diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:45:54 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:45:54 -0700 |
| commit | 3da32262e5300822ac5e1698120ed210a470f9f7 (patch) | |
| tree | eb3da6331df797ea168ae69f5bf806188d835f49 /15048-8.txt | |
Diffstat (limited to '15048-8.txt')
| -rw-r--r-- | 15048-8.txt | 6674 |
1 files changed, 6674 insertions, 0 deletions
diff --git a/15048-8.txt b/15048-8.txt new file mode 100644 index 0000000..59d59f5 --- /dev/null +++ b/15048-8.txt @@ -0,0 +1,6674 @@ +The Project Gutenberg EBook of Mijnheer Snepvangers, by Lode Baekelmans + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Mijnheer Snepvangers + +Author: Lode Baekelmans + +Release Date: February 14, 2005 [EBook #15048] + +Language: Dutch and Flemish + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK MIJNHEER SNEPVANGERS *** + + + + +Produced by Miranda van de Heijning, Guido Royackers and the Online +Distributed Proofreading Team. + + + + + +LODE BAEKELMANS + +MIJNHEER +SNEPVANGERS + +AMSTERDAM +P.N. VAN KAMPEN & ZOON + + + +HOOFDSTUK I. + +VILLA YVONNE. + + +Mijnheer Snepvangers en Madame Snepvangers, geboren Verstraete, hadden +jaren gediend bij Notaris Boeykens in de Hobokenstraat. In het statig, +oude huis werd de vrijage van den heerenknecht met de keukenmeid niet +opgemerkt of stilzwijgend geduld. Daarbij gaf de minnehandel geen +aanstoot, geen stoornis in den dienst. Beiden waren zeer degelijk en +ernstig, en alle aardsche zotternij was hun oogenschijnlijk vreemd. +Om de veertien dagen profiteerden zij van een half Zondagmiddagverlof +om te wandelen en om plannen voor de toekomst te beramen. De andere +Zondagen, wanneer bovenmeid en koetsier op gang waren, zaten zij gezellig +voor het keukenraam uit te rekenen wat er nog aan hun spaarpot ontbrak. +Jaren lang hadden zij zoo hun leven gesleten, gierig gespaard hun loon +En de fooien, tot zij eindelijk een flinken duit bezaten. En op een +Zondag, zij waren toen zes-en-dertig jaar geworden, was de beslissing +gevallen. Een eenige gelegenheid bood zich aan om een bloeiende +kruidenierszaak over te nemen en hun eigen meester te worden. Spitsvondig +onderzochten zij de kansen om noch Mevrouw noch den Notaris te krenken, +vermits zij in de buurt bleven en de oude meesters goede klanten konden +wezen. Daarbij was de bescherming niet te versmaden voor kleine lieden! +Toen zij het eens waren dat Snepvangers M. Boeykens onder vier oogen om +raad zou vragen, zaten zij in de schemering te staren naar de poort van +het krijgsgasthuis aan den overkant der straat. En toen het tijd werd +om voor het avondmaal te zorgen, overviel hun voor de eerste maal het +gevoel vreemden, ondergeschikten in dit huis te zijn. + +Na het souper zat de Notaris meestal nog een uurtje op zijn bureel en +las er, onder pruttelend gaslicht, zijn gazet. Snepvangers talmde niet, +waagde het voor den eersten keer zijn meester te storen in zijne rustige +afzondering. Een beetje bekwemd keek hij naar het oud grijs heerken, naar +de bibliotheek achter hem, hoorde het kreukelen van de krant. Dan vertelde +hij van de schoone gelegenheid, van hun gewettigd verlangen om eindelijk +te trouwen, en zij kennen daarbij een geschikt meisje en een kranige +jongen om hen op te volgen. Dat gaf doorslag aan het voorstel. Welwillend +beloofde de Notaris zijn steun bij Mevrouw, en meer nog wou hij doen om +hen te beloonen voor de goede diensten sinds ongeveer zestien jaar: +Snepvangers zou hij in dienst nemen als vaste getuige en ook voor verdere +notariskarweikens gebruiken. + +Zoo werd beslist over het leven van Mijnheer Snepvangers en zijn vrouw +geboren Verstraete! + +Mevrouw Boeykens had toegestemd; de nieuwe dienstboden bleken te voldoen. + +_De Zoutkeet_ nabij de Rozenstraat werd overgenomen door de jonggetrouwden, +die zich mochten verheugen in de klandizie van het notarishuis. Een mooi +stuivertje won Snepvangers als getuige, met onder allerlei akten zijn naam +te zetten. Het leven was nieuw en schoon, zij gingen vooruit in de wereld +met hard werken en zuinig te leven. Zij beseften ten volle hoe zij zich +verheugen mochten in de gunst van den Notaris, maar waren tevens overtuigd +dat eerlijkheid en vlijt steeds passende belooning vinden in dit aardsche +leven. Wie niet te lui is om te werken brengt zijn schaapkens wel op het +droge! Zij konden gemakkelijk concurreeren tegen de winkels der buurt, +verkochten alles en nog wat, verleenden geen krediet, lieten niet poffen. +Na een jaar reeds namen zij een meid in dienst, een kloeke deerne uit +Madame's geboortedorp in den Polder: eenige maanden later huurden zij een +knechtje om den stootwagen te voeren en de bestellingen rond te dragen. + +De zaak was een goudmijn! Maar Madame was ook buitengewoon geschikt om met +de menschen om te gaan, luisterde geduldig en met belangstelling naar de +praatjes, had geen eigen meeningen over de menschen en gebeurtenissen, +kon dus steeds instemmen. Het dienen had haar iets onderdanigs op het +gelaat gedrukt, wat haar niet belette meid en knecht flink te kunnen +aanporren tot werken, en hard zijn tegenover het schamel volksken uit de +Rozen- en Paradijsstraten, dat wel eens, door nood gedwongen, kleinigheden +poogde te borgen. Zij kon pingelen bij de reizigers en leveranciers, wist +De vriendschap der meiden uit heerenhuizen te onderhouden met kleine +geschenkjes, zag steeds kans om overjaarsche waren in de handen te stoppen +van het janhagel, dat toch geen fijnen smaak heeft. Snepvangers hielp +zooveel hij kon, maar werd steeds meer en meer in beslag genomen door het +winstgevend baantje van getuige. Hij was een uitgeslapen vent, en de +Notaris waardeerde in hem zeer bijzondere hoedanigheden, kieschheid en +bescheidenheid. Zoo had Snepvangers gewezen op wat te leeren valt in de +Roepzaal der Notarissen. Zedig en sluw volgde hij maanden na maanden de +verkoopingen, leerde er de waarde kennen van huizen en gronden, begreep +stilaan de verkoopwaarde, de speculatie, het opjagen, doorzag wat men +winnen kon met inzetten, met "verdieren", met hoogen. Hij kwam in kennis +met inzetters en verdierenpikkers, kleine renteniers en menschen van zijn +slag, die spraken van interesten en winsten, van verkavelingen en... de +gelukkige hand! + +Eén sloot zich bijzonder bij hem aan, een bleeke man met neerhangende +snor, waarop hij zenuwachtig kauwde, terwijl hij wonderen verhaalde van +door het lot begunstigde verdierenpikkers, die rijk geworden waren door +toevallige speculaties of door wat hen eerst een strop had toegeschenen. +Benijder was hij van hen die eens leefden van kleine winstjes, zijn +gelijken waren, waarvoor hij nu zijn hoed afnam zooals voor de rijke +speculateurs en de notarissen. Snepvangers kon geduldig luisteren naar +zijn teemende uiteenzettingen, onderwijl bezig met eigen plannen waarvan +zijn roode, gladgeschoren heerenknechtentronie niets verried. + +Weldra vertrouwde M. Boeykens hem om eigendommen op te jagen in den +eersten zitdag en de gemakkelijk gewonnen opcenten openden hem een nieuw +veld van bedrijvigheid. Eenigen tijd later werd hij de strooman voor een +anderen notaris en zijn vrienden die een uitgestrekten bouwgrond kochten +te Borgerhout. Na korten tijd waren er straten getrokken en de gronden +voordeelig verkocht aan aannemers en eigenaars. Met deze winst en het +opgespaarde geld kocht Snepvangers een paar bouwvallige krotten in de +oude volkswijk, in Sint-Andrieskwartier, waarvoor M. Boeykens hem eene +rente bezorgde. Nu waren zij eigenaars, al was het ook maar van huizen met +papieren balken. Doch dat hinderde niet, rijke eigenaars hadden ook huizen +door hypotheken bezwaard. + +Een jaar later, het was het vierde jaar van hun huwelijk, werd de +gelukkige echt gezegend door de geboorte van een dochterken. De geboorte +van het kind kostte bijna het leven aan de moeder. Maanden verbleef +zij in het sukkelstraatje, zoodat de zaak wel een beetje achteruitboerde. +Marieken werd bij familie, boerenmenschen in den Polder, uitbesteed. +Zoohaast alles in 't reine was herbegon het zwoegen en het geld verdienen +der waardige echtelingen. Het geluk bleef het dienen. Zekeren avond kwam +M. Snepvangers een weinig geestelijk verheugd thuis. Zijne vrouw duidde +het hem niet ten kwade want zij wist dat het buitenkansje hem niets +gekost had. Hij had namelijk met zijn vriend, den verdierenpikker een +wijnverkooping gaan bijwonen waar men kosteloos kon proeven en kaas +gebruiken. Dat aardige uitspanningsken had hij door zijn vriend leeren +waardeeren. Zoo werd men wijnkenner en fijnproever. Maar nu was het dubbel +meegevallen! Snepvangers had er een man aangetroffen die hem zijn huisjes +wou af koopen aan zeer gunstige voorwaarden. Ondanks dat zijn gemoed +vermilderd was door den wijn, had hij zijn belang sluw behartigd, vooral +toen hij gewaar werd dat M. Peeters deze krotten volstrekt noodig had om +zijn danspaleis te vergrooten aan de straat. + +Na zijne eerste gelukkige speculatie kreeg M. Snepvangers meer +zelfbewustzijn van zijn kunnen en zijn durven. Glad als een paling was +hij in zaken, meende hij zelf wel in vertrouwelijke oogenblikken, hij +overtrof zijn vrienden in de Roepzaal en daarbuiten! Madame was vergroeid +in haar winkel, bedrijvig van den vroegen morgen tot den avond. Het mesje +sneed langs twee kanten en zij werden met de jaren stijve burgers, die +een schoonen spaarpot hadden, eigen huizen en bouwgrond, stadsloten en +aandeelen in naamlooze vennootschappen. Wanneer zij samen 's zondags naar +de mis gingen in de St.-Jacobskerk, wekten zij onwillekeurig de afgunst +der geburen op. In vroeger jaren ging elk op zijn beurt, maar nu paste +een winkeldochter op de zaak. M. Snepvangers was deftig gekleed, droeg +een zwaar gouden ketting op den buik en had dan zijn hoogen zijden hoed. +Madame verlangde het, zoo leek hij wat grooter en... voornamer. Want +beiden waren klein van gestalte, en dat hinderde haar en heur echtgenoot. +Was hij met den tijd vetter geworden, zij niet. Haar rusteloosheid had er +volgens de meening van Snepvangers schuld aan. Naast haar man voelde zij +telkens een groote bewondering voor hem, met hem had zij het ver gebracht. +Ze droeg veel goud, een zijden kleed en een hoed met binders, zeer +Kostelijk goed, niets van dat ondegelijk mode-goed. Het platgestreken +haar was echter lichtjes met het pinijzer gekroezeld. + + * * * * * + +Nieuwe verandering kwam in hun leven, toen de achttienjarige dochter thuis +kwam uit de kostschool. In den beginne scheen het vreemd. Zij hadden +Marieken maar op feestdagen kunnen bezoeken en haar telkens, een +vergoeding van de ouderliefde die ze niet geven konden, met geschenken +getroost. De korte vacanties brachten nooit de groote toenadering. Weldra +was het geluk volkomen in het gezin. Marieken had eene fijne opvoeding +genoten bij de nonnekens, kende manieren, sprak fransch, speelde piano, +en was tevens zeer vroom. + +In toenemenden welstand had Snepvangers mooie meubelen gekocht in +sterfhuizen en op de graanmarkt, bij de uitdragers, spiegels, lusters, +piano en zoo meer. + +Nu gingen zij reeds jaren met hun drieën 's Zondags naar de kerk... +Snepvangers was lid van den Dierentuin, waar zij regelmatig de concerten +bijwoonden of 's Zondags in den hof wandelden om de beesten te bekijken. +Er kwam het deftigste volk van de stad, zooals de stokoude familie +Boeykens, de peperkoekbakker van de St-Jacobsmarkt, die koffiekoopman van +over de deur, en die was zelfs lid van den Gemeenteraad. + +Het leven was zeer fraai en redelijk. + +Maar de weelde zoekt ook verandering, en zoo gebeurde het dat Mijnheer en +Madame zekeren dag tot de ontdekking kwamen dat zij niet jong meer waren, +recht hadden op rust. De winkel gaf te veel slameur, en hun kind kon +onbezorgd haar toekomst tegemoet zien. De _Zoutkeet_ konden zij +gemakkelijk overlaten aan den zoon van den schouwvager, die geen lust had +in het roetbedrijf van zijn vader. Wie het voorstel opperde van buiten te +gaan wonen is later nooit gebleken, maar zeker is het dat zij het roerend +eens waren, 't Was heerlijk te denken, aan de koele buitenlucht, aan den +schoonen hof, en zijn vruchten, en zijn bloemen! + +Op een stuk bouwgrond, waar enkel schrale dennen groeiden, door +Snepvangers onlangs bij ongunstig verdieren aan zijn broek gehouden, zou +het huis verrijzen. De schouwvagerszoon leerde de affaire en zijn vrouw, +dochter van een kruidenier, bleek zeer goed aangelegd om de zaak te +drijven. Zij ook kende geen genade voor het straatjesvolk, was zeer +voorkomend voor De andere menschen. Gerust gingen zij dus van huis weg +naar Cappellen. Tien minuten buiten de kom van het dorp lag hun eigendom, +op de baan naar Putte. Zij waren aanwezig toen de eerste spade in den +grond gestoken werd, volgden het uitgraven, het metselen der grondvesten, +zagen de villa optrekken met jammerlijke traagheid, steen na steen. In den +natten herfst keerden zij peinzend terug, droomend van het schoone +buitenleven. Vele avonden brachten zij zoek om een naam te vinden voor het +landhuisje. Eindelijk doopte Marieken den rooden blok _Villa Yvonne_, dat +klonk romantisch en chic. Begin Maart was de woning klaar, en alleen in +den tuin was de hovenier nog bezig met het planten van boomkens en +struiken. + +Den vooravond van hun vertrek zaten zij boven, voor het raam van het +salon, tusschen ingepakte meubelen. Nu ging men weldra van de schoone rust +genieten, nog enkele dagen en zij zouden rentenieren. Mijnheer en Madame +dachten aan het verleden, wat nu komen ging was de betrachting van hun +leven geweest, waarvoor zij gewroet hadden, gescharreld en gespaard. +Marieken hunkerde naar haar verjaardag, die in het nieuwe huis zou gevierd +worden, zij werd zes-en-twintig. Madame trok het raam open, en zij keken +nu nog eens, als tot afscheid, in de ouder bekende straat. 't Was tusschen +licht en donker. Het plein lag eenzaam, en de lucht werd stilaan befloersd +door den aandoezelenden avond. Leerjongens en leegloopers stonden fluitend +en rookend te lanterfanten aan den hoek. De uitstallingen van het +ellengoederenmagazijn op den hoek der St-Annastraat waren reeds helder +verlicht. Ja, het licht klaarde reeds helder overal. Ginder, in de +Roodestraat, tegen het oude Begijnenhof, kwam de lantaarnman met het +weifelend lichtje op zijn langen stok, en telkens als hij stil stond +brandde er een gaslamp meer. Aan den overkant, bij den loodgieter, +schemerde nu rossige lampschijn achter de vitrien, en ook in _De Hoop_, +het oude danslokaal, verder huis na huis, ook op de bovenverdiepingen, ten +allen kant van het driehoekig plein, bloeide het avondlicht. Boven de +Ossenmarkt, in het broksken hemel, schitterden nu sterren als +wonderheldere lichtoogen. Het kloksken der kapel tampte rustig. Nu lazen +ongetwijfeld de paterkens in bruine pijen hun avondgebed onder het schamel +knetterlicht der kaarsen. Vreemd en eenzelvig stond kerkgevel en +kloostermuur in het donker, 't Was Maandag, en in _De Hoop_ begon het +orgel te draaien. Voor de open deur probeerden aankomelingen te dansen. +Telkens zwenkten zij even door de lichtstreep, schoven dan weer in de +schaduw weg op het kreunend georgel en gedjingel der muziek. De jongens +begeleiden het deuntje met schel-vinnig gefluit, de meisjes deden hun best +om de rokken zoo bol mogelijk te doen uitzetten bij elken zwier, alsof +het krinolienen waren. Wanneer een dans uit was, en het orgel zweeg, dan +hoorde men nog immer het meewarig-kalm gelui. Beneden zag Madame een +haveloos, slonsig meisken op moeders pantoffels komen aansloffen. +De blikken petroleumkan liet zij keer op keer tegen den muuur rammelen. +Dat volksken kom altijd in den laten avond, morde zij, dan pas worden +zij gewaar dat er geen olie meer in de lamp is. De stemming was weg, en +met genoegen, met verlichting werd aan de toekomst gedacht, aan morgen en +de volgende dagen. + +Nadat de verhuiswagen weggereden was, nam het gezin, op zijn paaschbest +gekleed, afscheid van de nieuwe eigenaars der _Zoutkeet_, van de twee +oude knechten, van de geburen. Daarna gingen zij vaarwel zeggen aan de +familie Boeykens, eten in een hôtel over het station, zeer verteederd en +opgewonden. Madame droeg den regenscherm van Mijnheer, die al zijn +voorzichtige aandacht wijdde aan den reiszak, waarin de papieren zaten, +eigendomstitels waarde-aandeelen en geld, reiszak die zwaar woog. + +Een week zonnetje verwelkomde hen buiten. In de villa, waar het rook naar +de klamme kalk en versch geschilderd houtwerk, vonden zij de oude meid +bezig met de verhuisventen. Na eenige rommeldagen kwam alles op zijn +plaats. Nu vonden zij gelegenheid om hun eigendom te "ontdekken." Marie +roemde het salon waar men zoo'n prachtig uitzicht had op het bouwland aan +den overkant. Tot verre in den Polder kon men zien waar de lucht, achter +de hoeven en boerenhuisjes, tot aan de boomen en den grond scheen te +raken. Madame genoot van haar eetkamer en het terras er voor, waar +men in den zomer zou kunnen koffiedrinken en genieten van den tuin. +Mijnheer dweepte met de slaapkamers boven, zoo ruim en frisch, daar kon +men pas goed het omliggende land bewonderen. De meid was in haar +schik met de keuken en het schommelhuis. Allen waren vol minachting voor +de stad waar men benepen gehuisvest was, waar het dompig rook, waar men +van het leven niet genieten kon zooals hier. Snepvangers vergat zijn +Roepzaal, zijn verkoopingen, zijn stamkroeg en zijn vrienden; Madame +begreep niet hoe zij het jaren volgehouden had in den winkel, Marieken +koesterde de hoop hier dik te worden en fleurig, want zij was bleek en +mager. 's Zondags zaten zij vooraan in de kerk tusschen de notabelen van +het dorp, de pastoor had hen met een bezoek vereerd, bakker, beenhouwer +en winkelier waren zeer beleefd, en de melkboer en groentenvent kwamen +geregeld en op tijd. + +De lente was in aantocht. Overal begon het groen uit zijn zwachtels los +te breken, en de fruitboomen droegen bloesem. De lucht was meestal +helder, en de zon scheen zoo plezierig over de wereld. Zij schenen +het alles voor den eersten keer in hun leven te mogen aanschouwen. Regen +en wind kon hun stemming niet bederven, er viel nog zooveel te veranderen +een t schikken, en 't werd avond vóór men 't wist. Vroeg ging men slapen, +doodmoe van het bezigzijn en de zware lucht. Vooraleer de vensters te +sluiten en de rolgordijnen neer te laten keken zij dan soms in de richting +der stad, waar een lichtschijn tegen den hemelkoepel, opsteeg. Dan +beseften zij pas goed hun geluk. De honden blaften in de verte, en 't was +eenzaam en vredig alom. In het dorp brandde nog licht, maar het was er +stil, doodstil. Slechts de wind suizelde, en op de kerk sloeg de klok. + +Zoo kwam M. Snepvangers op het gedacht ook een hond te houden. En vermits +het buiten zoo eenzaam was, vond elkeen het goed dat een waker 's avonds +op het erf zou kunnen passen. Dan sliepen de bewoners der _Villa Yvonne_ +nog veiliger. Het beest, een grimmige doghond, kon huilen en blaffen dat +het een aard had. Hij was weldra berucht om zijn kwaadaardigheid, erkende +enkel Snepvangers. Uren lang lag hij met gloeiende oogen aan de ketting +voor zijn hok te loeren naar het houten hekpoortje, opspringend wanneer +iemand belde, vooral nijdig wanneer het volk van Putte, dat 's morgens +vroeg en 's avonds laat voorbijtrok, in aantocht was. + +Alles stond thans in lentegroen, de lucht kreeg nu een lekkere mildheid, +vogels zongen in de boomen, de wind zoemde, bracht varende geruchten aan +en den balsemgeur der dennebosschen. Twee nesten zwaluwen hadden hun +huisje gebouwd onder het houten beschot der dakgoot, wat Madame als een +goed voorteeken beschouwde. Het bracht geluk, al gaven de vogels wel +wat last, zoo juist boven het terras, want zij lieten wel wat vallen. +Marieken kreeg zin in duiven en Madame in kippen. Duiven waren zoo'n +dichterlijke beestjes, al beweerde vader dat het stomme dieren waren! +Kippen legden eieren, beweerde Madame, al kraait een haan ook vroeg de +menschen wakker, maar de hond wekte hen ook vroeg genoeg. En duiventil +en kippenhok werden gebouwd, netjes groen geverfd, en bevolkt. Zij +telden de eieren, zagen de jonge duiven groeien, hun duivelshaar +verliezen, rekenden uit hoeveel een doghond verorberen kan, stelden +belang in de kwijnende rozelaars, telden de vruchtknoppen aan elk +boomken, begoten het magere gras en de bloemen, de viooltjes, de +madeliefjes, de vergeet-mij-nietjes en de andere, onderzochten de +kale hagen en de boomenstokjes met zuinigen bladertooi. + +De dagen lengden zachtjes aan en brachten de zomergenoegens, de jonge +groenten, de eerste vruchten. En wat zij zelf gewonnen hadden, achter +in een kleinen moestuin, al was het nog maar een mager gewin, al kwam +het pas wanneer de nieuwheid reeds voorbij was, smaakte nog eens zoo +heerlijk! De salade was wel te weelderig opgeschoten, had geen malschen +krop; de radijsjes waren wel bitter, klein en voos; de erwten schaars te +zoeken tusschen het loof; de aardappelen waren als knikkers en weinig +talrijk! Doch wanneer zij bezoek kregen, en zij hadden nu haast alle +Zondagen bezoek van oude kennissen en geburen, vertelden zij welgevallig +en fier van de vruchten, van de zelfgewonnen vruchten, terwijl zij +argeloos er maar niet bijvoegden dat, wat op tafel stond, door den +groentenleurder geleverd was. Zoo overviel hen de verschroeiende +zonnebrand, waarin de villa, naakt en onbeschut, de hitte stond op te +zuigen. De tuin bood geen plekje schaduw, en alleen aan den straatweg +schenen de boomen langs den macadamweg een beetje koelte te bewaren. +Gelukkig dat er nu niets meer te verrichten viel! Zij konden binnenshuis +rusten en stil zitten in de halfdonkere kamers, waar de rolluiken waren +neergelaten. Geen belangstelling meer voor de uitschietende twijgen van +den wingerd, noch voor de verschrompelde appelkens en peerkens, noch voor +de beesten. Zalig zoo niets te moeten doen, ongegeneerd te luieren wijl +men ginder, in de stad niet voelen mocht de teistering van den zomer. + +Na het middageten deden zij een smakelijk dutje, man en vrouw tegenover +elkaar gezeten in een leunstoel, en de koffietijd brak aan voor men het +wist. Marieken, die niet slapen kon, bracht de lange namiddagen door +met haakwerk, met borduren, of las de werken van Conscience, die vader +in vroeger jaren gekocht had. Buiten joeg het macadamstof omhoog onder +de jagende autos en bedekte alles met grijzen schimmel. + +Dat was nu rentenieren! Men kon tenminste zijn vijf zinnen eens +bijeenrapen meende Snepvangers. Geen verlangen meer naar de stad, slechts +in zeer bijzondere aangelegenheden waren zij te bewegen eens over en +weer met den trein te gaan. 's Avonds, wanneer de zon onder was, hadden +zij het druk den hof te begieten. Zij pompten en sleurden het water in +den tuin tot zij piepaf waren, en op het terras gingen zij dan zitten +uitblazen in de nieuwe tuinzetels. Hier kloegen zij wel eens over de +zwaluwen die niets ontzagen, en over de muggen die hen zoo lastig vielen. +Tegenover de zondagbezoekers gewaagden zij nooit van deze kleine +onaangenaamheden, roemden maar voortdurend en opgewekt het onschatbare +buitenleven. Het gebeurde menigmaal dat Snepvangers moedermensch alleen +terugkeerend van het station tot waar hij bezoekers vergezeld had, +zichzelf overtuigde dat zij gelukkig waren. Zijn lantaarn wierp een verren +lichtschijn voor hem uit, de maan lachte aan den hemel, en het dorp lag +dan achter hem wanneer hij tot deze gevolgtrekking kwam. In het dorp +was er nog licht in de herbergen, daar zaten de dorpelingen te kaarten. +Ja, dat was toch wel gezellig! Daar schoof soms iemand in 't duister +voorbij en riep goedenavond; hij verschrok even, riep dan zeer joviaal +zijn wedergroet, maar was blij weer op eigen erf aan te landen en zijn +doghond te hooren aanslaan. Madame vond het dagelijksch leven wel een +weinig eentonig, zij die zoo gewoon was al de kletspraatjes te moeten +aanhooren in haar kruidenierszaak. Marieken had ook wel eens vage +gevoelens van onrust, neen zij benijdde haar vriendinnekens niet die +naar bals gingen, uitstapjes deden, ja, die met een vrijer mochten gaan +wandelen, maar toch!... + +Na zoo'n oogenblikken van zwakheid probeerden zij tegenover elkaar den +lof te zingen van den buiten, alsof zij wederzijds iets van elkaar +afwisten. Zij zochten nieuwe veranderingen en verbeteringen, lieten voor +het huis een vijvertje aanleggen in cementrotsblokken, schilderden de +trappen, kochten konijnen. Maar het vijvertje stond altijd droog en de +konijnen stierven spoedig. Eenigen tijd hield een mol, die hun eigendom +in alle richtingen doorwroette, hen in spanning, Maar het beest verdween +even geheimzinnig als het gekomen was. Mijnheer begon nu weer iets te +voelen voor de prijzen van bouwgronden, liep heele voormiddagen langs de +wegen, knoopte kennis aan met de boeren. + +Zoohaast de dagen korter werden, en de vroege herfst zijn killig, buiïg +weer liet aanstormen, bleven de bezoekers weg. In den begin vonden zij +het aardig zoo hun alledaagschen gang te kunnen gaan. Zij konden +nu 's Zondags ook eens de vijf zinnen bijeen rapen, en na het middagmaal +een uil vangen. Maar eenzaam was het! Marieken was het eerst de lustelooze +stilte en afzondering moede, want zij had de minste bezigheid. In den tuin +viel nu niet meer te gieten, het regende meer dan te veel, de planten en +struiken waren haar te bekend, de kleine fruitoogst was lang reeds +geplukt. Moe gestaard op de kale velden, naar den neveligen, triestigen +horizont achter de boerderijen aan den overkant, speelde zij troosteloos +piano of las weer een boek van Conscience. En zij dacht aan het heilig +sacrament des huwelijks... Madame wist wat elke dag brengen kon in het +huishouden aan schuren en wasschen, aan strijken en kousen stoppen. + +De beslommeringen van vruchten inmaken was voorbij, in den kelder stonden +dozijnen pottekens gelei, steenen kruiken ingelegde boontjes, snijboonen +en witte koolen. De winterprovisie brandhout en steenkolen was ingedaan, +en nu had men weer geen kommer of zorgen meer, kon men rusten. Maar +Snepvangers zelf, die niets te doen had, zocht maar telkens om de baan te +Kunnen op trekken. Hij had in het dorp kennissen gevonden om kaart te +spelen, maar hield het huis verdoken. Om eens naar de stad te kunnen gaan +had hij dagen lang de noodzakelijkheid doen uitschijnen van een barometer +te bezitten. Met zoo'n ding wist men tenminste wat u te wachten stond, +regen of wind, of men al of niet zijn paraplu moest meesjouwen op de +wandelingen, die zij niet deden. Hij bracht een Zwitsersch, in hout +uitgewerkt kastje mee. Was er regen op handen, dan kwam er een paterken +met een paraplu uit een deurken te voorschijn; kwam er droogte in de lucht +dan stapte een flierefluiter, een heerken, zomersch uitgedost, uit het +ander poortje. Zij mochten niet veel plezier aan het ding beleven dat +meestal het weer aanwees dat geweest was. Ten einde raad wendde Mijnheer +dringende zaken voor die hem dwongen, dwongen tot zijn spijt, naar de +stad te gaan. Hij pinkte dan geheimzinnig, noemde terloops M. Boeykens, +dit zeer kramakkelachtig werd en hem noodig had. + +Met danig stoken kreeg men het in _Villa Yvonne_ ongeveer warm genoeg. Het +kwam wel eens voor dat men in den vroegen avond gewaar werd dat de lampen +ongevuld waren, en men naar het dorp moest door het vlagend weer voor +petroleum. 't Was een geploeter door de duisternis over den slijkerigen +weg! Er was nu niets nieuws meer te ondervinden. Zij wisten wanneer +er treinen aankwamen, wisten wie voorbij zou stappen, nu een paar boeren, +straks de matten-leurders van Putte, later nog het werkvolk, zonder den +heremiet te rekenen, een jonge vent, die wat verder alleen in een huisje +woonde. Nog slechts een paar autos snorden dagelijks heen en weer met +kasteelvolk dat ergens, uren van de wereld verwijderd, woonde. + +En de winter was bar, en streng, en lang. Amper mocht men het licht van +den dag aanschouwen. De wind joeg onbarmhartig door de kale boomen, over +de velden, rukte aan deuren en vensters. De regen zong door dagen en +nachten zijn eenzaam lied. Dan vroor het weer weken lang of gierden +sneeuwstormen, zoodat alles blank lag en bedolven. Eens moesten zij +zelfs een pad graven naar het hekpoortje, zoo lag alles onder den +dikken sneeuwpels. Teeken van leven kregen zij niet uit de stad, en M. +Snepvangers waagde zich niet buiten. Met Nieuwjaar bracht de postbode +Met de dagelijksche krant eenige nieuwjaarkaartjes, wenschen van + voorspoed en geluk. Bedrukt spraken zij weer maar hoopvol van de +lente, van de komende geneugte. De piano werd niet meer aangeraakt, +de grauwe lucht en de regen stemden te moedeloos. Het pluimvee werd +een last, men moest het verzorgen ook als men maar liefst bij de kachel +bleef zitten soezen, en de hond, de grimmige dog, bevuilde het huis. + +Was dat nu het schoon rentenieren op den buiten? Zij dachten terug aan +hun gelukkige bedrijvigheid in de stad, waardoor zij nooit het ellendige +winterseizoen hadden gevoeld in zijn ijselijke naarheid. Al lengden de +dagen, zij werden het niet gewaar, en zoo lang het te koud was om buiten +te zitten konden zij van de mooie dagen niet genieten. In de stad kon men +ten minste wandelen, door de drukke straten, naar de winkels kijken. +Sinds de kermis van Putte hadden zij geen bezoek meer ontvangen, al die +maanden hadden zij geen menschen meer gesproken buiten de dorpelingen, +en die telden zij niet. Karnaval was nog wel de triestigste dag, want +zij dachten aan het volk dat zich ginder, onder den lichtgloed der stad, +wist te amuseeren. Was dat nu rentenieren? Marieken verslond maar al de +boeken, die zij kon leenen in het dorp. Madame gunde sinds lang niet meer +aan Snepvangers zijn uitstapjes naar Antwerpen. Het inroepen van M. +Boeykens mocht niet baten, en de arme man vond geen genoegen meer in de +bouwgronden van den omtrek, rookte maar verwoed pijp na pijp, zoodat alle +kamers van tabakrook doortrokken waren. Zoo kwam Goede Vrijdag. + +Snepvangers kon het niet langer volhouden. Vandaag moest hij de stad zien, +hij wou en zou. Aan de koffietafel kreeg hij den gelukkigen inval. + +--Het water rijst me over het hart als ik aan schelvisch denk! + +--Zoo, wat gedacht, wantrouwde Madame, dat kunnen we niet krijgen in het +dorp. + +--Schelvisch, dweepte Marieken. + +--Ik ben ziek van goesting naar schelvisch, droomde Mijnheer. + +--Ge kunt bottekens krijgen, misschien ook mosselen, als de vent van +Bergen-op-Zoom komt!... + +--Och! + +--Schelvisch, onderlijnde Marieken. + +--Kunt gij hem halen? vroeg bits Madame. + +--Och, als ik u daar plezier kan mee doen ... Ja dan wil ik wel eens naar +de vischmarkt gaan. + +--Naar de stad!? + +--Wel ja, Mama, 't is toch zoo geen reis. + +--Wel, ik zal maar gauw gaan. + +--Wat vreemde kuren, schuddebolde Madame, die zich verloren moest geven. + +En Snepvangers ging met zijn paraplu en zijn vischnet onder den arm. +Aan het kleine station ontmoette hij de vroolijke menschen, die dagelijks +naar de stad gingen werken. Hij mengde zich in hun gesprekken, voelde +zich leven. Een mensch moet toch menschen zien, zich niet van de wereld +afzonderen! Wat gewoel bood de stad en wat afwisseling! Hij verbeuzelde +zijn tijd met kuieren en met pintjes pakken in de estaminets, door hem +vroeger regelmatig bezocht. Hoe prettig zich weer thuis te voelen in de +beweging der menschen! Ja, de stad was toch wel aantrekkelijk, daar kan +men, alles wel beschouwd, nog van het leven profiteeren. Het werd middag +voor hij er aan dacht naar de vischmarkt te gaan. Madame zou zuur zien nu +hij nog niet thuis was... maar hij was immers man en meester! Kon hij het +verhelpen dat de tijd hier zoo vlug voorbij ging? God, nu moest de +schelvisch maar voor het avondmaal dienen. Wat zouden zij smullen. Na +lang met kennersoogen de kramen te hebben onderzocht, na loven en bieden +kocht hij twee puur nog levende schelvisschen. Met zijn vischnet in de +hand en zijn paraplu onder den arm gekneld trok hij nu terug naar het +station, maar hij wandelde zoo gelukzalig traag dat hij zijn trein +mankeerde. + +Doelloos liep hij over de De Keyserlei, dacht aan het onthaal dat hem +te wachten stond. Was dat niet een ouwe vriend, de verdierenpikker, +die daar kwam aangeslenterd? + +--Wel verdorie, Snepvangers, zijt gij het? En ik die dacht dat ge reeds +dood en begraven waart! + +--Neen, goddank, maar ik woon buiten... + +--Dat wil zooveel zeggen als levend begraven! + +--Neen, dat is wat sterk! ... + +--Trein gemankeerd? + +--Ja. + +--Kom, we gaan er eenntje pakken op het weerzien.. Zoo, zoo! + +En ze pakten er eenigen op het weerzien, spraken van vroeger dagen, +van verdierenpikken en gronden, van bekenden en notarissen. Zij hadden +beiden geluk gehad in het leven, zagen alles rooskleurig in, deden +joviaal. Voor zij het wisten zaten zij elkaar genoegelijk toe te knikken +in een hotelzaal. Het was Goede Vrijdag! Zij prezen het lekker vischdiner, +proefden als twee smulpapen van de gerechten en de wijnen, voelden zich +behaaglijk zwellen. Wat tafelweelde! Visch te kust en te keur, en wijn, +witte en roode, beter en meer dan op de beste verkooping. Juist toen zij +discuteerden waarom taling toegelaten wordt op een vischdiner in den +Vasten, werd het electrisch licht opgedraaid. Hun oogen knipperden even, +het tafelgerei schitterde licht helder en zij bemerkten dat de glazen +leeg stonden. + +--Dat mag niet, beweerde Snepvangers als beleedigd. + +--Neen, zeker niet! ... + +De vrienden kenden uur noch tijd. De "Villa Yvonne" lag zoo ver, en de +schelvisch was door den garçon ergens weggelegd, als om de zorgloosheid +te verhoogen. De kreeft werd nu een eenig belangrijk ding, de wijnsoorten +een oud zwak. Met verteedering dronken zij op elkaars gezondheid, en dat +spel beviel hen zeer. Bij het nagerecht bestelden zij champagne, sigaren +en koffie. + +--Het leven is schoon, mijmerde de verdierenpikker. + +--Dat is het ja... dat is de waarheid, stemde Snepvangers in, vleide +zich wellustig tegen de leuning van zijn stoel en zag diepzinnig de +rookwolkjes na. + +Hoe lang het geduurd heeft is lastig bij benadering te bepalen en +Snepvangers heeft zich er nooit rekenschap van kunnen geven. Zij genoten +nog lang van elkaars aantrekkelijk gezelschap, behandelden alle mogelijke +onderwerpen, vertelden moppen en fluisterden zinnelijke opwellingen, +waarbij ze vertrouwelijk knipoogden. Menig glas werd nog gedronken en +menige dure sigaar gerookt. Wat Mijnheer bijbleef was het vreemd geval +dat zij ruzie hadden gekregen bij de betaling van dit uitspanningsken. +Elk wou het gelag voor zijn rekening nemen, maar ten slotte betaalde elk +Zijn deel en was wat vrijgeviger tegenover den garçon. Deze stopte +Snepvangers wat in de hand, zijn vischnet met schelvisch en zijn paraplu, +en dan trokken de vrienden weg met hoogroode gezichten. Tot afscheid +werd nog een glas gedronken, hier een, daar een, dan ging Mijnheer zijn +vriend een eindje vergezellen tot aan den tram, want hij meende te +bespeuren dat deze een klein beetje zattekens was. + +Later zeilde hij alleen terug naar het station. Plots was zijn vriend +verdwenen en nu voelde hij zich danig moe, wou ergens rusten om het even +waar, zitten en uitrusten. + +En hij werd wakker op eene bank onder kale boomen van het Park. Waar was +hij? Hij rilde van koude, voelde zich ziek, had hoofdpijn. Scheen het +daglicht? Neen, 't was de lantaarnschijn. Hoe laat was het nu wel? Even +zien. Maar hij vond zijn uurwerk niet in zijn zak, tastte instinctmatig +naar zijn geldbeugel. Ook weg. God wat beteekende dit nu! Zijn blikken +zochten rond, zijn regenscherm, zijn zijden regenscherm met zilveren +kruk, eveneens spoorloos verdwenen. Voor zijn voeten echter lag het +vischnet met de schelvisschen, besmeurd door het slijk. God! kon hij +zijne vijf zinnen maar eens bijeenrapen! Wat zou hij doen, wat zou hij +zeggen? Zoo'n avontuur moest aan hem overkomen, aan een deftig getrouwd +rentenier, aan den eigenaar der "Villa Yvonne"! + +Zeer verlegen stond hij recht, onthutst raapte hij zijn vischnet op, liep +de stad in. Hoe nu naar huis gesukkeld waar men angstig op hem zat te +wachten in den nacht? Zij zouden natuurlijk niet kunnen slapen, het huis +doorloopen en bang het ergste ongeluk vreezen Hij moest ook om schelvisch +gaan, Marieken moest ook aandringen alsof haar moeder niet meer verstand +had... Maar het dwaaste van al, M. Snepvangers moest ook eens +buitensporigheden bedrijven, zich te buiten te gaan, Goeden Vrijdag +vieren! Te laat beklaagd oude zot! Wat nu aangevangen? + +Hij ging M. Boeykens spreken, zou hem alles biechten en die zou wel raad +weten om de ruzie te vermijden in zijn huishouden, wie weet en +echtscheiding kunnen beletten! + +Suf stond hij voor de woning van den notaris te wachten tot het licht +werd. Tot zijn verbazing werd plots de poort geopend en liep de knecht hem +op het lijf. + +--Hoe weet gij het nu al? vroeg de knecht verwonderd. + +--M. Boeykens?... + +--Ja, zoo plots... ja hij was wel niet goed, maar niemand kon zich daaraan +verwachten.... Saluut... tot weerziens. + +M. Snepvangers oogde den knecht na, die haastig voortliep in den nacht. Nu +kon hij plots zijn vijf zinnen bijeenrapen! Hij had wel kunnen jubelen van +verrukking, nu was hij gered, nu kwam alles in orde. Hij had immers zijn +kaartje nog om weer te keeren? + +Met den eersten trein trok hij naar Capellen. De nacht lag nog over de +velden, en in de verte scheen het licht in de "Villa Yvonne". Hoe meer hij +naderde hoe luider de hond begon te blaffen. Het tuinpoortje knarste open, +uit de open deur viel het helle licht. Hij hoorde geklaag en geschrei, +gesnik en gejammer, keek niemand aan, zag strak en wezenloos voor zich +uit. In de keuken liet hij zich zuchtend op een stoel neerzakken, den +schelvisch vóór de voeten. + +Een oogenblik hoorde men de stilte, dan zei hij langzaam, met tranen in de +stem: + +--M. Boeykens is dood! + +--Maar wij blijven hier niet langer... wij hebben duizend angsten +uitgestaan, zei Madame tot rouwbeklag. + +--Alleen in den nacht, zuchtte Marieken, alleen in den triestigen +buiten... + +--Ja, 'n mensch weet nooit wat er gebeuren kan, beaamde Snepvangers +nederig en treurig, zoo 'n goede man... Het buitenleven is toch niet zoo +schoon als men denkt... Voor mij is het niks... ik ben niet bang... Ik +ben heelemaal van streek... 