summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authorpgww <pgww@lists.pglaf.org>2025-10-19 05:59:10 -0700
committerpgww <pgww@lists.pglaf.org>2025-10-19 05:59:10 -0700
commitda703cd5f34c1c814d8eac8f9b54ee7e154bb7ed (patch)
tree60a8d571103b1c80b386abd64d22415df01edf21
parent1b6bb800672b4cafded0bf7e8b300de6d5d98eee (diff)
remove oldHEADmain
-rw-r--r--.gitattributes7
-rw-r--r--LICENSE.txt4
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/15236-8.txt3343
4 files changed, 7 insertions, 3349 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
index 6833f05..d7b82bc 100644
--- a/.gitattributes
+++ b/.gitattributes
@@ -1,3 +1,4 @@
-* text=auto
-*.txt text
-*.md text
+*.txt text eol=lf
+*.htm text eol=lf
+*.html text eol=lf
+*.md text eol=lf
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
index 6312041..b5dba15 100644
--- a/LICENSE.txt
+++ b/LICENSE.txt
@@ -1,4 +1,4 @@
-This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+This book, including all associated images, markup, improvements,
metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
@@ -7,5 +7,5 @@ the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
No investigation has been made concerning possible copyrights in
jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
-this eBook outside of the United States should confirm copyright
+this book outside of the United States should confirm copyright
status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
index f762acf..55185ae 100644
--- a/README.md
+++ b/README.md
@@ -1,2 +1,2 @@
Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
-eBook #15236 (https://www.gutenberg.org/ebooks/15236)
+book #15236 (https://www.gutenberg.org/ebooks/15236)
diff --git a/old/15236-8.txt b/old/15236-8.txt
deleted file mode 100644
index 3250888..0000000
--- a/old/15236-8.txt
+++ /dev/null
@@ -1,3343 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of Oude Egyptische Legenden, by M. A. Murray
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org
-
-
-Title: Oude Egyptische Legenden
-
-Author: M. A. Murray
-
-Release Date: March 2, 2005 [EBook #15236]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ISO-8859-1
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OUDE EGYPTISCHE LEGENDEN ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman, Guido Royackers and the Online
-Distributed Proofreading Team.
-
-
-
-
-
-
-OUDE EGYPTISCHE LEGENDEN
-
-M. A. MURRAY.
-
-NAAR HET ENGELSCH BEWERKT
-
-DOOR H. F.
-
-W. J. THIEME & CIE - ZUTPHEN - 1921 INLEIDEND WOORD.
-
-
-In dit boek worden de legenden van de Goden van het oude Egypte verteld,
-legenden, die in omloop waren gedurende den "morgen van de wereld" en
-die, gebeiteld in steen en geschreven op papyrussen, tot nu toe bewaard
-zijn gebleven.
-
-Dit boek is bestemd om de belangstelling van het beschaafde publiek op
-te wekken voor den godsdienst en de beschaving van het oude Egypte.
-
-Ofschoon het boek bestemd is voor den leek, zijn er aan het eind
-Aanteekeningen voor den meer wetenschappelijken lezer gegeven. In deze
-Aanteekeningen wordt de oorsprong van de legende vermeld, het boek of de
-boeken, waarin het origineel gevonden kan worden en het boek, dat door
-den een of anderen grooten geleerde uit den tegenwoordigen tijd vertaald
-is in een der moderne talen. Er zijn andere vertalingen in menigte, die
-men zien kan in de bibliotheken van specialisten; vele van deze zijn
-echter alleen van nut voor degenen, die de Egyptische taal en
-letterkunde bestudeeren.
-
-De volgorde der verhalen is aldus: Eerst komen de legenden van
-verschillende goden, dan de legenden van Osiris en van de godheden, die
-met hem in verband staan en eindelijk de legenden van Ra.
-
-Aan het eind vindt men Aanteekeningen op de legenden en een korte
-inhoudsopgave van al de goden, die er in voorkomen.
-
- * * * * *
-
-
-
-
-OUDE EGYPTISCHE LEGENDEN.
-
-I.
-
-DE PRINSES EN DE DEMON.
-
-
-Het was onder de regeering van Koning Ramses, zoon van de Zon,
-gunsteling van Amon, koning der goden. Een groot krijgsman was Ramses;
-in den strijd geleek hij op Mentu, den oorlogsgod; zeer dapper was hij,
-als de zoon van de Hemelgodin.
-
-Nu bevond zijne majesteit zich in Naharena waar de groote rivier, de
-Euphraat, haar wateren voortstuwt naar de zee.
-
-En hij ontving de schatting van zijn vorstelijke vazallen, want hij had
-de negen stammen der boogschutters overwonnen, en niemand kon voor zijn
-aangezicht bestaan, wanneer hij uittrok in volle wapenrusting. De
-vorsten bogen hun hoofden ter aarde voor hem, terwijl hun adem den grond
-beroerde, dien zijn voeten hadden betreden.
-
-Groot en prachtig was hun schatting, die bestond uit goud en edelsteenen
-van allerlei kleuren, blauwe lapis lazuli en de groene turkoos, die
-gewijd is aan Hathor, de godin van de liefde en de vreugde. En slaven
-droegen op hun rug welriekende houtsoorten aan, geurig en aromatisch,
-als de boomen in het land der Goden.
-
-De vorst van Bekhten kwam ook, vergezeld door zijne oudste dochter; hij
-plaatste haar vóór de slaven, want zij was het uitgelezenste deel van
-zijn schatting.
-
-Zij was zeer schoon, haar lichaam was welgevormd en slank als een
-palmboom, en de koning werd tot in het diepst van zijn ziel getroffen en
-hij kreeg haar boven alles lief. Hij maakte haar tot zijne koninklijke
-gade, gaf haar een naam, die haar bekend zou maken in het land Egypte;
-"Neferu-Ra", schoonheid van Ra heette zij, want haar schoonheid was aan
-den zonneschijn gelijk. En de naam werd geschreven in het koninklijke
-ovaal, zooals het de gewoonte is bij de Egyptische koningen en hun
-koninginnen.
-
-Daarna keerde koning Ramses terug naar Egypte met zijn koninklijke gade,
-koningin Neferu-Ra. En toen zij in het zwarte land, Egypte, kwamen,
-verrichtte zij alle ceremoniën die een koningin van Egypte in de tempels
-te verrichten heeft. Nu gebeurde het, dat koning Ramses zich op den
-twee-en-twintigsten van de maand Payni in Thebe, de machtige, bevond. En
-hij begaf zich naar den tempel van Amoe, want dit was de dag van het
-schoone feest van den god, wanneer de booten heen en weer varen op het
-water met toortsen en lichten, en de Heilige Bark, die versierd is met
-goud en geschilderd in schitterende kleuren, hoog wordt opgeheven opdat
-de menschen het beeld van Amon-Ra in de boot kunnen zien. En koningin
-Neferu-Ra vergezelde zijne majesteit, want de koningin van Egypte is
-altijd een aanbidster geweest van Amon-Ra, koning der Goden.
-
-Toen zij nog in den tempel waren, kwamen er hovelingen van den Koning
-binnen om de aankomst van een bode van den vorst van Bekhten te melden.
-Hij was beladen met geschenken voor Neferu-Ra, koningin van Egypte
-dochter van den vorst van Bekhten, en hij bracht ook een boodschap voor
-den koning. Toen hij in tegenwoordigheid van den koning kwam, boog hij
-ter aarde, zeggende: "Heil u, o zon van de negen stammen der
-boogschutters! Mogen wij voor uw aangezicht bestaan".
-
-Toen boog hij weer ter aarde en bracht de boodschap, die hij van den
-vorst van Bekhten gekregen had, aan Ramses, koning van Egypte, over:
-
-"Ik kom tot u, o machtig koning, mijn Heer, van wege Bent-reshy, de
-kleine zuster van de koningin, Neferu-Ra; want zij heeft een ziekte in
-haar ledematen. Zend daarom een geleerd man, opdat hij haar moge zien en
-genezen."
-
-De koning wendde zich tot zijn hovelingen en sprak: "Haal een schrijver
-van het Huis des Levens en haal ook degenen, die de verborgen dingen van
-de innerlijke Hal kennen".
-
-En de hovelingen haastten zich aan het bevel te voldoen en brachten hen
-in zijne tegenwoordigheid en de koning sprak tot hen: "Ik heb u hier
-laten komen om deze zaak te hooren. Noem mij een man die geleerd en
-bekwaam genoeg is om naar den vorst van Bekhten gezonden te worden.
-
-Toen beraadslaagden zij met elkaar en zonden als een geleerd en bekwaam
-man den schrijver Tehuti-em-heb tot den koning en de koning verzocht hem
-met den boodschapper van den vorst van Bekhten mee te gaan om
-Bent-reshy, de kleine zuster van de koningin, te genezen.
-
-Toen de schrijver Tehuti-em-heb te Bekhten kwam, werd hij tot Bent-reshy
-gebracht. Hij was een geleerd en bekwaam man en hij vond de prinses in
-de macht van een geest, die hem vijandig was, jegens wien zijn kunde en
-bekwaamheid niets baatten en die zijn tooverkunsten verijdelde.
-
-Toen was de vorst van Bekhten treurig en droefheid was in zijn hart,
-maar Tehuti-em-heb, de schrijver, ried hem aan om nogmaals naar Egypte
-te zenden en de hulp in te roepen van Khonsu, den duivelbanner, om den
-boozen geest uit Bent-reshy, de kleine zuster van de koningin, te
-verdrijven.
-
-Nu dan, zóó groot was de afstand van Bekhten naar Egypte, dat er van den
-tijd, dat Tehuti-em-heb, de schrijver, uit Thebe vertrok, drie jaar
-verliepen, voordat Koning Ramses de tweede boodschap bereikte, en
-gedurende al dien tijd woonde de booze geest in Bent-reshy en kon niet
-uitgedreven worden.
-
-En toen de tweede boodschapper aankwam, was koning Ramses weer in Thebe,
-en het was de eerste van de maand Pakhons, de maand, die gewijd is aan
-Khonsu. Hij trad in den tempel, vergezeld door zijne hovelingen en den
-boodschapper van den vorst van Bekhten. In den tempel stonden twee
-beelden van Khonsu; zeer wonderbare beelden waren het, zeer heilige; het
-eene heette Khonsu in Thebe Neferhotep, en het andere Khonsu, de
-duivelbanner. Nu dan, Khonsu is de God van de Maan, de zoon van Amon-Ra
-en van Mut, vrouwe van Ashru, en de menschen beelden hem uit met de
-krullende lokken der jeugd, want hij is eeuwig jong en schoon.
-
-Toen stond de koning voor het groote beeld van Khonsu in Thebe
-Neferhotep en sprak: "O mijn goede Heer, ik kom weer tot u vanwege de
-dochter van den vorst van Bekhten."
-
-Daarop hieven de priesters het beeld van Khonsu in Thebe Neferhotep op
-en plaatsten het tegenover Khonsu, den duivelbanner. En de koning sprak
-weer tot Khonsu in Thebe Neferhotep en zei: "Mijn goede heer, wend uw
-aangezicht tot Khonsu, den duivelbanner. Sta toe, dat hij zich naar
-Bekhten begeeft."
-
-Khonsu in Thebe Neferhotep boog zijn hoofd tweemaal als teeken van
-toestemming. Heel wonderbaar was het beeld van Khonsu in Thebe
-Neferhotep.
-
-En weer sprak Koning Ramses: "Laat uwe bescherming met hem zijn. Stem
-toe, dat ik den god Khonsu naar Bekhten zend om Bent-reshy, de kleine
-zuster van de Koninklijke Vrouwe, te redden.
-
-Khonsu in Thebe Neferhotep boog zijn hoofd tweemaal als teeken van
-toestemming.
-
-Zeer wonderbaar was het beeld van Khonsu in Thebe Neferhotep. En hij gaf
-zijn magische bescherming viermaal aan Khonsu, den duivelbanner. Toen
-gaf koning Ramses bevel Khonsu, den duivelbanner, in de Groote Boot te
-plaatsen; en rechts en links van de Groote Boot waren vijf kleine booten
-met talrijke en prachtige paarden en wagens. Het gevolg van Khonsu, den
-duivelbanner, was gelijk aan dat van een koning. Een jaar en vijf
-maanden reisden zij, voordat ze Bekhten bereikten.
-
-De vorst van Bekhten trok uit met zijn boogschutters en hovelingen om
-Khonsu, den duivelbanner, een koninklijke ontvangst te bereiden en zij
-trokken hem tegemoet, als was hij een koning. De vorst van Bekhten viel
-op zijn knieën en raakte met zijn voorhoofd den grond aan voor de voeten
-van Khonsu, den duivelbanner, en zeide: "Gij zijt tot ons gekomen. O,
-wees goedertieren voor ons, overeenkomstig de woorden van Ramses, koning
-van Egypte". Zij brachten Khonsu, den duivelbanner, naar de kamer van
-Bent-reshy, de kleine zuster van de koningin. En zie, er gebeurde een
-wonder, want in hetzelfde oogenblik was zij gezond.
-
-Toen sprak de geest, die in haar geweest was, tot Khonsu, den
-duivelbanner: "Gij zijt gekomen in vrede, o groote God, de duivelbanner.
-Bekhten is uw stad; haar volk zijn uw slaven. Ik buig voor u neder, want
-ook ik ben uw slaaf. Ik wil gaan naar de plaats, vanwaar ik gekomen ben,
-opdat mijn hart rust moge vinden. Maar laat de verheven Khonsu, voor dat
-ik heenga, bevel geven, dat de vorst van Bekhten een dag vaststelt, die
-gewijd is aan mij".
-
-Toen hij deze woorden gehoord had, wendde Khonsu, de duivelbanner, zijn
-hoofd naar den priester en zeide: "Laat de vorst van Bekhten een groot
-offer brengen aan dezen geest".
-
-De vorst van Bekhten en zijne soldaten en zijn hovelingen hoorden de
-stemmen van den geest en van den god en zij sidderden en waren in de
-hoogste mate verschrikt. Zij voldeden aan het bevel van den god en
-maakten een groote offerande in gereedheid voor Khonsu, den
-duivelbanner, en voor den geest, die het lichaam verlaten had van
-Bent-reshy, de kleine zuster van de Koningin, de dochter van den vorst
-van Bekhten. En zij stichtten een heiligen dag met offers en plengingen.
-Zoo verliet de geest in den vorm van een Lichtend Wezen in vrede het
-land Bekhten en ging heen, werwaarts het hem behaagde, zooals Khonsu, de
-duivelbanner, bevolen had.
-
-De vorst van Bekhten was blij en zijn hart was verheugd en het geheele
-volk was ook verheugd, dat de geest uit Bent-reshy en uit het land
-Bekhten verdreven was. Maar te midden van zijn vreugde en blijdschap
-werd het hart van den vorst van Bekhten vervuld van vrees, dat de geest
-zou terugkeeren en zich weer in het land vestigen, wanneer Khonsu, de
-duivelbanner, vertrokken zou zijn. Hij overlegde bij zich zelf: "Ik zal
-Khonsu, den duivelbanner, in Bekhten houden. Ik zal hem niet laten
-terugkeeren naar Egypte". Zoo bleef Khonsu, de duivelbanner, drie jaren,
-vier maanden en vijf dagen in Bekhten, want de vorst van Bekhten wilde
-hem niet laten heengaan. En op het eind van dien tijd lag de vorst van
-Bekhten des nachts in zijn bed te slapen en terwijl hij sliep, kreeg hij
-een vizoen voor zijn oogen. Hij droomde, dat hij voor den tempel van
-Khonsu, den duivelbanner, stond; de groote deuren van den tempel werden
-teruggeslagen en de god trad naar buiten tusschen de deuren. Hij nam de
-gedaante aan van een sperwer met gouden veeren, schoon en glanzend en
-verhief zich hoog in de lucht met uitgespreide vleugels en schoot
-pijlsnel voort in de richting van Egypte.
-
-Toen de vorst van Bekhten ontwaakte, was hij buitengewoon ontsteld, want
-hij vreesde den toorn der Goden. En hij zond om den priester van Khonsu,
-den duivelbanner, en sprak tot hem: "De god is vervreemd van ons, hij is
-naar Egypte teruggekeerd. Laat zijn triomfwagen ook naar Egypte
-terugkeeren."
-
-De vorst van Bekhten gaf bevel, dat de god naar Egypte zou worden
-teruggebracht en overlaadde hem met gaven. Groot en talrijk waren de
-geschenken bestaande uit allerlei schoone voorwerpen, die de vorst van
-Bekhten gaf aan Khonsu, den duivelbanner. Vele maanden reisden zij,
-begeleid door een escorte soldaten en paarden uit het land van Bekhten.
-Zij kwamen goed en wel te Thebe aan en begaven zich naar den tempel van
-Khonsu in Thebe Neferhotep. Toen gaf Khonsu, de duivelbanner, alle
-geschenken, de rijke en kostbare geschenken, die hij van den vorst van
-Bekhten gekregen had, aan Khonsu in Thebe Neferhotep; niets behield hij
-voor zich zelf. Zoo eindigde de reis van Khonsu, den duivelbanner, den
-grooten God.
-
- * * * * *
-
-
-
-
-II.
-
-DE DROOM VAN DEN KONING.
-
-
-Lang, lang geleden leefde Thothmes, koning van Egypte; hij was heer van
-de twee landen, drager van de dubbele kroon, bemind door de Goden. Hij
-was niet die Thothmes, de machtige Stier, die Syrië en Nubië veroverde
-en de negen stammen der boogschutters overwon. Maar hij droeg denzelfden
-naam en was een groot en dapper koning; Syrië boog voor hem, Nubië was
-zijn slaaf en hij zette zijn voet op den nek van de negen stammen der
-boogschutters. Als kind geleek hij op Harpocrates, den zoon van Isis,
-die geboren was in de moerassen van het noordelijke land. Hij was schoon
-als een God en had een gestalte als Horus, de wreker van zijn vader.
-
-In alle mannelijke lichaamsoefeningen muntte hij uit; hij maakte jacht
-op het wild gedierte in de woestijn, zoowel ten noorden als ten zuiden
-van Memphis, hij vervolgde de leeuwen en herten, hij schoot met pijlen
-op de schijf, hij reed in een zegekar en zijn paarden waren sneller dan
-de wind. Hij joeg alleen of slechts met twee metgezellen, en niemand
-kende het pad, dat hij zou volgen, want in de woestijn woont niemand,
-behalve de wilde dieren.
-
-Wanneer zijn dienaren rust noodig hadden gedurende de hitte van den dag,
-nam hij ze mee naar het groote beeld van Harmachis dicht bij Eher-Aha,
-waar de weg van den God oostwaarts voert naar On. Dit grootsche beeld
-was van steen, gehouwen uit de levende rots; zijn gelaat was het gelaat
-van een man, ernstig en majestueus, dat gekeerd was naar de opgaande
-zon; zijn lichaam was het lichaam van een leeuw; op zijn voorhoofd
-bevindt zich de doodaanbrengende slang, met haar kop rechtop, gereed op
-haar toe te schieten. De menschen noemen dit beeld Harmachis en de
-Sphinx en de "vader der verschrikkingen". Groot en verheven is dit beeld
-van den God, rustend op zijn uitgezochte plaats; groot is zijn macht,
-want de schaduw van de zon valt op hem. De tempels van Memphis en de
-tempels van elke stad aan weerszijden er van vereeren het, zij strekken
-hun handen vol aanbidding naar hem uit en offers en plengingen worden
-hem gebracht.
-
-Eens, voordat Thothmes nog koning was, voordat hij den troon van Horus,
-den Levende, had bestegen, gebeurde het, dat hij alleen op jacht was in
-de woestijn en het was op het midden van den dag. De hitte was fel en de
-zonnestralen verblindend en hij rustte in de schaduw van den grooten
-God. En terwijl hij zoo rustte, vermoeid en verhit, in de koelte van de
-schaduw, viel hij in een zwaren en diepen slaap juist op het oogenblik,
-dat de zon het zenith bereikte.
-
-Zoo sliep hij in het middaguur en in zijn slaap droomde hij en kreeg hij
-vizioenen. In zijn droom stond hij voor het reusachtige beeld van den
-God, maar het was niet langer van steen, want ziet, het was de God zelf.
-Er was leven in hem, zijn lippen bewogen en hij sprak met vriendelijke
-woorden, zooals een vader spreekt tot zijn kind, want de woorden
-bevatten een zegen.
-
-"Zie nu, o mijn zoon Thothmes", sprak hij, zie mij aan, aanschouw mij.
-Ik ben uw vader, ik, die Harmachis en Ra en Khepera en ook Atmu ben.
-Want ik ben de Zonnegod, aan wien alle landen zijn onderworpen. Door mij
-alleen zal het koninkrijk Egypte u ten deel vallen; gij zult de witte
-kroon van het Zuidelijke Land en de roode kroon van het Noordelijke Land
-dragen, gij zult zitten op den troon van Geb, den erfgenaam. Aan u zal
-het geheele land in zijn lengte en breedte toebehooren, dat land,
-hetwelk de alleenheerschende Koning beroemd zal maken. Gebrek zal nimmer
-uw deel zijn, geen ongeluk zal u treffen, want geschenken zullen u
-gebracht worden uit alle landen, van nabij en ver, uw leven zal vele
-jaren duren; mijn aangezicht zal tot u gekeerd zijn en mijn hart zal
-zich tot u neigen, indien gij voor mij doen wilt datgene, wat ik van u
-zal verlangen.
-
-En Thothmes keek en zag, dat het beeld half begraven lag in het zand en
-het leek, alsof de God worstelde om zich vrij te maken, want niets dan
-zijn hoofd stak uit boven de vlakte en het zand verhief zich om hem als
-de golven van de zee, wanneer zij een schip verzwelgen, dat op de rotsen
-geloopen is.
-
-Toen sprak de God opnieuw en zeide: "Het zand van de woestijn, waarop ik
-rust, omgeeft mij, het overstelpt mij, het bedekt mij. Haast u te doen,
-wat mijn hart begeert, want ik weet, dat gij een zoon zijt, die de
-bevelen van zijn vader zal opvolgen".
-
-De slaap ontvlood de oogleden van Thothmes en hij werd wakker.
-
-(Hier is het opschrift afgebroken en het eind van de geschiedenis is
-niet bekend).
-
- * * * * *
-
-
-
-
-III.
-
-DE KOMST VAN DE GROOTE KONINGIN.
