lang, of de dappere ridders hadden ook de
+volgelingen van den Boozen Geest gedood.
+
+In een blijde stoet trokken zij uit het groote ijzeren paleis. De vijf
+makkers van Raiko droegen het monsterachtige hoofd van den Koning,
+en die afzichtige stoet werd gevolgd door een lange rij van gelukkige
+meisjes, die eindelijk verlost waren uit haar vreeselijke gevangenis,
+en er zich in verheugden weer te wandelen in de straten van Kyoto.
+
+
+
+De Tooverspin.
+
+Korten tijd nadat de gebeurtenis, hierboven geschetst, had plaats
+gegrepen, werd de dappere Raiko ernstig ziek, en hij was genoodzaakt
+zijn kamer te houden. Omstreeks middernacht bracht hem steeds een
+kleine jongen een geneesmiddel. De jongen was aan Raiko niet bekend,
+maar daar hij zulk een grooten stoet bedienden had, wekte dit in het
+begin geen argwaan op. Raiko werd echter erger, in plaats beter, en
+wel het ergst, onmiddellijk nadat hij het geneesmiddel had ingenomen;
+daarom begon hij te vermoeden, dat de ééne of andere bovennatuurlijke
+kracht de oorzaak was van zijn ziekte.
+
+Ten slotte vroeg Raiko zijn voornaamsten dienaar, of hij iets wist van
+den knaap, die tegen middernacht bij hem kwam. Noch deze, noch iemand
+anders bleek iets omtrent hem te weten. Van dat oogenblik af was de
+achterdocht van Raiko in hooge mate opgewekt, zoodat hij besloot,
+de zaak met zorg na te gaan.
+
+Toen het knaapje tegen middernacht terugkwam, wierp Raiko, in
+plaats van het geneesmiddel te nemen, den beker naar diens hoofd, en
+trachtte hem, na zijn zwaard te hebben getrokken, te dooden. Een luide
+kreet van pijn weerklonk door het vertrek, maar op het oogenblik,
+dat de knaap uit het vertrek wegvloog, wierp hij iets naar Raiko
+toe. Het spreidde zich uit tot een reusachtig, wit kleverig web,
+dat zich zóó stevig aan Raiko vasthechtte, dat hij zich nauwelijks
+kon bewegen. Zoodra hij het web met zijn zwaard had doorgesneden,
+omringde hem weer een ander. Raiko riep toen om hulp, en zijn eerste
+bediende ontmoette den boosdoener in één der gangen en hield hem
+met getrokken zwaard tegen. Ook over hem wierp de Booze Geest een
+web. Toen het hem eindelijk gelukt was, zich los te maken, en hij
+in staat was het vertrek zijns meesters binnen te hollen, zag hij,
+dat Raiko eveneens het slachtoffer van de Tooverspin was geworden.
+
+De Tooverspin werd eindelijk ontdekt in een kelder, waar hij kermde
+van de pijn, terwijl bloed uit een wond aan zijn kop stroomde, welke
+wond door een zwaard was toegebracht. Onmiddellijk werd hij gedood,
+en met zijn dood verdween ook de kwade invloed, die de oorzaak geweest
+was van de ernstige ziekte van Raiko. Van dat oogenblik af kreeg de
+held zijn gezondheid en kracht weer terug, terwijl er een weelderige
+feestmaaltijd ter eere van de heugelijke gebeurtenis werd aangericht.
+
+
+
+
+Een andere Lezing.
+
+Er is nog een andere lezing van deze legende, welke afkomstig is van
+Kenko Hoshi; deze verschilt in een aantal bijzonderheden zóózeer van
+de legende, die wij hebben medegedeeld, dat zij als een geheel nieuw
+verhaal kan worden beschouwd. Als wij die lezing niet mededeelden,
+zouden wij de legende berooven van haar sombersten vorm, die tot nu
+toe voor den gewonen lezer niet toegankelijk is geweest [6].
+
+Op zekeren dag vertrok Raiko uit Kyoto met Tsuna, den meest waardigen
+van zijn volgelingen. Toen zij de vlakte van Rendai doortrokken, zagen
+zij een doodshoofd in de lucht opstijgen, en voor hen wegvluchten,
+alsof het door den wind werd voortgedreven, totdat het eindelijk
+verdween op een plaats, Kagura ga Oka genaamd.
+
+Raiko en zijn metgezel bemerkten, zoodra zij het doodshoofd hadden
+zien verdwijnen, een huis in puinhoopen vóór zich. Raiko trad dit
+verwoeste huis binnen, en zag een oude vrouw zitten met een vreemd
+uiterlijk. Zij was in het wit gekleed en had wit haar; zij opende haar
+oogen met een klein stokje, en haar bovenste oogleden vielen als een
+hoed over haar hoofd; daarna gebruikte zij het stokje om haar mond
+te openen, en liet dan haar borst over haar knieën vallen. Daarna
+sprak zij den verbaasden Raiko aldus aan:
+
+"Ik ben tweehonderd negentig jaar oud. Ik dien negen meesters, en in
+het huis, waarin gij staat, dwalen booze geesten rond."
+
+Nadat hij die woorden had gehoord, wandelde Raiko de keuken binnen,
+en toen hij een haastigen blik op de lucht had geslagen, zag hij,
+dat een vreeselijke storm in aantocht was. Toen hij er op lette,
+hoe de donkere wolken zich opeenpakten, hoorde hij een geluid van
+spookachtige voetstappen, en traden een groot aantal spoken het vertrek
+binnen, En dit waren niet de eenige bovennatuurlijke wezens, die Raiko
+ontmoette, want onmiddellijk daarna zag hij een wezen, als een non
+gekleed. Haar ontzettend klein lichaam was naakt tot aan haar middel,
+haar gelaat was twee voet lang en "haar armen waren wit als sneeuw en
+dun als draden." Een kort oogenblik lachte dit afschuwelijke wezen,
+waarna het in den nevel verdween.
+
+Raiko hoorde met welgevallen naar het kraaien van een haan, en meende,
+dat de spookachtige bezoekers hem niet meer zouden hinderen; maar
+weder hoorde hij voetstappen, en nu zag hij geen afschuwelijke heks,
+maar een bekoorlijke vrouw, "sierlijker dan de wilgentakken, als zij
+door een zacht windje gewiegeld worden". Toen hij dit liefelijke
+meisje aanstaarde, werden zijn oogen een oogenblik verblind door
+haar schitterende schoonheid. Voordat hij het gezicht terugkreeg,
+zag hij, dat hij gehuld was in ontelbare spinnewebben. Hij sloeg met
+zijn zwaard naar haar, en toen verdween zij, terwijl het bleek, dat
+hij de planken van den vloer had doorgehakt en den hoeksteen onder
+den vloer had gebroken.
+
+Op dit oogenblik kwam Tsuna bij zijn meester, en zij bemerkten, dat het
+zwaard bedekt was met bloed, en dat de punt in den strijd gebroken was.
+
+Na lang zoeken ontdekten Raiko en zijn onderhoorige een hol, waarin zij
+een monster zagen met verschillende pooten en een kop van ontzaglijke
+grootte, met donzig haar bedekt. Zijn groote oogen schenen als de
+zon en de maan, terwijl hij luide kreunde: "Ik ben ziek en heb pijn."
+
+Toen Raiko en Tsuna naderbij kwamen, herkenden zij de afgebroken punt
+van het zwaard, die uit het monster uitstak. De helden trokken het
+schepsel toen uit zijn hol en hakten zijn hoofd af. Uit de diepe
+wond in zijn buik kwamen negentienhonderd negentig doodshoofden
+voor den dag en bovendien nog een aantal spinnen, zoo groot als
+kinderen. Raiko en zijn geleider kwamen tot de ontdekking, dat het
+monster vóór hen niets anders was dan de Spin op den Berg. Toen zij
+het groote geraamte opensneden, vonden zij binnen de ingewanden de
+spookachtige overblijfselen van een aantal menschenlijken.
+
+
+
+De Avonturen van Prins Yamato Take.
+
+Koning Keiko beval zijn jongsten zoon, Prins Yamato, weg te trekken
+en een aantal roovers te dooden. Vóór zijn vertrek bad de Prins aan
+de altaren van Isé, en smeekte, dat Ama-terasu, de Godin der Zon, zijn
+onderneming zou zegenen. De tante van Prins Yamato was hoogepriesteres
+in één der tempels te Isé, en hij deelde haar mede, welke taak zijn
+vader hem had toevertrouwd. De brave dame was zeer verheugd, toen zij
+dat nieuws hoorde, en schonk haar neef een kostbaar zilveren kleed,
+met de mededeeling, dat het hem geluk zou brengen en hem misschien
+later van dienst zou zijn.
+
+Toen Prins Yamato naar het paleis was teruggekeerd en afscheid van
+zijn vader had genomen, verliet hij het hof, vergezeld van zijn
+vrouw, Prinses Ototachibana, en een aantal beproefde volgelingen,
+en begaf zich naar het Zuidelijk Eiland Kiushiu, dat door roovers
+werd verpest. De streek was zóó ruw en ondoordringbaar, dat Prins
+Yamato onmiddellijk zag, dat hij het ééne of andere listige plan
+moest beramen, ten einde den vijand onverhoeds aan te vallen.
+
+Toen hij tot dit besluit was gekomen, vroeg hij Prinses Ototochibana,
+hem het kostbare zijden kleed te brengen, dat zijn tante hem had
+geschonken. Hij trok dit aan, daarbij naar alle waarschijnlijkheid
+geholpen door zijn vrouw. Hij liet zijn haar vallen, stak daar een
+kam in, en tooide zich op met juweelen. Toen hij in een spiegel zag,
+was hij overtuigd, dat de vermomming volmaakt was, en dat hij er als
+een bijzonder mooie vrouw uitzag.
+
+Zoo kostbaar aangekleed, ging hij de tent van zijn vijand binnen,
+waar Kumaso en Takeru gezeten waren. Toevallig spraken zij juist
+over den zoon des Konings en over zijn pogingen, hun rooverbende
+uit te roeien. Toen zij opkeken, zagen zij, dat een schoone vrouw op
+hen afkwam.
+
+Kumaso was zóó verheugd, dat hij den vermomden Prins toewenkte
+en hem verzocht, zoo spoedig mogelijk wijn te schenken. Yamato was
+bijzonder in zijn schik, dat hij dit kon doen. Hij wendde vrouwelijke
+verlegenheid voor. Hij liep met zeer kleine stapjes, en keek schuin
+uit zijn ooghoeken met al de verlegenheid van een bloode maagd.
+
+Kumaso dronk veel meer wijn dan goed voor hem was. Hij bleef voortgaan
+met drinken, ten einde het genot te hebben, te zien, hoe aanminnig
+dat liefelijke wezen den wijn voor hem inschonk.
+
+Toen Kumaso dronken was, wierp Prins Yamato de kruik met wijn neer,
+trok zijn dolk uit de scheede, en stak hem dood.
+
+Toen Takeru zag, wat zijn broeder overkomen was, trachtte hij te
+ontsnappen, maar Prins Yamato sprong op hem toe. Ten tweeden male
+flikkerde zijn dolk in de lucht, en ook Takeru viel ter aarde.
+
+"Houd uw hand een oogenblik in", hijgde de stervende roover. "Ik
+zou zoo gaarne willen weten, wie gij zijt en van waar gij gekomen
+zijt. Tot nu toe dacht ik, dat mijn broeder en ik de sterkste mannen
+van het rijk waren. Ik blijk mij echter vergist te hebben."
+
+"Ik ben Yamato" zeide de Prins, "de zoon van den Koning, die mij beval,
+zulke roovers als gij te dooden!" "Sta mij toe, u een nieuwen naam
+te geven", zeide de roover beleefd. "Van nu af aan zult gij Yamato
+Take genoemd worden, daar gij de dapperste man in het land zijt."
+
+Na zoo gesproken te hebben, viel Takeru dood achterover.
+
+
+
+Het Houten Zwaard.
+
+Toen de Prins op den terugweg was naar de hoofdstad, ontmoette hij
+weer een bandiet, Idzumo Takeru genaamd. Weer maakte hij gebruik van
+een krijgslist, en deed zich voor, alsof hij dien kerel bijzonder
+goed gezind was. Hij sneed een houten zwaard en sloeg dit met geweld
+vast in de scheede van zijn eigen stalen wapen. Hij droeg dit telkens,
+als hij dacht Takeru te ontmoeten.
+
+Bij zekere gelegenheid noodigde Prins Yamato Takeru uit, met hem in de
+rivier Hinokawa te gaan zwemmen. Terwijl de roover stroomafwaarts zwom,
+landde de Prins heimelijk, en na zich begeven te hebben naar de plaats
+aan den oever, waar de kleeren van Takeru lagen, gelukte het hem,
+diens zwaard tegen het zijne te verruilen, door zijn houten zwaard
+te plaatsen, waar het scherpe stalen zwaard van Takeru gelegen was.
+
+Toen Takeru uit het water was gekomen en zijn kleeren had aangetrokken,
+vroeg hem de Prins, zijn bekwaamheid in het hanteeren van het zwaard
+te toonen, "Wij zullen," zoo sprak hij, "onderzoeken, wie van ons
+beiden de beste krijgsman is."
+
+Daartoe volstrekt niet ongenegen, trachtte Takeru zijn zwaard uit
+de scheede te trekken. Het bleef vastzitten, en daar het van hout
+was, zou het hem natuurlijk toch niet van nut geweest zijn. Terwijl
+de roover aldus druk bezig was, sloeg Yamato hem het hoofd af. Ten
+tweede male was zijn slimheid hem te stade gekomen, en toen hij naar
+het paleis terugkeerde, werd hij feestelijk onthaald, en ontving hij
+een aantal kostbare geschenken van zijn koninklijken vader.
+
+
+
+Het "Gras-Klievende-Zwaard".
+
+Prins Yamato bleef niet lang in ledigheid in het paleis, want
+zijn vader beval hem, weg te gaan, om een opstand der Ainu's in de
+oostelijke provincies te onderdrukken.
+
+Toen de Prins gereed was te vertrekken, gaf hem de Koning een speer,
+van een hulstboom vervaardigd, welke de "Achttien-Arm-Lange-Speer" werd
+genoemd. Met dit kostbare geschenk bezocht Prins Yamato de tempels
+van Isé. Zijn tante, de hooge-priesteres, begroette hem weer. Zij
+luisterde met belangstelling naar alles, wat haar neef haar verhaalde,
+en was bovenal verheugd, toen zij vernam hoe uitnemend het kleed,
+dat zij hem had gegeven, hem te pas was gekomen.
+
+Toen zij naar zijn verhaal had geluisterd, ging zij den tempel binnen,
+en bracht zij een zwaard mede en een zak, die vuursteenen bevatte. Zij
+gaf deze als een afscheidsgeschenk aan Yamato.
+
+Het zwaard was het zwaard van Murakumo, dat behoorde tot de insigniën
+van het Keizerlijk Huis van Japan. De Prins kon wel geen passender
+geschenk hebben ontvangen. Dit zwaard behoorde eertijds, zooals men
+zich zal herinneren, aan de Goden, en werd door Susa-no-o ontdekt.
+
+Na een langen tocht kwamen Prins Yamato en zijn volgelingen in de
+provincie Suruga. De gouverneur ontving hen gastvrij, en bij wijze
+van feestelijk onthaal organiseerden zij een hertenjacht. Onze held
+was op zijn beurt nu ook eens het slachtoffer van de sluwheid zijner
+tegenstanders, en voegde zich bij de jacht zonder eenige achterdocht.
+
+De Prins werd gebracht naar een groote en woeste vlakte, met hoog
+gras bedekt. Terwijl hij bezig was het wild op te jagen, ontdekte
+hij plotseling vuur in zijn nabijheid. In een oogenblik tijds zag
+hij vlammen en rookwolken in iedere richting opstijgen. Hij was
+omringd door vuur, waaruit hij blijkbaar niet kon ontsnappen. Te
+laat ontdekte de argelooze krijgsman, dat hij in een hinderlaag was
+gevallen en dat het vuur hem wel dicht aan de schenen werd gelegd!
+
+Onze held opende de tasch, die zijn tante hem had gegeven, stak het
+gras in zijn nabijheid in brand, en met het zwaard van Murakumo sneed
+hij de groote groene halmen zoo snel mogelijk af. Nauwelijks had hij
+dit gedaan, of de wind draaide plotseling om, en joeg de vlammen van
+hem weg, zoodat de Prins ten slotte kon ontsnappen zonder zich ook
+maar eenigszins te hebben gebrand. En zoo geschiedde het, dat het
+zwaard van Murakumo bekend werd als het "Gras-Klievende-Zwaard".
+
+
+
+
+Het Offer van Ototachibana.
+
+In al die avonturen was de Prins gevolgd door zijn getrouwe gade,
+Prinses Ototachibana. Het is wel treurig te vertellen, maar onze
+held, hoe voortreffelijk ook in den strijd, was lang niet zoo te
+prijzen en te achten als echtgenoot. Hij zag op zijn vrouw neer en
+behandelde haar met groote onverschilligheid. Zij had, arme ziel,
+haar schoonheid verloren in den dienst van haar heer. Haar huid was
+door de zon verbrand en haar kleederen waren bevlekt en gescheurd. Toch
+klaagde zij nooit, en hoewel haar gelaat droevig werd, deed zij dapper
+haar best, haar gewone zachtheid van karakter te behouden.
+
+Prins Yamato kwam nu toevallig in aanraking met de betooverende
+Prinses Miyadzu. Haar kleederen waren bekoorlijk, haar huid zoo fijn en
+zacht als kersenbloesem. Het duurde niet lang, of hij werd smoorlijk
+op haar verliefd. Toen de tijd van vertrek voor hem naderde, zwoer
+hij, dat hij spoedig zou terugkeeren en de schoone Prinses Miyadzu
+tot zijn vrouw zou maken. Nauwelijks had hij die belofte afgelegd,
+of hij keek op en zag Ototachibana, en op haar gelaat lag een blik
+van diepe treurigheid. Maar Prins Yamato verhardde zijn gemoed en
+reed weg, heimelijk besloten zijn belofte te houden.
+
+Toen Prins Yamato met vrouw en volgelingen de zeekust van Idzu
+bereikte, wenschten zijn manschappen een aantal booten machtig te
+worden, ten einde de zeeëngte van Kadzusa over te trekken.
+
+De Prins riep hooghartig: "Maar dit is niets dan een beekje! waartoe
+zooveel booten? Ik zou er wel overheen kunnen springen!"
+
+Toen zij allen aan boord gestegen waren en de reis hadden aangevangen,
+stak er een groote storm op. De golven stegen hemelhoog, de wind
+loeide, de bliksem flikkerde in de donkere wolken, en de donder
+bulderde. Het scheen wel, alsof de boot, die den Prins en zijn vrouw
+droeg, noodzakelijk moest zinken, immers de storm was het werk van
+Rin-Jin, den Koning der Zee, die vertoornd was over de trotsche en
+dwaze woorden van Prins Yamato.
+
+Toen de bemanning de zeilen gereefd had, in de hoop het schip
+weer vast te leggen, werd de storm heftiger in plaats van te gaan
+liggen. Eindelijk stond Ototachibana op, en na haar heer vergiffenis
+te hebben geschonken voor al het leed, dat deze haar had aangedaan,
+besloot zij haar leven op te offeren, ten einde haar teer geliefden
+echtgenoot te redden.
+
+Zoo sprak dan de trouwe Ototachibana: "O, Rin-Jin, de Prins, mijn
+echtgenoot, heeft u met zijn pochen boos gemaakt. Ik, Ototachibana,
+geef u mijn arm leven in de plaats van dat van Yamato Take. Ik werp
+mij nu in uw groot golvend rijk, maar wilt gij dan ook van uw kant
+mijn echtgenoot veilig naar de kust brengen."
+
+Na die woorden te hebben gesproken, sprong Ototachibana in de kokende
+golven, die in een oogenblik tijds de dappere vrouw uit het gezicht
+sleepten. Nauwelijks had zij dit offer gebracht, of de storm ging
+liggen en de zon scheen aan een wolkeloozen hemel.
+
+Yamato Take bereikte zijn bestemming, en slaagde er in, den opstand
+der Ainu's te onderdrukken.
+
+Onze held had ongetwijfeld misdreven in de wijze, waarop hij zijn
+trouwe vrouw had behandeld. Eerst te laat leerde hij haar goedheid
+op prijs stellen; maar tot zijn eer zij gezegd, dat hij haar tot aan
+zijn dood in liefde bleef gedenken, terwijl Prinses Miyadzu geheel
+vergeten werd.
+
+
+
+
+Het Dooden van de Slang.
+
+Nadat aldus Yamato Take de opdracht van zijn vader had volbracht,
+trok hij door de provincie Owari, totdat hij kwam in de provincie Omi.
+
+De provincie Omi leed onder een groote ramp. Velen waren in rouw, en
+velen weenden en schreeuwden luid in hun smart. Toen de Prins navraag
+deed naar de reden dier droefheid, hoorde hij, dat een groote slang
+dagelijks van de bergen afdaalde en de dorpen binnenkwam, om zich te
+voeden met een aantal ongelukkige inwoners.
+
+Prins Yamato ging onmiddellijk op weg om den berg Ibaki te beklimmen,
+waar volgens de hem verstrekte mededeelingen de slang verblijf
+hield. Omstreeks halfweg ontmoette hij het vreeselijke monster. De
+Prins was zóó sterk, dat hij de slang doodde, door zijn bloote armen om
+haar heen te slaan. Nauwelijks had hij dit gedaan, of plotseling viel
+duisternis over het land en viel de regen in stroomen neder. Later
+echter klaarde het weder op, en was onze held in staat, den berg af
+te dalen.
+
+Toen hij zijn huis bereikte, bleek het, dat zijn voeten van een vreemde
+pijn brandden, en bovendien, dat hij zich zeer ziek voelde. Hij
+kwam tot de ontdekking, dat de slang hem had gestoken, en daar hij
+te ziek was om zich te bewegen, werd hij naar een geneeskrachtige
+bron gebracht. Hier kreeg hij volkomen zijn vroegere gezondheid en
+kracht terug, en voor die zegeningen bracht hij dank aan Ama-terasu,
+de Godin der Zon.
+
+
+
+De Avonturen van Momotaro.
+
+Op zekeren dag zag een oude vrouw, die aan den oever der rivier bezig
+was haar kleeren te wasschen, toevallig een reusachtige perzik,
+die op het water dreef. Het was verreweg de grootste perzik, die
+zij ooit had gezien, en daar die oude vrouw en haar man bijzonder
+arm waren, dacht zij er onmiddellijk aan, wat een uitnemend maal die
+buitengewonen perzik zou opleveren. Toen zij geen stok kon vinden,
+om daarmede de vrucht naar den oever te trekken, herinnerde zij zich
+plotseling het volgende versje:
+
+
+ "Het verwijderde water is bitter,
+ Het nabijgelegen water is zoet;
+ Ga voorbij het verwijderde water,
+ En kom in het water zoo zoet."
+
+
+Dit kleine liedje had het gewenschte gevolg. De perzik kwam hoe langer
+hoe naderbij, totdat zij stil bleef liggen aan de voeten der oude
+vrouw. Zij bukte en raapte haar op. Zij was zóó verheugd over haar
+ontdekking, dat zij het niet kon uithouden, daar langer te blijven
+wasschen, maar zich zoo spoedig mogelijk naar huis begaf.
+
+Toen haar echtgenoot 's avonds terugkeerde, met een bundel gras op
+zijn rug, haalde de oude vrouw opgewonden de perzik uit de kast en
+liet hem die zien.
+
+De oude man, die vermoeid en hongerig was, was evenals zijn vrouw
+verheugd bij de gedachte aan een zoo heerlijk maal. Hij droeg spoedig
+een mes aan, en was juist op het punt de perzik door te snijden,
+toen die plotseling van zelf openging, en het schoonste kind, dat
+men zich kan voorstellen, er met een vroolijken lach uitrolde.
+
+"Weest niet bevreesd," zeide de kleine knaap. "De Goden hebben gehoord,
+hoezeer gij naar een kind hebt verlangd, en hebben mij gezonden,
+om een troost en een verkwikking voor u te zijn in uw oude dagen."
+
+Het oude paar was zóó overstelpt van vreugde, dat zij nauwelijks
+wisten, hoe zij zich moesten gedragen. Ieder van hen op de beurt
+koesterde en liefkoosde het kind, en mompelde lieve en hartelijke
+woordjes. Zij noemden hem Momotaro of "Zoon van een Perzik".
+
+Toen Momotaro vijftien jaar oud was, was hij veel langer en sterker
+dan andere jongens van zijn leeftijd. In zijn aderen brandde de lust,
+een dappere held te worden, en de ridderlijke heldenmoed, dier er
+naar verlangde, onrecht te herstellen.
+
+Op zekeren dag kwam Momotaro bij zijn pleegvader en vroeg hem, of hij
+hem wilde toestaan, een groote reis te ondernemen naar een zeker eiland
+in de Noord-Oostelijke Zee, waar een aantal duivels woonden, die een
+groote menigte onschuldige menschen hadden gevangen genomen, van wie
+zij er velen verslonden. Hun boosaardigheid was boven beschrijving,
+en Momotaro wenschte hen te dooden, de ongelukkige gevangenen te
+bevrijden, en een grooten buit van het eiland mede te brengen, ten
+einde dien met zijn pleegouders te deelen.
+
+De oude man was niet weinig verbaasd, toen hij dit onversaagde plan
+vernam. Hij wist, dat Momotaro geen gewoon kind was. Hij was uit den
+hemel gezonden, en hij was van oordeel, dat geen duivels ter wereld
+hem kwaad konden doen. Op dien grond gaf de oude man eindelijk zijn
+toestemming en zeide: "Ga, Momotaro, dood de duivels en breng vrede
+aan het land."
+
+Toen de oude vrouw Momotaro een aantal rijstkoeken had gegeven,
+nam de jongeling afscheid van zijn pleegouders, en trok hij uit,
+om zijn tocht te beginnen.
+
+
+
+
+De Zege van Momotaro.
+
+
+Terwijl Momotaro onder een haag rustte en één der rijstkoeken at,
+kwam een groote hond op hem af, die gromde en zijn tanden liet
+zien. Bovendien kon de hond spreken, en vroeg Momotaro dreigend, hem
+een rijstkoek te geven. "Ge moet mij òf een koek geven," zoo sprak hij,
+"òf ik zal u dooden."
+
+Toen de hond echter hoorde, dat de beroemde Momotaro vóór hem stond,
+nam hij zijn staart tusschen de pooten, en boog met den kop naar den
+grond, terwijl hij verzocht den "Zoon van een Perzik" te mogen volgen
+en hem alle diensten te mogen bewijzen, die in zijn macht lagen.
+
+Momotaro nam volgaarne dit aanbod aan, en nadat hij den hond een
+halven koek had toegeworpen, gingen zij samen op weg.
+
+Zij hadden nog geen grooten afstand afgelegd, toen zij een aap
+ontmoetten, die eveneens vroeg, in den dienst van Momotaro te worden
+opgenomen. Dit werd toegestaan, maar het duurde eenigen tijd, voordat
+de hond en de aap in vrede samen konden omgaan, zonder elkander te
+willen bijten.
+
+Toen zij hun weg vervolgden, kwamen zij een fazant tegen. Nu ontwaakte
+weer de ingeboren afgunst van den hond, en hij liep naar voren en
+trachtte den schoon gevederden vogel te dooden. Momotaro scheidde de
+vechtenden, en ten slotte werd ook de fazant opgenomen in den kleinen
+stoet, terwijl hij keurig in de achterhoede marcheerde.
+
+Eindelijk bereikten Momotaro en zijn volgelingen de kust der
+Noord-Oostelijke Zee. Hier vond onze held een boot, en na eenig
+tegenspartelen van hond, aap en fazant, gingen zij allen aan boord,
+en spoedig gleed het scheepje over de blauwe zee.
+
+Na dagen lang op den oceaan te hebben gevaren, zagen zij in de
+verte een eiland. Momotaro beval den vogel weg te vliegen, als een
+gevleugelde bode, om zijn komst aan te kondigen, en de duivels te
+bevelen zich over te geven.
+
+De fazant vloog over de zee, en zette zich na de landing neer op het
+dak van een groot kasteel, waar hij zijn schrikwekkende boodschap
+toeschreeuwde, waaraan hij toevoegde, dat de duivels als teeken van
+onderwerping hun horens moesten afbreken.
+
+De duivels lachten slechts om dat bevel en schudden hun horens en
+hun ruig, rood haar. Daarna droegen zij ijzeren staven aan, die zij
+woedend naar den vogel slingerden. De fazant ontweek verstandig de
+werptuigen, en vloog naar het hoofd van een aantal duivels.
+
+Intusschen was Momotaro met zijn beide makkers geland. Nauwelijks
+had hij dit gedaan, of hij zag twee schoone meisjes aan den oever van
+een rivier weenen, terwijl zij met bloed gedrenkte kleeren uitwrongen.
+
+"Ach!" zoo spraken zij treurig, "wij zijn dochters van _daimyos_,
+en zijn thans de gevangenen van den Boozen Geest, die Koning is over
+dit vreeselijke eiland. Hij zal ons spoedig dooden, en er is, helaas,
+niemand, om ons te hulp te komen." Na die opmerking te hebben gemaakt,
+weenden de vrouwen op nieuw.
+
+"Dames", zeide Momotaro, "ik ben hier gekomen, met het doel uw booze
+vijanden te verslaan. Wijst mij een weg, om gindsch kasteel binnen
+te dringen."
+
+Aldus kwamen Momotaro, de hond en de aap door een smalle deur het
+paleis binnen. Toen zij eenmaal de vesting waren binnengedrongen,
+vochten zij hardnekkig. Een groot aantal duivels waren zóó verschrikt,
+dat zij van de borstweringen afvielen, en te pletter vielen, terwijl
+andere onmiddellijk gedood werden door Momotaro en zijn makkers. Allen
+werden gedood behalve de Koning, doch deze besloot verstandig, zich
+over te geven, en smeekte, dat zijn leven mocht gespaard worden.
+
+"Neen", zeide Momotaro woedend. "Ik wil uw laaghartig leven niet
+sparen. Gij hebt een aantal onschuldige menschen gepijnigd en het
+land jaren lang geplunderd."
+
+Na die woorden te hebben gesproken, stelde hij den Koning onder de
+bewaking van den aap, en ging daarna door al de vertrekken van het
+kasteel, terwijl hij de talrijke gevangenen, die hij daar vond,
+bevrijdde.
+
+De terugreis was een vroolijke tocht. De hond en de fazant droegen
+samen den schat, terwijl Momotaro den Koning medevoerde.
+
+Momotaro liet de twee dochters der _daimyos_ naar haar huis vertrekken,
+benevens een aantal anderen, die op het eiland gevangen genomen
+waren. Het geheele land verheugde zich in die overwinning, maar
+niemand meer dan de pleegouders van Momotaro, die hun dagen verder
+doorbrachten in vrede en overvloed, dank zij den grooten schat der
+duivels, die Momotaro hun had geschonken.
+
+
+
+
+"Mijn Heer Zak met Rijst".
+
+Op zekeren dag kwam de groote Hidesato bij een brug, die over het
+schoone meer Biwa was gespannen. Hij was op het punt, de brug over
+te trekken, toen hij een slangendraak in diepen slaap zag, die hem
+in den weg lag. Hidesato klom zonder een oogenblik aarzelens over
+het monster heen en vervolgde zijn weg.
+
+Hij was nog niet ver voortgeschreden, toen hij hoorde, dat iemand hem
+riep. Hij zag om, en zag, dat op de plaats van den draak een man stond,
+die met veel plichtplegingen voor hem boog. Het was een man met een
+vreemd uiterlijk, op wiens rood haar een kroon geplaatst was in den
+vorm van een draak.
+
+"Ik ben de Drakenkoning van het meer Biwa", zoo sprak de roodharige
+man. "Een oogenblik geleden nam ik den vorm aan van een vreeselijk
+monster, in de hoop, een sterveling te vinden, die niet bang voor mij
+was. Gij, o Heer, hebt geen vrees getoond, en ik ben daarover zeer
+verheugd. Een groote honderdpoot komt telkens van gindsche berg af,
+komt mijn paleis binnen en dood mijn kinderen en kleinkinderen. Één
+voor één zijn zij voedsel geworden voor dit ontzaglijke monster, en
+ik vrees, dat, als er niets gedaan kan worden, om dat dier te dooden,
+ik spoedig zelf het slachtoffer zal worden. Lang heb ik reeds op een
+dapper sterveling gewacht. Alle mannen, die mij tot nu toe in mijn
+drakengestalte hebben gezien, zijn weggeloopen. Gij zijt een dapper
+man, en ik smeek u, mijn bitteren vijand te dooden."
+
+Hidesato, wien een avontuur altijd welkom was, te meer als er gevaar
+aan verbonden was, stemde er onmiddellijk in toe, te probeeren,
+wat hij voor den Drakenkoning kon doen.
+
+Toen Hidesato het paleis van den Drakenkoning bereikte, bleek het
+een prachtig gebouw te zijn, nauwelijks minder schoon dan het paleis
+van den Zeekoning zelf. Hij werd onthaald op gekristalliseerde
+lotusbladeren en bloemen en at de lekkernijen, die te kust en te
+keur hem werden voorgezet. Terwijl hij smulde, dansten tien kleine
+goudvischjes, en vlak achter de goudvischjes maakten tien karpers
+liefelijke muziek op de _koto_ en de _samisen_. Juist dacht Hidesato
+er over na, hoe voortreffelijk hij onthaald was, en hoe bijzonder
+lekker de wijn was, toen zij allen een vreeselijk leven hoorden,
+als een dozijn donderslagen, die te gelijk losbraken.
+
+Hidesato en de Drakenkoning stonden haastig op en liepen naar het
+balkon. Zij zagen, dat de berg Mikami nauwelijks te herkennen was,
+daar hij van den top tot den voet bedekt was door den ontzaglijken
+honderdpoot. In zijn kop gloeiden twee vuurballen en zijn honderd
+pooten waren als een lange, kronkelende ketens lantarens.
+
+Hidesato deed een pijl op zijn boog en trok toen de pees met alle
+kracht aan. De pijl vloog door de lucht en trof den honderdpoot in
+het midden van den kop, maar sprong terug zonder een wond te hebben
+veroorzaakt. Weer liet Hidesato een pijl voortsuizen, weer trof die
+pijl het monster, maar weer viel hij op den grond, zonder schade te
+hebben berokkend. Hidesato had nog slechts één pijl over. Plotseling
+herinnerde hij zich de tooverwerking van menschelijk speeksel,
+en daarom stak hij de punt van den laatst overgebleven pijl een
+oogenblik in zijn mond, waarna hij dien haastig op den boog legde en
+nauwkeurig mikte.
+
+De laatste pijl trof doel en doorboorde de hersenen van het
+monster. Het bewoog zich niet langer; het licht in zijn oogen en
+pooten verzwakte en ging eindelijk uit, en het meer Biwa, met zijn
+onderzeesch paleis, werd in diepe duisternis gehuld. De donder raasde,
+de bliksem flitste, en een oogenblik scheen het, alsof het paleis
+van den Drakenkoning op den grond zou vallen.
+
+Den volgenden dag was ieder teeken van den storm verdwenen. De
+lucht was helder. De zon scheen schitterend aan den hemel. En in het
+fonkelende blauwe meer lag het lijk van den grooten honderdpoot.
+
+De Drakenkoning en zijn omgeving waren bijzonder verheugd, toen
+zij zagen, dat hun gevreesde vijand gedood was. Hidesato werd weer
+feestelijk onthaald, zelfs nog vorstelijker dan te voren. Toen hij
+eindelijk vertrok, deed hij dit met een stoet van visschen, die
+plotseling in mannen veranderden. De Drakenkoning schonk onze held
+vijf kostbare gaven: twee klokken, een zak met rijst, een rol zijde
+en een kookpan.
+
+De Drakenkoning vergezelde Hidesato tot aan de brug, en toen liet hij
+schoorvoetend toe, dat onze held met den grooten stoet van dienaren,
+die de geschenken droegen, wegtrok.
+
+Toen Hidesato zijn huis bereikte, legden de dienaren de geschenken
+van den Drakenkoning neer en verdwenen plotseling.
+
+De geschenken waren geen gewone gaven. De zak met rijst was
+onuitputtelijk, er was evenmin een einde aan de rol zijde, en in de
+kookpan kon gekookt worden zonder vuur. Alleen de klokken hadden
+geen magische eigenschappen; deze werden aan een naburigen tempel
+aangeboden. Hidesato werd rijk, en zijn roem verspreidde zich wijd en
+zijd. Het volk noemde hem nu niet langer Hidesato, maar Tawara Toda,
+of "Mijn Heer Zak met Rijst".
+
+
+
+
+HOOFDSTUK III. DE BAMBOESNIJDER EN HET MAANMEISJE.
+
+
+
+De komst van de Edele Vrouwe Kaguya.
+
+
+Lang geleden leefde er een oude bamboesnijder, die den naam droeg van
+Sanugi no Miyakko. Toen hij op zekeren dag met zijn hakmes bezig was
+in een bamboeboschje, zag hij plotseling een wonderbaarlijk licht,
+en bij nadere beschouwing ontdekte hij binnen in een riet een klein
+schepseltje van buitengewone schoonheid. Hij nam voorzichtig het
+tengere meisje op, dat slechts tien centimeter groot was, en droeg
+het naar huis naar zijn vrouw. Het kleine meisje was zóó fijn, dat
+het in een mandje moest worden opgekweekt.
+
+Het geschiedde nu, dat de bamboesnijder zijn gewone werkzaamheden
+voortzette, maar dag en nacht vond hij, als hij het riet afsneed,
+goud, en terwijl hij oorspronkelijk arm was geweest, verzamelde hij
+nu een aanzienlijk vermogen.
+
+Nadat het meisje nog slechts drie maanden bij dat eenvoudige landvolk
+had doorgebracht, groeide zij plotseling in lengte op tot een volwassen
+maagd; en opdat zij in haar optreden en uiterlijk met dit heugelijke
+en verwonderlijke feit in harmonie zou zijn, werden haar nu de haren,
+die tot nu toe in lange vlechten over haar schouders lagen, op het
+hoofd opgestoken. De bamboesnijder noemde het meisje later de Edele
+Kaguya, of "Kostbaar-Slank-Bamboe-van-het-Herfstveld". Toen zij haar
+naam had gekregen, werd een groot feest aangericht, waaraan alle
+buren deelnamen.
+
+
+
+Het Vrijen naar de Edele Vrouwe Kaguya.
+
+
+ "Als een vrouw iets schooner is dan de groote menigte,
+ hoezeer verlangen dan mannen, haar schoonheid te
+ aanschouwen!"--_Taketori_.
+
+
+De Edele Kaguya was nu de schoonste van alle vrouwen, en onmiddellijk
+na het feest verspreidde zich de faam van haar schoonheid over het
+geheele land. Zoogenaamde minnaars verzamelden zich om de heining
+en bleven wachten in het voorportaal, in de hoop ten minste een
+vluchtigen blik te kunnen slaan op die lieftallige maagd. Dag en
+nacht wachtten die ongelukkige wezens, maar te vergeefs. Zij die van
+nederige afkomst waren, begonnen langzamerhand in te zien, dat hun
+vrijage nutteloos was.
+
+Maar vijf vermogende vrijers bleven het volhouden, en wilden hun
+pogingen niet opgeven. Het waren Prins Ishizukuri en Prins Kuramochi,
+de Sadaijin Dainagon Abe no Miushi, de Chiunagon Otomo no Miyuki en
+Morotada, de Heer van Iso. Die vurige minnaars verdroegen "het ijs
+en de wintersneeuw en de met onweer bezwangerde hitte van het midden
+van den zomer met even groote vastberadenheid." Toen die aanzienlijke
+vrijers den bamboesnijder ten slotte vroegen, zijn dochter aan één
+van hen te schenken, antwoordde de oude man beleefd, dat het meisje in
+werkelijkheid zijn dochter niet was, en dat zij, nu dit het geval was,
+niet kon gedwongen worden aan zijn wenschen in die zaak te gehoorzamen.
+
+Eindelijk keerden de vrijers naar hun paleizen terug, maar bleven nog
+met grootere volharding voortgaan met hun smeekingen. Zelfs de zoo
+goedmoedige bamboesnijder begon bij de edele Kaguya aan te dringen,
+en als zijn meening kenbaar te maken, dat het voor een zoo schoone
+maagd passend was te huwen, terwijl zij toch uit de vijf edele vrijers
+ongetwijfeld een goede keuze zou kunnen doen. Daarop antwoordde de
+verstandige Kaguya: "Zóó schoon ben ik niet, dat ik zeker kan zijn
+van de trouw van een man, en als ik zou moeten leven met een man,
+wiens hart wispelturig bleek te zijn, wat een ellendig lot zou ik dan
+hebben! Ik twijfel er niet aan, of de mannen van wie gij spreekt,
+zijn aanzienlijke mannen, maar ik zou geen man willen huwen, wiens
+hart niet op de proef was gesteld en niet door en door gekend was".
+
+Eindelijk werd afgesproken, dat Kaguya zou huwen met den vrijer, die
+het waardigst bleek te zijn. Deze tijding bracht voor het oogenblik
+hoop aan de vijf aanzienlijke vrijers, en bij het aanbreken van
+den nacht kwamen zij bijeen vóór het huis, waar het meisje woonde,
+"met fluitspel en gezang, onder begeleiding der zangmuziek, met
+stappen op de maat en het openen en dichtslaan van waaiers". Alleen
+de bamboesnijder ging naar buiten, om de Edelen voor hun serenade te
+danken. Toen hij zijn huis weer was binnengetreden, ontvouwde Kaguya
+aldus haar plan, om de vrijers op de proef te stellen:
+
+"In Tenjiku (het Noordelijk deel van Indië) is een steenen bedelnap,
+die oudtijds door Buddha zelf gedragen werd; laat Prins Ishizukuri
+dien gaan zoeken, en mij brengen. En op den berg Horai, die hoog
+boven den Oostelijken Oceaan uitsteekt, groeit een boom met zilveren
+wortels en een gouden stam en zuiver witte juweelen vruchten, en ik
+verzoek Prins Kuramochi, daarheen te gaan, en een tak daarvan af te
+breken en hierheen te brengen. Verder vervaardigen de menschen in
+het land van Morokoshi kleederen van bont van het vel van de Rat die
+tegen het Vuur bestand is, en ik verzoek den Dainagon, een dergelijk
+kleed voor mij op te sporen. Dan eisch ik van den Chiunagon, dat hij
+den juweel met de regenboogkleuren opspoort, die zijn glans diep in
+den kop van den draak verbergt, en uit de handen van Heer Iso zou ik
+gaarne de zeeschelp willen ontvangen, die de zwaluw hierheen brengt
+over de breede vlakte der zee."
+
+
+
+
+De Bedelnap van den Buddha.
+
+Nadat Prins Ishizukuri er lang over had nagedacht, of hij wel naar het
+ver afgelegen Tenjiku zou gaan, om Buddha's bedelnap te zoeken, kwam
+hij tot het besluit, dat een dergelijke onderneming volstrekt geen nut
+had. Hij besloot daarom, den bedoelden nap na te maken. Sluw beraamde
+hij zijn plannen, en droeg er zorg voor, dat de Edele Kaguya bericht
+kreeg, dat hij werkelijk den tocht had ondernomen. In werkelijkheid
+bleef die sluwe vrijer drie jaar lang in Yamato verborgen, en vond
+na dien tijd in een klooster op een heuvel in Tochi een beker van
+hoogen ouderdom, die lag op een altaar van Binzuru (de Helper in
+Ziekte). Hij nam dien beker met zich mede, en wikkelde hem in brokaat,
+en bevestigde aan het geschenk een kunstig nagebootsten tak bloesems.
+
+Toen Kaguya den beker beschouwde, vond zij er binnen in een rol,
+waarop het volgende was geschreven:
+
+
+ "Over zeeën, over heuvels
+ Trok uw dienaar, en vermoeid
+ Gaat hij uitgeput te gronde:
+ Wat al tranen kost die steenen
+ Beker,
+ Wat een vloed van bittre tranen!"
+
+
+Maar toen Kaguya ontdekte, dat de beker geen licht uitstraalde, wist
+zij onmiddellijk, dat hij nooit aan Buddha had toebehoord. Zij zond
+dan ook den beker terug met het volgende gedicht:
+
+
+ Van den hangenden droppel dauw
+ Is de voorbijgaande glans
+ Zelfs niet hierin:
+ Op den Heuvel van 't Duister, den Heuvel
+ Van Ogura,
+ Wat hooptet gij daar te vinden?
+
+
+De Prins trachtte, na den beker te hebben weggeworpen, bovenstaand
+verwijt om te zetten in een compliment aan de dame, die het had
+neergeschreven, en antwoordde:
+
+
+ "Op schitt'rend lichten heuvel
+ Moet ied're glans
+ Verbleeken.
+ O, mocht verwijderd van het licht
+ Van uw schoonheid,
+ De glans van gindschen beker
+ Mijn trouw bewijzen!"
+
+
+Dit was een keurig uitgedrukt compliment, afkomstig van een minnaar,
+die niets dan een ijdele bluffer was. Die laatste poëtische
+ontboezeming hielp hem echter niets, en de Prins vertrok, treurig
+gestemd.
+
+
+
+
+De Tak van den Berg Horai, die Juweelen droeg.
+
+Prins Kuramochi was even sluw als zijn voorganger, en verspreidde
+overal het gerucht, dat hij op reis ging naar het land van Tsukushi,
+om den Tak te halen, die Juweelen droeg. Doch inderdaad deed hij niets
+anders dan zes man van de familie Uchimaro, beroemde handwerkslieden,
+in dienst te nemen, en voor hen een schuilplaats machtig te worden,
+die afgezonderd was van de verblijfplaats der menschen. Daar hield
+hij zich zelf eveneens verborgen, met het doel de handwerkslieden
+te leeren, hoe zij een Tak, die Juweelen droeg, konden maken, die
+volmaakt overeen kwam met den tak, door de Edele Kaguya beschreven.
+
+Toen het werk voltooid was, ging hij op weg, om zijn opwachting bij
+de schoone maagd te maken, die het volgende gedicht las, dat aan het
+geschenk was vastgehecht:
+
+
+ "Al ware het met gevaar
+ Voor eigen leven,
+ Zonder den met Juweelen beladen Tak
+ In mijn handen, zou ik nooit
+ Hebben durven terugkeeren!"
+
+
+De Edele Kaguya aanschouwde met smart den glinsterenden tak, en
+luisterde zonder belangstelling naar het verzonnen verhaal van de
+avonturen van den Prins. De Prins weidde uit over de verschrikkingen
+der zee, over vreemde monsters, over geleden honger, over ziekten
+en over beproevingen, door hem op den oceaan doorstaan. Daarna ging
+de onverbeterlijke leugenaar voort te beschrijven, hoe zij aan een
+hoogen berg gekomen waren, die uit de zee verrees, waar zij begroet
+werden door een vrouw, die een zilveren schaal droeg, welke zij met
+water vulde. Op den berg waren bewonderenswaardige bloemen en boomen,
+en een rivier "met kleuren van den regenboog, geel als goud, wit
+als zilver, blauw als kostbaar _ruri_ (lapis lazuli); en de rivier
+was overspannen met bruggen, gebouwd van verschillende soorten van
+edelsteenen, en daarnaast groeiden boomen, beladen met fonkelende
+juweelen, en van één van die boomen brak ik den tak af, dien ik het
+nu waag, aan de Edele Vrouwe Kaguya aan te bieden".
+
+Ongetwijfeld zou Kaguya gedwongen zijn geweest, aan dit vernuftige
+verhaal geloof te schenken, indien niet op ditzelfde oogenblik de
+zes handwerkslieden ten tooneele waren verschenen, die, door luide
+betaling te eischen voor den door hen vervaardigden Juweelen-Tak,
+het verraad van den Prins aan het daglicht brachten. Deze trok
+zich daarop ijlings terug. Kaguya betaalde zelf de handwerkslieden,
+ongetwijfeld gelukkig, dat zij zoo gemakkelijk was ontkomen.
+
+
+
+Het Kleed van Bont, dat tegen het Vuur bestand was.
+
+De Sadaijin (Linker Groote Minister) Abeno Miushi droeg een koopman,
+Wokei genaamd, op, voor hem een kleed van bont te ontbieden,
+vervaardigd van de Rat, die tegen het vuur bestand was, en toen het
+koopvaardijschip uit het land van Morokoshi was teruggekeerd, had het
+een kleed van bont onder de koopwaren, waarvan de Sadaijin in zijn
+vurige begeerte dacht, dat dit het voorwerp van zijn wenschen was. Het
+Bont-kleed rustte in een doos, en de Sadaijin, die vertrouwde op de
+eerlijkheid van den koopman, beschreef het als een kleed "zeegroen
+van kleur, waarvan de haren eindigden in punten van schitterend goud,
+een schat van onvergelijkelijke schoonheid, die zelfs nog meer te
+bewonderen was om zijn voortreffelijke zuiverheid dan om de eigenschap,
+dat hij de vuurvlammen kon weerstaan".
+
+De Sadaijin, die er van verzekerd was als minnaar te zullen slagen,
+ging verheugd op reis, om zijn geschenk aan de Edele Kaguya aan te
+bieden, terwijl hij er het volgende gedicht aan toevoegde:
+
+
+ "Eind'loos is het minnevuur,
+ Dat mij zengt, doch onverzengd
+ Is het Bont-kleed:
+ Doch mijn mouwen zijn nu droog,
+ Heden toch zal ik haar zien!"
+
+
+Eindelijk was de Sadaijin in de gelegenheid, zijn geschenk aan
+Kaguya aan te bieden. Zij sprak toen den bamboesnijder, die steeds
+op dergelijke oogenblikken ter juister tijd op het tooneel aanwezig
+schijnt te zijn geweest, aldus toe: "Indien dit kleed midden in het
+vuur wordt geworpen en niet verbrandt, dan zal ik weten, dat het
+inderdaad het kleed is, dat tegen het vuur is bestand, en zal dan
+niet langer het aanzoek van dezen minnaar afslaan". Een vuur werd
+aangestoken, en het kleed werd in de vlammen geworpen, waarin het
+onmiddellijk verging. "Toen de Sadaijin dit zag, werd zijn gelaat
+zoo groen als gras, en hij stond daar verstomd toe te zien." Maar de
+Edele Kaguya verheugde zich in stilte en zond de doos terug met het
+volgende gedicht:
+
+
+ "Zonder dat een spoor zelfs restte,
+ Dat het Bontkleed zóó verbrandde,
+ Had ik nimmer durven droomen.
+ Jammer voor het schoone voorwerp!
+ 'k Had het nimmer zoo behandeld."
+
+
+
+De Juweel in den Drakenkop.
+
+De Chiunagon Otomo no Miyuki riep zijn huisgenooten bijeen en deelde
+zijn volgelingen mede, dat hij wenschte, dat zij hem den Juweel in
+den Drakenkop zouden brengen.
+
+Na eenige aarzeling deden zij het voorkomen, alsof zij uitgingen om
+dien te zoeken. In dien tusschentijd was de Chiunagon er zóó zeker van,
+dat zijn bedienden zouden slagen, dat hij zijn geheele huis overdadig
+versierde met uitgelezen lakwerk in goud en zilver. Iedere kamer werd
+met brokaat behangen, aan de paneelen werden schilderijen gehangen,
+en over de zolder werden zijden kleeren gespannen.
+
+Het wachten moede, reisde de Chiunagon na eenigen tijd naar Naniwa en
+ondervroeg de bewoners, of eenigen van zijn dienaren scheep gegaan
+waren om den Draak te zoeken. De Chiunagon vernam, dat geen enkele
+van zijn manschappen in Naniwa was gekomen, en zeer ontstemd over
+die tijding ging hij zelf scheep met een stuurman.
+
+Toevallig was de Dondergod boos, en stond de zee hoog. Na enkele dagen
+werd de storm zóó hevig en was de boot zóózeer het zinken nabij,
+dat de stuurman het waagde de opmerking te maken: "Het huilen van
+den wind en het bulderen der baren en het vreeselijk loeien van
+den donder zijn teekenen van de woede van den God, die door mijn
+Heer beleedigd wordt, daar hij den Draak uit de diepte wil dooden,
+want door den Draak is de storm opgestoken; het zou dus goed zijn,
+als mijn Heer een gebed opzond."
+
+Daar de Chiunagon door "een vreeselijke ziekte" was overvallen, is
+het niet te verwonderen, dat hij gretig den raad van den stuurman
+opvolgde. Hij bad niet minder dan duizend keer, waarbij hij uitweidde
+over zijn dwaasheid, pogingen te willen aanwenden, den Draak te dooden,
+en deed de plechtige belofte, dat hij den Heerscher der diepte met
+rust zou laten.
+
+De donder hield op en de wolken verspreidden zich, maar de wind blies
+nog even hevig als ooit. De stuurman deelde echter zijn meester mede,
+dat het een gunstige wind was, die naar hun eigen land blies.
+
+Ten slotte bereikten zij het strand van Akashi, in Harima. Maar de
+Chiunagon, die nog steeds ziek was en ontzettend beangst, hield vol,
+dat zij op een woeste kust gedreven waren, en lag lang uit in de boot,
+hevig sidderend, terwijl hij weigerde op te staan, toen de gouverneur
+van het district zich deed aankondigen.
+
+Toen de Chiunagon eindelijk overtuigd was, dat zij niet op een
+vreemde, woeste kust gedreven waren, stemde hij er in toe, aan land
+te gaan. Geen wonder dat de gouverneur glimlachte, toen hij het
+deerniswaardige uiterlijk zag van den uit het veld geslagen Heer,
+geheel verkleumd, met gezwollen buik en oogen, zonder eenigen glans.
+
+Eindelijk werd de Chiunagon in een draagstoel naar zijn eigen huis
+gedragen. Toen hij was aangekomen, vertelden hem zijn listige dienaren
+ootmoedig, dat zij in hun nasporingen niet waren geslaagd. Daarop
+begroette hen de Chiunagon: "Gij hebt goed gehandeld om met leege
+handen terug te keeren. Gindsche Draak is zeker verwant met den
+Dondergod, en iedereen die de hand aan hem slaat, om den juweel te
+nemen, die in zijn kop schittert, zal zich in gevaar bevinden. Ik
+zelf ben vreeselijk afgemat van inspanning en ontberingen, en ik
+heb geen belooning gekregen. Kaguya belaagt de zielen en verwoest
+de lichamen der menschen, en nooit meer zal ik haar woning opzoeken,
+en evenmin zal ik u gelasten, uw schreden daarheen te richten."
+
+Men verhaalt, dat toen de vrouwen uit zijn gezin van het avontuur van
+haar meester hoorden, "zij lachten totdat zij pijn in de zijde hadden,
+terwijl de zijden kleederen, die hij voor de zoldering van zijn woning
+had doen spannen, draad na draad door de kraaien werden weggevoerd,
+om daar nesten mede te dekken."
+
+
+
+De Keizerlijke Jachtpartij. [7]
+
+De roem der schoonheid van de Edele Kaguya bereikte ook het Hof, en
+de Mikado, verlangend haar te aanschouwen, zond één zijner hofdames,
+Fusago, om de dochter van den Bamboesnijder te zien, en Zijne Majesteit
+omtrent haar bekoorlijkheden rapport uit te brengen.
+
+Toen echter Fusago het huis van den Bamboesnijder bereikte, weigerde
+de Edele Kaguya haar te zien. Daarom keerde de hofdame naar het Hof
+terug en deelde de zaak aan den Mikado mede. Zijne Majesteit ontbood,
+zeer ontstemd den Bamboesnijder, en gelastte hem, Kaguya naar het
+Hof te brengen, opdat hij in de gelegenheid zou zijn, haar te zien,
+en voegde er aan toe: "Het is niet onmogelijk, dat dan haar vader
+tot belooning in den adelstand wordt opgenomen."
+
+De oude Bamboesnijder was een goede ziel, en op vriendelijke wijze
+keurde hij het zonderlinge gedrag van zijn dochter af. Hoewel hij
+op de hofgunst gesteld was, en waarschijnlijk er naar hunkerde, in
+den adelstand te worden verheven, moet erkend worden, dat hij in de
+eerste plaats trouw was aan zijn vaderlijke plichten.
+
+Toen hij, na zijn terugkeer, de zaak met Kaguya besprak, deelde zij
+den ouden man mede, dat het, als zij gedwongen werd naar het Hof te
+gaan, zeer zeker haar dood zou veroorzaken, en voegde zij er aan toe:
+"De prijs van de adelbrieven van mijn vader zal de dood van zijn
+kind zijn."
+
+De Bamboesnijder was diep onder den indruk van die woorden, en vertrok
+ten tweede male naar het Hof, waar hij nederig de belissing van zijn
+dochter bekend maakte.
+
+De Mikado, die niet duldde, dat hem iets werd geweigerd, zelfs niet
+door een bijzonder schoone vrouw, beraamde het vernuftige plan, een
+Keizerlijke jachtpartij te houden, en wel zóó, dat hij onverwachts
+aan de woning van den Bamboesnijder zou komen, en misschien de dame
+kon aanschouwen, die de wenschen van een Keizer durfde trotseeren.
+
+Op den dag, voor de Keizerlijke Jachtpartij bepaald, kwam dus de Mikado
+de woning van den Bamboesnijder binnen. Nauwelijks was dit geschied,
+of hij zag in het vertrek, waarin hij stond, een wonderlijk licht,
+en in het licht niemand anders dan de Edele Kaguya.
+
+Zijne Majesteit trad naar voren en raakte de mouw der maagd aan,
+waarna zij haar gelaat verborg, maar niet voordat de Mikado een
+vluchtigen blik op haar had geslagen. Verbaasd door haar buitengewone
+bekoorlijkheid, en geen acht slaande op haar verzet, beval hij,
+dat een keizerlijke draagstoel zou worden gebracht; maar toen de
+draagstoel aankwam, verdween de Edele Kaguya plotseling. De Keizer die
+nu ontdekte, dat hij met geen sterfelijke maagd te doen had, riep uit:
+"Het zal zijn, zooals gij het verlangt, jonge maagd; maar ik smeek,
+dat gij weer uw vorigen vorm herneemt, opdat uw schoonheid weer eens
+moge worden aanschouwd."
+
+Zoo hernam de Edele Kaguya weer haar schoone gestalte. Toen Zijne
+Majesteit op het punt was, weggedragen te worden, maakte hij het
+volgende gedicht:
+
+
+ "Droevig is de thuiskomst
+ Der Vorstlijke Jacht,
+ Vol van droefheid is het
+ Peinzende hart;
+ Want zij biedt weerstand en blijft terug,
+ De Edele Kaguya!"
+
+
+De Edele Kaguya antwoordde daarop het volgende:
+
+
+ "Onder het dak begroeid met
+ Hoprank
+ Toefde zij vreedzame
+ Jaren.
+ Hoe kan zij wagen te staren
+ Op 't Paleis met zijn kostbaar gesteente?"
+
+
+
+Het Hemelsche Kleed van Vederen.
+
+
+In het derde jaar na de Keizerlijke Jachtpartij, en in den lentetijd,
+staarde Kaguya voortdurend naar de maan. In de zevende maand, toen de
+maan vol was, nam de smart van Kaguya zóózeer toe, dat haar weenen de
+meisjes, die in haar dienst waren, in droefheid dompelde. Eindelijk
+kwamen zij bij den Bamboesnijder, en zeiden: "Langen tijd heeft
+de Edele Kaguya de maan gadegeslagen, in zwaarmoedigheid toenemend
+naarmate de maan toeneemt, en haar smart gaat nu alle maat te boven,
+en bitter weent en jammert zij; daarom raden wij u aan, met haar
+te spreken."
+
+Toen de Bamboesnijder met zijn dochter over haar droefenis sprak,
+verzocht hij haar, hem de reden van haar smart mede te deelen, en
+vernam hij, dat het gezicht der maan haar er toe bracht, na te denken
+over de goddeloosheid der wereld.
+
+In de achtste maand vertelde Kaguya aan haar dienaressen, dat zij geen
+gewone stervelinge was, maar dat haar geboorteplaats de hoofdstad
+van het Maanland was, en dat de tijd nu nabij was, waarop het was
+vastgesteld, dat zij de wereld moest verlaten en naar haar oude woning
+moest terugkeeren.
+
+Niet alleen werd de Bamboesnijder door smart verteerd, toen hij
+dit treurige nieuws vernam, maar ook de Mikado was diep bewogen,
+toen hij van het voorgenomen vertrek der Edele Kaguya bericht
+kreeg. Zijne Majesteit kreeg bericht, dat bij de volgende volle
+maan een troepenafdeeling van dien helderschijnenden bol zou worden
+neergezonden, om de Schoone Vrouwe weg te voeren, waarop hij besloot,
+zich tegen dien hemelschen inval te verzetten. Hij beval, dat een wacht
+van soldaten zou geplaatst worden bij het huis van den Bamboesnijder,
+gewapend en gereed om, zoo noodig, hun pijlen op dat Maanvolk af te
+schieten, die gaarne de Schoone Kaguya zouden weghalen.
+
+De oude Bamboesnijder dacht, dat de inval van de maan af, met een
+dergelijke wacht, om zijn dochter te beschermen, volkomen vruchteloos
+zou zijn. Kaguya echter trachtte de oude man hieromtrent helderder
+denkbeelden te geven, en zeide: "Gij kunt nooit de overwinning behalen
+over het volk van gindsch land, noch zal uw artillerie hun kwaad doen,
+noch kunnen uw verdedigingswerken iets tegen hen baten, want iedere
+deur zal bij hun nadering open vliegen, noch zal uw dapperheid u
+helpen, want al zijt gij ook nog zoo stoutmoedig, als het Maanvolk
+komt, zal uw strijd tegen hen vruchteloos zijn." Die opmerkingen
+maakten den Bamboesnijder vreeselijk woedend. Hij hield staande,
+dat zijn nagels in klauwen zouden veranderen--in één woord, dat hij
+zulke onbeschaamde bezoekers uit de maan volkomen zou vernietigen.
+
+Terwijl nu de keizerlijke wacht rondom het huis van den Bamboesnijder,
+op het dak en in iedere richting was opgesteld, ging de nacht
+langzaam voorbij. Tegen het uur van de Rat [8] scheen er een
+groote stralenkrans, die den glans van zon en maan overtrof, aan
+den hemel. Terwijl het licht nog steeds scheen, naderde een groote
+wolk, die een troepenafdeeling van het Maanvolk droeg. De wolk daalde
+langzaam neer, totdat zij den grond naderde, en het Maanvolk stelde
+zich in slagorde op. Toen de keizerlijke wacht hen zag, werd iedere
+soldaat bevreesd bij dat vreemde schouwspel; maar eindelijk vatten
+enkelen van hen zóóveel moed, dat zij hun bogen spanden en hun pijlen
+deden wegvliegen; doch al die pijlen weken van hun richting af.
+
+Op de wolk rustte een wagen met een troonhemel, die schitterde van
+gordijnen, van de fijnste wol vervaardigd, en uit dien wagen weerklonk
+een krachtige stem, die sprak: "Kom hier, Miyakko Maro!"
+
+De Bamboesnijder kwam waggelend nader, om aan het bevel te gehoorzamen,
+en kreeg voor zijn moeite niets anders te hooren van den aanvoerder
+van het Maanvolk, dan een toespraak, die begon met: "Gij dwaas," en
+die eindigde met een bevel, dat de Edele Vrouwe Kaguya zonder eenig
+vertoef zou worden uitgeleverd.
+
+De wagen dreef omhoog op de wolk, totdat hij over het dak zweefde. Toen
+riep dezelfde krachtige stem: "Heidaar, Kaguya! Hoe lang zijt gij
+nog van plan, in deze treurige plaats te talmen?"
+
+Onmiddellijk werd de buitendeur van de provisiekamer en het inwendige
+latwerk door de macht van het Maanvolk geopend en werd de Edele Kaguya
+zichtbaar, met haar vrouwen om haar heen geschaard.
+
+De Edele Kaguya nam, voordat zij vertrok, afscheid van den
+terneergebogen Bamboesnijder, en gaf hem een perkamentrol in handen,
+waarop de volgende woorden waren geschreven: "Als ik in dit land
+geboren was, zou ik het nooit hebben verlaten, voordat de tijd voor
+mijn vader gekomen was, dat hij geen smart meer had te lijden ter
+wille van zijn kind; maar nu moet ik de grenzen van deze wereld
+verlaten, hoewel zeer tegen mijn wil. Mijn zijden mantel laat ik
+hier achter als een herinnering, en als de maan den nacht verlicht,
+laat dan mijn vader daarop staren. Nu moeten mijn oogen een laatsten
+blik op u slaan, en moet ik tot gindsch firmament opstijgen, van waar
+ik gaarne als een meteoor zou willen naar beneden vallen."
+
+Het Maanvolk had in een koffer een Hemelsch Kleed van Vederen
+medegebracht en een paar druppels van het Levenselixer. Een der
+Maanbewoners sprak tot de Edele Kaguya: "Proef, wat ik u bidden mag,
+van dit Elixir, immers uw geest is besmet geworden met de grofheid
+van deze bezoedelde wereld."
+
+De Edele Kaguya, was, nadat zij het Elixir had geproefd, juist
+op het punt een weinig er van te wikkelen in den mantel, dien zij
+achterliet, ten behoeve van den ouden Bamboesnijder, die haar zoozeer
+had liefgehad, toen één van het Maanvolk haar dit belette en over haar
+schouders het Hemelsche Kleed trachtte te werpen; waarop de Edele
+Kaguya uitriep: "Heb nog een oogenblik geduld; hij, die dit kleed
+aantrekt, verandert zijn hart, en ik heb nog iets te zeggen voordat
+ik vertrek." Daarna schreef zij de volgende woorden aan den Mikado:
+
+"Uwe Majesteit verwaardigde zich, troepen te zenden om uw dienares
+te beschermen, maar het mocht niet zoo zijn, en nu is het ellendige
+oogenblik aangebroken, waarop zij gaat vertrekken met hen, die
+gekomen zijn, om haar met zich mede te voeren. Het was haar niet
+veroorloofd, uwe Majesteit te dienen, en het was buiten haar schuld,
+dat zij niet gehoorzaamde aan het Keizerlijke bevel, en haar hart is
+daarover met droefheid vervuld; misschien heeft Uwe Majesteit gedacht,
+dat het Keizerlijke bevel niet begrepen was, en dat zich er tegen
+verzette, en daarom zal het Uwe Majesteit toeschijnen, alsof het
+haar aan goede vormen ontbrak, hetgeen zij niet zou willen, dat Uwe
+Majesteit van haar dacht, en daarom legt zij nederig deze woorden aan
+Uwe Keizerlijke voeten. En nu moet zij het Vederen Kleed aantrekken,
+en in diepe smart haren Meester vaarwel zeggen."
+
+Nadat zij deze perkamenten rol den kapitein der troepen had
+overhandigd, te gelijk met een schacht van bamboe, die het
+Elixir bevatte, werd het Vederkleed over haar heen geworpen,
+en oogenblikkelijk was elke herinnering aan haar aardsch bestaan
+verdwenen.
+
+Daarna besteeg Kaguya den wagen, omringd door de troepen van het
+Maanvolk, en de wolk steeg snel omhoog, totdat zij uit het gezicht
+verdwenen was.
+
+De droefheid van den Bamboesnijder en den Mikado is niet te beschrijven
+en kende geen grenzen. De laatste hield een ministerraad, en wenschte
+te weten, wat de hoogste berg in het land was. Een der raadslieden
+antwoordde: "In Suruga staat een berg, niet ver van de hoofdstad
+verwijderd, die onder alle bergen van het land het hoogst naar den
+hemel uitsteekt." Daarop vervaardigde Zijne Majesteit het volgende
+gedicht:
+
+
+ "Haar nooit meer terug te zien!
+ Tranen van smart overstelpen mij,
+ En wat mij betreft,
+ Wat moet ik doen
+ Met het Levenselixir?"
+
+
+Daarna werd de rol, door de Edele Kaguya beschreven, te zamen met het
+Elixir aan Tsuki no Iwakasa gegeven. Hem werd bevolen, die te brengen
+naar den top van den hoogsten berg in Suruga, en daar, staande op de
+hoogste spits, de rol en het Levenselixir te verbranden.
+
+Tsuki no Iwakasa hoorde nederig het keizerlijke bevel aan, en nam een
+afdeeling krijgslieden met zich mede, waarna hij den berg beklom en
+deed zooals hem was bevolen. En van dien tijd af werd aan gindschen
+berg de naam gegeven van de Fuji (_Fuji-yama_, Nooit Stervend),
+en men verhaalt, dat de rook van dat verbranden nog steeds van zijn
+hoogste spits opstijgt, om zich te vermengen met de wolken des hemels.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK IV. LEGENDEN OMTRENT BUDDHA.
+
+
+
+De Legende van den Gouden Lotus.
+
+De volgende legende is klaarblijkelijk niet van Japanschen
+oorsprong. De Buddhistische priesters in Japan wisten, dat de
+groote kracht van hun godsdienst niet lag in het uitroeien der
+oude Shintogoden, maar in het met ontzaglijke scherpzinnigheid
+aanpassen der goden aan de behoeften van hun eigen onderwijs. In
+het hier gegeven geval heeft Japan van Indië en in minderen graad
+van China geleend, indien wij ten minste den draak mogen beschouwen
+als oorspronkelijk te behooren tot het Hemelsche Rijk. Wij hebben de
+bewerking van Edward Greey op den voet gevolgd, en geven die hier,
+omdat zij dikwijls voorkomt in de preeken van priesters uit Nippon,
+en een bepaald Japansche kleur draagt. Wij zouden legenden van dien
+aard gemakkelijk in twee lezingen kunnen geven, maar voor ons doel
+is ééne voldoende. De twee overige legenden in dit hoofdstuk zijn
+uitdrukkelijk Japansch.
+
+Toen Buddha zijn heilige overpeinzingen op den berg Dan-doku had
+voleindigd, wandelde hij op weg naar de stad langzaam voort langs
+een rotsachtig voetpad. De donkere schaduwen van den nacht kropen
+over het land voort en er was overal diepe stilte.
+
+Toen de Buddha zijn bestemming naderde, hoorde hij dat iemand riep:
+"_Shio-giyo mu-jiyo_" ("De uitwendige wijze van doen is niet altijd
+een aanwijzing voor de natuurlijke geaardheid.")
+
+Buddha was over die woorden uiterst verheugd, en begeerde te vernemen,
+wie zoo verstandig had gesproken. Telkens weer hoorde hij diezelfde
+woorden, en na voortgegaan te zijn naar den rand van een afgrond,
+keek hij neer in de vallei beneden hem, waar hij een vreeselijk
+leelijken draak zag, die hem met woedende oogen aanstaarde.
+
+De Heilige Man ging toen op een rots zitten, en vroeg den draak, hoe
+hij één van de diepste mysteriën van het Buddhisme had geleerd. Een zoo
+diepzinnige wijsheid deed vermoeden, dat nog een groote overvloed van
+geestelijke waarheden kon worden geopenbaard, en Buddha vroeg daarom,
+dat de draak nog uiting zou geven aan andere wijze gezegden.
+
+Daarna riep de draak, na zich om de rots te hebben gekronkeld,
+met luider stem: "_Ze-shio metsu-po!_" ("Alle levende dingen zijn
+tegenstrijdig aan de wet van Buddha!").
+
+Na die woorden te hebben geuit, was de draak eenigen tijd stil. Daarna
+verzocht Buddha, nog een andere spreuk te mogen hooren.
+
+"_Shio-metsu metsu-i!_" ("Alle levende dingen moeten sterven!"),
+schreeuwde de draak.
+
+Bij die woorden zag de draak op naar Buddha, en op zijn ijselijk
+gelaat was een uitdrukking van ontzettenden honger.
+
+De draak zeide daarop tot Buddha, dat de volgende waarheid de laatste
+was, en van zóó groote waarde, dat hij die niet kon openbaren,
+zoolang zijn honger nog niet was gestild.
+
+Daarop merkte de Heilige Man op, dat hij den draak niets zou weigeren,
+als hem slechts de vierde waarheid werd geopenbaard, en vroeg den
+draak, wat hij verlangde. Toen Buddha hoorde, dat menschenvleesch
+door den draak verlangd werd in ruil voor zijn laatste kostbare,
+wijze spreuk, deelde de Meester den draak mede, dat zijn godsdienst
+verbood, dat levende wezens gedood werden, maar dat hij ten behoeve
+van het welzijn van zijn volk zijn eigen lichaam zou opofferen.
+
+De draak opende zijn grooten bek en zeide: "_Jaku-metsu I-raku!_"
+("Het grootste geluk wordt ondervonden, nadat de ziel het lichaam
+heeft verlaten!").
+
+Buddha boog, en sprong toen in den gapenden bek van den draak.
+
+Nauwelijks had de Heilige Man de kaken van het monster aangeraakt,
+of deze scheidden zich in acht deelen, en in één oogenblik veranderden
+zij in de acht bloemblaadjes van den Gouden Lotus.
+
+
+
+De Bronzen Buddha van Kamakura en de Walvisch. [9]
+
+
+
+ "Boven de oude zangen, vergaan tot asch en smart,
+ Waaronder Dood de godenbeelden en 't geboomte hult in nevelen
+ van zuchten,
+ (Waar is de tijd van Kamakura's vroeg'ren bloei gebleven?)
+ Zit de Daibutsu tot in eeuwigheid, het hart tot zwijgen opgevoerd."
+ _Yone Noguchi_.
+
+
+De groote bronzen Buddha van Kamakura, of de Daibutsu, is ongetwijfeld
+één der meest merkwaardige beelden van Japan. In vroegere tijden
+was Kamakura de hoofdstad van Nippon. Het was een groote stad met
+ongeveer een millioen inwoners, en was de zetel der Shoguns en de
+Regenten uit het geslacht der Hojo's gedurende den veelbewogen tijd der
+Middeleeuwen. Maar in weerwil van al de trouwe vereerders van Buddha,
+die in Kamakura leefden, werd de stad bij twee gelegenheden verwoest,
+totdat zij ten slotte haar belangrijkheid verloor. In onze dagen vindt
+men in de plaats van de oude glorie rijstvelden en bosschen. Doch
+storm en vuur hebben den tempel van Hachiman (den Oorlogsgod) en het
+bronzen beeld van Buddha onaangetast gelaten. Een tijd lang rustte
+dit reusachtige beeld in een tempel, maar nu staat het hoog boven de
+boomen, met een ondoorgrondelijken glimlach op zijn groot gelaat,
+met oogen vol vrede, die niet kon worden geschokt door de nietige
+stormen der wereld.
+
+Legenden zijn bijna altijd eenvoudig en natuurlijk. Godheden worden,
+zonder te letten op hun strengheid, tot een zeer menschelijk peil
+teruggebracht. Er is een groote afstand tusschen de ingewikkelde
+leeringen van Buddha en de geschiedenis van Amida Butsu en den
+walvisch. In de volgende legende kan men een bijna pathetisch
+verlangen lezen, om de grootheid van Buddha te bemantelen. De
+reusachtige afmetingen van den Daibutzu zijn volstrekt niet in
+overeenstemming met die merkwaardige voorliefde voor kleine dingen,
+die een zoo karakteristiek kenmerk is van het Japansche volk. Er is
+een speelsche ironie in dit verhaal, een verlangen om den grooten
+Leeraar naar beneden te halen--al is het slechts, om hem een paar
+armzalige centimeters kleiner voor te stellen.
+
+Zóóvele dingen schijnen ons in Japan ten onderste boven gezet te
+worden, dat het ons niets verbaast, als wij ontdekken, dat de voeten op
+den duimstok voor het meten van metalen en voor het meten van zachte,
+buigzame stoffen niet gelijk zijn. Voor buigzame goederen wordt een
+baleinen maat gebruikt, voor hard materiaal een metalen plaat. Er
+is bij die maten een verschil van vijf centimeters, en de volgende
+legende kan ons misschien wel verklaren, wat de oorzaak is van dit
+oppervlakkig zoo vreemde verschil.
+
+De Bronzen Buddha is in zijn zittende houding vijftig voet hoog en
+zeven en negentig voet in omtrek, terwijl de lengte van het gelaat
+acht voet, de omtrek der duimen drie voet is. Het is waarschijnlijk
+wel het grootste stuk brons in de wereld. Een zóó ontzaglijk groot
+beeld maakte natuurlijk een bijzonderen indruk in de dagen, toen
+Kamakura een bloeiende stad was, door den grooten veldheer Yoritomo
+gebouwd. De wegen in en om de stad waren steeds dicht bezet met
+pelgrims, die verlangden een blik te slaan op het jongste wonder,
+en allen waren het er over eens, dat dit bronzen beeld het grootste
+voorwerp op de geheele wereld was.
+
+Het is nu niet onmogelijk, dat enkele zeelieden, die dit wonder hadden
+gezien, daarover keuvelden, terwijl zijn hun netten uitspreiden. Dit
+moge inderdaad het geval geweest zijn of niet, zeker is het, dat een
+groote walvisch, die in de Noordelijke Zee thuis behoorde, toevallig
+over den Bronzen Buddha van Kamakura hoorde spreken, en daar hij van
+oordeel was, dat hij veel grooter was dan eenig voorwerp aan land, kon
+hem het denkbeeld, dat er misschien een mededinger was, volstrekt niet
+bekoren. Hij achtte het onmogelijk, dat kleine menschen iets konden
+vervaardigen, dat kon wedijveren met zijn ontzaglijk lichaam, en lachte
+dus hartelijk over de groote dwaasheid van een dergelijke opvatting.
+
+Zijn lachen duurde echter niet lang. Hij was buitensporig jaloersch,
+en toen hij hoorde van de talrijke pelgrimstochten naar Kamakura en van
+de voortdurende bewondering, die opgewekt werd bij hen, die het beeld
+hadden gezien, werd hij ontzettend boos, zweepte de zee tot schuim,
+en snoot zijn neus met zulk een kracht, dat de andere schepselen der
+zee hem een heel eind ontliepen. Zijn verlatenheid droeg er echter toe
+bij, zijn droefheid te vermeerderen, en hij was buiten staat te eten
+of te slapen, en werd ten gevolge daarvan mager. Ten slotte besloot
+hij de zaak te bespreken met een bevrienden haai.
+
+De haai beantwoordde de opgewonden vragen van den walvisch met kalme
+belangstelling, en stemde er in toe, naar de Zuidelijke Zee te gaan,
+om de maat te nemen van het beeld, en het resultaat van zijn arbeid
+aan zijn geschokten vriend mede te deelen.
+
+De haai ging op reis, totdat hij aan het strand kwam, waar hij
+ongeveer een halve mijl ver in het binnenland het beeld boven zich
+zag uitsteken. Daar hij niet op het droge kon loopen, was hij op het
+punt het doel van zijn tocht op te geven, toen hij het geluk had, een
+rat te ontdekken, die een uitstapje deed langs een jonk. Hij legde
+de rat het doel van zijn zending uit, en verzocht dat schepseltje,
+na het zeer te hebben gevleid, de maat te nemen van den Bronzen Buddha.
+
+De rat daalde dus van de jonk af, zwom aan land, en trad den donkeren
+tempel binnen, waar de Groote Buddha stond. Eerst was zij zoozeer
+onder den indruk van de pracht, die zij om zich heen zag, dat zij
+niet zeker was, hoe zij moest handelen, om aan het verzoek van den
+haai te voldoen. Eindelijk besloot zij, om het beeld heen te loopen en
+daarbij haar voetstappen te tellen. Nadat zij die taak had volbracht,
+bleek het, dat zij precies vijfduizend stappen gedaan had, en bij
+haar terugkeer naar de jonk deelde zij den haai de maat mede van het
+voetstuk van den Bronzen Buddha.
+
+De haai keerde, na de rat uitbundig te hebben bedankt, naar
+de Noordelijke Zee terug, en deelde den walvisch mede, dat de
+berichten over de afmetingen van dit ergernis wekkende beeld maar
+al te waar waren. "Een gebrekkige kennis is een gevaarlijke zaak",
+is klaarblijkelijk evenzeer toepasselijk op walvisschen, immers de
+walvisch uit deze legende werd, nadat hij dit bericht had ontvangen,
+nog woedender dan te voren. Zooals in een sprookje, dat al onze
+westersche kinderen bekend is, deed hij tooverlaarzen aan, teneinde
+te land even goed te kunnen reizen als hij altijd ter zee had gedaan.
+
+De walvisch bereikte tegen den nacht den tempel te Kamakura. Hij
+ontdekte, dat de priesters naar bed waren gegaan en blijkbaar vast in
+slaap waren. Hij klopte aan de deur. In plaats van het nare gemompel
+van een slechts half ontwaakten priester, hoorde hij Buddha zelf
+met een stem, die klonk als het geluid van een groote klok, zeggen:
+"Kom binnen!"
+
+"Dat is onmogelijk", antwoordde de walvisch, "omdat ik te groot
+ben. Wilt gij zoo goed zijn naar buiten te komen, en met mij te
+spreken?"
+
+Toen Buddha ontdekte, wie zijn bezoeker was, en wat hij op zulk
+een spookachtig uur verlangde, stapte hij goedgunstig van zijn
+voetstuk af en kwam hij buiten den tempel. Van beide kanten was
+er stomme verbazing. Als de walvisch knieën gehad had, zouden zij
+ongetwijfeld in botsing zijn gekomen. Nu sloeg de walvisch zijn kop
+tegen den grond. Wat Buddha betreft, ook deze was verbaasd, toen hij
+een schepsel zag van zoo reusachtige afmetingen.
+
+Wij kunnen ons de ontsteltenis voorstellen van den opperpriester,
+toen hij ontdekte, dat het voetstuk het beeld van zijn meester niet
+meer droeg. Daar hij een vreemd gesprek hoorde buiten den tempel,
+ging hij naar buiten, om te zien wat er gebeurde. De zeer ontstelde
+priester werd uitgenoodigd, aan het twistgesprek deel te nemen, en
+kreeg het verzoek de maat te nemen van het beeld en van den walvisch;
+hij begon daarom de maat te nemen met zijn rozenkrans. Terwijl hij
+daarmede bezig was, wachtten het beeld en de walvisch den uitslag
+met ingehouden adem af. Toen de maat genomen was, bleek het, dat de
+walvisch vijf centimeter langer was dan het beeld, en dat hij eveneens
+grooter van omtrek was.
+
+De walvisch keerde veel ijdeler dan ooit naar de Noordelijke Zee terug,
+terwijl het beeld naar zijn tempel terug keerde en weer ging zitten,
+en daar is het tot op den huidigen dag gebleven, er waarschijnlijk niet
+slechter van geworden, nu het ontdekt had, dat het niet volkomen zoo
+groot was als het zich had voorgesteld. Handelaars in stukgoederen
+en handelaars in hout en in ijzer spraken van dat oogenblik af,
+dat er verschil zou zijn in wat beiden een voet zouden noemen--en
+het verschil bedroeg vijf centimeters.
+
+
+
+Het kristal van Buddha. [10]
+
+In oude dagen leefde in Japan een beroemd Minister van Staat, Kamatari
+genaamd. Kamatari nu had een eenige dochter, Kohaku Jo, die bijzonder
+schoon was, en daarbij even goed als schoon. Zij was de vreugde van
+het hart haars vaders, en hij besloot, dat, als zij huwde, niemand
+minder in rang dan een Koning haar echtgenoot zou worden. Met dit
+denkbeeld voortdurend voor den geest, weigerde hij standvastig de
+aanzoeken om haar hand.
+
+Op zekeren dag was er een groote oploop op het binnenplein van
+het paleis. Door de open poorten stroomden een groot aantal mannen
+binnen, die een vaandel droegen, waarop een zijden draak op een gelen
+achtergrond was gewerkt. Kamatari vernam, dat die mannen van het hof te
+China gekomen waren, met een boodschap van Keizer Koso. De Keizer had
+gehoord van de buitengewone schoonheid en de bijzondere lieftalligheid
+van Kohaku Jo, en verlangde haar te huwen. Zooals dit in het Oosten
+bij dergelijke gelegenheden gebruikelijk is, was het aanzoek van den
+Keizer vergezeld van de belofte, dat indien Kohaku Jo zijn bruid zou
+worden, hij haar zou toestaan datgene te kiezen uit zijn schatkamer,
+wat zij naar haar eigen land zou willen zenden.
+
+Nadat Kamatari de afgevaardigden met behoorlijken luister en met de
+vereischte plechtigheid had ontvangen en een geheele vleugel van zijn
+paleis ter hunner beschikking had gesteld, keerde hij naar zijn eigen
+vertrek terug en beval zijn dienaar, zijn dochter vóór hem te geleiden.
+
+Toen Kohaku het vertrek van haar vader was binnengetreden, boog zij
+voor hem en bleef geduldig op de witte matten zitten, in afwachting van
+het oogenblik, dat haar verheven vader het woord tot haar zou richten.
+
+Kamatari deelde haar mede, dat hij den Keizer van China als haar
+echtgenoot had uitgekozen en het meisje weende, toen zij die tijding
+hoorde. Zij was zoo gelukkig geweest in haar eigen huis, en China
+scheen zoo ver verwijderd te zijn. Toen haar vader haar echter
+voorspelde, dat zij in de toekomst nog meer geluk zou hebben dan zij
+ooit in het verledene had gehad, droogde zij haar tranen en luisterde
+naar de woorden van haar vader, misschien wel verbaasd over de
+mededeeling, dat alle schatten van China aan haar eigen kleine voetjes
+zouden worden gelegd. Zij was verheugd, toen haar vader haar zeide,
+dat zij in staat zou gesteld worden, drie van die schatten naar den
+tempel van Kofukuji te zenden, waar zij als klein kind gezegend was.
+
+Zoo dan gehoorzaamde Kohaku haar vader, met niet weinig bezorgdheid,
+en niet weinig hartzeer. Haar gezellinnen weenden, toen zij het
+nieuws hoorden, maar zij werden getroost, toen de moeder van Kohaku
+haar vertelde, dat enkelen van haar zouden worden uitgekozen om haar
+meesteres te vergezellen.
+
+Voordat Kohaku naar China wegzeilde, richtte zij haar schreden naar
+den tempel van Kofukuji, en toen zij het heilige altaar genaderd was,
+bad zij om bescherming op haar reis, en beloofde zij, dat zij, als
+haar gebeden werden verhoord, China zou doen doorzoeken, om de drie
+kostbaarste schatten van dat rijk te verkrijgen, en dat zij die als
+een dankoffer naar den tempel zou zenden.
+
+Kohaku bereikte veilig China en werd door Keizer Koso met groote pracht
+ontvangen. Haar kinderlijke vrees werd spoedig verdreven door de groote
+vriendelijkheid van den Keizer. Immers hij betoonde haar heel wat meer
+dan vriendelijkheid. Hij sprak haar toe in de taal van een minnaar:
+"Na lange, lange dagen van treurig wachten heb ik de azalea van het
+verwijderde gebergte verworven, en nu plant ik die in mijn tuin,
+en groot is de vreugde van mijn hart!" [11]
+
+Keizer Koso leidde haar van het ééne paleis naar het andere, en
+zij wist niet, welk paleis het schoonst was, maar haar Keizerlijke
+echtgenoot wist, dat zij veel schooner was dan één van deze. Omhaar
+bijzondere lieftalligheid wenschte hij, dat de herinnering daaraan ten
+eeuwige dagen over de geheele lengte en breedte van China zou blijven
+voortduren, ja zelfs tot buiten de grenzen van zijn rijk. "Daarom
+riep hij zijn goudsmeden en tuiniers te zamen", zooals Madame Ozaki
+verhaalt bij de beschrijving van dit sprookje, "en beval hen, voor
+de Keizerin een weg te maken, zooals nog nooit in de geheele wijde
+wereld bestaan had. De treden van dien weg moesten lotus-bloemen
+zijn, gesneden uit goud en zilver, opdat zij daarover kon loopen, zoo
+dikwijls zij rondzwierf onder de boomen of langs het meer, zoodat men
+zou kunnen zeggen, dat haar schoone voetjes nooit werden bezoedeld,
+door de aarde aan te raken; en sedert dien tijd hebben dichterlijke
+minnaars en liefdedichters in China en Japan in gezangen en sonnetten
+en in zoete gesprekken de voeten der vrouwen, die zij liefhebben,
+'lotusvoeten' genoemd."
+
+Maar in weerwil van al de pracht, die Kohaku omringde, vergat zij
+haar geboorteland niet en evenmin de gelofte, die zij in den tempel
+van Kofukuji had afgelegd. Op zekeren dag deelde zij beschroomd den
+Keizer haar gelofte mede, en daar hij maar al te zeer verheugd was,
+een nieuwe gelegenheid te hebben, haar genoegen te doen, plaatste hij
+zulk een schat van schoone en kostbare zaken vóór haar, dat het wel
+scheen, alsof een uitgelezen sprookjeswereld van vroolijke kleuren
+en volmaakte vormen plotseling voor haar voeten was ontstaan. Er
+was daar zulk een rijkdom aan schitterende dingen, dat zij het zeer
+moeilijk vond, een keuze te doen. Eindelijk vestigde zij haar keuze
+op de volgende tooverschatten, een muziekinstrument, dat, als men er
+op sloeg, eeuwig bleef doorspelen, een doos met inktsteen, die, als
+het deksel werd opgetild, een onuitputtelijken voorraad Oost-Indischen
+inkt bleek te bevatten, en ten slotte "een prachtig kristal, in welks
+heldere diepte men, van welken kant men ook er in staarde, een beeld
+zag van Buddha, rijdend op een witten olifant. Het kristal was van
+bovennatuurlijken glans en schitterend als een ster, en ieder, die in
+zijn heldere diepten staarde en de gezegende verschijning van Buddha
+zag, had voor altijd gemoedsrust." [12]
+
+Nadat Kohaku eenigen tijd die schatten had bekeken, ontbood zij
+Admiraal Banko en verzocht hem, ze veilig naar den tempel van Kofukuji
+over te brengen.
+
+Alles ging voorspoedig met Admiraal Banko en zijn schip, totdat zij
+in de Japansche wateren waren, op weg naar de baai van Shido-no-ura,
+toen een heftige storm het schip heen en weer slingerde. De golven
+rolden omhoog met de woestheid van wilde dieren, en voortdurend
+flikkerde de bliksem aan den hemel, om een oogenblik het rollende
+schip te verlichten, dat nu eens hoog opgeheven werd op een waterberg,
+dan weer neergedompeld werd in een groene vallei, waaruit het nooit
+meer scheen te kunnen verrijzen.
+
+Plotseling ging de storm liggen, even onverwachts als hij
+was opgestoken. De ééne of andere fee had met haar hand al de
+wolken weggevaagd, en een blauw en fonkelend tapijt over de zee
+uitgespreid. De eerste gedachte van den admiraal was, hoe het stond
+met de veiligheid der schatten, die hem waren toevertrouwd, en toen
+hij naar beneden ging, vond hij het muziekinstrument en den inktsteen
+volmaakt in den toestand, waarin hij die had achtergelaten, maar bleek
+het, dat de kostbaarste der schatten, het Kristal van Buddha, niet te
+vinden was. Hij dacht er over, zich het leven te benemen, zoozeer was
+hij onder den indruk van het verlies; maar bij nader inzien zag hij,
+dat het verstandiger zou zijn, in het leven te blijven, zoolang hij
+nog iets kon doen, om het kristal te vinden. Daarom haastte hij zich
+te landen, en deelde Kamatari zijn ijselijk ongeluk mede.
+
+Nauwelijks had Kamatari het bericht omtrent het Kristal van Buddha
+vernomen, of die verstandige minister begreep, dat de Koning der Draken
+van de Zee het gestolen had, en met dit doel de storm had veroorzaakt,
+die hem in staat had gesteld, ongemerkt den schat te stelen.
+
+Kamatari bood aan een aantal visschers, die hij op het strand van
+Shido-no-ura zag, een ruime belooning aan, als eenigen van hen zich
+in zee zouden willen wagen, om het kristal terug te brengen. Alle
+visschers boden daarop zich vrijwillig aan, maar na een aantal
+vruchtelooze pogingen bleef het kostbare kleinood voortdurend onder
+de hoede van den Zeekoning.
+
+Kamatari zag in zijn groote droefheid plotseling een arme vrouw,
+die een kind in de armen droeg. Zij vroeg den grooten minister, of
+zij in zee mocht afdalen om naar het kristal te zoeken, en in weerwil
+van haar zwakheid sprak zij met overtuiging. Haar moederhart scheen
+haar moed in te boezemen. Zij deed haar verzoek, omdat zij wenschte,
+dat Kamatari, als het haar gelukte het kristal terug te brengen, ter
+belooning haar zoontje zou opvoeden als _samurai_ [13], opdat hij in
+zijn verder leven iets anders kon worden dan een eenvoudige visscher.