't heeft me danig gepakt. + +--We zullen maar gauw koffie drinken, meende Madame. + +Elk der huisgenooten was als ontlast. De oplossing was gekomen, zonder dat +een hunner zijn weerzin voor het landleven had moeten te kennen geven, +zijn verlangen had moeten toonen naar de loszinnige geneugten van de stad, +die zij voor maanden met zooveel genot hadden verlaten en belasterd. Zij +hadden genoeg van de stijve deftigheid, wenschten maar liefst te gaan +rentenieren in de oude buurt waar het zoo gezellig was, waar de menschen +en straten hen zoo bekend waren, waar zij meetelden in het leven, waar +muziek was en bedrijvigheid, en waar zij nooit onder de drukkende +afzondering, de eenzaamheid zouden lijden. Marieke peinsde daarbij +stillekens aan het huwelijk, en Mijnheer aan zijn parapluie en zijn +uurwerk. Bij het eerste schemeren van den dag was M. Snepvangers +bezig achter het tuinhek een paal op te richten waaraan een bordje +bevestigd was, vermeldende met onzekere, zwarte letters: _Villa te huur +of te koop_. + + + + +HOOFDSTUK II + +LIEFDE EN ANDERE ONRUSTIGHEID. + + +De familie Snepvangers woonde weer in de stad. Het renteniershuisje in de +Hobokenstraat was kraakzindelijk. Het geveltje, frisch in de verf, was +versierd met kolommetjes en grillig loofwerk, op het balcon prijkte een +lange vlaggestok en op de witgeschilderde deur blonk de geelkoperen +naamplaat. Binnen hielden Madame, Marieken en de werkvrouw met +dagelijksche zorg alles helder aan kant en vrij van stof. In de +achterkamer stond de piano, in de veranda, die als huiskamer diende, kefte +een zwart spitsken, het salonneken aan de straat werd slechts voor +vreemden geopend. + +Het tuintje, een voorschoot groot, bood Snepvangers en zijn dochter +gelegenheid tot tuinieren. Het geurde en fleurde er met bonte bloemen en +riekende kruiden, terwijl een sappige wijngaard zijn ranken schoot onder +het glazen afdak. + +'s Morgens vroeg stond Snepvangers op den drempel der woning zijn pijp te +rooken, liet het hondje zijn ochtendwandeling doen; wanneer de melkboer +kwam, nam hij het pannetje aan, trok dan aan de huisbel om Madame en +Marieken te wekken. De dames kwamen gekleed beneden, want na het ontbijt +ging Madame in de buurt winkelen en speelde Marieken piano, terwijl +de werkvrouw den boel in orde bracht. + +Snepvangers knutselde in het tuintje, las andermaal de gazet van den +vorigen avond, kleedde zich dan voor de wandeling. Zijn barometer gunde +hij geen blik meer, in de stad was dat overbodig, en daarbij nam hij, uit +louter voorzorg, haast altijd zijn zijden regenscherm mee. Elken dag had +hij zijn afwisselende stamlokalen waar hij een pintje of een borreltje +dronk en over de stadsnieuwsjes en het weer redekavelde. In de buurt +bezocht hij "De Koning van Spanje", "Het Zwart Paard", "De Paardenwei", +"Sint-Jacob", "De drij Kauwkens", verder in de oude stad "De Klok", +"Het Gulick", "Het Koningsken", "Het Nachtlicht", "De Boer van Tienen", +"De Wildeman", "Het Schuttershof", "De Oude Sint-Jan", "De Gouden Kroon", +De Kolkoensche Haan", "De Zeven Provinciën". In de week dronk hij garsten, +'s Zondags, in de buurt van het station, verkoos hij uitheemsche bieren. + +Klokslag één was hij thuis voor het middagmaal, ving dan een uiltje, ging +daarna naar de roepzaal, waar hij, bij gelegenheid, nog een paar centen +verdiende, trof er zijn vriend aan, den verdierenpikker. Samen keuvelden +zij dan over eigendommen, gronden en centjes verdienen. Rond acht uur kwam +hij voor het avondmaal. Madame vertelde van menschen die zij ontmoet had, +van koopjes en buurtnieuws, Marieken verslond de feuilleton en zalig +genoot Snepvangers. Later las hij de gazet, terwijl zijn vrouw kousen +stopte en Marieken weer piano speelde. Op Vrijdag en Zaterdag gingen de +vrouwen niet op boodschappen uit, er werd gekuischt en geboend en +Snepvangers ging, na het avondmaal, kaarten in "De Klok." + +Maar de Zondag werd, naar ouden trant, bijzonder gevierd. De familie trok +de beste kleeren aan en 't was vette keuken. De schrale Madame in haar +ruischende zijde stapte links van haar dikken echtgenoot naar de kerk. Op +zijn buikje bengelde de zwaar gouden ketting en zijn zijden hoed stond +achterover in den nek. Zijn hoogroode, gladgeschoren tronie glom van +zelfvoldaanheid. Marieken, naar de mode gekleed, ging aan zijn +rechterkant, in stille bewondering voor haar papa. Hij was zoo'n +tegenstelling van mama, hij was een klein vetzakje, een joviaal +rentenierken, dat veel menschen kende en groette. Doch zij geleek veel aan +mama, was sprietmager, hetgeen haar ergerde en soms verbitterde. + +Na de hoogmis wandelden zij naar de bloemenmarkt op de Groenplaats, zagen +het volk uit Onze-Lieve-Vrouwekerk door de spitskar trekken, volgden mee, +langs de Schoenmarkt en de Meir, door de Leysstraat, naar de De Keyserlei. +Daar dronk men ergens een pot Münchener, waarbij Mijnheer de bekenden +groette en de dames critiek uitoefenden over kleeding en menschen. Na deze +eerzame en onschuldige uitspanning ging men eten, wat dutten, trok dan +weer op wandeling, kwam thuis om te avondmalen, keerde opnieuw om te +luisteren naar het concert in den Dierentuin of bezocht men de feesten en +vertooningen in den Burgerskring, waar de vrouwenrollen ook door mannen +werden vervuld. + +Aan deze ordelievende, deftige levenswijze brachten de seizoenen met wind +en regen soms lichte afwijkingen, zoodat de dames thuis bleven, geen +onderhoudende en opwekkende critiek konden voeren, en Mijnheer alleen zijn +stamlokalen bezocht. + +Het leven was schoon in zijn effen uitzicht, zonder ontroering, zonder +slag of gebeurtenis. Alleen Marieken had vlagen van droefgeestigheid, +wanneer zij dacht aan getrouwde vriendinnen. Dan was zij onhandelbaar, +had scherpe woorden. Mijnheer zorgde dan dat het hondje niet onder de +voeten liep. Madame peinsde, terwijl zij de dampende potten in de keuken +bestaarde, aan de kennissen die als schoonzoon welkom hadden kunnen zijn. +Marieken ging naar de dertig. + +Zekeren avond in de lente had het echtpaar een belangrijk gesprek in de +slaapkamer. + +--Marieken heeft weer leelijk haar kuren! + +--Ja, mama, bevestigde Snepvangers bekommerd. + +--Snepvangers, zei Madame besloten, ik heb er lang over nagedacht ... +Marieken moet trouwen. + +--Ja, mama, gaf hij onderdanig toe, maar met wie? + +--Dat weet ik juist niet, zuchtte zij: wij moeten uitzien naar 'n +treffelijken burgersjongen! + +--Ja! + +--Gij kent zooveel menschen.... + +--Ja! + +--Ik zal mijn best doen, beloofde Snepvangers, terwijl hij in de +echtkoets stapte. + +--Hij nam den verdierenpikker in zijn vertrouwen, die de zaak niet te +zwaartillend onderzocht. De beste koeikens zoekt men op stal, maar toch +moeten de liefhebbers ze weten staan. Hij zou eens rondzien, maar nu had +hij Snepvangers over iets gewichtigs te onderhouden. + +--'t Is geen politiek en toch politiek, Snepvangers.... Tegenwoordig is +alles politiek om de kiezers te lokken en stemmen te winnen. Katholiek en +liberaal, uit schrik voor de socialisten, houden het werkvolk tot +vriend... alles voor den werkman, en de burgers worden vergeten.... +Dat kan niet blijven duren, dat mag niet? Wij willen het hekken aan den +ouden stijl houden, de belangen der neringdoenden behartigen.... + +--Wie zijn wij? + +--Wij? De bond der neringdoenden!... Wij willen ons woordje te zeggen +hebben in het Bestuur.... Wij zijn onpartijdig in ons belang, liberaal +en katholiek en democraat kan meedoen wanneer zij het goed meenen met de +belangen der kleine burgers en neringdoenden! Wij strijden tegen +cooperatieven en naamlooze maatschappijen, willen de nering bevorderen, +ons beschermen door goede wetten.... Recht door zee, willen wij; de +neringdoenden zijn den politieken winkel beu.... En nu vraag ik u of ge +meedoet.... Ge zijt een onafhankelijk man, een rentenier, en zoo'n mannen +hebben wij noodig, wij, handelaars, wij, ambachtslieden en eigenaars! + +--Ik heb me nooit met politiek bemoeid, opperde Snepvangers, ik ben van +den ouden eed en ga naar de kerk. + +--Dat is geen beletsel.... Wij zijn met veel goede katholieken, maar wij +vergeten ons belang niet.... Het is geen geuzenbond, maar eene vereeniging +om onze stoffelijke--ja stoffelijke, dat is het woord van den +President--belangen te verdedigen. + +--Zijt gij reeds lang lid? + +--Ik? Een paar weken, maar op de vergadering werd het zoo klaar +uiteengezet. Er zijn knappe bollen bij, mannen die het goed kunnen zeggen, +en 't staat allemaal in de gazet _De Noodkreet_. Ik heb seffens aan +u gedacht!... Dat was nu iets voor Snepvangers, iemand die zelf affaire +heeft gedaan, bij een notaris gewoond heeft en dus al de knepen kent, +onafhankelijk is! Den President heb ik over u gesproken en hij vond dat +wij mannen van uwen aard noodig hebben voor den gemeenteraad en voor den +provincieraad!... + +--Hm! Te veel eer; ik ben maar 'n simpele burger, geen advokaat, meende de +gevleide Snepvangers. + +--Wij willen juist geen advokaten, maar mannen van ons... geen +praatjesmakers, maar mannen waarop wij rekenen kunnen. + +--Lid wil ik wel worden... maar de rest blijft onder ons... ik kan dat +niet aannemen, ik houd van de rust, ik houd veel van de rust... dat moeten +jonge mannen doen, die van den spanaard gesneden zijn. + +--Snepvangers, ik bedank u namens den Bond voor uwe bijtreding, die wij +hoogschatten, zei de verdierenpikker langzaam en plechtig, laat er ons nog +een pint op drinken; maar één ding zeg ik u: met snotters en +tafelspringers zijn wij niet gediend, wij willen ernstige mannen! + +Na dit vekwikkelijk gesprek keerde Snepvangers mijmerend huiswaarts. +Geheimzinnig hmde hij aan tafel, liet soms zijn vork zakken om zich even +in zijn toekomstdroomen te verdiepen. + +--Papa, wat scheelt er toch? ondervroeg Marieken, wier kuur weer voorbij +was. + +--Och, kind! + +--Awel ja, Snepvangers, ge doet zoo vreemd, wat is er gebeurd? + +--Och, mama, nu willen ze mij met alle geweld naar den gemeenteraad +zenden! + +--Zijt ge zot, Snepvangers? Daar zenden ze andere kleppers, die daar iets +kunnen vertellen! + +--Dat weet ik niet, mama; ik ben onafhankelijk, ik ken veel menschen, ik +ben zoo geen wauwelaar van een advocaat, maar ik heb veel ondervinding +en er zetelen er anderen dan Snepvangers.... De neringdoenden willen mij +absoluut, verklaarde hij behagelijk. + +--Och Papa dat zal aardig zijn als ze bij u komen bellen voor plaatskens +op 't stadhuis, en als we gevraagd worden op de feestjes... + +--Ja, maar zoo ver zijn we nog niet! + +--Pas maar goed op, de politiek kost centen en ik geloof daar nog niks van +dien gemeenteraad, waarschuwde Madame. + +--Och ik weet nog niet of ik aannemen zal! + +--Maar Papa toch! + +--Ja, als ik den Bond en de President daarmee een plezier kan doen, en +als de leden er dan erg aan houden, dan zal ik mij nog eens bedenken... + +Van dat oogenblik af werd het leven voor Snepvangers vol belangrijke +vraagstukken en tijdroovende bezigheden. Madame kon alleen over de kuren +van haar dochter nadenken en het heilmiddel opsporen. Spoedig was hij +zijn propagandavocabulaar meester, en met den verdierenpikker was hij een +ijverig ronselaar voor nieuwe partijgenooten. Menigmaal gebeurde het nu +dat de zachtmoedige, vredelievende Snepvangers in geweldige herbergtwisten +gemengd werd. Drukker bezocht hij zijn herbergen en wanneer hij dan, een +beetje zwaar van bier, rook en welsprekendheid naar huis toog, kwam soms +wel zijn rustig gemoed in opstand, doch telkens dacht hij aan den +gemeenteraad. + +Om in breederen kring de aandacht op "zijnen" Bond te vestigen liet hij +zich als eerelid opnemen in de onpartijdige fanfarenmaatschappij "De +Broedermin". Een paar dagen later werd hij eerevoorzitter van een +Vogelpikvereeniging in de buurt "De Lustige Pikkers" en van de +tonmaatschappij "De Moedige Spelers", nam het voorzitterschap aan van +"De Gezworen Spaarders", liet zich afgevaardigde kiezen van een +duivenkring in het "Algemeen Verbond" en ondervoorzitter der liefdadige +vereeniging "Nood baart Troost". + +Dat kostte slechts pinten, goede woorden en centen. De uitslag was +schitterend. Madame, die niet erg ingenomen was met de nieuwe +levensinrichting, werd overbluft en stormenderhand gewonnen. + +Bij fakkellicht werd het nieuwe eerelid door zijn fanfare een serenade +gebracht, en afgevaardigden van de verschillende vereenigingen, hiertoe +door den verdierenpikker aangezet, brachten complimenten en bloemen. +Madame was ontroerd door het onverwachte. + +Marieken gloeide van trots en Snepvangers stond met milde eenvoudigheid +te genieten van dit voorsmaakje der toekomstige glorie. Hij trakteerde +op wijn de afgevaardigden die zich in het salon en de eetkamer verdrongen, +liet de muzikanten in de kroegen der buurt drinken op zijn kosten. +Redevoeringen prezen zijne liefdadigheid, zijn zin voor kunst en muziek, +zijn burgerdeugd en zijn liefde tot het volk, zijn vaderschap en zijn +goedheid. + +Tegen zooveel beeldsprakige ophemeling voelde hij zich niet bestand, het +verteederde hem en hij geloofde in zijn eigenwaarde. Hij gaf een wenk aan +den President van den Bond en aan den verdierenpikker die de glazen +volschonk als trouwe regisseur van het spel. + +"Mijne heeren, zei hij, het glas beeft mij in de hand bij zooveel +sympathie die mij betuigd is geworden... Ik kan het niet zoo met +stadhuiswoorden zeggen, maar 't komt uit mijn hart, onze stad heeft +onafhankelijke mannen noodig om te strijden tegen bazars en cooperatieven, +tegen Tietz en bakkerijen die het brood stelen uit den mond van den +neringdoende!... + +"Ik verklaar volmondig fier te zijn als lid van den Bond der neringdoenden +waarvan de President mij de eer aandoet aanwezig te zijn op deze betooging +die niet mij, maar onze heilige princiepen treft... Dank, vrienden, +dank... 't Is een steun in den strijd die mij zal aanzetten om nog meer +te vechten... Ik bedank u allemaal uit den grond van mijn hart, vooral den +vriend die ik jaren ken en die mij den weg gewezen heeft naar den Bond!... +Mijne heeren, nog eens op de gezondheid. Leve de neringdoenden! Leve de +burgerij." + +Uitbundig werd hij toegejuicht tot buiten de Brabançonne weerklonk. + +--Hij heeft het goed gelapt, fluisterde de President tot den +verdierenpikker, 't is een schoone propaganda-avond. Toen in de verte de +muziek wegstierf en het rumoer in de straat opgehouden had, zat de familie +nog, stil van opgetogenheid, te luisteren onder het gaslicht. Madame kloeg +niet eens over het bevuild tapijt noch over den mildgeschonken wijn. +Marieken kwam het eerst tot de werkelijkheid terug, draaide de overbodige +lichten uit, nam de glazen weg. + +--Wij moeten den President onze klandisie gunnen, oordeelde Madame. + +--Ja Papa, steunde Marieken. + +--Maar wij hebben niks noodig, de dakgoten zijn in orde!... + +--Wij moesten een bad koopen, een bad hebben al de rijke menschen. + +--Een bad? + +--Een bad, herhaalde ook de verbaasde Madame, en voor wat? Wat zullen +wij daarmede aanvangen, en waar zullen wij het zetten? + +--Wel, Mama toch, op de kamer boven de keuken. + +--Maar wat zullen wij met een bad doen? Pleitte Snepvangers. + +--Wel, ons wasschen, Papa! + +--Ik wasch me alle dagen kind, maar in een bad, denk eens na! + +--Een toekomstig gemeenteraadslid die geen bad in huis heeft... de +menschen moesten het weten. + +--Ja daar is toch iets voor te zeggen, Snepvangers. + +--Maar Mama, dat kost veel geld. + +--Die over den hond kan, kan over den staart... Wij zullen eens naar +den President gaan kiezen. + +'s Anderen daags trokken de moeder en de dochter naar de Melkmarkt, De +President was niet thuis, maar zijn vrouw, een pronte, zwaarlijvige en +praatlustige vrouw ontving. De serenade was haar stokpaardje. Haar man +had er niet kunnen over zwijgen, en Craen was niet makkelijk. Zij kende +de dames van in de Zoologie te zien, en Marieken had ze altijd zoo'n +aardig meisje gevonden. Het gezellig gesprek werd in den winkel gevoerd. +Madame Snepvangers zat in een ziekenstoel, Marieke op een tentoongesteld +porceleinen kuipje met mahoniehouten deksel. Madame Crean leunde tegen +een badkuip en zag zich weerkaatst in den ovalen spiegel van een lavabo. + +Toen het onderonsje gestoord werd door winkelbezoek had men nog geen +badkuip gekozen, niet eens bekeken. Volgens afspraak zou men den volgenden +Zondag op koffievisiet komen met Snepvangers. Er was geen haast bij, en +de man moest maar meekiezen. + +De familie Snepvangers genoot de ongewone ontroeringen van nieuwe +betrekkingen en verrassingen. Het leven had gebeurtenissen. De politiek +bood zeer aardige uitzichten, ook voor de dames. Slechts een ding +werd opgeofferd op het altaar der neringdoenden: het prettig kuieren en +winkelen bij Tietz. + +Zij togen dus naar de Melkmarkt en werden luidruchtig verwelkomd door den +stevigen loodgieter en zijn gade. De President voerde het gezelschap in +het salon boven den winkel, waar men op rood-fluweelen stoelen rond de +koffietafel plaats nam. Terwijl men boterkoekjes en krentenbroodjes naar +binnen werkte en ontelbare kopjes koffie dronk, zoodat de meid tweemaal +moest opschenken, vertelde Madame Craen haar levensloop. Zij waren +kleintjes begonnen. De President deed toen zelf de karweikens op de +daken, maar 't was hen mee gevallen, hun eenige zoon hadden zij in +een floreerende zaak geplaatst nadat hij gestudeerd had voor +apotheker-drogist. Zij bleven maar in d'affaire uit gewoonte en uit +schrik dat zij het rentenieren niet zouden gewoon worden. + +--Ja, dat hebben wij ook ondervonden... en wij waren naar buiten gaan +wonen. + +--Spreek mij van geen buiten. Madame Snepvangers, ik ben er bang +'s avonds. + +--Wij waren ook blij terug in de oude buurt te zijn, en voor Marieken was +het ook te triestig! + +--Natuurlijk, een jong meisken!... Seffens komt onze jongen een goedendag +zeggen, en dan is er zoo wat jonkheid bijeen... In zijn affaire kan hij +zoo moeilijk weg ... ge weet wel _De Gaper_, op de Torfbrug, bekend +om het vliegenpapier ... + +--Och zoo, dat is uw zoon! Marieken, daar koopen wij onze borstels en +opneemvodden. + +--Ja, onze jongen is werkzaam en braaf, maar ... zoo'n toonbeeld moest +een vrouw hebben, ook voor d'affaire. Maar hij zegt geen tijd te hebben +om er een te zoeken, dat hij nog jong genoeg is ... hij is nu +drie-en-dertig. + +Nu de dames zwegen en peinsden na, luisterden naar de mannen, die in +politiek verdiept, eikaars vernuft en wijs inzicht waardeerden. + +--Zouden wij niet eens in den winkel gaan zien? stelde Madame Snepvangers +voor. + +Gedwee volgden de mannen, doch staakten geen oogenblik het onderhoud. +Madame Craen noemde prijzen van badkuipen, waterketels, lavabos, gemakken, +raamde de kosten van plaating. + +De belangrijke mededeeling werd onderbroken door de komst van den +drogist, een mager jongmensch met bleek gelaat. Hij had een scherpen neus, +waarop een gouden bril zijn flauw-grijze oogen beschermde. + +--Dat is nu onze Antoine..., het eenig kind dat over bleef van de vier .... +Antoine, dat is de familie Snepvangers, waarover wij gesproken hebben. + +De drogist zei hoe aangenaam het hem was te mogen kennismaken met de +familie, pluisde onderwijl aan zijn vlasblond geitenbaardje. + +De badkuip werd vergeten. Antoine had zijn winkel gesloten en bleef in +den familiekring die, in het salon, den wijn van den President proefde. +Marieken, na lang pramen, bespeelde de piano die anders nooit geopend +werd. Het was er zoo gezellig dat de familie niet weigeren kon te +blijven avondmalen. Men was reeds als thuis tusschen oude vertrouwde +vrienden. De oude heeren zaten in hun hemdsmouwen, en hun hoogroode, +glimmende gezichten knikten elkaar mild toe onder het gaslicht. + +De drogist zong nu, begeleid door Marieken, met lichte tenorstem een +paar fransche romancen. Plots gaf hij zijn Vlaamsch gezindheid lucht: + + +Zij zullen hem niet temmen, +Den fieren Vlaamschen leeuw, +Al dreigen zij zijn vrijheid +Met kluisters en geschreeuw... + + +Het begeesterd gezelschap zong het refrein mee. Maar na den ernst kwam de +losgelaten leute, die de ouderen lang vergeten strophen in het geheugen +riepen uit den tijd toen zij ook nog zongen of luisteren gingen naar de +zangers in de zanglokalen aan de Werf. De president viel in met: + + + "Vaarwel, schoon lief, de tambour slaat, + vaarwel, ik word soldaat." + + +Snepvangers kende slechts + + + "Er is gebeurd bij den pastoor van Heylen, + een wreede moord, een groote schelmerij." + + +Madame Craen zong sentimenteel + + + "Wat was zij schoon, de blonde maagd, + in 't blanke balgewaad." + + +en Madame Snepvangers won den bijval met het guitig-onfatsoenlijke: + + + "Want Sint-Nicolaas dat is een man + Die al de meiskens troosten kan + Hij brengt voor ieder verdriet of geluk + Maar ieder meisken krijgt heur stuk!" + + +Verhit danste men hand aan hand rond de tafel en keelde + + + "Waar kan men beter zijn, + dan bij de beste vrienden." + + +'s Anderendaags was Marieken zeer teruggetrokken, en Madame voelde zich +katterig, wat zij toeschreef aan de gebakken aardappelen en de te vette +hesp! + +Beiden waren een beetje verlegen met hun ongewone, dwaze luim van den +vorigen avond. + +Alleen Snepvangers gebaarde van niets, deed zijn dagelijkschen +propagandatocht door de herbergen. Hij had andere katten te geeselen, +werkte voor de partij die reeds met de aanstaande verkiezingen in het +strijdperk zou treden. De loodgieter had hem nu zelf de stellige +verzekering gegeven dat hij kandidaat zou gesteld worden. + + * * * * * + +Veertien dagen later ontving men het tegenbezoek, dat even prettig afliep. +De President loofde de keuken van Snepvangers; nooit had hij zoo smakelijk +Konijn gegeten. Antoine bleef in Mariekens nabijheid aan de piano. Madame +Craen achtte Snepvangers een wijnkenner. Een lichte roes woog op allen en +gaf het leven een rozig-leutig aanschijn. + +--Ik heb onzen Antoine nog nooit zoo gezien, fluisterde Madame Craen. + +--En Marieken dan... dat is de jonkheid, zuchtte Madame Snepvangers. + +--Waar is onze tijd gebleven! treurde de loodgieter. + +--Och, wij zijn ook nog kleppers, blufte Snepvangers, en klopte zijn zich +verwerende vrouw op de knie. + +Ook ditmaal liet de opwinding een beetje haarpijn achter, en Madame streek +suf over de platte blessen. Zij was blij toen alles weer opgeredderd was +en een kalmer uitzicht bood. Marieken liep neuriënd en bedrijvig rond en +de rustelooze Snepvangers was reeds vroeg de baan op. + +De zomerconcerten in den dierentuin brachten de vrienden geregeld samen. +Het was een meer ingetogen verzet; de mannen hielden eindelooze redenaties +over de verkiezingen en de middelen om _De Noodkreet_ overal te +verspreiden; de vrouwen fezelden over het huishouden en over de menschen +die rond hen zaten. Antoine en Marieken zwegen, luisterden aandachtig naar +de muziek die versmolt met het geruisch der voetstappen van de +rondwandelende meisjes over den kiezelgrond. + +--Dat zoekt allemaal 'n vrijer, meende Madame Craen, dat loopt in de +spitskar om zich te laten zien. + +--Dat heeft Marieken nooit gedaan, weerde zich Madame Snepvangers. + +In de pauze gaf Antoine zijn muziekbeschouwingen ten beste, de vaders +bestelden een nieuw glas en vonden het lekker zitten onder de boomen. Na +het concert werden de Snepvangers door hun vrienden naar huis gebracht. +Antoine en Marieken liepen voorop, soms wel gearmd, gevolgd door de +moeders, en op afstand door de politiekers. + +Zoo liep de maand Juni ten einde. Doch toen gebeurde het dat Antoine aan +Marieken voorstelde een eindje op te wandelen. In de oogen der ouders +glom de nieuwsgierigheid al hielden zij het gesprek aan gang. Marieken +voelde haar hart feller kloppen toen zij, onder de donkere boomen, waar +een geur van wilde beesten en bloemen aanluwde, de helverlichte kiosk uit +het oog verloor. Nabij de leeuwenzaal gingen zij op een bank zitten. +Treinen floten langgerekt, de roofvogels krijschten in de verte en de +woestijnkoningen brulden vervaarlijk in hun hokken. + +Antoine plukte aan zijn geitenbaardje, wierp zijn sigaar weg, keek naar +het stukje nachthemel dat zichtbaar was. Marieken had de handen in den +schoot gevouwen, + +--Marieken, aarzelde hij, wij zijn geen kinderen meer... Onze ouders +zullen er niets tegen hebben... wij zijn van den zelfden stand... 'k +heb 'n goede affaire en nog te verwachten, gij zijt een eenige dochter +van welhebbende menschen en... ik zie u gaarne! + +--Antoine! + +In de verte begon de muziek opnieuw te wiegelen. Zij waren beiden +bedremmeld. + +--Ja, ik zie u gaarne, maar ik wist niet hoe ik het u zeggen moest ... ge +zijt zoo 'n deftig meisken. + +--Antoine toch! + +Hij schoof nu dichter bij, lei zijn arm over haar schouders. Zij liet het +hoofd tegen hem aanleunen, rilde alsof zij koorts had. + +--En ziet ge mij ook gaarne? fluisterde hij, het gelaat dicht bij het +hare zoodat de krullende haarkens boven de slapen zijn wang kittelden. + +Haar oogen glansden, en zij voelde zijn warmen adem over haar wezen. +Eindelijk was het gekomen waarvan zij als jong meisje gedroomd had. + +--Ja, Antoine! + +Hij zoende haar en zij kuste terug zonder nog te denken aan fatsoen. In +zijn armen vergat zij ouders en concert. + +---En wanneer trouwen wij? + +--Als Papa in den Gemeenteraad zit... Dat zal de menschen niet weinig +doen biskeeren. + +Het publiek trok reeds weg toen zij de geduldig-wachtende ouders +vervoegden. + +--Awel jongen, wat hebt gij Marieken toch zoo te vertellen gehad? wierp de +loodgieter op. + +--En in den donkeren nogal, plaagde Snepvangers die het minst argwaan had. + +--Dat zal ik seffens bij Mariekens' ouders verklaren, zei de drogist +gewichtig. + +--Maar 't is al zoo laat, Antoine, wacht tot morgen. + +--Neen Mama! + +In de eetkamer der Hobokenstraat deed Antoine aanzoek naar de hand van +Marieken Snepvangers. + +Madame schonk een glas wijn. Madame Craen zei nu haar levensdroom vervuld +te zien, Craen toastte en Snepvangers zat verwezen te kijken naar de +wondere Teniersmannekens op de deuren der eikenhouten buffetten +uitgestoken. Nooit had hij dat zoo nauwkeurig bekeken. En Marieken ging +trouwen zoohaast hij in den Gemeenteraad zou zetelen. Zijn kind ging zijn +hhui verlaten, een eigen gezin vormen! Op haar beurt zou zij kinderen +krijgen, misschien ziekten en tegenslag kennen! Maar Antoine was een goede +jongen en kleinkinderen zouden een vreugd zijn voor hun levensavond. + +Madame was blij dat zij niet langer moest nadenken over Marieken. Haar +kuren zouden nu voorbij zijn, en de rust zou in huis heerschen. Het hoofd +zou men neerleggen zonder angst dat het kind alleen achterbleef. Was +Snepvangers nu maar wat minder ongedurig! + +Onder het verteederd toekijken der ouders namen de verloofden afscheid. + + * * * * * + +Om het bedekt en openlijk vrijen der kinderen bekreunde Snepvangers zich +niet. + +De weken vergingen in bezoeken, vergaderingen, bijeenkomsten en +herberggetwist. De strijd was reeds volop aan gang, in den Bond strijd om +voorrang, buiten den bond strijd tegen de partijen. Onvermoeibaar stond +hij op de bres van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Zijn persoonlijke +meeningen had hij zoo goed het ging in een manifest uiteengezet. Antoine +had het verbeterd, een sierlijken vorm gegeven zoodat het nu gerust kon +gedrukt worden in _De Noodkreet_. De avond vóór de algemeene vergadering, +waarop de kandidaten zouden worden aangeduid, verzekerde hem de President +dat hij gerust mocht zijn over den uitslag. De verdierenpikker had de +mannekens van de fanfare bewerkt, de vogelpik- en tonspelers, de spaarders +en de vrienden van den armen gesproken. De echte neringdoenden zouden +stemmen voor den onbaatzuchtigen rentenier. + +Toch baande Snepvangers zich slechts met beklemd gemoed een weg door de +propvolle zaal naar de tafel, waarachter het bestuur geschaard zat. De +President knipoogde. Hij hield zijn gelaat in effen plooi om de inwendige +ontroering te kunnen verbergen, maar hij zoog smakkend op zijn sigaar, en +zijn blikken gleden over allen en zagen niemand. Hij luisterde niet naar +het lezen van het verslag van den secretaris, naar de woorden van den +voorzitter, naar de losgelaten welsprekendheid der andere kandidaten, die +een voor een zich bij hun medeleden kwamen aanbevelen. Zijn zekerheid was +hij kwijt, de vaste grond zakte onder hem weg en hij voelde zich hulpeloos +tegenover de menigte in de zaal. Van zeer verre klonk het hem eindelijk +uit den rook: Het woord is aan M. Snepvangers! Zijn aanhangers juichten +hem toe. Dat stak hem een hart onder den riem. Met een woesten ruk wipte +hij recht naar het verhoog, schonk zich een glas water, dronk, en toen +weer stilte heerschte, sprak hij met gloeiende overtuiging: + +"Medeburgers! + +"Op dit plechtig oogenblik dat gij komt te kiezen tusschen uw mannen die +uw belangen zullen gaan verdedigen in den Gemeenteraad, zal ik zeer kort +zijn en geen lange redevoeringen uitspreken... Ik ben geen advokaat, +maar ik weet wat de burgerij en de neringdoenden toekomt. Wat ik in het +verleden geweest ben dat zal ik ook in de toekomst zijn! Ik ben tegen +bazars en coöperatieven, ik wil ze belasten zoodat de kleine burger niet +meer failliet zal gaan met te willen concureeren. Uwe belangen zijn zoo +treffelijk als die van het werkvolk, waar zooveel voor gedaan wordt. Ik +wil mij opofferen voor de zaak! Als onafhankelijk man zal ik uw intresten +verdedigen. Ge kunt lezen wat ik in _De Noodkreet_ geschreven heb... Bij +mij is het niet te doen om op de kussens te zitten, mijn princiep is: +Leven de Neringdoenden!" + +Onder uitbundig gejuich verliet hij het podium, drukte handen, ontving +gelukwenschen. Van dat moment af en voor altijd wist Snepvangers wat hij +voor had op den gewonen sterveling: hij was een spreker! Hij was direct +vergeten dat zijn hart geen boontje groot was vóór de begeestering over +hem kwam! Het baarde hem geen verwondering, met groote meerderheid, te +worden aangeduid naast acht andere kandidaten. De partij zou met een +onvolledige lijst optreden, berekend naar de omstandigheden en naar de +stemming onder de kiezers. 