-
-
-Amon-Ra, koning der goden, zat op zijn troon en om hem stonden de
-machtigsten der goden en godinnen geschaard. Aan zijn rechterzijde stond
-Osiris, gekroond met de groote witte kroon van het Zuidelijk Land; aan
-zijn linkerzijde stond Mentu, de oorlogsgod en op het hoofd van Mentu
-stonden twee groote veeren en de stralende zonneschijf. Naast Osiris
-stonden de tweelinggodinnen Isis en Nephthys; naast hen stond Hathor, de
-godin van de liefde, die de Grieken Aphrodite noemen; Horus, de zoon van
-Isis, met de verziende haviksoogen; en Anubis, de zoon van Nephthys, de
-trouwe beschermer van Isis. Naast Nentu stonden Atmu, de god van den
-zonsondergang; Shu en zijn tweelingzuster Tefnut; Geb, de god der aarde,
-en Nut, de godin des hemels. Deze twee zijn de oudste van de goden, van
-wie alle anderen afstammen.
-
-Amon-Ra, koning der goden, zat op zijn troon en zag uit over het land
-Egypte en hij sprak, zeggende: "Ik wil een koningin scheppen om over
-Tamery te regeeren, ik wil de twee Landen voor haar vereenigen in vrede
-en in haar handen wil ik de geheele wereld plaatsen. Egypte en Syrië,
-Nubië en Punt, het land der Goden, zullen onder haar scepter staan." En
-toen hij gesproken had, heerschte er stilte onder de goden.
-
-Terwijl hij nog sprak, verscheen Thot, die op één na de grootste was, de
-schepper van de tooverkunst, de heer van Khemennu. Hij luisterde naar de
-woorden van Amon-Ra, koning der goden en gedurende de stilte, die
-volgde, sprak hij:
-
-"O Amon-Ra, heer van de tronen van de Twee landen, koning der goden,
-schepper der menschen. Zie, in het Zwarte land in het paleis van den
-koning is een maagd, die schoon is en welgevormd. Aahmes is haar naam en
-zij is de vrouw van den koning van Egypte. Zij alleen kan de moeder zijn
-van de groote koningin, die gij scheppen wilt om over de Twee Landen te
-regeeren. Zij bevindt zich in het paleis van den koning. Kom, laat ons
-tot haar gaan".
-
-Nu dan, de gedaante van Thot is de gedaante van een ibis, opdat hij snel
-door de lucht kan vliegen en niemand hem zal herkennen, en als een ibis
-vloog hij naar het paleis van den koning. Maar Amon-Ra nam de gedaante
-aan van den koning van Egypte. Groot was de majesteit van Amon-Ra,
-prachtig zijn kleedij. Om zijn hals had hij een schitterenden keten van
-goud en edelgesteenten, om zijn armen droeg hij armbanden van zuiver
-goud en amber en op zijn hoofd had hij twee pluimen; aan de pluimen
-alleen kon men den koning der goden kennen. In de eene hand droeg hij
-den scepter als teeken van macht, in de andere het zinnebeeld van het
-leven. Prachtig was hij, als de zon op den middag en de geuren van het
-land Punt omgaven hem.
-
-In het paleis van den koning van Egypte bevond zich koningin Aahmes en
-het was nacht.
-
-Zij lag op haar rustbed en de slaap hield haar oogleden gesloten. Als
-een kostbaar kleinood lag zij daar in al haar schoonheid en de kamer,
-waarin zij sliep was het omhulsel, waarin het kleinood gevat was; zwart
-brons en amber, acacia- en ebbenhout waren de materialen, waarmee het
-paleis versierd was en haar rustbed had den vorm van een woesten leeuw.
-
-Door de twee groote deuren van het paleis kwamen de goden binnen;
-niemand zag hen, niemand werd hen gewaar. En met hen kwam Neit, de godin
-van Saïs en Selk de schorpioen-godin. Op het hoofd van Neit bevonden
-zich schild en gekruiste pijlen, op het hoofd van Selk een schorpioen,
-die in elke klauw het zinnebeeld van het leven droeg. De welriekende
-geuren van Punt verspreidden zich door de kamer en koningin Aahmes
-ontwaakte en aanschouwde Amon-Ra, koning der goden, schepper der
-menschen. In al zijn majesteit en schoonheid verscheen hij voor haar en
-haar hart werd vervuld met vreugde. Hij hield haar het zinnebeeld van
-het leven en den scepter der macht toe. En Neit en Selk hieven de
-rustbank, waarop de koningin lag, op en hielden ze hoog in de lucht,
-opdat zij verheven mocht zijn boven den grond, waarop de gewone
-stervelingen leven, terwijl zij met de onsterfelijke Goden sprak. Toen
-keerde Amon-Ra terug en werd tot den troon verheven onder de Goden. En
-hij riep tot zich Khnum, den schepper, die de lichamen der menschen
-vormt, die bij de bruisende wateren van den grooten katarakt woont. Aan
-Khnum gaf hij bevel, zeggende: "O Khnum, maker van de lichamen der
-menschen, vorm voor mij mijn dochter, haar, die de groote koningin van
-Egypte zal zijn. Want ik wil haar geven behalve het leven voldoening,
-vastberadenheid en vreugde des harten tot in eeuwigheid".
-
-Khnum, de schepper, de maker van de lichamen der menschen, die bij de
-groote katarakten woont, gaf aan Amon-Ra dit antwoord: "Ik wil voor u uw
-dochter scheppen en haar gedaante zal schitterender zijn dan die der
-Goden vanwege de grootheid van haar waardigheid als koningin van het
-Zuiden en het Noorden".
-
-Toen haalde hij zijn pottebakkerswiel en nam klei en met zijn handen
-vormde hij het lichaam van de dochter van koningin Aahmes en het lichaam
-van haar "ka". En het lichaam van het kind en het lichaam van de "ka"
-waren elkander in gedaante en gelaatstrekken precies gelijk, zoodat
-niemand dan de Goden alleen ze van elkaar onderscheiden kon. Hare
-schoonheid was aan die van Amon-Ra gelijk en overtrof die van de Goden.
-
-Naast het pottebakkerswiel knielde Hekt, vrouwe van Herur, godin der
-geboorte. In iedere hand hield zij het zinnebeeld van het leven en toen
-het wiel draaide en de lichamen gevormd werden, hield zij het haar toe,
-opdat het leven de levenlooze klei zou doordringen. Toen gingen Khnum,
-de maker van de lichamen der menschen en Hekt, de godin der geboorte,
-naar het paleis van den koning van Egypte en met hen ging Isis, de
-groote moeder en haar zuster Nephthys; ook Meskhent en Ta-urt en Bes, de
-beschermer der kinderen. De geesten van Pé en de geesten van Dep kwamen
-mede om de dochter van Amon-Ra en van koningin Aahmes te begroeten.
-
-En toen het kind verscheen, verheugden de godinnen zich en de geesten
-van Pé en van Dep zongen lofliederen haar ter eer, want de dochter van
-Amon-Ra zou eens op den troon van Horus van de Levenden zitten en over
-het Land van Egypte regeeren tot eer van de Goden. Hatshepsut werd zij
-genoemd, eerste der Edele Vrouwen, goddelijke der Diademen gunstelinge
-van de Godinnen en geliefd door Amon-Ra. En de Goden beloofden haar, dat
-zij meesteres zou zijn van alle landen onder de zon en dat zij als
-koningin zou verschijnen op den troon van Horus in de heerlijkheid van
-het Groote Huis. En de gunst van Amon-Ra viel haar voor altijd ten deel.
-
-
-
-
-IV.
-
-HET BOEK VAN THOT.
-
-
-Ahura was de vrouw van Nefer-ka-ptah en hun kind heette Merab; onder
-dezen naam was hij door de schrijvers opgeteekend in den Tempel des
-Levens. En ofschoon Nefer-ka-ptah de zoon van den Koning was, stelde hij
-in niets ter wereld belang dan in het lezen van oude gedenkschriften,
-die geschreven waren op papyrus in den Tempel des Levens of in steen
-gebeiteld in de tempels; den geheelen dag en iederen dag weer
-bestudeerde hij de geschriften der voorvaderen.
-
-Eens ging hij naar den tempel om te bidden tot de Goden, maar toen hij
-de opschriften op de muren zag, begon hij ze te lezen en hij vergat te
-bidden, hij vergat de Goden, hij vergat de priesters, hij vergat alles
-om zich heen, totdat hij achter zich gelach hoorde. Hij keek om en zag
-een priester staan, die zoo lachte.
-
-"Waarom lacht gij om mij?" vroeg Nefer-ka-ptah.
-
-"Omdat gij deze waardelooze geschriften leest", antwoordde de priester.
-"Wanneer gij geschriften wilt lezen, die waard zijn gelezen te worden,
-dan kan ik u vertellen, waar het boek Thot verborgen ligt".
-
-Toen hield Nefer-ka-ptah niet op met vragen en de priester antwoordde:
-"Thot schreef het boek met eigen hand en al de tooverkunsten der wereld
-zijn er in opgeteekend. Als gij de eerste bladzijde leest, zult gij den
-hemel, de aarde, de hei, de bergen en de zee kunnen betooveren, gij zult
-de taal van de vogels des hemels verstaan en gij zult weten wat de
-kruipende dieren der aarde spreken en gij zult de visschen tot op de
-donkerste diepte der zee zien. En als gij de volgende bladzijde leest,
-kunt ge, al waart gij dood en in de wereld der geesten, terugkomen op
-aarde in de gedaante, die gij eens hadt. En behalve dat zult gij de zon
-zien schijnen aan den hemel te gelijk met de volle maan en de sterren en
-gij zult de groote gedaante van de Goden aanschouwen".
-
-Toen sprak Nefer-ka-ptah: "Bij het leven van Pharao, dat boek zal in
-mijn bezit komen. Zeg mij, wat gij verlangt en ik zal het voor u doen."
-
-"Zorg voor mijn begrafenis," zei de priester. "Zorg er voor, dat ik
-begraven word als een rijk man met priesters en klaagvrouwen, offers,
-plengingen en wierook. Dan zal mijn ziel in vrede rusten in de Velden
-van Aalu. Honderd zilverstukken moeten er besteed worden voor mijn
-begrafenis".
-
-Toen zond Nefer-ka-ptah een vluggen bode uit om het geld te halen en hij
-stelde den priester honderd zilverstukken ter hand. Toen de priester het
-zilver genomen had, zei hij tot Nefer-ka-ptah:
-
-"Het Boek ligt te Koptos midden in de rivier. Midden in de rivier ligt
-een ijzeren kist. In de ijzeren kist zit een bronzen kist. In de bronzen
-kist zit een kist van keté-hout. In de keté-houten kist zit een kist van
-ivoor en ebbenhout. In de kist van ivoor en ebbenhout zit een zilveren
-kist. In de zilveren kist zit een gouden kist. En in de gouden kist zit
-het Boek van Thot. Rondom de ijzeren kist krioelen slangen en
-schorpioenen en allerhande kruipende dieren en daar boven op zit een
-slang, die geen mensch kan dooden. Deze moeten dienen om het Boek van
-Thot te bewaken".
-
-Toen de priester uitgesproken had, snelde Nefer-ka-ptah uit den tempel,
-want zijn vreugde was zoo groot, dat hij niet wist, waar hij was. Hij
-liep snel, ten einde Ahura te zoeken en haar te vertellen van het Boek
-en dat hij naar Koptos wou gaan om het te zoeken. Maar Ahura was zeer
-bedroefd en zeide:
-
-"Ga niet op reis, want moeite en verdriet wachten u in het Zuidelijk
-Land".
-
-Zij legde haar hand op die van Nefer-ka-ptah, alsof zij hem terug wilde
-houden van het verdriet, dat hem wachtte. Maar hij wilde niet
-tegengehouden worden en rukte zich los van haar en begaf zich naar den
-koning, zijn vader. Hij vertelde den koning alles, wat hij vernomen had
-en zeide: "Geef mij de koninklijke bark, o mijn vader, opdat ik naar het
-Zuidelijke Land moge gaan met mijn vrouw Ahura en mijn zoon Merab. Want
-het Boek van Thot moet en zal ik hebben".
-
-Dus gaf de koning zijn bevelen en de koninklijke bark werd in gereedheid
-gebracht en Nefer-ka-ptah, Ahura en Merab zeilden de rivier op naar het
-Zuiden tot Koptos. Toen zij te Koptos aankwamen, kwamen de hoogepriester
-en al de priesters van Isis naar de rivier om Nefer-ka-ptah, Ahura en
-Merab welkom te heeten. En zij trokken in een groote processie op naar
-den tempel van de Godin en Nefer-ka-ptah offerde een os en een gans en
-plengde wijn ter eere van Isis van Koptos en haar zoon Harpocrates.
-Daarna richtten de priesters van Isis en hun vrouwen een groot feest
-aan, dat vier dagen duurde, ter eere van Nefer-ka-ptah en Ahura.
-
-In den morgen van den vijfden dag riep Nefer-ka-ptah een priester van
-Isis tot zich, een groot toovenaar, die ingewijd was in al de mysteriën
-van de Goden. En te samen maakten zij een kleine tooverdoos, die er
-uitzag als de romp van een boot en zij maakten mannen en een grooten
-voorraad tuig en deden de mannen en het tuig in de tooverboot. Toen
-spraken zij een tooverspreuk uit over de boot en de mannen ademden en
-waren levend en begonnen het tuig te gebruiken. En Nefer-ka-ptah liet de
-tooverboot neer in de rivier, zeggend: "Werklieden, werklieden! Werkt
-voor mij!" En hij vulde de koninklijke bark met zand en zeilde alleen
-weg, terwijl Ahura aan den oever der rivier te Koptos zat en uitkeek en
-wachtte, want zij wist, dat er verdriet moest komen uit deze reis naar
-het Zuidelijke Land.
-
-De toovermannen in de tooverboot werkten drie nachten en drie dagen
-zonder ophouden door en toen zij ophielden, lag de koninklijke bark ook
-stil en Nefer-ka-ptah wist, dat hij gekomen was op de plaats, waar het
-boek lag verborgen.
-
-Hij nam het zand uit de koninklijke bark en strooide het in het water en
-het maakte een opening in de rivier, een opening van een "schoenus" lang
-en een "schoenus" breed; midden in de opening lag de ijzeren kist en
-naast de kist lag opgerold de groote slang, die geen mensch kon dooden
-en rondom de kist aan alle kanten tot aan den rand van de muren van
-water krioelden slangen en schorpioenen en allerlei kruipend gedierte.
-
-Toen stond Nefer-ka-ptah op in de koninklijke bark en over het water
-schreeuwde hij de slangen en schorpioenen en het kruipend gedierte iets
-toe; een luide en verschrikkelijke kreet was het en de woorden er van
-waren tooverwoorden. Zoodra zijn stem zweeg, waren de slangen en
-schorpioenen en het kruipend gedierte ook stil, want zij waren betooverd
-door de tooverwoorden van Nefer-ka-ptah en zij konden zich niet
-verroeren. Nefer-ka-ptah stuurde de koninklijke bark tot aan den rand
-van de opening en begaf zich te midden van de slangen en de schorpioenen
-en het kruipend gedierte en zij keken hem aan, maar konden zich niet
-bewegen door de betoovering, waardoor zij bevangen waren. En nu bevond
-Nefer-ka-ptah zich van aangezicht tot aangezicht met de slang, die geen
-mensch kon dooden, en zij richtte zich op, gereed tot den strijd.
-Nefer-ka-ptah snelde op haar toe en sneed haar het hoofd af, maar op
-eens kwamen het hoofd en het lichaam weer te samen en de slang, die geen
-mensch kon dooden, was weer levend en gereed voor het gevecht. Weer
-schoot Nefer-ka-ptah op haar af en zoo hard sloeg hij, dat het hoofd ver
-van het lichaam geslingerd werd, maar plotseling vereenigden het hoofd
-en het lichaam zich weer en weer was de slang, die geen mensch kon
-dooden, levend en klaar om te strijden.
-
-Toen zag Nefer-ka-ptah, dat de slang onsterfelijk was en niet verslagen
-kon worden, maar overwonnen moest worden door list. Weer snelde hij er
-op toe en sloeg haar in tweeën en heel vlug deed hij zand op ieder stuk,
-zoodat, toen het hoofd en het lichaam bij elkaar kwamen, het zand
-tusschen was, en de stukken zich niet konden vereenigen en de slang, die
-geen mensch kon dooden, lag hulpeloos voor hem.
-
-Toen ging Nefer-ka-ptah naar de groote kist, waar zij stond in de
-opening midden in de rivier en de slangen en schorpioenen en het
-kruipend gedierte keken toe, maar zij konden hem niet tegenhouden.
-
-Hij opende de ijzeren kist en vond een bronzen kist.
-
-Hij opende de bronzen kist en vond een keté-houten kist.
-
-Hij opende de keté-houten kist en vond een kist van ivoor en ebbenhout.
-
-Hij opende de kist van ivoor en ebbenhout en vond een zilveren kist.
-
-Hij opende de zilveren kist en vond een gouden kist.
-
-Hij opende de gouden kist en vond het Boek van Thot.
-
-Hij opende het Boek en las een bladzijde en opeens had hij den hemel, de
-aarde, de hel, de bergen en de zee betooverd en hij verstond de taal van
-vogels, visschen en andere dieren. Hij las de tweede bladzijde en hij
-zag de zon schijnen aan het uitspansel te gelijk met de volle maan en de
-sterren en hij zag de groote gedaante van de Goden en zoo sterk was de
-betoovering, dat de visschen van uit de diepste diepten der zee naar
-boven kwamen. Nu wist hij, dat, wat de priesters hem verteld had, waar
-was. Toen dacht hij aan Ahura, die op hem wachtte te Koptos en hij sprak
-een tooverspreuk uit over de mannen, die hij gemaakt had, zeggend:
-"Werklieden, werklieden! Werkt voor mij! en breng mij terug naar de
-plaats, vanwaar ik gekomen ben". Zij zwoegden dag en nacht, tot dat zij
-te Koptos kwamen en daar zat Ahura bij de rivier. Ze had niets gegeten
-of gedronken sedert het vertrek van Nefer-ka-ptah, want zij zat te
-wachten en uit te zien naar het verdriet, dat over hen zou komen. Maar
-toen zij Nefer-ka-ptah zag terugkeeren in de koninklijke bark, was haar
-hart blijde en zij verheugde zich in de hoogste mate. Nefer-ka-ptah kwam
-naar haar toe en legde het Boek van Thot in haar handen en verzocht haar
-het te lezen. Toen zij de eerste bladzijde las, betooverde zij den
-hemel, de aarde, de hel, de bergen en de zee en zij verstond de taal van
-de vogels, de visschen en het kruipend gedierte, en toen zij de tweede
-bladzijde las, zag zij de zon schijnen aan het uitspansel tegelijk met
-de volle maan en sterren en zij zag de groote gedaanten van de Goden en
-zoo sterk was de betoovering, dat de visschen uit de diepste diepten te
-voorschijn kwamen.
-
-Nefer-ka-ptah riep om een stuk nieuwe papyrus en een beker bier; en op
-de papyrus schreef hij al de tooverkunsten, die in het Boek van Thot
-stonden. Toen nam hij den beker bier en doopte de papyrus in het bier,
-zoodat alle inkt werd weggespoeld en de papyrus er uitzag alsof er nooit
-op geschreven was. En Nefer-ka-path dronk het bier en kende opeens al de
-tooverformulieren, die geschreven waren geweest op de papyrus, want dit
-is de methode van de groote toovenaars.
-
-Toen gingen Nefer-ka-ptah en Ahura naar den tempel van Isis en brachten
-er offers aan Isis en Harpocrates en gaven een groot feest en den
-volgenden dag begaven zij zich aan boord van de koninklijke bark en
-zeilden vroolijk de rivier af naar het Noorden. Maar ziet, Thot had het
-verlies van zijn boek ontdekt en Thot barstte in woede los gelijk een
-panther uit het zuiden en hij snelde naar Ra en vertelde hem alles,
-zeggende:"Nefer-ka-path heeft mijn tooverkist gevonden en ze geopend en
-heeft mijn Boek gestolen, juist het boek van Thot; hij versloeg de
-bewakers, die het omringden en de slang, die geen mensch kan dooden, lag
-hulpeloos vóór hem. Wreek mij, o Ra, op Nefer-ka-path, zoon van den
-koning van Egypte."
-
-Koning Ra antwoordde en sprak: "Neem hem en zijn vrouw en zijn kind en
-doe met hen, wat gij wilt." En nu was het verdriet, waarop Ahura wachtte
-en waarnaar zij uitzag, op het punt over hen te komen, want Thot nam van
-Ra een volmacht mee, die hem in staat stelde met den steler van zijn
-Boek te doen, wat hij verkoos.
-
-Toen de koninklijke bark zacht de rivier afvoer, kwam de kleine jongen
-Merab uit de schaduw van de zonnetent en leunde over den kant, en keek
-naar het water. En de macht van Ra trok hem neer, zoodat hij in de
-rivier viel en verdronk. Toen hij viel, uitten al de matrozen op de
-koninklijke bark en al de menschen die langs den oever wandelden een
-luiden kreet, maar zij konden hem niet redden.
-
-Nefer-ka-path kwam uit zijn kajuit en sprak een tooverspreuk uit over
-het water en het lichaam van Merab kwam aan de oppervlakte en zij
-haalden het aan boord van de koninklijke bark. Toen las Nefer-ka-ptah
-nog een tooverspreuk en zoo groot was haar macht, dat het doode kind
-sprak en Nefer-ka-ptah alles vertelde, wat er onder de Goden gebeurd
-was, dat Thot zich zocht te wreken en dat Ra hem de macht gegeven had
-aan die wraak op dengene, die zijn boek gestolen had, te voldoen.
-
-Nefer-ka-ptah gaf bevel, dat de koninklijke bark naar Koptos zou
-terugkeeren, opdat Merab daar begraven zou worden met al de eerbewijzen,
-die aan den zoon van een vorst verschuldigd waren. Toen de
-begrafenisplechtigheden voorbij waren, zeilde de koninklijke bark de
-rivier af naar het Noorden. Een vroolijke reis was het niet meer, want
-Merab was dood en Ahura's hart was bezwaard van wege het verdriet, dat
-nog komen moest, want aan de wraak van Thot was nog niet voldaan. Zij
-bereikten de plaats, waar Merab in het water was gevallen en Ahura kwam
-te voorschijn uit de schaduw van de zonnetent en zij leunde over den
-kant van de bark en de macht van Ra trok haar naar beneden, zoodat zij
-in de rivier viel en verdronk.
-
-Toen zij viel, uitten de matrozen in de koninklijke bark en alle
-menschen, die langs den oever der rivier wandelden een luiden kreet,
-maar zij konden haar niet redden. Nefer-ka-ptah kwam uit de kajuit en
-sprak een tooverspreuk uit over het water en het lichaam van Ahura kwam
-aan de oppervlakte en zij haalden het aan boord van de koninklijke bark.
-Toen Sprak Nefer-ka-ptah een andere tooverspreuk en zoo groot was haar
-macht, dat de doode vrouw sprak en Nefer-ka-ptah alles vertelde, wat er
-gebeurd was onder de Goden, dat Thot nog wraak zocht en dat Ra hem
-toegestaan had met den steler van zijn boek te doen, wat hem goeddunkte.