+
+Men zal zich herinneren, dat Kamatari in vroeger dagen eerzuchtig
+was geweest ter wille van zijn dochter. Hij begreep dan ook volkomen
+het verzoek der arme vrouw, en beloofde plechtig, dat hij, als zij
+getrouw haar taak ten uitvoer bracht, gaarne haar wensch zou vervullen.
+
+De vrouw ging heen, en na haar bovenkleeren te hebben uitgetrokken,
+en een touw om haar middel te hebben gebonden, waarin zij een mes
+stak, was zij voor haar gevaarlijke reis gereed. Na het uiteinde van
+het touw aan een aantal visschers te hebben gegeven, ging zij te water.
+
+Het eerste oogenblik zag de vrouw de vage omtrekken van rotsen, en
+een wegvliegenden verschrikten visch, en het matte goud van het zand
+onder haar voeten. Daarna zag zij plotseling de daken van het paleis
+van den Zeekoning, een groot en schitterend gebouw van koraal, hier en
+daar ondersteund door bossen veelkleurig zeegras. Het paleis geleek
+op een kolossale pagode, met een aantal verdiepingen. De vrouw zwom
+nader, om het meer van nabij te aanschouwen en zij bemerkte toen een
+helder licht, schitterender dan het licht van verschillende manen en
+zóó helder, dat het haar oogen verblindde. Het was het licht van het
+kristal van Buddha, dat geplaatst was op de tinne van dat uitgestrekte
+gebouw, en aan iederen kant van het schitterende kleinood waren
+drakenwachters, diep in slaap, die zelfs in hun slaap schenen te waken!
+
+De vrouw zwom er heen, terwijl zij in haar dapper hart bad, dat de
+draken zouden doorslapen, totdat zij buiten gevaar zou zijn en den
+schat in haar bezit had. Nauwelijks had zij het kristal van zijn
+rustplaats gerukt, of de wachters ontwaakten; zij strekten hun groote
+klauwen uit en hun staarten zweepten woedend het water, en in een
+oogenblik vervolgden zij haar met woede. De vrouw, die alles liever
+wilde dan het kristal te verliezen, dat zij ten koste van zooveel
+gevaren had gewonnen, sneed een wond in haar linker borst, en duwde
+het kristal in de bloedende holte, terwijl zij haar hand tegen het
+arme gewonde vleesch drukte, zonder dat zij een kreet van smart deed
+hooren. Toen de draken bemerkten, dat het water donker gekleurd was
+door het bloed der vrouw, keerden zij om, immers zeedraken zijn bang
+voor het gezicht van bloed.
+
+De vrouw trok nu heftig aan het touw, en de visschers, die hoog
+daarboven op de rotsen zaten, trokken haar met den grootsten spoed aan
+land. Zij legden haar zacht neder op het strand, en zagen, dat haar
+oogen gesloten waren, en dat haar borst vreeselijk bloedde. Kamatari
+dacht eerst, dat de vrouw haar leven te vergeefs had gewaagd; maar
+toen hij zich over haar heen boog, ontdekte hij de wond in haar
+borst. Op dat oogenblik opende zij de oogen, en na het kleinood uit
+de plaats genomen te hebben, waar zij het had verborgen, fluisterde
+zij nog een paar woorden over de belofte van Kamatari, en viel toen
+dood neder met een vredigen glimlach op het gelaat.
+
+Kamatari nam het kind dier vrouw mede naar huis en lette op zijn
+opvoeding met al de liefdevolle zorg van een vader. Na verloop van tijd
+werd hij, op volwassen leeftijd, een dappere _samurai_, en werd bij den
+dood van Kamatari ook zelfs Rijksminister. Toen hij in latere jaren
+de geschiedenis vernam van de zelfopofferende daad van zijn moeder,
+liet hij een tempel bouwen in de baai van Shido-no-ura, ter herinnering
+aan haar, die zoo dapper en trouw was geweest. Die tempel heet Shidoj,
+hij wordt bezocht door vele bedevaartgangers, die zich nog tot op onzen
+tijd den zieleadel van een arme schelpenverzamelaarster herinneren.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK V. LEGENDEN OVER VOSSEN.
+
+
+
+Inari, de Vossengod.
+
+De vos neemt een belangrijke plaats in onder de Japansche legenden,
+en het onderwerp is van ver reikenden en ingewikkelden aard. [14] Inari
+was oorspronkelijk de God van de Rijst, maar in de elfde eeuw werd hij
+in verband gebracht met den Vossengod, en werden hem goede en kwade
+eigenschappen, meestal de laatste, toegekend, en wel zóó overvloedig
+en veelzijdig in haar toepassing, dat zij den westerschen lezer niet
+weinig moeilijkheid veroorzaken. Alle vossen bezitten bovennatuurlijke
+macht in bijna onbeperkte mate. Zij hebben het vermogen, oneindig ver
+te zien; zij kunnen alles hooren en de geheime gedachten verstaan van
+de menschheid in het algemeen, en bovendien bezitten zij het vermogen
+van gedaante te verwisselen. Het voornaamste kenmerk van den slechten
+vos is het vermogen menschelijke wezens te misleiden, en met dit doel
+neemt hij de gedaante aan van een schoone vrouw; groot is dan ook het
+aantal legenden, in dit verband verhaald. [15] Indien de schaduw van
+een in een vrouw veranderde vos bij toeval op het water valt, dan komt
+alleen de vos, en niet de schoone vrouw, voor den dag. Men verhaalt,
+dat als een hond een dergelijke vrouw ziet, de vrouwelijke gedaante
+onmiddellijk verdwijnt, en alleen de vos overblijft.
+
+Hoewel de legenden, die in Japan met den vos in betrekking staan,
+meestal met booze eigenschappen samenhangen, treedt Inari somtijds
+op als een weldoend wezen, een wezen, dat hoest en verkoudheid
+geneest, dat den behoeftige rijkdom schenkt en het gebed eener vrouw
+ten behoeve van haar kind verhoort. Een andere vriendelijke daad van
+Inari, die wij ook wel hadden kunnen toeschrijven aan Jizo, is, dat
+hij de kleine jongens en meisjes in staat stelt met moed de beproeving
+te dragen, om met een niet al te goed scheermes te worden geschoren,
+en eveneens de kleinen de bezwaren van een heet bad hielp trotseeren,
+waarvan in Japan de temperatuur nooit lager is dan ruim 43° Celsius!
+
+Inari beloont niet zelden menschelijke wezens voor iedere vriendelijke
+daad jegens een vos. Slechts een deel van zijn belooning kan echter
+voor goede munt worden opgenomen. Het enkele goede, dat door
+Inari wordt verricht--en wij hebben getracht, hem recht te doen
+wedervaren--weegt geheel op tegen zijn ontelbare slechte daden,
+die dikwijls van een vreeselijk wreeden aard zijn, zooals later zal
+blijken. Het hier behandelde onderwerp: de vos in Japan is zeer juist
+door Lafcadio Hearn beschreven als "spoken-dierkunde", en dit sluwe
+en boosaardige dier is veel meer geraffineerd spookachtig dan onze
+officieele en gebruikelijke geestverschijning met een lichtend gewaad
+en rammelende ketens.
+
+
+
+Door den Duivel bezeten.
+
+Het door den duivel bezeten zijn moet volgens de dikwijls verkondigde
+opvatting toegeschreven worden aan den slechten invloed van
+vossen. Die vorm van bezetenheid is bekend als _kitsune-tsuki_. Het
+slachtoffer is gewoonlijk een vrouw der mindere klasse, iemand, die
+zeer teergevoelig is en vatbaar is voor alle mogelijke bijgeloof. Het
+vraagstuk der bezetenheid is nog steeds een onopgelost vraagstuk, en
+de onderzoekingen van Dr. Baelz, die verbonden is aan de Keizerlijke
+Universiteit van Japan, schijnen te wijzen op het feit, dat het
+bezeten zijn van menschelijke wezens door dieren, een wezenlijke
+en verschrikkelijke waarheid is. Hij maakt de opmerking, dat een
+vos gewoonlijk een vrouw binnentreedt òf door de borst, òf onder de
+nagels der vingers, en dat de vos daar een zelfstandig, afzonderlijk
+leven leidt, en meestal spreekt met een stem, die geheel afwijkt van
+die van een mensch.
+
+
+
+De Steen des doods. [16]
+
+
+
+ "De Steen des Doods staat in 't moeras
+ Bij wintersneeuw en zomergloed;
+ Het mos, dat hem bedekt, wordt grijs,
+ Toch zwerft de demon daar nog rond."
+
+ "Kil waait de wind, en boven het moeras
+ Klinkt in het woud der uilen heesch gekras.
+ En onder de chrysanthemums, beneden,
+ Daar loert de vos, weergalmt van jakhals het geklaag,
+ Als over het moeras het herfstlicht gaat omlaag."
+
+
+ Naar _B.H. Chamberlain_.
+
+
+De Buddha-priester Genno kwam na een langdurige, moeilijke reis naar
+het moeras van Nasu, en was juist van plan, te gaan rusten onder de
+schaduw van een grooten steen, toen een geest plotseling te voorschijn
+kwam, en sprak: "Rust niet onder dezen steen. Dit is de Steen des
+Doods. Mannen, vogels en dieren zijn omgekomen, alleen maar door hem
+aan te raken!"
+
+Die geheimzinnige woorden ter waarschuwing wekten natuurlijk de
+nieuwsgierigheid van Genno op, en hij verzocht, dat de geest hem het
+genoegen zou doen, de geschiedenis van den Steen des Doods te verhalen.
+
+De geest begon toen aldus: "Lang geleden was er een schoone maagd,
+die aan het Japansche Hof leefde. Zij was zóó bekoorlijk, dat zij het
+Juweeltje werd genoemd. Haar wijsheid evenaarde haar schoonheid, zij
+verstond toch de Buddhistische wetenschappen en de leer van Confucius,
+de wetenschap en de poëzie van China."
+
+
+
+ "Zoo, door natuur en kunst met schoonheid rijk belaân,
+ Biedt haar de Keizer zelf zijn trouwe liefde aan."
+
+ Naar _B.H. Chamberlain_.
+
+"Op zekeren nacht," zoo vervolgde de geest, "gaf de Mikado een
+groot feest in het Zomerpaleis, en daar verzamelde hij het vernuft,
+de wijsheid en de schoonheid van het geheele land. Het was een
+schitterend gezelschap, maar terwijl de gasten aten en dronken,
+onder het hooren van de tonen van liefelijke muziek, verspreidde zich
+duisternis over de groote zaal. Zwarte wolken ijlden door de lucht
+en er was geen enkele ster te bekennen. Terwijl de gasten verstijfd
+van vrees ter neder zaten, verhief zich een geheimzinnige wind. Hij
+gierde door het Zomerpaleis en waaide al de lantarens uit. De volkomen
+duisternis deed een paniek ontstaan, en gedurende de verwarring riep
+één der aanwezigen: 'Een licht, een licht!'"
+
+
+ Er straalt van 's meisjes schoon gezicht
+ Een tooverachtig, schitt'rend licht!
+ 't Groeit aan en vult de keizerlijke zalen;
+ Verlicht paneelen en de schermen met zijn stralen.--
+ Het vroeger somber duister van den nacht
+ Straalt als de volle maan in al haar pracht.
+
+ Naar _B.H. Chamberlain_.
+
+"Van dat oogenblik af werd de Mikado sukkelend", zoo vervolgde
+de geest. "Hij werd zóó ziek, dat de Hoftoovenaar ontboden werd,
+en die verdienstelijke man ontdekte spoedig, wat de oorzaak was
+van de ziekte van Zijne Majesteit. Met de kracht eener gevestigde
+overtuiging verklaarde hij, dat het Juweeltje een ontuchtige vrouw en
+een duivelin was, die met listige kunsten 's Keizers hart gevangen nam,
+om den staat te gronde te richten.
+
+"De woorden van den Toovenaar veranderden de liefde van den Mikado
+voor het Juweeltje in vurigen haat. Toen die toovenares met verachting
+bejegend werd, nam zij haar oorspronkelijke gedaante aan, en wel
+die van een vos, terwijl zij wegliep naar dezen steen in het moeras
+van Nasu."
+
+De priester aanschouwde den geest met critischen blik. "Wie zijt
+gij?" sprak hij eindelijk.
+
+"Ik ben de kwade geest, die eertijds huisde in de borst van het
+Juweeltje! Ik woon nu voor eeuwig in den Steen des Doods".
+
+De goede Genno was vreeselijk verschrikt door die ontzettende
+bekentenis, maar daar hij zich zijn plicht als priester herinnerde,
+zeide hij: "Hoewel gij in goddeloosheid laag gezonken zijt, zult gij
+weer tot deugd opstijgen. Neem dit priestergewaad en dezen bedelnap,
+en laat mij u in den vorm van een vos zien."
+
+Daarop riep de booze geest op smartelijken toon:
+
+
+ "In het schitt'rend zonnelicht
+ Houd ik schuil mijn aangezicht,
+ Als Asama's bleeke gloed:
+ Met den nacht zal 'k hier weer zijn,
+ Schuld bekennend, 't hart vol pijn,
+ Reine wenschen in 't gemoed."
+
+ Naar _B.H. Chamberlain_.
+
+
+Na dit gezegd te hebben, verdween de geest plotseling.
+
+Genno liet zijn goede voornemens niet varen. Nog vuriger dan ooit te
+voren streefde hij naar de redding van die dwalende ziel. Opdat zij
+Nirvana mocht bereiken, offerde hij bloemen, brandde hij wierook,
+en zegde hij de heilige Geschriften op, vóór den steen staande.
+
+Toen Genno die godsdienstige plichten had vervuld, zeide hij:
+"Geest van den Steen des Doods, ik bezweer u! wat is er geschied in
+een vroegere wereld, dat gij in deze wereld een zoo valsche gedaante
+hebt aangenomen?"
+
+Plotseling spleet de Steen des Doods uiteen en verscheen de geest
+weder onder den uitroep:
+
+
+ "In steenen zijn geesten,
+ Een stem klinkt in 't water;
+ De winden, zij loeien door 't hemelgewelf!"
+
+ Naar _B.H. Chamberlain_.
+
+
+Genno zag een bleeken lichtglans in zijn nabijheid, en in dat licht
+ontdekte hij een vos, die plotseling in een schoone maagd veranderde.
+
+De geest van den Steen des Doods sprak nu aldus: "Ik ben het,
+die eertijds, in Ind, de booze geest was, wien Prins Hazoku
+eer bewees... In Groot Cathay nam ik den vorm aan van Hoji, de
+echtgenoote van Keizer Iuwao; en in het Hof der Rijzende Zon werd ik
+het vlekkelooze Juweeltje, de bijzit van Keizer Toba."
+
+De geest bekende Genno, dat zij in den vorm van het Juweeltje verderf
+had willen brengen aan de Keizerlijke dynastie. "Reeds", zoo sprak de
+geest, "maakte ik mijn plannen, overlegde ik, hoe ik den Mikado kon
+doen sterven, en ik zou in mijn plannen zijn geslaagd, als niet de
+Hoftoovenaar met zijn bovennatuurlijke macht had ingegrepen. Zooals
+ik u verhaalde, werd ik van het Hof verdreven. Ik werd vervolgd
+door honden en pijlen, en zonk eindelijk uitgeput in den Steen des
+Doods. Van tijd tot tijd zwierf ik over het moeras. Nu heeft Buddha
+medelijden met mij gehad, en hij heeft zijne priesters gezonden, om
+den weg naar den waren godsdienst aan te wijzen en vrede te brengen".
+
+De legende besluit met de volgende vrome woorden, geuit door den nu
+berouwvollen geest:
+
+
+ "Hoor, man van God, den eed, den duren eed, dien 'k zweer,
+ Aan u, wiens zegening mij naar den hemel voert,
+ Den eed, dien 'k houden zal, wat ook mijn hart beroert,
+ Vast, als de Steen des Doods, hier in het drassig meer.
+ Ik zweer, dat 'k voortaan leef als kind der deugd alleen!
+ Zoo sprak de geest, nu maagd, toen ze in 't moeras verdween."
+
+ Naar _B.H. Chamberlain_
+
+
+
+
+Hoe Tokutaro door Vossen werd misleid.
+
+Tokutaro was absoluut ongeloovig op het gebied van de toovermacht
+van vossen. Zijn ongeloovigheid ergerde een aantal van zijn makkers,
+die hem uitdaagden, naar het moeras Maki te gaan. Als hem niets
+overkwam, zou Tokutaro vijf maten wijn en een waarde aan visch van
+duizend koperen cash [17] krijgen. Indien daarentegen Tokutaro door de
+macht der vossen schade zou lijden, moest hij een even groot geschenk
+aan zijn makkers geven. Tokutaro nam spottend de weddingschap aan,
+en toen de nacht was aangebroken, vertrok hij naar het moeras Maki.
+
+Tokutaro had besloten, zeer slim en voorzichtig te zijn. Toen hij
+zijn bestemming bereikt had, ontmoette hij een vos, die door een
+bamboeboschje liep. Onmiddellijk daarna ontdekte hij de dochter van
+den hoofdman van Boven-Horikané. Toen hij de vrouw vertelde, dat hij
+voornemens was naar dat dorp te gaan, zeide zij, dat zij hetzelfde
+voornemen had, en dat zij dus wel samen konden reizen.
+
+Daardoor was de achterdocht van Tokutaro opgewekt. Hij liep achter
+de vrouw, terwijl hij te vergeefs naar een vossestaart zocht. Toen
+zij Boven-Horikané hadden bereikt, kwamen de ouders van het meisje
+naar buiten, die uiterst verbaasd waren, toen zij haar dochter zagen,
+die gehuwd was en in een ander dorp woonde.
+
+Tokutaro zeide hun, met een hoogmoedig lachje van ingebeelde wijsheid,
+dat het meisje vóór hem in werkelijkheid niet hun dochter was, maar
+een vermomde vos. De ouders waren eerst verontwaardigd, en weigerden te
+gelooven, wat Tokutaro hen had verhaald. Ten slotte overreedde hij hen,
+het meisje in zijn handen te laten, terwijl zij in de voorraadkamer
+zouden wachten op het resultaat.
+
+Tokutaro greep toen het meisje aan, en wierp haar ruw op den grond,
+terwijl hij haar voortdurend beschimpte. Hij trapte op haar en pijnigde
+haar op alle mogelijke wijzen, terwijl hij ieder oogenblik verwachtte,
+dat het meisje in een vos zou veranderen. Maar zij deed niets dan ween
+en, en riep erbarmelijk om haar ouders, teneinde haar te verlossen.
+
+Toen die onverbeterlijke ongeloovige zag, dat zijn pogingen tot nu
+toe vruchteloos waren geweest, stapelde hij op den grond hout op,
+en doodde hij haar op den brandstapel. Op dat oogenblik kwamen haar
+ouders aanhollen en bonden hem aan een pilaar, terwijl zij hem woedend
+van moord beschuldigden.
+
+Juist kwam een priester dien weg langs, en toen hij dat leven hoorde,
+drong hij op een verklaring aan. Toen de ouders van het meisje hem
+alles hadden verhaald, en nadat hij de verdediging van Tokutaro had
+aangehoord, verzocht hij het echtpaar, het leven van den man te sparen,
+opdat hij mettertijd een goed en vroom priester zou worden. Na eenig
+tegenstreven werd dit eigenaardige verzoek toegestaan, en Tokutaro
+knielde neer, om zijn hoofd te doen kaalscheren, uiterst gelukkig,
+dat hij zoo gemakkelijk uit zijn ellendigen toestand werd bevrijd.
+
+Nauwelijks was het goddelooze hoofd van Tokutaro geschoren, of hij
+hoorde een schaterend gelach, en werd hij wakker, terwijl hij aan een
+uitgestrekt moeras gezeten was. Instinctmatig hief hij zijn hand op,
+en ontdekte, dat vossen hem hadden kaalgeschoren, en hij dus zijn
+weddenschap had verloren.
+
+
+
+
+De dankbaarheid van een Vos.
+
+Na de hier besproken ijzige legende, waarin de slechte eigenschappen
+van den vos worden beschreven, is het een opluchting een vos te mogen
+ontmoeten, die tot groote zelfopoffering in staat was.
+
+Het geschiedde toch, dat op zekeren lentedag twee kleine jongens
+betrapt werden op het vangen van een jonggeboren vosje. De man,
+die getuige was van dit feit, had een vriendelijk gemoed, en toen
+hij hoorde, dat de jongens het jonge dier gaarne wilden verkoopen,
+gaf hij hun een halve _bu_ [18].
+
+Toen de kinderen hoogst verheugd met het geld vertrokken waren,
+ontdekte de man, dat het kleine diertje aan den voet gewond was. Hij
+legde er onmiddellijk een zeker kruid op, waardoor de pijn spoedig
+bedaarde. Toen hij op korten afstand een troep oude vossen zag,
+die hem in het oog hielden liet hij edelmoedig het diertje loopen,
+dat in snelle vaart naar zijn ouders sprong en hen voortdurend likte.
+
+Die goedhartige man nu had een zoon, die aan een vreemde ziekte
+leed. Eindelijk schreef een beroemd geneesheer de lever van een
+levenden vos voor als middel, dat nog tot genezing zou kunnen
+leiden. Toen de ouders van den knaap dit hoorden, waren zij zeer
+bedroefd, en wilden zij alleen de lever van een vos aannemen,
+geleverd door iemand, die er zijn beroep van maakte op vossen
+te jagen. Eindelijk droegen zij een buurman op, hun de lever te
+verschaffen, terwijl zij beloofden, daarvoor ruim te betalen.
+
+Den volgenden avond werd de lever van een vos gebracht door een
+vreemdeling, die geheel onbekend was bij de brave bewoners van het
+huis. De bezoeker verklaarde, dat hij een bode was, gezonden door
+den buurman, wien zij de boodschap hadden opgedragen. Toen echter
+de buurman zelf kwam, bekende hij, dat hij, hoewel hij alle moeite
+had gedaan om een vosselever te krijgen, daarin niet was geslaagd,
+en daarom gekomen was, om zijn verontschuldigingen te maken. Hij was
+stom verbaasd, toen hij het verhaal hoorde, dat hem door de ouders
+van den lijdenden knaap werd gedaan.
+
+Den volgenden dag werd de vosselever tot geneesmiddel toebereid door
+den genoemden geneesheer, waarop de jeugdige knaap onmiddellijk zijn
+vroegere gezondheid terugkreeg.
+
+Des avonds verscheen een schoone jonge vrouw voor het bed der gelukkige
+ouders. Zij vertelde, dat zij de moeder was van het vosje, dat door den
+man was vrijgelaten, en dat zij uit dankbaarheid voor zijn goedheid
+het vosje had gedood, terwijl haar echtgenoot, onder de vermomming
+van den geheimzinnige bode, de verlangde lever had gebracht [19].
+
+
+
+
+Inari verhoort het gebed van een Vrouw.
+
+Zooals wij reeds vroeger hebben gezien, is Inari dikwijls bijzonder
+goedgunstig. Er is een legende, dat een vrouw, die reeds een aantal
+jaren gehuwd was en niet met een kind gezegend was, aan het altaar van
+Inari haar gebeden opzond. Bij het eindigen van haar gebed schudden
+de steenen vossen hun staarten, en begon er sneeuw te vallen. Zij
+beschouwde die verschijnselen als gunstige voorteekenen.
+
+Toen de vrouw haar huis bereikte, sprak haar _yeta_ (bedelaar) aan,
+en vroeg haar iets te eten. De vrouw gaf met groote goedhartigheid
+dien ongelukkigen reiziger wat meel van roode boonen, het eenige
+voedsel dat zij in huis had, en bood hem dat in een schotel aan.
+
+Den volgenden dag zag de echtgenoot dien schotel voor het altaar
+liggen, waar zijn vrouw had gebeden. De bedelaar was niemand anders
+dan Inari zelf, en de edelmoedigheid der vrouw werd ter rechter tijd
+beloond door de geboorte van een kind.
+
+
+
+
+De Gierigheid van Raiko.
+
+Raiko was een vermogend man, die in een zeker dorp woonde. In weerwil
+van zijn ontzaglijke rijkdommen, die hij in zijn _obi_ (gordel)
+bij zich droeg, was hij ontzettend gierig. Naarmate hij ouder werd,
+nam zijn gierigheid toe, totdat hij er ten slotte over dacht, zijn
+trouwe bedienden te ontslaan, die hem steeds zoo goed hadden gediend.
+
+Op zekeren dag werd Raiko zeer ziek, zelfs zóó, dat hij bijna wegteerde
+ten gevolge van een vreeselijke koorts. Den tienden nacht van zijn
+ziekte verscheen een arm gekleede _bozu_ (priester) aan zijn sponde,
+die hem vroeg, hoe hij het maakte, en er aan toevoegde, dat hij reeds
+lang gedacht had, dat de _oni_ hem zou wegvoeren.
+
+Door dit laatste gezegde, dat bovendien niet al te kiesch was
+uitgedrukt, werd Raiko woedend, en hij eischte verontwaardigd, dat de
+priester zou vertrekken. Maar de _bozu_ zeide hem in plaats van te
+vertrekken, dat er maar één geneesmiddel was tegen zijn ziekte. Het
+geneesmiddel was, dat Raiko zijn _obi_ zou losmaken en zijn geld
+onder de armen zou verdeelen. Raiko werd nog driftiger over wat hij
+als een groote onbeschoftheid van den priester beschouwde. Hij trok
+een dolk van onder zijn kleed te voorschijn en trachtte den goedigen
+_bozu_ te dooden. De priester vertelde Raiko zonder de minste vrees,
+dat hij gehoord had van zijn gemeen voornemen, zijn brave dienaren te
+ontslaan, en dat hij des nachts was gekomen, om den ouden man zijn
+hartebloed af te tappen. "Nu is", zoo sprak de priester, "mijn doel
+bereikt!" en na het uitspreken van die woorden blies hij het licht uit.
+
+De door en door verschrikte Raiko voelde nu, hoe een spookachtig
+schepsel hem naderde. De oude man stak met zijn dolk in het wilde,
+en veroorzaakte zulk een opschudding, dat zijn trouwe bedienden met
+lantarens de kamer binnenstormden; toen zagen zij den vreeselijken
+klauw van een monster naast de vloermat van den ouden man liggen.
+
+Toen de dienaren van Raiko met groote nauwgezetheid de kleine
+bloedvlekken volgden, kwamen zij aan een kleinen berg aan het uiteinde
+van den tuin, en in dien berg was een wijde opening, waaruit het
+boveneinde van een ontzaglijke spin stak. Dit wezen vroeg de dienaren,
+pogingen aan te wenden, om hun meester te overreden, de goden niet
+aan te vallen en zich in de toekomst van inhaligheid te onthouden.
+
+Toen Raiko die woorden uit den mond zijner dienaren hoorde, berouwde
+hem zijn vroeger leven en gaf hij groote geldsommen aan de armen. Inari
+had de gedaante van een spin en van een priester aangenomen, om den
+vroeger zoo gierigen man een goede les te geven.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VI. JIZO, DE GOD VAN KINDEREN.
+
+
+
+De beteekenis van Jizo.
+
+Jizo, de God van kleine kinderen en de God, die de bewogen zee tot rust
+brengt, is ongetwijfeld de meest beminnelijke der Buddhistische goden,
+hoewel Kwannon, de Godin der Barmhartigheid, in eigenschappen veel met
+hem overeenkomt. De meest populaire Goden, zoowel in het Oosten als
+in het Westen, zijn die, welke de meest menschelijke eigenschappen
+bezitten. Hoewel Jizo van Buddhistischen oorsprong is, is hij toch
+in zijn wezen Japansch, en wij kunnen hem het best beschrijven als
+de schepping van tallooze Japansche vrouwen, die er naar verlangd
+hebben, in de Oneindigheid, in het omsluierde leven na den dood,
+een wezen te plaatsen, dat een goddelijke Vader en Moeder zou zijn
+voor de zielen hunner kleinen. En dit is het wat Jizo inderdaad is,
+een God uitsluitend van het vrouwelijke hart, en niet een wezen,
+dat heen en weer geslingerd wordt in de haarkloverijen van in
+het debat vergrijsde theologen. Een bestudeering van den aard en
+de karakteristieke eigenschappen van Jizo zal ons het beste doen
+kennen, wat in de Japansche vrouwen wordt gevonden; immers hij
+openbaart ons haar liefde, haar zin voor het schoone en haar oneindig
+medelijden. Jizo heeft al de wijsheid van Buddha zelf, met dit verschil
+dat Jizo Nirvana heeft op zijde geschoven, en niet op den Gouden Lotus
+zit, maar door een heerlijk schoone zelfopoffering de goddelijke
+speelmakker en beschermer van Japansche kinderen is geworden. Hij
+is de God van glimlachjes en lange mouwen, de vijand van booze
+geesten, en het éénige wezen, dat de wonde eener moeder kan genezen,
+die haar kind door den dood heeft verloren. Er is een spreekwoord,
+dat alle rivieren haar weg naar zee vinden. Voor de Japansche vrouw,
+die haar kleine grafwaarts heeft gedragen, kronkelen alle rivieren
+haar zilveren loop naar de plaats, waar de eeuwig wachtende en eeuwig
+vriendelijke Jizo is. Dit is de reden, dat moeders, die haar kinderen
+door den dood hebben verloren, gebeden schrijven op kleine strooken
+papier, en die volgen, terwijl zij de rivieren afdrijven op weg naar
+den grooten geestelijken Vader en de Moeder, die met een liefhebbende
+glimlach al hun smeekingen zullen beantwoorden.
+
+
+
+
+Aan het altaar van Jizo.
+
+
+ "Tegenover Jizo's altaar
+ Bloeien nu de kerseboomen,
+ Aan de wiegelende takken
+ Rijke bloesems zijn gekomen.
+
+ "Tegen 't mos de rose scheemring,
+ Takjes door den wind bewogen,
+ Toonen 't beeld in al zijn kalmte,
+ Als de zon verlicht de oogen.
+
+ "'k Pluk een tak in de ochtendscheemring,
+ En een stroom van rose blaâdren
+ In welriekend frissche luchten
+ Zich op 't wieglend gras vergaadren".
+
+ "En in warme middaguren
+ Doe ik traag mijn vingers spelen,
+ Tusschen geurig zoete bloesems,
+ Die zich onder 't spel verdeelen."
+
+ "Daalt de zon ter westerkimme,
+ Dan laat ik de hand weer zinken,
+ Jizo, bloesems, zijn verdwenen,
+ Aan de lucht geen sterren blinken".
+
+ Naar _Clara A. Walsh_.
+
+
+
+
+Jizo en Lafcadio Hearn.
+
+Lafcadio Hearn schrijft in één van zijn brieven [20]: "Er is een
+vreemd gebruik in Izumo, dat u misschien wel belang inboezemt. Als er
+een bruiloft gevierd wordt in de woning van een impopulair man op het
+platte land, dragen de jonge mannen van het dorp een beeld van Jizo,
+dat op den weg staat, naar de Zashiki, en kondigen de komst van den
+God aan. (Dit geschiedt voornamelijk met een hebzuchtigen boer, of
+een gierig gezin). Door den God wordt voedsel en wijn geëischt. De
+leden van het gezin moeten binnenkomen, de godheid begroeten en al
+de _saké_ en al het voedsel geven, dat geëischt wordt, zoolang er
+nog wat in huis overblijft. Het is gevaarlijk, dit te weigeren; de
+jonge boeren zouden waarschijnlijk het huis plunderen. Daarna wordt
+het standbeeld weer op zijn plaats gezet. Het bezoek van Jizo wordt
+zeer geducht. Het wordt nooit gebracht aan personen, die bemind zijn".
+
+Bij zekere gelegenheid wenschte Lafcadio Hearn, die een warme
+bewondering had voor dien God, den kop en de armen van een gebroken
+beeld van Jizo te herstellen. Zijn vrouw opperde bezwaren tegen hem,
+en wij halen zijn eigenaardig antwoord aan, omdat het ons niet weinig
+herinnert aan de laatste legende, die in dit hoofdstuk wordt vermeld:
+"_Gomen, gomen!_ (Vergeef mij!) Ik meende alleen eenige vreugde te
+schenken, naar ik hoopte. De Jizo, over wien ik u schreef, is niet die,
+welken gij op de kerkhoven vindt; maar het is Jizo, die de zeeën wil
+bewaken en tot rust brengen. Het is geen droevige soort, maar gij voelt
+niet voor mijn denkbeeld, daarom heb ik mijn voornemen opgegeven. Het
+was alleen een dwaas denkbeeld van papa. Maar toch weende de arme
+Jizosama bitter, toen hij uw antwoord aan mij hoorde. Ik zeide hem:
+'Ik kan het niet helpen, daar moeder San uw waren aard in twijfel trok,
+en meent, dat gij de bewaker zijt van een kerkhof. Ik weet, dat gij
+de redder zijt van zeeën en zeelieden. De Jizo weent zelfs nu nog.'"
+
+
+
+"De Droge Bedding van de Rivier der Zielen".
+
+Onder de aarde is de Sai-no-Kawara, of "de Droge Bedding van de Rivier
+der Zielen". Dit is de plaats, waar alle kinderen na hun dood heengaan,
+en, behalve de kinderen, zij die ongehuwd zijn gebleven. Hier spelen
+de kleinen met den kleinen Jizo, en hier bouwen zij kleine torens van
+steenen, want in de bedding dier rivier zijn zeer veel steenen. De
+moeders van die kinderen, in de wereld boven hen, stapelen eveneens
+steenen op rondom de beelden van Jizo, immers die kleine torens
+stellen gebeden voor; zij zijn toovermiddelen tegen de _oni_, of
+slechte geesten. Somtijds behalen de _oni_ in de Droge Bedding van
+de Rivier der Zielen voor een oogenblik een tijdelijke overwinning,
+en werpen de kleine torens omver, die de geesten der kinderen onder
+zooveel gelach hebben opgebouwd. Als een dergelijk ongeluk geschiedt,
+houdt het gelach op, en vliegen de kleinen naar Jizo om bescherming
+te vinden. Hij verstopt hen in zijn lange mouwen, en jaagt met zijn
+heiligen staf de _oni_ met roode oogen weg.
+
+De plaats, waar de zielen der kinderen vertoeven, is een schaduwrijke
+en grijs getinte wereld van donkere heuvelen en valleien, waartusschen
+de Sai-no-Kawari zich een weg kronkelt. Al de kinderen zijn gekleed
+in korte, witte kleeren, en als somtijds de booze geesten hen
+verschrikken, dan is Jizo er steeds, die hun tranen droogt, en is er
+altijd iemand, die hen weer naar hun spookachtige spelen terugzendt.
+
+Het volgende loflied op Jizo, bekend als "De Legende van het Gonzen
+der Sai-no-Kawari", geeft ons een prachtige en levendige voorstelling
+van Jizo en van dat spookachtige land, waar kinderen spelen:
+
+
+
+
+De Legende van het Gonzen der Sai-no-Kawara.
+
+
+ "Niet van deez' aarde is 't verhaal van de smarte,
+ 't Verhaal van de Sai-no-Kawara
+ Aan den voet van de sombere heuvels;--
+ Niet van deez' aarde is 't verhaal; toch is het zoo droevig
+ te hooren.
+ Want in de Sai-no-Kawara verzameld
+ Zijn kind'ren, nog jeugdig van jaren, zoo velen,--
+ Kind'ren slechts twee of drie jaar,
+ Kind'ren van vier of vijf, kinderen nog jonger dan tien.
+ In de Sai-no-Kawara zijn zij vereenigd.
+ En de stem van verlangen om beide hun ouders,
+ De stem, die weent om hun moeders en vaders--
+ Is niet zooals die van 't geween van de kind'ren op aarde,
+ Maar een weenen zóó droevig te hooren,
+ Dat, als het gehoord werd, 't zou dringen door vleesch en door
+ beend're
+ En treurig is dan ook de taak, door hen te verrichten,--
+ De steenen van 't bed der rivier te verzaam'len.
+ Om daarmeê de torens van hunne gebeden te bouwen.
+ De eerste dier torens, dat zijn de gebeden voor 't heil van
+ hun vaders;
+ De tweede dier torens, dat zijn de gebeden voor 't heil van
+ hun moeders;
+ De derde dier torens, dat zijn de gebeden voor broeders en zusters
+ en allen te huis, die zij minden.
+ Dit is overdag droeve ontspanning.
+ Maar telkens als de zon ter kimme zal gaan neigen,
+ Dan komen tot hen de demonen van de hel, de _Oni_,
+ En zeggen hun: "Wat is die arbeid hier door u verricht?
+ Helaas! uw ouders, die nog leven in de Shaba-wereld,
+ Zij doen niet anders dan uw lot beklagen van 's morgens vroeg
+ tot laat des avonds,
+ Ach, hoe treurig en hoe onbarmhartig!
+ Waarlijk, de oorzaak der smarten, door u geleden,
+ Is niets dan het klagen, 't gezucht uwer ouders."
+ En tevens zeggen zij ach, "laak ons niet!"
+ De geesten werpen neer de opgehoopte torens,
+ En met hun ijzeren staven verspreiden zij de steenen.
+ Maar zie! daar komt de leeraar Jizo,
+ Zoo vriend'lijk nadert hij de kind'ren in hun droefheid:
+ Mijn lieven, vreest toch niet! wees nimmer angstig!
+ Gij arme, jonge zielen, wier aardsch bestaan zoo kort was!
+ Te snel moest gij den tocht doen, den droeven, naar de Meido,
+ Den langen tocht, die voert naar het gebied der dooden!
+ Vertrouwt mij! 'k Ben uw Vader en Moeder in de Meido,
+ De vader aller kinderen, in het gebied der dooden!"
+ En om hen slaat hij teeder den schoot van 't schittrend kleed:
+ Zoo vriendlijk voelt hij mede met 't droevig lot der jeugd.
+ En hen, die nog niet loopen, biedt hij den steun van zijn _shakujo_
+ [21],
+ Hij streelt, omhelst de kleinen, hij drukt hen aan zijn boezem,
+ Zoover gaat 't medelijden en mint hij de arme kleinen.
+ _Namu Amida Butsu!_ [22]
+
+ Naar _Lafcadio Hearn_.
+
+
+Die verblijfplaats van de zielen van kinderen is zeker geen ideaal
+land. Het is Jizo, en niet zijn land, die zijn oorsprong heeft
+in de harten der Japansche vrouwen. De strenge Buddhistische leer
+van oorzaak en gevolg, van geboorte en wedergeboorte, is zelfs op
+kleine kinderen van toepassing. Maar indien het Groote Wiel van het
+Bestaan met onfeilbare kracht rondwentelt, en alleen gaat stilstaan,
+als het verlangen naar niet-bestaan eindelijk in Nirvana vervuld is,
+dan staat Jizo liefhebbend aan de voeten van het Noodlot, en maakt
+het pad gemakkelijker, waarop de voeten van kleine kinderen zich zoo
+zacht bewegen.
+
+
+
+
+Het Hol van de Geesten der Kinderen.
+
+Er was in Japan een hol, bekend onder den naam van Kyu-Kukedo-San,
+of Oud Hol, en diep daarin kan men een beeld van Jizo vinden, met
+zijn mystieken juweel en zijn heiligen staf. Vóór Jizo staat een
+kleine _torii_ [23] en een paar _gohei_ [24], beide symbolen van het
+Shinto-geloof; maar, zooals Lafcadio Hearn opmerkt, "die vriendelijke
+godheid heeft geen vijanden; aan den voet van den vriend van de
+geesten der kinderen vereenigen zich beide geloofsopvattingen in
+teedere eerbewijzen". Hier ontmoeten elkander de geesten van kleine
+kinderen, die zachtkens samen fluisteren, terwijl zij zich telkens
+buigen, om hun torens van steenen te bouwen. Des nachts kruipen zij
+over de zee uit hun Droog Bed van de Rivier der Zielen, en bedekken
+het zand in het hol met hun spookachtige voetstappen, terwijl zij
+voortdurend die gebeden van steen opbouwen, onder het vriendelijk
+lachen van Jizo over hun liefderijk werk. Zij vertrekken vóór de
+opkomst van de zon, immers men zegt, dat de dooden er te beangst
+voor zijn, te staren op de Godin der Zon, en voornamelijk zijn die
+kinderen bevreesd voor haar heldere gouden oogen.
+
+
+
+
+De Fontein van Jizo.
+
+Een ander schoon hol in zee bevat de Fontein van Jizo. Het is een
+fontein van vloeiende melk, waar de zielen der kinderen haar dorst
+lesschen. Moeders, die lijden aan gebrek aan melk, komen aan die
+fontein en bidden tot Jizo, en moeders, die meer melk hebben dan
+hun kinderen noodig hebben, bidden denzelfden God, dat hij wat van
+haar melk wegneme en het geve aan de zielen van kinderen in zijn
+uitgestrekt, schaduwrijk koninkrijk. En men zegt, dat Jizo hun
+gebeden verhoort.
+
+
+
+
+Hoe Jizo zich een goede daad herinnerde.
+
+Een vrouw, Soga Sadayoshi genaamd, voedde voor haar levensonderhoud
+zijdewormen, en verzamelde hun zijde. Op zekeren dag, toen zij den
+tempel van Ken-cho-ji bezocht, meende zij, dat een beeld van Jizo er
+koud uitzag, en ging zij naar huis, vervaardigde een muts, keerde
+daarmede terug, en plaatste die op het hoofd van Jizo, terwijl zij
+zeide: "Was ik maar rijk genoeg, om u een kostbare bedekking te geven
+voor uw geheele verheven lichaam; maar helaas! ik ben arm, en zelfs
+deze muts, die ik u aanbied, is niet waardig, door uw goddelijken
+geest te worden aangenomen."
+
+Op haar vijftigste jaar stierf de vrouw, en daar haar lichaam gedurende
+drie dagen warm bleef, wilden haar bloedverwanten geen verlof geven,
+haar te begraven. Op den avond van den derden dag echter keerde zij,
+tot groote verbazing en vreugde van hen, die in haar nabijheid waren,
+weer in het leven terug.
+
+Korten tijd nadat de vrouw weer haar gewone werkzaamheden had hervat,
+verhaalde zij, hoe haar ziel verschenen was voor den grooten en
+verschrikkelijken Emma-O, den Heer en Rechter der dooden, en hoe
+dat gevreesde wezen op haar vertoornd geweest was, omdat zij in
+strijd met de leerstellingen van Buddha tallooze zijdewormen had
+gedood. Emma-O was zóó vertoornd geweest, dat hij bevolen had, haar in
+een pot te werpen, die met gesmolten metaal was gevuld. Terwijl zij in
+ontzettenden zielsangst het uitschreeuwde, kwam Jizo naast haar staan,
+en toen hield het metaal onmiddellijk op, haar te branden. Nadat Jizo
+vriendelijk met de vrouw had gesproken, voerde hij haar naar Emma-O,
+en verzocht hem, dat aan haar, die eens één van zijn beelden had warm
+gehouden, vergiffenis zou worden geschonken. En Emma-O vervulde den
+wensch van den steeds liefhebbenden en medelijdenden God, en de vrouw
+kon weder terugkeeren naar de zonnige wereld van Japan.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VII. DE LEGENDE IN DE JAPANSCHE KUNST.
+
+
+
+De Beteekenis der Japansche Kunst.
+
+Sir Alfred East beschreef in zijn voordrachten over Japansche kunst
+die kunst als "groot in kleine zaken, maar klein in groote zaken", en
+dit is, in het algemeen gesproken, zeer juist. De Japansche kunstenaar
+munt uit in het schilderen van bloemen, insecten en vogels. Hij slaagt
+er voortreffelijk in, de kronkeling van een golf te schilderen, of een
+tak met kersebloesems in het licht der volle maan, de vlucht van een
+reiger, een groep pijnboomen, of een karper, die in een rivier zwemt;
+maar die uitnemende gave van nauwkeurige en haarfijne detailleering
+schijnt hem te hebben verhinderd, datgene te teekenen, wat wij een
+groot genrestuk noemen, een historische tafereel met een groot aantal
+figuren. Dat ernstige verlangen, om verschillende fragmenten naar de
+Natuur te schilderen, was geen kleingeestig of academisch begrip. De
+kunst was niet uitsluitend bestemd voor den _kakemono_, of hangende
+rol, om in een nis van een Japansch huis te worden opgehangen, ten
+einde een korten tijd te worden bewonderd, om dan weer door een ander
+te worden vervangen. De kunst in Japan was universeel, zooals dit
+in geen ander land ter wereld het geval is geweest; een goedkoope
+handdoek had een behagelijk patroon, en zelfs speelkaarten waren,
+in afwijking van de onze, kunstwerken.
+
+Men heeft dikwijls beweerd, dat de vrouw in de Japansche kunst
+houterig is. Dit is inderdaad niet het geval, indien wij door houterig
+verstaan: geheel zonder uitdrukking; maar het is noodzakelijk, dat
+wij eerst iets weten omtrent de Japansche vrouw in het leven zelf,
+voordat wij ons een denkbeeld kunnen vormen van de wijze, waarop zij
+in de kunst wordt voorgesteld. Er is een schat van traditie achter
+dat schijnbaar onbewegelijke gelaat. Het is een merkwaardig feit,
+dat elk gelaat, zoolang wij nog niet gewend zijn aan de verschillende
+Japansche typen, zóózeer op de andere gelijkt, dat er geen sprake is,
+ze van elkander te kunnen onderscheiden, en wij zouden er toe kunnen
+komen, te meenen, dat de natuur in Japan er mede tevreden is geweest,
+dezelfde gelaatstrekken telkens te herhalen, doch zouden dan vergeten,
+dat ook wij aan de Japanners op het eerste gezicht geen verschil
+in type vertoonen. Het Japansche gelaat is in de kunst niet zonder
+uitdrukking, maar het is een uitdrukking, die tamelijk afwijkt van die,
+waarmede wij vertrouwd zijn, en dit is in het bijzonder het geval bij
+het schilderen van Japansche vrouwen. De meesten van ons hebben een
+aantal gekleurde prenten gezien, aan dit onderwerp gewijd, en die
+niet de minste schaduw op het gelaat vertoonen. Wij zouden geneigd
+zijn te beweren, dat dit weglaten van schaduw een bijzonder vlakke
+uitdrukking aan het gelaat geeft, en daarom de opmerking te maken,
+dat het ons voorgelegde werk van weinig kunst getuigt. Maar het is
+inderdaad geen gebrek aan kunst, want het Japansche gelaat _is_ vlak,
+en de kunstenaars uit dat land vergeten nooit dit karakteristieke
+weer te geven. Gekleurde prenten, die Japansche vrouwen voorstellen,
+drukken geen gemoedsbeweging uit--een glimlach, een gebaar van
+smachtend verlangen ontbreekt; maar het zou verkeerd zijn, uit het
+feit, dat wij zooveel negatieve eigenschappen vinden, te besluiten,
+dat een gekleurde prent van dien aard geen gevoel uitdrukt, en dat
+de algemeene indruk popperig en weinig belangrijk is. Wij moeten
+er om denken, hoe lang de periode geduurd heeft, dat de Japansche
+vrouw is onderdrukt geworden. Een slechts oppervlakkige studie van
+die belangrijke verhandeling van Kaibaira, die bekend staat onder
+den naam van _Onna Daigaku_, of "Meerdere Kennis voor Vrouwen",
+zal ons leeren inzien, dat het de plicht van iedere Japansche vrouw
+is, lieftallig, vriendelijk en deugdzaam te zijn; zonder morren te
+gehoorzamen aan hen, die gezag over haar hebben, en bovenal haar
+gevoelens te onderdrukken. Als wij dit alles in aanmerking nemen,
+zullen wij geleidelijk tot de ontdekking komen, dat er kracht en geen
+zwakheid is in een portret van een Japansche vrouw; een rustige en
+waardige schoonheid, waarin elke opwelling in bedwang wordt gehouden,
+als het ware gehuld in een wolk van strenge overlevering. Toch heeft
+de Japansche vrouw, hoewel voortdurend omringd door de strengste tucht,
+ons een type van vrouwelijkheid gegeven, dat voortreffelijk is in haar
+ware innemendheid van karakter, en de Japansche kunstenaar heeft de
+toovermacht van hare bekoring weten te vatten. In de buiging harer
+lijnen geeft hij ons een beeld van de sierlijkheid van een door den
+wind bewogen wilg, in de patronen op haar kleed de belofte van de
+lente, en achter den kleinen, rooden mond een rijkdom van onbegrensde
+mogelijkheden.
+
+Japan had haar kunst te danken aan het Buddhisme, en deze werd
+ontwikkeld en onderhouden onder Chineeschen invloed. Het Buddhisme gaf
+Nippon haar schilderkunst, haar wandversieringen en haar uitnemend
+beeldhouwwerk. De Shinto-tempels waren streng en eenvoudig, die der
+Buddhisten gevuld met alles, wat de kunst hun kon geven; en ten slotte,
+en dit was niet de minst belangrijke factor, door het Buddhisme werd
+in Japan de tuinbouwkunst ingevoerd, met al haar uitgewerkt en schoon
+symbolisme.
+
+Een Japansch kunstcriticus heeft eens geschreven: "Indien te midden van
+een penseelstreek een houw van een zwaard het penseel had doorgehakt,
+zou deze gebloed hebben". Hieruit mogen wij afleiden, dat de Japansche
+kunstenaar zijn geheele hart en zijn geheele ziel in zijn werk legde;
+het was een deel van hem zelf, iets wat zijn leven beheerschte,
+iets wat innig aan godsdienst verwant was. Het is dan ook niet te
+verwonderen, dat hij, met die groote kracht achter zijn penseel,
+in staat was die buitengewone levendigheid en beweeglijkheid aan
+zijn werk te geven, die zoo treffend is weergegeven in portretten
+van tooneelspelers.
+
+Hoewel wij tot nu toe den Japanschen kunstenaar alleen hebben
+doorzien als een meester in kleine zaken, toch heeft hij met groote
+trouw en met uitnemend gevolg de Goden en Godinnen van zijn land
+voorgesteld, en een aantal van de mythen en legenden, die met dezen
+samenhangen. Terwijl hij uitmuntte in het weergeven van het schoone,
+niet minder muntte hij uit in de beschrijving van het afgrijselijke,
+immers geen kunstenaar ter wereld, met uitzondering van die uit China,
+is er in geslaagd, het bovennatuurlijke met beteren uitslag weer te
+geven. Wat een verschil is er tusschen een uitnemende afbeelding
+van Jizo of Buddha of Kwannon en de afbeelding van een Japanschen
+boozen geest! Buitengewone schoonheid en leelijkheid kan men in de
+Japansche kunst te vinden, en zij, die genot vinden in de talrijke
+afbeeldingen van den berg Fuji en de kleuren der afbeeldingen van de
+vrouwen van Utamaru, zal zich vol afschuw afwenden van de spookachtige
+voorstellingen van bovennatuurlijke wezens.
+
+
+
+
+De Goden van Geluk.
+
+Een aantal van de legendarische verhalen, die in dit boek worden
+medegedeeld, zijn in beeld gebracht door Japansche kunstenaars, en
+in dit hoofdstuk stellen wij ons voor, de legenden in de Japansche
+kunst te behandelen, die tot nu toe nog niet zijn vermeld. Een
+geliefkoosd onderwerp van den Japanschen kunstenaar is ongetwijfeld
+dat van de Zeven Goden van het Geluk, welk onderwerp bijna altijd
+wordt behandeld met dartele goede luim. Men vond daar Fukurokuju,
+met een bijzonder groot hoofd, en vergezeld van een kraanvogel, een
+hert of een schildpad; Daikoku, die op rijstbalen stond en door een
+rat werd vergezeld; Ebisu, die een visch droeg; Hotei, den vroolijken
+God van het Lachen, de personificatie van de uitdrukking: "Lach en
+je zult dik worden". Dan was er Bishamon, die schitterde in zijn
+wapenrusting, en die een speer en een afgodstempeltje droeg; Benten,
+de Godin van Schoonheid, Rijkdom, Vruchtbaarheid en Nakomelingschap;
+terwijl Jurojin zeer veel overeenkomst had met Fukurokuju. Die Zeven
+Goden van het Geluk, of nauwkeuriger uitgedrukt, Zes Goden en één
+Godin, schijnen hun oorsprong ontleend te hebben aan het Shintoisme,
+Taoïsme, Buddhisme en het Brahmanisme, en zijn blijkbaar afkomstig
+uit de zeventiende eeuw.
+
+
+
+
+Het Schip met Wonderschatten.
+
+De Japansche kunstenaar houdt er van, om in verband met dit
+onderwerp de Goden van het Geluk te schilderen als vroolijke en
+gezellige passagiers aan boord van de _Takarabuna_, of het schip
+met wonderschatten, waarvan wordt verhaald, dat het ieder jaar op
+oudejaarsavond de haven binnenzeilt met geen mindere lading dan
+den Hoed der Onzichtbaarheid, de Voorspoedbrengende Regenjas, den
+Heiligen Sleutel, de Onuitputtelijke beurs, en andere merkwaardige
+wonderschatten. Tegen dien tijd van het jaar worden afbeeldingen van
+het Schip met Wonderschatten onder de houten peluwen der kinderen
+geplaatst, en men zegt, dat dit gebruik de kinderen gelukkige droomen
+brengt.
+
+
+ "Slaap, lieveling, totdat de bel der duisternis
+ De sterren brengt, beladen met een droom.
+ Want met dien droom zult gij ontwaken,
+ Tusschen lachen en gezang".
+
+ _Yone Noguchi_.
+
+
+
+
+Het Wonderdadige in de Japansche Kunst.
+
+Onder andere legenden is ook bekend die van Hidari Jingoro, den
+beroemden beeldhouwer, wiens meesterstuk, toen het voltooid was,
+levend werd, welke legende ons sterk herinnert aan de geschiedenis
+van Pygmalion. Er zijn andere legenden verbonden aan het tot leven
+wekken van Japansche kunstwerken. Het gebeurde eens, dat een aantal
+boeren veel last ondervonden van de verwoesting in hunne tuinen, welke
+verwoesting het gevolg was van een wild dier. Toevallig ontdekten
+zij, dat de indringer een groot zwart paard was, en toen zij er
+jacht op maakten, verdween het plotseling in een tempel. Toen zij
+het gebouw binnentraden, zagen zij, dat de schilderij van Kanasoka,
+die een zwarten hengst voorstelde, door de groote inspanning van even
+te voren, dampte! De groote kunstenaar teekende er onmiddellijk een
+touw op, dat het paard aan een paal vastbond, en van dat oogenblik
+af bleven de tuinen der boeren ongedeerd.
+
+Het verhaal loopt, dat de groote kunstenaar Sesshiu, toen hij nog
+een kleine jongen was, voor straf stevig werd vastgebonden in een
+Buddhistischen tempel. Hij gebruikte toen zijn overvloedige tranen
+als inkt, en zijn teen als penseel, en schetste op die wijze enkele
+ratten op den vloer. Onmiddellijk werden die ratten levend en knaagden
+het touw door, dat hun jeugdigen ontwerper had vastgebonden.
+
+
+
+
+Hokusai.
+
+Er is iets meer dan enkel legende in die verhalen, als wij geloof
+mogen hechten aan de woorden van den beroemden kunstenaar Hokusai,
+wiens "Honderd Gezichten op Fuji" beschouwd worden als de schoonste
+landschapschilderingen der Japansche kunstenaars. Hij schreef in de
+inleiding van zijn werk: "Als ik negentig jaar oud ben, zal ik het
+mysterie der dingen doorgronden; als ik honderd jaar ben, zal ik een
+wonderbaarlijke hoogte hebben bereikt; en als ik honderd tien jaar
+oud ben, zal alles, wat ik schilder, tot zelfs stipjes en lijnen,
+levend zijn". Wij behoeven hier niet bij te voegen, dat Hokusai den
+leeftijd van honderd tien jaar niet heeft bereikt. In de laatste
+uren van zijn leven schreef hij de volgende regels, die later op zijn
+graftombe geschreven zijn:
+
+
+ "Mijn ziel, veranderd in een Dwaallicht,
+ Kan rustig komen en verdwijnen over zomervelden".
+
+
+Met dat krachtige dichterlijke gevoel, dat voor de Japanners zoo
+kenschetsend is, beteekende de Eeuwigheid voor Hokusai een onbeperkten
+tijd, waarin hij zijn geliefkoosd werk kon voortzetten--en hij al de
+bewonderingswaardige streken van zijn penseel kon volmaken en daaraan
+leven kon schenken. Evenals in het oude Egypte, zoo kan ook in het Oude
+Japan, het leven hier namaals niet anders beteekenen dan waar geluk,
+met periodiek herhaalde bezoeken op aarde, en in die opvatting ligt een
+fijne en bijna pathetische paradox, die het als het ware voorstelt,
+alsof de Eeuwigheid voortdurend beladen wordt met versche, aardsche
+herinneringen. In beide landen zien wij, hoe de geest terug verlangt
+naar zijn oude menschelijke verblijfplaatsen. In Egypte keerde de
+ziel terug door middel van het lichaam, waarin zij vroeger gehuisd
+had, en in Japan schonk het doodenfeest, elders door ons beschreven,
+de gelegenheid, opgewekt van geest de wereld in Emma-O te verlaten en
+gedurende drie dagen in het midden van Juli Japan te bezoeken, een
+land, dat schooner en de zielen blijkbaar dierbaarder is dan eenige
+voorstelling, die zich een Japanner van een leven na den dood kan
+maken. Maar het blijkt, dat Hokusai het doet voorkomen, alsof zijn
+bezoeken niet altijd in den zomer zullen plaats hebben, maar dat hij
+veeleer herhaaldelijk in alle jaargetijden zal komen en verdwijnen.
+
+Een Japansch dichter heeft geschreven:
+
+
+ "'t Is vreeslijk, als men, sluipend, zacht
+ Een geest ziet zwerven onverwacht,
+ In 't holle van den nacht,
+ Den killen duistren nacht;
+ Een groenig-grijzen geest,
+ Een schim, eens mensch geweest,
+ Nu zonder kracht
+ Dwalende eenzaam in
+ Duisteren nacht.
+
+ Naar _Clara A. Walsh_.
+
+
+
+
+Geesten en Spoken.
+
+Het is nauwelijks minder schrikwekkend, geesten, spoken en andere
+bovennatuurlijke wezens op een Japansche schilderij te ontmoeten. Wij
+vinden geesten met lange halzen, die vreeselijk glurende gezichten
+te dragen hebben. Hun hals is zóó lang, dat het schijnt, alsof het
+spookachtige hoofd over alles heen en in alles kan zien met een
+duivelsch en ontzettend genot. De _ghoul_, die in de Japansche kunst
+wordt voorgesteld als een kind van drie jaar, heeft rossig bruin haar,
+en zeer lange ooren, en wordt dikwijls geschilderd als bezig met het
+eten van de nieren van lijken. Het afgrijselijke wordt in dit gedeelte
+der Japansche kunst tot bijna in het ondragelijke op den voorgrond
+gebracht, en de voorstelling, die een nog levend Japansch kunstenaar
+ons geeft van een optocht van geesten, is zóó akelig en weerzinwekkend,
+dat wij dien optocht zeker niet gaarne zouden tegenkomen op het midden
+van den dag, en dus nog veel minder in het holle van den duisteren
+nacht. [25]
+
+
+
+
+Een Tuin met Doodshoofden.
+
+De voorstelling, die de Japansche kunstenaar van een tuin geeft, met
+zijn pijnboomen en steenen lantarens, en meren, waarvan de oevers met
+azalea's zijn beplant, is meestal bijzonder schoon. Hiroshige heeft,
+zooals zooveel Japansche kunstenaars, een tuin geschilderd, waarop
+sneeuw is gevallen; maar in één van zijn schilderijen schildert hij
+de sneeuw, terwijl zij in een aantal doodshoofden verandert; hij
+heeft die fantastische voorstelling ontleend aan de _Heike Monogatari_.
+
+Men moet zich niet voorstellen, dat de Japansche kunstenaar, als hij
+het ééne of andere bovennatuurlijke wezen schildert of een tafereel
+uit de ééne of andere mythe weergeeft, uitsluitend het afzichtelijke
+en afgrijselijke aanpakt. Het afzichtelijke en afgrijselijke wordt
+zeker met groote levendigheid en dramatische kracht geschilderd,
+maar een aantal Japansche kunstenaars schilderen ook de Goden en
+Godinnen van het Oude Japan met veel aanminnigheid en bekoorlijkheid.
+
+
+
+De Droom van Rosei [26].
+
+De Japansche versierselen verduidelijken dikwijls een oude legende. Wij
+zien somtijds op een _tsuba_ (gevest van een degen) een pijnboom met
+menschen, die in de takken zitten. Één man draagt een banier, terwijl
+twee andere op muziekinstrumenten spelen. Er is een aardige legende
+aan die vreemde teekening verbonden, en hoewel die van Chineeschen
+oorsprong is, verdient zij een plaats te vinden in dit werk, omdat
+zij één van die fantastische Chineesche legenden is, die in de
+Japansche litteratuur en kunst is ingeweven, in het kort één van
+de geliefkoosde onderwerpen is geworden van Chineesche kunstenaars,
+en van hen, die de _No_, of het lyrische drama van Nippon, bijwonen.
+
+Rosei bereikte in oude tijden de oude herberg van Kantan, zóó vermoeid
+van zijn reis, dat hij onmiddellijk toen zijn hoofd zijn hoofdkussens
+aanraakte, in slaap viel. Het was geen gewoon hoofdkussen, maar
+kon zeer goed beschreven worden als het Tooverkussen der Droomen,
+immers zoodra Rosei in slaap was gevallen, naderde hem een afgezant,
+die zeide: "Ik ben door den Keizer van Ibara afgezonden, om u mede te
+deelen, dat Zijne Majesteit wenscht afstand te doen van den troon en
+u in zijn plaats te stellen. Wees zoo goed in den palankijn plaats te
+nemen, die u wacht, en de dragers zullen u spoedig naar de hoofdstad
+dragen."
+
+Rosei, ten hoogste verbaasd door wat hij had gezien en gehoord,
+nam plaats in den palankijn, die bezaaid was met edelgesteenten van
+schitterenden glans, en werd naar een prachtig land gevoerd, dat het
+best in het volgende gedicht is beschreven:
+
+
+ Want nog nooit in die oude Keizerlijke zalen,
+ Zich badend in den glans, dien 't maanlicht uit deed stralen,
+ Of waar de draak zich heft op wolken in den Hooge,
+ Was er zoo groote wellust voor de oogen!
+ Met zilver en met goud was overdekt de grond.
+ Vier poorten in de hoeken van de zalen
+ Vertoonden, als men d' oogen rond liet dwalen,
+ Juweelen schoon als men nooit ergens vond,
+ En drommen in kleedij, die fonkelde van licht,
+ Vertoonden overal een schitterend gezicht.
+ Zóó schoon was 't al te zien,
+ Dat 't sterflijk oog misschien
+ Zich waande vóór de poort van 't schittrend hemelrijk.
+ Hier gaf het gansche volk van liefde en mildheid blijk,
+ Door 't bieden van de schoonste en edelste geschenken,
+ Zoo kostbaar als men zich 't gemunte goud kan denken.
+ En ginds de minderen, die deelden in het wonder,
+ Vazallen, naderend, vermetel, vol van moed,
+ Van wie een ieder fier zijn vaandel wapp'ren doet,
+ Dat 't gansche luchtruim vult met heldren kleurengloed,
+ Terwijl de lucht weerklinkt, als rolde luid de donder.
+
+ Naar _B.H. Chamberlain_.
+
+
+Rosei bevond zich in een tooverland, waar de Natuur òf haar natuurlijke
+wetten vergat, òf door de bevolking van dat land tot nieuwe wonderen
+gebracht werd. In het oosten was een zilveren hemel, waarover de gouden
+zon scheen, en in het westen was er een gouden heuvel, waarover de
+maan haar zilveren licht uitgoot.
+
+
+ De tijd wordt niet door herfst of lente aangeduid,
+ En zon zoowel als maan vergeet te spoeden langs haar weg,
+ Als zij het druk gewoel der rijke poorten zien.
+
+ Naar _B.H. Chamberlain_.
+
+
+Het geheele gronddenkbeeld van dit bekoorlijke verhaal schijnt uit
+te drukken, dat dit land niet alleen een land was van eeuwige jeugd,
+maar ook een land, waar de Natuur de jaargetijden samenvoegde, waar
+altijd kleur en bloesem gevonden werd, en waar geen bloem verwelkte.
+
+Toen Rosei vijftig jaar in dit heerlijke land had geleefd en geregeerd,
+kwam op zekeren dag een minister bij hem, en verzocht hem te drinken
+van het Levenselixir, opdat hij, evenals zijn onderdanen, eeuwig
+zou leven.
+
+De vorst dronk het Elixir, "te midden van de schitterendste pracht en
+het grootste vreugdebetoon, ooit over een sterveling uitgegoten". Rosei
+meende, dat hij den Dood had beroofd van hetgeen hem toekwam, en
+bracht een leven van poëtische, ja zelfs zinnestreelende verrukking
+door. Hij gaf weelderige feesten aan zijne hovelingen, feesten,
+die zonder onderbreking de zon en de maan zagen, waar bekoorlijke
+meisjes dansten, en waar eindeloos muziek en gezang werd gehoord.
+
+Het bleek echter, dat die vroolijke feesten, dat kleurig praalvertoon,
+toch niet eeuwigdurend waren, want eindelijk werd Rosei wakker en
+ontdekte hij, dat hij op "Kantans" peluw rustte. De zedenmeester komt
+op dit oogenblik ten tooneele met het volgende gedicht:
+
+
+ "Maar wie dit goed bedenkt,
+ Ziet dat het leven steeds aan elk hetzelfde schenkt;
+ Komt eenmaal toch de dood--een eeuw van zaligheid
+ Zinkt als een schoone droom terug in d' eeuwigheid.
+
+ Naar _B.H. Chamberlain_.
+
+
+Rosei kwam na die fantastische ondervinding tot het besluit, dat
+"het leven een droom" is, dat ook de eerzucht een droom is; en na
+die Buddhistische leerstelling te hebben in zich opgenomen, keerde
+hij naar zijn eigen huis terug.
+
+
+
+Een Kakemono Geestverschijning. [27]
+
+Sawara was een leerling in de woning van den kunstenaar Tenko, die
+een vriendelijk en bekwaam onderwijzer was, terwijl Sawara, zelfs
+reeds toen hij zijn kunstenaarsloopbaan aanving, veel voor de toekomst
+beloofde. Kimi, de nicht van Tenko, wijdde haar geheelen tijd aan haar
+oom en aan het bestuur van diens huishouding. Kimi was een schoone
+maagd, en het duurde niet lang, of zij werd smoorlijk verliefd op
+Sawara. De jonge leerling vond haar buitengewoon bekoorlijk, zelfs
+zóó, dat hij, als het noodig was, voor haar wilde sterven, en in zijn
+hart was hij heimelijk op haar verliefd. Hij deed in tegenstelling met
+Kimi, van zijn liefde echter weinig naar buiten blijken, daar hij zijn
+volle aandacht moest wijden aan zijn werk; wel was dit ook bij Kimi
+het geval, maar terwijl bij Sawara zijn werk boven zijn liefde ging,
+was voor Kimi alleen de liefde van beteekenis.
+
+Terwijl Tenko op zekeren dag een bezoek bracht, kwam Kimi naar Sawara
+toe, en daar zij niet langer haar liefde kon bedwingen, deelde zij hem
+mede, hoezeer zij hem liefhad, en vroeg, of hij haar wilde huwen. Nadat
+zij dit verzoek had gedaan, zette zij thee voor haar minnaar neer,
+en wachtte zijn antwoord af.
+
+Sawara deelde haar liefde, en zeide, dat het hem innig zou verheugen,
+met haar te huwen, maar hij voegde er aan toe, dat het huwelijk
+niet binnen de eerste twee of drie jaar kon plaats hebben, daar hij
+zich eerst een zelfstandigen werkkring moest hebben verworven en een
+beroemd kunstenaar moest geworden zijn.
+
+Sawara, die zijn kunstkennis wilde vermeerderen, besloot te gaan
+studeeren onder een beroemd schilder, Myokei genaamd, en nadat hij
+alles had geregeld, nam hij afscheid van zijn meester en van Kimi,
+terwijl hij beloofde, dat hij dadelijk zou terugkeeren, als hij zich
+een naam had verworven en een groot kunstenaar was geworden.
+
+Twee jaren gingen voorbij zonder dat Tenko of Kimi eenig nieuws van
+Sawara vernamen. Een aantal aanbidders van Kimi kwamen telkens bij
+haar oom met huwelijksaanzoeken, en Tenko overlegde bij zich zelf, wat
+hij onder die omstandigheden zou doen, toen hij een brief ontving van
+Myokei, waarin deze mededeelde, dat Sawara uitnemend werk leverde,
+en dat hij wenschte, dat zijn voortreffelijke leerling met zijn
+dochter zou huwen.
+
+Tenko meende, misschien wel niet ten onrechte, dat Sawara Kimi geheel
+had vergeten, en dat hij niets beter kon doen dan haar ten huwelijk
+te geven aan Yorozuya, een vermogend koopman, en zoo ook den wensch
+te vervullen van Myokei, dat Sawara zou huwen met de dochter van den
+grooten schilder. Met dat doel voor oogen besloot Tenko een list te
+gebruiken, en riep hij Kimi bij zich en sprak:
+
+"Kimi, ik heb een brief ontvangen van Myokei, en ik vrees, dat
+het treurige nieuws, dat die brief bevat, u zeer veel verdriet zal
+doen. Myokei wenscht, dat Sawara met zijn dochter huwt, en ik heb hem
+geantwoord, dat ik mijn volle toestemming geef voor die verbintenis. Ik
+ben er zeker van, dat Sawara u heeft veronachtzaamd, en daarom ben
+ik er op gesteld, dat gij met Yorozuya huwt, die, naar mijn innige
+overtuiging, een voortreffelijk echtgenoot voor u zal zijn."
+
+Toen Kimi die woorden hoorden, weende zij bitter, en ging zonder een
+woord te spreken naar haar kamer.
+
+Des morgens kwam Tenko in het vertrek van Kimi, maar zijn nicht was
+verdwenen, en zelfs na een langdurig onderzoek, dat volgde, was hij
+niet in staat te ontdekken, waar zij gebleven was.
+
+Toen Myokei het antwoord op zijn brief had ontvangen, deelde hij den
+veelbelovenden kunstenaar mede, dat hij wenschte, dat hij zijn dochter
+zou huwen, opdat er aldus een schildersfamilie zou worden gesticht;
+maar Sawara was verbaasd, toen hij dit buitengewone nieuws vernam,
+en vertelde dat hij de eer, van zijn schoonzoon te worden, niet kon
+aannemen, omdat hij reeds verloofd was met de nicht van Tenko.
+
+Sawara zond nu, helaas te laat, brieven naar Kimi, en toen hij geen
+antwoord kreeg, vertrok hij naar zijn oude woonplaats, kort na den
+dood van Myokei.
+
+Toen hij de kleine woning bereikte, waar hij zijn eerste lessen in
+de schilderkunst had ontvangen, vernam hij tot zijn groote ergernis,
+dat Kimi haar ouden oom had verlaten, en na eenigen tijd trouwde hij
+met Kiku ("Chrysanthemum"), de dochter van een vermogend landbouwer.
+
+Korten tijd na zijn huwelijk werd hem door den Heer van Aki opgedragen,
+de zeven tooneelen der eilanden Kabakarijima te schilderen, die op
+gouden schermen moesten worden aangebracht. Hij vertrok dadelijk naar
+die eilanden en maakte een aantal ruwe schetsen. Terwijl hij daarmede
+bezig was, ontmoette hij aan het strand een vrouw met een rood kleed
+om de lendenen, en met loshangend haar, dat over haar schouders
+viel. Zij droeg kreeften in haar mand, en zoodra zij Sawara zag,
+herkenden zij hem.
+
+"Gij zijt Sawara en ik ben Kimi", zoo sprak zij, "met wien gij verloofd
+zijt". "Het gerucht omtrent uw huwelijk met de dochter van Myokei was
+valsch, en mijn hart is innig verheugd, want niets staat ons huwelijk
+nu meer in den weg".
+
+"Helaas! arme, vreeselijk verongelijkte Kimi, dat kan niet geschieden",
+antwoordde Sawara. "Ik dacht, dat gij Tenko hadt verlaten en mij
+vergeten waart, en daar ik overtuigd was, dat dit werkelijk waar was,
+heb ik Kiku, de dochter van een landbouwer, gehuwd".
+
+Kimi sprong als een opgejaagd hert, zonder een woord te zeggen, langs
+het strand en trad haar kleine hut binnen, terwijl Sawara achter haar
+aan holde en haar voortdurend bij haar naam riep. Hij zag voor zijn
+oogen, hoe Kimi een mes opnam, en dat in haar hals stak; een volgend
+oogenblik lag zij dood op den grond. Sawara weende, toen hij haar in
+den dood aanschouwde, en lette op de vredige schoonheid van den Dood
+op haar wangen, terwijl hij voor het eerst een stralenkrans zag in
+haar door den wind uitgespreide haren. Zij was nu zóó schoon en zóó
+liefelijk, dat hij, zoodra hij zijn tranen had bedwongen, een schets
+maakte van de vrouw, die hem zóózeer had liefgehad, maar door het lot
+zóó diep was getroffen. Boven het peil van den vloed begroef hij haar,
+en toen hij zijn eigen huis had bereikt, haalde hij de ruwe schets te
+voorschijn, schilderde een beeld van Kimi, en hing die als _Kakemono_
+aan den muur.
+
+
+
+
+Kimi vindt vrede.
+
+Dienzelfden nacht werd hij wakker en ontdekte, dat het beeld op de
+Kakemono tot leven was gewekt, en dat Kimi met de wond in haar hals
+en met hangende haren vóór hem stond. Elken nacht keerde zij terug,
+een stil en betreurenswaardig beeld, totdat ten slotte Sawara, die
+niet langer in staat was, die beproeving te dragen, de _Kakemono_
+ten geschenke gaf aan den Tempel van Korinji, en zijn vrouw naar
+haar ouders terugzond. De priesters van den tempel van Korinji baden
+dagelijks voor de ziel van Kimi, en langzamerhand vond Kimi vrede en
+rust, en kwelde zij ook Sawara niet meer.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VIII: DE GELIEVEN, DIE ELKANDER ALLEEN BIJ HELDEREN HEMEL
+BEZOEKEN, EN HET KLEED VAN VEEREN.
+
+
+
+De Sterrenhemel.
+
+Een van de meest romantische der oude Japansche feesten is het feest
+van Tanabata, het Wevende Meisje. Het wordt gevierd op den zevenden dag
+der zevende maand, en het was gebruikelijk, dat bij die gelegenheid
+versch gesneden bamboe's werden geplaatst op de daken der huizen, of
+dat zij in den grond werden gestoken, vlak bij de huizen. Gekleurde
+strooken papier werden aan die bamboe's bevestigd, en op iedere
+papierstrook was een gedicht geschreven ter eere van Tanabata en
+haar echtgenoot Hikoboshi, zooals bij voorbeeld het volgende: "Daar
+Tanabata sluimert tot aan het aanbreken van den dageraad, terwijl
+haar lange mouwen opgerold zijn, wekt haar, o ooievaars, niet door uw
+geklepper". Men zal zich van dit feest een betere voorstelling maken,
+als wij de legende hebben beschreven, die daarmede samenhangt.
+
+De God van het Uitspansel had een bekoorlijke dochter, Tanabata
+genaamd, die het grootste gedeelte van haar tijd doorbracht met het
+weven van gewaden voor haar doorluchtigen vader. Op zekeren dag, toen
+zij aan haar weefstoel zat, zag zij toevallig een schoonen jongeling,
+die een os voortleidde, en onmiddellijk werd zij op hem verliefd. De
+vader van Tanabata, die haar meest heimelijke gedachten kon raden,
+stemde onmiddellijk in hun huwelijk toe. Ongelukkig echter hadden
+zij elkander wel zeer innig, maar onverstandig lief, met dit gevolg,
+dat Tanabata haar weven veronachtzaamde, terwijl de os van Hikoboshi
+vrij kon ronddolen over de Hooge Vlakte des Hemels. De God van het
+Uitspansel werd uiterst vertoornd, en beval, dat die al te vurige
+gelieven in het vervolg door de Hemelsche rivier zouden gescheiden
+zijn. In den zevenden nacht der zevende maand vormde, als het weer
+gunstig was, een groote menigte vogels een brug over de rivier, en op
+die wijze waren de gelieven in staat elkander te bezoeken. Het was
+zelfs niet eens zeker, dat dit kort bezoek mogelijk was, immers als
+het regende, was de Hemelsche rivier te breed, dan dat zij zelfs door
+een groote brug van eksters kon worden overspannen, en de gelieven
+waren dan gedwongen, weer een lang treurig jaar te wachten, voordat
+er weer eenige kans was, elkander te ontmoeten.
+
+Het is dus niet te verwonderen, dat op het Feest van het Wevende Meisje
+kleine kinderen zongen "_Tenki ni nari_" ("O, weer, wees helder!") In
+ons land spot liefde met gesloten deuren, maar de Hemelsche Rivier
+laat, als zij gezwollen is, niet met zich spotten. Als het helder
+weer is en de Gelieven elkander dus bezoeken, na een jaar van droevig
+wachten, schitteren de sterren, waarschijnlijk van de Lier en de Arend,
+in vijf verschillende kleuren--blauw, groen, rood, geel en wit--en
+dit is de reden, dat gedichten worden geschreven op papierstrooken
+in die kleuren.
+
+
+
+Het Kleed van Veeren. [28]
+
+
+
+ "O goddelijk geluid, dat klinkt in onze ooren,
+ De feeën zingen. Door het luchtruim doet zich hooren
+ Welluidend klokkenspel. Der englen luiten,
+ Cimbaal en tamboerijn en liefelijke fluiten
+ Weerklinken door de lucht, gekleurd door purperrood,
+ Alsof Someiro's westerglooiïng noodt
+ Van de ondergaande zon den glans en gloed te voelen,
+ Als golven hemelsblauw 't begroeide strand bespoelen.
+ Van Yukishima's wal jaagt de opgezweepte storm
+ De bloemen door het zwerk: maar nog verkwikt de vorm
+ Dier boomen sneeuwbelaân, die schittren in het licht,
+ Door 't prachtig kleurenspel des menschen aangezicht."
+
+ _Ha-Goromo_. (Naar _B.H. Chamberlain_.)
+
+
+Het was lente, en langs het met pijnboomen bedekte strand van Mio
+werd het geluid van vogels gehoord. De blauwe zee danste en fonkelde
+in den zonneschijn, en Hairukoo, een visscher, zat daar neer om
+van het schitterende tooneel te genieten. Terwijl hij dit deed,
+zag hij bij toeval een prachtig kleed van zuiver witte veeren aan
+een pijnboom hangen.
+
+Toen Hairukoo op het punt stond het kleed van den boom af te nemen,
+zag hij, dat een buitengewoon bekoorlijk meisje uit de zee naar hem
+toekwam, en hem vroeg, of hij haar het kleed wilde teruggeven.
+
+Hairukoo keek met bijzondere bewondering naar het meisje en zeide: "Ik
+vond het kleed en ben van plan het te houden, want het is een wonder,
+waardig om geplaatst te worden onder de schatten van Japan. Neen,
+ik kan het u bij mogelijkheid niet teruggeven."
+
+"Ach", riep het meisje diep ongelukkig. "Ik kan niet door de lucht
+vliegen zonder mijn kleed van veeren; als gij er dus bij blijft, dat
+gij het wilt houden, kan ik nooit meer naar mijn hemelsch verblijf
+terugkeeren. Ach, brave visscher, ik smeek u, geef mij mijn kleed
+terug!"
+
+De visscher, die wel een zeer hardvochtig man moet geweest zijn,
+wilde zich niet laten vermurwen. "Hoe meer gij smeekt", zeide hij,
+"des te meer ben ik besloten, te houden wat ik heb gevonden".
+
+Daarop antwoordde het meisje:
+
+
+ "O, beste visscher, spreek niet uit dat woord;
+ Hebt gij dan nooit van 't vogeltje gehoord,
+ Welks wieken zijn geknakt; kan 'k niet met veeren prijken,
+ Dan tracht ik te vergeefs den Hemel te bereiken",
+
+
+Na eenige verdere besprekingen over dit onderwerp werd het hart van
+den visscher eenigszins verteederd. "Ik zal u uw kleed van veeren
+teruggeven," zoo sprak hij, "als gij oogenblikkelijk voor mij wilt
+dansen."
+
+Daarop antwoordde het meisje: "Ik zal hier voor u den dans dansen,
+die het Paleis van de Maan doet ronddraaien, zoodat zelfs een arme
+sterveling zijn geheimen leert kennen. Maar ik kan niet dansen zonder
+mijn veeren".
+
+"Neen", zeide de visscher wantrouwend. "Als ik u dat kleed geef,
+zult gij wegvliegen, zonder voor mij te hebben gedanst".
+
+Het meisje werd ontzettend boos over die opmerking. "Stervelingen
+mogen al hun beloften breken", zoo sprak zij, "maar bij de Hemelsche
+Wezens zijn bedrog en onoprechtheid niet bekend".
+
+Na het hooren van die woorden schaamde zich de visscher vreeselijk,
+en zonder een woord te antwoorden, gaf hij het meisje het kleed van
+veeren terug.
+
+"Neen", zeide de visscher wantrouwend. "Als ik u dat kleed geef,
+zult gij wegvliegen, zonder voor mij te hebben gedanst".
+
+Het meisje werd ontzettend boos over die opmerking.
+
+"Stervelingen mogen al hun beloften breken", zoo sprak zij, "maar
+bij de Hemelsche Wezens zijn bedrog en onoprechtheid niet bekend".
+
+Na het hooren van die woorden schaamde zich de visscher vreeselijk,
+en zonder een woord te antwoorden, gaf hij het meisje het kleed van
+veeren terug.
+
+
+
+
+Het Gezang van het Maanmeisje.
+
+Toen het meisje haar helder wit kleed had aangetrokken, tokkelde zij
+de snaren van een luit en begon te dansen, en terwijl zij danste en
+speelde, zong zij van vele vreemde en schoone dingen in verband met
+haar verwijderde woning in de Maan. Zij zong van het reusachtige
+Paleis van de Maan, waarin dertig vorsten heerschten, vijftien in
+witte gewaden, als de maanschijf vol was, en vijftien in het zwart,
+als de Maan afnam. Terwijl zij zong en speelde en danste, zegende
+zij Japan en drukte den wensch uit, "dat het voortdurend meer moge
+bloeien en groeien".
+
+De visscher mocht zich niet lang verheugen in die vriendelijke
+vertooning van de bekwaamheid van het Maanmeisje, immers zeer spoedig
+klopten haar lieflijke voetjes niet langer het zand. Zij steeg op
+in de lucht, terwijl de witte veeren van haar kleed flikkerden tegen
+de pijnboomen of tegen de blauwe lucht zelf. Zij steeg al hooger en
+hooger, nog steeds spelend en zingend, tot boven de toppen der bergen,
+al hooger en hooger, totdat haar gezang niet meer werd gehoord,
+en zij het schitterende paleis van de Maan bereikte.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK IX. LEGENDEN VAN DEN BERG FUJI.
+
+
+
+De Berg van den Lotus en den Waaier.
+
+De Berg Fuji, of Fuji-yama ("De Nooit Stervende Berg"), schijnt wel
+typisch Japansch te zijn. Zijn groote met een sneeuw kap gedekte kegel
+gelijkt op een grooten omgekeerden waaier, terwijl de fijne strepen
+langs zijn helling gelijken op het geraamte van een waaier. Een
+inboorling uit dit land heeft den berg zeer juist aldus beschreven:
+"De Fuji beheerscht het leven door zijn rustige schoonheid. Smart
+wordt gestild, verlangen tot rust gebracht, vrede schijnt te stroomen
+van die onveranderlijke verblijfplaats van den vrede, den bergtop van
+den witten lotus". De vergelijking met een witten lotus is even juist
+als die met den uitgespreiden waaier, want zij heeft betrekking op de
+heilige bloem van Buddha, en haar acht spitsen zijn voor den geloovigen
+Buddhist het symbool van de Acht Gaven: Gewaarwording, Bedoeling,
+Spraak, Gedrag, Leven, Inspanning, Oplettendheid, Overdenking. De
+algemeene indruk van den Fuji doet dus eendeels aan godsdienst denken,
+en anderdeels aan een grooten waaier, groot en schoon genoeg, om
+met sterren en snel voortvliegende wolken te coquetteeren. Dichters
+en kunstenaars hebben beide in gelijke mate hun schatting aan lof
+betaald aan dien onvergelijkelijken berg, en wij geven den volgenden
+keurigen zang over dit blijkbaar onuitputtelijke onderwerp:
+
+
+ "Fuji Yama,
+ Geraakt door een goddlijken adem,
+ Keeren wij weer tot de gedaante van God.
+ Uw zwijgen is zingen.
+ Uw zingen 't gezang van den Hemel:
+ Ons land van koorts en van zorg
+ Wordt tot een woning van heerlijke rust.
+ De woning, ver van het land,
+ Waar menschen komen ter wereld
+ Alleen om te sterven.
+ Wij allen, Japansche dochters en zonen,
+ Die zingen uw pracht en uw majesteit,
+ Den trots van de Godheid,
+ Wij sluiten onze schaduw in uw boezem,
+ De zachtste plaats der eeuwigheid,
+ O, wonder met wit gelaat,
+ Onovertroffen gezicht,
+ O, verhevenheid en schoonheid!
+ De duizend stroomen dragen uw heilig beeld
+ Op hun gelaat;
+ Alle bergen heffen hun hoofden tot u op
+ Gelijk het stroomend getijde,
+ Als wachtten zij op uw beslissend bevel....
+ Zie! hoe de zeeën, omgevend Japan,
+ Haar zang van hongrigen tand, wolfachtig begeeren, verliezen,
+ Gekust door de wiegelied zingende rust,
+ Bij 't zien van uw schaduw,
+ Als ware het in een droom van een lied.
+ Wij, u omgevend, vergeten te sterven:
+ Wel is lieflijk de Dood.
+ Maar zachter dan Dood is het leven.
+ Wij zijn wel sterf'lijk, maar zijn toch ook goden,
+ Onschuldige makkers van u,
+ O eeuwige Fuji".
+
+ _Yone Noguchi._
+
+
+De Fuji is honderden jaren een bedevaartsoord geweest, en Lafcadio
+Hearn heeft zijn top genoemd "het Hoogste Altaar der Zon". Nog steeds
+houden een aantal pelgrims vast aan het oude Shinto gebruik om dien
+heiligen berg te beklimmen, gekleed in witte gewaden en zeer breede
+strooien hoeden, terwijl zij herhaaldelijk een bel luiden en zingen:
+"Mogen onze zes zintuigen rein zijn, en het weer op den eerwaardigen
+berg goed zijn".
+
+De Fuji was eertijds een bijzonder werkzame vulkaan. De laatste
+uitbarsting had plaats in de jaren 1707--1708, en bedekte Tokyo, dat
+op honderd kilometers verwijderd was, met een aschlaag van vijftien
+centimeters. De naam Fuji zelf is waarschijnlijk afgeleid van Huchi
+of Fuchi, de Godin van het Vuur bij de Ainu's; "immers", zoo schrijft
+Chamberlain, "tot in bijna historische tijden vormde de streek rondom
+den Fuji een deel van het land der Ainu's, en het geheele oostelijke
+deel van Japan is bezaaid met namen die aan de Ainu's ontleend zijn".
+
+
+
+
+De Godheden van den Fuji.
+
+
+Sengen, de Godin van den Fuji, is eveneens bekend
+onder den naam van Ko-no-hana-saku-ya-hime [29]
+("Schitterend-bloeiend-als-de-bloemen-der-boomen"), en haar tempel is
+op den top gelegen. Men verhaalt, dat de Godin in oude tijden verwijlde
+in een lichtende wolk boven den krater, waar zij werd bediend door
+onzichtbare bedienden, die gereed stonden om alle bedevaartgangers
+naar beneden te werpen, die niet rein van harte waren. Een andere
+godheid van dien berg is O-ana-mochi ("Bezitter van de Groote Opening,
+of Krater"). Bovendien hebben wij nog de Lichtende Maagd, die zekeren
+keizer in zijn verderf lokte. Op de plaats, waar hij verdween werd een
+kleine tempel opgericht, waar hij nog steeds wordt aangebeden. Men
+verhaalt, dat bij zekere gelegenheid een stortvloed van kostbare
+juweelen van dien berg afrolde, en dat het zand, dat over dag wordt
+opgejaagd door de voeten van tallooze pelgrims, in de diepte neervalt
+en des nachts weder zijn vorige plaats herneemt.
+
+
+
+
+De Fuji, de verblijfplaats van het Levenselixir.
+
+Het is niet te verwonderen, dat een aantal legenden ten opzichte van
+dien eerwaardigen en aangebeden berg zijn ontstaan. Zooals zoovele
+bergen in Japan en ook in andere Oostersche landen, stond hij in
+verband met het Levenselixir. De woorden van den Japanschen dichter,
+"Wij, die in uw nabijheid zijn, vergeten te sterven", schijnen, hoewel
+niet lang geleden geschreven, de oude gedachte weer te geven. Wij
+hebben reeds gezien in de legende van "De Bamboesnijder en het
+Maanmeisje", dat de Edele Vrouwe Kaguya had bevolen, den Fuji te
+bestijgen en daar het Levenselixir te verbranden, te gelijk met een
+rol papier.
+
+De faam van den Fuji, zoo luidt een oude legende, bereikte de ooren
+van een Keizer van China. Toen men hem had medegedeeld, dat die berg
+was ontstaan in één enkelen nacht, vermoedde hij, dat de Fuji het
+Levenselixir moest leveren. Daarvoor verzamelde hij een aantal schoone
+jongelingen en meisjes om zich heen, en zette koers naar het Land
+van de Rijzende Zon. De jonken vlogen voor den razenden wind als een
+overvloed van gouden bloemblaadjes; maar na eenigen tijd ging de storm
+liggen, en de Keizer en zijn volgelingen zagen den witten glans van
+den Fuji vóór zich oprijzen. Toen de jonken op het strand gezet waren,
+vormde de Keizer zijn volgelingen tot een stoet, en ging hij hun voor
+naar den top van den berg, langzaam voortgaande. Uren achtereen klom
+de stoet naar boven, terwijl de Keizer in zijn gouden gewaad steeds
+vooraan liep, totdat het geluid van de zee niet langer werd gehoord,
+en de duizend voeten zacht op de sneeuw trapten, waar vrede en het
+eeuwige leven heerschten. Toen hij het einde van den tocht naderde,
+ijlde de oude Keizer vroolijk vooruit, daar hij de eerste wilde zijn,
+die van het Levenselixir dronk. En hij was dan ook de eerste, die
+proefde van dat Leven, dat nooit oud wordt; doch toen zijn volgelingen
+hem bereikten, zagen zij, dat hij op zijn rug lag met een glimlach
+op het gelaat. Hij had inderdaad het Eeuwige Leven gevonden, maar
+het was langs den weg van den Dood.
+
+
+
+
+Bezoek van Sentaro aan het Land der Eeuwige Jeugd.
+
+Het verlangen om den Fuji het geheim van het Eeuwige leven
+te ontworstelen, schijnt nooit met een goeden uitslag te zijn
+bekroond. Een Chinees, Jofuku genaamd, bereikte den heiligen berg met
+dit doel voor oogen. Hij slaagde evenmin, en keerde nooit naar zijn
+eigen land terug; maar hij wordt beschouwd als een heilige, en zij,
+die hetzelfde doel najagen, bidden ernstig aan zijn altaar.
+
+Sentaro bad eens bij zekere gelegenheid aan dat altaar, en ontving
+daar een kleinen papieren kraanvogel, die, zoodra hij hem in handen
+had gekregen, ontzaglijke afmetingen aannam. Op den rug van dien
+grooten kraanvogel vloog Sentaro naar het Land der Eeuwige Jeugd,
+waar de menschen, tot zijn verbazing, verschillende vergiften innamen,
+en er naar verlangden te sterven! Sentaro werd dat land spoedig moede,
+keerde naar zijn eigen land terug en besloot tevreden te zijn met de
+gewone spanne tijds, die den mensch is toegekend--wat hij wel mocht
+zijn, als men nagaat, dat hij reeds drie honderd jaar had doorgebracht
+in het land, waar niemand stierf en ook niemand werd geboren.
+
+
+
+
+De Godin van den Fuji.