's Morgens aan de koffietafel feliciteerde hem +Marieken. + +--Nu zullen de geburen het gauw weten, Papa. + +--Het kan niet anders, kind, oprecht, ik ben niet rap content over mezelf, +maar ik heb gisteren avond goed gesproken. + +--Snepvangers, zei Madame, ik heb er over nagedacht, nu ge kandidaat zijt, +zult ge uw rang moeten ophouden. + +--Dat spreekt! + +--Ja, en daarom zoudt ge maar alle dagen uwe redingote moeten dragen, dat +staat zoo deftig! + +--En 's Zondags dan? + +--Ge laat er 'n nieuwe maken bij een anderen kleermaker... dat zijn weeral +stemmen. + +--En 'k zou mijn buis maar dragen, Papa. + +--Alles behalve dat... zij is voor 's Zondags en blijft voor 's Zondags... +maar ge moest nog eens aan het bad denken dat, met al die stroebeling, in +den vergeethoek is geraakt. + +--Ja, Papa. + + * * * * * + +Drukke dagen volgden. Met den verdierenpikker, de leden van het bestuur en +de andere kandidaten schreven zij adresbanden om _De Noodkreet_ te +verzenden, bezochten winkeliers, herbergiers, beenhouwers, bakkers, +kleermakers en andere neringdoenden, menschen die niet bij den bond waren +aangesloten. Ook onder de leden zelf moest het heilig vuur onderhouden +worden, want de tegenpartijen vielen hen reeds aan in eigen kamp. + +Snepvangers vermagerde zichtbaar van inspanning, onrust en slapeloosheid. +Laat duurden de vergaderingen waar plakkaten en vlugschriften werden +opgesteld, kiezerslijsten uitgeplozen en stemmen berekend. De secretaris, +een gewezen onderwijzer, wiens ambt betaald werd, gaf uitleg over de +kieswet, leerde hen wat zij te doen hadden als getuige in de kiesbureelen +en cijferde de ingewikkelde kansen na om de kandidaten gekozen te zien. + +Toen Snepvangers hun lijst op de aanplakplaatsen in de stad zag prijken, +en zijn eigen naam en al zijn voornamen las, toen oordeelde hij de kansen +gunstig. De lijst hing naast de roode der socialisten, de blauwe der +liberalen, de driekleurig omkranste der katholieken. + +De politieke strijd begon thans voor goed. Meetings zouden zij niet +houden, vermits zij niet op de massa maar wel op de eigen standgenooten +steunden. De dagbladen mengden zich in 't gevecht met al de klem en de +kracht van het gedrukte woord. Snepvangers las alles en raakte soms de +kluts kwijt, werd haast wanhopig onder de aantijgingen tegen menschen +die, al waren zij niet van den bond, hem toch eerbiedwaardig schenen. +Zijn simpele ziel duizelde onder het schelden en bezwadderen, hij had +nooit zooveel kwaad in de wereld vermoed, en hij begreep niet dat +journalisten zoo wat durfden te schrijven. De mannekens der eigen partij +werden opgehemeld, alle deugden en bekwaamheden hun toegeschreven. De +verdierenpikker moest hem steunen in zijn moedeloosheid. + +--Dat is politiek, Snepvangers, politiek, anders niks... Geloof niet dat +zij dat zelf meenen... Zij zijn er voor betaald juist gelijk onzen +sekretaris... Als de kiezing voorbij is spelen zij weer samen smousjes +op 't Groenkerkhof in hun café, en de mannen die in den gemeenteraad +zitten van de verschillende koleuren zijn dan weer dikke vrienden. + +--Neen, maar zoo versta ik het niet! + +--Gij zijt 'n brave vent, Snepvangers, en neemt dat veel te serieus op... +Ze spelen allemaal komedie in de politiek... Trek het u vooral maar niet +aan wanneer ge vandaag of morgen door 't slijk gesleurd wordt. + +--Ik doe een ongeluk als er een het hart heeft mij zoo te affronteeren! + +--Doe liever niks, anders wordt gij nog veroordeeld tot schadeloosstelling +en de kosten, en de menschen zullen met u lachen omdat ge niet meer van de +politiek verstondt en toch kandidaat hebt willen zijn. Een kandidaat moet +tegen alles kunnen; als zij schrijven dat ge 'n dief zijt, dan moet ge er +nog uw botten aan vagen... Om kandidaat te wezen, moet ge 'n filosoof +zijn. Wacht maar, uw beurt komt wel. In de _Gazet van Allen_ beginnen ze +portretten te geven van de mannen der "nief partie". Bakker Janssens +hebben ze vandaag uitgekleed, ze noemen hem 'n vermomden geus en doen +verstaan dat hij zich rijk gestolen heeft met te pooteren op het +gewicht!... + +Dag aan dag verschenen nu portretten der medekandidaten in het +frutkrantje, dat overal gratis verspreid werd. Morgen werd het nu zijn +beurt; hij was de laatste om afgetakeld te worden. Heel de stad zou het +lezen, velen zouden er een heimelijk plezier in hebben of het voor +waarheid verslijten. Ja, men moest filozoof zijn om dat alles te +verdragen voor zijn overtuiging! Vooral niks toonen, waardig doen gelijk +iemand die het gewoon is, porde hij zich zelf aan. + +Hij hoorde de gazettenleurders toeten en gillen in de straten, toen hij +aan het lokaal van den Bond kwam. Nauwelijks zat hij tusschen de +strijdmakkers, of de deur vloog geweldig open en President en +verdierenpikker verschenen in zeer opgewonden toestand. Zij hielden +de gazet in de vuist geklemd. + +--'t Is schandalig, Snepvangers! + +--Trek het u toch vooral niet aan. Snepvangers, 't is te gemeen! + +--Laat maar eens zien, zei de kandidaat zoo bedaard mogelijk; die dat +geschreven heeft, is toch een tienstuiversgast! + +Hij nam het dagblad, keek nog eens naar den President, die rood zag van +oprechte verontwaardiging, naar den verdierenpikker, die hem met zeemzoet +mededoogen aankeek, en voelde aller oogen--die der medekandidaten--vol +nieuwsgierigheid op zich gevestigd. Taai blijven! Hij las: + +_De Baaskens der Nief Partie!_ + +"Nu gunnen wij onze lezers het plezier kennis te maken met den laatste der +fameuze pateekens, die gaarne in den raad zouden zitten en er niet bekwaam +voor zijn. + +"Een dezer vermomde geuzen is Snepvangers, die de neringdoenden zal gaan +verdedigen, precies alsof wij dat niet altijd hebben gedaan. + +"Deze framasson stinkt van pretentie en is zijnen tijd vergeten toen hij +bij Notaris Boeykens de deur mocht open en toe doen, of korenten verkocht +in "De Zoutkeet". + +"Hij is rijk geworden met den strooman te spelen in de Roepzaal voor +geuzenaffaires die het daglicht niet mochten zien. + +"Hij is bekend in al de garstencafés, waar hij stoeft alsof hij reeds +gekozen was. + +"Het eerste deel van zijn naam is snep, en die beesten hebben gaarne een +natten bek. Het tweede deel, vangers, beteekent dat hij de kiezers zou +willen vangen, maar de kiezers zijn allemaal geen jongens uit "De Gaper"! + +"Moest hij gekozen worden, wat de verstandige kiezers wel zullen beletten, +dan wordt de Gemeenteraad herdoopt in Sneppenraad! Wij willen serieuse +menschen! + +"De kiezers mogen lachen, maar zich niet voor den aap laten houden door +de vijanden van den godsdienst of door anarchisten! De deftige kiezers +stemmen onder nr 1!" + + * * * * * + +Snepvangers hield zich kranig onder de mokerslagen. Zoo iets +monsterachtigs schreef men tegen een deftigen burger, die altijd, naar +behooren, zijn kerkelijke plichten vervuld had. Wat al leelijke +aantijgingen, wat vuige beschuldigingen door een naamlooze uitgekraamd! +Hij moest de stilte verbreken, toonen dat Snepvangers door zoo iets niet +in zijn eer kon gekrenkt worden. + +--Ik een framasson, zei hij schouderophalend, ik weet niet eens wat een +framasson is!... Het kunnen misschien heel deftige menschen zijn. Als zij +denken Snepvangers bang te maken, dan zijn zij er nog niet half... Ik ben +onafhankelijk en niemand kan mij deren!... Zij zijn bang van ons. + +--Wij moeten onze mannen verdedigen, schreeuwde de President. + +-Ja! Ja! + +--Tegen dat janhagel verdedigt men zich niet, verklaarde Snepvangers kalm, +maar inwendig kookte hij van machtelooze woede. + +--Ik ben zeker dat het van dien fijnen jezuiet komt, die op den Kauwenberg +woont en secretaris is van de spaarmaatschappij, meende de +verdierenpikker, hij schrijft in de gazet. + +De vergadering duurde laat in den avond. In den frisschen herfstnacht ging +Snepvangers alleen naar huis. De volle maan lei een zilveren glans over de +stad. De gewogen Snepvangers, verstrikt in het geharrewar van de politiek, +kwam in de stille haast tot bedaren. + +Uit de eenzame Keizerstraat klonken stappen en een lange slungel scheerde +hem voorbij. De man groette. + +--Halt! vriendje, riep Snepvangers en greep den man stevig vast aan zijn +ondervest, gij hebt mij dus dat affront gebakken, gij leelijke, lange +slingeraap! Ik ben dus 'n framasson, 'n zatlap en 'n stoeffer! + +--Wat wilt gij, Mijnheer Snepvangers, ik begrijpt u niet, verweerde de +slungel angstig. + +--Wij zijn nu onder vier oogen, niemand ziet ons, span nu maar een proces +in zonder getuigen, deugniet, sjamfoeter, vuile jezuiet! + +Snepvangers moest telkens opwippen om met zijn vuist te kunnen bonken op +de tronie van den lange. Jammerend probeerde deze zich los te rukken, maar +de kandidaat hield wraakgierig vast, wipte maar en bokste op neus en +oogen tot hij hijgend niet meer kon. De slungel griende. + +--Zoo tem ik de gazettenmannekens, triomfeerde Snepvangers, zeg na maar +gerust aan de andere sloebers wat zij van mij verwachten kunnen, en zeg +dat ik mijn botten vaag aan die smeerlappekens! En als zij niet +oppassen dan wordt ik nog framasson! Slaap wel en droom van zoetekoek! +Maar in de spaarmaatschappij vliegt ge zeker buiten ... + +Hij liet zijn slachtofter in den steek. Niemand had het gezien en niemand +kon getuigen! 't Zal morgen 'n schoone jongen zijn, peinsde hij. +Zegevierend kwam hij thuis waar de vrouwen, die ook de gazet gelezen +hadden, angstig op hem zaten te wachten. Aan zijn kneukels kleefde bloed. + +--Arme Papa, kreet Marieken, en hebben zij u daarbij nog willen +vermoorden! + +--Maar Snepvangers toch! + +--Ik heb den deugniet zijn zaligheid gelezen achter den hoek, morgen loopt +hij gelijk 'n karnavalzot met twee blauwe oogen, en hij kan mij niks, want +hij heeft geen getuigen! 't Is de secretaris der spaarmaatschappij die mij +dat gelapt heeft. + +--Maar, Snepvangers, wat zullen de menschen denken van zoo in de gazet te +figureeren, en dan nog vechten op den koop toe... + +--En dan over _De Gaper_, snikte Marieken. + +--Van 't vechten zal hij wel zwijgen en dan weet niemand iets... en de +gazet dat is politiek, dat is maar comedie!... In de politiek moet ge +filosoof zijn, en 't is niet zoo gemakkelijk om in den Gemeenteraad te +komen. + +--'k Wou dat de kiezing maar voorbij was! + +--Ik ook, beaamde Marieken en zij dacht aan haar huwelijk. + +--Ik ook, zuchtte Snepvangers terwijl hij zich het bloed van de hand +wiesch. + +De verdierenpikker en de President, in het geheim der tuchtiging +ingewijd, verkneuterden zich van plezier. In hun brieventesch bewaarden +zij het uitknipsel der gazet. Zij herlazen menigmaal het relaas van het +voorval verschenen onder de rubriek _Stadsnieuws_: + +"Gisteren avond was onze getrouwe medewerker A.S. het slachtoffer van +een bandietenaanval. De lafaard mishandelde en kwetste onzen vriend +zoodanig dat hij er bedlegerig van is. Politie was natuurlijk weer niet +in den omtrek. Onder de regeering der mannen van "licht, immer licht" +heeft onze stad niets meer te benijden aan Parijs en zijn apachen. De +kiezers moeten er paal en perk aan stellen!" + +Terwijl de kiesstrijd in volle hevigheid woedde, zorgden de dames voor +den uitzet der kinderen. De mannen waren niet te spreken zoodat de +moeders vrij waren alles naar eigen smaak te bedisselen. Antoine en +Marieken gingen vrijend wandelen in den valavond, zoohaast de +winkeldrukte voorbij was. In den loop van den dag wipte Marieken, +dikwijls, onder een of ander voorwendsel, in _De Gaper_ binnen. Zij was +verzot op drop, snoepte regelmatig aan den bokaal "jappekens", in de +buurt als de beste befaamd. De reuk der specerijen, gedroogde kruiden en +verfstoffen was haar haast reeds een behoefte geworden, en zij snuffelde +in kasten en schuiven, in bakken en vaten. Den winkel, den aantrekkelijken +winkel wou zij leeren, zij telde de dagen af die haar nog van het +oogenblik gescheiden hielden dat zij de klanten zou te woord staan. Zij +liet de moeders maar betijen; wanneer zij eenmaal bazin in _De Gaper_ was, +dan zou zij alles wel naar eigen zin inrichten. In zijn drogerij was +Antoine ernstig, een bijdehandsche winkelier. + +Den vooravond der verkiezingen werden de laatste woorden aan de kiezers +per post verzonden of nog in de brievenbussen gestopt. Een kort en bondig +woord: "Wie zijn eigenbelang bemint en de groote concurrentie wil kapot +maken, stemt onder Nr. 3!" De teerling was geworpen. Dien nacht sliep +Snepvangers niet. Zeer vroeg stond hij op, trok zijne nieuwe redingote +aan om zijn burgerplicht te gaan vervullen. Overal waren de muren bedekt +met plakkaten, op de voetpaden nabij de kiesbureelen waren de +strijdcijfers geschilderd, aan de deuren stonden de reclamedragers met +een "Stemt onder Nr..." Na zorgvuldig zijn kiesbriefjes bewerkt te +hebben ging hij een pintje drinken. + +De roes der laatste weken viel weg wanneer hij zoo rustig achter eene +herbergtafel zat. Ja, hij was vermagerd onder de zenuwachtige opwinding, +en voor geen geld wou hij de geschiedenis opnieuw beginnen. Zou hij nu +gekozen zijn? In geval het hem tegenviel zouden zijne vijanden niet weinig +lachen! Anders kwam er weer een serenade met brabançonne, dan het +huwelijksfeest, daarna de vergadering van den Gemeenteraad waarin hij den +eed zou afleggen. Aan tafel praatte hij opgewekt en onbekommerd met +Antoine en Marieken, met Madame Craen en zijn vrouw. Maar de tijd viel hem +lang. Hij verlangde naar en vreesde de komst van den President om den +uitslag te kennen, 't Werd avond en de stemming een beetje gedrukt. Dan +klonk de huisschel onzeker, 't Is mis, peinsde Snepvangers. Beschroomd +stonden President en verdierenpikker voor hem. Hun begrafenisgezichten +waren welsprekend. + +--Wij zijn helaas geklopt, fluisterde de President. + +--Wij moeten den volgenden keer herbeginnen, beweerde de verdierenpikker, +de kiezers werden misleid, zij hebben hun belang niet begrepen... En de +anderen hadden gazetten! + +--De kiezers zijn stommerikken, oordeelde Snepvangers die zijn +luchtkasteelen zag ineenstorten, er is niks mee aan te vangen... en daar +heb ik mij voor opgeofferd, mijn tijd, mijn centen en mijn ambitie in +gesteld, mij door de goot laten sleuren! ... + +--Ja, wij hebben er ons voor opgeofferd, getuigden ook de vrienden. + +--Schreeuw niet, Marieken, 't is allemaal niks... ik vaag er nu toch mijn +botten aan... 't Is nu gedaan met de politiek... Ik trek er uit... Ik geef +mijn ontslag aan al de maatschappijen... dat zij het karreken maar zelf +kruien, ik ben het beu... ik zet geen voet meer op de vergaderingen... ik +ga rusten en van het leven profiteeren... 'n mensch is zot zich muug te +maken voor al die vodden... De politiek is een smerige komedie, en ik wil +geen komedie spelen in mijn ouden dag!... Ik ben er mager van geworden... +Wij gaan nu samen een lekker glas wijn drinken in familie, om te toonen +dat wij niks geven om hunnen Gemeenteraad... Antoine, jongen, als ik u 'n +goeien raad mag geven, doe dan nooit aan politiek... 't Is puur +zottigheid! De wereld wil bedonderd worden, awel voor mij is 't ook +goed... En, Marieken, dat bad wil ik ook niet meer in mijn huis... ik heb +mij nooit in een bad gewasschen en ik zal het zeker nu nog niet doen, ik +geef het u cadeau in uw huishouden... en ik blijf van den ouden eed en +wasch mijn voeten in een tobbeken!... Mama, haal maar een lekkere flesch +op, ik ben blij dat alles voorbij is!... Niemand sprak de wrevelige rede +tegen, vrucht van ondervinding en ontstemming. + +En zoo werd de verloving nogmaals gevierd, en de rust gehuldigd, die +voortaan in het gezin zou heerschen. + +Wanneer de gasten uitgeleid werden en in leutige opgewektheid afscheid +namen, hoorden zij in de verte schorre stemmen weergalmen. Hij voelde +zelfs geen bitterheid meer bij het kiesliedje der overwinnaars: "Van 't +ongediert der papen, verlost ons vaderland?" + + + + +HOOFDSTUK III. + +WIJSHEID EN LEVENSKUNST. + + +Marieken was met pralende plechtigheid getrouwd om de geburen en kennissen +te doen biskeeren. De zingende mis in St.-Jacobskerk, het orgelmuziek op +het Stadhuis en het Bruiloftsfeest bij Weber hadden heel wat opschudding +verwekt en het aanzien der familie Snepvangers weer hersteld, dat door het +mislukt kiesavontuur gedaald was. + +Wanneer de wijnroes was opgeklaard, hernam Snepvangers zijn rustig +renteniersbestaan. Madame, in eeuwige ongedurigheid, dribbelde in huis +rond of winkelde in de buurt. + +'s Zondags dineerden zij met de familie Craen bij de kinderen. Heimelijk +zonden beide moeders een en ander om de dischkaart een fraaier uitzicht te +bezorgen. De winterzondag-namiddagen werden met lekker eten en drinken, in +famillie-gezelligheid, doorgebracht. + +Het jonge paar had, voor het oog der menschen en omdat men toch een +huwelijksreis moet doen, enkele dagen te Brussel doorgebracht. Daarna werd +Mariekens blanke bruidstooi voorzichtig in een koffer geborgen, haar +bruidskrans en ruiker onder een glazen stolp, op de schouw der slaapkamer +te prijken gesteld, en Marieken nam haar plaats in achter den toog der +drogerij op de Torfbrug. De oude meid liet zij baas in de keuken, de +winkelknecht verontrustte zij niet in kelder of magazijn. Zij regeerde dus +met wijsheid, en troonde naast Antoine met groot zelfgenoegen. De uren +vlogen voorbij met het gerammel op den beiaard van Onze-Lieve-Vrouw-toren, +'s Maandags ging zij in den namiddag met de moeders op boodschappen uit; +'s Woensdags woonden zij de avondconcerten in den Dierentuin bij; Vrijdag +morgen gaf als afwisseling het druk geloop van buitenlieden in de drogerij +tot het beiaardspel van twaalf uur verpoozing bracht; de Zaterdag werd +besteed aan schoonmaak en de rustdag volgde dan met groote eetpartij. + +Snepvangers had woord gehouden, zich teruggetrokken uit het +vereenigingsleven. Craen bleef President van den Bond der Neringdoenden +en verweet zijn vriend de verregaande onverschilligheid tegenover de +openbare belangen. Maar Snepvangers, openlijk gesteund door zijn vrouw, +was niet van zijn stuk te brengen. Met den verdierenpikker was het haast +tot een breuk gekomen daar deze aan hetzelfde zeel trok met den President. +De critiek van een ouden vriend kan men natuurlijk minder dulden! Hij +vergaf daarbij zijn kameraad niet hem in dat spoor te hebben gevoerd, +ontmoette hem nog slechts in de herberg om den wille van het kaartspel. + +Hij schiep groot behagen in zijn schoonzoon die, 's Zondags na het eten, +nooit naliet uit te pakken met zijn wetenschappelijken ballast te Leuven +opgedaan. Antoine noemde zijn kruiden met hun latijnsche namen die +Snepvangers niet onthouden kon. Hij sprak over sterrekunde en delfstoffen, +over scheikunde en filosofie. + +De geneeskunde was hem niet vreemd, zijn zalf tegen brandwonden, eigen +uitvinding, vond wonderlijk veel afzet. En hij peinsde, hij peinsde maar +door op nieuwe uitvindingen, middelen om het menschdom te helpen en zijn +inkomsten te verhoogen. Om op de hoogte te blijven der jongste +wetenschappelijke gegevens, las hij geregeld populaire tijdschriften, want +in zijn vak was er voortdurend nieuwigheid en vooruitgang. + +De belangwekkende beschouwingen werden gewoonlijk in den winkel gehouden. +Marieken bewonderde haar echtgenoot en snoepte onderwijl drop, de dames +Kauwden jujube, en de heeren rookten hun sigaar. Antoine ploos zijn +geitenbaardje, zijn gelaat stond ernstig en zijn woorden klonken beslist +en doctoraal. Het was verbazend vreemd voor Snepvangers en Craen die +gretig luisterden, wat de dames niet deden. Marieken knikte telkens alsof +zij het fijne van de zaak verstond. + +--De zon wordt kleiner, verzekerde eens Antoine. + +--Maar jongen wat ge nu zegt, schuddebolde zijn vader. + +--'k Heb het altijd gepeinsd, bevestigde Snepvangers diepzinnig, de zomers +worden korter. + +--De zon wordt dagelijks ouder, orakelde Antoine die zich door geen +onderbreking liet afleiden, de zon neemt af en verliest in warmte. + +--Precies zooals ik gedacht heb, zei Snepvangers, deed een zware haal aan +zijn sigaar en blies kwaadaardig een rookwolk op. + +--Zij verliest haar zelfstandigheid, ja zij verliest haar zelfstandigheid +en vermagert, als ik mij zoo doodgewoon mag uitdrukken, zij vermagert door +ons haar stralen toe te zenden! De geleerde J. Bosles,--er klonk eerbied +in zijn stem--heeft berekend dat de zon elk jaar door uitstraling een +gewicht van 18 maal 10.20 gram verliest... + +--Dat moet een cijferaar zijn, betwijfelde de President. + +--Met andere woorden, hield Antoine vol, in dertig millioen jaren zal de +zon een hoeveelheid stof uitgestraald hebben die gelijk is aan de +aardmassa. + +--'t Is kolossaal, bedacht Snepvangers en hij voelde dat Antoine hem +doordringend aankeek. + +--Ja Papa!... Als nu de zonnemassa vermindert, dan wordt haar +aantrekkingskracht kleiner: de aarde, minder sterk door haar +aangetrokken, moet minder snel van het aphelium naar het perihelium +afdalen en minder snel van het perihelium naar het aphelium opklimmen!... +De duur van deze dubbele beweging, met andere woorden het sterrekundig +jaar, moet langer worden. + +--Zoo is 't Antoine, M. Boskes heeft gelijk, ik ben er zeker van, gaf +de President toe, verheugd dat de uitleg voorbij was. + +--Ik versta niks van ofelium en perium, bekende Snepvangers schuchter, +maar ik wil u wel gelooven op uw woord... maar hoeveel langer moet +volgens u het sterrekundig jaar wel worden? + +--Elk millioen jaar, en hij lei den klemtoon op millioen, elk millioen +jaar zes seconden. + +--'t Is niet veel, meende Snepvangers teleurgesteld, en dan moeten wij er +ons nog niet ongerust in maken, wij hebben nog al den tijd... + +--Laat ons maar liever gaan soupeeren in plaats van daar den kop mee te +breken, stelde Madame Craen voor. + +--De vrouwen hebben geen verstand van wetenschap, misprees Antoine. + +--Neen jongen, troostte Snepvangers. Terwijl zij eens aan een +goudbruin-gebraden kip peuzelden, lei Antoine eene echte geloofsbelijdenis +af: + +--Wat is een mensch tegenover het heelal? + +Bedenkelijk vaagde hij de vettige vingers aan zijn servet; hmde +genoegelijk en bekeek strak zijn schoonvader. + +Snepvangers verschrok, liet het kippen boutje, waaraan hij zoo blijhartig +te kluiven zat, terug in zijn bord vallen, loerde bedeesd naar zijn +teljoor en vond in zijn bedremmeling geen antwoord. Met zijn plakkerige +hand streek hij zich over zijn kort-grijs stekelhaar, voelde aller oogen +op hem gevestigd. + +--Ja, wat is een mensch tegenover het heelal? + +--Niet veel, waagde Snepvangers en wou zijn boutje weer vastgrijpen. + +--Neen, niks, Papa, niks, absoluut niks, klonk vernietigend het betoog +uit den mond van den drogist, zoodat Snepvangers de hand van het +kippenboutje aftrok. + +--Dat is wat straf, Antoine, verweerde hij zich. + +--Neen, niks, niks, niks! Een korreltje zand in de woestijn, een druppel +water in de zee... een molecule... + +--Watte? + +--Een molecule, dat is de kleinste denkbare hoeveelheid stof die op +zichzelf kan bestaan!... + +--Toch iets meer, Antoine, toch iets meer, hield Snepvangers, rood van +ontroering, vol, nu ben ik het niet akkoord. + +--Ha, ik weet wat ge zeggen wilt, zegevierde de drogist, ge wilt zeggen +dat wij een ziel hebben, dat wij redelijke schepselen Gods zijn! ... + +--Ja, stemde Snepvangers direct in, gelukkig dat hij zich aan dat +argument kon vastklampen, en hij greep weer naar zijn bord, ja Antoine. + +--Maar dat is een ander kwestie... ik ben het met u eens op dat punt... +maar gesproken volgens absolute stelling, onder wetenschappelijk oogpunt +beschouwd, zijn wij tegenover het heelal niet meer dan een mier, een +zandkorrel of een druppel regenwater!... + +Snepvangers voelde zich angstig onbehagelijk, hij begreep niet waar zijn +schoonzoon heen wou met zijn smakelijk gepeuzel te onderbreken. + +--Wetenschappelijk mag dat waar zijn, antwoordde hij gebelgd maar waardig, +doch 'n mensch is geen mier, 'n mensch is een mensch!.. Ja een mensch!... +Geen regenwater!... Hij is naar God geschapen!... Zoo is 't! ... De +geleerden kunnen ons wijs maken wat zij willen!... Ik blijf bij het +geloof, Antoine. + +--Maar Papa toch, kreet Marieken. + +--Papa heeft gelijk, koos Madame Craen partij. + +--Wij moeten tot stof vergaan, probeerde Madame Snepvangers te verzoenen. + +--Mama begrijpt mij, draaide Antoine bij. Hij had de tafel vergeten en +zag niet in waarom de fraaie, wetenschappelijke bespiegeling niet beviel. +Ja, wij moeten helaas tot stof vergaan. + +--Ja, dat is zoo, gaf Snepvangers toe, in het besef dat er een eind moest +aan komen. + +--Ja, rotten moeten wij allemaal, verzekerde ook Craen. + +--Papa heeft me verkeerd begrepen, ik ook verbind de wetenschap aan den +godsdienst... geloof sluit geen wetenschap uit... + +--Ja, 't is wat te zeggen in de wereld, gaf Snepvangers nu berustend toe +en begon ditmaal opnieuw te kluiven. Het woord molecule moet ik onthouden, +dacht hij, terwijl hij wat appelmoes op zijn bord nam. + +--Ik ben neo-thomist, speelde Antoine onverstoord uit. + +--Een neo-thomist? vroeg Marieken benauwd. + +--Die partij ken ik niet en wil ik niet kennen, weerde Craen zich. + +--Gelooven die dat we van de apen afstammen? Vroeg Snepvangers bekommerd, +maar bleef voortpeuzelen. + +--Dat kan niet, zei Madame Craen angstig. + +--Ik wil van geen apen afstammen, weigerde Marieken. + +--Neen, maar zij oordeelen... Darwin... + +--Och dan is het goed, Antoine, besloot Snepvangers onverschillig, en +nam nog een stukje van de borstkas, dan zullen ze wel gelijk hebben. + +--Snepvangers, ik geloof dat het nu een goed oogenblik is om +petrool-fondsen te koopen... die gaan stijgen, man! + +Hierdoor gaf de President het gesprek een andere wending, want hij ook +was bevreesd voor de wetenschappelijke invallen van zijn zoon. Hij had +verschrikkelijk veel geleerdheid opgedaan, doch Craen sprak liever over +koetjes en kalfjes zooals het een gewoon, ordentelijk man past. Antoine +benuchterd, liet zijne benarde zaak in den steek, daalde af tot de +gemeenschap en sprak over fondsen en beurskoersen. + +Snepvangers bewonderde de kundigheden van zijn schoonzoon, maar was toch +tevreden, na de zondagsche hoogvliegerij, weer zonder inspanning te kunnen +praten met geburen en herbergvrienden. + +Tot zijn overbuur voelde hij zich bijzonder aangetrokken. Zoohaast het +weer eenigszins beter werd, liet hij 's morgens vroeg zijn spitsken weer +de dringende wandeling doen in de straat. Hoe vroeg hij ook opstond, +steeds lag de man uit het kousen winkeltje aan den overkant, met gekruiste +armen over de halfdeur te loeren en riep hem, immer welgemutst een goeden +morgen toe. Hij dampte uit zijn goudsche pijp en hield den steel tusschen +de dikke worstvingertjes geklemd. Steeds spuwde hij regelmatig, met +pletsend geluid, juist op den kant van het voetpad voor zijn deur. +Ssnepvanger kende hem sedert lang als een zwaarlijvig wezen, van +gelijkmatig humeur. De vrouw regeerde in den kousenhandel. De baas mocht +de vitrien wasschen en de uitstalling van kousen, roode snuifzakdoeken, +sajet en garen onderhouuden, soms een boodschap doen uit visschen gaan of +bij zijn duiven zitten op zolder. In zijn vrije oogenblikken lag hij maar +altijd over de halfdeur te rooken en te spuwen. Snepvangers die jaren +de welvarende nering kende, vermoedde wel dat het koppel dikkerds er +warmpjes in zat. Zij leefden afgetrokken en vergenoegd, de man wist dat +de vrouw de broek droeg, maar 't verhinderde hem niet vermits hij op tijd +zijn natje en zijn droogje had. Het huisje was nog antieker dan zijn +ouderwetsche bewoners, al was het trapgeveltje weggebroken om plaats te +maken voor een kroonlijst. De halfdeur was gebleven om overbuur van zijn +gemakje niet te berooven. + +Het bleef bij wederzijdsche beleefdheid. Snepvangers had maar gaarne +geweten wanneer overbuur opstond; hij deed heimelijk zijn best om eens +voor hem te zijn, doch steeds lag de vent, die hem mogelijk doorzag, +reeds rustig te rooken en groette hem met een welwillend gegrinnik. Hij +slaapt niet, oordeelde Snepvangers, er zijn menschen die niet slapen +kunnen omdat zij wat op den lever hebben. Maar het geweten van den man +zou wel door niets bezwaard zijn, hij was steeds te vergenoegd. De duiven +zullen hem wekken, veronderstelde hij, hij zal juist onder het duivenhok +slapen. Hij moet een droge keel krijgen met al zijn speeksel zoo te +vermorsen, bedacht hij verder. Nooit had het doen en laten van een mensch +zoozeer zijn belangstelling gewekt. Aan de koffietafel zelfs praatte hij +over de eigenaardigheden van den buurman, over zijn spuwkracht. Nooit +ontvingen de menschen uit het oude kousenwinkeltje bezoek, vertelde +Madame, de vrouw, het mafkoeiken, zei geen schamel woord meer dan noodig +was in de winkels, en rijk waren zij gewis, want ook het huisje was hun +eigendom. Propere, stille menschen, die jaarlijks hun geveltje laten +schilderen de deur in eik zetten! Op een voorjaarsmorgen, de zon koesterde +reeds warm den spinnenden, grijzen kater vóór het huis van Sander, bood +zich de gelegenheid om nader kennis te maken. Spitsken joeg in +lente-overmoed achter de poes, die over de halfdeur naast het hoofd van +haar meester wegsprong. Snepvangers stak de straat over en zocht zijnen +hond te verontschuldigen. + +--Dat doet hij anders nooit, Sander. + +Neen, schuddebolde de kousenvent, maar hij zei geen woord, verbluft door +den plotsen aanval. De mogelijkheid van een gesprek met Snepvangers te +voeren had hij nimmer bedacht. Onthust staarde Snepvangers in den klaren +hemel, Sander vergat te rooken. + +--Schoon lenteweer, teemde Snepvangers. + +--Ge wordt weer vetter... ge krijgt weer buik... dat is goed, antwoordde +Sander en spuwde tot bevestiging. + +--Ja, Sander! + +Schuw was hij, hij had berouw den man gestoord te hebben in zijn +ochtendbezigheid. Met inspanning en ontzetting zag hij Sander spuwen, +prevelde iets en trok zich terug. Eenige dagen gingen voorbij zonder dat +hij een poging waagde, hoe toeschietelijk Sander ook glimlachte en +lustig knikte wanneer hij aan de deur verscheen. Maar Spitsken joeg weer +achter den kater, en het beest wipte weer binnen over de halfdeur. + +--Hij kan hem niet krijgen, pochte Sander. + +Snepvangers stak de straat over en ging tegen de oude deurlijst leunen, +van waar hij aandachtig het waterspel van Sander gadesloeg. + +--Ge speekt toch zoo vreeselijk veel, Sander, oordeelde hij vol +ontzetting, is dat van 't smooren? + +--Bijlange, niet, Snepvangers, ik kan speeken zonder smooren... ik kan +altijd speeken als ik aan de deur sta. + +--Maar waarom dan toch, Sander? + +--Omdat mij dat amuseert! + +--Amuseert u dat? + +--Ja kolossaal... ik speek nooit in de goot, altijd op 't kantje van den +trottoir. + +--Wat de zegt! + +--Ja, dat is zoo'n gewoonte en ge kunt niet gelooven hoe plezant het +is!... ik doe het nu al jaren... en toen ik eens in mijn bed stak met +flerecijn was ik ziek omdat ik niet speeken kon!... + +--Ge zult te veel speeksel hebben, Sander. + +--Dat kan wel, maar ik doe het toch meer om het verzet... ieder mensch +heeft zoo'n liefhebberij... gij hebt de politiek gehad, ik speek +liever... en loer naar de menschen. + +--Ja, gaf Snepvangers verlegen toe. + +--Ik loer naar mijn speeksel en naar de menschen, en denk na!... + +--Ge zijt 'n filosoof, Sander. + +--Dat kan wel, al ben ik er niet zeker van... soms tel ik de keeren dat +ik speek, 't zijn cijfers, Snepvangers! Soms zie ik van alles in mijn +speeksel, allemaal dingens om te lachen, want ik ben nooit triestig. + +--Ik heb u al zoolang in 't oog gehouden, ik was bang dat het speeken +een ziekte was!... + +--Ik had het wel in de gaten, maar 't is geen ziekte, al zou dat wel +kunnen bestaan; de speekziekte! Het komt omdat ik zoo weinig tegen de +menschen spreek, weet ge, daarom speek ik. De mond moet toch beweging +hebben. + +--Dat zal wel, Sander. + +--Ik kan maar niet verstaan waarom de steenen niet verslijten! + +--Verslijten? + +--Ik heb eens gelezen van een steen in een gevangenis, en de steen was +door een waterlek uitgesleten, fluisterde Sander geheimzinnig. + +--Onmogelijk is het niet, bedacht Snepvangers. + +--Maar ik zou nog veel meer moeten speeken om het zoover te brengen, +zuchtte Sander, en in den dag heb ik nog wat anders te doen. + +De volgende dagen kwam Snepvangers, zonder belet te vragen, leunen tegen +den buitenkant der halfdeur. Zijn nieuwsgierigheid was nu bevredigd, maar +de belangstelling bleef bestaan voor het onderhoudend spuwen. Zij spraken +niet veel, zoo wat over kat en hond, over weer en wind, luisterden naar +het tampend klokje der paterkens op de Ossenmarkt. Het gebeurde wel dat +Snepvangers aangehitst, betrapt werd dat hij poogde mee te spuwen. + +--Niet ver genoeg, keurde Sander af, in de goot, klonk het anders +minachtend. + +Beschaamd zweeg Snepvangers dan, maar wanneer hij toevallig in den plas +kon treffen, dan zegevierde hij: + +--'t Is er in, Sander. + +--Ge leert bij, moedigde de kousenvent aan, 't is niet zoo gemakkelijk +als het wel schijnt... Ge begint er ook al plezier in te krijgen, niet +waar? + +Zoo ging de lente voorbij en de zwoele zomer woog op de stad. Snepvangers +leefde genoeglijk en stil. In _De Gaper_ werd een kleine gaper verwacht +en op de gezellige, zondagsche eetpartijen werd haast over niet anders +meer gesproken. Antoine en Marieken lazen boeken over kinderkweek, over +het verzorgen van zuigelingen, over de verpleging der kraamvrouw, +raadpleegden