-
-Nefer-ka-ptah gaf bevel, dat de koninklijke bark zou terugkeeren naar
-Koptos, opdat Ahura begraven kon worden met de eerbewijzen, die
-verschuldigd zijn aan de dochter van een koning.
-
-Toen de begrafenisplechtigheden voorbij waren, zeilde de koninklijke
-bark de rivier af naar het Noorden. Een treurige reis was het nu, want
-Ahura en Merab waren dood en aan de wraak van Thot was nog niet voldaan.
-
-Zij bereikten de plaats, waar Ahura en Merab in het water waren gevallen
-en Nefer-ka-ptah voelde, dat de macht van Ra hem trok.
-
-Hoewel hij er zich tegen verzette, wist hij, dat ze hem zou overwinnen.
-Hij nam een stuk linnen, fijn en sterk, en maakte er een band van, en
-daarmede bond hij het Boek van Thot stevig op zijn borst vast, want hij
-was besloten dat Thot zijn Boek nimmer terug zou hebben.
-
-Toen trok de macht hem nog sterker en hij trad uit de schaduw van de
-zonnetent te voorschijn en wierp zich in de rivier en verdronk. Toen hij
-viel, uitten al de matrozen van de koninklijke bark en alle menschen,
-die langs den oever wandelden, een luiden kreet, maar zij konden hem
-niet redden. En toen zij zijn lichaam zochten, konden zij het niet
-vinden.
-
-Daarop zeilde de koninklijke bark de rivier af, totdat zij het
-Noordelijke Land bereikten en te Memphis aanlandden en de kapiteins van
-de koninklijke bark gingen naar den koning en vertelden hem alles, wat
-er gebeurd was. De koning trok rouwkleeren aan; hij en zijn hovelingen,
-de hoogepriester en alle priesters van Memphis, het leger van den koning
-en de hofhouding van den koning waren in rouwgewaden gekleed en zij
-trokken in processie naar de haven van Memhis naar de koninklijke bark.
-
-Toen zij aan de haven kwamen, zagen zij het lichaam van Nefer-ka-ptah in
-het water drijven naast de bark, dicht hij het roer. En dit wonder
-geschiedde door de tooverkracht van Nefer-ka-ptah; zelfs in den dood was
-hij een groot toovenaar wegens de tooverspreuken die hij van de papyrus
-afgewasschen en in het bier opgedronken had.
-
-Toen trokken zij hem uit het water en zij zagen het Boek van Thot op
-zijn borst gebonden met den gordel van het koninklijk linnen. En de
-koning gaf bevel, dat zij Neferka-ptah zouden begraven met de
-eerbewijzen, die verschuldigd zijn aan den zoon van een koning en dat
-het boek van Thot met hem begraven zou worden.
-
-Zoo was aan de wraakzucht van Thot voldaan, maar het boek bleef bij
-Nefer-ka-ptah.
-
- * * * * *
-
-
-
-
-V.
-
-OSIRIS
-
-
-In den beginne vervloekte Ra Nut en zijn vervloeking bestond hierin, dat
-geen harer kinderen geboren zou worden op eenigen dag van eenig jaar. En
-Nut smeekte Thot om hulp, Thot, die haar lief had, den god van de
-tooverkunst, de geleerdheid en de wijsheid, hem, dien de Grieken Hermes
-Trismegistus noemden. Ofschoon de vervloeking, die eens door den grooten
-God Ra geuit was, nimmer herroepen kon worden, opende Thot door zijn
-wijsheid een uitweg. Hij begaf zich naar den Maangod, wiens luister
-bijna gelijk was aan dien van de Zon zelf en daagde hem uit tot een
-dobbelspel. Groot was de inzet aan beide zijden, maar die van den
-Maangod was het grootst, want hij verwedde zijn eigen licht. Spel na
-spel speelden zij en altijd was het geluk aan de zijde van Thot, totdat
-de Maan niet meer wilde spelen. Toen verzamelde Thot het licht, dat hij
-gewonnen had en door middel van zijn macht en grootheid verdeelde hij
-het over vijf dagen. En sedert dien tijd heeft de Maan geen licht genoeg
-om de heele maand te schijnen, maar neemt af, totdat hij geheel duister
-is en groeit dan weer langzaam aan tot zijn vollen glans; want het licht
-van vijf heele dagen was hem afgenomen. En deze vijf dagen plaatste Thot
-tusschen het eind van het oude jaar en het begin van het nieuwe, zoodat
-hij ze afgescheiden hield van beide; en op deze vijf dagen werden de
-vijf kinderen van Nut geboren: Osiris op den eersten dag, Horus op de
-tweeden, Set op den derden, Isis op den vierden en Nephthys op den
-vijfden. Zoo werd de vervloeking van Ra tegelijk vervuld en te niet
-gedaan, want de dagen, waarop de kinderen van Nut geboren werden,
-behoorden tot geen jaar.
-
-Toen Osiris geboren werd, werden er teekenen en wonderen gezien over de
-geheele wereld, want een stem weerklonk over de geheele aarde: "De Heer
-van het Heelal komt tot het licht". En een vrouw, die water putte op het
-heilige voorplein van den tempel, werd vervuld met een goddelijke
-inspiratie en snelde weg, roepende: "Osiris, de Koning is geboren".
-
-Nu was Egypte een barbaarsch land, waar de menschen elkaar bevochten en
-menschenvleesch aten; niets wisten zij van de goden, wetteloos waren zij
-en onbeschaafd. Maar Osiris werd Koning van Egypte en hij toonde zijn
-volk, hoe zij het land moesten bebouwen en koren zaaien en den wijnstok
-planten en hij leerde hun, welke eer zij de Goden verschuldigd waren, en
-maakte wetten en vernietigde hun barbaarsche en onbeschaafde gebruiken.
-Waarheen hij zich begaf, boog het volk voor hem neer, want zij hadden
-tot zelfs den grond lief, waarop zijn voeten traden; en wat hij ook
-voorschreef, zij deden het. Zoo regeerde Osiris over de Egyptenaren; met
-ontrolde banieren en klinkende muziek trok hij uit Egypte, ten einde
-alle landen onder zijn scepter te brengen.
-
-Maar Set haatte zijn broeder Osiris en hij verzamelde twee-en-zeventig
-samenzweerders; en onder hen bevond zich Aso, koningin van Ethiopië. En
-zij vatten het plan op, dat, wanneer Osiris terugkeerde, zij hem zouden
-dooden en Set op den troon zetten; maar zij hielden hun plannen geheim
-en trokken Osiris met vriendelijke gezichten tegemoet, toen hij Egypte
-in triomf weer binnentrok. In het verborgen hielden zij telkens
-samenkomsten, in het verborgen ook brachten zij een kist in gereedheid,
-gemaakt van kostbaar hout, beschilderd en versierd met rijke teekeningen
-en gloeiende kleuren, een mengeling van tinten en een overvloed van
-kunstig handwerk, zoodat allen, die ze zagen, verlangden ze in hun bezit
-te hebben. Set, de Booze, had in het geheim de maat genomen van het
-lichaam van Osiris en de kist was zoo gemaakt, dat het lichaam van den
-Koning er in paste, want dit behoorde tot het plan.
-
-Toen alles gereed was, noodigde Set zijn broeder en de twee-en-zeventig
-samenzweerders uit op een feest in zijn groote feesthal.
-
-Toen het feest voorbij was, zongen zij het lied van Mancros, zooals de
-gewoonte was, en slaven boden ronde bekers wijn aan en wonden
-bloemkransen om de hoofden der gasten en stortten reukwerken over hen
-uit, totdat de feestzaal doortrokken was van heerlijke geuren. En
-terwijl er vreugde heerschte, traden er slaven binnen, die de kist
-droegen, en alle gasten uitten een kreet van bewondering op het zien van
-haar schoonheid.
-
-Toen stond Set op van zijn zitplaats en zeide: Hem, die in deze kist
-gaat liggen en die er in past, zal ik haar geven. Zijne woorden waren
-honigzoet, maar in zijn hart was de bitterheid van het kwade.
-
-Eén voor één gingen de samenzweerders onder gescherts en gelach in de
-kist liggen; den een was zij te lang, een ander was te kort, een derde
-was zij te wijd en een vierde te nauw. Toen was de beurt aan Osiris en
-geen kwaad vermoedend legde hij er zich in neer. Plotseling pakten de
-samenzweerders het deksel beet en sloegen het dicht; eenigen spijkerden
-het stevig vast, terwijl anderen gesmolten lood in alle openingen goten,
-opdat hij niet zou kunnen ademen en leven. Zoo stierf de groote Osiris,
-die Unnefer, de Zegevierende, wordt genoemd, en na zijn dood kwam hij in
-de Duat en werd Koning der Dooden en Heerscher over hen, die in het
-Westen wonen.
-
-De samenzweerders hieven de kist, die nu een doodkist was, op en droegen
-haar naar de rivier. Zij slingerden haar ver in het water en Hapi, de
-Nijl-god, ving haar op en droeg haar op zijn stroom naar de zee; de
-Groote Groene Wateren namen haar op en de golven droegen haar naar
-Byblos en lichtten haar in de tamarinde, die aan het strand groeide.
-Toen groeiden er uit den boom groote takken, die bladeren en bloemen
-droegen, ten einde een geschikte rustplaats voor den God te vormen en de
-faam van zijn schoonheid verbreidde zich door het geheele land.
-
-In Byblos regeerde Koning Malkander en zijn vrouw, Koningin Athenaïs.
-Zij gingen naar het strand om den boom te zien, want niets kon men zien
-dan bladeren en bloesems, die de kist voor het oog verborgen. Toen gaf
-Koning Malkander bevel, dat de boom omgehakt en naar het Koninklijke
-paleis gebracht zou worden. Iedereen was verbaasd bij het zien van haar
-schoonheid, ofschoon niemand wist, dat ze het lichaam van een God
-bevatte.
-
-Isis was buitengewoon bevreesd voor Set. Zijn vriendelijke woorden
-misleidden haar niet en zij kende zijn vijandschap jegens Osiris, maar
-de groote Koning wilde niet gelooven aan de slechtheid van zijn broeder.
-Toen de ziel van Osiris het lichaam verliet, wist Isis terstond, dat hij
-dood was, hoewel geen mensch het haar verteld had. Zij nam haar zoontje,
-die Harpocrates of het Kind Horus genoemd wordt en vluchtte met hem naar
-de moerassen van de Delta en verborg hem in de stad Pé. Oud en grijs was
-de stad Pé en ze stond op een eiland; daar woonde de godin Uazet, die
-ook Buto en Latona genoemd wordt, want zij wordt aangebeden onder vele
-namen. Uazet nam het kind onder haar bescherming en Isis maakte door
-haar goddelijke macht het eiland los en het dreeft op de oppervlakte der
-Groote Groene Wateren weg, zoodat niemand kon zeggen, waar het te vinden
-was. Want zij vreesde de macht van Set, die het kind zou kunnen
-vernietigen, zooals hij den vader vernietigd had.
-
-Daar de zielen der menschen geen rust kunnen vinden, voordat de
-begrafenisplechtigheden zijn vervuld en de begrafenisoffers zijn
-gebracht, reisde zij eenzaam en alleen om het lichaam van haar
-echtgenoot te zoeken en het te begraven volgens zijn rang en grootheid.
-Vele menschen ontmoette zij, zoowel mannen als vrouwen, maar niemand had
-de kist gezien en in deze zaak hielp haar macht niet. Toen bedacht zij,
-het aan de kinderen te vragen en dadelijk vertelden zij haar van een
-beschilderde kist, die in den Nijl dreef. En tot op dezen dag hebben de
-kinderen een profetische kracht en kunnen den wil van de Goden verklaren
-en de dingen, die nog zullen komen, vooruitzien.
-
-Zoo kwam Isis, steeds de kinderen ondervragend, te Byblos. Zij zat aan
-Groote Groene Wateren en de maagden van Koningin Athenaïs kwamen baden
-en spelen in de golven. Toen sprak Isis tot haar en vlocht haar haren en
-maakte haar juweelen vast; de adem van de Godin was zoeter dan de geuren
-van het Land Punt en hij deelde zijn geur mede aan het haar en de
-juweelen en de kleeren van de maagden. Toen zij terugkwamen in het
-paleis, vroeg Koningin Athenaïs haar, hoe zij dat reukwerk hadden
-gekregen en zij antwoordden: "Eene vrouw, vreemd en bedroefd, zat aan
-het strand, toen wij gingen baden en zij vlocht onze haren en maakte
-onze juweelen vast en van haar kwam het reukwerk, hoewel wij niet weten
-hoe." Koningin Athenaïs ging naar het strand om de vreemde vrouw te zien
-en sprak met haar en zij praatten met elkaar zooals moeders praten, want
-ze hadden beiden een zoontje; de zoon van Isis was ver weg en de zoon
-van Athenaïs was doodziek.
-
-Toen stond Isis, de Machtige in de Tooverkunst, de bekwame Genezende op,
-en zeide: "Breng mij bij uw zoon!" Samen keerden de Godin en de Koningin
-terug naar het paleis en Isis nam den kleinen Diktys in haar armen en
-zeide: "Ik kan hem sterk en gezond maken; maar op mijn eigen wijze wil
-ik het doen en niemand mag er zich mede bemoeien."
-
-Iederen dag verbaasde Koningin Athenaïs zich over haar zoon. Van een
-klein, schreiend kind werd hij een sterke en gezonde jongen, maar Isis
-sprak geen woord en niemand wist, wat zij deed. Athenaïs ondervroeg haar
-maagden en zij antwoordden: "Wij weten niet, wat zij doet, maar dit
-weten wij, dat zij hem voedt en 's nachts grendelt zij de deuren toe van
-de zaal, waar de zuil staat, en stapelt houtblokken op het vuur en
-wanneer wij luisteren, kunnen wij niets hooren, dan het gesjilp van een
-zwaluw."
-
-Athenaïs was vol nieuwsgierigheid en verborg zich 's nachts in de groote
-zaal en keek toe, hoe Isis de deuren grendelde en de houtblokken op het
-vuur stapelde, totdat de vlammen hoog oplaaiden. Toen maakte zij, voor
-het vuur zittend, een open ruimte tusschen de vlammende houtblokken, een
-open ruimte, die gloeiend rood was en in die ruimte legde zij het kind
-en zich in een zwaluw veranderend, vloog zij om de zuil, treurend en
-klagend, en het geklaag was als het gesjilp van een zwaluw. Koningin
-Athenaïs uitte een kreet en greep het kind uit het vuur en keerde zich
-om, om te vluchten. Maar vóór haar stond Isis, de Godin, groot en
-verschrikkelijk.
-
-"O dwaze moeder!" sprak Isis. "Waarom greept gij het kind? Slechts een
-paar dagen nog en alles, wat sterfelijk was in hem, zou verteerd zijn
-door het vuur en hij zou geweest zijn gelijk de Goden, onsterfelijk en
-eeuwig jong".
-
-Een diepe eerbied beving de Koningin, want zij wist, dat zij een van de
-goden aanschouwde. Zoo nederig mogelijk smeekten zij en Koning Malkander
-de Godin, een geschenk aan te nemen. Al de rijkdommen van Byblos werden
-voor haar uitgespreid, maar zij waren haar onverschillig.
-
-"Geeft mij", zeide zij, "wat deze zuil bevat en ik zal tevreden zijn".
-Dadelijk werden werklieden ontboden, ze haalden de zuil omver, hieuwen
-ze open en lichten de kist er uit. En Isis nam welriekende specerijen en
-geurende bloesems, deze strooide ze over de zuil, wikkelde ze toen in
-fijn linnen en gaf ze aan den Koning en de Koningin. En alle menschen
-uit Byblos aanbidden ze tot op dezen dag, omdat ze eens het lichaam van
-een God bevatte.
-
-Maar Isis nam de kist mede op een boot en zeilde weg van Byblos en toen
-de golven van de rivier Phaedrus, opgezeept door den wind, de kist
-dreigden weg te spoelen, deed zij het water opdroogen door haar
-tooverspreuken. Toen, op een eenzame plaats, opende zij de kist en het
-gezicht van den dooden God aanschouwend, treurde en klaagde zij.
-
-Nu zeggen sommigen, dat, toen Isis Byblos verliet, ze Diktys medenam en
-dat hij uit de boot viel en verdronk. Anderen zeggen, dat haar
-geweeklaag zoo vreeselijk klonk in zijn bittere smart, dat zijn hart
-brak en hij stierf. Maar ik denk, dat hij in Byblos bleef, en omdat hij
-gelegen had in de armen der Goddelijke Moeder en door het reinigend vuur
-was gegaan, groeide hij op tot een groot en edel Koning, die zijn volk
-met wijsheid regeerde.
-
-Toen verborg Isis de kist en reisde naar de stad Pé, op het drijvende
-eiland, waar haar zoontje Harpocrates veilig was onder de hoede van
-Uazet, de Godin van het Noordelijke Land. En terwijl zij weg was, kwam
-Set om op wilde beren te jagen met zijn honden. Hij joeg bij maanlicht,
-want hij hield van den nacht, wanneer alle slechte demonen te voorschijn
-komen; en de lucht was vervuld met het geschreeuw en het hallo der
-jagers en het geblaf der honden, die hun prooi achterna joegen. En toen
-Set voorbijrende, zag hij de geschilderde kist, waarvan de kleuren
-glinsterden en schitterden in den maneschijn. Op dat gezicht kwamen haat
-en toorn over hem gelijk een roode wolk en hij raasde als een panter uit
-het Zuiden. Hij sleepte de kist van de plaats, waar zij verborgen was,
-en brak ze open; hij greep het lichaam en scheurde het in veertien
-stukken en door zijn machtige en goddelijke kracht strooide hij de
-stukken door het land Egypte. En hij lachte en zeide: "Het is niet
-mogelijk het lichaam van een God te vernietigen, maar ik heb het
-onmogelijke gedaan: ik heb Osiris vernietigd". En zijn gelach weerklonk
-door de wereld en zij, die het hoorden, vluchtten en beefden.
-
-Toen Isis terugkeerde, vond zij niets dan de vernielde kist en wist, dat
-Set dat gedaan had. Haar zoeken moest nu weer opnieuw beginnen. Zij nam
-een kleine sloep, gemaakt van papyrusstengels, die samengevoegd waren,
-en zeilde door de moerassen, om de stukken van Osiris' lichaam te
-zoeken, en al de vogels en dieren gingen met haar om haar te helpen; en
-tot op den huidigen dag zullen de krokodillen geen boot aanraken van
-papyrusstengels, want zij denken, dat het de moede Godin is, die nog
-altijd aan het zoeken is.
-
-Machtig en listig was haar vijand en alleen door beleid kon hij
-overwonnen worden; daarom bouwde zij, overal waar zij een deel van het
-goddelijke lichaam vond, een prachtig grafmonument en vervulde de
-begrafenisplechtigheden, alsof zij het lijk daar had begraven. Maar in
-werkelijkheid nam zij de stukken mede, en toen zij na lange omzwervingen
-ze alle gevonden had, vereenigde zij ze alle weer tot één lichaam door
-de groote kracht van haar tooverkunst.
-
-Want, wanneer Horus het Kind opgegroeid zou zijn tot een man, dan zou
-hij vechten met Set en zijn vader wreken; en nadat hij de overwinning
-zou behaald hebben, zou Osiris weer levend worden. Maar tot op dien dag
-zal Osiris in de Duat wonen, waar hij de Dooden even wijs en edel
-regeert als hij het de levenden deed, toen hij nog op aarde was. Want,
-ofschoon Horus met Set strijdt en de gevechten hevig woeden, is er nog
-geen beslissende overwinning behaald en is Osiris nimmer op aarde
-teruggekeerd.
-
- * * * * *
-
-
-
-
-VI.
-
-DE SCHORPIOENEN VAN ISIS.
-
-
-Ik ben Isis, de groote Godin, de Meesteres van de Magica, de Zegster der
-tooverspreuken.
-
-Ik kwam uit mijn huis, dat mijn broeder Set mij gegeven had, want Thot,
-de tweemaal groote, die machtig in de waarheid is op aarde en in den
-hemel. Hij riep en ik kwam te voorschijn, toen Ra in volle glorie naar
-den westelijken horizon daalde en het avond werd.
-
-En met mij kwamen de zeven schorpioenen en hun namen waren Tefen en
-Befen, Mestet en Mestetef, Petet, Thetet en Matet. Achter mij stonden
-Tefen en Befen; aan weerszijden bevonden zich Mestet en Mestetef; vóór
-mij waren Petet, Thetet en Matet, om den weg vrij te maken, opdat
-niemand mij zou belemmeren of hinderen. Ik riep luid tot de schorpioenen
-en mijn woorden klonken door de lucht en drongen in hun ooren: "Hoedt u
-voor den Zwarte, roep den Roode niet, kijk noch naar kinderen, noch naar
-eenig klein hulpeloos schepsel."
-
-Toen trok ik door het land van Egypte, Tefen en Befen achter mij, Mestet
-en Mestetef aan weerszijden van mij, Petet, Thetet en Matet vóór mij; en
-wij kwamen te Per-sui, waar de krokodil God is en in de Stad van de Twee
-Sandalen, die de stad is der Tweeling-Godinnen. Hier beginnen de poelen
-en moerassen van het Noordelijke Land, waar velden met papyrusriet zijn
-en waar de moerasbewoners huizen; van hier tot aan de Groote Groene
-Wateren strekt zich het Noordelijke Land uit.
-
-Toen kwamen wij bij huizen, waarin de moerasbewoners woonden en de naam
-van een der vrouwen was "Roem", ofschoon sommigen haar ook "Kracht"
-noemden. Zij stond voor haar deur en van ver zag zij mij aankomen, moe
-en afgemat als ik was, en ik zou gaarne hebben willen nederzitten in
-haar huis om te rusten. Maar toen ik op het punt was tot haar te
-spreken, sloot zij de deur dicht, want zij was bang voor de zeven
-schorpioenen, die mij vergezelden.
-
-Ik trok verder en een der vrouwen opende haar deur voor mij en in haar
-huis rustte ik. Maar Mesten en Mestetef, Petet, Thetet en Matet en ook
-Befen kwamen bij elkaar en legden hun vergif op den angel van Tefen; zoo
-had de angel van Tefen zevenvoudige kracht. Toen keerde Tefen terug naar
-het huis van vrouw "Roem", die haar deur voor mij gesloten had; de deur
-was nog gesloten, maar tusschen de deur en den drempel was een nauwe
-opening. Door deze nauwe opening kroop Tefen en drong het huis binnen en
-stak met een angel van zevenvoudige kracht den zoon van vrouw "Roem".
-Zoo sterk en brandend was het vergif, dat het kind stierf en er brand
-uitbrak in het huis.
-
-Toen riep en klaagde vrouw "Roem", maar niemand luisterde naar haar en
-de Hemel zelf zond water op haar huis. Een groot wonder was dit water
-van den Hemel, want de tijd voor de overstroomingen was er nog niet.