+
+De moeder van Yosoji werd, evenals een groot aantal menschen in het
+dorp waar zij woonde, door de pokken aangetast. Yosoji raadpleegde
+den toovenaar Kamo Yamakiko hierover, want zijn moeder werd zóó ziek,
+dat hij ieder oogenblik meende, dat zij hem door den dood zou worden
+ontrukt. Kamo Yamakiko beval Yosoji naar een kleinen stroom te gaan,
+die afstroomde vari de zuidwestelijke helling van den Fuji. "Dicht
+bij den oorsprong van die rivier", sprak de toovenaar, "is een altaar,
+gewijd aan den God van Langen Adem. Ga daar water halen, en geef het
+uw moeder, want dat alleen zal haar genezen".
+
+Yosoji spoedde zich vol nieuwen moed op reis, doch toen hij op een
+plaats gekomen was, waar drie wegen elkander kruisten, was hij in
+moeilijkheid, welk pad hij zou kiezen. Juist terwijl hij daarover
+nadacht, trad een bekoorlijk meisje, in het wit gekleed, uit het
+bosch te voorschijn, en verzocht hem haar te volgen naar de plaats,
+waar de kostbare stroom vloeide in de nabijheid van het altaar van
+den God van Langen Adem.
+
+Toen zij den stroom bereikten, kreeg Yosoji het bevel, zelf te drinken,
+en daarna de flesch met het parelende water voor zijn moeder te
+vullen. Toen hij dit had gedaan, vergezelde hem het schoone meisje
+naar de plaats, waar hij haar oorspronkelijk had gezien, en zeide:
+"Kom weer over drie dagen bij mij op dezelfde plaats, want gij zult
+een nieuwen voorraad van dit water noodig hebben".
+
+Na vijf bezoeken aan dat gewijde altaar verheugde zich Yosoji er over,
+dat zijn moeder weer geheel hersteld was, en niet alleen zijn moeder,
+maar ook een aantal van de dorpelingen, die eveneens het voorrecht
+gehad hadden van dat water te drinken. De dapperheid van Yosoji
+werd luide geprezen, en den toovenaar werden geschenken gezonden
+als belooning voor zijn op het juiste oogenblik gegeven raad; maar
+Yosoji, die een fatsoenlijke jongen was, wist zeer goed, dat die
+lof uitsluitend toekwam aan het schoone meisje, dat hem tot gids had
+gestrekt. Hij wilde haar nog hartelijker danken dan hij tot nu toe had
+gedaan, en begaf zich met dat doel nog eens op reis naar den stroom.
+
+Toen Yosoji het altaar van den God van Langen Adem bereikte, bleek
+het hem, dat de stroom was opgedroogd. Ten hoogste verbaasd en tevens
+erg bedroefd knielde hij neer en bad hij, dat zij, die zoo goed voor
+zijn moeder geweest was, vóór hem zou verschijnen, opdat hij haar
+zoo hartelijk kon bedanken als zij verdiend had. Toen hij opstond,
+zag hij het meisje vóór zich staan.
+
+Yosoji betuigde zijn dankbaarheid in warme en sierlijke bewoordingen,
+en verzocht, den naam te mogen vernemen van haar, die zijn geleidster
+was geweest en die zijn moeder haar oude gezondheid en kracht had
+teruggegeven. Maar het meisje weigerde, terwijl zij hem vriendelijk
+toelachte, haar naam te noemen. Nog steeds lachend, wierp zij een
+cameliatak in de lucht, zoodat het scheen, dat de schoone bloesems
+wenkten naar een onzichtbaren geest op grooten afstand. In antwoord op
+dien wenk der bloemen kwam een wolk neder van den Fuji; deze omsloot
+het bekoorlijke meisje en droeg haar naar den heiligen berg, van waar
+zij gekomen was. Nu wist Yosoji, dat zijn geleidster niemand anders
+was dan de Godin van den Fuji. Met verrukking boog hij zich ter aarde,
+toen hij de vertrekkende gestalte nazag. Toen hij haar nastaarde,
+wist hij in zijn hart, dat niet alleen dankbaarheid maar ook liefde
+in hem was opgewekt. Terwijl hij nog geknield lag, wierp de Godin
+van den Fuji den cameliatak neer, als een herinnering, maar misschien
+ook als een teeken van haar liefde voor hem.
+
+
+
+
+De Rip van Winkle van het Oude Japan.
+
+Wij hebben reeds verhaald, hoe de Fuji in één nacht is ontstaan, en de
+volgende legende deelt ons mede, hoe dit merkwaardige feit zich heeft
+voorgedragen. Wij hebben bij die legende nog een tweede gevoegd, die
+van Chineeschen oorsprong is, omdat die twee goed bij elkander passen
+en ons merkwaardig materiaal schenken met betrekking tot dien berg.
+
+Vele jaren geleden leefde in de toenmaals onvruchtbare vlakte van
+Suruga een houthakker, Visu genaamd. Hij was een reus van lichaamsbouw,
+en woonde in een hut met vrouw en kinderen. In zekeren nacht, toen
+Visu juist op het punt was in slaap te vallen, hoorde hij een zeer
+eigenaardig geluid, van onder den grond afkomstig, een geluid, dat
+krachtiger en verschrikkelijker klonk dan donder. Visu, die meende,
+dat hij met zijn gezin door een aardbeving zou worden gedood, nam met
+spoed de jongere kinderen op en ijlde naar de deur van de hut, waar
+hij een merkwaardig gezicht voor oogen kreeg. In plaats van de vroeger
+woeste vlakte zag hij een grooten berg, uit welks top vlammentongen
+opstegen en dichte rookwolken! Het gezicht van dien berg, die onder
+de aarde was voortgetrokken over een weg van honderden mijlen en zoo
+plotseling verrees in de vlakte van Suruga, was zóó schitterend,
+dat Visu, met vrouw en kinderen, op den grond bleef zitten onder
+de betoovering. Toen de zon den volgenden morgen verrees, zag Visu,
+dat de berg opalen kleederen had aangetrokken. Dit alles maakte op
+hem een zóó diepen indruk, dat hij den berg Fuji-yama noemde ("De
+Nooit-stervende Berg"), en zoo heet hij nog ten huidigen dage. Een
+zoo volmaakte schoonheid wekte bij den houthakker het denkbeeld op
+van de eeuwigheid, waardoor ook de gedachte aan het Levenselixir is
+opgewekt, die zoo dikwijls met dien berg is verbonden.
+
+Dagen aaneen zat Visu daar op den Fuji te staren en juist dacht hij er
+over na, hoe prachtig het voor een zoo indrukwekkenden berg zou zijn,
+als hij zijn eigen schoonheid kon aanschouwen, toen zich plotseling
+een groot meer voor hem uitstrekte, dat de vorm had van een lint,
+en dat daarom Biwa genoemd werd. [30]
+
+
+
+
+De Avonturen van Visu.
+
+Op zekeren dag kreeg Visu een bezoek van een ouden priester,
+die aldus tot hem sprak: "Brave houthakker, ik ben bang, dat gij
+nooit bidt." Visu antwoordde: "Als gij een vrouw en een groot gezin
+had te onderhouden, zoudt gij ook geen tijd hebben te bidden." Die
+opmerking maakte den priester boos, en de oude man gaf den houthakker
+een levendige beschrijving van het afgrijselijke lot, te worden
+wedergeboren als een pad, of een muis, of een insect, en dat wel
+gedurende millioenen jaren. Dergelijke sombere bijzonderheden waren
+Visu niet zeer aangenaam, en daarom beloofde hij den priester, dat
+hij in het vervolg zou bidden. "Werk en bid", zeide de priester,
+toen hij afscheid nam.
+
+Ongelukkig echter was het, dat Visu niets anders deed dan bidden. Hij
+bad gedurende den geheelen dag en weigerde iets te werken, zoodat zijn
+rijst op het veld verrotte en zijn vrouw en kinderen gebrek leden. De
+vrouw van Visu, die tot nu toe nooit een hard of bitter woord tot
+haar echtgenoot had gesproken, werd nu vreeselijk boos, en riep,
+terwijl zij op de uitgemergelde lichamen van haar kinderen wees:
+"Sta op, Visu, neem uw bijl ter hand, en doe iets, dat voor ons
+nuttiger is dan voortdurend gebeden te prevelen!"
+
+Visu was zóó vreeselijk verbaasd over hetgeen zijn vrouw had gezegd,
+dat het eenigen tijd duurde, eer hij een geschikt antwoord kon
+vinden. Toen hij eindelijk een antwoord gereed had, kwamen zijn
+woorden krachtig en driftig tot de ooren der arme, verongelijkte
+vrouw. "Vrouw", zoo sprak hij, "de Goden gaan voor. Gij zijt een
+onbeschaamd schepsel, dat gij zoo tot mij durft te spreken, en ik wil
+niets meer met u te doen hebben!" Visu nam zijn bijl op, en verliet,
+zonder om te zien of afscheid te nemen, de hut, trok het bosch uit, en
+besteeg den Fuji-Yama, waar een nevel hem voor aller blikken verborg.
+
+Toen Visu op den berg was gaan zitten, hoorde hij een zacht ritselend
+geluid, en zag onmiddellijk daarna een vos in het kreupelhout
+vliegen. Visu vond het nu bijzonder gelukkig, dat hij een vos zag, en
+sprong op, terwijl hij zijn gebeden vergat, en holde heen en weder in
+de hoop, dat hij dat kleine schepsel met zijn scherpen neus weer terug
+zou vinden. Hij was juist van plan de jacht op te geven, toen hij,
+zoodra hij een open ruimte in een bosch had bereikt, twee dames bij
+een beek zag zitten, die zich vermaakten met _go_ [31] te spelen. De
+houthakker geraakte zóó onder de betoovering, dat hij niets anders kon
+doen dan zich neerzetten en haar gadeslaan. Er werd geen geluid gehoord
+dan het zachte bewegen der stukken op het bord en het gezang van den
+stroomenden beek. De dames letten in het geheel niet op Visu, want zij
+schenen een vreemd spel te spelen, dat geen einde nam, en haar geheele
+aandacht in beslag nam. Visu kon zijn oogen niet van die bekoorlijke
+vrouwen afslaan. Hij beschouwde haar lange zwarte haren, en de vlugge
+handjes, die telkens uit de groote zijden mouwen te voorschijn kwamen,
+om de stukken te verzetten. Nadat hij daar driehonderd jaar had
+gezeten, hoewel het hem niet langer was voorgekomen dan een enkelen
+zomeravond, zag hij, dat één der beide dames een verkeerden zet had
+gedaan. "Dat is mis, lieftallige dame!" riep hij opgewonden uit. In
+een oogenblik veranderden die vrouwen in vossen [32] en holden weg.
+
+Toen Visu haar trachtte te achtervolgen, ontdekte hij tot zijn schrik,
+dat zijn beenderen vreeselijk stijf, en zijn haren ontzettend gegroeid
+waren, terwijl zijn baard den grond raakte. Tevens ontdekte hij, dat de
+steel van zijn bijl, hoewel die van het taaiste hout was vervaardigd,
+tot een hoopje stof was vergaan.
+
+
+
+
+De Terugkomst van Visu.
+
+Na een aantal pijnlijke pogingen was Visu weer in staat op zijn
+voeten te staan en uiterst langzaam naar zijn kleine woning terug
+te keeren. Toen hij de plek bereikte, was hij verbaasd, dat hij geen
+hut meer zag, en toen hij een oude vrouw zag staan, zeide hij: "Beste
+vrouw, ik ben verbaasd, dat mijne kleine hut verdwenen is. Ik ben in
+den namiddag eerst vertrokken en nu, met den avond, is zij verdwenen!"
+
+De oude vrouw, die meende, dat een krankzinnige haar toesprak,
+vroeg naar zijn naam. Toen zij dien hoorde, riep zij uit: "Wel, gij
+zijt zeker gek! Visu leefde driehonderd jaar geleden! Hij vertrok op
+zekeren dag en is nooit meer teruggekomen".
+
+"_Driehonderd jaar!_" mompelde Visu. "Dat kan niet mogelijk zijn. Waar
+zijn mijn goede vrouw en kinderen?"
+
+"Begraven!" kreet de oude vrouw uit, "en als waar is, wat gij zegt,
+ook uw kleinkinderen. De Goden hebben uw ellendig leven verlengd,
+als straf, omdat gij uw vrouw en jonge kinderen hebt verwaarloosd".
+
+Dikke tranen rolden langs de verweerde wangen van Visu, toen hij
+met heesche stem zeide: "Ik heb mijn mannelijken leeftijd laten
+verloren gaan. Ik heb gebeden, toen mijn lieve vrouw en kinderen
+gebrek leden en recht hadden op den arbeid van mijn eertijds krachtige
+handen. Oude vrouw, herinner u mijn laatste woorden: _als gij bidt,
+werk dan tevens!_"
+
+Wij weten niet, hoe lang de arme, berouwvolle Visu nog leefde, nadat
+hij van zijn vreemde avonturen was teruggekeerd. Men verhaalt, dat
+zijn witte geest nog steeds op den Fuji-yama gezien wordt, als de
+maan helder schijnt.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK X. KLOKKEN.
+
+
+
+De Klok van Enkakuji.
+
+Japansche klokken behooren tot de schoonste der wereld, immers zoowel
+wat haar grootte, als wat haar bouw en versiering betreft, heeft de
+vervaardiger van klokken te Nippon een hoogen trap van vaardigheid
+verkregen. De grootste klok in Japan behoort aan den Jodo-tempel van
+Chion, te Kyoto. Zij weegt vier en zeventig ton, en er zijn vijf
+en zeventig man noodig, haar zóó te doen klinken, dat men uit die
+kolossale metaalmassa den sterksten klank verkrijgt. De klok van
+Enkakuji is de grootste klok van Kamakura. Zij dagteekent reeds
+van het begin der dertiende eeuw en is anderhalve decimeter dik,
+heeft een middellijn van bijna veertien decimeters, en is bijna
+twee en halve meter hoog. Die klok is, in tegenstelling met onze
+klokken, van boven tot beneden overal even wijd, een vorm, die aan
+alle Japansche klokken gemeen is. Zij wordt geluid door middel van
+een balk, die van de zoldering afhangt, en aan dien balk hangt een
+touw. Als de balk met voldoende snelheid aan het slingeren gebracht
+wordt, slaat hij tegen een stuk metaal ter zijde van de klok, dat de
+gedaante heeft van een lotusbloem, en een krachtig geluid weerklinkt,
+"diep als de donder, en vol als de lage tonen van een krachtig orgel".
+
+
+
+
+De Terugkeer van Ono-no-Kimi.
+
+Toen Ono-no-Kimi stierf, kwam hij voor den Rechterstoel van Emma-O,
+den Rechter over de Zielen, welke strenge godheid hem mededeelde, dat
+hij te vroeg het aardsche leven had verlaten, en dat hij onmiddellijk
+moest terugkeeren. Ono-no-Kimi beweerde, dat hij niet op zijn schreden
+kon terugkeeren, daar hij den weg niet kende. Daarop zeide Emma-O:
+"Als gij luistert naar de klok van Enkakuji, zult gij in staat zijn,
+weder den weg naar de aarde terug te vinden." En Ono-no-Kimi ging
+weg van den Rechterstoel, en op het geluid van de klok vond hij den
+weg terug naar zijn vroegere woonplaats.
+
+
+
+
+De Reuzenpriester.
+
+Bij zekere gelegenheid werd, naar het verhaal luidt, een priester
+van reusachtige gestalte in het land gezien, en niemand kende zijn
+naam of wist, waar vandaan hij gekomen was. Met onuitputtelijken
+ijver doorkruiste hij het land in alle richtingen, van dorp tot
+dorp, van stad tot stad, met de vermaning voor de klok van Enkakuji
+te bidden. Toevallig werd ontdekt, dat die reuzenpriester niemand
+anders was dan een verpersoonlijking van de heilige klok zelf. Dit
+buitengewone nieuws had tot gevolg, dat een groote menigte zich nu
+begaf naar de klok van Enkakuji en daar bad, en dat velen terugkeerden
+nadat hun wenschen waren vervuld. Bij een andere gelegenheid heeft
+die heilige klok van zelf een diep geluid voortgebracht. Hen die
+ongeloovig waren en om het wonder lachten, troffen rampen, en zij
+die in de wondermacht der heilige klok geloofden, werden met grooten
+voorspoed beloond.
+
+
+
+
+Een Vrouw en de Klok van Miidera.
+
+In het oude klooster van Miidera bevond zich een groote bronzen
+klok. Deze liet iederen morgen en avond een helderen, krachtigen
+toon hooren, en de oppervlakte schitterde als de fonkelende dauw. De
+priesters stonden niet toe, dat een vrouw de klok deed klinken, omdat
+zij van meening waren, dat daardoor het metaal zou worden bezoedeld
+en dof werd, en hun zelf onheil zou overkomen.
+
+Toen een schoone vrouw, die in Kyoto woonde, dit hoorde, werd zij
+bijzonder nieuwsgierig, en ten slotte, toen zij niet meer in staat was,
+haar nieuwsgierigheid te bedwingen, zeide zij: "Ik ga die wonderlijke
+klok van Miidera eens bekijken. Ik zal haar een zachten toon doen
+voortbrengen, en in haar glinsterende oppervlakte, die grooter en
+helderder is dan duizend spiegels, zal ik mijn gelaat verven en
+poederen, en mijn haar opmaken."
+
+Eindelijk bereikte die ijdele en oneerbiedige vrouw het klokkenhuis,
+waarin de groote klok was opgehangen, op een tijdstip, waarop
+iedereen verdiept was in zijn heilige plichten. Zij keek in de
+glinsterende klok en zag haar schoone oogen, blozende wangen en
+lachende kuiltjes. Eindelijk strekte zij haar kleine vingers uit,
+raakte zacht het glinsterende metaal aan, en bad, dat zij een even
+grooten en schitterenden spiegel in eigendom mocht verkrijgen. Toen
+de klok de vingers van die vrouw voelde, kromp het brons, dat zij
+had aangeraakt, ineen, en liet het een kleine holte achter, terwijl
+die plek al haar heerlijken glans verloor.
+
+
+
+
+Benkei en de Klok.
+
+Benkei [33], de trouwe volgeling van Yoshitsune, kan met grond
+beschreven worden als de sterke man van het Oude Japan. Zijn kracht
+was wonderdadig, zooals uit de volgende legende blijkt.
+
+Toen Benkei nog een monnik was, verlangde hij vurig de klok van Miidera
+te stelen en naar zijn eigen klooster te brengen. Daartoe bezocht hij
+Miidera, en haakte op een geschikt oogenblik de groote klok los. De
+eerste gedachte van Benkei was, haar den heuvel af te rollen, en
+zich zoo de moeite te besparen, zulk een zwaar stuk metaal te dragen;
+maar daar hij vreesde, dat de monniken het geluid zouden hooren, was
+hij gedwongen zich gereed te maken, haar zelf de steile helling af te
+dragen. Daarom maakte hij den dwarsbalk uit het klokkenhuis los, hing
+de klok aan het ééne uiteinde, en--vermakelijke trek--zijn papieren
+lantaarn aan het andere [34], en op die manier droeg hij zijn zwaren
+last over een afstand van ongeveer zeven mijlen.
+
+Toen Benkei zijn tempel bereikte, vroeg hij onmiddellijk om
+voedsel. Hij wist het klaar te spelen, een hoeveelheid voedsel te
+verorberen, die een ijzeren soeppot vulde, van vijf voet in middellijn,
+en toen hij daarmede klaar was, gaf hij een paar priesters verlof,
+de gestolen klok van Miidera te slaan. Dit geschiedde, maar bij het
+wegsterven der laatste tonen scheen het of zij riep: "Ik wil terug
+naar Miidera! Ik wil terug naar Miidera!"
+
+Toen de priesters dit hoorden, waren zij verbaasd. De abt meende
+echter, dat, indien de klok werd besprenkeld met wijwater, zij met
+haar nieuwe verblijfplaats verzoend zou zijn; maar in weerwil van
+dat wijwater, weeklaagde de klok voortdurend door met haar klagend
+en hinderlijk geluid. Niemand werd meer door het geluid geërgerd dan
+Benkei zelf. Het leek wel, alsof de klok hem en zijn lastige reis
+bespotte. Ten slotte vloog hij, ondragelijk gekweld, naar het touw,
+trok er aan, totdat de balk ver van de metalen klok verwijderd was,
+en liet hem toen vallen, in de hoop, dat de kracht van den balk,
+als hij in volle vaart op de klok neerkwam, een zoo eigenzinnige en
+slecht opgevoede klok zou doen barsten. De snel bewogen balk viel
+met een vreeselijken slag op de klok neer; maar deze brak niet. Weer
+klonk door de lucht: "Ik wil terug naar Miidera!" en of de klok al
+hard of zacht geslagen werd, altijd sprak zij dezelfde woorden.
+
+Ten slotte nam Benkei, nu razend van woede, de klok en den balk
+op den schouder, en toen hij op den top van een berg was gekomen,
+zette hij zijn last neer, en met een krachtigen schop liet hij die
+in de vallei vallen, welke beneden hem lag. Eenige oogenblikken later
+vonden de priesters van Miidera hun kostbare klok, en hingen die weer
+verheugd op de gewone plaats op, en van dat oogenblik af hield zij
+op te spreken, en klonk zij niet anders dan andere klokken.
+
+
+
+
+Het Karma.
+
+De macht van het Karma is één van de Buddhistische leerstellingen,
+en groot is het aantal verhalen, zoowel waar als mythisch, die in
+verband met dit onderwerp worden verhaald. Van de eerste verhaalt
+Lafcadio Hearn in "Kokoro" de treurige geschiedenis van een priester,
+die het ongeluk had, dat hij de liefde opwekte van een groot aantal
+vrouwen. Liever dan voor haar smeekingen te bezwijken, pleegde hij
+zelfmoord door tusschen de spoorwegrails neder te knielen, en een
+sneltrein een eind te doen maken aan zijn beproevingen.
+
+Het verhaal van "De Bamboesnijder en het Maanmeisje" geeft ons een
+andere voorstelling van de beteekenis van het Karma. De Edele Kaguya
+was uit haar woning in de maan verbannen, omdat zij aan een zinnelijken
+hartstocht had toegegeven. Men zal zich nog wel herinneren, dat in haar
+ballingschap haar zwakheid was verdwenen, en dat zij standvastig aan
+die bijzondere misdaad weerstand bood zoolang zij op aarde vertoefde.
+
+Het Karma stelt volstrekt niet uitsluitend de macht voor van kwade
+gedachten, hoewel het gewoonlijk wordt toegepast op menschelijke
+hartstochten. In zijn diepere beteekenis beteekent het oorzaak en
+gevolg--alle gedachten en alle daden, die niet geestelijk zijn, immers
+door de macht van het Karma wordt de wereld en alles wat die bevat,
+volgens de Buddhistische leer, bestuurd. De begeerte te leven is het
+Karma. De begeerte, niet te bestaan, is het verbreken van het groote
+rad van geboorte en wedergeboorte, en het bereiken van het Nirwana.
+
+Er zijn Japansche gelieven, die, tengevolge van bijzondere
+omstandigheden, niet in staat zijn te huwen; maar zij maken er de
+omstandigheden geen verwijt van. Zij beschouwen hun ongeluk als
+het gevolg van een dwaling in een vroeger bestaan, zooals het
+verbreken hunner huwelijksbelofte, of omdat zij elkander wreed
+behandelden. Dergelijke gelieven meenen, dat zij, als zij zich aan
+elkander vastbinden met een lijfgordel, en in een rivier of een meer
+springen, bij hun wedergeboorte vereenigd zullen worden.
+
+Die zelfmoord van Japansche minnaars wordt _joshi_ genoemd, wat
+beteekent "liefdesdood" of "hartstochtdood". Het Buddhisme verzet
+zich krachtig tegen zelfmoord, en even sterk tegen een zoodanige
+liefde, immers _joshi_ is er geen verlangen, de macht van het Karma
+te vernietigen, maar die veeleer aan te kweeken. Zulke minnaars mogen
+al vereenigd worden, maar volgens de leerstellingen van Buddha is een
+verbintenis van dien aard een begoocheling, terwijl alleen Nirwana de
+moeite waard is, er naar te streven. Wij lezen in de _Ratrana Sutra_:
+"Hun oud Karma is uitgeput, geen nieuw Karma wordt voortgebracht;
+hun harten zijn vrij van verlangen naar een toekomstig leven; daar de
+reden van hun bestaan verwoest is, en er in hen geen nieuw verlangen
+ontspringt, worden zij, de wijzen, als deze lamp uitgebluscht."
+
+
+
+
+Een klok en de Macht van het Karma.
+
+
+
+ "Er zijn een aantal wegen, die leiden tot het verwerven van
+ volmaakt geluk. Als wij ontdekken, dat wij op den slechten
+ weg zijn, is het onze plicht, dien te verlaten".
+
+ _Bakin._
+
+
+Naast de oevers van de Hidaka vond men eertijds een wijd beroemd
+theehuis, dat stond te midden van een liefelijk landschap naast een
+heuvel, die de Drakenklauw heette. Het bekoorlijkste meisje in dat
+theehuis was Kiyo, want zij was als "de geur van de witte lelies,
+wanneer de wind, die neerwaait langs de hoogten der bergen, met
+welriekende geuren beladen naar den reiziger afdaalt."
+
+Aan de overzijde der rivier stond een Buddhistische tempel, waar
+de abt en een groot aantal priesters een eenvoudig en vroom leven
+leidden. In het klokkenhuis van dien tempel hing een groote klok,
+anderhalven decimeter dik, die een gewicht had van enkele tonnen. Het
+was één van de regels van het klooster, dat geen van de priesters
+visch of vleesch mocht eten of _saké_ mocht drinken, en het was
+hen uitdrukkelijk verboden, zich in theehuizen op te houden, daar
+zij anders hun geestelijken aard zouden verliezen en in de zondige
+gewoonten van het vleesch zouden vallen.
+
+Één van de priesters echter zag toevallig, toen hij van een zekeren
+tempel terugkeerde, de schoone Kiyo in den theetuin heen en weer dolen,
+evenals een groote vlinder met helder gekleurde vleugels. Hij bleef
+haar een oogenblik onbewegelijk gadeslaan, onder de sterke verleiding
+den theetuin binnen te gaan en met dit bekoorlijke wezen te spreken,
+maar daar hij zich zijn priesterlijke waardigheid herinnerde, stak
+hij de rivier over en trad zijn tempel binnen. Hij kon echter dien
+nacht niet slapen. De hartstocht van een vurige liefde was over hem
+gekomen. Hij bad zijn rozenkrans en zeide stukken op uit de Heilige
+Boeken van Buddha, maar dit alles bracht hem geen gemoedsrust. Tusschen
+al zijn vrome gedachten kwam steeds het vriendelijke en luchthartige
+gelaat van Kiyo voor den dag, en het leek hem, dat zij hem toeriep van
+dien schoonen tuin uit, die aan de overzijde der rivier was gelegen.
+
+Zijn vurige liefde werd zóó krachtig, dat het niet lang duurde, of
+hij onderdrukte zijn godsdienstige gevoelens, brak één van de regels
+van den tempel en trad het verboden theehuis binnen. Hier vergat hij
+volkomen zijn godsdienst, of wel vond hij een nieuwen eeredienst bij de
+aanschouwing der schoone Kiyo, die hem ververschingen aanbood. Avond
+aan avond sloop hij de rivier over en kwam hij onder de bekoring
+van die vrouw. Zij beantwoordde zijn liefde met evenveel hartstocht,
+zoodat het den dwalenden priester een oogenblik toescheen, alsof hij
+in de bekoorlijkheden eener vrouw iets veel zoeters gevonden had dan
+de mogelijkheid, het Nirwana te bereiken.
+
+Nadat de priester het meisje een aantal nachten had gezien, begon
+zijn geweten aan hem te knagen, en tegen zijn onheilige liefde te
+strijden. De macht van het Karma en de leerstelling van Buddha
+streden met elkander in zijn borst. Het was een heftige strijd,
+maar ten slotte week de liefde, hoewel, zooals wij zullen zien, de
+ellendige gevolgen van den hartstocht niet waren opgeheven. Nadat de
+priester zijn vleeschelijke liefde had uitgestooten, achtte hij het
+verstandig, tegenover Kiyo zoo voorzichtig mogelijk op te treden,
+uit vrees, dat zijn plotselinge ommekeer haar boos zou maken.
+
+Toen Kiyo den priester weerzag, nadat hij het vleesch had overwonnen,
+merkte zij op, dat de blik in zijn oogen in de verte gericht was,
+en dat de kalmte der zelfverloochening op zijn gelaat rustte. Zij
+verdubbelde haar vrouwelijke listen en verlokkingen, vastbesloten
+den priester weer naar zich toe te trekken, of, als dit niet gelukte,
+hem door toovenarij een wreeden dood te doen sterven.
+
+Al de vleierijen en verlokkingen van Kiyo waren niet in staat, de
+liefde weer in hart van den priester op te wekken, en daarom ging zij,
+uitsluitend op wraak bedacht, naar buiten, in een wit gewaad gekleed,
+en vertrok naar een zekeren berg, waar een tempel van Fudo [35]
+stond. Fudo zat daar neer, door vuur omgeven, met een zwaard in de ééne
+hand en een kluwen touw in de andere. Hier bad Kiyo met vreeselijken
+hartstocht, dat die zoo monsterachtig uitziende God haar zou laten
+zien, hoe zij den priester kon dooden, die haar vroeger had liefgehad.
+
+Van Fudo ging zij naar den tempel van Kompira [36], die alle magische
+kunsten kent en in staat is de tooverkunst te onderwijzen. Hier bad
+zij, dat haar de macht mocht worden geschonken, zich naar willekeur
+in een drakenslang te veranderen. Na een aantal bezoeken onderwees
+een spook met een langen neus (waarschijnlijk een _Tengu_), die
+bij Kompira in dienst was, Kiyo in al de geheimen der magische en
+tooverkunsten. Hij leerde dat meisje, dat eertijds zoo bekoorlijk was,
+hoe zij zich kon veranderen in het vreeselijke wezen, waarin zij zich
+wilde veranderen, ten einde een vurige wraak te kunnen uitoefenen.
+
+Nog steeds bezocht de priester Kiyo, maar nu niet langer als
+minnaar. Door een aantal vermaningen trachtte hij den hartstocht van
+dat meisje, dat hij eertijds had liefgehad, tot staan te brengen; maar
+al die priesterlijke gesprekken maakten Kiyo nog des te meer besloten,
+eindelijk de overwinning te behalen. Zij weende, smeekte, sloeg haar
+schoon gevormde armen om hem heen; maar geen van haar verlokkingen
+had eenige uitwerking, behalve dat zij den priester voor goed wegjoeg.
+
+Toen de priester juist op het punt stond afscheid te nemen, werd hij
+doodelijk verschrikt, toen hij zag, dat de oogen van Kiyo plotseling
+veranderden in die van een slang. Met een kreet van angst vloog hij
+uit den theetuin weg, zwom de rivier over en verborg zich binnen in
+de groote klok van den tempel.
+
+Kiyo hief haar tooverstaf op, mompelde een tooverformulier, en in een
+oogenblik veranderden het liefelijke gelaat en de schoone gestalte van
+het meisje in die van een drakenslang, die siste en vuur spuwde. Met
+oogen, zoo groot en lichtend als de maan, kroop zij over den tuin,
+zwom de rivier over en kwam in het klokkenhuis binnen. Haar gewicht
+brak de kolommen, die het steunden, en de klok, met den priester er
+binnen in, viel met een oorverdoovenden slag op den grond.
+
+Kiyo omhelsde de klok met een vreeselijke begeerte naar wraak. Zij
+hield het metaal vast als in een schroef; zij omklemde de klok al
+vaster en vaster, totdat het metaal gloeiend heet werd. De smeekingen
+van den gevangen priester waren alle vergeefsch; en even vergeefsch
+waren de ernstige smeekbeden van de andere priesters van den tempel,
+die smeekten, dat Buddha den boozen geest zou verdelgen. Al heeter en
+heeter werd de klok, en zij weerklonk van de deerniswaardige kreten
+van den priester, die er in zat. Eindelijk werd zijn stem gesmoord, en
+de klok smolt en liep samen tot een grooten plas gesmolten metaal. De
+groote macht van het Karma had de klok vernield, en tevens den priester
+en de drakenslang, die oorspronkelijk de bekoorlijke Kiyo geweest was.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XI. YUKI-ONNA, DE SNEEUWVROUW.
+
+
+
+ "De sombre winter houdt de aarde omkneld,
+ Maar toch daalt uit den hemel
+ Een bloesemregen.
+ En fladdrend komen witte blaadjes
+ Op aarde neder.
+ Komt uit de wolken
+ De lente dan zoo vroeg reeds aangesneld?
+
+ _Kujohara No Fukayabu_. (Naar _Clara A. Walsh)_.
+
+
+
+
+Yuki-Onna.
+
+De sneeuwtijd heeft in Japan zijn karakteristieke schoonheid en is een
+geliefkoosd onderwerp bij Japansche dichters en kunstenaars. Beiden
+behandelen dit onderwerp bijzonder artistiek, wat niet te verwonderen
+is, daar in Nippon de witte vlokken vallen op de sierlijke daken
+der Buddhistentempels op de feeërieke bruggen, die gelijken op de
+bruggen, die men wel ziet op borden, waarop wilgen zijn afgebeeld, en
+op de zoo prachtig gevormde steenen lantarens, die zoovele Japansche
+tuinen versieren. Er is geen schooner sneeuwlandschap te vinden
+dan in Japan, en daar het zoo bijzonder prachtig is, wekt het onze
+verbazing op, dat Yuki-Onna, de Sneeuwvrouw, er verre van af is, een
+welwillende en aantrekkelijke geest te zijn. Al de poëzie en al het
+artistieke verdwijnt in haar kwaadaardige tegenwoordigheid, immers
+zij vertegenwoordigt den dood met karakteristieke eigenschappen,
+die niet ongelijk zijn aan dien van een vampier. Maar, zooals wij
+reeds meermalen opmerkten, Japan is vol van scherpe en verrassende
+contrasten, en het sierlijke en schoone komt in botsing met het
+leelijke en afzichtelijke. Er is geen belofte van lente in de lange
+witte gedaante van Yuki-Onna; haar mond toch is de mond des doods,
+en haar ijskoude lippen zuigen het hartebloed uit haar ongelukkige
+slachtoffers.
+
+
+
+De Sneeuwbruid.
+
+Mosaku en zijn leerling Minokichi reisden naar een bosch, dat niet
+ver van hun dorp verwijderd was. Het was een bitterkoude nacht, waarin
+zij hun bestemming bereikten en tegenover zich een kouden waterstroom
+zagen. Zij wilden gaarne die rivier overtrekken, maar de veerman was
+weggegaan, terwijl hij zijn boot aan de overzijde van het water had
+achtergelaten, en daar het weer veel te ongunstig was om de rivier
+over te zwemmen, waren zij blijde, dat zij een schuilplaats konden
+vinden in de kleine hut van den veerman.
+
+Mosaku viel bijna onmiddellijk in slaap, nadat hij die nederige,
+maar zoo vurig begeerde hut was binnengetreden. Minokichi lag echter
+een geruimen tijd wakker, terwijl hij luisterde naar het geloei van
+den wind en het snerpen van de sneeuw, die tegen de deur blies.
+
+Eindelijk viel Minokichi in slaap, maar spoedig werd hij weer opgewekt
+door een sneeuwjacht, die op zijn gelaat neerviel. Het bleek hem, dat
+de deur was opengewaaid en dat in de kamer eene schoone vrouw stond
+in een schitterend wit gewaad. Een oogenblik bleef zij zoo staan;
+daarna boog zij over Mosaku heen, terwijl haar adem te voorschijn
+kwam als witte rook. Nadat zij aldus eenige minuten over den ouden
+man gebogen had gestaan, draaide zij zich om naar Minokichi en hing
+over hem heen. Hij trachtte het uit te schreeuwen, want de adem van
+die vrouw was een ijskoude rukwind. Zij zeide hem, dat zij voornemens
+was geweest hem te behandelen, zooals zij den ouden man naast hem had
+behandeld, maar dat zij dit had nagelaten met het oog op zijn jeugd
+en zijn schoonheid. Nadat zij Minokichi met een onmiddellijken dood
+had bedreigd, als hij het waagde, eenig sterveling mede te deelen
+wat hij had gezien, verdween zij plotseling.
+
+Daarop riep Minokichi zijn geliefden meester toe: "Mosaku, Mosuka,
+word wakker! Er is iets verschrikkelijks gebeurd!" Maar hij kreeg
+geen antwoord. Hij raakte in het duister de hand van zijn meester aan,
+en ontdekte, dat die als een blok ijs was. Mosaku was dood!
+
+Den volgenden winter, toen Minokichi naar huis terugkeerde, ontmoette
+hij toevallig een mooi meisje, Yuki genaamd. Zij vertelde hem,
+dat zij op weg was naar Yedo, waar zij een plaats als dienstbode
+zocht. Minokichi was bekoord van dat meisje, en hij ging zelfs zóóver,
+dat hij haar vroeg, of zij reeds verloofd was, en toen hij hoorde,
+dat dit niet het geval was, nam hij haar mede naar zijn eigen huis,
+en huwde haar na verloop van tijd.
+
+Yuki schonk haar echtgenoot tien keurige en schoone kinderen, die
+lichter van huidskleur waren dan de meeste kinderen. Toen de moeder van
+Minokichi stierf, waren haar laatste woorden nog een lofrede op Yuki,
+en die lofrede werd herhaald door een groot aantal der landlieden in
+den omtrek.
+
+Op zekeren avond, terwijl Yuki bezig was te naaien, en het licht
+van een papieren lantaarn op haar gelaat viel, bracht Minokichi de
+merkwaardige ervaring ter sprake, die hij had opgedaan in de hut van
+den veerman. "Yuki", zoo sprak hij, "gij doet mij bijzonder denken
+aan een schoone witte vrouw, die ik zag, toen ik achttien jaar oud
+was. Zij doodde mijn meester met haar ijskouden adem. Ik ben er zeker
+van, dat zij de één of andere vreemde geest was, en toch vind ik van
+avond, dat gij op haar gelijkt!"
+
+Yuki wierp haar naaiwerk neer. Er was een afgrijselijke lach op haar
+gelaat, toen zij zich dicht naar haar echtgenoot boog en schreeuwde:
+"Ik was het, Yuki-Onna, die toen bij u kwam, en stil uw meester
+doodde! O trouwelooze snoodaard, gij hebt uw belofte geschonden, dat
+gij de zaak zoudt geheim houden, en als het niet was om onze slapende
+kinderen, zou ik u nu dooden! Denk er om, als ze zich ooit hebben
+te beklagen over uw gedrag jegens hen, zal ik het hooren en weten,
+en zal ik in een nacht, dat de sneeuw valt, u onverbiddelijk dooden!"
+
+Daarna veranderde Yuki-Onna, de Sneeuwvrouw, in een witten nevel
+en ging schreeuwend en huiverend door het rookkanaal, om nooit weer
+terug te keeren.
+
+
+
+
+De Spookachtige Bezoeker van Kyuzaemon.
+
+Volgens Gordon Smith, den schrijver van "Oude Sproken en Folklore
+van Japan", "worden allen, die van sneeuw en koude omkomen,
+sneeuwgeesten." Dat wil zeggen, allen die op die wijze omkomen, worden
+vereenzelvigd met Yuki-Onna, de Sneeuwvrouw. De volgende legende is
+ontleend aan het genoemde werk van Gordon Smith.
+
+Kyuzaemon, een arme landbouwer, had de blinden van zijn nederige
+woning gesloten en was ter ruste gegaan.
+
+Kort vóór middernacht werd hij gewekt door een luid kloppen. Terwijl
+hij naar de deur liep, riep hij uit: "Wie zijt gij? Wat wilt gij?"
+
+De vreemde bezoeker deed geen poging om op die vragen te antwoorden,
+maar vroeg met den meesten aandrang voortdurend om voedsel en een
+schuilplaats. De voorzichtige Kyuzaemon weigerde den bezoeker verlof,
+binnen te treden, en nadat hij gezien had, dat zijn woning veilig was,
+zou hij juist weer naar bed gaan, toen hij een vrouw naast zich zag
+staan, gehuld in witte loshangende kleederen, terwijl haar haren over
+de schouders vielen.
+
+"Waar hebt gij uw _geta_ gelaten?" vroeg de verschrikte landbouwer.
+
+De witte vrouw deelde hem mede, dat zij het was, die op zijn deur
+had geklopt. "Ik heb geen _geta_ noodig", zoo sprak zij, "want ik heb
+geen voeten! Ik vlieg over de met sneeuw bedekte boomen en zou naar
+het volgende dorp zijn doorgegaan, maar de wind waaide vreeselijk
+tegen mij aan, en ik wenschte een korten tijd te rusten."
+
+De landbouwer vertelde haar, hoe bang hij voor geesten was, waarop
+de vrouw hem vroeg, of haar gastheer een _butsudan_ (familie-altaar)
+bezat. Toen het bleek, dat hij dit bezat, beval zij hem den _butsudan_
+open te zetten en een lamp op te steken. Nadat dit geschied was, bad
+de vrouw voor de opgehangen tafels der voorouders, en vergat daarbij
+niet, er een gebed aan toe te voegen voor Kyuzaemon, die nog steeds
+zeer geschokt was.
+
+Nadat zij haar gebeden voor den _butsudan_ had volbracht, vertelde
+zij den landbouwer, dat zij Oyasu heette, en dat zij bij haar ouders
+en echtgenoot Isaburo had gewoond. Toen zij stierf, verliet haar man
+haar ouders, en het was haar bedoeling, hem te overreden, weer terug
+te gaan en zijn schoonouders te ondersteunen.
+
+Kyuzaemon begon de zaak te begrijpen, terwijl hij bij zich zelf
+mompelde: "Oyasu is in de sneeuw omgekomen, en dit is haar geest, dien
+ik vóór mij zie." In weerwil van die herinnering was hij toch nog zeer
+beangst. Hij ging naar het familie-altaar met sidderende schreden, en
+herhaalde voortdurend: "Namu Amida Butsu!" ("Heil Almachtige Buddha!").
+
+Eindelijk ging de landbouwer naar bed en viel in slaap. Hij werd
+nog even wakker, toen hij den witten geest vaarwel hoorde mompelen;
+maar voordat hij kon antwoorden was zij verdwenen.
+
+Den volgenden dag ging Kyuzaemon naar het naastbijgelegen dorp,
+en bezocht Isaburo, dien hij nu weer aantrof in de woning van
+zijn schoonvader. Isaburo deelde hem mede, dat hij herhaaldelijk
+bezoeken had ontvangen van den geest van zijn vrouw in de gedaante
+van Yuki-Onna. Na de zaak nog eens nauwkeurig te hebben nagegaan,
+kwam Kyuzaemon tot de overtuiging, dat de Sneeuwvrouw voor Isaburo
+was verschenen bijna onmiddellijk nadat zij hem een zoo geheimzinnig
+bezoek had gebracht. Bij die gelegenheid had Isaburo haar beloofd,
+haar wensch te vervullen, en noch hij, noch Kyuzaemon werden ooit
+weer lastig gevallen door haar, die door de lucht trekt, als de sneeuw
+hard neervalt.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XII. BLOEMEN EN TUINEN.
+
+
+ "Al de vreugde van mijn bestaan is bijeengebracht rondom mijn
+ peluw, die mij mijn nachtrust schenkt; al de hoop van mijn
+ leven vind ik in de schoonheden der Natuur, die steeds mijn
+ oogen verkwikken."
+
+
+
+Japansche en Europeesche Tuinen.
+
+Er is in de meeste Europeesche tuinen niets bijzonder aesthetisch. Als
+de tijd van het planten is aangebroken, brengt een trage oude
+tuinman zijn planten in den grond. Wij zien dan later een grove
+kleurenschittering--roode geraniums, gele calceolaria's, blauwe
+lobelia's, het groene gras en de okerkleurige paden. En dit is het
+kleureneffect van de meeste Europeesche tuinen, een kleureneffect,
+dat de oogen vermoeit, en de bloemen zelf, die zóó onverstandig
+geplant zijn, tot schande maakt. De waarheid is, dat wij de gave
+van rangschikking der bloemen missen. Wij koopen bloemen, om den
+tuin er fraai te doen uitzien, onder den indruk, dat fraaiheid een
+abstracte eigenschap is, waaronder wij onze zomersche dagen zouden
+willen doorbrengen. Een Engelschman trachtte eens den tuin van zijn
+buitenverblijf op Japansche manier aan te leggen. Hij was bijzonder
+trotsch op het resultaat en leidde op zekeren dag een Japanschen vriend
+rond, om dien te zien. De Japansche vriend riep met bijzonder groote
+beleefdheid uit: "Het is prachtig; wij hebben in Japan niets, dat
+daarop gelijkt!" De Engelschman was niet geslaagd in zijn poging tot
+nabootsing, omdat hij het tuinieren als een liefhebberij beschouwde,
+terwijl in Japan een tuin iets is, dat onuitroeibaar met het leven
+in Japan verbonden is. In Japan is het een oude eeredienst, waaraan
+dichters en kunstenaars jaren in hun gedachten hebben gewijd, en
+waarin ontroering, herinnering en godsdienst een rol spelen.
+
+
+
+De Liefde voor Bloemen, haar Groei en Symbolische Beteekenis.
+
+
+Eén van de meest treffende, en zeker één van de aangenaamste
+karaktertrekken der Japanners is hun innige liefde voor bloemen
+en boomen. Vroolijke groepen gaan samen uit om de azalea's te zien
+bloeien, of om de schitterende schoonheid van den kersenbloesem te
+bewonderen, of de scharlakenroode glorie der ahornboomen. Dat "bloemen
+bewonderen" maakt een integreerend deel uit van hun bestaan. Tot
+zelfs de _Kimono_ der lachende kinderen ziet er uit als een kleine
+bloementuin. Als gij hun landschap wegneemt, dan neemt gij tevens
+hun zin voor poëzie weg, en, wat wij er bijna aan kunnen toevoegen,
+ook het met de bloemen samenhangende deel van hun godsdienst, immers
+de Japanner vereert bloemen en boomen op een wijze, die absoluut
+ondenkbaar is bij den meer prozaïschen westerling.
+
+In de vorige lente boden de bloeiende magnolia's in den beroemden
+plantentuin, Kew Gardens, een schitterend schouwspel aan. Maar er
+waren slechts weinigen gekomen om die bladerlooze boomen te zien met
+hun overvloed van op lotus gelijke bloesems. De toeschouwer, die van
+het schouwspel het meest van allen genoot, was een kind dat onder
+de welriekende takken zat, de gevallen bruine bloemblaadjes in haar
+kleine bruine handjes verzamelde en een vreemd verhaaltje daaraan
+vastknoopte. Maar in Japan, waar evenzeer de Magnolia's bloeien,
+zouden een aantal kleine gedichten aan de takken worden vastgeknoopt,
+en zouden er kleine gebakjes in den vorm dier bloemblaadjes worden
+gemaakt. Misschien zou ook een tak van een magnolia in een vaas
+gezet worden, als voorwerp van bewondering voor de leden van een
+theegezelschap. En later zou het takje met bloesems zacht op een
+rivier worden geplaatst of begraven worden met vreugde en met eerbied,
+om de schoonheid, die het in zijn kort leven had ten toon gespreid.
+
+De liefde voor bloemen is slechts een klein onderdeel van de
+liefde der Japanners voor de natuur. In die vereering heeft een
+evolutieproces plaats gegrepen, zooals in iedere andere vereering, en
+wij hellen over tot de meening, dat de Japanners zeer ver in die zaak
+teruggaan en het allereerst begonnen zijn, rotsen en steenen lief te
+hebben. Bij ons zijn rotsen en steenen alleen van belang voor geologen
+en mineralogen, uitsluitend dus uit een wetenschappelijk oogpunt,
+en het lijkt ons bijna ongeloofelijk toe, dat rotsen en steenen een
+poëtische beteekenis kunnen hebben. Maar bij de Japanners is de zaak
+geheel anders gesteld. De Japansche tuin is in zijn wezen een tuin,
+die een beeld geeft van het landschap. De eigenaar van een tuin wordt
+verrukt door een bepaald landschap. Dat vervolgt hem voortdurend en
+wekt in hem eenige primitieve indrukken van genot op, die niet kunnen
+ontleed worden. Hij brengt het voortdurend in zijn tuin vóór zich,
+wel is waar in het klein, maar toch wonderlijk nauwkeurig. Zoo
+wordt zijn tuin een plaats van heerlijke herinnering, maar niet
+een plekje, met opzichtige bloemen overdekt, en met terrassen, die
+geen beteekenis voor hem hebben, en hem geen poëzie voor zijn geest
+schenken. Ongetwijfeld zijn Japansche tuinen met hun reusachtige
+bloemen, opgewekten zonneschijn en het zoete geklingel van popperige
+tooverklokjes, die opgehangen zijn aan de takken der boomen, het
+schoonste, wat men zich in de wereld kan denken.
+
+
+
+
+Japansche Tuinen.
+
+Er is één zaak, die ons bij Japansche tuinen treft, en die wij in onze
+streken niet terugvinden, en wel de bewonderenswaardige zuinigheid,
+die wij bij hun aanleg waarnemen. Bij ons wordt door de bewoners der
+buitenwijken als verontschuldiging aangevoerd, dat hun miniatuurtuintje
+veel te klein is, om dat mooi te maken. Te klein, om hem mooi te
+maken? En de Japanner kan een allerliefst tuintje aanleggen in een
+ruimte, die niet grooter is dan een soepbord? De noodzakelijkheid is de
+moeder der uitvinding, en als wij de Natuur maar wat meer liefhadden,
+zouden wij spoedig genoeg het middel vinden, om zelfs de kleinste
+tuintjes aanlokkelijk te maken. De groote Japansche tuinarchitect,
+Kobori-Enshiu, zeide eens, dat een ideale tuin moest zijn als "de
+zoete eenzaamheid van een landschap, dat omwolkt is door het maanlicht,
+met een waas van schemering tusschen de boomen."
+
+Er is heel wat geschreven over Japansche rotsen en steenen [37]. Wat
+een poëzie wordt uitgedrukt door de namen van enkele van die
+tuinsteenen--bij voorbeeld, "De Steen der Gemakkelijke Rust". Onder
+de steenen aan de meren vindt men één, die heet "Steen der woeste
+Golf," die ons dadelijk de Matsushima voor den geest roept, wier
+golven tegen ontelbare rotsen gebroken worden.
+
+De steenen of houten lantarens zijn zeer belangrijke versierselen in
+een Japanschen tuin. Het oorspronkelijke denkbeeld is ontleend aan
+Korea, en zij zijn ook thans nog wel eens bekend als "Koreaansche
+torens." Zij worden slechts zelden aangestoken, behalve in de tuinen
+der tempels, maar zij hebben geen schitterend licht noodig om een
+prachtig gezicht op te leveren. Zij zijn rijk aan barnsteen en groen
+mos, en in den winter zijn zij met sneeuw bedekt, en maken den indruk
+van spooklantarens van buitengewone schoonheid. Een andere vorm van
+een Japansche tuin is de _Torii_, een eenvoudige boog van hout, in
+den vorm van een Chineesche letter. Zij hebben een Shinto-oorsprong,
+maar niemand heeft tot nu toe ontdekt, wat zij oorspronkelijk moesten
+voorstellen, hoewel over dit onderwerp verschillende meeningen
+zijn geuit. Die poorten, die nergens heenleiden, zijn in hooge mate
+betooverend, en als men er naar ziet met de zee aan de voeten, is
+het alsof men droomt van een oud sprookje uit de kinderdagen.
+
+De meren, watervallen, kleine bruggetjes, de treden over de
+slingerpaden met zilverzand bedekt, zijn inderdaad een plaats
+van afzondering. En daarbij dan nog de kleur van dien Japanschen
+tuin! Iedere maand levert een ander kleurentafereel op, als de
+pruimenboomen, de kersen- en de perzikenboomen in bloei staan. Terwijl
+men door den tuin slentert tusschen dennenaalden, of terwijl men in
+het heldere blauwe meer staart, kan men de azalea's aanschouwen. Als
+er ooit een bloem is, die een verpersoonlijking is van kleur, dan is
+het zeker de azalea. Zij is de regenboog onder de bloemen, en er is
+nauwelijks één nuance van kleur, die niet in haar bloesem gevonden
+wordt. Als men een azalea beschouwt, dan ziet men in de verfdoos der
+Natuur zelf. En in een ander jaargetijde zien wij de iris met haar
+purperen, gele en witte kleuren, of de schoone rooskleurige lotusbloem,
+die zich met een kleine ontploffing op de kalme wateren opent, alsof
+zij openlijk wil verkondigen, dat haar volmaaktheid nadert. Het laatste
+kleurenfestijn van het jaar is te genieten, als de ahornboomen in
+bloei staan. Ook wij hebben een prachtig karmozijnrood te bewonderen,
+in de bladeren van onze braambessen, wanneer die liggen verborgen
+in de vochtige hagen van den herfsttijd. In Japan zijn de ahornen
+niet verborgen. Overal schijnen zij in een schitterende omlijsting
+te leven. In den herfst schijnt het, alsof de ahornboomen wedijveren
+met de ondergaande zon, immers in dat jaargetijde is Japan niet het
+land van de rijzende zon, maar het land van de zon, die ondergaat
+in een schitterend praalvertoon van roode bladeren. En is dit dan
+het einde van den arbeid der Natuur in dat jaar? Neen, waarlijk
+niet. Het laatst van alles komt de sneeuw, en haar schoonheid is
+niet zoozeer in de zachte vlokken gelegen, als in de wijze, waarop
+zij worden opgevangen en vastgehouden op de prachtige huisjes en
+tempels en lantarens. Als men dan een Japanschen tuin ziet, dan ziet
+men hoe de Natuur daarop den stempel van haar goedkeuring drukt. Het
+sneeuwtafereel is misschien wel de schoonste penseelstreek der Natuur
+in Japan; en het is een tafereel, dat dierbaar is aan de harten der
+Japanners. In het midden van den zomer liet eens een Japansche Keizer
+de miniatuurbergen van zijn tuinen bedekken met witte zijde, om de
+gedachte te wekken aan een sneeuwlandschap, en ongetwijfeld ook,
+om aan het landschap denkbeeldige koelte te schenken. Een slechts
+oppervlakkige kennis der Japansche kunst zal reeds het feit openbaren,
+dat de sneeuw een geliefd onderwerp is voor den Japanschen schilder.
+
+
+
+
+De Natuur in Miniatuur.
+
+De Japanners zijn in het algemeen klein van gestalte, en hebben een
+voorliefde voor kleine dingen. Lafcadio Hearn doet een allerliefst
+verhaaltje omtrent een Japansche non, die met kinderen placht te
+spelen en hun dan rijstkoekjes gaf niet grooter dan erwten, en thee
+schonk in miniatuurkopjes. Haar liefde voor heel kleine dingen was
+het gevolg van een groot verdriet, dat zij had geleden, maar wij zien
+in die liefde der Japanners voor kleine voorwerpen iets pathetisch in
+de natie als zoodanig. Hun liefde voor dwergboompjes, die honderden
+jaren oud zijn, schijnt te zeggen: "Wees er trotsch op en blijde
+mede, dat gij nooit groot wordt. Wij zijn een klein ras, en daarom
+houden wij van kleine voorwerpen." De oude pijnboom, die dikwijls
+niet hooger is dan een paar decimeters, drukt ons door zijn ouderdom
+volstrekt niet, en wekt ook geen vrees op, juist omdat hij zoo klein
+is. Wij westerlingen hebben wel eens de neiging gehad, de Japansche
+dwergboomen als iets onnatuurlijks te beschouwen; maar zij zijn niets
+onnatuurlijker dan de lach op het gelaat van het Japansche meisje,
+en bewijst ons, dat de natie, evenals in oude tijden de Grieken,
+nog steeds in harmonie is met de Natuur.
+
+
+
+
+De Pijnboom.
+
+De pijnboom is het zinnebeeld van voorspoed en een lang leven. Daarom
+zien wij dien boom bijna aan iedere tuindeur; en wij moeten toegeven,
+dat een pijnboom een sierlijker talisman is dan een roestig oud
+hoefijzer. In een Japansch tooneelspel vinden wij het volgende gezegde:
+"Het zinnebeeld van onveranderlijkheid--geprezen zij hun roem tot het
+einde der dagen--de roem van de twee pijnboomen, die samen oud zijn
+geworden". Dit slaat op de beroemde pijnboomen van Takasago. Conder
+[38] verhaalt ons, dat bij huwelijksfeesten "een tak van den
+_mannelijken_ pijnboom geplaatst wordt in één vaas, en een tak van
+den _vrouwelijken_ pijnboom in de andere. De algemeene vorm van beide
+moet overeenkomen, maar de tak van den _vrouwelijken_ pijnboom, die
+tegenover de andere vaas staat, moet iets beneden den overeenkomstigen
+tak van den _mannelijken_ pijnboom zijn. Met andere woorden, hieruit
+blijkt, dat het vraagstuk van het Vrouwenkiesrecht nog niet in Japan
+bestaat, maar dat de Japansche vrouw nog onderworpen is aan haar heer
+en meester, wat in Engeland een hoogst gevaarlijke uitdrukking zou
+zijn. Het bovengenoemde symbool stelt 'een eeuwigdurende verbintenis'
+voor, en is het zinnebeeld van den trouwen liefdeband, die tusschen
+oude echtelieden bestaat."
+
+
+
+
+Een Groot Liefhebber der Natuur.
+
+Kamo No Chomei was een Buddhistische kluizenaar der twaalfde eeuw, die
+een boekje heeft geschreven, dat getiteld is Ho-jo-ki ("Opmerkingen
+uit een Hut van Tien Voet"). In dat boekje beschrijft hij, hoe hij
+het wereldsche leven vaarwel zeide en zijn verblijfplaats opsloeg
+in een hut aan de helling van een berg. Chomei was gewoon te zingen,
+te spelen en zijn geliefde boeken te lezen te midden der natuur. Hij
+schrijft: "Toen het zestigste jaar van mijn leven, dat nu als een
+dauwdroppel verdwijnt, naderde, maakte ik een nieuwe woonplaats gereed,
+een soort van laatsten sprong, zooals een reiziger zich voor één
+enkelen nacht een schuilplaats zoekt, of zooals een oude zijdeworm
+zijn laatsten cocondraad spint." Wij zien, hoe hij, als gelukkige
+oude man, langzaam over de heuvels strompelt, terwijl hij bloesems
+op zijn tocht verzamelt en voortdurend met verheugde blikken den loop
+en de geheimen der Natuur nagaat. Met een drogen humor schrijft hij:
+"Ik behoef het mij niet moeilijk te maken, hoe ik de geboden streng
+kan opvolgen, immers hoe zou ik, nu ik in volmaakte afzondering leef,
+in verzoeking komen, die te breken?" Een geheel andere ervaring dan
+die van sommigen onder de Indische kluizenaars, die in de eenzaamheid
+een onuitputtelijken bron van verleiding zien! Maar Chomei was een
+gelukkige ziel, en wij maken hier van hem melding om aan te toonen,
+dat het hoofddoel van zijn leven niet was de dingen der wereld, maar
+het werk der Natuur te bestudeeren op de heuvelen en in de dalen,
+in de bloemen en de boomen, in het stroomende water en de wassende
+maan. Om zijn eigen woorden aan te halen: "Gij zijt de wereld
+ontvlucht, om het leven van een kluizenaar te leiden te midden van
+de woeste bosschen en de heuvelen, om aldus uw ziel vrede te brengen,
+en om te wandelen in de voetsporen van Buddha."
+
+
+
+Het Doodenfeest.
+
+In het Doodenfeest zien wij het krachtigste argument voor de liefde
+van den Japanner voor de Natuur. Dat Doodenfeest is voortgekomen uit
+de gedachte van een vrouw, en er is iets zóó teeders, zóó klagends in,
+dat het alleen van een vrouw kan afkomstig zijn. In Juli keeren de
+geesten van de dooden uit hun donkere woning terug. Kleine maaltijden
+worden voor dat groote aantal geesten gereed gemaakt, en de lantarens
+hangen op de kerkhoven en op de pijnboomen, die als het zinnebeeld
+van voorspoed aan de tuindeuren staan. De Japanners waren gewoon
+_hara-kiri_ [39] toe te passen, maar wij moeten niet vergeten, dat
+hun zielen weer terugkomen om te wandelen in een land, dat één groote
+tuin schijnt te zijn. En waarom komen zij terug? Zij komen met hun
+zachte voetstappen terug over de heuvelen en ver weg van over de zee,
+om nog eens naar de bloemen te zien en te wandelen in de tuinen,
+waar zij zoovele gelukkige uren hadden doorgebracht. Zij komen, die
+onzichtbare troep, als de zon helder straalt, als het schijnt, alsof de
+bloesems, die op den wind drijven, plotseling in vlinders veranderen,
+als het leven op zijn hoogtepunt is, als zij den dood en de duistere
+plaats, waar Emma-O heerscht, niet langer kunnen verdragen. Wat een
+tijd, om weer terug te keeren! Wat een stille hulde aan de Natuur,
+dat die groote menigte zielen weer in haar armen terugkeert tijdens
+het schitterendste gedeelte van den zomer.
+
+
+
+
+De Japansche Vlag en de Chrysanthemum.
+
+De meesten onzer zijn bekend met de Japansche vlag, waarop een
+roode zon op een witten achtergrond is geschilderd, en onze
+eerste gedachte is natuurlijk, dat dit zinnebeeld oorspronkelijk
+samenhing met de Zonnegodin. Doch wij zouden ons in dat geval
+zeer vergissen. Astrologische voorstellingen werden in oude dagen
+gevonden op de Chineesche vlaggen, en Chamberlain beschrijft ze
+als volgt: "De Zon met de Kraai met Drie Pooten, die daarop woont,
+de Maan met haar Haas [40] en haar Cassiaboom, de Roode Vogel,
+die de Zeven sterrenbeelden voorstelt van het zuidelijke deel van
+den Dierenriem, de Donkere Strijder (een Schildpad), die de zeven
+noordelijke sterrenbeelden omhelst, de Azuren Draak, die de zeven
+oostelijke, de Witte Tijger, die de zeven westelijke sterrenbeelden
+omhelst, en een zevende vlag, die den 'Noordelijken Schepel'
+(Groote Beer) voorstelt." De Chineesche vlaggen, waarop de zon
+en de maan geteekend waren, waren in het bijzonder van belang,
+omdat de zon een voorstelling is van den oudsten broeder van den
+Keizer en de maan van zijn zuster. In de zevende eeuw namen de
+Japanners die vlaggen over; maar na verloop van tijd schaften zij
+een aantal van de vreemde astrologische teekeningen af, die zoo
+dierbaar waren aan het hart der Chineezen. Toen in het jaar 1859
+een nationale vlag noodzakelijk was, werd de zonnevlag zonder eenige
+toevoeging aangenomen; maar een enkele bol zonder stralen was niet
+voldoende, en een meer uitgewerkte teekening werd uitgevoerd,--de
+chrysanthemum met zestien bloemblaadjes. Wij kunnen niet anders dan
+een vermoeden uitspreken omtrent het verband tusschen de zon en de
+chrysanthemum. Beide werden in het oude China vereerd, en wij mogen
+aannemen, dat de Japansche kunstenaar, toen hij de stralen van de
+zon wilde uitbeelden, uitstekend materiaal vond, door de bloem van
+een wilden chrysanthemum na te teekenen.
+
+De chrysanthemum is de nationale bloem van Japan, en aan Nippon danken
+wij het kweeken van die bloem in onze streken. Mythologische tooneelen,
+vooral dat van het schip met wonderschatten met de Goden van het
+Geluk aan boord, zijn een geliefkoosde teekening, geheel gemaakt uit
+tallooze chrysanthemums. Booten, kasteelen, bruggen en verscheidene
+andere voorwerpen zijn met de grootste handigheid uit diezelfde bloem
+gevormd. Japan is altijd gelukkig geweest in zijn keuze van namen,
+en dit is nergens meer het geval geweest dan bij de namen, die het aan
+zijn verschillende chrysanthemums heeft gegeven. Er is poëzie in namen
+als "Slaperig Hoofd", "Gouden Dauw", "Witte Draak" en "Sterrennacht".
+
+De chrysanthemum is ongetwijfeld een passend symbool voor de
+Keizerlijke vlag. Eens heeft hij, evenals de Engelsche roos als een
+herkenningsteeken dienst gedaan in den Oorlog der Chrysanthemums, een
+langdurigen burgeroorlog, die de natie verdeeld hield in twee vijandige
+partijen. Thans is de chrysanthemum het symbool van een vereenigd Rijk.
+
+
+
+
+Vrouw Wit en Vrouw Geel.
+
+
+Lang geleden groeiden in een weide een witte en een gele chrysanthemum
+vlak naast elkander. Op zekeren dag kwam een oude tuinman er langs, die
+een bijzondere voorliefde kreeg voor Vrouw Geel. Hij zeide haar, dat,
+als zij met hem mede wilde gaan, hij haar nog veel bekoorlijker zou
+maken, dat hij haar lekker voedsel zou geven en prachtige kleederen.
+
+Vrouw Geel was zóó verrukt over wat de oude man zeide, dat zij haar
+witte zuster geheel vergat en er in toestemde, opgetild te worden,
+te worden gedragen in de armen van den ouden tuinman, en in zijn tuin
+te worden geplaatst.
+
+Toen Vrouw Geel en haar meester vertrokken waren, weende Vrouw Wit
+bitter. Haar eigen eenvoudige schoonheid was geminacht; maar, wat
+nog veel erger was, zij was verplicht alleen in de weide achter te
+blijven, zonder met haar zuster, aan wie zij zoozeer was gehecht,
+te kunnen spreken.
+
+Dag aan dag werd Vrouw Geel in den tuin van haar meester al schooner
+en schooner. Niemand zou nu de gewone veldbloem meer hebben herkend;
+maar hoewel haar bloemblaadjes lang en gekruld waren en haar bladeren
+zoo helder en goed verzorgd, dacht zij toch somtijds aan Vrouw Wit,
+die eenzaam op het veld stond, en verbaasde zij er zich over, hoe
+zij het uithield gedurende al die lange en eenzame uren.
+
+Op zekeren dag kwam een dorpshoofd in den tuin van den ouden man,
+om een volmaakten chrysanthemum te zoeken, om dien naar zijn Heer te
+brengen als een schets voor zijn wapen [41]. Hij deelde den ouden
+man mede, dat hij geen mooien chrysanthemum noodig had met een
+aantal lange bloemblaadjes. Wat hij noodig had, was een eenvoudige
+witte chrysanthemum met zestien bloemblaadjes. De oude man nam het
+dorpshoofd mede, om Vrouw Geel te zien; maar die bloem beviel hem niet,
+en hij nam afscheid, na den tuinman voor zijn moeite te hebben bedankt.
+
+Op den terugweg kwam hij bij toeval op een veld, waar hij Vrouw
+Wit zag weenen. Zij vertelde hem de droevige geschiedenis van haar
+verlatenheid, en toen zij haar treurig verhaal had geëindigd, zeide
+haar het dorpshoofd, dat hij Vrouw Geel had gezien, maar dat hij die
+niet half zoo mooi vond als haar. Na die bemoedigende woorden droogde
+Vrouw Wit haar oogen, en zij sprong zóó hoog op, dat zij bijna van
+haar voetjes afbrak, toen de vriendelijke man haar meedeelde, dat
+hij haar wilde hebben voor het wapen van zijn heer!
+
+Een oogenblik later werd de gelukkige Vrouw Wit in een draagstoel
+weggevoerd. Toen zij het paleis van den _daimio_ bereikte, prezen allen
+om het zeerst de merkwaardige volmaaktheid van haar vormen. Groote
+kunstenaars kwamen van verre en nabij, zaten naast haar en schetsten de
+bloem met de grootste bekwaamheid. Zij had spoedig geen spiegel meer
+noodig, want na niet langen tijd zag zij haar schoon, wit gelaat op
+de meest kostbare eigendommen van den _Daimio_. Zij zag het op zijn
+wapenrusting en op zijn doozen, met goudlak bedekt, op zijn dekens,
+kussens en kleeren. Als zij naar boven keek, kon zij haar gelaat
+zien in groote gebeeldhouwde paneelen. Zij werd geschilderd, als
+dreef zij een stroom af, en op alle mogelijke eigenaardige en schoone
+manieren. Iedereen was het er over eens, dat de witte chrysanthemum,
+met haar zestien bloemblaadjes, het mooiste wapen vormde van geheel
+Japan.
+
+Terwijl het gelukkige gelaat van Vrouw Wit voor altijd vereeuwigd was
+op de bezittingen van den _Daimio_, was het lot, dat Vrouw Geel trof,
+diep beklagenswaardig. Zij had alleen voor zich zelf gebloeid en had
+den lof harer bezoekers even begeerig ingezogen als den dauw op haar
+fijn gekrulde bloemblaadjes. Op zekeren dag voelde zij echter een
+stijfheid in haar beenderen, en een vermindering van haar overmaat van
+levenskracht. Haar vroeger zoo trotsch hoofd viel voorover, en toen de
+oude man haar vond, tilde hij haar op en wierp haar op een hoop afval.
+
+
+
+"Chrysanthemum-Oude-Man". [42]
+
+
+Kikuo ("Chrysanthemum-Oude-Man") was de trouwe onderhoorige
+van Tsugaru. Op zekeren dag werd de strijdmacht van zijn meester
+vernietigd, en werden zijn kasteel en schoone landgoederen door den
+vijand in bezit genomen; maar gelukkig waren Tsugaru en Kikuo in staat,
+naar de bergen te ontsnappen.
+
+Kikuo, die de liefde van zijn meester voor bloemen kende, en vooral
+voor den chrysanthemum, besloot die bloemen naar zijn beste vermogen
+te kweeken, en door zoo te handelen het verdriet en de vernedering
+van zijn meester in diens ballingschap iets te verminderen.
+
+Die pogingen verheugden Tsugaru zeer, maar ongelukkig werd deze
+spoedig daarna ziek en stierf hij; de trouwe Kikuo weende over het
+graf van zijn meester. Daarna keerde hij weer naar zijn werk terug,
+en plantte chrysanthemums rondom het graf van zijn meester, totdat hij
+een rand van bijna dertig meter breedte gemaakt had, zoodat de roode,
+witte, rose, gele en bronskleurige bloesems hun welriekende geuren
+in de lucht verspreidden tot verwondering van allen, die toevallig
+dien weg uitkwamen.
+
+Toen Kikuo omstreeks twee en tachtig jaar oud was, vatte hij koude
+en moest hij zijn nederige woning houden, waar hij ontzettende
+pijnen leed.
+
+Op zekeren herfstnacht, toen hij wist, dat die geliefde bloemen, die
+aan zijn meester gewijd waren, op haar schoonst waren, zag hij in de
+veranda een aantal jonge kinderen. Toen hij ze aandachtig gadesloeg,
+zag hij, dat het geen kinderen van deze wereld waren.
+
+Twee van die kleinen kwamen in de nabijheid van Kikuo en zeiden:
+"Wij zijn de geesten van uw chrysanthemums, en zijn hier gekomen om
+u te vertellen, hoezeer het ons spijt, dat gij ziek zijt. Gij hebt
+ons met zoo groote zorg bewaakt en liefgehad. Er was eens een man
+in China, Hozo genaamd, die achthonderd jaar oud werd door den dauw
+te drinken van de bloemen der chrysanthemums. Gaarne zouden wij uw
+dagen verlengen, maar helaas! de Goden hebben anders beschikt. Binnen
+dertig dagen zult gij sterven."
+
+De oude man uitte den wensch, dat hij in vrede mocht sterven en drukte
+zijn leedwezen uit, dat hij gedwongen was, al zijn chrysanthemums
+achter te laten.
+
+"Luister" zeiden de jonge geesten: "wij hebben u allen liefgehad,
+Kikuo, om alles wat gij voor ons gedaan hebt. Als gij sterft, zullen
+ook wij sterven." Nauwelijks hadden zij die woorden gesproken, of
+een windvlaag blies tegen de woning, en de geesten vertrokken.
+
+Kikuo werd erger in plaats van beter, en op den dertigsten dag stierf
+hij. Toen bezoekers kwamen om de chrysanthemums te zien, die hij had
+geplant, was alles verdwenen. De dorpelingen begroeven den ouden man
+naast zijn meester, en in de meening, dat zij Kikuo genoegen deden,
+plantten zij chrysanthemums naast zijn graf; maar deze gingen allen
+dood, zoodra zij in den grond waren geplant. Over het graf groeit nu
+alleen gras. De kinderzielen der chrysanthemums praten en zingen en
+spelen met den geest van Kikuo.
+
+
+
+
+De Violen-Bron.
+
+Shingé en haar kameniers maakten een uitstapje naar de Vallei
+van Shimizutani, die tusschen de bergen Yoshino en Tsubosaka
+gelegen was. Shingé, vol van vreugde over de lente, liep naar de
+Violen-Bron, waar zij purperen, welriekende viooltjes in groote menigte
+ontdekte. Zij was juist op het punt de welriekende bloemen te plukken,
+toen een groote slang naderde, waarna zij onmiddellijk flauw viel.
+
+Toen haar kameniers haar vonden, zagen zij, dat haar lippen purper
+gekleurd waren en dezelfde kleur hadden als de viooltjes, die haar
+omgaven, en toen zij de slang zagen, die zich nog in de nabijheid
+schuilhield, vreesden zij, dat haar meesteres zou sterven. Matsu had
+de tegenwoordigheid van geest, om haar mand bloemen naar de slang te
+werpen, die oogenblikkelijk wegkroop.
+
+Op datzelfde oogenblik verscheen een schoone jongeling, en terwijl
+hij de meisjes zeide, dat hij geneesheer was, gaf hij Matsu een
+geneesmiddel, dat zij haar meesteres moest toedienen.
+
+Terwijl Matsu Shingé de poeder in den mond bracht, nam de dokter een
+stok op, verdween enkele oogenblikken en kwam daarna terug met de
+doode slang in zijn handen. In dien tijd was Shingé weer bij kennis
+gekomen, en vroeg zij naar den naam van den geneesheer, die haar het
+leven had gered. Maar hij boog beleefd, ontweek haar vraag en nam
+toen afscheid. Alleen Matsu wist, dat de naam van den redder harer
+meesteres Yoshisawa was.
+
+Toen Shingé naar huis was gebracht, werd zij erger in plaats van
+beter. De knapste geneesheeren kwamen aan haar bed, maar zij konden
+niets doen om haar weder gezond te maken.
+
+Matsu wist, dat haar meesteres langzaam wegkwijnde van liefde voor
+den schoonen man, die haar leven had gered, en daarom besprak zei de
+zaak met haar meester Zembei. Matsu verhaalde hem, wat geschied was,
+en zeide, dat, hoewel Yoshisawa van nederige afkomst was, daar hij tot
+de Eta, de laagste kasten in Japan behoorde, die hun kost verdienen
+met dieren te dooden en te villen, hij toch bijzonder hoffelijk en
+welopgevoed was, en, wat vormen en optreden betreft, op een _samurai_
+geleek. "Niets", zoo sprak Matsu, "zal uw dochter haar gezondheid
+teruggeven, als zij niet met dien schoonen geneesheer trouwt."
+
+Zoowel Zembei als zijn vrouw waren door die woorden terneergeslagen,
+want Zembei was een aanzienlijke _daimio_, en kon zelfs geen oogenblik
+het denkbeeld verdragen, dat zijn dochter iemand van de Eta-kaste zou
+huwen. Toch stemde hij er in toe, inlichtingen omtrent Yoshisawa in te
+winnen, en Matsu keerde naar haar meesteres terug met het bericht, dat
+de zaak niet geheel hopeloos stond. Toen Matsu Shingé had verhaald, wat
+haar vader voornemens was ten hare behoeve te doen, nam zij merkbaar
+in beterschap toe, en was zij in staat weer voedsel tot zich te nemen.
+
+Toen Shingé bijna hersteld was, ontbood Zembei haar en zeide, dat hij
+een nauwkeurig onderzoek omtrent Yoshisawa had ingesteld, en dat hij
+onder geen omstandigheden zijn toestemming kon geven tot een huwelijk
+met dezen.
+
+Shingé weende bitter, en langen tijd peinsde zij met een treurig
+gemoed over haar verdriet. Den volgenden morgen was zij noch in huis,
+noch in den tuin te vinden. In alle richtingen werd naar haar gezocht;
+zelfs Yoshisawa zocht overal naar haar; maar zij die haar zochten,
+vonden haar nergens. Geheimzinnig was zij verdwenen, beladen met een
+verdriet zóó ontzettend groot, dat haar vader zich nu eerst rekenschap
+gaf van zijn wreede beslissing.
+
+Na drie dagen werd zij gevonden op den bodem der Violen-Bron, en
+korten tijd daarna maakte Yoshisawa, door droefheid overstelpt,
+op dezelfde wijze een einde aan zijn leven. Men verhaalt, dat men
+gedurende stormachtige nachten den geest van Shingé op de bron ziet
+drijven, terwijl men in de nabijheid het geluid hoort van het kermen
+van Yoshisawa.
+
+
+
+
+De Geest van de Lotus Lelie.
+
+
+
+ "Hernieuwing, o hernieuwing van Natuur en Leven!
+ O Bron verrijs! De Lotusknoppen splijten, 't hart geopend,
+ En zingen 't luide uit: "Namu Amida!"
+
+ _Yone Noguchi_.
+
+
+De lotus is de heilige bloem van het Buddhisme. Daar hij groeit uit
+de modder, en zijn steel door het water opkweekt, en er uit zulk een
+duister en slijkachtig begin een liefelijke bloem wordt voortgebracht,
+is de lotus vergeleken met een deugdzaam man, die in deze zondige
+wereld leeft. Dat de bloem voortdurend als zinnebeeld wordt gebruikt,
+schijnt, zoo zegt Sir Monier Williams, het gevolg te zijn van het
+feit, dat de bloem de vorm heeft van een wiel, waar de bloemblaadjes
+de plaats van spaken innemen, zoodat hierin is uitgedrukt de leer
+der eeuwigdurende kringen van het bestaan. Buddha wordt dikwijls
+uitgebeeld zittende of staande op een gouden lotus, en de bloem
+herinnert ons aan de Buddhistische _sutra_, die bekend staat als de
+"Lotus der Goede Wet".
+
+Lafcadio Hearn beschrijft de lotus van het Paradijs aldus: "Zij
+tuinieren, die bekoorlijke wezens!--Zij liefkoozen de lotusknoppen,
+terwijl zij hun bloemblaadjes met iets hemelsch besprenkelen, dat haar
+bloei bevordert. En wat voor lotusknoppen, met kleuren niet van deze
+wereld. Sommige zijn opengesprongen; en in hun lichtende harten, in een
+glans als dien van den dauw, zijn kleine, naakte kindertjes gezeten,
+ieder met een kleinen lichtkrans. Dit zijn Zielen, nieuwe Buddha's,
+_hotoke_ geboren tot gelukzaligheid. Sommigen zijn zeer, zeer klein;
+andere zijn iets grooter; alle schijnen zichtbaar te groeien, want
+hun bekoorlijke voedsters voeden hen met iets ambrozijns. Ik zie er
+één die zijn lotuswieg heeft en door een hemelschen Jizo geleid wordt
+naar de hoogere verwijderde heerlijkheid".
+
+Tot zoover de hemelsche lotus en zijn nauwe betrekking tot het
+Buddhisme. In de volgende legende zien wij, hoe de bloem de
+tooverkracht bezit, om kwade geesten weg te houden.
+
+In Kyoto brak een epidemische ziekte uit, waaraan duizenden menschen
+bezweken. De ziekte verspreidde zich tot Idzumi, waar de Edele
+Koriyama woonde, en Koriyama, zijn vrouw en kind, werden door de
+ziekte aangetast.
+
+Op zekeren dag ontving Tada Samon, een hooggeplaatst ambtenaar in het
+kasteel van Koriyama, een bezoek van een _yamabushi_ of kluizenaar
+op een berg. Die man was zeer onder den indruk van de ziekte van
+Koriyama, en zich tot Samon wendend zeide hij: "Al die ellende is het
+gevolg van het binnenkomen van booze geesten in het kasteel. Ze zijn
+gekomen, omdat de grachten rondom het kasteel droog zijn en geen lotus
+bevatten. Als die grachten dadelijk met die heilige bloem beplant
+waren, zouden de booze geesten vertrekken, en zouden uw meester,
+zijn vrouw en kind weer herstellen."
+
+Samon was zeer getroffen door die verstandige woorden, en dien
+kluizenaar werd verlof gegeven, lotus om het kasteel te planten. Toen
+hij zijn taak had volbracht, vertrok hij op geheimzinnige wijze.
+
+Binnen een week was zoowel de Edele Koriyama, als zijn vrouw en kind
+in staat op te staan en hun gewone bezigheden te hervatten; immers
+toen waren de wallen hersteld, de grachten gevuld met zuiver water,
+dat de knikkende knoppen van tallooze lotusbloemen weerkaatste.
+
+Vele jaren later, nadat ook de Edele Koriyama gestorven was, kwam
+toevallig een jeugdige _samurai_ langs de grachten van het kasteel. Met
+bewondering zag hij naar die bloemen, toen hij plotseling twee
+bijzonder schoone knapen zag spelen aan den oever van het water. Hij
+was juist op het punt, hen naar een veiliger plaats te brengen,
+toen zij in de lucht sprongen en bij hun val onder het water verdwenen.
+
+De verbaasde _samurai_, die in de meening verkeerde, dat hij een paar
+_kappa's_, [43] of booze watergeesten had gezien, trok zich haastig
+naar het kasteel terug en vertelde daar zijn vreemd avontuur. Toen hij
+zijn verhaal had gedaan, werden de grachten afgedregd en schoongemaakt,
+maar niets van de verwachte kappa's kon worden ontdekt.
+
+Een tijd later zag een andere _samurai_, Murata Ippai, bij denzelfden
+lotus een aantal schoone knaapjes. Hij trok zijn zwaard en sloeg
+op hen in, terwijl hij den krachtigen geur van die heilige bloem
+inademde bij iederen slag van zijn zwaard. Toen Ippai om zich heen
+zag, om te zien, hoeveel van die vreemde wezentjes hij had gedood,
+steeg een wolk van de meest verschillende kleuren voor hem op, een
+wolk, die met een fijnen straal op zijn gelaat viel.
+
+Daar het te duister was om zich met zekerheid te vergewissen van den
+aard en den omvang van zijn slachting, bleef Ippai den geheelen nacht
+op die plek. Toen hij den volgenden morgen ontwaakte, zag hij met
+groote afschuw dat hij alleen de koppen van een aantal lotusbloemen
+had afgehakt. Daar hij wist, dat die weldadige bloem het leven van
+den Edelen Koriyama had gered, en nu dat van zijn zoon beschermde,
+werd Ippai met schaamte en berouw vervuld. Na een gebed gezegd te
+hebben aan den oever van het water, pleegde hij _hara-kiri_.
+
+
+
+
+De Geest van de Pioenroos.
+
+Het was vastgesteld, dat Prinses Aya zou huwen met den tweeden zoon van
+den Edelen Ako. Alle schikkingen waren overeenkomstig de gebruiken in
+Japan geheel genomen zonder de goedkeuring of toestemming der beide
+betrokken partijen.
+
+Op zekeren avond wandelde Prinses Aya in den grooten tuin bij haar
+woning, vergezeld van haar kameniers. De maan scheen helder op
+haar geliefkoosd perk met pioenrozen naast een vijver, en hulde de
+welriekende bloesems in een zilveren glans. Hier bleef zij toeven en
+bukte zij om den geur van die bloemen in te ademen, toen haar voet
+uitgleed, en zij zou gevallen zijn, als niet een schoone jonge man,
+gekleed in een gewaad met geborduurde pioenrozen, haar bijtijds had
+opgevangen. Hij verdween even snel en geheimzinnig als hij gekomen was,
+voordat zij tijd had hem te danken.
+
+Het gebeurde nu, dat Prinses Aya kort na die gebeurtenis ernstig ziek
+werd, zoodat de dag van haar huwelijk moest worden uitgesteld. De
+geneeskundige hulp, die werd ingeroepen, was niet in staat, het
+koortsachtige meisje weer haar gezondheid te doen herwinnen.
+
+De vader van Prinses Aya vroeg de meest geliefde kamenier van zijn
+dochter, Sadayo, of zij op die droevige geschiedenis eenig licht
+kon werpen.
+
+Sadayo, hoewel zij tot nu toe tot geheimhouding verplicht was, voelde
+nu, dat de tijd was gekomen, dat het niet alleen verstandig, maar
+dringend noodzakelijk was, om alles te vertellen, wat zij omtrent die
+zaak wist. Zij deelde haar meesteres mede, dat Prinses Aya in vurige
+liefde was ontstoken voor den jongen _samurai_, die het gewaad droeg,
+waarop pioenrozen geborduurd waren; en zij voegde er aan toe, dat zij
+vreesde, dat, als hij niet kon worden gevonden, haar jonge meesteres
+zou sterven.
+
+Toen dien avond een beroemd muziekspeler de _biwa_ bespeelde in de
+hoop, de zieke Prinses aangenaam bezig te houden, verscheen weer
+achter de pioenrozen dezelfde jonge man in hetzelfde zijden gewaad.
+
+Ook den volgenden avond, terwijl Yae en Yakumo op de fluit en op de
+_koto_ speelden, verscheen de jonge man weer.
+
+De vader van Prinses Aya besloot nu de zaak met groote zorg na te
+gaan, en beval daartoe Maki Hiogo, zich in het zwart te kleeden en
+zich den volgenden avond te verbergen in het perk met pioenrozen.
+
+Toen de volgende avond aanbrak, verborg zich Maki Hiogo tusschen de
+pioenrozen, terwijl Yae en Yakumo liefelijke muziek maakten. Niet
+lang nadat de muziek weerklonk, verscheen de geheimzinnige _samurai_
+weer. Maki Hiogo kwam uit zijn schuilplaats te voorschijn, met zijn
+armen stevig om zijn vreemden bezoeker geslagen. Het scheen, alsof uit
+zijn gevangene een wolk stroomde. Dit maakte hem duizelig, zoodat hij
+op den grond viel; maar nog altijd hield hij den schoonen _samurai_
+stevig vast.
+
+Juist toen een troep soldaten zich haastig naar die plek begaven,
+kreeg Maki Hiogo het bewustzijn terug. Hij zag naar beneden, in de
+verwachting zijn gevangene te zien. Maar alles wat hij in zijn armen
+hield, was een groote pioenroos!
+
+Op dat oogenblik voegden zich Prinses Aya en haar vader bij de
+verbaasde groep en Vorst Naizen-no-jo begreep oogenblikkelijk den
+toestand. "Ik zie nu", zoo sprak hij, "dat de geest van de pioenroos
+een oogenblik geleden en ook bij vroegere gelegenheden de gedaante
+van een jongen en schoonen _samurai_ heeft aangenomen. Mijn dochter,
+gij moet die bloem nemen en haar met groote goedheid behandelen."
+
+Prinses Aya behoefde geen nadere verklaring te krijgen. Zij keerde
+naar huis terug, plaatste de pioenroos in een vaas, en plaatste
+die naast haar bed. Met den dag werd zij beter, terwijl haar bloem
+prachtig bloeide. Toen Prinses Aya volkomen hersteld was, kwam de
+Edele Ako naar het kasteel, met zijn tweeden zoon bij zich, die met
+de Prinses zou huwen. Na korten tijd werd het huwelijk gesloten,
+maar op datzelfde oogenblik was de prachtige pioen roos dood.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XIII. BOOMEN.
+
+
+ "Op zekeren dag redetwistten Kinto Fujiwara, Opperste Raadadviseur
+ en de minister van Uji over de vraag, welke bloem de schoonste
+ was onder de lente- en herfstbloemen. De minister beweerde, dat de
+ Kers de schoonste was van de lentebloemen, de Chrysanthemum van de
+ herfstbloemen. Daarop zeide Kinto, 'hoe kan nu de kersen-bloesem
+ het schoonst zijn? Gij hebt de pruim vergeten.' Hun twistgesprek
+ beperkte zich ten slotte tot de voortreffelijkheid van Kers
+ en Pruim, terwijl aan andere bloemen weinig aandacht werd
+ geschonken. Eindelijk werd Kinto, die den minister niet wilde
+ hinderen, minder heftig in zijn betoog dan te voren, maar zeide:
+ 'Welnu, hetzij dan zoo: nemen wij dan aan, dat de Kers de schoonste
+ van de twee is; maar als gij eens den bloesem van de Roode Pruim
+ bij het aanbreken van een lentedag in de sneeuw hebt gezien, zult
+ gij niet langer haar schoonheid vergeten.' Dit was werkelijk een
+ kiesch en vriendelijk gezegde".
+
+ _"De Tuin van Japan"_, door _F.T. Piggott._
+
+
+
+Kers en Pruim.
+
+De schitterendste bloemenpracht wordt in Japan aangetroffen in de
+maand April, zoodra de kersen in bloei komen, en zooals wij in de
+bovenstaande aanhaling hebben gezien, zijn het de kers en de pruim,
+die in de eerste plaats de gunst der Japanners genieten. De dichter
+Motoöri schrijft: "Indien iemand u zou vragen naar het hart van
+een echten Japanner, wijs dan naar den wilden kersenbloesem in de
+zon", en Lafcadio Hearn heeft met een echt poëtisch inzicht den
+kersenbloesem van Japan vergeleken met een zachten zonsondergang,
+die als het ware uit de lucht is afgedaald en om de bladerlooze takken
+is blijven hangen.
+
+De werkelijk groote wonderen der natuur zijn in staat, bij hen, die
+voldoende gevoel hebben voor het schoone, een niet te omschrijven
+verlangen achter te laten, een verdriet, dat zooveel liefelijkheid
+weer verloren moet gaan; en dat zachte gevoel van smart, vermengd
+met de verrukking, wordt gemakkelijk in veel van de Japansche poëzie
+ontdekt. Het is een feit, waar wel de nadruk op mag worden gelegd,
+omdat het een gemoedsgesteldheid openbaart, die rijk voorzien is van
+een buitengewone liefde voor het schoone, dat smachtend verlangen
+naar een bloemblaadje, dat nooit verdort, een kleur, die nooit
+verbleekt. Korunushi zong aldus:
+
+
+ De meest verstarde mensch slaakt toch nog wel een zucht,
+ Als op hem nederdaalt een dwarrelende vlucht,
+ Van kersenbloesems dor. Die bloesems teer en fijn.
+ Dat zullen zeker wel des hemels tranen zijn"!
+
+ Naar _B.H. Chamberlain._
+
+
+De hoogste lof, dien Japan aan de kers heeft gebracht, is deze: "De
+kersenboomen in de dorpen, gelegen in het verwijderde gebergte moesten
+hun bloesems terughouden totdat de bloemen in de stad verwelkt zijn,
+immers dan zou het volk naar buiten trekken om ook die te zien." De
+schoonheid van een Japansche vrouw wordt dikwijls in verband gebracht
+met den bloesem der kersen, terwijl haar deugd wordt vergeleken met
+den bloesem der pruimen.
+
+
+
+De Camelia.
+
+De Kostbare-Camelia van Yaegaki, met haar dubbelen stam en ontzaglijken
+top is reeds zeer oud en wordt als zóó heilig beschouwd, dat zij
+omgeven is door een schutting en dat steenen lampen daar omheen worden
+geplaatst. De eigenaardige gedaante van den boom, met zijn dubbelen
+stam, die weer in het midden samengroeit, heeft het aanzijn geschonken
+aan het geloof, dat die buitengewone boom het symbool is van een
+gelukkig huwelijksleven, en bovendien, dat goede geesten er in wonen,
+die altijd bereid zijn, de vurige gebeden van minnaars te verhooren.
+
+De cameliaboom is niet altijd goed gezind. Er is een legende omtrent
+een boom van die soort, die in den nacht in den tuin van een _samurai_
+te Matsue rondwandelde. De vreemde en onvermoeide wandelingen van den
+boom werden zóó talrijk, dat ten laatste de boom werd neergehouwen
+en men zegt, dat hij, toen hij neerviel, een stroom van bloed uitspoot.
+
+
+
+De Cryptomeria.
+
+Een andere boom, die hoog vereerd wordt, is de indrukwekkende
+cryptomeria, en er is een van die boomen, die zich uitstrekt van
+Utsunomiya tot Nikko, een afstand van ruim dertig kilometers. Één van
+die boomen heeft een middellijn van twee meters; men verhaalt, dat deze
+geplant is "door een deputatie, die achthonderd Buddhistische nonnen
+uit de provincie Wakasa vertegenwoordigde." In een verder gedeelte
+van dit hoofdstuk geven wij een legende, die met dien bijzonderen
+boom in betrekking staat.
+
+
+
+Een Pijnboom en de God der Wegen.