werken over gezondheidsleer voor pasgeborenen en moeders, +over de kunst om kinderen op te voeden. + +--Dat is de nieuwe tijd, stelde Madame Snepvangers vast. Zij was +inschikkelijk nu zij naar hartelust haar leven had ingericht. + +--In onzen tijd, meende Madame Craen, werden er zooveel babbelguigjes +niet gemaakt, en kinderen kwamen er ook. + +--De wetenschap heeft veel verbeterd, verzekerde Marieken. + +Craen en Snepvangers profiteerden van de gelegenheid om stillekens naar +de kroeg te sluipen. De vrouwen en Antoine zouden dat wel bedisselen, +van wetenschappelijken kinderkweek hadden zij geen begrip, en ook het +verzorgen van den kindskorf viel buiten hun bevoegdheid. Eens dat zij +langer dan naar gewoonte hadden blijven plakken in _Het Nachtlicht_, +kochten zij, om zich te verontschuldigen, een prachtige wieg. + +Een morgen in Oogst stond Snepvangers weer aan den buitenkant der +halfdeur naast Sander aan den binnenkant. Het zou weer erg warm worden +zoodat men niet wist waar kruipen, overwoog Snepvangers. + +--Morgen ziet ge mij niet, bedreigde Sander. + +--Wat is er gebeurd? ondervroeg Snepvangers verschrikt. + +--Er is nog niks gebeurd, maar er gaat iets gebeuren! + +--Wat zegt ge, Sander? + +--Er gaat iets gebeuren! + +Snepvangers keek verstomd naar den talmenden, vergenoegden kousenvent. +Deze lachte sluw en pinkoogde. + +--Wat gaat er dan gebeuren, Sander? + +--Ik ga uit visschen! + +--Och anders niet, ontviel het den teleurgestelden Snepvangers. + +--Ik ga uit visschen en zal dus niet speeken! + +--Wel, wel toch! + +--En ik ken iets van visschen! Ik vang baars, brasem, snoek, karpel en +paling... Ik weet ze zitten, ik ken de beestjes, ik weet wat ze gaarne +eten. Ik heb het leven van de visschen bestudeerd!... + +--Ik ook, zei Snepvangers, die niet wou onderdoen in kennis, ik heb ze +bestudeerd in het aquarium van de Zoologie. + +--Waar? In het aq... wat? + +--Ja, daar zitten zij achter glas... en ge ziet ze eten en permentelijk +ademen want de luchtblaasjes broebelen boven het water uit. + +--Achter glas. Snepvangers, visschen achter glas? Snepvangers, wij zijn +goeie vrienden en 'k heb u leeren speeken met plezier, maar ge moet mij +niks willen wijsmaken, betoogde Sander ongeloovig. + +--Toch is het zoo, hield Snepvangers vol. + +--Ik ben wel eens in de Zoologie geweest in mijn jonge jaren, en 'k heb +er leeuwen, tijgers, vogels en andere wilde beesten gezien... maar +visschen achter glas!... Neen, dat is geen echte visch, dat is zoo'n +komieke uitvinding... + +--'t Is echt! + +--Geloof het niet, Snepvangers, 'k heb er ook vogels gezien, opgevulde +vogels... en 't zal wel zoo iets zijn in karton of blik... ze probeeren +alles om de menschen te verneuken. En dat gij u laat beetnemen? + +--Ge moet eens mee gaan zien, Sander, we zullen eens samen gaan... + +--Neen, Snepvangers, dat nooit, ik ben te oud om mij voor den aap te +laten houden!... + +--Maar Sander toch! + +--Gij moet eens met mij gaan visschen, ik zal u eens echte, serieuse +visch laten zien. + +--Ik wil wel, zei Snepvangers. + +--Nog niemand heb ik meegenomen, want ik vertrouw niemand... Maar u, +Snepvangers, u zal ik eens leeren visschen... Alleen moet ge mij beloven +te zwijgen en u niks meer te laten wijsmaken... Koop uw gerief, en zorg +dat ge om drie uur klaar zijt, want we trekken vroeg naar buiten. + +--Ik zal klaar zijn, beloofde Snepvangers vermits hij zeer belust was op +de nieuwe uitspanning. + +In den namiddag voorzag hij zich van zijn gereedschap. Hij kocht een +rieten inschuifhengelroede, snoeren, haken, loodjes, kurken dobbers, +een wormbakje en een vischmand. Op den koop toe kocht hij een +handboekje: _De Hengelaar_. + +Daar hij vroeg wou gaan slapen liet hij de vrienden van de kaarttafel +uit _Het zwart Paard_ in den steek. Vlijtig las hij de algemeene +beschouwingen over zijn sport en de bepaling van den besten vischtijd: + +"De hengelaar is iemand die er nooit tegen opziet, om zich met +zonsopgang in het veld te bevinden. + +"De sport werkt volgens geneeskundigen kalmeerend op de overspannen +zenuwen. In Engeland wordt veel gehengeld door heeren en dames, die veel +geestelijken arbeid verrichten. + +"De hengelaar moet er steeds naar streven met de politie op goeden voet +te blijven. + +"De kenner weet bij instinct altijd de beste plekjes op te sporen. + +"Door oefening wordt de kunst verkregen. + +"De eigenlijke hengelperiode begint met Augustus... + +"De visch houdt van een licht gedekt luchtje... maar men lette ook op den +wind ..." + +Dan las hij hoe men zich moet kleeden. Een kostuum met veel zakken, +vetleeren kaplaarzen om natte voeten te vermijden en een regenjas tegen... +regen! Daar zou hij moeten overheen stappen, want noch een noch ander had +hij in zijn garderobe. Dus ook zijn regenscherm moest hij thuis laten! + +Belangwekkend waren de mededeelingen over de voorbereidende maatregelen: +het voederen van den visch en de verboden geheimmiddelen. Vooral het +aas vergde al zijn aandacht. Wormen, kaas, brood, zoetekoek, aardappel, +garnaal, kleine visch van zes tot twaalf centimeters, kikkers! Hij peinsde +na, onderbrak zijn lectuur, ging pieren steken in een vochtig hoekje van +zijn tuintje, lei ze zorgvuldig in het wormbakje. Dat ik nu geen +peterselie heb, betreurde hij, het peterselievocht prikkelt danig hun +huid! Het vangen van de verschillende vischsoorten alsmede de wettelijke +bepalingen kon hij niet meer doorwerken, dat zou iets voor later zijn, +want nu was het bedtijd. + +Toen Sander aanbelde stond hij kant en klaar, beladen met zijn vischtuig +en zijn boterhammen. De buurvriend was nog erger beladen, men zag het aan +zijn uitrusting dat hij een oud visscher van beroep was. Hij droeg een +breedgeranden zonnehoed. + +Zij togen door de stille stad in den lichtenden ochtend, voorbij het +begijnenhof der Roodestraat, langs de Rijnpoortvest, naast het Stapelhuis +en de dokken vol schepen en schuiten. Onder weg tjilpten de musschen. Een +dronken matroosje lag ergens in een goot zijn roes uit te slapen. Nu en +dan zagen zij een politieagent, een douanier of een nachtwaker. Zoo +verlaten en stil had Snepvangers de stad nog nooit gezien. Sander voerde +hem over bruggen, doorheen een doolhof van houtstapels, tot zij eindelijk, +naast een sas, over de brug der Royerssluis, den Scheldedijk optrokken. +Voor hen lag de kabbel-klotsende rivier in den morgensmoor, waarop het +Licht reeds straalde. + +Achter hen lag de stad met de torens en de huizen zonder leven. Rechts, +in de laagte, liep breed en diep de donkere gracht van het Noordkasteel, +waarvan de groene wallen heuvelend opstaken. Maar hun blikken gingen naar +den grooten Scheldeplas, waarin mogelijk zooveel visch moest verscholen +zitten! Een paar kleine garnaalknotsen met bruine zeilen laveerden naar de +stad, een driemaster lag voor anker achter den hoek. Aan Oosterweel, +verscholen tegen den dijk, volgden zij den steenweg door den Polder. Hier, +onder den oneindigen hemelkoepel, was het rustig. Zij hoorden alleen het +geloei der koebeesten in de weiden en het klimmend gezang der vogels over +de groene, bedauwde vlakte. Sander onderbrak door geen onvertogen woord +het zwijgen vol verlangende verwachting. Nu trokken zij door binnenwegen +tot in 't hartje der groene weiden en der stilte van den vreedzamen +ochtend. Eindelijk bleef Sander staan, haalde uit een zijner zakken een +sleutel te voorschijn, opende het slot van een hek, trok de slagboom open, +wenkte Snepvangers. + +--Hoor de leeuwerik klimmen, zei hij en bleef even luisteren. + +Nu sprak hij weer, floot een lustig deuntje terwijl hij voorop liep door +het vochtige gras. Wanneer hij weer stilstond was het airken uit, en wees +hij op een wiel bedekt met waterplanten en kroos. + +--Dat is mijn eigen visscherij, en op de weide laat ik geen koeien grazen +om de vischkens niet bang te maken! + +--Sander dat had ik nooit gedacht! + +--'n Mensch moet niet alles aan 't klokzeel hangen, mijn vrouw eet gaarne +visch en ik vang hem gaarne... daarom kochten wij grond en water... Maar +zwijgen, Snepvangers. + +--Ja Sander, en Snepvangers droomde van de verborgen genoegens van den +kousenvent. + +--Ik speek gaarne, maar ik visch nog liever! + +--Dat geloof ik. + +--'t Is een oud Scheldewiel, en diep, och zoo diep! Doch wij moeten +zwijgen want de visch is zoo slim, hij hoort alles. + +Sander bracht zijn hengelroede in orde, liet zachtjes zijn haak zakken +tusschen het kroos, lei een steen op het uiteinde van den stok. Daarna +monsterde hij de uitrusting van zijn vriend, schoof de stokken op elkaar, +bond de snoer aan een zorgvuldig gekozen haak, zag misprijzend op de +pieren neer, maar nam toch dit aas, wierp de lijn een paar meter verder +te water, en lei weer een steen op den stok. Zonder vrees voor den dauw +hurkte hij neer aan den waterkant, nam een platte flesch uit een +binnenzak, dronk een slokje, smakte genoegelijk, gaf gemoedelijk knikkend +het fleschje aan den buurman. + +--'t Is voor de wormen, fluisterde hij, er is niks zoo goed tegen de +wormen als een borreltje op de nuchtere maag, vooral in open lucht. + +Snepvangers proefde, keek bekommerd naar de dobber. + +--Laat dat maar, verzelde Sander, ge kunt zien dat ge van visschen niks +kent... zij vinden het zelf wel... als zij ons maar niet hooren... + +--Wat gaan wij nu vangen, Sander? + +--Wat God belieft! 'n Mensch mag nooit te rap zijn en vooruit willen +denken... wat wij vangen dat zullen wij moeten afwachten... soms vangt +men veel, soms vangt men niks! + +--Maar 'k heb een boeksken gekocht waarin staat hoe men de verschillende +vischsoorten moet vangen. + +--Een boeksken? Geloof toch vooral geen boekskens! Kunt ge nu in een +boeksken leeren visschen of zwemmen? De ondervinding leert het, +Snepvangers... Gij hebt dat boeksken toch niet gelezen zeker? +Wantrouwde hij. + +--Neen, Sander, 'k heb nog geen tijd gehad. + +--Ha! dan is het goed... Lees het vooral niet... Daar is niks goed van te +verwachten... Beloof me dat ge het niet zult lezen!... + +--Als ik u daar plezier mee doen kan... + +--Ja, groot plezier, vriend Snepvangers, want als ge het boeksken leest, +dan neem ik u niet meer mee... En ik zal u leeren visschen zooals ik u +heb leeren speeken, omdat ik u genegen ben... Kom, laat ons nu een +boterhammeken eten, want er is niks zoo slecht als nuchter te blijven in +de dauw van den Polder! + +--Maar de lijnen? + +--Laat de lijnen maar liggen ... als wij beet krijgen zullen wij het wel +zien... Wij moeten den visch zijn goesting laten doen, weet ge... Dat is +slim!... + +Zij aten hun boterhammen en dronken een slok koude koffie. De morgen +klaarde over den wijden Polder. Een kikvorsch wipte voor de voeten van +Snepvangers weg en Sander lachte omdat buurman zoo schrok, maar hij +lachte gedempt, als inwendig. + +--Hier ben ik nog liever dan aan mijn deur ... hier denk ik niet aan +speeken ... ik denk aan mijn jonge jaren, want ik ben ook een boerken +uit den Polder... Hier ben ik nog beter gezind dan thuis... + +--Ja, het buitenleven, mijmerde Snepvangers, in een opwelling van oude +herinneringen. + +--Ik houd van gras en water ... en van de beestjes in de natuur... Mijn +vrouw houdt alleen van haar winkel ... daarom kom ik hier altijd maar +alleen, ... maar ik ben gaarne alleen ... ik ben altijd even blij. + +--Hij bijt, kreet plots Snepvangers, die zijn hengelroede zag trillen. + +--Ssst! Ssst! Maak toch geen leven! Voorzichtig! + +--Maar hij bijt, zeg ik. + +--Ja, en nu zal ik hem eens properkens voor u ophalen; een visch ophalen +is de groote kunst, moet ge weten.... + +--Spoed u dan toch, dwong wanhopig Snepvangers. + +Traag en behoedzaam stond Sander recht, pakte de hengelroede beet en trok +zachtjes-aan. Het drijvertje kwam omhoog, de strak-gespannen snoer volgde, +en een spartelende brasem met zilverbruine schubben hing aan den haak. +Behendig werd hij op de wal geloodst, losgemaakt en in de vischmand +gestopt. De twee visschers hurkten er bij neer, keurden en bewonderden. + +--Hij weegt zeker 'n kilo, meende Snepvangers. + +--Dat kan, willigde Sander in, ik zeg niet neen of ik zeg niet ja, dat +moeten wij wegen!... Leer ik u niet goed visschen? ging hij blijhartig +voort, 'k had het anders met zoo'n aas niet durven denken, voltooide hij +bekommerd. + +--Deugt mijn aas niet? + +--Och, wat zal ik zeggen, ja en neen, dat hangt af hoe men het wil +beschouwen... mijn aas is natuurlijk beter. + +--Ja, dat zal wel, gaf Snepvangens toe, grootmoedig door zijn schoonen +inzet. + +De vischhaak werd opnieuw van aas voorzien en te water gelaten. Sander +zweeg nu, frutselde aan andere snoeren, nachtlijnen die hij in den dag +maar plaatste en aan kleine paaltjes vastknoopte, ging dan onverschillig +gelukzalig liggen droomen. Hij werd opgeschrikt toen Snepvangers weer +beet had. Ditmaal haalde hij een fraaie karper op. + +--'k Heb meer last met uw lijn dan met de mijne, verweet hij genoeglijk; +uw aas moet toch goed zijn ... men is nooit te oud om te leeren in de +visscherij ... of uw plek is beter ... ik moet seffens uw aas eens +gebruiken. + +--Gebruik gerust, of ge komt nog platzak thuis! + +--Och, dat kan den besten overkomen ... schoone visch ... er is ook wel +wat geluk bij in 't visschen, kalmeerde hij; er zijn menschen die er niks +van kennen en toch vangen. + +--Ja, bekende zijn buurman deemoedig. + +Nu begon ook Sander beet te krijgen, en de pen van Snepvanger trok +telkens weg, zoodat hij voortdurend in de weer was om op te halen en +nieuw aas te bevestigen. + +--Voor twee visschen is toch te veel!... Maar nu ik er aan denk, +Snepvangers, hebt gij een vischverlof? + +--Neen, Sander. + +--Dan kunt ge in de boet zijn als de veldwachter komt. + +--Daar heb ik niet aan gedacht, prevelde Snepvangers onthutst, en de +vreugd der vangst was bedorven; gij hebt me niet gewaarschuwd. + +--Och, ik dacht dat gij de wetten kendet, lachte de kousenvent en ging +voort aan zijn werk. + +Snepvangers ging wat achteraf zitten, niets op zijn gemak door de +bedreiging met den veldwachter, waardoor zijn plezier bedorven werd. +Sander kreeg medelijden. + +--Wees maar niet bang, de veldwachter komt wel niet en dan zeg ik maar +dat ik met twee lijnen visch... daarbij ik ken hem... ik zei het maar +om de aardigheid. + +--Een boet is geen aardigheid... Ik wil voor geen vischken op 't tribunaal +komen. + +--Kom, kom, neem nog een borrel, Snepvangers; weeral baars, nu vangt ge +niks meer dan baars... + +--Lekkere genever, vergoeilijkte nu ook Snepvangers. + +--Straks leggen wij ons gerief op den kant en vangen een uil... Als het +te warm wordt, dan bijt de visch toch niet meer... Daarna gaan wij spek +met eieren eten bij den boer, dan wandelen wij stillekens naar huis. +Zij zullen niet weinig verschieten als ge met zoo'n mand visch thuis +komt... Maar zwijgen, zulle... Ik neem niemand mee dan u... + +Toen de vischmandjes vol waren, werden de snoeren opgerold en de lijnen +uiteengenomen. Men zou eerst eten en dan slapen. + +--Meer kunnen wij niet opeten, zei Sander, en ik vang nooit meer dan wij +eten kunnen... van weggeven houd ik niet en daarbij ik ken geen +menschen.... Overmorgen kom ik opnieuw.. en gij, Snepvangers? + +--Als het u niet geneert! + +--Zeker niet, met twee is het nog veel plezanter om den weg te korten... +kom, nu gaan wij naar de hoeve. + +Hier was Sander thuis. In afwachting dat het eten klaar was, liep hij in +wagenkot en stal, in schuur en huis. Behagelijk snoof hij de scherpe +stallucht op, had plezier in den fellen haan en zijn hennen, in de eendjes +en de duiven. Na zich rond gegeten te hebben, gingen zij, achter den +boomgaard, tegen een kleine hooiopper liggen slapen. + +--'k Wou dat ik thuis een koe kon houden, wenschte Sander. + +--Ja, wenschte Snepvangers mee, doch hij voelde wel dat de woorden van +zijn vriend hem in zijn slaperigheid ontglipten. + +Laat in den middag werd Snepvangers gewekt door een gemeene vlieg, die +hem op den neus kittelde. Sander snurkte nog zalig, zoodat zijn vriend +hem met tegenzin wekte. + +--'t Is tijd, Sander + +--'k Lag er juist aan te denken.... + +Zij keerden langs den dijk, over de bruggen, in het tierig havenleven der +stad weer, namen afscheid aan de halfdeur. Snepvangers vond het keffend +spitsken alleen thuis. Hij lei zijn vischtuig neer en met het mandje +waarin zijn vangst geborgen zat trok hij naar de Torfbrug, want hij +veronderstelde dat zijn wederhelft bij Marieken op bezoek was. + +In den winkel stond de knecht achter den toog. De man vertrok zijn +gelaat, grijnslachte en wees met dwaas gebaar naar de deur der huiskamer. +Hij is van lotje getikt of zat, dacht Snepvangers. In de kamer zat Craen, +rood van opwinding, te proeven aan een flesch wijn. Spraakloos stond hij +op, vulde een tweede glas, tikte prosit en zei: + +--'t Is 'n jongen, Snepvangers. + +--Wat, 'n jongen?... + +--Ja, met al hun boeken over kinderkweek hebben zij zich nog misrekend. + +--En Marieken?... + +--Alles in orde, Snepvangers, drink maar eens, we zullen ze seffens gaan +bezoeken... Ik ben peter, Snepvangers, en 't zal sapperdeboeren feest +zijn! + +--En ik die uit visschen ging! + +--We konden er toch geen hand aan uitsteken... laat uwen visch maar eens +zien! Wel, wel! Zelf gevangen, niks uit den vischwinkel? + +--Wat denkt ge wel! Hij ademt nog!... + +--Kom laat ons nu maar naar Albertken en zijn moeder gaan zien. + +De visch werd in de kraamkamer bewonderd, evenals het kind en de moeder. +De vrouwen vertelden van het kraambed, Snepvangers bevestigde keer op +keer dat de kousevent een "aardige", een zonderling was. Marieken, +bleek onder de kanten slaapmuts, lag gelukzalig te staren; Antoine zag +verwezen naar de wieg, waarin de boorling te leven lag. De baker eindigde +met het gezelschap naar de huiskamer te verwijzen. + +Het doopfeest en Mariekens kerkgang gaven aanleiding tot vette +familiefeestjes, waarna het dagelijksch leven hernam. Marieken stond +weer achter den toog en een kindermeid voerde den kinderwagen straatjes +om in de buurt. + +Snepvangers had een vischverlof en ging, zoolang het seizoen het duldde, +mee uit visschen. Toen het najaar stillekens naar den winter liep, moest +hij zich weer bepalen met 's morgens het waterspel van Sander na te +kijken dat wel iets van zijn aantrekkelijkheid verloren had. Hij sprak nu +dikwijls over Albertken dat reeds slim uit zijn oogjes begon te kijken en +zijn grootvader erkende. + +--Ge zijt 'n gelukkige vent, Snepvangers, zei eens de kousevent, en voor +de eerste maal scheen hij niet vroolijk, gij hebt een dochter en een +kindje dat grootvader zal leeren zeggen. + +--Ja, Sander! + +--Ge weet niet hoe gelukkig gij zijt... de menschen waardeeren niet +genoeg wat zij hebben... Wij hebben geen kinderen en zitten moedermensch +alleen in onzen ouden dag... + +Sander hield op met spuwen, aarzelde nog een oogenblik, ging toen plots +zonder groet naar binnen. + +De dagen sleten en 't werd telkens avond en tijd om kaart te spelen. De +zondag bracht den familiekring samen, en Albertken was de held van het +gesprek. Het kind groeide met den dag en allen vonden het schoon, slim +en groot. + +In het voorjaar, een dag dat het buiïg regenweer, het volle genot der +kachel schonk en de huiselijkheid deed waardeeren, vond Madame +Snepvangers in de brievenbus het aanlokkend prospectus eener Brusselsche +reisagentie. Zij lei het zorgvuldig bij de gazet om na het avondmaal, +wanneer het licht ontstoken en het huishouden aan kant zou zijn, het +druksel te lezen. De ordelievende vrouw wierp nooit een reklaambiljet +ongelezen weg, zat met den bril op den neus en de ongestopte kous in den +schoot, aandachtig te spellen. Was het een simpele inval of een lang +sluimerend verlangen, dat plots wakker werd? + +--Snepvangers, wat moet dat Zwitserland toch schoon zijn! + +--Ja, zei Snepvangers, die rustig in zijn zetel zat te rooken. + +--Wij hebben gewerkt en gespaard en niks van de wereld gezien!... + +--Ja!... + +--We moesten toch ook eens een reis naar Zwitserland doen in den zomer. + +--Och! + +--Veel geld kost het niet en de gidsen zorgen voor alles, tot zelfs voor +het drinkgeld. + +--Och! + +--De hooge bergen vol sneeuw, die schoone valleien en meren... die +koeikens met bellekens aan den hals, dweepte madame. + +--Maar Mama toch, bracht Snepvangers verbluft in 't midden. + +--Ja, vóór ik sterf wil ik Zwitserland gezien hebben, bekende Madame in +vervoering, en gij gaat mee, zei ze verteederd, want zonder u zou ik niet +gerust zijn tusschen al die vreemde menschen in de hotels. + +--Waar zijn uw gedachten toch, Mama, Zwitserland ligt zoo ver van hier. + +--Lees het zelf maar eens... het staat er allemaal in! + +Snepvangers las en zei geen woord meer. Tegen den wil van zijn vrouw kon +hij niets doen, en 't was nog geen zomer. Maar Madame sprak weldra over +niets anders meer dan over Zwitserland. Stilaan begon Snepvangers er ook +minder tegen op te zien, zijn bezwaren vielen weg, de reislust werd ook +in hem gewekt en de prospectus begon ook hem aan te lokken. Hij nam den +kousenvent in zijn vertrouwen, sprak hem van zijn reisplan. + +--Niet doen, Snepvangers. + +--Waarom niet, Sander? + +--Niet doen, zeg ik. + +--Maar waarom niet? + +--Als ik u 'n raad mag geven, blijf dan in uw straatje, ge gaat u weder +onnoodig moe maken om sneeuwbergen te zien... wat hebt ge nu aan +sneeuwbergen en koeien met bellekens rond den nek?... Niks! En er kan een +ongeluk met den trein gebeuren, dat leest ge toch dagelijks in de gazet... +Ge kunt in een afgrond vallen en morsdood zijn! Ge kunt bestolen worden... +Ge slaapt niet in uw eigen bed... De Zwitsers zijn natuurlijk slimme +vogels die hun land laten zien om centen te winnen... Ik zeg, als vriend, +niet doen! Maak u toch niet onnoodig muug, 't is overal hetzelfde in de +wereld... de menschen eten en slapen... de zon komt op en 't wordt er +nacht... sneeuwbergen kan ik in de wolken zien! + +--Maar mijn vrouw wil absoluut Zwitserland zien! + +--Dan is er geen zalf aan te strijken, jongen, dan is er niets aan te +doen, dan moet ge naar Zwitserland... Ik zie er niks goed in... als het +u maar niet berouwt. + +Hij knikkebolde bedenkelijk en spuwde met geweld. Heel zijn wezen drukte +afkeuring uit. + +--Dat verandert de zaak, als ik dat geweten had... zoo, zoo, uw vrouw wil +naar Zwitserland... awel, goede reis!... + +Na dit beslissend onderhoud begon Snepvangers over de voorgenomen reis te +praten in "Het Zwart Paard". De stamgasten bespraken de gebeurtenissen +even hartstochtelijk alsof zij zelf den grooten tocht gingen ondernemen. +Een meubelmaker was eens met een pleziertrein naar Parijs geweest. Een +boodschapper uit de Rozenstraat toonde buitengewone belangstelling. +Wanneer de anderen weer door het kaartspel of de teerlingen in beslag +werden genomen, bleef hij geduldig luisteren naar den omslag en de +herhalingen van Snepvangers uitleg, 'n Verstandige vent, oordeelde hij, +spijtig dat hij het niet verder gebracht heeft in de wereld!... Gelukkig +dat zijn vrouw, die met visch leurt, ruim den kost helpt verdienen! + +Craen en zijn vrouw hadden na lang aarzelen geweigerd mee te gaan, zij +zagen op tegen het lange treinrit en bleven liever in de nabijheid van +Albertken, Er werd geschreven aan de reisagentie, zij ontvingen bericht +dat het geld was toegekomen en het vertrek uit Brussel vastgesteld op 20 +Juli. De laatste dagen vóór het vertrek brachten beslommeringen van allen +aard. Spitsken werd besteed bij Craen, nieuwe reiszakken werden gekocht en +gevuld met nieuwe spullen, afscheid werd genomen van de kinderen en +Albertken, van de kennissen. + +De kousenvent, die niet meer over de reis gesproken had, werd niet +vergeten. Hij zou een oogsken in 't zeil houden en met Marieken waken op +het huis. Snepvangers had zijn waarden, eigendomtitels en fondsen, goud en +zilverwerk veilig geborgen in een brandkast op de bank. Alleen Mijnheer +nam zijn hologie mee. + +Toen zij 's namiddags reisvaardig stonden, sloten zij water- en +gasleiding zorgvuldig af, speetten hun touristen herkenningsteeken op de +borst en togen, zwoegend onder hun handkoffers, naar het station. Gelukkig +dat een gids hen opwachtte in de spoorhalle te Brussel! Slechts tweemaal +hadden zij zich in de hoofdstad bar kunnen vervelen in hun leven: aan die +stad vonden zij als treffelijke sinjoren geen aardigheid. + +Snepvangers ontving de reisboekjes, en zij volgden den gids naar den +doorgaanden trein. Daar zaten zij nu in een tweede klassewagen te wachten +op het vertrek, een beetje verslagen door eigen durf en ongemakkelijk in +hun reiskleederen. + +--'t Is toch gemakkelijk reizen, verklaarde Madame zelfgenoegzaam. + +--Nu zijn wij op weg naar Zwitserland, zei Snepvangers flauw. + +Andere dragers van het herkenningsteeken stapten in, maar de gids hield +zorgvuldig een plaatsken open. De deuren waren reeds toegeworpen, toen +hijgend een dik vrouwwensch zich binnen werkte. + +--Oef, is me dat zoeken!... + +--Jezus! Maria! fluisterde Madame Snepvangers haar echtgenoot in het oor, +dat is Mie Verbinnen uit de Rozenstraat... En die gaat ook mee naar +Zwitserland. + +Snepvangers verschrok, bekeek in grenzenlooze verbazing het opgedirkt +vischwijf dat vóór hen neerzat. De vrouw van den boodschapper was +blootshoofds, een fluweelen jurk vol kanten volants omspande haar zware +borsten, een zijden voorschoot hing over haar gemooireerden rok, en +gelakte schoentjes had zij aan de voeten. Op haar schoot hield zij een +zwart teenen korf, een reuzenkabas! + +--Wel, wel, Mijnheer en Madame Snepvangers, eindelijk heb ik u gevonden... +in Antwerpen zijt ge mij ontsnapt, maar nu laat ik u niet meer los... + +--Waarom? vroeg Madame angstig. + +--Och mensch lief, ik versta geen woordje Fransch, enkel Antwerpsch... en +'k dacht bij mezelf, die brave menschen zullen mij wel helpen... Mijn vent +sprak van niks anders dan van Zwitserland... en toen dacht ik: dat moet ik +toch ook eenns zien... 'n mensch moet toc ook eens van het leven +profiteeren en wat verder gaan dan naar de kermis van Contich!... En als +ge geen kinderen hebt, kunt ge er wel een 215 franken aan besteden om +Zwitserland te zien met den Riga er bij ... + +--Rigi, verbeterde Snepvangers voornaam. + +--Rigi of Riga is voor mij hetzelfde als het maar geenen Zwanengang is!... +Ik wil ook eens reizen gelijk chik volk!... + +Het gefluit van de locomotief onderbrak haar, de trein ging traagjes +vooruit, versnelde en joeg dan voort met dommelend geluid. De +medereizigers begluurden het vreemdsoortig drietal. + +--'t Is toch gemakkelijk op de kussens zitten in plaats van met +vischkorven door Antwerpen te sjouwen, zei Mie, mijn vent zal er eentje +meer pakken nu ik weg ben en hem aan zijn lot moest overlaten. + +Een der medereizigers gichelde in zijn hoekje, de twee dames keken strak +door het ander raampje. Snepvangers werd rood van ergernis. + +--Alleen zou ik het nooit geriskeerd hebben... maar toen ik wist dat twee +deftige menschen uit de buurt meegingen heb ik mijn kaartje maar besteld. + +Madame zat verslagen. Snepvangers nam geen verder notitie van de +opdringerige vischleurster. + +--De trein stopt slechts te Luxemburg, te Straatsburg, te Mülhausen en +morgen vroeg om half zes zijn wij te Bazal... daar drinken wij koffie, +zei Snepvangers. + +--Ja, fluisterde Madame, die niet wist waar de blikken te vestigen en ten +slotte naar buiten keek, naar het wisselend avondlandschap. + +--Ben ik van geenen tel, Madammeken, kent ge mij niet meer?... Ik ben Mie +Verbinnen uit de Rozenstraat, ik leur met visch en mijn vent speelt 's +Avonds kaart met Mijnheer in _Het Zwart Paard_, op de Paddegracht. Waar +of niet waar, Mijnheerken? + +Sprakeloos en nijdig zaten man en vrouw voor haar. + +--Maar Seminis kinderen toch, die spreken nu geen gebenedijd woord... +plezant gezelschap om mede te voyageeren... Of is 't uit hoovaardigheid +dat gij mij niet wilt kennen?... Wel, fijne Mijnheer, zijt gij uwen tijd +vergeten?... En dat heeft in den gemeenteraad willen zitten... zeker om +ook te zwijgen!... Maar dat kan ik ook... Ik had een lekker stuksken visch +meegebracht om u te trakteeren, maar als gij het zoo verstaat dan vreet ik +alles zelf op!... + +Triomfantelijk opende zij haar kabas en begon te smullen. Madame bemerkte +terluiks dat de gebakken pladijs er appetijtelijk uitzag. Mijnheer keek +naar de nieuwe reiszakken in het net boven Mie. Dat wijf kwam nu het spel +verbroddelen, het plezier bedreven! Wat moesten de medereizigers van hen +wel denken! De trein zong en dommelde, en nu en dan klonk een waarschuwend +gefluit. Sander had gelijk, zij hadden maar liever moeten thuis blijven, +in hun bed slapen in plaats van in den trein. Madame knabbelde nu +voorzichtig aan een reepje chocolade. En al die ellende zou veertien dagen +duren, veertien dagen lang zouden zij geplaagd zijn met dat vischwijf! En +in dezen wagon was het rooken verboden. + +Het schemerde nu en plots werd het treinlicht ontstoken. Ginder verre was +nog een kleurige weerschijn van de zon na haar ondergang. Dan kwam de +nacht, de donkere, lange nacht. Mie, moe gegeten en gedronken, sloot haar +mandje, veegde zich welgevallig den mond af, zei giftig: + +--Slaapt wel, fiere Madame en fijne Mijnheer, maar ik ben bij u en blijf +bij u... ik laat u niet meer los... en wij zullen eens zien wie het langst +kan koppen. Zoo'n twee poesjenellen heb ik nog nooit op 't Vlaamsch +theater gezien. + +Zij vleide zich in haar hoekje, kruiste de armen op den kabas en sloot de +oogeen. Even had de trein gestopt joeg nu weer voort, rusteloos voort door +den nacht. Het licht door een gordijn getemperd schemerde vaag over de +slapende Mie, de knikkendebollende Madame, den heer en de twee dames. +Snepvangers kon niet slapen van verbeten woede. En er was niets tege te +doen, zij had haar reis betaald en zou hen op de hielen volgen. Het +treffelijk volk zou zich van hen afwenden en hem en zijn vrouw op den +koop toe nog uitlachen. Hij zou den gids raadplegen over wat hen te doen +stond. Dat gemeen wijf! + +Traag kropen de uren voorbij voor den wakenden Snepvangers, wiens +menschelijke ijdelheid zoo deerlijk was gekwetst. Eindelijk toen de +morgen begon te dagen en het licht door de neergelaten gordijntjes +sijpelde, sliep hij in. Uit zijn onrustige droomen, die kop noch +staart hadden, werd hij gewekt door het onbehoorlijk gesnurk van Mie +Verbinnen. Madame wreef zich eveneens de oogen uit. + +--Seffens zijn wij in Zwitserland, Mama, vezelde hij, ik ga den gids +spreken want met haar kunnen wij toch niet geplaagd blijven... + +--Neen, Snepvangers. + +--Wat moeten de menschen wel denken, ik schaam mij de oogen uit den kop. + +--Wij gaan nog liever terug naar huis, Snepvangers. + +--Natuurlijk, al moeten wij er al ons eens bij verliezen en niks gezien +hebben. + +De trein stopte. De slapers ontwaakten, namen hun gepak, stapten uit. +Mie met haar kabas aan den arm volgde Snepvangers, die met nijdige +wippasjes de reizigers naar het buffet vergezelde. Hij kreeg den gids +te pakken. + +--Met dat wijf zonder hoed en met een voorschot willen wij niet reizen, +verklaarde hij dapper. + +--Ik kan het niet verhelpen, Mijnheer, zij heeft betaald en toevallig +kent zij u... Daar kan de agentie niets aan doen, verklaarde de gids +onverschillig. + +--Dan gaan wij terug, Mijnheer... wanneer vertrekt een trein naar +Brussel?... Maar ik zal in Antwerpen vertellen wat zoodje gij Zwitserland +laat zien... + +--'t Is spijtig, Mijnheer, verzoende de gids, maar niemand kan er iets +aan doen... en ge zijt uw geld kwijt... + +--Mijn geld kwijt? + +--Ja, want alles is betaald in de hotels en de treinreis is op voorhand +betaald, verwittigde de gids en krabte zich achter het oor. + +--'t Zijn allemaal dieven in uw schoon Zwitserland. Wij hebben al genoeg +gezien en gaan terug... Wijs mij maar den weg naar den trein... + +--Om negen uur vertrekt er een trein, ginder... + +--Maar de koffie is betaald en zullen wij drinken! Wij gaan terug, Mama, +terug naar Antwerpen, maar eerst gaan wij koffie drinken... + +--Ik ben stram van zitten, kloeg Madame. + +--Wij moesten in onzen ouden dag ook nog iets aanvangen. Laat ons nu maar +smakelijk eten, want het kost peperduur. + +Toen de reizigers weer naar den trein gingen, bleven zij zitten. Mie +volgde hun voorbeeld. + +--Dat is straf... Zij blijft zitten, en keert mee terug. + +--Zij weet van toeten noch blozen, misprees Madame. + +--Zij zal staan zien, grinnikte Snepvangers boosaardig. + +Met zijn kladdeken Fransch wist Snepvangers zich te behelpen. De +conducteur keek bevreemd naar de ongeknipte reisbiljetten in het +reisboekje, maar zei niets. Mie schoof weer genoeglijk bij in het +zelfde compartiment. Zonder een woord te wisselen reden zij in den +snikheeten dag naar huis. Aan de stations dronken zij limonade, aten +broodjes-met-wat-bij. In grilligen dans schoten dorpen en steden voorbij, +velden en weiden, Zij waren verdoofd en uitgeput en zagen Mie maar +onafgebroken smullen en snoepen uit haar voorraad. Het vischwijf probeerde +zoo genoeglijk den tijd te dooden, want de menschen rond haar verstond zij +toch niet en de Snepvangersen zaten statig en waren niet te spreken. Tegen +zevenen kwamen zij te Brussel aan. + +--Maar... maar dat is Brussel, begot! + +--Ja, dat is Brussel, sarde nu Snepvangers, die niet langer zwijgen kon... + +--En dat is nu die fameuse reis naar Zwitserland, waar van alles te zien +was... die koeien met bellekens en die bergen met sneeuw... Awel, dat is +puur afzetterij En dat kost nu zoe maar in de gauwte twee-honderd-vijftig +frank... En waar is nu die Riga? + +--In den Zwanengang, treiterde Snepvangers. + +--Sloebers!... Ha, nu versta ik het ... ze hebben me willen kwijt +spelen... zijn moedwillig terug naar huis gegaan... Maar ik heb toch +zooveel van Zwitserland gezien als gij... ik beklaag mijn centen niet, +want gij zijt ook gefopt... En mee naar huis ga ik ook! + +In den avond kwam Snepvangers en zijn vrouw doodmoe thuis in de +Hobokenstraat. Mie had hen tergend achterna geloopen tot aan den hoek der +Rozenstraat. + +--Droomt nu maar niet te veel van Zwitserland ... Ge hebt niet eens +gekoleurde postkaarten meegebracht en ik wel, zegevierde zij. + +--Wat zal Marieken verschieten als zij ons morgen ziet, jammerde Madame. + +--En wat zullen de mannen uit _Het Zwart Paard_ lachen, maar we slapen +toch in ons eigen bed! + +'s Morgens stond Snepvangers weer tegenover Sander. De kousevent hield +op met spuwen van verwondering. + +--Al terug, Snepvangers? + +--Ja, Sander ... + +--In Zwitserland geweest? + +--Ja! + +--Niet veel bijzonders, zeker? + +--Neen! + +--Maar ge zegt zoo weinig.... + +--Och! + +--Lang in den trein gezeten? + +--Een dag en een nacht ... en dan dat smerig vischwijf uit de Rozenstraat, +die zonder hoed mee wou naar Zwitserland.... En zij had heur plaats +betaald en wou ons niet loslaten ... Maar wij hebben haar beetgenomen +en zijn direct terug naar huis gekomen om in ons eigen bed te slapen. + +--Ja, zei Sander peinzend en spuwde werktuigelijk, ja, Snepvangers, 'k +heb u zoo dikwijls gezegd dat gij moest leeren zwijgen ... Nu zijt ge uw +cens kwijt ... 