-
-Zoo schreide en klaagde zij en haar hart was vol verdriet, toen zij zich
-herinnerde hoe zij voor mij de deur had dicht gedaan, terwijl ik, moede
-en afgemat als ik was, had willen rusten in haar huis. En haar
-klaagtonen drongen in mijn ooren en mijn hart zwol op van verdriet over
-haar verdriet en ik keerde terug en ging met haar naar de plaats, waar
-het doode kind lag.
-
-En ik, Isis, de Meesteres van de tooverkunst, wier stem de dooden kan
-doen ontwaken, ik riep luid de Woorden, die Macht hebben, de Woorden,
-die zelfs de dooden kunnen hooren. En ik legde mijn handen op het kind,
-opdat ik het Leven mocht terugroepen in het levenlooze. Koud en stil lag
-het neder, want het zevenvoudig vergif van Tefen was in hem. Toen sprak
-ik tooverspreuken tot het vergif van de schorpioenen, zeggende: "O
-vergif van Tefen, verlaat hem en val op den grond! Vergif van Befen, ga
-niet voort, dring niet verder door, verlaat hem en val op den grond!
-Want ik ben Isis, de groote Toovenares, de Zegster van tooverspreuken.
-Val neer, o vergif van Mestet! Haast u niet, vergif van Petet en Thetet!
-Nader niet, vergif van Matef. Want ik ben Isis, de groote Toovenares, de
-Zegster van tooverspreuken. Het kind zal leven, het vergif zal sterven!
-Zooals Horus sterk en gezond is voor mij, zijn moeder, zoo zal dit kind
-sterk en gezond zijn voor zijn moeder!" Toen werd het kind beter en het
-vuur werd gebluscht en de regen hield op. En vrouw "Roem" bracht al haar
-rijkdom, haar armbanden en haar halssieraden, haar goud- en zilverwerk
-naar het huis van de moeras-vrouw en legde ze neer aan mijn voeten als
-teeken van berouw, dat ze de deur voor mij gesloten had, toen ik, moede
-en afgemat, aan haar huis gekomen was.
-
-En tot op den huidigen dag maken de menschen deeg van weitenmeel,
-vermengd met zout, en leggen het op de wonde, die veroorzaakt is door
-den steek van een schorpioen, en dan zeggen zij de Tooverwoorden op, die
-ik uitsprak over het kind van vrouw Roem, toen het zevenvoudige vergif
-in hem was. Want ik ben Isis, de groote Toovenares, de Meesteres van de
-tooverkunst, de Zegster der tooverspreuken.
-
- * * * * *
-
-
-
-
-VII.
-
-HET ZWARTE ZWIJN.
-
-
-De reden, waarom de stad Pé aan Horus gegeven werd, weet ik en zal ik u
-vertellen.
-
-Er bestaat tusschen Horus en Set vijandschap en haat, oorlog en strijd.
-Altijd duurt de strijd voort en de strijders gaan woedend te keer en de
-overwinning is nog door geen van beiden behaald, hoewel de Goden met
-Horus zijn.
-
-Set is listig en sluw en tracht meer door slimheid dan door moed en
-ervarenheid in den strijd te overwinnen, en verder bezit hij de macht
-een willekeurige gedaante aan te nemen, zoodat hij zoowel de menschen
-als de Goden misleiden kan. Deze macht bezit Set, maar de macht van
-Horus is niet dezelfde; want de rechtschapenheid en de waarheid zijn
-eigenschappen van Horus; bedrog en valschheid worden bij hem niet
-gevonden. Wie in de blauwe oogen van Horus kijkt, kan daarin de toekomst
-weerspiegeld zien en zoowel de Goden als de menschen zoeken Horus op om
-te vernemen, wat de toekomst zal brengen.
-
-Set kwam te weten, dat Ra Horus raadplegen wilde en hem dunkte, dat dit
-een goede gelegenheid was Horus kwaad te doen, indien hij de gedaante
-aannam van een Zwart Zwijn.
-
-Woest was zijn voorkomen, lang en scherp zijn slagtanden en zijn kleur
-was zwart als een onweerswolk; wild en kwaadaardig was zijn blik en
-vervulde de harten der menschen met vrees.
-
-Toen kwam Koning Ra tot Horus en sprak tot hem, zeggende: "Laat mij in
-uw oogen zien en aanschouwen, wat er gebeuren zal." En hij keek in de
-oogen van Horus en hun kleur was die van de Groote Groene Wateren,
-wanneer de zonnelucht er zich in weerspiegelt. En terwijl hij keek, ging
-het Zwarte Zwijn voorbij. Ra wist niet, dat het de Booze God was en hij
-riep tot Horus: "Kijk eens naar dat Zwarte Zwijn! Nooit heb ik zoo'n
-groot en woest beest gezien".
-
-En Horus keek: ook hij kende Set niet in deze vreemde gedaante en dacht,
-dat het een wilde beer was uit de bosschen van het Noordelijke Land. Hij
-was dus niet meer op zijn hoede en weerloos tegen zijn vijand.
-
-Toen wierp Set een vuurstraal in het oog van Horus en Horus schreeuwde
-luid van de pijn, die veroorzaakt werd door het vuur en kermde hevig en
-riep: "Het is Set en hij heeft mij vuur in de oogen geworpen".
-
-Maar Set was er niet meer, want hij had zich uit de voeten gemaakt en
-het Zwarte Zwijn werd niet meer gezien. En Ra vervloekte het zwijn om
-Set en zeide: "Laat het zwijn door Horus verafschuwd worden".
-
-En tot op dezen dag offeren de menschen het zwijn, wanneer de Maan vol
-is, omdat Set, de vijand van Horus en de moordenaar van Osiris, zijn
-gedaante aannam om den blauwoogigen God kwaad te doen. En om deze reden
-zijn ook de zwijnehoeders onrein in het land van Egypte; nooit mogen zij
-de tempels betreden en aan de Goden offeren en hun zonen en dochters
-mogen niet huwen met de aanbidders der Goden.
-
-En toen de oogen van Horus genezen waren, gaf Ra hem de stad Pé en hij
-gaf hem twee priester in de stad Pé en twee priesters in de stad Nekken
-om bij hem te zijn als eeuwige rechters.
-
-Toen was het hart van Horus blijde en hij verheugde zich en door de
-blijdschap van Horus tooide de aarde zich met bloemen en onweerswolken
-en regen kwamen niet voor.
-
- * * * * *
-
-
-
-
-VIII.
-
-DE GEVECHTEN VAN HORUS.
-
-
-Het was in het drie honderd drie-en-zestigste jaar na de regeering van
-den God Ra-Horakhti op aarde, dat de groote oorlog tusschen Horus en Set
-plaats greep.
-
-Zijne Majesteit, God Ra, dien de menschen ook Ra-Horakhti noemen, was in
-Nubië met zijn leger, een groote en ontelbare menigte soldaten,
-voetknechten en ruiters, boogschutters en strijdwagens. Hij voer in zijn
-Boot op de rivier; de boeg van de Boot was van palmhout, de achtersteven
-was van acaciahout en hij landde te Thest-Hor, aan de oostzijde van de
-Binnenwateren. En tot hem kwam Horus van Edfu, ook Harpoenier en Held
-genaamd, zoekend naar dien Boosdoener Set, den moordenaar van Osiris.
-Lang had hij gezocht, maar Set was hem steeds ontweken.
-
-Koning Ra had zijn strijdmachten verzameld, want Set was tegen hem
-opgestaan en Horus was blijde bij het denkbeeld van een strijd, want hij
-hield meer van een uur vechten dan van een dag feestvieren. Hij kwam bij
-Thot, den god van de tooverkunst, en Thot verleende hem de macht zich te
-veranderen in een gevleugelden discus, een discus die gloeide als een
-vuurbal, met groote vleugels aan weerszijden, die gekleurd waren als de
-lucht bij zonsondergang, wanneer het blauw schakeert van donker tot
-licht en doorschoten is met gouden gloed. De menschen trachten deze
-tinten na te bootsen, wanneer zij den gevleugelden discus boven de
-tempeldeuren snijden of er een borstversiersel van maken van goud,
-ingelegd met turkoos en kornalijn en lazuli. Zoo zat Horus als een
-groote gevleugelde discus op den voorsteven van de boot van Ra en zijn
-heerlijkheid schitterde over de wateren en trof zijn vijanden, die in
-hinderlaag lagen. Op zijn schitterende vleugelen verhief hij zich in de
-lucht, en sprak tegen zijn listige vijanden een vervloeking uit, een
-verschrikkelijke en vreesaanjagende vervloeking, zeggende: "Uw oogen
-zullen blind zijn en gij zult niet zien; en uw ooren zullen doof zijn en
-gij zult niet hooren."
-
-En plotseling zag elke man, toen hij naar zijn buurman keek, een
-vreemdeling, en toen hij zijn eigen bekende moedertaal hoorde, klonk het
-als een vreemde taal en zij riepen, dat zij verraden waren en dat de
-vijand zich onder hen bevond. Ze keerden hun wapens tegen elkander en in
-een oogwenk hadden velen opgehouden te leven en de overigen waren
-gevlucht, terwijl boven hen de glanzende Discus zweefde, die uitkeek
-naar Set. Maar Set was in de moerassen van het Noordelijke Land en deze
-behoorden slechts tot zijn voorhoede.
-
-Toen spoedde Horus terug naar Ra en Ra omhelsde hem en gaf hem een dronk
-wijn met water. En tot op dezen dag plengen de menschen op deze plaats
-een offer van wijn en water voor Horus tot een aandenken. Toen Horus den
-wijn gedronken had, sprak hij tot Koning Ra en zeide: "Kom en zie uwe
-vijanden, hoe zij neerliggen in hun bloed." Ra kwam en met hem kwam
-Astarte, de Meesteres der Paarden, haar vurige rossen mennend; en zij
-zagen het met lijken bedekte veld, waar de soldaten van Set elkander
-verslagen hadden.
-
-Nu, dit is de eerste ontmoeting in het Zuiden, maar de laatste groote
-slag had nog niet plaats. Toen kwamen de bondgenooten van Set bij elkaar
-en beraadslaagden en namen de gedaanten aan van krokodillen en
-nijlpaarden, want deze groote dieren kunnen onder water leven en geen
-menschelijk wapen kan hun huid doorsteken. Zij gingen de rivier op,
-terwijl het water achter hen opzwiepte, en wierpen zich op de Boot van
-Ra om ze te doen omslaan. Maar Horus had zijn afdeeling wapensmeden bij
-elkaar geroepen en zij hadden bogen en speren vervaardigd van metaal,
-dat zij eerst gesmolten en geweld, gehamerd en gevormd hadden, terwijl
-er nog tooverspreuken over uitgesproken waren. Toen de woeste dieren de
-rivier op kwamen in de golven van schuim, spanden de Volgelingen van
-Horus hun boogpezen en lieten hun pijlen vliegen; zij wierpen hun
-werpspiesen en deden een aanval met hun speren. En het metaal drong door
-de huiden en trof de harten en van deze gevaarlijke dieren werden er
-zeshonderd vijftig verslagen en de overigen namen de vlucht.
-
-Dit nu is de tweede ontmoeting in het Zuiden, maar de laatste groote
-slag werd nog niet gestreden.
-
-De bondgenooten van Set vluchtten, sommigen de rivier op en sommigen de
-rivier af; hun harten waren versaagd en hun voeten weigerden den dienst
-uit vrees voor Horus, den Harpoenier, den Held. En zij, wier gezichten
-naar het Zuidelijk Land gekeerd waren, vluchtten het snelst, want Horus
-achtervolgde hen in de Boot van Ra, en met hem kwamen zijn Volgelingen
-met hun wapens in de handen.
-
-Ten zuid-oosten van Denderah, de stad van Hathor, zag Horus den vijand
-en hij wierp zich op hen met zijn Volgelingen, terwijl Ra en Thot naar
-de worsteling keken in de Boot.
-
-Toen zei Koning Ra tot Thot: "Zie, hoe hij zijn vijanden wondt! Zie, hoe
-Horus van Edfu vernieling onder hen brengt!" En naderhand bouwden de
-menschen een tempel op deze plaats ter herinnering aan het gevecht en de
-Goden in dezen tempel waren Ra en Min en Horus van Edfu.
-
-Dit nu is de derde ontmoeting in het Zuiden, maar de laatste groote slag
-had nog niet plaats. Toen wendden zij vlug de Boot en snel dreef ze
-stroomafwaarts, de vluchtelingen vervolgend, wier gezichten naar het
-Noordelijk Land gekeerd waren. Een nacht en een dag vervolgden zij ze en
-ten noord-oosten van Denderah zag Horus hen. En hij haastte zich, hij en
-zijn Volgelingen en hij viel op hen aan en versloeg hen. Groot en
-verschrikkelijk was de slachting terwijl hij ze voor zich uit dreef.
-
-Zoo was Set's leger in het Zuiden in vier groote ontmoetingen
-vernietigd, maar de laatste groote slag had nog niet plaats. Nu wendden
-de bondgenooten van Set hun aangezichten naar het meer en de moerassen
-van de zee. Horus bevond zich achter hen in de Boot van Ra en zijn
-gedaante was de gedaante van een grooten gevleugelden discus; en met hem
-kwamen zijn Volgelingen met de wapens in hun handen. Toen beval Horus
-stilte en hun monden bewaarden het stilzwijgen.
-
-Vier dagen en vier nachten waren zij op het water om den vijand te
-zoeken. Maar niemand vonden zij, want hun vijanden hadden de gedaante
-aangenomen van krokodillen en nijlpaarden en lagen verborgen in het
-water. In den morgen van den vijfden dag zag Horus hen; op eens gaf hij
-het sein tot den strijd en de lucht werd vervuld met het rumoer van den
-slag, terwijl Ra en Thot naar het gevecht keken, terwijl zij wachtten in
-de Boot.
-
-Toen riep Koning Ra luid, toen hij Horus als een verterende vlam op het
-slagveld zag: "Zie, hoe hij zijn wapen tegen hen keert; hij doodt hen,
-hij vernietigt hen met het zwaard, hij snijdt hen in stukken, hij
-verslaat hen volkomen. Zie en aanschouw Horus van Edfu!" Tegen het eind
-van het gevecht kwam Horus terug in triomf en hij bracht honderd en
-twee-en-veertig gevangenen naar de Boot van Ra.
-
-Dit nu is de eerste ontmoeting in het Noorden, maar de laatste groote
-slag had nog niet plaats. Want de vijanden, die op de Noordelijke
-Wateren waren, keerden hun aangezichten naar het kanaal om de zee te
-bereiken en zij kwamen bij de Westelijke Wateren van Mert, waar de
-Bondgenoot van Set zijn woonplaats had, Horus achtervolgde hen,
-uitgerust met zijn blinkende wapens en hij ging in de Boot van Ra en Ra
-was in de boot met acht lieden van zijn gevolg. Zij bevonden zich op het
-Noorder Kanaal en voeren achterwaarts en voorwaarts, wendend en nog eens
-wendend; maar niets hoorden of zagen zij. Toen voeren zij een nacht en
-een dag noordwaarts en kwamen aan het Huis van Rerhu.
-
-Daar sprak Ra tot Horus en zeide: "Zie, uw vijanden zijn samengekomen
-bij de Westelijke Wateren van Mert, waar de Bondgenooten van Set wonen."
-En Horus van Edfu verzocht Koning Ra in zijn Boot te komen om tegen de
-Bondgenooten van Set op te trekken.
-
-Weer reisden zij noordwaarts, waar de nooitondergaande Sterren om een
-zeker punt in de luchtruimte draaien en aan de oevers van de Westelijke
-Wateren van Mert waren de Bondgenooten van Set, gereed voor den strijd.
-Toen aarzelde Horus van Edfu geen oogenblik, maar wierp zich op den
-vijand, vergezeld door zijn Volgelingen, die de wapens in de hand
-droegen. Dood en vernieling brachten zij rechts en links, totdat de
-vijand voor hen vluchtte. Toen de strijd geëindigd was, telden zij de
-gevangenen; drie honderd een-en-tachtig waren er gemaakt en deze doodde
-Horus vóór de Boot van Ra en hun wapens gaf hij aan zijn Volgelingen.
-Dit nu is de tweede ontmoeting in het Noorden, maar de laatste groote
-slag was nog niet geleverd. En nu, eindelijk, kwam Set zelf te
-voorschijn uit zijn schuilplaats. Woest en wild is hij, listig en wreed,
-van nature aan een roofdier gelijk, zonder genade of medelijden; en de
-menschen beelden hem uit met het hoofd van een wild dier, want
-menschelijk gevoel is hem onbekend. Hij kwam te voorschijn uit zijn
-schuilplaats en brulde verschrikkelijk. De aarde en de hemelen beefden
-bij het geluid van zijn gebrul en bij de woorden, die hij uitte, want
-hij pochte er op, dat hij zelf zou vechten tegen Horus en hem zou
-vernietigen, zooals hij Osiris vernietigd had.
-
-De wind droeg de woorden van zijn gepoch tot Ra en Ra zei tot Thot, Heer
-van de Tooverkunst en van de Wijsheid: "Laat deze hooge woorden van den
-Verschrikkelijke te niet gedaan worden." Toen sprong Horus van Edfu
-voorwaarts en viel zijn vijand aan en een hevig gevecht woedde en Horus
-wierp zijn wapen en doodde velen en zijne Volgelingen vochten ook en
-behielden de overhand. Uit het stof en het gerucht van den strijd kwam
-Horus te voorschijn en sleepte een gevangene mede; en de armen van den
-gevangene werden op zijn rug gebonden en de staf van Horus werd over
-zijn mond gebonden, zoodat hij geen geluid kon geven en het wapen van
-Horus werd op zijn keel gezet.
-
-Horus sleepte hem voor Koning Ra. En Ra sprak en zeide tot Horus: "Doe
-met hem, wat gij wilt." Toen wierp Horus zich op zijn vijand en sloeg
-het wapen in zijn hoofd en in zijn rug, sneed zijn hoofd af, sleepte het
-lichaam bij de voeten voort en sneed het eindelijk in stukken. Zoo
-handelde hij met het lichaam van zijn tegenstander, evenals Set met het
-lichaam van Osiris gehandeld had. Dit gebeurde op den zevenden dag van
-de eerste maand van het jaargetijde, wanneer de aarde te voorschijn komt
-na de overstrooming. En het meer wordt tot op dezen dag het "Meer van
-den Strijd" genoemd.
-
-Dit nu is de derde ontmoeting in het Noorden, maar de laatste groote
-slag werd nog niet geleverd. Want het was de Bondgenoot van Set, dien
-Horus had gedood, en Set zelf was nog in leven en hij woedde tegen Horus
-als een panter uit het Zuiden. En hij stond op en brulde en zijn stem
-was gelijk de donder en terwijl hij brulde, veranderde hij in een groote
-slang en kroop in den grond. Niemand zag hem verdwijnen en niemand zag
-hem veranderen, maar hij vocht tegen de Goden en door hun macht en
-kennis zijn zij op de hoogte van wat er gebeuren zal, ofschoon geen
-mensch het hun vertelt. En Ra zei tot Horus: "Set heeft zich in een
-sissende slang veranderd en is in den grond gekropen. Wij moeten maken,
-dat hij er nooit weer uitkomt; nooit, nooit weer!"
-
-De bondgenooten van Set vatten moed, daar zij wisten, dat hun leidsman
-in leven was en zij kwamen weer bij elkaar en hun booten vulden het
-kanaal. De Boot van Ra voer naar hen toe en boven de Boot scheen de
-glans van den gevleugelden Discus. Toen Horus de vijanden verzameld zag
-op één plaats, viel hij hen aan, dreef hen op de vlucht en doodde hen in
-grooten getale.
-
-Dit nu is de vierde ontmoeting in het Noorden, maar de laatste groote
-slag werd nog niet geleverd.
-
-Toen bleef Horus van Edfu zes dagen en zes nachten op het kanaal in de
-boot van Ra en zag uit naar de vijanden, maar hij zag hen niet, want zij
-lagen als lijken in het water.
-
-En tot op den huidigen dag verrichten de menschen ceremoniën ter
-herinnering aan de Slagen van Horus op den eersten dag van de eerste
-maand van de overstrooming, op den zevenden dag van de eerste maand van
-de verschijning der aarde na de overstrooming en op den
-een-en-twintigsten en vier-en-twintigsten dag van de tweede maand van de
-verschijning van de aarde. Deze dagen worden heilig gehouden te Ast-abt,
-dat ten zuiden van Anrudef ligt, waar een van de graven van Osiris is.
-En Isis sprak een tooverban uit rondom Anrudef, opdat geen vijand in de
-nabijheid zou komen; en de priesteres van Anrudef wordt ter herinnering
-genoemd: "De Vrouwe van de Betoovering"; en de wateren worden genoemd:
-"De Wateren van het Zoeken," want daar zoekt Horus naar zijn vijand.
-
-En Horus zond zijn Volgelingen uit en zij achtervolgden den vijand en
-brachten gevangenen mede, honderd zes uit het Oosten en honderd zes uit
-het Westen. Deze doodden zij in tegenwoordigheid van Ra op de heilige
-plaatsen.
-
-Toen gaf Ra aan Horus en zijn strijders twee steden, die tot nu toe de
-Mesen-steden genoemd worden, want de Volgelingen van Horus zijn
-Mesentiers, de Metaalwerkers.
-
-In de tempels van de Mesen-steden heeft men Horus als God en zijn
-geheime plechtigheden worden vier keer per jaar gehouden. Groot en
-heilig zijn deze dagen in de Mesen-steden, want zij zijn een herinnering
-aan de Gevechten van Horus, die hij voerde tegen Set, den moordenaar van
-Osiris.
-
-Nu verzamelden deze vijanden zich weer in het Oosten en zij reisden naar
-Tharu. Toen werd de Boot van Ra te water gelaten om hen te achtervolgen
-en Horus van Edfu veranderde zich in de gedaante van een leeuw met het
-gezicht van een man; zijn armen waren als van steen en op zijn hoofd
-droeg hij de Atefkroon, welke is de witte diadeem van het Zuidelijke
-Land, versierd met veeren en horens en aan weerszijden een gekroonde
-slang. En hij snelde zijn vijanden achterna en versloeg hen en voerde
-honderd-twee-en-veertig gevangenen mede.
-
-Toen zeide Ra tot Horus van Edfu: "Laten wij noordwaarts reizen naar de
-Groote Groene Wateren en den vijand daar vernietigen, zooals wij hem in
-Egypte vernietigd hebben."