+
+In den tuin van de groote _hakaba_ (kerkhof) der Kwannondera staat
+een pijnboom, die rust op vier groote wortels, welken den vorm hebben
+van reusachtige voeten. In de nabijheid van dien boom vindt men een
+schutting, een altaar en een aantal _torii._ Voor het altaar rusten
+miniatuurpaardjes, van stroo vervaardigd. Dit zijn offers aan Koshin,
+den God der Wegen, als bede, dat de werkelijke paarden, waarvan
+zij het symbool zijn, bewaard mogen blijven voor dood of ziekte. De
+pijnboom staat echter niet altijd in verband met Koshin. Hij kan met
+recht beschreven worden als de meest huiselijke Japansche boomen, want
+hij neemt een in het oog vallende plaats in bij het Nieuwjaarsfeest
+[44]--een boom, die aan de tuindeur moet worden geplant, omdat hij
+geacht wordt geluk te brengen, en vooral gelukkige huwelijken.
+
+
+
+Een Boomgeest.
+
+Zooals wij in de volgende legenden zullen zien, is meer dan één der
+Japansche boomsoorten bedeeld met bovennatuurlijke macht. Er is een
+boomgeest, bekend als Ki-no-o-baké, die in staat is rond te wandelen en
+verschillende vormen aan te nemen. De boomgeest spreekt slechts weinig,
+en als hij gestoord wordt, verdwijnt hij in den stam of tusschen de
+bladeren. De geest van den God Kojin [45] huist in den _enoki_-boom
+aan dien God zijn alle oude kinderpoppen gewijd.
+
+
+
+
+De Wonderbaarlijke Kastanje.
+
+Prinses Hinako-Nai-Shinno verzocht, dat haar kastanjes zouden worden
+voorgezet; maar zij nam er slechts één, beet daarop en wierp die
+weg. Deze schoot wortel, en op alle kastanjes, die later daaruit
+voortkwamen, stonden de afdrukken van de kleine tandjes der Prinses. De
+kastanjeboom had, toen hij haar bij haar dood wilde vereeren, zijn
+toewijding op die wijze geopenbaard.
+
+
+
+
+De Stille Pijnboom.
+
+Keizer Go-Toba, die een vreeselijken hekel had aan het kwaken van
+kikvorschen, werd op zekeren dag gehinderd door een pijnboom, die
+door den wind werd bewogen. Nadat Zijne Majesteit den boom luide had
+bevolen, stil te zijn, bewoog zich de pijnboom nooit meer één enkel
+oogenblik. Die gehoorzame boom was zóózeer onder den indruk van het
+bevel, dat de hevigste wind niet alleen de takken niet bewoog, maar
+zelfs de duizenden dennenaalden volkomen onbewegelijk liet.
+
+
+
+Wilgevrouwtje. [46]
+
+
+
+ "Ik hoorde van 't magische wierook, dat oproept de ziel van wie
+ weg is;
+ Ach, kon ik wat daarvan branden, 's nachts, als ik eenzaam moet
+ wachten."
+
+ _Uit het Japansch._
+
+
+In een zeker Japansch dorp groeide een groote wilgeboom. Geslacht na
+geslacht werd die door het volk vereerd. In den zomer was hij een
+rustplaats, een plaats, waar de dorpelingen bijeen kwamen, nadat
+de inspanning en de hitte van den dag voorbij waren, en waar zij
+bleven praten, totdat het maanlicht door de takken scheen. In den
+winter was hij als een half geopend zonnescherm, dat bedekt was met
+fonkelende sneeuw.
+
+Heitaro, een jeugdige landbouwer, woonde vlak bij den boom,
+en daardoor was hij nog meer dan één van zijn makkers in innige
+gemeenschap gekomen met den statigen wilgeboom. De boom was bijna
+het eerst wat hij bij zijn ontwaken zag, en als hij van zijn werk op
+zijn akkers naar huis terugkeerde, zag hij steeds met verlangen uit
+naar zijn bekende gedaante. Dikwijls brandde hij een stuk hout onder
+zijn takken, en knielde daar neder om te bidden.
+
+Op zekeren dag kwam een oud man uit dat dorp naar Heitaro, en vertelde
+hem, dat de dorpsbewoners een brug over de rivier wilden bouwen,
+en dat zij er bijzonder opgesteld waren, den grooten wilgeboom voor
+timmerhout te gebruiken.
+
+"Voor timmerhout?" zeide Heitaro, terwijl hij zijn gelaat in
+zijn handen verborg. "Mijn geliefde wilgeboom voor een brug, die
+onophoudelijk het trappelen van voeten zal moeten dulden! Nooit,
+nooit, oude man!"
+
+Toen Heitaro eenigszins zijn kalmte had teruggekregen, bood hij
+den ouden man sommige van zijn eigen boomen aan, als hij en de
+dorpsbewoners die voor timmerhout wilden aannemen en den ouden
+wilgeboom wilden sparen.
+
+De oude man nam gaarne dit aanbod aan, en de wilgeboom bleef in het
+dorp staan, zooals hij reeds zoovele jaren gestaan had.
+
+Toen Heitaro op zekeren avond onder den grooten wilgeboom zat, zag
+hij plotseling een prachtig meisje dicht naast hem staan, die bedeesd
+naar hem keek, alsof zij hem wilde toespreken.
+
+"Achtbare dame", zoo sprak hij, "ik zal naar huis gaan. Ik zie,
+dat gij op iemand wacht. Heitaro is niet onvriendelijk jegens hen,
+die liefhebben.
+
+"Hij komt nu niet meer", antwoordde het meisje lachend.
+
+"Zou zijn liefde bekoeld zijn? Ach, hoe vreeselijk is het, dat een
+onechte liefde komt, en asch, en een graf achterlaat?"
+
+"Zijn liefde is niet bekoeld, waarde heer."
+
+"En toch komt hij niet? Wat voor een vreemde mysterie is dit?"
+
+"Hij is gekomen! Zijn hart is altijd hier geweest, hier onder dezen
+wilgeboom." En met een stralenden glimlach verdween het meisje.
+
+Nachten achter elkander kwamen zij onder den ouden wilgeboom samen. De
+bedeesdheid van het meisje was geheel verdwenen, en het scheen wel,
+alsof zij van de lippen van Heitaro niet genoeg lof kon hooren over
+den wilgeboom, waaronder zij zaten.
+
+Op zekeren avond zeide hij tot haar: "Lieve kleine, wilt gij mijn
+vrouwtje worden--gij, die van den boom zelf af komstig schijn te zijn?"
+
+"Ja," zeide het meisje. "Noem mij Higo ('Wilg') en vraag, ter wille
+van uw liefde voor mij, niet verder. Ik heb noch vader, noch moeder,
+en de dag zal komen, dat gij het zult begrijpen."
+
+Heitaro en Higo huwden, en na verloop van tijd werd hun huwelijk
+gezegend met een kind, dat zij Chiyodo noemden. Hun woning was
+eenvoudig, maar de bewoners van het huisje waren de gelukkigste
+menschen van geheel Japan.
+
+Terwijl dit gelukkige paar hun verschillende werkzaamheden verrichtten,
+kwam er groot nieuws in het dorp. De dorpelingen waren er vol van, en
+het duurde dan ook niet lang, of het bereikte de ooren van Heitaro. De
+oud-Keizer Toba wilde in Kyoto een tempel bouwen gewijd aan Kwannon
+[47], en zij, die daarover te zeggen hadden, zonden wijd en zijd om
+timmerhout. De dorpelingen zeiden, dat zij tot de oprichting van
+het heilige gebouw moesten bijdragen, door hun grooten wilgeboom
+aan te bieden. Alle redeneeringen, alle overreding en alle beloften,
+dat hij andere boomen zou leveren, waren vruchteloos, want noch hij,
+noch iemand anders kon een zóó grooten en schoonen boom schenken als
+den grooten wilgeboom.
+
+Heitaro ging naar huis en vertelde de zaak aan zijn vrouw: "Ach,
+vrouwtje", zoo sprak hij, "zij zijn op het punt onzen dierbaren
+wilgeboom te vellen! Voordat ik met u gehuwd was, zou ik het niet
+hebben kunnen verdragen. Naar nu ik u bezit, kleintje, zal ik er
+misschien ter eeniger tijd overheen komen".
+
+Dien nacht werd Heitaro gewekt door het hooren van een doordringenden
+kreet. "Heitaro" zeide zijn vrouw, "het wordt donker!" De kamer
+is vol gefluister. Zijt gij daar, Heitaro? Luister? Zij vellen den
+wilgeboom. Zie, hoe zijn schaduw in het maanlicht siddert. Ik ben
+de ziel van den wilgeboom! De dorpelingen dooden mij. O, hoe hakken
+en trekken zij mij in stukken! Beste Heitaro, wat een pijn, wat een
+pijn! Leg uw handen hier, en hier. Nu kunnen de slagen toch niet
+vallen, niet waar?"
+
+"Mijn Wilgevrouwtje! Mijn Wilgevrouwtje!" snikte Heitaro.
+
+"Beste man", zeide Higo, met zacht stem, terwijl zij haar vochtig,
+met den dood worstelend gelaat tegen het zijne aandrukte: "Ik ga
+u verlaten. Een liefde als de onze kan niet worden uitgeroeid, hoe
+hard de slagen ook neerkomen. Ik zal op u en Chiyodo wachten--Mijn
+haar valt door de lucht neer! Mijn lichaam breekt!"
+
+Buiten werd een luid gekraak gehoord. De groote wilgeboom lag met
+zijn groene bladeren ordeloos over den grond. Heitaro keek rond
+naar haar, die hij meer liefhad dan iets op de wereld. Wilgevrouwtje
+was verdwenen!
+
+
+
+
+De Boom van den Eenoogigen Priester.
+
+In oude tijden stond op den top van den Oki-yama een tempel, gewijd
+aan Fudo, een god, omgeven door vuur, met een zwaard in de ééne hand
+en een touw in de andere. Twintig jaar lang had Yenoki zijn taak
+vervuld, en één van zijn verplichtingen was, Fudo te bewaken, die in
+een altaar zat, dat alleen toegankelijk was voor den hoogepriester
+zelf. Gedurende al dien tijd had Yenoki getrouw zijn verplichtingen
+vervuld, en had hij weerstand geboden aan de verleiding, haastig een
+blik te slaan op dien bijzonder leelijken God. Toen hij nu op zekeren
+morgen zag, dat de deur van het altaar niet volkomen gesloten was,
+werd zijn nieuwsgierigheid hem te machtig en sloeg hij even een blik
+naar binnen. Nauwelijks had hij dit gedaan, of hij werd stekeblind
+aan één oog, en onderging de vernedering, dat hij in een _tengu_
+[48] veranderde.
+
+Na die betreurenswaardige gebeurtenis leefde hij nog een jaar
+lang, maar daarna stierf hij. Zijn geest ging over in een grooten
+cryptomeria-boom, die aan de oostelijke helling van den berg stond,
+en van dien tijd af werd de geest van Yenoki aangeroepen door de
+zeelieden, die door stormen op de Chineesche Zee werden geteisterd. Als
+een licht van den boom helder brandde als antwoord op hun gebeden,
+dan was dat een vast teeken, dat de storm zou gaan liggen.
+
+Aan den voet van den Oki-yama was een dorp, waar de jongelieden,
+het is treurig te vermelden, slap waren in hun zedelijke
+opvattingen. Gedurende het Doodenfeest voerden zij dansen uit,
+bekend als de Bon Odori. Die dansen werden woest uitgevoerd en gingen
+vergezeld van vurige en onzedelijke lief koozingen. Naarmate de jaren
+voortgingen, werden de dansen hoe langer hoe bandeloozer, en het dorp
+kreeg een slechten naam wegens de onzedelijke handelingen door het
+jonge volk gepleegd.
+
+Na een bijzonder woeste viering van de Bon trok een jong meisje, Kimi
+genaamd, uit, om haar minnaar, Kurosuke, op te sporen. In plaats van
+hem te zien, zag zij een jongeling, die er bijzonder goed uit zag en
+haar toelachte en voortdurend wenkte. Kimi vergat Kurosuke geheel
+en al; ja zelfs, van dat oogenblik af haatte zij hem en volgde zij
+met innig verlangen den haar verlokkenden jongeling. Negen schoone,
+doch slechte meisjes verdwenen op dergelijke wijze uit het dorp,
+en het was altijd dezelfde jongeling, die haar op die geheimzinnige
+wijze van den goeden weg lokte.
+
+De ouderen van het dorp overlegden de zaak samen, en kwamen tot
+de gevolgtrekking, dat de geest van Yenoki vertoornd was over de
+buitensporigheden, die in verband stonden met het Bonfeest, en dat
+die geest de gedaante van een schoonen jongeling had aangenomen, met
+het doel een strenge vermaning toe te dienen. De Heer van Kishiwada
+ontbood dus Sonobé bij zich, en beval hem te reizen naar den grooten
+cryptomeria-boom op Oki-Yama.
+
+Toen Sonobé zijn bestemming had bereikt, sprak hij den ouden boom aldus
+toe: "O, verblijfplaats van den geest van Yenoki, ik beschuldig u er
+van, dat gij onze dochters hebt weggevoerd. Als dit zoo voortgaat,
+zal ik den boom omhakken, zoodat gij genoodzaakt zult zijn, een andere
+verblijfplaats voor u te zoeken."
+
+Nauwelijks had Sonobé gesproken, of de regen begon te vallen, en
+hij hoorde het gerommel van een hevige aardbeving. Daarna verscheen
+plotseling uit den boom de geest van Yenoki. Hij vertelde, dat een
+aantal van de jongelieden uit het dorp van Sonobé door hun wangedrag
+hadden gezondigd tegen de Goden, en dat hij, zooals ondersteld was,
+den vorm had aangenomen van een schoonen jongeling, ten einde de
+voornaamste der slechte meisjes te verwijderen. "Gij zult ze aan
+boomen gebonden vinden op den tweeden top van dezen berg", zoo voegde
+de geest van Yenoki er aan toe. "Ga, bevrijd ze, en geef haar verlof,
+naar het dorp terug te keeren. Zij hebben niet alleen berouw over
+haar dwaasheden, maar zullen ook haar invloed op anderen uitoefenen,
+om een edeler en reiner leven te leiden." En na die woorden te hebben
+gesproken, verdween weer Yenoki in zijn boom.
+
+Sonobé begaf zich naar den tweeden top van den berg en bevrijdde
+de meisjes. Zij keerden naar haar woningen terug als deugdzame en
+plichtgetrouwe dochters, en van dien dag af tot heden toe zijn de
+Goden zeer tevreden geweest over het gedrag der inwoners van het dorp,
+dat gelegen is aan den voet van den Oki-Yama.
+
+
+
+
+Het Verbranden van Drie Dwergboompjes.
+
+Tijdens de regeering van Keizer Go-Fukakusa leefde er een beroemd
+Rijksbestuurder, Saimyoji Tokiyori. Toen hij dertig jaar oud was,
+trok hij zich terug naar een klooster, waar hij verscheidene jaren
+vertoefde. Daar werd dikwijls zijn gemoedsvrede verstoord door verhalen
+van boeren, die leden onder de behandeling, die zij van tyrannieke
+ambtenaren ondervonden. Tokiyori echter voelde bijzonder veel voor
+de welvaart van zijn volk, en nadat hij de zaak met groote zorg had
+onderzocht, besloot hij, zich te vermommen, van de ééne plaats naar
+de andere te reizen, en op de meest nauwgezette wijze te trachten, het
+hart der armen te leeren kennen, en later alles in het werk te stellen,
+om de slechte practijken der verschillende ambtenaren te onderdrukken.
+
+Dien ten gevolge vertrok Tokiyori uit op zijn uitnemende zending,
+en kwam ten slotte te Sano, in de provincie Kozuki. Het was toen in
+den wintertijd, en een vreeselijke sneeuwstorm was oorzaak, dat de
+aanzienlijke wandelaar het spoor bijster werd. Na dood vermoeid uren
+lang te hebben rondgezworven in de hoop een schuilplaats te vinden,
+was hij juist van plan zich in het onvermijdelijke te schikken en
+onder een boom te gaan slapen, toen hij tot zijn groote vreugde een
+met stroo bedekt huisje zag, dat niet op grooten afstand aan den voet
+van een heuvel stond. Hij ging naar dat huisje toe, en vertelde de
+vrouw, die hem begroette, dat hij verdwaald was, en dat hij haar zeer
+dankbaar zou zijn, als zij hem gedurende dien nacht een schuilplaats
+zou willen verleenen. De brave vrouw zeide hem, dat het, daar haar
+echtgenoot van huis was, niet gepast voor haar, als zijn echtgenoote,
+zou zijn, een schuilplaats in haar woning aan een vreemdeling te
+verleenen. Niet alleen dat Tokiyori dit antwoord niet kwalijk nam, maar
+hij was bijzonder verheugd, niettegenstaande hij den ganschen nacht
+in de sneeuw zou moeten doorbrengen, dat hij een zoo deugdzame vrouw
+aantrof. Maar hij had zich nog niet ver van het huisje verwijderd, toen
+hij een man hem hoorde roepen. Kokiyori bleef stilstaan, en dadelijk
+zag hij, dat iemand hem wenkte. De man zeide, dat hij de echtgenoot
+was van de vrouw, dien de vroegere Rijksbestuurder juist had verlaten,
+en noodigde hem, dien hij voor een rondreizend priester aanzag, uit,
+met hem terug te keeren, en gebruik te maken van de slechts eenvoudige
+gastvrijheid, die hij hem kon aanbieden.
+
+Toen Tokiyori in de kleine woning gezeten was, werd hem een eenvoudig
+maal voorgezet, en daar hij sedert den vorigen morgen niets had
+gebruikt, deed hij het maal alle eer aan. Maar het feit, dat hem wel
+gierst, maar geen rijst werd voorgezet, bewees den opmerkzamen Tokiyori
+voldoende, dat in dat gezin wel armoede heerschte, maar dat daarmede
+een milddadigheid gepaard ging, die hem in het hart greep. En dit was
+nog niet alles, immers toen de maaltijd was afgeloopen, gingen zij
+samen om het vuur zitten, dat op het punt was uit te gaan bij gebrek
+aan brandstof. De brave huisheer keek in den bak, die de brandstof
+moest bevatten. Maar helaas! de bak was leeg! Zonder een oogenblik te
+aarzelen ging hij naar den tuin, die diep onder de sneeuw bedolven
+was, en bracht drie potten met dwergboompjes mede naar binnen, een
+pijnboom, een pruimeboom en een kerseboom. Nu moet men weten, dat
+dwergboompjes in Japan op hooge waarde worden geschat; groote zorg
+en veel tijd wordt daaraan besteed, en hun ouderdom en bijzondere
+schoonheid hebben hen dierbaar gemaakt aan de bevolking van Nippon. In
+weerwil van het verzet van Tokiyori, hakte zijn gastheer die boompjes
+klein en maakte zoo een vroolijk vuurtje.
+
+Dit tooneel, dat nauwelijks door een westerling op zijn juiste
+waarde kan worden geschat, bracht er Tokiyori toe, zijn gastheer
+te ondervragen, vooral daar het bezit van die kostbare boompjes
+bij hem een krachtig vermoeden wekte, dat die edelmoedige man
+geen landbouwer van geboorte was, maar dat beroep had gekozen ten
+gevolge van bijzondere omstandigheden. De Oud-Rijksbestuurder bleek
+volkomen juist te hebben vermoed, en zijn gastheer vertelde met eenigen
+tegenzin, dat hij een _samurai_ was, en dat hij Sano Genzalmon Tsuneyo
+heette. Hij was verplicht geweest, zich aan den landbouw te wijden
+ten gevolge van de oneerlijkheid van één van zijn bloedverwanten.
+
+Tokiyori herinnerde zich inderdaad den naam van dien _samurai_, en
+sprak de meening uit, dat hij zich tot de regeering moest wenden, om
+herstel van het geleden onrecht te vragen. Sano zeide, dat, aangezien
+de goede en rechtvaardige bestuurder gestorven was (dit dacht hij
+namelijk) en aangezien zijn opvolger nog zeer jong was, hij het als
+een hopeloos pogen beschouwde, een verzoekschrift in te dienen. "Maar
+in weerwil hiervan", zoo zeide hij tot zijn belangstellenden gast,
+die met de grootste oplettendheid toeluisterde, "zal ik, als er ooit
+een te wapen roepen zal plaats hebben, de eerste zijn om in Kamakura
+te verschijnen. Juist die gedachte, dat misschien nog eens de dag
+zal aanbreken, dat ik mijn vaderland van nut kan zijn, heeft de dagen
+van mijn armoede verlicht."
+
+Het gesprek, dat hier door ons slechts in korte woorden is geschetst,
+nam in werkelijkheid geruimen tijd in beslag en toen het geëindigd
+was, was reeds een nieuwe dag aangebroken. En toen de tochtdeuren
+waren opengezet, bleek, dat het zonlicht zich over een sneeuwvlakte
+uitspreidde. Voordat hij afscheid nam, bedankte Tokiyori zijn gastheer
+en gastvrouw hartelijk voor hun gastvrijheid. Toen de vriendelijke
+bezoeker vertrokken was, herinnerde hij zich plotseling, dat hij
+vergeten had, navraag te doen naar den naam van zijn gast.
+
+Toevallig had er de volgende lente een te wapen roepen plaats door
+het gouvernement te Kamakura. Zoodra Sano het verblijdende nieuws
+had gehoord, begaf hij zich op weg, om aan dien oproep gehoor te
+geven. Zijn wapenrusting was uiterst haveloos, zijn hellebaard was met
+roest bedekt, en zijn paard verkeerde in een treurigen toestand. Hij
+maakte een treurig figuur onder de schitterende ridders, die hij in
+Kamakura aantrof. Een aantal van die ridders maakten onvriendelijke
+opmerkingen over hem, maar Sano verdroeg die onbeschaamdheden zonder
+een woord te antwoorden. Terwijl hij daar stond, een rampzalig figuur,
+onder de schitterende gelederen der _samurai_, die bij hem stonden,
+naderde een heraut, die op een prachtig paard gezeten was, en die
+een banier droeg, waarop het familiewapen van den Rijksbestuurder
+was aangebracht. Met luider stem en zoo duidelijk mogelijk beval hij
+den ridder, die de meest havelooze wapenrusting droeg, om voor zijn
+meester te verschijnen. Sano gehoorzaamde met een bezwaard gemoed
+aan dat bevel. Hij dacht, dat de Rijksbestuurder hem zou berispen,
+dat hij onder een zoo sierlijk uitgedost gezelschap verscheen, in
+zulk een armoedige uitrusting.
+
+De nederige ridder was verbaasd over het hartelijk welkom, dat hij
+ontving, en hij was nog meer verbaasd, toen een dienaar de schermen,
+die voor een aangrenzende kamer waren geplaatst, op zijde duwde, en
+hij den Rijksbestuurder Saimyoji Tokiyori vóór zich zag, die niemand
+anders was dan de priester, die een schuilplaats had gevonden in zijn
+nederige woning. Tokiyori was het verbranden der drie dwergboompjes,
+den pijnboom, den pruimeboom en den kerseboom, nog niet vergeten. Als
+dank voor het offer, dat zonder eenige hoop op winstbejag zonder
+aarzelen was gebracht, werden Sano de dertig dorpen teruggegeven,
+waarvan hij beroofd was. Doch dit was niet meer dan Sano van rechtswege
+toekwam; maar bovendien voelde de dankbare Tokiyori zich gedrongen,
+dien trouwen ridder de dorpen Matsu-idu, Umeda en Sakurai aan te
+bieden, een gelukkig denkbeeld, daar _matsu_, _ume_ en _sakura_
+de Japansche namen zijn voor pijnboom, pruimeboom en kerseboom.
+
+
+
+
+De Gelieven onder den Pijnboom.
+
+
+ "De dageraad nadert,
+ En de rijp valt neer
+ Op de dennetakken;
+ Maar der blaad'ren groen
+ Verandert niet.
+ Ochtend en avond
+ Worden de blaadren verwijderd
+ Onder hun schaduw.
+ Toch ontbreken zij nooit.
+ Het is een feit,
+ Dat die denneboomen
+ Niet al hun blaadren doen vallen;
+ Frisch blijft hun groen,
+ Lange eeuwen,
+ Als de slepende Masaka wijnstok;
+ Zelfs onder altijd groene boomen--
+ Het beeld van 't onveranderlijke--
+ Is hun roem verspreid.
+ Als tot het laatst der dagen een symbool--
+ De faam der dennen, die te zamen
+ Zijn oud geworden."
+
+ _Takasago_ (Naar _W.G. Aston_).
+
+
+De _Takasago_ wordt gewoonlijk beschouwd als één der schoonste onder
+de _No_, of classieke drama's. De _No_ werd opgevoerd door schoon
+gevormde spelers, die in een oud dialect speelden. Het behoorde tot die
+periode van Japansche vormelijkheid, zoo juist beschreven als: "Een
+Hemel om van te hooren, maar een Hel om te zien." Het onderwerp van
+de _Takasago_ schijnt een overblijfsel te zijn van een phallusdienst,
+die veelvuldig voorkomt in de geschiedenis van primitieve volken. De
+pijnboom van Takasago is het symbool van een lang leven, en in het
+volgende koor uit dit drama kunnen wij de groote macht van dien altijd
+groenen boom leeren kennen:
+
+
+ "En nu, eindelooze wereld,
+ Zullen der dansende meisjes uitgespreide armen
+ In priesterlijk gewaad
+ Schadelijke invloeden wegjagen;
+ Haar handen, gevouwen, om in haar boezem te rusten,
+ Zullen allen het geluk omvatten;
+ Het loflied van duizenden herfsten
+ Het zal het volk geluk en zegen brengen,
+ En de zang van tienduizend jaren
+ Het leven des vorsten verlengen.
+ En al dien tijd
+ Zal de stem van het windje,
+ Dat waait door de dennen,
+ Die samen oud worden,
+ Vreugde ons schenken.
+
+
+Nog in onzen tijd gelooft men aan de krachtdadige werking der
+pijnboomen. Men ziet dit duidelijk bij het feest van San-ga-nichi, als
+dennetakken gedurende de Nieuwjaarsfeesten de poorten versieren. Zoowel
+dit gebruik der pijnboomen als dat van dit bijzondere No drama
+ontleenen hun oorsprong aan den grooten pijnboom van Takasago,
+waarover wij in de volgende legende zullen verhalen.
+
+In oude tijden woonde in Takasago een visscher met zijn vrouw en zijn
+dochtertje Matsue. Nergens hield Matsue meer van, dan te zitten onder
+den grooten pijnboom. Zij hield in het bijzonder van de dennenaalden,
+die nooit schenen op te houden op den grond te vallen. Daarvan maakte
+zij een prachtig gewaad en ceintuur, terwijl zij zeide: "Ik zal die
+dennekleeren niet dragen vóór mijn trouwdag."
+
+Toen Matsue op zekeren dag onder den pijnboom zat, zong zij het
+volgende lied:
+
+
+ "De meest verharde mensch slaakt toch nog wel een zucht,
+ Als op hem nederdaalt een dwarrelende vlucht
+ Van kersebloesems dor. Die bloesems teer en fijn.
+ Dat zullen zeker wel des hemels tranen zijn."
+
+
+Terwijl zij zoo zong, stond, op de steile kust van Sumiyoshi, Teoyo,
+die de vlucht van een reiger gadesloeg. Al hooger en hooger steeg
+hij in de blauwe lucht, en Teoyo zag hem over het dorp vluchten,
+waar het visschersgezin met hun dochter woonde.
+
+Teoyo was een jongman, die belust was op avonturen; daarom dacht hij,
+dat het zeer aangenaam zou zijn, de zee over te zwemmen en het land
+te onderzoeken, waarover de reiger gevlogen was. Dus dook hij op
+zekeren morgen in zee, en zwom hij zóó hard en zóó lang, dat de arme
+jongen de golven zag dwarrelen en dansen, en het breede hemelgewelf
+zich zag nederbuigen, om hem te trachten aan te raken, daarop lag hij
+bewusteloos op het water; maar toch waren de golven vriendelijk voor
+hem, daar zij hem vooruitdrongen, totdat hij juist aanspoelde op de
+plaats, waar Matsue onder den pijnboom zat.
+
+Matsue trok Teoyo voorzichtig voort tot onder de beschuttende takken en
+legde hem neder op een bed van dennenaalden, waar hij spoedig weer bij
+kennis kwam, en Matsue hartelijk voor haar vriendelijkheid bedankte.
+
+Teoyo keerde niet naar zijn eigen land terug, immers nadat een paar
+gelukkige maanden waren voorbijgegaan, trouwde hij met Matsue; zooals
+hij gezegd had, droeg zij op haar trouwdag haar gewaad en ceintuur
+van dennenaalden.
+
+Toen de ouders van Matsue gestorven waren, deed dit verlies haar liefde
+voor Teoyo nog toenemen. Hoe ouder zij werden, des te meer hadden zij
+elkander lief. Iederen avond laat gingen zij bij maneschijn hand aan
+hand naar den pijnboom en maakten zij met hun kleine harken een bed
+voor den volgenden dag.
+
+Op zekeren nacht keek het groote zilveren gelaat van de maan door de
+takken van den boom heen en zocht te vergeefs naar de oude gelieven,
+die plachten te zitten op een bed van dennenaalden. Hun kleine harken
+lagen naast elkander, en nog altijd wachtte de maan op de langzame
+en strompelende stappen van de Gelieven onder den Pijnboom. Maar zij
+kwamen dien nacht niet. Zij waren naar huis gegaan in de eeuwigdurende
+rustplaats aan de Rivier der Zielen. Zij hadden zóóveel en zóó heerlijk
+liefgehad, zoowel in hun ouderdom als in hun jeugd, dat de Goden
+hun zielen toestond, weer terug te keeren en rondom den pijnboom te
+wandelen, die gedurende zóóveel jaren hun liefde had gadegeslagen. Als
+het volle maan is, fluisteren en lachen zij, en zingen zij, terwijl zij
+de dennenaalden bijeenbrengen, en de zee zachtkens op het strand zingt.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XIV. SPIEGELS.
+
+
+ "Zooals het zwaard de ziel is van een _samurai_, zoo is de spiegel
+ de ziel van een vrouw."
+
+ "Als de spiegel dof is, is de ziel onrein."
+
+ _Japansche Spreekwoorden._
+
+
+
+
+De Beteekenis der Japansche Spiegels.
+
+De oude Japansche metalen spiegels zijn cirkelvormig, met een bol
+oppervlak, terwijl de achterzijde versierd is met relieffiguren van
+bloemen, vogels en andere natuurtafereelen. Professor Chamberlain
+schrijft: "Een bijzondere eigenaardigheid kenmerkt sommige
+van die Japansche spiegels: het zonlicht, dat op de _voorzijde_
+wordt teruggekaatst, geeft een lichtend beeld van de figuren op de
+_achterzijde!_ Een dergelijke vreemd verschijnsel heeft natuurlijk
+de aandacht der geleerden getrokken." Het is hier de plaats niet,
+de verschillende theorieën te vermelden, hierover gegeven; het
+verschijnsel zelf boezemt ons meer belang in dan verklaring van het
+verschijnsel; ongetwijfeld verklaart ons dit vreemde feit eenigermate
+de magische beteekenis van spiegels uit Nippon.
+
+De groote grondgedachte, die aan de legenden omtrent Japansche spiegels
+ten grondslag ligt, is deze, dat de spiegel, door het voortdurend
+terugkaatsen van het gelaat van den eigenaar, de ziel zelf van
+den bezitter naar zich toe trekt, en zooals wij later zullen zien,
+kan men iets van datzelfde denkbeeld terugvinden, waar het oude,
+maar zeer geliefde Japansche poppen betreft.
+
+
+
+
+Hidari Jingoro.
+
+De beroemde beeldhouwer Hidari Jingoro werd bij zekere gelegenheid
+plotseling verliefd op een zeer bekoorlijke vrouw, die hij op straat
+ontmoette, toen hij zich naar zijn atelier begaf. Hij was zóózeer
+betooverd door haar zeldzame schoonheid, dat hij, zoodra hij zijn
+bestemming had bereikt, een beeld van haar begon te houwen. Tusschen
+de gebeitelde kleeren plaatste hij een spiegel, en wel dien, welken
+de bekoorlijke vrouw had laten vallen en dien haar ontstuimige
+minnaar dadelijk had opgeraapt. Omdat die spiegel duizenden malen
+dat schoone lichaam had teruggekaatst, had hij in zijn glinsterende
+oppervlakte lichaam en ziel van zijn eigenares opgenomen, en ten
+gevolge daarvan kwam het beeld tot leven, tot groote zaligheid zoowel
+van den beeldhouwer als van het meisje.
+
+
+
+De Goddelijke Spiegel.
+
+Reeds lang voordat de Japansche spiegel een voorwerp van dagelijksch
+gebruik in het huisgezin was geworden, had hij reeds een diepe
+godsdienstige beteekenis in verband met het Shintoisme. De Goddelijke
+Spiegel, waarin de zonnegodin staarde, berust te Isé. Er worden
+andere spiegels gevonden in Shinto-tempels; die spiegels vormen in
+werkelijkheid een voornaam bestanddeel van een tempel, die om zijn
+eenvoud bekend is. De spiegel "stelt een menschelijke hart voor, dat,
+als het volkomen vredig en zuiver is, het beeld van de godheid zelf
+weerkaatst." Wij lezen in de _Kojiki_, dat Izanagi zijn kinderen
+een gepolijste zilveren schijf aanbood, en hen beval dagelijks 's
+morgens en 's avonds daarvoor te knielen en het teruggekaatste beeld
+te onderzoeken. Hij beval hen ook, daarbij te denken aan hemelsche
+dingen, hun hartstochten en alle slechte gedachten te onderdrukken,
+opdat de schijf een reine en beminnelijke ziel zou weerkaatsen.
+
+
+
+De Ziel van een Spiegel.
+
+De tempel van Ogawachi-Myojin geraakte in verval, en de
+Shinto-priester, die belast was met het toezicht op dien tempel,
+Matsumura, reisde naar Kyoto, in de hoop, dat zijn verzoek aan den
+Shogun, dat hij zijn toestemming zou geven tot het herstel van den
+tempel, met een gunstigen uitslag zou worden bekroond.
+
+Matsumura en zijn gezin namen hun intrek in een huis te Kyoto, dat
+den naam had bijzonder ongelukkig te zijn, en vele bewoners hadden
+zich reeds in den put geworpen, die aan den noordoostelijken kant
+van het huis gelegen was. Maar Matsumara trok zich van die verhalen
+niets aan, en was volstrekt niet bevreesd voor booze geesten.
+
+In den zomer van dat jaar heerschte er in Kyoto groote droogte. Hoewel
+de beddingen der rivieren opdroogden en een aantal putten bij gebrek
+aan regen geen water meer bevatten, was de put in den tuin van
+Matsumura tot overloopens vol. De ellende, die het gevolg was van het
+gebrek aan water, dwong vele arme menschen, om bij Matsumura om water
+te verzoeken, en niettegenstaande zij voortdurend water schepten,
+verminderde het water in dien put volstrekt niet.
+
+Op zekeren dag vond men een lijk in den put liggen, en wel dat van
+een bediende, die water was komen halen. In dit geval was zelfmoord
+volkomen uitgesloten en het scheen onmogelijk, dat hij bij toeval
+in het water was gevallen. Toen Matsumura van het ongeluk hoorde,
+ging hij een onderzoek bij den put instellen. Tot zijn verbazing
+bewoog zich het water met een vreemde schommelende beweging. Toen de
+beweging verminderde, zag hij in het heldere water de gedaante van
+een schoone jonge vrouw teruggekaatst. Zij raakte haar lippen aan
+met _beni_. Eindelijk lachte zij hem toe. Het was een vreemdsoortige
+glimlach, die Matsumura duizelig maakte, een glimlach, die alles
+uitwischte behalve het prachtige gelaat der vrouw. Hij voelde een
+bijna onweerstaanbaar verlangen, zich in het water te werpen, opdat
+hij toch die betooverende vrouw mocht bereiken en vasthouden. Hij
+streed echter krachtig tegen dat vreemde gevoel, en was na korten
+tijd in staat het huis binnen te treden, waar hij bevel gaf, dat een
+schutting om den put zou worden gebouwd, en dat van dat oogenblik af
+niemand, onder welk voorwendsel ook, daar water mocht scheppen.
+
+Korten tijd daarna hield de droogte op. Gedurende drie dagen en
+drie nachten viel het water voortdurend bij stroomen neder, en een
+aardbeving deed de geheele stad schudden. Den derden nacht van den
+storm werd er hard geklopt op de deur van Matsumura. De priester
+ging zelf onderzoeken, wie zijn bezoeker wel zou zijn. Hij opende
+de deur op een kier en zag nog eens de vrouw, die hij in den put had
+gezien. Hij weigerde haar toe te laten, en vroeg, waarom zij zooveel
+onschuldige en argelooze menschen aan den dood had prijs gegeven.
+
+De vrouw antwoordde hierop: "Helaas, goede priester, ik heb nooit
+begeerd, menschelijke wezens in den dood te lokken. Het is de
+Vergif-Draak, die in dien put huisde, en die mij tegen mijn wil
+dwong de menschen in den dood te lokken. Maar nu hebben de Goden den
+Vergif-Draak gedwongen, ergens anders te wonen, zoodat ik van nacht
+in staat was de plaats te verlaten, waar ik gevangen zat. Er is nu
+maar weinig water in den put, en als gij daarin een onderzoek doet,
+zult gij mijn lichaam vinden. Zorg er ter wille van mij goed voor, en
+ik zal niet in gebreke blijven, u te beloonen voor uw goedheid." Na
+die woorden te hebben gesproken, verdween zij even plotseling als
+zij verschenen was.
+
+Den volgenden dag werd de put door putten-reinigers nagezien en deze
+vonden er oude haarversierselen in en een ouden metalen spiegel.
+
+Daar Matsumura een verstandig man was, nam hij den spiegel en reinigde
+hij dien, in de meening, dat deze hem een oplossing van het geheim
+zou geven.
+
+Op de achterzijde van den spiegel ontdekte hij verschillende
+letterteekens. Een aantal van die eigenaardige letterteekens waren te
+zeer uitgewischt om nog leesbaar te zijn, maar toch gelukte het hem,
+"derde maand, de derde dag" te ontcijferen. In oude tijden heette
+de derde maand Yayoi of Maand van Aangroeiïng, en daar hij zich
+herinnerde, dat de vrouw zich Yayoi had genoemd, begreep Matsumura,
+dat hij waarschijnlijk een bezoek had ontvangen van de Ziel van
+den Spiegel.
+
+Matsumura droeg zooveel mogelijk zorg voor den spiegel. Hij liet dien
+op nieuw verzilveren en polijsten en toen dit geschied was, legde hij
+hem in een doos, die daarvoor opzettelijk was vervaardigd, en spiegel
+en doos werden geplaatst in een daarvoor bestemd vertrek in het huis.
+
+Op zekeren dag, toen Matsumura in het vertrek gezeten was, waar de
+spiegel geplaatst was, zag hij Yayoi vóór zich staan, die er nog
+schooner uitzag dan ooit te voren, en de glans van haar schoonheid
+was als het maanlicht in den zomer. Nadat zij Matsumura had begroet,
+deelde zij hem mede, dat zij inderdaad de Ziel van den Spiegel
+was, en verhaalde zij, hoe zij in het bezit geraakt was van Kamo,
+een adellijke dame van het Keizerlijke Hof, en hoe zij een erfstuk
+geworden was van het Huis Fujiwara, totdat zij gedurende het tijdperk
+van Hogen, toen de geslachten der Taira en Minamoto in strijd geraakt
+waren in een put werd geworpen en daar vergeten was. Nadat zij al die
+dingen had medegedeeld en al de gruwelen, die zij had ondergaan onder
+de tyrannie van den Vergift-Draak, smeekte Yayoi, dat Matsumura den
+spiegel ten geschenke zou geven aan den Shogun, den Edelen Yoshimasa,
+die een afstammeling was van haar vroegere eigenaars, terwijl zij
+den priester grooten voorspoed beloofde, als hij dat deed. Voordat
+Yayoi vertrok, raadde zij Matsumura aan, zijn woning onmiddellijk te
+verlaten, daar het door een grooten watervloed zou worden weggespoeld.
+
+Den volgenden dag verliet Matsumura het huis, en zooals Yayoi had
+voorspeld, werd bijna onmiddellijk daarna zijn laatste verblijfplaats
+weggespoeld.
+
+Eindelijk was Matsumura in de gelegenheid, den spiegel aan den Shogun
+Yoshimasa aan te bieden, te gelijk met een geschreven verhaal van die
+vreemde gebeurtenis. De Shogun was zóó ingenomen met het geschenk,
+dat hij niet alleen Matsumura persoonlijk een aantal geschenken gaf,
+maar dat hij den priester ook een belangrijke som gelds aanbood voor
+het wederopbouwen van zijn tempel.
+
+
+
+Een Spiegel en een Klok.
+
+Toen de priesters van Mugenyama een groote klok voor hun tempel
+noodig hadden, vroegen zij de vrouwen in de buurt, om hare oude
+bronzen spiegels ten geschenke te geven, als bijdragen voor het
+benoodigde metaal.
+
+Honderden spiegels werden voor dit doel geschonken, en alle werden
+gaarne aangeboden, met uitzondering van den spiegel, door de vrouw van
+een landbouwer geschonken. Zoodra zij haar spiegel aan den priester
+had ingeleverd, begon zij er berouw over te hebben, dat zij dien had
+afgestaan. Zij herinnerde zich, hoe oud die spiegel was, hoe hij de
+glimlachjes en tranen van haar moeder had weerkaatst, en zelfs die
+van haar overgrootmoeder. Zoo dikwijls de vrouw van den landbouwer
+naar den tempel ging, zag zij den spiegel, die zij zoo gaarne terug
+had, op een grooten hoop achter een hek liggen. Zij herkende hem
+aan een teekening op de achterzijde, die bekend was onder den naam
+van de _Sho-Chiku-Bai_, of de drie zinnebeelden van den Pijnboom,
+den Bamboe en de Pruim. Zij verlangde vurig, haar arm uit te steken
+tusschen de tralies, en haar geliefden spiegel weg te rukken. Haar
+ziel was gelegen in de spiegelende oppervlakte, en was vermengd met
+de zielen, die daarin hadden gestaard, voordat zij geboren was.
+
+Toen men bezig was met het gieten van de klok van Mugenyama, ontdekten
+de klokkengieters, dat één spiegel niet wilde smelten. De werklieden
+zeiden, dat het metaal niet wilde smelten, omdat de eigenares later
+berouw had gehad van haar gift, waardoor het metaal even hard was
+geworden als het zelfzuchtige hart van de vrouw.
+
+Spoedig wist iedereen, wie de geefster geweest was van den spiegel,
+die niet wilde smelten, en daarom verdronk zich de vrouw van den
+landbouwer uit boosheid en schaamte, nadat zij eerst het volgende had
+geschreven: "Als ik dood ben, zult gij mijn spiegel kunnen smelten en
+alzoo de klok kunnen gieten. Mijn ziel zal naar hem toekomen, die de
+klok bij het luiden breekt, en ik zal hem groote rijkdommen schenken."
+
+Toen de vrouw gestorven was, smolt haar oude spiegel onmiddellijk,
+en de klok werd gegoten en op haar gewone plaats opgehangen. Daar een
+aantal personen gehoord hadden van de boodschap, door de overleden
+vrouw van den landbouwer achtergelaten, kwam er een groote menigte
+naar den tempel, die één voor één de klok met ontzaglijk geweld
+luidden, in de hoop haar te breken en dus groote rijkdommen te
+verkrijgen. Dagen aaneen duurde dat luiden voort, totdat geraas ten
+slotte zóó ondragelijk was, dat de priesters de klok in een moeras
+rolden, waar zij voor het gezicht verborgen was.
+
+
+
+De Spiegel van Matsuyama.
+
+In oude tijden leefden in een afgelegen gedeelte van Japan een
+man en zijn vrouw; zij waren gezegend met een klein meisje, dat de
+lieveling en de afgod van haar ouders was. Op zekeren dag werd de
+man voor zaken weggeroepen naar het verwijderde Kyoto. Voordat hij
+wegging, zeide hij zijn dochter, dat hij, als zij braaf was en aan
+haar moeder gehoorzaam zou zijn, haar een geschenk zou medebrengen,
+dat zij op hoogen prijs zou stellen. Daarna nam de goede man afscheid,
+terwijl moeder en dochter hem uitgeleide deden.
+
+Eindelijk kwam hij weer thuis, en nadat zijn vrouw en kind hem zijn
+grooten hoed hadden afgenomen en zijn sandalen hadden uitgetrokken,
+ging hij op de witte matten zitten en opende hij een mand van bamboe
+en lette op den verlangenden blik van zijn dochtertje. Hij nam er
+een prachtige pop uit en een verlakte doos met gebak, en plaatste die
+in haar uitgestrekte handen. Nog eens stak hij zijn hand in de mand
+en haalde er een metalen spiegel uit voor zijn vrouw. Zijn bolle
+oppervlakte was schitterend gepolijst, terwijl op de achterzijde
+pijnboomen en ooievaars waren gegraveerd.
+
+De vrouw van den goeden man had nooit te voren een spiegel gezien,
+en toen zij er in keek, kreeg zij den indruk, dat een andere vrouw
+haar aankeek, zoo dikwijls zij met toenemende verbazing een blik in
+den spiegel sloeg. Haar man verklaarde haar het geheim, en verzocht
+haar, goed voor den spiegel te zorgen.
+
+Korten tijd na die gelukkige thuiskomst en de uitdeeling dier
+geschenken, werd de vrouw ernstig ziek. Even vóór haar dood liet
+zij haar dochtertje bij zich komen en zeide: "Lieveling, zorg, als
+ik dood ben, goed voor uw vader, Als ik u heb verlaten, zult gij mij
+zeer missen. Maar neem dien spiegel, als gij u erg eenzaam en verlaten
+voelt, kijk dan in den spiegel, en gij zult mij steeds zien." Nadat
+zij die woorden had gesproken, stierf zij.
+
+Na verloop van tijd hertrouwde de man weer, en zijn vrouw was
+volstrekt niet vriendelijk voor haar stiefdochter. Maar de kleine,
+die zich de laatste woorden van haar moeder herinnerde, trok zich dan
+in een hoekje terug en keek verlangend in den spiegel, waar het haar
+toescheen, alsof zij het gelaat van haar dierbare moeder zag, niet
+door smart verwrongen, zooals zij het op haar doodsbed had gezien,
+maar jong en schoon.
+
+Op zekeren dag zag de stiefmoeder van het kind haar toevallig
+in een hoek neergehurkt over een voorwerp, dat zij niet goed kon
+onderscheiden, terwijl het in zich zelf iets mompelde. Die onwetende
+vrouw, die een hekel had aan het kind en meende, dat haar stiefdochter
+van haar kant ook een hekel aan haar had, verbeeldde zich, dat de
+kleine de ééne of andere vreemde tooverkunst volbracht--misschien
+wel, dat zij een beeldje maakte en daarin spelden stak. Vol van die
+gedachte ging de stiefmoeder naar haar echtgenoot en vertelde hem,
+dat zijn ondeugend kind haar best deed, haar door toovenarij te dooden.
+
+Toen het hoofd van het gezin dit ongeloofelijke verhaal had gehoord,
+ging hij onmiddellijk naar de kamer van zijn dochter. Hij overviel
+haar onverhoeds, en zoodra het meisje hem zag, liet zij den spiegel
+in haar mouw vallen. Voor het eerst van haar leven werd haar vader,
+die zooveel van haar hield, boos op haar, en hij vreesde, dat er
+werkelijk eenige waarheid was in hetgeen zijn vrouw hem had verteld,
+en onmiddellijk deelde hij haar dat mede.
+
+Toen zijn dochter die onrechtvaardige beschuldiging had gehoord, was
+zij verbaasd over de woorden van haar vader, en zij zeide hem, dat zij
+hem veel te veel liefhad, om ooit te trachten zijn vrouw te dooden of
+zelfs haar dood te wenschen, daar zij wist, hoeveel hij van deze hield.
+
+"Wat houdt gij in uw mouw verborgen" vroeg haar vader, nog maar half
+overtuigd, en nog altijd niet wetende, wat hij er van moest denken.
+
+"Den spiegel, dien gij moeder hebt geschonken, en dien zij mij op haar
+sterfbed heeft gegeven. Zoo dikwijls ik in het glinsterende oppervlak
+van den spiegel staar, zie ik het gelaat van mijn lieve moeder, jong
+en schoon. Als mijn hart bedroefd is--en ach! dit is in den laatsten
+tijd zoo dikwijls gebeurd--dan neem ik den spiegel in de hand, en het
+gelaat van mijn moeder, met haar zachten, vriendelijken lach, brengt
+mij vrede, en stelt mij in staat harde woorden en onvriendelijke
+blikken te verdragen".
+
+Toen begreep de man alles en had zijn kind nog des te meer lief om haar
+kinderliefde. Zelfs de stiefmoeder van het kind was, toen zij wist,
+wat werkelijk was geschied, beschaamd en vroeg vergiffenis. En het
+kind, dat geloofde, dat het moeders gelaat in den spiegel had gezien,
+vergaf wat geschied was, en zorgen en verdriet verdwenen uit het huis.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XV. KWANNON EN BENTEN. DAIKOKU, EBISU EN HOTEI.
+
+
+ "Aanbidding aan de groote barmhartige Kwannon, die boven het
+ geluid van het gebed naar beneden ziet."
+
+ _Een Opschrift._
+
+
+
+Kwannon.
+
+Kwannon, de Godin der Barmhartigheid, gelijkt in menig opzicht op
+den niet minder barmhartigen en vriendelijken Jizo; immers beiden
+deden afstand van de vreugde der Nirwana, ten einde vreugde en geluk
+aan anderen te brengen. Kwannon is echter een godheid van een meer
+ingewikkeld karakter dan Jizo, en hoewel zij meestal wordt uitgebeeld
+als een zeer schoone en heilige Japansche vrouw, neemt zij toch een
+aantal verschillende gedaanten aan. Wij kennen enkel Indische goden
+en godinnen met tallooze handen, en Kwannon wordt somtijds afgebeeld
+als Senjiu-Kwannon, of Kwannon-met-de-Duizend-Handen. [49] Iedere
+hand bevat het ééne of andere voorwerp, als moest hierdoor worden
+uitgedrukt, dat hier inderdaad een godin is, die in haar liefde bereid
+is, al het mogelijke te schenken en zooveel als in haar vermogen is,
+gebeden te verhooren.
+
+Vervolgens is er Jiu-ichi-men-Kwannon, de Kwannon
+met-de-Elf-Gezichten. Hier wordt het gelaat van Kwannon voorgesteld als
+"lachend met eeuwigdurende jeugd en oneindige teederheid", en in haar
+schitterend uiterlijk wordt het ideaal van het goddelijk vrouwelijke
+voorgesteld met een onbegrensde schoonheid van opvatting. In de
+tiara van Jiu-ichi-men-Kwannon zijn heerlijke koppen, als het
+ware een straling van kleine Kwannons. Somtijds neemt de tiara
+van Kwannon een anderen vorm aan, zooals bij Bato-Kwannon, of
+Kwannon-met-den-Paardekop. De naam is eenigszins misleidend, immers
+zulk een sierlijk schepsel heeft in geen van de vormen, waaronder het
+optreedt, iets van een paardekop. Afbeeldingen van dien bijzonderen
+Kwannon doen ons een paard zien, in de tiara uitgesneden. Bato-Kwannon
+is de Godin tot wie de landbouwers bidden voor de veiligheid en de
+redding van hun paarden en hun vee, en men verhaalt, dat Bato-Kwannon
+niet alleen stomme dieren beschermt, vooral die, welke werken voor het
+menschdom, maar dat zij haar macht ook zóóver uitstrekt, dat zij hun
+geesten beschermt, en hun kalmte schenkt en een gemakkelijker leven
+dan zij op aarde leidden. In scherpe tegenstelling met de Kwannons,
+die wij reeds hebben beschreven, is Hito-Koto-Kwannon, de Kwannon,
+die slechts één enkel gebed wil beantwoorden. De Goden der Liefde
+en der Wijsheid worden dikwijls voorgesteld in verbinding met die
+Godin, en de "Acht en Twintig Volgelingen" zijn personificaties van
+bepaalde sterrenbeelden. Maar in alle vormen, waarin Kwannon optreedt,
+behoudt zij steeds dezelfde maagdelijke schoonheid, en die Godin
+der Barmhartigheid wordt zeer eigenaardig, en niet ten onrechte,
+wel eens de Japansche Madonna genoemd.
+
+
+
+Kwannon in de Chineesche Mythen.
+
+In China staat Kwannon bekend onder den naam van Kwanjin, en als
+de geestelijke zoon van Amitâbha, maar die godheid treedt steeds
+op als godin, zooals haar beeltenissen zoowel in China als in Japan
+ons aantoonen. De Chineezen maken er aanspraak op, dat Kwanjin van
+Chineeschen oorsprong is, en dat zij oorspronkelijk de dochter was
+van den Koning der Tschou-dynastie. Zij werd door haar vader ter
+dood veroordeeld, omdat zij weigerde te huwen, maar het zwaard van
+den beul brak af, zonder een wond te veroorzaken. Men verhaalt, dat
+haar geest later weer ter helle ging. Er was iets zóó stralend schoon
+in den geest van Kwanjin, dat het feit harer tegenwoordigheid de Hel
+in het Paradijs veranderde. De Koning der Onderwereld zond Kwanjin
+terug naar de aarde, ten einde het sombere uitzicht van zijn rijk
+te bewaren; hij liet haar op wonderbaarlijke wijze op een lotusbloem
+overbrengen naar het eiland Pootoo.
+
+
+
+Een Incarnatie van Kwannon.
+
+Chujo Hime, een Buddhistische non, wordt meestal beschouwd als de
+grootste Japansche kunstenares in het borduren, uit den ouden tijd,
+en zij was, volgens de legende, een incarnatie van Kwannon. Chujo
+Hime werd door haar stiefmoeder wreed behandeld, totdat zij zich ten
+slotte terugtrok in den tempel van Toema-dera, en daar werkte zij aan
+het wonderbaarlijke borduursel van lotusdraden, dat het Paradijs der
+Buddhisten voorstelde. De schets is zóó voortreffelijk, dat wij ons
+goed kunnen voorstellen, dat de Japanners gelooven, dat de Goden de
+groote kunstenares bij haar werk hielpen.
+
+
+
+Kwannon de Moeder.
+
+Er is nog een ander merkwaardig borduurwerk, door Kano Hogai, dat
+Kwannon voorstelt als de Goddelijke Moeder, die uit een kristallen
+fleschje het water der schepping giet. Als dit water in een reeks van
+blaasjes neervalt, blijkt het, dat ieder blaasje een klein kindje bevat
+met eerbiedig gevouwen handen. Het is een prachtig stuk werk, en als
+men na de artistieke schoonheid te hebben bewonderd, de technische
+uitvoering bestudeert, dan zien wij, dat de uitvoering drie jaar
+heeft geduurd, en dat 12 100 verschillende nuances van zijde, en
+twaalf van gouddraad zijn gebruikt.
+
+
+
+De "Drie en dertig Plaatsen" aan Kwannon Gewijd.
+
+Er zijn drie en dertig tempels, aan Kwannon gewijd. Zij zijn alle
+nauwkeurig genummerd, en worden gevonden in de provincies, in de
+nabijheid van Kyoto. De volgende legende geeft misschien wel een
+verklaring van den eerbied, die voor de Saikoku Sanju-san Sho (de
+Drie en dertig Plaatsen) gekoesterd wordt.
+
+Toen de groote Buddhistische abt der achtste eeuw, Tokudo Shonin,
+stierf, werd hij tot voor Emma-O, den Heerscher over de Dooden,
+geleid. Het kasteel, waarin Emma-O woonde, schitterde van zilver en
+goud, rose paarlen en alle soorten van glinsterende juweelen. Een
+licht straalde ook uit van Emma-O, en die schrikwekkende God had
+een glimlach op zijn gelaat. Hij ontving den uitnemenden abt met de
+grootst mogelijke wellevendheid, en sprak hem aldus aan:
+
+"Tokudo Shonin, er zijn drie en dertig plaatsen, waar Kwannon haar
+bijzondere gunst openbaart, want weet wel, in haar grenzenlooze
+goedheid heeft zij zich in een aantal lichamen verdeeld, zoodat hij,
+die om hulp roept, niet te vergeefs zal roepen. Helaas! de menschen
+blijven op het slechte pad voortgaan, want zij weten van die heilige
+tempels niets af. Zij leven hun schandelijk leven en gaan in een
+groote en ontelbare menigte naar de Hel. O, hoe blind zijn zij, hoe
+eigenzinnig, en hoe vol van verdwaasdheid! Als zij maar één enkele
+bedevaart deden naar die drie en dertig tempels, die aan onze Vrouw van
+Barmhartigheid zijn gewijd, dan zou een rein en wonderlijk licht van
+hun voeten afschijnen, die geestelijk krachtig genoeg zouden worden,
+om alle kwaad te verpletteren en de honderd zes en dertig hellen
+tot stukken te verbrijzelen. Indien, in weerwil van die bedevaart,
+iemand bij ongeluk in de Hel valt, dan zal ik zijn plaats innemen
+en alle lijden op mij nemen; want, indien dit geschiedde, zou mijn
+verhaal over vrede een leugen zijn, en zou ik werkelijk verdienen te
+lijden. Hier is een lijst van de drie en dertig heilige tempels van
+Kwannon. Breng die lijst naar de in onrust zijnde wereld van mannen
+en vrouwen, en predik de eeuwigdurende barmhartigheid van Kwannon".
+
+Nadat Tokudo zorgvuldig geluisterd had naar alles, wat Emma-O hem
+mededeelde, antwoordde hij: "Gij hebt mij met een zoodanige zending
+vereerd, maar stervelingen zijn vol twijfelingen en vol vrees, en
+zij zouden om het ééne of andere teeken vragen, waaruit de waarheid
+kan blijken van wat ik hun vertel".
+
+Emma-O gaf den abt onmiddellijk zijn met juweelen bezet zegel, en
+na afscheid van hem te hebben genomen, zond hij hem weg, na hem twee
+bedienden te hebben medegegeven.
+
+Terwijl die vreemde gebeurtenissen in de Onderwereld plaats grepen,
+bemerkten de leerlingen van Tokudo, dat niettegenstaande het lijk
+van hun meester reeds drie dagen en drie nachten had neergelegen, het
+vleesch nog niet koud was geworden. De getrouwe volgelingen begroeven
+het lijk niet, daar zij meenden, dat hun meester nog niet dood was. En
+dit was inderdaad het geval, want na eenigen tijd ontwaakte Tokudo
+uit zijn bewusteloosheid, en hield hij in zijn rechter hand het met
+juweelen bezette zegel van Emma-O.
+
+Tokudo liet er geen tijd overheen gaan, voordat hij zijn vreemde
+avonturen verhaalde, en toen hij zijn verhaal had geëindigd,
+ging hij met zijn leerlingen ter bedevaart naar de drie en dertig
+heilige plaatsen, waarover de Godin der Barmhartigheid het bestuur
+uitoefent. [50]
+
+
+
+Lijst der "Drie en dertig Plaatsen".
+
+Hier volgt een volledige lijst van de "Drie en dertig Plaatsen",
+aan Kwannon gewijd:
+
+
+ 1. Fudaraku-ji, te Nachi, in Kishu.
+ 2. Kimii-dera, bij Wakayama, in Kishu.
+ 3. Kokawa-dera, in Kishu.
+ 4. Sefuku-ji, in Izumi.
+ 5. Fujii-dera, in Kawachi.
+ 6. Tsubosaka-dera, in Yamato.
+ 7. Oka-dera, in Yamato.
+ 8. Hase-dera, in Yamato.
+ 9. Nan-endo, te Nara, in Yamato.
+ 10. Mimuroto-dera, te Uji, in Yamashiro.
+ 11. Kami Daigo-dera, te Uji, in Yamashiro.
+ 12. Iwama-dera, in Omi.
+ 13. Ishiyama-dera, bij Otsu, in Omi.
+ 14. Miidera, bij Otsu, in Omi.
+ 15. Ima-Gumano, te Kyoto, in Yamashiro.
+ 16. Kiyomizu-dera, te Kyoto.
+ 17. Rokuhara-dera te Kyoto.
+ 18. Rokkaku-do, te Kyoto.
+ 19. Kodo te Kyoto.
+ 20. Yoshimine-dera, te Kyoto.
+ 21. Anoji, in Tamba.
+ 22. Sojiji, in Settsu.
+ 23. Katsuo-dera, in Settsu.
+ 24. Nakayma-dera, bij Kobe, in Settsu.
+ 25. Shin Kiyomizu-dera, in Harima.
+ 26. Hokkeji, in Harima.
+ 27. Shosha-san, in Harima.
+ 28. Nareai-ji, in Tango.
+ 29. Matsunoo-dera, in Wakasa.
+ 30. Chikubu-shima, eiland in het Meer Biwa, in Omi.
+ 31. Chomeiji, in Omi.
+ 32. Kwannonji, in Omi.
+ 33. Tanigumi-dera, bij Tarui, in Mino [51].
+
+
+
+De "Zaal van de Tweede Maan".
+
+De Buddhistische tempel van Ni-gwarsu-do ("Zaal van de Tweede Maan")
+bevat een klein koperen beeld van Kwannon. Het heeft de wonderbaarlijke
+eigenschap, dat het warm is als levend vleesch, en sedert het beeld is
+weggesloten, worden in den maand Februari bepaalde godsdienstoefeningen
+gehouden ter eere van Kwannon, en den achttienden van iedere maand
+wordt het heilige beeld tentoongesteld om aangebeden te worden.
+
+
+
+Kwannon en het Hert.
+
+Een oude kluizenaar, Saion Zenji genaamd, koos tot verblijfplaats den
+berg Nariai, opdat hij in de gelegenheid zou zijn, de schoonheid
+te aanschouwen van Ama-no-Hashidate, een smalle landtong met
+pijnboomen bedekt, die het Meer Iwataki en de Baai Miyazu van elkander
+scheidt. Ama-no-Hashidate wordt nog steeds beschouwd als één van de
+_Sankei_, of "Drie Groote Tafereelen" van Japan, en nog steeds wordt
+de berg Nariai beschouwd als de beste plek, van waar dit bekoorlijke
+tafereel kan worden bewonderd.
+
+Op den Berg Nariai richtte die vriendelijke en heilige kluizenaar een
+kleinen tempel op ter eere van Kwannon, niet ver van een eenzamen
+pijnboom verwijderd. Hij bracht zijn gelukkige dagen door met neer
+te zien op Ama-no-Hashidate en met de Buddhistische geschriften te
+zingen, en zijn zoo vriendelijke inborst en vroom gedrag werden zeer
+op prijs gesteld door het volk, dat kwam bidden in den kleinen tempel,
+dien hij zoo liefdevol had opgericht voor zijn eigen genoegen en dat
+van anderen.
+
+De verblijfplaats van den kluizenaar, die bij zacht en zonnig weder
+zeer liefelijk was, was in den wintertijd somber, immers als het
+sneeuwde, was de man van den omgang met menschen afgesloten. Op
+zeker tijdstip viel de sneeuw zóó hevig neer, dat zij op sommige
+plaatsen tot een hoogte van twintig voet lag opgestapeld. Dag aan dag
+bleef het strenge weer voortduren, en eindelijk bleek het den armen
+kluizenaar, dat hij hoegenaamd geen voedsel meer over had. Toen hij
+op zekeren morgen toevallig naar buiten keek, zag hij een hert dood
+in de sneeuw neerliggen. Toen hij het arme schepsel aanschouwde,
+dat doodgevroren was, dacht hij er aan, dat het naar de opvatting
+van Kwannon tegen de wet was, het vleesch van dieren te eten; maar
+toen hij de zaak nog eens nauwkeuriger overwoog, kwam het hem voor,
+dat hij zijn medeschepselen meer goed kon doen door van dat vleesch
+te eten dan door zich te houden aan de strenge letter der wet en zich
+te laten verhongeren in het gezicht van den overvloed.
+
+Toen Saion Zenji tot dit verstandige besluit was gekomen, ging hij
+naar buiten en sneed een stuk van het wild af, kookte het, en at de
+helft op, onder talrijke dankzeggingen voor zijn behoud. Het overige
+gedeelte van het wild liet hij in zijn kookpan achter.
+
+Eindelijk smolt de sneeuw, en een aantal menschen gingen op weg van het
+naburige dorp en bestegen den Berg Nariai, in de verwachting, dat hun
+goede en teerbeminde kluizenaar, voor goed van deze wereld zou zijn
+verdwenen. Toen zij den drempel naderden, hoorden zij verheugd, dat
+de oude man met heldere en luidklinkende stem de heilige Buddhistische
+Geschriften zong.
+
+Het volk uit het dorp verzamelde zich om den kluizenaar, terwijl hij
+het verhaal van zijn redding deed. Toen zij uit nieuwsgierigheid
+eens een blik sloegen in zijn kookpan, zagen zij tot hun stomme
+verbazing, dat deze geen wild bevatte, maar een stuk hout, met
+goudblad bedekt. Terwijl zij zich steeds nog verbaasden en niet
+begrepen, wat dit beteekende, zagen zij naar het beeld van Kwannon
+in den kleinen tempel en bleek het, dat een stuk uit haar lendenen
+was gesneden, en toen zij het stuk hout daarin pasten, was de wond
+genezen. Toen begrepen de oude kluizenaar en het volk, dat zich om hem
+had verzameld, dat het hert niemand anders geweest was dan Kwannon,
+die in haar onbegrensde liefde en teedere barmhartigheid haar eigen
+goddelijk vleesch ten offer had gebracht.
+
+
+
+Benten.
+
+
+ "De wilde bloemen worden slap, de ahornblaadren,
+ Door vingers van de vorst geraakt, zij buigen zich ter aard';
+ Maar op den boezem van de zee
+ Verwelken niet de bloemen uit het nat geboren
+ Der golven, als de bloesems op het land,
+ Noch voelen zij de kilheid van des Najaars hand",
+
+ _Yasuhide_ (Naar _Clara A. Walsh_.)
+
+
+Benten, de Godin der Zee, is tevens één der zeven Godheden van het
+Geluk, en in romantischen zin wordt zij beschouwd als de Godin van
+Liefde, Schoonheid en Welsprekendheid. In de Japansche kunst wordt zij
+voorgesteld, rijdende op een draak of slang, wat wel de verklaring
+kan zijn van het feit, dat in sommige streken slangen als heilig
+worden beschouwd. Op afbeeldingen wordt Benten weergegeven met acht
+armen. Zes handen zijn boven haar hoofd uitgestoken en houden een boog,
+een pijl, een wiel, een zwaard, een sleutel en een heilig juweel,
+terwijl zij haar beide overige handen eerbiedig in gebed gekruist
+houdt. Zij gelijkt in menig opzicht op Kwannon, en beelden van de
+twee godinnen worden dikwijls bij elkander gezien, maar de tempels
+van Benten worden gewoonlijk op eilanden gevonden.
+
+
+
+Benten en de Draak.
+
+Wij hebben er reeds melding van gemaakt, dat Benten op een draak rijdt,
+en de volgende legende kan misschien met die bijzondere voorstelling
+in verband gebracht worden.
+
+In een zeker hol leefde een geduchte draak, die de kinderen van het
+dorp Koshigoe verslond. In de zesde eeuw besloot Benten een einde
+te maken aan het ongepaste gedrag van het monster, en na een groote
+aardbeving te hebben doen ontstaan, ging zij op de loer liggen in
+de wolken boven het hol, waar de gevreesde draak zijn woonplaats
+had gevestigd. Benten daalde toen uit de wolken neder, trad het hol
+binnen, huwde den draak, en was zoo, door haar uitstekenden invloed,
+in staat, een einde te maken aan de slachting van kleine kinderen. Bij
+de aankomst van Benten verrees uit de zee het bekende eiland Enoshima
+[52], dat op den huidigen dag gewijd is gebleven aan de Godin der Zee.
+
+
+
+Benten-van-het-Geboorte-Water.
+
+Hanagaki Baishu, een jong dichter en geleerde, woonde een groot
+feest bij, dat gehouden werd ter viering van den wederopbouw van den
+tempel van Amadera. Hij wandelde door het schoone park en bereikte op
+zijn wandeling ook de plaats van een fontein, waar hij dikwijls zijn
+dorst had gelescht. Hij zag, dat wat oorspronkelijk een fontein was
+geweest, nu een vijver was geworden, en bovendien, dat aan één der
+hoeken van den vijver een bord stond, waarop de woorden geschreven
+waren _Tanjo-Sui_ ("Geboorte-Water") en tevens een kleine, maar
+aantrekkelijke tempel, aan Benten gewijd. Terwijl Baishu oplettend
+de veranderingen in het park van den tempel naging, voerde de wind
+een prachtig geschreven minnedicht naar zijn voeten. Hij raapte het
+op en ontdekte, dat het door een vrouwenhand was geschreven, dat de
+letters prachtig gevormd waren, en dat de inkt nog versch was.
+
+Baishu keerde naar huis terug en las en herlas het gedicht. Het
+duurde niet lang, of hij werd verliefd op de schrijfster, en besloot
+ten slotte haar te huwen. Eindelijk ging hij naar den tempel van
+Benten-van-het-Geboorte-Water en riep: "O, Godin, kom mij te hulp,
+en sta mij bij in mijn pogingen, de vrouw te vinden, die deze door den
+wind naar mij toegevoerde verzen heeft geschreven!" Na zoo gebeden te
+hebben, besloot hij een godsdienstoefening van zeven dagen te houden,
+en den zevenden nacht te bestemmen aan onafgebroken vereering vóór
+den heiligen tempel van Benten, in het park van Amadera.
+
+Gedurende den zevenden nacht van zijn nachtwake hoorde Baishu een
+stem, die riep om toegelaten te worden door de hoofdpoort van het
+park van den tempel. De poort werd geopend, en een oud man, in
+staatsiekleederen en met een zwarte muts op zijn hoofd, kwam naar
+voren en knielde zwijgend voor den tempel van Benten. Daarna werd de
+buitendeur van den tempel geheimzinnig geopend, en een bamboe-gordijn
+werd gedeeltelijk opgetild, waarbij een schoone knaap te voorschijn
+kwam, die den ouden man aldus toesprak: "Wij hebben medelijden met
+een jong man, die een liefdeband wenscht te sluiten, en wij hebben u
+geroepen, om die zaak te onderzoeken, en na te gaan, of gij de jonge
+lieden niet samen kunt brengen".
+
+De oude man boog, en trok toen uit zijn mouw een touw, dat hij om
+het middel van Baishu bond, terwijl hij een uiteinde aanstak aan een
+lantaarn van den tempel, en onderwijl met de hand wuifde, alsof hij
+een geest wenkte, om uit den donkeren nacht te voorschijn te komen. In
+een oogenblik kwam een jonge maagd het park van den tempel binnen,
+en terwijl zij met haar waaier haar lief gezicht halverwege bedekte,
+knielde zij naast Baishu neder.
+
+Daarna sprak de schoone knaap Baishu aldus toe: "Wij hebben uw gebed
+gehoord, en het is ons gebleken, dat gij in den laatsten tijd veel hebt
+geleden. De vrouw, die gij lief hebt, is nu naast u geplaatst". En
+na die woorden te hebben gesproken, vertrok de goddelijke jongeling,
+en de oude man verliet het park bij den tempel.
+
+Toen Baishu zijn dank had gebracht aan Benten-van-het-Geboorte-Water,
+ging hij naar huis. Toen hij de straat bereikte buiten het park, zag
+hij een jong meisje, en herkende hij haar dadelijk als het meisje, dat
+hij liefhad. Baishu sprak haar aan, en toen zij antwoordde, vervulden
+de vriendelijkheid en liefelijkheid van haar stem den jongen man
+met vreugde. Zij wandelden te zamen door de stille straten, totdat
+zij ten slotte aan het huis kwamen, waar Baishu woonde. Er was een
+oogenblik van diep zwijgen, en daarna zeide het meisje: "Benten heeft
+mij u tot vrouw gegeven", en de gelieven traden beiden het huis binnen.
+
+Het huwelijk was buitengewoon voorspoedig, en de gelukkige Baishu
+ontdekte, dat zijn vrouw, behalve in andere huiselijke deugden, ook
+volmaakt bedreven was in de kunst, bloemen te rangschikken, en dat
+haar fijne manier van schrijven niet minder aangenaam was te zien dan
+haar bekoorlijke schilderijen. Baishu wist niets van haar familie
+af, maar daar zij hem geschonken was door de godin Benten, achtte
+hij het onnoodig, haar daarnaar te vragen. Er was slechts één ding,
+dat den verliefden Baishu vreemd voorkwam, en dat was, dat de buren
+totaal onkundig schenen te zijn van de tegenwoordigheid van zijn vrouw.
+
+Toen Baishu op zekeren dag in een afgelegen gedeelte van Kyoto
+wandelde, zag hij, dat een bediende hem van de voordeur van een
+particuliere woning toewenkte. De man kwam naar hem toe, boog
+eerbiedig en zeide: "Wilt gij u wel verwaardigen, dit huis binnen
+te treden? Mijn meester verlangt er naar, de eer te hebben, met u
+te spreken". Baishu, die niets afwist van den bediende of van diens
+meester, was niet weinig verbaasd over die vreemde begroeting, maar
+hij liet zich toch naar de ontvangkamer geleiden en daar sprak de
+bewoner van het huis hem aldus toe:
+
+"Ik bied u zeer nederig mijn verschooning aan voor de weinig vormelijke
+wijze, waarop ik u heb uitgenoodigd, maar ik meen gehandeld te hebben
+in overeenstemming met een boodschap, die ik van de godin Benten heb
+ontvangen. Ik heb een dochter, en daar ik er zeer op gesteld ben, een
+goeden echtgenoot voor haar te vinden, heb ik de door haar geschreven
+gedichten naar alle tempels van Benten in Kyoto gezonden. De Godin
+is mij nu in een droom verschenen en heeft mij medegedeeld, dat zij
+een uitnemenden echtgenoot voor mijn dochter had, en dat hij mij den
+volgenden winter zou bezoeken. Ik heb eerst niet veel gewicht gehecht
+aan dien droom; maar den vorigen nacht is Benten mij weer in den droom
+verschenen, en zeide zij mij, dat den volgenden dag de echtgenoot,
+dien zij voor mijn dochter had gekozen, mij een bezoek zou brengen,
+en dat ik dan alles omtrent het huwelijk kon in orde brengen. De
+Godin beschreef het uiterlijk zóó nauwkeurig, dat ik er zeker van ben,
+dat gij de aanstaande echtgenoot van mijn dochter zijt."
+
+Die vreemde woorden vervulden Baishu met droefenis, en toen zijn
+beleefde gastheer voorstelde, hem met het meisje in kennis te brengen,
+was hij niet moedig genoeg, om zijn zoogenaamden schoonvader te
+vertellen, dat hij reeds een vrouw had. Baishu volgde zijn gastheer
+in een ander vertrek en tot zijn verbazing en vreugde bleek het hem,
+dat de dochter des huizes niemand anders was dan zijn eigen vrouw! En
+toch was er een fijn onderscheid tusschen beiden, immers de vrouw,
+die hem nu toelachte, was het lichaam van zijn vrouw, en zij die hem
+verschenen was voor den tempel van Benten-van-het-Geboorte-Water,
+was haar ziel. Men verhaalt ons, dat Benten dit wonder had volbracht
+ter wille van haar vereerders, en zoo geschiedde het, dat Baishu een
+vreemdsoortig dubbel huwelijksleven had met de vrouw, die hij liefhad.
+
+
+
+Daikoku.
+
+Daikoku, de God van den Rijkdom, Ebisu zijn zoon, de God van den
+Arbeid, en Hotei, de God van het Lachen en van de Tevredenheid,
+behooren tot dien kring der godheden, die bekend staan onder den
+naam van de Goden van het Geluk. Daikoku wordt voorgesteld met een
+Tooverhamer, die het teeken draagt van den Juweel, die den mannelijken
+en vrouwelijken geest personifieert, en beteekent een scheppende
+godheid. Een slag van zijn hamer brengt rijkdom, en zijn tweede
+attribuut is de Rat. Daikoku is, zooals men licht zal begrijpen,
+een bijzonder populaire godheid, en hij wordt dikwijls geschilderd
+als een voorspoedige Chineesche mijnheer, rijk uitgedost, terwijl
+hij meestal wordt voorgesteld staande op balen rijst, met een zak
+vol kostbare zaken op zijn schouder. Die vroolijke en weldadige God
+wordt ook wel voorgesteld, zittende op balen rijst, of zijn schatten
+vertoonend aan een of ander gretig kind, dat vol verwachting naar
+die schatten ziet; ook wel wordt hij voorgesteld, de Roode Zon met
+de ééne hand tegen zijn borst houdend, terwijl hij den Tooverhamer
+met de andere hand vasthoudt.
+
+
+
+De Rat van Daikoku.
+
+Het attribuut van Daikoku, een Rat, heeft een zinnebeeldige en een
+zedelijke beteekenis, in verband met den rijkdom, die in den zak van
+den God verborgen is. De Rat wordt dikwijls voorgesteld òf in een
+baal met rijst, waaruit zijn kop uitsteekt, of terwijl deze binnen
+in den zak zit, òf terwijl hij met den Hamer speelt; somtijds ziet
+men een groot aantal ratten.
+
+Volgens een oude legende werden de Buddhisten afgunstig op
+Daikoku. Zij overlegden samen, en besloten ten slotte, dat zij
+den te populairen Daikoku uit den weg zouden ruimen, aan wien de
+Japanners gebeden en wierook aanboden. Emma-O, de Heerscher der
+Dooden, beloofde zijn sluwsten en verstandigsten _oni_, Shiro te
+zenden, die, zooals hij zeide geen moeite zou hebben, den God van
+den Rijkdom te overmeesteren. Shiro, wien door een musch den weg
+werd gewezen, ging naar het kasteel van Daikoku, maar hoewel hij
+hoog en laag speurde, hij kon den eigenaar niet vinden. Eindelijk
+ontdekte Shiro een groot magazijn, waarin hij den God van den Rijkdom
+zag zitten. Daikoku riep zijn Rat en beval hem te onderzoeken, wie
+het waagde hem lastig te vallen. Toen de Rat Shiro zag, rende hij
+in den tuin en bracht een takje hulst mede, waarmede hij den _oni_
+verjoeg. Tot op den huidigen dag blijft Daikoku één der meest populaire
+Japansche Goden. Men zegt, dat deze gebeurtenis de oorsprong is van
+het oudejaarsavond-toovermiddel, dat bestaat uit een hulstblad en
+een vleeschpin, of een hulsttakje, bevestigd op den drempel van de
+deur van een huis, om den terugkeer van den _oni_ te beletten.
+
+
+
+De Zes Daikoku's.
+
+
+1. Makura Daikoku, de gewone vorm, met een Hamer op een lotusblad.
+2. Ojikara Daikoku, met zwaard en _vajra_.
+3. Bika Daikoku, een priester met een Hamer in de rechter hand en
+ een zwaard met een _vajra_-gevest in de linker hand.
+4. Yasha Daikoku, met het Wiel der Wet in de rechter hand.
+5. Shinda Daikoku, een knaap, zittend met een kristal in de linker
+ hand.
+6. Mahakara Daikoku, een zittende vrouw, met een baal rijst op
+ haar hoofd.
+
+
+
+Ebisu.
+
+Ebisu en zijn vader Daikoku worden gewoonlijk te zamen uitgebeeld:
+de God van den Rijkdom gezeten op balen rijst, terwijl hij de Roode
+Zon met één hand tegen zijn borst drukt, en met de andere den rijkdom
+schenkenden Hamer vasthoudt, terwijl Ebisu wordt uitgebeeld met een
+hengel en een grooten _tai_ visch onder den arm.
+
+
+
+Hotei.
+
+Hotei, de God van het Lachen en der Tevredenheid, is één der komiekste
+der Japansche Goden. Hij wordt als uitermate dik voorgesteld, terwijl
+hij op zijn rug een linnen zak (ho-tei) draagt, waaraan hij zijn naam
+ontleent. In dien zak pakt hij de kostbare zaken in, maar als hij in
+een bijzonder speelsche bui is, gebruikt hij dien als een bewaarplaats
+voor vroolijke en nieuwsgierige kinderen. Somtijds wordt Hotei
+voorgesteld, gezeten in een gebroken en bijzonder haveloos rijtuig,
+dat wordt voortgetrokken door jongens; in die gedaante is hij bekend
+als de Wagen-Priester. Ook wordt hij geschilderd met een Chineeschen
+waaier in de ééne hand, en zijn zak in de andere, of terwijl hij op
+het ééne uiteinde van een stok den zak met kostbare zaken en op het
+andere uiteinde een knaap laat balanceeren.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XVI. POPPEN EN VLINDERS.
+
+
+ "Ik vroeg eens een bekoorlijk Japansch meisje: 'Hoe kan een pop
+ leven?' 'Wel,' antwoordde zij, 'als gij er genoeg van houdt,
+ zal zij leven!'"
+
+ _Lafcadio Hearn._
+
+
+
+De Engelsche en Japansche Poppen.
+
+Onze poppen, met haar lichtblond haar, blauwe oogen en gemaakte
+lachjes, strekken zeker niet tot eer en roem van de poppenmakers,
+als het geacht moet worden, dat zij eenige gelijkenis dienen te
+vertoonen met levende kinderen. Als zij horizontaal gehouden worden,
+zal er iets in haar kopjes tikken en zullen haar blauwe oogen zich
+sluiten of liever gezegd achterover rollen; knijpt men ze, dan zullen
+zij een geluid geven dat eenigszins doet denken aan de woorden:
+"Papa! Mama!" en toch hebben zij, in weerwil van die mechanische
+kunstgrepen niets in haar voordeel dan de liefde van korten duur,
+haar door een kind betoond. Spoedig breken zij, of loopen zij gevaar,
+dat op ieder oogenblik een broertje ze het hoofd afbreekt of op andere
+wijze voor goed beschadigt.
+
+In Japan echter is de pop niet alleen een stuk speelgoed, waardoor
+kleine meisjes zich voorstellen, moedertjes te zijn, maar in vroeger
+dagen werd zij als het middel beschouwd, om van vrouwen moeders te
+maken. Lafcadio Hearn schrijft hierover: "En als gij een dergelijke,
+door een Japansche moeder vervaardigde pop ziet, die haar handen kan
+uitsteken, haar naakte voetjes kan bewegen en haar hoofd kan omdraaien,
+dan zoudt gij, al werd zij vlak bij u gehouden, er bijna tegen opzien,
+een weddenschap aan te gaan, dat het maar een pop is." Het is die
+treffende gelijkenis, die waarschijnlijk de oorzaak is van de vreemde
+en schoone liefde, die aan Japansche poppen verbonden is.
+
+
+
+Levende Poppen.
+
+Er was een tijd, dat men meende, dat sommige poppen werkelijk levend
+werden en in haar kleine lichamen een menschelijke ziel kregen, en
+dat geloof is niets anders dan een echo van het oude denkbeeld, dat
+rijke liefde het beeld van een levend iets tot leven kan wekken. In
+het Oude Japan ging de pop over van het ééne geslacht op het volgende,
+en bleef somtijds volkomen ongeschonden gedurende een periode van
+meer dan honderd jaar. Een pop, die honderd jaar lang in de armen van
+kleine kinderen was gekoesterd, van voedsel was voorzien, geregeld
+iederen nacht naar bed was gebracht en het voorwerp van voortdurende
+liefkozingen was geweest, moest ongetwijfeld wonderen doen in de
+dichterlijke verbeelding van een gelukkig en kinderlijk volk.
+
+De kleine pop, bekend als O-Hina-San valt niet binnen het gebied van
+deze studie; zij was eenvoudig een stuk speelgoed en niets meer. Wij
+hebben hier alleen de levensgroote poppen te bespreken, die poppen,
+die zoo uitnemend kleine kinderen voorstellen van twee of drie
+jaar. De meisjespop van die soort draagt den naam van O-Toku-San en de
+jongenspop van Tokutaro-San. Men geloofde, dat, als die poppen, hoe dan
+ook, slecht behandeld of verwaarloosd werden, zij zouden huilen, boos
+zouden worden en ongeluk zouden brengen over haar bezitters. Bovendien
+hadden zij nog een aantal andere bovennatuurlijke gaven.
+
+In een zeker gezin was er een Tokutaro-San, die bijna niet minder
+vereerd werd dan Kishibojin, de Godin, tot wie Japansche vrouwen
+en kinderen bidden. Die Tokutaro-San werd door kinderlooze echtparen
+geleend. Zij gaven hem nieuwe kleeren en verzorgden hem met liefdevolle
+zorgen, daar zij er van overtuigd waren, dat een dergelijke pop,
+die een ziel bezat, hen gelukkig zou maken, door hun gebeden om een
+kind te verhooren. Tokutaro-San was volgens de legende zeer levendig
+en vlug, want toen het huis in brand vloog, rende hij haastig den
+tuin in, om zich te redden!
+
+
+
+De Laatste Rustplaats van een Pop.
+
+Wat gebeurt er met een Japansche pop, als zij eindelijk na een lang en
+gelukkig leven breekt? Hoewel zij voor goed dood wordt geacht, worden
+haar overblijfselen met den grootsten eerbied behandeld. Zij wordt
+niet met vuil of afval weggeworpen of verbrand, of zelfs eerbiedig op
+stroomend water gelegd, zooals dikwijls met doode Japansche bloemen
+geschiedt. Zij wordt niet begraven, maar aan Kojin gewijd, een godheid,
+die dikwijls wordt voorgesteld met een aantal armen. Men stelt zich
+voor, dat Kojin huist in een _enoki_-boom, en tegenover dien boom is
+een klein altaar en _torii_. Hier worden de overblijfselen van een oude
+pop eerbiedig neergelegd. Haar klein gelaat moge al gekrabd zijn, haar
+zijden kleed gescheurd en verschoten, haar armen en beenen gebroken,
+zij had vroeger een ziel, en had eens de geheimzinnige _begeerte_
+het moederschap te schenken aan haar, die het verlangden.
+
+Op den derden Maart wordt het Feest der Meisjes gevierd. Het is bekend
+als _Jomi no Sekku_, of _Hina Matsuri_, of het Poppenfeest.
+
+
+
+Vlinders.
+
+
+ "Waar bijeenverzameld liggen
+ Zachte bloesems, dra vergaan,
+ Waait daar soms een enkel blaadje
+ Op zijn vroeg'ren boomtak aan?
+ Neen, 't was een vlinder, zoo licht als een blad,
+ Die zich in 't luchtruim verheven had."
+
+ _Arakida Mortitake_.
+ (Naar _Clara A. Walsh_.)
+
+
+De vlinder staat in China meer dan in Japan in betrekking met legenden
+en folk-lore. De Chineesche geleerde Rosan had, zoo wordt gezegd,
+bezoek ontvangen van twee meisjesgeesten, die hem onthaalden op
+spookachtige verhalen omtrent die insecten met hun prachtig gekleurde
+vleugels.
+
+Het is meer dan waarschijnlijk, dat de legenden omtrent vlinders, die
+van Japan bekend zijn, aan China zijn ontleend. Japansche dichters
+en kunstenaars vonden er genoegen in, als hun beroepsnaam namen te
+kiezen zooals "Vlinderboom", "Eenzame Vlinder", "Vlinderhulp" en
+dergelijke. Zulke denkbeelden, hoewel waarschijnlijk van Chineeschen
+oorsprong, deden een beroep op de aesthetische gevoelens van het
+Japansche volk, en het is niet twijfelachtig, of de Japanners speelden
+in vroegere dagen het romantische vlinderspel. Keizer Genso was gewoon
+de vlinders te gebruiken, om voor hem een keuze te doen voor zijn
+minnerijen. Bij een wijnfeest in zijn tuin moesten schoone dames
+opgesloten vlinders loslaten. Die schoongekleurde insecten vlogen
+dan rond en zetten zich neer op de schoonste meisjes, en die meisjes
+ontvingen dan dadelijk de gunst van den Keizer.
+
+
+
+Vlinders, die iets goeds, en die iets slechts voorspelden.
+
+In Japan werd de vlinder een tijd lang beschouwd als de ziel van een
+levenden man of levende vrouw. Als hij een ontvangkamer binnenkwam en
+zich vastzette achter het bamboescherm, dan was dit een zeker bewijs,
+dat de persoon, die hij vertegenwoordigde, binnen kort in dat huis zou
+komen. De aanwezigheid van een vlinder werd als een goed voorteeken
+beschouwd, hoewel natuurlijk alles afhing van den persoon, die met
+den vlinder vereenzelvigd was.
+
+De vlinder was niet altijd de voorbode van goede tijdingen. Toen
+Taira-no-Masakado in het geheim een oproer voorbereidde, was Kyoto
+het tooneel van een zwerm vlinders, en de bevolking, die ze zag, was
+zeer verschrikt. Lafcadio Hearn geeft als zijn meening te kennen,
+dat die vlinders de geesten kunnen zijn van hen, die bestemd waren
+in het gevecht te sneuvelen, de geesten van de levenden, die een
+voorgevoel hadden van een spoedig naderen van den dood. Vlinders
+kunnen ook de zielen der dooden zijn, en zij verschijnen dikwijls
+onder die gedaante, ten einde kenbaar te maken, dat zij voor goed
+afscheid nemen van het lichaam.
+
+
+
+"De Vliegende Haarspeld van Kocho".
+
+Het Japansche drama maakt herhaaldelijk van de spookachtige beteekenis
+der vlinders gebruik. In het tooneelspel, dat bekend staat als _De
+Vliegende Haarspeld van Kocho_, pleegt de heldin, Kocho, zelfmoord,
+op grond van valsche beschuldigingen en wreede behandeling. Haar
+minnaar tracht te ontdekken, wie de oorzaak van haar ontijdigen dood
+is geweest. Op een zeker oogenblik verandert Kocho's haarspeld in een
+vlinder, welke blijft zweven boven de schuilplaats van den misdadiger,
+die al die ellende heeft veroorzaakt.
+
+
+
+De Witte Vlinder.
+
+Er is een vreemde en roerende Japansche legende, die in verband
+staat met den vlinder. Een oude man, Takahama genaamd, woonde in een
+huisje achter het kerkhof van den tempel van Sozanji. Hij was een
+uiterst beminnelijk man en bij al zijn buren dan ook zeer geliefd,
+hoewel de meesten hem als eenigszins krankzinnig beschouwden. Zijn
+krankzinnigheid bestond, naar het scheen, uitsluitend in het feit,
+dat hij nooit was getrouwd en nooit het verlangen had uitgesproken
+naar intiemen omgang met vrouwen.
+
+Op een zekeren Zondag werd hij ernstig ziek, en wel zóó ziek, dat hij
+zijn schoonzuster met haar zoon liet ontbieden. Zij kwamen beiden, en
+deden alles wat in hun macht was, om in zijn laatste levensuren zijn
+lijden te verzachten. Terwijl zij waakten, viel Takahama in slaap; maar
+nauwelijks was hij in rust, of een groote witte vlinder vloog de kamer
+binnen, en bleef stil zitten op het hoofdkussen van den lijder. De
+jonge man trachtte dien met een waaier te verdrijven, maar driemaal
+kwam hij terug, alsof hij er tegen opzag, den zieke te verlaten.
+
+Eindelijk joeg de neef van Takahama hem op naar den tuin, waarna
+hij door de tuindeur naar het kerkhof vloog, dat aan den overkant
+gelegen was, waar hij bleef zitten op het graf van een vrouw en
+daarna geheimzinnig verdween. Toen de jonge man den grafsteen nader
+beschouwde, zag hij, dat er de naam "Akiko" op was geschreven, en
+tevens een beschrijving, hoe Akiko op achttienjarigen leeftijd was
+gestorven. Hoewel de grafsteen met mos was bedekt en wel vijftig jaar
+geleden moest zijn opgericht, zag de jonge man, dat hij door bloemen
+omringd was, en dat de kleine waterbak onlangs was gevuld.
+
+Toen de jonge man naar huis terugkeerde, bleek het, dat in dien
+tusschentijd Takahama was gestorven; hij keerde toen naar zijn moeder
+terug en vertelde haar, wat hij op het kerkhof had gezien.
+
+"Akiko?" mompelde zijn moeder. "Toen uw oom jong was, was hij met
+Akiko verloofd. Zij stierf kort vóór haar trouwdag aan de tering. Toen
+Akiko deze wereld verliet, besloot uw oom, nooit te huwen en steeds
+in de nabijheid van haar graf te blijven wonen. Al die jaren lang is
+hij zijn gelofte getrouw gebleven, en hield zijn hart al de zoete
+herinneringen aan zijn eenige liefde. Dagelijks ging Takahama naar
+het kerkhof, zoowel als de lucht geurig was van de zomerzoelte, als
+wanneer zij bezwangerd was met vallende sneeuw. Dagelijks ging hij
+naar het graf en bad voor haar heil, maakte den grafsteen schoon
+en plaatste daarop bloemen. Toen Takahama stervende was, en hij
+die hem zoo dierbare taak niet meer kon volbrengen, kwam Akiko hem
+bezoeken. Die witte vlinder was haar vriendelijke en liefhebbende
+ziel." Voordat Takahama naar het Land van de Gele Lente vertrok,
+kon hij wel woorden gemompeld hebben zooals die van Yone Noguchi:
+
+
+ "Daar waar de bloemen slapen,
+ Slaap ik, Goddank! van avond.