'k heb u gewaarschuwd dat het overal hetzelfde is, en +nu hebt ge het zelf ondervonden dat dat Zwitserland de moeite niet waard +is, er u zoo muug voor te maken! ... Speek maar liever eens mee, besloot +hij welgemutst, en binnen een paar dagen gaan wij opnieuw visschen! ... + +--Ja, Sander, stemde Snepvangers in, voelde zich getroost, en spuwde naar +den rand van het voetpad. + + + + +HOOFDSTUK IV. + +DE VLUCHT DER SAKSISCHE KANARIEVOGELS + + +Snepvangers leefde ingetogen en in vrede met de menschen en de +maatschappij. Hij dacht nu het leven te kennen, en door ontgoocheling +en ondervinding wijsheid te hebben vergaard. Hij verbeeldde zich dat hij +zijn hart gesloten had voor alles en dat zijn verstand wikte en woog om +hem voor nieuwe tegensvallers te behoeden. + +Goedsmoedig had hij zich verzoend met het leven, en zijn dagelijksche +ochtendpraatjes met den Speeker hadden hem teruggevoerd op effen paadjes +waar noch ontroering, noch avontuur dreigde. Zijn hondje laten wateren +werd hem een aangename bezigheid. + +Met de jaren kwam geen verandering. Een rustige glimlach van vergenoegen +krulde zijn lippen, want zijn dagen brachten geen ergernissen. + +Marieken had hem zes kleinkinderen geschonken, eerst een jongen, dan een +tweeling, een meisje en een jongen, daarna nog drie jongens. De baker was +bestending op de Torfburg. Een door den hemel gezegend huishouden, meende +de onderpastoor van Onze-Lieve-Vrouwe! + +Madame Snepvangers schiep groot behagen in de kinderkamer en hielp +Marieken in de beslommeringen. De Drogist frutselde in zijn winkel of zat +verdiept in wetenschappelijke verhandelingen. Soms praatte hij zeer +uitbundig en andermaal kon hij zijn schoonvader zoo verstrooid aankijken +dat deze er schuw van werd. Maar hij troostte zich in het besef dat +geleerde menschen altijd zoo'n vreemde manieren hebben. + +Aan een Zondagsche familiedisch besprak hij het zonderling verschijnsel. + +--Ja, oordeelde de Drogist, dat is een kenmerk van de geleerden... Newton +lei zoo zijn horlogie in kokend water en hield zijn ei in zijn hand. + +--Had die mijnheer Newton dan geen vrouw om eieren te koken, verbaasde +zich Snepvangers. + +--Lessing, betoogde de Drogist, een beroemd dichter, kwam eens vroeger +naar huis en zijn knecht, die hem niet herkende, riep door het raam: "De +professor is niet te huis!"--"O zoo, antwoordde Lessing, dat is niets, dan +kom ik later wel eens terug!" + +--Van dichters verwondert mij niks, overwoog Snepvangers. + +--Antoine doet precies zoo, hij kan Mijnheer Newton de hand geven... +Eergisteren vraag ik hem om wat suiker in de pap, te doen... Ik geef de +pap aan de kinderen en zij willen ze niet eten... Ik proef, en de pap is +zoo zout als brak! + +--Marieken, Marieken, suste de Drogist gevleid. + +--Als hij maar geen gedichten begint te maken, zei de Loodgieter +bekommerd. + +--Neen, Papa, zoo erg is het niet, stelde Marieken gerust, ten minste dat +heb ik nog niet ondervonden. + +Snepvangers zag naar zijn kleinzoontje, het sprekend beeld van zijn vader! +Meewarig bedacht hij dat het teere ventje ook geestelijk aan zijn vader +zou doen denken!... Albertken moest maar liever op zijn grootvader trekken, +desnoods op grootvader Craen... Maar niet zoo vies doen als Antoine in +zijn geleerdheid. + +Albertken was nu zes jaar geworden en ging naar de school der Paterkens in +de Everdijstraat. De blonde krullen en de blauwe oogen, het bleeke +gezichtje, de snaaksche invallen en het kindergebazel, waren voor +Snepvangers een onuitputtelijke stof van overweging en conversatie. + +Hij had zich van het kind meester gemaakt met zoete woordjes en listige +verleiding. Craen had het te laat bemerkt en liet nu, daarbij te veel met +de politiek ingenomen, Snepvangers ook maar betijen. Albertken droeg toch +zijn naam! + +Het jongsken verborg zijn voorliefde niet; met grootvader Snepvangers kon +hij praten, die onderwierp zich geduldig aan zijn spelletjes, had zijn zak +steeds gevuld met krakelingen, die nam hem mee naar de estaminets en liet +hem van zijn bier proeven wat thuis streng verboden was. Zij hadden zoo +hun geheimpjes, hun verdoken plezier en hun kameraadschappelijke +verstandhouding. + +Als kraaiend kindje had Albertken reeds blijken gegeven van eendere +nijgingen die Snepvangers ontroerden. Hij was verzot op honden, riep tegen +al de beestjes even vriendelijk: Dag hondeken! Hij kon spelen met +spitsken zonder het maar een oogenblik te verbalemonden, was wijs en +teeder tevens. + +Samen gingen zij dikwijls naar den Dierentuin en werden het nimmer beu de +apen, de zeehonden en de olifanten te bekijken. Snepvangers fantaseerde +over de warme landen waar de olifanten met hun groote, ivoren slagtanden +vrij in 't wild rondloopen en lawaai maken met opgestoken neustrompetten, +over de logge zeehonden die op hun vinnen naar boven waggelden en +neerplonsden om hun vischbuit te vangen, over de vinnige apen, die +kouwelijk bijeenzaten in het apenkot; wier slimme, onrustige oogjes hen +aangluurden, en die soms onfatsoenlijk zaten te vlooien. + +--Hebben de menschen ook vlooien, Grootva, vroeg Albertken zekeren dag. + +--Sommige menschen, leerde Snepvangers,--maar dat zijn vuil menschen... + +--Och, dat is spijtig, betreurde Albertken. + +--Spijtig? + +--Ja... + +Snepvangers was zoo verbluft dat hij niet verder aandrong om een reden +te kennen. + +De volgende maal, toen zij weer voor het apenkot stonden, zei Albertken +trotsch: + +--Wij hebben thuis ook vlooien! + +--Niet waar, Albertken, zei Snepvangers onthutst. + +--Ja, heel klein vlooien met heel lang haar! + +--Maar, Albertken toch, ge moogt niet beuzelen! + +--Ik zou toch zoo gaarne vlooien hebben, zuchtte Albertken, dat moet +zoo plezant zijn. + +--Maar het is niet waar... + +--Ik denk het zoo maar, Grootva, zei de kleine waanwijs, dat is zoo +mijn plezier. + +Snepvangers zette groote oogen op en vond Albertken een wonder kind. +Sinds hij naar school ging en van makkers en meesters te vertellen had +opende hij voor zijn grootvader een nieuwe wereld van kinderverbeelding +en logica. Haast dagelijks ging Snepvangers hem aan school afhalen en als +vertrouwelingen bazelden zij samen. In den zomer gingen zij, na koffie +gedronken te hebben, nog op wandel naar het terras om de schepen en het +water te zien! Zij zaten op een bank, zagen de kranen werken en hoorden de +stoomers toeteren. Grootvader was het vraagbaken dat voor alles een +antwoord vond dat het kind voldoening gaf. Grijsaard en kind lieten hun +verbeelding vrij spel. + +--Pa weet dat allemaal niet, misprees Albertken. + +--Foei, strafte Snepvangers gevleid. + +Albertken was verbazend knap en slim oordeelde de grootvader die zijn +eigen kinderherinnering ter hulp riep om den hoogen dunk van het jongetje +te behouden. Maar soms werd hij toch overbluft en was de verrassing hem te +groot. + +Zoo zaten zij eens in het Park voor den met kroos bedekten vijver waarop +de eenden dreven. Albertken zat te peinzen en Snepvangers rookte een +sigaar en luisterde naar een merel die aan de overzijde van het water in +een boschje verscholen zat. + +--Grootva, fluisterde Albertken, is het aardig, altijd getrouwd te zijn? + +--Maar manneken toch!... Wat een vraag!... + +--Janneken Palincx zei gisteren dat zijn vader tegen zijn moeder gezegd +had dat hij het beu is... + +--Janneken Palincx is een snotaap, een kwajongen! + +--Hij is de sterkste van allemaal, Grootva!... En hij liegt nooit... +Vindt gij het aardig altijd met Grootmoe getrouwd te zijn? Zij kan soms +toch zagen!... + +--Kind, kind, 't is goed dat het niemand hoort... maar zoo'n dingen moogt +ge niet zeggen of denken... + +Snepvangers zag ongerust rond, maar er was geen mensch in de buurt. + +--Als Grootmoe het moest hooren! + +--Ik zal het haar toch niet zeggen, troostte Albertken, maar ik zou toch +niet altijd met één vrouw willen getrouwd zijn... + +Snepvangers begon uitbundig te lachen en Albertken, een oogenblik uit zijn +lood geslagen, lachte mee. + +--Wij, jongens, zagen nooit, zei hij en verzonk weer in zijn gemijmer. + +Toen zij opstonden om naar huis te gaan, gaf Albertken de rest van zijn +overtuiging prijs. + +--Grootva! + +--Albertken?... + +--Als ik groot ben trouw ik toch ook! + +--Zoo?... + +--Ja, met een heel leelijke... + +--Maar manneken toch! + +--Ja, een heel leelijke, dan kunnen wij er samen goed om lachen!... + +Albertken grinnikte genoegelijk en Snepvangers wierp van ontsteltenis zijn +sigaar onder de bank. + +'s Anderdaags vertelde hij Sander wat zijn kleinzoon hem gezegd had. + +--Die jongen zal het ver brengen, meende de Speeker, ge moet hem leeren +speeken. + +--Ja, zei Snepvangers zonder overtuiging... + +--Hij heeft gelijk over het huwelijk... + +Hij werd onderbroken door zijn vrouw die hem riep. + +--Ik kom, antwoordde hij gedwee maar treuzelde nog even, hoe oud is +Albertken? + +--Zes jaar... + +--Dat wordt een advokaat, Snepvangers, let op mijn woorden... dat kind +heeft menschenverstand... + +Dan haastte hij zich naar binnen en Snepvangers floot blijgezind op zijn +hond. + +Enkele dagen later waren grootvader en kleinzoon in de weer om +grootmoeders verjaardag te vieren. Het trof op een Zondag en heel de +familie werd in de Hobokenstraat verzocht. + +--Ge zoudt een gedichtje moeten kennen, opperde Snepvangers. + +--Is dat wel noodig, weifelde Albertken. + +--Natuurlijk, manneken... Het zal grootmoeder zooveel plezier doen, zei +Snepvangers, alsof hij berouw over iets had. + +--Als het dan toch moet, schikte zich de kleine wijs... Ik vind dat wij +moesten paleeren en vuurwerk afsteken op de koer... + +--Ballonnekens en vuurwerk... Maar wat zullen de geburen wel denken?... + +--Daar moet ge nooit niks om geven, wijsgeerde Albertken. + +--Dat is waar, gaf Grootvader toe. + +Grootmoeder werd feestelijk gehuldigd met bloemen en geschenken. Een +kokin had de zorg voor het eten overgenomen, en nu zat Madame Snepvangers +in een leunstoel en hield de kinderen bezig die beurtelings op haar schoot +klauterden. + +Antoine had zijn vader beet met een onuitputtelijke beschouwing, terwijl +Marieken en Madame Craen de kleintjes susten. + +Snepvangers en Albertken hingen hun veelkleurige ballonnekens in de +veranda, plaatsten de kaarsjes recht, onderzochten het vuurwerk en +verlangden naar den avond om de verlichting te kunnen beginnen. + +Aan tafel knipoogden zij soms in het vooruitzicht der komende +verrassingen. Snepvangers liet Craen gerust aan zijn zoon over en +onderbrak Antoine niet in zijn betoog over eetbare en vergiftige +paddenstoelen. Zoohaast de taart aangesneden was kon Snepvangers +zich niet langer intoomen. Hij dronk in een teug zijn wijnglas leeg, want +zijn keel was droog en hij had het gevoel alsof hij zelf een aanspraak +moest houden. + +--Antoine, zwijg nu eens, zei hij zegevierend, Albertken moet nu iets +zeggen. + +Antoine keek een beetje donker, zag Albertken van zijn stoel klimmen, een +buiging maken voor zijn grootmoeder en hoorde zijn schriel kinderstemmetje +verklaren: + + "De Pruimenboom"! + + + Jantje zag eens pruimen hangen, + O! als eieren zoo groot! + 't Scheen, dat Jantje wou gaan plukken, + Schoon zijn vader 't hem verbood. + Hier is, zei hij, noch mijn vader, + Noch de tuinman, die het ziet: + Aan een boom zoo volgeladen, + Mist men vijf zes pruimen niet!... + + +Het ging zonder haperen, maar Snepvangers, wiens lippen, vers na vers, +meeprevelden, zweette van angst. + +--Waar hebt ge dat geleerd, vroeg Marieken verteederd. + +--Van Grootva, zei Albertken, haast stikkend in een stuk taart. + +--Ja, dat heb ik in mijn tijd ook geleerd, overwoog Craen, maar hij heeft +het goed gedaan... Bravo, manneken! + +--En hij heeft er niks van verklapt, zei de Grootmoeder verbaasd. + +--De mannen kunnen zwijgen, bedacht Albertken snugger. + +--De inlandsche paddenstoelen, herbegon Antoine... + +Zoohaast het donker werd stak Snepvangers de kaarsjes aan en een +schemerlicht hing in de veranda. Dan, onverwachts, joegen zij een +vuurpijltje omhoog in den tuin en deden zij een zevenslager springen. +Snepvangers en Albertken juichten van pret, maar binnen in de kamer schrok +het gezelschap, en de vijf kinderen begonnen eenparig te krijten. + +--Schei toch uit, Snepvangers, riep Madame, wat zijn dat voor +kinderstreken; ge jaagt de bloeikens den angst op het lijf!... + +--Ge hoort het wel, Albertken, waarschuwde Snepvangers benard. + +--En doof de ballonnekens nu maar uit, verzocht Antoine, ik krijg +hoofdpijn van den stank der kaarsjes... + +--Ge ziet het wel, bedacht Albertken teleurgesteld, zij vinden dat niet +plezant... als wij ook eens iets doen dan maakt het lawaai of stinkt +het...... + +--Ja, Albertken, maar dat is toch niks... wij zullen het op een anderen +keer probeeren als er niemand thuis is... Oei! Daar vliegt een ballonneken +in brand! + +--Dat is niks ... dan moeten wij het niet uitblazen, redeneerde Albertken. + +Wanneer Snepvangers later, na het vertrek der gasten, alleen tegenover +zijn vrouw zat, kon hij niet nalaten te zeggen: + +--'t Is toch spijtig voor Albertken geweest... + +--Wat?... + +--Wel dat vuurwerk... Hij had er zoo op gerekend... + +--Gij denkt maar aan Albertken, verweet zij, hebt ge de andere kinderen +niet hooren schreeuwen van schrik. + +--Dat gaat over, bepeinsde hij, nog een paar slagen en zij waren het +gewoon geweest... + +--Maar hebt ge nu in uw leven zoo iets gehoord, schuddebolde Madame +gebelgd. + +--Dat kind is geen gewoon kind... Sander zegt het ook... Albertken moet +advokaat worden... + +--Och, en ge weet nog niet of het kind daar goesting zal voor hebben... + +--Goesting? Goesting... ook gij kent hem niet. Albertken geen goesting +hebben... hij wordt nog veel meer dan advokaat... Dat kind is nu mijn +leven... + +--Ja, dat weten wij, zei Madame nuchter, 't is uw Benjamin... maar 't +mag zijn, want het kind ziet u liever dan zijn eigen ouders. + +--Als ik hem "De Pruimenboom" hoorde opzeggen, dan dacht ik aan mijn +eigen kinderjaren... Ik heb het gedichtje nooit vergeten, en Albertken +zal nooit vergeten dat hij het van mij heeft geleerd... + +--Neen, zei Madame, dat zal hij niet... maar nu gaan wij slapen, +Snepvangers, 't is veel later dan anders... + +--'t Is toch allemaal tegengevallen, kloeg Snepvangers nog op den trap, +en dan Antoine die niet tegen een vetkaarsken kan!... + +Wanneer het buiïg weer aankwam kon Snepvangers met Albertken niet meer +geregeld gaan wandelen. Zijn dagen schenen hem langer. Telkens als hij +de gelegenheid vond, sloot hij zich bij Sander aan om wat afleiding te +vinden. + +Op een zonnigen, ijlen najaarsdag stond hij zoo te treuzelen voor de +halfdeur van het kousenwinkeltje. De boord van het gaanpad dreef van het +speeksel. Een hoopje lanterfanters luierde tegen den met veelkleurige +plakkaten bedekten muur... + +Boven, ergens in een kamer waarvan het venster openstond, kweelde een +kanarievogel. Snepvangers vond het danig schoon. + +--Hoor eens, Sander! + +--'t Is een sijsken, Snepvangers. + +--Neen, neen, 't is veel schooner... 't is een kanarievogel... + +--'t Kan zijn, schokschouderde de Speeker onverschillig. + +--Een schoone vogel, mijmerde Snepvangers. + +--De schoonste vogels zitten in den buiten, zei Sander. + +--'k Zou toch wel een goeie zanger willen hebben... + +--Och, wat hebt ge er aan?... Dat zingt maar en dat vreet maar!... + +--Het zijn zoo'n fijn vogeltjes, Sander, en als zij zingen... + +--Koop liever duiven... als zij vet zijn kunt ge ze in 't potteken steken +en binnenbas spelen! + +--Ik koop een kanarievogel, besloot meteen Snepvangers. + +--Ge zult het beklagen, waarschuwde Sander meewarig alsof zijn vriend +rampzalige voornemens koesterde. + +--Ik moet toch iets hebben om mij te amuseeren, verontschuldige zich +Snepvangers. + +--Ja! zei de andere zuur, misschien moest ik het niet zeggen... de +menschen zijn toch zoo eigenzinnig... maar als vriend, als ge dan toch +een kanarievogel wilt koopen, ga dan om raad bij den klakkenmaker van de +Paardenmarkt... anders wordt ge nog bedonderd ... + +--Dank u, Sander. + +Snepvangers sprak er met Albertken over. + +--Ik zal het Grootmoe vragen, meende het kind. + +--Ja, Albertken, en dan zullen wij ons amuseeren... + +--Ik zou toch liever een arend houden! + +--Maar dat is een wild beest... + +--Die eten rauw vleesch, Grootva, maar een kanarievogel is toch ook goed. + +Madame Snepvangers gaf haar toestemming, onder beding dat Mijnheer zelf +voor het vogeltje zou zorgen. Dan toog hij naar den klakkenmaker. Hij +kende hem van in den tijd toen de politiek hem in beslag nam. In het +halfdonkere winkeltje was de man bezig met schikken. In de achterkamer +zong een vogel. + +--Dus wilt ge een kanarievogel houden, wikte de raadgever met scherpe +neusstem. + +--Ja! + +--Een of meer? + +--Ik denk... + +--Daar zit het gevaar... één zangvogel is een plezier... meer, het +kweeken, wordt een drift... ik kon mijn goesting altijd intoomen, maar +dat kunnen weinig menschen... + +--Ik zou om te beginnen maar een manneken willen koopen! + +--Om te beginnen, zegevierde de klakkenmaker, de drift is u al meester... +ge zijt een verloren man, Snepvangers, maar gij moet het weten... ik heb +u verwittigd... + +--Waar kan ik een vogel koopen, vroeg de ongeduldige Snepvangers, in +vertrouwen, want ik ken de mannekens niet uit de poppekens... + +--Dat zal ik u leeren, vriend... Als ge voor een kot staat dan moet ge de +vogels goed bezien... Als ge ze goed bezien hebt, moogt ge u nooit laten +pakken door de schoon pluimen... zoo is het bij de menschen ook... + +--Dus een met leelijke pluimen? + +--Bijlange niet!... Luister. Als er veel bijeen zitten moet ge een +kaalkopken kiezen... + +--Zijn dat mannekens? + +--Ja... want poppekens en poppekens dat vecht niet... mannekens en +poppekens vecht ook niet... maar mannekens en mannekens die pikken +elkander de koppekens kaal... + +--Maar als de vogels nu eens apart zitten? + +--Dan moet ge ze hooren zingen... als zij zingen zijn het mannekens... +daarbij kunt ge het zien aan hun houding en manieren en hun koleur is +hooger... + +--Waar zou ik er een kunnen koopen? + +--Overal, meende de klakkenmaker luchtig. + +--Ja, maar... + +--Het hangt af van de soort die ge wenscht... Een Hollandsche of een +Parijsche trompetter, een Brabantsche vogel, een Gentsche postuurvogel +of een edelzanger zooals de mijne, een Saksische?... + +--Een Saksische dan, de schoonste die te krijgen is, hunkerde Snepvangers. + +--Daarin hebt ge gelijk... de beste soort... geen bastaarden... maar 't +is een kwestie van goesting... ik ken een liefhebber die Schotsch Fancies +kweekt, reuzenvogels van twintig centimeters. + +--Dat zijn geen kanarievogels meer, minachtte Snepvangers. + +--Volgens mij ook niet, fluisterde de neusstem, ge zult er verstand van +krijgen, Snepvangers, dat voorspel ik u... Daarom, een goeie raad, let op +de pooten als ge koopt... Die van jonge vogels zijn glad, die van de oude +zitten vol schubben en hun klauwen zijn veel dikker en langer... Ga naar +den ouden Willems met mijn complimenten, hij is zaalwachter in het Steen +en die zal u niet verneuken... Hij kleurt geen wijfkens om ze voor +mannekens, te verkoopen... Zorg dat ge uw drift meester blijft en dan +zult ge veel plezier in de liefhebberij vinden ... Ik heb hooren vertellen +dat een Hollandsch kapitein die veertien jaar te Breda in garnizoen had +gelegen zoo verslingerd op het gezang was geworden, dat hij menigmaal +vergat 's middags te gaan eten... + +--Wel, wel!... + +--Van 's morgens vroeg tot middernacht toe deed hij niets anders dan +luisteren om de schoonste zangers te onderscheiden... maar zooveel tijd +schiet er mij niet over... een kapitein is geen klakkenmaker... + +De klakkenmaker hield Snepvangers in het deurgat nog bij den knoop van +zijn jas. + +--En als hij wat heesch is legt gij een stuksken kalissiehout in zijn +"èzer", of als het een valling is dan doet ge eenige druppelen vijgensap +in zijn drinken... Als ze vreetziekte hebben moet het aluin of staal zijn, +voor den afgang melk en voor de hardlijvigheid kandijsuiker en saffraan... + +--Kan een kanarievogel... + +--Ja, knikte de klakkenmaker en zijn oogen keken zorglijk, zij kunnen het +stiet krijgen en dat moet ge met ongezouten spek genezen, zij kunnen +kwijnen in een donkere kamer, vermageren als zij geplaagd worden door +roode luisjes, daarom moet ge holle roestjes gebruiken, zij kunnen aan +vallende ziekte lijden, aan vetziekte, aan buikkramp, aan natuurdrift, +zij kunnen een beenbreuk opdoen... + +--Och, och, zuchtte Snepvangers, 't is toch niet waar zeker? + +--Jawel, maar laat mij dan maar roepen... Ik zal wel raad weten... ik heb +al twee pooten genezen met een saaien draadje in lijnolie gedrenkt en warm +zand in het kot... + +--Dan hebt ge niet lang plezier van een kanarievogel, wantrouwde +Snepvangers. + +--Dat weet ik niet, dat hangt af... Wanneer ge katten en ongedierte +weert... de vogel goed verpleegt, versch eten en drinken geeft en +dagelijks "muur"... bijtijds een bad, en de roestjes driemaal per week +uitklopt, dan leeft hij tien tot vijftien jaar... Ik heb zelfs eens +gelezen dat een vogel twintig jaar werd... + +--Dan koop ik er een, verklaarde Snepvangers opgetogen... + +--Doe het, moedigde de klakkenmaker aan. + +'s Namiddags trok Snepvangers naar het Steen. Er waren geen bezoekers. +In een klein zaaltje, naast een paar toonramen vol medaljes en penningen, +half verborgen achter verkleurde en geschifte zijden vaandels zat de +oude Willems slaperig aan zijn bakkebaarden te pluizen. Hij keek norsch +den bezoeker aan, die aarzelend stilstond voor een geel koperen bedpan, +voetje voor voetje naderschoof en belang stellend door het venster keek +naar den stroom waarop een hooge scheepsromp zwenkte. Hij had nog nooit +zoo scherp een kiel van een schip opgenomen, vond het vlak beneden de +waterlijn zeer rood gemenied. + +--De dag moet hier toch lang duren, polste hij den Zaalwachter. + +De man kikte niet, zag norsch naar het grauwe water dat midden in den +stroom opschuimde als zog van den overzetter. Meeuwen scheerden rakelings +over de baarkens. + +Snepvangers was niks op zijn gemak. Hij probeerde het nog eens: + +--Een schoon uitzicht op de Schelde... + +--Vindt ge dat, zei Willems, dan moet ge maar goed zien en van de +gelegenheid profiteeren. + +--Ja, maar ik kom om een kanarievogel te koopen... nu weet gij het, +ontlastte zich Snepvangers. + +--Dat is wat anders, meende Willems levendig, stond op en kwam naast hem +staan, waarom hebt ge dat niet direct gezegd? + +--De klakkenmaker heeft mij gezonden ... + +--Er is niks zoo schoon als de zang der kanarievogels!... +Nachtegaalslagers, edelrollers en kollervogels... Hoor hoe ze rollen: +woe, woe... ie-rie-rier... ie-lie-liel...arrr... verrr... fi-fi... +si-si... wi-wie... wies, wies, sies... toe... toe... tsoem... en hun +kleur, zoo teer... zoo fijn... hooggeel, stroogeel, witgeel... +bleekgroen... ik heb er roode gekweekt met kleurvoeder... + +--Roode? + +--Ja ... maar als ge dat probeert moet ge maar een wijfken pakken... +die zijn goedkooper en dan is er niks aan verloren... een weinig +cayennepeper tusschen het eten... en klaar is Kees! Maar 't lukt niet +altijd... + +--Wanneer kan ik een vogel koopen? + +--Direct... wacht een oogenblik... + +De Zaalwachter ging naar een kleerkast, trok de deur open en nam er een +kooitje uit. + +--Een vogel uit de duizend... 's middags is er geen mensch en dan leer +ik hem fluiten... Twee violen en een bas-bas-bas!... Maar deze is +volleerd... Alleen hem in 't donker houden... Moet ge soms poppekens +hebben?... + +--Misschien later, als ik zou kweeken... + +--Dat is eigenlijk het plezier. Mijnheer Snepvangers, de vogels kweeken +en ze leeren zingen... ik gebruik altijd een flesch en een stop en dat +maakt aardige muziek... Ik ken een nachtwaker die er zijn dagen mee +doorbrengt... + +--Wanneer slaapt hij dan,--verbaasde zich Snepvangers. + +--Als hij wat tijd heeft, 's nachts bijvoorbeeld... Ik heb enkel +Saksische vogels, maar mijn broer, de kleermaker uit de Keizerstraat, +nevens het Kapelleken, die heeft al de soorten van de wereld... Laatst +kwamen ze hem roepen terwijl hij het orgel trapte in St.-Jacobskerk, +want er was een Engelschman speciaal overgekomen om zijn vogels te +zien... Twee vogels heeft hij toen verkocht, die puur kerkmuziek +zongen... zij hadden lang tegen den kerkmuur gehangen en zij volgen zoo +gemakkelijk na... Maar nu trof het goed... ik gaf voor zoo'n vogel +niks... Ik laat u het manneken over omdat de klakkenmaker u gezonden +heeft... want eigenlijk kweek ik voor de kunst! + +Met zijn kooi en sterk door de raadgevingen kwam Snepvangers in de +Hobokenstraat. + +--Een kanarievogel, leerde hij aan zijn vrouw, is een slimme vogel die +spoedig zijn weldoener herken ... en hem met zijn zang beloont. + +Albertken schiep spoedig evenveel zijn behagen als Grootvader in het +kwinkeleerende vogeltje... Wanneer Albertken kwam werd de kanarie +feestelijk vergast op trosjeszaad of een klontje suiker. + +--Ge zoudt er meer moeten hebben, bedacht Albertken, ik zal Grootmoe +vragen er voor uw nieuwjaar te koopen. + +--Ik zou er moeten kweeken, op de leege kamer boven de keuken is er +plaats genoeg. + +Grootmoeder had het gehoord en zij was in een goede bui. + +--Wel ja, Snepvangers, gaf zij toe, ge moet toch iets voor uw plezier +doen en Albertken zal het ook amuseeren... + +--'t Is voor Albertken, loog Snepvangers. + +Een uur later droeg hij wat rommel van de kamer, begon te passen en te +meten en droomde van een modelkooi. Hij zou Willems en de Klakkenmaker +eens verbazen. Overvloedig licht viel door het achterraam, een ander raam, +buiten het hok, zou toelaten de kamer te verluchten. + +Om de kooi te bouwen wendde hij zich tot den houtdraaier, Miranda van de +Paddengracht, die ook andere karweikens aannam en daarbij een kweeker +bleek te zijn. Deze timmerde een afsluiting die de halve oppervlakte +besloeg, spande een gevochten draadnet over de balkjes, lei een dubbele +vloer en kalkte de muren. De deur, in vier losse vlakken, kon de dikke +Miranda doorlaten, maar beneden, tegen den grond, was een klein poortje +om het voedsel door te schuiven, de eetbakken, de èzers en de badschotels. + +Snepvangers bracht dagelijks wat mee van zijn wandeling. Houten nesten met +losse mandjes,--roesten van vlierhout, verf om het houtwerk op te +kleuren. Miranda, die niet jaloersch van aard was genoot zelf van het +modelopzet en leerde wat er te leeren viel. Deze lange gesprekken voerden +zij, gezeten bij het kleine potkacheltje dat Snepvangers op zijn kamer +geplaatst had. Tegen den muur pronkten schabben met steinen potten waarin +het zaad zou bewaard worden en waarop hij de namen geschilderd had. Een +houten tafel, een waterkraan en een afvoerbak volledigden zijn inrichting. +Kleinere kooien hingen links en rechts. In de uren dat Albertken hem +gezelschap hield, werd het houtwerk lichtblauw geschilderd en van gouden +biesjes voorzien. In hun verbeelding kweekten zij samen met zooveel +bijval dat de hokken te klein bleken voor het gevogelte. Intusschen +sprenkelde en morste Albertken aan de waterkraan. + +--De eerste kanarievogels waren groen, leerde Snepvangers. + +--Dat moet ge mij niet wijsmaken, weerde zich Albertken. + +--Manneken toch!... + +--Ik zeg niet dat ge beuzelt, Grootva, maar dan hebben ze u wat wijs +gemaakt... + +In het voorjaar ging hij bij Miranda vogels kiezen... Miranda wou niet dat +hij naar Willems ging, die maar kweekte voor de cens... + +--Is het raadzaam meer wijfjes bij een mannetje te zetten, vroeg +Snepvangers. + +--Ja, Snepvangers, hier op zolder kan ik het u wel zeggen, niemand hoort +ons... bij de kanarievogels kan men het riskeeren, dat gaat meestal... +maar bij de menschen loopt het verkeerd... + +--'t Is goed dat Albertken het niet hoort. + +De dikke Miranda lachte, maar ving onderwijl met zijn vlindernetje een +kanarie, nam voorzichtig het schuwtrillend, teere ding in zijn dikke +reuzenhand en streelde het zachtjes met zijn linker wijsvinger. Hij blies +de veertjes op. + +--'t Zijn toch zoo'n broze dingskens, zei hij het beeft van angst in mijn +hand... + +--Zij hebben zoo niks om zich te verweren. + +--Als ik mijn hand toenijp is het dood, droomde Miranda, ik vraag mij af +waarom die beestjes geschapen zijn. + +--Och, zei Snepvangers, die ongeduldig werd en en aan zijn kooi dacht, we +moeten ons niks afvragen, maar voortvangen... + +--Dat is één, zei Miranda, bekeek nog even het licht-gele lijfje, de +ingetrokken pootjes en het fijne snaveltje, zie Snepvangers, het sluit +zijn oogskens van schrik... wie zou nu zoo iets weerloos kunnen kwaad +doen... + +--De menschen doen niks anders... + +Snepvangers begon met vijf mannekens en met twaalf poppekens. Een blaadje +sla naast het bad, het raapzaad gemengd met witzaad, de klare fonteintjes +en het trosjeszaad, het droge zand op den grond en de vogels op hun +roestjes, 't was alles hij zei geen woord. + +Madame loofde, ingenomen door orde en netheid, de nieuwe kweekplaats. +Marieken werd door Albertken meegetroond, evenals Craen en zijn vrouw. +Want het jongsken deelde in den triomf. Zelfs Antoine kwam eens kijken, +bleef een tijdje praten, beloofde prima kwaliteit eten te bezorgen en was +geen oogenblik verstrooid. + +Doch pas toen de eerste eitjes uitgebroed waren en de eerste, bloote, +donzige dingskens in het mosnestje wriemelden, kon Snepvangers, bijgestaan +door Miranda, Sander bewegen eens te komen zien. Alles nam hij nauwkeurig +op, maar zei geen woord. + +--Nu krijgen de beestjes harde eieren met fijngestampte beschuit, zei +Miranda. + +--Een brood in melk geweekt met maan en salaadzaad bestrooid, vulde +Snepvangers argeloos aan. + +--Ge moet van Lotje getikt zijn om in zoo'n klein geneuk uw cens te +steken, misprees de Speeker boosaardig, en zonder nog om te zien slefte +hhij de kame uit, de trappen af en de straat op. + +--'t Is toch 'n vieze, zei Snepvangers ontsteld. + +--Och, elk zijn goesting, troostte Miranda. + +Wanneer Snepvangers den volgenden morgen zijn spitsken buiten liet, las +hij in de oogen van Sander hoe diep hij in zijn achting gedaald was met +het kweeken van "klein geneuk". + +Snepvangers had veel meeval in de kanariekweekerij en zijn ambitie groeide +er door. Zijn huis was een zangpaleis. Van 's morgens vroeg zongen de +vogels en vulden de kamers met blij gekweel. Mijnheer was verrukt over +zijn teere raskanaries. Madame, alhoewel zij wel voor de verzorging mocht +bijspringen, was zich ook aan de "pietekens" gaan hechten. + +Daar Snepvangers voor zijn plezier kweekte schonk hij mild aan familie en +vrienden, de edele vogels in zijn broedkamer geboren. Overal zongen zijn +Saksische zangers. Het was zijn glorie zijn vogels te hooren roemen. +Miranda was goed bedacht geweest, want aan dezes zolder dankte hij de +stamouders van zijn kooi. Intusschen was zijn gevederde bevolking toch +noch gestegen tot zes-en-negentig mannekens en poppekens. + +En weer lagen, in den vierden kweekzomer, de poppekens op hun broze +sprikkeleitjes te broeien en gaapten en piepten de jongskens in de nesten. + +Op een zomermorgen zaten de echtelingen voor het hok de speelsch wippende +kanaries te bespieden. De vogels vlogen van hun roestjes op den vloer, +pikten in den eetbak, dronken aan de fonteintjes of lagen te vluggen in de +badschoteltjes. Een vreemde vogellucht hing in de kamer. + +--Miranda zegt ook dat ik veruit de schoonste vogels kweek, zei +Snepvangers. + +--Ge krijgt er te veel, oordeelde Madame. + +--Ja... maar wat kan ik er aan doen... ik geef er zooveel weg... en ik +kan er toch niet mee op de Vogelmarkt gaan staan... + +--Neen, dat gaat niet, bekende Madame. + +--En ik kan ze toch zoo ook maar niet op straat smijten... + +--Neen, dat kunt ge niet, zei peinzend Madame. + +--Daarvoor zou men het hart van een deurwaarder moeten hebben, vulde +Snepvangers aan, want hij kon niet scheiden van zijn vogels. + +Albertken, die pas zijn eerste communie had gedaan, was van lieverlede +wat losgeraakt van zijn Grootvader. Nog kwam hij wel af en toe naar de +vogels kijken, nog gingen zij wel eens samen wandelen naar den Dierentuin +of naar het terras, maar Albertken had n kameraadjes waarmee hij beter +praten kon. Snepvangers voelde het wel, maar troostte zich in het besef +dat de jongen groot werd, zooveel te leeren had, Fransch en Latijn, en +verzot begon te worden op dat nieuwsoortig amusement, het voetbalspel. +Antoine vond het wilde stampen en smijten nuttig voor de lichamelijke +ontwikkeling, en Antoine was de vader!... Niet alleen de vader van +Albertken, maar van nog zes andere spruiten die net als zijn +kanariejongskens, gaapten en piepten en leven in huis brachten. Het +jongste was weer een meisje en Marieken had pas haar kerkgang achter den +rug toen zij de plechtige eerste communie van den oudsten vierden. +Snepvangers dacht wel eens over de kinderen zooals zijn vrouw over zijn +kanaries, dat er te veel kwam! Maar de Drogist won rijkelijk zijn brood +en kon zich de weelde veroorloven, zooals Snepvangers zijn getal kanaries +niet moest beperken bij gebrek aan middelen. + +Albertken werd echter niet vervangen in de voorliefde van zijn Grootvader, +die oud werd en zich geen nieuwe kameraadschap met de kleinkinderen meer +scheen aan te passen. Madame kon beter om met het drukke troepje. + +Zekeren avond, in de zwoele maand Juli, hij had op zijn stade met Miranda +een pintje gedronken in "Het Zwarte Paard", wenkte Sander hem. + +--Hebt ge de gazet gelezen? + +--Neen, Sander ... + +--Er staat: Opgepast voor de Croaten!... en dat wil veel zeggen... + +Meer liet de Speeker niet los, vouwde zijn gazet toe en strompelde binnen. +Snepvangers rook een frissche hooilucht die den lauwen avond doorgeurde, +Hoorde de kinderen joelen op de Ossenmarkt. Alles was zoo rustig en gewoon +en hij begreep niks van de waarschuwing. + +'s Anderdaags hoorde hij de gazettenleurders verwoed op hun koperen +trompetten toeteren en gillen. + +--Wat is er toch aan gang, vroeg Snepvangers. + +--De tijden van Napoleon komen terug, voorspelde de Speeker, en kneep +de "Gazet van Antwerpen" in kreukels, er is oorlog tusschen Oostenrijk en +Servië... + +--Och, meende Snepvangers, 't is altijd ieverans oorlog in de wereld... + +--Wacht maar!... + +In zijn slaap werd hij opgeschrikt door het luiden van Carolus. +Snepvangers wipte zijn bed uit, vergat zijn slaapmuts en zijn bloote +beenen en trok het balconvenster open.