-
-Noordwaarts trokken zij nu en de vijand vluchtte voor hen en zij
-bereikten de Groote Groene Wateren, waar de golven braken op het strand
-met het geluid van den donder. Toen stond Thot op en hij stond midden in
-de Boot en hij zong vreemde woorden over de booten en barken van Horus
-en zijn Volgelingen en de zee werd kalm, toen het geluid van de woorden
-over haar golven klonk. En er heerschte stilte over de Groote Groene
-Wateren, want de wind was gaan liggen en niets was in zicht dan de
-booten van Ra en van Horus. Toen sprak Koning Ra: "Laten wij rondom de
-geheele uitgestrektheid van het land zeilen, laten wij naar het
-Zuidelijke Land zeilen," En zij wisten, dat Ra den vijand bespeurde. Zij
-haastten zich en zeilden bij nacht naar het Zuidelijk Land, naar het
-land Ta-kens en zij kwamen aan de stad Shaïs, maar voordat zij Shaïs
-bereikten, zagen zij niets van den vijand. Shaïs nu, ligt aan de grens
-van Nubië en in Nubië lagen de wachtposten van den vijand. Toen
-veranderde Horus van Edfu zich in een grooten gevleugelden Discus met
-uitgespreide schitterende vleugels en naast hem kwamen de godinnen
-Nekhbet en Uazet en haar gedaante was de gedaante van groote gekroonde
-slangen; op het hoofd van Nekhbet prijkte de witte kroon van het
-Zuidelijke Land, op het hoofd van Uazet rustte de roode kroon van het
-Noordelijke Land.
-
-En de Goden in de Boot van Ra riepen luid en zeiden: "Zie, o Gij, die de
-tweemaal groote zijt, hij heeft zich tusschen de twee godinnen
-geplaatst. Zie, hoe hij zijn tegenstanders overvalt en hen vernietigt".
-
-Dit nu is de ontmoeting in Nubië, maar de laatste groote slag had nog
-niet plaats.
-
-Toen kwam Ra in zijn Boot en hij legde aan te Thest-Hor en gaf bevel,
-dat de menschen in iederen tempel van de Twee Landen den Gevleugelden
-Discus zouden uithouwen en rechts en links van den Discus zouden Nekhbet
-en Uazet zich bevinden als groote gekamde slangen, met kronen op de
-hoofden. En de tempel op de punt van Thest-Hor wordt ter herinnering tot
-op dezen dag "Het Huis van Horus in het Zuiden" genoemd, en een groot
-offer is daar gebracht aan Ra en Horus. En Ra gaf aan Horus de provincie
-van "Het Huis van het Gevecht" en Ast-Abt en de Mesen-steden in het
-Oosten en het Westen en Edfu in het Noorden en Tharu en Ganti en de "Zee
-van het Zeilen" en Opper Shasu en Edfu-van-het-Huis-van-Ra.
-
-En van het meer ten zuiden van Edfu-van-het-Huis-van-Ra brengt men water
-naar de twee Huizen van den Koning op den dag van het Set-feest. En Isis
-droeg Ar-steen van zand naar Thest-Hor. Ar-steen van de Ster was het; en
-in elke plaats van het Zuidelijke Land, waar Horus naar toe ging, wordt
-tot op dezen dag Ar-steen gevonden.
-
-Sommigen nu zeggen, dat de laatste groote slag nog komen moet en dat
-Horus Set eindelijk zal dooden en dat Osiris en al de Goden op aarde
-zullen regeeren, als hun vijand vernietigd is. Naar anderen zeggen, dat
-de strijd reeds geëindigd is en dat Horus den grooten en kwaadaardigen
-Vijand doodde, die hun allen ellende en droefheid berokkend had.
-
-En dit is het, wat zij zeggen: Na maanden en jaren groeide Horus het
-Kind op tot een man. Toen kwam Set met zijn bondgenooten en hij daagde
-Horus uit in tegenwoordigheid van Ra. En Horus verscheen en zijn
-Volgelingen kwamen met hem mee in hun booten, in hun wapenrusting en met
-hun blinkende wapens met gevesten van besneden hout en hun bogen en hun
-speren.
-
-En Isis maakte gouden versierselen voor den voorsteven van de boot van
-Horus en zij bevestigde ze met tooverwoorden, zeggende: "Goud zit aan
-den boeg van uw boot, de groote boot van Horus, de boot van de vreugde.
-Moge de dapperheid van Ra, de kracht van Shu, de macht en de vrees met u
-zijn. Gij zijt overwinnend, o zoon van Osiris, zoon van Isis, want gij
-strijdt voor den troon van uw vader."
-
-Toen nam Set de gedaante aan van een rood nijlpaard, groot en machtig,
-en hij kwam uit het Zuidelijke Land met zijn bondgenooten, en reisde
-naar het Noordelijke Land om Horus van Edfu te ontmoeten. En te
-Elephantine stond Set op en sprak een erge vervloeking uit tegen Horus
-van Edfu en tegen Isis en zeide: "Laat er een sterke wind komen, een
-hevige noordenwind en een woedende storm"; en het geluid van zijn stem
-was gelijk de donder in het Oosten van den hemel.
-
-Zijn woorden werden geroepen aan den zuidelijken hemel, een woord en een
-kreet van Set, den vijand van Osiris en van de Goden.
-
-Plotseling brak er een storm los over de booten van Horus en zijn
-Volgelingen; de wind bulderde en het water werd in groote golven
-opgezwiept en de booten werden heen en weer geworpen als stroohalmen.
-Maar Horus liet zich niet van den weg afbrengen; en door de duisternis
-van den storm in het schuim van de golven schitterde de gouden
-voorsteven als de stralen van de zon.
-
-En Horus nam de gedaante aan van een jongen man, zijn lengte was acht
-el; in zijn hand hield hij een harpoen; het ijzer was vier el, de steel
-twintig el lang en een keten van zestig el was er aan bevestigd. Boven
-zijn hoofd zwaaide hij het wapen, alsof het een riet was, en hij wierp
-het naar het groote, roode nijlpaard, dat in de diepe wateren stond,
-gereed om Horus en zijn Volgelingen te vernietigen, zoodra de storm hun
-booten zou doen vergaan.
-
-En bij den eersten worp drong het wapen diep in het hoofd van het
-groote, roode nijlpaard en raakte de hersenen. Zoo stierf Set, de Booze,
-de vijand van Osiris en van de Goden.
-
-En tot op dezen dag zingen de priesters van Horus van Edfu en de
-dochters van den Koning en de vrouwen van Busiris en de vrouwen van Pé
-een loflied en slaan de trom voor den overwinnenden Horus.
-
-En dit is hun zang: "Verheugt u, o vrouwen van Busiris! Verheugt u, o
-vrouwen van Pé! Horus heeft zijn vijanden overwonnen!
-
-"Juicht, bewoners van Edfu! Horus, de groote God, Heer van den hemel,
-heeft den vijand van zijn vader gedood!
-
-"Eet het vleesch van den overwonnene, drinkt zijn bloed, verbrandt zijn
-gebeente in de vlammen van het vuur. Laat hem in stukken snijden, en
-geeft zijn beenderen aan de katten, de stukken van zijn vleesch aan de
-kruipende dieren.
-
-"O Horus, de Dappere, de eerste der Goden, de Harpoenier, de Held, de
-Prijsmaker van gevangenen, Horus van Edfu, Horus de Wreker!
-
-"Hij heeft den Booze verslagen, hij heeft een poel gemaakt van het bloed
-van zijn vijand, zijn pijl heeft een prooi gemaakt. Ziet, aanschouwt
-Horus op den boeg van zijn boot. Gelijk Ra, schijnt hij aan den horizon.
-Hij is getooid in groen linnen, in fijn linnen en zijde. De dubbele
-diadeem rust op uw hoofd, de twee slangen op uw voorhoofd, o Horus, de
-Wreker!
-
-"Uw harpoen is van metaal, de steel is van den sycomore der woestijn,
-het touw is gevlochten door Hathor van de Rozen. Gij hebt gemikt naar
-rechts, gij hebt geworpen naar links. Wij prijzen u hemelhoog, want gij
-hebt de boosheid van uwen vijand geketend. Wij prijzen u, wij aanbidden
-uwe majesteit, o Horus van Edfu, Horus de Wreker!"
-
- * * * * *
-
-
-
-
-IX.
-
-HET BIER VAN HELIOPOLIS.
-
-
-Koning Ra regeerde over de Twee Landen. Hij was de tweede koning van
-Egypte en onder zijn regeering was er vrede op aarde en de oogsten waren
-zoo overvloedig, dat de menschen nu nog spreken van de goede dingen die
-"er gebeurden ten tijde van Ra". Door zijn eigen macht schiep hij zich
-zelf en hij schiep hemel en aarde, goden en menschen en regeerde over
-hen allen.
-
-Honderden en honderden jaren regeerde hij, totdat hij oud werd en de
-menschen hem niet meer vreesden, maar lachten en zeiden: "Kijk Ra eens!
-Hij is oud, zijn beenderen zijn als zilver, zijn vleesch als goud en
-zijn haar als echte lapis lazuli."
-
-Toen werd Ra toornig bij het hooren van hun gescherts en gelach en hij
-riep tot hen, die in zijn gevolg waren: "Roep mijn dochter, mijn
-oogappel, hierheen en ook de goden Sher en Tefnut, Geb en Nut en de
-groote god Num, wiens woning in de wateren van de lucht is. Doe mijn
-verzoek in het geheim, opdat de menschen u niet hooren en zien zullen,
-want dan zouden ze bang worden en zich verbergen."
-
-In stilte gingen de boodschappers heen, zeer zacht kwamen zij de goden
-en godinnen oproepen. In het geheim en onhoorbaar kwamen de goden en
-godinnen in het Huis van Ra op de Verborgen Plaats. Niets zagen of
-hoorden de menschen, en zij lachten Ra weer uit, niet wetend, welke
-straf hen treffen zou.
-
-Aan weerszijden van den troon stelden de goden en godinnen zich op en
-zij bogen voor Koning Ra ter aarde met hun voorhoofden den grond rakend,
-zeggend: "Spreek, opdat wij u kunnen hooren."
-
-Toen zei Ra tegen Num, den grooten God, wiens woning in de wateren van
-de lucht is: "O, oudste van den goden en alle gij goden! ziet, hoe de
-menschen, die ik geschapen heb, tegen mij spreken. Zeg mij, wat gij
-zoudt willen, dat ik hen doen zou, want waarlijk ik wil hen niet dooden,
-voordat ik uw woorden gehoord heb."
-
-En Nun, de groote god, wiens woning in de wateren van de lucht is,
-antwoordde: Mijn zoon Ra, grootste van de goden, machtigste der
-koningen, uw troon is bevestigd, en de geheele wereld zal u vreezen,
-wanneer gij uw dochter, uw oogappel, uitzendt tegen hen, die u
-aanvallen."
-
-Koning Ra sprak weer: "Zij zullen vluchten naar de woestijnen en de
-bergen en zich verbergen, wanneer de vrees hun harten bevangt, omdat zij
-geschertst en gelachen hebben, en in de woestijnen en bergen kan niemand
-hen vinden."
-
-Toen zeiden de goden en godinnen, terwijl zij hun voorhoofden tot aan
-den grond bogen: "Zend uwe dochter, uw oogappel, uit tegen hen."
-
-En plotseling kwam de dochter van Ra. Sekhmet wordt zij genoemd en
-Hathor, de wreedste der godinnen; als eene leeuwin stort zij zich op
-haar prooi, moorden is haar een genot en zij dorst naar bloed.
-
-Op verzoek van haar vader begaf zij zich naar de Twee Landen om allen te
-dooden, die zich hadden verzet tegen Koning Ra en die hun verzet hadden
-omgezet in gescherts en gelach. In het land Ta-mery doodde zij hen en op
-de bergen, die liggen ten oosten en ten westen van de groote rivier. Van
-links naar rechts wendde zij zich, allen doodend, die zij op haar weg
-ontmoette en voor haar uit vluchtten de rebellen, die tegen Ra waren
-opgestaan.
-
-En Ra zag neer op de aarde en riep tot zijn dochter, zijn oogappel: "Kom
-in vrede, o Hathor. Hebt gij gedaan, wat ik u te doen heb gegeven? En
-Hathor lachte, toen zij antwoordde, en haar lach was de vreeselijke stem
-van de leeuwin, als zij haar prooi verscheurt. "Bij uw leven, o Ra,"
-riep zij, "ik doe met de menschen, wat ik wil en mijn hart is verheugd
-in mij."
-
-Verscheiden nachten zag de rivier rood en de godin waadde in
-menschenbloed en haar voeten waren rood, toen zij door het land Egypte
-schreed tot Henen-seten.
-
-Toen zag Ra weer neer op de aarde en zijn hart werd vervuld van
-medelijden met de menschen, ofschoon zij tegen hem waren opgestaan. Maar
-niemand kon de wreede godin doen ophouden, zelfs Koning Ra niet; uit
-zich zelfs moest zij ophouden te dooden, want goden noch menschen konden
-haar dwingen. Door slimheid alleen kon dit verkregen worden.
-
-Ra gaf bevel, zeggende: "Roep boodschappers tot mij, die snel zijn als
-de stormwind." En toen zij gekomen waren, zeide hij: "Loop naar
-Elephantine, haast u, ga snel en breng voor mij de vrucht mede, die
-slaapwekkend is. Wees vlug, wees vlug, want dit alles moet volbracht
-zijn, voordat de morgen daagt".
-
-De boodschappers haastten zich en hun spoed was gelijk aan den
-stormwind. Zij kwamen te Elephantine, waar de groote rivier bruist over
-de rotsen, die haar weg versperren; zij namen de slaapwekkende vrucht en
-met de snelheid van den wind brachten zij ze aan Ra. Vuurrood en
-scharlakenrood was de vrucht en het sap was rood als menschenbloed; en
-de boodschappers brachten ze naar Heliopolis, de stad van Ra. Toen
-stampten de vrouwen van Heliopolis gerst en maakten bier en zij
-vermengden het sap van de slaapwekkende vrucht met het bier en het bier
-kreeg de kleur van het bloed. Zeven duizend maten bier maakten zij en
-zij brouwden het haastig, want de nacht was bijna voorbij en de dag was
-op het punt aan te breken. In allerijl kwamen Koning Ra en al de goden
-en godinnen, die bij hem waren te Heliopolis om het bier te keuren. Ra
-zag, dat het er uitzag als menschenbloed en hij zeide: "Dit bier is zeer
-goed. Hiermede kan ik het menschdom beschermen".
-
-Bij het krieken van den dag gaf hij dit bevel: "Breng dit bier naar de
-plaats, waar mannen en vrouwen gedood zijn, en stort het uit over de
-velden, voordat de schoonheid van de nacht voorbij is". Zoo stortten zij
-het uit over de velden. Vier palm hoog stond het op den grond en zijn
-kleur was de kleur van bloed.
-
-'s Morgens kwam de wilde Sekhmet, gereed om te dooden en voortgaande
-keek ze hier en daar rond, uitziende naar een prooi. Maar geen levend
-wezen zag zij, alleen die velden, die vier palm diep lagen onder het
-bier, dat de kleur had van bloed. Toen lachte zij met den lach, die
-gelijk was aan het gebrul van een leeuwin, want zij dacht, dat dit het
-bloed was, dat zij vergoten had. En zij bukte zich en dronk. Weer en
-weer dronk zij en zij lachte harder, want het sap van de slaapwekkende
-vrucht steeg naar haar hersenen en zij kon niet meer zien te dooden door
-het sap van de vrucht.
-
-Toen zei Koning Ra tot haar: "Kom in vrede, o lieveling." En tot nu toe
-worden de meisjes van Amu ter herinnering Lievelingen genoemd.
-
-En Koning Ra sprak weer tot de godin, zeggend: "Voor u zal een drank
-klaar gemaakt worden van de slaapwekkende vruchten; ieder jaar zal deze
-gemaakt worden ter gelegenheid van het groote Nieuwjaarsfeest en de
-hoeveelheid zal afhangen van het aantal priesteressen, die mij dienen."
-
-En tot den huidigen dag worden er op het feest van Hathor dranken
-gemaakt van de slaapwekkende vruchten, naar verhouding van het aantal
-priesteressen van Ra ter herinnering aan de bescherming der menschen
-voor de woede van de godin.
-
-
-
-
-X.
-
-DE NAAM VAN RA.
-
-
-Koning Ra was de schepper van hemel en aarde, van de goden, de menschen,
-het vee, het vuur en den levensadem, en hij regeerde de goden en de
-menschen.
-
-En Isis zag zijn macht, de macht die zich uitstrekte over hemel en
-aarde, voor welke alle goden en menschen bogen; en zij verlangde in haar
-hart naar de macht, opdat zij daardoor grooter zou zijn dan de goden en
-heerschappij zou hebben over de menschen.
-
-Er was slechts één weg om die macht te verkrijgen. Door de kennis van
-zijn eigen naam regeerde Ra en niemand dan hij zelf kende dien geheimen
-naam. Wie het geheim zou te weten komen, dien zou - god of mensch - de
-heerschappij over de geheele wereld toebehooren en zelfs Ra moest hem
-dan onderdanig zijn. Angstig bewaarde Ra zijn geheim en hield het altijd
-opgesloten in zijn borst, opdat het niet van hem genomen zou worden en
-zijn macht verminderen zou.
-
-Iederen morgen kwam Ra in al zijn glorie aan het hoofd van zijn stoet te
-voorschijn aan den oostelijken horizon, langs het luchtruim trekkend, en
-'s avonds bereikten zij den westelijken horizon en Koning Ra zonk neer
-om de diepe duisternis van de Duat te verlichten. Vele, vele malen had
-Ra die reis volbracht, zoo vele malen, dat hij nu oud werd. Zeer oud was
-Ra en het speeksel liep neer uit zijn mond en viel op de aarde.
-
-Toen nam Isis aarde en vermengde die met het speeksel en zij kneedde de
-klei en vormde ze en maakte er de gedaante van van een slang, de
-gedaante van de groote gekamde slang, die het zinnebeeld is van al de
-godinnen, de koninklijke slang, die op het voorhoofd van de Egyptische
-Koningen prijkt. Geen toovermiddelen, noch bezweringen gebruikte zij,
-want in de slang bevond zich de goddelijke stof van Ra zelf. Zij nam de
-slang en verborg haar op het pad van Ra, den weg waarlangs hij reisde,
-als hij trok van den oostelijken naar den westelijken horizon van den
-hemel.
-
-'s Morgens verscheen Ra met zijn gevolg in al zijn glorie, trekkend naar
-den westelijken horizon, waar zij de Duat binnengaan en de diepe
-duisternis verlichten. En de slang stak haar puntig hoofd omhoog en haar
-giftanden drongen in het vleesch van Ra en het vuur van naar vergif
-drong door in den God, want de goddelijke stof was in de slang.
-
-Ra schreeuwde luid en zijn kreet weergalmde langs den hemel van den
-oostelijken tot den westelijken horizon; over de aarde klonk hij en
-goden en menschen hoorden den kreet van Ra. En de goden, die deel
-uitmaakten van zijn gevolg, zeiden tot hem: "Wat scheelt u? Wat scheelt
-u?"
-
-Maar Ra antwoordde geen woord, hij beefde over al zijn ledematen, zijn
-tanden klapperden en niets zeide hij, want het vergif verspreidde zich
-door zijn lichaam, zooals Hapi zich verspreidt over het land, wanneer de
-wateren buiten haar oevers treden bij de overstrooming van de rivier.
-
-Toen hij gekalmeerd was, riep hij tot hen, die hem volgden, en sprak:
-"Komt tot mij, gij, die ik geschapen heb. Ik ben gekwetst door een
-smartelijk iets. Ik voel het, hoewel ik het niet zie; ook is het geen
-maaksel van mijn handen en ik weet niet, wie het gemaakt heeft. Nooit,
-nooit heb ik een pijn gevoeld als deze; nooit, nooit is mij een ergere
-beleediging aangedaan dan deze. Wie kan mij kwetsen? Want niemand kent
-mijn geheimen naam, den naam, die gesproken werd door mijn vader en mijn
-moeder en die in mij verborgen is, opdat niemand mij zou kunnen
-betooveren. Ik ging uit om neer te zien op de aarde, die ik gemaakt heb,
-ik bevond mij boven de Twee Landen, toen iets - ik weet niet wat - mij
-trof. Is het vuur? Is het water? Ik brand, ik huiver, ik beef over mijn
-geheele lichaam. Roep tot mij de kinderen van de goden, hen, die bekwaam
-zijn in de geneeskunst, hen, die kennis hebben van de tooverkunst, hen,
-wier macht tot aan den hemel reikt."
-
-Toen barstten al de goden uit in geween en geklaag en gejammer; hun
-macht baatte niet jegens de slang, want in haar was de goddelijke stof
-belichaamd. Met hen kwam Isis de Geneeskrachtige, de Meesteres van de
-Tooverkunst, in wier mond de Levensadem is, wier woorden ziekten
-verdrijven en de dooden doen ontwaken.
-
-Zij sprak tot Koning Ra en zeide: "Wat is er, o goddelijke Vader? Wat is
-er? Heeft een slang u pijn berokkend? Heeft een schepsel van uw hand
-zijn hoofd tegen u opgestoken? Zie, het zal overwonnen worden door de
-macht van mijn tooverkunst; ik wil het uitdrijven door middel van uw
-glorie."
-
-Toen antwoordde Koning Ra: "Ik legde den vastgestelden weg af, ik trok
-door de Twee Landen, toen een slang, die ik niet zag, mij met zijn
-giftanden trof. Was het vuur? Was het water? Ik ben kouder dan water, ik
-ben warmer dan vuur, ik beef over al mijn ledematen en het zweet loopt
-langs mijn gezicht, zooals het doet langs de gezichten der menschen in
-de blakende hitte van den zomer."
-
-En Isis sprak weer en haar stem was zacht en sussend: "Zeg mij uw Naam,
-o goddelijke Vader, uw waren Naam, uw geheimen Naam, want hij alleen kan
-leven, die bij zijn naam genoemd wordt."
-
-Toen antwoordde Koning Ra: "Ik ben de Maker van hemel en aarde, ik ben
-de Grondvester van de bergen, ik ben de Schepper van de wateren, ik ben
-het Licht en ik ben de Duisternis, ik ben de Maker van de Uren, de
-Schepper van de Dagen, ik ben de Voorganger bij de Feesten, ik ben de
-Oorsprong van de stroomende rivieren, ik ben de Schepper van het levend
-vuur. 's Morgens ben ik Khepera, 's middags Ra en 's avonds Atmu."
-
-Maar Isis hield zich stil: geen woord sprak zij, want zij wist, dat Ra
-haar de namen gezegd had, die iedereen kende; zijn ware Naam, zijn
-geheime Naam was nog in zijn borst verborgen. En de kracht van het
-vergif vermeerderde en verspreidde zich door zijn aderen als brandend
-vuur.
-
-Na een oogenblik stilte sprak zij weer: "Uw Naam, uw ware Naam, uw
-geheime Naam was niet onder deze. Zeg mij uw Naam, opdat het vergif
-uitgedreven kan worden, want slechts hij, wiens naam ik ken, kan genezen
-worden door de macht van mijn tooverkunst."