+ O, kom, o vlinder kom. [53]
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XVII. FEESTDAGEN.
+
+
+
+Nieuwjaar.
+
+De _San-ga-nichi_, of "drie dagen" van het Nieuwe Jaar, is één van
+de belangrijkste van de Japansche feestgetijden, want de Japanners
+vieren het nieuwjaarsfeest veel feestelijker dan wij. Zij beschouwen
+de eerste drie dagen van het jaar als een geschikte gelegenheid,
+om zich voorspoed en geluk voor de toekomst te verzekeren, en om dit
+gedaan te krijgen, worden een aantal vreemde en oude gebruiken in acht
+genomen. Voordat de huizen worden versierd, heeft er eerst een afdoende
+winterschoonmaak plaats. "In oude tijden", zoo schrijft Mevrouw Salwey,
+"werd dit gebruik in acht genomen zoowel aan het Hof van den Keizer
+als in de hut van den boer, en wel zóó nauwgezet, dat het Hof van den
+Shogun opzichters leverde, die rondgingen met versierde stoffers,
+om het werk der bedienden na te zien, en die hun officieele bezems
+over richels en spleten bewogen, terwijl zij daarbij hun tooverroeden
+op een bepaalde wijze zwaaiden, om daarmede het Chineesche teeken,
+dat water beteekende, aan te duiden." Niet alleen wordt het geheele
+huis door en door gereinigd en alles op zijn plaats gezet, maar men
+wordt verlost van de booze geesten, door erwten en boonen uit de open
+_shoji_ te werpen, of ook wel papiersnippers.
+
+Bij het Nieuwjaarfeest worden de huizen en deurposten versierd met
+koorden van stroo, en deze worden dikwijls zóó gemaakt, dat zij
+de getallen drie, vijf of zeven voorstellen, welke getallen bij de
+Chineezen als gelukkig worden beschouwd. Het voornaamste voedsel,
+dat bij die gelegenheid wordt gegeten, bestaat uit zeekreeften (wier
+gebogen en oud uiterlijk op een lang leven wijst), sinaasappels en
+enkele soorten van eetbaar zeegras. Bovendien zijn er spiegelkoeken,
+in verband met de Zonnegodin, en die koeken, die uit rijst bestaan,
+worden gegeten met de sinaasappelen en de zeekreeften, en opgediend
+op zuiver witte bakken. Een andere belangrijke versiering mag niet
+over het hoofd gezien worden, en wel de takken van een pijnboom. Die
+takken zijn het zinnebeeld van een lang leven, en om de ééne of andere
+niet bekende reden worden zij verbrand, zoodra het feest is afgeloopen.
+
+Één van de meest schilderachtige gebruiken, dat met dit feest in
+verband staat en dat in het bijzonder op kinderen een grooten indruk
+maakt, is het Spookschip met de Zeven Goden van het Geluk aan boord,
+waarover wij reeds vroeger hebben gesproken. [54]
+
+
+
+
+De Feestdag voor Jongens.
+
+De _Tango no Sekku_, of Feestdag voor Jongens, wordt gevierd op
+den 5_den_ Mei, en dient, om de Japansche jeugd met krijgshaftige
+eigenschappen te bezielen. Het is de dag, waarop overal vlaggen worden
+gezien, waarop de daken der huizen met irisbladeren worden versierd,
+zoodat de vlag der Natuur en de vlag door menschenhanden vervaardigd,
+beide in het oog vallen op dien vroolijken feestdag, die algemeen
+bekend staat onder den naam van het Vlaggenfeest. De knapen krijgen
+dien dag kleine beeldjes ten geschenke, die bepaalde groote helden
+uit het verleden voorstellen, terwijl oude zwaarden, bogen, pijlen,
+speren en dergelijke van het ééne geslacht van kinderen aan het andere
+worden overgegeven.
+
+Misschien is wel de meest op den voorgrond tredende trek van dit feest
+de papieren vlag, die de gedaante heeft van een karper. Zij is hol,
+en als zij met wind wordt gevuld, heeft zij het voorkomen, alsof
+zij krachtig door de lucht vliegt. De karper is meer dan een gewoon
+symbool van den ruwen oorlogsgeest, want hij is het zinnebeeld van
+vasthoudendheid in den opzet en van ontembaren moed. Zooals de karper
+tegen den stroom opzwemt, zoo wordt van de Japansche jeugd verwacht,
+dat zij tegen de krachtigste stroomingen van den tegenspoed kan
+strijden. Dit denkbeeld is waarschijnlijk ontleend aan de betooverende
+Chineesche legende van den Drakenkarper, wien het na een langen
+strijd gelukte, voorbij de watervallen van den Drakenpoort te zwemmen,
+en die duizend jaar leefde, totdat hij eindelijk in de lucht opsteeg.
+
+
+
+
+Het Doodenfeest.
+
+Het Doodenfeest, of _Bommatsuri_, moet hier worden besproken, omdat
+het veel bevat, dat mythisch is. De opvatting van den Japanschen
+boer omtrent een toekomstig leven is niet bijzonder opgewekt. Na den
+dood wordt het lichaam onmiddellijk gewasschen en geschoren en dan
+gestoken in een helder wit gewaad--in werkelijkheid het gewaad van
+een pelgrim. Om den nek wordt een zakje gehangen met drie of zes
+_rin_ [55], welk aantal afhangt van de gewoonten der plaats, waar
+de overledene gewoond heeft, en die _rin_ worden met den overledene
+begraven. Het denkbeeld, om munten met dooden te begraven, is ontleend
+aan het geloof, dat allen die sterven, met uitzondering van kinderen,
+moeten reizen naar de Sanzu-no-Kawa, of "De Rivier der Drie Wegen". Aan
+den oever van die sombere rivier wacht Sodzu-Baba, de Oude Vrouw der
+Drie Wegen, de komst af van de zielen, te gelijk met haar echtgenoot,
+Ten-Datsu-Ba. Als geen drie _rin_ aan de Oude Vrouw worden betaald,
+neemt zij de witte kleeren van den doode weg, en hangt zij die, zonder
+op zijn smeekingen te letten, aan de boomen op. Dan is er nog de niet
+minder angstwekkende Emma-O, de Heerscher der Dooden; en als wij bij
+die sombere figuren nog voegen enkele van die verschrikkingen van
+de hellen der Buddhisten, dan behoeft het geen verbazing te wekken,
+dat de zachtzinnige en poëtische Japanner een feest heeft ingesteld,
+dat een aangename, zij het dan ook slechts een korte vertroosting
+schenkt van de verschrikkingen van den Hades.
+
+Het feest heeft plaats van 13 tot 15 Juli. In dien tijd van het jaar
+zijn de meeste huizen niets dan geraamten, daar zij aan alle kanten aan
+de zomerbries toegang verschaffen. Men loopt in de lichtst mogelijk
+gewaden rond. De vlinders vermaken zich, in ontelbare hoeveelheden
+rondvliegend over een koel lotusveld of zich neerzettend op de purperen
+bloemblaadjes van een iris. De Fuji steekt zijn grooten kop in de
+heldere blauwe lucht uit, en draagt als een witte sluier een strook
+van snel wegsmeltende sneeuw.
+
+Als de ochtend van den 13_den_ Juli aanbreekt, worden nieuwe matten van
+rijststroo op alle Buddhistische altaren witgespreid en op de kleine
+tempels in huis. Ieder Japansch huis houdt dien dag een eigenaardig
+nauwkeurig omschreven maal gereed voor de groote menigte geesten.
+
+Tegen het ondergaan van de zon zijn de straten helder verlicht door
+de vlammen der fakkels, en de ingangen der huizen hebben een vroolijk
+aanzien door de helder gekleurde lantarens. Zij, voor wie dit feest
+in bijzondere mate geldt, en dus niet als voor ieder ander--dat wil
+zeggen, zij, die kort geleden iemand hebben verloren, die hun dierbaar
+was--gaan dien nacht naar buiten, om de kerkhoven te bezoeken, waar zij
+bidden, offers brengen, wierook branden en water uitgieten. Lantarens
+worden aangestoken en bamboevazen met bloemen gevuld.
+
+Op den avond van den 15_den_ Juli worden de geesten van den Kring
+der Boetedoening of Gakido gevoed, en bovendien al die geesten, die
+onder de levenden geen vrienden hebben, die voor hen zorgen. Er is
+een legende, die betrekking heeft op dit bijzonder onderdeel van het
+Doodenfeest. Dai-Mokenren, een groot leerling van Buddha, kreeg eens
+toestemming, de ziel van zijn moeder in de Gakido te bezoeken. Hij
+had zóó bitter verdriet over haar ontzettend lijden, dat hij haar een
+kom gaf, die het meest uitgelezen voedsel bevatte. Maar iederen keer,
+als zij trachtte er van te eten, veranderde het voedsel plotseling
+in vuur, en eindelijk in asch. Toen vroeg Mokenren Buddha, hem te
+willen mededeelen, wat hij kon doen om het lijden van zijn moeder
+te verzachten. Hem werd toen bevolen, om de schimmen der groote
+priesters in alle landen "op den vijftienden dag der zevende maand"
+te spijzigen. Toen dit geschied was, keerde Mokenren terug en vond
+zijn moeder weer, springende van vreugde. In dien gelukkigen dans na
+veel beproevingen vinden wij de sporen terug van den oorsprong der
+_Bon-odori_, die plaats heeft in den derden nacht van het feest.
+
+Als de avond van den derden nacht aanbreekt, worden voorbereidselen
+gemaakt voor het vertrek der geesten. Duizenden bootjes worden
+volgeladen met voedsel en met vriendelijke afscheidsgroeten. De
+vertrekkende geesten stappen in die bootjes. Liefhebbende handen
+plaatsen die brooze bark op rivier, meer of zee. Een kleine lantaren
+brandt aan den voorsteven, terwijl lichtblauwe wolken van wierook
+van den achtersteven opstijgen. Hearn schrijft: "Langs alle kreken,
+rivieren en kanalen gaan de spookachtige vloten flikkerend naar zee;
+en de geheele zee glinstert over den geheelen horizon van de lichten
+der dooden, en de zeewind is welriekend door het wierook."
+
+Er is een pathetische bekoring in dat feest. Het is volstrekt niet
+alleen in Japan, dat het gevierd wordt; immers het komt overeen met
+het Indische _Sraddha_; maar in Japan wordt het aangeraakt door een
+fijnere en meer betooverende schoonheid. Niemand is tot nu toe in staat
+geweest, den oorsprong der _Torii_ onfeilbaar vast te stellen, die
+wonderlijke poort, die nergens heenleidt. Wat een bekoorlijke ingang of
+uitgang voor een troep ronddolende schimmen! Wat een prachtige plaats
+voor geesten is een Japansche tuin, met zijn meren en maanvormige
+brug, zijn steenen lantarens, zijn paden met zilverzand, om daarin
+te spelen en bij tijden te droomen! En wat een prachtige straat om
+daarin te wandelen is voor geesten de Eeuwigdurende Straat, die zóó
+nabij is aan de straat van Oude Mannen! In de volgende bewoordingen
+geeft Yone Noguchi de tooverpracht weer van een Japansche nacht,
+één van die drie nachten, als de zielen in aanraking komen met oude
+aardsche herinneringen:
+
+
+ "De geurig purpren bries van een Japanschen nacht!
+ De oude maan, die als een tooverschip vol goud
+ Begint te wieg'len door de zee der droomen:
+ (Ik hoor den nooit gehoorden Schoonheidszang in 't schip der maan,
+ Ik hoor zelfs 't zacht gefluister van hun gouden kleed).
+ Die honderden lantarens, in liefde brandend en gebed,
+ Bewegen zich langs weg en straat, als dolende herinnering.
+ De zilveren muziek van 't houten schoeisel der Japansche meisjes!
+ Zijn dit niet kleine geesten, gekomen uit den boezem van den
+ ouden tijd?
+ Heeft hun terugkomst soms ten doel, hun duizend wenschen, reeds
+ vergeten, te vervullen?
+ Hoe groot is toch de fantaisie van den Japanschen nacht
+ Geboren uit de oude liefde en onvervulde wenschen!
+ De droeve minnezang in den Japanschen nacht,
+ De _samisen_ muziek van hartstocht en van tranen!
+ De droeve harteklacht door duisternis en liefde!"
+
+
+
+Het Lachfeest van Wasa.
+
+In den loop van het jaar worden er een aantal andere Japansche feesten
+gevierd, en twee daarvan, het Poppenfeest en het Feest van Tanabata,
+het Wevende Meisje, zijn reeds vroeger door ons besproken. Misschien
+is het Lachfeest van Wasa wel het meest vreemde onder al de Japansche
+feesten. Gedurende de maand October vormen een aantal oude mannen
+een optocht, waarbij zij twee kisten vol met sinaasappelen dragen,
+en persimonpruimen op stokken gestoken. Die oude mannen worden gevolgd
+door kinderen met dezelfde vruchten op bamboestokken. Op het oogenblik,
+waarop de aanvoerder den tempel nadert, draait hij zich om en trekt
+een allerbespottelijkst gezicht, dat onmiddellijk gevolgd wordt door
+een onbedaarlijke lachbui. Die onweerstaanbare vroolijkheid berust
+op de volgende legende.
+
+De Goden waren gewoon in de maand October bijeen te komen in
+een grooten tempel te Izumo; het doel van hun bijeenkomst was, de
+liefdesaangelegenheden van het volk in orde te brengen. Toen de Goden
+in den tempel zaten, zeide één van hen: "Waar is Miwa Daimyo-jin?" Alle
+Goden keken overal naar hem uit, maar hij kon niet gevonden worden. Nu
+was Miwa Daimyo-jin erg doof, en daardoor had hij zich vergist in
+den grooten dag, waarop de Goden te zamen kwamen. Toen hij te Izumo
+aankwam, was de bijeenkomst reeds ontbonden en alle Goden lachten
+uitgelaten, toen zij dit hoorden, een gelach, dat jaar aan jaar wordt
+herhaald bij het Lachfeest, waarover wij hebben gesproken.
+
+
+
+De Torii.
+
+Wij hebben in dit hoofdstuk en reeds vroeger melding gemaakt van
+de _torii_, en hoewel de verschillende autoriteiten op dit gebied
+verschillen in hun opvatting omtrent gebruik en oorsprong, is het
+onderwerp zeer aantrekkelijk en de studie overwaard. Volgens de
+populaire opvatting beteekent het woord _torii_ "hoenderplaats"
+of "vogelrustplaats." Op den top van dien indrukwekkende poort
+verkondigden de hoenders het aanbreken van den dageraad, en
+waarschuwden door hun gekraai de priesters om met hen morgengebeden
+te beginnen. In één legende wordt ons medegedeeld, dat de zon op
+aarde neerdaalt in den vorm van den Ho-Ho Vogel, den bode van liefde,
+vrede en welgezindheid, en dat zij op één der _torii_ rust.
+
+Chamberlain is van meening, dat de afleiding van "vogelrustplaats"
+en de daaraan ontleende theorieën onjuist zijn, en gelooft, dat
+de _torii_ oorspronkelijk uit Azië afkomstig zijn. Hij schrijft in
+_Japansche Zaken_: "De Koreanen richten daarmede veel overeenkomende
+poorten op in de nabijheid van hun koninklijke paleizen; de Chineesche
+_p'ai lou_, die dienen, om de deugden van mannelijke of vrouwelijke
+verdienstelijke personen te vermelden, schijnen in vorm en in gebruik
+verwant te zijn; en het voorkomen van het woord _turan_ in Noord-Indie
+en van het woord _tori_ in Centraal-Indië, waarmede poorten worden
+aangeduid met vormen, die met de _torii_ treffend overeenkomen, geeft
+ons veel te denken." Dr. Aston is evenzeer de meening toegedaan,
+dat de _torii_ van buiten zijn ingevoerd, "maar is van oordeel,
+dat er vroeger een andere naam aan verbonden was, die oorspronkelijk
+'drempel' moet hebben beteekend, voordat er de tegenwoordige gewijde
+begrippen aan verbonden waren." [56]
+
+Mevrouw Salway schrijft naar aanleiding van den bouw van die poorten:
+"De oudste _torii_ van Japan... waren vervaardigd van gewoon
+ongevernist hout. Zij werden gemaakt van rechte, hooge boomstammen
+in hun natuurlijken toestand, hoewel zij somtijds beroofd waren
+van hun buitenschors. Later werd het hout geverfd in een donkere
+vermiljoenkleur, misschien wel om het effect te verhoogen als de
+achtergrond dicht begroeid was". Hoewel de _torii_ oorspronkelijk met
+het Shintoïsme verbonden waren, werden zij later ook door de Buddhisten
+overgenomen, die de eenvoudige maar schoone constructie aanzienlijk
+wijzigden door de hoeken der horizontale balken naar boven te buigen,
+en door opschriften daarop aan te brengen en verschillende soorten
+van versieringen.
+
+
+
+
+"Het Voetbankje van den Koning".
+
+Wat ook de oorsprong en de beteekenis der Shinto _torii_ mogen zijn,
+niemand zal hun bijzondere schoonheid ontkennen, en velen zullen
+met ons van oordeel zijn, dat het de schoonste poort ter wereld
+is. Misschien is de schoonste _torii_ die, welke voor den tempel van
+Itsukushima staat op het eiland Myajima, en deze wordt "Het Voetbankje
+van den Koning", "De Poorts des Lichts", of "de Waterpoort van het
+Heilige Eiland" genoemd.
+
+Mevrouw Salway schrijft: "Is niet die Poort het symbool van de Goede
+Richting, volgens de leerstellingen van den Shinto Eeredienst,
+het Doel, waarnaar het gelaat moet gericht worden--'De Weg der
+Goden'. Zijn het niet waarschuwers, die hun mystieke boodschap als in
+eigenaardige teekens van den Heerscher der Goden voor de opkomende
+en ondergaande zon schrijven, terwijl zij door hun tegenwoordigheid
+de dichte weelderigheid der geheimzinnige lanen vergrooten, en zich
+weerspiegelen in de donkere, stille rivieren of de zilveren rimpels
+der Binnenzee?" Wij moet tevreden zijn met die liefelijke verklaring
+van het symbolisme der _torii_, want zij voert ons door de poort van
+tegenstrijdige theorieën, en geeft ons iets, dat ons meer voldoet
+dan de ingewikkelde vertakkingen der woordafleiding.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XVIII. DE LANTAARN MET PIOENROZEN. [57]
+
+
+
+"Ochtenddauw".
+
+Tsuyu ("Ochtenddauw") was de eenige dochter van Iijima. Toen haar vader
+hertrouwde, vond zij, dat zij niet gelukkig met haar stiefmoeder kon
+samenwonen, zoodat er voor haar een afzonderlijke woning werd gebouwd,
+waar zij met haar dienstbode Yoné woonde.
+
+Op zekeren dag kreeg Tsuyu een bezoek van den huisdokter, Yamamoto
+Shijo, die vergezeld was van een schoonen jongen _samurai_, Hagiwara
+Shinzaburo genaamd. De jongelieden werden op elkander verliefd, en
+bij het vertrek fluisterde Tsuyu tot Shinzaburo: "_Denk er om! als
+gij mij niet weer komt opzoeken, zal ik zeker sterven!_"
+
+Shinzaburo had het beste voornemen, de schoone Tsuyu zoo dikwijls
+mogelijk te bezoeken. Maar de etiquette verbood hem, haar alleen te
+spreken, zoodat hij verplicht was te vertrouwen op de belofte van den
+ouden geneesheer, dat hij hem zou medenemen naar de villa, waar zijn
+geliefde woonde. De oude dokter echter, die meer had gezien dan het
+jonge volk had gemeend, onthield er zich met opzet van, zijn belofte
+te houden.
+
+Tsuyu, die meende, dat de jonge schoone _samurai_ haar ontrouw was
+geworden, kwijnde langzaam weg en stierf. Haar trouwe dienstbode Yoné
+stierf eveneens kort daarna, daar zij zich niet in staat gevoelde
+zonder haar meesteres te leven, en zij werden naast elkander begraven
+op het kerkhof van Shin-Banzui-In.
+
+Korten tijd nadat die droevige gebeurtenis had plaats gegrepen, bezocht
+de oude dokter Shinzaburo en vertelde hem in alle bijzonderheden den
+dood van Tsuyu en haar dienstbode.
+
+Shinzaburo voelde den slag hevig. Dag en nacht was het meisje in zijn
+gedachten. Hij schreef haar naam op een grafsteen, plaatste offers
+daarvoor, en zegde een aantal gebeden op.
+
+
+
+
+De Dooden keeren terug.
+
+Toen de eerste dag van het Doodenfeest aanbrak, zette hij voedsel op
+de Plank der Zielen en hing hij lantarens op, om de geesten gedurende
+hun kort aardsch verblijf den weg te wijzen. Daar de nacht warm was
+en het juist volle maan was, ging hij in zijn warande zitten en bleef
+hij wachten. Hij was er van overtuigd, dat al die voorbereidselen
+niet vergeefsch zouden zijn, en hij geloofde in zijn hart, dat de
+ziel van Tsuyu bij hem zou komen.
+
+Plotseling werd de stilte verbroken door het geluid van _kara-kon,
+kara-kon_, het zachte geklepper van de _geta_ van vrouwen. Er was
+iets vreemds en spookachtigs in dat geluid. Shinzaburo stond op
+en keek over de heining heen. Hij zag twee vrouwen. De ééne droeg
+een langwerpige lantaarn met zilveren pioenrozen aan den bovenkant
+vastgestoken; de andere droeg een mooi kleed, bedekt met patronen
+van herfstbloesems. Een volgend oogenblik herkende hij de liefelijke
+gedaante van Tsuyu en haar dienstbode Yoné.
+
+Toen Yoné had medegedeeld, dat de gemeene oude dokter beiden had
+verhaald, dat Shinzaburo dood was, en de jonge _samurai_ zijn
+bezoeksters evenzoo had medegedeeld, dat hij ook uit dezelfde bron
+had vernomen, dat zijn geliefde en haar dienstbode uit het leven
+waren gescheiden, traden beide vrouwen het huis binnen, en brachten
+zij daar den nacht door, terwijl zij even vóór het opkomen der zon
+naar huis terugkeerden. Nachten achtereen kwamen zij op diezelfde
+geheimzinnige wijze en altijd droeg Yoné de brandende lantaarn met
+pioenrozen, terwijl beiden altijd op hetzelfde uur vertrokken.
+
+
+
+
+Een Spion.
+
+In zekeren nacht hoorde toevallig Tomozo, een der bedienden
+van Shinzaburo, die naast zijn meester huisde, het geluid van een
+vrouwenstem in het vertrek van zijn meester. Hij loerde door een spleet
+in één der schuifdeuren, en zag bij het licht der lantaarn, die binnen
+de kamer brandde, dat zijn meester met een vreemde vrouw sprak onder
+het muskietennet. Hun gesprek had iets zóó eigenaardigs, dat Tomozo
+besloot, te trachten het gelaat der vrouw te aanschouwen. Toen dit hem
+eindelijk gelukte, rezen zijn haren te berge en beefde hij vreeselijk,
+daar hij het gelaat van een doode vrouw zag, een vrouw, die reeds lang
+gestorven was. Er was geen vleesch op haar vingers, immers wat vroeger
+haar vingers geweest waren, was nu een bos rammelende beenderen. Alleen
+het bovengedeelte van haar lichaam was stoffelijk; beneden haar middel
+was niets dan een flauwe, zich bewegende schaduw. Terwijl Tomozo
+met afschuw op een zoo afschrikwekkend tafereel staarde, sprong de
+gestalte van een tweede vrouw binnen in de kamer op. Zij vloog af op
+de spleet en op het oog van Tomozo daarachter. Met een kreet van schrik
+vluchtte de spionneerende Tomozo naar het huis van Hukuodo Yusai.
+
+
+
+
+De Raad van Yusai.
+
+Yusai was een man, doorkneed in alle soorten van mysteries; maar toch
+maakte de geschiedenis van Tomozo een diepen indruk op hem, en hij
+luisterde naar iedere bijzonderheid met de groote verbazing. Toen de
+bediende de toedracht der zaak volledig had verteld, deelde Yusai
+hem mede, dat zijn meester een veroordeeld man was, als het bleek,
+dat de vrouw een geest was, daar liefde tusschen een levende en een
+doode steeds eindigde met den ondergang van den levende.
+
+Doch onafhankelijk van die critische beoordeeling van die vreemde
+gebeurtenis, deed Yusai bovendien practische stappen, om den jongen
+_samurai_ voor een zoo droevig lot te bewaren. Den volgenden morgen
+besprak hij de zaak met Shinzaburo, en vertelde hem tamelijk duidelijk,
+dat hij een geest had liefgehad, en dat het, hoe eer hij zich van dien
+geest had losgemaakt, des te beter voor hem zou zijn. Hij eindigde
+zijn gesprek, met den jongen man den raad te geven, naar het district
+Shitaya, in Yanaka-no-Sasaki, te gaan, de plaats, waar die vrouwen
+volgens haar bewering woonden.
+
+
+
+
+Het Geheim wordt onthuld.
+
+Shinzaburo volgde den raad van Yusai, maar nergens in Yanaka-no-Sasaki
+kon hij de woonplaats van Tsuyu vinden. Toen hij op de terugreis was,
+liep hij toevallig door den tempel Shin-Banzui-In. Daar zag hij twee
+graven naast elkander, het ééne zonder eenig bijzonder kenteeken
+en zeer eenvoudig, het andere echter groot en schoon, versierd
+met een lantaarn met pioenrozen, die zachtjes door den wind werd
+bewogen. Shinzaburo herinnerde zich, dat die lantaarn volkomen gelijk
+was aan die, welke door Yoné werd gedragen, en een altaardienaar deelde
+hem mede, dat die graven die van Tsuyu en Yoné waren. Toen begreep
+hij de vreemde beteekenis van de woorden van Yoné: "_Wij gingen weg,
+en vonden een zeer kleine woning in Yanaka-no-Sasaki. Wij kunnen
+daar nauwelijks leven, door eenigen privaten arbeid te verrichten._"
+Haar huis was dus een graf. De geest van Yoné droeg de lantaarn met
+pioenrozen, en de geest van Tsuyu sloeg haar vleeschlooze armen om
+den hals van den jeugdigen _samurai_.
+
+
+
+
+Heilige Toovermiddelen.
+
+Shinzaburo, die nu ten volle bewust was van het afgrijselijke van den
+toestand, keerde haastig naar huis terug en vroeg raad aan den wijzen,
+verzienden Yusai. Die geleerde man bekende, dat hij niet in staat was,
+hem verder in die zaak te helpen, maar raadde hem aan, naar Ryoseki
+den hoogepriester van den tempel Shin-Banzui-In, te gaan, en gaf hem
+een brief mede, waarin was uitgelegd, wat er was geschied.
+
+Onbewogen luisterde Ryoseki naar het verhaal van Shinzaburo, daar
+hij zooveel verhalen had gehoord, die op hetzelfde onderwerp, de
+noodlottige macht van Karma, betrekking hadden. Hij gaf den jongen
+man een klein gouden beeld van Buddha, en zeide hem, dat hij dit op
+zijn bloote lichaam moest dragen, daar het dan den levende tegen
+den doode zou beschermen. Ook gaf hij hem een heilige _sutra_,
+"Schatten-Regenende Sutra" genaamd, terwijl hij hem aanbeval,
+die iederen avond in huis op te zeggen; en ten slotte gaf hij hem
+een pakje heilige teksten. Hij moest iedere heilige strook over een
+opening in zijn huis plakken.
+
+Tegen den nacht was alles in het huis van Shinzaburo in orde
+gebracht. Alle openingen waren met heilige teksten beplakt, en de lucht
+weerklonk van het opzeggen der "Schatten-Regenende Sutra", terwijl
+het kleine gouden beeld van Buddha zich op de borst van den _samurai_
+heen en weer bewoog. Maar toch keerde de vrede dien nacht niet terug
+in het gemoed van Shinzaburo. Geen slaap sloot zijn vermoeide oogen, en
+juist op het oogenblik, dat een klok uit den tempel ophield te luiden,
+hoorde hij weer op nieuw het oude _karan-koron, karan-koron_, het zacht
+geklepper der spookachtige _geta_! Daarna hield het geluid op. Vrees
+en vreugde streden met elkander in het hart van Shinzaburo. Hij hield
+op met het opzeggen der heilige _sutra_ en keek naar buiten in het
+donker. Weer zag hij Tsuyu en haar dienstbode met de lantaarn met
+pioenrozen. Nooit had Tsuyu er zoo schoon en verlokkelijk uitgezien;
+maar een namelooze vrees hield hem terug. Met doodelijken angst hoorde
+hij de vrouwen samen spreken. Hij hoorde Yoné vertellen, dat zijne
+liefde verdwenen was, daar zijn deuren gesloten waren, om hem tegen
+haar te beveiligen; en hij hoorde Tsuyu klagen en weenen. Eindelijk
+liepen de vrouwen rond naar de achterzijde van het huis. Maar noch
+van achteren noch van voren konden zij het huis binnentreden, zóó
+groot was de macht van de heilige woorden van Buddha.
+
+
+
+
+Het Verraad.
+
+Toen alle pogingen van Yoné, om in het huis van Shinzaburo binnen
+te komen, vruchteloos waren, ging zij nacht aan nacht naar Tomozo
+en smeekte hem, de heilige teksten uit de woning van zijn meester te
+verwijderen. Telkens op nieuw beloofde Tomozo uit ontzetttende vrees,
+dit te doen, maar bij het aanbreken van den dag werd hij weer moedig
+en besloot hij den man niet te bedriegen, die altijd zoo goed voor
+hem was geweest, en wien hij zooveel verschuldigd was. In zekeren
+nacht weigerde Yoné echter, nog langer zich voor den gek te laten
+houden. Zij bedreigde Tomozo met haar afschuwelijken haat, als hij
+niet één der heilige teksten verwijderde, en bovendien trok zij een
+zóó verschrikkelijk gezicht, dat Tomozo bijna van schrik bezweek.
+
+Toevallig werd Miné, de vrouw van Tomozo, wakker en hoorde zij
+een vreemde vrouw met haar man spreken. Toen de vrouwelijke geest
+verdwenen was, gaf Miné haar echtgenoot den listigen raad, dat hij
+er in zou toestemmen, aan het verzoek van Yoné te voldoen, als deze
+hem met honderd _ryo_ zou willen beloonen.
+
+Twee nachten later, toen die slechte dienaar zijn belooning had
+ontvangen, gaf hij Yoné het gouden beeldje van Buddha, nam één van de
+heilige teksten uit het huis van zijn meester weg, en verbrandde op een
+akker de _sutra_, die zijn meester placht op te zeggen. Dit stelde Yoné
+en haar meesteres in staat, nog eens het huis van Shinzaburo binnen
+te treden, en van dat oogenblik af begon weer die afgrijselijke liefde
+voor de doode, onder den invloed van de geheimzinnige macht van Karma.
+
+Toen Tomozo den volgenden ochtend het huis betrad, om zooals
+gewoonlijk zijn meester te roepen, kreeg hij op zijn kloppen
+geen antwoord. Eindelijk trad hij het vertrek binnen en daar lag
+zijn meester dood onder het muskietennet, en naast hem lagen de
+witte beenderen van een vrouw. De beenderen van "Morgendauw" waren
+gestrengeld om den nek van hem, die haar te zeer had bemind, van hem,
+die haar zóó hartstochtelijk had liefgehad, dat het ten slotte zijn
+verderf was geweest.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XIX. KOBO DAISHI, NICHIREN, EN SHODO SHOHIN.
+
+
+ "Toen hij stierf, was het alsof een helder licht in het midden
+ van een donkeren nacht was uitgegaan."
+
+ _Namudaishi_ (Naar _Arthur Lloyd)_.
+
+
+
+De "Namudaishi".
+
+Kobo Daishi [58] ("Eer aan den Grooten Leeraar"), die in het jaar
+774 na Christus geboren was, was de heiligste en beroemdste van de
+Japansche Buddhistische heiligen. Hij stichtte de Shingon-Shu, een
+Buddhistische secte, die bekend was om haar tooverformulieren en om
+haar duistere en geheimzinnige leerstellingen, en men verhaalt ook,
+dat hij de uitvinder is van het _Hiragana_ lettergrepenschrift, een
+vorm van loopend schrift. In de _Namudaishi_, een Japansch gedicht
+over het leven van dien grooten heilige, lezen wij, dat Kobo Daishi
+uit China een molensteen medebracht, en enkele zaden van de theeplant,
+en zoo weer het gebruik van dien drank deed herleven, die in onbruik
+was geraakt. In hetzelfde gedicht wordt ook vermeld, dat het Kobo
+Daishi was, die de wereld het gebruik van steenkool leerde. Hij was
+vermaard als een groot prediker, maar was niet minder beroemd als
+schoonschrijver, schilder, beeldhouwer en reiziger.
+
+
+
+
+"Een Goddelijk Wonder."
+
+Kobo Daishi is echter voornamelijk bekend wegens de buitengewone
+wonderen, die hij volbracht heeft, en talloos is het aantal legenden,
+waarbij hij betrokken is. Reeds bij zijn geboorte werden wonderen
+waargenomen, immers toen hij geboren werd, scheen er een helder licht,
+en hij kwam ter wereld, met gevouwen handen, als in gebed. Toen hij
+slechts vijf jaar oud was, zat hij reeds onder de lotusbloemen en
+hield hij gesprekken met Buddha en hij hield alle wijsheid, die hij zoo
+verwierf, geheim. Zijn hart werd bewogen door de droefheid en pijnen
+der menschheid. Toen hij op den berg Shashin stond, trachtte hij zijn
+eigen leven op te offeren als zoenoffer, maar werd daarin verhinderd
+door een aantal engelen, die niet wilden, dat die vurige ziel door
+den dood onderging, voordat hij zijn bestemming had bereikt. Bij
+zekere gelegenheid bouwde hij een pagode van klei, en onmiddellijk
+werd hij omringd door de Vier Hemelsche Koningen (oorspronkelijk
+Hindu-godheden). De Keizerlijke Bode, die juist voorbijkwam, toen dit
+wonder geschiedde, was uiterst verbaasd, en beschreef den jongen Kobo
+Daishi als "een goddelijk wonder". Terwijl hij te Muroto was in Tosa,
+en met zijn gebeden bezig was, viel, zooals ons in de _Namudaishi_
+wordt medegedeeld, een heldere ster uit den Hemel en kwam in zijn
+mond, terwijl tegen middernacht een kwaadaardige draak op hem aanviel,
+"maar hij spuwde daarop, en doodde hem met zijn speeksel."
+
+In zijn negentiende jaar droeg hij de zwarte zijden kleeren van
+een Buddhistenpriester, en met een ijver, die hem nooit in den steek
+liet, zocht hij naar meer licht. "Velen zijn de wegen", zoo sprak hij,
+"maar het Buddhisme is de beste weg van alle." Gedurende zijn mystieke
+studiën kreeg hij een boek in handen, dat de Shingon-leer bevatte,
+een leer, die treffende overeenkomst heeft met oude Egyptische
+bespiegelingen. Het boek was zóó duister, dat het zelfs Kobo Daishi
+niet gelukte, het volkomen meester te worden; maar volstrekt niet
+afgeschrikt, kreeg hij van den Keizer verlof naar China te reizen,
+waar hij ten slotte de diepe geheimen van dat boek ontwarde,
+en een zóódanigen trap van heiligheid bereikte, dat deze aan het
+wonderbaarlijke grensde.
+
+
+
+
+Gohitsu-Osho.
+
+Toen Kobo Daishi in China was, ontbood hem de Keizer, die van zijn
+roem gehoord had, en vroeg hem, of hij den naam van één der kamers
+in het Keizerlijk paleis nog eens wilde schrijven, daar die naam
+was weggevaagd door den uitwisschenden vinger van den Tijd. Kobo
+Daishi schreef, met een penseel in iedere hand, één in zijn mond en
+twee tusschen de teenen, de verlangde letters op den muur, en naar
+aanleiding van die buitengewone verrichting noemde de Keizer hem
+Gohitsu-Osho ("De Priester, die met vijf penseelen schrijft").
+
+
+
+
+Het schrijven op de Lucht en op het Water.
+
+Terwijl Kobo Daishi nog in China was, ontmoette hij een jongen knaap,
+die aan den oever van een rivier stond. "Als gij Kobo Daishi zijt",
+zoo sprak deze, "wees dan wel zoo goed en schrijf op de lucht, want
+ik heb gehoord dat geen wonder boven uw macht is."
+
+Kobo Daishi tilde zijn penseel op; dit bewoog zich snel in de lucht,
+en in de blauwe lucht werd schrift gezien, en wel letterteekens,
+volmaakt van vorm en verwonderlijk schoon.
+
+Toen de knaap eveneens op de lucht had geschreven en daarbij geen
+mindere vaardigheid had getoond, zeide hij tot Kobo Daishi: "Wij
+hebben beiden op de lucht geschreven. Nu verzoek ik u, te willen
+schrijven op die stroomende rivier."
+
+Kobo Daishi stemde onmiddellijk toe. Weer bewoog zich het penseel,
+en nu kwam er een gedicht op het water te voorschijn, en wel een
+gedicht tot lof van die bijzondere rivier. De letters bleven een
+oogenblik staan en werden toen door den snellen stroom weggevoerd.
+
+Er schijnt een wedstrijd in tooverkracht te hebben bestaan tusschen
+de beide bewerkers van wonderen, immers nauwelijks waren de letters
+uit het gezicht verdwenen, of ook de knaap schreef op het stroomende
+water het teeken van den Draak en dit bleef stil staan.
+
+Kobo Daishi, die een groot geleerde was, bemerkte onmiddellijk,
+dat de knaap de _ten_ had vergeten, een punt, die bij dit teeken
+behoorde. Toen Kobo Daishi hem op die vergissing opmerkzaam maakte,
+erkende de knaap, dat hij de _ten_ had vergeten, en vroeg, of de
+beroemde heilige die er in wilde plaatsen. Nauwelijks had Kobo Daishi
+dit gedaan, of het teeken van den Draak veranderde in een werkelijken
+Draak. Zijn staart zweepte de wateren, donderwolken ijlden door de
+lucht en de bliksem flikkerde. Een volgend oogenblik rees de Draak
+uit het water op en steeg ten hemel.
+
+Hoewel de toovermacht van Kobo Daishi die van den knaap overtrof,
+vroeg hij hem, wie hij toch was en de knaap antwoordde: "Ik ben Monju
+Bosatu, de Meester der Wijsheid". Na die woorden te hebben gesproken,
+werd hij verlicht door een stralend licht; de schoonheid der Goden
+scheen op zijn gelaat, en evenals de Draak steeg hij ten hemel.
+
+
+
+
+Hoe Kobo Daishi de Ten schilderde.
+
+Bij zekere gelegenheid vergat Kobo Daishi de _ten_ op een tegel,
+die boven één der poorten van het paleis des Keizers was geplaatst
+[59]. De keizer beval, dat ladders zouden worden gebracht, maar Kobo
+Daishi bleef op den grond staan, zonder van de ladders gebruik te
+maken en wierp zijn penseel in de hoogte, dat de _ten_ teekende en
+toen weer in zijn hand terugviel.
+
+
+
+
+Kino Momoye en Onomo Toku.
+
+Kino Momoye maakte zich eens vroolijk over enkele van de letterteekens
+van Kobo Daishi, en zeide, dat één van die karakters geleek op
+een verwaanden worstelaar. Den nacht, nadat hij die flauwe grap
+had verteld, droomde Momoye, dat een worstelaar hem slag op slag
+toediende, en zelfs dat zijn tegenstander op zijn lichaam sprong en
+hem vreeselijke pijnen berokkende. Momoye werd wakker, en schreeuwde
+hard in zijn doodsangst; terwijl hij schreeuwde, zag hij, dat de
+worstelaar plotseling veranderde in het letterteeken, waarover hij
+zoo onverstandig had gelachen. Het steeg in de lucht en keerde terug
+naar de plaats, waar het vandaan was gekomen.
+
+Momoye was niet de eenige, die onvoorzichtig spotte met het werk van
+den grooten Kobo Daishi. De legende verhaalt, dat een zekere Onomu Toku
+zeide, dat het letterteeken _Shu_ van den heilige veel meer had van het
+letterteeken "rijst". Dien nacht was er voor Onomu Toku alle reden,
+berouw te hebben over zijn dwaasheid, immers in zijn droom kreeg het
+letterteeken _Shu_ een menschelijke gedaante en werd het een reiniger
+van rijst, die het lichaam van den boosdoener op en neer bewoog op de
+wijze van hamers, die gebruikt werden om de rijst te kloppen. Toen
+Onomu Toku ontwaakte, bleek het, dat zijn lichaam met builen bedekt
+was, en dat zijn vleesch op verschillende plaatsen bloedde.
+
+
+
+
+De Terugkeer van Kobo Daishi.
+
+Toen Kobo Daishi op het punt stond China te verlaten en naar zijn
+eigen vaderland terug te keeren, ging hij naar het strand der zee en
+wierp hij zijn _vajra_ [60] over de golven der zee, en men vond die
+later hangen aan den tak van een pijnboom te Takano, in Japan.
+
+Wij weten geen bijzonderheden omtrent de reis van Kobo Daishi naar zijn
+eigen land; maar onmiddellijk na zijn aankomst bracht hij dankoffers
+voor de goddelijke bescherming, die hij gedurende zijn reizen had
+genoten. Op den Naakten Berg maakte hij gebruik van zóó krachtige
+tooverformulieren, dat de vroeger geheel dorre berg overdekt werd
+met bloemen en boomen.
+
+Kobo Daishi werd, naarmate de tijd voortschreed, voortdurend
+heiliger. Gedurende een godsdienstig twistgesprek vloeide het
+Goddelijke Licht van hem uit, en steeds bleef hij voortgaan, een
+aantal wonderen te volbrengen. Hij maakte brak water zuiver, gaf de
+dooden het leven weder, en bleef in gemeenschap en in overleg met
+enkele goden. Bij een zekere gelegenheid verscheen Inari [61], de
+God van de Rijst, op den berg Fushimé, en nam uit de handen van den
+grooten heilige het offer in ontvangst, dat hij opdroeg. "Wij samen,
+gij en ik", zoo sprak Kobo Daishi, "zullen dit volk beschermen".
+
+
+
+
+De Dood van Kobo Daishi.
+
+Die merkwaardige heilige stierf in het jaar 834 na Christus, en volgens
+de berichten weende een groote menigte, zoowel leeken als priesters,
+op het kerkhof te Okunoin, in Koya, waar hij begraven is. Zijn dood
+maakte echter volstrekt niet plotseling een einde aan de wonderen,
+die door hem werden verricht; immers toen Keizer Saga stierf,
+"werd zijn doodkist op geheimzinnige wijze door de lucht naar Koya
+gebracht en Kobo zelf verrichtte, na uit zijn graf te zijn verrezen,
+de begrafenis-ceremoniën." En ook dit was nog niet het einde van
+de door hem verrichte wonderen, immers Keizer Uda ontving van Kobo
+Daishi den heiligen Doop. Toen de Keizerlijke Boodschapper, die den
+tempel bezocht, waar Kobo Daishi vereerd werd, niet in staat was,
+het gelaat van dien grooten heilige te zien, "leidde Kobo de hand
+van den aanbidder, en liet hem zijn knie aanraken. Nooit, zoolang
+hij leefde, vergat de Boodschapper dat gevoel!"
+
+
+
+
+Het Wonderdadige Beeld.
+
+In Kawasaki is een tempel, aan Kobo Daishi gewijd. De legende van die
+plaats schrijft haar roep van heiligheid toe aan een beeld van Kobo
+Daishi, dat door dien heilige zelf was gesneden tijdens zijn verblijf
+in China, en dat door hem aan de golven was toevertrouwd. Het dreef
+naar de kust, waar het gevangen werd in het net van een visscher, en
+verrichtte, toen het aan land was gebracht, een aantal buitengewone
+wonderen. De boomen in het park om den tempel, die gekweekt zijn in de
+gedaante van jonken onder zeil, zijn een getuigenis van de vereering,
+door de zeelieden aan dit heilige beeld bewezen. [62]
+
+
+
+
+Nichiren.
+
+Nichiren was de stichter der Buddhistische secte, die naar
+hem heet. Zijn naam beteekent Zonnelotus, en werd hem gegeven,
+omdat zijn moeder droomde, dat de zon op een lotus rustte, toen
+hij verwekt werd. Nichiren was een beeldenstormer van een zeer
+geprononceerd karakter. Hij had door openbaring een volledige
+kennis van Buddhistische mysteriën gekregen, hoewel men, als men
+de geschiedenis van zijn leven leest, zou hebben ondersteld, dat
+hij zijn merkwaardige godsdienstige kennis door inspannende studie
+had verworven. Tijdens zijn leven werd Japan geteisterd door een
+vreeselijke aardbeving, gevolgd door een verwoestenden orkaan, door
+pest en hongersnood. Die rampen waren zóó verschrikkelijk, dat men
+bad, liever te mogen sterven dan te midden van zulk een algemeene
+ellende te moeten leven. Nichiren zag in die groote rampen de hand
+van het Noodlot. Hij zag, dat godsdienst en politiek verdorven waren
+geworden, en dat de Natuur in opstand was gekomen tegen het groote
+aantal ongerechtigheden, die toen bestonden. Nichiren zag in, dat
+het Buddhisme niet langer uit de eenvoudige leerstellingen van Buddha
+bestond. Hij had zóó ijverig gestudeerd in de boeken der verschillende
+Buddhistische secten, dat het hem bleek, dat de priesters Shaka Muni
+(den Buddha) hadden verwaarloosd en in zijn plaats Amida aanbaden,
+een vorm, waarin zich Buddha openbaarde. En dit was nog niet het einde
+van hun ketterij, want het bleek hem, dat priesters en bevolking ook
+Kwannon en andere godheden aanbaden. Nichiren wenschte die godheden aan
+kant te zetten en het Buddhisme in zijn oude zuiverheid en eenvoud van
+opvatting te herstellen. Hij riep in één van zijn leerredenen uit:
+"Ontwaakt, mannen, ontwaakt! Ontwaakt en ziet om u heen. Niemand
+is geboren met twee vaders of met twee moeders. Ziet naar den hemel
+boven u: er zijn geen twee zonnen aan den hemel. Ziet naar de aarde
+aan uw voeten: geen twee koningen kunnen gelijktijdig over een land
+regeeren." Met andere woorden, hij duidde hiermede aan, dat niemand
+twee meesters kan dienen, en de eenige meester, dien hij waardig
+achtte gediend en aanbeden te worden, was Buddha zelf. Door dit
+geloof trachtte hij de gewone _mantra_, _Namu Amida Butsu_ weer te
+vervangen door _Namu Myoho Renge Kyo_ ("O, de Schrift van den Lotus
+der Wonderbaarlijke Wet!")
+
+Nichiren schreef _Rissho Ankoku Ron_ ("Boek om het Land tot Rust te
+Brengen"), dat de voorspelling bevatte van een Mongoolschen inval
+en een aantal heftige aanvallen tegen de andere Buddhistische
+secten. Eindelijk was Hojo Tokiyori verplicht hem voor den tijd
+van dertig jaar naar Ito te verbannen. Hij ontsnapte echter en
+hernieuwde zijn heftige aanvallen op de andere secten. De vijanden
+van Nichiren zochten hulp bij den Regent Tokimune, die besloot, dat
+de monnik onthoofd moest worden, en de wraakgierige Nichiren werd
+ten slotte naar de kust van Koshigoye gezonden, om ter dood te worden
+gebracht. Terwijl hij den noodlottigen slag afwachtte, bad Nichiren
+tot Buddha en het zwaard brak, toen het zijn hals aanraakte. En dit was
+niet het eenige wonder, want onmiddellijk na het breken van het zwaard
+trof een bliksemschicht het paleis te Kamakura, en een hemelsch licht
+omgaf den heiligen Nichiren. De beambte, die met de terechtstelling
+was belast, kwam sterk onder den indruk van die bovennatuurlijke
+gebeurtenissen, en hij zond een bode naar den Regent, om uitstel
+der terechtstelling te vragen. Tokimune had echter reeds iemand te
+paard gezonden, die het bericht bracht, dat aan Nichiren genade was
+geschonken, en beide mannen kwamen elkaar te gemoet bij een rivier,
+die thans Yukiai genoemd wordt ("Ontmoetingsplaats.")
+
+De wondervolle redding van Nichiren werd gevolgd door een nog heviger
+aanval op hen, die hij beschouwde als niet tot den waren godsdienst
+te behooren. Weer werd hij verbannen, en eindelijk koos hij den berg
+Minobu tot verblijfplaats. Men zegt, dat een schoone vrouw naar dien
+berg kwam, terwijl Nichiren bezig was te bidden. Toen de groote heilige
+haar zag, zeide hij: "Neem weer uw natuurlijke gedaante aan." Nadat de
+vrouw water had gedronken, veranderde zij in een slang van omstreeks
+twintig voet lengte, met ijzeren tanden en gouden schubben.
+
+
+
+
+Shodo Shonin.
+
+Shodo Shonin was de stichter van den eersten Buddhistischen tempel te
+Nikko, en de volgende legende heeft, naar men meent, geleid tot den
+bouw der heilige brug van Nikko. Toen Shodo Shonin op zekeren dag op
+reis was, zag hij vier wolken van een vreemden vorm van de aarde in
+de lucht opstijgen. Hij haastte zich voort, ten einde ze duidelijker
+te kunnen zien, maar kon niet ver voorttrekken, daar het hem bleek,
+dat zijn weg versperd werd door een woesten bergstroom. Terwijl
+hij bad om een middel, om zijn reis voort te zetten, verscheen een
+reusachtige gestalte vóór hem, gekleed in blauwe en zwarte kleederen,
+met een halsband van doodshoofden. Het geheimzinnige wezen schreeuwde
+hem van den overkant deze woorden toe: "Ik zal u helpen, zooals
+ik vroeger Hiuen heb geholpen." Na die woorden te hebben gesproken,
+wierp de Godheid twee blauwe en groene slangen over de rivier heen en
+zoo was de priester in staat over de brug van slangen den bergstroom
+over te trekken. Toen Shodo Shonin de andere oever had bereikt,
+verdwenen de God en zijn blauwe en groene slangen.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XX. WAAIERS.
+
+
+
+De Beteekenis van den Japanschen Waaier.
+
+"Hare wapenen zijn een glimlach en een kleine waaier." Die aanhaling
+uit Yone Noguchi geeft slechts een beeld van één gedaante van den
+Japanschen waaier, de gedaante, waarmede wij, Europeanen, bekend
+zijn. De Japanschen waaier is niet alleen een sierlijk vrouwelijk
+speelgoed, dat gebruikt moet worden te zamen met een glimlach
+of met oogen, die van achter het ééne of andere voortreffelijk
+bloemenpatroon te voorschijn gluren. De waaier van Nippon heeft
+een bekoorlijke geschiedenis, die geheel valt buiten de innemende
+kunst van coquetteeren, en zij die in dit onderwerp belangstellen,
+doen goed, het werk van Mevrouw C.M. Salwey, _Japansche Waaiers_ te
+bestudeeren. Daarin zal de lezer vinden, dat de waaier uit het Land
+der Rijzende Zon een aantal belangrijke diensten heeft bewezen. Hij
+is door oude krijgslieden op het slagveld gebruikt als een middel,
+hun bevelen kracht bij te zetten. Bij één gelegenheid was hij het
+mikpunt van den boog van Nasu no Yoichi, en hoewel de door de zon
+duidelijk uitkomende waaier in den wind wapperde, gebonden aan een
+stok, die aan den dolboord van één der schepen van de Taira bevestigd
+was, wist Yoichi hem neer te halen.
+
+
+ "Helaas, de waaier!
+ Nu wrakhout op zee.
+ De naam van vorst Nasu
+ Yoichi, bekwaam met den boog.
+ Is overal verspreid."
+
+
+Een bepaalde Japansche waaier van reusachtige grootte wordt gebruikt
+bij het feest der Zonnegodin in Ise. Er wordt een aardige geschiedenis
+verhaald omtrent de weduwe van Atsumori, die non was geworden, en die
+een priester had genezen, door hem te verkoelen door middel van den
+eersten dichtslaanden waaier, die door haar zou zijn uitgevonden. Één
+der meest belangrijke gedeelten van de Japanschen waaiers, zooals
+trouwens van de waaiers in het algemeen, is de haak, en daarover
+is de volgende legende bekend. Kashima stak bij zekere gelegenheid
+zijn zwaard door de aarde, met het doel de wereld te doen stilstaan,
+en aldus aardbevingen te voorkomen, een verschijnsel, dat nog steeds
+in Japan ontzettend veel voorkomt. Daarop veranderde het zwaard in
+steenen, en werd het _Kanamé ishi_ of de Haakrots genoemd, en dit
+zou de oorsprong zijn van den naam _Kanamé_, die op Japansche waaiers
+wordt toegepast.
+
+Mevrouw C.M. Salwey verhaalt ons in een artikel, dat tot titel draagt:
+_Over symboliek en symbolische ceremoniën der Japanners_ [63], dat
+de dichtslaande waaier een symbool is van het leven. Zij schrijft:
+"De haak aan het uiteinde is het symbool van den aanvang, de daarvan
+straalsgewijze uitgaande leden drukken den levensweg uit... De
+uitwendige deelen van het raam stellen de ouders voor, de inwendige
+de kinderen, om aan te toonen, dat kinderen hun geheele leven onder
+toezicht moeten staan." Op het raam is dikwijls het oog van een kat
+aangebracht, wat een beeld is van het snel voortschrijden van den
+tijd, of ook wel vindt men er een reeks cirkels op, de ééne in den
+anderen geschakeld--een niet volledig patroon, dat moet aantoonen,
+dat "leven en wijsheid nooit kunnen worden uitgeput."
+
+Er is een legende met betrekking tot den Japanschen waaier, die
+allerliefst is, en waarbij noch van oorlog, noch van wijsbegeerte
+sprake is. Hoewel de verhalen van den Japanschen waaier wijd verspreid
+en van zeer afwisselenden aard zijn, de meer teedere zijde spreekt
+het sterkst tot ons. De Japansche waaier, waarop een liefdedicht is
+geschreven en waarbij een liefdeshistorie op den achtergrond staat,
+is de waaier, die altijd het dierbaarst zal zijn voor hen, die nog
+steeds in hun hart een plaatsje vrij hebben voor het romantische. De
+volgende legende is ontleend aan _het Dagboek van een Winde_.
+
+
+
+De Liefde van Asagao.
+
+
+ "De morgenstralen
+ Hebben met bloemblad en bloemkelk in 't ronde
+ Het hengsel van mijn emmer omwonden.
+ Ik wil niet gaarne verbreken de banden
+ Van die zachte lieflijke handen.
+ Den put en den emmer liet ik dus staan,
+ Ach, bied mij, beroofde, wat water aan".
+
+ _Uit het Japansch_. (Naar _Sir Edward Arnold_.)
+
+
+Komagawa Miyagi, een onderhoorige van één der _daimio's_, kwam in een
+voorstad van Kyoto. Daar het een warme zomeravond was, huurde hij een
+boot, en terwijl hij al zijn zorgen op zijde zette, volgde hij met den
+blik een aantal meisjes met licht gekleurde kleeren, die bezig waren
+glimwormen te vangen. Die heldere insecten glinsterden in de lucht en
+op het gras, zoodat de lachende meisjes gelegenheid te over hadden,
+die levende juweelen te vangen, en ze een oogenblik in het haar te
+plaatsen, op haar opgehouden vinger, of tegen een zijden bloem op
+een _kimono_.
+
+Terwijl Komagawa dit aardige tooneel gadesloeg, zag hij, dat één
+der dames moeite had met haar boot. Komagawa kwam haar onmiddellijk
+te hulp en dadelijk werd hij smoorlijk op haar verliefd. Zij bleven
+samen in een koelen inham der rivier toeven, en bekommerden zich niet
+langer om glimwormen, daar beiden vurig begeerden elkander hun liefde
+te betuigen.
+
+Om hun huwelijksbeloften te bezegelen, ruilden beide gelieven,
+volgens een oud gebruik, hun waaiers. Op den waaier van Miyuki was
+een winde geteekend. Komagawa schreef een gedicht over die liefelijke
+bloem op zijn eigen waaier, voordat hij dien aanbood aan het meisje,
+dat hij beminde. Zoo wisselden zij niet alleen hun huwelijksbeloften,
+maar ook hun waaiers, en de winde zoowel in beeld als in vers werd
+het pand van hun trouw.
+
+Na een tijd gingen de gelieven van elkander weg, om eenige dagen
+later elkander weer te Akasha te ontmoeten, waar hun booten toevallig
+vlak langs elkander heen voeren. Toen zij heel wat vriendelijke en
+lieve woordjes hadden gewisseld, keerden zij ieder naar hun eigen
+woning terug.
+
+Toen Miyuki haar woning bereikte, nog stralend van geluk bij het
+denken aan haar trouwe liefde, ontdekte zij, dat haar ouders reeds
+een huwelijk voor haar hadden in orde gemaakt met iemand, dien het
+arme meisje nooit te voren had gezien.
+
+Miyuki hoorde dat bericht met een droevig hart. Zij wist, dat
+kinderen verplicht waren, hun ouders te gehoorzamen, en toen zij
+op haar _futon_ neerlag, deed zij haar uiterste best aan den wensen
+harer ouders te gehoorzamen. Maar de strijd bleek vruchteloos te zijn,
+immers het beeld van haar minnaar kwam haar voortdurend voor den geest,
+en evenzoo de rivier en de flikkerende glimwormen. Zij stond dus op,
+kroop het huis uit en wandelde naar een bepaalde stad, in de hoop
+Komagawa te vinden, doch bij haar aankomst bleek het haar, dat hij
+vertrokken was, niemand wist waarheen.
+
+Die bittere teleurstelling trof Miyuki ontzettend, en dagen achtereen
+weende zij. Haar zilte tranen stroomden zóó aanhoudend, dat zij
+spoedig stekeblind werd, een even hulpeloos wezen als "een vogel
+zonder veeren of een visch zonder vinnen".
+
+Nadat Miyuki eenigen tijd aan haar smart had toegegeven, kwam zij tot
+de overtuiging, dat zij, als zij niet van gebrek wilde omkomen, iets
+moest doen, om in haar levensonderhoud te voorzien. Zij besloot gebruik
+te maken van haar uitstekende stem, en op straat of in theehuizen te
+zingen. Haar stem, verbonden met haar schoon en roerend gelaat, vond
+onmiddellijk erkenning. Het publiek weende over haar droevig gezang
+zonder te weten waarom. Zij zong met voorliefde het kleine gedicht
+over de winde, dat Komagawa op zijn waaier had geschreven, daarom
+noemde het publiek, dat haar hoorde zingen, haar Asagao ("Winde").
+
+Het blinde meisje werd van de ééne plaats naar de andere geleid door
+haar vriendin Asaka ("Zachte Geur") totdat deze door iemand vermoord
+werd, en Asayo dus alleen achterbleef, om haar duistere tochten te
+volbrengen, zonder een vriendelijke hand om haar te geleiden. Er
+was slechts één gedachte, die Asagao troostte, en dat was deze,
+dat zij misschien tijdens haar zwerftochten toevallig haar minnaar
+zou ontmoeten.
+
+Toen een paar jaren voorbij waren gegaan, wilde het toeval,
+dat Komagawa, vergezeld van Iwashiro Takita, door zijn Daimio
+voor zaken was uitgezonden. Op hun reis kwamen zij een theehuis
+binnen. Iwashiro Takita was knorrig en uit zijn humeur, en zat in
+somber stilzwijgen neder, zonder dat hij zich verwaardigde, op zijn
+omgeving te letten. Komagawa echter keek rond, en zag op een scherm
+het gedicht, dat hij op de winde had vervaardigd, hetzelfde gedicht,
+dat hij zoo liefdevol voor Asagao had opgeteekend. Terwijl hij over
+die zaak nadacht, kwam de eigenaar van het theehuis het vertrek
+binnen. Komagawa ondervroeg hem over dit kleine minnedicht, en de
+eigenaar van het theehuis deed het volgende verhaal:
+
+"Het is een uiterst treurige geschiedenis", zoo sprak hij. "Het gedicht
+werd gezongen door een arm blind meisje. Zij liep weg uit haar huis,
+omdat zij niet kon huwen met den man, dien haar ouders voor haar hadden
+gekozen. Zij was niet in staat in die verbintenis toe te stemmen,
+omdat zij reeds een minnaar had 'en dien minnaar' zoekt zij over het
+geheele land, steeds dit liedje over de winde zingend, in de hoop,
+dat zij te eeniger tijd het geluk mag hebben, hem te ontmoeten. Edele
+Heer, zij is juist op dit oogenblik in mijn theetuin!"
+
+Komawaga kon nauwelijks zijn vreugde verbergen, terwijl hij verzocht,
+dat de eigenaar van het theehuis de blinde vrouw zou binnen brengen.
+
+Een oogenblik later stond Asagao vóór hem. Hij zag in haar fijn en
+teer gelaat nog een nieuwe schoonheid, en wel die van de hoop, de
+schoonheid van een liefde, die helder en rein was gebleven gedurende
+de lange, droevige jaren van wachten.
+
+Asagao tokkelde de _samisen_ [64]. Liefelijk en zacht zong zij:
+
+
+ "De stroom van zilvren regen viel, zij bevochtigde d'arme winde,
+ De zachte dauw op de blaadjes en bloemen werd door de afgunstige
+ zonne verwijderd."
+
+
+Komagawa luisterde gespannen toe, verlangend te mogen spreken,
+verlangend zijn liefde te openbaren, maar hij bleef zwijgen, omdat
+zijn slecht opgevoede reisgenoot in de kamer bleef. Hij keek naar
+haar donkere oogen, die naar hem toe gekeerd waren, maar zij waren
+zonder uitdrukking, daar zij niets konden zien. Nog steeds tokkelde
+zij de _samisen_, en nog steeds klonk haar stem liefelijk en zacht
+en onuitsprekelijk aandoenlijk in het vertrek. Met een diep bedroefd
+hart en zonder een woord van liefde stuurde hij haar weg met de
+gebruikelijke gave. Zij vertrok uit het vertrek, als het ware
+bewust van een nieuwe, bittere smart. Er was iets in de stem van
+haar begunstiger, dat bijzonder teeder was, iets dat haar diep trof,
+en dit deed haar hart pijn, en deed haar smartelijk aan, zonder dat
+zij wist waarom.
+
+Den volgenden dag gaf Komagawa den eigenaar van het theehuis een
+waaier, terwijl hij zeide: "Geef dezen waaier met dit geld aan
+Asagao. Zij zal het wel begrijpen." Na die woorden gesproken te hebben,
+vervolgde Komagawa met zijn metgezel zijn reis.
+
+Toen Asagao den waaier had ontvangen, betastte zij dien heftig met
+haar kleine, witte vingers. "Wie heeft mij dien waaier en dat geld
+gegeven?" vroeg zij. "Ach, vertel mij, hoe de waaier er uit ziet. Is
+er ook een teekening van een winde op?"
+
+De eigenaar van het theehuis keek haar vriendelijk aan. "Hij, voor
+wien gij gisterenavond gezongen hebt, gaf u dien waaier," zeide
+hij. "Er is een teekening van een winde op".
+
+Asagao gaf een kreet van vreugde. "Gisterenavond," sprak zij zacht,
+"was ik weer samen met mijn minnaar! En nu, en nu ......"
+
+Op datzelfde oogenblik kwam een bediende uit de oude woning van Asagao,
+die zeide, dat hij door haar ouders was gezonden, om haar weer terug
+te brengen. Maar Asagao, die haar oude liefde getrouw bleef, besloot
+ook nu nog in haar tegenstand te volharden.
+
+Nu wilde het toeval, dat de eigenaar van dit theehuis vroeger in dienst
+was geweest bij den vader van Asagao. Hij had in die hoedanigheid een
+groote misdaad gedaan, die den dood verdiende; maar de vader van Asagao
+had medelijden met hem gehad. Hij had hem met een som gelds ontslagen,
+waardoor de misdadiger in staat werd gesteld, een zaak voor zichzelf
+op te zetten. Bij deze gelegenheid dacht de eigenaar van het theehuis
+na over de goedheid, die hem betoond was, en besloot hij _seppuki_
+te plegen, opdat het kind van zijn vroegeren meester haar gezicht
+zou herkrijgen door middel van zijn lever. [65]
+
+Zoo pleegde dus de eigenaar van het theehuis zelfmoord, en Asagao
+kreeg haar gezicht weer terug. Dienzelfden nacht trok zij, hoewel een
+vreeselijke storm was losgebroken, op weg, om haar minnaar te zoeken,
+vergezeld door een trouwe kleine schaar bedienden. Den geheelen nacht
+reisde het meisje over ruwe en hobbelige wegen. Zij lette nauwelijks op
+den heftigen regen of op haar bloedende voeten. Zij werd aangezet door
+een gelukkige liefde, door de zoete hoop, haar minnaar terug te zien.
+
+Toen zij een berg beklom, die nu in het zonlicht baadde, verbeeldde
+zij zich een stem te hooren, die haar naam riep. Zij keek om zich
+heen en ontdekte Komagawa. Toen daalde vrede over haar neer. Al de
+ellende van een langdurig zoeken en bijna eindeloos wachten was
+voorgoed vergeten, en binnen korten tijd huwden de gelieven. De
+winde, of de glorie van den morgen, is een bloem, die slechts enkele
+uren bloeit; maar de liefde van Asagao had de schoonheid der winde,
+verbonden met de kracht en den langen levensduur van den pijnboom. In
+hun huwelijksleven bleven zij trouw aan de gelofte, die zij op hun
+waaiers hadden afgelegd, en na haar blindheid en na veel lijden kon
+Asagao haar liefelijk hoofd opheffen naar den dauw en den zonneschijn
+der beschermende armen van haar minnaar.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXI. DONDER.
+
+
+ "De aarde is vol salpeter en zwavel, die opstijgen in den vorm
+ van nevel, en die, na zich in de lucht te hebben verbonden,
+ een damp worden, die de eigenschap van buskruit heeft. Als die
+ damp de hevige hitte der zon bereikt, ontploft hij, als een
+ natuurlijk gas; en het ontzettende geluid wordt over de geheele
+ wereld gehoord. De schok, die dieren treft en vogels, die door
+ de wolken trekken, slingert ze op den grond. Daarom zijn donder
+ en bliksem, en de schepselen, die uit de wolken neerslaan, niet
+ één en dezelfde zaak."
+
+ "_Shin-rai-ki_." (Verslag van den Donder).
+
+
+
+Raiden.
+
+Er zijn een aantal vreemdsoortige legenden met betrekking tot den
+donder, en in Bakins _Kumono Tayema Ama Yo No Tsuki_ [66] ("De Maan,
+die door een Scheur in een Wolk schijnt in een Regenachtigen Nacht"),
+heeft de beroemde Japansche romanschrijver, die een innig geloof heeft
+in een aantal bijgeloovigheden van zijn land, heel wat te vertellen met
+betrekking tot Raiden, den God van den Donder, en de bovennatuurlijke
+wezens, die met hem in betrekking staan. Raiden wordt gewoonlijk
+uitgebeeld met een roode huid, met het gelaat van een boozen geest,
+met twee klauwen aan iederen voet, terwijl hij op zijn rug een groot
+wiel van trommels draagt. Men vindt hem dikwijls in gezelschap van
+Fugin of van zijn zoon Raitaro. Toen de Mongolen een inval trachtten te
+doen in Japan, werd hun dat belet door een grooten storm, en volgens de
+legende ontsnapten slechts drie man om de gebeurtenis te verhalen. De
+bijstand van Raiden ten gunste van Japan wordt in de Japansche kunst
+dikwijls uitgebeeld. Hij wordt voorgesteld als zittende op de wolken,
+terwijl hij den bliksem uitzendt, en een stortvloed van pijlen op de
+invallers afschiet. In China wordt de Dondergod beschouwd als een
+wezen, dat steeds op den uitkijk staat naar slecht volk. Als hij
+die vindt, schiet de Godin van den bliksem een spiegel af op hen,
+die de God wil treffen.
+
+
+
+
+Het Donderdier.
+
+Raiju, of het Donderdier, blijkt nauwer verbonden te zijn met den
+bliksem dan met den donder. Hij wordt gezien in vormen, die gelijken
+op een wezel, das of aap. In de _Shin-rai-ki_ ("Verslag van den
+Donder") lezen wij het volgende: "Op den twee en twintigsten dag
+der zesde maand van het tweede jaar van Meiwa (Juli 1766), viel een
+Donderdier te Oyama (Groote Berg) in de provincie Sagami. Het werd
+door een landbouwer gevangen, die het naar Yedo bracht en het voor
+geld op de Riyo-goku Brug liet zien. Het schepsel was iets grooter
+dan een kat, en geleek op een wezel: het had zwart haar, en vijf
+klauwen aan iederen poot. Als het goed weer was, was het zeer zacht
+en tam; maar vóór en tijdens een storm was het vreeselijk woest en
+onhandelbaar." In China wordt het Donderdier beschreven als een dier
+met "den kop van een aap, hoogroode lippen, oogen als spiegels en
+twee scherpe klauwen aan iederen poot." Tijdens een storm springt het
+Japansche Donderdier van den éénen boom op den anderen, en als het
+blijkt, dat enkele van die boomen door den bliksem zijn getroffen,
+dan meent men, dat dit het woeste werk is van de klauwen van het
+Donderdier. Dat wezen heeft, naar men zegt, evenals de Dondergod zelf,
+een bepaalde voorliefde voor menschelijke navels, zoodat dan ook om
+die reden vele bijgeloovige menschen tijdens een onweersbui trachten
+zoo mogelijk op hun buik te liggen. Boomschors, door het Donderdier
+afgescheurd, wordt zorgvuldig bewaard, en is, naar men meent, een
+uitstekend geneesmiddel tegen kiespijn.
+
+
+
+
+De Dondervogel en de Dondervrouw.
+
+Raicho, de Dondervogel, gelijkt op een kraai, maar hij heeft sporen
+van vleesch, die, zoodra zij hard tegen elkander geslagen worden,
+geluid voortbrengen. Het is de vogel, op wien de Keizer van Goto-bain
+doelde in het volgende gedicht:
+
+
+ "In de schaduw van den pijnboom van Shiro-Yama
+ Rusten dondervogels, die den nacht daar doorbrengen."
+
+
+Die vogels voeden zich met den boomkikker _rai_ (donder genaamd),
+en vliegen altijd tijdens een onweer in de lucht rond.
+
+Er is omtrent Kaminari (Dondervrouw) weinig bekend, behalve dat zij
+bij zekere gelegenheid moet verschenen zijn in de gestalte van een
+Chineesche Keizerin.
+
+
+
+
+Vreemde Denkbeelden.
+
+Bakin maakt de opmerking, dat bij hen, die bevreesd zijn voor den
+donder, de _In_, of het vrouwelijke beginsel de overhand heeft, terwijl
+bij hen, die niet bevreesd zijn, de _Yo_ of het mannelijke beginsel
+overheerschend is. Dezelfde schrijver wijst op het volgende gebruik
+ten opzichte van hen, die ziek zijn ten gevolge van een donderbui,
+en wij vestigen er de aandacht op, dat de nadruk gelegd wordt op
+_donder_ als de verwoestenden kracht--dus eer een heftig geluid dan
+een fel licht: "Als iemand door den donder is getroffen, laat hem
+dan op zijn rug liggen en leg een levenden karper in zijn boezem. Als
+de karper zich beweegt en springt, zal de patiënt herstellen. Dit is
+onfeilbaar waar. Als de donder het vleesch verschroeit, brand dan _Ko_
+(wierook) onder den neus van den lijder. Dit zal hem aan het hoesten
+maken, en de betoovering van den Dondergod verbreken."
+
+
+
+
+Het Kind van den Dondergod.
+
+De meeste legenden, die met Raiden en zijn verwante geesten in
+betrekking staan, zijn van een kwaadaardige natuur; maar in het
+volgende verhaal zien wij, dat het kind van den Dondergod grooten
+voorspoed aanbracht.
+
+Dicht bij den Berg Hakuzan leefde eens een zeer arme landbouwer,
+Bimbo genaamd. Zijn stukje land was bijzonder klein, en hoewel hij
+daarop werkte van den vroegen morgen tot laat op den avond, kostte
+het hem groote moeite, voor zich en zijn vrouw genoeg rijst daarvan
+binnen te halen.
+
+Op zekeren dag zag Bimbo na een langdurige droogte treurig naar zijn
+verdorde rijsthalmen. Toen hij daar zoo stond, en vreesde voor gebrek
+in de naaste toekomst, daalde plotseling de regen neder, vergezeld van
+heftige donderslagen. Toen Bimbo op het punt was een schuilplaats te
+zoeken tegen den storm, werd hij bijna verblind door een bliksemstraal,
+en hij bad vurig tot Buddha om bescherming. Nadat hij dit had gedaan,
+keek hij om zich heen, en tot zijn verbazing zag hij een klein
+jongetje, dat lachte en kraaide, terwijl het op den grond lag.
+
+Bimbo nam het knaapje in zijn armen, en droeg het teeder naar zijn
+nederige woning, waar zijn vrouw het met verrassing en genoegen
+begroette. Het kind werd Raitaro, het Kind van den Donder, genoemd,
+en leidde bij zijn pleegouders een gelukkig leven, terwijl het zich
+tegenover hen zeer gehoorzaam gedroeg. Hij speelde nooit met andere
+kinderen, want hij vond het heerlijk in de velden rond te dolen en den
+stroom gade te slaan en de snelle vlucht der wolken boven zijn hoofd.
+
+Met de komst van Raitaro kwamen ook welvaart en voorspoed in Bimbo's
+woning binnen, immers Raitaro kon de wolken naar zich toe wenken
+en ze bevelen, regendroppels uitsluitend te doen neervallen op het
+veld van zijn pleegvader. Toen Raikaro tot een schoonen jongeling van
+achttien jaar was opgegroeid, bedankte hij het echtpaar nog eens voor
+alles wat zij voor hem gedaan hadden, en deelde hun mede, dat hij nu
+afscheid van hen moest nemen.
+
+Bijna voordat de jongeling had uitgesproken, veranderde hij plotseling
+in een kleinen witten draak, bleef nog een oogenblik talmen en vloog
+toen weg.
+
+Het oude paar rende naar de deur. Naarmate de witte draak in den hemel
+opsteeg, werd hij al grooter en grooter, totdat hij achter een groote
+wolk was verdwenen.
+
+Toen Bimbo en zijn vrouw gestorven waren, werd een witte draak op
+hun graftombe gebeeldhouwd ter herinnering aan Raitaro, het Kind van
+den Donder.
+
+
+
+
+Shokuro en de Dondergod.
+
+Shokuro, die op goeden voet wilde staan met Toru, het hoofd van zijn
+district, beloofde hem den Dondergod te zullen pakken. "Indien ik",
+zoo sprak Shokuro, "den navel van een mensch zou kunnen vastbinden aan
+het uiteinde van een vlieger, en dien op een stormachtigen dag zou
+oplaten, zou ik Raiden zeker kunnen pakken, daar de Dondergod niet
+in staat zou zijn aan zulk een maaltijd weerstand te bieden. Het is
+echter moeilijk een navel meester te worden."
+
+Met dit doel ging Shokuro op reis, om voedsel voor den Dondergod
+te zoeken. Toen hij een boschje bereikte, zag hij een schoone vrouw,
+Chiyo genaamd. Zonder de minste gewetenswroeging doodde hij het meisje,
+en na zijn doel te hebben bereikt, wierp hij haar lijk in een diepe
+gracht. Hij ging toen met een verlicht gemoed op weg.
+
+Raiden zag, terwijl hij op een wolk gezeten was, het lijk van het
+meisje in een gracht liggen. Hij daalde snel neer, en daar hij onder de
+bekoring kwam van de schoonheid van Chiyo, nam hij een navel uit zijn
+mond, en gaf haar het leven terug, waarna zij samen de lucht in vlogen.
+
+Eenige dagen later was Shokuro buiten, terwijl hij jacht maakte op
+den Dondergod, en zijn vlieger met zijn afgrijselijk aanhangsel hoog
+over de boomen heen en weer vloog in den krachtigen wind. Chiyo zag
+den vlieger, en daalde hoe langer hoe meer. Eindelijk pakte zij hem
+en zag zij, wat er aan bevestigd was. Ten diepste verontwaardigd keek
+zij naar beneden, om te zien wie den vlieger opliet, en was zij ten
+hoogste verbaasd, toen zij haar moordenaar herkende. Op dat oogenblik
+daalde Raiden woedend neer, doch alleen om zwaar gekastijd te worden
+door Shokuro, die daarna vrede sloot met Chiyo, en later een beroemd
+man in zijn dorp werd. Dit is inderdaad een vreemde geschiedenis!
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXII. DIERENLEGENDEN.
+
+
+Dieren met Tooverkracht.
+
+Een aantal van de volgende verhalen zijn sprookjes, die een Japansche
+moeder aan haar kind vertelt, want verhalen van dieren maken over
+de geheele wereld een diepen indruk op het gemoed van het kind. Wel
+werden zij in het algemeen beschouwd als sprookjes, maar er zit toch
+een zóó groote legendarische achtergrond achter, dat het noodzakelijk
+is, ze op te nemen in een boek als het onze, daar zij er toe bijdragen,
+ons onderwerp in een lichtere gemoedsstemming te illustreeren, waar
+het wonderbaarlijke met het humoristische vermengd is. Wij hebben
+een afzonderlijk hoofdstuk gewijd aan vossenlegenden, omdat dit
+onderwerp zoo belangrijk is, maar wij moeten toch in het oog houden,
+dat de bovennatuurlijke karakteristieke eigenschappen van dat dier
+evenzeer van toepassing zijn op den das en de kat, immers in de
+Japansche legenden worden alle drie dieren in verband gebracht met
+onnoemelijk veel kattekwaad en boosaardigheid.
+
+
+
+
+De Haas.
+
+Men neemt aan, dat de haas, evenals de vos, de schildpad, de
+kraanvogel en de tijger, een fabelachtig hoogen leeftijd bereikt,
+die zich tot niet minder dan duizend jaar uitstrekt. In Taoïstische
+legenden wordt vermeld, dat de haas in de maan woont, en dat hij met
+stamper en vijzel de kruiden fijnstampt, waaruit het Levenselixir
+bestaat, terwijl hij volgens andere legenden, zooals wij vroeger
+hebben gezien, rijst fijnstampt. Shaka Muni (Buddha) zou zich volgens
+de legenden in den vorm van een haas hebben opgeofferd, ten einde
+den honger van Indra te stillen, die het dier naar de maan sleepte,
+ten einde zijn bewondering te toonen. Het vel van den haas wordt wit,
+zoodra hij vijfhonderd jaar oud is. Wij geven hieronder de beroemde
+legende uit de _Kojiki_, bekend als "De Witte Haas van Inaba".
+
+
+
+De Witte Haas van Inaba.
+
+
+In oude dagen waren er één en tachtig broeders, die Prinsen van Japan
+waren. Met uitzondering van één broeder waren zij twistziek van aard,
+en brachten zij hun tijd door met zich jegens elkander op allerlei
+manieren kinderachtig jaloersch te betoonen. Ieder wenschte over
+het geheele rijk te heerschen, en bovendien had ieder het ongeluk,
+dat hij met Prinses van Yakami, in Inaba, wilde trouwen. Hoewel die
+tachtig Prinsen het in bijna alles oneens waren, in één opzicht waren
+zij eensgezind, en dat wel in hun hardnekkigen haat tegen den éénen
+broeder, die in ieder opzicht zachtmoedig en vredelievend was.
+
+Eindelijk besloten, na heel wat nijdige woorden, de tachtig broeders,
+de Prinses van Yakami te gaan bezoeken, terwijl ieder der broeders het
+vaste besluit had genomen, de gelukkige minnaar te zullen zijn. De
+zachte en vriendelijke broeder vergezelde hen, niet om naar de hand
+der Prinses te dingen, maar als een bediende, die een grooten en
+zwaren zak op zijn rug droeg.
+
+Eindelijk kwamen de tachtig Prinsen, die hun zoo slecht behandelden
+broeder ver achter zich hadden gelaten, bij kaap Keta aan. Zij waren
+op het punt, hun reis te vervolgen, toen zij een witten haas op den
+grond zagen liggen, die er ellendig uitzag, en die geheel van zijn
+haren was beroofd.
+
+De tachtig Prinsen, die bijzonder schik hadden in den treurigen
+toestand van den haas, zeiden: "Als gij wilt, dat uw haren weer
+aangroeien, dan moet gij in zee gaan baden, en als gij dat hebt gedaan,
+loop dan naar den top van een hoogen berg, en laat den wind over u
+waaien." Na dit gezegd te hebben, vervolgden de tachtig hartelooze
+Prinsen hun weg.
+
+De haas ging onmiddellijk in zee, verheugd over het vooruitzicht,
+dat hij zijn mooi wit vel weer zou terugkrijgen. Na gebaad te hebben,
+liep hij naar den top van een berg en ging daar liggen; maar spoedig
+begreep hij, dat de koude wind, die blies op een vel, dat pas in
+zout water was ondergedompeld geweest, dat vel deed barsten en aan
+stukken springen. Bij de vernedering, dat hij geen haren meer had,
+voegde zich nu de lichamelijke pijn, en hij kwam tot de ontdekking,
+dat de tachtig Prinsen hem schandelijk hadden bedrogen.
+
+Terwijl de haas daar onder ondragelijke pijnen op den berg lag,
+kwam de vriendelijke en zachtaardige broeder aanstappen met loome
+schreden, moeilijk vooruitkomend, omdat hij zulk een zwaren zak had
+te dragen. Toen hij den weenenden haas zag, vroeg hij, hoe het kwam,
+dat het arme dier er zoo ongelukkig aan toe was.
+
+"Wees zoo vriendelijk, even te blijven stilstaan," sprak de haas,
+"en ik zal u vertellen, hoe dat alles is geschied. Ik wilde van
+het eiland Oki naar Kaap Keta oversteken, daarom zeide ik aan de
+krokodillen: 'Ik zou zoo gaarne willen weten, hoeveel krokodillen
+er in zee, en hoeveel hazen er op het land zijn. Staat mij toe,
+dat ik begin met u te tellen.' Na deze woorden te hebben gesproken,
+plaatsten de krokodillen zich op een lange rij, die zich uitstrekte
+van het eiland Oki tot Kaap Keta. Ik liep over hun harde lichamen
+heen, en telde ieder afzonderlijk, terwijl ik overstapte. Toen ik
+den laatsten krokodil bereikt had zeide ik: 'O dwaze krokodillen,
+het kan mij niets schelen, hoeveel krokodillen er in zee zijn, of
+hoeveel hazen op het land! Ik had u alleen als een brug noodig, om
+mijn bestemming te kunnen bereiken.' Helaas! mijn ellendige pocherij
+kwam mij duur te staan, want de laatste krokodil tilde zijn kop op
+en beet mijn geheele vel af!"
+
+"Nu", zoo sprak de zachtmoedige broeder, "ik moet zeggen, dat gij
+ongelijk hadt en verdiendet voor uw dwaasheid gestraft te worden. Is
+dit het einde van uw verhaal?"
+
+"Neen," zoo vervolgde de haas. "Nauwelijks had ik die onwaardige
+behandeling ondergaan, of de tachtig Prinsen kwamen bij mij, en
+maakten mij wijs, dat ik zou kunnen worden genezen door zout water en
+wind. Helaas! Daar ik niet wist, dat zij mij voor den gek hielden,
+volgde ik hun voorschriften op, met het ellendige gevolg, dat mijn
+lichaam gebarsten is en mij vreeselijk pijn doet."
+
+"Baad u in helder zoet water, arme vriend", zoo sprak de goede broeder,
+"en als gij dat gedaan hebt, strooi dan het stuifmeel van duinhelm
+over den grond en rol u daar in. Dit zal zeer zeker uw pijn stillen,
+uw vel genezen en uw haren weer doen groeien."
+
+De haas wandelde langzaam naar de rivier, baadde in het water en rolde
+zich in het stuifmeel van duinhelm. Nauwelijks had hij dit gedaan,
+of zijn vel was genezen, en weer was hij bedekt met een dik haren
+kleed. De dankbare haas rende naar zijn weldoener. "Die tachtig gemeene
+en wreede broeders van u", zoo sprak hij, "zullen nooit de hand van
+de Prinses van Inaba winnen. Gij zijt het, die met haar zult huwen,
+en die over het land zult regeeren."
+
+De voorspelling van den haas werd vervuld, immers de tachtig Prinsen
+slaagden niet in hun zending, terwijl de broeder, die goed en
+vriendelijk was geweest voor den witten haas, met de schoone Prinses
+trouwde en de Koning van het land werd.
+
+
+
+
+De Knetterende Berg.
+
+Een oude man en zijn vrouw hielden een witten haas. Op zekeren dag
+kwam een das, die het voedsel opat, dat voor het troetelkind bestemd
+was. Het boosaardige dier was op het punt de plaat te poetsen, toen de
+oude man, die zag wat er gebeurd was, den das aan een boom vastbond,
+en daarna naar een naburig bosch ging, om hout te hakken.
+
+Toen de oude man vertrokken was, begon de das te huilen en de oude
+vrouw te smeeken, het touw los te maken. Nauwelijks had de vrouw dat
+gedaan of de das zwoer wraak over de behandeling, hem door den ouden
+man aangedaan, en holde weg.
+
+Toen de goede witte haas hoorde, wat geschied was, ging hij op weg,
+om zijn meester te waarschuwen; maar tijdens zijn afwezigheid kwam de
+das terug, doodde de oude vrouw, nam haar gedaante aan, en veranderde
+haar lichaam in soep. "Ik heb een heerlijke soep klaar gemaakt," zoo
+sprak de das, toen de oude man van den berg was teruggekeerd. "Gij
+zult wel honger hebben en vermoeid zijn: ga zitten en eet smakelijk!"
+
+De oude man, die volstrekt niet op verraad bedacht was, at de soep
+op en zeide, dat zij heerlijk was.
+
+"Heerlijk?" zoo bespotte hem de das. "Ge hebt uw eigen vrouw
+opgegeten! Haar beenderen liggen daar ginds in den hoek", en na die
+woorden gesproken te hebben, verdween hij.
+
+Terwijl de oude man overstelpt was door smart, en terwijl hij weende
+en zijn lot betreurde, keerde de haas terug, begreep onmiddellijk den
+toestand, en liep snel naar den berg, vast besloten den dood van zijn
+ongelukkige oude meesteres te wreken.
+
+Toen de haas den berg bereikte, zag hij den das, die een bundel stokken
+op zijn rug droeg. Zachtjes kroop de haas nader en stak, zonder dat
+de das het merkte, de stokken in brand, die onmiddellijk begonnen te
+knetteren. "Wat een vreemd geluid is dit," zeide de das. "Wat is het?"
+
+"De Knetterende Berg", antwoordde de haas.
+
+Het vuur begon den das te branden, daarom sprong hij in een rivier
+en bluschte de vlammen uit; maar toen hij weer uit het water kwam,
+bleek het, dat zijn rug deerlijk verbrand was, en de pijn, die hij
+leed, veroorzaakt was door een pap met peper er in, die de verheugde
+haas voor dat doel had klaargemaakt.
+
+Toen de das weer genezen was, zag hij toevallig den haas bij een boot
+staan, die deze had vervaardigd.
+
+"Waar gaat gij in dat vaartuig naar toe?" vroeg de das.
+
+"Naar de maan," antwoordde de haas, "Hebt ge misschien lust met mij
+mede te gaan?"
+
+"Niet in jouw boot!" zeide de das. "Ik ken uw streken op den
+Knetterenden Berg maar al te goed. Maar ik zal een boot van klei voor
+mij zelf bouwen, en wij zullen naar de maan reizen."
+
+De houten boot van den haas en de boot van klei van den das dreven de
+rivier af. Maar spoedig begon de boot van den das te breken. De haas
+lachte hem hoonend uit en doodde zijn vijand met zijn roeispaan. Toen
+het trouwe dier later naar den ouden man was teruggekeerd, ontving
+hij veel lof en ondervond hij de meest liefderijke verzorging van
+zijn dankbaren meester.
+
+
+
+
+De Das.
+
+De das heeft in de legenden veel gemeen met den vos. Hij kan zoowel
+de gedaante van een mensch aannemen als die der maan; maar in een
+aantal legenden wordt hij beschreven als een wezen vol humor, dat
+genoegen schept in een oolijke grap. De das wordt in de legende en in
+de kunst dikwijls uitgebeeld _terwijl hij een taptoe_ slaat op zijn
+vooruitstekenden buik, die den vorm heeft van een trommel, en om die
+reden worden Japansche clowns in Engeland dikwijls dassen genoemd.
+
+
+
+
+Kadzutoyo en de Das.
+
+Op zekeren dag gingen Kadzutoyo en zijn onderhoorige uit visschen. Zij
+hadden heel wat visch gevangen, en waren op het punt naar huis terug te
+keeren, toen een vreeselijke regenbui losbarstte, zoodat zij gedwongen
+waren te schuilen onder een wilgenboom. Nadat zij een tijd geschuild
+hadden, bleek het, dat er nog geen sprake van was dat de regen zou
+ophouden, en daar het reeds donker werd, besloten zij, in weerwil van
+het ongunstige weder, hun reis te vervolgen. Zij waren nog niet veel
+verder voortgetrokken, toen zij een jong meisje zagen, dat bitter
+weende. Kadzutoyo keek haar met argwaan aan, maar zijn onderhoorige
+was bekoord door de groote schoonheid van het meisje en vroeg wie zij
+was, en waarom zij in zulk een stormachtigen nacht buiten bleef toeven.
+
+"Ach! goede heer," zeide het meisje, nog steeds weenende, "mijn verhaal
+is erg droevig. Ik heb langen tijd de beleedigingen en wreedheden van
+mijn slechte stiefmoeder verdragen, die mij bitter haat. Maar van daag
+spuwde zij mij en sloeg zij mij. Ik kon die bittere vernedering niet
+langer verdragen, en ik was op weg naar mijn tante, die in gindsch dorp
+woont, om daar rust en een schuilplaats te vinden, toen ik neergeveld
+werd door een vreemde ziekte, en gedwongen werd hier achter te blijven,
+totdat de pijn was bedaard."
+
+Deze woorden maakten op den goedhartigen onderhoorige een vreeselijken
+indruk, en hij werd smoorlijk verliefd op het schoone meisje, maar
+Kadzutoyo trok, na de zaak met groote zorgvuldigheid te hebben
+overwogen, zijn zwaard en sloeg haar het hoofd af.
+
+"Ach! heer," zeide de onderhoorige, "wat een vreeselijke daad is
+dit! Hoe kunt ge een onschuldig meisje dooden? Geloof mij, gij zult
+voor uw dwaasheid moeten boeten".
+
+"Gij begrijpt het niet," antwoordde Kadzutoyo, "maar het eenige wat
+ik vraag, is dat gij over de zaak het stilzwijgen bewaart".
+
+Toen zij thuiskwamen, viel Kadzutoyo spoedig in slaap; maar zijn
+onderhoorige ging, nadat hij had liggen tobben over den moord op
+het schoone meisje, naar de ouders van zijn heer en vertelde hun de
+geheele treurige geschiedenis.
+
+De vader van Kadzutoyo was woedend van drift, toen hij het droevige
+verhaal hoorde. Hij ging dadelijk naar de kamer van zijn zoon, maakte
+hem wakker, en zeide: "O, ellendige moordenaar! Hoe is het mogelijk,
+dat gij een onschuldig meisje hebt kunnen dooden, zonder dat zij
+daartoe eenige aanleiding heeft gegeven! Gij hebt den eervollen naam
+van een _Samurai_ te schande gemaakt, een naam, die een waarborg moet
+zijn voor ware ridderlijkheid en voor de verdediging van zwakken en
+hulpeloozen. Gij hebt schande over ons huis gebracht, en het is mijn
+plicht, u het leven te benemen." Na die woorden gesproken te hebben,
+trok hij zijn zwaard.