--Een politieagent stond aan den +overkant, hij hoorde het raam knarsen en keek op. + +--Wat gebeurt er, vroeg Snepvangers. + +--De klassen worden binnengeroepen... straks schiet ik ook mijn +soldatentenueken aan, zei de agent. + +--Wel, wel, zei Snepvangers verbijsterd, stak zijn hand naar zijn hoofd +uit en werd zijn slaapmuts gewaar. + +Dan haastte hij zich het venster te sluiten en kroop terug in zijn bed. + +--Jezus-Mana, zuchtte Madame, wat gaan we nu nog beleven. + +--Dat moeten wij afwachten, oordeelde Snepvangers keerde zich om, sliep +koelbloedig snurkend in. + +Madame woelde nog lang slapeloos en vol onrust. Zij benijdde haar man die +zoo moedig en onverschrokken slapen kon wanneer onbekende gevaren hen +bedreigden. + +Onder de algemeene paniek moest Snepvangers zich den volgenden dag van den +ernstigen toestand rekenschap geven. Hij zag de menschen samendrommen voor +de spaarkassen... In winkels en herbergen was plots het pasmunt +onvindbaar, bankpapier overstroomde de stad en de gapers lazen de +plakkaten omtrent de opeisching van paarden en rijtuigen voor het leger. + +Miranda stond bij Sander, die uit het dagblad voorlas: "Gij moogt het +gerust zeggen, verklaarde ons een officier, dat de Schelde, hoewel zij er +den schijn niet van heeft, verdedigd is gelijk mogelijk geen enkelen +stroom van de wereld. Ook is het te voorzien dat men ons langs daar niet +zal aanvallen, want daar ligt ons sterktepunt..." + +--Alles gaat duur worden, zei Miranda. + +--Zou het vogelzaad ook opslagen, vorschte Snepvangers. + +--Er komen Turcos gelijk in 't jaar zeventig, beloofde de Speeker, van +die half zwarten met roode pofbroeken. + +'s Zondags, in de kerk, hoorden Mijnheer en Madame de kondschap der +Bisschoppen aan de geloovigen: "Het uur is bedenkelijk. Angst en vreeze +beklemt de harten. Kinderen, vrouwen en moeders smelten in tranen. +Edoch, met vasten stap en moed in het hart trekken onze wakkere soldaten +naar de grenzen..." + +--Snepvangers, fluisterde Madame, en er blonken tranen aan haar wimpers, +wat zullen wij in onzen ouden dag nog moeten onderstaan... + +--Ik ben van zins, antwoordde Snepvangers, en zijn gedachten hadden een +anderen koers, voor den opslag nog een vijftig liters vogelzaad te +koopen ... + +Aan tafel gaf Antoine weer moed, verzekerde dat het land geen gevaar liep +in den strijd gewikkeld te worden. Op het goed vooruitzicht werd een +lekkere flesch geschonken. + +Opgemonterd verscheen Snepvangers 's Maandags met zijn spitsken in de +straat. + +--Er komt niks van, verzekerde hij aan Sander, Antoine heeft het +gezegd... + +--Wacht maar, gromde de Speeker, en blies door zijn goudsche pijp. + +Zij stonden een wijlken stil tot een vent voorbij holde. + +--'t Is oorlog, riep hij. + +--Watte?... + +De Speeker liet zijn pijp vallen en keek verwezen naar de scherven. + +--Ik hoor trommelen, Sander. + +--Snepvangers, nu valt er op te passen, fluisterde de Speeker +geheimzinnig. + +--Ze trommelen de gardecivikken op, meldde een straatbengel, 'k heb de +tamboers gezien... 't is oorlog... + +--Wel, daar gaat er, poddozie, een... + +--Ja, Snepvangers, dat is een trompetter die ook nog in den Oost gediend +heeft en in Tonkin... een duveltje... anders boodschapper aan de statie... + +--Hé, Mijnheer, is het waar, ondervroeg Snepvangers. + +--Ja, zei de trompetter van de burgerwacht, terwijl hij zijn gele koorden +schikte en naar zijn roodkoperen instrument keek, ja, ik zal mogen +blazen... dat heb ik nog gedaan... daar draag ik decoraties van... + +--Awel, peilde de Spreeker... + +--We moeten misschien naar de grens, blufte de man en liep door. + +--Dan kunnen wij gerust zijn, betrouwde de argelooze Snepvangers. + +--Onnoozele bloed, verachtte Sander. + +Zijn zonnig humeur bleef hem bij terwijl hij door de stad liep te gapen +naar de koortsige, opgewonden bedrijvigheid. Overal, aan stations en +militaire gebouwen, aan stadspoorten en aan magazijnen stonden +burgerwachten, de bajonet op 't geweer, en keken de burgers aan met de +brani van oudsoldaten. Geen straat zonder soldaten,--geen kroeg zonder +woordvoerders, geen straathoek zonder samenscholing van geburen. De +bijzondere edities der dagbladen droegen in vette titels: "'t Kanon aan +'t woord!... Antwerpen in staat van beleg!" + +--Nu heeft de burgemeester niks meer te zeggen, nu is 't armee baas, +leerde Sander, en daar valt niet mee te lachen. + +--Maar waarom moesten wij toch in den oorlog komen, treurde Snepvangers, + wij zijn geen vechters... + +--We zullen het wel leeren, grimde Sander, en toonde zijn leelijke tanden. + +Dinsdags joeg een onrust door de stad en het grauw plunderde de +kaberdoeskens in het Schipperskwartier. Snepvangers en zijn vrienden doken +vroeg in hun woningen, ontzet door het gehuil der bende. "Wij staan pal!" +Dat stond boven het verwarde mengelmoes van berichten. Een dag later +scheen de stad plots in feest te staan; aan al de gevels wapperden vlaggen +en elkeen droeg een driekleurig strikje. Aan sommige poorten waren echter +de tramlijnen opgebroken. + +--'k Wist niet dat er zooveel vlaggen in de stad waren, verwonderde zich +Snepvangers. + +--Dat is om er den moed in te houden, zei Sander, op al de kerktorens +steekt nu een vlag. + +--'k Heb de eerste verpleegsters van het Rood Kruis gezien, vertelde +Miranda, allemaal in 't wit met witte kappekens op en roode kruiskens op +de mouw... + +--'t Zal 'n slag geven, misprees Sander de ongeluksprofeet, maar als ze +rond Antwerpen beginnen dan trek ik er uit... + +--Foei, Sander, berispte Snepvangers waardig, ge moet meer +vaderlandsliefde toonen, als ik zoo oud niet was ging ik nog als +vrijwilliger op. + +--Och, Snepvangers! + +--Echt waar!... Er is een advocaat bezig met een Scheldekorps bijeen +te brengen... daar zou ik nog willen aan meedoen, maar ge moet kunnen +zwemmen en dat kan ik niet... + +--Ik, aarzelde Miranda, ik blijf bij mijn oud gedacht, geen man, geen +kanon! 't Is niet menschelijk elkaar doodschieten!... + +--Och kom, dat steekt zoo nauw niet, oordeelde Snepvangers, dat is +niks... Hebt ge de nieuw bankbriefjes van vijf frank al gezien? + +--De Burgemeester heeft prijzen vastgesteld voor eten en drinken! +wist Miranda. + +--z'Hebben weer twee spionnen gevangen, ze zaten in een kelderken aan de +statie gebakken visch te eten, meldde Snepvangers. + +--Ge moet maar lezen wat er allemaal gebeurt, zei Sander, ik zou van 's +morgens tot 's avonds niets anders doen dan gazetten lezen. + +--Zie, die piotten trekken uit! + +Een marschvaardig regiment. Dof klonken de stappen der zwaar bepakte +piotten. Zij droegen het geweer aan den riem, de zwartglimmende kepies +aachteruitgeschoven de blauwe kapotjassen opengeplooid zoodat de grijze +broeken zichtbaar waren. Plots zongen zij "De Vlaamsche Leeuw". Het +doorrilde de drie vrienden en onwillekeurig namen zij den hoed af. + +Nauwelijks een week later was Snepvangers het reeds beu gazetten te lezen. +De toestand bleef immer zeer goed!... Uit al de telegrammen kon hij geen +klaar beeld ontwarren en dan trof hem nog de plekken wit of zwart, die +het werk van de censuur aantoonde. + +Toen gebeurde het dat Snepvangers en Miranda de eerste gekwetsten zagen. +Zij kwamen uit het Station en werden in trams vervoerd... Hun gezichten +Leken grauwe vertrokken maskers, hun oogen zaten vol koorts, hun hoofden +of armen waren verbonden met doortrokken windsels. Zenuwachtig zogen zij +op sigaren en sigaretten, knikten de menschen toe of riepen iets. Ze +leken wat verdwaasd. Miranda, de groote, stevige houtdraaier, was zeer +bleek geworden... + +--Ziet ge nu dat bloed, fluisterde hij met een krampachtig gelaat. + +--Nu ga ik niet meer zien, Miranda... en die kunnen nog loopen, maar die +anderen die op de berrie liggen, zei Snepvangers triestig. + +--En zij die ginder in den grond gestopt worden, Snepvangers. + +--Kom, laat ons maar stillekens naar huis gaan. + +In "Het Zwart Paard" dronken zij een borreltje, waarschijnlijk omdat het +schenken van sterke dranken nu verboden was. Zoo kwamen zij terug op hun +verhaal. Wanneer zij Sander vertelden wat zij gezien hadden, weerstreefde +hij woest: + +--Dat is niks, laat ze maar vechten!... + +Snepvangers, al huilde hij met de wolven, hield in die dagen het meest +van den zachtzinnigen Miranda. Uren zaten zij bij de vogels te kijken en +te spieden, te luisteren naar het gefrazel der jonge mannekens... Zij +hielden van de fijne, gele donsschakeeringen, van de zoete, weeke kleur. + +Aandachtig zagen zij hoe de jongskens gespijsd werden, hoe de schuw-rille +vogels op en af vlogen elkaar beriepen, naast elkaar hokten of met +vogelwreedheid elkaar bepikten. Zij vergaten er het uitzicht der stad +en de gebeurtenissen. Wanneer Miranda zich een beetje te erg verlaat had, +ging Snepvangers mee naar huis en kroop mee op den zolder, waar de +houtdraaier zijn werkhuis had. Samen wijsgeerden zij over de wereld en over +de Saksische kanarievogels. + +Zekeren middag kwam Albertken zijn grootvader opzoeken, die door het dwaas +bellen opschrok uit zijn middagslaapje. Albertken droeg een soldatenmuts. + +--Grootva, riep hij opgewonden, de Koning is in zijn paleis met de +Koningin en de Prinskens! We moeten gaan zien! + +--Ja, Albertken, onderwierp zich Snepvangers. + +Op de Meir, voor het Paleis, stonden zij te glarie-oogen, verloren in de +samenscholing. De zon ging onder en de klare hemel verduisterde. Plots +jubelden zij mee met de menigte al zagen zij niets. + +--Zijn het de Prinskens, Grootva? + +--Ja, Albertken!... + +Daarna bracht Snepvangers zijn kleinzoon naar huis. Antoine mompelde een +verstrooiden groet, verloren in krantenlectuur. + +--Ze vechten rond Diest, zei Marieken terloops, sprak dan over den +zuigeling, een meisje als een wolk. + +Later riep Sander hem om de gazet te toonen... Hij las de bovenschriften: +"Vreemde ruiters te Gheel! Dat is geen reden om het hoofd te verliezen!" + +--Ze komen naar hier, voorzag de Onheilsbode. + +--Nooit, meende Snepvangers waanwijs. + +--De Paus is dood!... + +--Als het maar waar is! + +--En de Generaal der Jezuïeten... En dat beteekent iets als die +sterven!... + +--Och!... + +--Brussel is ingenomen en ze vechten te Aerschot... + +--Ge moogt alles zoo zwart niet inzien, Sander!... + +--Ik heb mijn duiven verkocht... ik wil klaar zijn om te gaan loopen... +Verkoop uw kanarievogels, Snepvangers... Wij verkoopen de kousen en de +saai, want wij trekken er uit... + +--Ge zijt een bangerik, mompelde Snepvangers en stak ontstemd de straat +over. + +In zijn eersten slaap werd hij opgeschrikt door een vreemd geronk in de +lucht. Voor hij zijn vrouw kon antwoorden daverden ontploffingen... Het +huis scheen te beven en de ruiten te trillen. + +--Och, Snepvangers, kreunde Madame. + +--Blijf maar stillekens liggen, vrouw lief, suste hij, niet bang zijn, +'t is niks... + +Vol verteedering nam hij haar grijs hoofd in zijn arm, kuste haar en +proefde haar tranen. + +--Wij hebben nooit iemand kwaad gedaan,--troostte hij. + +--Maar de kinderen, nokte zij, de arme kinderen. + +--De arme kinderen!... + +Zij rilden onder het vreemd geweld dat in den nacht door de lucht joeg en +weenden samen... De wereld was uit haar gronden gerukt en boosheid en +moordzucht hielden feest. Nu verloren de menschen hun bezinning en wisten +wat oorlog was en vrede. + +Reeds vroeg kwam Miranda hem halen om te gaan kijken naar de verwoesting. + +--Neen, zei Snepvangers, dat wil ik niet zien... Er zijn dooden!... + +--Ik ga naar Marieken, verwittigde Madame nog zeer onder den indruk. + +Zij stonden op den drempel en zagen Sander en zijn vrouw, elk met een +zwaar valies beladen gereed om te vertrekken. + +--Awel, Sander? + +--Wat heb ik voorspeld, zegevierde Sander, wij trekken er uit, wij gaan +naar Ossendrecht... In Holland vechten ze niet... + +Ze zagen het koppel wegtrekken, zwoegend onder hun gepak. Het dikke +winkelvrouwtje dat nooit buiten kwam, trippelde voor haar man uit en was +ook nu weer baas, terwijl Sander, de sluwe bepeinzer, kalm aan zijn +pijpje trok en haar gedwee volgde. + +--Hardloopers, riep Snepvangers hen na. + +--Ik ga dan ook maar niet zien, besloot Miranda. + +--Wij zijn nog menschen, Miranda, kom liever eens naar mijn kanarievogels +zien. + +Dagelijks brachten de gazetten geruststellende tijdingen. + +Steeds bleek de toestand uitmuntend en de toekomst hoopvol. Wel +stroomden vluchtingen aan, maar zij werden in treinen gepakt en dieper +in Vlaanderen gezonden. Niemand scheen zich erg om die dakloozen te +bekommeren, elk had genoeg met zijn zorgen en zijn onrustige nachten. +Menigeen lag geregeld te turen naar den helderen sterrenhemel. De Russen +waren nu de mannen die hen uit den nood zouden helpen. Sommige sinjoren +hadden permentelijk Russen op de Paardenmarkt gezien. + +--'t Gaat goed, verzekerde Snepvangers, de Russen zijn kleppers. + +Nu de Speeker hem met zijn zwartgalligheid niet meer verschrikken kon, +zwom hij weer onbekommerd in zijn gelukzalig optimisme. Hij wist dat er +een nieuwe Paus gekozen was, dat er te Leuven en in de buurt van Mechelen +gevochten werd, stortte zijn penning voor "Het Kind van den Soldaat" +zorgde voor zijn vogels en luisterde naar hun gefrazel, vreesde niet voor +Antwerpen en sliep weer ongestoord en rustig. Hij begreep niet waarom +Madame haar zenuwen zoo overstuur bleven en zij heelder nachten wakker lag. + +Na acht uur waren de herbergen thans gesloten en stond de stad in 't +duister. In het begin stak hem dat erg tegen. De stad geleek een dorp waar +men met de kippen naar bed moest! Doch Snepvangers schikte zich spoedig in +de nieuwe regeling. + +Op een donkeren avond, nadat hij voor de deur van "Het Zwart Paard" van +Miranda afscheid had genomen, beleefde hij een vreemd avontuur. + +Het was heerlijk Septemberweer en de hemel zat doorweven met klare +sterren. De najaarskoelte klom amper door de straten. Het kanon donderde +in de verte. Snepvangers mijmerde!... Er werd fel gevochten... Wat +vreeselijke dingen... Hij had weer talrijke autos zien rijden, soldaten... +en burgerwachten zien door de stad trekken, menschen van het Rood Kruis +ontmoet in de straten vol roerlooze vlaggen. Een geluk voor Marieken dat +Antoine vroeger een karot getrokken had om geen gardecivik te moeten +spelen... want nu bleef hij er fijntjes tusschen uit... + +Iemand liep hem op dat oogenblik tegen het lijf, zoodat hij er van schrok. +Hij rook een zwoele geur en dacht aan een barbierswinkel. + +--Gij deugniet, fluisterde een vrouwenstem. + +--Pardon, verontschuldigde zich Snepvangers. + +--'t Is niks, lieve jongen, gaat ge mee?... Ik ben zoo benauwd in 't +donker... + +--Ik ben geen lieve jongen, zei Snepvangers ernstig. + +--Och kom... + +--Ik ben geen lieve jongen, hield hij vol, ik ben een deftig oud man!... + +--Ik zie het liefst oude heeren... Kom... + +--Wat denkt ge wel... ik ben getrouwd... + +--Dat is ook al niks... 't Is oorlog!... + +Toen was Snepvangers bang geworden voor de verleiding. In zijn +hulpeloosheid had hij een plotselinge ingeving. + +--Komt ge van God "sprekt", komt ge van den "duvel" vertrekt, sprak hij +rad en sloeg een kruis. + +De schaduw gleed luid lachend naast hem weg, opgeslorpt in de duisternis. +Hij was van streek thuis gekomen en had den koffiepot leeg gedronken om +Op adem te komen. + +--Wat is er toch gebeurd, vroeg Madame. + +--'t Is gevaarlijk in het donker... + +--Tegen een lantaarnpaal geloopen? + +--Neen... maar menschen zijn soms gevaarlijker... + +De vooruitzichten bleven gunstig. Er werd gevochten te Wetteren en te +Ninove, te Waelhem en te Kathelijne-Waver, te Duffel en te Lier, maar de +Toestand heette bevredigend. + +Snepvangers en Miranda kenden geen spanning, Antwerpen was veilig en de +gazetten erg bemoedigend. In de ijle Octoberluchten bulderde het reeds zoo +wel bekend kanon. Op Zondagavond kwam een agent in "Het Zwart Paard" den +waard aanzeggen direct te sluiten. Waarom, wist niemand... De stad was +volledig in 't donker. 's Anderdaags riep men dringend de jongens op om +soldaat te worden. + +--Ik geloof toch... aarzelde Miranda. + +--Ja, zei Snepvangers, 't is een rare tijd. + +Met beklemd gemoed namen de vrienden afscheid om Woensdag morgen te +vernemen dat de toestand ernstig was. + +Snepvangers ging Antoine raadplegen. + +--Antwerpen wordt gebombardeerd, verklaarde de Drogist zeer laconisch +terwijl hij een rekening schreef en den winkelknecht bevelen gaf. + +--Maar dat is gevaarlijk, hakkelde Snepvangers, die zijn hart feller +voelde kloppen. + +--Och, schokschouderde Antoine, strategisten hebben berekend dat er 34 +bommen moeten vallen om één huis te treffen!... De autoriteiten zeggen +ons: "Kalmte!... Kalmte zal ook vrijwaren voor onvoorzichtigheid en +roekeloosheid. Wie een koel hoofd bewaart, redt zich waar anderen verloren +gaan..." Let maar op de voorzorgsmaatregelen!... Ik zal ze u nog eens +voorlezen: "Zich niet op straat wagen, doch binnenshuis blijven, +bij voorkeur in de kelderingen. Water in het bereik houden op elke +verdieping om een begin van brand te blusschen. De kelderopeningen +opstoppen, 't zij met matrassen, 't zij met zakken zand. En dan op Gods +genade..." + +--'k Wou toch liever... + +--Vluchten, misprees Antoine, en lachte verachtelijk. + +--Neen, dat precies niet... maar ik dacht dat Antwerpen... + +--Kom, kom... Wie vluchten wil wordt verzocht in den kortsten tijd weg te +gaan in de richting van het Noorden of Noord-Oosten... want het +bombardement heeft geen invloed op den duur van onzen weerstand... +Nu zult ge de hazen zien loopen, hoonde Antoine, terwijl hij profijtelijk +een pakje jujube woog voor een snoepziek juffertje. + +--Nu komt de kat op de koord, wijsgeerde Snepvangers, en probeerde +onbevangen te kijken, ik ga Moeder maar gauw gerust stellen. + +--Komt tegen avond naar hier, verzocht Antoine, +Papa en Mama komen ook... hoe meer zielen hoe +meer vreugde in onzen kelder... + +--Wij hebben ook 'n kelder, weigerde Snepvangers kort en ging korzelig +heen. + +Thuis vond hij Miranda die op hem zat te wachten. + +--De situatie was altijd goed, spotte Miranda bitter. + +--Ik heb me nooit laten beetnemen, loog Snepvangers met overtuiging, +vraag het maar aan mijn vrouw... Maar ik wou niemand ontmoedigen... + +Madame zat suf met de handen in den schoot en gaf geen bescheid. + +--Als ik maar wist waarheen, bekende Miranda, al was het naar het einde +der wereld. + +--Neen, zei Snepvangers, zoo erg is het ook niet... er zijn zooveel bommen +die verkeerd springen... + +--Ja, ik ben bang, zei de openhartige Miranda, maar mijn vrouw lacht mij +uit ... Ik kwam om u te helpen... Hebt ge zakken? + +Wanneer de zakken zand op de keldergaten lagen en de wateremmers klaar +stonden, trok Miranda weg. Na het eten, dat niet smaakte, kwam Snepvangers +op den huisdrempel zijn pijp rooken en kijken naar de zenuwachtige +menschen die door de straat trokken. Een paar buren zochten zijn +gezelschap en samen dreven zij den spot met de hardloopers... + +Een vlieger ronkte in de lucht en de kinderen zongen leuk: + + En komt er nog 'n Zeppelin. + 'n Zeppelin! + Dan kruipen wij den kelder in, + den kelder in! + +In de schemering kwam Madame terug van Marieken en de kinderen. Zij aten +in stilte, hoorden de klok tiktakken en bleven treuzelen. + +--Gaan we naar boven, polste Snepvangers. + +--Seffens zal het beginnen, zei Madame, laat ons maar liever in den kelder +gaan zitten. + +Zij namen een lamp en gingen naar beneden. Er stond een tafel en twee +fauteuils. + +--Wat een Christenmensch beleven moet,--zuchtte Madame. + +--Ik haal brood en boter, zei Snepvangers, als we eens honger krijgen in +den nacht. + +Amper was hij terug gezeten of daar brak het gehuil en gesis los boven +de stad. + +--Jezus, Maria!... kermde Madame. + +--Gelukkig dat er hier wat te verhapzakken valt! + +Snepvangers ontkurkte een flesch cognac en schonk zich een half bierglas +in. + +--Gij ook wat, Mama? + +--Ja, want ik heb zoo'n pijn in mijn buik, kreunde zij. + +In de straat kermden voorbijhollende menschen en onophoudelijk floten de +bommen. + +--Ge kunt ze niet tellen, zei Snepvangers en nam een tweeden slok, terwijl +hij de trage wijzers van zijn uurwerk in het oog hield. + +Een beetje beverig had hij het van de ketting losgemaakt en op tafel +gelegd. Een wijl spraken zij geen gebenedijd woord. Spitsken lag onrustig +onder tafel. + +--Ons laatste uur is geslagen, jammerde Madame dan akelig. + +--Bijlange niet, zei hij zoo luchtig mogelijk en nam nog een slokje om +zich op te monteren. + +--Jawel, Snepvangers. + +--Zeg dat niet, 't is zoo al erg genoeg! + +--Mijn hart is geen boontje groot... en Marieken, en de kinderen... Waren +wij maar samen! + +--Drink eens, moedigde Snepvangers aan die berouw had het verzoek van +Antoine te hebben afgewezen. + +Hij was zelf zeer aangedaan. Daar zaten zij nu alleen in dezen ongewelfden +kelder. Zijn oogen bleven steeds gericht op een spinrag boven in een hoek +vol schaduw. Dat was aan het waakzaam oog zijner vrouw ontsnapt. De stad +scheen te daveren. + +--Wij hebben samen al zooveel doorgemaakt, overwoog hij verteederd. + +--Ja, Snepvangers. + +--En als er iets moest gebeuren moeten wij niet bang zijn, wij zijn toch +samen. + +--Ja, Snepvangers. + +Zij sufte en hij dronk. Hij bleef bloednuchter, herdacht zijn leven en +telde de uren af die met slakkengang wegslopen... Eensklaps hoorde hij +haar snikken en was erg ontroerd. Hij kuste haar verrimpeld gezicht. + +--Zoo gauw als het licht wordt trekken wij er uit, Moeder, schep maar +moed... Kom, wij blijven niet in den kelder, we gaan koffie opschenken, +dat zal ons goed doen. + +Hij nam de lamp en gehoorzaam volgde zij hem naar de keuken. Spoedig +zong de waterketel. + +--Hier is het veel beter, zei Madame. + +--Ja, bepeinsde Snepvangers, wat zullen die arme kanarievogels schrik +hebben uitgestaan!... Seffens, als de dag in de lucht komt, ga ik naar de +Torfbrug de kinderen halen... Er hangt een spinneweb in den kelder... + +Met den dageraad zonk de verschrikking van den nacht weg. Madame trok +naar den kelder om de spin te verdrijven en Mijnheer ging de vogels +verzorgen. Rond negen uur dronken zij opnieuw koffie. + +--Wat gaan we met Spitsken doen, zei Madame bekommerd. + +--Ik breng hem bij Miranda!... + +--Ja.., en de vogels? + +--'k Heb ze eten en drinken gegeven ... Ze krijgen het niet op al blijven +wij een maand weg! + +--En wat gaan wij medenemen? + +--Al wat waarde heeft, oordeelde Snepvangers, maak de coffre-fort leeg in +dat klein valiesje... dat zal ik dragen... neem gij zoo wat mee wat we +noodig hebben... + +--Pas toch maar op, Snepvangers, een ongeluk ligt op een klein plaatsken! + +--Och kom, zei hij moedig en stapte besloten den gang in, opende de +voordeur en stak voorzichtig het hoofd naar buiten. + +Overal stonden menschen en hielden beraad, anderen sleurden met pak en +zak. Juist toen het Snepvangers vrijwel veilig scheen hoorde hij weer +het afschuwelijk gefluit... Tzi... Tzi. + +--Kom, niet bang, Snepvangers, prevelde hij, en floot op Spitsken. + +Hij ging maar dicht langs de huizen en zag naar de keien. + +--Wij trekken er uit, mijnheer Snepvangers, riep iemand. + +Op de Paddengracht, hingen de winkeliers de luiken weer voor de vitrienen, +uit de Kattenstraat trok het volksken weg met beladen stootwagens. Miranda +stond hulpeloos aan zijn deur te kijken. Bij elken slag trok hij het hoofd +in en rilde. + +--Mijn vrouw wil weg, zei Snepvangers. + +--Dat begrijp ik... + +--Maar we kunnen Spitsken niet meenemen... + +--Laat hem maar hier... en de vogels... + +--Daar heb ik voor gezorgd... 'k Ga de kinderen halen... We komen rap +terug... 't Zal wel zoo erg niet doen. + +--'k Ben zoo bang, kreunde Miranda, de gardecivikken moeten niet +meevechten. + +--Ge moet niet bang zijn, troostte Snepvangers vriendelijk, terwijl hij +de Keizerstraat introk en Spitsken hoorde blaffen. + +Onderweg ontmoette hij burgerwachten zonder wapens, midden in de straat +lag een soldatenmuts. + +-- Het Zuid ligt plat, hoorde hij een zeggen. + +De vluchtelingen togen over de Minderbroedersrui en Snepvangers liep +hen onwillekeurig na, sloop langs de huizen door de oude stad en kwam voor +het Stadhuis. Hier wierpen de gardecivikken hun wapens ordeloos op een +hoop, geweren, ransels, bajonetten en gordels vol kogels. Het volk ijlde +voorbij. Snepvangers kreeg een vol besef van den benarden toestand. Waarom +had hij een omweg gemaakt? De Suikerrui zag zwart van menschen die over de +Scheldebrug wilden vluchten, maar opgehouden werden door het leger in +aftocht. Dan spoedde hij zich naar de Torfburg waar de winkel gesloten +was. Antoine kwam de deur openen. + +--Maakt u maar gauw klaar, zei Snepvangers, 't is maar voor de vrouwen. + +--Wij blijven, besliste de Drogist. + +--Marieken, riep Snepvangers en schoof zijn schoonzoon op zij, zet uw hoed +op en roep de kinderen... + +--Wij blijven, zei Marieken kordaat. + +--Ik ben niet zot! Moeder sterft puur van angst, en ons leven gaat voor +alles... + +--Wij blijven, zei Craen, met zijn hoofd even buiten de kelderdeur. + +Craen zag zeer rood van in den kelder te verblijven, en Snepvangers scheen +het dat zijn tong eenigszins dubbel sloeg. + +--Wij zitten in een sterk gewelfden kelder, betoogde Antoine, wij hebben +onze voorzorgen genomen... zakken zand... + +--Ja, dat ben ik, die flauwskens... zakken zand en emmers water... ieder +zijn goesting, meende hij verachtelijk, maar ik denk er het mijne van, zoo +uw kinderen aan het gevaar bloot te stellen... + +--De kinderen, sprak Antoine lijzig, de kinderen zullen later fier zijn +het bombardement te hebben meegemaakt... + +--Vooral de zuigelingen, onderbrak Snepvangers ongeduldig, ik laat mijn +vrouw niet in dat gevaar,... Saluut! + +Hij was zeer verbolgen en dacht niet eens na dat hij zijn gewone schuwheid +tegenover Antoine had afgelegd. In een adem stapte hij naar huis, kwam +meer en meer onder den panischen schrik die de menschen voortjoeg. De zon +scheen uit de teerblauwe lucht waaruit het geweld zong met rekkend gehuil. + +Madame stond klaar en gaf hem het handtasje. + +--'k Heb het gedacht, snikte zij, willen wij dan ook maar blijven. + +--Ze moesten maar zoo koppig niet zijn... Wij trekken er uit... Ik wil +niet dat gij ziek wordt van schrik... + +Hij draaide den sleutel om, trok nog eens aan het handvatsel en stapte +naast zijn vrouw langs den weg die Sander enkele dagen vroeger genomen +had. Zij keken niet om en dorsten elkaar niet bezien want zij hadden +tranen in de oogen. + +Hoe verder zij kwamen hoe meer stootwagens, karren en rijtuigen zij +zagen. Mannen en vrouwen zwoegden onder vreemd gepak; kinderen schreiden, +er werd geroepen en gekeven. Aan den Dam, voor het station, stond een +trein met roode kruisen beschilderd. + +De karavaan toog maar traagjes voort naar Merxem. Zij moesten uitwijken +voor een kruiwagen en een bakkerskar, stonden plots buiten het gedrang. + +--'k Ben zoo moe, kloeg Madame, mijn voeten weigeren mij te dragen. + +Snepvangers dacht aan den langen weg, zag weer naar den roodkruistrein +en had een gelukkige ingeving. Wie weet was daar geen plaatsken te +veroveren! Met geld en schoon woorden bekomt men veel... Zij kwamen +op het perron, de trein floot en voor zij het precies begrepen, waren zij +in het gedrang opgestuwd in een wagen, tusschen opgetimmerde brancards. + +--Ge moet maar uit uw oogen zien, zei Snepvangers voldaan, hier is het +beter dan in een kelder. + +Madame kreeg een plaatsken naast een dienstmeisje met witten voorschoot +die ongeschilde appelen at. Mijnheer nam zijn valiesje als schabel. + +--Geef nu maar een boterham, Moeder, zei hij opgewekt. + +Zij stak haar taschje naar hem uit. + +--Wat is dat? + +--Mijn korfken met eten, zei ze. + +--Wat? + +In haar onthutstheid had zij het leege eiermandje meegenomen.... + +--Neem een appel, Madame, troostte de meid. + +--Wel ja, lachte Snepvangers en nam een appel, geef dat ding hier, dat +kunnen we toch niet meesleuren. + +Hij wierp het korfje in gevlochten ijzerdraad uit het raampje, zag een +vlieger toeren boven den Polder en menschen langs de wegen trekken, een +zwarte zwerm gelijk. + +--Die arm beestjes, klaagde Madame. + +--De beestjes? bedacht de meid. + +--Ja, de kanarievogels! + +De meid verslikte zich in haar appel, beloerde gichelend de suffe vrouw. + +--'t Is niet om te lachen, zei Snepvangers gebelgd en knabbelde aan het +klokhuis. + +Een burgerwacht in uniform met slappen hoed op het hoofd vertelde luidop +zijn wedervaren.... Hij had den nacht op de wallen dienst gedaan en de +bommen zien neerslagen. De kapitein en zijn compagnie waren afgetrokken +en hadden hem vergeten. + +Aan elk station hield de trein stil en kropen er nog menschen in de +stampvolle wagons. Zij zaten nu tot op den tender, en men hoorde hun +schoenengebons boven het hoofd. + +Het duurde uren en uren. Plots werden de raamkens neergelaten en een +gejuich steeg uit den trein. Mijnheer jubelde mee. + +--Is 't gedaan? vroeg Madame. + +--Wij zijn over de grens, zei Mijnheer en stak een sigaar op, ik hoor +geen kanon meer!... + +--Mijn appelen zijn op, meldde de meid. + +Klokslag vier uur stond de trein stil op het rangeerterrein te Rozendael. +Met gestommel en lawaai trokken de vluchtelingen over de banen, door +Ondergrondsche gangen en stonden plots voor het station op een open +plein vol menschen, vol luidruchtige Sinjoren. + +--Wel, wie dat we daar hebben, riep een man. + +'t Was de Verdierenpikker die verheugd en opgewonden, de handen vooruit, +op hen toetrad. + +--Toch ook weggetrokken? + +--Dat geloof ik wel, verontschuldigde zich Snepvangers, heel het Zuid +ligt plat. + +--En de kinderen die daar in een kelder zitten, griende Madame. + +--'t Is dom zoo uw schoon leven te riskeeren, zei de Verdierenpikker. + +--Ja, blufte Snepvangers, ik was toch ook gebleven, al was het maar voor +mijn kanarievogels, maar ik wou mijn vrouw redden... + +--Mijnheer, Mijnheer, jammerde een dik zweetend heerken, staat mijn huis +er nog in de Lozanastraat? + +--Alles ligt plat, het Justiciepaleis en al de huizen in den omtrek, +getuigde Snepvangers heel wreedaardig, we zijn onder de bommen weggeloopen +en per mirakel ontsnapt. + +--Wat een ongeluk prevelde het blozend manneken ntdaan. + +--'t Is oorlog, troostte Snepvangers, ja 't is oorlog, herhaalde hij +luchtig, maar dat belet niet dat ik honger heb... Kom, Moeder, we gaan +wat eten. + +--Kom maar mee, zei de Verdierenpikker, ik weet waar ge zijn moet. + +Zij lieten het heerken staan en trokken de markt over naar een hotel, waar +zij, na lang wachten en trommelen op de tafel, een biefstuk met gebakken +aardappelen bemachtigden. + +Zij zaten omgeven van Antwerpenaars die druk hun lotgevallen bespraken en +dorstig van ontroering, pintjes dronken. Het leek wel een kermisvolte. + +--Garcon, riep Snepvangers, toen hij verzadigd was en zijn derde glas +gedronken had. + +--Hier heeten de garçons allemaal Jan leerde de Verdierenpikker. + +--Awel, Jan, riep Snepvangers, kunnen we hier logeeren. + +--Alles is vol, Menheer, nergens vindt u nog onderkomen, beweerde de man +terwijl hij het drinkgeld opstreek. + +--Ja maar, we moeten toch slapen, verzette zich Snepvangers in zijn +zekerheid getroffen. + +--Dat zal wel, Menheer, gaf Jan toe en schoof naar een ander tafel. + +--Maar die is in mijn botten, kloeg Snepvangers, we kunnen toch niet onder +den blooten hemel slapen. + +--Of hier op een stoel, vulde Madame aan,--waar logeert Mijnheer? + +--Ik, zei de Verdierenpikker genoegelijk, aan mij moet ge niet denken, ik +heb een kamer boven een boterwinkel! + +--Maar wij? + +--Daar hebt ge het kot van den manken hannen. + +--Kom, we zullen eens gaan zoeken... een kruier heeft mij geholpen... + +--Een kruier, wat is dat? + +--Wel, Snepvangers, leerde de Verdierenpikker, 't is te zien dat ge pas in +Holland zijt, een kruier dat is zoo'n vent... ge weet wel... + +--Neen, ontkende Snepvangers. + +--Wel zoo'n vent die commissies doet... een boodschapper. + +--Zoo een met een koperen plaat op zijn klak die aan de statie staat? +vroeg Madame. + +--Precies! + +Op het plein, door de rumoerige menigte die er met krijtende kinderen en +vreemd gepak bivakkeerden, keerden zij weer naar het station waar +vluchtelingen af en aan liepen. De kruier zagen zij niet. Van ontsteltenis +kregen zij telkens dorst. + +--Wat zijn de soldaten toch braaf, zei Madame, zie maar eens hoe zij de +arme menschen helpen. + +--Ze dragen de pakken en deelen hun brood uit, zei Snepvangers verteederd, +dat heb ik nog nooit gezien... + +--De Hollanders hebben zoo'n compassie met ons... ik moest eerlijk niet +veel hebben van 'nen kouden Hollander... maar nu, nu ken ik ze beter... Ze +staan hun eigen bed af voor vreemde menschen... 