-
-En de kracht van het vergif vermeerderde en de pijn was als de pijn van
-levend vuur.
-
-Toen riep Koning Ra luid en zeide: "Laat Isis bij mij komen en laat mijn
-Naam overgaan van mijn borst naar haar borst."
-
-En hij verborg zich voor de goden, die in zijn gevolg waren. Ledig was
-de Boot van de Zon, ledig was de groote troon van den God, want Ra had
-zich verborgen voor zijn Volgelingen en voor de maaksels van zijn
-handen.
-
-Toen de Naam uit het hart van Ra kwam om over te gaan naar het hart van
-Isis, sprak de godin tot Ra en zeide: "Verbind u zelf met een eed, o Ra,
-dat ge uw beide oogen zult geven aan Horus."
-
-De twee oogen van Ra nu zijn de zon en de maan, en de menschen noemen ze
-tot op dezen dag de Oogen van Horus.
-
-Zoo werd de naam van Ra hem ontnomen en aan Isis gegeven en zij, de
-groote Toovenares, riep luide het Machtswoord en het vergif gehoorzaamde
-en Ra was genezen door de macht van zijn Naam. En Isis, de Groote, de
-Meesteres van de Goden, de Meesteres van de tooverkunst, zij is de
-bekwame Genezende, in haar mond is de Adem des Levens, door haar woorden
-verdrijft zij de pijn en door haar macht doet zij de dooden ontwaken.
-
-
-
-
-XI.
-
-DE STREKEN, WAAR NACHT EN DIEPE DUISTERNIS HEERSCHEN.
-
-
-Toen de wereld ontstond, waren er twee rivieren, de rivier van Egypte en
-de rivier aan den hemel. Groot is de Nijl, de rivier van Egypte, die
-ontspringt aan gene zijde van de katarakt, het land van Egypte
-bevloeiend en aldus vreugde en goede oogsten brengend aan Ta-mery. Groot
-en indrukwekkend is de rivier aan den hemel, stroomend door de hemelen
-en door de Duat, de wereld, waar nacht en duisternis heerschen en op die
-rivier vaart de Boot van Ra. Boot van de Millioenen Jaren is haar naam,
-maar de menschen noemen haar de Manzet Boot in den morgen, als Ra in al
-zijn pracht en heerlijkheid opkomt aan den oostelijken horizon van den
-hemel; de Mesektet Boot wordt ze genoemd in den avond, wanneer Ra
-glorierijk de portalen binnengaat van de Duat, waar de berg Manu zijn
-pieken verheft tegen den westelijken hemel. Aan den westelijken horizon
-ligt de berg Manu en aan den oostelijken horizon de berg Bakhu; groot en
-kolossaal zijn zij; hun kruinen verheffen zich boven de aarde en de
-hemel rust op hun toppen. En op de hoogste piek van den berg Bakhu woont
-een slang; dertig cubiet is zij lang en haar huid is van vuursteen en
-glinsterend metaal. Zij bewaakt den berg en de Groote Groene Wateren en
-niemand kan haar passeeren behalve Ra in zijn Boot. 's Avonds daalt Ra
-in al zijn majesteit neer aan den Westelijken horizon, naar de portalen
-van de Duat bij de kloof van Abydos. Prachtig is de Mesektet Boot,
-schitterend haar versieringen en haar kleuren zijn als amethist en
-smaragd, jaspis en turkoos, lazuli en goud. Bij de Kloof van Abydos
-wachten eenige goden om de Boot in gereedheid te brengen voor den tocht
-door de Duat, het land, waar nacht en diepe duisternis heersenen.
-Ontdaan is de boot van haar pracht, kaal en zonder glans is ze, wanneer
-ze de portalen van de Duat passeert en in de boot ligt het lichaam van
-Ra, levenloos en dood. Dan nemen de goden de lange sleeptouwen; langzaam
-glijdt de Boot langs de rivier. De poorten van de Duat worden ver
-opengeworpen en de twaalf godinnen van den nacht nemen haar plaatsen in
-op de Boot om ze te leiden door de duisternis en de gevaren van de Duat;
-loodsen van de rivier zijn zij en zonder haar zou zelfs Ra er niet
-ongedeerd over kunnen varen.
-
-"Stroom van Ra" is de naam van het eerste gebied van de Duat. Somber is
-dit land, maar niet heelemaal donker; want aan elken kant van de rivier
-liggen zes slangen, opgerold en de koppen rechtop, en de adem van haar
-monden is een vuurvlam.
-
-In de kajuit van de Boot ligt Ra, dood en levenloos; op den voorsteven
-bevinden zich Up-uaut, de Wegbereider en Sa en de godin van den tijd.
-Dicht bij de kajuit bevindt zich een gezelschap goden; dit zijn degenen,
-die Ra behoeden voor alle gevaren en voor den aanval van den
-afschuwelijken Apep.
-
-Langzaam glijdt de Boot van Ra voort door de Duat naar plaatsen van
-diepe duisternis, van afgrijzen en schrik, waar de dooden hun
-woonplaatsen hebben en Apep de komst van Ra ligt af te wachten. Zoo gaat
-het eerste uur van den nacht voorbij en het tweede uur nadert.
-
-Aan den ingang van elk gebied van de Duat is een poort; hoog zijn de
-muren en nauw is de doorgang; op de muren staan speerpunten, scherp en
-spits, opdat geen mensch er over kan klimmen.
-
-De deur van de poort is van hout en draait om een spil en een
-monsterachtige slang bewaakt de deur. Niemand mag voorbij haar gaan,
-behalve zij, aan wie haar naam bekend is. Bij den bocht van den doorgang
-liggen twee groote gekamde slangen, de een boven, de ander onder. De
-adem van haar mond bestaat uit vuur en vergif; door het nauwe portaal
-zenden zij van beide kanten stroomen vuur en vergif. Aan ieder eind van
-den doorgang staat een wachter, die wacht houdt. Dan maakt de godin van
-het eerste uur plaats voor de godin van het tweede uur en zij roept luid
-den naam van den Wachter bij de poort. Wijd worden de deuren
-opengeworpen, het vuur en het vergif houden op en de Boot van Ra vaart
-er door.
-
-"Ur-nes" noemen wij dit tweede gebied van de Duat, maar de Hanebu's en
-zij, die de eilanden van de Groote Groene Wateren bewonen, noemen het
-Ouranos. De rivier is breed en draagt op haar donkere wateren vier
-sloepen; geen riemen hebben zij, noch masten of roeren, maar zij drijven
-op het water en worden gedragen door den stroom. Geheimzinnig en vreemd
-zijn zij en de schimmen, die er zich in bevinden, gelijken op
-menschengedaanten. In dit gebied is Ra Heer en Koning en zij, die hier
-wonen, hebben vrede, want niemand kan de groote gekamde slangen
-voorbijgaan, die de poorten bewaken, wier adem een mengsel is van vuur
-en vergif. Gelukkig zijn zij, die dit land bewonen, want hier wonen de
-geesten van het koren, Besa, Nepra en Tepu-yn. Dit zijn degenen, die de
-tarwe en de gerst laten groeien en de vruchten van de aarde menigvuldig
-doen zijn. Langzaam glijdt de Boot van Ra voort door de Duat, door
-streken van diepe duisternis, schrik en afgrijzen, waar de dooden hun
-woonplaats hebben en Apep op de komst van Ra ligt te wachten. Zoo gaat
-het tweede uur van den nacht voorbij en het derde uur is nabij. Dan
-maakt de godin van het tweede uur plaats voor de godin van het derde uur
-en zij roept luid den naam van den Wachter bij de poort. Wijd worden de
-deuren opengeworpen en de Boot van Ra vaart er door.
-
-"Stroom van den eenigen God" is de naam van het derde gebied van de Duat
-en hier in het schoone Amentet is het Koninkrijk van Osiris. Aan
-weerszijden van de rivier bevinden zich de groote gedaanten van de
-goden, die de gedaante van Osiris zelf omringen. Hij is gezeten op zijn
-troon in koningsornaat met de Witte Kroon van het Zuidelijk Land en de
-Roode Kroon van het Noordelijke Land op zijn hoofd. Groot is Osiris, de
-god der dooden, want allen, die sterven, moeten voor hem verschijnen als
-hun rechter en hun harten worden gewogen in de weegschaal tegen de veer
-van de Waarheid. Zijn troon staat op een stroomend water, helder en diep
-en uit het water verheft zich een enkele lotusbloem, gekleurd als de
-ochtendhemel. Op de bloem staan de vier Kinderen van Horus, die Osiris
-bijstaan bij het Oordeel en die de lichamen der dooden beschermen. Aan
-hen behooren het Zuiden en het Noorden, het Westen en het Oosten en de
-vier groote godinnen zijn hun beschermsters. Zij staan op de lotusbloem
-en hun gezichten zijn naar Osiris gekeerd; het eerste heeft het gezicht
-van een man, het tweede het gezicht van een aap, het derde het gezicht
-van een jakhals en het vierde het gezicht van een roofvogel. Dit nu is
-het uur, dat de boosdoeners vreezen; door hun eigen daden worden zij
-veroordeeld en niets kan hen helpen. Zwaar is het hart van den booswicht
-en het doet de schaal neerslaan; lager en lager zinkt ze, totdat ze de
-kaken bereikt van Amemt, den Verslinder van Harten. Dan wordt de
-boosdoener uitgeworpen in de diepe duisternis van de Duat om er te wonen
-bij de afschuwelijken Apep en eindelijk in de Vuurpoelen te vallen.
-
-Maar sommigen zijn er, die de rechtschapenheid zelf zijn geweest op
-aarde, die geen mensch hebben benadeeld door bedrog of geweld, die de
-weduwe, de wees en den zeeman, die schipbreuk geleden heeft, hebben
-bijgestaan, die de hongerigen hebben gespijzigd en de naakten gekleed,
-die geen strijd hebben opgewekt, noch tranen hebben doen vloeien.
-Wanneer deze voor het Oordeel van Osiris verschijnen en hun harten in de
-weegschaal gelegd worden, dan is de veer van de Waarheid het zwaarst. De
-schaal met de veer gaat naar beneden en de schaal met het hart naar
-boven. Dan neemt Thot het hart en zet het weer in de borst van den
-mensch en Horus neemt hem bij de hand en geleidt hem naar den voet van
-den troon van Osiris, opdat hij voor eeuwig moge wonen in het koninkrijk
-van Osiris.
-
-En eerst nu kan hij den zeer reinen en waarachtig heiligen Osiris zien,
-want "de zielen der menschen zijn niet in staat deel te hebben in de
-goddelijke natuur, zoolang zij besloten zijn in lichamen met
-hartstochten... Wanneer zij bevrijd zijn van deze beletselen en overgaan
-naar reiner en ongeziene streken... dan eerst wordt deze God hun leider
-en Koning; van hem hangen zij geheel af, steeds ziende zonder verzadigd
-te worden, en steeds vurig verlangend naar de schoonheid, die een mensch
-onmogelijk kan uitdrukken of zich denken" [1].
-
-[Noot 1: Plutarchus: "De Iside et Osiride" (Squire's vertaling).]
-
-Langzaam glijdt de Boot van Ra door de Duat, naar streken van diepe
-duisternis, van schrik en afgrijzen, waar de afschuwelijke Apep ligt te
-wachten op de komst van Ra en waar de Vuurpoelen worden klaargemaakt
-voor de boozen.
-
-Zoo gaat het derde uur van den nacht voorbij en het vierde uur is nabij.
-Dan maakt de godin van het derde uur plaats voor de godin van het vierde
-uur en zij roept luid den naam van den Wachter aan de poort. Wijd worden
-de deuren opengeworpen en de Boot van Ra vaart er door.
-
-"Levende der schimmen" is de naam van het vierde gebied van de Duat en
-Sokar heeft de heerschappij over dit land. Woest is de uitgestrektheid
-zand, onbegrensd de woestijn, droefgeestig en somber het landschap. Geen
-grassprietje, geen boom of struik is er te zien, niets groeit er, niets
-leeft er dan monsterachtige veelhoofdige slangen, die langs den grond
-glijden of op pooten voortkruipen.
-
-
-
-Verschrikkelijk zijn zij om aan te zien, zooals ze daar kronkelen en
-draaien en sissen en brullen; ze heffen hun afzichtelijke koppen in de
-hoogte en houden hun donkere vleugels uitgespreid. Maar hun
-kwaadaardigheid geldt Ra niet en hij gaat veilig tusschen hen door.
-
-Bedolven is de groote rivier en verdwenen is ze onder het bewegelijke
-zand en waar ze stroomde, is nu een diep ravijn. De rotsmuren verheffen
-zich hoog en steil en steeds slingert en draait de weg tusschen de
-rotsen door. De menschen noemen deze plaats Re-stau de Mond van het
-Graf.
-
-Zelfs in deze sombere woestijn voert Osiris heerschappij; Heer van
-Re-stau wordt hij genoemd, daarom behoeft niemand vreesachtig te zijn
-als hij langs het smalle pad gaat. En nu kan de Boot van Ra niet meer op
-het water drijven, maar wordt veranderd in een groote en machtige slang
-met een glinsterende huid. Op den voorsteven zit een slangenkop met
-wakende en woeste oogen, op den achtersteven zit een slangenkop met de
-giftanden gereed. Over het zand glijdt ze voort, zooals een boot over
-het water glijdt.
-
-Langzaam glijdt de Boot van Ra voort door de Duat, door streken van
-diepe duisternis, schrik en afgrijzen naar de plaats, waar Apep ligt te
-wachten op de komst van Ra. Zoo gaat het vierde uur van den nacht
-voorbij en het vijfde uur is nabij. Dan maakt de godin van het vierde
-uur plaats voor de godin van het vijfde uur en zij roept luid den naam
-van den Wachter bij de poort. Wijd worden de deuren opengeworpen en de
-Boot van Ra vaart er door.
-
-"Verborgen" is de naam van het vijfde gebied van de Duat en in dit
-donkere en sombere gebied woont Sokar, zijn Heer en Koning, de god van
-hen, die begraven zijn. Bij een bocht van den kronkelenden weg is zijn
-woonplaats diep onder den grond, daar boven verheft zich een hooge berg
-zand. Twee sphinxen houden de wacht er bij; zij hebben het lichaam van
-een leeuw en het gelaat van een mensch, en haar klauwen zijn uitgespreid
-als de klauwen van een roofdier. In het midden ligt een slang met drie
-koppen en tusschen haar vleugels staat Sokar in de gedaante van een man
-met het hoofd van een sperwer. Wild en woest als een sperwer is Sokar en
-vreeselijk is de straf, die hij degenen laat ondergaan, die zich tegen
-hem verzet hebben. Dicht bij zijn woning is een meer, waar het water
-kookt en borrelt van de hitte, zooals het water kookt in een ketel. In
-het kokende meer worden de rebellen geworpen en zij roepen tot Ra om
-hulp, maar Ra ligt koud en levenloos ter neer, wachtend op de komst van
-Khepera en op hun kreten wordt geen acht geslagen, terwijl de Boot haar
-weg vervolgt.
-
-Aan den anderen kant van het ravijn ligt een hoog en gewelfd gebouw, het
-huis van Nacht en Duisternis. Twee vogels klemmen zich aan weerszijden
-vast en er rondom heen slingert zich een tweekoppige slang. Zij heft
-haar woeste koppen op en haar vergif is altijd klaar om den vluggen
-indringer te treffen, die het wagen zou te trachten er voorbij te komen.
-Trouw waakt zij, want in het huis van Nacht en Duisternis woont Khepera,
-de groote Ziel van het Heelal, wiens zinnebeeld is de kever, de god van
-de opstanding.
-
-In de gedaante van een kever wacht hij op de komst van Ra en hij vliegt
-op de Boot en wacht daar den tijd af, wanneer hij den god tot het Leven
-terug zal brengen. En nu dringt er door de diepe duisternis langs den
-nauwen doorgang een lichtstraal; de Morgenster staat bij de poort om de
-Boot verder te geleiden: want in het donkerst van den nacht ligt een
-belofte van den komenden dag.
-
-Langzaam glijdt de Boot van Ra voort door de Duat, door streken van
-diepe duisternis, schrik en afgrijzen, naar de plaats, waar de
-afschuwelijke Apep ligt te wachten op de komst van Ra.
-
-Zoo gaat het vijfde uur van den nacht voorbij en het zesde uur is nabij.
-Dan maakt de godin van het vijfde uur plaats voor de godin van het zesde
-uur en zij roept luid den naam van den Wachter aan de poort. Wijd worden
-de deuren opengeworpen en de Boot van Ra gaat er door, "Afgrond der
-wateren" is de naam van het zesde gebied van de Duat en Osiris voert er
-heerschappij, Osiris, de groote God, Heer van de stad Daddu, de levende
-Koning, de Schepper der menschen, der dieren en van de groene planten,
-die op aarde groeien, Osiris, voor wien alle menschen buigen vol lof en
-aanbidding.
-
-De rivier komt weer uit het zand te voorschijn en de Boot drijft op haar
-wateren en zij, die er in zitten, verheugen zich, want de uren van den
-nacht gaan voorbij. Op de oevers van de rivier bevinden zich de groote
-gedaanten der goden, geheimzinnig en wonderbaarlijk; negen
-koningsscepters staan daar ook en een monsterachtige leeuw doemt op uit
-de duisternis, zwak beschenen door het licht, dat de Boot van Ra
-uitstraalt. Drie tempels staan er bij de rivier, en een slang, die vuur
-ademt, bewaakt ze. Geheimzinnig en vreemd zijn de dingen, die zich in de
-heiligdommen bevinden en den mensch is het niet gegeven de beteekenis er
-van te vatten; in het eene is een menschenhoofd, in een ander de vleugel
-van een vogel, in het derde het achterste gedeelte van een leeuw. Hier
-woont ook de groote opgerolde slang met vijf koppen en in haar kronkels
-ligt Khepera, de god van de opstanding. Op zijn hoofd plaatst hij den
-kever, onder zijn voeten is het teeken des vleesches; zoo brengt hij het
-Leven in de dooden en zoo zal hij Ra weer in het leven terugroepen. Want
-dit is het meest verwijderde punt van de Duat en achter de poort ligt de
-weg naar den zonsopgang.
-
-Langzaam vaart de Boot van Ra door de Duat, door streken van diepe
-duisternis, van schrik en afgrijzen, waar de afschuwelijke Apep ligt te
-wachten op de komst van Ra. Zoo gaat het zesde uur van den nacht voorbij
-en het zevende uur is nabij. Dan maakt de godin van het zesde uur plaats
-voor de godin van het zevende uur en zij roept luid den naam van den
-Wachter aan de poort. Wijd worden de deuren opengeworpen en de Boot van
-Ra vaart er door.
-
-"Geheime spelonk" is de naam van het zevende gebied van de Duat. Vol
-gevaar en nood is het, want de afschuwelijke Apep woont in dit land. Als
-een groote en monsterachtige slang ziet hij er uit; met wijd-open mond
-verzwelgt hij de wateren van de rivier, opdat de Boot zal vergaan en Ra
-zal omkomen. Dan zou de aarde toebehooren aan de machten der duisternis
-en kwaad en boosheid zouden de goden overwinnen. Maar op den voorsteven
-van de Boot staat Isis, de groote toovenares, wier tooverkunst niemand
-kan weerstaan. Isis, de grootste der godinnen, zij, die de dooden kan
-opwekken en aan wie alle menschen liefde en eerbied bewijzen. Met de
-armen uitgestrekt, spreekt zij de Machtswoorden uit, luid roepend over
-de donkere rivier.
-
-Om het lichaam van Ra slaat de slang Mehen haar beschermende kronkels,
-want nu is de tijd van het gevaar gekomen.
-
-Op een zandbank midden in de rivier ligt de afschuwelijke Apep.
-Vierhonderd vijftig cubiet is de zandbank lang; de kronkels van Apep
-bedekken ze zoodanig, dat er niets te zien is dan de rivier er om heen.
-Luid sist en brult hij en de Duat wordt vervuld met den donder van zijn
-stem, doch Isis deinst niet terug, noch houdt zij op met haar
-tooverformules te reciteeren en met de tooverachtige bewegingen, die zij
-maakt met haar handen. Haar tooverspreuken overwinnen en de
-afschuwelijke Apep ligt hulpeloos op het zand. Dan springen Selk en
-Her-desuf van de Boot van Ra en binden hem met touwen vast en met
-scherpe messen steken zij in zijn vleesch, hopend hem te vernietigen.
-Maar Apep is onsterfelijk en iederen nacht wacht hij om de Boot van Ra
-aan te vallen.
-
-Toch houden Selk en Her-desuf hem vast, terwijl de Boot haar weg
-vervolgt langs de groote zandbanken, waar hij wringt en draait en
-worstelt om vrij te komen, maar de touwen zijn sterk en de messen zijn
-scherp en zijn pogingen zijn vergeefsch.
-
-Voort gaat de Boot naar de begraafplaatsen der goden. Deze staan bij de
-rivier; hooge bergen zand zijn het, op elken berg staat een gebouw en op
-elken hoek bespiedt het hoofd van een man het voorbijgaan van Ra. Zacht
-glijdt de Boot van Ra voort door de Duat, voortgaand door de duisternis
-tot den zonsopgang en den dag. Zoo gaat het zevende uur van den nacht
-voorbij en het achtste uur is nabij. Dan maakt de godin van het zevende
-uur plaats voor de godin van het achtste uur en zij roept luid den naam
-van den Wachter aan de poort.
-
-Wijd worden de deuren opengeworpen en de Boot van Ra vaart er door.
-
-"Sarcophaag der goden" is de naam van het achtste gebied van de Duat,
-want hier wonen de doode goden. Dood en begraven zijn zij, gebalsemd en
-gezwachteld, zooals de menschen de dooden op aarde balsemen en
-zwachtelen. Zij roepen luid heilgroeten tot Ra, als hij voorbij vaart,
-roepend tot hem door de uitgestrekte ruimte, maar zoo ver zijn zij weg,
-dat het geluid van hun stemmen klinkt als het gebrul van wilde stieren,
-als de kreet van roofvogels, als het geklaag van rouwdragers, als het
-gezoem van bijen. Vóór de Boot gaan negen Volgelingen van de Goden;
-vreemd zijn hun gedaanten, geheimzinnig en wonderlijk, aan niets gelijk,
-dat op aarde is. Voor hen uit loopen de vier zielen van Tatanen in de
-gedaante van rammen, groot en vurig, met wijd uitgespreide en scherp
-gepunte horens. De eerste is gekroond met hoog opstaande pluimen, de
-tweede met de Roode kroon van het Noordelijke Land, de derde met de
-Witte Kroon van het Zuidelijke Land, de vierde met de schitterende
-zonneschijf. Oud is Tatanen, bewoner van Memphis, waar de woning van
-Ptah is aan den zuidkant van den muur. Zacht glijdt de Boot van Ra voort
-door de Duat, gaande door de duisternis naar den zonsopgang en den dag.