+
+"O Heer", antwoordde Kadzutoyo, zonder bij het flikkerende wapen een
+spier te vertrekken, "gij, evenmin als mijn onderhoorige begrijpt de
+zaak. Het is mij gegeven, enkele geheimen op te lossen, en gewapend met
+die wetenschap, verzeker ik u, dat ik mij niet schuldig heb gemaakt
+aan een dergelijke misdaad als gij u voorstelt, maar dat ik mij den
+eervollen naam van _samurai_ waardig heb gemaakt. Het meisje, dat ik
+met mijn zwaard onthoofdde, was niet sterfelijk. Ga morgen, dit verzoek
+ik u, met een bediende naar de plaats, waar dit tooneel zich heeft
+afgespeeld. Als gij het lijk van een meisje vindt, behoeft gij mij het
+leven niet te benemen, want dan zal ik mij zelf de buik opensnijden".
+
+Den volgenden morgen vroeg, toen de zon nauwelijks aan den hemel
+was verschenen, trok de vader van Kadzutoyo, te gelijk met zijn
+bedienden, op reis. Toen zij de plaats bereikten, waar het drama zich
+had afgespeeld, zag de vader niet, zooals hij gemeend had, het lijk
+van een mooi meisje op den weg liggen, maar het lijk van een grooten
+das, waarvan de kop was afgesneden.
+
+Toen de vader weer thuis kwam, ondervroeg hij zijn zoon: "Hoe komt
+het dat, wat aan uw onderhoorige een meisje toescheen, aan u een das
+leek te zijn?"
+
+"O Heer", antwoordde Kadzutoyo, "het schepsel, dat ik verleden nacht
+zag, leek mij een meisje, maar haar schoonheid was een vreemde, en
+volstrekt niet zooals de schoonheid van aardsche vrouwen. Bovendien
+bemerkte ik, dat hoewel het hard regende, de kleeren van dat wezen
+niet nat werden, en toen ik dat vreemde verschijnsel had opgemerkt,
+begreep ik dadelijk, dat de vrouw niemand anders was dan de ééne of
+andere kwade geest. Het schepsel nam de gedaante aan van een lieftallig
+meisje, ten einde mij door haar tallooze bekoringen te betooveren,
+in de hoop, dat zij onze visch zou krijgen."
+
+De oude vorst was met bewondering vervuld over de slimheid van zijn
+zoon. Toen hij zooveel scherpzinnigheid en voorzichtigheid had ontdekt,
+besloot hij afstand te doen van de regeering en Kadzutoyo in zijn
+plaats tot Vorst uit te roepen.
+
+
+
+
+De Wonderbaarlijke Theeketel.
+
+Op zekeren dag zette een priester van den Morinji-tempel zijn
+ouden theeketel op het vuur, om een kop thee te zetten. Nauwelijks
+had de ketel het vuur aangeraakt, of hij veranderde plotseling in
+den kop, den staart en de pooten van een das. De jonge priesters
+werden in den tempel geroepen om dat buitengewone verschijnsel te
+aanschouwen. Terwijl zij in stomme verbazing toekeken, sprong de
+das op met het lichaam van een ketel, vloog de kamer door en vloog
+eindelijk door de lucht. De uitgelaten das vloog voortdurend de kamer
+rond, en de priesters slaagden er eerst na een aantal pogingen in,
+het dier te vangen en het in een doos op te bergen.
+
+Korten tijd nadat dit geschied was, kwam een ketellapper in den tempel,
+en de priester meende, dat het een uitstekend denkbeeld zou zijn, als
+hij den goeden man er toe kon brengen, zijn merkwaardigen theeketel
+te koopen. Daarom haalde hij den ketel uit zijn doos, want deze had nu
+weer zijn gewonen vorm aangenomen, en begon hij te onderhandelen, met
+het gevolg, dat de niets vermoedende ketellapper den ketel kocht en met
+zich meenam, in de overtuiging dat hij dien dag goede zaken had gemaakt
+bij den koop van een zoodanig artikel voor een zoo redelijken prijs.
+
+Dien nacht werd de ketellapper wakker bij het hooren van een vreemd
+geluid dicht bij zijn hoofdkussen. Hij keek van onder de dekens uit
+en zag, dat de ketel, dien hij gekocht had, volstrekt geen ketel was,
+maar een slimme en levende das.
+
+Toen de ketellapper zijn vrienden van zijn merkwaardigen metgezel
+verhaalde, zeiden zij: "Gij zijt een gelukkige kerel en wij raden u
+aan, dien das in het openbaar te vertoonen, want hij is verstandig
+genoeg om te springen en op het koord te dansen. Onder de begeleiding
+van muziek en zang kunt gij ongetwijfeld met dat vreemde wezen een
+reeks van nieuwe vermakelijkheden op touw zetten, die overal de
+aandacht zullen trekken, en heel wat meer geld zullen inbrengen dan
+gij met al uw ketellappen bij mogelijkheid zoudt kunnen verdienen."
+
+De ketellapper volgde dien voortreffelijken raad, en de roep van
+zijn kunstenmakenden das verspreidde zich wijd en zijd. Vorsten en
+vorstinnen kwamen de vertooning bezoeken, en hij verwierf zich door
+de vorstelijke bescherming en de gunst van het gewone publiek een
+groot vermogen. Toen de ketellapper dat vermogen had bijeengegaard,
+gaf hij den ketel weer terug aan den Morinji-tempel, waar hij als
+een kostbare schat werd vereerd.
+
+
+
+
+De Kat.
+
+
+ "Voed een hond drie dagen, en hij zal zich uw vriendelijkheid
+ drie jaar herinneren; voed een kat drie jaar, en zij zal uw
+ vriendelijkheid binnen drie dagen vergeten."
+
+ Een Japansch Spreekwoord.
+
+
+De Japansche kat, met of zonder staart, is lang niet populair,
+want dit dier en de venijnige slang waren de eenige twee schepsels,
+die niet weenden bij den dood van Buddha. De katten uit Nippon
+schijnen onder een vloek te staan, en grootendeels moeten zij zich
+zelf weten te helpen, en moeten zij dus op haar bovennatuurlijke
+macht vertrouwen. Evenals vossen en dassen, kunnen zij menschelijke
+wezens betooveren. Chamberlain schrijft in zijn _Japansche Zaken_:
+"Onder Europeanen kan men dikwijls hooren, hoe een oneerbiedig mensch
+een leelijke, humeurige oude vrouw een kat noemt. In Japan, het
+land waar alles onderste boven is gekeerd, wordt in het dagelijksch
+leven die naam dikwijls gegeven aan de jongsten en bekoorlijksten van
+het vrouwelijk geslacht--de zangmeisjes". De vergelijking komt ons
+vreemd voor, maar de toespeling hangt ongetwijfeld samen met de gaven
+der betoovering, die zoowel het zangmeisje als de kat bezitten. De
+Japansche kat wordt echter door de zeelieden met een gunstig oog
+aangezien, en de _mike-neko_, of de driekleurige kat, wordt op hooge
+waarde geschat. Zeelieden hebben over de geheele wereld den naam van
+bijgeloovig te zijn, en de Japansche zeelieden doen alle mogelijke
+moeite een scheepskat machtig te worden, in de overtuiging, dat dit
+dier den geest der diepte van hun schip zal afhouden. Vele zeelieden
+koesteren de meening, dat de zielen van hen, die op de zee verdrinken,
+nooit rust zullen vinden; zij gelooven, dat zij eeuwigdurend in
+de golven op de loer liggen en schreeuwen en jammeren, als jonken
+passeeren. Voor hen is de branding, die op het strand slaat, niets
+anders dan de witte, grijpende handen van ontelbare geesten, en zij
+gelooven, dat de zee gevuld is met _O-baké_, achtbare geesten. De
+Japansche kat heeft, naar men beweert, het toezicht over de dooden.
+
+
+
+
+De Vampierkat.
+
+Prins Hizen, een aanzienlijk lid van het geslacht Nabéshima, dwaalde
+in den tuin met O Toyo, de gunstelinge onder zijn dames. Toen de zon
+onderging, gingen zij naar het paleis terug, doch letten er niet op,
+dat zij door een groote kat werden gevolgd.
+
+O Toyo ging naar haar kamer en viel in slaap. Tegen middernacht werd
+zij wakker en keek om zich heen, daar zij een gevoel had, alsof er
+een akelige verschijning in het vertrek aanwezig was. Eindelijk zag
+zij, dat een reusachtige kat in haar onmiddellijke nabijheid lag
+neergehurkt, en voordat zij om hulp kon roepen, sprong het dier op
+haar lichaam en worgde haar. Daarna maakte het dier een gat onder de
+veranda, begroef het lijk en nam den vorm aan van de schoone O Toyo.
+
+De Prins, die niets afwist van hetgeen geschied was, bleef de
+valsche O Toyo liefhebben, zonder te weten, dat hij een walgelijk dier
+liefkoosde. Langzamerhand kwam hij tot de ontdekking, dat zijn krachten
+afnamen en het duurde niet lang, of hij werd gevaarlijk ziek. Er werden
+geneesheeren ontboden, maar zij konden niets doen om den koninklijken
+lijder te genezen. Men merkte op, dat hij het meest leed gedurende
+den nacht, en dat hij door vreeselijke droomen gekweld werd. Daar dit
+het geval was, besloten zijn raadslieden, dat honderd dienaren bij hun
+meester zouden zitten en gedurende zijn slaap de wacht zouden houden.
+
+De wacht ging de ziekenkamer binnen, maar even vóór tienen werd zij
+overvallen door een geheimzinnige slaperigheid. Toen allen in slaap
+waren, kroop de zoogenaamde O Toyo in het vertrek en maakte den Prins
+onrustig tot aan het aanbreken van den dag. Nacht aan nacht kwamen de
+dienaren bij hun meester de wacht houden, maar steeds vielen zij op
+hetzelfde uur in slaap, en zelfs drie bijzonder getrouwe raadslieden
+ondergingen eveneens dat lot.
+
+Gedurende dien tijd werd de Prins hoe langer hoe zieker, en ten slotte
+werd een priester, Ruiten genaamd, aangesteld om te zijnen behoeve
+te bidden. In zekeren nacht, toen hij met zijn smeekingen bezig
+was, hoorde hij een vreemd geluid, dat van den tuin uitging. Toen
+hij uit het raam keek, zag hij, dat een jonge soldaat zich stond te
+wasschen. Nadat hij zich gewasschen had, ging hij vóór een Buddhabeeld
+staan, en bad zoo ijverig mogelijk voor het herstel van den Prins.
+
+Ruiten, die zich er in verheugde, zooveel ijver en trouw waar te nemen,
+verzocht den jongen man, zijn huis binnen te treden, en toen hij dit
+gedaan had, vroeg hij naar zijn naam.
+
+"Ik ben Ito Soda," sprak de jonge man, "en ben als infanterist in
+Nabéshima in garnizoen. Ik heb van de ziekte van den Prins vernomen
+en verlang er naar, de eer te hebben, hem op te passen; maar daar
+ik een lagen rang bekleed, is het niet voegzaam, dat ik in zijn
+tegenwoordigheid verschijn. Toch heb ik Buddha gebeden, dat het leven
+van den Prins gespaard blijve. Ik ben van oordeel, dat Prins Hizen
+betooverd is, en als ik bij hem mocht blijven, zou ik mijn uiterste
+best doen, den kwaden geest te ontdekken en te verpletteren, die de
+oorzaak is van zijn ziekte."
+
+Ruiten kreeg van dit optreden een zóó gunstigen indruk, dat hij den
+volgenden dag één der raadslieden ging raadplegen, en na langdurige
+besprekingen werd het zóó geschikt, dat Ito Soda met de honderd
+dienaren de wacht zou houden.
+
+Toen Ito Soda het koninklijke vertrek binnentrad, zag hij, dat zijn
+meester in het midden van het vertrek sliep, en tevens merkte hij
+op, dat de honderd dienaren kalm in de kamer zaten te keuvelen,
+in de hoop, dat zij in staat zouden zijn de naderende slaperigheid
+te verdrijven. Tegen tien uur waren alle dienaren, in weerwil van
+hun pogingen, in slaap gevallen. Ito Soda trachtte zijn oogen open
+te houden, maar een zwaar gevoel overviel hem langzamerhand, en hij
+begreep, dat hij, als hij wilde wakker blijven, zijn toevlucht moest
+nemen tot de uiterste maatregelen. Nadat hij zorgvuldig geolied
+papier over de matten had uitgespreid, stak hij zijn dolk in zijn
+dij. De heftige pijn, die hij voelde, hield een tijdlang den slaap
+uit zijn oogen, maar na een tijd voelde hij, dat zijn oogen weer
+dichtvielen. Besloten de betoovering te ontdekken, die de dienaren de
+baas was geweest, draaide hij zijn mes in zijn dij, en vermeerderde
+zoo de pijn, terwijl hij trouw de wacht bleef houden, en het bloed
+voortdurend op het geoliede papier droop.
+
+Terwijl Ito Soda de wacht hield, zag hij, dat de schuifdeuren zich
+openden en dat een schoone vrouw zacht het vertrek binnensloop. Met
+een glimlach zag zij, hoe de dienaren in slaap waren, en zij was op
+het punt den Prins te naderen, toen zij Ito Soda bemerkte. Nadat
+zij hem kortaf had toegesproken, naderde zijn den Prins en vroeg
+hem, hoe het met hem was, maar de Prins was te ziek, om daarop te
+antwoorden. Ito Soda lette op iedere beweging en meende, dat zij den
+Prins trachtte te betooveren, maar haar kwade bedoelingen werden
+voortdurend verijdeld door de onbevreesde blikken van Ito Soda,
+en ten slotte was zij verplicht weg te gaan.
+
+Des morgens ontwaakten de dienaren, en waren van schaamte vervuld, toen
+zij vernamen, hoe Ito Soda de wacht had gehouden. De raadslieden prezen
+den jongen soldaat luide om zijn trouw en zijn zeldzame heldhaftigheid,
+en hem werd bevolen dien nacht weder de wacht te houden. Dit deed hij,
+en weer trad de zoogenaamde O Toyo de ziekenkamer binnen, en evenals
+den vorigen nacht was zij gedwongen te vertrekken zonder in staat
+geweest te zijn haar betoovering over den Prins te werpen.
+
+Men ontdekte ook, dat zoodra de trouwe Soda de wacht had betrokken,
+de Prins in staat was een rustigen slaap te genieten, en tevens,
+dat hij begon te herstellen; immers de zoogenaamde O Toyo bleef,
+nadat zij bij twee gelegenheden in haar pogingen had gefaald, voor
+goed weg, en de wacht werd niet meer door geheimzinnige slaperigheid
+overvallen. Soda ging onder den indruk van die vreemde omstandigheden
+naar één der raadsleden en deelde hem mede, dat de zoogenaamde O Toyo
+de ééne of andere soort van booze geest was.
+
+Dien nacht vatte Soda het plan op, zich naar het vertrek van dit
+wezen te begeven en te trachten haar te dooden, terwijl hij alles zóó
+regelde, dat er, indien zij zou ontsnappen, acht dienaren buiten op
+wacht zouden staan, om haar te pakken en onmiddellijk te verslaan.
+
+Op het vastgestelde uur ging Soda naar het vertrek van het schepsel,
+onder voorwendsel, dat hij een boodschap namens den Prins bracht.
+
+"Wat is uw boodschap?" vroeg de vrouw.
+
+"Wees zoo beleefd dezen brief te lezen," antwoordde Soda, en na
+die woorden gesproken te hebben, trok hij zijn dolk en wilde hij
+haar dooden.
+
+De zoogenaamde O Toyo greep een hellebaard en trachtte haar
+tegenstander te treffen. De slagen volgden elkaar op, maar toen zij
+eindelijk begreep, dat de vlucht beter voor haar was dan het volharden
+in den strijd, wierp zij haar wapen weg, en in een oogenblik veranderde
+het bekoorlijke meisje in een kat en sprong op het dak. De acht man,
+die buiten op wacht stonden, om in geval van nood op te treden,
+schoten op de kat, maar het gelukte het dier, hun te ontsnappen.
+
+De kat rende in volle vaart naar de bergen en hinderde de bevolking,
+die in de nabijheid woonde, geweldig, doch werd ten slotte gedood
+tijdens een jacht, die door Prins Hizen was geregeld. De Prins werd
+weer beter, en Ito Soda ontving de eerbewijzen en de belooning,
+die hij zoo rijkelijk had verdiend.
+
+
+
+
+De Hond.
+
+In het algemeen gesproken, wordt de hond in Japan beschouwd als een
+goedgezind dier, en in de meeste legenden gedraagt hij zich goed;
+maar op de Oki-eilanden gelooven een aantal inwoners, dat alle honden
+de bovennatuurlijke macht hebben, die op andere plaatsen aan de vossen
+worden toegeschreven. Chamberlain zegt: "De menschelijke wezens, die
+met de honden een verbond hebben gesloten, worden _inu-gami-mochi_
+genoemd--wat beteekent 'eigenaars van een hondgod'. Als de geest van
+zulk een met magische eigenschappen bedeelden hond er op uitgaat om
+kwaad te doen, blijft zijn lichaam achter, en wordt hoe langer hoe
+zwakker, terwijl het zelfs somtijds uitteert en sterft. Als dit het
+geval is, kiest de geest bij zijn terugkomst zijn woning in het lichaam
+van een toovenaar, die daarna machtiger wordt dan ooit te voren."
+
+
+
+
+Shippeitaro en de Spookkatten.
+
+Een ridder zocht eens een schuilplaats in een eenzamen en vervallen
+tempel op een berg. Tegen middernacht werd hij gewekt door het hooren
+van een vreemd geluid. Toen hij rondkeek zag hij een aantal katten,
+die dansten en gilden en schreeuwden, en herhaaldelijk hoorde hij de
+woorden: "_Vertel het niet aan Shippeitaro_"
+
+Tegen middernacht verdwenen de katten plotseling, er heerschte stilte
+in den vervallen tempel, en onze krijgsman was in staat zijn slaap
+te hervatten.
+
+Den volgenden morgen verliet de jonge ridder het spookhuis, en kwam
+aan één of twee kleine gebouwen in de nabijheid van een dorp. Toen
+hij één van die huizen voorbijkwam, hoorde hij een luid gejammer en
+geklaag, en vroeg hij naar de oorzaak van het verdriet.
+
+"Helaas!" zeiden zij, die zich in de nabijheid van den ridder bevonden,
+"gij moogt wel vragen, waarom wij zoo diep bedroefd zijn. Van nacht
+zal de berggeest onze schoonste maagd in een groote kooi naar den
+vervallen tempel dragen, waar gij den nacht hebt doorgebracht, en tegen
+den morgen zal zij door den boozen berggeest worden verslonden. Ieder
+jaar verliezen wij op die wijze een meisje, en er is niemand om ons
+te helpen."
+
+De ridder, door die treurige woorden diep bewogen, en begeerig van
+dienst te zijn, zeide: "Wie of wat is Shippeitaro? De booze geesten
+in den vervallen tempel gebruikten herhaaldelijk dien naam."
+
+"Shippeitaro", zoo sprak één der omstanders, "is een dappere en
+prachtige hond, en is het eigendom van den hoogsten ambtenaar van
+onzen Vorst."
+
+De ridder spoedde zich voort, terwijl het hem gelukte Shippeitaro voor
+één nacht in zijn bezit te krijgen, en nam den hond met zich mede
+terug naar het huis van de weenende ouders. Reeds was de kooi voor
+het meisje gereed gezet, en in die kooi plaatste hij Shippeitaro,
+en zoo bereikte hij met een aantal jonge mannen, die hem moesten
+bijstaan, den door spoken bezochten tempel. Maar de jonge mannen
+wilden niet op den berg blijven, daar zij doodelijk bevreesd waren,
+en na hun taak te hebben volbracht, gingen zij weer terug, zoodat de
+ridder en de hond alleen achterbleven.
+
+Tegen middernacht kwamen de spookkatten terug, terwijl zij een kater
+in hun midden hadden van ontzaglijke grootte, die vreeselijke woest
+was. Zoodra het monster de kooi zag, sprong hij met kreten van vreugde
+er om heen, door zijn makkers vergezeld.
+
+Toen de ridder een gunstig oogenblik had gevonden, opende hij de kooi;
+Shippeirato sprong er uit en hield de groote kat in zijn tanden. Een
+oogenblik later trok zijn meester zijn zwaard en doodde het boosaardige
+monster. De andere katten waren te zeer verbaasd over wat zij zagen,
+dan dat zij er aan dachten te ontsnappen, en de flinke Shippeitaro
+maakte korte metten met die dieren. Zoo werd het dorp niet langer
+verontrust door de plunderingen van den berggeest, en getrouw aan
+zijn ridderplicht gaf de ridder al de eer aan den flinken Shippeitaro.
+
+
+
+
+De oude Man die de boomen deed bloeien.
+
+Toen eens een oude man en zijn vrouw in den tuin bezig waren, werd
+hun hond plotseling zeer opgewonden terwijl hij zijn kop boog en op
+één bepaalde plaats den grond besnuffelde. De oude menschen, die in
+de meening verkeerden, dat hun lieveling iets lekkers had gevonden
+om te eten, brachten een spade en begonnen te graven, en tot hun
+verbazing groeven zij een groot aantal goudstukken en zilverstukken
+op, en bovendien een groote hoeveelheid kostbare schatten. Met dien
+zooeven verworven rijkdom in hun bezit, liet het oude paar geen tijd
+verloren gaan, om aalmoezen onder de armen te verdeelen.
+
+Toen de naaste buren hoorden, welk fortuintje de oude lieden gehad
+hadden, lokten zij den hond en spreidden zij alle soorten van
+lekkernijen voor hem uit, in de hoop, dat het dier ook hun groote
+diensten zou bewijzen. Maar de hond, die bij vroegere gelegenheden
+door zijn gastheeren slechts was behandeld, weigerde te eten, en op
+het laatst sleepte het paar den hond nijdig in den tuin. Onmiddellijk
+begon de hond te snuffelen, en juist waar hij snuffelde, begon het
+hebzuchtige volk te graven; maar zij groeven geen schatten op, en al
+wat zij vonden was niets dan waardelooze afval. Het oude paar doodde
+in hun nabijheid en onder hun teleurstelling den hond en begroeven
+hem onder een pijnboom.
+
+De brave oude man hoorde toevallig later, wat zijn trouwen hond was
+overkomen, en erg bedroefd ging hij naar de plek, waar zijn lieveling
+begraven was, en plaatste voedsel en bloemen op zijn graf, onder het
+vergieten van heete tranen.
+
+Dien nacht kwam de geest van den hond naar zijn meester, en zeide:
+"Hak den boom om, waar ik begraven ben, en maak van het hout een
+mortier, en denk aan mij, zoo dikwijls gij dien gebruikt."
+
+De oude man voerde de instructies uit, en hij ontdekte, dat, zoodra
+hij de rijstkorrels in den houten mortier fijnstampte, iedere korrel
+in een kostbaren schat veranderde.
+
+De slechte buren, die den hond hadden geleend, hadden niet de minste
+gewetenswroeging, om ook den mortier te leenen, maar bij dat slechte
+volk veranderde de rijst onmiddellijk in vuil, zoodat zij in hun
+nijdigheid den kostbaren mortier stuksloegen en verbrandden.
+
+Ten tweeden male verscheen de geest van den hond vóór zijn meester,
+en deelde hem mede, wat er gebeurd was, terwijl hij er aan toevoegde:
+"Als gij de asch van den mortier over verdorde boomen strooit, zullen
+zij onmiddellijk vol bloesems komen", en na die woorden te hebben
+gesproken, verdween de geest.
+
+De goedhartige oude man verzamelde de asch, en na die in een mand te
+hebben geplaatst, reisde hij van dorp tot dorp en van stad tot stad,
+en wierp de asch over verdorde boomen; zooals de hond had beloofd,
+kwamen die plotseling in bloei. Een prins hoorde van die wonderen,
+en beval den ouden man vóór hem te verschijnen, bij welke gelegenheid
+hij hem verzocht zijn wondermacht te laten zien. Dit deed de oude man,
+en innig verheugd verdween hij met de talrijke vorstelijke geschenken,
+die hij had gekregen.
+
+De buren van den ouden man, die van die wonderen hadden gehoord,
+verzamelden de overgebleven asch van den wonderbaarlijken mortier,
+en de slechte man trok zelf het land door, terwijl hij beweerde, dat
+hij in staat was verdorde of doode boomen te doen herleven. Evenals de
+oorspronkelijke bewerker van wonderen, verscheen de hebzuchtige oude
+man in het paleis; hem werd opgedragen een verdorden boom weer levend
+te maken. De oude man klom in een boom en verstrooide de asch, maar
+de boom bleef nog steeds dor en de asch verblindde den Prins en deed
+hem bijna stikken. Daarop werd de oude bedrieger half doodgeslagen,
+en hij vertrok in een hoogst ongelukkigen toestand.
+
+De vriendelijke oude man liet, na zijn buren over hun slechtheid te
+hebben berispt, hen toch in zijn rijkdom deelen, en het echtpaar,
+dat vroeger gemeen, wreed en slim geleefd had, leidde in het vervolg
+een goed en deugdzaam leven.
+
+
+ De Zeekwal en de Aap. [67]
+
+Rin-Jin, de Koning der Zee, koos als vrouw een jonge, schoone
+Drakenprinses. Zij waren nog niet lang getrouwd, toen de schoone
+Koningin ziek werd, en alle adviezen en alle zorgen van de beste
+geneeskundigen van het land waren vruchteloos.
+
+"Ach", snikte de Koningin, "er is maar één ding, dat mij van mijn
+ziekte kan genezen".
+
+"Wat is dat?" vroeg Rin-Jin.
+
+"Als ik de lever van een levenden aap eet, zal ik onmiddellijk
+genezen. Zie, wat ik u bidden mag, dat gij een lever van een aap voor
+mij krijgt, want ik weet, dat niets anders mijn leven zal redden."
+
+Daarom riep Rin-Jin een zeekwal naar zich toe, en zeide: "Ik wensch,
+dat gij aan land zwemt en met een levenden aap op uw rug terugkeert,
+want ik wil zijn lever gebruiken, opdat onze Koningin haar gezondheid
+herkrijge. Gij zijt het eenige schepsel, dat die taak kan volbrengen,
+want gij alleen hebt voeten en zijt in staat op het strand te
+loopen. Om den aap te overreden, te komen, moet gij hem vertellen
+van de wonderen der diepte en van de zeldzame schoonheden van mijn
+groot paleis, met zijn parelen op den bodem en zijn muren van koraal".
+
+De zeekwal, die zich verheugde, dat de gezondheid en het geluk van
+haar meesteres van den goeden uitslag van haar onderneming afhing,
+verloor geen tijd met naar een eiland te zwemmen. Nauwelijks was zij
+aan land gestapt, of zij zag een prachtigen aap, die in de takken
+van een pijnboom speelde.
+
+"Zeg eens!" sprak de zeekwal, "ik vind dit eiland erg leelijk. Wat
+een vervelend en ellendig leven moet gij hier leiden! Ik kom uit
+het Rijk der Zee, waar Rin-Jin regeert in een groot en prachtig
+paleis. Misschien zoudt gij er lust in hebben, een nieuw land te
+zien, waar overvloed van vruchten is en waar het altijd prachtig weer
+is. Als gij dat prettig vindt, klim dan op mijn rug, en ik zal u met
+veel genoegen naar het Rijk der Zee medenemen".
+
+"Ik neem gaarne uw uitnoodiging aan", zeide de aap, terwijl hij uit
+den boom nederdaalde, en rustig op den rug van de zeekwal ging zitten.
+
+"Tusschen twee haakjes", zeide de zeekwal, toen hij ongeveer de helft
+van de terugreis had afgelegd, "Ik onderstel, dat gij uw lever hebt
+medegebracht, niet waar?"
+
+"Wat een persoonlijke vraag!" antwoordde de aap. "Waarom vraagt
+gij dit?"
+
+"Onze Zeekoningin is gevaarlijk ziek", zeide de dwaze zeekwal,
+"en alleen de lever van een levenden aap kan haar leven redden. Als
+wij in het paleis komen, zal een dokter uw lever gebruiken en mijn
+meesteres zal weer herstellen".
+
+"Ach kom!" riep de aap uit, "ik had gewild, dat gij mij dit hadt
+medegedeeld, voordat wij het eiland hadden verlaten. Geloof mij, gij
+vergist u, waarde zeekwal. Ik heb een aantal levers op een pijnboom
+hangen, en ik had u gaarne een willen afstaan, om het leven van uw
+Koningin te sparen. Als gij mij naar het eiland wilt terugbrengen,
+zal ik er een halen. Het is bijzonder ongelukkig, dat ik vergeten
+heb een lever mede te brengen."
+
+De lichtgeloovige zeekwal draaide om en zwom weer naar het eiland
+terug. Oogenblikkelijk nadat de zeekwal het strand had bereikt,
+sprong de aap van haar rug en sprong rond op de takken van een boom.
+
+"_Lever_", zeide de aap grinnikend, "spraakt ge van _lever_? Jij,
+dwaze oude zeekwal, je zult nooit mijn lever krijgen!"
+
+Eindelijk bereikte de zeekwal het paleis, en vertelde Rin-Jin zijn
+treurig verhaal. De Zeekoning werd razend van drift. "Slaat haar
+murw!" riep hij tot zijn omgeving. "Slaat die dwaze kwal zóólang,
+totdat zij geen bot meer in haar lichaam heeft!"
+
+Zoo verloor de zeekwal na dat ongelukkige uur haar schaal, en alle
+zeekwallen, die na haar dood in zee geboren zijn, missen haar schaal,
+en zijn tot op den huidigen dag niets anders dan gelei gebleven.
+
+
+
+
+Het Bronzen Paard.
+
+Op den feestdag van de _Minige_, of "Het ontsnappen van het Lichaam",
+rijdt, zooals men zegt, de Godheid van Kitzuki, Oho-Kuninushi, door de
+straten op het Bronzen Paard. De ceremonies, aan dat feest verbonden,
+zijn van een zóó geheimzinnigen aard, dat alleen de dienstdoende
+priester het geheim na zijn dood aan zijn zoon kan mededeelen door
+tusschenkomst van den geest van den overledene. De groote gesneden
+draak van Kitzuki kroop, naar men meende, bij zekere gelegenheid
+over de daken van een aantal huizen, maar toen zijn houten strot was
+doorgesneden, bleef hij eenvoudig een kunstwerk, dat de bewoners niet
+langer last veroorzaakte. Ook bronzen wild uit Matsue, een hert en een
+hinde, had wonderbaarlijke macht, en kon des nachts door de straten
+rennen. Die bezoeken waren zóó talrijk en zóó lastig, dat eindelijk
+hun koppen werden afgesneden, en zoo kwamen hun dolle sprongen tot een
+einde. De reusachtige schildpad van den Gesshoji tempel, een steenen
+kolos, omstreeks zestien voet hoog, werd herhaaldelijk aangetroffen,
+terwijl zij pogingen aanwendde, een vijver, met lotus bedekt, over te
+zwemmen. Dit wezen werd evenals dat, wat wij zooeven hebben vermeld,
+verminkt, en zijn middernachtelijke tochten werden voor goed gestuit.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXIII. LEGENDEN OMTRENT VOGELS EN INSECTEN.
+
+
+
+Vogels.
+
+Wij hebben reeds gewezen op enkele vogels, waarvan in Japansche
+legenden melding wordt gemaakt, den fazant in het verhaal van Momotaro,
+den _Ho-Ho_ Vogel, de Brug van Eksters in het verhaal van Tanabata,
+het geheimzinnige licht, dat van den blauwen reiger zou hebben
+uitgestraald, den Dondervogel, enz. De _Sekirei_ of kwikstaartjes
+zijn gewijd aan Izanagi en Izanami, immers het was door die vogels,
+dat die godheden voor het eerst de kunst der liefde leerden kennen,
+en zelfs niet de God der Vogelverschrikkers kan hen verschrikken. Toen
+de groote held Yamato-take stierf, veranderde hij, naar men meent,
+in een witten vogel, en wij lezen in de Ho-joki [68], dat Chomei
+zich verbeeldde, dat hij in het geluid van een goudfazant de kreten
+van zijn moeder hoorde. Mythische schepselen, zooals de _Tengu_,
+hebben bepaalde eigenschappen van vogels, maar toch kunnen zij niet
+onder de vogels gerangschikt worden, en om die reden worden zij op
+een andere plaats in dit boek behandeld.
+
+
+
+De Haan.
+
+De God van Mionoseki heeft een hekel aan hanen en hennen en aan alles
+wat met die vogels samenhangt, de bevolking eerbiedigt dien duidelijk
+uitgesproken weerzin. Bij zekere gelegenheid werd een stoomboot,
+kort nadat zij in volle zee was gekomen, door een hevigen storm
+overvallen, en de meening was, dat de God van Mionoseki, die God
+der zeelieden is, ernstig moet beleedigd zijn geweest. Ten slotte
+ontdekte de kapitein, dat één van zijn passagiers een pijp rookte,
+versierd met een afbeelding van een kraaienden haan. De pijp werd
+onmiddellijk in zee geworpen, en de storm ging liggen.
+
+Wij zijn in staat de reden van de haat van den God tegen den haan uit
+de volgende legende af te leiden. In de _Kojiki_ lezen wij, dat de
+zoon van de Godheid van Kitsuki menig uur in Mionoseki doorbracht
+met het vangen van vogels en visschen. In die dagen was de haan
+zijn vertrouwde vriend, en het was de plicht van dien vogel, hard te
+kraaien, als de tijd voor den God was aangebroken, om van de jacht
+terug te keeren. Eens op een keer vergat de haan echter te kraaien;
+ten gevolge daarvan verloor de God, in zijn haast om in zijn boot
+terug te keeren, één van zijn roeiriemen, zoodat hij verplicht was,
+het schip met zijn handen voort te drijven, die hevig door visschen
+gebeten werden.
+
+
+
+
+Hoe Yoritomo door twee duiven werd gered.
+
+Toen Yoritomo in een gevecht tegen Oba-Kage-chika verslagen was, werd
+hij gedwongen zich met zes van zijn volgelingen terug te trekken. Zij
+holden in volle vaart door een bosch, en toen zij een langen hollen
+boom vonden, kropen zij daar in, om daar een schuilplaats in te vinden.
+
+Te gelijker tijd zeide Oba Kage-chika aan zijn neef Oba Kagetoki:
+"Ga naar Yoritomo zoeken, want ik heb alle reden te gelooven, dat
+hij in dit bosch verborgen is. Ik zal mijn manschappen zóó opstellen,
+dat het onmogelijk is voor onzen vijand, te vluchten."
+
+Oba Kagetoki vertrok, volstrekt niet ingenomen met de zending, want
+hij was eertijds met Yoritomo zeer bevriend geweest. Toen hij den
+hollen boom bereikte en door een gat in den stam zag, dat zijn oude
+vriend daarin verborgen was, kreeg hij medelijden met hem, en keerde
+hij naar zijn neef terug, terwijl hij zeide: "Ik geloof, dat Yoritomo,
+onze vijand, niet in het bosch is."
+
+Toen Oba-Kage-chika die woorden hoorde, riep hij woedend: "Je
+liegt! Hoe is het mogelijk, dat Yoritomo zoo spoedig is kunnen
+ontsnappen, terwijl mijn manschappen om het bosch gelegerd waren en
+op wacht stonden? Wijs mij den weg, en ik zal u met enkelen van mijn
+manschappen volgen. Geen listen of kunsten dezen keer, beste neef,
+of ge zult er streng voor gestraft worden."
+
+Na verloop van tijd bereikte de troep den hollen boom, en Kage-chika
+was op het punt, den boom binnen te gaan, toen zijn neef uitriep:
+"Blijf hier staan! Wat is dat voor dwaasheid? Kunt ge niet zien,
+dat er een spinneweb over de opening gesponnen is? Hoe zou iemand
+in den boom kunnen zijn gekropen, zonder het web te breken? Laat ons
+ergens anders onzen tijd nuttiger besteden".
+
+Maar Kage-chika was nog altijd achterdochtig tegenover zijn neef,
+en hij stak zijn boog in den hollen stam. Deze raakte bijna den
+ineengedoken Yorikomo aan, toen twee witte duiven plotseling uit de
+holte vlogen.
+
+"Helaas!" riep Kage-chika uit, "gij hebt gelijk, onze vijand kan
+hier niet verborgen zijn, want duiven en een spinneweb zouden dit
+niet mogelijk maken".
+
+Door de tijdige hulp van twee duiven en een spinneweb was het den
+grooten held Yoritomo mogelijk gemaakt, te ontsnappen, en toen hij
+in latere jaren Shogun werd, liet hij tempels bouwen voor Hachiman,
+den Oorlogsgod, uit dankbaarheid voor zijn bevrijding, immers de
+duiven worden in Japan beschouwd als de boden van den oorlog en niet
+van den vrede, zooals dit bij ons het geval is.
+
+
+
+
+De Hototogisu.
+
+
+ Een eenzame stem!
+ Riep soms de maan?
+ 't Was slechts de _Hototogisu._
+
+ _Uit het Japansch_.
+
+
+Er is een geheimzinnige vogel, de _Hototogisu_, die op klagenden toon
+zijn eigen naam roept, terwijl hij dien aldus in losse lettergrepen
+verdeelt: _ho-to-to-gi-su_. Volgens de legende is het geen aardsche
+vogel, maar trekt hij weg uit het Rijk van den Dood op het einde van
+Mei, en waarschuwt alle boeren, die hem zien, dat de tijd gekomen
+is, de rijst te zaaien. Sommigen verklaren het geluid van den
+vogel als beteekende het: "Is de _Kakemono_ opgehangen?" anderen,
+dat het zachtkens herhaalt: "Het is nu bepaald beter naar huis terug
+te keeren." Die laatste verklaring is typisch Japansch, want als men
+meent, dat de zielen in den zomer terugkeeren, dan is het niet vreemd
+te meenen, dat ten minste één der vogels naar de oude bosschen en
+stroomen en heuvelen van Nippon terugvliegt.
+
+
+
+
+De Musch, waarvan de tong is uitgesneden.
+
+Een nijdige oude vrouw was aan haar waschtobbe, toen de lievelingsmusch
+van haar buurman al de stijfsel opat, daar zij die voor gewoon
+voedsel aanzag. De oude vrouw was zóó boos over het gebeurde, dat
+zij de tong van de musch uitsneed, en de ongelukkige vogel vloog weg
+naar een berg. Toen het oude paar, aan hetwelk de musch toebehoorde,
+vernomen had, wat geschied was, verlieten zij hun huis en ondernamen
+zij een groote reis, totdat de fortuin hun zóó gunstig was, dat zij
+hun lievelingsmusch terugvonden.
+
+De musch was niet minder verheugd, toen zij haar meester en meesteres
+had terugvonden, en verzocht hen, haar woning binnen te treden. Toen
+zij dit gedaan hadden, werden zij onthaald op een groote hoeveelheid
+visch en _saké_, en werden zij bediend door de vrouw, de kinderen
+en kleinkinderen van de musch, en niet tevreden met die daden van
+gastvrijheid, danste het gevederde dier een hopsasa, de Musschendans
+genaamd.
+
+Toen het tijd was voor het oude paar, om naar huis terug te keeren,
+bracht de musch twee rieten manden en zeide: "De ééne is zwaar,
+en de andere is licht. Welke zoudt gij liefst willen hebben?"
+
+"O, de lichte", antwoordde het oude paar, "want wij zijn oud en de
+reis is lang".
+
+Toen de oude lieden hun huis hadden bereikt, openden zij de mand, en
+tot hun vreugde en verbazing ontdekten zij goud en zilver, juweelen
+en zijde. Zoo snel konden zij de kostbare zaken niet uit de mand
+halen, of een onuitputtelijke voorraad kwam daarvoor in de plaats,
+zoodat de wonderbaarlijke mand met schatten niet kon geledigd worden;
+het gelukkige oude paar werd rijk en voorspoedig.
+
+Het duurde niet lang, of de oude vrouw, die de tong van de musch had
+uitgesneden, hoorde van den voorspoed van haar buren; zij haastte zich
+dan ook te informeeren, waar die wonderbaarlijke musch te zien was.
+
+Nadat zij daaromtrent zekerheid had gekregen, kostte het haar geen
+moeite de musch te vinden. Toen de vogel haar zag, vroeg hij, welke
+der twee manden zij het liefst zou willen medenemen, de zware of de
+lichte. De wreede en hebzuchtige oude vrouw koos de zware, daar zij
+meende, dat daarin meer schatten waren dan in de lichte; maar toen
+zij, hijgende van inspanning haar huis had bereikt, en de mand opende,
+sprongen duivels op haar toe, die haar in stukken trokken.
+
+
+
+
+Een edel Offer.
+
+Er was eens een man, die er dol op was, vogels te schieten. Hij
+had twee dochters, trouwe volgelingen van Buddha, en ieder op haar
+beurt wees op de dwaasheid van die wreede liefhebberij van haar
+vader, en smeekte hem niet roekeloos het leven van een schepsel te
+verwoesten. Maar de man was koppig en wilde niet luisteren naar
+de smeekingen van zijn dochters. Eens verzocht een buurman hem,
+twee ooievaars te schieten, en hij beloofde dit te doen. Toen de
+vrouwen hoorden, wat haar vader voornemens was te doen, zeiden zij:
+"Laten wij ons in heldere witte kleeren kleeden en van nacht naar
+het strand gaan, want het is een plaats, die druk door ooievaars
+bezocht wordt. Indien vader één van ons bij ongeluk doodt in plaats
+van de ooievaars, zal het een goede les voor hem zijn, en zal hij
+zeker berouw hebben over zijn snood gedrag, dat in strijd is met de
+zachtmoedige leerstellingen van Buddha."
+
+Dien nacht ging de man naar het strand, en de bewolkte lucht maakte
+het voor hem moeilijk, ooievaars te herkennen. Eindelijk zag hij
+echter twee witte voorwerpen in de verte. Hij schoot; onmiddellijk
+vielen de lichamen neer, en hij liep naar de plaats waar zij lagen,
+maar hij ontdekte, dat hij zijn beide edele, zelfopofferende dochters
+had getroffen. Door smart terneergeslagen, richtte hij een brandstapel
+op en verbrandde hij de lijken van zijn arme kinderen. Na dit alles
+verricht te hebben, schoor hij zijn hoofd, ging in de bosschen en
+werd een kluizenaar.
+
+
+
+
+Een paar vogels Phoenix.
+
+Een handig meisje, Saijosen genaamd, was bezig met borduren. Op
+zekeren dag bezocht haar een oud man, en zeide: "Borduur voor mij
+op een stuk doek een paar vogels phoenix". Saijosen willigde gaarne
+dit verzoek in; toen nu de vogels geborduurd waren, sloot de oude
+man zijn oogen en wees met zijn vinger naar de vogels. Onmiddellijk
+werden de vogels levend, en het meisje en de oude man stegen op hun
+rug en verdwenen in de lucht.
+
+
+
+
+Insecten.
+
+Er is reeds veel geschreven over de Japansche _Semi_, of
+boomkrekeltjes, en het lijkt ons vreemd, dat die kleine schepseltjes
+zouden worden gekocht en in kleine kooien geplaatst, waar zij op
+bijzonder liefelijke wijze zingen. Lafcadio Hearn doet ons in Kotto
+een pathetisch verhaal over één van die insecten. Hij vertelt ons,
+dat zijn bediende vergat het diertje voedsel te geven, en dat het
+langzamerhand ophield te zingen, en ten slotte genoodzaakt was zijn
+eigen teere ledematen op te eten.
+
+Het gezang van de _minminzemi_ gelijkt op dat van een Buddhistischen
+priester, terwijl de groene _Semi_ of _higurashi_ een geluid maakt
+als van een zacht klinkend klokje. Als men een gedroogden kever bij
+zich draagt, neemt, zoo meent men, iemands voorraad kleeren toe. Bij
+de legenden, die hier volgen, moet men er aan denken, dat naar de
+leerstellingen der Buddhisten ieder leven heilig is, en bovendien
+dat de Buddhisten gelooven, dat de ziel van een man of vrouw om de
+ééne of andere zonde zelfs in het kleine lichaam van een insect kan
+binnentreden.
+
+
+
+
+Waterjuffers.
+
+
+ "De gouden middagzon, die licht en warmte geeft,
+ Zij werpt haar stralen, waar de waterjuffer zweeft,
+ Die, roodgekleurd, doorklieft de ijle lucht,
+ Waar niets verstoort der dagen kalme vlucht!"
+
+ Naar _Clara A. Walsh._
+
+
+De waterjuffer wordt dikwijls in de Japansche poëzie vermeld,
+maar nergens meer pathetisch dan in de volgende regels, door Chiyo
+geschreven na den dood van haar zoontje:
+
+
+ "Hoe ver zou hij wel hebben rondgedwaald,
+ En op zijn tocht de waterjuffer ingehaald?"
+
+
+Chiyo geeft in die schoone regels veel te denken, want in haar
+moederliefde is er geen droevige voorstelling van den Dood. Zij
+beschouwt het toekomstige leven van haar kind als den gelukkigsten
+speeltijd. Ook in deze regels vindt men het Japansche denkbeeld van
+de terugkomst van de ziel.
+
+De bekoorlijkste Japansche waterjuffer wordt _Tenshi-tombo_, "de
+Waterjuffer van den Keizer" genoemd. Er is een grootere soort, die bij
+voorkeur door kinderen wordt gezocht, en van die soort zijn er veel
+meer wijfjes dan mannetjes. Jongens binden een wijfje aan een boom,
+en zingen: "Gij, mannetje, Koning van Korea, schaamt gij u niet, om
+van de Koningin van het Oosten weg te vluchten?" Dit vreemde gezang
+is een toespeling op de verovering van Korea, zooals de legende,
+waarnaar wij later zullen wijzen, vermeldt; het gevolg van dit gezang
+is, dat het mannetje er op afkomt. Men gelooft ook, dat wanneer de
+ééne of andere figuur in de lucht wordt geteekend, dit de macht heeft,
+de waterjuffer te verlammen, die men wenscht te vangen.
+
+
+
+De Terugkeer van Tama.
+
+Kazariya Kyubei, een koopman, had een dienstbode, Tama genaamd. Tama
+werkte goed en opgewekt, maar zij was slordig op haar kleeren. Op
+zekeren dag, toen zij vijf jaren in dienst van Kyubei was geweest,
+zeide haar meester tot haar: "Tama, hoe komt het, dat gij in afwijking
+van de meeste meisjes geen verlangen schijnt te hebben, er op zijn
+voordeeligst uit te zien? Als ge uitgaat, draagt ge uw werkkleeren. Bij
+dergelijke gelegenheden moest ge eigenlijk een mooi gewaad dragen."
+
+"Goede meester", zeide Tama, "gij hebt gelijk, dat gij mij berispt,
+daar gij niet weet, waarom ik gedurende al die jaren oude kleeren
+heb gedragen, en geen poging heb in het werk gesteld, mij zoo goed
+mogelijk te kleeden. Toen mijn vader en mijn moeder stierven, was ik
+nog een kind, en daar ik geen broers of zusters had, was het mijn
+taak Buddhistische godsdienstplechtigheden te doen verrichten ten
+behoeve van mijn ouders. Opdat dit zou kunnen geschieden, heb ik
+het geld gespaard, dat gij mij hebt gegeven, en voor mij zelf zoo
+weinig mogelijk uitgegeven. Nu zijn de grafsteenen in den Jorakuji
+tempel geplaatst en daar ik de priesters mijn geld heb gegeven, zijn
+de godsdienstige plechtigheden volbracht. Mijn wensch is vervuld,
+en terwijl ik u om vergiffenis vraag, beloof ik u, dat ik mij in het
+vervolg beter zal kleeden."
+
+Voordat Tama stierf, vroeg zij haar meesteres, het overgebleven geld,
+dat zij gespaard had, te bewaren. Korten tijd na haar dood kwam
+een groote waterjuffer het huis van Kyubei binnen. Het was in dat
+jaargetijde, het tijdperk der grootste koude, heel iets bijzonders,
+als waterjuffers gezien werden, en de meester van het huis was dan ook
+bijzonder verbaasd. Met de grootste zorg zette hij het insect buiten
+de deur; maar onmiddellijk vloog het terug, en zoo dikwijls het werd
+verwijderd, kwam het weer binnen. "Die waterjuffer", zoo sprak de vrouw
+van Kyubei, "zou wel Tama kunnen zijn." Kyubei sneed een klein stukje
+uit de vleugels van het insect, en droeg toen het diertje een heel eind
+ver buiten zijn woning. Maar den volgenden dag keerde het weer terug,
+waarop Kyubei de vleugels van het lichaam van het insect rood verfde,
+en het nog veel verder buiten zijn woning droeg. Twee dagen later
+kwam het insect weer terug, en de kerf in zijn vleugels, en het rood,
+waarmede het bedekt was, lieten geen twijfel over den geest van Kyubei
+en zijn vrouw, dat dit volhardende insect inderdaad Tama was.
+
+"Ik meen", zeide de vrouw van Kyubei, "dat Tama naar ons is
+teruggekeerd, omdat zij verlangt, dat wij iets voor haar zullen
+doen. Ik heb het geld, dat zij mij verzocht te houden. Laten wij het
+aan de priesters geven, opdat deze voor haar ziel kunnen bidden." Toen
+zij deze woorden had gesproken, viel het insect dood op den grond.
+
+Kyubei en zijn vrouw plaatsten de waterjuffer in een doos, en gingen
+met het geld van Tama naar de priesters. Een _sutra_ werd over het
+lijk van het insect uitgesproken, waarna het behoorlijk in den tuin
+van tempel werd begraven.
+
+
+
+
+Sanemori en Shiwan.
+
+Sanemori, die een groot krijgsman was, was eens, op een paard gezeten,
+bezig een vijand te bevechten. Tijdens het gevecht gleed zijn paard
+uit en rolde in een rijstveld. Het gevolg van dit ongeluk was, dat
+zijn tegenstander in de gelegenheid was hem te dooden, en van dat
+oogenblik af werd Sanemori een insect, dat de rijst opat, en bekend was
+onder de landbouwers van Izumo als Sanemori-San. Gedurende bepaalde
+zomernachten steken de boeren in hun rijstvelden vuren aan, om het
+insect aan te trekken; zij spelen op fluiten en slaan op tamboerijnen,
+onder den uitroep: "O, eerwaardige Sanemori, verwaardig u, hierheen
+te komen!" Daarna worden godsdienstige ceremonies volbracht, en een
+nabootsing in stroo van een ruiter te paard wordt òf verbrand òf in
+het water geworpen. Men gelooft, dat die ceremonie het gunstige gevolg
+heeft, dat de velden verlost worden van het insect, dat de rijst opeet.
+
+Van den _Skiwan_, een klein geel insect, dat leeft van komkommers,
+wordt verhaald, dat hij eertijds een geneesheer is geweest. Die
+geneesheer was, daar hij in een samenzwering betrokken was,
+gedwongen zijn woonplaats te verlaten, maar toen hij trachtte te
+ontsnappen, raakte zijn voet verward, in de kronkelende ranken van een
+komkommerbed, en werd door zijn vervolgers gedood. Zijn vertoornde
+geest werd een _shiwan_, en van dien dag af tot op onzen tijd leeft
+dat insect van komkommers.
+
+
+
+
+Glimwormen.
+
+
+ "Voor dezen wilgeboom schijnt de tijd van uitbotten in de de
+ duisternis te zijn teruggekeerd--zie naar de glimwormen."
+
+
+In de oude dagen was het jachtmaken op glimwormen één van de
+uitspanningen van aanzienlijke edelen, doch tegenwoordig is het
+alleen het tijdverdrijf van kinderen. Maar die jachtpartijen hebben
+niets van haar schilderachtigheid verloren, en dat lichtgevende
+insect is het onderwerp geweest van menig schoon gedicht, zooals:
+"O, die slimme glimwormen! als zij worden opgejaagd, verbergen zij
+zich in het maanlicht!"
+
+Maar ook volwassen personen gaan er met denzelfden ijver op uit,
+glimwormen te bewonderen, als zij bloemen gaan bekijken. Voor den
+geest van die groote minnaars der Natuur gelijken de glimwormen op
+de schitterende bloemblaadjes van een vreemde lichtgevende bloem,
+of op een aantal flikkerende sterren, die de lucht hebben verlaten,
+om op aarde te wandelen. In den zomertijd bezoeken duizenden menschen
+Uji, om de _Hotani-Kassen_, of strijd der glimwormen te zien. Van den
+oever der rivier vliegen myriaden van die glinsterende insecten heen
+en weer, en in een oogenblik vormen zij een groote zilverkleurige
+wolk. De wolk breekt en de stroomende rivier, die een oogenblik te
+voren zoo donker was als zwart fluweel, wordt een kronkelende streep
+glinsterende juweelen. Het is dan ook geen wonder, dat de Japansche
+dichter uitroept: "Zie ik alleen glimwormen, die met den stroom
+wegdrijven? Of drijft de Nacht zelf weg, met zijn wemelende sterren?"
+
+Er is een legende verbonden aan dit betooverende schouwspel. Men meent,
+dat de Minamoto-Glimworm en de Taira-Glimworm de geesten zijn van de
+oude krijgslieden der Minamoto- en Taira-stammen. In den nacht van
+den twintigsten dag van de vierde maand leveren zij een hevig gevecht
+op de Uji Rivier. In dien nacht worden alle opgesloten glimwormen
+losgelaten, opdat zij weder de oude gevechten der stammen uit de
+twaalfde eeuw zouden leveren. De beteekenis der glimwormen als
+geesten wordt bovendien versterkt door het feit, dat die insecten
+bij voorkeur ronddwalen rondom wilgeboomen--de boomen, die in Japan
+het meest met geestverschijningen samenhangen. In oude tijden meende
+men, dat glimwormen geneeskundige eigenschappen bezaten. Zalf van
+glimwormen maakte, zoo beweerde men, alle vergiften onschadelijk,
+en bovendien had die zalf de macht, booze geesten te verdrijven en
+een woning te behoeden tegen de aanvallen van roovers.
+
+
+
+
+Een vreemde Droom.
+
+Een jonge man uit Matsue keerde van een bruiloft terug, toen hij vlak
+voor zijn huis een glimworm zag. Hij bleef een oogenblik stilstaan,
+verbaasd, dat hij in een kouden winternacht een dergelijk insect
+zag, terwijl er sneeuw op den grond lag. Toen hij daar stond na te
+denken, vloog een glimworm naar hem toe; de jonge man sloeg er naar
+met zijn stok, maar het insect vloog weg en ging naar den tuin, die
+aan den zijnen grensde. Den volgenden dag begaf hij zich naar het
+huis van zijn buurman, en was hij op het punt zijn ervaringen van
+den vorigen nacht te vertellen, toen de oudste dochter van het gezin
+de kamer binnenkwam, en uitriep: "Ik had niet het minste vermoeden,
+dat gij hier waart, en toch waart gij een oogenblik te voren in mijn
+gedachten. Den vorigen nacht droomde ik, dat ik een glimworm werd. Het
+leek alles heel echt en heel mooi, en terwijl ik heen en weer vloog,
+zag ik u en vloog naar u toe, met het plan, u te vertellen, dat ik
+had leeren vliegen, maar gij duwdet mij met uw stok op zij, en dat
+voorval maakt mij nog altijd zenuwachtig."
+
+Toen de jonge man die woorden van de lippen van zijn verloofde had
+gehoord, zweeg hij over het voorgevallene.
+
+
+
+De "Wraak van Kanshiro. [69]
+
+In het dorp Funakami woonde een godvruchtige oude boer, Kanshiro
+genaamd. Ieder jaar deed de oude man verschillende bedevaarten
+naar bepaalde tempels, waar hij bad en den zegen der goden
+afsmeekte. Eindelijk echter werd hij zóó zwak en hulpeloos, dat
+hij overtuigd was, dat zijn aardsche dagen geteld waren, en dat hij
+waarschijnlijk nog juist de kracht zou hebben, om één bezoek te brengen
+aan de groote tempels te Ise. Toen de dorpsbewoners dit edele besluit
+vernamen, gaven zij hem met groote milddadigheid een som geld, opdat
+de hooggewaardeerde oude boer die aan de heilige tempels zou schenken.
+
+Kanshiro ging op zijn pelgrimstocht met het geld in een zak, dien
+hij om zijn nek droeg. Het weer was bijzonder heet, en de hitte en
+de vermoeienis van de reis maakten den ouden man zóó ziek, dat hij
+verplicht was enkele dagen in het dorp Myojo te blijven. Hij ging naar
+een kleine herberg en vroeg Jimpachi den herbergier, zijn geld voor
+hem te bewaren, terwijl hij er bij voegde, dat het een offerande was,
+die hij bracht aan de Goden te Ise. Jimpachi nam het geld, en beloofde
+den ouden man, dat hij er goed voor zou waken, en dat hij bovendien
+voor hem zou zorgen.
+
+Den zesden dag betaalde de oude man, hoewel nog ver van hersteld,
+zijn rekening, nam den zak van den herbergier terug, en ging verder op
+reis. Daar Kanshiro een aantal bedevaartgangers in de nabijheid zag,
+keek hij niet in den zak, maar verborg dien zorgvuldig in den grooten
+zak, die een geringe hoeveelheid kleeren en voedsel bevatte.
+
+Toen Kanshiro ten slotte onder een pijnboom ging rusten, haalde
+hij den zak met geld te voorschijn en keek er in. Helaas! Het geld
+was gestolen, en steenen van hetzelfde gewicht waren daarvoor in de
+plaats gelegd. De oude man keerde snel naar den herbergier terug, en
+verzocht hem het geld terug te geven. Jimpachi werd ontzettend boos,
+en ranselde hem flink af.
+
+De arme oude man kroop weg uit het dorp, en bereikte drie dagen
+later met zeldzame krachtsinspanning de heilige tempels te Ise. Hij
+verkocht zijn eigendommen, om het geld terug te betalen, dat zijn
+brave buurlieden hem hadden gegeven, en met geld, dat overgebleven was,
+zette hij zijn pelgrimstocht voort, totdat hij tenslotte verplicht was,
+om voedsel te bedelen.
+
+Drie jaar later ging Kanshiro naar het dorp Myoto, en vond dat de
+herbergier, die hem zoo slecht had behandeld, er nu betrekkelijk goed
+aan toe was, en in een groot huis woonde. De oude man ging naar hem
+toe en zeide: "Gij hebt heilig geld van mij ontvangen, en ik heb mijn
+geringe bezittingen verkocht, ten einde het terug te betalen aan hen,
+die het mij hadden gegeven. Van dat oogenblik af ben ik een bedelaar
+geweest, maar wees er zeker van, dat de wraak u zal bereiken!"
+
+Jimpachi vervloekte den ouden man en vertelde hem, dat hij zijn
+geld niet had gestolen. Toen de twist op zijn hevigst was, greep
+een politieagent hem aan, en sleepte hem weg uit het huis, terwijl
+hij hem zeide, dat hij gevangen genomen zou worden, als hij durfde
+terug keeren. Aan het uiteinde van het dorp stierf de oude man, en
+een vriendelijke priester bracht zijn lijk naar een tempel, verbrandde
+het eerbiedig, en droeg een aantal heilige gebeden op voor zijn goede
+en trouwe ziel.
+
+Onmiddellijk na den dood van Kanshiro werd Jimpachi bang voor wat hij
+had gedaan, en werd hij zóó ziek, dat hij gedwongen was het bed te
+houden. Toen hij volkomen hulpeloos ter neder lag, vlogen een aantal
+glimwormen uit het graf van den boer, en omgaven het muskieten-gordijn
+van Jimpachi, terwijl zij het trachtten door te breken. Een aantal
+dorpelingen kwamen Jimpachi te hulp en doodden vele glimwormen, maar
+de stroom van glinsterende insecten, die uit het graf van Kanshiro
+vlogen, verminderde in het geheel niet. Honderden werden gedood,
+maar duizenden kwamen daarvoor in de plaats. De kamer was helder
+verlicht door den glans der glimwormen, en het muskietengordijn zonk
+onder voortdurend toenemende gewicht. Bij dit merkwaardigen gezicht
+fluisterden sommigen der dorpsbewoners: "Jimpachi zal dan toch wel het
+geld van den ouden man hebben gestolen. Dit is de wraak van Kanshiro."
+
+Juist terwijl zij spraken, brak het gordijn door, en de glimwormen
+vlogen in de oogen, ooren, mond en neus van den verschrikten
+Jimpachi. Twintig dagen lang schreeuwde hij luid om vergiffenis; maar
+hem werd geen vergiffenis geschonken. De stroom van glinsterende,
+nijdige insecten werd al dikker en dikker, totdat zij ten slotte den
+boosaardigen Jimpachi doodden; van dat oogenblik af verdwenen zij
+voor goed.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXIV. OVER THEE. [70]
+
+
+ "De eerste kop bevochtigt mijn lippen en keel, de tweede kop
+ verbreekt mijn eenzaamheid, de derde kop doorzoekt het diepste
+ van mijn wezen.... De vierde kop wekt een lichte uitwaseming
+ op--al het kwade van het leven gaat door mijn poriën weg. Bij den
+ vijfden kop ben ik gezuiverd; de zesde kop roept mij naar het
+ rijk der onsterfelijken. De zevende kop--ach, maar ik kon niet
+ meer tot mij nemen! Ik voel alleen den adem van den koelen wind,
+ die in mijn mouwen opstijgt. Waar is Horaisan [71] Laat mij op
+ die zachte bries voortrijden en daarheen voortdrijven."
+
+ _Lotung._
+
+
+Theedrinken in Europa en in Japan.
+
+In Europa beschouwen wij de thee eenvoudig als een drank, een
+verfrisschend en zacht opwekkingsmiddel, waarbij dames met haar
+vriendinnen plegen te babbelen. Er is niets romantisch in onze
+theepotten en theeketels en lepeltjes; zij komen uit de keuken
+en worden weer in de keuken teruggebracht met voorgeschreven
+regelmatigheid. Wij maken eenige stereotiepe opmerkingen over thee,
+en kunnen nauwkeurig den prijs opgeven, dien onze grootouders voor
+dien drank betaalden. Wij hebben onze vaste meening, in hoeverre
+thee liever met of zonder suiker moet genomen worden, en hebben het
+dikwijls een krachtig middel gevonden, om hoofdpijn te verdrijven.
+
+Toen de thee omstreeks 1650 tot Europa doordrong, werd er melding
+van gemaakt als van "dien uitstekenden en door alle geneesheeren
+aanbevolen Chineeschen drank, door de Chineezen Tcha, en door andere
+naties Tay, ook wel Tee genaamd." In 1711 merkte de Spectator op:
+"Ik zou deze mijn overpeinzingen op een bij zondere wijze aanbevelen
+aan alle ordelijke gezinnen, die elken morgen een uur aan hun thee,
+brood en boter besteden; en zou hen ernstig willen aanraden in hun
+eigen belang, om te bevelen, dat dit blad hun stipt wordt uitgereikt
+en door hen als een deel van hunne uitrusting bij de thee wordt
+beschouwd." Dr. Johnson gaf van zich zelf een beschrijving als van een
+"verstokt en schaamteloos theedrinker, die gedurende twintig jaar zijn
+maaltijden verdunde alleen met dit afgietsel van den betooverenden
+drank; die zijn avonden met thee verkortte, in den middernacht troost
+vond in thee, en met thee den ochtend verwelkomde." Maar er is niets
+romantisch, geen oude traditie aan ons theedrinken verbonden. Misschien
+is het maar goed, dat de dames, die in onze deftige salons zitten,
+niet bekend zijn met de sombere en pathetische legende, die verhaalt
+hoe een Buddhistische priester tijdens zijn overpeinzingen in slaap
+viel. Toen hij wakker werd, sneed hij zijn oogleden af, die zoozeer
+gezondigd hadden, en wierp ze op den grond, waar zij onmiddellijk
+veranderden in de eerste theeplant.
+
+In Japan is het theedrinken een godsdienstige handeling geworden. Het
+is evenzeer een maatschappelijke handeling als een tijd voor
+rustige overpeinzing. De uitgewerkte ceremonies bij de thee,
+_cha-no-yu_, hebben haar thee-ceremoniemeesters, etiquette en talrijke
+plechtigheden. Een kop Japansche thee is verbonden met geestelijke
+en artistieke beschaving. Maar voordat wij deze zeer belangwekkende
+ceremonies bespreken, moeten wij iets leeren omtrent de beteekenis
+van thee in China, want het drinken van dien drank in het Hemelsche
+Rijk, verbonden met het kostbaarste en zeldzaamste porcelein en met
+aesthetische en godsdienstige gedachten, heeft tot de vereering van
+de thee in het Land der Goden geleid.
+
+
+
+
+Thee in China.
+
+De theeplant, afkomstig uit Zuidelijk China, werd oorspronkelijk als
+een geneesmiddel beschouwd. Bij de classieke schrijvers komt zij voor
+onder de namen _Tou_, _Tseh_, _Chung_, _Kha_ en _Ming_, en werd op
+hoogen prijs gesteld om haar geneeskrachtige eigenschappen. Zij werd
+als een uitnemend waschmiddel beschouwd, om de oogen te versterken, en
+zij had bovendien de macht, vermoeienis te bannen, den wil te sterken,
+en de ziel te verheugen. Somtijds werd er een deeg van gemaakt,
+en men meende, dat het een afdoend middel was tegen rheumatische
+pijnen. De Taoïsten gingen zelfs zóóver, dat zij beweerden, dat
+thee één van de bestanddeelen was van het Levenselixer, terwijl de
+Buddhistenpriesters die dronken, zoo dikwijls zij het noodig achtten
+om gedurende de lange uren van den nacht te peinzen en te overdenken.
+
+
+
+
+Luwuh en de Chaking.
+
+In de vierde en vijfde eeuw blijkt de thee een zeer geliefkoosde
+drank te zijn geweest onder de bevolking der Yangtse-Kiang Vallei. In
+dien tijd ook werden de dichters welsprekend bij het verkondigen
+van haar lof. Maar in die dagen was de thee een walgelijk brouwsel,
+want het werd gekookt met rijst, zout, gember, sinaasappel-schillen,
+en niet zelden met uien! Lawuh echter, die in de achtste eeuw leefde,
+keurde het vreemde brouwsel af, dat wij zooeven genoemd hebben. Hij
+was de eerste Chineesche theemeester, en niet alleen, dat hij de thee
+idealiseerde, maar met een helder poëtisch inzicht begreep hij, dat
+de plechtigheden bij het drinken bevorderlijk waren aan de harmonie
+en de orde in het het dagelijksch leven.
+
+In zijn _Chaking_ ("De Heilige Schrift van Thee") beschrijft hij den
+aard der theeplant, en hoe haar bladeren moeten worden verzameld en
+uitgezocht. Hij was van oordeel, dat de beste bladeren plooien moesten
+hebben als de leeren laarzen van Tartaarsche ruiters, gekruld moesten
+zijn als de keellap van een krachtigen os, moesten worden losgevouwen
+als een nevel, die uit een ravijn opstijgt, moesten glinsteren als
+een meer, door den westenwind bewogen, en vochtig en zacht moesten
+zijn als fijne aarde, juist te voren door den regen bespoeld. Luwuh
+beschrijft de verschillende gereedschappen, die met de plechtigheid
+van het theedrinken verbonden zijn, en beweert, dat de groene drank
+moet worden gedronken uit blauwe porceleinen koppen. Hij behandelt in
+bijzonderheden de keuze van het water, en de wijze, hoe het gekookt
+moet worden. In poëtische bewoordingen beschrijft hij de drie trappen
+van koken. Hij vergelijkt de kleine belletjes bij het begin van het
+koken met de oogen van visschen, de kleine belletjes bij het tweede
+koken met een fontein, gekroond met opgehoopte kristallenknopjes, en
+het laatste kooksel wordt beschreven als gelijkend op het verrijzen
+van kleine golven. De laatste hoofdstukken van de _Chaking_ behandelen
+de gewone en niet-orthodoxe methoden van theedrinken, en de vurige
+meester geeft een lijst van beroemde theedrinkers, en somt de beroemde
+Chineesche theeplantages op. Het bekoorlijke werk van Luwuh werd als
+een meesterstuk beschouwd. Hij was in hoog aanzien bij Keizer Taisung,
+trok een aantal leerlingen naar zich toe, en werd beschouwd als de
+grootste autoriteit op het gebied van thee en theedrinken. Zijn roem
+hield niet op bij zijn dood, immers sedert zijn dood is hij door
+Chineesche handelaars in thee als een beschermgod vereerd.
+
+
+
+
+De Japansche Theeceremonies.
+
+Men meent, dat de groote Buddhistische heilige, Dengyo Daishi, de thee
+uit China in Japan invoerde in het jaar 805. In ieder geval stond het
+theedrinken in Nippon in verband met het Buddhisme, en voornamelijk
+met de Zen-secte, die zoovele van de Taoïstische leerstellingen had
+overgenomen. De priesters van die orde dronken thee uit één enkelen
+kom voor het beeld van Bodhi Dharma (Daruma). Zij deden dit in den
+geest van aanbidding en beschouwden het theedrinken als een heilig
+sacrament. Het was die plechtigheid bij de Zen-secte, die uitsluitend
+van godsdienstigen aard was, welke zich ten slotte ontwikkelde tot
+de Japansche theeceremonies.
+
+"De theeceremonies", zoo schrijft Professor B.H. Chamberlain,
+"hebben gedurende de zes of zeven honderd jaren van haar bestaan
+drie gedaanteverwisselingen ondergaan. Zij hebben een geneeskundig
+godsdienstigen trap, een wellustigen, en ten slotte een aesthetischen
+trap doorloopen. Op den godsdienstigen trap schreef de Buddhistische
+priester Eisai een korte verhandeling, die tot titel droeg _De
+Heilige Invloed van het Theedrinken_, waarin hij beweerde, dat
+die drank de macht had, kwade geesten te verdrijven. Hij voerde
+een godsdienstige plechtigheid in, in verband met de vereering der
+voorouders, vergezeld met het slaan van trommen en het verbranden
+van vuurwerk. Eisai schreef zijn verhandeling met de bedoeling,
+Minamoto-no-Sanetomo te bekeeren van zijn misdadige liefde voor den
+wijnbeker, en trachtte de voortreffelijkheid der theeplant boven het
+druivensap aan te toonen." Het blijkt dat de theeceremonies in den
+loop der tijden haar godsdienstige beteekenis verloren. "De Daimio's",
+zoo schrijft Chamberlain, "die daaraan deelnamen lagen op rustbanken,
+bedekt met tijgervellen en vellen van luipaarden. De muren der ruime
+vertrekken, waarin de gasten waren verzameld, waren niet alleen
+behangen met Buddhistische teekeningen, maar met damasten brokaat,
+met gouden en zilveren vaatwerk, en zwaarden met schitterende
+scheeden. Kostbare reukwerken werden gebrand, zeldzame visschen
+en vreemde vogels werden opgedischt met suikerwerk en wijn, en de
+aardigheid van het feest bestond hierin, dat men moest raden, waar
+de grondstof voor iederen kop thee was voortgebracht; want er werden
+zooveel mogelijk soorten binnengebracht, om als _gezelschapsspel_
+of als raadsel dienst te doen.... Voor iederen keer, dat men goed
+geraden had, ontving de oplosser één der schatten ten geschenke, die
+rondom het vertrek hingen. Maar hij mocht die niet zelf medenemen. De
+regels der theeceremonies, zooals zij toen beoefend werden, eischten,
+dat alle kostbare en zeldzame dingen, die tentoongesteld waren, door
+de winners ten geschenke werden gegeven aan de zang- en dansmeisjes,
+van wie steeds een groot aantal tegenwoordig waren, om het gezelschap
+bij hun feest bij te staan."
+
+Die vorm van theeceremonies, die inderdaad een vreeselijk onzedelijke
+slemppartij blijkt geweest te zijn, gaf een beeld van het weelderige
+en losbandige tijdperk, waarin die theeceremonies plaats hadden. De
+theeceremonie, in haar meer blijvenden en karakteristieken vorm,
+was bestemd, alle gemeene vertooningen op zijde te zetten, een
+zeker bedrag aan godsdienst en wijsbegeerte te omvatten, en bovenal
+een middel te schenken, om de kunst en de schoonheid der Natuur te
+bestudeeren. De theesalon werd niet een plaats voor drinkgelagen,
+maar een plaats, waar de reiziger vrede zou kunnen vinden in plechtige
+overpeinzing. Zelfs het tuinpad, dat naar de theekamer leidt, had
+zijn symbolische beteekenis, want het beteekende den eersten trap
+naar zelf-verlichting. De volgende regels geven een denkbeeld van de
+voorstelling, die Kobori Enshiu zich maakt van het pad, dat naar de
+theekamer leidt:
+
+
+ "Een groep zomerboomen,
+ Een deel van de zee,
+ Een bleeke avondmaan".
+
+
+Zulk een tafereel was bestemd, den reiziger een denkbeeld te geven van
+geestelijk licht. De boomen, de zee en de maan wekten oude droomen,
+en hun aanwezigheid was de reden, dat de gast verlangend was, over te
+gaan naar de grootere vreugden van den theesalon. Geen _samurai_ mocht
+met zijn zwaard in het geurige heiligdom van den vrede binnentreden,
+en in een aantal theesalons was er een lage deur, waardoor de gasten
+binnenkwamen met gebogen hoofd, als een teeken van nederigheid. In
+stilte maakten de gasten een diepe buiging vóór een _kakomono_ of
+vóór een eenvoudige schoone bloem op de _tokonoma_ (alkoof), en gingen
+dan op de matten zitten. Als zij dit gedaan hadden, kwam de gastheer
+binnen, en hoorde men het water in den ketel met een muzikaal geluid
+koken, het gevolg van enkele stukken ijzer, die daarin lagen. Zelfs
+het koken van het water in den ketel was verbonden met een poëtische
+gedachte, want het gezang van water en metaal moest een voorstelling
+geven van "de echo's van een waterval, door wolken bedekt, van een
+verwijderde zee, die tegen de rotsen breekt, van een regenvlaag, die
+door een bamboebosch vliegt, of van het suizen van pijnboomen op den
+één of anderen verwijderden heuvel". Er was een gevoel van harmonie
+in den theesalon. Het licht was als het zachte licht van den avond,
+en de kleederen van het gezelschap waren even rustig en stemmig als de
+grijze vleugels van een nachtvlinder. In dat rustige vertrek dronken
+de gasten hun thee en peinsden, en keerden weder beter en krachtiger
+in de wereld terug, nadat zij in stilte het schoone en het edele in
+godsdienst, kunst en natuur hadden overdacht en beschouwd. "Daar zij
+voortdurend in harmonie trachtten te zijn met den grooten rhythmus der
+natuur, waren zij steeds voorbereid, het onbekende binnen te treden."
+
+
+
+
+De Dood van Rikiu.
+
+Rikiu was één der grootste theemeesters, en langen tijd bleef hij de
+vriend van Taiko-Hideyoshi; maar de tijd waarin hij leefde, was vol
+verraad. Er waren velen, die afgunstig waren op Rikiu, velen, die op
+zijn dood loerden. Toen een verkoeling ontstond tusschen Hideyoshi en
+Rikiu, maakten de vijanden van den grooten theemeester gebruik van
+die verkoeling en verspreidden het gerucht, dat Rikiu van plan was,
+vergif te doen in een kop thee, en dat aan zijn edelen beschermer
+aan te bieden. Spoedig vernam Hideyoshi dat gerucht, en zonder de
+moeite te nemen, de zaak nader te onderzoeken, veroordeelde hij Rikiu,
+zelfmoord te plegen.
+
+Den laatsten dag, dat de beroemde theemeester leefde, noodigde hij
+een aantal van zijn leerlingen uit, hem te bezoeken bij zijn laatste
+theeceremonie. Terwijl zij in het tuinpad wandelden, leek het, alsof
+geesten in de ritselende paden fluisterden. Toen de leerlingen den
+theesalon binnentraden, zagen zij een _kakemono_ in de _tokonoma_
+hangen, en toen zij hun bedroefde oogen ophieven, zagen zij, dat
+het geschrift het voorbijgaan van alle aardsche dingen beschreef. Er
+was poëzie in het gezang van den theeketel, maar het was een droevig
+gezang, als het klagende geluid van een insect. Rikiu kwam kalm en
+waardig in den theesalon, volgens de gewoonte liet hij den voornaamsten
+gast de verschillende voorwerpen bewonderen, die met de thee-ceremonie
+in verband stonden. Toen alle gasten die hadden beschouwd, met een
+bloedend hart hun schoonheid bewonderend, bood Rikiu iederen leerling
+een aandenken aan. Hij nam zijn eigen theekop in de hand en zeide:
+"Nooit meer zal die kop, bezoedeld door de lippen van het ongeluk,
+door een mensch gebruikt worden". Na die woorden gesproken te hebben,
+brak hij den kop ten bewijze, dat de thee-ceremonie geëindigd was,
+en de gasten namen een droevig afscheid. Slechts één bleef achter,
+om getuige te zijn, niet van het drinken van nog een kop thee, maar
+van den dood van Rikiu. De groote meester trok zijn bovenkleeren uit,
+en toen kwam het reine witte Doodskleed voor den dag. Nog altijd even
+kalm en waardig, keek hij naar zijn dolk, en zeide hij met onbewogen
+stem het volgende vers op:
+
+
+ "Een welkom zij u gewijd,
+ O zwaard der eeuwigheid!
+ Door Buddha
+ En ook door Daruma
+ Hebt gij uw weg gebaand."
+
+
+Hij, die het oude gedicht placht aan te halen, "aan hen, die alleen
+naar bloemen verlangen, zou ik gaarne de in vollen bloei staande
+lente willen laten zien, die woont in de zwellende knoppen op de
+heuvelen met sneeuw bedekt", heeft de Japansche thee-ceremonie met
+een onsterfelijke bloem gekroond.
+
+
+
+
+De Legende der Theeplant. [72]
+
+Daruma was een Indische wijze, wiens beeld, zooals wij reeds gezien
+hebben, in verband stond met het theedrinken als godsdienstig gebruik
+door de Zen-secte in Japan. Men zegt, dat hij de zoon was van een
+Hindoe-koning, en onderwijs had genoten van Panyatara. Toen hij zijn
+studies had voleindigd, trok hij zich terug naar Lo Yang, waar hij
+gedurende negen jaar in gepeins bleef zitten. In die periode werd de
+wijze in verzoeking gebracht op de wijze van den Heiligen Antonius,
+Hij worstelde tegen die verzoekingen, door aanhoudend de heilige
+geschriften op te zeggen; maar het telkens herhalen van het woord
+"juweel" verloor zijn geestelijke beteekenis, en werd in verband
+gebracht met den edelsteen, die gedragen werd in het oor van zekere
+bekoorlijke vrouw. Zelfs het woord "lotus", dat alle ware Buddhisten
+zoo heilig is, was niet langer het symbool van Buddha, en deed Daruma
+denken aan het openen van den schoonen mond van een meisje. Zijn
+verzoekingen namen toe, en hij werd overgebracht naar een Indische
+stad, waar hij zich bevond onder een groote menigte aanbidders. Hij
+zag vreemde godheden met afschuwelijke symbolen op hun voorhoofd, en
+Rajah's en Prinsen, die op olifanten reden, en die omringd waren door
+een groot gezelschap dansmeisjes. De groote menschenmassa trok voort
+en daarbij ook Daruma, totdat zij aan een tempel kwamen met tallooze
+tinnen, een tempel bedekt met een menigte onreine gedaanten, en het
+leek Daruma, dat hij de vrouw zag en kuste, die de beteekenis van den
+juweel en den lotus had veranderd. Daarop verdween de verschijning
+plotseling, en Daruma werd wakker, en ontdekte, dat hij onder den
+Chineeschen hemel zat. De wijze, die tijdens zijn overpeinzing in slaap
+was gevallen had ernstig berouw, dat hij zijn godsdienstige plichten
+had verwaarloosd, en na een mes uit zijn gordel te hebben genomen,
+sneed hij zijn oogleden af en wierp die op den grond, terwijl hij
+zeide: "O Gij Volkomen Ontwaakte!" De oogleden veranderden in de
+theeplant, waarvan een drank werd vervaardigd, die den slaap kon
+verdrijven en vrome Buddhistische priesters in staat stelde hun
+nachtwaken te houden.
+
+
+
+
+Daruma.
+
+Daruma wordt meestal voorgesteld zonder beenen, want volgens een
+andere lezing der legende, die wij zooeven hebben medegedeeld,
+verloor hij zijn beenen door de negenjarige overpeinzing. _Netsuke_
+[73]-snijders stellen hem voor in een plechtig, zakvormig gewaad,
+met een zuur gezicht en oogen zonder oogleden. Somtijds wordt hij in
+de Japansche kunst voorgesteld, omgeven door spinnewebben, en er is
+een schalksche wijziging van den heilige, waar hij is voorgesteld als
+een vrouwelijke Daruma, wat een speelsche hatelijkheid is op Japansche
+vrouwen, van wie niet kan worden verwacht, dat zij negen jaar lang
+kunnen zwijgen! Dikwijls wordt een uil in verband gebracht met Daruma,
+en op zijn tocht naar Japan wordt hij uitgebeeld, op de golven staande,
+gesteund door een gierststengel. Drie jaar na den dood van Daruma zag
+men hem wandelen over de westelijke bergen van China, en men zag,
+dat hij één schoen in zijn rechter hand droeg. Toen het graf van
+Daruma op bevel van den Keizer werd geopend, bleek dit slechts één
+schoen te bevatten, dien de heilige vergeten had mede te nemen. [74]
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXV. LEGENDEN UIT DE SPOKENWERELD. [75]
+
+
+
+"Hoïchi zonder Ooren."
+
+In de verhalen omtrent Yoshitsune en zijn trouwen dienaar Benkei
+hebben wij reeds melding gemaakt van den slag bij Dan-no-ura, den
+laatsten strijd tusschen de Taira en de Minamoto stammen. [76] In
+dat groote zeegevecht kwamen de Taira om, en tevens hun jonge Keizer
+Antoku Tenno. Het merkwaardige tafereel wordt in de _Heike Monogatari_
+(vertaling van W.G. Aston) aldus beschreven:
+
+"Deze wereld is het gebied der smart, een verwijderde plek, klein
+als een gierstkorrel. Maar onder de golven is een prachtige stad,
+het Reine Land van Volmaakt Geluk genoemd. Daarheen voer ik u." Met
+zoodanige woorden kalmeerde zij hem. Het kind bond toen zijn strik
+op het hoofd vast aan het Keizerlijke kleed dat de kleur had van een
+bergduif en treurig vouwde hij zijn vriendelijke handjes samen. Eerst
+wendde hij zich naar het Oosten, en nam afscheid van den tempel van
+den grooten God van Ise en den tempel van Hachiman. Daarna wendde hij
+zich naar het Westen, en riep den naam van Buddha aan. Toen hij dit
+had gedaan, nam Niidono hem moedig in haar armen, en na hem te hebben
+gevleid met de woorden, 'Er is een stad ver weg onder de golven,'
+zonk zij op den bodem ter diepte van duizend vademen.
+
+Men zegt, dat zevenhonderd jaar na dien grooten zeestrijd de zee en
+de kust in de nabijheid door de geesten van den Taira stam werden
+bezocht. Geheimzinnige vuren schenen op de golven, en de lucht was
+gevuld met het geluid van strijd. Om de ongelukkige geesten tot
+rust te brengen, werd de tempel van Amidaji te Akamagaséki gebouwd,
+en werd er dichtbij een kerkhof aangelegd, en daarop verschillende
+gedenksteenen geplaatst, waarop de namen van den verdronken keizer en
+zijn voornaamste volgelingen waren gegrift. Die tempel en dat kerkhof
+brachten de spookverschijningen tot op zekere hoogte tot rust, maar
+van tijd tot tijd geschiedden er een aantal vreemde dingen, zooals
+wij uit de volgende legende zullen zien.
+
+Er leefde eens in den tempel van Amidaji een blinde priester Hoïchi
+genaamd. Hij was beroemd om zijn voordragen en zijn wonderbaarlijke
+bekwaamheid in het spelen op de _biwa_ (een luit met vier snaren),
+en hij had er bijzonder veel genoegen in, verhalen voor te dragen,
+die in verband stonden met den langdurigen oorlog tusschen de Taira
+en de Minamoto stammen.
+
+Eens op een avond was Hoïchi alleen in den tempel achtergelaten, en
+daar het een zeer warme avond was, bleef hij op de veranda zitten,
+waar hij herhaaldelijk op zijn _biwa_ speelde. Terwijl hij daarmede
+druk bezig was, hoorde hij iemand naderen, die den kleinen achtertuin
+van den tempel overstak.
+
+Daarna riep een diepe stem van onder de veranda: "Hoïchi!" En nog
+eens klonk de stem: "Hoichi!"
+
+Hoïchi, die daardoor zeer ontsteld werd, antwoordde, dat hij blind was,
+en gaarne wilde weten, wie zijn bezoeker was.
+
+"Mijn meester," zoo sprak de vreemdeling, "houdt zich thans te
+Akamagaséki op met een aantal volgelingen, en hij is daarheen gegaan,
+om het tooneel van den slag bij Dan-no-ura te aanschouwen. Hij heeft
+gehoord, hoe voortreffelijk gij het verhaal van den strijd voordraagt,
+en heeft mij bevolen, u vóór hem te geleiden, opdat gij hem uw
+bekwaamheid kunt toonen. Breng uw _biwa_ mede en volg mij. Mijn meester
+en zijn doorluchtig gezelschap wachten op uw geëerde tegenwoordigheid."
+
+Hoïchi, die meende, dat de vreemdeling de één of andere edele _samurai_
+was, gehoorzaamde onmiddellijk. Hij trok zijn sandalen aan en nam
+zijn _biwa_ mede. Met ijzeren hand geleide hem de vreemdeling, en
+zij liepen haastig voort. Hoïchi hoorde wapengekletter naast zich;
+maar hij was geen oogenblik bevreesd, en hij verheugde zich in het
+vooruitzicht van de eer, zijn bekwaamheid te kunnen toonen voor een
+uitgezocht gezelschap.
+
+Toen hij aan de poort kwam, riep de vreemdeling luide: "_Kaimon!_"
+Onmiddellijk werden de grendels van de poort verwijderd en werd deze
+geopend, waarna beide mannen naar binnen gingen. Daarna werd het
+geluid gehoord van een aantal voeten, die naderden, en een geritsel
+als van schermen, die geopend werden. Hoïchi werd geholpen bij het
+beklimmen van een aantal trappen, en toen hij boven was gekomen,
+werd hem bevolen, zijn sandalen achter te laten. Een vrouw leidde hem
+toen bij de hand voort, totdat hij zich in een groot vertrek bevond,
+waar hij meende, dat een groot gezelschap bijeen was. Hij hoorde het
+onderdrukt gefluister van stemmen en de zachte beweging van zijden
+gewaden. Toen Hoïchi had plaats genomen op een kussen, verzocht hem
+de vrouw, die hem geleid had, de geschiedenis te vertellen van den
+grooten slag bij Dan-no-ura.
+
+Hoïchi begon te zingen onder begeleiding van zijn _biwa_. Zijn
+bekwaamheid was zóó groot, dat de snaren van zijn muziekinstrument
+het geluid van roeiriemen, de beweging van schepen, het geschreeuw
+der bemanning, het geluid der zich verheffende baren en het snorren
+van pijlen schenen na te bootsen. Een zacht gemompel van goedkeuring
+begroette Hoïchi's prachtige voordracht. Aangemoedigd door die bewijzen
+van tevredenheid, zong en speelde hij nog prachtiger en kunstiger
+voort. Toen hij begon te zingen van den dood der vrouwen en kinderen,
+het zich in zee storten van Niidono met den jeugdigen keizer in haar
+armen, begon het gezelschap te weenen en te jammeren.
+
+Toen Hoïchi geëindigd had, zeide hem de vrouw, die hem had geleid,
+dat haar meester zeer ingenomen was met zijn voordracht, en dat hij
+verlangde, dat hij ook de zes volgende nachten voor hem zou spelen. "De
+bediende," voegde zij er aan toe, "die u van nacht hier bracht, zal
+morgen op hetzelfde uur uw tempel bezoeken. Gij moet die bezoeken
+geheim houden, en kunt nu naar huis terugkeeren".
+
+Weer geleidde de vrouw Hoïchi door het vertrek, en na de trappen
+bereikt te hebben, werd hij door denzelfden bediende teruggeleid naar
+de veranda aan de achterzijde van den tempel waar hij woonde.
+
+Den volgenden nacht werd Hoïchi weer weggeleid, om het gezelschap
+te onderhouden, en weer werd zijn voordracht bewonderd. Maar nu werd
+ook zijn afwezigheid ontdekt, en bij zijn terugkomst vroeg hem zijn
+medepriester er naar. Hoïchi ontweek de vraag van zijn vriend, en
+zeide hem, dat hij alleen maar even uit was geweest, om een private
+aangelegenheid te behandelen.
+
+Zijn collega was volstrekt niet voldaan. Hij betreurde de
+stilzwijgendheid van Hoïchi en vreesde, dat er iets niet in den haak
+was, en dat misschien wel de blinde priester door booze geesten
+was betooverd geworden. Hij beval daarom de mannelijke bedienden,
+streng de wacht te houden over Hoïchi, en hem te volgen, als hij den
+volgenden nacht weer den tempel zou verlaten.
+
+Weer verliet Hoïchi zijn woning. De mannelijke bedienden staken haastig
+hun lantarens aan en volgden hem zoo haastig mogelijk; maar hoewel
+zij snel liepen, overal rondzagen en voortdurend onderzoek deden,
+gelukte het hun niet Hoïchi te ontdekken, of iets omtrent hem gewaar
+te worden. Op hun terugtocht schrikten zij echter, toen zij het geluid
+van een _biwa_ hoorden op het kerkhof van den tempel, en toen zij die
+sombere plaats binnentraden, zagen zij den blinden priester zitten. Hij
+zat op het graf van Antoku Tenno, den jeugdigen keizer, waar hij
+zijn _biwa_ luid deed klinken en tegelijk met luider stem het verhaal
+zong van den slag bij Dan-no-ura. Aan weerszijden van hem fonkelden
+geheimzinnige vlammen, als een groote menigte brandende kaarsen.
+
+"Hoïchi! Hoïchi!" riepen de mannen. "Houd onmiddellijk op met
+spelen! Gij zijt betooverd, Hoïchi!" Maar de blinde priester bleef
+doorspelen en zingen, naar het scheen, in een vreemden en ijselijken
+droomtoestand verkeerend.
+
+De mannelijke bedienden gingen toen tot krachtiger maatregelen
+over. Zij schudden hem heen en weer, en riepen in zijn oor: "Hoïchi,
+kom dadelijk met ons terug!"
+
+De blinde priester berispte hen, en zeide, dat een dergelijke
+stoornis door het aanzienlijke gezelschap, waar hij zich bevond,
+niet zou worden geduld.
+
+De mannen sleepten nu Hoïchi met geweld mede. Toen hij den tempel
+bereikte, werden hem zijn natte kleeren uitgetrokken, en werd hem
+spijs en drank voorgezet.
+
+Hoïchi's ambtgenoot was toen vreeselijk boos, en volkomen terecht
+drong hij aan op een volledige verklaring van zijn vreemd gedrag. Na
+langdurige aarzeling verhaalde Hoïchi zijn vriend alles, wat hem
+was overkomen. Toen hij zijn vreemde avonturen had verhaald, zeide
+de priester:
+
+"Arme vriend! Ge hadt mij dit eer moeten verteld hebben. Gij hebt
+niet het deftige huis van een aanzienlijk man bezocht, maar gij
+hebt op gindsch kerkhof gezeten voor het graf van Antoku Tenno. Uwe
+groote gaven hebben de geesten van den Tairastam opgeroepen. Hoïchi,
+gij verkeert in groot gevaar, want gij hebt u, door aan die geesten
+te gehoorzamen, ongetwijfeld in hun macht geplaatst, en vroeg of
+laat zullen zij u dooden. Het is ongelukkig, dat ik tegen den nacht
+ontboden ben, om een godsdienstplechtigheid te vervullen, maar voordat
+ik wegga, zal ik er voor zorgen, dat uw lichaam met heilige teksten
+bedekt wordt."
+
+Vóór het aanbreken van den nacht werd Hoïchi ontkleed, en een
+tempeldienaar schreef met penseelen op zijn lichaam de tektsten van de
+_sutra_, die bekend staat als _Hannya-Shin-Kyo_. Die tektsten werden
+geschreven op zijn borst, hoofd, rug, gelaat, nek, beenen, armen en
+voeten, ja zelfs op de zolen van zijn voeten. Daarna sprak de priester:
+"Hoïchi, gij zult van nacht weer weggeroepen worden. Blijf stil zitten,
+zeg niets, en blijf voortdurend peinzen. Als gij die dingen doet,
+zal u geen kwaad overkomen."
+
+Dien nacht zat Hoïchi alleen in de veranda, terwijl hij nauwelijks
+een spier bewoog en zeer zacht adem haalde.
+
+Weer hoorde hij het geluid van voetstappen. "Hoïchi!" riep een diepe
+stem. Maar de blinde priester antwoordde niet. Hij bleef doodstil
+zitten, in den grootsten angst.