't is danig goed volk. + +--Hadden wij ook maar een bed, betreurde Snepvangers. + +--Maar heel Antwerpen is hier, beweerde de Verdierenpikker, ik vrees dat +ge dieper het land zult moeten intrekken! + +--Maar heden avond toch niet, jammerde Madame, seffens is het donker en +in een vreemd land waar men den weg niet... Was ik maar in onzen kelder +gebleven... die arme vogeltjes... + +Wanneer zij in de schemering, voor de vijfde maal de trappen van het +stationsgebouw bestegen, liepen zij tegen den kruier aan. + +--Kruier, riep de Verdierenpikker. + +--Menheer, zei de man, en tikte eventjes aan zijn pet. + +--Madame en Mijnheer Snepvangers moeten een kamer hebben. + +--Ik weet niks meer! + +--Dat is gauw gezegd, maar ze kunnen toch niet onder den blooten hemel +slapen! + +--Het zal wel moeten... of in de wachtzaal... + +--Neen, Kruier, 't zijn deftige menschen... Mijnheer was kandidaat voor +den Gemeenteraad... + +--Het mag kosten wat het wil, steunde Snepvangers en stopte den man een +half franksken in de hand. + +--Ja, aarzelde de Kruier, mogelijk zou ik iets kunnen doen... ingeval +Menheer en Mevrouw met mijn bed zich wilden vergenoegen... + +--Wel natuurlijk, zei Snepvangers, 't is oorlog... en wij Sinjoren zijn +ongegeneerde menschen... Mijnheer de kruier, ge zijt 'n reddende engel... + +--Heb ik het niet voorspeld? triomfeerde de Verdierenpikker. + +--Mevrouw zal wel vermoeid zijn,--zei de Kruier laat ons maar +opstappen... daarbij moet ik mijn vrouw nog verwittigen... + +--En waar zult gij dan slapen? vroeg Madame. + +--We hebben nog een zolderkamertje, Mevrouw, en Mevrouw zal het met één +matras moeten stellen, wij nemen dan de andere... Rechtuit loopen, Heeren, +'t is nog een eindje voorbij de boterzaak waar Menheer logeert. + +--Wat beleefde commissionnair, fluisterde Madame. + +Nadat de Verdierenpikker afscheid genomen had,--'s anderendaags zouden +zij elkaar weer ontmoeten en verder zien wat hen te doen stond,--liepen de +echtgenooten naast den kruier voort. Overal aan de deuren stonden +vluchtelingen te praten met de gastheeren... De weg scheen lang in het +duister. In de verte floten de treinen. + +--Er komen er nog meer, beloofde Madame. + +--'t Is toch vreeselijk, Mevrouw, en Antwerpen was een mooie stad... Ik +was wel eens te Antwerpen... + +--Een schoone stad... Dat zou ik gelooven, zei Madame trotsch. + +--Heel wat anders dan Brussel of Rozendaal, onderbrak Snepvangers, uw +statiegebouw is anders wel schoon... wel mooi wil ik zeggen... ja, Kruier, +ik zal gauw Hollandsch spreken, wacht maar een beetje... maar kunt ge u +wel voorstellen wat een bombardement is? + +Hij hield den man staan en keek hem in het wit der oogen. + +--Neen, menheer, alles vliegt kapot of in brand zeker? + +--Ja dat is het... de kanonballen huilen in de lucht... ge ziet ze naar +beneden komen en trekt in het begin den kop in... maar ge raakt eraan +gewoon... het deed ons niks meer... we telden ze... + +--Maar Snepvangers toch... + +--Mijn vrouw was bang ... maar ik ben onder het bombardement naar mijn +dochter geweest om de kinderen te zien... Die waren allemaal zoo moedig +dat zij niet eens wilden vluchten. + +--Ze zijn misschien al dood, nokte Madame. + +--Men mag zich nooit het ergste verbeelden, Mevrouw. + +--Dat zeg ik ook... maar nu weten wij van den oorlog mee te spreken... + +In een straat, aan weerszijden met kleine arbeiderswoningen bebouwd, +woonde de kruier. Hij draaide het gaslicht op in het voorkamertje, +verontschuldigde zich dat hij even zijn vrouw ging verwittigen. + +--'t Riekt hier naar gebakken haring, vezelde Madame. + +--'k Zou er wel een lusten, bekende Snepvangers. + +Dan zaten zij stil te kijken naar het tafeltapijt, naar de kleerkast, de +potjes op het schouwblad, en naar een portret der Koningin dat aan den +wand hing. + +--Ik geloof dat het protestanten zijn, zei Mevrouw onthutst. + +--Och, Moeder, dat zijn ook menschen, en... + +De deur piepte en een magere vrouw met een zwarte muts op het hoofd kwam, +gevolgd door den Kruier, binnen. + +--Welkom, Mevrouw en Menheer, spijtig dat wij zoo eng behuisd zijn... +Mevrouw zal zich moeten behelpen met wat we aanbieden kunnen ... + +--Maar 't is van harte gegund... de menschen moeten elkaar behelpen in +deze benarde tijden, voegde de Kruier er aan toe. + +--Wij behooren maar tot den arbeidenden stand, Mevrouw. + +--Ja maar, zei Snepvangers, ik vind het heel schoon... mooi wil ik zeggen, +maar ge moet zeggen wat het kost... + +--Neen, weerde de huisvrouw af, wij doen wat wij kunnen, elkeen heeft +vluchtelingen in huis. + +Maar Snepvangers drong aan, wou en zou betalen. + +--Ik zou eerst maar een avondboterhammetje eten en het bed eens probeeren, +dan kunnen we morgen verder praten, besloot de huisvrouw. + +Zij dronken samen een kommetje slappen koffie en aten boterhammen met +kaas. Dan ging de Kruier met zijn vluchteling nog een slaapsmutsken +drinken in een kroeg in de buurt, waar men de laatste berichten uit +de brandende stad vernam. + +--Menheer is onder de bommen weggevlucht, pochte de Kruier. + +--Ik weet soms niet of ik nog leef, zei Snepvangers bescheiden. + +--Zoodra het bombardement gedaan is ga ik eens kijken, bedacht de Waard, +terwijl hij kalmpjes zijn pijp rookte, ik ben neutraal! + +Toen de mannen thuis kwamen schenen zij oude vrienden. Snepvangers had +zijn halve levensloop verteld. De vrouwen zaten gezelligjes in de +voorkamer. Madame had de huisvrouw geholpen om de matras af te trekken en +het bed te verschoonen. Eventjes zaten zij nog rustig bijeen dan ging de +Kruier met zijn vrouw naar boven want het zou weer vroeg dag zijn. + +Snepvangers geeuwde terwijl hij de deur afsloot. Madame opende de deuren +der alkoof. + +--'t Is proper, getuigde zij en sloeg de lakens open. + +--Maar 't is benauwd in de kamer, oordeelde Snepvangers, en 't riekt +naar haring. + +--Ge droomt, Snepvangers, + +--Ook goed, onderwierp zich de man. + +Hij lei zijn valiesje boven zijn hoofdkussen, vleide zich neer en begon +direct te ronken. + +Madame kon niet slapen, lag te woelen en te zuchten. Zij dacht aan de +kinderen. Wat zou er met hen gebeurd zijn? Snepvangers scheen geen kommer +te kennen, die peinsde noch aan zijn huis noch aan hen die achtergebleven +waren. In haar verbeelding hoorde zij het gedaver van het vuur dat +Antwerpen bestreek. Wat zou er hen nog boven het hoofd hangen. Zij zaten +In een vreemd land en genoten de gastvrijheid, sliepen in andermans bed, +mochten zich nog gelukkig achten want duizenden hadden geen onderkomen. + +Wanneer zij opstonden was de Kruier al de baan op. Het ontbijt stond klaar +in de keuken. + +--Goed geslapen, Mevrouw en Menheer? + +--Heel goed, zei Snepvangers, maar laat ons nu eens condities maken. + +--Ge zijt onze gasten! + +--Als ik niet mag betalen, dan trek ik er uit, dreigde Snepvangers, ik wil +op niemands kap leven... + +--Dat zal Menheer niet doen, smeekte de huisvrouw, wat zullen de buren wel +denken... + +--Laat ons dan accoord maken... + +--Wel... laat ons dan zeggen een gulden!... Dat is toch niet overdreven... + +--Een gulden? ... En dan vertellen ze dat Holland een duur land is... neen +dat gaat niet... ik zeg drie gulden, dat betaal ik overal in een hotel... +en dan is het goedkoop... En nu ga ik eens zien naar de statie; gaat ge +mee Moeder? + +--Ik blijf liever thuis en zal Madame helpen ... + +Snepvangers trok blijmoedig op, kocht voor een dubbeltje sigaren en ging +dan naar den boterwinkel om zijn vriend af te halen die juist zijn tweede +lichtgekookt eitje uitlepelde. + +Voor het station was de beweging even druk als den vorigen dag. Wagens en +karren kwamen het plein opgereden, mannen zwoegden onder hun gepak, +soldaten hielpen, vrouwen sleurden met drenzerige kinderen. Snepvangers +sloeg het leven welgevallig gade, liep met den Verdierenpikker rookend +van groepje tot groepje om van de vlucht te hooren vertellen en de +varende geruchten op te vangen. Soms werden zij aangesproken en dan gaf +Snepvangers raad. + +--Ge moet dieper Holland intrekken, hier is geen bed meer te vinden... + +--Dat hebben de soldaten ook gezegd... + +--Spreekt jandorie geen kwaad van de soldaten, en de Hollanders dat +zijn menschen... + +--Dan zullen we maar naar Amsterdam gaan... + +--Mooi zoo, zei Snepvangers dan met een effen gezicht, ingenomen met +zijn Hollandsch woord en zijn goedkoope sigaar. + +'s Namiddags hadden zij tot verpoozing een bijeenkomst van landgenooten. +Na het eten zocht Snepvangers weer zijn vriend op en trokken zij naar de +vergadering. De voorzitter sprak Fransch, zette de toehoorders aan om +goeden moed te houden, want de kansen gingen keeren. + +--Waarom moeten die mannen altijd Fransch parleeren, zei de +Verdierenpikker misnoegd. + +--Och dat is zoo de chic, verzekerde Snepvangers, kom, hij weet er toch +niks meer van dan wij ... Holland is toch nog een land ... hier kunt ge +altijd sigaren rooken ... + +'s Avonds ging hij weer een slaapmutsken drinken met zijn gastheer. +Snepvangers betaalde... Hij sliep daarna weer godzalig en vermoedde niet +eens dat zijn vrouw heel den langen nacht slapeloos lag te dubben. + +Hij trok 's morgens weer de stad in alsof hij nooit anders gedaan had, +zeer op zijn gemak in de drukte. Op het plein vernamen zij dat Antwerpen +gevallen was en het bombardement had opgehouden. Het gaf een opluchting. +De vergadering was nog beter bezocht dan den vorigen dag. De voorzitter +sprak weer Fransch, hij was een Antwerpsch advokaat, en hij stelde voor +een bestuur te kiezen dat de belangen der vluchtelingen zou behartigen en +den toestand onderzoeken. Dagelijks zouden zij samenkomen. Snepvangers +werd op voorstel van den Verdierenpikker in het bestuur verkozen. Op +zijn verzoek werd een dankbetuiging gestemd aan de stedelijke bevolking +en de Wethouders van Rozendaal, aan het Magistraat van Antwerpen en aan +den Heer Voorzitter voor zijn wijs beleid. Zijn rede werd zeer toegejucht +en had voor gevolg dat hij met twee andere heeren aangeduid werd om naar +Bergen op Zoom te reizen en aldaar met het plaatselijk Comiteit te +Onderhandelen over de te treffen maatregelen van algemeen belang. + +'s Zondags ging hij met zijn vrouw naar de hoogmis, later alleen naar +de vergadering. Daar vernam hij schrikbarende dingen. + +--We mogen nog niet terugkeeren, verklaarde hij aan zijn vrouw, terwijl +hij in de alkoof stapte. + +De reis naar Bergen op Zoom verliep naar wensch. Daar ook vergaderde het +Comiteit regelmatig alle dagen, evenals te Breda, in den Haag, te +Vlissingen en elders. Hij had er de groeten overgebracht van stad- en +Landgenooten die te Rozendaal onderdak hadden gevonden, menig glas +gedronken en veel zweet verloren in den stoomtram. + +Zijn dagen waren zeer gevuld. Reeds vroeg haalde hij zijn vriend af, ging +naar het wisselkantoor Belgisch geld ruilen tegen Hollandsche guldens, +daarna kijken en nieuwtjes visschen in den omtrek van het station, eten +en vergaderen om den dag te besluiten met zijn gastheer in het gezellig +kroegje. + +Op Zaterdagavond kwam de Waard hem tegemoet. + +--Menheer Snepvangers, zei hij, ik ben te Antwerpen geweest, per fiets +heen en weer, en 'k heb het genoegen u mee te deelen... + +--Zeg het rap, onderbrak Snepvangers ongeduldig... + +--Uw huis is onbeschadigd en uw familie stelt het naar wensch... + +--Jongen, dankte Snepvangers ontroerd, als ik ooit voor u iets doen kan... +door een vuur loopen... + +--Dat is te warm, Menheer, schertste de Waard. + +--Dat zal wel, zei Snepvangers droomend, nu ga ik gauw mijne vrouw +verwittigen... + +--Het kan niet zijn, snikte Madame. + +--Van mijn kanarievogels heeft hij niks gezegd... + +--Wat zullen zij angst hebben uitgestaan! + +--Die arme vogeltjes... + +--Neen, de kinderen, Snepvangers! + +--Willen wij morgen naar huis gaan? + +--En het Comiteit? + +--Och Comiteit... Dat doet toch niks als vergaderen... Morgen vertrekken +er treinen... 't is er rustig... want er komen Heeren uit Antwerpen +spreken om het volk an te zetten weer naar huis te keeren... Ik ga den +Verdierenpikker verwittigen... + +--Ja, zei Madame gedwee. + +--Teruggaan?... Ik terug naar Antwerpen,... nepvangers, gij moogt mij veel +vragen, maar dat niet... Ik stierf nog liever... ik trek naar Amerika, +naar overal waar niet gevochten wordt, verklaarde de Verdierenpikker. + +--Ik ga naar Antwerpen, hield Snepvangers moedig vol. + +--Er staat geen huis meer recht... Ze zullen u krijgsgevangen nemen... +denk toch na... en het Comiteit... + +--Ik ga, morgen vroeg al... + +--Als gij uw leven wilt riskeeren... ge zijt oud en wijs genoeg... + +--Dat hoop ik! + +--Snepvangers, hier is mijn deursleutel... + +--Wat zal ik er mee aanvangen? + +--We zijn altijd vrienden geweest... ga eens naar mijn huis zien... en +naar mijn eigendommen... en schrijf eens een woordje... als ge ginder +gezond mocht aankomen... + +--Dat zal ik, beloofde Snepvangers. + +Nog denzelfden avond rekenden zij af met den Kruier, inviteerden den +gastheer en zijn vrouw om eens naar Antwerpen te komen. + +Ditmaal sliep Snepvangers ook niet, Het alkoofbed scheen hem hard en +bedompt. Madame had medelijden met zijn steunen. + +--Morgen slapen wij in ons eigen bed, troostte zij. + +--Wat zal ik blij zijn... We kennen Holland nu... 't is een aardig +land... de menschen zijn goed... heel goed zelfs... de sigaren zijn +goedkoop... maar toch. Oost West, thuis best... Ik begon anders goed +Hollandsch te praten en met gulden en dubbeltjes te rekenen... En nu heb +ik niks gekocht voor Albertken... + +De vrouw van den kruier weende bij het afscheid en Madame had moeite om +haar tranen te bedwingen. + +Zij kwamen veel te vroeg aan het station, kochten nog een paar doosjes +Haagsche Hopjes voor de kinderen... + +--Er wagen zich nog maar weinigen, waarschuwde de Kruier die hen +vergezelde op het perron. + +--Och, misprees Snepvangers, dat is de schuld van die Comiteiten, die +maken de menschen bang... er is absoluut geen gevaar meer... al de +stadhuisklerken gaan terug... + +Eindelijk werden de deurkens toegesmeten.--Snepvangers leunde door het +raampje, zag een Antwerpsen kaaiagent, die den dienst van treinwachter +deed, opwippen, hoorde het gefluit en gepuf der machine, en de +statiechef scheen weg te glijden. Hij riep nog een afscheid aan zijn +vriend, lachte omdat deze zoo beleefd tegen zijn pet tikte, en weg joegen +zij door het groene landschap dat gedoken lag in den najaarsmist waarop +de zon haar goud uitstraalde. + +--Wie weet zien we die menschen nog ooit terug, bedacht Madame. + +--Ja, wie weet, zei Snepvangers, en de man met wien hij dagelijks + borreltjes had gedronken scheen reeds zoo ver weggedrongen in zijn +herinnering. + +De trein vertraagde nabij Esschen, stond plots stil. Vreemde +marinesoldaten met bloote halzen en kleine potsen stonden op het perron +te kijken, één met het geweer op den schouder stond voor den barreel. De +vreemde vlag woei op het gebouw. + +--Zie eens, fluisterde Snepvangers ademloos. + +--Ja, zei Madame schuw. + +Stil-angstig keken zij, maar spraken geen enkel woord. Mijnheer hield +zijn valiesje krampachtig vastgeklemd. Naast hen zat een bleeke dertiger, +die zenuwachtig op zijn snor beet, met verwezen oogen te staren... +Achteraf zaten twee dienstmeisjes op hun paaschbest en vezelden. + +Zoohaast de trein opnieuw in beweging kwam scheen alleman te verademen. + +--Zij komen niet eens zien, zei Snepvangers. + +--Duurt het nog lang voor we aankomen? Informeerd een der meisjes. + +--Gaat gij zoo samen terug? vroeg Snepvangers + +--Ja, mijnheer en Madame vertrekken naar Engeland... en wij moeten op het +huis gaan passen... + +--Schoon volk, misprees Snepvangers. + +Zij passeerden een uitgestrekte vlakte vol stronken van uitgerooide +dennen, waarover een net van pinnekensdraad geslingerd lag. De einder +klaarde licht nevelig. + +Onverpoosd joeg de trein en blies witte stoomwolken langs het raampje. Aan +elk station zagen zij mariniers en de vreemde vlag. En hoe dichter zij de +stad naderden, hoe benauwder het hen werd. + +--Ik ben blij en niet blij, zei Madame. + +--Och... + +Snepvangers keek verstrooid, hij verlangde naar de straten die hem zoo +gemeenzaam waren, maar was tevens gejaagd... Ginder lag Merxem, de trein +vertraagde, stopte voor de wallen. Karweizoekers boden zich aan om het +gepak te dragen en lanterfanters stonden de terugkeerende stadgenooten te +monsteren, riepen wat tot bekenden maar met gedempte stem. De vrouwen +mochten zonder formaliteiten de stad binnen, maar de mannen moesten eerst +hun paspoort laten afstempelen. + +--Wacht maar aan de poort, ried Snepvangers. + +--Neen, ik ga mee, verklaarde Madame kordaat. + +De marinier floot een deuntje, zag niet eens naar den trouwboek terwijl +hij stempelde. + +--'t Is 'n goeie, fluisterde Snepvangers. + +Zij sjokten terug naar den doorsteek in de wallen. Niemand sprak hen aan, +maar hun hart klopte fel; zij hijgden en het zweet droop van hun wezen. + +--'t Is warm, meende Snepvangers, en dan onder die winterkleeren. + +--Ja!... + +Langs de vaart, naast de dokken zeulden zij voort. Alles lag stil en +verlaten te broeien onder de zon. 't Was een vredige zondag waarin +musschengetjilp weerklonk. Er roerde niks op de schepen en schuiten. +Plots aan het goederenstation zagen zij weer soldaten, veldgrijzen met +pinhelmen op. + +--Hier stonden gardecivikken, bedacht Snepvangers. + +Op de leien, waar de boomen vreemde schaduwen wierpen, dwarrelden de +eerste herfstbladeren neer. De beide terugkeerenden telden de menschen +op hun weg. Naast hen bolde een leege tram voort. + +--Er is nog haast geen levende ziel in de stad, Snepvangers. + +--Ja... maar de stad is ongeschonden, troostte hij zich, we hebben al +vier menschen gezien... de soldaten niet meegerekend ... en de tram rijdt +ook al ... + +De breede Paardenmarkt lag eenzaam; in de Roodestraat zagen zij een oud +wijveken aan het poortje van het godshuis "De seven bloedstortingen". + +--Dat is vijf in het geheel, besloot Snepvangers toen hij zijn sleutel op +de deur stak ... en wij mogen van geluk spreken in de Hobokenstraat ... + +--Weer thuis ... ik dacht dat ik nooit mijn huis meer zou gezien +hebben ... we waren arme ballingen ... + +--Och, Mama, 't is weeral vergeten ... 't is achter den rug ... laat ons +maar denken dat we een reisken naar Holland hebben gemaakt ... maar nu ga +ik eens naar de vogeltjes zien ... + +--Ik ga mee, zei Madame verteederd. + +Toen Snepvangers de deur der kweekkamer openstak klonk hem het lustig +gefrazel en gepiep niet tegen. Met twee stappen stond hij voor de kooi +waarin niets bewoog. De eetbak en de drinkfonteinen stonden als +onaangeroerd, geen vogel bewoog op de roestjes of in de nesten. + +Een schemer trok hem voor de oogen, zijn keel snoerde toe, en hij moest +zich vastklampen aan het vlechtwerk om niet te vallen. + +--Ze zijn allemaal weg, griende hij, allemaal gaan vliegen ... + +--Hoe is nu zoo'n ruit gebroken? vorschte Madame, kom, drink eens +Snepvangers. + +Het glas bibberde in zijn hand, hij klappertande maar voelde de +duizeligheid wijken en alles helder en ijl worden in zijn hoofd. Hij sloeg +de deurkens open en onderzocht de kooi. Een ruit was kapot, meer viel er +niet te zeggen. Dan keek hij in de nesten. In twee mostbeddekens lagen nog +eitjes, in een ander geeldonzige jongen die de vlucht niet hadden kunnen +volgen. In het laatste nestje vond hij een verstijfd poppeken, doodgebroed +op drie eitjes. + +Snepvangers nam het vogeltje, streelde het over de bleekgele pluimen, +bekeek het bekje, probeerde de oogjes open te trekken. + +Madame had medelijden met zijn verdriet. + +--Leg het nu maar weg, Snepvangers, 't is toch dood... + +--Zij zijn allemaal al lang dood, Mama, die vogeltjes zijn niet bestand om +in de wijde wereld rond te vliegen. + +--Wij zullen opnieuw beginnen te kweeken!... + +--Neen, Mama ... ik herbegin niet meer.... Ik zou altijd denken aan dees +moment ... en als ik nog eens vogels wil zien dan ga ik maar naar +Miranda ... 't is mijn schuld ... ik had vlechtdraad voor de ruiten +moeten spannen ... + +--Laat ons nu Spitsken maar gaan halen en naar de kinderen gaan zien ... + +--Ja, naar Albertken.... Wat zal hij verschieten ... hij hield ook zoo veel +van de kanarievogels ... + +--Ja, Snepvangers ... we zullen nog eerst het valiesken +in den coffre-fort sluiten.... + +--En een borreltje drinken, Mama. + + + + +HOOFDSTUK V. + +VRIEND HEIN IN DE BUURT. + + +Toen zij de winkeldeur openden, hoorden zij de schel gaan en zagen zij +Miranda zitten met Spitsken op den schoot. Hij zat midden van gedraaide +tafelpooten, speculatievormen, teemsen en houten keukengerief. + +--Dag, mompelde hij dof en keek hen amper aan. + +Een kanarie riep piet! piet! Snepvangers, vol van zijn verlies, groette +niet, maar Madame werd gewaar dat er iets haperde. + +--Wat scheelt er, Miranda? + +--Miranda, kloeg Snepvangers en hij kreeg een krop in de keel, al mijn +vogels zijn gaan vliegen!... + +--Zij is ook weg, fluisterde Miranda. + +--Och, zei Snepvangers, die niet geluisterd had, maar al mijn vogels... + +--Is zij weg, Miranda? polste Madame die wel iets wist van de vrouw van +den houtdraaier. + +--Ja,... eerst wou zij niet vluchten... tot Vrijdagmorgen hebben wij in +onzen kelder gezeten... dan kwam haar kozijn, de diamantslijper... + +--Was dat haar kozijn, Miranda? + +--Zoo heeft zij toch altijd gezegd, Madame... en dan sprak zij van weg te +trekken... en ze zijn er stillekens uitgemuisd... lieten mij alleen... zij +was mij te jong.... + +--Een poppeken lag dood op den nest, Miranda. + +--Ja, de vogels, knikte Miranda.... Ik denk maar dat de vent eens genoeg +van haar krijgt en dan.... Mijn arme vrouw!... + +--Mijn arme vogels!... + +Madame lokte met moeite Spitsken van Miranda's knieën, begon hem te +streelen. + +--Spitsken heeft zoo'n schrik uitgestaan, leefde + +Miranda op, ik heb hem in mijn armen moeten wiegen, hij was als een kind. + +--Het was zeker vreeselijk, Miranda? + +--Och, Snepvangers, ik weet het niet meer... de hond was mij een troost... +en dan zijn de soldaten voorbij getrokken... en dan zijn de +stadswerklieden gekomen met wagens en ladders om de vlaggen af te doen... +of die kwamen eerst... ik weet het niet meer... + +--Het feest was uit, Miranda... + +--Dan heb ik een dag en een nacht geslapen.... Ik was zoo triestig dat ik +met spijt wakker werd... + +--Kom straks bij ons eten, verzocht Madame, ge moet maar verzet zoeken... +niet suffen... + +--Ja, we zullen malkander troosten, jokte Snepvangers, we hebben allebei +wat verloren in 't bombardement. Gij uw wijf en ik mijn vogels... we +moeten het maar niet aan ons hart laten komen. + +--Ik zal Spitsken straks brengen... + +--Hij kan van den hond niet scheiden, zei Snepvangers toen ze buiten +kwamen. + +--We moesten hem Spitsken maar afstaan, bedacht Madame, hij geraakt anders +nog op den dool... met den hond heeft hij aanspraak.... + +Al de huizen met de gesloten luiken schenen verlaten. Op de +minderbroedersrui waren een paar winkels open, een vleeschhouwerij en een +bloemenzaak, een kroegje en een tabakswinkel. Aan een vlaggestok hing +nog een afgescheurden, zwarten reepel. Veldgrijzen kuierden, met het +geweer aan den riem, door de doode straten. + +--Ik denk soms dat ik droom, zei Snepvangers. + +Op de Torfbrug stond Antoine in den winkel en voerde een praatje met een +soldaat. Hij knikte eventjes alsof zij slechts een half uurtje afwezig +waren geweest. De hangklok in de huiskamer sloeg twaalf toen zij Marieken + en de kinderen beurtelings omhelsden. + +--Albertken, we zullen samen iets koopen, vezelde Snepvangers, in Holland +vond ik zoo niks naar mijn goesting. + +--Ik heb zoo aan u gedacht, schreide Madame. + +--We gaan nu weer allemaal samen aan tafel zitten, troostte Marieken +nuchter ... en hebt ge u goed geamuseerd in Rozendaal? + +--Daar valt niet over te klagen, verzekerde Snepvangers, maar Antoine, zei +hij tot zijn schoonzoon, die juist binnenkwam, hoe kunt ge met zoo'n +soldaat staan sjauwelen ... + +--Dat is affaire, Papa ... + +Craen en zijn vrouw kwamen op dat oogenblik binnen. + +--Al mijn kanarievogels zijn weg, Craen. + +--Dat is tegenslag, meende Craen overschillig. + +--Ik heb u nog gewaarschuwd, Papa ... hadt gij maar liever hier +gebleven ... + +Snepvangers zei maar niks meer, zat maar stillekens te luisteren naast +zijn kleinzoon. Zijn vrouw vertelde van de vlucht, van het eiermandje en +den trein, van den Verdierenpikker en den Kruier. + +--En ik werd in het Comiteit der vluchtelingen gekozen, kon hij niet +nalaten er met een vleugje ijdelheid aan toe te voegen. + +--De echte Sinjoren zijn gebleven, misprees Antoine en at weer +ongenaakbaar voort. + +--Antoine heeft er bij ons den moed ingehouden, zei Madame Craen. + +--Ja, bevestigde Marieken, want ik was bang toen het hier krioelde van +soldaten ... de eerste nacht mochten de mannen niet in de huizen rond de +Groote Markt blijven ... Mama is dan hier gebleven en Antoine met Papa +naar de Melkmarkt gaan slapen.... + +--Ik heb maar altijd een goed glas wijn gedronken, bekende Craen, zoo heb +ik mij recht gehouden ... + +--Maar 't gaat alles ordelijk, verzekerde Antoine. + +--Er zijn nog geen duizend menschen in de stad, zuchtte Madame Snepvangers. + +--Wel wat meer, Mama, wel wat meer! + +--'t Zal niet veel zijn, Antoine. + +--Ik zou nog wel eens willen gaan zien naar het huis van ... + +--Ik ga mee, zei Craen, + +Samen trokken zij door de eenzame straten en hoe verder zij van den +Noordkant afdwaalden hoe meer gebroken ruiten zij vervangen zagen door +planken en linoleum en hoe meer getroffen huizen zij telden. + +--Het glas is al opgeruimd ... wat ge nu nog ziet blikkeren is de moeite +niet ... bergen glasscherven hebben er gelegen ... eigenlijk, Snepvangers, +was het verstandig te vluchten ... + +--Dat weet ik nog zoo niet, sprak Snepvangers tegen, ik was veel liever +hier gebleven ... voor uw plezier moet ge niet gaan vluchten. + +Het huis van den Verdierenpikker bleek ongeschonden. Zij onderzochten het +van zolder tot kelder, vonden in de veranda een vruchtenschaal met sappige +peren die zij profijtelijk begonnen te schillen. + +--Die zouden maar rotten, zei Snepvangers, en hij komt toch niet terug. + +Achter in de tuinen miauwden verlaten katten. + +--Wat een gedacht, herbegon Snepvangers, hij laat zijn huis in den steek +en trekt naar Engeland ... + +--Elk zijn goesting, meende Craen en sneed een tweede peer. + +--Ik moet hem toch een briefken zenden. + +--Ja ... ik ken iemand die morgen naar de grens gaat ... daarbij 't wordt +tijd ... ge weet na acht uur moogt ge niet meer op straat loopen ... + +--Wat nog al meer!... + +--'t Is oorlog, Snepvangers. + +Hij schreef een briefje dat zij op weg naar huis in een estaminetje der +Sudermanstraat bestelden, waar de boodschapper regelmatig kwam. Na koffie +Gedronken te hebben gingen Mijnheer en Madame naar huis. In de straat +ontmoetten zij Miranda met den hond. Madame liep even naar de "Zoutkeet" +en naar den beenhouwer op de Ossenmarkt wat voor het avondeten te halen. + +--Ge moogt Spitsken hebben, Miranda. + +--Dank u, Snepvangers ... maar ... + +--Ge moet niet ongerust zijn ... mijn vrouw heeft er eerst aan gedacht. +Ge zijt zeker bang geweest, Miranda? + +--Neen, Snepvangers, 'k heb aan niks gepeinsd. + +--En als de stad dan precies in brand stond? + +--Ik heb niks gezien ... enkel de vlaggen die afgetrokken werden en de +soldaten die inrukten ... + +--Als we nu gegeten hebben, besliste Madame terwijl zij het vuur aanlegde, +dan gaan wij kaart spelen en een borreltje drinken ... + +--Maar na acht uur, aarzelde Miranda ... + +--Gij blijft hier slapen! + +--Dat spreekt van zelf, oordeelde ook Snepvangers. + +Lichtjes beneveld gingen zij slapen en 's anderendaags ontwaakte Miranda +minder droefgeestig gestemd. Het gezellig avondje had hem over zijn +zwaarste leed heen geholpen. + +Twee dagen later kwam de Verdierenpikker thuis. Een groot verlangen naar +zijn stad had hem van de voorgenomen reis doen afzien. + +--'k Had het wel gepeinsd ... + +--Oude boomen verplant men niet meer, verontschuldigde zich de +Verdierenpikker. + +--Dagelijks komen er terug ... Antoine zegt dat het heimwee is, een soort +ziekte.... Hoe is 't met den Kruier? + +--Goed, denk ik. + +--De Hollanders zijn toch nobel geweest ... zoo hulpvaardig ... zoo ... + +--Ja, Snepvangers, maar ... + +--Wat maar? + +--'k Heb toch ook hooren klagen in den trein ... menschen die peperduur +hadden mogen betalen ... + +--Als 't maar geen stoef is, wantrouwde Snepvangers. + +--Ik zeg niet neen ... ik weet het niet ... in mijn boterwinkel waren ze +zeer convenabel en toch ... + +--Wat? + +--Toch hebben ze me drie eieren te veel gerekend ... 'k heb het maar +blauw blauw gelaten ... + +--En hoe vindt ge de stad? + +--Och 't kon veel erger zijn ... + +--Ja, zei Snepvangers droomend, maar ik vind het zoo al erg genoeg ... + +Met Albertken wandelde hij de volgende dagen rond om de ingeschoten +huizen, de puinen en zwartgeblakerde muren te bezichtigen. Soms bleven zij +staan luisteren naar de muziekkorpsen die op openbare pleinen speelden, +het was een grillige fluitjesmuziek die Snepvangers weinig opwekkend vond. + +Doch Albertken moest weer naar school, het herfstweer bracht regen en +vroege duisternis en de dagen gleden doelloos voort. Het havenbedrijf lag +compleet stil, er liepen geen postboden door de stad en het grensverkeer +was gesloten. Onophoudelijk bonkte het kanon. Uit baloorigheid las hij de +plakkaten van den bezetter. + +Madame had haar gewoon leven hernomen en zij verdeelde haar tijd tusschen +haar huishouden en het huishouden van Marieken. + +Wanneer Snepvangers toevallig de Verdierenpikker tegenkwam trok deze +steeds een geheimzinnig gezicht en wist allerhande nieuwsjes te vertellen. + +--Vandaag of morgen, als wij wakker worden zijn ze weg, vertrouwde hij. + +--Zijt ge daar zeker van, vroeg Snepvangers dan telkens ... + +--Ik weet het uit de beste bron ... van iemand die een officier kent!... + +En Snepvangers werd dikwijls wakker zonder dat er iets veranderde. Hij +miste nu zijn Münchener bier, zijn kanaries en zijn onbekommerd leven van +voorheen. Een bestendige onzekerheid kwelde hem. Dikwijls zocht hij troost +op den werkzolder van Miranda. Zijn vriend vergat zijn werk en kwam naast +hem zitten voor de vogelkooi. Miranda was zeer gelaten in zijn lot. + +--Ik bid veel, zei Miranda, ik bid voor mijn vrouw ... + +--Zij is het niet waard, jongen. + +--We mogen niet hard zijn in ons oordeel, Snepvangers. + +--Ze verdient ransel! + +--Niemand is slecht, Snepvangers, de menschen zijn maar ongelukkig... en +onverstandig ... + +--Toch!... Een pater heeft in de kerk komen prediken dat oorlog een straf +is omdat de menschen te slecht geleefd hebben!... + +--Dat had hij niet mogen zeggen, Snepvangers... + +--Ik geloof u, zei Snepvangers zacht, maar nu is de wereld zot... + +--Er komt een nieuwe tijd, Snepvangers. + +Antoine was in die dagen dikwijls afwezig, en Marieken verving ham achter +den toog. + +--Waar zit Antoine toch? vroeg zijn schoonvader. + +--Affaires, Papa!... Antoine wint veel geld... + +--Veel geld, Marieken? + +--Ja, Papa, in zeep, olie en suiker... hij koopt en verkoopt... gunt zich +amper tijd om te eten en te slapen... + +--Wat ge nu zegt, mompelde Snepvangers verbluft. + +--Maar zwijgen, Papa, niemand weet het... het is een verrassing voor +nieuwjaar... + +Op Oudejaarsavond kwam de familie bijeen op de Torfbrug. Zij vierden het +wel niet zooals naar gewoonte, maar dronken toch een glas champagne. +Antoine zag er zeer vergenoegd uit. + +--Alvorens te drinken op beter dagen, zei hij, moet ik u iets +mededeelen... ik heb een tijdje de wetenschap vaarwel gezegd en zal dat +nog wel een tijdje doen... ik heb mij op den handel toegelegd en tot +heden honderd-vijf-en-zeventig duizend frank gewonnen... + +--Antoine! + +Craen kon van verteedering niets meer zeggen. De moeders weenden van +ontroering en Snepvangers prevelde ondanks zijn verbazing dat hij het +altijd verwacht had. + +--Eer het nog eens nieuwjaar is woon ik op den boulevard Leopold!.... + +--Ik gaf mijn affaire over, ried Craen. + +--De oorlog is nog voor iets goed, oordeelde Madame Snepvangers. + +--Ge moet van de gelegenheid weten te profiteeren, betoogde Antoine, +toekomend jaar is het misschien vrede... + +Snepvangers kon het nieuws voor Miranda niet verzwijgen. Hij ging hem +nieuwjaar wenschen en vond hem in de triestige achterkeuken die op een +goor, blauwgekalkt koerken uitzicht gaf. Spitsken zat op een stoel naast +hem. + +--Een gelukkig nieuwjaar, Snepvangers. + +--Van 's gelijken, Miranda. + +Zij proefden een borreltje Boonekamp, en de hond kreeg wat melk in een +bordje. + +--Miranda, onder ons... 