-Zoo gaat het achtste uur van den nacht voorbij en het negende uur is
-nabij. Dan maakt de godin van het achtste uur plaats voor de godin van
-het negende uur, en zij roept luid den naam van den Wachter aan de
-poort. Wijd worden de deuren opengeworpen en de Boot van Ra gaat er
-door.
-
-"Processie van beelden" is de naam van het negende gebied van de Duat.
-Vol en sterk stroomt de rivier en de Boot wordt voortgedragen op den
-bruisenden stroom. Twaalf sterregoden bewaken de Boot, met roeiriemen in
-hun handen, gereed om de Boot in geval van nood te helpen.
-
-In dit land heerscht geen diepe duisternis, want twaalf groote gekamde
-slangen liggen opgerold op den oever en de adem van hun mond is vuur en
-vlam, stralend op het donkere water en op hen, die in de Duat wonen.
-Drie sloepen drijven op de donkere rivier; vreemd is de vorm van deze
-sloepen, niet als de booten der menschen; en de schimachtige gedaanten
-er in, zien er uit als een koe, een ram en de ziel van een mensch. Van
-hen ontvangen de bewoners van dit land de offeranden, die hun gebracht
-worden op aarde. Dan beginnen de sterregoden te zingen; en de twaalf
-godinnen en de wevende goden en de bewoners van dit land zingen den roem
-en de eer van Ra, prijzend den Heer van de Boot, de Schepper van hemel
-en aarde. Met vreugde en gezang volgen zij den voorgeschreven weg.
-
-Voorwaarts glijdt de Boot van Ra door de Duat, voortreizend naar den
-zonsopgang en het licht van den vollen dag. Zoo gaat het negende uur van
-den nacht voorbij en het tiende uur is nabij. Dan maakt de godin van het
-negende uur plaats voor de godin van het tiende uur en zij roept luid
-den naam van den Wachter bij de poort. Wijd worden de deuren
-opengeworpen en de Boot van Ra gaat er door.
-
-"Afgrond der Wateren, hoog van oevers" is de naam van het tiende gebied
-van den Duat en de heerscher ervan is Ra. De bewoners van dit land komen
-hun koning tegemoet, als hij voorbijgaat op de wassende rivier. Diep en
-vol en sterk stroomt het water en de Boot wordt voortgedragen op den
-bruisenden stroom. Goddelijke krijgslieden, gewapend met blinkende
-oorlogswapens vormen een lijfwacht voor hun koning, licht straalt van
-hun aangezichten, als het licht van de zon. Aan den oever der rivier
-zitten vier godinnen; zij werpen lichtstralen uit in de duisternis,
-aldus den weg van Ra verlichtend op de donkere rivier. Voor de Boot van
-Ra beweegt zich de Morgenster in de gedaante van een tweehoofdige slang,
-die op beenen loopt, en op haar hoofd bevinden zich de kronen van het
-Zuidelijke Land en het Noordelijke Land; tusschen haar kronkels bevindt
-zich de groote sperwer uit de lucht; Leider van den Hemel is haar naam,
-want de sterren van den hemel volgen haar, maar de menschen noemen haar
-Hesper en ook wel Lucifer. In de sloep op den stroom bevindt zich een
-slang; Leven der Aarde wordt zij genoemd en zij waakt in de Duat tegen
-de vijanden van Ra.
-
-Dit is het grootste van alle gebieden van de Duat, want in dit rijk van
-wonderen en mysteriën verbindt Khepera zich met Ra en Ra zelf wordt
-opnieuw geschapen. Toch blijft het doode lichaam van Ra in de Boot; maar
-zijn ziel wordt vereenigd met de ziel van Khepera.
-
-Voorwaarts gaat de Boot van Ra door de Duat, reizend naar den zonsopgang
-en het licht van den vollen dag. Zoo gaat het tiende uur van den nacht
-voorbij en het elfde uur is nabij. Dan maakt de godin van het tiende uur
-plaats voor de godin van het elfde uur en zij roept luid den naam van
-den Wachter aan de poort. Wijd worden de deuren opengeworpen en de Boot
-van Ra vaart er door.
-
-"Opening van de spelonk", is de naam van het elfde gebied van de Duat en
-Ra is er heerscher. Zeer veel is de rivier gevallen en traag stroomt ze
-voort; de Boot wordt voortgetrokken door de goden; niet met touwen
-trekken zij haar voort, maar met het lichaam van de groote slang Mehen,
-den beschermer van Ra. Op den boeg van de Boot staat een vurige ster,
-maar haar licht is niet rooder dan de vreemde en felle gloed, die dit
-land vervult; vreeselijk rood is het en de aanblik er van jaagt schrik
-en ontzetting aan. Dit is het gebied, dat gevreesd wordt door de
-boosdoeners, want hun straf wacht hen hier. Heinde en ver zijn
-vuurpoelen; godinnen, wier adem vuur is, bewaken de poelen, in haar
-handen vlammende zwaarden houdend. Met haar messen martelen zij de
-boozen en werpen hen in de vuurpoelen, waar zij volkomen vernietigd
-worden. Horus staat er bij en aanschouwt hun kwellingen, want deze zijn
-de vijanden van Osiris en van Ra, de boosdoeners op aarde en lasteraars
-van de goden. Geen hulp kan hen bereiken, geen ontkomen is mogelijk,
-door hun eigen daden zijn ze gedoemd tot het zwaard en het vuur. En de
-rook en het vuur van hun marteling stijgen op in de Duat.
-
-Aan den anderen kant van de rivier bevinden zich de sterren; Shedu is er
-in de gedaante van een slang, scharlaken en rood is hij en de sterren,
-die zijn lichaam vormen, zijn tien in getal. Dan is er ook een
-geheimzinnige en wonderlijke gedaante te zien; als een gevleugelde slang
-met pooten ziet zij er uit en tusschen de vleugels ziet men de
-schimachtige gedaante van een man. De menschen noemen hem Atmu, bewoner
-van Heliopolis; oud is Atmu, ouder dan Ra zelf; en hij zendt de zachte
-briesjes van den Noordewind naar het land Egypte. Aan weerszijden van
-hem schijnen de Oogen van Horus flauw in het zwakke en bleeke licht. En
-nu steekt de morgenwind op; liefelijk en zacht is hij, maar met hem komt
-de belofte van den dag.
-
-Voorwaarts glijdt de Boot van Ra door de Duat, reizend naar den
-zonsopgang en het licht van den vollen dag. Zoo gaat het elfde uur
-voorbij en het twaalfde uur en de dageraad zijn nabij. Dan maakt de
-godin van het elfde uur plaats voor de godin van het twaalfde uur en zij
-roept luid den naam van den Wachter aan de poort. Wijd worden de deuren
-opengeworpen en de Boot van Ra vaart er door. "De duisternis is geweken
-en geboortes hebben plaats" is de naam van het twaalfde gebied van de
-Duat. Op den voorsteven van de Boot zit de groote kever van Khepera,
-gereed om bij de gedaanteverwisseling van Ra te helpen, voordat hij het
-eind van de Duat bereikt. Dit twaalfde gebied van de Duat is niet gelijk
-aan de andere streken, want het is omsloten door het lichaam van een
-groote en monsterachtige slang. "Leven van de Goden", is haar naam, en
-door dit groote en kolossale lichaam reist de Boot der Millioenen Jaren.
-Twaalf van de aanbidders van Ra vatten de touwen en sleepen de Boot
-verder, en hier in het lichaam van de slang wordt Ra veranderd in
-Khepera en wordt weer levend, want nu is de reis door de Duat bijna
-volbracht. Bij den mond van de slang staan twaalf godinnen; aan deze
-geven de Aanbidders van Ra de sleeptouwen over en zij trekken de Boot
-naar den oostelijken horizon van den hemel. En nu wordt het doode
-lichaam van Ra uit de Boot geworpen, zooals het kaf wordt weggeworpen,
-wanneer het graan gezift is, want de ziel en het leven van Ra zijn in de
-kever van Khepera, en de gedaanteverwisselingen van Ra zijn voltooid.
-
-Met geschreeuw en gezang, met vreugde en blijdschap komt de Boot van Ra
-te voorschijn uit de Duat. Prachtig is de Manzet Boot, zooals zij
-voortspoedt naar den zonsopgang. Werp wijd, wijd open de deuren en laat
-den dag binnen.
-
-Tusschen de sycomores van turkoois komt de Boot van Ra te voorschijn en
-de berg Bakhu gloeit van licht. De slang, de bewaker van de Groote
-Groene Wateren ziet Ra in al zijn heerlijkheid aan den oostelijken
-horizon van den hemel en zijn stralen schitteren op haar opperhuid.
-
-Heerlijk is de Manzet Boot, gedragen door de rivier, stralend in de
-pracht en het licht van den vollen dag. In het schuim aan den boeg van
-de Boot dartelt de Abtu-visch, voortschietend door het glinsterende
-schuim en de Ant-visch wordt gezien in den draaikolk van turkoois. Van
-de aarde rijst een juichtoon op, want alle schepselen prijzen Ra bij
-zijn komst.
-
-Heil u, o Ra, bij uwe komst; de nacht en de duisternis zijn voorbij. Bij
-het krieken van den dag schijnt gij, de hemelen zijn vervult met uw
-licht. Koning der Goden zijt gij, alle heerlijkheid en triomf zijn van
-u. De Goden komen als honden aan uw voeten, u met vreugde begroetend in
-den morgenstond. Heil u, o Ra, bij uw komst; als gij opkomt, zijn alle
-menschen blijde. Vol vreugde komt gij 's morgens, vol roem regeert gij
-de wereld. De sterren der hemelen aanbidden u, Heer der Hemelen zijt
-gij. Heil u, o Ra, bij uw opkomst! Niemand kan uw heerlijkheid
-uitdrukken. Heer van alle Wijsheid en Waarheid. De zielen van het Oosten
-dienen u, de zielen van het Westen zijn uw dienaren, het Noorden en het
-Zuiden aanbidden u. Gij wordt aangebeden, onze Heerscher, door hen, die
-gij hebt geschapen. Gij komt op aan 's hemels horizon gij doet het
-menschdom zich verblijden. Heil u, o Ra, bij uw komst, bij uw komst in
-schoonheid, o Ra.
-
-
-
- * * * * *
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN.
-
-I. DE PRINSES EN DE DEMON.
-
-
-Uitgegeven door Prisse d'Avennes,
-Monuments Egyptiens, pl. XXIV.
-Vertaald door Wiedeman, Religion
-of the Ancient Egyptians, p. 275.
-
-Dit verhaal is gebeiteld in een zandsteenen tablet, dat gevonden is door
-Champollion in den tempel van Khonsu te Thebe en zich nu in de
-"Bibliothèque Nationale" te Parijs bevindt. Er zijn acht-en-twintig
-horizontale regels schrift en boven deze bevindt zich een afbeelding van
-twee booten van Khonsu, gedragen op de schouders van priesters, terwijl
-de koning wierook voor hen offert.
-
-Toen het verhaal het eerst vertaald werd, werd er verondersteld, dat het
-op waarheid gegrond was, maar nu wordt het gewoonlijk beschouwd als een
-volksverhaal, dat bijdraagt tot het geloof aan Khonsu en tot zijn roem
-en waarvan daarom door de priesters van dien god gebruik wordt gemaakt.
-De koning, die er in genoemd wordt, kan niet geïdentificeerd worden met
-één van de historische monarchen uit Egypte, hoewel zijn persoonlijke
-naam, Ramses, voldoende bekend is onder de heerschers van de XX^{ste}
-dynastie.
-
-
-
-
-II. DE DROOM VAN DEN KONING.
-
-
-Uitgegeven door Lepsius, Denkmaler,
-III, 68.
-Vertaald door Breasted, Ancient
-Records, II, 810-815.
-
-Het opschrift is gebeiteld op een rond-toeloopende stèle van rood
-graniet, van viertien voet hoog, die staat in den kleinen tempel, die
-ligt tusschen de voorpooten van de Groote Sphinx.
-
-De tempel werd in 1817 uitgegraven door Kapitein Caviglia. Hij vormt het
-eind van een processie-weg, die naar beneden voert langs geplaveide
-wegen en trappen van den rand der woestijn af naar het heiligdom (zie
-Vyse, Pyramids of Gizeh, III, 107). De kleine tempel is slechts tien
-voet lang en vijf breed en aan het verste eind, met den achterkant naar
-de borst van de Sphinx gekeerd, staat deze stèle (grafzerk).
-
-Boven het opschrift, dat in horizontale regels geschreven is, staat een
-afbeelding, links en rechts herhaald, van den koning, die water plengt
-en wierook brandt voor het beeld van eene Sphinx, liggende op een pylone
-of altaar. De benedenste helft van de stèle is zoo beschadigd, dat het
-opschrift of vernield of onleesbaar is.
-
-Het opschrift bedoelt te zijn uit den tijd van Thotmes IV, een koning
-van de XVIII^{ste} dynastie, ongeveer 1400 v.C., opgericht door dien
-monarch als een dankoffer.
-
-Maar uit de taal, waarin het opschrift is gesteld, blijkt duidelijk, dat
-het uit een veel lateren tijd moet zijn; Erman rekent, dat het dateert
-uit een periode tusschen de XXIII^{de} en XXIV^{ste} dynastie. Het kan
-echter ook een nieuwe weergave van een vroeger verhaal zijn, hoewel van
-het vroeger opschrift niets is overgebleven.
-
-
- * * * * *
-
-
-III. DE KOMST VAN DE GROOTE KONINGIN.
-
-
-Uitgegeven door Naville, Dier el
-Bahari, II, pls. XLVI-LI (met vertaling).
-Vertaald door Breasted, Ancient
-Records, II, 187-220.
-
-De inscriptie, met de afbeeldingen, die ze illustreeren, zijn
-uitgehouwen in de muren van den tempel van Dier el Bahari, aan den
-noordkant van den overgebleven muur van de bovenste verdieping.
-
-Het groote gebouw, in den nieuwen tijd bekend als de tempel van Deir el
-Bahari, werd opgericht door Koningin Hatshepsnut van de XVIII^{de}
-dynastie, ongeveer 1500 v.C, om te dienen voor twee dingen, nl. voor
-haar eigen doodendienst en voor de aanbidding van de godin Hathor. De
-voornaamste gebeurtenissen uit de regeering van de Koningin zijn in de
-muren gebeiteld; het verhaal van haar goddelijke afstamming neemt
-natuurlijk een voorname plaats in. De inscriptie's in den tempel werden
-vernield en vroeger gerestaureerd, daarom is er veel van het verhaal
-verloren gegaan. Gelukkig echter versierde Amenhotep III, een koning van
-dezelfde dynastie, bijna meer dan een eeuw later dan Hatshepsut, zijn
-tempel van Luksor met gelijksoortige afbeeldingen en inscriptie's,
-betrekking hebbend op zijn eigen goddelijke afstamming, terwijl hij
-natuurlijk de namen van moeder en kind veranderde en eenige weinig
-belangrijke veranderingen in de opschriften maakte. Door middel van dit
-latere voorbeeld is het geheele vroegere verhaal duidelijk gemaakt.
-
-De witte zuilenrijen van den tempel van Hatshepsut, tegen een
-achtergrond van donkere rotsen, vormen een der meest treffende tooneelen
-in het dal van den Nijl. De tempel werd eens gebruik als een Koptisch
-dorp; vandaar zijn moderne naam van Deir el Bahari, het Noordelijk
-Klooster.
-
-Hij is niet lang geleden opgegraven en gerestaureerd door Dr. Naville
-voor het Egyptische Exploratiefonds.
-
-
-
-
-IV. HET BOEK VAN THOT.
-
-Uitgegeven door Spiegelberg, Demotische
-Papyrus (Kairo Catalogus).
-Vertaald door Petrie, Egyptian
-Tales, II, 89.
-
-Deze geschiedenis is geschreven in het Demotisch op een papyrus, die
-gevonden is te Thebe in het graf van een Koptischen monnik. Ze lag
-tusschen andere papyrussen, die in het Hieratisch en in het Koptisch
-geschreven waren, in een houten kist en bevindt zich nu in het
-Kairo-Museum. Het Demotisch is het schrift, waarin de laatste vorm van
-de Egyptische taal was geschreven; het vroegste voorbeeld, dat er van
-overgebleven is, is uit de regeering van Shabaka van de XXV^{ste}
-dynastie, ongeveer 715 v.C.; het bleef in gebruik tot de Romeinsche
-tijden, toen het vervangen werd door het Grieksche alphabet.
-
-De papyrus is uit het Ptolemeïsche tijdperk, maar de tijd is niet
-nauwkeurig bekend, daar de datum en plaats aan het eind gedeeltelijk
-onleesbaar zijn. Het jaar 15 alleen is zichtbaar, wat echter niet
-voldoende is om aan te duiden, onder welken koning het geschreven is. De
-legende, die in dit boek weergegeven is, is slechts een deel van een
-veel langer verhaal; het is inderdaad een geschiedenis in een
-geschiedenis, verteld door den "ka" van Ahura aan den hoogepriester van
-Memphis, toen hij zich waagde in het graf van Nefer-ka-ptah om het Boek
-van Thot te zoeken. Men zegt, dat het Boek van Thot slechts uit twee
-bladzijden bestaat; het moet dus een papyrus geweest zijn, die aan beide
-zijden beschreven was.
-
-
- * * * * *
-
-
-V. OSIRIS.
-
-Oorspronkelijk stuk: Plutarchus,
-De Iside et Osiride.
-Vertaald door: Mead, Thrice-greatest
-Hermes, I, 278.
-
-De verhandeling over Isis en Osiris werd door Plutarchus, zelf een
-ingewijde in de Osiris-mysteriën, geschreven aan een medeingewijde, eene
-vrouw, Klea genaamd. Dit werd in de tweede eeuw v.C. geschreven te
-Delphi. Het is het eenige samenhangende verhaal, dat er overgebleven is
-van den dood van Osiris en de omzwervingen van Isis. Ofschoon het van
-zoo laten datum is, heeft men gevonden, dat het over het geheel juist
-is, wanneer men het vergelijkt met de opschriften en beeldhouwwerken uit
-de tijden van de Pharao's.
-
-Het zoogenaamde Ritueel van Denderah is onze voornaamste bron voor de
-aanbidding van Osiris in de voornaamste tempel van Egypte bij
-gelegenheid van de feesten in de maand Khoiakh. Het Ritueel is gebeiteld
-op de muren van den tempel van Denderah en geeft lot in bijzonderheden
-de plechtigheden, die in gebruik zijn, weer, tot zelfs de afmeting en
-het materiaal van de symbolische voorstellingen. Het opschrift dateert
-uit het Ptolemeïsche tijdperk, maar het Ritueel is aanzienlijk veel
-ouder.
-
-"Mysterie-spelen" naar aanleiding van den dood van Osiris en van de
-overwinning van Horus op Set schijnen bij zekere groote gelegenheden
-gehouden te zijn in de voornaamste centra van godsdienst. De voornaamste
-rol was die van Horus, die in de hoofdstad werd vervuld door den Pharao
-zelf en in de provincies door de plaatselijke notabelen.
-
-
-
- * * * * *
-
-
-
-VI. DE SCHORPIOENEN VAN ISIS.
-
-Uitgegeven door Golénischeff, Metternichstele
-(met Duitsche vertaling).
-Vertaald door: Budge, Legends of
-the Gods, p. 157.
-
-Dit opschrift is gebeiteld op een rond-toeloopende stèle van marmer,
-geplaatst op een vierkant voetstuk. In het begin van de negentiende eeuw
-werd ze gevonden te Alexandrië en werd in 1828 door Mahomed Ali aan
-Prins Metternich ten geschenke gegeven. De voorzijde, de achterzijde en
-de zijkanten, zoowel van de stèle, als van het voetstuk, zijn bedekt met
-horizontale en vertikale regels schrift en met mythologische figuren. De
-stèle behoort tot een klasse van amuletische voorwerpen, die gewoonlijk
-Cippi van Horus genoemd worden; ze zijn beschreven met bezweringen tegen
-alle dieren "die bijten met hun mond of steken met hun staart". Deze
-stèle is de grootste Cippus van Horus, die bekend is. Op de voorzijde is
-in hoog-relief het beeld van Horus uitgehouwen, die voorgesteld wordt
-als een naakt kind, staande op twee krokodillen en een leeuw, een
-gazelle, schorpioenen en slangen in zijn handen houdend. Hij staat in
-een tempel, waar het hoofd van Bes op staat. Isis en Thot, de godinnen
-van het Zuiden en van het Noorden en andere mythologische figuren en
-zinnebeelden bevinden zich binnen in en buiten op den tempel. Boven deze
-voorstelling zijn horizontale registers, gevuld met figuren, die
-mogelijk tooneelen voorstellen uit legenden, die nu verloren gegaan
-zijn.
-
-De tekst, die de geschiedenis van de schorpioenen van Isis bewaart, is
-gegrift achter op het tablet, II 48-70. De stèle dateert ongeveer uit
-370 v.C. onder de regeering van Necta-nebo I, van de XXX^{ste} dynastie.
-
- * * * * *
-
-
-VII. HET ZWARTE ZWIJN.
-
-Uitgegeven door Naville. Das
-Aegyptische Todtenbuch, pl. CXXIV.
-Vertaald door Budge, Book of the
-Dead, ch. CXII.
-
-Het zoogenaamde Doodenboek is een verzameling teksten, die, geschreven
-op papyrussen of op doodkisten, gevonden zijn in de graven. Geen uitgave
-is er bekend, die alle stukken bevat; de volgorde is dus samengesteld
-door vergelijking met vele voorbeelden.
-
-De oude naam van deze teksten is: "Hoofdstukken over het Aanschouwen van
-het Levenslicht"; de moderne naam is: "Doodenboek", daar het
-klaarblijkelijk een handleiding is voor de behandeling van de dooden.
-Het bevat een serie gebeden, lofzangen, magische formulieren en
-toespelingen op mythologische verhalen, die men, naar men meende,
-noodzakelijk moest kennen om te ontsnappen aan de gevaren van het leven
-hiernamaals. Het is klaarblijkelijk zeer oud, want zelfs in de oudst
-bekende voorbeelden, de Pyramiden Teksten van de VI^{de} dynastie, is de
-tekst dikwijls zeer gebrekkig. De Pyramiden Teksten vertoonen sporen van
-zeer primitieve gebruiken en eerediensten, waarvan er vele verloren
-gegaan zijn in de latere vormen van het Doodenboek.