+
+Telkens werd zijn naam weer gehoord, doch zonder eenig resultaat. "Dit
+geeft niets", bromde de vreemdeling. "Ik moet zien, waar de kerel
+is". De vreemdeling sprong in de veranda en ging vóór Hoïchi staan,
+die over zijn geheele lichaam beefde, ontzet over den toestand.
+
+"Ha!" riep de vreemdeling. "Dit is de _biwa_, maar in plaats van den
+speler zie ik--niets dan twee ooren! Nu begrijp ik, waarom hij niet
+antwoordde. Hij heeft geen mond, alleen zijn beide ooren! die ooren
+zal ik naar mijn meester brengen!"
+
+Een oogenblik later werden Hoïchi de ooren van het hoofd getrokken,
+maar in weerwil van de vreeselijke pijn gaf de blinde priester geen
+geluid. Daarna vertrok de vreemdeling, en toen zijn voetstappen
+waren weggestorven, was het eenige geluid, dat Hoïchi hoorde, het
+druppelen van het bloed op de veranda, en zoo vond de priester bij
+zijn terugkomst den ongelukkigen man.
+
+"Arme Hoïchi!" riep de priester. "Het is mijn eigen schuld. Ik
+vertrouwde erop, dat mijn tempeldienaar heilige teksten op ieder deel
+van uw lichaam zou schrijven. Hij verzuimde dit echter op uw ooren
+te doen. Ik had er op moeten letten, dat hij mijn bevelen behoorlijk
+uitvoerde. Maar gij zult in het vervolg niet meer door die geesten
+gehinderd worden." Sedert dien tijd was de blinde priester bekend
+onder den naam van _Mimi-nashi-Hoïchi_, "Hoïchi de Man zonder ooren."
+
+
+
+
+De Lijken-eter.
+
+Muso Kokushi, een priester, verdwaalde, toen hij door de provincie
+Mino zwierf. Daar hij er aan wanhoopte, een menschelijke woning te
+vinden, was hij op het punt, in de open lucht te gaan slapen, toen
+hij toevallig een kleine kluizenaarswoning (_anjitsu_) ontdekte.
+
+Een oude priester begroette hem, en Muso verzocht, dat hij hem voor
+één nacht een schuilplaats zou willen geven. "Neen", antwoordde de
+oude priester nijdig, "ik verleen nooit iemand een schuilplaats. In
+gindsche vallei zult gij een gehucht vinden; zoek daar een schuilplaats
+voor één nacht."
+
+Met deze tamelijk onbeleefde woorden vertrok Muso, en toen hij het
+gehucht bereikt had, werd hij gastvrij opgenomen in de woning van
+het dorpshoofd. Zoodra hij het voornaamste vertrek binnentrad, zag
+de priester, dat daar een aantal menschen verzameld waren. Hem werd
+een afzonderlijk vertrek aangewezen, en hij was op het punt in slaap
+te vallen, toen hij klagende geluiden hoorde, en korten tijd daarna
+verscheen een jonge man vóór hem, die een lantaarn in zijn hand hield.
+
+"Goede priester", zeide deze, "ik moet u zeggen, dat mijn vader
+onlangs gestorven is. Wij wilden u dit niet bij uw komst mededeelen,
+omdat gij vermoeid waart en veel rust noodig hadt. Al de menschen,
+die gij in het voornaamste vertrek bijeen zaagt, waren gekomen,
+om den doode eer te bewijzen. Nu moeten wij allen weggaan, want
+dit is de gewoonte in ons dorp als iemand sterft, omdat vreemde en
+vreeselijke dingen met lijken gebeuren, als zij alleen gelaten worden;
+maar misschien zult gij, die een priester zijt, niet bang zijn om
+achter te blijven bij het lijk van mijn armen vader."
+
+Muso antwoordde, dat hij volstrekt niet bang was, en zeide den jongen
+man, dat hij een lijkdienst zou houden en bij den gestorvene den
+wacht zou houden, zoolang het gezelschap afwezig was. Daarop verliet
+de jonge man te zamen met de overige rouwdragers het huis, en Muso
+bleef achter, om zijn eenzame nachtwake te houden.
+
+Nadat Muso den lijkdienst had verricht, bleef hij verscheidene uren
+peinzen. Toen de nacht ver gevorderd was, zag hij, dat een vreemde
+gedaante in het vertrek was, die er zóó verschrikkelijk uitzag, dat
+de priester zich noch kon bewegen noch kon spreken. De gedaante kwam
+naderbij, tilde het lijk op en verslond het snel. Niet tevreden met dit
+afgrijselijke maal, at de geheimzinnige gedaante ook de doodenoffers
+op, en verdween daarna.
+
+Den volgenden morgen keerden de dorpsbewoners terug, en zij waren
+volstrekt niet verbaasd, toen zij hoorden, dat het lijk verdwenen
+was. Nadat Muso zijn vreemd avontuur had verhaald, vroeg hij, of de
+priester op den heuvel niet somtijds den lijkdienst verrichtte. "Ik
+bezocht hem den vorigen nacht in zijn _anjitsu_, en hoewel hij mij
+een onderkomen weigerde, zeide hij mij, waar ik een rustplaats zou
+kunnen vinden."
+
+De dorpsbewoners waren over die woorden zeer verbaasd, en vertelden
+Muso, dat er volstrekt geen priester of _anjitsu_ op gindschen heuvel
+was. Zij waren zoo positief mogelijk in hun beweringen, en verzekerden,
+dat Muso door den één of anderen boozen geest hieromtrent moest zijn
+bedrogen. Muso antwoordde niet, en korten tijd later vertrok hij,
+vast besloten zoo mogelijk het geheim te onthullen.
+
+Het kostte Muso volstrekt geen moeite de _anjitsu_ terug te vinden. De
+oude priester kwam naar buiten, en trad hem tegemoet, boog, en zeide,
+dat hij spijt had van zijn vroegere onbeleefdheid. "Ik schaam mij,"
+voegde hij er aan toe, "niet alleen, omdat ik u geen schuilplaats heb
+verleend, maar ook omdat gij mij in mijn ware gedaante hebt gezien. Gij
+hebt mij een lijk en de doodenoffers zien verslinden. Ik ben, helaas,
+goede man, een _jikininki_ (menschenetend spook), en als gij mij wilt
+aanhooren, zal ik u mijn ellendigen toestand duidelijk maken.
+
+"Jaren geleden was ik in dit district priester, en ik volbracht een
+groot aantal lijkdiensten; maar ik was geen trouwe priester, want
+het was niet uit waren godsdienstzin, dat ik mijn taak verrichtte,
+en ik dacht alleen aan de goede en schoone kleeren, die ik door mijn
+beroep kon verdienen. Om die reden werd ik als _jikininki_ herboren,
+en heb daarom de lijken verslonden van allen, die in dit district
+gestorven zijn. Ik smeek u, heb toch medelijden met mijn ellendig lot,
+en zeg ten mijnen behoeve enkele gebeden op, opdat ik spoedig weer
+vrede vinde en opdat mijn groote slechtheid een einde neme."
+
+Onmiddellijk nadat die woorden gesproken waren, verdwenen de kluizenaar
+en zijn kluis plotseling, en Muso bleek geknield te zijn voor een met
+mos bedekt graf, dat waarschijnlijk het graf was van den ongelukkigen
+priester.
+
+
+
+
+De Spookmoeder.
+
+Een bleeke vrouw strompelde een straat af, Nakabaramachi genaamd; zij
+ging een winkel binnen en kocht een geringe hoeveelheid _midzu-ame_
+[77]. Elken avond kwam zij tegen den nacht terug, steeds bleek
+en verwilderd, en zonder ooit een woord te zeggen. De winkelier,
+die een welwillende belangstelling voor haar koesterde, volgde haar
+eens op een avond, maar toen hij zag, dat zij een kerkhof binnenging,
+keerde hij terug, verbaasd en beangst.
+
+Weer kwam de geheimzinnige vrouw in den kleinen winkel, maar nu
+kocht zij geen _midsu-ame_, maar wenkte zij den winkelier haar
+te volgen. De bleeke vrouw liep de straat af, gevolgd door den
+koopman in barnsteenstroop en enkelen van zijn vrienden. Toen zij
+het kerkhof bereikten, verdween de vrouw in een graf, en zij, die
+er buiten stonden, hoorden kindergehuil. Toen het graf geopend was,
+zagen zij het lijk van de vrouw, die zij gevolgd hadden, en naast
+haar lag een levend kind, dat lachte bij het licht van de lantarens,
+en dat zijn kleine handjes uitstrekte naar een kop _midzu-ame_. De
+vrouw was in der tijd te vroeg begraven en haar kind in het graf
+geboren. Iederen avond ging de stilzwijgende moeder van het kerkhof
+weg, om voedsel voor haar kind te halen.
+
+
+
+
+De Futon van Tottori.
+
+In Tottori was een kleine en eenvoudige herberg. Het was een nieuwe
+herberg, en daar de herbergier arm was, was hij verplicht, die te
+voorzien van goederen, die afkomstig waren uit een tweedehandswinkel
+in de buurt. Zijn eerste gast was een koopman, die met buitengewone
+beleefdheid werd behandeld, en die veel warme _saké_ kreeg. Toen de
+koopman den verfrisschenden rijstwijn had gedronken, ging hij rusten
+en viel hij in slaap. Hij had nog niet lang gesluimerd, of hij hoorde
+het geluid van kinderstemmen in zijn kamer en hoorde hen op treurigen
+toon roepen: "Is mijn oudste Broeder niet erg koud?" "Neen, jij bent
+zeker koud?" Telkens herhaalden de kinderen die klagende woorden. De
+koopman, die dacht, dat bij ongeluk kinderen in zijn kamer verdwaald
+waren, berispte hen zachtmoedig en maakte zich gereed weer in slaap
+te gaan. Na een oogenblik stilte riepen de kinderen weer: "Is mijn
+oudste Broeder niet erg koud?" "Neen, jij bent zeker koud?" Die
+woorden werden telkens herhaald en de gast bemerkte verstijfd van
+schrik, dat de stemmen uit zijn _futon_ (deken) afkomstig waren.
+
+Haastig ging hij den trap af en vertelde den herbergier, wat geschied
+was. De herbergier was boos. "Gij hebt te veel warme _saké_ gedronken,"
+zeide hij. "De warme _saké_ heeft u kwade droomen gebracht." Maar de
+gast betaalde zijn rekening en zocht ergens anders een onderkomen.
+
+Den volgenden nacht sliep een andere gast in de betooverde kamer,
+en ook hij hoorde dezelfde geheimzinnige stemmen, betaalde den
+herbergier en vertrok haastig. De herbergier kwam toen zelf het vertrek
+binnen. Hij hoorde de treurige kinderkreten, die uit de _futon_ te
+voorschijn kwamen, en was nu wel verplicht de vreemde geschiedenis
+te gelooven, die zijn twee gasten hem hadden verteld.
+
+Den volgenden dag ging de herbergier naar de tweedehandswinkel, waar
+hij de _futon_ had gekregen, en deed navraag naar de zaak. Nadat hij
+van den eenen winkel naar den anderen was gegaan, hoorde hij eindelijk
+het volgende verhaal over de geheimzinnige _futon_:
+
+Er woonde eens in Tottori een arme man, met zijn vrouw en twee
+kinderen, die zes en acht jaar oud waren. De ouders stierven, en de
+arme kinderen waren verplicht hun weinige bezittingen te verkoopen,
+totdat zij eindelijk niets anders over hadden dan een dunne en
+versleten _futon_, om hen des nachts te dekken. Ten slotte hadden
+zij geen geld om de huishuur te betalen, of zich eenig voedsel te
+verschaffen.
+
+Toen de tijd der ergste koude was gekomen, hoopte de sneeuw zich zóó
+dik om de nederige woning op, dat de kinderen niets anders wisten
+te doen, dan de _futon_ om zich heen te trekken, en elkander op
+hun gewone vriendelijke, pathetische wijze toe te fluisteren: "Is
+mijn oudste Broeder niet erg koud?" "Neen, jij bent zeker koud?" En
+terwijl zij snikkend die woorden spraken, omvatten zij elkander,
+bevreesd voor de duisternis en den snerpenden, ijskouden wind.
+
+Terwijl hun arme lichaampjes elkander omvat hielden, ten einde elkander
+te verwarmen, kwam de hardvochtige huisheer binnen, en toen hij zag,
+dat er niemand was, om de huishuur te betalen, joeg hij de kinderen
+het huis uit, met niet anders gedekt dan met een dunne _kimono_. Zij
+trachtten den tempel van Kwannon te bereiken, maar de sneeuw lag
+te dik, en zij verborgen zich achter hun oud huis. Een deken van
+sneeuw bedekte hen, en zij vielen in slaap aan den barmhartigen
+boezem der Goden, en werden begraven op het kerkhof van den Tempel
+van Kwannon-met-de-Duizend-Armen.
+
+Toen de herbergier die droevige geschiedenis had gehoord, gaf hij de
+_futon_ aan de priesters van den tempel van Kwannon, gebeden werden
+opgezegd voor de zielen der kinderen, en van dat uur af hield de
+_futon_ op, de genoemde klagende geluiden voort te brengen.
+
+
+
+
+De Terugkeer.
+
+In het dorp Mochida-no-ura woonde een boer. Hij was vreeselijk arm,
+maar toch bracht zijn vrouw zes kinderen ter wereld. Onmiddellijk
+nadat een kind was geboren, wierp de wreede vader het in de rivier
+en beweerde, dat het bij de geboorte gestorven was, zoodat al zijn
+zes kinderen op die verschrikkelijke manier vermoord werden.
+
+Na verloop van jaren geraakte de boer in betere omstandigheden,
+en toen hem een zevende kind, een jongen, geboren werd, was hij
+bijzonder gelukkig en had hij het kind innig lief.
+
+Op zekeren avond nam de vader het kind in zijn armen, en wandelde
+er mede in den tuin, terwijl hij in verrukking fluisterde: "Wat een
+heerlijke zomeravond!"
+
+Het kind, dat toen eerst vijf maanden oud was, nam een oogenblik de
+wijze van uitdrukking van een volwassene over, en zeide: "De maan
+schijnt precies zóó, als toen gij mij laatst in het water wierpt!"
+
+Toen het kind die woorden had gesproken, werd hij weer gelijk aan
+andere kinderen; maar de boer, die nu eerst doordrongen was van het
+verschrikkelijke van zijn misdaad, werd onmiddellijk daarna priester.
+
+
+
+
+De Liefde op de proef gesteld.
+
+Er was eens een mooi meisje, wie, in strijd met de Japansche
+gewoonte, was toegestaan, haar eigen echtgenoot te kiezen. Een
+aantal vrijers dongen naar haar hand, en brachten haar geschenken
+en schoone gedichten, en spraken veel lieve woordjes tot haar. Zij
+sprak vriendelijk tot iederen vrijer en zeide: "Ik zal trouwen met
+den man, die dapper genoeg is, om een bepaalde proef te doorstaan,
+die ik hem zal opleggen, en wat die proef ook moge zijn, ik verwacht,
+dat hij, op de onschendbare eer van een _samurai_, het geheim niet
+zal openbaren." De vrijers aanvaardden onmiddellijk die voorwaarden,
+maar één voor één verlieten zij haar, met afschuw op hun gelaat,
+lieten hun vrijerij in den steek, maar repten met geen enkel woord
+van het vreemde en vreeselijke geheim.
+
+Eindelijk kwam een arme _samurai_, wiens eenige rijkdom in zijn zwaard
+bestond, bij het meisje, en zeide haar, dat hij bereid was, iedere
+proef te doorstaan, hoe zwaar ook, om haar als zijn vrouw te krijgen.
+
+Toen zij 's avonds het avondmaal hadden gebruikt, verliet het meisje
+het vertrek, en keerde lang na middernacht terug, in een wit gewaad
+gekleed. Zij gingen samen het huis uit, door tallooze straten, waar
+honden blaften, en toen naar buiten, totdat zij op een groot kerkhof
+kwamen. Hier ging het meisje vooraan, terwijl de _samurai_ volgde,
+met de hand op zijn zwaard.
+
+Toen de vrijer in staat was, door de duisternis heen te zien, zag hij,
+dat het meisje den grond met een spade weggroef. Zij groef met groote
+haast, en tilde eindelijk het deksel op van een kist. Het volgende
+oogenblik haalde zij het lijk van een kind er uit, trok er een arm
+af, brak dien, en begon er een stuk van op te eten, terwijl zij haar
+vrijer een ander stuk toewierp en uitriep: "Als gij mij lief hebt,
+eet dan wat ik eet!"
+
+Zonder een oogenblik te aarzelen, ging de _samurai_ aan den
+rand van het graf zitten, en begon zijn helft van den arm op te
+eten. "Heerlijk!" riep hij uit, "geef mij nog een stukje!" Op dit
+punt verdwijnt gelukkig plotseling het huiveringwekkende der legende,
+want noch de _samurai_ noch het meisje hadden van een lijk gegeten--de
+arm was gemaakt van het heerlijkste gebak!
+
+Het meisje sprong met een kreet van vreugde overeind, en zeide:
+"Eindelijk heb ik een dapper man gevonden! Ik zal met u trouwen,
+want gij zijt de echtgenoot, naar wien ik altijd heb verlangd, en
+dien ik tot van nacht nooit heb gevonden."
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXVI. DRIE MEISJES.
+
+
+
+Het Meisje van Unai.
+
+Het Meisje van Unai woonde bij haar ouders in het dorp Ashinóya. Zij
+was bijzonder mooi, en zij had twee vurige en volhardende
+minnaars--Mubara, die uit dezelfde landstreek afkomstig was, en Chinu,
+die uit Izumi kwam. Die twee minnaars konden even goed tweelingen
+geweest zijn, want zij kwamen met elkander overeen in leeftijd,
+uiterlijk, gelaat en lichaamsbouw. Ongelukkig hadden beiden haar
+met denzelfden hartstocht lief, zoodat het onmogelijk was, tusschen
+beiden eenig verschil te ontdekken. Hun geschenken waren dezelfde,
+en er scheen geen verschil te zijn in de wijze, waarop zij hun liefde
+betuigden. Wij krijgen een goed denkbeeld van het geheele uiterlijk
+van die twee minnaars, als wij kennis maken met het volgende fragment
+uit het gedicht van Mushimaro over dit onderwerp:
+
+
+ "Jaloersch bemint dit dappere paar
+ De liefelijke maagd:
+ Elk met de hand op 't gevest van zijn zwaard
+ Terwijl hij een pijlkoker draagt.
+
+ "Die pijlkoker hangt op den rug van den held;
+ En een sneeuwwitte houten boog
+ Rust in beider krachtige, stevige hand;
+ Zoo hielden ze elkander vijandig in 't oog."
+
+ Naar _B.H. Chamberlain_.
+
+
+Intusschen werd het Meisje van Unai droevig van gemoed. Zij nam de
+gaven van Mubara of Chinu nooit aan, en toch deed het haar leed,
+dat zij hen maand aan maand zag staan aan de poort, terwijl zij geen
+oogenblik in de vurige uitdrukking van hun gevoelens van liefde voor
+haar verslapten.
+
+De ouders van het Meisje van Unai schenen het ingewikkelde van den
+toestand niet te hebben ingezien, want zij zeiden haar: "Het is droevig
+voor ons, om den last van uw ongepast gedrag te moeten dragen, nu gij
+van maand tot maand en van jaar tot jaar op de meest zorgelooze wijze
+anderen smart doet lijden. Als gij het aanzoek van den één aanneemt,
+zal de liefde van den ander na korten tijd ophouden."
+
+Die goed bedoelde woorden brachten het arme Meisje van Unai geen
+troost of geen hulp; daarom ontboden de ouders de minnaars, legden
+den treurigen toestand bloot en besloten, dat hij, die een watervogel
+zou schieten, welke zwom in de rivier Ikuta, die langs het platvorm
+stroomde, waarop het huis was gebouwd, hun dochter ten huwelijk
+zou verkrijgen.
+
+De minnaars waren met die beslissing ten zeerste ingenomen, en
+verlangden er naar, dat er een einde zou komen aan die wreede
+onzekerheid. Op hetzelfde oogenblik spanden zij hun bogen, en te
+gelijk troffen hun pijlen den vogel, de ééne in den kop en de andere
+in den staart, zoodat geen van beiden er zich op kon beroemen de
+beste schutter te zijn. Toen het Meisje van Unai zag, hoe hopeloos
+de zaak stond, riep zij uit:
+
+
+ "Het is genoeg! De golf, die ik ginds zie naken,
+ Zal aan mijn zielestrijd een droevig einde maken:
+ Wel noemt men Settsu's stroom den stroom van 't leven,
+ Maar mij zal die rivier een laatste rustplaats geven."
+
+ Naar _B.H. Chamberlain_.
+
+
+Na die melodramatische woorden wierp zij zich van het platvorm in de
+golvende wateren beneden haar.
+
+De ouders van het meisje, die het tooneel bijwoonden, schreeuwden
+en raasden op het platvorm, terwijl de trouwe minnaars in de rivier
+sprongen. De één hield den voet van het meisje, de ander haar hand
+vast, en oogenblikkelijk zonken alle drie in de diepte weg. Het meisje
+werd daarna begraven tusschen haar beide minnaars, en tot op den
+huidigen dag is de plaats bekend als "Het Graf van het Meisje". In
+het graf van Mubara was een holle bamboe-stok gelegd, met een boog,
+een pijlkoker en een lang zwaard; maar in het graf van Chinu was
+niets geplaatst.
+
+Eenigen tijd daarna kwam een vreemdeling in de nabijheid van
+het graf en werd plotseling opgeschrikt door het geluid van een
+hevig gevecht. Hij zond zijn dienaren er heen, om de zaak te
+onderzoeken, maar zij kwamen terug met de mededeeling, dat zij
+niets buitengewoons konden hooren of zien. Terwijl de vreemdeling
+over de liefdesgeschiedenis van het Meisje van Unai zat te peinzen,
+viel hij in slaap. Dit was nauwelijks geschied, of hij zag vóór zich,
+op den grond geknield, een man met bloed bevlekt, die hem mededeelde,
+dat hij zeer lastig gevallen werd door de vervolgingen van een vijand,
+en die hem vroeg, of de vreemdeling hem zijn zwaard wilde leenen. Met
+eenige aarzeling werd dit verzoek toegestaan. Toen de vreemdeling
+ontwaakte, helde hij over tot de meening, dat de geheele zaak een droom
+was geweest; maar het was geen voorbijgaand nachtelijk droombeeld,
+want niet alleen miste hij zijn zwaard, maar hoorde hij ook in zijn
+onmiddellijke nabijheid het geraas van een hevig gevecht. Daarna hield
+het wapengekletter plotseling op, en weer stond de met bloed bevlekte
+man vóór hem, die aldus sprak: "Door uw welwillende hulp heb ik den
+vijand verslagen, die mij al die jaren heeft onderdrukt." Hieruit
+kunnen wij afleiden, dat in de geesteswereld Chinu zijn mededinger
+bevocht en versloeg, en na een aantal jaren van bittere jaloezie was
+hij eindelijk in staat het Meisje van Unai de zijne te noemen.
+
+
+
+Het Graf van het Meisje Unai.
+
+
+ "Ik sta bij het graf, waar nu rust
+ Van Unai de lieflijke maagd,
+ Die een aantal jaloersche minnaars
+ Bij haar leven zoozeer had behaagd.
+
+ "Dat graf moet tot 't laatst van de jaren
+ Verkonden het lot van de maagd,
+ Die zelfs nog na eeuwen en eeuwen
+ Toekomstige mannen behaagt.
+
+ "En stapelt op den straatweg
+ Men steenen tot bergen zoo hoog,
+ Die zoolang als de wolken drijven,
+ Daar blijven voor ons oog.
+
+ "Als een pelgrim dit pad mocht betreden,
+ Laat hem dan naar die steenblokken zien,
+ En bij 't graf van de maagd droevig weenen;
+ De bewoners van 't dorp bovendien
+
+ "Nooit stillen hun bittere tranen
+ Maar scharen zich om haar graf.
+ Laat de eeuwen haar noodlot verkonden,
+ En de smart, die haar sterven ons gaf.
+
+ "Tot ook ik op het laatst hier zal staren
+ Op het graf, dat haar bergt voor mijn oog,
+ En ik droevig terug zal denken,
+ Aan den tijd, die zóó snel vervloog."
+
+ _Sakimaro_ (Naar _B.H. Chamberlain_).
+
+
+
+
+
+Het Meisje van Katsushika.
+
+
+
+ "Daar waar in 't verre oostersch land,
+ Bij 't ochtendgloren kraait de haan,
+ Vertelt het landvolk een verhaal,
+ Uit tijden, dood en lang vergaan.
+
+ "Van 't meisje uit Katsushika,
+ Wier gordel, helderblauw,
+ Het grofste linnen kleed omsloot,
+ En rok van arme vrouw.
+
+ "Wier voet geen schoen ooit had omklemd
+ Of kam geraakt het haar.
+ Geen koningin, hoe rijk getooid
+ Te vergelijken waar.
+
+ "Met 't meisje, dat daar lachend stond,
+ Een bloem in lentetijd,
+ In schoonheid, liefheid zóó volmaakt
+ Als maanlichts heerlijkheid.
+
+ "Gelijk een zwerm van motten, die
+ Om 't helder kaarslicht dwaalt,
+ Gelijk een boot de haven zoekt,
+ Als 's avonds schaduw daalt.
+
+ "Zoo kwamen zwermen vrijers aan,
+ Doch zij sprak: 'Laat mij gaan,
+ k Ben slechts een nederige maagd
+ En kort is mijn bestaan'.
+
+ "Daar waar de golven met geweld
+ Luid beuken 't kale strand,
+ Heeft 't meisje van Katsushika
+ Voor goed haar vaderland.
+
+ "Ja! 't is een lied uit ouden tijd;
+ Maar als 't mijn ooren streelt,
+ Dan rijst voor mij of 't gisteren was,
+ Haar vriendlijk, lieflijk beeld."
+
+
+ Naar _B.H. Chamberlain_.
+
+
+Chamberlain voegt de volgende opmerking bij de vertaling van deze
+Japansche ballade: "Bij de weinig vaststaande overlevering, die echter
+ongetwijfeld zeer oud is, en die in bovenstaande ballade is behouden
+gebleven, kan uit authentieke bron niets worden gevoegd. De fantasie
+van het volk heeft echter de leemten aangevuld, en voert een wreede
+stiefmoeder ten tooneele, die, zonder dat zij iets gevoelt voor de
+toewijding van het meisje, dat dagelijks water voor haar schept uit
+de eenige bron, waarvan zij het water wenscht te drinken, zóó boos
+op haar is, omdat zij door haar schitterende schoonheid minnaars
+naar het huis lokt, dat het arme meisje zich ten slotte verdrinkt,
+waarna de buren haar als een godin beschouwen en een tempel ter
+harer eere oprichten. Zoowel de tempel als de bron behooren tot de
+merkwaardigheden in de omstreken van Tokyo, die nog steeds worden
+bezocht."
+
+
+
+
+Het Meisje met de houten Kom.
+
+In lang vervlogen tijden leefde een oud echtpaar met hun eenig kind,
+een meisje van merkwaardige bekoorlijkheid en schoonheid. Toen de
+oude man ziek werd en stierf, werd zijn weduwe hoe langer hoe meer
+bezorgd over het toekomstige geluk van haar dochter.
+
+Op zekeren dag riep zij haar kind bij zich en sprak: "Mijn lieve, uw
+vader ligt op gindsch kerkhof, en ik moet, daar ik oud en zwak ben,
+hem spoedig volgen. De gedachte, dat ik u alleen in de wereld moet
+achterlaten, baart mij veel zorg, want gij zijt schoon, en schoonheid
+is een verleiding en een verstrikking voor mannen. Al de reinheid
+van een witte bloem kan niet beletten, dat zij wordt geplukt en in
+het slijk wordt gescheurd. Mijn kind, uw gelaat is al te schoon. Het
+moet voor de begeerige oogen der mannen verborgen worden, daar het
+anders de oorzaak zal zijn, dat gij van uw goed en rein leven vervalt
+in een leven van schande."
+
+Na die woorden gesproken te hebben, plaatste zij een verlakte
+kom op het hoofd van het meisje, zoodat het haar bekoorlijkheden
+bedekte. "Draag die kom altijd, mijn lieve," sprak de moeder, "want
+dit zal u beschermen als ik dood ben."
+
+Korten tijd nadat zij die liefderijke daad had volbracht, stierf de
+oude vrouw, en het meisje was verplicht haar brood te verdienen met op
+de rijstvelden te werken. Het was een zwaar en onaangenaam werk, maar
+het meisje hield zich dapper en zwoegde van den morgen tot den avond
+zonder een oogenblik te morren. Telkens gaf haar vreemd uiterlijk
+aanleiding tot veel besprekingen, en over het geheele land stond
+zij bekend als het "Meisje met de Kom op het Hoofd." De jonge mannen
+lachten haar uit en trachtten onder de kom te kijken, en niet weinigen
+zelfs trachtten het houten hoofddeksel van haar hoofd te trekken,
+maar het kon niet worden verwijderd, en de jongelieden moesten zich
+onder gelach en spotternij tevreden stellen met een enkele blik op
+het benedengedeelte van het gelaat. Het arme meisje verdroeg die ruwe
+behandeling met een geduldig, maar bezwaard gemoed, daar zij meende,
+dat door de liefde en de wijsheid van haar moeder later een dag van
+vreugde zou aanbreken, die een ruime vergoeding zou zijn voor al
+haar droefheid.
+
+Op zekeren dag sloeg een rijke landbouwer het meisje gade, dat op
+zijn rijstvelden werkte. Hij werd getroffen door haar ijver en de
+snelle en uitnemende wijze, waarop zij haar taak volbracht. Hij had
+schik in die gebogen en vlijtige kleine gestalte, en lachte niet om
+de houten kom op haar hoofd. Na haar gedurende korten tijd te hebben
+gadegeslagen, kwam hij op het meisje af en sprak: "Ge werkt goed en
+babbelt niet met uw makkers. Ik wensch, dat ge op mijn rijstvelden
+werkt tot aan het einde van den oogst."
+
+Toen de oogst was binnengehaald en de winter was aangebroken, vroeg
+haar de rijke landbouwer, die een hoe langer hoe gunstiger indruk van
+het meisje had gekregen, en die verlangde haar van dienst te zijn, zijn
+huisgenoote te willen worden. "Mijn vrouw is ziek," voegde hij er aan
+toe, "en ik zou gaarne willen, dat gij haar voor mij kwaamt oppassen."
+
+Het meisje nam dankbaar dit voor haar zoo geschikte aanbod aan. Zij
+verpleegde de zieke vrouw met de grootste zorg, want dezelfde
+rustige ijver, dien zij op het rijstveld openbaarde, kenmerkte ook
+haar vriendelijk werk in de ziekenkamer. Daar de landbouwer en zijn
+vrouw geen dochter hadden, hechtten zij zich zeer aan die wees en
+beschouwden zij haar als hun eigen kind.
+
+Na eenigen tijd keerde de oudste zoon van den landbouwer naar zijn oude
+woning terug. Hij was een verstandig jongmensch, die in het vroolijke
+Kyoto ijverig had gestudeerd en een afkeer had van een vroolijk leven
+vol feesten en lichtzinnige vermaken. Zijn vader en moeder verwachtten,
+dat hun zoon zich spoedig in het ouderlijke huis en in die omgeving
+zou vervelen, en dagelijks vreesden zij, dat hij bij hen zou komen,
+om afscheid te nemen en weer terug te keeren naar de residentie van
+den Mikado. Maar tot ieders verbazing gaf de zoon van den landbouwer
+volstrekt niet het verlangen te kennen, zijn oude woning te verlaten.
+
+Op zekeren dag kwam de jonge man bij zijn vader en vroeg: "Wie is
+dat meisje in ons huis, en waarom draagt zij een leelijke kom op
+het hoofd?"
+
+Toen de landbouwer het droevige verhaal van het meisje had gedaan,
+was zijn zoon diep bewogen; maar toch kon hij niet nalaten, een weinig
+om de kom te lachen. Het lachen van den jongen man duurde echter
+niet lang. Dag aan dag werd hij meer door het meisje bekoord. Telkens
+gluurde hij naar het half verborgen gelaat van het meisje, en kwam hij
+al meer en meer onder den indruk van haar vriendelijke manieren en haar
+edel karakter. Het duurde niet lang, of zijn bewondering ging in liefde
+over, en hij besloot dat hij zou trouwen met het "Meisje met de Kom op
+het Hoofd". De meesten van zijn familieleden verzetten zich tegen die
+verbintenis. Zij zeiden: "Zij is in haar soort inderdaad uitstekend,
+maar zij is niets anders dan een gewone dienstbode. Zij draagt die
+kom, om hen die onverstandig zijn, te verlokken, en wij gelooven niet,
+dat die kom schoone gelaatstrekken bedekt, maar juist dient, om haar
+leelijkheid te verbergen. Zoek ergens anders een vrouw, want wij zullen
+dat eerzuchtige en intrigeerende meisje niet in onzen kring toelaten."
+
+Van dat oogenblik af had het meisje veel te lijden. Bittere
+en hatelijke toespelingen kreeg zij te hooren, en zelfs haar
+meesteres, die vóór dien tijd zoo lief en vriendelijk was geweest,
+koos tegen haar partij. Maar de landbouwer veranderde niet in zijn
+goede gezindheid jegens haar. Hij hield nog altijd van het meisje,
+en had er volstrekt niets op tegen, dat zij de vrouw van zijn zoon zou
+worden, maar ten gevolge van de heftige opmerkingen van zijn vrouw en
+zijn bloedverwanten durfde hij zijn wenschen in die zaak niet bekend
+te maken.
+
+Al die tegenwerking, die daarenboven op zeer onvriendelijke
+wijze werd geuit, maakte den jongen man nog begeeriger zijn doel
+te bereiken. Eindelijk gaven zijn moeder en zijn bloedverwanten,
+toen zij zagen, dat op hun wenschen geen acht geslagen werd, hun
+toestemming tot het huwelijk, maar op onvriendelijke wijze.
+
+De jonge man, die meende, dat nu alle moeilijkheden waren uit den weg
+geruimd, ging verheugd naar het meisje met de Kom op het Hoofd toe,
+en zeide: "Alle lastige tegenwerking is geëindigd, en nu verhindert
+ons niets, te trouwen."
+
+"Neen", antwoordde het vrome meisje, terwijl zij bitter weende, "ik
+kan niet met u trouwen. Ik ben niets dan een dienstbode in het huis
+van uw vader, en daarom zou het ongepast zijn, als ik uw bruid werd."
+
+De jonge man sprak vriendelijk met haar. Herhaaldelijk gaf hij uiting
+aan zijn zoo vurige liefde voor haar, hij trachtte haar te overreden,
+hij smeekte; maar het meisje wilde niet toegeven. Haar houding maakte
+de bloedverwanten erg boos. Zij zeiden, dat het meisje hen allen voor
+den gek had gehouden, daar zij volstrekt niet begrepen, dat zij den
+zoon van den landbouwer innig liefhad, en dat zij in haar trouw hart
+overtuigd was, dat dit huwelijk alleen tweedracht kon brengen in het
+gezin, dat haar in haar armoede een schuilplaats had aangeboden.
+
+Dien nacht huilde het meisje zich in slaap, en in haar slaap verscheen
+haar moeder vóór haar, en sprak: "Mijn lief kind, laat uw goed hart
+niet langer verdriet hebben. Trouw met den zoon van den landbouwer,
+en alles zal weer in orde komen." Het meisje ontwaakte de volgenden
+morgen, het hart vol vreugde, en toen haar minnaar bij haar kwam en
+haar nog eens vroeg, of zij zijn bruid wilde worden, stemde zij er
+met een liefelijken glimlach in toe.
+
+Er werden groote toebereidselen voor de bruiloft gemaakt, en toen de
+gasten bijeengekomen waren, meende men, dat het hoog tijd was, dat
+zij de houten kom van haar hoofd verwijderde. Zij zelf trachtte die
+af te nemen, maar de kom bleef op haar hoofd vastzitten. Toen enkelen
+van de familieleden met herhaalde onvriendelijke opmerkingen haar
+te hulp kwamen, uitte de kom vreemde kreten en zuchtte. Ten slotte
+naderde de bruidegom het meisje en zeide: "Laat die behandeling u
+geen verdriet aandoen. Gij zijt mij even lief met als zonder kom",
+en na die woorden te hebben gesproken, beval hij, dat de plechtigheid
+voortgang zou hebben.
+
+Daarna werden de bekers met wijn in het met gasten gevulde vertrek
+gebracht, en in overeenstemming met de gebruiken werd van de bruid
+en den bruidegom verwacht, dat zij samen de "Driemaal drie" zouden
+drinken ter eere van hun verbintenis. Op het oogenblik waarop het
+meisje den beker aan haar lippen bracht, brak de kom op haar hoofd
+met groot geraas, en viel er goud en zilver uit, en tevens allerlei
+soorten van edelgesteenten, zoodat het meisje, dat eens doodarm was
+geweest, nu een rijke huwelijksgift bezat. De gasten waren verbaasd,
+toen zij de groote hoeveelheid schitterende juweelen, goud en zilver
+zagen, maar nog meer verbaasd waren zij, toen zij opkeken en zagen,
+dat de bruid het mooiste meisje uit geheel Japan was.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXVII. LEGENDEN VAN DE ZEE.
+
+
+
+ "Ach! dat de witte golven,
+ Die Ise's zee beroeren,
+ Toch niets dan bloemen waren,
+ Opdat ik ze kon plukken,
+ Als gave voor mijn liefste."
+
+ _Prins Aki_ (Naar _W.G. Aston_).
+
+
+Het Getijde der terugkeerende Geesten.
+
+Op den laatsten dag van het Feest der Dooden is de zee bedekt
+met tallooze _shoryobune_ (geestenschepen), immers op dien dag,
+_Hotoke-umi_, wat Buddha-vloed beteekent, of het Getijde der
+terugkeerende Geesten, gaan de geesten weer naar hun geestenwereld
+terug. De zee glinstert van het licht der gestorven geesten, en van
+over de golven komt het geluid van geesten, die samen fluisteren. Geen
+sterfelijk wezen zou er een oogenblik aan denken, te midden van een
+zoo heilig gezelschap zee te kiezen; immers dien nacht behoort de
+zee de dooden toe; het is hun lange weg naar het rijk, waar Emma-O
+oppermachtig regeert.
+
+Somtijds echter geschiedt het, dat een schip de haven niet bereikt
+vóór het vertrek der geestenschepen, en bij die gelegenheid komen de
+dooden uit de diepte te voorschijn, steken hun armen uit, en smeeken,
+dat hun emmers worden uitgereikt. De zeelieden geven aan dit verzoek
+toe, maar geven de geesten een bodemloozen emmer, immers als zij de
+dooden emmers geven met een bodem er in, zouden de booze geesten die
+gebruiken, om het schip te doen zinken.
+
+
+
+
+Urashima.
+
+
+ "Suminóye heeft lente; op zijn stranden,
+ Daar dalen de nevelen neer,
+ Ik sta aan den oever te peinzen,
+ En denk aan den tijd van weleer.
+ Ik denk aan de wereld van vroeger,
+ Bij het glijden van boot aan boot,
+ Aan den visschersknaap Urashima,
+ Die zoo van het visschen genoot."
+
+ Naar _B.H. Chamberlain_.
+
+
+"De legende van Urashima," zoo schrijft Chamberlain in zijn _Japansche
+poëzie_, "is één van de oudste Japansche legenden, en sporen daarvan
+worden zelfs in de officieele gedenkboeken gevonden." In de populaire
+lezing, die wij hieronder geven, komt het "Eeuwiggroene land", dat
+genoemd wordt in de Japansche Ballade "De Visschersknaap Urashima",
+voor als het Drakenpaleis. Chamberlain zegt: "Het woord Drakenpaleis is
+in het Japansche _ryukyu_, ook wel _ryugu_, wat eveneens de Japansche
+uitspraak is van den naam der eilanden, die wij Luchu, en de Chineezen
+Liu-Kiu noemen, en men heeft ook wel beweerd, dat het Drakenpaleis niet
+anders zou zijn dan een fantastischen naam, door den een of anderen
+schipbreukeling gegeven aan die zonnige zuidelijke eilanden, waarvan
+de bewoners zich nog altijd zelfs boven hun Japansche en Chineesche
+naburen onderscheiden door hun groote liefde voor den draak als een
+artistieke en bouwkundige versiering. Er is één ode in de _Man-Yoshu_,
+die aan dit denkbeeld eenige waarschijnlijkheid geeft, daar die van
+den sinaasappel zegt, dat deze het eerst in Japan zou zijn ingevoerd
+uit het 'Eeuwiggroene Land', dat in het zuiden is gelegen."
+
+
+
+
+Urashima en de Schildpad.
+
+Urashima, die in een klein visschersdorp woonde, Midzunoe genaamd,
+in de provincie Tango, ging eens uit visschen. Onder zijn vangst
+behoorde ook een schildpad, en daar, naar men beweert, schildpadden
+duizenden jaren leven, liet de bedachtzame Urashima het dier weder in
+zee terugkeeren, deed nieuw aas aan zijn haak, en wachtte geduldig
+af, totdat een visch toebeet. Doch alleen de zee deed zijn hengel
+zachtkens op en neer gaan. De zon brandde op zijn hoofd, totdat
+Urashima eindelijk in slaap viel.
+
+Hij had nog niet lang geslapen, toen hij iemand hoorde
+roepen: "Urashima, Urashima!"
+
+Het was een zóó liefelijke, zóó verlokkende stem, dat de visschersknaap
+in zijn boot opstond en in iedere richting rondkeek, totdat hij
+dezelfde schildpad zag, die hij zoo vriendelijk aan haar vochtige
+woning had teruggegeven. De schildpad, die de gave had, zeer vloeiend
+te spreken, dankte Urashima uitbundig voor zijn vriendelijkheid,
+en bood aan, hem te brengen naar de _ryukyu_, of het Paleis van den
+Drakenkoning.
+
+De uitnoodiging werd dankbaar aanvaard, en na op den rug van de
+schildpad te zijn geklommen, gleed Urashima over de zee voort met een
+geweldige vaart, en het merkwaardigste feit was, dat het hem bleek,
+dat zijn kleeren volkomen droog bleven.
+
+
+
+
+In het Paleis van den Zeekoning.
+
+Toen hij in het Paleis van den Zeekoning gekomen was, kwamen brasem,
+bot, tong en inktvisch naar buiten, om Urashima hartelijk welkom te
+heeten. Nadat zij hun vreugde over zijn komst hadden te kennen gegeven,
+geleidden die vazallen van den Drakenkoning den visschersknaap naar een
+binnenvertrek, waar de schoone Prinses Otohime met haar dienststoet
+gezeten was. De Prinses was gekleed in schitterende kleeren, rood en
+goudgekleurd, alle tinten van golven, waarop het zonlicht schijnt.
+
+De Prinses vertelde toen, dat zij de vorm van een schildpad had
+aangenomen, om de vriendelijkheid van zijn gemoed op de proef te
+stellen. Gelukkig was de proef uitnemend uitgevallen, en tot belooning
+voor zijn deugd bood zij aan, zijn bruid te worden in een land,
+waar eeuwige jeugd en voortdurende zomer heerschten.
+
+Bedeesd aanvaardde Urashima de hooge eer, die hem ten deel
+viel. Nauwelijks had hij zijn toestemming gegeven, of een groote
+menigte visschen kwam voor den dag, gekleed in lange, plechtige
+gewaden, terwijl hun vinnen groote koralen bakken droegen, die
+met zeldzame lekkernijen waren beladen. Daarop dronk het gelukkige
+bruidspaar den huwelijksbeker met saké gevuld, en terwijl zij dronken,
+speelden sommige visschen een zachte en liefelijke muziek, terwijl
+andere zongen, en een aantal van hen, met zilveren schubben en gouden
+staarten, vreemde dansen uitvoerden op het witte strand.
+
+Nadat de feestelijkheden geëindigd waren, liet Otohime haar echtgenoot
+al de schoonheden en wonderen zien van het paleis haar vaders. Het
+grootste wonder van alle was, dat daar een land was, waar alle
+jaargetijden te zamen vertoefden. [78] Als hij den blik naar het
+oosten sloeg, zag Urashima pruimen- en kersenboomen in vollen bloei,
+terwijl vlinders met heldere vleugels over de bloesems heenstreken, en
+in de verte scheen het, alsof de heldere bloemblaadjes en de vlinders
+plotseling waren overgegaan in het gezang van een wonderschoonen
+nachtegaal. In het zuiden zag hij boomen in de volle glorie van den
+zomer, en hoorde hij het liefelijke geluid van den krekel. Sloeg hij
+het oog naar het westen, dan glinsterden de ahornboomen in de takken
+van den herfst, zoodat Urashima, als hij een ander geweest was dan
+een eenvoudige, nederige visscher, zich het volgende gedicht zou
+hebben voor den geest geroepen:
+
+
+ "O, zeg mij toch, Godin van 't vliedend najaarslicht,
+ Aan hoeveel weefgetouwen gij uw taak verricht,
+ Als gij bekwaam van hand, vuurroode blaadren weeft,
+ Van d' ahornboom in 't beeld, dat gij ons vriendlijk geeft,
+ En alle heuvelen met kleurenpracht bezaait,
+ Een wellust voor het oog, bij iedren wind, die waait!"
+
+ Naar _Clara A. Walsh_.
+
+
+Het was inderdaad een "rijk borduurwerk", want toen Urashima zich naar
+het noorden richtte, zag hij een groote uitgestrektheid, onder sneeuw
+bedolven, en een ontzaglijken vijver, met ijs bedekt. Alle jaargetijden
+vertoefden te gelijker tijd in het schoone land, waar de Natuur haar
+onbegrensde rijkdommen aan schoonheid ten volle had ten toon gespreid.
+
+Nadat Urashima drie dagen in het Paleis van den Zeekoning had vertoefd
+en een aantal wonderbaarlijke zaken had gezien, herinnerde hij zich
+plotseling zijn bejaarde ouders en gevoelde hij een sterk verlangen,
+dezen te gaan opzoeken. Toen hij naar zijn vrouw toeging en haar op
+de hoogte stelde van zijn verlangen, om naar huis terug te keeren,
+begon Otohime te weenen, en trachtte zij hem te overreden, nog een
+dag te wachten. Maar Urashima wilde in die zaak niet toegeven. "Ik
+moet gaan," zeide hij, "maar ik zal u slechts één dag alleen laten. Ik
+zal weer terugkomen, mijn lieve vrouw."
+
+
+
+
+De thuiskomst van Urashima.
+
+Toen gaf Otohime haar echtgenoot een geschenk ter herinnering aan
+hun liefde. Het heette de _Tamate-Bako_ ("Doos van de Juweelen
+Hand"). Zij zeide hem, dat hij onder geen omstandigheden de doos
+mocht openen, en Urashima nam afscheid, na beloofd te hebben haar
+wensch te volbrengen, besteeg een groote schildpad, en was spoedig in
+zijn eigen land teruggekeerd. Te vergeefs zag hij uit naar het huis
+van zijn vader. Geen spoor was daarvan meer te bekennen. De hut was
+verdwenen, alleen de kleine rivier was overgebleven.
+
+Zeer verbaasd vroeg Urashima een voetganger naar bijzonderheden,
+en hij vernam van dezen, dat een visschersknaap, Urashima genaamd,
+drie honderd jaar geleden in zee was gevallen en was verdronken, en
+dat zijn vader, broeders en hun kleinkinderen reeds lang ter ruste
+gegaan waren. Daarna herinnerde zich Urashima plotseling, dat het
+rijk van den zeekoning een goddelijk land was, waar een dag naar
+menschelijke berekening drie honderd jaar duurde.
+
+De gedachten van Urashima waren uiterst somber, want allen, die hij op
+aarde had liefgehad, waren gestorven. Daarna hoorde hij het ruischen
+der zee, en herinnerde zich de liefelijke Otohime, en het land, waar
+de jaargetijden zich vereenigden en een viervoudig praalvertoon van
+hun schoonheid maakten--het land, waar boomen smaragden tot bladeren
+en robijnen tot bessen hadden, waar de visschen lange gewaden droegen
+en zongen, dansten en speelden. De zee klonk luider in de ooren van
+Urashima. Riep Otohime hem? Maar geen weg opende zich voor hem, geen
+welwillende schildpad kwam op het tooneel, om hem te dragen naar
+de plaats, waar zijn vrouw hem wachtte. "De doos! de doos!" zeide
+Urashima zacht, "als ik dat geheimzinnige geschenk van mijn vrouw open,
+kan het misschien wel den weg openbaren."
+
+Urashima maakte den roodzijden draad los, en langzaam, met vrees in
+het hart, tilde hij het deksel van de doos op. Plotseling kwam er
+een kleine witte wolk uit; deze bleef een oogenblik toeven, en rolde
+toen ver weg over de zee. Maar een heilige belofte was verbroken,
+en Urashima veranderde van een schoonen jongeling in een gerimpelden
+grijsaard. Hij strompelde vooruit, terwijl zijn witte haren en baard
+in den wind fladderden. Hij keek uit naar de zee, en viel toen dood
+op het strand.
+
+Chamberlain schrijft: "Het graf van Urashima, met zijn hengel, de
+doos, hem door het meisje geschonken, en twee steenen, die groote
+waarde moeten bezitten, worden nog altijd in één der tempels te
+Kanagawa vertoond."
+
+
+
+
+Het Land van de Ochtendkalmte.
+
+Chosen, het Land van de Ochtendkalmte, was de oude naam voor Korea
+[79], en hoe poëtisch die naam moge zijn, zij was volstrekt niet van
+toepassing op den feitelijken toestand. In zijn vroegere geschiedenis
+was het een land, tegen zich zelf verdeeld, en later ondervond het de
+ellende van de invallende legers van China en Japan, daargelaten nog
+de kleine schermutselingen met andere landen. Ongetwijfeld is er een
+zekere pathetische kalmte in het Korea van onzen tijd, maar het is
+de kalmte van een reeds lang overwonnen en vervolgde natie. Het ligt
+nu in de hand van Japan, of de Koreanen weer uit de lijfeigenschap
+zullen verrijzen en weer iets van die oude kloekmoedigheid zullen
+terugkrijgen, die eertijds een zoo op den voorgrond tredend kenmerk
+was van de mannen uit het noorden van dat land.
+
+Reeds lang geleden kwam Korea onder de betoovering van de Chineesche
+beschaving, en nog steeds gevoelt het volk de nawerking daarvan. Japan
+ontleende aan Korea, wat Korea aan China had ontleend. Omdat Japan,
+toen het alles had uitgeput, wat het van Korea en China kon leeren,
+zijn blikken naar het westen richtte, werd het na verloop van tijd,
+nu ook de voortgaande stroom van gedachten en daden krachtig door de
+Japanners bleef vloeien, een wereldmacht, terwijl Korea een rampzalig
+voorbeeld bleef van een bijna volkomen stilstaand land.
+
+Toen Japan er in geslaagd was Korea te overtuigen, dat alleen
+Japan haar trouwe gids kon zijn, kwam Rusland als een dief in den
+nacht en plaatste een militaire voorpost te Wiju. Daaruit kwam de
+Russisch-Japansche oorlog voort, en Korea werd een Japansche kolonie,
+een proefveld voor sociale en politieke hervormingen. Japan had
+langen tijd op Korea gewacht. Moge het tenslotte blijken, niet een
+woelig en oproerig land, maar inderdaad het Land van de Ochtendkalmte
+te zijn. Korea heeft in het verleden meegewerkt aan de grootheid
+van Japan, door het in aanraking te brengen met den godsdienst,
+de kunst en de letterkunde van China. Het is nu de beurt van Japan,
+een verarmd land te helpen, en als de Ochtendkalmte verbonden is met
+de Rijzende Zon, moet er vrede en voorspoed in het nieuwe grondgebied
+van Japan heerschen.
+
+Longford schrijft in _De Geschiedenis van Korea_ met betrekking tot
+den inval van Keizerin Jingo: "Dr Aston.... zet met minachting het
+geheele verhaal als een mythe op zijde, en zegt, dat het berust
+op twee geheel verschillende geschiedkundige feiten--dat er ten
+tijde van den beweerden inval een Keizerin van Japan was, een vrouw
+met een krachtigen wil en met groote bekwaamheid, en dat er niet
+één, maar verschillende Japansche invallen in Korea plaats grepen,
+hoewel in latere tijdperken, toen de Japanners niet meer steeds zoo
+voortreffelijk slaagden, als zij beweren, dat bij die Keizerin het
+geval was." Wij geven hier de schilderachtige legende van Japans
+eersten inval in Korea.
+
+
+
+
+De getijde-juweelen.
+
+In zekeren nacht had Keizerin Jingo, toen zij in haar tent lag te
+slapen, een vreemden droom. Zij droomde, dat een geest haar naderde
+en haar vertelde van een wonderbaarlijk land, een land in het westen,
+dat rijk was aan schatten van goud en zilver, een oogverblindend land,
+schoon te aanschouwen, als een prachtige vrouw. De geest vertelde
+haar, dat de naam van dat land Chosen (Korea) was, en dat het aan
+Japan zou kunnen toebehooren, als dit wilde optrekken en dat rijke
+land wilde veroveren.
+
+Den volgenden dag stelde Keizerin Jingo haar echtgenoot op de hoogte
+van haar droom; maar de Keizer, een onverstandig man, en laag bij den
+grond, geloofde niet in droomen. Daar zijn vrouw hem echter bleef
+voortdrijven in de richting van dat in zijn oog dwaze plan, beklom
+hij een hoogen berg, en ziende in de richting der ondergaande zon,
+zag hij in het westen geen land. Toen de Keizer van den berg was
+neergedaald, deelde hij zijn vrouw mede, dat hij in geen geval zijn
+toestemming wilde geven, om een inval te doen in een land en dat te
+trachten te veroveren, waarvan het bestaan alleen zou moeten blijken
+uit een verwarden droom. Maar de Goden waren vertoornd op den Keizer,
+en spoedig nadat hij zijn toestemming had geweigerd, sneuvelde hij
+in een veldslag.
+
+
+
+Het Geschenk van Drakenkoning.
+
+Toen de Keizerin Jingo alleenheerscheres werd, besloot zij het land
+op te zoeken, waarvan zij in haar droom had gehoord; maar daar zij
+besloten was haar krijgstocht niet tot een onbeduidende en tamme zaak
+te maken, deed zij een beroep op den Berggeest, om haar hout en ijzer
+voor haar schepen te leveren. De Geest der Velden schonk haar rijst
+en granen voor haar leger, terwijl de Geest van het Gras haar hennep
+voor touwen schonk. De God van den Wind was haar plan welgezind,
+en beloofde, haar schepen naar Korea te blazen. Al de geesten kwamen
+voor den dag in overeenstemming met de wenschen van Keizerin Jingo,
+behalve Isora, de Geest van het Zeestrand.
+
+Isora was een luie knaap, en toen hij eindelijk boven de golven der zee
+voor den dag kwam, deed hij dit zonder een rijke toerusting, want hij
+was bedekt met slijk en schelpen, en zeegras bedekte zijn onoogelijke
+persoonlijkheid. Toen de Keizerin hem zag, beval zij hem, naar den
+Drakenkoning te gaan en hem te vragen, haar de Getijde-Juweelen
+te schenken.
+
+Isora gehoorzaamde, dook in het water neer, en stond dadelijk voor
+den Drakenkoning, wien hij zijn verzoek deed. De Drakenkoning nam de
+Getijde-Juweelen uit een mand, plaatste die op een groote schelp,
+en beval Isora, dadelijk met dit kostbare geschenk naar Keizerin
+Jingo terug te keeren.
+
+Isora sprong uit het paleis van zijn meester naar de oppervlakte der
+zee, en Keizerin Jingo plaatste de Getijde-Juweelen in haar gordel.
+
+
+
+
+De Tocht.
+
+Toen nu de Keizerin den Juweel van het Rijzende Water en dien van
+het Vallende Water had gekregen, liet zij drieduizend schepen bouwen
+en van stapel loopen, en aanvaardde zij in de tiende maand haar
+grooten tocht. Haar vloot was nog niet ver van de kust, toen een
+hevige storm opstak, zoodat de schepen tegen elkander botsten en
+naar alle waarschijnlijkheid op den bodem der zee zouden zinken. De
+Drakenkoning beval echter groote zeemonsters, ter hulp te snellen;
+sommigen tilden de schepen op hun groote ruggen, anderen stutten
+hun koppen tegen de achterstevens van een aantal schepen, of duwden
+ze zoo door een bewogen zee voort, die de schepen bijna zou hebben
+teruggedreven naar de plaats van vertrek. Machtige drakenvisschen
+verleenden daarbij hun hulp, door van achteren te duwen en te blazen,
+door de scheepskabels in hun bek te houden en zoo de schepen met
+verbazende snelheid voort te sleepen. Zoodra de storm bedaard was,
+verdwenen de zeemonsters en de drakenvisschen.
+
+
+
+
+Het wegwerpen der Getijde-Juweelen.
+
+Eindelijk zagen Keizerin Jingo en haar leger de verwijderde bergen
+van Korea boven den horizon verrijzen. Toen zij de kust naderden,
+bemerkten zij, dat het geheele Koreaansche leger op het strand
+stond met hun schepen, gereed om van stapel te loopen op het eerste
+bevel. Zoodra de Koreaansche schildwachten de Japansche vloot zagen,
+gaven zij bevel aan boord te gaan, en onmiddellijk schoot een groote
+menigte oorlogsschepen over het water.
+
+De Keizerin zag dit alles met ongestoorde kalmte aan. Zij wist,
+dat de overwinning of de nederlaag van haar leger geheel in haar
+macht lag. Toen de Koreaansche schepen haar vloot naderden, wierp
+zij den juweel van het Vallende Water in zee. Zoodra deze het water
+had aangeraakt, liep het water van onder de kielen der Koreaansche
+schepen weg, zoodat zij op droog land strandden. De Koreanen, die aan
+geen toovenarij dachten en die meenden, dat hun toestand het gevolg
+was van de eb, en bovendien, dat de Japansche schepen moesten te
+gronde gaan, sprongen van hun schepen en vlogen over het zand. Doch
+nu spanden de Japansche boogschutters hun bogen, en een dichte wolk
+van pijlen vloog door de lucht, en doodde honderden vijanden. Toen
+de Koreanen in de onmiddellijke nabijheid van de Japansche schepen
+gekomen waren, wierp de Keizerin den Juweel van het Rijzende
+Water in het water. Onmiddellijk kwam een groote golf aanrollen,
+en verwoestte bijna het geheele Koreaansche leger. Het was nu voor
+de Japanners gemakkelijk, te landen en het land te veroveren. De
+koning van Korea gaf zich over, en de keizerin keerde naar haar eigen
+land terug, beladen met zijde en juweelen, boeken en schilderijen,
+tijgervellen en kostbare gewaden. Toen de Getijde-Juweelen door de
+Keizerin waren weggeworpen, bleven zij niet lang op den bodem van
+den oceaan liggen. Isora nam ze haastig op en bracht ze terug naar
+den Drakenkoning.
+
+
+
+
+Prins Ojin.
+
+Kort na den terugkeer van Keizerin Jingo, schonk zij het leven aan
+een zoon, Ojin genaamd. Toen Ojin was opgegroeid tot een schoonen
+en verstandigen jongen, deed zijn moeder hem het verhaal van de
+wonderbaarlijke Getijde-Juweelen, en drukte den wensch uit, dat ook
+hij ze in zijn bezit zou krijgen, opdat hij eer en roem aan Japan
+zou brengen.
+
+Op zekeren dag nam de Eerste Minister, van wien verhaald werd, dat
+hij driehonderd zestig jaar oud was en de raadgever van niet minder
+dan vijf Mikado's was geweest, Ojin met zich mede in een keizerlijk
+oorlogsschip. Het schip gleed over de zee met zijn goudzijden
+zeilen. De Eerste Minister riep met luider stem den Drakenkoning toe,
+den jeugdigen Ojin de Getijde-Juweelen te geven.
+
+Onmiddellijk begonnen de golven rondom het schip vreeselijk te
+schuimen, en onder donderend geweld verscheen de Drakenkoning
+zelf, met een levend schepsel van een vervaarlijk uiterlijk, tot
+helm. Daarna verrees uit het water een ontzaglijke schelp, waarin de
+Getijde-Juweelen in de diepte glinsterden. Na die juweelen te nebben
+aangeboden onder het houden van een korte toespraak, keerde hij weer
+naar zijn machtig groen koninkrijk terug.
+
+
+
+
+Het Dooden van de Zeeslang. [80]
+
+Oribe Shima had den grooten vorst Hojo Takatoki beleedigd en was
+ten gevolge daarvan naar Kamishina, één der Oki-eilanden verbannen,
+en gedwongen zijn schoone dochter Tokoyo te verlaten, die hij innig
+lief had.
+
+Eindelijk kon Tokoyo de scheiding niet langer uithouden, en besloot
+zij haar vader op te zoeken. Daarom ondernam zij een groote reis,
+en toen zij te Akasaki, in de provincie Hoki, was gekomen, van welke
+kustplaats de Oki-eilanden bij helder weder zichtbaar waren, smeekte
+zij verschillende visschers, haar naar haar bestemming te roeien. Maar
+de visschers lachten haar uit, en raadden haar aan, haar dwaas plan
+op te geven en naar huis terug te keeren. Het meisje wilde echter
+niet naar hun raad luisteren, en tegen het invallen van den nacht
+besteeg zij het kleinste vaartuig, dat zij kon vinden, en door middel
+van een gunstigen wind en voortdurend roeien, kwam het dappere meisje
+eindelijk in één der rotsachtige inhammen der Oki-eilanden.
+
+Dien nacht sliep Tokoyo vast, en des morgens nam zij voedsel tot
+zich. Toen zij haar maaltijd had geëindigd, vroeg zij een visscher,
+waar zij haar vader kon vinden. "Ik heb nooit van Oribe Shima hooren
+spreken", antwoordde de visscher, "en als hij verbannen is, raad ik
+u aan, u van verder onderzoek te onthouden, daar het anders wel uw
+beider dood ten gevolge zou kunnen hebben."
+
+Dien nacht sliep de treurige Tokoyo aan den voet van een altaar, aan
+Buddha gewijd. Haar slaap werd spoedig verstoord door handgeklap, en
+toen zij opkeek, zag zij een weenend meisje gekleed in een wit gewaad,
+terwijl een priester naast haar stond. Op het oogenblik waarop de
+priester het meisje over de rotsen in de bulderende zee wilde werpen,
+sprong Tokoyo op en hield het meisje bij den arm.
+
+De priester vertelde, dat in dien nacht, den dertienden Juni, de
+Slangengod, bekend onder den naam van Yofuné-Nushi, een jong meisje
+als offer opeischte, en dat, als dit jaarlijksche offer niet werd
+gebracht, de God vertoornd werd en vreeselijke stormen veroorzaakte.
+
+"Goede Heer," zoo sprak Tokoyo, "ik ben blijde, dat ik de gelegenheid
+heb gehad het leven van het arme meisje te redden. Gaarne bied ik
+mij zelf in haar plaats aan, want ik ben droevig van gemoed, omdat ik
+niet in staat ben geweest mijn vader te vinden. Geef hem dezen brief,
+want mijn laatste woorden van liefde en afscheid zijn aan hem gewijd."
+
+Na aldus te hebben gesproken, nam Tokoyo het witte gewaad van
+het meisje, en hulde zich daarin, en nadat zij gebeden had tot
+het beeld van Buddha, plaatste zij een kleinen dolk tusschen de
+tanden en wierp zij zich in de stormachtige zee. Zij zonk neer in
+het door de maan verlichte water, totdat zij kwam in een groot hol,
+waar zij een standbeeld zag van Hojo Takatoki, die haar armen vader
+in ballingschap had gezonden. Zij was op het punt het beeld op haar
+rug te binden, toen een groote witte slang uit het hol kroop, met
+nijdig glinsterende oogen. Tokoyo, die begreep, dat dit schepsel
+niemand anders was dan Yofuné-Nushi, trok haar dolk en stak dien in
+het rechter oog van den God. Die onverwachte aanval was oorzaak, dat
+de slang zich in het hol terugtrok, maar de dappere Tokoyo ging de
+slang achterna en bracht haar een tweeden steek toe, en wel nu in het
+hart van het dier. Een oogenblik strompelde Yofuné-Nushi blindelings
+voort, maar onmiddellijk daarna viel het dier met een kreet van pijn
+dood op den bodem van het hol neer.
+
+Tijdens dit avontuur stonden de priester en het meisje op de rotsen,
+en keken naar de plek, waar Tokoyo verdwenen was, terwijl zij innig
+baden voor den vrede van haar droevige ziel. Toen zij daar stonden
+te bidden, zagen zij Tokoyo aan de oppervlakte van het water komen,
+terwijl zij een beeld droeg en een ontzaglijk monster, dat op een
+visch geleek. De priester kwam haastig het meisje te hulp, trok haar
+op het strand, plaatste het beeld op een hooge rots en maakte zich
+meester van het lichaam van de Witte Zeeslang.
+
+Na verloop van tijd werd die merkwaardige geschiedenis ter kennis
+gebracht van Tameyoshi, den bestuurder van dit eiland, die op zijn
+beurt het vreemde avontuur aan Hojo Takatoki mededeelde. Takatoki
+echter had geruimen tijd geleden aan een ziekte, die de bekwaamheid
+der geleerdste geneesheeren had getart; het bleek nu, dat hij zijn
+gezondheid terugkreeg juist op het oogenblik, waarop zijn beeld,
+dat door den één of anderen balling was vervloekt geworden en in zee
+geworpen, weer te voorschijn was gekomen. Toen Hojo Takatoki vernam,
+dat het dappere meisje de dochter was van den verbannen Oribe Shima,
+zond hij hem met den grootsten spoed naar zijn eigen woonplaats terug,
+waar hij nog langen tijd met zijn dochter in vrede en voorspoed leefde.
+
+
+
+
+De Geest van het Zwaard.
+
+In zekeren nacht ging een jonk voor anker liggen bij Kaap Fudo, en
+nadat verschillende voorbereidselen gemaakt waren, vielen zoowel de
+kapitein, Tarada genaamd, als de bemanning op dek in slaap. Tegen het
+uur van middernacht werd Tarada gewekt door een vreemd stommelend
+geluid, dat van den bodem der zee scheen voort te komen. Toen hij
+toevallig keek in de richting van den boeg van het schip, zag hij
+een mooi meisje, gekleed in het wit, terwijl van haar een glinsterend
+licht uitstraalde.
+
+Toen Tarada zijn bemanning had gewekt, naderde hij het meisje, dat
+zeide: "Mijn eenige wensch is weer naar de aarde terug te keeren." Na
+die woorden te hebben gesproken, verdween zij tusschen de golven.
+
+Den volgenden dag ging Tarada aan land, en vroeg aan verscheidene
+personen, die in Amakura woonden, of zij wel eens gehoord hadden van
+een prachtig meisje, als het ware badend in een phosphoresceerend
+licht. Één der dorpsbewoners antwoordde het volgende: "Wij hebben het
+meisje, dat gij beschrijft, nooit gezien, maar eenigen tijd geleden
+werden wij verontrust door stommelende geluiden, die afkomstig schenen
+te zijn van Kaap Fudo, en van dat oogenblik af hebben die geheimzinnige
+geluiden veroorzaakt, dat geen visch onze baai is binnengekomen. Het
+is mogelijk, dat het meisje, dat gij gezien hebt, de geest van het
+ééne of andere arme meisje is geweest, dat in zee is verdronken,
+en dat het geluid, dat wij hoorden, niets anders is dan de toorn van
+den Zeegod over het feit, dat een lijk of menschelijke beenderen het
+water verontreinigen".
+
+Daarop werd besloten, dat de stomme Sankichi in zee zou duiken, en elk
+lijk, dat hij daar zou vinden, naar boven zou brengen. Daarop ging
+Sankichi aan boord van de jonk van Tarada, en na van zijn vrienden
+afscheid te hebben genomen, dook hij in het water onder. Hij zocht
+nauwlettend, maar kon geen spoor van een lijk of van menschelijke
+beenderen ontdekken. Eindelijk echter ontdekte hij iets, dat geleek op
+een zwaard, in zijde gewikkeld, en toen hij het omhulsel losmaakte,
+vond hij, dat het inderdaad een zwaard was, schitterend helder
+en zonder een enkele vlek of eenig gebrek. Sankichi kwam naar de
+oppervlakte terug en werd dadelijk aan boord opgenomen. De arme man
+werd voorzichtig op het dek gelegd, maar hij viel van uitputting
+flauw. Zijn koud lichaam werd haastig gewreven en vuren werden
+aangestoken. Na zeer korten tijd kwam Sankichi weer bij kennis,
+en kon hij het zwaard laten zien, en bijzonderheden omtrent zijn
+avonturen mededeelen.
+
+Een ambtenaar, Naruse Tsushimanokami genaamd, was van meening, dat het
+zwaard een heilige schat was, en op zijn aanbeveling werd het geplaatst
+in een tempel, en aan Fudo gewijd. Sankichi bewaakte het kostbare wapen
+met de grootste trouw, en Kaap Fudo werd bekend onder den naam van de
+Kaap van het Zwaard der Vrouw. Tot vreugde der visschersbevolking,
+kwamen de visschen, nu de geest van het wapen was tevreden gesteld,
+weer in de baai terug.
+
+
+
+
+De Liefde van O Cho San.
+
+
+
+ "'t Is vandaag de tiende Juni. Vall' in stroomen neer de regen!
+ Want ik zou mijn teer beminde O Cho San zoo gaarne ontmoeten."
+
+ Naar _R. Gordon Smith_.
+
+
+Op het afgezonderde eiland Hatsushima, dat beroemd is om zijn _suisenn_
+(narcissen), leefde eens een prachtig schoon meisje, Cho genaamd, en al
+de jongelieden van het eiland verlangden vurig, met haar te huwen. Op
+zekeren dag ging de schoone Shinsaku, die vrijmoediger was dan de
+overige jongelieden, naar Gisuke, den broeder van Cho, en zeide hem,
+dat hij zoo vurig verlangde, diens schoone zuster te huwen. Gisuke
+maakte geen tegenwerpingen, en nadat de vrijer vertrokken was, liet
+hij Cho bij zich komen en zeide: "Shinsaku wenscht uw echtgenoot te
+worden. Ik houd van den visscher en ben van meening, dat ge, als gij
+met hem trouwt, een goed huwelijk zult doen. Ge zijt nu achttien jaar
+oud, en het is dus hoog tijd dat ge trouwt."
+
+O Cho San kon zich volkomen vereenigen met de meening van haar broeder,
+en afgesproken werd, dat het huwelijk drie dagen later zou worden
+voltrokken. Ongelukkig waren die dagen juist dagen van tweedracht
+op het eiland, immers toen de overige vrijers onder de visschers het
+nieuws hoorden, begonnen zij den vroeger zoo populairen Shinsaku te
+haten, en bovendien verwaarloosden zij hun werk door hun voortdurende
+onderlinge gevechten. Die betreurenswaardige tooneelen wierpen een
+zóó donkere schaduw op het eertijds zoo gelukkige eiland Hatsushima,
+dat O Cho San en haar minnaar besloten, dat zij ter wille van den
+algemeenen vrede liever niet zouden trouwen.
+
+Dit edele offer had echter niet de gewenschte uitwerking, immers de
+dertig minnaars bleven elkander nog bevechten en verwaarloosden nog
+altijd hun beroep. O Cho San besloot toen, een nog grooter offer te
+brengen. Zij schreef teedere afscheidsbrieven aan haar broeder en aan
+Shinsaku, en na dien bij den slapenden Gisuke te hebben achtergelaten,
+sloop zij stil het huis uit in een stormachtigen nacht op den 10_den_
+Juni. Zij deed groote steenen in haar schoone mouwen, en wierp zich
+toen in zee.
+
+Den volgenden dag lazen Gisuke en Shinsaku de brieven, die zij van
+O Cho San hadden ontvangen, en door smart overweldigd, zochten zij
+het strand af, waar zij de strooien sandalen van Cho vonden. De beide
+mannen waren toen overtuigd, dat het schoone meisje zich werkelijk van
+het leven had beroofd, en korten tijd daarna werd haar lichaam uit
+de zee aangespoeld, waarna het begraven werd. Op haar graf plaatste
+Shinsaku veel bloemen, terwijl hij voortdurend weende.
+
+Op zekeren avond besloot Shinsaku, die niet in staat was langer zijn
+smart te dragen, zich van het leven te berooven in de meening, dat hij
+dan den geest van O Cho San zou ontmoeten. Terwijl hij een tijd lang
+toefde bij het graf van het meisje, meende hij haar witten geest te
+zien, en terwijl hij herhaaldelijk haar naam fluisterde, rende hij
+naar haar toe. Op dit oogenblik kwam Gisuke, door het leven wakker
+geschrikt het huis uit, en vond hij Shinsaku, die zich vastklemde
+aan het graf van zijn geliefde.
+
+Toen Shinsaku zijn vriend verhaald had, dat hij den geest van O Cho
+San had gezien, en van plan was zich van het leven te berooven, ten
+einde voor eeuwig met haar vereenigd te zijn, antwoordde Gisuke aldus:
+"Shinsaku, uw liefde voor mijn arme zuster is groot, maar gij kunt haar
+het best beminnen, door haar in deze wereld te dienen. Als de groote
+Goden u roepen, zult gij haar ontmoeten, maar wacht met vertrouwen en
+moed dat oogenblik af, want alleen een dapper en tevens liefhebbend
+hart is O Cho San waardig. Laat ons samen een tempel bouwen en dien
+aan mijn zuster wijden, en houd uw liefde krachtig en rein, door
+nooit met iemand anders te huwen."
+
+De dertig vrijers, die zoo weinig mannelijk gevoel hadden getoond,
+kwamen nu tot het volle bewustzijn van de smart, die zij hadden
+veroorzaakt, en om hun berouw te toonen, hielpen zij mede aan den
+bouw van den tempel voor het ongelukkige meisje, waar nog tot heden
+ten dage den 10_den_ Juni een plechtigheid plaats heeft, waarbij de
+geest van O Cho San in den regen verschijnt.
+
+
+
+
+De Geest van den Grooten Awabi.
+
+Den ochtend nadat een groote aardbeving het visschersdorp Nanao had
+geteisterd, bleek het, dat op een afstand van enkele mijlen van de kust
+een rots was te voorschijn gekomen als het resultaat van de beroering
+in de aardkorst, en dat bovendien de zee vreeselijk modderachtig
+was geworden. In zekeren nacht voeren een aantal visschers langs de
+rots, toen zij vlak bij zich een hoogst merkwaardig licht zagen, dat
+scheen naar boven te komen van den bodem der zee, met een glans, die de
+helderheid der zon evenaarde. De visschers haalden de roeiriemen binnen
+en staarden met ontzaglijke verbazing op het wonderbare schouwspel,
+maar toen het licht plotseling vergezeld werd van een dof gerommel,
+werden de zeelieden beangst voor een nieuwe aardbeving en keerden
+zij met grooten spoed naar Nanao terug.
+
+Den derden dag daarna namen de prachtige stralen uit de diepte in
+helderheid toe, zoodat zij, die op het strand van Nanao stonden, ze
+duidelijk konden zien, en de bijgeloovige visschers werden al meer
+en meer bevreesd. Alleen Kansuke en zijn zoon Matakichi waren moedig
+genoeg, om uit visschen te gaan. Op den terugweg bereikten zij het
+Rotseiland, en trokken hun vischnet in, toen Kansuki zijn evenwicht
+verloor en in zee viel.
+
+Hoewel de oude Kansuke een goed zwemmer was, zakte hij als een steen en
+kwam hij niet meer aan de oppervlakte. Matakichi, die dit vreemd vond,
+dook in het water, bijna verblind door de geheimzinnige stralen, die
+wij reeds beschreven hebben. Toen hij eindelijk den bodem bereikte,
+ontdekte hij tallooze _awabi_ (parelschelpen), en in het midden der
+groep één van zeer groote afmeting. Van al die schelpen straalde
+een schitterend licht uit, en hoewel het onder water even helder
+was als in het volle daglicht, kon Matakichi geen spoor van zijn
+vader vinden. Eindelijk was hij gedwongen weer naar de oppervlakte
+op te stijgen, doch ontdekte toen, dat de ruwe zee zijn boot had
+gebroken. Ten slotte echter bereikte hij, zich voortwerkend op een stuk
+wrakhout, met behulp van een gunstigen wind en een gunstige strooming,
+de kust van Nanao, en deed hij de dorpsbewoners een verslag van zijn
+merkwaardige avonturen en van het verlies van zijn ouden vader.
+
+Matakichi, die diep bedroefd was over den dood van zijn vader, ging
+naar den ouden dorpspriester en verzocht dien waardigen geestelijke,
+dat hij hem als één van zijn leerlingen zou aannemen, opdat hij
+met des te beter resultaat voor den geest van zijn vader zou kunnen
+bidden. De priester stemde daarin gaarne toe, en ongeveer drie weken
+later stevenden zij naar het Rotseiland, waar beiden vurig baden voor
+de ziel van Kansuke.
+
+Dien nacht werd de oude priester met een schok wakker en zag hij
+een ouden man naast zijn bed zitten. Met een diepe buiging sprak de
+vreemdeling aldus: "Ik ben de geest van den Grooten Awabi, en ik ben
+meer dan duizend jaar oud. Ik woon in de zee naast het Rotseiland, en
+van morgen hoorde ik u bidden voor de ziel van Kansuke. Helaas! goede
+priester, uw gebeden hebben een diepen indruk op mij gemaakt, maar
+met schaamte en smart beken ik, dat ik Kansuke heb verslonden. Ik
+heb mijn volgelingen bevolen ergens anders heen te trekken, en ten
+einde te boeten voor mijn misdaad, zal ik mij van mijn ellendig leven
+berooven, opdat de parel, die binnen in mij zit, aan Matakichi kan
+worden gegeven." Na die woorden te hebben gesproken, verdween de
+geest van den Grooten Awabi plotseling.
+
+Toen Matakichi den volgenden morgen ontwaakte en de blinden opende,
+ontdekte hij den ontzaglijken _awabi_, dien hij bij het Rotseiland
+had gezien. Hij nam dien mede naar den ouden priester, die, na het
+verhaal van zijn leerling te hebben aangehoord, een verslag gaf van
+zijn eigen ondervindingen. De groote parel en de schelp van den _awabi_
+werden in den tempel geplaatst, en het lichaam werd eerbiedig begraven.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXVIII. BIJGELOOF.
+
+
+
+Japansch Bijgeloof.
+
+Het hier genoemde onderwerp is van bijzondere beteekenis,
+daar het dient, ons aan te wijzen, langs welken weg een aantal
+mythen en legenden en meer in het bijzonder folklore, zich hebben
+ontwikkeld. Bijgeloof is als het ware het ruwe materiaal, waaruit
+tallooze vreemde godsdienstige begrippen zich tot sprookjes hebben
+ontwikkeld, en een onderzoek van het onderwerp zal ons doen zien,
+hoe de geest van den landman bepaalde bovennatuurlijke krachten tracht
+tegen te gaan of ze in het dagelijksch leven tot zijn voordeel tracht
+te doen strekken. In deze bladzijden zijn reeds een aantal vormen van
+bijgeloof vermeld, en in dit hoofdstuk zullen wij diegene bespreken,
+welke nog niet elders behandeld zijn. Het is nauwelijks noodig er
+op te wijzen, dat al die voorbeelden van bijgeloof, gekozen uit een
+rijke bron van vreemde godsdienstige opvattingen, uit den aard der
+zaak uiterst primitief zijn, misschien echter met uitzondering van
+die, welke in betrekking staan met de classieke kunst van waarzeggen,
+die eigen is aan de minder ontwikkelde standen van Japan.
+
+
+
+
+Menschenoffers.
+
+In voorhistorische tijden bezat de boog, naar men meende,
+bovennatuurlijke macht. Op wonderbaarlijke wijze zou hij op het dak in
+iemands huis komen, als een teeken, dat de oudste ongehuwde dochter
+moest worden opgeofferd. Zij werd dus levend begraven, opdat haar
+vleesch door de Godheid der Wilde Dieren kon worden verslonden. Later
+echter was de boog niet langer de boodschap van een wreede godheid,
+want hij verloor langzamerhand zijn afschuwelijke beteekenis, en is
+nu het symbool van veiligheid geworden. Tot op onzen tijd kan men
+hem bevestigd zien aan den nok van een dak, en wordt hij beschouwd
+als een geluk brengend toovermiddel.
+
+Wij kennen nog een tweede voorbeeld van menschenoffers in de oude
+afstootende gewoonten, om iemand levend te begraven, in de meening, dat
+hierdoor de stevigheid van een brug of een kasteel wordt vergroot. In
+den ouden tijd, toen gedwongen arbeid aan de orde van den dag was,
+had men ongelukkig slechts weinig ontzag voor de heiligheid van het
+menschelijke leven. Zij die zonder belooning arbeidden, stonden onder
+toezicht van een meedoogenloos opziener, die aan zijn bevelen kracht
+bijzette door middel van een speer. Hij was ieder oogenblik gereed
+allen te dooden, die lui of in eenig opzicht weerspannig waren, en
+heel wat lijken werden in het metselwerk geworpen. Als een rivier
+moest worden afgedamd, of een vesting met grooten spoed moest worden
+gebouwd, was dit betreurenswaardige gebruik voortdurend in zwang.
+
+Als een nieuwe brug gebouwd werd, waren haar nut en langdurig bestaan
+verzekerd, niet alleen door menschenoffers of door smart, maar
+somtijds ook door geluk. Het waren alleen menschen van een bijzonder
+gelukkige gemoedsstemming, wien werd toegestaan, over een nieuwe brug
+te loopen. Het verhaal is bekend, dat de Matsue-brug het eerst werd
+overgetrokken door twee vroolijke, oude mannen, die ieder een gezin
+van twaalf kinderen hadden, bij welken overtocht zij vergezeld waren
+van hun vrouwen, kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. Die
+vroolijke optocht had plaats onder veel vreugdebetoon en het afsteken
+van vuurwerk. Het denkbeeld, dat geluk bijdraagt tot den gelukkigen
+bouw en de stevigheid van een Japansche brug, is een aardige gedachte,
+maar ongelukkig is de oude brug van Matsue, die nu vervangen is door
+een andere, die veel minder schilderachtig is, verbonden met een zeer
+onaangename overlevering.
+
+Toen Horio Yoshiharu _Daimio_ van Izumo werd, vatte hij het plan op een
+brug te bouwen over de onstuimige rivier bij Matsue. Hoewel er heel wat
+menschen aan werkzaam waren, om zijn wenschen ten uitvoer te brengen,
+wilde het werk niet vlotten. Tallooze groote steenen werden in het
+voortsnellende water geworpen met de bedoeling, daardoor een stevigen
+grondslag te leggen, waarop de pijlers moesten worden opgetrokken,
+maar een groot aantal steenen spoelden weg, en zoodra de brug een
+tastbaren vorm begon aan te nemen, werd hij door den bruisenden stroom
+vernield. Men meende, dat de geesten van den stroom vertoornd waren,
+en men achtte het noodig, ten einde die te verzoenen, een menschenoffer
+te brengen. Daarom werd een man levend begraven onder de middelsten
+pijler, waar het water het onstuimigst was. Toen dat geschied was,
+vorderde het werk voorspoedig, en gedurende driehonderd jaar bleef
+de brug ongeschonden. Het ongelukkige slachtoffer was Gensuke, en dit
+was dan ook de naam, aan den middelsten pijler gegeven. Men verhaalt,
+dat in nachten, waarin de maan niet schijnt, een geheimzinnig rood
+licht van dien pijler uitstraalt--de spookachtige uitstroomingen van
+den armen Gensuke.
+
+
+
+
+Classieke waarzeggerij.
+
+Een der meest populaire vormen van Japansch bijgeloof hangt samen met
+waarzeggerij, en de leer van Confucius heeft niet weinig bijgedragen
+tot haar populariteit. De _Yih-King_, of "Boek der Veranderingen",
+is de voornaamste bron dier kunst, en Confucius besteedde zóóveel
+tijd aan de studie van dit geheimzinnige werk, dat, naar men verhaalt,
+de lederen riemen, die gebruikt werden om de bladen bijeen te houden,
+tijdens zijn leven driemaal moesten worden hernieuwd. Die _Yih-King_
+werd begonnen door Fu Hsi, tweeduizend jaar vóór de geboorte van
+Christus, en Confucius voegde daar veel nieuwe bouwstoffen aan
+toe. Een meer ingewikkelde wijze, om de toekomst te lezen dan door
+middel van een groot aantal verschillende figuren, kan men zich niet
+voorstellen. Een zóó ingewikkeld stelsel van waarzeggen werd uit
+den aard der zaak uitsluitend de wetenschap van enkele uitverkoren
+geleerden, maar na verloop van tijd onderging het verschillende
+wijzigingen. Het verloor tot op zekere hoogte zijn meest classiek
+uiterlijk, en een groot aantal Japansche waarzeggers traden in het land
+op, die voor een gering loon in de toekomst lazen, en dat wel zonder
+den stempel te dragen van een diepe studie in den _Yih-King_. Een
+betrekkelijk eenvoudige vorm van waarzeggen is die, waarbij vijftig
+staafjes gebruikt worden, die op een bijzondere wijze worden
+door elkander geschud, en de wijze, waarop ten slotte de staafjes
+gerangschikt liggen, geeft het antwoord op de gestelde vragen. Een
+aantal van de tegenwoordige waarzeggers in Japan zijn niets anders
+dan kwakzalvers, die gebruik maken van de lichtgeloovigheid van hen,
+die hun diensten inroepen, zonder dat zij goed op de hoogte zijn van de
+kunst, die zij uitoefenen. Maar in oude tijden stond het waarzeggen met
+gewijde ceremonies in verband. Het was voor den waarzegger, evenals
+voor den ouden wapensmid, noodzakelijk zich voor zijn taak voor te
+bereiden. Van hem werd geëischt, dat hij zijn lichaam met de grootste
+zorg reinigde, dat hij in een afgezonderd vertrek ging zitten en
+het ingewikkelde proces van het schudden der staafjes met eerbiedigen
+geest volbracht. Op een bepaald oogenblik moest hij zijn oogen sluiten,
+een tijdlang den adem inhouden en zijn gedachten concentreeren op het
+waarzeggen; de oude waarzegger toch meende, evenals de oude Shinto
+priester, dat hij het bovennatuurlijke te hulp riep.
+
+
+
+
+Andere vormen van waarzeggerij.
+
+Bij andere vormen van waarzeggerij, die geen deskundige verklaring
+vereischen, meent men, dat de toekomst kan worden geopenbaard door
+de barsten en lijnen van het bot van een eenigszins verbranden
+reebout, een methode, die veel overeenkomst heeft met de oude
+Engelsche gewoonte van voorspellen uit botten van dieren. Het was
+niet altijd gemakkelijk, een reebout te krijgen, en daar de barsten
+en andere teekenen van meer belang waren dan het bot zelf, gebruikte
+men na verloop van tijd gebrande schalen van schildpadden. Daar
+haarkammen meestal van dat materiaal waren vervaardigd, was een
+vrouw, door haar kam te laten verkolen, in staat de lijnen te lezen
+en zoo de trouw en andere eigenschappen van haar minnaar te leeren
+kennen. Meisjes waren gewoon in de toekomst te lezen, en na te gaan,
+wat deze voor haar in den schoot had, door laat in den avond uit
+te gaan en de losse opmerkingen van voorbijgangers met elkander te
+verbinden. Deze wijze van voorspellen is bekend onder den naam van
+_tsuji-ura_, maar zij is volstrekt niet uitsluitend aan Japan eigen,
+want zij wordt ook nog dikwijls in Europa, voornamelijk in Engeland,
+door bijgeloovige menschen toegepast. Een verliefd meisje trachtte
+te ontdekken, of haar liefde wel of niet beantwoord werd, door een
+stok in den grond te plaatsen, en dien met verschillende offers
+te omgeven, ter wijl zij lette op de gesprekken van reizigers,
+welke dien kant uitkwamen. [81] Een latere en meer uitgewerkte
+ontwikkeling van dien vorm van waarzeggen vereischte drie meisjes,
+en de gebruikte methode was deze: De jonge meisjes gingen naar een
+kruispunt van wegen, en herhaalden driemaal een smeekbede aan den
+God der Wegen. Als zij die Godheid hadden aangeroepen, wierpen zij
+rijst op den grond, immers rijst heeft de macht, kwade geesten te
+verdrijven. De meisjes wreven daarna haar vingers tegen de tanden van
+een borstel van beukenhout, omdat _tsuge_, het Japansche woord voor
+beukenhout, tevens "vertellen" beteekent. Na die voorbereidselen ging
+ieder van haar in een verschillenden stand staan, en voegden zij de
+opmerkingen der voorbijgangers tot één geheel samen. Somtijds werd
+ook een tijding omtrent de toekomst ontvangen, terwijl hij, die iets
+omtrent de toekomst wilde weten, onder een brug stond en luisterde naar
+het getrappel der voeten, en somtijds ook meende men, dat een priester
+die al inademend floot, het ééne of andere voorteeken kon openbaren.
+
+
+
+
+Ongelukkige Jaren en Dagen.
+
+Men meent, dat bepaalde levensperioden bijzonder ongelukkig zijn. Het
+vijf en twintigste, twee en veertigste en één en zestigste jaar in
+het leven van een man worden als ongelukkig beschouwd, terwijl de
+ongelukkige jaren van het leven eener vrouw het negentiende, drie en
+dertigste en zeven en dertigste zijn. Ten einde gedurende die perioden
+rampen te voorkomen, is het noodzakelijk veel tijd te besteden
+aan godsdienstige oefeningen. Mannen en vrouwen wordt afgeraden,
+een reis te ondernemen tijdens het zestiende, vijf en twintigste,
+vier en dertigste, drie en veertigste, twee en vijftigste en één
+en zestigste jaar. Als bijgeloovige vrouwen een nieuw kleedingstuk
+wenschen te vervaardigen, spreken zij een tooverspreuk uit en strooien
+zij later drie snuifjes zout op de mouw bij den schouder. Geen vrouw
+kon zonder nadeel haar naald gebruiken op een "apen" dag, maar veel
+liever moest zij daarvoor een "vogel" dag gebruiken. Indien het werk
+op den eerstgenoemden dag ondernomen wordt, is er gevaar voor, dat het
+kleed scheurt of verbrandt; maar als het gewaad op den laatstgenoemden
+dag wordt vervaardigd, zal het de schoonheid en duurzaamheid hebben
+van de veeren van een vogel.
+
+
+
+
+Kinderen.
+
+Als een tand van een kind uitvalt, wordt die onder de dakpannen
+weggeworpen, met den wensch, dat hij vervangen wordt door dien van een
+boozen geest. Somtijds wordt de tand van een kleinen jongen of een jong
+meisje op den grond geworpen met het verzoek, dat die vervangen wordt
+door dien van een rat. Kinderen zijn tegen nachtmerrie beveiligd,
+als het woord "hondje" op hun voorhoofd wordt geschreven; en als
+aan die voorzorg nog is toegevoegd een teekening van den _Baku_,
+Eter van Droomen, zal het zeker zijn, dat de slaap van den kleinen
+van rustigen aard zal zijn. Het woord "hond" op het voorhoofd van een
+kind geschreven, is een beveiliging tegen de betoovering door vossen
+en dassen.
+
+Sommige kunstmiddeltjes, die den roep hebben kinderziekten te
+genezen, zijn hoogst merkwaardig. Bloed, uit een hanekam getapt,
+geneest een slechte spijsvertering, terwijl uitslag op het hoofd
+kan verdreven worden door herhaaldelijk de volgende woorden uit te
+spreken: "In de lange lentedagen kan het onkruid verwijderd worden,
+maar in den tuin moet het oogenblikkelijk uitgeroeid worden." Zelfs
+een Japansche zuigeling huilt van tijd tot tijd, maar als een rood
+zakje, dat hondenhaar bevat, aan zijn rug is vastgemaakt, zal het
+oogenblikkelijk ophouden te huilen en zal het klagende geween plaats
+maken voor glimlachjes. Blindheid is dikwijls het gevolg van pokken,
+maar die ramp kan vermeden worden, door zeven erwten in een put te
+werpen, onder het opzeggen van zeven gebeden, en daarna al het water
+uit den put te scheppen.
+
+
+
+
+Toovermiddelen.