'k heb groot nieuws... + +--Van...? hakkelde Miranda. + +--Van mijn schoonzoon, zei Snepvangers stralend. + +--Zoo? + +--Hij heeft een fortuin gewonnen... honderd-vijf-en-zeventig duizend frank +met speculeeren in zeep en van alles! + +--Zoo! + +--Ge zegt zoo niks... + +--Wat kan ik daarover zeggen... + +--Wel dat het toch schoon is... + +--Maar het is niet schoon, Snepvangers! + +--Niet schoon?... Poddozie, Miranda! Wat is dan schoon? + +--Dat is niet eerlijk gewonnen, Snepvangers, dat is woekeren. + +Een oogenblik nog keek Snepvangers Miranda aan. Beiden waren bleek en +spraken geen woord meer. Snepvangers stond op en verliet zijn vriend +voor dat één woord dat hem zoo gegriefd had. Wanneer zijn vrouw hem in +den loop der week naar Miranda vroeg, gaf hij geen bescheid. Zij hebben +ruzie gehad dacht Madame, 't zal over den oorlog zijn... Na de breuk met +Miranda voelde Snepvangers zich eenzaam. Antoine en Craen zocht hij +niet. Albertken ontgroeide hem langs om meer, de Speeker was verdwenen. +Alleen de Verdierenpikker zag hij soms in de herberg, maar deze +disputeerde altijd zoo fel over den "Krieg" en kende zooveel geheime +telegrammen die onder de bezetting niet bekend mochten worden! +Snepvangers vreesde hem, geloofde en wantrouwde hem te gelijk. + +Op het einde van Januari liep het tusschen Snepvangers en zijn +schoonzoon weer verkeerd. Snepvangers bewonderde hem om zijn rijkdom, +maar kon niet dulden dat hij hem telkens weer herinnerde aan zijn +vlucht. Zij waren toch maar eventjes afwezig geweest. Niet zooals die +anderen die nu pas terugkeerden kon hij gerekend worden onder de +deserteurs. De maat liep over toen Antoine de bronzen medalje in zijn +knoopsgat droeg, _Antwerpen getrouw_. + +'t Gaf een steek in zijn hart al zei hij geen woord. De volgende zondag +kwam ook hij aan tafel voorzien van het eereteeken der dapperen die +Antwerpen niet verlaten hadden tijdens het bombardement. + +--Wat, Papa, draagt gij ook de medalje? zei Antoine puur ontdaan van +verbazing. + +--En waarom niet? vroeg Snepvangers loos. + +--Maar gij waart Antwerpen niet getrouw... + +--Antwerpen niet getrouw? ... We waren amper een paar uurkens buiten de +poort, daar was het veel gevaarlijker dan in een kelder, Antoine... + +--Maar! + +--En wie de medalje betaalt, mag ze dragen... iedereen draagt ze... zelfs +de mannen die verleden week terugkwamen. + +--Ge hebt gelijk, bekende Antoine, maar dan draag ik ze niet meer... + +--Gelijk ge wilt, Antoine! Maar een decoratie staat altijd chic! + +Na een week vergat Snepvangers het speelgoed in het schuifken van zijn +nachttafeltje. + +Om zijn tijd te dooden bezocht hij weer koopdagen of trok naar het +Justiciepaleis. Soms ging hij met Madame 's namiddags in een cinema een +kop koffie drinken. Hij vond het eigenlijk onaangenaam in het donker te +zitten kijken naar de trilbeelden tot het voor de oogen begon te +schemeren. Maar heel de stad liep naar de zalen, daarom ging ook hij er +luisteren naar de muziek, en zoo passeerde de tijd. De komische +tooneelen deden hem schaterlachen, maar Madame trok dan telkens met zijn +mouw om hem aan zijn fatsoen te herinneren. De griezelige drama's +integendeel verveelden hem geweldig. Hij geeuwde dan, dat kon toch +niemand merken, en was verwonderd dat zijn vrouw zich zoo vreeselijk +scheen te amuseeren. Hij was blij wanneer bij poozen het licht hel en +uitbundig door de zaal spoot in wisselende kleuren, rood en wit. Wat +vreemde loop had zijn leven toch genomen! Hij zat hier in zoo'n nieuw +ding en 't was oorlog... + +Zekeren namiddag, in het voorjaar toen hij van het Justiciepaleis kwam, +ging hij een glas bier drinken in een café aan den overkant der leien. +Hij nam de N.R. Courant op en las maar wat. Ten slotte verstond hij niks +van die telegrammen en militaire beschouwingen. De toestanden waren zoo +raar en verward, het bier had geur noch smaak en de menschen leefden in +hoop en vrees. De krant zakte neer en Snepvangers staarde naar het +ritselend groen der boomen op de leien naar het licht der meizon dat +gouden glans rond de grillige schaduwen spon. Een soldaat zat op een bank +onder een boom en las een brief. Het zicht der veldgrijzen ontroerde hem +niet meer, en hij keek niet eens op wanneer hij een vlieger hoorde snorren +in den hemel. Doch de levensonzekerheid sarde hem, knaagde aan zijn hart +en peuterde aan zijn humeur. + +Snepvangers was blij toen een kranige oude heer in zijn buurt kwam zitten, +een glas garsten bestelde en de gazet vroeg. + +Het scheen iemand van gewicht. De man liet achteloos zijn monocle vallen, +lei zijn grijzen hoed naast zijn wandelstok met gouden appel op de +marmeren tafel, dronk een slokje en begon te lezen. Het blad hield hij +gevouwen tusschen de zeemlederen gehandschoende vingeren. Onder de +opengesperde vleugels van zijn rooddooraderde neus stond zijn witte snor +puntig opgestreken met kosmetiek. Door zijn platgekamde haren liep een +streep tot achter in den wijnrooden hals. In het knoopsgat van zijn zwarte +jacquet pronkte een purperen lintje en op zijn wit piqué vestje bengelde +een gouden ketting waaraan een vreemd muntstuk hing. + +Snepvangers kon zijn oogen niet afwenden van den eleganten heer, zag hoe +deze fijntjes een sigaret opstak, de blauwe rookwolkjes opblies, weer een +slokje nam, zijn grijze streepjesbroek optrok om de plooi te bewaren en +voortlas. + +Een gedistingeerd heer, peinsde Snepvangers, iemand met voorname manieren, +zeker een notaris! + +Eindelijk legde het heerschap de krant neer, zette zijn monocle op en keek +met lichtblauwe oogen eventjes Snepvangers aan. + +--Schoon Meiweer, Mijnheer, knikte Snepvangers vertrouwelijk. + +--Puik weer, klonk het hoffelijk antwoord. + +--Was de oorlog nu maar rap gedaan, praatte Snepvangers, de menschen +worden het beu,... het duurt nu al negen maanden. + +--De oorlog zal nog lang duren, Mijnheer... + +--Denkt ge dat? zei Snepvangers ongeloovig. + +--Heel Europa komt nog in den dans, voorspelde de man. + +--Mijn vriend had gisteren anders goed nieuws, fluisterde Snepvangers, en +schoof dichter bij. + +--Uw vriend?... is het een militair? + +--Neen!... Een rentenier... Hij heeft eens gewonnen met verdierenpikken en +grondspeculaties.... + +--Ha, zoo!... En u is ook een rentenier? + +--Ja, om u te dienen... Mijn naam is Snepvangers, Snepvangers uit de +Hobokenstraat.... + +--Ik ben Generaal van den Bergh.... + +--Aangenaam u kennis te maken, Generaal, zei Snepvangers toeschietelijk, +stond recht en stak de hand uit, excuseer mij, maar dan zult ge er wel +meer van weten dan mijn vriend... stiel is stiel... en gij denkt dus dat +de oorlog nog lang zal duren... + +--De oorlog begint pas, Mijnheer Snepvangers. + +--Generaal, Generaal, riep Snepvangers onthutst, en alles kost nu al zoo +duur... + +--Alles zal nog duurder worden, zei de Generaal ijzig kalm, speelt u soms +domino, Mijnheer? + +--Ik ben maar een krabber, verontschuldigde zich Snepvangers. + +--Een partijtje? + +--Om u te dienen, Generaal. + +De Generaal trok zijn handschoenen uit, liet zijn monocle zakken terwijl +Snepvangers zijn pint leegdronk, tegenover hem plaats nam en de garçon het +Groene dominobord en de steenen bracht. + +Met zijn witte, mollige vrouwenhanden, streek de Generaal over de zwarte +dominoruggen. Een opaal glom in zijn gouden ring aan den linkerpink. + +--En hebt ge geen last gehad, prevelde Snepvangers. + +--Last? + +--Ja, als Generaal meen ik.... + +--Och neen... Ik kreeg mijn pensioen toen de oorlog pas aan gang was... in +September... + +--Dat is veel beter, meende Snepvangers met overtuiging. + +--Ik had veel liever meegevochten, Mijnheer Snepvangers, maar er werd +geintrigeerd... en ik had last van gebarsten aders in de beenen... + +--Lang gediend, Generaal? + +--Als kind reeds in de soldatenschool... haast vijftig jaar militair +geweest. Nu is er vooruitgang voor de jongeren... les jeunes... zij zullen +weten wat oorlog is... Opgepast, Mijnheer Snepvangers! + +Het spel begon en de Generaal werd zoo stom als een visch. Snepvangers +hield de mollige handen in het oog en de roomkleurige bovenkant der +domino's, waaruit een koperen pinneken stak. De steenen sloten telkens +met doffe tikjes aaneen. + +Tot welgevallen van zijn medespeler verloor Snepvangers twee spelletjes. +Dan haalde de Generaal zijn gouden repetitiehorloge uit zijn vestzak. + +--Ik moet weg, Mijnheer Snepvangers, betreurde hij, een bezoek bij een +dame... + +--En die mag men niet laten wachten, meende Snepvangers welwijs. + +--Natuurlijk, zei de Generaal schalks, komt u hier meer? + +--Af en toe, loog Snepvangers. + +--Komt ge morgen?... Twee partijtjes... niks meer... + +--Volgaarne, Generaal! Neen, ik verlies... ik betaal... + +De oude Generaal trok zijn zeemlederen handschoenen aan, nam hoed en stok, +groette en ging. + +Opgewekt wandelde Snepvangers naar de Torfbrug waar hij zijne vrouw moest +afhalen. + +--De oorlog zal lang duren, verklaarde hij een beetje ijdel. + +--Wie zegt dat? vroeg Antoine uit de hoogte. + +--Iemand die het weten kan... een vriend! + +--Een vriend van u! + +--Ja, Antoine, een Generaal! + +--Een Generaal, wantrouwde Antoine... + +--Ja, Generaal van den Bergh... en dat is de eerste de beste niet! + +--Waar woont die Generaal, Papa? + +--Ieverans op 't Zuid tegen het Justiciepaleis, verweerde zich +Snepvangers. + +--Ik wist niet dat ge een Generaal kendet... Ge hebt er nooit over +gesproken... + +--Ik heb er nooit aan gedacht er over te spreken... maar ik speel nog al +eens domino met hem in 't café... hij spreekt Gentsch... + +Dagelijks speelde hij voortaan domino met den Generaal. Soms gingen zij +samen wandelen naar het Nachtegalenpark. De galante Generaal waardeerde +zijn vriend voor zijn geduldig toeluisteren wanneer hij militaire +aangelegenheden besprak. Hij was een vereenzaamd man die met zijn oude +zuster onder een dak woonde. Van garnizoen naar garnizoen had zij hem +gevolgd en nu leefden beiden stillekens onder vreemde menschen. +Snepvangers zag in hem een toonbeeld der voorname wereld. Hij zwoer bij +de woorden van den Generaal, droeg ook handschoenen wanneer hij naast hem +liep en knikte diepzinnig bij elk betoog. Wanneer Antoine iets zei, haalde +hij er maar telkens eene ware of eene ingebeelde meening van den Generaal +bij te pas, wat niet naliet Antoine te hinderen. + +In het najaar zaten beide heeren menigmaal te kijken naar de zwanen die +op den parkvijver dreven. + +--Aristocratische vogels, zei de Generaal. + +--Zij hebben lange halzen, bemerkte Snepvangers. + +--De bladeren vallen al van de boomen, nam de Generaal waar. + +--'t Schoon weer zal gauw gedaan hebben, en dan krijgen wij weer regen en +wind... + +--Ja, Snepvangers, het schoon weer... maar dat komt nog eens terug... +toekomend jaar... maar de schoone tijd komt nooit terug zoomin als onze +jeugd... + +--Meent ge dat, Generaal? + +--Weet ge wat de schoone tijd was, Snepvangers?... Toen ik onderluitenant +was en in garnizoen lag te Dendermonde... + +--De meisjes, fluisterde Snepvangers. + +--En de bals en de oefeningen... de kameraden... en later toen ik kapitein +was en te Luik verbleef... en nog later als majoor op de manoeuvres... en +toen ik kolonel was te Oostende en 's zomers de koning mij feliciteerde +omdat mijn regiment zoo prachtig marcheerde... + +--En toen ge gedecoreerd werd, vulde Snepvangers aan die reeds meermaals +deze ontboezeming gehoord had. + +--Ja, droomde de Generaal. + +--En als uw muziekkorps zooveel bijval had!... + +--Ja, Snepvangers. + +--Ik begrijp het, zei Snepvangers, dat was zoo precies wanneer mijn +kanarievogels bewonderd werden. + +--Nu vechten zij, Snepvangers... waar voert het heen? + +--De menschen vallen als vliegen en alles wordt verwoest, Generaal. + +--Er komt een nieuwe tijd. Snepvangers, maar ik zeg: nooit komt het oud +regiem terug... en dat was de schoone tijd... + +--Wij zijn menschen van den schoenen tijd. Generaal. + +--Ja, Snepvangers... het menschdom ontsnapt ons... wij kunnen het niet +meer regeeren... en wie weet wat komen zal... Wie zal regeeren?... De +volken vechten voor de heerschappij... Het zijn sterke vijanden... Ons +arm land, Snepvangers.... Wij zijn het kind van de rekening.... + +--En wat staat er ons nog te wachten, zei Snepvangers somber. + +--De nieuwe tijd ... nieuwe regeerders ... maar de menschen verbeelden +zich nog dat alles weer worden zal zooals het was.... + +Het betreuren van het verleden en de ernst van de bespiegeling wogen +Snepvangers wel eens zwaar, maar de Generaal, in tegenstelling met +Antoine, scheen ook zijn meeningen te waardeeren. Het gaf hem +zelfvertrouwen, vooral sinds hij in het dominospel een knapheid had +verworven die zijn tegenstander bewondering afdwong. + +Op Oudejaarsavond verraste Antoine ditmaal de familie op het bericht dat +hij een heerenhuis gekocht had op de Leopoldslei. Zijn fortuin was +aangegroeid tot bij het millioen. Hij beheerschte nu de markt der +specerijen, had groote hoeveelheden peper, saffraan, kaneel en kruidnoten +opgestapeld, was betrokken in een zaak die alcohol, azijn en leder +opkocht. De drogerij deed hij van de hand. + +--Nu gaat gij zeker koets en paard houden? Polste Snepvangers. + +--Och, neen, Papa ... later zullen we zien ... + +--Die het er nu zóó aanhangen, zei Craen, zijn maar mannen die geen geld +gewoon waren ... met het trommeltje gewonnen, met het fluit je +verteerd.... Antoine zal ze wel bijhouden.... Maar ik ga nu ook +rentenieren.... + +--Hij komt misschien nog in den Senaat, blufte Marieken. + +--Met uw cens moogt ge wel een amusement hebben, vergoelijkte Snepvangers. + +--Een amusement, Papa!... Ik zou het aanzien als een vaderlandsche +plicht.... + +--De nieuwe tijd, jongen.... Ik begrijp het wel.... De Generaal heeft het +mij uitgelegd.... + +--Ha, de Generaal, wrokte Antoine. + +Het leven ging zijn gang en de menschen bekommerden zich haast nog +uitsluitend om het eten. Soms, als het gebonk der kanonnen luider daverde +dan naar gewoonte, besloop hen wel een heimelijke vrees. Wat stond hen +nog te wachten? + +Snepvangers leed weinig onder het oorlogsgebrek. Hij was van oordeel dat, +nu de kinderen zoo rijk waren, zij zich niets moesten te kort doen. Madame +vond in koken en smooken haar behagen, maar Madame Craen leed onder een +beredeneerde onrust en vermagerde zichtbaar. In het voorjaar ontmoette +Snepvangers den vervallen Verdierenpikker. Hij had hem wekenlang niet +gezien. + +--Dag, Snepvangers! + +--Waar hebt ge zoolang gezeten? zei Snepvangers joviaal. + +--In de Begijnenstraat... Ja, in 't gevang... + +--'t Is wat schoons, verweet Snepvangers. + +--Ja maar, vriend, 't was omdat ik verboden gazettekens had rondgegeven... + +--Bemoei u met die vodden niet, bestrafte Snepvangers, blijf overal uit... +Gij kunt er toch niks aan veranderen... + +--Maar... + +--De Generaal zei het ook!... + +--Ik ben toch een martelaar voor de goei zaak, oordeelde de +Verdierenpikker. + +--Och martelaar, 't kan zijn, zei Snepvangers, maar dat trekt mij niks +aan... ik eet liever thuis dan in den amigo... + +--En wat denkt de Generaal van den oorlog? Vroeg de Verdierenpikker +kleintjes. + +--'t Zal nog heel lang duren, verzekerde Snepvangers. + +--Dat is goed voor de woekeraars, zei de Verdierenpikker, maar slecht voor +ons arm huisbaaskens... de huizen zullen dan geen cent meer opbrengen... + +--Ja, vriend, weifelde Snepvangers, waar is onze tijd... + +--Die komt nooit meer terug, zuchtte de Verdierenpikker. + +Zij herdachten hun gezellige dagen, hun centjes winnen in de verkoopzalen, +de wijnproeverijen en ook den onvergetelijken Goeden Vrijdag. + +--Saluut, Snepvangers, zei de Verdierenpikker een diepen zucht slakend. + +Hij ziet er niks goed uit, overwoog Snepvangers, hij veroudert. + +Op Sinxendag ontving Antoine voor de eerste maal in zijn hotel. Het was +een puik familiedineetje opgediend door twee pronte meiskens in 't zwart. +Zij droegen witte schorten en blanke tulen mutsjes en liepen geruischloos +over den geboenden vloer der stemmige, oud-vlaamsche eetkamer. Aan den +muur hingen groote schotels in nieuw Delftsch, twee prenten, kermissen +van Teniers, en een schilderij, een stilleven, waarop een overvloed van +vruchten was afgebeeld. Op de piano stonden de familieportretten. + +Na het eten werd de koffie geschonken in de verandah. De muren, in +rotspleister, waren met mos en groen bezet, een fonteintje spoot. De dames +zaten op bamboestoeltjes en de heeren lagen lui hun sigaar te rooken +in clubfauteuils. Snepvangers zag de fraaiheid weerkaatst in een grooten, +zilveren spiegelbal, aan een kant de kamer, daarnaast een stuk van den +diepen tuin, een rood bed geraniums en het levend groen. De deuren stonden +open, vogels kwinkeleerden in de hoornen, Albertken zat als verloren te +droomen op den tuintrap. + +--Wel, Antoine, ge haalt er eer van... + +--Rijk zijn is toch plezant, meende Craen. + +--Ge moet den Generaal eens verzoeken... + +--Ja... dat kon ik wel doen, gaf Antoine toe. + +De kinderen werden door de meiden weggeleid en Marieken ging de moeders +voor om het huis te bezichtigen. + +--Ge kunt niet gelooven hoeveel geld er gewonnen wordt, herbegon Antoine, +ge kent Vervarcken, de huurhouder, die nu "_La Joie de Vivre_" +exploiteert... + +--Die heeft het met buksvet verdiend, zei Craen. + +--Ja, Papa, maar hij wint nu nog meer... + +--'t Is toch geen treffelijk gewin, vond Snepvangers. + +--Och, Papa, omdat daar juffrouwen dansen en er champagne gedronken +wordt... + +--De Generaal... + +--De Generaal, Papa, is iemand van een anderen tijd... Ik heb de zaal +gezien toen het dochterken van zijn broer, Sofieke, haar eerste communie +deed... Vervarcken heeft geen kosten gespaard... vijf-en-twintig duizend +frank heeft het feest hem gekost... Ik bewaar de spijs-kaart van het +banket... + +--Vijf-en-twintig duizend frank! kreunde Snepvangers. + +--Maar 't was een droom... de voituren roken naar de bloemen... de gang +en de zaal was één tapijt en de juffrouwen in lichte toiletjes strooiden +tuiltjes voor de voeten... 't was zonde voor de rozen... De zaal was vol +electrisch licht. Aan het banket ontbrak niks... Het orkest speelde en er +werd gezongen... Op champagne kwam het niet aan... en de eerste +communiekante zat als een prinsesken in 't wit aan den kop der tafel... +Op het einde hebben de juffrouwen hun schoonste dansen uitgevoerd... de +tango... de one step... la danse d'Hérodiade... + +--Die Vervarcken heeft het ook ver gebracht, zei Craen. + +--Ik zou dat wel eens willen gaan zien, bedacht Snepvangers. + +--Dat past u niet, Papa, op uwen ouderdom... + +--Maar, Antoine, vermits de zaal zoo schoon is... + +--Ik zeg u dat het u niet past... 't is voor de jonkheid... + +--Goed, Antoine, zóó erg ben ik er niet op verzot... + +Een der volgende avonden, wanneer Snepvangers thuis kwam, werd hij +opgewacht door Miranda. Sinds het misverstand hadden zij elkaar niet meer +weergezien. + +--Snepvangers, zei hij en hield de trouwe oogen beschaamd neergeslagen, ik +wou u niet lastig vallen, maar... + +--Wat wilt ge? verzocht Snepvangers norsch. + +--Wilt ge Spitsken terug... Gij zijt toen zeer vriendelijk voor mij +geweest... + +--Gegeven blijft gegeven, Miranda, 't was alles goed en we waren goei +vrienden... maar dat woord over mijn schoonzoon... + +--Laat ons daarover niet meer spreken, Snepvangers, maar nu heb ik +Spitsken niet meer noodig... + +--Niet meer noodig? + +--Mijn vrouw is terug... haar kozijn heeft haar in den steek gelaten... + +--En ge hebt haar niet buiten gesmeten? + +--Och, Snepvangers, ze beefde als een vogeltje toen zij in den winkel +kwam, zij moest zich aan den post van de deur vasthouden... Zij is zoo +mager en oud geworden... Miranda, kent ge me nog? zei ze. + +--En?... + +--Dan heb ik haar op mijn schoot genomen en gekust!... Nu heb ik weer +aanspraak en kan ik Spitsken missen... + +--Als ge den hond gaarne ziet... + +--Ik houd veel van Spitsken, Snepvangers, maar hij zal mij altijd aan +dezen triestigen tijd herinneren... daarom... + +--Ja, Miranda... breng Spitsken maar terug... en veel geluk in uw +huishouden... + +--Dank, Snepvangers... ik heb nog over dat woord nagedacht... het was zoo +boos niet bedoeld... alle fortuinen worden zoo opgebouwd... met arbeid +schraapt men het niet bijeen... Antoine zal niet slechter zijn dan +anderen... + +--'t Is een van den nieuwen tijd, Miranda... 't is misschien wel woeker... +maar Albertken en de kinderen zullen er later goed bij varen... + +In den Herfst van het jaar 1916 zat Snepvangers vruchteloos op den +Generaal te wachten. Het sloeg vijf uur. Langzaam toog de schemering in +de herberg waar hij verlaten zat. Er haperde iets met zijn vriend. Wanneer +het halfzes sloeg was hij zijn ongeduld niet langer meester. Aan de deur +liep hij een man met grijzen profetenbaard tegen het lijf. In zijn arm +droeg deze een bedelbus ten voordeele van het werk tot bestrijding der +tering. + +--Mijnheer Snepvangers, vroeg hij en streek, onderzoekend loerend over +zijn stalen bril, met zijn wijsvinger langs zijn gebogen neus. + +--Wat belieft? vroeg Snepvangers en schoof achteruit van de deur. + +--Mijnheer Snepvangers, zei de Oude en nam zijn vettigen, slappen hoed +van het hoofd, onze vriend, de Generaal is plots gestorven... + +Snepvangers leunde tegen den toog, alles draaide en schemerde voor zijn +oogen. Uit het nevelig licht staken de priemende, bruine oogen van den +man met de bedelbus. + +--Wie zijt gij, stamelde Snepvangers. + +--Ik ben Peer De Backer! + +--Peer De Backer, mompelde hij verdwaasd. + +--Kom, zei Peer, dat is 's werelds loop... Kom mee in open lucht... + +--Dood, prevelde Snepvangers terwijl hij achter Peer op straat stapte. + +Hij hoorde de bladeren ritselen, terwijl hij naar een verre lantaarn in +den wazigen mist tuurde. In de hemel stonden de sterren helder geplant en +ver weerklonk wat ijdel geluid. Ik kom nooit meer in dat café, peinsde +Snepvangers ik zou altijd zijn gelaat zien en denken aan de partijtjes +domino. + +--Hij had zijn middagslaapje gedaan zooals gewoonlijk... en toen hij +wakker werd was hij onpasselijk... Hij kon niet opstaan uit zijn zetel... +Clemence, zei hij tot zijn zuster, laat Peer De Backer roepen... + +--Waart gij ook zijn vriend, Mijnheer de Backer, vroeg Snepvangers, haast +achterdochtig. + +--Zeg maar Peer... Vriend?... Ja, vriend en gebuur... ik heb me altijd met +heraldiek bezig gehouden... ik ken de stamboomen van al onze adellijke +families... van als ze iets geworden zijn... ik weet hoe zij geparenteerd +zijn... en zoo heb ik den Generaal leeren kennen... + +--Was hij van adel? + +--Bij lange niet... maar hij stelde er veel belang in... vooral als zijn +respect wat verminderd was... + +--Hoe? + +--Wel ik bewees hem dat een stamvader van een baron als Hollandsch +kleermaker naar Antwerpen gekomen was in de zeventiende eeuw... dat een +ander adellijk heer een afstammeling was van een kamerknecht... + +--Maar wat kan u dat schelen, Peer... + +--Eigenlijk niks... maar dat nu is zoo'n liefhebberij... ik amuseer mij +met blazoenen en wapens... met familieoorkonden en geschiedenissen... + +--De Generaal?... + +--Ja, hij liet mij roepen... "Peer, zei hij, aan mijn hart hapert iets... +ik voel mij zoo aardig... en mijn zuster en de meid zijn maar vrouwen... +als er mij iets overkomt... Ik ben een man, Peer... dan reken ik op u... +vergeet dan niet mijn vriend Snepvangers te verwittigen..." Hij gaf mij +nog een hand, zakte terug in zijn zetel en was dood... Hartaderbreuk... + +--Zoo onverwacht, Peer! + +--Elk krijgt zijn beurt... heden ik... morgen gij... Weet gij nog dat wij +samen op school geweest zijn... Herinnert ge u rosse Peer niet?... + +--Ja, aarzelde Snepvangers, hij heeft me nog een bloedneus geslagen... + +--Dat was ik, bekende Peer zedig. + +--Wel!... wel!... + +--Ja... gij zijt in uw affaire rijk geworden... en ik niet... anders ging +ik met geen bedelbus rond in de cafés... Nu moet ik mijn ronde beginnen... +Ik ben filosoof, Snepvangers... gij met uw geld zijt toch niet gelukkiger +dan ik zonder cens... Kom mij morgen halen, ik woon boven den kronenwinkel +naast het huis van den Generaal... dan gaan we samen naar 't sterfhuis. + +--Ik zal komen, beloofde Snepvangers en sukkelde alleen voort. + +Hij trok door stille straten, suffend en als geslagen. Vrees knaagde hem, +vrees voor wat hij niet noemen dorst. Wat is het toch rap met een mensch +gedaan, kreunde hij. Tegenspartelen baat niet, en niemand gaat gaarne.... + +--De Generaal is dood, Mama. + +--Och, zei Madame onverschillig, dat is erg ... voor zijn zuster!... +Wanneer wordt hij begraven!... + +--Dat zal ik morgen vernemen.... + +--Ge moet een kroon koopen! + +--Ja. + +Dien nacht droomde Snepvangers dat hij met Peer naar het front moest, zij +hadden schrik en wilden in een schuur kruipen om zich te verstoppen, maar +werden gevat door een lijkbidder en de Generaal stond er bij te lachen, +zoo valsch en zoo harteloos. Het koude zweet brak hem uit toen hij het +dievenkarreken zag voorkomen, het dievenkarreken waarop een kruis stond +als op een lijkwagen. Als afscheid gaf de Generaal hem de hand en in de +zeemlederen handschoen voelde hij de afgeteerde kootjes. Angstig gilde hij +en ontwaakte. + +Aan de koffietafel pruttelde Madame dat het brood weer zoo onsmakelijk was +en zij weer in den regen moest gaan aanschuiven aan de winkeldeur van het +"Nationaal Comiteit". Maar Snepvangers was zijn opgewektheid kwijt, zijn +luchthartigheid waarmede hij anders opbeuren kon en punteeren in het +leven. + +'s Namiddags, de straten waren glibberig en de lucht was een gesloten +wolk, trok hij naar Peer. De luiken van het sterfhuis waren gesloten. Een +oogenblik stond hij voor de vitrien van den kronenwinkel, keek naar de +zwart parelen grafkronen, naar porceleinen kruisjes en harten, naar +celluloïden bloemkransen. Op een purperen lint stond met zilveren letters +gedrukt: "Regrets éternels". + +De winkeldame was een kort, dik menschken met fleurig opzicht. Vruchteloos +probeerde zij haar gelaat in droeve plooi te vertrekken. + +--De schoonste kroon, Madame, en een met zoo'n purperen lint ... 't Is +voor mijn vriend de Generaal!... + +--Ha, de Generaal, Mijnheer.... Wat sterven er menschen ... en zoo'n twee +aardige gevallen ... de Generaal in zijn zetel en de bakkerszoon van +hierover aan den IJzer ... Peer ... och, pardon.... + +--Ik ken Peer wel, knikte Snepvangers, ik kom hem halen om naar 't +sterfhuis te gaan.... + +--Tweede verdieping, Mijnheer, voorkamer. + +In de duistere trapzaal strompelde Snepvangers met beklemd gemoed naar +boven. Glibberig zweetten de muren en de trap kraakte. Een vunze reuk van +afgekookte savooikoolen benauwde hem. + +Vooraleer hij kon aankloppen, opende Peer de kamerdeur en stak zijn +profetenkop buiten. + +--Het riekt weer naar savooien, Snepvangers, ik geloof dat ze beneden niks +anders eten ... ja, zij eten nog raapkoolen.... Kom zet u aan tafel om uit +te blazen.... + +--Ik word oud, zei Snepvangers verdrietig. + +--Ja, wij worden oud, bedacht Peer, wij zullen spoedig niet meer deugen +voor dees wereld.... Dan komt het moment dat ze ons met de voeten vooruit +naar buiten dragen.... Mij is het onverschillig ... ik heb kind noch +kraai.... Met mijn boeken en mijn stamboomen kan niemand iets aanvangen.. +'t is al gehavend en kapot gelezen.... Dat komt in een voddenhuis terecht +of valt in de handen van een koopman in oude boeken.... Zij stoppen mij +stillekens 's morgens vroeg in mijn put.... Zoo, onbekend en onbemind, +worden dagelijks duizenden begraven ... arme menschen vullen de wereld, +Snepvangers.... Maar rijk of arm, allemaal moeten wij den +put in om plaats te maken voor den nieuwen tijd ... voor den nieuwen tijd +vechten zij ... maar wat zal het geven?... Overal zal het wel anders +worden, doch de menschen die komen zullen gelijken aan de dooden in hun +ijdelheid en hun zwakheid.... Ik heb veel gelezen, en ik ben wijs +geworden!... Zoo zal het zijn!... + +--Wij kunnen niet mee heeft de Generaal mij gezegd, Peer. + +--Wilt ge de wereld van gisteren en morgen eens zien?... Kom maar mee.... + +Peer stak een lampje aan en ging voor over het trapportaal, opende de +deur der achterkamer. Het rolgordijn was neergelaten en het lichtje +schemerde. Op reien, aan kapstokken hingen vastenavondpakken: dominos, +prinsendrachten vol klatergoud, gazen danseresjesrokken, clownpakjes, +togas, gendarmen- en rooverskostumen. Grijnzende, kartonnen maskers en +fluweelen mombakkessen lagen op een tafel gestapeld naast hoeden en +bijhoorigheden. + +--Dat verhuren ze beneden rond carnaval, dan bergen ze de kronen weg... + +--Het is griezelig zoo in halfdonker, Peer... + +--Gij hebt het leven nooit griezelig gekend, Snepvangers... Voor de +meesten is het altijd zoo... Kom... Ja de menschen loopen met een +mombakkes en in een vastenavondkostuum... en hoe ouder zij worden hoe +minder zij zeggen wat ze denken... + +Zij zaten weer aan de tafel en de scherpe haviksoogen van Peer loerden +ver zijn stalen bril. + +--Gij hebt zooals de andere menschen van alles geprobeerd om uwen tijd te +passeeren... zoo doen wij allen... Ik zocht in stamboomen, gij in wat +anders... Gij hebt centen gewonnen en uw dochter grootgebracht... Mijn +kinderen stierven en mijn geld verloor ik! Wij jagen veel na en bereiken +haast niks, zitten vol tegenstrijdigheden. Gij hebt uw fortuin gewonnen +in uwen winkel en met huizen... ik was zielhond die soldaten wierf, +vrijwilligers voor ons leger, voor Oost-Indië en het vreemdelingenlegioen +van Frankrijk... En de zielhond was voor de vrede en tegen den oorlog... +Ik was arm en vond behagen in de stamboomen van den adel... Ik ga met een +bedelbus voor de weldadigheid rond maar leef er van, vermits men mij +betaalt om te gaan schooien... En ongelukkiger dan gij ben ik niet, al +weet ik nooit met een tienuren-mis begraven te zullen worden... + +--Ik versta niks van de wereld en de menschen bekende Snepvangers +langzaam. + +Peer lachte somber en er zat een boosaardige lustigheid in zijn oogen. + +--Toch aardig wanneer men met een schoolkameraad kan klappen... + +--Gij zijt nog altijd rosse Peer, fluisterde Snepvangers geknakt, laat +ons nu maar naar den Generaal gaan zien. + +Zij spraken geen woord meer en gingen naar het sterfhuis, zaten een +tijdje tegenover de terneergeslagen zuster van den doode, spraken +schaarsche woorden doch vermeden iets over den afgestorvene te zeggen. +Maar alle drie voelden zij den dood in huis. + +--Willen de heeren hem nog zien? stelde ten slotte Juffrouw Clemence +voor. + +In zijn oud uniform gestoken lag de Generaal op zijn bed. Twee kaarsen +stonden weerszijden van een zilveren crucifix op het nachttafeltje. Op +zijn borst hing zijn eerekruis. Zijn rustig gelaat was matgeel en onder +zijn linkeroog zat een bruine peperkoor. Hij droeg zijn eeuwige +zeemlederen handschoenen. + +--Hij is schoon, lispelde Juffrouw Clemence verteederd. + +--Ik moet weg, antwoordde Snepvangers, het wordt mij hier te benauwd, 't +is zeker de reuk van die bloemen en van het waslicht... + +Op straat herademde hij een weinig maar hij voelde zich flauw. Ik heb +precies honger, dacht hij. + +--Tot morgen, zei Peer, ik ga mijn toer beginnen met mijn bedelbus... 'n +mensch moet in zijn nooddruft voorzien... + +Moeizaam drentelde Snepvangers naar huis. Onzeker was zijn gang, telkens +verdoofden zijn blikken en werd hij duizelig... Klappertandend van +koorts kroop hij achter de stoof en nam spitsken op den schoot. + +--Ik vrees dat ik niet naar de begrafenis zal kunnen gaan, zei hij. + +--Morgen is het weer beter, troostte Madame, ik zal een warm bierpap +gereed maken en er veel foelie in doen... niks zoo goed om te zweeten... + +--En ik die nooit ziek ben geweest! + +--Het moet eens de eerste keer worden, Snepvangers! + +Hij had een onrustigen nacht, bleef 's anderendaags lusteloos in zijn bed +liggen. + +--We zullen Dokter Vaeremans laten halen, besloot Madame. + +--Ik ben ziek en niet ziek, zei Snepvangers, staarde naar de +gordijnbloemen en veronderstelde dat thans de Generaal in zijn lijkkoets +naar het kerkhof reed, enkel vergezeld van Peer vermits de begrafenis in +stilte plaats had. + +Rond den middag hoorde hij de trappen kraken onder het gewicht van den +dikken dokter Vaeremans. Op het portaal hoorde hij hem kortademig blazen, +dan zag hij zijn kortgeknipten, grijzen baard, zijn kinderlijk blauwe +oogen en hoorde hij zijn stem. + +--Steek uw tong eens uit, riep hij van verre, kwam aan het bed en liet +zich naast Snepvangers op het deken neerzakken. + +--Ik ben verder versleten dan gij, Mijnheer Snepvangers, maar ik heb geen +tijd om in mijn bed te liggen. + +--Ik ben ziek en niet ziek, aarzelde Snepvangers. + +--Dat ken ik!... 't Zal niet blijven duren!... 'k Zal een fleschken +schrijven... + +--Alle uren 'n lepel, Mijnheer Doctoor? + +--Ja, Madame, en morgen kom ik nog eens zien... + +De trap kraakte weer, Madame zei nog wat in den gang en dan sloeg de deur +dicht. + +--'t Zal niet blijven duren, paaide zich Snepvangers. + + * * * * * + +Het kloksken der Paters van de Ossenmarkt hield op met kleppen. + +In de Hobokenstraat marcheerde Dokter Vaeremans en bromde onbedacht een +liedje dat hem in het hoofd zat: + +"'t Is 'n vogel veur de kat!... 't Is 'n vogel veur de kat!"... + + + + + +INHOUD. + + + Bladz. +HOOFDSTUK I. VILLA YVONNE 1 + +HOOFDSTUK II. LIEFDE EN ANDERE ONRUSTIGHEID 21 + +HOOFDSTUK III. WIJSHEID EN LEVENSKUNST 46 + +HOOFDSTUK IV. DE VLUCHT DER SAKSISCHE KANARIEVOGELS 75 + +HOOFDSTUK V. VRIEND HEIN IN DE BUURT 125 + + + + +HOLLAND-BIBLIOTHEEK. + +DE KEURVERZAMELING VAN +MODERNE HOLLANDSCHE LITERATUUR. + +_Prijs per deel f_ 1.65, _gebonden f_ 2.25. + + +_Lode Baekelmans_, MIJNHEER SNEPVANGERS +_Henri Borel_, WIJSHEID EN SCHOONHEID + UIT CHINA. +_Ina Boudier--Bakker_, ARMOEDE. + " " " KINDEREN. + " " " HET BELOOFDE LAND. + " " " WAT KOMEN ZAL. + " " " MACHTEN. + " " " BLOESEM + " " " DE ONGEWETEN DINGEN. + " " " EEN DORRE PLANT. + " " " GRENZEN. +_Carry van Bruggen_, EEN COQUETTE VROUW. +_Louis Couperus_, ELINE VERE. +_Gerard van Eckeren_, IDA WESTERMAN. + " " " "GUILLEPON FRÈRES". + " " " ANNIE HADA. +_Anna van Gogh-Kaulbach_, HET RIJKE LEVEN. + " " " " RIKA +_G.F. Haspels_, ZEE EN HEIDE. + " " ONDER DEN BRANDARIS. + " " DAVID EN JONATHAN. +_Cornélie Huygens_, BARTHOLD MERYAN. +_Felix Timmermans_, PALLIETER. +_Augusta de Wit_, DE GODIN DIE WACHT. + " " " ORPHEUS IN DE DESSA. + " " " VERBORGEN BRONNEN. + + +UITGAVEN + +P.N. VAN KAMPEN & ZOON--AMSTERDAM + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Mijnheer Snepvangers, by Lode Baekelmans + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK MIJNHEER SNEPVANGERS *** + +***** This file should be named 15048-8.txt or 15048-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/5/0/4/15048/ + +Produced by Miranda van de Heijning, Guido Royackers and the Online +Distributed Proofreading Team. + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