-
-De geschiedenis, die verhaald wordt onder de naam van het Zwarte Zwijn,
-heeft betrekking op een voorval in den oorlog tusschen Horus en Set en
-is nergens anders bekend. Waarschijnlijk waren er veel zulke legenden in
-omloop in het oude Egypte, maar weinig zijn er ongeschonden bewaard
-gebleven. Horus was de groote helden-god, en zooals bij de helden van
-andere landen het geval is, werden de legenden van andere kampioenen op
-hem overgedragen. Sommige van zijn heldendaden en avonturen schijnen zoo
-bekend te zijn geweest, dat een toespeling reeds voldoende was om ze den
-lezer in 't geheugen terug te roepen.
-
-Somtijds wordt er een kort en voor ons verward verhaal gegeven, zooals
-in hoofdstuk CXIII van het Doodenboek, waarin verteld wordt, hoe Horus
-zijn handen en armen, die hij verloren heeft in een moeras, terugkrijgt,
-op een manier, die den modernen lezer weinig zegt.
-
-Een groot aantal legenden zijn bewaard gebleven in magische papyrussen,
-maar zelfs onder deze is het aantal aanduidingen en toespelingen grooter
-dan het aantal complete legenden. Zoo staat er in de Demotische Papyrus
-te Londen en te Leiden een bezwering tegen koorts, die aldus begint:
-"Horus reed op een middag in het groene seizoen een heuvel op, gezeten
-op een wit paard. Hij treft de goden aan bij het eten en zij noodigen
-hem uit deel te nemen aan den maaltijd, maar hij weigert, omdat hij
-koorts heeft." Dit is alles, wat er gezegd wordt, maar het is
-klaarblijkelijk een zinspeling op een heel bekende geschiedenis.
-
-
- * * * * *
-
-
-VIII. DE GEVECHTEN VAN HORUS.
-
-Uitgegeven door Naville, Mythe
-d'Horus (met Fransche vertaling).
-Vertaald door Wiedemann, Religion
-of the Ancient Egyptians, p. 69.
-
-Het verhaal van den oorlog tusschen Horus en Set is gebeeldhouwd op den
-binnenkant aan de westzijde van den ringvormigen muur van den tempel van
-Edfu. De geheele tempel is gewijd aan Horus; ofschoon ongetwijfeld een
-vroegere stichting, dateert het tegenwoordige gebouw eerst uit het
-Ptolemeïsche tijdperk. Het werd begonnen door Ptolemeus III Euergetes I
-en er werden 180 jaren besteed aan het bouwen en decoreeren. De
-ringvormige muur, waarop deze voorstellingen en opschriften waren
-gebeeldhouwd, was gebouwd ongeveer 100 v.C., òf door Soter II òf door
-Alexander I.
-
-De tempel werd opgegraven door Mariette en van alle tempels in Egypte
-bevindt deze zich in den meest gaven toestand, want met uitzondering van
-de ergelijke verminking van de gezichten, waarschijnlijk door fanatieke
-Christenen, zijn gebouw en beeldhouwwerk ongeschouden gebleven, behalve
-door den tijd.
-
-Het opschrift schijnt in legendarischen vorm een vrij nauwkeurig verhaal
-te geven van gevechten tusschen stammen uit een zeer vroeg tijdperk.
-Ofschoon het tegenwoordige opschrift van later datum is, zijn er vele
-primitieve gedachten in bewaard gebleven, vooral in de lofliederen van
-de vrouwen aan Horus.
-
-"Eet het vleesch van den overwonneling, drink zijn bloed", is geen
-uiting van de beschaving uit de Ptolemeïsche tijden. Menschenoffers
-schijnen in Egypte in alle tijdperken gebracht te zijn. Offers voor den
-oogst werden er te Eleithyapolis (El Kab) verbrand. Amasis II van de
-XXVI^{ste} dynastie maakte een eind aan de menschenoffers te Heliopolis;
-Diodorus zegt, dat er roodharige mannen werden geofferd aan het graf van
-Osiris; daar de koning de geincarneerde Osiris was, zou dit beteekenen,
-dat er bij de koninklijke graven menschenoffers werden gebracht,
-waarschijnlijk bij de begrafenisceremoniën. Het Doodenboek zinspeelt ook
-voortdurend op menschenoffers.
-
-Te Edfu werd een altaar gevonden, dat besneden was met voorstellingen en
-offerandes, waarin menschelijke wezens de slachtoffers zijn. Men kent
-kleine beeldjes, rond gesneden, die den vorm hebben van gebonden
-gevangenen en waarschijnlijk de methode aantoonen van het binden van een
-slachtoffer; de beenen zijn gebogen bij de knieën en de voeten tegen de
-dijen gebogen; de armen zijn bij de ellebogen gebogen en stevig aan het
-lichaam gebonden. Dit is nu niet de gewone manier om een gevangene te
-binden, maar is een speciale manier, waarschijnlijk bestemd voor een
-menschelijk slachtoffer. De beelden stellen soms mannen, soms vrouwen
-voor. Naar de voorstellingen en tooneelen op den cirkelvormigen muur te
-oordeelen werd er een "mysteriespel" gespeeld in den tempel van Edfu,
-waar de Pharao de hoofdrol, die van Horus, vervulde. Het schijnt meer
-dan waarschijnlijk, dat in vroegere tijden Set of de Bondgenoot van Set,
-gespeeld werd door een menschelijk wezen, dat werkelijk gedurende de
-voorstelling gedood werd. Toen het gebruik van de menschenoffers begon
-uit te sterven, werd het menschelijk slachtoffer vervangen door een
-dier. Dit is het geval te Edfu, waar Set een hippopotamus genoemd wordt
-en voorgesteld wordt als een zwijn.
-
-
- * * * * *
-
-
-XI. HET BIER VAN HELIOPOLIS.
-
-Uitgegeven door: Léfébure, Tombeau
-de Sety I, pt. III, pls. 15-18
-(Annales du Musée Guimet, IX).
-Vertaald door: Wiedemann, Religion
-of the Ancient Egyptians, p. 62.
-Voor een beschrijving van het graf
-van Sety I (zie de Aanteekeningen
-over Legende XI).
-
-Deze geschiedenis is gebeiteld op de muren van een zijkamer op de hoogte
-van een van de binnengalerijen van het graf van Sety I (zaal XII van de
-gidsen). Op een van de muren is een voorstelling van een koe, die staat
-onder het met sterren bezaaide hemelgewelf. Dit is Nut, de hemelgodin;
-zij wordt gedragen op de opgeheven handen van den god Shu, en elk been
-wordt gedragen door twee goden; planeten en Zonneschepen gaan over haar
-lichaam.
-
-Het verband tusschen deze voorstelling en de legende is heel onzeker.
-Het verhaal komt alleen op deze eene plaats voor, maar iedere opgraver
-hoopt, dat hij eens een graf zal vinden, waar een volledig exemplaar van
-de geschiedenis op de muren gebeeldhouwd is.
-
- * * * * *
-
-
-
-
-X. DE NAAM VAN RA.
-
-Uitgegeven door: Pleyte en Rossi,
-Papyrus de Turin, pls. 31, 77, 131-138.
-Vertaald door: Wiedemann, Religion
-of the Ancient Egyptians, p. 54.
-
-Dit verhaal is gevonden op een Hieratische papyrus van de XX^{ste}
-dynastie (ongeveer 1200-1100 v.C.) Ze is aan beide zijden beschreven;
-het handschrift van den eenen kant verschilt met het handschrift aan den
-anderen kant, waaruit men kan opmaken, dat het werk van twee schrijvers
-is. Het geschrift is geschreven met zwarten inkt met uitzondering van
-sommige zinnen, die met rooden inkt geschreven zijn. Hieratisch is het
-loopende schrift, dat afgeleid is van de hieroglyphen; het vroegste
-voorbeeld komt voor in de eerste dynastie; het werd in het laatste
-tijdperk van de Egyptische geschiedenis vervangen door het Demotisch.
-
-Deze papyrus is niet heelemaal volledig, maar het gedeelte, dat de
-legende bevat, is gelukkig onbeschadigd. De inhoud bestaat uit
-tooverformulieren tegen slangenbeten. Wanneer de toovenaar genezen wilde
-door tooverkunst, reciteerde hij een gebeurtenis uit het leven van de
-een of andere godheid, die aan de zelfde ziekte leed als de
-mensch-patiënt, die genezing zocht. De woorden, die den goddelijken
-patiënt genazen, zouden ook den menschelijken zieke genezen. Dezelfde
-gedachte komt voor in de legende van de Schorpioenen van Isis.
-
- * * * * *
-
-
-
-
-XI. DE STREKEN, WAAR NACHT EN DIEPE DUISTERNIS HEERSCHEN.
-
-Uitgegeven door: Léfébure, Tombeau
-de Seti I (Annales du Musée
-Guimet, IX).
-Vertaald door: Jéquier, Livre de
-ce qu'il y a dans l'Hadès, Budge,
-Egyptians Heaven and Hell.
-
-De beschrijving van de Reis van Ra door de Andere Wereld is gebeeldhouwd
-op de muren van het graf van Seti I te Thebe. Dit is het groote graf,
-dat door Belzoni in October 1817 ontdekt werd. De lengte is 330 voet en
-het bestaat uit lange gangen, zuilenhallen en zijkamers, uitgehouwen in
-de vaste rots. Het Boek van Am-Duat is gebeiteld in de muren van gang
-III, zalen V, VI en X en zijkamers XI en XIII. Er zijn slechts elf uren
-gegeven, het twaalfde uur, ofschoon het dikwijls gevonden wordt op
-papyrus, is zelden gebeiteld.
-
-Er zijn twee lezingen van de reis van de Zon door de Duat. De eene werd
-door de Egyptenaren zelve het Boek van dat, wat in de Andere Wereld (Am
-Duat) is, genoemd, maar nu heet het het Boek der Poorten, want hierin
-zijn de poorten belangrijker, dan de gebieden, die zij verdeelen. (Voor
-een vergelijking van de twee boeken, zie Budge, Egyptian Heaven and
-Hell). Het Boek der Poorten is zeldzamer dan het Boek van Am Duat, en
-men vindt het gebeiteld op sarcophagen; het mooiste voorbeeld is de
-sarcophaag van alabaster van Seti I, die zich nu in het Soane Museum te
-Londen bevindt.
-
-Het Boek van Am Duat wordt zoowel aangetroffen op papyrussen als op
-grafmuren; het oudste voorbeeld van het laatste is het graf van
-Amenhotep II van de XVIII^{ste} dynastie. Het is een compilatie door de
-theologen uit dat tijdperk, een poging om verschillende duidelijke
-denkbeelden over de andere wereld en het leven hiernamaals tot een
-samenhangend geheel te vereenigen. Het vierde en vijfde gebied van de
-Duat is klaarblijkelijk een koninkrijk, bestuurd door den god Sokar, den
-Memphischen doodengod. Daar Memphis een zeer belangrijk godsdienstig
-centrum is, moest zijn doodengod en zijn koninkrijk opgenomen worden in
-de Duat van Ra, ten spijt van het feit, dat het een waterlooze woestijn
-was en dat het eindigde met de Morgenster. Het was een gebied, geheel
-verschillend van elk ander koninkrijk van het hiernamaals; geen rivier
-stroomde er door; het werd noch door goden, noch door geesten bewoond,
-doch door verbazend groote en afschuwelijke reptielen. Het vernuft van
-de schrijvers van dit Boek om de Boot van Ra in een slang te veranderen,
-die het zonder de rivier kon doen en over het zand kon glijden, is zeker
-merkwaardig.
-
-Er verschijnt ook nog een Morgenster in het tiende uur en de morgenbries
-schijnt door de godinnen in het elfde uur gevoeld te worden, want zij
-heffen haar handen op om haar gezichten er mee te bedekken.
-
-Budge (Egyptian Heaven and Hell) spreekt er ook van, dat de Egyptenaren
-de roode morgenwolkjes beschouwden als zijnde gekleurd door de
-weerkaatsing van de vuurpoelen.
-
-Deze aanduidingen van het feit, dat de morgen op de verkeerde plaats
-verscheen, geven duidelijk te kennen, dat het boek een meer of minder
-onhandige compilatie is. Het eerste uur schijnt er bijgevoegd te zijn
-ten einde een goed begin te krijgen aan het verhaal. In het laatste uur
-worden klaarblijkelijk tevens verschillende opvattingen vereenigd. Het
-meest oude denkbeeld met betrekking tot den zonsopgang was, dat de Zon
-elken morgen opnieuw geboren werd uit de Hemelgodin Nut. Deze theorie
-past niet bij het dogma van de nachtelijke reis van de Zon door de
-Andere Wereld in een Boot; daarom wordt het laatste uur voorgesteld als
-een donkere en pijnlijke tocht, die de schoot van de godin symboliseert.
-De geboorte van de Zon was de meest belangrijke gebeurtenis van den dag
-voor zijn aanbidders; bijgevolg wordt het verhaal van het laatste uur
-dikwijls gevonden op papyrussen, die begraven zijn in de graven.
-
-Men veronderstelde algemeen, dat de Duat of Andere Wereld het gebied
-was, dat lag ten noorden van Egypte: de delta voor de Egyptenaren van
-het Zuiden, de Middellandsche Zee en zijn eilanden voor het delta-volk.
-
-De Egyptenaren hadden een afkorting of verkorte inhoud van dit lange
-verhaal van Ra's nachtelijke reis. Zij werd altijd beschreven op papyrus
-in vertikale kolommen, waarin alle tooneelen en lange toespraken
-weggelaten waren.
-
-Zij geeft den naam van elke poort en elk gebied en van de goden van
-ieder uur; soms, ofschoon niet altijd, de namen van de goden, die in de
-verschillende gebieden wonen; en altijd de tooverwoorden, die Ra spreekt
-tot de bewoners van elk land. Gelukkige uitkomsten hier en hiernamaals
-worden er beloofd aan allen, die de woorden en voorstellingen door en
-door kennen.
-
-Het loflied aan Ra is een paraphrase van lofliederen, die nu nog
-bestaan.
-
-
-
-
-LIJST VAN DE NAMEN DER GODEN.
-
-
-Abtu-visch. Een mythologische visch, die de Boot van Ra bij zonsopgang
-vergezelt.
-
-Ament. Het mythische dier, dat de harten der boozen verslindt bij het
-Oordeel van Osiris.
-
-Amon. God van Thebe. Gedurende en na de XVIII^{ste} dynastie werd hij de
-opperste godheid van Egypte onder den naam van Amon-Ra.
-
-Ant-visch. Een mythologische visch, die de Boot van Ra vergezelt bij
-zonsopgang.
-
-Anubis. Een godheid met het hoofd van een jakhals, die het oppertoezicht
-had bij het balsemen der dooden. Men zeide, dat hij de onwettige zoon
-was van Osiris en Nephthys, en dat hij in de gedaante van een hond Isis
-beschermd had gedurende haar omzwervingen.
-
-Apep. De vijand van Ra in de Duat.
-
-Astarte. Een Syrische godin, wier naam soms gevonden wordt in Egyptische
-opschriften.
-
-Atmu. Een oude naam van de zonne-godheid, die vereerd werd te
-Heliopolis. In latere tijden de naam van de ondergaande zon.
-
-Bes. Een gehoornde dwerg met kromme beenen. De God van de muziek en het
-vermaak en de beschermer der kinderen. Mogelijk ook een god der
-geboorte.
-
-Besa. Een korengeest.
-
-Geb. De aard-god, vader van Osiris.
-
-Harmachis. Horus aan den Horizon, d.i. de zon bij het op- en ondergaan.
-
-Harpocrates. Horus, het Kind, de zoon van Isis en van Osiris.
-
-Hathor. De Godin van de liefde en de schoonheid; dikwijls
-geïdentificeerd met al de andere godinnen, Sekhmet inbegrepen.
-
-Hekt. De kikvorsch-hoofdige godin van de geboorte.
-
-Her-desuf. Een gedaante van Horus.
-
-Horakhti. De Horizon-Horus. De zelfde als Harmachis.
-
-Horus. De sperwer-hoofdige god is, eigenlijk gezegd, de broeder van Isis
-en Osiris; maar wordt steeds verwisseld met Horus, het Kind en wordt de
-Wreker of Beschermer van zijn Vader genoemd.
-
-Isis. De grootste der godinnen, de vrouw van Osiris en de moeder van
-Harpocrates.
-
-Khepera. De opgaande zon, de god der opstanding.
-
-Khnum. De ramhoofdige god van de Katarakt, die de menschen maakt op het
-pottebakkerswiel.
-
-Khonsu. De maan-god te Thebe.
-
-Mehen. De slang, die Ra beschermt in de Duat.
-
-Mentu. De God van den oorlog.
-
-Meskhent. Godin van de geboorte.
-
-Min. Vader van goden en menschen. God van Koptos.
-
-Neit. Godin van Saïs. Door de Grieken geïdentificeerd met Athene.
-
-Nekhbet. De gier-godin van Opper-Egypte.
-
-Nephthys. Zuster van Isis en Osiris.
-
-Nepra. Een koren-geest.
-
-Nun. God van de voorwereldlijke wateren.
-
-Osiris. Een der voornaamste goden van Egypte. Vermoord en aan stukken
-gescheurd door zijn broeder Set, weer in het leven teruggeroepen door
-Isis en Horus.
-
-Ra. De Zonnegod, een van de voornaamste goden van Egypte. Heliopolis was
-het voornaamste middelpunt van zijn aanbidding.
-
-Sekhmet. De leeuwin-hoofdige godin van Memphis.
-
-Selk. De schorpioenen-godin.
-
-Set. De broeder en moordenaar van Osiris. Hij wordt in latere tijden
-beschouwd als de Schepper van het Kwaad.
-
-Shu. De Tweeling-broeder van Tefnut. Hij houdt den hemel op boven de
-aarde.
-
-Sokar. De sperwer-hoofdige god van de dooden. Wanneer hij vereenigd is
-met Ptah (Ptah-Sokar) verschijnt hij in den vorm van een wanstaltigen
-dwerg en wordt dan beschouwd als de god van de opstanding.
-
-Tatanen. Een vrij onbekend god, die gewoonlijk vereenigd wordt met Ptah
-van Memphis als Ptah-Tatanen.
-
-Ta-urt. De hippopotamus-godin van de geboorte.
-
-Tefnut. Leeuwin-hoofdig. Tweeling-zuster van Shu. De twee vormen het
-sterrebeeld Gemini.
-
-Tepu-yn Een korengeest.
-
-Thot De ibis-hoofdige god van alle wetenschap en tooverkunst.
-Hoofd-centrum van aanbidding is Khemennu of Hermopolis, nu Eshmunen
-genaamd.
-
-Uazet. Godin van Neder-Egypte.
-
-Up-uaut. De jakhals-god van Siut.
-
-
-
- * * * * *
-
-INHOUD.
-
- Pag.
-De Prinses en de Demon 5
-
-Aanteekeningen 103
-
-De Droom van den Koning 14
-
-Aanteekeningen 104
-
-De Komst van de Groote Koningin 18
-
-Aanteekeningen 105
-
-Het Boek van Thot 23
-
-Aanteekeningen 107
-
-Osiris 36
-
-Aanteekeningen 108
-
-De Schorpioenen van Isis 47
-
-Aanteekeningen 109
-
-Het Zwarte Zwijn 51
-
-Aanteekeningen 110
-
-De Gevechten van Horus 54
-
-Aanteekeningen 112
-
-Het Bier van Heliopolis 70
-
-Aanteekeningen 115
-
-De Naam van Ra 76
-
-Aanteekeningen 116
-
-De Streken, waar nacht en diepe
-duisternis heerschen 82
-
-Aanteekeningen 117
-
-van de Namen der Goden 121
-
- * * * * *
-
-
-
-
-
-
-End of Project Gutenberg's Oude Egyptische Legenden, by M. A. Murray
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OUDE EGYPTISCHE LEGENDEN ***
-
-***** This file should be named 15236-8.txt or 15236-8.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- https://www.gutenberg.org/1/5/2/3/15236/
-
-Produced by Jeroen Hellingman, Guido Royackers and the Online
-Distributed Proofreading Team.
-
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions
-will be renamed.
-
-Creating the works from public domain print editions means that no
-one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
-(and you!) can copy and distribute it in the United States without
-permission and without paying copyright royalties. Special rules,
-set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
-copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
-protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
-Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
-charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
-do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
-rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
-such as creation of derivative works, reports, performances and
-research. They may be modified and printed and given away--you may do
-practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
-subject to the trademark license, especially commercial
-redistribution.
-
-
-
-*** START: FULL LICENSE ***
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
-Gutenberg-tm License (available with this file or online at
-https://gutenberg.org/license).
-
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
-electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
-all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
-If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
-Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
-terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
-entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
-and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
-works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
-or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
-Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
-collection are in the public domain in the United States. If an
-individual work is in the public domain in the United States and you are
-located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
-copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
-works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
-are removed. Of course, we hope that you will support the Project
-Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
-freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
-this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
-the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
-keeping this work in the same format with its attached full Project
-Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
-a constant state of change. If you are outside the United States, check
-the laws of your country in addition to the terms of this agreement
-before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
-creating derivative works based on this work or any other Project
-Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
-the copyright status of any work in any country outside the United
-States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
-access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
-whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
-phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
-Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
-copied or distributed:
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
-from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
-posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
-and distributed to anyone in the United States without paying any fees
-or charges. If you are redistributing or providing access to a work
-with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
-work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
-through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
-Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
-1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
-terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
-to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
-permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
-word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
-distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
-"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
-posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
-you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
-copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
-request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
-form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
-License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
-that
-
-- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
- owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
- has agreed to donate royalties under this paragraph to the
- Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
- must be paid within 60 days following each date on which you
- prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
- returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
- sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
- address specified in Section 4, "Information about donations to
- the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
-
-- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or
- destroy all copies of the works possessed in a physical medium
- and discontinue all use of and all access to other copies of
- Project Gutenberg-tm works.
-
-- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
- money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days
- of receipt of the work.
-
-- You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
-electronic work or group of works on different terms than are set
-forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
-both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
-Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
-Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
-collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
-works, and the medium on which they may be stored, may contain
-"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
-corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
-property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
-computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
-your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium with
-your written explanation. The person or entity that provided you with
-the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
-refund. If you received the work electronically, the person or entity
-providing it to you may choose to give you a second opportunity to
-receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
-is also defective, you may demand a refund in writing without further
-opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
-WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
-WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
-If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
-law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
-interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
-the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
-provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
-with this agreement, and any volunteers associated with the production,
-promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
-harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
-that arise directly or indirectly from any of the following which you do
-or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
-work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
-Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
-
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of computers
-including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
-because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
-people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
-To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
-and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
-Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
-https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
-permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
-Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
-throughout numerous locations. Its business office is located at
-809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
-business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
-information can be found at the Foundation's web site and official
-page at https://pglaf.org
-
-For additional contact information:
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To
-SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
-particular state visit https://pglaf.org
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including including checks, online payments and credit card
-donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
-
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
-works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
-concept of a library of electronic works that could be freely shared
-with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
-Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
-
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
-unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
-keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
-
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
-
- https://www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.