+
+Een groot aantal Japansche toovermiddelen bestaan uit stukjes
+papier, die een opschrift dragen, dat ten doel heeft rampen af te
+weren. Een ander middel is een papier, beschreven met den naam van
+een godheid. Men geeft het den vorm van een lange strook, die door
+de arme lieden aan den buitenkant van hun woningen wordt bevestigd,
+terwijl zij, die niet tegen armoede hebben te kampen, het beschouwen
+als een deel van het huiselijk altaar. De afdruk van de hand van
+een kind, die, zooals Chamberlain schrijft, verkregen wordt door
+de hand eerst met inkt te bevochtigen en haar daarna op een vel
+papier te drukken, weert, zooals gezegd wordt, kwade invloeden
+af. Brokstukken van tempels, rijstkorrels, die zóó gesneden zijn,
+dat zij de Geluksgoden voorstellen, kleine _sutra's_, copieën van
+den voetafdruk, van Buddha, en een aantal ander vreemde invallen,
+behooren tot de veelvuldige Japansche toovermiddelen.
+
+
+
+
+Het wenkende Blad.
+
+Er is een zekere Japansche boom, _tegashiwa_ genaamd, waarvan de
+bladeren in vorm eenige overeenkomst hebben met een hand. In oude
+tijden kreeg een _samurai_, als hij verplicht was zijn huis te
+verlaten, onmiddellijk vóór zijn vertrek een _tai_ (baars), die
+werd opgediend op een blad van een _tegashiwa_-boom. Dit was zijn
+afscheidsmaal, en als de _samurai_ den visch had gegeten, werd het
+blad boven de deur gehangen, waarbij de gedachte voorzat, dat dit hem
+op reis zou doen behouden blijven en hem weer veilig naar huis zou
+doen terugkeeren. Het was niet zoozeer de vorm als wel de beweging
+van het _tegashiwa_-blad, die aanleiding gaf tot die aardige gedachte,
+want het blad scheen, als het door den wind werd bewogen, op de gewone
+bekoorlijke Japansche wijze te wenken.
+
+
+
+
+Bimbogami.
+
+Gewoonlijk ziet men, dat droge erwten een afdoend middel zijn om booze
+geesten te verdrijven, maar Bimbogami, de God der Armoede, is niet
+zoo gemakkelijk te overwinnen. Er is iets pathetisch in het denkbeeld,
+dat de armoede beschouwd moet worden als een koppige en ongewenschte
+knaap, want hier komen wij op het terrein der werkelijkheid. Hoewel
+Bimbogami geen aandacht slaat op de droge erwten, kan hij toch door
+andere middelen verjaagd worden.
+
+Het houtskoolvuur in een Japansche keuken wordt tot een heerlijken
+gloed aangeblazen door middel van een werktuig, _hifukidake_ genaamd,
+een bamboebuis--een meer artistieken en eenvoudigen vorm van blaasbalg,
+waar de opgeblazen wangen de plaats innemen van onzen door de
+hand bewogen leeren zak. Spoedig reeds knapt de bamboebuis door de
+ontzettende hitte. Zoodra dit het geval is, wordt een koperen munt
+binnen in de buis geplaatst, een tooverformulier wordt uitgesproken,
+en daarna wordt de "blaaspijp" òf op de straat òf in een rivier
+geworpen. Men meent steeds, dat het wegwerpen van de onbruikbare
+bamboebuis het gedwongen vertrek van Bimbogami beteekent. De meesten
+van ons kennen wel het Doodskloppertje, dat als een horloge in onze
+meubels tikt. In Japan wordt het _Bimbomushi_, of "Armoede-Insect"
+genoemd. Zijn tikken voorspelt niet den naderenden dood, zooals in
+ons land het geval is, maar het is een teeken van de ongewenschte
+aanwezigheid van den God der Armoede in de Japansche woning.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXIX. BOVENNATUURLIJKE WEZENS.
+
+
+
+De Kappa.
+
+De _Kappa_ is een riviermonster, een harig schepsel met het lichaam
+van een schildpad en met schubbige beenderen. Zijn kop gelijkt
+eenigszins op dien van een aap, en boven op den kop is een holte,
+die een geheimzinnige vloeistof bevat, welke de bron moet zijn van
+de groote macht van het schepsel. Het grootste genot van den _Kappa_
+is, menschelijke wezens uit te dagen tot een tweegevecht, en de
+ongelukkige man, die een zoodanige uitnoodiging krijgt, kan die niet
+afslaan. Hoewel de _Kappa_ woest en twistziek is, is hij niettemin
+uiterst beleefd. De reiziger, die zijn onverbiddelijke oproeping
+krijgt, maakt voor het monster een diepe buiging. De beleefde Kappa
+beantwoordt de buiging, en terwijl hij zijn kop buigt, stroomt
+de vloeistof, die hem zijn kracht verleent, uit de holte in zijn
+schedel, en daar hij dan zwak wordt, verdwijnen zijn oorlogszuchtige
+karaktertrekken onmiddellijk. Maar het is even ongelukkig den _Kappa_
+te overwinnen, als door hem te worden afgeranseld, immers de tijdelijke
+roem der overwinning wordt spoedig gevolgd door het wegkwijnen van den
+ongelukkigen reiziger. De _Kappa_ heeft de neigingen van een vampier,
+want hij slaat de menschen in het water, als zij in de rivier of in
+het meer baden, en zuigt hun bloed uit. In een bepaald gedeelte van
+Japan heet het, dat hij ieder jaar twee slachtoffers eischt. Als hij
+uit het water naar boven komt, wordt zijn huid bleek, en langzamerhand
+verkwijnt hij, alsof hij lijdt aan een vreeselijke ziekte.
+
+In Izuma noemen de dorpsbewoners den _Kappa_ gewoonlijk _Kawako_
+("Het kind der Rivier"). Bij Matsue is een klein gehucht gelegen,
+Kawachi-mura genoemd, en aan den oever der rivier is een kleine tempel,
+bekend onder den naam van Kawako-no-miya, dat wil zeggen de tempel
+van den _Kawako_ of _Kappa_, welke tempel een geschrift bevat, dat
+door dat riviermonster onderteekend is. Omtrent dat geschrift wort
+de volgende legende verhaald.
+
+
+
+De belofte van den Kappa.
+
+In oude tijden leefde in de rivier de Kawachi een _Kappa_, die er
+zijn gewoonte van maakte, een aantal dorpsbewoners te pakken en te
+dooden en bovendien een aantal van hun huisdieren. Op zekeren dag
+ging een paard de rivier in, en de _Kappa_ verrekte op de één of
+andere wijze zijn nek, toen hij het paard trachtte te pakken, maar
+in weerwil van de ondragelijke pijn wilde hij zijn slachtoffer niet
+loslaten. Het beangste paard sprong op den oever der rivier en holde
+in een naburige weide, terwijl de _Kappa_ nog steeds het verschrikte
+paard vasthield. De eigenaar van het paard bond, geholpen door een
+aantal dorpsbewoners, het Kind der Rivier stevig vast. "Laat ons
+dat afgrijselijke schepsel dooden," zoo spraken de boeren, "want hij
+heeft zeker een aantal afschuwelijke misdaden gepleegd, en wij zouden
+verstandig handelen, als wij ons van zulk een afschuwelijk monster
+verlosten." "Neen," antwoordde de eigenaar van het paard, "wij zullen
+hem niet dooden. Wij zullen hem laten zweren, dat hij nooit één van de
+bewoners of van de huisdieren van dit dorp zal dooden." Een geschrift
+werd dus gereedgemaakt, en den _Kappa_ werd gevraagd het door te lezen,
+en na dit gedaan te hebben, het met zijn naam te onderteekenen. "Ik
+kan niet schrijven," antwoordde de berouwvolle _Kappa_, "maar ik zal
+mijn hand in inkt doopen en die op het geschrift drukken." Toen het
+schepsel zijn merk op het stuk had gedrukt, werd hij losgelaten en
+werd hem toegestaan naar de rivier terug te keeren, en van dien tijd
+af tot heden toe is de _Kappa_ getrouw gebleven aan zijn belofte.
+
+
+
+
+De Tengu.
+
+Wij hebben reeds vroeger melding gemaakt van den _Tengu_, en wel in
+het verhaal van Yoshitsune en Benkei. [82] Men zal zich herinneren, dat
+in die legende Yoshitsune, één der grootste krijgslieden van het Oude
+Japan, de krijgskunst leerde van den Koning der _Tengu_. Chamberlain
+beschrijft de _Tengu_ als "een soort van aardgeesten, die rondwaren
+over de bergen en in de bosschen, en die een aantal guitenstreken
+uithalen. Zij hebben eenige verwantschap met vogels; want zij
+hebben vleugels en een snavel, en somtijds klauwen. Maar dikwijls
+wordt de snavel een breede en ontzaglijk lange menschelijke neus,
+en het geheele schepsel wordt als menschelijk voorgesteld, daar er
+niets vogelachtigs overblijft dan de waaier van veeren, waarmede het
+dier zich verkoelt. Dikwijls is het in bladeren gehuld, en draagt het
+een kleine muts op zijn kop. In één woord, de _Tengu_ zijn goden van
+minderen rang, en zijn volleerd in de schermkunst en in het gebruik van
+wapenen in het algemeen. De teekens, waarmede de naam wordt geschreven,
+beteekenen 'hemelsche hond', doch deze naam leidt op een dwaalspoor,
+daar het schepsel geen gelijkenis heeft met een hond, en zooals wij
+reeds beschreven hebben, voor een deel er uitziet als een mensch,
+voor een deel als een vogel." Er zijn nog andere overleveringen
+omtrent het woord _Tengu_, die van geheel anderen aard zijn; men
+verhaalt immers, dat Keizer Jomei dien naam gaf aan een meteoor,
+"die het luchtruim doorkliefde van oost naar west, onder een krachtige
+ontploffing." Bovendien is er een nog oudere lezing, volgens welke de
+_Tengu_ uitgevloeid waren uit Susa-no-o, den Ontstuimigen Jongeling,
+en ook nog, dat er vrouwelijke booze geesten waren met koppen van
+dieren en groote ooren en neuzen van een zóó ontzaglijke lengte,
+dat zij daarop menschen konden voortdragen en met dien last duizenden
+mijlen zonder vermoeienis konden voortvliegen, terwijl bovendien hun
+tanden zóó sterk en zóó scherp waren, dat die vrouwelijke demonen
+zwaarden en speren konden doorbijten. Nog steeds gelooft men, dat
+de _Tengu_ bepaalde bosschen bewoont, en de schuilplaatsen van hooge
+bergen. In het algemeen gesproken is de _Tengu_ geen kwaadaardig wezen,
+want hij heeft een sterk gevoel voor humor en is er dol op, iemand
+goedmoedig in het ootje te nemen. Somtijds echter verstopt de _Tengu_
+menschelijke wezens op geheimzinnige wijze, en als zij eindelijk
+naar huis terugkeeren, zijn zij volslagen krankzinnig geworden. Dit
+vreemde verschijnsel is bekend onder den naam van _Tengu-kakushi_,
+of door een _Tengu_ verstopt.
+
+
+
+
+Tobikawa bootst een Tengu na.
+
+Tobikawa, die in zijn jonge jaren een worstelaar geweest was en in
+Matsue woonde, bracht zijn tijd door met het jagen en dooden van
+vossen. Hij hechtte geen geloof aan de verschillende bijgeloovige
+opvattingen omtrent het dier, en algemeen was men van meening, dat
+zijn groote kracht hem beveiligde tegen de toovenarij van vossen. Er
+waren echter onder de bewoners van Matsue enkelen, die voorspelden,
+dat Tobikawa tot een ontijdig einde zou komen ten gevolge van zijn
+vermetele daden en zijn ongeloof in bovennatuurlijke krachten. Tobikawa
+hield er bijzonder van, de menschen voor den gek te houden; hij had
+zelfs eens de brutaliteit de gedaante van een _Tengu_ in hoofdzaken na
+te bootsen, zooals de veeren, den langen neus, de klauwen enz. Nadat
+hij zich zoo had vermomd, klom hij in een boom, die in een heilig
+boschje stond. Dadelijk zagen de boeren hem, en daar zij dachten,
+dat het wezen, dat zij zagen, een _Tengu_ was, begonnen zij hem te
+aanbidden, en heel wat offeranden rondom den boom te plaatsen. Doch
+helaas! de treurige voorspelling werd vervuld, want terwijl de
+vroolijke Tobikawa de acrobatische kluchten van een _Tengu_ nadeed,
+gleed hij van een tak af en werd hij gedood.
+
+
+
+
+De Avonturen van Kiuchi Heizayemon.
+
+Wij hebben reeds gesproken van den _Tengu-kakushi_, en de volgende
+legende geeft een goed geteekende beschrijving van die bovennatuurlijke
+gebeurtenis.
+
+Op zekeren avond verdween plotseling een zekere ondergeschikte
+bediende, Kiuchi Heizayemon. Toen de vrienden van Kiuchi gehoord
+hadden, wat gebeurd was, gingen zij in alle richtingen naar hem
+zoeken. Na langdurige nasporingen vonden zij zijn klompen, zijn scheede
+en zijn zwaard; maar de scheede was gebogen als het gekromde hengsel
+van een theeketel. Nauwelijks hadden zij die treurige ontdekking
+gedaan, of zij zagen ook den gordel van Kiuchi, die in drie stukken
+was gesneden. Tegen middernacht hoorden zij, die aan het zoeken
+waren, een vreemd geschreeuw, een stem, die om hulp riep. Suzuki
+Shichiro, één van den troep, zag juist op, toen hij een vreemd,
+gevleugeld wezen zag staan op het dak van een tempel. Toen de overige
+deelgenooten aan den tocht zich bij hun makker hadden gevoegd, zagen
+zij allen op naar die vreemde figuur, waarop één zeide: "Ik geloof,
+dat het niets anders is dan een zonnescherm, dat zich in den wind
+heen en weer beweegt." "Laat ons trachten hieromtrent zekerheid te
+krijgen", antwoordde Suzuki Shichiro, en na dit gezegd te hebben,
+verhief hij zijn stem en riep hij zoo hard mogelijk: "Zijt gij de
+verdwenen Kiuchi?" "Ja", was het antwoord, "en ik verzoek u, dat gij
+mij zoo spoedig mogelijk van boven dezen tempel weghaalt".
+
+Toen Kiuchi van het dak van den tempel naar beneden was gebracht, viel
+hij flauw, en bleef drie dagen lang bewusteloos. Toen hij eindelijk
+weer bij kennis was gekomen, gaf hij het volgende verslag van zijn
+vreemd avontuur.
+
+"Den avond waarop ik verdween, hoorde ik iemand herhaaldelijk hardop
+mijn naam roepen, en toen ik naar buiten ging, ontdekte ik een monnik,
+in het zwart gekleed, die luidkeels 'Heizayemon!' riep. Naast den
+monnik stond een man van ontzaglijken lichaamsbouw; zijn gelaat was
+rood, en zijn hangende haren vielen tot op den grond. 'Klim op gindsch
+dak' riep hij woest. Ik weigerde een spitsboef met zulk een ongunstig
+uiterlijk te gehoorzamen, en trok mijn zwaard, maar in een oogenblik
+boog hij het lemmer om en brak hij de scheede in stukken. Daarna
+werd mijn gordel ruw afgetrokken en in drie stukken gesneden. Toen
+die zaken waren geschied, werd ik op een dak gedragen en daar hard
+afgeranseld. Maar nog was het einde van mijn ellende niet bereikt,
+want nadat ik was afgeranseld, werd ik gedwongen op een ronden bak
+te gaan zitten. In een oogenblik werd ik in de lucht rondgedraaid,
+en de bak droeg mij in razende vaart door een aantal landstreken
+heen. Toen het mij bleek, dat ik tien dagen lang door het luchtruim
+was voortgedreven, bad ik tot Buddha, en bevond mij, zooals ik dacht,
+op den top van een berg, maar in werkelijkheid was het niet anders dan
+het dak van den tempel, van waar gij, mijn makkers, mij hebt bevrijd."
+
+
+
+
+Een geloof in den Tengu uit onzen tijd.
+
+Kapitein Brinkley deelt ons in _Japan en China_ mede, dat tot zelfs nog
+in het jaar 1860 de ambtenaren van het Gouvernement te Yedo openlijk
+voor hun geloof in bovennatuurlijke wezens uitkwamen. Voordat de
+_Shogun_ Nikko zou bezoeken, werd op hun bevel de volgende kennisgeving
+aangeplakt in de nabijheid der praalgraven:
+
+
+ "_Aan den Tengu en overige Demonen_
+
+ "Daar onze _Shogun_ voornemens is in April van het volgende jaar
+ de praalgraven te Nikko te bezoeken, moeten gij, _Tengu_ en andere
+ Demonen, die op deze bergen woont, u van hier verwijderen totdat
+ de _Shogun_ zijn bezoek heeft volbracht.
+
+ "(Geteekend) _Mizuno_, Heer van Dewa.
+
+ "Juli 1860."
+
+
+De plaatselijke autoriteiten waren nog niet tevreden met een dergelijke
+kennisgeving. Nadat zij behoorlijk de _Tengu_ en overige demonen in
+kennis hadden gesteld met de komst van den Shogun, werden de juiste
+bergen, waar die wezens mochten verwijlen tijdens het bezoek van den
+vorst, bij name aangeduid.
+
+
+
+De Bergman en de Bergvrouw.
+
+Het lichaam der Bergvrouw is bedekt met lange witte haren. Zij wordt
+beschouwd als een menscheneetster (Kijo), en is als zoodanig bekend
+in de Japansche mythen. Zij heeft behalve haar kannibalen-neigingen,
+ook de eigenschap als een mot te kunnen rondvliegen en ongebaande
+bergen gemakkelijk door te trekken.
+
+De Bergman gelijkt, naar beweerd wordt, op een grooten, zwartharigen
+aap. Hij is bijzonder sterk, en vindt er absoluut geen bezwaar
+in, voedsel uit de dorpen te stelen. Hij is echter steeds gereed,
+houthakkers te hulp te komen, en wil gaarne hout dragen in ruil voor
+een baal rijst. Het is vergeefsche moeite, hem te pakken of te dooden,
+want elken aanval, van welken aard ook, op den Bergman, brengt ongeluk,
+en somtijds zelfs den dood aan de aanvallers.
+
+
+
+
+Sennin.
+
+De _Sennin_ zijn bergkluizenaars, en groot is het aantal legenden, dat
+omtrent hen bekend is. Hoewel zij een menschelijke gedaante hebben,
+zijn zij toch tevens onsterfelijk, en ingewijd in de tooverkunst. De
+eerste groote Japansche _sennin_ was Yosho, die in het jaar 870 n.C. te
+Noto geboren was. Even vóór zijn geboorte droomde zijn moeder, dat
+zij de zon had ingeslikt, een droom, die de wonderbare macht van haar
+kind voorspelde. Yosho was vlijtig en vroom, en bracht het grootste
+gedeelte van zijn tijd door met het bestudeeren van de "Lotus van de
+Wet". Hij leefde hoogst eenvoudig en wist zijn dagelijksch rantsoen
+terug te brengen tot één gierstkorrel. Hij vertrok van de aarde in het
+jaar 901, na groote bovennatuurlijke macht te hebben verkregen. Zijn
+mantel liet hij aan den tak van een boom hangen met een rol, waarop
+deze woorden geschreven waren: "Ik laat mijn mantel na aan Emmei
+van Dogen-ji". Na verloop van tijd werd ook Emmei een _sennin_,
+en was hij in staat, evenals zijn meester een aantal wonderen te
+verrichten. Korten tijd na het verdwijnen van Yosho werd zijn vader
+ernstig ziek, en hij bad vurig, dat hij zijn beminden zoon terug mocht
+zien. Als antwoord op zijn gebeden, werd de stem van Yosho gehoord,
+die de "Lotus van de Wet" opzegde. Toen hij daarmede klaar was,
+zeide hij tot zijn diep bedroefden vader: "Indien op den 18_den_
+van iedere maand bloemen worden geofferd en wierook wordt verbrand,
+zal mijn geest neerdalen en u begroeten, aangetrokken door den geur
+der bloemen en den blauwen rook van den wierook."
+
+
+
+
+De Sennin en de Kunst.
+
+Dikwijls worden de _Sennin_ in de Japansche kunst uitgebeeld: Chokoro,
+die zijn tooverpaard van een reusachtigen pompoen losmaakt; Gama
+met zijn tooverpadde; Tekkai, die zijn ziel in de ruimte wegblaast;
+Roko, die zich op een vliegende schildpad in evenwicht houdt; en Kumé,
+die van zijn wolkenwagen viel, omdat hij, in strijd met zijn heilig
+beroep, het beeld van een schoon meisje liefhad, dat in de rivier
+werd teruggekaatst.
+
+
+
+
+Wonderbaarlijke Lichten.
+
+Er zijn verschillende soorten van vuurverschijningen in Japan. Zoo
+vindt men de geestenvlam, het demonenlicht, de vossenvlam, den
+flikkerenden pilaar, de dassenvlam, de drakentoorts en de lamp van
+Buddha. Bovendien zegt men, dat van sommige vogels, zooals de blauwe
+reiger, bovennatuurlijk licht uitstraalt door de huid heen, uit den
+mond en uit de oogen. Er zijn ook vuurwielen, of boden uit den Hades,
+behalve de vlammen, die uit het kerkhof te voorschijn komen.
+
+
+
+
+Een Vuurbol.
+
+Van het begin van Maart tot het einde van Juni kan men in de provincie
+Settsu een vuurbol zien rusten op den top van een boom, en in dien
+vuurbol is een menschelijk gelaat. In oude dagen leefde er in Nikaido,
+een district van Settsu, een priester, Nikobo genaamd, beroemd om
+zijn macht, kwade geesten en allerlei soorten van kwade invloeden
+uit te bannen. Toen de vrouw van den plaatselijken gouverneur ziek
+werd, werd Nikobo verzocht haar te bezoeken en te zien, wat hij kon
+doen, om haar weer haar gezondheid terug te geven. Nikobo willigde
+dit verzoek gaarne in, en bracht verscheidene dagen door naast het
+bed der lijdende dame. Met grooten ijver paste hij zijn kunst van
+geesten uitbannen toe, en na verloop van tijd genas de vrouw van den
+gouverneur. Maar de vriendelijke en goedhartige Nikobo ontving geen
+dank voor wat hij had gedaan; integendeel: de gouverneur werd jaloersch
+op hem, beschuldigde hem van een lage misdaad en liet hem ter dood
+brengen. De ziel van Nikobo vlamde in woede op en nam den vorm aan
+van een wonderbaarlijken vuurbol, die bleef zweven over de woning van
+den moordenaar. Het vreemde licht, met het terecht woedende gelaat,
+dat daaruit voor den dag kwam, had de gewenschte uitwerking, daar de
+gouverneur door een hevige koorts werd aangetast, die hem ten slotte
+doodde. Ieder jaar, op den reeds genoemden tijd, brengt de geest van
+Nikobo een bezoek aan de plaats van zijn lijden en zijn wraak.
+
+
+
+
+De worstelende Geesten.
+
+In de provincie Omi, aan den voet der Katadaheuvels, is een
+meer. Tijdens de bewolkte nachten in het begin van den herfst verrijst
+een vuurbol aan den oever van het meer, die zich, als hij naar de
+heuvelen drijft, uitzet en weer inkrimpt. Als hij tot manshoogte
+gestegen is, vertoont hij twee lichtgevende gezichten, die zich
+langzaam ontwikkelen tot de lichamen van twee naakte worstelaars,
+die aan elkander zijn vastgehecht en die woedend strijden. De vuurbol
+met zijn woeste worstelaars drijft langzaam weg naar een eenzame plek
+in de Katada-heuvels. Hij is volkomen onschadelijk zoolang niemand
+er zich mede bemoeit, maar hij duldt niet, dat hij in zijn voortgang
+wordt gestuit. Volgens een legende in verband met dit verschijnsel
+zou een zekere worstelaar, die nooit een nederlaag had geleden,
+tegen middernacht de komst van dien vuurbol hebben afgewacht. Toen
+de vuurbol hem bereikte, trachtte hij dien met geweld naar beneden
+te halen, maar de lichtende bol vervolgde zijn weg, en sleepte den
+dwazen worstelaar een heel eind met zich mede.
+
+
+
+
+Baku.
+
+Bijgeloovige menschen in Japan zijn er van overtuigd, dat booze
+droomen het gevolg zijn van booze geesten, en het bovennatuurlijke
+wezen, _Baku_ genoemd, staat bekend als de Eter van Droomen. De _Baku_
+is, zooals zooveel mythologische wezens, een merkwaardig mengsel van
+verschillende diersoorten. Hij heeft den kop van een leeuw, den romp
+van een paard, den staart van een koe en de pooten van een tijger. In
+een oud Japansch boek vindt men een aantal booze droomen vermeld,
+zooals twee slangen, ineengestrengeld, een vos met de stem van een
+man, kleeren met bloed bevlekt, een sprekenden rijstpot en nog meer
+andere. Als een Japansche boer uit een nare nachtmerrie wakker wordt,
+roept hij: "O _Baku!_ verslind mijn boozen droom." Er was een tijd,
+dat men afbeeldingen van den _Baku_ in de Japansche huizen ophing en
+diens naam op de kussens schreef. Men geloofde, dat, als de _Baku_
+er toe kon gebracht worden, een naren droom op te eten, het wezen de
+macht had, dien in geluk te veranderen.
+
+
+
+De witte Saké van den Shojo. [83]
+
+De _Shojo_ is een zeemonster met vuurrood haar, en die bijzonder
+gaarne groote hoeveelheden heilige witte saké drinkt. De volgende
+legende zal ons een denkbeeld geven van dat schepsel en van den aard
+van zijn geliefkoosden drank.
+
+Wij hebben reeds melding gemaakt van de wonderbaarlijke verschijning
+van den Fuji. [84] Op den dag, waarop dit wonder had plaats gegrepen,
+werd een arm man, Yurine genaamd, die in de nabijheid woonde,
+gevaarlijk ziek, en toen hij voelde, dat zijn dagen geteld waren,
+wenschte hij vóór zijn dood nog een kop _saké_ te drinken. Maar in de
+kleine hut was geen rijstwijn, en zijn jongen, Koyuri, die zoo mogelijk
+den laatsten wensch van zijn vader wilde vervullen, liep langs het
+strand met een flesch in zijn hand. Hij was nog niet ver van huis,
+toen hij hoorde, dat iemand hem bij zijn naam riep. Toen hij rondzag,
+ontdekte hij twee wezens, vreemd van uiterlijk, met lang rood haar
+en een huid, die de kleur had van rooden kersenbloesem, terwijl zij
+gordels van groen zeegras om de lendenen droegen. Toen hij naderbij
+kwam, bemerkte hij, dat die wezens witte _saké_ dronken uit breede
+platte kommen, die zij voortdurend uit een groote steenen kruik vulden.
+
+"Mijn vader is stervende," zeide de knaap, "en hij zou vóór zijn
+dood nog zoo gaarne een kop _saké_ willen drinken. Maar helaas! wij
+zijn arm, en ik weet niet, hoe ik dien laatsten wensch van hem kan
+vervullen."
+
+"Ik zal uw flesch met deze witte _saké_ vullen," zoo sprak één der
+beide schepsels, en toen hij dit gedaan had, ijlde Koyuri naar zijn
+vader terug.
+
+De oude man dronk gretig de witte _saké_. "Breng mij nog wat, want
+dit is geen gewone wijn. De drank heeft mij kracht geschonken, en
+reeds nu voel ik nieuw leven door mijn oude aderen stroomen."
+
+Koyuri keerde dus naar het strand der zee terug, en de roodharige
+wezens gaven hem gaarne nog meer van hun wijn, ja zelfs gaven zij
+hem voldoende _saké_ voor vijf dagen, en toen die tijd verloopen was,
+was Yurine weer geheel hersteld.
+
+Yurine had echter een buurman, Mamikiko genaamd; toen deze hoorde,
+dat Yurine onlangs een flinke hoeveelheid _saké_ had gekregen, werd hij
+jaloersch, want hij hield zeer veel van een kop rijstwijn. Eens bezocht
+hij Koyuri en ondervroeg hem naar aanleiding van die zaak, terwijl
+hij zeide: "Laat mij de _saké_ proeven." Met ruwe hand ontrukte hij
+den knaap de flesch, en begon te drinken, doch trok dadelijk bij het
+drinken een vies gezicht. "Dit is geen _saké_", riep hij woedend uit:
+"het is vuil water," en na die woorden te hebben gesproken, begon hij
+den jongen te slaan, terwijl hij uitriep: "Breng mij naar dat roode
+volk, waarvan ge mij verteld hebt. Ik wil van hen goede _saké_ hebben,
+en laat het pak slaag, dat ik je gegeven heb, een waarschuwing voor
+je zijn, om mij nooit meer voor den gek te houden."
+
+Koyuri en Manikiko gingen samen langs het strand, en kwamen spoedig
+op de plaats, waar de roodharige wezens bezig waren te drinken. Toen
+Koyuri hen zag, begon hij te weenen.
+
+"Waarom huilt gij?" sprak één der beide wezens. "Uw vader heeft toch
+niet reeds al de _saké_ opgedronken?"
+
+"Neen", antwoordde de knaap, "maar mij heeft een ongeluk getroffen. De
+man, dien ik heb meegebracht, Mamikiko genaamd, dronk wat van
+de _saké_, spuwde het onmiddellijk uit, en wierp het overige weg,
+terwijl hij zeide, dat ik hem voor den gek hield en hem vuil water
+te drinken had gegeven. Wees zoo goed, mij nog wat _saké_ voor mijn
+vader mede te geven."
+
+De roodharige man vulde de flesch, en verkneuterde zich in de
+onaangename ervaring, die Mamikiko had opgedaan.
+
+"Ik zou ook wel een kop _saké_ willen hebben", zeide Mamikiko. "Wilt
+gij mij ook wat laten nemen?"
+
+Nadat hem daartoe verlof was gegeven, vulde Mamikiko den grootsten kop
+dien hij kon vinden, terwijl hij genoot van den heerlijken geur. Maar
+nauwelijks had hij de _saké_ geproefd, of hij werd misselijk en maakte
+het wezen een vreeselijk standje.
+
+De roode man antwoordde toen: "Gij weet zeker niet, dat ik een _Shojo_
+ben, en dat ik woon naast het paleis van den Zeedraak. Toen ik hoorde
+van de plotselinge verschijning van den Fuji, kwam ik hier om den berg
+te zien, er van overtuigd, dat een zoodanige gebeurtenis een goed
+voorteeken was en een voorspelling van den voorspoed en het eeuwig
+bestaan van Japan. Toen ik genoot van de schoonheid van dien prachtigen
+berg, ontmoette ik Koyuri en had het geluk het leven van zijn braven
+vader te redden door hem wat te geven van onze heilige witte _saké_,
+die de jeugd aan menschelijke wezens teruggeeft en hun een langer
+leven schenkt, terwijl zij den _Shojo_ onsterfelijkheid schenkt. De
+vader van Koyuri is een braaf man, en de _saké_ was dus in staat haar
+volle weldadige werking op hem uit te oefenen; maar gij zijt gierig
+en zelfzuchtig, en voor al dergelijke menschen is _saké_ vergif.
+
+"_Vergif?_" kermde Mamikiko, die nu dood ongelukkig was. "Goede
+_Shojo_, heb medelijden met mij en red mijn leven!"
+
+De _Shojo_ gaf hem een poeder en zeide: "Neem dit in _saké_ in,
+en heb berouw over uw slechtheid."
+
+Mamikiko deed wat hem bevolen was, en vond de _saké_ nu
+verrukkelijk. Hij liet geen tijd verloren gaan met vriendschap te
+sluiten met Yurine, en eenige jaren later vestigden zij zich aan de
+zuidelijke helling van den Fuji, brouwden de witte _saké_ van den
+_Shojo,_ en leefden nog driehonderd jaar.
+
+
+
+
+De Draak.
+
+De Draak is ongetwijfeld het beroemdste der mythische dieren, maar
+hoewel hij van Chineeschen oorsprong is, is hij langzamerhand nauw
+verbonden met de Japansche mythologie. Het wezen leeft grootendeels in
+een oceaan, rivier of meer, maar het heeft ook het vermogen te vliegen,
+en heerscht over wolken en stormen. De Draak van China en die van
+Japan gelijken op elkander, met dit verschil, dat de Japansche Draak
+drie klauwen, en die van het hemelsche Rijk vijf klauwen heeft. Men
+beweert, dat de Chineesche Keizer Yao de zoon van een draak was, en
+zeer veel heerschers van dat rijk werden in overdrachtelijken zin
+"van een drakengezicht voorzien" genoemd. De Draak heeft den kop
+van een kameel, het gewei van een hert, de ooren van een haas, de
+schubben van een karper, de pooten van een tijger, en klauwen, die
+op die van een arend gelijken. Bovendien heeft hij bakkebaarden, een
+schitterenden juweel onder zijn kin, en een toestel boven op den kop,
+dat hem in staat stelt naar willekeur naar den Hemel op te stijgen. Dit
+is slechts een algemeene beschrijving en is niet toepasselijk op
+alle draken; sommige draken toch hebben zóó merkwaardige koppen,
+dat zij niet kunnen worden vergeleken met iets, dat in het dierenrijk
+gevonden wordt. De adem van den draak verandert in wolken, waaruit òf
+regen òf vuur te voorschijn komt. Hij kan zijn lichaam uitzetten of
+inkrimpen, en kan verschillende gedaanteverwisselingen ondergaan en
+zich onzichtbaar maken. Zoowel in de Chineesche als in de Japansche
+mythologie staat het water in nauw verband met den draak, zooals wij
+reeds gezien hebben in de geschiedenis van Urashima, Keizerin Jingo
+en de avonturen van Hoori.
+
+De Draak (_Tatsu_) is één der teekens van den Dierenriem, en de vier
+zeeën, die volgens de oud-Chineesche opvatting de bewoonbare aarde
+begrensden, werden geregeerd door vier Drakenkoningen. De Hemelsche
+Draak heerschte over de verblijfplaatsen der Goden, de Onstoffelijke
+Draak heerschte over den regen, de Aarddraak wees de rivieren haar
+loop aan, en de Draak der Verborgen Schatten bewaakte de edele metalen
+en edelgesteenten.
+
+Een witte Draak, die in een vijver te Yamashiro verblijf hield,
+veranderde zich om de vijftig jaar in een vogel, _O-Goncho_ genaamd,
+met een stem, die geleek op het huilen van een wolf. Zoo dikwijls die
+vogel verscheen, bracht hij een grooten hongersnood met zich mede. Bij
+zekere gelegenheid bood de Gele Draak, Fuk Hi, terwijl deze aan de Gele
+Rivier stond, hem een rol aan met geheimzinnige letterteekens. Volgens
+die legende zou dit de oorsprong zijn van het Chineesche letterschrift.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXX. DE GEDAANTEVERWISSELING VAN ISSUNBOSHI, EN KINTARO,
+DE GOUDEN KNAAP.
+
+
+
+Een Gebed tot Keizerin Jingo.
+
+Een oud gehuwd paar ging naar het altaar der tot godheid verheven
+Keizerin Jingo [85], en bad, dat zij met een kind gezegend mochten
+worden, zelfs al was het niet grooter dan één van hun vingers. Een
+stem werd vernomen van achter het bamboegordijn van het altaar, en de
+oude lieden kregen de mededeeling, dat hun wensch zou worden verhoord.
+
+Na verloop van tijd bracht de oude vrouw een kind ter wereld, en
+toen zij en haar echtgenoot ontdekten, dat dit miniatuurschepseltje
+niet grooter was dan een lid van hun vinger, werden zij vreeselijk
+boos en dachten, dat Keizerin Jingo hen zeer gemeen had behandeld,
+hoewel deze inderdaad hun gebed letterlijk had verhoord.
+
+
+
+
+Een "Één-Duims Priester".
+
+De kleine knaap kreeg den naam van Issunboshi ("Één-Duims Priester"),
+en dagelijks verwachtten zijn ouders, dat hij plotseling zou opgroeien
+zooals andere jongens; maar op zijn dertiende jaar was hij nog even
+klein als bij zijn geboorte. Langzamerhand werden zijn ouders razend,
+daar het hun ijdelheid kwetste, als zij hoorden, hoe de buren hun zoon
+Duimpje of Graankorrel noemden. Zij hadden er zóóveel verdriet van,
+dat zij ten slotte besloten, Issunboshi weg te zenden.
+
+De jongen klaagde volstrekt niet. Hij verzocht zijn moeder, hem een
+naald, een soepkommetje en een eetstokje te geven, en met die zaken
+ging hij op avontuur uit.
+
+
+
+
+Issunboshi wordt page.
+
+Zijn soepkommetje diende hem als boot, die hij met zijn eetstokje
+voortstuurde langs de rivier. Op die wijze bereikte hij eindelijk
+Kyoto. Issunboshi zwierf door die stad, totdat hij een groote overdekte
+poort zag. Zonder de geringste aarzeling liep hij naar binnen, en
+na den ingang van een huis te hebben bereikt, riep hij met een zwak
+stemmetje: "Ik zou gaarne beleefd inlichtingen willen ontvangen."
+
+Prins Sanjo hoorde zelf het stemmetje, en het duurde eenigen tijd,
+eer hij kon ontdekken, waar het geluid van daan kwam. Zoodra dit het
+geval was, was hij zeer verheugd met zijn ontdekking, en toen de kleine
+man vroeg, of hij in het huis van den Prins mocht wonen, werd zijn
+verzoek gaarne ingewilligd. De knaap werd spoedig ieders lieveling
+en werd aangesteld als page van Prinses Sanjo. In die hoedanigheid
+vergezelde hij zijn meesteres overal, en hoe klein hij ook was, hij
+wist de eer en de waardigheid van zijn positie naar waarde te schatten.
+
+
+
+
+Een ontmoeting met Oni.
+
+Eens gingen Prinses Sanjo en haar page naar den Tempel van Kwannon, de
+Godin der Barmhartigheid, "onder wier voeten draken van de elementen
+en de lotussen der Reinheid geplaatst zijn." Toen zij den tempel
+verlieten, sprongen twee _oni_ (booze geesten) op hen af. Issunboshi
+nam zijn naald-zwaard uit het holle strootje, waarin het geplaatst
+was, en na zoo luid mogelijk de _oni_ te hebben bedreigd, zwaaide
+hij zijn kleine wapen voor hun leelijk gelaat heen en weer.
+
+Één dier wezens lachte. "Wel", zoo sprak hij minachtend, "ik zou je
+kunnen opslokken, zooals een vischdief een forel opslokt, en wat nog
+meer zegt, mijn grappige kleine zaadkorrel, ik zal het werkelijk doen."
+
+De _oni_ opende zijn mond, en Issunboshi gleed door een ontzaglijk
+keelgat, totdat hij eindelijk was afgezakt in de groote donkere maag
+van het schepsel. Issunboshi, volstrekt niet uit het veld geslagen,
+begon met zijn zwaard in de maag te boren. De booze geest schreeuwde
+het uit van de pijn en hoestte verschrikkelijk, waardoor de kleine
+man weer in de zonnige wereld terugkeerde.
+
+De tweede _oni_, die den nood van zijn makker had bijgewoond, was
+vreeselijk boos, en trachtte ook den merkwaardigen kleinen page op
+te slokken, maar dat lukte hem niet. Dezen keer klom Issunboshi in
+één der neusgaten van het schepsel, en toen hij het einde had bereikt
+van wat hem een groote en donkere tunnel toescheen, begon hij door de
+oogen van den _oni_ heen te boren. Het schepsel liep woedend van pijn,
+zoo hard hij loopen kon, weg, gevolgd door zijn gillenden makker.
+
+Wij behoeven nauwelijks te zeggen, hoe verheugd de Prinses was
+over de dapperheid van haar page, en het is niet te verwonderen,
+dat zij hem zeide, er van overtuigd te zijn, dat haar vader hem zou
+beloonen, zoodra hij de tijding van de vreeselijke ontmoeting zou
+hebben vernomen.
+
+
+
+
+De Tooverhamer.
+
+Op weg naar huis nam de Prinses toevallig een houten hamertje
+op. "O!" zeide zij, "dit moet één der booze _oni_ hebben laten vallen,
+en het is ongetwijfeld een geluk brengende hamer. Gij hebt slechts
+een wensch uit te spreken, en daarna met den hamer op den grond te
+slaan, en welken wensch gij ook uitspreekt, die wensch wordt steeds
+verhoord. Mijn dappere Issunboshi, zeg mij, wat gij het liefst zoudt
+willen, en ik zal met den hamer op den grond slaan."
+
+Na een oogenblik nadenken zeide de kleine man: "Edele Prinses, ik
+zou wel zoo groot willen zijn als de andere menschen."
+
+De Prinses sloeg met den hamer op den grond, terwijl zij den wensch
+van haar page luide herhaalde. In een oogenblik tijd was Issunboshi
+van een aardig dwergje veranderd in een knaap van dezelfde gestalte
+als andere jongens van zijn leeftijd.
+
+Die wonderbaarlijke gebeurtenissen wekten de belangstelling op van den
+Keizer, en Issunboshi werd ontboden om vóór hem te verschijnen. De
+Keizer was zóó ingenomen met den knaap, dat hij hem een aantal
+geschenken gaf en hem een hoog staatsambt opdroeg. Na verloop van
+tijd werd Issunboshi een aanzienlijk edelman en huwde hij met de
+jongste dochter van Prins Sanjo.
+
+
+
+
+Kintaro, de Gouden Knaap.
+
+Sakata Kurando was officier van de lijfwacht des Keizers, en hoewel
+hij een dapper man was, ten zeerste bekwaam in de krijgskunst, had
+hij een bijzonder vriendelijk karakter; hij nu werd tijdens zijn
+militaire loopbaan verliefd op een schoone dame, Yaégiri genaamd. Na
+eenigen tijd viel Kurando in ongenade en was hij verplicht het Hof
+te verlaten en een reizend koopman in tabak te worden. Het gelukte
+Yaégiri, die zich de vlucht van haar minnaar zeer aantrok, uit haar
+huis te ontvluchten, en zij reisde het land heen en weer, in de hoop
+Kurando te ontmoeten. Eindelijk vond zij hem, maar de ongelukkige
+man, die ongetwijfeld zijn vernedering diep gevoelde en zeer onder
+den indruk was van het weinig deftige van zijn beroep, maakte aan
+zijn vernedering een einde door zich het ongelukkige leven te benemen.
+
+
+
+
+Dieren als Makkers.
+
+Toen Yaégiri haar minnaar had begraven, ging zij naar den Berg
+Ashigara, waar zij het leven schonk aan een kind, Kintaro of
+de Gouden Knaap genaamd. Nu had Kintaro een merkwaardig groote
+lichaamkracht. Toen hij nog slechts een paar jaar oud was, schonk zijn
+moeder hem een bijl, waarmede hij even snel en even gemakkelijk boomen
+velde als de meest geoefende houthakker. De Ashigara was een eenzame
+troostelooze plek, en daar er geen kinderen waren, met wie Kintaro
+kon spelen, koos hij zich de beren, herten, hazen en apen tot makkers,
+en in korten tijd was hij in staat hun vreemde taal te spreken.
+
+Toen Kintaro eens op den berg zat met zijn gunstelingen om zich
+heen, trachtte hij zijn makkers te overreden om onderling een
+vriendschappelijken worstelwedstrijd te houden. Een vriendelijke oude
+beer was met dit voorstel ten zeerste ingenomen, en begon onmiddellijk
+den grond uit te graven, en de aarde op te hoopen tot een soort
+kleinen troonhemel. Toen dit geschied was, worstelden een haas en een
+aap samen, terwijl een hert er bij stond om beiden aan te moedigen en
+toe te zien, dat de strijd op eerlijke wijze geleverd werd. Het bleek,
+dat beide dieren tegen elkander waren opgewassen, en Kintaro beloonde
+hen beiden op tactvolle wijze met aanlokkelijke rijstkoeken.
+
+Na op die wijze een heerlijken namiddag te hebben doorgebracht,
+nam Kintaro den terugtocht aan, gevolgd door zijn verknochte
+vrienden. Eindelijk kwamen zij aan een rivier, doch nu waren de
+dieren nieuwsgierig, hoe zij een zoo breede strook water zouden
+overtrekken; maar zie, Kintara sloeg zijn krachtige armen om een
+boom, die aan den oever groeide, en sloeg dien zóó over de rivier,
+dat hij een brug vormde. Toevallig was de beroemde held Yorimitsu met
+zijn onderhoorigen getuige van dit bewijs van ongeloofelijke kracht;
+het is dus niet te verwonderen, dat hij aan Watanabé Isuna zeide:
+"Die knaap is iets heel bijzonders. Tracht uit te vinden waar hij
+woont, en zie alles omtrent hem te weten te komen."
+
+
+
+
+Een beroemd Krijgsman.
+
+Watanabé Isuna volgde na dit bevel Kintaro en trad het huis binnen,
+waar hij met zijn moeder woonde. "Mijn meester", zoo sprak hij
+"de edele Yorimitsu, draagt mij op te trachten te weten te komen,
+wie uw zoo bewonderenswaardige zoon eigenlijk is." Toen Yaégiri haar
+levensgeschiedenis had verhaald en haar bezoeker had medegedeeld,
+dat haar jongen de zoon was van Sakata Kurando, vertrok de dienaar
+van Yorimitsu en vertelde zijn meester al wat hij had gehoord.
+
+Yorimitsu was zóózeer ingenomen met wat Watanabé Isuna hem had
+verteld, dat hij zelf naar Yaégiri ging en zeide: "Als gij mij uw
+jongen afstaat, zal ik hem in mijn dienst nemen." De vrouw stemde
+gaarne daarin toe, en de Gouden Knaap ging met den grooten held weg,
+die hem den naam gaf van Sakata Kintoki. Hij werd na verloop van tijd
+een beroemd krijgsman, en zijn bewonderenswaardige daden zijn nog
+altijd een geliefkoosd onderwerp voor verhalen. De kinderen beschouwen
+hem als hun geliefkoosden held, en de kleine jongens, die zoo gaarne
+de kracht en de dapperheid van Sakata Kintoki zouden willen evenaren,
+dragen zijn portret bij zich.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXXI. LEGENDEN VAN VERSCHILLENDEN AARD.
+
+
+
+Kato Sayemon.
+
+Kato Sayemon woonde in het paleis van den Shogun Ashikaga, waar hij
+zijn afzonderlijke vertrekken had, en daar er in die dagen geen
+oorlog was, leefde hij rustig met zijn vrouw en bijwijven. Kato
+Sayemon was een man, die van weelde en gemak hield, en hij beschouwde
+huiselijken vrede als de grootste van alle aardsche zegeningen. Hij
+was in gemoede overtuigd, dat er onder al zijn lachende, wellevende
+vrouwen niets dan harmonie was, en die gedachte maakte voor hem het
+leven bijzonder aangenaam.
+
+Op zekeren avond ging Kato Sayemon naar den tuin van het paleis en was
+verrukt over de zich voortdurend voortbewegende wolk van glimwormen en
+was nauwelijks minder verheugd over het liefelijke gezang van sommige
+visschen. "Wat een bekoorlijk tafereel", mompelde Sayemon, "en wat
+leven wij in een verrukkelijke wereld! Buigingen en glimlachjes en
+slaafsche nederigheid bij mijn vrouwen. O, het is alles wonderschoon
+en heerlijk! Ik wilde wel, dat het leven voortdurend zoo bleef."
+
+Nadat hij zoo op de meest zelfvoldane wijze uiting had gegeven aan
+zijn gedachten, kwam hij toevallig langs het vertrek van zijn vrouw,
+en keek hij met een liefhebbend en welwillend oog naar binnen. Hij
+zag, dat zijn vrouw _go_ speelde met één van zijn bijwijven. "Wat een
+beleefde welvoegelijkheid," mompelde Sayemon. "Maar wacht even! Wat
+is dit voor een vreemde geschiedenis? De haren van mijn vrouw en
+die van mijn bijwijf zijn in slangen veranderd, die haar koppen in
+woede opheffen en dooreenstrengelen. Voortdurend lachen en buigen die
+vrouwen en bewegen zij haar stukken met goed gemanierde bekoorlijkheid
+en gratie. Vriendelijke woorden komen van haar lippen, maar de slangen
+van haar haren bespotten haar, immers die ineengestrengelde reptielen
+spreken van bittere jaloezie in haar hart."
+
+De schoone droom van huiselijk geluk was bij Sayemon voor goed uit. "Ik
+zal weggaan", zoo sprak hij, "en een Buddhistisch priester worden. Ik
+zal de woedende kwaadaardigheid en den nijd van mijn vrouw en bijwijven
+achterlaten en ik zal in het onderwijs van den Gezegenden Buddha den
+waren vrede vinden."
+
+Den volgenden ochtend verliet Sayemon heimelijk het paleis, en hoewel
+men overal naar hem zocht, kon hij niet worden gevonden. Omstreeks
+een week later vereenvoudigde de vrouw van Sayemon de inrichting van
+het huisgezin en bleef rustig wonen met haar zoontje, Ishidomaro. Twee
+jaren gingen voorbij, zonder dat er tijding kwam van haar echtgenoot.
+
+Eindelijk ging de vrouw van Sayemon met het kind uit, om den verdwenen
+man te zoeken. Vijf jaar lang zwierven zij door het land, totdat
+zij ten slotte in een dorpje in Kishu kwamen, waar een oude man de
+vermoeide en door de reis vreeselijk uitgeputte reizigers mededeelde,
+dat Sayemon tegenwoordig priester was, en dat hij een jaar geleden
+nog altijd in den tempel van Kongobuji woonde op den Berg Koya.
+
+Den volgenden dag, toen de vrouw en haar kind aan den tempel van
+Kongobuji gekomen waren, bleek het, dat geen vrouwen den tempel mochten
+binnentreden; daarom beklom Ishidomaro, na met zorg naar de bevelen
+van zijn moeder te hebben geluisterd, alleen den berg. Toen de knaap
+na een langen steilen tocht den tempel bereikte, zag hij een monnik en
+zeide; "troont hier een priester, Kato Sayemon genaamd? Ik ben zijn
+zoontje en mijn moeder wacht mij in gindsche vallei. Vijf jaar lang
+hebben wij naar hem gezocht, en de liefde, die in onze harten leeft,
+zal hem ons zeker doen vinden."
+
+De priester, die niemand anders was dan Sayemon zelf, sprak zijn
+zoon aldus aan: "Het spijt mij, dat ik u moet zeggen, dat uw reis
+vergeefsch is geweest, want niemand van den naam van Kato Sayemon
+woont in dezen tempel."
+
+Sayemon sprak uiterlijk kalm, maar in zijn hart was er strijd tusschen
+zijn godsdienst en de liefde voor zijn zoon.
+
+Daar hij echter wist, dat hij zijn vrouw en kind goed verzorgd had
+achtergelaten, onderwierp hij zich aan de leerstellingen van Buddha,
+en onderdrukte hij zijn vaderlijk gevoel.
+
+Ishidomaro was echter niet voldaan, want instinctmatig voelde hij,
+dat de man, die vóór hem stond, in werkelijkheid zijn vader was, en
+daarom sprak hij den priester nog eens aldus aan: "Goede priester,
+op mijn linker oog is een wrat, en mijn moeder heeft mij verteld,
+dat mijn vader op zijn linker oog een dergelijke wrat heeft, waaraan
+ik hem onmiddellijk kan herkennen. Gij hebt diezelfde wrat, en in mijn
+ziel ben ik overtuigd, dat gij mijn vader zijt." En na die woorden te
+hebben gesproken, weende de knaap bitter, terwijl hij verlangde naar
+de armen, die zich niet openden om het ongelukkige kind te liefkoozen
+en te vertroetelen.
+
+Sayemons gevoelens werden weer op de proef gesteld, maar met een
+krachtige poging om zijn aandoening te bedwingen, zeide hij: "Het
+kenteeken, waarvan gij spreekt, komt zeer algemeen voor. Ik ben bepaald
+uw vader niet, gij zoudt verstandig doen uw tranen te drogen en hem
+ergens anders te zoeken." Na die woorden te hebben gesproken, liet
+de priester den knaap achter, ten einde een avonddienst te verrichten.
+
+Sayemon bleef in den tempel leven. Hij had in den dienst van Buddha
+vrede gevonden, en wat er met zijn vrouw en kind gebeurde, liet
+hem koud.
+
+
+
+
+Hoe een oud Man zijn gezwel verloor.
+
+Er was eens een oud man, die een gezwel op zijn rechter wang
+had. Dat gezwel, dat hem zeer mismaakte, veroorzaakte hem heel
+wat onaangenaamheid, en hij had dan ook veel geld besteed, om er
+van verlost te worden. Hij nam verschillende geneesmiddelen in en
+gebruikte heel wat waschwatertjes, maar in plaats dat het gezwel
+verdween of zelfs kleiner werd, nam het in grootte toe.
+
+Op zekeren avond laat, toen de oude man naar huis terugkeerde,
+met brandhout beladen, werd hij door een vreeselijke onweersbui
+overvallen en was hij verplicht, een schuilplaats te zoeken in een
+hollen boom. Toen de storm was gaan liggen en toen hij juist op
+het punt was, zijn reis voort te zetten, was hij verbaasd, toen hij
+een vroolijk gejuich in zijn onmiddellijke nabijheid hoorde. Nadat
+hij uit zijn schuilplaats naar buiten keek, zag hij tot zijn groote
+verbazing een aantal demonen dansen en zingen en drinken. Hun dansen
+was zóó vreemdsoortig, dat de oude man alle voorzichtigheid uit het
+oog verliezend, begon te lachen, en eindelijk den boom verliet, om
+de uitvoering des te beter te kunnen zien. Terwijl hij daar stond
+toe te zien, zag hij, dat een der geesten alleen stond te dansen,
+en bovendien, dat de aanvoerder van het gezelschap volstrekt niet
+ingenomen was met zijn lompe hansworsterijen. Eindelijk sprak de
+aanvoerder dier geesten: "Genoeg! Is er dan niemand, die beter kan
+dansen dan die kerel?"
+
+Toen de oude man die woorden hoorde, scheen het alsof zijn jeugd
+weer terugkeerde, en daar hij in vroeger dagen een volleerd danser
+geweest was, bood hij zich aan, om zijn bekwaamheid te toonen. Zoo
+danste de oude man dan voor die vreemde verzameling van demonen, die
+hem met zijn uitvoering gelukwenschten, hem een kop saké aanboden,
+en verzochten, dat hij hun het genoegen zou doen, nog een aantal
+andere dansen te vertoonen.
+
+De oude man was bijzonder verheugd over de wijze, waarop hij was
+ontvangen, en toen de aanvoerder der geesten hem verzocht den volgenden
+nacht nog eens weer voor hem te dansen, stemde hij daar bereidwillig
+in toe. "Dat is goed", zeide de aanvoerder, "maar gij moet een pand
+achterlaten. Ik zie, dat gij een gezwel op uw rechter wang hebt,
+en dat is een uitnemend pand. Laat mij het van u wegnemen." Zonder
+eenige pijn te veroorzaken, verwijderde het hoofd der troep het gezwel,
+en na dat buitengewone kunststuk te hebben verricht, verdwenen hij
+en zijn makkers plotseling.
+
+Toen de oude man naar zijn huis terugkeerde, voelde hij telkens met
+zijn hand naar zijn rechter wang, en kon zich nauwelijks voorstellen,
+dat hij ten slotte, na jaren lang mismaakt te zijn geweest,
+zoo gelukkig was, van zijn lastig en onooglijk gezwel bevrijd te
+zijn. Eindelijk trad hij zijn nederige woning binnen, en zijn oude
+vrouw was niet minder gelukkig met wat er gebeurd was.
+
+Een booze en norsche oude man woonde vlak naast dit oude
+paar. Jarenlang had hij een gezwel op zijn linker wang gehad, dat
+voor geen enkele geneeskundige behandeling had willen wijken. Toen hij
+van het fortuintje van zijn buurman hoorde, ging hij naar hem toe en
+luisterde naar diens vreemde avonturen bij de geesten. De goede oude
+man deelde zijn buurman mede, waar hij den hollen boom kon vinden,
+en raadde hem aan, zich daar vóór zonsondergang in te verbergen.
+
+De booze oude man vond den hollen boom en ging daar binnen in. Hij
+was daar nauwelijks langer dan enkele minuten in verborgen geweest,
+toen hij met vreugde de geesten zag verschijnen. Dadelijk zeide één
+van het gezelschap: "Het duurt lang, eer de oude man komt. Ik was er
+anders van overtuigd geweest, dat hij zijn belofte zou houden."
+
+Bij die woorden kroop de oude man uit zijn schuilplaats, bewoog zijn
+waaier op en neer en begon te dansen, maar, ongelukkig, kon hij
+volstrekt niet dansen, en zijn gekke bokkesprongen wekten dan ook
+de ontevredenheid der geesten ten zeerste op. "Gij danst vreeselijk
+slecht", zeide één van den troep, "en hoe eer gij ophoudt, hoe liever
+het ons zal zijn; maar voordat gij vertrekt, zullen wij u het pand
+teruggeven, dat gij gisteren avond bij ons hebt achtergelaten." Na die
+woorden te hebben gesproken, wierp de geest het gezwel naar den rechter
+wang van den ouden man, waar het dadelijk stevig bleef vastzitten,
+en niet meer kon worden verwijderd. Zoo ging de slechte oude man,
+die de demonen had trachten te bedriegen, weg, met een gezwel op
+iederen kant van zijn gelaat.
+
+
+
+Een Japansche Gulliver. [86]
+
+
+Shikaiya Wasobioye, was een inwoner van Nagasaki, en was ontzaglijk
+geleerd, maar had een afschuw van bezoekers. In de achtste maand
+vertrok hij in zijn boot om de bewonderaars der volle maan te
+ontvluchten, en was reeds een eind ver voortgegaan, toen de lucht
+een dreigend aanzien aannam; daarom trachtte hij terug te keeren,
+maar de wind scheurde zijn zeilen en brak zijn mast. De arme man werd
+gedurende drie maanden op de golven heen en weer bewogen, totdat hij
+ten slotte aan de Modderzee kwam, waar hij bijna van honger omkwam,
+daar in die buurt geen visschen konden worden gevangen.
+
+Eindelijk bereikte hij een bergachtig land, waar de lucht liefelijk
+was van den geur van verscheidene bloemen, en op dat eiland vond hij
+een bron, waarvan de wateren hem nieuw leven schonken. Eindelijk
+ontmoette Wasobioye Jofuku, die hem door de straten der hoofdstad
+geleidde, waar al de bewoners hun tijd doorbrachten met het najagen
+van genoegens. Op dat eiland bestond noch dood noch ziekte; maar het
+feit, dat het leven hier eeuwig duurde, werd door velen als een last
+beschouwd, dien zij trachtten van zich af te schudden door de magische
+kunst van den dood te bestudeeren, en de macht van vergiftig voedsel,
+zooals sommige vischsoorten, die besprenkeld waren met roet, en het
+vleesch van meerminnen.
+
+Nadat er twintig jaar verstreken waren, kreeg Wasobioye een tegenzin
+tegen het eiland, en toen zijn pogingen, zich het leven te benemen,
+geen resultaat hadden, ging hij op reis naar de Drie Duizend Werelden,
+die in de Buddhistische Geschriften vermeld worden. Daarna bezocht
+hij het Land van den Eindeloozen Overvloed, het Land van het Bedrog,
+het Land van de Volgelingen van het Oude, het Land van de Paradoxen,
+en ten slotte het Land van de Reuzen.
+
+Nadat Wasobioye vijf maanden lang op den rug van een ooievaar in
+volslagen duisternis was voortgetrokken, bereikte hij eindelijk een
+land, waar de zon weer scheen, waar boomen honderd voet in omtrek
+waren, waar het onkruid zoo hoog was als bamboe en de menschen zestig
+voet hoog. In dat vreemde land nam een reus Wasobioye op, droeg hem
+naar zijn huis, en voedde hem met één enkelen monsterachtig groote
+rijstkorrel, door middel van eetstokjes, die zoo groot waren als een
+kleine boom. Een paar weken lang trachtte Wasobioye zijn gastheer te
+onderwijzen in de leerstellingen der oude wereld, waar hij van daan
+kwam, maar de reus lachte hem uit en zeide hem, dat zulk een dwerg
+niet kon geacht worden de gebruiken van groote menschen te begrijpen,
+daar hun verstand in overeenstemming moest zijn met hun grootte.
+
+
+
+
+De Juweelen-tranen van Samébito.
+
+Toen Totaro eens de Lange Brug van Séta overtrok, zag hij een wezen,
+dat er vreemd uitzag. Het had het lichaam van een man, met een huid
+zwarter dan die van een neger; zijn oogen glinsterden als smaragden,
+en zijn baard was als die van een draak. Totaro was niet weinig
+verschrikt, toen hij zulk een buitengewoon monster zag; maar in zijn
+groene oogen lag zóóveel pathos, dat Totaro het waagde, eenige vragen
+tot hem te richten, waarop het vreemde wezen antwoordde:
+
+"Ik ben Samébito" ("een Haaimensch"), "en tot voor korten tijd was
+ik in dienst van de Acht Groote Drakenkoningen als een ondergeschikt
+beambte van het Drakenpaleis. Ik werd om een kleine overtreding uit dat
+heerlijke verblijf weggezonden, en werd zelfs uit de zee verbannen. Van
+dat oogenblik af heb ik mij vreeselijk ongelukkig gevoeld, zonder
+een schuilplaats, en niet in staat voedsel te krijgen. Heb medelijden
+met mij, brave Heer! Vind een schuilplaats voor mij, en geef mij wat
+te eten."
+
+Het gemoed van Totaro werd bewogen door den ootmoed van Samébito,
+en hij bracht hem naar een vijver in zijn tuin en gaf hem een ruimen
+voorraad voedsel. Op die rustige en afgezonderde plek bleef het
+vreemde wezen uit de zee omstreeks een halfjaar.
+
+In den zomer van dat jaar was er een groote bedevaartstocht van
+vrouwen naar den tempel van Miidera, gelegen in de naburige stad
+Otsu. Totaro woonde het feest bij en zag daar een buitengewoon
+bekoorlijk meisje. "Haar gelaat was schoon en rein als sneeuw; en
+de liefelijkheid van haar lippen gaven den aanschouwer duidelijk te
+kennen, dat wat over die lippen kwam, zoo zoet zou klinken als de
+stem van een nachtegaal, die op een pruimenboom zingt."
+
+Totaro ontbrandde plotseling in liefde voor het meisje. Hij ontdekte,
+dat zij Tamana heette, dat zij ongehuwd was, en dit zou blijven, totdat
+een jonge man haar als huwelijksgift een mandje met niet minder dan
+tienduizend juweelen zou aanbieden. Toen Totaro vernam, dat dit schoone
+meisje alleen kon worden gewonnen door wat hem een onmogelijk geschenk
+toescheen, keerde hij met een bezwaard gemoed naar huis terug. Hoe
+meer hij echter over de schoone Tamana nadacht, des te meer werd hij
+op haar verliefd. Maar helaas! niemand, minder rijk dan een prins,
+kon zulk een huwelijksgift bij elkander krijgen--tienduizend juweelen!
+
+Totaro tobde zóó lang, totdat hij ziek werd, en toen een dokter hem
+kwam bezoeken, schudde deze het hoofd en zeide: "Ik kan niets voor
+u doen, want geen geneesmiddel is in staat de ziekte der liefde te
+genezen." En na die woorden te hebben gesproken, verliet hij hem.
+
+Samébito ontving het bericht van de ziekte van zijn meester; zoodra
+hem nu dat treurige nieuws bereikte, verliet hij den vijver in den
+tuin en kwam de kamer van Totaro binnen.
+
+Totaro sprak niet meer over zijn eigen ellende. Hij was vol
+belangstelling voor het heil van dat schepsel uit de zee.
+
+"Wie zal u, Samébito, voedsel geven, als ik dood ben?" zoo sprak
+hij droevig.
+
+Toen Samébito zag, dat zijn brave meester stervende was, slaakte hij
+een vreemden kreet en begon hij te weenen. Hij weende groote tranen
+bloed, maar zoodra deze den grond hadden aangeraakt, veranderden zij
+plotseling in glinsterende robijnen.
+
+Toen Totaro die juweelen-tranen zag, schreeuwde hij het uit van
+vreugde, en van dat uur af keerde nieuw leven in hem terug. "Ik
+zal in het leven blijven! Ik zal in het leven blijven!" zoo riep
+hij opgewonden van vreugde, uit. "Mijn beste vriend, gij hebt mij
+ruimschoots het voedsel en de beschutting vergoed, die ik u heb
+gegeven. Uw wonderbaarlijke tranen hebben mij onbeschrijfelijk veel
+geluk gebracht."
+
+Daarop hield Samébito op met weenen, en hij vroeg zijn meester,
+hem wel de oorzaak van zijn spoedig herstel te willen mededeelen.
+
+Daarop vertelde Totaro den Haaimensch zijn liefdesgeschiedenis
+en deelde hij hem mede, welke huwelijksgift de familie van Tamana
+eischte. "Ik dacht," zoo voegde Totaro er aan toe, "dat ik nooit
+in staat zou zijn, tienduizend juweelen bijeen te krijgen, en het
+was die gedachte, die mij zoozeer den dood nabij heeft gebracht. Nu
+zijn uw tranen in juweelen veranderd, en daarmede zal het meisje mijn
+vrouw worden."
+
+Totaro ging gretig voort met het tellen der juweelen. "Niet
+genoeg! Niet genoeg!" riep hij met ontzaglijke teleurstelling
+uit. "Ach, Samébito, wees zoo goed en huil nog wat langer!"
+
+Die woorden maakten Samébito boos. "Denkt ge, dat ik als een vrouw kan
+huilen, zoo dikwijls als ik wil? Mijn tranen komen uit mijn hart en
+zijn het uiterlijke teeken van diepe en ware droefenis. Ik kan niet
+meer huilen, want ge zijt genezen. De tijd is thans aangebroken om
+te lachen en vroolijk te zijn, niet om te huilen."
+
+"Als ik geen tienduizend juweelen heb, kan ik de schoone Tamana
+niet huwen," sprak Totaro. "Wat moet ik beginnen? Ach, beste vriend,
+huil voor mij, huil!"
+
+Samébito was een vriendelijk schepsel. Na een korte tusschenpooze
+zeide hij: "Ik kan van daag geen tranen meer storten; laat ons morgen
+naar de lange brug van Séta gaan, en een goeden voorraad wijn en
+visch mede nemen. Misschien dat ik, als ik op de brug zit en naar het
+Drakenpaleis staar, weer zal weenen, als ik aan mijn verloren woning
+denk, waarheen ik zoo gaarne zou willen terugkeeren."
+
+Den volgenden morgen gingen zij naar de brug van Séta, en nadat
+Samébito een groote hoeveelheid wijn had medegenomen, staarde hij in
+de richting van het Drakenrijk. Terwijl hij dit deed, vulden zijn
+oogen zich met tranen, roode tranen, die in robijnen veranderden,
+zoodra zij de brug aanraakten. Totaro raapte, zonder zich ernstig
+om de smart van zijn vriend te bekommeren, de juweelen op, en vond
+eindelijk, dat hij tienduizend schitterende robijnen bij elkander had.
+
+Op datzelfde oogenblik hoorden zij den klank van liefelijke muziek,
+en uit het water verrees een op wolken gelijkend paleis, waarop al
+de kleuren der ondergaande zon schitterden. Samébito gaf een kreet
+van vreugde en sprong op de leuning van de brug, terwijl hij zeide:
+"Vaarwel mijn meester! De Drakenkoningen roepen mij"! Met die woorden
+sprong hij van de brug, en keerde weer naar zijn oude woning terug.
+
+Totaro liet geen tijd voorbijgaan met het aanbieden van het mandje
+met tienduizend juweelen aan de ouders van Tamana, en na eenigen tijd
+trouwde hij met hun liefelijke dochter.
+
+
+
+
+GODEN EN GODINNEN.
+
+
+_Aizen-Myo-o_. De God der Liefde.
+
+_Aji-shi-ki_. Een Shinto God, die aangezien werd voor zijn overleden
+vriend _Ame-waka_.
+
+_Ama-no-ho_. De eerste der Goddelijke Boden, die gezonden werden om
+den weg voor de komst van _Ninigi_ voor te bereiden.
+
+_Ama-terasu_. De Zonnegodin.
+
+_Ame-waka_. Hemel-jonge Prins, en één der Goddelijke Boden.
+
+_Amida_. Een Buddhistische godheid, oorspronkelijk een abstractie,
+het ideaal van het onbegrensde licht. De _Daibutsu_ te Kamakura
+vertegenwoordigt dien God.
+
+_Anan_. Een neef van Buddha, en, evenals Bishamon, begiftigd met
+groote kennis en een wonderbaarlijk geheugen.
+
+_Benten_. Eén der Zeven Goden van het Geluk.
+
+_Bimbogami_. De God der Armoede.
+
+_Binzuru_. Een leerling van Buddha, en door de lagere standen vereerd
+om zijn wonderbaarlijke macht, alle menschelijke ziekten te genezen.
+
+_Bishamon_. De God van den Rijkdom en eveneens van den Oorlog.
+
+_Bosatsu_. Een uitdrukking, gebezigd voor Buddhistische heiligen.
+
+_Buddha_. Zie _Shaka_.
+
+_Daikoku_. De God van den Rijkdom.
+
+_Dainichi Nyorai_. Een personificatie van reinheid en wijsheid. Eén
+der Buddhistische Drie-eenheid.
+
+_Daishi_. "Groote Leeraar", een uitdrukking, toegepast op een aantal
+Buddhistische heiligen.
+
+_Daruma_. Een volgeling van Buddha.
+
+_Dosojin_. De God der wegen.
+
+_Ebisu_. Een God van Geluk en Dagelijksch Voedsel. Hij is de beschermer
+van eerlijken arbeid, en wordt voorgesteld als een visscher met een
+_tai_-visch in de hand.
+
+_Ekibiogami_. De God van de Pest.
+
+_Emma-O_. De Heerscher van de Hel en de Rechter van de Dooden.
+
+_Fu Daishi_. Een onder de Goden opgenomen Chineesche priester.
+
+_Fudo_. De God der Wijsheid.
+
+_Fugen_. De beschermgod van hen, die in een bijzonderen vorm van
+geestverrukking hun overpeinzingen verrichten. Gewoonlijk wordt hij
+afgebeeld zittende aan de rechterhand van _Shaka_.
+
+_Fukurokuju_. Een Geluksgod, die een lang leven en wijsheid voorspelt.
+
+_Gaki_. Kwade Goden.
+
+_Go-chi Nyorai_. De Vijf Buddha's van Overpeinzing: _Yakushi_, _Taho_,
+_Dainichi_, _Ashuku_ en _Shaka_.
+
+_Gongen_. Een algemeene naam voor de incarnaties van Buddha's volgens
+de Shinto-leer. Ook toegepast op onder de goden opgenomen helden.
+
+_Gwakko Bosatsu_. Een Buddhistische maangod.
+
+_Hachiman_. De Oorlogsgod. Hij is de onder de Goden opgenomen Keizer
+Ojin, de beschermer van den Minamoto stam.
+
+_Hoderi_. "Schijnend Vuur", zoon van _Ninigi_.
+
+_Hoori_. "Uitdoovend Vuur", zoon van _Ninigi_.
+
+_Hoso-no-kami_. De God der Pokken.
+
+_Hotei_. Een God van het Geluk, het type van Tevredenheid.
+
+_Hotoke_. De naam van alle Buddha's, en meestal toegepast op de dooden
+in het algemeen.
+
+_Ida Ten_. Een beschermer van het Buddhisme.
+
+_Iha-naga_. "Prinses Lang-als-de-Rotsen", oudste dochter van den
+Geest der Bergen.
+
+_Inari_. De Godin van de Rijst, ook in verband met den Vossengod.
+
+_Isora_. De Geest van de Zeekust.
+
+_Izanagi_ en _Izanami_. De Scheppers van Japan, van wie de godheden
+uit het Shinto Pantheon zijn voortgekomen.
+
+_Jizo_. De God der Kinderen.
+
+_Jurojin_. Een God van het Geluk.
+
+_Kami_. Algemeene naam voor alle Shinto godheden.
+
+_Kasho_. Eén der grootste leerlingen van Buddha.
+
+_Kaze-no-Kami_. De God van den Wind en der Verkoudheden.
+
+_Kengyu_. De landbouwende minnaar van het Wevende Meisje.
+
+_Ken-ro-ji-jin_. De Aardgod.
+
+_Kishi Bojin_. Een Indische Godin, door de Japanners vereerd als de
+beschermster van Kinderen.
+
+_Kobo Daishi_. Een onder de goden opgenomen Buddhistische wijze.
+
+_Kodomo-no-inari_. De Vossengod der Kinderen.
+
+_Kojin_. De God van de Keuken. Versleten poppen worden aan die
+godheid geofferd.
+
+_Kokuzo Bosatsu_. Een vrouwelijke Buddhistische heilige.
+
+_Kompira_. Een Buddhistische godheid van duisteren oorsprong,
+vereenzelvigd met _Susa-no-o_ en andere Shinto-Goden.
+
+_Koshin_. De God der Wegen. Een vergoding van den dag van den Aap,
+voorgesteld door de Drie Mystieke Apen.
+
+_Kuni-toko-tachi_. "De Aardsche Eeuwig Staande." Een zelf geschapen
+Shinto-God.
+
+_Kwannon_. De Godin der Barmhartigheid, in verschillende vormen
+voorgesteld:
+
+
+ 1. _Sho-Kwannon_. (Kwannon de Wijze).
+ 2. _Ju-ichi-men Kwannon_ (met Elf Gezichten.)
+ 3. _Sen ju Kwannon_ (met Duizend Handen).
+ 4. _Ba-to-Kwannon_ (met Paardenkop).
+ 5. _Nyo-i-rin Kwannon_ (Almachtig).
+
+
+_Marishiten_. Zij is in het Japansche en Chineesche Buddhisme
+voorgesteld als de Koningin des Hemels. Zij heeft acht armen, waarvan
+twee de symbolen van zon en maan vasthouden. In de Brahmaansche
+godgeleerdheid is zij de verpersoonlijking van het Licht, en tevens
+een naam van Krishna.
+
+_Maya Bunin_. De moeder van Buddha.
+
+_Miroku_. De opvolger van Buddha, en bekend als de Buddhistische
+Messias.
+
+_Miwa-daimyo-jin_. De godheid, die in verband staat met het Lachfeest
+van Wasa.
+
+_Monju Bosatu_. De Heer der Wijsheid.
+
+_Musubi-no-Kami_. De God van het Huwelijk.
+
+_Nikko Bosatsu_. Een Buddhistische Zonnegod.
+
+_Ninigi_. De Kleinzoon van Ama-terasu, de Zonnegodin.
+
+_Ni_-O. Twee reusachtige en woeste Koningen, die de buitenpoorten
+van tempels bewaken.
+
+_Nominosukune_. De beschermgod der worstelaars.
+
+_Nyorai_. Een eeretitel van alle Buddha's.
+
+_O-ana-mochi_. "Bezitter van de Groote Opening" van den Fuji.
+
+_Oho-yama_. De Geest der Bergen.
+
+_Onamuji_ of _Okuni-nushi_. Zoon van _Susa-no-o_. Hij regeerde in
+Izumo, maar trok zich terug ten gunste van _Ninigi_.
+
+_Oni_. Een algemeene naam voor booze geesten.
+
+_Otohime_. De dochter van den Drakenkoning.
+
+_Raiden_. De Dondergod.
+
+_Raitaro_. De zoon van den Dondergod.
+
+_Rakan_. Een naam, gebruikt om den volmaakten heilige en eveneens de
+onmiddellijke leerlingen van Buddha uit te drukken.
+
+_Roku-bu-ten_. Een gemeenschappelijke naam voor de Buddhistische
+Goden _Bonten_, _Tai-shaku_ en den _Shi-Tenno_.
+
+_Rin-jin_. De Draak of Zeekoning.
+
+_Saruta-hiko_. Een aardsche godheid, die _Ninigi_ begroette.
+
+_Sengen_. De Godin van den Fuji. Ook bekend als _Asama_ of
+_Ko-no-Hana-Saku-ya-Hime_, "De Prinses, die de Bloemen der Boomen
+laat bloeien."
+
+_Shaka-muni_. De stichter van het Buddhisme, ook wel Gautama genoemd,
+maar meestal bekend als Buddha.
+
+_Sharihotsu_. De wijste van Buddha's tien voornaamste leerlingen.
+
+_Shichi-fukujin_. De Zeven Goden van het Geluk: _Ebisu_, _Daikoku_,
+_Benten_, _Fukurokuju_, _Bishamon_, _Jurojin_ en _Hotei_.
+
+_Shita-teru-hime_. "Mindere-glans-Prinses" en vrouw van _Ame-waka_.
+
+_Shi-tenno_. De Vier Hemelsche Koningen, die de aarde tegen Booze
+Geesten beschermen, en die ieder een vierde gedeelte van den horizon
+verdedigen. Hun namen zijn, _Jikoku_, Oosten; _Komoku_, Zuiden;
+_Zocho_, Westen; en _Tamon_, ook _Bishamon_, Noorden genoemd. Hun
+beeltenissen zijn geplaatst in de binnenpoort van den tempel.
+
+_Shoden_. De Indische Ganesa, de Godin der Wijsheid.
+
+_Sohodo-no-kami_. De God der Vogelverschrikkers.
+
+_Sukuna-bikona_ Een godheid, uit den hemel gezonden, om _Onamuji_
+bij te staan, om zijn rijk tot rust te brengen.
+
+_Susa-no-o_. "De onstuimige Jongeling", broeder der Zonnegodin.
+
+_Taishaku_. De Brahmaansche God Indra.
+
+_Tanabata_ of _Shokujo_. Het Wevende Meisje.
+
+_Ten_. Een titel, overeenkomend met het Sanskrit _Dêva_
+
+_Tenjin_. De God van het Schoonschrift.
+
+_Tennin_. Vrouwelijke Buddhistische Engelen.
+
+_Toshogu_ De naam, als godheid, van den grooten Shogun Ieyasu of
+Gongen Sama.
+
+_Toyokuni_. De naam, als godheid, van Hideyoshi.
+
+_Toyo-tama_. De dochter van den Drakenkoning.
+
+_Toyo-uke-hime_. De Shinto-godin van de Aarde of het Voedsel.
+
+_Tsuki-yumi_. De Maangod.
+
+_Uzume_. De Godin van het Dansen.
+
+_Yakushi Nyorai_. "De Genezende Buddha."
+
+_Yofuné Nushi_. De Slanggod.
+
+_Yuki-Onna_. De Sneeuwvrouw.
+
+
+
+
+AANTEEKENIGEN
+
+
+[1] _De Volle Erkenning van Japan_, door _Robert P. Porter_.
+
+[2] _Kroniek van Japan_, voltooid in 720 n.C., behandelt op zeer
+belangwekkende wijze de mythen, legenden, poëzie en geschiedenis van
+de oudste tijden af tot aan het jaar 697 n.C.
+
+[3] De buik opensnijden.
+
+[4] Drie personen, voorkomende in Robin Hood. Men vindt ze genoemd in
+"de Talisman en in Ivanhoe" van Walter Scott.
+
+[5] Hoofdstuk X.
+
+[6] Deze lezing wordt gevonden in den _Catalogus van Japansche en
+Chineesche schilderwerken in het Britsch Museum_, door Dr. William
+Anderson.
+
+[7] De Vijfde Taak, die van Heer Iso, wordt hier niet behandeld. De
+geschiedenis is plat en weinig belangrijk. Het zij voldoende, mede
+te deelen, dat ook de tocht van Heer Iso, om de Zeeschelp te zoeken,
+vergeefsch was.
+
+[8] Van middernacht tot twee uur 's morgens. "Jaren, dagen en uren",
+zoo schrijft Professor B.H. Chamberlain, "werden alle gerekend te
+behooren tot één der teekenen van den dierenriem."
+
+[9] Ontleend aan de Sprookjes van Oud Japan, door W.E. Griffis.
+
+[10] Ontleend aan het _Kristal van Buddha_, door Madame Yei Ozaki.
+
+[11] Madame Ozaki.
+
+[12] Madame Ozaki.
+
+[13] Samurai was een Japansche kaste, waaruit de ambtenaren en
+officieren voortkwamen.
+
+[14] De vreemde, bovennatuurlijke eigenschappen van den vos zijn
+niet uitsluitend van Japanschen oorsprong. Tallooze voorbeelden van
+de tooverkracht van den vos vindt men in Chineesche legenden. Zie
+_Vreemde Sprookjes uit een Chineesch Studeervertrek_, door H.A. Giles.
+
+[15] Zie het _Land van de Gele Lente, en andere Japansche Sprookjes_
+van den schrijver van dit werk.
+
+[16] "De Steen des Doods" is ongetwijfeld één der meest merkwaardige
+vossenlegenden. Zij leert ons een kwaadaardigen vos kennen,
+die den vorm eener verleidelijke vrouw aanneemt bij meer dan één
+verschijning. Zij komt dan en verdwijnt als een verlokkend, maar
+verderf brengend wezen, een soort van Japansche opvatting van Fata
+Morgana. De legende is ontleend aan een _No_, of lyrisch drama,
+vertaald door Professor B.H. Chamberlain.
+
+[17] De _cash_, een munt, die nu niet meer in gebruik is, kwam ongeveer
+met een stuiver overeen.
+
+[18] Ongeveer 40 cents.
+
+[19] De lever, zoowel van dieren als van menschen, komt in de Japansche
+legenden dikwijls voor als geneesmiddel voor verschillende ziekten.
+
+[20] _De Japansche Brieven van Lafcadio Hearn_, uitgegeven door
+Elizabeth Bisland.
+
+[21] Heilige staf.
+
+[22] "Heil Almachtige Buddha!"
+
+[23] Een poort.
+
+[24] Een Tooverroede, waaraan strooken wit papier afhangen, die in
+kleine, hoekige bossen (gohei) gesneden zijn, die de offers moeten
+voorstellen van kleedingsstof, die oudtijds op feestdagen gebonden
+werden aan takken van den heiligen cleyeraboom.--B.H. Chamberlain.
+
+[25] Zie _Oude Sproken en Folk-lore van Japan_, door R. Gordon Smith.
+
+[26] Ontleend aan het _No_ drama, vertaald door B.H. Chamberlain.
+
+[27] Zie _Oude Sproken en Folk-lore van Japan_ door R. Gordon
+Smith. Een Kakemono is een prent, tusschen twee houten staven
+bevestigd, die kan worden opgerold of aan den muur gehangen.
+
+[28] Het onderwerp van dit verhaal heeft veel overeenkomst met een
+Noorsche legende. Zie William Morris, _Het Land ten Oosten van de
+Zon en ten Westen van de Maan_.
+
+[29] Zij was gehuwd met Ninigi. (Zie blz. 14).
+
+[30] Hier is eenige verwarring in het spel, want in werkelijkheid ligt
+het meer Biwa een paar honderd kilometers van den Fuji verwijderd,
+een afstand, die te groot is, dan dat zelfs een wonderberg zich
+daarin zou kunnen spiegelen. De legende verhaalt, dat de Fuji in één
+enkelen nacht uit de aarde te voorschijn kwam, terwijl het meer Biwa
+gelijktijdig daalde. Chamberlain zegt: "zouden wij hier niet een echo
+hebben van een vroegere uitbarsting, die leidde tot het ontstaan,
+niet van het Meer Biwa......maar van één van de tallooze kleine meren
+aan den voet van den berg?"
+
+[31] Een spel, uit China ingevoerd, en dat op het schaakspel gelijkt,
+doch dat iets ingewikkelder is dan ons gewone schaakspel.
+
+[32] Over de vossenlegenden hebben wij reeds in het Vijfde Hoofdstuk
+gesproken.
+
+[33] Zie Hoofdstuk II.
+
+[34] Van daar de Japansche uitdrukking: "Lantaarn en klok, wie van
+de twee is de zwaarste?"
+
+[35] Fudo is niet, zooals men gewoonlijk meent, de God van het Vuur,
+maar wordt vereenzelvigd met Dainichi, den God der Wijsheid. Het
+is niet volkomen duidelijk, waarom Kiyo Fudo opzocht, wiens heilig
+zwaard de wijsheid zinnebeeldig voorstelt, terwijl zijn vuur de macht
+voorstelt, en het kluwen touw dient om de hartstochten te binden.
+
+[36] Kompira was oorspronkelijk een Indische God, die door de
+middeleeuwsche-Shinto-vereerders vereenzelvigd werd met Susa-no-o,
+den broeder der Zonnegodin, die, zooals wij reeds gezien hebben,
+er maar al te zeer behagen in schepte, ondeugende streken uit te halen.
+
+[37] Men raadplege hierover, Florence du Cane, _Bloemen en Tuinen
+van Japan_.
+
+[38] Schrijver van verschillende werken over Bloemen in Japan.
+
+[39] _Hara-kiri_ of _seppuku_ is de uitdrukking, die onder de klasse
+der _samurai_ voor zelfmoord wordt gebruikt. Voor nadere bijzonderheden
+zie men _"Sprookjes van het Oude Japan"_, door A.B. Mitford (Lord
+Redesdale).
+
+[40] Tot in onzen tijd gelooven de Japansche boeren aan den Haas in
+de Maan. Dit dier brengt zijn tijd door met het fijnstampen van rijst
+in een mortier en het maken van koeken daarvan. De oorsprong van dit
+denkbeeld moet waarschijnlijk in een woordspelling gezocht worden,
+immers "rijstkoek" en "volle maan" worden beide uitgedrukt door het
+woord _mochi_.
+
+[41] De Chrysanthemum met zestien bloembladeren is één van de
+wapens der Keizerlijke familie, terwijl het andere de bloemen en de
+bladeren van de Paulownia voorstelt. Het zijn in Japan niet alleen
+de aanzienlijken, die een wapen voeren. Het wapen wordt nog altijd
+gedragen op het bovengedeelte van hun oorspronkelijke kleeding, aan
+iederen kant van de borst, op beide mouwen en achter op den nek. Bij
+voorkeur worden de teekeningen ontleend aan vogels, het bamboe,
+waaiers, Chineesche letters, enz.
+
+[42] Dit verhaal en de volgende van dit Hoofdstuk zijn ontleend aan
+"Oude Sproken en Folklore van Japan," door _R. Gordon Smith_.
+
+[43] Zie over kappa's: hoofdstuk XXIX.
+
+[44] Zie Hoofdstuk XVII.
+
+[45] Zie Hoofdstuk XVI.
+
+[46] Dit verhaal en dat wat volgt zijn ontleend aan _Oude Sproken en
+Folk-lore van Japan_, door R. Gordon Smith.
+
+[47] Zie Hoofstuk XV.
+
+[48] Een wezen met een langen neus. Zie hierover blz. 22.
+
+[49] De titel is niet nauwkeurig, want in werkelijkheid heeft Kwannon
+in die gedaante slechts veertig handen. Ongetwijfeld is de bedoeling
+van dien naam, een voorstelling te geven van de milddadigheid dier
+Godin.
+
+[50] "In navolging van de oorspronkelijke Drie en dertig Heilige
+Plaatsen zijn er ook drie en dertig heilige plaatsen in oostelijk
+Japan gesticht, en ook in het district Chichibu." _Murray's Handboek
+van Japan_, door _B.H. Chamberlain_ en _W.B. Mason_.
+
+[51] Zie Murray's Handboek van Japan.
+
+[52] Zie _Een blik op het Onbekende Japan_, door _Lafcadio Hearn_,
+deel I, blz. 62-104.
+
+[53] Legenden in verband met andere insecten worden in Hoofdstuk
+XXIII behandeld.
+
+[54] Hoofdstuk VII. "Legenden in de Japansche Kunst".
+
+[55] Japansche munt.
+
+[56] _Japansche Zaken_, door _B.H. Chamberlain_.
+
+[57] Dit verhaal, hoewel door een Chineesch sprookje ingegeven, is, wat
+de locale kleur betreft, Japansch, en maakt op huiveringwekkende wijze
+de macht van Karma of het menschelijke verlangen duidelijk, waarover
+in Hoofdstuk X is gesproken. Wij hebben de voorstelling van Lafcadio
+Hearn gevolgd, zooals die voorkomt in "_In Spookachtig Japan_".
+
+[58] De naam van den heilige was bij zijn leven Kukai. Kobo Daishi
+was een titel, die hem na zijn dood was gegeven, en onder dien naam
+is hij meestal bekend.
+
+[59] Van daar het Japansche spreekwoord: "Zelfs Kobo Daishi schreef
+wel eens verkeerd."
+
+[60] Een werktuig, dan dient als betooveringsmiddel, en dat eenigszins
+op een bliksemflits gelijkt.
+
+[61] In een later tijdperk was Inari bekend als de Vossengod. Zie
+Hoofstuk V.
+
+[62] _Murray, Handboek van Japan_, door _B.H. Chamberlain_ en
+_W.B. Mason_.
+
+[63] _Asiatic Quarterly Review_, October 1894.
+
+[64] "De _samisen_ of 'drie snaren', dat nu het geliefkoosde
+muziekinstrument is van de zangmeisjes en van de lagere standen
+in het algemeen, schijnt eerst omstreeks 1700 uit Manilla te zijn
+ingevoerd". _Japansche Zaken_, door _B.H. Chamberlain_.
+
+[65] De lever, zoowel van een mensch als van een dier, had, zoo
+meende men in Japan, merkwaardige geneeskundige eigenschappen. Er
+wordt dikwijls in Japansche legenden melding van gemaakt, maar het
+denkbeeld is waarschijnlijk ontleend aan de vreemdste pharmacopee
+der geheele wereld, die van China.
+
+[66] Vertaald door Edward Greey, onder den titel "_Een gevangene
+der Liefde_".
+
+[67] De drie mystieke Apen spelen een rol in de Japansche
+legenden. Mizaru wordt voorgesteld met zijn handen voor zijn oogen,
+Kikazaru met zijn handen over zijn ooren, en Iwazaru met zijn handen
+op zijn mond. Die mystieke apen zijn een zinnebeeld van "Hem die geen
+kwaad ziet, hem die geen kwaad hoort, hem die geen kwaad spreekt."
+
+[68] Vertaald door _F. Victor Dickens_.
+
+[69] Ontleend aan Oude Sproken en Folklore van Japan door R. Gordon
+Smith.
+
+[70] Het grootste gedeelte van de stof, in dit hoofdstuk behandeld,
+is ontleend aan het _Theeboek_, door Okakura-Kakuzo, en wij bevelen
+dit aardige boek aan allen aan, die in dat onderwerp belangstellen.
+
+[71] Het Chineesche Paradijs.
+
+[72] Een volledig verhaal van die schoone legende vindt men in Lafcadio
+Hearn, _Sommige Chineesche geesten_.
+
+[73] "Oorspronkelijk een soort knop voor de medicijndoos of den
+tabakszak, van hout of ivoor gesneden." _Japansche Zaken_, door
+_B.H.Chamberlain_.
+
+[74] Een verwijzing naar Yuki-Daruma, of Sneeuw-Daruma, en
+speelgoed-Daruma, _Okiagari-koboshi_, ("De Opstaande Kleine Priester")
+zal men vinden in Lafcadio Hearn, _Een Japansch Mengelwerk_.
+
+[75] De Legenden in dit hoofdstuk zijn ontleend aan verhalen uit
+Lafcadio
+Hearn, _Kwaidan_ en _Blikken in het Onbekende Japan._
+
+[76] Zie Hoofdstuk II.
+
+[77] Een stroop, uit mout vervaardigd, die aan kinderen wordt gegeven
+als melk niet beschikbaar is.
+
+[78] Zie "De Droom van Rosei" in Hoofdstuk VII, blz. 101.
+
+[79] Zie de _Geschiedenis van Korea_, door _Joseph H. Longford_.
+
+[80] Deze legende, en die, welke in dit hoofdstuk volgen, zijn ontleend
+aan _Oude Sproken en Folklore van Japan_ door R. Gordon Smith.
+
+[81] Deze wijze van voorspellen is van bijzonder belang, immers de stok
+is het symbool van den God der Wegen, de Godheid, die uit den staf
+van Izanagi was gevormd, dien hij, zooals men zich zal herinneren,
+achter zich wierp, toen hij in de Onderwereld vervolgd werd door de
+Acht Leelijke Vrouwen.
+
+[82] Zie Hoofdstuk II.
+
+[83] Ontleend aan _Oude Sproken en Folk-lore van Japan_, door
+_R. Gordon Smith_.
+
+[84] _Zie_ Hoofdstuk IX.
+
+[85] Het onder de goden opnemen van aanzienlijke dooden is één van
+de instellingen van het Shintoïsme.
+
+[86] Ontleend aan de vertaling van Prof. _B.H. Chamberlain_ in de
+_Handelingen van het Aziatisch Genootschap van Japan_, Deel VII.
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Mythen & Legenden van Japan, by F. Hadland Davis
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK MYTHEN & LEGENDEN VAN JAPAN ***
+
+***** This file should be named 16043-8.txt or 16043-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/6/0/4/16043/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Distributed Proofreaders Team
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.